HP Laser MFP 432fdn Handleiding

Type
Handleiding
Inhoudsopgave
Gebruikershandleiding
HP Laser MFP 432fdn
www.hp.com/support/laser432MFP
Auteursrecht en licentie | 2
Auteursrecht en licentie
© Copyright 2020 HP Development Company, L. P.
Reproductie, aanpassing of vertaling zonder voorafgaande schriftelijke toestemming is verboden, behalve
zoals toegestaan onder de wetten op het auteursrecht.
De informatie in dit document is onderhevig aan verandering zonder kennisgeving.
De enige garanties voor HP-producten en -diensten zijn vastgelegd in de garantieverklaringen bij de
betreffende producten en diensten. Niets hierin mag worden opgevat als een aanvullende garantie. HP is niet
aansprakelijk voor technische of redactionele fouten of weglatingen in dit document.
• Adobe
®
, Adobe Photoshop
®
, Acrobat
®
en PostScript
®
zijn handelsmerken van Adobe Systems Incorporated.
• Microsoft
®
en Windows
®
zijn in de V.S. geregistreerde handelsmerken van Microsoft Corporation.
• Alle andere merk- of productnamen zijn handelsmerken van hun respectievelijke bedrijven of organisaties.
REV. 1.00
3
Inleiding
Belangrijkste voordelen 7
Functies per model 8
Nuttig om te weten 11
Informatie over deze gebruikershandleiding 12
Veiligheidsinformatie 13
Apparaatoverzicht 19
Overzicht van het bedieningspaneel 22
Het apparaat inschakelen 24
De software installeren 25
Menuoverzicht en basisinstellingen 26
Menuoverzicht en
basisinstellingen
Menuoverzicht 27
De standaardinstellingen van het apparaat 37
Afdrukmateriaal en lade 40
Een USB-geheugenapparaat gebruiken 56
Een via een netwerk aangesloten apparaat gebruiken 62
Een via een netwerk
aangesloten apparaat
gebruiken
Instelling bekabeld netwerk 63
Installeren van een stuurprogramma over het netwerk
65
HP Embedded Web Server gebruiken 66
Afdrukken 69
Afdrukken
Standaard afdruk 70
Een afdruktaak annuleren 71
Voorkeursinstellingen openen 72
Voorkeursinstellingen gebruiken 73
Help gebruiken 74
Beveiligd afdrukken 75
Afdrukfuncties 76
Printer Status-programma gebruiken 83
Kopiëren 85
Kopiëren
Normaal kopiëren 86
De instellingen per kopie wijzigen 87
Inhoudsopgave
4
Identiteitskaarten kopiëren 90
Scannen 92
Scannen
Basisscanmethode 93
Scannen vanuit het programma HP MFP Scan program
94
Scannen vanuit een programma voor het bewerken
van afbeeldingen 95
Scannen met het WIA-stuurprogramma 96
Naar WSD scannen 97
Faxen 99
Faxen
Voorbereiden om te faxen 100
Een fax verzenden 101
Een fax ontvangen 107
Een fax doorsturen naar een ander nummer 111
De documentinstellingen aanpassen 113
Het faxadresboek instellen 115
Menu´s met nuttige instellingen 119
Menu´s met nuttige
instellingen
Kopiëren 120
Fax 125
Scannen 129
Afdrukken 130
Directe USB 131
Systeeminstallatie 132
Netwerk 138
Taakbeheer 140
PrinterOn 141
Onderhoud 142
Onderhoud
Verbruiksartikelen en toebehoren bestellen 143
Beschikbare verbruiksartikelen 144
Beschikbare accessoires 146
Verkrijgbare onderdelen voor onderhoud 147
De tonercassette bewaren 148
5
Toner herverdelen 150
De tonercassette vervangen 152
De beeldeenheid vervangen 154
Accessoires installeren 155
De gebruiksduur van de verbruiksartikelen
controleren 158
Instellen van de waarschuwing "Toner bijna op" 159
Het apparaat reinigen 160
Problemen oplossen 165
Problemen oplossen
Tips om papierstoringen te voorkomen 166
Papierstoringen verhelpen 167
Informatie over de LED's 176
Informatie over displaymeldingen 178
Een bericht "Low Toner" of "Very Low Toner" wordt
weergegeven in het rapport informatie over
benodigheden. 184
Problemen met papierinvoer 185
Problemen met de voeding en het netsnoer 186
Andere problemen oplossen 187
Bijlage 202
Bijlage
Algemene specificaties 203
Specificaties van de afdrukmedia 204
Systeemvereisten 207
Inleiding
In dit hoofdstuk staat informatie die u nodig heeft om het apparaat te gebruiken.
• Belangrijkste voordelen 7
• Functies per model
8
• Nuttig om te weten 11
• Informati
e over deze gebruikershandleiding 12
• Veiligheidsinformatie 13
• Apparaatoverzicht 19
• Overzicht van het bedieningspaneel 22
• Het apparaat inschakelen 24
• De software installeren 25
Belangrijkste voordelen | 7
Belangrijkste voordelen
Milieuvriendelijk
• Om papier te besparen kunt u meerdere pagina's printen op een enkel vel papier.
• Dit apparaat bespaart automatisch elektriciteit door het stroomverbruik aanzienlijk te
beperken wanneer het apparaat niet wordt gebruikt.
• We raden aan kringlooppapier te gebruiken om energie te besparen.
Gemak
• Als u toegang heeft tot internet, kunt u hulp, ondersteuning, apparaatdrivers, handleidingen,
en informatie van de website van HP bestellen (www.hp.com/support/laser432MFP).
Grote functionaliteit en brede ondersteuning van toepassingen.
• Ondersteunt verschillende papiermaten.
• Watermerken afdrukken: U kunt uw documenten voorzien van een watermerk (bijv.
"Vertrouwelijk").
• Posters afdrukken: De tekst en afbeeldingen op alle pagina's van uw document worden
vergroot en afgedrukt over meerdere vellen papier, en deze kunnen vervolgens worden
samengevoegd tot een poster.
Functies per model | 8
Functies per model
Sommige functies en optionele onderdelen zijn mogelijk niet beschikbaar afhankelijk van
model of land.
Besturingssysteem
(: ondersteund)
Software
(: ondersteund)
Besturingssysteem HP Laser MFP 432fdn
Windows
Software HP Laser MFP 432fdn
PCL-printerstuurprogramma
PS-printerstuurprogramma
a
a.Download het HP UPD-printerstuurprogramma op de HP-website en installeer deze:
www.hp.com/support/laser432MFP. Controleer of het besturingssysteem van uw computer de software
ondersteunt voordat u met de installatie begint.
HP Embedded Web Server
Functies per model | 9
Verschillende functies
Functies HP Laser MFP 432fdn
Hi-Speed USB 2.0
Netwerkinterface Ethernet 10/100/1000 Base TX bedraad
LAN
Dubbelzijdig afdrukken
USB-geheugeninterface
Geheugenmodule
Optionele lade (lade 3)
Documenti
nvoer
Dubbelzijdige automatische documentinvoer
(DADI)
Fax
Meerdere verz.
Uitgest. verz.
Dubbelzijdig verzenden
Veilige ontv.
Dubbelz. afdr.
Naar ander nr./ Ontv. en doorst. - fax
Naar ander nr./ Ontv. en doorst. - e-mail
Naar ander nr./ Ontv. en doorst. - server
Scannen
Scannen naar e-mail
Scannen naar SMB-server
Scannen naar FTP-server
Dubbelzijdig scannen
Scan naar pc
Functies per model | 10
(: beschikbaar, : optioneel)
Kopiëren
Identiteitskaarten kopiëren
Verkleinend of vergrotend kopieëren
Sorteren
Auto aanpassen
Boek
2 pagina's/vel, 4 pagina's/vel
Achtergrond wijzigen
Rand wissen
Dubbelzijdig kopiëren
Functies HP Laser MFP 432fdn
Nuttig om te weten | 11
Nuttig om te weten
Het apparaat drukt niet af.
• Open de afdruklijst en verwijder het document uit de lijst (zie "Een
afdruktaak annuleren" op pagina 71).
• Verwijder het stuurprogramma en installeer deze opnieuw (zie "De
software installeren" op pagina 25).
• Selecteer uw printer als de standaardprinter in Windows.
Waar kan ik accessoires of verbruiksartikelen kopen?
• Informeer bij een HP-distributeur of uw winkelier.
• Bezoek de website van HP (https://store.hp.com/). U kunt de
productservice-informatie bekijken.
De status-LED knippert of blijft branden.
• Schakel het apparaat uit en weer in.
• Zoek de betekenis van de LED-indicatorlampjes in deze handleiding en los
het probleem op (zie "Informatie over de LED's" op pagina 176).
Er is papier vastgelopen.
• Zoek de instructies voor het verwijderen van vastgelopen papier in deze
handleiding en los het probleem op (zie "Papierstoringen verhelpen" op
pagina 167).
De afdrukken zijn vaag.
• Het toner is mogelijk op of ongelijk verdeeld. Schud de tonercassette (zie
"Toner herverdelen" op pagina 150).
Probeer een andere instelling voor de resolutie (zie "Voorkeursinstellingen
openen" op pagina 72).
Vervang de tonercassette (zie "De tonercassette vervangen" op pagina 152).
Waar kan ik het stuurprogramma van de printer downloaden?
• Bezoek www.hp.com/support/laser432MFP om de nieuwste
stuurprogramma's van de printer te downloaden en te installeren op uw
systeem.
Informatie over deze gebruikershandleiding | 12
Informatie over deze gebruikershandleiding
Deze gebruikershandleiding bevat basisinformatie over het apparaat en biedt tevens
gedetailleerde informatie over de verschillende procedures die doorlopen moeten worden bij het
gebruik van het apparaat.
• Gooi deze handleiding niet weg, maar bewaar deze ter referentie.
• Lees de veiligheidsinformatie voor u het apparaat in gebruik neemt.
• Raadpleeg het hoofdstuk over probleemoplossing als u problemen ondervindt bij gebruik van
het apparaat.
• De termen die in deze gebruikershandleiding worden gebruikt, worden uitgelegd in het
hoofdstuk met de woordenlijst.
De afbeeldingen in deze gebruikershandleiding zijn afhankelijk van de opties en het model, en
komen mogelijk niet helemaal overeen met het door u gekochte apparaat.
• De schermafbeeldingen in deze gebruikershandleiding kunnen afwijken van de
schermweergave van uw apparaat afhankelijk van de firmware-/stuurprogrammaversie.
• De procedures in deze gebruikershandleiding zijn voornamelijk gebaseerd op Windows 7.
Afspraken
Sommige in deze gebruikershandleiding gebruikte termen zijn verwisselbaar:
• Document is synoniem met origineel.
• Papier is synoniem met materiaal of afdrukmateriaal.
• Apparaat verwijst naar printer of multifunctionele printer.
Algemene pictogrammen
Pictogram Tekst Omschrijving
Waarschu
wing
Gebruikt om gebruikers te waarschuwen voor de mogelijkheid op
persoonlijk letsel.
Opgepast
Biedt gebruikers informatie om het apparaat te beschermen tegen
mogelijke mechanische schade of defecten.
Opmerkin
g
Biedt aanvullende informatie of gedetailleerde uitleg over een
functie of voorziening van het apparaat.
Veiligheidsinformatie | 13
Veiligheidsinformatie
Deze waarschuwingen en voorzorgen moeten eventuele beschadigingen aan uw apparaat en
verwondingen aan uzelf of anderen voorkomen. Lees deze instructies aandachtig voor u het
apparaat in gebruik neemt. Bewaar dit document goed nadat u het hebt gelezen.
Belangrijke veiligheidssymbolen
Verklaring van alle pictogrammen en symbolen in dit hoofdstuk
Bedrijfsomgeving
Waarschuwing
Waarschu
wing
Gevaren of onveilige praktijken die ernstig letsel of de dood kunnen
veroorzaken.
Opgepast
Gevaren of onveilige praktijken die een klein letsel of
eigendomsschade kunnen veroorzaken.
Niet gebruiken als de stekker beschadigd is of als het stopcontact niet geaard is.
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
Plaats niets op het apparaat (water, kleine metalen of zware voorwerpen,
kaarsen, brandende sigaretten, enzovoort).
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
• Als het apparaat oververhit raakt, komt er rook uit, maakt het vreemde
geluiden of verspreidt het vreemde geuren. Schakel onmiddellijk de
stroomschakelaar uit en koppel het apparaat los.
De gebruiker moet bij het stopcontact kunnen om in geval van nood de stekker
uit het stopcontact te kunnen trekken.
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
Buig het netsnoer niet en plaats er geen zware voorwerpen op.
Het trappen op of beknellen van het netsnoer door een zwaar voorwerp kan een
elektrische schok of brand veroorzaken.
Haal de stekker niet uit het stopcontact door aan het netsnoer te trekken; trek
de stekker er niet uit met natte handen.
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
Veiligheidsinformatie | 14
Opgepast
Bedieningswijze
Opgepast
Haal de stekker uit het stopcontact tijdens onweer of als u het apparaat niet
gebruikt.
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
Opgelet, het papieruitvoergebied is heet.
U kunt brandwonden oplopen.
Als het apparaat is gevallen of als de behuizing beschadigd lijkt, koppelt u het
apparaat volledig los en roept u de hulp in van een gekwalificeerd technicus.
Zo niet kan dit een elektrische schok of brand veroorzaken.
Als het apparaat niet goed werkt nadat u deze instructies hebt uitgevoerd,
koppelt u het apparaat volledig los en roept u de hulp in van een gekwalificeerd
technicus.
Zo niet kan dit een elektrische schok of brand veroorzaken.
Probeer de stekker niet in het stopcontact te forceren als hij er moeilijk ingaat.
U riskeert een elektrische schok. Neem contact op met een elektricien om het
stopcontact te vervangen.
Voorkom dat huisdieren op het netsnoer, de telefoonkabel of de kabel naar de
computer bijten.
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken en/of uw huisdier
verwonden.
Trek het papier niet uit de printer tijdens het afdrukken.
Dit kan het apparaat beschadigen.
Houd uw hand niet tussen het apparaat en de papierlade.
U kunt letsel oplopen.
Wees voorzichtig wanneer u papier vervangt of vastgelopen papier verwijdert.
Nieuw papier heeft scherpe randen die snijwonden kunnen veroorzaken.
Veiligheidsinformatie | 15
Installatie/verplaatsen
Waarschuwing
Bij het afdrukken van grote hoeveelheden kan de onderzijde van het
uitvoergebied heet worden. Houd kinderen uit de buurt.
Zij kunnen brandwonden oplopen.
Gebruik geen tang of scherpe metalen voorwerpen om vastgelopen papier te
verwijderen.
Dit kan het apparaat beschadigen.
Vermijd het stapelen van te veel papier in de papieruitvoerlade.
Dit kan het apparaat beschadigen.
Blokkeer de ventilatieopening niet of duw er geen voorwerpen in.
Hierdoor kunnen onderdelen warm worden en kan er brand ontstaan of kan het
apparaat beschadigd raken.
Het gebruik van sturingen of instellingen of het uitvoeren van procedures die
afwijken van deze hier vermeld kan resulteren in gevaarlijke blootstelling aan
straling.
Het apparaat wordt gevoed via het netsnoer.
Om de stroom uit te schakelen, trekt u het netsnoer uit het stopcontact.
Plaats het apparaat niet in een stoffige of vochtige ruimte of op een plek waar
water lekt.
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
Plaats de machine in een omgeving die voldoet aan de gestelde specificaties
voor werkingstemperatuur en vochtigheid.
Gebruik het apparaat niet bij vriestemperaturen of nadat het pas vanuit een
plaats met vriestemperaturen werd verplaatst. Dit kan het apparaat
beschadigen. Gebruik het apparaat alleen wanneer de interne
apparaattemperatuur zich binnen de bedrijfstemperatuur- en
vochtigheidsspecificaties bevindt.
Anders kunnen er kwaliteitsproblemen voorkomen en schade aan het apparaat
veroorzaken (zie "Algemene specificaties" op pagina 203).
Veiligheidsinformatie | 16
Opgepast
Schakel de stroom uit en maak alle kabels los voordat u het apparaat verplaatst.
De onderstaande informatie bevat slechts aanbevelingen gebaseerd op het
apparaatgewicht. Wanneer u vanwege uw medische conditie niet kunt tillen, til
het apparaat dan niet op. Voor veilig tillen moet u anderen vragen om u te
helpen en het apparaat altijd met het juiste aantal personen optillen.
Til vervolgens het apparaat op deze wijze op:
• Een apparaat dat minder dan 20 kg weegt, mag door één persoon worden
opgetild.
• een apparaat dat 20 - 40 kg weegt, moet door twee personen worden
opgetild.
• een apparaat dat meer dan 40 kg weegt, moet door vier of meer personen
worden opgetild.
Het apparaat zou kunnen vallen en verwondingen of schade veroorzaken.
Kies een locatie met een vlakke ondergrond en voldoende ventilatie voor het
apparaat. Houd ook rekening met een ruimte die nodig is voor het deksel en de
laden.
De ruimte moet goed geventileerd zijn en het apparaat mag niet worden
blootgesteld aan direct zonlicht, hitte en vocht.
Wanneer u het apparaat langdurig gebruikt of een groot aantal pagina's in een
niet-geventileerde ruimte afdrukt, kan de lucht vervuild raken en schadelijk
worden voor uw gezondheid. Plaats het apparaat in een goed geventileerde
ruimte of open regelmatig een raam om schonen lucht binnen te laten.
Plaats het apparaat niet op een onstabiel of schuin oppervlak.
Het apparaat zou kunnen vallen en verwondingen of schade veroorzaken.
Gebruik alleen telefoondraad van Nr. 26 AWG
a
of, indien nodig, een grotere
telefoondraad.
Zo niet kan het apparaat beschadigd raken.
Sluit het netsnoer aan op een geaard stopcontact.
Zo niet kan dit een elektrische schok of brand veroorzaken.
Gebruik voor een veilige bediening het netsnoer dat met uw apparaat werd
meegeleverd. Als u een snoer gebruikt dat langer is dan 2 meter voor een
apparaat van 110V, moet het snoer minstens 16 AWG dik zijn.
Zo niet kan het apparaat beschadigd raken en een elektrische schok of brand
veroorzaken.
Dek het apparaat niet af en plaats het niet in een slecht geventileerde ruimte,
zoals een kast.
Als het apparaat niet voldoende wordt geventileerd, kan er brand ontstaan.
Veiligheidsinformatie | 17
Onderhoud/controle
Opgepast
Sluit niet te veel apparaten op hetzelfde stopcontact of verlengsnoer aan.
Dit kan de prestaties verminderen en een elektrische schok of brand
veroorzaken.
Het apparaat moet aangesloten worden op een spanningsbron met het
spanningsniveau dat is aangegeven op het label.
Als u niet zeker bent en het spanningsniveau wilt controleren, neemt u contact
op met de elektriciteitsmaatschappij.
a.AWG: American Wire Gauge
Trek het netsnoer van het apparaat uit het stopcontact als u de binnenkant van
het apparaat wilt reinigen. Reinig uw apparaat niet met benzeen,
verdunningsmiddel of alcohol, en spuit geen water in het apparaat.
Dit kan een elektrische schok of brand veroorzaken.
Zorg ervoor dat het apparaat niet werkt als u verbruiksartikelen in het
apparaat vervangt of de binnenkant schoonmaakt.
U kunt letsel oplopen.
Houd reinigingsproducten uit de buurt van kinderen.
Kinderen kunnen letsel oplopen.
U mag het apparaat niet zelf demonteren, herstellen of weer in elkaar steken.
Dit kan het apparaat beschadigen. Neem contact op met een professioneel
technicus als het apparaat gerepareerd moet worden.
Volg de richtlijnen uit de gebruikershandleiding die met het apparaat werd
meegeleverd om het apparaat te reinigen en te bedienen.
Zo niet, dan kunt u het apparaat beschadigen.
Houd het netsnoer en het contactoppervlak van de stekker stof- en watervrij.
Zo niet kan dit een elektrische schok of brand veroorzaken.
• Verwijder geen kleppen of beveiligingselementen die vastgeschroefd zijn.
• Fixeereenheden mogen alleen worden hersteld door een gekwalificeerde
servicemedewerker. Reparatie door niet-gekwalificeerde technici kan
brand of elektrische schokken veroorzaken.
Het apparaat mag alleen worden hersteld door een HP-servicemedewerker.
Veiligheidsinformatie | 18
Gebruik van verbruiksartikelen
Opgepast
Haal de tonercassette niet uit elkaar.
Tonerstof kan gevaarlijk zijn bij inademing of opname.
Verbrand geen verbruiksartikelen zoals een tonercassette of fixeereenheid.
Dit kan een explosie of onbeheersbare brand veroorzaken.
Houd kinderen uit de buurt van de plaats waar u verbruiksartikelen
(bijvoorbeeld tonercassettes) bewaart.
Tonerstof kan gevaarlijk zijn bij inademing of opname.
Het gebruik van gerecycleerde verbruiksartikelen, zoals toner, kan het
apparaat beschadigen.
Bij schade als gevolg van het gebruik van gerecyclede verbruiksartikelen
zullen reparatiekosten in rekening worden gebracht.
Volg de onderstaande instructies voor verbruiksartikelen die tonerstof
bevatten (tonercartridge, cassette voor gebruikte toner, beeldeenheid,
enzovoort).
• Volg de instructies voor verwijdering wanneer u de verbruiksartikelen
weggooit. Raadpleeg de plaatselijke verkoper voor
verwijderingsinstructies.
• De verbruiksartikelen mogen niet gewassen worden.
• Gebruik de cassette voor gebruikte toner niet opnieuw nadat u deze hebt
geleegd.
Als u de bovenstaande instructies niet opvolgt, kan dit resulterende defecten
in het apparaat of verontreiniging van het milieu. De garantie dekt geen
kosten die zijn veroorzaakt door nalatigheid van de gebruiker.
Als er tonerstof op uw kleding terechtkomt, moet u geen warm water
gebruiken.
Door warm water hecht de toner zich aan de stof. Gebruik altijd koud water.
Zorg ervoor dat er geen tonerstof op uw lichaam of kledij terechtkomt bij het
vervangen van de tonercassette of het verwijderen van vastgelopen papier.
Tonerstof kan gevaarlijk zijn bij inademing of opname.
Apparaatoverzicht | 19
Apparaatoverzicht
Onderdelen
Het werkelijke onderdeel kan verschillen van de onderstaande illustratie. Sommige onderdelen
kunnen afhankelijk van de configuratie afwijken.
Apparaat
Installatiehandleiding en naslaghandleiding
Netsnoer
Div. accessoires
a
a.Diverse, bij uw printer geleverde accessoires kunnen verschillen per land van aankoop en specifiek
model.
Apparaatoverzicht | 20
Voorkant
1 Documentinvoerklep 12 Lade 1
2 Breedtegeleider voor documenten 13 USB-geheugenpoort
3 Documentinvoerlade 14 Steungeleiders voor uitvoerlade
4 Documentinvoersteunlade 15 Uitvoerlade
5 Documentuitvoerlade 16 Glasplaat van de scanner
6 Bedieningspaneel 17 Scannerdeksel
7 Klep moederbord 18 Handgreep op voorklep
8 Voorklep 19
Papierbreedtegeleiders op een
multifunctionele lade
9 Indicator papierniveau 20 Steungeleider voor Lade 1
10
Lade3
a
a.optioneel apparaat.
21 Tonercassette
11 Lade 2 22 Beeldeenheid
Apparaatoverzicht | 21
Achterkant
1 Aansluiting voor extensiekabel telefoon (EXT.)
2 Aansluiting telefoonkabel (LINE)
3 Netwerkpoort
4 USB-poort
5 Stroomschakelaar
6 Aansluiting netsnoer
7 Handvat achterklep
8 Achterklep
Overzicht van het bedieningspaneel | 22
Overzicht van het bedieningspaneel
Bedieningspaneel
1kopie ID
Hiermee kunt u beide zijden van een identiteitskaart of een
rijbewijs op één zijde van een vel papier kopiëren (zie
"Identiteitskaarten kopiëren" op pagina 90).
2Contrast
Hiermee past u de helderheid aan om een kopie te verkrijgen
die beter leesbaar is als het origineel onduidelijke markeringen
en donkere afbeeldingen bevat.
3 Schaal
U kunt het formaat van een gekopieerde afbeelding verkleinen
tot 25% of vergroten tot 400% wanneer u originelen kopieert
via de glasplaat (zie "Verkleinde of vergrote kopie" op pagina
88).
4Informatie
Hier vindt u gedetailleerde informatie over het apparaat. Drukt
een configuratiepagina af door op deze knop te drukken.
5 weergavescherm
Hiermee wordt de huidige status weergegeven en worden
berichten tijdens een bewerking weergegeven.
6Fax Hiermee schakelt u over naar de faxmodus.
7Kopiëren Hiermee schakelt u over naar de kopieermodus.
8Scannen Hiermee schakelt u over naar de scanmodus.
9OK
Hiermee bevestigt u de selectie op het scherm.
U kunt ook handmatig afdrukken. Druk op deze knop om de
andere kant van alle pagina’s af te drukken als u Dubbelzijdig
afdrukken (handmatig) in uw stuurprogramma hebt
geselecteerd.
10 Arrows
Hiermee bladert u door de beschikbare opties in het
geselecteerde menu en verhoogt of verlaagt u waarden.
Overzicht van het bedieningspaneel | 23
11 Numeriek toetsenblok
Hiermee kiest u een nummer of voert u alfanumerieke tekens in
(zie "Letters en cijfers op het toetsenblok" op pagina 38).
12
Adresboek Hiermee kunt u vaak gekozen faxnummers opslaan of
opgeslagen faxnummers zoeken (zie "Het faxadresboek
instellen" op pagina 115).
13
Opnieuw
kiezen/Pauze
ren
Hiermee kiest u het laatst verzonden faxnummer of ontvangen
nummergave opnieuw, of voegt u een pauze (-) in een
faxnummer in, in de bewerkingsmodus (zie"Faxnummer
opnieuw kiezen" op pagina 104).
14
M. hoorn op
haak kiezen
Wanneer u op deze knop drukt, kunt u een kiestoon horen. Voer
vervolgens een faxnummer in. Dit is vergelijkbaar met bellen
via de telefoonluidspreker (zie "Handmatig ontvangen in
telefoonmodus" op pagina 108).
15 Annuleren Hiermee kunt u op elk moment een taak onderbreken.
16 Aan/uit
Het apparaat in- of uitschakelen of het apparaat activeren
vanuit de energiebesparingsmodus. Druk langer dan drie
seconden op deze knop om het apparaat uit te schakelen.
17 Starten Hiermee start u een taak.
18
Energiebespa
ring
Schakelt over naar de slaapstand.
19 Achterkant Hiermee keert u terug naar het bovenliggende menu.
20 Menu
Hiermee opent u de menumodus en bladert u door de
beschikbare menu's (zie "Menuoverzicht" op pagina 27).
21 Status-LED
De functie geeft de status van uw printer weer (zie "Informatie
over de LED's" op pagina 176).
Het apparaat inschakelen | 24
Het apparaat inschakelen
1 Sluit de printer eerst op de netvoeding aan.
2 Zet de aan/uit-schakelaar aan.
3 De stroom wordt automatisch ingeschakeld.
Of, druk op de knop (Aan/Uit) op het bedieningspaneel.
Als u wilt de stroom wilt uit te schakelen, houdt de (Aan/uit)-knop ongeveer 3
seconden ingedrukt.
2
De software installeren | 25
De software installeren
Installeer de printersoftware nadat u de printer hebt geïnstalleerd en op uw computer hebt
aangesloten. Het PCL 6-printerstuurprogramma kan worden gedownload van de website voor
printerondersteuning. Download het stuurprogramma en gebruik vervolgens het
hulpprogramma Microsoft Printer toevoegen om het te installeren.
Vóór de installatie, controleer of uw computers besturingssysteem de software ondersteunt (zie
"Besturingssysteem" op pagina 8).
Ga naar www.hp.com/support/laser432MFP voor HP's allesomvattende hulp.
Vindt de volgende ondersteuning:
• Installeren en configureren
• Leren en gebruiken
• Problemen oplossen
• Download software- en firmware-updates
• Meld u aan bij ondersteuningsfora
• Vindt informatie met betrekking tot garantie en regelgeving
• Een lokale printer is een printer die via een kabel rechtstreeks op uw computer is
aangesloten. Als uw apparaat op een netwerk is verbonden, slaat u de onderstaande
stappen over en gaat u verder met de installatie van het stuurprogramma voor een
netwerkapparaat (zie "Installeren van een stuurprogramma over het netwerk" op
pagina 65).
• Wanneer u HP UPD gebruikt, raadt HP een netwerkverbinding aan in plaats van een
USB-verbinding. Vanwege de beperking van bidirectionele USB-communicatie, biedt
het stuurprogramma via USB-verbinding slechts een beperkte optie.
Gebruik alleen een USB-kabel die niet langer is dan 3 meter (118 inch).
Menuoverzicht en
basisinstellingen
Dit hoofdstuk levert informatie over de algemene menustructuur en de opties voor de
basisinstellingen.
• Menuoverzicht 27
• De standaardinstellingen van het apparaat 37
• Afdrukmateriaal en lade 40
• Een USB-geheugenapparaat gebruiken 56
Menuoverzicht | 27
Menuoverzicht
Het bedieningspaneel biedt toegang tot verschillende menu’s voor de instelling en het gebruik
van het apparaat.
Toegang tot het menu
1 Selecteer de knop Faxen, Kopiëren of Scannen op het bedieningspaneel, afhankelijk van de
functie die u wilt gebruiken.
2 Selecteer (Menu) tot het gewenste menu op de onderste regel van het scherm wordt
weergegeven en druk op OK.
3 Druk op de pijltoetsen tot het gewenste menuonderdeel verschijnt en druk op OK.
4 Herhaal stap 3 als het geselecteerde menu-item submenu’s heeft.
5 Druk op OK om de selectie op te slaan.
6 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de stand-bymodus.
Menuoverzicht | 28
Items Opties
Kopieerfunctie Formaat orig.
Verkl./vergr.
Dubbelzijdig
1->1-zijdig
1->2-zijdig
1->2-zijdig gedraaid
2->1-zijdig
2->1-zijdig gedraaid
2->2-zijdig
Tonersterkte
Licht+5 - Licht+1
Normaal
Donker+1 - Donker+5
Oorspr. type
Tekst
Tekst/foto
Foto
Sorteren
Lay-out
Normaal
2 pagina's/vel
4 pagina's/vel
ID kopie
Boekje kopiëren
Achtergrond
wijzigen
Uit
Auto
Versterk.nv.1
Versterk.nv.2
Vervag.niv. 1-Vervag.niv. 4
Rand wissen
Uit
Klein origineel
Perforeren
Rand wissen
Stempel Item
Watermerk Melding
Menuoverzicht | 29
Kopieerfunctie
St.inst. wijz.
Formaat orig.
Exemplaren
Verkl./vergr.
Dubbelzijdig
1->1-zijdig
1->2-zijdig
1->2-zijdig gedraaid
2->1-zijdig
2->1-zijdig gedraaid
2->2-zijdig
Tonersterkte
Licht+5 - Licht+1
Normaal
Donker+1 - Donker+5
Oorspr. type
Tekst
Tekst/foto
Foto
Sorteren
Faxfunctie
Tonersterkte
Licht+5- Licht+1
Normaal
Donker+1- Donker+5
Resolutie
Standaard
Fijn
Superfijn
Kleurmodus
Mono
Kleur
Oorspr. type
Tekst
Tekst/foto
Foto
Formaat orig.
Dubbelzijdig
1-zijdig
2-zijdig
2-zijdig gedraaid
Meerdere verz.
Uitgest. verz.
Items Opties
Menuoverzicht | 30
Naar ander nr.
Doorst. nr fax
Doorsturen naar e-mail
Doorsturen naar server
Ontv. en doorst.
Doorst. nr fax
Doorst. nr pc
Doorsturen naar e-mail
Doorsturen naar server
Doorst. en afd.
Veilige ontv.
Uit
Aan
Afdrukken
Taak annuleren
Items Opties
Menuoverzicht | 31
Faxinstel.
Verzending
Aant. kiespog.
Opn. kiezen na
Kenget. kiezen
ECM-modus
Faxbevestiging
TCR voor afb.
Kiesmodus
Daluren
Ontvangst
Ontvangstmodus
Opn. na bels.
Ontv.g. stemp.
Startc. ontv.
Aut. verklein.
Grootte neger.
Inst. ong. fax
DRPD-modus
Dubbelzijdig afdrukken
St.inst. wijz.
Tonersterkte
Resolutie
Kleurmodus
Oorspr. type
Formaat orig.
Dubbelzijdig
Handmatig V/O
Uit
Aan
Diag. Smartfax
Autom. config.
Nu starten
Initialiseren
Items Opties
Menuoverzicht | 32
Scanfunctie
USB-functie
Formaat orig.
Oorspr. type
Resolutie
Kleurmodus
Bestandsindeling
Dubbelzijdig
Tonersterkte
E-mailfunctie
Formaat orig.
Oorspr. type
Resolutie
Kleurmodus
Bestandsindeling
Dubbelzijdig
Tonersterkte
FTP-functie
Formaat orig.
Oorspr. type
Resolutie
Kleurmodus
Bestandsindeling
Dubbelzijdig
Tonersterkte
SMB-functie
Formaat orig.
Oorspr. type
Resolutie
Kleurmodus
Bestandsindeling
Dubbelzijdig
Tonersterkte
Functie gedeelde
map
Formaat orig.
Oorspr. type
Resolutie
Kleurmodus
Bestandsindeling
Dubbelzijdig
Tonersterkte
Scaninstel.
St.inst. wijz.
USB-functie
E-mailfunctie
FTP/SMB-functie
Functie gedeelde map
Items Opties
Menuoverzicht | 33
Afdrukinst.
Afdrukstand
Staand
Liggend
Dubbelzijdig
Uit
Lange zijde
Korte zijde
Exemplaren
Resolutie
Duid. Tekst
Uit
Minimum
Normaal
Maximum
Auto CR
Blanco pagina's overslaan
Emulatie
Type emulatie
Instellingen
Directe USB
Afdrukken vanaf
Exemplaren
Auto aanpassen
Dubbelzijdig
Papierinvoer
Kleurmodus
Bestandsbeheer
Verwijderen
Formatteren
Contr. ruimte
Items Opties
Menuoverzicht | 34
Systeeminst.
Apparaatinst.
Apparaat-id
Faxnummer
Datum en tijd
Klokmodus
Taal
Standaardmodus
Energ.spaarst.
Ontw.gebeurt.
Time-out syst.
Time-out taak
Hoogtecorrectie
Aut. doorgaan
Automatische ladekeuze
Papiervervanging
Ladebeveiliging
Tonerbesparing
PDF-type
Stempel
Inst. import.
Inst. export.
Papierinstel.
