Gossen MetraWatt PROFITEST MBASE+ Handleiding

Type
Handleiding
Gebruiksaanwijzing
Serie PROFITESTMASTER
PROFITESTMBASE+, MTECH+, MPRO, MXTRA, SECULIFEIP
Testapparaten IEC 60364 / DIN VDE 0100
3-349-647-05
12/6.15
2 GMC-I Messtechnik GmbH
456
8
91011
7
MEM: Knop voor geheugenfuncties
HELP:
Oproepen van de contextgevoelige
hulpfunctie
I
N
: Aanspreekmeting
Doorschakelen
(halfautomatische meting)
Offsetmetingen starten
ON/START
:
Inschakelen
meting starten – stoppen
ESC
: Terugspringen vanuit submenu
13
31
Softkeys
Bedieningsterminal
Tester en adapter
16 1715
14
Knoppen met vaste functie
2
19 20 21
22
12
!
RS232
2
Parameterkeuze
Opgegeven
grenswaarden
Invoerfuncties
Geheugenfuncties
LED’s & aansluitsymbolen
hoofdst. 18
9
10
Aansluitingen voor stroomtangsensor, sonde
of adapter voor het meten van lekstroom PRO-AB
15
16
17
Interfaces, aansluiting laadapparaat
* Toepassing van de meetpennen zie hoofdstuk 2.1 pagina 5
*
*
*
18
GMC-I Messtechnik GmbH 3
Legenda
Overzicht van de apparaatinstellingen en meetfuncties
1)
alleen MXTRA & SECULIFE IP
2)
alleen MXTRA
3)
alleen MTECH+ & MXTRA
Tester en adapter
1 Bedieningsterminal met knop-
pen en displayveld met rastering
voor een optimale gezichtshoek
2 Bevestigingsoog voor draagriem
3 Functiedraaiknop
4 Meetadapter (2-polig)
5 Stekkerinzet (landspecifiek)
6 Teststekker
(met bevestigingsring)
7 Krokodillenklem (opsteekbaar)
8 Meetpennen
9Knop
ON/START *
10 Knop I I
N
/compens./Z
OFFSET
11 Contactvlakken voor vingercon-
tact
12 Houder voor teststekker
13 Zekeringen
14 Klem voor meetpennen (8)
Aansluitingen stroomtangsensor,
sonde, adapter voor het meten
van lekstroom PRO-AB
15 Stroomtang aansluiting 1
16 Stroomtang aansluiting 2
17 Sondeaansluiting
Interfaces, aansluiting laadap-
paraat
18 Bluetooth
®
19 USB-slave voor pc-aansluiting
20 RS232 voor aansluiting van bar-
code- of RFID-lezer
21 Aansluiting voor laadapparaat
Z502P
Let op! Bij aansluiting van het
laadapparaat mogen er geen
batterijen worden gebruikt.
22 Batterijdeksel
(vakje voor batterijen
en reservezekeringen)
Kijk voor uitleg over de bedie-
nings- en weergave-elementen in
hoofdst. 17
Batterijcontrole
Meetfunctie
Meting loopt/stopt
Gebruikt geheugen
Meet-
Parameter
Displayveld
PE
Waarde opslaan
Batterij vol
Batterij OK
Batterij zwak
Batterij (bijna) leeg
Batterijcontrole
BAT
BAT
BAT
BAT
Geheugengebruiksweergave
MEM
Geheugen half vol
MEM
Geheugen vol > gegevens doorsturen naar de pc
Aansluittest – controle netaansluiting ( hoofdst. 18)
N
PE
L
N
PE
L
)(
Aansluiting OK L en N verwisseld
N
PE
L N
PE
L
x
N
PE
L N
PE
L
x
x
RUN
READY
Aansluittest hoofdst. 18
U < 8 V
L
PE
N
x
L
PE
N
Deze gebruiksaanwijzing beschrijft een tester
met de softwareversie SW-VERSION (SW1) 02.20.00.
* Inschakelen alleen met behulp
van de knop op het apparaat
“Bluetooth
®
actief”-weergave:
grootheden
Schake-
laarstand
Beschrij-
ving vanaf
Picto-
gram
Apparaatinstellingen
Meetfuncties
SETUP
Pagina 8
Helderheid, contrast, tijd/datum, Bluetooth
®
Taal (D, GB, P), profielen (ETC, PS3:, PC.doc)
Fabrieksinstellingen
< Test: LED, LCD, geluidssignaal
Draaiknopaanpassing, accutest >
Metingen bij netspanning
U
Pagina 16
Eenfasemeting U
L-N-PE
UL-N Spanning tussen L en N
UL-PE Spanning tussen L en PE
UN-PE Spanning tussen N en PE
US-PE Spanning tussen sonde en PE
f Frequentie
Driefasenmeting U
3~
UL3-L1 Spanning tussen L3 en L1
UL1-L2 Spanning tussen L1 en L2
UL2-L3 Spanning tussen L2 en L3
f Frequentie
Draaiveldrichting
verschijnt bij alle onder-
staande metingen in beeld:
U / U
N
Netspanning / nominale spanning
f / f
N
Netfrequentie / nominale frequentie
IN
Pagina 18
UIN Contactspanning
ta activeringstijd
RE Aardingsweerstand
IF
Pagina 20
UIN Contactspanning
I Foutstroom
RE Aardingsweerstand
ZL-PE
Pagina 26
ZL-PE Lusimpedantie
IK Kortsluitstroom
ZL-N
Pagina 28
ZL-N Netimpedantie
IK Kortsluitstroom
RE
Pagina 30
2-polige meting (aardlus) RE(L-PE)
2-polige meting met spec. landen- stekker
3-polige meting (2-polig met sonde)
selectieve meting met tangstroomsensor
UE Aardelektrodespanning (alleen met sonde/tang)
Metingen aan spanningsvrije objecten
RE
(MPRO)
(MXTRA)
Pagina 37
3-polige meting
4-polige meting
selectieve meting met tangstroomsensor
2-tangenmeting (aardlusweerstand)
E specifieke aardweerstand
RLO
Pagina 47
RLO Laagohmige weerstand met ompoling
RLO+, RLO–
Laagohmige weerstand eenpolig
R
OFFSET Offsetweerstand
RISO
Pagina 44
RISO Isolatieweerstand
RE(ISO) Aardlekweerstand
U Spanning op de meetpennen
UISO Testspanning
Helling: aanspreek-/doorslagspanning
SENSOR
Pagina 50
I
L/AMP
Fout-, lek- resp. lekstromen
T/RF Temperatuur/vocht (wordt voorbereid)
EXTRA
Pagina 51
U Spanningsval-meting
ZST Standplaatsisolatie-impedantie
kWh-Test
Meting van de meterstart met randaardestekker
IL
1)
Lekstroommeting met adapter Z502S
IMD
2)
Testen van de isolatiebewaking
(Insulation Monitoring Device)
Ures
2)
Restspannungsmeting
ta + I
2)
intelligente helling
RCM
2)
RCM (Residual Current Monitoring)
e-mobility
3)
Elektrische voertuigen bij elektrische
laadpunten (IEC 61851)
PRCD
2)
Meting van PRCDs type S en K
AUTO
Pagina 64
Automatische meetprocessen
4 GMC-I Messtechnik GmbH
Inhoudsopgave Pagina Pagina
1 Leveringsomvang ............................................................. 5
2 Gebruik ............................................................................. 5
2.1 Gebruik van de kabelsets resp. Meetpennen ..............................5
2.2 Overzicht leveringsomvang van de apparaatvarianten
PROFITEST MASTER & SECULIFE IP ............................................6
3
Veiligheidskenmerken en veiligheidsmaatregelen ................6
4 Ingebruikname ................................................................. 7
4.1 Eerste ingebruikname .................................................................7
4.2 Accupack inzetten resp. vervangen ............................................7
4.3 Apparaat inschakelen/uitschakelen ............................................7
4.4 Accutest ......................................................................................7
4.5 Accupack in de tester opladen ....................................................7
4.6 Apparaatinstellingen ...................................................................8
5 Algemene opmerkingen ................................................. 13
5.1 Aansluiten van het apparaat .....................................................13
5.2 Automatisch instellen, bewaken en uitschakelen .....................13
5.3 Meetwaarden weergeven en bewaren ......................................13
5.4 Controleer of de contactdozen met randaarde correct zijn aangesloten .....13
5.5 Hulpfunctie ................................................................................14
5.6 Parameters of grenswaarden instellen op basis van het voorbeeld
RCD-meting ...............................................................................14
5.7 Willekeurig instelbare parameters of grenswaarden ................15
5.8 Tweepolige meting met snelle of halfautomatische polariteitswissel . 15
6 Meten van spanning en frequentie ................................ 16
6.1 1-fasemeting .............................................................................16
6.1.1 Spanning tussen L en N (U
L-N
),
L en PE
(U
L-PE
) e
venals N en PE
(U
N-PE
)
bij landspecifiek stekkerinzetstuk, bv. randaarde ............................16
6.1.2 Spanning tussen L – PE, N – PE en L – L
bij aansluiting van een 2-polige adapter ........................................16
6.2
3-fasenmeting (verbonden spanningen) en draaiveldrichting
.......17
7
Controleren van lekstroom-veiligheidsschakelingen (RCD) .17
7.1 Meten van de contactspanning (m.b.t. nominale foutstroom) met
1
/
3
van de nominale foutstroom en aanspreekmeting met
nominale foutstroom .................................................................18
7.2 Speciale metingen van installaties resp. RCD-veiligheidsschakelaars .......20
7.2.1 Testen van installaties resp. RCD-veiligheidsschakelaars met stijgende
lekstroom (wisselstroom) voor RCD’s van het type AC, A/F, B/B+ en EV/MI 20
7.2.2 Testen van installaties resp. RCD-veiligheidsschakelaars
met toenemende lekstroom (gelijkstroom) voor RCD’s van het type B/
B+ und EV/MI
(nur MTECH+, MXTRA &
SECULIFE IP
) .......................... 20
7.2.3 RCD-aardlekschakelaars testen met 5 I
N ................................. 21
7.2.4 Controleren van RCD-veiligheidsschakelaars,
die voor pulserende gelijkfoutstromen geschikt zijn ........................21
7.3 Testen van speciale RCD-veiligheidsschakelaars .....................22
7.3.1 Installaties met selectieve RCD-aardlekschakelaars van het type RCD-S ..... 22
7.3.2 PRCD’s met niet-lineaire elementen van het type PRCD-K ..............22
7.3.3 SRCD, PRCD-S (SCHUKOMAT, SIDOS of dergelijke) .......................23
7.3.4 RCD-schakelaar van het type G of R .............................................24
7.4 (RCD-)Aardlekschakelingen testen in TN-S-netten ...................25
7.5 (RCD-)aardlekschakelingen testen in IT-netten met hoog kabel-
vermogen (bv. in Noorwegen) ...................................................25
8 Controleren van de uitschakelvoorwaarden van over-
stroombeveiligingsinrichtingen, Meten van de lusimpedantie
en berekenen van de kortsluitstroom (functie Z
L-PE
en I
K
) .26
8.1 Metingen met onderdrukking van de RCD-aanspreking ...........27
8.1.1
Meten met positieve halve golven (MTECH+/MXTRA/
SECULIFE IP
) ...............27
8.2 Evaluatie van de meetwaarden .................................................27
8.3 Instellingen voor het berekenen van de kortsluitstroom
– Parameter I
K
.........................................................................28
9 Meten de netzimpedantie (functie Z
L-N
) ........................ 28
10 Meten van de aardingsweerstand (functie R
E
) .............. 30
10.1 Meting van de aardingsweerstand – netgevoed .......................31
10.2
Aardweerstandmeting – op batterijen werkend „gebruik op oplaadbare
batterijen“
(alleen MPRO & MXTRA) ............................................31
10.3 Aardingsweerstand netgevoed – 2-polige meting met 2-polige adap-
ter of landspecifieke stekker (contactstop) zonder sonde ............ 32
10.4 Meting van de aardingsweerstand netgevoed – 3-polige meting:
2-polige adapter met sonde .....................................................33
10.5 Aardweerstandmeting op stroom werkend – Meten van de
aardelektrodespanning (functie U
E
) .........................................34
10.6 Meting van de aardingsweerstand netgevoed – Selectieve meting
van de aardingsweerstand met stroomtangsensor als
toebehoren ................................................................................35
10.7 Meting van de aardingsweerstand – batterijgevoed „gebruik op
oplaadbare batterijen“ – 3-polig (alleen MPRO & MXTRA) .......37
10.8 Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed
„gebruik op
oplaadbare batterijen“
– 4-polig (alleen MPRO & MXTRA) ...........38
10.9 Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed „Op batterijen wer-
kend“ – selectief (4-polig) met stroomtangsensor en meetadapter
PRO-RE als toebehoren (alleen MPRO & MXTRA) ........................... 40
10.10 Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed „gebruik op
batterijen – Aardweerstandmeting
(met stroomtangsensor en -transformator alsook meetadapter
PRO-RE/2 als toebehoren)(alleen MPRO & MXTRA) ..................41
10.11
Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed „gebruik op oplaadbare
batterijen“
– Meting van de specifieke aardingsweerstand
E
(alle-
en MPRO & MXTRA) ...................................................................42
11
Meten van de isolatieweerstand ......................................... 44
11.1 Algemeen ..................................................................................44
11.2 Bijzonder geval aardlekweerstand (R
EISO
) ...............................46
12
Meten van laagohmige weerstanden tot 200 ohm
(aardleidingen en potentiaalvereffeningsleidingen) ............ 47
12.1 Meting met constante meetstroom ...........................................48
12.2 Weerstandsmeting van aardleider met hellingverloop
– Meting op PRCD’s met aardleider met stroomcontrole en met de
meetadapter PROFITEST PRCD als toebehoren .........................49
13 Metingen met sensoren als toebehoren ........................ 50
13.1 Stroommeting met behulp van een stroomtangsensor .............50
14
Speciale functies – schakelaarstand EXTRA .............................51
14.1 Spanningsval meten (bij ZLN) – functie U ..............................52
14.2 Meten van de impedantie van isolerende vloeren en muren
(standsplaatsisolatie-impedantie) - functie Z
ST ..........................53
14.3 Controleren van de meterstart met randaardestekker
– Functie kWh (niet SECULIFE IP) ..............................................54
14.4 Lekstroommeting met lekstroommeetadapter PRO-AB als toe-
behoren – functie IL (alleen MXTRA & SECULIFE IP) .................55
14.5
Isolatiebewakingsapparaten testen – functie IMD
(alleen PROFITEST MXTRA & SECULIFE IP) ................................56
14.6
Restspanningsmeting – Functie Ures
(alleen MXTRA) ....................58
14.7
Intelligente helling – functie ta+ID (alleen
PROFITEST MXTRA
) ... 59
14.7.1 Gebruik .......................................................................................59
14.8 Bewakingsapparaten voor verschilstroom testen
– Functie RCM (alleen PROFITEST MXTRA) ...............................60
14.9 Controleren van de bedrijfsstatussen van een elektrische auto op elekt-
rische laadpunten volgens IEC 61851 (alleen MTECH+ & MXTRA) ....... 61
14.10
Meetprocessen voor het rapporteren van foutsimulaties op PRCD’s met
de adapter
PROFITEST PRCD
(alleen MXTRA) .............................62
14.10.1 Kiezen van de te meten PRCD ......................................................62
14.10.2 Parameterinstellingen ..................................................................62
14.10.3 Meetproces PRCD-S (1-fasig) – 11 meetstappen ..........................63
14.10.4 Meetproces PRCD-S (3-fasig) – 18 meetstappen ..........................63
15 Meetreeksen (automatische meetprocedures) – functie AUTO ......64
16 Database ........................................................................ 66
16.1 Aanmaken van verdelerstructuren algemeen ...........................66
16.2 Overdracht van verdelerstructuren ...........................................66
16.3 Verdelerstructuur in de tester aanmaken .................................66
16.3.1 Structuuraanmaak (voorbeeld van de stroomkring) .........................67
16.3.2 Zoeken van structuurelementen ...................................................68
16.4 Gegevensopslag en rapportage ................................................69
16.4.1 Het gebruik van barcode- en RFID-leesapparaten ..........................70
GMC-I Messtechnik GmbH 5
17 Bedienings- en weergave-elementen ............................71
18 Signalisering van de LED’s, netaansluitingen en potentiaal-
verschillen ......................................................................73
19 Technische karakteristieken ..........................................82
20 Onderhoud ......................................................................87
20.1 Firmwarestand en kalibratie-informatie ................................... 87
20.2 Gebruik van batterijen en laadproces ....................................... 87
20.2.1
Laadproces met het laadapparaat Z502R .................................................87
20.3 Zekeringen ................................................................................ 87
20.4 Behuizing .................................................................................. 87
21 Bijlagen ...........................................................................88
21.1 Tabellen voor het berekenen van de maximum resp. minimum
weergavewaarden met inachtneming van de maximum mee-
tonnauwkeurigheid van het apparaat ....................................... 88
21.2 Bij welke waarden moet een RCD eigenlijk correct aanspreken?
Eisen aan een aardlekbeveiliging (RCD) ................................... 90
21.3 Elektrische machines controleren volgens DIN EN 60204 – toe-
passingen, grenswaarden ........................................................ 91
21.4 Herhalingsmetingen volgens DGUV V 3 (tot nu toe BGV A3)
– grenswaarden voor elektrische installaties en bedrijfsmiddelen ......92
21.5 Lijst van de korte aanduidingen en hun betekenis ................... 93
21.6 Trefwoordenregister ................................................................. 94
21.7 Literatuurlijst ............................................................................ 95
21.7.1 Internetadressen voor meer informatie .........................................95
22 Reparatie- en reserveonderdelenservice
Kalibratiecentrum* en apparatenverhuurservice ...........96
23 Rekalibratie ....................................................................96
24 Productsupport ...............................................................96
1 Leveringsomvang
1 Tester
1 Stekkerinzetstuk met randaarde (landspecifiek)
1 2-polige meetadapter en
1 kabel voor de uitbreiding tot 3-polige adapter (PRO-A3-II)
2 Krokodillenklemmen
1 Draagriem
1 Compacte accupack Master (Z502H)
1
Laadapparaat
Z502R
1 DAkkS-calibratiecertificaat
1 USB-interfacekabel
1 Korte gebruiksaanwijzing
1 Bijblad Veiligheidsinformatie
Een uitvoerige gebruiksaanwijzing kunt u via internet
downloaden op www.gossenmetrawatt.com
2Gebruik
Dit meetapparaat voldoet aan de eisen van de op dit moment gel-
dende Europese en nationale EG-Richtlijnen. Wij bevestigen dit
met het CE-symbool. De conformiteitsverklaring in kwestie kunt u
aanvragen bij GMC-I Messtechnik GmbH.
Met de meetapparaten en testers van de serie PROFITEST MASTER
en SECULIFE IP kunt u snel en rationeel veiligheidsmaatregelen
controleren volgens DIN VDE 0100 deel 600:2008
(Bouw van laagspanningsinstallaties; metingen – initiële metingen)
ÖVE-EN 1 (Oostenrijk), NIV/NIN SEV 1000 (Zwitserland) en
andere nationale voorschriften van bepaalde landen.
De tester is uitgerust met een microprocessor en voldoet aan de
bepalingen IEC 61557/EN 61557/VDE 0413:
Deel 1: Algemene eisen
Deel 2: Isolatieweerstand
Deel 3: Lusweerstand
Deel 4:
Weerstand van aardgeleiders, aardleidingen en potentiaal-
vereffeningsleidingen
Deel 5: Aardingsweerstand
Deel 6: Juiste werking van de aardlekbeveiligingen (RCD) in TT-,
TN- en IT-systemen
Deel 7: Draaiveld
Teil 10: Elektrische veiligheid in laagspanningsnetten tot
AC 1000 V en DC 1500 V – Apparaten voor het testen,
meten en bewaken van beveiligingsmaatregelen
Deel11: Juiste werking van bewakingsapparaten voor verschil-
stroom (RCMs) type A en type B in TT-, TN- en IT-syste-
men
De tester is speciaal geschikt:
bij het opbouwen
bij het in bedrijf stellen
voor herhalingsmetingen
en bij het zoeken naar storingen in elektrische installaties.
U kunt met deze tester alle waarden meten die vereist zijn voor
een afnamerapport (bv. van het ZVEH).
Met de pc kunt u een meet- en testrapport laten uitprinten en alle
gemeten gegevens archiveren. Dit is vooral zeer belangrijk
omwille van de productaansprakelijkheid.
Het toepassingsgebied van de testers dekt alle wisselstroom- en
draaistroomnetten tot 230 V / 400 V (300 V / 500 V) nominale
spanning en 16
2
/
3
/ 50 / 60 / 200 / 400 Hz nominale frequentie.
Met de testers kunt u het volgende meten en testen:
Spanning / frequentie / draaiveldrichting
Lusimpedantie / netimpedantie
Aardlekbeveiligingen (RCD’s)
Isolatiebewakingsapparaten (IMD’s) (alleen
MXTRA
&
SECULIFE IP
)
Bewakingsapparaten voor verschilstroom (RCM’s)
(alleen MXTRA)
Aardingsweerstand / aardelektrodeweerstand
Standplaatsisolatieweerstand / isolatieweerstand
Aardlekweerstand
Laagohmige weerstand (potentiaalvereffening)
Lekstromen met stroomtangtransformator
Restspanningen (alleen MXTRA)
Spanningsdaling
Lekstromen met lekstroomadapter
Meter opstarten (niet
SECULIFE IP
)
Leidinglengte
Kijk voor het testen van elektrische machines volgens DIN EN 60
204 in hoofdst. 21.3.
Voor herhalingsmetingen volgens DGUV voorschrift 3 (vroeger
BGV A3) zie hoofdst. 21.4.
2.1 Gebruik van de kabelsets resp. Meetpennen
Leveringsomvang meetadapter 2-polig resp. 3-polig
Optionele toebehoren meetadapter 2-polig met 10 m kabel:
PRO-RLO II (Z501P)
Optionele toebehoren: kabelset KS24 (GTZ3201000R0001)
U mag volgens DIN EN 61010-031 in een omgeving van meetca-
tergorie III en IV alleen meten met de kap die op de meetpen van
de meetleiding zit.
Voor het contact met de stekkerbussen van 4 mm moet u de
beschermkappen verwijderen. Hiervoor moet u het snapslot van
de beschermkap met een scherp voorwerp (bv. tweede meetpen)
forceren.
6 GMC-I Messtechnik GmbH
2.2 Overzicht leveringsomvang van de apparaatvarianten
PROFITEST MASTER & SECULIFE IP
1)
zogenaamde Life-meting, is alleen zinvol als er geen voorstroom in de installatie
aanwezig is. Alleen geschikt voor motorveiligheidsschakelaars met een kleine no-
minale stroom.
2)
momenteel beschikbare talen: D, GB, I, F, E, P, NL, S, N, FIN, CZ, PL
3 Veiligheidskenmerken en veiligheidsmaatregelen
Het elektronische meet- en testapparaat is gebouwd en gekeurd
conform de veiligheidsbepalingen IEC 61010-1/EN 61010-1/VDE
0411-1.
Alleen bij doelmatig gebruik is de veiligheid van de gebruiker en
het apparaat gewaarborgd.
Lees vóór het gebruik van uw apparaat de gebruiksaanwijzing zorg-
vuldig en volledig door. Neem deze in acht en volg alle instructies op.
Maak de gebruiksaanwijzing toegankelijk voor alle gebruikers.
De metingen mogen alleen worden verricht door een elektricien.
Houd de teststekker en de meetpennen vast als u ze bv. in een
stekkerbus heeft gestoken. Als er trekbelasting op de spiraalka-
bel komt, loopt u kans gewond te raken door de terugspringende
teststekker of de terugspringende meetpen.
Het meet- en testapparaat mag niet worden gebruikt:
als het batterijdeksel is verwijderd
als er zichtbare beschadigingen zijn
als de aansluitingen en meetadapters zijn beschadigd
als het niet meer feilloos werkt
na langdurige opslag onder ongunstige omstandigheden
(bv. vocht, stof, temperatuur).
Uitsluiting van aansprakelijkheid
Bij het meten van netten met RCD-schakelaars is het mogelijk dat
deze zich uitschakelen. Dit kan ook gebeuren als de meting dit
normaal gesproken niet voorziet. Er kan reeds sprake zijn van lek-
stroom die samen met de meetstroom van de tester de uitscha-
kelhelling van de RCD-schakelaar overschrijdt. PC’s die in de
buurt worden gebruikt, kunnen hierdoor worden uitgeschakeld en
gegevens verliezen. Vóór het meten moet er daarom een pas-
sende backup worden gemaakt van alle gegevens en pro-
gramma’s en moet de computer eventueel worden uitgezet. De
fabrikant van de tester is niet aansprakelijk voor rechtstreekse of
onrechtstreekse schade aan apparaten, computers, randappara-
tuur of gegevensbestanden als er metingen worden verricht.
Het apparaat openen / reparatie
Het apparaat mag alleen worden geopend door bevoegde vak-
mensen zodat het apparaat feilloos blijft werken en veilig gebruikt
kan worden en de garantie behouden blijft.
Ook originele reserveonderdelen mogen uitsluitend worden inge-
bouwd door bevoegde vakmensen.
Indien geconstateerd wordt dat het apparaat is geopend door
onbevoegd personeel, geeft de fabrikant geen enkele garantie
meer betreffende de veiligheid van personen, de meetnauwkeu-
righeid, de conformiteit met de geldende veiligheidsmaatregelen
of gevolgschade in welke vorm dan ook.
Als het garantiezegel is beschadigd of is verwijderd, vervalt elke
aanspraak op garantie.
Betekenis van de symbolen op het apparaat
Waarschuwing voor een gevaarlijke plaats
(Let op, kijk in de documentatie!)
Apparaat van beschermingsklasse II
Laadaansluiting voor lage DC-spanning (laadapparaat
Z502P)
Let op! Bij aansluiting van het laadapparaat mogen alleen
batterijen worden gebruikt.
Het apparaat mag niet bij het normale huisvuil worden
gedaan. Meer informatie over het WEEE-markering
vindt u op internet bij www.gossenmetrawatt. com
onder de zoekterm WEEE.
EG-conformiteitskentekening
Als het garantiezegel is beschadigd of is verwijderd,
vervalt elke aanspraak op garantie.
PROFITEST ...
(Artikelnummer)
MBASE+
(M520S)
M
PRO
(M520N)
M
TECH+
(M520R)
M
XTRA
(M520P)
SECULIFE IP
(M520U)
Meten van lekstroombeveiligingsinrichtingen (RCD’s)
U
B
-meting zonder FI-aanspreking
✓✓✓✓
Meten van de activeringstijd
✓✓✓✓
Meten van de aanspreekstroom I
F
✓✓✓✓
selectieve, SRCD’s, PRCD’s, type G/R
✓✓✓✓
Alstroomgevoelige RCD’s type B, B+, EV/MI ——
✓✓
Testen van isolatiewachters (IMD’s) ——
Meten van verschilstroomwachters (RCM’s) ——
Meten van verwisseling N en PE
✓✓✓✓
Metingen van de lusimpedantie Z
L-PE
/ Z
L-N
Zekeringtabel voor netten zonder RCD
✓✓✓✓
zonder RCD-activering, zekeringtabel ——
✓✓
met 15 mA meetstroom
1)
, zonder RCD-aan-
spreking
✓✓✓✓
Aardingsweerstand R
E
(netgebruik)
I/U-meetprocedure (2-/3-polige meetprocedure
met meetadapter 2-polig/2-polig + sonde)
✓✓✓✓
Aardingsweerstand R
E
(gebruik op batterijen)
3- of 4-polige meetprocedure met adapter PRO-RE
Specifieke aardingsweerstand
E
(gebruik op
batterijen)
(4-polige meetprocedure
met adapter
PRO-RE)
Selectieve aardingsweerstand R
E
(netgebruik)
met 2-polige adapter, sonde, aardelektrode en
stroomtangsensor
(3-polige meetprocedure)
✓✓✓✓
Selectieve aardingsweerstand R
E
(gebruik op batte-
rijen)
met sonde, aardelektrode en
stroomtang
(4-polige meetprocedure:
met adapter PRO-RE en
stroomtangsensor
)
Aardlusweerstand R
ESCHL
(gebruik op batterijen)
met 2 tangen (stroomtang rechtstreeks en
tangstroomomzetter via adapter PRO-RE/2)
Meting potentiaalvereffening R
LO
automatische ompoling
✓✓✓✓
Isolatieweerstand R
ISO
Testspanning variabel of stijgend (helling)
✓✓✓✓
Spanning U
L-N
/ U
L-PE
/ U
N-PE
/ f
✓✓✓✓
Speciale metingen
Lekstroom (tangmeting) I
L
, I
AMP
✓✓✓✓
Draaiveldrichting
✓✓✓✓
Aardlekweerstand R
E(ISO)
✓✓✓✓
Spanningsdaling (U)
✓✓✓✓
Standplaatsisolatie Z
ST
✓✓✓✓
Meter opstarten (kWh-test)
✓✓✓✓
Lekstroom met adapter PRO-AB (IL)
——
Restspanning meten (Ures) ——
Intelligente helling (ta + I)
——
Elektrische voertuigen aan elektrische laad-
punten (IEC 61851)
——
✓✓
Rapportering van foutsimulaties op PRCD’s
met de adapter PROFITEST PRCD
——
Uitrusting
Menutaal instelbaar
2)
✓✓✓✓
Geheugen (database max. 50000 objecten)
✓✓✓✓
Autofunctie testsequenties
✓✓✓✓
Interface voor RFID-/barcode scanner RS232
✓✓✓✓
Interface voor gegevensoverdracht USB
✓✓✓✓
Interface voor Bluetooth
®
——
✓✓
PC-gebruikerssoftware ETC
✓✓✓✓
Meetcategorie CAT III 600 V / CAT IV 300 V
✓✓✓✓
DAkkS-calibratiecertificaat
✓✓✓✓
!
GMC-I Messtechnik GmbH 7
Kalibratiemerk (blauw zegel):
zie ook „Rekalibratie“ op pagina 96
Gegevensback-up
Stuur uw opgeslagen gegevens regelmatig door naar een pc om
eventueel gegevensverlies te voorkomen.
Wij zijn niet aansprakelijk voor gegevensverlies.
Om de gegevens voor te bereiden en te beheren adviseren wij de
volgende pc-programma’s:
•ETC
E-Befund Manager (Oostenrijk)
Reportmanager
PS3: (documentatie, administratie, rapporten opmaken en
afspraken beheren)
PC.doc-WORD/EXCEL (rapporten en lijsten opmaken)
PC.doc-ACCESS (meetgegevensmanagement)
4 Ingebruikname
4.1 Eerste ingebruikname
Voordat u het meetapparaat voor de eerste maal in gebruik gaat
nemen en gebruiken, moet u de beschermfolie op beide sensor-
oppervlakken (vingercontacten) van de meetpen verwijderen, om
een goede waarneming van contactspanningen te garanderen.
4.2 Accupack inzetten resp. vervangen
Let op!
!
Vóór het openen van het batterijvak moet het apparaat
met alle polen van de meetkring (net) worden afgekop-
peld!
Opmerking
Kijk voor het opladen van het Compacte Accupack Mas-
ter (Z502H) en het laadapparaat Z502R ook in hoofdst.
20.2 op pagina 87.
Gebruik het meegeleverde of als toebehoren leverbare compacte accu-
pack Master (Z502H) met gelaste cellen als het kan. Hierdoor wordt
gewaarborgd dat steeds een complete set batterijen wordt ver-
vangen en dat alle batterijen worden aangebracht met de juiste
polariteit om het uitlopen van de batterijen te voorkomen.
Gebruik dan alleen accupacks die normaal in de handel verkrijgbaar zijn
als u deze extern oplaadt. De kwaliteit van dit pack kan niet worden
getest en kan in ongunstige gevallen (bij het opladen in het appa-
raat) leiden tot verhitting. Hierdoor kunnen vervormingen ont-
staan.
Verwijder de accupacks of aparte oplaadbare batterijen tegen het
einde van de bruikbaarheidsduur (oplaadcapaciteit ca. 80 %) op
milieuvriendelijke wijze.
Draai aan de achterzijde de spleetschroef van het deksel van
het batterijvak los en neem het weg.
Verwijder het ontladen accu-pack/de gebruikte batterijhouder.
Let op!
!
Bij gebruik van de batterijhouder:
Zorg er absoluut voor dat alle batterijen worden aange-
bracht met de juiste polariteit. Als er reeds een cel met
verkeerde polariteit is ingezet, dan herkent de tester dit
niet en kunnen batterijen gaan uitlopen.
Losse oplaadbare batterijen mogen alleen extern worden
opgeladen.
Schuif het nieuwe accupack/de gevulde batterijhouder in het
batterijvak.
Hij kan alleen ingezet worden in de juiste positie.
Breng het deksel weer aan en draai het vast.
4.3 Apparaat inschakelen/uitschakelen
Als u de knop ON/START indrukt, wordt de tester ingeschakeld. Het
menu dat bij de functieschakelaarstand hoort, verschijnt telkens in
beeld.
Als u de knoppen MEM en HELP gelijktijdig indrukt, wordt het
apparaat handmatig uitgeschakeld.
Na een in de SETUP ingestelde duur wordt het apparaat automa-
tisch uitgeschakeld, zie Apparaatinstellingen hoofdst. 4.6.
4.4 Accutest
Als de batterijspanning onder de toegelaten waarde
daalt, verschijnt het hiernaast afgebeelde pictogram.
Tevens verschijnt „Low Batt!!!“ samen met een batterijsymbool in
beeld. Bij zeer sterk ontladen batterijen werkt het apparaat niet.
Dan verschijnt er ook niets op het display.
4.5 Accupack in de tester opladen
Let op!
!
Gebruik voor het opladen van de in de tester geplaatste
Compacte accupack Master (Z502H) het laadapparaat
Z502R.
Voordat u het laadapparaat aansluit op de laadaansluiting moet
u voor het volgende zorgen:
– de compacte accupack Master (Z502H) is geplaatst,
geen normaal in de handel verkrijgbare accupacks,
geen losse accu’s, geen batterijen
– de tester is met alle polen van de meetkring gescheiden
– de tester blijft tijdens het laden uitgeschakeld.
Kijk voor het opladen van het accupack dat in de tester wordt
gezet in hoofdst. 20.2.1.
Als de batterijen of het accupack gedurende een lange tijd
(> 1 maand) niet zijn gebruikt of opgeladen (tot volledige ontla-
ding):
Houd het opladen in de gaten (signalisering door LED’s op het
laadapparaat) en start het opladen eventueel opnieuw (neem het
laadapparaat hiervoor van het net en koppel het ook af van de
tester. Sluit het daarna weer aan).
Denk eraan dat de systeemklok in dit geval niet verder loopt en
opnieuw moet worden ingesteld als het apparaat weer in werking
wordt gesteld.
Doorlopend nummer
Registratienummer
Datum van kalibratie (jaar – maand)
Deutsche Akkreditierungsstelle GmbH – Kalibratielaboratorium
XY123
2012-06
D-K
15080-01-01
BAT
8 GMC-I Messtechnik GmbH
4.6 Apparaatinstellingen
SETUP
Menu LED- en LCD-test
Menu draaiknopaanpassing
Menu Helderheid/contrast
Softwarestand
Kalibratiedatum
Display: Datum / tijd
Display: Autom. uitschakeling
Display: Autom. uitschakeling
van de displayverlichting na 15 s
van de tester na 60 s
Tijd, taal, profielen
1
2
3
4
en batterijentest
0b
0a
0
Terugspringen naar het hoofdmenu
LED-NET: test groen
LED-NET: test rood
LED-UL/RL: test rood
LED RCD-FI: test rood
Cellentest
Cellentest geïnverteerd
alle pixels in beeld brengen
alle pixels in beeld brengen
Test geluidssignaal
1
Terugspringen naar het hoofdmenu
Bluetooth
®
-submenu 
Submenu helderheid/contrast 
Tijd instellen
Profielen voor
Fabrieksinstellingen
Verdelerstructuren
Taal van het
bedieningsmenu
3
3a
3b
3c
3d
3e
Datum instellen
Inschakelduur
Displayverlichting/tester
0b
Terugspringen naar het submenu
0a
Inschakelduur displayverlichting
Bluetooth
®
en helderheids- en contrastinstelling
Tijds-, inschakelduur en fabrieksinstellingen
Menukeuze voor bedrijfsparameters
LED-tests LCD- en tests geluidssignaal
Inschakelduur tester
Controleur selecteren
(Wijzigen via ETC)
3h
3f
5
geen automatische uitschakeling
continu AAN
DB-MODE-submenu

3g
huidige tester
GMC-I Messtechnik GmbH 9
Menu LED- en LCD-test
Menu draaiknopaanpassing
Menu Helderheid/contrast
Softwarestand
Kalibratiedatum
Display: Datum / tijd
Display: Autom. uitschakeling
Display: Autom. uitschakeling
van de displayverlichting na 15 s
van de tester na 60 s Tijd, taal, profielen
1
2
3
4
en batterijentest
0b
0a
0
Terugspringen naar het hoofdmenu
Bluetooth
®
-submenu 
Submenu helderheid/contrast 
Tijd instellen
Profielen voor
Fabrieksinstellingen
Verdelerstructuren
Taal van het
bedieningsmenu
3
3a
3b
3c
3d
3e
Datum instellen
Inschakelduur
Displayverlichting/tester
Tijd instellen
Menukeuze voor bedrijfsparameters
Bluetooth
®
en helderheids- en contrastinstelling Tijd, taal, profielen, geluidssignaal instellen
Datum instellen
Tijd kiezen
Uren
Minuten
verhogen
Instellingen
overnemen
verhogen
3a
Seconden
verhogen
Terugspringen naar het submenu
Uren
Minuten
verminderen
verminderen
Seconden
verminderen
Datum kiezen
Dag
Maand
verhogen
Instellingen
overnemen
verhogen
3b
Jaar
verhogen
Terugspringen naar het submenu
Dag
Maand
verminderen
verminderen
Jaar
verminderen
Controleur opnieuw aanmaken
(Wijzigen/wissen alleen via ETC)
3h
3f
5
huidige tester
DB-MODE-submenu
3g
en kiezen
10 GMC-I Messtechnik GmbH
Betekenis van de verschillende parameters
Inschakelduur tester
Hier kunt u de tijd kiezen waarna de tester zich automatisch uit-
schakelt. Deze keuze heeft een grote uitwerking op de levens-
duur/de laadtoestand van de accu’s.
Inschakelduur LCD-verlichting
Hier kunt u de tijd kiezen waarna de LCD-verlichting zich automa-
tisch uitschakelt. Deze keuze heeft een grote uitwerking op de
levensduur/de laadtoestand van de accu’s.
Submenu: Draaiknopaanpassing
Voor het exact afstellen van de draaiknop kunt u als volgt te werk
gaan:
1 Om het submenu Draaiknopaanpassing te bereiken, drukt u
op de softkey-knop TESTS Draaiknop/ batterijentest.
2 Druk nu op de softkey-knop met het draaiknopsymbool.
3 Draai de draaiknop vervolgens naar rechts, telkens naar de
volgende meetfunctie toe (na SETUP eerst I
N
).
4 Druk op de softkey-knop die aan de draaiknop op de LCD is
toegewezen. Als u deze softkey-knop heeft ingedrukt, scha-
kelt het display telkens over naar de volgende meetfunctie. De
tekst van de LCD-weergave van de draaiknop moet overeen-
stemmen met de daadwerkelijke stand van de draaiknop.
Het niveaustreepje in de LCD-weergave van de draaiknop moet
precies in het midden van het zwarte functieveld staan. Deze
wordt rechts staand aangevuld met een cijfer tussen –1 en 101.
Deze waarde moet tussen 45 en 55 liggen. In geval van –1 of 101
stemt de stand van het draaiwiel niet overeen met de meetfunctie
die in de LCD-weergave is geselecteerd.
5 Als de weergegeven waarde buiten dit bereik ligt, stelt u deze
positie bij door op de softkey-knop Bijstellen te drukken.
Een kort geluidssignaal bevestigt het bijstellen.
Opmerking
Als de tekst van de LCD-weergave van de draaiknop niet
overeenstemt met de daadwerkelijke stand van de draai-
knop, waarschuwt een continu signaal u terwijl u de soft-
key-knop Bijstellen indrukt. .
6 Ga door met punt 2. Herhaal deze procedure zo vaak totdat u
alle draaiknopfuncties gecontroleerd resp. bijgesteld heeft.
Met ESC keert u terug naar het hoofdmenu.
Submenu: opvragen accuspanning
Als de batterijspanning kleiner of gelijk is aan 8,0 V, brandt de LED
UL/RL rood en hoort u bovendien een signaal.
Opmerking
Meetprocedure
Als tijdens een meetprocedure de bat-
terijspanning onder 8,0 V daalt, wordt
dit alleen aangegeven met een pop-up-
venster. De gemeten waarden zijn
ongeldig. De meetresultaten kunnen niet worden
bewaard.
Met ESC keert u terug naar het hoofdmenu.
Let op!
!
Gegevensverlies inclusief de se-
quenties bij verandering van de
taal, het profiel, de DB-MODEs of
bij het resetten van de fabrieks-
instelling!
Maak - voordat u de betref-
fende knop indrukt - een bac-
kup van uw structuren,
meetgegevens en sequenties
op een pc.
Het hiernaast afgebeelde
vragenvenster verzoekt u om
het wissen nogmaals te be-
vestigen.
Taal van het bedieningsmenu (CULTURE)
Kies met de bijbehorende landcode de gewenste landen-
setup.
Let op: alle structuren, gegevens en sequenties worden gewist, zie
de opmerking bovenaan!
Profielen voor verdelerstructuren (PROFILES)
De profielen beschrijven
de opbouw van de boom-
structuur. De boomstruc-
tuur van het gebruikte pc-
analyseprogramma is in
staat om zich te onder-
scheiden van de boom-
structuur van de
PROFITEST MASTER .
Daarom kan de
PROFITEST MASTER zich
aanpassen aan deze
structuur.
Door de keuze van het
passende profiel worden
mogelijke objectcombina-
ties ingericht. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om een verdeler
onder een verdeler aan te leggen of een meting onder een
gebouw op te slaan.
Kies het pc-analyseprogramma dat u gebruikt.
Let op: alle structuren, gegevens en sequenties worden gewist, zie
de opmerking bovenaan!
Als u geen geschikt pc-analyseprogramma
heeft gekozen en bv. de opslag van de meet-
waarden niet mogelijk is op de gekozen plaats
in de structuur, verschijnt de hiernaast afge-
beelde pop-up.
