Gossen MetraWatt PROFITEST C Handleiding

Type
Handleiding
PROFiTEST
®
C
Meetinstrument DIN VDE 0100
3-349-074-05
1/8.08
Gebruiksaanwijzing
2 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
teststeker
bedienings- en display-eenheid
contactvlakken
aansluiting
extern oplaadinstrument
zekering 1
zekering 2
3-fasen-meetadapter
IrDa-interface
L1
L2
L3
zwart
blauw(N)
(PE)
Artikel-Nr. Z521A
Let op!
!
Meetadapter van de proefstekker losnemen
Voordat de driefasen adapter losgenomen
wordt van de teststeker dient u eerst de aanslu-
itingen L1, L2, en L3 van het net los te nemen.
De meetadapter kan alleen worden losgenomen
met juist gereedschap.
Meet- en testinstrument PROFiTEST
®
C
zekeringenvak
batterijvak voor 4 IEC LR14
achterzijde behuizing
Artikel-Nr. Z501D
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 3
PE
U
L
RCD
FI
net
mains
START
toets voor het kiezen
LCD-display
l
a
m
p
P
E
l
a
m
p
n
e
t
/
m
a
i
n
s
l
a
m
p
R
C
D
/
F
I
l
a
m
p
U
L
drukpunt links:
basisfunctie tonen
wipschakelaar
drukpunt midden:
meting starten
van basis- en subfuncties
drukpunt rechts:
basisfuncties tonen
looprichting links looprichting rechts
De scroll-balk geeft
weer, waar men zich
in het menu bevindt.
weergave batterijlading (konstant)
Bedienings- en display-eenheidt PROFiTEST
®
C
(menukeuze)
Met de toetsen of
kunnen de gewenste men-
ufuncties worden opge-
roepen.
Inhoudsopgave pagina Inhoudsopgave pagina
4 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
1 Gebruik ............................................................................................5
2 Veiligheidskenmerken en -richtlijnen .............................................5
3 Ingebruikname ................................................................................6
3.1 Batterijentest / Apparaat inschakelen ..............................................................6
3.2 Batterijentest / Apparaat inschakelen ...............................................................6
3.3 Menu doorlopen, basisinstellingen ..................................................................7
4 Algemene aanwijzingen ..................................................................9
4.1 Instrument aansluiten ......................................................................................9
4.1.1 Geaarde contactdoos op juiste aansluiting testen ..............................................9
4.2 Automatische instelling, bewaking en uitschakeling ..........................................9
4.3 Weergeven van de meetwaarden ...................................................................10
4.4 Data opslag funkties .....................................................................................10
4.4.1 Data opslag – funktie data .............................................................................10
4.5 Meetwaarde opslag – funktie STORE .............................................................11
4.5.1 Oproepen data – funktie view View ................................................................11
4.5.2 Verwijderen kompleet geheugenadres – funktie Data ......................................12
4.5.3 Verwijderen alle geheugenadressen – funktie Data .........................................12
4.6 Helpfunctie ...................................................................................................13
4.7 Funktie van toetsen .......................................................................................13
5 Meten van netspanning, frequentie, fasen
en draaiveldrichting ......................................................................14
5.1 2-polige aansluiting met teststeker ...............................................................14
5.2 3-polige aansluiting met teststeker en 3-fasen-meetadapter (toebehoren) .......14
5.3 Meten van spanning ......................................................................................14
6 Meten van foutstroom (FI)-aardlekschakelingen ..........................15
6.1 Meten van de (op nominale foutstroom betrekking hebbende)
aanraakspanning met 1/3 van de nominale foutstroom ...................................15
6.2 Meten van de aanraakspanning en resolutiemeting met nominale foutstroom ..16
6.3 Speciale testen voor installaties of aardlekschakelaars ....................................17
6.3.1 Testen van installaties of aardlekschakelaars met stijgende foutstroom ............17
6.3.2 Testen van aardlekschakelaars met 5 · IΔ
N
(10 mA en 30 mA) ........................18
6.4 Testen van speciale aardlekschakelaars .........................................................18
6.4.1 Installaties met selectieve aardlekschakelaars ................................................18
6.4.2 Aardlekschakelaars van het type G .................................................................19
7 Testen van de afschakelvoorwaarden van overload zekeringen,
meten van de aardcircuitimpedantie
en bepalen van de kortsluitstroom (functie Z
Schl
) .........................20
7.1 Meten met positieve of negatieve halve sinus ................................................. 21
7.2 Beoordelen van de gemeten waarden ............................................................ 21
8 Meten van de aardingsweerstand (functie R
E
) .............................22
8.1 Meten .......................................................................................................... 22
8.2 Instellen van de grenswaarden ...................................................................... 23
8.3 Beoordelen van de gemeten waarden ............................................................ 23
9 Technische specificaties ..............................................................24
9.1 Lampenfunctie ............................................................................................ 26
10 Lijst met afkortingen en betekenissen ..........................................26
11 Annexe ..........................................................................................27
11.1 Tabel voor de aardcircuitimpedantie .............................................................27
11.2 Tabel voor de aardingsweerstanden .............................................................. 27
11.3 Tabel voor de kortsluitstroom-minimale waarde voor het bepalen van de nominale
stromen van verschillende zekeringen en schakelaars voor netten met nominale
spanning U
N
=230/400 V ............................................................................. 28
12 Algemeen ......................................................................................29
12.1 Zelftest ........................................................................................................29
12.2 Batterij en accu ............................................................................................ 30
12.3 Zekeringen ...................................................................................................30
12.4 Behuizing ..................................................................................................... 31
13 Reparatie- en onderhoudsservice
DKD-kalibratielaboratorium en huurservice ..................................31
14 Productinformatie .........................................................................31
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 5
1Gebruik
Met het meet- en testinstrument PROFiTEST
®
C kunnen snel en rationeel
veiligheidsmaatregelen volgens DIN VDE 0100, ÖVE-EN 1 (Oostenrijk),
SEV 3569 (Zwitserland) en andere landgebonden voorschriften worden
getest.
Het met een microprocessor uitgeruste instrument voldoet aan de voor-
schriften IEC 61557/EN 61557/VDE 0413.
Deel 1: algemene bepalingen
Deel 3: aardcircuitweerstandsmeetinstrumenten
Deel 6: instrumenten voor het testen van de functie van de fout-
stroombeveiligingsinrichtingen (RCD) en de werkzaamheid van de
veiligheidsmaatregelen in TT- en TN-netten
Deel 7: draaiveldrichtingaanwijzer.
Het meetinstrument is bijzonder goed toepasbaar:
bij installatie
bij het in gebruik nemen
voor herhalingstesten
en bij het zoeken naar fouten in elektrische installaties.
Met een set, bestaand uit de PROFiTEST
®
C en de METRISO
®
C, kunnen
alle voor een afnameprotocol (bijv. van de ZVEH) vereiste waarden
worden gemeten.
Met de in de PROFiTEST
®
C geïntegreerde IR-data-interface kunnen de
meetwaarden naar een PC worden overgeladen.
Met het via de PC of printer afdrukbare meet- en testprotocol kunnen alle
gemeten data worden gearchiveerd. Met name dit feit is in verband met
de productaansprakelijkheid van zeer groot belang.
Het gebruiksbereik van de PROFiTEST
®
C strekt zich uit tot alle wissel-
stroom- en draaistroomnetten met 230 V nominale spanning en
16
2
/
3
Hz, 50 Hz en 60 Hz nominale frequentie.
Met dePROFiTEST
®
C kunnen gemeten en getest worden:
•spanning
•frequentie
draaiveldrichting
aardcircuitimpedantie
FI-aardlekschakelingen
aardingsweerstand
Goedkeuringsmerken
2 Veiligheidskenmerken en -richtlijnen
Het elektronische meet- en testinstrument PROFiTEST
®
C is overeenko-
mstig de veiligheidsbepalingen IEC/EN 61010-1/VDE 0411-1 en
EN 61557 geconstrueerd en getest.
Wanneer het instrument op de voorgeschreven manier wordt gebruikt, is
zowel de veiligheid van degene die het instrument bedient, als de veilig-
heid van het instrument zelf gewaarborgd.
Lees de gebruiksaanwijzing voordat u het instrument in gebruik neemt zorgvuldig
en in zijn geheel door en volg deze op alle punten op.
Het meet- en testinstrument mag niet worden gebruikt:
als de batterijdeksel is verwijderd
bij herkenbare beschadiging van de behuizing
bij beschadigde aansluitleidingen en meetadapters
als het instrument niet meer juist functioneert
na zware transportomstandigheden
na langere tijd opgeslagen te zijn geweest onder ongunstige omstan-
digheden (bijv. vochtigheid, stof, temperatuur).