Papierformaat
Lade 1
Lade 2
Stand.formaat
Type papier
Lade 1
Lade 2
Papierinvoer
Marge
Bevestiging lade
Geluid/Volume
Toetsgeluid
Waarsch.geluid
Faxgeluid
Items Opties
Menuoverzicht | 35
Rapport
Configuratie
Demopagina
Netwerkconfiguratie
informatie over benodigdheden
Gebruiksteller
Fax ontvangen
Fax verzonden
Geplande taken faxen
Fax Send Confirmation
Ongewenste fax
E-mail verz.
PCL-lettertype
PS-lettertype
EPSON-lettert.
Adresboek
Onderhoud
Toner Op wis.
a
Gebruiksduur
Beeldmgr.
Toner bijna op
Beeldeenheid is bijna leeg.
Serienummer
Afb. overschr.
Handmatig
Overschrijfmethode
Tijden overschrijven
Items Opties
Menuoverzicht | 36
Netwerk
TCP/IP (IPv4)
DHCP
BOOTP
Statisch
TCP/IP (IPv6)
IPv6-protocol
DHCPv6 config
Ethernet
Ethernetpoort
Ethernet-snel.
802.1x
Protocolbeheer
HTTP
WINS
SNMP V1/V2
SNTP
UPnP(SSDP)
mDNS
SLP
Netwerkconfiguratie
Instel. wissen
Taakbeheer
b
Actieve taak
Beveiligde taak
Opgeslagen taak
Gedeelde map
PrinterOn
c
a.Deze optie verschijnt alleen als de tonercassette nog een kleine hoeveelheid toner bevat.
b.Deze optie is beschikbaar wanneer het optionele massaopslagapparaat, optionele geheugen of
RAM-schijf is geïnstalleerd.
c.Deze functie is alleen beschikbaar als PrinterOn is ingeschakeld. De submenu's die in dit menu
verschijnen kunnen verschillen als uw printer wel of niet is verbonden met de PrinterOn-server.
Items Opties
De standaardinstellingen van het apparaat | 37
De standaardinstellingen van het apparaat
U kunt de in het apparaat ingestelde apparaatinstellingen wijzigen vanaf HP Embedded
Web Server. Als uw apparaat op het netwerk is aangesloten, kunt u de
apparaatinstellingen instellen vanaf HP Embedded Web Server > tabblad Settings >
Machine Settings.
Standaardinstellingen apparaat
Nadat de installatie is voltooid, kunt u de standaardinstellingen van het apparaat opgeven.
Om de standaardinstellingen van het apparaat aan te passen, volgt u de volgende stappen:
Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere
niveaus te gaan.
1 Druk op de knop (Menu) op het bedieningspaneel.
2 Druk op Systeeminst. > Apparaatinst..
3 Kies de gewenste optie en druk op OK.
4 Kies de gewenste sub-optie en druk op OK.
5 Druk op OK om de selectie op te slaan.
6 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
De standaardinstellingen van het apparaat | 38
Verschillende tekens invoeren
U zult voor verschillende taken namen en nummers moeten invoeren. Bij de installatie van uw
apparaat moet u bijvoorbeeld uw naam of de naam van uw bedrijf en het faxnummer invoeren.
Wanneer u faxnummers of e-mailadressen in het geheugen opslaat, kunt u ook de bijbehorende
namen invoeren.
Alfanumerieke tekens invoeren
Druk een aantal keren op deze toets tot de gewenste letter op het display verschijnt. Om de letter
O in te voeren drukt u bijvoorbeeld op cijfertoets 6 met opschrift MNO. Telkens wanneer u op
cijfertoets 6 drukt, verschijnt er een andere letter op het display, M, N, O, m, n, o en ten slotte 6.
Zie "Letters en cijfers op het toetsenblok" op pagina 38om de letter te vinden die u wilt invoeren.
• U kunt een spatie invoeren door twee keer op 1 te drukken.
Druk op de pijl naar links/rechts of de pijl-omhoog/omlaag om het laatste cijfer of teken
te verwijderen.
Letters en cijfers op het toetsenblok
Afhankelijk van het model en de geïnstalleerde opties kan uw apparaat andere speciale
tekensets bevatten.
• Enkele van de volgende sleutelwaarden verschijnen mogelijk niet afhankelijk van de
taak die u uitvoert.
Toets Toegewezen cijfers, letters of tekens
1 @ / . 1
2 A B C a b c 2
3 D E F d e f 3
4 G H I g h i 4
5 J K L j k l 5
6 M N O m n o 6
7 P Q R S p q r s 7
8 T U V t u v 8
9 W X Y Z w x y z 9
0 & + - , 0
*
* % ^ _ ~ ! # $ ( ) [ ]
(Deze symbolen zijn beschikbaar voor het invoeren van uw
netwerkidentificatiegegevens)
De standaardinstellingen van het apparaat | 39
Aanpassing aan luchtdruk of hoogte
De afdrukkwaliteit wordt beïnvloed door de atmosferische druk, die wordt bepaald door de
hoogte boven zeeniveau waar het apparaat staat. De volgende informatie zal u helpen bij de
instelling van uw apparaat voor de beste afdrukkwaliteit.
Ga na op welke hoogte u zich bevindt en stel de juiste luchtdruk in.
Normaal: 0 ~ 1.000 m
Hoog 1: 1.000 m ~ 2.000 m
Hoog 2: 2.000 m ~ 3.000 m
Hoog 3: 3.000 m ~ 4.000 m
Hoog 4: 4.000 m ~ 5.000 m
Als uw apparaat op het netwerk is aangesloten, kunt u de apparaatinstellingen instellen
vanaf HP Embedded Web Server > tabblad Settings > Machine Settings.
• U kunt de hoogte ook instellen via de optie Systeeminst. op het display van het
apparaat (zie "De standaardinstellingen van het apparaat" op pagina 37).
#
# = | ? " : { } < > ;
(Deze symbolen zijn beschikbaar voor het invoeren van uw
netwerkidentificatiegegevens)
Toets Toegewezen cijfers, letters of tekens
Afdrukmateriaal en lade | 40
Afdrukmateriaal en lade
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u afdrukmedia in uw apparaat plaatst.
Afdrukmateriaal selecteren
U kunt afdrukken op verschillende afdrukmedia, zoals op gewoon papier, enveloppen, etiketten
en transparanten. Gebruik uitsluitend afdrukmateriaal dat voldoet aan de in deze
gebruikershandleiding vermelde richtlijnen.
Richtlijnen om afdrukmedia te selecteren
Afdrukmedia die niet aan de richtlijnen uit de gebruikershandleiding voldoen kunnen de
volgende problemen veroorzaken:
• Slechte afdrukkwaliteit.
• Meer papierstoringen
• Versnelde slijtage van het apparaat.
De eigenschappen van het papier, zoals gewicht, samenstelling, vezel- en vochtgehalte, zijn van
grote invloed op de prestaties van het apparaat en de afdrukkwaliteit. Houd bij de keuze van
afdrukmedia rekening met het volgende:
Het type, formaat en gewicht van het afdrukmateriaal voor uw apparaat worden beschreven in
de specificaties van afdrukmateriaal.
• Gewenst resultaat: de afdrukmedia die u kiest moeten geschikt zijn voor het doel.
• Helderheid: sommige afdrukmaterialen zijn witter dan andere en leveren scherpere,
helderdere en levendigere afbeeldingen op.
Gladheid van het oppervlak: de gladheid van de afdrukmedia bepaalt hoe scherp de afdrukken
er uitzien op papier.
• Het is mogelijk dat bepaalde afdrukmedia aan alle richtlijnen van deze
gebruikershandleiding voldoen en toch geen bevredigende resultaten opleveren. Dit
kan het gevolg zijn van eigenschappen van de vellen, een onjuiste bediening, een
ongewenst temperatuur- en vochtigheidsniveau of andere variabele omstandigheden
waarover men geen controle heeft.
• Voordat u grote hoeveelheden afdrukmedia koopt, controleert u of het papier voldoet
aan de vereisten in deze handleiding.
Afdrukmateriaal en lade | 41
• Wanneer u afdrukmateriaal gebruikt dat niet voldoet aan deze specificaties, kan dit
problemen veroorzaken waarvoor reparatie vereist is. Deregelijke reparaties worden
niet gedekt door HP's garantie of de service-overeenkomsten.
• Hoeveel papier u in de lade kunt plaatsen is afhankelijk van het gebruikte
afdrukmateriaal.
• Zorg ervoor dat u geen fotopapier voor inkjetprinters gebruikt. Dit kan uw apparaat
beschadigen.
• Gebruik van ontvlambaar afdrukmateriaal kan brand veroorzaken.
• Het gebruik van ontvlambare afdrukmedia kan brand veroorzaken. Gebruik
aangewezen afdrukmedia.
Het gebruik van ontvlambaar materiaal of het achterblijven van vreemde materialen in de
printer kan oververhitting veroorzaken en in zeldzame gevallen brand.
Hoeveel papier u in de lade kunt plaatsen is afhankelijk van het gebruikte afdrukmateriaal.
Afdrukmateriaal en lade | 42
Lade overzicht
Als u de geleiders niet aanpast, kan dit tot gevolg hebben dat de afdruk scheef of op de
verkeerde plaats afgedrukt wordt, of dat het papier vastloopt.
Om het formaat te wijzigen, moet u de papiergeleiders aanpassen.
De duplexeenheid is standaard ingesteld op het papierformaat Letter/LGL of A4, afhankelijk van
het land waar u de printer hebt gekocht. Om het papierformaat te wijzigen past u de geleider aan
zoals hieronder aangegeven.
1. Geleider voor lade-uitbreiding
2. Papierlengtegeleider
3. Papierbreedtegeleider
3
2
1
Afdrukmateriaal en lade | 43
De papierniveau-indicator geeft aan hoeveel papier er in de lade ligt.
1. Vol
2. Leeg
Als u de geleiders niet aanpast, kan dit tot gevolg hebben dat de afdruk scheef of op de
verkeerde plaats afgedrukt wordt, of dat het papier vastloopt.
Papier in de lade plaatsen
Lade 2/ Optionele lade (Lade 3)
1 Trek de lade uit.
Afdrukmateriaal en lade | 44
2 Houd om het formaat te wijzigen de breedtegeleider en lengtegeleider ingedrukt om ze in
de sleuf te plaatsen met het papierformaat dat onderaan de lade wordt aangegeven (zie
"Lade overzicht" op pagina 42).
3 Buig de papierstapel of waaier het papier uit, om de pagina's van elkaar te scheiden voor u
het papier in het apparaat plaatst.
4 Houd de breedtegeleider en lengtegeleider ingedrukt nadat u het papier in de lade heeft
geplaatst.
3
1
2
3
2
1
Afdrukmateriaal en lade | 45
Als u de geleiders niet aanpast, kan dit tot gevolg hebben dat de afdruk scheef of op
de verkeerde plaats afgedrukt wordt, of dat het papier vastloopt.
Druk de papierbreedtegeleider niet te hard tegen de rand van het papier, omdat het
papier daardoor kan buigen.
• Als u de breedtegeleider niet aanpast, kan het papier vastlopen.
Gebruik geen papier waarvan de voorste rand opgekruld is. Hierdoor kan het papier
vastlopen of kreukelen.
5 Plaats de lade terug in het apparaat.
6 Wanneer u een document afdrukt, stel dan het papiertype en de grootte voor de lade in (zie
"Papierformaat en -type instellen" op pagina 51).
Lade 1
In Lade 1 kunnen speciale soorten en formaten afdrukmateriaal worden geplaatst, zoals
briefkaarten, notitiekaarten en enveloppen.
Tips voor het gebruik van Lade 1
• Plaats slechts één type, formaat en gewicht van de afdrukmedia tegelijk in Lade 1.
• Voeg tijdens het afdrukken geen papier toe als de lade nog papier bevat. Dit zou
papierstoringen kunnen veroorzaken. Dit is ook van toepassing op andere typen afdrukmedia.
Afdrukmateriaal en lade | 46
• Plaats alleen afdrukmedia die voldoen aan de specificaties. Zo voorkomt u papierstoringen en
problemen met de afdrukkwaliteit.
• Maak omgekrulde kaarten, enveloppen en etiketten vlak, voor u ze in Lade 1 plaatst.
1 Houd de druk-ontgrendeling van Lade 1 vast en trek hem naar beneden om de lade te
openen.
2 Plaats het papier in de lade.
3 Druk de papierbreedtegeleiders van Lade 1 in en stel ze in op de breedte van het papier.
Oefen niet te veel druk uit. Het papier kan gaan plooien waardoor een papierstoring ontstaat
of het papier scheeftrekt.
Afdrukmateriaal en lade | 47
• Volg bij het afdrukken op speciaal afdrukmateriaal de richtlijnen voor het plaatsen
van afdrukmateriaal (zie "Afdrukken op speciale afdrukmedia" op pagina 47).
• Als vellen overlappen bij het afdrukken via Lade 1, Lade 3, verwijdert u de
overlappende vellen en probeert u opnieuw af te drukken.
4 Stel het papiertype en -formaat voor Lade 1 in als u een document wilt afdrukken.
Voor informatie over het instellen van het papiertype en -formaat op het bedieningspaneel
(zie "Papierformaat en -type instellen" op pagina 51).
Afdrukken op speciale afdrukmedia
De onderstaande tabel toont de te gebruiken speciale afdrukmedia voor elke lade.
De papierinstelling van de machine en het stuurprogramma moeten overeenkomen om af te
drukken zonder dat er een foutmelding voor verkeerd papier wordt gegeven.
Om de papierinstelling die op de machine is ingesteld te wijzigen, kunt u deze instellen op het
bedieningspaneel.
Vervolgens kunt u het papiertype instellen via het venster Voorkeursinstellingen voor
afdrukken > het tabblad Papier > de optie Type papier.
Zie voor papiergewicht per vel.
Types Lade 1 Lade 2 Lade3
a
Normaal papier ●●
Gemiddeld gewicht 96-110 g ●●
Karton 176-220 g
Licht 60-74 g ●●
Bankpost ●●
Gekleurd
Extra zwaar 121-163 g ●●
Afdrukmateriaal en lade | 48
(: Ondersteund, leeg: niet ondersteund)
Enveloppen
Of enveloppen goed worden bedrukt, is afhankelijk van de kwaliteit.
Plaats een envelop op de volgende manier om deze te bedrukken.
Als de afgedrukte enveloppen kreuken, vouwen of dikke zwarte lijnen vertonen, opent u
de achterklep, verschuift u de achterste geleider aan de rechterkant ongeveer 90 graden
en probeert u opnieuw af te drukken. Houd de achterklep tijdens het afdrukken geopend.
1. Hendel
• Houd bij de keuze van enveloppen rekening met de volgende factoren:
Etiketten
Envelop
Voorbedrukt ●●
Birefhoofd ●●
HP LaserJet 90 g
Kringlooppapier ●●
Gemiddeld 85-95 g ●●
a.Deze functie is beschikbaar als u de optionele lade (Lade 3) (zie "Verschillende functies" op pagina 9).
Types Lade 1 Lade 2 Lade3
a
Afdrukmateriaal en lade | 49
- Gewicht: niet zwaarder dan 90g/m
2
, anders kunnen de enveloppen vastlopen.
- Samenstelling: plat liggend met minder dan 6 mm opkrullende rand, zonder lucht.
- Toestand: geen gekrulde, verkreukelde of beschadigde enveloppen.
- Temperatuur: dienen tegen de warmte en druk van het apparaat in werking te kunnen.
• Gebruik alleen goed gevormde enveloppen met scherpe vouwen.
• Gebruik geen afgestempelde enveloppen.
Gebruik geen enveloppen met sluithaakjes, knipsluitingen, vensters, gecoate binnenbekleding,
zelfklevende sluitingen of andere synthetische materialen.
• Gebruik geen beschadigde enveloppen of enveloppen van slechte kwaliteit.
• Controleer of de naad aan beide uiteinden van de envelop helemaal doorloopt tot in de hoek.
1. Aanvaardbaar
2. Onaanvaardbaar
• Enveloppen met een verwijderbare strip of met meer dan één zelfklevende vouwbare klep
moeten van een kleefmiddel zijn voorzien dat gedurende 0,1 seconde bestand is tegen de
fixeertemperatuur van het apparaat, ongeveer 170°C. De extra kleppen en strips kunnen
kreuken, scheuren en papierstoringen veroorzaken, en kunnen zelfs de fixeereenheid
beschadigen.
Voor de beste afdrukkwaliteit plaatst u de marges best niet dichter dan 15mm van de rand van
de envelop.
• Druk niet af op de plaats waar de naden van de envelop samenkomen.
Etiketten
Om beschadigingen aan het apparaat te voorkomen, gebruikt u uitsluitend etiketten die speciaal
zijn ontworpen voor laserprinters.
• Bij de keuze van etiketten dient u rekening te houden met de volgende factoren:
- Kleefstoffen: Bestand tegen de fixeertemperatuur van het apparaat (circa 170°C).
Afdrukmateriaal en lade | 50
- Schikking: gebruik uitsluitend etiketvellen waarvan het rugvel tussen de etiketten niet
blootligt. Bij etiketvellen met ruimte tussen de etiketten kunnen de etiketten loskomen van
het rugvel. Dit kan ernstige papierstoringen tot gevolg hebben.
- Krullen: Moet plat liggen en in geen enkele richting meer dan 13 mm omkrullen.
- Toestand: gebruik geen etiketten die gekreukt zijn, blaasjes vertonen of loskomen van het
rugvel.
• Let op dat er tussen de etiketten geen zelfklevend materiaal blootligt. Blootliggende delen
kunnen ervoor zorgen dat etiketten tijdens het afdrukken loskomen, waardoor het papier kan
vastlopen. Ook kunnen hierdoor onderdelen van het apparaat beschadigd raken.
• Plaats geen gebruikte etiketvellen in het apparaat. De klevende achterzijde mag slechts een
keer door het apparaat worden gevoerd.
Gebruik geen etiketten die loskomen van het rugvel, blaasjes vertonen, gekreukt of anderszins
beschadigd zijn.
Kartonpapier/papier van een aangepast formaat
• Stel de marges in de softwaretoepassing in op ten minste 6,4mm van de zijkanten van de
afdrukmedia.
Afdrukmateriaal en lade | 51
Voorbedrukt papier
Bij het plaatsen van voorbedrukt papier moet de bedrukte zijde bovenaan liggen en mag de
voorzijde niet gekruld zijn. Bij invoerproblemen draait u het papier om. Er zijn geen garanties wat
de afdrukkwaliteit betreft.
• Briefhoofden moeten afgedrukt worden met hittebestendige inkt die niet smelt, verdampt of
schadelijke gassen uitstoot als ze gedurende 0,1 seconde worden blootgesteld aan de
fixeertemperatuur (ongeveer 170 °C) van het apparaat.
• De inkt op het voorbedrukt papier mag niet ontvlambaar zijn en mag de printerrollen niet
beschadigen.
• Voor u voorbedrukt papier in de lade plaatst, controleert u of de inkt op het papier droog is.
Natte inkt kan tijdens het fixeerproces loskomen van het voorbedrukt papier, waardoor de
afdrukkwaliteit afneemt.
Papierformaat en -type instellen
Nadat u het papier in de lade hebt geplaatst moet u het papierformaat en -type instellen met
behulp van de knoppen op het bedieningspaneel.
Om de ingestelde papierinstelling in de machine te wijzigen, moet u het papiertype selecteren in
het venster Voorkeursinstellingen voor afdrukken > het tabblad Papier > de optie Type.
Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere
niveaus te gaan.
1 Druk op de knop (Menu) op het bedieningspaneel.
2 Druk op Systeeminst. > Papierinstel. > Papierformaat of Type papier.
3 Selecteer de gewenste lade en de gewenste optie.
Afdrukmateriaal en lade | 52
4 Druk op OK om de selectie op te slaan.
5 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Als u papier met speciale afmetingen wilt gebruiken, zoals factuurpapier, selecteert u het
tabblad Papier > Formaat > Bewerken... en stelt u Instellingen aangepast papierformaat
in Voorkeursinstellingen voor afdrukken in.
Afdrukmateriaal en lade | 53
Originelen voorbereiden
Plaats geen papier dat kleiner is dan 142 x 148 mm (5,6 x 14,73 cm) of groter dan 216 x 356 mm
(8,5 x 14 inch).
• Vermijd het gebruik van de volgende papiertypes om papierstoringen, een slechte
afdrukkwaliteit en schade aan het apparaat te voorkomen.
- Carbonpapier of papier met carbonrug
- Gecoat papier
- Licht doorschijnend of dun papier
- Gekreukt of gevouwen papier
- Gekruld of opgerold papier
- Papier met scheuren
• Verwijder alle nietjes en paperclips voor u het papier plaatst.
Controleer of eventuele lijm, inkt of correctievloeistof op het papier volledig droog is voor u het
plaatst.
• Plaats geen originelen van verschillend formaat of gewicht.
• Plaats geen boekjes, foldertjes, transparanten of documenten met andere afwijkende
eigenschappen.
Originelen plaatsen
U kunt de glasplaat van de scanner gebruiken om een document te kopiëren, te scannen of als
fax verzenden.
Op de glasplaat van de scanner
Vanaf de glasplaat van de scanner kunt u originele kopiëren of scannen. Voor de beste
scankwaliteit, met name bij afbeeldingen in kleur of grijstinten, doet u er goed aan de glasplaat
te gebruiken. Zorg dat er zich geen originelen in de documentinvoer bevinden. Wanneer een
origineel wordt gedetecteerd in de documentinvoer, krijgt deze voorrang op het origineel op de
glasplaat van de scanner.
1 Til het deksel van de scanner op.
Afdrukmateriaal en lade | 54
2 Plaats de originelen met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat van de scanner.
Plaats het document zorgvuldig in het verlengde van de markering linksboven op de
glasplaat.
3 Sluit het deksel van de scanner.
Als u het deksel van de scanner tijdens het kopiëren niet sluit, kan dat een nadelig effect
hebben op de kopieerkwaliteit en het tonerverbruik.
• Stof op de glasplaat kan leiden tot zwarte vlekken op de afdruk. Houd de glasplaat
schoon.
• Als u een pagina uit een boek of tijdschrift wilt kopiëren, opent u het deksel van de
scanner tot tegen de aanslag en sluit u het daarna weer. Als het boek of tijdschrift
dikker is dan 30 mm laat u het deksel van de scanner openstaan tijdens het kopiëren.
• Doe dit voorzichtig om te voorkomen dat het scannerglas breekt. en u zich kwetst.
• Plaats uw hand niet onder het scannerdeksel terwijl u het sluit. Het scannerdeksel kan
op uw handen vallen en letsel veroorzaken.
Kijk tijdens het kopiëren of scannen niet in het licht van de scanner. Dit is schadelijk voor
de ogen.
In de automatische documentinvoer
Met de documenttoevoer (of dubbele automatische documenttoevoer (DADF)), kunt u tot 50
vellen papier (80 g/m
2
, 21 lbs bond) voor een taak laden.
1 Buig de papierstapel of waaier het papier uit om de pagina’s van elkaar te scheiden voor u
de originelen plaatst.
Afdrukmateriaal en lade | 55
2 Plaats de originelen in de documentinvoerlade met de bedrukte zijde naar boven. Zorg
ervoor dat de onderkant van de stapel originelen samenvalt met de markering voor het
papierformaat op de invoerlade.
3 Stel de ADI in overeenkomstig het papierformaat.
Stof op de glasplaat van de ADI kan zwarte strepen op de afdruk veroorzaken. Houd de
glasplaat schoon.
Een USB-geheugenapparaat gebruiken | 56
Een USB-geheugenapparaat gebruiken
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u een USB-geheugenapparaat samen met uw apparaat kunt
gebruiken.
Over USB-geheugen
Er bestaan USB-geheugenapparaten met verschillende geheugencapaciteiten die meer ruimte
bieden voor de opslag van documenten, presentaties, gedownloade muziek en video’s,
hogeresolutieafbeeldingen en alle andere bestanden die u wilt opslaan of verplaatsen.
U kunt het volgende doen met uw apparaat en een USB-geheugenapparaat.
• documenten scannen en op een USB-geheugenapparaat opslaan
• afdrukken vanaf een USB-geheugenapparaat
• back-upbestanden terugzetten in het geheugen van het apparaat
• het USB-geheugenapparaat formatteren
• de beschikbare geheugenruimte controleren
Een USB-geheugenapparaat aansluiten
De USB-geheugenpoort op de voorkant van uw apparaat ondersteunt USB V1.1- en USB
V2.0-geheugenapparaten. Op uw apparaat worden USB-geheugenapparaten met FAT16/FAT32
en sectoren van 512bytes ondersteund.
Controleer het bestandssysteem van het USB-geheugenapparaat van uw leverancier.
U mag alleen een geautoriseerd USB-opslagapparaat met een A plugverbinding gebruiken.
Gebruik alleen een metalen en afgeschermd USB-geheugenapparaat.
Gebruik alleen een USB-geheugenapparaat dat compatibel is, anders wordt het mogelijk niet
herkend.
A B
Een USB-geheugenapparaat gebruiken | 57
• Verwijder het USB-geheugenapparaat niet terwijl het apparaat actief is of bezig is met
lezen van of schrijven naar het USB-geheugen. Schade veroorzaakt door onjuist gebruik
valt niet onder de garantie.
• Als uw USB-geheugenapparaat bepaalde functies heeft, zoals beveiligings- en
wachtwoordinstellingen, kan uw apparaat het mogelijk niet automatisch detecteren.
Raadpleeg de Gebruikershandleiding van het USB-geheugenapparaat voor meer
informatie over deze functies.
Scannen naar een USB-geheugenapparaat
U kunt een document scannen en de gescande afbeelding op een USB-geheugenapparaat
opslaan.
Scannen
1 Sluit een USB-geheugenapparaat aan op de USB-geheugenpoort van uw apparaat.
2 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
3 Selecteer (scannen) > Naar USB scannen > OK op het bedieningsscherm.
Het apparaat start met scannen.
4 Na het scannen kunt u het USB-geheugenapparaat uit het apparaat verwijderen.
Een USB-geheugenapparaat gebruiken | 58
Aangepast scannen naar USB
U kunt het formaat, de grootte en de kleurenmodus van afbeeldingen instellen telkens als u ze
naar een USB-geheugenapparaat scant.
1 Selecteer (scannen) > (Menu) > Scanfunctie > USB-functie op het bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste optie.
Formaat orig.: Hiermee stelt u de grootte van de afbeelding in.
Oorspr. type: Stelt de originele documenten in.
Resolutie: Hiermee stelt u de afbeeldingsresolutie in.
Kleurmodus: Hiermee stelt u de kleurenmodus in. Als u in deze optie Mono selecteert,
kunt u JPEG niet selecteren in Bestandsindeling.
Bestandsindeling: Hiermee stelt u de bestandsindeling in waarin de afbeelding moet
worden opgeslagen. Als u TIFF of PDF selecteert, hebt u de mogelijkheid om meerdere
pagina’s te scannen. Als u JPEG selecteert in deze optie, kunt u Mono niet selecteren in
Kleurenmodus.
Dubbelzijdig: Hiermee stelt u de duplexmodus in.
Tonersterkte: Hiermee stelt u het helderheidsniveau voor het scannen van een origineel
in.
3 Selecteer de gewenste status en druk op OK.
4 Herhaal stappen 2 en 3 om andere opties in te stellen.
5 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Afdrukken vanaf een USB-geheugenapparaat
U kunt bestanden die opgeslagen zijn op een USB-geheugenapparaat rechtstreeks afdrukken.
Bestand wordt ondersteund door de optie Rechtstreeks afdrukken.
• PRN: Alleen bestanden die zijn gemaakt met het bijgeleverde stuurprogramma zijn
compatibel.
Als u PRN-bestanden afdrukt die op een ander apparaat zijn gemaakt, zal de afdruk
verschillen.
• TIFF: TIFF 6.0 Baseline
• JPEG: JPEG Baseline
Een USB-geheugenapparaat gebruiken | 59
Om een document af te drukken vanaf een USB-geheugenapparaat
1 Sluit een USB-geheugenapparaat aan op de USB-geheugenpoort op uw apparaat en druk
vervolgens op Direct USB > Via USB afdrukken op het bedieningspaneel.
2 Selecteer de map of bestand dat u wenst en druk op OK. Als [+] of [D] voor de naam van een
map staat, staat er een of meer bestanden of mappen in de geselecteerde map.
3 Selecteer het aantal exemplaren dat u wilt afdrukken of geef een getal op.
4 Druk opOK, StartenofAfdrukkenom te beginnen met het afdrukken van het geselecteerde
bestand. Nadat het bestand is afgedrukt wordt u op het display gevraagd of u nog iets wilt
afdrukken.
5 Druk op OK wanneer Ja verschijnt voor een andere afdruktaak en herhaal de procedure
vanaf stap2.
Of druk op de pijlen om Nee te selecteren en vervolgens op OK.
6 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Een back-up maken van uw gegevens
Gegevens in het geheugen van het apparaat kunnen per ongeluk gewist worden als gevolg van
een stroomonderbreking of een fout tijdens het opslaan. Met een back-up beveiligt u de
systeeminstellingen door ze als back-upbestanden op een USB-geheugenapparaat op te slaan.
Back-up van gegevens maken
1 Sluit het USB-geheugenapparaat aan op de USB-geheugenpoort van uw apparaat.
2 Selecteer (Menu) > Systeeminstellingen > Apparaatinst. > Inst. export. op het
bedieningsscherm.
3 Selecteer Gegevens instellen of Adresboek.
4 Selecteer het bestand waarvan u een back-up wilt maken.
5 Druk op OKof Jawanneer het bevestigingsscherm wordt weergegeven.
6 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Een USB-geheugenapparaat gebruiken | 60
Gegevens terugzetten
1 Sluit het USB-geheugenapparaat aan op de USB-geheugenpoort van uw apparaat.
2 Selecteer (Menu) > Systeeminstellingen > Apparaatinst. > Inst. import. op het
bedieningsscherm.
3 Selecteer Gegevens instellen, Adresboek.
4 Selecteer het bestand dat u wilt herstellen.
5 Druk op OKof Jawanneer het bevestigingsscherm wordt weergegeven.
6 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
USB-geheugen beheren
U kunt afbeeldingsbestanden op een USB-geheugenapparaat een voor een of allemaal tegelijk
verwijderen door het apparaat opnieuw te formatteren.
Als [+] of [D] voor de naam van een map staat, staat er een of meer bestanden of mappen
in de geselecteerde map.
Bestanden kunnen niet meer worden teruggezet nadat u ze hebt verwijderd of nadat u het
USB-geheugenapparaat opnieuw hebt geformatteerd. Voordat u ze verwijdert, moet u
dan ook nagaan of u ze niet meer nodig hebt.
Een afbeeldingsbestand verwijderen
1 Sluit een USB-geheugenapparaat aan op de USB-geheugenpoort van uw apparaat.
2 Druk op Direct USB > Bestandsbeheer> Verwijderenop het bedieningspaneel.
3 Druk op OKof Jawanneer het bevestigingsscherm wordt weergegeven.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Een USB-geheugenapparaat gebruiken | 61
USB-geheugenapparaat formatteren
1 Sluit een USB-geheugenapparaat aan op de USB-geheugenpoort van uw apparaat.
2 Selecteer Direct USB > Bestandsbeheer> Indeling op het bedieningspaneel.
3 Druk op OKof Jawanneer het bevestigingsscherm wordt weergegeven.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
De USB-geheugenstatus weergeven
U kunt controleren hoeveel geheugenruimte er nog beschikbaar is voor het scannen en opslaan
van documenten.
1 Sluit een USB-geheugenapparaat aan op de USB-geheugenpoort van uw apparaat.
2 Selecteer Direct USB > Bestandsbeheer> Contr. of er ruimte is op het bedieningspaneel.
3 Op het scherm wordt de beschikbare geheugenruimte weergegeven.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Een via een netwerk
aangesloten
apparaat gebruiken
In dit hoofdstuk wordt stap voor stap uitgelegd hoe u een apparaat instelt dat via het netwerk
aangesloten is en hoe u de software instelt.
• Instelling bekabeld netwerk 63
• Installeren van een stuurprogramma over het netwerk 65
• HP Embedded Web Server gebruiken 66
Instelling bekabeld netwerk | 63
Instelling bekabeld netwerk
Een netwerkconfiguratierapport afdrukken
U kunt een netwerkconfiguratierapport afdrukken vanaf het bedieningspaneel van het apparaat,
waarin de huidige netwerkinstellingen van uw apparaat worden weergegeven. Dit zal u helpen
bij de installatie van een netwerk.
Druk op de knop (Menu) op het bedieningspaneel en selecteer Netwerk
>Netwerkconfiguratie.
In dit netwerkconfiguratierapport kunt u het MAC-adres en IP-adres van uw apparaat vinden.
Voorbeeld:
• MAC-adres: 00:15:99:41:A2:78
• IP-adres: 169.254.192.192
Het IP-adres instellen
Eerst moet u een IP-adres instellen voor het beheren van en afdrukken via het netwerk. In de
meeste gevallen wordt een IP-adres automatisch toegewezen via een DHCP-server (Dynamic
Host Configuration Protocol Server) die zich in het netwerk bevindt.
Als u het printerstuurprogramma installeert, moet u niet zowel IPv4 als IPv6 configureren.
We raden u aan IPv4 óf IPv6 te configureren (zie "Instelling bekabeld netwerk" op pagina
63).
IPv4-configuratie
Ook kunt u de TCP/IPv4 vanaf Embedded Web Server instellen. Wanneer het venster
Embedded Web Server wordt geopend, verplaatst u de muiscursor over de Settings van
de bovenste menubalk, en klik vervolgens op Network Settings ("Het tabblad Settings" op
pagina 67).
Als uw netwerk gebruikmaakt van een DHCPv4-server, kunt u een van de volgende opties
instellen voor standaard dynamische host-configuratie.
1 Selecteer (Menu) > Netwerk > TCP/IP (IPv4) > DHCP op het bedieningspaneel.
2 Druk op de toets OK om de gewenste waarde te selecteren.
Instelling bekabeld netwerk | 64
IPv6-configuratie
Ook kunt u de TCP/IPv4 vanaf HP Embedded Web Server instellen. Wanneer het venster
HP Embedded Web Server wordt geopend, verplaatst u de muiscursor over de Settings
van de bovenste menubalk, en klik vervolgens op Network Settings ("Het tabblad
Settings" op pagina 67).
IPv6 wordt alleen juist ondersteund in Windows Vista of latere versies.
Het apparaat ondersteunt de volgende IPv6-adressen voor het afdrukken vanaf het netwerk en
voor netwerkbeheer.
Link-local Address: zelfgeconfigureerde lokale IPv6-adressen (adres begint met FE80).
Stateless Address: automatisch door een netwerkrouter geconfigureerd IPv6-adres.
Stateful Address: Door een DHCPv6-server geconfigureerd IPv6-adres.
Manual Address: Door de gebruiker handmatig geconfigureerd IPv6-adres.
Volg in een IPv6-netwerkomgeving de volgende procedure om het IPv6-adres te gebruiken.