Fabrieksinstellingen (GOME SETTING)
Als u deze knop indrukt, wordt de tester teruggezet in de toe-
stand die hij had na de levering uit de fabriek.
Let op: alle structuren, gegevens en sequenties worden gewist, zie de
opmerking bovenaan!
Helderheid en contrast instellen
0a
0b
2
2
3c
3d
3e
3f
Terugspringen naar
Helderheid verhogen
Helderheid verminderen
Contrast verhogen
Contrast verminderen
Vorige menu
GMC-I Messtechnik GmbH 11
DB-MODE – Weergave van de database in tekst- of ID-mode
De functies van de DB-MODE
zijn beschikbaar vanaf firm-
wareversie 01.05.00 van het
testapparaat en vanaf ETC-
versie 01.31.00.
Structuren aanmaken in de TXT MODE
De database in het meetapparaat is standaard ingesteld op de
Text-mode, in de kopregel staat „TXT“. In het meetapparaat kunt u
structuurelementen aanmaken en deze voorzien van een „clear-
text“, bv. klant XY, verdeler XY en stroomkring XY.
Structuren aanmaken in de ID MODE
Bij wijze van alternatief kunt u in de ID MODE werken, in de kopre-
gel staat „ID“. In het meetapparaat kunt u structuurelementen
aanmaken en deze voorzien van een willekeurige identificatienum-
mers.
Opmerking
Bij het overdragen van de gegevens van het meetappa-
raat naar de pc resp. naar de ETC werkt de ETC altijd als
display (TXT- of ID-mode) van het meetapparaat.
Bij het overdragen van de gegevens van de pc resp. de
ETC naar het meetapparaat werkt het meetapparaat altijd
als display van de ETC.
De ontvanger van de gegevens werkt dus altijd als dis-
play voor de verzender van de gegevens.
Opmerking
In de tester kunnen ofwel structuren in Text-mode of in
Ident-mode worden aangemaakt.
In de ETC daarentegen worden altijd benamingen en
identificatienummers toegekend.
Als er in het meetapparaat bij het aanmaken van structuren geen
teksten of identificatienummers zijn opgeslagen, dan genereert
ETC zelf de ontbrekende gegevens. Deze gegevens kunnen ver-
volgens in de ETC worden bewerkt en desgewenst opnieuw wor-
den opgeslagen in het meetapparaat.
Bluetooth
®
in-/uitschakelen
(alleen MTECH+/MXTRA/SECULIFE IP)
Als uw pc over een Bluetooth
®
-interface beschikt, kan de MTECH+,
MXTRA of SECULIFE IP draadloos met de pc-applicatiesoftware ETC
communiceren voor het overdragen van gegevens en teststructu-
ren.
Voor een draadloze gegevensuitwisseling moet de respectievelijke
pc één keer worden geauthentificeerd met de tester. De functie-
draaiknop moet zich hiervoor in positie SETUP bevinden. Tevens
moet vóór elke overdracht de juiste Bluetooth
®
COM-Port in het
ETC worden gekozen.
Opmerking
Schakel de Bluetooth
®
-interface in de tester alleen in voor
gegevensoverdracht.
Het stroomverbruik verlaagt de acculooptijd aanzienlijk bij
een continue werking.
Als er zich andere testers bij de authentificatie binnen reikwijdte
bevinden, moet u de betreffende naam telkens wijzigen om ver-
wisseling uit te sluiten. Er mogen geen spaties worden gebruikt. U
kunt de standaard opgegeven pincode met 4 cijfers „0000“ wijzi-
gen. Dit is echter meestal niet noodzakelijk. In de voettekst van
figuur 3 verschijnt als hardware-INFO het MAC-adres van de tester
in beeld.
Maak uw tester vóór een autorisatie zichtbaar en vervolgens om
veiligheidsredenen weer onzichtbaar.
3g
3h
12 GMC-I Messtechnik GmbH
Vereiste stappen voor een authentificatie
Controleer of de tester zich binnen het bereik van de pc bevindt
(ca. 5 ... 8 meter). Activeer de Bluetooth
®
in de tester (zie figuur 1)
en op uw pc.
De functiedraaiknop moet zich hiervoor in positie SETUP bevinden.
Controleer of de tester (zie figuur 3) en uw pc voor andere Blue-
tooth
®
-apparaten zichtbaar zijn: bij de tester moet visible onder het
oogsymbool in beeld verschijnen.
Voeg met uw Bluetooth
®
-pc-stuurprogramma een nieuw Bluetooth
®
-
apparaat toe. In de meeste gevallen kan dit met de opdrachtknop
„Nieuwe verbinding maken“ of „Bluetooth
®
-apparaat toevoegen“.
De volgende stappen variëren naargelang het Bluetooth
®
-pc-stuur-
programma dat wordt gebruikt. Over het algemeen moet op de
pc een zogenaamde hoofdsleutel (ook pincode genoemd) wor-
den ingevoerd. Deze is standaard „0000“ en wordt in het Blue-
tooth
®
-hoofdmenu (figuur 1) van de tester weergegeven. Daarvoor
of daarna moet op de tester een authentificatiemelding worden
bevestigd (figuur 4).
Als de authentificatie is gelukt, wordt hiervan een melding op de
tester weergegeven. Tevens verschijnt de geauthentificeerde pc in
de tester in het menu „Vertrouwde apparaten“ (figuur 2).
In uw Bluetooth
®
pc-stuurprogramma moet nu ook de MTECH+,
MXTRA of de SECULIFE IP als apparaat op de lijst staan. Daar krijgt
u ook verdere informatie over de gebruikte COM-interface. U
moet met behulp van uw Bluetooth
®
pc-stuurprogramma de COM-
interface uitzoeken die bij de Bluetooth
®
-verbinding hoort. Vaak
verschijnt deze na de authentificatie. Als dit niet het geval is, kunt
u hierover informatie vinden in uw Bluetooth
®
pc-stuurprogramma.
het ETC heeft een functie om de COM-interface na een succesvolle authentifi-
catie te zoeken, zie Hardcopy onderaan .
Als de tester zich binnen het bereik van uw pc (5 tot 8 meter)
bevindt, kunnen er kabelloos en met behulp van ETC via het
menupunt Extra’s/Bluetooth
®
gegevens worden uitgewisseld. Hier-
voor moet het vastgestelde COM-interfacenummer (bv. COM40)
bij het starten van de gegevensuitwisseling worden aangegeven
in het ETC, zie Hardcopy onderaan.
Als alternatief kan het COM-interfacenummer met de menu-opdracht „Blue-
tooth apparaat zoeken“ automatisch worden gekozen.
Firmwarestand en kalibratie-informatie (voorbeeld)
Door op een willekeurige knop te drukken keert u terug naar
het hoofdmenu.
Firmware-Update met behulp van de MASTER Updater
Door de opbouw van de testers is het mogelijk om de appa-
raatsoftware aan te passen aan de nieuwste normen en voor-
schriften. Daarnaast leiden suggesties van klanten tot een conti-
nue verbetering van de testersoftware en tot nieuwe functies.
Zodat ook u snel en eenvoudig van deze voordelen gebruik kunt
maken, kunt u met de MASTER Updater de complete appa-
raatsoftware van uw tester ter plaatse snel actualiseren.
Het bedieningsgedeelte kan worden ingesteld voor Duits, Engels
en Italiaans.
Opmerking
Als geregistreerde gebruiker kunt u de MASTER Updater
en de actuele firmwareversie gratis downloaden van
myGMC.
Controleur opnieuw aanmaken en kiezen
Zie voor het invoeren van een tekst ook hoofdstuk 5.7 pagina 15.
4
5
GMC-I Messtechnik GmbH 13
5 Algemene opmerkingen
5.1 Aansluiten van het apparaat
In installaties met randaardecontactdozen sluit u het apparaat op
het net aan met de teststekker waarop het passende landspeci-
fieke stekkerinzetstuk is bevestigd. De spanning tussen de bui-
tenste geleider L en de aardleiding PE mag maximaal 253 V
bedragen!
U hoeft hierbij niet te letten op de stekkerpolariteit. Het apparaat
meet de plaats van buitenste geleider L en nulleider N en poolt de
aansluiting automatisch om als dat nodig is.
Dit geldt niet voor:
spanningsmeting in schakelaarstand U
Isolatieweerstandsmeting
laagohmige weerstandsmeting
De positie van buitenste geleider L en nulleider N zijn gemarkeerd
op het stekkerinzetstuk.
Als u metingen verricht op draaistroomcontactdozen in verdelers
of op vaste aansluitingen, neem dan de meetadapter (2-polig) en
bevestig hem op de teststekker (zie in dit verband ook tabel 16.1).
De aansluiting maakt u met de meetpen (op PE resp. N) en met
de tweede meetpen (op L).
Voor de draaiveldmeting moet u de tweepolige meetadapter met
de meegeleverde meetleiding aanvullen tot een driepolige adap-
ter.
De contactspanning (bij de RCD-meting) en aardingsweerstand
kunnen met een sonde worden gemeten. De aardelektrodespan-
ning, standplaatsisolatieweerstand en sondespanning moeten
echter met een sonde worden gemeten. De sonde wordt aange-
sloten op de sondeaansluiting met een aanrakingsbeveiligde aan-
sluitstekker die een doorsnede van 4 mm heeft.
5.2 Automatisch instellen, bewaken en uitschakelen
De tester stelt alle gebruiksomstandigheden automatisch in die hij
zelf kan achterhalen. Hij meet de spanning en de frequentie van
het aangesloten net. Als de waarden binnen de geldige bereiken
voor nominale spanning en nominale frequentie liggen, dan wor-
den ze aangegeven op het display. Als de waarden daarbuiten lig-
gen, dan worden in plaats van U
N
en f
N
de actuele waarden van
spanning (U) en frequentie (f) aangegeven.
De contactspanning die door de meetstroom wordt gegenereerd,
wordt bij elke meetprocedure bewaakt. Als de contactspanning
de grenswaarde van > 25 V resp. > 50 V overschrijdt, dan wordt
de meting onmiddellijk afgebroken. De LED U
L
/R
L
brandt rood.
Het apparaat kan niet in gebruik worden genomen of het wordt
onmiddellijk uitgeschakeld, als de batterijspanning onder de toege-
laten grenswaarde komt.
De meting wordt automatisch afgebroken resp. de meetproce-
dure wordt geblokkeerd (met uitzondering van spanningsmeetbe-
reiken en draaiveldmeting):
bij ongeoorloofde netspanning (< 60 V, > 253 V / > 330 V /
> 440 V resp. > 550 V) bij metingen, waarbij netspanning
nodig is
als er bij een isolatieweerstandsmeting resp. laagohmige
meting een stoorspanning bestaat
als de temperatuur in het apparaat te hoog is.
Ongeoorloofde temperaturen treden doorgaans pas na ca. 50
meetprocedures op met tussenpozen van 5 s als de functie-
draaiknop in de schakelaarstand Z
L-PE
of Z
L-N
staat.
Als geprobeerd wordt om een meetprocedure te starten, ver-
schijnt er een melding op het display.
Het apparaat schakelt zichzelf ten vroegste aan het einde van een
(automatische) meetprocedure en na afloop van de opgegeven
inschakelduurzie hoofdstuk 4.3 automatisch uit. De inschakelduur
wordt weer met de in de setup ingestelde tijd verlengd, als een
knop wordt ingedrukt of aan de functiedraaiknop wordt gedraaid.
Bij het meten met een stijgende foutstroom in installaties met
selectieve RCD-aardlekschakelaars blijft de tester gedurende ca.
75 s ingeschakeld. Daar komt nog de opgegeven inschakelduur
bij.
Het apparaat schakelt zich altijd zelf uit!
5.3 Meetwaarden weergeven en bewaren
Op het display wordt het volgende weergegeven:
meetwaarden met hun korte aanduiding en eenheid,
de gekozen functie,
de nominale spanning,
de nominale frequentie
en foutmeldingen.
Bij de automatische meetprocedures worden de meetwaarden
opgeslagen tot aan de start van een andere meetprocedure of
totdat het apparaat zichzelf uitschakelt en verschijnen deze hierbij
als digitale waarden in beeld.
Als de eindwaarde van het meetbereik wordt overschreden, dan
wordt de eindwaarde weergegeven met het vooraf geplaatste „>“
(groter dan) symbool. Hiermee wordt een meetwaardeoverloop
aangegeven.
Opmerking
De LCD-weergaven in deze gebruiksaanwijzing kunnen
omwille van productverbeteringen afwijken van die van
het huidige apparaat.
5.4 Controleer of de contactdozen met randaarde correct zijn
aangesloten
Het controleren of de randaardecontactdozen goed zijn aangeslo-
ten vóór de betreffende meting van de beveiligingsmaatregel
wordt vereenvoudigd door het foutdetectiesysteem van de tester.
Het apparaat geeft een verkeerde aansluiting als volgt weer:
Ongeoorloofde netspanning (<60V of >253V): De LED MAINS/NET
knippert rood en de meetprocedure is geblokkeerd.
Aardleiding niet aangesloten of potentiaal ten opzichte van aarde
50 V bei 50 Hz (schakelaarstand U – eenfasemeting):
Bij het aanraken van de contactvlakken (contact met de vingers*)
bij gelijktijdig contact maken van PE (zowel door landspecifiek
stekkerinzetstuk bv. randaarde alsook door de meetpen PE
op de 2-polige adapter) verschijnt PE in beeld (alleen na de
start van een meetprocedure). Tevens branden de LED’s U
L
/
R
L
en RCD/FI rood.
* om de garantie te hebben dat contactspanningen goed worden her-
kend, moeten beide sensorvlakken van de meetpen rechtstreeks in
huidcontact worden gebracht met de onbeschermde vingers/hand-
oppervlak, zie tevens hoofdstuk 4.1.
Nulleider N niet aangesloten (bij netafhankelijke metingen):
de LED MAINS/NET knippert groen
Eén van de twee aardingscontacten is niet aangesloten:
Dit wordt bij de meting van de contactspanning U
IN
automa-
tisch gecontroleerd. Een slechte overgangsweerstand van
een contact leidt naargelang de polariteit van de stekker tot de
volgende weergaven:
Display in het aansluitpictogram:
PE onderbroken (x) of met betrekking tot
de knoppen van de teststekker onderlig-
gende aardleidingsbeugel onderbroken
Oorzaak:
Spanningsmeetpad onderbroken
Gevolg: de meting wordt geblokkeerd
Display in het aansluitpictogram:
Met betrekking tot de knoppen van de
teststekker bovenliggende aardleidings-
beugel onderbroken
Oorzaak: Stroommeetpad onderbroken
Gevolg: Geen weergave van de meetwaarde
Opmerking
Zie ook „Signalisering van de LED’s, netaansluitingen en
potentiaalverschillen” vanaf pagina 73.
Let op!
!
Als N en PE in een net zonder RCD-schakelaar worden
verwisseld, wordt dit niet herkend en niet aangegeven. In
een net met RCD-schakelaar wordt deze in werking ge-
steld bij het meten van de contactspanning zonder aan-
14 GMC-I Messtechnik GmbH
spreking (automatische Z
L-N
-meting), als N en PE
verwisseld zijn.
5.5 Hulpfunctie
Voor elke schakelaarstand resp. basisfunctie kunt u de volgende
informatie in beeld brengen, als u ze met de functiedraaiknop heeft geko-
zen:
Aansluitschakeldiagram
Meetbereik
nominaal bereik en meetonnauwkeurigheid
nominale waarde
Druk voor het oproepen van de hulpfunctie op de knop HELP.
Als er meerdere hulppagina’s voor elke meetfunctie zijn, moet
u de knop HELP herhaaldelijk indrukken.
Druk voor het verlaten van de hulpfunctie op de knop ESC.
5.6 Parameters of grenswaarden instellen op basis van het voorbeeld RCD-meting
1 Roep het submenu op voor het instellen van de gewenste parameters.
2 Kies de parameters met de cursorknoppen of.
3 Ga met de cursorknop  naar het instelmenu van de gekozen parameter.
4 Kies de parameters met de cursorknoppen of.
5 Bevestig de instelwaarde met . Deze waarde wordt in het instelmenu
overgenomen.
6 Pas met
wordt de instelwaarde permanent overgenomen voor de bijbe-
horende meting en springt u terug naar het hoofdmenu. Als u met ESC
terugkeert naar het hoofdmenu en niet met
, is de nieuwe gekozen
waarde niet overgenomen.
Parametervergrendeling (controle van de plausibiliteit)
Afzonderlijke gekozen parameters worden op plausibiliteit gecon-
troleerd, voordat ze in het meetvenster worden overgenomen.
Als de door u gekozen parameter niet zinvol is in combinatie met
andere, reeds ingestelde parameters, dan wordt deze niet over-
genomen. De eerder ingestelde parameter blijft bewaard.
Oplossing: kies een andere parameter.
1
2
2
3
4
4
5
6
2
4
3
5
6
GMC-I Messtechnik GmbH 15
5.7 Willekeurig instelbare parameters of grenswaarden
Voor bepaalde parameters kunt u naast de vaste waarden nog
willekeurig andere waarden binnen de opgegeven grenzen instel-
len, als het symbool Menu EDIT (3) aan het einde van de lijst met
instelwaarden verschijnt.
Grenswaarde of nominale spanning willekeurig toewijzen
1 Roep het submenu op voor het instellen van de gewenste parameters (niet
afgebeeld, zie hoofdst. 5.6).
2 Kies de parameter (U
L
) met de cursorknoppen of(niet afgebeeld, zie
hoofdst. 5.6).
3 Kies met de cursorknoppen ofde instelwaarde met het symbool .
4 Editeermenu kiezen: druk op de knop met het symbool .
5 Met de cursorknoppen LINKS of RECHTS kiest u telkens het cijfer of de
eenheid. Met wordt het cijfer of de eenheid overgenomen. De volledige
waarde accepteren doet u met
en bevestigt u door . De nieuwe grens-
waarde of nominale waarde wordt aan de lijst toegevoegd.
Opmerking
Neem de opgegeven grenzen voor de nieuwe instel-
waarde in acht.
Nieuwe, willekeurig ingestelde grenswaarden of nominale
waarden van de parameterlijst kunnen met behulp van de
pc en het programma ETC gewist/gewijzigd worden.
Als de bovenste grenswaarde wordt overschreden, wordt
deze grenswaarde overgenomen (in het voorbeeld 65 V).
Als de grenswaarde wordt onderschreden, dan wordt de
desbetreffende onderste grenswaarde (25 V) overgeno-
men.
5.8 Tweepolige meting met snelle of halfautomatische polari-
teitswissel
Voor de volgende metingen is een snelle, halfautomatische twee-
polige meting mogelijk.
Spanningsmeting U
Lusimpedantiemeting Z
LP-E
Meting interne weerstand net Z
L-N
Isolatieweerstandsmeting R
ISO
Snelle polariteitswissel op de teststekker
De polariteitsparameter staat op AUTO.
Een snelle en comfortabele omschakeling tussen alle polariteits-
varianten waarvoor niet omgeschakeld moet worden naar het
submenu voor de parameterinstelling is mogelijk door op de knop
I
N
op het apparaat of op de teststekker te drukken.
Halfautomatische polariteitswissel bij het opslaan
De polariteitsparameter staat op AUTO.
Als er een meting met alle polariteitsvarianten moet worden ver-
richt, dan vindt er na elke meting een automatische polariteitswis-
sel plaats na het Opslaan.
Met een druk op de knop I
N
op het apparaat of op de teststek-
ker kunt u polariteitsvarianten overslaan.
Cijfer/eenheid kiezen
Cijfer/eenheid kiezen
Cijfer/eenheid overnemen
Teken wissen
Waarde bewaren (op lijst)
Editeerbare waarde kiezen
Editeerbare waarde kiezen
Menu EDIT kiezen
3
4
L1-N
L2-N
L3-N
L1-L2
L2-L3
L1-L3
L1-PE
L2-PE
L3-PE
N-PE
L+N-PE
L1-N
L2-N
L3-N
L1-L2
L2-L3
L1-L3
Z
L-PE
Z
L-N
L1-PE
L2-PE
L3-PE
R
iso
L1-PE
L2-PE
L3-PE
N-PE
L1-N
L2-N
L3-N
L1-L2
L2-L3
L1-L3
U
L1-N
L2-N
L3-N
L1-L2
L2-L3
L1-L3
L1-PE
L2-PE
L3-PE
N-PE
L+N-PE
L1-N
L2-N
L3-N
L1-L2
L2-L3
L1-L3
Z
L-PE
Z
L-N
L1-PE
L2-PE
L3-PE
R
iso
L1-PE
L2-PE
L3-PE
N-PE
L1-N
L2-N
L3-N
L1-L2
L2-L3
L1-L3
U
16 GMC-I Messtechnik GmbH
6 Meten van spanning en frequentie
Meetfunctie kiezen
Omschakelen tussen 1- en 3-fasenmeting
Door op de hiernaast afgebeelde softkeyknop te
drukken, schakelt u om tussen 1- en 3-fasenmeting.
De gekozen fasemeting wordt geïnverteerd weerge-
geven (wit op zwart).
6.1 1-fasemeting
Aansluiting
Voor het meten van de sondespanning U
S-PE
moet er een sonde
worden aangebracht.
6.1.1 Spanning tussen L en N (U
L-N
),
L en PE
(U
L-PE
) e
venals N
en PE
(U
N-PE
) bij landspecifiek stekkerinzetstuk, bv. rand-
aarde
Door op de hiernaast afgebeelde softkeyknop te
drukken, schakelt u om tussen het landspecifieke
stekkerinzetstuk bv. randaarde en de 2-polige adap-
ter. De gekozen soort aansluiting wordt geïnverteerd
weergegeven (wit op zwart).
6.1.2 Spanning tussen L – PE, N – PE en L – L
bij aansluiting van een 2-polige adapter
Door op de hiernaast afgebeelde softkeyknop te
drukken, schakelt u om tussen het landspecifieke
stekkerinzetstuk bv. randaarde en de 2-polige adap-
ter. De gekozen soort aansluiting wordt geïnverteerd
weergegeven (wit op zwart).
Tweepolige meting met snelle of halfautomatische polariteitswis-
sel, zie hoofdst. 5.8.
U
2
1
GMC-I Messtechnik GmbH 17
6.2
3-fasenmeting (verbonden spanningen) en draaiveldrichting
Aansluiting
Om het apparaat aan te
sluiten heeft u de
meetadapter (2-polig)
nodig die met de mee-
geleverde meetkabel tot
een driepolige
meetadapter moet wor-
den uitgebreid.
Druk op de soft-
keyknop U3~
Op alle draaistroomcontactdozen is altijd een rechts draaiveld ver-
eist.
Het aansluiten van meetapparaten bij CEE-contactdozen is
meestal problematisch, er zijn contactproblemen. Met behulp
van de bij ons verkrijgbare VARIO-STECKER-SETS Z500A
kunt u snelle en betrouwbare metingen verrichten ohne con-
tactproblemen.
Aansluiting bij 3-draadsmeting stekker L1-L2-L3 naar rechts
vanaf PE-stekkerbus
De draaiveldrichting wordt aangegeven met de volgende meldin-
gen:
Opmerking
Kijk voor alle meldingen m.b.t. de controle van de netaan-
sluiting in hoofdst. 18.
Spanningspolariteit
Indien normen de inbouw van eenpolige schakelaars in de neu-
traalgeleider verbieden, moet aan de hand van een meting van de
spanningspolariteit geconstateerd worden dat alle eventueel
beschikbare schakelaars in de buitenste geleiders zijn inge-
bouwd.
7 Controleren van lekstroom-veiligheidsschakelingen
(RCD)
Het controleren van aardlekschakelaars (RCD) omvat:
bezichtigen,
•testen,
meten.
Voor het testen en meten gebruikt u de tester.
Meetprocedure
Door het genereren van een foutstroom achter de aardlekbeveili-
ging moet worden bewezen dat de
aardlekbeveiliging ten laatste bij het bereiken van
haar nominale foutstroom aanspreekt en
de voor de installatie overeengekomen grens van de continu
toegelaten
Contactspanning U
L
niet wordt overschreden.
Dit wordt bereikt door:
•meting van de contactspanning
10 metingen met volledige golven en extrapoleren naar I
N
Bewijs van de aanspreking binnen 400 ms resp. 200 ms met I
N
Bewijs van de aanspreekstroom met stijgende foutstroom.
Deze moet tussen 50% en 100% van I
N
liggen (meestal bij
ca. 70%)
G e en voortijdige aanspreking van de tester, omdat er met
30% van het foutstroom wordt gestart (als er geen voor-
stroom in de installatie stroomt).
*alleen PROFITEST MTECH+, PROFITEST MXTRA en SECULIFE IP
Rechts draaiveld
Links draaiveld
Tabel RCD/FI Vorm van de
verschilstroom
Correcte werking van de RCD/FI-
schakelaar
Type AC Type A/F Type B*/
B+*
Type EV/
MI*
Wisselstroom
plotseling optredend
✔✔✔✔
Langzaam stijgend
Pulserende
gelijkstroom
plotseling optredend
✔✔✔
Langzaam stijgend
Gelijkstroom
✔✔
Gelijkstroom tot
6 mA
I
N
3
------
I
N
(meting tot 1000 ms)
t
a
I
a
t
18 GMC-I Messtechnik GmbH
Beproevingsnorm
Volgens DIN VDE 0100 deel 600:2008 moet worden bewezen dat
de contactspanning die optreedt bij de nominale foutstroom de
voor de installatie maximaal geoorloofde waarde niet overschrijdt.
de aardlekschakelaars bij nominale foutstroom binnen 400 ms
(1000 ms bij selectieve RCD-aardlekschakelaars aanspreken.
Belangrijke instructies
•Met de PROFITEST MASTER zijn eenvoudige metingen op alle
RCD-types mogelijk. Kies RCD, SRCD, PRCD, o.i.d.
In de aangesloten stroomkringen hoeft er slechts per RCD (FI)
maar op één plaats worden gemeten. Bij alle andere aanslui-
tingen in de stroomkring moet het bewijs worden geleverd
voor een laagohmige doorgang van de aardleiding (R
LO
of
U
B
).
In het TN-systeem geven de meetapparaten door de lage
aardleidingsweerstand vaak 0,1 V contactspanning aan.
Houd ook rekening met eventuele voorstromen in de installa-
tie. Deze kunnen al bij het meten van de contactspanning U
B
leiden tot aanspreking van de RCD of bij metingen met stij-
gende stroom verkeerde meetresultaten tot gevolg hebben:
Weergave = I
F
- I
voorstroom
Selectieve aardlekbeveiligingen voor (RCD S) met markering
kunnen als enige beveiliging voor automatische uitscha-
keling gebruikt worden als zij zich net als niet-selectieve aard-
lekbeveiligingen houden aan de uitschakelvoorwaarden (dus
t
a
< 400 ms). Dit kan worden bewezen door een meting van
de uitschakeltijd.
RCD’s type B mogen niet in dezelfde serie voorkomen met
RCD’s van het type A of F.
Opmerking
Voormagnetisering
Met de 2-polige adapter zijn alleen AC-metingen voor-
zien. Het onderdrukken van de RCD-aanspreking door
middel van een voormagnetisering door gelijkstroom is
alleen mogelijk met het landspecifieke stekkerinzetstuk
bijv. geaarde stekker of de 3-polige adapter.
Meting zonder of met sonde
De metingen kunt u met of zonder sonde verrichten.
Een voorwaarde voor het meten met sonde is dat de sonde het
aardpotentiaal heeft van de referentieaarde. Dit betekent dat zij
buiten de spanningstrechter van de aardelektrode (R
E
) van de
RCD-aardlekschakeling wordt gezet.
De afstand van de aardelektrode naar de sonde moet minstens
20m bedragen.
De sonde wordt aangesloten met een aanrakingsbeveiligde stek-
ker met een doorsnede van 4 mm.
In de meeste gevallen zal u deze meting zonder sonde verrichten .
Let op!
!
De sonde maakt deel uit van de meetkring en kan vol-
gens VDE 0413 een stroom geleiden tot maximaal 3,5
mA.
U kunt de spanningsvrijheid van een sonde controleren met de
functie U
SONDE
. Zie hiervoor ook hoofdstuk 6.1 op pagina 16.
7.1 Meten van de contactspanning (m.b.t. nominale fout-
stroom) met
1
/
3
van de nominale foutstroom en aan-
spreekmeting met nominale foutstroom
Meetfunctie kiezen
Aansluiting
Parameter instellen voor I
N
S
I
N
Nominale foutstromen:
Type 1: RCD, SRCD, PRCD ...
Nominale stromen: 6 ... 125 A
Type 2: AC , A/F , B/B+ *,
EV/MI
* Type B/B+/EV/MI
10 ... 500 mA
= alstroomgevoelig
Faseverschuiving 0°/180°
x-voudige activeringsstroom:
negatieve/positieve halve golf
negatieve/positieve gelijkstroom
1, 2, 5 (I
N
max. 300 mA)
Golfvorm:
Aansluiting:
zonder/met sonde
Netvorm:
TN/TT, IT
Contactspanning:
Aanspreektijd:
< 25 V, < 50 V, < 65 V
GMC-I Messtechnik GmbH 19
1) Meting van de contactspanning zonder aanspreken van de RCD
Meetprocedure
Om de contactspanning U
IN
te achterhalen die bij nominale fout-
stroom optreedt, meet het apparaat met een stroom die slechts
ca. 1/3 bedraagt van de nominale foutstroom. Op deze manier
wordt voorkomen dat hierbij de RCD-aardlekschakelaar aan-
spreekt.
Het grote voordeel van deze meetprocedure zit in het feit dat u op
elke contactdoos snel en gemakkelijk de contactspanning kunt
meten zonder dat de RCD-aardlekschakelaar aanspreekt.
Voor het controleren van de juiste werking van de RCD-aardlek-
beveiliging op één plaats en het leveren van het bewijs dat alle
andere te beveiligen delen van de installatie via de PE-leiding
laagohmig en betrouwbaar met dit meetpunt verbonden zijn,
komt de normale en omslachtige meetmethode te vervallen.
N-PE-verwisselingscontrole
Er vindt een extra meting plaats waarbij
vastgesteld wordt of N en PE verwisseld
zijn. In het geval van een verwisseling ver-
schijnt de hiernaast afgebeelde pop-up.
Let op!
!
Om gegevensverlies bij gegevensverwerkende installa-
ties te voorkomen, moet u eerst een back-up van al uw
gegevens maken en kunt u het best alle verbruikers uit-
schakelen.
Meting starten
Op het display verschijnt o. a. de aanrakingsspanning U
IN
en de
berekende aardingsweerstand R
E
.
Opmerking
De meetwaarde van de aardingsweerstand R
E
wordt
slechts bepaald met een geringe stroom. Preciezere
waarden krijgt u met de schakelaarstand R
E
.
Bij installaties met RCD-aardlekschakelaar kunt u dan de
functie DC + kiezen.
Onbedoeld aanspreken van de RCD door voorstromen in de installatie
Eventueel voorkomende voorstromen kunnen volgens hoofdstuk
13.1 op pagina 50 worden vastgesteld met behulp van een
stroomtangtransformator. Als de voorstromen in de installatie
tamelijk groot zijn of als men een te hoge meetstroom voor de
schakelaar had gekozen, dan bestaat de kans dat de RCD-scha-
kelaar tijdens het meten van de contactspanning aanspreekt.
Als u de contactspanning heeft gemeten, kunt u met het apparaat
meten of de RCD-aardlekschakelaar bij een nominale foutstroom
binnen de ingestelde grenswaarden aanspreekt.
Onbedoeld aanspreken van de RCD door lekstromen in de meetkring
Bij het meten van de contactspanning met 30% van de nominale
foutstroom, spreekt een RCD-lekschakelaar meestal niet aan.
Door reeds aanwezige lekstromen in de meetkring, bv. door aan-
gesloten verbruikers met EMC-schakeling (bv. frequentieomvor-
mers, pc’s) kan de uitschakelgrens toch overschreden worden.
2) Aanspreekmeting na het meten van de contactspanning
Druk op de knop I
N
.
De aanspreekmeting is
voor elke RCD-aardlek-
schakelaar slechts op
één meetpunt nodig.
Als de RCD-aardlekschakelaar bij de nominale foutstroom aanspreekt,
dan knippert de LED MAINS/NET rood (netspanning is uitgescha-
keld) en op het display verschijnt o.a. de aanspreektijd t
a
en de
aardingsweerstand R
E
.
Als de RCD-aardlekschakelaar bij de nominale foutstroom niet aan-
spreekt, dan brandt de LED RCD/FI rood.
Contactspanning te hoog
Als de met 1/3 van de nominale foutstroom I
N
gemeten en naar
I
N
geëxtrapoleerde contactspanning U
IN
>50V (> 25V) is, dan
brandt de LED U
L
/R
L
rood.
Als tijdens de meetprocedure de contactspanning U
IN
>50V
(> 25 V) is, wordt de beveiligingsuitschakeling in werking gesteld.
Opmerking
Beveiligingsuitschakeling: Tot 70 V vindt de beveiligingsuit-
schakeling conform IEC 61010 plaats binnen 3 s.
De contactsspanningen worden weergegeven tot 70 V. Als de
waarde hoger is, verschijnt
IN
>70V.
Grenswaarden voor continu toegelaten contactspanningen
De grens voor de continu toegelaten contactspanning bedraagt
bij wisselspanning U
L
= 50 V (internationale overeenkomst). Voor
speciale toepassingsgevallen zijn lagere waarden voorgeschreven
(bv. medische toepassingen U
L
=25V).
Let op!
!
Als de contactspanning te hoog is of als de RCD-aard-
lekschakelaar niet aanspreekt, dan moet de installatie
gerepareerd worden (bv. een te hoge aardingsweer-
stand, defecte RCD-aardlekschakelaar enz.)!
Draaistroomaansluitingen
Bij draaistroomaansluitingen moet de aanspreekmeting voor een
feilloze controle van de RCD-aardlekbeveiliging worden verricht in
combinatie met één van de drie buitenste geleiders (L1, L2 en L3).
Inductieve verbruikers
Als bij de uitschakelcontrole van een RCD inductieve verbruikers
mee worden uitgeschakeld, dan kunnen er bij het uitschakelen
spanningspieken in de kring ontstaan. De tester geeft dan moge-
lijk geen meetwaarde ( – – – ) aan. Schakel alle verbruikers in dit
geval vóór de aanspreekmeting uit. In extreme gevallen kan één
van de zekeringen in de tester aanspreken en/of kan de tester
worden beschadigd.
20 GMC-I Messtechnik GmbH
7.2 Speciale metingen van installaties resp. RCD-veiligheids-
schakelaars
7.2.1 Testen van installaties resp. RCD-veiligheidsschakelaars
met stijgende lekstroom (wisselstroom) voor RCD’s van
het type AC, A/F, B/B+ en EV/MI
Meetprocedure
Voor het testen van de RCD-aardlekschakeling genereert het
apparaat in het net een continu stijgende foutstroom van (0,3 ...
1,3) I
N
. Het apparaat slaat de waarden van de contactspan-
ning en de aanspreekstroom op die op het aanspreekmoment
van de RCD-aardlekschakelaar bestaan en brengt ze in beeld.
Bij het meten met stijgende foutstroom kunt u kiezen uit de con-
tactspanningsgrenzen U
L
=25V en U
L
= 50 V/65 V.
Meetfunctie kiezen
Aansluiting
Parameter instellen voor I
F
Meting starten
Meetprocedure
Als de meetprocedure gestart is, stijgt de meetstroom die door
het apparaat van de 0,3-voudige nominale foutstroom wordt
gegenereerd continu totdat de RCD-aardlekschakelaar aan-
spreekt. Dit kan worden waargenomen aan de steeds verder toe-
nemende vulling van de driehoek bij I .
Als de contactspanning de gekozen grenswaarde bereikt (U
L
= 65
V, 50 V resp. 25 V) voordat de RCD-aardlekschakelaar aan-
spreekt, wordt de beveiligingsuitschakeling in werking gesteld. De
LED U
L
/R
L
brandt rood.
Opmerking
Beveiligingsuitschakeling: Tot 70 V vindt de beveiligingsuit-
schakeling conform IEC 61010 plaats binnen 3 s.
Als de RCD-aardlekschakelaar niet aanspreekt voordat de stij-
gende stroom de nominale foutstroom I
N
bereikt, dan brandt de
LED RCD/FI rood.
Let op!
!
Een voorstroom in de installatie wordt bij de meting overlapt
door de foutstroom, die door het apparaat wordt gegene-
reerd. Deze beïnvloedt de gemeten waarden van contact-
spanning en aanspreekstroom. Zie ook hoofdst. 7.1.
Evaluatie
Om een aardlekbeveiliging te evalueren moet er volgens DIN VDE
0100 deel 60 echter met stijgende foutstroom worden gemeten
en moet aan de hand van de gemeten waarden de contactspan-
ning voor de nominale foutstroom I
N
worden berekend.
De snellere en eenvoudigere meetmethode zie hoofdstuk 7.1
heeft om deze reden de voorkeur.
7.2.2 Testen van installaties resp. RCD-veiligheidsschakelaars
met toenemende lekstroom (gelijkstroom) voor RCD’s
van het type B/B+ und EV/MI
(nur MTECH+, MXTRA &
SECULIFE IP)
Volgens VDE 0413 deel 6 moet worden bewezen dat de aan-
spreekfoutstroom bij vlakke gelijkstroom ten hoogste de tweevou-
dige waarde aanneemt van de nominale foutstroom I
N
. Hiervoor
moet er een continu stijgende gelijkstroom worden aangelegd die
met het 0,2-voudige van de nominale foutstroom I
N
begint. Als
de stroom lineair stijgt, mag de stijging de 2-voudige waarde van
I
N
binnen 5 s niet overschrijden.
De controle met afgevlakte gelijkstroom moet mogelijk zijn in
beide richtingen van de meetstroom.
I
F
Nominale foutstromen:
Type 1: RCD, SRCD, PRCD ...
Nominale stromen: 6 ... 125 A
Type 2: AC , A/F , B/B+
*, EV/MI
* Type B/B+/EVMI = alstroomgevoelig
10 ... 500 mA
Sinus
negatieve/positieve halve golf
Golfvorm:
Aansluiting:
zonder/met sonde
Netvorm:
TN/TT, IT
negatieve/positieve gelijkstroom
Contactspanning:
Aanspreekgrenswaarden:
GMC-I Messtechnik GmbH 21
7.2.3 RCD-aardlekschakelaars testen met 5 I
N
De aanspreektijd wordt in dit geval gemeten met 5-voudige nominale
foutstroom.
Opmerking
Metingen met 5-voudige nominale foutstroom zijn vereist
voor de productietest van RCD-aardlekschakelaars en
G. Daarnaast worden ze toegepast ter bescherming van
personen.
U kunt de meting bij de positieve halve golf „0° “ of bij de nega-
tieve halve golf „180° “ starten.
Doe beide metingen. De langste uitschakeltijd van de twee is de
maatstaf voor de toestand van de geteste RCD-aardlekschake-
laar. Beide waarden moeten < 40 ms zijn.
Meetfunctie kiezen
Parameter instellen – start met positieve of negatieve halve golf
Parameter instellen – 5-voudige nominale stroom
Opmerking
De volgende beperkingen gelden bij de keuze van de
x-voudige aanspreekstromen in functie van de nominale
stroom: 500 mA: 1 x, 2 x I
N
Meting starten
7.2.4 Controleren van RCD-veiligheidsschakelaars,
die voor pulserende gelijkfoutstromen geschikt zijn
Hiervoor kunnen de RCD-aardlekschakelaars met positieve of
negatieve halve golven worden getest. Het aanspreken gebeurt
conform de norm met 1,4-voudige nominale stroom.
Meetfunctie kiezen
Parameter instellen – positieve of negatieve halve golf
Parameter instellen – controle met en zonder „niet-aanspreekmeting
Niet-aanspreekmeting
Indien de RCD bij de niet-aanspreektest van 1 s
met 50% I
N
te vroeg aanspreekt, d.w.z. vóór
de eigenlijke aanspreekmeting, verschijnt de
hiernaast afgebeelde pop-up:
Opmerking
De volgende beperking geldt bij de keuze van de x-vou-
dige aanspreekstromen in functie van de nominale
stroom: dubbele en vijfvoudige nominale stroom is in dit
geval niet mogelijk.
Opmerking
Volgens DIN EN 50178 (VDE 160) moeten bij bedrijfsmid-
delen > 4 kVA die gladde gelijkfoutstromen kunnen gene-
reren (bv. frequentieomvormers) RCD-aardlekschake-
laars van het type B (alstroomgevoelig) worden gebruikt.
Voor het testen van deze aardlekschakelaars is een
meting met alleen pulserende gelijkfoutstromen niet
geschikt. Hier moet ook getest worden met gladde gelijk-
foutstroom.
Opmerking
Bij de productietest van RCD-schakelaars wordt geme-
ten met positieve en negatieve halve golven. Als een
stroomkring belast wordt met pulserende gelijkstroom,
dan kan de werking van de RCD-aardlekschakelaar met
deze test worden verricht. Hiermee kan worden gecon-
troleerd of de RCD-schakelaar door de pulserende gelijk-
stroom niet in verzadiging wordt gebracht en dus niet
meer aanspreekt.
S
I
N
negatieve gelijkstroom
positieve gelijkstroom
Golfvorm:
180°: start met negatieve halve golf
0°: start met positieve halve golf
5-voudige aanspreekstroom
x-voudige activeringsstroom:
I
N
negatieve halve golf
positieve halve golf
negatieve gelijkstroom
positieve gelijkstroom
Golfvorm:
x-voudige activeringsstroom:
50% I
N
*
* Niet-aanspreekmeting
met 50% I
N
22 GMC-I Messtechnik GmbH
7.3 Testen van speciale RCD-veiligheidsschakelaars
7.3.1 Installaties met selectieve RCD-aardlekschakelaars van
het type RCD-S
In installaties waarin twee in serie geschakelde RCD-aardlekscha-
kelaars worden gebruikt, die in geval van een fout niet gelijktijdig
mogen aanspreken, gebruikt men selectieve RCD-aardlekscha-
kelaars. Deze hebben een vertraagde responsie en worden met
het symbool aangeduid.
Meetprocedure
De meetprocedure stemt overeen met de procedure voor nor-
male RCD- aardlekschakelaars (zie hoofdstuk 7.1 op pagina 18
en 7.2.1 op pagina 20).
Als er selectieve RCD-aardlekschakelaars worden gebruikt, dan
mag de aardingsweerstand slechts half zo groot zijn als die bij het
gebruik van normale RCD-aardlekschakelaars.
Het apparaat geeft om deze reden de dubbele waarde van de
gemeten contactspanning aan.
