Simrad NSS evo2 Handleiding

Type
Handleiding
NEDERLANDS
NSS evo2
Bedieningshandleiding
simrad-yachting.com
Voorwoord
Afstandverklaring
Omdat Navico continu werkt aan het verbeteren van zijn producten, behouden wij ons het
recht voor om op elk gewenst moment wijzigingen in het product aan te brengen, die
mogelijk niet in deze versie van de handleiding worden beschreven. Neem contact op met
uw dealer als u hulp of meer informatie nodig hebt.
Alleen de eigenaar is verantwoordelijk voor het installeren en gebruiken van de uitrusting op
een manier die geen ongevallen, persoonlijk letsel of schade aan eigendommen veroorzaakt.
Alleen de gebruiker van dit product is verantwoordelijk voor het in acht nemen van veilige
vaarpraktijken.
NAVICO HOLDING AS EN ZIJN DOCHTERMAATSCHAPPIJEN, FILIALEN EN GELIEERDE
BEDRIJVEN WIJZEN ELKE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE HAND VOOR ELK GEBRUIK VAN DIT
PRODUCT OP EEN WIJZE DIE ONGEVALLEN OF SCHADE KAN VEROORZAKEN OF EEN
OVERTREDING VAN DE WET INHOUDT.
Officiële taal: deze verklaring, eventuele instructieboeken, gebruikershandleidingen en
andere informatie met betrekking tot het product (Documentatie) kan worden vertaald in, of
is vertaald uit een andere taal (Vertaling). In geval van een conflict tussen een Vertaling van
de Documentatie en de Engelstalige versie van de Documentatie is de Engelstalige versie
van de Documentatie de officiële versie.
Deze handleiding beschrijft het product ten tijde van het ter perse gaan. Navico Holding AS
en zijn dochtermaatschappijen, filialen en gelieerde bedrijven behouden zich het recht voor
wijzigingen in de specificaties aan te brengen zonder mededeling vooraf.
Handelsmerken
Lowrance
®
en Navico
®
zijn gedeponeerde handelsmerken van Navico.
Fishing Hot Spots
®
is een gedeponeerd handelsmerk van Fishing Hot Spots Inc. Copyright©
2012 Fishing Hot Spots.
Navionics
®
is een gedeponeerd handelsmerk van Navionics, Inc.
NMEA 2000
®
is een gedeponeerd handelsmerk van de National Marine Electronics
Association.
De termen HDMI en HDMI High-Definition Multimedia Interface en het HDMI logo zijn
handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van HDMI Licensing LLC in de Verenigde
Staten en andere landen.
Extra cartografische data: Copyright© 2012 NSI, Inc.: Copyright© 2012 Richardson’s Maptech.
Copyright
Copyright © 2014 Navico Holding AS.
Garantie
De garantiekaart is als afzonderlijk document meegeleverd.
In geval van vragen bezoekt u de website van uw merk display of systeem: .
simrad-yachting.com
Wettelijke verklaringen
Deze uitrusting is bedoeld voor gebruik in internationale wateren en kustwateren, onder
beheer van landen van de E.U. en de E.E.R.
Het NSS evo2 is in overeenstemming met:
CE volgens R&TTE Richtlijn 1999/5/EG
De eisen voor apparaten van niveau 2 van de Radiocommunications (Electromagnetic
Compatibility) standaard 2008
Het NSS evo2 is in overeenstemming met:
Voorwoord | NSS evo2 Bedieningshandleiding
3
CE volgens R&TTE Richtlijn 1999/5/EG
De eisen voor apparaten van niveau 2 van de Radiocommunications (Electromagnetic
Compatibility) standaard 2008.
De relevante Conformiteitverklaring is beschikbaar in het gedeelte NSS evo2 van de
volgende website: simrad-yachting.com.
Info over deze handleiding
Deze handleiding is bedoeld als naslagwerk voor het gebruik van de NSS evo2. Er wordt in de
handleiding van uitgegaan dat alle uitrusting is geïnstalleerd en geconfigureerd en dat het
systeem klaar voor gebruik is.
In de handleiding wordt ervan uitgegaan dat de gebruiker over een basiskennis van
navigatie, nautische termen en praktijken beschikt.
Belangrijke tekst die bijzondere aandacht van de lezer vereist, is als volgt aangeduid:
Ú
Opmerking: Gebruikt om de lezer te attenderen op een opmerking of bepaalde belangrijke
informatie.
Waarschuwing: Gebruikt als personen moeten worden gewaarschuwd
dat zij voorzichtig te werk moeten gaan, om risico op letsel van personen
en/of schade aan uitrusting te voorkomen.
De handleiding op het scherm bekijken
De pdf viewer die bij de NSS evo2 meegeleverd is, maakt het mogelijk de handleidingen en
andere pdf bestanden op het scherm te bekijken. De handleidingen kunnen worden
gedownload van simrad-yachting.com.
De handleidingen kunnen worden gelezen vanaf een geplaatste Micro-SD kaart, of naar het
interne geheugen van het apparaat worden gekopieerd.
Gebruik de menuopties of de toetsen en schermknoppen om zoals hieronder beschreven in
een pdf bestand te bladeren:
Zoeken, naar pagina gaan, pagina op en
pagina neer
Selecteer de relevante paneel knop.
Door pagina's bladeren Draai de draaiknop.
De pagina verschuiven
Sleep met de vinger in elke richting over het
scherm.
In-/uitzoomen Gebruik knijp- en spreidbewegingen.
De pdf viewer afsluiten
Druk op de X toets, of selecteer de X in de
rechter bovenhoek van het paneel.
4
Voorwoord | NSS evo2 Bedieningshandleiding
De software
Deze handleiding is geschreven voor de NSS evo2 software versie 1.5.
De handleiding zal continu worden bijgewerkt ter aanpassing aan nieuwe software releases.
De nieuwste handleiding versie kan worden gedownload van simrad-yachting.com.
Voorwoord
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
5
Inhoudsopgave
10 Inleiding
10
Het frontpaneel en de toetsen
11 De Home pagina
12 Applicatie pagina's
13 Integratie van apparatuur van andere merken
14 GoFree
TM
draadloos
14 Afstandsbedieningen
15 Bediening, basis
15 Het systeem aan en uit zetten
15 Scherm verlichting
15 Het touchscreen vergrendelen
16 Bediening van het touchscreen
17 Gebruik van menu's en dialoogvensters
17 Pagina's en panelen selecteren
18 Een MOB markering plaatsen
18 Scherm opname
19 Het systeem aanpassen
19 De Home pagina achtergrond aanpassen
19 Paneelgrootte veranderen
20 Nieuwe favoriete pagina's toevoegen
20 Favoriete pagina's wijzigen
20 Het uiterlijk van de Instrumentenbalk instellen
21 Brug bediening
23 Kaarten
23 Het Kaart paneel
24 Kaart data
24 Twee typen kaarten weergeven
24 Boot symbool
24 Kaartschaal
24 De kaart pannen
25 Het vaartuig op het kaart paneel positioneren
25 Informatie over items op de kaart weergeven
26 Gebruik van de cursor op het kaart paneel
26 Waypoints opslaan
26 Routes aanmaken
26 Afstand meten
27 Objecten in kaart panelen zoeken
27 3D kaarten
27 Kaart overlay
28 Insight-specifieke kaart opties
28 Insight weergave opties
28 Navionics-specifieke kaart opties
29 Navionics kaart instellingen
29 Navionics weergave opties
31 Jeppesen waterstanden en stromingen
32 Kaart instellingen
34 Waypoints, routes en tracks
34 Waypoints
35 Routes
38 Tracks
39 Waypoints, routes en tracks dialoogvensters
6
Inhoudsopgave | NSS evo2
Bedieningshandleiding
40 Navigeren
40 Navigatie panelen
41 Navigeren naar de cursorpositie
42 Op een route navigeren
42 Navigeren met de stuurautomaat
43 Navigatie instellingen
45 Stuurautomaat
45 Veilig gebruik van de stuurautomaat
45 De stuurautomaat activeren
45 Wisselen van automatische modus naar handbesturing
45 Stuurautomaat indicatie op de pagina's
47 Het Stuurautomaat paneel
47 Overzicht van werkstanden
48 Standby modus
48 Non-Follow Up (NFU, Power steer)
48 Follow-up besturing (FU)
48 AUTO modus (auto kompas)
49 Geen drift modus
49 NAV modus
51 WIND modus
52 WIND Nav modus
52 Besturing op wendpatronen
54 Gebruik van de NSS evo2 in een AP24/AP28 systeem
54 De stuurautomaat in een EVC-systeem gebruiken
55 Stuurautomaat instellingen
57 Radar
57 Het Radar paneel
57 Radar overlay
58 Radar werkstanden
58 Radar bereik
58 Gebruik van de cursor op een radar paneel
58 Waypoints opslaan
59 Het radarbeeld instellen
60 Geavanceerde radar opties
60 Radar weergave opties
61 EBL/VRM markeringen
62 Een veiligheidszone rond uw boot instellen
63 MARPA doelen
64 Radar data opnemen
64 Radar instellingen
66 Fishfinder
66 Het fishfinder beeld
67 Zoomen op een fishfinder beeld
67 Gebruik van de cursor op het fishfinder paneel
68 Waypoints opslaan
68 Fishfinder historie bekijken
68 Het fishfinder beeld instellen
69 Geavanceerde fishfinder opties
69 Fishfinder data opnemen
70 Opties voor fishfinder weergave
71 Fishfinder instellingen
73 StructureScan™
73 Het StructureScan™ beeld
73 Zoomen op het StructureScan beeld
Inhoudsopgave
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
7
74 Gebruik van de cursor op het StructureScan™ paneel
74
Waypoints opslaan
74 StructureScan™ historie bekijken
75 Het StructureScan beeld instellen
75 Geavanceerde StructureScan instellingen
77 StructureMap
77 Het StructureMap beeld
77 Structuur overlay activeren
77 StructureMap bronnen
78 Tips voor StructureMap
78 StructureScan data opnemen
78 Gebruik van StructureMap met cartografie kaarten
79 Structuur opties
80 AIS
80 AIS doel symbolen
81 Informatie over individuele AIS doelen bekijken
82 Een AIS vaartuig oproepen
82 AIS SART
83 Vaartuig alarmen
84 Vaartuig instellingen
86 Instrumentenpanelen
86 Instrumentenborden
86 Het Instrument paneel aanpassen
87 Audio
87 Audio inschakelen
88 Het Audio paneel
89 Het audio systeem instellen
90 Gebruik van het audio systeem
90 Favoriete zenders
90 Sirius radio gebruiken (alleen Noord-Amerika)
91 Weer
91 Windsymbolen
91 GRIB weer
93 SiriusXM™ weer
97 Video
97 Het Video paneel
97 Het video paneel instellen
97 Een FLIR camera bedienen
99 Tijd plot
99 Het Tijd plot paneel
99 Data selecteren
100 Alarmen
100 Alarmsysteem
100 Type berichten
100 Afzonderlijke alarmen
100 Meerdere alarmen
101 Een bericht bevestigen
101 Alarmen dialoogvenster
8
Inhoudsopgave | NSS evo2
Bedieningshandleiding
103 Extra
103 Waypoints/routes/tracks
103 Waterstanden
103 Alarmen
103 Instellingen
103 Vaartuigen
103 Zon/maan
103 Trip calculator
103 Bestanden
104 Zoeken
105 Simulator
105 Demo modus
105 Simulator bronbestanden
106 Geavanceerde simulator instellingen
107 Onderhoud
107 Preventief onderhoud
107 De display schoonmaken
107 De klep van de kaartlezer schoonmaken
107 De toetsen controleren
107 Aansluitingen controleren
108 NMEA 0183 data loggen
108 Software upgrades
109 Een backup van alle waypoints, routes en tracks maken
Inhoudsopgave | NSS evo2 Bedieningshandleiding
9
Inleiding
Het frontpaneel en de toetsen
Pos. Beschrijving
1 Touchscreen
2 Aan/uit toets
Eenmaal indrukken om het dialoogvenster Systeem regelingen te openen.
Meermaals kort indrukken om tussen de verschillende verlichting standen te
wisselen.
Ingedrukt houden om het systeem AAN/UIT te zetten.
3 Draaiknop
Draaien om door menuopties te bladeren, daarna indrukken om keuze te
bevestigen.
Draaien om een waarde in te stellen.
Draaien om te zoomen op een zoombaar paneel.
4 STBY / AUTO toets
Met de stuurautomaat in een automatische modus: indrukken om de
stuurautomaat in Standby modus te zetten.
Met de stuurautomaat in Standby modus: indrukken om het pop-up venster voor
stuurautomaat modus selecteren te openen.
5 Home toets
Eenmaal indrukken om de Home pagina te activeren. Meermaals kort indrukken
om tussen de Favoriet knoppen te wisselen.
Ingedrukt houden om het Favorieten paneel als overlay op de actieve pagina weer
te geven. Meermaals kort indrukken om tussen de Favoriet knoppen te wisselen.
6 X toets
Eenmaal indrukken om een dialoogvenster te verlaten, naar een vorig menu
niveau terug te gaan en de cursor uit het paneel te verwijderen.
7 MARK toets
Met cursor actief op het paneel: indrukken om direct een waypoint op de
cursorpositie op te slaan.
Zonder actieve cursor: indrukken om direct een waypoint op de positie van de
boot op te slaan.
Ingedrukt houden om het Plot menu weer te geven, dat wordt gebruikt voor het
opslaan van nieuwe waypoints, routes en tracks.
8 Klep van kaartlezer
9 Micro-SD kaartlezers
Ú
Opmerking: De MARK toets is niet beschikbaar op 7" displays.
1
10
Inleiding | NSS evo2
Bedieningshandleiding
De Home pagina
U kunt de Home pagina vanuit elke functie oproepen door kort te drukken op de Home
toets.
Pos. Beschrijving
1 Applicaties
Selecteer een knop om een applicatie als paginavullend paneel weer te geven.
Houd een knop ingedrukt om vooraf geconfigureerde gesplitste-pagina opties
voor de applicatie weer te geven.
2 Extra
Selecteer een knop om een dialoogvenster op te roepen voor het uitvoeren van
een bepaalde taak, of om opgeslagen informatie te bekijken.
3 Knop Sluiten
Selecteer deze knop om de Home pagina te verlaten en naar de vorige actieve
pagina terug te gaan.
4 Favorieten
Selecteer een knop om die combinatie van panelen weer te geven.
Houd een favoriet knop ingedrukt om de wijzig modus voor het Favorieten paneel
te activeren.
5 Man overboord (MOB) knop
Selecteren om een Man overboord (MOB) markering op de huidige positie van de
boot op te slaan.
Inleiding | NSS evo2
Bedieningshandleiding
11
Applicatie pagina's
Elke applicatie die met het systeem verbonden is, wordt weergegeven op een paneel. De
applicatie kan ook als volledige pagina of in combinatie met andere panelen op een pagina
met meerdere panelen worden weergegeven.
Alle pagina's zijn bereikbaar vanaf de Home pagina.
Pos. Beschrijving
1 Applicatie paneel
2 Instrumentenbalk
Navigatie- en sensorinformatie. De balk kan worden uitgeschakeld en door de
gebruiker worden geconfigureerd.
3 Dialoogvenster Systeem regelingen
Snel toegang tot basis systeeminstellingen.
Open dit dialoogvenster met een korte druk op de Aan/uit toets, of door vanaf de
bovenkant van het scherm omlaag te vegen.
4 Statusbalk
5 Dialoogvenster
Informatie voor of invoer door de gebruiker.
6 Alarmbericht
Verschijnt als zich een gevaarlijke situatie of systeemfout voordoet.
7 Menu
Paneel-specifiek menu.
Open het menu door de paneelknop MENU te selecteren, of door op de MENU
toets van een OP40 bedieningseenheid te drukken.
Gesplitste pagina's
U kunt meerdere panelen op een pagina weergeven, afhankelijk van de schermgrootte:
7" apparaten: 2 panelen
9", 12" en 16" apparaten: 4 panelen
pagina met 2 panelen pagina met 3 panelen pagina met 4 panelen
De grootte van de panelen op een gesplitste pagina kan worden ingesteld via het
dialoogvenster Systeem regelingen.
12
Inleiding | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Ú
Opmerking: Mercury functies, indien ingeschakeld, staan geen gesplitste pagina's toe.
Vooraf geconfigureerde gesplitste pagina's
Elke volledig-scherm applicatie heeft meerdere vooraf geconfigureerde gesplitste pagina's,
waarop de geselecteerde applicatie gecombineerd met alle andere panelen wordt
weergegeven.
Ú
Opmerking: Het aantal gesplitste pagina's kan niet worden gewijzigd en de pagina's kunnen
niet worden aangepast of verwijderd.
U activeert een gesplitste pagina door de knop ervan in het hoofdpaneel ingedrukt te
houden.
Favoriete pagina's
Alle vooraf geconfigureerde favoriete pagina's kunnen worden gewijzigd of verwijderd en u
kunt ook uw eigen aanmaken. Er kunnen in totaal max. 12 favoriete pagina's zijn.
Integratie van apparatuur van andere merken
Een apparaat dat via het NMEA 2000 netwerk wordt aangesloten, zou automatisch door het
systeem moeten worden herkend. Als dat niet het geval is, schakelt u de functie in via de
optie Geavanceerd in het dialoogvenster Systeem instellingen.
Apparaten van andere merken worden bediend met behulp van menu's en dialoogvensters
zoals op andere panelen.
Deze handleiding bevat geen specifieke instructies voor apparaten van andere merken. Voor
de kenmerken en functies daarvan raadpleegt u de documentatie die bij het apparaat van
een ander merk meegeleverd is.
Mercury VesselView integratie
Mercury VesselView 7 SmartCraft data weergave en interactie worden ingeschakeld via de
NSS evo2 wanneer er een VesselView 7 gateway apparaat aanwezig is in het NMEA 2000
netwerk.
Er verschijnt een Mercury symbool op de Home pagina als het apparaat beschikbaar is.
FUSION-Link integratie
FUSION-Link apparaten die op het NMEA 2000 netwerk aangesloten zijn, kunnen worden
bediend vanaf het NSS evo2 systeem.
De FUSION-Link apparaten worden als extra bronnen weergegeven bij gebruik van de audio
functie. Er zijn geen extra pictogrammen beschikbaar.
Zie "Audio" op pagina 87 voor meer informatie.
Integratie van FLIR camera
Als er een FLIR camera in het ethernet netwerk aanwezig is, kunt u de beelden daarvan
weergeven en de camera bedienen vanaf de NSS evo2.
De FLIR camera wordt bediend via het Video paneel en er verschijnen geen extra
pictogrammen op de Home pagina.
Zie "Video" op pagina 97 voor meer informatie.
Inleiding | NSS evo2 Bedieningshandleiding
13
BEP CZone integratie
De NSS evo2 kan worden geïntegreerd met het BEP CZone systeem, dat wordt gebruikt voor
het regelen en monitoren van een gedistribueerd elektriciteitsnetwerk op uw boot.
Het CZone symbool is aanwezig in het paneel Extra op de Home pagina als er een CZone
systeem beschikbaar is in het netwerk.
Er is een afzonderlijke handleiding bij het CZone systeem geleverd. Raadpleeg deze
documentatie en de NSS evo2 Installatiehandleiding voor het installeren en configureren van
het CZone systeem.
CZone instrumentenbord
Als CZone geïnstalleerd en geconfigureerd is, is er een extra CZone instrumentenbord aan de
Instrument panelen toegevoegd.
Vaartuig instrumentenbord Navigatie instrumentenbord Visser instrumentenbord CZone instrumentenbord
U kunt wisselen tussen de instrumentenborden van een paneel door de linker en rechter
pijlknoppen te selecteren, of door het instrumentenbord via het menu te selecteren.
Een CZone instrumentenbord wijzigen
U kunt een CZone instrumentenbord wijzigen door de data voor een of meer meters te
veranderen. Welke bewerkingsopties beschikbaar zijn, is afhankelijk van het type meter en
welke databronnen er op uw systeem aangesloten zijn.
Voor meer informatie, zie "Instrumenten panelen" op pagina 86.
GoFree
TM
draadloos
Wanneer er een WIFI-1 apparaat met het NSS evo2 systeem verbonden is, kunt u een
draadloos apparaat gebruiken om het systeem op afstand te bedienen. Het systeem kan
vanaf het draadloze apparaat worden bediend met behulp van apps gedownload van de
relevante applicatie store.
Ú
Opmerking: Om veiligheidsredenen kunnen de Stuurautomaat en CZone functies niet vanaf
een draadloos apparaat worden bediend.
De installatie en bekabeling van de WIFI-1 unit zijn beschreven in de afzonderlijke WIFI-1
Installatie-instructies. De configuratie en instellingen zijn beschreven in de NSS evo2
Installatiehandleiding.
14
Het systeem met een draadloos apparaat gebruiken
Wanneer afstandsbediening geaccepteerd is, wordt de actieve pagina op het draadloze
apparaat weergegeven.
Het scherm van het draadloze apparaat bevat softkeys voor het bedienen van het NSS evo2
systeem.
Afstandsbedieningen
U kunt een OP40 met het netwerk verbinden om de NSS evo2 op afstand te bedienen.
Bij de afstandsbediening wordt een afzonderlijke handleiding meegeleverd.
Inleiding | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Bediening, basis
Het systeem aan en uit zetten
U zet het systeem aan of uit door de Aan/uit toets ingedrukt te houden. U kunt het apparaat
ook uit zetten via het dialoogvenster Systeem regelingen.
Als de Aan/uit toets losgelaten wordt voordat het uitschakelen voltooid is, wordt het
uitschakelen geannuleerd.
Ú
Opmerking: Als het apparaat als slave geconfigureerd is, kunt u het niet uitschakelen met
behulp van de Aan/uit toets en wordt in het dialoogvenster Systeem regelingen de
uitschakeloptie niet weergegeven.
Eerste keer starten
Wanneer u het apparaat de eerste keer aan zet en na een master reset voert het systeem een
automatische opstartroutine uit, o.a. taal instellen en automatische selectie van databronnen.
U kunt deze opstartroutine onderbreken en het systeem op een later tijdstip zelf
configureren.
Standby modus
In de Standby modus is de verlichting van scherm en toetsenbord uitgeschakeld om energie
te besparen. Het systeem blijft op de achtergrond werken.
U selecteert de Standby modus via het dialoogvenster Systeem regelingen.
Schakel over van de Standby modus naar normale bediening met een korte druk op de
Aan/uit toets.
Scherm verlichting
De scherm verlichting kan op elk gewenst moment worden ingesteld via het dialoogvenster
Systeem regelingenn. U kunt ook tussen de vooraf ingestelde verlichting niveaus wisselen
door meermaals kort de Aan/uit toets in te drukken.
Als er een MO monitor op de HDMI uitgang van een 12" of 16" apparaat aangesloten is,
verschijnt er een extra symbool in het dialoogvenster Systeem regelingen. Selecteer dit
symbool om de helderheid van de externe monitor te regelen.
De nachtmodus optie optimaliseert het kleurenpalet voor omstandigheden met weinig licht.
Ú
Opmerking: Details op de kaart kunnen minder goed zichtbaar zijn als de nachtmodus is
geselecteerd!
Het touchscreen vergrendelen
U kunt een touchscreen tijdelijk vergrendelen, om onbedoelde bediening van het systeem te
voorkomen. Deze functie is ook handig wanneer u het scherm wilt schoonmaken terwijl het
apparaat ingeschakeld is.
Als de touchscreen vergrendeling actief is, kunt u het systeem alleen met behulp van de
toetsen bedienen.
Het touchscreen wordt vergrendeld via het dialoogvenster Systeem regelingen.
2
Bediening, basis | NSS evo2
Bedieningshandleiding
15
Bediening van het touchscreen
De basisbeginselen van de touchscreen bediening op de verschillende panelen zijn in
onderstaande tabel beschreven.
De hoofdstukken over de verschillende panelen in deze handleiding geven meer informatie
over paneel-specifieke touchscreen bediening.
Symbool Beschrijving
Tikken om:
een paneel op een pagina met meerdere panelen te activeren
de cursor op een paneel te positioneren
een item in een menu of dialoogvenster te selecteren
een keuzevakje aan te vinken of uit te schakelen
basis informatie over een geselecteerd item weer te geven
Ingedrukt houden:
op een paneel met een cursor om de cursor hulpfunctie te
activeren
op een paneelknop om de beschikbare gesplitst-scherm opties te
bekijken
op een favoriete knop om naar de wijzig modus te gaan
Door een lijst van beschikbare opties bladeren zonder een optie te
activeren.
Vegen om snel door bijv. de waypoint lijst te bladeren. Tik op het
scherm om het verschuiven te stoppen.
Verschuiven om een kaart of beeld op het paneel te positioneren.
Knijpen om uit te zoomen op de kaart of een beeld.
Spreiden om in te zoomen op de kaart of een beeld.
16
Bediening, basis | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Gebruik van menu's en dialoogvensters
Menu's
U geeft een paginamenu weer door de knop MENU in de rechter bovenhoek van de pagina
te selecteren.
Activeer een menuoptie en zet een keuzevakje aan/uit door het te selecteren.
Wijzig een schuifbalk waarde door:
de schuifbalk te slepen
de + of - knop selecteren
U kunt menu's ook m.b.v. de draaiknop bedienen:
Draai de knop om door menuopties te bladeren.
Druk de knop in om een gemarkeerde optie te selecteren.
Draai de knop om de waarde van een geselecteerde optie te veranderen.
Selecteer de menuoptie Terug of de toets X om naar het vorige menu niveau terug te gaan
en daarna het menu te verlaten.
U kunt het menu laten wegschuiven door buiten het menugebied op het scherm te tikken,
of door op de MENU knop te drukken. Wanneer u opnieuw op de MENU knop drukt, wordt
het menu in dezelfde staat geopend als waar het in werd gesloten.
De status van de cursor (actief of inactief) bepaalt welke menuopties worden weergegeven.