IPv6 activeren
1 Druk op de knop (Menu) op het bedieningspaneel.
2 Druk op Netwerk > TCP/IP (IPv6) > IPv6-protocol
3 Selecteer Aan en druk op OK.
4 Zet het apparaat uit en weer aan.
DHCPv6 adresconfiguratie
Als uw netwerk gebruikmaakt van een DHCPv6-server kunt u een van de volgende opties
instellen voor standaard dynamische host-configuratie.
1 Druk op de knop (Menu) op het bedieningspaneel.
2 Druk op Netwerk > TCP/IP (IPv6) > DHCPv6 Config
3 Druk op de toets OK om de gewenste waarde te selecteren.
Installeren van een stuurprogramma over het netwerk | 65
Installeren van een stuurprogramma over het
netwerk
• Vóór de installatie, controleer of uw computers besturingssysteem de software
ondersteunt (zie "Installeren van een stuurprogramma over het netwerk" op pagina 65).
• Wanneer het apparaat de netwerkinterface niet ondersteunt, kunt u deze functie niet
gebruiken (zie "Achterkant" op pagina 21).
• U moet de software pakketten van de website van HP downloaden om de
printersoftware te installeren. Ga naar www.hp.com/support/laser432MFP voor HP's
allesomvattende hulp.
Windows
De firewallsoftware blokkeert mogelijk de netwerkcommunicatie. Voordat u het apparaat
aansluit op het netwerk, schakel de firewall van de computer uit.
1 Controleer of het apparaat met het netwerk is verbonden en ingeschakeld is. Het IP-adres
van uw apparaat moet reeds ingesteld zijn (zie "Het IP-adres instellen" op pagina 63).
2 Download het printerstuurprogramma van de HP website
(www.hp.com/support/laser432MFP).
3 Schakel het apparaat in.
4 Pak het stuurprogrammapakket uit en voer de installatie van het stuurprogramma uit.
5 Volg de instructies in het installatievenster.
HP Embedded Web Server gebruiken | 66
HP Embedded Web Server gebruiken
• Internet Explorer 8.0 of hoger is de minimale eis voor HP Embedded Web Server.
• Voordat u onderstaande programma’s gaat gebruiken moet u het IP-adres instellen.
• Sommige functies en optionele onderdelen zijn mogelijk niet beschikbaar afhankelijk
van model of land (zie "HP Embedded Web Server gebruiken" op pagina 66).
Er zijn verschillende programma’s voorhanden om in een netwerkomgeving de
netwerkinstellingen op een eenvoudige manier in te voeren. Zo kan de netwerkbeheerder
diverse apparaten in het netwerk beheren.
HP Embedded Web Server
De embedded web server op uw netwerkapparaat stelt u in staat de volgende taken uit te voeren:
• Informatie over en status van verbruiksartikelen opvragen.
• Apparaatinstellingen aanpassen.
De noodzakelijke netwerkparameters voor het apparaat instellen, zodat u een verbinding kunt
maken met diverse netwerkomgevingen.
Totegang tot HP Embedded Web Server
1 Open een webbrowser in Windows, zoals Internet Explorer.
Typ het IP-adres van het apparaat (http://xxx.xxx.xxx.xxx) in het adresveld en druk op de
Enter-toets of klik op Ga naar.
2 De in het apparaat geïntegreerde website wordt geopend.
Inloggen op HP Embedded Web Server
Voor het configureren van de opties in HP Embedded Web Server dient u in te loggen als
beheerder. U kunt nog steeds gebruik maken van HP Embedded Web Server zonder in te loggen,
maar heeft u geen toegang tot het tabblad Settings en het tabblad Security.
1 Klik op Login in de rechterbovenhoek van de HP Embedded Web Server-website.
2 Als u voor de eerste keer inlogt op HP Embedded Web Server, moet u zich aanmelden als
beheerder. Typ de standaard ID (admin) in. Het standaardwachtwoord is ‘none’. Wij raden u
aan om het standaard wachtwoord in te stellen vanwege veiligheidsredenen. U kunt uw ID
en wachtwoord wijzigen via Security > System Security > System Administrator.
HP Embedded Web Server gebruiken | 67
Overzicht HP Embedded Web Server
Afhankelijk van uw model zullen sommige menu's mogelijk niet verschijnen.
Het tabblad Information
Op dit tabblad wordt algemene informatie over het apparaat weergegeven. U kunt diverse
gegevens controleren, waaronder de resterende hoeveelheid toner. U kunt ook rapporten
afdrukken, zoals een foutenrapport.
Active Alerts: Toont de waarschuwingen die in het apparaat zijn gegenereerd en hun ernst.
Supplies: Toont hoeveel pagina´s zijn afgedrukt en hoeveel toner er nog in de cassette zit.
Usage Counters: Toont de gebruiksteller van het aantal vellen per type afdruk: enkelzijdig en
dubbelzijdig.
Current Settings: Toont informatie of het apparaat en het netwerk.
Print information: Drukt rapporten af zoals systeemgerelateerde rapporten, e-mailadressen
en lettertyperapporten.
Security information: Geeft de beveiligingsinformatie van het apparaat weer
Het tabblad Settings
Op dit tabblad kunt u de configuratie van uw apparaat en netwerk instellen. U moet zich
aanmelden als beheerder om dit tabblad weer te geven.
Het tabblad Machine Settings: Stelt de door uw machine geleverde opties in.
Het tabblad Network Settings: Toont opties voor de netwerkomgeving. Stelt opties in zoals
TCP/IP en netwerkprotocollen.
Het tabblad Security
Op dit tabblad kunt u de beveiligingsgegevens van uw systeem en van het netwerk instellen. U
moet zich aanmelden als beheerder om dit tabblad weer te geven.
System Security: Stelt de gegevens van de systeembeheerder in en schakelt tevens de
apparaatfuncties in- of uit.
Network Security: Hiermee kunt u instellen opgeven voor IPv4-/IPv6-filtering.
Het tabblad Maintenance
Op dit tabblad kunt u uw apparaat onderhouden door de firmware te upgraden en
contactgegevens voor het versturen van e-mails in te stellen. U kunt ook een verbinding maken
met de website van HP of stuurprogramma's downloaden het Link-menu te selecteren.
Firmware Upgrade: Bijwerken van de firmware van uw apparaat.
Contact Information: Contactgegevens tonen.
Link: Toont koppelingen naar nuttige sites waar u informatie kunt downloaden of lezen.
HP Embedded Web Server gebruiken | 68
Informatie over de systeembeheerder instellen
Deze instelling is nodig om gebruik te kunnen maken van de optie e-mailmelding.
Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige menu’s mogelijk niet op het
display verschijnen. Als dit het geval is, zijn deze opties niet van toepassing op uw
apparaat.
1 Open een webbrowser in Windows, zoals Internet Explorer.
Typ het IP-adres van het apparaat (http://xxx.xxx.xxx.xxx) in het adresveld en druk op de
Enter-toets of klik op Ga naar.
2 De in het apparaat geïntegreerde website wordt geopend.
3 Selecteer op het tabblad Security System Security > System Administrator
4 Voer de naam, het telefoonnummer, locatie en e-mailadres van de beheerder in.
5 Klik op Apply.
Afdrukken
In dit hoofdstuk staat informatie over de algemene afdrukopties.
• Standaard afdruk 70
• Een afdruktaak annuleren 71
• Voorkeursinstellingen openen 72
• Voorkeursinstellingen gebruiken 73
• Help gebruiken 74
• Beveiligd afdrukken 75
• Afdrukfuncties 76
• Printer Status-programma gebruiken 83
Het PCL 6-printerstuurprogramma kan worden gedownload van de website voor printerondersteuning.
Download het stuurprogramma en gebruik vervolgens het hulpprogramma Microsoft Printer
toevoegen om het te installeren. Ga naar www.hp.com/support/laser432MFP voor HP's
allesomvattende hulp.
Standaard afdruk | 70
Standaard afdruk
Vóór het afdrukken, controleer of uw computers besturingssysteem de software
ondersteunt (zie "Besturingssysteem" op pagina 8).
Het volgende scherm met Voorkeursinstellingen voor afdrukken is voor Notepad in Windows 7.
Uw scherm met Voorkeursinstellingen voor afdrukken kan hiervan afwijken, afhankelijk van het
besturingssysteem of van het programma dat u gebruikt.
1 Open het document dat u wilt afdrukken.
2 Selecteer Afdrukken in het menu Bestand.
3 Selecteer uw printer in de lijst Printer selecteren.
4 De basisafdrukinstellingen, inclusief het aantal kopieën en het afdrukbereik, worden
geselecteerd in het venster Afdrukken.
Klik op Eigenschappen of Voorkeuren in het venster Afdrukken om gebruik te maken
van de geavanceerde afdrukopties. (zie "Voorkeursinstellingen openen" op pagina 72).
5 Klik in het venster Afdrukken op OK of Afdrukken om de afdruktaak te starten.
Een afdruktaak annuleren | 71
Een afdruktaak annuleren
Een afdruktaak die in een afdrukrij of afdrukspooler wacht om afgedrukt te worden, annuleert u
op de volgende manier:
U kunt toegang krijgen tot dit venster door te dubbelklikken op het pictogram van het apparaat
( ) in de taakbalk van Windows.
• U kunt de huidige taak ook annuleren door te drukken op (Annuleren) op het
bedieningspaneel.
Voorkeursinstellingen openen | 72
Voorkeursinstellingen openen
• Het venster Voorkeursinstellingen voor afdrukken in deze gebruikshandleiding
verschilt mogelijk van het venster dat u ziet omdat dit afhankelijk is van de gebruikte
printer.
• Als u een optie selecteert in Voorkeursinstellingen voor afdrukken verschijnt er
mogelijk een waarschuwingsteken, of . Een uitroepteken ( ) wil zeggen dat u
deze optie wel kunt selecteren maar dat dit niet wordt aanbevolen. Het teken wil
zeggen dat u deze optie niet kunt selecteren vanwege de instellingen of omgeving van
het apparaat.
1 Open het document dat u wilt afdrukken.
2 Kies Afdrukken in het menu Bestand. Het venster Afdrukken wordt weergegeven.
3 Selecteer uw printer in de lijst Printer selecteren.
4 Klik op Eigenschappen of op Voorkeuren. Klik of tik op de tabbladen in de printerdriver om
de beschikbare opties te configureren.
• In Windows 10, 8.1, en 8, hebben deze toepassingen een verschillende lay-out met
verschillende functies uit wat hieronder beschreven is voor desktoptoepassingen.
Om toegang te krijgen tot de afdrukfunctie vanaf een Starten van de app, voer de
volgende stappen uit:
- Windows 10: Selecteer Afdrukken op en selecteer de printer.
- Windows 8.1 of 8: Selecteer Apparaten, selecteer Afdrukken en selecteer de
printer.
• U kunt de huidige status van het apparaat controleren door op de knop
Printerstatus te drukken (zie "Printer Status-programma gebruiken" op pagina 83).
Voorkeursinstellingen gebruiken | 73
Voorkeursinstellingen gebruiken
De optie Favorieten, die u terugvindt op elk tabblad voorkeuren behalve voor het tabblad Over,
kunt u opslaan in de huidige voorkeuren voor toekomstig gebruik.
Volg deze stappen om een Favorieten-item op te slaan:
1 Stel op elk tabblad de gewenste instellingen in.
2 Selecteer (Toevoegen) in het invoervak Favorieten.
3 Voer een naam en beschrijving in en selecteer vervolgens de gewenste pictogram.
4 Klik op OK. Als u instellingen opslaat onder Favorieten worden alle huidige
stuurprogramma-instellingen opgeslagen.
Als u een opgeslagen instelling wilt gebruiken, kiest u deze op het tabblad Favorieten. Het
apparaat is nu ingesteld om afdrukken te maken met de geselecteerde instellingen. Om
een opgeslagen instelling te verwijderen, selecteert u deze uit de vervolgkeuzelijst
Favorieten en klikt u op Verwijderen.
Help gebruiken | 74
Help gebruiken
Klik op de optie waarover u meer wilt weten op het venster Voorkeursinstellingen voor
afdrukken en druk op F1 op uw toetsenbord.
Beveiligd afdrukken | 75
Beveiligd afdrukken
• Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige menu’s mogelijk niet op het
display verschijnen. Als dit het geval is, zijn deze opties niet van toepassing op uw
apparaat.
Mogelijk kunt u complexe documenten niet afdrukken wanneer u gebruikmaakt van de
RAM-schijf. Als u complexe documenten wilt afdrukken, moet u aanvullend geheugen
installeren.
Als u een printer op kantoor, op school of in een andere openbare ruimte gebruikt, kunt u uw
persoonlijke documenten of vertrouwelijke informatie beschermen met de beveiligde
afdrukfuncties.
Beveiligde documenten afdrukken vanaf het bedieningspaneel
1 Select (Menu) > Taakbeheer > Opgesl. taal op het bedieningspaneel van de printer.
2 Selecteer het document dat u wilt afdrukken.
3 Voer het wachtwoord in dat u in het printerstuurprogramma heeft ingesteld.
4 Druk het document af.
5 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Afdrukfuncties | 76
Afdrukfuncties
• Deze functie is mogelijk niet beschikbaar, afhankelijk van het model of het optionele
apparaat (zie "Functies per model" op pagina 8).
• U moet de software pakketten van de website van HP downloaden om de
printersoftware te installeren. Ga naar www.hp.com/support/laser432MFP voor HP's
allesomvattende hulp.
Speciale afdrukfuncties verklaard
U kunt geavanceerde afdrukfuncties gebruiken voor uw printer.
Om de printerfuncties van uw printerstuurprogramma te gebruiken, klikt u op Eigenschappen of
Voorkeuren in het venster Afdrukken van de toepassing om de afdrukinstellingen te wijzigen. De
apparaatnaam die in het printereigenschappenvenster wordt weergegeven is afhankelijk van het
gebruikte apparaat.
• Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige menu’s mogelijk niet op het
display verschijnen. Als dit het geval is, zijn deze opties niet van toepassing op uw
apparaat.
• Selecteer het menu Help, of klik op de knop uit het venster, of druk op F1 op uw
toetsenbord, en klik op de optie waar u meer over wilt weten (zie "Help gebruiken" op
pagina 74).
Item Omschrijving
Meerdere pagina’s per
vel
U kunt het aantal pagina’s selecteren dat u op één vel wilt
afdrukken. Als u meer dan één pagina per vel afdrukt worden de
pagina’s verkleind en in de door u opgegeven volgorde
gerangschikt. U kunt op één vel tot 16 pagina’s afdrukken.
Afdrukfuncties | 77
Poster afdrukken
U kunt een document van één enkele pagina op 4 (poster van 2x2),
9 (poster van 3x3) of 16 vellen (poster van 4x4) papier drukken om
ze aan elkaar te plakken en er een poster van te maken.
Selecteer de waarde Posteroverlap. Geef de Posteroverlap op in
millimeters of inches door het keuzerondje bovenaan rechts op het
tabblad Basis te selecteren om de vellen gemakkelijker aan elkaar
te kunnen plakken.
Boekje afdrukken
Met deze functie kunt u een document op beide zijden van het
papier afdrukken en worden de pagina’s zo gerangschikt dat u het
afgedrukte papier dubbel kunt vouwen om een boekje te maken.
• De optie Boekje afdrukken is niet beschikbaar voor alle
papierformaten. Kies de Formaat-optie onder het tabblad
Papier om te kijken welke papierformaten beschikbaar
zijn.
Als u een onbeschikbaar papierformaat selecteert, wordt
deze optie mogelijk automatisch geannuleerd. Selecteer
alleen beschikbaar papier (papier waarbij geen of
staat).
Item Omschrijving
8
9
Afdrukfuncties | 78
Tweezijdig afdrukken
Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige
menu’s mogelijk niet op het display verschijnen. Als dit het
geval is, zijn deze opties niet van toepassing op uw
apparaat.
Standaardinstelling printer: Als u deze optie selecteert, wordt
deze functie bepaald door de instelling die u hebt opgegeven op
het bedieningspaneel van de printer.
Geen: Hiermee schakelt u deze functie uit.
Lange zijde: Deze optie is de conventionele lay-out die bij
boekbinden wordt gebruikt.
Korte zijde: Deze optie is de conventionele lay-out die voor
kalenders wordt gebruikt.
Omgekeerd dubbelzijdig afdrukken: Schakel deze optie in om
de afdrukvolgorde om te keren bij het dubbelzijdig afdrukken.
Papieropties
Wijzigt de afmetingen van een document zodat deze kleiner of
groter op het vel afgedrukt wordt, door een percentage in te
voeren waarmee het document vergroot of verkleind wordt.
Watermerk
Met de optie Watermerk kunt u tekst afdrukken over een bestaand
document. U gebruikt de optie bijvoorbeeld om in grote grijze
letters "DRAFT" of "CONFIDENTIAL" diagonaal op de eerste pagina
of op alle pagina’s van een document af te drukken.
Item Omschrijving
Afdrukfuncties | 79
Watermerk
(Een watermerk maken)
a. Als u de afdrukinstellingen vanuit de softwaretoepassing wilt
wijzigen, opent u Voorkeursinstellingen voor afdrukken (zie
"Voorkeursinstellingen openen" op pagina 72).
b. Op het tabblad Geavanceerd selecteert u Bewerken... in de
keuzelijst Watermerk.
c. Voer een tekst in het vak Tekst watermerk in. U kunt maximaal
256 tekens invoeren.
Als u het selectievakje Alleen eerste pagina inschakelt, wordt
het watermerk alleen op de eerste pagina afgedrukt.
d. Watermerkopties selecteren.
U kunt de naam, stijl, kleur, grootte en grijswaarde van het
lettertype selecteren in het gedeelte Tekenstijl, en de hoek van
het watermerk instellen in het gedeelte Uitlijning en hoek van
watermerk.
e. Klik op Toevoegen om het nieuwe watermerk aan de lijst
Huidige watermerken toe te voegen.
f. Wanneer u klaar bent met bewerken klikt u op OK of Afdrukken
tot u het menu Afdrukken verlaat.
Watermerk
(Een watermerk
bewerken)
a. Als u de afdrukinstellingen vanuit de softwaretoepassing wilt
wijzigen, opent u Voorkeursinstellingen voor afdrukken (zie
"Voorkeursinstellingen openen" op pagina 72).
b. Klik op het tabblad Geavanceerd en selecteer Bewerken... in de
vervolgkeuzelijst Watermerk.
c. Selecteer in het vak Huidige watermerken het watermerk dat u
wilt bewerken en wijzig de tekst van het watermerk en de opties.
d. Klik op Wijzigen als u de wijzigingen wilt opslaan.
e. Klik op OK of Afdrukken tot het venster Afdrukken wordt
afgesloten.
Watermerk
(Een watermerk
verwijderen)
a. Als u de afdrukinstellingen vanuit de softwaretoepassing wilt
wijzigen, opent u Voorkeursinstellingen voor afdrukken.
b. Klik op het tabblad Geavanceerd en selecteer Bewerken... in de
vervolgkeuzelijst Watermerk.
c. Selecteer in het vak Huidige watermerken het watermerk dat u
wilt verwijderen en klik op de knop Verwijderen.
d. Klik op OK of Afdrukken tot het venster Afdrukken wordt
afgesloten.
Item Omschrijving
Afdrukfuncties | 80
Overlay
Een overlay is tekst en/of een afbeelding die op de harde schijf van
de computer is opgeslagen in een speciale bestandsindeling en die
in een willekeurig document kan worden afgedrukt. Overlays
worden vaak gebruikt in plaats van voorgedrukte formulieren en
papier met een briefhoofd. In plaats van een voorgedrukt
briefhoofd kunt u een overlay samenstellen die precies dezelfde
informatie bevat. Als u een brief met het briefhoofd van uw bedrijf
wilt afdrukken, hoeft u geen voorbedrukt briefhoofdpapier in het
apparaat te plaatsen. U drukt het briefhoofd gewoon als overlay op
uw document af.
Als u een paginaoverlay wilt gebruiken, moet u een nieuwe
paginaoverlay maken met uw logo of afbeelding.
• Het formaat van het overlaydocument moet hetzelfde
zijn als dat van de documenten die u met de overlay
afdrukt. Maak geen overlay met een watermerk.
De resolutie van het overlaydocument moet dezelfde zijn
als die van het document waarop u de overlay wilt
afdrukken.
Overlay
(Het creëren van een
overlay)
a. Maak of open een document met de tekst of afbeelding die u
voor de overlay wilt gebruiken. Zorg ervoor dat de tekst of
afbeelding precies op de plaats staat waar deze als overlay moet
worden afgedrukt.
b. Ga naar de Voorkeursinstellingen voor afdrukken als u het
document als een overlay wilt opslaan.
c. Klik op het tabblad Geavanceerd en selecteer Maken in de
vervolgkeuzelijst Overlay.
d. Typ een naam van maximaal acht tekens in het vak Opslaan als
in het venster Bestandsnaam. Selecteer indien nodig de map
waarin u het overlaybestand wilt opslaan. Standaard is dit de
map C:\Formover.
e. Klik op Opslaan.
f. Klik op OK of Afdrukken tot het venster Afdrukken wordt
afgesloten.
Als er een venster verschijnt waarin u om bevestiging wordt
gevraagd, klikt u op Ja.
g. Het bestand wordt niet afgedrukt. Het wordt opgeslagen op de
harde schijf van uw computer.
Item Omschrijving
Afdrukfuncties | 81
Overlay
(Een paginaoverlay
gebruiken)
a. Maak of open het document dat u wilt afdrukken.
b. Als u de afdrukinstellingen vanuit de softwaretoepassing wilt
wijzigen, opent u Voorkeursinstellingen voor afdrukken.
c. Klik op het tabblad Geavanceerd.
d. Selecteer Overlay afdrukken van de vervolgkeuzelijst Overlay.
e. Als u het gewenste overlaybestand op een externe bron hebt
opgeslagen, kunt u het bestand ook laden vanuit het venster
Laden.
Klik op Openen als u het bestand hebt geladen. Het bestand
verschijnt in het vak Overzicht overlays en kan worden
afgedrukt. Selecteer de overlay in de vervolgkeuzelijst Overzicht
overlays.
f. Schakel indien nodig het selectievakje Overlay bevestigen voor
afdrukken in. Als dit selectievakje is ingeschakeld, verschijnt
telkens als u een document naar de printer verzendt een
berichtvenster waarin u gevraagd wordt om te bevestigen of u
een overlay op uw document wilt afdrukken.
Als dit selectievakje niet is ingeschakeld en er een overlay is
geselecteerd, wordt de overlay automatisch op uw document
afgedrukt.
g. Klik op OK of Afdrukken tot het venster Afdrukken wordt
afgesloten.
De geselecteerde overlay wordt op uw document afgedrukt.
Overlay
(Een paginaoverlay
verwijderen)
a. Klik in het venster Voorkeursinstellingen voor afdrukken op het
tabblad Geavanceerd.
b. Selecteer Bewerken in de vervolgkeuzelijst Tekst.
c. Selecteer in het vak Overzicht overlays de overlay die u wilt
verwijderen.
d. Klik op Verwijderen.
e. Als er een venster verschijnt waarin u om bevestiging wordt
gevraagd, klikt u op Ja.
f. Klik op OK of Afdrukken tot het venster Afdrukken wordt
afgesloten. Paginaoverlays die u niet meer gebruikt, kunt u
verwijderen.
Item Omschrijving
Afdrukfuncties | 82
Afdrukmodus
• Deze functie is alleen beschikbaar als u het
massaopslagapparaat of optionele geheugen hebt
geïnstalleerd (zie "Verschillende functies" op pagina 9).
• Deze functie is niet ingeschakeld, Opslagopties
controleer (zie "Apparaatopties instellen" op pagina 155).
• Als het massaopslagapparaat niet is geïnstalleerd, biedt
de Ramschijf slechts 3 opties: Normaal, Proefafdruk en
Vertrouwelijk.
Afdrukmodus: de standaard Afdrukmodus is Normaal, en is
bedoeld om af te drukken zonder het afdrukbestand op te slaan
in het geheugen.
- Normaal: in deze modus wordt uw document afgedrukt zonder
het op te slaan in het optioneel geheugen.
- Proefafdruk: deze modus is handig als u meer dan een
exemplaar wilt afdrukken. U kunt eerst een exemplaar
afdrukken om te controleren en daarna de andere exemplaren
afdrukken.
- Vertrouwelijk: deze modus wordt gebruikt voor het afdrukken
van vertrouwelijke documenten. U moet een wachtwoord
invoeren om af te drukken.
- Opslaan: Selecteer deze instelling om een document op het
massaopslagapparaat op te slaan zonder het af te drukken.
- Opslaan en afdrukken: Deze modus wordt gebruikt wanneer
een document tegelijkertijd wordt opgeslagen en afgedrukt.
- Wachtrij: deze optie is handig om een grote hoeveelheid
gegevens te verwerken. Als u deze instelling selecteert, wordt
het document op het massaopslagapparaat in een
afdrukwachtrij geplaatst en vervolgens van daaruit afgedrukt.
Op die manier wordt de belasting van de computer lager.
- Afdrukschema: selecteer deze instelling om het document op
een opgegeven tijdstip af te drukken.
- Taaknaam: Deze optie wordt gebruikt als u een
opgeslagen bestand zoekt via het bedieningspaneel.
- Gebruikersnaam: Deze optie wordt gebruikt als u een
opgeslagen bestand zoekt via het bedieningspaneel.
Automatisch wordt de gebruikersnaam weergegeven
waarmee u zich bij Windows aanmeldt.
- Voer het wachtwoord in: Als de Eigenschap van het
door u geselecteerd documentenvak ingesteld is op
Beveiligd moet u een wachtwoord voor het
documentenvak invoeren. Deze optie wordt gebruikt
om een opgeslagen bestand te laden via het
bedieningspaneel.
- Wachtwoord bevestigen: Voer het wachtwoord ter
bevestiging opnieuw in.
Item Omschrijving
Printer Status-programma gebruiken | 83
Printer Status-programma gebruiken
Printerstatus is een programma dat controleert en u informeert over de status van het apparaat.
• Het Printerstatus-venster en de inhoud ervan zoals weergegeven in deze handleiding
kunnen verschillen, afhankelijk van het apparaat of gebruikte besturingssysteem.
• Controleer welke besturingssystemen compatibel zijn met uw apparaat (zie
"Systeemvereisten" op pagina 207).
Overzicht Printerstatus
Als er een fout optreedt tijdens het gebruik, kunt u de fout controleren vanuit de Printerstatus.
Printerstatus wordt automatisch geïnstalleerd tijdens de installatie van de apparaatsoftware.
U kunt Printerstatusook handmatig opstarten. Ga naar de Voorkeursinstellingen, klik op het
tabblad, behalve het tabblad Over > de knop Printerstatus. De optie Favorieten die zichtbaar is
bij elke voorkeur.
Deze pictogrammen verschijnen op de Windows-taakbalk:
Pictogr
am
betekent Beschrijving
Normaal
Het apparaat staat klaar voor gebruik en er zijn geen fouten
of waarschuwingen.
Waarschuwing
Het apparaat is in een toestand waarin er in de toekomst
een fout kan optreden. Dit is bijvoorbeeld als het niveau van
de toner laag is, wat kan leiden tot de toner-leegstatus.
Fout Er is minstens één fout in het apparaat.
Printer Status-programma gebruiken | 84
1
Apparaatinformatie
In deze omgeving kunt u de apparaatstatus, de modelnaam van
de huidige printer en de naam van de verbonden poort zien.
2
Gebruikershandleidi
ng
Gebruikershandleiding is uitgeschakeld. U kunt de
gebruikershandleiding downloaden op
www.hp.com/support/laser432MFP.
3
informatie over
benodigdheden
U kunt het percentage resterende toner in de cassette(s)
weergeven. Het apparaat en het aantal tonercassette(s) in het
bovenstaande venster kunnen verschillen afhankelijk van de
gebruikte printer. Niet alle apparaten beschikken over deze
functie.
4
Optie
U kunt instellingen voor waarschuwingen gerelateerd aan
afdruktaken opgeven.
5
Bestellen
Verbruiksartikelen
U kunt online reservetonercassette(s) bestellen.
6
Afdrukken annuleren
of
Sluiten
Afdrukken annuleren: Als er een afdruktaak in de
afdrukwachtrij of printer staat, annuleert u alle printtaken van
de gebruiker die in de afdrukwachtrij of printer staan.
Sluiten: Afhankelijk van de status van het apparaat of de
ondersteunde functies kan de knop Sluiten mogelijk
verschijnen om het statusscherm te sluiten.
Kopiëren
In dit hoofdstuk staat informatie die u over de algemene kopieeropties.
• Normaal kopiëren 86
• De instellingen per kopie wijzigen 87
• Identiteitskaarten kopiëren 90
Normaal kopiëren | 86
Normaal kopiëren
1 Selecteer (Kopiëren) > (Menu) > Kopieerfunctie op het bedieningspaneel.
Of selecteer (Menu) > Kopieerfunctie op het bedieningspaneel.
2 Eén document plaatsen (zie "Originelen plaatsen" op pagina 53).
3 Om de kopieerinstellingen, zoals onder meer Verkl./vergr., Tonersterkte, Origineel, aan te
passen via de knoppen op het bedieningspaneel (zie "De instellingen per kopie wijzigen" op
pagina 87).
4 Voer indien nodig het aantal kopieën in met behulp van de pijl of het numeriek toetsenblok.
5 Druk op (Starten).
Als u de kopieertaak tijdens het kopiëren wilt annuleren, druk dan op (Annuleren) om
het kopiëren te stoppen.
De instellingen per kopie wijzigen | 87
De instellingen per kopie wijzigen
Het apparaat beschikt over standaardinstellingen voor kopiëren zodat u snel en gemakkelijk een
kopie kunt maken. Met behulp van de kopieerfunctieknoppen op het bedieningspaneel kunt u de
opties per kopie wijzigen.
• Als u drukt op (Annuleren) tijdens het instellen van de kopieeropties, worden alle
de opties die u heeft ingesteld voor de huidige kopieertaak, geannuleerd en worden de
standaardinstellingen hersteld. Na afloop van een kopieerproces worden de
standaardinstellingen altijd automatisch hersteld.
• Het openen van de menu's kan verschillen per model (zie "Toegang tot het menu" op
pagina 27).
• Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere
niveaus te gaan.
Tonersterkte
Als er vlekken en donkere afbeeldingen op uw origineel staan, kunt u de helderheid aanpassen
om de kopie beter leesbaar te maken.
1 Selecteer (kopiëren) > (Menu) > Kopieerfunctie > Tonersterkte op het
bedieningspaneel.
Of druk op de knop Tonersterkte op het bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste optie en druk op OK.
Bijvoorbeeld Licht+5 is de lichtste en Donker+5 is de donkerste.
3 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Oorspr. type
Met de oorspronkelijke instelling kunt u de kwaliteit van de kopie verbeteren door het
documenttype voor de huidige kopieertaak te selecteren.
1 Selecteer (kopiëren) > (Menu) > Kopieerfunctie > Origineel type op het
bedieningspaneel.
Of selecteer (Menu) > Kopieerfunctie > Type origineel op het bedieningsscherm.
De instellingen per kopie wijzigen | 88
2 Selecteer de gewenste optie en druk op OK.
Tekst: gebruik deze optie voor originelen die hoofdzakelijk uit tekst bestaan.
Tekst/foto: gebruik deze optie voor originelen die tekst en foto’s bevatten.
Als de tekst op de afdruk onscherp is, selecteert u Tekst om scherpe teksten te
krijgen.
Foto: gebruik deze optie voor foto’s.
3 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Verkleinde of vergrote kopie
U kunt het formaat van een gekopieerde afbeelding verkleinen tot 25% of vergroten tot 400%
wanneer u originelen kopieert via de glasplaat.
Om uit de vooraf ingestelde kopieerformaten te selecteren
1 Selecteer (kopiëren) > (Menu) > Kopieerfunctie > Verkleinen/vergroten op het
bedieningspaneel.
Of selecteer (Menu) > Kopieerfunctie > Verkleinen/vergroten op het
bedieningsscherm.
2 Selecteer de gewenste optie en druk op OK.
3 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Om de grootte van de kopie aan te passen door rechtstreeks de
schaalverhouding in te voeren
1 Selecteer (kopiëren) > (Menu) > Kopieerfunctie > Verkleinen/vergroten >
Aangepast op het bedieningspaneel.
Of selecteer (Menu) > Kopieerfunctie > Verkleinen/vergroten op het
bedieningsscherm.
2 Geef het gewenste kopieerformaat op met het numerieke toetsenblok.
3 Druk op OK om de selectie op te slaan.
De instellingen per kopie wijzigen | 89
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Als u een verkleinde kopie maakt, kunnen er onderaan op de kopie zwarte lijnen
verschijnen.
Identiteitskaarten kopiëren | 90
Identiteitskaarten kopiëren
Uw apparaat kan dubbelzijdige originelen afdrukken op één vel.
Hierbij wordt één zijde van het origineel op de bovenste helft van het vel papier afgedrukt en de
andere zijde op de onderste helft zonder dat het origineel daarbij wordt verkleind. Deze functie
is handig voor het kopiëren van kleine documenten zoals visitekaartjes.
• Voor deze functie moet het origineel op de glasplaat van de scanner worden geplaatst.
• Als het apparaat is ingesteld op Eco-modus is deze functie niet beschikbaar.
• Voor een betere beeldkwaliteit selecteert u (kopiëren) > (Menu) >
Kopieerfunctie > Type origineel > Foto in het bedieningspaneel of (Menu) >
Kopieerfunctie > Type origineel > Foto.
1 Druk op kopie ID op het bedieningspaneel.
2 Plaats een origineel in het midden van de eerste helft van het glas van de scanner met de
voorzijde naar beneden gericht, zoals aangegeven. Sluit vervolgens het deksel van de
scanner.
3 Plaats voorzijde en druk op Start verschijnt op het display.
4 Druk op (Starten).
Het apparaat begint de voorzijde te scannen. Op het display verschijnt Plaats achterz. en
druk op Start.
Identiteitskaarten kopiëren | 91
5 Draai het origineel om en plaats het in het midden van de eerste helft van het glas van de
scanner, zoals aangegeven. Sluit vervolgens het deksel van de scanner.
6 Druk op (Starten).
• Als u niet op (Starten) drukt, wordt alleen de voorzijde gekopieerd.
• Als het origineel groter is dan het afdrukgebied, worden sommige gedeelten mogelijk
niet afgedrukt.
Scannen
In dit hoofdstuk staat informatie die u nodig heeft om de globale scanopties te gebruiken.
• Basisscanmethode 93
• Scannen vanuit het programma HP MFP Scan program 94
Scannen vanuit een programma voor het bewerken van
afbeeldingen95
• Scannen met het WIA-stuurprogramma 96
• Naar WSD scannen 97
De maximale resolutie die kan worden bereikt hangt af van verschillende factoren, zoals de snelheid
van de computer, de beschikbare schijfruimte, het geheugen, de grootte van de afbeelding die wordt
gescand en de bitdiepte-instellingen. Dus afhankelijk van uw systeem en wat u wilt scannen, kunt u
mogelijk niet op een bepaalde resolutie scannen, vooral wanneer verbeterde dpi wordt gebruikt.