Meetfunctie kiezen
Parameter instellen – selectief
Meting starten
Aanspreekmeting
Druk op de knop I
N
. De RCD-aardlekschakelaar spreekt
aan. Op het display verschijnen knipperende balken en
daarna de aanspreektijd t
A
en de aardingsweerstand R
E
.
De aanspreekmeting is
voor elke RCD-aardlek-
schakelaar slechts op
één meetpunt nodig.
Opmerking
Selectieve RCD-aardlekschakelaars schakelen vertraagd
uit. Door de voorbelasting bij het meten van de contact-
spanning wordt het uitschakelen kortstondig (tot 30s)
beïnvloed. Om de voorbelasting door het meten van de
contactspanning te elimineren is vóór de aanspreekme-
ting een wachttijd nodig. Na het starten van de meetpro-
cedure (aanspreekmeting) verschijnen er gedurende ca.
30 s knipperende balken in beeld. Aanspreektijden tot
1000 ms zijn geoorloofd. Als u nog eens op de knop I
N
drukt, wordt de aanspreekmeting meteen verricht.
7.3.2 PRCD’s met niet-lineaire elementen van het type PRCD-K
De PRCD-K is een mobiele verschilstroominrichting met elektroni-
sche foutstroomanalyse die als tussengeschakeld kabelapparaat
met alle polen (L/N/PE) schakelt. Tevens is in de PRCD-K een
onderspanningsaanspreking en een aardleidingsbewaking
gemonteerd.
De PRCD-K heeft een onderspanningsaanspreking en moet om
deze reden worden gebruikt met netspanning. De metingen
mogen alleen in ingeschakelde toestand (PRCD-K schakelt met
alle polen) worden verricht.
Begrippen (uit DIN VDE 0661)
Mobiele beveiligingen zijn aardlekschakelaars die met behulp van
gestandaardiseerde stekkervoorzieningen tussen verbruikers en
een vast geïnstalleerde contactdoos geschakeld kunnen worden.
Een opnieuw aansluitbare, mobiele beveiliging is een beveiliging
die zodanig geconstrueerd is dat ze het aansluiten op beweeglijke
leidingen mogelijk maakt.
Denk eraan dat in mobiele RCDs doorgaans een niet-lineair ele-
ment in de aardleiding is gemonteerd dat bij een U
I
-meting
onmiddellijk tot overschrijding van de hoogste geoorloofde con-
tactspanning leidt (U
I
meer dan 50V).
Mobiele RCD’s die geen niet-lineair element in de aardleiding heb-
ben, moeten volgens hoofdstuk 7.3.3 op pagina 23 worden
getest.
Doel (uit DIN VDE 0661)
De mobiele beveiligingen (PRCD’s) zijn bedoeld voor het bescher-
men van personen en zaken. Met deze beveiligingen kan een ver-
hoging van het veiligheidsniveau worden bereikt van de beveili-
gingsmaatregelen die in elektrische installaties worden toegepast
tegen elektrische schokken conform DIN VDE 0100 deel 410. Zij
dienen zodanig te worden uitgevoerd dat ze door een recht-
streeks aangebrachte stekker op de beveiliging resp. met een
stekker met korte kabel kunnen worden gebruikt.
S
I
N
I
F
of
Type 1:
GMC-I Messtechnik GmbH 23
Meetprocedure
Afhankelijk van de meetprocedure kan het volgende worden
gemeten:
de activeringstijd t
a
bij activeringstest met nominale lekstroom
I
N
(de PRCD-K moet reeds bij nominale stroom aanspreken)
de activeringsstroom I
bij meting met stijgende foutstroom I
F
Meetfunctie kiezen
Aansluiting
Parameter instellen – PRCD met niet-lineaire elementen
Meting starten
7.3.3 SRCD, PRCD-S (SCHUKOMAT, SIDOS of dergelijke)
RCD-aardlekschakelaars van de serie SCHUKOMAT, SIDOS en
dergelijke die hiermee elektrisch identiek zijn, moeten worden
getest nadat de passende parameter is gekozen.
Bij RCD-aardlekschakelaars van deze types wordt de PE-leiding
bewaakt. Deze is mede opgenomen in de sommatiestroomtrans-
formator. Bij een foutstroom van L naar PE is de aanspreek-
stroom daarom maar half zo hoog, d.w.z. de RCD moet reeds bij
de halve nominale foutstroom I
N
aanspreken.
Of de mobiele RCD’s en SRCD’s dezelfde constructie hebben,
kan worden getest door het meten van de contactspanning U
I
N
. Als een contactspanning U
IN
in een verder intacte installatie
op de PRCD > 70V wordt aangegeven, dan is er zeer waarschijn-
lijk sprake van een PRCD met niet-lineair element.
PRCD-S
PRCD-S (Portable Residual Current Device – Safety) is een speci-
ale mobiele beveiliging met aardleidingsherkenning resp. aardlei-
dingsbewaking. Het apparaat is bedoeld ter bescherming van
personen tegen elektriciteitsongevallen binnen het laagspannings-
bereik (130 ... 1000 V). Een PRCD-S moet voor commercieel
gebruik geschikt zijn en wordt net als een verlengkabel tussen
een elektrische verbruiker – meestal een elektrisch werktuig – en
een stopcontact geïnstalleerd.
Meetfunctie kiezen
Parameter instellen – SRCD / PRCD
Meting starten
I
N
I
F
of
Type 1:
I
N
I
F
of
Type 1:
24 GMC-I Messtechnik GmbH
7.3.4 RCD-schakelaar van het type G of R
Met behulp van de tester is het mogelijk om naast de normale en
selectieve RCD-aardlekschakelaars ook de speciale eigenschap-
pen van een G-schakelaar te controleren.
De G-schakelaar is een Oostenrijkse bijzonderheid en voldoet aan
de apparatennorm ÖVE/ÖNORM E 8601. Door zijn hogere
stroombestendigheid en korte tijdvertraging worden verkeerde
aansprekingen tot een minimum beperkt.
Meetfunctie kiezen
Parameter instellen – type G/R (VSK)
Contactspanning en aanspreektijd kunnen worden gemeten met
behulp van een G/R-RCD-schakelaarinstelling.
Opmerking
Bij het meten van de aanspreektijd bij nominale fout-
stroom moet u er op letten dat bij G-schakelaars aan-
spreektijden geoorloofd zijn tot 1000 ms. Stel de juiste
grenswaarde in.
Stel vervolgens in het menu 5 x I
N
in (wordt bij de selectie van
G/R automatisch ingesteld) en herhaal de aanspreekmeting
met de positieve halve golf 0° en de negatieve halve golf 180°.
De langste uitschakeltijd van de twee is de maatstaf voor de
toestand van de geteste RCD-aardlekschakelaar.
Parameter instellen – start met positieve of negatieve halve golf
Parameter instellen – 5-voudige nominale stroom
Opmerking
De volgende beperkingen gelden bij de keuze van de
x-voudige activeringsstroom in functie van de nominale
stroom: 500 mA: 1 x, 2x I
N
Meting starten
De aanspreektijd moet in beide gevallen liggen tussen 10 ms
(minimale vertragingstijd van de G-schakelaar!) en 40 ms.
G-schakelaars met andere nominale foutstromen meet u met de
hiervoor bedoelde parameterinstelling in het menupunt I
N
. Ook
hier moet u de grenswaarde dienovereenkomstig instellen.
Opmerking
De parametereinstellung RCD voor selectieve schake-
laars is niet geschikt voor G-schakelaars.
I
N
Type 1:
180°: start met negatieve halve golf
0°: start met positieve halve golf
Golfvorm:
negatieve gelijkstroom
positieve gelijkstroom
180°: start met negatieve halve golf
0°: start met positieve halve golf
5-voudige aanspreekstroom
S
GMC-I Messtechnik GmbH 25
7.4 (RCD-)Aardlekschakelingen testen in TN-S-netten
Aansluiting
Een RCD-schakelaar kan alleen worden gebruikt in een TN-S-net.
In een TN-C-net zou een RCD-schakelaar niet werken, omdat de
PE niet langs de RCD-schakelaar loopt, maar rechtstreeks in de
contactdoos verbonden is met de N-leider. Een foutstroom zou
dus via de RCD-schakelaar terugstromen en geen verschilstroom
genereren die de RCD-schakelaar aanspreekt.
De weergave van de contactspanning zal meestal eveneens 0,1 V
zijn, omdat de nominale lekstroom van 30 mA samen met de lage
lusweerstand een zeer kleine spanning oplevert:
7.5 (RCD-)aardlekschakelingen testen in IT-netten met hoog
kabelvermogen (bv. in Noorwegen)
Bij de RCD-metingen U
I N
(I
N
, t
a
) en de aardingsmeting (R
E
)
kan de netvorm (TN/TT of IT) worden ingesteld.
Bij metingen in het IT-net is een sonde absoluut noodzakelijk,
omdat de optredende contactspanning U
IN
niet zonder sonde
kan worden gemeten.
Als op het IT-net wordt omgeschakeld, wordt het aansluitingstype
automatisch met de sonde gekozen.
Parameter instellen – netvorm kiezen
Meting starten
UINR
E
IN 130mA 30mV 0 03V,== ==
Netvorm:
26 GMC-I Messtechnik GmbH
8 Controleren van de uitschakelvoorwaarden
van overstroombeveiligingsinrichtingen,
Meten van de lusimpedantie en berekenen van
de kortsluitstroom (functie Z
L-PE
en I
K
)
Het testen van overstroombeveiligingen houdt het bekijken en
meten in. Voor het meten gebruikt u de PROFITEST MASTER of
SECULIFE IP.
Meetprocedure
De lusimpedantie Z
L-PE
wordt gemeten en de kortsluitstroom I
K
wordt bepaald om te controleren of aan de uitschakelvoorwaar-
den van de beveiligingen wordt voldaan.
De lusimpedantie is de weerstand van de stroomlus (EVU-station
– buitenste geleider – aardleiding) bij een gestelsluiting (gelei-
dende verbinding tussen buitenste geleider en aardleiding). De
waarde van de lusimpedantie bepaalt de grootte van de kortsluit-
stroom. De kortsluitstroom I
K
mag een waarde niet onderschrij-
den die volgens DIN VDE 0100 is vastgelegd, zodat de beveiliging
van een installatie (zekering, installatie-automaat) veilig uitscha-
kelt.
Om deze reden moet de gemeten waarde van de lusimpedantie
kleiner zijn dan de maximaal toegelaten waarde.
Tabellen over de toegelaten weergavewaarden voor de lusimpe-
dantie en de minimum weergavewaarden van kortsluitstroom
voor de nominale stromen van diverse zekeringen en schakelaars
vindt u op de hulppagina’s en inhoofdstuk 21 vanaf pagina 88. In
deze tabel is rekening gehouden met de maximale apparaatfout
volgens VDE 0413. Zie ook hoofdstuk 8.2.
Om de lusimpedantie Z
L-PE
te meten, meet het apparaat al naar
gelang de aanwezige netspanning en netfrequentie met een
meetstroom van 3,7 A tot 7 A (60 ... 550 V) en een meetduur van
max. 1200 ms bij 16 Hz.
Als tijdens deze meting een gevaarlijke contactspanning (> 50 V)
optreedt, wordt de beveiligingsuitschakeling in werking gesteld.
Aan de hand van de gemeten lusimpedantie
Z
L-PE
en de net-
spanning berekent het meet- en testapparaat de kortsluitstroom
I
K
. Bij netspanningen die binnen de nominale spanningsbereiken
voor de nominale netspanningen 120 V, 230 V en 400 V liggen,
wordt de kortsluitstroom gerelateerd aan deze nominale spannin-
gen. Als de netspanning buiten deze nominale spanningsbereiken
ligt, dan berekent het apparaat de kortsluitstroom I
K
aan de hand
van de aanwezige netspanning en de gemeten lusimpedantie Z
L-
PE
.
Meetprocedures met onderdrukking van de RCD-aanspreking
PROFITEST MXTRA en SECULIFE IP bieden de mogelijkheid om de
lusimpedantie te meten in installaties die uitgerust zijn met RCD-
aardlekschakelaars.
De tester genereert
hiervoor een gelijk-
stroom die de mag-
netische kring van
de RCD-schakelaar
in verzadiging
brengt.
Met de tester wordt
dan een meet-
stroom overlapt die
alleen halve golven
van gelijke polariteit
heeft. De RCD-
schakelaar kan
deze meetstroom
dan niet meer her-
kennen en spreekt tijdens het meten dus niet meer aan.
De meetkabel van het apparaat naar de teststekker is uitgevoerd
in vierdraadstechniek. De weerstanden van het aansluitsnoer en
van de meetadapter worden bij een meting automatisch gecom-
penseerd en worden niet meegerekend in het meetresultaat.
Meetfunctie kiezen
Aansluiting contactstop
met randeaarde/3-polige
adapter
Aansluiting
2-polige adapter
Opmerking
De lusweerstand moet voor elke stroomkring op de verst
verwijderde plaats worden gemeten om de maximale
lusimpedantie van de installatie te registreren.
Opmerking
Voormagnetisering
Met de 2-polige adapter zijn alleen AC-metingen voor-
zien. Het onderdrukken van de RCD-aanspreking door
middel van een voormagnetisering door gelijkstroom is
alleen mogelijk met het landspecifieke stekkerinzetstuk
bijv. geaarde stekker of de 3-polige adapter (N-geleider
vereist).
Opmerking
Houdt u zich aan de nationale voorschriften, bv. de nood-
zakelijkheid om bij de meting RCD-aardlekschakelaars te
overbruggen in Oostenrijk.
Draaistroomaansluitingen
Bij draaistroomaansluitingen moet de meting van de lusimpedan-
tie voor een feilloze controle van de overstroombeveiliging worden
verricht met elke van de drie buitenste geleiders (L1, L2 en L3) ten
opzichte van de aardleiding PE.
Start
t1 t3
Meten
t2
Gebruik
RCD buiten werking!
t
I
F
/mA
Onderdrukking van de RCD-aanspreking bij impuls-
stroomgevoelige RCD-veiligheidsschakelaars
Z
L-PE
GMC-I Messtechnik GmbH 27
8.1 Metingen met onderdrukking van de RCD-aanspreking
8.1.1 Meten met positieve halve golven (MTECH+/MXTRA/
SECULIFE IP)
Met de meting met halve golven plus DC is het mogelijk om lusim-
pedanties in installaties te meten die met RCD-aardlekschake-
laars zijn uitgerust.
Bij de DC meting met halve golven kunt u kiezen uit twee varianten:
DC-L: lagere voormagnetiseringsstroom,
maar wel snellere meting mogelijk
DC-H: hogere voormagnetiseringsstroom en daarom meer vei-
ligheid voor wat betreft de het niet aanspreken van
RCD’s.
Meetfunctie kiezen
Parameters instellen
* Parameters die alleen bedoeld zijn voor rapportage en geen invloed op de meting
hebben
Sinus (volle golf) Instelling voor stroomkring zonder RCD
15 mA Sinus Instelling alleen voor motorveiligheidsschakelaar
met kleine nominale stroom
DC+halve golf Instelling voor stroomkringen met RCD
Meting starten
Halfautomatische
meting
8.2 Evaluatie van de meetwaarden
Aan de hand van Tabel 1
op pagina 88 kunt u de
maximaal toegelaten
lusimpedanties Z
L-PE
bepalen die met inacht-
neming van de maxi-
male meetafwijking van
het apparaat (in normale
meetomstandigheden)
aangegeven mogen
worden. Tussenwaar-
den kunt u interpoleren.
Aan de hand van Tabel 6
op pagina 89 kunt u op
basis van de gemeten
kortsluitstroom de maxi-
maal toegelaten nominale stroom van de beveiliging (zekering
resp. aardlekschakelaar) voor de nominale netspanning 230 V
bepalen met inachtneming van de maximale gebruiksfout van het
apparaat (conform DIN VDE 0100 deel 600).
Uitzondering weergave van de grenswaarde
De grenswaarde kan
niet worden bepaald. De
controleur moet de
meetwaarden zelf evalu-
eren en bevestigen of
verwerpen met de soft-
keyknoppen.
Meting OK: Knop
Meting niet OK: Knop X
Pas na uw evaluatie kan
de weetwaarde worden
opgeslagen.
Z
L-PE
Nominale stromen:
Aanspreekkarakteristieken:
Doorsnede*: 1,5 ... 70 mm²
Kabeltypes*: NY.... - H07...
Aantal aders*: 2 ... 10 aders
A, B/L, C/G, D, E, H, K, GL/GG & Faktor
2 ... 160 A, ... 9999 A
Sinus
15 mA Sinus
Golfvorm:
DC-L en positieve halve golf
Contactspanning:
DC-H en positieve halve golf
2-polige meting
Meting met landspecifiek
stekkerinzetstuk (bv. randaarde)
Opmerking
De selectie van de meetsonde resp.
van de relatie Lx-PE of AUTO is alleen
voor de rapportage van belang.
Halfautomatische meting
Parameter AUTO zie ook hoofdst. 5.8
Keuze van de polariteit
28 GMC-I Messtechnik GmbH
8.3 Instellingen voor het berekenen van de kortsluitstroom
– Parameter I
K
De kortsluitstroom I
K
is bedoeld ter controle van de uitschakeling
van een overstroombeveiliging. Om ervoor te zorgen dat een
overstroombeveiliging op tijd aanspreekt, moet de kortsluitstroom
I
K
groter zijn dan de aanspreekstroom Ia (zie tabel 6hoofdst.
21.1). De varianten die met de knop „Limits“ kunnen worden
gekozen, betekenen:
I
K
: Ia voor het berekenen van de I
K
wordt de weergegeven
meetwaarde van Z
L-PE
zonder enige correctie overge-
nomen
I
K
: Ia+% voor het berekenen van de I
K
wordt de weergegeven
meetwaarde van Z
L-PE
gecorrigeerd met de meeton-
nauwkeurigheid van de tester
I
K
: 2/3 Z voor het berekenen van de I
K
wordt de aangegeven
meetwaarde van Z
L-PE
gecorrigeerd met alle mogelijke
afwijkingen (in VDE 0100 deel 600 worden deze gede-
tailleerd gedefineerd als
Z
s(m)
2/3 x U
0
/Ia)
I
K
: 3/4 Z Z
s(m)
3/4 x U
0
/Ia
I
K
In de tester berekende kortsluitstroom (bij nominale spanning)
Z Foutieve lusimpedantie
Ia Aanspreekstroom
(zie gegevensbladen van de installatie-automaten/zekeringen)
%
Eigen afwijking van de tester
Speciaal geval I
k
> I
kmax
zie Pagina 29.
9 Meten de netzimpedantie (functie Z
L-N
)
Meetprocedure (interne netweerstand)
De netimpedantie Z
L-N
wordt volgens dezelfde meetprocedure
gemeten als de lusimpedantie Z
L-PE
(zie hoofdstuk 8 op pagina
26). De stroomlus wordt hierbij via de nulleider N gevormd en niet
via de aardleiding PE zoals bij de lusimpedantiemeting.
Meetfunctie kiezen
Aansluiting
contactstop met rande-
aarde
Aansluiting
2-polige adapter
Parameter instellen
Door op de hiernaast afgebeelde softkeyknop te
drukken schakelt u om tussen het landspecifieke
stekkerinzetstuk bv. randeaarde en 2-polige adapter.
De gekozen soort aansluiting wordt geïnverteerd
weergegeven (wit op zwart).
Limiet / grenswaarde:
K
< Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
Z
L-N
Nominale stromen:
Doorsnede: 1,5 ... 70 mm²
Kabeltypes: NY..., H07...
Aantal aders: 2 ... 10 aders
Aanspreekkarakteristieken:
A, B/L, C/G, D, E, H, K, GL/GG & Faktor
2 ... 160 A, 9999 A
GMC-I Messtechnik GmbH 29
Instellingen voor het berekenen van de kortsluitstroom –
Parameter I
K
De kortsluitstroom I
K
is bedoeld ter controle van de uitschakeling
van een overstroombeveiliging. Om ervoor te zorgen dat een
overstroombeveiliging op tijd aanspreekt, moet de kortsluitstroom
I
K
groter zijn dan de aanspreekstroom Ia (zie tabel 6hoofdst.
21.1). De varianten die met de knop „Limits“ kunnen worden
gekozen, betekenen:
I
K
: Ia voor het berekenen van de I
K
wordt de weergegeven
meetwaarde van Z
L-PE
zonder enige correctie overge-
nomen
I
K
: Ia+% voor het berekenen van de I
K
wordt de weergegeven
meetwaarde van Z
L-PE
gecorrigeerd met de meeton-
nauwkeurigheid van de tester
I
K
: 2/3 Z voor het berekenen van de I
K
wordt de aangegeven
meetwaarde van Z
L-PE
gecorrigeerd met alle mogelijke
afwijkingen (in VDE 0100 deel 600 worden deze gede-
tailleerd gedefineerd als
Z
s(m)
2/3 x U
0
/Ia)
I
K
: 3/4 Z Z
s(m)
3/4 x U
0
/Ia
I
K
In de tester berekende kortsluitstroom (bij nominale spanning)
Z Foutieve lusimpedantie
Ia Aanspreekstroom
(zie gegevensbladen van de installatie-automaten/zekeringen)
%
Eigen afwijking van de tester
Speciaal geval I
k
> I
kmax
Als de waarde van de
kortsluitstroom buiten
de in de
PROFITEST MASTER gede-
finieerde meetwaarden
ligt, wordt dit aangege-
ven met
>IK-max“.
Voor dit geval is een
handmatige beoorde-
ling van het meetresul-
taat noodzakelijk.
Meting starten
Weergave van U
L-N
(U
N
/ f
N
)
Als de gemeten spanning binnen het bereik van 10% rond de
betreffende nominale netspanning van 120V, 230V of 400V ligt,
wordt telkens de betreffende nominale netspanning aangegeven.
Bij meetwaarden buiten de 10%-tolerantiegrens wordt telkens
de daadwerkelijke meetwaarde aangegeven.
Zekeringentabel oproepen
Nadat de meting is verricht, worden de toegelaten zekeringstypes
op verzoek met behulp van de HELP-knop weergegeven.
In de tabel vindt u de maximaal toegelaten nominale stroom vol-
gens zekeringstype en uitschakelvoorwaarden.
Legenda: Ia uitschakelstroom, I
K
kortsluitstroom, I
N
nominale
stroom, tA Aanspreektijd
Halfautomatische meting
Parameter AUTO zie ook hoofdst. 5.8
L-PE-relaties zijn hier niet mogelijk.
Na het geven van de AUTO-opdracht
wordt de neutrale L-N-relatie tijdens
de AUTO-procedure niet mee aange-
boden!
Keuze van de polariteit
Limiet /
I
K
< Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
I
K
grenswaarde:
30 GMC-I Messtechnik GmbH
10 Meten van de aardingsweerstand (functie R
E
)
De aardingsweerstand R
E
is van belang voor de automatische uit-
schakeling in delen van de installatie. Hij moet laagohmig zijn,
zodat er in het geval van een fout een hoge kortsluitstroom
stroomt en de aardlekschakelaars de installatie dus veilig uitscha-
kelen.
Meetopbouw
De aardingsweerstand (R
E
) is de som van de spreidingsweer-
stand van de aardelektrode en de weerstand van de aardleiding.
De aardingsweerstand wordt gemeten door een wisselstroom
door de aardgeleider, de aardelektrode en de aardverspreidings-
weerstand te laten stromen. Deze stroom en de spanning tussen
de aardelektrode en een sonde wordt gemeten.
De sonde wordt met een aanrakingsbeveiligde stekker met een
doorsnede van 4 mm aangesloten op de sondeaansluiting (17)
aangesloten.
Rechtstreekse meting met sonde (netgevoede aardingsmeting)
Het rechtstreekse meten van de aardingsweerstand R
E
is alleen
mogelijk als er voor het meten een sonde wordt meegeschakeld.
Een voorwaarde hiervoor is echter dat de sonde het aardpotenti-
aal van de referentieaarde heeft, d.w.z. dat zij buiten de span-
ningstrechter van de aardelektrode wordt gezet. De afstand tus-
sen de aardelektrode en de sonde moet minstens 20 m zijn.
Meting zonder sonde (netgevoede aardingsmeting)
In veel gevallen, vooral op plaatsen waar huizen dicht tegen elkaar
zijn aangebouwd, is het moeilijk en soms zelfs onmogelijk om een
meetsonde neer te zetten. U kunt de aardingsweerstand in deze
gevallen ook zonder sonde meten. De weerstandswaarden van
de systeemaarde R
B
en van de buitenste geleider L zitten dan wel
in het meetresultaat.
Meetprocedure (met sonde) (netgevoede aardingsmeting)
Het apparaat meet de aardingsweerstand R
E
volgens de stroom-
spanningsmeetprocedure.
De weerstand R
E
wordt hierbij berekend op basis van het quo-
tient van spanning U
E
en stroom I
E
, waarbij U
E
tussen aardelek-
trode en sonde ligt.
De meetstroom die hierbij door de aardingsweerstand stroomt,
wordt door het apparaat geregeld. De waarden hiervan vindt u in
hoofdstuk 19 „Technische karakteristieken“ vanaf pagina 82.
Er wordt een spanningsafval gegenereerd die evenredig is met de
aardingsweerstand.
Opmerking
De weerstanden van de meetkabel en van de meetadap-
ter worden bij de meting automatisch gecompenseerd en
worden niet meegerekend in het meetresultaat.
Als er tijdens de metingen gevaarlijke contactspanningen
(> 50V) optreden, wordt de meting afgebroken en wordt
de beveiligingsuitschakeling in werking gesteld.
De sondeweerstand wordt niet meegerekend in het
meetresultaat en kan maximaal 50 k bedragen.
Let op!
!
De sonde maakt deel uit van de meetkring en kan vol-
gens VDE 0413 een stroom geleiden tot maximaal
3,5 mA.
Meting met of zonder aardelektrodespanning in functie van de
ingevoerde parameters resp. de keuze van het aansluitingstype.
* deze parameter leidt tot automatische instelling op sondeaansluiting
Meetprocedure met onderdrukking van de RCD-aanspreking
(netgevoede aardingsmeting)
De tester genereert
hiervoor een gelijk-
stroom die de mag-
netische kring van
de RCD-schake-
laar in verzadiging
brengt.
Met de tester wordt
dan een meet-
stroom overlapt die
alleen halve golven
van gelijke polariteit
heeft. De RCD-
schakelaar kan
deze meetstroom
dan niet meer her-
kennen en spreekt
als gevolg hiervan
tijdens de meting niet meer aan.
De meetkabel van het apparaat naar de teststekker is uitgevoerd
in vierdraadstechniek. De weerstanden van het aansluitsnoer en
van de meetadapter worden bij een meting automatisch gecom-
penseerd en worden niet meegerekend in het meetresultaat.
Grenswaarden
De aardingsweerstand (aardkoppelweerstand) wordt hoofdzake-
lijk bepaald door het contactvlak van de elektrode en de geleid-
baarheid van de grond er omheen.
De vereiste grenswaarde hangt af van de netvorm en zijn uitscha-
kelvoorwaarden met inachtneming van de maximale contact-
spanning.
Evaluatie van de meetwaarden
Aan de hand van Tabel 2 op pagina 88 kunt u de weerstands-
waarden bepalen die met inachtneming van de maximale
gebruiksfout van het apparaat (in nominale gebruiksomstandighe-
den) hoogstens aangegeven mogen worden om een vereiste aar-
dingsweerstand niet te overschrijden. Tussenwaarden kunt u
interpoleren.
RANGE Aansluiting Meetfuncties
xx / xx k
geen sondemeting
geen meting U
E
10 / U
E
*
Sondemeting geactiveerd
U
E
wordt gemeten
xx / xx k *
Sondemeting geactiveerd
geen meting U
E
Tangmeting geactiveerd
geen meting U
E
Start
t1
t3
Meten
t2
Gebruik
RCD buiten werking!
t
I
F
/mA
Onderdrukking van de RCD-aanspreking bij
impulsstroomgevoelige RCD-veiligheidsschake-
laars
GMC-I Messtechnik GmbH 31
10.1 Meting van de aardingsweerstand – netgevoed
De volgende drie meetsoorten resp. aansluitingen zijn mogelijk:
2-polige meting met 2-polige adapter
2-polige meting met randaardestekker
(niet mogelijk in het IT-net)
3-polige meting met 2-polige adapter en sonde
selectieve meting: 2-polige meting met sonde
en stroomtangsensor
Afbeelding links:
2-polige
meetadapter voor
het aftasten van
de meetpunten PE
en L
Afbeelding rechts:
als alternatief kan
de meetadapter
PRO-contactstop
worden gebruikt
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
De gekozen bedrijfsmodus wordt geïnverteerd weergegeven:
witte tekst mains~ op een zwarte achtergrond.
Meetsoort op batterijen werkend „Batterijgevoed“
niet mogelijk: Als de aansluiting niet bij de
gebruiksmodus past, verschijnt de hiernaast
afgebeelde foutmelding.
Uitzondering handmatige keuze van het meetbereik (meetstroom-
keuze)
(R AUTO, R = 10 k (4 mA), 1 k (40 mA), 100 (0,4 A),
10 (3,7 ... 7 A), 10 /U
E
)
Opmerking
Als het bereik manueel wordt gekozen, houd er dan reke-
ning mee dat de nauwkeurigheidsgegevens pas vanaf 5
% van de bereikseindwaarde gelden (met uitzondering
van het 10 -bereik; aparte vermelding voor kleine waar-
den).
Parameter instellen
Meetbereik: AUTO,
10 k (4 mA), 1 k (40 mA), 100 (0,4 A), 10 (> 3,7 A)
Bij installaties met RCD-aardlekschakelaar moet de weerstand
resp. de meetstroom zodanig worden gekozen dat deze onder
de aanspreekstroom (½ I
N
) ligt.
Contactspanning: UL < 25 V, < 50 V, < 65 V, willekeurig inst-
elbare spanning zie hoofdst. 5.7
Overzetverhouding: afhankelijk van de gebruikte stroomtangsen-
sor
Aansluitingstype: 2-polige adapter, 2-polige adapter + sonde,
2-polige adapter + tang
Netvorm: TN of TT
Vorm curve meetstroom
Zie voor zinvolle parameters voor de meetsoort resp. het aanslui-
tingstype in kwestie hoofdstuk 10.4 tot hoofdstuk 10.6.
Metingen verrichten
Zie hoofdstuk 10.4 tot hoofdstuk 10.6.
10.2 Aardweerstandmeting – op batterijen werkend „gebruik op
oplaadbare batterijen“
(alleen MPRO & MXTRA)
De volgende vijf meetsoorten resp. aansluitingen zijn mogelijk:
3-polige meting met adapter PRO-RE
4-polige meting met adapter PRO-RE
selectieve meting met tang (4-polige meting)
met adapter PRO-RE
2-tangenmeting met adapter PRO-RE/2
Bepaling van de specifieke weerstand
E
met adapter PRO-RE
Afbeelding rechts:
Adapter PRO-RE voor aan-
sluiting van de aardelek-
trode, vervangende aardelek-
trode, de sonde en de tester
voor
3-/4-polige meting, selectieve
meting en specifieke weer-
standmeting
Afbeelding rechts:
Meetadapter PRO-RE/2 als toebe-
horen voor de aansluiting van de
generatortang E-Clip 2 voor de 2-
tangen- resp. aardlusweerstands-
meting.
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
De gekozen bedrijfsmodus wordt geïnverteerd weergegeven: wit
batterijsymbool op zwarte achtergrond.
Meting netgevoed niet mogelijk:
Als de aansluiting niet bij de gebruiksmodus
past, verschijnt de hiernaast afgebeelde fout-
melding.
Parameter instellen
Meetbereik: AUTO, 50 k, 20 k, 2 k, 200 , 20
Overzetverhouding stroomtangsensor:
1:1 (1V/A,) 1:10 (100mV/A), 1:100 (10mV/A), 1:1000 (1mV/A)
Aansluitingstype: 3-polig, 4-polig, selectief, 2-tangen,
E
(Rho)
Afstand d (voor meting
E
): xx m
Zie voor zinvolle parameters voor de meetsoort resp. het aanslui-
tingstype in kwestie hoofdstuk 10.7 tot hoofdstuk 10.11.
Metingen verrichten
Zie hoofdstuk 10.7 tot hoofdstuk 10.11.
R
E
R
E
32 GMC-I Messtechnik GmbH
10.3 Aardingsweerstand netgevoed – 2-polige meting met 2-polige adapter of landspecifieke stekker (contactstop) zonder sonde
Legenda
R
B
Systeemaarde
R
E
Aardingsweerstand
R
i
Interne weerstand
R
X
Aardingsweerstand door systemen van de potentiaal-
vereffening
R
S
Sondeweerstand
PAS Potentiaalvereffeningsrail
RE Totale aardingsweerstand (R
E1
//R
E2
//waterleiding)
In de gevallen waarin het niet mogelijk is om een sonde te plaat-
sen, kunt u de aardingsweerstand door schatting zonder sonde
bepalen met een „aardusweerstandsmeting“.
De meting wordt op dezelfde manier verricht als beschreven in
hoofdstuk 10.4 „Meting van de aardingsweerstand netgevoed –
3-polige meting: 2-polige adapter met sonde“ vanaf pagina 33.
Aan de sondeaansluiting 17 is echter geen sonde aangesloten.
De weerstandswaarde R
ESchl
die bij deze meetmethode wordt
gemeten, bevat ook de weerstandswaarden van de sys-
teemaarde R
B
en van de buitenste geleider L. Voor het berekenen
van de aardingsweerstand moeten deze twee waarden worden
afgetrokken van de gemeten waarde.
Als men uitgaat van gelijke draaddiameters (buitenste geleider L
en nulleider N), dan is de weerstand van de buitenste geleider half
zo groot als de netimpedantie Z
L-N
(buitenste geleider + nulleider).
U kunt de netimpedantie meten, zoals beschreven in hoofdstuk 9
vanaf pagina 28. De systeemaarde R
B
mag volgens
DIN VDE 0100 „0 tot 2 “ bedragen.
1) Meting: Z
LN
is R
i
= 2 · R
L
2) Meting: Z
L-PE
is R
ESchl
3) Berekening: R
E1
is Z
L-PE
– 1/2 · Z
L-N
; voor R
B
= 0
Bij het berekenen van de aardingsweerstand is het zinvol om
geen rekening te houden met de weerstandswaarde van de sys-
teemaarde R
B
, omdat deze waarde over het algemeen niet
bekend is.
De berekende weerstandswaarde bevat dan als veiligheidstoe-
slag de weerstand van de systeemaarde.
In de parameterkeuze worden de stappen 1) t/m 3)
automatisch verricht door de tester.
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
Parameter instellen
Meetbereik: AUTO, 10 k (4 mA), 1 k (40 mA), 100 (0,4 A),
10 (3,7 ... 7 A). Bij installaties met RCD-aardlekschakelaar
moet de weerstand resp. de meetstroom zodanig worden ge-
kozen dat deze onder de aanspreekstroom (½ I
N
) ligt.
Aansluitingstype: 2-polige adapter
Contactspanning: UL < 25 V, < 50 V, < 65 V
Golfvorm meetstroom: Sinus (volle golf), 15 mA-sinus (volle golf),
DC-Offset en positieve halve golf
Netvorm: TN/TT, IT
Overzetverhouding: hier niet van belang
Meting starten
P
R
O
F
I
T
E
S
T
Ri
W
a
t
e
r
l
e
i
d
i
n
g
E
2
E
1
B
R
E
Limiet /
R
E
> Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
grenswaarde:
GMC-I Messtechnik GmbH 33
10.4 Meting van de aardingsweerstand netgevoed – 3-polige meting: 2-polige adapter met sonde
Legenda
R
B
Systeemaarde
R
E
Aardingsweerstand
R
X
Aardingsweerstand door systemen van de
potentiaalvereffening
R
S
Sondeweerstand
PAS Potentiaalvereffeningsrail
RE Totale aardingsweerstand (R
E1
//R
E2
//waterleiding)
Meting R
E
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
Aansluiting
Aangesloten worden: 2-polige adapter en sonde
Parameter instellen
Meetbereik: AUTO,
10 k (4 mA), 1 k (40 mA), 100 (0,4 A), 10 (3,7 ... 7 A)
Bij installaties met RCD-aardlekschakelaar moet de weerstand
resp. de meetstroom zodanig worden gekozen dat deze onder
de aanspreekstroom (½ I
N
) ligt.
Aansluitingstype: 2-polige adapter + sonde
Contactspanning: UL < 25 V, < 50 V, < 65 V, willekeurig inst-
elbare spanning zie hoofdst. 5.7
Golfvorm meetstroom:
Sinus (volle golf), 15 mA-sinus (volle golf),
DC-Offset en positieve halve golf
Netvorm: TN/TT, IT
Overzetverhouding: hier niet van belang
Meting starten
Opmerking
Als de 2-polige adapter verkeerd is
aangesloten, verschijnt het volgende
diagram in beeld.
P
R
O
F
I
T
E
S
T
W
a
t
e
r
l
e
i
d
i
n
g
SE
2
E
1
B
R
E1
U
Sonde
I
---------------=


R
E
Limiet /
R
E
> Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
grenswaarde:
34 GMC-I Messtechnik GmbH
10.5 Aardweerstandmeting op stroom werkend – Meten van de aardelektrodespanning (functie U
E
)
Deze meting is alleen mogelijk met sonde, zie hoofdst. 10.4.
De aardelektrodespanning U
E
is de spanning die op de aardelek-
trode tussen de aardaansluiting en de referentieaarde optreedt,
als er tussen de buitenste geleider en de aardelektrode een kort-
sluiting ontstaat. De berekening van de aardelektrodespanning is
voorgeschreven in de Zwitserse norm NIV/NIN SEV 1000.
Meetprocedure
Voor de berekening van de aardelektrodespanning meet het
apparaat eerst de aardlusweerstand R
ESchl
en meteen daarna de
aardingsweerstand R
E
. Het apparaat bewaart beide meetwaar-
den en berekent hieruit volgens de formule
de aardelektrodespanning en geeft deze op het display aan.
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen Meetbereik kiezen
Aansluiting
Aangesloten worden: 2-polige adapter en sonde
Parameter instellen
Meetbereik: 10 / U
E
Aansluitingstype: 2-polige adapter + sonde
Contactspanning: UL < 25 V, < 50 V, < 65 V, willekeurig inst-
elbare spanning zie hoofdst. 5.7
Golfvorm meetstroom: hier alleen sinus (volledige golf) !
Netvorm: TN/TT, IT
Overzetverhouding: hier niet van belang
Meting starten
Opmerking
Als de 2-polige adapter verkeerd is
aangesloten, verschijnt het volgende
diagram in beeld.
P
R
O
F
I
T
E
S
T
Ri
W
a
t
e
r
l
e
i
d
i
n
g
SE
2
E
1
B
U
E
U
N
R
E
R
ESchl
-------------------=
R
E
Limiet /
R
E
> Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
grenswaarde:
GMC-I Messtechnik GmbH 35
10.6 Meting van de aardingsweerstand netgevoed – Selectieve meting van de aardingsweerstand met stroomtangsensor als
toebehoren
Als alternatief voor de klassieke meetmethode kan een meting ook worden verricht met de stroomtangsensor.
Legenda
R
B
Systeemaarde
R
E
Aardingsweerstand
R
L
Leidingsweerstand
R
X
Aardingsweerstand door systemen van de
potentiaalvereffening
R
S
Sondeweerstand
PAS Potentiaalvereffeningsrail
RE Totale aardingsweerstand (R
E1
// R
E2
// waterleiding)
Meting zonder tang: R
E
= R
E1
// R
E2
Meting met tang: R
E
= R
E2
=
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
Aansluiting
Aangesloten worden: 2-polige adapter, tang en sonde
Parameter instellen op de tester
Meetbereik (meetstroomkeuze):
1 k (40 mA), 100 (0,4 A), 10 (3,7 ... 7 A)
Bij installaties met RCD-aardlekschakelaar kan de functie
DC-Offset en positieve halve golf (DC + ) gekozen wor-
den (alleen binnen het bereik 10 en alleen met
METRAFLEX P300).
Aansluitingstype: 2-polige adapter + tang
na parameterselectie: automatische instelling op meetbereik
10 en overzetverhouding 1 V/A resp. 1000 mV/A
Contactspanning: UL < 25 V, < 50 V, < 65 V, willekeurig inst-
elbare spanning zie hoofdst. 5.7
Golfvorm meetstroom:
Sinus (volledige golf), DC-Offset en positieve halve golf
(DC + )
Netvorm: TN/TT, IT
Overzetverhouding stroomtangsensor: zie tabel onderaan
Parameter instellen op de stroomtangsensor
Meetbereik stroomtangsensor: zie tabel onderaan
Meetbereik op de stroomtangsensor kiezen
Belangrijke instructies voor het gebruik van de stroomtangsensor
Gebruik voor deze meting uitsluitend de stroomtangsensor
METRAFLEX P300 of de Z3512A.
Lees absoluut de gebruiksaanwijzing
van de stroomtang METRAFLEX P300 en de daarin beschre-
ven veiligheidsinstructies.
Let absoluut op de stroomrichting, zie de pijl op de stroom-
tangsensor.
•Gebruik de tang terwijl ze vast is aangesloten. De sensor mag tij-
dens de meting niet bewogen worden.
De stroomtangsensor mag alleen worden gebruikt op vol-
doende afstand van sterke interferentievelden .
P
R
O
F
I
T
E
S
T
W
a
t
e
r
l
e
i
d
i
n
g
SE
2
E
1
B
U
Sonde
I
Zange
---------------


R
E
Meetapparaat Tang METRAFLEX P300 Meetapparaat
Parameter
Overzet-
verhouding
Schakelaar Meetbereik Meetbereik
1:1
1 V / A
3 A (1 V/A) 3 A 0,5 ... 100 mA
1:10
100 mV / A
30 A (100 mV/A) 30 A 5 ... 999 mA
1:100
10 mV / A
300 A (10 mV/A) 300 A 0,05 ... 10 A
36 GMC-I Messtechnik GmbH
Onderzoek vóór gebruik altijd de elektronicabehuizing, de ver-
bindingskabel en de flexibele stroomsensor op beschadigin-
gen.
Om een elektrische schok te voorkomen moet u de METRA-
FLEX schoon houden en mag het oppervlak niet verontreinigd
raken.
Zorg ervoor dat de flexibele stroomsensor, de verbindingskabel en
de elektronicabehuizing vóór gebruik droog zijn.
Meting starten
Als u de overzetverhouding in de tester heeft veranderd, verschijnt
er een pop-up in beeld met de opmerking dat deze nieuwe instel-
ling ook op de aangesloten stroomtangsensor moet worden ver-
richt.
i: Instructie m.b.t. de
momenteel
ingestelde overzet
ver-
houding in de tester.
