Nice Automation Spin and Spinbus de handleiding

Type
de handleiding
EN - Instructions and warnings for installation and use
IT - Istruzioni ed avvertenze per l’installazione e l’uso
FR - Instructions et avertissements pour l’installation et l’utilisation
DE - Installierungs-und Gebrauchsanleitungen und Hinweise
ES - Instrucciones y advertencias para la instalación y el uso
PL -Instrukcjeiostrzeżeniadoinstalacjiiużytkowania
NL - Aanwijzingen en aanbevelingen voor installatie en gebruik
Swing gate opener
SPIN
170
Spin
Inhoud: pag.
1 Aanbevelingen 171
2 Beschrijving van het product 171
2.1 Gebruikslimieten 172
2.2 Voorbeeld van een installatie 173
2.3 Lijst van kabels 173
3 Installatie 174
3.1 Controles vooraf 174
3.2 Bevestiging SPIN 174
3.2.1 Assemblage van de met de SPIN20KCE,
SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail 175
3.2.2 Assemblage geleiderail SNA5 175
3.2.3 Assemblage geleiderail SNA6 175
3.2.4
Bevestiging van de reductiemotor aan de geleiderail
176
3.2.5
Bevestiging van de reductiemotor aan het plafond
176
3.3 Installatie van de verschillende inrichtingen 178
3.4 Elektrische aansluitingen 178
3.5 Beschrijving van de elektrische aansluitingen 179
4 Eindcontroles en start 179
4.1 Aansluiting van de stroomtoevoer 179
4.2 Herkennen van de inrichtingen 180
4.3 Herkennen van de standen van opening
en sluiting van de deur 180
4.4 Controle van de manoeuvre van de deur 180
4.5 Vooraf ingestelde functies 181
4.6 Radio-ontvanger 181
4.6.1 Geheugenopslag van de zenders 181
4.6.2 Geheugenopslag modus I 182
4.6.3 Geheugenopslag modus II 182
4.6.4 Geheugenopslag “op afstand” 182
4.6.5 Wissen van de radiozenders 183
4.6.6 Conformiteitsverklaring ontvanger
en radiozenders 183
5 Opleveringstest en inbedrijfstelling 183
5.1 Opleveringstest 183
5.2 In bedrijfstelling 184
6 Onderhoud en afvalverwerking 184
6.1 Onderhoud 184
6.2 Afvalverwerking 184
7 Nadere details 185
7.1 Programmeertoetsen 185
7.2 Programmeringen 185
7.2.1 Functies eerste niveau (functies ON-OFF) 185
7.2.2 Programmering eerste niveau
(functies ON-OFF) 186
7.2.3 Functies tweede niveau
(instelbare parameters) 186
7.2.4 Programmering tweede niveau
(instelbare parameters) 186
7.2.5 Voorbeeld van programmering eerste niveau
(functies ON-OFF) 187
7.2.6 Voorbeeld van programmering tweede niveau
(instelbare parameters) 187
7.3 Bijplaatsen of wegnemen van inrichtingen 187
7.3.1 BlueBUS 187
7.3.2 Ingang STOP 188
7.3.3 Fotocellen 188
7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen 189
7.4 Speciale functies 189
7.4.1 Functie “Open Altijd” 189
7.4.2 Functie “Beweeg in ieder geval” 189
7.5 Aansluiting andere inrichtingen 189
7.6 Oplossen van problemen 190
7.7 Diagnostiek en signaleringen 190
7.7.1 Signalering met waarschuwingslicht
en gebruikerslicht 190
7.7.2 Signaleringen op de besturingseenheid 191
7.8 Accessoires 192
8 Technische gegevens 193
Aanwijzingen en aanbevelingen bestemd voor de
gebruiker van de reductiemotor SPIN 195
171
NL
SPIN is een lijn reductiemotoren bestemd voor de automatisering
van sectionaaldeuren en, met het speciale accessoire SPA5 (niet
meegeleverd), van kanteldeuren met veren of tegengewichten, zowel
buitendraaiend als binnendraaiend.
De elektrische aansluiting op externe inrichtingen zijn heel eenvoudig
dankzij toepassing van “BlueBUS”, een techniek waarmee het mogelijk
is meerdere inrichtingen met slechts 2 draden op elkaar aan te sluiten.
SPIN functioneert op elektrische energie, maar bij uitval van de
stroomvoorziening via het elektriciteitsnet is het mogelijk de reduc-
tiemotor te ontgrendelen en de deur met de hand te verplaatsen. In
de uitvoeringen waarbij dat mogelijk is, kunt u de facultatieve buffer-
batterij PS124 gebruiken waardoor ook bij uitval van het elektrici-
teitsnet een aantal manoeuvres uitgevoerd kunnen worden.
Tot de lijn SPIN behoren de producten die in tabel 1 en 2 beschre-
ven zijn.
SN6031 moet voorzien worden van de geleiderails SNA5 (3m) of SNA6 (3m + 1m).
SN6041 moet voorzien worden van de geleiderail SNA6 (3m + 1m).
SPIN30; SPIN40; SN6031 en SN6041 kunnen voorzien worden van de radio-ontvangers SMXI of SMXIS en de daarbijbehorende radiozenders.
* 120V in de uitvoeringen SPIN/V1
1) Aanbevelingen
Deze handleiding bevat belangrijke informatie voor de veiligheid van
mensen. Alvorens u met de installatie gaat beginnen, dient u alle in deze
handleiding vervatte informatie te lezen. Bewaar deze handleiding ook
voor later gebruik.
In deze handleiding wordt de naam van de lijn: “SPIN” gebruikt wanneer
er gegevens, aanbevelingen en alles wat alle producten gemeenschap-
pelijk hebben, weergegeven worden. De beschrijving van de afzonderlij-
ke producten kunt u in hoofdstuk “2 Beschrijving product” vinden.
Met het oog op gevaarlijke situaties die zich tijdens de installatie en het
gebruik van SPIN kunnen voordoen, moeten ook tijdens de installatie de
wetten, voorschriften en regels volledig in acht genomen worden. In dit
hoofdstuk zullen algemene aanbevelingen gegeven worden; andere
belangrijke aanbevelingen vindt u in de hoofdstukken “3.1 Controles
vooraf”; “5 Opleveringstest en inbedrijfstelling”.
Volgens de meest recente Europese wetgeving valt het aan-
leggen van een automatische deur of poort onder wat voorzien is
in de Europese Richtlijn 98/37/EG (Richtlijn Machines) en met
name onder de voorschriften: EN 12445; EN 12453 en EN 12635,
die een verklaring van vermoedelijke conformiteit mogelijk
maken.
Verdere inlichtingen, richtlijnen ten aanzien van risico’s en het samenstellen
van het technisch dossier zijn beschikbaar op: “www.niceforyou.com”.
• Deze handleiding is uitsluitend bestemd voor technisch personeel dat
voor de installatie gekwalificeerd is. Behalve de specifieke los te halen
bijlage welke de installateur dient te verzorgen, namelijk “Aanwijzingen
en aanbevelingen bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor
SPIN” kan andere informatie die in dit dossier is vervat, niet als inte-
ressant voor de eindgebruiker worden beschouwd!
Ieder ander gebruik van SPIN dat niet voorzien is in deze aanwijzingen
is verboden; oneigenlijk gebruik kan gevaar opleveren of letsel en
schade aan mensen en zaken veroorzaken.
• Voordat u met de installatie begint dient u een analyse van de risico’s
te maken waarvan de lijst van essentiële veiligheidseisen zoals die in
Bijlage I van de Richtlijn Machines zijn voorzien, deel uitmaakt; hierin
geeft u de toegepaste oplossingen aan. Wij maken u erop attent dat
de risico-analyse één van de documenten is die deel uit maken van het
“technisch dossier” van de automatisering.
• Controleer of er verdere inrichtingen nodig zijn om de automatisering
met SPIN op basis van de specifieke toepassingssituatie en aanwezi-
ge gevaren te completeren; u dient daarbij bijvoorbeeld risico’s op het
gebied van botsen, beknelling, scharen, etc. en andere algemene
gevaren in acht te nemen.
Breng geen wijzigingen aan onderdelen aan, indien dit niet in deze
handleiding is voorzien. Dergelijke handelingen kunnen alleen maar
storingen veroorzaken. NICE wijst elke aansprakelijkheid voor schade
tengevolge van gewijzigde artikelen van de hand.
Zorg ervoor dat er tijdens het installeren niets, ook geen vloeistof, in de
besturingseenheid of andere open inrichting kan komen; neem eventu-
eel contact op het het technisch servicecentrum van NICE; het gebruik
van SPIN in deze situaties kan een gevaarlijke situatie doen ontstaan.
• Het automatisme mag niet gebruikt worden voordat de inbedrijfsstel-
ling heeft plaatsgevonden zoals dat in hoofdstuk: “5 Opleveringstest
en inbedrijfsstelling” is aangegeven.
De afvalverwerking van het verpakkingsmateriaal van SPIN moet
geheel en al volgens de plaatselijk geldende regels plaatsvinden.
Indien er zich een storing voordoet die u niet kunt oplossen onder
gebruikmaking van de in deze handleiding vervatte informatie gelieve u
contact op te nemen met de technische servicedienst van NICE.
Wanneer er een automatische schakelaar of zekering in werking is
getreden, dient u alvorens die terug te stellen, de storing op te zoeken
en die te verhelpen.
Voordat u de interne klemmetjes onder de dekplaat van SPIN aanraakt
dient u alle circuits van stroomtoevoer los te koppelen; indien dit niet
te zien is, dient u een bord aan te brengen met de tekst: “LET OP
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN IN UITVOERING”.
!
2) Beschrijving van het product
1
Model type Reductiemotor Geleiderail Radio-ontvanger Radiozender
SPIN20KCE SN6021 3x1m SMXI FLO2R-S
SPIN21KCE SN6021 3m SMXI FLO2R-S
SPIN30 SN6031 3x1m --- ---
SPIN40 SN6041 3x1m --- ---
SN6031 SN6031 --- --- ---
SN6041 SN6041 --- --- ---
Tabel 1: beschrijving samenstelling SPIN
Reductiemotor type SN6021 SN6031 SN6041
Maximale koppel
(overeenkomende met de maximale kracht)
11.7 Nm (650N) 11.7 Nm (650N) 18 Nm (1000N)
Vermindering verbruik tijdens Stand-By Nee Si Si
BlueBus-eenheden maximaal 2 6 6
Stroomtoevoer bij stroomuitval Nee met PS124 met PS124
Gebruikerslicht (lampfitting) 12V - 21W (BA15) 230V* - 60W (E27) 230V* - 60W (E27)
Tabel 2: vergelijking essentiële kenmerken van de reductiemotoren SPIN
172
2.1) Gebruikslimieten
De gegevens met betrekking tot de prestaties van de producten van de lijn SPIN worden in het hoofdstuk “8 Technische gegevens” weer-
gegeven en zijn de enige waarden waarmee het mogelijk is correct te beoordelen of een product voor bepaald gebruik geschikt is.
De structurele kenmerken van de producten SPIN maken deze geschikt voor toepassing op sectionaal-of kanteldeuren, volgens de limieten
zoals die in de tabellen 3, 4 en 5 zijn weergegeven.
De maten in tabel 3 vormen slechts een richtlijn en dienen alleen voor een eerste schatting. Het antwoord op de vraag of de SPIN daad-
werkelijk geschikt is om een bepaalde deur te automatiseren wordt bepaald door de mate van balancering van de vleugel; de weerstand die
de geleiderails ondervinden en door andere factoren, ook toevallige factoren, zoals de kracht van de wind of de aanwezigheid van ijs die de
manoeuvre van de vleugel zouden kunnen belemmeren.
Voor een reële controle is het absoluut noodzakelijk de kracht te meten die noodzakelijk is om de vleugel over de gehele loop te laten bewegen
en te controleren dat deze niet het “nominale koppel” overschrijdt zoals dat in hoofdstuk “8 Technische gegevens” is aangegeven; bovendien
dient u om het aantal cycli/uur en opeenvolgende cycli vast te stellen, rekening te houden met wat in de tabellen 4 en 5 is aangegeven.
Op grond van de hoogte van de deur kunt u het maximum aantal cycli per uur en het aantal opeenvolgende cycli bepalen, terwijl op grond
van de kracht die noodzakelijk is om de deur te bewegen u het percentage van de reductie van het aantal cycli kunt vaststellen; als de vleu-
gel bijvoorbeeld 2,2 m hoog is, zou het mogelijk zijn 15 cycli/uur en 7 opeenvolgende cycli uit te voeren, maar als voor het bewegen van de
vleugel 300N noodzakelijk zijn, dient u bij gebruik van de reductiemotor SN6021 deze met 70% terug te brengen; het resultaat is dus 10
cycli/uur en circa 5 opeenvolgende cycli. Om oververhitting te voorkomen heeft de besturingseenheid een begrenzer die gebaseerd is op de
kracht die de motor moet ontwikkelen en de duur van de cycli, en die in werking treedt wanneer de maximumgrens wordt overschreden.
N.B.: 1kg = 9.81N dus bijvoorbeeld, 500N = 51kg
Hoogte vleugel meter max. cycli/uur max. opeenvolgende cycli
Tot 2 20 10
2÷2,5 15 7
2,5÷3 12 5
3÷3,5 10 4
Tabel 4: limieten in verband met de hoogte van de vleugel
Kracht om de vleugel te laten
bewegen N
Percentage reductie aantal cycli
SN6021 - SN6031 SN6041
Tot 250 100% 100%
250÷400 70% 90%
400÷500 25% 70%
500÷650 --- 40%
650÷850 --- 25%
Tabel 5: limieten in verband met de kracht die noodzakelijk is om de vleugel te laten bewegen
Model type: SECTIONAALdeur Binnen de gevel blijvende kanteldeur Buiten de gevel draaiende kanteldeur (met het
(met het accessoire SPA5) accessoire SPA5) of met veren (zonder SPA5)
Hoogte Breedte Hoogte Breedte Hoogte Breedte
SPIN20KCE 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m
SPIN21KCE 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m
SPIN30 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m
SPIN40 2.4m 5.2m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m
SN6031 (SNA5) 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m
SN6031 (SNA6) 3.4m 3.1m 3.2m 2.9m 3.5m 3.4m
SN6041 (SNA6) 3.4m 5.2m 3.2m 4.2m 3.5m 4.2m
Tabel 3: gebruikslimieten reductiemotoren SPIN
173
NL
2.2) Typische installatie
Op de afbeelding 2 vindt u een typische installatie van een sectionaaldeur.
2
1 SPIN
2 Fotocellen
3 Fotocellen op zuiltje (afb. 3)
4 Primaire contactlijst
5 Knipperlicht met
ingebouwde antenne
6 Sleutelschakelaar
7 Kabeltje functie PP
8 Radiozender
Op de afbeeldingen 3 en 4 ziet u de typische installatie voor een buiten de gevel draaiende en binnen de gevel blijvende kanteldeur.
Voor installatie op kanteldeuren is het accessoire SPA5 noodzakelijk.
!
3 4
5
6
C
B
A
2
2
4
B
B
D
8
7
1
3
2.3) Lijst kabels
Op de typische installatie op afbeelding 2 worden ook de kabels aange-
geven die noodzakelijk zijn voor de aansluiting van de verschillende inri-
chtingen; in tabel 6 worden de kenmerken van de kabels aangegeven.
De gebruikte kabels moeten geschikt zijn voor het type
installatie; zo bevelen we bijvoorbeeld een kabel van het type
H03VV-F aan, wanneer die binnenshuis gebruikt wordt.
!
Opm. 1: de twee kabels 2x0,5mm
2
kunnen vervangen worden door één enkele kabel 4x0,5mm
2
.
Opm. 2: als er meer dan één lijst is, gelieve u de paragraaf “7.3.2 Ingang STOP” te raadplegen voor het soort aanbevolen aansluiting
Opm. 3: voor de aansluiting van de contactlijsten op deuren dient u de nodige maatregelen te nemen die ook aansluiting bij de in beweging
zijnde vleugel mogelijk maken.
Aansluiting Type kabel Maximaal toegestane lengte
A: Knipperlicht met antenne 1 kabel 2x0,5mm
2
20m
1 afgeschermde kabel type RG58 20m (aanbevolen lengte minder dan 5m)
B: Fotocellen 1 kabel 2x0,5mm
2
30m
C: Sleutelschakelaar 2 kabels 2x0,5mm
2
(opm. 1) 50m
D: Primaire contactlijst 1 kabel 2x0,5mm
2
(opm. 2-3) 30m
Tabel 6: lijst kabels
174
3.1) Controles vooraf
Voordat u met de installatie van SPIN begint, dient u onderstaande controles uit te voeren:
Vergewis u ervan dat al het te gebruiken materiaal in een optimale staat is en
geschikt is voor gebruik en conform de voorschriften.
Controleer of de structuur van de deur ervoor geschikt is geautomatiseerd te worden.
Controleer of kracht en afmetingen van de deur binnen de gebruikslimieten
zoals die in paragraaf “2.1 Gebruikslimieten” zijn aangegeven, vallen.
Vergewis u ervan door de waarden uit hoofdstuk “8 Technische gegevens” te
vergelijken, dat de statische wrijving (dat wil zeggen de benodigde kracht om
de vleugel in beweging te brengen) kleiner is dan de helft van het “Maximale
koppel” en dat de dynamische wrijving (dat wil zeggen de benodigde kracht
om de vleugel te laten bewegen als deze eenmaal loopt) kleiner is dan de helft
van het “Nominale koppel”; het is raadzaam een marge van 50% op deze
krachten aan te houden, omdat slechte weersomstandigheden de wrijving
kunnen verhogen.
Controleer of er op de loop van de deur, zowel bij sluiting als opening, punten
met een grotere wrijving zijn.
Controleer of de mechanische stops sterk genoeg zijn en dat er geen gevaar
bestaat dat de deur uit geleiderails komt.
Controleer dat de deur goed is uitgebalanceerd, dat wil zeggen de deur mag
niet in beweging komen wanneer de manoeuvre op een willekeurige stand
onderbroken wordt.
Controleer of de punten van bevestiging van de diverse inrichtingen (fotocellen,
knoppen, etc…) zo gekozen zijn dat er niet tegen aan gestoten kan worden en
of de bevestigingsvlakken stevig genoeg zijn.
Controleer of de op afbeelding 5 en 6 aangegeven minimum- en maximum-
ruimte voorhanden is.
Zorg ervoor dat er geen enkel deel van het automatisme in water of een ande-
re vloeistof terecht kan komen
Houd alle onderdelen van SPIN uit de buurt van relevante warmtebronnen en
open vuur. Anders zouden ze schade kunnen oplopen of zouden er storingen,
brand of gevaarlijke situaties kunnen ontstaan.
Indien er in de deur een kleinere toegangsdeur is, dient u zich ervan te verge-
wissen dat deze de normale loop niet belemmert, en indien dit wel het geval is,
voor een adequate blokkering te zorgen.
Als de te automatiseren deur een kanteldeur is dient u te controleren dat de
waarde E op afbeelding 7 d.w.z. de minimumafstand is tussen de bovenzijde
van de geleiderail en het hoogste punt dat de bovenzijde van de deur bereikt.
Anders kan de SPIN niet gemonteerd worden.
Steek de stekker voor stroomvoorziening van de SPIN in een elektrisch stop-
contact voorzien van randaarde.
Het stopcontact moet beschermd zijn door een adequate magneetthermische
en differentiaalschakelaar.
7
3.2) Bevestiging SPIN
De bevestiging van SPIN vindt in 3 delen plaats:
Assemblage geleiderail (zie paragraaf 3.2.1 voor de bij SPIN20KCE,
SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail, paragraaf 3.2.2 voor
de geleiderail SNA5 en paragraaf 3.2.3 voor de geleiderail SNA6)
Bevestiging van de reductiemotor aan de geleiderail (zie paragraaf 3.2.4)
Bevestiging van de reductiemotor aan het plafond (zie paragraaf 3.2.5)
Voor SN6031 dient u over een geleiderail SNA5 of SNA6 te
beschikken, terwijl u voor SN6041 een geleiderail SNA6 dient
te gebruiken.
!
De installatie van SPIN dient door gekwalificeerd personeel
uitgevoerd te worden waarbij de wetten, voorschriften en regels
en wat in deze aanwijzingen staat, in acht worden genomen.
!
3) Installatie
5
6
200mm
300mm
380mm
E 65÷300 mm
C 2970mm D 380mm
B 0÷400mm
A 40÷400mm
200mm
175
NL
3.2.1) Assemblage van de met SPIN20KCE, SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail
De bij SPIN20KCE, SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail dient op onderstaande manier in elkaar gezet te worden:
1. Leg de drie delen van de geleiderail zo, dat de delen met elkaar verbonden kunnen worden. Let op de stand van de riem: de tanden
moeten naar binnen gericht zijn en de riem moet recht zijn en niet gedraaid.
2. Assembleer de kop van de geleiderail (A), zoals op afbeelding 8 te zien is. Hiervoor is een zekere kracht vereist; gebruik eventueel een
rubber hamer..
3. Bevestig de drie delen (C) met behulp van de koppelingsbeugels (B) aan elkaar, zoals op afbeelding 9 en 10 te zien is.
4. Span de riem aan met behulp van de moer M8 (D), zoals op afbeelding 11 te zien is, totdat u voelt dat die voldoende aangespannen is.
8 10
9
11
3.2.2) Assemblage geleiderail SNA5
De geleiderail SNA5 is reeds voorgemonteerd. Het enige wat u moet doen is de riem met behulp van de moer M8 (D) aanspannen, zoals op
afbeelding 11 te zien is, totdat u voelt dat die voldoende aangespannen is.
3.2.3) Assemblage geleiderail SNA6
De geleiderail SNA6 bestaat uit 2 profielen: één van 3 m en de andere van 1 m, hierdoor is het mogelijk de geleiderail in 2 uitvoeringen te verwezenlijken:
Uitvoering van 3m
Als de te automatiseren deur een hoogte van 2,5 m of minder heeft, kunt u de geleiderail als volgt assembleren:
1. Snijd de riem aan het vrije uiteinde op een lengte van precies 2 m af, zoals op afbeelding 12 te zien is.
2. Draai de moer M8 (D) helemaal los, zoals op afbeelding13 te zien is.
12 13
A
B
B
C
C
C
D
D
3. Schuif de riemaanspanner (E) tot halverwege de geleiderail, zoals op afbeelding 14 te zien is, en haal de wagen helemaal weg.
4. Haal het vrije uiteinde van de riem door het kopgedeelte, zoals op afbeelding 15 te zien is, en bevestig dit met de reeds aanwezige
schroeven en borgringen aan de wagen, zoals op afbeelding 16 te zien is. Let op de stand van de riem: de tanden moeten naar binnen
gericht zijn en de riem moet recht zijn en niet gedraaid.
14 15 16
E
176
3.2.5) Bevestiging van de reductiemotor aan het plafond
1.
Teken op grond van de waarden A en B op afbeelding 5 in het midden van de deur de twee punten af waar de voorste beugel van de geleiderail beves-
tigd moet worden. Op grond van het soort materiaal kan de voorbeugel met nagels, pluggen of schroeven vastgezet worden (afbeeldingen 22, 23).
Als de waarden A en B (afbeelding 5) dat toelaten, kan de beugel rechtstreeks op het plafond bevestigd worden, zoals op afbeel
ding 24 te zien is.
22 23 24
5. Breng de riemaanspanner en de wagen weer terug op de plaats van daarvoor. Assembleer de kop van de geleiderail (A), zoals op afbeel-
ding 17 te zien is. Hiervoor hebt u een bepaalde kracht nodig, gebruik eventueel een rubber hamer.
6. Breng in de schroef van de riemaanspanner de veer, de borgring en de moer M8 (D) aan, zoals op afbeelding 18 te zien is.
7. Span de riem aan met behulp van de moer M8 (D) (afbeelding 11) totdat u voelt dat die voldoende aanagespannen is.
3.2.4) Bevestiging van de reductiemotor aan de geleiderail
1. Maak de reductiemotor SPIN aan de kop van de geleiderail (A) vast; bevestig hem vervolgens met de 4 schroeven V6.3x38, zoals op afbeelding 20 te zien is.
2. De motor kan in drie verschillende standen gedraaid worden, zoals op afbeelding 21 te zien is.
20 21
Uitvoering van 4 m
Als de te automatiseren deur hoger is dan 2,5 m dient u de geleide-
rail als volgt te assembleren:
1. Draai de moer M8 (D) helemaal los, zoals op afbeelding 13 te zien is.
2. Schuif de riemaanspanner (E) tot halverwege de geleiderail, zoals
op afbeelding 14 te zien is, en haal de wagen helemaal weg.
3. Haal het vrije uiteinde van de riem door het kopgedeelte, zoals op
afbeelding 15 te zien is, en bevestig dit met de reeds aanwezige
schroeven en borgringen aan de wagen, zoals op afbeelding 16
te zien is. Let op de stand van de riem: de tanden moeten naar
binnen gericht zijn en de riem moet recht zijn en niet gedraaid.
4. Assembleer de kop van de geleiderail (A), zoals op afbeelding 17
te zien is. Hiervoor hebt u een bepaalde kracht nodig, gebruik
eventueel een rubber hamer.
5. Bevestig de twee delen (F) met behulp van de koppelingsbeugels
(B) aan elkaar, zoals op afbeelding 19 te zien is.
6. Breng de riemaanspanner en de wagen weer terug op hun oor-
spronkelijke plaats.
7. Breng in de schroef van de riemaanspanner de veer, de borgring
en de moer M8 aan (D), zoals op afbeelding 18 te zien is.
8. Span de riem met behulp van de moer M8 (D) aan (afbeelding 11)
totdat u voelt dat die voldoende aangespannen is.
19
17 18
A
D
F
F
177
NL
2. Nadat u op de afgetekende plaatsen gaten geboord hebt, laat u de kop van de reductiemotor op de grond rusten, tilt de geleiderail aan
de voorzijde op en zet die al naar gelang het bevestigingsvlak met twee schroeven, pluggen of nagels vast.
3. Bevestig de beugels [I] met de schroeven M6x15 [G] en de moeren M6 [H] en kies daarvoor die boring die u het mogelijk maakt het dichtst
de waarde [B] te benaderen, zoals op afbeelding 25 te zien is..