• U moet de software pakketten van de website van HP downloaden om de printersoftware te
installeren. Ga naar www.hp.com/support/laser432MFP voor HP's allesomvattende hulp.
Basisscanmethode | 93
Basisscanmethode
U kunt de originelen met uw apparaat scannen via een USB-kabel of via het netwerk. De volgende
methodologieën kunnen worden gebruikt voor het scannen van uw documenten:
HP MFP Scan: U kunt dit programma gebruiken voor het scannen van afbeeldingen of
documenten (zie "Scannen vanuit het programma HP MFP Scan program" op pagina 94).
Scan naar WSD: Scant de originelen en slaat de scangegevens op de aangesloten computer op
als deze de WSD-functie (Web Service for Device) ondersteunt (zie "Naar WSD scannen" op
pagina 97).
TWAIN: TWAIN is een van de vooraf ingestelde beeldtoepassingen. Wanneer u een afbeelding
scant, wordt de geselecteerde toepassing gestart zodat u het scanproces kunt beheren. U kunt
deze functie gebruiken via de lokale verbinding of de netwerkverbinding (zie "Scannen vanuit
een programma voor het bewerken van afbeeldingen" op pagina 95).
WIA: WIA staat voor Windows Images Acquisition. U kunt deze functie alleen gebruiken als de
computer rechtstreeks op het apparaat is aangesloten met een USB-kabel (zie "Scannen met
het WIA-stuurprogramma" op pagina 96).
Scannen vanuit het programma HP MFP Scan program | 94
Scannen vanuit het programma HP MFP Scan
program
HP MFP Scan is een applicatie om gebruikers te helpen bij het scannen, compileren en opslaan
van documenten in meerdere formaten, waaronder het epub-formaat. Deze documenten kunnen
worden gedeeld via fax. Of u nu een student bent die onderzoek uit de bibliotheek organiseert of
een huismoeder bent die gescande foto's van verjaardagsfeest van vorig jaar deelt, HP MFP Scan
zal u voorzien van de benodigde gereedschappen.
Klik op de Help-knop in het venster en klik daarna op de optie waarover u meer wilt
weten.
1 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
2 Controleer of het apparaat met het netwerk is verbonden en ingeschakeld is. Het IP-adres
van uw apparaat moet reeds ingesteld zijn (zie "Het IP-adres instellen" op pagina 63).
3 Download HP MFP Scan-software van de HP website (www.hp.com/support/laser432MFP).
4 Schakel het apparaat in.
5 Pak het HP MFP Scan-pakket uit en voer setup.exeen de HP MFP Scan uit.
6 Klik op Geavanceerd scannen in het startscherm.
7 Selecteer het scantype of een favoriet en pas de afbeelding aan.
8 Klik op Scannen om een definitieve afbeelding te scannen of op Voorbeeldscan om eerst nog
een voorbeeld te zien te krijgen.
9 Druk op Opslaan om de gescande afbeelding op te slaan.
Scannen vanuit een programma voor het bewerken van afbeeldingen | 95
Scannen vanuit een programma voor het
bewerken van afbeeldingen
U kunt documenten scannen en importeren via software voor het bewerken van afbeeldingen,
zoals Adobe Photoshop, als de software TWAIN-compatibel is. Volg de onderstaande stappen om
te scannen met TWAIN-compatibele software:
1 Controleer of de printer op uw computer is aangesloten en ingeschakeld is.
2 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
3 Open een toepassing, bijvoorbeeld Adobe Photoshop.
4 Klik op Bestand > Importeren en selecteer de scanner.
5 Stel de scanopties in.
6 Scan uw afbeelding en sla deze op.
Scannen met het WIA-stuurprogramma | 96
Scannen met het WIA-stuurprogramma
Uw apparaat ondersteunt ook het WIA-stuurprogramma (Windows Image Acquisition) voor het
scannen van afbeeldingen. WIA is een van de standaardonderdelen van Microsoft Windows 7 en
werkt met digitale camera’s en scanners. In tegenstelling tot het TWAIN-stuurprogramma kunt
u met het WIA-stuurprogramma zonder aanvullende software moeiteloos afbeeldingen scannen
en bewerken:
Het WIA-stuurprogramma werkt alleen onder besturingssystemen van Windows (behalve
Windows 2000) met een USB-poort.
1 Controleer of de printer op uw computer is aangesloten en ingeschakeld is.
2 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
3 Klik op Starten > Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Apparaten en printers.
4 Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het apparaatstuurprogramma in Printers
en faxapparaten en kies .
5 De toepassing Nieuwe scan wordt gestart.
6 Geef uw scanvoorkeuren op en klik op Voorbeeld om te zien welke invloed uw voorkeuren
op de afbeelding hebben.
7 Scan uw afbeelding en sla deze op.
Naar WSD scannen | 97
Naar WSD scannen
Scant de originelen en slaat de scangegevens op de aangesloten computer op als deze de
WSD-functie (Web Service for Device) ondersteunt. Als u de WSD-functie wilt gebruiken, moet u
het WSD-printerstuurprogramma op uw computer installeren. In Windows 7 kunt u het
WSD-stuurprogramma installeren om door te gaan naar Configuratiescherm > Apparaten en
printers > Een printer toevoegen. Klik op Een netwerkprinter toevoegen via de wizard.
• De WSD-functie werkt alleen met Windows Vista® of latere versies op een
WSD-compatibele computer.
• Volg onderstaande installatiestappen voor een Windows 7 computer.
Een WSD-printerstuurprogramma installeren
1 Klik op Starten > Configuratiescherm > Apparaten en printers > Een printer toevoegen.
2 Klik op Netwerkprinter, draadloze printer of Bluetooth-printer toevoegen via de wizard.
3 Selecteer in de printerlijst de printer die u wilt gebruiken en klik op Volgende.
• Het IP-adres voor een WSD-printer is http://IP address/ws/ (voorbeeld:
http://111.111.111.111/ws/).
• Als er geen WSD-printer wordt weergegeven in de lijst, klikt u op De printer die ik
wil gebruiken staat niet in de lijst > Een printer met behulp van een TCP/IP-adres
of hostnaam toevoegen en selecteert u Apparaat voor webservices via
Apparaattype. Voer vervolgens het IP-adres van de printer in.
4 Volg de instructies in het installatievenster.
Scannen via de WSD-functie
1 Controleer of de printer op uw computer is aangesloten en ingeschakeld is.
2 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
Naar WSD scannen | 98
3 Selecteer (scannen) > Scannen naar WSD op het bedieningspaneel.
Als u het bericht Niet beschikbaar ziet, controleert u de poortverbinding. Of controleer
of het printerstuurprogramma voor WSD juist is geïnstalleerd.
4 Selecteer uw computernaam via de WSD PC-lijst.
5 Selecteer de gewenste optie en druk op OK.
6 Het apparaat begint te scannen.
Faxen
In dit hoofdstuk staat informatie die u over de algemene faxopties.
• Voorbereiden om te faxen 100
• Een fax verzenden 101
• Een fax ontvangen 107
• Een fax doorsturen naar een ander nummer 111
• De documentinstellingen aanpassen 113
• Het faxadresboek instellen 115
Voorbereiden om te faxen | 100
Voorbereiden om te faxen
Voordat u een fax kunt verzenden of ontvangen moet u het meegeleverde telefoonsnoer
aansluiten op een telefoonaansluiting in de wand (zie "Achterkant" op pagina 21). Het maken van
een telefoonverbinding verschilt van land tot land.
U kunt dit apparaat niet als faxapparaat gebruiken via een internettelefoon. Raadpleeg
uw internetprovider voor meer informatie.
Wij raden het gebruik van traditionele analoge telefoondiensten (PSTN: Public Switched
Telephone Network) wanneer u telefoonlijnen aansluit om de fax te gebruiken. Als u
andere internetdiensten (DSL, ISDN, VolP) gebruikt, kunt u de kwaliteit van de
verbinding verbeteren door gebruik te maken van een microfilter. Een microfilter
elimineert ruissignalen en verbetert de kwaliteit van de netwerk/internetverbinding.
Aangezien er geen DSL-microfilter met het apparaat wordt meegeleverd, neemt u best
contact op met uw internetprovider als u er gebruik van wilt maken.
1. Lijnpoort
2. Microfilter
3. DSL-modem / telefoonlijn
(zie "Achterkant" op pagina 21).
Een fax verzenden | 101
Een fax verzenden
U kunt originelen op de glasplaat van de scanner of in de ADI plaatsen. Als er zich zowel
originelen in de ADI als op de glasplaat van de scanner bevinden, worden de originelen in
de ADI eerst gelezen omdat de ADI een hogere prioriteit heeft bij het scannen.
1 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
2 Selecteer (faxen) op het bedieningspaneel.
3 Stel de gewenste resolutie en helderheid in voor uw fax (zie "De documentinstellingen
aanpassen" op pagina 113).
4 Voer het faxnummer van de ontvanger in (zie "Letters en cijfers op het toetsenblok" op
pagina 38).
5 Druk op (Starten) op het bedieningspaneel. Het document wordt gescand en naar de
bestemmingen gefaxt.
• Als u een fax rechtstreeks wilt verzenden vanaf uw computer, gebruik HP LJ Network
PC Fax (zie "Een fax verzenden vanaf uw computer" op pagina 101).
• Wanneer u een fax wilt annuleren, druk op (Annuleren), alvorens de machine
begint verzenden.
• Als u een fax verzendt vanaf de glasplaat van de scanner, verschijnt er een bericht
waarin u wordt gevraagd een volgende pagina in te voeren.
Een fax verzenden vanaf uw computer
Hiermee kunt u een fax verzenden vanaf uw computer zonder gebruik te maken van het
bedieningspaneel op het apparaat.
Zorg ervoor dat uw apparaat en de computer op hetzelfde netwerk zijn aangesloten.
Een fax verzenden | 102
Een fax verzenden (Windows)
Voor het verzenden van een fax vanaf uw computer moet het HP LJ Network PC Fax-programma
geïnstalleerd worden. Dit programma wordt automatisch geïnstalleerd tijdens de installatie van
het printerstuurprogramma.
Voor meer informatie over HP LJ Network PC Fax, klikt u op Help.
1 Open het document dat u wilt verzenden.
2 Kies Afdrukken in het menu Bestand.
Het venster Afdrukken verschijnt. Afhankelijk van uw toepassing kan dit venster er iets
anders uitzien.
3 Kies HP Network PC Fax vanaf het venster Afdrukken
4 Klik op Afdrukken of OK.
5 Voer het faxnummer van de ontvanger in en stel indien nodig de opties in.
6 Klik op verzenden.
Een lijst met verzonden faxberichten controleren (Windows)
U kunt de lijst met verzonden faxberichten op uw computer controleren.
Vanuit het menu Starten, klik op Programma 's of Alle orogramma' s > HP > Verzendgeschiedenis
fax. Vervolgens wordt het venster weergegeven met de lijst met verzonden faxberichten.
Voor meer informatie over Geschiedenis faxoverdracht klikt u op de knop Help ().
Een fax handmatig verzenden
Voer de volgende stappen uit om een fax te verzenden met (M. hoorn op haak kiezen) op het
configuratiescherm.
• Als u Faxfunctie > Doorsturen verzenden > Doorsturen naar Fax > Aan, hebt
geselecteerd, kunt u met deze functie geen fax verzenden (zie "Een verzonden fax
doorsturen naar een andere bestemming" op pagina 111).
• Als uw apparaat over een hoorn beschikt, kunt u een fax verzenden met de hoorn (zie
"Verschillende functies" op pagina 9).
Een fax verzenden | 103
1 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
2 Selecteer (faxen) op het bedieningspaneel.
3 Stel de gewenste resolutie en helderheid in voor uw fax (zie "De documentinstellingen
aanpassen" op pagina 113).
4 Druk op (M. hoorn op haak kiezen) op het bedieningspaneel of neem de hoorn van de
haak.
5 Voer een faxnummer in met behulp van het numeriek toetsenblok op het bedieningspaneel.
6 Druk op (Starten) op het bedieningspaneel zodra u een hoge faxtoon hoort van het
ontvangende faxapparaat.
Groepsverzending (faxen naar meerdere bestemmingen
verzenden)
Met de functie Groepsverzending kunt u een fax naar meerdere bestemmingen verzenden. Uw
documenten worden automatisch in het geheugen opgeslagen en naar een extern faxapparaat
verzonden. Na verzending worden de originelen automatisch uit het geheugen gewist.
• U kunt geen faxen naar meerdere bestemmingen verzenden als u super goed hebt
gekozen.
• U kunt met deze functie geen kleurenfax verzenden.
1 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner (zie "Originelen
plaatsen" op pagina 53).
2 Selecteer (faxen) op het bedieningspaneel.
3 Stel de gewenste resolutie en helderheid in voor uw fax (zie "De documentinstellingen
aanpassen" op pagina 113).
4 Selecteer (Menu) > Faxfunctie > Meerdere verz. op het bedieningspaneel.
5 Voer het nummer van het eerste ontvangende faxapparaat in en druk op OK.
Een fax verzenden | 104
U kunt snelkiesnummers oproepen of een groepskiesnummer selecteren met de knop
(Address Book).
6 Voer het tweede faxnummer in en druk op OK. U wordt gevraagd om het volgende
faxnummer waarnaar u het document wilt verzenden in te voeren.
7 Als u meerdere faxnummers wilt invoeren, drukt u op OK wanneer Ja oplicht, en herhaalt u
stap 5 en 6.
U kunt maximaal 10 bestemmingen ingeven.
8 Als u klaar bent met het invoeren van faxnummers, selecteert u Nee op de vraag Nog een
nummer? en drukt u op OK.
Het apparaat verzendt de fax naar de verschillende nummers in de volgorde waarin u ze
hebt ingevoerd.
Automatisch opnieuw kiezen
Als de lijn van het gekozen nummer bezet is of als het faxapparaat van de ontvanger niet
antwoordt, wordt het nummer automatisch opnieuw gekozen. De tijd voor een nieuwe
kiespoging is afhankelijk van de standaardinstellingen voor uw land.
Wanneer Opnieuw kiez.? op het display verschijnt, drukt u op (Starten) om het nummer
onmiddellijk opnieuw te kiezen. Om het automatisch opnieuw kiezen uit te schakelen, druk
op (Annuleren).
U kunt ook de wachttijd tussen twee kiespogingen en het aantal kiespogingen wijzigen.
1 Selecteer (faxen) > (Menu)> Faxinstel. > Verzenden op het bedieningspaneel.
2 Selecteer Aant. kiespog. of Opn. kiezen na.
3 Selecteer de gewenste optie.
Faxnummer opnieuw kiezen
1 Druk op (Opnieuw kiezen/Pauzeren) op het configuratiescherm.
2 Selecteer het gewenste faxnummer.
Een fax verzenden | 105
Tien recent verzonden faxnummer met tien ontvangen nummerweergaven worden
weergegeven.
3 Het apparaat begint automatisch met verzenden wanneer een origineel in de ADI wordt
geplaatst.
Als een origineel op de glasplaat ligt, selecteert u Ja om een andere pagina toe te voegen.
Plaats een ander origineel en druk op OK. Als u klaar bent, selecteert Nee als Nog een
pagina? wordt weergegeven.
Een verzending bevestigen
Wanneer de laatste pagina van uw origineel correct is verzonden, hoort u een pieptoon waarna
het apparaat terugkeert naar stand-bymodus.
Als er tijdens de verzending van uw fax iets fout gaat, verschijnt een foutbericht op het display.
Als er een foutbericht wordt weergegeven, druk dan op (Annuleren) om het bericht te wissen
en probeer de fax opnieuw te verzenden.
U kunt het apparaat zo instellen dat er na elke verzonden fax automatisch een
verzendrapport wordt afgedrukt. Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxinstel. >
Verzenden > Faxbevest. op het bedieningspaneel.
Uitgestelde faxverzending
U kunt het apparaat zo instellen dat een fax op een later tijdstip (tijdens uw afwezigheid) wordt
verzonden.
U kunt met deze functie geen kleurenfax verzenden.
1 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner.
2 Selecteer (faxen) op het bedieningspaneel.
3 Pas de resolutie en helderheid naar wens aan.
4 Druk op (Menu) > Faxfunctie > Uitgesteld verzenden op het configuratiescherm.
5 Voer het nummer van het ontvangende faxapparaat in en druk op OK.
Een fax verzenden | 106
6 U wordt gevraagd om het volgende faxnummer waarnaar u het document wilt verzenden in
te voeren.
7 Als u meerdere faxnummers wilt invoeren, drukt u op OK wanneer Ja oplicht, en herhaalt u
stap 5.
U kunt maximaal 10 bestemmingen ingeven.
8 Voer de naam en de tijd in van de taak.
Als u een tijdstip instelt dat vroeger is dan de huidige tijd, wordt de fax de volgende
dag op het ingestelde tijdstip verzonden.
9 Het document wordt in het geheugen opgeslagen voordat het wordt verzonden.
Het apparaat keert terug naar stand-bymodus. Het display herinnert u eraan dat het
apparaat zich in stand-bymodus bevindt en dat er een uitgesteld faxbericht is ingesteld.
Hiermee kunt u de lijst van uitgestelde faxtaken controleren.
Druk op (Menu) > Systeeminst. > Rapport > Geplande takenop het
bedieningspaneel.
Een gereserveerde faxtaak annuleren
1 Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxfunctie > Taak annuleren op het
bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste faxtaak en druk op OK.
3 Druk op OK wanneer Ja verschijnt.
De geselecteerde fax wordt uit het geheugen gewist.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Een fax ontvangen | 107
Een fax ontvangen
Uw apparaat is standaard ingesteld op faxmodus. Als u een fax ontvangt, beantwoordt het
apparaat de oproep na een opgegeven aantal belsignalen en wordt de fax automatisch
ontvangen.
De ontvangstmodus wijzigen
1 Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxinstel. > Ontvangen > Ontvangmodus op het
bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste optie.
faxen: Hiermee wordt een inkomende faxoproep aangenomen en wordt onmiddellijk
overgeschakeld naar de faxontvangstmodus.
Tel: Hiermee ontvangt u een fax door op (M. hoorn op haak kiezen) en vervolgens op
(Starten) te drukken.
Ant/Fax: Wordt gebruikt als er een antwoordapparaat op uw apparaat is aangesloten.
Inkomende oproepen worden beantwoord door het antwoordapparaat en de beller kan
een boodschap op het antwoordapparaat achterlaten. Als het faxapparaat een faxtoon op
de lijn opvangt, schakelt het automatisch over naar faxmodus om de fax te ontvangen.
Sluit een antwoordapparaat aan op de EXT-uitgang aan de achterkant van het
apparaat om de Ant/Fax-modus te gebruiken.
DRPD: U kunt een oproep aannemen met de DRPD-functie (Distinctive Ring Pattern
Detection – detectie van distinctieve belpatronen). "Distinctive Ring" of
beltoonherkenning is een dienst van de telefoonmaatschappij waarmee men via één
telefoonlijn meerdere oproepen gelijktijdig kan beantwoorden. Zie "Faxen ontvangen in
DRPD-modus" op pagina 109voor meer informatie.
Deze instelling is niet in alle landen beschikbaar.
3 Druk op OK.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Een fax ontvangen | 108
Handmatig ontvangen in telefoonmodus
Wanneer u de faxtoon van het extern faxapparaat hoort, kunt een faxoproep ontvangen door
achtereenvolgens op (M. hoorn op haak kiezen) en op (Starten).
Automatisch ontvangen in antwoordapparaat/faxmodus
Als u deze modus wilt gebruiken, moet u een antwoordapparaat aansluiten op de EXT-uitgang
aan de achterzijde van uw apparaat. Als de beller een bericht achterlaat, slaat het
antwoordapparaat het bericht op. Als het apparaat een faxtoon op de lijn detecteert, wordt de fax
automatisch ontvangen.
• Als u het apparaat in deze modus hebt ingesteld en het antwoordapparaat is
uitgeschakeld of er is geen antwoordapparaat op de EXT-uitgang aangesloten, wordt na
een vooraf ingesteld aantal belsignalen automatisch overgeschakeld naar de faxmodus.
• Als uw antwoordapparaat een door de gebruiker instelbare teller voor beltonen heeft,
stelt u het apparaat zo in dat het inkomende oproepen binnen de eerste beltoon
aanneemt.
Als de telefoonmodus van het apparaat is ingeschakeld, moet u het faxapparaat met het
antwoordapparaat loskoppelen of uitschakelen. Anders zal het uitgaande bericht van
het antwoordapparaat uw telefoongesprek verstoren.
Faxen ontvangen via een intern telefoontoestel
Als u een intern telefoontoestel gebruikt dat is aangesloten op de EXT-aansluiting, kunt u een fax
ontvangen van iemand met wie u in gesprek bent op het interne telefoontoestel zonder dat u
naar het faxapparaat hoeft te gaan.
Wanneer u een oproep ontvangt op een intern telefoontoestel en u hoort faxtonen, drukt u op de
toetsen *9* op het intern telefoontoestel. Het apparaat ontvangt de fax.
*9* is de voorgeprogrammeerde fabriekscode voor ontvangst op afstand. De eerste en de laatste
asterisk liggen vast, maar u kunt het middelste cijfer naar wens wijzigen.
Wanneer u een gesprek via het telefoontoestel dat is aangesloten op de EXT-aansluiting,
zijn de functies voor scannen en kopiëren niet beschikbaar.
Een fax ontvangen | 109
Faxen ontvangen in DRPD-modus
Deze instelling is niet in alle landen beschikbaar. "Distinctive Ring" of beltoonherkenning is een
dienst van de telefoonmaatschappij waarmee men via één telefoonlijn meerdere oproepen
gelijktijdig kan beantwoorden. Deze functie wordt vaak gebruikt door antwoorddiensten die voor
verschillende klanten telefoonoproepen beantwoorden en moeten weten welk nummer iemand
heeft gekozen om de oproep correct te kunnen beantwoorden.
Deze instelling is niet in alle landen beschikbaar.
1 Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxinstel. > Ontvangen > DRPD-modus >
Wachttoonop het bedieningspaneel.
2 Bel met een andere telefoon naar uw faxnummer.
3 Als het apparaat begint te rinkelen, beantwoordt u de oproep niet. Het apparaat heeft enkele
belsignalen nodig om het patroon te "leren" herkennen.
Als het patroon is herkend voor later gebruik, verschijnt DRPD-instelling voltooid op het
display. Als de instelling van DRPD mislukt, verschijnt fuser DRPD-belsignaal.
4 Druk op OK wanneer DRPD verschijnt en begin opnieuw vanaf stap 2.
Als u uw faxnummer wijzigt of als u het apparaat aansluit op een andere telefoonlijn,
moet u DRPD opnieuw instellen.
Nadat u DRPD hebt ingesteld, belt u opnieuw naar uw faxnummer om te controleren
of het apparaat antwoordt met een faxtoon. Bel vervolgens naar een ander nummer
dat aan dezelfde lijn is toegekend om te controleren of de oproep wordt
doorgeschakeld naar uw intern telefoontoestel of naar het antwoordapparaat dat is
aangesloten op de EXT-uitgang.
Ontvangen in veilige ontvangstmodus
Deze functie is mogelijk niet beschikbaar, afhankelijk van het model of de optionele
onderdelen (zie "Functies per model" op pagina 8).
Mogelijk wilt u niet dat faxberichten die tijdens uw afwezigheid binnenkomen door anderen
worden bekeken. Als u de veilige ontvangstmodus inschakelt, worden alle inkomende faxen in
het geheugen opgeslagen. U kunt de faxen vervolgens afdrukken door het wachtwoord in te
voeren.
Een fax ontvangen | 110
Als u de veilige ontvangstmodus wilt gebruiken, moet u het menu activeren via
(faxen) > (Menu) > Faxfunctie > Veilig ontvangen op het bedieningspaneel.
Ontvangen faxen afdrukken
1 Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxfunctie > Veilig ontvangen > Afdrukken op het
bedieningspaneel.
2 Voer een wachtwoord van vier cijfers in en druk op OK.
3 Alle in het geheugen opgeslagen faxberichten worden afgedrukt.
Faxen ontvangen in het geheugen
Aangezien het apparaat meerdere taken tegelijk kan uitvoeren, kan het faxen ontvangen terwijl
u kopieert of afdrukt. Als u tijdens het kopiëren of afdrukken een fax ontvangt, slaat het apparaat
de inkomende fax in het geheugen op. Zodra u klaar bent met kopiëren of afdrukken, wordt de
fax automatisch afgedrukt.
Wanneer de fax is ontvangen en wordt afgedrukt, kunnen tegelijkertijd geen andere
kopieer- of afdrukopdrachten worden verwerkt.
Een fax doorsturen naar een ander nummer | 111
Een fax doorsturen naar een ander nummer
U kunt het apparaat instellen om een ontvangen of verzonden fax naar een andere bestemming
te verzenden per fax. Deze functie is nuttig als u een fax wilt ontvangen wanneer u niet op
kantoor bent.
Een verzonden fax doorsturen naar een andere bestemming
U kunt met deze functie geen kleurenfax verzenden.
1 Plaats originelen in de documentinvoer met de bedrukte zijde naar boven of plaats een enkel
document met de bedrukte zijde naar onder op de glasplaat van de scanner.
2 Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxfunctie > Doorsturen > Doorsturen naar fax > Aan
op het bedieningspaneel.
Als u Aanhebt geselecteerd, kunt u een fax niet handmatig verzenden (zie "Een fax
handmatig verzenden" op pagina 102).
3 Voer het ontvangende faxnummer, e-mailadres of serveradres in en druk op OK.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Na elkaar verzonden faxen zullen doorgestuurd worden naar het opgegeven faxapparaat.
Ontvangen faxen doorsturen
U kunt het apparaat instellen om een ontvangen of verzonden fax naar een andere bestemming
te verzenden per fax. Deze functie is nuttig als u een fax wilt ontvangen wanneer u niet op
kantoor bent.
1 Druk op (fax) > (Menu) > Faxfunctie > Ontv. doorst. > Doorsturen naar fax of
Doorst. n. PC > Aan op het bedieningspaneel.
Selecteer Doorst. en afd. als u wilt dat het apparaat de fax afdrukt nadat deze is
doorgestuurd.
2 Voer het ontvangende faxnummer, e-mailadres of serveradres in en druk op OK.
Een fax doorsturen naar een ander nummer | 112
3 Voer de begin-en eindtijd, en druk vervolgens op OK.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Na elkaar verzonden faxen zullen doorgestuurd worden naar het opgegeven faxapparaat.
De documentinstellingen aanpassen | 113
De documentinstellingen aanpassen
Voordat u een fax verstuurt, wijzigt u de volgende instellingen overeenkomstig de
eigenschappen van het origineel voor een optimaal resultaat.
Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere
niveaus te gaan.
Resolutie
De standaard documentinstellingen leveren goede resultaten voor een normaal tekstdocument.
Als u echter originelen verstuurt die foto’s bevatten of van een slechte kwaliteit zijn, kunt u de
resolutie aanpassen om een fax van een betere kwaliteit te versturen.
1 Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxfunctie > Resolutie op het bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste optie en druk op OK.
Standaard: originelen met tekens van normale grootte.
Fijn: originelen met kleine tekens of dunne lijnen, of originelen die met een matrixprinter
zijn afgedrukt.
Superfijn: originelen met zeer kleine details. De modus Superfijn wordt alleen
ingeschakeld als het apparaat waarmee u communiceert deze resolutie ondersteunt.
- Verzenden vanuit het geheugen is niet mogelijk in de modus Superfijn. De
resolutie-instelling wordt automatisch gewijzigd in Fijn.
- Als het apparaat ingesteld is op de resolutie Superfijn, maar het ontvangende
faxapparaat de resolutie Superfijn niet ondersteunt, wordt de fax verzonden in de
hoogste resolutie die het ontvangende faxapparaat ondersteunt.
Fotofax: originelen met grijstinten of foto's.
3 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Tonersterkte
U kunt de helderheid van het originele document selecteren.
De ingestelde helderheid geldt voor de huidige faxtaak. Voor het aanpassen van de
standaardinstellingen (zie"Fax" op pagina 125).
De documentinstellingen aanpassen | 114
1 Selecteer (faxen) > (Menu) > Faxfunctie > Tonersterkte op het bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste tonerinstelling.
3 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Het faxadresboek instellen | 115
Het faxadresboek instellen
Deze functie ondersteunt alleen faxmodel. U kunt een snelkiesnummer instellen in met de
faxnummers die u vaak gebruikt, via de HP Embedded Web Server en vervolgens gemakkelijk en
snel faxnummers invoeren door het invoeren van de locatienummers zoals toegewezen in het
adresboek.
U kunt geen kleurenfax verzenden via het adresboek.
Een snelkiesnummer vastleggen
1 Selecteer (faxen) > (Adresboek) > Nieuw & Bewerken > Snelkiesnummerop het
bedieningspaneel.
2 Voer een snelkiesnummer in en druk op OK.
Als een item reeds is opgeslagen in het door u gekozen nummer, toont het display het
bericht dat u het kunt wijzigen. Als u opnieuw wilt beginnen met een ander
snelkiesnummer, drukt u op (Achterkant).
3 Voer de gewenste naam in en druk op OK.
4 Voer het faxnummer in dat u wilt opslaan en druk op OK.
5 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Het faxadresboek instellen | 116
Snelkiesnummers gebruiken
Wanneer u tijdens het versturen van een fax wordt gevraagd om een nummer in te voeren, voert
u het snelkiesnummer in waaronder u het gewenste faxnummer hebt opgeslagen.
• In het geval van een snelkiesnummer dat uit één cijfer (0-9) bestaat, houdt u de
cijfertoets op het numeriek klavier langer dan 2 seconden ingedrukt.
• In het geval van een snelkiesnummer dat uit twee of drie cijfers bestaat, drukt u op de
eerste cijfertoets(en) en houdt u vervolgens de laatste cijfertoets meer dan twee
seconden ingedrukt.
• U kunt de adresboeklijst afdrukken door (faxen) > (Adresboek) > Afdrukk. te
selecteren.
Snelkiesnummers bewerken
1 Selecteer (faxen) > (Adresboek) > Nieuw en bew. > Snelkiesnummerop het
bedieningspaneel.
2 Voer het snelkiesnummer in dat u wilt bewerken en druk op OK.
3 Wijzig de naam en druk op OK.
4 Wijzig het faxnummer en druk op OK.
5 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Een groepskiesnummer vastleggen
1 Selecteer (faxen) > (Adresboek) > Nieuw en bew. > Groepsnummerop het
bedieningspaneel.
2 Voer een groepkiesnummer in en druk op OK.
Als een item reeds is opgeslagen in het door u gekozen nummer, toont het display het
bericht dat u het kunt wijzigen. Als u opnieuw wilt beginnen met een ander
snelkiesnummer, drukt u op (Achterkant).
3 Zoek naar het snelkiesnummer dat u wilt toevoegen aan de groep door de eerste letters van
de naam in te voeren.
Het faxadresboek instellen | 117
4 Selecteer de gewenste naam en het gewenste nummer en druk op OK.
5 Selecteer Ja als Toevoegen? wordt weergegeven.
6 Herhaal stap 3 om andere snelkiesnummers in de groep op te nemen.
7 Als u klaar bent, selecteert u Nee als Nog een nummer? wordt weergegeven en drukt u op
OK.
8 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Groepsnummers bewerken
1 Selecteer (faxen) > (Adresboek) > Nieuw en bew. > Groepsnummerop het
bedieningspaneel.
2 Voer het groepskiesnummer in dat u wilt bewerken en druk op OK.
3 Als u een nieuw snelkiesnummer invoert dat u wilt toevoegen en op OK drukt, wordt
Toevoegen? weergegeven.
Als u een snelkiesnummer invoert dat in de groep is opgeslagen en op OK drukt, wordt
Verwijderd weergegeven.
4 Druk op OK om het nummer toe te voegen of te verwijderen.
5 Herhaal stap 3 om meer nummers toe te voegen of te verwijderen.
6 Selecteer Nee als Nog een nummer? wordt weergegeven en druk op OK.
7 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Het faxadresboek instellen | 118
Een item in het adresboek zoeken
U kunt op twee manieren een nummer in het geheugen opzoeken. U doorzoekt het adresboek
alfabetisch of u voert de eerste letters in van de naam die aan dat nummer is gekoppeld.
1 Selecteer (fax) > (Adresboek) > Zoek. en kiez. > Snelkiesnummer of
Groepsnummer op het configuratiescherm.
2 Voer Alle of ID in en druk op OK.
3 Druk op de naam en het nummer, of op de toetsenblokknop met de letter waarnaar u wilt
zoeken.
Als u bijvoorbeeld de naam “MOBIEL” zoekt, drukt u op de toets 6 met het opschrift “MNO.”
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar stand-bymodus.
Adresboek afdrukken
U kunt de instellingen van uw (Adresboek) controleren door ze in een lijst af te drukken.
1 Selecteer (faxen) > (Adresboek) > Afdrukken op het configuratiescherm.
2 Druk op OK.
Het apparaat begint met afdrukken.
Menu´s met nuttige
instellingen
In dit hoofdstuk leest u hoe u de huidige status van het apparaat controleert en hoe u geavanceerde
apparaatinstellingen instelt.
• Kopiëren 120
• Fax 125
• Scannen 129
• Afdrukken 130
• Directe USB 131
• Systeeminstallatie 132
• Netwerk 138
• Taakbeheer 140
• PrinterOn 141
Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige menu’s mogelijk niet op het display verschijnen.
Als dit het geval is, zijn deze opties niet van toepassing op uw apparaat.
Kopiëren | 120
Kopiëren
Kopieerfunctie
Om de menuopties te wijzigen:
Druk in de kopieermodus op (Menu) > Kopieerfunctie op het bedieningspaneel.
Item Omschrijving
Formaat orig. Hiermee stelt u de grootte van de afbeelding in.
Verkl./vergr.
Hiermee verkleint of vergroot u een gekopieerde afbeelding (zie
"Verkleinde of vergrote kopie" op pagina 88).
Wanneer het apparaat is ingesteld op eco-modus, zijn de
vergroot- en verkleinfuncties niet beschikbaar.
Dubbelzijdig
Hiermee stelt u het apparaat in op dubbelzijdig kopiëren.
1->1-zijdig: scant één zijde van een origineel en drukt het op
één papierzijde af.
1->2-zijdig
1->2-zijdig gedraaid
2->1-zijdig
2->1-zijdig gedraaid
2->2-zijdig
Kopiëren | 121
Tonersterkte
Hiermee past u de helderheid aan voor een origineel met
onduidelijke markeringen en donkere afbeeldingen, zodat de
kopie beter leesbaar is (zie "Tonersterkte" op pagina 87).
Oorspr. type
Hiermee verbetert u de kopieerkwaliteit door het documenttype
voor de huidige kopieertaak te selecteren (zie "Oorspr. type" op
pagina 87).
Sorteren
Hiermee stelt u het apparaat zo in dat de kopieën worden
gesorteerd. Als u bijvoorbeeld 2 kopieën wilt maken van een
document met 3 pagina’s, krijgt u eerst één volledige kopie van
het 3 pagina’s tellende document en vervolgens een tweede
volledige kopie.