RE
tang
: selectieve aardingsweerstand gemeten met tang
RE
sonde
: totale aardingsweerstand gemeten met sonde,
vergelijkende waarde
Opmerking
Als de 2-polige adapter verkeerd is
aangesloten, verschijnt het volgende
diagram in beeld.
GMC-I Messtechnik GmbH 37
10.7 Meting van de aardingsweerstand – batterijgevoed „gebruik op oplaadbare batterijen“ – 3-polig (alleen MPRO & MXTRA)
Driedraadsprocedure
Meting van de aardingsweerstand volgens de
driedraadsprocedure
Aansluiting
Zet de pennen voor de sonde en de hulpaardelektrode op
minstens 20 m resp. 40 m afstand van de aardelektrode, zie
afbeelding boven.
Zorg ervoor dat er geen hoge overgangsweerstanden tussen
de sonde en de grond zijn.
Monteer de adapter PRO-RE (Z501S) op de teststekker.
Sluit de sonde, de hulpaardelektrode en de aardelektrode aan
via de banaanbussen van 4 mm van de adapter PRO-RE.
Let hierbij op het opschrift van de banaanbussen!
De aansluiting ES/P1 blijft vrij.
De weerstand van de meetleiding naar de aardelektrode wordt
rechtstreeks meegerekend in het meetresultaat.
Om de fout die door de weerstand van de meetleiding wordt ver-
oorzaakt zo klein mogelijk te houden, moet u bij deze meetproce-
dure een korte verbindingsleiding met een grote dwarsdoorsnede
gebruiken tussen aardelektrode en aansluiting „E“.
Opmerking
Om shunts te verkomen moeten de meetleidingen goed
geïsoleerd zijn. De meetleidingen mogen niet worden
gekruist of over een lange afstand parallel met elkaar ver-
lopen. Hierdoor wordt de invloed van koppelingen tot een
minimum beperkt.
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
De gekozen bedrijfsmodus wordt geïnverteerd weer-
gegeven: wit batterijsymbool op zwarte achtergrond.
Parameter instellen
Meetbereik: AUTO, 50 k, 20 k, 2 k, 200 , 20
Aansluitingstype: 3-polig
Overzetverhouding: hier niet van belang
Afstand d (voor meting
E
): hier niet van belang
Meting starten
PROFITEST MPRO, PROFITEST MXTRA
E
SH
20 m 20 m
SHESE
R
E
38 GMC-I Messtechnik GmbH
10.8 Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed
„gebruik op oplaadbare batterijen“
– 4-polig (alleen MPRO & MXTRA)
Vierdraadsprocedure
De vierdraadsprocedure wordt gebruikt bij een hoge weerstand
van de toevoerleiding van de aardelektrode naar de apparaataan-
sluiting.
Bij deze schakeling wordt de weerstand van de toevoerleiding van
de aardelektrode naar de klem „E“ van het apparaat niet meege-
meten.
Figuur 10.8.1 Meting van de aardingsweerstand volgens de
vierdraadsprocedure
Aansluiting
Zet de pennen voor de sonde en de hulpaardelektrode op
minstens 20 m resp. 40 m afstand van de aardelektrode, zie
afbeelding boven.
Zorg ervoor dat er geen hoge overgangsweerstanden tussen
de sonde en de grond zijn.
Monteer de adapter PRO-RE (Z501S) op de teststekker.
Sluit de sonde, de hulpaardelektrode en de aardelektrode aan
via de banaanbussen van 4 mm van de adapter PRO-RE.
Let hierbij op het opschrift van de banaanbussen!
Opmerking
De aardelektrode wordt bij de vierdraadsprocedure met
twee gescheiden meetleidingen verbonden met de klem-
men „E“ resp. „ES. De sonde wordt aangesloten op klem
S“ en de hulpaardelektrode op klem „H“.
Opmerking
Om shunts te verkomen moeten de meetleidingen goed
geïsoleerd zijn. De meetleidingen mogen niet worden
gekruist of over een lange afstand parallel met elkaar ver-
lopen. Hierdoor wordt de invloed van koppelingen tot een
minimum beperkt.
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
De gekozen bedrijfsmodus wordt geïnverteerd weer-
gegeven: wit batterijsymbool op zwarte achtergrond.
Parameter instellen
Meetbereik: AUTO, 50 k, 20 k, 2 k, 200 , 20
Aansluitingstype: 4-polig
Overzetverhouding: hier niet van belang
Afstand d (voor meting
E
): hier niet van belang
Meting starten
Spanningstrechter
U weet of de locaties van sonde en hulpaardelektrode geschikt
zijn als u het verloop van de spanning resp. spreidingsweerstand
van de bodem bekijkt.
De meetstroom die vanuit de aardingsmeter door de aardelek-
trode en hulpaardelektrode wordt gestuurd, genereert een poten-
tiaalvereffening in de vorm van een spanningstrechter(vgl. Figuur
10.8.3 pagina 39) om de aardelektrode en de hulpaardelektrode
heen. De weerstandsverdeling verloopt net als de spanningsver-
deling.
De spreidingsweerstanden van de aardelektrode en hulpaardelek-
trode zijn meestal verschillend. De twee spannings- resp. weer-
standstrechters zijn daarom niet symmetrisch.
Spreidingsweerstand van aardelektroden met geringe extensie
Om de spreidingsweerstand van aardelektroden op een juiste
manier te meten is de opstelling van de sonde en hulpaardelek-
trode van essentieel belang.
De sonde moet in de zogenaamde neutrale zone (referentieaarde)
tussen de aardelektrode en hulpaardelektrode worden geplaatst
(vgl. Figuur 10.8.2 pagina 39).
De spannings- resp. weerstandscurve verloopt daarom vrijwel
horizontaal binnen de neutrale zone.
Voor het kiezen van de juiste weerstanden voor sonde en hul-
paardelektrode gaat u als volgt te werk:
Sla de hulpaardelektrode in de grond op een afstand van ca.
40 m van de aardelektrode.
PROFITEST MPRO, PROFITEST MXTRA
SHESE
E
SH
20 m 20 m
R
E
GMC-I Messtechnik GmbH 39
Plaats de sonde in het midden van de verbindingslijn aard-
elektrode - hulpaardelektrode en bepaal de aardingsweer-
stand.
Verander de afstand van de sonde 2 3 m in de richting van
de aardelektrode en dan 2 3 m in de richting van de hul-
paarde ten opzichte van de oorspronkelijke locatie en meet de
aardingsweerstand.
Als de 3 metingen hetzelfde resultaat opleveren, is dit de aar-
dingsweerstand die u zoekt. De sonde bevindt zich in de neutrale
zone.
Als de drie meetwaarden echter van elkaar afwijken, bevindt zich
de locatie van de sonde niet in de neutrale zone of verloopt de
spannings- resp. weerstandscurve niet horizontaal op de plaats
waar de sonde is ingestoken.
Figuur 10.8.2 Spanningsverloop in de homogene grond
tussen aardelektrode E en hulpaardelektrode H
De juiste meetresultaten verkrijgt u in dergelijke gevallen als u de
afstand tussen de hulpaardelektrode en aardelektrode vergroot of
de sonde op de middelloodlijn tussen de hulpaardelektrode en
aardelektrode (vgl. Figuur 10.8.3) verzet. Door het verzetten van
de sonde op de middelloodlijn komt het sondepunt uit de invloed-
zone van de twee spanningstrechters van de aardelektrode en de
hulpaardelektrode.
Figuur 10.8.3 Afstand van de sonde S buiten de spanningstrechter die
tussen aardelektrode E en hulpaardelektrode H met de
middelloodlijn samenvalt
Spreidingsweerstand van aardingsinstallaties met een grotere
extensie
Voor het meten van gespreide aardingsinstallaties zijn aanzienlijk
grotere afstanden naar de sonde en hulpaardelektrode van toe-
passing. Men rekent hier met de 2,5- resp. 5-voudige waarde van
de grootste diagonaal van de aardingsinstallatie.
Zulke gespreide aardingsinstallaties hebben vaak spreidingsweer-
standen van slechts enkele ohm of minder, zodat het vooral
belangrijk is om de meetsonde in de neutrale zone te plaatsen.
De richting voor de sonde en hulpaardelektrode moet u kiezen in
een rechte hoek van 90°ten opzichte van de lineaire extensie van
de aardingsinstallatie. De spreidingsweerstand moet klein gehou-
den worden; indien nodig moeten hiervoor meerdere aardpennen
worden gebruikt (afstand 1 2m) en met elkaar worden verbon-
den.
In de praktijk worden grote meetafstanden vaak niet bereikt
omdat zich op het terrein moeilijkheden voordoen.
In dit geval gaat u te werk zoals in Figuur 10.8.4 is aangegeven.
De hulpaardelektrode H wordt geplaatst op de grootst moge-
lijke afstand van de aardingsinstallatie.
Met de sonde wordt de zone tussen de aardelektrode en de
hulpaardelektrode in gelijk grote stappen afgetast (breedte
van de stappen ca. 5 m).
De gemeten weerstanden worden in een tabel en daarna gra-
fisch aangebracht, zoals weergegeven in Figuur 10.8.4 (curve I).
Als men door het keerpunt S1 een lijn trekt die parallel met de
abscis verloopt, dan deelt deze lijn de weerstandscurve in twee
delen.
Het onderste gedeelte is gemeten aan de ordinaten het resultaat
van de gezochte spreidingsweerstand van de aardelektrode R
A/E
;
de bovenste waarde is de spreidingsweerstand van de hulpaard-
elektrode R
A/H
.
De spreidingsweerstand moet bij een dergelijke meetopstelling
kleiner zijn dan het 100-voudige van de spreidingsweerstand van
de aardelektrode.
Bij weerstandscurven zonder uitgesproken horizontale zone moet
de meting worden gecontroleerd met een veranderde locatie van
de hulpaardelektrode. Deze bijkomende weerstandscurve moet
met veranderde standaard voor de abscis zodanig in het eerste
diagram worden ingevoerd dat de twee locaties van de hulpaard-
elektroden samenvallen. Met het keerpunt S2 kan de spreidings-
weerstand worden gecontroleerd die het eerst wordt bepaald
Figuur 10.8.4.
Instructies voor metingen in een nadelig terrein
In een zeer slecht terrein (bv. zandbodem na een lang aanhou-
dende droge periode) kan de weerstand van de hulpaardelek-
trode en de sonde tot de toegelaten waarden worden verlaagd
door sodawater of zout water over de grond rond de aardelek-
trode en de hulpaardelektrode te gieten.
Als deze maatregel niet volstaat, dan kunnen andere aardpennen
parallel worden geschakeld met de hulpaardelektrode.
In een bergachtig terrein of bij een stenige ondergrond waar de
aardpennen niet in de grond geslagen kunnen worden, is het ook
mogelijk om geknoopt gaas te gebruiken met een maaswijdte van
1 cm en een oppervlak van ca. 2 m
2
. Deze gazen moeten vlak op
de bodem liggen. Giet er sodawater of zout water overheen en
verzwaar ze eventueel met een vochtige zak die met aarde is
gevuld.
Figuur 10.8.4 Meten van de aardingsweerstand van een gespreide aar-
dingsinstallatie
d = Afstand aardelektrode - Hulpaardelektrode
E = Aardelektrode
H = Hulpaardelektrode
I = Meetstroom
K = neutrale zone (referentieaarde)
U
E
= Aardingsspanning
R
E
= U
E
/ I = aardspanning
= Potentiaal
I
I
d
E
H
U
E
K
E = locatie aardelektrode
H = locatie hulpaardelektrode
S = locatie sonde
S
HE
Curve I (KI) Curve II (KII)
mWmW
5
10
15
20
25
30
40
60
80
100
0,9
1,28
1,62
1,82
1,99
2,12
2,36
2,84
3,68
200
10
20
40
60
80
100
120
140
160
200
0,8
0,98
1,60
1,82
2,00
2,05
2,13
2,44
2,80
100
S1, S2 = Keerpunten
KI = Curve I
KII = Curve II
S1, S2 = Keerpunten
KI = Curve I
KII = Curve II
S
1
S
2
KI
K II
4
3
2
1
0
10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 m KI
20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 m KII
5
R
A/H
R
A/E
0
0
S HESE
40 GMC-I Messtechnik GmbH
10.9 Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed „Op batterijen werkend“ – selectief (4-polig)
met stroomtangsensor en meetadapter PRO-RE als toebehoren (alleen MPRO & MXTRA)
Algemeen
In installaties met meerdere parallel geschakelde aardelektroden
wordt bij metingen van de aardingsweerstand de totale weer-
stand van de aardingsinstallatie gemeten.
Bij de meting worden twee aardpennen (hulpaardelektrode en
sonde) geplaatst. De meetstroom wordt ingevoerd tussen de
aardelektrode en de hulpaardelektrode. De spanningsval wordt
gemeten tussen aardelektrode en sonde.
De stroomtang wordt om de aardelektrode geplaatst die moet
worden gemeten. Hierdoor wordt alleen het gedeelte van de
meetstroom gemeten dat daadwerkelijk door de aardelektrode
stroomt.
Aansluiting
Zet de pennen voor de sonde en de hulpaardelektrode op
minstens 20 m resp. 40 m afstand van de aardelektrode, zie
afbeelding boven.
Zorg ervoor dat er geen hoge overgangsweerstanden tussen
de sonde en de grond zijn.
Monteer de adapter PRO-RE (Z501S) op de teststekker.
Sluit de sonde, de hulpaardelektrode en de aardelektrode aan
via de banaanbussen van 4 mm van de adapter PRO-RE.
Let hierbij op het opschrift van de banaanbussen!
Sluit de stroomtangsensor Z3512A aan op de stekkerbussen (15)
en (16) op de tester.
Bevestig de stroomtangsensor aan de aardelektrode.
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
De gekozen bedrijfsmodus wordt geïnverteerd weergegeven:
wit batterijsymbool op zwarte achtergrond.
Parameter instellen op de tester
Meetbereik: 200
Opmerking
Als op selectieve meting wordt omgeschakeld, wordt
automatisch omgeschakeld op het meetbereik AUTO, als
een meetbereik van meer dan 200 was ingesteld.
Aansluitingstype: selectief
Overzetverhouding stroomtangsensor:
1:1 (1V/A,) 1:10 (100mV/A), 1:100 (10mV/A)
Afstand d (voor meting
E
): hier niet van belang
Parameter instellen op de stroomtangsensor
Meetbereik stroomtangsensor: zie tabel onderaan
Meetbereik op de stroomtangsensor kiezen
Belangrijke instructies voor het gebruik van de stroomtangsensor
Gebruik voor deze meting uitsluitend de stroomtangsensor
Z3512A.
•Gebruik de tang terwijl ze vast is aangesloten. De sensor mag tij-
dens de meting niet bewogen worden.
De stroomtangsensor mag alleen worden gebruikt op vol-
doende afstand van sterke interferentievelden.
Let erop dat de aansluitleidingen van de stroomtangsensor zo
veel mogelijk gescheiden van de sondeleidingen worden aan-
gelegd.
Meting starten
PROFITEST MPRO, PROFITEST MXTRA
R
E
Meetapparaat Tang Z3512A
Parameter
Overzet-
verhouding
Schakelaar Meetbereik
1:1
1 V / A
1 A / x 1 1 A
1:10
100 mV / A
10 A / x 10 10 A
1:100
10 mV / A
100 A / x 100 100 A
GMC-I Messtechnik GmbH 41
10.10 Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed „gebruik op batterijen – Aardweerstandmeting
(met stroomtangsensor en -transformator alsook meetadapter PRO-RE/2 als toebehoren)(alleen MPRO & MXTRA)
Methode 2-tangmeting
Bij aardingsinstallaties die uit
meerdere aardelektroden
bestaan die met elkaar zijn
verbonden (R1...Rx) kan de
aardingsweerstand van een
aardelektrode (Rx) afzonder-
lijk worden bepaald met
behulp van 2 stroomtangen,
zonder dat Rx daarvoor
moet worden afgekoppeld of pennen moeten worden geplaatst.
Deze meetmethode is vooral geschikt voor gebouwen en installa-
ties waarvoor geen sonden en hulpaardelektroden kunnen wor-
den geplaatst of aardelektroden niet afgekoppeld mogen worden.
Daarnaast is deze meting zonder pennen één van de drie metin-
gen die verricht wordt op bliksemafleidsystemen. Hiermee wordt
getest of stromen kunnen worden afgeleid.
Afbeelding rechts:
Meetadapter PRO-RE/2 als toebe-
horen voor de aansluiting van de
generatorstroomtang E-Clip 2
Aansluiting
Er moeten geen sonden en hulpaardelektroden worden ge-
plaatst.
Ook het afkoppelen van de aardelektrode valt weg.
Monteer de adapter PRO-RE/2 (Z502T) op de teststekker.
Sluit de generatortang (stroomtangtransformator) E-Clip 2 aan met
behulp van de veiligheidsstekker van 4 mm van de adapter
PRO-RE/2.
Sluit de stroomtangsensor Z3512A aan op de stekkerbussen (15)
en (16) op de tester.
Fixeer de 2 tangen op een aardelektrode (spies) en doe dit op
verschillende hoogten en met een afstand die groter of gelijk is
aan 30 cm.
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
De gekozen bedrijfsmodus wordt geïnverteerd weer-
gegeven: wit batterijsymbool op zwarte achtergrond.
Parameter instellen op de tester
Meetbereik: hier doorgaans AUTO
Opmerking
Als op 2-tangenmeting wordt omgeschakeld, wordt
automatisch naar het bereik AUTO geschakeld. Dit bereik
kan dan niet meer worden veranderd!
Aansluitingstype: 2-tangen
Overzetverhouding stroomtangsensor:
1:1 (1V/A), 1:10 (100mV/A), 1:100 (10mV/A)
Afstand d (voor meting
E
): hier niet van belang
Parameter instellen op de stroomtangsensor
Meetbereik stroomtangsensor: zie tabel onderaan
Meetbereik op de stroomtangsensor kiezen
Belangrijke instructies voor het gebruik van de stroomtangsensor
Gebruik voor deze meting uitsluitend de stroomtangsensor
Z3512A.
•Gebruik de tang terwijl ze vast is aangesloten. De sensor mag tij-
dens de meting niet bewogen worden.
De stroomtangsensor mag alleen worden gebruikt op vol-
doende afstand van sterke interferentievelden.
Zorg er voor dat de aansluitleidingen van de 2 tangen naar
mogelijkheid van elkaar gescheiden gelegd zijn.
Meting starten
PROFITEST MPRO, PROFITEST MXTRA
Meetapparaat Tang Z3512A
Parameter
Overzetverhouding
Schakelaar Meetbereik
1:1
1 V / A
1 A / x 1 1 A
1:10
100 mV / A
10 A / x 10 10 A
1:100
10 mV / A
100 A / x 100 100 A
R
E
42 GMC-I Messtechnik GmbH
10.11
Meting van de aardingsweerstand batterijgevoed „gebruik op
oplaadbare batterijen“
– Meting van de specifieke aardings-
weerstand
E
(alleen MPRO & MXTRA)
Algemeen
Meting van de specifieke aardweerstand
De bepaling van de specifieke aardingsweerstand is noodzakelijk
voor de planning van aardingsinstallaties. Hierbij moeten betrouw-
bare waarden worden bepaald die zelfs rekening houden met
zeer slechte omstandigheden, zie „Geologische analyse“ op
pagina 43.
Doorslaggevend voor de grootte van de spreidingsweerstand van
een aardelektrode is de specifieke weerstand van de aarde. Deze
kan met de PROFITEST MASTER worden gemeten volgens de
methode van Wenner.
Op de afstand d worden op een rechte lijn vier zo lang mogelijke
aardpennen in de grond geslagen en met een aardingsmeter ver-
bonden, zie afbeelding boven.
De normale lengte van de aardpennen is 30 tot 50 cm; bij slecht-
geleidende grond (zandbodem enz.) kunnen langere aardpennen
worden gebruikt. De inslagdiepte van de aardpen mag hoogstens
1/20 bedragen van de afstand d.
Opmerking
Er bestaat een gevaar voor foutieve metingen, als er buis-
leidingen, kabels of andere onderaardse metalen leidin-
gen parallel met de meetopstelling lopen.
De specifieke aardingsweerstand wordt berekend volgens de for-
mule:
E
=2 d R
Hierbij is:
= 3,1416
d = Afstand tussen twee aardpennen in m
R = Bepaalde weerstandswaarde in (deze waarde komt overeen met
R
E
die bepaald wordt met de 4-draadsmeting)
Aansluiting
Plaats de pennen voor de sonde en de hulpaardelektrode tel-
kens op een gelijke afstand, zie afbeelding boven.
Zorg ervoor dat er geen hoge overgangsweerstanden tussen
de sonde en de grond zijn.
Monteer de adapter PRO-RE (Z501S) op de teststekker.
Sluit de sonde, de hulpaardelektrode en de aardelektrode aan
via de banaanbussen van 4 mm van de adapter PRO-RE.
Let hierbij op het opschrift van de banaanbussen!
Meetfunctie kiezen
Gebruiksmodus kiezen
De gekozen bedrijfsmodus wordt geïnverteerd weer-
gegeven: wit batterijsymbool op zwarte achtergrond.
Parameter instellen
Meetbereik: AUTO, 50 k, 20 k, 2 k, 200 , 20
Aansluitingstype:
E
(Rho)
Overzetverhouding: hier niet van belang
Abstand d voor meting
E
: kan van 0,1 m tot 999 m worden be-
werkt
Meting starten
ES ESH
dd d
R
E
GMC-I Messtechnik GmbH 43
Geologische analyse
Afgezien van extreme gevallen gaat de meting van de bodem die
moet worden onderzocht tot een diepte die ongeveer gelijk is met
de afstand van de sonde d.
Het is dus mogelijk dat u door een variatie van de sondeafstand
informatie verkrijgt over de lagenstructuur van de ondergrond.
Goed geleidende lagen (grondwaterspiegel) waarin de aardelek-
trode moet worden aangelegd, kunnen daarom in een slecht
geleidende omgeving worden getraceerd.
Specifieke aardingsweerstanden zijn onderhevig aan grote
schommelingen die verschillende oorzaken kunnen hebben als
porositeit, doorvochtiging, oplossingsconcentratie van zouten in
het grondwater en klimatologische schommelingen.
Het verloop van de specifieke aardingsweerstand
E
naargelang
het jaargetijde (de bodemtemperatuur en de negatieve tempera-
tuurcoëfficiënten van de grond) kan tamelijk goed bij benadering
worden weergegeven door een sinuscurve.
Specifieke aardingsweerstanden E al naar gelang het jaargetijde zonder
beïnvloeding door neerslag (ingraafdiepte van de aarddraad <1,5m)
In de volgende tabel worden enkele specifieke aardingsweerstan-
den voor verschillende bodems samengesteld.
Specifieke aardweerstand
E
bij verschillende bodemsoorten
Berekenen van de spreidingsweerstanden
Voor de vaak voorkomende aardelektrodevormen zijn in deze
tabel de formules aangegeven voor het berekenen van de sprei-
dingsweerstanden.
In de praktijk volstaan meestal deze vuistregels.
Formules voor het berekenen van de spreidingsweerstand R
A
voor ver-
schillende aardelektroden
R
A
= Spreidingsweerstand ()
E
= Specifieke weerstand (m)
I = Lengte van de aardelektrode (m)
D = Doorsnede van een ringaardelektrode, doorsnede van het reserve-
kringoppervlak van een maasaardelektrode of doorsnede van een
halfronde aardelektrode (m)
F= Oppervlak (m
2
) van het omsloten oppervlak van een ring- of maas-
aardelektrode
a = Kantlengte (m) van een kwadratische aardelektrodeplaat; bij recht-
hoekige platen moet voor a het volgende worden ingezet:
bxc, b
en c zijn hierbij de twee zijden van de rechthoek.
J = Inhoud (m
3
) van een aparte fundering
Soort bodem specifieke aardingsweerstand
E
[m]
natte moerasbodem 8 60
akkerbodem, leem- en kleibodem,
vochtig grind
20 300
vochtige zandbodem 200 600
droge zandbodem,
droog grind
200 2000
stenige bodem 300 8000
Rots 10
4
10
10
+
E
(%)
10
20
30
-10
-20
-30
jan. maart mei juli sept. nov.
Nummer Aardelektrode Vuistregel Hulpgrootheid
1
Stripaardelektrode
(stralenaardelektrode)
2
Stafaardelektrode
(diepte-aardelektrode)
3 Ringaardelektrode
4 Maasaardelektrode
5 Plaataardelektrode
6 Halfronde aardelektrode
R
A
2
E
I
----------
=
R
A
E
I
----
=
R
A
2
E
3D
----------
=
D 1,13 F
2
=
R
A
2
E
2D
----------
=
D 1,13 F
2
=
R
A
2
E
4,5 a
----------
=
R
A
E
D
--------
=
D 1,57 J
3
=
44 GMC-I Messtechnik GmbH
11 Meten van de isolatieweerstand
Let op!
!
Isolatieweerstanden kunnen alleen op spanningsvrije ob-
jecten worden gemeten.
11.1 Algemeen
Meetfunctie kiezen
Aansluiting
2-polige adapter of test-
stekker
Opmerking
Als u de teststekker met stekkerinzetstuk gebruikt, wordt
de isolatieweerstand alleen gemeten tussen de met „L
gemarkeerde aansluiting van de buitenste geleider en de
aansluiting van de aardleiding PE!
Opmerking
Controleer de meetkabels vóór een meetreeks
Vóór de isolatiemeting moet u door middel van het kort-
sluiten van de meetkabels op de meetpennen controleren
of het apparaat < 1 k aangeeft. Hiermee kan een ver-
keerde aansluiting voorkomen worden. Men kan hiermee
ook achterhalen of meetleidingen zijn onderbroken.
Parameters instellen
* willekeurig instelbare spanning zie hoofdst. 5.7
De poling kiezen
* Parameter AUTO zie hoofdst. 5.8
Doorslagstroom voor hellingfunctie
Grenswaarden voor doorslagspanning
Grenswaarden voor constante testspanning
Testspanning
Voor metingen aan gevoelige onderdelen en bij installaties met
spanningsbegrenzende onderdelen kan een van de nominale
spanning afwijkende en meestal lagere testspanning worden
ingesteld.
Spanningsvorm
De functie stijgende testspanning (hellingfunctie) „U
ISO
“ is bedoeld
voor het opsporen van zwakke plaatsen in de isolatie en voor het
bepalen van de aanspreekspanning van spanningsbegrenzende
bouwelementen. Als u de knop ON/START indrukt, wordt de test-
spanning continu verhoogd tot aan de opgegeven nominale
spanning U
N
. U is de spanning die tijdens en na de meting op de
meetpennen wordt gemeten. Deze daalt na het meten tot een
waarde onder de 10 V, zie paragraaf „Meetobject ontladen“.
De isolatiemeting met stijgende testspanning wordt beëindigd:
zodra de maximaal ingestelde testspanning U
N
UN bereikt
wordt en de meetwaarde stabiel is
of
zodra de ingestelde meetstroom bereikt wordt
(bv. na een overslag bij de doorslagspanning).
Voor U
ISO
wordt de maximaal ingestelde testspanning U
N
of een
eventueel aanwezige aanspreek- resp. doorslagspanning aangege-
ven.
R
ISO
Spanningsvorm: Constant
Testspanning
:
50 V / 100 V / 250 V / 325 V / 500 V / 1000 V
Spanningsvorm: Stijging/helling
Aardlekweerstand:
xxx V*
2-polige meting (keuze alleen voor rapportage van belang):
Metingen tussen:
Lx-PE / N-PE / L+N-PE / Lx-N / Lx-Ly / AUTO*
met x, y = 1, 2, 3
Limiet /
I > I
Limiet
U
ISO
(U
INS
)
STOP
grenswaarde:
onderste grenswaarde:
U
ISO
(U
INS
)
invoerbaar bereik:
> 40V ... < 999 V
bovenste grenswaarde:
Limiet /
R
ISO
< Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
U
ISO
(U
INS
)
grenswaarde:
GMC-I Messtechnik GmbH 45
De functie constante testspanning biedt twee mogelijkheden:
Als u kort op de knop ON/START drukt, wordt de ingestelde
testspanning U
N
uitgevoerd en de isolatieweerstand R
ISO
gemeten. Als de meetwaarde stabiel is (bij hoge leidingcapa-
citeiten kan de inslingertijd enkele seconden bedragen) wordt
de meting beëindigd en de laatste meetwaarde voor R
ISO
en
U
ISO
weergegeven. U is de spanning die tijdens en na de
meting op de meetpennen wordt gemeten. Deze daalt na het
meten tot een waarde onder de 10 V, zie paragraaf „Meetob-
ject ontladen“.
of
Zolang u op de knop ON/START drukt, wordt de testspanning
U
N
uitgevoerd en de isolatieweerstand R
ISO
gemeten. Laat de
knop pas los als de meetwaarde stabiel is (bij hoge
leidingcapaciteiten kan de inslingertijd enkele seconden
bedragen). De spanning U die tijdens de meting wordt
gemeten, stemt hierbij overeen met de spanning
ISO
. Als u de
knop ON/START heeft losgelaten, wordt de meting afgesloten
en wordt de laatste meetwaarde voor R
ISO
en U
ISO
weergege-
ven. U daalt na het meten tot een waarde onder 10 V, zie
paragraaf „Meetobject ontladen“.
Keuze van de polen rapporteren
Alleen voor het rapporteren kunnen hier de polen worden aange-
geven, waartussen er gemeten wordt. De informatie is niet van
invloed op de daadwerkelijke keuze van meetpennen of de polen.
Limieten – Instellen van de grenswaarde
U kunt de grenswaarde van de isolatieweerstand instellen. Als er
meetwaarden onder deze grenswaarde optreden, dan brandt de
rode LED U
L
/R
L
. U kunt kiezen uit grenswaarden tussen 0,5 M
und 10 M. De grenswaarde verschijnt boven de meetwaarde in
beeld.
Meting starten – stijgende testspanning (hellingfunctie)
Kort indrukken:
Snel omschakelen van de polariteit, als de parameter op AUTO is inge-
steld: 01/10 ... 10/10: L1-PE ... L1-L3
Opmerking
Bij de keuze van een „Halfautomatische polariteitswissel“
(zie hoofdst. 5.8) wordt in de plaats van de helling het
symbool voor halfautomatische polariteitswissel weerge-
geven.
Algemene instructie voor isolatiemeting met hellingfunctie
De isolatiemeting met hellingfunctie is bedoeld voor de volgende
functies:
Het opsporen van zwakke plaatsen in de isolatie van de meet-
objecten
Het bepalen van de aanspreekspanning resp. het testen van
de correcte werking van spanningsbegrenzende bouwele-
menten. Dit kunnen bijvoorbeeld varistoren, overspanningsbe-
grenzers (bv. DEHNguard® van Dehn+Söhne) of vonkbrug-
gen zijn.
De meetspanning van de tester stijgt continu bij deze meetfunctie,
maximaal tot de gekozen grensspanning. De meetprocedure
wordt gestart met de knop „START/STOPP“ en verloopt auto-
noom totdat zich één van de volgende gebeurtenissen voordoet:
de gekozen grensspanning wordt bereikt,
de ingestelde grensstroom wordt bereikt,
of
er is een doorslag (bij vonkbruggen).
Er wordt bij het meten van de isolatie met hellingfunctie een
onderscheid gemaakt tusssen de volgende drie procedures:
Testen van overspanningsbegrenzers of varistoren
resp. bepalen van hun aanspreekspanning:
Kies de maximale spanning zodanig dat de te verwachten
doorslagspanning van het meetobject ongeveer in het tweede
derde gedeelte van de maximale spanning ligt (neem eventu-
eel het gegevensblad van de fabrikant in acht).
Keuze van de grensstroomsterkte volgens de eisen resp.
gegevens in het gegevensblad van de fabrikant (karakteristiek
van het meetobject).
Bepalen van de aanspreekspanning van de vonkbruggen:
Kies de maximale spanning zodanig dat de te verwachten
doorslagspanning van het meetobject ongeveer in het tweede
derde gedeelte van de maximale spanning ligt (neem eventu-
eel het gegevensblad van de fabrikant in acht).
Keuze van de grensstroomsterkte volgens de eisen in het
bereik 5…10 μA (bij grotere grensstromen is de responsie
hierbij te onstabiel, zodat er foutieve meetresultaten kunnen
ontstaan).
Opsporen van zwakke plaatsen in de isolatie:
Keuze van de maximale spanning zodanig dat deze de toege-
laten isolatiespanning van het meetobject niet overschrijdt.
Men kan ervan uitgaan dat een isolatiefout reeds optreedt bij
een aanzienlijk kleinere spanning, als de maximale spanning in
verhouding kleiner wordt gekozen (maar minstens groter is
dan de doorslagspanning die wordt verwacht) - de stijging
van de helling vermindert hierdoor (verbeterde meetnauwkeu-
righeid).
Keuze van de grensstroomsterkte volgens de eisen in het
bereik 5…10 μA (vgl. instelling bij vonkbruggen).
Meting starten – constante testspanning
voor continue meeting
ingedrukt houden:
Snel omschakelen van de polariteit, als de parameter op AUTO is inge-
steld: 01/10 ... 10/10: L1-PE ... L1-L3
Opmerking
Tijdens de isolatieweerstandsmeting worden de batte-
rijen van het apparaat sterk belast. Druk alleen zolang op
de knop Start bij de functie „constante testspanning“
(als continue meting vereist is) totdat de weergave stabiel
is.
46 GMC-I Messtechnik GmbH
Bijzondere voorwaarden bij de isolatieweerstandsmeting
Let op!
!
Isolatieweerstanden kunnen alleen op spanningsvrije ob-
jecten worden gemeten.
Als de gemeten isolatieweerstand kleiner is dan de ingestelde
grenswaarde, dan brandt de LED U
L
/R
L
.
Als er in de installatie een stoorspanning is van
25 V, dan wordt
de isolatieweerstand niet gemeten. De LED MAINS/NETZ brandt
en de pop-up „Stoorspanning aanwezig“ verschijnt in beeld.
Alle leidingen (L1, L2, L3 en N) moeten ten opzichte van PE wor-
den gemetengemeten!
Let op!
!
Raak de aansluitcontacten van het apparaat niet aan als
er een isolatieweerstandsmeting loopt!
Als de aansluitcontacten vrij zijn of als ze voor meting zijn aange-
sloten op een ohmse verbruiker, dan zou er bij een spanning van
1000 V een stroom van ca. 1 mA door uw lichaam stromen. Door
de duidelijk voelbare stroomstoot loopt u kans op lichamelijk letsel
(bv. als gevolg van een schrikreactie enz.).
Meetobject ontladen
Let op!
!
Als u aan een capacitief object meet, bv. aan een lange
kabel, dan zal deze zich tot op ca. 1000 V opladen! Het
aanraken van die kabel is dan levensgevaarlijk!
Als u aan capacitieve objecten de isolatieweerstand heeft geme-
ten, dan ontlaadt het meetobject zich na afloop van de meting
automatisch via het apparaat. Het contact met het object moet
hiervoor nog steeds bestaan. Het verminderen van de spanning
wordt zichtbaar met U.
Koppel de aansluiting pas af, als voor U < 10 V wordt aangegeven!
Evaluatie van de meetwaarden
Om ervoor te zorgen dat de waarden niet onder de vereiste
grenswaarden voor isolatieweerstand volgens de DIN VDE-bepa-
lingen komen, moet er rekening worden gehouden met de meet-
fout van het apparaat. Aan de hand van Tabel 3 op pagina 88
kunt u de vereiste minimum weergavewaarden voor isolatieweer-
standen bepalen. De waarden houden rekening met de maximale
fout (in nominale gebruiksomstandigheden) van het apparaat.
Tussenwaarden kunt u interpoleren.
11.2 Bijzonder geval aardlekweerstand (R
EISO
)
Deze meting wordt verricht om het geleidingsvermogen te bepa-
len van elektrostatische ladingen voor vloerbedekkingen volgens
EN 1081.
Meetfunctie kiezen
Parameters instellen
* willekeurig instelbare spanning zie hoofdst. 5.7
Aansluiting en meetop-
bouw
Wrijf de vloerbedekking af met een droog doek op de plaats
waar moet worden gemeten.
Stel de vloersonde 1081 op en belast ze met een gewicht van
minstens 300 N (30kg).
Maak een geleidende verbinding tussen de meetelektrode en
de meetpen en verbind de meetadapter (2-polig) met de aar-
dingsaansluiting, bv. de randaarde van een stopcontact, de
centrale verwarming, op voorwaarde dat de aardverbinding
veilig is.
Meting starten
De hoogte van de grenswaarde van de aardlekweerstand richt
zich naar de relevante bepalingen.
R
ISO
Limiet /
RE(ISO) > Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
R
EISO
grenswaarde:
Spanningsvorm: Constant
Testspanning:
50 V / 100 V / 250 V / 325 V / 500 V / 1000 V*
Spanningsvorm: Stijging/helling
Aardlekweerstand:
GMC-I Messtechnik GmbH 47
12
Meten van laagohmige weerstanden tot 200 ohm
(aardleidingen en potentiaalvereffeningsleidingen)
De meting van laagohmige weerstanden van aardleidingen, aard-
geleiders of potentiaalvereffeningsleidingen moet volgens de
voorschriften worden verricht met (automatische) ompoling van
de meetspanning of met stroomloop in de ene (+ Pol naar PE) en
in de andere richting (– Pol naar PE).
Let op!
!
Laagohmige weerstanden mogen alleen op spannings-
vrije objecten worden gemeten.
Meetfunctie kiezen
Aansluiting
alleen met een 2-polige
adapter!
Parameter instellen
ROFFSET ON/OFF
– In aanmerking nemen van meetleidingen tot 10
Bij het gebruik van meetleidingen of verlengingsleidingen kan hun
ohmse weerstand automatisch worden afgetrokken van het
meetresultaat.
Ga hiervoor als volgt te werk:
Zet ROFFSET van OFF naar ON. „ROFFSET = 0.00 “ wordt in de
voettekst in beeld gebracht.
Kies een polariteit of kies voor automatische ompoling.
Veroorzaak een kortsluiting met het einde van de verlengde
meetleiding en de tweede meetpen van de tester.
Start de meting van de offsetweersrand met I
N
.
Allereerst weerklinkt er een interval waar-
schuwingssignaal en verschijnt er een knippe-
rende instructie in beeld om te voorkomen dat
een reeds opgeslagen offsetwaarde per ver-
gissing wordt gewist.
Start de offsetmeting door nogmaals
op de activeringsknop te drukken of
annuleer ze met een druk op de knop
ON/START (in dit geval = ESC).
Opmerking
Als de offsetmeting wordt gestopt door een fout-popup
(als Roffset > 10 resp. als het verschil tussen RLO+ en
RLO– groter is dan 10%), dan blijft de voor het laatst
gemeten offsetwaarde behouden. Hiermee is het vrijwel
onmogelijk dat de eenmaal berekende offsetwaarde per
vergissing wordt gewist! In het andere geval wordt tel-
kens de kleinste waarde als offsetwaarde bewaard. De
maximale offset bedraagt 10,0 . Door de offset kunnen
negatieve weerstandswaarden ontstaan.
ROFFSET meten
In de voettekst van het display verschijnt nu de melding ROFFSET
x.xx. Hierbij staat x.xx voor een waarde tussen 0,00 en 10,0 .
Deze waarde wordt nu bij alle volgende R
LO
-metingen afgetrok-
ken van het eigenlijke meetresultaat, als u de softkeyknop R
OFFSET
ON/OFF op ON heeft geschakeld.
R
OFFSET moet in de volgende gevallen opnieuw worden bepaald:
bij het wisselen tussen de polariteiten
na het omschakelen van ON naar OFF en terug.
U kunt de offsetwaarde bewust wissen door ROFFSET van OFF
op ON te schakelen.
Opmerking
Gebruik deze functie uitsluitend als u met verlengingslei-
dingen werkt. Bij het gebruik van verschillende verlen-
gingsleidingen, moet de voordien beschreven procedure
in principe worden herhaald.
Type / polariteit
Hier kan de richting van de stroomloop worden ingesteld.
Limieten – Instellen van de grenswaarde
Hier kunt u de grenswaarde van de weerstand instellen Als er
meetwaarden boven deze grenswaarde optreden, dan brandt de
rode LED U
L
/R
L
. Er kunnen grenswaarden worden gekozen tus-
sen 0,10 en 10,0 (editeerbaar). De grenswaarde verschijnt
boven de meetwaarde in beeld.
R
LO
ROFFSET: ON OFF
Polariteit:
Polariteit: +/– ten opzichte van PE
met hellingverloop
+/– ten opzichte van PE
Limiet /
R
LO
> Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
grenswaarde:
48 GMC-I Messtechnik GmbH
12.1 Meting met constante meetstroom
Meting starten
voor continue meeting
ingedrukt houden
Let op!
!
U moet altijd het eerst de meetpennen op het meetobject zet-
ten, voordat u op de knop Start
drukt.
Als het object onder spanning staat, wordt de meting geblok-
keerd als u het eerst de meetpennen aanbrengt.
Als u het eerst op de knop Start
drukt en vervolgens de
meetpennen op het meetobject zet, spreekt de zekering aan.
Welke van de twee zekeringen aanspreekt, wordt in de pop-up
van de foutmelding door een pijl weergegeven.
Bij een éénpolige meting wordt de waarde telkens als RLO over-
genomen in de database.
Automatische ompoling
Na het starten van de meetprocedure meet het apparaat bij auto-
matische ompoling eerst in de ene en dan in de andere stroom-
richting. Bij een continue meting (knop START ingedrukt houden)
vindt de ompoling om de seconde plaats.
Als bij de automatische ompoling het verschil tussen RLO+ en
RLO– groter is dan 10%, dan worden de waarden RLO+ en RLO–
in plaats van RLO in beeld gebracht. De grootste waarde van
RLO+ en RLO– staat telkens bovenaan en wordt in de database
overgenomen als waarde RLO.
Beoordeling van de meetresultaten
Verschillende resultaten bij de meting in beide stroomrichtingen
duiden op spanning op het meetobject (bv. thermospanningen of
elementspanningen).
Vooral in installaties waarin de beveiligingsmaatregel „overstroom-
beveiliging“ (vroeger nulstelling) zonder gescheiden aardleiding
wordt toegepast, kunnen de meetresultaten worden vervalst door
parallel geschakelde impedanties van gebruiksstroomkringen en
door compensatiestromen. Ook weerstanden die tijdens de
meting veranderen (bv. inductiviteiten) of ook een slecht contact
kunnen de oorzaak zijn van een verkeerde meting (dubbele weer-
gave).
Om ervoor te zorgen dat u concrete meetresultaten krijgt, moet
de oorzaak van de fout worden gevonden en verholpen.
Meet de weerstand in beide richtingen om de oorzaak van de
meetfout te vinden.