Kaart menu - cursor niet actief Kaart menu - actieve cursor
Dialoogvensters
Numerieke en alfanumerieke toetsenborden worden automatisch weergegeven als ze nodig
zijn voor invoer door de gebruiker in dialoogvensters. U bedient het toetsenbord door de
virtuele toetsen te selecteren. Bevestig uw invoer door de virtuele Enter toets te selecteren,
of door de draaiknop in te drukken.
Een dialoogvenster wordt gesloten door de invoer te bevestigen of te annuleren.
Een dialoogvenster kan ook worden gesloten door de
X in de rechter bovenhoek van het
dialoogvenster te selecteren, of door op de X toets te drukken.
Pagina's en panelen selecteren
Een pagina selecteren
Selecteer een volledige-pagina paneel door de gewenste applicatieknop op de Home
pagina te selecteren.
Selecteer een favoriete pagina door de gewenste favorietknop te selecteren.
Selecteer een vooraf gedefinieerde gesplitste pagina door de knop van de gewenste
applicatie ingedrukt te houden.
Actief paneel selecteren
Op een pagina met meerdere panelen kan er altijd maar één paneel actief zijn. Het actieve
paneel wordt aangeduid door een rand.
U kunt alleen het paginamenu van het actieve paneel openen.
U activeert een paneel door erop te tikken.
Bediening, basis | NSS evo2
Bedieningshandleiding
17
Een MOB markering plaatsen
Als zich een noodgeval voordoet, kunt u een Man overboord (MOB) markering op de huidige
positie van de boot plaatsen, door de knop
MOB op de
Home pagina te selecteren.
Wanneer u de MOB functie activeert, worden de volgende acties automatisch uitgevoerd:
er wordt een MOB markering op de positie van de boot geplaatst
op het scherm verschijnt een ingezoomd kaart paneel, gecentreerd rond de positie van de
boot
het systeem toont navigatie informatie terug naar de MOB markering
Er kunnen meerdere MOB markeringen worden opgeslagen door de MOB toets meermaals
in te drukken. Het systeem blijft navigatie informatie terug naar de eerste MOB markering
weergeven. Navigeren naar daaropvolgende MOB markeringen moet handmatig
plaatsvinden.
Navigatie annuleren
Het systeem blijft navigatie informatie naar de MOB markering weergeven totdat u dit
annuleert via het menu.
Een MOB markering verwijderen
1. Selecteer de MOB markering om hem te activeren.
2. Selecteer het pop-up venster van de MOB markering om het dialoogvenster MOB markering
weer te geven.
3. Selecteer de optie verwijderen in het dialoogvenster.
Een MOB markering kan ook via het menu worden verwijderd wanneer hij geactiveerd is. Zie
ook
"Waypoints-routes-tracks" op pagina 34.
Scherm opname
Druk tegelijkertijd de Home en Aan/uit toetsen in om een scherm opname te maken.
Standaard worden scherm opnamen in het interne geheugen opgeslagen.
Zie "Extra" op pagina 103 voor het bekijken van bestanden.
18
Bediening, basis | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Het systeem aanpassen
De Home pagina achtergrond aanpassen
De achtergrond van de Home pagina kan worden veranderd. U kunt een van de
afbeeldingen kiezen die bij het systeem meegeleverd zijn, of u gebruikt een eigen afbeelding
in .jpg of .png formaat.
De afbeelding kan zich bevinden in elke locatie die zichtbaar is via de bestanden browser.
Wanneer u een afbeelding als wallpaper selecteert, wordt die automatisch naar de Wallpaper
map gekopieerd.
Paneelgrootte veranderen
U kunt de paneelgrootte voor een actieve gesplitste pagina veranderen. De paneelgrootte
kan worden veranderd voor favoriete pagina's en voor vooraf gedefinieerde gesplitste
pagina's.
1. Activeer het dialoogvenster Systeem regelingen.
2. Selecteer de optie Splitsingen aanpassen in het dialoogvenster.
3. Verander de paneelgrootte d.m.v.:
-
touch bediening: sleep het instelsymbool
- toetsen bediening: gebruik de pijltoetsen om het instelsymbool te verplaatsen
4. Bevestig de wijzigingen door op een van de panelen te tikken, of door de draaiknop of de
Enter toets in te drukken.
De wijzigingen worden bij de actieve favoriete of gesplitste pagina opgeslagen.
3
Het systeem aanpassen | NSS evo2
Bedieningshandleiding
19
Nieuwe favoriete pagina's toevoegen
1. Selecteer het symbool Nieuw in het favorieten paneel op de Home pagina om het
dialoogvenster voor het bewerken van pagina's te openen.
2. U kunt pagina symbolen slepen en neerzetten om een nieuwe pagina samen te stellen.
3. Sla de pagina indeling op.
Op het scherm verschijnt weer de Home pagina en de nieuwe pagina is in de lijst van
favoriete pagina's opgenomen.
Favoriete pagina's wijzigen
1. Selecteer het wijzig symbool van een favoriet symbool om de wijzig modus te activeren.
-
Selecteer het annuleer symbool om de pagina te verwijderen.
- Selecteer het gereedschap symbool om het dialoogvenster Pagina editor te openen.
2. In het dialoogvenster Pagina editor kunt u panelen toevoegen of verwijderen en daarna de
wijzigingen opslaan.
3. Om de modus favorieten wijzigen te verlaten, slaat u de wijzigingen op, of annuleert u die.
Het uiterlijk van de Instrumentenbalk instellen
Databronnen die met het systeem verbonden zijn, kunnen worden bekeken op de
Instrumentenbalk.
U kunt de Instrumentenbalk zo configureren dat hij één van twee balken weergeeft, of dat
de balken automatisch beurtelings worden weergegeven.
U kunt de Instrumentenbalk uitschakelen via het dialoogvenster Systeem regelingen.
Ú
Opmerking: Hiermee schakelt u de Instrumentenbalk alleen voor de huidige pagina uit.
De Instrumentenbalk aan/uit zetten
1. Activeer het dialoogvenster Systeem regelingen
2. Deactiveer/activeer het Instrumentenbalk symbool om de balk uit en aan te zetten.
De inhoud van de Instrumentenbalk wijzigen
1. Activeer de Instrumentenbalk door erop te tikken.
2. Selecteer de MENU knop om de inhoud te wijzigen.
3. Selecteer de inhoud die u wilt wijzigen.
Ú
Opmerking: U kunt Balk 1 voor de actieve pagina of voor alle pagina's selecteren, behalve
voor die welke een lokale configuratie hebben. Balk 2 kan alleen voor de actieve pagina
worden geconfigureerd.
4. Stel de gewenste periode in als u wilt dat de twee balken automatisch beurtelings worden
weergegeven.
5. Selecteer de optie wijzigen om een of meer instrument velden te wijzigen en daarna het
veld dat u wilt wijzigen.
6. Sla de wijzigingen op door de optie wijzigen beëindigen in het menu te kiezen.
20
Het systeem aanpassen | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Brug bediening
De functie Brug bediening biedt de mogelijkheid te bepalen welke pagina's op meerdere
displays tegelijkertijd worden weergegeven. Deze functie wordt gebruikt op vaartuigen met
meerdere displays op dezelfde plaats gemonteerd, om snel te configureren welke informatie
wordt weergegeven.
Er kunnen maximaal vier verschillende bruggen in uw systeem aanwezig zijn en maximaal
vier displays in één brug gegroepeerd. Elke display kan maar voor één brug worden
geconfigureerd.
Als de displays in een brug zijn opgenomen, kunt u twaalf pagina configuraties configureren
(voorinstellingen) voor elke brug.
Displays aan aan brug toevoegen
Ú
Opmerking: Alle displays moeten ingeschakeld zijn om beschikbaar te zijn voor brug
configuratie.
1. Open het dialoogvenster Brug configuratie.
2. Selecteer of u een nieuwe brug wilt configureren of een bestaande wilt wijzigen.
- De Brug configuratie voor de geselecteerde brug wordt weergegeven en alle
displays die nog niet aan een brug zijn toegewezen, worden in een lijst getoond.
3. Selecteer de display die u aan de brug wilt toevoegen.
- Zet de displays van links naar rechts in dezelfde fysieke indeling als op uw huidige
brug/instrumentenbord/roerpositie.
4. Geef de brug indien nodig een andere naam.
5. Sla de configuratie op.
De Brug bediening knop verschijnt op de Home pagina van alle displays die voor een
brug zijn geconfigureerd.
Het systeem aanpassen | NSS evo2 Bedieningshandleiding
21
Configureren van de vooraf ingestelde pagina's voor displays in een brug
1. Activeer het Brug bediening paneel door de knop Brug bediening op de Home pagina
te selecteren.
2. Ga naar de wijzig modus door het wijzig symbool te selecteren.
3. Selecteer de display waarvoor u de vooraf ingestelde pagina wilt definiëren.
-
De pagina indeling optie voor de geselecteerde display wordt via het netwerk
uitgelezen; deze toont de belangrijkste kenmerken en geconfigureerde favoriete
pagina's.
4. Selecteer de gewenste pagina.
- Selecteer de blanco pagina als u de display niet wilt opnemen in de geselecteerde
Brug voorinstelling.
5. Herhaal stap 3 en 4 totdat u een pagina hebt geconfigureerd voor alle displays in alle Brug
voorinstellingen.
6. Selecteer nogmaals het wijzig symbool om de wijzig modus te verlaten en de configuratie
op te slaan.
Brug voorinstellingen selecteren
U geeft een overzicht van de beschikbare Brug voorinstellingen weer door de knop Brug
bediening op de Home pagina te selecteren.
Wanneer u een van de vooraf ingestelde configuraties selecteert, worden alle apparaten die
in die brug zijn opgenomen naar de vooraf geconfigureerde pagina's overgeschakeld.
22
Het systeem aanpassen | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Kaarten
De kaart functie toont de positie van uw boot ten opzichte van land en andere objecten op
de kaart. Op het kaart paneel kunt u routes plannen en daarop navigeren, waypoints plaatsen
en AIS doelen weergeven. U kunt een radarbeeld, StructureScan beeld of weerinformatie op
de kaart projecteren als overlay.
Het Kaart paneel
Pos. Beschrijving Opmerking
1 Waypoint *
2 Vaartuig met verlengingslijn Verlengingslijn is optioneel
3 Route *
4 Noord indicator
5 Rasterlijnen *
6 Bereikcirkels *
7 Track *
8 Bereikschaal van kaart
9 Bereikcirkel interval
Alleen getoond als
bereikcirkels ingeschakeld
zijn
* Optionele kaart items
Ú Opmerking: u kunt de optionele onderdelen individueel aan/uit zetten. Voor meer
informatie, zie "Kaart instellingen" op pagina 32.
4
Kaarten | NSS evo2 Bedieningshandleiding
23
Kaart data
Het systeem wordt geleverd met verschillende soorten geïntegreerde cartografie, afhankelijk
van de regio.
Alle apparaten ondersteunen Insight kaarten van Navico, inclusief Insight Genesis. Het
systeem ondersteunt ook Navionics Gold, Platinum+ en Navionics+, C-MAP MAX-N/MAX-N+
van Jeppesen en content geproduceerd door diverse andere cartografie producenten in het
AT5 formaat. Voor een compleet overzicht van verkrijgbare kaarten gaat u naar
insightstore.navico.com, c-map.jeppesen.com of navionics.com.
Kaarten worden gedeeld via het netwerk, dus is er maar één cartografie card per boot nodig.
Ú
Opmerking: Het systeem schakelt niet automatisch over op geïntegreerde cartografie als de
SD card wordt verwijderd. Er wordt een kaart met lage resolutie weergegeven totdat u de SD
card weer hebt geplaatst, of tot u handmatig op de geïntegreerde cartografie overschakelt.
Twee typen kaarten weergeven
Als u verschillende typen kaarten beschikbaar hebt - geïntegreerd, in de kaartsleuf, of op het
ethernet netwerk - kunt u die twee verschillende typen kaarten tegelijkertijd weergeven op
een pagina met twee kaartpanelen.
U kunt een paneel met twee kaarten selecteren door de Kaart applicatieknop op de Home
pagina ingedrukt te houden, of door een favoriete pagina met twee kaartpanelen aan te
maken.
Kaart type selecteren
Het kaart type wordt voor elk kaart paneel afzonderlijk ingesteld.
Activeer een van de kaartpanelen en selecteer een van de beschikbare kaart typen in het
kaartopties menu. Herhaal dit voor het tweede kaartpaneel en selecteer voor dit paneel een
ander type kaart.
Ú
Opmerking: Om andere dan Navionics kaarten weer te geven, moet u het Insight kaart type
selecteren.
Als u identieke kaarten beschikbaar hebt - ingebouwd, in de kaartsleuf of via het ethernet
netwerk - selecteert het systeem automatisch de kaart met de meeste details voor het
weergegeven gebied.
Boot symbool
Als er een GPS en een geschikte koerssensor op het systeem aangesloten zijn, toont het
vaartuig symbool de positie en vaarrichting van de boot.
Is er geen koerssensor geïnstalleerd, dan oriënteert het vaartuig symbool zichzelf m.b.v. COG
(koers over de grond). Als er geen GPS beschikbaar is, wordt bij het vaartuig symbool een
vraagteken weergegeven.
Kaartschaal
U kunt op de kaart in- en uitzoomen met behulp van de knoppen in het zoompaneel, de
draaiknop, of door met 2 vingers te knijpen (uitzoomen) of te spreiden (inzoomen).
De bereikschaal en bereikringen interval (indien ingeschakeld) worden in de rechter
benedenhoek van het kaartpaneel weergegeven.
De kaart pannen
U kunt de kaart in elke richting pannen (verschuiven), door met de vinger over het scherm te
slepen.
Selecteer de menuoptie Cursor wissen, of druk op de X toets om de cursor en het
cursorvenster uit het paneel te verwijderen. Hiermee wordt ook de kaart op de positie van de
boot gecentreerd.
24
Kaarten
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
Het vaartuig op het kaart paneel positioneren
Kaart oriëntatie
Er zijn verschillende opties beschikbaar voor hoe de kaart in het paneel geroteerd wordt. Het
kaart oriëntatie symbool in de rechter bovenhoek van het paneel geeft de noord richting
aan.
Noord boven Vaarrichting boven Koers boven
Noord boven
Toont de kaart met het noorden bovenaan. Komt overeen met de gebruikelijke oriëntatie
van nautische kaarten.
Vaarrichting boven
Toont de kaart met de vaarrichting van de boot naar boven gericht. De vaarrichting wordt
van een kompas ontvangen. Als er geen vaarrichting beschikbaar is, wordt de COG van het
GPS gebruikt.
Koers boven
Draait de kaart in de richting van het volgende waypoint bij navigeren op een route of naar
een waypoint. Als er niet wordt genavigeerd, wordt de vaarrichting boven oriëntatie
gebruikt, totdat de navigatie opnieuw wordt gestart.
Vooruit kijken
Centreert de kaart iets vóór uw boot, zodat u een maximaal zicht naar voren hebt.
Informatie over items op de kaart weergeven
Wanneer u een kaart item, waypoint, route of doel selecteert, wordt er beknopte informatie
over het geselecteerde item weergegeven. Selecteer het pop-up venster van het kaart item
om alle beschikbare informatie over dat item weer te geven. U kunt het dialoogvenster met
uitgebreide informatie ook via het menu openen.
Ú
Opmerking: Pop-up informatie moet in de kaart instellingen ingeschakeld zijn om de
beknopte informatie te zien.
Kaarten
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
25
Gebruik van de cursor op het kaart paneel
De cursor wordt standaard niet op het kaart beeld weergegeven.
Wanneer u op het scherm tikt, wordt de cursor zichtbaar en wordt het cursorpositie venster
geactiveerd. Als de cursor actief is, wordt de kaart niet verschoven of geroteerd om de boot
te volgen.
Druk op de X toets, of selecteer de menuoptie Cursor wissen
om de cursor en het
cursorvenster uit het paneel te verwijderen. Hiermee wordt ook de kaart op de positie van de
boot gecentreerd.
Selecteer de menuoptie Cursor herstellen om de cursor op de vorige positie weer te
geven. De opties Cursor wissen en Cursor herstellen zijn handige functies om te wisselen
tussen de huidige positie van de boot en de cursorpositie.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De Cursor hulp functie
Bij gebruik van een touchscreen maakt de cursor hulp functie fijninstelling en precies
plaatsen van de cursor mogelijk zonder details met een vinger te bedekken.
Houd met uw vinger op het scherm ingedrukt om het cursor symbool te veranderen in een
selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Zonder uw vinger van het scherm te nemen, sleept u de selectiecirkel boven het gewenste
item om informatie daarover weer te geven.
Wanneer u de vinger van het scherm neemt, verandert de cursor weer in de normale cursor.
Waypoints opslaan
U kunt een waypoint op een geselecteerde positie opslaan door de cursor in het paneel te
plaatsen en de optie Nieuw waypoint in het menu te selecteren.
Als het apparaat een
MARK toets heeft, kunt u die indrukken om direct een waypoint op te
slaan. Als de cursor actief is, wordt het waypoint op de cursorpositie opgeslagen. Is de cursor
niet actief, dan wordt het waypoint op de positie van uw boot opgeslagen.
Routes aanmaken
U kunt als volgt routes op het kaart paneel aanmaken:
1. Plaats de cursor op het kaart paneel.
2. Selecteer Nieuw, gevolgd door Nieuwe route in het menu.
3. Tik op het kaart paneel om het eerste routepunt te plaatsen.
4. Ga door met het plaatsen van de resterende routepunten.
5. Sla de route op door de optie Opslaan in het menu te kiezen.
Ú Opmerking: Zie "Waypoints-Routes-Tracks" op pagina 34 voor meer informatie.
Afstand meten
U kunt de cursor gebruiken om de afstand te meten tussen uw boot en een geselecteerde
positie, of tussen 2 punten op het kaart paneel.
1. Plaats de cursor op het punt waar vanaf u de afstand van de boot wilt meten.
2. Selecteer de meetfunctie via het menu.
- Er verschijnen meetsymbolen, met een lijn getekend tussen het middelpunt van de
boot en de cursorpositie en de afstand wordt in het cursor informatievenster getoond.
3. U kunt de meetpunten verplaatsen door de symbolen te slepen zolang de meetfunctie
geactiveerd blijft.
26
Kaarten | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Ú
Opmerking: De peiling wordt altijd gemeten
van het grijze symbool naar het blauwe
symbool.
U kunt de meetfunctie ook zonder actieve cursor starten. Beide meetsymbolen bevinden
zich dan in eerste instantie op de positie van de boot. Het grijze symbool volgt de boot
terwijl die zich verplaatst, terwijl het blauwe symbool op de positie blijft waar u de
meetfunctie hebt gestart.
U beëindigt de meetfunctie door de optie Meten stoppen te selecteren, of door op de X
toets te drukken
Objecten in kaart panelen zoeken
U kunt in een kaart paneel naar andere
vaartuigen of diverse kaart items zoeken.
Activeer de cursor in het paneel om vanaf de
cursorpositie te zoeken. Als de cursor niet
actief is, zoekt het systeem naar items vanaf
de positie van de boot.
Ú
Opmerking: U moet een SIRIUS datapakket abonnement hebben om naar bunkerstations te
zoeken en een aangesloten AIS ontvanger om naar vaartuigen te zoeken.
3D kaarten
De 3D optie biedt een driedimensionale grafische weergave van land- en zeecontouren.
Ú
Opmerking: Alle typen kaarten werken in 3D modus, maar zonder 3D cartografie voor het
desbetreffende gebied wordt de kaart vlak weergegeven.
Als de 3D kaart optie wordt geselecteerd, verschijnen de symbolen Pan en Roteren aan de
rechterkant van het kaart paneel.
Pannen van de 3D kaart
U kunt de kaart in elke gewenste richting verschuiven door het Pan symbool te selecteren en
vervolgens in de gewenste richting te verschuiven.
Druk op de X toets of selecteer de menuoptie
Terug naar vaartuig om het verschuiven te
stoppen en de kaart op de positie van de boot te centreren.
De kijkhoek regelen
U kunt de kijkhoek instellen door het symbool Roteren te selecteren en vervolgens het kaart
paneel te verschuiven.
Om de richting waarin u kijkt te veranderen, verschuift u horizontaal.
Om de kanteling van het beeld te veranderen verschuift u verticaal.
Ú Opmerking: Wanneer gecentreerd op de positie van de boot kan alleen de kanteling
worden aangepast. De kijkrichting wordt geregeld door de kaart oriëntatie instelling. Zie "De
boot op het kaart paneel positioneren" op pagina 25.
Zoomen op een 3D kaart
U kunt op een 3D kaart in- en uitzoomen met de zoompaneel knoppen, of met de draaiknop.
Kaart overlay
Radar, Structuur, AIS en weer informatie kan als overlay op uw kaart paneel worden
weergegeven.
Ú Opmerking: AIS is standaard ingeschakeld, maar kan worden uitgeschakeld.
Wanneer een overlay geselecteerd wordt, wordt het kaartmenu uitgebreid met basisfuncties
voor de geselecteerde overlay.
Kaarten | NSS evo2 Bedieningshandleiding
27
De radar, Structuur, AIS en weer functies zijn beschreven in afzonderlijke hoofdstukken van
deze handleiding.
Insight-specifieke kaart opties
Oriëntatie, Kijk vooruit, 3D en Wijzig in Navionics/Wijzig in Insight (eerder in dit
hoofdstuk beschreven) gelden voor alle kaart typen.
Kaart beeldstijl
De kaarten kunnen in twee stijlen worden weergegeven: 2D basiskaart en gearceerd reliëf
met terreinvormen
Insight 2D kaartstijl Insight gearceerd reliëf
Insight weergave opties
Insight kaart details
Laag Basisniveau van informatie die niet kan worden verwijderd en informatie
bevat die in alle geografische gebieden nodig is. Niet bedoeld om
voldoende te zijn voor veilig navigeren.
Middel Minimale informatie, voldoende voor navigatie.
Volledig Alle beschikbare informatie van de kaart in gebruik
28
Insight kaart categorieën
Insight kaarten bestaan uit meerdere categorieën en subcategorieën die u afzonderlijk
aan/uit kunt zetten, afhankelijk van welke informatie u op het scherm wilt zien.
Land vergroting en Water vergroting
Grafische instellingen, alleen beschikbaar in 3D modus. Vergroting is een
vermenigvuldigingsfactor die wordt toegepast op de getekende hoogte van heuvels op het
land en troggen in het water, om die er hoger of dieper uit te laten zien.
Navionics-specifieke kaart opties
Oriëntatie, Kijk vooruit, 3D
en Wijzig in Navionics/Wijzig in Insight (eerder in dit
hoofdstuk beschreven) gelden voor alle kaart typen.
Community wijzigingen
Hiermee zet u de kaartlaag met Navionics wijzigingen aan. Deze bestaan uit informatie of
wijzigingen die naar de Navionics Community zijn ge-upload door gebruikers en beschikbaar
zijn gemaakt in Navionics kaarten.
Voor meer informatie raadpleegt u de informatie van Navionics meegeleverd bij de kaart, of
de Navionics website: www.navionics.com.
Kaarten | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Navionics kaart instellingen
Gekleurde zeebodem gedeelten
Gebruikt om gebieden met verschillende diepten in verschillende tinten blauw weer te
geven.
Presentatie type
Geeft nautische kaartinformatie zoals symbolen, kleuren van de navigatiekaart en tekst voor
ofwel Internationale of Amerikaanse presentatie typen weer.
Aantekening
Bepaalt welke gebiedsinformatie, zoals namen van plaatsen en aantekeningen bij gebieden,
beschikbaar zijn voor weergave.
Kaartdetails
Biedt verschillende niveaus van geografische informatie in lagen.
Veiligheidsdiepte
Op Navionics kaarten worden verschillende tinten blauw gebruikt om onderscheid te maken
tussen ondiep en diep water.
Veiligheidsdiepte, gebaseerd op een geselecteerde limiet, wordt getekend zonder blauwe
inkleuring.
Ú
Opmerking: De ingebouwde Navionics database bevat data tot 20 m diep, waarna alles wit
is.
Contourdiepte
Bepaalt welke contouren u op de kaart ziet tot aan de geselecteerde veiligheidsdiepte
waarde.
Rotsfilter niveau
Verbergt rotsen op de kaart onder een bepaalde diepte.
Dit helpt om de kaart overzichtelijker te maken in gebieden waar veel rotsen zijn op diepten
die ver onder de diepgang van uw boot liggen.
Navionics weergave opties
Kaart arcering
Met arcering voegt u terrein informatie aan de kaart toe.
Navionics dynamische waterstand en stroming symbolen
Bij waterstanden en stromingen worden een waarde en pijl weergegeven in plaats van de
diamant symbolen die voor statische waterstanden en stromingen worden gebruikt.
De waterstanden en stromingen data die op Navionics kaarten beschikbaar is, geldt voor een
bepaalde datum en tijd. Het systeem voorziet de pijlen en/of waardesymbolen van animatie,
zodat ze de ontwikkeling van de waterstanden en stromingen in de tijd weergeven.
Dynamische waterstand informatie
Kaarten
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
29
Dynamische stroming informatie
De volgende pictogrammen en symbolen worden gebruikt:
Symbolen Beschrijving
Huidige snelheid.
De lengte van de pijl wordt door de snelheid bepaald en de pijl draait in
de stroomrichting. De stroomsnelheid wordt in de pijl weergegeven.
Het rode symbool wordt gebruikt als de huidige snelheid toeneemt en
het blauwe symbool als de huidige snelheid afneemt.
Waterstand.
De "meter" heeft 8 vakjes en geeft de absolute max./min. waarde van de
desbetreffende dag aan.
Een rode pijl geeft opkomend tij aan, een blauwe pijl afgaand tij.
Ú
Opmerking: Alle numerieke waarden worden in de huidige systeemeenheid (maateenheid)
weergegeven die door de gebruiker is ingesteld.
Easy View
Vergrootfunctie, die kaart items en tekst vergroot.
Ú
Opmerking: Er is geen indicatie op de kaart die aangeeft dat deze functie actief is.
Foto overlay
Foto overlay biedt de mogelijkheid om satellietfoto's van een gebied als overlay op de kaart
weer te geven. Dergelijke foto's zijn alleen voor bepaalde regio's beschikbaar.