Aan: hiermee drukt u de pagina's gegroepeerd af in dezelfde
volgorde als het origineel.
Uit: hiermee drukt u af en sorteert u het resultaat in stapels
van afzonderlijke pagina's.
Lay-out
Hiermee kunt u de instellingen voor de indeling configureren,
zoals Normaal, 2/4-Up, ID Copy, Book Copy.
Lay-out > 2-op of Lay-out >
4-op
Hiermee worden de originele afbeeldingen verkleind en worden
2 of 4 pagina’s afgedrukt op één vel papier. U kunt de richting
selecteren waarin informatie wordt gekopieerd op een pagina.
Lay-out > ID kopie
Hierbij wordt één zijde van het origineel op de bovenste helft van
het vel papier afgedrukt en de andere zijde op de onderste helft
zonder dat het origineel daarbij wordt verkleind. Deze functie is
handig voor het kopiëren van kleine documenten zoals
visitekaartjes (zie "Identiteitskaarten kopiëren" op pagina 90).
Item Omschrijving
1 2
1 2
3 4
Kopiëren | 122
Lay-out > Boek kopiëren
Met deze functie kunt u een volledig boek kopiëren. Als het boek
te dik is, opent u het deksel tot de scharnieren niet verder
kunnen en sluit u het deksel weer. Als het boek of tijdschrift
dikker is dan 30 mm (1,18 inch), laat u tijdens het kopiëren de
deksel open.
Linkerpagina: gebruik deze optie om de linkerpagina van het
boek af te drukken.
Rechterpagina: gebruik deze optie om de rechterpagina van
het boek af te drukken.
Beide pagina's: Gebruik deze optie om beide pagina's van het
boek af te drukken.
Deze kopieerfunctie is alleen beschikbaar als u via de
glasplaat kopieert.
Achtergrond wijzigen
Hiermee drukt u een afbeelding zonder achtergrond af. Deze
kopieerfunctie verwijdert de achtergrondkleur en is handig voor
het kopiëren van een origineel met een gekleurde achtergrond,
zoals een krant of catalogus.
Uit: Deze functie wordt niet gebruikt.
Auto: De achtergrond wordt geoptimaliseerd.
Versterken niv.1~2: Hoe hoger het getal, hoe levendiger de
achtergrond.
Vervagen niv. 1~4: Hoe hoger het getal, hoe lichter de
achtergrond.
Item Omschrijving
Kopiëren | 123
Rand wissen
Hiermee kunt u vlekken, perforatie-openingen, vouwen en
nietafdrukken langs een van de vier randen van een document
wissen.
Uit: Deze functie wordt niet gebruikt.
Klein origineel: Hiermee wordt de rand van het origineel
gewist als het klein is. Deze functie is alleen beschikbaar als u
via de glasplaat kopieert.
Perforeren: hiermee worden de sporen van boekbindgaatjes
gewist.
Boek centreren: hiermee wordt het middelste deel van het
papier gewist, dat een zwarte horizontale baan vormt wanneer
u een boek kopieert. Deze functie is alleen beschikbaar als u
via de glasplaat kopieert.
Rand wissen: Hiermee wordt een bepaald gedeelte van de
marge aan de onder-, boven, linker- of rechterkant van het
origineel verwijderd.
Stempel
U kunt de stempelfunctie inschakelen.
Stempel activeren: U kunt de stempelfunctie activeren.
Item: Drukt datum, tijd, IP-adres, paginanummer,
apparaatinformatie, opmerkingen of gebruikers-id af op de
kopie.
Opaciteit: Hiermee kunt u de transparantheid selecteren.
Positie: Hiermee stelt u de positie in.
Watermerk
Met de optie Watermerk kunt u tekst afdrukken over een
bestaand document. U gebruikt het bijvoorbeeld om in grote
grijze letters "CONCEPT" of "VERTROUWELIJK" diagonaal op de
eerste pagina of op alle pagina’s af te drukken.
Item Omschrijving
Kopiëren | 124
Kopieerinstel.
Om de menuopties te wijzigen:
Druk in de kopieermodus op (Menu) > Kopieerfunctie op het bedieningspaneel.
Item Omschrijving
St.inst. wijz.
De opties voor kopieëren kunnen worden ingesteld op die opties
die het meeste worden gebruikt.
Fax | 125
Fax
Faxfunctie
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (faxen) > (Menu) > Faxfunctie op het configuratiescherm.
Item Beschrijving
Tonersterkte
Hiermee kunt u de helderheid aanpassen voor een origineel met
onduidelijke markeringen en donkere afbeeldingen zodat de
gescande kopie beter leesbaar is (zie "Tonersterkte" op pagina
113).
Resolutie
De standaard documentinstellingen leveren goede resultaten
voor een normaal tekstdocument. Als u echter originelen
verstuurt die foto’s bevatten of van een slechte kwaliteit zijn,
kunt u de resolutie aanpassen om een fax van een betere
kwaliteit te versturen (zie "Resolutie" op pagina 113).
Kleurmodus Hiermee kunt u de kleurmodus instellen waarmee u wilt faxen.
Oorspr. type
Verbetert de faxkwaliteit op basis van het type van het originele
document dat wordt gescand.
Formaat orig. Hiermee stelt u de grootte van de afbeelding in.
Dubbelzijdig
Deze functie is speciaal bedoeld voor dubbelzijdige originelen. U
kunt hiermee aangeven of het apparaat de fax op een of beide
zijden van het papier moet verzenden.
1-zijdig: Voor originelen die slechts aan één zijde zijn bedrukt.
2-zijdig: Voor originelen die aan beide zijden zijn bedrukt.
2-zijdig gedraaid: Voor originelen die aan beide zijden zijn
bedrukt, maar waarvan de achterkant 180° is gedraaid.
Als u 2-zijdig en 2-zijdig gedraaid wilt gebruiken, moet u
de originelen invoeren via de DADF. Als het apparaat geen
originelen in de DADF detecteert, schakelt het
automatisch over naar 1-zijdig.
Meerdere verz.
Hiermee kunt u een fax naar meerdere bestemmingen verzenden
(zie "Groepsverzending (faxen naar meerdere bestemmingen
verzenden)" op pagina 103).
U kunt met deze functie geen kleurenfax verzenden.
Fax | 126
Verzendinstellingen
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (faxen) > (Menu) > Faxinstel. > Verzending op het configuratiescherm.
Uitgest. verz.
Hiermee kunt u het apparaat zo instellen dat een fax op een later
tijdstip (tijdens uw afwezigheid) wordt verzonden (zie
"Uitgestelde faxverzending" op pagina 105).
U kunt met deze functie geen kleurenfax verzenden.
Naar ander nr.
Ontv. en doorst.
Hiermee wordt de ontvangen of verzonden fax door een fax,
computer, enzovoort, doorgestuurd naar een andere
bestemming. Als u niet aanwezig bent maar een fax moet
ontvangen, kan deze functie handig zijn.
• Zie "Een verzonden fax doorsturen naar een andere
bestemming" op pagina 111.
• Zie "Ontvangen faxen doorsturen" op pagina 111.
Veilige ontv.
Hiermee wordt de ontvangen fax opgeslagen in het geheugen
zonder dat deze wordt afgedrukt. Als u ontvangen documenten
wilt afdrukken, moet u het wachtwoord invoeren. Zo kunt u
voorkomen dat onbevoegde personen de ontvangen faxen
kunnen bekijken (zie "Ontvangen in veilige ontvangstmodus" op
pagina 109).
Taak annuleren
Hiermee kunt u de uitgestelde faxtaak annuleren die in het
geheugen is opgeslagen (zie "Een gereserveerde faxtaak
annuleren" op pagina 106).
Item Beschrijving
Aant. kiespog.
Hiermee kunt u het aantal kiespogingen instellen. Als u 0
invoert, zal het apparaat niet opnieuw kiezen.
Opn. kiezen na
Hiermee kunt u het tijdsinterval instellen voor automatisch
opnieuw kiezen.
Kenget. kiezen
Hiermee kunt u een prefix van maximaal vijf cijfers instellen. Dit
nummer wordt dan altijd gekozen voordat er een automatisch
kiesnummer wordt gevormd. Dit is nuttig om toegang te krijgen
tot een telefooncentrale.
ECM-modus
Hiermee kunt u de foutcorrectiemodus (ECM) inschakelen om
faxen zonder fouten te verzenden. Als u deze modus inschakelt,
kan het verzenden van faxen langer duren.
Item Beschrijving
Fax | 127
Ontvangstinstellingen
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (faxen) > (Menu) > Faxinstel. > Ontvangen... op het configuratiescherm.
Faxbevestiging
Hiermee stelt u het apparaat in om een rapport te verzenden,
ongeacht of the faxverzending geslaagd is of niet. Wanneer u
Aan-Fout selecteert, drukt het apparaat alleen een rapport af
wanneer de verzending niet geslaagd is.
TCR voor afb.
Hiermee drukt u een verzendrapport af dat een
miniatuurafbeelding van de eerste pagina van de verzonden fax
bevat.
Kiesmodus
Hiermee stelt u de kiesmodus in op tonen of pulsen. Deze
instelling is niet in alle landen beschikbaar.
Daluren
Hiermee kunt u op de telefoonkosten besparen door de
verzending van een faxbericht uit te stellen tot een van te voren
ingesteld tijdstip. Deze instelling is niet in alle landen
beschikbaar.
Item Beschrijving
Ontvangstmodus
Hiermee kunt u de standaardmodus voor het ontvangen van fax
selecteren.
Opn. na bels.
Hiermee kunt u opgeven hoe vaak het apparaat moet overgaan
voordat een inkomende oproep wordt beantwoord.
Ontv.g. stemp.
Hiermee kunt u instellen dat het paginanummer en de
ontvangstdatum en -tijd automatisch onder aan elke pagina van
een ontvangen fax worden afgedrukt.
Startc. ontv.
Hiermee kunt u een fax ontvangen vanaf een telefoontoestel dat
aangesloten is op de EXT-uitgang aan de achterkant van het
apparaat. Als u de hoorn van het telefoontoestel neemt en
faxtonen hoort, voert u de code in. De code is
voorgeprogrammeerd op *9*.
Aut. verklein.
Hiermee kunt u een binnenkomende fax automatisch verkleinen
zodat de fax op het papier past dat in het apparaat is geplaatst.
Grootte neger.
Hiermee kunt u instellen dat een bepaald gedeelte aan het einde
van de ontvangen fax niet wordt afgedrukt.
Inst. ong. fax
Hiermee kunt u faxen blokkeren die in het geheugen zijn
opgeslagen als ongewenste faxnummers. Deze instelling is niet
in alle landen beschikbaar.
Item Beschrijving
Fax | 128
Een andere installatie
Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige menu’s mogelijk niet op het
display verschijnen. Als dit het geval is, zijn deze opties niet van toepassing op uw
apparaat (zie "Menuoverzicht" op pagina 27).
Om de menuopties te wijzigen:
• Druk op (faxen) > (Menu) > Faxinstel. op het bedieningspaneel.
DRPD-modus
Hiermee kan een gebruiker met één telefoonlijn verschillende
telefoonnummers beantwoorden. U kunt het apparaat zo
instellen dat verschillende belsignalen worden herkend voor de
afzonderlijke nummers. Deze instelling is niet in alle landen
beschikbaar (zie "Faxen ontvangen in DRPD-modus" op pagina
109).
Dubbelzijdig afdrukken
Hiermee kunnen de ontvangen faxgegevens op beide zijden van
het papier worden afgedrukt. Zo kunt u besparen op het
papiergebruik.
Uit: Drukt op slechts één zijde van het papier af.
Lange zijde: Drukt op beide zijden van het papier af met een
bindrand langs de lange kant.
Korte zijde: Drukt op beide zijden van het papier af met een
bindrand langs de korte kant.
Item Beschrijving
St.inst. wijz.
Hiermee herstelt u de waarde of instelling opnieuw in op de
beginwaarde.
Handmatig V/O
Door het instellen van deze optie op AAN kunt u een fax
verzenden of ontvangen terwijl de lijn bezet is. U kunt ervoor
kiezen om een fax te verzenden of te ontvangen door de hoorn
van het intern telefoontoestel op te pakken en op de knop
Starten te drukken. U kunt ook op de knop M. hoorn op haak
kiezen en vervolgens op de knop Starten drukken.
Diag. Smartfax
Met de Diag. Smartfax-functie kunt u de instellingen voor de
faxlijn optimaliseren.
Item Beschrijving
Scannen | 129
Scannen
Scanfunctie
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (scannen) > (Menu) > Scanfunctie op het configuratiescherm.
Scaninstellingen
Om de menuopties te wijzigen:
Druk op (scannen) > (Menu) > Scaninstellingen op het configuratiescherm.
Item Omschrijving
USB-functie
Hiermee stelt u de scanbestemming in op een USB-apparaat. U kunt
de originelen scannen en de gescande afbeeldingen opslaan op een
USB-apparaat.
E-mailfunctie
Hiermee stelt u de scanbestemming in op een e-mailtoepassing. U
kunt de originelen scannen en de gescande afbeeldingen per e-mail
naar de gewenste bestemming verzenden.
FTP-functie
Hiermee stelt u de scanbestemming in op een FTP-server. U kunt de
originelen scannen en de gescande afbeeldingen verzenden naar
een FTP-server.
SMB-functie
Hiermee stelt u de scanbestemming in op een SMB-server. U kunt de
originelen scannen en de gescande afbeeldingen verzenden naar
een SMB-server.
Gedeelde map
Hiermee stelt u de scanbestemming in op een gedeeld vak. U kunt
een gedeelde map maken en deze gebruiken.
Item Beschrijving
St.inst. wijz.
Hiermee kunt u de scanopties instellen op de opties die u het meest
gebruikt.
Afdrukken | 130
Afdrukken
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Printerinstelling op het configuratiescherm.
Item Beschrijving
Afdrukstand
Selecteert de richting waarin informatie wordt afgedrukt op een
pagina.
Staand
Liggend
Dubbelzijdig
U kunt uw apparaat instellen om kopieën op beide zijden van het
papier af te drukken.
Exemplaren U kunt het aantal afdrukken wijzigen met het numerieke toetsenblok.
Resolutie
Hiermee stelt u de opties voor resolutie in. Hoe hoger de instelling,
hoe scherper de tekens en afbeeldingen worden afgedrukt.
Duid. Tekst Drukt de tekst donkerder af dan op een normaal document.
Auto CR
Met deze optie kunt u een harde return plaatsen aan het einde van een
regel, zeer handig voor Unix- of DOS-gebruikers.
Blanco pagina's
overslaan
De printer detecteert de afdrukgegevens van de computer ongeacht
of de pagina leeg is of gegevens bevat. U kunt instellen dat de pagina
moet worden afgedrukt of overgeslagen.
Emulatie
Stelt het type en de optie voor emulatie in.
Type emulatie: De apparaattaal definieert hoe de computer met het
apparaat communiceert.
Instellingen: Stelt de gedetailleerde instellingen voor het
geselecteerde emulatietype in.
Directe USB | 131
Directe USB
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Directe USB op het bedieningspaneel.
Item Beschrijving
Afdrukken vanaf Selecteer een bestand om af te drukken.
Bestandsbeheer
Selecteer een bestand om te verwijderen. U kunt het USB-apparaat
formatteren.
Contr. ruimte Hiermee wordt de resterende ruimte weergegeven.
Systeeminstallatie | 132
Systeeminstallatie
Apparaatinstellingen
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Systeeminst. > Apparaatinst. op het configuratiescherm.
Item Beschrijving
Apparaat-id
Hiermee stelt u de apparaat-id in die boven aan elke faxpagina die
u verzendt, wordt afgedrukt.
Faxnummer
Hiermee stelt u het faxnummer in dat boven aan elke faxpagina die
u verzendt, wordt afgedrukt.
Datum en tijd Hiermee stelt u de datum en tijd in.
Klokmodus
Stelt de indeling voor het weergeven van de tijd in, 12-uur of
24-uur.
Taal Stelt de taal van de tekst op het bedieningspaneel in.
Standaardmodus Hiermee stelt u de standaard status in.
Energ.spaarst.
Stel in na welke wachttijd de printer overschakelt naar de
energiebesparende modus.
Wanneer het apparaat gedurende langere tijd geen gegevens
ontvangt, wordt het energiegebruik automatisch verlaagd.
Ontw.gebeurt.
U kunt instellen in welke situaties de printer moet ontwaken uit
sluimerstand.
Aan: Het apparaat ontwaakt in de volgende gevallen uit de
energiebesparende modus:
- Druk op een willekeurige knop
- Open of sluit de papierlade
- Voer papier in de documentinvoer in
Uit: De machine ontwaakt alleen uit de energiebesparende
modus wanneer een knop op het bedieningspaneel wordt
ingedrukt.
Time-out syst.
Hiermee stelt u in hoelang het apparaat eerder gebruikte
kopieerinstellingen bewaart. Nadat de time-out is opgetreden,
worden de standaardinstellingen voor kopiëren hersteld.
Time-out taak
Hiermee kunt u instellen hoe lang de printer moet wachten
voordat de laatste pagina wordt afgedrukt van een afdruktaak die
niet eindigt met een opdracht om de pagina af te drukken.
Hoogtecorrectie
Afdrukkwaliteit optimaliseren naargelang de hoogte boven
zeeniveau.
Systeeminstallatie | 133
Aut. doorgaan
Bepaalt of de printer door moet gaan met afdrukken als
waargenomen wordt dat het gebruikte papier niet overeenkomt
met de instellingen.
Uit: Als het type of formaat papier niet overeenkomt, wacht het
apparaat tot u de juiste papiersoort invoert.
Na 0 seconden: Zelfs als er een papierstoring optreedt, gaat de
printer door met afdrukken.
Na 30 seconden: Als er een papierstoring optreedt, wordt er een
foutbericht getoond. De printer zal ongeveer 30 seconden
wachten, het bericht automatisch wissen en doorgaan met
afdrukken.
Automatische ladekeuze
Hiermee bepaalt u of het apparaat moet doorgaan met afdrukken
als wordt vastgesteld dat het gebruikte papier niet overeenkomt
met de instellingen. Als bijvoorbeeld lade 1 en lade 2 zijn gevuld
met hetzelfde papierformaat, drukt het apparaat automatisch af
vanuit lade 2 als het papier op is in lade 1.
Deze optie wordt niet weergegeven als u Automatisch hebt
geselecteerd bij Invoerlade in het printerstuurprogramma.
Papiervervanging
Hiermee wordt het ingestelde papierformaat in het
printerstuurprogramma automatisch vervangen om
inconsistenties tussen A4- en Letter-papier te voorkomen. Als u
bijvoorbeeld A4-papier in de lade hebt geplaatst, maar u het
papierformaat in het printerstuurprogramma op Letter hebt
ingesteld, zal het apparaat afdrukken op A4-papier en omgekeerd.
Ladebeveiliging
Hiermee kunt u instellen of u de functie Automatische ladekeuze
wilt gebruiken.
Als u lade 1 bijvoorbeeld instelt op Aan, wordt lade 1 bij het
overschakelen naar een andere lade overgeslagen.
Deze instelling werkt voor kopieer- of afdruktaken:
faxtaken worden er niet door beïnvloed.
Tonerbesparing
Als u deze modus activeert, gaat uw tonercassette langer mee en
zijn de kosten per pagina lager dan wanneer u in de normale
modus afdrukt. Dit gaat echter wel ten koste van de
afdrukkwaliteit.
Item Beschrijving
Systeeminstallatie | 134
Papierinstellingen
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Systeeminst. > Papierinstel. op het configuratiescherm.
PDF-type
Hiermee kunt u het PDF-type selecteren als u de gegevens als
PDF-bestand opslaat.
Standaard: Hiermee slaat u de gegevens als normaal
PDF-bestand op.
PDF/A: Hiermee slaat u de gegevens op als PDF-bestand dat
over de noodzakelijke informatie beschikt om in elke omgeving
geopend te kunnen worden.
Een PDF/A-bestand is op zichzelf staand: en niet
afhankelijk van andere toepassingen voor het weergeven
van lettertypen, openen van hyperlinks of uitvoeren van
scripts, geluidsbestanden of videobestanden.
Stempel
U kunt de stempelfunctie inschakelen.
Stempel activeren: U kunt de stempelfunctie activeren.
Item: Drukt datum, tijd, IP-adres, paginanummer,
apparaatinformatie, opmerkingen of gebruikers-id af op de
kopie.
Opaciteit: Hiermee kunt u de transparantheid selecteren.
Positie: Hiermee stelt u de positie in.
Adresboek Geeft de adressenlijst weer of drukt deze af.
Inst. import.
Importeert gegevens opgeslagen op een USB-geheugenstick naar
het apparaat.
Inst. export.
Exporteert de op het apparaat opgeslagen instellingen naar een
geheugenstick.
Item Beschrijving
Papierformaat
Hiermee kunt u naar eigen keuze het papierformaat instellen op A4,
Letter of andere papierformaten.
Type papier Hiermee selecteert u het type papier voor elke lade.
Papierinvoer Hier selecteert u uit welke lade het papier moet worden gebruikt.
Marge Hiermee stelt u de marges van het document in.
Bevestiging lade
Activeert de melding ter bevestiging van de lade. Als u een lade opent
en sluit, wordt een venster geopend met de vraag om het
papierformaat en -type van de zojuist geopende lade in te stellen.
Item Beschrijving
Systeeminstallatie | 135
Geluid/Volume
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Systeeminst. > Geluid/Volume op het configuratiescherm.
Rapport
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Systeeminst. > Rapport op het configuratiescherm.
Item Beschrijving
Toetsgeluid
Hiermee schakelt u het geluid van de toetsen in of uit. Wanneer deze
optie is ingeschakeld, wordt iedere keer dat een toets wordt ingedrukt
een geluid afgespeeld.
Waarsch.geluid
Schakelt het alarmsignaal in of uit. Wanneer deze optie is
ingeschakeld, wordt een waarschuwingstoon afgespeeld wanneer er
een fout optreedt of wanneer een faxcommunicatie wordt beëindigd.
Faxgeluid Stelt het faxvolume in. U kunt verschillende niveaus selecteren.
Item Beschrijving
Configuratie
Drukt een overzicht van de globale instellingen van het
apparaat af.
Demopagina
Druk de demopagina af om te controleren of uw apparaat
goed werkt.
Netwerkconfiguratie
Hiermee drukt u informatie af over de
netwerkverbinding en -configuratie van uw apparaat.
informatie over benodigdheden
Drukt een pagina met gegevens over verbruiksartikelen
af.
Gebruiksteller
Drukt een gebruikspagina af. De pagina met
gebruiksinformatie bevat het totaal aantal afgedrukte
pagina’s.
Fax ontvangen
Hiermee drukt u een rapport af met informatie over de
faxen die u onlangs hebt ontvangen.
Fax verzonden
Hiermee drukt u een rapport af met informatie over de
faxen die u onlangs hebt verzonden.
Geplande faxtaken
Hiermee drukt u een document af met een overzicht van
de uitgestelde faxen die in het geheugen zijn opgeslagen,
met de begintijd en de aard van elke taak.
Systeeminstallatie | 136
Onderhoud
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Systeeminst. > Onderhoud op het configuratiescherm.
Fax Send Confirmation
Hiermee drukt u een verzendrapport af met het
faxnummer, het aantal pagina's, de verzendduur, de
communicatiemodus en het resultaat van de
communicatie. U kunt uw apparaat zodanig instellen dat
het automatisch een verzendrapport afdrukt na elke
faxtaak.
Ongewenste fax
Hiermee drukt u de faxnummers af die zijn opgegeven
als ongewenste faxnummers.
E-mail verz.
Hiermee drukt u een rapport af met informatie over de
e-mails die u onlangs hebt verzonden.
PCL-lettert. De lijst met PCL-lettertypen afdrukken.
Lijst met PS-lettert. Hiermee drukt u de lijst met PS/PS3-lettertypen af.
EPSON-lettert. De lijst met EPSON-lettertypen afdrukken.
Adresboek
Hiermee drukt u alle faxnummers af die in het geheugen
van het apparaat zijn opgeslagen.
Item Beschrijving
Toner Op wis.
Deze melding wordt weergegeven wanneer de tonercassette leeg is. U
kunt het bericht over de lege cassette wissen.
Gebruiksduur
Hiermee kunt u de indicatoren voor gebruiksduur weergeven (zie "De
gebruiksduur van de verbruiksartikelen controleren" op pagina 158).
Beeldmgr.
Hiermee kunt u de instellingen voor kleur aanpassen, zoals
contrastniveau, kleurregistratie, kleurdichtheid, enzovoort.
Aangep. kleur: Hiermee past u kleur voor kleur het contrast aan.
- Standaard: Hiermee worden de kleuren automatisch
geoptimaliseerd.
- Afdrukdichth.: Hiermee kunt u het kleurcontrast voor elke cassette
handmatig aanpassen. Er wordt aanbevolen om de instelling
Standaard te gebruiken voor de beste kleurkwaliteit.
Toner bijna op
Hiermee kunt u instellen wanneer de melding over een lege of bijna
lege tonercassette wordt weergegeven (zie "Instellen van de
waarschuwing "Toner bijna op"" op pagina 159).
Beeldeenheid is
bijna leeg.
Hiermee kunt u het niveau instellen waarop de melding over een lege
of bijna lege tonercassette wordt weergegeven.
Item Beschrijving
Systeeminstallatie | 137
Serienummer
Hiermee kunt u het serienummer van het apparaat weergeven.
Wanneer u belt voor service of zich als gebruiker registreert op de
website van HP kunt u deze vinden.
Item Beschrijving
Netwerk | 138
Netwerk
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Netwerk op het bedieningspaneel.
Optie Beschrijving
TCP/IP (IPv4)
Selecteer het passende protocol en de configuratieparameters voor
gebruik in de netwerkomgeving (zie "Het IP-adres instellen" op
pagina 63).
Er moeten heel wat parameters ingesteld worden. Als u niet
zeker bent, laat u ze ongemoeid of raadpleegt u de
netwerkbeheerder.
TCP/IP (IPv6)
Selecteer deze optie om gebruik te maken van een
IPv6-netwerkomgeving (zie "IPv6-configuratie" op pagina 64).
Ethernet
Hiermee kunt u de transmissiesnelheid van het netwerk
configureren.
802.1x
Selecteer de gebruikersverificatie voor netwerkcommunicatie.
Raadpleeg uw netwerkbeheerder voor details.
Protocolbeheer
HTTP: U kunt selecteren of u al dan niet gebruik wilt maken van de
functie SyncThru™ Web Service.
WINS: U kunt de WNS-server configureren. WINS (Windows
Internet Name Service) wordt gebruikt in het
Windows-besturingssysteem.
SNMPv1/v2: U kunt het SNMP (Simple Network Management
Protocol) instellen. Systeembeheerders kunnen gebruikmaken
van SNMP om apparaten in het netwerk te monitoren en beheren.
SNTP: U kunt het SNTP (Simple Network Time Protocol) instellen.
Met SNTP worden de klokken van computersystemen via internet
gesynchroniseerd (NTP) zodat er geen tijdsverschil is als er
gegevens worden uitgewisseld.
UPnP(SSDP): U kunt een UPnP-protocol instellen.
mDNS: U kunt mDNS-instellingen (Multicast Domain Name
System) opgeven.
SLP: U kunt SLP-instellingen (Service Location Protocol)
configureren. Met dit protocol kunnen host-toepassingen
diensten in een LAN vinden zonder dat daarvoor eerst instellingen
hoeven te worden geconfigureerd.
Netwerkconfiguratie
Hiermee geeft u informatie weer over de netwerkverbinding en
-configuratie van uw apparaat.
Netwerk | 139
Instel. wissen Hiermee zet u de standaard netwerkinstellingen terug.
Optie Beschrijving
Taakbeheer | 140
Taakbeheer
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > Taakbeheer op het bedieningspaneel.
Optie Beschrijving
Actieve taak
Hiermee worden de afdruktaken weergegeven die nog moeten
worden afgedrukt.
Opgeslagen taak
Hiermee worden de afdruktaken weergegeven die zijn opgeslagen op
de schijf.
Beveiligde taak Hiermee worden de beveiligde afdruktaken op de schijf weergegeven.
Gedeelde map
Hiermee worden de afdruktaken weergegeven die in de gedeelde map
op de schijf staan.
PrinterOn | 141
PrinterOn
Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige menu’s mogelijk niet op het
display verschijnen.
Om de menuopties te wijzigen,
Druk op (Menu) > PrinterOn op het bedieningspaneel.
U kunt de functie PrinterOn inschakelen in het menu PrinterOn.
Voordat u de functie PrinterOn kunt gebruiken, moet u de netwerkfunctie van de machine
configureren. Als u geen verbinding met de printer kunt maken na het configureren van
de netwerkverbinding, moet u waarschijnlijk de externe verbinding van het netwerk
controleren.
Als de functie PrinterOn is ingeschakeld, kunt u deze instellen op de modus Vrijgavecode
of Auto. Deze modi kunnen worden gewijzigd op de PrinterOn-server.
Vrijgavecode: Gebruikers moeten een Vrijgavecode invoeren om een document af te
drukken dat via PrinterOn is verzonden.
Auto: Het apparaat drukt via PrinterOn verzonden documenten automatisch af, zonder
dat de gebruiker een Vrijgavecode hoeft in te voeren.
Onderhoud
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u verbruiksartikelen, accessoires en onderdelen voor het
onderhoud van uw apparaat kunt aankopen.
• Verbruiksartikelen en toebehoren bestellen 143
• Beschikbare verbruiksartikelen 144
• Beschikbare accessoires 146
• Verkrijgbare onderdelen voor onderhoud 147
• De tonercassette bewaren 148
• Toner herverdelen 150
• De tonercassette vervangen 152
• De beeldeenheid vervangen 154
• Accessoires installeren 155
• De gebruiksduur van de verbruiksartikelen controleren 158
• Instellen van de waarschuwing "Toner bijna op" 159
• Het apparaat reinigen 160
Verbruiksartikelen en toebehoren bestellen | 143
Verbruiksartikelen en toebehoren bestellen
De verkrijgbare accessoires kunnen verschillen van land tot land. Neem contact op met
uw verkoper voor de lijst met beschikbare verbruiksartikelen en onderdelen.
• Zie "Beschikbare verbruiksartikelen" op pagina 144.
• Zie "Beschikbare accessoires" op pagina 146.
Om door HP geautoriseerde verbruiksartikelen, accessoires en onderdelen voor onderhoud te
bestellen, neemt u contact op met uw lokale HP-dealer of de winkel waar u het apparaat heeft
gekocht. Of ga naar www.hp.com en selecteer uw land/regio voor de contactgegevens van de
klantenservice.
Beschikbare verbruiksartikelen | 144
Beschikbare verbruiksartikelen
Als de verbruiksartikelen het einde van hun gebruiksduur naderen, kunt u de volgende
verbruiksartikelen voor uw apparaat bestellen:
Type Productnaam
Productn
ummer
Regionaal
a
a.Als u nieuwe tonercassettes of verbruiksartikelen aanschaft, doet u dit best in het land waar u het
apparaat hebt gekocht. Nieuwe tonercassettes of andere verbruiksartikelen zijn mogelijk niet compatibel
met het apparaat omdat de configuratie van tonercassettes en andere verbruiksartikelen per land
kunnen verschillen.
Gemiddeld aantal
afdrukken
b
Tonercass
ette
Originele zwarte HP 330A
lasertonercassette
W1330A
Alleen voor
gebruik in
Noord-amer
ika,
latijns-Amer
ika
Gemiddelde
tonercapaciteit: Ong.
5.000 standaard
pagina's
Originele zwarte HP 330X
lasertonercassette met
hoog rendement
W1330X
Gemiddelde
tonercapaciteit: Ong.
15.000 standaard
pagina's
Originele zwarte HP
330XC lasertonercassette
met hoog rendement
W1330XC
Originele zwarte HP 331A
lasertonercassette
W1331A
Alleen voor
gebruik in
Europa,
Rusland, het
GOS,
benodigdhe
den het
Midden-Oos
ten en
Afrika
Gemiddelde
tonercapaciteit: Ong.
5.000 standaard
pagina's
Originele zwarte HP 331X
lasertonercassette met
hoog rendement
W1331X
Gemiddelde
tonercapaciteit: Ong.
15.000 standaard
pagina's
Originele zwarte HP 331XC
lasertonercassette met
hoog rendement
W1331XC
Originele zwarte HP 331XH
lasertonercassette met
hoog rendement
W1331XH
Beeldrum
HP 332A zwarte originele
laser beelddrum
W1332A
Voor
gebruik in
alle regio's
Ong. 30.000 pagina's
HP 332AH zwarte originele
laser beelddrum
W1332AH
HP 332AC zwarte originele
laser beelddrum
W1332AC
Beschikbare verbruiksartikelen | 145
De levensduur van de tonercassette kan variëren afhankelijk van de opties, het
percentage afbeeldingen en de taakmodus.
Als u nieuwe tonercassettes of verbruiksartikelen aanschaft, doet u dit best in het land
waar u het apparaat hebt gekocht. Nieuwe tonercassettes of andere verbruiksartikelen
zijn mogelijk niet compatibel met het apparaat omdat de configuratie van tonercassettes
en andere verbruiksartikelen per land kunnen verschillen.
HP raadt het gebruik van een niet originele HP-tonercassettes, zoals opnieuw gevuld of
gereviseerd, af. HP kan de kwaliteit van een niet-originele HP-tonercassette niet
garanderen. Service of reparaties die nodig zijn als gevolg van het gebruik van
niet-originele HP- tonercassettes zijn niet gedekt onder de garantie van het apparaat.
b.Opgegeven gebruiksduur overeenkomstig ISO/IEC19752. Het aantal pagina's kan worden beïnvloed door
de gebruiksomstandigheden, de tijd tussen afdruktaken, afbeeldingen en het type en formaat van het
afdrukmateriaal.
Beschikbare accessoires | 146
Beschikbare accessoires
U kunt accessoires aanschaffen en installeren om de prestaties en capaciteit van uw apparaat te
vergroten.
Sommige functies en optionele onderdelen zijn mogelijk niet beschikbaar afhankelijk van
model of land (zie "Functies per model" op pagina 8).
Optie Functie
Benaming van
onderdeel
Geheugenmodule
(512MB)
Hiermee breidt u de geheugencapaciteit van uw
apparaat uit.
5PJ81A
Optionele lade Als u frequent problemen met de papiertoevoer
hebt, kunt u een extra 520 vastmaken
a
bladlade.
a.voor normaal papier van 80 g/m
2
(bankpostpapier)
7YG00A
Verkrijgbare onderdelen voor onderhoud | 147
Verkrijgbare onderdelen voor onderhoud
U dient de onderhoudsgevoelige onderdelen regelmatig te vervangen om de machine in goede
conditie te houden, en problemen met de afdrukkwaliteit en aanvoerstoringen als gevolg van
versleten onderdelen te voorkomen. Onderhoudsgevoelige onderdelen zijn voornamelijk rollen,
riemen en rubbermatten. De vervangingsperiode en betreffende onderdelen kunnen per model
verschillen. Laat onderhoudsonderdelen alleen vervangen door een erkende
servicemedewerker, de leverancier of personeel van de winkel waar u het apparaat hebt gekocht.