Betekenis van de symbolen op het instrument
Waarschuwing voor een gevaarlijke situatie
(Let op: gebruiksaanwijzing raadplegen)
Instrument met beschermingsklasse II
CAT III Instrument met overspanningscategorie III
Oplaadbus 9 V DC
voor oplader NA 0100S (Artikel-Nr. Z501D)
K
EMA
EUR
aangevraagd aangevraagd aangevraagd
!
6 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
3 Ingebruikname
3.1 Batterijentest / Apparaat inschakelen
Het apparaat wordt ingeschakeld door de bediening van een van de toet-
sen.
Vijf verschillende batterijsymbolen van leeg tot vol geven in het hoofdmenu
continu informatie over de actuele geladenheid van de batterijen.
Indien bij het inschakelen de volgende melding verschijnt
– niet gedefinieerde data staan in het geheugen – moet de totale geheu-
gen inhoud gewist worden.
3.2 Batterijentest / Apparaat inschakelen
Voordat u het instrument voor de eerste keer in gebruik neemt, of als het
batterijensymbool uit nog slechts één gevuld segment bestaat, moeten de bat-
terijen worden vervangen.
Indien het wisselen van de batterijen langer duurt dan 5 - 10 minuten gaat
de geheugeninhoud verloren.
Let op!
!
Voor het openen van de batterijhouder, moeten alle polen van het
instrument van het meetcircuit (het net) worden losgekoppeld.
Trek de teststeker eruit!
Voor het gebruik van de PROFiTEST
®
C zijn vier 1,5 V penlight-batterijen
overeenkomstig IEC LR14 vereist. Gebruik alleen alkaline batterijen.
Oplaadbare NiCd- of NiMH-batterijen kunnen eveneens worden gebruikt.
Voor het opladen en voor de oplader zie ook hoofdstuk 12.2 op pagina
31.
Wisselt altijd de komplete set batterijen.
Zorg ervoor dat de batterijen na verwijdering op een milieuvriendelijke
manier worden verwerkt.
Schroef aan de achterkant de beide schroeven van de batterijhouder
los, haal ze eruit, en neem de deksel er af.
Plaats vier 1,5 V penlight-batterijen juist gepoold in overeenstemming
met de symbolen in de houder. Begin hierbij met de beide door de
behuizing half afgedekte batterijen.
Plaats de deksel weer terug en schroef deze vast.
Let op!
!
Het apparaat mag zonder vastgeschroefde batterijdeksel
niet gebruikt worden!
START
+
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 7
3.3 Menu doorlopen, basisinstellingen
Drukt u op de toetsen od voor het ingeven van de juiste meet-
funktie, de juiste instrument instelling of geheugenfunktie.
Gebruiksinstellingen – laatste instellingen
Hier kan aangegeven worden of de menus van de gebruiksinstellingen of
de laatst opgeroepen menu’s moeten worden getoond.
Druk op de toets “setup”.
Druk op de toets default“.
on Instellingen als I
ΔN
, halve sinus etc. en ook T
on
(= 20sec) worden
bij het inschakelen tot de waarde van de gebruiksinstellingen
gereset.
off De laatst gekozen instellingen blijven bij het inschakelen
behouden.
Om de instellingen over te nemen moet de toets worden inge-
drukt.
Inschakelduur bepalen, handmatig uitschakelen
Druk op de toets “setup”.
Druk op de toets T
on
, en aansluitende de toets 10sec, 20sec, 30sec of
60sec, overeenkomstig de tijd waarna het testinstrument automatisch
moet afschakelen. De instelling “>>>>>“ staat voor geen automa-
tische afschakeling. De keuze is van grote invloed op de levensduur
van de batterijen.
Om de instellingen over te nemen moet de toets worden inge-
drukt.
Om het meetinstrument handmatig uit te schakelen dient u de twee buitenste
softtoetsen gelijktijdig in te drukken.
START
8 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
Achtergrondverlichting, kontrast
Druk op de toets “licht”.
Om de levensduur van de batterijen te verlengen, kan de displayver-
lichting volledig worden uitgeschakeld.
Druk hiertoe op de desbetreffende softkey-toets.
Bij een geactiveerde LCD-verlichting (= ON) wordt deze enkele secondes
na het laatste gebruik van de toetsen automatisch uitgeschakeld, om de
batterijen te sparen. Zodra er weer op een toets wordt gedrukt, schakelt
de verlichting weer aan.
Met de beide rechter toetsen kan het kontrast optimaal worden inge-
steld.
Om de instellingen over te nemen moet de START-toets worden inge-
drukt.
Het instellen van de klok
Druk op de toets “klok”.
De cursor staat eerst op de eerste positie van de datum. Voer de ge-
wenste cijfers via een van de softkey-toetsen in.
De niet ingevoerde cijfers worden via de toetsen of rechts
weergegeven. Na iedere cijferkeuze springt de cursor een positie ver-
der naar rechts.
Met het invoeren van het laatste cijfer worden de datum en de tijd
overgenomen.
Door te drukken op de toets START kan op ieder moment de invoer-
modus worden verlaten, de gegevens worden dan echter niet over-
genomen.
minder meer
kontrast
uit aan
LCD-verlichting
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 9
4 Algemene aanwijzingen
4.1 Instrument aansluiten
In installaties met geaarde contactdozen moet het instrument met de
teststeker worden aangesloten op het net. De spanning tussen de buiten-
leiding L en de aarde PE mach maximaal 253 V bedragen!
Er hoeft hierbij geen rekening gehouden te worden met de polering van de
steker. Het instrument test de toestand van de buitenleiding L en de neu-
trale leiding N en poolt, indien nodig de aansluiting automatisch om. De
volgende metingen zijn hiervan uitgesloten om de polering bewust te kun-
nen testen:
spanningsmeting in schakelaarspositie U
L-PE
draaiveldmetingen.
De positie van de buitenleiding L is op de steker aangegeven.
Als aan draaistroom-contactdozen, in verdelers, of aan vaste aansluitin-
gen wordt gemeten, dan dient de 3-fasen-meetadapter (zie pagina 2) op
de teststeker worden te bevestigd.
4.1.1 Geaarde contactdoos op juiste aansluiting testen
Het testen van de geaarde contactdoos op een juiste aansluiting vóór het
testen van de veiligheidsmaatregel, wordt door het foutherkenningssys-
teem van het testinstrument vergemakkelijkt. Het instrument geeft een
foute aansluiting op de volgende manier weer:
ontoelaatbare netspanning (< 170 V of > 253 V):
De lamp NET/MAINS licht rood op en het meetverloop wordt geblok-
keerd.
aardleiding niet aangesloten of potentiaal t.o.v. aarde 150 V
bij f > 45 Hz:
Bij het aanraken van de contactvlakken licht de lamp PE rood op.
De meting wordt door de oplichtende lamp niet onderbroken.
Nul leiding N niet aangesloten (2-polige aansluiting):
de lamp NET/MAINS licht groen op
Zie „Lampenfunctie” op pagina 27.
Let op!
!
Het verwisselen van N en PE in een TN-net wordt niet herkend en
niet gesignaleerd.
Het verwisselen van N en PE in een net met een aardlekschake-
laar kan door een aardcircuitimpedantiemeting worden herkend.
In dit geval schakelt de aardlekschakelaar niet uit.
4.2 Automatische instelling, bewaking en uitschakeling
De PROFiTEST
®
C stelt automatisch alle gebruiksinstellingen in die hij zelf
kan bepalen. Het instrument meet de spanning en de frequentie van het
aangesloten net.
Netspanningsfluctuaties beïnvloeden het meetresultaat niet.
De aanraakspanning die door de meetstroom wordt geproduceerd, wordt
bij ieder meetverloop bewaakt. Indien de aanraakspanning de gren-
swaarde van 50 V overschrijdt, dan wordt de meting direct afgebroken.
De lamp U
L
licht dan rood op.
Het instrument kan niet worden ingeschakeld c.q. schakelt zichzelf met-
een af indien de batterijspanning onder de minimale (4,6 V) grenswaarde
komt.
De meting wordt automatisch afgebroken c.q. het meetverloop wordt
geblokkeerd (met uitzondering van de spanningsmeetbereiken en de
draaiveldmeting):
bij een ontoelaatbare netspanning (< 170 V, > 253 V) bij metingen,
waarbij netspanning noodzakelijk is.
als de temperatuur in het instrument te hoog is.
Ontoelaatbare temperaturen treden in principe pas na ca. 50
metingen op in 5 s-periode, als Z
Schl
is gekozen.