Tijdens de weerstandsmeting worden de batterijen van het appa-
raat sterk belast. Druk bij de meting met stroomloop in een rich-
ting niet langer op de knop START
dan nodig is voor de meting.
Opmerking
Laagohmige weerstanden meten
De weerstanden van meetkabel en meetadapter (2-polig)
worden door de meting in vierdraadstechniek automa-
tisch gecompenseerd en worden niet meegerekend in
het meetresultaat. Als u echter een verlengingsleiding
gebruikt, dan moet u de weerstand ervan meten en hem
aftrekken van het meetresultaat.
Weerstanden die pas na een „inslingerprocedure“ een
stabiele waarde bereiken, mag u niet met automatische
ompoling meten, maar na elkaar met positieve en nega-
tieve polariteit.
Weerstand waarvan de waarden bij een meting kunnen
veranderen, zijn bijvoorbeeld:
weerstanden van gloeilampen waarvan de waarden
veranderen
op basis van de opwarming
door de meetstroom
weerstanden met een hoog inductief aandeel
overgangsweerstanden op contactpunten
Evaluatie van de meetwaarden
Zie Tabel 4 op pagina 88.
Bepalen van leidinglengten van gangbare koperleidingen
Als u na de weerstandsmeting op de knop HELP drukt, dan wor-
den voor gangbare dwarsdoorsneden de respectievelijke lei-
dinglengten berekend en in beeld gebracht.
In geval van verschillende resultaten in beide stroomrichtingen
vervalt de weergave van leidinglengten. In dit geval is er blijkbaar
sprake van capacitieve of inductieve aandelen die de berekening
vervalsen.
Deze tabel geldt uitsluitend voor leidingen van normaal in de han-
del verkrijgbaar leidingkoper en kan niet voor andere materialen
(bv. aluminium) worden gebruikt!
De poling kiezen Display Voorwaarde
+ Pool ten opzichte van PE RLO+ geen
– Pool ten opzichte van PE RLO geen
Pol ten opzichte van PE
RLO als RLO 10 %
RLO+
RLO
als RLO > 10 %
GMC-I Messtechnik GmbH 49
12.2 Weerstandsmeting van aardleider met hellingverloop
– Meting op PRCD’s met aardleider met stroomcontrole en met de meetadapter PROFITEST PRCD als toebehoren
Gebruik
Bij bepaalde types PRCD’s wordt de aardleiderstroom bewaakt.
Direct in- of uitschakelen van de meetstroom van tenminste 220
mA die nodig is voor het meten van de weerstand van aardleiders
leidt tot aanspreken van de PRCD en dus ook tot afkoppeling van
de aardleiderverbinding. Het meten van de aardleider is dan niet
meer mogelijk.
Een speciaal hellingverloop voor het in- of uitschakelen van de
meetstroom in combinatie met de meetadapter PROFITEST PRCD
maakt het meten van de aardleiderweerstand mogelijk zonder dat
de PRCD aanspreekt.
Tijdsverloop van de hellingfunctie
Vanwege de natuurkundige eigenschappen van de PRCD liggen
de meettijden bij deze hellingfunctie binnen het bereik van meer-
dere seconden.
Bij ompoling van de meetstroom is bovendien een extra wachttijd
tijdens de ompoling noodzakelijk.
Deze is in de bedrijfsmodus „Automatische ompoling“
in het meetproces ingeprogrammeerd.
Als u de poolrichting handmatig omscha-
kelt, bv. van „+pool met helling“
op „–pool met helling“
, dan neemt de tester deze
verandering van de stroomrichting waar,
blokkeert de meting gedurende de ver-
eiste wachttijd en brengt tevens een mel-
ding hierover in beeld, zie de afbeelding rechts.
Weergave van de meet- en wachtfases bij de weerstandsmeting van
aardleiding op PCRD’s met de PROFITEST MXTRA
Aanspreken van een PRCD door slecht contact
Let er bij het meten op dat er goed contact is tussen de meetpen-
nen van de 2-polige adapter en het meetobject of de connectoren
op de meetadapterPROFITEST PRCD. Onderbrekingen kunnen tot
sterke fluctuaties in de meetstroom leiden die in het slechtste
geval de PRCD laten aanspreken.
In dit geval wordt het aanspreken van de
PRCD eveneens automatisch waargeno-
men door de tester en aangegeven met
een foutmelding, zie de afbeelding rechts.
Ook in dit geval houdt de tester zich auto-
matisch aan een daarna vereiste wacht-
tijd voordat u de PRCD opnieuw activeert
en de meting opnieuw gestart kan worden.
Aansluiting
Lees de gebruiksaanwijzing van de adapter PROFITEST PRCD en
in het bijzonder hoofdst. 4.1. daarin vindt u ook de aansluitin-
structies voor de offsetmeting en voor de weerstandsmeting
van de aardleiding.
Polingsparameter kiezen
Kies de gewenste polingsparameter met helling.
ROFFSET meten
Verricht de offsetmeting zoals beschreven op Pagina 47,
zodat de aansluitcontacten van de meetadapter niet worden
meegerekend bij het meetresultaat.
Opmerking
De offset blijft alleen bewaard als u de polingsparameter
niet verandert. Als u de meting verricht met handmatige
ompoling (+pool of –pool), dan moet u de offsetmeting
vóór elke meting in een andere polariteit herhalen.
Aardleiderweerstand meten
Controleer of de PRCD geactiveerd is. Zo niet, activeer deze
dan.
Verricht de aardleidingsmeting zoals eerder beschreven in de
hoofdst. 12.1. Start het meetproces door even op de knop
ON/STARTte drukken. Als u de knop ON/START ingedrukt houdt,
kunt u de vooraf ingestelde duur van de meetfase verlengen.
Meting starten
Tijdens de magnetiseringsfase (curvestijging) en de
daarop volgende meetfase (constante stroom) verschijnt
het symbool rechts in beeld.
Als u de meting reeds tijdens stijgingsfase afbreekt, dan kan er
geen meetresultaat worden berekend noch in beeld worden
gebracht.
Na de meting wordt de ontmagnetiseringsfase (curveda-
ling) en een daarop volgende wachttijd aangegeven met
het geïnverteerde symbool rechts.
Gedurende deze tijd kan er geen nieuwe meting worden gestart.
Pas als het hiernaast afgebeelde symbool in beeld ver-
schijnt, kunt u het meetresultaat aflezen en kunt u de
meting in dezelfde polariteit of in een andere polariteit
starten.
Meetfase Ontmagnetiseren
en wachttijd
Resultaat of
Tijd [s]
Stijgings-
fase
Meetstroom [A]
01 3 6
0,25
voor ompoling
hernieuwde
start
50 GMC-I Messtechnik GmbH
13 Metingen met sensoren als toebehoren
13.1 Stroommeting met behulp van een stroomtangsensor
Voor-, lek- en compensatiestromen tot 1 A alsook werkstromen
tot 1000 A kunt u met behulp van speciale stroomtangen meten
die u voor dit doel aansluit op de stekkerbussen (15) en (16).
Let op!
!
Gevaar door hoge spanningen!
Gebruik alleen de als toebehoren aangegeven
stroomtangen van GMC-I Messtechnik GmbH.
Andere stroomtangensensoren zijn aan de secundaire
zijde mogelijk niet met een belastingsweerstand afgeslo-
ten. Gevaarlijk hoge spanningen kunnen in dit geval de
gebruiker en de tester in gevaar brengen.
Let op!
!
Maximale ingangsspanning op de tester!
Meet geen grotere stromen dan aangegeven voor het
maximale meetbereik van de tang in kwestie.
De maximum ingangsspanning op de tangaansluitingen
(15) en (16) van de tester mag niet hoger liggen dan 1 V!
Let op!
!
Lees absoluut de gebruiksaanwijzingen van de stroomtan-
gen door en houdt u zich aan de daarin beschreven vei-
ligheidsinstructies, vooral met betrekking tot de
geoorloofde meetcategorie.
Meetfunctie kiezen
Meetbereik op de stroomtangsensor kiezen
Parameter instellen
Naargelang het ingestelde meetbereik op de stroomtangsensor
moet de parameter overzetverhouding dienovereenkomstig ook
op de tester worden ingesteld.
Het aangeven van de default van grenswaarden leidt tot een auto-
matische beoordeling aan het einde van de meting.
Aansluiting
Meting starten
Meetapparaat Tangen Meetapparaat
Parameter
Overzetver-
houding
Schakelaar
WZ12C
Schakelaar
Z3512A
Meetbereik
WZ12C
Meetbereik
Z3512A
Meetbereik
1:1
1 V / A
1 mV / mA
x 1000 [mV/
A]
1 mA... 15
A
0 ... 1 A 5 ... 999 mA
1:10
100 mV / A
x 100 [mV/
A]
0 ... 10 A 0,05 ... 10 A
1:100
10 mV / A
x 10 [mV/A] 0 ... 100 A 0,5 ... 100 A
1:1000
1 mV / A
1 mV / A x 1 [mV/A]
1 A ... 150
A
0 ... 1000 A
5 ... 150 A/999
A
Meetapparaat Tang Meetapparaat
Parameter
Overzetverhou-
ding
Schakelaar
METRAFLEX P300
Meetbereik
METRAFLEX P300
Meetbereik
1:1
1 V / A
3 A (1 V/A) 3 A 5 ... 999 mA
1:10
100 mV / A
30 A (100 mV/A) 30 A 0,05 ... 10 A
1:100
10 mV / A
300 A (10 mV/A) 300 A 0,5 ... 100 A
SENSOR
Uitvoerbereik
Tang
Limiet /
I < en I > Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
grenswaarde:
„I“ mit METRAFLEXP300
GMC-I Messtechnik GmbH 51
14 Speciale functies – schakelaarstand EXTRA
schakelaarstand EXTRA kiezen
Overzicht van de speciale functies
Keuze van de speciale functies
Als u op de bovenste softkeyknop drukt, komt u in de lijst met de
speciale functies. Kies de gewenste functie met behulp van het
symbool.
Soft-
keyknop
Betekenis /
speciale functie
MBASE+
M
TECH+
M
PRO
MXTRA
SECULIFE IP
Hoofd
stuk/
pa-
gina
Spannings-
dalingsmeting
Functie U
✓✓✓✓✓
hoofd
stuk
14.1
pagin
a 52
Locatie-
isolatie-
impedantie
Functie Z
ST
✓✓✓✓✓
hoofd
stuk
14.2
pagin
a 53
Meting van de
meterstarttest
Functie kWh
✓✓✓✓
hoofd
stuk
14.3
pagin
a 54
Lekstroomme-
ting
Functie I
L
———
✓✓
hoofd
stuk
14.4
pagin
a 55
Isolatiebewaking
controleren
Functie IMD
———
✓✓
hoofd
stuk
14.5
pagin
a 56
Rest-
spannings-
meting
Functie Ures
———
hoofd
stuk
14.6
pagin
a 58
Intelligente
helling
Functie ta + I
———
hoofd
stuk
14.7
pagin
a 59
RCM Residual
Current Monitor
Functie RCM
———
hoofd
stuk
14.8
pagin
a 60
Controleren
van de bedrijfs-
statussen van
een elektrische
auto op elektri-
sche laadpun-
ten volgens
IEC 61851
hoofd
stuk
14.9
pagin
a 61
Rapportering
van fout-
simulaties op
PRCD’s met de
Adapter PROFI-
TEST PRCD
———
hoofd
stuk
14.10
pagin
a 62
EXTRA
52 GMC-I Messtechnik GmbH
14.1 Spanningsval meten (bij Z
LN
) – functie U
Betekenis en weergave van U (volgens DIN VDE 100 deel 600)
De spanningval van het snijpunt tussen verdelingsnet en verbrui-
kersinstallatie tot aan het aansluitpunt van een elektrisch
gebruiksmiddel
(contactdoos of aansluitklem van het apparaat) mag
niet hoger zijn dan 4% van de nominale spanning van het net.
Berekening van de spanningsval (zonder offset):
U = Z
L-N
• Nonimale stroom van de zekering
Berekening van de spanningsval (met offset):
U = (Z
L-N
- Z
OFFSET
) • Nonimale stroom van de zekering
U in % = 100 • U / U
L-N
Kijk voor de meetprocedure en de aansluiting ook in hoofdstuk 9.
Aansluiting en meetopbouw
Parameters instellen
Opmerking: Als de nominale stroom I
N
wordt veranderd met de
beschikbare U
OFFSET
, dan wordt de offsetwaarde automatisch
aangepast.
Grenswaarden instellen
TAB Grenswaarden volgens de Technische aansluitomstandig-
heden voor de aansluiting op het laagspanningsnet
tussen verdeelnet en meetvoorziening
DIN Grenswaarde volgens DIN 18015-1: U < 3%
tussen meetvoorziening en verbruiker
VDE Grenswaarde volgens DIN VDE 0100-520: U < 4%
tussen verdeelnet en verbruiker
(hier instelbaar tot 10%)
NL Grenswaarde volgens NIV: U < 5%
Meting zonder OFFSET
Ga hiervoor als volgt te werk:
Zet OFFSET van ON op OFF.
OFFSET (in %) berekenen
Ga hiervoor als volgt te werk:
Zet OFFSET van OFF op ON. „U
OFFSET = 0.00 %“ verschijnt in
beeld.
Sluit de meetsonde aan op het overdrachtspunt (meetvoorzie-
ning/meter).
Start de meting van de offset met
D
N.
Allereerst weerklinkt er een interval waar-
schuwingssignaal en verschijnt er een knippe-
rende instructie in beeld om te voorkomen dat
een reeds opgeslagen offsetwaarde per ver-
gissing wordt gewist.
Start de offsetmeting door nogmaals
op de activeringsknop te drukken of
annuleer ze met een druk op de knop
ON/START (in dit geval = ESC).
U
OFFSET x.xx % verschijnt in beeld, waarbij x.xx een waarde kan
aannemen tussen 0,00 en 99,9 %.
Er verschijnt een foutmelding in het popup-venster bij Z > 10

Meting met OFFSET
starten
1
2
Nominale stromen: 2...160 A
Keuze van de polariteit: Lx-N
Doorsnede: 1,5 ... 70 mm²
Kabeltypes: NY..., H03... - H07...
Aantal aders: 2 ... 10 aders
Aanspreekkarakteristieken: B, L
Limiet /
U % > Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
U
rood / red
grenswaarde:
2
GMC-I Messtechnik GmbH 53
14.2 Meten van de impedantie van isolerende vloeren en muren
(standsplaatsisolatie-impedantie) - functie Z
ST
Meetprocedure
Het apparaat meet de impedantie tussen een belaste metalen
plaat en de aarde. Als wisselspanningsbron wordt de netspanning
gebruikt die op de meetplaats aanwezig is. De vervangingsscha-
keling van Z
ST
wordt beschouwd als parallelschakeling.
Aansluiting en meetopbouw
Opmerking: Gebruik de meetopbouw zoals beschreven in hoofdst.
11.2 (driehoekssonde) of het volgende.
Bedek de vloer resp. de muur op minder goede plaatsen, bv.
in voegen of waar vloerbedekking tegen de muur aankomt,
met een vochtige doek van ca. 270 mm x 270 mm.
Breng de sonde 1081 op het vochtige doek en belast ze bij
vloeren met een gewicht van 750 N/75 kg (een persoon) of bij
muren met 250 N/25 kg (bv. met de hand die door een hand-
schoen wordt geïsoleerd tegen de muur aandrukken).
Maak een geleidende verbinding met de sonde 1081 en ver-
bind de aansluiting met de sondeaansluiting van het apparaat.
Sluit het apparaat met de teststekker aan op een contact-
doos.
Let op!
!
Raak de metalen plaat of de vochtige doek
niet met de blote handen aan.
Op deze plaatsen kan maximaal de halve netspanning
staan! Er kan een stroom stromen tot max. 3,5 mA!
Bovendien wordt de meetwaarde vervalst.
Meting starten
Meetwaarde evalueren
Na afloop van de meting moet u de meetwaarde evalueren:
De weerstandswaarden moeten op meerdere plaatsen worden
gemeten, zodat voldoende beoordeling mogelijk is. De gemeten
weerstand mag op geen enkele plaats onder de waarde van
50k komen. Als de gemeten weerstand groter is dan 30 M,
dan verschijnt op het display altijd Z
ST
> 30.0M.
Bij de evaluatie „NOT OK“ wordt een fout aangegeven met de
rood brandende LED UL/RL.
Kijk voor de evaluatie van de meetwaarden ook in Tabel 5 op
pagina 89.
Pas na uw evaluatie kan de meetwaarde worden bewaard en
hiermee worden overgenomen in het meetrapport.
Meetwaarde opslaan
OK
NOT OK
54 GMC-I Messtechnik GmbH
14.3 Controleren van de meterstart met randaardestekker
– Functie kWh (niet SECULIFE IP)
Het starten van energieverbruiksmeters kan hier worden getest.
Aansluiting L – N
Randaardestekker
Meting starten
De meter wordt getest met behulp van een interne lastweerstand
en een meetstroom van ca. 250 mA. Nadat u op de knop Start
heeft gedrukt, wordt het meetvermogen getoond en kunt u bin-
nen de volgende 5 s controleren of de meter correct begint te
lopen. Het pictogram voor „RUN“ verschijnt in beeld.
TN-netten: Alle 3 fasen (buitenste geleiders) moeten successieve-
lijk ten opzichte van N worden gemeten.
In andere netten moeten alle buitenste geleiders (actieve leidin-
gen) ten opzichte van elkaar worden gemeten.
Opmerking
Als een minimumcapaciteit niet wordt gehaald, wordt de
meting niet gestart of wordt ze geannuleerd.
Meetwaarde evalueren
Na afloop van de meting moet u de meetwaarde evalueren:
Bij de evaluatie „NOT OK“ wordt een fout aangegeven met de
rood brandende LED UL/RL.
Pas na uw evaluatie kan de meetwaarde worden bewaard en
hiermee worden overgenomen in het meetrapport.
Meetwaarde opslaan
Speciaal geval
Het starten van energieverbruiksmeters die tussen L-L of L-N
geschakeld zijn, kan hier worden getest.
Aansluiting L – L
2-polige adapter
Opmerking
Als er geen stopcontacten met randaarde aanwezig zijn,
dan kunt u de 2-polige adapter gebruiken. Hierbij moet u
de meetpen PE (L2) met N in contact brengen en de
meting starten.
Als u de meetpen PE (L2) bij de meting van de meterstart
met PE in contact brengt, stroomt er ca. 250 mA door de
aardleiding en een eventueel daarvoor liggende RCD
wordt uitgeschakeld.
OK
NOT OK
GMC-I Messtechnik GmbH 55
14.4 Lekstroommeting met lekstroommeetadapter PRO-AB als
toebehoren – functie I
L
(alleen MXTRA & SECULIFE IP)
Gebruik
De meting van de contactspanning volgens DIN VDE 0107 deel
10 en de meting van de continu stromende lek- en patiëntenhulp-
stromen conform IEC 62353 (VDE 0750 deel 1) / IEC 601-1 /
EN 60601-1:2006 (Medische elektrische apparaten – Algemene
bepalingen voor de veiligheid) is met het toebehoren lekstroom-
meetadapter PRO-AB mogelijk als apparaat dat voor de tester
PROFITEST MXTRA wordt geschakeld.
Volgens de hierboven aangegeven voorschriften kunnen met deze
meetadapter stromen worden gemeten tot 10 mA. Om het
stroommeetbereik volledig te kunnen bepalen met de meetingang
die op de tester aanwezig is (dubbelpolige meettangingang),
beschikt de tester over een bereikomschakeling met de overzet-
verhoudingen 10:1 en 1:1. In het bereik 10:1 wordt de spanning
in dezelfde verhouding verdeeld.
Aansluiting en meetopbouw
Voor de lekstroommeting moet de adapter met zijn meetuitgang
in de meetingangen worden gestoken die zich aan de linker zijde
van de PROFITEST MXTRA bevinden (tweepolige tangingang en
sondeingang).
Een willekeurige ingang van de lekstroommeetadapter wordt met
behulp van een meetleiding verbonden met de referentieaarde
(bv. veilige aardelektrode/potentiaalvereffening). De andere ingang
wordt door middel van een andere meetleiding in contact
gebracht met de metalen behuizing (aanraakbaar deel) van het
meetobject (meetpen/krokodillenklem).
Test van de adapters PRO-AB
U moet de adapter vóór het gebruik regelmatig testen, zie hier-
voor de gebruiksaanwijzing van de adapter.
Meetprocedure
Zie voor het verrichten van de meting ook de gebruiksaanwijzing
van de lekstroommeetadapter PRO-AB.
Let op!
!
Tijdens de lekstroommeting moet de teststekker zich in
de houder bevinden. Deze mag onder geen enkele voor-
waarde worden verbonden met delen van de installatie
(ook niet PE/aardpotentiaal). Zo niet kunnen de meet-
waarden kunnen worden vervalst.
Met de knop „START“ wordt de meting gestart resp. weer
gestopt. De lekstroommeting is een continue meting d.w.z. deze
blijft doorlopen totdat ze door de gebruiker opnieuw wordt
gestopt. Tijdens de meting wordt de actuele meetwaarde perma-
nent weergegeven.
Opmerking
Voor het verrichten van de meting moet de zelftest in het
menu (functietoets TEST ON/OFF) gedeactiveerd (OFF) zijn.
Begin altijd met het grote meetbereik (10:1). Begin uitzonderlijk
met het kleine meetbereik als u er zeker van bent dat de ver-
wachte meetwaarden klein zijn (1:1). Het meetbereik moet wor-
den ingesteld op de meetadapter en ook in het menu met de
functietoets (RANGE). Er moet worden gecontroleerd of de berei-
kinstellingen op de adapter en de tester identiek zijn om het
meetresultaat niet te vervalsen.
Naargelang de grootte van de meetwaarden kan of moet (bij over-
loop van het bereik) de bereikinstelling handmatig worden gecorri-
geerd op de meetadapter en op de tester.
Met de functietoets „Limits“ kunt u de individuele grenswaarden
instellen. Een overschrijding wordt weergegeven door de rode
grenswaarde-LED op de tester.
56 GMC-I Messtechnik GmbH
14.5
Isolatiebewakingsapparaten testen – functie IMD
(alleen PROFITEST MXTRA & SECULIFE IP)
Gebruik
Isolatiebewakingsapparaten IMD’s (
I
nsulation
M
onitoring
D
evice) of
aardsluitingsaanwijzers (
E
arthfault
D
etection
S
ystem) worden
gebruikt in IT-netten om het instandhouden van een minimale isola-
tieweerstand te bewaken zoals dit in DIN VDE 0100-410 vereist is.
Zij worden gebruikt in stroomvoorzieningen waarbij een éénpolige
aardsluiting geen uitval van de stroomvoorziening mag veroorza-
ken bv. in operatiezalen of fotovoltaïsche systemen.
De isolatiebewakers kunnen met behulp van deze speciale functie
worden getest. Als u de knop ON/START indrukt, wordt hiervoor
een instelbare isolatieweerstand geschakeld tussen één van de
twee fasen van het IT-net dat bewaakt moet worden en de aarde.
De weerstand kan tijdens de meting in de bedrijfsmodus voor
manueel verloop „MAN±“ worden veranderd met de softkeyknop-
pen „+“ of „–“ of in de bedrijfsmodus „AUTO“ automatisch wor-
den gevarieerd van R
max
tot R
min
. De meting wordt beëindigd als
u de knop ON/START opnieuw indrukt.
De tijd waarin de actuele weerstandswaarde sinds de waardever-
andering op het net was, verschijnt in beeld. De weergave en res-
ponsie van de IMD kan uitsluitend met de softkeyknoppen „OK“
of „NOT OK“ worden beoordeeld en gerapporteerd.
Aansluiting L – N
Parameter instellen
– MAN/AUTO (1)
Omschakelen tussen
manuele meetprocedure
MAN
en automatische
meetprocedure
AUTO
– Leidingreferentie en
grenswaarden veran-
deren (2)
Snel omschakelen tussen
L1-PE en L2-PE (ook tij-
dens de meting) met de
knop I
N
– Startweerstand veranderen (3)
Hier kunt u de weer-
stand kiezen waarmee
elke meetreeks bij de
handmatige
meetproce-
dure
begint.
De functie GOME-Set-
ting (toestand bij leve-
ring) zet de startwaarde
op de weerstands-
waarde 50,0 K.
Grenswaarden voor R
L-PE
in % instellen
De grenswaarden worden in procent bij de actueel aangegeven
waarde voor R
L-PE
berekend en weergegeven.
Meetprocedure handmatig
Met de knop „START“ worden de meting en de klok (zie pijl)
gestart.
De klok wordt bij elke verandering van de weerstand en bij
omschakeling van de belaste fase (L1/L2) opnieuw gestart.
Tijdens de meting kan de leidingreferentie (1-PE of L2-PE) met de
knop I
N
of de weerstandswaarden met de knoppen + en – wor-
den veranderd zonder dat de meting wordt onderbroken. In
beide gevallen wordt de klok teruggezet.
Weerstandswaarde verhogen + of verlagen –
(de instelwaarden zelf zijn vast aangegeven!)
Met de positiebalk kunt u zich snel oriënteren. De cijfercombinatie
daaronder geeft de huidige niveaustap van maximaal 65 stappen
aan: hier 17 van 65.
Meetprocedure automatisch
Bij de automatische meetprocedure worden alle weerstandswaar-
den tussen de maximale waarde Rmax (2,51 M) en de minimale
waarde Rmin (20 k) in 65 stappen doorlopen waarbij de duur
van elke stap 2 s bedraagt.
1
3
2
Limiet /
I < en I > Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
grenswaarde
:
GMC-I Messtechnik GmbH 57
Evaluatie
De meting moet worden gestopt om ze te kunnen beoordelen. Dit
geldt zowel voor de manuele als voor de automatische meting.
Hiervoor drukt u op de knop „START“ of „ESC“. De klok wordt
gestopt en de het evaluatiebeeldscherm verschijnt in beeld.
Oproepen van de opgeslagen meetwaarden
Pas na uw evaluatie kan de meetwaarde worden bewaard en
hiermee worden overgenomen in het meetrapport, zie ook hoofd-
stuk 16.4.
Met de hiernaast afgebeelde knop
(MW: meetwaarde/PA: parameter) kunt u de instelpa-
rameters van deze meting in beeld brengen.
OK
NOT OK
58 GMC-I Messtechnik GmbH
14.6 Restspanningsmeting – Functie Ures
(alleen MXTRA)
Gebruik
Voorschrift EN 60 204 eist dat de restspanning op elk actief
gedeelte van de machine dat kan worden aangeraakt en waarop
tijdens het gebruik een spanning staat van meer dan 60 V, na het
uitschakelen van de voedingsspanning binnen 5 s gedaald moet
zijn naar een waarde van 60 V of minder.
Met de PROFITEST MXTRA wordt de spanningsvrijheid op basis van
een spanningsmeting gecontroleerd waarbij de ontladingstijd als
volgt wordt gemeten:
Bij spanningsdips van meer dan 5% (binnen 0,7 s) van de huidige
nominale spanning wordt de stopwatch gestart en wordt na 5 s
de actuele onderspanning weergegeven door Ures en gesignali-
seerd met de rode diode UL/RL.
Na 30 s wordt de functie beëindigd en met de knop ESC kunnen
de gegevens van Ures en tu worden gewist. De functie kan hier-
door opnieuw worden gestart.
Aansluiting
Limieten
Grenswaarden instellen
Meetprocedure – continue meting
De meting wordt als
continue meting inge-
steld omdat de rest-
spanningsmeting auto-
matisch wordt getrig-
gert en de spannings-
meting uit veiligheids-
overwegingen actief
blijft.
Opmerking
Als bv. bij het uitschakelen van een machine – bv. door
het afkoppelen van contactdozen – leidingen vrij komen
te liggen die niet beschermd zijn tegen directe aanraking,
dan bedraagt de maximaal toegelaten ontladingstijd 1 s!
Limiet /
U % > Limiet / grenswaarde
U
L
R
L
U
grenswaarde:
GMC-I Messtechnik GmbH 59
14.7
Intelligente helling – functie ta+I

(alleen PROFITEST MXTRA)
14.7.1 Gebruik
Het voordeel van deze meetfunctie tegenover de aparte metingen
van I
N
en t
A
is dat de uitschakeltijd en de uitschakelstroom gelijk-
tijdig worden gemeten met trapsgewijs stijgende meetstroom
waarbij de RCD maar één keer moet worden aangesproken.
De intelligente helling
wordt tussen de start-
waarde (35% I
N
) en de
eindwaarde (130% I
N
)
van de stroom onderver-
deeld in fases van tel-
kens 300 ms. Hieruit
resulteert een indeling
waarbij elke fase met
een constante meet-
stroom overeenkomt die
maximaal 300 ms lang
stroomt als er geen aan-
spreking plaats vindt.
Als resultaat wordt de
aanspreekstroom en
ook de aanspreektijd gemeten en in beeld gebracht.
Aansluiting
Parameters instellen
Meting van de contactspanning starten
Aanspreekmeting starten
De meetprocedure kan op elk gewenst moment voortijdig worden
afgebroken als u op de knop ON/START drukt.
Meetresultaat
Nominale foutstromen:
Type 1: RCD, SRCD, PRCD ...
Nominale stromen: 6 ... 125 A
Type 2: AC , A/F , B
* Typ B = alstroomgevoelig
10 ... 500 mA
Contactspanning:
< 25 V, < 50 V, < 65 V
60 GMC-I Messtechnik GmbH
14.8 Bewakingsapparaten voor verschilstroom testen
– Functie RCM (alleen
PROFITEST MXTRA
)
Algemeen
Bewakingsapparaten voor verschilstroom RCM’s (Residual Cur-
rent Monitor) bewaken de verschilstroom in elektrische installaties
en geven deze permanent aan. Zoals bij aardlekbeveiligingen kun-
nen gestuurde, externe schakeleenheden de voedingsspanning
uitschakelen als een bepaalde verschilstroom wordt overschre-
den.
Het voordeel van een
RCM is echter dat de
gebruiker tijdig wordt
geïnformeerd over de
foutstromen in de instal-
latie, voordat ze wordt
uitgeschakeld.
Met betrekking tot de
aparte metingen van I
N
en t
A
moet het meetre-
sultaat hier manueel
worden beoordeeld.
Als een RCM in combi-
natie met een externe
schakeleenheid wordt
gebruikt, dan moet deze
combinatie net als een RCD worden getest.
Aansluiting
Parameter instellen voor I
F
Contactspanning meten
Nietactiveringstest met 1/2 x I
N
en 10 s
Na 10 s mag er geen lekstroom worden gesignaliseerd. Vervol-
gens moet de meting worden beoordeeld. Bij de evaluatie „NOT
OK“ (indien fout alarm) wordt een fout aangegeven met de rood
brandende LED UL/RL.
Pas na uw evaluatie kan de meetwaarde worden bewaard en
hiermee worden overgenomen in het meetrapport.
Aanspreekmeting met 1 x I
N
– Meting van signaal-reactietijd (stopwatchfunctie) met de
lekstroom die door de tester wordt gegenereerd
De meting moet vlak na het signaliseren van de lekstroom hand-
matig met ON/START of I
N
worden gestopt om de aanspreektijd te
documenteren.
Bij de evaluatie „NOT OK“ wordt een fout aangegeven met de
rood brandende LED UL/RL.
Pas na uw evaluatie kan de meetwaarde worden bewaard en
hiermee worden overgenomen in het meetrapport.
Nominale foutstromen:
Golfvorm:
Nominale stromen: 6 ... 125 A
Type: A , B *
* Typ B = alstroomgevoelig
x-voudige activeringsstroom:
Aansluiting: zonder/met sonde
Netvorm: TN/TT, IT
10 ... 500 mA
Contactspanning:
< 25 V, < 50 V, < 65 V
GMC-I Messtechnik GmbH 61
14.9 Controleren van de bedrijfsstatussen van een elektrische
auto op elektrische laadpunten volgens IEC 61851 (alleen
MTECH+ & MXTRA)
Een laadstation is een bedrijfsmiddel bedoeld voor het laden van
elektrische voertuigen volgens IEC 61851. Het bevat als belang-
rijkste elementen de conncector, een lijnbeveiliging, een aardlek-
schakelaar (RCD), een vermogensschakelaar alsook een veilig-
heidscommunicatieinrichting (PWM). Al naar gelang de plaats van
gebruik kunnen daar eventueel nog andere functie-eenheden bij
komen, bijv. netaansluiting en telling.
Keuze van de adapter (testbox)
Simulatie van de bedrijfsstatussen volgens IEC 61851 met de
testbox van MENNEKES
(Status A – E)
De MENNEKES testbox is uitsluitend bedoeld voor het simuleren
van verschillende bedrijfsstatussen van een fictief aangesloten
elektrische auto op een laadinstallatie. De instellingen voor de
gesimuleerde bedrijfsstatussen vindt u in de gebruiksaanwijzing
van de testbox.
Op de MTECH+ of de MXTRA kunnen de gesimuleerde bedrijfssta-
tussen als visuele controle worden bewaard en in de ETC worden
gedocumenteerd.
De bedrijfsstatus (Status) die u wilt testen, kiest u met de knop
SELECT STATUS op de tester MTECH+ of MXTRA.
Status A – laadkabel alleen verbonden met laadpunt
CP-signaal wordt ingeschakeld,
De spanning tussen PE en CP bedraagt 12 V.
Status B – laadkabel met laadpunt en voertuig verbonden
De laadkabel wordt vergrendeld op de laadpunt en in het
voertuig,
Het voertuig is nog niet gereed om te worden opgeladen,
Spanning tussen PE en CP +9 V / –12 V.
Status C – Niet gassend voertuig herkend
Voertuig gereed om te worden opgeladen / vermogen wordt
ingeschakeld,
Spanning tussen PE en CP +6 V / –12 V.
Status D – Gassend voertuig herkend
Voertuig gereed om te worden opgeladen / vermogen wordt
ingeschakeld,
Spanning tussen PE en CP +3 V / –12 V.
Status E – Kabel wordt beschadigd
Kortsluiting tussen PE en CP,
Laadkabel wordt ontgrendeld op het laadpunt,
Spanning tussen PE en CP +0 V.
Halfautomatische wissel van de bedrijfsstatussen (statussen)
Behalve de handmatige status-
wissel via het parametermenu
van de softkeyknop
SELECT STATUS op de tester is
ook een snelle en comfortabele
omschakeling tussen de sta-
tussen mogelijk. Voor dit doel
moet u de statusparameter
AUTO kiezen. Telkens als u een
visuele controle heeft beant-
woord en bewaard, schakelt
het systeem automatisch over
op de volgende status. De in
beeld gebrachte knop 01/05
hetzelfde is als A/E (01 = A, 02 = B, 03 = C, 04 = D, 05 = E).
Met een druk op de knop I
N
op de tester of op de teststekker
kunt u polariteitsvarianten overslaan.
62 GMC-I Messtechnik GmbH
14.10 Meetprocessen voor het rapporteren van foutsimulaties op
PRCD’s met de adapter PROFITEST PRCD
(alleen MXTRA)
De volgende functies zijn mogelijk bij aansluiting van de tester
PROFITEST MXTRA op de meetadapter PROFITEST PRCD:
Er zijn drie meetprocessen vooraf ingesteld:
– PRCD-S (1-fasig/3-polig)
– PRCD-K (1-fasig/3-polig)
– PRCD-S (3-fasig/5-polig)
De tester leidt u halfautomatisch door alle meetstappen:
1-fasige PRCD’s:
– PRCD-S: 11 meetstappen
– PRCD-K: 4 meetstappen
3-fasige PRCD’s:
– PRCD-S: 18 meetstappen
Elke meetstap wordt voor latere rapportage beoordeeld en
geanalyseerd door de gebruiker (OK/niet OK).
Meten van de aardleiderweerstand van de PRCD met de
functie R
LO
op de tester. Denk er aan dat de aardleidingsme-
ting een gemodificeerde RLO-meting is met hellingverloop
voor PRCD’s, zie hoofdstuk 12.
Meten van de isolatieweerstand van de PRCD met de functie
R
ISO
op de tester, zie hoofdstuk 11.
Aanspreekmeting met nominale lekstroom door de functie
I
F
op de tester, zie hoofdstuk 7.3.
Meten van de activeringstijd door de functie I
N
op de tester,
zie hoofdstuk 7.3.
Varistormeting bij de PRCD-K: meting met ISO-helling, zie
hoofdstuk 11.
Let op!
!
Lees vóór het aansluiten van de PROFITEST MXTRA op de
PRCD-adapter absoluut de gebruiksaanwijzing van de
PROFITEST PRCD.
14.10.1 Kiezen van de te meten PRCD
14.10.2 Parameterinstellingen
Betekenis van de symbolen voor de betreffende foutsimulatie
Parameter PRCD-S 1-fasig – 11 parameters = 11 meetstappen
De parameters voor de foutsimulaties vertegenwoordigen samen
met de noodzakelijke tussenstappen voor de PRCD-activering
(=ON) de 11 mogelijke meetstappen:
onderbreking (BREAK...), geleiderwissel (L1 <-> PE),
PE op fase (Uext -> PE), contactering van de knop ON,
meting aardleiderstroom (afbeelding rechts: PRCD-Ip).
Parameter PRCD-S 3-fasig – 18 parameters = 18 meetstappen
Parameter PRCD-K 1-fasig – 5 parameters = 5 meetstappen
Schake-
laarstand
PROFI-
TEST PRCD
Symbolen bij de
PROFITEST MXTRA
Betekenis van de symbolen
Parame-
terinstell
.
Menu-
weergave
ON 1~ON
1-fasige PRCD activeren
ON 3~ON
3-fasige PRCD activeren
BREAK Lx
Geleider afkoppelen
Lx <-> PE
Lx <-> N
Geleider wisselen tussen bui-
tenste geleider en PE of neu-
traalgeleider
PE-U
EXT
Uext -> PE
PE aan fase
PROEF
Knop ON op de PRCD
met sonde contacteren
PRCD-Ip
Meting aardleiderstroom
met stroomtangconverter
—AUTOAUTO
Halfautomatische wissel van
de foutsimulaties
GMC-I Messtechnik GmbH 63
14.10.3 Meetproces PRCD-S (1-fasig) – 11 meetstappen
Keuzevoorbeelden
Simulatie onderbreking (stap 1 t/m 6)
Simulatie geleiderwissel (stap 7)
Simulatie PE op fase (stap 8)
Met sonde knop ON op PRCD contacteren (stap 10)
Meting van de aardleiderstroom met behulp van een stroomtang-
converter (stap 11)
14.10.4 Meetproces PRCD-S (3-fasig) – 18 meetstappen
Keuzevoorbeelden
Simulatie onderbreking (stap 1 t/m 10)
Simulatie geleiderwissel (stap 11 t/m 16)
Simulatie PE op fase (stap 17)
Meting van de aardleiderstroom met stroomtangconverter (stap 18)
Halfautomatische wissel van de foutsimulaties (statussen)
Behalve de handmatige wissel
tussen de foutsimulaties met
behulp van het parametermenu
van de betreffende PRCD-
keuze PRCD-S 1~, PRCD-K 1~ of
PRCD-S 3~ op de tester is ook
een snelle en eenvoudige
omschakeling mogelijk tussen
de foutsimulaties. Voor dit doel
moet u de statusparameter
AUTO kiezen. Telkens als er een
visuele controle wordt beant-
woord en bewaard, wordt er
automatisch overgeschakeld naar de volgende foutsimulatie. Met
een druk op de knop I
N
op de tester of op de teststekker kunt u
foutsimulaties overslaan.
64 GMC-I Messtechnik GmbH
15 Meetreeksen (automatische meetprocedures)
– functie AUTO
Als er successievelijk steeds weer hetzelfde aantal metingen met
aansluitende rapportering moet worden verricht, zoals dit bv. bij
normen is voorgeschreven, dan is het raadzaam om meetreeksen
te gebruiken.
Met behulp van meetreeksen kunnen uit de manuele afzonderlijke
metingen automatische meetprocedures worden samengesteld.
Een meetreeks bestaat uit maximaal 200 afzonderlijke stappen
die achtereenvolgens worden verwerkt.
Er wordt in principe een onderscheid gemaakt tussen drie ver-
schillende soorten stappen:
Opmerking: De meetprocedure wordt onderbroken als een
instructie als pop-up in het beeldscherm verschijnt. Pas na het
bevestigen van de instructie wordt de meetprocedure voort-
gezet.
Voorbeeld instructie vóór de isolatieweerstandsmeting:
„Koppel het apparaat af van het net!“
Bezichtigen, testen en rapporteren: De meetprocedure wordt
onderbroken als een positieve/negatieve evaluatie in het beeld
verschijnt. Het commentaar en het resultaat van de evaluatie
worden opgeslagen in de database.
Meting: Meting zoals bij de afzonderlijke metingen van de tes-
ters met geheugen en parametrisatie
De meetreeksen worden op de pc samengesteld met behulp van
het programma ETC en vervolgens overgedragen naar de testers.
De parametrisatie van de metingen vindt eveneens op de pc
plaats. De parameters kunnen echter nog tijdens de meetproce-
dure vóór de start van de respectievelijke meting op de tester
worden veranderd.
Na een herhaaldelijke start van de meetstap worden de parame-
terinstellingen opnieuw opgevraagd die in het ETC zijn gedefi-
neerd.
Opmerking
Een plausibiliteitscontrole van de parameters vindt in het
programma ETC niet plaats. Test derhalve de nieuw aan-
gemaakte testsequentie eerst op het meetapparaat voor-
daat u deze permanent in uw database plaatst.
Grenswaarden worden op dit moment niet vastgelegd in het ETC,
maar moeten tijdens de automatische meetprocedure worden
aangepast.
Menu voor het bewerken van meetsequenties oproepen
Om beschikbare meetsequenties te kunnen bewerken, bv. om
deze met andere meetstappen aan te vullen en om parameterin-
stellingen te veranderen, moeten deze eerst in het pc-programma
ETC worden geladen.