Neem contact op met de oorspronkelijke leverancier van de machine voor aankoop van
onderhoudsonderdelen. De vervangingsperiode voor de onderdelen voor het onderhoud worden
bepaald door het "Printerstatus"-programma. Het kan ook op de gebruikersinterface worden
aangegeven als uw apparaat een weergavescherm heeft. De vervangingsperiode kan afhangen
van het gebruikte besturingssysteem, rekenprestaties, toepassingssoftware,
verbindingsmethode, papiertype, papierformaat, en complexiteit van de taak.
De tonercassette bewaren | 148
De tonercassette bewaren
Tonercassettes bevatten componenten die gevoelig zijn voor licht, temperatuur en vochtigheid.
HP raadt gebruikt aan deze aanbevelingen op te volgen om te zorgen voor optimale prestaties,
de hoogste kwaliteit en de langste levensduur van uw nieuwe HP-tonercassette.
Bewaar deze cassette op de plaats waar de printer wordt gebruikt. Idealiter in een omgeving met
gecontroleerde temperatuur en vochtigheid. Haal de tonercassette pas uit haar originele,
ongeopende verpakking op het moment dat u de cassette gaat installeren. Als de originele
verpakking ontbreekt, moet u de bovenste opening van de cassette bedekken met papier en
moet u de cassette in een donkere kast bewaren.
Door de verpakking van de cassette te openen voor u de cassette in gebruik neemt, zal de
levensduur en bewaartijd van de cassette aanzienlijk verkorten. Bewaar tonercassetten niet op
de grond. Volg de onderstaande procedures om een tonercassette die u uit de printer hebt
verwijderd, te bewaren.
• Bewaar de cassette in de beschermhoes van de originele verpakking.
• Bewaar de tonercassette liggend (niet staand) met dezelfde kant boven als bij de installatie.
• Bewaar geen verbruiksartikelen onder de volgende omstandigheden:
- Temperaturen boven 40°C (104°F).
- In een omgeving met een luchtvochtigheid van minder dan 20% of van meer dan 80%.
- In een omgeving met extreme temperatuur- of vochtigheidsschommelingen.
- In direct zon- of kunstlicht.
- Op stoffige plaatsen.
- In een auto gedurende een lange periode.
- In een omgeving met corrosieve dampen.
- In een omgeving met zilte lucht.
Behandelingsinstructies
• Raak het oppervlak van de fotogeleidende drum in de cassette niet aan.
• Stel de cassette niet bloot aan onnodige trillingen of schokken.
Roteer de drum niet handmatig, vooral in de tegengestelde richting. Dit kan interne schade en
een tonerlek veroorzaken.
Gebruik tonercassette
HP Electronics beveelt het gebruik van niet-merk HP-tonercassettes in uw printer niet aan, met
inbegrip van generieke, winkelmerken, bijgevulde of gereviseerde tonercassettes.
HP's printergarantie dekt geen schade aan het apparaat veroorzaakt door het gebruik van
een hervulde, gereviseerde, of niet-merk HP-tonercassettes.
De tonercassette bewaren | 149
Geschatte levensduur van tonercassette
De geschatte levensduur van een cassette is afhankelijk van de hoeveelheid toner die
afdruktaken vereisen. De eigenlijke capaciteit kan variëren afhankelijk van de afdrukdichtheid
van de pagina’s waarop u afdrukt, de omgeving, percentage afbeeldingen, de tijd tussen de
afdruktaken, het type media en het mediaformaat. Als u bijvoorbeeld veel afbeeldingen afdrukt,
wordt er meer toner verbruikt en moet de cassette waarschijnlijk vaker worden vervangen.
Toner herverdelen | 150
Toner herverdelen
Als de tonercassette bijna leeg is:
• Witte strepen, onduidelijke afdruk en/of verschillende dichtheid aan beide kanten.
• De Status-LED knippert rood. Er verschijnt mogelijk een bericht op het scherm dat aangeeft
dat de toner bijna op is.
Het venster van het programma HP Printing Status verschijnt op het computerscherm om aan
te geven welke tonercassette bijna leeg is.
In dat geval kunt u de afdrukkwaliteit tijdelijk verbeteren door de resterende toner in de
tonercassette opnieuw te verdelen. Soms blijven die witte strepen of lichtere gebieden
voorkomen, ook nadat de toner opnieuw is verdeeld.
• Om schade aan de tonercassette te voorkomen, moet u ervoor zorgen dat deze niet
langer dan enkele minuten wordt blootgesteld aan licht. Dek de cassette zo nodig af
met een stuk papier.
• Raak het groene gedeelte van de tonercassette niet aan. Neem de cassette vast bij de
handgreep om te vermijden dat u de onderkant aanraakt.
• Gebruik geen scherpe voorwerpen zoals een mes of een schaar om de verpakking van
de tonercassette te openen. Scherpe voorwerpen veroorzaken mogelijk krassen op het
oppervlak van de cassette.
• Krijgt u per ongeluk toner op uw kleding, veeg de toner dan af met een droge doek en
was de kleding in koud water. Door warm water hecht de toner zich aan de stof.
Toner herverdelen | 151
De tonercassette vervangen | 152
De tonercassette vervangen
De tonercassette heeft de geschatte levensduur bijna bereikt:
• De status-LED en het bericht in verband met de toner op het display geven aan dat de
tonercassette vervangen moet worden.
• Het HP Printing Status-programmavenster van de computer verschijnt en vertelt u welke
cartridge bijna leeg is.
Controleer het type tonercassette voor uw machine (zie "Beschikbare verbruiksartikelen" op
pagina 144).
Schud de tonercassette grondig. Dit verhoogt de afdrukkwaliteit in het begin.
• Om schade aan de tonercassette te voorkomen, moet u ervoor zorgen dat deze niet
langer dan enkele minuten wordt blootgesteld aan licht. Dek de cassette zo nodig af
met een stuk papier.
• Raak het groene gedeelte van de tonercassette niet aan. Neem de cassette vast bij de
handgreep om te vermijden dat u de onderkant aanraakt.
• Gebruik geen scherpe voorwerpen zoals een mes of een schaar om de verpakking van
de tonercassette te openen. Scherpe voorwerpen veroorzaken mogelijk krassen op het
oppervlak van de cassette.
• Krijgt u per ongeluk toner op uw kleding, veeg de toner dan af met een droge doek en
was de kleding in koud water. Door warm water hecht de toner zich aan de stof.
De tonercassette vervangen | 153
De beeldeenheid vervangen | 154
De beeldeenheid vervangen
Accessoires installeren | 155
Accessoires installeren
Voorzorgsmaatregelen
• Koppel het netsnoer los.
Verwijder nooit het toegangspaneel tot het moederbord als de stroom is ingeschakeld.
Koppel steeds het netsnoer los als u interne of externe accessoires installeert of verwijdert om
het risico op een elektrische schok te voorkomen.
• Ontlaad statische elektriciteit.
Het moederbord en de interne accessoires (netwerkinterfacekaart of geheugenmodule) zijn
gevoelig voor statische elektriciteit. Voordat u interne accessoires installeert of verwijdert,
moet u de statische elektriciteit van uw lichaam ontladen door een metalen voorwerp aan te
raken, zoals de metalen achterplaat van een willekeurig apparaat dat op een geaarde
stroombron is aangesloten. Als u voor het beëindigen van de installatie rondwandelt, herhaalt
u deze procedure om nogmaals eventuele statische elektriciteit te ontladen.
Let op bij de installatie van accessoires: het vervangen van de batterij in het apparaat valt
onder de service. Vervang ze niet zelf. Er bestaat een explosierisico als de batterij wordt
vervangen door een verkeerd type. Uw dienstverlener dient de oude batterij uit uw
apparaat te verwijderen en deze volgens de in uw land van toepassing zijnde wetgeving
af te voeren.
Apparaatopties instellen
Dit apparaat detecteert en stelt automatisch de optionele apparaten in die u installeert, zoals een
optionele lade, geheugen, enz. Als u de optionele apparaten die u in dit stuurprogramma hebt
geïnstalleerd niet kunt gebruiken, dient u de optionele apparaten in te stellen in Apparaatopties.
1 Klik op het menu Starten van Windows.
2 Selecteer Printers en faxen.
3 Klik met uw rechtermuisknop op uw apparaat.
4 Selecteer Eigenschappen of Printereigenschappen.
Het venster Eigenschappen kan variëren afhankelijk van het stuurprogramma of
besturingssysteem dat u gebruikt.
5 Selecteer Apparaatopties.
Accessoires installeren | 156
6 Selecteer de juiste optie.
Bepaalde menu's kunnen niet voorkomen op het scherm, afhankelijk van de opties of
modellen. Indien dit het geval is, is dit niet van toepassing op uw apparaat.
Ladeopties: Selecteer de optionele lade die u heeft geïnstalleerd. U kunt de lade
selecteren.
Opslagopties: Selecteer het optionele geheugen dat u heeft geïnstalleerd. Als deze
mogelijkheid aangevinkt is, kunt u de Afdrukmodus selecteren.
Printerconfiguratie: Selecteer de printertaal voor de afdrukopdracht.
Beheerderinstellingen: U kunt de Printerstatus en EMF-spooling selecteren.
Instellingen aangepast papierformaat: U kunt een aangepast papierformaat opgeven.
7 Klik op OK totdat u het venster Eigenschappen of Eigenschappen van printer verlaat.
Accessoires installeren | 157
Een geheugenmodule upgraden
Uw apparaat beschikt over een "dual in-line"-geheugenmodule (DIMM). Gebruik deze
geheugenmodule om extra geheugen te installeren. We raden u aan om alleen DIMM's van HP te
gebruiken. Uw garantie is niet geldig als blijkt dat het probleem met uw apparaat wordt
veroorzaakt door DIMM's van derden.
Voor het bestellen van optionele accessoires zijn bestelgegevens beschikbaar (zie "Beschikbare
accessoires" op pagina 146).
De gebruiksduur van de verbruiksartikelen controleren | 158
De gebruiksduur van de verbruiksartikelen
controleren
Als u regelmatig geconfronteerd wordt met papierstoringen of afdrukproblemen, controleert u
het aantal pagina’s dat het apparaat heeft afgedrukt of gescand. Vervang indien nodig de
betrokken onderdelen.
• Het openen van de menu's kan verschillen per model (zie "Menuoverzicht" op pagina
27).
• Afhankelijk van de opties of het model zullen sommige menu’s mogelijk niet op het
display verschijnen. Als dit het geval is, zijn deze opties niet van toepassing op uw
apparaat.
• Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere
niveaus te gaan.
1 Selecteer (Menu) > Systeeminstellingen > Onderhoud > Gebruiksduur op het
bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste optie en druk op OK.
3 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Instellen van de waarschuwing "Toner bijna op" | 159
Instellen van de waarschuwing "Toner bijna
op"
Als de tonercassette bijna leeg is, verschijnt een bericht of gaat er een LED branden die aangeeft
dat u de tonercassette moet vervangen. U kunt instellen of u wenst dat dit bericht of deze LED
verschijnt of niet.
• Het openen van de menu's kan verschillen per model (zie "Menuoverzicht" op pagina
27).
• Voor bepaalde modellen moet u mogelijk op OK drukken om naar menu's op lagere
niveaus te gaan.
1 Selecteer (Menu) > Systeeminstellingen > Onderhoud > Toner bijna op op het
bedieningspaneel.
2 Selecteer de gewenste optie.
3 Druk op OK om de selectie op te slaan.
4 Druk op (Annuleren) om terug te keren naar de gereedmodus.
Het apparaat reinigen | 160
Het apparaat reinigen
Als er zich problemen voordoen met de afdrukkwaliteit of als u uw apparaat in een stofrijke
omgeving gebruikt, moet u uw apparaat regelmatig schoonmaken om de beste afdrukkwaliteit
te blijven garanderen en de gebruiksduur van uw apparaat te verlengen.
• Als u de behuizing van het apparaat reinigt met reinigingsmiddelen die veel alcohol,
oplosmiddelen of andere agressieve substanties bevatten, kan de behuizing verkleuren
of vervormen.
• Als er toner in het apparaat of in de directe omgeving ervan is terecht gekomen, raden
wij u aan om de toner te verwijderen met een zachte, met water bevochtigde doek of
tissue. Als u een stofzuiger gebruikt, wordt de toner in de lucht geblazen. Dit kan
schadelijk voor u zijn.
De buitenkant of het schermpje reinigen
Maak het apparaat aan de buitenkant en het schermpje van het display schoon met een zachte,
pluisvrije doek. U kunt de doek enigszins bevochtigen met water, maar let erop dat er geen water
op of in het apparaat terechtkomt.
Het apparaat reinigen | 161
De binnenkant reinigen
Tijdens het afdrukken kunnen zich in het apparaat papierresten, toner en stof verzamelen. Dit kan
op een gegeven moment problemen met de afdrukkwaliteit veroorzaken, zoals tonervlekken of
vegen. Deze problemen kunnen worden gereduceerd en verholpen door de binnenkant van het
apparaat te reinigen.
• Om schade aan de tonercassette te voorkomen, moet u ervoor zorgen dat deze niet
langer dan enkele minuten wordt blootgesteld aan licht. Dek de cassette zo nodig af
met een stuk papier.
• Raak het groene gedeelte van de tonercassette niet aan. Neem de cassette vast bij de
handgreep om te vermijden dat u de onderkant aanraakt.
• Gebruik een droge pluisvrije doek voor het reinigen van de binnenkant van het
apparaat. Let op dat u de transportrol of andere onderdelen niet beschadigt. Gebruik
geen oplosmiddelen, zoals benzeen of verdunner. Dit kan de afdrukkwaliteit negatief
beïnvloeden en het apparaat beschadigen.
• Gebruik een niet-pluizende doek om het apparaat te reinigen.
• Schakel het apparaat uit en haal de stekker uit het stopcontact. Wacht totdat het
apparaat is afgekoeld. Als uw apparaat een aan/uit-schakelaar heeft, zet u de
aan/uit-schakelaar uit voordat u het apparaat reinigt.
Het apparaat reinigen | 162
Het apparaat reinigen | 163
Reinigen van de opneemrol
Schakel het apparaat uit en haal de stekker uit het stopcontact. Wacht totdat het apparaat
is afgekoeld. Als uw apparaat een aan/uit-schakelaar heeft, zet u de aan/uit-schakelaar
uit voordat u het apparaat reinigt.
2
Het apparaat reinigen | 164
Scannereenheid reinigen
Houd de scannereenheid goed schoon. Dat komt de kwaliteit van de kopieën ten goede. Wij raden
u aan de scannereenheid aan het begin van elke dag te reinigen en dit zo nodig in de loop van de
dag te herhalen.
De afbeeldingen in deze gebruikershandleiding zijn afhankelijk van de opties en het
model, en komen mogelijk niet helemaal overeen met uw apparaat. Controleer het type
apparaat (zie "Voorkant" op pagina 20).
1 Bevochtig een niet-pluizende, zachte doek of een velletje keukenrol met een beetje water.
2 Til het deksel van de scanner op.
3 Veeg de glasplaat van de scanner schoon en droog.
1. Scannerdeksel
2. Glasplaat van de scanner
3. Glasplaat van de documentinvoer
4. Witte strook
4 Sluit het deksel van de scanner.
Problemen oplossen
In dit hoofdstuk vindt u nuttige informatie over wat u moet doen als er een probleem optreedt.
• Tips om papierstoringen te voorkomen 166
• Papierstoringen verhelpen 167
• Informatie over de LED's 176
• Informatie over displaymeldingen 178
Een bericht "Low Toner" of "Very Low Toner" wordt
weergegeven in het rapport informatie over benodigheden.
184
• Problemen met papierinvoer 185
• Problemen met de voeding en het netsnoer 186
• Andere problemen oplossen 187
Als u de oplossing niet kunt vinden in deze Gebruikershandleiding of het probleem blijft aanhouden,
neem dan contact op met een servicecentrum.
Tips om papierstoringen te voorkomen | 166
Tips om papierstoringen te voorkomen
U kunt de meeste papierstoringen voorkomen door het juiste type afdrukmedia te gebruiken. Zie
de volgende tips om storingen met vastzittend papier te voorkomen:
• Zorg ervoor dat de verstelbare geleiders correct zijn ingesteld (zie "Lade overzicht" op pagina
42).
• Verwijder geen papier uit de papierlade tijdens het afdrukken.
Buig het papier, waaier het uit en maak er een rechte stapel van voordat u het in de lade plaatst.
• Gebruik geen gekreukt, vochtig of sterk gekruld papier.
• Plaats geen verschillende soorten papier in een lade.
• Gebruik alleen aanbevolen afdrukmateriaal (zie "Specificaties van de afdrukmedia" op pagina
204).
Papierstoringen verhelpen | 167
Papierstoringen verhelpen
Trek het vastgelopen papier voorzichtig en langzaam naar buiten om te voorkomen dat
het scheurt.
Papierstoringen verhelpen | 168
In Lade 1
In Lade 2
In optionele lade (Lade 3)
Ga naar de volgende stap als u geen papier ziet in dit gebied:
Papierstoringen verhelpen | 169
Ga naar de volgende stap als u geen papier ziet in dit gebied:
Papierstoringen verhelpen | 170
Binnenin het apparaat
Het gebied rond de fixeereenheid is heet. Wacht tot het apparaat is afgekoeld voordat u
dit gebied aanraakt. Schakel het apparaat uit om het te laten afkoelen. Wees voorzichtig
wanneer u papier uit het apparaat verwijdert.
In het uitvoergebied
Het gebied rond de fixeereenheid is heet. Wacht tot het apparaat is afgekoeld voordat u
dit gebied aanraakt. Schakel het apparaat uit om het te laten afkoelen. Wees voorzichtig
wanneer u papier uit het apparaat verwijdert.
Papierstoringen verhelpen | 171
Ga naar de volgende stap als u geen papier ziet in dit gebied:
Papierstoringen verhelpen | 172
Rond de duplexeenheid
Ga naar de volgende stap als u geen papier ziet in dit gebied:
Papierstoringen verhelpen | 173
Vastgelopen originelen verwijderen
Gebruik de glasplaat van de scanner voor originelen van dik, dun of gemengd papier om
papierstoringen te voorkomen.
Trek het vastgelopen papier voorzichtig en langzaam naar buiten om te voorkomen dat
het scheurt.
Er is een origineel vastgelopen vóór de scanner
Papierstoringen verhelpen | 174
Het origineel is in de scanner vastgelopen
Ga naar de volgende stap als u geen papier ziet in dit gebied:
Papierstoringen verhelpen | 175
Het origineel is vastgelopen in het uitvoergebied van de scanner
Er is een origineel vastgelopen in het duplexpad van de scanner
Informatie over de LED's | 176
Informatie over de LED's
De kleur van de LED geeft het huidige gedrag van de machine aan.
• Afhankelijk van het model of land zijn enkele LED´s mogelijk niet beschikbaar (zie
"Overzicht van het bedieningspaneel" op pagina 22).
• Zie de foutmelding en de bijbehorende instructies om de fout op te lossen (zie
"Informatie over displaymeldingen" op pagina 178).
• Neem contact op met een medewerker van de klantenservice als het probleem zich
blijft voordoen.
Status-LED
LED Status Omschrijving
Status
Uit Het apparaat is offline.
Groen
Aan Het apparaat is online en klaar voor gebruik.
Knippert
Wanneer de machine gegevens ontvangt of afdrukt,
knippert de achtergrondverlichting.
Oranje
Aan Het apparaat is gestopt als gevolg van een ernstige fout.
Knippert
• Er is een kleine storing opgetreden en het apparaat
wacht tot het probleem is verholpen. Bekijk het bericht
op het display. Als het probleem is opgelost, gaat de
printer door met afdrukken.
• De tonercassette is bijna leeg. Geschatte levensduur
van een cassette
a
van de tonercassette is bijna bereikt.
Bereid een nieuwe cassette voor ter vervanging van de
oude. U kunt de afdrukkwaliteit tijdelijk verhogen door
de toner te herverdelen (zie "Toner herverdelen" op
pagina 150).
• De klep is geopend. Sluit de klep.
• De papierlade is leeg tijdens het ontvangen of
afdrukken van gegevens. Plaats papier in de lade.
Er is een papierstoring opgetreden (zie "Papierstoringen
verhelpen" op pagina 167).
a.De geschatte gebruiksduur van een cassette verwijst naar de verwachte of geschatte gebruiksduur van
een tonercassette. Dit geeft aan hoeveel afdrukken er gemiddeld kunnen worden gemaakt met de
cassette conform ISO/IEC 19752. Het aantal pagina's kan worden beïnvloed door de
omgevingsomstandigheden, het percentage van het afdrukgebied, de tijd tussen afdruktaken,
afbeeldingen, media en het formaat van het afdrukmateriaal. Er kan wat toner achterblijven in de
cassette, ook als de oranje LED brandt en de printer stopt met afdrukken.
Informatie over de LED's | 177
Aan/uit-LED
Status Omschrijving
(Aan/
uit)
Wit
Aan Het apparaat bevindt zich in gereedmodus.
Knippert Het apparaat bevindt zich in energiebesparende modus.
Informatie over displaymeldingen | 178
Informatie over displaymeldingen
Er verschijnen berichten op het display van het bedieningspaneel om de status van het apparaat
of fouten te melden. Raadpleeg de onderstaande tabellen voor de betekenis van de berichten en
verhelp indien nodig het probleem.
• Als het bericht niet in de tabel voorkomt, schakelt u het apparaat uit en weer in en
probeert u de afdruktaak opnieuw uit te voeren. Neem contact op met een medewerker
van de klantenservice als het probleem zich blijft voordoen.
• Als u contact opneemt met de klantenservice, is het nuttig dat u het bericht op het
display doorgeeft aan een medewerker van de klantenservice.
• Afhankelijk van de opties of het model verschijnen sommige meldingen mogelijk niet
op het display.
• [foutnummer] geeft het foutnummer aan.
• [ladenummer] geeft het ladenummer aan.
• [media type] toont het mediatype.
• [media size] toont de mediagrootte.
Foutmeldingen gerelateerd aan vastgelopen papier
Melding Betekenis Voorgestelde oplossing
Pap.st.
in uitv.gebied
Er is papier vastgelopen bij
de uitgang.
Verwijder het vastgelopen papier (zie
"In het uitvoergebied" op pagina 170).
Pap.st.
in DE
Het papier is vastgelopen
bij het dubbelzijdig
afdrukken. Dit geldt alleen
voor apparaten die over
deze functie beschikken.
Verwijder het vastgelopen papier (zie
"Rond de duplexeenheid" op pagina
172).
Pap.st.
in app.
Er is papier vastgelopen in
het apparaat.
Verwijder het vastgelopen papier (zie
"Binnenin het apparaat" op pagina
170).
Papierstoring in lade 2
Er is papier vastgelopen in
lade 2.
Verwijder het vastgelopen papier (zie
"In Lade 2" op pagina 168).
Papierstoring in lade 3
Er is papier vastgelopen in
de optionele lade (lade 3).
Verwijder het vastgelopen papier (zie
"In optionele lade (Lade 3)" op pagina
168).
Papierstoring in lade 1
Er is papier vastgelopen in
lade 1.
Verwijder het vastgelopen papier (zie
"In Lade 1" op pagina 168).
Informatie over displaymeldingen | 179
Meldingen over de tonercassette
Melding Betekenis Voorgestelde oplossing
Installeer Er is geen
tonercassette
geplaatst.
Installeer de tonercassette opnieuw.
Er is geen
tonercassette
geplaatst.
Installeer de tonercassette twee of drie keer om er
zeker van te zijn dat deze juist is geplaatst. Als het
probleem aanhoudt moet u contact opnemen met
de servicevertegenwoordiger.
Beschermende film
niet verwijderd van
de toner.
Verwijder de beschermende laag van de
tonercassette.
TC niet
Tonercassette
De aangegeven
tonercassette is niet
geschikt voor uw
apparaat.
Vervang de tonercassette door een tonercassette
van HP die speciaal is ontworpen voor uw
apparaat (zie "De tonercassette vervangen" op
pagina 152).
Bereid nieuwe
cass. Voor
De tonercassette
bevat nog een kleine
hoeveelheid toner.
Geschatte
levensduur van een
cassette
a
van de
tonercassette is bijna
bereikt.
a.De geschatte gebruiksduur van een cassette verwijst naar de verwachte of geschatte gebruiksduur van
een tonercassette. Het geeft aan hoeveel afdrukken er met de cassette gemiddeld kunnen worden
gemaakt conform ISO/IEC19798 (zie "Beschikbare verbruiksartikelen" op pagina 144). Het aantal pagina’s
kan afhankelijk zijn van de omgevingsomstandigheden, het percentage afbeeldingen, de tijd tussen de
afdruktaken, media en het mediaformaat. Het is mogelijk dat de cassette nog wat toner bevat wanneer
de desbetreffende melding verschijnt en de printer stopt met afdrukken.
Houd een nieuwe cassette gereed om de oude
cassette te vervangen. U kunt de afdrukkwaliteit
tijdelijk verhogen door de toner te herverdelen
(zie "Toner herverdelen" op pagina 150).
Fuser weldra
nieuwe cass.
De tonercassette
heeft de geschatte
levensduur bereikt
a
.
• U kunt kiezen tussen Stoppen of Doorgaan,
zoals weergegeven op het bedieningspaneel.
Als u Stoppen selecteert, zal de printer stoppen
met afdrukken. Als u Doorgaan kiest, gaat de
printer door met afdrukken maar kan de
afdrukkwaliteit niet worden gegarandeerd.
• Als u van een optimale afdrukkwaliteit wilt
blijven genieten, dient u de tonercassette te
vervangen wanneer dit bericht verschijnt. Als u
de cassette verder blijft gebruiken kunnen er
problemen optreden met de afdrukkwaliteit (zie
"De tonercassette vervangen" op pagina 152).
Informatie over displaymeldingen | 180
HP raadt het gebruik van een niet originele HP-tonercassetee, zoals opnieuw gevuld of
gereviseerd, af. HP kan de kwaliteit van een niet-originele HP-tonercassette niet
garanderen. Service of reparaties die nodig zijn als gevolg van het gebruik van
niet-originele HP- tonercassettes zijn niet gedekt onder de garantie van het apparaat.
Informatie over displaymeldingen | 181
Beeldeenheid-gerelateerde meldingen
HP raadt het gebruik van een niet originele HP-tonercassette, zoals opnieuw gevulde of
gereviseerde cassettes, af. HP kan de kwaliteit van een niet-originele HP-cassette niet
garanderen. Onderhoud of reparatie vereist als gevolg van het gebruik van niet-originele
HP-cassettes wordt niet gedekt onder de garantie van het apparaat.
Melding Betekenis Voorgestelde oplossing
Geen opvangbak
Beeldeenheid
Er is een
beeldeenheid niet
geïnstalleerd.
Herinstalleer de beeldeenheid.
Een beeldeenheid
wordt niet
gedetecteerd.
Installeer de beeldeenheid opnieuw. Herhaal dit
twee of drie keer om te controleren of hij goed op
zijn plaats komt. Als het probleem aanhoudt moet
u contact opnemen met de
servicevertegenwoordiger.
Verwijder de
beschermende film
niet van de toner.
Verwijder de beschermende film van de
beeldeenheid.
T-riem
Beeldeenheid
De beeldeenheid is
niet geschikt voor uw
apparaat.
Installeer de overeenstemmende tonercassette
met een originele HP-cassette (see "De
beeldeenheid vervangen" op pagina 154).
Houd een nieuwe
beeldeenheid
gereed
De beeldeenheid
bevat nog een kleine
hoeveelheid toner.
De tonercassette
heeft de geschatte
levensduur bijna
bereikt.
Houd een nieuwe beeldeenheid gereed om de
oude te vervangen.
Plaats nieuwe
beeldeenheid
De tonercassette van
de beeldeenheid is
aan het eind van de
geschatte
levensduur.
• U kunt kiezen tussen Stoppen of Doorgaan,
zoals weergegeven op het bedieningspaneel.
Als u Stoppen selecteert, zal de printer stoppen
met afdrukken. Als u Doorgaan kiest, gaat de
printer door met afdrukken maar kan de
afdrukkwaliteit niet worden gegarandeerd.
• Als u van een optimale afdrukkwaliteit wilt
blijven genieten, dient u de beeldeenheid te
vervangen wanneer dit bericht verschijnt. Als u
de cassette verder blijft gebruiken kunnen er
problemen optreden met de afdrukkwaliteit (zie
"De beeldeenheid vervangen" op pagina 154).
Als het apparaat stopt met afdrukken, vervangt
u de beeldeenheid (zie "De beeldeenheid
vervangen" op pagina 154).
Informatie over displaymeldingen | 182
Meldingen over de papierlade
Meldingen over het netwerk
Div. meldingen
Melding Betekenis Voorgestelde oplossing
MF-lade
in [ladenummer]
De aangegeven
papierlade is leeg.
Plaats papier in de lade (zie "Papier in de
lade plaatsen" op pagina 43).
Papier bijna op
in [ladenummer]
De aangegeven
papierlade is bijna
leeg.
Plaats papier in de lade (zie "Papier in de
lade plaatsen" op pagina 43).
Melding Betekenis Voorgestelde oplossing
Netw.probl.:
IP-conflict
Het IP-adres wordt
elders gebruikt.
Controleer het IP-adres of vraag een
nieuw IP-adres aan.
802.1x
Netwerkfout
Verificatie mislukt.
Controleer het
netwerkverificatieprotocol. Neem
contact op met uw netwerkbeheerder als
dit probleem zich blijft voordoen.
Melding Betekenis Voorgestelde oplossing
Klep open
Sluit klep.
De klep is niet goed
gesloten.
Sluit de klep goed. Deze moet
vastklikken.
Fout[foutnummer]
Plaatstonercassette
De tonercassette is
verkeerd geïnstalleerd of
de connector is vuil.
Installeer de tonercassette van HP
twee of drie keer om er zeker van te
zijn dat deze juist is geplaatst. Als het
probleem zich blijft voordoen, neem
dan contact op met een
servicecentrum.
Fout[foutnummer]
Zet uit en weer aan
Het apparaat kan niet
bestuurd worden.
Start het apparaat opnieuw op en
probeer nogmaals af te drukken. Als
het probleem zich blijft voordoen,
neem dan contact op met een
servicecentrum.
Fout[foutnummer]
Bel klantendienst
Niet op kamer
Verplaats apparaat
Het apparaat staat
opgesteld in een vertrek
met een ongeschikte
kamertemperatuur.
Verplaats het apparaat naar een
vetrek met de geschikte
kamertemperatuur.
Informatie over displaymeldingen | 183
Uitvoervak vol
Verw. pap.
De uitvoerlade is vol.
Zodra het papier uit de uitvoerlade is
verwijderd, gaat de printer door met
afdrukken. Neem contact op met de
klantendienst als het probleem zich
blijft voordoen.
Fuser weldra
eenheid voor
De fixeereenheid is
versleten.
Vervang de fixeereenheid door een
nieuwe. Als het probleem zich blijft
voordoen, neem dan contact op met
een servicecentrum.
Plaats nieuwe
fixeereenheid
De fixeereenheid is
versleten.
Plaats nieuwe
rol voor lade 2
Plaats nieuwe
rol voor lade 3
De lade-opneemrol is
versleten.
Vervang de lade-opneemrol door een
nieuwe. Als het probleem zich blijft
voordoen, neem dan contact op met
een servicecentrum.
De lade-opneemrol is
versleten.
Melding Betekenis Voorgestelde oplossing
Een bericht "Low Toner" of "Very Low Toner" wordt weergegeven in het rapport informatie over benodigheden.
Een bericht "Low Toner" of "Very Low Toner"
wordt weergegeven in het rapport informatie
over benodigheden.
Low Toner: De printer geeft aan wanneer een tonercartridge bijna leeg is. Werkelijke resterende
levensduur van en cartridge kan variëren. Overweeg een vervangend exemplaat te plaatsen als
de afdrukkwaliteit niet meer aanvaardbaar is. De cartridge hoeft niet nu vervangen te worden.
Als u doorgaat met afdrukken met de huidige cassette totdat toner opnieuw wordt verdeeld, zal
resulteren in een niet-acceptabele afdrukkwaliteit. Om de toner opnieuw te verdelen, verwijdert
u de tonercassette uit de printer en schudt u de cassette voorzichtig heen en weer om de
horizontale as. Voor afbeeldingen raadpleegt u de instructies voor het vervangen van cassettes.
Plaats de tonercassette weer in de printer en sluit de klep.
Very Low Toner: De printer geeft aan wanneer een tonercartridge zeer laag is. Werkelijke
resterende levensduur van en cartridge kan variëren. Overweeg een vervangend exemplaat te
plaatsen als de afdrukkwaliteit niet meer aanvaardbaar is. De cartridge hoeft niet te worden
vervangen nu, tenzij de afdrukkwaliteit niet meer aanvaardbaar is.
Zodra een HP tonercassette Very Low Toner heeft bereikt is HP's Premium Protection garantie op
die toner cartridge beëindigd.
Naar het rapport informatie over benodigdheden:
1 Selecteer (Menu) > Systeeminst. > Rapport > Informatie over benodigdheden op het
bedieningsscherm.
2 Druk op OK.
Het apparaat begint met afdrukken.
Problemen met papierinvoer | 185
Problemen met papierinvoer
Toestand Voorgestelde oplossing
Het papier loopt vast tijdens
het afdrukken.
Verwijder het vastgelopen papier.
Papier kleeft aan elkaar.
• Controleer de maximale papiercapaciteit van de lade.
• Zorg dat u een geschikte papiersoort gebruikt.
• Haal het papier uit de lade en buig het of waaier het uit.
In vochtige omstandigheden kunnen bepaalde papiersoorten aan elkaar
blijven kleven.
Invoerprobleem met een
aantal vellen tegelijk.
Er kan niet meer dan één papiersoort tegelijk in de lade worden geplaatst.
Plaats alleen papier van hetzelfde soort en hetzelfde formaat en gewicht.
Afdrukpapier wordt niet
ingevoerd.
• Verwijder vastgelopen papier in het apparaat.
• Het papier werd niet goed in de lade gelegd. Verwijder het papier en
plaats het op de juiste manier in de lade.
• Er ligt te veel papier in de lade. Verwijder het teveel aan papier.
• Het papier is te dik. Gebruik alleen papier dat voldoet aan de
specificaties van het apparaat.
Het papier blijft vastlopen.
Er ligt te veel papier in de lade. Verwijder het teveel aan papier. Als u op
speciaal materiaal wilt afdrukken, moet u deze handmatig invoeren in
de lade.
U gebruikt een verkeerde papiersoort. Gebruik alleen papier dat voldoet
aan de specificaties van het apparaat.
• Misschien zitten er materiaalresten in het apparaat. Open de voorklep
en verwijder de resten.
Enveloppen trekken scheef of
worden niet goed ingevoerd.