4. Til de reductiemotor op en gebruik een trap om de beugels tegen het plafond te plaatsen. Teken de punten af waar geboord moet wor-
den en leg de reductiemotor weer op de grond, zoals op afbeelding 26 te zien is.
5.
Boor de gaten op de afgetekende plaatsen in het plafond, ga op een trap staan, til de reductiemotor op en breng de beugels op de zoëven geboorde gaten
aan en bevestig die met schroeven en pluggen die geschikt zijn voor het materiaal waarvan het plafond gemaakt is, zoals op afbeelding 27 te zien is.
6. Controleer of de geleiderail volkomen horizontaal loopt en zaag daarna met een zaagje het overblijvende deel na de beugels af, zoals op
afbeelding 28 te zien is.
7. Trek, terwijl de deur dicht is, aan het koord en trek de wagen [L] uit de geleiderail, zoals op afbeelding 29 te zien is.
8.
Laat de wagen zover lopen,dat de verbindingsbeugel voor de deurvleugel [N] zich op de bovenste rand van de deur en volkomen haaks op de geleiderail [M] bevindt. Zet
dan de verbindingsbeugel voor de deurvleugel [N] met schroeven of klinknagels vast, zoals op afbeelding 30 te zien is. Gebruik schroeven of klinknagels, die voor het mate-
riaal van de deurvleugel geschikt zijn en vergewis u ervan dat deze bestand zijn tegen alle krachten die voor het openen en sluiten van de deurvleugel vereist zijn.
9.
Draai de schroeven van de beide mechanische eindaanslagen los, verschuif vervolgens de voorste mechanische eindaanslag [O] vóór de wagen,
zoals op afbeelding 31 te zien is. Duw de wagen krachtig in de sluitrichting en, draai de schroef [P] stevig vast wanneer deze de stand bereikt heeft.
10. Open de deur met de hand tot het gewenste punt van opening, schuif de achterste mechanische eindaanslag [Q] naast de wagen zoals
op afbeelding 32 te zien is en zet deze vast door de schroef [R] krachtig aan te draaien.
11. Probeer de deur met de hand te bewegen. Verifieer dat de wagen licht loopt, zonder wrijving op de geleiderail en dat de handmatige
manoeuvre gemakkelijk verloopt zonder speciale inspanning te vereisen.
12. Breng het koordje op de gewenste plaats in de ruimte aan; laat het eventueel over het plafond lopen met behulp van pluggen voorzien
van een oog, zoals op afbeelding 33 te zien is.
25 26
27 28
29 30
31 32 33
G
H
I
B
L
M
N
O
P
Q
R
178
3.4) Elektrische aansluitingen
Bij het uitvoeren van elektrische aansluitingen mag de
installatie absoluut niet onder spanning staan en moet een
eventuele bufferbatterij losgekoppeld worden.
1. Om de beschermingsplaat te openen en bij de elektronische
besturingseenheid te kunnen komen dient u aan de zijkant te
drukken en deze te draaien zoals op afbeelding 34 te zien is.
2. Schuif de aansluitingskabels door de opening naar de verschillende
inrichtingen, waarbij u deze 20÷30 cm langer laat dan noodzakelijk is.
Schuif de antennekabel door de kabelring.
Zie tabel 6 voor het type kabels en afbeelding 2 voor de aansluitingen.
3. Voer de aansluiting van de kabels volgens het schema op afbeel-
ding 36 uit. Voor nog meer gemak zijn de klemmetjes uitneem-
baar.
!
34 35
36
3.3) Installatie van de verschillende inrichtingen
Installeer de andere inrichtingen overeenkomstig de daarop betrekking hebbende aanwijzingen. Controleer in paragraaf “3.5 Beschrijving van
de elektrische aansluitingen” en op afbeelding 2 de inrichtingen die op de SPIN kunnen worden aangesloten.
LUCYB MOFB MOSE
179
NL
BLUEBUS: op dit klemmetje kunnen de compatibele inrichtingen
aangesloten worden; ze worden allemaal parallel verbonden met
slechts twee draden waarover zowel de elektrische stroomtoevoer
als de communicatiesignalen plaats vinden. Andere informatie over
BlueBUS vindt u in paragraaf “7.3.1 BlueBUS”.
STOP: ingang voor inrichtingen die de lopende manoeuvre kunnen
blokkeren of eventueel kunnen onderbreken; Door het uitvoeren van
de juiste handelingen kunt u op de ingang STOP
contacten van het type “Normaal Dicht”, type “Normaal Open” of
inrichtingen met een constante weerstand aansluiten. Meer informa-
tie over STOP vindt u in paragraaf “7.3.2 Ingang STOP”.
P.P.: ingang voor inrichtingen die de manoeuvre aansturen; het is
mogelijk contacten van het type “Normaal Open” aan te sluiten. Acti-
vering van het kabeltje veroorzaakt een signaal op de ingang PP.
ANTENNE: ingang voor aansluiting van de antenne voor de radio-
ontvanger. De antenne is in LUCY B ingebouwd; als alternatief kan
er een externe antenne gebruikt worden of het stuk kabel dat als
antenne functioneert en reeds op het klemmetje aanwezig is, laten
zitten.
Alvorens met de fase van eindcontroles en de start van de automatisering te beginnen is het raadzaam de wagen los te haken en de deur
halverwege te zetten zodat deze zowel vrijelijk open als dicht kan gaan.
4) Eindcontroles en start
4.1) Aansluiting op de stroomvoorziening
Voor de elektrische stroomvoorziening van SPIN behoeft u alleen
maar de stekker daarvan in een stopcontact te steken. Gebruik
eventueel een normaal in de handel zijnde adapter als de stekker van
SPIN niet in het bestaande stopcontact past..
Snijd de bij de SPIN meegeleverde kabel niet af en verwij-
der hem evenmin.
Als er geen stopcontact aanwezig is dient de aansluiting van
destroomvoorziening naar de SPIN door ervaren, deskundig
personeel in het bezit van de vereiste kenmerken uitgevoerd
te worden onder volledige inachtneming van wetten, voor-
schriften en reglementen.
De elektrische voedingsleiding moet tegen kortsluiting en
aardlekkage beveiligd zijn. Er moet een inrichting aanwezig
zijn waarmee de stroomvoorziening tijdens installatie- of
onderhoudswerkzaamheden aan de SPIN afgesloten kan
worden (u kunt daarvoor de stekker en het stopcontact
gebruiken).
Zodra de SPIN onder spanning staat is het raadzaam enkele een-
voudige controles uit te voeren:
1. Controleer of het ledlampje BlueBUS regelmatig knippert met een
frequentie van één knippering per seconden.
2. Als er fotocellen aanwezig zijn, controleer dan dat ook de led-
lampjes op de fotocellen (zowel op TX als op RX) knipperen; het
is niet van belang hoe ze knipperen, want dat hangt van andere
factoren af.
3. Controleer dat de op de uitgang FLASH aangesloten inrichting uit is.
4. Controleer of het gebruikerslicht uit is.
Als dit alles niet gebeurt, dient u onmiddellijk de stroomtoevoer
naar de besturingseenheid af te sluiten en de elektrische aanslui-
tingen nauwkeuriger te controleren
Meer nuttige informatie voor het opsporen van storingen vindt u
in paragraaf “7.6 Oplossing van problemen”
!
3.5) Descrizione dei collegamenti elettrici
In deze paragraaf vindt u een beknopte beschrijving van de elektrische aansluitingen; verdere informatie in paragraaf “7.3 Bijplaatsen of wegnemen van inrichtingen”.
FLASH: deze uitgang is programmeerbaar (zie paragraaf 7.2.4) voor het aansluiten van één van onderstaande inrichtingen:
Knipperlicht
Indien geprogrammeerd als “knipperlicht“ op de uitgang “FLASH” is het mogelijk een knipperlicht van NICE “LUCY B” met
een 12V-autolampje van 21W aan te sluiten.
Tijdens de manoeuvre knippert dit met een tijdsduur van 0,5s aan en 0,5s uit.
Uitgang “controlelampje deur open”
Indien geprogrammeerd als “controlelampje deur open” op de uitgang “FLASH” kunt u een 24V-controlelampje van max
5W aansluiten voor het signaleren van deur open.
Dit blijft branden wanneer de deur open is en gaat uit wanneer die dicht is. Tijdens een manoeuvre knippert het contro-
lelampje langzaam als de deur open gaat en snel wanneer die dicht gaat.
Zuignap
Indien geprogrammeerd als “zuignap” op de uitgang “FLASH”, is het mogelijk een 24V-zuignap van max 10W (uitvoerin-
gen met een enkele elektromagneet, zonder elektronische inrichtingen) aan te sluiten.
Wanneer de deur gesloten is, wordt de zuignap geactiveerd waardoor de deur vergrendeld is. Tijdens de openings- of
sluitmanoeuvre wordt deze gedeactiveerd.
Elektrische vergrendeling
Indien geprogrammeerd als “elektrische vergrendeling” op de uitgang “FLASH” is het mogelijk een elektrische vergrendeling diet
vanzelf dichtvalt 24V max 10W (uitvoeringen met een enkele elektromagneet, zonder elektronische inrichtingen) aan te sluiten.
Tijdens een openingsmanoeuvre wordt de elektrische vergrendeling korte tijd geopend om de deur vrij te maken en de manoeuvre uit
te voeren. Bij de sluitmanoeuvre dient u zich ervan te vergewissen dat de elektrische vergrendeling weer mechanisch aangehaakt wordt.
GEBRUIK GEEN ANDERE INRICHTINGEN DAN DIE WELKE VOORZIEN ZIJN
!
180
4.2) Herkennen van de inrichtingen
Nadat de stroomtoevoer is aangesloten dient u ervoor te zorgen dat
de besturingseenheid de op de ingangen BlueBUS en STOP aange-
sloten inrichtingen herkent. Voordat deze fase begint, knipperen de
ledlampjes L1 en L2 om aan te geven dat de procedure voor het her-
kennen van de inrichtingen dient te worden uitgevoerd.
Het herkennen van de inrichtingen dient uitgevoerd te
worden ook al is er geen enkele inrichting aangesloten.
!
1. Druk op de toetsen [] en [Set] en houd die ingedrukt.
2. Laat de toetsen los wanneer de ledlampjes L1 en L2 heel snel gaan knipperen (na circa 3s)
3. Wacht enkele seconden totdat de besturingseenheid met het herkennen van de inrichtingen klaar is
4. Na afloop hiervan dient het ledlampje STOP te blijven branden, terwijl de ledlampjes L1 en L2 uit zullen gaan (eventueel zullen nu de led-
lampjes L3 en L4 gaan knipperen)
Het herkennen van de aangesloten inrichtingen kan op elk gewenst moment worden uitgevoerd, ook na de installatie als er bijvoorbeeld een inrichting zou
worden toegevoegd; voor het uitvoeren van een nieuwe herkenningsfase gelieve u paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere
inrichtingen” te raadplegen.
37
4.3) Herkennen van de standen van opening en
sluiting van de deur
Nadat de inrichtingen herkend zijn, dient de besturingseenheid de
standen van opening en sluiting van de deur te herkennen. In deze
fase wordt de loop van de deur vanaf de mechanische stop in sluit-
stand tot die van de openingsstand gemeten.
Controleer dat de riem goed aangespannen is en dat de twee
mechanische stops goed geblokkeerd zijn.
1. Haak de wagen vast.
2. Druk op de toetsen [] en [Set] en houd die ingedrukt.
3. Laat de toetsen weer los wanneer de manoeuvre begint (na ongeveer 3s)
4. Wacht totdat de besturingseenheid de herkenningsfase uitvoert: sluiting, opening en opnieuw sluiting van de deur.
5. Trek aan het kabeltje om een complete openingsmanoeuvre uit te voeren.
6. Trek opnieuw aan het kabeltje om de sluitmanoeuvre uit te voeren.
Tijdens deze manoeuvres slaat de besturingseenheid de kracht nodig voor het openen en sluiten in het geheugen op.
Als na de herkenningsfase de ledlampjes L3 en L4 knipperen, betekent dit dat er een fout is opgetreden; zie paragraaf “7.6 Oplossen van problemen”.
Het is van belang dat deze eerste manoeuvres niet worden onderbroken, b.v. door een instructie STOP.
Mocht dat toch gebeuren dan dient u de herkenningsfase opnieuw vanaf punt 1 uit te voeren.
De herkenningsfase van de standen kan op ieder gewenst moment opnieuw uitgevoerd worden, ook na de installatie (bijvoorbeeld als één van
de mechanische stops verplaatst wordt); het is dan voldoende de handelingen vanaf punt 1 uit te voeren.
Als tijdens het zoeken van de standen de riem niet genoeg aangespannen is, kan de riem over het rondsel glijden. Mocht dit zich voor-
doen, dan dient u onmiddellijk de herkenningsprocedure te onderbreken door op de toets [Stop] te drukken; de riem aan te spannen door de
moer M8 (D) vast te schroeven zoals op afbeelding 11 te zien is; en vervolgens de herkenningsprocedure vanaf punt 1 opnieuw uit te voeren.
!
38
4.4) Controle van de manoeuvre van de deur
Na het herkennen van de openings- en sluitstanden is het raadzaam
enkele manoeuvres uit te voeren om te controleren of de deur cor-
rect beweegt..
1. Druk op de toets [Open] om de instructie voor de manoeuvre
“Open” te geven; controleer of de deur regelmatig open gaat zon-
der verandering van snelheid; pas wanneer de deur tussen de 30
en 20 cm van de mechanische stop van de openingsstand ver-
wijderd is, zal hij langzamer moeten gaan lopen en tot stilstand
komen op 2÷3 cm vanaf de stop.
2. Druk op de toets [Close] om de instructie voor de de manoeuvre
“Sluit” geven ; controleer of de deur regelmatig open gaat zonder
verandering van snelheid; pas wanneer de deur tussen de 30 en 20
cm van de mechanische stop van de sluitstand verwijderd is, zal hij
langzamer moeten gaan lopen en tot stilstand komen tegen de
mechanische stop van de sluitstand. Daarna wordt er een korte ope-
ningsmanoeuvre uitgevoerd om de spanning van de riem te halen.
3. Controleer dat het knipperlicht (indien aanwezig) tijdens de
manoeuvres met een frequentie van 0,5s aan en 0,5s uit knippert.
4. Voer meerdere openings- en sluitmanoeuvres uit om te beoorde-
len of er eventuele montage- of afstellingsdefecten zijn, of ande-
re onregelmatigheden zijn, zoals punten met een grotere wrijving
5. Controleer dat de reductiemotor, de geleiderail en de mechani-
sche stops solide, stevig en duurzaam bevestigd zijn ook wan-
neer er zich een plotselinge toename of afname in de beweging
van de deur voordoet.
181
NL
4.5) Vooraf ingestelde functies
De besturingseenheid di SPIN beschikt over enkele programmeerbare
functies; in de fabriek worden deze functies in een configuratie afgesteld
die voor het merendeel van de automatiseringen optimaal is; in ieder
geval kunnen de functies op elk gewenst moment via de juiste pro-
grammeringsprocedure gewijzigd worden; raadpleeg hiervoor paragraaf
“7.2 Programmeringen”.
4.6) Radio-ontvanger
Voor het aansturen op afstand van de SPIN, is er op de besturingseen-
heid een insteekcontact SM voor radio-ontvangers van het type SMXI of
SMXIS. Bij de SPIN20KCE en SPIN21KCE is de radio-ontvanger reeds
ingeplugd.
Bij de SPIN30, SPIN40, SN6031 en SN6041 voert u voor het insteken van
de radio-ontvanger de handelingen uit die op afbeelding 39 en 40 te zien zijn.
1. Steek de radio-ontvanger erin waarbij u lichtjes drukt
2. Indien de in LUCYB ingebouwde antenne of een ander type externe
antenne niet gebruikt wordt, draait u het bij de ontvanger meegele-
verde stijve kabeltje op het klemmetje van de antenne.
39
1 INSTRUCTIE “PP”
2 INSTRUCTIE “GEDEELTELIJKE OPENING”
3 INSTRUCTIE “OPEN”
4 INSTRUCTIE “SLUIT”
Tabel 8: instructies beschikbaar in Modus II
4.6.1) Geheugenopslag van de zenders
Elke radiozender wordt door de radio-ontvanger herkend via een “code” die bij elke andere zender anders is. Er is dus een fase van “geheu-
genopslag” nodig waardoor de ontvanger in staat zal zijn elke afzonderlijke zender te herkennen; de zenders kunnen op 2 manieren in het
geheugen van de ontvanger opgeslagen worden:
Modus I:
in deze modus is de functie van de toetsen van de zender reeds
gedefineerd en is er aan elke toets in de besturingseenheid de instructie
gekoppeld zoals die in tabel 7 is weergegeven; er vindt één enkele opslag-
fase voor elke zender plaats waarvan alle toetsen worden opgeslagen; tij-
dens deze fase is het niet van belang op welke toets u drukt en wordt er
slechts één plaats in het geheugen ingenomen. In modus I kan een zender
gewoonlijk slechts één enkele automatisering aansturen.
Modo II: in deze modus kan elke afzonderlijke toets van een zender
aan één van de 4 mogelijke instructies van de besturingseenheid
zoals die in tabel 8 weergegeven zijn, gekoppeld worden; per fase
wordt slechts één toets in het geheugen opgenomen en wel die
waarop u tijdens de geheugenopslag drukt. In het geheugen wordt
één plaats voor elke in het geheugen opgeslagen toets ingenomen.
In modus II kunnen verschillende toetsen van dezelfde zender
gebruikt worden om meerdere instructies aan dezelfde automatise-
ring te geven. Zo wordt bijvoorbeeld in tabel 9 alleen de automatise-
ring “A” aangestuurd en de toetsen T3 en T4 aan dezelfde instructie
gekoppeld; of in het voorbeeld van tabel 10 waar 3 automatiseringen
“A” (toetsen T1 en T2), “B” (toets T3) en “C” (toets T4) worden aan-
gestuurd. Tabel 8: instructies beschikbaar in Modus II.
Omdat de procedures voor geheugenopslag een tijdlimiet van 10 s kennen, moet
u eerst de aanwijzingen in de volgende paragraaf doorlezen en daarna tot uitvoering
daarvan overgaan.miet van 10 s kennen, moet u eerst de aanwijzingen in de volgende
paragraaf doorlezen en daarna tot uitvoering daarvan overgaan.
!
Toets T1 Instructie “PP”
Toets T2 Instructie “Gedeeltelijke opening”
Toets T3 Instructie “Open”
Toets T4 Instructie “Sluit”
Tabel 7: geheugenopslag Modus I
Toets T1 Instructie “Open” Automatisering A
Toets T2 Instructie “Sluit” Automatisering A
Toets T3 Instructie “Gedeeltelijke Automatisering A
Toets T4 Instructie “Gedeeltelijke Automatisering A
Tabel 9: 1ste voorbeeld van geheugenopslag in Modus II
Toets T1 Instructie “Open” Automatisering A
Toets T2 Instructie “Sluit” Automatisering A
Toets T3 Instructie “PP” Automatisering B
Toets T4 Instructie “PP” Automatisering C
Tabel 10: 2de voorbeeld van geheugenopslag in Modus II
N.B.: de zenders met 1 kanaal beschikken alleen over de toets T1,
de zenders met twee kanalen beschikken alleen over de toetsen T1 en T2.
40
182
1. Druk op het knopje op de ontvanger en houd dit ingedrukt (gedurende circa 3s)
3s
2. Laat het knopje weer los wanneer het ledlampje op de ontvanger gaat branden
3. Druk binnen 10s tenminste 2s lang op een willekeurige toets van de te bewaren zender
2s
4.
Als de geheugenopslag tot een goed einde is gekomen zal het ledlampje op de ontvanger 3 maal gaan knipperen.
x3
Indien er nog meer zenders opgeslagen moeten worden, dient u nogmaals stap 3 binnen 10s uit te voeren.
De opslagfase wordt beëindigd, als er binnen 10 seconden geen nieuwe codes ontvangen worden.
Tabel 11: voor het opslaan van een zender in modus I Voorbeeld
4.6.2) Geheugenopslag modus I
1. Druk zoveel maal op het knopje op de ontvanger als overeenkomt met het nummer van de
gewenste instructie zoals blijkt uit tabel 8 1....4
2. Controleer dat het ledlampje op de ontvanger zoveel maal knippert als het nummer
van de gewenste instructie 1....4
3. Druk binnen 10s tenminste 2s op de gewenste toets van de in het geheugen te bewaren zender
2s
4. Als de geheugenopslag tot een goed einde is gekomen zal het ledlampje op de ontvanger
3 maal knipperen. x3
Indien er voor dezelfde instructie nog meer zenders opgeslagen moeten worden, dient u punt 3 binnen nog eens 10 s te herhalen.
De opslagfase wordt beëindigd, als er binnen 10 seconden geen nieuwe codes ontvangen worden.
Tabel 12: voor het opslaan van een toets op een zender in modus II Voorbeeld
4.6.3) Geheugenopslag modus II
41
1. Druk tenminste 5s op de toets van de nieuwe radiozender en laat hem dan weer los.
5s
2. Druk 3 keer langzaam op de toets van de reeds in het geheugen bewaarde radiozender.
1s 1s 1s
3. Druk 1 keer langzaam op de toets van de nieuwe radiozender.
1s
Nu zal de nieuwe radiozender door de ontvanger herkend worden en zal hij de kenmerken overnemen die de reeds in het geheugen bewaarde zender had.
Indien er nog andere zenders opgeslagen moeten worden, dient u alle stappen voor elke nieuwe zender te herhalen.
Tabel 13: voor het opslaan van een zender “op afstand” Voorbeeld
4.6.4) Geheugenopslag “op afstand”
U kunt een nieuwe radiozender in het geheugen opslaan zonder recht-
streeks op het knopje van de ontvanger te drukken. U dient dan over
een functionerende afstandsbediening te beschikken, die reeds in het
geheugen is opgeslagen. De nieuwe te bewaren zender “erft” de ken-
merken van die welke reeds in het geheugen bewaard is. Als de eerste
zender in modus I opgeslagen is, wordt dus ook de nieuwe in modus I
opgeslagen en kunt u dus op een willekeurige toets van de zenders
drukken. Als de reeds functionerende zender daarentegen in modus II
opgeslagen is, zal ook de nieuwe in modus II worden opgeslagen en is
het van belang dat u bij de eerste zender op de toets drukt welke aan
de gewenste instructie gekoppeld is, en bij de tweede zender op de
toets welke u aan die instructie wilt koppelen.
Geheugenopslag op afstand kan plaats vinden in alle
besturingseenheiden welke zich binnen het bereik van de
zender bevinden; het is dus van belang dat alleen die bestu-
ringseenheid onder spanning staat welke geprogrammeerd
moet worden.
!
Ga met de twee zenders binnen het bereik van de automatisering staan en voer de volgende stappen uit:
183
NL
183
4.6.6) Conformiteitsverklaring ontvanger en radiozenders
Dit zijn de belangrijkste fasen bij de aanleg van de automatisering
teneinde een zo groot mogelijke veiligheid te garanderen.
De opleveringstest kan ook als periodieke controle voor de verschil-
lende inrichtingen van de automatisering gebruikt worden.
De opleveringstest van de gehele installatie moet door vakbe-
kwaam en deskundig personeel uitgevoerd worden. Dat moet ook
bepalen welke tests in functie van de bestaande risico’s noodza-
kelijk zijn en controleren of de wettelijke voorschriften, regelgeving
en regels en met name alle vereisten van norm EN 12445, die de
testmethodes voor de controle van automatiseringen voor poorten
en deuren bepaalt, in acht
genomen zijn.
!
5) Opleveringstest en inbedrijfstelling
5.1) Opleveringstest
Voor elk afzonderlijk onderdeel van het automatisme, zoals bijvoorbeeld
contactlijsten, fotocellen, noodstop, etc. is een specifieke fase in de ople-
veringstest vereist; voor deze inrichtingen zullen de procedures uit de
desbetreffende handleidingen met aanwijzingen gevolgd moeten worden.
Voor de opleveringstest van SPIN dient u onderstaande reeks han-
delingen uit te voeren:
1. Controleer dat de voorschriften vervat in hoofdstuk 1 “AANBE-
VELINGEN” nauwkeurig in acht genomen worden.
2. Ontgrendel de deur door het ontgrendelingskabeltje naar bene-
den te trekken. Verifieer of het mogelijk is de deur handmatig te
openen of te sluiten met een kracht die niet groter dan 225N is.
3. Haak de wagen weer vast.
4. Voer gebruikmakend van de schakelaar, de radiozender of het
kabeltje, sluit-en openingstests van de deur uit en verifieer of de
manoeuvre overeenkomt met wat voorzien is.
5. Het is raadzaam meerdere tests uit te voeren teneinde te beoor-
delen of de deur soepel loopt en of er eventuele fouten bij het
monteren of afstellen gemaakt zijn of dat er speciale wrijvings-
punten zijn.
6. Controleer één voor één of alle veiligheidsinrichtingen in de instal-
latie (fotocellen, contactlijsten etc.) goed werken. Met name of het
ledlampje “BlueBUS” op de besturingseenheid telkens wanneer
een van deze inrichtingen in werking treedt, 2 maal snel knippert
ter bevestiging van het feit dat de besturingseenheid de gebeur-
tenis herkent.
7. Om te controleren of de fotocellen goed werken en met name of
er geen interferenties met andere inrichtingen zijn, voert u een 30
cm lange cilinder met een diameter van 5 cm op de optische as,
eerst dichtbij de TX, vervolgens dichtbij de RX en tenslotte in het
midden van die twee. Ga dan na of de inrichting in alle gevallen in
werking treedt en van de actieve status op de alarmstatus over-
gaat, en omgekeerd. Tenslotte controleert u of dat de voorziene
reactie in de besturingseenheid oproept, bijvoorbeeld of bij de
sluitmanoeuvre deze niet wordt uitgevoerd.
8. Als gevaarlijke situaties welke door de beweging van de deur
opgeheven zijn door middel van beperking van de stootkracht,
dient u deze kracht te meten volgens de voorschriften van de
norm EN 12445. Als afstelling van de “Snelheid” en de aansturing
van het “Motorvermogen” gebruikt worden als hulpmiddel voor
het systeem om de stootkracht terug te brengen, probeer dan die
instelling te vinden, welke de beste resultaten oplevert
1. Druk op het knopje op de ontvanger en houd dit ingedrukt
2.
