SMART Technologies Notebook 15 Referentie gids

Type
Referentie gids
GEBRUIKERSHANDLEIDING
VOOR WINDOWS-BESTURINGSSYSTEMEN
Productregistratie
Als u uw SMART-product registreert, dan stellen wij u op de hoogte van nieuwe functies en
software-upgrades.
Registreer u online op smarttech.com/registration.
Houd de volgende gegevens bij de hand als u contact op moet nemen met SMART-
ondersteuning.
Serienummer:
Aankoopdatum:
Kennisgeving handelsmerk
SMARTNotebook, SMARTDocumentCamera, SMARTInk, SMARTBoard, SMARTResponse, SMARTExchange, smarttech, het SMART-logo en alle SMART-
taglines zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van SMARTTechnologiesULC in de VS en/of andere landen. Windows, PowerPoint en
InternetExplorer zijn gedeponeerde handelsmerken of handelsmerken van Microsoft Corporation in de VS en/of andere landen. Mac, OSX en QuickTime
zijn handelsmerken van Apple Inc. die in de VS en andere landen zijn gedeponeerd. Adobe, Reader en Flash zijn gedeponeerde handelsmerken of
handelsmerken van Adobe Systems Incorporated in de VS en/of andere landen. GeoGebra is een gedeponeerd handelsmerk van GeoGebra Inc. Alle
overige producten en bedrijfsnamen van derden zijn mogelijk handelsmerken van hun respectieve eigenaars.
Copyright
© 2015SMARTTechnologiesULC. Alle rechten voorbehouden Niets in deze uitgave mag worden gereproduceerd, verzonden, getranscribeerd,
opgeslagen in een ophaalsysteem of vertaald in enige taal, in welke vorm of op welke wijze ook, zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van
SMARTTechnologiesULC. Informatie in deze handleiding kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd en houdt geen verplichting van de
zijde van SMART in.
Dit product en/of delen ervan zijn gepatenteerd in de VS.
www.smarttech.com/patents
12/2015
i
Inhoud
Hoofdstuk 1: Aan de slag met SMARTNotebook-software 1
Informatie over SMART Notebook-software 2
Over de andere SMART-software op uw computer 2
Wat is er nieuw 3
SMARTNotebook-software starten 6
Navigeren in de gebruikersinterface 6
Meldingen voor wijzigingen in hulpmiddelen bekijken 12
Gebaren gebruiken 13
Wijzigingen ongedaan maken en herhalen 14
Hoofdstuk 2: Bestanden maken en bewerken 15
Bestanden maken 15
Bestanden openen 15
Bestanden opslaan 16
Bestanden exporteren 17
Bestanden afdrukken 19
Automatisch bestanden opslaan 20
Bestanden als bijlage aan e-mailberichten toevoegen 24
Hoofdstuk 3: Pagina's maken en bewerken 25
Pagina's in een bestand weergeven 25
Pagina's maken 26
Pagina's dupliceren 27
Pagina's uitbreiden 27
Naam pagina's wijzigen 28
Pagina's knippen of kopren en plakken 28
Pagina's herschikken 29
Pagina's groeperen 29
Pagina's verwijderen 31
Hoofdstuk 4: Basisobjecten creëren 33
Digitale inkt schrijven, tekenen en wissen 34
Vormen en lijnen maken 37
Tekst maken 41
Tabellen maken 48
Hoofdstuk 5: Werken met objecten 59
Objecten selecteren 60
Objecteigenschappen wijzigen 62
Objecten plaatsen 65
Objecten knippen, kopren en plakken 70
Afbeeldingen bijsnijden met een masker 70
Objecten dupliceren 72
INHOUD
ii
De omvang van objecten veranderen 72
Objecten draaien 75
Objecten spiegelen 77
Objecten groeperen 77
Objecten verwijderen 79
Hoofdstuk 6: Het invoegen, organiseren en delen van inhoud 81
Inhoud van de galerie invoegen 82
Content invoeren uit GeoGebra 84
Inhoud van de SMARTExchange-website invoegen 85
Inhoud uit andere bronnen invoegen 86
Vergelijkingen invoegen met de Wiskundige editor 98
Internetbrowsers invoegen 100
Bestanden en webpagina's toevoegen 102
Inhoud organiseren en delen met de galerie 104
Inhoud delen met de SMARTExchange-website 108
Hoofdstuk 7: Lesactiviteiten maken 109
Geavanceerde objectfuncties gebruiken 110
Geavanceerde paginafuncties gebruiken 118
Zichtbare lesactiviteiten 124
Hoofdstuk 8: Lesactiviteitenbouwer (LAB) gebruiken 133
Activiteiten maken met Lesactiviteitenbouwer 134
Flipkaartactiviteit van Flip Out toevoegen 135
Een activiteit van Super sorteren toevoegen 137
Een activiteit Vul de lege plekken in toevoegen 139
Een Label onthullen-activiteit toevoegen 141
Een activiteit Wat hoort bij elkaar? toevoegen 143
Een Rangorde-activiteit toevoegen 145
Een activiteit Versnelling toevoegen 147
Een Roept u maar!-activiteit toevoegen 148
Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit 157
Inhoud vanLesactiviteitenbouwer beheren 158
Hoofdstuk 9: Conceptmapping gebruiken 161
Knooppunten voor conceptmapping maken en gebruiken 161
Hoofdstuk 10: Lesactiviteiten presenteren en samenwerking faciliteren 165
Voorbereiden voor presenteren 166
Klaspresentatiehulpmiddelen gebruiken 175
Pagina's na presenteren wissen of opnieuw instellen 209
Ervoor zorgen dat twee mensen een interactivewhiteboard kunnen gebruiken 212
Hoofdstuk 11: SMARTNotebook-software met invoegtoepassingen verbeteren 215
Invoegtoepassingen installeren 215
Invoegtoepassingen gebruiken 215
Ontbrekende invoegtoepassingen identificeren 216
Invoegtoepassingen uitschakelen en verwijderen 216
INHOUD
iii
Hoofdstuk 12: SMARTNotebook-software onderhouden 219
De werkbalk aanpassen 219
SMARTNotebook-software configureren 221
De taal instellen 228
SMART-software verwijderen 229
SMART-software bijwerken en activeren 230
Feedback verzenden naar SMART 235
Hoofdstuk 13: Probleemoplossing met de SMARTNotebook-software 237
Problemen oplossen met bestanden 237
Probleemoplossing met het SMARTNotebook-softwarevenster en -werkbalk 237
Probleemoplossing digitale inkt 238
Problemen oplossen met objecten 239
Probleemoplossing gebaren 240
Problemen oplossen voor DPI-instellingen op 4K UHD-beeldschermen 241
Index 243
Hoofdstuk 1
1
Hoofdstuk 1: Aan de slag met
SMARTNotebook-software
Informatie over SMART Notebook-software 2
Over de andere SMART-software op uw computer 2
Wat is er nieuw 3
SMARTNotebook 15.2-software 3
SMARTNotebook 15.1-software 4
SMARTNotebook 15-software 5
SMARTNotebook-software starten 6
Navigeren in de gebruikersinterface 6
Menu 6
Werkbalk 6
Actiepaneel 6
Invoegtoepassingen-paneel 7
Hulpmiddelenpaneel 7
Contextafhankelijk paneel 7
De werkbalk aanpassen 8
Paginasorteerder 8
De Paginasorteerder openen 8
De Paginasorteerder aanpassen 8
Het tabblad Galerie 9
Het tabblad Galerie openen 9
Het tabblad Galerie aanpassen 9
Het tabblad Bijlagen 9
Het tabblad Bijlagen openen 9
Het tabblad Bijlagen aanpassen 9
Het tabblad Eigenschappen 10
Het tabblad Eigenschappen openen 10
Het tabblad Eigenschappen aanpassen 10
Het tabblad Toevoegingen 11
Het tabblad Toevoegen openen 11
Het tabblad Invoegtoepassingen aanpassen 11
SMARTResponse-tabblad 11
Paginagebied 11
Meldingen voor wijzigingen in hulpmiddelen bekijken 12
Gebaren gebruiken 13
Wijzigingen ongedaan maken en herhalen 14
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
2
In dit hoofdstuk wordt de software van SMARTNotebook® samenwerkend leren aan u
geïntroduceerd en wordt uitgelegd hoe u aan de slag kunt met de software.
Informatie over SMART Notebook-software
In de SMARTNotebook-software kunt u .notebook-bestanden maken die afbeeldingen, tekst,
tabellen, lijnen, vormen, animaties en meer bevatten. Tijdens uw vergadering kunt u uw
bestand presenteren en de aandacht van uw studenten vasthouden terwijl u de objecten
verplaatst en ermee werkt. Wanneer uw studenten opmerkingen en suggesties geven, kunt u
die op de pagina schrijven met digitale inkt. U kunt .notebook-bestanden openen in
SMARTNotebook-software openen op een Windows®-, Mac- of Linux®-computer. U kunt uw
bestand in verschillende indelingen exporteren, waaronder HTML en PDF.
U kunt SMARTNotebook Tools installeren en invoegtoepassingen van derden om speciale
functies aan SMARTNotebook-software toe te voegen. Tot de SMARTNotebook Tools
behoren de volgende:
l 3D Tools voor SMARTNotebook-software
l Mixed Reality Tools voor SMARTDocumentCamera™
l SMARTNotebook MathTools
Over de andere SMART-software op uw
computer
Uw computer kan de volgende SMART-software bevatten.
l Stuurprogramma's voor SMART-producten
Uw interactieve product detecteert contact met het scherm en zendt ieder contactpunt,
samen met de informatie over het hulpmiddel pen, naar een aangesloten computer.
Stuurprogramma's voor SMART-productenvertalen de informatie naar muisklikken en
digitale inkt. Met stuurprogramma's voor SMART-productenkunt u reguliere
computerhandelingen uitvoeren met uw vinger of pen.
l SMARTInk™
Met SMARTInk kunt u met een pen op het scherm tekenen of schrijven in digitale inkt, en
daarna uw aantekeningen wissen of opslaan.
l SMARTBoard-hulpmiddelen
U kunt de aandacht op specifieke gebieden op een pagina vestigen met SMARTBoard-
hulpmiddelen zoals de schermschaduw, spotlicht, vergrootglas en aanwijzer.
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
3
Wat is er nieuw
SMARTNotebook 2015-software bevat in de uitgave van december 2015 de volgende
nieuwe functies.
SMARTNotebook 15.2-software
Functie Thema
Nieuwe Lesactiviteitenbouwer (LAB)-activiteiten en -
thema's
LAB bevat twee nieuwe activiteiten: Versnelling en Label
onthullen. In Versnelling kunnen leerlingen tegen elkaar
racen terwijl ze door u verzonnen meerkeuzevragen
beantwoorden. In Label weergeven kunnen leerlingen
beschrijvende labels met de kenmerken van een object
steeds meer onthullen.
Tekst en afbeeldingen kunnen nu worden gebruikt met alle
activiteiten (met uitzondering van Vul de lege plekken in).
Dit voegt een nieuwe dimensie toe aan de activiteiten.
Daarnaast zijn er ook nieuwe LAB-thema's, waaronder
Ridder en draak, Bijen en Eenvoudig thema.
Activiteiten maken met
Lesactiviteitenbouwer op
pagina134
Inhoud
vanLesactiviteitenbouwer
beheren op pagina158
Nieuwe Roept u maar!-functies
Deze nieuwe publicatie van Roept u maar! bevat nieuwe
functies die zijn gericht op de lesgever, zodat de bijdrage
van een leerling bijvoorbeeld eenvoudig van de ene naar
een andere categorie kan worden verplaatst.
Toevoegingen voor leerlingen, waaronder een
thuisschermpictogram voor het apparaat en een
contextueel numeriek toetsenbord voor het invoeren van
nummers.
Zoals altijd kunnen leerlingen snel tekst en afbeeldingen
maken en bijdragen aan activiteiten om inhoud te maken
van LAB met hun eigen mobiele apparaten, en lesgevers
kunnen makkelijk de inhoud beheren.
Een Roept u maar!-activiteit
toevoegen op pagina148
Leerlingbijdrages aan een
Roept u maar!-activiteit
toevoegen op pagina151
Nieuwe invoegtoepassingen
SMART kapp-invoegtoepassingen
Met de SMARTkapp-invoegtoepassing kan een kapp-
sessie direct worden geïntegreerd in Notebook 15.2.
Bezoek www.smarttech.com voor meer informatie over
hoe u de invoegtoepassing kunt bemachtigen.
YouTube™-invoegtoepassing
De YouTube™-invoegtoepassing stelt u in staat om veilig
inhoud van YouTube direct in Notebook 15.2 te
doorzoeken, er een voorbeeld van te bekijken en te
integreren.
SMART kapp-
invoegtoepassingen
gebruiken op pagina96
Voeg inhoud toe met behulp
van de YouTube-
invoegtoepassing op
pagina97
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
4
Functie Thema
Verbeteringen SMART Ink 3.2
SMART-inkt 3.2 blijft een genot om mee te werken dankzij
een nieuw stempelhulpmiddel, een werkset en snelle
toegang tot uw favorieten.
Stempelkussenhulpmiddel
Het SMARTInk-stempelkussen is uitgevoerd met tien
standaard stempels. En u kunt uw eigen persoonlijke
stempels maken.
U kunt het stempelkussen gebruiken om ideeën te
versterken, het werk van leerlingen te verbeteren, de
prestaties van leerlingen te belonen enzovoort. U kunt
stempels aanpassen en wissen zoals u ook doet met
digitale inkt.
Werkset
De Smart Ink 3.2-werkset op de SMART Ink-werkbalk houdt
de SMARTInk-werkbalk vrij van rommel, en u hebt snelle
toegang tot de Schermopname, Tekstinvoer en
Stempelkussenhulpmiddelen.
Snelle favorieten
Je eerste vier favoriete pennen verschijnen nu rond de Ink-
werkbalk, waardoor snelle toegang mogelijk is.
SMARTInk-invoegtoepassing voor Adobe Reader
Met AdobeAcrobatReader en de SMARTInk-
invoegtoepassing, kunt u in PDF-bestanden schrijven en
tekenen met digitale ink, en deze weer wissen. De
invoegtoepassing voegt digitale inkt toe als opmerkingen,
waardoor u de inktopmerking in uw PDF-bestand kunt
opslaan. De inkt bladert ook mee met de inhoud van het
PDF-bestand.
SMARTNotebook 15.1-software
Functie Thema
Twee nieuwe Lesactiviteitenbouwer-activiteiten zijn
toegevoegd aan LAB, waaronder Versnelling en Label
weergeven. Er zijn ook kleurrijke nieuwe thema's
toegevoegd.
Activiteiten maken met
Lesactiviteitenbouwer op
pagina134
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
5
Functie Thema
Roept u maar! is een hulpmiddel om inhoud te maken die
leerlingen en leraren kunnen gebruiken met de
Lesactiviteitenbouwer (LAB). Voor deze nieuwe uitgave zijn
zowel op lesgever geornteerde functies alsook
verbeteringen aan de leerlingzijde toegevoegd, waaronder
een thuisschermpictogram voor het apparaat en een
contextueel numeriek toetsenbord voor het invoeren van
nummers. Zoals altijd, kunnen leerlingen snel tekst en
afbeeldingen maken en bijdragen aan activiteiten om
inhoud te maken voor LAB met hun eigen mobiele
apparaten, en lesgevers kunnen makkelijk de inhoud
beheren.
Een Roept u maar!-activiteit
toevoegen op pagina148
Afbeeldingen worden nu ondersteund in de nieuwe LAB-
activiteiten behalve bij Vul de lege plekken in. Voeg zowel
afbeeldingen als lijsten to aan uw LAB-categorieën. De
functie is nu beschikbaar in de activiteit Draai kaarten om.
Inhoud
vanLesactiviteitenbouwer
beheren op pagina158
Verbeteringen aan SMART Ink 3.1 zijn onder andere:
l Update Dynamische werkbalk
l SMART Ink-vensterhulpmiddelen
l SMART Ink favoriete pennen
l Aanraakinkthulpmiddel van SMART
SMARTNotebook 15-software
Functie Thema
De Lesactiviteitenbouwer laat u snel interactieve activiteiten in
gamingstijl bouwen voor leerlingen, waardoor leerlingen meer
betrokken raken en beter leren.
Activiteiten maken met
Lesactiviteitenbouwer
op pagina134
Conceptmapping helpt de leerling om informatie te organiseren
door conceptmappen te maken.
Hoofdstuk 9:
Conceptmapping
gebruiken op pagina161
De functies vorm en hoek zijn nu voor alle gebruikers
beschikbaar in de werkbalk:
l
Hulpmiddel om onregelmatige polygonen te maken
l
Polygoonhulpmiddel
l
Lengten zijden tonen
l
Binnenhoeken tonen
l
Hoeken tonen
l
Vormen verdelen
Prestatieverbeteringen van de browser betekenen een betere
ervaring met YouTube en GeoGebra.
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
6
SMARTNotebook-software starten
Start SMARTNotebook-software door te dubbelklikken op het pictogram SMARTNotebook
op het bureaublad.
Wanneer u SMARTNotebook-software voor het eerst opstart, zal er automatisch een
zelfstudie-bestand openen. U kunt de inhoud van dit bestand lezen wanneer u meer wilt weten
over de software en de nieuwe functies in de laatste versie. Selecteer Bestand > Nieuw
wanneer u klaar bent, om een nieuw, blanco bestand aan te maken.
NB
Wanneer u de software meerdere keren opstart, zal er automatisch een nieuw, blanco
bestand openen. Om het zelfstudie-bestand te openen, selecteert u Help > Zelfstudie.
Navigeren in de gebruikersinterface
De gebruikersinterface van SMARTNotebook-software bestaat uit de volgende onderdelen:
l Menu
l Werkbalk
l Tabbladen (Paginasorteerder, Galerij, Bijlagen, Eigenschappen, Toevoegingen en
SMARTResponse®)
l Paginagebied
Menu
In het menu vindt u alle opdrachten die u kunt gebruiken voor het bewerken van bestanden en
objecten in de SMARTNotebook-software.
Werkbalk
Met de werkbalk kunt u verschillende opdrachten selecteren en gebruiken. De knoppen op
de werkbalk zijn georganiseerd in panelen.
Actiepaneel
Het paneel Acties op de werkbalk heeft knoppen waarmee u naar .notebook-bestanden kunt
bladeren en wijzigingen hierin kunt aanbrengen. bestanden:
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
7
Invoegtoepassingen-paneel
Wanneer u SMARTNotebook-hulpmiddelen installeert, zoals SMARTNotebook Math-
hulpmiddelen, SMARTResponse-software, Lesactiviteitenbouwer (LAB) of Conceptmapping
verschijnt er een extra paneel aan de rechterkant van het paneel Acties :
Hulpmiddelenpaneel
Het tabblad Hulpmiddelen heeft knoppen waarmee u basisobjecten op pagina's kunt maken
en bewerken:
Contextafhankelijk paneel
Wanneer u een van de knoppen in het paneel Hulpmiddelen selecteert, worden er extra
knoppen weergegeven. Als u bijvoorbeeld Pennen selecteert, worden de volgende extra
knoppen weergegeven:
Druk op de knop Pentypes om een pentype te selecteren en druk vervolgens op een van de
knoppen voor het lijntype om de digitale inkt in dat lijntype te schrijven of te tekenen. U kunt
het geselecteerde lijntype aanpassen met de opties in het tabblad Eigenschappen en uw
wijzigingen opslaan voor toekomstig gebruik (zie Hulpmiddelinstellingen opslaan op
pagina65).
Met de drie eigenschapkiezers, naast de knoppen voor het lijntype, kunt u de kleur, dikte, stijl
en doorschijnendheid van de digitale inkt instellen.
Als u op een van de andere knoppen in het paneel Hulpmiddelen klikt, worden er
vergelijkbare sets met extra knoppen weergegeven.
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
8
De werkbalk aanpassen
U kunt de positie van knoppen op de werkbalk toevoegen, verwijderen en veranderen door
te klikken Customize the toolbar (zie De werkbalk aanpassen op pagina219).
De werkbalk verschijnt standaard aan de bovenkant van het SMARTNotebook software-
venster. U kunt het echter naar de onderkant van het venster verplaatsen door te klikken op
Verplaats de werkbalk naar de boven- of onderkant van het venster . Dit is nuttig wanneer
u of uw studenten de werkbalk niet kunnen bereiken wanneer dit zich aan de bovenkant van
het venster bevindt.
Paginasorteerder
De paginasorteerder toont alle pagina's in het open bestand als miniaturen en werkt deze
miniaturen automatisch bij wanneer u de inhoud van de pagina's verandert.
Met de paginasorteerder kunt u het volgende doen:
l Pagina's knippen of kopren en plakken
l Pagina's tonen
l Pagina's knippen, kopren, plakken
l Pagina's maken
l Pagina's dupliceren
l Pagina's wissen
l Pagina's verwijderen
l Naam pagina's wijzigen
l Pagina's herschikken
l Objecten van de ene pagina naar de andere verplaatsen
l Pagina's groeperen
De Paginasorteerder openen
Druk op Page Sorter (Paginasorteerder) om de paginasorteerder te openen.
De Paginasorteerder aanpassen
U kunt de paginasorteerder van de ene kant van het SMARTNotebook-softwarevenster naar
de andere kant verplaatsen door te drukken op Move Sidebar (Zijbalk verplaatsen).
U kunt de grootte van de paginasorteerder wijzigen door het kader links of rechts te slepen. U
kunt de paginasorteerder ook verbergen wanneer u deze niet gebruikt door het selectievakje
Auto-hide (Automatisch verbergen) te selecteren. (Druk op Page Sorter (Paginasorteerder)
om de paginasorteerder weer te geven wanneer deze verborgen is.)
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
9
NB
Wanneer u de paginasorteerder naar de minimumgrootte terugbrengt, zal de functie
automatisch verbergen vanzelf aangaan.
Het tabblad Galerie
Het tabblad galerie bevat clipart, achtergronden, multimedia-inhoud, bestanden en pagina's
die u voor uw lessen kunt gebruiken en geeft voorbeelden weer van hoe de inhoud eruitziet.
Het tabblad galerie biedt ook toegang tot andere online bronnen. Voor meer informatie, zie
Inhoud van de galerie invoegen op pagina82.
U kunt ook uw eigen inhoud en die van andere docenten van uw school aan het tabblad
galerie toevoegen (zie Inhoud organiseren en delen met de galerie op pagina104).
Het tabblad Galerie openen
Om het tabblad Galerie te openen, drukt u op Galerie .
Het tabblad Galerie aanpassen
U kunt het tabblad Galerie verplaatsen van de ene kant van het SMARTNotebook-
softwarevenster naar de andere kant door te drukken op Zijbalk verplaatsen .
U kunt de grootte van het tabblad Galerie wijzigen door het kader links of rechts te slepen. U
kunt het tabblad Galerie ook verbergen wanneer u het niet gebruikt door het selectievakje
Automatisch verbergen te selecteren . (Om het tabblad Galerie weer te tonen wanneer het
verborgen is, druk op Galerie .)
NB
Wanneer u het tabblad Galerie naar de minimumgrootte terugbrengt, zal de functie
automatisch verbergen vanzelf aangaan.
Het tabblad Bijlagen
Het tabblad Bijlagen toont de bestanden en webpagina's die bij het huidige bestand gevoegd
zijn. Zie voor meer informatie Bestanden en webpagina's toevoegen op pagina102.
Het tabblad Bijlagen openen
Druk op Bijlagen om het tabblad bijlagen te openen.
Het tabblad Bijlagen aanpassen
U kunt het tabblad Bijlagen verplaatsen van de ene kant van het SMARTNotebook-
softwarevenster naar de andere kant door te drukken op Zijbalk verplaatsen .
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
10
U kunt de grootte van het tabblad Bijlagen wijzigen door het kader links of rechts te slepen. U
kunt het tabblad Bijlagen ook verbergen wanneer u het niet gebruikt door het selectievakje
Automatisch verbergen te selecteren. (Om het tabblad Bijlagen te tonen wanneer het
verborgen is, drukt u op Bijlagen .)
NB
Wanneer u het tabblad Bijlagen naar de minimumgrootte terugbrengt, zal de functie
automatisch verbergen vanzelf aangaan.
Het tabblad Eigenschappen
Met het tabblad Eigenschappen kunt u objecten op een pagina vormgeven, inclusief digitale
inkt, vormen, lijnen, tekst en tabellen. Afhankelijk van het geselecteerde object kunt u het
volgende veranderen:
l De kleur, dikte en stijl van de lijnen
l De doorschijnendheid en opvuleffecten van objecten
l Het lettertype, grootte en stijl van de tekst
l De animatie van objecten
Het tabblad Eigenschappen toont alleen de opties die mogelijk zijn voor het object dat u
heeft geselecteerd. Voor meer informatie over het weergeven en het bewerken van
objecteigenschappen in het tabblad Eigenschappen, zie Objecteigenschappen wijzigen op
pagina62.
In het tabblad Eigenschappen bevindt zich ook een knop Page Recording (Paginaopname). U
kunt deze functie gebruiken om uw handelingen op de huidige pagina op te nemen (zie
Pagina's opnemen met de lesrecorder op pagina175).
Het tabblad Eigenschappen openen
Druk op Properties (Eigenschappen) om het tabblad Eigenschappen te openen.
Het tabblad Eigenschappen aanpassen
U kunt het tabblad Eigenschappen verplaatsen van de ene kant van het SMARTNotebook-
softwarevenster naar de andere kant door te drukken op Move Sidebar (Zijbalk
verplaatsen).
U kunt de grootte van het tabblad Eigenschappen wijzigen door het kader links of rechts te
slepen. U kunt het tabblad Eigenschappen ook verbergen wanneer u het niet gebruikt door
het selectievakje Auto-hide (Automatisch verbergen) te selecteren. (Om het tabblad
Eigenschappen opnieuw weer te geven wanneer dit is verborgen, drukt u op Properties
(Eigenschappen).)
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
11
NB
Wanneer u het tabblad Eigenschappen naar de minimumgrootte terugbrengt, zal de functie
automatisch verbergen vanzelf aangaan.
Het tabblad Toevoegingen
Door het tabblad Invoegtoepassingen kunt u werken met invoegtoepassingen van
SMARTNotebook software (zie Hoofdstuk 11: SMARTNotebook-software met
invoegtoepassingen verbeteren op pagina215).
Het tabblad Toevoegen openen
Druk op Invoegtoepassingen om het tabblad Invoegtoepassingen te openen.
Het tabblad Invoegtoepassingen aanpassen
U kunt het tabblad Invoegtoepassingen verplaatsen van de ene kant van het
SMARTNotebook-softwarevenster naar de andere kant door te drukken op Zijbalk
verplaatsen .
U kunt de grootte van het tabblad Invoegtoepassingen wijzigen door het kader links of rechts
te slepen. U kunt het tabblad Invoegtoepassingen ook verbergen wanneer u het niet gebruikt
door het selectievakje Automatisch verbergen te selecteren. (Om het tabblad
Invoegtoepassingen opnieuw weer te geven wanneer het is verborgen, drukt u op
Invoegtoepassingen .)
NB
Wanneer u het tabblad Toevoegen naar de minimumgrootte terugbrengt, zal de functie
automatisch verbergen vanzelf aangaan.
SMARTResponse-tabblad
Het SMARTResponse-tabblad is onderdeel van de SMARTResponse-software en is alleen
beschikbaar indien u SMARTResponse-software heeft geïnstalleerd.
Paginagebied
Het paginagebied toont de inhoud van een geselecteerde pagina in een bestand. In dit
gebied van de pagina maakt u en bewerkt u objecten (zie Hoofdstuk 4: Basisobjecten creëren
op pagina33).
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
12
Meldingen voor wijzigingen in hulpmiddelen
bekijken
Als er aanraakdetectie op uw SMART-product is ingeschakeld, worden meldingen van
wijzigingen in hulpmiddelen in SMARTNotebook-software weergegeven, wanneer u een
nieuw hardwarehulpmiddel selecteert of de instellingen van een hulpmiddel wijzigt. Pennen,
de wisser en de muis zijn allemaal hardware-hulpmiddelen. U kunt ook meldingen van
wijzigingen in hulpmiddelen bekijken wanneer u het scherm met een vinger aanraakt.
NB
Aanraakherkenning wordt slechts door enkele SMART-hardwareproducten ondersteund.
Raadpleeg voor meer informatie de producthandleiding van uw SMART-hardware.
Om meldingen voor wijzigingen in hulpmiddelen te bekijken
Gebruik een hardwarehulpmiddel of uw vinger om op de toolbar (hulpmiddelenbalk) te
drukken en selecteer vervolgens tool settings (instellingen voor hulpmiddelen.)
Er verschijnt een statusbalk onder de hulpmiddelenbalk die de actieve
hulpmiddelinstellingen weergeeft. De statusbalk wordt elke keer bijgewerkt wanneer u
een ander hulpmiddel of instelling selecteert.
NB
De statusbalk verschijnt eveneens wanneer u inktinstellingen aan de hardwarepen
toewijst door het tabblad Properties (Eigenschappen) te gebruiken (zie
Objecteigenschappen wijzigen op pagina62).
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
13
Gebaren gebruiken
U kunt interactief met objecten werken in SMARTNotebook-software door de volgende
gebaren te gebruiken (als het ondersteund wordt door uw interactieve product):
Snel bewegen (links naar rechts) Snel bewegen (rechts naar links)
Gebaar met vingers naar elkaar toe
bewegen voor inzoomen / schalen
(vergroten)
Gebaar met vingers van elkaar af
bewegen voor uitzoomen / schalen
(verkleinen)
Pannen Draaien
Schudden Vegen
HOOFDSTUK 1
AAN DE SLAG MET SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
14
Wijzigingen ongedaan maken en herhalen
Wanneer u veranderingen in een bestand aanbrengt, kunt u de gevolgen van uw vorige acties
en opdrachten ongedaan maken.
NB
Als twee mensen uw interactieve product gebruiken en u op Ongedaan maken en Herhalen
drukt, dan zal dit de handelingen van beide gebruikers beïnvloeden.
Om het effect van de laatste actie ongedaan te maken
Druk op Ongedaan maken .
NB
U kunt een beperkt aantal acties ongedaan maken.
De laatste actie die ongedaan werd gemaakt herhalen met de opdracht Ongedaan maken
Druk op Opnieuw .
Hoofdstuk 2
15
Hoofdstuk 2: Bestanden maken en bewerken
Bestanden maken 15
Bestanden openen 15
Bestanden opslaan 16
Bestanden exporteren 17
Bestanden afdrukken 19
Automatisch bestanden opslaan 20
Bestanden als bijlage aan e-mailberichten toevoegen 24
In de SMARTNotebook-software kunt u SMARTNotebook-softwarebestanden (.notebook)
maken of openen. Na het maken of openen van een .notebook-bestand kunt u deze opslaan,
afdrukken en andere standaardtaken voltooien.
Bestanden maken
Wanneer u SMARTNotebook-software voor de eerste keer opstart, wordt er automatisch een
zelfstudie-bestand geopend. De volgende keren dat u de software opstart zal er automatisch
een nieuw .notebook-bestand worden geopend. U kunt echter op elk moment een nieuw
bestand aanmaken.
Een bestand maken
Selecteer File > New (Bestand > Nieuw).
Wanneer u werkt aan een bestand met niet-opgeslagen wijzigingen, verschijnt er een
dialoogvenster en wordt u gevraagd om het huidige bestand op te slaan. Druk op Ja om
wijzigen op te slaan en volg daarna de aanwijzingen op het scherm.
Bestanden openen
SMARTNotebook 15.x-software opent en slaat .notebook-bestanden op, wat ook de
standaardbestandsindeling voor software van SMARTNotebook 9.5, 9.7, 10 en 11 is.
NB
De standaardbestandsindeling voor SMARTNotebook 8, 9.0 en 9.1 software is.xbk., niet
.notebook bestanden.
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
16
De manier waarop u een bestand opent, is hetzelfde voor alle versies van SMARTNotebook
software.
Een bestand openen
1.
Druk op Bestand openen .
Het dialoogvenster Open (Openen) wordt weergegeven.
2. Bladeren en selecteer het bestand.
3. Druk op Open (Openen).
TIP
U kunt een pas geopend bestand openen door het menu Bestand te selecteren en
vervolgens de bestandsnaam te selecteren.
Bestanden opslaan
SMARTNotebook-software opent en slaat uw bestanden in .notebook-bestandsindeling op,
wat ook het standaardformaat is voor SMARTNotebook 9.5, 9.7, 10 en 11-software
NB
Het standaard bestandsformaat voor SMARTNotebook 8, 9.0 en 9.1 software is.xbk. De
bestandsindeling .xbk ondersteunt sommige objecten en eigenschappen die beschikbaar
zijn in deze versie van SMARTNotebook-software niet.
Een nieuw bestand opslaan
1.
Druk op Save (Opslaan).
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
2. Blader naar de locatie waar u uw nieuwe bestand wilt opslaan.
3. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
4. Druk op Save (Opslaan).
Een bestaand bestand opslaan
Druk op Save (Opslaan).
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
17
Een bestaand bestand opslaan onder een nieuwe naam of locatie
1. Selecteer File > Save As (Bestand > Opslaan als).
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
2. Blader naar de locatie waar u uw nieuwe bestand wilt opslaan.
3. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
4. Druk op Save (Opslaan).
Bestanden exporteren
U kunt uw .notebook-bestanden exporteren naar de volgende indelingen:
l Webpagina's
l Afbeeldingsindelingen
o
BMP
o
GIF
o
JPEG
o
PNG
l PowerPoint®
l PDF
l Interactive Whiteboard Common File Format (CFF)
AANTEKENINGEN
l SMARTNotebook-software neemt geen bijlagen mee wanneer u bestanden als
afbeeldingsbestanden exporteert. Om bijlagen toe te voegen, moet u de bestanden
als webpagina's of als PDF (Adobe®Reade 6.0 of een latere versie) exporteren.
l SMARTNotebook-software exporteert geen bestanden die u als aliassen aan het
.notebook-bestand als snelkoppeling hebt toegevoegd. Als u een bijlage wilt
toevoegen, voeg dan een kopie van het bestand toe. (zie Bestanden en webpagina's
toevoegen op pagina102).
l SMARTNotebook-software exporteert sommige overgangs-, patroon- en
afbeeldingseffecten niet. Deze effecten worden mogelijk weergegeven als effen
opvulling of kunnen onjuist verschijnen in het geëxporteerde bestand.
U kunt ook SMARTNotebook-software instellen om een .notebook-bestand automatisch in
één van de bovenstaande bestandsindelingen op te slaan wanneer u een andere pagina
weergeeft of na een aangegeven periode (zie Automatisch bestanden opslaan op
pagina20).
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
18
Om een bestand als webpagina's te exporteren
1. Selecteer Bestand > Exporteren als > Webpagina.
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
2. Blader naar de locatie waar u het bestand wilt exporteren.
3. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
4. Druk op Save (Opslaan).
Een bestand exporteren als een afbeeldingsbestand
1. Selecteer Bestand > Exporteren als > Afbeeldingsbestanden.
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
2. Selecteer de map waar u het bestand naar wilt exporteren.
3. Selecteer een afbeeldingsindeling uit de vervolgkeuzelijst Afbeeldingstype .
4. Selecteer een afbeeldingsgrootte uit de vervolgkeuzelijst Grootte .
5. Druk op OK.
Een bestand exporteren als PowerPoint-bestand.
1. Selecteer Bestand > Exporteren als > PowerPoint.
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
2. Blader naar de locatie waar u het bestand wilt exporteren.
3. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
4. Selecteer PowerPoint 2007-bestanden (*.pptx) of PowerPoint-bestanden (*.ppt) in de
vervolgkeuzelijst Opslaan als type .
5. Druk op Save (Opslaan).
NB
U kunt PowerPoint-bestanden ook importeren (zie PowerPoint-bestanden importeren
op pagina94).
Een bestand exporteren als PDF-bestand.
1. Selecteer Bestand > Exporteren als > PDF.
Het dialoogvenster PDF exporteren verschijnt.
2. Druk op Miniaturen, Hand-outs of Volledige pagina.
3. Typ optioneel koptekst in het vak Koptekst, voettekst in het vak Voettekst en de huidige
datum in het vak Datum .
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
19
4. Selecteer indien gewenst het selectievakje Paginanummers tonen om een
paginanummer op iedere pagina te tonen.
5. Indien u in stap 2 op Miniaturen of Hand-outs hebt gedrukt, selecteert u een
miniatuurgrootte in het vervolgkeuzemenu Grootte van miniaturen en selecteert u indien
gewenst het selectievakje Paginaranden om een rand en Miniatuurtitels om de titels
onder iedere miniatuur te tonen.
6. Selecteer Alle om alle pagina's op te nemen.
OF
Selecteer Pagina's om de geselecteerde pagina's op te nemen en typ vervolgens het
paginanummer in het vak. Scheid afzonderlijke paginanummers met komma's en scheid
het paginabereik met een afbreekstreepje (bijvoorbeeld 1,2,4-7).
7. Druk op Save (Opslaan).
Het dialoogvenster Opslaan als PDF wordt weergegeven.
8. Blader naar de locatie waar u het bestand wilt exporteren.
9. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
10. Druk op Save (Opslaan).
Een bestand exporteren als CFF-bestand
1. Selecteer Bestand > Exporteren als > CFF.
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
2. Blader naar de locatie waar u het bestand wilt exporteren.
3. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
4. Druk op Save (Opslaan).
NB
U kunt CFF-bestanden ook importeren (zie Het importeren van bestanden uit andere
interactive whiteboard-programma's op pagina95).
Bestanden afdrukken
U kunt alle pagina's printen of selecteren in een .notebook-bestand . U kunt de pagina's
uitprinten als miniatuurafdrukken, hand-outs of volledige pagina's.
Een bestand afdrukken
1. Selecteer File > Print (Bestand > Afdrukken).
Het dialoogvenster Print (Afdrukken) wordt weergegeven.
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
20
2. Druk op Miniaturen, Hand-outs of Volledige pagina.
3. Typ optioneel koptekst in het vak Koptekst, voettekst in het vak Voettekst en de huidige
datum in het vak Datum .
4. Selecteer indien gewenst het selectievakje Paginanummers tonen om een
paginanummer op iedere pagina te tonen.
5. Indien u in stap 2 op Miniaturen of Hand-outs hebt gedrukt, selecteert u een
miniatuurgrootte in het vervolgkeuzemenu Grootte van miniaturen en selecteert u indien
gewenst het selectievakje Paginaranden om een rand en Miniatuurtitels om de titels
onder iedere miniatuur te tonen.
6. Selecteer Alle om alle pagina's op te nemen.
OF
Selecteer Pagina's om de geselecteerde pagina's op te nemen en typ vervolgens het
paginanummer in het vak. Scheid afzonderlijke paginanummers met komma's en scheid
het paginabereik met een afbreekstreepje (bijvoorbeeld 1,2,4-7).
7. Druk op het tabblad Printer Setup (Printerinstelling).
8. Specificeer andere printerinstellingen, inclusief de naam van de printer en het aantal
afdrukken.
9. Druk op Print (Afdrukken).
Automatisch bestanden opslaan
U kunt uw .notebook-bestanden op ieder moment handmatig opslaan (zie Bestanden opslaan
op pagina16) en ze exporteren naar diverse formaten (zie Bestanden exporteren op
pagina17). U kunt SMARTNotebook-software zo instellen dat uw bestand automatisch wordt
opgeslagen wanneer u een andere pagina bekijkt of na een bepaald tijdsbestek.
AANTEKENINGEN
l SMARTNotebook-software neemt geen bijlagen mee wanneer u bestanden als
afbeeldingsbestanden exporteert. Om bijlagen toe te voegen, moet u de bestanden
als webpagina's of PDF (Adobe®Reader® 6.0 of een latere versie) exporteren.
l SMARTNotebook-software exporteert geen bestanden die u als aliassen aan het
.notebook-bestand als snelkoppeling hebt toegevoegd. Als u een bijlage wilt
toevoegen, voeg dan een kopie van het bestand toe. (zie Bestanden en webpagina's
toevoegen op pagina102).
l SMARTNotebook-software exporteert sommige overgangs-, patroon- en
afbeeldingseffecten niet. Deze effecten worden mogelijk weergegeven als effen
opvulling of kunnen onjuist verschijnen in het geëxporteerde bestand.
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
21
Bestanden automatisch opslaan
1. Selecteer Bestand > Regelmatig opslaan.
De Wizard voor regelmatig opslaan verschijnt.
2. Selecteer Steeds wanneer ik naar een andere pagina ga om uw bestand automatisch op
te slaan wanneer u een andere pagina selecteert.
OF
Selecteer 1 minuut, , 5 minuten, , 15 minuten of 30 minuten om uw bestand automatisch
op te slaan na een bepaald tijdsbestek.
3. Druk op Next (Volgende).
4. Selecteer Notebook-document.
5. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
6. Blader naar de locatie waar u uw nieuwe bestand wilt opslaan.
7. Typ een naam voor het bestand in het vak Bestandsnaam . SMARTNotebook-software
slaat het bestand automatisch op met de .notebook bestandsextensie.
8. Druk op Save (Opslaan).
Een bestand automatisch opslaan als een webpagina
1. Selecteer Bestand > Regelmatig opslaan.
De Wizard voor regelmatig opslaan verschijnt.
2. Selecteer Steeds wanneer ik naar een andere pagina ga om uw bestand automatisch te
exporteren wanneer u een andere pagina selecteert.
OF
Selecteer 1 minuut, , 5 minuten, , 15 minuten of 30 minuten om uw bestand automatisch
te exporteren na een bepaald tijdsbestek.
3. Druk op Next (Volgende).
4. Selecteer Webpagina (HTML).
5. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
6. Blader naar de locatie waar u het bestand wilt exporteren.
7. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
8. Druk op Save (Opslaan).
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
22
Een bestand automatisch opslaan als een PDF-bestand
1. Selecteer Bestand > Regelmatig opslaan.
De Wizard voor regelmatig opslaan verschijnt.
2. Selecteer Steeds wanneer ik naar een andere pagina ga om uw bestand automatisch te
exporteren wanneer u een andere pagina selecteert.
OF
Selecteer 1 minuut, , 5 minuten, , 15 minuten of 30 minuten om uw bestand automatisch
te exporteren na een bepaald tijdsbestek.
3. Druk op Next (Volgende).
4. Selecteer PDF.
OF
Selecteer PDFs met tijdstempelals u wilt dat in de naam van de geëxporteerde
bestanden het tijdstip van exporteren komt te staan.
5. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
6. Blader naar de locatie waar u het bestand wilt exporteren.
7. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
8. Druk op Save (Opslaan).
Een bestand automatisch opslaan als een afbeeldingsbestand
1. Selecteer Bestand > Regelmatig opslaan.
De Wizard voor regelmatig opslaan verschijnt.
2. Selecteer Steeds wanneer ik naar een andere pagina ga om uw bestand automatisch te
exporteren wanneer u een andere pagina selecteert.
OF
Selecteer 1 minuut, , 5 minuten, , 15 minuten of 30 minuten om uw bestand automatisch
te exporteren na een bepaald tijdsbestek.
3. Druk op Next (Volgende).
4. Selecteer Afbeeldingsbestanden.
5. Druk op Next (Volgende).
6. Druk op Bladeren,ga naar de locatie waar u de bestanden wilt exporteren, en druk
vervolgens op Openen.
7. Selecteer de afbeeldingsindeling uit de vervolgkeuzelijst Image Type (Afbeeldingstype).
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
23
8. Selecteer een afbeeldingsgrootte uit de vervolgkeuzelijst Grootte .
9. Druk op OK.
Een bestand automatisch opslaan als PowerPoint-bestand
1. Selecteer Bestand > Regelmatig opslaan.
De Wizard voor regelmatig opslaan verschijnt.
2. Selecteer Steeds wanneer ik naar een andere pagina ga om uw bestand automatisch te
exporteren wanneer u een andere pagina selecteert.
OF
Selecteer 1 minuut, , 5 minuten, , 15 minuten of 30 minuten om uw bestand automatisch
te exporteren na een bepaald tijdsbestek.
3. Druk op Next (Volgende).
4. Selecteer PowerPoint.
5. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
6. Blader naar de locatie waar u het bestand wilt exporteren.
7. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
8. Druk op Save (Opslaan).
Het automatisch opslaan van bestanden annuleren
1. Selecteer Bestand > Regelmatig opslaan.
De Wizard voor regelmatig opslaan verschijnt.
2. Selecteer Het document niet automatisch opslaan.
3. Druk op Next (Volgende).
HOOFDSTUK 2
BESTANDEN MAKEN EN BEWERKEN
24
Bestanden als bijlage aan e-mailberichten
toevoegen
U kunt een bestand naar anderen zenden door het bestand, of een PDF-versie van het
bestand, toe te voegen aan het e-mailbericht.
Een bestand toevoegen aan een e-mailbericht
Selecteer Bestand> Verzenden naar > E-mailontvanger.
Uw standaard e-mailprogramma start, maakt een nieuw bericht en voegt het huidige
bestand als bijlage bij het bericht.
Als u het bestand niet heeft opgeslagen, zal de SMARTNotebook-software het als een
tijdelijk bestand opslaan, genaamd untitled.notebook en uw e-mailprogramma zal dit
tijdelijke bestand aan het e-mailbericht koppelen.
Om een bestand als PDF toe te voegen aan een e-mailbericht
Selecteer Bestand> Verzenden naar > E-mailontvanger (als PDF).
Uw standaard e-mailprogramma start, maakt een nieuw bericht en voegt een PDF-versie
van het huidige bestand als bijlage bij het bericht.