U kunt foto overlays in 2D of 3D modus weergeven.
Geen foto overlay Foto overlay, alleen land Volledige foto overlay
30
Foto transparantie
Met de Foto transparantie stelt u de doorzichtigheid van de foto overlay in. Bij een minimale
transparantie instelling worden de kaart details bijna verborgen door de foto.
Navionics Fish N' Chip
Het systeem ondersteunt de Navionics Fish N' Chip kaart functie (alleen VS).
Voor meer informatie, zie www.navionics.com.
Diepte markeringsbereik
Selecteer een bereik van diepten waartussen Navionics een bepaalde kleur weergeeft.
Hiermee kunt u een specifiek dieptebereik markeren voor visdoeleinden. Het bereik is zo
accuraat als de onderliggende kaart data, dus als de kaart alleen 5 meter intervallen voor
contourlijnen heeft, wordt de kleuring afgerond tot op de dichtstbijzijnde beschikbare
contourlijn.
Kaarten | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Geen diepte markeringsbereik Diepte markeringsbereik: 6 - 12 m
Ondiep water markering
Markeert gebieden met ondiep water.
U kunt hiermee gebieden met water tussen 0 en de geselecteerde diepte (tot 10 meter)
markeren.
Geen ondiep water gemarkeerd Ondiep water markering: 0 m - 3 m
Jeppesen waterstanden en stromingen
Het systeem kan Jeppesen waterstanden en stromingen weergeven. Met behulp van deze
informatie kunt u de tijd, hoogte, richting en sterkte van stromingen en waterstanden
voorspellen. Dit is belangrijke informatie voor het plannen en varen van een bepaalde reis.
In grote zoombereiken worden waterstanden en stromingen als een vierkant symbool met
daarin de T (Tide = waterstand) of C (Current = stroming) weergegeven. Wanneer u een van
deze symbolen selecteert, wordt de waterstand of stroming informatie voor die positie
getoond.
Dynamische stroming data kan worden bekeken door in te zoomen tot op een bereik van 1
zeemijl. Bij dat bereik verandert het stroming symbool in een dynamisch symbool met
animatie, dat de snelheid en richting van de stroming aangeeft. Dynamische symbolen zijn
rood (groter dan 6 knopen), geel (2 t/m 6 knopen), of groen (2 knopen of minder), afhankelijk
van de stroming op die positie.
Als er geen stroming is (0 knopen), wordt dat aangegeven door een wit vierkant symbool.
Statische stroming en waterstand symbolen Dynamische stroming symbolen
Kaarten
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
31
Kaart instellingen
Instellingen en weergave opties die op de pagina Kaart instellingen worden geconfigureerd
gelden voor alle kaart panelen.
3D boot selectie
Bepaalt welk symbool op 3D kaarten wordt gebruikt.
Boot instellingen
De boot instellingen worden gebruikt voor het berekenen van een automatische route. De
diepgang, breedte en hoogte van de boot moeten worden ingevoerd om de Autorouting en
Easy routing functies te gebruiken.
Bereikcirkels
Bereikcirkels kunnen worden gebruikt om de afstand van uw boot tot andere kaartobjecten
aan te duiden.
De bereikschaal wordt automatisch door het systeem ingesteld, zodat die bij de kaartschaal
past.
Vaartuig verlengingslijnen
Hiermee stelt u de lengte in van de verlengingslijnen voor uw boot en andere vaartuigen die
als AIS doelen worden weergegeven.
A: Vaarrichting
B: Koers over de grond (COG)
De lengte van de verlengingslijnen wordt
ofwel ingesteld als een vaste afstand, of om
de afstand aan te geven die het vaartuig
gedurende de geselecteerde tijd aflegt. Als
er geen opties voor Dit vaartuig
ingeschakeld zijn, worden er geen
verlengingslijnen voor uw boot
weergegeven.
De vaarrichting van uw boot wordt
gebaseerd op informatie van de actieve
koerssensor en de COG wordt gebaseerd op
informatie van de actieve GPS sensor.
Voor andere vaartuigen is de COG data
opgenomen in het bericht dat van het AIS
systeem wordt ontvangen.
32
2D/3D kaart synchroniseren
Koppelt de positie getoond op de ene kaart aan de positie getoond op de andere kaart als
een 2D en 3D kaart naast elkaar worden weergegeven.
Kaarten
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
Pop-up informatie
Bepaalt of basis informatie voor kaart items wordt weergegeven wanneer u het item
selecteert.
Rasterlijnen
Weergave van lengte- en breedtegraad rasterlijnen op de kaart aan/uit zetten.
Waypoints, routes, tracks
Weergave van deze items op kaart panelen aan/uit zetten.
Kaarten
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
33
Waypoints, routes en tracks
Waypoints
Een waypoint is een door de gebruiker gegenereerde markering die op een kaart, een
radarbeeld of een fishfinder beeld is geplaatst. Elk waypoint heeft een exacte positie met
lengte- en breedtegraad coördinaten. Een waypoint dat in het fishfinder beeld geplaatst is,
heeft naast de positiegegevens ook een dieptewaarde.
Een waypoint wordt gebruikt om een positie te markeren waar u later mogelijk naar wilt
terugkeren. Twee of meer waypoints kunnen tot een route worden gecombineerd.
Waypoints opslaan
U kunt een waypoint op een geselecteerde positie opslaan door de cursor in het paneel te
plaatsen en de optie Nieuw waypoint in het menu te selecteren.
Als het apparaat een MARK toets heeft, kunt u die indrukken om direct een waypoint op te
slaan. Als de cursor actief is, wordt het waypoint op de cursorpositie opgeslagen. Is de cursor
niet actief, dan wordt het waypoint op de positie van uw boot opgeslagen.
Een waypoint verplaatsen
1. Selecteer het waypoint dat u wilt verplaatsen.
-
Het waypoint symbool wordt groter, om aan te geven dat het actief is.
2. Activeer het menu en selecteer de optie verplaatsen te selecteren.
3. Selecteer de nieuwe positie voor het waypoint.
4. Druk op de Enter toets of de draaiknop om de nieuwe positie te bevestigen.
Het waypoint wordt nu automatisch op de nieuwe positie opgeslagen.
Een waypoint wijzigen
U kunt alle gegevens van een waypoint wijzigingen in het dialoogvenster Waypoint
wijzigen.
Dit dialoogvenster wordt geopend door het pop-up venster van het waypoint te selecteren,
door de draaiknop in te drukken of via het menu wanneer het waypoint geactiveerd is.
U kunt dit dialoogvenster ook openen met behulp van het Waypoints gereedschap op de
Home pagina.
Waypoint alarm instellingen
U kunt een alarm radius instellen voor elk afzonderlijk waypoint dat u aanmaakt. Dit alarm
wordt ingesteld via het dialoogvenster Waypoint wijzigen.
Ú
Opmerking: Het waypoint radius alarm moet in het alarmpaneel AAN worden gezet om een
alarm te activeren wanneer uw boot binnen de ingestelde radius komt.
5
34
Waypoints, routes en tracks | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Routes
Een route bestaat uit een reeks routepunten, ingevoerd in de volgorde waarin u erop wilt
navigeren.
Wanneer u op het kaart paneel een route selecteert, wordt die groen en wordt de naam van
de route weergegeven.
De NSS evo2 software versie 1.5 biedt ondersteuning voor Navionics Autorouting en
Jeppesen Easy Routing. Deze functie stelt automatisch routepunten tussen het eerste en
laatste routepunt van een route voor, of tussen geselecteerde routepunten in een complexe
route. U kunt deze functie gebruiken om een nieuwe route aan te maken, of om eerder
opgeslagen routes te wijzigen.
Een nieuwe route op het kaart paneel aanmaken
1. Activeer de cursor op het kaart paneel.
2. Selecteer de optie Nieuwe route in het menu.
3. Plaats het eerste waypoint op het kaart paneel.
4. Blijf doorgaan met het plaatsen van nieuwe routepunten op het kaart paneel totdat de
route voltooid is.
5. Sla de route op door de optie Opslaan in het menu te kiezen.
Een route vanaf het kaart paneel wijzigen
1. Selecteer de route om hem actief te maken.
2. Selecteer de optie Route wijzigen in het menu.
3. Plaats het nieuwe routepunt op het kaart paneel.
-
Wanneer u het nieuwe routepunt in een etappe plaatst, wordt het nieuwe punt tussen
de bestaande routepunten ingevoegd.
- Plaatst u het nieuwe routepunt buiten de route, dan wordt het nieuwe routepunt
toegevoegd na het laatste punt in de route.
4. Sleep een routepunt om het naar een nieuwe positie te verplaatsen.
5. Sla de route op door de optie Opslaan in het menu te kiezen.
Ú
Opmerking: Het menu verandert afhankelijk van de geselecteerde bewerkingsoptie. Alle
wijzigingen moet u bevestigen of annuleren via het menu.
Autorouting en Easy Routing
De Autorouting en Easy Routing functie stellen nieuwe routepunt posities voor op basis van
informatie op de kaart en de grootte van uw boot. Voordat u deze functie kunt gaan
gebruiken, moet u de diepgang, breedte en hoogte van de boot in het systeem invoeren.
Het dialoogvenster met boot instellingen verschijnt automatisch als er informatie ontbreekt
wanneer u deze functie selecteert.
Ú
Opmerking: NSS evo2 apparaten die ontwikkeld zijn voor gebruik in de VS hebben geen
Autorouting of Easy Routing functie. De Autorouting en Easy Routing functies worden op alle
niet-VS apparaten uitgeschakeld wanneer ze in Amerikaanse territoriale wateren worden
gebruikt.
Ú
Opmerking: Het is niet mogelijk Autorouting of Easy Routing te starten als een van de
geselecteerde routepunten zich in een onveilig gebied bevindt. Er verschijnt dan een
dialoogvenster met een waarschuwing en u moet het desbetreffende routepunt(en) naar
een veilig gebied verplaatsen om door te gaan.
Ú
Opmerking: Als er geen compatibele cartografie beschikbaar is, is de menuoptie
Autorouting of Easy Routing niet beschikbaar. Compatibele cartografie is o.a. Jeppesen
CMAP MAX-N+, Navionics+ en Navionics Platinum. Voor het volledige assortiment
verkrijgbare kaarten gaat u naar insightstore.navico.com, c-map.jeppesen.com, of
navionics.com.
1. Plaats ten minste twee routepunten voor een nieuwe route, of open een bestaande route
om die te wijzigen.
2. Selecteer Autorouting, gevolgd door:
Waypoints, routes en tracks | NSS evo2 Bedieningshandleiding
35
- Gehele route als u wilt dat het systeem nieuwe routepunten toevoegt tussen het
eerste en laatste routepunt van de geopende route.
- Selectie als u handmatig de routepunten die de limieten voor Autorouting bepalen
wilt selecteren en selecteer vervolgens de gewenste routepunten. Geselecteerde
routepunten worden rood gekleurd. Er kunnen maar twee routepunten worden
geselecteerd en het systeem doet eventuele routepunten tussen het door u
geselecteerde begin- en eindpunt weg.
3. Selecteer Accepteren om de automatische routering te starten.
-
Als de automatische routering voltooid is, verschijnt de route in de voorbeeld modus
en zijn de etappes van kleuren voorzien om veilige en onveilige gedeelten aan te
duiden. Navionics gebruikt rood (onveilig) en groen (veilig), terwijl C-MAP rood
(onveilig), geel (gevaarlijk) en groen (veilig) gebruikt.
4. Verplaats eventueel routepunten terwijl de route in de voorbeeld modus wordt
weergegeven.
5. Selecteer Behouden om de posities van de routepunten te accepteren.
6. Desgewenst herhaalt u stap 2 (Selectie) en stap 3 als u wilt dat het systeem automatisch
routepunten voor andere delen van de route plaatst.
7. Selecteer Opslaan om de automatische routering te voltooien en de route op te slaan.
Autorouting en Easy Routing voorbeelden
Gehele route optie wordt gebruikt als eerste en laatste routepunt geselecteerd zijn.
Eerste en laatste routepunt Resultaat na automatische routering
Selectie optie wordt gebruikt om een deel van een route automatisch te routeren.
Twee routepunten geselecteerd Resultaat na automatische routering
36
Waypoints, routes en tracks | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Routes van bestaande waypoints aanmaken
U kunt een nieuwe route aanmaken door bestaande waypoints in het dialoogvenster
Routes te combineren. Dit dialoogvenster wordt geopend met behulp van de functie
Routes op de Home pagina.
Een track naar een route converteren
U kunt een track naar een route converteren
via het dialoogvenster Track wijzigen. Dit
dialoogvenster opent u door het track te
activeren en daarna het pop-up venster van
het track te selecteren, de draaiknop in te
drukken, of de info optie in het menu te
selecteren.
U kunt het dialoogvenster Track wijzigen
ook openen met behulp van het Tracks
gereedschap op de Home pagina.
Het dialoogvenster Route wijzigen
U kunt routepunten toevoegen en verwijderen via het dialoogvenster Route wijzigen. Dit
dialoogvenster opent u door het pop-up venster van een actieve route te selecteren, de
draaiknop in te drukken, of via het menu.
U kunt dit dialoogvenster ook openen met behulp van het Routes gereedschap op de
Home pagina.
Waypoints, routes en tracks | NSS evo2 Bedieningshandleiding
37
Tracks
Een track is een grafische weergave van het historische pad van de boot, zodat u de
afgelegde weg terug kunt volgen. kunnen worden geconverteerd naar routes via het
dialoogvenster Wijzigen Tracks.
In de fabriek is het systeem ingesteld op het automatisch volgen en tekenen van de
bewegingen van de boot over het kaart paneel. Het systeem blijft dit vastleggen, totdat de
lengte het maximum aantal punten heeft bereikt, waarna het automatisch begint met de
oudste track punten te overschrijven.
De automatische volgfunctie kan worden uitgeschakeld via het dialoogvenster Tracks.
Een nieuw track aanmaken
U kunt een nieuw track starten via het dialoogvenster Tracks, dat u activeert m.b.v. het
Tracks gereedschap op de Home pagina.
Track instellingen
Een track bestaat uit een reeks punten, verbonden door lijnsegmenten waarvan de lengte
wordt bepaald door de frequentie van de opname.
U hebt de keuze om track punten te plaatsen op basis van tijdinstellingen, afstand, of door
het systeem automatisch een waypoint te laten plaatsen als er een koerswijziging is
geregistreerd.
Ú
Opmerking: De optie Tracks moet ook AAN gezet zijn in de kaart instellingen om zichtbaar
te zijn.
38
Waypoints, routes en tracks | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Waypoints, routes en tracks dialoogvensters
De Waypoints, routes en tracks dialoogvensters bieden toegang tot geavanceerde
bewerkingsfuncties en instellingen voor deze items.
De dialoogvensters zijn toegankelijk via het paneel Extra op de Home pagina.
Waypoints, routes en tracks | NSS evo2 Bedieningshandleiding
39
Navigeren
De navigatie functie die bij het systeem hoort, biedt de mogelijkheid naar de cursorpositie,
naar een waypoint of over een vooraf gedefinieerde route te navigeren.
Als uw systeem ook over stuurautomaat functionaliteit beschikt, kan de stuurautomaat
worden ingesteld op automatische besturing van de boot.
Voor informatie over het plaatsen van waypoints en aanmaken van routes, zie "Waypoints, routes
en tracks" op pagina 39.
Navigatie panelen
De Nav en Positie panelen kunnen worden gebruikt om informatie weer te geven terwijl u
aan het navigeren bent.
Het Nav paneel
Het Nav paneel wordt geactiveerd vanaf de Home pagina, ofwel als paginavullend paneel, of
als deel van een pagina met meerdere panelen.
Pos. Beschrijving
1 Naam van bestemmingspunt
2 Vaarrichting
3 Peiling naar waypoint
4 Bestemming punt
5 Peilinglijn met limiet voor toegestane koersafwijking
Wanneer u op een route vaart, toont de peilinglijn de beoogde koers van het ene
waypoint naar het volgende. Navigeert u naar een waypoint (cursorpositie, MOB, of
een ingevoerde lengte- en breedtegraad positie), dan toont de peilinglijn de
beoogde koers van het punt waarop de navigatie is gestart naar het waypoint.
6 Vaartuig symbool
Geeft de afstand en peiling t.o.v. de beoogde koers aan.
Als de XTE (koersafwijking) de ingestelde XTE limiet overschrijdt, wordt dat
aangegeven door een rode pijl die de afstand van de te volgen lijn aangeeft. Zie
"XTE limiet" op pagina 43.
6
40
Navigeren | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Datavelden
Het Nav paneel toont de volgende informatie:
DTD Distance to destination (afstand naar bestemming)
BTW Bearing to waypoint (peiling naar waypoint)
SOG Speed over ground (snelheid over de grond)
COG Course over ground (koers over de grond)
TTD Time to destination (tijd tot bestemming)
ETA Estimated time of arrival at next waypoint (geschatte aankomsttijd
bij volgend waypoint)
VMG Velocity Made Good towards next waypoint (goedgemaakte
snelheid naar volgend waypoint)
STEER Te sturen koers naar volgend waypoint
Positie panelen
U kunt wisselen tussen weergave van het Nav paneel of het Positie paneel . Het Positie
paneel wordt via het menu geactiveerd.
Standaard is er maar één positie paneel beschikbaar, dat de GPS positie toont.
Als Loran ingeschakeld is, zijn er twee positie panelen. Dit wordt aangegeven door
pijlsymbolen aan de linker- en rechterkant van het paneel.
U wisselt tussen de panelen door het linker of rechter pijlsymbool te selecteren, of met
behulp van de pijltoetsen.
GPS positie info Loran positie info
Datavelden
Positie in lengte- of breedtegraad (GPS), of als Loran GRI en station waarden
Tijd en datum
SOG Speed over ground (snelheid over de grond)
COG Course over ground (koers over de grond)
DTD Distance to destination (afstand naar bestemming)
TTD Time to destination (tijd tot bestemming)
Navigeren naar de cursorpositie
U kunt het navigeren naar een cursorpositie starten vanuit elk kaart, radar, of fishfinder
paneel.
Plaats de cursor op de gewenste bestemming in het paneel en selecteer de optie Ga naar
cursor in het menu.
Navigeren | NSS evo2 Bedieningshandleiding
41
Op een route navigeren
U kunt het navigeren op een route starten vanaf het kaart paneel of vanuit het
dialoogvenster Route.
Nadat de route navigatie gestart is, is het menu uitgebreid met opties voor het annuleren
van de navigatie, overslaan van een waypoint en opnieuw starten van de route vanaf de
huidige positie van de boot.
Een route vanaf het kaart paneel starten
Activeer een route op het paneel en selecteer de optie navigeren op een route in het menu.
U kunt een routepunt selecteren om het navigeren vanaf een geselecteerde positie te
starten.
Navigeren op een route via het dialoogvenster Route starten
U kunt het navigeren starten vanuit het dialoogvenster Route, dat u activeert door:
het Route gereedschap op de Home pagina te selecteren
de gegevens van de route in het menu te selecteren.
Navigatie annuleren
Terwijl u navigeert, bevat het menu een optie voor het annuleren van de navigatie.
Navigeren met de stuurautomaat
Wanneer u de navigatie start op een systeem met stuurautomaat functionaliteit, wordt u
gevraagd de stuurautomaat in navigatie modus te zetten.
Als u ervoor kiest om de stuurautomaat niet in te schakelen, kan de stuurautomaat later via
het stuurautomaat menu worden ingesteld op navigatie modus.
Voor meer informatie over de stuurautomaat functionaliteit, zie "Stuurautomaat" op pagina 45.
42
Navigeren | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Navigatie instellingen
Navigatiemethode
Er zijn verschillende methodes beschikbaar voor het berekenen van de afstand en peiling
tussen twee punten op een kaart.
De grootcirkel route is het kortste pad tussen twee punten. Wanneer u echter een dergelijke
route zou gaan varen, zou die moeilijk handmatig te sturen zijn, omdat de koers constant zou
veranderen (behalve in het geval van pal noord, pal zuid, of langs de evenaar).
Loxodromen zijn lijnen met een constante peiling. Het is mogelijk tussen twee locaties te
varen m.b.v. loxodroom berekening, maar de afstand is dan meestal groter dan wanneer
grootcirkel wordt gebruikt.
Fantoom Loran
Gebruik van het Fantoom Loran positionering systeem inschakelen.
Loran instellingen
Definieert Loran ketens (GRI) en voorkeursstation voor waypoint invoer, cursorpositie en
positiepaneel.
De afbeelding toont een cursorpositie venster met Loran positie informatie.
Voor meer informatie raadpleegt u de documentatie van uw Loran systeem.
Aankomst radius
Stelt een onzichtbare cirkel rond het bestemming waypoint in.
Het vaartuig wordt beschouwd als aangekomen bij het waypoint wanneer het zich binnen
deze radius bevindt.
XTE limiet
Met deze parameter bepaalt u hoe ver de boot mag afwijken van de etappe. Als de boot
voorbij deze limiet gaat, wordt er een alarm geactiveerd.
Aankomst alarm
Als het Aankomst alarm ingeschakeld is, wordt er een alarm geactiveerd wanneer de boot
het waypoint bereikt, of wanneer het zich binnen de ingestelde aankomst radius bevindt.
Navigeren
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
43
Magnetische variatie
Magnetische variatie is het verschil tussen ware en magnetische peilingen, veroorzaakt door
verschillende locaties van de geografische en de magnetische Noordpool. Lokale verschillen
zoals ijzerafzettingen kunnen de magnetische peilingen ook beïnvloeden.
Indien op Auto ingesteld, converteert het systeem automatisch het magnetische noorden
naar het ware noorden. Selecteer de handmatige modus wanneer u zelf een lokale
magnetische variatie moet invoeren.
Datum
De meeste papieren kaarten zijn in het WGS84 formaat gemaakt, dat ook door de NSS evo2
wordt gebruikt.
Als uw papieren kaarten een ander formaat hebben, kunt u de datum instellingen aan die
van uw papieren kaarten aanpassen.
Coördinatensysteem
Er kunnen diverse coördinatensystemen worden gebruikt om het formaat te bepalen voor
lengte- en breedtegraad coördinaten die op het kaart paneel worden weergegeven.
44
Navigeren
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
Stuurautomaat
Als er een AC12N, AC42N of SG05 stuurautomaat computer op het systeem aangesloten is,
zijn de stuurautomaat functies beschikbaar op het systeem.
Een stuurautomaat is bedoeld om onder wisselende omstandigheden op het water een
accurate koers te handhaven met behulp van minimale roerbewegingen.
Veilig gebruik van de stuurautomaat
Waarschuwing: Een stuurautomaat is een handig hulpmiddel voor de
navigatie, maar kan een menselijke navigator NIET vervangen.
De stuurautomaat activeren
U kunt de stuurautomaat vanuit elk paneel activeren, door op de STBY/AUTO toets te
drukken, gevolgd door het selecteren van de gewenste modus in het stuurautomaat pop-up
venster.
Wisselen van automatische modus naar handbesturing
U kunt de stuurautomaat vanuit elke automatische werkstand in de STBY modus zetten, door
kort te drukken op de STBY/AUTO
toets.
Ú
Opmerking: Als de NSS evo2 via de SG05 met een EVC-systeem verbonden is, kunt u op
handbesturing overgaan ongeacht de stuurautomaat modus. Zie "De stuurautomaat in een EVC-
systeem gebruiken" op pagina 54.
Stuurautomaat indicatie op de pagina's
Pos. Beschrijving
1 Stuurautomaat indicatie op de Statusbalk
2 Stuurautomaat pop-up venster
3 Stuurautomaat vakje op Instrumentenbalk
7
Stuurautomaat | NSS evo2 Bedieningshandleiding
45
Indicatie van stuurautomaat modus op de Statusbalk
De Statusbalk toont stuurautomaat informatie zolang er een stuurautomaat computer op het
netwerk aangesloten is.
Symbolen geven aan of de stuurautomaat passief of vanaf een andere bedieningseenheid
vergrendeld is.
Stuurautomaat pop-up
U bedient de stuurautomaat via het stuurautomaat pop-up venster.
Het pop-up venster heeft een vaste positie op de pagina en is beschikbaar op alle pagina's,
behalve wanneer er een Stuurautomaat paneel actief is.
Zolang het stuurautomaat pop-up venster actief is, kunt u het achtergrondpaneel of het
menu niet bedienen.
U verwijdert de pop-up van een pagina door de X in de rechter bovenhoek te selecteren, of
door op de X toets te drukken. U geeft de pop-up opnieuw weer door de STBY/AUTO toets
ingedrukt te houden, of door het stuurautomaat vakje op de instrumentenbalk te selecteren.
De volgende pop-up vensters zijn beschikbaar:
Stuurautomaat bediening; toont actieve
modus, vaarrichting, roerstand en diverse
stuurinformatie afhankelijk van de actieve
stuurautomaat modus.
Handmatige aanpassingen van de
ingestelde koers zijn alleen mogelijk als de
bak- en stuurboord pijlindicators rood en
groen verlicht zijn.
Modus selecteren, inclusief toegang tot
wendpatroon selecteren
Wendpatroon selecteren
Stuurautomaat vakje op Instrumentenbalk
U kunt selecteren om het stuurautomaat vakje op de Instrumentenbalk weer te geven.
Als het stuurautomaat pop-up venster uitgeschakeld is, kunt u het inschakelen door het vakje
op de Instrumentenbalk te selecteren.
46
Stuurautomaat | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Het Stuurautomaat paneel
Het Stuurautomaat paneel wordt gebruikt om navigatiedata weer te geven. Het kan als één
paneel op het volledige scherm worden getoond, of op een pagina met meerdere panelen.
Hoeveel datavelden het stuurautomaat paneel bevat, is afhankelijk van de beschikbare
grootte van het paneel.
Datavelden
In het stuurautomaat paneel worden de volgende afkortingen gebruikt:
CTS Te sturen koers
DTD Distance to destination (afstand naar bestemming)
DTW Afstand naar volgend waypoint
SOG Speed over ground (snelheid over de grond)
COG Course over ground (koers over de grond)
XTE Koersafwijking (L: links of R: rechts)
Overzicht van werkstanden
De stuurautomaat heeft verschillende werkstanden. Hoeveel werkstanden en functies
binnen elke werkstand beschikbaar zijn, is afhankelijk van het type boot en de beschikbare
ingangssignalen, zoals in de tabel aangegeven.