Bij een poging om een meting te starten, volgt een melding op het
LCD-display.
Het instrument schakelt op zijn vroegst automatisch af aan het eind van
een (automatische) meting en na het verlopen van de ingevoerde
inschakelduur (zie hoofdstuk 3.3). De inschakeltijd wordt weer verlengd
met de in het menu “setup” ingestelde tijd, als op een van de toetsen
wordt gedrukt.
10 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
4.3 Weergeven van de meetwaarden
In het LCD-display worden weergegeven:
meetwaarden met hun afkorting en eenheid,
de gekozen functie,
foutmeldingen.
Bij het automatisch verlopen van metingen worden de meetwaarden tot
aan de start van een tweede meting of tot aan het automatisch afschake-
len van het instrument opgeslagen en als digitale waarde weergegeven.
Indien men de minimale grenswaarde van het meetwaardenbereik over-
schrijdt, dan wordt de eindwaarde met het “>” (groter dan) teken weerge-
geven en hiermee de meetwaardenoverloop gesignaleerd.
4.4 Data opslag funkties
Van elke meting kunnen de weergegeven waarden met of zonder kom-
mentaar in het interne geheugen worden opgeslagen. Om de specifieke
meetwaarde van bepaalde gebouwen, verdelers en meetkringen ordelijk
op te kunnen slaan is het noodzakelijk om een individueel adres in het
geheugen aan te maken.
4.4.1 Data opslag – funktie data
Drukt u op de data toets.
D.m.v. de softtoetsen legt u het juiste adres aan. Door in het midden
van de START toets te drukken springt de cursor op de eerste ingave
positie (GEBOUW).
D.m.v. de softtoetsen kunt u achtereenvolgend de velden GEBOUW,
VERDeler, zekering nr. en meetKRING aanduiding invullen.
Data ingeven:
Bladerd u naar het gewenste alphanummurieke teken met de toetsen
of en kies achtereenvolgend met de softtoetsen het juiste
veld.
De stuur tekens worden ook op deze manier ingegeven en hebben de
volgende betekenis:
←:cursor naar links bewegen (zonder te verwijderen)
→: cursor naar rechts bewegen (zonder te verwijderen)
↵: gelijk aan START toets
Na elke teken keuze springt de cursor een positie verder naar rechts.
Met of START (in het midden drukken) springt de cursor naar het vol-
gende veld. Na het invullen van de velden GEBOUW, VERdeler, zekering nr
en meetKRING en na hierna bevestigd te hebben met de toets ver-
schijnen de gegevens invers. Na opnieuw de toets in te drukken
kan de juiste benaming van de aktuele meetkring ingevuld worden.
Aanwijzing
Bovenstaande gegevens zijn voor de computer nodig om de
database te vullen, en om daarna automatisch een testformulier
uit te kunnen draaien.
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 11
4.5 Meetwaarde opslag – funktie STORE
Start u de betreffende meting. De toets STORE wordt na de meting
i.p.v. de toets INFO weergegeven.
Bij metingen die plaatsvinden zonder de toets START te bedienen,
zoals bij de spanningsmeting, wordt de toets STORE na een bepaalde
tijd weergegeven zodat u de tijd heeft om de hulptekst middels de
toets INFO op te roepen.
Korte bediening van de toets STORE slaat de weergegeven meet-
waarden op onder het op dat moment geselecteerde geheugen
adres. Gedurende het opslaan wordt deze toets kortstondig invers
weergegeven.
Langdurige bediening van de toets STORE maakt het mogelijk om ko-
mmentaar in te geven en de aktuele meting op te slaan.
Kommentaar ingeven: Bladerd u naar het gewenste alphanummurieke
teken met de toetsenr of en kies achtereenvolgend met de
softtoetsen het juiste veld.
De stuur tekens worden ook op deze manier ingegeven en hebben de
volgende betekenis:
←: achterwaarts verwijderen, ↵: gelijk aan START toets
Na elke teken keuze springt de cursor een positie verder naar rechts.
U kunt nu ingegeven tekens achterwaarts verwijderen, als u de ge-
wenste soft toets (behalve toets ) langer ingedrukt houdt.
Na de ingave van maximaal 15 tekens slaat u de meetwaarde en het
kommentaar op door met de START toets te bevestigen (in het midden
drukken). Hierna volgt de melding "meetwaarden worden
opgeslagen".
4.5.1 Oproepen data – funktie view View
Kies in het menu de funktie View.
Met kunt u tussen de geheugen adressen voorwaarts of met
toets achterwaarts bladeren.
Binnen het gekozen geheugen adres kunt u met de toetsen Prev. en
Next de afzonderlijke data, die onder een doorlopend nummer
opgeslagen is, oproepen.
Indien u vaststelt dat de meetwaarde bij een apparaat niet juist is kunt u
deze meting onmiddelijk herhalen.
START
START
12 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
Verwijderen van een regel in het geheugen – funktie View
Kies in het menu de funktie view, en druk hierna op delete. Er volgt
geen bevestiging. De nummering van de geheugen regel past zich
aan zodra een andere regel gewist wordt.
4.5.2 Verwijderen kompleet geheugenadres – funktie Data
Kiest u eerst in de funktie View het geheugen adres uit die u wil verwij-
deren.
Vervolgens kiest u de data.
Geeft u voor GEBÄUDE, VERTeiler, FI-Nr. en StromKREIS na elkaar lege posi-
ties in. Als de vier velden geheel leeg zijn ingevuld, zullen de velden in-
vers verschijnen.
Indien u nu op de START toets drukt (in het midden van de toets druk-
ken) worden de gegevens van dit geheugen adres gewist.
4.5.3 Verwijderen alle geheugenadressen – funktie Data
Het geheugen kan maximaal 250 geheugen regels bevatten. Het geheu-
gen is vol als aan de rechterzijde van de parameter “SPEICHER:“ een gev-
ulde balk verschijnt. U kunt de gehele geheugeninhoud in een keer wis-
sen, wij raden wel aan de gegevens eerst in een pc te laden voordat u al
de gegevens verwijderd.
Kiest u in het menu de funktie Data.
Geef nu “000“ als geheugen adres in. Vervolgens bevestigd u dit door
op de START toets te drukken (midden van de toets) nu volgt een
bevestiging.
START
3x
+
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 13
Door nu de toetsen 0 + K gelijktijdig te drukken wist u het gehele ge-
heugen. Aan de rechterzijde van de parameter “SPEICHER:“ verschijnt
nu een lege balk. Links wordt het geheugen adres “001“ aangegeven.
U kunt nu de gegevens voor het eerste adres nieuw ingeven of het
geheugen verlaten (9 x bzw. 9 x START).
Indien bij het inschakelen van het meetinstrument de bovenstaande mel-
ding verschijnt, heeft u de mogelijkheid om het totale geheugen naar de
pc weg te schrijven, en daarna de fout te verhelpen, door de gegevens uit
het geheugen definitief te verwijderen.
4.6 Helpfunctie
Bij iedere basis- en subfunctie kan, nadat de keuze is gemaakt voor het desbe-
treffende menu, de bijbehorende helptekst op het LCD-display worden
weergegeven.
Druk voor het oproepen van de helptekst op de toets .
Voor het verlaten van de helpfunctie kan op een willekeurige toets
worden gedrukt.
4.7 Funktie van toetsen
Indien bepaalde funkties grijs aangegeven worden zijn deze na de eerst-
volgende software update toepasbaar.
+
i
14 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
5 Meten van netspanning, frequentie, fasen
en draaiveldrichting
5.1 2-polige aansluiting met teststeker
5.2 3-polige aansluiting met teststeker en 3-fasen-meetadapter (toebehoren)
5.3 Meten van spanning
De spanningsmeting tussen L en PE, N en PE, L en N of de draaiveldmet-
ing met gekoppelde spanning, fasen en draaiveldrichting wordt na het
kiezen van de meetfunctie automatisch gestart.
Overschrijding van spanning en frequentie worden aangegeven met “---“.
spanning tussen L en PE, evenals netfrequentie
Let u bij bovenstaande meting op de juiste polering van de stekker!
spanning tussen N en PE, evenals tussen L en N
draaiveldmeting
L1
L2
N
PE
L3
R
B
L1
L2
N
PE
L3
R
B
blauw
zwart
U
N/
f
N
U
N-PE
U
3~
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 15
6 Meten van foutstroom (FI)-aardlekschakelingen
Het meten van foutstroom(FI)-aardlekschakelingen omvat het inspecteren,
het testen en het meten.
Voor het testen en meten wordt de PROFiTEST
®
C gebruikt.