Als u het bestand niet heeft opgeslagen, zal de SMARTNotebook-software het PDF-
bestand als een tijdelijk bestand opslaan, genaamd naamloos.pdf en uw e-
mailprogramma zal het tijdelijke bestand aan het e-mailbericht koppelen.
Hoofdstuk 3
25
Hoofdstuk 3: Pagina's maken en bewerken
Pagina's in een bestand weergeven 25
Pagina's maken 26
Pagina's dupliceren 27
Pagina's uitbreiden 27
Naam pagina's wijzigen 28
Pagina's knippen of kopren en plakken 28
Pagina's herschikken 29
Pagina's groeperen 29
Pagina's verwijderen 31
Een .notebookbestand bestaat uit een serie pagina's waarvan iedere pagina zijn eigen
objecten en eigenschappen heeft.
In de paginasorteerder verschijnt een miniatuur van iedere pagina. Met het gebruik van de
paginasorteerder of de menu-opdrachten kunt u de huidige pagina tonen, een blanco pagina
maken, een duplicaat van een bestaande pagina maken of een bestaande pagina wissen.
Pagina's in een bestand weergeven
U kunt elke pagina tonen met behulp van de paginasorteerder. U kunt de vorige of volgende
pagina uit het bestand tonen met gebruik van knoppen of gebaren.
Een pagina weergeven
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Druk op het miniatuur van de pagina die u wilt weergeven.
De volgende pagina uit het bestand weergeven
Druk op Next Page (Volgende pagina).
OF
Beweeg uw vingers van rechts naar links over het scherm.
HOOFDSTUK 3
PAGINA'S MAKEN EN BEWERKEN
26
Er verschijnt een bericht met daarin het huidige paginanummer.
De vorige pagina uit het bestand weergeven
Druk op Previous Page (Vorige pagina).
OF
Beweeg uw vingers snel van links naar rechts over het scherm.
Er verschijnt een bericht met daarin het huidige paginanummer.
Pagina's maken
U kunt een lege pagina toevoegen aan het geopende bestand met de knop Pagina
toevoegen of met de paginasorteerder.
Een pagina invoegen door middel van de knop Pagina toevoegen.
Druk op Pagina toevoegen .
De nieuwe pagina verschijnt achter de huidige pagina.
HOOFDSTUK 3
PAGINA'S MAKEN EN BEWERKEN
27
Een pagina toevoegen met behulp van de paginasorteerder
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Selecteer het miniatuur van de pagina waar u de nieuwe pagina achter wilt zetten.
3. Klik op de menupijl van het miniatuur en selecteer vervolgens Blanco pagina invoegen.
De nieuwe pagina verschijnt nu achter de geselecteerde pagina.
Pagina's dupliceren
Als alternatief voor het maken van een lege pagina, kunt u een kopie (of kloon) van een
bestaande pagina maken.
NB
U kunt een pagina alleen dupliceren als het inhoud heeft.
Een pagina dupliceren
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Selecteer het miniatuur van de pagina die u wilt dupliceren.
3. Druk op het menu van de miniatuur, en selecteer vervolgens Pagina dupliceren.
De gedupliceerde pagina verschijnt achter de huidige pagina.
NB
U kunt dit proces zo vaak als nodig is herhalen.
Pagina's uitbreiden
Als u meer ruimte onderaan de pagina nodig heeft, kunt u de pagina verticaal uitbreiden
zonder dat u daarmee de breedte van de pagina wijzigt. U kunt deze eigenschap uitschakelen
om te voorkomen dat uw pagina’s langer worden.
Een pagina uitbreiden
1. Als u de pagina weergeeft in de modus volledige paginaweergave, selecteer vervolgens
een ander zoomniveau.
2. Druk op de koppeling Pagina uitbreiden onderaan de pagina.
HOOFDSTUK 3
PAGINA'S MAKEN EN BEWERKEN
28
Pagina uitbreiden in- of uitschakelen
1. Selecteer Weergave > Pagina uitbreiden
2. Selecteer Uit om de functie Paginauitbreiden uit te schakelen.
OF
Selecteer Aan om de functie Paginauitbreiden in te schakelen.
Naam pagina's wijzigen
Wanneer u een pagina maakt, geeft SMARTNotebook-software deze pagina automatisch de
naam van de datum en het tijdstip waarop de pagina is gemaakt. U kunt deze naam wijzigen.
Een nieuwe naam geven aan een pagina
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Dubbelklik op de naam van de pagina.
3. Typ een nieuwe naam voor de pagina.
4. Klik ergens anders.
Pagina's knippen of kopiëren en plakken
U kunt een pagina van het huidige bestand knippen of kopren en plakken met de
paginasorteerder.
Een pagina knippen of kopiëren en plakken met de paginasorteerder
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Selecteer het miniatuur van de pagina die u wilt knippen.
3. Druk op het menu van de miniatuur, en selecteer vervolgens Cut Page (Pagina knippen)
of Copy Page (Pagina kopiëren).
4. Selecteer het miniatuur van de pagina die u wilt laten volgen op de geplakte pagina.
5. Druk op het menu van de miniatuur en selecteer vervolgens Paste Page (Pagina plakken).
Het nieuwe miniatuur verschijnt voorafgaand aan het miniatuur dat u in de vorige stap
hebt geselecteerd.
TIP
U kunt ook pagina's kopren en plakken uit andere SMART Notebook-softwarebestanden.
HOOFDSTUK 3
PAGINA'S MAKEN EN BEWERKEN
29
Pagina's herschikken
Indien gewenst kan de volgorde van pagina's in een bestand worden herschikt.
Pagina's herschikken
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Druk op de miniatuur van de pagina die u in het bestand wilt voegen.
Er verschijnt een blauw kader om het miniatuur heen.
3. Sleep de miniatuur naar zijn nieuwe positie in de paginasorteerder.
Een blauwe lijn geeft de nieuwe positie van de pagina aan.
4. Laat de miniatuur los.
Pagina's groeperen
U kunt pagina's in een bestand groeperen. Hierdoor kunt u een specifieke groep snel in de
paginasorteerder vinden, en daarna de pagina's ervan tonen. Dit is nuttig wanneer er veel
pagina's in een bestand zijn.
Een groep maken of bewerken
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Druk op de menupijl van de eerste groep en selecteer Paginagroepen bewerken.
Alle groepen en pagina's van het huidige bestand worden getoond. Groepen verschijnen
als blauwe balken en pagina's verschijnen als miniaturen:
o
Als u groepen heeft gemaakt en bewerkt in dit bestand, zullen de pagina's onder de
blauwe balken verschijnen die u heeft gemaakt en hernoemd.
o
Als u geen groepen heeft bewerkt, verschijnt er een standaard groep genaamd
Groep 1 die alle pagina's en miniaturen onder de blauwe balk bevat.
NB
Miniaturen die zich onder iedere blauwe balk bevinden, hebben dezelfde
menupijlopties als de miniaturen in de paginasorteerder. Hierdoor kunt u op een
miniatuur in een groep drukken, de menupijl ervan selecteren, en daarna de pagina
verwijderen, de pagina wissen, een nieuwe pagina invoegen, de pagina dupliceren, de
pagina een nieuwe naam geven, een schermschaduw toevoegen aan de pagina of de
pagina toevoegen aan de galerie.
3. Druk op de knop Nieuwe groep toevoegen in de rechter bovenhoek.
Er verschijnt een nieuwe groep met een nieuwe, blanco pagina.
4. Typ een nieuwe naam voor de groep.
HOOFDSTUK 3
PAGINA'S MAKEN EN BEWERKEN
30
5. Doe het volgende:
o
Om een pagina in een groep te plaatsen, drukt u op de miniatuur van de pagina, en
sleept u deze onder de blauwe balk van de groep naar de rechterkant van de
miniatuur die u het wilt laten volgen.
o
Om de volgorde van pagina's in een groep te herschikken, drukt u op een miniatuur
van een pagina en sleept u het naar de rechterkant van de miniatuur die u het wilt
laten volgen.
o
Om de volgorde van groepen te herschikken, drukt u op de blauwe balk van een
groep en sleept u het onder de blauwe balk van de groep die u het wilt laten volgen.
AANTEKENINGEN
o
U kunt ook de volgorde van groepen veranderen door te drukken op de
menupijl van de blauwe balk en dan het volgende te selecteren Omhoog of
Omlaag.
o
SMARTNotebook-software nummert de pagina's opeenvolgend door het
bestand heen. Als u de volgorde van groepen verandert, zal
SMARTNotebook-software de pagina's in de groepen overeenkomstig
opnieuw nummeren.
o
Om een groep te verwijderen en de pagina's ervan te behouden, verplaatst u alle
pagina's naar andere groepen. Wanneer een groep geen pagina's bevat, zal
SMARTNotebook-software het automatisch verwijderen.
o
Om een groep en alle pagina's in de groep te verwijderen, drukt u op de menupijl
van de blauwe balk, en selecteert u Groep verwijderen.
6.
Druk op .
Toegang krijgen tot een groep in de paginasorteerder
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Druk op de menupijl van de eerste groep, en selecteer de naam van de groep waartoe u
toegang wilt krijgen.
De paginasorteerder toont de miniatuur van de eerste pagina uit de groep waartoe u
toegang wilt krijgen.
HOOFDSTUK 3
PAGINA'S MAKEN EN BEWERKEN
31
Pagina's verwijderen
U kunt een pagina van het huidige bestand verwijderen met de knop Pagina verwijderen of
met de paginasorteerder.
TIP
In plaats van een pagina verwijderen, kunt u ook alle objecten die erop staan verwijderen
(zie Pagina's wissen op pagina210).
Een pagina verwijderen met de knop Pagina verwijderen
1. Ga naar de pagina die u wilt verwijderen, als u dat niet reeds al gedaan heeft.
2.
Selecteer Pagina verwijderen .
Een pagina verwijderen met de paginasorteerder
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Selecteer het miniatuur van de pagina die u wilt verwijderen.
3. Druk op het menu van de miniatuur en selecteer vervolgens Pagina verwijderen.
Hoofdstuk 4
33
Hoofdstuk 4: Basisobjecten creëren
Digitale inkt schrijven, tekenen en wissen 34
Schrijven en tekenen met digitale inkt 34
Digitale inkt wissen 37
Vormen en lijnen maken 37
Vormen maken met het hulpmiddel voor vormen 37
Vormen maken met het hulpmiddel voor regelmatige polygonen 38
Vormen maken met het hulpmiddel voor de vormherkenningspen 39
Rechte lijnen en bogen maken 40
Tekst maken 41
Tekst typen 41
Handschrift converteren naar getypte tekst 42
Tekst opmaken 43
De omvang van objecten veranderen 45
Wiskundige symbolen invoegen 46
De spelling van tekstobjecten controleren 46
Tekst knippen en plakken 47
Tabellen maken 48
Tabellen maken 48
Tabellen uit andere programma's plakken 49
Objecten toevoegen aan tabellen 50
Tabellen, kolommen, rijen of cellen selecteren 51
Tabellen verplaatsen 52
De eigenschappen van een tabel veranderen 52
De omvang van tabellen, kolommen of rijen veranderen 54
Kolommen, rijen of cellen toevoegen of verwijderen 55
Tabelcellen samenvoegen of delen 56
Tabellen en de inhoud van tabellen wissen 57
Objecten zijn de bouwstenen voor inhoud in uw .notebook-bestanden . Een object is gewoon
een item op een pagina die u maakt of importeert en waarmee u werkt. De meest
voorkomende soorten objecten zijn onder andere:
l Digitale inkt (vrije-stijl schrijven en tekenen)
l Vormen
l Rechte lijnen
l Bogen
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
34
l Tekst
l Tabellen
Digitale inkt schrijven, tekenen en wissen
Digitale inkt is een vrije-stijl tekst of object dat u maakt door de pen of pennen van scherm te
gebruiken of door het pennenhulpmiddel van SMARTNotebook-softwarete gebruiken. Door
te schrijven of tekenen met digitale inkt kunt u snel inhoud toevoegen aan uw
SMARTNotebook-softwarebestanden, zowel wanneer u de bestanden maakt als wanneer u
de bestanden aan studenten presenteert.
Nadat u digitale inkt maakt, kunt u het wissen.
Schrijven en tekenen met digitale inkt
De makkelijkste manier om te schrijven of tekenen met digitale inkt is met het gebruik van de
pen van uw interactieve beeldscherm of met de pennen.
U kunt ook vrije-stijl objecten maken met de pen. Met de pen kunt u schrijven of tekenen in
digitale inkt in de volgende pentypes:
Pentype Doel en voorbeeld Aantekeningen
Standaard
Schrijf of teken met digitale inkt in
verschillende kleuren en lijnstijlen.
Met het standaard pentype
kunt u digitale inkt tekenen
of schrijven dat na een paar
seconden vervaagt (zie Het
standaardpentype
gebruiken om vervagende
objecten te maken op
pagina187).
Kalligrafisch
Schrijven of tekenen met digitale inkt, op
dezelfde wijze als met het standaard
pentype, maar zonder lijnen en met
verschillende diktes.
Het Kalligrafisch pentype is
nuttig om studenten te leren
schrijven in handschrift.
Kleurkrijt
Schrijven of tekenen met crayonachtige
digitale inkt.
Het pentype Kleurkrijt is
eerder bedoeld voor
artistiek werk zoals
schilderen, afbeeldingen
kleuren enz., dan voor
schrijven.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
35
Pentype Doel en voorbeeld Aantekeningen
Markeerstift
Tekst en andere objecten markeren.
Tekst Notities maken die automatisch
veranderen in aanpasbare tekst.
U kunt uw tekst aanpassen
terwijl u werkt, zonder een
toetsenbord aan te raken
(zie De tekstpen gebruiken
op pagina182).
Creatief
Kleurrijke elementen aan uw presentaties
toevoegen.
U kunt aangepaste creatieve
penstijlen maken (zie
Aangepaste creatieve
penstijlen maken op
pagina110).
Kwast Schrijven of tekenen met verfachtige
digitale inkt.
Het pentype Kwast is eerder
bedoeld voor artistiek werk
zoals schilderen,
afbeeldingen kleuren enz.,
dan voor schrijven.
Magisch
Schrijven of tekenen met digitale inkt die
na enkele seconden weer vervaagt.
U kunt de magische pen ook
gebruiken om een
vergrotingsvenster of een
spotlichtvenster (zie De
magische pen gebruiken op
pagina178).
Vormherkenning
Teken een groot aantal vormen met
digitale inkt.
U kunt cirkels, ovalen,
vierkanten, rechthoeken,
driehoeken en bogen
tekenen (zie Vormen maken
met het hulpmiddel voor de
vormherkenningspen op
pagina39).
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
36
Schrijven of tekenen met digitale inkt
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypes, en selecteer een pentype.
3. Selecteer een lijnstijl.
4. U kunt optioneel het lijntype aanpassen met de eigenschapskiezers.
NB
U kunt het lijntype ook aanpassen met het tabblad Eigenschappen (zie
Objecteigenschappen wijzigen op pagina62).
5. Schrijf of teken op de pagina met digitale inkt.
TIPS
o
Laat uw elleboog of handpalm niet op het oppervlak van uw interactieve product
rusten terwijl u schrijft of tekent.
o
Als u meerdere regels schrijft of tekent, dan combineert de SMARTNotebook-
software de regels automatisch in een enkel object. Als u bijvoorbeeld de letters
van een woord schrijft, dan zal de SMARTNotebook-software de individuele
letters combineren waardoor u met het hele woord kunt werken. Als u woorden op
dezelfde regel wilt schrijven maar ze niet gecombineerd wilt hebben, laat u een
grote afstand tussen de woorden, gebruikt u verschillende pennen, of stopt u de
pen kort in het pennenbakje voordat u verder gaat met het schrijven van een
nieuw woord (alleen bij interactive whiteboards).
o
Wanneer u diagonaal wilt schrijven, schrijft u in een rechte lijn, en draait u de lijn (zie
Objecten draaien op pagina75).
o
Als u in kleine letters wilt schrijven, schrijft u eerst in grote letters en reduceert u
daana de omvang (zie De omvang van objecten veranderen op pagina72).
o
U kunt gebieden die zijn omsloten met digitale inkt opvullen (zie Digitale
inkttekeningen vullen op pagina64).
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
37
Digitale inkt wissen
U kunt digitale inkt wissen van het scherm van het interactieve product door middel van de
wisser of met het wisgebaar. Als u digitale inkt van een .notebook-bestand wist, kunt u met het
hulpmiddel Wisser ook objecten wissen.
NB
Hoewel u digitale inkt kunt wissen, is het niet mogelijk om andere soorten objecten, zoals
vormen, lijnen, tekst en afbeeldingen te wissen. Om deze objecten te wissen, moet u ze
verwijderen (Zie Objecten verwijderen op pagina79).
Digitale inkt wissen
1.
Druk op Wisser , en selecteer een wissertype.
2. Wis de digitale inkt.
Vormen en lijnen maken
Naast het maken van vrije-stijl vormen en lijnen door middel van digitale inkt kunt u ook
vormen en lijnen maken met hulpprogramma's in SMART Notebook-software.
NB
Om een vorm of lijn van de pagina af te halen, moet deze verwijderd worden (zie Objecten
verwijderen op pagina79). De objecten kunnen niet door middel van de wisser verwijderd
worden.
Vormen maken met het hulpmiddel voor vormen
U kunt met het hulpmiddel Vormen verschillende vormen maken, waaronder perfecte cirkels,
perfecte vierkanten, perfecte driehoeken, andere geometrische vormen, hartjes, vinkjes en
kruisjes.
U kunt een vorm aan de pagina toevoegen en vervolgens de eigenschappen ervan
veranderen. U kunt ook een de omtrekkleur, opvulkleur en lijndikte van een vorm aanpassen,
en de vorm daarna aan de pagina toevoegen.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
38
Een vorm maken
1.
Druk op Vormen .
De vormenknoppen verschijnen.
2. Selecteer een vorm op de werkbalk.
OF
Druk op en selecteer daarna een vorm.
3. U kunt optioneel de vorm aanpassen met de eigenschapskiezers.
NB
U kunt de vorm ook aanpassen met het tabblad Eigenschappen (zie
Objecteigenschappen wijzigen op pagina62).
4. Maak een vorm door te drukken op de plaats waar u de vorm wilt neerzetten en te slepen
totdat de vorm de gewenste grootte heeft.
TIPS
o
U kunt perfecte cirkels, vierkanten en rechthoeken en andere vormen maken door
de SHIFT-toets ingedrukt te houden terwijl u de vorm tekent.
o
U kunt een vorm selecteren met het hulpmiddel voor Vormen zonder dat u
hoeft over te schakelen naar het hulpmiddel Selecteren . Als u één keer op de
vorm drukt, verschijnt er een selectierechthoek om de vorm.
Vormen maken met het hulpmiddel voor regelmatige polygonen
Naast het maken van vormen met het hulpmiddel voor vormen, kunt u ook regelmatige
polygonen met 3 tot 15 zijden maken met behulp van het hulpmiddel voor regelmatige
polygonen.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
39
Een vorm maken met het hulpmiddel voor regelmatige polygonen
1.
Druk op Regelmatige polygonen .
De knoppen voor regelmatige polygonen verschijnen.
2. Selecteer een vorm op de werkbalk.
OF
Druk op en selecteer daarna een vorm.
NB
Het getal wat in de vorm staat geeft de hoeveelheid zijden aan.
3. U kunt optioneel de vorm aanpassen met de eigenschapskiezers.
NB
U kunt de vorm ook aanpassen met het tabblad Eigenschappen (zie
Objecteigenschappen wijzigen op pagina62).
4. Maak een vorm door te drukken op de plaats waar u de vorm wilt neerzetten en te slepen
totdat de vorm de gewenste grootte heeft.
Vormen maken met het hulpmiddel voor de vormherkenningspen
U kunt het hulpmiddel voor de vormherkenningspen gebruiken om cirkels, ovalen, vierkanten,
rechthoeken, driehoeken en bogen te maken.
NB
U kunt ook vormen maken met het hulpmiddel voor vormen (zie Vormen maken met het
hulpmiddel voor vormen op pagina37of het hulpmiddel voor regelmatige polygonen (zie
Vormen maken met het hulpmiddel voor regelmatige polygonen op vorige pagina).
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
40
Een vorm tekenen
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Vormherkenningspen.
3. Teken een vorm op de pagina.
Als Smart Notebook-software uw tekening als een cirkel, ovaal, vierkant, rechthoek,
driehoek of boog herkent, zal het deze vorm aan de pagina toevoegen.
Rechte lijnen en bogen maken
U kunt met het hulpmiddel voor lijnen rechte lijnen en bogen tekenen.
U kunt een lijn aan de pagina toevoegen en vervolgens de eigenschappen ervan veranderen.
Ook kunt ook de lijn aanpassen en vervolgens aan de pagina toevoegen.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
41
Een rechte lijn of boog maken
1.
Druk op Lijnen .
De lijnenknoppen verschijnen.
2. Selecteer een lijn- of boogtype.
3. U kunt optioneel het lijn- of boogtype aanpassen met de eigenschapskiezers.
NB
U kunt het lijntype of boog ook aanpassen met het tabblad Eigenschappen (zie
Objecteigenschappen wijzigen op pagina62).
4. Maak een lijn door te klikken op de plek waar de lijn moet beginnen en te verslepen naar
de plaats waar de lijn moet eindigen.
Tekst maken
U kunt met SMARTNotebook-software tekst door een van de volgende dingen te doen:
l Typ de tekst in op een toetsenbord dat aangesloten is op de computer
l Typ de tekst in op het SMART-toetsenbord
l Schrijf de tekst (zie Digitale inkt schrijven, tekenen en wissen op pagina34) en zet deze
vervolgens om naar getypte tekst met de functie handschriftherkenning van de software
Na het maken van de tekst, kunt u deze bewerken en het lettertype, de grootte en andere
eigenschappen veranderen.
Tekst typen
U kunt nieuwe tekst typen of bestaande tekst bewerken.
Nieuwe tekst typen
1.
Als een toetsenbord niet toegankelijk is, drukt u op het pictogram SMARTBoard in
het berichtengebied en selecteert u Toetsenbord.
2.
Druk op Tekst , en selecteer een beschikbaar lettertype.
3. U kunt het lettertype ook aanpassen (zie Tekst opmaken op pagina43).
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
42
4. Druk op de plek waar u de tekst wilt starten.
5. Typ uw tekst.
6. Druk wanneer u klaar bent buiten het tekstobject.
Bestaande tekst bewerken
1. Dubbelklik op het tekstobject.
2. De tekst bewerken.
3. Druk wanneer u klaar bent buiten het tekstobject.
Handschrift converteren naar getypte tekst
U kunt met het standaard- of kalligrafische pentype op het scherm van het interactieve
product schrijven en vervolgens uw geschreven tekst naar getypte tekst converteren.
SMARTNotebook-software is voor meerdere talen in staat handschrift te converteren.
Handschrift naar getypte tekst converteren
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Pen of Kalligrafische Pen.
3. Schrijf uw tekst.
TIP
Schrijf nette blokletters op een horizontale lijn. De SMARTNotebook-software kan ook
schuin geschreven tekst omzetten, maar doet dat niet altijd op een consistente manier.
4. Selecteer het tekstobject.
De handschriftherkenningsfunctie van SMARTNotebook-software vergelijkt uw
geschreven woorden met die in het ingebouwde woordenboek en zoekt woorden die
het meest lijken op wat u heeft geschreven.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
43
5. Druk op de menu-pijl van het tekstobject.
Er verschijnt een lijst van overeenkomstige woorden. Voor elk woord staat Herkennen.
AANTEKENINGEN
o
Als u wilt dat SMARTNotebook-software woorden zoekt in een andere taal,
selecteer dan Taal herkennen, en selecteer vervolgens een andere taal uit de lijst.
SMARTNotebook-software update automatisch de lijst van overeenkomstige
woorden zodat ook woorden in de geselecteerde taal worden meegenomen.
o
Als u de taal voor handschriftherkenning wijzigt, verandert de standaardtaal van de
SMARTNotebook-software gebruikersinterface of van uw besturingssysteem niet.
6. Selecteer een woord in de lijst van overeenkomstige woorden.
Het geselecteerde woord verschijnt op de pagina.
Tekst opmaken
Als u alle tekst in een tekstobject wilt opmaken, selecteer dan het gehele tekstobject.
OF
Als u specifieke tekst uit een tekstobject wilt opmaken, dubbelklik dan op het tekstobject en
selecteer de tekst.
U kunt de tekst opmaken door middel van de knoppen op de werkbalk of de opties in het
tabblad eigenschappen of het menu Opmaak.
NB
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen en daarna op
Tekststijl.
In de volgende tabel staan de veranderingen die u kunt maken met de bovenstaande
hulpmiddelen:
Wijzigen Werkbalk Het tabblad
Eigenschappen
menu
Opmaak
Teken-, paragraaf- of objectniveau
Het letterbeeld veranderen
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
44
Wijzigen Werkbalk Het tabblad
Eigenschappen
menu
Opmaak
Tekengrootte wijzigen
TIP
U kunt ook tekengroottes selecteren die niet
in de vervolgkeuzelijst voorkomen (inclusief
tekengroottes met decimale waardes, zoals
bijvoorbeeld 20.5), door de tekengrootte te
wijzigen in het veld Tekengrootte .
De kleur veranderen
De tekst vet, schuin of onderstreept maken
De tekst doorhalen
1
De tekst in superscript of subscript weergeven
2
Paragraaf- of objectniveau
De uitvulling veranderen (links, rechts of
centreren)
De inspringing veranderen
3
Een genummerde lijst of lijst met
opsommingstekens maken
4
Hoofdletters uitschakelen invoegen
TIP
Om een hoofdletteruitschakeling aan het
begin van een paragraaf in te voegen, druk
op Hoofdletters uitschakelen in het
tabblad Eigenschappen onder Teksttstijl.
OF
Selecteer Opmaak > Paragraaf >
Hoofdletters uitschakelen.
1
Onder Meer tekstopties
2
Onder Meer tekstopties
3
Onder Meer tekstopties
4
Onder Meer tekstopties
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
45
Wijzigen Werkbalk Het tabblad
Eigenschappen
menu
Opmaak
De regelafstand veranderen
TIP
Om afstand tussen paragrafen toe te
voegen, selecteert u het selectievakje
Ruimte na paragrafen toevoegen in het
tabblad Eigenschappen of selecteer
Opmaak> Paragraaf > Regelafstand
> Spatie toevoegen na paragrafen.
Verander de richting van de tekst (van-links-
naar-rechts of van-rechts-naar-links)
NB
Selecteer Opmaak > Alinea > Richting
> Links naar rechts voor talen waarbij van
links naar rechts gelezen wordt (zoals Engels
of Frans).
OF
Selecteer Opmaak > Alinea > Richting
> Rechts naar links voor talen waarbij van
rechts naar links gelezen wordt (zoals
Arabisch of Hebreeuws).
Objectniveau
De richting van de tekst veranderen
(horizontaal of verticaal)
5
Doorschijnendheid veranderen
De omvang van objecten veranderen
Wanneer u de omvang van een tekstobject wijzigt volgens de procedure in De omvang van
objecten veranderen op pagina72, zal de tekst in het object van omvang veranderen.
Indien u de omvang van het tekstobject wilt veranderen zonder de omvang van de tekst te
wijzigen, voert u de volgende procedure uit:
De omvang van een tekstobject veranderen
1. Dubbelklik op het tekstobject.
2. Druk op één van de twee witte cirkels op één van de zijkanten van het tekstobject en
versleep de cirkel om de omvang van het tekstobject te vergroten of te verkleinen.
5
Onder Meer tekstopties
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
46
Wiskundige symbolen invoegen
U kunt verschillende wiskundige en wetenschappelijke symbolen invoegen in een pagina.
NB
De wiskundige symbolen zijn alleen tekens. Ze kunnen geen wiskundige acties uitvoeren.
Een wiskundig symbool invoegen
1. Typ tekst op een pagina.
2.
Druk op Meer tekstopties en selecteer Symbool invoegen .
Het dialoogvenster Symbolen invoegen verschijnt .
3. Druk op een categorie.
Er verschijnt een lijst van symbolen.
4. Druk op het symbool dat u wilt toevoegen aan de tekst.
5. Druk op Invoegen.
Het symbool verschijnt in het tekstobject.
De spelling van tekstobjecten controleren
De SMARTNotebook-software controleert de spelling wanneer u tekst typt. Als u een woord
incorrect spelt, zal SMARTNotebook-software het woord met rood onderstrepen. U kunt met
de rechtermuisknop op het woord klikken en de correcte spelling uit een lijst met
verschillende opties selecteren.
U kunt deze functie ook uitschakelen en de spelling met het dialoogvenster Spellingscontrole
controleren als u dat liever wilt.
De automatische spellingscontrole uitschakelen
1.
Druk op Tekst .
2.
Druk op Meer tekstopties , en selecteer Spellingscontrole .
Handmatig de spelling van een tekstobject controleren
1. Selecteer het tekstobject.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Spellingscontrole.
Als de SMARTNotebook-software een verkeerd gespeld woord vindt, wordt het
dialoogvenster Spellingscontrole weergegeven. Het dialoogvenster toont het verkeerd
gespelde woord en geeft een aantal alternatieven.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
47
3. Voer bij ieder verkeerd gespeld woord een van de volgende acties uit;
o
Om deze keer de huidige spelling van het woord te gebruiken, drukt u op Eenmaal
negeren.
o
Om de huidige spelling van het woord in het hele bestand te gebruiken, drukt u op
Alles negeren.
o
Om de huidige spelling van het woord in het hele bestand te gebruiken en de
spelling aan de woordenlijst toe te voegen, drukt u op Toevoegen aan woordenlijst.
o
Om de spelling van het woord voor deze keer te veranderen, selecteert u het
correcte woord in de lijst Suggesties en drukt u op Wijzigen.
o
Om de spelling van het woord in het hele bestand te wijzigen, selecteert u het
correcte woord in de lijst Suggesties en drukt u op Alles wijzigen.
NB
Als u per ongeluk een knop heeft ingedrukt, drukt u op Ongedaan maken om de
resulterende wijziging ongedaan te maken.
Nadat u deze stap voor ieder verkeerd gespeld woord heeft uitgevoerd, verschijnt er
een dialoogvenster waarin u wordt gevraagd of u de overige spelling in het bestand wilt
controleren.
4. Druk op Ja om de rest van het bestand te controleren.
OF
Druk op Nee om het dialoogvenster Spellingscontrole te sluiten zonder de rest van het
bestand te controleren.
Tekst knippen en plakken
U kunt tekstobjecten knippen, kopren en plakken, net zoals elk ander object (zie Objecten
knippen, kopren en plakken op pagina70). U kunt ook tekst in een tekstobject knippen en
plakken
Tekst knippen en plakken naar een andere locatie op dezelfde pagina
1. Dubbelklik op het tekstobject.
2. Selecteer de tekst die u wilt knippen.
3. Sleep de geselecteerde tekst naar een andere plaats op dezelfde pagina.
Tekst knippen en plakken naar een andere pagina
1.
Als het tabblad Paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Paginasorteerder .
2. Dubbelklik op het tekstobject.
3. Selecteer de tekst die u wilt kopiëren.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
48
4. Sleep de geselecteerde tekst naar het pictogram van de andere pagina in het tabblad
Paginasorteerder.
Tabellen maken
U kunt zelf tabellen maken met SMART Notebook-software of tabellen kopren vanuit andere
programma's. Nadat u een tabel gemaakt heeft kunt u het het object in de cellen van de tabel
invoegen.
Als u een tabel wilt aanpassen, kunt u de gehele tabel, een kolom, rij, cel of aantal cellen
selecteren en het volgende doen:
l De tabel verplaatsen
l Het lijntype, de opvulling en de teksteigenschappen veranderen
l De omvang van de tabel, kolommen of rijen veranderen
l Kolommen, rijen of cellen invoegen of verwijderen
l Cellen splitsen of samenvoegen
l De tabel verwijderen
Tabellen maken
Een tabel invoegen door middel van de knop Tabel
1.
Druk op Tabel .
Er verschijnt een raster.
2. Beweeg de aanwijzer over het raster en selecteer het aantal kolommen en rijen dat u in
de tabel wilt hebben.
NB
De cellen van het raster komen overeen met de cellen in uw tabel.
TIP
Het raster geeft standaard acht rijen en acht kolommen weer. U kunt rijen toevoegen
door de aanwijzer tot onder de onderste rij te bewegen. U kunt op dezelfde manier
kolommen toevoegen door de aanwijzer tot achter de rechterrij te bewegen.
Als u een muis gebruikt, klik dan op de linkermuisknop en hou deze vast terwijl u de
aanwijzer beweegt.
3. Druk op het scherm of klik op de muis.
De tabel verschijnt op de pagina.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
49
Een tabel invoegen door middel van het dialoogvenster Tabel Invoegen
1. Selecteer Invoegen > Tabel.
Het dialoogvenster Tabel invoegen verschijnt.
2. Vul in de velden het aantal rijen en kolommen in.
3. Selecteer eventueel Cellen vierkant maken om de cellen van de tabel vierkant te maken.
4. Selecteer eventueel Afmetingen voor nieuwe tabellen onthouden om de huidige
tabelafmetingen te gebruiken voor alle tabellen die u in de toekomst maakt met behulp
van SMARTNotebook-software.
5. Druk op OK.
De tabel verschijnt op de pagina.
Een tabel tekenen
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Pen of Kalligrafische Pen.
3. Selecteer een lijnstijl.
4. Teken een tabel op het scherm.
TIP
Zorg dat de lijnen van de tabel zo recht mogelijk zijn en dat de hoeken aansluiten.
5.
Druk op Select (Selecteren).
6. Selecteer uw tekening.
7. Druk op de menupijl en selecteer Tabel herkennen.
Als SMARTNotebook-software u tekening herkent als tabel, zal het de tekening
verwijderen en een tabel aan de pagina toevoegen.
Tabellen uit andere programma's plakken
U kunt een tabel knippen of kopren uit een Word of PowerPoint-bestand, en daarna in een
.notebook-bestand . De opmaak en indeling van een tabel kan varren wanneer de tabel in
het .notebook-bestand -bestand gebruikt.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
50
Indien u meer tabellen wilt knippen of kopiëren dan moet u iedere tabel afzonderlijk knippen
of kopren.
NB
U kunt een tabel knippen of kopren uit een .notebook-bestand , en daarna in Word of
PowerPoint plakken. De opmaak en indeling van de lay-out kan echter variëren wanneer de
tabel in Word of PowerPoint verschijnt.
Wanneer u een tabel in PowerPoint plakt die cellen bevat met non-tekst objecten, kunnen
de non-tekst objecten buiten de tabel in PowerPoint verschijnen.
Objecten toevoegen aan tabellen
Nadat u een tabel invoegt op een pagina, kunt u objecten invoegen in de cellen van de tabel.
NB
U kunt enkel één object aan iedere cel toevoegen. Als u meerdere objecten aan een cel
wilt toevoegen, kunt u één van de volgende dingen doen:
l Groepeer de objecten voordat u ze aan de tabel toevoegt (zie Objecten groeperen
op pagina77).
l Selecteer alle objecten in een keer en voeg ze aan de tabel toe zoals beschreven in
de volgende procedure. SMARTNotebook-software groepeert automatisch de
objecten in de tabelcel.
Een object toevoegen aan een tabel
1. Selecteer het object.
2. Versleep het object naar de tabelcel.
NB
U kunt een object niet slepen als deze op zijn plaats is vergrendeld (zie Objecten
vergrendelen op pagina116).
Het object verschijnt in een tabelcel
NB
Als u een tekstobject aan een tabel toevoegt, zal de omvang van de cel zich
aanpassen aan het tekstobject. Als u andere type objecten aan een tabel toevoegt, zal
het object zich aanpassen aan de omvang van de cel.
Een object uit een tabel verwijderen
1. Selecteer het object.
2. Sleep het object uit de tabel.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
51
Tabellen, kolommen, rijen of cellen selecteren
U kunt een tabel, kolom, rij, cel of een selectie van cellen selecteren. Nadat u een (deel van
een) tabel heeft geselecteerd, kunt u het volgende doen:
l De tabel verplaatsen
l De eigenschappen van de tabel of cellen wijzigen
l De omvang van de tabel, kolommen of rijen veranderen
l Kolommen, rijen of cellen toevoegen of verwijderen
l Cellen splitsen of samenvoegen
l De tabel verwijderen
Een tabel selecteren
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk naast, maar in de buurt van, een hoek van de tabel en sleep het naar de
tegenovergestelde hoek,
NB
Begin niet van binnenuit de tabel te slepen. Indien u van binnenuit de tabel sleept,
selecteert u een cel in een tabel in plaats van de tabel.
Een kolom selecteren
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk in de bovenste cel van de kolom en sleep naar de onderste cel.
Een rij selecteren
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk in de meest linker cel van de rij en sleep naar de meest rechter cel.
Een cel selecteren
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk in de cel.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
52
Meerdere cellen selecteren
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk in de linker bovencel en sleep dan naar de rechter benedencel.
NB
Indien u meerdere cellen selecteert en deze naar een andere positie op de pagina
versleept, creëert u een nieuwe tabel bestaande uit de geselecteerde cellen inclusief
inhoud.
Tabellen verplaatsen
Nadat u een tabel heeft gemaakt, kunt u het verplaatsen op de pagina.
Een tabel verplaatsen
Selecteer de tabel en versleep het naar een andere positie op de pagina.
OF
Selecteer alle cellen van de tabel en versleep de cellen naar een andere positie op de
pagina.
De eigenschappen van een tabel veranderen
U kunt het tabblad eigenschappen gebruiken om de eigenschappen van de tabel te
veranderen, zoals de transparantie, celkleur of lijnkleur.
De vulling van een tabel veranderen
1. Selecteer een tabel, kolom, rij, cel of een selectie van cellen.
2. Druk op de menupijl van de tabel, kolom, rij of cel en selecteer Eigenschappen.
3. Druk op Opvuleffecten.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
53
4. Selecteer een opvulstijl:
Opvulstijl Procedure (Procedure)
Geen
(doorschijnend)
Selecteer Geen opvulling.
Effen kleur
a.
Selecteer Solid fill(Vaste vulling).
b.
Voer een van de volgende acties uit:
o
Selecteer een van de 40 kleuren uit het palet.
o
Druk op More (Meer) en selecteer vervolgens een kleur
in het dialoogvenster.
o
Druk op het pictogram Pipet en selecteer
vervolgens een kleur op het scherm.
Kleurovergang
tussen twee kleuren
a.
Selecteer Gradient fill (Opvulling met kleurovergang).
b.
Voor beide kleuren een van de volgende acties uit:
o
Selecteer een van de 40 kleuren uit het palet.
o
Druk op More (Meer) en selecteer vervolgens een kleur
in het dialoogvenster.
o
Druk op het pictogram Pipet en selecteer
vervolgens een kleur op het scherm.
c.
Selecteer een optie uit de vervolgkeuzelijst Style (Stijl).
Patroon
a.
Selecteer Pattern fill (Opvulpatroon).
b.
Selecteer een patroon.
Beeld
a.
Selecteer Image fill (Beeldvulling).
b.
Druk op Browse (Bladeren).
c.
Blader naar en selecteer de afbeelding die u als achtergrond
wilt gebruiken en druk vervolgens op Open (Openen).
NB
Als u een grote afbeelding toevoegt, kan het zijn dat er
een dialoogvenster verschijnt en u gevraagd wordt om de
grootte van de afbeelding te verkleinen of te behouden.
Zie voor meer informatie
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren instellen op
pagina223.
d.
Selecteer Keep image size (Omvang van bestand houden)
om de grootte van de afbeelding te behouden, ongeacht of
de afbeelding groter of kleiner is dan het object.
OF
Selecteer Scale image to fit (Afbeelding passend maken)
om de afbeelding op maat te snijden voor het object.
5. U kunt ook de schuifbalk Doorschijnendheid object naar rechts schuiven om de tabel
doorschijnend te maken.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
54
De lijnstijl van een tabel veranderen
1. Selecteer een tabel.
NB
U kunt alleen de lijnstijl van een gehele tabel veranderen, niet van afzonderlijke cellen,
kolommen of rijen.
2. Druk op de menupijl van de tabel, kolom, rij of cel en selecteer Eigenschappen.
3. Druk op Lijnstijl.
4. De lijnstijl van de tabel veranderen.
De tekststijl van een tabel veranderen
1. Selecteer een tabel, kolom, rij, cel of een selectie van cellen.
2. Druk op de menupijl van de tabel, kolom, rij of cel en selecteer Eigenschappen.
3. Druk op Tekststijl.
4. Verander de tekststijl van de tabel (zie Tekst opmaken op pagina43).
De omvang van tabellen, kolommen of rijen veranderen
Als u een tabel wilt aanpassen, kunt u de omvang van de tabel, een kolom of een rij wijzigen.
De omvang van een tabel veranderen
1. Selecteer de tabel.
2. Druk op de formaatgreep van het tabel (de grijze cirkel), en versleep het om de omvang
van de tabel groter of kleiner te maken.
De omvang van een kolom veranderen
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk op de verticale rand aan de rechterkant van de kolom.
Er verschijnt een formaataanwijzer.
3. Versleep de verticale rand om de omvang van de kolom te wijzigen.
De omvang van een rij veranderen
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk op de horizontale rand aan de onderkant van de rij.
Er verschijnt een formaataanwijzer.
3. Versleep de horizontale rand om de omvang van de rij te wijzigen.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
55
De omvang van alle cellen in een tabel veranderen
1. Selecteer de tabel.
2. Druk op de menupijl van de tabel en selecteer Grootte aanpassen.
3. Selecteer een van de volgende opties:
o
Hoogte gelijk maken om alle cellen in de tabel even hoog te maken.
o
Breedte gelijk maken om alle cellen in de tabel even breed te maken.
o
Grootte gelijk maken om alle cellen in de tabel even groot te maken.
o
Cellen vierkant maken om alle cellen in de tabel vierkant te maken.
Kolommen, rijen of cellen toevoegen of verwijderen
Als u een tabel wilt aanpassen, kunt u kolommen of rijen toevoegen.
Een kolom toevoegen
1. Selecteer een kolom.
2. Druk op de menupijl van de kolom en selecteer Kolom invoegen.
Er verschijnt een nieuwe kolom aan de rechterkant van de huidige kolom.
Een kolom verwijderen
1. Selecteer de kolom.
2. Druk op de menupijl van de kolom en selecteer Kolom verwijderen.
Een rij toevoegen
1. Selecteer een rij.
2. Druk op de menupijl van de rij en selecteer Rij invoegen.
Er verschijnt een nieuwe rij onder de huidige rij.
Een rij verwijderen
1. Selecteer de rij.
2. Druk op de menupijl van de rij en selecteer Rij verwijderen.
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
56
Een cel verwijderen
1. Selecteer de cel.
2. Druk op de menupijl van de cel en selecteer Cellen verwijderen.
NB
o
Door een cel te verwijderen wordt ook de complete inhoud ervan verwijderd.
o
U kunt geen cel verwijderen als dit de enige koppeling is tussen twee helften van
een tabel.
Tabelcellen samenvoegen of delen
U kunt tabellen op uw pagina toevoegen en objecten in de tabelcellen plaatsen. Als u een
tabel wilt aanpassen, kunt u de cellen delen of samenvoegen.
Een cel delen
1. Selecteer de cel.
2. Druk op de menupijl van de cel en selecteer Delen.
3. Selecteer een optie om de cellen in meerdere rijen en/of kolommen te delen.
NB
Als u een cel deelt met inhoud erin, zal de inhoud na de deling in de linker bovencel
verschijnen.
Cellen samenvoegen
1. Selecteer de cellen.
2. Druk op de menupijl van de cellen en selecteer dan Cellen samenvoegen.
NB
Als u cellen samenvoegt met inhoud erin, zal de samengevoegde cel de inhoud van de
linker bovencel bevatten. Als de linker bovencel leeg is, zal de samengevoegde cel de
content van de volgende niet-lege cel bevatten die beschikbaar is, bewegend van
links naar rechts, van boven naar beneden,
HOOFDSTUK 4
BASISOBJECTEN CREËREN
57
Tabellen en de inhoud van tabellen wissen
U kunt zowel de inhoud van een tabel als de hele tabel wissen.
NB
U kunt alle objecten op een pagina, inclusief de tabellen wissen door de pagina in zijn
geheel te wissen (zie Pagina's wissen op pagina210).
De inhoud van een tabel wissen
1. Selecteer de cellen met de inhoud die u wilt wissen.
2.
Druk op Delete (Verwijderen).
Een tabel verwijderen
1. Selecteer de tabel.
2. Druk op de menupijl van de tabel en selecteer Verwijderen.
Hoofdstuk 5
59
Hoofdstuk 5: Werken met objecten
Objecten selecteren 60
Objecteigenschappen wijzigen 62
De opvulling wijzigen 62
Digitale inkttekeningen vullen 64
Andere eigenschappen wijzigen 65
Hulpmiddelinstellingen opslaan 65
Objecten plaatsen 65
Objecten verplaatsen 66
Objecten naar een andere pagina verplaatsen 67
Objecten uitlijnen 67
Gestapelde objecten opnieuw rangschikken 69
Objecten knippen, kopren en plakken 70
Afbeeldingen bijsnijden met een masker 70
Objecten dupliceren 72
De omvang van objecten veranderen 72
De formaatgreep gebruiken 73
Gebaar schalen gebruiken 73
Objecten draaien 75
De draaigreep gebruiken 75
Het draaigebaar gebruiken 76
Objecten spiegelen 77
Objecten groeperen 77
Objecten handmatig groeperen 77
Het menu gebruiken 77
Het schudgebaar gebruiken 78
Objecten automatisch groeperen 78
Objecten verwijderen 79
Nadat u een object heeft gemaakt, kunt u het selecteren en ermee werken zoals beschreven
in dit hoofdstuk.