Hiervoor bestaan er twee mogelijkheden:
•ETC: Extras Meetreeksen Meetreeksen opvragen
(uit bestand pruefsequenzenxyz.seq)
of
ETC: Apparaat Meetreeksen Meetreeksen ontvangen
(van de aangesloten tester)
Bedieningsoverzicht: Meetreeksen op de pc maken
1 Nieuwe meetreeks maken - benaming invoeren
2 Benaming van de geselecteerde meetreeks veranderen
3 Geselecteerde meetreeks dupliceren,
(Copy) staat achter de gedupliceerde naam
4 Geselecteerde meetreeks wissen
5 Nieuwe meetstap voor geselecteerde meetreeks aanmaken resp. toevoe-
gen – meetstaptype hiervoor uit lijst kiezen en benaming overnemen of
aanpassen
6 Geselecteerde meetstap dupliceren
7 Geselecteerde meetstap wissen
8 Volgorde van de geselecteerde meetstap veranderen
9 Meetparameter voor geselecteerd meetstaptype uit lijst kiezen
10 Instelling voor meetparameter uit lijst kiezen
11 Verandering bij de meetparameter overnemen
12 Menu meetreeksen sluiten
Meetreeksen in het programma ETC op de pc opslaan
Wij adviseren om de meetsequenties van de aanleveringstoe-
stand, zowel veranderde als nieuw aangemaakte meetsequenties
met het commando „Extra’s Meetsequenties Meetsequen-
ties opslaan“ telkens onder een bestandsnaam (pruefsequen-
zenxyz.seq) op te slaan op de pc of op een ander opslagmedium.
Hierdoor moet het verlies van gegevens worden voorkomen die
door bepaalde administratiehandelingen worden veroorzaakt, zie
volgende instructies.
Omdat er maximaal 10 meetreeksen naar de tester kunnen wor-
den overgedragen, mogen er niet meer dan 10 meetreeksen in
een bestand worden opgeslagen.
Met het commando „Extra’s Meetreeksen Meetreeksen
opvragen“ kunnen de meetreeksen die in een bestand zijn opge-
slagen op elk gewenst moment opnieuw worden opgevraagd in
het programma ETC.
Voor een nieuwe bewerking kiest u het commando
„Extra’s Meetsequenties Meetsequenties bewerken“.
Let erop dat de meetreeksen die actief zijn in het programma ETC
door de volgende acties worden gewist:
door het ontvangen van meetreeksen van de tester
(ETC: Apparaat Meetsequenties Meetsequenties ont-
vangen)
door het veranderen van de gebruikerstaal (ETC: Language
...)
door een back-up van de gegevens van de tester
(ETC: apparaat Gegevensbackup backup maken)
1 2 3 4
5 6 7
8
109
11 12
Kies de gebruikte tes-
ter!
!
GMC-I Messtechnik GmbH 65
Let erop dat de meetreeksen die in de tester worden opgevraagd
door de volgende acties worden gewist in de tester:
door het ontvangen van selectielijsten van de pc
(ETC: Apparaat Keuzelijsten Keuzelijsten verzenden)
door het ontvangen van nieuwe meetreeksen van de pc
(ETC: Apparaat Meetsequenties Meetsequenties ver-
zenden)
door het overdragen van back-upgegevens naar de tester
(ETC: Apparaat Gegevensbackup terugzetten)
door het terugzetten op fabrieksinstellingen
(schakelaarstand SETUP knop GOME SETTING)
door firmware-update
door het veranderen van de gebruikerstaal
(schakelaarstand SETUP knop CULTURE)
door het wissen van de hele database in de tester
Meetreeksen van de pc naar de tester overdragen
Na het oproepen van het volgende ETC-commando „Apparaat
Meetreeksen Meetreeksen zenden“ worden alle aangemaakte
meetreeksen (maximaal 10) overgedragen naar de aangesloten
tester.
Tijdens de overdracht
van de meetreeksen ver-
schijnt de boven-
staande progressiebalk
op de pc en de hier-
naast afgebeelde figuur
op het display van de
tester.
Als de overdracht van de
gegevens is voltooid,
gaat het display naar het
geheugenmenu „data-
base“.
Als u op ESC drukt, keert
u terug naar het scherm
van het meetmenu van de betreffende schakelaarstand.
Schakelaarstand AUTO op de tester kiezen
In de draaiknopstand AUTO worden alle meetreeksen weergege-
ven die in het apparaat aanwezig zijn, zie figuur 15.1.
Als er geen meetreeksen in het apparaat aanwezig zijn, verschijnt
de melding „NO DATA.
Meetreeks op de tester kiezen en starten
Figuur 15.1
Met de knop START wordt de gekozen meetsequentie (in dit geval:
SEQU.1) gestart.
Bij de uitvoering van een meetstap van het type meting wordt de
beeldschermopbouw weergegeven die van de afzonderlijke
metingen bekend is. In plaats van het geheugen- en batterijen-
symbool verschijnt in de kopregel het huidige meetstapnummer
(in dit geval: stap 01 van 06), zie afb. 15.2. Als u twee keer op de
knop „Opslaan“ drukt, wordt de volgende meetstap in beeld
gebracht.
Parameters und grenswaarden instellen
Parameters en grenswaarden kunnen ook tijdens het verloop van
een meetreeks resp. vóór de start van de respectievelijke meting
worden veranderd. De verandering grijpt telkens alleen op de
actieve meetprocedure in en wordt niet bewaard.
Overslaan van meetstappen
Voor het overslaan van meetstappen resp. afzonderlijke metingen
zijn er twee mogelijkheden:
Keuze van de meetreeks, wijziging met behulp van de cursor
in de rechter kolom meetstappen, keuze van de x-de meet-
stap en knop START indrukken.
Binnen een meetreeks word het
navigatiemenu opgeroepen als u
op de navigatieknop cursor links-
rechts drukt. Met de cursorknop-
pen die nu apart verschijnen kunt
u naar de vorige of volgende
meetstap springen.
Met ESC kunt u het navigatiemenu weer verlaten of de huidige
meetstap weer oproepen.
Meetreeks afbreken of beëindigen
Een actieve reeks wordt afgebroken met ESC en daaropvolgende
bevestiging.
Na de laatste meetstap wordt „Reeks beëindigd“ in beeld
gebracht. Door het bevestigen van deze melding wordt het uit-
gangsmenu “Lijst van de meetreeksen” opnieuw weergegeven.
Figuur 15.2
AUTO
66 GMC-I Messtechnik GmbH
16 Database
16.1 Aanmaken van verdelerstructuren algemeen
In de tester PROFITEST MASTER kan een volledige verdelerstructuur
met stroomkring- resp. RCD-gegevens worden aangemaakt.
Met deze structuur is het mogelijk, metingen toe te wijzen aan de
stroomkringen van verschillende verdelers, gebouwen en klanten.
U kunt op twee manier te werk gaan:
Ter plaatse resp. op
het bouwterrein: ver-
delerstructuur in de
tester aanmaken.
Er kan in de tester
een verdelerstruc-
tuur worden aange-
maakt met maxi-
maal 50 000 struc-
tuurelementen. Deze
structuur wordt
bewaard in het flash-
geheugen van de
tester.
of
Aanmaken en opslaan van een aanwezige verdelerstructuur
met behulp van het pc-rapportageprogramma ETC (Electric Tes-
ting Center) op de pc, zie Help > Hoe te beginnen (F1). Vervol-
gens wordt de verdelerstructuur overgedragen naar de tester.
Opmerking over het rapportageprogramma ETC
Voordat u het pc-programma gaat gebruiken, zijn de volgende
werkstappen vereist:
USB-stuurprogramma installeren
(noodzakelijk voor het gebruik van de PROFITEST MASTER op de
pc):
Het programma GMC-I Driver Control voor het installeren van het
USB-stuurprogramma vindt u als download op onze website:
http://www.gossenmetrawatt.com
Produkte Software Software für Prüfgeräte
Dienstprogramme Driver Control
PC-rapportageprogramma ETC installeren:
U kunt de meest actuele versie van de ETC als gratis ZIP-
bestand downloaden van onze website bij mygmc, als u uw
Tester geregistreerd heeft:
http://www.gossenmetrawatt.com
Produkte Software Software für Prüfgeräte
Protokollsoftware ohne Datenbank
ETC
myGMC
zum Login
16.2 Overdracht van verdelerstructuren
De volgende overdrachten zijn mogelijk:
Het overdragen van een verdelerstructuur van de pc naar de
tester.
Overdragen van een verdelerstructuur met meetwaarden van
de tester naar de pc.
Voor het overdragen van
structuren en gegevens
tussen de tester en de
pc moeten deze met
een USB-interfacekabel
met elkaar verbonden
zijn.
Tijdens het overdragen
van structuren en gege-
vens verschijnt de vol-
gende weergave op het
display.
16.3 Verdelerstructuur in de tester aanmaken
Overzicht van de betekenis van de symbolen voor structuuropmaak
Symbolen Betekenis
Hoofd-
niveau
Subni-
veau
Geheugenmenu pagina 1 van 3
Cursor BOVEN: omhoog bladeren
Cursor ONDER: omlaag bladeren
ENTER: keuze bevestigen
+ – naar een ondergeschikt niveau gaan
(mappenstructuur openmaken) of
+ naar een bovengeschikt niveau gaan
(mappenstructuur sluiten)
De volledige structuurbenaming (max. 63 tekens)
of het identificatienummer (25 tekens) in een
zoomvenster in beeld brengen
Tussen structuurbenaming en identificatienum-
mer tijdelijk omschakelen.
Deze knoppen hebben geen invloed op de
hoofdinstelling in het setup menu zie DB-MODE
Pagina 11.
Het zoomvenster buiten beeld brengen
Paginawissel naar menukeuze
Geheugenmenu pagina 2 van 3
Structuurelement toevoegen
Betekenis van de symbolen van boven naar
onderen:
Klant, gebouw, verdeler, RCD, stroomkring,
bedrijfsmiddel, machine en aardelektrode (welke
symbolen er in beeld worden gebracht, hangt af
van het gekozen structuurelement).
Keuze: Cursorknoppen BOVEN/ONDER en
Om aan het gekozen structuurelement een bena-
ming toe te voegen, zie tevens het Editeermenu in
de volgende kolom.
EDIT
zie voor meer symbolen het editeermenu onderaan
GMC-I Messtechnik GmbH 67
Symboliek verdelerstructuur / boomstructuur
16.3.1 Structuuraanmaak (voorbeeld van de stroomkring)
Na het maken van de keuze met behulp van de knop MEM vindt u
op drie menupagina’s (1/3, 2/3 und 3/3) alle instelmogelijkheden
voor het aanmaken van een boomstructuur. De boomstructuur
bestaat uit structuurelementen, in het volgende ook objecten
genoemd.
Positie kiezen voor het toevoegen van een nieuw object
Gebruik de knoppen om de gewenste structuurelementen te
kiezen.
Met gaat u naar het subniveau.
Met >> bladert u naar de volgende pagina.
Nieuw object aanmaken
Druk op de knop voor het aanmaken van een nieuw object.
Gekozen structuurelement wissen
Meetgegevens in beeld brengen, voor zover er
voor dit structuurelement een meting is verricht.
Het gekozen structuurelement bewerken
Geheugenmenu pagina 3 van 3
Volgens identificatienummer zoeken
> Volledig identificatienummer invoeren
Naar tekst zoeken
> Volledige tekst (heel woord) invoeren
Volgens identificatienummer of tekst zoeken
Verder zoeken
Editeermenu
Cursor LINKS:
Keuze van een alfanumeriek teken
Cursor RECHTS:
Keuze van een alfanumeriek teken
ENTER: afzonderlijke tekens overnemen
Invoer bevestigen
Cursor naar links
Cursor naar rechts
Teken wissen
Omschakeling tussen alfanumerieke tekens
A Hoofdletters
a Kleine letters
0Cijfers
@ Speciale tekens
Symbolen Betekenis
Verdeler
Het meetsymbool haakje achter een structuurelementsymbool betekent:
alle metingen bij dit element zijn geslaagd
Meetsymbool x: minstens één meting is niet geslaagd
Geen meetsymbool: er is nog geen meting verricht
Gebouw
Klant
RCD
Stroomkring
Bedrijfsmiddel
Boomelement als in Windows Explorer:
+: Subobjecten aanwezig, met in beeld brengen
–: Subobjecten worden weergegeven, met uit beeld brengen
Bedrijfsmiddel
omhoog bladeren
omlaag bladeren
Keuze bevestigen /
In beeld brengen van object-
Volgende pagina
Niveau wisselen
of identificatienummer
Object aanmaken
Object wissen
VA: Meetgegevens in beeld brengen
Benaming veranderen
68 GMC-I Messtechnik GmbH
Nieuw object uit lijst kiezen
Kies een gewenst object uit de lijst met de knoppen  en beves-
tig dit met de knop .
Naargelang het profiel dat u in de SETUP van de tester heeft
gekozen (zie hoofdst. 4.6), kan het aantal objecttypes begrensd
zijn of kan de hiërarchie anders zijn opgebouwd.
Benaming invoeren
Toets een benaming in en bevestig deze vervolgens door het
intoetsen van
.
Opmerking
Bevestig de onderaan vooraf ingestelde of gewijzigde
parameters. Zo niet wordt de nieuw aangemaakte bena-
ming niet overgenomen en bewaard.
Parameter voor stroomkring instellen
Hier moet u bv. voor de gekozen stroomkring de nominale
stroomsterkten invoeren. De aldus overgenomen en opgeslagen
meetparameters worden later bij het wisselen van de structuur-
weergave voor de meting automatisch overgenomen in het hui-
dige meetmenu.
Opmerking
Stroomkringparameters die met de structuuraanmaak
zijn veranderd blijven ook behouden voor afzonderlijke
metingen (metingen zonder opslag).
Als u in de tester de stroomkringparameters verandert die door
de structuur worden aangegeven, dan levert dit bij het opslaan
een waarschuwing op, zie de foutmelding Pagina 81.
16.3.2 Zoeken van structuurelementen
Het zoeken begint ongeacht het momenteel gemarkeerde object
altijd bij database.
Ga naar pagina 3/3 in het databasemenu
Na het kiezen van de tekstzoekfunctie
en het invoeren van de gezochte tekst (alleen een exacte overeen-
stemming wordt gevonden, geen wildcards, case-sensitive)
wordt de gevonden plaats in beeld gebracht.
Andere plaatsen worden gevonden als u het
hiernaast afgebeelde pictogram kiest.
omhoog bladeren
omlaag bladeren
Keuze bevestigen
Teken kiezen
Teken kiezen
Teken overnemen
Teken wissen
Tekenkeuze:
benaming object opslaan
A, a, 0, @
Parameter kiezen
Lijst parameterinstelling
Parameterkeuze bevestigen
Parameterinstelling bevestigen
en terugspringen naat pagina 1/3
Parameterinstelling kiezen
in het databasemenu
omhoog bladeren
omlaag bladeren
Keuze bevestigen /
In beeld brengen van object-
Menukeuze pagina 3/3
Niveau wisselen
of identificatienummer
Zoeken volgens identificatienummer
Zoeken volgens tekst
Zoeken volgens identificatienummer of t
Teken kiezen
Teken kiezen
Teken overnemen
Teken wissen
Tekenkeuze:
?
Objectbenaming opslaan
verder zoeken
GMC-I Messtechnik GmbH 69
Als er geen andere hits worden gevonden, dan verschijnt de
bovenstaande melding in beeld.
16.4 Gegevensopslag en rapportage
Meting voorbereiden en verrichten
Bij elk structuurelement kunnen metingen verricht en opgeslagen
worden. Hiervoor gaat u in de aangegeven volgorde te werk:
Stel met het draaiwiel de gewenste meting in.
Start de meting met de knop ON/START of I
N
.
Na afloop van de meting verschijnt de softkey „ Diskette“ in
beeld.
Druk even op de knop „Waarde opslaan“.
De weergave wisselt naar het geheugenmenu resp.
naar de structuurweergave.
Navigeer naar de gewenste geheugenlocatie, d.w.z. naar het
gewenste structuurelement/object, waar de meetgegevens
moeten worden bewaard.
Als u een commentaar bij de meting wilt invoeren, drukt
u op de hiernaast afgebeelde knop en voert u een be-
naming in via het menu „EDIT“ zoals beschreven in
hoofdst. 16.3.1.
Sluit het opslaan van gegevens af met de knop
„STORE“.
Opslaan van foutmedingen (pop-ups)
Als een meting op basis van een fout zonder meetwaarde wordt
beëindigd, dan kan deze meting samen met een pop-up met de
knop „Waarde opslaan“ worden opgeslagen. In plaats van het
pop-up-symbool verschijnt de betreffende tekst in het ETC. Dit
geldt alleen voor een beperkt aantal pop-ups, zie onderaan. In de
database van de tester zelf kunnen het symbool en de tekst niet
worden opgeroepen.
Alternatief opslaan
Als u lang op de knop „Waarde opslaan“ drukt,
wordt de meetwaarde op de voor het laatst inge-
stelde plaats in het structuurdiagram opgeslagen
zonder dat de weergave naar het geheugenmenu
springt.
Opmerking
Voor zover u de parameters in het meetaanzicht veran-
dert, worden deze niet overgenomen voor het struc-
tuurelement. De meting met de veranderde parameters
kan toch onder het structuurelement worden opgeslagen
waarbij de gewijzigde parameters bij elke meting mee
gerapporteerd worden.
Oproepen van de opgeslagen meetwaarden
Ga naar de verdelerstructuur door op de knop MEM te druk-
ken en ga met de cursorknoppen naar de gewenste stroom-
kring.
Ga naar pagina 2
door op de hiernaast afgebeelde knop te drukken:
Breng de meetgegevens in beeld
door op de hiernaast afgebeelde knop te drukken:
Per LCD-weergave verschijnt er
telkens een meting met datum
en tijd alsook eventueel uw
commentaar in beeld.
Voorbeeld:
RCD-meting.
Opmerking
Een haakje in de kopregel betekent dat deze meting
geslaagd is.
Een kruisje betekent dat deze meting niet geslaagd is.
De metingen doorbladeren
is mogelijk met de hiernaast afgebeelde knoppen.
U kunt de meting met de hiernaast afgebeelde
knop wissen.
Een venster met een vraag verzoekt u om
het wissen nogmaals te bevestigen.
Met de hiernaast afgebeelde knop
(MW: meetwaarde/PA: parameter) kunt u de instelpa-
rameters van deze meting in beeld brengen.
De parameters doorbladeren
is mogelijk met de hiernaast afgebeelde knoppen.
Zoeken beëindigen
70 GMC-I Messtechnik GmbH
Gegevensanalyse en rapportage met het programma ETC
Alle gegevens inclusief de verdelerstructuur kunnen met het pro-
gramma ETC naar de pc worden doorgestuurd en geanalyseerd
worden. Hier kunt u achteraf extra informatie invoeren over de
afzonderlijke metingen. Met een druk op de knop krijgt u een rap-
port opgemaakt over alle metingen binnen een verdelerstructuur
of worden de gegevens naar een EXCEL-tabel geëxporteerd.
Opmerking
Als u aan de functiedraaiknop draait, verlaat u de data-
base. De parameters die u tevoren in de database heeft
ingesteld, worden niet in de meting overgenomen.
16.4.1 Het gebruik van barcode- en RFID-leesapparaten
Zoeken naar een reeds geregistreerde barcode
Het uitgangspunt (schakelaarstand en menu) is willekeurig.
Scan de barcode van uw object.
De gevonden barcode wordt geïnverteerd weergegeven.
Met ENTER wordt deze waarde overgenomen.
Opmerking
Een reeds gekozen object kan niet worden gevonden.
Algemeen verder zoeken
Men kan met deze knop verder zoeken, onafhankelijk van
het feit of een object gevonden werd of niet:
Object gevonden: verder zoeken onder het eerder geko-
zen object
Geen object meer gevonden: de hele database wordt op
alle niveaus doorzocht
Een barcode inlezen om hem te bewerken
Als u zich in het menu voor alfanumerieke invoer bevindt, wordt
een waarde die met een barcode- of RFID-leesapparaat is inge-
scand meteen overgenomen.
Een barcodeprinter gebruiken (toebehoren)
Een barcodeprinter biedt u de volgende toepassingsmogelijkhe-
den:
Uitvoer van identificatienummers voor objecten, gecodeerd
als barcode; voor het snel en comfortabel meten bij perio-
dieke controles
Uitvoer van voortdurend voorkomende benamingen bv. meet-
objecttypes als barcode gecodeerd op een lijst om deze des-
gewenst voor commentaren te kunnen inlezen.
GMC-I Messtechnik GmbH 71
17 Bedienings- en weergave-elementen
Tester en adapter
(1) Bedieningsterminal – Display
Op het LCD-display wordt het volgende weergegeven:
een of twee meetwaarden als getal met 3 cijfers met eenheid
en korte aanduiding van de meetgrootheid
Nominale waarden voor spanning en frequentie
Aansluitschema’s
Hulpteksten
Meldingen en instructies.
Het scharnier met in standen instelbare rastering biedt u de
mogelijkheid om het weergave- en bedieningsgedeelte naar voor
of naar achter toe te zwenken. De afleeshoek kunt u op deze
manier optimaal instellen.
(2) Bevestigingsogen voor draagriem
Bevestig de meegeleverde draagriem aan de bevestigingspunten
rechts en links op het apparaat. U kunt het apparaat dan omhan-
gen en u heeft beide handen vrij om te meten.
(3) Functiedraaiknop
Met deze draaiknop kiest u de basisfuncties:
SETUP / I
N
/ I
F
/ Z
L-PE
/ Z
L-N
/ R
E
/ R
LO
/ R
ISO
/ U / SENSOR /
EXTRA / AUTO
Als het apparaat is ingeschakeld en u aan de functieschakelaar
draait, worden altijd de basisfuncties gekozen.
(4) Meetadapter
Let op!
!
De meetadapter (dubbelpolig) mag alleen met de test-
stekker van de tester worden gebruikt.
Het is niet toegestaan om hem voor andere doeleinden
te gebruiken!
De opsteekbare meetadapter (2-polig) met twee meetpennen
wordt gebruikt voor het meten in installaties zonder randaarde-
contactdozen, bv. bij vaste aansluitingen, in verdelers en bij alle
draaistroomcontactdozen. Hij wordt tevens gebruikt voor de iso-
latieweerstands- en laagohmige meting.
Voor de draaiveldmeting moet u van de tweepolige meetadapter
met de meegeleverde meetkabel (meetpen) een driepolige
meetadapter maken.
(5) Stekkerinzetstuk (landspecifiek)
Let op!
!
Het stekkerinzetstuk mag alleen worden gebruikt met de
teststekker van de tester.
Het is niet toegestaan om hem voor andere doeleinden
te gebruiken!
Met het opgezette stekkerinzetstuk kunt u het apparaat recht-
streeks aansluiten op de contactdozen met randaarde. U hoeft
niet te letten op de stekkerpolariteit. Het apparaat meet de plaats
van buitenste geleider L en nulleider N en poolt de aansluiting
automatisch om als dat nodig is.
Als het stekkerinzetstuk op de teststekker zit, controleert het
apparaat bij alle soorten metingen m.b.t. de aardleiding automa-
tisch of beide aardingscontacten in de randaardecontactdozen
met elkaar en met de aardleiding van de installatie verbonden zijn.
(6) Teststekker
Op de teststekker worden de landspecifieke stekkerinzetstukken
(bv. het stekkerinzetstuk met randaarde voor Duitsland of het
SEV-stekkerinzetstuk voor Zwitserland) of de meetadapter (2-
polig) gestoken. Deze worden geborgd met een draaisluiting.
Voor de bedieningselementen op de teststekker wordt gebruik
gemaakt van een ontstoringsfilter. Hierdoor kan er een licht ver-
traagde reactie optreden in vergelijking met de bediening die
rechtstreeks op het apparaat plaats vindt.
(7) Krokodillenclip (opsteekbaar)
(8) Meetpennen
De meetpennen vormen de tweede (vaste) en derde (opsteek-
bare) pool van de meetadapter. Een spiraalkabel verbindt ze met
het opsteekbare gedeelte van de meetadapter.
(9) Knop ON/Start
Met deze knop op de teststekker of
bedieningsterminal start u de meetpro-
cedure van de functie die u in het menu
gekozen heeft. Uitzondering: Als het apparaat is uitgeschakeld,
wordt het ingeschakeld als u alleen op de knop op de bedienings-
terminal drukt.
De knop heeft dezelfde functie als de knop
op de teststekker.
(10) Knop IDN / I (op de bedieningsterminal)
Met deze knop op de teststekker of
bedieningsterminal worden de vol-
gende processen op gang gebracht:
bij RCD-meting (I
N
): na het meten van de contactspanning
wordt de aanspreekmeting gestart.
Binnen de functie R
LO
/ Z
L-N
wordt de meting van ROFFSET
gestart.
Halfautomatische polariteitswissel (zie hoofdst. 5.8)
(11) Contactvlakken
De contactvlakken zijn aan beide zijden van de teststekker aange-
bracht. Als u de teststekker vastpakt, raakt u deze automatisch
aan. De contactvlakken zijn galvanisch gescheiden van de aan-
sluitingen en van de meetschakeling.
Het apparaat kan in draaischakelaarstand „U“ worden gebruikt
als fasentester van beschermingsklasse II!
Bij een potentiaalverschil van > 25 V tussen de aansluiting van de
aardleiding PE en het contactvlak wordt PE in beeld gebracht (vgl.
hoofdstuk 18 „Signalisering van de LED’s, netaansluitingen en
potentiaalverschillen“ vanaf pagina 73).
(12) Houder voor teststekker
In de met rubber beklede houder kunt u de teststekker met het
bevestigde stekkerinzetstuk veilig aan het apparaat vastmaken.
(13) Zekeringen
De beide zekeringen van het type M 3,15/600V beschermen het
apparaat tegen overbelasting. De aansluiting van de buitenste
geleider L en de aansluiting van de nulleider N zijn apart beveiligd.
Als een zekering defect is en als bij het meten het pad wordt
gebruikt dat met deze zekering wordt beschermd, dan verschijnt
hierover een melding op het display.
Let op!
!
Verkeerde zekeringen kunnen het meetapparaat
zwaar beschadigen.
Alleen originele zekeringen van GMC-I Messtechnik
GmbH garanderen de vereiste beveiliging omdat zij de
juiste aanspreekkarakteristieken hebben
(bestelnummer. 3-578-189-01).
Opmerking
De spanningsmeetbereiken blijven ook in werking nadat
de zekeringen zijn uitgevallen.
(14) Klemmen voor meetpennen (8)
(15/16) Stroomtangaansluiting
Op deze connectoren mag uitsluitend de stroomtangconverter
aangesloten worden die als toebehoren wordt aangeboden.
(17) Sondeaansluiting
U heeft de sondeaansluiting nodig voor het meten van de son-
despanning U
S-PE
, de aardelektrodespanning U
E
, de aardings-
weerstand R
E
en de standplaatsisolatieweerstand.
72 GMC-I Messtechnik GmbH
Zij kan worden gebruikt bij het testen van RCD-aardlekbeveiligin-
gen voor het meten van de contactspanning. De sonde wordt
aangesloten met een aanrakingsbeveiligde stekker met een door-
snede van 4 mm.
Het apparaat controleert of een sonde op de juiste wijze in uw
apparaat gezet is en geeft de toestand aan op het display.
(18) USB-interface
De USB-aansluiting maakt gegevensuitwisseling mogelijk tussen
de tester en de pc.
(19) RS232-interface
Met deze aansluiting kunnen de gegevens worden ingevoerd met
een barcode- of RFID-lezer.
(20) Laadaansluiting
Op deze connector mag uitsluitend het laadapparaat Z502R voor
het laden van oplaadbare batterijen in de tester worden aangeslo-
ten.
(21) Batterijdeksel – reservezekeringen
Let op!
!
Als het deksel van het batterijvak is verwijderd, moet de
tester met alle polen van de meetkring zijn afgekoppeld!
Het deksel van het batterijvak bedekt de compacte accupack
Master (Z502H)of een batterijenhouder met de batterijen en de
reservezekeringen.
De houder voor oplaadbare batterijen resp. de accupack Z502H
biedt plaats aan acht 1,5 V mignoncellen volgens IEC LR 6 voor
de voeding van het apparaat. Als u de batterijen in het apparaat
doet, moet u op de juiste poling letten. Kijk hiervoor naar de sym-
bolen.
Let op!
!
Zorg er absoluut voor dat alle batterijen worden aange-
bracht met de juiste polariteit. Als er reeds een cel met
verkeerde polariteit is ingezet, dan herkent de tester\dit
niet en kunnen batterijen gaan uitlopen.
Er zitten twee reservezekeringen onder het batterijdeksel.
Bedieningsterminal – LED’s
LED MAINS/NETZ
Zij werkt alleen als het apparaat is ingeschakeld. Zij werkt niet bin-
nen het spanningsbereik UL-N en UL-PE.
Ze brandt groen, rood of oranje, knippert groen of rood, naarge-
lang de aansluiting van het apparaat en de functie (vgl. hoofdstuk
18 „Signalisering van de LED’s, netaansluitingen en potentiaalver-
schillen“ vanaf pagina 73)).
De LED brandt ook als er bij het meten van RISO en RLO net-
spanning is.
LED UL/RL
Deze brandt rood als de contactspanning bij het meten van de
RCD-aardlekbeveiliging > 25 V resp. > 50 V is en na een veilig-
heidsuitschakeling. Als RISO en RLO boven of onder de grens-
waarde komen, brandt de LED ook.
LED RCD • FI
Deze brandt rood, als de RCD-aardlekschakelaar bij de aan-
spreekmeting met nominale foutstroom niet binnen 400 ms
(1000 ms aanspreekt bij selectieve RCD-aardlekschakelaars van
het type RCD S). Zij brandt ook als de RCD-aardlekschakelaar bij
een meting met stijgende foutstroom niet aanspreekt voordat de
nominale foutstroom is bereikt.
GMC-I Messtechnik GmbH 73
18 Signalisering van de LED’s, netaansluitingen en potentiaalverschillen
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
LED-signaliseringen
NETZ/
MAINS
brandt
groen
X
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
U, Z
ST
, kWh, IMD,
int. Helling, RCM
Correcte aansluiting, meting vrijgegeven
NETZ/
MAINS
knippert
groen
X
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
U, Z
ST
, kWh, IMD,
int. Helling, RCM
N-leider niet aangesloten,
meting vrijgegeven
NETZ/
MAINS
brandt
oranje
X
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
Netspanning 65 V tot 253 V ten opzichte van PE, er zijn 2 verschillende
fasen (net zonder N-leider), meting vrijgegeven
NETZ/
MAINS
knippert
rood
XX
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
U, Z
ST
, kWh, IMD,
int. Helling, RCM
1) geen netspanning of
2) PE onderbroken
NETZ/
MAINS
brandt
rood
XR
ISO
/ R
LO
Stoorspanning aanwezig, meting geblokkeerd
NETZ/
MAINS
knippert
geel
X
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
L en N zijn met de buitenste geleiders verbonden.
U
L
/R
L
brandt
rood
XX
I
N
R
ISO
/ R
LO
– Contactspanning U
IN
resp. U
I
>25V resp. >50V
– een veiligheidsuitschakeling heeft plaats gevonden
– onderschrijding resp. overschrijding van de grenswaarden bij R
ISO
/ R
LO
RCD/FI
brandt
rood
XX
I
N
/ I
F
int. Helling
De RCD-aardlekschakelaar heeft bij de aanspreekmeting niet of niet op
tijd aangesproken
Controle netaansluiting — Eenfasesysteem — LCD-aansluitpictogrammen
verschijnt
in beeld
alle behalve U Geen aansluitherkenning
verschijnt
in beeld
alle behalve U Aansluiting OK
verschijnt
in beeld
alle behalve U L en N verwisseld, nulleider heeft fase
verschijnt
in beeld
alle behalve U en RE Geen netverbinding
RE Standaardweergave zonder aansluitmeldingen
verschijnt
in beeld
alle behalve U Nulleider onderbroken
verschijnt
in beeld
alle behalve U
Aardleiding PE onderbroken,
Nulleider N en/of buitenste geleider L hebben fase
verschijnt
in beeld
alle behalve U
Buitenste geleider L onderbroken,
Nulleider N heeft fase
verschijnt
in beeld
alle behalve U Buitenste geleider L en aardleiding PE verwisseld
verschijnt
in beeld
alle behalve U
Buitenste geleider L en aardleiding PE verwisseld
Nulleider onderbroken (alleen met sonde)
verschijnt
in beeld
alle behalve U L en N zijn met de buitenste geleiders verbonden.
?
?
?
N
PE
L
N
PE
L
N
PE
L
N
PE
L
x
N
PE
L
x
N
PE
L
x
N
PE
L
N
PE
L
x
N
PE
L
74 GMC-I Messtechnik GmbH
Controle netaansluiting — Driefasensysteem — LCD-aansluitpictogrammen
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Rechts draaiveld
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Links draaiveld
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Verbinding tussen L1 en L2
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Verbinding tussen L1 en L3
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Verbinding tussen L2 en L3
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Leiding L1 ontbreekt
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Leiding L2 ontbreekt
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Leiding L3 ontbreekt
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Leiding L1 op N
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Leiding L2 op N
verschijnt
in beeld
U
(driefasenmeting)
Leiding L3 op N
Aansluitcontrole — Aardingsweerstandsmeting werkend op batterijen „gebruik op batterijen“
verschijnt
in beeld
RE Standaardweergave zonder aansluitmeldingen
verschijnt
in beeld
PRO-RE RE
Stoorspanning op sonde S > 3 V
Beperkte meetnauwkeurigheid
verschijnt
in beeld
Meet-
tang
RE
Verhouding valse stroom/meetstroom > 50 bij RE(sel), 1000 bij RE(2Z)
Beperkte meetnauwkeurigheid
bij RE(sel): Valse stroom > 0,85 A of verhouding valse stroom/meetstroom
>100
geen meetwaarde, weergave RE.Z – – –
verschijnt
in beeld
PRO-RE RE
Sonde H niet aangesloten of RE.H > 150 k
geen meting, weergave RE – – –
RE.H > 50 k of
RE.H / RE > 10000
Meetwaarde verschijnt in beeld, beperkte meetnauwkeurigheid
verschijnt
in beeld
PRO-RE RE
Sonde S niet aangesloten
of RE.S > 150 k
of RE.S x RE.H > 25 M²
geen meting, weergave RE – – –
RE.S > 50 k of
RE.S / RE > 300
Meetwaarde verschijnt in beeld, beperkte meetnauwkeurigheid
verschijnt
in beeld
PRO-RE RE
Sonde E niet aangesloten of RE.E > 150 kRE.E/RE > 2000
geen meting, weergave RE – – –
RE.E/RE > 300
Meetwaarde verschijnt in beeld, beperkte meetnauwkeurigheid
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
N
PE
L
GMC-I Messtechnik GmbH 75
accutest
verschijnt
in beeld
alle
Batterijen moeten worden opgeladen of tegen het einde van de bruik-
baarheidsduur worden vervangen (U < 8 V).
PE-meting door vingercontact met de contactvlakken van de teststekker
LCD LED’s
verschijnt
in beeld
U
L
/R
L
RCD/FI
branden
rood
XX
U
(eenfasemeting)
Potentiaalverschil 50 V tussen vingercontact en PE (veiligheidscontact)
Frequentie f 50 Hz
verschijnt
in beeld
U
L
/R
L
RCD/FI
branden
rood
XX
U
(eenfasemeting)
als L correct contact maakt en PE onderbroken is (frequentie f 50 Hz)
Foutmeldingen — LCD-pictogrammen
XX
Alle metingen
met aardleiding
Potentiaalverschil U
L
tussen vingercontact en PE (veiligheidscontact)
(Frequentie f 50 Hz)
Oplossing: PE-aansluiting controleren
Opmerking: Alleen als verschijnt: de meting kan toch opnieuw wor-
den gestart als nog eens op de knop Start wordt gedrukt.
XX
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
1) Spanning bij RCD-meting met gelijkstroom te hoog (U > 253 V)
2) U algemeen U > 550 V met 500 mA
3) U > 440 V bij I
N
/ I
F
4) U > 253 V bij I
N
/ I
F
met 500 mA
5) U > 253 V bij metigen met sonde
XX I
N
RCD spreekt te vroeg aan of is defect
Oplossing: controleer de schakeling op voorstromen
XX Z
L-PE
RCD spreekt te vroeg aan of is defect.
Oplossing: controleer met „DC + positieve halve golf“
XX I
N
/ I
F
RCD spreekt aan tijdens de meting van de contactspanning
Oplossing: controleer de ingestelde nominale meetstroom
EXTRA PRCD
De PRCD is in werking getreden.
Oorzaak: Slechte contactering of defecte PRCD
X X alle behalve U
Van buiten toegankelijke zekering is defect
De spanningsmeetbereiken blijven ook in werking nadat de zekeringen
zijn uitgevallen.
Speciaal geval R
LO
: Stoorspanning tijdens de meting kan leiden tot een sto-
ring van de zekering.
Oplossing: zekering vervangen, zie reservezekering in het batterijvak.
Let op de instructies voor het vervangen van de zekering in hoofdst. 20.3!
XX
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
Frequentie buiten het toegelaten bereik
Oplossing: controleer de netaansluiting
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
PE
PE
76 GMC-I Messtechnik GmbH
alle
Temperatuur in de tester te hoog
Oplossing: wacht totdat de tester is afgekoeld
XX R
ISO
/ R
LO
Stoorspanning aanwezig
Oplossing: het meetobject moet spanningsvrij worden geschakeld
PRO-RE RE (bat)
Stoorspanning > 20 V op de sonden:
H tegen E of S tegen E
geen meting mogelijk
X
PRO-RE
RE (bat) Sonde ES niet of verkeerd aangesloten.
PRO-RE/
2
RE (bat) Generator-stroomtang (E-Clip-2) niet aangesloten
XX
alle metingen met
sonde
Stoorspanning op de sonde
XX R
ISO
/ R
LO
Overspanning resp. Overbelasting van de meetpanningsgenerator bij het
meten van R
ISO
resp. R
LO
XX
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
Z
ST
, R
ST
, R
E
meterstart
Geen netaansluiting
Oplossing: controleer de netaansluiting
X X alle
Hardwaredefect
Oplossing:
1) In-/uitschakelen of
2) Verwijder de batterijen voor een korte tijd
Als de foutmelding blijft bestaan, stuur de tester naar GMC-I Service
GmbH.
XX R
LO
OFFSET-meting niet zinvol
Oplossing: controleer de installatie
Offset-meting van RLO+ en RLO– nog steeds mogelijk
XR
LO
R
OFFSET
> 10 :
OFFSET-meting niet zinvol
Oplossing: controleer de installatie
XEXTRA U
Z > 10 :
OFFSET-meting niet zinvol
Oplossing: controleer de installatie
XEXTRA U
U
OFFSET
> U:
Offsetwaarde groter dan de meetwaarde op de verbruikersinstallatie
OFFSET-meting niet zinvol
Oplossing: controleer de installatie
XXR
ISO
/ R
LO
/ R
E(bat)
Contactprobleem of zekering defect
Oplossing: controleer of de teststekker of de meetadapter op de juiste
plaats in de teststekker zit of vervang de zekering
XR
E
De 2-polige adapter moet worden omgepoold.
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
GMC-I Messtechnik GmbH 77
XI
N
/ I
F
N en PE zijn verwisseld
XX
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
/ R
E
1) Netaansluitingsfout
Oplossing: controleer de netaansluiting
of
2) Display in het aansluitpictogram: PE onderbroken (x) of
met betrekking tot de knoppen van de teststekker onderliggende
aardleidingsbeugel onderbroken
Oorzaak: spanningsmeetpad onderbroken
Gevolg: De meting wordt geblokkeerd
Opmerking: Alleen als verschijnt: de meting kan toch opnieuw
worden gestart als u nogmaals op de knop Start drukt.
XI
N
/ I
F
Display in het aansluitpictogram:
met betrekking tot de knoppen van de teststekker bovenliggende aardlei-
dingsbeugel onderbroken
Oorzaak: Stroommeetpad onderbroken
Gevolg: Geen weergave van de meetwaarde
R
E
I
N
/ I
F
Sonde wordt niet herkend, sonde niet aangesloten
Oplossing: controleer de sondeaansluiting
R
E
Tang wordt niet herkend:
– Tang niet aangesloten of
Stroom door de tang te klein (gedeeltelijke aardingsweerstand te hoog) of
– Overzetverhouding verkeerd ingesteld
Oplossing: Tangaansluiting controleren, overzetverhouding controleren
Batterijen in de METRAFLEX P300 controleren resp. vervangen
R
E
Als u de overzetverhouding in de tester heeft veranderd, verschijnt de
instructie om deze ook op de stroomtangsensor in te stellen
R
E
Spanning op de tangingang te hoog of signaal gestoord
De parameter overzetverhouding die op de tester is ingesteld, stemt
mogelijk niet overeen met de overzetverhouding op de stroomtangsensor.
Oplossing: controleer de overzetverhouding of de constructie
alle
De batterijspanning is kleiner dan of geliijk aan 8 V.
Er zijn geen betrouwbare metingen meer mogelijk.
Het opslaan van de meetwaarden wordt geblokkeerd.
Oplossing: Batterijen moeten worden opgeladen of tegen het einde van
de bruikbaarheidsduur worden vervangen.
I
N
/ I
F
Weerstand op het N-PE-pad te groot
Gevolg: De vereiste meetstroom kan niet meer worden gegenereerd en
de meting wordt afgebroken.
Z
L-PE
, R
E
Bij overschrijding van de opgegeven contactspanning U
L
:
Z
L-PE
en R
E
: Verzoek om op de 15 mA-golf om te schakelen
alleen R
E
alternatief:
Verzoek om het meetbereik te verkleinen (verminderen van de stroom)
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
I
N
/I
F
10 mA 30 mA 100 mA 300 mA 500 mA
R
MAX
bij I
N
510 170 50 15 9
R
MAX
bij I
F
410 140 40 12 7
78 GMC-I Messtechnik GmbH
Invoerplausibiliteitscontrole — Controle van de parametercombinaties — LCD-pictogrammen
Parameter out of range
I
N
/ I
F
5 x 500 mA niet mogelijk
I
N
/ I
F
Type B, B+ en EV/MI niet bij G/R, SRCD, PRCD
I
N
180 graden niet bij G/R, SRCD, PRCD
I
N
/ I
F
DC niet bij G/R, SRCD, PRCD
I
N
/ I
F
Halve golf of DC niet bij type AC, F, B+ en EV/MI
I
N
/ I
F
EXTRA RCM
DC niet bij type A, F
I
N
1/2 Meetstroom niet met DC
I
N
2x / 5x IdN alleen met volledige golf
R
E
in het IT-net niet zonder sonde!
R
E
Meetsoort op batterijen werkend „Batterijgevoed“ niet mogelijk,
bv. bij aansluiting van de 4-polige adapter op de teststekker
of bij 2-tangenmeting of bij meting van de specifieke aardingsweerstand
R
E
Meting netgevoed niet mogelijk,
bv. bij aansluiting van de 2-/3-polige adapter op de teststekker
I
N
/ I
F
DC+ alleen bij 10 ohm
R
E
geen DC-voormagnetisering in het IT-net
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
GMC-I Messtechnik GmbH 79
R
E
15 mA alleen mogelijk in het 1 k - en 100 -bereik!