Meetmethode
Overeenkomstig DIN VDE 0100 is aan te tonen, dat
de bij de nominale foutstroom optredende aanraakspanning de voor
de installatie maximaal toegestane waarde niet overschrijdt.
de foutstroom-aardlekschakelaars bij een nominale foutstroom bin-
nen de 400 ms (1000 ms bij selectieve aardlekschakelaar) uitschake-
len.
Voor het bepalen van de bij de nominale foutstroom optredende aanraak-
spanning U
IΔN
meet het instrument met een stroom die slechts ca.
1
/
3
van
de nominale foutstroom bedraagt. Hierdoor wordt verhinderd, dat daarbij
de aardlekschakelaar uitgeschakeld wordt.
Het bijzondere voordeel van deze meetmethode is, dat op iedere contact-
doos de aanraakspanning eenvoudig en snel gemeten kan worden, zon-
der dat de aardlekschakelaar uitgeschakeld wordt.
De anders gebruikelijke en omvangrijke meetmethode om de werkzaam-
heid van de aardlekschakelingen op een bepaalde plaats te testen en om
aan te tonen dat alle andere beveiligende onderdelen van de installatie via
de PE-leiding met deze meetpositie laagohmig en veilig verbonden zijn,
kan hiermee komen te vervallen.
Aansluiting
6.1 Meten van de (op nominale foutstroom betrekking hebbende)
aanraakspanning met
1
/
3
van de nominale foutstroom
Kies het meten van de aanraakspanning via de toets U
IΔN
/t
A
.
Leg de nominale foutstroom vast van de gebruikte aardlekschakelaar
via de toets IΔN .
Indien de grenswaarde van de aanraakspanning van 50 V afwijkt of
indien het gaat om een selectieve aardlekschakelaar, dan moet via de
toets TYP de overeenkomstige waarde van tevoren worden gekozen.
Start de meting via een korte druk op de toets START.
In het LCD-display worden de aanraakspanning U
IΔN
(op nominale fout-
stroom berust) en de berekende aardingsweerstand R
E
weergegeven.
Aanwijzing
Stoorspanningen aan de aardleiding PE of aan de aarde beïnv-
loeden het meetresultaat niet, zolang zij kleiner zijn dan 25 V. Zij
kunnen gemeten worden door middel van een spanningmeting
met de teststeker.
Indien de voorstromen in de installatie echt groot zijn, of indien er
een te hoge meetstroom voor de schakelaar wordt gekozen, dan
kan het gebeuren dat de aardlekschakelaar uitschakelt.
In dit geval verschijnt in het display de melding ”Stop! Geen
stroom. A.u.b. zekering controleren”.
L1
L2
N
PE
L3
R
B
R
E
Fi
START
16 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
Indien de met
1
/
3
van de nominale foutstroom gemeten en op I
ΔN
groot
berekende aanraakspanning U
IΔN
> 50 V (> 25 V), dan licht de lamp U
L
rood op.
Indien tijdens het verloop van de meting de aaraakspanning
U
IΔN
> 50 V, dan volgt er een veiligheidsafschakeling.
De aanraakspanningen worden tot 99,9 V weergegeven. Is de waarde
groter, dan wordt er een overload weergegeven.
Grenswaarden voor continu toegestane aanraakspanningen
De grens voor de continu toegestane aanraakspanning bedraagt bij wis-
selspanning U
L
= 50 V (internationale afspraak).
Voor uitzonderlijke gebruiksgevallen zijn lagere waarden voorgeschreven
(bijv. wetenschappelijke werkplaatsen U
L
=25V).
6.2 Meten van de aanraakspanning en resolutiemeting met nominale fout-
stroom
Nadat de aanraakspanning is gemeten, kan met het instrument worden
getest of de aardlekschakelaar bij een nominale foutstroom van 400 ms
resp. 1000 ms afschakelt.
Druk op de toets START voor de meting van U
IΔN
en houd deze na de
weergave van de meetwaarde ingedrukt. Hierdoor wordt na de met-
ing van U
IΔN
automatisch de resolutiemeting gestart.
Als de aardlekschakelaar bij een nominale foutstroom uitschakelt, dan
licht de lamp NET/MAINS rood op (netspanning werd uitgeschakeld) en
verschijnen op het LCD-display de aanraakspanning U
IΔN
en de resoluti-
etijd t
A
.
Als de aarlekschakelaar bij een nominale foutstroom niet uitschakelt, dan
licht de lamp RCD/FI rood op.
De resolutiemeting is voor iedere aardlekschakelaar slechts op één positie
nodig.
Let op!
!
Als de aanraakspanning te hoog is of de aardlekschakelaar niet
uitschakelt, dan moet de installatie worden gerepareerd (bijv. te
hoge aardingsweerstand, defecte aardlekschakelaar etc.)!
Bij draaistroomaansluitingen moet voor een correcte controle van de aardlekin-
richting de resolutiemeting bij elke van de drie buitenleidingen (L1, L2 en L3) wor-
den uitgevoerd.
START
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 17
6.3 Speciale testen voor installaties of aardlekschakelaars
6.3.1 Testen van installaties of aardlekschakelaars met stijgende foutstroom
Meetmethode
Voor het testen van de aardlekschakelaar produceert het instrument in het
net een constant stijgende foutstroom van (0,3 ... 1,3) · I
ΔN
.
Het instrument slaat de waarde van de aanraakspanning en afschakel-
stroom die op het resolutiemoment van de aardlekschakelaar aanwezig is
op, en geeft deze weer.
Bij de meting met stijgende foutstroom kan er gekozen worden tussen de
beide aanraakspanningsgrenzen U
L
=25V en U
L
=50V.
Aansluiting
Meetverloop
Kies de meting met stijgende foutstroom via de toets I
Δ
.
Leg de nominale foutstroom van de gebruikte aardlekschakelaar vast
via de toets IΔN.
Als de grenswaarde voor de aanraakspanning afwijkt van 50 V, of als
er een selectieve aardlekschakelaar wordt gebruikt, moet via de toets
TYP van tevoren de overeenkomstige waarde worden gekozen.
Start de meting met de toets START.
Nadat de meting is gestart, stijgt de door het instrument geproduceerde
meetstroom van een 0,3-voudige nominale foutstroom gelijkmatig, totdat
de aardlekschakelaar uitschakelt. Dit kan aan het sinussymbool worden
afgelezen. In het LCD-display worden de aanraakspanning U
IΔN
en de
berekende aardingsweerstand R
E
weergegeven.
Indien de aanraakspanning de gekozen grenswaarde (U
L
= 50 V of 25 V)
bereikt, voordat de aardlekschakelaar uitschakelt, dan wordt er een veilig-
heidsafschakeling uitgevoerd. De lamp U
L
licht rood op.
Mocht de aardlekschakelaar niet uitschakelen, voordat de stijgende
stroom de nominale foutstroom I
ΔN
bereikt, dan licht de lamp RCD/FI rood
op.
L1
L2
N
PE
L3
R
B
START
18 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
Let op!
!
Een voorstroom in de installatie wordt bij het meten van de fout-
stroom, die door het instrument wordt geproduceerd, overstemd,
en beïnvloedt de gemeten waarden van de aanraakspanning en
de resolutiestroom.
Voor het beoordelen van een foutstroom-aardlekinrichting mag overeen-
komstig DIN VDE 0100, deel 610 met een stijgende foutstroom gemeten
worden en uit de gemeten waarden de aanraakspanning voor de nomi-
nale foutstroom I
ΔN
berekend worden.
De snellere en eenvoudigere meetmethode zie hoofdstuk 6.1 is op basis
hiervan te prefereren.
6.3.2 Testen van aardlekschakelaars met 5 · I
ΔN
(10 mA en 30 mA)
Het meten van de resolutietijd geschiedt hier met een 5-voudige nominale
foutstroom.
U heeft de mogelijkheid de meting bij de positieve halve sinus ”0×” of bij
de negatieve halve sinus “180°“ te starten.
Voer beide metingen uit. De langere uitschakeltijd is de maatstaf voor de
toestand van de geteste aardlekschakelaar. Beide waarden moeten
< 40 ms zijn.
6.4 Testen van speciale aardlekschakelaars
6.4.1 Installaties met selectieve aardlekschakelaars
In installaties waarin twee in serie geschakelde aardlekschakelaars gep-
laatst worden, die in geval van een fout niet gelijktijdig moeten
uitschakelen, moeten selectieve aardschakelaars gebruikt worden. Deze
hebben een vertraagde reactieverhouding en worden door het
symbool gekenmerkt.