NB
De taken beschreven in dit hoofdstuk gelden voor alle objecten, niet alleen voor
basisobjecten.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
60
Objecten selecteren
Voordat u een object kunt bewerken, moet u het selecteren. U kunt één afzonderlijk object,
meerdere objecten of alle objecten op een pagina selecteren. Het object wordt omgeven
door een selectierechthoek wanneer u het selecteert.
De grijze cirkel in de rechter benedenhoek van het object is een formaatgreep (zie De
omvang van objecten veranderen op pagina72).
De groene cirkel boven het object is een draaigreep (zie Objecten draaien op pagina75).
De pijl omlaag in de rechter bovenhoek van het object is een menupijl. Druk op de menupijl
om een opdrachtenmenu te tonen.
NB
Als u op de menupijl van een object drukt, krijgt u toegang tot hetzelfde menu als wanneer u
met rechts op het object klikt.
Een object selecteren
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk op het object dat u wilt selecteren.
Het object wordt omgeven door een selectierechthoek.
NB
Wanneer u op een object drukt en er een vergrendelsymbool in plaats van de menupijl
verschijnt, is het object vergrendelt. Afhankelijk van het soort vergrendeling, moet u
eerst het object ontgrendelen alvorens u het kan manipuleren (zie Objecten
vergrendelen op pagina116).
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
61
Meerdere objecten selecteren
1.
Druk op Select (Selecteren).
2. Druk op het interactieve scherm en sleep totdat het object dat u wilt selecteren door een
rechthoek omgeven wordt.
OF
Houdt de Ctrl-toets ingedrukt en druk op het object dat u wilt selecteren.
De geselecteerde objecten worden omgeven door een selectierechthoek.
NB
Wanneer u een rechthoek om meerdere objecten tekent en sommige objecten
vergrendeld zijn (zie Objecten vergrendelen op pagina116), selecteert u enkel de
ontgrendelde objecten.
Alle objecten op een pagina selecteren
Selecteer Edit > Select All (Bewerken > Alles selecteren).
Alle objecten op de pagina worden omgeven door een selectierechthoek.
NB
Als objecten vergrendeld zijn (zie Objecten vergrendelen op pagina116), dan
selecteert u alleen de ontgrendelde objecten.
Alle vergrendelde objecten op een pagina selecteren
Selecteer Bewerken > Alle vergrendelde opmerkingen selecteren.
Alle ontgrendelde objecten op de pagina worden omgeven door een selectierechthoek.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
62
Objecteigenschappen wijzigen
U kunt de eigenschappen van een object wijzigen. De eigenschappen die u kunt veranderen
zijn afhankelijk van het object dat u selecteert. U kunt ook meerdere objecten selecteren en
de eigenschappen daarvan op hetzelfde moment wijzigen.
De opvulling wijzigen
U kunt de opvulling van een object veranderen door het object te selecteren en de opvulling
in het tabblad Eigenschappen in te stellen door te klikken op Opvulling , de opvulling in te
stellen en daarna het object te selecteren.
De opvulling van een object veranderen door het object eerst te selecteren
1. Selecteer het object.
2.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
63
3. Druk op Opvuleffecten.
4. Selecteer een opvulstijl:
Opvulstijl Procedure (Procedure)
Geen
(doorschijnend)
Selecteer Geen opvulling.
Effen kleur
a.
Selecteer Solid fill(Vaste vulling).
b.
Voer een van de volgende acties uit:
o
Selecteer een van de 40 kleuren uit het palet.
o
Druk op More (Meer) en selecteer vervolgens een kleur
in het dialoogvenster.
o
Druk op het pictogram Pipet en selecteer
vervolgens een kleur op het scherm.
Kleurovergang
tussen twee kleuren
a.
Selecteer Gradient fill (Opvulling met kleurovergang).
b.
Voor beide kleuren een van de volgende acties uit:
o
Selecteer een van de 40 kleuren uit het palet.
o
Druk op More (Meer) en selecteer vervolgens een kleur
in het dialoogvenster.
o
Druk op het pictogram Pipet en selecteer
vervolgens een kleur op het scherm.
c.
Selecteer een optie uit de vervolgkeuzelijst Style (Stijl).
Patroon
a.
Selecteer Pattern fill (Opvulpatroon).
b.
Selecteer een patroon.
Beeld
a.
Selecteer Image fill (Beeldvulling).
b.
Druk op Browse (Bladeren).
c.
Blader naar en selecteer de afbeelding die u als achtergrond
wilt gebruiken en druk vervolgens op Open (Openen).
NB
Als u een grote afbeelding toevoegt, kan het zijn dat er
een dialoogvenster verschijnt en u gevraagd wordt om de
grootte van de afbeelding te verkleinen of te behouden.
Zie voor meer informatie
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren instellen op
pagina223.
d.
Selecteer Keep image size (Omvang van bestand houden)
om de grootte van de afbeelding te behouden, ongeacht of
de afbeelding groter of kleiner is dan het object.
OF
Selecteer Scale image to fit (Afbeelding passend maken)
om de afbeelding op maat te snijden voor het object.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
64
5. U kunt ook de schuifbalk Doorschijnendheid object naar rechts schuiven om het object
doorschijnend te maken.
TIP
U kunt ook de objecteigenschappen veranderen door het gebruik van de
eigenschapskiezers op de werkbalk.
De opvulling van een object veranderen door eerst op de knop Opvulling te drukken
1.
Druk op Opvulling , en selecteer een kleur.
2. Selecteer het object.
3. Herhaal stap 2 voor ieder object dat u wilt opvullen.
Digitale inkttekeningen vullen
Naast het vullen van vormen, regelmatige polygonen en onregelmatige polygonen, kunt u ook
gebieden invullen die omsloten zijn door digitale inkt met de knop Opvulling .
AANTEKENINGEN
l Om een gebied op te vullen, moet u het omsluiten met een enkele strook digitale inkt.
l U kunt geen omsloten gebied invullen wanneer dit onderdeel is van een groep (zie
Objecten groeperen op pagina77).
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
65
l Wanneer u een omsloten gebied opvult, wordt de opvulling een afzonderlijk object dat
u uit het omsloten gebied kunt verplaatsen naar een andere locatie. U kunt het
omsloten gebied opvullen en het resulterende vulobject meerdere keren verplaatsen.
Andere eigenschappen wijzigen
Naast opvulling kunt u de lijnstijl en tekststijl van een object veranderen.
De lijnstijl van een object veranderen
1. Selecteer het object.
2.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
3. Druk op Lijnstijl.
4. De lijnstijl van een object veranderen
De tekststijl van een object veranderen
1. Selecteer het object.
2.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
3. Druk op Tekststijl.
4. Verander de tekststijl van de tabel (zie Tekst opmaken op pagina43).
Hulpmiddelinstellingen opslaan
Wanneer u een instrument in de werkbalk selecteert, kunt u de standaardinstellingen
veranderen met het tabblad Eigenschappen en uw wijzigingen opslaan door te klikken op
Eigenschappen van hulpmiddel opslaan.
Wanneer u uw wijzigingen in de standaardinstellingen van een hulpmiddel opslaat, zal de knop
van het hulpmiddel deze wijzigingen tonen:
Zie om de standaardinstellingen te herstellen De werkbalk aanpassen op pagina219.
Objecten plaatsen
U kunt de positie van een object wijzigen door het naar een ander gedeelte van de bestaande
pagina of naar een andere pagina te verplaatsen. U kunt de objecten uitlijnen en de volgorde
van de gestapelde objecten veranderen.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
66
Objecten verplaatsen
U kunt objecten naar een andere plek op de pagina verplaatsen. U kunt objecten ook vegen.
NB
U kunt een object niet slepen als deze op zijn plaats is vergrendeld (zie Objecten
vergrendelen op pagina116).
TIP
U kunt meerdere objecten bewerken door deze te selecteren en vervolgens een groep te
maken (zie Objecten groeperen op pagina77).
Een object of objecten verplaatsen
1. Selecteer het object of de objecten.
2. Sleep het object of de objecten naar een nieuwe positie op de pagina.
TIP
U kunt een object in kleine stappen verplaatsen door op de pijltoetsen van uw
toetsenbord te drukken.
Verplaatsen van een bestand dat met AdobeFlash® Player compatibel is
1. Druk op de gekleurde balk dat zich aan de bovenkant van het AdobeFlash Player
compatibele bestand bevindt.
2. Sleep het bestand naar zijn nieuwe positie.
Een object vegen
1. Selecteer het object.
2. Beweeg uw vinger snel in een bepaalde richting.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
67
Objecten naar een andere pagina verplaatsen
U kunt objecten naar een andere pagina in een bestand verplaatsen.
Objecten naar een andere pagina verplaatsen
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Als u de pagina waar u het object naartoe wilt verplaatsen niet ziet, zoekt u in de
paginasorteerder totdat u de miniatuur van de pagina ziet.
3. Selecteer het object of de objecten die u wilt verplaatsen.
4. Sleep het object of de objecten in de paginasorteerder boven de miniatuur van de
pagina waar u de objecten naartoe wilt verplaatsen.
Verplaatsen van een videobestand dat met AdobeFlash Player compatibel is naar een
andere pagina
1.
Als de paginasorteerder niet zichtbaar is, drukt u op Page Sorter (Paginasorteerder).
2. Als u de pagina waar u het object naartoe wilt verplaatsen niet ziet, zoekt u in de
paginasorteerder totdat u de miniatuur van de pagina ziet.
3. Druk op de gekleurde balk dat zich aan de bovenkant van het AdobeFlash Player
compatibele bestand bevindt.
4. Sleep het bestand in de paginasorteerder boven de miniatuur van de pagina waar u het
object naartoe wilt verplaatsen.
Objecten uitlijnen
U kunt de invoegtoepassing Uitlijningshulpmiddelen gebruiken om objecten op een pagina uit
te lijnen en te verspreiden. U kunt geselecteerde objecten beneden, links, rechts, boven,
verticaal of horizontaal uitlijnen. Ook kunt u gestapelde objecten verticaal of horizontaal
uitlijnen.
Als u wilt, kunt u richtlijnen op een pagina tonen om u te ondersteunen in het uitlijnen van
objecten met andere objecten, en u kunt daarnaast de verticale en horizontale middelpunten
van de pagina tonen. U kunt ook instellen dat het object automatisch volgens de richtlijnen
uitlijnt wanneer u de objecten op een pagina verplaatst, (zie pagina66).
Objecten op een pagina uitlijnen
1. Selecteer de objecten die u uit wilt uitlijnen (zie Objecten selecteren op pagina60).
2.
Druk op Invoegtoepassingen op de werkbalk om de knop voor
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
68
uitlijningshulpmiddelen weer te geven.
3. Druk op een uitlijningsknop:
Knop
Naam
Selecteer deze knop voor:
Onderkant
uitlijnen
Lijn geselecteerde objecten langs de onderrand uit.
Links uitlijnen
Lijn geselecteerde objecten langs de linkerrand uit.
Midden-X
uitlijnen
Lijn geselecteerde objecten verticaal langs het midden van
objecten uit.
Midden-Y
uitlijnen
Lijn geselecteerde objecten horizontaal door het midden van
objecten uit.
Rechts uitlijnen Lijn geselecteerde objecten langs de rechterrand uit.
Bovenkant
uitlijnen
Lijn geselecteerde objecten langs de bovenrand uit.
Horizontaal
stapelen
Lijn geselecteerde gestapelde objecten horizontaal uit.
Verticaal
stapelen
Lijn geselecteerde objecten verticaal uit.
Richtlijnen tonen
1. Selecteer Weergave > Uitlijnen.
Het dialoogvenster Uitlijning verschijnt.
2. Selecteer de selectievakjes om aan te geven welke richtlijnen u wilt tonen:
Selectievakje Selecteer dit selectievakje om:
Hulplijnen voor
actieve objecten
weergeven
Toon een richtlijn wanneer u een object in de uitlijning van een
ander object verplaatst.
Verticale hulplijn
voor het midden
van de pagina
weergeven
Toon een richtlijn wanneer u een object in de uitlijning van het
verticale middelpunt van de pagina verplaatst.
Horizontale hulplijn
voor het midden
van de pagina
weergeven
Toon een richtlijn wanneer u een object in de uitlijning van het
horizontale middelpunt van de pagina verplaatst.
Objecten op
hulplijnen uitlijnen
Objecten automatisch uitlijnen conform richtlijnen wanneer u de
objecten op een pagina verplaatst.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
69
3. Als u de kleur van de richtlijnen wilt veranderen, drukt u op de gekleurde balk aan de
linkerkant van Kleurenhandleiding, en selecteer een kleur.
4. Druk op OK.
Gestapelde objecten opnieuw rangschikken
Wanneer objecten elkaar overlappen op een pagina, kan de volgorde van de stapel objecten
worden herschikt (u kunt bepalen welke objecten zich voor andere objecten bevinden).
NB
U kunt een object niet verplaatsen in de stapel indien het op zijn plaats is vergrendeld (zie
Objecten vergrendelen op pagina116).
Een object naar de voorgrond van de stapel verplaatsen
1. Selecteer het object.
2. Druk op menupijl van het object en selecteer Order > Bring to Front (Volgorde >
Naar voorgrond).
Een object naar de achtergrond van de stapel verplaatsen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Order > Send to Back (Volgorde >
Naar achtergrond).
Een object één plaats vooruit verplaatsen in de stapel
1. Selecteer het object.
2. Druk op menupijl van het object en selecteer Order > Bring Forward (Volgorde >
Naar voren).
Een object één plaats naar achteren verplaatsen in de stapel
1. Selecteer het object.
2. Selecteer de menupijl van het object en selecteer Order > Send Backward (Volgorde
> Naar achteren).
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
70
Objecten knippen, kopiëren en plakken
U kunt objecten knippen, kopren en plakken en in een .notebook-bestand plakken, inclusief
tekst, afbeeldingen, rechte lijnen, bogen en vormen.
TIPS
l U kunt tekst uit andere programma's in SMARTNotebook-software plakken en tekst uit
SMARTNotebook-software knippen en het in andere programma's plakken (zie
Knippen, plakken en kopren van inhoud uit andere programma's op pagina92 en
Tekst knippen en plakken op pagina47).
l U kunt een exacte kopie van een object maken door het te klonen (zie Objecten
dupliceren op pagina72).
Een object knippen en plakken
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Cut (Knippen).
TIP
Daarnaast kunt u ook drukken op Knippen als u deze knop aan de werkbalk hebt
toegevoegd (zie De werkbalk aanpassen op pagina219).
3. Als u het object op een andere pagina wil plakken, selecteer dan eerst die pagina.
4.
Druk op Plakken .
Een object kopiëren of plakken
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Copy (Kopren).
TIP
Daarnaast kunt u ook drukken op Kopiëren als u deze knop aan de werkbalk hebt
toegevoegd (zie De werkbalk aanpassen op pagina219).
3. Als u het object op een andere pagina wil plakken, selecteer dan eerst die pagina.
4.
Druk op Plakken .
Afbeeldingen bijsnijden met een masker
U kunt een masker gebruiken om afbeeldingen bij te snijden. Het masker verbergt het
gedeelte van de afbeelding dat u wilt bijsnijden in plaats van het te verwijderen. Zo kunt u een
ander deel van de afbeelding uitsnijden of de oorspronkelijke afbeelding herstellen. U kunt de
afbeelding ook ontmaskeren om de oorspronkelijke afbeelding te herstellen.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
71
NB
U kunt alleen rasterafbeeldingen bijsnijden. U kunt bijvoorbeeld rasterafbeeldingen vanuit
de galerie of vanuit uw computer bijsnijden. U kunt geen andere objectsoorten bijsnijden.
Om een afbeelding met een masker bij te snijden
1. Selecteer de afbeelding.
2. Druk op de menupijl van de afbeelding en selecteer vervolgens Maskeren.
Op de afbeelding verschijnt een bijsnijmasker. Uitgesneden delen krijgen een grijstint.
3. Sleep de afbeelding totdat de sectie van de afbeelding die u wilt bewaren in het
bijsnijmasker verschijnt.
4. Druk op één van de acht formaatgrepen (de witte cirkels) van het bijsnijmasker en
versleep deze om het bijsnijmasker te vergroten of te verkleinen.
5. Druk buiten de afbeelding om deze bij te snijden.
Het masker aanpassen
1. Selecteer de afbeelding.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Masker bewerken.
Op de afbeelding verschijnt een bijsnijmasker. Uitgesneden delen krijgen een grijstint.
3. Sleep de afbeelding totdat de sectie van de afbeelding die u wilt bewaren in het
bijsnijmasker verschijnt.
4. Druk op één van de acht formaatgrepen (de witte cirkels) van het bijsnijmasker en
versleep deze om het bijsnijmasker te vergroten of te verkleinen.
5. Druk buiten de afbeelding om deze bij te snijden.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
72
De afbeelding herstellen
1. Selecteer de afbeelding.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Ontmaskeren.
De oorspronkelijke afbeelding is hersteld.
Objecten dupliceren
U kunt een duplicaat van een object maken met de opdracht Dupliceren, of meerdere
kopieën van een object maken met de opdracht Oneindig dupliceren.
NB
U kunt objecten, inclusief tekst, afbeeldingen, rechte lijnen, bogen en vormen kopren en
plakken (zie Objecten knippen, kopren en plakken op pagina70).
Een object dupliceren
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Clone (Dupliceren).
Er wordt een duplicaatobject op de pagina getoond.
Een object dupliceren met behulp van oneindig dupliceren
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Oneindig dupliceren.
3. Selecteer het object nogmaals.
Er verschijnt een oneindigsymbool in plaats van de menupijl van het object.
4. Sleep het object naar een andere plek op de pagina.
5. Herhaal stap 4 zo vaak als u wilt.
6. Wanneer u klaar bent met het dupliceren van het object, selecteert u het oorspronkelijke
object.
7. Druk op het oneindigsymbool en wis de selectie van Oneindig dupliceren.
De omvang van objecten veranderen
U kunt de omvang van objecten op een pagina veranderen door gebruik te maken van de
formaatgreep of het vergrotings-/ verkleiningsgebaar (indien uw interactieve product
multitouch-gebaren ondersteunt).
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
73
NB
U kunt een object niet verwijderen als dit op zijn plaats is vergrendeld (zie Objecten
vergrendelen op pagina116).
De formaatgreep gebruiken
De grootte van een object wijzigen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de formaatgreep van het object (de grijze cirkel), en versleep het om de omvang
van het object groter of kleiner te maken.
NB
Om de oorspronkelijke hoogte-breedteverhouding van de vorm te behouden, houdt u
de SHIFT-toets vast terwijl u de formaatgreep versleept.
De grootte van meerdere objecten wijzigen
1. Groepeer de objecten (zie Objecten groeperen op pagina77), en selecteer vervolgens
de groep.
De groep wordt omgeven door een selectierechthoek.
2. Druk op de formaatgreep in de rechter benedenhoek van de selectierechthoek.
3. Versleep de formaatgreep om de omvang van objecten te vergroten of verkleinen.
Gebaar schalen gebruiken
De grootte van een object vanaf het midden wijzigen
1. Selecteer het object.
2. Druk met één vinger van elke hand op het scherm op tegenovergestelde kanten van het
object.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
74
3. Sleep uw vingers in tegenovergestelde richting om het object te vergroten.
OF
Sleep uw vingers in tegenovergestelde richting om het object te verkleinen.
De grootte van een object vanaf de hoek of zijkant wijzigen
1. Selecteer het object.
2. Druk met één vinger van elke hand op het scherm op de hoek of zijkant waarmee u de
grootte van het object wilt wijzigen.
3. Sleep uw vingers in tegenovergestelde richting om het object te vergroten.
OF
Sleep uw vingers in tegenovergestelde richting om het object te verkleinen.
De grootte van meerdere objecten wijzigen
1. Selecteer de objecten.
2. Druk met één vinger van elke hand op het scherm op tegenovergestelde kanten van één
van de objecten.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
75
3. Sleep uw vingers in tegenovergestelde richting om de objecten te vergroten.
OF
Sleep uw vingers in tegenovergestelde richting om de objecten te verkleinen.
NB
De omvang van van de objecten worden vanaf het midden gewijzigd ongeacht waar u
op het scherm drukt.
Objecten draaien
U kunt objecten op een pagina draaien door gebruik te maken van de draaigreep of het
draaigebaar (indien uw interactieve product multitouch-gebaren ondersteunt).
AANTEKENINGEN
l U kunt een object niet verwijderen als dit op zijn plaats is vergrendeld (zie Objecten
vergrendelen op pagina116).
l U kunt geen tabellen draaien.
De draaigreep gebruiken
Een object draaien
1. Selecteer het object.
2. Druk op de draaigreep van het object (de grijze cirkel) en sleep deze in de richting
waarheen u het object wlt draaien.
Meerdere objecten draaien
1. Selecteer de objecten.
Ieder object wordt omgeven door een selectierechthoek.
2. Druk op de draaigreep van een van de geselecteerde objecten (de groene cirkel) en
sleep deze in de richting waarheen u het object wilt draaien. Wanneer u een object draait,
zullen alle andere objecten automatisch draaien.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
76
Het draaigebaar gebruiken
Een object vanaf zijn midden roteren
1. Selecteer het object.
2. Druk met één vinger van elke hand op het scherm op tegenovergestelde kanten van het
object.
3. Beweeg uw vingers in een cirkel rond het midden van het object om het te draaien.
Een object om een hoek draaien
1. Selecteer het object.
2. Druk met één vinger van elke hand op het scherm op de hoek waar u het object omheen
wilt draaien
3. Beweeg uw vingers in een cirkel rond de hoek om het object te draaien.
Meerdere objecten draaien
1. Selecteer de objecten.
2. Druk met één vinger van elke hand op het scherm op tegenovergestelde kanten van één
van de objecten.
3. Beweeg uw vingers in een cirkel.
NB
De objecten draaien rond hun midden ongeacht waar u op het scherm drukt
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
77
Objecten spiegelen
U kunt een object op een pagina spiegelen.
NB
U kunt een object niet draaien als deze op zijn plaats is vergrendeld (zie Objecten
vergrendelen op pagina116).
Een object spiegelen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Spiegelen >
Omhoog/Omlaag of Spiegelen > Links/Rechts.
Meerdere objecten spiegelen
1. Selecteer de objecten.
2. Druk op de menupijl van één van de objecten en selecteer vervolgens Spiegelen >
Omhoog/Omlaag of Spiegelen > Links/Rechts.
Objecten groeperen
U kunt een groep objecten maken waardoor u tegelijkertijd met alle items in de groep kunt
werken. Nadat u een groep hebt gemaakt, kunt u de groep selecteren, verplaatsen, draaien
en de omvang ervan veranderen, op dezelfde wijze als met een afzonderlijk object. Als u
echter met een afzonderlijk object in een groep wilt werken, moet u eerst de objecten uit de
groep halen.
Objecten handmatig groeperen
U kunt objecten handmatig groeperen en uit een groep halen met het menu of het
schudgebaar.
Het menu gebruiken
Objecten groeperen
1. Selecteer de objecten.
2. Druk op de menupijl van een van de geselecteerde objecten en selecteer Groep >
Groep.
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
78
Objecten uit groepen halen
1. Selecteer de groep.
2. Druk op de menupijl van de groep en selecteer Groep > Groep opheffen.
Het schudgebaar gebruiken
AANTEKENINGEN
l U kunt het schudgebaar niet met een muis uitvoeren.
l Het schudgebaar werkt alleen wanneer u in het begin contact maakt met het oppervlak
van uw interactieve product.
Objecten groeperen
Beweeg uw vinger drie keer snel over de objecten.
Objecten uit groepen halen
Beweeg uw vinger drie keer snel over de groep.
Objecten automatisch groeperen
Als u meerdere regels schrijft of tekent, dan combineert de SMARTNotebook-software de
regels automatisch in een enkel object. Als u bijvoorbeeld de letters van een woord schrijft,
dan zal de SMARTNotebook-software de individuele letters combineren waardoor u met het
hele woord kunt werken. Als u woorden op dezelfde regel wilt schrijven maar ze niet
gecombineerd wilt hebben, laat u een grote afstand tussen de woorden, gebruikt u
verschillende pennen, of stopt u de pen kort in het pennenbakje voordat u verder gaat met
het schrijven van een nieuw woord (alleen bij interactive whiteboards).
HOOFDSTUK 5
WERKEN MET OBJECTEN
79
Als SMARTNotebook-software lijnen combineert die u afzonderlijk wilt bewerken, kunt u de
lijnen uit de groep halen zoals beschreven hierboven.
Objecten verwijderen
U kunt digitale inkt wissen (zie Digitale inkt wissen op pagina37), maar sommige objecten
kunnen niet worden gewist, zoals getypte tekst, vormen, lijnen, bogen en afbeeldingen. Om
deze objecten van een pagina te halen, moet u ze verwijderen.
NB
U kunt een object niet verwijderen als deze op zijn plaats is vergrendeld (zie Objecten
vergrendelen op pagina116). Om een vergrendeld object van de pagina te verwijderen,
moet u het ontgrendelen.
Een object verwijderen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Delete (Verwijderen).
Hoofdstuk 6
81
Hoofdstuk 6: Het invoegen, organiseren en
delen van inhoud
Inhoud van de galerie invoegen 82
Content invoeren uit GeoGebra 84
Inhoud van de SMARTExchange-website invoegen 85
Inhoud uit andere bronnen invoegen 86
Afbeeldingen invoegen 86
Afbeeldingen vanuit bestanden invoegen 86
Afbeeldingen vanaf een scanner invoegen 87
Afbeeldingen van een SMARTDocumentCamera invoegen 87
Werken met afbeeldingen 87
In een afbeelding transparante gedeelten aanbrengen 88
Multimediabestanden invoegen 88
Invoegen van bestanden die met AdobeFlash Player compatibel zijn 89
Invoegen van videobestanden die met AdobeFlash Player compatibel zijn 90
Geluidsbestanden invoegen 90
Met multimediabestanden werken 91
Coderingsprogramma's installeren voor extra indelingen 91
Inhoud uit andere programma's invoegen 91
Knippen, plakken en kopren van inhoud uit andere programma's 92
Inhoud importeren via SMARTNotebook Print Capture 92
Inhoud importeren via SMARTNotebook Document Writer 93
PowerPoint-bestanden importeren 94
Het importeren van bestanden uit andere interactive whiteboard-programma's 95
SMART kapp-invoegtoepassingen gebruiken 96
Voeg inhoud toe met behulp van de YouTube-invoegtoepassing 97
Vergelijkingen invoegen met de Wiskundige editor 98
Internetbrowsers invoegen 100
Een internetbrowser invoegen 100
Proxyservers configureren 101
Bestanden en webpagina's toevoegen 102
Inhoud organiseren en delen met de galerie 104
Inhoud toevoegen aan de galerie 104
Inhoud organiseren in de galerie 105
Inhoud met andere docenten delen 106
Verbinding maken met Team Inhoud-categorieën 107
Inhoud delen met de SMARTExchange-website 108
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
82
U kunt afbeeldingen, multimediabestanden en andere inhoud aan uw .notebook-bestanden
toevoegen vanuit een groot aantal bronnen. Deze bronnen zijn onder andere de galerie, de
SMARTExchange® -website en internet.
Nadat u uw inhoud hebt toegevoegd, kunt u deze inhoud organiseren door gebruik te maken
van de galerie en kunt u deze delen met andere lesgevers via de galerie of de
SMARTExchange-website.
Inhoud van de galerie invoegen
De galerie is een tabblad in de SMARTNotebook softwaregebruikersinterface waar u kunt
bladeren of zoeken naar inhoud en die inhoud in uw .notebook-bestand voegen.
De galerie heeft voorbeelden van lesactiviteiten, waaronder voorbeelden van Activity Builder
(zie Een overeenkomende lesactiviteit maken op pagina125), interactieve technieken en 3D-
modellen om u te ondersteunen in het maken van lesactiviteiten.
Wanneer u systeembeheerder SMARTNotebook-software installeert, kan hij of zij de
volgende extra items installeren:
l Galerie-essentials is een verzameling van duizenden afbeeldingen, multimedia-objecten
en meer, georganiseerd in categorieën naar onderwerp.
l De werkset voor lesactiviteiten is een verzameling van aangepaste hulpmiddelen en
sjablonen die u kunt gebruiken om professioneel ogende, en interactieve lessen te
maken. De werkset helpt u met het maken van aansprekende inhoud zoals woordspellen,
quizzen en sorteeractiviteiten. Het biedt ook bestanden die compatibel zijn met
AdobeFlash Player zoals verbergen-en-weergeven en slepen-en-neerzetten.
De galerie is verdeeld in twee gedeeltes. Het bovenste gedeelte van de galerie is de
categorielijst. Wanneer u een categorie of subcategorie kiest in de lijst, dan verschijnt de
inhoud ervan in het onderste gedeelte van de galerie.
TIP
l U kunt de grootte van de categorielijst en inhoudslijst aanpassen door op de grens
tussen de twee te klikken en die vervolgens naar boven of naar beneden te slepen.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
83
U kunt bladeren in de categorielijst om de inhoud van de verschillende categorieën te zien.
Miniaturen in de categorieën geven voorbeelden van de inhoud.
l In Afbeeldingenworden afbeeldingen als miniaturen weergegeven.
l In Interactief en multimediaworden video-objecten weergegeven als één enkel frame uit
de video weergegeven, geluidsobjecten worden weergegeven met een
luidsprekerpictogram in de linker onderhoek en bestanden die compatibel zijn met
AdobeFlash Player worden weergegeven met een AdobeFlash-pictogram of als een
miniatuur van de inhoud met een klein Adobe Flash-pictogram in de linker bovenhoek.
l In 3D-objectenworden 3D-modellen als miniaturen weergegeven.
l In Notebook-bestanden en -pagina'sworden bestanden weergegeven als binder en
pagina's worden weergegeven met een omgevouwen rechter bovenhoek.
l In Achtergronden en thema'sworden achtergronden weergegeven als pagina's met een
omgevouwen rechter onderhoek en thema's als miniatuur.
U kunt een galerie-item opzoeken met de zoekfunctie voor trefwoorden.
Nadat u een galerie-item hebt gevonden door te bladeren of met de zoekfunctie, kunt u dit
toevoegen aan een .notebook-bestand.
Bladeren in de galerie
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Druk op het plusteken van een categorie om de subcategorieën ervan te zien.
NB
U kunt een categorie sluiten door op het minteken van de categorie te drukken.
3. Selecteer een categorie of subcategorie om de inhoud ervan weer te geven.
Zoeken in de galerie
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2.
Typ een trefwoord in het veld Zoektermen hier invoeren en druk op Zoeken .
De galerie toont alle inhoud die het trefwoord bevat.
Een galerie-item toevoegen aan uw .notebook-bestand
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Zoek het galerie-item opdat u wilt toevoegen.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
84
3. Dubbelklik op de miniatuur van de galerie.
o
Bij het toevoegen van een afbeelding, een geluidsbestand of een bestand dat
compatibel is met Adobe Flash Player, verschijnt dit op de huidige pagina.
o
Als u een achtergrond toevoegt, vervangt deze de huidige achtergrond van de
pagina (zie Pagina-achtergronden en -thema's toepassen op pagina120).
o
Als u een pagina toevoegt aan een .notebook-bestand, voegt SMART Notebook-
software dit in voor de huidige pagina.
o
Als u een .notebook-bestand toevoegt, voegt SMART Notebook-software dit in voor
de huidige pagina.
NB
SMART Notebook ondersteunt Flash niet langer, aangezien latere versies
compatibiliteitsproblemen hebben met Notebook-software
Content invoeren uit GeoGebra
GeoGebra is een interactieve wiskundesoftware voor alle onderwijsniveaus. Wanneer u de
GeoGebra widget in SMARTNotebook software invoegt, kunt u geometrie, algebra, tabellen,
grafieken, statistiek en rekenen met uw leerlingen behandelen.
U kunt ook middels sleutelwoorden naar werkbladen van GeoGebra zoeken. Nadat u een
werkblad hebt gevonden, kunt u dit toevoegen aan een .notebook-bestand . GeoGebraTube
(geogebratube.org) bevat duizenden werkbladen die door andere leerkrachten zijn gemaakt
en gedeeld.
NB
Voor meer informatie over het gebruik van GeoGebra-software kunt u de GeoGebra Wiki
raadplegen op (wiki.geogebra.org).
Toegang krijgen tot het GeoGebra-widget
Druk op Invoegtoepassingen en druk vervolgens op GeoGebra.
Het GeoGebra-widget invoegen
1.
Als de GeoGebra-widget niet zichtbaar is, druk dan op Invoegtoepassingen en druk
vervolgens op GeoGebra.
2. Selecteer GeoGebra-widget invoegen.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
85
Het doorzoeken van GeoGebraTube
1.
Als de GeoGebra-widget niet zichtbaar is, druk dan op Invoegtoepassingen en druk
vervolgens op GeoGebra.
2. Typ een trefwoord in het zoekveld Zoeken in gratis materiaal en druk op Zoeken.
De GeoGebra-widget toont miniatuurweergaven van de werkbladen die het
sleutelwoord bevatten.
Een GeoGebraTube-werkblad aan uw .notebook-bestand toevoegen
1.
Als de GeoGebra-widget niet zichtbaar is, druk dan op Invoegtoepassingen en druk
vervolgens op GeoGebra.
2. Zoek naar het GeoGebraTube-werkblad dat u wilt toevoegen
3. Druk op de miniatuurweergave van het werkblad en selecteer vervolgens GeoGebra
Widget invoegen.
Het werkblad verschijnt op de huidige pagina.
TIP
Voor meer informatie over een werkblad drukt u op de titel van de miniatuurweergave
om in GeoGebraTube naar de downloadpagina van het werkblad te gaan.
Inhoud van de SMARTExchange-website
invoegen
De SMART Exchange-website (exchange.smarttech.com) heeft duizenden lesplannen,
vragensets, widgets en andere inhoud die u kunt downloaden en openen in
SMARTNotebook-software.
NBS
l U kunt met de SMART Exchange-website ook lesplannen delen met andere lesgevers.
Voor meer informatie, zie Inhoud delen met de SMARTExchange-website op
pagina108.
l Toekomstige versies van SMART Notebook zullen niet langer ondersteuning bieden
voor Flash, omdat latere versies compatibiliteitsproblemen met Notebook.
Inhoud van de SMARTExchange-website invoegen
1.
Druk op SMART Exchange .
De SMARTExchange-website wordt nu in uw webbrowser geopend.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
86
2. Als u voor de eerste keer op de SMARTExchange-website bent, drukt u op Gratis
registrerenen volgt u de instructies op het scherm om een nieuw account aan te maken.
OF
Als u al een account hebt, klikt u op Aanmelden, en volgt u daarna de instructies op het
scherm om aan te melden op uw SMART Exchange-websiteaccount.
3. Naar inhoud zoeken of bladeren en die vervolgens downloaden op uw computer.
4. Inhoud naar de galerie importeren (zie Inhoud met andere docenten delen op
pagina106).
Inhoud uit andere bronnen invoegen
Als u of andere lesgevers in uw school inhoud hebben gecreëerd buiten SMARTNotebook-
software kunt u deze inhoud invoegen in uw .notebook-bestanden . Specifiek, kunt u het
volgende doen:
l Afbeeldingen, bestanden compatibel met AdobeFlash Player en geluidsbestanden
invoegen.
l Knippen of kopiëren, en daarna plakken van inhoud uit andere programma's
l Importeer inhoud van andere programma's zoals YouTube met de YouTube™-
invoegtoepassing van SMART Notebook.
Afbeeldingen invoegen
U kunt afbeeldingen in pagina's invoegen vanuit bestanden, een scanner of een
SMARTDocumentCamera.
NB
U kunt ook afbeeldingen uit het tabblad galerie invoegen. Voor meer informatie, zie Inhoud
van de galerie invoegen op pagina82.
Nadat u een afbeelding hebt ingevoegd, kunt u een doorschijnend gebied erin maken.
Afbeeldingen vanuit bestanden invoegen
U kunt een afbeelding in een pagina invoegen.
SMARTNotebook software ondersteunt BMP-, GIF-, JPEG-, PNG-, TIFF- en WMF-indelingen.
Een afbeelding uit een bestand invoegen
1. Selecteer Invoegen > Afbeelding.
Het dialoogvenster Afbeeldingsbestand invoegen verschijnt.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
87
2. Blader naar en selecteer de afbeelding die u wilt invoegen.
TIP
U selecteert meerdere afbeeldingen door Ctrl vast te houden en dan de afbeeldingen
te selecteren.
3. Druk op Open (Openen).
De afbeelding verschijnt in de linker bovenhoek van de pagina.
Afbeeldingen vanaf een scanner invoegen
Als een scanner aan uw computer is verbonden, kunt u afbeeldingen vanaf de scanner in uw
pagina invoegen.
NB
U moet het stuurprogramma en de software van uw scanner op uw computer installeren
voordat u afbeeldingen van de scanner in SMARTNotebook-software kunt invoegen.
Een afbeelding invoegen vanaf een scanner
1. Selecteer Invoegen > Afbeelding van scanner.
Het dialoogvenster Gescande afbeelding invoegen verschijnt.
2. Selecteer een scanner uit de lijst.
3. Druk op Scannen.
4. Volg de instructies die bij uw scanner zitten en scan uw afbeelding.
Afbeeldingen van een SMARTDocumentCamera invoegen
U kunt afbeeldingen van een SMARTDocumentCamera in een pagina invoegen.
Een afbeelding van een SMARTDocumentCamera invoegen
1. Selecteer Invoegen > Afbeelding van SMARTDocumentCamera.
Het venster SMARTDocumentCamera verschijnt op de pagina.
2. Een afbeelding invoegen met behulp van de instructies in Help.
Werken met afbeeldingen
Wanneer u een afbeelding in een .notebook-bestand invoegt, wordt het afbeelding een
object in het bestand. U kunt daarom de afbeelding verplaatsen, van omvang veranderen,
draaien en anderszins wijzigen zoals met ieder ander object.
Voor meer informatie over het werken met objecten, inclusief afbeeldingen, in .notebook-
bestanden, zie Hoofdstuk 5: Werken met objecten op pagina59.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
88
In een afbeelding transparante gedeelten aanbrengen
U kunt doorschijnende gedeelten aanbrengen in een afbeelding die aan een pagina is
toegevoegd. Dit kan handig zijn om de achtergrond van een afbeelding te verwijderen. U kunt
elke kleur uit een afbeelding doorschijnend maken.
NB
U kunt het formaat van een grote afbeelding verkleinen als u deze in een bestand voegt (zie
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren instellen op pagina223). Als u later een doorschijnend
gedeelte in de afbeelding aanbrengt is de afbeelding niet langer geoptimaliseerd.
Een transparant gedeelte in een afbeelding aanbrengen
1. Selecteer de afbeelding.
2. Druk op de menupijl van de afbeelding en selecteer vervolgens Set Picture
Transparency (Doorschijnendheid afbeelding instellen).
Het dialoogvenster Doorschijnendheid afbeelding wordt weergegeven.
3. Sleep de hoeken van het dialoogvenster naar binnen of naar buiten om het formaat aan
te passen.
4. Druk op het gebied in de afbeelding dat u doorschijnend wilt maken.
NB
Door op een gebied te drukken maakt u alleen dat gebied doorschijnend, ongeacht of
er in de afbeelding andere gebieden zijn met dezelfde kleur.
5. Druk op OK.
Multimediabestanden invoegen
U kunt multimediabestanden in pagina's invoegen, waaronder AdobeFlash Player
compatibele bestanden, video- en geluidsbestanden.
NB
Inhoud van Adobe Flash werkt mogelijk niet in SMART Notebook. Druk hier voor extra
informatie.
NB
U kunt ook multimediabestanden vanuit het tabblad galerie invoegen. Voor meer informatie,
zie Inhoud van de galerie invoegen op pagina82.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
89
Invoegen van bestanden die met AdobeFlash Player compatibel zijn
U kunt bestanden die met AdobeFlash Player compatibel zijn, in een pagina invoegen.
Nadat u een AdobeFlash Player compatibel bestand hebt ingevoegd, of een pagina toont dat
al een AdobeFlash Player compatibel bestand bevat, begint het bestand automatisch af te
spelen. U kunt het afspelen van het bestand besturen. Als het bestand knoppen heeft, kunt u
hierop drukken op uw interactieve product. Als het bestand geen knoppen heeft, gebruikt u
de opties in de menupijlen van het bestand.
AANTEKENINGEN
l AdobeFlash Player compatibele bestanden op een pagina moeten zelf-uitpakkende
bestanden zijn. U kunt geen AdobeFlash Player compatibele bestanden gebruiken die
laden met of vertrouwen op andere AdobeFlash Player compatibele bestanden.
l U kunt geen AdobeFlash Player-bestanden van een internetbrowser naar een pagina
verslepen.
l Als AdobeFlash Player niet op uw computer is geïnstalleerd, zal SMARTNotebook-
software u waarschuwen wanneer u een AdobeFlash Player compatibel bestand in een
pagina invoegt.
l U kunt AdobeFlash Player installeren door naar adobe.com te gaan, maar u moet de
InternetExplorer®-internetbrowser gebruiken om het te installeren. Als u een andere
browser gebruikt, werken de AdobeFlash Player compatibele bestanden niet in
SMARTNotebook-software.
l Om bovenop een AdobeFlash Player compatibel bestand met een
handschriftherkenningscomponent te schrijven, begint u met schrijven buiten het
bestand en schrijft u over het bestand heen. Hierdoor kan SMARTNotebook-software
de digitale inkt als een afzonderlijk object herkennen van het AdobeFlash Player
compatibel bestand.
Invoegen van een bestand dat met AdobeFlash Player compatibel is
1. Selecteer Invoegen > Bestand compatibel met Adobe Flash Player.
Het dialoogvenster Invoegen Flash-bestand wordt weergegeven.
2. Blader naar en selecteer het AdobeFlash Player compatibele bestand dat u wilt
invoegen in de pagina.
3. Druk op Open (Openen).
Het AdobeFlash Player compatibele bestand verschijnt in de linker bovenhoek van de
pagina.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
90
Een AdobeFlash Player compatibel bestand besturen
1. Selecteer het AdobeFlash Player compatibele bestand.
2. Bestuur het bestand door een van de volgende acties uit te voeren:
o
Om het bestand af te spelen, drukt u op de menupijl van het bestand en selecteert u
Flash > Afspelen.
o
Om het bestand vanaf het begin af te spelen, drukt u op de menupijl van het
bestand, en selecteert u Flash > Terugspoelen.
o
Om het bestand iets vooruit te spoelen en het afspelen te pauzeren, selecteert u
Flash > Stap vooruit.
o
Om het bestand iets terug te spoelen en het afspelen te pauzeren, selecteert u Flash
> Stap achteruit.
o
Om het bestand continu af te spelen, drukt u op de menupijl van het bestand, en
selecteert u Flash > Herhalen.
o
Om het continu afspelen van het bestand te stoppen, drukt u op de menupijl van het
bestand, en wist u de selectie Flash > Herhalen.
Invoegen van videobestanden die met AdobeFlash Player compatibel zijn
U kunt AdobeFlash Player compatibele videobestanden in een pagina invoegen.
NB
SMARTNotebook-software ondersteunt het AdobeFlash Player compatibele
videobestandsindeling (FLV). Als u wilt dat SMARTNotebook-software andere
bestandsindelingen ondersteunt, kunt u extra coderingsprogramma's installeren (zie
Coderingsprogramma's installeren voor extra indelingen op tegenoverliggende pagina).
Invoegen van een videobestand dat met AdobeFlash Player compatibel is
1. Selecteer Invoegen > Video.
Het dialoogvenster Videobestand invoegen verschijnt.
2. Blader naar en selecteer het AdobeFlash Player compatibele videobestand dat u in een
pagina wilt invoegen.
3. Druk op Open (Openen).
Geluidsbestanden invoegen
U kunt een geluidsbestand aan ieder object toevoegen (behalve AdobeFlash Player
compatibele objecten) in een . Voor meer informatie, zie Geluiden aan objecten toevoegen
op pagina114.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
91
Met multimediabestanden werken
Wanneer u een multimediabestand in een .notebook-bestand invoegt, wordt het
multimediabestand een object in het bestand. U kunt daarom het mediabestand verplaatsen,
van omvang veranderen, draaien en anderszins wijzigen zoals met ieder ander object.
Voor meer informatie over het werken met objecten, inclusief multimediabestanden, in
.notebook-bestanden, zie Hoofdstuk 5: Werken met objecten op pagina59.
Coderingsprogramma's installeren voor extra indelingen
SMARTNotebook-software ondersteunt de FLV- enMP3-indelingen. Als u wilt dat
SMARTNotebook-software andere video- en audio-indelingen ondersteunt, kunt u het
volgende coderingsprogramma installeren. Als u dit coderingsprogramma installeert zal
SMARTNotebook-software het automatisch herkennen en de video- en audio-indelingen
ondersteunen.
Coderingsprogramma Video-indelingen Audio-
indelingen
Koppeling
MediaCoder Full Pack
0.3.9
l
ASF
l
AVI
l
MOV
l
MPEG and
MPG
l
WMV
l
AIF and AIFF
l
WAV
mediacoderhq.com/dlfull.htm
NB
SMARTTechnologiesULC biedt koppelingen naar deze programma's als een vorm van
dienstverlening, en geeft geen representaties of garanties met betrekking tot deze
programma's of elke informatie daaraan gerelateerd. Vragen, klachten of vorderingen met
betrekking tot de programma's moeten worden geadresseerd aan de toegewezen
softwareleverancier.