Wacht dat het ledlampje gaat branden, wacht vervolgens dat het uit gaan en wacht dan dat het 3 maal knippert
x3
3. Laat de toets los precies wanneer het ledlampje voor de 3de maal knippert
4. Als de procedure tot een goed einde is gekomen, zal het ledlampje na enige ogenblikken 5 maal knipperen.
x5
Tabel 14: voor het wissen van alle zenders Voorbeeld
4.6.5) Wissen van de radiozenders
EG-verklaring van overeenstemming Verklaring in overeenstemming met de Richtlijn 1999/5/EG
Opmerking: De inhoud van deze verklaring stemt overeen met hetgeen verklaard wordt in het officiële document dat is neergelegd bij de zetel van Nice S.p.A., en in het
bijzonder met de laatste herziening hiervan die voor het ter perse gaan van deze handleiding beschikbaar was. De onderhavige tekst werd om redactionele redenen aan-
gepast. Een kopie van de originele verklaring kan worden aangevraagd bij Nice S.p.A. (TV).
Nummer verklaring: 151/SMXI Rev.: 9 Taal: NL
Ondergetekende Mauro Sordini, in diens hoedanigheid van Gedelegeerd Bestuurder, verklaart onder zijn eigen verantwoordelijkheid dat het product:
Naam fabrikant: NICE S.p.A.
Adres: Via Pezza Alta n°13, 31046 Rustignè di Oderzo (TV) Italië
Producttype: Ontvanger 433,92MHz voor afstandsbediening van poorten, hekken, rolpoorten, weringen, rolluiken en gelijkwaardige toepassingen
Model/type: SMXI, SMXIS, SMXIF
Uitrustingen:
voldoet aan de essentiële vereisten zoals vermeld in artikel 3 van de volgende communautaire richtlijn, voor het gebruik waarvoor de producten bestemd zijn:
Richtlijn 1999/5/EG VAN HET EUROPESE PARLEMENT EN VAN DE RAAD van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-
eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit, volgens de volgende geharmoniseerde normen:
· Bescherming van de gezondheid (art. 3(1)(a)): EN 62479:2010
· Elektrische veiligheid (art. 3(1)(a)): EN 60950-1:2006+A11:2009+A12:2011+A1:2010+A2:2013
· Elektromagnetische compatibiliteit (art. 3(1)(b)): EN 301 489-1 V1.9.2:2011, EN 301 489-3 V1.6.1:2013
· Radiospectrum (art. 3(3)): EN 300 220-2 V2.4.1:2012
Oderzo, donderdag 3 juli 2014 Ing. Mauro Sordini (Chief Executive Officer)
184
In dit hoofdstuk vindt u de benodigde informatie voor uitvoering van het onderhoudsplan en de afvalverwerking van SPIN.
6) Onderhoud en afvalverwerking
6.1) Onderhoud
Om de veiligheid op een constant niveau te houden en een zo lang
mogelijke levensduur van de gehele automatisering te waarborgen is
regelmatig onderhoud vereist.
Het onderhoud moet uitgevoerd worden met volledige
inachtneming van de veiligheidsvoorschriften van deze hand-
leiding en volgens de van kracht zijnde wettelijke voorschrif-
ten en regelgeving.
Volg voor de andere inrichtingen die niet tot de SPIN behoren de
aanwijzingen van het desbetreffende onderhoudsplan daarvoor.
1. Voor SPIN is een geprogrammeerde onderhoudsbeurt vereist die
tenminste binnen 6 maanden of 3000 manoeuvres na de vorige
onderhoudsbeurt uitgevoerd moet worden:
2. Koppel alle bronnen van elektrische stroomvoorziening los, met
inbegrip van eventuele bufferbatterijen
3. Controleer alle materialen waaruit de automatisering betstaat op
kwaliteitsvermindering en let daarbij met name op aantasting of
roestvorming van de structurele delen; vervang die delen welke
onvoldoende garantie bieden.
4. Controleer de staat van slijtage van alle bewegende delen: riem,
wagen, rondsels en alle delen van de deur; vervang de versleten
onderdelen.
5. Sluit de elektrische stroomvoorziening weer aan en voer alle test
en controles uit zoals die in paragraaf “5.1 Opleveringstest” voor-
zien zijn.
!
6.2) Afvalverwerking
SPIN bestaat uit verschillende soorten materiaal, waarvan sommige
hergebruikt kunnen worden (aluminium, kunststof, elektriciteitska-
bels); voor andere is afvalverwerking vereist (batterijen en elektroni-
sche kaarten).
Sommige elektronische componenten evenals de batterijen zouden
vervuilende stoffen kunnen bevatten. Laat ze niet in het milieu achter. Stel
u op de hoogte van de recyclingsystemen of afvalverwerking en houd u
daarbij aan de plaatselijk geldende voorschriften.
1. Koppel alle bronnen van elektrische stroomvoorziening voor de
automatisering los, met inbegrip van eventuele bufferbatterijen.
2.
Demonteer alle inrichtingen en accessoires, waarbij u de procedure in omgekeerde
volgorde volgt ten opzichte van die welke in hoofdstuk “3 Installatie” beschreven is
3. Scheid voor zover mogelijk die onderdelen die hergebruikt of ver-
werkt kunnnen of moeten worden, zoals bijvoorbeeld de metalen
delen van de kunststof delen, elektronische kaarten, batterijen, etc.
4.
Sorteer de diversche elektrische en recycleerbare materialen en geef deze aan
bedrijven die zich met het hergebruik en de afvalverwerking daarvan bezighouden.
!
5.2) Inbedrijfstelling
Inbedrijfstelling kan alleen plaatsvinden nadat alle fasen van de ople-
veringstest met succes zijn afgesloten. Gedeeltelijke inbedrijfstelling
of in “tijdelijke” situaties is niet toegestaan.
1. Maak een technisch dossier van de automatisering en bewaar
dat tenminste 10 jaar, dat tenminste bestaat uit: de overzichtste-
kening van de automatisering, het schema van de elektrische
aansluitingen), een analyse van de risico’s en de toegepaste
oplossing daarvoor, de conformiteitsverklaringen van alle fabri-
kanten voor alle gebruikte inrichtingen (gebruik voor SPIN de bij-
gevoegde CE-Conformiteitsverklaring); kopie van de gebruiks-
aanwijzingen en het onderhoudsplan van de automatisering.
2.
Breng op de deur een niet te verwijderen etiket of plaatje aan waarop de
handelingen zijn aangegeven voor het ontgrendelen en handmatig
bewegen van de deur (gebruik de afbeeldingen uit “Aanwijzingen en
aanbevelingen bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor SPIN”).
3. Breng op de deur een niet te verwijderen etiket of plaatje aan met
daarop deze afbeelding (minimumhoogte 60mm).
4. Breng een plaatje op de deur aan met daarop tenminste de vol-
gende gegevens: type automatisering, naam en adres van de
fabrikant (verantwoordelijk voor de “inbedrijfstelling”), serienum-
mer, bouwjaar en “CE”-keurmerk.
5. Vul de conformiteitsverklaring voor de automatisering in en geef
hem aan de eigenaar van de automatisering.
6. Maak de handleiding “Aanwijzingen en aanbevelingen voor het
gebruik van de automatisering” en geef deze aan de eigenaar van
de automatisering.
7. Maak een onderhoudsplan (met daarin de voorschriften voor het
onderhoud van alle inrichtingen van de automatisering) en geef dit
aan de eigenaar van de automatisering.
8. Informeer vóór de inbedrijfstelling van de automatisering de eige-
naar uitvoerig en schriftelijk (bijvoorbeeld in de handleiding met
aanwijzingen en aanbevelingen voor het gebruik van de automa-
tisering) over de nog aanwezige gevaren en risico’s.
42
185
NL
Ledlampje
Functie Beschrijving
L1
Automatische sluiting Met deze functie is een automatische sluiting van de deur mogelijk na afloop van de geprogrammeerde
pauzeduur; in de fabriek is de Pauzeduur afgesteld op 20 seconden maar dit kan gewijzigd worden in 10, 20,
40 of 80 seconden (zie tabel 17). Als deze functie niet geactiveerd is, werkt de deur “semi-automatisch”.
L2 Terugloop Na Foto Wanneer de fotocellen (foto en foto II) vrijgekomen zijn, genereert deze functie een “Automatische
Sluiting” met een “Pauzeduur” van 5s, ook al is de pauzeduur op een hogere waarde geprogrammeerd;
de modaliteit daarvan verschilt al naargelang de “Automatische Sluiting” al dan niet actief is.
Wanneer de “Automatische Sluiting” actief is: lde openingsmanoeuvre zal onmiddellijk stoppen
nadat de fotocellen vrijgekomen zijn en na 5s zal de sluitmanoeuvre starten. Als de functie “Terugloop
Na Foto2 niet actief is zal de pauzeduur de geprogrammeerde waarde hebben.
Wanneer “Automatische Sluiting” niet actief is: de openingsmanoeuvre zal niet onderbroken
worden maar het vrijkomen van de fotocellen heeft de activering van de “Automatische Sluiting” met
een “Pauzeduur” van 5s ten gevolge. Als de functie “Terugloop Na Foto” niet actief is, zal er geen
automatische sluiting plaatsvinden.
L3 Kracht motor Met deze functie kunt u de gevoeligheid van de aansturing van de kracht van de motor kiezen om deze
aan het type deur aan te passen. Als deze functie actief is, is de gevoeligheid meer voor kleinere en
lichtere deuren geschikt. Als deze functie niet actief is de gevoeligheid meer voor grotere en zwaardere
deuren geschikt.
L4 Stand-By Met deze functie kunt u het verbruik zoveel mogelijk beperken; dit is met name nuttig wanneer de deur
op de bufferbatterij werkt. Als deze functie geactiveerd wordt, schakelt de besturingseenheid 1 minuut
nadat de manoeuvre ten einde is, de uitgang BlueBUS (en dus de inrichtingen) uit, evenals alle
ledlampjes met uitsluiting van het ledlampje BlueBUS dat langzamer zal gaan knipperen. Wanneer er
een instructie gegeven wordt zal de besturingseenheid de totale werking herstellen. Als de functie niet
actief is zal er geen beperking van het energieverbruik zijn.
Bij normaal functioneren van SPIN zijn de ledlampjes L1….L4 aan of uit op basis van de status van de functie waaraan zij gekoppeld zijn,
bijvoorbeeld L1 is aan als de “Automatische Sluiting” actief is.
Tabel 15: lijst programmeerbare functies: eerste niveau
7.2.1) Functies eerste niveau (functies ON-OFF)
In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden ten aanzien van programmering, aanpassing aan de persoonlijke behoeften van de gebruiker, dia-
gnostiek en opsporing van storingen met betrekking tot SPIN behandeld.
7) Verdere details
Open Met de toets “OPEN” kunt u de opening van de deur aansturen;
of het punt van programmering naar boven verplaatsen.
Stop Met de toets “STOP” kunt u de manoeuvre onderbreken;
Set
als u hem langer dan 5 seconden ingedrukt houdt kunt u de programmering binnengaan.
Close Met de toets “CLOSE “ kunt u de sluiting van de deur aansturen;
of het punt van programmering naar beneden verplaatsen
7.1) Programmeertoetsen
Op de besturingseenheid van SPIN bevinden zich 3 toetsen die
gebruikt kunnen worden zowel om de besturingseenheid tijdens de
tests aan te sturen als voor het programmeren:
7.2) Programmeringen
Op de besturingseenheid van SPIN zijn enkele programmeerbare
functies beschikbaar; instelling van deze functies vindt plaats met
behulp van 3 toetsen op de besturingseenheid: [][Set][] en
worden zichtbaar gemaakt via 4 ledlampjes: L1….L4.
De programmeerbare functies welke op SPIN beschikbaar zijn, zijn
over 2 niveaus verdeeld:
Eerste niveau: functies instelbaar in modus ON-OFF (actief of niet
actief); in dit geval geeft elk ledlampje L1….L4 een functie aan; als
het aan is, is de functie actief, als het uit is, is de functie niet actief;
zie tabel 15.
Tweede niveau: parameters die op een schaal instelbaar zijn (waar-
den van 1 tot 4); in dit geval geeft elk ledlampje L1….L4 de waarde
aan welke is afgesteld op één van de 4 mogelijke waarden; zie tabel
17.
43
186
Pauzeduur
Functie P.P.
Snelheid
motor
Uitgang
FLASH
10 seconden
20 seconden
40 seconden
80 seconden
Open - stop – sluit- stop
Open - stop - sluit- open
Woonblok
Iemand aanwezig
Zeer langzaam
Langzaam
Normaal
Snel
Controlelampje Deur Open
Knipperlicht
Elektrische vergrendeling
Zuignap
7.2.3) Functies tweede niveau (instelbare parameters)
Tabel 17: lijst programmeerbare functies: tweede niveau
Ledlampje van ingang Parameter Ledlampje (niveau) waarde Beschrijving
Stelt de pauzeduur af, dat wil zeggen de
tijd die er voor een automatische sluiting
verstrijkt. Dit gebeurt alleen als de automa-
tische sluiting actief is.
Stelt de reeks instructies af die gekoppeld
zijn aan de ingang P.P of aan de eerste
radioinstructie (zie tabellen 7 en 8).
Stelt de snelheid van de motor af wanneer
die normaal loopt.
Selecteert de aan de uitgang FLASH
gekoppelde inrichting.
N.B.: “ ” geeft de fabrieksinstelling weer
Alle parameters kunnen zonder enige contra-indicatie naar wens
ingesteld worden; alleen het kiezen van de op de uitgang “FLASH”
aangesloten inrichting vereist bijzondere aandacht:
Voordat u de inrichting op de uitgang “FLASH” aansluit dient u zich
ervan te verzekeren de functie correct geprogrammeerd te hebben. Zo
niet, bestaat er gevaar schade aan de inrichting te veroorzaken.
!
L1
L2
L3
L4
7.2.4) Programmering tweede niveau (instelbare parameters)
In de fabriek worden alle instelbare parametersfuncties ingesteld zoals in tabel 17 wordt aangegeven met: “ ”maar die kunnen op elk gewenst moment worden gewijzigd zoals in tabel 18
is aangegeven. Let bij het uitvoeren van deze procedure goed op, want er is een tijdlimiet van 10s tussen het moment waarop u op de ene toets en vervolgens op de andere drukt; wanneer
deze limiet overschreven wordt zal de procedure automatisch beeindigd worden waarbij de wijzigingen dit tot dat moment aangebracht zijn, in het
geheugen worden opgeslagen.
1. Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt
3s
2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 begint te knipperen
L1
3. Druk op de toetsen [] of [] om het knipperende ledlampje te verplaatsen op het
“ledlampje ingang” dat de te wijzigen parameter vertegenwoordigt o
4. Druk op de toets [Set] en houd die ingedrukt; de toets [Set]
dient tijdens de stappen 5 en 6 voortdurend ingedrukt te blijven
5. Wacht ongeveer 3s waarna dat ledlampje zal gaan branden het actuele niveau
van de te wijzigen parameter vertegenwoordigt
6. Druk op de toetsen [] of [] om het ledlampje dat de waarde van de parameter
vertegenwoordigt, te verplaatsen.
o
7. Laat de toets [Set] los
8. Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten.
10s
N.B.: de punten 3 tot 7 kunnen tijdens dezelfde programmeringsfase herhaald worden om nog andere parameters in te stellen
Tabel 18: voor het wijzigen van instelbare parameters Voorbeeld
SET
SET
SET
SET
L1
L2
L3
L4
L1
L2
L3
L4
L1
L2
L3
L4
L1
L2
L3
L4
7.2.2) Programmering eerste niveau (functies ON-OFF)
In de fabriek worden alle functies van het eerste niveau op “OFF” gezet, maar dat kan op elk gewenst moment veranderd worden zoals in tabel 16 is aangegeven. Let bij het uitvoeren
van deze procedure goed op, want er is een tijdlimiet van 10s tussen het moment waarop u op de ene toets en vervolgens op de andere drukt; wanneer deze limiet overschreven wordt,
zal de procedure automatisch beeindigd worde
n waarbij de wijzigingen die tot dat moment aangebracht zijn, in het geheugen worden opgeslagen.
1. Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt
3s
2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 begint te knipperen
L1
3. Druk op de toetsen [] of [] om het knipperende ledlampje
te verplaatsen op het ledlampje dat de te wijzigen functie vertegenwoordigt o
4. Druk op de toets [Set] om de status van de functie te wijzigen (kort knipperen = OFF;
llang knipperen = ON
5. Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten.
10s
N.B.: de punten 3 en 4 kunnen tijdens dezelfde programmeringsfase herhaald worden om andere functies op ON of OFF te zetten
Tabel 16: voor het wijzigen van de functies ON-OFF Voorbeeld
SET
SET
SET
187
NL
7.2.5) Voorbeeld van programmering eerste niveau (functies ON-OFF)
Als voorbeeld wordt de reeks handelingen gegeven die noodzakelijk is voor het wijzigen van de fabrieksinstelling van de functies voor het
activeren van de functies “Automatische Sluiting” (L1) en “Motorvermogen” (L3).
1. Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt
3s
2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 ibegint te knipperen
L1
3. Druk een maal op de toets [Set] de status van de aan L1 gekoppelde functie (Automatische Sluiting)
te wijzigen; nu zal het ledlampje L1 met lange knipperingen gaan knipperen L1
4. Druk 2 maal op de toets [] om het knipperende ledlampje op het ledlampje L3 te verplaatsen
L3
5. Druk één maal op de toets [Set]
om de status van de aan L3 gekoppelde functie (Kracht motor) te wijzigen;
nu zal het ledlampje L3 met lange knipperingen gaan knipperen
6. Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten
10s
Na deze handelingen moeten de ledlampjes L1 en L3 blijven branden om aan te geven dat de functies “Automatische Sluiting” en “Kracht
motor” actief zijn.
Tabel 19: voorbeeld van programmering eerste niveau Voorbeeld
SET
SET
SET
SET
7.2.6) Voorbeeld van programmering tweede niveau (instelbare parameters)
Als voorbeeld geven wij de reeks handelingen die nodig is om de fabrieksinstelling van de parameters te wijzigen en de “Pauzeduur” tot 80s te
verlengen (ingang op L1 en niveau op L4) en selezionare voor de Uitgang FLASH” het Controlelampje Deur Open (ingang op L4 en niveau op L1).
1. Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt
3s
2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 begint te knipperen
L1
3. Druk op de toets [Set]; en houd die ingedrukt; de toets [Set]
dient tijdens de stappen 4 en 5 ingedrukt te blijven
4. Wacht ongeveer 3s tot het ledlampje L2 gaat branden dat het
actuele niveau van de “Pauzeduur” vertegenwoordigt L2 3s
5. Druk 2 maal op de toets [] om het brandende ledlampje naar L4 te verplaatsen
dat de nieuwe waarde van de “Pauzeduur” vertegenwoordigt L4
6. Laat de toets [Set] weer los
7. Druk 3 maal op de toets [] om het knipperende ledlampje naar het ledlampje L4 te verplaatsen
L4
8. Druk op de toets [Set]; en houd die ingedrukt; de toets [Set] dient tijdens de stappen
9 en 10 ingedrukt te blijven
9. Wacht ongeveer 3s tot het ledlampje L2 gaat branden dat de actuele aan de ”Uitgang FLASH”,
gekoppelde inrichting vertegenwoordigt,dat wil zeggen het knipperlicht. L2 3s
10. Druk 1 maal op de toets []
om het brandende ledlampje naar het ledlampje L1 te verplaatsen dat de nieuwe
aan de ”Uitgang FLASH”, gekoppelde inrichting vertegenwoordigt, dat wil zeggen het Controlelampje Deur Open.
L1
11. Laat de toets [Set] los
12. Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten.
10s
Tabel 20: voorbeeld van programmering tweede niveau Voorbeeld
SET
SET
SET
SET
SET
SET
7.3) Bijplaatsen of wegnemen van inrichtingen
U kunt op elk gewenst moment een inrichting aan een automatise-
ring met SPIN toevoegen of er een uit verwijderen. Met name op
“BlueBUS” en op de ingang “STOP” kunnen er verschillende soorten
inrichtingen aangesloten worden zoals dat in de paragrafen “7.3.1
BlueBUS” en “7.3.2 Ingang STOP” is aangegeven.
7.3.1) BlueBUS
BlueBUS is een techniek waarmee de aansluiting van compatibele
inrichtingen uitgevoerd kunnen worden met slechts twee geleiders
waarover zowel de elektrische stroomvoorziening als de communi-
catiesignalen gaan. Alle inrichtingen zijn parallel op dezelfde 2 gelei-
ders van de BlueBUS aangesloten. Elke inrichting wordt afzonderlijk
herkend omdat er tijdens de installatie een eenduidig adres aan toe-
gewezen is. Op BlueBUS kunnen bijvoorbeeld worden aangesloten:
fotocellen, veiligheidsinrichtingen, bedieningsknoppen, signalerings-
lampjes etc. De besturingseenheid van SPIN herkent via een ade
quate herkenningsfase alle aangesloten inrichtingen afzonderlijk en is
in staat alle mogelijke storingen met zeer grote zekerheid waar te
nemen. Om deze reden dient u telkens wanneer er een op BlueBUS
aangesloten inrichting wordt toegevoegd of weggenomen in de
besturingseenheid een herkeningsfase uit te voeren zoals dat in
paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen” beschreven is.
188
7.3.2) Ingang STOP
STOP is de ingang die onmiddellijke stilstand van de manoeuvre ver-
oorzaakt (met een kortstondige omkering). Op deze ingang kunnen
de inrichtingen met uitgang met normaal open contacten “NO” aan-
gesloten worden, maar ook inrichtingen met normaal gesloten con-
tacten “NC” of inrichtingen met een uitgang met constante weer-
stand 8,2KΩ, zoals bijvoorbeeld de contactlijsten.
Net als bij de BlueBUS, herkent de besturingseenheid tijdens de her-
kenningsfase het op de ingang STOP aangesloten type inrichting (zie
paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen); daarna wordt
een STOP veroorzaakt indien er zich een wijziging voordoet ten
opzichte van de herkende staat.
Door het uitvoeren van de juiste handelingen kunt u op de STOP-
ingang meer dan één inrichting aansluiten, ook al zijn die niet van het
hetzelfde type.
Er kunnen meerdere NO inrichtingen parallel op elkaar aangeslo-
ten worden zonder beperking van het aantal daarvan
Er kunnen meerdere NC inrichtingen serieel op elkaar aangesloten
worden zonder beperking van het aantal daarvan
U kunt slechts 2 inrichtingen met een uitgang met constante weer-
stand 8,2KΩ parallel verbinden. Eventueel moeten meer inrichtin-
gen via een „cascadeschakeling“ op één enkele eindweerstand
van 8,2KΩ aangesloten
Een combinatie NO en NC is mogelijk door de 2 contacten paral-
lel te schakelen en met contact NC serieel een weerstand van
8,2KΩ te verbinden (en dus is ook de combinatie van de 3 inrich-
tingen mogelijk: NO, NC en 8,2KΩ).
Let op: indien de ingang STOP gebruikt wordt om inrich-
tingen met een veiligheidsfunctie aan te sluiten, garanderen
alleen die inrichtingen welke een uitgang met een constante
weerstand van 8,2KΩ hebben, de veiligheidscategorie 3 tegen
storingen volgens de norm EN 954-1.
!
FOTO
Fotocel h = 50
50 met inwerkingtreding tijdens sluiting
FOTO II
Fotocel h = 100
100met inwerkingtreding tijdens sluiting
FOTO 1
Fotocel h = 50 50 met inwerkingtreding zowel
tijdens sluiting als tijdens opening
FOTO 1 II
Fotocel h = 100 met inwerkingtreding
zowel tijdens sluiting als tijdens opening
FOTO 2
2Fotocel met inwerkingtreding
tijdens opening
FOTO 2 II
Fotocel met inwerkingtreding
tijdens opening
FOTO 3
VERBODEN CONFIGURATIE
7.3.3) Fotocellen
Voor een goede herkenning van de fotocellen door de besturings-
eenheid, moet de adrestoewijzing daarvan via de speciale brugver-
bindingen plaatsvinden. Dankzij het systeem “BlueBUS” kan de
besturingseenheid via adrestoewijzing via de speciale bruggetjes, de
fotocellen herkennen en kan een correcte waarnemingsfunctie toe-
gewezen worden. De adrestoewijzing moet zowel op de TX als op
de RX plaatsvinden (en de brugverbindingen op dezelfde wijze uit-
gevoerd worden). Controleer of er geen andere fotocellenparen met
hetzelfde adres zijn. In een automatisme voor sectionaaldeuren of
binnen de gevel blijvende kanteldeuren kunt u de fotocellen installe
ren zoals dat op afbeelding 44 te zien is. In een automatisme met
buiten de gevel draaiende kanteldeuren gelieve u afbeelding 45 te
raadplegen. Foto 2 en Foto 2II worden in speciale installaties
gebruikt die een complete beveiliging van het automatisme vereisen,
ook tijdens de opening. Na de installatie of het wegnemen van foto-
cellen dient u een herkenningsprocedure in de besturingseenheid uit
te voeren zoals in paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere inrichtin-
gen” beschreven is.
Op SPIN20KCE en SPIN21KCE heeft de uitgang BlueBUS een maximale belasting van 2 eenheden.
Op SPIN30, SN6031, SPIN40 en SN6041 is de maximale belasting 6 eenheden; een stel fotocellen absorbeert een vermogen
van 1 eenheid BlueBUS.
!
44 45
Tabel 21: adressen van de fotocellen
Fotocel Bruggetjes Fotocel Bruggetjes
189
NL
7.3.4) Herkennen van andere inrichtingen
Normaal gesproken vindt het herkennen van de op BlueBUS en de ingang STOP aangesloten inrichtingen tijdens de installatiefase plaats; het is ech-
ter mogelijk wanneer er inrichtingen bijgeplaatst of weggenomen worden de herkenningsfase opnieuw uit te voeren en wel op de volgende manier:
1. Druk op de toetsen [] en [Set] en houd die ingedrukt
2. RLaat de toetsen los wanneer de ledlampjes L1 en L2 heel snel beginnen te knipperen (na ongeveer 3s)
L1 L2
3. Wacht enkele seconden totdat de besturingseenheid met het herkennen van de inrichtingen gereed is
4.