Meetmethode
De meetmethode is gelijk aan die voor normale aardlekschakelaars (zie
alinea 6.1 op pagina 15 en 6.3.1 op pagina 17).
Als er selectieve aardlekschakelaars worden gebruikt, dan mag de aar-
dingsweerstand maar half zo groot zijn als die bij het gebruik van normale
aardlekschakelaars. Het instrument geeft op grond hiervan de dubbele
waarde van de gemeten aanraakspanning weer.
Kies in het desbetreffende submenu TYPde grenswaarde voor de
toegestane aanraakspanning U
L
50V of U
L
25V .
S
S S
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 19
Resolutiemeting
Druk op de toets START. De aardlekschakelaar wordt uitgeschakeld.
Op het display worden de tijd en daarna de resolutie tijd t
A
en de
aardingsweerstand R
E
weergegeven.
Aanwijzing
Selectieve aardlekschakelaars hebben een vertraagde afschakel-
reactie. Door de voorbelasting bij de meting van de aanraakspan-
ning wordt de afschakelreactie kortstondig (tot 30 s) beïnvloed.
Om de voorbelasting door de meting van de aanraakspanning te
elimineren, is er voor de resolutiemeting een wachttijd noodzake-
lijk. Na het starten van de meting (uitschakeltijd) wordt op het dis-
play een klok weergegeven.
Uitschakeltijden tot 1000 ms zijn toelaatbaar.
6.4.2 Aardlekschakelaars van het type G
Met behulp van het meetinstrument PROFiTEST
®
C is het mogelijk, naast
de gebruikelijke en selectieve aardlekschakelaars de speciale eigenschap-
pen van een G-schakelaar te testen.
Stel eerst de aangegeven nominale foutstroom I
ΔN
in.
Meet de aanraakspanning en de uitschakeltijd zoals bij gewone aard-
lekschakelaars.
Stel aansluitend in het submenu TYP 5·I in en voer de uitschakeling
met de positieve halve sinus uit.
Herhaal de uitschakeling met de negatieve halve sinus na het instellen
van 5·I 180°. De langere afschakeltijd is de maatstaf voor de toestand
van de geteste aardlekschakelaar.
De uitschakeltijd moet in beide gevallen tussen 10 ms (de minimale ver-
tragingstijd van de G-aardlekschakelaar!) en 40 ms liggen.
G-schakelaars met andere nominale foutstromen kunnen worden geme-
ten in de desbetreffende positie van de functieschakelaar in het menu I
ΔN
.
Aanwijzing
Het menu S voor selectieve schakelaars is niet geschikt voor G-
schakelaars.
START
20 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
7 Testen van de afschakelvoorwaarden van overload zekeringen,
meten van de aardcircuitimpedantie
en bepalen van de kortsluitstroom (functie Z
Schl
)
Het testen van overstroombeveiligingen omvat het inspecteren en het
meten. Voor het meten wordt de PROFiTEST
®
C gebruikt.
Meetmethode
De aardcircuitimpedantie Z
Schl
wordt gemeten en de kortsluitstroom I
K
wordt bepaald, om te testen of de zekeringen aan de afschakelvoor-
waarden voldoen.
De aardcircuitimpedantie is de weerstand van het stroomcircuit
(trafo-station – buitenleiding – aarde) bij een massaverbinding
(geleidende verbinding tussen buitenleiding en aarde). De waarde van de
aardcircuitimpedantie bepaalt de grootte van de kortsluitstroom. De
kortsluitstroom I
K
mag niet onder een volgens DIN VDE 0100 vastgest-
elde waarde komen, zodat de zekeringen van een installatie (zekering of
zekeringsautomaat) zeker afschakelen.
Om deze reden moet de gemeten waarde van de aardcircuitimpedantie
kleiner zijn dan de maximaal toegestane waarde.
In hoofdstuk 11 vanaf pagina 28 vindt u de tabellen met de toegestane
waarden voor de aardcircuitimpedantie, evenals de minimale waarde voor
de korstluitstroom, voor nominale stromen van verschillende zekeringen
en schakelaars. In deze tabellen is rekening gehouden met de maximale
fout van het instrument zelf. Zie ook hoofdstuk 7.2.
Om de aardcircuitimpedantie Z
Schl
te meten, meet het instrument,
afhankelijk van de aangesloten netspanning en de netfrequentie, met een
meetstroom van 740 mA en een testduur van ca. 400 ms.
Indien tijdens deze meting een gevaarlijke aanraakspanning optreedt
(> 50 V), dan volgt er een veiligheidsafschakeling.
Uit de gemeten aardcircuitimpedantie Z
Schl
en de netspanning berekent
het meet- en testinstrument de kortsluitstroom I
K
. De kortsluitstroom
wordt gerelateerd aan de nominale spanning van 230 V.
De PROFiTEST
®
C biedt ook de mogelijkheid om de aardcircuitimpedan-
tie met een positieve of negatieve halve sinus te meten.
Met deze meetmethode en samen met het voorschakelinstrument
PROFiTEST
®
DC-II is het mogelijk om aardcircuitimpedanties in installaties
die met aardlekschakelaars zijn uitgerust te meten zonder dat de aardlek
schakelaar uitschakeld.
Aansluiting
Bij draaistroomaansluitingen moet voor een juiste controle van de over-
load-zekeringen de meting voor de aardciruitimpedantie met alle drie de
buitenleidingen (L1, L2 en L3) tegen de aarde PE worden uitgevoerd
L1
L2
N
PE
L3
R
B
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 21
Kies de aardcircuitimpedantiemeting via de toets Z
Schl
. Als curvevorm
moet een gevulde sinusvorm verschijnen op het display. Voor metin-
gen aan aardlekschakelaars zie volgende hoofdstuk.
Voer de meting met een druk op de START- toets uit.
7.1 Meten met positieve of negatieve halve sinus
Het meten met halve golven maakt het mogelijk om met behulp van het
voorschakelinstrument PROFiTEST
®
DC-II, de aardcircuitimpedanties in
installaties die met aardlekschakelaars uitgerust zijn te meten.
Aansluiting
Het starten van de meting
Gebruik de positieve halve sinus voor het meten van de aardcircuitimpe-
dantie.
7.2 Beoordelen van de gemeten waarden
Uit de Tabel voor de aardcircuitimpedantie op pagina 28 kunnen de maxi-
maal toegestane aardcircuitimpedanties Z
Schl
worden bepaald die, reken-
ing gehouden met de maximale meetafwijking van het instrument zelf (bij
normale meetomstandigheden), kunnen worden weergegeven. Tussen-
waarden kunnen worden geïnterpoleerd.
Uit de Tabel voor de aardcircuitimpedantie op pagina 28 kan op grond van
de gemeten kortsluitstroom de maximaal toegestane nominale stroom
van de zekering of zekeringsautomaat voor de nominale netspanning van
230 V, rekening gehouden met de maximale meetafwijking van het instru-
ment zelf, worden bepaald (overeenkomstig DIN VDE 0100 deel 610).
Na het uitvoeren van de meting worden de toegestane zekeringstypen na
een druk op de toets getoond. De tabel geeft de maximaal toege-
stane nominale stroom weer, afhankelijk van het type zekering en de
afschakelvoorwaarden.
Aanwijzing
Bij een Z
Schl
waarde van > 100 Ω volgt de volgende foutmelding
“defekte F1 ...“ . Er vloeit geen foutstroom op grond van de vol-
gende fout: Weerstand te hoog, zekering defekt of aarde niet
aangsloten.
START
L1
L2
N
PE
L3
R
B
R
E
Fi
START
22 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
8 Meten van de aardingsweerstand (functie R
E
)
De aardingsweerstand is de som van de weerstand van de aarding (R
A
)
en de weerstand van de aardleiding.
De aardingsweerstand wordt bij benadering via een ”aardcircuitweer-
standsmeting” bepaald. De bij deze methode gemeten weerstand-
swaarde R
ESchl
bevat ook de weerstandswaarde van de gebruiksaarding
R
B
en van de buitenleiding L. Voor het bepalen van de aardingsweerstand
moeten deze beide waarden van de gemeten waarde worden afge-
trokken.
Als de doorsneden van de leidingen (buitenleiding L en neutrale leiding N)
gelijk zijn, dan is de weerstand van de buitenleiding half zo groot als de
netimpedantie Z
I
(buitenleiding + neutrale leiding).
De gebruiksaarding R
B
mag volgens DIN VDE 0100 “0 Ω tot 2 Ω
bedragen.