Inhoud uit andere programma's invoegen
Als u inhoud uit andere programma's wilt gebruiken in uw .notebook-bestanden, kunt u deze
inhoud verplaatsen naar SMARTNotebook-software door een van de volgende acties uit te
voeren:
l De inhoud knippen of kopren en vervolgens plakken
l De inhoud importeren
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
92
Knippen, plakken en kopiëren van inhoud uit andere programma's
U kunt inhoud uit andere programma's knippen en kopiëren en deze inhoud in SMART
Notebook-software plakken.
Inhoud uit andere programma's knippen
1. Selecteer in een ander programma de inhoud die u wilt knippen en selecteer vervolgens
Bewerken > Knippen.
2.
Druk in SMARTNotebook-software op Plakken .
Inhoud uit andere programma's kopiëren
1. Selecteer in een ander programma de inhoud die u wilt kopren en selecteer vervolgens
Bewerken > Kopiëren.
2.
Druk in SMARTNotebook-software op Plakken .
Inhoud importeren via SMARTNotebook Print Capture
Wanneer u SMARTNotebook-software op een computer met een WindowsXP-
besturingssysteem installeert, kunt u ook SMARTNotebook Print Capture installeren.
SMARTNotebook Print Capture werkt net zoals ieder andere printerstuurprogramma behalve
dat het uitvoer in een .notebook-bestand vastlegt in plaats van het af te drukken op papier.
Iedere pagina van een geïmporteerd bestand verschijnt als een object op de eigen pagina,
waarbij de originele indeling en pagina-einden blijven behouden.
NB
Wanneer u SMARTNotebook-software op een computer met een Windows 7- of een
Windows 8-besturingssysteem installeert, kunt u inhoud importeren met SMARTNotebook
Document Writer (zie Inhoud importeren via SMARTNotebook Document Writer op
tegenoverliggende pagina).
SMARTNotebook Print Capture gebruiken
1. In het bronbestand dat u wilt exporteren naar een .notebook-bestand selecteert u
Bestand> Afdrukken.
Het dialoogvenster Print (Afdrukken) wordt weergegeven.
2. Selecteer SMARTNotebook Print Capture in de printerlijst.
3. U kunt de paginastand en afbeeldingsresolutie veranderen (zie De paginastand en
afbeeldingsresolutie veranderen op tegenoverliggende pagina).
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
93
4. Specificeer een paginabereik en druk dan op OK of Afdrukken.
Als een bestaand .notebook-bestand niet is geopend, wordt er een nieuw .notebook-
bestand wordt geopend Iedere pagina van het bronbestand wordt op een afzonderlijke
pagina weergeven.
OF
Als een bestaand .notebook-bestand is geopend is, wordt iedere pagina van het
bronbestand in een .notebook-bestand achter de huidige pagina weergegeven.
NB
Dit proces kan enkele minuten duren.
De paginastand en afbeeldingsresolutie veranderen
1. Druk op de knop Eigenschappen of Voorkeuren .
Het dialoogvenster SMARTNotebook Print Capture Properties wordt weergegeven.
2. Selecteer Staand of Liggend.
3. Selecteer een standaardresolutie in de vervolgkeuzelijst Resolutie .
OF
Selecteer AANGEPASTE Resolutie in de vervolgkeuzelijst Resolutie en typ de nummers
in de vakken Horizontale Resolutie en Verticale Resolutie .
TIPS
o
Gebruik in beide vakken dezelfde waarde om vervorming van de afbeelding te
voorkomen.
o
Hoe hoger de resolutie, hoe groter de afbeelding.
o
Gebruik niet de opties Concept, Laag of Gemiddeld omdat deze de afbeelding
mogelijk niet proportioneel schalen.
4. Druk op OK.
Inhoud importeren via SMARTNotebook Document Writer
Wanneer u SMARTNotebook-software op een computer met een Windows 7- of Windows 8-
besturingssysteem installeert, kunt u ook SMARTNotebook Document Writer installeren.
SMARTNotebook Document Writer werkt net zoals ieder andere printerstuurprogramma
behalve dat het uitvoer in een .notebook-bestand vastlegt in plaats van het af te drukken op
papier.
NB
Wanneer u SMARTNotebook-software op een computer met een Windows XP-
besturingssysteem installeert, kunt u inhoud importeren met SMARTNotebook Print Capture
(zie Inhoud importeren via SMARTNotebook Print Capture op vorige pagina).
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
94
SMARTNotebook Document Writer gebruiken
1. In het bronbestand dat u wilt exporteren naar een .notebook-bestand selecteert u
Bestand> Afdrukken.
Het dialoogvenster Print (Afdrukken) wordt weergegeven.
2. Selecteer SMARTNotebook Document Writer in de printerlijst.
3. Verander eventueel de paginastand (zie De paginastand veranderen beneden).
4. Specificeer een paginabereik en druk dan op OK of Afdrukken.
Er wordt een dialoogvenster weergegeven.
5. Selecteer SMART Notebook-pagina's met afbeeldingen om de inhoud van het bestand
als afbeeldingen te importeren.
OF
Selecteer SMART Notebook-pagina met bewerkbare objecten om de inhoud van het
bestand als bewerkbare objecten te importeren.
NB
Als u ervoor kiest om de inhoud als bewerkbare objecten te importeren, kan het
gebeuren dat sommige objecten niet correct worden weergegeven. U kunt de inhoud
als afbeeldingen importeren.
6. Druk op OK.
Een nieuw .notebook-bestand wordt geopend Iedere pagina van het bronbestand wordt
op een afzonderlijke pagina weergeven.
De paginastand veranderen
1. Druk op Eigenschappen of Voorkeuren.
Het dialoogvenster Afdrukvoorkeuren verschijnt.
2. Selecteer Liggend of Staand in de vervolgkeuzelijst Afdrukstand .
3. Druk op OK.
PowerPoint-bestanden importeren
U kunt inhoud in een .notebook-bestand importeren vanuit verschillende bronnen waaronder
PowerPoint-bestanden.
NB
SMARTNotebook-software importeert sommige overgangs-, patroon- en
afbeeldingseffecten niet. Deze effecten kunnen daardoor incorrect in het .notebook-
bestand verschijnen.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
95
TIP
U kunt .notebook-bestanden exporteren naar PowerPoint (zie Bestanden exporteren op
pagina17).
Een PowerPoint-bestand importeren
1. Selecteer Bestand > Importeren.
Het dialoogvenster Open (Openen) wordt weergegeven.
2. Selecteer Alle PowerPoint-bestanden (*.ppt;*.pptx) in de vervolgkeuzelijst
Bestandstypen .
3. Blader naar en selecteer het PowerPoint-bestand dat u wilt importeren.
4. Druk op Open (Openen).
SMARTNotebook-software voegt de inhoud van een PowerPoint-bestand toe aan een
.notebook-bestand.
Het importeren van bestanden uit andere interactive whiteboard-programma's
U kunt inhoud in .notebook-bestanden importeren vanuit verschillende bronnen, inclusief
andere interactive whiteboardprogramma's.
Als de andere interactive whiteboardprogramma's de algemene bestandsindelingen (CFF) van
het interactive whiteboard ondersteunen, kunt u een CFF-bestand uit die programma's
importeren en daarna importeren in SMARTNotebook-software.
Een andere optie is om te proberen systeemeigen bestandsindelingen van de interactive
whiteboardprogramma's te importeren.
NB
U kunt CFF-bestanden ook exporteren (zie Bestanden exporteren op pagina17).
CFF-bestanden importeren
1. Selecteer Bestand > Importeren.
Het dialoogvenster Open (Openen) wordt weergegeven.
2. Selecteer Alle bestanden met algemene bestandsindelingen (*.iwb) in de
vervolgkeuzelijst Bestandstypen .
3. Blader naar en selecteer het bestand dat u wilt importeren.
4. Druk op Open (Openen).
Het bestand wordt geopend.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
96
Andere bestanden importeren
1.
Druk op Bestand openen .
Het dialoogvenster Open (Openen) wordt weergegeven.
2. Selecteer Alle bestanden (*.*) in de vervolgkeuzelijst Bestandstypen .
3. Blader naar en selecteer het bestand dat u wilt importeren.
4. Druk op Open (Openen).
Als u een bestand importeert dat wordt ondersteund door de SMARTNotebook-
software, wordt het bestand geopend.
OF
Als u een bestand importeert dat door de SMARTNotebook-software niet wordt
ondersteunt, zal de SMARTNotebook-software dit toevoegen aan het tabblad Bijlagen. U
kunt deze bijgevoegde bestanden openen met software van een derde partij, maar u
kunt ze niet toevoegen aan een pagina.
SMART kapp-invoegtoepassingen gebruiken
De SMART kapp-invoegtoepassing is een aparte applicatie waarmee u met kapp-invoer kunt
werken in SMART Notebook software.
NB
Voor het gebruik van de SMART kapp Notebook-invoegtoepassing zijn SMART kapp-
hardware en SMART Notebook-software voor samenwerkend leren met de SMART kapp-
software-invoegtoepassing voor een compatibel apparaat vereist. Bezoek
www.smarttech.com voor meer informatie over hoe u de invoegtoepassing kunt
bemachtigen.
De SMART kapp-invoegtoepassingen gebruiken in SMART Notebook
1. De SMART kapp-invoegtoepassingen verschijnt na installatie in het deelvenster
Invoegtoepassingen . Klik op het SMART kapp-pictogram
De SMART kapp-invoegtoepassing wordt geopend.
2. Voer de sessie-id van de SMARTkapp in die is gegenereerd door de SMART kapp-app
op het mobiele apparaat in dat is verbonden met uw kapp-board.
3. Druk op Connect(Verbinden).
De SMART kapp-sessie maakt verbinding en het venster SMARTkapp Board-weergave
verschijnt.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
97
4. Druk Open Board View(Board-weergave openen).
De live inhoud van digitale inkt van de aangesloten SMART kapp-boardweergave zal
zichtbaar zijn. Als niets op het board is geschreven zal het bericht Nothing on SMART
kapp board yet (Nog niets op het SMART kapp-board) verschijnen.
5. Als u op uw kapp-board schrijft, zal digitale inkt verschijnen in het venster van de
invoegtoepassing. U kunt inhoud ook wissen indien vereist.
6. Blader in het venster kapp-invoegtoepassing met de afspeelregelaar om in de inktsessie
vooruit en terug te gaan.
Druk op Ink to this page (Inkt naar deze pagina) of Ink to new page (Inkt naar nieuwe
pagina) om inkt toe te voegen aan SMART Notebook.
7. Sluit het venster invoegtoegpassingen om verder te gaan met SMART Notebook.
Voeg inhoud toe met behulp van de YouTube-invoegtoepassing
U kunt eenvoudig eenhoud van YouTube aan uw Notebook-pagina's toevoegen met de
YouTube-invoegtoepassing.
TIP
Gebruik als de YouTube-invoegtoepassing niet is geïnstalleerd in Notebook,
Invoegtoepassingbeheer om deze te installeren. Zie Invoegtoepassingen installeren op
pagina215.
Inhoud toevoegen met behulp van de YouTube-invoegtoepassing
1. Druk op het YouTube-pictogram in de Notebook-paginasorteerder.
Het dialoogvenster YouTube-video's toevoegen wordt geopend.
2. Typ of plak een video-URL van YouTube in het dialoogvenster en druk op de pijl ernaast.
De YouTube-video verschijnt op de huidige Notebook-pagina. Typ de zoekterm in het
venster en druk op Zoeken om een video te zoeken.
Het dialoogvenster Video's toevoegen verschijnt.
3. Druk op de video om playback te starten. Alle normale YouTube-bedieningselementen
zijn beschikbaar.
4. Selecteer de video waar u mee wilt werken. Zie Objecten selecteren op pagina60.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
98
Vergelijkingen invoegen met de Wiskundige
editor
U kunt de Wiskunde-editor gebruiken om een handgeschreven vergelijking op een pagina in
een meer leesbaar formaat in te voegen. De Wiskunde-editor herkent uw handschrift en zet
deze automatisch om naar een typografisch formaat. U kunt ook de herkende vergelijking aan
een GeoGebra-werkvel toeveoegen (zolang de vergelijking in een ondersteund grafisch
formaat is opgesteld).
Een vergelijking aan de pagina toevoegen
1.
Druk op Invoegtoepassingen , en selecteer vervolgens Vergelijking invoegen .
De Wiskundige editor verschijnt.
2. Selecteer een penhulpmiddel (zie pagina34).
3. Noteer een wiskundige vergelijking op het grafiekpapiergebied van de editor.
De handgeschreven vergelijking wordt naar een getypte vergelijking omgezet, die
onderaan het grafiekgedeelte verschijnt. Accepteer en weiger pictogrammen die naast
de herkende vergelijking verschijnen.
4.
Druk op om de herkende vergelijking te accepteren.
De getypte vergelijking verschijnt op de pagina.
OF
Druk op om de herkende vergelijking te weigeren en om de wiskundige editor te
sluiten.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
99
De herkende vergelijking aanpassen
1.
Druk op Selecteren , en druk vervolgens twee keer op de herkende vergelijking.
De handgeschreven vergelijking verschijnt in de Wiskundige editor
2. Bewerk de handgeschreven vergelijking met het hulpmiddel Wisser en een
penhulpmiddel.
De bewerkte vergelijking is herkent en verschijnt onderaan het grafiekgedeelte.
Accepteer en weiger pictogrammen die naast de herkende vergelijking verschijnen.
3.
Druk op om de herkende vergelijking te accepteren.
De vergelijking wordt door uw aanpassingen bijgewerkt.
OF
Druk op om de herkende vergelijking te weigeren en om de wiskundige editor te
sluiten.
De vergelijking wordt niet bijgewerkt.
Een herkende vergelijking aan een GeoGebra-werkvel toevoegen
1. Voeg een GeoGebra-werkvel in op de pagina (zie Content invoeren uit GeoGebra op
pagina84).
2. Sleep de vergelijking van de pagina naar het GeoGebra-widget.
De vergelijking wordt automatisch in het werkvel als een grafiek opgetekend.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
100
Internetbrowsers invoegen
U kunt een inernetbrowser in een .notebook-pagina invoegen In de internetbrowser kunt u
bladeren naar webpagina's en deze weergeven. U kunt de internetbrowser in SMART
Notebook-software net als elk ander object bewerken (zie Hoofdstuk 5: Werken met objecten
op pagina59).
NB
Als u het formaat van een internetbrowser aanpast, wordt de schaal van de inhoud van de
internetbrowser automatisch aangepast zodat u altijd de hele webpagina ziet die wordt
weergegeven.
Een internetbrowser invoegen
Een internetbrowser invoegen
1. Selecteer Invoegen > Internetbrowser.
Er verschijnt een internetbrowser.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
101
2. Dubbelklik op de adresbalk, typ het adres van de webpagina waar u naartoe wilt
bladeren en druk op Ga .
TIP
Als er geen toetsenbord aangesloten is op uw computer, klikt u op SMART-
toetsenbord om een schermtoetsenbord weer te geven.
3. Werk met de website door middel van de knoppen in de werkbalk van de
internetbrowser:
Knop Command
(Opdracht)
Handeling
Vorige De vorige webpagina weergeven.
Vooruit De volgende webpagina weergeven.
Terugkeren
naar
vastgespelde
pagina
De vastgespelde webpagina openen.
Pagina
vastzetten
Speld de huidige webpagina vast.
Wanneer u voor het eerst het .notebook-bestand opent, zal
de vastgespelde webpagina verschijnen in de
internetbrowser. U kunt op ieder moment terug naar de
vastgespelde pagina door te drukken op Terug naar
vastgespelde pagina .
Opnieuw laden De huidige webpagina opnieuw laden.
Werkbalk
verplaatsen
Verplaats de positie van de werkbalk van de
internetbrowser.
Proxyservers configureren
Internetbrowsers in SMART Notebook-software werken met alle proxyservers die voldoen aan
de HTTP-norm RFC 2068. Wanneer uw systeembeheerder SMART Notebook-software achter
een proxyserver installeert, dan moet hij/zij beleidsregels voor toegang voor inkomend en
uitgaand verkeer opstellen op die proxyserver. Uw systeembeheerder kan de
netwerkbeveiliging verder uitbreiden door verificatie, zoals basic of NTLM-verificatie (NT LAN
Manager).
NB
Hoewel proxyservers interne netwerken beschermen tegen indringers, brengen ze
onvermijdelijk vertraging op het netwerk met zich mee.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
102
Bestanden en webpagina's toevoegen
U kunt kopieën van bestanden, snelkoppelingen naar bestanden en koppelingen naar
webpagina's toevoegen met het tabblad Bijlagen.
Foor het toevoegen van bestanden of webpagina's kunt u deze items eerder vinden en
openen wanneer u een .notebookbestand presenteert.
AANTEKENINGEN
l U kunt ook een bestand of webpagina aan een object op een pagina koppelen (zie
Koppelingen aan objecten toevoegen op pagina112).
l Een andere optie voor het invoegen van een koppeling aan een webpagina, is het
invoegen van een browser in uw .notebook-bestand (zie Internetbrowsers invoegen op
pagina100).
Een kopie van een bestand toevoegen
1.
Als het tabblad Bijlagen niet zichtbaar is, druk op Bijlagen .
2. Druk op Invoegen aan de onderkant van het tabblad Bijlagen en selecteer vervolgens
Kopie van bestand invoegen.
Het dialoogvenster Bestand invoegen wordt weergegeven.
3. Blader naar en selecteer het bestand dat u wilt toevoegen.
4. Druk op Open (Openen).
De naam en de omvang van het bestand verschijnen in het tabblad Bijlagen .
NB
Wanneer u een bestand toevoegt, wordt de omvang van het .notebook-bestand groter.
Hoewel SMARTNotebook-software bestanden comprimeert om ruimte te besparen,
kan SMARTNotebook-software sommige bestanden meer comprimeren dan anderen.
Een snelkoppeling naar een bestand toevoegen
1.
Als het tabblad Bijlagen niet zichtbaar is, druk op Bijlagen .
2. Druk op Invoegen aan de onderkant van het tabblad Bijlagen en selecteer dan
Snelkoppeling van bestand invoegen.
Het dialoogvenster Snelkopperling van bestand invoegen verschijnt.
3. Blader naar en selecteer het bestand dat u wilt toevoegen.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
103
4. Druk op Open (Openen).
De naam en de Snelkoppeling worden weergegeven in het tabblad Bijlagen .
AANTEKENINGEN
o
SMARTNotebook-software exporteert geen snelkoppelingen. Als u
bestandsbijlagen wilt exporteren, voegt u een kopie van uw bestand toe, niet de
snelkoppeling naar het bestand.
o
Zorg ervoor dat het bestand bereikbaar is op de computer die u wilt gebruiken
tijdens de les.
Een koppeling aan een webpagina toevoegen
1.
Als het tabblad Bijlagen niet zichtbaar is, druk op Bijlagen .
2. Druk op Invoegen aan de onderkant van het tabblad Bijlagen en selecteer vervolgens
Hyperlink invoegen.
Het dialoogvenster Hyperlink invoegen wordt weergegeven.
3. Typ het adres van de webpagina in het vak Hyperlink .
4. Typ een naam voor de koppeling in het vak Naam tonen .
5. Druk op OK.
De naam en de URL worden weergegeven in het tabblad Bijlagen .
Een bestand of webpagina van het tabblad Bijlagen openen
1.
Als het tabblad Bijlagen niet zichtbaar is, druk op Bijlagen .
Het tabblad Bijlagen bevat alle bijlagen in het geopende bestand.
o
Als een bijgevoegd onderdeel een kopie van een bestand is, zal de omvang van het
bestand worden weergegeven in de kolom Omvang .
o
Als een bijgevoegd onderdeel een snelkoppeling naar een bestand is, wordt
Snelkoppeling weergegeven in de kolom Omvang .
o
Als een bijgevoegd onderdeel een snelkoppeling naar een bestand is, wordt URL
weergegeven in de kolom Omvang .
2. Dubbelklik op de bestandsnaam of snelkoppeling om een bestand te openen.
OF
Dubbelklik op de koppeling om een webpagina te openen.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
104
Inhoud organiseren en delen met de galerie
De galerie is een tabblad in de SMARTNotebook softwaregebruikersinterface waar u kunt
bladeren of zoeken naar inhoud en die inhoud in uw .notebook-bestand . De galerie bestaat uit
een reeks categorieën, waaronder de categorie Mijn Inhoud.
Als u dezelfde inhoud in verschillende .notebook-bestanden gebruikt, kunt u deze inhoud
toevoegen aan de categorie Mijn Inhoud. U kunt inhoud uit de categorie Mijn Inhoud met
andere lesgevers binnen uw school delen door galerieverzamelingen te importeren of
exporteren. U kunt ook verbinding maken met de Team Inhoud-categorieën waaraan u en
andere lesgevers in uw school bijdragen.
Nadat u inhoud hebt toegevoegd aan de galerie, kunt u deze invoegen in .notebook-
bestanden zoals beschreven in Inhoud van de galerie invoegen op pagina82.
Inhoud toevoegen aan de galerie
U kunt objecten en pagina's uit de SMARTNotebook-software en ondersteunende bestanden
toevoegen aan de categorie Mijn Inhoud in de galerie.
Een object toevoegen aan de galerie
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Selecteer het object dat u wilt toevoegen aan de galerie.
3. Sleep het object van de pagina naar de galeriecategorie Mijn Inhoud of een van de
subcategorieën.
AANTEKENINGEN
o
U kunt een object niet slepen als deze op zijn plaats is vergrendeld (zie Objecten
vergrendelen op pagina116).
o
Als u de naam van een galerie-item wilt veranderen, selecteert u het item, drukt u
op de menupijl en selecteert Naam wijzigen.
Een pagina toevoegen aan de galerie
1. Objecten op de pagina maken en wijzigen totdat de pagina naar uw zin is.
2. Selecteer Bestand > Pagina exporteren als galerie-item.
Het dialoogvenster Pagina als galerie-item opslaan verschijnt.
3. Blader naar de map waar u de pagina wilt opslaan.
4. Typ een naam voor de pagina in het venster Bestandsnaam .
5. Druk op Save (Opslaan).
6.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
105
7. Selecteer Mijn Inhoud (of een van de subcategorieën) in de categorieënlijst van de
galerie, druk op de menupijl en selecteer Toevoegen aan mijn inhoud.
Het dialoogvenster Toevoegen aan mijn inhoud verschijnt.
8. Blader en selecteer het item dat u heeft opgeslagen in stap 5.
9. Druk op Open (Openen).
Een ondersteunend bestand toevoegen aan de galerie
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Selecteer Mijn Inhoud (of een van de subcategorieën) in de categorieënlijst van de
galerie, druk op de menupijl en selecteer Toevoegen aan mijn inhoud.
Het dialoogvenster Toevoegen aan mijn inhoud verschijnt.
3. Blader en selecteer het item dat u wilt toevoegen aan de galerie.
4. Druk op Open (Openen).
NB
SMARTNotebook software geeft het nieuwe galerie-item standaard de naam van het
originele bestand. Als u de naam van het item wilt veranderen, selecteert u de miniatuur
van de galerie-item, drukt u op de menupijl en selecteert Naam wijzigen.
Inhoud organiseren in de galerie
Wanneer u objecten, pagina's en ondersteunde bestanden toevoegt aan de galerie-categorie
Mijn inhoud, kunt u de structuur van de categorie reorganiseren. U kunt subcategorieën maken
en galerie-items verplaatsen tussen de subcategorieën.
Een subcategorie maken
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Selecteer Mijn Inhoud (of een van de subcategorieën) in de categorieënlijst van de
galerie, druk op de menupijl en selecteer dan Nieuwe map.
Er verschijnt een nieuwe subcategorie.
3. Typ een naam voor de nieuwe subcategorie en druk dan op ENTER.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
106
Een nieuwe naam geven aan een subcategorie
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Selecteer Mijn Inhoud in de categorieënlijst van de galerie en blader vervolgens naar de
subcategorie die u wilt hernoemen.
3. Selecteer de subcategorie, druk op de menupijl en selecteer Naam wijzigen.
4. Typ een nieuwe naam voor de subcategorie en druk dan op ENTER.
Een galerie-item verplaatsen naar een andere subcategorie
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Blader naar de categorie waar het galerie-item dat u wilt verplaatsen zich bevindt.
De galerie toont de inhoud van de categorie.
3. Sleep het item naar een andere subcategorie.
Inhoud met andere docenten delen
Het importeren en exporteren van verzamelingen is een ideale manier om aangepaste
categorieën te delen met andere lesgevers en om categorieën te gebruiken die door andere
lesgevers gemaakt zijn. U kunt verzamelingen gebruiken om items toe te voegen aan de
galerie-categorie Mijn inhoud. Nadat u een verzameling heeft geïmporteerd, verschijnen alle
items in de galerie als nieuwe subcategorie.
Een verzameling importeren van een andere lesgever
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Selecteer Mijn Inhoud (of een van de subcategorieën) in de categorieënlijst van de
galerie, druk op de menupijl en selecteer Toevoegen aan mijn inhoud.
Het dialoogvenster Toevoegen aan mijn inhoud verschijnt.
3. Blader naar de map waar de verzameling die u wilt importeren zich bevindt.
NB
Een verzameling heeft een .galerie extensie.
4. Selecteer de verzameling en druk op Openen.
De verzameling verschijnt als een nieuwe subcategorie.
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
107
Een verzameling exporteren om met andere lesgevers de delen
1. Selecteer de categorie waarin de items staan die u wilt opslaan in een verzameling.
NB
SMARTNotebook-software exporteert de geselecteerde categorie maar selecteert
geen van zijn subcategorieën.
2. Druk op de menupijl van de categorie en selecteer Exporteren als verzameling.
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
3. Blader naar de map waar u de verzameling wilt opslaan.
4. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
5. Druk op Save (Opslaan).
Verbinding maken met Team Inhoud-categorieën
Met de categoriefunctie van Team Inhoud kunt u een verbinding maken met de galerie-inhoud
op een gedeelde locatie op het netwerk van uw school. Meerdere lesgevers kunnen
verbinding maken met dezelfde folder. SMARTNotebook-software actualiseert automatisch
uw wijzigingen voor alle andere lesgevers.
NB
Uw toegangsrechten tot de categorie Team Inhoud zijn dezelfde als uw toegangsrechten
tot uw folder op het netwerk van uw school. Als u volledige toegang tot een map op het
netwerk heeft, kunt u items toevoegen of verwijderen in de Team Inhoud-categorie van die
map. Als u alleen-lezen toegang tot de map heeft, kunt u items kopren uit de categorie
Team Inhoud, maar u kunt geen items toevoegen, bewerken of verwijderen.
Verbinding maken met een Team Inhoud-categorie
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2.
Druk op Extra galerie-acties weergeven, en selecteer Verbinding maken met Team
Inhoud.
Het dialoogvenster Bladeren naar folder verschijnt.
3. Blader en selecteer de map waarin de Team Inhoud-categorie waarmee u verbinding wilt
maken, zich bevindt, en druk op OK.
De Team Inhoudcategorie verschijnt in de galerie.
Een bijdrage leveren aan een Team Inhoud-categorie
U voegt inhoud aan een Team Inhoud-categorie op dezelfde wijze toe als aan een Mijn
Inhoud categorie (zie Inhoud toevoegen aan de galerie op pagina104).
HOOFDSTUK 6
HET INVOEGEN, ORGANISEREN EN DELEN VAN INHOUD
108
Inhoud delen met de SMARTExchange-
website
Naast het delen van inhoud met andere docenten op uw school (zie Inhoud met andere
docenten delen op pagina106), kunt u .notebook-bestanden delen met docenten over de
hele wereld met behulp van de SMARTExchange-website (exchange.smarttech.com).
Een .notebook-bestand delen via de SMARTExchange-website
1. Open het .notebook-bestand die u wilt delen.
2. Selecteer Bestand > Delen met SMART Exchange.
Er wordt een dialoogvenster weergegeven.
3. Als u voor de eerste keer op de SMARTExchange-website bent, drukt u op Gratis
registreren!en volgt u de instructies op het scherm om een nieuw account aan te maken.
OF
Als u al een account heeft, typt u uw e-mailadres in het vak E-mailadres en uw
wachtwoord in het vak Wachtwoord en drukt u vervolgens op Aanmelden.
TIPS
o
Als u uw wachtwoord bent vergeten, klikt u op Wachtwoord vergetenen volgt u
de instructies op het scherm om uw wachtwoord te herstellen.
o
Als u niet iedere keer dat u inhoud deelt opnieuw wilt inloggen op de
SMARTExchange-website, selecteert u het selectievakje Aangemeld blijven .
4. Typ de juist gegevens:
Controle overnemen Instructies
Voer brongegevens in Typ een titel voor het .notebook-bestand.
Beschrijving Typ een omschrijving van het .notebook-bestand.
Vak(ken) Selecteer de onderwerpen waar het .notebook-bestand
betrekking op heeft.
Cijfer(s) Selecteer de cijfers waar het .notebook-bestand betrekking
op heeft.
Zoektermen Typ woorden of zinsneden die andere SMARTExchange-
gebruikers waarschijnlijk zullen invoeren wanneer zij zoeken
naar het .notebook-bestand . Scheid de woorden of
zinsneden met komma's.
5. Lees de overeenkomst voor het delen van inhoud.
6. Als u de overeenkomst voor het delen van inhoud accepteert, drukt u op Akkoord gaan
en inzenden.
Hoofdstuk 7
109
Hoofdstuk 7: Lesactiviteiten maken
Geavanceerde objectfuncties gebruiken 110
Aangepaste creatieve penstijlen maken 110
Koppelingen aan objecten toevoegen 112
Geluiden aan objecten toevoegen 114
Objecten animeren 116
Objecten vergrendelen 116
Geavanceerde paginafuncties gebruiken 118
Paginaranden voor studenten tonen 118
Pagina's opnemen met de lesrecorder 119
Pagina-achtergronden en -thema's toepassen 120
Pagina-achtergronden toepassen met het tabblad Eigenschappen 120
Pagina-achtergronden en -thema's toepassen met de galerij 123
Thema's creëren 124
Zichtbare lesactiviteiten 124
Een overeenkomende lesactiviteit maken 125
Een lesactiviteit in weergeven- en verbergen maken 127
Zichtbare lesactiviteit maken 129
Andere typen lesactiviteiten maken 131
Met SMART Notebook-software kunt u niet alleen informatie aan uw studenten presenteren
maar ze ook bij de les betrekken door middel van interactieve lesactiviteiten.
U kunt lesactiviteiten maken door het invoegen van objecten, zoals vormen, afbeeldingen en
tabellen en door het gebruiken van toepassingen als de Activity Builder en het vergrotings-
/verkleiningsgebaar.
Deze sectie documenteert de geavanceerde functies die u kunt gebruiken om lesactiviteiten
te maken en toont u hoe u een set van voorbeeldlesactiviteiten kunt maken. U kunt deze
lesactiviteiten uit het voorbeeld gebruiken of uw eigen activiteiten ontwikkelen. U kunt ook
gebruik maken van de bronnen die beschikbaar zijn in de galerij en op de SMARTExchange-
website.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
110
Geavanceerde objectfuncties gebruiken
U kunt de volgende geavanceerde objectfuncties gebruiken bij het maken van lesactiviteiten:
l Aangepaste creatieve penstijlen
l Objectkoppelingen
l Objectgeluiden
l Objectanimatie
l Een hulpmiddel aan een object koppelen
U kunt ook objecten vergrendelen waarvan u niet wilt dat ze worden verplaatst of op een
andere manier worden gewijzigd tijdens de presentatie of lesactiviteit.
Aangepaste creatieve penstijlen maken
SMARTNotebook-software bevat acht creatieve pen-stijlen (zie Schrijven en tekenen met
digitale inkt op pagina34). Naast deze stijlen kunt u ook uw eigen stijlen maken met behulp
van foto's of objecten uit de momenteel geselecteerde pagina.
Een aangepaste creatieve penstijl maken met behulp van een afbeelding
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Creatieve pen.
3. Selecteer een lijnstijl.
4.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
5. Druk op Lijnstijl.
6. Selecteer Een aangepaste stempelafbeelding gebruiken.
7. Klik op Bladeren.
Het dialoogvenster Een afbeeldingsbestand invoegen wordt weergegeven.
8. Blader naar en selecteer de afbeelding die u wilt gebruiken voor de creatieve penstijl.
9. Druk op Open (Openen).
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
111
10. Schrijf of teken op de pagina met digitale inkt.
TIP
o
Om het standaard lijntype te blijven gebruiken, selecteert u Het standaardpatroon
gebruiken.
o
Als u de aangepaste creatieve penstijl wilt bewaren om later weer te gebruiken,
druk dan op Tool-eigenschappen opslaan. U kunt de creatieve penstijl later weer
resetten (zie De werkbalk aanpassen op pagina219).
Een aangepaste creatieve pen maken met behulp van een object
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Creatieve pen.
3.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
4. Druk op Lijnstijl.
5. Selecteer Een aangepaste stempelafbeelding gebruiken.
6. Druk op Object selecterenen selecteer vervolgens een object op de pagina.
7. Schrijf of teken op de pagina met digitale inkt.
TIP
o
Om het standaard lijntype te blijven gebruiken, selecteert u Het standaardpatroon
gebruiken.
o
Als u de aangepaste creatieve penstijl wilt bewaren om later weer te gebruiken,
druk dan op Tool-eigenschappen opslaan. U kunt de creatieve penstijl later weer
resetten (zie De werkbalk aanpassen op pagina219).
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
112
Koppelingen aan objecten toevoegen
U kunt ieder object op een pagina koppelen aan een webpagina, een andere pagina in het
bestand, een bestand op uw computer of een bijlage. Een bijlage is een kopie van een
bestand, een snelkoppeling naar een bestand of een koppeling naar een webpagina die u aan
het tabblad Bijlagen toevoegt.
NB
U kunt geanimeerde koppelingsaanduidingen weergeven rondom alle koppelingen op een
pagina (zie Koppelingen tonen op pagina174).
Een koppeling aan een webpagina toevoegen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Link (Koppelen).
Het dialoogvenster Insert Link (Koppeling invoegen) wordt weergegeven.
3. Druk op Webpagina, en typ het webadres in het vak Adres .
4. Als u een koppeling wilt openen door op een pictogram te drukken, selecteert u
Hoekpictogram.
OF
Als u een koppeling wilt openen door ergens in het object te drukken, selecteert u
Object.
5. Druk op OK.
Als u het Hoekpictogramselecteert zal het pictogram verschijnen in de linker
benedenhoek van het object.
Een koppeling invoegen in een andere pagina in het bestand
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Link (Koppelen).
Het dialoogvenster Insert Link (Koppeling invoegen) wordt weergegeven.
3. Druk op Pagina in dit bestand, en selecteer een optie in het gebied Selecteer een
pagina .
4. Als u een koppeling wilt openen door op een pictogram te drukken, selecteert u
Hoekpictogram.
OF
Als u een koppeling wilt openen door ergens in het object te drukken, selecteert u
Object.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
113
5. Druk op OK.
Als u het Hoekpictogramselecteert zal het pictogram verschijnen in de linker
benedenhoek van het object.
Een koppeling toevoegen aan een bestand op uw computer
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Link (Koppelen).
Het dialoogvenster Insert Link (Koppeling invoegen) wordt weergegeven.
3. Druk op Bestand op deze computer, en typ de locatie en naam van het bestand in het
vak Bestand .
4. Als u een kopie van het bestand wilt toevoegen, selecteert u Kopie van het bestand.
OF
Als u een snelkoppeling naar een bestand wilt invoegen, selecteert u Snelkoppeling naar
bestand.
5. Als u een koppeling wilt openen door op een pictogram te drukken, selecteert u
Hoekpictogram.
OF
Als u een koppeling wilt openen door ergens in het object te drukken, selecteert u
Object.
6. Druk op OK.
Als u het Hoekpictogramselecteert zal het pictogram verschijnen in de linker
benedenhoek van het object.
Een koppeling aan een bijlage toevoegen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Link (Koppelen).
Het dialoogvenster Insert Link (Koppeling invoegen) wordt weergegeven.
3. Druk op Huidige bijlagen, en selecteer de bijlage in de lijst.
4. Als u een koppeling wilt openen door op een pictogram te drukken, selecteert u
Hoekpictogram.
OF
Als u een koppeling wilt openen door ergens in het object te drukken, selecteert u
Object.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
114
5. Druk op OK.
Als u het Hoekpictogramselecteert zal het pictogram verschijnen in de linker
benedenhoek van het object.
Een koppeling verwijderen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Link (Koppelen).
Het dialoogvenster Insert Link (Koppeling invoegen) wordt weergegeven.
3. Druk op Remove Link (Koppeling verwijderen).
Geluiden aan objecten toevoegen
U kunt aan ieder object een geluid toevoegen (behalve bestanden en widgets die compatibel
zijn met AdobeFlash Player) door een geluidsbestand toe te voegen of geluid op te nemen
met de microfoon van de computer. U kunt het geluid afspelen tijdens de les door op het
pictogram in de hoek van het object te drukken of op het object zelf.
NB
SMARTNotebook-software ondersteunt de MP3-audio-indeling. Als u wilt dat
SMARTNotebook-software andere bestandsindelingen ondersteunt, kunt u extra
coderingsprogramma's installeren (zie Coderingsprogramma's installeren voor extra
indelingen op pagina91).
Een geluidsbestand aan een object toevoegen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Geluid.
Het dialoogvenster Geluid invoegen verschijnt.
3. Druk op Browse (Bladeren).
Het dialoogvenster Bestand invoegen verschijnt.
4. Blader naar en selecteer het geluidsbestand dat u wilt openen en druk op Openen.
5. Selecteer Hoekpictogram als u het geluidsbestand wilt afspelen wanneer u op een
pictogram in de linker benedenhoek van het object klikt.
OF
Selecteer Object als u het geluidsbestand wilt afspelen wanneer u ergens op het object
klikt.
6. Druk op Geluid toevoegen.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
115
Een opgenomen geluid aan een object toevoegen
1. Sluit een microfoon aan op uw computer en zet deze aan.
2. Selecteer het object.
3. Druk op de menupijl van het object en selecteer Geluid.
Het dialoogvenster Geluid invoegen verschijnt.
4. Klik op Opname starten.
5. Geluid opnemen met de microfoon.
BELANGRIJK
SMARTNotebook-software stopt met opnemen na een minuut. Zorg er daarom voor
dat het geluid niet langer dan een minuut duurt.
6. Klik op Opname stoppen.
7. Typ een naam voor het geluid in het vak Naam opname .
8. U kunt ook klikken op Voorbeeld opname om het geluid te horen voordat u het toevoegt
aan het object.
9. Selecteer Hoekpictogram als u het geluidsbestand wilt afspelen wanneer u op een
pictogram in de linker benedenhoek van het object klikt.
OF
Selecteer Object als u het geluidsbestand wilt afspelen wanneer u ergens op het object
klikt.
10. Druk op Opname toevoegen.
Een geluid van een object verwijderen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer Geluid.
Het dialoogvenster Geluid invoegen verschijnt.
3. Druk op Geluid verwijderen.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
116
Objecten animeren
U kunt een object animeren zodat het vanaf de zijkant de pagina op vliegt, draait, fade in, slinkt
en meer. U kunt instellen dat de animatie van start gaat wanneer u de pagina opent of wanneer
u op het object drukt.
Een object animeren
1. Selecteer het object.
2.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
3. Druk op Object animeren.
4. Selecteer opties in de vervolgkeuzelijsten Type, Richting, Snelheid, Plaatsvinden en
Herhalingen .
Objecten vergrendelen
U kunt een object vergrendelen om te voorkomen dat het object wordt gewijzigd, verplaatst
of gedraaid. U kunt ook een object vergrendelen maar verplaatsing beperken naar horizontale
of verticale beweging, of u kunt toestaan dat het verder wordt verplaatst en gedraaid.
U kunt de vergrendeling op ieder gewenst moment opheffen.
Een object vergrendelen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer dan Lock > Lock in Place
(Vergrendelen > Op plaats vergrendelen).
U kunt het object niet verplaatsen, draaien of wijzigen totdat u het heeft ontgrendelt.
NB
Als u op een vergrendeld object drukt, verschijnt er een pictogram Vergrendelen in
plaats van een menupijl.
Een object vergrendelen maar het verplaatsen ervan toestaan
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
117
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer dan Lock > Allow Move
(Vergrendelen > Verplaatsen toestaan).
U kunt het object verplaatsen maar kunt het niet draaien of wijzigen totdat u het heeft
ontgrendelt.
NB
Als u op een vergrendeld object drukt, verschijnt er een pictogram Vergrendelen in
plaats van een menupijl.
Een object vergrendelen maar het verticaal verplaatsen ervan toestaan
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer dan Lock > Allow Vertical Move
(Vergrendelen > Verticaal verplaatsen toestaan).
U kunt het object verticaal verplaatsen, maar u kunt het niet draaien of wijzigen totdat u
het heeft ontgrendeld.
NB
Als u op een vergrendeld object drukt, verschijnt er een pictogram Vergrendelen in
plaats van een menupijl.
Een object vergrendelen maar het horizontaal verplaatsen ervan toestaan
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer dan Lock > Allow Horizontal Move
(Vergrendelen > Horizontaal verplaatsen toestaan).
U kunt het object horizontaal verplaatsen, maar u kunt het niet draaien of wijzigen totdat u
het heeft ontgrendeld.
NB
Als u op een vergrendeld object drukt, verschijnt er een pictogram Vergrendelen in
plaats van een menupijl.
Een object vergrendelen maar het verplaatsen en draaien ervan toestaan
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
118
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer dan Lock > Allow Move and Rotate
(Vergrendelen > Verplaatsen en draaien toestaan).
U kunt het object verplaatsen en draaien maar kunt het niet wijzigen totdat u het heeft
ontgrendelt.
NB
Als u op een vergrendeld object drukt, verschijnt er een pictogram Vergrendelen in
plaats van een menupijl.
Een object ontgrendelen
1. Selecteer het object.
2.
Druk op het pictogram Vergrendelen van het object en selecteer Unlock
(Ontgrendelen).
Geavanceerde paginafuncties gebruiken
U kunt de volgende geavanceerde paginafuncties gebruiken bij het maken van lesactiviteiten:
l Paginaranden voor leerlingen
l Paginaopname
l Pagina-achtergronden en thema's
Paginaranden voor studenten tonen
Als uw studenten gebruik maken van SMARTNotebookSE(Student Edition)-software om
vragen te beantwoorden en proefwerken te doen, vindt u het misschien handig om bij het
maken van vragen een paginarand voor studenten weer te geven, waarmee u kunt zien welk
gedeelte van de pagina zichtbaar is op de computers van de studenten.
NB
Deze procedure is alleen van toepassing als u SMARTResponse-software gebruikt in CE-
modus.
Een paginarand voor studenten weergeven
1. Selecteer Weergave > Uitlijnen.
Het dialoogvenster Uitlijning verschijnt.
2. Druk Paginarand van leerling.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
119
3. Selecteer het selectievakje Toon een rand rondom het gedeelte dat in SMART
Notebook SE zichtbaar is tijdens een proefwerk .
4. Selecteer Vooringestelde waardeen selecteer vervolgens een schermresolutie uit de
vervolgkeuzelijst.
OF
Selecteer Aangepaste waardeen typ vervolgens de breedte en hoogte van de schermen
van uw studenten in de vakken.
5. Druk op OK.
Er verschijnt een gekleurde rand op de pagina rondom het gebied dat studenten vanaf
hun computer kunnen zien.
Pagina's opnemen met de lesrecorder
U kunt de invoegtoepassing Lesrecorder gebruiken om uw activiteiten op een pagina op te
nemen. U kunt vervolgens de opname op dezelfde pagina afspelen door de Lesrecorder of
de nieuwe playback-widget te gebruiken.
NB
SMART Recorder is een ander maar vergelijkbaar hulpmiddel. Met SMART Recorder kunt u
uw acties opnemen in alle programma's behalve SMARTNotebook-software. Met SMART
Recorder kunt u een volledig scherm, een bepaald venster of een rechthoekig deel van het
scherm opnemen. Als u een microfoon aansluit op uw computer, kunt u ook audio opnemen.
Zie voor meer informatie SMART-recorder gebruiken op pagina189.
Een pagina opnemen
1.
Druk op Add-ons (Invoegtoepassingen) en druk dan op Lesson Recorder
(Lesrecorder).
2.
Druk op New Recording (Nieuwe opname).
Een rode rechthoek verschijnt om de opgenomen pagina.
3. Voer de acties uit die u wilt opnemen op de huidige pagina.
4.
Druk op Stop Recording (Opname stoppen) wanneer u klaar bent met deze acties.
TIPS
o
Om uw opname op te slaan, slaat u simpelweg het .notebook -bestand op.
o
Sluit de invoegtoepassing Lesrecorder tijdens presentaties. De playback-widget
verschijnt onderaan de pagina. U kunt deze ontgrendelen en overal op de pagina
verplaatsen.
o
U kunt de opname niet van de pagina verwijderen.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
120
Een paginaopname afspelen met de invoegtoepassing Lesrecorder
1. Open de pagina die u hebt opgenomen.
2.
Als de invoegtoepassing Lesrecorder niet open is, druk dan op Add-ons
(Invoegtoepassingen) en druk vervolgens op Lesson Recorder (Lesrecorder).
3.
Druk op Play (Afspelen) op de playback-werkbalk.
U kunt wisselen tussen Play (Afspelen) en Pause (Pauzeren) wanneer u de opname
afspeelt.
4. U kunt eventueel het volgende doen:
o
Druk op Rewind (Terugspoelen) om de opname terug te spoelen.
o
Druk op Fast forward (Vooruitspoelen) om de opname vooruit te spoelen.