Aan het einde van de herkenningsfase moeten de ledlampjes L1 en L2 ophouden te knipperen, het ledlampje STOP blijven branden
terwijl de ledlampjes L1…L4 zullen gaan branden op basis van de status van de functies ON-OFF die zij vertegenwoordigen.
L1 L2
Na bijplaatsing of wegname van een inrichting moet de opleveringstest van de automatisering opnieuw uitgevoerd
worden volgens wat in paragraaf “5.1 Opleveringstest” aangegeven is.
!
Tabel 22: voor het herkennen van andere inrichtingen Voorbeeld
SET
SET
7.4.1) Functie “Open Altijd”
De functie “Open Altijd” is een eigenschap van de besturingseenheid
waardoor het mogelijk is altijd een openingsmanoeuvre aan te stu-
ren wanneer de instructie “Stap-voor-Stap” langer dan 3 seconden
duurt; dit is met name nuttig bij het aansluiten van het contact van
een tijdschakelklok op het klemmetje P.P. om de deur tijdens een
bepaald tijdsbestek open te houden. Deze eigenschap is geldig
ongeacht de programmering van de ingang PP (zie parameter
“Functie PP” in tabel 17).
7.4.2) Functie “Beweeeg in ieder geval”
Mocht de een of andere veiligheidsinrichting niet correct werken of
buiten gebruik zijn, dan is het toch mogelijk de deur in de modus
“Iemand aanwezig”. aan te sturen en te manoeuvreren. Zie voor de
details de paragraaf “Bediening terwijl de veiligheidsinrichtingen bui-
ten gebruik zijn” in de bijlage “Aanwijzingen en aanbevelingen
bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor SPIN”.
7.4) Speciale functies
7.5) Aansluiting van andere inrichtingen
Mocht het nodig zijn externe inrichtingen zoals bijvoorbeeld een lezer
voor transponderkaarten of het lampje van de verlichting van de
sleutelschakelaar van stroom te voorzien, dan kunt u de stroom aan-
sluiten zoals op afbeelding 46 te zien is. De spanning van de stroom-
toevoer is 24Vcc -30% ÷ +50% met maximale beschikbare stroom
van 100mA.
-+
24Vcc
46
190
6 knipperingen pauze van
1 seconde 6 knipperingen
Bij het begin van de manoeuvre komt de controle van de op BLUEBUS aangesloten inrichtingen niet
overeen met welke tijdens de herkenningsfase in het geheugen zijn opgeslagen. Het kan zijn dat er
defecte inrichtingen zijn, controleer ze en vervang ze; als er wijzigingen zijn aangebracht dient de
herkenningsprocedure opnieuw uitgevoerd te worden (7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen).
7.7.1) Signalering met knipperlicht en gebruikerslicht
Als de uitgang FLASH geprogrammeerd is en op een knipperlicht wordt aangesloten, zal dit tijdens de manoeuvre één maal per seconde
knipperen; wanneer er een storing is, zal het kortere knipperingen geven; deze knipperingen worden twee maal herhaald met daartussen een
pauze van een seconde. Het gebruikerslicht geeft dezelfde diagnose-signaleringen.
Tabel 24: signaleringen op het knipperlicht FLASH
Snelle knipperingen Oorzaak HANDELING
1 knippering
pauze van 1 seconde1
1 knippering
Fout op de BluBUS
2 knipperingen
pauze van 1 seconde
2 knipperingen
Inwerkingtreding van een fotocel
Bij het begin van de manoeuvre geven één of meer fotocellen geen toestem-
ming tot de manoeuvre, controleer of er obstakels zijn. Het is normaal tijdens
de manoeuvre als er daadwerkelijk een obstakel is.
3 knipperingen pauze van
1seconde 3 knipperingen
Inwerkingtreding van de begren-
zer van de “Kracht Motor”
Tijdens de manoeuvre heeft de deur meer wrijving ondervonden; controleer de
oorzaak
4 knipperingen pauze van
1 seconde 4 knipperingen
Inwerkingtreding van de
ingang STOP
Bij het begin van de manoeuvre of tijdens de manoeuvre is de ingang di STOP
in werking getreden; controleer de oorzaak
5 knipperingen
pauze van 1 seconde
5 knipperingen
Fout in de interne parameters
van de elektronische bestu-
ringseenheid
Wacht tenminste 30 seconden en probeer dan opnieuw een instructie te
geven; als er geen verandering in de status optreedt, zou er een ernstig defect
kunnen zijn en dient de elektronische kaart vervangen te worden
De maximumlimiet voor manoeu-
vres per uur is overschreden.
Wacht enkele minuten dat de begrenzer van de manoeuvres weer onder de
maximumlimiet komt
7 knipperingen pauze van
1 seconde 7 knipperingen
Fout in de interne elektrische
circuits
Koppel alle circuits enige seconden van de stroomtoevoer los; probeer daarna
een instructie te geven; als er geen verandering in de status optreedt, zou er
een ernstig defect op de kaart kunnen zijn of in de bekabeling van de motor.
Controleer en vervang eventueel.
7.6) Oplossen van problemen
In onderstaande tabel kunt u nuttige aanwijzingen vinden om even-
tuele storingen te verhelpen die u tijdens de installatie of bij een even-
tueel defect tegen kunt komen.
7.7) Diagnostiek en signaleringen
Sommige inrichtingen geven zelf al speciale signaleringen waardoor
het mogelijk is de bedrijfsstatus of eventuele storing te herkennen.
47
Tabel 23: Opsporen van storingen
SYMPTOMEN MOGELIJKE OORZAAK EN EVENTUELE REMEDIE
De radiozender stuurt de deur aan en het led-
lampje op de zender gaat niet branden
De radiozender stuurt de deur aan, maar het
ledlampje op de zender gaat branden.
Er wordt geen enkele manoeuvre aangestuurd
en het ledlampje “BlueBUS” knippert niet
Er wordt geen enkele manoeuvre aangestuurd
en het knipperlicht is uit
De manoeuvre gaat niet van start en het gebrui-
kerslicht knippert enkele malen
De manoeuvre gaat van start, maar onmiddellijk
daarna vindt er een korte terugloop plaats
De manoeuvre wordt uitgevoerd maar de op de
uitgang FLASH gekoppelde inrichting werkt niet
Controleer of de batterijen van de zender leeg zijn; vervang ze zo nodig.
Controleer of de zender correct in het geheugen van de radio-ontvanger is opgeslagen.
Controleer of de stroomvoorziening naar de SPIN van de elektriciteitsleiding een spanning van 230V
heeft. Vergewis u ervan dat de zekeringen F1 en F2 niet onderbroken zijn; zo ja, dan dient u de oorzaak
van de storing op te sporen en ze met andere met dezelfde stroomwaarde en kenmerken te vervangen.
Controleer of de instructie daadwerkelijk ontvangen is. Als de instructie de ingang PP
bereikt, moet het desbetreffende ledlampje “PP” gaan branden; als daarentegen de
radiozender wordt gebruikt, dient het ledlampje “BlueBus” twee maal snel te knipperen.
Tel het aantal malen dat dat licht knippert en controleer aan de hand van de gegevens in tabel 24.
De geselecteerde kracht zou te klein kunnen zijn om de deur te laten bewegen. Con-
troleer of er geen obstakels zijn en selecteer eventueel een grotere kracht.
Controleer of de op de uitgang “FLASH”aangesloten inrichting ook daadwerkelijk de
geprogrammeerde inrichting is. Controleer of wanneer de inrichting van stroom voor-
zien dient te worden, er spanning op het klemmetje van die inrichting staat; als er
spanning op staat, ligt het probleem bij de inrichting die vervangen zal moeten worden
met een die dezelfde kenmerken bezit. Als er geen spanning op staat, betekent dit dat
er een elektrische overbelasting op de uitgang staat. Controleer of er geen kortsluiting
in de kabel is.
F2
F1
191
NL
Ledlampje BLUEBUS Oorzaak AZIONE
Ledlampje STOP Oorzaak HANDELING
Ledlampje P.P. Oorzaa HANDELING
Uit
7.7.2) Signaleringen op de besturingseenheid
Op de besturingseenheid van SPIN bevinden zich een reeks led-
lampjes die elk bepaalde signaleringen kunnen geven, zowel wan-
neer alles normaal functioneert als bij storingen.
Tabel 25: ledlampjes op de klemmetjes van de besturingseenheid
Storing
Controleer of er stroom is; controleer of de zekeringen niet in werking getreden zijn; is dat het geval, contro-
leer dan de oorzaak van de storing en vervang de zekeringen vervolgens met andere met dezelfde waarde
Aan Ernstige storing
Er is een ernstige storing opgetreden; probeer de besturingseenheid enkele seconden uit te zetten;
als deze status niet verandert, is er een defect en dient de elektronische kaart vervangen te worden
Eén knippering per seconde Alles OK Normale werking van de besturingseenheid
2 snelle knipperingen
Er is een wijziging opgetreden
in de status van de ingangen
Dit is normaal wanneer er een wijziging optreedt op één van de ingangen: PP,
STOP, of wanneer de fotocellen in werking treden of de radiozender gebruikt wordt
Serie knipperingen met daartus-
sen een pauze van un seconde
Verschillende
Dit is dezelfde signalering als die op het knipperlicht of gebruikerslicht.
Zie Tabel 24
Uit
Inwerkingtreding van de
ingang STOP
Controleer de op de ingang STOP aangesloten inrichtingen
Aan Alles OK Ingang STOP actief
Uit Alles OK Ingang PP niet actief
Aan
Inwerkingtreding van de
ingang PP
Dit is normaal wanneer de op de ingang PP aangesloten inrichting daadwerkelijk
actief is
48
Ledlampje L1 Beschrijving
Programmering van de actuele functies
Indien dit samen met L4 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen
van de openings- en sluitstanden van de deur uit te voeren (zie paragraaf “4.3 Herkennen van de ope-
nings-en sluitstanden van de deur”).
Ledlampje L3 Beschrijving
Ledlampje L2 Beschrijving
Ledlampje L4 Beschrijving
Uit
Tabel 26: ledlampjes op de toetsen van de besturingseenheid
Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Automatische Sluiting” niet actief
Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Automatische Sluiting” actief
Programmering van de actuele functies
Indien dit samen met L2 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen
van de de inrichtingen uit te voeren (zie paragraaf “4.2 Herkennen van de inrichtingen”).
Aan
Knippert
Uit Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Terugloop Na Foto” niet actief.
Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Terugloop Na Foto” actief.
Programmering van de actuele functies
Indien dit samen met L1 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen
van de inrichtingen uit te voeren (zie paragraaf “4.2 Herkennen van de inrichtingen”).
Aan
Knippert
Uit Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Kracht Motor” voor “zware” deuren.
Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Kracht Motor” voor “lichte” deuren
Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Stand-By” niet actief.
Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Stand-By” actief.
Programmering van de actuele functies
Indien dit samen met L3 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen van
de waarden uit te voeren (zie paragraaf “4.3 Herkennen van de openings-en sluitstanden van de deur”).
Aan
Knippert
Uit
Aan
Knippert
192
7.8) Accessoires
Voor SPIN zijn onderstaande facultatieve accessoires beschikbaar. Raadpleeg de catalogus producten van Nice S.p.A. voor de complete en
bijgewerkte lijst met accessoires.
Voor SN6031 en SN6041
• PS124 Bufferbatterij 24V - 1,2Ah met geïntegreerde batterij-oplader.
Voor SN6031 en SN6041
• SMXI of SMXIS Radio-ontvanger op 433,92MHz met digitale codering Rolling code.
Voor SN6031
• SNA5 Geleiderail met één enkel profiel van 3 m uit verzinkt staal. Riemaandrijving met 4 kernen van staal.
Voor SN6031 en SN6041
• SNA6 Geleiderail met 2 profielen van 4m (3m + 1m) uit verzinkt staal. Riemaandrijving met 6 kernen van staal.
Voor allemaal
SPA2 Mechanische ontgrendeling met metalen kabeltje. Te gebruiken in die installaties waarvan de enige toegang de te automatiseren
deur is.
Voor allemaal
SPA5 Kantelarm. Deze is noodzakelijk wanneer de te automatiseren deuren een kanteldeur betreft, zowel met tegengewichten als met
veren.
49 50
51 52
193
NL
Stroomtoevoer bij stroomuitval --- Met accessoire PS124 Met accessoire PS124
Uitgang FLASH
Indien geprogrammeerd als“SPIA”: voor een controlelampje 24V-5W maximaal Indien
geprogrammeerd als “Knipperlicht”: voor 1 knipperlicht LUCYB (12V, 21W) Indien gepro-
grammeerd als“Elektrische vergrendeling”: voor elektromechanische vergrendeling 24V-
10W maximaal Indien geprogrammeerd als“Zuignap” voor elektromechanische zuignap
24V- 10W maximaal
Gebruikerslicht SPIN
Gebruikerslicht SPIN/V1
12V-21W fitting BA15 230V-60W fitting E27 230V-60W fitting E27
12V-21W fitting BA15 120V-60W fitting E27 120V-60W fitting E27
Gebruik in bijzonder zure, zoute of poten-
tieel explosieve omgeving
311x327 h 105 / 3,6Kg 311x327 h 105 / 4,7Kg
Teneinde haar producten steeds meer te vervolmaken behoudt NICE S.p.a. zich het recht voor op elk gewenst moment en zonder voorbe-
richt wijzigingen in haar producten aan te brengen, waarbij functionaliteit en gebruiksbestemming echter gehandhaafd blijven.
Alle technische gegevens hebben betrekking op een omgevingstemperatuur van 20°C (±5°C).
8) Technische gegevens
Typologie
Technische gegevens: SPIN
Elektromechanische reductiemotor voor het automatische manoeuvreren van garagedeu-
ren voor particulier gebruik compleet met elektronische besturingseenheid
Rondsel
Doorsnede 9,5mm, 28 tanden; voor geleiderails SNA5, SNA6 en geleiderails megeleverd
bij SPIN20KCE, SPIN30 en SPIN40
Model type SN6021 SN6031 SN6041
Maximumkoppel bij de start [overeenkomen-
de met de capaciteit een dusdanige kracht te
ontwikkelen dat de vleugel in beweging komt]
11.7Nm 11.7Nm 18Nm
[650N] [650N] [1000N]
5.85Nm 5.85Nm 9Nm
[345N] [345N] [560N]
Nominale koppel [overeenkomende met de
capaciteit een dusdanige kracht te ontwikke-
len dat de vleugel blijft lopen]
Snelheid loos [overeenkomend met] indien
de geprogrammeerde snelheid “Snel” is
106 rpm [0,20m/s]
De besturingseenheid biedt de mogelijkheid 4 snelheden te programmeren te weten op circa
100% - 85% - 70% - 55% circa
Snelheid bij het nominale koppel [ove-
reenkomend met] indien de geprogram-
meerde snelheid “Snel”is
53 rpm
[0,08m/s]
Maximale frequentie werkingscycli
50 cycli / dag (de besturingseenheid beperkt de cycli tot het maximum zoals voorzien in de tabellen 4 en 5)
Maximumduur continue werking
3 minuten (de besturingseenheid beperkt de continue werking tot het maximum zoals
voorzien in de tabellen 4 en 5)
Gebruikslimieten
Over het algemeen is SPIN in staat sectionaaldeuren of kanteldeuren te automatiseren waarvan de afme-
tingen vallen binnen die welke in tabel 3 staan en volgens de limieten zoals voorzien in de tabellen 4 en 5.
Maximaal opgenomen vermogen 250W 250W 370W
266
Lager verbruik bij Stand-By --- Minder dan 2,2W Minder dan 2,5W
Isoleringsklasse 1 (aarding is noodzakelijk)
Maximale belasting uitgang BLUEBUS
Ingang STOP
Voor normaal gesloten contacten, normaal open contacten en/of voor constante weer-
stand 8,2KΩ, met automatische herkenning van de “normale” status (een verandering ten
opzichte van de opgeslagen status veroorzaakt de instructie “STOP”)
Ingang PP Voor normaal open contacten (sluiting van het contact geeft de instructie P.P.)
Ingang ANTENNE Radio 52Ω or kabeltype RG58 of dergelijke
Radio-ontvanger Insteek “SM” voor ontvangers type SMXI of SMXIS
Stroomtoevoer SPIN
Stroomtoevoer SPIN/V1
230Vac (±10%) 50/60Hz.
120Vac (±10%) 50/60Hz.
Programmeerbare functies 4 functies van het type ON-OFF en 4 instelbare functies (zie de tabellen 15 en 17)
Bedrijfstemperatuur -20°C ÷ 50°C
Nee
Beschermingsgraad IP 40 alleen bij toepassing binnenshuis of in een beschermde ruimte
Afmetingen / gewicht
Zelflerende functies
Automatische herkenning van de op de uitgang BlueBUS aangesloten inrichtingen Auto-
matische herkenning van het type inrichting "STOP" (contact NO, NC of weerstand 8,2KΩ)
Automatische herkenning van de openings-en sluitstanden van de deur en berekening van
de vertragingspunten en Gedeeltelijke opening
194
Uitgestraald vermogen
Afmetingen en gewicht
Van 100 tot 150m, Deze afstand kan variëren wanneer er obstakels of eventuele elektromagnetische sto-
ringen zijn; ook is van invloed de plaats van de ontvangstantenne.
Uitgangen 4 (op stekker SM)
Bedrijfstemperatuur
-10°C ÷ 55°C
Typologie
Technische gegevens radio-ontvanger: SMXI radio-ontvanger: SMXIS
Ontvanger met 4 kanalen voor radiobesturing
Frequentie 433.92MHz
Codiering Digitale 52 bits Rolling code, type FLOR Digitale 64 bits Rolling code, type SMILO
Compatibiliteit zenders
FLOR, VERY VR; alleen enkele groep: ERGO,
PLANO, PLANOTIME
SMILO
Aantal zenders dat opgeslagen kan worden Maximaal 256 bij geheugenopslag in Modus I
Impedantie ingang 52Ω
Gevoeligheid beter dan 0.5μV
Bereik van de zenders
72 x 40 h 18mm / 30g Doorsnede 48 h14mm / 19g
Beschermingsgraad IP 40 (gebruik binnenshuis)
Bedrijfstemperatuur
-40°C ÷ 85°C
Typologie Zender met 2 kanalen voor radiobesturing
Frequentie 433.92MHz
Codering Digitale 52 bits Rolling code, type FLOR Digitale 62 bits Rolling code, type SMILO
Toetsen 2
Stroomtoevoer 12Vdc met batterij van het type 23A
Opname 25mA
Levensduur van de batterij
1 jaar, geschat op een basis van 20 instructies/dag met een duur van 1s bij 20°C (bij lage temperaturen
vermindert de batterijwerking)
100μW
echnische gegevens zender: FLO2R-S zender: SM2
Model type Geleiderail aanwezig in Geleiderail aanwezig in
SPIN20KCE e SPIN30 SPIN40
SNA5 SNA6
Typologie één enkel profiel profiel van 2 stukken
profiel van 3 stukken uit verzinkt staal
uit verzinkt staal uit verzinkt staal
Lengte geleiderail 3.15m 3.15m 3.15m 4.15m
Hoogte geleiderail 35mm 35mm 35mm 35mm
Nuttige lengte 2.5m 2.5m 2.5m 3.5m
Lengte riem 6m 6m 6m 8m
Hoogte riem 6mm 10mm 6mm 10mm
Trekweerstand 730N 1220N 730N 1220N
Technische gegevens geleiderails
195
NL
Voordat u de automatisering voor de eerste
maal gaat gebruiken, is het raadzaam u door de
installateur te laten uitleggen waar de restrisico's
ontstaan, en enkele minuten van uw tijd te besteden
aan het lezen van deze handleiding met aanwijzin-
gen en aanbevelingen voor de gebruiker die de
installateu u overhandigd heeft. Bewaar deze
handleiding voor eventuele toekomstige twijfels en
geef haar aan een eventuele nieuwe eigenaar van de
automatisering.
Uw automatisering is een machine die getrou-
welijk uw instructies opvolgt; onverantwoordelijk
en oneigenlijk gebruik kan maken dat het een
gevaarlijke machine wordt: laat de automatisering
niet werken als er zich mensen, dieren of zaken bin-
nen haar bereik bevinden.
Kinderen: een automatiseringsinstallatie biedt een hoge
graad van veiligheid, doordat ze met haar beveiligings-
systemen de manoeuvre bij aanwezigheid van mensen
of zaken onderbreekt en altijd een voorspelbare en veili-
ge activering garandeert. Het is in ieder geval verstandig
kinderen te verbieden in de buurt van de installatie te
spelen en de afstandsbedieningen buiten hun bereik te
houden om te voorkomen dat de installatie per ongeluk
in werking komt: het is geen speelgoed!
Storingen: Zodra u constateert dat de automatise-
ringsinstallatie niet werkt zoals ze dat zou moeten
doen, dient u de stroomtoevoer naar de installatie te
onderbreken en haar handmatig te ontgrendelen.
Probeer niet zelf te repareren, maar roep de hulp
van uw vertrouwensinstallateur in: intussen kan de
installatie werken als een niet geautomatiseerde
toegang, wanneer u de reductiemotor op de hieron-
der beschreven manier ontgrendeld hebt.
Onderhoud: Zoals elke machine heeft uw installatie
periodiek onderhoud nodig om haar zo lang moge-
lijk en geheel veilig te laten werken.Stel met uw
installateur een onderhoudsplan met periodieke fre-
quentie op; Nice raadt bij normaal gebruik bij een
woning een onderhoudsbezoek om het half jaar aan,
maar dit tijdsbestek kan variëren in functie van een
meer of minder intensief gebruik. Alle controle-,
onderhouds- of reparatiewerkzaamheden mogen
uitsluitend door gekwalificeerd personeel worden
uitgevoerd.
Ook al bent u van mening dit te kunnen doen, breng
geen wijzigingen aan de installatie en de programme-
rings- en afstellingsparameters van uw automatise-
ringsinstallatie aan: uw installateur is aansprakelijk.
• De opleveringstest, de periodieke nderhoudswerk-
zaamheden en de eventuele reparatiewerkzaamhe-
den dienen gedocumenteerd te worden door wie die
uitvoert en de documenten dienen door de eigenaar
van de installatie bewaard te worden.
De enige werkzaamheden die de gebruiker regel-
matig kan en moet uitvoeren zijn het reinigen van de
glaasjes van de fotocellen en het verwijderen van bla-
deren en stenen die het automatisme in diens wer-
king kunnen belemmeren. Om te voorkomen dat
iemand de deur in beweging kan bregen dient u
eraan te denken voordat u dit gaat doen het auto-
matisme (zoals verderop beschreven) te ontgrende-
len en voor het schoonmaken alleen een enigszins
vochtige in water gedrenkte doek te gebruiken.
Afvalverwerking: Als de automatisering niet meer
gebruikt kan worden, dient u zich ervan te vergewis-
sen dat de sloop daarvan door gekwalificeerd perso-
neel wordt uitgevoerd en dat het materiaal volgens
de plaatselijk geldende voorschriften wordt herge-
bruikt of naar de afvalverwerking wordt gezonden.
In geval van defecten of stroomuitval: In afwach-
ting van het bezoek van uw installateur, (of het terug-
keren van de elektrische stroom als de installatie niet
van bufferbatterijen voorzien is), mag de installatie
gebruikt worden als elke andere niet-geautomatiseer-
de toegang. Hiertoe dient u de automatisering hand-
matig te ontgrendelen: aan deze handeling, die de
enige is die de gebruiker van de automatisering mag
uitvoeren, heeft Nice bijzonder veel aandacht besteed
om u altijd een maximum aan gebruiksvriendelijkheid
te garanderen, zonder dat u gereedschap moet
gebruiken of fysieke kracht moet aanwenden.
Aanwijzingen en aanbevelingen bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor SPIN
Deze aanwijzingen kunnen een aanvulling zijn op de “Aanwijzingen en aanbevelingen voor het gebruik van de automatisering” die de installateur aan de eigenaar van de automatisering zal overhandingen en die hiermee aangevuld dienen te worden.
196
Ontgrendeling en handmatige manoeuvre: prima di Voordat u dit gaat doen dient u erop te letten dat ontgrende-
ling alleen kan plaatsvinden wanneer de deur dicht is.
1. Trek het ontgrendelingskabeltje zover naar beneden totdat u hoort dat de wagen los komt.
2. Nu kunt u de deur handmatig bewegen
3. Om naar de automatische functie van het automatisme terug te keren dient u de deur in debeginstand terug te
brengen totdat u hoort dat de wagen vastgehaakt wordt.
Bediening wanneer de veiligheidsinrichtingen buiten
gebruik zijn: indien de veiligheidsinrichtingen van de deur
niet correct mochten functioneren, kunt u de deur toch
bedienen.
Activeer de bediening van de deur (met de afstandsbe-
diening, sleutelschakelaar, etc.); als alles in orde is zal
de deur normaal open of dicht gaan, anders zal het
knipperlicht enkele malen knipperen en zal de manoeu-
vre niet van start gaan (het aantal malen dat het knip-
perlicht knippert heeft te maken met de reden waarom
de manoeuvre niet van start kan gaan).
In dit geval moet u de bedieningsinrichting binnen 3
seconden nogmaals activeren en geactiveerd hou-
den.
Na ongeveer 2s komt de deur in beweging en wel in de
modus “iemand aanwezig”, d.w.z. zolang de bedienings-
inrichting geactiveerd blijft, beweegt de deur; zodra de
bedieningsinrichting losgelaten wordt, stopt de deur.
Wanneer de beveiligingen buiten gebruik zijn, moet
het automatisme zo snel mogelijk gerepareerd wor-
den.
Vervanging van de batterij van de afstandsbediening:
als
uw afstandsbediening na enige tijd minder lijkt te werken,
of helemaal niet te werken, zou dit eenvoudigweg kunnen
komen omdat de batterij leeg is (afhankelijk van het type
daarvan kan dat na verschillende maanden of na twee/drie
jaar zijn). U kunt dit zien doordat het waarschuwingslamp-
je dat de doorzending bevestigt, zwak brandt, of helemaal
niet brandt, of slechts eventjes brandt. Voordat u zich tot
de installateur wendt kunt u proberen de batterij van een
andere zender die wèl werkt, in te zetten: als dit de oor-
zaak van de storing is, behoeft u alleen maar een nieuwe
batterij van hetzelfde type in te zetten.