De aardingsweerstand wordt volgens de volgende verhouding berekend:
Bij het berekenen van de aardingsweerstand is het zinvol om geen reken-
ing te houden met de weerstandswaarde van de gebruiksaardeg R
B
,
omdat deze waarde meestal niet bekend is.
De berekende weerstandswaarde omvat dan als extra veiligheid de weer-
stand van de gebruiksaarde.
De netimpedantie Z kan alleen met de 3-fasen-meetadapter (toebehoren)
in positie Z
Schl
worden gemeten.
Aanwijzing
Stoorspanningen aan de beschermingsleiding PE of aan de aarde
beïnvloeden het meetresultaat niet. Deze kunnen door middel van
een spanningsmeting (met de teststeker) worden gemeten.
Indien er tijdens de meting gevaarlijke aanraakspanningen (> 50 V)
voorkomen, dan wordt de meting afgebroken en volgt er een
veiligheidsafschakeling.
Aansluiting
8.1 Meten
automatische keuze van het meetbereik
R
E
R
ESchl
=
1
2
--- R
I
R
B
L1
L2
N
PE
L3
R
B
R
E
START
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 23
Handmatige keuze van het meetbereik
De handmatige keuze van het meetbereik komt van pas, wanneer de
aardingsweerstand in een installatie achter de aardlekschakelaar gemeten
moet worden.
Om te voorkomen dat de aardlekschakelaar ongewild uitschakelt, moet er
rekening worden gehouden met de meetstroom I
P
van het instrument.
Druk op de toets RANGE.
Kies een meetstroom die beneden de afschakelstroom van een even-
tueel geïnstalleerde aardlekschakelaar ligt.
Voer de meting uit als hiervoor beschreven.
Aanwijzing
Bij een handmatige keuze van het bereik moet rekening gehouden
worden met het feit, dat nauwkeurige opgaven pas vanaf 5 % van
de eindwaarde van het meetbereik gelden (behalve 10 Ω-bereik;
aparte opgaven voor kleine waarden).
8.2 Instellen van de grenswaarden
Voor de aardingsweerstand kan een grenswaarde worden ingesteld.
Indien er meetwaarden boven deze grenswaarde voorkomen, dan licht
het LED U
L
.
Druk op de toets LIMIT.
Geeft u als eerste het cijfer voor het honderdtal in.
Blader met de toets of naar het gewenste cijfer. Na het
kiezen van een getal, springt de cursor een positie naar rechts. Na het
invoeren van de tiende en hele getallen, springt de cursor op de posi-
tie _ voor Ohm of k voor Kiloohm. Na het invoeren van de laatste pos-
itie wordt het startmenu weer weergegeven.
8.3 Beoordelen van de gemeten waarden
Met de Tabel voor de aardingsweerstanden op pagina 28 kunnen de
weerstandswaarden worden bepaald, die rekening houdend met de max-
imale meetafwijking van het instrument (bij nominale gebruiksomstan-
digheden), maximaal mogen worden weergegeven om de vereiste aard-
ingsweerstand niet te overschrijden. Tussenwaarden kunnen worden
geïnterpoleerd.
START
4..740 mA 740 mA 400 mA 40 mA 4 mA
24 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
9 Technische specificaties
functie meet-grootheid
meetbereik
(weergavebereik I
K
)
resoluti
ingangsimpedanti
e/meetstroom
nominale waarden eigenafwijking
nominaal gebruiks-
bereik
meetafwijking
U
L–PE
U
N–PE
U
L–PE
U
N–PE
/ U
L–N
0 ... 99,9 V
100 ... 300 V
(0 ... 600 V)
0,1 V
1 V 500 kΩ ±(2% v. m. + 2 d) 108 ... 253 V ±(4% v.m. + 3 d)
f
15,0 ... 99,9 Hz
(15,0 ... 650 Hz)
0,1 Hz
500 kΩ ±(0,1% v. m. + 1 d) 15 ... 70 Hz ±(0,2% v.m. + 1 d)
U
3~
U
3~
0 ... 99,9 V
100 ... 500 V
(0 ... 600 V)
0,1 V
1 V 500 kΩ ±(2% v. m. + 2 d) 108 ... 440 V ±(4% v.m. + 3 d)
I
Δ
U
IΔN
0 ... 99,9 V 0,1 V 0,3 · I
ΔN
U
N
= 230 V
f
N
= 50 Hz
U
L
= 25/50 V
I
ΔN
= 10/30/100/
300/500 mA
+(12,5% v. m. + 2 d)
+(2,5% v. m. – 2 d)
5 ... 70 V
+15% v.m. + 2 d
+0%v.m. – 0 d
R
E
/ I
ΔN
= 10 mA 10 Ω ... 9,99 kΩ 10 Ω
0,3 ... 1,3 · I
ΔN
rekenwaarde
R
E
/ I
ΔN
= 30 mA
3 Ω ... 999 Ω
1 kΩ ... 6,40 kΩ
3 Ω
10 Ω
R
E
/ I
ΔN
= 100 mA 1Ω ... 999 Ω 1Ω
R
E
/ I
ΔN
= 300 mA
0,3 Ω ... 99,9 Ω
100 Ω ... 640 Ω
0,3 Ω
1 Ω
R
E
/ I
ΔN
= 500 mA
0,2 Ω ... 99,9 Ω
100 Ω ... 380 Ω
0,2 Ω
1 Ω
I
Δ
/ I
ΔN
= 10 mA 3,0 ... 13,0 mA
0,1 mA
3,0 ... 13,0 mA
±(5% v. m. + 2 d)
3,0 ... 13,0 mA
±(8% v.m. +2 d)
I
Δ
/ I
ΔN
= 30 mA 9,0 ... 39,0 mA 9,0 ... 39,0 mA 9,0 ... 39,0 mA
I
Δ
/ I
ΔN
= 100 mA 30 ... 130 mA
0,1 mA
1 mA
30 ... 130 mA 30 ... 130 mA
I
Δ
/ I
ΔN
= 300 mA 90 ... 390 mA 90 ... 390 mA 90 ... 390 mA
I
Δ
/ I
ΔN
= 500 mA 150 ... 650 mA 1 mA 150 ... 650 mA 150 ... 650 mA
U
IΔ
/ U
L
= 25 V 0 ... 25,0 V
0,1 V wie I
Δ
+(12,5% v. m. + 2 d)
+(2,5% v. m. 2 d)
0 ... 25,0 V
+15% v.m.+2 d
+0%v.m. – 0 d
U
IΔ
/ U
L
= 50 V 0 ... 50,0 V 0 ... 50,0 V
t
A
(I
ΔN
/5 · I
ΔN
)
0 ... 99,9 ms
100 ... 999 ms
0,1 ms
1 ms
1,05 · I
ΔN
/ 5 · I
ΔN
±3 ms 0 ... 1000 ms ±4 ms
Z
Schl
Z
Schl
0,01 ... 9,99 Ω
10,0 ... 30,0 Ω
10 mΩ
100 mΩ
740 mA
U
N
= 230 V
f
N
= 50 Hz
±5 d
±(6% v. m. + 3 d)
0,25 ... 0,5 Ω
0,5 ... 30 Ω
±(15% v.m. + 8 d)
±(10% v.m. + 5 d)
R
E
R
E
0 ... 9,99 Ω
10,0 ... 99,9 Ω
100 ... 999 Ω
1,00 k ... 9,99 kΩ
10 mΩ
10 mΩ
100 mΩ
1 Ω
740 mA
400 mA
40 mA
4 mA
±5 D
±(6% v. m. + 3 d)
±(4% v. m. + 3 d)
±(4% v. m. + 3 d)
±(4% v. m. + 3 d)
0,25 Ω ... 0,5 Ω
0,5 Ω ... 9,99 Ω
10,0 Ω ... 99,9 Ω
100 Ω ...999 Ω
1 kΩ ...9,99 kΩ
±(15% v.m. + 8 d)
±(10% v.m. + 5 d)
±(8% v.m. + 5 d)
±(8% v.m. + 5 d)
±(8% v.m. + 5 d)
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 25
Referentievoorwaarden
Netspanning 230 V ±0,1%
Netfrequentie 50 Hz ±0,2 Hz
Curvevorm meet-
grootheid sinus (afwijking tussen effectieve en
gelijkgerichte waarde < 1%)
Vermogensfactor cos ϕ =1
Voedingsspanning batterij: 5,5 V ±1%
Omgevingstemperatuur +23
°C ±2 K
Relatieve lucht-
vochtigheid 45% ... 55%
Vingercontact bij meten potentiaaldifferentie op aardpotentiaal
Nominale gebruiksbereiken
Spanning U
N
230 V (108 ... 253 V)
Frequentie f
N
16
2
/
3
Hz (15,4 ... 18 Hz)
50 Hz (49,5 ... 50,5 Hz)
60 Hz (59,4 ... 60,6 Hz)
Totaal frequentiebereik 15 ... 70 Hz
Curvevorm sinus
Temperatuurbereik 0
°C ... + 40 °C
Batterijspanning 4,6 V ... 6,5 V
Vermogensfactor overeenkomstig cos ϕ = 1 ... 0,95
Omgevingsvoorwaarden
Bewaartemperatuur –20
°C ... +60 °C (zonder batterijen)
Werktemperatuur –10
°C ... +50 °C
Relatieve lucht-
vochtigheid max. 75%, bedauwing is uit te sluiten
Klimaatklasse 3z/–20/50/60/75%
(volgens VDI/VDE 3540)
Hoogte boven NAP max. 2000 m
Toepassing
alleen binnenshuis
Voeding
Batterijen 4 x 1,5 V-penlight-batterijen
(alkaline-batterijen volgens IEC LR14)
Accu’s NiCd of NiMH
Oplader (niet standaard
meegeleverd) NA 0100S (Artikel-Nr. Z501D),
klinksteker 3,5 mm
Oplaadtijd ca. 12 uur.