Een paginaopname afspelen met de playback-widget
1. Open de pagina die u hebt opgenomen.
2.
Druk op op de titelbalk van de invoegtoepassing om Lesrecorder te sluiten als deze
open is.
De playback-widget verschijnt onderaan de pagina.
TIPS
U kunt de widget ontgrendelen en overal op de pagina plaatsen waar u er eenvoudig
toegang tot hebt tijdens uw presentatie.
3.
Druk op Play (Afspelen) in de playback-widget.
U kunt wisselen tussen Play (Afspelen) en Pause (Pauzeren) wanneer u de opname
afspeelt.
4. U kunt eventueel het volgende doen:
o
Druk op Rewind (Terugspoelen) om de opname terug te spoelen.
o
Druk op Fast forward (Vooruitspoelen) om de opname vooruit te spoelen.
Pagina-achtergronden en -thema's toepassen
U kunt de vormgeving van de pagina-achtergronden instellen met het tabblad Eigenschappen
of de galerij.
Pagina-achtergronden toepassen met het tabblad Eigenschappen
U kunt een pagina-achtergrond met het tabblad Eigenschappen instellen als één kleur, als een
overgang van twee kleuren, een patroon of een afbeelding.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
121
Een achtergrond toepassen
1. Selecteer Formaat > Pagina > Achtergrondopvulling instellen.
Het tabblad Eigenschappen toont de opties Opvuleffecten .
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
122
2. Selecteer een opvulstijl:
Opvulstijl Procedure (Procedure)
Geen
(doorschijnend)
Selecteer Geen opvulling.
Effen kleur
a.
Selecteer Solid fill(Vaste vulling).
b.
Voer een van de volgende acties uit:
o
Selecteer een van de 40 kleuren uit het palet.
o
Druk op More (Meer) en selecteer vervolgens een kleur
in het dialoogvenster.
o
Druk op het pictogram Pipet en selecteer
vervolgens een kleur op het scherm.
Kleurovergang
tussen twee kleuren
a.
Selecteer Gradient fill (Opvulling met kleurovergang).
b.
Voor beide kleuren een van de volgende acties uit:
o
Selecteer een van de 40 kleuren uit het palet.
o
Druk op More (Meer) en selecteer vervolgens een kleur
in het dialoogvenster.
o
Druk op het pictogram Pipet en selecteer
vervolgens een kleur op het scherm.
c.
Selecteer een optie uit de vervolgkeuzelijst Style (Stijl).
Patroon
a.
Selecteer Pattern fill (Opvulpatroon).
b.
Selecteer een patroon.
c.
Druk op Foreground Color (Voorgrondkleur), selecteer een
kleur in het dialoogvenster en druk vervolgens op OK.
d.
Druk op Background color (Achtergrondkleur), selecteer
een kleur in het dialoogvenster en druk vervolgens op OK.
Beeld
a.
Selecteer Image fill (Beeldvulling).
b.
Druk op Browse (Bladeren).
Het dialoogvenster Een afbeeldingsbestand invoegen
wordt weergegeven.
c.
Blader naar en selecteer de afbeelding die u als achtergrond
wilt gebruiken en druk vervolgens op Open (Openen).
NB
Als u een grote afbeelding toevoegt, kan het zijn dat er
een dialoogvenster verschijnt en u gevraagd wordt om de
grootte van de afbeelding te verkleinen of te behouden.
Zie voor meer informatie
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren instellen op
pagina223.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
123
Een achtergrond verwijderen
1. Selecteer Formaat > Pagina > Achtergrondopvulling instellen.
Het tabblad Eigenschappen toont de opties Opvuleffecten .
2. Selecteer Geen opvulling.
Pagina-achtergronden en -thema's toepassen met de galerij
U kunt instellen dat een pagina, alle pagina's uit een groep of alle pagina's in een bestand, een
achtergrond of thema hebben uit de galerij.
Een achtergrond of thema toepassen
1.
Als de galerie niet zichtbaar is, druk dan op Galerie .
2. Selecteer Mijn Inhoud in de categorielijst van de galerij om uw eigen achtergronden en
thema's te bekijken (zie Thema's creëren op volgende pagina).
OF
Selecteer Galerie-essentials om de achtergronden en thema's die u heeft geïnstalleerd te
bekijken met de software.
3. Selecteer Achtergronden en thema's.
De galerij toont miniaturen van de beschikbare achtergronden en thema's.
4. Druk op de miniatuur van het thema die u wilt toepassen.
5. Druk op de menupijl van de miniatuur en selecteer Invoegen in Notebook.
Het dialoogvenster Thema invoegen verschijnt.
6. Selecteer Thema invoegen op alle pagina's om de achtergrond of het thema toe te
passen op alle pagina's in een bestand.
OF
Selecteer Thema invoegen op alle pagina's van de huidige groep om de achtergrond of
het thema toe te passen op alle pagina's in de huidige groep.
OF
Selecteer Thema alleen op huidige pagina invoegen om de achtergrond of het thema op
de huidige pagina toe te passen.
7. Druk op OK.
Een achtergrond of thema verwijderen
1. Rechterklik op de pagina.
2. Selecteer Thema verwijderen.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
124
3. Selecteer Van alle pagina's om de achtergrond of het thema uit alle pagina's waar u dit
hebt toegepast te verwijderen.
OF
Selecteer Van pagina om de achtergrond of het thema alleen uit de geselecteerde
pagina te verwijderen.
Thema's creëren
U kunt thema's gebruiken om pagina's aan te passen. U kunt een thema gebruiken en het
vervolgens aan de galerij toevoegen zo dat het altijd op een handige plek te vinden is. U kunt
daarna dit thema toevoegen aan een bepaalde pagina, aan alle pagina's binnen een groep of
aan alle pagina's binnen een bestand.
De galerij bevat ook enkele thema's.
Een thema maken
1. Selecteer Indeling > Thema's > Een nieuw thema maken.
2. Typ een naam voor het thema in het vak Themanaam .
3. Stel een achtergrond in op dezelfde manier als voor pagina (zie Pagina-achtergronden
en -thema's toepassen op pagina120).
4. Voeg objecten toe en bewerk deze op dezelfde manier als voor een pagina (zie
Hoofdstuk 4: Basisobjecten creëren op pagina33).
5. Druk op Save (Opslaan).
Het thema verschijnt in de galerij onder de categorie Mijn inhoud .
Een thema maken dat is gebaseerd op de huidige pagina
1. Selecteer Indeling > Thema's > Nieuw thema maken van pagina.
2. Typ een naam voor het thema in het vak Themanaam .
3. Druk op Save (Opslaan).
Het thema verschijnt in de galerij onder de categorie Mijn inhoud .
Zichtbare lesactiviteiten
Dit gedeelte bevat voorbeeldlesactiviteiten die u kunt maken en legt ook uit hoe u andere
typen lesactiviteiten kunt maken.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
125
Een overeenkomende lesactiviteit maken
NB
Bij het maken van lesactiviteiten met verbinden zult u de volgende taken uitvoeren:
l De Activity Builder gebruiken
l Geluiden toevoegen aan objecten (zie Geluiden aan objecten toevoegen op
pagina114)
Met de Activity Builder kunt u verbindingsactiviteiten, sorteeractiviteiten, labelactiviteiten,
spelletjes en nog veel meer maken aan de hand van uw eigen inhoud.
Met de Activity Builder definieert u een object op de pagina als activiteitenobject. Vervolgens
definieert u welke ander objecten zullen worden geaccepteerd en welke zullen worden
geweigerd als ze naar dit activiteitenobject worden toe gesleept.
Een lesactiviteit met verbinden maken
1. Maak het object dat u wilt gebruiken als activiteitenobject, en maak ook de objecten die
geaccepteerd of geweigerd moeten worden wanneer ze naar het activiteitenobject
worden toe gesleept.
2.
Druk op Invoegtoepassingen en druk vervolgens op Activiteitenbouwer.
3. Selecteer het object dat u wilt gebruiken als activiteitenobject en druk vervolgens op
Bewerken.
4. Sleep de objecten die u wilt laten accepteren naar de lijst Deze objecten accepteren .
Er verschijnt een groen vinkje naast de geaccepteerde objecten.
5. Sleep de objecten die u wilt laten weigeren naar de lijst Deze objecten weigeren .
Er verschijnt een rood kruisje naast de geweigerde objecten.
AANTEKENINGEN
o
Om snel alle overgebleven objecten op de pagina aan accepteren of weigeren
toe te voegen, drukt u op Alle resterenden toevoegen in de juiste lijst.
o
Om een object uit een lijst te verwijderen, sleept u het naar het
prullenbakpictogram .
6. Druk op Done (Gereed).
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
126
De instellingen veranderen voor een een lesactiviteit met verbinden
1.
Druk op Invoegtoepassingen en druk vervolgens op Activiteitenbouwer.
2. Selecteer het activiteitenobject en druk op Bewerken.
TIP
Druk op Identificerenals u twijfelt welk object het activiteitenobject is.
Activiteitenobjecten zijn nu drie seconden lang te herkennen aan de diagonale blauwe
lijnen die erop verschijnen.
3. Druk op Instellingen.
4. Selecteer de gewenste animatie voor geaccepteerde objecten in het eerste
vervolgkeuzemenu Animatie .
5. U kunt eventueel het selectievakje Ook geluid van het object afspelen aanvinken om zo
het geluid wat is toegevoegd aan de geaccepteerde objecten af te spelen zodra de
objecten naar het activiteitenobject worden toe gesleept (zie Geluiden aan objecten
toevoegen op pagina114).
6. Selecteer de gewenste animatie voor geweigerde objecten in het eerste
vervolgkeuzemenu Animatie .
7. U kunt eventueel het selectievakje Ook geluid van het object afspelen aanvinken om zo
het geluid wat is toegevoegd aan de geweigerde objecten af te spelen zodra de
objecten naar het activiteitenobject worden toegesleept (zie Geluiden aan objecten
toevoegen op pagina114).
8. Druk op Done (Gereed).
Een lesactiveit met verbinden presenteren
1. Sleep de objecten naar het activiteitenobject (of laat de studenten dit doen).
o
Wanneer het object wordt geaccepteerd verschijnt er de animatie voor
geaccepteerde objecten (vervaagt standaard).
o
Wanneer het object wordt geweigerd verschijnt er de animatie voor geweigerde
objecten (gaat standaard terug naar het begin).
2.
Druk wanneer u klaar bent op Invoegtoepassingen , dan op Activiteitenbouwer, en
vervolgens op Alles herstellen .
Een lesactiviteit met verbinden verwijderen
1.
Druk op Invoegtoepassingen en druk vervolgens op Activiteitenbouwer.
2. Selecteer het activiteitenobject en druk vervolgens op Eigenschappen wissen.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
127
Een lesactiviteit in weergeven- en verbergen maken
NB
Bij het maken van lesactiviteiten in verbergen- en weergevenmodus zult u de volgende
taken uitvoeren:
l Objecten verplaatsen (zie Objecten verplaatsen op pagina66)
l Objecten vergrendelen (zie Objecten vergrendelen op pagina116)
l De omvang van objecten veranderen met behulp van het vergrotings-
/verkleiningsgebaar (zie Gebaar schalen gebruiken op pagina73)
U kunt een object verbergen en het daarna weer zichtbaar maken op de volgende manieren:
l Voeg een schermschaduw toe aan de pagina. Verwijder tijdens de presentatie langzaam
de schaduw om zo de onderliggende tekst en afbeeldingen weer te geven zodra u deze
wilt bespreken (Zie De schermschaduw gebruiken op pagina177).
l Bedek het object met digitale inkt en wis vervolgens de digitale inkt (Zie Digitale inkt
schrijven, tekenen en wissen op pagina34).
l Bedek het object met een ander object en verander vervolgens de volgorde in de stapel
(zie Gestapelde objecten opnieuw rangschikken op pagina69).
l Gebruik de toepassing voor objecten animeren (zie Objecten animeren op pagina116).
Als u een interactief SMART-product gebruikt dat multitouch-gebaren ondersteunt, kunt u ook
een object verbergen achter een vergrendeld object en vervolgens het vergrotings-
/verkleiningsgebaar gebruiken om het verborgen object te vergroten en zo te laten zien.
Een lesactiviteit in weergeven- en verbergen maken
1. Maak of importeer het object dat u wilt verbergen.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
128
2. Maak of importeer het object dat u wilt vergrendelen.
3. Verplaats het te vergrendelen object zo dat het object bedekt wat verborgen moet
worden.
4. Selecteer het te vergrendelen object, druk op de menupijl van het object en selecteer
Vergrendelen > Op plaats vergrendelen.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
129
5. Gebruik het vergrotings-/verkleiningsgebaar om het verborgen object te laten zien terwijl
het vergrendelde object op dezelfde plaats blijft (zie Gebaar schalen gebruiken op
pagina73).
Zichtbare lesactiviteit maken
NB
Bij het maken van zichtbare lesactiviteiten zult u de volgende taken uitvoeren:
l Tabellen maken (zie Tabellen maken op pagina48)
l De grootte van cellen aanpassen (zie De omvang van tabellen, kolommen of rijen
veranderen op pagina54)
l De achtergrond van een tabel invullen met een afbeelding (zie De eigenschappen van
een tabel veranderen op pagina52)
l Objecten aan cellen toevoegen (zie Objecten toevoegen aan tabellen op pagina50)
l Celschaduwen toevoegen en verwijderen (zie Celarceringen gebruiken op pagina178)
U kunt tabellen en celarceringen gebruiken om verschillende zichtbare lesactiviteiten te
maken. Twee voorbeelden hiervan zijn:
l Een zichtbare lesactiviteit in de vorm van een puzzel waarbij steeds delen van een
afbeeldingen zichtbaar worden gemaakt en de studenten zo snel mogelijk moeten raden
wat de afbeelding voorstelt.
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
130
l Een zichtbare lesactiviteit die lijkt op Memory, waarbij de inhoud van een cel zichtbaar
wordt gemaakt en studenten de andere cel met dezelfde inhoud moeten vinden
Een zichtbare lesactiviteit in de vorm van een puzzel maken
1. Maak een tabel met net zoveel cellen als u in de zichtbare lesactiviteit wilt gebruiken (zie
Tabellen maken op pagina48).
2. Pas de grootte van de cellen aan waar nodig (zie De omvang van tabellen, kolommen of
rijen veranderen op pagina54).
3. Selecteer de tabel, druk op de menupijl van de tabel en selecteer vervolgens
Eigenschappen.
Het tabblad Eigenschappen verschijnt.
4. Druk op Opvuleffecten.
5. Selecteer Beeldopvulling, druk op Bladeren, blader naar de afbeelding die u wilt
gebruiken in de zichtbare lesactiviteit, selecteer deze en druk vervolgens op Openen.
6. Selecteer Pas afbeelding aan het formaat aan.
7. Druk op de menupijl van de tabel en selecteer Tabelarcering toevoegen.
Een op memory lijkende, zichtbare lesactiviteit maken
1. Voeg de objecten toe die u in de lesactiviteit wilt gebruiken.
2. Maak een tabel met net zoveel cellen als u in de zichtbare lesactiviteit wilt gebruiken (zie
Tabellen maken op pagina48).
3. Pas de grootte van de cellen aan waar nodig (zie De omvang van tabellen, kolommen of
rijen veranderen op pagina54).
HOOFDSTUK 7
LESACTIVITEITEN MAKEN
131
4. Sleep de objecten naar de cellen van de tabel.
5. Druk op de menupijl van de tabel en selecteer Tabelarcering toevoegen.
Een zichtbare lesactiviteit presenteren
Druk op de celarcering van een afzonderlijke cel om de inhoud van de cel weer te geven.
Druk op in het hoekje van de cel om de inhoud weer achter de arcering te verbergen.
Andere typen lesactiviteiten maken
De werkset lesactiviteiten en de voorbeelden van lesactiviteiten in de Galerij hebben
interactieve objecten die u kunt gebruiken om lesactiviteiten te maken. Zie voor meer
informatie over de werkset lesactiviteiten, de voorbeelden van lesactiviteiten en de Galerij
Inhoud van de galerie invoegen op pagina82.
De SMARTExchange-website heeft duizenden lesplannen, vragensets en andere inhoud die u
kunt downloaden en openen in SMARTNotebook-software. Zie voor meer informatie over de
SMARTExchange-website Inhoud van de SMARTExchange-website invoegen op pagina85.
Hoofdstuk 8
133
Hoofdstuk 8: Lesactiviteitenbouwer (LAB)
gebruiken
Activiteiten maken met Lesactiviteitenbouwer 134
Flipkaartactiviteit van Flip Out toevoegen 135
Een activiteit van Super sorteren toevoegen 137
Een activiteit Vul de lege plekken in toevoegen 139
Een Label onthullen-activiteit toevoegen 141
Een activiteit Wat hoort bij elkaar? toevoegen 143
Een Rangorde-activiteit toevoegen 145
Een activiteit Versnelling toevoegen 147
Een Roept u maar!-activiteit toevoegen 148
Gebruikersvalidatie Roept u maar! 150
Leerlingbijdrages aan een Roept u maar!-activiteit toevoegen 151
Een Roept u maar!-activiteit beheren 154
Aanbevelingen voor browser, apparaat, besturingssysteem en netwerk 155
Aanbevolen webbrowsers 155
Aanbevolen apparaten 155
Aanbevolen mobiel apparaat 156
Aanbevolen besturingssystemen 156
Aanbevolen netwerk 156
Toegangsvereisten website 156
Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit 157
Spelonderdelen 157
Timer 157
Dobbelspel 157
Hat picker 157
Buzzer 158
Rad van fortuin 158
Inhoud vanLesactiviteitenbouwer beheren 158
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
134
Activiteiten maken met Lesactiviteitenbouwer
Gebruik de Lesactiviteitenbouwer om uw lessen te verbeteren door interactieve activiteiten
te maken en toe te voegen. Deze activiteiten helpen studenten om concepten en feiten te
onthouden, objecten te identificeren, woordenschatdefinities te leren en meer.
Kies uit verschillende activiteiten:
Versnelling
Versnelling is een leuke raceactiviteit waarbij leerlingen tegen elkaar racen terwijl ze vragen
beantwoorden. Hoe sneller ze vragen beantwoorden, hoe sneller hun auto's richting te finish
racen. Zie Een activiteit Versnelling toevoegen op pagina147.
Label onthullen
Label onthullen is een activiteit waarbij leerlingen de verschillende delen of onderdelen van
een door de docent gekozen afbeelding moeten identificeren. Zie Een Label onthullen-
activiteit toevoegen op pagina141.
Flipkaarten van Flip Out
Flip Out is een flipkaartactiviteit waarin leerlingen kaarten omdraaien net als flashkaarten. U
voegt tekst of afbeeldingen toe aan de voor- als achterkant van zoveel flipkaarten als u nodig
heeft. Leerlingen draaien elke keer een kaart om te zien wat er op de andere kant staat.
Flipkaarten zijn een leuke manier om concepten en het geheugen te versterken. Zie om een
flipkaartactiviteit te maken Flipkaartactiviteit van Flip Out toevoegen op tegenoverliggende
pagina.
Sorteren met Super sorteren
Super sorteren is een activiteit waarin leerlingen items in categorieën sorteren. U bepaalt de
categorieën en de items en test vervolgens de kennis van leerlingen over iedere categorie en
de items die daar in horen. Zie om een Super sorteren-activiteit te maken Een activiteit van
Super sorteren toevoegen op pagina137.
Wat hoort bij elkaar?
Leerlingen kunnen met Wat hoort bij elkaar? items van de ene kant van het bord combineren
met items aan de andere kant door te slepen en neer te zetten. De activiteit is makkelijk in te
stellen. Zie om een Wat hoort bij elkaar?-activiteit te maken Een activiteit Wat hoort bij elkaar?
toevoegen op pagina143.
Vul de lege plekken in
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
135
Met de Vul de lege plekken in-activiteit kunnen leerlingen missende inhoud slepen en
neerzetten om de zinnen te voltooien of delen van spraak te herkennen. Zie Een activiteit Vul
de lege plekken in toevoegen op pagina139.
Rangorde
Leerlingen spelen Rangorde door items te rangschikken zoals door u geïnstrueerd. Probeer
eens om ronde getallen van laag naar hoog te sorteren, stappen in een procedure of andere
items in gewenste volgorde te zetten. Zie Een Rangorde-activiteit toevoegen op pagina145.
Roept u maar! voor mobiele apparaten
Roept u maar! is een hulpmiddel om inhoud te maken die leerlingen en leraren kunnen
gebruiken met de Lesactiviteitenbouwer (LAB). Leerlingen kunnen snel tekst en afbeeldingen
maken en bijdragen aan activiteiten van LAB met hun mobiele apparaten en lesgevers kunnen
makkelijk de inhoud beheren. Zie Een Roept u maar!-activiteit toevoegen op pagina148.
Flipkaartactiviteit van Flip Out toevoegen
Wanneer u een flipkaartactiviteit van Flip Out maakt, kunt u zoveel kaarten als u wilt gebruiken
en uit verschillende thema's kiezen zoals Flippende apen-eiland of Junglethema's, of mars- en
maan-thema's met lage zwaartekracht voor Flip Out.
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het venster Een activiteit toevoegen
.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
1. Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.
Het venster Voorbeeld activiteit wordt geopend en bevat gedetailleerde informatie over
de activiteit.
2. Druk op Annulerenom het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
Een nieuwe flipkaartactiviteit van Flip Out maken toevoegen
1. Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
2. Selecteer in het venster Kies ontwerp Sjabloon en Thema een Flip Out-thema voor de
één van beiden door op de miniatuurafbeelding te drukken. De miniatuur wordt
gemarkeerd met een blauw venster.
3. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Inhoud toevoegen wordt geopend.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
136
4. Druk op de blauw-gemarkeerde cellen onder Achterkant kaart en Voorkant kaart en
start met typen om tekst toe te voegen aan de achterkant en voorkant van de flipkaart of
klik op het pictogram van de bestandsmap om een afbeelding toe te voegen. Zie de
onderstaande TIP . U kunt ook sorteeritems plakken of slepen en neerzetten die bij de
categorie horen of categorie-inhoud uit een eerder bewaarde lijst toevoegen. Voor meer
informatie over het toevoegen van inhoud, zie Inhoud vanLesactiviteitenbouwer
beheren op pagina158.
Maak zoveel kaarten als u nodig hebt. Als u meer dan 12 kaarten maakt, zullen de extra
kaarten worden geplaatst in het midden van het bureaublad van de notebook, samen met
de aflegstapel.
Het plaatsen gebeurt willekeurig.
TIP
Klik om een afbeelding te gebruiken in uw Flipkaart-activiteit op het pictogram van de
bestandmap in één van beide inhoudslijsten. Selecteer de afbeelding uit de juiste
folder in Windows Explorer door op Openente klikken. De afbeelding verschijnt in de
lijst Achterkant of Voorkant en ook op de flipkaarten.
5. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Spelonderdeel toevoegen opent. Selecteer (indien u dat wenst) een
optioneel spelonderdeel. Zie Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit op
pagina157.
6. Druk op Finish (Voltooien). LAB bouwt de activiteit en deze is binnen enkele momenten
klaar voor gebruik.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
137
7. Laat leerlingen de kaarten draaien om te ontdekken wat op de andere zijde staat. Op de
achterkant van de kaart kan bijvoorbeeld "rennen" staan, terwijl op de voorkant
"werkwoord" staat. Nadat de kaart is omgedraaid en de inhoud behandelt, kunt u deze
naar de aflegstapel slepen.
TIPS
o
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het menu Een activiteit
toevoegen .
Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit om de Voorbeeldweergave van
activiteitvan deze Flipout-flipkaart te openen De voorbeeldweergave geeft u
meer informatie over de activiteit die u hebt gekozen.
Druk op Annulerenom het venster te sluiten of op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
o
Gebruik de knop Activiteit opnieuw starten om de huidige activiteit opnieuw
te starten. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de geopende
activiteitenpagina van LAB.
o
Gebruik de knop Activiteit bewerken om het venster Activiteit toevoegen te
openen. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de geopende activiteitenpagina
van LAB.
o
Gebruik de knop Geluid om geluid bij activiteiten aan of uit te zetten.
Een activiteit van Super sorteren toevoegen
In een activiteit van Super sorteren sorteren leerlingen items in één of twee categorieën. Een
item verdwijnt als een leerling dit in de juiste categorie sorteert en het item wordt
teruggezonden voor een nieuwe sortering als deze niet correct is gesorteerd. Voeg optionele
spelonderdelen toe om deze activiteit nog aansprekender te maken.
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het venster Een activiteit toevoegen
.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
1. Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.
Het venster Voorbeeld activiteit wordt geopend en bevat gedetailleerde informatie over
de activiteit.
2. Druk op Annulerenom het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
138
Een sorteeractiviteit van Super sorteren toevoegen
1.
Druk om de Lesactiviteitenbouwer te openen op het werkbalkpictogram in de
werkbalk van Notebook. Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
2. Blader om de activiteit voor Super sorteren te vinden en druk op Deze activiteit
toevoegen.
Het venster Sjabloon en thema wordt weergegeven.
3. Selecteer een thema voor Super sorteren. De geselecteerde activiteit wordt
weergegeven met een blauwe rand eromheen.
4. Druk op Volgende
Het dialoogvenster Lijsten beheren in Een activiteit toevoegen wordt geopend.
5. Typ in Categorienaamde naam die u wilt gebruiken voor deze categorie.
6. Typ in Inhoud van de categoriede namen van de inhoud van de categorie, sleep en zet
de gesorteerde items die bij de categorie horen neer, of bewerk inhoud. U kunt ook
categorie-inhoud van een eerder bewaarde lijst toevoegen of inhoud uit een Exe-
spreadsheet of tekstdocument plakken. Zie voor meer informatie over het toevoegen
van inhoud Inhoud vanLesactiviteitenbouwer beheren op pagina158.
7. Voer dezelfde acties uit voor de categorie rechts.
8. Druk op Volgende . Het dialoogvenster Spelonderdeel toevoegen opent. Selecteer
(indien u dat wenst) een optioneel spelonderdeel. Zie Een spelonderdeel toevoegen aan
uw activiteit op pagina157.
9. Druk op Finish (Voltooien).
LAB bouwt de activiteit en deze is binnen enkele momenten klaar voor gebruik.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
139
TIPS
l U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het menu Een activiteit
toevoegen .
Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit om de Voorbeeldweergave van de
activiteitvan Super sorteren te openen. De voorbeeldweergave geeft u meer
informatie over de activiteit die u hebt gekozen.
Druk op Annulerenom het venster te sluiten of op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van uw activiteit.
l
Gebruik de knop Activiteit opnieuw starten om de huidige activiteit opnieuw te
starten. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de activiteitenpagina van LAB.
l
Gebruik de knop Activiteit bewerken om het venster Activiteit toevoegen te
openen. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de activiteitenpagina van LAB.
l
Gebruik de knop Geluid om geluid bij activiteiten aan of uit te zetten.
Een activiteit Vul de lege plekken in toevoegen
Vul de lege plekken in is een leuke activiteit waarbij leerlingen ontbrekende informatie
invullen. Schrijf een zin met maximaal tien lege plekken en laat leerlingen vervolgens de
woorden over het bord slepen om die lege plekken te vullen met de ontbrekende informatie.
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het venster Een activiteit toevoegen
.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
1. Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.
Het dialoogvenster Voorbeeldweergave van activiteit van Vul de lege plekken in
verschijnt. Dit dialoogvenster bevat gedetailleerde informatie over de activiteit.
2. Druk op Annulerenom het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
Een activiteit Vul de lege plekken in toevoegen
1.
Open Lesactiviteitenbouwer door op het werkbalkpictogram van LAB in de
werkbalk van Notebook te drukken.
Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
140
2. Blader om de activiteit voor Vul de lege plekken in te vinden en druk op Deze activiteit
toevoegen.
De pagina Kies sjabloon en thema van het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
Selecteer een thema door erop te drukken. Het geselecteerde thema wordt
weergegeven met een blauwe rand eromheen.
3. Druk in de sectie Antwoorden op Antwoorden direct controleren om de antwoorden te
controleren terwijl de items worden geordend, of druk op Controleer de antwoorden
nadat de leerlingen klaar zijn om de rangorde van de items aan het einde van de
activiteit te controleren.
4. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Inhoud toevoegen wordt geopend.
Voer in het gebied Tekst bewerken de gewenste tekst in. U kunt maximaal 300 tekens
gebruiken voor uw inhoud. De teller toont hoeveel tekens u nog kunt gebruiken. In de
volgende stap kiest u de lege plekken.
5. Druk op Lege plekken kiezen.
Het dialoogvenster Lege plekken toevoegen verschijnt.
6. Druk in de tekst die u eerder hebt ingevoerd op elk woord dat u wilt vervangen door een
lege plek, of sleep een leeg venster van de onderkant van de activiteit naar het woord
dat u wilt vervangen door een lege plek. U kunt er ook voor kiezen om slechts een
gedeelte van het woord leeg te maken door de grepen van het lege venster te
verslepen.
De tekst die u leeg wilt laten wordt weergegeven met een doorschijnende blauwe rand
eromheen.
7. Wanneer u klaar bent met het leegmaken van de gewenste woorden, klikt u op
Volgende.
Het dialoogvenster Spelonderdeel toevoegen opent. Selecteer (indien u dat wenst) een
optioneel spelonderdeel. Zie Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit op
pagina157.
8. Druk op Finish (Voltooien).
Lesactiviteitenbouwer bouwt de activiteit en is na enkele ogenblikken klaar voor gebruik.
De lege plekken van de zinnen en woorden verschijnen.
9. Laat leerlingen de woorden slepen en op de juiste lege plekken in de zin neerzetten.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
141
10. Druk op de knop Antwoorden controleren wanneer de activiteit is voltooid.
Er verschijnen vinkjes of kruisjes naast de ingevulde lege plekken die aangeven of een
antwoord goed of fout is. Antwoorden kunnen opnieuw worden geplaatst om de juiste
antwoorden te krijgen.
TIPS
o
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het menu Een activiteit
toevoegen .
Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit om de Voorbeeldweergave van
activiteitvan deze Flipout-flipkaart te openen De voorbeeldweergave geeft u
meer informatie over de activiteit die u hebt gekozen.
Druk op Annulerenom het venster te sluiten of op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
o
Gebruik de knop Activiteit opnieuw starten om de huidige activiteit opnieuw
te starten. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de geopende
activiteitenpagina van LAB.
o
Gebruik de knop Activiteit bewerken om het venster Activiteit toevoegen te
openen. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de geopende activiteitenpagina
van LAB.
o
Gebruik de knop Geluid om geluid bij activiteiten aan of uit te zetten.
Een Label onthullen-activiteit toevoegen
De Label onthullen-activiteit is een goede manier voor leerlingen om een groter begrip van
systemen en hun onderdelen te krijgen.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
1. Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.
Het venster Voorbeeld activiteit wordt geopend en bevat gedetailleerde informatie over
de activiteit.
2. Druk op Annulerenom het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
142
Een Label onthullen-activiteit toevoegen
1. Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
2. Blader om de activiteit voor Label onthullen te vinden en druk op Deze activiteit
toevoegen.
Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
3. Druk op Volgende om een afbeelding aan de activiteit toe te voegen op een van de
volgende manieren:
a. Druk op Blader voor een afbeelding om naar een afbeelding te bladeren en deze te
selecteren uit een map op uw computer.
Druk op Openen Om een afbeelding toe te voegen aan de activiteit of deze te
slepen naar het aangegeven eindgebied in het activiteitenvenster.
b. SLEEP EEN AFBEELDING VAN HET BUREAUBLAD OF ANDERE MAP VAN UW
COMPUTER NAAR HET AANGEGEVEN EINDGEBIED IN HET
ACTIVITEITENVENSTER.
S
U kunt op Labelopties drukken om het formaat, de vorm en de kleur van het label te
wijzigen.
U kunt ook gesorteerde items die bij de categorie horen, plakken of slepen en loslaten,
of categorie-inhoud toevoegen uit een eerder opgeslagen lijst. Zie voor meer
informatie over het toevoegen van inhoud Inhoud vanLesactiviteitenbouwer beheren
op pagina158.
4. Druk op een knop voor Nieuw label en sleep deze naar het onderdeel of gedeelte van
de afbeelding die u wilt labellen.
Het venster Label en de Label edit tool (hulpmiddel voor bewerken van label)
openen.
5. Voer een korte labelbeschrijving in. Druk op + Beschrijving toevoegen om een
uitgebreide beschrijving tot 150 tekens in te voeren.
Druk op Gereed om het venster te sluiten.
Druk op het pictogram Pen in de Label edit tool (hulpmiddel voor bewerken van
label) om de beschrijving te bewerken.
6. Druk op X in de Label edit tool (hulpmiddel voor bewerken van label) om het venster te
sluiten.
7. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Spelonderdeel toevoegen opent. Selecteer (indien u dat wenst) een
optioneel spelonderdeel. Zie Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit op
pagina157.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
143
8. Druk op Finish (Voltooien). LAB bouwt de activiteit en deze is binnen enkele momenten
klaar voor gebruik.
Een activiteit Wat hoort bij elkaar? toevoegen
Leerlingen kunnen de geanimeerde activiteit Wat hoort bij elkaar? gebruiken om
bijbehorende onderdelen te slepen en neer te zetten in de onderwatertank van de activiteit
Onderzees combineren, of de laboratoriumbekers in de activiteit Overeenkomende bekers.
Voeg spelonderdelen toe om deze activiteit nog aansprekender te maken.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
1. Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.
Het dialoogvenster Voorbeeldweergave van activiteit van Wat hoort bij elkaar?
verschijnt. Dit dialoogvenster bevat gedetailleerde informatie over de activiteit.
2. Druk op Annulerenom het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
Een activiteit Wat hoort bij elkaar? toevoegen
1. Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
2. Blader om de activiteit voor Wat hoort bij elkaar? te vinden en druk op Deze activiteit
toevoegen.
Het dialoogvenster Sjabloon en thema wordt geopend.
3. Selecteer in het dialoogvenster Sjabloon en thema het thema Onderzees combineren of
het thema Overeenkomende bekers . Het geselecteerde thema wordt weergegeven
met een blauwe rand eromheen.
4. Selecteer in de sectie Antwoorden onder Combinaties controleren, Antwoorden direct
controleren om direct onjuiste antwoorden te weigeren, of selecteer Controleer de
antwoorden nadat de leerlingen klaar zijn om onjuiste antwoorden aan het einde van de
activiteit te weigeren.
5. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Inhoud toevoegen wordt geopend.
6. Typ in de vensters Categorienaam de namen die u wilt gebruiken voor iedere categorie.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
144
7. Typ in de vakken Inhoud van de categorie de namen van de inhoud van de categorie,
sleep en zet de overeenkomende items die bij de categorie horen neer, of bewerk
inhoud. U kunt ook categorie-inhoud van een eerder bewaarde lijst toevoegen of inhoud
uit een spreadsheet of tekstdocument plakken of een afbeelding toevoegen. Zie voor
meer informatie over het toevoegen van inhoud Inhoud vanLesactiviteitenbouwer
beheren op pagina158.
TIP
Klik om een afbeelding te gebruiken in uw activiteit op het pictogram van de
afbeeldingsbestandenmap in één van beide inhoudslijsten. Selecteer de
afbeelding en druk op Openen. De afbeelding verschijnt in de inhoudslijst. U kunt
zoveel items maken als u wilt, maar alleen de eerste 10 zullen worden gebruikt in uw
activiteit. Maak minimaal twee overeenkomsten om door te gaan.
8. Voer dezelfde acties uit voor de categorie rechts.
9. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Spelonderdeel toevoegen opent. Selecteer (indien u dat wenst) een
optioneel spelonderdeel. Zie Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit op
pagina157.
10. Druk op Finish (Voltooien).
Lesactiviteitenbouwer bouwt de activiteit en is na enkele ogenblikken klaar voor gebruik.
TIPS
o
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het menu Een activiteit
toevoegen .
Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit. De voorbeeldweergave van de
activiteit wordt geopend en geeft u meer informatie over de activiteit die u hebt
gekozen.
Druk op Annulerenom het venster te sluiten of op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
o
Gebruik de knop Activiteit opnieuw starten om de huidige activiteit opnieuw
te starten. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de geopende
activiteitenpagina van LAB.
o
Gebruik de knop Activiteit bewerken om het venster Activiteit toevoegen te
openen. Deze knop bevindt zich rechts bovenaan de geopende activiteitenpagina
van LAB.
o
Gebruik de knop Geluid om geluid bij activiteiten aan of uit te zetten.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
145
Een Rangorde-activiteit toevoegen
In de activiteit Rangorde ordenen leerlingen items in een lijst volgens uw aanwijzingen.
Probeer eens om ronde getallen van laag naar hoog te ordenen, stappen in een
wetenschappelijke procedure of andere items in gewenste volgorde.
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het venster Een activiteit toevoegen
.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
1. Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.
Het dialoogvenster Voorbeeldweergave van activiteit van Rangorde verschijnt. Dit
dialoogvenster bevat gedetailleerde informatie over de activiteit.
2. Druk op Annulerenom het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
Een Rangorde-activiteit toevoegen
1.
Open Lesactiviteitenbouwer door op het werkbalkpictogram van LAB in de
werkbalk van Notebook te drukken.
Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
2. Blader om de activiteit voor Rangorde te vinden en druk op Deze activiteit toevoegen.
3. Selecteer in de sectie Sjabloon en thema het gewenste thema. Het geselecteerde
thema wordt weergegeven met een blauwe rand eromheen.
4. Druk in de sectie Antwoorden op Juist/Onjuist om de inhoud van de activiteit als goed of
fout te beoordelen, of op Voorkeur om de leerlingen de items in elke volgorde te laten
ordenen.
5. Druk in de sectie Antwoorden op Antwoorden direct controleren om de antwoorden te
controleren terwijl de items worden geordend, of druk op Controleer de antwoorden
nadat de leerlingen klaar zijn om de rangorde van de items aan het einde van de
activiteit te controleren.
6. Druk op Volgende. Het dialoogvenster Items om te rangschikken wordt geopend.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
146
7. Selecteer in het dialoogvenster Rangorde van items in Een activiteit toevoegen de wijze
waarop items moeten worden geordend. U kunt kiezen uit Eerste laatste, Kleinste
grootste, Hoogste laagste of Aangepast.
Wanneer u Aangepastselecteert, voert u de voorwaarden in die u wilt gebruiken om de
volgorde aan te geven, zoals Langste en kortste.
als u het volgordelabel wilt omdraaien, selecteert u eerst de volgorde die u wilt wijzigen,
zoals Eerste →laatste, en drukt u vervolgens op Labels omdraaien. Het volgordelabel is nu
Laatste eerste.
8. Voer de items in die moeten worden geordend.
U kunt zoveel items maken als u wilt, maar alleen de eerste 10 zullen worden
weergegeven in de activiteit.
Zie voor meer informatie over het toevoegen van inhoud Inhoud
vanLesactiviteitenbouwer beheren op pagina158.
9.
TIP
Klik om een afbeelding te gebruiken in uw activiteit op het pictogram van de
bestandmap in de inhoudslijst. Selecteer de afbeelding en druk op Openen. De
afbeelding verschijnt in de inhoudslijst. Maak minimaal twee items om door te gaan.
10. Druk op Volgende .
Het dialoogvenster Spelonderdeel toevoegen opent. Selecteer (indien u dat wenst) een
optioneel spelonderdeel. Zie Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit op
pagina157.
11. Druk op Finish (Voltooien).
Lesactiviteitenbouwer bouwt de activiteit en is na enkele ogenblikken klaar voor gebruik.
12. Laat leerlingen de items slepen en in de juiste volgorde neerzetten van boven naar
beneden. Goed gesorteerde items bewegen zachtjes om aan te geven dat ze zijn
voltooid.
TIPS
Een groen vinkje of een rood kruis verschijnt naast elk antwoord in de rangorde om aan te
geven of het juist of onjuist is. De volgorde kan worden gewijzigd totdat alle antwoorden
juist zijn.
Als u Antwoorden direct controlerenhebt geselecteerd, worden de antwoorden
gecontroleerd zodra ze zijn gegeven. Juiste antwoorden worden geaccepteerd en onjuiste
antwoorden worden geweigerd.
Als u Controleer de antwoorden nadat de leerlingen klaar zijnhebt geselecteerd, worden
de antwoorden gecontroleerd nadat de leerlingen alle vragen hebben beantwoord,
waardoor u tijd hebt voor discussie.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
147
Een activiteit Versnelling toevoegen
Uw leerlingen zullen met veel plezier proberen als snelste de vragen te beantwoorden in de
activiteit Versnelling.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
1. Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.
Het dialoogvenster Voorbeeld activiteit wordt geopend en bevat gedetailleerde
informatie over de activiteit.
2. Druk op Annulerenom het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
De activiteit Versnelling toevoegen
1. Het dialoogvenster Activiteit toevoegen wordt geopend.
2. Blader om de activiteit voor Versnelling te vinden en druk op Deze activiteit toevoegen.
Het dialoogvenster Activiteit toevoegen wordt geopend.
3. Selecteer in het dialoogvenster Sjabloon en thema een thema door op de miniatuur
ervoor te drukken. De miniatuur wordt gemarkeerd met een blauw venster.
4. Druk op Next (Volgende).
Het dialoogvenster Vraag toevoegen wordt geopend.
5. Druk op +Vraag toevoegen.
Het dialoogvenster Vraag/vragen wordt geopend.
6. Voer een vraag in in het gebied Voer een vraag in .
U kunt ook inhoud van de categorieën uit een eerder opgeslagen lijst toevoegen of op
Lijsten beheren drukken om nieuwe lijsten te maken of eerder opgeslagen lijsten te
bewerken.
Voor meer informatie over het toevoegen van inhoud, zie Inhoud
vanLesactiviteitenbouwer beheren op pagina158.
7. Als u een tijdslimiet wilt instellen voor de vraag, selecteert u het selectievakje Tijdslimiet
en voert u een tijdslimiet in seconden in.
8. In het gebied Voer antwoorden in typt u de antwoorden waaruit leerlingen kunnen
kiezen. Voer voor elke vraag ten minste twee antwoordmogelijkheden in om elke vraag
te voltooien.
9. Druk op de knop naast het juiste antwoord.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
148
10. Druk op + Een andere vraag toevoegen om nog meer vragen toe te voegen, druk op
Annuleren om uw wijzigingen ongedaan te maken of druk op Gereed om uw vragen te
bekijken, bewerken of te verwijderen of om inhoud van categorieën uit eerder
opgeslagen lijsten toe te voegen.
11. Druk op Volgendewanneer u klaar bent met het toevoegen van vragen.
12. Druk op Voltooien
LAB bouwt de activiteit en deze is binnen enkele momenten klaar voor gebruik.
NB
Er kunnen geen spelonderdelen worden toegevoegd aan de activiteit Versnelling.
De activiteit Versnelling spelen
1. Druk wanneer de activiteit is geopend op Starten
2. Selecteer tussen de één en vier racers. Er kunnen maximaal vier racers racen, maar er
kunnen nog meer leerlingen meedoen.
3.
Selecteer een avatar voor uw coureur en druk op het selectievakje om uw keuze
vast te leggen. U hebt 15 seconden om een avatar voor uw coureur te kiezen. Als er geen
avatars worden gekozen, begint de race automatisch.
4. Druk wanneer de race start snel op de stuurpijl van de coureur om een turboboost voor
extra snelheid te krijgen .
5. Op verschillende punten langs het circuit worden vragen gesteld. De coureurs moeten de
letter voor het juiste antwoord selecteren op hun racebediening.
6. Als de race is afgelopen, wordt de avatar van de winnende coureur weergegeven in het
resultatenvenster en wordt voor alle coureurs de tijdsresultaten weergegeven. Druk op
Antwoorden bekijken om alle antwoorden te zien. Druk op Spelers weergeven om de
avatars van alle coureurs te zien.
Een Roept u maar!-activiteit toevoegen
Leerlingen kunnen met de activiteit Roept u maar! snel tekst en afbeeldingen maken en
bijdragen aan LAB-activiteiten via de webbrowser op hun eigen apparaten, en lesgevers
kunnen makkelijk de inhoud beheren.
Zie voor de best mogelijke gebruikerservaring met Roept u maar! Aanbevelingen voor
browser, apparaat, besturingssysteem en netwerk op pagina155.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
149
BELANGRIJK
Als u een proefversie van SMART Notebook-software voor samen leren gebruikt, ontvangt u
misschien een reCaptcha-notificatie. Valideer de proefversie om Roept u maar! te
gebruiken.Ga voor meer informatie naar Gebruikersvalidatie Roept u maar! op volgende
pagina.
U kunt een voorbeeldweergave van een activiteit zien in het venster Een activiteit toevoegen
.
Een voorbeeld van een activiteit bekijken
Druk op Voorbeeld geven van deze activiteit.Het dialoogvenster Voorbeeldweergave
van activiteit van Roept u maar! verschijnt. Dit dialoogvenster bevat gedetailleerde
informatie over de activiteit.
Druk op Annuleren om het venster te sluiten of druk op Deze activiteit toevoegen om
verder te gaan met het bouwen van de activiteit.
Een Roept u maar!-activiteit toevoegen
1.
Open Lesactiviteitenbouwer door op het werkbalkpictogram in de werkbalk van
Notebook te drukken. Het venster Activiteit toevoegen wordt geopend.
2. Blader om de activiteit voor Roept u maar! te vinden en druk op Deze activiteit
toevoegen.
De Roept u maar!-pagina Kies ontwerp opent. Selecteer het thema dat u wilt gebruiken. U
kunt kiezen uit het thema Willekeurige volgorde of Gecategoriseerd kiezen.