Werkst
and
Functie Beschrijving
Standby
Standby stand wordt gebruikt bij handmatig sturen aan het
roer. Kompas en roerstand worden op het scherm getoond.
NFU
Niet-Follow-Up besturing, waarbij de roerbeweging wordt
geregeld m.b.v. de Bakboord en Stuurboord toetsen in het
stuurautomaat pop-up venster, of vanaf een ander NFU
apparaat.
FU
Follow-up besturing, waarbij de roerstand wordt ingesteld
m.b.v. de draaiknop of een ander FU apparaat.
AUTO
Automatische besturing, waarbij een ingestelde koers wordt
gehandhaafd.
Koers vasthouden
Breekt de wending af en gebruikt de momentane
kompaskoers als ingestelde koers.
Wendpatroon
Stuurt de boot automatisch in vooraf ingestelde
wendpatronen.
Overstag
Alleen beschikbaar als het type boot op Zeilen ingesteld is.
Overstag met een vaste hoek.
Geen
drift
Automatische besturing, waarbij de boot op een rechte
peilinglijn wordt gehouden door de drift te compenseren.
Uitwijken Terug naar Geen drift modus na een koersverandering.
Stuurautomaat | NSS evo2
Bedieningshandleiding
47
Werkst
and
Functie Beschrijving
NAV
Navigatie besturing. Stuurt de boot naar een specifiek
waypoint of over een route.
Wind
Alleen beschikbaar als het type boot op Zeilen ingesteld is.
Automatische besturing, waarbij de vaarrichting van de
boot wordt veranderd om een ingestelde windhoek te
handhaven.
Overstag/Gijpen
Alleen beschikbaar als het type boot op Zeilen ingesteld is.
Overstag/Gijpen met schijnbare of ware windhoek als
referentie.
WIND
Nav
Automatische besturing, waarbij wind en GPS data worden
gebruikt om de boot naar een specifiek waypoint of over
een route te sturen.
Standby modus
De Standby (STBY) modus wordt gebruikt wanneer u de boot met de helmstok of het
stuurwiel wilt besturen.
U kunt de stuurautomaat vanuit elke werkstand in de STBY modus zetten, door kort te
drukken op de STBY/AUTO toets.
Non-Follow Up (NFU, Power steer)
In de NFU modus gebruikt u de bakboord en stuurboord pijlknoppen in het stuurautomaat
pop-up venster om het roer te besturen. Het roer beweegt zolang u de knop ingedrukt
houdt.
Activeer de NFU modus door de bakboord of stuurboord pijlknop in het pop-up venster te
selecteren als de stuurautomaat in STBY of FU modus werkt.
U gaat terug naar de STBY modus door kort te drukken op de STBY/AUTO toets.
Follow-up besturing (FU)
In de FU modus gebruikt u de draaiknop om de roerhoek te regelen. Druk de draaiknop in en
draai de knop vervolgens om de roerstand in te stellen. Het roer beweegt naar de
opgegeven hoek en stopt dan.
U selecteert de FU modus via het stuurautomaat pop-up venster.
Ú
Opmerking: Als het stuurautomaat pop-up venster gesloten is, of als er een alarm
dialoogvenster geactiveerd is op het apparaat waarmee de stuurautomaat in de FU modus
bediend wordt, schakelt de stuurautomaat automatisch naar de STBY modus.
Waarschuwing: In de FU modus kunt u de boot niet handmatig besturen.
AUTO modus (auto kompas)
In de AUTO modus geeft de stuurautomaat de roercommando's die nodig zijn om de boot
automatisch op een ingestelde koers te sturen.
Selecteer de AUTO modus in het stuurautomaat pop-up venster. Als deze modus
geactiveerd wordt, selecteert de stuurautomaat de huidige vaarrichting van de boot als
ingestelde koers.
De ingestelde koers wijzigen in de AUTO modus
U kunt de ingestelde koers wijzigen m.b.v. de draaiknop, de bakboord/stuurboord
pijlknoppen in het stuurautomaat pop-up venster, of door het vakje Voorliggende koers in de
stuurautomaat pop-up te selecteren en de gewenste koerswaarde in te voeren.
De koers wordt direct gewijzigd. De nieuwe koers wordt gehandhaafd totdat u een nieuwe
koers instelt.
48
Stuurautomaat | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Koers vasthouden
Als de boot wendt in AUTO modus, wordt bij direct resetten van de modus de functie Koers
vasthouden geactiveerd. Hiermee wordt de wending automatisch geannuleerd en de boot
blijft op de koers die van het kompas is afgelezen op het moment dat u de modus opnieuw
activeerde.
Overstag gaan in AUTO modus
Ú
Opmerking: De functie Overstag gaan is alleen beschikbaar als het systeem is ingesteld voor
het boot type ZEILEN.
Overstag gaan moet alleen in de wind plaatsvinden en worden uitgeprobeerd op kalm water
met lichte wind, om uit te zoeken hoe het werkt op uw boot. Vanwege de uiteenlopende
eigenschappen van boten (van cruisers tot en met wedstrijdzeilers) kunnen de prestaties van
de overstag functie van boot tot boot verschillen.
Overstag gaan in de AUTO modus gaat anders dan overstag gaan in de WIND modus. In de
AUTO modus is de overstaghoek vast, zoals ingesteld door de gebruiker. Voor meer
informatie, zie "Overstag gaan - WIND modus" op pagina 51.
U activeert de overstag functie vanuit de AUTO modus.
Wanneer de overstag richting wordt geselecteerd, verandert de stuurautomaat de huidige
ingestelde koers volgens de ingestelde vaste overstaghoek.
U kunt de overstag onderbreken zolang het overstag dialoogvenster geopend is, door de
tegengestelde overstag richting te selecteren. Bij een dergelijke onderbreking keert de boot
terug naar de vorige ingestelde koers.
Geen drift modus
In de Geen drift modus wordt de stuurautomaat met de positie informatie van het GPS
gecombineerd.
In de Geen drift modus wordt de boot over een berekende lijn gestuurd in een richting
ingesteld door de gebruiker. Als de vaarrichting van de boot van de oorspronkelijke koers
afwijkt door stroming en/of wind, volgt de boot de lijn d.m.v. koerscorrecties.
1. Stuur de boot in de gewenste vaarrichting.
2. Activeer de Geen drift modus. De stuurautomaat tekent een onzichtbare peilinglijn op basis
van de huidige vaarrichting vanaf de positie van de boot.
In tegenstelling tot de AUTO (kompas) modus gebruikt de stuurautomaat nu de positie
informatie om de koersafwijking te berekenen en houdt de boot op een rechte koers.
U kunt de bak-/stuurboord pijlknoppen in het stuurautomaat pop-up venster of de
draaiknop gebruiken om de peilinglijn te veranderen zolang de Geen drift modus actief is.
Uitwijken
Als u voor een obstakel moet uitwijken wanneer u de Geen drift modus gebruikt, kunt u de
stuurautomaat op STBY zetten en Power steer of het roer gebruiken om het obstakel te
passeren.
Wanneer u binnen 60 seconden naar de Geen drift modus terugkeert, kunt u selecteren om
door te gaan op de eerder ingestelde peilinglijn.
Als u niet reageert, verdwijnt het dialoogvenster en gaat de stuurautomaat in Geen drift
modus zonder huidige vaarrichting als ingestelde peilinglijn.
NAV modus
Waarschuwing: De NAV modus dient alleen op open water te worden
gebruikt.
U kunt de stuurautomaat gebruiken om de boot automatisch naar een specifieke waypoint
positie te sturen, of over een vooraf gedefinieerde route. De positie informatie van het GPS
wordt gebruikt om de te sturen koers te wijzigen om de boot op de te volgen lijn te houden
en het bestemming waypoint te bereiken.
Stuurautomaat | NSS evo2 Bedieningshandleiding
49
Ú Opmerking: Om een bevredigende besturing voor navigatie te verkrijgen, moet de NSS
evo2 over geldige positie invoer beschikken. De automatische besturing moet worden getest
en bevredigend zijn bevonden voordat de NAV modus wordt geactiveerd.
Automatische navigatie starten
Wanneer u het navigeren op een route of naar een waypoint vanaf het kaart paneel start,
wordt u gevraagd om de stuurautomaat in de NAV modus te zetten. Als u dit niet doet, kunt
u de NAV modus via het menu van de stuurautomaat modus starten.
Zodra de NAV modus geactiveerd is, houdt de stuurautomaat de boot automatisch op de
huidige etappe.
Als de boot de aankomstcirkel van een routepunt bereikt, geeft de stuurautomaat een
geluidssignaal weer en toont een dialoogvenster met informatie over de nieuwe koers. Als de
benodigde koerswijziging naar het volgende waypoint minder dan de Navigatie wijziging
limiet is, verandert de stuurautomaat automatisch de koers. Als de benodigde koerswijziging
naar het volgende waypoint in een route meer dan de ingestelde limiet is, wordt u gevraagd
om te bevestigen dat de komende koersverandering acceptabel is.
Ú Opmerking: Voor informatie over navigatie instellingen, zie "Navigatie instellingen" op pagina 43.
Waypoint aankomst radius
De aankomst radius bepaalt het punt waarop een wending in gang wordt gezet wanneer u
op een route navigeert.
De aankomst radius moet worden aangepast aan de bootsnelheid. Hoe hoger de snelheid,
des te groter moet de radius zijn. Het is de bedoeling dat de stuurautomaat de
koerswijziging op tijd in gang zet, zodat gelijkmatig naar de volgende etappe wordt gewend.
Onderstaande afbeelding kan worden gebruikt om de juiste waypoint radius te bepalen bij
het aanmaken van een route.
Voorbeeld: bij een snelheid van 37 km/h moet u een waypoint radius van 0,09 nm gebruiken.
Ú
Opmerking: De afstand tussen waypoints in een route mag nooit kleiner dan de aankomst
radius zijn bij gebruik van automatisch doorgaan bij waypoints.
50
Stuurautomaat | NSS evo2 Bedieningshandleiding
WIND modus
Ú
Opmerking: De WIND modus is alleen beschikbaar als het systeem voor een zeilboot is
ingesteld via het stuurautomaat installatie menu.
Voordat de WIND modus wordt gestart, moet worden gecontroleerd of er geldige invoer van
een wind transducer beschikbaar is.
Start de windbesturing als volgt:
1. Zet de stuurautomaat in de AUTO stand.
2. Pas de vaarrichting van de boot aan, totdat de windhoek gelijk is aan de hoek die u wilt
handhaven.
3. Selecteer de modus indicator in de stuurautomaat bediening om het stuurautomaat menu
te openen en selecteer de WIND modus.
De ingestelde te sturen koers (CTS) en ingestelde windhoek worden ingevoerd aan de hand
van de kompaskoers en wind transducer op het moment dat u de WIND modus selecteert.
Vanaf dat punt wijzigt de stuurautomaat indien nodig de koers om de gewenste windhoek
te handhaven, omdat de windrichting kan veranderen.
Overstag gaan in WIND modus
Ú
Opmerking: De functie Overstag gaan is alleen beschikbaar als het systeem is ingesteld voor
het boot type ZEILEN.
Overstag gaan moet alleen in de wind plaatsvinden en worden uitgeprobeerd op kalm water
met lichte wind, om uit te zoeken hoe het werkt op uw boot. Vanwege de uiteenlopende
eigenschappen van boten (van cruisers tot en met wedstrijdzeilers) kunnen de prestaties van
de overstag functie van boot tot boot verschillen.
Overstag gaan in de WIND modus wordt in tegenstelling tot de AUTO modus uitgevoerd bij
zeilen met schijnbare of ware wind als referentie. De ware windhoek moet kleiner dan 90
graden zijn.
De wendsnelheid tijdens de overstag wordt bepaald door de overstag tijd, ingesteld in de
zeilparameters. De overstag tijd wordt mede bepaald door de snelheid van de boot, om
verlies van snelheid tijdens een overstag te voorkomen.
U kunt de overstag functie vanuit de WIND modus activeren.
Wanneer u een overstag start, spiegelt de stuurautomaat direct de windhoek naar de andere
boeg.
U kunt de overstag onderbreken zolang het overstag dialoogvenster geopend is, door de
tegengestelde overstag richting te selecteren. Bij een dergelijke onderbreking keert de boot
terug naar de vorige ingestelde koers.
Gijpen
Gijpen is mogelijk wanneer de ware windhoek groter dan 120° is.
De benodigde tijd voor een gijp wordt bepaald door de snelheid van de boot, om hem zo
snel mogelijk en op gecontroleerde wijze uit te voeren.
Overstag en gijpen voorkomen
Bij opkruisen en afkruisen dient u zorgvuldig met de stuurautomaat om te gaan.
Als de zeilen bij opkruisen ongebalanceerd zijn, kunnen gierkrachten van de zeilen de boot
in de wind drijven. Als de boot voorbij de ingestelde minimum windhoek wordt gedrukt,
verdwijnt de stuwkracht van de zeilen plotseling en neemt de bootsnelheid af. De boot
wordt dan moeilijker te besturen, omdat het roer minder effectief wordt.
De functie overstag voorkomen in de WIND modus is ontwikkeld om dergelijke situaties te
voorkomen. Deze reageert direct wanneer de schijnbare windhoek 5° kleiner dan de
ingestelde minimum windhoek wordt en zorgt dat er meer roer wordt gegeven.
Bij afkruisen is de boot moeilijker te besturen, doordat de golven van opzij of van achteren
komen. De golven kunnen de boot in een ongewenste gijp gieren. Dit kan zowel voor de
bemanning als de mast gevaarlijk zijn.
Stuurautomaat | NSS evo2
Bedieningshandleiding
51
De functie gijpen voorkomen wordt geactiveerd als de schijnbare windhoek groter dan 175°
of tegenovergesteld aan de ingestelde windhoek wordt. Er wordt meer roer gegeven om
ongewenst gijpen te voorkomen.
De functies overstag en gijpen voorkomen bieden geen garantie tegen gevaarlijke situaties.
Als het effect van het roer en/of de aandrijfeenheid niet voldoende is, kan er een gevaarlijke
situatie ontstaan. In dergelijke situaties dient extra goed te worden opgelet.
WIND Nav modus
In de WIND Nav modus stuur de stuurautomaat de boot op wind en positie data.
In deze modus berekent de stuurautomaat de eerste koerswijziging die nodig is om naar het
actieve waypoint te navigeren, maar gebruikt de stuurautomaat bij de berekening ook de
huidige windrichting.
Besturing op wendpatronen
De stuurautomaat beschikt over een aantal automatische wendpatronen voor motorboten
wanneer de stuurautomaat in de AUTO modus staat.
Ú
Opmerking: De wendpatroon besturing optie is niet beschikbaar als het type boot op
ZEILEN is ingesteld - in dat geval is de overstag/gijpen functie beschikbaar.
Een wending starten
U start een wending door het gewenste wendsymbool te selecteren, gevolgd door de
bakboord of stuurboord optie in het dialoogvenster, om de richting voor de wending te
kiezen.
Een wending stoppen
U kunt een wending via het wendpatroon dialoogvenster stoppen.
Tijdens een wending kunt u die ook op elk gewenst moment stoppen, door op de STBY/
AUTO toets te drukken om naar STBY modus en handbesturing te gaan.
Variabelen voor wendingen
Alle wendpatroon besturingsopties, behalve de C-bocht, hebben instellingen die u kunt
aanpassen voordat u een wending start en op elk moment dat de boot aan het wenden is.
U-bocht
U-bocht verandert de huidige ingestelde koers 180° in tegengestelde richting.
De Wendsnelheid is gelijk aan de Snelheidslimiet instelling. Deze kan tijdens het wenden niet
worden veranderd.
Ú
Opmerking: Raadpleeg de afzonderlijke NSS evo2 Installatiehandleiding voor informatie
over de Snelheidslimiet instellingen.
C-bocht
Bij een C-bocht vaart de boot in een cirkel.
52
U kunt de wendsnelheid via het dialoogvenster aanpassen voordat de wending wordt
gestart en tijdens de wending. Bij een hogere wendsnelheid vaart de boot in een kleinere
cirkel.
Spiraal wending
Bij een spiraal wending vaart de boot in een spiraal met afnemende of toenemende straal.
Deze functie kan worden gebruikt voor het omcirkelen van vis of zoeken naar een object.
U stelt de beginstraal in voordat de wending wordt gestart en de verandering per wending
tijdens het wenden. Wanneer u de verandering per wending op nul zet, vaart de boot in een
cirkel. Negatieve waarden geven een afnemende straal aan en positieve waarden een
toenemende straal.
Stuurautomaat | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Zigzag wendingen
Voor het navigeren in een zigzag patroon stelt u de eerste koerswijziging in voordat u de
wending start.
Tijdens de wending kunt u de hoofdkoers, de koerswijziging en de etappe afstand wijzigen.
Vierkante bocht
Laat de boot automatisch 90° wenden nadat hij een ingestelde etappe afstand heeft
afgelegd.
U kunt op elk gewenst moment tijdens de wending de hoofdkoers en afstand van de etappe
veranderen, totdat de boot opnieuw een bocht van 90° maakt.
Wijde S-bocht
Bij de wijde s-bocht wendt de boot rond de ingestelde koers.
Stel de gewenste koerswijziging in voordat de wending wordt gestart.
Tijdens de wending kunt u de hoofdkoers, de koerswijziging en de wendradius via het
dialoogvenster wijzigen.
Diepte contour volgen, DCT
TM
Als het systeem invoer van een fishfinder heeft, kan de stuurautomaat worden ingesteld op
het volgen van een diepte contour (DCT, Depth Contour Tracking).
Waarschuwing: Gebruik deze functie alleen als de zeebodem daar
geschikt voor is. Niet gebruiken in wateren met veel rotsen waar de diepte
binnen een klein gebied aanzienlijk varieert.
Ga als volgt te werk om DCT besturing te activeren;
1. Zorg ervoor dat u een gemeten dieptewaarde op het paneel of op een afzonderlijk diepte
instrument hebt.
2. Stuur de boot boven de diepte die u wilt volgen, in de richting van de diepte contour.
3. Activeer de
AUTO
modus, selecteer sturen op diepte contour en controleer de
dieptewaarde.
4. Selecteer de bak- of stuurboord optie in het wending dialoogvenster om de diepte contour
besturing te activeren, zodat die de naar bak- of stuurboord hellende bodem volgt.
De volgende parameters zijn beschikbaar voor diepte contour volgen:
Diepte gain
Deze parameter bepaalt de verhouding tussen het gegeven roer en de afwijking van de
geselecteerde diepte contour. Hoe hoger de diepte gain waarde, hoe meer roer er wordt
gegeven.
Als de waarde te laag is, duurt het compenseren voor het afdrijven ten opzichte van de
ingestelde diepte contour te lang en kan de stuurautomaat de boot niet boven de
geselecteerde diepte houden.
Is de waarde te hoog, dan schiet de boot door en is de besturing onstabiel.
Contour Cross Angle (CCA)
De contour dwarshoek CCA is een hoek die bij de ingestelde koers wordt opgeteld of ervan
wordt afgetrokken.
Stuurautomaat | NSS evo2 Bedieningshandleiding
53
54
Met deze parameter kunt u de boot in grote S-bewegingen rond de referentiediepte laten
gieren.
Hoe groter de CCA, des te meer gieren toegestaan is. Als u de CCA op nul zet, worden er
geen S-bewegingen gemaakt.
Gebruik van de NSS evo2 in een AP24/AP28 systeem
Bediening overnemen
Als uw NSS evo2 met een stuurautomaat systeem met een AP24 of AP28 bedieningseenheid
verbonden is, kan er maar één bedieningseenheid tegelijk actief zijn. Een inactieve
bedieningseenheid wordt aangegeven door een vierkantje met een kruis in het
stuurautomaat bediening pop-up venster.
U kunt de bediening vanaf een inactieve bedieningseenheid overnemen door op de STBY/
AUTO
toets te drukken om het keuzemenu voor de modus te openen en daarna de actieve
modus te bevestigen.
Externe stations vergrendelen
De AP24/AP28 heeft een functie extern vergrendelen, waarmee bediening van de
stuurautomaat vanaf andere apparaten wordt geblokkeerd. Een vergrendeld apparaat wordt
aangegeven door een sleutelsymbool in het stuurautomaat bediening pop-up venster.
Als de functie extern vergrendelen op een AP24/AP28 bedieningseenheid ingeschakeld is,
kan bediening alleen vanaf de actieve bedieningseenheid plaatsvinden. Overdragen van de
bediening naar een NSS evo2 of andere stuurautomaat bedieningseenheid in het systeem is
niet mogelijk.
U kunt externe stations alleen ontgrendelen vanaf de actieve AP24/AP28 bedieningseenheid.
De stuurautomaat in een EVC-systeem gebruiken
Als de NSS evo2 via de SG05 met een EVC-systeem verbonden is, kunt u op handbesturing
overgaan ongeacht de stuurautomaat modus.
De modus indicator in het stuurautomaat pop-up venster wordt vervangen door een
liggend streepje om de EVC overname aan te geven.
Het systeem gaat terug naar NSS evo2 bediening in standby modus als er binnen een vooraf
gedefinieerde periode geen roercommando van het EVC-systeem is ontvangen.
Stuurautomaat | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Stuurautomaat instellingen
Kaart kompas
U hebt de keuze om een kompassymbool rond uw boot op het kaartpaneel weer te geven.
Het kompassymbool is uitgeschakeld als de cursor actief op het paneel is.
Gebruik van de stuurautomaat blokkeren vanaf een display
U kunt een NSS evo2 apparaat vergrendelen, om ongeoorloofd gebruik van de
stuurautomaat te blokkeren. Als het apparaat vergrendeld is, wordt dat aangegeven door
een hangslot symbool en tekst in een pop-up venster. Vanaf een vergrendelde display
kunnen geen automatische modi worden geselecteerd.
Ú
Opmerking: De vergrendelfunctie is niet beschikbaar op een apparaat dat de stuurautomaat
momenteel bedient!
Als de NSS evo2 deel uitmaakt van een AP24/AP28 systeem, kunnen alle andere
stuurautomaat bedieningseenheden vanaf de AP24/ AP28 bedieningseenheid worden
vergrendeld voor stuurautomaat bediening.
Sea state filter
Het Sea state filter wordt gebruikt om de roeractiviteit en gevoeligheid van de stuurautomaat
bij ruw weer te verminderen1.
UIT Seastate filter is uitgeschakeld. Dit is de standaard instelling.
AUTO Vermindert de roeractiviteit en stuurautomaat gevoeligheid bij ruw weer d.m.v.
een adaptief proces. De AUTO instelling wordt aanbevolen als u het sea state
filter wilt gebruiken.
HANDMA
TIG
Gekoppeld aan de eerder beschreven besturing reactieregeling instellingen.
Kan worden gebruikt om handmatig de beste combinatie van koershouden en
lage roeractiviteit te bepalen onder ruwe, maar stabiele omstandigheden.
Zeilparameters
Ú
Opmerking: Zeilparameter instellingen zijn alleen beschikbaar als het type boot op Zeilen
ingesteld is.
Overstag tijd
Bij het uitvoeren van een overstag in de WIND modus kan de wendsnelheid (overstag tijd)
worden ingesteld. Dit geeft solozeilers de tijd om de boot en de zeilen te hanteren tijdens
het overstag gaan.
Stuurautomaat | NSS evo2
Bedieningshandleiding
55
56
Een wending die wordt uitgevoerd zonder verandering van de windzijde wordt ook met een
gecontroleerde wendsnelheid uitgevoerd.
Overstag hoek
Deze waarde wordt gebruikt om de koersverandering in te stellen die zal worden gebruikt bij
overstag gaan in AUTO modus. Door de bak- en stuurboord indicators in het stuurautomaat
pop-up venster in te drukken, wordt de koers met deze waarde gewijzigd.
Wind functie
Als de wind functie op AUTO is gezet, kiest de stuurautomaat automatisch tussen sturen op
schijnbare en sturen op ware wind. AUTO is standaard en wordt aanbevolen voor cruisen.
Als de boot afkruist, planeert hij ook over de golven. Dit kan leiden tot aanzienlijke
veranderingen in de bootsnelheid en daardoor ook veranderingen in de schijnbare
windhoek. Daarom wordt ware wind besturing gebruikt bij afkruisen, terwijl sturen op
schijnbare wind wordt gebruikt bij opkruisen of koersen.
Sturen op schijnbare wind wordt aanbevolen wanneer u een maximale bootsnelheid wilt
bereiken. De stuurautomaat probeert dan een constante schijnbare windhoek te handhaven,
om bij een gegeven trim van de zeilen een maximale voortstuwing te bereiken.
Bij zeilen op gesloten wateren kan de schijnbare windhoek tijdelijk veranderen door
windvlagen. Zeilen op de ware wind kan dan de voorkeur hebben.
VMG optimaliseren
U kunt de VMG (goedgemaakte snelheid) ten opzichte van de wind optimaliseren. Na
selecteren is de functie gedurende 5–10 minuten actief nadat er een nieuwe windhoek is
ingesteld en alleen bij opkruisen.
Layline sturen
Layline sturen is praktisch bij navigeren. De koersafwijking (Cross Track Error, XTE) van de
navigator houdt de boot op de te volgen lijn. Als de XTE van de navigator groter dan 0,15 NM
wordt, berekent de stuurautomaat de layline en route naar het waypoint.
Reactie
Standaard wisselt het systeem tussen de HI/LO (hoog/laag) parameter set op basis van de
snelheid (motorboten) of snelheid en wind (zeilboten). U kunt echter handmatig selecteren
welke parameter set moet worden gebruikt.
HI of LO moet worden geselecteerd als er geen snelheid invoer beschikbaar is.
U kunt elk van de twee (HI/LO) parameter sets handmatig fijn afstellen. Niveau 4 is standaard,
met parameter waarden ingesteld door de Autotune functie. Als er geen autotune
uitgevoerd wordt (niet aanbevolen), zijn de niveau 4 waarden de standaard
fabrieksinstellingen.