Zorg dat de papiergeleiders aan beide kanten van de envelop goed zijn
ingesteld (ze moeten de envelop net raken).
Problemen met de voeding en het netsnoer | 186
Problemen met de voeding en het netsnoer
Start het apparaat opnieuw op. Als het probleem zich blijft voordoen, neem dan contact op met
een servicecentrum.
Toestand Voorgestelde oplossing
Het apparaat krijgt geen stroom,
of de verbindingskabel tussen de
computer en het apparaat is niet
goed aangesloten.
1. Sluit de printer eerst op de netvoeding aan.
2. Controleer de USB-kabel of de netwerkkabel aan de
achterkant van het apparaat.
3. Verwijder de USB-kabel of de netwerkkabel aan de
achterkant van het apparaat en plaats de kabel
opnieuw.
Andere problemen oplossen | 187
Andere problemen oplossen
Afdrukproblemen
Toestand Mogelijke oorzaak Voorgestelde oplossing
Het apparaat drukt
niet af.
Het apparaat krijgt geen
stroom.
Sluit de printer eerst op de netvoeding
aan. Als het apparaat een knop
(aan/uit) op het bedieningspaneel heeft,
drukt u hierop.
Het apparaat is niet als
standaardprinter
geselecteerd.
Selecteer uw printer als standaardprinter
in Windows.
Controleer het volgende:
• De klep is niet gesloten. Sluit de klep.
• Er is een papierstoring opgetreden. Verwijder het vastgelopen
papier (zie "Papierstoringen verhelpen" op pagina 167).
De papierlade is leeg. Plaats papier (zie "Papier in de lade plaatsen"
op pagina 43).
• Er is geen tonercassette geplaatst. Vervang de tonercassette (zie
"De tonercassette vervangen" op pagina 152).
• Zorg dat het beschermingsmateriaal is verwijderd van de
tonercassette (zie "De tonercassette vervangen" op pagina 152).
Neem contact op met een medewerker van de klantenservice als er
een systeemfout optreedt.
De verbindingskabel
tussen de computer en
het apparaat is niet goed
aangesloten.
Maak de kabel van het apparaat los en
sluit hem opnieuw aan (zie "Achterkant"
op pagina 21).
De verbindingskabel
tussen de computer en
het apparaat is mogelijk
defect.
Sluit de kabel indien mogelijk aan op een
andere computer die naar behoren werkt
en druk een document af. U kunt ook
proberen om een andere kabel voor uw
apparaat te gebruiken.
De poortinstelling is niet
juist.
Controleer de printerinstellingen in
Windows om vast te stellen of de
afdruktaak naar de juiste poort wordt
gestuurd. Als uw computer meerdere
poorten heeft, controleert u of het
apparaat op de juiste poort is
aangesloten.
Andere problemen oplossen | 188
Het apparaat drukt
niet af.
Het apparaat is mogelijk
niet goed
geconfigureerd.
Controleer de Voorkeursinstellingen
voor afdrukken om na te gaan of alle
afdrukinstellingen correct zijn.
Mogelijk is het
printerstuurprogramma
niet goed geïnstalleerd.
Deïnstalleer het stuurprogramma van uw
printer en installeer het programma
opnieuw.
Het apparaat werkt niet
goed.
Kijk of het display van het
bedieningspaneel een systeemfout
aangeeft. Neem contact op met een
medewerker van de klantenservice.
Het document is zo groot
dat er niet voldoende
ruimte op de harde schijf
van de computer is om
toegang te krijgen tot de
afdruktaak.
Maak extra ruimte op de harde schijf vrij
en druk het document opnieuw af.
De uitvoerlade is vol.
Wanneer het papier uit de uitvoerlade is
verwijderd, gaat het apparaat door met
afdrukken.
Het apparaat haalt
papier uit de
verkeerde invoer.
De papieroptie die in
Voorkeursinstellingen
voor afdrukken is
geselecteerd is mogelijk
onjuist.
In veel softwaretoepassingen kunt u de
papierbron instellen op het tabblad
Papier in Voorkeursinstellingen voor
afdrukken (zie "Voorkeursinstellingen
openen" op pagina 72). Selecteer de juiste
papierbron. Raadpleeg Help bij het
printerstuurprogramma (zie "Help
gebruiken" op pagina 74).
Een afdruktaak
wordt uiterst
langzaam afgedrukt.
Mogelijk is de afdruktaak
zeer complex.
Maak de pagina minder complex of wijzig
de instellingen voor de afdrukkwaliteit.
Toestand Mogelijke oorzaak Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 189
De helft van de
pagina is blanco.
Mogelijk is de
afdrukstand verkeerd
ingesteld.
Wijzig de afdrukstand in het
desbetreffende programma (zie
"Voorkeursinstellingen openen" op
pagina 72). Raadpleeg Help bij het
printerstuurprogramma (zie "Help
gebruiken" op pagina 74).
Het ingestelde
papierformaat stemt niet
overeen met het formaat
van het papier in de lade.
Controleer of het papierformaat dat is
ingesteld in het printerstuurprogramma
overeenstemt met het papier in de
papierlade. Controleer of het
papierformaat dat is ingesteld in het
printerstuurprogramma overeenstemt
met het papier dat is geselecteerd in het
programma dat u gebruikt (zie
"Voorkeursinstellingen openen" op
pagina 72).
Het apparaat drukt
wel af, maar de tekst
is niet correct,
vervormd of niet
volledig.
De kabel van het
apparaat zit los of is
defect.
Maak de kabel van het apparaat los en
sluit hem opnieuw aan. Druk een
document af dat u eerder wel correct
hebt kunnen afdrukken. Sluit de kabel en
het apparaat indien mogelijk aan op een
andere computer en druk een document
af dat u eerder wel correct hebt kunnen
afdrukken. Als dit alles niet helpt,
probeert u een nieuwe printerkabel.
Het verkeerde
printControleer de
papiersoort en de
kwaliteit van het
papier.erstuurprogramm
a is geselecteerd.
Controleer in het afdrukmenu van de
toepassing of u de juiste printer hebt
geselecteerd.
De softwaretoepassing
werkt niet naar behoren.
Probeer een document af te drukken
vanuit een andere toepassing.
Het besturingssysteem
werkt niet naar behoren.
Sluit Windows af en start de computer
opnieuw op. Schakel het apparaat uit en
weer in.
Toestand Mogelijke oorzaak Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 190
Er worden blanco
pagina’s afgedrukt.
De tonercassette is leeg
of beschadigd.
Herverdeel indien nodig het tonerpoeder.
Vervang indien nodig de tonercassette.
• Zie "Toner herverdelen" op pagina 150.
• Zie "De tonercassette vervangen" op
pagina 152.
Mogelijk bevat het
bestand blanco pagina’s.
Controleer of het bestand blanco pagina’s
bevat.
Mogelijk is een onderdeel
van het apparaat defect
(bijvoorbeeld de
controller of het
moederbord).
Neem contact op met een medewerker
van de klantenservice.
Het apparaat drukt
het PDF-bestand niet
juist af. Sommige
delen van
afbeeldingen, tekst
of illustraties
ontbreken.
Incompatibiliteit tussen
het PDF-bestand en de
Acrobat-producten.
Het bestand kan worden afgedrukt door
het PDF-bestand af te drukken als een
afbeelding. Schakel Afdrukken als
afbeelding uit de afdrukopties van
Acrobat in.
Een PDF-bestand als afbeelding
afdrukken neemt meer tijd in
beslag.
De afdrukkwaliteit
van foto’s is niet
goed. De
afbeeldingen zijn
niet duidelijk.
De resolutie van de foto is
zeer laag.
Verklein de afmetingen van de foto. Als u
de afmetingen van de foto in het
programma vergroot, wordt de resolutie
verlaagd.
Er komt voor het
afdrukken ter hoogte
van de uitvoerlade
stoom uit het
apparaat.
Het gebruik van
geperforeerd papier kan
damp veroorzaken
tijdens het afdrukken.
Dit is geen probleem. Ga gewoon door
met afdrukken.
Het apparaat drukt
geen speciaal papier
zoals rekeningpapier
af.
Het papierformaat en de
papierformaatinstelling
komen niet overeen.
Stel het juiste papierformaat in onder
Aangepast in het tabblad Papier in
Voorkeursinstellingen voor afdrukken
(zie "Voorkeursinstellingen openen" op
pagina 72).
Toestand Mogelijke oorzaak Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 191
Problemen met de afdrukkwaliteit
Vuil aan de binnenkant van het apparaat of verkeerd geplaatst papier kan leiden tot een
verminderde afdrukkwaliteit. Raadpleeg de onderstaande tabel om het probleem te verhelpen.
Het afgedrukte
papier krult op.
De instelling voor de
papiersoort klopt niet.
Wijzig de instelling van de printer en
probeer het opnieuw. Ga naar
Voorkeursinstellingen voor afdrukken,
klik op het tabblad Papier en stel het type
in op Zwaar 90-120 g (zie
"Voorkeursinstellingen openen" op
pagina 72).
Toestand Voorgestelde oplossing
Lichte of vage
afdrukken
Als u een verticale witte strook of vaag gedeelte op de afdruk ziet, is de
toner bijna op. Plaats een nieuwe tonercassette (zie "De tonercassette
vervangen" op pagina 152).
• Als u nog steeds een verticale witte strook of vaag gedeelte op de
pagina ziet zelfs als het apparaat nog voldoende toner heeft, opent en
sluit u de voorklep 3 tot 4 keer achtereenvolgens (zie "Menuoverzicht"
op pagina 27).
• Mogelijk voldoet het papier niet aan de papierspecificaties. Het papier
kan bijvoorbeeld te vochtig of te ruw zijn.
Als de hele pagina te licht is, is de afdrukresolutie te laag ingesteld of is
de tonerbespaarstand ingeschakeld. Wijzig de afdrukresolutie en
schakel de energiebesparende modus uit. Raadpleeg de Help bij het
printerstuurprogramma.
• Een combinatie van vage plekken en vegen kan erop wijzen dat de
tonercassette moet worden gereinigd. Reinig de binnenkant van het
apparaat (zie "Het apparaat reinigen" op pagina 160).
Het oppervlak van het LSU-gedeelte in het apparaat kan vuil zijn. Reinig
de binnenkant van het apparaat (zie "Het apparaat reinigen" op pagina
160). Als het probleem hiermee niet kan worden opgelost, neemt u
contact op met een medewerker van de klantenservice.
Toestand Mogelijke oorzaak Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 192
De bovenste
helft van het
papier is lichter
bedrukt dan de
rest van het
papier.
De toner hecht mogelijk niet goed aan dit papiertype.
• Wijzig de instelling van de printer en probeer het opnieuw. Ga naar
Voorkeursinstellingen voor afdrukken, klik op het tabblad Papier en
stel het papiertype in op Kringlooppapier (zie "Voorkeursinstellingen
openen" op pagina 72).
Tonervlekken • Mogelijk voldoet het papier niet aan de specificaties. Het papier kan
bijvoorbeeld te vochtig of te ruw zijn.
• Mogelijk is de transportrol vuil. Reinig de binnenkant van het apparaat
(zie "Het apparaat reinigen" op pagina 160).
Het papierpad is mogelijk aan een reinigingsbeurt toe. Neem contact op
met een medewerker van de klantenservice (zie "Het apparaat reinigen"
op pagina 160).
Onregelmatighe
den
Als op willekeurige plaatsen vage, doorgaans ronde, plekken verschijnen:
• Er zit mogelijk een slecht vel tussen het papier. Druk het document
opnieuw af.
• Het vochtgehalte van het papier is niet op alle plaatsen gelijk of het
papier bevat vochtplekken. Probeer papier van een ander merk.
• Een hele partij papier is niet in orde. Problemen tijdens de productie
kunnen ertoe leiden dat sommige delen toner afstoten. Probeer een
ander soort of merk papier.
• Wijzig de instelling van de printer en probeer het opnieuw. Ga naar
Voorkeursinstellingen voor afdrukken, klik op het tabblad Papier en
stel het papiertype in op Zwaar 90-120 g (zie "Voorkeursinstellingen
openen" op pagina 72).
Als het probleem hiermee niet kan worden opgelost, neemt u contact op
met een medewerker van de klantenservice.
Toestand Voorgestelde oplossing
AaBbCc
AaBbCc
AaBbCc
AaBbCc
AaBbCc
AaBbC
AaBbC
AaBbC
AaBbC
AaBbC
Andere problemen oplossen | 193
Witte vlekken
Er verschijnen witte vlekken op de pagina:
• Het papier is te ruw en er valt veel papierstof op de interne onderdelen
van het apparaat, wat erop wijst dat de rol vuil kan zijn. Reinig de
binnenkant van het apparaat (zie "Het apparaat reinigen" op pagina
160).
• Het papierpad is mogelijk aan een reinigingsbeurt toe. Reinig de
binnenkant van het apparaat (zie "Het apparaat reinigen" op pagina
160).
Als het probleem hiermee niet kan worden opgelost, neemt u contact op
met een medewerker van de klantenservice.
Verticale strepen
Als de pagina zwarte, verticale strepen vertoont:
• Er zitten mogelijk krassen op het oppervlak (drumgedeelte) van de
tonercassette in het apparaat. Verwijder de tonercassette en plaats een
nieuwe (zie "De tonercassette vervangen" op pagina 152).
Als de pagina witte verticale strepen vertoont:
Het oppervlak van het LSU-gedeelte in het apparaat kan vuil zijn. Reinig
de binnenkant van het apparaat (zie "Het apparaat reinigen" op pagina
160). Als het probleem hiermee niet kan worden opgelost, neemt u
contact op met een medewerker van de klantenservice.
Zwarte of
gekleurde
achtergrond
Als er in lichte gedeelten te veel toner wordt gebruikt (grijze achtergrond):
• Gebruik papier met een lager gewicht.
• Controleer de omgevingsvoorwaarden: bijzonder droge
omstandigheden of een hoge luchtvochtigheid (meer dan 80% RV)
kunnen aanleiding geven tot een grijzere achtergrond.
Verwijder de tonercassette en plaats een nieuwe (zie "De tonercassette
vervangen" op pagina 152).
• Herverdeel de toner grondig (zie "Toner herverdelen" op pagina 150).
Tonervegen • Reinig de binnenkant van het apparaat (zie "Het apparaat reinigen" op
pagina 160).
• Controleer de papiersoort en de kwaliteit van het papier.
Verwijder de tonercassette en plaats een nieuwe (zie "De tonercassette
vervangen" op pagina 152).
Toestand Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 194
Verticaal
terugkerende
afwijkingen
Als de bedrukte zijde van de pagina met gelijke intervallen afwijkingen
vertoont:
• De tonercassette is mogelijk beschadigd. Als de problemen zich na het
afdrukken blijven voordoen, vervangt u de oude tonercassette door een
nieuwe (zie "De tonercassette vervangen" op pagina 152).
• Er zit mogelijk toner op sommige onderdelen van het apparaat. Als de
afwijkingen zich op de achterkant van de pagina bevinden zal het
probleem waarschijnlijk na enkele pagina’s vanzelf verdwijnen.
• De fixeereenheid is mogelijk beschadigd. Neem contact op met een
medewerker van de klantenservice.
Schaduwvlekken
Schaduwvlekken worden veroorzaakt door kleine hoeveelheden toner die
willekeurig verspreid op de afdruk voorkomen.
• Misschien is het papier te vochtig. Probeer af te drukken op papier van
een andere partij. Maak een pak papier pas open op het moment dat u
het gaat gebruiken zodat het papier niet te veel vocht opneemt.
• Als het gehele oppervlak van een afgedrukte pagina wordt bedekt met
schaduwvlekken, kiest u een andere afdrukresolutie in het
softwareprogramma of in de Voorkeursinstellingen voor afdrukken (zie
"Voorkeursinstellingen openen" op pagina 72). Controleer of u het juiste
papiertype hebt geselecteerd. Voorbeeld: Als Dikker papier wordt
geselecteerd, maar als er momenteel Normaal papier gebruikt wordt,
kan het papier verzadigen met inkt en dit probleem tot gevolg hebben.
• Als u een nieuwe tonercassette gebruikt, moet u de toner eerst
herverdelen (zie "Toner herverdelen" op pagina 150).
Er blijven
tonerdeeltjes
hangen rond
vetgedrukte
tekens of
donkere foto’s.
De toner hecht mogelijk niet goed aan dit papiertype.
• Wijzig de instelling van de printer en probeer het opnieuw. Ga naar
Voorkeursinstellingen voor afdrukken, klik op het tabblad Papier en
stel het papiertype in op Kringlooppapier (zie "Voorkeursinstellingen
openen" op pagina 72).
• Controleer of u het juiste papiertype hebt geselecteerd. Voorbeeld: Als
Dikker papier wordt geselecteerd, maar als er momenteel Normaal
papier gebruikt wordt, kan het papier verzadigen met inkt en dit
probleem tot gevolg hebben.
Toestand Voorgestelde oplossing
A
Andere problemen oplossen | 195
Misvormde tekst • Als tekst er vervormd uitziet ("uitgehold" effect) is het papier mogelijk
te glad. Probeer een ander soort papier.
Papier schuin • Plaats het papier op de juiste manier in de lade.
• Controleer de papiersoort en de kwaliteit van het papier.
• Let erop dat de geleiders niet te dicht en niet te ver af staan van de
stapel papier.
Gekruld of
gegolfd
• Plaats het papier op de juiste manier in de lade.
• Controleer de papiersoort en de kwaliteit van het papier. Papier kan
krullen als de temperatuur of de vochtigheid te hoog is.
• Draai de stapel papier in de lade om. Probeer ook eens om het papier
180° te draaien in de lade.
Vouwen of
kreuken
• Plaats het papier op de juiste manier in de lade.
• Controleer de papiersoort en de kwaliteit van het papier.
• Draai de stapel papier in de lade om. Probeer ook eens om het papier
180° te draaien in de lade.
Toestand Voorgestelde oplossing
AaBbC
AaBbC
AaBbC
AaBbC
AaBbCc
Andere problemen oplossen | 196
Achterkant van
afdrukken is vuil
Mogelijk lekt een tonercassette. Reinig de binnenkant van het apparaat
(zie "Het apparaat reinigen" op pagina 160).
Volledig
gekleurde of
zwarte pagina’s
• Mogelijk is de tonercassette niet goed geplaatst. Verwijder de
tonercassetten en installeer deze opnieuw.
• Mogelijk is de tonercassette defect. Verwijder de tonercassette en
plaats een nieuwe (zie "De tonercassette vervangen" op pagina 152).
• Het apparaat moet mogelijk worden gerepareerd. Neem contact op met
een medewerker van de klantenservice.
Losse toner • Reinig de binnenkant van het apparaat (zie "Het apparaat reinigen" op
pagina 160).
• Controleer de papiersoort en de kwaliteit van het papier.
Verwijder de tonercassette en plaats een nieuwe (zie "De tonercassette
vervangen" op pagina 152).
Lost dit het probleem niet op, dan moet het apparaat mogelijk worden
hersteld. Neem contact op met een medewerker van de klantenservice.
Openingen in
tekens
Letters worden onvolledig afgedrukt omdat er witte plekken verschijnen
op plaatsen die zwart zouden moeten zijn:
Misschien drukt u af op de verkeerde kant van het papier. Verwijder het
papier en draai het om.
• Mogelijk voldoet het papier niet aan de papierspecificaties.
Toestand Voorgestelde oplossing
A
A
Andere problemen oplossen | 197
Problemen met kopiëren
Horizontale
strepen
Controleer bij horizontale zwarte strepen of vegen het volgende:
• De tonercassette is mogelijk verkeerd geplaatst. Verwijder de
tonercassetten en installeer deze opnieuw.
• Mogelijk is de tonercassette defect. Verwijder de tonercassette en
plaats een nieuwe (zie "De tonercassette vervangen" op pagina 152).
Lost dit het probleem niet op, dan moet het apparaat waarschijnlijk
worden hersteld. Neem contact op met een medewerker van de
klantenservice.
Krullen
Als het afgedrukte papier opkrult of als het papier niet wordt ingevoerd,
doet u het volgende:
• Draai de stapel papier in de lade om. Probeer ook eens om het papier
180° te draaien in de lade.
Wijzig de papierinstelling op de printer en probeer het opnieuw. Ga naar
Voorkeursinstellingen voor afdrukken, klik op het tabblad Papier en
stel het type in op Licht 60-69 g (zie "Voorkeursinstellingen openen" op
pagina 72).
• Op enkele
vellen
verschijnt
herhaaldelijk
een onbekende
afbeelding.
• Losse toner
• Vage afdruk of
vervuiling
Uw apparaat wordt mogelijk gebruikt op een hoogte van 1.000 m of hoger.
Een dergelijke hoogte kan de afdrukkwaliteit beïnvloeden (bijv. losse
toner of een vage afdruk). Stel uw apparaat in op de juiste hoogte (zie
"Aanpassing aan luchtdruk of hoogte" op pagina 39).
Toestand Voorgestelde oplossing
Kopieën zijn te
licht of te
donker.
Pas de tonersterkte in de kopieerfunctie aan om de achtergrond van
kopieën lichter of donkerder te maken (zie "De instellingen per kopie
wijzigen" op pagina 87).
Er verschijnen
vegen, strepen,
vlekken of
stippen op
kopieën.
• Gebruik Tonersterkte in Kopieerfunctie om de achtergrond van uw
kopieën lichter te maken als de onregelmatigheden zich op het origineel
bevinden.
• Met Achtergrond wijzigen in de kopieerinstellingen verwijdert u de
achtergrondkleur (zie "Achtergrond wijzigen" op pagina 122).
• Als er geen gebreken zijn op het origineel, reinig dan de scanner (zie
"Scannereenheid reinigen" op pagina 164).
Kopie staat
scheef.
• Zorg ervoor dat het origineel is uitgelijnd met de centreergeleider.
• Mogelijk is de transportrol vuil. Reinig de binnenkant van het apparaat
(zie "Het apparaat reinigen" op pagina 160).
Toestand Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 198
Problemen met scannen
Afgedrukte
kopieën zijn
blanco.
Controleer of het origineel op de glasplaat ligt met de bedrukte zijde naar
onder of in de automatische documentinvoer met de bedrukte zijde naar
boven.
Als het probleem hiermee niet kan worden opgelost, neemt u contact op
met een medewerker van de klantenservice.
Afdruk geeft
gemakkelijk af.
• Vervang het papier in de lade door papier uit een ander pak.
In vochtige omstandigheden mag u papier niet te lang ongebruikt in het
apparaat laten zitten.
Kopieerpapier
loopt
regelmatig vast.
• Waaier de stapel papier uit en leg hem ondersteboven terug in de lade.
Vervang het papier in de lade door papier uit een nieuw pak. Controleer
de papiergeleiders en stel deze zo nodig beter af.
• Controleer of het papier het juiste type en het juiste gewicht heeft (zie
"Specificaties van de afdrukmedia" op pagina 204).
• Nadat u vastgelopen papier hebt verwijderd, controleert u of er resten
van kopieerpapier in het apparaat zijn achtergebleven.
De
tonercassette
gaat minder
lang mee dan
verwacht.
• Uw originelen bevatten mogelijk afbeeldingen, opgevulde vlakken of
dikke lijnen. Uw originelen zijn bijvoorbeeld formulieren, nieuwsbrieven,
boeken of andere documenten die meer toner verbruiken.
• Het deksel van de scanner is mogelijk opengelaten tijdens het kopiëren.
• Schakel het apparaat uit en weer in.
Toestand Voorgestelde oplossing
De scanner doet het niet.
• Zorg ervoor dat u het te scannen origineel op de glasplaat
plaatst met de bedrukte zijde naar onder en in de
automatische documentinvoer met de bedrukte zijde naar
boven (zie "Originelen plaatsen" op pagina 53).
• Er is mogelijk niet voldoende geheugen beschikbaar voor
het document dat u wilt scannen. Ga na of de prescanfunctie
werkt. Probeer een lagere scanresolutie.
• Controleer of de printerkabel op de juiste wijze werd
aangesloten op uw apparaat.
• Controleer of de printerkabel niet stuk is. Vervang de kabel
door een kabel waarvan u zeker weet dat hij werkt. Vervang
indien nodig de kabel.
• Controleer of de scanner op de juiste manier is
geconfigureerd. Controleer de scaninstellingen in de
toepassing die u wilt gebruiken om er zeker van te zijn dat de
scantaak naar de juiste poort wordt verzonden (bijvoorbeeld
USB001).
Toestand Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 199
Problemen met faxen
Het apparaat doet erg lang
over een scanopdracht.
• Controleer of er tegelijkertijd ontvangen gegevens worden
afgedrukt op het apparaat. Wacht in dat geval met scannen
totdat de afdruktaak is voltooid.
• Het inscannen van afbeeldingen kost meer tijd dan het
inscannen van tekst.
Het volgende bericht
verschijnt op het
computerscherm:
• Apparaat kan niet in de
gewenste H/W-modus
staan.
Poort wordt gebruikt door
een ander programma.
• Poort is uitgeschakeld.
• 'Scanner is bezig met
ontvangen of afdrukken
van data. Probeer het
opnieuw zodra de huidige
opdracht is afgerond.
• Ongeldige ingang.
• Scannen is mislukt.
• Er wordt mogelijk een kopieer- of afdruktaak uitgevoerd.
Probeer uw taak opnieuw uit te voeren nadat de voorgaande
taak is voltooid.
• De geselecteerde poort is momenteel in gebruik. Start uw
computer opnieuw op en probeer het opnieuw.
• De kabel van uw apparaat is wellicht niet goed aangesloten
of het apparaat is niet ingeschakeld.
• Het scannerstuurprogramma is niet geïnstalleerd of het
besturingssysteem is niet correct ingesteld.
• Controleer of het apparaat op de juiste wijze is aangesloten
en ingeschakeld is. Start de computer vervolgens opnieuw
op.
• De USB-kabel is mogelijk niet goed aangesloten of het
apparaat is niet ingeschakeld.
Toestand Voorgestelde oplossing
Het apparaat werkt
niet, het display blijft
leeg of de toetsen
reageren niet.
Trek de stekker van het netsnoer uit het stopcontact en steek deze
er weer in.
• Controleer of er stroom staat op het stopcontact.
• Controleer of de stroom aan staat.
Geen kiestoon.
• Controleer of het telefoonsnoer op de juiste wijze is aangesloten
(zie "Achterkant" op pagina 21).
• Controleer of de wandcontactdoos in orde is door er een ander
telefoontoestel op aan te sluiten.
De in het geheugen
opgeslagen nummers
worden verkeerd
gekozen.
Controleer of de nummers correct in het geheugen zijn opgeslagen.
U kunt dit controleren door een adresboeklijst af te drukken.
Toestand Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 200
Het origineel wordt
niet in het apparaat
ingevoerd.
• Controleer of het papier niet gekreukt is en zorg dat u het op de
juiste wijze invoert. Ga na of het origineel het juiste formaat heeft
en niet te dik of te dun is.
• Controleer of de ADI goed is gesloten.
• De rubbermat van de automatische documentinvoer is mogelijk
aan vervanging toe. Neem contact op met een medewerker van de
klantenservice (zie "Verkrijgbare onderdelen voor onderhoud" op
pagina 147).
Faxberichten worden
niet automatisch
ontvangen.
• De ontvangstmodus moet ingesteld zijn op fax (zie "De
ontvangstmodus wijzigen" op pagina 107).
• Controleer of de lade papier bevat (zie "Specificaties van de
afdrukmedia" op pagina 204).
• Controleer of er een foutmelding wordt weergegeven op het
display. Los in dat geval het gemelde probleem op.
Het apparaat verzendt
geen faxberichten.
• Zorg dat het origineel zich in de ADI of op de glasplaat van de
scanner bevindt.
• Controleer of het andere faxapparaat uw faxbericht kan
ontvangen.
Een ontvangen
faxbericht is
gedeeltelijk blanco of
is van slechte
kwaliteit.
Er is mogelijk een probleem met het faxapparaat van de verzender.
• Een slechte telefoonlijn kan verbindingsproblemen veroorzaken.
• Controleer het apparaat door een kopie te maken.
• De tonercassette heeft de geschatte levensduur bijna bereikt.
Vervang de tonercassette (zie "De tonercassette vervangen" op
pagina 152).
Sommige woorden
van een ontvangen
faxbericht zijn
uitgerekt.
Er is een tijdelijke storing opgetreden in het documenttransport
vanaf het apparaat waarvan het faxbericht afkomstig is.
Er staan strepen op de
originelen die u hebt
verzonden.
Controleer uw scanner op markeringen en reinig het (zie
"Scannereenheid reinigen" op pagina 164).
Het nummer wordt
gekozen maar er kan
geen verbinding tot
stand worden
gebracht met de
andere fax.
Misschien is het andere faxapparaat uitgeschakeld, is het papier op of
kunnen er geen oproepen worden beantwoord. Vraag de bediener
van het andere apparaat om het probleem aan zijn kant op te lossen.
Faxen worden niet in
het geheugen
opgeslagen.
Er is mogelijk niet voldoende geheugen om de fax op te slaan. Als het
scherm met de status van het geheugen verschijnt, verwijdert u
faxberichten die u niet meer nodig hebt uit het geheugen en probeert
u vervolgens de fax opnieuw op te slaan. Neem contact op met de
klantenservice.
Toestand Voorgestelde oplossing
Andere problemen oplossen | 201
Problemen met het besturingssysteem
Algemene Windows-problemen
Raadpleeg de gebruikershandleiding van Microsoft Windows die met uw computer is
meegeleverd voor meer informatie over foutmeldingen in Windows.
Er verschijnen blanco
stukken onder aan de
pagina, met een korte
strook tekst
bovenaan.
U hebt mogelijk de verkeerde papierinstellingen gekozen in de door
de gebruiker in te stellen opties. Controleer het papierformaat en
-type nogmaals.
Toestand Voorgestelde oplossing
Tijdens de installatie
verschijnt het bericht
"Bestand in gebruik".
Sluit alle softwaretoepassingen af. Verwijder alle software uit de
opstartgroep en start vervolgens Windows weer op. Installeer het
printerstuurprogramma opnieuw.
Het bericht
"Algemene
beschermingsfout",
"OE-uitzondering",
"Spool 32" of
"Ongeldige
bewerking"
verschijnt.
Sluit alle andere toepassingen af, start Windows opnieuw op en
probeer opnieuw af te drukken.
De berichten "Kan
niet afdrukken" of "Er
is een time-outfout in
de printer
opgetreden"
verschijnen.
Deze meldingen kunnen tijdens het afdrukken verschijnen. Wacht
gewoon even tot het apparaat klaar is met afdrukken. Als het bericht
verschijnt als de printer klaar staat voor gebruik of nadat de afdruk is
voltooid, controleert u de aansluiting en gaat u na of er een fout is
opgetreden.
Apparaatgegevens
worden niet
weergegeven
wanneer u op het
apparaat in
Apparaten en
printers klikt.
Selecteer het selectievakje Eigenschappen van printer. Klik op de tab
Poorten.
(Configuratiescherm > Apparaten en printers > Klik met de
rechtermuisknop op het pictogram van uw printer en selecteer
Eigenschappen van printer)
Als de poort is ingesteld op Bestand of LPT, verwijdert u de
selectiemarkering en selecteert u TCP/IP, USB of WSD.
Toestand Voorgestelde oplossing
Bijlage
In dit hoofdstuk staan productspecificaties en informatie met betrekking tot toepasbare
regelgeving.
• Algemene specificaties 203
• Specificaties van de afdrukmedia 204
• Systeemvereisten 207
Algemene specificaties | 203
Algemene specificaties
De specificaties hieronder kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
Zie www.hp.com/support/laser432MFP voor mogelijke wijzigingen in de informatie.
Items Omschrijving
Afmetingen Breedte x Lengte x Hoogte 469 x 444,3 x 482,1 mm
Gewicht (apparaat met verbruiksartikelen)
16,91 kg (37,28 Ibs)
Temperatuur Gebruik 15 to 32°C
Opslag (in verpakking) -20 tot 40
Relatieve
luchtvochtigheid
Gebruik 10 tot 80% RV
Opslag (in verpakking)
10 tot 90% RV
Nominaal
vermogen
a
a.Zie het typeplaatje op het apparaat voor het juiste voltage (V), de frequentie (hertz) en het type stroom
(A) voor uw apparaat.
Modellen op 110 volt AC 110 – 127 V
Modellen op 220 volt
AC 220 – 240 V
Specificaties van de afdrukmedia | 204
Specificaties van de afdrukmedia
Type Formaat Afmetingen
Gewicht/capaciteit afdrukmedia
a
Papierlade 2/
Papierlade 3
Lade 1
Normaal
papier
Letter
216 x 279
mm
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 250 vellen van 80
g/m
2
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 50 vellen van 80
g/m
2
Legal
216 x
356mm
Oficio 8,5 x
13
216 x
330mm
A4
210 x
297mm
Oficio 216 x
343 mm
216 x 343
mm
Executive
184 x 267
mm
A5
148 x
210mm
A6
105 x 148
mm
• 150 vellen van 75
g/m
2
3 x 5 76 x 127mm
Niet beschikbaar in
lade 2/ optionele
lade (Lade 3).
4 x 6
102 x 152
mm
Niet beschikbaar in
lade 2/ optionele
lade (Lade 3).
Specificaties van de afdrukmedia | 205
Envelop
Envelop
Monarch
98 x 191 mm
Niet beschikbaar in
lade 2/ optionele
lade (Lade 3).
75 tot 90 g/m
2
Envelop #10
105 x 241
mm
Envelop DL
110 x 220
mm
Envelop C5
162 x 229
mm
Envelop C6 114 x 162mm
Envelop #9 98 x 225mm
Gemiddeld
gewicht
96-110 g
Zie Normaal papier
86 tot 105 g/m
2
(bankpostpapier)
86 tot 105 g/m
2
(bankpostpapier)
Karton
176-220 g
Zie Normaal papier
Niet beschikbaar in
lade 2/ optionele
lade (Lade 3).
164 tot 220 g/m
2
bankpostpapier)
HP LaserJet 90
g
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
Niet beschikbaar in
lade 2/ optionele
lade (Lade 3).
75 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
Gekleurd
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
Niet beschikbaar in
lade 2/ optionele
lade (Lade 3).
75 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
Voorbedrukt
Zie het gedeelte Normaal en
enveloppepapier
75 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
75 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
Gemiddeld
85-95 g
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 250 vellen van 80
g/m
2
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 50 vellen van 80
g/m
2
Licht 60-74 g
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
60 tot 70 g/m
2
60 tot 70 g/m
2
Type Formaat Afmetingen
Gewicht/capaciteit afdrukmedia
a
Papierlade 2/
Papierlade 3
Lade 1
Specificaties van de afdrukmedia | 206
Kringlooppapi
er
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 250 vellen van 80
g/m
2
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 50 vellen van 80
g/m
2
Etiketten
b
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
Niet beschikbaar in
lade 2/ optionele
lade (Lade 3).