3. Klik op Volgende.
De pagina Inhoud toevoegen wordt geopend. Als u Gecategoriseerd hebt
geselecteerd, zijn er minstens twee categorieën beschikbaar voor deze activiteit.
Geef in Categorieën bijdragennamen aan de categorieën die inhoud bevatten die door
de leerlingen is bijgedragen.
Kies in Geaccepteerde bijdragenvoor het soort bijdrage Tekst of Afbeelding .
4. Voer het maximum aantal tekst- en afbeeldingsbijdrages per apparaat in.
5. Druk op Uit of Aan onder Namen bijdragers weergeven om te selecteren of de namen
van bijdragers wordt weergegeven.
6. Druk op Volgende. Het dialoogvenster Spelonderdeel toevoegen opent. Selecteer
(indien u dat wenst) een optioneel spelonderdeel. Zie Een spelonderdeel toevoegen aan
uw activiteit op pagina157.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
150
7. Druk op Finish (Voltooien).
Lesactiviteitenbouwer bouwt de activiteit en is na enkele ogenblikken klaar voor gebruik.
Zie om een activiteit te starten en uw studenten toe te staan om bijdrages te maken
Leerlingbijdrages aan een Roept u maar!-activiteit toevoegen op tegenoverliggende
pagina.
Een Roept u maar!-activiteit starten
1. Bevestig dat, nadat u een Roept u maar!-activiteit hebt gemaakt Namen bijdragers
weergeven en de instellingen Bijdragen per apparaat juist zijn.
2. Druk op Deze activiteit starten.
Het dialoogvenster Bijdrageactiviteit LAB-leerling verschijnt. Dit bevat de URL die
leerlingen in hun browsers zullen invoeren, en het gegenereerde activiteit-id-nummer dat
leerlingen zullen invoeren op het de website van SMART Notebook
lesactiviteitenbouwer. Het pictogram activiteit is groen als de activiteit op dat
moment in voortgang is.
3. Leid de studenten naar classlab.comen laat hen het activiteits-id-nummer en hun namen
invoeren. Leerlingen zijn verbonden met de activiteit.
Leerlingbijdragen verschijnen op de pagina van de Notebook Lesactiviteitenbouwer. Zie
Leerlingbijdrages aan een Roept u maar!-activiteit toevoegen op tegenoverliggende
pagina.
NB
Sleep om een bijdrage te verwijderen deze naar de Prullenbak bovenaan links op de
activiteitenpagina van de Lesactiviteitenbouwer. Nadat een bijdrage is verwijderd, kan deze
niet worden teruggehaald.
Gebruikersvalidatie Roept u maar!
Als u een proefversie van SMART Notebook-software voor samen leren gebruikt, ontvangt u
misschien een reCaptcha-melding wanneer u Roept u maar! voor het eerst in de
Lesactiviteitenbouwer opent.
Als u deze melding ontvangt moet u eerst de proefversie valideren voordat de functies van
Roept u maar! werken. Nadat u zich hebt geregistreerd als een proefgebruiker ontvangt u niet
langer reCaptcha-notificaties.
Als proefgebruiker worden gevalideerd
1. Als u een reCaptcha-melding ontvangt in het dialoogvenster Bijdrageactiviteit LAB-
leerling, selecteert u het selectievakje I'm not a robot .
Een afbeelding met vragen verschijnt.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
151
2. Voltooi de vragen druk op Controleren.
Als u de vragen juist hebt beantwoord verschijnt er een groen vinkje in het selectievakje
I'm not a robot .
3. Druk op Start Activity (Activiteit starten) om iets toe te voegen aan de activiteit Roept u
maar! Zie Een Roept u maar!-activiteit toevoegen op pagina148.
Leerlingbijdrages aan een Roept u maar!-activiteit toevoegen
Leerlingen zullen het geweldig vinden om hun bijdrages te leveren aan uw
Lesactiviteitenbouwer-activiteiten. Leerlingen kunnen tekst of afbeeldingen toevoegen,
afhankelijk van activiteitsvereisten. Laat andere leerlingen opmerkingen plaatsen in
categorieën of gebruik bijdrages om discussies te starten.
Tekstbijdragen van leerlingen toevoegen
Nadat een leerling zich heeft aangemeld voor een activiteit via het dialoogvenster
Bijdrageactiviteit LAB-leerling op de browser van hun computer of mobiele apparaat, opent
het venster Activiteitsresponse .
1. Leerlingen kunnen hun bijdrage invoeren in het tekstvenster. Een leerling kan tot 150
tekens in het venster invoeren, waaronder spaties, en kan net zoveel bijdrages invoeren
als is aangegeven door de lesgever.
Als u eerder Gecategoriseerd plaatsen hebt geselecteerd, bevindt zich een
categoriemenu in het tekstvenster.
Na het maken van hun bijdrages selecteren leerlingen de categorie waaraan ze een
bijdrage willen leveren in het doorkiesmenu Selecteer een categorie .
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
152
2. Leerlingen drukken op Antwoord verzenden om hun bijdragen naar de activiteitenpagina
van de Notebook Lesactiviteitenbouwer te verzenden.
De leerlingbijdrage verschijnt op de activiteitenpagina van de Notebook LAB.
Klik in de weergave Gecategoriseerd op de om het activiteiten-id-venster to
minimaliseren om zo bijdrages te bekijken die verschijnen in het venster aan de
rechterkant van de activiteitenpagina. Klik op om het venster te heropenen.
TIP
U kunt de bijdrage van een leerling verplaatsen van de ene categorie naar de andere door
op de bijdrage te drukken en deze naar de andere categorie te slepen. (Deze functie is
beschikbaar in SMART Notebook v.15.2.)
Afbeeldingbijdragen van leerlingen toevoegen
1. Nadat een leerling zich heeft aangemeld voor een activiteit via het dialoogvenster
Bijdrageactiviteit LAB-leerling, wordt het venster Activiteitsresponse geopend.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
153
2. De leerling drukt op Selecteer een afbeelding.
De bestandsverkenner van het apparaat wordt geopend.
3. De leerling selecteert de afbeelding en drukt op Openen.
Net als de tekstbijlage verschijnt de afbeeldingsbijlage op de pagina Notebook
Lesactiviteitenbouwer
Om afbeeldingsbijlages te vergroten kan de lesgever op de afbeelding op de pagina
Notebook drukken, waarna de afbeelding groter wordt.
Druk om de afbeelding weer op normale grootte te krijgen, buiten de vergrote
afbeelding of klik op de X in de rechterbovenhoek van de vergrote afbeelding.
BELANGRIJK
Een leerling kan 50 afbeeldingen per activiteit bijdragen. Als dit aantal wordt overstegen,
wordt er een waarschuwing weergegeven en worden aanvullende bijdragen van die
leerling niet weergegeven in de huidige activiteit.
NB
Sleep om een bijdrage te verwijderen deze naar de Prullenbak bovenaan links op de
activiteitenpagina van de Lesactiviteitenbouwer. Nadat een bijdrage is verwijderd, kan deze
niet worden teruggehaald.
4. Om de activiteit te verlaten kunnen leerlingen de toepassing verlaten door op het
afsluitsymbool on hun browsers te drukken .
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
154
Een Roept u maar!-activiteit beheren
U kunt uw Roept u maar!-activiteitsessie beheren door bijdragen van leerlingen op het
Notebook-bureaublad te bewegen, leerlingbijdrages te pauzeren en het weergeven van de
naam van de bijdrager uit te schakelen. U kunt de activiteit ook beëindigen en opslaan om
deze later te gebruiken.
De antwoorden met tekst en afbeeldingen van leerlingen verplaatsen
1. Plaats in het activiteitenbureaublad van de Notebook Lesactiviteitenbouwer de pijl op
het object.
2. Klik op het object en sleep het naar een nieuwe positie op de pagina.
Bijdragen aan het bureaublad van Notebook pauzeren
1. Druk op de blauwe knop Bijdragen pauzeren in het dialoogvenster Bijdrageactiviteit
LAB-leerling .
De knop wordt groen en het label ervoor verandert in Doorgaan.
Leerlingen zien een bericht Activiteit gepauzeerd op hun computer of apparaat.
2. Druk nogmaals op de knop om door te gaan met de activiteit.
De knop wordt groen en het label ervoor verandert in Bijdragen pauzeren.
Het bericht Activiteit gepauzeerd verdwijnt en leerlingen kunnen opnieuw bijdragen
leveren.
De naamweergave van bijdragers in- of uitschakelen
1. Druk op de schuifbalk Uit Aan naast Namen bijdragers weergeven
Namen van bijdragers worden niet langer weergegeven.
Een Roept u maar!-activiteit stoppen, opslaan en opnieuw starten
1. Druk op Afsluiten en opslaan in het dialoogvenster Bijdrageactiviteit leerling.
Het dialoogvenster Bijdragen aan deze activiteit is afgelopen verschijnt.
2. Druk op Activiteit opnieuw starten om door te gaan met dezelfde activiteit.
NB
U kunt maar één activiteit tegelijkertijd uitvoeren.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
155
Aanbevelingen voor browser, apparaat, besturingssysteem en
netwerk
Deze sectie beschrijft de webbrowsers, apparaten, besturingssystemen en netwerkcapaciteit
die u verzekeren van de best mogelijke gebruikerservaring met Roept u maar! van de
Lesactiviteitenbouwer. De versie van SMART-productstuurprogramma's die u verzekert van
de best mogelijke ervaring met interactieve producten van SMART wordt ook gegeven, net
als websites die moeten worden toegestaan om de Roept u maar!-activiteit goed te laten
functioneren.
NB
Leerlingen kunnen tijdens het gebruik van een Roept u maar!-activiteit hun websitetoegang
controleren op http://classlab.com/connection/check.html.
Aanbevolen webbrowsers
l Google Chrome 30 of later
l Safari 7 of later
l Firefox® 40 of later
l Firefox ESR
l InternetExplore 10 of later
l InternetExplorer 11 Metro
l
NB
Android™-apparaten moeten de Android-versie van Chrome of Firefox gebruiken.
Aanbevolen apparaten
l Elke laptop of MacBook
l iPad 2 of later
l iPad Air
l iPad mini
l Microsof Surface RT2 of Pro
l Samsung Galaxy Note (8" en 10")
l Google Nexus 2013 of later (7" en 10")
l Elk Google Chromebook
BELANGRIJK
Roept u maar! wordt momenteel niet ondersteund op de eerste generatie iPad 1 en de
Samsung Galaxy Tab 3.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
156
Aanbevolen mobiel apparaat
l iPhone 5C - 8GB, MG2E2C/A
l iPhone 6 Plus - 16GB, MG9M2CL/A
l iPhone 4S - 16GB, MC924LL/A
l iPod touch - 16GB, A1421
l Samsung Galaxy S4 - 16GB, SGH-I337M
l Samsung Galaxy S5 - 16GB, SM-G900W8
l Nexus 5 - 16GB, - LG-D820
l Nexus 6 - 32GB, - XT1103
l Motorola moto g - 8GB, XT1032
l Nokia Lumia 635 - Windows phone, RM-975
l HTC Desire 510 - 8GB
Aanbevolen besturingssystemen
l Besturingssysteem Windows® 7 of later
l OSX 10.8 of latere besturingssysteemsoftware
l iOS 8 of latere besturingssysteemsoftware
l Android 4.2 of later besturingssysteem
l De huidige versie van het Chrome OS™-besturingssysteem
Aanbevolen netwerk
Roept u maar! is ontworpen om netwerkvereisten zo laag mogelijk te houden terwijl veel
samenwerking toch kan worden ondersteund. Het aanbevolen netwerk voor alleen Roept u
maar! is 0,3 Mb/s per apparaat. Scholen die regelmatig Web 2.0-hulpmiddelen gebruiken
moeten genoeg netwerkcapaciteit hebben voor Roept u maar! Als Roept u maar! gelijktijdig
met andere online bronnen wordt gebruikt, zoals gestreamde media, kan het zijn dat meer
netwerkcapaciteit nodig is, afhankelijk van de gebruikte andere bronnen.
Toegangsvereisten website
Om er zeker van te zijn dat Roept u maar juist functioneert, moet u de volgende URL's toestaan
op uw netwerk.
l https://www.classlab.com
l http://id.smarttech.com
l https://smart-labc-prod.firebaseio.com
l https://smart-labc-prod-001.firebaseio.com
l https://smart-labc-prod-002.firebaseio.com
l https://smart-labc-prod-010.firebaseio.com
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
157
l https://content.smarttech-prod.com
l https://metric.smarttech-prod.com
l https://google.com
l http://google-analytics.com
l https://www.gstatic.com (wordt gebruikt door Google om reCAPTCHA te laden)
Een spelonderdeel toevoegen aan uw activiteit
Spelonderdelen
Vijf spelonderdelen zijn beschikbaar.
Timer
Gebruik de timer om te zien hoe lang de leerlingen nodig hebben om een activiteit te
voltooien. In het dialoogvenster Timer kunt u kiezen uit aftellingen of optellingen van 15
seconden, 30 seconden of één minuut, of zelf een aangepaste tijd kiezen in minuten en
seconden.
Dobbelspel
Rol de dobbelsteen om willekeurige cijfers te kiezen. Selecteer één of twee dobbelstenen in
het dialoogvenster Dobbelstenen toevoegen .
Hat picker
Gebruik Hoge hoed om willekeurig leerlingen of inhoud van uw activiteit te selecteren. U kunt
de achterkanten van flipkaarten, nummers of leerlinglijsten in willekeurige volgorde zetten. In
het dialoogvenster Hoge hoed kunt u achterkanten van flipkaarten of getallen van 1 tot 30 in
willekeurige volgorde zetten. U kunt ook geselecteerde leerlingnamen in willekeurige
volgorde zetten door deze toe te voegen aan het venster Leerlinglijst of door leerlingnamen
toe te voegen vanuit een leerlinglijst die u al eerder hebt opgeslagen. Elk item kan slechts
één keer worden gekozen.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
158
Buzzer
Leerlingen kunnen de strijd aangaan om te zien wie er als volgende mag. U kunt maximaal vier
buzzers selecteren en gebruiken via het dialoogvenster Buzzer .
Rad van fortuin
Gebruik het Rad van fortuin om willekeurig leerlingen of inhoud van uw activiteit te selecteren.
U kunt de achterkanten van flipkaarten, nummers of leerlinglijsten in willekeurige volgorde
zetten. Gebruik de optie voor willekeurige volgorde in het dialoogvenster Rad van fortuin om
achterkanten van flipkaarten of getallen van 1 tot 30 in willekeurige volgorde te zetten. U kunt
ook leerlingen toevoegen of leerlingen vanuit een eerder opgeslagen leerlinglijst toevoegen.
Elk item kan meerdere keren worden gekozen.
Om een spelonderdeel toe te voegen aan een activiteit
1. In het dialoogvenster Spelonderdelen toevoegen , drukt u op Aan voor de onderdelen
van het spel.
2. Selecteer een optie voor het spelonderdeel.
3. Druk op Finish (Voltooien).
Lesactiviteitenbouwer bouwt de activiteit en is na enkele ogenblikken klaar voor gebruik.
Inhoud vanLesactiviteitenbouwer beheren
U kunt eenvoudig inhoud in categorieën van Lesactiviteitenbouwer beheren. Voeg nieuwe
lijstitems toe of voeg inhoud toe van een eerder opgeslagen lijst aan de activiteiten Super
sorteren, Rangorde, Wat hoort bij elkaar? of Flipkaarten van Flip Out of Label onthullen.
Nieuwe lijsten met inhoud maken
1.Druk in het venster Een activiteit toevoegen van Lesactiviteitenbouwer op Lijsten
beheren.
Het dialoogvenster Lijsten beheren wordt geopend.
2. Druk op Maak een nieuwe.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
159
3. Selecteer in de vervolgkeuzelijst Lijst met inhoud.
4. Typ in Naam lijst met inhoudde naam voor de lijst.
5. Typ in het dialoogvenster Items in lijst zetten een lijst met woorden, of voeg
afbeeldingen toe om op te slaan en later te gebruiken.
a. Om een afbeelding toe te voegen en op te slaan voor later gebruik, drukt u op het
pictogram Afbeelding toevoegen .
Het dialoogvenster Openen wordt weergegeven.
b. Selecteer de afbeelding die u wilt toevoegen aan de lijst en druk op Openen.
De afbeelding wordt weergegeven in het dialoogvenster Items in lijst zetten .
6. Druk op Save (Opslaan).
Een nieuwe lijst met leerlingen maken
1.Druk in het venster Lijsten beheren van Lesactiviteitenbouwer op Lijsten beheren.
Het dialoogvenster Lijsten beheren wordt geopend.
2. Druk op Maak een nieuwe.
3. Selecteer in de vervolgkeuzelijst Lijst met leerlingen.
4. Typ in Naam lijst met leerlingende naam voor de lijst.
5. Typ in het dialoogvenster Items in lijst zetten de namen van de leerlingen om op te slaan
en later te gebruiken.
6. Druk op Save (Opslaan).
Eerder opgeslagen lijsten bijwerken
1.
Selecteer het pictogram Bewerken voor de lijst die u wilt bewerken.
Het dialoogvenster Lijsten beheren wordt geopend.
2. Bewerk de naam in Naam lijst met inhoud of in Items in lijst zetten.
3. Druk op Save (Opslaan).
Opgeslagen contentlijsten voor een activiteit selecteren en toevoegen
l Druk op de pagina Lijsten beheren van Super sorteren van het venster Een activiteit
toevoegen op Vanuit lijst toevoegen onder Inhoud van categorie om een eerder
opgeslagen lijst toe te voegen aan de sorteercategorieën. Druk op Wissen om een
eerder opgeslagen lijst te verwijderen. Druk op Lijst opslaan om een nieuwe lijst op te
slaan.
HOOFDSTUK 8
LESACTIVITEITENBOUWER (LAB) GEBRUIKEN
160
l Druk in het dialoogvenster Lijsten beheren van Flip Out in het venster Een activiteit
toevoegen op Vanuit lijst toevoegen onder de vervolgkeuzelijst Achterkant kaart en
Voorkant kaart om een eerder opgeslagen lijst toe te voegen. Druk op Wissen om een
eerder opgeslagen lijst te verwijderen. Druk op Lijst opslaan om een nieuwe lijst op te
slaan.
l Druk op de pagina Lijsten beheren van Rangorde van het venster Een activiteit
toevoegen op Lijsten onder Items om te rangschikken om een eerder opgeslagen lijst
en toe te voegen. Druk op Wissen om een eerder opgeslagen lijst te verwijderen. Druk
op Lijst opslaan om een nieuwe lijst op te slaan.
l Druk op de pagina Lijsten beheren van Wat hoort bij elkaar? van het venster Een activiteit
toevoegen op Lijsten onder Categorienaam (optioneel) om een eerder opgeslagen lijst
toe te voegen. Druk op Wissen om een eerder opgeslagen lijst te verwijderen. Druk op
Lijst opslaan om een nieuwe lijst op te slaan.
TIPS
l U kunt inhoud van een Exce-spreadsheet door gewenste spreadsheetcellen te
selecteren en kopren, en deze te plakken in het het gebied Categorie-inhoud van het
dialoogvenster Inhoud toevoegen .
l U kunt inhoud uit een tekstdocument toevoegen door de gewenste tekst te selecteren
en kopren, en deze te plakken in het gebied Categorie-inhoud van het
dialoogvenster Inhoud toevoegen .
Hoofdstuk 9
161
Hoofdstuk 9: Conceptmapping gebruiken
Gebruik conceptmapping om deelname van leerlingen op een dynamische manier te
bevorderen. U kunt inktgebaren samen met traditionele interacties gebruiken om
conceptmappen te bouwen.
Om te beginnen met het gebruik van concertmapping, zie Knooppunten voor
conceptmapping maken en gebruiken beneden.
Knooppunten voor conceptmapping maken en
gebruiken
Een hoofdknooppunt maken
Om te beginnen met concertmapping te gebruiken, opent u het vanaf de werkbalk. Een
hoofdknooppunt verschijnt automatisch U gebruikt vervolgens aanvullende knooppunten om
de conceptmap de maken.
Een hoofdknooppunt maken
1.
Druk op Een nieuwe conceptmap starten in het menu Invoegtoepassingen .
Een hoofdknooppunt opent.
2. Druk twee keer binnen het hoofdknooppunt om de tekst te bewerken. Druk op
Eigenschappen of Tekst om het menu Tekst te openen, waar u lettergrootte,
lettertype en kleur kunt selecteren.
Aanvullende knooppunten maken
1. Druk op de knop + in het hoofdknooppunt Een nieuw knooppunt verschijnt met een lijn
die het verbindt met het hoofdknooppunt.
HOOFDSTUK 9
CONCEPTMAPPING GEBRUIKEN
162
2. Druk twee keer binnen het knooppunt om de tekst te bewerken.
Een afbeelding als een knooppunt gebruiken
Een afbeelding gebruiken als knooppunt
1. Open conceptmapping en plak een afbeelding, inkt of tekst op de pagina van Notebook
of sleep deze erheen.
2. Gebruik een Notebook-pen om een cirkel rond de afbeelding te tekenen.
3. De afbeelding verschijnt in een nieuw knooppunt. Verplaats het knooppunt naar waar u
maar wilt op de pagina van Notebook.
HOOFDSTUK 9
CONCEPTMAPPING GEBRUIKEN
163
4. Gebruik de pen nu om een reguliere inktlijn van het nieuwe knooppunt naar een ander
knooppunt te tekenen. De lijn wordt een segment en verbindt de twee knooppunten.
TIPS
o
Gebruik de knoppen Ongedaan maken en Opnieuw om het werk aan uw
conceptmapping ongedaan te maken of opnieuw te doen.
o
Als u een hoofdknooppunt verwijdert, zullen de andere knooppunten ook
verwijderd worden.
o
U kunt de omvang van het knooppunt wijzigen door op de hendel formaat wijzigen
te drukken en deze te bewegen om het knooppunt groter of kleiner te maken. Zie
De omvang van objecten veranderen op pagina72
Hoofdstuk 10
165
Hoofdstuk 10: Lesactiviteiten presenteren en
samenwerking faciliteren
Voorbereiden voor presenteren 166
De paginaweergave instellen 167
In- en uitzoomen 167
Pagina's pannen 168
Pagina's in volledige schermweergave tonen 169
Pagina's met transparante achtergrond weergeven 171
Pagina's in dubbele paginaweergave tonen 173
Koppelingen tonen 174
Vensters heen en weer verplaatsen tussen schermen 174
Het volume aanpassen 175
Klaspresentatiehulpmiddelen gebruiken 175
Pagina's opnemen met de lesrecorder 175
De schermschaduw gebruiken 177
Celarceringen gebruiken 178
De magische pen gebruiken 178
De magische pen selecteren 179
De magische pen gebruiken om vervagende objecten te maken 179
De magische pen gebruiken om een vergrotingsvenster te openen 179
De magische pen gebruiken om een spotlightvenster te openen 181
De tekstpen gebruiken 182
Schrijven met de tekstpen 182
Aanpassen met de tekstpen 183
Objecten koppelen aan hulpmiddelen 185
Het standaardpentype gebruiken om vervagende objecten te maken 187
SMART-blokken gebruiken 187
SMART-blok-activiteiten 188
SMART-recorder gebruiken 189
SMART-recorder starten 190
SMART-recorder verbergen 190
De beeld- en geluidskwaliteit van een opname wijzigen 191
De video-indeling van een opname wijzigen 192
De bestandslocatie van een opname wijzigen 193
Een watermerk toevoegen aan opnames 195
Uw acties opnemen 197
Systeemprestatie verbeteren voor opname 200
Schermresolutie en aantal kleuren verlagen 200
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
166
Hardware-acceleratie uitschakelen 201
Een opname delen 201
Meethulpmiddelen gebruiken 202
De liniaal gebruiken 203
De hoekmeter gebruiken 204
De geodriehoek gebruiken 206
Het kompas gebruiken 208
Pagina's na presenteren wissen of opnieuw instellen 209
Pagina's wissen 210
Pagina's opnieuw instellen 211
Ervoor zorgen dat twee mensen een interactivewhiteboard kunnen gebruiken 212
Ervoor zorgen dat twee mensen een interactive whiteboard uit de SMART Board
D600-serie kunnen gebruiken 213
Ervoor zorgen dat twee mensen een interactief whiteboard uit de SMART Board 800-
serie kunnen gebruiken 213
Hulpmiddelen selecteren 214
Nadat u lesactiviteiten hebt gemaakt inSMARTNotebook-software kunt u de lesactiviteiten
aan leerlingen presenteren met uw interactieve product en de presentatiefuncties van de
software.
U kunt niet alleen lesactiviteiten aan uw leerlingen presenteren maar u kunt ook de
samenwerking in uw klaslokaal vergemakkelijken via SMARTNotebook-software en uw
interactieve product. U kunt twee personen toestaan om op hetzelfde moment uw
SMARTBoard D600-serie of 800-serie interactive whiteboard te gebruiken.
Voorbereiden voor presenteren
Als u uw .notebook-bestanden hebt voltooid en klaar bent om dit te presenteren aan
leerlingen, slaat u de bestanden op een cd-, dvd- of USB-station op. U krijgt toegang tot de
bestanden en kunt uw bestanden tonen door het invoegen van het CD, DVD of USB station in
de computer die is aangesloten op het interactieve product. Een andere manier is door de
bestanden toegankelijk te maken op uw LAN en vervolgens op het interactieve product te
bladeren naar uw bestanden.
Vervolgens kunt u zich voorbereiden op presenteren door het volgende te doen:
l Stel de paginaweergave in
l Geef koppelingen in het bestand weer
l Als u meerdere interactieve producten in uw leslokaal hebt, verplaats dan de vensters
naar de betreffende schermen
l Pas het volume aan als u video- of geluidsbestanden presenteert
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
167
De paginaweergave instellen
U kunt in- en uitzoomen met de knop Schermen bekijken of met multitouch-gebaren (indien
uw interactieve product multitouch-gebaren ondersteunt).
Daarnaast heeft SMARTNotebook-software de volgende weergaven:
l De volledige schermweergave vergroot het paginagebied over het hele interactieve
scherm door de titelbalk, werkbalk, taakbalk en zijbalk te verbergen.
l Met behulp van een transparante achtergrond kunt u het bureaublad en de schermen
achter het venster van SMARTNotebook-software zien en tegelijkertijd met de
geopende, transparante pagina blijven werken.
l In de dubbele paginaweergave kunt u twee pagina's naast elkaar weergeven.
In- en uitzoomen
U kunt in- en uitzoomen met de knop Schermen bekijken of met multitouch-gebaren (indien
uw interactieve product multitouch-gebaren ondersteunt).
In- en uitzoomen met de knop Schermen bekijken
1.
Druk op Schermen bekijken .
2. Selecteer een vergrotingsfactor tussen de 50% en 300%.
OF
Selecteer Hele pagina om de hele pagina op uw scherm weer te geven.
OF
Selecteer Paginabreedte om de breedte van de pagina aan te passen aan de breedte
van uw scherm.
In- of uitzoomen met multitouch-gebaren
Sleep uw vingers in tegenovergestelde richting om in te zoomen.
OF
Sleep uw vingers naar elkaar toe om uit te zoomen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
168
Er verschijnt een bericht met daarin het huidige zoomniveau.
Pagina's pannen
Als uw interactieve product het gebaar voor pannen ondersteunt, kunt u een pagina pannen
als u hebt ingezoomd (zie In- en uitzoomen op vorige pagina).
Pannen
1. Blijf op het scherm drukken met twee vingers van dezelfde hand.
2. Houd uw vingers op het scherm en beweeg omhoog, omlaag, naar links of naar rechts.
3. Wanneer u het gewenste gedeelte van het scherm hebt bereikt, verwijder dan uw
vingers.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
169
Pagina's in volledige schermweergave tonen
Bij volledige schermweergave vergroot SMARTNotebook-software de pagina door middel
van het verbergen van andere gebruikersinterface-elementen, zodat de pagina het hele
scherm inneemt. U kunt toegang krijgen tot veel gebruikte opdrachten door middel van de
werkbalk Volledige scherm .
TIP
Voordat u een pagina in volledige schermweergave toont, selecteert u Weergave >
Paginarandom volledig scherm en selecteert u de juiste aspectverhouding voor uw
interactieve product. Er verschijnt een blauwe lijn die het gedeelte van de pagina aangeeft
dat in een volledige scherm zal verschijnen zonder dat u hoeft te schuiven.
De functie is nuttig wanneer u inhoud maakt die u wilt presenteren in volledige scherm.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
170
Een pagina in volledige schermweergave tonen
Druk op Schermen bekijken en selecteer vervolgens Volledige scherm.
De pagina wordt vergroot en neemt het hele scherm in. Andere gebruikersinterface-
elementen worden verborgen en de werkbalk Volledige Scherm verschijnt.
Knop Command
(Opdracht)
Handeling
Vorige pagina De vorige pagina van het huidige bestand tonen.
Volgende
pagina
De volgende pagina van het huidige bestand tonen.
Meer opties Open een menu met opties.
Paginabreedte Het niveau voor zoomen wijzigen naar de breedte van de
pagina.
TIP
Dit is handig als u een interactief product op breedbeeld
gebruikt en grijze balken aan de zijkanten van de pagina
worden weergegeven.
Hele pagina Het niveau voor zoomen wijzigen naar volledige
paginaweergave.
Volledig
scherm afsluiten
Ga terug naar de standaardweergave.
Werkbalkopties Geeft extra werkbalkknoppen weer.
AANTEKENINGEN
o
De werkbalk geeft het huidige paginanummer en het totale aantal pagina's in het
bestand weer.
o
Als SMARTResponse-software is geïnstalleerd verschijnen er andere knoppen die
u in staat stellen om vragen in te voegen en proefwerken af te nemen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
171
Meer werkbalkknoppen weergeven
Druk op Werkbalkopties .
De werkbalk wordt vergroot en geeft nu ook de volgende knoppen weer:
Knop Command
(Opdracht)
Handeling
Lege pagina Voeg in het nieuwe bestand een nieuwe, blanco pagina in.
Ongedaan
maken
Maak het effect van de laatste actie ongedaan.
Selecteren Selecteer objecten op de huidige pagina.
Magische pen Maak objecten die langzaam vervagen, open een
vergrotingsvenster of een spotlightvenster (zie De magische
pen gebruiken op pagina178).
Pagina's met transparante achtergrond weergeven
Met behulp van een transparante achtergrond kunt u het bureaublad en de schermen achter
het venster van SMARTNotebook-software zien en tegelijkertijd met de geopende,
transparante pagina blijven werken. U kunt met digitale inkt op de transparante pagina
schrijven en uw aantekeningen in het bestand opslaan. U kunt meethulpmiddelen weergeven,
een schermweergave maken en nog veel meer. Als een gedeelte van het scherm geen
SMARTNotebook-softwareobjecten bevat, kunt u dit gedeelte selecteren en met het
achterliggende bureaublad en de toepassingen daarop werken.
Een pagina met transparante achtergrond weergeven
Druk op Schermen bekijken en selecteer vervolgens Transparante achtergrond.
De achtergrond van het venster met SMARTNotebook-software wordt transparant,
waardoor u het bureaublad en de programma's die erachter liggen kunt zien, maar
objecten op de .notebook-bestandspagina blijven zichtbaar.
De werkbalk Transparante achtergrond verschijnt.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
172
Knop Command
(Opdracht)
Handeling
Selecteren Selecteer objecten op de huidige pagina en werk met het
bureaublad en toepassingsobjecten die niet worden bedekt
dor het SMARTNotebook-softwareobject.
Pennen en
markeerstiften
Schrijf of teken op de huidige pagina met digitale inkt.
Vorige pagina Toon de vorige pagina van het huidige bestand.
Volgende
pagina
Toon de volgende pagina van het huidige bestand.
Meer opties Open een menu dat u de mogelijkheid geeft om onder
andere schermschaduw toe te voegen, andere digitale inkt
of een creatieve penstijl te selecteren en rechte lijnen of
voorwerpen toe te voegen.
Transparante
achtergrond
verlaten
Ga terug naar de standaardweergave.
Werkbalkopties Geeft extra werkbalkknoppen weer.
AANTEKENINGEN
o
De werkbalk geeft het huidige paginanummer en het totale aantal pagina's in het
bestand weer.
o
Als SMARTResponse-software is geïnstalleerd verschijnen er andere knoppen die
u in staat stellen om vragen in te voegen en proefwerken af te nemen.
Meer werkbalkknoppen weergeven
Druk op Werkbalkopties .
De werkbalk wordt vergroot en geeft nu ook de volgende knoppen weer:
Knop Command (Opdracht) Handeling
Lege pagina Voeg in het nieuwe bestand een nieuwe, blanco
pagina in.
Ongedaan maken Maak het effect van de laatste actie ongedaan.
Verwijderen Verwijder alle geselecteerde objecten.
Pagina wissen Verwijder alle digitale inkt en verwijder alle objecten
van de pagina
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
173
Knop Command (Opdracht) Handeling
Schermopnamewerkbalk Open de werkbalk Screen Capture.
Lineaal invoegen Voeg een liniaal aan de pagina toe (zie De liniaal
gebruiken op pagina203).
Hoekmeter invoegen Voeg een hoekmeter aan de pagina toe (zie De
hoekmeter gebruiken op pagina204).
Geodriehoek invoegen Voeg een geodriehoek toe aan de pagina (zie De
geodriehoek gebruiken op pagina206).
Kompas invoegen Voeg een kompas aan de pagina toe (zie Het
kompas gebruiken op pagina208).
Pagina's in dubbele paginaweergave tonen
U kunt twee pagina's naast elkaar weergeven. U kunt op beide pagina's tekenen, notities
maken, bestanden importeren en links toevoegen op dezelfde manier als bij een pagina.
Wanneer u gebruik maakt van dubbele paginaweergave, kunt u een pagina vastspelden zodat
deze zichtbaar blijft terwijl u andere pagina's bekijkt met de paginasorteerder.
Een pagina in dubbele paginaweergave tonen
Druk op Schermen bekijken en selecteer vervolgens Weergave met twee pagina's.
Er verschijnt een tweede pagina. Een rode rand geeft aan welke pagina actief is.
Een pagina vastspelden
1. Geef twee pagina's weer, als dat niet al gebeurd is.
2. Selecteer de pagina die u wilt blijven weergeven.
3. Selecteer Weergave > Weergave met twee pagina’s > Pagina vastspelden.
Er verschijnen speldpictogrammen in de rechter bovenhoek van de vastgespelde
pagina.
Vastspelden ongedaan maken
Verwijder de selectie van Weergave > Weergave met twee pagina’s > Pagina
vastspelden.
Teruggaan naar standaardweergave
Druk op Schermen bekijken en selecteer vervolgens Weergave met een pagina.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
174
Koppelingen tonen
U kunt een bestandskopie, een snelkoppeling naar een bestand, een koppeling naar een
webpagina of een geluidsbestand toevoegen aan alle objecten op een pagina (zie
Koppelingen aan objecten toevoegen op pagina112). U kunt een geanimeerde aanduiding
weergeven rondom elk object dat een link bevat.
Koppelingen weergeven zodra de pagina geopend wordt
Selecteer Weergave > Alle koppelingen tonen bij pagina openen.
Elke keer dat u een pagina opent, verschijnt er een geanimeerde aanduiding rondom elk
object dat een link bevat. Afhankelijk van hoe u de links instelt, omhullen de
aanduidingen of het hele object of alleen het pictogram in de linker benedenhoek van
het object. De aanduidingen verdwijnen automatisch na enkele seconden.
NB
Wis het selectievakje Weergave > Alle koppelingen tonen bij pagina openen om te
zorgen dat links niet worden weergegeven bij het openen van een pagina.
Koppelingen op de huidige pagina weergeven
Selecteer Weergave> Alle koppelingen weergeven.
Er verschijnt een geanimeerde aanduiding rondom elk object dat een link bevat.
Afhankelijk van hoe u de links instelt, omhullen de aanduidingen of het hele object of
alleen het pictogram in de linker benedenhoek van het object. De aanduidingen
verdwijnen automatisch na enkele seconden.
Vensters heen en weer verplaatsen tussen schermen
U kunt meerdere interactieve producten bedienen vanaf één computer. U kunt het
computerscherm verdelen over twee of meer schermen of u kunt sommige programma's
weergeven op één scherm en andere programma's op het andere scherm. Zie voor meer
informatie Meerdere interactive whiteboards verbinden met één computer (
(smarttech.com/kb/000315).
Als u meerdere interactieve producten aansluit op één computer, dan kunt u vensters
verplaatsen van het ene scherm naar het andere.
Een venster van het ene scherm naar het andere verplaatsen
1. Maak het venster zichtbaar, als het nog niet zichtbaar is.
NB
U kunt een venster alleen verplaatsen als het niet geminimaliseerd of gemaximaliseerd
is.
2. Druk met uw vinger op het venster op het eerste scherm en houd het vast.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
175
3. Druk op het tweede scherm met een vinger van de andere hand.
4. Haal uw vinger van het eerste scherm.
Het venster verdwijnt van het eerste scherm en verschijnt op het tweede scherm.
Het volume aanpassen
Als u een video- of geluidsbestand presenteert en het volume wilt aanpassen, kunt u op de
knop Volumebediening rukken en de volumebediening van uw besturingssysteem
aanpassen.
NB
Zorg ervoor dat uw luidsprekers aan staan.
Zie om deze knop aan de taakbalk toe te voegen De werkbalk aanpassen op pagina219.
Klaspresentatiehulpmiddelen gebruiken
Als u lesactiviteiten aan leerlingen presenteert, kunt u de volgende hulpmiddelen gebruiken:
l Schaduwscherm
l Celarceringen
l Magische pen
l Tekstpen (om met bewerkbare inkt te schrijven)
l Standaardpentype (om vervagende objecten te maken)
l SMART-blokken
l Meethulpmiddelen
o
Lineaal
o
Hoekmeter
o
Geodriehoek
o
Kompas
Pagina's opnemen met de lesrecorder
U kunt de invoegtoepassing Lesrecorder gebruiken om uw activiteiten op een pagina op te
nemen. U kunt vervolgens de opname op dezelfde pagina afspelen door de Lesrecorder of
de nieuwe playback-widget te gebruiken.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
176
NB
SMART Recorder is een ander maar vergelijkbaar hulpmiddel. Met SMART Recorder kunt u
uw acties opnemen in alle programma's behalve SMARTNotebook-software. Met SMART
Recorder kunt u een volledig scherm, een bepaald venster of een rechthoekig deel van het
scherm opnemen. Als u een microfoon aansluit op uw computer, kunt u ook audio opnemen.
Zie voor meer informatie SMART-recorder gebruiken op pagina189.
Een pagina opnemen
1.
Druk op Add-ons (Invoegtoepassingen) en druk dan op Lesson Recorder
(Lesrecorder).
2.
Druk op New Recording (Nieuwe opname).
Een rode rechthoek verschijnt om de opgenomen pagina.
3. Voer de acties uit die u wilt opnemen op de huidige pagina.
4.
Druk op Stop Recording (Opname stoppen) wanneer u klaar bent met deze acties.
TIPS
o
Om uw opname op te slaan, slaat u simpelweg het .notebook -bestand op.
o
Sluit de invoegtoepassing Lesrecorder tijdens presentaties. De playback-widget
verschijnt onderaan de pagina. U kunt deze ontgrendelen en overal op de pagina
verplaatsen.
o
U kunt de opname niet van de pagina verwijderen.
Een paginaopname afspelen met de invoegtoepassing Lesrecorder
1. Open de pagina die u hebt opgenomen.
2.
Als de invoegtoepassing Lesrecorder niet open is, druk dan op Add-ons
(Invoegtoepassingen) en druk vervolgens op Lesson Recorder (Lesrecorder).
3.
Druk op Play (Afspelen) op de playback-werkbalk.
U kunt wisselen tussen Play (Afspelen) en Pause (Pauzeren) wanneer u de opname
afspeelt.
4. U kunt eventueel het volgende doen:
o
Druk op Rewind (Terugspoelen) om de opname terug te spoelen.
o
Druk op Fast forward (Vooruitspoelen) om de opname vooruit te spoelen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
177
Een paginaopname afspelen met de playback-widget
1. Open de pagina die u hebt opgenomen.
2.
Druk op op de titelbalk van de invoegtoepassing om Lesrecorder te sluiten als deze
open is.
De playback-widget verschijnt onderaan de pagina.
TIPS
U kunt de widget ontgrendelen en overal op de pagina plaatsen waar u er eenvoudig
toegang tot hebt tijdens uw presentatie.
3.
Druk op Play (Afspelen) in de playback-widget.
U kunt wisselen tussen Play (Afspelen) en Pause (Pauzeren) wanneer u de opname
afspeelt.
4. U kunt eventueel het volgende doen:
o
Druk op Rewind (Terugspoelen) om de opname terug te spoelen.
o
Druk op Fast forward (Vooruitspoelen) om de opname vooruit te spoelen.
De schermschaduw gebruiken
Als u informatie eerst wilt verbergen en daarna langzaam zichtbaar wilt maken tijdens een
presentatie, kunt u een schermschaduw toevoegen aan een pagina. U kunt ook de kleur van
uw schermschaduw aanpassen om uw presentatie te verrijken.
Als u een schermschaduw toevoegt aan een pagina en het bestand opslaat, zal de
schermschaduw over de pagina verschijnen wanneer u het bestande de volgende keer opent.
Een schermschaduw aan een pagina toevoegen
1.
Druk op Show/Hide Screen Shade (Schermschaduw weergeven/verbergen).
Er verschijnt een schermschaduw over de hele pagina.
2. Druk op de schermschaduw om deze automatisch van kleur te laten veranderen.
Een deel van de pagina zichtbaar maken
Sleep een van de formaatgrepen van de schermschaduw (de kleine cirkels aan de
randen van de schermschaduw).
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
178
Een schermschaduw van een pagina verwijderen
Druk op Show/Hide Screen Shade (Schermschaduw weergeven/verbergen).
OF
Druk op Close (Sluiten) in de rechter bovenhoek van de schermschaduw.
Celarceringen gebruiken
U kunt een celarcering aan een tabelcel toevoegen. Hierdoor kunt u de informatie in de cellen
tijdens de presentatie onthullen.
AANTEKENINGEN
l U moet de celarceringen verwijderen als u de eigenschappen van de cel wilt
veranderen; kolommen of rijen wilt invoegen; kolommen, rijen of cellen wilt
verwijderen; of cellen wilt delen of samenvoegen.
l U kunt ook een schermschaduw toevoegen om de gehele pagina te bedekken (zie De
schermschaduw gebruiken op vorige pagina).
Een celarcering toevoegen
1. Selecteer de cel.
2. Druk op de menupijl van de cel en selecteer Celarcering toevoegen.
De inhoud van een cel tonen en verbergen
1. Klik op de celarcering.
De celarcering verdwijnt waardoor de inhoud van de cel zichtbaar wordt.
2.
Druk in de linker bovenhoek van de cel.
De celarcering verschijnt waardoor de inhoud van de cel wordt bedekt.
Een celarcering verwijderen
1. Selecteer de cel.
2. Druk op de menupijl van de cel en selecteer Celarcering verwijderen.
De magische pen gebruiken
Met de magische pen kunt u de volgende acties uitvoeren:
l Een object maken dat langzaam vervaagt
l Een vergrotingsvenster openen
l Een spotlightvenster openen
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
179
De magische pen selecteren
Voordat u de magische pen gebruikt, moet u het selecteren.
De magische pen selecteren
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypes,en selecteer Magische Pen.
De magische pen gebruiken om vervagende objecten te maken
U kunt objecten maken die langzaam vervagen met de magische pen.
NB
Vervagende objecten worden niet opgeslagen in .notebookbestanden.
Een vervagend object maken
1. Selecteer de magische pen (zie De magische pen selecteren boven).
2. Met uw vinger of met een pen, schrijft of tekent u objecten op het interactieve scherm.
De objecten vervagen langzaam.
Het aantal seconden instellen alvorens het object vervaagt
1. Selecteer de magische pen (zie De magische pen selecteren boven).
2.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
3. Druk op Opvuleffecten.
4. Selecteer het aantal seconden alvorens het object vervaagt in de vervolgkeuzelijst
Vervaagtijd .
TIP
De wijzigingen in de standaardinstellingen van het magische penhulpmiddel kunt u
opslaan door te klikken op Save Tool Properties (Eigenschappen hulpmiddel opslaan)
(zie Hulpmiddelinstellingen opslaan op pagina65).
De magische pen gebruiken om een vergrotingsvenster te openen
U kunt een vergrotingsvenster openen met de magische pen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
180
Een vergrotingsvenster openen
1. Selecteer de magische pen (zie De magische pen selecteren op vorige pagina).
2. Teken een vierkant of rechthoek op het interactieve scherm met uw vinger of een pen.
Een vergrotingsvenster verschijnt.
TIP
U kunt een vierkant tekenen en het laten vervagen in plaats van het vergrotingsvenster
te openen met het standaard pentype (zie Het standaardpentype gebruiken om
vervagende objecten te maken op pagina187).
3. Doe het volgende:
o
Om de omvang van het vergrotingsvenster te verkleinen, drukt u in het midden van
het venster en sleept u naar links.
o
Om de omvang van het vergrotingsvenster te vergroten, drukt u in het midden van
het venster en sleept u naar rechts.
o
Om het vergrotingsvenster te verplaatsen, drukt u vlakbij de rand van het venster en
versleept u het.
4.
Druk op Sluiten wanneer u gereed bent.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
181
De magische pen gebruiken om een spotlightvenster te openen
U kutn een spotlightvenster openen met de magische pen.
Een spotlightvenster openen
1. Selecteer de magische pen (zie De magische pen selecteren op pagina179).
2. Teken een cirkel of ovaal op het interactieve scherm met uw vinger of een pen.
Een spotlightvenster verschijnt.