Een laag reactieniveau vermindert de roeractiviteit en geeft een “lossere” besturing.
Een hoog reactieniveau verhoogt de roeractiviteit en geeft een “strakkere” besturing. Bij een
te hoge reactiesnelheid gaat de boot S-bochten maken.
Automatisch sturen
Deze optie toont een overzicht van alle stuurparameters van de stuurautomaat en u kunt
desgewenst parameters instellen.
Voor meer informatie raadpleegt u de afzonderlijke NSS evo2 Installatiehandleiding.
Installatie
Gebruikt voor stuurautomaat installatie en inbedrijfstelling. Raadpleeg de afzonderlijke NSS
evo2 Installatiehandleiding.
Stuurautomaat | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Radar
Het radar paneel kan als volledig-scherm weergave worden ingesteld, of met andere panelen
worden gecombineerd.
Het radarbeeld kan ook als overlay op bestaande 2D en 3D kaartweergaven worden
weergegeven. Voor meer informatie, zie "Kaart overlay" op pagina 27.
Ú
Opmerking: Voor radar overlay is data van een koerssensor vereist.
Het Radar paneel
Pos. Beschrijving Opmerking
1 Bereik
2 Oriëntatie
3 Beweging
4 Kompas *
5 Vaarrichting lijn *
6 Draairegelaars
7 Bereikcirkels *
8 Bereik markeringen *
9 Databalk
8
* Optionele radar symbolen.
Radar symbolen kunnen allemaal tegelijk AAN/UIT worden gezet via het Radar menu, of
individueel zoals beschreven in "Radar instellingen paneel" op pagina 64.
Radar overlay
U kunt het radarbeeld op de kaart projecteren (overlay). Hierdoor kunt u het radarbeeld
gemakkelijker interpreteren, doordat u de radar doelen met objecten op de kaart kunt
vergelijken.
Als radar overlay geselecteerd is, zijn de basisfuncties voor bediening van de radar
beschikbaar in het menu van het kaart paneel.
Radar | NSS evo2 Bedieningshandleiding
57
Radar werkstanden
De werkstanden van de radar worden bediend vanaf het NSS evo2 apparaat. De volgende
werkstanden zijn beschikbaar:
Uit
De stroomtoevoer naar de radar scanner is uitgeschakeld.
Standby
De stroomtoevoer naar de radar scanner is ingeschakeld, maar de radar is niet aan het
zenden.
Zenden
De scanner is ingeschakeld en aan het zenden. Gedetecteerde doelen worden op het
radarscherm (PPI, Plan Position Indicator) getekend.
Radar bereik
U kunt het radar bereik instellen door de draaiknop te draaien, of met behulp van de zoom
knoppen op het radar paneel.
Gebruik van de cursor op een radar paneel
De cursor wordt standaard niet in een radar paneel weergegeven.
58
Wanneer u de cursor op het radar paneel plaatst, wordt het cursor venster geactiveerd.
De cursor kan worden gebruikt om een afstand naar een doel te meten en doelen te
selecteren, zoals verderop in dit hoofdstuk wordt beschreven.
Om de cursor en cursor elementen uit het paneel te verwijderen, selecteert u Cursor
wissen, of drukt u op de X toets.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De Cursor hulp functie
Bij gebruik van een touchscreen maakt de cursor hulp functie fijninstelling en precies
plaatsen van de cursor mogelijk zonder details met een vinger te bedekken.
Houd met uw vinger op het scherm ingedrukt om het cursor symbool te veranderen in een
selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Zonder uw vinger van het scherm te nemen, sleept u de selectiecirkel boven het gewenste
item om informatie daarover weer te geven.
Wanneer u de vinger van het scherm neemt, verandert de cursor weer in de normale cursor.
Waypoints opslaan
U kunt een waypoint op een geselecteerde positie opslaan door de cursor in het paneel te
plaatsen en de optie Nieuw waypoint in het menu te selecteren.
Als het apparaat een MARK toets heeft, kunt u die indrukken om direct een waypoint op te
slaan. Als de cursor actief is, wordt het waypoint op de cursorpositie opgeslagen. Is de cursor
niet actief, dan wordt het waypoint op de positie van uw boot opgeslagen.
Radar
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
Het radarbeeld instellen
U kunt het radarbeeld mogelijk verbeteren door de radar gevoeligheid aan te passen en
willekeurige echo's van zee- en weersomstandigheden uit te filteren.
U kunt de beeldinstellingen ook via het radar menu aanpassen.
Gain
Met de gain regelt u de gevoeligheid van de radar ontvanger.
Bij een hogere gain is de radar gevoeliger voor radar echo's, zodat hij zwakkere doelen kan
weergeven. Als de gain te hoog wordt gezet, kan het beeld rommelig worden door
achtergrondruis.
Gain heeft een handmatige en een automatische stand. U wisselt tussen automatisch en
handmatig m.b.v. de schuifbalk, of door de draaiknop ingedrukt te houden.
Sea clutter
Sea clutter wordt gebruikt om het effect van willekeurige echo's van golven of ruw water
dicht bij de boot uit te filteren.
Wanneer u Sea clutter hoger zet, wordt het uitfilteren van ruis op het scherm veroorzaakt
door echo's van golven verminderd.
Het systeem heeft ook vooraf gedefinieerde Sea clutter instellingen voor haven en offshore
omstandigheden, naast de handmatige modus, waarin u de instelling zelf kunt aanpassen. U
kunt de Sea clutter modi via het menu selecteren, of door de draaiknop lang ingedrukt te
houden. U kunt de Sea clutter waarde alleen in de handmatige modus aanpassen.
Rain clutter
Rain clutter wordt gebruikt om de effecten van regen, sneeuw of andere
weersomstandigheden op het radarbeeld te verminderen.
Deze waarde moet niet te hoog worden gezet, omdat echte doelen dan mogelijk ook
worden uitgefilterd.
Radar storing onderdrukken
Storing kan worden veroorzaakt door radarsignalen van andere radar apparatuur die in
dezelfde frequentieband werkt.
Bij een hoge instelling wordt storing afkomstig van andere radars verminderd.
Om geen zwakke doelen te missen, moet de storingsonderdrukking op Laag worden gezet
wanneer er geen storing is.
De optie Storingsonderdrukking voor radar is beschikbaar via het menu.
Radar
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
59
Geavanceerde radar opties
Radar drempel
Met de drempelwaarde stelt u de vereiste signaalsterkte voor de zwakste radarsignalen in.
Radar echo's onder deze limiet worden uitgefilterd en niet weergegeven.
Standaard waarde: 30%.
Doel boost
De optie Doel boost wordt gebruikt om radar doelen te vergroten.
Doel vergroting
Doel vergroting heft de standaard radarpulslengte op en vergroot die, waardoor grotere
echo's van doelen worden teruggegeven.
Snelscan
(alleen Broadband Radar™).
Verhoogt de snelheid van de radar scanner als het bereik op 2 nm of minder wordt ingesteld.
Deze optie geeft een snellere actualisering van doel bewegingen binnen dit bereik.
STC curve
(alleen Broadband Radar™).
De STC (Sensitivity Time Control) regelt de gevoeligheid van het radarsignaal dicht bij uw
boot. Hij compenseert de afstand tot het radarobject, waardoor echo's van objecten van
gelijke grootte even groot op het radarbeeld verschijnen.
Radar weergave opties
Radar symbolen
Radarsymbolen gedefinieerd in het Radar instellingen paneel kunnen allemaal aan/uit
worden gezet. Zie de afbeelding van het radar paneel met optionele radar items.
Doel sporen
U kunt instellen hoe lang de sporen gegenereerd vanaf elk doel op het radar paneel blijven.
U kunt de doel sporen ook UIT zetten.
Ú
Opmerking: Ware beweging wordt aanbevolen bij gebruik van Doel sporen.
Doel sporen uit het paneel verwijderen
Als er doel sporen op het paneel worden weergegeven, wordt het radar menu uitgebreid
met een optie waarmee u de doel sporen op het paneel tijdelijk kunt wissen. De sporen
beginnen daarna weer te verschijnen, tenzij u ze uitschakelt zoals hierboven beschreven.
Het radar palet
U kunt verschillende kleuren (paletten) gebruiken om details op het radar paneel aan te
duiden.
Radar oriëntatie
De radar oriëntatie wordt in de linker bovenhoek van het radarpaneel weergegeven als HU
(vaarrichting boven (UP)), NU (noord boven) of CU (koers boven).
Vaarrichting boven
Draait het radarbeeld zo dat de vaarrichting recht omhoog op het radarbeeld wordt
weergegeven.
60
Radar
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
Noord boven
Draait het radarbeeld zo dat het noorden recht naar boven wijst.
Koers boven
Draait het radarbeeld zo dat de huidige navigatiekoers recht omhoog wordt weergegeven.
Deze optie werkt alleen als het systeem op een actieve route navigeert. Als dat niet zo is,
wordt de vaarrichting boven oriëntatie gebruikt totdat de navigatiefunctie is gestart.
Positie van het radar midden
U kunt het midden van de radar PPI (Plan Position Indicator) op verschillende posities in het
radarpaneel zetten en selecteren op welke manier uw boot zich over het radarbeeld
verplaatst.
De radar beweging wordt in de linker bovenhoek van het radar paneel aangegeven als TM
(True motion, ware beweging) of RM (Relative motion, relatieve beweging).
De radar positie kan alleen worden veranderd als de radar aan het zenden is.
Midden Vooruit kijken Offset
Midden
Standaard instelling. Het midden van de radar PPI is gecentreerd in het radar paneel.
Vooruit kijken
Verplaatst het midden van de radar PPI naar de onderkant van het paneel, voor een
maximaal zicht vooruit.
Offset
Biedt de mogelijkheid het midden van het radarscherm (PPI) naar elke gewenste positie op
het radar paneel te verplaatsen.
1. Selecteer de optie Offset in het menu.
2. Plaats de cursor waar u het midden van het radarbeeld wilt hebben.
3. Bevestig de instelling door de optie Offset opslaan in het menu te kiezen.
Ware beweging
Bij Ware beweging (True motion) bewegen uw boot en bewegende doelen zich over het
radarscherm terwijl u vaart. Alle stilstaande objecten blijven op een vaste positie. Als het
vaartuig symbool de rand van het scherm bereikt, wordt het radarbeeld opnieuw getekend,
met het vaartuig symbool in het midden van het scherm.
Als Ware beweging geselecteerd is, is het menu uitgebreid met een optie om de ware
beweging te resetten. Hiermee kunt u het radarbeeld handmatig resetten en het vaartuig
symbool weer in het midden van het scherm plaatsen.
EBL/VRM markeringen
De elektronische peilinglijn (EBL) en variabele afstandmarkering (VRM) maken snel meten van
afstand en peiling naar vaartuigen en landmassa's binnen het bereik van de radar mogelijk. Er
kunnen twee verschillende EBL/VRM's op het radarbeeld worden geplaatst.
De EBL/VRM's worden standaard vanuit het midden van de boot geplaatst. U kunt het
referentiepunt echter naar een geselecteerde positie op het radarbeeld verplaatsen.
Na plaatsing kunt u de EBL/VRM aan/uit zetten door de desbetreffende markeringen op de
databalk te selecteren, of door de markering in het menu uit te schakelen.
Radar
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
61
Een EBL/VRM markering definiëren
1. Zorg dat de cursor niet actief is.
2. Activeer het menu, selecteer EBL/VRM en daarna EBL/VRM 1 of EBL/VRM 2
-
De EBL/VRM wordt op het radarbeeld geplaatst.
3. Selecteer de insteloptie in het menu als u de markering wilt verplaatsen en verplaats
vervolgens de markering door deze naar de gewenste positie op het radarbeeld te slepen.
4. Selecteer de optie opslaan in het menu om de instellingen op te slaan.
EBL/VRM markeringen plaatsen m.b.v. de cursor
1. Plaats de cursor op het het radarbeeld.
2. Activeer het menu.
3. Selecteer een van de EBL/VRM markeringen.
- De EBL lijn en de VRM cirkel worden aan de hand van de cursorpositie gepositioneerd.
Offsetten van een EBL/VRM markering
1. Zorg dat de cursor niet actief is.
2. Activeer het menu, selecteer EBL/VRM en selecteer daarna de markering die u wilt
offsetten.
3. Selecteer de optie Offset instellen.
4. Plaats de cursor op het radar paneel om de offset positie in te stellen.
5. Selecteer de optie opslaan in het menu om de instellingen op te slaan.
U kunt het midden van de EBL/VRM op de positie van de boot zetten via het menu.
Een veiligheidszone rond uw boot instellen
Een veiligheidszone is een gebied (een cirkel of een sector) die u op het radarbeeld kunt
instellen. Indien geactiveerd, wordt er een alarm weergegeven wanneer een radar doel de
zone ingaat of verlaat.
Een veiligheidszone definiëren
1. Zorg dat de cursor niet actief is.
2. Open het menu, selecteer Veiligheidszones en selecteer een van de veiligheidszones.
3. Selecteer de gewenste vorm van de zone.
4. Selecteer Afstellen om het bereik en de diepte van de veiligheidszone in te stellen. De
waarden kunnen via het menu worden ingesteld, of door middel van slepen op het
radarpaneel.
5. Selecteer de optie opslaan in het menu om de instellingen op te slaan.
Na het plaatsen kunt u de veiligheidszone aan/uit zetten, door het desbetreffende deel op
de databalk te selecteren.
Alarm instellingen
Er wordt een alarm geactiveerd wanneer een radar doel de grens van het veiligheidsgebied
overschrijdt. U kunt selecteren of het alarm wordt geactiveerd wanneer het doel de zone
binnengaat of verlaat.
Gevoeligheid
De gevoeligheid van de veiligheidszone kan worden ingesteld, om alarmen voor kleine
doelen te voorkomen.
62
Radar
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
MARPA doelen
Als het systeem een koerssensor heeft, kan de MARPA functie (Mini Automatic Radar Plotting
Aid) worden gebruikt om maximaal tien radar doelen te volgen.
U kunt alarmen instellen om u te waarschuwen als een doel te dicht bij komt. Zie "Radar
instellingen" op pagina 64.
De MARPA volgfunctie is een belangrijk hulpmiddel om aanvaringen te voorkomen.
Ú
Opmerking: MARPA vereist koersdata voor de radar en de NSS evo2.
MARPA doel symbolen
Het systeem gebruikt de hieronder getoonde doel symbolen.
Symboo
l
Beschrijving
MARPA doel verkrijgen. Meestal duurt dit tot 10 volledige rotaties van de
scanner.
MARPA doel volgen, niet in beweging of voor anker.
Veilig gevolgd MARPA doel met verlengingslijn.
Gevaarlijk MARPA doel.
Een doel wordt als gevaarlijk gedefinieerd als het de veiligheidszone die op het
radar paneel is gedefinieerd binnengaat.
Als er binnen een bepaalde tijdslimiet geen signalen zijn ontvangen, wordt een
doel gedefinieerd als verloren.
Het doel symbool geeft de laatste geldige positie van het doel aan voordat de
ontvangst van data stopte.
Geselecteerd MARPA doel, geactiveerd door de cursor op het doel symbool te
plaatsen.
Het doel krijgt weer het normale doel symbool als de cursor wordt verwijderd.
MARPA doelen
1. Plaats de cursor op het doel in het radarbeeld.
2. Selecteer Verkrijg targets in het menu.
3. Herhaal dit proces als u nog meer doelen wilt volgen.
Nadat de doelen zijn geïdentificeerd, kan het tot 10 radar scans (sweeps) duren om het doel
te verkrijgen en daarna te volgen.
Het volgen van MARPA doelen annuleren
Als er doelen worden gevolgd, is het radar menu uitgebreid met opties voor het annuleren
van individuele doelen en het stoppen van de volgfunctie.
Annuleer het volgen van individuele doelen door eerst het doel symbool te selecteren
voordat u naar het menu gaat.
Informatie over MARPA doel bekijken
Als het pop-up venster geactiveerd is, kunt u een MARPA doel selecteren om basisinformatie
daarover weer te geven. Er wordt op de databalk ook informatie getoond over de 3 MARPA
doelen die zich het dichtst bij de boot bevinden.
Wanneer u een doel selecteert, kunt u uitgebreide informatie over het doel via het menu
weergeven.
U kunt informatie over alle MARPA doelen weergeven met behulp van de optie Vaartuigen
op de Home pagina.
Radar | NSS evo2 Bedieningshandleiding
63
MARPA alarm instellingen
U kunt de volgende MARPA alarmen instellen:
Alarm ID Beschrijving
MARPA doel verloren
Bepaalt of er een alarm wordt geactiveerd als een MARPA doel
verloren is
MARPA niet
beschikbaar
Bepaalt of er een alarm wordt geactiveerd als u niet de vereiste
invoer voor MARPA hebt (geldige GPS positie en koerssensor
aangesloten op de radar server)
Radar data opnemen
U kunt radar data opnemen en het bestand in de NSS evo2 opslaan, of op een SD-kaart die u
in de kaartlezer van het apparaat hebt geplaatst.
Een opgenomen radarbestand kan worden gebruikt om een gebeurtenis of bedieningsfout
te documenteren. Een opgenomen radarbestand kan ook door de simulator worden
gebruikt.
Als er meer dan één radar beschikbaar is, kunt u selecteren van welke u wilt opnemen.
Radar instellingen
64
Radar symbolen
U kunt optionele radar items collectief via het menu aan of uit zetten. Raadpleeg hiervoor de
illustratie van het Radar paneel.
Peilingen
Wordt gebruikt om te selecteren of de radarpeiling moet worden gemeten t.o.v. het ware of
magnetische noorden (°T/°M) of de relatieve vaarrichting (°R).
Databalk
De radar databalk aan/uit zetten. Zie de illustratie van het Radar paneel.
Op de databalk kunnen maximaal 3 doelen worden weergegeven, met het gevaarlijkste
bovenaan. U kunt selecteren om MARPA doelen bovenaan en vóór eventuele AIS doelen
weer te geven, zelfs wanneer de AIS doelen dichter bij uw boot zijn.
MARPA instellingen
U kunt de lengte van het MARPA spoor instellen, zodat de beweging van doelen
gemakkelijker te volgen is.
U kunt een cirkel rond uw boot instellen die de gevarenzone aangeeft. De straal van die cirkel
is gelijk aan het dichtstbijzijnde naderingspunt, ingesteld in het dialoogvenster Gevaarlijke
Radar
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
vaartuigen. Zie "Gevaarlijke vaartuigen definiëren" op pagina 85. Er wordt een alarm
geactiveerd wanneer een vaartuig uw veiligheidszone binnenkomt.
Installatie
De Installatie optie wordt gebruikt voor het installeren van de radar, beschreven in de
afzonderlijke NSS evo2 Installatiehandleiding.
Radar | NSS evo2 Bedieningshandleiding
65
Fishfinder
De Fishfinder functie geeft een beeld van het water en de bodem onder uw boot, om vis te
detecteren en de structuur van de bodem te onderzoeken.
Alle NSS evo2 apparaten - behalve kaartplotters - hebben een ingebouwde CHIRP fishfinder
en StructureScan. NSS evo2 kaartplotters hebben een compatibele externe fishfinder module
nodig, of een andere NSS evo2 met ingebouwde CHIRP fishfinder en StructureScan, die via
het netwerk beschikbaar is om fishfinder functionaliteit te kunnen gebruiken.
Let wel dat StructureScan en CHIRP niet tegelijkertijd kunnen worden gebruikt op NSS evo2
apparaten met ingebouwde fishfinder functionaliteit. Als u deze tegelijkertijd wilt gebruiken,
moet er een externe module zoals een SonarHub, BSM-3 of andere compatibele module, of
een tweede NSS evo2 worden geïnstalleerd.
Het fishfinder beeld
Pos. Beschrijving Opmerking
1 Diepte
2 Temperatuur
3 Frequentie / Zoom
4 Gain / kleur instelling symbolen
5 Visbogen
6 Bovenste en onderste bereik
7 A-Scope *
8 Temperatuur grafiek *
9 Zoombalken *
10 Bereikschaal
11 Dieptelijn *
12 Bodem
* Optionele items in het fishfinder beeld.
Ú Opmerking: u kunt de optionele onderdelen in het fishfinder beeld individueel aan/uit
zetten. Zie "Fishfinder instellingen paneel" op pagina 71.
9
66
Fishfinder | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Zoomen op een fishfinder beeld
U kunt op een fishfinder beeld zoomen door:
door de draaiknop te draaien
de zoomknoppen van het paneel te gebruiken
door op het scherm te knijpen of te spreiden
Het zoomniveau wordt linksboven op het paneel getoond.
Bij inzoomen blijft de bodem dicht bij de onderkant van het scherm, ongeacht of de
fishfinder op automatisch of handmatig bereik staat.
Als het bereik aanzienlijk kleiner dan de actuele diepte wordt ingesteld, kan het apparaat bij
zoomen de bodem niet vinden.
Als de cursor wordt geactiveerd, zoomt het apparaat in waar de cursor gericht wordt.
Zoombalk
De zoombalk verschijnt wanneer u het fishfinder beeld zoomt.
Sleep de zoombalk verticaal om verschillende gedeelten van de waterkolom te bekijken.
Gebruik van de cursor op het fishfinder paneel
De cursor kan worden gebruikt om een afstand naar een doel te meten, een positie te
markeren en doelen te selecteren.
De cursor wordt standaard niet op het fishfinder beeld weergegeven.
Wanneer u op het scherm tikt, wordt de diepte op de cursorpositie weergegeven en worden
het informatievenster en de historiebalk geactiveerd.
Om de cursor en cursor elementen uit het paneel te verwijderen, selecteert u Cursor
wissen, of drukt u op de X toets.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De Cursor hulp functie
Bij gebruik van een touchscreen maakt de cursor hulp functie fijninstelling en precies
plaatsen van de cursor mogelijk zonder details met een vinger te bedekken.
Houd met uw vinger op het scherm ingedrukt om het cursor symbool te veranderen in een
selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Zonder uw vinger van het scherm te nemen, sleept u de selectiecirkel boven het gewenste
item om informatie daarover weer te geven.
Wanneer u de vinger van het scherm neemt, verandert de cursor weer in de normale cursor.
Afstand meten
De cursor kan worden gebruikt om de afstand tussen de positie van twee waarnemingen op
het beeld te meten.
De meetfunctie is gemakkelijker te gebruiken als het beeld gepauzeerd is.
1. Plaats de cursor op het punt waar vanaf u de afstand wilt meten.
2. Selecteer de meetfunctie via het menu.
3. Plaats de cursor op het tweede punt voor de meting.
-
Er wordt een lijn tussen de meetpunten getekend en de afstand wordt in het
Informatie venster getoond.
4. Ga desgewenst door met het selecteren van meetpunten.
U kunt het menu gebruiken om het beginpunt en eindpunt opnieuw te plaatsen zolang de
meetfunctie actief is.
Wanneer u Meten stoppen selecteert, of op de X toets drukt, gaat het beeld weer op de
normale manier verschuiven.
Fishfinder | NSS evo2
Bedieningshandleiding
67
68
Waypoints opslaan
U kunt een waypoint op een geselecteerde positie opslaan door de cursor in het paneel te
plaatsen en de optie Nieuw waypoint in het menu te selecteren.
Als het apparaat een MARK toets heeft, kunt u die indrukken om direct een waypoint op te
slaan. Als de cursor actief is, wordt het waypoint op de cursorpositie opgeslagen. Is de cursor
niet actief, dan wordt het waypoint op de positie van uw boot opgeslagen.
Fishfinder historie bekijken
Wanneer de cursor op een fishfinder paneel wordt weergegeven, is de verschuifbalk
zichtbaar onder aan het paneel. De verschuifbalk toont het beeld dat u momenteel bekijkt in
verhouding tot de totale opgeslagen fishfinder beeldhistorie.
Als de verschuifbalk helemaal rechts is, geeft dat aan dat u de laatste beelden bekijkt.
Wanneer u de cursor aan de linkerkant van het scherm plaatst, begint de historiebalk naar
links te verschuiven en is het automatisch verschuiven terwijl nieuwe beelden worden
ontvangen uitgeschakeld.
U kunt de fishfinder historie bekijken door het beeld te verschuiven.
Om het normale verschuiven te hervatten, selecteert u Cursor wissen, of drukt u op de X
toets.
Het fishfinder beeld instellen
Het bereik
De bereik instelling bepaalt de waterdiepte die zichtbaar is op het scherm.
Auto bereik
Wanneer u Auto selecteert, toont het systeem automatisch het hele bereik van het
wateroppervlak tot aan de bodem.
Vooraf ingestelde bereikniveaus
U kunt verschillende vooraf ingestelde bereikniveaus selecteren.
Aangepast bereik
Bij deze optie kunt u handmatig de bovenste en onderste limiet van het bereik instellen.
Het fishfinder paneel kan als enkele weergave worden getoond, of in een gesplitste
weergave, waarbij de linker- en rechterkant verschillende beelden weergeven.
Echo frequentie
De NSS evo2 ondersteunt diverse transducer frequenties. Welke frequenties beschikbaar zijn,
is afhankelijk van de sonar module en het aangesloten transducer model.
U kunt twee frequenties tegelijk bekijken, door twee fishfinder panelen in te stellen.
Kleur en gain instellingen
U kunt de beeldinstellingen ook via het fishfinder menu aanpassen.
Gain
Met de gain regelt u de gevoeligheid van de fishfinder.
Hoe hoger u de gain zet, des te meer details worden er in het beeld getoond. Een hogere
gain instelling kan echter ook leiden tot meer achtergrondruis op het beeld. Als de gain te
laag wordt ingesteld, worden zwakke echo's mogelijk niet weergegeven.
Auto gain
Met de Auto gain optie houdt u de gevoeligheid op een niveau dat in de meeste
omstandigheden goed werkt.
Met de gain in auto modus kunt u een positieve of negatieve offset instellen, die op de auto
gain wordt toegepast. Deze wordt aangeduid als A-40 - A40.
Fishfinder | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Kleur
Sterke en zwakke echosignalen hebben verschillende kleuren, die de verschillende
signaalsterkten aangeven. Welke kleuren worden getoond, is afhankelijk van het palet dat u
hebt gekozen.