Bij accu’s worden op basis van de kleinere oplaadcapaciteit dan batter-
ijen, gewoonlijk minder metingen dan hierboven aangegeven bereikt.
Elektrische veiligheid
Beschermingsklasse II volgens IEC 61010-1/EN 61010-1/
VDE 0411-1
Nominale spanning 300 V
Meetspanning 3,7 kV 50 Hz
Overspanningscategorie III
Vervuilingsgraad 2
EMV-straling EN 50081-1
EMV-stralingsge-
voeligheid EN 50082-1
Zekering
aansluiting L und N ieder 1 G-smeltzekering
F1H250V 5 mm x 20 mm ( IEC 127-2)
Overbelastingscapaciteit
U
L-PE
, U
L-N
600 V continu
Fi, R
E
,
Z
schl
300 V (begrenst het aantal metingen en de
pauzetijd, bij overbelasting voorkomt een
thermoschakelaar het uitvoeren van de functie)
Beschermd door
zekeringen 1 A 10 s,
> 2 A
uitschakelen van de zekeringen
26 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
Data-interface
Type infrarood-interface (SIR/IrDa)
bidirectioneel, half duplex
Formaat 9600 Baud,
1 startbit, 1 stopbit, 8 databits, geen parity,
geen handshake
Rijkwijdte max. 10 cm
aanbevolen afstand: < 4 cm
Mechanische opbouw
Display meervoudig display d.m.v. puntmatrix
64 x 128 punten, verlicht
Beschermingsklasse behuizing IP 52 volgens
DIN VDE 0470 deel 1/EN 60529
Afmetingen 275 mm x 140 mm x 65 mm
(zonder meetleidingen)
Gewicht ca. 1,2 kg met batterijen
9.1 Lampenfunctie
Bij metingen van U
L-PE
wordt de lamp NETZ/MAINS niet aangestuurd.
10 Lijst met afkortingen en betekenissen
Aardlekschakelaar
I
Δ
resolutiestroom
I
ΔN
nominale foutstroom
I
F
stijgende meetstroom (foutstroom)
PRCD portable (verplaatsbaar) RCD
R
E
berekende aardings- of aardcircuitweerstand
selectieve aardlekschakelaar
SRDC socket (vast geïnstalleerde) RCD
t
A
resolutietijd
U
IΔ
aanraakspanning op het moment van resolutie
U
IΔN
aanraakspanning
gerelateerd aan de nominale foutstroom I
ΔN
U
L
grenswaarde voor de aanraakspanning
Overload-beveiliging
I
K
berekende kortsluitstroom (bij nominale spanning)
Z
Schl
aardcircuitimpedantie
Aarding
R
B
weerstand van de gebruiksaarde
R
E
gemeten aardingsweerstand
R
ESchl
aardingscircuitweerstand
Stroom
I
M
meetstroom
I
N
nominale stroom
I
P
teststroom
Spanning
f frequentie van de netspanning
f
N
nominale frequentie van de nominale spanning
U
E
aardingsspanning
U
L-L
spanning tussen twee fasen
U
L-N
spanning tussen L en N
U
L-PE
spanning tussen L en PE
U
N
nominale netspanning
U
3~
hoogst gemeten spanning
bij bepaling van de draaiveldrichting
lamp toestand meetfunctie functie
PE
licht rood
op
alle
instrument aan en potentiaaldifferentie
150 V instrument aan en potentiaaldifferentie)
frequentie f > 45 Hz
Netz
Mains
licht groen
op
I
Δ
/ R
E
/ Z
Schl
3-polige aansluiting: netspanning
ca. 170 V tot 253 V, meting vrijgegeven
Netz
Mains
knippert
groen
I
Δ
/ R
E
/ Z
Schl
2-polige aansluiting (bijv. leider N niet aangesloten):
netspanning ca. 170 V bis 253 V, meting vrijgegeven
Netz
Mains
knippert
rood
I
Δ
/ R
E
/ Z
Schl
netspanning < ca. 170 V of > 253 V,
meting geblokkeerd
U
L
licht rood
op
I
Δ
– aanraakspanning U
IΔN
bzw. U
IΔ
>25V resp. >50V
– een veiligheidsafschakeling is vereist
R
E
– Limitwert für R
E
überschritten
RCD/FI
licht
rood
op
I
Δ
de aardlekschakelaar is bij de resolutiemeting
niet of niet tijdig uitgeschakeld
S
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 27
11 Annexe
Tabellen voor het bepalen van de maximale resp. minimale weergegeven waarde, rekening houdend met de maximale meetafwijking van het instrument
11.1 Tabel voor de aardcircuitimpedantie 11.2 Tabel voor de aardingsweerstanden
Z
schl
Ω
grens-
waarde
max.
displaywaarde
0,25 0,15
0,30 0,19
0,35 0,23
0,40 0,28
0,45 0,32
0,50 0,37
0,60 0,45
0,70 0,59
0,80 0,68
0,90 0,77
1,00 0,86
1,50 1,32
2,00 1,77
2,50 2,23
3,00 2,68
3,50 3,14
4,00 3,59
4,50 4,05
5,00 4,50
6,00 5,41
7,00 6,32
8,00 7,23
9,00 8,14
10,00 8,64
15,00 13,2
20,00 17,7
25,00 22,3
30,00 26,8
R
E
Ω
grens-
waarde
max.
displaywaarde
grens-
waarde
max.
displaywaarde
grens-
waarde
max.
displaywaarde
0,25 0,15 10,0 9,05 1,00 k 921
0,30 0,19 15,0 13,4 1,50 k 1,34 k
0,35 0,23 20,0 18,1 2,00 k 1,81 k
0,40 0,28 25,0 22,7 2,50 k 2,27 k
0,45 0,32 30,0 27,3 3,00 k 2,73 k
0,50 0,37 35,0 31,9 3,50 k 3,19 k
0,60 0,45 40,0 36,6 4,00 k 3,66 k
0,70 0,59 45,0 41,2 4,50 k 4,12 k
0,80 0,68 50,0 45,8 5,00 k 4,58 k
0,90 0,77 60,0 55,1 6,00 k 5,51 k
1,00 0,86 70,0 64,4 7,00 k 6,44 k
1,50 1,32 80,0 73,6 8,00 k 7,36 k
2,00 1,77 90,0 82,9 9,00 k 8,29 k
2,50 2,23 100 92,1 9,99 k 9,20 k
3,00 2,68 150 134
3,50 3,14 200 181
4,00 3,59 250 227
4,50 4,05 300 273
5,00 4,50 350 319
6,00 5,41 400 366
7,00 6,32 450 412
8,00 7,23 500 458
9,00 8,14 600 551
10,00 9,05 700 644
800 736
900 829
999 920
28 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
11.3 Tabel voor de kortsluitstroom-minimale waarde voor het bepalen van de nominale stromen van
verschillende zekeringen en schakelaars voor netten met nominale spanning U
N
=230/400 V
Voorbeeld
Displaywaarde 90,4 A « eerstvolgende kleinere waarde voor beveiliging
Eigenschap B uit tabel: 85 A « nominale stroom (I
N
) van het zekeringsele-
ment is max. 16 A
laagspanningszekering
naar normen van de rij DIN VDE 0636
met leidingsaardschakelaar en capaciteitsschakelaar
nominale
stroom
I
N
[A]
eigenschap gL eigenschap gL eigenschap B
(voorheen L)
eigenschap C
(voorheen G, U)
eigenschap D eigenschap K
afschakelstroom 5 s afschakelstroom 0,2 s afschakelstroom
5 x I
N
(< 0,2 s / 0,4 s)
afschakelstroom
10 x I
N
(< 0,2 s / 0,4 s)
afschakelstroom
20 x I
N
(< 0,2 s / 0,4 s)
afschakelstroom
14 x I
N
(< 0,1 s)
grenswaarde
[A]
min. weer-
gave
[A]
grenswaarde
[A]
min. weer-
gave
[A]
grenswaarde
[A]
min. weergave
[A]
grenswaarde
[A]
min. weergave
[A]
grenswaarde
[A]
min. weergave
[A]
grenswaarde
[A]
min. weergave
[A]
2 9,21 10 20 22 10 11 20 22 40 44 28 31
3 14,1 15 30 33 15 16 30 33 60 67 42 47
4 19,2 21 40 44 20 22 40 44 80 90 56 62
6 28 31 60 67 30 33 60 67 120 136 84 94
8 37,5 42 80 90 40 44 80 90 160 183 112 127
10 47 52 100 113 50 56 100 113 200 231 140 159
13 60 67 125 142 65 73 130 148 260 305 182 209
16 72 81 148 169 80 90 160 183 320 381 224 260
20 88 99 191 220 100 113 200 231 400 487 280 330
25 120 136 270 317 125 142 250 292 500 719 350 420
32 156 178 332 397 160 183 320 381 640 989 448 552
40 200 231 410 500 200 231 400 487 800 1,35 k 560 830
50 260 305 578 865 250 292 500 625 1000 1,92 k 700 1118
63 351 421 750 1,23 k 315 375 630 969 1260 2,92 k 882 1,57 k
80 452 557
100 573 855
125 751 1,23 k
160 995 1,90 k
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 29
12 Algemeen
12.1 Zelftest
Start vanuit het hoofdmenu de zelftest via de toets Test. De test duurt
enkele minuten.