R
E
15 mA alleen als lusmeting met of zonder sonde
EXTRA RCM Bij RCM: TYPE AC, F, B+ en EV/MI niet mogelijk
I
N
/ I
F
in het IT-net geen meting met halve golf of DC mogelijk
alle
De parameters die u heeft gekozen zijn niet zinvol in combinatie met de
andere parameters die reeds zijn ingesteld. De gekozen parameters wor-
den niet overgenomen.
Oplossing: geef een andere parameter in.
R
E
2-pol-meting met randaardestekker (niet mogelijk in het IT-net)
EXTRA ta+I De intelligente helling is niet mogelijk met de RCD-types RCD-S en G/R.
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
80 GMC-I Messtechnik GmbH
Meldingen — LCD-pictogrammen — Testsequenties
AUTO
De testsequentie bevat een meting die niet door het aangesloten meetap-
paraat verwerkt kan worden. De betreffende testfase moet worden over-
geslagen. Voorbeeld: De testsequentie bevat een RCM-meting die is
overgedragen aan de PROFITEST MTECH.
AUTO De testsequentie is met succes doorlopen.
AUTO
Er zitten geen testsequenties in het geheugen.
Oorzaak: Deze kunnen door de volgende handelingen gewist zijn: Veran-
dering van taal, van het profiel, van de DB-mode
of door een reset van de fabrieksinstellingen.
Foutmeldingen — LCD-pictogrammen — lekstroommeetadapter PRO-AB
EXTRA I
L
Meetbereik overschreden.
Ga naar het grotere meetbereik (meetapparaat en lekstroommeetadap-
ter).
EXTRA I
L
Testmeting:
De test is geslaagd.
De lekstroommeetadapter is nu klaar voor gebruik.
EXTRA I
L
Testmeting:
De test is niet geslaagd.
De lekstroommeetadapter is defect. Neem contact op met onze repara-
tie-afdeling.
EXTRA I
L
Testmeting:
Controleer de zekering in de lekstroommeetadapter.
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
GMC-I Messtechnik GmbH 81
Database- en invoeroperaties — LCD-pictogrammen
I
N
/ I
F
Z
L-N
/ Z
L-PE
EXTRA t
A
+I
EXTRA RCM
Meetwaarden opslaan met afwijkende stroomkringparameters
De door u op de tester ingestelde stroomkringparameter stemt niet over-
een met de parameter die in de structuur bij de objectgegevens is opge-
slagen.
Voorbeeld: De aanspreekfoutstroom heeft in de database een default-
waarde van 10 mA. U heeft echter gemeten met 100 mA. Als u alle toe-
komstige metingen eveneens wilt verrichten met 100 mA, moet u de
waarde in de database aanpassen door hem te bevestigen met . De
meetwaarde wordt gerapporteerd en de nieuwe parameter wordt overge-
nomen.
Als u de parameter in de database ongewijzigd wilt laten, dan drukt u op
de knop . De meetwaarde en de veranderde parameter worden nu
gerapporteerd.
alle Voer een benaming (alfanumeriek) in
alle
Gebruik met de barcodescanner
Foutmelding bij het oproepen van het invoerveld „EDIT“ en bij batterij-
spanning < 8 V. De uitgangsspanning voor het gebruik van de barcodele-
zer wordt bij U < 8 V altijd uitgeschakeld, zodat de restcapaciteit van de
batterijen voldoende is om benamingen van testobjecten in te voeren en
de meting te kunnen opslaan.
Oplossing: Batterijen moeten worden opgeladen of tegen het einde van
de bruikbaarheidsduur worden vervangen.
alle
Gebruik met de barcodescanner
Er stroomt een hoge stroom door de RS232-interface.
Oplossing:
het aangesloten apparaat is niet geschikt voor deze interface.
alle
Gebruik met de barcodescanner
Barcode niet herkend, verkeerde syntax
alle
Gegevens kunnen op deze plaats in de structuur niet worden ingegeven.
Oplossing: let op het profiel voor vooraf gekozen pc-software, zie menu
SETUP.
alle
Opslaan van meetwaarden op deze plaats in de structuur is niet mogelijk.
Oplossing: controleer of het profiel dat bij uw pc-analyseprogramma past
in de SETUP heeft ingesteld, zie hoofdst. 4.6.
alle
Het geheugen is vol.
Oplossing: Maak op een pc een back-up van de meetgegevens en wis
vervolgens het geheugen van de tester. Wis de database hiervoor en
importeer een (lege) database.
alle
Meting of database wissen
Dit vragenvenster verzoekt u om het wissen nogmaals te bevestigen.
SETUP
Gegevensverlies bij verandering van de taal, het profiel
of bij het terugzetten op fabrieksinstelling!
Maak op een pc een back-up van uw meetgegevens, voordat u op de
respectievelijke knop drukt.
Dit vragenvenster verzoekt u om het wissen nogmaals te bevestigen.
alle
Als de database, d.w.z. de structuur die in de ETC is aangemaakt te groot
is voor het geheugen van het appraat, dan verschijnt deze foutmelding.
De database in het geheugen van het apparaat is leeg als de overdracht
van de database is geannuleerd.
Oplossing: Maak de database in de ETC kleiner of stuur de database
zonder meetwaarden (knop Structuur verzenden), als er reeds meetwaar-
den beschikbaar zijn.
Toe-
stand
Test-
stekker
Meetad
apter
Stand van de
functieschakelaar
Functie / betekenis
82 GMC-I Messtechnik GmbH
19 Technische karakteristieken
Technische karakteristieken MBASE+ & MTECH+
Fun-
ctie
Meetgrootheid
Weergave-
bereik
Reso-
lutie
Ingangsim-
pedantie/
meetstroom
Meetbereik
Nom.
waarden
Meetonnauw-
keurigheid
Intrinsieke
onveiligheid
Aansluitingen
Stekker-
inzet-
stuk
1)
2-polige
Adapter
3-po-
lige
adapter
Sonde
Tangen
WZ12
C
Z3512
A
MFLEX
P300
U
U
L-PE
U
N-PE
0 ... 99,9 V 0,1 V
5 M
0,3 ... 600 V
1)
U
N
= 120/230/
400/500 V
f
N
= 16
2
/
3
/50/
60/200/400 Hz
(2% v.d.m.+5D) (1% v.d.m.+5D)
lll
100 ... 600 V 1 V (2% v.d.m.+1D) (1% v.d.m.+1D)
f
15,0 ... 99,9 Hz
100 ... 999 Hz
0,1 Hz
1 Hz
DC 15,4 ... 420 Hz (0,2% v.d.m.+1D)
(0,1% v.d.m.+1D)
U
3~
0 ... 99,9 V
100 ... 600 V
0,1 V
1 V
0,3 ... 600 V
(3% v.d.m.+5D)
(3% v.d.m.+1D)
(2% v.d.m.+5D)
(2% v.d.m.+1D)
l
U
SONDE
0 ... 99,9 V
100 ... 600 V
0,1 V
1 V
1,0 ... 600 V
(2% v.d.m.+5D)
(2% v.d.m.+1D)
(1% v.d.m.+5D)
(1% v.d.m.+1D)
l
U
L-N
0 ... 99,9 V
100 ... 600 V
0,1 V
1 V
1,0 ... 600 V
1)
(3% v.d.m.+5D)
(3% v.d.m.+1D)
(2% v.d.m.+5D)
(2% v.d.m.+1D)
ll
I
N
I
F
U
IN
0 ... 70,0 V 0,1 V 0,3 · I
N
5 ... 70 V
U
N
=
120 V
230 V
400 V
2)
f
N
= 50/60 Hz
U
L
= 25/50 V
I
N
=
6 mA
10 mA
30 mA
100 mA
300 mA
500 mA
2)
+10% v.d.m.+1D
+1% v.d.m.–1D ...
+9% v.d.m.+1D
ll
l
naar
keuze
R
E
10 ... 999
1,00 k ... 6,51 k
1
0,01 k
I
N
= 10 mA · 1,05
Rekenkundige
waarde
van
R
E
= U
IN
/
I
N
3 ... 999
1 k ... 2,17 k
1
0,01 k
I
N
= 30 mA · 1,05
1 ... 651 1
I
N
=100 mA · 1,05
0,3 ... 99,9
100 ... 217
0,1
1
I
N
=300 mA · 1,05
0,2 ... 9,9
10 ... 130
0,1
1
I
N
=500 mA · 1,05
I
F
(I
N
= 6 mA) 1,8 ... 7,8 mA
0,1 mA
1,8 ... 7,8 mA 1,8 ... 7,8 mA
(5% v.d.m.+1D)
(3,5% v.d.m.+2D)
I
F
(I
N
= 10 mA) 3,0 ... 13,0 mA 3,0 ... 13,0 mA 3,0 ... 13,0 mA
I
F
(I
N
= 30 mA) 9,0 ... 39,0 mA 9,0 ... 39,0 mA 9,0 ... 39,0 mA
I
F
(I
N
= 100 mA) 30 ... 130 mA 1 mA 30 ... 130 mA 30 ... 130 mA
I
F
(I
N
= 300 mA) 90 ... 390 mA 1 mA 90 ... 390 mA 90 ... 390 mA
I
F
(I
N
= 500 mA) 150 ... 650 mA 1 mA 150 ... 650 mA 150 ... 650 mA
U
I
/ U
L
= 25 V 0 ... 25,0 V
0,1 V als I
0 ... 25,0 V
+10% v.d.m.+1D
+1% v.d.m.–1D ...
+9% v.d.m.+1 D
U
I
/ U
L
= 50 V 0 ... 50,0 V 0 ... 50,0 V
t
A
(I
N
· 1) 0 ... 1000 ms 1 ms 6 ... 500 mA 0 ... 1000 ms
4 ms 3 mst
A
(I
N
· 2) 0 ... 1000 ms 1 ms
2 · 6 ... 2 · 500 mA
0 ... 1000 ms
t
A
(I
N
· 5) 0 ... 40 ms 1 ms
5 · 6 ... 5 · 300 mA
0 ... 40 ms
Z
L-PE
Z
L-N
Z
L-PE
()
Z
L-N
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
1 m
0,01
0,1
1,3 ... 3,7 A AC
0,5/1,25 A DC
0,15 ... 0,49
0,50 ... 0,99
1,00 ... 9,99
U
N
= 120/230 V
400/500 V
1)
f
N
=16
2
/
3
/50/60 Hz
(10% v.d.m.+30D)
(10% v.d.m.+30D)
(5% v.d.m.+3D)
(5% v.d.m.+30D)
(4% v.d.m.+30D)
(3% v.d.m.+3D)
l
l
Z
L-PE
Z
L-PE
+ DC
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 29,9
0,25 ... 0,99
1,00 ... 9,99
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
(18% v.d.m.+30D)
(10% v.d.m.+3D)
(6% v.d.m.+50D)
(4% v.d.m.+3D)
I
K
(Z
L-PE
,
Z
L-PE
+ DC)
0 ... 9,9 A
10 ... 999 A
1,00 ... 9,99 kA
10,0 ... 50,0 kA
0,1 A
1 A
10 A
100 A
120 (108 ... 132) V
230 (196 ... 253) V
400 (340 ... 440) V
500 (450 ... 550) V
Rekenkundige waarde van Z
L-PE
Z
L-PE
(15 mA)
0,5 ... 9,99 0,01 alleen weergavebereik
10,0 ... 99,9
100 ... 999
0,1
1
15 mA AC
10 ... 100
100 ... 1000
U
N
= 120/230 V
f
N
= 16
2
/
3
/50/60
Hz
(10% v.d.m.+10D)
(8% v.d.m.+2D)
(2% v.d.m.+2D)
(1% v.d.m.+1D)
I
K
(15 mA)
100 ... 999 mA
0,00 ... 9,99 A
10,0 ... 99,9 A
1 mA
0,01 A
0,1 A
Rekenkundige
waarde afh. van U
N
en Z
L-PE
:
I
K
=U
N
/10...1000
Rekenkundige waarde van Z
L-PE
(15
mA):
I
K
= U
N
/Z
L-PE
(15 mA)
R
E
R
E
(met sonde)
[R
E
(zonder sonde)
Waarden als Z
L-PE
]
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 99,9
100 ... 999
1 k ...9,99 k
1 m
0,01
0,1
1
0,01 k
1,3 ... 3,7 A AC
1,3 ... 3,7 A AC
1,3 ... 3,7 A AC
400 mA AC
40 mA AC
4 mA AC
0,15 ... 0,49
0,50 ... 0,99
1,0 ...9,99
10 ...99,9
100 ...999
1 k ...9,99 k
U
N
= 120/230 V
U
N
= 400 V
1)
f
N
= 50/60 Hz
(10% v.d.m.+30D)
(10% v.d.m.+30D)
(5% v.d.m.+3D)
(10% v.d.m.+3D)
(10% v.d.m.+3D)
(10% v.d.m.+3D)
(5% v.d.m.+30D)
(4% v.d.m.+30D)
(3% v.d.m.+3D)
(3% v.d.m.+3D)
(3% v.d.m.+3D)
(3% v.d.m.+3D)
ll l
R
E
DC+
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 29,9
1 m
0,01
0,1
1,3 ... 3,7 A AC
0,5/1,25 A DC
0,25 ... 0,99
1,00 ... 9,99
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
±(18% v.d.m.+30D)
(10% v.d.m.+3D)
(6% v.d.m.+50D)
(4% v.d.m.+3D)
U
E
0 ... 253 V 1 V
Rekenkundige
waarde
R
E
Sel
Tang
R
E
0 ... 999
1 m...
1
1,3 ... 2,7 A AC
0,5/1,25 A DC
0,25 ... 300 
4)
zie R
E
(20% v.d.m.+20 D)
(15% v.d.m.+20 D)
l
l
R
E
DC+ 0 ... 999
1 m...
1
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
(22% v.d.m.+20 D)
(15% v.d.m.+20 D)
EX-
TRA
Z
ST
0 ... 30 M 1 k
2,3 mA bij 230 V
10 k ... 199 k
200 k ... 30 M
U
0
= U
L-N
(20% v.d.m.+2D)
(10% v.d.m.+2D)
(10% v.d.m.+3D)
(5% v.d.m.+3D)
llll
R
ISO
R
ISO
, R
E ISO
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 49,9 M
1 k
10 k
100 k
I
K
= 1,5 mA 50 k... 500 M
U
N
= 50 V
I
N
= 1 mA
Bereik k
(5% v.d.m.+10D)
Bereik M
(5% v.d.m.+1D)
Bereik k
(3% v.d.m.+10D)
Bereik M
(3% v.d.m.+1D)
ll
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 99,9 M
1 k
10 k
100 k
U
N
= 100 V
I
N
= 1 mA
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 99,9 M
100 ... 200 M
1 k
10 k
100 k
1 M
U
N
= 250 V
I
N
= 1 mA
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 99,9 M
100 ... 500 M
1 k
10 k
100 k
1 M
U
N
= 500 V
U
N
= 1000 V
I
N
= 1 mA
U
10 ... 999 V–
1,00 ... 1,19 kV
1 V
10 V
10 ... 1,19 kV (3% v.d.m.+1D)
±(1,5% v.d.m.+1D)
GMC-I Messtechnik GmbH 83
1)
U > 230 V alleen met 2- resp. 3-polige adapter
2)
1
·
/ 2
·
IΔN > 300 mA en 5
·
IΔN > 500 mA en If > 300 mA slechts tot U
N
230 V !
IΔN 5
·
300 mA alleen met U
N
= 230 V
3)
Van de op de tang ingestelde overdrachtsfactor (1...1000 mV/A) moet in de scha-
kelaarstand „SENSOR“ / menu „TYPE“ worden ingesteld.
4)
bij R
Eselectief
/R
Etotaal
< 100
Legenda: D = Digit, v.d.m. = van de meetwaarde
R
LO
R
LO
0,01 ... 9,99
10,0 ... 199,9
10 m
100 m
I
m
200 mA
I
m
< 200 mA
0,1 ... 5,99
6,0 ... 100
U
0
= 4,5 V (4% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
l
SEN-
SOR
I
L/Amp
0 ... 99,9 mA 0,1 mA
5 ... 1000 mA
3)
(10% v.d.m.+8D) (4% v.d.m.+7D)
l
100 ... 999 mA 1 mA (10% v.d.m.+3D) (4% v.d.m.+2D)
0 ... 99,9 A 0,1 A
5 ... 150 A
3)
(8% v.d.m.+2D) (3% v.d.m.+2D)
100 ... 150 A 1 A (8% v.d.m.+1D) (3% v.d.m.+1D)
0 ... 99,9 mA 0,1 mA
5 ... 1000 mA
3)
0,05 ... 10 A
3)
0,5 ... 100 A
3)
5 ... 1000 A
3)
(7% v.d.m.+8D) (4% v.d.m.+7D)
l
100 ... 999 mA 1 mA (5% v.d.m.+3D) (2% v.d.m.+2D)
1,0 ... 9,99 A 0,01 A (4% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
10,0 ... 99,9 A 0,1 A (4% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
100 ... 999 A 1 A (4% v.d.m.+1D) (2% v.d.m.+1D)
1,00 ... 1,02 kA 0,01 kA (4% v.d.m.+1D) (2% v.d.m.+1D)
0 ... 99,9 mA 0,1 mA
1 V/A 30 ... 1000 mA
3))
U
N
= 120/230/
400 V
f
N
= 50/60 Hz
(7% v.d.m.+100D)
(4% v.d.m.+100D)
l
100 ... 999 mA 1 mA (6% v.d.m.+12D) (3% v.d.m.+12D)
1,0 ... 9,99 A 0,01 A 100 mV/A 0,3 ... 10 A
3)
(6% v.d.m.+12D) (3% v.d.m.+12D)
10,0 ... 99,9 A 0,1 A 10 mV/A 3 ... 100 A
3)
(5% v.d.m.+11D) (2% v.d.m.+11D)
Uez
0,0 ... 99,0 mV 0,1 mV
400 k 1000 mV
(3% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
100 ... 999 mV 1 mV (3% v.d.m.+1D) (2% v.d.m.+1D)
Fun-
ctie
Meetgrootheid
Weergave-
bereik
Reso-
lutie
Ingangsim-
pedantie/
meetstroom
Meetbereik
Nom.
waarden
Meetonnauw-
keurigheid
Intrinsieke
onveiligheid
Aansluitingen
Stekker-
inzet-
stuk
1)
2-polige
Adapter
3-po-
lige
adapter
Sonde
Tangen
WZ12
C
Z3512
A
MFLEX
P300
84 GMC-I Messtechnik GmbH
Technische karakteristieken MPRO, MXTRA & SECULIFE IP
Fun-
ctie
Meetgrootheid
Weergave-
bereik
Reso-
lutie
Ingangsim-
pedantie/
meetstroom
Meetbereik
Nom.
waarden
Meetonnauw-
keurigheid
Intrinsieke on-
veiligheid
Aansluitingen
Stekker-
inzet-
stuk
1)
2-polige
Adapter
3-po-
lige
adapter
Sonde
Tangen
WZ12C Z3512A
MFLEX
P300
U
U
L-PE
U
N-PE
0 ... 99,9 V 0,1 V
5 M
0,3 ... 600 V
1)
U
N
=
120 V
230 V
400 V
500 V
f
N
= 16
2
/
3
/50/
60/200/400 Hz
(2% v.d.m.+5D) (1% v.d.m.+5D)
●●●
100 ... 600 V 1 V (2% v.d.m.+1D) (1% v.d.m.+1D)
f
15,0 ... 99,9 Hz
100 ... 999 Hz
0,1 Hz
1 Hz
DC 15,4 ... 420 Hz (0,2% v.d.m.+1D) (0,1% v.d.m.+1D)
U
3~
0 ... 99,9 V
100 ... 600 V
0,1 V
1 V
0,3 ... 600 V
(3% v.d.m.+5D)
(3% v.d.m.+1D)
(2% v.d.m.+5D)
(2% v.d.m.+1D)
U
SONDE
0 ... 99,9 V
100 ... 600 V
0,1 V
1 V
1,0 ... 600 V
(2% v.d.m.+5D)
(2% v.d.m.+1D)
(1% v.d.m.+5D)
(1% v.d.m.+1D)
U
L-N
0 ... 99,9 V
100 ... 600 V
0,1 V
1 V
1,0 ... 600 V
1)
(3% v.d.m.+5D)
(3% v.d.m.+1D)
(2% v.d.m.+5D)
(2% v.d.m.+1D)
●●
I
N
I
F
U
IN
0 ... 70,0 V 0,1 V 0,3 · I
N
5 ... 70 V
U
N
=
120 V
230 V
400 V
2)
f
N
= 50/60 Hz
U
L
= 25/50 V
I
N
=
6 mA
10 mA
30 mA
100 mA
300 mA
500 mA
2)
+10% v.d.m.+1D
+1% v.d.m.–1D ...
+9% v.d.m.+1D
●●
naar
keuze
R
E
10 ... 999
1,00 k ... 6,51 k
1
0,01 k
I
N
= 10 mA · 1,05
Rekenkundige
waarde
van
R
E
= U
IN
/
I
N
3 ... 999
1 k ... 2,17 k
1
0,01 k
I
N
= 30 mA · 1,05
1 ... 651 1
I
N
=100 mA · 1,05
0,3 ... 99,9
100 ... 217
0,1
1
I
N
=300 mA · 1,05
0,2 ... 9,9
10 ... 130
0,1
1
I
N
=500 mA · 1,05
I
F
(I
N
= 6 mA) 1,8 ... 7,8 mA
0,1 mA
1,8 ... 7,8 mA 1,8 ... 7,8 mA
(5% v.d.m.+1D) (3,5% v.d.m.+2D)
I
F
(I
N
= 10 mA) 3,0 ... 13,0 mA 3,0 ... 13,0 mA 3,0 ... 13,0 mA
I
F
(I
N
= 30 mA) 9,0 ... 39,0 mA 9,0 ... 39,0 mA 9,0 ... 39,0 mA
I
F
(I
N
= 100 mA) 30 ... 130 mA 1 mA 30 ... 130 mA 30 ... 130 mA
I
F
(I
N
= 300 mA) 90 ... 390 mA 1 mA 90 ... 390 mA 90 ... 390 mA
I
F
(I
N
= 500 mA) 150 ... 650 mA 1 mA 150 ... 650 mA 150 ... 650 mA
U
I
/ U
L
= 25 V 0 ... 25,0 V
0,1 V als I
0 ... 25,0 V
+10% v.d.m.+1D
+1% v.d.m.–1D ...
+9% v.d.m.+1 D
U
I
/ U
L
= 50 V 0 ... 50,0 V 0 ... 50,0 V
t
A
(I
N
· 1) 0 ... 1000 ms 1 ms 6 ... 500 mA 0 ... 1000 ms
4 ms 3 mst
A
(I
N
· 2) 0 ... 1000 ms 1 ms
2 · 6 ... 2 · 500 mA
0 ... 1000 ms
t
A
(I
N
· 5) 0 ... 40 ms 1 ms
5 · 6 ... 5 · 300 mA
0 ... 40 ms
Z
L-PE
Z
L-N
Z
L-PE
()
Z
L-N
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
1 m
0,01
0,1
3,7 ... 4,7 A AC
0,10 ... 0,49
0,50 ... 0,99
1,00 ... 9,99
U
N
= 120/230 V
400/500 V
1)
f
N
=16
2
/
3
/50/60 Hz
(10% v.d.m.+20D)
(10% v.d.m.+20D)
(5% v.d.m.+3D)
(5% v.d.m.+
20D
)
(4% v.d.m.+
20D
)
(3% v.d.m.+3D)
Z
L-PE
Z
L-PE
+ DC
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 29,9
3,7 ... 4,7 A AC
0,5/1,25 A DC
0,25 ... 0,99
1,00 ... 9,99
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
(18% v.d.m.+30D)
(10% v.d.m.+3D)
(6% v.d.m.+50D)
(4% v.d.m.+3D)
I
K
(Z
L-PE
,
Z
L-PE
+ DC)
0 ... 9,9 A
10 ... 999 A
1,00 ... 9,99 kA
10,0 ... 50,0 kA
0,1 A
1 A
10 A
100 A
120 (108 ... 132) V
230 (196 ... 253) V
400 (340 ... 440) V
500 (450 ... 550) V
Rekenkundige waarde van Z
L-PE
Z
L-PE
(15 mA)
0,5 ... 99,9
100 ... 999
0,1
1
15 mA AC
10 ... 100
100 ... 1000
U
N
= 120/230 V
f
N
= 16
2
/
3
/50/
60 Hz
(10% v.d.m.+10D)
(8% v.d.m.+2D)
(2% v.d.m.+2D)
(1% v.d.m.+1D)
I
K
(15 mA)
0,10 ... 9,99 A
10,0 ... 99,9 A
100 ... 999 A
14)
0,01 A
0,1 A
1 A
100 mA ... 12 A
(U
N
= 120 V)
200 mA ... 25 A
(U
N
= 230 V)
Rekenkundige waarde van
I
K
= U
N
/Z
L-P E
(15 mA)
R
E
R
E.sl
(zonder
sonde)
R
E
(met sonde)
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 99,9
100 ... 999
1 k ...9,99 k
1 m
0,01
0,1
1
0,01 k
3,7 ... 4,7 A AC
3,7 ... 4,7 A AC
400 mA AC
40 mA AC
4 mA AC
0,10 ... 0,49
0,50 ... 0,99
1,0 ...9,99
10 ...99,9
100 ...999
1 k ...9,99 k
U
N
zoals functie U
1)
f
N
= 50/60 Hz
(10% v.d.m.+20D)
(10% v.d.m.+20D)
(5% v.d.m.+3D)
(10% v.d.m.+3D)
(10% v.d.m.+3D)
(10% v.d.m.+3D)
(5% v.d.m.+
20D
)
(4% v.d.m.+
20D
)
(3% v.d.m.+3D)
(3% v.d.m.+3D)
(3% v.d.m.+3D)
(3% v.d.m.+3D)
●●
R
E (15 mA)
(zonder/met
sonde)
0,5 ... 99,9
100 ... 999
0,1
1
15 mA AC
10 ...99,9
100 ...999
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
(10% v.d.m.+10D)
(8% v.d.m.+2D)
(2% v.d.m.+2D)
(1% v.d.m.+1D)
R
E.sl
(zonder
sonde) +
DC
R
E.sl
(met sonde)
+ DC
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 29,9
1 m
0,01
0,1
3,7 ... 4,7 A AC
0,5/1,25 A DC
0,25 ... 0,99
1,00 ... 9,99
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
(18% v.d.m.+30D)
(10% v.d.m.+3D)
(6% v.d.m.+50D)
(4% v.d.m.+3D)
U
E
0 ... 253 V 1 V 3,7 ... 4,7 A AC
R
E
= 0,10 ... 9,99
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
Rekenkundige waarde U
E
= U
N
· R
E
/R
E.sl
R
E
Sel
Tang
R
E.sel
(alleen met sonde)
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 99,9
100 ... 999
1 m
0,01
0,1
1
2,1 A AC
2,1 A AC
400 mA AC
40 mA AC
0,25 ... 300 
4)
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
(20% v.d.m.+20 D)
(15% v.d.m.+20 D)
R
E.sel
+ DC
(alleen met sonde)
0 ... 999 m
1,00 ... 9,99
10,0 ... 99,9
100 ... 999
1 m
0,01
0,1
1
3,7 ... 4,7 A AC
0,5/1,25 A DC
0,25 ... 300 
R
E.tot
< 10 
4)
U
N
= 120/230 V
f
N
= 50/60 Hz
(22% v.d.m.+20 D)
(15% v.d.m.+20 D)
EXTRA
Z
ST
0 ... 30 M 1 k 2,3 mA bij 230 V
10 k ... 199 k
200 k ... 30 M
U
0
= U
L-N
(20% v.d.m.+2D)
(10% v.d.m.+2D)
(10% v.d.m.+3D)
(5% v.d.m.+3D)
●●●●
IMD-test
20 ... 648 k
2,51 M
1 k
0,01 M
IT-netspanning
U.it = 90 ... 550 V
20 k... 199 k
200 k ... 648 k
2,51 M
IT-net - nom.
spanningen
UN.it =
120/230/400/
500 V
f
N
= 50/60 Hz
±7%
±12%
±3%
±5%
±10%
±2%
●●
GMC-I Messtechnik GmbH 85
1)
U > 230 V alleen met 2- resp. 3-polige adapter
2)
1
·
/ 2
·
IΔN > 300 mA en 5
·
IΔN > 500 mA en If > 300 mA slechts tot U
N
230 V !
3)
Van de op de tang ingestelde overdrachtsfactor (1...1000mV/A) moet in de schakelaarstand „SENSOR“ / menu „TYPE“ worden ingesteld.
4)
bij R
Eselectief
/R
Etotaal
< 100
Speciale functie MPRO, MXTRA
5)
Signaalfrequentie zonder storingssignaal
6)
Adapterkabel PRO-RE (Z501S) voor teststekkers voor het aansluiten van de aardsonden (E-
set 3/4)
7)
Adapterkabel PRO-RE/2 (Z502T) voor teststekkers voor het aansluiten van de ge-
neratortang (E-CLIP2)
8)
Generatortang: E-CLIP2 (Z591B)
9)
Meettang: Z3512A (Z225A)
10)
bij RE.sel/RE < 10 of meettangstroom > 500 A
11)
bij RE.H/RE 100 en RE.E/RE 100
12)
bij d = 20 m
13)
bij d= 2 m
14)
bij Z
L-PE
< 0,5 wordt I
k
> U
N
/0,5 aangegeven
15)
alleen bij RANGE = 20 k
16)
alleen bij RANGE = 50 k
of AUTO
Legenda: D = Digit, v.d.m. = van de meetwaarde
R
ISO
R
ISO
, R
E ISO
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 49,9 M
1 k
10 k
100 k
I
K
= 1,5 mA 50 k... 500 M
U
N
= 50 V
I
N
= 1 mA
Bereik k
(5% v.d.m.+10D)
Bereik M
(5% v.d.m.+1D)
Bereik k
(3% v.d.m.+10D)
Bereik M
(3% v.d.m.+1D)
●●
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 99,9 M
1 k
10 k
100 k
U
N
= 100 V
I
N
= 1 mA
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 99,9 M
100 ... 200 M
1 k
10 k
100 k
1 M
U
N
= 250 V
I
N
= 1 mA
1 ... 999 k
1,00 ... 9,99 M
10,0 ... 99,9 M
100 ... 500 M
1 k
10 k
100 k
1 M
U
N
= 500 V
U
N
= 1000 V
I
N
= 1 mA
U
10 ... 999 V–
1,00 ... 1,19 kV
1 V
10 V
10 ... 1,19 kV (3% v.d.m.+1D)
(1,5% v.d.m.+1D)
R
LO
R
LO
0,01 ... 9,99
10,0 ... 199,9
10 m
100 m
I
m
200 mA
I
m
< 200 mA
0,1 ... 5,99
6,0 ... 100
U
0
= 4,5 V (4% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
SEN-
SOR
I
L/Amp
0 ... 99,9 mA 0,1 mA
5 ... 1000 mA
3)
(10% v.d.m.+8D) (4% v.d.m.+7D)
100 ... 999 mA 1 mA (10% v.d.m.+3D) (4% v.d.m.+2D)
0 ... 99,9 A 0,1 A
5 ... 150 A
3)
(8% v.d.m.+2D) (3% v.d.m.+2D)
100 ... 150 A 1 A (8% v.d.m.+1D) (3% v.d.m.+1D)
0 ... 99,9 mA 0,1 mA
5 ... 1000 mA
3)
0,05 ... 10 A
3)
0,5 ... 100 A
3)
5 ... 1000 A
3)
(7% v.d.m.+8D) (4% v.d.m.+7D)
100 ... 999 mA 1 mA (5% v.d.m.+3D) (2% v.d.m.+2D)
1,0 ... 9,99 A 0,01 A (4% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
10,0 ... 99,9 A 0,1 A (4% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
100 ... 999 A 1 A (4% v.d.m.+1D) (2% v.d.m.+1D)
1,00 ... 1,02 kA 0,01 kA (4% v.d.m.+1D) (2% v.d.m.+1D)
0 ... 99,9 mA 0,1 mA
1 V/A 30 ... 1000 mA
3)
U
N
= 120/230/
400 V
f
N
= 50/60 Hz
(7% v.d.m.+100D)
(4% v.d.m.+100D)
100 ... 999 mA 1 mA (6% v.d.m.+12D) (3% v.d.m.+12D)
1,0 ... 9,99 A 0,01 A 100 mV/A 0,3 ... 10 A
3)
(6% v.d.m.+12D) (3% v.d.m.+12D)
10,0 ... 99,9 A 0,1 A 10 mV/A 3 ... 100 A
3)
(5% v.d.m.+11D) (2% v.d.m.+11D)
Uez
0,0 ... 99,0 mV 0,1 mV
400 k 1000 mV
(3% v.d.m.+2D) (2% v.d.m.+2D)
100 ... 999 mV 1 mV (3% v.d.m.+1D) (2% v.d.m.+1D)
Fun-
ctie
Meetgrootheid
Weergave-
bereik
Reso-
lutie
Ingangsim-
pedantie/
meetstroom
Meetbereik
Nom.
waarden
Meetonnauw-
keurigheid
Intrinsieke on-
veiligheid
Aansluitingen
Stekker-
inzet-
stuk
1)
2-polige
Adapter
3-po-
lige
adapter
Sonde
Tangen
WZ12C Z3512A
MFLEX
P300
Fun-
ctie
Meetgrootheid
Weergave-
bereik
Reso-
lutie
Meetstroom/
Signaalfrequen
tie
5)
Meetbereik
Meetonnauw-
keurigheid
Intrinsieke
onveiligheid
Aansluitingen
Adapter voor teststekker
Stroomtangen
PRO-RE PRO-RE/2 Z3512A Z591B
RE
BAT
RE 3-polig
0,00 ... 9,99
10,0 ... 99,9
100 ... 999
1,00 ... 9,99 k
10,0 ... 50,0 k
0,01
0,1
1
0,01 k
0,1 k
16 mA/128 Hz
1,6 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
1,00 ... 19,9
5,0 ... 199
50 ... 1,99 k
0,50k ... 19,9k
0,50k ... 49,9k
(10% v.d.m.+10D)
+ 1
(3% v.d.m.+5D)
+ 0,5
6)
RE 4-polig (10% v.d.m.+10D) (3% v.d.m.+5D)
RE 4-pol
selectief
met meettang
0,00 ... 9,99
10,0 ... 99,9
100 ... 999
1,00 ... 9,99 k
10,0 ... 19,9 k
15)
10,0 ... 49,9 k
16)
0,01
0,1
1
0,01 k
0,1 k
0,1 k
16 mA/128 Hz
16 mA/128 Hz
1,6 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
1,00 ... 9,99
10,0 ... 200
(15% v.d.m.+10D)
(20% v.d.m.+10D)
10)
(10% v.d.m.+10D)
(15% v.d.m.+10D)
6) 9)
RE spec
(p)
0,0 ... 9,9 m
100 ... 999 m
1,00 ... 9,99 km
0,1 m
1 m
0,01 k
m
16 mA/128 Hz
1,6 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
0,16 mA/128 Hz
0,16mA/128 Hz
100 m ... 9,99 km
12)
500 m ... 9,99 km
12)
5,00 km ... 9,99 km
13)
5,00 km ... 9,99 km
13)
5,00 km ... 9,99 km
13)
(20% v.d.m.+10D)
11)
(12% v.d.m.+10D)
11)
6)
Sondeafstand
d (p)
0,1 ... 999 m
RE 2-tangen
0,00 ... 9,99
10,0 ... 99,9
100 ... 999
1,00 ... 1,99 k
0,01
0,1
1
0,01 k
30 V / 128 Hz
0,10 ... 9,99
10,0 ... 99,9
(10% v.d.m.+5D)
(20% v.d.m.+5D)
(5% v.d.m.+5D)
(12% v.d.m.+5D)
7) 9) 8)
86 GMC-I Messtechnik GmbH
Karakteristieken PROFITEST MASTER & SECULIFE IP
Referentieomstandigheden
Netspanning 230 V 0,1 %
Netfrequentie 50 Hz 0,1 %
Frequentie van de
meetgrootheid 45 Hz 65 Hz
Curvevorm van de
meetgrootheid Sinus (Afwijking tussen effectieve richt-
waarde en gelijkrichtwaarde 0,1 %)
Netimpedantiehoek cos =1
Sondeweerstand 10
Voedingsspanning 12 V 0,5 V
Omgevingstemperatuur + 23 C 2 K
Relatieve luchtvochtigheid
40% 60%
Vingercontact bij meting potentiaalverschil op
aardpotentiaal
Standplaatsisolatie zuiver ohms
Nominale gebruiksbereiken
Spanning U
N
120 V (108 ... 132 V)
230 V (196 ... 253 V)
400 V (340 ... 440 V)
Frequentie f
N
16
2
/
3
Hz (15,4 ... 18 Hz)
50 Hz (49,5 ... 50,5 Hz)
60 Hz (59,4 ... 60,6 Hz)
200 Hz (190 ... 210 Hz)
400 Hz (380 ... 420 Hz)
Totale spanningsbereik U
Y
65 ... 550 V
Totale frequentiebereik 15,4 ... 420 Hz
Curvenvorm Sinus
Temperatuurbereik 0 C ... + 40 C
Voedingsspanning 8 ... 12 V
Netimpedantiehoek
dienovereenkomstig cos
= 1 ... 0,95
Sondeweerstand < 50 k
Voeding
Batterijen 8 stuks AA 1,5 V,
wij raden u aan om uitsluitend de mee-
geleverde accupack te gebruiken
(Accupack artikelnr. Z502H)
Aantal metingen (standaard setup met verlichting)
– bij R
ISO
1 meting – 25 s pauze:
ca. 1100 metingen
– bij R
LO
Auto-ompoling/1 
(1 meetcyclus) – 25 s pauze:
ca. 1000 metingen
accutest symbolische weergave van de batterij-
spanning
Batterijbesparende
schakeling
De verlichting van het display kan worden
uitgeschakeld.
De tester schakelt zich automatisch uit
na het laatste gebruik van de knoppen.
De inschakelduur kan zelf gekozen wor-
den door de gebruiker.
Beveiligingsuitschakeling Het apparaat schakelt zich uit bij lage
voedingsspanning en kan niet meer
worden ingeschakeld.
Laadaansluiting Door de aansluiting van het laadappa-
raat kunnen batterijen die in dit appa-
raat ingelegd zijn rechtstreeks op de
laadaansluiting worden opgeladen:
Laadapparaat Z502R
Oplaadtijd ca. 2 uur *
* maximale oplaadtijd bij volledig ontladen batterijen.
Een timer in het laadapparaat beperkt de oplaadtijd tot maximaal 4 uur
Overbelastbaarheid
R
ISO
1200 V continu
U
L-PE
, U
L-N
600 V continu
RCD, R
E
, R
F
440 V continu
Z
L-PE
, Z
L-N
550V (begrenst het aantal metingen en
de pauzetijd, bij overbelasting schakelt
een thermoschakelaar het apparaat uit).
R
LO
Een elektronische beveiliging voorkomt
het inschakelen als er sprake is van
stoorspanning.
Bescherming door
miniatuurzekeringen FF 3,15 A 10 s,
>5A aanspreken van de zekeringen
Elektrische veiligheid
Beschermingsklasse II volgens IEC 61010-1/EN 61010-1/
VDE 0411-1
Nominale spanning 230/400 V (300/500 V)
Testspanning 3,7 kV 50 Hz
Meetcategorie CAT III 600 V resp. CAT IV 300 V
Verontreinigingsgraad 2
Zekeringen
aansluiting L en N per 1 G-zekering
FF 3,15/500G 6,3 mm x 32 mm
Elektromagnetische compatibiliteit EMC
Productnorm EN 61326-1:2006
Omgevingsomstandigheden
Nauwkeurigheid 0 ... + 40 C
Gebruik 5 ... + 50 C
Opslag 20 ... + 60 C (zonder batterijen)
Relatieve
luchtvochtigheid
max. 75%, condensatie moet worden
uitgesloten
Hoogte boven NAP max. 2000 m
Mechanische opbouw
Display Meervoudig display met puntmatrix
128 x 128 punten
Afmetingen bxlxd = 260 mm x 330 mm x 90 mm
Gewicht ca. 2,7 kg met batterijen
Beschermingsgraad Behuizing IP 40, meetpen IP 40 volgens
EN 60529/DIN VDE 0470 deel 1
Tabellenuittreksel voor de betekenis van de IP-code
Data-interfaces
Type USB-Slave voor pc-aansluiting
Type RS232 voor barcode- en RFID-lezers
Type Bluetooth
®
voor pc-aansluiting
(alleen MTECH+, MXTRA & SECULIFE IP)
BAT
Storingsuitzending Klasse
EN 55022 A
Storingsbestendigheid Meetwaarde Prestatiekenmerk
EN 61000-4-2 Contact/lucht - 4 kV/8 kV
EN 61000-4-3 10 V/m
EN 61000-4-4 Netaansluiting - 2 kV
EN 61000-4-5 Netaansluiting - 1 kV
EN 61000-4-6 Netaansluiting - 3 V
EN 61000-4-11 0,5 periode / 100%
IP XY
(1e cijfer X)
Bescherming tegen
binnendringende vaste
deeltjes
IP XY
(2e cijfer Y)
Bescherming tegen
binnendringend water
4 1,0 mm
0 niet beschermd
GMC-I Messtechnik GmbH 87
20 Onderhoud
20.1 Firmwarestand en kalibratie-informatie
Zie hoofdst. 4.6.
20.2 Gebruik van batterijen en laadproces
Kijk met korte tussenpozen regelmatig of na langdurige opslag
van uw apparaat of de batterijen niet zijn uitgelopen.
Opmerking
Wij raden u aan om vóór langdurige gebruikspauzes (bijv.
vakantie) de oplaadbare batterijen uit het apparaat te
nemen. Hiermee voorkomt u volledige ontlading of uitlo-
pende batterijen hetgeen in ongunstige omstandigheden
tot beschadiging van uw apparaat kan leiden.
Als de batterijspanning onder de toegelaten waarde
daalt, verschijnt het hiernaast afgebeelde pictogram.
Tevens verschijnt „Low Batt!!!“ samen met een batterijsymbool in
beeld. Bij zeer sterk ontladen batterijen werkt het apparaat niet.
Dan verschijnt er ook niets op het display.
Let op!
!
Gebruik voor het opladen van de in de tester geplaatste
Compacte accupack Master (Z502H) uitsluitend het laadap-
paraat Z502R.
Voordat u het laadapparaat aansluit op de laadaansluiting moet
u voor het volgende zorgen:
– de compacte accupack Master (Z502H) is geplaatst,
geen normaal in de handel verkrijgbare accupacks,
geen losse accu’s, geen batterijen
– de tester is met alle polen van de meetkring
gescheiden
– de tester blijft tijdens het laden uitgeschakeld.