Let op: De batterijen bevatten vervuilende stoffen: gooi ze
niet met het gewone huisvuil weg, maar gebruik de
methoden die in de plaatselijke voorschriften voorzien zijn.
1. Open het witte plaatje door erop
te drukken en het te laten draaien.
Vervanging van de lamp: voordat u dit gaat doen dient u eerst de stroomtoevoer naar de SPIN te onderbreken.
Bent u tevreden?
Indien u in uw huis nog een nieuwe automatiseringsinstallatie zou willen, kunt u zich, wanneer u zich tot
dezelfde installateur en Nice wendt, van de adviezen van een specialist en de meest geavanceerde producten op de markt verze-
keren. Het resultaat: een automatisering die het best functioneert en een maximale compatibiliteit met de andere automatiseringen.
Wij bedanken u voor het lezen van deze aanbevelingen, en wij hopen dat u veel plezier van uw nieuwe installatie zult
hebben: wend u voor elke vraag, nu of in de toekomst, vol vertrouwen tot uw installateur.
2. Voor SN6020KCE en SN6021:
verwijder het lampje door het
omhoog te drukken en daarna te
laten draaien. Zet een nieuwe 12
V-lampje van 21W met fitting
BA15 in.
3. Voor SN6030, SN6031, SN6040
en SN6041: draai het niet meer
functionerende lampje los. Breng
een nieuw lampje van 230V / 60W
met fitting E27 aan.

Documenttranscriptie

SPIN Swing gate opener EN - Instructions and warnings for installation and use IT - Istruzioni ed avvertenze per l’installazione e l’uso FR - Instructions et avertissements pour l’installation et l’utilisation DE - Installierungs-und Gebrauchsanleitungen und Hinweise ES - Instrucciones y advertencias para la instalación y el uso PL - Instrukcje i ostrzeżenia do instalacji i użytkowania NL - Aanwijzingen en aanbevelingen voor installatie en gebruik Spin Inhoud: 1 2 pag. Aanbevelingen Beschrijving van het product 171 171 6 Onderhoud en afvalverwerking 184 6.1 Onderhoud 184 6.2 Afvalverwerking 184 2.1 Gebruikslimieten 172 2.2 Voorbeeld van een installatie 173 7 Nadere details 185 2.3 Lijst van kabels 173 7.1 Programmeertoetsen 185 7.2 Programmeringen 185 185 3 Installatie 174 7.2.1 Functies eerste niveau (functies ON-OFF) 3.1 Controles vooraf 174 7.2.2 Programmering eerste niveau 3.2 Bevestiging SPIN 174 3.2.1 Assemblage van de met de SPIN20KCE, (functies ON-OFF) 7.2.3 SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail 175 3.2.2 Assemblage geleiderail SNA5 175 3.2.3 Assemblage geleiderail SNA6 175 3.2.4 Bevestiging van de reductiemotor aan de geleiderail 176 3.2.5 Bevestiging van de reductiemotor aan het plafond 176 3.3 Installatie van de verschillende inrichtingen 178 3.4 Elektrische aansluitingen 178 3.5 Beschrijving van de elektrische aansluitingen 179 Functies tweede niveau (instelbare parameters) 7.2.4 186 Voorbeeld van programmering eerste niveau (functies ON-OFF) 7.2.6 186 Programmering tweede niveau (instelbare parameters) 7.2.5 186 187 Voorbeeld van programmering tweede niveau (instelbare parameters) 187 7.3 Bijplaatsen of wegnemen van inrichtingen 187 7.3.1 BlueBUS 187 4 Eindcontroles en start 179 7.3.2 Ingang STOP 188 4.1 Aansluiting van de stroomtoevoer 179 7.3.3 Fotocellen 188 4.2 Herkennen van de inrichtingen 180 7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen 189 4.3 Herkennen van de standen van opening 7.4 Speciale functies 189 en sluiting van de deur 180 7.4.1 Functie “Open Altijd” 189 4.4 Controle van de manoeuvre van de deur 180 7.4.2 Functie “Beweeg in ieder geval” 189 4.5 Vooraf ingestelde functies 181 7.5 Aansluiting andere inrichtingen 189 4.6 Radio-ontvanger 181 7.6 Oplossen van problemen 190 4.6.1 Geheugenopslag van de zenders 181 7.7 Diagnostiek en signaleringen 190 4.6.2 Geheugenopslag modus I 182 7.7.1 Signalering met waarschuwingslicht 4.6.3 Geheugenopslag modus II 182 4.6.4 Geheugenopslag “op afstand” 182 4.6.5 Wissen van de radiozenders 4.6.6 Conformiteitsverklaring ontvanger en gebruikerslicht 190 7.7.2 Signaleringen op de besturingseenheid 191 183 7.8 Accessoires 192 en radiozenders 183 8 Technische gegevens 193 5 Opleveringstest en inbedrijfstelling 183 Aanwijzingen en aanbevelingen bestemd voor de 5.1 Opleveringstest 183 gebruiker van de reductiemotor SPIN 5.2 In bedrijfstelling 184 170 195 1) Aanbevelingen Deze handleiding bevat belangrijke informatie voor de veiligheid van mensen. Alvorens u met de installatie gaat beginnen, dient u alle in deze handleiding vervatte informatie te lezen. Bewaar deze handleiding ook voor later gebruik. In deze handleiding wordt de naam van de lijn: “SPIN” gebruikt wanneer er gegevens, aanbevelingen en alles wat alle producten gemeenschappelijk hebben, weergegeven worden. De beschrijving van de afzonderlijke producten kunt u in hoofdstuk “2 Beschrijving product” vinden. Met het oog op gevaarlijke situaties die zich tijdens de installatie en het gebruik van SPIN kunnen voordoen, moeten ook tijdens de installatie de wetten, voorschriften en regels volledig in acht genomen worden. In dit hoofdstuk zullen algemene aanbevelingen gegeven worden; andere belangrijke aanbevelingen vindt u in de hoofdstukken “3.1 Controles vooraf”; “5 Opleveringstest en inbedrijfstelling”. ! Volgens de meest recente Europese wetgeving valt het aanleggen van een automatische deur of poort onder wat voorzien is in de Europese Richtlijn 98/37/EG (Richtlijn Machines) en met name onder de voorschriften: EN 12445; EN 12453 en EN 12635, die een verklaring van vermoedelijke conformiteit mogelijk maken. • • • • • • Verdere inlichtingen, richtlijnen ten aanzien van risico’s en het samenstellen van het technisch dossier zijn beschikbaar op: “www.niceforyou.com”. • • Deze handleiding is uitsluitend bestemd voor technisch personeel dat voor de installatie gekwalificeerd is. Behalve de specifieke los te halen bijlage welke de installateur dient te verzorgen, namelijk “Aanwijzingen en aanbevelingen bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor SPIN” kan andere informatie die in dit dossier is vervat, niet als interessant voor de eindgebruiker worden beschouwd! • Ieder ander gebruik van SPIN dat niet voorzien is in deze aanwijzingen • • is verboden; oneigenlijk gebruik kan gevaar opleveren of letsel en schade aan mensen en zaken veroorzaken. Voordat u met de installatie begint dient u een analyse van de risico’s te maken waarvan de lijst van essentiële veiligheidseisen zoals die in Bijlage I van de Richtlijn Machines zijn voorzien, deel uitmaakt; hierin geeft u de toegepaste oplossingen aan. Wij maken u erop attent dat de risico-analyse één van de documenten is die deel uit maken van het “technisch dossier” van de automatisering. Controleer of er verdere inrichtingen nodig zijn om de automatisering met SPIN op basis van de specifieke toepassingssituatie en aanwezige gevaren te completeren; u dient daarbij bijvoorbeeld risico’s op het gebied van botsen, beknelling, scharen, etc. en andere algemene gevaren in acht te nemen. Breng geen wijzigingen aan onderdelen aan, indien dit niet in deze handleiding is voorzien. Dergelijke handelingen kunnen alleen maar storingen veroorzaken. NICE wijst elke aansprakelijkheid voor schade tengevolge van gewijzigde artikelen van de hand. Zorg ervoor dat er tijdens het installeren niets, ook geen vloeistof, in de besturingseenheid of andere open inrichting kan komen; neem eventueel contact op het het technisch servicecentrum van NICE; het gebruik van SPIN in deze situaties kan een gevaarlijke situatie doen ontstaan. Het automatisme mag niet gebruikt worden voordat de inbedrijfsstelling heeft plaatsgevonden zoals dat in hoofdstuk: “5 Opleveringstest en inbedrijfsstelling” is aangegeven. De afvalverwerking van het verpakkingsmateriaal van SPIN moet geheel en al volgens de plaatselijk geldende regels plaatsvinden. Indien er zich een storing voordoet die u niet kunt oplossen onder gebruikmaking van de in deze handleiding vervatte informatie gelieve u contact op te nemen met de technische servicedienst van NICE. Wanneer er een automatische schakelaar of zekering in werking is getreden, dient u alvorens die terug te stellen, de storing op te zoeken en die te verhelpen. Voordat u de interne klemmetjes onder de dekplaat van SPIN aanraakt dient u alle circuits van stroomtoevoer los te koppelen; indien dit niet te zien is, dient u een bord aan te brengen met de tekst: “LET OP ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN IN UITVOERING”. NL 2) Beschrijving van het product SPIN is een lijn reductiemotoren bestemd voor de automatisering van sectionaaldeuren en, met het speciale accessoire SPA5 (niet meegeleverd), van kanteldeuren met veren of tegengewichten, zowel buitendraaiend als binnendraaiend. De elektrische aansluiting op externe inrichtingen zijn heel eenvoudig dankzij toepassing van “BlueBUS”, een techniek waarmee het mogelijk is meerdere inrichtingen met slechts 2 draden op elkaar aan te sluiten. SPIN functioneert op elektrische energie, maar bij uitval van de Tabel 1: beschrijving samenstelling SPIN Model type Reductiemotor SPIN20KCE SN6021 SPIN21KCE SN6021 SPIN30 SN6031 SPIN40 SN6041 SN6031 SN6031 SN6041 SN6041 stroomvoorziening via het elektriciteitsnet is het mogelijk de reductiemotor te ontgrendelen en de deur met de hand te verplaatsen. In de uitvoeringen waarbij dat mogelijk is, kunt u de facultatieve bufferbatterij PS124 gebruiken waardoor ook bij uitval van het elektriciteitsnet een aantal manoeuvres uitgevoerd kunnen worden. Tot de lijn SPIN behoren de producten die in tabel 1 en 2 beschreven zijn. Geleiderail 3x1m 3m 3x1m 3x1m ----- Radio-ontvanger SMXI SMXI --------- Radiozender FLO2R-S FLO2R-S --------- SN6031 moet voorzien worden van de geleiderails SNA5 (3m) of SNA6 (3m + 1m). SN6041 moet voorzien worden van de geleiderail SNA6 (3m + 1m). SPIN30; SPIN40; SN6031 en SN6041 kunnen voorzien worden van de radio-ontvangers SMXI of SMXIS en de daarbijbehorende radiozenders. Tabel 2: vergelijking essentiële kenmerken van de reductiemotoren SPIN Reductiemotor type SN6021 SN6031 Maximale koppel 11.7 Nm (650N) 11.7 Nm (650N) (overeenkomende met de maximale kracht) Vermindering verbruik tijdens Stand-By Nee Si BlueBus-eenheden maximaal 2 6 Stroomtoevoer bij stroomuitval Nee met PS124 Gebruikerslicht (lampfitting) 12V - 21W (BA15) 230V* - 60W (E27) SN6041 18 Nm (1000N) Si 6 met PS124 230V* - 60W (E27) 1 * 120V in de uitvoeringen SPIN/V1 171 2.1) Gebruikslimieten De gegevens met betrekking tot de prestaties van de producten van de lijn SPIN worden in het hoofdstuk “8 Technische gegevens” weergegeven en zijn de enige waarden waarmee het mogelijk is correct te beoordelen of een product voor bepaald gebruik geschikt is. De structurele kenmerken van de producten SPIN maken deze geschikt voor toepassing op sectionaal-of kanteldeuren, volgens de limieten zoals die in de tabellen 3, 4 en 5 zijn weergegeven. Tabel 3: gebruikslimieten reductiemotoren SPIN Model type: SECTIONAALdeur Binnen de gevel blijvende kanteldeur Buiten de gevel draaiende kanteldeur (met het (met het accessoire SPA5) accessoire SPA5) of met veren (zonder SPA5) Hoogte Breedte Hoogte Breedte Hoogte Breedte SPIN20KCE 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m SPIN21KCE 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m SPIN30 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m SPIN40 2.4m 5.2m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m SN6031 (SNA5) 2.4m 4.4m 2.2m 4.2m 2.8m 4.2m SN6031 (SNA6) 3.4m 3.1m 3.2m 2.9m 3.5m 3.4m SN6041 (SNA6) 3.4m 5.2m 3.2m 4.2m 3.5m 4.2m De maten in tabel 3 vormen slechts een richtlijn en dienen alleen voor een eerste schatting. Het antwoord op de vraag of de SPIN daadwerkelijk geschikt is om een bepaalde deur te automatiseren wordt bepaald door de mate van balancering van de vleugel; de weerstand die de geleiderails ondervinden en door andere factoren, ook toevallige factoren, zoals de kracht van de wind of de aanwezigheid van ijs die de manoeuvre van de vleugel zouden kunnen belemmeren. Voor een reële controle is het absoluut noodzakelijk de kracht te meten die noodzakelijk is om de vleugel over de gehele loop te laten bewegen en te controleren dat deze niet het “nominale koppel” overschrijdt zoals dat in hoofdstuk “8 Technische gegevens” is aangegeven; bovendien dient u om het aantal cycli/uur en opeenvolgende cycli vast te stellen, rekening te houden met wat in de tabellen 4 en 5 is aangegeven. Tabel 4: limieten in verband met de hoogte van de vleugel Hoogte vleugel meter max. cycli/uur Tot 2 20 2÷2,5 15 2,5÷3 12 3÷3,5 10 max. opeenvolgende cycli 10 7 5 4 Tabel 5: limieten in verband met de kracht die noodzakelijk is om de vleugel te laten bewegen Kracht om de vleugel te laten bewegen N Tot 250 250÷400 400÷500 500÷650 650÷850 Percentage reductie aantal cycli SN6021 - SN6031 100% 70% 25% ----- SN6041 100% 90% 70% 40% 25% Op grond van de hoogte van de deur kunt u het maximum aantal cycli per uur en het aantal opeenvolgende cycli bepalen, terwijl op grond van de kracht die noodzakelijk is om de deur te bewegen u het percentage van de reductie van het aantal cycli kunt vaststellen; als de vleugel bijvoorbeeld 2,2 m hoog is, zou het mogelijk zijn 15 cycli/uur en 7 opeenvolgende cycli uit te voeren, maar als voor het bewegen van de vleugel 300N noodzakelijk zijn, dient u bij gebruik van de reductiemotor SN6021 deze met 70% terug te brengen; het resultaat is dus 10 cycli/uur en circa 5 opeenvolgende cycli. Om oververhitting te voorkomen heeft de besturingseenheid een begrenzer die gebaseerd is op de kracht die de motor moet ontwikkelen en de duur van de cycli, en die in werking treedt wanneer de maximumgrens wordt overschreden. N.B.: 1kg = 9.81N dus bijvoorbeeld, 500N = 51kg 172 2.2) Typische installatie Op de afbeelding 2 vindt u een typische installatie van een sectionaaldeur. A 5 1 D C B 7 6 B 2 B 8 2 2 4 1 2 3 SPIN Fotocellen Fotocellen op zuiltje (afb. 3) 4 5 Primaire contactlijst Knipperlicht met ingebouwde antenne 6 7 8 Sleutelschakelaar Kabeltje functie PP Radiozender Op de afbeeldingen 3 en 4 ziet u de typische installatie voor een buiten de gevel draaiende en binnen de gevel blijvende kanteldeur. ! Voor installatie op kanteldeuren is het accessoire SPA5 noodzakelijk. NL 3 3 4 2.3) Lijst kabels Op de typische installatie op afbeelding 2 worden ook de kabels aangegeven die noodzakelijk zijn voor de aansluiting van de verschillende inrichtingen; in tabel 6 worden de kenmerken van de kabels aangegeven. Tabel 6: lijst kabels Aansluiting A: Knipperlicht met antenne B: Fotocellen C: Sleutelschakelaar D: Primaire contactlijst ! De gebruikte kabels moeten geschikt zijn voor het type installatie; zo bevelen we bijvoorbeeld een kabel van het type H03VV-F aan, wanneer die binnenshuis gebruikt wordt. Type kabel 1 kabel 2x0,5mm2 1 afgeschermde kabel type RG58 1 kabel 2x0,5mm2 2 kabels 2x0,5mm2 (opm. 1) 1 kabel 2x0,5mm2 (opm. 2-3) Maximaal toegestane lengte 20m 20m (aanbevolen lengte minder dan 5m) 30m 50m 30m Opm. 1: de twee kabels 2x0,5mm2 kunnen vervangen worden door één enkele kabel 4x0,5mm2. Opm. 2: als er meer dan één lijst is, gelieve u de paragraaf “7.3.2 Ingang STOP” te raadplegen voor het soort aanbevolen aansluiting Opm. 3: voor de aansluiting van de contactlijsten op deuren dient u de nodige maatregelen te nemen die ook aansluiting bij de in beweging zijnde vleugel mogelijk maken. 173 3) Installatie ! De installatie van SPIN dient door gekwalificeerd personeel uitgevoerd te worden waarbij de wetten, voorschriften en regels en wat in deze aanwijzingen staat, in acht worden genomen. D 380mm B 0÷400mm A 40÷400mm 200mm 5 200mm 3.1) Controles vooraf Voordat u met de installatie van SPIN begint, dient u onderstaande controles uit te voeren: • Vergewis u ervan dat al het te gebruiken materiaal in een optimale staat is en geschikt is voor gebruik en conform de voorschriften. • Controleer of de structuur van de deur ervoor geschikt is geautomatiseerd te worden. • Controleer of kracht en afmetingen van de deur binnen de gebruikslimieten zoals die in paragraaf “2.1 Gebruikslimieten” zijn aangegeven, vallen. • Vergewis u ervan door de waarden uit hoofdstuk “8 Technische gegevens” te vergelijken, dat de statische wrijving (dat wil zeggen de benodigde kracht om de vleugel in beweging te brengen) kleiner is dan de helft van het “Maximale koppel” en dat de dynamische wrijving (dat wil zeggen de benodigde kracht om de vleugel te laten bewegen als deze eenmaal loopt) kleiner is dan de helft van het “Nominale koppel”; het is raadzaam een marge van 50% op deze krachten aan te houden, omdat slechte weersomstandigheden de wrijving kunnen verhogen. • Controleer of er op de loop van de deur, zowel bij sluiting als opening, punten met een grotere wrijving zijn. • Controleer of de mechanische stops sterk genoeg zijn en dat er geen gevaar bestaat dat de deur uit geleiderails komt. • Controleer dat de deur goed is uitgebalanceerd, dat wil zeggen de deur mag niet in beweging komen wanneer de manoeuvre op een willekeurige stand onderbroken wordt. • Controleer of de punten van bevestiging van de diverse inrichtingen (fotocellen, knoppen, etc…) zo gekozen zijn dat er niet tegen aan gestoten kan worden en of de bevestigingsvlakken stevig genoeg zijn. • Controleer of de op afbeelding 5 en 6 aangegeven minimum- en maximumruimte voorhanden is. • Zorg ervoor dat er geen enkel deel van het automatisme in water of een andere vloeistof terecht kan komen • Houd alle onderdelen van SPIN uit de buurt van relevante warmtebronnen en open vuur. Anders zouden ze schade kunnen oplopen of zouden er storingen, brand of gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. • Indien er in de deur een kleinere toegangsdeur is, dient u zich ervan te vergewissen dat deze de normale loop niet belemmert, en indien dit wel het geval is, voor een adequate blokkering te zorgen. • Als de te automatiseren deur een kanteldeur is dient u te controleren dat de waarde E op afbeelding 7 d.w.z. de minimumafstand is tussen de bovenzijde van de geleiderail en het hoogste punt dat de bovenzijde van de deur bereikt. Anders kan de SPIN niet gemonteerd worden. • Steek de stekker voor stroomvoorziening van de SPIN in een elektrisch stopcontact voorzien van randaarde. • Het stopcontact moet beschermd zijn door een adequate magneetthermische en differentiaalschakelaar. C 2970mm 300mm 6 7 380mm E 65÷300 mm 3.2) Bevestiging SPIN De bevestiging van SPIN vindt in 3 delen plaats: • Assemblage geleiderail (zie paragraaf 3.2.1 voor de bij SPIN20KCE, SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail, paragraaf 3.2.2 voor de geleiderail SNA5 en paragraaf 3.2.3 voor de geleiderail SNA6) • Bevestiging van de reductiemotor aan de geleiderail (zie paragraaf 3.2.4) • Bevestiging van de reductiemotor aan het plafond (zie paragraaf 3.2.5) 174 ! Voor SN6031 dient u over een geleiderail SNA5 of SNA6 te beschikken, terwijl u voor SN6041 een geleiderail SNA6 dient te gebruiken. 3.2.1) Assemblage van de met SPIN20KCE, SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail De bij SPIN20KCE, SPIN30 en SPIN40 meegeleverde geleiderail dient op onderstaande manier in elkaar gezet te worden: 1. Leg de drie delen van de geleiderail zo, dat de delen met elkaar verbonden kunnen worden. Let op de stand van de riem: de tanden moeten naar binnen gericht zijn en de riem moet recht zijn en niet gedraaid. 2. Assembleer de kop van de geleiderail (A), zoals op afbeelding 8 te zien is. Hiervoor is een zekere kracht vereist; gebruik eventueel een rubber hamer.. 3. Bevestig de drie delen (C) met behulp van de koppelingsbeugels (B) aan elkaar, zoals op afbeelding 9 en 10 te zien is. 4. Span de riem aan met behulp van de moer M8 (D), zoals op afbeelding 11 te zien is, totdat u voelt dat die voldoende aangespannen is. B 9 B A D C C C 8 10 11 3.2.2) Assemblage geleiderail SNA5 De geleiderail SNA5 is reeds voorgemonteerd. Het enige wat u moet doen is de riem met behulp van de moer M8 (D) aanspannen, zoals op afbeelding 11 te zien is, totdat u voelt dat die voldoende aangespannen is. 3.2.3) Assemblage geleiderail SNA6 De geleiderail SNA6 bestaat uit 2 profielen: één van 3 m en de andere van 1 m, hierdoor is het mogelijk de geleiderail in 2 uitvoeringen te verwezenlijken: Uitvoering van 3m Als de te automatiseren deur een hoogte van 2,5 m of minder heeft, kunt u de geleiderail als volgt assembleren: 1. Snijd de riem aan het vrije uiteinde op een lengte van precies 2 m af, zoals op afbeelding 12 te zien is. 2. Draai de moer M8 (D) helemaal los, zoals op afbeelding13 te zien is. NL D 12 13 3. Schuif de riemaanspanner (E) tot halverwege de geleiderail, zoals op afbeelding 14 te zien is, en haal de wagen helemaal weg. 4. Haal het vrije uiteinde van de riem door het kopgedeelte, zoals op afbeelding 15 te zien is, en bevestig dit met de reeds aanwezige schroeven en borgringen aan de wagen, zoals op afbeelding 16 te zien is. Let op de stand van de riem: de tanden moeten naar binnen gericht zijn en de riem moet recht zijn en niet gedraaid. E 14 15 16 175 5. Breng de riemaanspanner en de wagen weer terug op de plaats van daarvoor. Assembleer de kop van de geleiderail (A), zoals op afbeelding 17 te zien is. Hiervoor hebt u een bepaalde kracht nodig, gebruik eventueel een rubber hamer. 6. Breng in de schroef van de riemaanspanner de veer, de borgring en de moer M8 (D) aan, zoals op afbeelding 18 te zien is. 7. Span de riem aan met behulp van de moer M8 (D) (afbeelding 11) totdat u voelt dat die voldoende aanagespannen is. A D 17 18 Uitvoering van 4 m Als de te automatiseren deur hoger is dan 2,5 m dient u de geleiderail als volgt te assembleren: 1. Draai de moer M8 (D) helemaal los, zoals op afbeelding 13 te zien is. 2. Schuif de riemaanspanner (E) tot halverwege de geleiderail, zoals op afbeelding 14 te zien is, en haal de wagen helemaal weg. 3. Haal het vrije uiteinde van de riem door het kopgedeelte, zoals op afbeelding 15 te zien is, en bevestig dit met de reeds aanwezige schroeven en borgringen aan de wagen, zoals op afbeelding 16 te zien is. Let op de stand van de riem: de tanden moeten naar binnen gericht zijn en de riem moet recht zijn en niet gedraaid. 4. Assembleer de kop van de geleiderail (A), zoals op afbeelding 17 te zien is. Hiervoor hebt u een bepaalde kracht nodig, gebruik eventueel een rubber hamer. 5. Bevestig de twee delen (F) met behulp van de koppelingsbeugels (B) aan elkaar, zoals op afbeelding 19 te zien is. 6. Breng de riemaanspanner en de wagen weer terug op hun oorspronkelijke plaats. F 19 F 7. Breng in de schroef van de riemaanspanner de veer, de borgring en de moer M8 aan (D), zoals op afbeelding 18 te zien is. 8. Span de riem met behulp van de moer M8 (D) aan (afbeelding 11) totdat u voelt dat die voldoende aangespannen is. 3.2.4) Bevestiging van de reductiemotor aan de geleiderail 1. Maak de reductiemotor SPIN aan de kop van de geleiderail (A) vast; bevestig hem vervolgens met de 4 schroeven V6.3x38, zoals op afbeelding 20 te zien is. 2. De motor kan in drie verschillende standen gedraaid worden, zoals op afbeelding 21 te zien is. 20 21 3.2.5) Bevestiging van de reductiemotor aan het plafond 1. Teken op grond van de waarden A en B op afbeelding 5 in het midden van de deur de twee punten af waar de voorste beugel van de geleiderail bevestigd moet worden. Op grond van het soort materiaal kan de voorbeugel met nagels, pluggen of schroeven vastgezet worden (afbeeldingen 22, 23). Als de waarden A en B (afbeelding 5) dat toelaten, kan de beugel rechtstreeks op het plafond bevestigd worden, zoals op afbeelding 24 te zien is. 22 176 23 24 2. Nadat u op de afgetekende plaatsen gaten geboord hebt, laat u de kop van de reductiemotor op de grond rusten, tilt de geleiderail aan de voorzijde op en zet die al naar gelang het bevestigingsvlak met twee schroeven, pluggen of nagels vast. 3. Bevestig de beugels [I] met de schroeven M6x15 [G] en de moeren M6 [H] en kies daarvoor die boring die u het mogelijk maakt het dichtst de waarde [B] te benaderen, zoals op afbeelding 25 te zien is.. 4. Til de reductiemotor op en gebruik een trap om de beugels tegen het plafond te plaatsen. Teken de punten af waar geboord moet worden en leg de reductiemotor weer op de grond, zoals op afbeelding 26 te zien is. H B G 25 26 I 5. Boor de gaten op de afgetekende plaatsen in het plafond, ga op een trap staan, til de reductiemotor op en breng de beugels op de zoëven geboorde gaten aan en bevestig die met schroeven en pluggen die geschikt zijn voor het materiaal waarvan het plafond gemaakt is, zoals op afbeelding 27 te zien is. 6. Controleer of de geleiderail volkomen horizontaal loopt en zaag daarna met een zaagje het overblijvende deel na de beugels af, zoals op afbeelding 28 te zien is. 27 28 7. Trek, terwijl de deur dicht is, aan het koord en trek de wagen [L] uit de geleiderail, zoals op afbeelding 29 te zien is. 8. Laat de wagen zover lopen,dat de verbindingsbeugel voor de deurvleugel [N] zich op de bovenste rand van de deur en volkomen haaks op de geleiderail [M] bevindt. Zet dan de verbindingsbeugel voor de deurvleugel [N] met schroeven of klinknagels vast, zoals op afbeelding 30 te zien is. Gebruik schroeven of klinknagels, die voor het materiaal van de deurvleugel geschikt zijn en vergewis u ervan dat deze bestand zijn tegen alle krachten die voor het openen en sluiten van de deurvleugel vereist zijn. M NL L N 29 30 9. Draai de schroeven van de beide mechanische eindaanslagen los, verschuif vervolgens de voorste mechanische eindaanslag [O] vóór de wagen, zoals op afbeelding 31 te zien is. Duw de wagen krachtig in de sluitrichting en, draai de schroef [P] stevig vast wanneer deze de stand bereikt heeft. 