Hoe hoger u de Kleur instelling zet, des te meer echo's worden weergegeven in de kleur aan
het sterke-signalen uiteinde van de schaal.
De fishfinder pauzeren
U kunt de fishfinder pauzeren, zodat u de echo's kunt onderzoeken.
Deze functie is handig wanneer u een waypoint precies in het fishfinder beeld wilt plaatsen
en wanneer u de cursor gebruikt om de afstand tussen twee elementen op het beeld te
meten.
Geavanceerde fishfinder opties
Ruisonderdrukking
Signaalstoringen van lenspompen, motortrillingen en luchtbellen kunnen het beeld
verstoren.
De optie Ruisonderdrukking filtert signaalstoringen uit en vermindert storingen op het
scherm.
TVG
De TVG (Time Variable Gain) optie compenseert de afstand tot een object, zodat echo's van
objecten die even groot zijn in dezelfde grootte op het fishfinder beeld worden
weergegeven.
Verschuifsnelheid
U kunt de verschuifsnelheid van het beeld van de fishfinder over het scherm instellen. Bij een
hoge verschuifsnelheid wordt het beeld snel vernieuwd, terwijl bij een lage verschuifsnelheid
een langere historie wordt weergegeven.
De ping snelheid
De Ping snelheid bepaalt de snelheid waarmee de transducer signalen het water in stuurt. Bij
een hoge ping snelheid beweegt het beeld sneller over het scherm, terwijl een lage ping
snelheid een langere historie op het scherm geeft. Trillingen die door een te hoge ping
snelheid kunnen worden veroorzaakt, kunnen tot storingen op het scherm leiden.
Fishfinder data opnemen
U kunt fishfinder data en StructureScan data opnemen en het bestand intern in de NSS evo2
opslaan, of op een SD kaart die u in de kaartlezer van het apparaat hebt geplaatst.
Deze functie wordt geactiveerd via de menuoptie
Geavanceerd.
De volgende opties zijn beschikbaar:
Bytes per peiling
Selecteer hoeveel bytes per seconde worden gebruikt voor het opslaan van het logbestand.
Meer bytes geven een hogere resolutie, maar zorgen er ook voor dat het bestand groter
wordt dan bij lagere byte instellingen.
Alle kanalen loggen
Alle beschikbare echo data tegelijkertijd loggen.
Wanneer alle kanalen worden gelogd, wordt het bestand in .sl2 formaat opgeslagen in plaats
van .slg formaat.
Log in XTF formaat
Optioneel logformaat voor SideScan data. Dit wordt alleen weergegeven als er StructureScan
data beschikbaar is.
Fishfinder | NSS evo2
Bedieningshandleiding
69
70
Bij dit formaat worden niet alle kanalen naar één bestand gelogd. Dit formaat wordt gebruikt
voor ondersteuning van applicaties van andere merken op een PC (bijv. SonarWiz), waardoor
deze de StructureScan data kunnen lezen.
StructureMap aanmaken wanneer voltooid
Als StructureScan via het netwerk beschikbaar is, kunt u het log na het opnemen naar
StructureMap formaat (.smf) converteren. Het logbestand kan ook naar StructureMap formaat
worden geconverteerd via de optie Bestanden.
Opgenomen fishfinder data bekijken
Zowel intern als extern opgeslagen fishfinder opnamen kunnen worden geselecteerd en
bekeken.
Het logbestand wordt als een gepauzeerd beeld weergegeven en u kunt het verschuiven en
de weergave via het afspeelmenu instellen.
U kunt de cursor in het afgespeelde beeld gebruiken en het beeld verschuiven zoals bij een
normaal fishfinder beeld.
Als er in het geselecteerde bestand meer dan één opgenomen kanaal is, kunt u selecteren
welk kanaal u wilt weergeven.
U verlaat de afspeelmodus door op de X toets te drukken, of door het X symbool in de
rechter bovenhoek van het afspeelvenster te selecteren.
Opties voor fishfinder weergave
Opties voor gesplitst scherm
Zoom
De Zoom modus toont een vergrote weergave van het fishfinder beeld aan de linkerkant van
het paneel.
Standaard staat het zoomniveau op 2x. Via de keuzelijst kunt u tot 8x zoom selecteren.
De zoombereik balken aan de rechterkant van het scherm tonen het bereik dat vergroot
wordt. Wanneer u de zoomfactor groter maakt, wordt het bereik kleiner. U kunt dit zien aan
de afstand tussen de zoombalken die kleiner wordt.
Bottom Lock
De Bottom Lock modus is handig wanneer u echo's dicht bij de bodem wilt bekijken.
In deze modus toont de linkerkant van het paneel een beeld waarin de bodem afgevlakt is.
De bereikschaal wordt aangepast, zodat vanaf de bodem (0) omhoog wordt gemeten. De
bodem en nullijn worden altijd in het linker beeld weergegeven, ongeacht de bereikschaal.
De schaalfactor voor het beeld aan de linkerkant van het paneel wordt aangepast zoals
beschreven bij de Zoom optie.
Paletten
U kunt kiezen uit verschillende weergave paletten, die geoptimaliseerd zijn voor diverse
omstandigheden tijdens het vissen.
Temperatuur grafiek
De temperatuur grafiek wordt gebruikt om veranderingen in de watertemperatuur te
illustreren.
Indien ingeschakeld, worden een gekleurde lijn en temperatuurwaarden op het beeld van de
fishfinder weergegeven.
Dieptelijn
Er kan een dieptelijn op het bodemoppervlak worden weergegeven, zodat de bodem
gemakkelijker van vis en structuren te onderscheiden is.
A-Scope
De A-Scope is een weergave van real-time echo's die op het paneel verschijnen. De sterkte
van de feitelijke echo wordt aangegeven door de breedte en kleurintensiteit.
Fishfinder | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Zoombalken
De zoombalken tonen het bereik dat op een gesplitst paneel vergroot wordt weergegeven
in de zoom weergave.
Vis ID
U kunt selecteren op welke manier u echo's op het scherm wilt laten verschijnen. U kunt ook
selecteren of er een pieptoon moet klinken zodra er een vis ID op het paneel verschijnt.
Traditionele vis echo's Vis symbolen Vis symbolen en diepte indicatie
Ú
Opmerking: niet alle vis symbolen zijn daadwerkelijk vissen.
Fishfinder instellingen
Fishfinder bron
Als er meer dan één fishfinder in uw netwerk aanwezig is, kunt u selecteren welke bij
voorkeur de bron voor dit NSS evo2 apparaat is.
Netwerk fishfinder
U kunt de fishfinder die met dit NSS evo2 apparaat in het netwerk verbonden is delen.
Voor meer informatie over het instellen van fishfinders raadpleegt u de afzonderlijke NSS
evo2 Installatiehandleiding.
DownScan overlay
Als er een StructureScan apparaat op uw systeem aangesloten is, kunt u DownScan beelden
boven op het normale sonarbeeld projecteren (overlay).
Indien geactiveerd, wordt het fishfinder menu uitgebreid met StructureScan basisopties.
Fishfinder opnamen bekijken
Wordt gebruikt om intern opgeslagen fishfinder opnamen te bekijken.
Het logbestand wordt als een gepauzeerd beeld weergegeven en u kunt het verschuiven en
de weergave via het menu instellen.
Fishfinder
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
71
U kunt de cursor op het beeld gebruiken om afstanden te meten en weergave opties zoals
bij een live fishfinder beeld instellen. Als er in het geselecteerde fishfinder bestand meer dan
één kanaal opgenomen is, kunt u selecteren welk kanaal u wilt weergeven.
U verlaat de bekijkfunctie door de X in de rechter bovenhoek te selecteren.
Zoekdiepte
Ruis kan ertoe leiden dat de fishfinder naar onrealistische diepten gaat zoeken.
Door de zoekdiepte handmatig in te stellen, geeft het systeem alleen echo's weer van
objecten binnen het ingestelde dieptebereik.
Installatie
Gebruikt voor fishfinder installatie en instelling. Raadpleeg de afzonderlijke NSS evo2
Installatiehandleiding.
72
Fishfinder | NSS evo2 Bedieningshandleiding
StructureScan™
StructureScan HD
TM
gebruikt hoge frequenties om foto-achtige beelden van de zeebodem
met hoge resolutie te produceren.
StructureScan™ geeft een 150 m brede dekking en veel details met SideScan, terwijl
DownScan™ foto-achtige beelden van structuren en vissen direct onder uw boot tot op 90 m
diep geeft.
Alle NSS evo2 apparaten - behalve kaartplotters - hebben StructureScan ingebouwd. NSS
evo2 kaartplotters moeten een compatibele externe StructureScan module via het netwerk
beschikbaar hebben om de StructureScan functies te gebruiken.
Het StructureScan™ beeld
De weergave
Het StructureScan paneel kan worden ingesteld als traditioneel downscan beeld, of voor
weergave van links/rechts zijwaarts scannen.
Het DownScan beeld kan ook als overlay op het traditionele fishfinder beeld worden
geprojecteerd.
Pos. Beschrijving
1 Diepte
2 Temperatuur
3 Frequentie
4 Bodem
5 Zoom (downscan) / Bereik (sidescan) symbolen
6 Bereikschaal
Zoomen op het StructureScan beeld
U kunt op een StructureScan beeld zoomen door:
de draaiknop te draaien als de cursor niet actief is
de zoomknoppen van het paneel te gebruiken
door op het scherm te knijpen of te spreiden
Het zoomniveau wordt linksboven op het paneel getoond.
10
StructureScan™
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
73
Gebruik van de cursor op het StructureScan™ paneel
De cursor wordt standaard niet op het StructureScan beeld weergegeven.
Wanneer u de cursor plaatst, worden het cursor informatievenster en de historiebalk
geactiveerd. Op een SideScan beeld wordt de afstand links/rechts van de boot naar de
cursorpositie getoond. Op een DownScan beeld wordt de diepte op de cursorpositie
weergegeven.
Om de cursor en cursor elementen uit het paneel te verwijderen, drukt u op de X toets, of
selecteert u de optie Cursor wissen.
Ga naar cursor
U kunt naar een geselecteerde positie op het beeld navigeren, door de cursor op het paneel
te plaatsen en vervolgens de optie Ga naar cursor in het menu te selecteren.
De Cursor hulp functie
Bij gebruik van een touchscreen maakt de cursor hulp functie fijninstelling en precies
plaatsen van de cursor mogelijk zonder details met een vinger te bedekken.
Houd met uw vinger op het scherm ingedrukt om het cursor symbool te veranderen in een
selectiecirkel, die boven uw vinger verschijnt.
Zonder uw vinger van het scherm te nemen, sleept u de selectiecirkel boven het gewenste
item om informatie daarover weer te geven.
Wanneer u de vinger van het scherm neemt, verandert de cursor weer in de normale cursor.
Afstand meten
De cursor kan worden gebruikt om de afstand tussen de positie van twee waarnemingen op
het beeld te meten.
De meetfunctie is gemakkelijker te gebruiken als het beeld gepauzeerd is.
1. Plaats de cursor op het punt waar vanaf u de afstand wilt meten.
2. Selecteer de meetfunctie via het menu.
3. Plaats de cursor op het tweede punt voor de meting.
-
Er wordt een lijn tussen de meetpunten getekend en de afstand wordt in het
Informatie venster getoond.
4. Ga desgewenst door met het selecteren van meetpunten.
U kunt het menu gebruiken om het beginpunt en eindpunt opnieuw te plaatsen zolang de
meetfunctie actief is.
Wanneer u Meten stoppen selecteert, of op de X toets drukt, gaat het beeld weer op de
normale manier verschuiven.
Waypoints opslaan
U kunt een waypoint op een geselecteerde positie opslaan door de cursor in het paneel te
plaatsen en de optie Nieuw waypoint in het menu te selecteren.
Als het apparaat een MARK toets heeft, kunt u die indrukken om direct een waypoint op te
slaan. Als de cursor actief is, wordt het waypoint op de cursorpositie opgeslagen. Is de cursor
niet actief, dan wordt het waypoint op de positie van uw boot opgeslagen.
StructureScan™ historie bekijken
Wanneer de cursor op een StructureScan paneel actief is, is de verschuifbalk zichtbaar onder
aan het paneel. De verschuifbalk toont het beeld dat u momenteel bekijkt in verhouding tot
de totale opgeslagen StructureScan beeldhistorie.
Afhankelijk van de geselecteerde weergave bevindt de verschuifbalk zich helemaal rechts
(DownScan) of onder aan het scherm (SideScan).
U kunt de beeldhistorie verschuiven door omhoog/omlaag te slepen (SideScan), of naar
links/rechts (DownScan).
Om het normale StructureScan verschuiven te hervatten, drukt u op Cursor wissen.
74
StructureScan™ | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Het StructureScan beeld instellen
Bereik
De bereik instelling bepaalt de waterdiepte die zichtbaar is op het scherm.
Auto bereik
Als het bereik op Auto is gezet, stelt het systeem het bereik automatisch afhankelijk van de
waterdiepte in.
Vooraf ingestelde bereiken
U kunt verschillende vooraf ingestelde bereikniveaus selecteren.
Aangepast bereik
Bij deze optie kunt u handmatig de bovenste en onderste limiet van het bereik instellen.
Het StructureScan paneel kan als enkele weergave worden getoond, of in een gesplitste
weergave, waarbij de linker- en rechterkant verschillende beelden weergeven.
StructureScan frequenties
StructureScan ondersteunt twee frequenties. 455 kHz is geschikt voor grotere diepte
penetratie en 800 kHz geeft een hogere resolutie, met name in ondieper water.
Contrast
Het contrast bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere gedeelten van het
scherm. Objecten kunnen dan beter van de achtergrond worden onderscheiden.
Het contrast instellen:
1. Selecteer het contrast symbool of activeer de contrast optie in het menu.
- De kleur instelbalk verschijnt.
2. Sleep de balk, of gebruik de draaiknop om de waarde in te stellen.
Paletten
U kunt kiezen uit verschillende weergave paletten, die geoptimaliseerd zijn voor diverse
omstandigheden tijdens het vissen.
Het StructureScan beeld pauzeren
U kunt het StructureScan beeld pauzeren, zodat u structuren en andere beelden
diepgaander en gedetailleerder kunt bestuderen.
Deze functie is handig wanneer u een waypoint precies in het StructureScan beeld wilt
plaatsen en wanneer u de cursor gebruikt om de afstand tussen twee elementen op het
beeld te meten.
Geavanceerde StructureScan instellingen
TVG
De TVG (Time Variable Gain) optie compenseert de afstand tot een object, zodat echo's van
objecten die even groot zijn in dezelfde grootte op het fishfinder beeld worden
weergegeven.
Links/rechts van het Structuur beeld omwisselen
Desgewenst kunnen de linker en rechter SideScanning beelden worden omgewisseld, zodat
ze overeenkomen met de juiste zijden van de boot.
Bereiklijnen
Bereiklijnen kunnen aan het beeld worden toegevoegd om het schatten van diepte
(Downscan) en afstand (SideScan) te vergemakkelijken.
StructureScan™ | NSS evo2
Bedieningshandleiding
75
StructureScan data opnemen
U kunt StructureScan data opnemen en het bestand intern in de NSS evo2 opslaan, of op
een SD kaart, zoals beschreven in "Fishfinder data opnemen" op pagina 69.
76
StructureScan™ | NSS evo2 Bedieningshandleiding
StructureMap
De StructureMap™ functie projecteert SideScan beelden van een StructureScan bron als
overlay op de kaart. Dit maakt het gemakkelijker om de onderwater omgeving ten opzichte
van uw positie te visualiseren en helpt bij het interpreteren van SideScan beelden.
Het StructureMap beeld
Onderstaand voorbeeld toont een kaart paneel met Structuur overlay, gecombineerd met
een traditioneel SideScan paneel.
U verplaatst op de normale manier over de kaart als u een Structuur overlay hebt:
zoom de kaart en het gescande beeld door de draaiknop te draaien, met behulp van de
zoomsymbolen, of door op het scherm te knijpen of te spreiden
verschuif de kaart om het gescande beeld te bekijken door hem in de gewenste richting te
slepen
Door op de
X toets te drukken of de optie Cursor wissen te selecteren, verwijdert u de
cursor uit het paneel en wordt het midden van de kaart op de positie van de boot geplaatst.
Structuur overlay activeren
1. Schakel de Structuur overlay via het kaart menu in.
- Het kaart menu wordt uitgebreid met Structuur opties
- Er begint Structuur data op het kaartscherm te verschijnen zodra de Structuur overlay
ingeschakeld is.
2. Selecteer de Structuur bron.
- Live data is standaard.
Ú
Opmerking:
Structuur overlay kan ook worden geactiveerd door een opgeslagen
StructureMap bestand via de bestanden browser te selecteren.
StructureMap bronnen
Er kunnen twee bronnen worden gebruikt voor het projecteren van Structuur logs als overlay
op kaarten:
live data - gebruikt wanneer er StructureScan data op het systeem beschikbaar is.
opgeslagen bestanden - deze bevatten opgenomen StructureScan (*.sl2) data, die naar
StructureMap (*.smf) formaat geconverteerd is. Opgeslagen *.smf bestanden kunnen ook
worden gebruikt als er geen StructureScan bron aangesloten is.
Live bron
Als live data geselecteerd is, wordt de SideScan beeldhistorie weergegeven als een spoor
achter het boot symbool. De lengte van dit spoor is afhankelijk van het beschikbare
geheugen in het apparaat en de bereik instellingen. Wanneer het geheugen vol raakt, wordt
de oudste data automatisch verwijderd wanneer er nieuwe data wordt toegevoegd.
Wanneer het zoekbereik wordt vergroot, wordt de pingsnelheid van de StructureScan
transducer verlaagd, maar worden de breedte en lengte van de beeldhistorie vergroot.
11
StructureMap | NSS evo2 Bedieningshandleiding
77
Ú
Opmerking: In de Live modus wordt geen data opgeslagen. Als het apparaat wordt
uitgeschakeld, gaat alle recente data verloren.
Opgeslagen bestanden
Als Opgeslagen bestanden geselecteerd is, wordt het StructureMap bestand op de kaart
geprojecteerd (overlay) op basis van de positie informatie in het bestand.
Als de kaartschaal groot is, wordt het StructureMap gebied door een kader aangeduid, totdat
de schaal klein genoeg is om structuur details weer te geven.
De modus Opgeslagen wordt gebruikt om StructureMap bestanden te bekijken en
onderzoeken en om de boot op specifieke interessante punten in een eerder gescand
gebied te plaatsen.
Ú
Opmerking: Als opgeslagen bestanden als bron worden gebruikt, worden alle StructureMap
bestanden die op de SD kaart en in het interne geheugen van het systeem zijn gevonden
weergegeven. Als er meer dan één StructureMap van hetzelfde gebied is, overlappen de
beelden en wordt de kaart onduidelijk. Als er meerdere logs van hetzelfde gebied nodig zijn,
moeten die kaarten op afzonderlijke SD kaarten worden gezet.
Tips voor StructureMap
Om een goed beeld van hoge structuren (bijv. een wrak) te krijgen, vaart u er niet overheen,
maar stuurt u de boot zo dat de structuur zich aan de linker- of rechterkant van uw boot
bevindt.
Gebruik Auto bereik niet wanneer u SideScan gebruikt. Zet het bereik op een aanzienlijk
hogere stand (twee tot driemaal hoger) dan de waterdiepte, om een volledige scan te
verzekeren en de nauwkeurigheid van de conversie te maximaliseren.
Laat historie sporen niet overlappen wanneer u een dubbelzijdige scan van een gebied
uitvoert.
StructureScan data opnemen
StructureScan data kan worden opgenomen vanaf een kaart paneel met Structuur overlay
ingeschakeld.
Een StructureScan opname kan ook vanaf een StructureScan paneel worden gestart.
Wanneer StructureScan data wordt opgenomen, ziet u een knipperend rood symbool en af
en toe een bericht onder aan het scherm.
Ú
Opmerking: Het bericht bevat informatie over de grootte van het bestand. Zorg dat het
bestand niet groter dan 100 MB wordt, ten behoeve van snellere bestandsconversie.
De opname wordt gestopt door de opname functie nogmaals te selecteren.
StructureScan data naar StructureMap formaat converteren
Een StructureScan logbestand (.sl2) kan na opname naar het StructureMap formaat (.smf )
worden geconverteerd vanuit het opname dialoogvenster of via de bestanden browser.
U kunt standaard- of hoge-resolutie bestanden aanmaken. In hoge-resolutie .smf bestanden
worden meer details vastgelegd, maar het duurt ook langer om ze converteren en ze zijn
groter dan standaard-resolutie bestanden.
Om schijfruimte te besparen, wordt aanbevolen de StructureScan (*.sl2) bestanden na
conversie te verwijderen.
Gebruik van StructureMap met cartografie kaarten
StructureMap biedt de mogelijkheid alle kaartfuncties te benutten en kan worden gebruikt
met interne cartografie en Navionics, Insight en cartografie van andere merken die
compatibel is met het systeem.
Wanneer u StructureMap in combinatie met cartografie kaarten (cards) gebruikt, kopieert u
de StructureMap (.smf) bestanden naar het interne geheugen van het apparaat. Wij
adviseren kopieën van de StructureMap bestanden op afzonderlijke cartografie kaarten te
bewaren.
78
StructureMap | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Structuur opties
U kunt de StructureMap instellingen configureren via het Structuur opties menu. Dit menu is
beschikbaar wanneer Structuur overlay ingeschakeld is.
Wanneer opgeslagen StructureMap bestanden als bron worden gebruikt, zijn niet alle opties
beschikbaar. Niet-beschikbare opties worden grijs weergegeven.
Bereik Hiermee stelt u het zoekbereik in.
Transparantie Hiermee stelt u de doorzichtigheid van de Structuur overlay in. Bij een
minimale transparantie instelling worden de kaart details bijna
verborgen door de StructureMap overlay.
Palet Hiermee selecteert u een Structuur palet.
Contrast Bepaalt de helderheidsverhouding tussen lichte en donkere delen van
het scherm.
Waterkolom
De waterkolom in Live modus tonen/verbergen.
Indien UIT gezet, zijn scholen aasvis mogelijk niet zichtbaar in het
SideScan beeld.
Indien AAN gezet, kan de nauwkeurigheid van het SideScan beeld op de
kaart door de waterdiepte verminderd worden.
Frequentie De transducer frequentie die het apparaat gebruikt instellen. 800 kHz
biedt de hoogste resolutie, terwijl 455 kHz een groter diepte- en
afstandbereik geeft.
Ruisonderdrukki
ng
Filtert signaalstoringen uit en vermindert storingen op het scherm.
Live historie
wissen
Verwijdert aanwezige live historie data van het scherm en begint alleen
de meest recente data weer te geven.
Data opnemen StructureScan data opnemen.
Bron De StructureMap bron selecteren.
StructureMap | NSS evo2
Bedieningshandleiding
79
AIS
Als er een NAIS400, een AI50 of een NMEA 2000 marifoon uitgerust met AIS (Automatisch
Identificatie Systeem) met de NSS evo2 verbonden is, kunnen doelen die door deze
apparaten worden gedetecteerd worden weergegeven en gevolgd. U kunt ook berichten en
posities bekijken van apparaten binnen bereik die DSC informatie uitzenden.
AIS doelen kunnen als overlay op radar- en kaartbeelden worden weergeven, waardoor deze
functie een belangrijk hulpmiddel voor veilig varen en voorkoming van aanvaringen is.
U kunt alarmen instellen om u te waarschuwen als er een AIS doel te dicht bij komt, of als het
doel verloren is.
AIS vaartuigen op een kaart paneel AIS vaartuigen op een radar paneel
AIS doel symbolen
Het systeem gebruikt de hieronder getoonde AIS doel symbolen:
Symbool Beschrijving
Slapend AIS doel (niet in beweging of voor anker).
Bewegend en veilig AIS doel met koers verlengingslijn.
Gevaarlijk AIS doel, door een
dikke lijn aangegeven.
Een doel wordt als gevaarlijk gedefinieerd op
basis van de CPA en TCPA instellingen. Zie
"Gevaarlijke vaartuigen definiëren" op pagina 85.
Verloren AIS doel.
Als er binnen een bepaalde tijdslimiet geen
signalen zijn ontvangen, wordt een doel als
verloren gedefinieerd.
Het doel symbool geeft de laatste geldige
positie van het doel aan voordat de ontvangst
van data stopte.
Geselecteerd AIS doel,
geactiveerd door een doel
symbool te selecteren.
Het doel krijgt weer het standaard doel
symbool als de cursor van het symbool wordt
verwijderd.
12
80
AIS | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Informatie over individuele AIS doelen bekijken
Zoeken naar AIS items
U kunt in elk paneel naar AIS doelen zoeken
met behulp van de optie Zoeken in het
paneel Extra.
Vanuit een kaart paneel kunt u naar AIS
doelen zoeken met behulp van de optie
Zoeken in het menu. Als de cursor actief is,
zoekt het systeem naar vaartuigen rond de
cursorpositie. Zonder actieve cursor zoekt
het systeem naar vaartuigen rond de positie
van uw boot.
Informatie over individuele AIS doelen bekijken
Wanneer u een AIS symbool op het kaart of radar paneel selecteert, verandert dat symbool in
een Geselecteerd doel symbool en wordt de naam van het vaartuig weergegeven.
U kunt gedetailleerde informatie over een doel weergeven door het AIS pop-up venster te
selecteren, of via het menu wanneer het doel geselecteerd is.
AIS informatie op radar panelen
De radar databalk kan informatie over max. 3 AIS doelen weergeven.
De doelen worden getoond met het dichtstbijzijnde bovenaan en hebben een kleur die de
status van het doel aangeeft.
AIS | NSS evo2 Bedieningshandleiding
81
Een AIS vaartuig oproepen
Als er in het systeem een marifoon aanwezig is die DSC (Digital Select Calling) oproepen via
NMEA 2000 ondersteunt, kunt u een DSC oproep naar andere vaartuigen starten vanaf de
NSS evo2.