Als de batterijen of het accupack (Z502H) gedurende lange tijd
(> 1 maand) niet zijn gebruikt of opgeladen (tot volledige ontlading):
Houd het opladen in de gaten (signalisering door LED’s op het
laadapparaat) en start het opladen eventueel opnieuw (neem het
laadapparaat hiervoor van het net en koppel het ook af van de
tester. Sluit het daarna weer aan).
Zorg er voor dat de systeemklok in dit geval niet doorloopt en bij
hernieuwde inbedrijfstelling op nieuw moet worden ingesteld.
20.2.1 Laadproces met het laadapparaat Z502R
Zet de netstekker in het laadapparaat die voor uw land past.
Let op!
!
Controleer of het compacte accupack Master (Z502H) is in-
gezet en geen batterijhouder.
Gebruik voor het opladen in het apparaat uitsluitend het meegeleverde of
als toebehoren geleverde compacte accupack Master (Z502H) met
gelaste cellen.
Verbind het laadapparaat via de klinkstekker met het meetap-
praat en sluit het laadapparaat met de wisselstekker aan op
het 230 V-net. (Het laadapparaat is alleen geschikt voor net-
gebruik!)
Let op!
!
Schakel de tester tijdens het opladen niet in. Als het ap-
paraat wordt uitgeschakeld, kan het bewaken van het
laadproces door de microcontroller worden gestoord en
kunnen de aangegeven oplaadtijden die onder “Techni-
sche gegevens” zijn aangegeven, niet meer gegaran-
deerd worden.
Voor de betekenis van de LED-controleindicaties tijdens het
laden moet u in de gebruiksaanwijzing kijken die met het laad-
apparaat wordt meegeleverd.
Koppel het laadapparaat pas af van de tester, als de groene
LED (vol/ready) brandt.
20.3 Zekeringen
Als een zekering door een overbelasting aanspreekt, dan ver-
schijnt hiervoor een foutmelding op het display. De spannings-
meetbereiken van het apparaat blijven echter werken.
Zekering vervangen
Let op!
!
Koppel het apparaat met alle polen van de meetkring af
voordat u het deksel van het zekeringenvakje opent!
Draai de spleetschroeven van het deksel van het zekeringen-
vakje naast de stroomkabel los met een schroevendraaier. De
zekeringen zijn nu toegankelijk.
Reservezekeringen vindt u als u het batterijvakje heeft ge-
opend.
Let op!
!
Verkeerde zekeringen kunnen het meetapparaat
zwaar beschadigen.
Alleen originele zekeringen van GMC-I Messtechnik
GmbH (bestelnummer 3-578-285-01 / SIBA
7012540.3,15 SI-EINSATZ FF 3,15/500 6,3X32) mogen
worden gebruikt.
Alleen originele zekeringen garanderen de vereiste bevei-
liging omdat zij de juiste aanspreekkarakteristieken heb-
ben. Het is verboden en levensgevaarlijk om zekeringen
te overbruggen resp. te repareren!
Als u zekeringen gebruikt met een andere nominale
stroom, een ander schakelvermogen of een andere
spreekkarakteristiek, bestaat de kans dat het apparaat
beschadigd wordt!
Verwijder de defecte zekering en vervang ze door een nieuwe.
Zet het deksel van het zekeringenvakje met de nieuwe zeke-
ring weer in en vergrendel het deksel door hem naar rechts te
draaien.
20.4 Behuizing
De behuizing vergt geen speciaal onderhoud. Zorg ervoor dat het
oppervlak schoon is. Gebruik voor het reinigen een licht vochtige
doek. Vooral voor de rubberen beschermflanken adviseren wij
een vochtige vezelvrije microvezeldoek. Gebruik geen poets-,
schuur- en oplosmiddelen.
Terugname en milieuvriendelijke verwerking tot afval
Het apparaat is een product uit categorie 9 volgens de Duitse wet-
geving op elektrische apparaten “ElektroG” (bewakings- en con-
trole-instrumenten). Dit apparaat valt onder de RoHS-richtlijn.
Voor de rest wijzen wij er op dat u de actuele versie hiervan op
internet vindt onder www.gossenmetrawatt.com en zoekt naar
het begrip WEEE.
Conform WEEE 2012/19/EG en “ElektroG” voorzien wij
onze elektrische en elektronische apparaten van het hier-
naast afgebeelde symbool volgens DIN EN 50419. Deze
apparaten mogen niet bij het normale huisvuil worden gedaan. Als
u vragen heeft over de terugname van oude apparaten, neem dan
contact op met onze serviceafdeling, kijk voor het adres op
hoofdstuk 22.
Als er in uw apparaat nog batterijen of accu’s zitten die geen ver-
mogen meer hebben, dan moeten deze op een correcte manier
worden verwijderd volgens de geldige nationale voorschriften.
Batterijen of oplaadbare batterijen kunnen schadelijke stoffen of
zware metalen bevatten zoals bijv. lood (Pb), Cd (cadmium) of
kwik (Hg).
Het symbool hiernaast geeft aan dat batterijen of accu’s
niet bij het huishoudelijk afval gedaan mogen worden,
maar moeten worden ingeleverd bij de hiervoor bedoelde
inzamelpunten.
BAT
Pb Cd Hg
88 GMC-I Messtechnik GmbH
21 Bijlagen
21.1 Tabellen voor het berekenen van de maximum resp. minimum weergavewaarden met inachtneming van de maximum meeton-
nauwkeurigheid van het apparaat
Tabel 1
Tabel 2
Tabel 3
Tabel 4
Z
L-PE.
(volledige golf) / Z
L-N
()Z
L-PE.
(+/- halve golf) ()
Grenswaarde
Max.
weergavewaarde
Grenswaarde
Max.
weergavewaarde
0,10 0,07 0,10 0,05
0,15 0,11 0,15 0,10
0,20 0,16 0,20 0,14
0,25 0,20 0,25 0,18
0,30 0,25 0,30 0,22
0,35 0,30 0,35 0,27
0,40 0,34 0,40 0,31
0,45 0,39 0,45 0,35
0,50 0,43 0,50 0,39
0,60 0,51 0,60 0,48
0,70 0,60 0,70 0,56
0,80 0,70 0,80 0,65
0,90 0,79 0,90 0,73
1,00 0,88 1,00 0,82
1,50 1,40 1,50 1,33
2,00 1,87 2,00 1,79
2,50 2,35 2,50 2,24
3,00 2,82 3,00 2,70
3,50 3,30 3,50 3,15
4,00 3,78 4,00 3,60
4,50 4,25 4,50 4,06
5,00 4,73 5,00 4,51
6,00 5,68 6,00 5,42
7,00 6,63 7,00 6,33
8,00 7,59 8,00 7,24
9,00 8,54 9,00 8,15
9,99 9,48 9,99 9,05
R
E
/ R
ESchl.
()
Grens-
waarde
Max.
weergave-
waarde
Grens-
waarde
Max.
weergave-
waarde
Grens-
waarde
Max.
weergave-
waarde
0,10 0,07 10,0 9,49 1,00 k 906
0,15 0,11 15,0 13,6 1,50 k 1,36 k
0,20 0,16 20,0 18,1 2,00 k 1,81 k
0,25 0,20 25,0 22,7 2,50 k 2,27 k
0,30 0,25 30,0 27,2 3,00 k 2,72 k
0,35 0,30 35,0 31,7 3,50 k 3,17 k
0,40 0,34 40,0 36,3 4,00 k 3,63 k
0,45 0,39 45,0 40,8 4,50 k 4,08 k
0,50 0,43 50,0 45,4 5,00 k 4,54 k
0,60 0,51 60,0 54,5 6,00 k 5,45 k
0,70 0,60 70,0 63,6 7,00 k 6,36 k
0,80 0,70 80,0 72,7 8,00 k 7,27 k
0,90 0,79 90,0 81,7 9,00 k 8,17 k
1,00 0,88 100 90,8 9,99 k 9,08 k
1,50 1,40 150 133
2,00 1,87 200 179
2,50 2,35 250 224
3,00 2,82 300 270
3,50 3,30 350 315
4,00 3,78 400 360
4,50 4,25 450 406
5,00 4,73 500 451
6,00 5,68 600 542
7,00 6,63 700 633
8,00 7,59 800 724
9,00 8,54 900 815
R
ISO
M
Grenswaarde
Min.
weergavewaarde
Grenswaarde
Min.
weergavewaarde
0,10 0,12 10,0 10,7
0,15 0,17 15,0 15,9
0,20 0,23 20,0 21,2
0,25 0,28 25,0 26,5
0,30 0,33 30,0 31,7
0,35 0,38 35,0 37,0
0,40 0,44 40,0 42,3
0,45 0,49 45,0 47,5
0,50 0,54 50,0 52,8
0,55 0,59 60,0 63,3
0,60 0,65 70,0 73,8
0,70 0,75 80,0 84,4
0,80 0,86 90,0 94,9
0,90 0,96 100 106
1,00 1,07 150 158
1,50 1,59 200 211
2,00 2,12 250 264
2,50 2,65 300 316
3,00 3,17
3,50 3,70
4,00 4,23
4,50 4,75
5,00 5,28
6,00 6,33
7,00 7,38
8,00 8,44
9,00 9,49
R
LO
Grenswaarde
Max.
weergavewaarde
Grenswaarde
Max.
weergavewaarde
0,10 0,07 10,0 9,59
0,15 0,12 15,0 14,4
0,20 0,17 20,0 19,2
0,25 0,22 25,0 24,0
0,30 0,26 30,0 28,8
0,35 0,31 35,0 33,6
0,40 0,36 40,0 38,4
0,45 0,41 45,0 43,2
0,50 0,46 50,0 48,0
0,60 0,55 60,0 57,6
0,70 0,65 70,0 67,2
0,80 0,75 80,0 76,9
0,90 0,84 90,0 86,5
1,00 0,94 99,9 96,0
1,50 1,42
2,00 1,90
2,50 2,38
3,00 2,86
3,50 3,34
4,00 3,82
4,50 4,30
5,00 4,78
6,00 5,75
7,00 6,71
8,00 7,67
9,00 8,63
GMC-I Messtechnik GmbH 89
Tabel 5
Tabel 6
Minimum weergavewaarden kortsluitstroom voor het berekenen van de nominale stromen van verschillende zekeringen en schake-
laars voor netten met nominale spanning U
N
=230 V
Voorbeeld
Weergavewaarde 90,4 A  eerstvolgende kleinere waarde voor
stroombrekers karakteristiek B uit tabel: 85 A Nominale stroom
(I
N
) van het beschermelement maximaal 16 A
Z
ST
k
Grenswaarde
Min.
weergavewaarde
10 14
15 19
20 25
25 30
30 36
35 42
40 47
45 53
50 58
56 65
60 69
70 80
80 92
90 103
100 114
150 169
200 253
250 315
300 378
350 440
400 503
450 565
500 628
600 753
700 878
800 >999
Nominale
stroom
I
N
[A]
Laagspanningszekeringen
volgens normen van de reeks DIN VDE 0636
met stroombreker en vermogensschakelaar
Karakteristiek gL, gG, gM Karakteristiek B/E
(voordien L)
Karakteristiek C
(voordien G, U)
Karakteristiek D
Karakteristiek K
Uitschakelstroom I
A
5 s Uitschakelstroom I
A
0,4 s
Uitschakelstroom I
A
5 x I
N
(< 0,2 s/0,4 s)
Uitschakelstroom I
A
10 x I
N
(< 0,2 s/0,4 s)
Uitschakelstroom I
A
20 x I
N
(< 0,2 s/0,4 s)
Uitschakelstroom I
A
12 x I
N
(< 0,1 s)
Grens-
waarde
[A]
Min. Display
[A]
Grens-
waarde
[A]
Min. Display
[A]
Grens-
waarde
[A]
Min. Display
[A]
Grens-
waarde
[A]
Min. Display
[A]
Grens-
waarde
[A]
Min. Display
[A]
Grens-
waarde
[A]
Min. Display
[A]
2 9,2 10 16 17 10 11 20 21 40 42 24 25
314,11524251516303260643638
4192032342021404280854851
627284750303260641201287276
8373965694042808516017296102
10 47 50 82 87 50 53 100 106 200 216 120 128
13 56 59 98 104 65 69 130 139 260 297 156 167
16 65 69 107 114 80 85 160 172 320 369 192 207
20 85 90 145 155 100 106 200 216 400 467 240 273
25 110 117 180 194 125 134 250 285 500 578 300 345
32 150 161 265 303 160 172 320 369 640 750 384 447
35 173 186 295 339 175 188 350 405 700 825 420 492
40 190 205 310 357 200 216 400 467 800 953 480 553
50 260 297 460 529 250 285 500 578 1000 1,22 k 600 700
63 320 369 550 639 315 363 630 737 1260 1,58 k 756 896
80 440 517 960 1,16 k
100 580 675 1200 1,49 k
125 750 889 1440 1,84 k
160 930 1,12 k 1920 2,59 k
90 GMC-I Messtechnik GmbH
21.2 Bij welke waarden moet een RCD eigenlijk correct aan-
spreken? Eisen aan een aardlekbeveiliging (RCD)
Algemene eisen:
De beveiliging moet ten laatste aanspreken als er nominale
foutstroom stroomt (nominale verschilstroom I
N
).
en
De maximale tijd voor de aanspreking mag niet worden over-
schreden.
Andere eisen waarmee rekening moet worden gehouden door invloeden
van het aanspreekstroombereik en het aanspreektijdstip:
Soort resp. vorm van de foutstroom:
hieruit resulteert het toegelaten aanspreekstroombereik
Netvorm en netspanning:
hieruit resulteert de maximale aanspreektijd
Uitvoering van de RCD’s (standaard of selectief):
hieruit resulteert de maximale aanspreektijd
Definities van de eisen in de normen
Voor metingen in elektrische installaties geldt VDE 0100 deel 600 die
in de keuzemap van elke elektromonteur terug te vinden is. Deze
stelt duidelijk dat: „De juiste werking van een beveiligingsmaatre-
gel is bewezen als de installatie ten laatste bij de nominale ver-
schilstroom I
N
wordt uitgeschakeld.
Ook DIN EN 61557-6 (VDE 0413 deel 6) als voorschrift voor fabrikanten
van meetapparaten zegt hier duidelijk het volgende over:
„Met een meetapparaat moet bewezen kunnen worden dat de
aanspreekfoutstroom van de aardlekbeveiliging(RCD) kleiner is
dan of gelijk is aan de nominale foutstroom.
Commentaar
Dit betekent voor elke elektromonteur dat als hij de vereiste con-
troles van de beveiligingsmaatregelen na veranderingen of vervol-
ledigingen van de installatie, na reparaties of bij de E-CHECK na
de meting van de contactspanning verricht, de aanspreektest al
naar gelang de RCD moet plaatsvinden ten laatste bij het berei-
ken van 10 mA, 30 mA, 100 mA, 300 mA resp. 500 mA.
Hoe reageert de elektromonteur als deze waarden worden over-
schreden? De RCD vliegt de deur uit!
Als hij tamelijk nieuw was, moet bij de fabrikant bezwaar worden
gemaakt. En deze stelt in zijn labortorium vast dat de RCD vol-
doet aan de productienorm en in orde is.
Een blik in de productienorm VDE 0664-10/-20/-100/-200 vertelt
waarom:
Omdat de stroomvorm een belangrijke rol speelt, is het belangrijk
om te weten welke stroomvorm de eigen tester gebruikt.
Soort resp. Vorm van de foutstroom instellen op de tester:
Het is belangrijk om bij de eigen tester de juiste instellingen te aan
te brengen en te gebruiken.
De geldt net zo voor de uitschakeltijden. De nieuwe VDE 0100 deel
410 moet ook in de keuzemap zitten.
Deze norm geeft uitschakeltijden aan tussen 0,1s en 5s al naar
gelang de netvorm en de netspanning.
Normaal gesproken schakelen RCD’s zichzelf sneller uit, maar het
kan wel eens gebeuren dat een RCD hiervoor iets langer nodig
heeft. En dan wordt weer de vraag aan de fabrikant gesteld.
Als men opnieuw eenblik werpt in VDE 0664, ontdekt men de vol-
gende tabel:
Hier vallen twee grenswaarden op:
Standaard max. 0,3 s
Selectief max. 0,5 s
Een correcte tester heeft alle grenswaarden voorbereid resp.
maakt een directe invoer van de gewenste waarden mogelijk
en geeft deze ook aan!
Grenswaarden op de tester kiezen of instellen:
Soort foutstroom Vorm van de
foutstroom
Geoorloofde aan-
spreekstroombereik
Sinusvormige wisselstroom 0,5 ... 1 I
N
Pulserende gelijkstroom
(positieve of negatieve halve golven)
0,35 ... 1,4 I
N
Door de fasehoek gestuurde
halve golfstromen
Fasehoek van 90° el
Fasehoek van 135° el
0,25 ... 1,4 I
N
0,11 ... 1,4 I
N
Pulserende gelijkstroom overlapt met
gladde gelijkfoutstroom van 6 mA
max. 1,4 I
N
+ 6 mA
Gladde gelijkstroom 0,5 ... 2 I
N
Sys-
teem
50 V < U
0
120 V
120 V < U
0
230 V 230 V < U
0
400 V
U
0
> 400 V
AC DC AC DC AC DC AC DC
TN
0,8 s 0,4 s 5 s 0,2 s 0,4 s 0,1 s 0,1 s
TT
0,3 s 0,2 s 0,4 s 0,07 s 0,2 s 0,04 s 0,1 s
Uitvoering
Fout-
stroomsoort
Uitschakeltijden bij
Wisselstroom
soorten
1 x
I
N
2 x I
N
5 x I
N
500 A
pulserende ge-
lijkfoutstromen
1,4 x
I
N
2 x 1,4 x I
N
5 x 1,4 x I
N
500 A
gladde gelijk-
foutstromen
2 x
I
N
2 x 2 x I
N
5 x 2 x I
N
500 A
Standaard (niet
vertraagd)
resp. kort ver-
traagd
300 ms max. 0,15 s max. 0,04 s max. 0,04 s
selectief 0,13 ... 0,5 s 0,06 ... 0,2 s 0,05 ... 0,15 s 0,04 ... 0,15 s
negatieve halve golf
positieve halve golf
Golfvorm:
negatieve gelijkstroom
positieve gelijkstroom
GMC-I Messtechnik GmbH 91
Het controleren van elektrische installaties houdt het „Bekijken“,
Testen“ en „Meten“ in en daarom zijn ze voorbehouden aan vak-
mensen met een passende beroepservaring.
Technisch gezien zijn uiteindelijk de waarden van de norm VDE
0664 in eerste instantie bindend.
21.3 Elektrische machines controleren volgens DIN EN 60204 –
toepassingen, grenswaarden
Voor het controleren van elektrische machines en besturingen
werd de tester PROFITEST 204+ ontwikkeld. Na de normverande-
ring in 2007 is bovendien het meten van de lusimpedantie vereist.
Het meten van de lusweerstand en het verrichten van andere ver-
eiste metingen voor het controleren van elektrische machines
kunt u ook doen met de testers van de seriePROFITEST MASTER.
Vergelijking van de voorgeschreven metingen tussen de normen
Doorgaande verbinding van het aardleidingssysteem
Hierbij wordt de doorgaande verbinding gecontroleerd van een
aardleidingssysteem door het aanbrengen van een wisselstroom
tussen 0,20 A en 10 A bij een netfrequentie van 50 Hz
(= laagohmige meting). De meting moet worden verricht tussen
de PE-klem en verschillende punten van het aardleidingssysteem.
Lusimpedantiemeting
De lusimpedantie Z
L-PE
wordt gemeten en de kortsluitstroom I
K
wordt bepaald om te controleren of de uitschakelvoorwaarden
van de beveiligingen gerespecteerd worden, zie hoofdst. 8.
Isolatieweerstandsmeting
Hierbij worden bij de machine alle actieve leidingen van de hoofd-
stroomkringen (L en N resp. L1, L2, L3 en N) kortgesloten en
gemeten ten opzichte van PE (aardleiding). Besturingen of delen
van de machine die voor deze spanningen (500 V DC) niet ont-
worpen zijn, mogen voor de duur van de meting van de meetkring
worden afgekoppeld. De meetwaarde mag niet kleiner zijn dan 1
MOhm. De meting mag in afzonderlijke delen worden onderver-
deeld.
Spanningsmetingen (alleen met PROFITEST 204HP/HV)
De elektrische uitrusting van een machine moet tussen de leidin-
gen van alle stroomkringen en het aardleidingssysteem minstens
gedurende 1s een testspanning kunnen verdragen die het 2-vou-
dige van de nominale spanning van de uitrusting of 1000 V~
bedraagt, al naar gelang welke waarde telkens de grootste van de
twee is. De testspanning moet een frequentie hebben van 50 Hz
en moet gegenereerd worden door een transformator met een
minimaal nominaal vermogen van 500 VA.
Spanningsmetingen
Voorschrift EN 60 204 eist dat de restspanning op elk actief
gedeelte van de machine dat kan worden aangeraakt en waarop
tijdens het gebruik een spanning staat van meer dan 60 V, na het
uitschakelen van de voedingsspanning binnen 5 s gedaald moet
zijn naar een waarde van 60 V of minder.
Controle van de werking
De machine wordt gebruikt met nominale spanning en gecontro-
leerd op werking, vooral op veiligheidsfuncties.
Speciale metingen
Voor het opsporen van fouten bij pulserende verbranding
(alleen met PROFITEST 204HP/HV)
Aardleidingsmeting met 10 A-meetstroom (alleen met
PROFITEST 204+)
Grenswaarden volgens DIN EN 60204 deel 1
Karakteristiek van overstroombeveiligingen
voor de grenswaardekeuze bij aardleidingsmeting
Meting volgens DIN EN 60 204
deel 1
(machines)
Meting volgens DIN EN 61557
(installaties)
Meet-
functie
Doorgaande verbinding van het
aardleidingssysteem
Deel 4: Weerstand van:
– Aardgeleiders
– aardleidingen
– potentiaalvereffeningsleidin-
gen
RLO
Lusimpedantie Deel 3: Lusimpedantie ZL-PE
Isolatieweerstand Deel 2: Isolatieweerstand RISO
Spanningsmeting
(controleren van de spanningsweer-
stand)
——
Spanningsmeting
(Beveiliging tegen restspanning)
Deel 10: Gecombineerde meetappa-
raten (o.a. voor spanningsmeting)
voor het controleren, meten of be-
waken van beveiligingsmaatregelen.
U
Controle van de werking ——
meting Parameter Doorsnede Normwaarde
Aardleidingsmeting
Meetduur 10 s
Grenswaarde
Aardleidingsweerstand
volgens leidingdoorsnede
(buitenste geleider L) en
karakteristiek van de over-
stroombeveiliging
(berekende waarde)
1,5 mm²
2,5 mm²
4,0 mm²
6,0 mm²
10 mm²
16 mm²
25 mm² L
(16 mm² PE)
35 mm² L
(16 mm² PE)
50 mm² L
(25 mm² PE)
70 mm² L
(35 mm² PE)
95 mm² L
(50 mm² PE)
120 mm² L
(70 mm² PE)
500 m
500 m
500 m
400 m
300 m
200 m
200 m
100 m
100 m
100 m
050 m
050 m
Isolatieweerstands-
meting
Nominale spanning 500 V DC
Weerstandsgrenswaarde 1M
Lekstroommeting Lekstroom 2,0 mA
Spanningsmeting Ontlaadtijd 5 s
Spanningsmeting
Meetduur 1 s
Testspanning 1 kV
of 2 U
N
Uitschakeltijden, karakteristieken Beschikbaar bij doorsnede
Zekering uitschakeltijd 5 s alle doorsneden
Zekering uitschakeltijd 0,4 s 1,5 mm² tot en met 16 mm²
Stroombreker karakteristiek B
Ia = 5x In - uitschakeltijd 0,1s
1,5 mm² tot en met 16 mm²
Stroombreker karakteristiek C
Ia = 10x In - uitschakeltijd 0,1s
1,5 mm² tot en met 16 mm²
Instelbare vermogensschakelaar
Ia = 8 x In - uitschakeltijd 0,1s
alle doorsneden
92 GMC-I Messtechnik GmbH
21.4 Herhalingsmetingen volgens DGUV V 3 (tot nu toe BGV A3)
– grenswaarden voor elektrische installaties en bedrijfs-
middelen
Grenswaarden volgens DIN VDE 0701-0702
Maximaal geoorloofde grenswaarden van de aardleidingsweerstand
bij aansluitsnoeren tot een lengte van 5m
1)
Voor vaste aansluiting bij gegevensverwerkende installaties mag deze waarde
maximaal 1 zijn (DIN VDE 0701-0702).
2)
Totale aardleidingsweerstand maximaal 1
Minimaal toegelaten grenswaarden van de isolatieweerstand
* met ingeschakelde verwarmingselementen (als verwarmingsvermogen > 3,5 kW
en R
ISO
< 0,3 M: lekstroommeting vereist)
Maximaal toegelaten grenswaarden van de lekstromen in mA
* bij apparaten met een verwarmingsvermogen > 3,5 kW
Opmerking 1: Apparaten met aanraakbare delen die niet met de aardleiding zijn
verbonden en die aan de eisen voor de behuizingslekstroom en
voor de patie?ntenlekstroom (indien van toepassing) voldoen, bv.
apparatuur voor elektronische gegevensverwerking met afge-
schermde netadapter
Opmerking 2: Vast aangesloten apparaten met aardleiding
Opmerking 3: Mobiele ro?ntgenapparatuur en apparaten met minerale isolatie
Legenda bij de tabel
I
B
Behuizingslekstroom (sonde- of contactstroom)
I
DI
Verschilstroom
I
SL
Aardleidingsstroom
Maximaal toegelaten grenswaarden van de vervangende lekstromen
in mA
1)
bij apparaten met een verwarmingsvermogen 3,5kW
Beproevingsnorm meetstroom Leegloopspanning
R
SL
Behuizing –
netstekker
VDE 0701-0702:2008 > 200 mA 4 V < U
L
< 24 V
0,3 
1)
+ 0,1
2)
voor elke
volgende 7,5 m
Beproe-
vingsnorm
Testspan-
ning
R
ISO
SK I SK II SK III Verwarming
VDE 0701-
0702:2008
500 V 1 M 2M 0,25 M 0,3 M *
Beproevingsnorm
I
SL
I
B
I
DI
VDE 0701-0702:2008
SK I: 3,5
1 mA/kW
*
0,5
SK I: 3,5
1 mA/kW
*
SK II: 0,5
Beproevingsnorm I
EA
VDE 0701-0702:2008
SK I: 3,5
1 mA/kW
1)
SK II: 0,5
GMC-I Messtechnik GmbH 93
21.5 Lijst van de korte aanduidingen en hun betekenis
RCD-schakelaar (aardlekbeveiliging)
I
Aanspreekstroom
I
N
Nominale foutstroom
I
F
Stijgende meetstroom (foutstroom)
PRCD Portable (mobiele) RCD
PRCD-S :
met aardleidingsherkenning resp. aardleidingsbewaking
PRCD-K:
met onderspanningsaanspreking en aardleidingsbewaking
RCD-
Selectieve RCD-aardlekschakelaar
R
E
Berekende aardingsweerstand resp. Aardlusweerstand
SRCD Socket (vast geïnstalleerde) RCD
t
a
Aanspreektijd / uitschakeltijd
U
I
Contactspanning op het tijdstip van de aanspreking
U
IN
Contactspanning
met betrekking tot de nominale foutstroom I
N
U
L
Grenswaarde voor de contactsspanning
Overstroombeveiliging
I
K
Berekende kortsluitstroom (bij nominale spanning)
Z
L-N
Netimpedantie
Z
L-PE
Lusimpedantie
Aarding
R
B
Weerstand van de systeemaarde
R
E
Gemeten aardingsweerstand
R
ESchl
Aardlusweerstand
Laagohmige weerstand van
Aardleidingen, aardgeleiders en potentiaalvereffeningsleidingen
R
LO+
Weerstand van potentialvereffeningsleidingen
(+ pool naar PE)
R
LO–
Weerstand van potentiaalvereffeningsleidingen
(– pool naar PE)
Isolatie
R
E(ISO)
Aardlekweerstand (DIN 51953)
R
ISO
Isolatieweerstand
R
ST
Standplaatsisolatieweerstand
Z
ST
Standplaatsisolatie-impedantie
Stroom
I
A
Uitschakelstroom
I
L
Lekstroom (meting met stroomtangtransformator)
I
M
Meetstroom
I
N
Nominale stroom
I
P
Meetstroom
Spanning
f Frequentie van de netspanning
f
N
Nominale frequentie van de netspanning
U Spanningsval in %
U op de meetpennen gemeten spanning tijdens na de isola-
tiemeting van R
ISO
U
Batt
Accuspanning (batterijspanning)
U
E
Aardelektrodespanning
U
ISO
Bij meting van R
ISO
: Meetspanning, bij hellingfunctie: Aan-
spreek- en doorslagspanning
U
L-L
Spanning tussen twee buitenste geleiders
U
L-N
Spanning tussen L en N
U
L-PE
Spanning tussen L en PE
U
N
Net-nominale spanning
U
3~
hoogste gemeten spanning bij het bepalen
van de draaiveldrichting
U
S-PE
Spanning tussen sonde en PE
U
Y
Leidingspanning ten opzichte van aarde
S
94 GMC-I Messtechnik GmbH
21.6 Trefwoordenregister
A
Aanspreekmeting type PRCD-K ..............................................22
Aardelektrodespanning ...........................................................34
Aardlekweerstand ...................................................................46
Aardlusweerstand
...................................................................34
Automatische meetprocessen .................................................64
B
Batterijen
inzetten
..............................................................................7
oplaadstatussen ................................................................3
Berekenen van de kortsluitstroom ...........................................28
Bewakingsapparaten voor verschilstroom
...............................60
Bluetooth actief-weergave .........................................................3
Bluetooth inschakelen/uitschakelen .........................................11
C
Contactspanning .....................................................................19
Controle van de meterstart ......................................................54
Controle van de plausibiliteit ....................................................14
Controleren
van elektrische machines
.................................................91
D
DB-MODE ...............................................................................11
Draaiveldrichting
.....................................................................17
E
Elektrische laadpunten ............................................................61
Elektrische voertuigen .............................................................61
F
Fabrieksinstellingen (GOME SETTING) ....................................10
Firmwarestand en kalibratie-informatie ....................................12
Firmware-Update
....................................................................12
G
Garantiezegel ............................................................................6
Gegevensback-up ....................................................................7
Geheugen
gebruiksweergave
..............................................................3
Grenswaarden
volgens DIN EN 60 204 deel 1
.........................................91
volgens DIN VDE 0701-0702 ...........................................92
G-Schakelaars ........................................................................24
H
Helderheid en contrast instellen ..............................................10
I
IMD's ......................................................................................56
Inrichtingen voor het aangeven van aardsluiting
.......................56
Inschakelduur
LCD-verlichting
................................................................10
tester ...............................................................................10
Intelligente helling
....................................................................59
Interfaces
Bluetooth configureren .....................................................11
USB, RS232 aansluitingen
.................................................2
Internetadressen .....................................................................95
Isolatiebewakingsapparaten ....................................................56
K
Korte aanduidingen .................................................................93
L
Lekstroommeetadapter PRO-AB ............................................55
Literatuurlijst ............................................................................95
M
MASTER Updater ...................................................................12
Meetreeksen
...........................................................................64
Meten
volgens BGV A3
..............................................................92
Meten spanningsdaling ...........................................................52
Meting van de aardingsweerstand
Overzicht ......................................................................... 31
N
Netvorm kiezen (TN, TT, IT) .................................................... 25
Niet-aanspreekmeting
............................................................ 21
Nominale netspanning (weergave van UL-N) ........................... 29
Norm
DIN EN 50178 (VDE 160)
................................................ 21
DIN EN 60 204 ................................................................ 91
DIN VDE 0100 ...........................................................26, 32
DIN VDE 0100 deel 410
.................................................. 22
DIN VDE 0100 deel 600 .................................................... 5
DIN VDE 0100 deel 610 ............................................20, 27
EN 1081
.......................................................................... 46
IEC 61851 ....................................................................... 61
NIV/NIN SEV 1000 ......................................................5, 34
ÖVE/ÖNORM E 8601
...................................................... 24
ÖVE-EN 1 ......................................................................... 5
VDE 0413 ............................................................18, 26, 30
O
Overzicht van de speciale functies .......................................... 51
P
Parametervergrendeling .......................................................... 14
Polariteitswissel
...................................................................... 15
PRCD
Aanspreekmeting type PRCD-S
...................................... 23
Rapportering van foutsimulaties op PRCD's met de adapter
PROFITEST PRCD
............................................ 62
Profielen voor verdelerstructuren (PROFILES) ......................... 10
R
RCD-S ................................................................................... 22
RCM's .................................................................................... 60
Restspannungsmeting ............................................................ 58
S
SCHUKOMAT ........................................................................ 23
SIDOS .................................................................................... 23
Spanningsval in % (Functie ZL-N) ........................................... 52
SRCD
..................................................................................... 23
Standplaatsisolatie-impedantie .........................................51, 53
Stroomtangsensor
meetbereiken
............................................... 35, 40, 41, 50
Symbolen
................................................................................. 6
T
Taal van het bedieningsmenu (CULTURE) ............................... 10
Testbox van MENNEKES
........................................................ 61
V
Verbonden spanningen ........................................................... 17
Z
Zekering
vervangen
....................................................................... 87
GMC-I Messtechnik GmbH 95
21.7 Literatuurlijst
21.7.1 Internetadressen voor meer informatie
Juridische grondslagen
(Duitse) Bedrijfsveiligheidsverordening (BetrSichV)
(Duitse) Voorschriften van de ongevallenverzekeringen UVVs
Titel Informatie
Regel / Voorschrift
Uitgever Druk/
bestelnr.
(Duitse) Bedrijfsveiligheids-
verordening (BetrSichV)
BetrSichV
Elektrische Anlagen und
Betriebsmittel
DGUV voorschrift 3
(tot nu toe BGV A3)
DGUV
(tot nu toe HVBG)
2005
VDE-normen
Duitse norm Titel Uitgave-
datum
Uitgever
DIN VDE
0100-410
Beveiligen tegen elektrische
schokken
2007-06 Beuth-Verlag
GmbH
DIN VDE
0100-530
Bouw van laagspanningsin-
stallaties
Deel 530: Keuze en bouw
van elektrische bedrijfsmid-
delen, schakel- en regeleen-
heden
2011-06 Beuth-Verlag
GmbH
DIN VDE
0100-600
Bouw van laagspanningsin-
stallaties
Deel 6: Metingen
2008-06 Beuth-Verlag
GmbH
Normenreeks
DIN EN 61557
Apparatuur voor het beproe-
ven, meten of bewaken van
beveiligingsmaatregelen
2006-08 Beuth-Verlag
GmbH
DIN VDE
0105-100
Gebruik van elektrische in-
stallaties, deel 100: Alge-
mene bepalingen
2009-10 Beuth-Verlag
GmbH
VDE 0122-1
DIN EN 61851-1
Elektrische uitrusting van
elektrische straatvoertuigen
- Conductieve laadsyste-
men voor elektrische voer-
tuigen – deel 1: Algemene
eisen
2013-04 Beuth-Verlag
GmbH
Andere Duitstalige literatuur
Titel Auteurs Uitgevers Druk/
bestelnr.
Prüfung ortsfester
und ortsveränderlicher
Geräte
Bödeker, W.
Lochthofen, M.
HUSS-MEDIEN GmbH
Berlin
www.elektropraktiker.de
8e oplage 2014
ISBN 978-3-
341-01614-5
Wiederholungsprüfun-
gen nach DIN VDE 105
Bödeker, K.;
Lochthofen, M.;
Roholf, K.
Hüthig & Pflaum Verlag
www.vde-verlag.de
3. oplage 2014
VDE-bestelnr.
310589
Prüfungen vor Inbetrieb-
nahme von Niederspan-
nungsanlagen
DIN VDE 0100-600
Kammler, M. VDE Verlag GmbH
www.vde-verlag.de
VDE-documen-
tatiereeks
deel 63
4. oplage 2012
Schutz gegen elektr.
Schlag
DIN VDE 0100-410
Hörmann, W.
Schröder, B.
VDE Verlag GmbH
www.vde-verlag.de
VDE-documen-
tatiereeks
deel 140
4. oplage 2010
VDE-Prüfung
nach BetrSichV, TRBS
und BGV A3
Henning, W. Beuth-Verlag GmbH
www.beuth.de
VDE-documen-
tatiereeks 43
oplage 2012
Merkbuch
für den Elektrofachmann
GMC-I Messtech-
nik GmbH
www.gossenmetra-
watt.com
bestelnr.
3-337-038-01
de Jahrbuch 2014
Elektrotechnik für Hand-
werk und Industrie
Behrends, P.;
Bonhagen, S.
Hüthig & Pflaum Verlag
München/Heidelberg
www.elektro.net
ISBN 978-3-
8101-0350-5
Elektroinstallation für die
gesamte Ausbildung
Hübscher, Jagla,
Klaue, Wickert
Westermann Schul-
buchverlag GmbH
www.westermann.de
ISBN 978-3-14-
221630-0
3e oplage 2009
Praxis Elektrotechnik
Bastian, Feustel,
Käppel, Schuberth,
Tkotz, Ziegler
Europa-Lehrmittel
www.europa-lehrmit-
tel.de
ISBN 978-3-
8085-3134-1
12. oplage 2012
Fachkunde Elektrotechnik
Europa-Lehrmittel
www.europa-lehrmit-
tel.de
ISBN 978-3-
8085-3190-7
29. oplage 2014
Internetadres
www.dguv.de DGUV-informatie, -regels en -voorschriften door de
Deutsche Gesetzliche Unfallversicherung e.V.
www.beuth.de VDE-bepalingen, DIN-normen, VDI-richtlijnen
door de Beuth-Verlag GmbH
www.bgetem.de BG-infomatie, -regels en -voorschriften
door de (Duitse) verenigingen voor bedrijfsongevallen
bv. BG ETEM (Duitse Arbo voor producten uit energie,
textiel, elektro, media)
Geschreven in Duitsland • Wijzigingen voorbehouden • Een PDF-versie vindt u op internet
GMC-I Messtechnik GmbH
Südwestpark 15
90449 Nürnberg •
Duitsland
Telefoon +49 911 8602-111
Telefax +49 911 8602-777
e-mail info@gossenmetrawatt.com
www.gossenmetrawatt.com
22 Reparatie- en reserveonderdelenservice
Kalibratiecentrum* en apparatenverhuurservice
Neem desgewenst contact op met:
GMC-I Service GmbH
Servicecenter
Thomas-Mann-Straße 16 - 20
90471 Nürnberg • Duitsland
Telefoon +49 911 817718-0
Telefax +49 911 817718-253
www.gmci-service.com
Dit adres geldt alleen voor Duitsland.
In het buitendland kunt u terecht bij onze vertegenwoordigingen
of vestigingen.
* DAkkS-Kalibratielaboratorium
voor elektrische meetgrootheden D-K-15080-01-01
geaccrediteerd volgens DIN EN ISO/IEC 17025:2005
Geaccrediteerde meetgrootheden: gelijkspanning, gelijkstroomsterkte, gelijk-
stroomweerstand, wisselspanning, wisselstroomsterkte, werkelijk vermogen wis-
selstroom, schijnbaar vermogen wisselstroom, gelijkstroomvermogen, capaciteit,
frequentie en temperatuur
Vakkundige partners
GMC-I Messtechnik GmbH is gecertificeerd volgens
DIN EN ISO 9001:2008.
Ons DAkkS-Kalibratielaboratorium is volgens DIN EN ISO/
IEC 17025:2005 geaccrediteerd bij de “Deutsche Akkreditie-
rungsstelle GmbH” onder het nummer D-K-15080-01-01.
Onze meettechnische vakkennis reikt van keuringsrapportage en
het fabriekskalibratiecertificaat tot aan het DAkkS-kalibratiecertificaat.
Een gratis meetmiddelmanagement rondt ons dienstengamma af.
Een DAkkS-Kalibratielocatie ter plaatse maakt deel uit van onze ser-
viceafdeling. Als er tijdens het kalibreren fouten geconstateerd
worden, dan kunnen onze vakkundige medewerkers reparaties
verrichten met originele reserveonderdelen.
Als kalibratielaboratorium kalibreren wij natuurlijk apparaten van
elke fabrikant.
23 Rekalibratie
De meetopgaven en de manier waarop uw meetapparaat wordt
behandeld, hebben een invloed op de levensduur van de bou-
welementen en kan tot afwijkingen leiden van de nauwkeurigheid
die wordt gegarandeerd.
Als er strenge eisen worden gesteld aan de meetnauwkeurigheid
en als het apparaat op bouwplaatsen wordt gebruikt, veel
getransporteerd wordt en bloot staat aan sterke temperatuur-
schommelingen, adviseren wij een betrekkelijk korte kalibratie-
interval van 1 jaar. Als u uw meetapparaat voornamelijk gebruikt in
laboratoria en binnenshuis zonder sterke klimatologische of
mechanische belastingen, dan volstaat doorgaans een kalibratie-
interval van 2 tot 3 jaar.
Bij rekalibratie* in een geaccrediteerd kalibratielaboratorium
(DIN EN ISO/IEC 17025) worden de afwijkingen van uw meetap-
paraat tot te achterhalen normale waarden gemeten en gedocu-
menteerd. De vastgestelde afwijkingen kunt u daarna gebruiken
om de afgelezen waarden te corrigeren.
Wij maken in ons kalibratie-laboratorium voor u graag DAkkS- of
fabriekskalibraties. Kijk voor meer informatie over dit onderwerp
op onze website:
www.gossenmetrawatt.com ( Unternehmen DAkkS-Kali-
brierzentrum oder FAQs Fragen und Antworten zur Kalibrie-
rung).
Door een regelmatige rekalibratie van uw meetapparaat voldoet u
aan de eisen van een kwaliteitsmanagement conform DIN EN ISO
9001.
* Controleren van de specificatie of afstelling maken geen deel uit van een kalibratie.
Bij producten uit ons bedrijf wordt vaak echter een noodzakelijke afstelling uitge-
voerd en wordt de naleving van de specificatie bevestigd.
24 Productsupport
Neem desgewenst contact op met:
GMC-I Messtechnik GmbH
Hotline productsupport
Telefoon +49 911 8602-0
Telefax +49 911 8602-709
e-mail support@gossenmetrawatt.com
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96

Gossen MetraWatt PROFITEST MBASE+ Handleiding

Type
Handleiding