10. Open de deur met de hand tot het gewenste punt van opening, schuif de achterste mechanische eindaanslag [Q] naast de wagen zoals op afbeelding 32 te zien is en zet deze vast door de schroef [R] krachtig aan te draaien. 11. Probeer de deur met de hand te bewegen. Verifieer dat de wagen licht loopt, zonder wrijving op de geleiderail en dat de handmatige manoeuvre gemakkelijk verloopt zonder speciale inspanning te vereisen. 12. Breng het koordje op de gewenste plaats in de ruimte aan; laat het eventueel over het plafond lopen met behulp van pluggen voorzien van een oog, zoals op afbeelding 33 te zien is. Q O P R 31 32 33 177 3.3) Installatie van de verschillende inrichtingen Installeer de andere inrichtingen overeenkomstig de daarop betrekking hebbende aanwijzingen. Controleer in paragraaf “3.5 Beschrijving van de elektrische aansluitingen” en op afbeelding 2 de inrichtingen die op de SPIN kunnen worden aangesloten. 3.4) Elektrische aansluitingen ! Bij het uitvoeren van elektrische aansluitingen mag de installatie absoluut niet onder spanning staan en moet een eventuele bufferbatterij losgekoppeld worden. 1. Om de beschermingsplaat te openen en bij de elektronische besturingseenheid te kunnen komen dient u aan de zijkant te drukken en deze te draaien zoals op afbeelding 34 te zien is. 34 35 LUCYB 36 178 2. Schuif de aansluitingskabels door de opening naar de verschillende inrichtingen, waarbij u deze 20÷30 cm langer laat dan noodzakelijk is. Schuif de antennekabel door de kabelring. Zie tabel 6 voor het type kabels en afbeelding 2 voor de aansluitingen. 3. Voer de aansluiting van de kabels volgens het schema op afbeelding 36 uit. Voor nog meer gemak zijn de klemmetjes uitneembaar. MOFB MOSE 3.5) Descrizione dei collegamenti elettrici In deze paragraaf vindt u een beknopte beschrijving van de elektrische aansluitingen; verdere informatie in paragraaf “7.3 Bijplaatsen of wegnemen van inrichtingen”. FLASH: deze uitgang is programmeerbaar (zie paragraaf 7.2.4) voor het aansluiten van één van onderstaande inrichtingen: Knipperlicht Indien geprogrammeerd als “knipperlicht“ op de uitgang “FLASH” is het mogelijk een knipperlicht van NICE “LUCY B” met een 12V-autolampje van 21W aan te sluiten. Tijdens de manoeuvre knippert dit met een tijdsduur van 0,5s aan en 0,5s uit. Uitgang “controlelampje deur open” Indien geprogrammeerd als “controlelampje deur open” op de uitgang “FLASH” kunt u een 24V-controlelampje van max 5W aansluiten voor het signaleren van deur open. Dit blijft branden wanneer de deur open is en gaat uit wanneer die dicht is. Tijdens een manoeuvre knippert het controlelampje langzaam als de deur open gaat en snel wanneer die dicht gaat. Zuignap Indien geprogrammeerd als “zuignap” op de uitgang “FLASH”, is het mogelijk een 24V-zuignap van max 10W (uitvoeringen met een enkele elektromagneet, zonder elektronische inrichtingen) aan te sluiten. Wanneer de deur gesloten is, wordt de zuignap geactiveerd waardoor de deur vergrendeld is. Tijdens de openings- of sluitmanoeuvre wordt deze gedeactiveerd. Elektrische vergrendeling Indien geprogrammeerd als “elektrische vergrendeling” op de uitgang “FLASH” is het mogelijk een elektrische vergrendeling diet vanzelf dichtvalt 24V max 10W (uitvoeringen met een enkele elektromagneet, zonder elektronische inrichtingen) aan te sluiten. Tijdens een openingsmanoeuvre wordt de elektrische vergrendeling korte tijd geopend om de deur vrij te maken en de manoeuvre uit te voeren. Bij de sluitmanoeuvre dient u zich ervan te vergewissen dat de elektrische vergrendeling weer mechanisch aangehaakt wordt. ! GEBRUIK GEEN ANDERE INRICHTINGEN DAN DIE WELKE VOORZIEN ZIJN BLUEBUS: op dit klemmetje kunnen de compatibele inrichtingen aangesloten worden; ze worden allemaal parallel verbonden met slechts twee draden waarover zowel de elektrische stroomtoevoer als de communicatiesignalen plaats vinden. Andere informatie over BlueBUS vindt u in paragraaf “7.3.1 BlueBUS”. STOP: ingang voor inrichtingen die de lopende manoeuvre kunnen blokkeren of eventueel kunnen onderbreken; Door het uitvoeren van de juiste handelingen kunt u op de ingang STOP contacten van het type “Normaal Dicht”, type “Normaal Open” of inrichtingen met een constante weerstand aansluiten. Meer informatie over STOP vindt u in paragraaf “7.3.2 Ingang STOP”. P.P.: ingang voor inrichtingen die de manoeuvre aansturen; het is mogelijk contacten van het type “Normaal Open” aan te sluiten. Activering van het kabeltje veroorzaakt een signaal op de ingang PP. ANTENNE: ingang voor aansluiting van de antenne voor de radioontvanger. De antenne is in LUCY B ingebouwd; als alternatief kan er een externe antenne gebruikt worden of het stuk kabel dat als antenne functioneert en reeds op het klemmetje aanwezig is, laten zitten. NL 4) Eindcontroles en start Alvorens met de fase van eindcontroles en de start van de automatisering te beginnen is het raadzaam de wagen los te haken en de deur halverwege te zetten zodat deze zowel vrijelijk open als dicht kan gaan. 4.1) Aansluiting op de stroomvoorziening Voor de elektrische stroomvoorziening van SPIN behoeft u alleen maar de stekker daarvan in een stopcontact te steken. Gebruik eventueel een normaal in de handel zijnde adapter als de stekker van SPIN niet in het bestaande stopcontact past.. ! Snijd de bij de SPIN meegeleverde kabel niet af en verwijder hem evenmin. Als er geen stopcontact aanwezig is dient de aansluiting van destroomvoorziening naar de SPIN door ervaren, deskundig personeel in het bezit van de vereiste kenmerken uitgevoerd te worden onder volledige inachtneming van wetten, voorschriften en reglementen. De elektrische voedingsleiding moet tegen kortsluiting en aardlekkage beveiligd zijn. Er moet een inrichting aanwezig zijn waarmee de stroomvoorziening tijdens installatie- of onderhoudswerkzaamheden aan de SPIN afgesloten kan worden (u kunt daarvoor de stekker en het stopcontact gebruiken). Zodra de SPIN onder spanning staat is het raadzaam enkele eenvoudige controles uit te voeren: 1. Controleer of het ledlampje BlueBUS regelmatig knippert met een frequentie van één knippering per seconden. 2. Als er fotocellen aanwezig zijn, controleer dan dat ook de ledlampjes op de fotocellen (zowel op TX als op RX) knipperen; het is niet van belang hoe ze knipperen, want dat hangt van andere factoren af. 3. Controleer dat de op de uitgang FLASH aangesloten inrichting uit is. 4. Controleer of het gebruikerslicht uit is. Als dit alles niet gebeurt, dient u onmiddellijk de stroomtoevoer naar de besturingseenheid af te sluiten en de elektrische aansluitingen nauwkeuriger te controleren Meer nuttige informatie voor het opsporen van storingen vindt u in paragraaf “7.6 Oplossing van problemen” 179 4.2) Herkennen van de inrichtingen Nadat de stroomtoevoer is aangesloten dient u ervoor te zorgen dat de besturingseenheid de op de ingangen BlueBUS en STOP aangesloten inrichtingen herkent. Voordat deze fase begint, knipperen de ledlampjes L1 en L2 om aan te geven dat de procedure voor het herkennen van de inrichtingen dient te worden uitgevoerd. ! Het herkennen van de inrichtingen dient uitgevoerd te worden ook al is er geen enkele inrichting aangesloten. 37 1. 2. 3. 4. Druk op de toetsen [▲] en [Set] en houd die ingedrukt. Laat de toetsen los wanneer de ledlampjes L1 en L2 heel snel gaan knipperen (na circa 3s) Wacht enkele seconden totdat de besturingseenheid met het herkennen van de inrichtingen klaar is Na afloop hiervan dient het ledlampje STOP te blijven branden, terwijl de ledlampjes L1 en L2 uit zullen gaan (eventueel zullen nu de ledlampjes L3 en L4 gaan knipperen) Het herkennen van de aangesloten inrichtingen kan op elk gewenst moment worden uitgevoerd, ook na de installatie als er bijvoorbeeld een inrichting zou worden toegevoegd; voor het uitvoeren van een nieuwe herkenningsfase gelieve u paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen” te raadplegen. 4.3) Herkennen van de standen van opening en sluiting van de deur Nadat de inrichtingen herkend zijn, dient de besturingseenheid de standen van opening en sluiting van de deur te herkennen. In deze fase wordt de loop van de deur vanaf de mechanische stop in sluitstand tot die van de openingsstand gemeten. Controleer dat de riem goed aangespannen is en dat de twee mechanische stops goed geblokkeerd zijn. 38 1. Haak de wagen vast. 2. Druk op de toetsen [▼] en [Set] en houd die ingedrukt. 3. Laat de toetsen weer los wanneer de manoeuvre begint (na ongeveer 3s) 4. Wacht totdat de besturingseenheid de herkenningsfase uitvoert: sluiting, opening en opnieuw sluiting van de deur. 5. Trek aan het kabeltje om een complete openingsmanoeuvre uit te voeren. 6. Trek opnieuw aan het kabeltje om de sluitmanoeuvre uit te voeren. Tijdens deze manoeuvres slaat de besturingseenheid de kracht nodig voor het openen en sluiten in het geheugen op. Als na de herkenningsfase de ledlampjes L3 en L4 knipperen, betekent dit dat er een fout is opgetreden; zie paragraaf “7.6 Oplossen van problemen”. Het is van belang dat deze eerste manoeuvres niet worden onderbroken, b.v. door een instructie STOP. Mocht dat toch gebeuren dan dient u de herkenningsfase opnieuw vanaf punt 1 uit te voeren. De herkenningsfase van de standen kan op ieder gewenst moment opnieuw uitgevoerd worden, ook na de installatie (bijvoorbeeld als één van de mechanische stops verplaatst wordt); het is dan voldoende de handelingen vanaf punt 1 uit te voeren. ! Als tijdens het zoeken van de standen de riem niet genoeg aangespannen is, kan de riem over het rondsel glijden. Mocht dit zich voordoen, dan dient u onmiddellijk de herkenningsprocedure te onderbreken door op de toets [Stop] te drukken; de riem aan te spannen door de moer M8 (D) vast te schroeven zoals op afbeelding 11 te zien is; en vervolgens de herkenningsprocedure vanaf punt 1 opnieuw uit te voeren. 4.4) Controle van de manoeuvre van de deur Na het herkennen van de openings- en sluitstanden is het raadzaam enkele manoeuvres uit te voeren om te controleren of de deur correct beweegt.. 1. Druk op de toets [Open] om de instructie voor de manoeuvre “Open” te geven; controleer of de deur regelmatig open gaat zonder verandering van snelheid; pas wanneer de deur tussen de 30 en 20 cm van de mechanische stop van de openingsstand verwijderd is, zal hij langzamer moeten gaan lopen en tot stilstand komen op 2÷3 cm vanaf de stop. 2. Druk op de toets [Close] om de instructie voor de de manoeuvre “Sluit” geven ; controleer of de deur regelmatig open gaat zonder verandering van snelheid; pas wanneer de deur tussen de 30 en 20 cm van de mechanische stop van de sluitstand verwijderd is, zal hij langzamer moeten gaan lopen en tot stilstand komen tegen de mechanische stop van de sluitstand. Daarna wordt er een korte openingsmanoeuvre uitgevoerd om de spanning van de riem te halen. 180 3. Controleer dat het knipperlicht (indien aanwezig) tijdens de manoeuvres met een frequentie van 0,5s aan en 0,5s uit knippert. 4. Voer meerdere openings- en sluitmanoeuvres uit om te beoordelen of er eventuele montage- of afstellingsdefecten zijn, of andere onregelmatigheden zijn, zoals punten met een grotere wrijving 5. Controleer dat de reductiemotor, de geleiderail en de mechanische stops solide, stevig en duurzaam bevestigd zijn ook wanneer er zich een plotselinge toename of afname in de beweging van de deur voordoet. 4.5) Vooraf ingestelde functies De besturingseenheid di SPIN beschikt over enkele programmeerbare functies; in de fabriek worden deze functies in een configuratie afgesteld die voor het merendeel van de automatiseringen optimaal is; in ieder geval kunnen de functies op elk gewenst moment via de juiste programmeringsprocedure gewijzigd worden; raadpleeg hiervoor paragraaf “7.2 Programmeringen”. 4.6) Radio-ontvanger Voor het aansturen op afstand van de SPIN, is er op de besturingseenheid een insteekcontact SM voor radio-ontvangers van het type SMXI of SMXIS. Bij de SPIN20KCE en SPIN21KCE is de radio-ontvanger reeds ingeplugd. Bij de SPIN30, SPIN40, SN6031 en SN6041 voert u voor het insteken van de radio-ontvanger de handelingen uit die op afbeelding 39 en 40 te zien zijn. 39 1. Steek de radio-ontvanger erin waarbij u lichtjes drukt 2. Indien de in LUCYB ingebouwde antenne of een ander type externe antenne niet gebruikt wordt, draait u het bij de ontvanger meegeleverde stijve kabeltje op het klemmetje van de antenne. 40 4.6.1) Geheugenopslag van de zenders Elke radiozender wordt door de radio-ontvanger herkend via een “code” die bij elke andere zender anders is. Er is dus een fase van “geheugenopslag” nodig waardoor de ontvanger in staat zal zijn elke afzonderlijke zender te herkennen; de zenders kunnen op 2 manieren in het geheugen van de ontvanger opgeslagen worden: Modus I: in deze modus is de functie van de toetsen van de zender reeds gedefineerd en is er aan elke toets in de besturingseenheid de instructie gekoppeld zoals die in tabel 7 is weergegeven; er vindt één enkele opslagfase voor elke zender plaats waarvan alle toetsen worden opgeslagen; tijdens deze fase is het niet van belang op welke toets u drukt en wordt er slechts één plaats in het geheugen ingenomen. In modus I kan een zender gewoonlijk slechts één enkele automatisering aansturen. Modo II: in deze modus kan elke afzonderlijke toets van een zender aan één van de 4 mogelijke instructies van de besturingseenheid zoals die in tabel 8 weergegeven zijn, gekoppeld worden; per fase wordt slechts één toets in het geheugen opgenomen en wel die waarop u tijdens de geheugenopslag drukt. In het geheugen wordt één plaats voor elke in het geheugen opgeslagen toets ingenomen. In modus II kunnen verschillende toetsen van dezelfde zender gebruikt worden om meerdere instructies aan dezelfde automatisering te geven. Zo wordt bijvoorbeeld in tabel 9 alleen de automatisering “A” aangestuurd en de toetsen T3 en T4 aan dezelfde instructie gekoppeld; of in het voorbeeld van tabel 10 waar 3 automatiseringen “A” (toetsen T1 en T2), “B” (toets T3) en “C” (toets T4) worden aangestuurd. Tabel 8: instructies beschikbaar in Modus II. ! Omdat de procedures voor geheugenopslag een tijdlimiet van 10 s kennen, moet u eerst de aanwijzingen in de volgende paragraaf doorlezen en daarna tot uitvoering daarvan overgaan.miet van 10 s kennen, moet u eerst de aanwijzingen in de volgende paragraaf doorlezen en daarna tot uitvoering daarvan overgaan. Tabel 7: geheugenopslag Modus I Toets T1 Toets T2 Toets T3 Toets T4 Instructie “PP” Instructie “Gedeeltelijke opening” Instructie “Open” Instructie “Sluit” N.B.: de zenders met 1 kanaal beschikken alleen over de toets T1, de zenders met twee kanalen beschikken alleen over de toetsen T1 en T2. Tabel 8: instructies beschikbaar in Modus II 1 2 3 4 INSTRUCTIE “PP” INSTRUCTIE “GEDEELTELIJKE OPENING” INSTRUCTIE “OPEN” INSTRUCTIE “SLUIT” Tabel 9: 1ste voorbeeld van geheugenopslag in Modus II Toets T1 Toets T2 Toets T3 Toets T4 Instructie “Open” Instructie “Sluit” Instructie “Gedeeltelijke Instructie “Gedeeltelijke Automatisering A Automatisering A Automatisering A Automatisering A Tabel 10: 2de voorbeeld van geheugenopslag in Modus II Toets T1 Toets T2 Toets T3 Toets T4 Instructie “Open” Instructie “Sluit” Instructie “PP” Instructie “PP” Automatisering A Automatisering A Automatisering B Automatisering C 181 NL 4.6.2) Geheugenopslag modus I 41 Tabel 11: voor het opslaan van een zender in modus I 1. Druk op het knopje op de ontvanger en houd dit ingedrukt (gedurende circa 3s) 2. Laat het knopje weer los wanneer het ledlampje op de ontvanger gaat branden 3. Druk binnen 10s tenminste 2s lang op een willekeurige toets van de te bewaren zender 4. Als de geheugenopslag tot een goed einde is gekomen zal het ledlampje op de ontvanger 3 maal gaan knipperen. Voorbeeld 3s 2s x3 Indien er nog meer zenders opgeslagen moeten worden, dient u nogmaals stap 3 binnen 10s uit te voeren. De opslagfase wordt beëindigd, als er binnen 10 seconden geen nieuwe codes ontvangen worden. 4.6.3) Geheugenopslag modus II Tabel 12: voor het opslaan van een toets op een zender in modus II 1. 2. 3. Voorbeeld Druk zoveel maal op het knopje op de ontvanger als overeenkomt met het nummer van de gewenste instructie zoals blijkt uit tabel 8 Controleer dat het ledlampje op de ontvanger zoveel maal knippert als het nummer van de gewenste instructie Druk binnen 10s tenminste 2s op de gewenste toets van de in het geheugen te bewaren zender 1....4 1....4 2s 4. Als de geheugenopslag tot een goed einde is gekomen zal het ledlampje op de ontvanger 3 maal knipperen. Indien er voor dezelfde instructie nog meer zenders opgeslagen moeten worden, dient u punt 3 binnen nog eens 10 s te herhalen. De opslagfase wordt beëindigd, als er binnen 10 seconden geen nieuwe codes ontvangen worden. x3 4.6.4) Geheugenopslag “op afstand” ! Geheugenopslag op afstand kan plaats vinden in alle U kunt een nieuwe radiozender in het geheugen opslaan zonder rechtstreeks op het knopje van de ontvanger te drukken. U dient dan over besturingseenheiden welke zich binnen het bereik van de een functionerende afstandsbediening te beschikken, die reeds in het zender bevinden; het is dus van belang dat alleen die bestugeheugen is opgeslagen. De nieuwe te bewaren zender “erft” de kenringseenheid onder spanning staat welke geprogrammeerd merken van die welke reeds in het geheugen bewaard is. Als de eerste moet worden. zender in modus I opgeslagen is, wordt dus ook de nieuwe in modus I opgeslagen en kunt u dus op een willekeurige toets van de zenders drukken. Als de reeds functionerende zender daarentegen in modus II opgeslagen is, zal ook de nieuwe in modus II worden opgeslagen en is het van belang dat u bij de eerste zender op de toets drukt welke aan de gewenste instructie gekoppeld is, en bij de tweede zender op de toets welke u aan die instructie wilt koppelen. Ga met de twee zenders binnen het bereik van de automatisering staan en voer de volgende stappen uit: Tabel 13: voor het opslaan van een zender “op afstand” 1. Druk tenminste 5s op de toets van de nieuwe radiozender en laat hem dan weer los. 2. Druk 3 keer langzaam op de toets van de reeds in het geheugen bewaarde radiozender. 3. Druk 1 keer langzaam op de toets van de nieuwe radiozender. Voorbeeld 5s 1s 1s 1s 1s Nu zal de nieuwe radiozender door de ontvanger herkend worden en zal hij de kenmerken overnemen die de reeds in het geheugen bewaarde zender had. Indien er nog andere zenders opgeslagen moeten worden, dient u alle stappen voor elke nieuwe zender te herhalen. 182 4.6.5) Wissen van de radiozenders Tabel 14: voor het wissen van alle zenders Voorbeeld 1. Druk op het knopje op de ontvanger en houd dit ingedrukt 2. Wacht dat het ledlampje gaat branden, wacht vervolgens dat het uit gaan en wacht dan dat het 3 maal knippert 3. Laat de toets los precies wanneer het ledlampje voor de 3de maal knippert 4. Als de procedure tot een goed einde is gekomen, zal het ledlampje na enige ogenblikken 5 maal knipperen. x3 x5 4.6.6) Conformiteitsverklaring ontvanger en radiozenders EG-verklaring van overeenstemming Verklaring in overeenstemming met de Richtlijn 1999/5/EG Opmerking: De inhoud van deze verklaring stemt overeen met hetgeen verklaard wordt in het officiële document dat is neergelegd bij de zetel van Nice S.p.A., en in het bijzonder met de laatste herziening hiervan die voor het ter perse gaan van deze handleiding beschikbaar was. De onderhavige tekst werd om redactionele redenen aangepast. Een kopie van de originele verklaring kan worden aangevraagd bij Nice S.p.A. (TV). Nummer verklaring: 151/SMXI Rev.: 9 Taal: NL Ondergetekende Mauro Sordini, in diens hoedanigheid van Gedelegeerd Bestuurder, verklaart onder zijn eigen verantwoordelijkheid dat het product: Naam fabrikant: NICE S.p.A. Adres: Via Pezza Alta n°13, 31046 Rustignè di Oderzo (TV) Italië Producttype: Ontvanger 433,92MHz voor afstandsbediening van poorten, hekken, rolpoorten, weringen, rolluiken en gelijkwaardige toepassingen Model/type: SMXI, SMXIS, SMXIF Uitrustingen: voldoet aan de essentiële vereisten zoals vermeld in artikel 3 van de volgende communautaire richtlijn, voor het gebruik waarvoor de producten bestemd zijn: • Richtlijn 1999/5/EG VAN HET EUROPESE PARLEMENT EN VAN DE RAAD van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatieeindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit, volgens de volgende geharmoniseerde normen: · Bescherming van de gezondheid (art. 3(1)(a)): EN 62479:2010 · Elektrische veiligheid (art. 3(1)(a)): EN 60950-1:2006+A11:2009+A12:2011+A1:2010+A2:2013 · Elektromagnetische compatibiliteit (art. 3(1)(b)): EN 301 489-1 V1.9.2:2011, EN 301 489-3 V1.6.1:2013 · Radiospectrum (art. 3(3)): EN 300 220-2 V2.4.1:2012 Oderzo, donderdag 3 juli 2014 Ing. Mauro Sordini (Chief Executive Officer) 5) Opleveringstest en inbedrijfstelling Dit zijn de belangrijkste fasen bij de aanleg van de automatisering teneinde een zo groot mogelijke veiligheid te garanderen. De opleveringstest kan ook als periodieke controle voor de verschillende inrichtingen van de automatisering gebruikt worden. ! De opleveringstest van de gehele installatie moet door vakbekwaam en deskundig personeel uitgevoerd worden. Dat moet ook bepalen welke tests in functie van de bestaande risico’s noodzakelijk zijn en controleren of de wettelijke voorschriften, regelgeving en regels en met name alle vereisten van norm EN 12445, die de testmethodes voor de controle van automatiseringen voor poorten en deuren bepaalt, in acht genomen zijn. 5.1) Opleveringstest Voor elk afzonderlijk onderdeel van het automatisme, zoals bijvoorbeeld contactlijsten, fotocellen, noodstop, etc. is een specifieke fase in de opleveringstest vereist; voor deze inrichtingen zullen de procedures uit de desbetreffende handleidingen met aanwijzingen gevolgd moeten worden. Voor de opleveringstest van SPIN dient u onderstaande reeks handelingen uit te voeren: 1. Controleer dat de voorschriften vervat in hoofdstuk 1 “AANBEVELINGEN” nauwkeurig in acht genomen worden. 