De oproep optie is beschikbaar in het dialoogvenster AIS Vaartuig Details en het
dialoogvenster Vaartuig status, dat wordt geopend vanaf het paneel Extra.
In het dialoogvenster Oproep kunt u het
kanaal veranderen of de oproep annuleren.
Het dialoogvenster Oproep wordt gesloten
zodra de verbinding tot stand is gekomen.
AIS SART
Wanneer een AIS SART (Search And Rescue beacon, zoek- en reddingsbaken) geactiveerd
wordt, begint het direct zijn positie- en identiteitsgegevens uit te zenden. Deze data wordt
dan door uw AIS apparaat ontvangen.
Als uw AIS ontvanger niet geschikt is voor AIS SART, kan het de ontvangen AIS SART
informatie als een signaal van een standaard AIS zender interpreteren. Er wordt dan wel een
symbool op de kaart geplaatst, maar dit is een AIS vaartuig symbool.
Is uw AIS ontvanger wel compatibel met AIS SART, dan gebeurt het volgende wanneer er AIS
SART data is ontvangen:
Er word een AIS SART symbool op de kaart geplaatst op de positie die van het AIS SART is
ontvangen
Er wordt een alarmbericht weergegeven
Als u de sirene ingeschakeld hebt, wordt het alarmbericht gevolgd door een alarmgeluid.
Ú
Opmerking: Het symbool is groen als de ontvangen AIS SART data een test en geen actief
bericht is.
AIS SART alarmbericht
Als er data van een AIS SART ontvangen is,
wordt er een alarmbericht weergegeven. Dit
bericht bevat het unieke MMSI-nummer van
het AIS SART en zijn positie, afstand en
peiling t.o.v. uw boot.
U hebt drie keuzemogelijkheden:
1. Het alarm negeren
- Het alarmgeluid wordt gestopt en het bericht gesloten. Het alarm wordt niet opnieuw
weergegeven.
2. Het waypoint opslaan
- Het waypoint wordt in uw waypoint lijst opgeslagen. De naam van dit waypoint krijgt
het voorvoegsel MOB AIS SART - gevolgd door het unieke MMSI-nummer van het
SART. Bijvoorbeeld: MOB AIS SART - 12345678.
3. De MOB functie activeren
82
AIS | NSS evo2 Bedieningshandleiding
- Op het scherm verschijnt een ingezoomd kaart paneel, gecentreerd rond de positie
van het AIS SART.
- Het systeem maakt een actieve route naar de positie van het AIS SART aan.
Wanneer u het AIS SART symbool op het kaart paneel selecteert, kunt u de gegevens van het
AIS MOB bekijken.
Ú
Opmerking: Als de MOB functie al actief is, wordt deze beëindigd en vervangen door de
nieuwe route naar de positie van het AIS SART!
Ú
Opmerking:
Als u het alarm negeert, blijft het AIS SART symbool zichtbaar op de kaart en
blijft het AIS SART in de lijst Vaartuigen aanwezig.
Ú
Opmerking: Als het AIS het AIS SART bericht niet meer ontvangt, blijft het AIS SART nog 10
minuten nadat het laatste signaal is ontvangen in de lijst Vaartuigen aanwezig.
Vaartuig alarmen
U kunt diverse alarmen instellen, om u te waarschuwen wanneer een doel binnen de
ingestelde afstandslimieten komt, of als een eerder geïdentificeerd doel verloren is.
Alarm ID Beschrijving
Gevaarlijk vaartuig Bepaalt of er een alarm wordt geactiveerd wanneer een vaartuig
binnen de ingestelde CPA of TCPA komt. Zie "Gevaarlijke vaartuigen
definiëren" op pagina 85.
AIS vaartuig verloren De afstand voor verloren vaartuigen instellen. Als een vaartuig
binnen de ingestelde afstand verloren wordt, treedt er een alarm in
werking.
Ú
Opmerking: Met het keuzevakje bepaalt u of het alarm pop-up
venster verschijnt en de sirene klinkt. CPA en TCPA bepalen
wanneer een vaartuig gevaarlijk is, ongeacht de status in-/
uitgeschakeld.
Vaartuig bericht Bepaalt of er een alarm wordt geactiveerd als een bericht van een
AIS doel is ontvangen.
AIS | NSS evo2 Bedieningshandleiding
83
Vaartuig instellingen
Het MMSI nummer van uw boot
U moet uw eigen MMSI (Maritime Mobile Service Identity) nummer in het systeem invoeren
om geadresseerde berichten van AIS en DSC vaartuigen te ontvangen.
Het is ook belangrijk dat u het MMSI nummer invoert om te voorkomen dat uw eigen boot
als AIS doel op de kaart wordt weergegeven.
Ú
Opmerking: De optie Vaartuig bericht in de alarm instellingen moet ingeschakeld zijn om te
zorgen dat MMSI berichten worden weergegeven.
Symbool filters
Standaard worden alle doelen op het paneel
weergegeven als er een AIS apparaat met
het systeem verbonden is.
U kunt selecteren om helemaal geen doelen
te tonen, of de symbolen filteren op
veiligheidsinstellingen, afstand en
vaarsnelheid.
Verlengingslijnen
De lengte van de verlengingslijnen voor uw
boot en andere vaartuigen kan door de
gebruiker worden ingesteld.
A: Vaarrichting
B: Koers over de grond (COG)
De lengte van de verlengingslijnen wordt
ofwel ingesteld als een vaste afstand, of om
de afstand aan te geven die het vaartuig
gedurende de geselecteerde tijd aflegt. Als
er geen opties voor Dit vaartuig
ingeschakeld zijn, worden er geen
verlengingslijnen voor uw boot
weergegeven.
De vaarrichting van uw boot wordt afgelezen van de actieve koerssensor en COG informatie
wordt ontvangen van het actieve GPS.
84
AIS | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Voor andere vaartuigen is de COG data opgenomen in het bericht dat van het AIS systeem
wordt ontvangen.
Gevaarlijke vaartuigen definiëren
U kunt een onzichtbare veiligheidszone rond
uw boot definiëren. Wanneer een doel
binnen deze afstand komt, verandert zijn
symbool in een “gevaarlijk doel” symbool. Er
wordt een alarm geactiveerd als dat
ingeschakeld is via het Alarm instellingen
paneel.
Snelheid en koers indicatie
De verlengingslijn kan worden gebruikt om de snelheid en koers van doelen aan te geven,
ofwel als absolute (ware) beweging op de kaart, of relatief t.o.v. uw boot.
Voor de verlengingslijnen worden verschillende lijnstijlen gebruikt om de beweging aan te
duiden, zoals hieronder getoond.
AIS vaartuigen getoond met absolute beweging AIS vaartuigen getoond met relatieve beweging
AIS symbool oriëntatie
Hiermee stelt u de oriëntatie van het AIS symbool in - gebaseerd op vaarrichting of COG
informatie.
AIS | NSS evo2 Bedieningshandleiding
85
Instrumentenpanelen
De Instrumentenpanelen bestaan uit meerdere meters - analoog, digitaal en balken - die
kunnen worden aangepast om geselecteerde data weer te geven. Het instrumentenpaneel
toont data op instrumentenborden en u kunt maximaal tien instrumentenborden binnen het
paneel definiëren.
Ú
Opmerking: Voor brandstof/motor informatie moeten motor en tank informatie via het
Instellingen paneel worden geconfigureerd.
Instrumentenborden
Er is vooraf een aantal instrumentenbord stijlen gedefinieerd voor de weergave van vaartuig,
navigatie en visser informatie.
U kunt wisselen tussen de instrumentenborden van een paneel door de linker en rechter
pijlknoppen op het paneel te selecteren. U kunt een instrumentenbord ook via het menu
selecteren.
Vaartuig instrumentenbord Navigatie instrumentenbord Visser instrumentenbord
Ú
Opmerking: Er kunnen extra instrumentenborden via het menu worden geactiveerd als er
andere systemen (bijv. CZone) in het netwerk aanwezig zijn.
Het Instrument paneel aanpassen
U kunt het Instrument paneel aanpassen door de data voor elk van de meters in het
Instrumentenbord te wijzigen, door de indeling van het Instrumentenbord te veranderen en
door nieuwe Instrumentenborden toe te voegen. Tevens kunt u limieten voor analoge
meters instellen.
Alle wijzigingsopties zijn beschikbaar via het menu van het Instrument paneel.
Welke opties beschikbaar zijn, is afhankelijk van de databronnen die op uw systeem
aangesloten zijn.
Een instrumentenbord wijzigen
Activeer het instrumentenbord dat u wilt wijzigen en:
1. Activeer het menu.
2. Selecteer de optie wijzigen.
3. Selecteer de meter die u wilt wijzigen. Een geselecteerde meter krijgt een blauwe
achtergrond.
4. Selecteer de informatie die u wilt weergeven, configureer limieten en wijzig desgewenst de
bron van de informatie.
5. Sla de wijzigingen op door de optie Opslaan in het menu te kiezen.
13
86
Instrumentenpanelen | NSS evo2
Bedieningshandleiding
Audio
Als er een SonicHub server of een FUSION entertainment systeem met het NMEA 2000
netwerk verbonden is, kunt u de NSS evo2 gebruiken om het audiosysteem op uw boot te
bedienen en in te stellen.
Wanneer er een WM-2 of WM-3 Satellite module verbonden is, kunt u Sirius™ audio in uw
systeem opnemen. U kunt ook een Sirius radio via een FUSION systeem aansluiten. De Sirius™
audio en weer service bestrijkt de binnenwateren en kustgebieden van de VS tot in de
Atlantische en Stille oceaan, Golf van Mexico en de Caribische zee. Welke Sirius™ audio
producten u kunt ontvangen, is afhankelijk van het abonnementpakket dat u hebt gekozen.
Voor meer informatie, zie www.sirius.com.
Voordat u de audio uitrusting kunt gebruiken, moet u die geïnstalleerd hebben volgens de
instructies in de NSS evo2 Installatiehandleiding en de documentatie die bij het audio
apparaat meegeleverd is.
Audio inschakelen
Een compatibel audio apparaat dat via het NMEA 2000 netwerk wordt aangesloten, zou
automatisch door het systeem moeten worden herkend. Als dat niet het geval is, schakelt u
de functie in via het dialoogvenster Geavanceerde instellingen.
14
Audio
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
87
Het Audio paneel
U activeert het audio paneel door het audio vakje op de Instrumentbalk te activeren.
De bedieningsknoppen, functies en opties verschillen van de ene tot de andere audio bron,
zoals verderop in dit hoofdstuk beschreven.
Pos. Beschrijving
1 Audiobron
2 Audio bedieningsknoppen
3 Audio vakje
4 Audio functies
Audio regelknoppen
Symbool Tuner MARIFOON DVD Afspelen
Selecteren om de lijst van beschikbare bronnen weer te geven
Selecteren om vorige/volgende
frequentie te kiezen
Ingedrukt houden om op een
zender af te stemmen
Selecteren om
terug/vooruit te
spoelen
Selecteren om
vorige/volgende
nummer te
kiezen
Selecteren om vorige/volgende
favoriete zender te kiezen
n.v.t. n.v.t.
n.v.t. n.v.t. Selecteren om te starten
n.v.t. n.v.t.
Selecteren om afspelen te
pauzeren
Selecteren om de volume schuifbalk te tonen
88
Audio | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Audio functies
Symbool Tuner MARIFOON Afspelen
Signaalsterkte n.v.t. n.v.t.
n.v.t. n.v.t.
Selecteren om
herhaalfunctie
aan/uit te zetten. Het
symbool is gekleurd
als de functie actief is.
n.v.t. n.v.t.
Selecteren om
willekeurige volgorde
aan/uit te zetten. Het
symbool is gekleurd
als de functie actief is.
Selecteren om menu's voor instellen van zones en master regeling
weer te geven.
Selecteren om de
favoriete stations van
de tuner weer te
geven.
Selecteren om de
favoriete kanalen van
de marifoon weer te
geven.
Selecteren om het
eigen menu van de
actieve bron weer te
geven.
Selecteren om optionele instellingen voor de actieve bron weer te
geven.
Het audio systeem instellen
De luidsprekers
Luidsprekerzones
De NSS evo2 kan worden ingesteld voor het regelen van meerdere audiozones. Het aantal
zones wordt bepaald door de audioserver die op uw systeem aangesloten is.
U kunt balans, volume en volumelimieten individueel voor elke zone instellen. Instellingen
van lage en hoge tonen gelden voor alle zones.
Master volumeregeling
Standaard wordt het volume voor alle luidsprekerzones ingesteld wanneer u het volume
regelt. U kunt ook instellen welke zones worden aangepast wanneer u het volume hoger/
lager zet.
Tuner regio selecteren
Voordat u naar FM of AM radio kunt luisteren of een marifoon kunt gebruiken, moet u de
juiste regio voor uw locatie selecteren.
Sirius van de AUX bron afkoppelen
Als er een Sirius radio met de FUSION radio/server verbonden is, wordt de AUX bron
automatisch aan de Sirius invoer gekoppeld. Sirius wordt dan in de bronnenlijst
weergegeven als de FUSION server actief is.
Om de AUX bron voor een ander apparaat te gebruiken, moet u Sirius dan eerst afkoppelen
van de AUX bron.
Ú
Opmerking: Om SiriusXM te gebruiken, moet er een optionele SiriusXM tuner met de
FUSION server verbonden zijn.
Audio
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
89
Gebruik van het audio systeem
1. Selecteer het Audio vakje op de Instrumentenbalk om de Audio overlay te activeren.
2. Selecteer het opties symbool en daarna de audio server.
3. Selecteer het bron symbool en daarna de audio bron.
- Het aantal bronnen is afhankelijk van de actieve audio server
4. Gebruik de paneel knoppen om het audio systeem te bedienen.
Voor een overzicht van de audio knoppen en functies, zie "Audio bedieningsknoppen" op pagina 88
en "Audio functies" op pagina 89.
Voor de beschikbare opties raadpleegt u de documentatie die bij uw audio uitrusting
meegeleverd is.
Favoriete zenders
Als een tuner of marifoon op een bepaalde zender afgestemd is, kunt u die zender aan de
lijst met favorieten toevoegen. Alle favoriete zenders kunnen worden bekeken, geselecteerd
en verwijderd via de Favorieten lijst.
U kunt door de favoriete zenders bladeren m.b.v. de op/neer knoppen in het audio paneel.
Sirius radio gebruiken (alleen Noord-Amerika)
Kanalenlijst
De kanalenlijst toont alle beschikbare Sirius kanalen, ongeacht of u een abonnement voor
die kanalen hebt.
Favorietenlijst
U kunt een lijst van uw favoriete Sirius kanalen uit de kanalenlijst aanmaken. U kunt alleen
kanalen toevoegen waarvoor u een abonnement hebt.
Kanalen vergrendelen
U kunt geselecteerde Sirius kanalen vergrendelen, zodat die niet worden uitgezonden, nadat
u een ontgrendelcode hebt ingevoerd.
Als de vergrendelfunctie geactiveerd is, moet er een code van 4 cijfers worden ingevoerd
om een kanaal te vergrendelen.
Dezelfde code moet worden ingevoerd om een vergrendeld kanaal te ontgrendelen.
90
Audio | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Weer
De NSS evo2 is uitgerust met weer functionaliteit, waarmee de gebruiker voorspellingen op
de kaart kan projecteren. Hierdoor krijgt u een duidelijk beeld van de weersomstandigheden
die zich naar verwachting zullen voordoen.
Het systeem ondersteunt weerdata in GRIB formaat, die van diverse weerservice leveranciers
kan worden gedownload. Het systeem ondersteunt ook weerdata van de SIRIUS Marine
Weather Service. Deze service is alleen beschikbaar in Noord-Amerika.
Windsymbolen
De draaiing van het windsymbool geeft de relatieve windrichting aan, waarbij de staart de
richting aangeeft waar de wind vandaan komt. In onderstaande tekeningen komt de wind uit
het noordwesten.
De windsnelheid wordt aangegeven door een combinatie van kleine en grote streepjes en
driehoekjes aan het uiteinde van de staart.
Nul knopen / onbepaalde windrichting
Klein streepje = 5 kn / 9 km/h
Groot streepje = 10 kn / 19 km/h
Driehoekje = 50 kn / 93 km/h
Als er een combinatie van 5 en 10 knopen streepjes op de staart wordt weergegeven, telt u
de waarden daarvan bij elkaar op voor de totale windsnelheid. Onderstaand voorbeeld toont
3 x groot streepje + 1 x klein streepje = 35 kn/65 km/h en 60 kn/111 km/h aangegeven door
1 x driehoekje + 1 x groot streepje.
Windsnelheid: 35 kn/65 km/h Windsnelheid: 60 kn/111 km/h
GRIB weer
Een GRIB bestand bevat weervoorspellingen voor een ingesteld aantal dagen. De weerdata
kan van animaties worden voorzien, die aangeven hoe de weersystemen zich ontwikkelen.
15
Weer
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
91
GRIB data importeren
Gedownloade GRIB data moet in het geheugen worden geïmporteerd voordat die kan
worden gebruikt. Het bestand kan worden geïmporteerd vanaf elke locatie die zichtbaar is in
de Bestanden verkenner.
Ú
Opmerking: GRIB data die vanaf een SD kaart is geïmporteerd, wordt niet opgeslagen in de
NSS evo2. De data gaat verloren als er nieuwe GRIB data wordt geïmporteerd.
Selecteer het GRIB bestand om de data te importeren.
GRIB weer weergave
Geïmporteerde GRIB weerdata kan als overlay op uw kaart paneel worden weergegeven.
Als de GRIB weer overlay geselecteerd is, wordt het kaart menu uitgebreid met GRIB weer
opties. Via dit menu kunt u selecteren welke weer symbolen u wilt weergeven, de afstand
tussen de windsymbolen instellen en de doorzichtigheid van de weer symbolen aanpassen.
Via dit menu kunt u de weervoorspellingen ook van animaties voorzien, zoals verderop in dit
hoofdstuk beschreven.
Pos. Beschrijving
1 Windsymbolen
2 Luchtdrukcontouren
3 GRIB informatievenster
92
Weer
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
GRIB informatievenster
Het GRIB informatievenster toont de datum en tijd van de GRIB weersvoorspelling en de
geselecteerde tijd voor de voorspelling tussen haakjes. Een negatieve waarde tussen de
haakjes geeft historische weerinformatie aan.
Wanneer u een positie op de kaart selecteert, wordt het informatievenster uitgebreid met
weerinformatie voor de geselecteerde positie.
Animatie van GRIB weervoorspellingen
De GRIB data bevat weervoorspellingen voor een ingesteld aantal dagen. De weerdata kan
van animaties worden voorzien en er kan een voorspelling voor een specifieke datum en tijd
worden weergegeven. De tijdschalen verschillen afhankelijk van het bestand dat u gebruikt.
De tijdverschuiving wordt tussen haakjes in het GRIB informatievenster getoond. De tijd is
relatief t.o.v. de huidige tijd, zoals aangeleverd door een GPS apparaat dat met het systeem
verbonden is.
U kunt de tijd en animatiesnelheid via het menu selecteren.
SiriusXM™ weer
Wanneer u verbinding met een Navico weermodule hebt, kunt u een abonnement nemen
om de Sirius™ audio en Sirius™ Marine Weather Service op uw systeem te gebruiken (alleen
Noord-Amerika).
De Sirius™ audio- en weerservice bestrijkt de Amerikaanse binnen- en kustwateren tot in de
Atlantische oceaan en Stille oceaan, de Golf van Mexico en de Caribische zee.
Welke audio en weer producten kunnen worden ontvangen, varieert afhankelijk van het
abonnementpakket dat u hebt gekozen. Voor meer informatie, zie www.siriusxm.com/
marineweather
Sirius status paneel
Als de weermodule op het systeem aangesloten is, hebt u toegang tot het Sirius™ status
paneel.
Het status paneel toont de signaalsterkte als 1/3 (zwak), 2/3 (goed) of 3/3 (voorkeur). Het
toont ook de antenne status, het serviceniveau en het elektronische serienummer van de
weermodule.
Weergave van Sirius weer
Sirius weer kan als overlay op uw kaart paneel worden weergegeven.
Als de weer overlay geselecteerd wordt, wordt het kaart menu uitgebreid met de
beschikbare weer opties.
Weer
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
93
Pos. Beschrijving
1 Neerslag kleurcodering
2 Stad vooruitzichten symbool
3 Windveer
4 Storm symbool
5 SST kleurenbalk
6 SST kleurcodering
Gebruik het Sirius weer menu om te selecteren welke symbolen moeten worden
weergegeven en hoe die op het kaart paneel moeten verschijnen.
Neerslag
Er worden verschillende kleurtinten gebruikt om het type en de intensiteit van neerslag aan
te duiden. De donkerste kleur geeft de hoogste intensiteit aan.
Neerslag type Kleurcode
Regen Van lichtgroen (lichte regen) - geel - oranje -
naar donkerrood (zware regen)
Sneeuw Blauw
Gemengd Roze
94
Zeewater oppervlakte temperatuur (SST)
U kunt de zeewater oppervlakte temperatuur als gekleurde arcering of tekst weergeven.
Wanneer u kleur arcering selecteert, wordt de SST kleurenbalk aan de linkerant van het
scherm weergegeven.
U kunt instellen hoe de kleurcodes worden gebruikt om de zeewater oppervlakte
temperatuur aan te geven. Zie "Sirius weer - Kleurcodering" op pagina 95.
Golfhoogte indicatie
Er worden kleuren gebruikt om de voorspelde golfhoogten aan te duiden. De hoogste
golven zijn donkerrood en de laagste zijn blauw.
U kunt instellen hoe de kleurcodes worden gebruikt om de goflhoogte aan te geven. Zie
"Sirius weer - Kleurcodering" op pagina 95.
Weersymbolen
Er zijn diverse weersymbolen beschikbaar om de huidige of voorspelde
weersomstandigheden aan te duiden. U kunt een symbool selecteren om gedetailleerde
weerinformatie te bekijken.
Weer | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Symbool Beschrijving
Stad vooruitzichten
Oppervlakte waarneming
Tropische storm volgen; verleden (grijs) -
heden (rood) - toekomst (geel)
Orkaan (categorie 1-5) volgen; verleden
(grijs) - heden (rood) - toekomst (geel)
Tropische storing/depressie volgen; verleden
(grijs) - heden (rood) - toekomst (geel)
Storm attributen
Bliksem
Positie wachtkasten en waarschuwing
Positie zeegebied
Kleurcodes instellen
U kunt de kleurcodes voor de zeewater oppervlaktetemperatuur en golfhoogte instellen.
De temperaturen boven warme en onder koele waarden worden als steeds donkerder rood
en steeds donkerder blauw weergegeven.
Golven hoger dan de maximum waarde worden weergegeven als steeds donkerder rood.
Golven lager dan de minimum waarde krijgen geen kleurcodering.
Zeezones
De Sirius™ service biedt toegang tot weerrapporten voor alle VS zeezones, behalve de volle-
zeegebieden.
U kunt het systeem zo instellen dat weersvoorspellingen alleen voor een bepaald gebied
worden weergegeven.
Selecteer de gewenste zone en gebruik het menu om uw keuze te bevestigen.
Tropische berichten
U kunt Tropische berichten lezen, die informatie bevatten over tropische
weersomstandigheden. Deze berichten zijn beschikbaar voor de gehele Atlantische oceaan
en de oostelijke Stille oceaan.
Weerdetails weergeven
Als pop-up weergave ingeschakeld is, kunt u een weersymbool selecteren om de identiteit
van de waarneming aan te duiden. Wanneer u de pop-up selecteert, wordt er gedetailleerde
informatie over de waarneming getoond. U kunt de gedetailleerde informatie ook via het
menu weergegeven als het weersymbool geselecteerd is.
Animatie van Sirius™ weer
De NSS evo2 legt de weerinformatie vast die u hebt ingeschakeld en deze informatie kan
worden gebruikt voor animaties van weer in het verleden of de toekomst. Hoeveel
informatie in het systeem beschikbaar is, hangt af van de hoeveelheid weeractiviteit. Hoe
complexer het weer, des te minder tijd voor animaties beschikbaar is.
U kunt animaties voor het verleden of de toekomst instellen, afhankelijk van welke weer
weergave u hebt ingeschakeld:
bij neerslag overlay kunt u animaties voor het verleden instellen en alleen voor aangenomen
weersomstandigheden in de directe toekomst.
bij gekleurde golfhoogte overlay kunt u animaties voor de toekomst instellen
(voorspellingen).
Weer | NSS evo2 Bedieningshandleiding
95
Indien geactiveerd, wordt de tijd voor de huidige grafische animatie in de linker
benedenhoek van het kaart paneel weergegeven.
Weer alarmen
U kunt onweer of storm alarmen instellen, die worden geactiveerd wanneer dergelijke
omstandigheden zich binnen een bepaalde afstand van uw boot voordoen.
U kunt ook een alarm instellen voor slecht weer voorspellingen die worden uitgegeven voor
een door u geselecteerd zeegebied.
Een watchbox wordt door de Amerikaanse National Weather Service ingesteld. Als het alarm
voor watchbox ingeschakeld is, wordt het alarm geactiveerd wanneer uw boot een
watchbox binnengaat of zich daarin bevindt.
96
Weer | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Video
De video functie biedt de mogelijkheid video's of camerabeelden op uw systeem te bekijken.
Ú
Opmerking: De videobeelden worden niet via het ethernet netwerk gedeeld. U kunt een
video alleen bekijken op het apparaat dat op de videobron aangesloten is.
Als er een FLIR camera in het ethernet netwerk aanwezig is, kunt u de beelden daarvan
weergeven en de camera bedienen vanaf het systeem.
Voor informatie over het aansluiten van de camera raadpleegt u de afzonderlijke NSS evo2
Installatiehandleiding.
Het Video paneel
Een video paneel kan worden ingesteld als afzonderlijk paneel, of als een van de panelen op
een pagina met meerdere panelen.
Het videobeeld wordt proportioneel geschaald om in het video paneel te passen. Gedeelten
die niet door het beeld worden gevuld, worden zwart weergegeven.