TIP
U kunt een vierkant tekenen en het laten vervagen in plaats van het vergrotingsvenster
te openen met het standaard pentype (zie Het standaardpentype gebruiken om
vervagende objecten te maken op pagina187).
3. Doe het volgende:
o
Om de omvang van het spotlightvenster te verkleinen, drukt u in het midden van het
venster en sleept u naar links.
o
Om de omvang van het spotlightvenster te vergroten, drukt u in het midden van het
venster en sleept u naar rechts.
o
Om het spotlightvenster te verplaatsen, drukt u vlakbij de rand van het venster en
versleept u het.
4.
Druk op Sluiten wanneer u gereed bent.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
182
De tekstpen gebruiken
Met de tekstpen kunt u de volgende acties uitvoeren:
l Notities maken die automatisch veranderen in aanpasbare tekst
l De tekst aanpassen terwijl u werkt, zonder een toetsenbord aan te raken
Schrijven met de tekstpen
Met de Text Pen kunt u notities maken die automatisch veranderen in aanpasbare tekst.
Om aanpasbare tekst te schrijven
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Tekstpen.
3. Selecteer een lijnstijl.
TIP
Schrijf nette blokletters op een horizontale lijn. De SMARTNotebook-software kan ook
schuin geschreven tekst omzetten, maar doet dat niet altijd op een consistente manier.
4. Schrijf digitale inktaantekeningen op de pagina.
Uw handschrift converteert naar getypte tekst. Accepteer en weiger pictogrammen die
naast de getypte tekst verschijnen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
183
5.
Druk op om de getypte tekst te accepteren.
OF
Druk op om uw handgeschreven notities te herstellen.
TIPS
o
U kunt dit doen terwijl de tekstpen actief is, zonder dat u hoeft over te schakelen
naar het hulpmiddel Select (Selecteren).
o
De getypte tekst wordt standaard geaccepteerd, mits u niet op één van de
pictogrammen drukt.
Aanpassen met de tekstpen
U kunt met de tekstpen markeringen toepassen en revisies aan aanpasbare tekst aanbrengen.
U kunt ongewenste tekst verwijderen door de tekst door te strepen. U kunt verschillende
kleuren inkt gebruiken om verschillende delen van uw tekst te markeren. U kunt ook andere
markeringen aanbrengen op ingevoegde ruimtes, tekst invoegen en tekst door nieuwe tekst
vervangen.
TIP
Noteer uw markeringen in een andere kleur dan uw aanpasbare tekst. Dit maakt het
makkelijker voor leerlingen om deze aanpassingen te zien terwijl u schrijflessen geeft.
Voorbeelden van beschikbare markeringen treft u aan in de volgende tabel:
Bewerken Instructie Voorbeeld:
[text string]
(tekenreeks
verwijderen)
Trek een streep door de tekst.
Spatie
invoegen
Trek een verticale lijn in de tekst.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
184
Bewerken Instructie Voorbeeld:
Tekst
invoegen
1.
Teken een dakje ^ waar detekst
ingevoegd moet worden.
2.
Schrijf de nieuwe tekst in het vak
dat verschijnt.
TIP
Druk op een lijntype of druk op
Color (Kleur) om een nieuwe
kleur te selecteren voor de
ingevoegde tekst.
Woorden die het meeste
overeenkomen met wat u heeft
geschreven verschijnen onder uw
handschrift.
3.
Selecteer een woord om dit als
getypte tekst in te voegen. U kunt
altijd op drukken om
automatisch het woord te
selecteren dat vetgedrukt wordt
weergegeven.
OF
Druk op om Tekst invoegen te
annuleren.
Tekst
vervangen
1.
Teken een cirkel om de tekst die u
wilt vervangen.
2.
Schrijf de vervangende tekst in het
vak dat verschijnt.
Woorden die het meeste
overeenkomen met wat u heeft
geschreven verschijnen onder uw
handschrift.
3.
Selecteer een woord om de
getypte tekst te vervangen of druk
op om automatisch het woord
te selecteren dat vetgedrukt wordt
weergegeven.
OF
Druk op om Tekst vervangen
te annuleren.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
185
Bewerken Instructie Voorbeeld:
Tekstkleur
wijzigen
1.
Druk op een van de lijntypes of
druk op Color (Kleur) om een
nieuwe kleur te selecteren voor de
getypte tekst.
2.
Teken een cirkel om de getypte
tekst die u wilt wijzigen.
3.
Druk op om automatisch de
nieuwe kleurselectie te
accepteren.
OF
Druk op om de nieuwe
kleurselectie te annuleren.
De tekstkleur
van een woord
met een
gebaar
wijzigen
1.
Druk op een van de lijntypes of
druk op Color (Kleur) om een
nieuwe kleur te selecteren voor
het getypte woord.
2.
Teken een horizontale lijn door het
woord en ga terug naar het begin
van uw lijn met een beweging
heen-en-weer.
Het woord krijgt automatisch de
nieuwe geselecteerde kleur.
Objecten koppelen aan hulpmiddelen
Uw SMARTNotebook-softwarepagina Werkbalk heeft hulpmiddelen waarmee u
basisobjecten op pagina's kunt maken en bewerken. Als uw gebruikers moeite hebben om de
werkbalk te bereiken, kunt u een object koppelen aan de hulpmiddelen Selecteren, Pen of
Wisser om een aangepast hulpmiddel te maken dat u overal op uw pagina kunt plaatsen. Druk
op ieder gewenst moment op het object om het hulpmiddel te activeren.
Een object koppelen aan een hulpmiddel
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Link to Tool (Koppelen aan
hulpmiddel).
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
186
3. Druk op een van de hulpmiddelopties.
Uw object is gekoppeld aan het hulpmiddel.
Het hulpmiddel wordt geactiveerd wanneer u op het gekoppelde object drukt:
Hulpmiddel
Pen
o
Wanneer u op het object klikt, wordt
het hulpmiddel Pen geactiveerd
o
U kunt inhoud schrijven met alleen
het type Pen .
Wisser
o
Wanneer u op het object klikt, wordt
het hulpmiddel Wisser geactiveerd.
o
U kunt inhoud gemaakt met elk
pentype wissen.
Selectie
o
Wanneer u op het object klikt, wordt
het hulpmiddel Selecteren
geactiveerd.
o
U kunt op een ander object op de
pagina klikken om het bijbehorende
menu te openen of om het op de
pagina te verplaatsen.
TIPS
o
U kunt uw eigen object tekenen, een object gebruiken uit de Galerie of een
tekstobject gebruiken.
o
Ukunt vooraf de kleur- of lijnopties selecteren voor uw pen voordat u een object
koppelt aan het hulpmiddel Pen. Als u een nieuwe kleur- of lijnoptie selecteert via
het hulpmiddel Pen op de werkbalk, wordt de wijziging automatisch toegepast op
uw gekoppelde object.
De koppeling van een object met een hulpmiddel verwijderen
1. Selecteer het object.
2. Druk op de menupijl van het object en selecteer vervolgens Link to Tool (Koppelen aan
hulpmiddel).
3. Druk op None (Geen).
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
187
Het standaardpentype gebruiken om vervagende objecten te
maken
U kunt vrije-stijl objecten maken die na een bepaald tijdsbestek vervagen met de pen.
NB
U kunt vrije-stijl objecten die na een bepaald tijdsbestek vervagen ook maken met het
hulpmiddel Magische pen (zie De magische pen gebruiken om vervagende objecten te
maken op pagina179).
Schrijven of tekenen met vervagende digitale inkt
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypes,en selecteer Pen.
3. Selecteer een lijnstijl.
4.
Als het tabblad Eigenschappen niet zichtbaar is, drukt u op Eigenschappen .
5. Druk op Opvuleffecten.
6. Selecteer het selectievakje Inkt vervagen nadat u hebt geschreven en selecteer
vervolgens het aantal seconden tussen het moment dat u de met de digitale inkt schrijft
of tekent en het moment dat de inkt vervaagt in de vervolgkeuzelijst Vervaagtijd .
7. Schrijf of teken op de pagina met digitale inkt.
SMART-blokken gebruiken
SMART-blokken is een toevoegtoepassing om wiskundeactiviteiten met uw klas uit te voeren
door nummers op de pagina te schrijven en deze dan te verbinden met een SMART-blok. U
kunt uit zeven verschillende vergelijkingssoorten kiezen. U kunt leren hoe SMART-blokken
werkt met de pop-up-handleiding.
Smart-blokken openen
Druk op Invoegtoepassingen en druk dan op SMART-blokken.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
188
De pop-upgids van Smart-blokken openen
1.
Druk op Invoegtoepassingen en druk dan op SMART-blokken.
2. Druk op Meer informatie.
SMART-blok-activiteiten
BELANGRIJK
SMART-blokken voert de berekening uit binnen de blokken. Schrijf niet binnen de blokken.
Zie de onderstaande voorbeelden.
De volgende SMART-blok-activiteiten zijn beschikbaar:
SMARTblok Functie
Optelblokken accepteren maximaal twee invoeren. De uitvoer is de som van
de invoeren.
Bijvoorbeeld:
Aftrekblokken accepteren maximaal twee invoeren. De uitvoer is het verschil
tussen de invoeren.
Bijvoorbeeld:
Vermenigvuldigingsblokken accepteren maximaal twee invoeren. De uitvoer
is het product van de invoeren.
Bijvoorbeeld:
Deelblokken accepteren maximaal twee invoeren. De uitvoer is de quotiënt
van de invoeren.
Bijvoorbeeld:
Machtsblokken accepteren maximaal twee invoeren. De uitvoer is de eerste
invoer tot de macht van de tweede invoer.
Bijvoorbeeld:
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
189
SMARTblok Functie
Vierkantswortelblokken accepteren één invoer. De uitvoer is de
vierkantswortel van de invoer.
Bijvoorbeeld:
Onbekende blokken accepteren twee invoeren. De uitvoer is een
willekeurige handeling die op de invoeren wordt toegepast.
Bijvoorbeeld:
SMART-recorder gebruiken
Met SMART-recorder kunt u uw acties op het interactieve product opnemen. Als u een
microfoon aansluit op uw computer, kunt u ook uw stem opnemen.
Nadat u een opname hebt gemaakt, kunt u deze afspelen op elke computer met
WindowsMedia® Player, of de opname delen met anderen.
AANTEKENINGEN
l WindowsMedia Player is beschikbaar op microsoft.com/mediaplayer.
l Als uw computer voldoet aan de minimumsysteemvereisten voor SMARTNotebook-
software, kunt u SMART-recorder gebruiken. Installeer de software voor de beste
resultaten echter op een computer met een Pentium 4-processor of beter en een
geluidskaart en microfoon die compatibel zijn met Windows.
Nadat u een opname hebt gemaakt, kunt u deze afspelen op elke computer met SMART-
videospeler of WindowsMedia® Player, of de opname delen met anderen.
AANTEKENINGEN
l WindowsMedia Player is beschikbaar op microsoft.com/mediaplayer.
l Als uw computer voldoet aan de minimumsysteemvereisten voor SMARTMeetingPro-
software, kunt u SMART-recorder gebruiken. Installeer de software voor de beste
resultaten echter op een computer met een Pentium 4-processor of beter en een
geluidskaart en microfoon die compatibel zijn met Windows.
Nadat u een opname hebt gemaakt, kunt u deze afspelen op elke computer met SMART-
videospeler of WindowsMedia® Player, of de opname delen met anderen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
190
AANTEKENINGEN
l WindowsMedia Player is beschikbaar op microsoft.com/mediaplayer.
l Als uw computer voldoet aan de minimumsysteemvereisten voor SMARTMeetingPro
PE-software, kunt u SMART-recorder gebruiken. Installeer de software voor de beste
resultaten echter op een computer met een Pentium 4-processor of beter en een
geluidskaart en microfoon die compatibel zijn met Windows.
SMART-recorder starten
De eerste stap in het gebruik van SMART Recorder is het programma starten.
SMART-recorder starten
Druk op het SMARTBoard -pictogram in het berichtengebied en selecteer dan
Recorder.
NB
Als uw computer momenteel niet is verbonden met een interactief product, bevat het
SMARTBoard -pictogram een X in de rechter benedenhoek .
Als uw computer momenteel niet is verbonden met een interactief product, is het
SMARTBoard -pictogram grijs en heeft een X in de rechter benedenhoek .
Selecteer voor Windows 7-besturingssysteem Start > All Programs > SMART
Technologies > SMART Tools > Recorder (Start > Alle programma's > SMART
Technologies > SMART-hulpmiddelen > Recorder).
OF
Ga voor het Windows 8-besturingssysteem naar het scherm Apps , ga naar beneden en
druk op SMARTTechnologies> Recorder.
OF
Selecteer voor het Windows 10-besturingssysteem Start > Alle apps, ga naar beneden
en druk op SMARTTechnologies> Recorder.
SMART-recorder verschijnt. Er wordt een pictogram SMART Recorder weergegeven
in het berichtengebied.
SMART-recorder verbergen
Indien gewenst kunt u SMART-recorder verbergen maar de menuopties blijven opvragen met
het pictogram SMART Recorder .
SMART-recorder verbergen
Selecteer in SMART-recorder Menu > Hide to System Tray (Menu > Verbergen in
systeemvak).
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
191
SMART Recorder verdwijnt
SMART-recorder tonen
Druk op het SMART Recorder pictogram in het berichtengebied en selecteer dan
Show (Tonen).
SMART-recorder verschijnt.
De beeld- en geluidskwaliteit van een opname wijzigen
U kunt de SMART Recorder-instellingen wijzigen om de geuid- en beeldkwaliteit van een
opname te wijzigen.
De beeld- en geluidskwaliteit van een opname wijzigen
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Selecteer een geluidskwaliteit in de lijst Sound Quality (Geluidskwaliteit).
NB
Bij betere geluidskwaliteit wordt het bestand beter afgespeeld maar wordt het bestand
ook groter.
3. Selecteer een beeldkwaliteit in de lijst Video Quality (Beeldkwaliteit).
OF
Selecteer Custom (Aangepast) en typ de gewenste framerate.
NB
Bij een hogere framesnelheid is de kwaliteit van de opname hoger, maar is het bestand
ook groter.
TIP
Als u Automatic Selection (Recommended) (Automatische selectie (aanbevolen))
selecteert, zal SMART-recorder automatisch uw computer evalueren en de optimale
framerate selecteren.
4. Druk op OK.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
192
De standaard beeld- en geluidskwaliteit van een opname herstellen
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op Restore Defaults (Standaardwaarden herstellen).
3. Druk op OK.
De video-indeling van een opname wijzigen
U kunt de SMART Recorder-instellingen wijzigen om de video-indeling van een opname te
wijzigen.
De video-indeling van een opname wijzigen
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Video Format (Video-indeling).
3. Selecteer WindowsMedia Video (*.wmv) of SMART Recorder Video (*.avi).
AANTEKENINGEN
o
Elke versie van WindowsMedia Player kan een WindowsMedia-videobestand
afspelen. WindowsMedia Player kan ook een videobestand van SMART Recorder
afspelen indien SMARTNotebook-software is geïnstalleerd op de computer
waarop het bestand wordt afgespeeld.
Elke versie van WindowsMedia Player kan een WindowsMedia-videobestand
afspelen. WindowsMedia Player kan ook een videobestand van SMART-recorder
afspelen indien SMARTMeetingPro-software is geïnstalleerd op de computer
waarop het bestand wordt afgespeeld.
Elke versie van WindowsMedia Player kan een WindowsMedia-videobestand
afspelen. WindowsMedia Player kan ook een videobestand van SMART-recorder
afspelen indien SMARTMeetingPro PE-software is geïnstalleerd op de computer
waarop het bestand wordt afgespeeld.
o
U kunt een SMART-recorder-videobestand converteren naar een WindowsMedia-
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
193
videobestand door de opname te delen (zie Een opname delen op pagina201).
4. Druk op OK.
De standaard video-indeling van een opname herstellen
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Video Format (Video-indeling).
3. Druk op Restore Defaults (Standaardwaarden herstellen).
4. Druk op OK.
De bestandslocatie van een opname wijzigen
U kunt de SMART Recorder-instellingen wijzigen om de bestandlocatie van een opname te
wijzigen.
De map wijzigen waar SMART-recorder bestanden opslaat
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Target Files (Doelbestanden).
3. Druk op de knop Browse (Bladeren) naast het vak Default Save Directory (Standaard
bewaarmap).
4. Blader naar en selecteer de map waarin u de bestanden wilt opslaan en druk op OK.
TIP
Sla voor de beste prestatie de bestanden op op de vaste schijf van de computer in
plaats van op het netwerkstation.
5. Druk op OK.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
194
De map wijzigen waar SMART-recorder tijdelijke bestanden opslaat
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Target Files (Doelbestanden).
3. Druk op de knop Browse (Bladeren) naast het veld Temporary Files Directory (Map voor
tijdelijke bestanden).
4. Blader naar en selecteer de map waarin u de tijdelijke bestanden wilt opslaan en druk op
OK.
TIP
Sla bestanden en tijdelijke bestanden voor de beste prestatie op op hetzelfde station
om de tijd die nodig is voor het opslaan van een opname te verkorten.
5. Druk op OK.
Limieten voor schijfruimte instellen
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Target Files (Doelbestanden).
3. Selecteer het selectievakje Warn me if free disk space is below (Waarschuw me als vrije
schijfruimte minder is dan) en typ de schijfruimtelimiet waarbij een melding moet worden
getoond.
4. Typ een schijfruimtelimiet waaronder SMART Recorder stopt met opnemen.
5. Druk op OK.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
195
De standaard bestandslocatie van opnames herstellen
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Target Files (Doelbestanden).
3. Druk op Restore Defaults (Standaardwaarden herstellen).
4. Druk op OK.
Een watermerk toevoegen aan opnames
U kunt de SMART Recorder-instellingen wijzigen om een watermerk toe te voegen aan de
achtergrond van een opname.
Een watermerk met een afbeelding toevoegen aan opnames
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Watermark (Watermerk).
3. Selecteer Image (Afbeelding).
4. Druk op Browse (Bladeren).
5. Selecteer de afbeelding die u wilt gebruiken en druk op Open (Openen).
6. Druk op Properties (Eigenschappen).
Het dialoogvenster Watermark Properties (Watermerk-eigenschappen) wordt
weergegeven. Er wordt een voorbeeld van uw geselecteerde afbeelding getoond in het
deelvenster Preview (Voorbeeld).
7. Doe het volgende:
o
Sleep de voorbeeldafbeelding naar een ander gebied in het deelvenster Preview
(Voorbeeld) om de positie van het watermerk te veranderen.
o
Wijzig de grootte van het watermerk door de witte cirkel in de afbeelding naar de
rechter onderhoek te slepen.
8. Selecteer de instellingen Transparency (Doorschijnendheid) en Effect .
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
196
9. Druk op OK om het dialoogvenster Watermark Properties (Watermerkeigenschappen) te
sluiten.
10. Als u geen watermerk meer wilt weergeven nadat SMART-recorder wordt gesloten,
selecteert u Turn off the watermark when recorder closes (Watermerk uitschakelen
wanneer recorder wordt gesloten).
11. Druk op OK om het dialoogvenster Options (Opties) te sluiten.
Een watermerk met tekst toevoegen aan opnames
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Watermark (Watermerk).
3. Selecteer Text (Tekst).
4. Typ tekst voor het watermerk.
5. Druk op Properties (Eigenschappen).
Het dialoogvenster Watermark Properties (Watermerkeigenschappen) wordt
weergegeven. Er wordt een voorbeeld getoond in het deelvenster Preview (Voorbeeld).
6. Selecteer de instellingen Color (Kleur), Font (Lettertype) en Transparency
(Doorschijnendheid).
7. Doe het volgende:
o
Sleep de voorbeeldafbeelding naar een ander gebied in het deelvenster Preview
(Voorbeeld) om de positie van het watermerk te veranderen.
o
Wijzig de grootte van het watermerk door de witte cirkel in de afbeelding naar de
rechter onderhoek te slepen.
o
Om meer informatie toe te voegen aan het watermerk, selecteert u Add Current
Date (Huidige datum toevoegen), Add Current Time (Huidige tijd toevoegen) en/of
Add Frame Number (Framenummer toevoegen).
8. Druk op OK om het dialoogvenster Watermark Properties (Watermerkeigenschappen) te
sluiten.
9. Als u geen watermerk meer wilt weergeven nadat SMART-recorder wordt gesloten,
selecteert u Turn off the watermark when recorder closes (Watermerk uitschakelen
wanneer recorder wordt gesloten).
10. Druk op OK om het dialoogvenster Options (Opties) te sluiten.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
197
Een watermerk verwijderen uit opnames
1. Selecteer Menu > Options (Menu > Opties) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Options (Opties) wordt weergegeven.
2. Druk op het tabblad Watermark (Watermerk).
3. Selecteer No Watermark (Geen Watermerk).
4. Druk op OK.
Uw acties opnemen
Met SMART-recorder kunt u een volledig scherm, een bepaald venster of een rechthoekig
deel van het scherm opnemen. Als u een microfoon aansluit op uw computer, kunt u uw stem
opnemen.
U kunt de opname maken als een SMART-recorder-videobestand, een WindowsMedia-
videobestand of een zelf-uitpakkend bestand.
U kunt de opname maken als een SMART-recorder-videobestand dat u kunt bekijken met
SMART-videospeler, of u kunt de opname maken als een WindowsMedia-videobestand dat u
kunt afspelen in WindowsMedia Player. Als u de opname maakt als een SMART-recorder-
videobestand, kunt u deze ook converteren naar een WindowsMedia-videobestand of een
zelf-uitpakkend bestand dat u kunt delen met personen die niet beschikken over de SMART-
software.
NB
U kunt ook een WindowsMedia-videobestand of een zelf-uitpakkend bestand van eerder
gemaakte opnames maken om met anderen te delen (zie Een opname delen op
pagina201).
U kunt als volgt een opname maken
1. Wijzig de SMART Recorder-instellingen om de opnamekwaliteit, de video-indeling, de
bestandslocatie en het watermerk te configureren.
AANTEKENINGEN
o
Als u meerdere schermen hebt, moet u het scherm kiezen waar u wilt openen.
o
U kunt SMART-recorder verbergen en de menu-opties opvragen door te drukken
op het pictogram SMART Recorder in het berichtengebied.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
198
2.
Druk op Record (Opnemen) om het hele scherm op te nemen.
NB
Om het hele scherm op te nemen terwijl SMART-recorder verborgen is, drukt u op het
SMART Recorder -pictogram in het berichtengebied en selecteert u Record
(Opnemen).
OF
Om een deel van het scherm op te nemen, drukt u op de pijl omlaag naast de knop
Record (Opnemen) in SMART-recorder, selecteert u Record Area (Gebied opnemen)
en trekt u een vak rond het gebied dat u wilt opnemen.
OF
Druk op de pijl omlaag naast de knop Record (Opnemen) in SMART-recorder,
selecteer Record Window (Venster opnemen) en selecteer het venster dat u wilt
opnemen om een venster op te nemen.
TIP
Als u het bestand voor de opname kleiner wilt maken, kunt u de opname beperken tot
een rechthoek deel van het scherm of tot een venster.
3. Voer de acties op het scherm uit die u wilt opnemen. Als er een microfoon is aangesloten
op uw computer, spreek dan in de microfoon.
SMART-recorder toont de tijd die tijdens de opname is verstreken.
TIP
Animaties en andere speciale effecten vergroten het bestand voor de opname
aanzienlijk.
4.
Als u de opname wilt pauzeren, druk dan op Pause (Pauzeren). Druk op Record
(Opnemen) om de opname te hervatten.
AANTEKENINGEN
o
Druk op het pictogram SMART Recorder in het berichtengebied en
selecteerPause (Pauze) om het opnemen te pauzeren terwijl het vensterSMART-
recorder verborgen is.
o
Druk op het pictogram SMART Recorder in het berichtengebied en vervolgens op
Record (Opnemen) om het opnemen te hervatten.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
199
5.
Als u de acties die u wilde opnemen hebt uitgevoerd, drukt u op Stop in SMART-
recorder.
NB
Druk op het pictogram SMART Recorder in het berichtengebied en selecteer Stop
(Stoppen) om de opname te stoppen terwijl SMART-recorder verborgen is.
Het dialoogvenster Save As (Opslaan als) wordt weergegeven.
NB
Als u wilt afsluiten zonder de opname op te slaan, drukt u op Cancel (Annuleren) en op
Yes (Ja) om het wissen te bevestigen, en negeert u de overige stappen van de
procedure.
6. Typ een bestandsnaam.
7. Als u de opname wilt opslaan op een andere locatie, dan bladert u naar de nieuwe
locatie.
8. Druk op Save (Opslaan).
Het dialoogvenster Completing Capture (Vastleggen voltooien) wordt weergegeven
terwijl SMART-recorder het videobestand maakt.
Nadat SMART-recorder het videobestand heeft gemaakt, verschijnt het dialoogvenster
Recording Complete (Opname voltooid). De informatie in dit dialoogvenster bevat de
bestandslocatie, de bestandsgrootte en de duur van de opname.
9. Als u de opname wilt bekijken nadat u dit dialoogvenster hebt gesloten, selecteert u Play
Recording (Opname afspelen).
10. Als u de opname wilt delen met anderen, selecteert u Share Recording (Opname delen).
Als u de opname wilt delen met kijkers die niet beschikken over SMART-videospeler,
maar de opname hebt gemaakt in de indeling van SMART-recorder, selecteert u Share
Recording (Opname delen).
11. Druk op OK.
Wanneer u Play Recording (Opname afspelen) selecteert, wordt het bestand afgespeeld
in uw standaard mediaspeler.
Wanneer u Share Recording (Opname delen) selecteert, wordt het dialoogvenster Share
Recording (Opname delen) weergegeven. Maak een WindowsMedia-videobestand of
een zelf-uitpakkend bestand op de hieronder omschreven manier.
Een WindowsMedia-videobestand of een zelf-uitpakkend bestand maken
1. Maak de opname zoals hierboven beschreven. Zorg ervoor dat u de optie Share
Recording (Opname delen) selecteert.
Het dialoogvenster Share Recording (Opname delen) wordt weergegeven.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
200
2. Selecteer WMV om een WindowsMedia-videobestand te maken en druk op Next
(Volgende).
OF
Selecteer Self extracting (Zelf-uitpakkend) om een zelf-uitpakkend bestand te maken en
druk op Next (Volgende).
3. Druk op Next (Volgende).
4. Druk op Browse (Bladeren) om te bladeren naar de locatie waar u het bestand wilt
opslaan, typ een bestandsnaam en druk op Save (Opslaan).
5. Druk op Next (Volgende).
6. Druk op Finish (Voltooien).
Systeemprestatie verbeteren voor opname
Als uw systeem te langzaam is wanneer u SMART-recorder gebruikt of de opname niet de
gewenste kwaliteit heeft, dan kunt u de snelheid misschien verbeteren op de volgende
manieren:
l Beperk de schermresolutie van uw computer en het aantal kleuren van uw beeldscherm.
Kleinere schermen en minder kleuren leiden tot meer snelheid.
l Sla bestanden op op een lokale vaste schijf. Netwerkstations zijn langzamer en
verminderen de prestatie.
l Schakel hardware-acceleratie uit.
l Probeer een andere videokaart. Sommige videokaarten bieden betere prestaties dan
andere. PCI Express-kaarten zijn meestal sneller dan Accelerated Graphics Port (AGP)- en
Peripheral Component Interconnect (PCI)-kaarten.
l Selecteer een lagere videokwaliteit. U moet uw verwachtingen voor de videokwaliteit
afstemmen op de beperkingen van de computer. Bij hoge videokwaliteit worden grotere
bestanden geproduceerd en wordt er meer gevraagd van uw computer.
Schermresolutie en aantal kleuren verlagen
Als het systeem langzamer werkt wanneer u SMART-recorder gebruikt of de opname niet de
gewenste kwaliteit heeft, kunt u de schermresolutie en het aantal kleuren van uw computer
beperken. Kleinere schermen en minder kleuren leiden tot meer snelheid.
NB
Deze procedure is afhankelijk van de versie van het Windows-besturingssysteem en de
systeemvoorkeuren.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
201
Schermresolutie en aantal kleuren verlagen
1. Open het Windows-bedieningspaneel.
2. Druk op Display (Scherm) en druk vervolgens op Change display settings
(Scherminstellingen wijzigen).
3. Selecteer een lagere instelling in de vervolgkeuzelijst Resolution (Resolutie).
4. Selecteer een lagere instelling in de vervolgkeuzelijst Colors (Kleuren).
5. Druk op OK.
Hardware-acceleratie uitschakelen
SMART-recorder maakt voortdurend schermopnames terwijl u opneemt. Sommige
besturingssystemen maken schermopnames zeer langzaam en dit kan de kwaliteit
beïnvloeden. Om de opnamekwaliteit te verbeteren, kunt u de hardware-acceleratie
uitschakelen of het stuurprogramma van de videokaart of de videokaart zelf bijwerken.
BELANGRIJK
Hardwareversnelling uitzetten kan de prestaties van SMARTNotebook-software
verminderen.
NB
Deze procedure is afhankelijk van de versie van het Windows-besturingssysteem en de
systeemvoorkeuren.
Hardware-acceleratie uitschakelen
1. Open het Windows-bedieningspaneel.
2. Druk op Display (Scherm), druk op Change display settings (Scherminstellingen wijzigen),
en druk dan op Advanced settings (Geavanceerde instellingen).
3. Druk op het tabblad Troubleshoot (Problemen oplossen).
4. Sleep de schuifbalk Hardware Acceleration (Hardware-acceleratie) naar None (Geen).
5. Druk op OK.
6. Start uw pc opnieuw op.
Een opname delen
Als u een opname wilt delen met anderen, maak dan een WindowsMedia-videobestand dat
ze kunnen afspelen met WindowsMedia Player, of maak een zelf-uitpakkend bestand dat op
elke computer kan worden afgespeeld.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
202
Als u een opname wilt delen met kijkers die beschikken over de SMARTMeetingPro-
software, maak dan een opname als SMART-recorder-videobestand dat kan worden
afgespeeld met de SMART-videospeler. Als u de opname wilt delen met kijkers die niet
beschikken over de SMARTMeetingPro-software, maak dan een WindowsMedia-
videobestand dat ze kunnen afspelen met WindowsMedia Player, of maak een zelf-
uitpakkend bestand dat op elke computer kan worden afgespeeld.
Als u een opname wilt delen met kijkers die beschikken over de SMARTMeetingPro PE-
software, maak dan een opname als SMART-recorder-videobestand dat kan worden
afgespeeld met de SMART-videospeler. Als u de opname wilt delen met kijkers die niet
beschikken over de SMARTMeetingPro-software, maak dan een WindowsMedia-
videobestand die ze kunnen afspelen met WindowsMedia Player, of maak een zelf-
uitpakkend bestand dat op elke computer kan worden afgespeeld.
Een SMART-recorder-videobestand converteren
1. Selecteer Menu > Share Recording (Menu > Opname delen) in SMART-recorder.
NB
Als de SMART-recorder verborgen is, druk dan op het pictogram SMART Recorder
in het berichtengebied en selecteer dan Configure Options (Opties configureren).
Het dialoogvenster Share Recording (Opname delen) wordt weergegeven.
2. Selecteer WMV om een WindowsMedia-videobestand te maken.
OF
Selecteer Self extracting (Zelf-uitpakkend) om een zelf-uitpakkend bestand te maken en
druk op Next (Volgende).
3. Druk op Browse (Bladeren).
4. Selecteer het SMART-recorder-videobestand dat u wilt converteren en druk op Open
(Openen).
5. Druk op Next (Volgende).
6. Als u de locatie of de naam van het geconverteerde bestand wilt wijzigen, druk dan op
Browse (Bladeren) en ga naar de locatie waar u het bestand wilt opslaan. Typ een
bestandsnaam en druk op Save (Opslaan).
7. Druk op Next (Volgende).
8. Druk op Finish (Voltooien).
Meethulpmiddelen gebruiken
Met de meethulpmiddelen van de SMARTNotebook-software kunt u een lineaal, hoekmeter,
driehoek of kompas in de pagina invoegen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
203
De liniaal gebruiken
U kunt een liniaal in een pagina invoegen, de omvang, lengte, rotatie en locatie ervan
manipuleren, en langs de lijnen ervan tekenen.
Een liniaal invoegen
Druk op Meetgereedschappen en selecteer Kompas invoegen .
Er verschijnt een liniaal.
De liniaal verplaatsen
Druk op het midden van de liniaal (weergegeven in een donkere kleur blauw), en sleep
de liniaal naar een andere plek op de pagina.
De omvang van de liniaal veranderen.
1. De liniaal selecteren.
2. Sleep de formaatgreep van de liniaal (de cirkel in de rechter benedenhoek) om de
omvang van de liniaal te vergroten of verkleinen.
De liniaal verlengen (zonder de schaal ervan te veranderen)
Druk op de buitenste rand van de liniaal, tussen de menupijl en de formaatgreep, en
sleep weg van de liniaal.
De liniaal verkorten (zonder de schaal ervan te veranderen)
Druk op de buitenste kant van de liniaal, tussen de menupijl en de formaatgreep, en sleep
naar het midden van de liniaal.
De liniaal draaien
Druk op de boven- of benedenkant van de liniaal (weergegeven in een lichtere kleur
blauw), en sleep de liniaal in de richting waarheen u het wilt draaien.
De liniaal toont de huidige rotatie in graden.
De afmetingen omdraaien
Druk op het spiegelsymbool van de liniaal.
Als de metrieke afmetingen eerste aan de bovenkant van de liniaal verschenen,
verschijnen deze nu aan de onderkant van de liniaal en vice versa.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
204
Tekenen met een pen en de liniaal
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Pen of Kalligrafische Pen.
3. Selecteer een lijnstijl.
4. Teken langs de zijkant van de liniaal.
Digitale inkt verschijnt in een rechte lijn langs de zijkant van de liniaal.
De liniaal verwijderen
1. De liniaal selecteren.
2. Druk op de menupijl van de liniaal en selecteer Verwijderen.
De hoekmeter gebruiken
U kunt een hoekmeter in een pagina invoegen, de omvang, rotatie en locatie ervan
manipuleren, en langs de lijnen ervan tekenen.
Een hoekmeter invoegen
Druk op Meetgereedschappen en selecteer Hoekmeter invoegen .
Een hoekmeter invoegen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
205
De hoekmeter verplaatsen
Druk op het binnenste gedeelte van de hoekmeter (weergegeven in een donkere kleur
blauw), en sleep de hoekmeter naar een andere plek op de pagina.
De omvang van de hoekmeter veranderen
Druk op het binnenste gedeelte van nummers en sleep van de hoekmeter af om het te
vergroten, en naar het centrum van de hoekmeter toe om het te verkleinen.
De hoekmeter draaien
Druk op de buitenkant van nummers en sleep de hoekmeter in de richting waarheen u het
wilt draaien.
De hoekmeter toont de huidige rotatie in graden
De hoekmeter als een complete cirkel weergeven
1.
Druk op de blauwe cirkel naast het label 180 op de binnenste cirkel met nummers.
2. Druk nogmaals op de blauwe cirkel om terug te gaan naar de halve cirkel.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
206
Tekenen met een pen en de hoekmeter
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Pen of Kalligrafische Pen.
3. Selecteer een lijnstijl.
4. Teken langs de zijkant van de hoekmeter.
Digitale inkt verschijnt in een boog langs de zijkant van de hoekmeter.
Hoeken weergeven met de hoekmeter
1. De hoekmeter selecteren.
2. Sleep de groene cirkel totdat het de correcte hoek toont voor de eerste van twee
kruisende lijnen.
3. Sleep de witte cirkel totdat het de correcte hoek toont voor de tweede van twee
kruisende lijnen.
4. Druk op de groene pijl in de benedenhoek.
De lijnen en de hoek ertussen verschijnen als een afzonderlijk object.
De hoekmeter verwijderen
1. De hoekmeter selecteren.
2. Druk op de menupijl van de hoekmeter en selecteer Verwijderen.
De geodriehoek gebruiken
U kunt een geodriehoek (ook bekend als een vierkantset of T-vierkant) invoegen op een
pagina en de omvang, rotatie en locatie manipuleren.
Een geodriehoek invoegen
Druk op Meetgereedschappen en selecteer Geodriehoek invoegen .
Er verschijnt een geodriehoek.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
207
De hoekmeter verplaatsen
Druk op het binnenste gedeelte van de hoekmeter (binnen de halve cirkel),en sleep de
hoekmeter naar een andere plek op de pagina.
De omvang van de hoekmeter veranderen
Druk op de halve cirkel en sleep het weg van het centrum van de hoekmeter om het
groter te maken, of sleep het richting het centrum om de hoekmeter kleiner te maken.
De hoekmeter draaien
Druk op de buitenkant van de hoekmeter (buiten de halve cirkel) en sleep de hoekmeter
in de richting waarheen u het wilt draaien.
De hoekmeter toont de huidige rotatie in graden
Tekenen met een pen en de geodriehoek
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypesen selecteer Pen of Kalligrafische Pen.
3. Selecteer een lijnstijl.
4. Teken langs de zijkant van de hoekmeter.
Digitale inkt verschijnt in een rechte lijn langs de zijkant van de hoekmeter.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
208
De hoekmeter verwijderen
1. De hoekmeter selecteren.
2. Druk op de menupijl van de hoekmeter en selecteer Verwijderen.
Het kompas gebruiken
U kunt een kompas invoegen in een pagina; de breedte, rotatie en locatie ervan bewerken en
het daarna gebruiken om cirkels en bogen te tekenen.
Een kompas invoegen
Druk op Meetgereedschappen en selecteer Kompas invoegen .
Er wordt een kompas weergegeven.
Het kompas verplaatsen
Druk op de arm van het kompas dat de spike vasthoudt en sleep het kompas naar een
andere plek op de pagina.
Het kompas verbreden
1. Druk op de arm van het kompas dat de pen vasthoudt.
Er verschijnen twee blauwe pijlen.
2. Sleep om de hoek tussen de spike en de pen te veranderen.
Het getal op de kompasgreep geeft de hoek tussen de spike en de pen weer.
Het kompas spiegelen
Druk op het spiegelsymbool van het kompas.
De pen van de kompas verschijnt tegenover de spike.
Het kompas draaien (zonder te tekenen)
Druk op de draaigreep van het kompas (de groene cirkel) en sleep deze in de richting
waarheen u het kompas wlt draaien.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
209
Tekenen met het kompas
1. Druk op de punt van de pen van het kompas.
De cursor verandert in een pensymbool.
2. Sleep de kompas in de richting waarheen u het wilt draaien.
De kleur van de kompaspen veranderen
1.
Druk op Pens (Pennen).
De pennenknop verschijnt.
2. Druk op Pentypes,en selecteer Pen.
3. Selecteer een lijnstijl.
De kleur van de pen van het kompas verandert om een nieuwe kleur te tonen.
Het kompas verwijderen
1. Selecteer het kompas.
2. Druk op de menupijl van het kompas en selecteer Verwijderen.
Pagina's na presenteren wissen of opnieuw
instellen
Nadat een lesactiviteit aan leerlingen is gepresenteerd, kunt u de pagina's in uw .notebook-
bestanden wissen of opnieuw instellen om de bestanden opnieuw te gebruiken in
toekomstige lesactiviteiten.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
210
Pagina's wissen
U kunt digitale inkt wissen en individuele objecten van een pagina verwijderen. U kunt ook alle
objecten of alle objecten van digitale inkt tegelijkertijd van een pagina wissen.
NB
U kunt op plaats vergrendelde objecten niet wissen (zie Objecten vergrendelen op
pagina116) of oneindig gedupliceerde objecten (zie Objecten dupliceren op pagina72).
Om alle objecten van een pagina te wissen, moet u alle vergrendelde objecten eerst
ontgrendelen en de selectie Oneindig dupliceren op ieder oneindig gedupliceerd object
uitschakelen.
Alle objecten van een pagina wissen
1. Ga naar de pagina die u wilt wissen, als u dat niet reeds al gedaan heeft.
2. Selecteer Edit > Clear Page (Bewerken > Pagina wissen).
AANTEKENINGEN
o
Deze optie is uitgeschakeld wanneer er geen objecten op de pagina staan, de
objecten vergrendeld of oneindig gedupliceerd zijn.
o
U kunt deze optie ook selecteren door een van de volgende acties uit te voeren:
o
Met de rechtermuisknop op de pagina klikken
o
Druk op de menupijl van de pagina in de paginasorteerder
o
Druk op de menupijl van de pagina terwijl u paginagroepen bewerkt (zie
Pagina's groeperen op pagina29)
o
Druk op Pagina wissen als dat op de werkbalk geïnstalleerd is (zie De
werkbalk aanpassen op pagina219)
o
U kunt gelijktijdig alle objecten van meerdere pagina's wissen. Selecteer de
miniaturen van de pagina's in de paginasorteerder, druk op de menupijl, en
selecteer Paginawissen.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
211
Alle objecten van digitale inkt van de pagina wissen
1. Ga naar de pagina die u wilt wissen, als u dat niet reeds al gedaan heeft.
2. Selecteer Bewerken > Inkt van pagina wissen.
AANTEKENINGEN
o
Deze optie is uitgeschakeld wanneer er geen digitale inkt op de pagina is, de
digitale inkt vergrendeld of oneindig gedupliceerd is.
o
U kunt deze optie ook selecteren door een van de volgende acties uit te voeren:
o
Met de rechtermuisknop op de pagina klikken
o
Druk op de menupijl van de pagina in de paginasorteerder
o
Druk op de menupijl van de pagina terwijl u paginagroepen bewerkt (zie
Pagina's groeperen op pagina29)
o
Druk op Inkt wissen als dat op de werkbalk geïnstalleerd is (zie De
werkbalk aanpassen op pagina219)
o
U kunt gelijktijdig alle objecten van digitale inkt van meerdere pagina's wissen.
Selecteer de miniaturen van de pagina's in de paginasorteerder, druk op de
menupijl, en selecteer Inktvan pagina wissen.
Pagina's opnieuw instellen
Wanneer u wijzigingen in een pagina aanbrengt (zonder deze op te slaan), kunt u de pagina
terugzetten naar de status voordat u de wijzigingen aanbracht.
NB
Het opnieuw instellen van een pagina werkt niet voor bestanden die compatibel zijn met
AdobeFlash Player en op de pagina worden uitgevoerd.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
212
Een pagina opnieuw instellen
1. Toon de pagina die opnieuw ingesteld moet worden als die nog niet zichtbaar is.
2. Selecteer Bewerken > Pagina opnieuw instellen.
Er verschijnt een dialoogvenster waarin u wordt gevraagd te bevestigen dat u de pagina
opnieuw wilt instellen.
AANTEKENINGEN
o
Deze optie is uitgeschakeld indien u geen wijzigingen in de pagina heeft
aangebracht nadat u de laatste keer het bestand heeft opgeslagen.
o
U kunt deze optie ook selecteren door een van de volgende acties uit te voeren:
o
Met de rechtermuisknop op de pagina klikken
o
Druk op de menupijl van de pagina in de paginasorteerder
o
Druk op de menupijl van de pagina terwijl u paginagroepen bewerkt (zie
Pagina's groeperen op pagina29)
o
Druk op Reset Page (Pagina opnieuw instellen) als dat op de werkbalk
geïnstalleerd is (zie De werkbalk aanpassen op pagina219)
o
U kunt meerdere pagina's tegelijkertijd opnieuw instellen. Selecteer de miniaturen
van de pagina's in de paginasorteerder, druk op de menupijl, en selecteer
Paginaopnieuw instellen.
3. Druk op Pagina opnieuw instellen.
Ervoor zorgen dat twee mensen een
interactivewhiteboard kunnen gebruiken
Als u een interactive whiteboard uit de SMARTBoard D600- of 800-serie hebt, kunnen twee
mensen op hetzelfde moment objecten maken en manipuleren door middel van SMART
Notebook-software. Hoe de twee mensen dit doen hangt af van of u een interactive
whiteboard uit de SMARTBoard D600-serie of een whiteboard uit de SMARTBoard 800-
series heeft.
Ervoor zorgen dat twee mensen een interactive whiteboard kunnen gebruiken is nuttig in de
volgende situaties:
l Als twee studenten tegelijkertijd aan een opdracht op het interactive whiteboard willen
werken
l Als een docent en een student tegelijkertijd aan een opdracht op het interactive
whiteboard willen werken
l Als een docent of student een vraag of probleem aankaart op het interactive whiteboard
en een andere student antwoord hierop wil geven
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
213
Ervoor zorgen dat twee mensen een interactive whiteboard uit de
SMART Board D600-serie kunnen gebruiken
Als u een interactive whiteboard uit de SMARTBoard D600-serie gebruikt, kunnen twee
mensen tegelijkertijd het whiteboard gebruiken, mits SMARTNotebook-software in
tweegebruikersmodus staat. In tweegebruikersmodus is het scherm in tweeën gedeeld. Beide
gebruikers kunnen op hun helft van het scherm drukken met een vinger om een linker muisklik
na te bootsen of objecten te verslepen, met een pen uit het pennenbakje schrijven en digitale
inkt verwijderen met de wisser.
Er is een knop de werkbalk om heen en weer te gaan tussen de Eén-gebruikermodus en
tweegebruikersmodus.
Een bestand weergeven in Tweegebruikersmodus
Druk op Schermen weergeven en selecteer vervolgens Dubbele schrijfmodus.
Teruggaan naar Eéngebruikersmodus
Druk op Afsluiten .