2. Ontgrendel de deur door het ontgrendelingskabeltje naar beneden te trekken. Verifieer of het mogelijk is de deur handmatig te openen of te sluiten met een kracht die niet groter dan 225N is. 3. Haak de wagen weer vast. 4. Voer gebruikmakend van de schakelaar, de radiozender of het kabeltje, sluit-en openingstests van de deur uit en verifieer of de manoeuvre overeenkomt met wat voorzien is. 5. Het is raadzaam meerdere tests uit te voeren teneinde te beoordelen of de deur soepel loopt en of er eventuele fouten bij het monteren of afstellen gemaakt zijn of dat er speciale wrijvingspunten zijn. 6. Controleer één voor één of alle veiligheidsinrichtingen in de installatie (fotocellen, contactlijsten etc.) goed werken. Met name of het ledlampje “BlueBUS” op de besturingseenheid telkens wanneer een van deze inrichtingen in werking treedt, 2 maal snel knippert ter bevestiging van het feit dat de besturingseenheid de gebeurtenis herkent. 7. Om te controleren of de fotocellen goed werken en met name of er geen interferenties met andere inrichtingen zijn, voert u een 30 cm lange cilinder met een diameter van 5 cm op de optische as, eerst dichtbij de TX, vervolgens dichtbij de RX en tenslotte in het midden van die twee. Ga dan na of de inrichting in alle gevallen in werking treedt en van de actieve status op de alarmstatus overgaat, en omgekeerd. Tenslotte controleert u of dat de voorziene reactie in de besturingseenheid oproept, bijvoorbeeld of bij de sluitmanoeuvre deze niet wordt uitgevoerd. 8. Als gevaarlijke situaties welke door de beweging van de deur opgeheven zijn door middel van beperking van de stootkracht, dient u deze kracht te meten volgens de voorschriften van de norm EN 12445. Als afstelling van de “Snelheid” en de aansturing van het “Motorvermogen” gebruikt worden als hulpmiddel voor het systeem om de stootkracht terug te brengen, probeer dan die instelling te vinden, welke de beste resultaten oplevert 183 NL 5.2) Inbedrijfstelling Inbedrijfstelling kan alleen plaatsvinden nadat alle fasen van de opleveringstest met succes zijn afgesloten. Gedeeltelijke inbedrijfstelling of in “tijdelijke” situaties is niet toegestaan. 1. Maak een technisch dossier van de automatisering en bewaar dat tenminste 10 jaar, dat tenminste bestaat uit: de overzichtstekening van de automatisering, het schema van de elektrische aansluitingen), een analyse van de risico’s en de toegepaste oplossing daarvoor, de conformiteitsverklaringen van alle fabrikanten voor alle gebruikte inrichtingen (gebruik voor SPIN de bijgevoegde CE-Conformiteitsverklaring); kopie van de gebruiksaanwijzingen en het onderhoudsplan van de automatisering. 2. Breng op de deur een niet te verwijderen etiket of plaatje aan waarop de handelingen zijn aangegeven voor het ontgrendelen en handmatig bewegen van de deur (gebruik de afbeeldingen uit “Aanwijzingen en aanbevelingen bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor SPIN”). 3. Breng op de deur een niet te verwijderen etiket of plaatje aan met daarop deze afbeelding (minimumhoogte 60mm). 4. Breng een plaatje op de deur aan met daarop tenminste de volgende gegevens: type automatisering, naam en adres van de fabrikant (verantwoordelijk voor de “inbedrijfstelling”), serienummer, bouwjaar en “CE”-keurmerk. 5. Vul de conformiteitsverklaring voor de automatisering in en geef hem aan de eigenaar van de automatisering. 6. Maak de handleiding “Aanwijzingen en aanbevelingen voor het gebruik van de automatisering” en geef deze aan de eigenaar van de automatisering. 7. Maak een onderhoudsplan (met daarin de voorschriften voor het onderhoud van alle inrichtingen van de automatisering) en geef dit aan de eigenaar van de automatisering. 8. Informeer vóór de inbedrijfstelling van de automatisering de eigenaar uitvoerig en schriftelijk (bijvoorbeeld in de handleiding met aanwijzingen en aanbevelingen voor het gebruik van de automatisering) over de nog aanwezige gevaren en risico’s. 42 6) Onderhoud en afvalverwerking In dit hoofdstuk vindt u de benodigde informatie voor uitvoering van het onderhoudsplan en de afvalverwerking van SPIN. 6.1) Onderhoud Om de veiligheid op een constant niveau te houden en een zo lang mogelijke levensduur van de gehele automatisering te waarborgen is regelmatig onderhoud vereist. ! Het onderhoud moet uitgevoerd worden met volledige inachtneming van de veiligheidsvoorschriften van deze handleiding en volgens de van kracht zijnde wettelijke voorschriften en regelgeving. Volg voor de andere inrichtingen die niet tot de SPIN behoren de aanwijzingen van het desbetreffende onderhoudsplan daarvoor. 1. Voor SPIN is een geprogrammeerde onderhoudsbeurt vereist die tenminste binnen 6 maanden of 3000 manoeuvres na de vorige onderhoudsbeurt uitgevoerd moet worden: 2. Koppel alle bronnen van elektrische stroomvoorziening los, met inbegrip van eventuele bufferbatterijen 3. Controleer alle materialen waaruit de automatisering betstaat op kwaliteitsvermindering en let daarbij met name op aantasting of roestvorming van de structurele delen; vervang die delen welke onvoldoende garantie bieden. 4. Controleer de staat van slijtage van alle bewegende delen: riem, wagen, rondsels en alle delen van de deur; vervang de versleten onderdelen. 5. Sluit de elektrische stroomvoorziening weer aan en voer alle test en controles uit zoals die in paragraaf “5.1 Opleveringstest” voorzien zijn. 6.2) Afvalverwerking SPIN bestaat uit verschillende soorten materiaal, waarvan sommige hergebruikt kunnen worden (aluminium, kunststof, elektriciteitskabels); voor andere is afvalverwerking vereist (batterijen en elektronische kaarten). ! Sommige elektronische componenten evenals de batterijen zouden vervuilende stoffen kunnen bevatten. Laat ze niet in het milieu achter. Stel u op de hoogte van de recyclingsystemen of afvalverwerking en houd u daarbij aan de plaatselijk geldende voorschriften. 184 1. Koppel alle bronnen van elektrische stroomvoorziening voor de automatisering los, met inbegrip van eventuele bufferbatterijen. 2. Demonteer alle inrichtingen en accessoires, waarbij u de procedure in omgekeerde volgorde volgt ten opzichte van die welke in hoofdstuk “3 Installatie” beschreven is 3. Scheid voor zover mogelijk die onderdelen die hergebruikt of verwerkt kunnnen of moeten worden, zoals bijvoorbeeld de metalen delen van de kunststof delen, elektronische kaarten, batterijen, etc. 4. Sorteer de diversche elektrische en recycleerbare materialen en geef deze aan bedrijven die zich met het hergebruik en de afvalverwerking daarvan bezighouden. 7) Verdere details In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden ten aanzien van programmering, aanpassing aan de persoonlijke behoeften van de gebruiker, diagnostiek en opsporing van storingen met betrekking tot SPIN behandeld. 7.1) Programmeertoetsen Op de besturingseenheid van SPIN bevinden zich 3 toetsen die gebruikt kunnen worden zowel om de besturingseenheid tijdens de tests aan te sturen als voor het programmeren: Open ▲ Stop Set Close ▼ Met de toets “OPEN” kunt u de opening van de deur aansturen; of het punt van programmering naar boven verplaatsen. Met de toets “STOP” kunt u de manoeuvre onderbreken; als u hem langer dan 5 seconden ingedrukt houdt kunt u de programmering binnengaan. Met de toets “CLOSE “ kunt u de sluiting van de deur aansturen; of het punt van programmering naar beneden verplaatsen 43 7.2) Programmeringen Op de besturingseenheid van SPIN zijn enkele programmeerbare functies beschikbaar; instelling van deze functies vindt plaats met behulp van 3 toetsen op de besturingseenheid: [▲] [Set] [▼] en worden zichtbaar gemaakt via 4 ledlampjes: L1….L4. De programmeerbare functies welke op SPIN beschikbaar zijn, zijn over 2 niveaus verdeeld: Eerste niveau: functies instelbaar in modus ON-OFF (actief of niet actief); in dit geval geeft elk ledlampje L1….L4 een functie aan; als het aan is, is de functie actief, als het uit is, is de functie niet actief; zie tabel 15. Tweede niveau: parameters die op een schaal instelbaar zijn (waarden van 1 tot 4); in dit geval geeft elk ledlampje L1….L4 de waarde aan welke is afgesteld op één van de 4 mogelijke waarden; zie tabel 17. 7.2.1) Functies eerste niveau (functies ON-OFF) NL Tabel 15: lijst programmeerbare functies: eerste niveau Ledlampje Functie Beschrijving L1 Automatische sluiting Met deze functie is een automatische sluiting van de deur mogelijk na afloop van de geprogrammeerde pauzeduur; in de fabriek is de Pauzeduur afgesteld op 20 seconden maar dit kan gewijzigd worden in 10, 20, 40 of 80 seconden (zie tabel 17). Als deze functie niet geactiveerd is, werkt de deur “semi-automatisch”. L2 Terugloop Na Foto Wanneer de fotocellen (foto en foto II) vrijgekomen zijn, genereert deze functie een “Automatische Sluiting” met een “Pauzeduur” van 5s, ook al is de pauzeduur op een hogere waarde geprogrammeerd; de modaliteit daarvan verschilt al naargelang de “Automatische Sluiting” al dan niet actief is. Wanneer de “Automatische Sluiting” actief is: lde openingsmanoeuvre zal onmiddellijk stoppen nadat de fotocellen vrijgekomen zijn en na 5s zal de sluitmanoeuvre starten. Als de functie “Terugloop Na Foto2 niet actief is zal de pauzeduur de geprogrammeerde waarde hebben. Wanneer “Automatische Sluiting” niet actief is: de openingsmanoeuvre zal niet onderbroken worden maar het vrijkomen van de fotocellen heeft de activering van de “Automatische Sluiting” met een “Pauzeduur” van 5s ten gevolge. Als de functie “Terugloop Na Foto” niet actief is, zal er geen automatische sluiting plaatsvinden. L3 Kracht motor Met deze functie kunt u de gevoeligheid van de aansturing van de kracht van de motor kiezen om deze aan het type deur aan te passen. Als deze functie actief is, is de gevoeligheid meer voor kleinere en lichtere deuren geschikt. Als deze functie niet actief is de gevoeligheid meer voor grotere en zwaardere deuren geschikt. L4 Stand-By Met deze functie kunt u het verbruik zoveel mogelijk beperken; dit is met name nuttig wanneer de deur op de bufferbatterij werkt. Als deze functie geactiveerd wordt, schakelt de besturingseenheid 1 minuut nadat de manoeuvre ten einde is, de uitgang BlueBUS (en dus de inrichtingen) uit, evenals alle ledlampjes met uitsluiting van het ledlampje BlueBUS dat langzamer zal gaan knipperen. Wanneer er een instructie gegeven wordt zal de besturingseenheid de totale werking herstellen. Als de functie niet actief is zal er geen beperking van het energieverbruik zijn. Bij normaal functioneren van SPIN zijn de ledlampjes L1….L4 aan of uit op basis van de status van de functie waaraan zij gekoppeld zijn, bijvoorbeeld L1 is aan als de “Automatische Sluiting” actief is. 185 7.2.2) Programmering eerste niveau (functies ON-OFF) In de fabriek worden alle functies van het eerste niveau op “OFF” gezet, maar dat kan op elk gewenst moment veranderd worden zoals in tabel 16 is aangegeven. Let bij het uitvoeren van deze procedure goed op, want er is een tijdlimiet van 10s tussen het moment waarop u op de ene toets en vervolgens op de andere drukt; wanneer deze limiet overschreven wordt, zal de procedure automatisch beeindigd worden waarbij de wijzigingen die tot dat moment aangebracht zijn, in het geheugen worden opgeslagen. Tabel 16: voor het wijzigen van de functies ON-OFF Voorbeeld 1. Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt 2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 begint te knipperen 3. Druk op de toetsen [▲] of [▼] om het knipperende ledlampje te verplaatsen op het ledlampje dat de te wijzigen functie vertegenwoordigt Druk op de toets [Set] om de status van de functie te wijzigen (kort knipperen = OFF; llang knipperen = ON Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten. SET L1 4. 5. 3s SET o SET 10s N.B.: de punten 3 en 4 kunnen tijdens dezelfde programmeringsfase herhaald worden om andere functies op ON of OFF te zetten 7.2.3) Functies tweede niveau (instelbare parameters) Tabel 17: lijst programmeerbare functies: tweede niveau Ledlampje van ingang Parameter Ledlampje (niveau) L1 L2 Pauzeduur Functie P.P. L3 Snelheid motor L4 Uitgang FLASH L1 L2 L3 L4 L1 L2 L3 L4 L1 L2 L3 L4 L1 L2 L3 L4 waarde 10 seconden 20 seconden 40 seconden 80 seconden Open - stop – sluit- stop Open - stop - sluit- open Woonblok Iemand aanwezig Zeer langzaam Langzaam Normaal Snel Controlelampje Deur Open Knipperlicht Elektrische vergrendeling Zuignap N.B.: “ ” geeft de fabrieksinstelling weer Alle parameters kunnen zonder enige contra-indicatie naar wens ingesteld worden; alleen het kiezen van de op de uitgang “FLASH” aangesloten inrichting vereist bijzondere aandacht: Beschrijving Stelt de pauzeduur af, dat wil zeggen de tijd die er voor een automatische sluiting verstrijkt. Dit gebeurt alleen als de automatische sluiting actief is. Stelt de reeks instructies af die gekoppeld zijn aan de ingang P.P of aan de eerste radioinstructie (zie tabellen 7 en 8). Stelt de snelheid van de motor af wanneer die normaal loopt. Selecteert de aan de uitgang FLASH gekoppelde inrichting. ! Voordat u de inrichting op de uitgang “FLASH” aansluit dient u zich ervan te verzekeren de functie correct geprogrammeerd te hebben. Zo niet, bestaat er gevaar schade aan de inrichting te veroorzaken. 7.2.4) Programmering tweede niveau (instelbare parameters) In de fabriek worden alle instelbare parametersfuncties ingesteld zoals in tabel 17 wordt aangegeven met: “ ”maar die kunnen op elk gewenst moment worden gewijzigd zoals in tabel 18 is aangegeven. Let bij het uitvoeren van deze procedure goed op, want er is een tijdlimiet van 10s tussen het moment waarop u op de ene toets en vervolgens op de andere drukt; wanneer deze limiet overschreven wordt zal de procedure automatisch beeindigd worden waarbij de wijzigingen dit tot dat moment aangebracht zijn, in het geheugen worden opgeslagen. Tabel 18: voor het wijzigen van instelbare parameters 1. Voorbeeld Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt SET 2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 begint te knipperen 3. Druk op de toetsen [▲] of [▼] om het knipperende ledlampje te verplaatsen op het “ledlampje ingang” dat de te wijzigen parameter vertegenwoordigt Druk op de toets [Set] en houd die ingedrukt; de toets [Set] dient tijdens de stappen 5 en 6 voortdurend ingedrukt te blijven Wacht ongeveer 3s waarna dat ledlampje zal gaan branden het actuele niveau van de te wijzigen parameter vertegenwoordigt Druk op de toetsen [▲] of [▼] om het ledlampje dat de waarde van de parameter vertegenwoordigt, te verplaatsen. Laat de toets [Set] los L1 4. 5. 6. 7. 3s SET o SET o SET 8. Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten. 10s N.B.: de punten 3 tot 7 kunnen tijdens dezelfde programmeringsfase herhaald worden om nog andere parameters in te stellen 186 7.2.5) Voorbeeld van programmering eerste niveau (functies ON-OFF) Als voorbeeld wordt de reeks handelingen gegeven die noodzakelijk is voor het wijzigen van de fabrieksinstelling van de functies voor het activeren van de functies “Automatische Sluiting” (L1) en “Motorvermogen” (L3). Tabel 19: voorbeeld van programmering eerste niveau 1. Voorbeeld Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt SET 2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 ibegint te knipperen 3. Druk een maal op de toets [Set] de status van de aan L1 gekoppelde functie (Automatische Sluiting) te wijzigen; nu zal het ledlampje L1 met lange knipperingen gaan knipperen Druk 2 maal op de toets [▼] om het knipperende ledlampje op het ledlampje L3 te verplaatsen SET L1 4. 3s L1 SET L3 5. 6. Druk één maal op de toets [Set] om de status van de aan L3 gekoppelde functie (Kracht motor) te wijzigen; nu zal het ledlampje L3 met lange knipperingen gaan knipperen Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten SET 10s Na deze handelingen moeten de ledlampjes L1 en L3 blijven branden om aan te geven dat de functies “Automatische Sluiting” en “Kracht motor” actief zijn. 7.2.6) Voorbeeld van programmering tweede niveau (instelbare parameters) Als voorbeeld geven wij de reeks handelingen die nodig is om de fabrieksinstelling van de parameters te wijzigen en de “Pauzeduur” tot 80s te verlengen (ingang op L1 en niveau op L4) en selezionare voor de Uitgang FLASH” het Controlelampje Deur Open (ingang op L4 en niveau op L1). Tabel 20: voorbeeld van programmering tweede niveau 1. Voorbeeld Druk op de toets [Set] en houd die ongeveer 3s ingedrukt SET 2. Laat de toets [Set] los wanneer het ledlampje L1 begint te knipperen 3. 6. Druk op de toets [Set]; en houd die ingedrukt; de toets [Set] dient tijdens de stappen 4 en 5 ingedrukt te blijven Wacht ongeveer 3s tot het ledlampje L2 gaat branden dat het actuele niveau van de “Pauzeduur” vertegenwoordigt Druk 2 maal op de toets [▼] om het brandende ledlampje naar L4 te verplaatsen dat de nieuwe waarde van de “Pauzeduur” vertegenwoordigt Laat de toets [Set] weer los 7. Druk 3 maal op de toets [▼] om het knipperende ledlampje naar het ledlampje L4 te verplaatsen SET L1 4. 5. 3s SET L2 3s L4 SET NL L4 8. 11. Druk op de toets [Set]; en houd die ingedrukt; de toets [Set] dient tijdens de stappen 9 en 10 ingedrukt te blijven Wacht ongeveer 3s tot het ledlampje L2 gaat branden dat de actuele aan de ”Uitgang FLASH”, gekoppelde inrichting vertegenwoordigt,dat wil zeggen het knipperlicht. Druk 1 maal op de toets [▲] om het brandende ledlampje naar het ledlampje L1 te verplaatsen dat de nieuwe aan de ”Uitgang FLASH”, gekoppelde inrichting vertegenwoordigt, dat wil zeggen het Controlelampje Deur Open. Laat de toets [Set] los 12. Wacht 10s om de programmering wegens het verstrijken van de maximale tijdsduur te verlaten. 9. 10. SET L2 3s L1 SET 10s 7.3) Bijplaatsen of wegnemen van inrichtingen U kunt op elk gewenst moment een inrichting aan een automatisering met SPIN toevoegen of er een uit verwijderen. Met name op “BlueBUS” en op de ingang “STOP” kunnen er verschillende soorten inrichtingen aangesloten worden zoals dat in de paragrafen “7.3.1 BlueBUS” en “7.3.2 Ingang STOP” is aangegeven. 7.3.1) BlueBUS BlueBUS is een techniek waarmee de aansluiting van compatibele inrichtingen uitgevoerd kunnen worden met slechts twee geleiders waarover zowel de elektrische stroomvoorziening als de communicatiesignalen gaan. Alle inrichtingen zijn parallel op dezelfde 2 geleiders van de BlueBUS aangesloten. Elke inrichting wordt afzonderlijk herkend omdat er tijdens de installatie een eenduidig adres aan toegewezen is. Op BlueBUS kunnen bijvoorbeeld worden aangesloten: fotocellen, veiligheidsinrichtingen, bedieningsknoppen, signaleringslampjes etc. De besturingseenheid van SPIN herkent via een ade quate herkenningsfase alle aangesloten inrichtingen afzonderlijk en is in staat alle mogelijke storingen met zeer grote zekerheid waar te nemen. Om deze reden dient u telkens wanneer er een op BlueBUS aangesloten inrichting wordt toegevoegd of weggenomen in de besturingseenheid een herkeningsfase uit te voeren zoals dat in paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen” beschreven is. 187 7.3.2) Ingang STOP STOP is de ingang die onmiddellijke stilstand van de manoeuvre veroorzaakt (met een kortstondige omkering). Op deze ingang kunnen de inrichtingen met uitgang met normaal open contacten “NO” aangesloten worden, maar ook inrichtingen met normaal gesloten contacten “NC” of inrichtingen met een uitgang met constante weerstand 8,2KΩ, zoals bijvoorbeeld de contactlijsten. Net als bij de BlueBUS, herkent de besturingseenheid tijdens de herkenningsfase het op de ingang STOP aangesloten type inrichting (zie paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen); daarna wordt een STOP veroorzaakt indien er zich een wijziging voordoet ten opzichte van de herkende staat. Door het uitvoeren van de juiste handelingen kunt u op de STOPingang meer dan één inrichting aansluiten, ook al zijn die niet van het hetzelfde type. • Er kunnen meerdere NO inrichtingen parallel op elkaar aangesloten worden zonder beperking van het aantal daarvan • Er kunnen meerdere NC inrichtingen serieel op elkaar aangesloten worden zonder beperking van het aantal daarvan • U kunt slechts 2 inrichtingen met een uitgang met constante weerstand 8,2KΩ parallel verbinden. Eventueel moeten meer inrichtingen via een „cascadeschakeling“ op één enkele eindweerstand van 8,2KΩ aangesloten • Een combinatie NO en NC is mogelijk door de 2 contacten parallel te schakelen en met contact NC serieel een weerstand van 8,2KΩ te verbinden (en dus is ook de combinatie van de 3 inrichtingen mogelijk: NO, NC en 8,2KΩ). ! Let op: indien de ingang STOP gebruikt wordt om inrichtingen met een veiligheidsfunctie aan te sluiten, garanderen alleen die inrichtingen welke een uitgang met een constante weerstand van 8,2KΩ hebben, de veiligheidscategorie 3 tegen storingen volgens de norm EN 954-1. 7.3.3) Fotocellen Voor een goede herkenning van de fotocellen door de besturingseenheid, moet de adrestoewijzing daarvan via de speciale brugverbindingen plaatsvinden. Dankzij het systeem “BlueBUS” kan de besturingseenheid via adrestoewijzing via de speciale bruggetjes, de fotocellen herkennen en kan een correcte waarnemingsfunctie toegewezen worden. De adrestoewijzing moet zowel op de TX als op de RX plaatsvinden (en de brugverbindingen op dezelfde wijze uitgevoerd worden). Controleer of er geen andere fotocellenparen met hetzelfde adres zijn. In een automatisme voor sectionaaldeuren of binnen de gevel blijvende kanteldeuren kunt u de fotocellen installe 44 Tabel 21: adressen van de fotocellen Fotocel FOTO Fotocel h = 50 50 met inwerkingtreding tijdens sluiting FOTO II Fotocel h = 100 100met inwerkingtreding tijdens sluiting FOTO 1 Fotocel h = 50 50 met inwerkingtreding zowel tijdens sluiting als tijdens opening FOTO 1 II Fotocel h = 100 met inwerkingtreding zowel tijdens sluiting als tijdens opening ren zoals dat op afbeelding 44 te zien is. In een automatisme met buiten de gevel draaiende kanteldeuren gelieve u afbeelding 45 te raadplegen. Foto 2 en Foto 2II worden in speciale installaties gebruikt die een complete beveiliging van het automatisme vereisen, ook tijdens de opening. Na de installatie of het wegnemen van fotocellen dient u een herkenningsprocedure in de besturingseenheid uit te voeren zoals in paragraaf “7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen” beschreven is. 45 Bruggetjes Fotocel Bruggetjes FOTO 2 2Fotocel met inwerkingtreding tijdens opening FOTO 2 II Fotocel met inwerkingtreding tijdens opening FOTO 3 VERBODEN CONFIGURATIE ! Op SPIN20KCE en SPIN21KCE heeft de uitgang BlueBUS een maximale belasting van 2 eenheden. Op SPIN30, SN6031, SPIN40 en SN6041 is de maximale belasting 6 eenheden; een stel fotocellen absorbeert een vermogen van 1 eenheid BlueBUS. 188 7.3.4) Herkennen van andere inrichtingen Normaal gesproken vindt het herkennen van de op BlueBUS en de ingang STOP aangesloten inrichtingen tijdens de installatiefase plaats; het is echter mogelijk wanneer er inrichtingen bijgeplaatst of weggenomen worden de herkenningsfase opnieuw uit te voeren en wel op de volgende manier: Tabel 22: voor het herkennen van andere inrichtingen 1. Druk op de toetsen [▲] en [Set] en houd die ingedrukt Voorbeeld SET 2. RLaat de toetsen los wanneer de ledlampjes L1 en L2 heel snel beginnen te knipperen (na ongeveer 3s) SET 3. Wacht enkele seconden totdat de besturingseenheid met het herkennen van de inrichtingen gereed is 4. Aan het einde van de herkenningsfase moeten de ledlampjes L1 en L2 ophouden te knipperen, het ledlampje STOP blijven branden terwijl de ledlampjes L1…L4 zullen gaan branden op basis van de status van de functies ON-OFF die zij vertegenwoordigen. L1 L2 L1 L2 ! Na bijplaatsing of wegname van een inrichting moet de opleveringstest van de automatisering opnieuw uitgevoerd worden volgens wat in paragraaf “5.1 Opleveringstest” aangegeven is. 7.4) Speciale functies 7.4.1) Functie “Open Altijd” De functie “Open Altijd” is een eigenschap van de besturingseenheid waardoor het mogelijk is altijd een openingsmanoeuvre aan te sturen wanneer de instructie “Stap-voor-Stap” langer dan 3 seconden duurt; dit is met name nuttig bij het aansluiten van het contact van een tijdschakelklok op het klemmetje P.P. om de deur tijdens een bepaald tijdsbestek open te houden. Deze eigenschap is geldig ongeacht de programmering van de ingang PP (zie parameter “Functie PP” in tabel 17). 