120 tot 150 g/m
2
Birefhoofd
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 250 vellen van 80
g/m
2
70 tot 85 g/m
2
(bankpostpapier)
• 50 vellen van 80
g/m
2
Extra zwaar
121-163 g
Zie Normaal papier
121 tot 163 g/m
2
121 tot 163 g/m
2
Bankpost
Letter, Legal, Oficio 8.5 x 13,
Oficio 216 x 343 mm, A4, JIS
B5, Executive, A5,
Statement, A6
105 tot 120 g/m
2
105 tot 120 g/m
2
Minimaal formaat
(aangepast)
Lade 1: 76
× 127 mm
Lade 1,
Lade 2,
Lade 3: 98
x
148,5mm
60 tot 163 g/m
2
Maximaal formaat
(aangepast)
216 x
356mm
a.De maximumcapaciteit kan verschillen en is afhankelijk van het gewicht en de dikte van afdrukmedia en
de omgevingsomstandigheden.
b.De zachtheid van de voor dit apparaat gebruikte etiketten moet tussen 100 tot 250 (sheffield) bedragen.
Deze getallen verwijzen naar het gladheidsniveau.
Type Formaat Afmetingen
Gewicht/capaciteit afdrukmedia
a
Papierlade 2/
Papierlade 3
Lade 1
Systeemvereisten | 207
Systeemvereisten
Printersoftware wordt af en toe bijgewerkt vanwege de release van een nieuw
besturingssysteem en dergelijke. Download indien nodig de nieuwste versie van de
website van HP (www.hp.com/support/laser432MFP).
Microsoft
®
Windows
®
Windows 7, 32-bit
en 64-bit
De printerspecifieke printerdriver van
HP is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Windows 8, 32-bit
en 64-bit
De printerspecifieke printerdriver van
HP is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Windows 8,1,
32-bit en 64-bit
De printerspecifieke printerdriver van
HP V4 is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Windows 10, 32-bit
en 64-bit
De printerspecifieke printerdriver van
HP V4 is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Windows Server
2008 R2, 64-bit
Het HP PCLm.S-printerspecifieke
printerstuurprogramma kan worden
gedownload van de website voor
printerondersteuning. Download het
stuurprogramma en gebruik
vervolgens het hulpprogramma
Microsoft Printer toevoegen om het te
installeren.
Microsoft heeft
mainstream-ondersteuning
voor Windows Server 2008 in
januari 2015 stopgezet. HP blijft
ondersteuning bieden voor de
best effort voor het beëindigde
Server
2008-besturingssysteem.
Windows Server
2008 R2, SP1,
64-bit
De printerspecifieke printerdriver van
HP is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Windows Server
2012
De printerspecifieke printerdriver van
HP is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Systeemvereisten | 208
Windows Server
2012 R2
De printerspecifieke printerdriver van
HP is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Windows Server
2016, 64-bit
De printerspecifieke printerdriver van
HP is voor dit besturingssysteem
geïnstalleerd als onderdeel van de
software-installatie.
Verklarende woordenlijst | 209
Verklarende woordenlijst
De onderstaande woordenlijst helpt u vertrouwd te raken met het product en de terminologie die in
deze gebruikershandleiding wordt gebruikt en verband houdt met afdrukken.
802.11
802.11 bevat een reeks standaarden voor draadloze-netwerkcommunicatie (WLAN) ontwikkeld door het IEEE
LAN/MAN-Standards Committee (IEEE 802).
802.11b/g/n
802.11b/g/n kan dezelfde hardware delen over een bandbreedte van 2.4 GHz. 802.11b ondersteunt een
bandbreedte tot maximaal 11 Mbps, 802.11n ondersteunt een bandbreedte tot 150 Mbps.
802.11b/g/n-apparaten kunnen interferentie ondervinden van magnetrons, draadloze telefoons en
Bluetooth-apparaten.
Toegangspunt
Een toegangspunt of draadloos toegangspunt (AP of WAP) is een apparaat dat
draadlozecommunicatieapparaten verbindt in een draadloos netwerk (WLAN) en dienst doet als een centrale
zender en ontvanger van WLAN-radiosignalen.
ADF
De automatische documentinvoer (ADF) is een mechanisme dat automatisch een origineel vel papier invoert
zodat het apparaat een gedeelte van het papier in één keer kan scannen.
AppleTalk
AppleTalk is een octrooirechtelijk beschermde suite van door Apple Inc ontwikkelde protocollen voor
computernetwerken. Deze suite was opgenomen in de oorspronkelijke Mac (1984) en wordt nu door Apple
ingezet voor TCP/IP-netwerken.
Bitdiepte
Een grafische computerterm die beschrijft hoeveel bits er nodig zijn om de kleur van één pixel in een
bitmapafbeelding te vertegenwoordigen. Een hogere kleurdiepte geeft een breder scala van te onderscheiden
kleuren. Naarmate het aantal bits toeneemt, wordt het aantal mogelijke kleuren te groot voor een kleurtabel.
Een 1-bits kleur wordt doorgaans monochroom of zwart-wit genoemd.
BMP
Een grafische bitmapindeling die intern wordt gebruikt door het grafische subsysteem van Microsoft Windows
(GDI) en algemeen wordt gebruikt als een eenvoudige grafische bestandsindeling op dat platform.
Verklarende woordenlijst | 210
BOOTP
Bootstrap-protocol. Een netwerkprotocol dat wordt gebruikt door een netwerkclient om automatisch het
IP-adres op te halen. Dit gebeurt doorgaans in het bootstrapproces van computers of de daarop uitgevoerde
besturingssystemen. De BOOTP-servers wijzen aan iedere client een IP-adres toe uit een pool van adressen.
Met BOOTP kunnen computers met een "schijfloos werkstation" een IP-adres ophalen voordat een
geavanceerd besturingssysteem wordt geladen.
CCD
CCD (Charge Coupled Device) is hardware die de scantaak mogelijk maakt. Het
CCD-vergrendelingsmechanisme wordt ook gebruikt om de CCD-module te blokkeren en schade te voorkomen
wanneer u het apparaat verplaatst.
Sorteren
Sorteren is een proces waarbij een kopieertaak bestaande uit meerdere exemplaren in sets wordt afgedrukt.
Wanneer de optie Sorteren is ingeschakeld, wordt eerst een volledige set afgedrukt voordat de overige kopieën
worden gemaakt.
Configuratiescherm
Een bedieningspaneel is het platte, doorgaans verticale, gedeelte waarop de bedienings- of
controle-instrumenten worden weergegeven. Deze bevinden zich doorgaans aan de voorzijde van het
apparaat.
Dekkingsgraad
Dit is de afdrukterm die wordt gebruikt om het tonergebruik bij het afdrukken te meten. Een dekkingsgraad
van 5% betekent bijvoorbeeld dat een vel A4-papier 5% aan afbeeldingen of tekst bevat. Dus als het papier of
origineel ingewikkelde afbeeldingen of veel tekst bevat, is de dekkingsgraad en daarmee het tonergebruik
hoger.
CSV
Kommagescheiden waarden (CSV). CSV is een type bestandsindeling. CSV wordt gebruikt om gegevens uit te
wisselen tussen verschillende toepassingen. Deze bestandsindeling wordt in Microsoft Excel gebruikt en is min
of meer de norm geworden in de IT-sector, ook op niet-Microsoftplatformen.
DADF
De dubbelzijdige automatische documentinvoer (DADF) is een scanmechanisme waarmee een origineel
automatisch wordt ingevoerd en omgedraaid, zodat het apparaat beide zijden van het papier kan inscannen.
Standaard
De waarde of instelling die van kracht is wanneer de printer uit de verpakking wordt gehaald, opnieuw wordt
ingesteld of wordt geïnitialiseerd.
Verklarende woordenlijst | 211
DHCP
Een DHCP (Dynamic Host Configuration Protocol) is een client/servernetwerkprotocol. Een DHCP-server stuurt
configuratieparameters naar de DHCP-clienthost die deze gegevens opvraagt om deel te kunnen uitmaken van
een IP-netwerk. DHCP biedt ook een mechanisme voor de toewijzing van IP-adressen aan clienthosts.
DIMM
De DIMM (Dual In-line Memory Module) is een kleine printplaat met geheugen. DIMM slaat alle gegevens in het
apparaat op, zoals afdrukgegevens of ontvangen faxgegevens.
DLNA
DLNA (Digital Living Network Alliance) is een standaard waarmee apparaten in een thuisnetwerk gegevens
met elkaar kunnen uitwisselen via het netwerk.
DNS
DNS (Domain Name Server) is een systeem dat domeinnaaminformatie opslaat in een gedistribueerde
database op netwerken, zoals het internet.
Matrixprinter
Een matrixprinter is een printer met een printerkop die heen en weer loopt over de pagina en afdrukt door
middel van aanslagen, waarbij een van inkt voorzien lint tegen het papier wordt geslagen, zoals bij een
typemachine.
DPI
DPI (Dots Per Inch) is een maateenheid voor resolutie die wordt gebruikt voor scannen en afdrukken. Over het
algemeen leidt een hogere DPI tot een hogere resolutie, meer zichtbare details in de afbeelding en een groter
bestandsformaat.
DRPD
Distinctieve belpatroondetectie. Distinctieve belpatroondetectie is een dienst van de telefoonmaatschappij
waarmee een gebruiker met een enkele telefoonlijn oproepen naar verschillende telefoonnummers kan
ontvangen.
Duplex
Een mechanisme dat een vel papier automatisch omkeert zodat het apparaat beide zijden van het vel kan
bedrukken (of scannen). Een printer met een duplexeenheid kan afdrukken op beide zijden van een vel papier
tijdens één printcyclus.
Afdrukvolume
Het afdrukvolume bestaat uit de hoeveelheid afgedrukte pagina’s per maand die de printerprestaties niet
beïnvloedt. Doorgaans heeft de printer een beperkte levensduur, zoals een bepaald aantal pagina’s per jaar. De
levensduur duidt de gemiddelde afdrukcapaciteit aan, meestal binnen de garantieperiode. Als het
afdrukvolume bijvoorbeeld 48 000 pagina’s per maand (20 werkdagen) bedraagt, beperkt de printer het aantal
pagina’s tot 2 400 per dag.
Verklarende woordenlijst | 212
ECM
Foutcorrectiemodus (ECM) is een optionele verzendmodus voor foutcorrectie die is opgenomen in
faxapparaten of faxmodems van Klasse 1. Hiermee worden fouten tijdens de verzending van faxen, die soms
worden veroorzaakt door ruis op de telefoonlijn, automatisch opgespoord en gecorrigeerd.
Emulatie
Emulatie is een techniek waarbij met één apparaat dezelfde resultaten worden behaald als met een ander.
Een emulator kopieert de functies van één systeem naar een ander systeem, zodat het tweede systeem zich als
het eerste gedraagt. Emulatie is gericht op de exacte reproductie van extern gedrag, in tegenstelling tot
simulatie; dit houdt verband met een abstract model van het systeem dat wordt gesimuleerd, vaak met
betrekking tot de interne staat.
Ethernet
Ethernet is een op frames gebaseerde computernetwerktechnologie voor LAN’s. Hiermee worden de
bedrading en de signalen gedefinieerd voor de fysieke laag en frameformaten en protocollen voor de
MAC/gegevenskoppelingslaag van het OSI-model. Ethernet wordt meestal gestandaardiseerd als IEEE 802.3.
Het is sedert de jaren ’90 van afgelopen eeuw de meest gebruikte LAN-technologie.
EtherTalk
Een protocolsuite die Apple Computer ontwikkelde voor computernetwerken. Deze suite was opgenomen in de
oorspronkelijke Mac (1984) en wordt nu door Apple ingezet voor TCP/IP-netwerken.
FDI
Interface extern apparaat (FDI) is een kaart die in het apparaat is geïnstalleerd zodat andere apparaten van
derden, bijvoorbeeld een muntautomaat of een kaartlezer, kunnen worden aangesloten. Met deze apparaten
kunt u laten betalen voor afdrukservices die worden uitgevoerd met uw apparaat.
FTP
Protocol voor bestandsuitwisseling (FTP) is een algemeen gebruikt protocol voor de uitwisseling van
bestanden via een willekeurig netwerk dat het TCP/IP-protocol ondersteunt (zoals internet of een intranet).
Fixeereenheid
Het onderdeel van een laserprinter dat de toner op het afdrukmateriaal fixeert. De eenheid bestaat uit een rol
die het papier verwarmt en een rol die druk uitoefent. Nadat toner op het papier is aangebracht, maakt de
fixeereenheid gebruik van hitte en druk om ervoor te zorgen dat de toner aan het papier hecht. Dat verklaart
ook waarom het papier warm is als het uit een laserprinter komt.
Gateway
Een verbinding tussen computernetwerken of tussen computernetwerken en een telefoonlijn. Gateways
worden veel gebruikt omdat het computers of netwerken zijn die toegang bieden tot andere computers of
netwerken.
Verklarende woordenlijst | 213
Grijswaarden
Een grijstint die de lichte en donkere delen van een afbeelding weergeeft wanneer kleurenafbeeldingen
worden omgezet in grijswaarden; kleuren worden door verschillende grijstinten weergegeven.
Halftoon
Een type afbeelding dat grijswaarden simuleert door het aantal punten te variëren. Kleurrijke gebieden
bestaan uit een groot aantal punten, terwijl lichtere gebieden uit een kleiner aantal punten bestaan.
Massaopslagapparaat
Een massaopslagapparaat, doorgaans een harde of vaste schijf genoemd, is een niet-vluchtig opslagapparaat
dat digitaal gecodeerde gegevens opslaat op snel draaiende platen met een magnetisch oppervlak.
IEEE
Het IEEE (Institute of Electrical and Electronics Engineers) is een internationale professionele
non-profitorganisatie voor de bevordering van elektrische technologie.
IEEE 1284
De 1284-norm voor de parallelle poort is ontwikkeld door het IEEE (Institute of Electrical and Electronics
Engineers). De term "1284-B" verwijst naar een bepaald type connector aan het uiteinde van de parallelle kabel
die kan worden aangesloten op het randapparaat (bijvoorbeeld een printer).
Intranet
Een besloten netwerk dat gebruikmaakt van internetprotocollen, netwerkconnectiviteit en eventueel het
openbaar telecommunicatiesysteem om werknemers op een veilige manier bedrijfsgegevens te laten
uitwisselen of verrichtingen te laten uitvoeren. De term kan nu en dan ook enkel verwijzen naar de meest
zichtbare dienst, de interne website.
IP-adres
Een Internet Protocol-adres (IP-adres) is een uniek nummer dat apparaten gebruiken om elkaar te identificeren
en informatie uit te wisselen in een netwerk met behulp van de Internet Protocol-standaard.
IPM
IPM (Afbeeldingen per minuut) is een eenheid waarmee de snelheid van een printer wordt gemeten. Het
IPM-cijfer geeft het aantal vellen papier aan dat een printer binnen één minuut eenzijdig kan bedrukken.
IPP
IPP (Internet Printing Protocol) is een standaardprotocol voor zowel afdrukken als het beheren van
afdruktaken, mediaformaat, resolutie, enzovoort. IPP kan lokaal of via het internet voor honderden printers
worden gebruikt en ondersteunt tevens toegangsbeheer, verificatie en codering, waardoor het een veel
effectievere en veiligere afdrukoplossing is dan eerdere oplossingen.
Verklarende woordenlijst | 214
IPX/SPX
IPX/SPX staat voor Internet Packet Exchange/Sequenced Packet Exchange. Het is een netwerkprotocol dat
wordt gebruikt door de besturingssystemen van Novell NetWare. IPX en SPX bieden beide verbindingsservices
aan die vergelijkbaar zijn met TCP/IP, waarbij het IPX-protocol vergelijkbaar is met IP en SPX vergelijkbaar is
met TCP. IPX/SPX was in eerste instantie bedoeld voor LAN’s (lokale netwerken) en is een bijzonder efficiënt
protocol voor dit doel (doorgaans overtreffen de prestaties die van TCP/IP in een LAN).
ISO
De Internationale organisatie voor standaardisatie (ISO) is een internationale organisatie die normen vastlegt
en samengesteld is uit vertegenwoordigers van nationale standaardiseringsorganisaties. De ISO produceert
wereldwijd industriële en commerciële normen.
ITU-T
De Internationale Telecommunicatie Unie is een internationale organisatie die is opgericht voor de
standaardisering en regulering van internationale radio- en telecommunicatie. De belangrijkste taken
omvatten standaardisering, de toewijzing van het radiospectrum en de organisatie van onderlinge
verbindingen tussen verschillende landen waarmee internationale telefoongesprekken mogelijk worden
gemaakt. De -T in ITU-T duidt op telecommunicatie.
ITU-T No. 1 chart
Gestandaardiseerd testdiagram dat is gepubliceerd door ITU-T voor het verzenden van faxdocumenten.
JBIG
JBIG (Joint Bi-level Image Experts Group) is een norm voor de compressie van afbeeldingen zonder verlies van
nauwkeurigheid of kwaliteit, die ontworpen is voor de compressie van binaire afbeeldingen, in het bijzonder
voor faxen, maar ook voor andere afbeeldingen.
JPEG
JPEG (Joint Photographic Experts Group) is de meest gebruikte standaardcompressiemethode voor foto’s. Deze
indeling wordt gebruikt voor het opslaan en verzenden van foto’s over het internet.
LDAP
LDAP (Lightweight Directory Access Protocol) is een netwerkprotocol voor het zoeken in en aanpassen van
directoryservices via TCP/IP.
LED
Een LED (Light-Emitting Diode) is een halfgeleider die de status van een apparaat aangeeft.
MAC-adres
Het MAC-adres (Media Access Control) is een uniek adres dat aan een netwerkadapter is gekoppeld. Het
MAC-adres is een unieke naam van 48 bits die gewoonlijk wordt genoteerd als 12 hexadecimale tekens die
telkens per twee worden gegroepeerd (bijvoorbeeld 00-00-0c-34-11-4e). Dit adres wordt doorgaans door de
fabrikant in een netwerkinterfacekaart (NIC) geprogrammeerd en gebruikt als een hulpmiddel aan de hand
waarvan routers apparaten kunnen vinden in grote netwerken.
Verklarende woordenlijst | 215
MFP
Een MFP (Multi Function Peripheral) is een kantoorapparaat dat verschillende functies in één fysieke behuizing
combineert, bijvoorbeeld een printer, kopieerapparaat, faxapparaat en scanner.
MH
MH (Modified Huffman) is een compressiemethode voor het beperken van de hoeveelheid gegevens die tussen
faxapparaten worden verzonden om een afbeelding te versturen. MH wordt aanbevolen door ITU-T T.4. MH is
een op een codeboek gebaseerd lengtecoderingsschema dat geoptimaliseerd werd om op een doeltreffende
wijze witruimtes te comprimeren. Aangezien de meeste faxen voornamelijk uit witruimte bestaan, kan hiermee
de verzendtijd van de meeste faxen tot een minimum worden teruggebracht.
MMR
MMR (Modified Modified READ) is een compressiemethode die wordt aanbevolen door ITU-T T.6.
Modem
Een apparaat dat een draaggolfsignaal moduleert om digitale informatie te coderen en een dergelijk signaal
demoduleert om de verzonden informatie te decoderen.
MR
MR (Modified READ) is een compressiemethode die wordt aanbevolen door ITU-T T.4. MR codeert de eerst
gescande lijn met behulp van MH. De volgende regel wordt vergeleken met de eerste, het verschil wordt
vastgesteld en vervolgens worden de verschillen gecodeerd en verzonden.
NetWare
Een netwerkbesturingssysteem dat is ontwikkeld door Novell, Inc. Aanvankelijk maakte dit systeem gebruik
van coöperatieve multi-tasking om verschillende services op een pc te kunnen uitvoeren en waren de
netwerkprotocollen gebaseerd op de klassieke Xerox XNS-stack. Tegenwoordig ondersteunt NetWare zowel
TCP/IP als IPX/SPX.
OPC
Organische fotogeleider (OPC) is een mechanisme dat een virtuele afbeelding maakt om af te drukken met
behulp van een laserstraal uit een laserprinter. Het is meestal groen of grijs en cilindervormig.
Indien een beeldeenheid een drum bevat, wordt het oppervlak van de drum op den duur aangetast door het
gebruik in de printer. De drum moet dan ook regelmatig worden vervangen, omdat deze slijt door het contact
met de ontwikkelborstel van de cassette, het reinigingsmechanisme en het papier.
Originelen
Het eerste exemplaar van bijvoorbeeld een document, foto of tekst, dat wordt gekopieerd, gereproduceerd of
omgezet om volgende exemplaren te verkrijgen, maar dat zelf niet van iets anders is gekopieerd of afgeleid.
OSI
OSI (Open Systems Interconnection) is een communicatiemodel dat is ontwikkeld door de ISO (International
Organization for Standardization). OSI biedt een standaard modulaire benadering van netwerkontwerp
waarmee de vereiste set complexe functies wordt opgesplitst in hanteerbare, op zichzelf staande, functionele
Verklarende woordenlijst | 216
lagen. De lagen zijn van boven naar onder: applicatie, presentatie, sessie, transport, netwerk,
gegevenskoppeling en fysiek.
PABX
PABX (Private Automatic Branch Exchange) is een automatisch telefoonschakelsysteem in een besloten
onderneming.
PCL
Printeropdrachttaal (PCL) is een paginabeschrijvingstaal (PDL) die ontwikkeld is door HP als printerprotocol en
inmiddels is uitgegroeid tot een norm in de branche. PCL werd aanvankelijk ontwikkeld voor de eerste
inkjetprinters en is in verschillende versies verschenen voor thermische printers, matrix- en laserprinters.
PDF
PDF (Portable Document Format) is een door Adobe Systems ontwikkelde bestandsindeling voor het
weergeven van tweedimensionale documenten in een apparaat- en resolutieonafhankelijke indeling.
PostScript
PS (PostScript) is een paginabeschrijvings- en programmeertaal die voornamelijk gebruikt wordt voor
e-publishing en desktop publishing. - die in een interpreter wordt uitgevoerd om een afbeelding te produceren.
Printerstuurprogramma
Een programma dat wordt gebruikt om opdrachten te verzenden en gegevens over te brengen van de
computer naar de printer.
Afdrukmedia
Het materiaal, zoals papier, enveloppen, etiketten en transparanten, dat in een printer, scanner, fax of
kopieerapparaat kan worden gebruikt.
PPM
Pagina’s per minuut (PPM) is een methode voor het meten van de snelheid van een printer en verwijst naar het
aantal pagina’s dat een printer in één minuut kan afdrukken.
PRN-bestand
Een interface voor een apparaatstuurprogramma waarlangs software kan communiceren met het
apparaatstuurprogramma via standaard invoer-/uitvoeraanroepen, waardoor veel taken worden
vereenvoudigd.
Protocol
Een conventie of standaard die de verbinding, communicatie en het gegevensverkeer tussen twee computers
inschakelt of controleert.
PS
Zie PostScript.
Verklarende woordenlijst | 217
PSTN
Openbaar telefoonnet (PSTN) is het netwerk van openbare circuitgeschakelde telefoonnetwerken wereldwijd
dat in een bedrijfsomgeving doorgaans via een schakelbord wordt gerouteerd.
RADIUS
RADIUS (Remote Authentication Dial In User Service) is een protocol voor gebruikersidentificatie en accounting
op afstand. RADIUS laat toe om verificatiegegevens zoals gebruikersnamen en wachtwoorden met behulp van
een AAA-concept (authentication, authorization en accounting) voor het beheer van de netwerktoegang.
Resolutie
De scherpte van een afbeelding, gemeten in dpi (punten per inch). Hoe hoger de dpi, hoe hoger de resolutie.
SMB
SMB (Server Message Block) is een netwerkprotocol dat hoofdzakelijk wordt toegepast op gedeelde
bestanden, printers, seriële poorten en diverse verbindingen tussen de knooppunten in een netwerk. Het biedt
tevens een geverifieerd communicatiemechanisme voor processen onderling.
SMTP
SMTP (Simple Mail Transfer Protocol) is de standaard voor e-mailverkeer over het internet. SMTP is een relatief
eenvoudig op tekst gebaseerd protocol waarbij één of meer ontvangers van een bericht worden aangegeven,
waarna de berichttekst wordt verzonden. Het is een client-serverprotocol, waarbij de client een e-mailbericht
verzendt naar de server.
SSID
SSID (Service Set Identifier) is een benaming van een draadloos netwerk (WLAN). Alle draadloze apparaten in
een draadloos netwerk gebruiken dezelfde SSID om met elkaar te communiceren. De SSID’s zijn
hoofdlettergevoelig en kunnen tot 32 tekens lang zijn.
Subnetmasker
Het subnetmasker wordt gebruikt in samenhang met het netwerkadres om te bepalen welk deel van het adres
het netwerkadres is en welk deel het hostadres.
TCP/IP
TCP (Transmission Control Protocol) en IP (Internet Protocol): de set communicatieprotocollen die de
protocolstack implementeren waarop het internet en de meeste commerciële netwerken draaien.
TCR
Verzendrapport (TCR) geeft de details van elke verzending weer, zoals de taakstatus, het verzendresultaat en
het aantal verzonden pagina’s. Er kan worden ingesteld dat dit rapport na elke taak of alleen na een mislukte
verzending wordt afgedrukt.
Verklarende woordenlijst | 218
TIFF
TIFF (Tagged Image File Format) is een bestandsindeling voor bitmapafbeeldingen met een variabele resolutie.
TIFF beschrijft de afbeeldingsgegevens die doorgaans afkomstig zijn van de scanner. TIFF-afbeeldingen maken
gebruik van tags: trefwoorden die de kenmerken definiëren van de in het bestand opgenomen afbeelding. Deze
flexibele en platformonafhankelijke indeling kan worden gebruikt voor illustraties die met diverse
beeldverwerkingstoepassingen zijn gemaakt.
Tonercassette
Een soort fles of container die in apparaten zoals printers wordt gebruikt en die toner bevat. Toner is een
poeder dat in laserprinters en kopieerapparaten wordt gebruikt voor het vormen van tekst en afbeeldingen op
afdrukpapier. Toner wordt gefixeerd door een combinatie van hitte en druk vanuit de fixeereenheid, waardoor
het zich aan de vezels in het papier gaat hechten.
TWAIN
Een standaard voor scanners en software. Als een TWAIN-compatibele scanner wordt gebruikt met een
TWAIN-compatibel programma, kan een scan worden gestart vanuit het programma; Dit is een API voor het
vastleggen van afbeeldingen voor de besturingssystemen van Microsoft Windows en Apple Mac.
UNC-pad
UNC (Uniform Naming Convention) is een standaardmanier om gedeelde netwerkbronnen te benaderen in
Windows NT en andere Microsoft-producten. De notatie van een UNC-pad is:
\\<servernaam>\<naam_gedeelde_bron>\<aanvullende map>
URL
URL (Uniform Resource Locator) is het internationale adres van documenten en informatiebronnen op internet.
Het eerste deel van het adres geeft aan welk protocol moet worden gebruikt en het tweede deel geeft het
IP-adres of de domeinnaam aan waar de informatiebron zich bevindt.
USB
USB (Universal Serial Bus) is een door het USB Implementers Forum, Inc. ontwikkelde standaard om computers
en randapparatuur met elkaar te verbinden. In tegenstelling tot de parallelle poort is USB ontworpen om een
enkele computer-USB-poort tegelijkertijd met meerdere randapparaten te verbinden.
Watermerk
Een watermerk is een herkenbare afbeelding of patroon dat helderder oplicht wanneer het voor een lichtbron
wordt gehouden. Watermerken werden voor het eerst in 1282 in het Italiaanse Bologna gebruikt door
papiermakers om hun product te merken. Ze werden ook toegepast in postzegels, papiergeld en andere
officiële documenten om fraude te voorkomen.
WEP
WEP (Wired Equivalent Privacy) is een beveiligingsprotocol dat gespecificeerd wordt in IEEE 802.11 om
eenzelfde beveiligingsniveau als een bedraad LAN te garanderen. WEP beveiligt gegevens door deze via
radiogolven te coderen, zodat ze veilig van het ene punt naar het andere kunnen worden verzonden.
Verklarende woordenlijst | 219
WIA
WIA (Windows Imaging Architecture) is een beeldverwerkingsarchitectuur die oorspronkelijk werd gebruikt in
Windows Me en Windows XP. Een scan kan vanuit deze besturingssystemen worden gestart door middel van
een WIA-compatibele scanner.
WPA
WPA (Wi-Fi Protected Access) is een klasse van systemen voor de beveiliging van draadloze (Wi-Fi)
computernetwerken die ontwikkeld werd voor een betere beveiliging van WEP.
WPA-PSK
WPA-PSK (vooraf gedeelde WPA-sleutel) is een speciale WPA-modus voor kleine ondernemingen en
thuisgebruikers. Een gedeelde sleutel of een gedeeld wachtwoord wordt geconfigureerd in het draadloze
toegangspunt (WAP) en draadloze laptop- of desktopapparaten. WPA-PSK genereert een unieke sleutel voor
elke sessie tussen een draadloze client en de daarmee geassocieerde WAP voor een betere veiligheid.
WPS
WPS (Wi-Fi Protected Setup) is een standaard voor het tot stand brengen van een draadloos thuisnetwerk. Als
uw draadloze toegangspunt WPS ondersteunt, kunt u de draadloze netwerkverbinding gemakkelijk
configureren zonder computer.
XPS
XML-papierspecificatie (XPS) is een specificatie voor een paginabeschrijvingstaal (PDL) en een nieuw
uitwisselbaar documentformaat dat door Microsoft is ontwikkeld. Dit vectorgebaseerd apparaatonafhankelijk
documentformaat is gebaseerd op XML en op een nieuw afdrukpad.
Index | 220
Index
A
accessoires
bestellen 146
installeren 155
achterkant 21
adresboek
bewerken 116
groep bewerken 117
groep vastleggen 116
registreren 115
werken met 116
adresboekinstellingen 115
afdrukfunctie 76
afdrukken
algemene instellingen 130
een document afdrukken
Windows 70
informatie over benodigdheden 184
speciale afdrukfuncties 76
USBgeheugen 58
afdrukmateriaal
speciale media 47
afdrukmedia
envelop 48
etiketten 49
het papierformaat instellen 51
het papiertype instellen 51
kartonpapier 50
uitvoersteun gebruiken 204
voorbedrukt papier 51
algemene instellingen 132
algemene pictogrammen 12
apparaat instellingen
apparaatstatus 120, 124, 125, 129, 135
apparaatgegevens 120, 124, 125, 129, 135
apparaatopties 155
B
bedieningspaneel 22
beveiligd afdrukken 75
C
conventie 12
F
fax
algemene instellingen 125
fax verzenden
groepsverzending 103
faxen
automatisch ontvangen in
antwoordapparaatmodus 108
automatisch opnieuw kiezen 104
de ontvangstmodus wijzigen 107
Een fax in de computer verzenden 101
Een gereserveerde faxtaak annuleren 106
een ontvangen fax doorsturen naar een andere
bestemming 111
een verzonden fax doorsturen naar een andere
bestemming 111
faxen ontvangen in het geheugen 110
helderheid aanpassen 113
het laatste nummer opnieuw kiezen 104
ontvangen in de DRPDmodus 109
Index | 221
ontvangen in faxmodus 107, 108
ontvangen in telefoonmodus 108
ontvangen in veilige modus 109
ontvangen met een intern telefoontoestel
108
resolutie aanpassen 113
uitgestelde faxverzending 105
voorbereiden om te faxen 100
foutmelding 178
functies 7
eigenschappen van afdrukmateriaal 204
functies van het apparaat 119
G
geheugen
geheugen uitbreiden 157
H
handmatige invoermultifunctionele lade
speciale afdrukmedia gebruiken 47
help gebruiken 74
HP Embedded Web Server 66
algemene informatie 66
I
ID kopiëren 90
informatie over benodigdheden 184
informatie over de statusLED 176
instellingen voor favorieten voor afdrukken 73
K
kopiëren
algemene instellingen 120
kopieën vergroten of verkleinen 88
normaal kopiëren 86
L
lade
breedte en lengte instellen 42
de grootte van de lade aanpassen 42
een optionele lade bestellen 146
papier in de multifunctionele lade plaatsen 45
papierformaat en type instellen 51
LCDdisplay
de status van het apparaat controleren 120,
124, 125, 129, 135
M
menu
printeron 141
menu Afdrukken 130
menuoverzicht 27
Multifunctionele lade
plaatsen 45
N
netwerk
algemene instellingen 138, 140
instelling bekabeld netwerk 63
IPv6configuratie 64
stuurprogrammainstallatie
Windows 65
O
onderdelen voor onderhoud 147
optionele lade 146
Index | 222
bestellen 146
papier plaatsen 43
originelen plaatsen 53
originelen voorbereiden 53
overlay afdrukken
afdrukken 81
maken 80
verwijderen 81
P
papierstoring
tips om papierstoringen te voorkomen 166
vastgelopen papier verwijderen 167
plaatsen
papier in de multifunctionele lade plaatsen 45
plaatsen in lade 1 43
speciale media 47
plaatsing van het apparaat
aanpassing aan de hoogte 39
Printerstatus 83
printerstatus
algemene informatie 83
probleem
problemen met het besturingssysteem 201
problemen
afdrukproblemen 187
problemen met betrekking tot netvoeding
186
problemen met de afdrukkwaliteit 191
problemen met faxen 199
problemen met kopiëren 197
problemen met papierinvoer 185
problemen met scannen 198
R
rapporten
apparaatgegevens 120, 121, 125, 126, 127,
132, 135, 136
reinigen
binnenkant 161
buitenkant 160
opneemrol 163
scannereenheid 164
resolutie
faxen 113
S
Scannen
Scannen met MFP Scan 94
scannen
algemene instellingen 129
basisinformatie 93
Scannen met het WIAstuurprogramma 96
Scannen vanaf een apparaat dat is
aangesloten op een netwerk 97
Scannen vanuit een programma voor het
bewerken van afbeeldingen 95
USBflashgeheugen 57
specificaties
afdrukmedia 204
standaardinstellingen
instellingen voor lade 51
status 23
stuurprogrammainstallatie 25
T
tekens invoeren 38
toetsen
contrast 22
id kopiëren 22
numeriek toetsenblok 23
schaal 22
Index | 223
tonercassette
behandelingsinstructies 148
de cassette vervangen 152
geschatte levensduur 149
nietHP en opnieuw gevuld 148
opslaan 148
toner herverdelen 150
U
USB
algemene instellingen 131
USBflashgeheugen
afdrukken 58
beheren 60
gegevensbackup 59
scannen 57
uw apparaat reinigen 160
V
veiligheid
info 13
symbolen 13
verbruiksartikelen
beschikbare verbruiksartikelen 144
bestellen 144
de gebruiksduur van de verbruiksartikelen
controleren 158
geschatte levensduur van tonercassette 149
tonercassette vervangen 152
verklarende woordenlijst 209
voorkant 20
W
watermerk
bewerken 79
maken 79
verwijderen 79
Windows
installatie van het stuurprogramma voor het
verbonden netwerk 65
stuurprogrammainstallatie 25
systeemvereisten 207
veelvoorkomende problemen onder Windows
201
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223

HP Laser MFP 432fdn Handleiding

Type
Handleiding