Het video paneel instellen
Video bron
NSS evo2 ondersteunt twee video ingangen. U kunt selecteren om maar één kanaal weer te
geven, of het beeld tussen de beschikbare videocamera's laten wisselen.
De cyclus periode (wisseltijd) kan worden ingesteld van 5 tot 120 seconden.
Video standaard
NSS evo2 ondersteunt NTSC en PAL video. Deze twee kanalen worden afzonderlijk ingesteld.
Controleer de lokale video standaard of die van uw camera's.
Het videobeeld instellen
U kunt het videobeeld optimaliseren door de beeldinstellingen aan te passen. De
instellingen worden voor elke videobron afzonderlijk ingesteld. Standaardwaarde voor alle
instellingen: 50%.
Een FLIR camera bedienen
Zodra de verbinding met een FLIR camera tot stand is gekomen, bevat het menu opties voor
bediening van de FLIR camera.
Ú
Opmerking: U kunt de camera bediening overnemen vanaf elke NSS evo2 die met het
ethernet netwerk verbonden is.
Verbinden met de FLIR videocamera
Als er een video paneel actief is, herkent de NSS evo2 automatisch een FLIR camera als die in
het netwerk aanwezig is.
Ú
Opmerking: Als er een DHCP server in het ethernet netwerk aanwezig is, moet de FLIR
camera worden geconfigureerd en op een statisch IP-adres worden ingesteld voordat de
verbinding tot stand kan worden gebracht. Voor instructies voor het configureren van uw
specifieke FLIR camera model raadpleegt u de FLIR documentatie.
Ú
Opmerking: Er kan maar één FLIR camera op het ethernet netwerk worden aangesloten.
16
Video
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
97
Wanneer u een video paneel activeert, begint het systeem in het netwerk te zoeken naar een
FLIR camera.
Een verbroken verbinding wordt aangegeven door een paneel knop. Selecteer deze knop
om de verbinding opnieuw tot stand te brengen.
Zodra de verbinding tot stand is gekomen, bevat het menu opties voor bediening van de
FLIR camera.
Ú
Opmerking: U kunt de camera bediening overnemen vanaf elke NSS evo2 die met het
ethernet netwerk verbonden is.
De FLIR camera draaien en kantelen
Als de verbinding met de FLIR camera tot stand is gebracht, verschijnen er draai- en
kantelknoppen op het video paneel. Met de pijlknoppen links en rechts kunt u de camera
draaien. Met de pijlknoppen op en neer kunt u de camera kantelen.
Selecteer een van de pijlknoppen op het paneel om de camera te bedienen. De camera blijft
bewegen zolang u de knop ingedrukt houdt.
Zoomen van het FLIR videobeeld
U kunt op het videobeeld zoomen m.b.v. de zoom knoppen in het paneel.
Er zijn twee zoom opties beschikbaar, afhankelijk van de FLIR camera bron optie die u hebt
geselecteerd:
Digitale zoom
Alleen beschikbaar als de camera in
Infrarood modus is.
In deze modus wordt de zoom aangeduid in
niveaus (0, 2 en 4 maal zoom). Met elke druk
op een zoom knop verhoogt of verlaagt u
het zoomniveau.
Optische zoom
Beschikbaar in de daglicht modus.
In deze modus blijft de camera in- of
uitzoomen zolang u een zoom knop
ingedrukt houdt.
Opties voor de FLIR camera bron
De FLIR camera kan met daglicht en infrarood videobronnen werken.
Als de infrarood bron geselecteerd is, zijn de volgende opties beschikbaar:
Kleurenschema wisselen Wisselt tussen FLIR video uitvoer kleurenschema's. Elk
schema koppelt een bepaalde kleur aan een bepaalde
temperatuur.
Polariteit wisselen Keert het kleurenschema om.
Bijvoorbeeld: in plaats van wit = warm en zwart = koud,
wordt het zwart = warm en wit = koud.
De Home positie van de FLIR camera
U kunt de huidige draai- en kantelpositie als Home positie van de camera instellen.
Later kunt u de camera dan weer snel in deze positie terugbrengen.
98
Video
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
Tijd plot
De NSS evo2 kan datahistorie in een of meer plots weergeven. De plots kunnen op een
volledige pagina worden weergegeven, of gecombineerd met andere panelen.
Het Tijd plot paneel
Het Tijd plot paneel heeft twee vooraf ingestelde indelingen. U wisselt tussen deze twee
indelingen door de linker of rechter paneelpijl te selecteren. U kunt de gewenste indeling
ook via het menu selecteren.
U kunt selecteren welke data u in een tijd plot paneel wilt weergeven en u kunt de
tijdspanne voor elke plot definiëren.
Indeling 1 Indeling 2
Ontbrekende data
Als de data niet beschikbaar is, verandert de desbetreffende plot in een streepjeslijn, die plat
wordt op het punt waar de data verloren is. Als de data weer beschikbaar is, verbindt een
streepjeslijn de twee punten en toont een gemiddelde trendlijn die de ontbrekende data
overbrugt.
Data selecteren
Elke dataveld kan worden gewijzigd, zodat 't het gewenste type data en de periode toont.
1. Selecteer de optie wijzigen in het menu.
2. Activeer het veld dat u wilt wijzigen.
3. Wijzig het type informatie en eventueel de periode.
4. Sla de wijzigingen op.
De data die voor tijd plots beschikbaar is, zijn standaard de bronnen die door het systeem
worden gebruikt. Als er voor een bepaald type data meer dan één bron beschikbaar is, kunt u
een andere databron voor de tijd plot selecteren. U wijzigt het data type met behulp van de
databron optie in het menu.
17
Tijd plot | NSS evo2 Bedieningshandleiding
99
Alarmen
Alarmsysteem
Het systeem controleert terwijl het actief is continu op gevaarlijke situaties en
systeemstoringen. Als zich een alarmsituatie voordoet, verschijnt er een alarmbericht op het
scherm. Er wordt een alarmsymbool op de statusbalk weergegeven en dat pulseert in de
kleur van het alarm.
Als u de sirene ingeschakeld hebt, wordt het alarmbericht gevolgd door een alarmgeluid en
wordt de schakelaar voor het externe alarm actief.
Het alarm wordt in de lijst van alarmen opgenomen, zodat u de details kunt bekijken en de
benodigde corrigerende maatregelen kunt nemen.
Type berichten
De berichten worden geclassificeerd naar de manier waarop de gemelde situatie invloed
heeft op uw boot. De volgende kleurcodes worden gebruikt:
Kleur Belangrijkheid
Rood Kritiek
Oranje Belangrijk
Geel Standaard
Blauw Waarschuwing
Groen Lichte waarschuwing
Afzonderlijke alarmen
Een afzonderlijk alarm wordt weergegeven met de naam van het alarm als titel en de details
van het alarm.
Meerdere alarmen
Als er meer dan één alarm tegelijkertijd is geactiveerd, toont het alarmbericht een lijst van
maximaal 3 alarmen. De alarmen worden weergegeven in de volgorde waarin ze opgetreden
zijn, met het eerst geactiveerde alarm bovenaan. De overige alarmen zijn beschikbaar via het
dialoogvenster Alarmen.
18
100
Alarmen
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
Een bericht bevestigen
De volgende opties zijn in het alarm dialoogvenster beschikbaar voor het bevestigen van
een bericht:
Optie Resultaat
Sluiten Hiermee zet u de alarmstatus op bevestigd, wat betekent dat u op de
hoogte bent van de alarmtoestand. De sirene / zoemer stopt en het
alarm dialoogvenster verdwijnt.
Het alarm blijft echter actief in de alarmlijst totdat de oorzaak van het
alarm niet meer aanwezig is.
Uitschakelen De huidige alarm instelling uitschakelen. Het alarm wordt niet opnieuw
weergegeven, tenzij u het weer inschakelt via het dialoogvenster
Alarmen.
Er geldt geen tijdslimiet voor het alarmbericht of de sirene. Ze blijven aanwezig totdat u het
alarm bevestigt, of totdat de oorzaak van het alarm niet meer aanwezig is.
Alarmen dialoogvenster
Alle alarmen worden ingesteld via het dialoogvenster Alarm Instellingen.
De alarm dialoogvensters kunnen worden opgeroepen vanuit het paneel Extra. De alarm
dialoogvensters tonen informatie over actieve alarmen en alarm historie.
Alarmen
| NSS evo2 Bedieningshandleiding
101
102
Alarmen | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Extra
Het paneel Extra bevat standaard symbolen die worden gebruikt om opties en functies op te
roepen die niet specifiek bij een bepaald paneel horen.
Als er externe uitrusting met de NSS evo2 is geïntegreerd, kunnen er nieuwe symbolen aan
het paneel Extra toegevoegd zijn. Deze symbolen worden dan gebruikt om de functies van
de externe uitrusting te activeren.
Waypoints/routes/tracks
Lijst van waypoints, routes en tracks met gegevens.
Selecteer het waypoint, de route, of het track dat/die u wilt wijzigen of verwijderen.
Waterstanden
Toont informatie voor het getijden station dat het dichtst bij uw boot is.
Selecteer de knoppen in het pijlenpaneel om de datum te veranderen, of selecteer het
datumveld om de kalenderfunctie te gebruiken.
Beschikbare getijden stations kunnen via het menu worden geselecteerd.
Alarmen
Actieve alarmen
Lijst van actieve alarmen.
Alarm historie
Lijst van alle alarmen met tijdmarkering.
Alarm instellingen
Lijst van alle beschikbare alarm opties in het systeem, met huidige instellingen.
Instellingen
Biedt toegang tot applicatie- en systeeminstellingen.
Vaartuigen
Statuslijst
Lijst van alle AIS, MARPA en DSC vaartuigen met beschikbare informatie.
Berichtenlijst
Lijst van alle berichten ontvangen van andere AIS vaartuigen met tijdvermelding.
Zon/maan
Toont zon op/onder, maan op/onder voor een positie, op basis van de ingevoerde datum en
de lengte-/breedtegraad van de positie.
Trip calculator
Trip 1 / Trip 2
Toont reis- en motorinformatie, met een optie om alle datavelden te resetten.
Vandaag
Toont reis- en motorinformatie voor de huidige datum. Alle datavelden worden automatisch
gereset wanneer de datum verandert.
Bestanden
Beheersysteem voor bestanden, waypoints, routes, tracks en instellingen.
19
Extra | NSS evo2 Bedieningshandleiding
103
Zoeken
Zoekfunctie voor kaart items (waypoints, routes, tracks, enz.).
104
Extra | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Simulator
De simulatie functie biedt de mogelijkheid te zien hoe het apparaat werkt in stilstaande
positie en zonder te zijn verbonden met een fishfinder, radar, GPS, enz.
Gebruik de simulator om vertrouwd te raken met het systeem voordat u het op het water
gaat gebruiken.
De statusbalk geeft aan of de simulator ingeschakeld is.
Demo modus
In deze modus doorloopt het apparaat automatisch de belangrijkste functies van het
product; hij wisselt automatisch tussen pagina's, past instellingen aan, opent menu's
enzovoort.
Wanneer u op het touchscreen tikt of een toets indrukt terwijl de demo modus actief is,
wordt de demonstratie gepauzeerd. Na korte tijd wordt de demo hervat.
Simulator bronbestanden
U kunt selecteren welke databestanden door
de simulator zullen worden gebruikt.
Er is een reeks bestanden bij het systeem
meegeleverd en u kunt ook bestanden
importeren vanaf een SD kaart die in de
kaartlezer van het apparaat is geplaatst.
U kunt ook door u zelf opgenomen
bestanden voor de simulator gebruiken.
20
Simulator | NSS evo2
Bedieningshandleiding
105
Geavanceerde simulator instellingen
Met de geavanceerde simulator instellingen kunt u de simulator handmatig instellen.
GPS bron
Selecteren waar de GPS data afkomstig van is.
Snelheid, koers en route
Gebruikt om handmatig waarden in te voeren als GPS bron op Gesimuleerde koers of
Gesimuleerde route ingesteld is. Anders is GPS data zoals snelheid en koers afkomstig van
het geselecteerde bronbestand.
Startpositie instellen
Verplaatst het vaartuig naar de huidige cursorpositie.
Ú
Opmerking: Deze optie is alleen beschikbaar als GPS bron op Gesimuleerde koers is gezet.
106
Simulator | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Onderhoud
Preventief onderhoud
De NSS evo2 bevat geen onderdelen waaraan in het veld onderhoud kan worden verricht.
Daarom dient de gebruiker maar een zeer beperkte hoeveelheid preventief onderhoud uit te
voeren.
Aanbevolen wordt altijd de meegeleverde beschermende zonnekap aan te brengen als het
apparaat niet wordt gebruikt.
De display schoonmaken
Gebruik indien mogelijk het meegeleverde doekje om het scherm schoon te maken. Veel
water gebruiken om zoutresten op te lossen en te verwijderen. Gekristalliseerd zout kan
krassen op de coating veroorzaken als u een vochtige doek gebruikt. Zo min mogelijk druk
op het scherm uitoefenen.
Als vlekken op het scherm niet met alleen het doekje kunnen worden verwijderd, gebruikt u
een 50/50 oplossing van warm water en isopropyl alcohol om het scherm te reinigen.
Voorkom contact met oplosmiddelen (aceton, terpentine, enz.), of schoonmaakmiddelen
met ammonia, omdat die de anti-schittering coating of het kunststof front kunnen
beschadigen.
Om UV-schade aan het kunststof front te voorkomen, wordt aanbevolen de zonnekap aan te
brengen als het apparaat langere tijd niet zal worden gebruikt.
De klep van de kaartlezer schoonmaken
Maak de klep van de kaartlezer regelmatig schoon, om zoutkristallen op het oppervlak,
waardoor water in de kaartsleuf zou kunnen gaan lekken, te voorkomen.
De toetsen controleren
Controleer of er geen toetsen in ingedrukte positie vastzitten. Als er een vastzit, deze heen en
weer bewegen om hem los te maken.
Aansluitingen controleren
De aansluitingen moeten alleen visueel worden gecontroleerd.
Druk de stekker in de aansluiting. Als de stekker een vergrendeling heeft, moet u controleren
of die in de juiste stand staat.
21
Onderhoud | NSS evo2 Bedieningshandleiding
107
NMEA 0183 data loggen
Alle seriële uitvoercodes die via de NMEA 0183 TCP verbinding worden verzonden, worden
in een intern bestand gelogd. U kunt dit bestand exporteren en bekijken voor
servicedoeleinden en het oplossen van problemen.
De maximum grootte van het bestand is vooraf bepaald. Als u nog meer bestanden in het
systeem hebt opgeslagen (opnamen, muziek, afbeeldingen, pdf bestanden), kan dat de
toegestane grootte van het logbestand beperken.
Het systeem logt zoveel dat als mogelijk is binnen de toegestane bestandsgrootte en begint
daarna de oudste data te overschrijven.
Het logbestand exporteren
Het logbestand kan met behulp van de bestanden browser worden geëxporteerd.
Wanneer u de Log database selecteert, wordt u gevraagd een bestemming map en
bestandsnaam te selecteren. Als die geaccepteerd zijn, wordt het logbestand naar de
gekozen locatie geschreven.
Software upgrades
De nieuwste software voor de NSS evo2 is beschikbaar om te downloaden op onze website:
simrad-yachting.com.
Gedetailleerde instructies voor het installeren van de software worden bij de upgrade
bestanden meegeleverd.
108
Onderhoud | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Een backup van alle waypoints, routes en tracks maken
Gebruik de optie Exporteren wanneer u een reservekopie van alle waypoints, routes en tracks
op uw systeem wilt maken.
Onderhoud | NSS evo2 Bedieningshandleiding
109
Trefwoordenregister
A
Aankomst alarm 43
Aankomst radius 43
Actief paneel 17
Afstand meten
67, 74
AIS 80
Doel symbolen 80
DSC 82
Een AIS vaartuig oproepen 82
Informatie op radar panelen 81
Informatie over doelen bekijken 81
Symbool filters 84
Symbool oriëntatie 85
Zoeken naar AIS items 81
AIS SART 82
Alarmbericht 82
Alarmen
Afzonderlijk alarm 100
Alarm instellingen dialoogvenster 101
Bevestigen 101
Meerdere alarmen 100
Type berichten 100
Alarmsysteem 100
Applicatie pagina's 12
Audio 87
Favoriete zenders 90
Gebruik 90
Het audio systeem instellen 89
Inschakelen 87
Luidsprekers 89
Luidsprekerzones 89
Master volumeregeling 89
Regelknoppen 88
Sirius afkoppelen 89
Sirius radio 90
Tuner regio selecteren 89
Audio functies 89
Audio paneel 88
Autopilot
Standby (STBY) modus 48
Autorouting 35
Gehele route 36
Selectie 36
Voorbeeld 36
B
Bediening
Touchscreen 16
Brug bediening 21
Brug voorinstellingen 22
Configureren van vooraf ingestelde
pagina's 22
Displays toevoegen 21
Pagina configuraties 21
CZone 14
CZone instrumentenbord
14
Wijzigen 14
D
DCT 53
Demo modus 105
Dialoogvensters 17
DownScan overlay 71
E
Easy Routing 35
Voorbeeld 36
EBL/VRM markeringen 61
Eerste keer starten 15
Extra 103
F
Fantoom Loran 43
Instellingen 43
Favoriete pagina's 13
Nieuwe toevoegen 20
Wijzigen 20
Fishfinder 66
A-Scope 70
Bereik 68
Bottom Lock 70
Dieptelijn 70
Frequentie 68
Gebruik van de cursor 67
Gesplitst scherm 70
Historie bekijken 68
Opgenomen data bekijken 70
Pauzeren 69
Ping snelheid 69
Temperatuur grafiek 70
Verschuifsnelheid 69
Vis ID 71
Weergave opties 70
Zoombalk 67
Zoombalken 71
Zoomen 67
Fishfinder beeld 66
Fishfinder bron 71
Fishfinder data opnemen 69
Fishfinder instellingen 71
Fishfinder opnamen 71
FLIR camera
Bedienen 97
Digitale zoom 98
Draaien en kantelen 98
Home positie 98
Integratie 13
Opties voor bron 98
Optische zoom 98
Verbinding tot stand brengen 97
Zoomen 98
Frontpaneel 10
110
C
Coördinatensysteem 44
Cursor hulp 26, 58, 67, 74
Trefwoordenregister | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Toetsen 10
FUSION-Link 13, 87
G
Ga naar cursor 26, 58, 67, 74
Garantie 3
Gesplitste pagina's 12
Vooraf geconfigureerd 13
Gevaarlijke vaartuigen 85
GoFree draadloos 14
GRIB weer 91
Data importeren 92
Informatievenster 93
Overlay op kaart paneel 92
Weervoorspellingen met animaties 93
Grootcirkel 43
H
Het systeem aan en uit zetten 15
Het systeem aanpassen 19
Home pagina 11
Home pagina achtergrond 19
I
Instrument panelen
Aanpassen 86
Instrumentenbord wijzigen 86
Instrumentenborden 86
Instrumentenbalk 20
Aan/uit zetten 20
Inhoud wijzigen 20
Uiterlijk instellen 20
Instrumentenborden 86
Instrumentenpanelen 86
K
Kaart oriëntatie symbool 25
Kaart oriëntatie
Koers boven 25
Noord boven 25
Vaarrichting boven 25
Kaarten 23
3D kaarten 27
Afstand meten 26
Boot symbool 24
Gebruik van de cursor 26
Geïntegreerde cartografie 24
Het vaartuig op het kaart paneel
positioneren 25
Insight 28
Beeldstijl 28
Kaart categorieën 28
Kaart details 28
Vergroting 28
Instellingen 32
Jeppesen
Waterstanden en stromingen 31
Kaart data 24
Kaart objecten zoeken 27
Kaart paneel 23
Kaart type selecteren 24
Kaartschaal 24
Navionics 28, 29
Aantekening 29
Community wijzigingen 28
Contourdiepte 29
Diepte markeringsbereik 30
Dynamische waterstanden en
stromingen 29
Easy view 30
Fish N' Chip 30
Foto overlay 30
Foto transparantie 30
Gekleurde zeebodem gedeelten 29
Kaart arcering 29
Kaartdetails 29
Ondiep water markering 31
Presentatie type 29
Rotsfilter 29
Veiligheidsdiepte 29
Oriëntatie 25
Overlay 27
Pannen 24
Routes aanmaken 26
Twee kaarten 24
Vooruit kijken 25
Waypoints opslaan 26, 34, 58, 68, 74
L
Loxodromen 43
Luidsprekers 89
Luidsprekerzones 89
M
Magnetische variatie 44
Man overboord (MOB)
MOB markering plaatsen 18
Navigatie naar MOB annuleren 18
Verwijderen van MOB markering 18
Menu's 17
Mercury VesselView 13
MMSI nummer 84
N
Navigatie instellingen 43
Navigeren 40
Aankomst alarm 43
Aankomst radius 43
Datum 44
Met stuurautomaat 42
Methodes 43
Grootcirkel 43
Loxodromen 43
Naar cursorpositie 41
Nav paneel 41
Nav paneel datavelden 41
Op een route navigeren 42
Trefwoordenregister | NSS evo2 Bedieningshandleiding
111
Panelen 40
Positie paneel 41
Netwerk fishfinder
71
NMEA 0183 data loggen 108
NMEA 0183
Logbestand exporteren 108
O
Op een route navigeren
Navigatie annuleren 42
OP40 14
P
Pagina's
Actief paneel selecteren 17
Een pagina selecteren 17
Paletten 70, 75
Paneelgrootte veranderen 19
Panelen
Paneelgrootte veranderen 19
pdf
bestanden bekijken 4
PPI 61
Preventief onderhoud 107
R
Radar 57
Alarm instellingen 62, 64
Bereik 58
Data opnemen 64
Doel boost 60
Doel sporen 60
Doel vergroting 60
Drempel 60
EBL/VRM markeringen 61, 62
EBL/VRM
Plaatsen 62
EBL/VRM
Gain 59
Gevoeligheid 62
Instellingen 64
Koers boven 61
MARPA
Doel symbolen 63
Doelen 63
Doelen volgen 63
Info over doel bekijken 63
Noord boven 61
Offset 61, 62
Oriëntatie 60
Overlay 57
Palet 60
Positie van radar midden 61
PPI 61
Radar paneel 57
Rain clutter 59
Sea clutter 59
Snelscan 60
STC curve 60
Storing 59
Vaarrichting boven
60
Veiligheidszone 62
Ware beweging 61
Werkstanden 58
Routes 35
Autorouting 35
Een route van bestaande waypoints
aanmaken 37
Nieuwe route op het kaart paneel
aanmaken 35
Route wijzigen dialoogvenster 37
Track naar route converteren 37
Routes dialoogvenster 39
Ruisonderdrukking 69
S
Scherm opname 18
Scherm verlichting 15
Simulator 105
Bronbestanden 105
Demo modus 105
Sirius radio 90
Favorietenlijst 90
Kanalen vergrendelen 90
Kanalenlijst 90
Sirius weer 93
Golfhoogte indicatie 94
Kleurcodes 95
Neerslag 94
Overlay op kaart paneel 93
Status paneel 93
Tropische berichten 95
Weer met animaties 95
Weersymbolen 94
Zeewater oppervlakte temperatuur
(SST) 94
Zeezones 95
Snelheid en koers indicatie 85
Software upgrade 108
SonicHub 87
Standby modus 15
STC curve 60
StructureMap 70, 77
Activeren 77
Beeld 77
Bronnen 77
Cartografie kaarten 78
Live bron 77
Opgeslagen bestanden 78
Opties 79
Tips 78
StructureScan 73
Aangepast bereik 75
Auto bereik 75
Beeld 73
Bereik 75
Bereiklijnen 75
Contrast 75
112
Trefwoordenregister | NSS evo2 Bedieningshandleiding
Data naar StructureMap formaat
converteren 78
Data opnemen 78
Frequenties 75
Geavanceerde instellingen 75
Gebruik van de cursor 74
Het beeld pauzeren 75
Historie bekijken 74
Links/rechts omwisselen 75
Vooraf ingestelde bereiken 75
Weergave opties 73
Zoomen 73
Stuurautomaat 45
Activeren 45
AP24/28 systemen 54
AUTO modus 48
Besturing op wendpatronen 52
C-bocht 52
Diepte contour volgen 53
EVC-systeem 54
Externe stations vergrendelen 54
Follow-up besturing 48
Gijpen 51
HI/LO parameters 56
Indicatie op de Statusbalk 46
Indicatie op pagina's 45
Instellingen 55
Kaart kompas 55
Non-Follow up modus 48
Overstag gaan in AUTO modus 49
Overstag gaan in WIND modus 51
Overzicht van werkstanden 47
Reactie 56
Sea state filter 55
Spiraal wending 52
Stuurautomaat paneel 47
Stuurautomaat pop-up 46
Stuurautomaat vakje op
Instrumentenbalk 46
U-bocht 52
Uitwijken 49
Vierkante bocht 53
Waypoint aankomst radius 50
WIND modus 51
WIND Nav modus 52
Wisselen naar handbesturing 45
Zeilparameters 55
Zigzag wendingen 53
sw versie 5
T
Tijd plot 99
Tijd plot paneel 99
Ontbrekende data 99
Tijd plots
Data selecteren 99
Touchscreen bediening 16
Touchscreen vergrendelen 15
Touchscreen
Vergrendelen 15
Track instellingen 38
Tracks 38
Nieuwe aanmaken 38
Tracks dialoogvenster 39
TVG 69, 75
V
Vaartuig alarmen 83
Vaartuig instellingen 84
Verlengingslijnen 84
Verlichting 15
Video 97
Beeld instellen 97
Bron 97
Het paneel instellen 97
Standaard 97
Video
Video paneel 97
W
Wallpaper 19
Waypoints 34
Alarm instellingen 34
Verplaatsen 34
Wijzigen 34
Waypoints dialoogvenster 39
Weer 91
Alarmen 96
Weerdetails weergeven 95
WIFI-1 14
Windsymbolen 91
X
XTE limiet 43
XTF formaat 69
Z
Zoekdiepte 72
Trefwoordenregister | NSS evo2 Bedieningshandleiding
113
0980
*988-10955-001*
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114

Simrad NSS evo2 Handleiding

Type
Handleiding