In de beide bovenste regels wordt de volgende informatie zichtbaar:
Type/Cal: type instrument/datum van de laatste kalibratie (afstelling)
Version: software-versie en fabricatiedatum
De zelftest van de posities Chksum (meetsom) tot LED worden automa-
tisch na elkaar uitgevoerd en afgevinkt of bij niet geslaagd door middel
van een horizontaal streep gekenmerkt.
Chksum1/2: het statussymbool van de interne test (De test moet altijd met
een vinkje worden afgesloten, anders kan het meet- en
testinstrument niet meer gebruikt worden om metingen uit te
voeren. Is dit het geval, dan kunt u zich wenden tot ons Ser-
vice-Centre.)
Relais: ieder relais schakelt tweemaal.
LED: de lampen U en RCD/FI knipperen ieder twee keer met rood
licht, de lamp Netz tweemaal met groen en tweemaal met
rood licht. De lamp PE kan niet automatisch worden
gecontroleerd!
Zodra de testen uit de linker kolom zijn uitgevoerd, dan moeten de vol-
gende testen handmatig worden opgestart.
Position Illum: druk tweemaal op de toets Test om de verlichting uit- en
weer aan te schakelen.
Position Display: or het controleren van de display-eenheden dient u na
ieder testbeeld op de toets “test” te drukken.
Keytest: voer de toetsentest uit door éénmaal op alle toetsen te druk-
ken, inclusief de starttoets in alle drie de posities. In het toetsenpicto-
gram worden de reeds ingedrukte toetsen opgevuld afgebeeld.
Enkele testen kunnen worden overgeslagen, door de toets ”skip” voor het
starten van de desbetreffende test in te drukken. Deze worden dan net als
bij ”niet geslaagd” door een horizontale streep gekenmerkt.
30 GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
12.2 Batterij en accu
Als het batterijsymbool uit nog slechts één gevuld segment bestaat, dan
moeten de batterijen worden verwisseld, of de accu worden opgelade.
Controleer regelmatig en ook nadat uw instrument langere tijd niet
gebruikt is geweest, of de batterijen of de accu's niet zijn leeggelopen. Bij
leeggelopen batterijen of accu’s moet het elektrolyt zorgvuldig en volledig
worden verwijderd met een vochtige doek, voordat de nieuwe batterijen of
accu’s worden geplaatst.
Oplaadmethode
Let op!
!
Gebruik voor het opladen van de accu uitsluitend de oplader
NA 0100S (Artikel-Nr. Z501D) met een veilige elektrische sc-
heiding en de secundaire data 9 V DC.
Voor het aansluiten van de oplader aan de oplaadbus,
moet u zich van het volgende hebben overtuigd:
de accu’s zijn geplaatst, de batterijen niet
– het instrument is op alle polen van het meetcircuit gescheiden.
– de spanningskeuze op de oplader is op 9 V ingesteld.
Sluit de oplader NA 0100S aan op de oplaadbus met de 3,5 mm klink-
steker. Stel de spanningskeuzeschakelaar op de NA 0100S in op 9 V ein.
Het meetinstrument herkent dat er een oplader is aangesloten en start het
opladen. Tijdens het opladen worden de 5 segmenten van het batter-
ijsymbool voortdurend van links naar rechts weergegeven op het display
en verdwijnen weer.
Lege accu’s hebben ca. 9 uur nodig om op te laden. Bij lege accu’s kan
het instrument niet ingeschakeld worden. Laat het meetinstrument ca.
30 min. met aangesloten oplader liggen terwijl het instrument inge-
schakeld is en handel dan zoals hiervoor beschreven.
12.3 Zekeringen
Is er vanwege een overload een zekering uitgevallen, dan verschijnt de
desbetreffende foutmelding in het LCD-display. De spanningsmeet-
bereiken van het instrument gelden echter nog steeds.
Het vervangen van een zekering
De zekeringen zijn van buiten af links van de netaansluitkabel gemakkelijk
bereikbaar.
Open het sluitkapje van de desbetreffende zekering met behulp van
een geschikt werktuig (bijv. een schroevendraaier) door erop te druk-
ken en linksom te draaien.
Let op!
!
Verkeerde zekeringen kunnen het instrument zwaar beschadigen.
Alleen originele zekeringen van GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH
waarborgen de vereiste bescherming door de juiste uitschakelk-
enmerken (Artikel-Nr. 3-578-164-01).
Het overbruggen of repareren van zekeringen is niet toegestaan!
Bij het gebruik van zekeringen met een andere nominale stroom,
een ander schakelvermogen of een andere uitschakeleigenschap
bestaat het gevaar het instrument te beschadigen!
Haal de defecte zekering uit het instrument en vervang hem door een
nieuwe. Reservezekeringen vindt u in de batterijhouder.
Plaats het afsluitkapje met de nieuwe zekering weer terug en sluit het
door het naar rechts te draaien.
Plaats de deksel van de batterijhouder weer terug en schroef hem
vast.
GMC-I Gossen-Metrawatt GmbH 31
12.4 Behuizing
Speciaal onderhoud voor de behuizing is niet noodzakelijk. Let op een
schoon oppervlak. Gebruik voor het reinigen een matig vochtige doek.
Vermijd het gebruik van poets-, schuur- of oplosmiddelen.
Let op!
!
De behuizing mag door de gebruiker om de volgende redenen
niet geopend worden tw:
– er kunnen onverwachte problemen onstaan bij het sluiten,
de opgegeven dichtheid is niet meer gewaarborgd.
13 Reparatie- en onderhoudsservice
DKD-kalibratielaboratorium en huurservice
Indien gewenst kunt u zich wenden tot:
GMC-Instruments Nederland B.V.
Afd. Service en kalibratie
Postbus 323, 3440 AH Woerden
Daggeldersweg 18, 3449 JD Woerden
Fon: +31 348 42 11 55
Fax: +31 348 42 25 28
E-mail
service@gmc-intruments.nl
14 Productinformatie
Voor productinformatie kunt u zich wenden tot:
GMC-Instruments Nederland B.V.
Afd. Service en kalibratie
Postbus 323, 3440 AH Woerden
Daggeldersweg 18, 3449 JD Woerden
Fon: +31 348 42 11 55
Fax: +31 348 42 25 28
E-mail
service@gmc-intruments.nl
Gedrukt in Duitsland • Wijzigingen voorbehouden
GMC-Instruments Nederland B.V.
Daggeldersweg 18
NL-3449 JD Woerden
Telefoon: +31 348 42 11 55
Fax: +31 348 42 25 28
E-mail: info@gmc-instruments.nl
www.gmc-instruments.nl
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32

Gossen MetraWatt PROFITEST C Handleiding

Type
Handleiding