7.4.2) Functie “Beweeeg in ieder geval” Mocht de een of andere veiligheidsinrichting niet correct werken of buiten gebruik zijn, dan is het toch mogelijk de deur in de modus “Iemand aanwezig”. aan te sturen en te manoeuvreren. Zie voor de details de paragraaf “Bediening terwijl de veiligheidsinrichtingen buiten gebruik zijn” in de bijlage “Aanwijzingen en aanbevelingen bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor SPIN”. NL 7.5) Aansluiting van andere inrichtingen Mocht het nodig zijn externe inrichtingen zoals bijvoorbeeld een lezer voor transponderkaarten of het lampje van de verlichting van de sleutelschakelaar van stroom te voorzien, dan kunt u de stroom aansluiten zoals op afbeelding 46 te zien is. De spanning van de stroomtoevoer is 24Vcc -30% ÷ +50% met maximale beschikbare stroom van 100mA. 46 - + 24Vcc 189 7.6) Oplossen van problemen In onderstaande tabel kunt u nuttige aanwijzingen vinden om eventuele storingen te verhelpen die u tijdens de installatie of bij een eventueel defect tegen kunt komen. F2 47 Tabel 23: Opsporen van storingen SYMPTOMEN De radiozender stuurt de deur aan en het ledlampje op de zender gaat niet branden De radiozender stuurt de deur aan, maar het ledlampje op de zender gaat branden. Er wordt geen enkele manoeuvre aangestuurd en het ledlampje “BlueBUS” knippert niet Er wordt geen enkele manoeuvre aangestuurd en het knipperlicht is uit De manoeuvre gaat niet van start en het gebruikerslicht knippert enkele malen De manoeuvre gaat van start, maar onmiddellijk daarna vindt er een korte terugloop plaats De manoeuvre wordt uitgevoerd maar de op de uitgang FLASH gekoppelde inrichting werkt niet F1 MOGELIJKE OORZAAK EN EVENTUELE REMEDIE Controleer of de batterijen van de zender leeg zijn; vervang ze zo nodig. Controleer of de zender correct in het geheugen van de radio-ontvanger is opgeslagen. Controleer of de stroomvoorziening naar de SPIN van de elektriciteitsleiding een spanning van 230V heeft. Vergewis u ervan dat de zekeringen F1 en F2 niet onderbroken zijn; zo ja, dan dient u de oorzaak van de storing op te sporen en ze met andere met dezelfde stroomwaarde en kenmerken te vervangen. Controleer of de instructie daadwerkelijk ontvangen is. Als de instructie de ingang PP bereikt, moet het desbetreffende ledlampje “PP” gaan branden; als daarentegen de radiozender wordt gebruikt, dient het ledlampje “BlueBus” twee maal snel te knipperen. Tel het aantal malen dat dat licht knippert en controleer aan de hand van de gegevens in tabel 24. De geselecteerde kracht zou te klein kunnen zijn om de deur te laten bewegen. Controleer of er geen obstakels zijn en selecteer eventueel een grotere kracht. Controleer of de op de uitgang “FLASH”aangesloten inrichting ook daadwerkelijk de geprogrammeerde inrichting is. Controleer of wanneer de inrichting van stroom voorzien dient te worden, er spanning op het klemmetje van die inrichting staat; als er spanning op staat, ligt het probleem bij de inrichting die vervangen zal moeten worden met een die dezelfde kenmerken bezit. Als er geen spanning op staat, betekent dit dat er een elektrische overbelasting op de uitgang staat. Controleer of er geen kortsluiting in de kabel is. 7.7) Diagnostiek en signaleringen Sommige inrichtingen geven zelf al speciale signaleringen waardoor het mogelijk is de bedrijfsstatus of eventuele storing te herkennen. 7.7.1) Signalering met knipperlicht en gebruikerslicht Als de uitgang FLASH geprogrammeerd is en op een knipperlicht wordt aangesloten, zal dit tijdens de manoeuvre één maal per seconde knipperen; wanneer er een storing is, zal het kortere knipperingen geven; deze knipperingen worden twee maal herhaald met daartussen een pauze van een seconde. Het gebruikerslicht geeft dezelfde diagnose-signaleringen. Tabel 24: signaleringen op het knipperlicht FLASH Snelle knipperingen Oorzaak HANDELING Bij het begin van de manoeuvre komt de controle van de op BLUEBUS aangesloten inrichtingen niet overeen met welke tijdens de herkenningsfase in het geheugen zijn opgeslagen. Het kan zijn dat er defecte inrichtingen zijn, controleer ze en vervang ze; als er wijzigingen zijn aangebracht dient de herkenningsprocedure opnieuw uitgevoerd te worden (7.3.4 Herkennen van andere inrichtingen). 1 knippering pauze van 1 seconde1 1 knippering Fout op de BluBUS 2 knipperingen pauze van 1 seconde 2 knipperingen Inwerkingtreding van een fotocel Bij het begin van de manoeuvre geven één of meer fotocellen geen toestemming tot de manoeuvre, controleer of er obstakels zijn. Het is normaal tijdens de manoeuvre als er daadwerkelijk een obstakel is. 3 knipperingen pauze van 1seconde 3 knipperingen 4 knipperingen pauze van 1 seconde 4 knipperingen Inwerkingtreding van de begrenzer van de “Kracht Motor” Inwerkingtreding van de ingang STOP Tijdens de manoeuvre heeft de deur meer wrijving ondervonden; controleer de oorzaak Bij het begin van de manoeuvre of tijdens de manoeuvre is de ingang di STOP in werking getreden; controleer de oorzaak 5 knipperingen pauze van 1 seconde 5 knipperingen Fout in de interne parameters van de elektronische besturingseenheid Wacht tenminste 30 seconden en probeer dan opnieuw een instructie te geven; als er geen verandering in de status optreedt, zou er een ernstig defect kunnen zijn en dient de elektronische kaart vervangen te worden 6 knipperingen pauze van De maximumlimiet voor manoeu1 seconde 6 knipperingen vres per uur is overschreden. Wacht enkele minuten dat de begrenzer van de manoeuvres weer onder de maximumlimiet komt Koppel alle circuits enige seconden van de stroomtoevoer los; probeer daarna 7 knipperingen pauze van Fout in de interne elektrische een instructie te geven; als er geen verandering in de status optreedt, zou er een ernstig defect op de kaart kunnen zijn of in de bekabeling van de motor. 1 seconde 7 knipperingen circuits Controleer en vervang eventueel. 190 7.7.2) Signaleringen op de besturingseenheid Op de besturingseenheid van SPIN bevinden zich een reeks ledlampjes die elk bepaalde signaleringen kunnen geven, zowel wanneer alles normaal functioneert als bij storingen. 48 Tabel 25: ledlampjes op de klemmetjes van de besturingseenheid Ledlampje BLUEBUS Oorzaak AZIONE Controleer of er stroom is; controleer of de zekeringen niet in werking getreden zijn; is dat het geval, controStoring Uit leer dan de oorzaak van de storing en vervang de zekeringen vervolgens met andere met dezelfde waarde Er is een ernstige storing opgetreden; probeer de besturingseenheid enkele seconden uit te zetten; Aan Ernstige storing als deze status niet verandert, is er een defect en dient de elektronische kaart vervangen te worden Eén knippering per seconde Alles OK Normale werking van de besturingseenheid Er is een wijziging opgetreden Dit is normaal wanneer er een wijziging optreedt op één van de ingangen: PP, 2 snelle knipperingen STOP, of wanneer de fotocellen in werking treden of de radiozender gebruikt wordt in de status van de ingangen Dit is dezelfde signalering als die op het knipperlicht of gebruikerslicht. Serie knipperingen met daartusVerschillende Zie Tabel 24 sen een pauze van un seconde Ledlampje STOP Oorzaak HANDELING Inwerkingtreding van de Uit Controleer de op de ingang STOP aangesloten inrichtingen ingang STOP Aan Alles OK Ingang STOP actief Ledlampje P.P. Oorzaa HANDELING Uit Alles OK Ingang PP niet actief Inwerkingtreding van de Dit is normaal wanneer de op de ingang PP aangesloten inrichting daadwerkelijk Aan ingang PP actief is Tabel 26: ledlampjes op de toetsen van de besturingseenheid Ledlampje L1 Beschrijving Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Automatische Sluiting” niet actief Uit Aan Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Automatische Sluiting” actief • Programmering van de actuele functies Knippert • Indien dit samen met L2 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen van de de inrichtingen uit te voeren (zie paragraaf “4.2 Herkennen van de inrichtingen”). Ledlampje L2 Beschrijving Uit Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Terugloop Na Foto” niet actief. Aan Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Terugloop Na Foto” actief. • Programmering van de actuele functies Knippert • Indien dit samen met L1 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen van de inrichtingen uit te voeren (zie paragraaf “4.2 Herkennen van de inrichtingen”). Ledlampje L3 Uit Aan Knippert Ledlampje L4 Uit Aan Knippert NL Beschrijving Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Kracht Motor” voor “zware” deuren. Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Kracht Motor” voor “lichte” deuren • Programmering van de actuele functies • Indien dit samen met L4 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen van de openings- en sluitstanden van de deur uit te voeren (zie paragraaf “4.3 Herkennen van de openings-en sluitstanden van de deur”). Beschrijving Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Stand-By” niet actief. Bij normaal functioneren geeft dit aan: “Stand-By” actief. • Programmering van de actuele functies • Indien dit samen met L3 knippert, betekent dit dat het noodzakelijk is de procedure voor het herkennen van de waarden uit te voeren (zie paragraaf “4.3 Herkennen van de openings-en sluitstanden van de deur”). 191 7.8) Accessoires Voor SPIN zijn onderstaande facultatieve accessoires beschikbaar. Raadpleeg de catalogus producten van Nice S.p.A. voor de complete en bijgewerkte lijst met accessoires. Voor SN6031 en SN6041 • PS124 Bufferbatterij 24V - 1,2Ah met geïntegreerde batterij-oplader. 49 50 51 52 Voor SN6031 en SN6041 • SMXI of SMXIS Radio-ontvanger op 433,92MHz met digitale codering Rolling code. Voor SN6031 • SNA5 Geleiderail met één enkel profiel van 3 m uit verzinkt staal. Riemaandrijving met 4 kernen van staal. Voor SN6031 en SN6041 • SNA6 Geleiderail met 2 profielen van 4m (3m + 1m) uit verzinkt staal. Riemaandrijving met 6 kernen van staal. Voor allemaal • SPA2 Mechanische ontgrendeling met metalen kabeltje. Te gebruiken in die installaties waarvan de enige toegang de te automatiseren deur is. Voor allemaal • SPA5 Kantelarm. Deze is noodzakelijk wanneer de te automatiseren deuren een kanteldeur betreft, zowel met tegengewichten als met veren. 192 8) Technische gegevens Teneinde haar producten steeds meer te vervolmaken behoudt NICE S.p.a. zich het recht voor op elk gewenst moment en zonder voorbericht wijzigingen in haar producten aan te brengen, waarbij functionaliteit en gebruiksbestemming echter gehandhaafd blijven. Alle technische gegevens hebben betrekking op een omgevingstemperatuur van 20°C (±5°C). Technische gegevens: SPIN Model type Typologie Rondsel SN6021 SN6031 SN6041 Elektromechanische reductiemotor voor het automatische manoeuvreren van garagedeuren voor particulier gebruik compleet met elektronische besturingseenheid Doorsnede 9,5mm, 28 tanden; voor geleiderails SNA5, SNA6 en geleiderails megeleverd bij SPIN20KCE, SPIN30 en SPIN40 Maximumkoppel bij de start [overeenkomende met de capaciteit een dusdanige kracht te ontwikkelen dat de vleugel in beweging komt] 11.7Nm [650N] 11.7Nm [650N] 18Nm [1000N] Nominale koppel [overeenkomende met de capaciteit een dusdanige kracht te ontwikkelen dat de vleugel blijft lopen] 5.85Nm [345N] 5.85Nm [345N] 9Nm [560N] Snelheid loos [overeenkomend met] indien de geprogrammeerde snelheid “Snel” is Snelheid bij het nominale koppel [overeenkomend met] indien de geprogrammeerde snelheid “Snel”is Maximale frequentie werkingscycli Maximumduur continue werking Gebruikslimieten Stroomtoevoer SPIN Stroomtoevoer SPIN/V1 Maximaal opgenomen vermogen Lager verbruik bij Stand-By Isoleringsklasse Stroomtoevoer bij stroomuitval Gebruikerslicht SPIN Gebruikerslicht SPIN/V1 Uitgang FLASH Maximale belasting uitgang BLUEBUS Ingang STOP Ingang PP Ingang ANTENNE Radio Radio-ontvanger Programmeerbare functies Zelflerende functies Bedrijfstemperatuur Gebruik in bijzonder zure, zoute of potentieel explosieve omgeving Beschermingsgraad Afmetingen / gewicht 106 rpm [0,20m/s] De besturingseenheid biedt de mogelijkheid 4 snelheden te programmeren te weten op circa 100% - 85% - 70% - 55% circa 53 rpm [0,08m/s] 50 cycli / dag (de besturingseenheid beperkt de cycli tot het maximum zoals voorzien in de tabellen 4 en 5) 3 minuten (de besturingseenheid beperkt de continue werking tot het maximum zoals voorzien in de tabellen 4 en 5) Over het algemeen is SPIN in staat sectionaaldeuren of kanteldeuren te automatiseren waarvan de afmetingen vallen binnen die welke in tabel 3 staan en volgens de limieten zoals voorzien in de tabellen 4 en 5. 230Vac (±10%) 50/60Hz. 120Vac (±10%) 50/60Hz. 250W 250W 370W --Minder dan 2,2W Minder dan 2,5W 1 (aarding is noodzakelijk) --Met accessoire PS124 Met accessoire PS124 12V-21W fitting BA15 230V-60W fitting E27 230V-60W fitting E27 12V-21W fitting BA15 120V-60W fitting E27 120V-60W fitting E27 Indien geprogrammeerd als“SPIA”: voor een controlelampje 24V-5W maximaal Indien geprogrammeerd als “Knipperlicht”: voor 1 knipperlicht LUCYB (12V, 21W) Indien geprogrammeerd als“Elektrische vergrendeling”: voor elektromechanische vergrendeling 24V10W maximaal Indien geprogrammeerd als“Zuignap” voor elektromechanische zuignap 24V- 10W maximaal NL 2 6 6 Voor normaal gesloten contacten, normaal open contacten en/of voor constante weerstand 8,2KΩ, met automatische herkenning van de “normale” status (een verandering ten opzichte van de opgeslagen status veroorzaakt de instructie “STOP”) Voor normaal open contacten (sluiting van het contact geeft de instructie P.P.) 52Ω or kabeltype RG58 of dergelijke Insteek “SM” voor ontvangers type SMXI of SMXIS 4 functies van het type ON-OFF en 4 instelbare functies (zie de tabellen 15 en 17) Automatische herkenning van de op de uitgang BlueBUS aangesloten inrichtingen Automatische herkenning van het type inrichting "STOP" (contact NO, NC of weerstand 8,2KΩ) Automatische herkenning van de openings-en sluitstanden van de deur en berekening van de vertragingspunten en Gedeeltelijke opening -20°C ÷ 50°C Nee IP 40 alleen bij toepassing binnenshuis of in een beschermde ruimte 311x327 h 105 / 3,6Kg 311x327 h 105 / 4,7Kg 193 Technische gegevens geleiderails Model type Typologie Lengte geleiderail Hoogte geleiderail Nuttige lengte Lengte riem Hoogte riem Trekweerstand Geleiderail aanwezig in SPIN20KCE e SPIN30 Geleiderail aanwezig in SPIN40 profiel van 3 stukken uit verzinkt staal 3.15m 35mm 2.5m 6m 6mm 730N Technische gegevens Typologie Frequentie Codiering radio-ontvanger: SMXI echnische gegevens Typologie Frequentie Codering Toetsen Stroomtoevoer Opname zender: FLO2R-S 3.15m 35mm 2.5m 6m 10mm 1220N SNA5 SNA6 één enkel profiel uit verzinkt staal 3.15m 35mm 2.5m 6m 6mm 730N profiel van 2 stukken uit verzinkt staal 4.15m 35mm 3.5m 8m 10mm 1220N radio-ontvanger: SMXIS Ontvanger met 4 kanalen voor radiobesturing 433.92MHz Digitale 52 bits Rolling code, type FLOR Digitale 64 bits Rolling code, type SMILO FLOR, VERY VR; alleen enkele groep: ERGO, Compatibiliteit zenders SMILO PLANO, PLANOTIME Aantal zenders dat opgeslagen kan worden Maximaal 256 bij geheugenopslag in Modus I Impedantie ingang 52Ω Gevoeligheid beter dan 0.5μV Van 100 tot 150m, Deze afstand kan variëren wanneer er obstakels of eventuele elektromagnetische stoBereik van de zenders ringen zijn; ook is van invloed de plaats van de ontvangstantenne. Uitgangen 4 (op stekker SM) Bedrijfstemperatuur -10°C ÷ 55°C Levensduur van de batterij Uitgestraald vermogen Afmetingen en gewicht Beschermingsgraad Bedrijfstemperatuur 194 zender: SM2 Zender met 2 kanalen voor radiobesturing 433.92MHz Digitale 52 bits Rolling code, type FLOR Digitale 62 bits Rolling code, type SMILO 2 12Vdc met batterij van het type 23A 25mA 1 jaar, geschat op een basis van 20 instructies/dag met een duur van 1s bij 20°C (bij lage temperaturen vermindert de batterijwerking) 100μW 72 x 40 h 18mm / 30g Doorsnede 48 h14mm / 19g IP 40 (gebruik binnenshuis) -40°C ÷ 85°C Aanwijzingen en aanbevelingen bestemd voor de gebruiker van de reductiemotor SPIN Deze aanwijzingen kunnen een aanvulling zijn op de “Aanwijzingen en aanbevelingen voor het gebruik van de automatisering” die de installateur aan de eigenaar van de automatisering zal overhandingen en die hiermee aangevuld dienen te worden. • Voordat u de automatisering voor de eerste maal gaat gebruiken, is het raadzaam u door de installateur te laten uitleggen waar de restrisico's ontstaan, en enkele minuten van uw tijd te besteden aan het lezen van deze handleiding met aanwijzingen en aanbevelingen voor de gebruiker die de installateu u overhandigd heeft. Bewaar deze handleiding voor eventuele toekomstige twijfels en geef haar aan een eventuele nieuwe eigenaar van de automatisering. • Uw automatisering is een machine die getrouwelijk uw instructies opvolgt; onverantwoordelijk en oneigenlijk gebruik kan maken dat het een gevaarlijke machine wordt: laat de automatisering niet werken als er zich mensen, dieren of zaken binnen haar bereik bevinden. • Kinderen: een automatiseringsinstallatie biedt een hoge graad van veiligheid, doordat ze met haar beveiligingssystemen de manoeuvre bij aanwezigheid van mensen of zaken onderbreekt en altijd een voorspelbare en veilige activering garandeert. Het is in ieder geval verstandig kinderen te verbieden in de buurt van de installatie te spelen en de afstandsbedieningen buiten hun bereik te houden om te voorkomen dat de installatie per ongeluk in werking komt: het is geen speelgoed! • Storingen: Zodra u constateert dat de automatiseringsinstallatie niet werkt zoals ze dat zou moeten doen, dient u de stroomtoevoer naar de installatie te onderbreken en haar handmatig te ontgrendelen. Probeer niet zelf te repareren, maar roep de hulp van uw vertrouwensinstallateur in: intussen kan de installatie werken als een niet geautomatiseerde toegang, wanneer u de reductiemotor op de hieronder beschreven manier ontgrendeld hebt. • De opleveringstest, de periodieke nderhoudswerkzaamheden en de eventuele reparatiewerkzaamheden dienen gedocumenteerd te worden door wie die uitvoert en de documenten dienen door de eigenaar van de installatie bewaard te worden. De enige werkzaamheden die de gebruiker regelmatig kan en moet uitvoeren zijn het reinigen van de glaasjes van de fotocellen en het verwijderen van bladeren en stenen die het automatisme in diens werking kunnen belemmeren. Om te voorkomen dat iemand de deur in beweging kan bregen dient u eraan te denken voordat u dit gaat doen het automatisme (zoals verderop beschreven) te ontgrendelen en voor het schoonmaken alleen een enigszins vochtige in water gedrenkte doek te gebruiken. • Afvalverwerking: Als de automatisering niet meer gebruikt kan worden, dient u zich ervan te vergewissen dat de sloop daarvan door gekwalificeerd personeel wordt uitgevoerd en dat het materiaal volgens de plaatselijk geldende voorschriften wordt hergebruikt of naar de afvalverwerking wordt gezonden. • In geval van defecten of stroomuitval: In afwachting van het bezoek van uw installateur, (of het terugkeren van de elektrische stroom als de installatie niet van bufferbatterijen voorzien is), mag de installatie gebruikt worden als elke andere niet-geautomatiseerde toegang. Hiertoe dient u de automatisering handmatig te ontgrendelen: aan deze handeling, die de enige is die de gebruiker van de automatisering mag uitvoeren, heeft Nice bijzonder veel aandacht besteed om u altijd een maximum aan gebruiksvriendelijkheid te garanderen, zonder dat u gereedschap moet gebruiken of fysieke kracht moet aanwenden. • Onderhoud: Zoals elke machine heeft uw installatie periodiek onderhoud nodig om haar zo lang mogelijk en geheel veilig te laten werken.Stel met uw installateur een onderhoudsplan met periodieke frequentie op; Nice raadt bij normaal gebruik bij een woning een onderhoudsbezoek om het half jaar aan, maar dit tijdsbestek kan variëren in functie van een meer of minder intensief gebruik. Alle controle-, onderhouds- of reparatiewerkzaamheden mogen uitsluitend door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd. • Ook al bent u van mening dit te kunnen doen, breng geen wijzigingen aan de installatie en de programmerings- en afstellingsparameters van uw automatiseringsinstallatie aan: uw installateur is aansprakelijk. 195 NL Ontgrendeling en handmatige manoeuvre: prima di Voordat u dit gaat doen dient u erop te letten dat ontgrendeling alleen kan plaatsvinden wanneer de deur dicht is. 1. Trek het ontgrendelingskabeltje zover naar beneden totdat u hoort dat de wagen los komt. 2. Nu kunt u de deur handmatig bewegen 3. Om naar de automatische functie van het automatisme terug te keren dient u de deur in debeginstand terug te brengen totdat u hoort dat de wagen vastgehaakt wordt. Bediening wanneer de veiligheidsinrichtingen buiten gebruik zijn: indien de veiligheidsinrichtingen van de deur niet correct mochten functioneren, kunt u de deur toch bedienen. • Activeer de bediening van de deur (met de afstandsbediening, sleutelschakelaar, etc.); als alles in orde is zal de deur normaal open of dicht gaan, anders zal het knipperlicht enkele malen knipperen en zal de manoeuvre niet van start gaan (het aantal malen dat het knipperlicht knippert heeft te maken met de reden waarom de manoeuvre niet van start kan gaan). • In dit geval moet u de bedieningsinrichting binnen 3 seconden nogmaals activeren en geactiveerd houden. • Na ongeveer 2s komt de deur in beweging en wel in de modus “iemand aanwezig”, d.w.z. zolang de bedieningsinrichting geactiveerd blijft, beweegt de deur; zodra de bedieningsinrichting losgelaten wordt, stopt de deur. Wanneer de beveiligingen buiten gebruik zijn, moet het automatisme zo snel mogelijk gerepareerd worden. Vervanging van de batterij van de afstandsbediening: als uw afstandsbediening na enige tijd minder lijkt te werken, of helemaal niet te werken, zou dit eenvoudigweg kunnen komen omdat de batterij leeg is (afhankelijk van het type daarvan kan dat na verschillende maanden of na twee/drie jaar zijn). U kunt dit zien doordat het waarschuwingslampje dat de doorzending bevestigt, zwak brandt, of helemaal niet brandt, of slechts eventjes brandt. Voordat u zich tot de installateur wendt kunt u proberen de batterij van een andere zender die wèl werkt, in te zetten: als dit de oorzaak van de storing is, behoeft u alleen maar een nieuwe batterij van hetzelfde type in te zetten. Let op: De batterijen bevatten vervuilende stoffen: gooi ze niet met het gewone huisvuil weg, maar gebruik de methoden die in de plaatselijke voorschriften voorzien zijn. Vervanging van de lamp: voordat u dit gaat doen dient u eerst de stroomtoevoer naar de SPIN te onderbreken. 1. Open het witte plaatje door erop te drukken en het te laten draaien. 2. Voor SN6020KCE en SN6021: verwijder het lampje door het omhoog te drukken en daarna te laten draaien. Zet een nieuwe 12 V-lampje van 21W met fitting BA15 in. 3. Voor SN6030, SN6031, SN6040 en SN6041: draai het niet meer functionerende lampje los. Breng een nieuw lampje van 230V / 60W met fitting E27 aan. Bent u tevreden? Indien u in uw huis nog een nieuwe automatiseringsinstallatie zou willen, kunt u zich, wanneer u zich tot dezelfde installateur en Nice wendt, van de adviezen van een specialist en de meest geavanceerde producten op de markt verzekeren. Het resultaat: een automatisering die het best functioneert en een maximale compatibiliteit met de andere automatiseringen. Wij bedanken u voor het lezen van deze aanbevelingen, en wij hopen dat u veel plezier van uw nieuwe installatie zult hebben: wend u voor elke vraag, nu of in de toekomst, vol vertrouwen tot uw installateur. 196
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200

Nice Automation Spin and Spinbus de handleiding

Type
de handleiding