Ervoor zorgen dat twee mensen een interactief whiteboard uit de
SMART Board 800-serie kunnen gebruiken
Als u een interactive whiteboard uit de SMARTBoard 800-serie gebruikt, kunnen twee
mensen tegelijkertijd objecten maken en manipuleren door middel van SMARTNotebook-
software. Beide mensen kunnen objecten maken en manipuleren in elk gebied van de
SMARTNotebook-softwarepagina. Geen van de gebruikers is gelimiteerd in het gebruik van
de verschillende gebieden op de pagina.
Tweegebruikers-samenwerkingsmodus wordt ingeschakeld wanneer u een pen uit het
pennenbakje pakt. De ene gebruiker maakt of manipuleert objecten met zijn of haar vinger
(“de aanrakingsgebruiker”). De andere gebruiker maakt of manipuleert objecten met de pen
(“de pengebruiker”).
NB
Naast de mogelijkheid om één gebruiker met de pen en één gebruiker door middel van
aanraking het interactive whiteboard op hetzelfde moment te laten gebruiken, kunnen ook
twee gebruikers door middel van aanraking en twee gebruikers met een pen het interactive
whiteboard op hetzelfde moment gebruiken. De twee gebruikers moeten echter hetzelfde
hulpmiddel gebruiken.
HOOFDSTUK 10
LESACTIVITEITEN PRESENTEREN EN SAMENWERKING FACILITEREN
214
Hulpmiddelen selecteren
Om hulpmiddelen te veranderen of eigenschappen voor aanraken te veranderen, moet de
aanrakingsgebruiker met zijn of haar vinger in het tabblad eigenschappen op de juiste knop
van de werkbalk of de bediening drukken. Hier volgt een voorbeeld:
Om hulpmiddelen voor de pen te wijzigen of eigenschappen ervan in te stellen, moet de
gebruiker met de pen op de juiste knop van de werkbalk of de bediening in het tabblad
eigenschappen klikken. Hier volgt een voorbeeld:
AANTEKENINGEN
l Als de pengebruiker op een knop in de werkbalk drukt of een eigenschap instelt met
zijn vinger in plaats van met de pen, zal SMART Notebook software het hulpmiddel of
de eigenschap in kwestie alleen veranderen voor aanraking en niet voor de pen.
l Wanneer zowel de aanrakingsgebruiker als de pengebruiker verschillende objecten op
het scherm selecteren, zal de streepjesrand die verschijnt om de objecten die door de
aanrakingsgebruiker zijn geselecteerd een andere kleur hebben dan die van objecten
die door de pengebruiker zijn geselecteerd.
Hoofdstuk 11
215
Hoofdstuk 11: SMARTNotebook-software met
invoegtoepassingen verbeteren
Invoegtoepassingen installeren 215
Invoegtoepassingen gebruiken 215
Ontbrekende invoegtoepassingen identificeren 216
Invoegtoepassingen uitschakelen en verwijderen 216
Invoegtoepassingen zijn extensies voor de SMARTNotebook-software gemaakt door
SMARTTechnologies en andere softwareontwikkelaars.
SMARTNotebook-software omvat de invoegtoepassingen Activity Builder (zie Een
overeenkomende lesactiviteit maken op pagina125) en de invoegtoepassing
Uitlijningshulpmiddel (zie Objecten uitlijnen op pagina67). U kunt andere invoegtoepassingen
installeren van de website SMARTExchange om gespecialiseerde functies toe te voegen aan
de software. U kunt bovendien alle geïnstalleerde invoegtoepassingen beheren via
invoegtoepassingbeheer.
Invoegtoepassingen installeren
U kunt zoeken naar invoegtoepassingen, erin bladeren en deze installeren vanaf de website
SMARTExchange.
Een invoegtoepassing installeren
1. Selecteer Invoegtoepassingen > Invoegtoepassingen beheren.
Invoegtoepassingbeheer wordt weergegeven.
2. Selecteer één van de invoegtoepassingen in het linkerpaneel en druk op Gereed.
Invoegtoepassingen gebruiken
U kunt de functies van de invoegtoepassing die u geïnstalleerd hebt gebruiken zoals u de
functies in SMARTNotebook-software gebruikt.
HOOFDSTUK 11
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE MET INVOEGTOEPASSINGEN VERBETEREN
216
Een invoegtoepassing weergeven
1.
Druk op Add-ons (Invoegtoepassingen) om de lijst met invoegtoepassingen te
openen.
2. Druk op het pictogram voor invoegtoepassingen om de invoegtoepassing te openen.
3.
Druk op om terug te keren naar de lijst met invoegtoepassingen.
De versie van een invoegtoepassing en andere informatie weergeven
1. Selecteer Add-ons > Manage Add-ons (Invoegtoepassingen > Invoegtoepassingen
beheren) op de softwarewerkbalk
OF
Druk op in de titelbalk van de invoegtoepassing.
Invoegtoepassingbeheer wordt weergegeven.
2. Druk op de naam van de invoegtoepassing.
3. Druk op About (Meer informatie).
Ontbrekende invoegtoepassingen identificeren
Op een pagina in een .notebook-bestand dat een invoegtoepassing vereist die niet is
geïnstalleerd of is uitgeschakeld op uw computer, wordt er een melding weergegeven
bovenaan de pagina. Druk op de melding om invoegtoepassingbeheer te openen.
Invoegtoepassingbeheer geeft aan welke invoegtoepassing is vereist. U kunt vervolgens die
invoegtoepassing installeren (zie Invoegtoepassingen installeren op vorige pagina) of
inschakelen (zie Invoegtoepassingen uitschakelen en verwijderen beneden).
Invoegtoepassingen uitschakelen en
verwijderen
In sommige situaties moet u een eerder geïnstalleerde invoegtoepassing uitschakelen of
verwijderen.
Als u ervoor kiest om een invoegtoepassing uit te schakelen, wordt de invoegtoepassing niet
langer weergegeven in de SMARTNotebook-software en wordt deze verwijderd van uw
computer. Daarna kunt u de invoegtoepassing inschakelen.
Als u ervoor kiest om een invoegtoepassing te verwijderen, wordt de invoegtoepassing niet
langer weergegeven in de SMARTNotebook-software en wordt deze verwijderd van uw
computer.
HOOFDSTUK 11
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE MET INVOEGTOEPASSINGEN VERBETEREN
217
Een invoegtoepassing uitschakelen
1. Selecteer Invoegtoepassingen > Invoegtoepassingen beheren.
Invoegtoepassingbeheer wordt weergegeven.
2. Druk op de naam van de invoegtoepassing.
3. Druk op Uitschakelen.
TIP
Om de invoegtoepassing weer in te schakelen, drukt u op Inschakelen.
Invoegtoepassing verwijderen
1. Selecteer Invoegtoepassingen > Invoegtoepassingen beheren.
Invoegtoepassingbeheer wordt weergegeven.
2. Druk twee keer op de naam van de invoegtoepassing.
3. Druk op Verwijderen.
AANTEKENINGEN
o
U kunt de invoegtoepassingen Activity Builder (Activiteitenmaker) en Alignment
Tools (Uitlijningsgereedschap) niet verwijderen.
o
U kunt een door u geïnstalleerde invoegtoepassing alleen verwijderen nadat u
SMARTNotebook-software hebt geïnstalleerd.
Hoofdstuk 12
219
Hoofdstuk 12: SMARTNotebook-software
onderhouden
De werkbalk aanpassen 219
SMARTNotebook-software configureren 221
Het standaardprogramma voor .notebook-bestanden veranderen 221
Instelling gebaarvoorkeuren 222
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren instellen 223
Handmatig de afmetingen van grote afbeeldingen verkleinen 223
Geoptimaliseerde bestanden exporteren 224
De standaardachtergrondkleur instellen 225
Meethulpmiddelvoorkeuren instellen 225
Voorkeuren voor celopvulling van tabellen instellen 227
De taal instellen 228
SMART-software verwijderen 229
SMART-software bijwerken en activeren 230
De SMART-software bijwerken 231
SMART-software activeren 233
Een productcode verkrijgen 233
SMART-software activeren met een productcode 233
Feedback verzenden naar SMART 235
In dit hoofdstuk wordt het onderhoud van SMARTNotebook-software besproken.
De werkbalk aanpassen
Met de SMARTNotebook-software toolbar kunt u verschillende opdrachten en hulpmiddelen
selecteren en gebruiken. U kunt de werkbalk aanpassen zodat het de meest frequent
gebruikte hulpmiddelen bevat.
Na het toevoegen of verwijderen van werkbalkknoppen, kunt u het weer terugzetten naar de
standaard set werkbalkknoppen. U kunt ook de standaardinstelling van de werkbalk herstellen
als u de instellingen aangepast en opgeslagen hebt met het tabblad Eigenschappen (zie
Hulpmiddelinstellingen opslaan op pagina65).
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
220
Werkbalkknoppen toevoegen of verwijderen
1.
Klik op Werkbalk aanpassen .
OF
Rechtsklik op de werkbalk.
Het dialoogvenster Werkbalk aanpassen verschijnt.
2. Druk op Acties of Hulpmiddelen.
3. Doe het volgende:
o
Om een knop aan de werkbalk toe te voegen, drukt u op het pictogram in het
dialoogvenster, en sleept u het naar de werkbalk.
o
Om een knop van de werkbalk te verwijderen, drukt u op het pictogram in de
werkbalk, en sleept u het weg van de werkbalk.
o
Om de knoppen te herschikken, drukt u op een pictogram in de werkbalk, en sleept
u het naar een nieuwe positie op de werkbalk.
AANTEKENINGEN
o
U kunt enkel de knoppen in het paneel van de werkbalk toevoegen, verwijderen
of herschikken die u in stap 2 heeft geselecteerd. Als u bijvoorbeeld in stap 2 op
Acties hebt gedrukt, kunt u enkel knoppen toevoegen, verwijderen en
herschikken die zich in het paneel Acties bevinden.
o
Om een knop over meerdere rijen te verdelen, sleep en houd het tussen twee
kolommen van knoppen.
Als u een kleinere schermresolutie gebruikt, verdeel slechts een of twee knoppen
over meerdere rijen om problemen te voorkomen wanneer de werkbalk breder is
dan het SMARTNotebook softwarevenster.
4. Druk op Done (Gereed).
De standaard set werkbalkknoppen herstellen
1.
Klik op Werkbalk aanpassen .
OF
Rechtsklik op de werkbalk.
Het dialoogvenster Werkbalk aanpassen verschijnt.
2. Druk op Standaard werkbalk herstellen.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
221
De standaardinstellingen van het hulpmiddel herstellen
1.
Klik op Werkbalk aanpassen .
OF
Rechtsklik op de werkbalk.
Het dialoogvenster Werkbalk aanpassen verschijnt.
2. Druk op Standaardeigenschappen voor hulpmiddel herstellen.
SMARTNotebook-software configureren
Deze sectie legt uit hoe u de SMARTNotebook-software kunt configureren.
Het standaardprogramma voor .notebook-bestanden veranderen
Als u een ander SMART-programma dan SMARTNotebook-software installeert dat .notebook-
bestanden kan openen, kunt u dat programma als standaard instellen voor .notebook-
bestanden . U kunt het standaardprogramma later weer terugzetten naar SMARTNotebook-
software als u dat wenst.
Het standaardprogramma bij het openen van een bestand veranderen
1. Open een .notebook-bestand met SMARTNotebook-software (zie Bestanden openen
op pagina15).
Er verschijnt een bericht waarin u wordt gevraagd of u het standaardprogramma voor
.notebookbestanden wilt wijzigen in SMARTNotebook-software.
2. Druk op Ja.
Het standaardprogramma veranderen met het dialoogvenster Voorkeuren
1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren.
Het dialoogvenster Voorkeuren SMARTNotebook wordt weergegeven.
2. Druk op Algemeen.
3. Druk op Als standaard instellen.
4. Als u wilt dat er een bericht verschijnt wanneer u een .notebook-bestand opent terwijl uw
standaardprogramma niet SMARTNotebook-software is, selecteert u Informeer mij
wanneer SMARTNotebook-software niet het standaardprogramma voor .notebook-
bestanden is.
5. Druk op OK.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
222
Instelling gebaarvoorkeuren
Er is een mogelijkheid voor interactie met de objecten in SMARTNotebook-software door
middel van gebaren, zoals het schudgebaar en vasthoudgebaar.
Gebaar Naam Doel
Schudgebaar Twee of meer objecten
groeperen.
Vasthoudgebaar Een rechterklik uitvoeren.
De schud- en vasthoudgebaren zijn standaard ingeschakeld. U kunt kiezen om deze uit te
schakelen als u erachter komt dat u of uw studenten deze gebaren vaak per ongeluk
oproepen.
Het schudgebaar uitschakelen
1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren.
Het dialoogvenster Voorkeuren SMART Notebook wordt weergegeven.
2. Druk op Algemeen.
3. Schakel het selectievak Gebruik het schudgebaar om objecten te groeperen en
groeperingen op te heffen uit .
4. Druk op OK.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
223
Om het vasthoudgebaar uit te schakelen
1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren.
Het dialoogvenster Voorkeuren SMART Notebook wordt weergegeven.
2. Druk op Algemeen.
3. Schakel het selectievak Ingedrukt houden om met rechts te klikken uit .
4. Druk op OK.
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren instellen
Als uw .notebook-bestanden grote afbeeldingen (afbeeldingen groter dan 1 MB) bevatten,
kunnen uw bestanden traag worden bij het openen en in de uitvoering. U kunt de omvang van
de afbeeldingen verminderen zonder de kwaliteit zichtbaar te verminderen. Als gevolg
hiervan zijn uw .notebook-bestanden kleiner in omvang en zijn de bestanden sneller bij het
openen en in de uitvoering.
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren instellen
1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren.
Het dialoogvenster Voorkeuren SMARTNotebook wordt weergegeven.
2. Druk op Standaard.
3. Selecteer een van de volgende opties in de vervolgkeuzelijst Optimalisatie afbeelding :
o
Vraag iedere keer wanneer ik een grote afbeelding invoeg om de mogelijkheid te
hebben de omvang van grote afbeeldingen wel of niet te verminderen wanneer u
deze invoegt.
o
Verander nooit de resolutie van ingevoegde afbeeldingen om nooit de omvang van
grote afbeeldingen te verminderen wanneer u deze invoegt.
o
Verander altijd de resolutie van de afbeelding naar de optimale bestandsomvang
om altijd de omvang van grote afbeeldingen te verminderen wanneer u deze
invoegt.
4. Druk op OK.
Handmatig de afmetingen van grote afbeeldingen verkleinen
Als u Altijd vragen bij invoegen grote afbeelding hebt geselecteerd in de vervolgkeuzelijst
Optimalisatie afbeelding , kunt u handmatig de afmetingen van grote afbeeldingen
verkleinen wanneer u deze afbeeldingen in uw bestand invoegt, of daarna.
De omvang van een grote afbeelding verminderen wanneer het in een bestand wordt
ingevoegd
1. Voeg de afbeelding in zoals beschreven in Afbeeldingen invoegen op pagina86.
Nadat u op Openhebt gedrukt, verschijnt het dialoogvenster Optimalisatie Afbeelding .
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
224
2. Druk op Optimaliseer om de omvang van de afbeelding te verminderen.
OF
Druk op Resolutie behouden om de omvang van de afbeelding niet te verminderen.
AANTEKENINGEN
o
Wanneer u een BMP bestand invoegt, converteert SMARTNotebook software het
bestand intern naar PNG-formaat. Deze conversie vermindert de omvang van het
bestand. Als gevolg hiervan hoeft u wellicht geen geoptimaliseerde versie van het
.notebook-bestand te exporteren (zie Geoptimaliseerde bestanden exporteren
beneden), zelfs als het BMP-bestand groter is dan 1 MB.
o
SMARTNotebook-software vermindert de omvang van bestanden groter dan 5
MB of 5 megapixels automatisch, ongeacht de optie die u kiest.
De omvang van een grote afbeelding verminderen nadat het in een bestand is ingevoegd
1. Selecteer de afbeelding.
2. Druk op de menupijl van de afbeelding en selecteer Optimalisatie Afbeelding.
Het dialoogvenster Optimalisatie Afbeelding wordt weergegeven.
3. Klik op Optimaliseer.
Geoptimaliseerde bestanden exporteren
Als u bestaande bestanden hebt die grote afbeeldingen bevatten of u De resolutie van
ingevoegde afbeeldingen nooit veranderen kiest in de vervolgkeuzelijst Afbeelding
optimalisatie , kunt u geoptimaliseerde versies exporteren van uw bestanden die verkleinde
afbeeldingen bevatten. Dit is zeer nuttig wanneer u een .notebook-bestand moet presenteren
op een oudere of minder krachtige computer.
Een geoptimaliseerd bestand exporteren
1. Selecteer Bestand > Exporteren als > Geoptimaliseerd SMART Notebook-bestand .
Bestand > Exporteren als > Geoptimaliseerd SMART Notebook-bestand.
Het dialoogvenster Exporteer geoptimaliseerd bestand wordt weergegeven.
2. Blader naar de locatie waar u uw nieuwe bestand wilt opslaan.
3. Typ een naam voor het bestand in het vak File name (Bestandsnaam).
4. Druk op Save (Opslaan).
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
225
De standaardachtergrondkleur instellen
Als u een nieuwe pagina aan uw bestand toevoegt, heeft deze standaard een witte
achtergrond. U kunt de standaardachtergrondkleur wijzigen.
NB
Deze instelling heeft alleen effect op nieuwe pagina's en wordt overschreven door de
thema's die u toepast.
De standaardachtergrondkleur wijzigen
1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren.
Het dialoogvenster Voorkeuren SMART Notebook wordt weergegeven.
2. Druk op Standaard.
3. Selecteer Kleur wijzigen, en kies vervolgens een kleur.
4. Druk op OK.
Meethulpmiddelvoorkeuren instellen
Standaard zijn de lineaal, hoekmeter en geodriehoek in SMARTNotebook-software blauw en
geven ze het best weer met achtergronden met een lichte kleur.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
226
U kunt de kleur van deze meethulpmiddelen veranderen naar geel als u ze wilt gebruiken op
donkere achtergronden.
NB
Het voltooien van de volgende procedure heeft invloed op het uiterlijk van de
meethulpmiddelen in .notebook-bestanden wanneer deze alleen worden weergegeven
met de kopie van SMARTNotebook-software. Als u dezelfde .notebook-bestanden op een
andere kopie van de SMARTNotebook-software opent, worden de meethulpmiddelen
mogelijk weergegeven in een andere kleur.
De kleur van de meethulpmiddelen wijzigen
1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren.
Het dialoogvenster Voorkeuren SMART Notebook wordt weergegeven.
2. Druk op Standaard.
3. Selecteer Blauwe tint (goed voor lichte achtergrond) in de vervolgkeuzelijst Kleur
meethulpmiddel om de kleur voor meethulpmiddelen blauw te maken.
OF
Selecteer Gele tint (goed voor donkere achtergrond) in de vervolgkeuzelijst Kleur
meethulpmiddel om de kleur voor meethulpmiddelen geel te maken.
4. Druk op OK.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
227
Voorkeuren voor celopvulling van tabellen instellen
SMARTNotebook 11-software voegt celopvulling toe aan tabellen.
Voltooi de volgende procedure om alle celopvulling uit tabellen te verwijderen. Dit is vooral
nuttig als u tabellen hebt gemaakt voor de upgrade naar SMARTNotebook 11-software en van
plan was de inhoud van de tabellen weer te geven zonder celopvulling.
NB
Het voltooien van de volgende procedure heeft invloed op het uiterlijk van de tabellen in
.notebook-bestanden wanneer deze alleen worden weergegeven met de kopie van
SMARTNotebook-software. Als u dezelfde .notebook-bestanden met een ander kopie van
SMARTNotebook-software opent, worden de tabellen weergegeven met celopvulling
(ervan uitgaande dat de procedure niet voltooid is op die kopie van SMARTNotebook-
software).
Celopvulling verwijderen uit tabellen
1. Selecteer Bewerken > Voorkeuren.
Het dialoogvenster Voorkeuren SMART Notebook wordt weergegeven.
2. Druk op Standaard.
3. Schakel het selectievak Tabelcellen omranden toevoegen aan tabelcellen uit .
4. Druk op OK.
5. SMARTNotebook-software afsluiten en opstarten.
Nieuwe en bestaande tabellen in uw .notebook-bestanden weergeven zonder
celopvulling.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
228
De taal instellen
Met het programma SMART Language Setup kunt de taal voor een bepaalde SMART-
toepassing of voor alle SMART-toepassingen op uw computer instellen.
De taal wijzigen
1. Selecteer Opties > Taalinstellingen.
Het dialoogvenster Language Setup (Taalinstelling) wordt weergegeven.
2. Selecteer All Listed Applications (Alle vermelde toepassingen) in de eerste
vervolgkeuzelijst om de taal in te stellen voor alle toepassingen.
OF
Selecteer een toepassing in de eerste vervolgkeuzelijst om de taal alleen voor die
toepassing in te stellen.
3. Selecteer de gewenste taal in de tweede vervolgkeuzelijst.
AANTEKENINGEN
o
Als naast de gekozen taal wordt getoond, dan is die taal geïnstalleerd op uw
computer.
o
Als naast uw gekozen taal wordt getoond, dan wordt de taal door de SMART
Language Setup van de website gedownload nadat u opOKdrukt.
o
SMART Language Setup gebruikt standaard de instellingen van InternetExplorer
om verbinding te maken met internet. U kunt echter andere instellingen kiezen
door de stappen onder de volgende procedure te voltooien.
TIP
Om de namen van de talen in de taal zelf weer te geven (bijvoorbeeld Deutsch voor
Duits) markeert u het selectievakje Show native names (Eigen namen tonen).
4. Als u andere taalinstellingen wilt gebruiken voor handschriftherkenning en
spellingscontrole, selecteer de talen dan in de vervolgkeuzelijsten Handwriting
recognition (Handschriftherkenning) en Spellcheck (Spellingscontrole).
NB
Als AUTO wordt getoond in de vervolgkeuzelijst, dan selecteer SMART Language
Setup uw gekozen taal indien deze beschikbaar is, of een gelijkende taal als deze niet
beschikbaar is. Als geen van beide opties beschikbaar zijn, kiest SMART Language
Setup de huidige taal.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
229
5. Als u een andere toetsenbordindeling wilt gebruiken, kies dan een indeling in de
vervolgkeuzelijst Keyboard input language (Invoertaal toetsenbord).
BELANGRIJK
De vervolgkeuzelijst Keyboard input language (Invoertaal toetsenbord) is alleen
beschikbaar als er meer dan één toetsenbordindeling is geïnstalleerd op de computer.
De toetsenbordindeling die u kiest in de vervolgkeuzelijst Keyboard input language
(Invoertaal toetsenbord) geldt voor zowel het schermtoetsenbord als het toetsenbord
dat is aangesloten op uw computer wanneer u SMART-software gebruikt.
In sommige situaties wilt u mogelijk een indeling kiezen die afwijkt van de indeling van
het toetsenbord dat op uw computer is aangesloten (bijvoorbeeld om les te geven in
een vreemde taal). In deze situaties werkt het schermtoetsenbord correct, maar kan het
aangesloten toetsenbord afwijken.
Zorg er voor de beste resultaten voor dat de door u gekozen indeling dezelfde is als
die van het op de computer aangesloten toetsenbord. Als er bijvoorbeeld een Engels
(V.S.) toetsenbord is aangesloten op de computer, kies dan English (United States)
(Engels (Verenigde Staten)) in deze vervolgkeuzelijst.
Zie voor meer informatie over toetsenbordindelingen
http://msdn.microsoft.com/en-us/goglobal/bb964651.
6. Druk opOK.
Verbindingsopties instellen
1. Selecteer Opties > Taalinstellingen.
Het dialoogvenster Language Setup (Taalinstelling) wordt weergegeven.
2. Druk opConnection Options (Verbindingsopties).
Het dialoogvenster Connection Options (Verbindingsopties) wordt weergegeven.
3. Selecteer Use InternetExplorer settings (Instellingen van InternetExplorer gebruiken).
OF
Selecteer Use other proxy(Andere proxy gebruiken) en typ de host, de gebruikersnaam
en het wachtwoord in de daarvoor bestemde velden.
4. Druk opOK.
SMART-software verwijderen
SMARTSupport kan u vragen om bestaande versies van SMART-software te verwijderen
voordat u begint met het installeren van nieuwe versies. U kunt dit doen met het SMART-
verwijderingsprogramma.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
230
SMART-software verwijderen
1. Selecteer voor Windows XP- en Windows 7-besturingssystemen Start > Alle
programma's > SMART Technologies > SMART Tools > SMART Uninstaller.
OF
Ga voor het Windows 8-besturingssysteem naar het scherm Apps , ga naar beneden en
druk opSMARTUninstaller (SMART-verwijderingsprogramma).
2. Druk opNext (Volgende).
3. Schakel de selectievakken in van de SMART-software en de ondersteunende pakketten
die u wilt verwijderen en druk vervolgens opNext (Volgende).
AANTEKENINGEN
o
Sommige SMART-software is afhankelijk van andere SMART-software. Als u
bijvoorbeeld het selectievak SMART Notebook inschakelt, schakelt de SMART
Uninstaller automatisch het selectievak SMART Response in omdat SMART
Response-software afhankelijk is van SMART Notebook-software.
o
Het SMART-verwijderingsprogramma verwijdert automatisch alle ondersteunende
pakketten die niet langer worden gebruikt. Als u ervoor kiest om alle SMART-
software te verwijderen, verwijdert het SMART-verwijderingsprogramma
automatisch alle ondersteunende software, inclusief zichzelf.
TIPS
o
Druk opSelect All (Alles selecteren) om alle software en ondersteuningspakketten
te selecteren.
o
Druk opClear All (Alles wissen) om de selectie voor alle software en
ondersteuningspakketten te wissen.
4. Druk opUninstall (Verwijderen).
SMART Uninstaller verwijdert de geselecteerde software en ondersteunende pakketten.
5. Druk opFinish (Voltooien).
SMART-software bijwerken en activeren
Na installering van de SMART-software dient u deze te activeren. Na activering van de
software installeert u updates van SMART.
BELANGRIJK
Voor het bijwerken en activeren van de SMART-software is een internetverbinding vereist.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
231
De SMART-software bijwerken
SMART brengt regelmatig updates voor software- en firmwareproducten uit. (Firmware is
software die is geïnstalleerd in hardwareproducten zoals het SMARTBoard interactieve
whiteboard.) U kunt SMARTProductUpdate (SPU) gebruiken om te controleren op deze
updates en om ze te installeren.
Uw systeembeheerder kan SPU installeren in volledige modus of in dashboard-modus. In de
volledige modus kunt u momenteel geïnstalleerde versies en productcodes zien en updates
installeren zoals uitgelegd in dit gedeelte. In dashboard-modus kunt alleen geïnstalleerde
versies zien.
Automatisch controleren op updates
1. Selecteer voor Windows XP- en Windows 7-besturingssystemen Start > Alle
programma's > SMART nbsp Technologies > SMART Tools > SMART Product
Update.
OF
Ga voor het Windows 8-besturingssysteem naar het scherm Apps , ga naar beneden en
druk op SMARTProductUpdate.
Het venster SMART Product Update verschijnt.
2. Markeer het selectievakje Check for updates automatically (Automatisch controleren op
updates) en typ het aantal dagen (maximaal 60) tussen SPU-controles.
3. Sluit het venster SMART Product Update .
Als er bij de volgende SPU-controle een update beschikbaar is voor een product, dan
verschijnt het venster SMART Product Update automatisch en wordt de knop Update
voor het product geactiveerd.
Handmatig controleren op updates
1. Selecteer voor Windows XP- en Windows 7-besturingssystemen Start > Alle
programma's > SMART nbsp Technologies > SMART Tools > SMART Product
Update.
OF
Ga voor het Windows 8-besturingssysteem naar het scherm Apps , ga naar beneden en
druk op SMARTProductUpdate.
Het venster SMART Product Update verschijnt.
2. Druk opCheck Now (Nu controleren).
Als er een update voor een product beschikbaar is, dan wordt de knop Update
geactiveerd.
3. U kunt de update, zodra deze beschikbaar is, installeren via de volgende procedure.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
232
Een update installeren
1. Open het venster SMART Product Update zoals beschreven in de voorgaande
procedures.
2. Klik op de rij van het product.
De productdetails worden weergegeven. Tot deze productgegevens behoren het
nummer van de geïnstalleerde versie en het nummer van de update, de datum en de
grootte van de download (indien er een update beschikbaar is).
TIP
Druk op View release notes View release notes (Opmerkingen bij de publicatie
weergeven) om een overzicht te zien van de wijzigingen in de update en de vereisten
voor de update.
3. Druk opUpdate.
4. Volg de aanwijzingen op het scherm om de update te downloaden en te installeren.
BELANGRIJK
U moet beschikken over volledige beheerderstoegang om updates te installeren
Automatisch controleren op updates uitschakelen
1. Selecteer voor Windows XP- en Windows 7-besturingssystemen Start > Alle
programma's > SMART nbsp Technologies > SMART Tools > SMART Product
Update.
OF
Ga voor het Windows 8-besturingssysteem naar het scherm Apps , ga naar beneden en
druk op SMARTProductUpdate.
Het venster SMART Product Update verschijnt.
2. Wis het selectievakje Check for updates automatically (Automatisch controleren op
updates).
BELANGRIJK
SMART raadt u aan dit selectievakje niet te wissen.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
233
SMART-software activeren
Normaliter activeert u de SMART-software na installatie ervan. In sommige situaties moet u de
software echter op een later moment activeren. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer u
ervoor kiest de software te evalueren voordat u besluit deze te kopen.
AANTEKENINGEN
l Vanaf versie 11.1, hoeft u de SMARTNotebook-software of het SMARTProduct-
stuurprogramma niet meer te activeren. SMART geeft u het recht om deze software te
gebruiken als u een interactief product van SMART aanschaft.
l Als u de SMARTNotebook-software wilt gebruiken met een apparaat dat geen
interactief product is van SMART, moet u een productcode aanschaffen.
Een productcode verkrijgen
De SMART Software-portaal is een webservice die u helpt om productelsleutels, activeringen
en andere informatie voor de SMART-software te bekijken. Momenteel is de SMART-
softwareportaal alleen beschikbaar voor Engelse sprekers in Noord-Amerika en het Verenigd
Koninkrijk. Ga naar de portaal op licensing.smarttech.com
Als u niet in Noord-Amerika of het Verenigd Koninkrijk woont, kunt u contact opnemen met uw
wederverkoper (smarttech.com/wheretobuy) om een productsleutel te bemachtigen.
TIP
Ga naar smarttech.com/findproductkey als u uw productcode niet meer hebt.
SMART-software activeren met een productcode
Nadat u een productcode hebt aangeschaft, kunt u deze gebruiken om de SMART-software te
activeren.
SMART-software activeren
1. Selecteer voor Windows XP- en Windows 7-besturingssystemen Start > Alle
programma's > SMART nbsp Technologies > SMART Tools > SMART Product
Update.
OF
Ga voor het Windows 8-besturingssysteem naar het scherm Apps , ga naar beneden en
druk op SMARTProductUpdate.
Het venster SMART Product Update verschijnt.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
234
2. Druk opActivate (Activeren) of Manage (Beheren) voor de software die u wilt activeren.
Het venster SMART Software Activation (SMART-softwareactivering) verschijnt.
NB
De waarde in de kolom Status geeft de status voor elk product aan:
Waarde Description (Beschrijving)
Geïnstalleerd De software is geïnstalleerd.
Geactiveerd De software is geïnstalleerd en geactiveerd met een permanente of
onderhoudslicentie.
Abonnement De software is geïnstalleerd en geactiveerd met een
abonnementslicentie. Het cijfer tussen haakjes geeft aan hoeveel
dagen er nog resteren in de abonnementsperiode.
Bijna
verlopen
De software is geïnstalleerd maar nog niet geactiveerd. Het cijfer
tussen haakjes geeft aan hoeveel dagen er nog resteren in de
evaluatieperiode.
Verlopen De software is geïnstalleerd maar nog niet geactiveerd. De
evaluatieperiode is verstreken. U kunt de software pas gebruiken
wanneer u deze activeert.
Onbekend De status van de software is onbekend.
3. Druk opAdd (Toevoegen).
4. Volg de instructies op het scherm om de software te activeren met de productcode.
Productcodes bekijken
1. Selecteer voor Windows XP- en Windows 7-besturingssystemen Start > Alle
programma's > SMART nbsp Technologies > SMART Tools > SMART Product
Update.
OF
Ga voor het Windows 8-besturingssysteem naar het scherm Apps , ga naar beneden en
druk op SMARTProductUpdate.
Het venster SMART Product Update verschijnt.
2. Selecteer Hulpmiddelen > Licenties bekijken.
Het dialoogvenster Product Keys (Productcodes) wordt weergegeven.
3. Klik opOK wanneer u klaar bent met het bekijken van de productcodes.
NB
U kunt ook de productcodes voor één product bekijken door te klikken op de naam
van het product in het venster SMART Product Update en vervolgens te klikken
opProductcodes bekijken.
HOOFDSTUK 12
SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE ONDERHOUDEN
235
Feedback verzenden naar SMART
Wanneer u SMART-software voor het eerst opstart, kan er een dialoogvenster verschijnen
waarin u wordt gevraagd aan het SMART Customer Experience-programma deel te nemen.
Als u ervoor kiest deel te nemen aan dit programma, dan zal de software informatie aan
SMART verzenden die ons helpen om volgende versies van de software beter te maken.
Nadat u de software voor de eerste keer hebt opgestart, kunt u deze functie in- of
uitschakelen via het menu Help .
U kunt ook functieverzoeken via e-mail verzenden aan SMART.
De volgfunctie van het Klantenervaringsprogramma inschakelen
Selecteer Help > Customer Experience Program > Feedback tracking ON (Hulp
> Klantenervaringsprogramma > Feedback bijhouden AAN).
De volgfunctie van het Klantenervaringsprogramma uitschakelen
Selecteer Help > Customer Experience Program > Feedback tracking OFF (Hulp
> Klantenervaringsprogramma > Feedback bijhouden UIT).
Een functieverzoek indienen via e-mail
1. Selecteer Help > Submit Feature Request (Hulp > Functieverzoek verzenden).
Er verschijnt een nieuw e-mailbericht in uw standaard e-mailprogramma.
2. Typ uw verzoek in een nieuw e-mail bericht en druk opVerzenden .
Hoofdstuk 13
237
Hoofdstuk 13: Probleemoplossing met de
SMARTNotebook-software
Problemen oplossen met bestanden 237
Probleemoplossing met het SMARTNotebook-softwarevenster en -werkbalk 237
Probleemoplossing digitale inkt 238
Problemen oplossen met objecten 239
Probleemoplossing gebaren 240
Problemen oplossen voor DPI-instellingen op 4K UHD-beeldschermen 241
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd op welke wijze problemen met de SMARTNotebook-
software kunnen worden opgelost.
Problemen oplossen met bestanden
Probleem Aanbeveling
Uw bestand bevat grote afbeeldingen en
loopt traag wanneer het wordt geopend in
de SMARTNotebook-software.
Een geoptimaliseerde versie van het
bestand exporteren (zie
Afbeeldingsoptimalisatievoorkeuren
instellen op pagina223).
Probleemoplossing met het SMARTNotebook-
softwarevenster en -werkbalk
Probleem Aanbeveling
Wanneer u SMARTNotebook-software op
een interactief product gebruikt, kunnen u of
uw studenten niet de werkbalk bereiken.
Druk op Verplaats de werkbalk naar de
boven- of onderkant van het scherm om
de werkbalk van de bovenkant van het
scherm naar de onderkant te verplaatsen.
TIP
Als u een muurarm heeft die in de hoogte
verstelbaar is, kunt u ook de hoogte van
uw interactive whiteboard of beeldscherm
aanpassen zodat studenten erbij kunnen.
HOOFDSTUK 13
PROBLEEMOPLOSSING MET DE SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
238
Probleem Aanbeveling
De werkbalkknoppen beschreven in deze
documentatie verschijnen niet op de
werkbalk.
Als een pijl omlaag aan de rechterkant
van de werkbalk verschijnt, drukt u erop
zodat extra werkbalkknoppen verschijnen.
Als de gewenste knop niet verschijnt
wanneer u de pijl omlaag aanklikt , heeft
u of een andere gebruiker mogelijk de knop
verwijderd (zie De werkbalk aanpassen op
pagina219).
Plaats niet meer dan een paar knoppen naast
elkaar op de rijen om te voorkomen dat de
werkbalk wijder wordt dan het
SMARTNotebook-software venster.
Er is niet genoeg ruimte op uw interactieve
product om de content van een pagina te
tonen.
Druk op Schermen bekijken , en selecteer
dan Volledig scherm om de pagina in de
volledige schermweergave te tonen.
OF
Selecteer het selectievakje Automatisch
verbergen om de tabbladen die niet in
gebruik zijn te verbergen.
De paginasorteerder, galerie, bijlagen,
eigenschappen en andere tabbladen
verdwijnen wanneer u buiten de tabbladen
klikt.
Druk op een pictogrammen van een van de
tabbladen om deze te tonen en wis het
selectievakje Automatisch verbergen .
Twee gebruikers maken of bewerken
objecten in SMARTNotebook-software op
een SMARTBoard 800-serie interactive
whiteboard. Een van de gebruikers gebruikt
zijn of haar vinger. De andere gebruiker
gebruikt een pen uit het pennenbakje.
Wanneer de gebruiker die met een pen
werkt op een knop in de werkbalk drukt, zal
het geselecteerde hulpmiddel of de optie
veranderen voor de gebruiker die zijn/haar
vingers gebruikt.
De gebruiker die met een pen werkt, moet
de knoppen in de werkbalk met de pen
aanraken en niet met zijn/haar vingers.
Voor meer informatie, zie Ervoor zorgen dat
twee mensen een interactief whiteboard uit
de SMART Board 800-serie kunnen
gebruiken op pagina213.
Probleemoplossing digitale inkt
Probleem Aanbeveling
SMARTNotebook-software herkent geen
handschrift in uw taal.
Installeer het geschikte taalpakket (zie De
taal instellen op pagina228).
U wilt dat uw handschrift natuurlijker en
soepeler overkomt in de SMARTNotebook-
software.
Gebruik het kalligrafische pentype in plaats
van het standaard pentype (zie Schrijven en
tekenen met digitale inkt op pagina34).
HOOFDSTUK 13
PROBLEEMOPLOSSING MET DE SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
239
Probleem Aanbeveling
U heeft moeite om soepel te schrijven in de
SMARTNotebook-software op het Windows
7-besturingssysteem.
De functie Pannen met één vinger is
ingeschakeld. Schakel dit uit (zie
smarttech.com/kb/147470).
Wanneer u met een pen schrijft, interpreteert
SMARTNotebook-software op het Windows
7-besturingssysteem uw acties als
muisklikken.
De knipperfunctie is ingeschakeld. Schakel
dit uit (zie smarttech.com/kb/147470).
Problemen oplossen met objecten
Probleem Aanbeveling
Wanneer u een .notebook-bestand op een
computer maakt en op een andere computer
opent, worden de objecten in het bestand
afwijkend getoond.
Er zijn verschillende oorzaken. De meest
voorkomende zijn:
l
U gebruikt een lettertype dat op de ene
computer wel is geïnstalleerd maar niet
op de andere.
l
De twee computers hebben
verschillende besturingssystemen.
l
De twee computers hebben
verschillende versies van
SMARTNotebook-software.
Wanneer u een object verplaatst, groter of
kleiner maakt, of op andere wijze veranderd,
wijzigen ook andere objecten.
De objecten zijn gegroepeerd. Elke
verandering die u aanbrengt op één object,
zal ook van invloed zijn op de andere
objecten.
Selecteer de objecten en selecteer
vervolgens Opmaak > Groeperen >
Groepering opheffen om de groepering op
te heffen. U kunt nu de individuele objecten
verplaatsen, groter of kleiner maken of op
andere wijze veranderen.
Voor meer informatie, zie Objecten
groeperen op pagina77.
U wilt een object verplaatsen, groter of
kleiner maken of op andere wijze
veranderen. Een vergrendelpictogram
verschijnt in plaats van een menupijl wanneer
u het object selecteert.
Het object is vergrendeld waardoor u er
geen wijzigingen in kunt maken. Om het
object te ontgrendelen, selecteert u het
object en drukt op het
vergrendelingspictogram , en selecteert
vervolgens Ontgrendelen.
Voor meer informatie, zie Objecten
vergrendelen op pagina116.
HOOFDSTUK 13
PROBLEEMOPLOSSING MET DE SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
240
Probleem Aanbeveling
Een object op een pagina bedekt een ander
object:
U wilt dit veranderen zodat het tweede
object het eerste object bedekt:
Wanneer u objecten maakt, zullen nieuwe
objecten automatisch de oude objecten
bedekken wanneer deze op dezelfde
positie op de pagina staan.
U kunt de volgorde van de objecten
veranderen. Voor meer informatie, zie
Gestapelde objecten opnieuw rangschikken
op pagina69.
Wanneer u een object vult met een
afbeelding die groter is dan het object,
wordt de afbeelding afgesneden:
Omgekeerd: wanneer u een object met een
afbeelding vult dat kleiner is dan het object,
worden de afbeeldingen naast elkaar
weergegeven.
Wanneer u een object met een afbeelding
vult, selecteer dan Pas afbeelding aan het
formaat aan om de omvang van de
afbeelding aan het object aan te passen:
Voor meer informatie, zie
Objecteigenschappen wijzigen op
pagina62.
Probleemoplossing gebaren
Probleem Aanbeveling
De multitouch-gebaren beschreven in deze
handleiding werken niet in de
SMARTNotebook-software.
Zorg ervoor dat uw interactieve product
multitouch-gebaren ondersteunt en dat
multitouch-gebaren zijn ingeschakeld.
HOOFDSTUK 13
PROBLEEMOPLOSSING MET DE SMARTNOTEBOOK-SOFTWARE
241
Problemen oplossen voor DPI-instellingen op
4K UHD-beeldschermen
SMART beveelt een DPI-schalingsfactor van 125% aan voor 4K UHD-beeldschermen. Als de
huidige DPI-instellingen niet optimaal zijn, kan het zijn dat u een melding krijgt in de
linkerbovenhoek van de eerste Notebook-pagina krijgt wanneer Notebook wordt opgestart,
waarin wordt gevraagd om het beeldscherm-DPI te verhogen. Als u deze melding vijf keer
negeert, wordt er een dialoogvenster geopend. In dit dialoogvenster staan de opties om te
leren hoe de DPI kan worden aangepast of om de melding niet meer weer te geven.
Meer informatie over het wijzigen van DPI-instellingen is hier beschikbaar: Vergroot het
schermformaat voor SMART Notebook door de DPI-instellingen aan te passen..
Index
243
.
.notebook file format;default program for
.notebook files, 221
A
achtergronden, 120
achthoeken, 38
activering, 233
Activiteitbouwer, 125
Adobe Flash-videobestanden, 90
afbeeldingen
bestanden exporteren naar, 18
informatie, 86
invoegen vanuit bestanden, 86
transparante gebieden maken in, 88
vanaf een scanner invoegen, 87
vanaf een SMART Document Camera
invoegen, 87
AIFF-bestanden, 91
animatie, 116
apparaatvereisten, 155
apparaten, 155
ASF-bestanden, 91
audiobestanden, Zie:geluidsbestanden
automatische taken
objecten groeperen, 78
opslaan, 20
AVI-bestanden, 91
B
Basismateriaal voor docenten, Zie:Galerie-
essentials
bestanden
afdrukken, 19
automatisch opslaan, 20
exporteren, 17
importeren, 92-93, 95
in dubbele paginaweergave tonen, 173
in volledige schermweergave tonen, 169
knippen, kopren en plakken van
inhoud uit, 92
koppelen naar objecten, 113
maken, 15
met transparante achtergrond
weergeven, 171
openen, 15
saving;Linux operating systems, 16
toevoegen aan .notebook-
bestanden, 102
toevoegen aan e-mailberichten, 24
weergave in tweegebruikersmodus, 213
Bestanden compatibel met Adobe Flash
Player, 89
bijlages, 102
BMP-bestanden, 17, 224
BMP files;JPEG files;PNG files;TIFF
files;WMF files, 86
bogen, 39
bold text;italicized text;underlined text, 44
browser, 155
C
Categorie Mijn inhoud, 105
cirkels, 39
coderingsprogramma's, 91
Coderingsprogramma voor audio, 91
D
digitale inkt
converteren naar tekst, 42, 182-183
informatie, 34
schrijven of tekenen, 34
wissen, 37
document camera's, 87
downloads, 91
INDEX
244
Draai kaarten om, 135
driehoeken, 38-39
Dubbele paginaweergave, 173
dupliceren
objecten, 72
pagina's, 27
E
e-mail, 24
Eén-gebruiker-modus, 213
exporteren, 17
exports;Gallery
inhoud exporteren vanuit, 107
F
feedback, 235
Flash-bestanden, Zie:Bestanden
compatibel met Adobe Flash Player
Flash-videobestanden, Zie:Adobe Flash-
videobestanden
formaatgreep, 73
foto's, Zie:afbeeldingen
functieverzoek via e-mail, 235
G
Galerie
met inhoud werken en vinden uit, 82
thema's toevoegen aan, 124
uw inhoud organiseren in, 105
uw inhoud toevoegen aan, 104
Galerie-essentials, 82
Gallerievoorbeeld, Zie:Voorbeelden
lesactiviteiten
gebaren
informatie, 13
setting preferences for;preferences
gebaren, 222
types
draaien, 76
pannen, 168
schaal aanpassen, 73
schudden, 78, 222
snel bewegen, 25
twee vingers naar elkaar toe
bewegen om te zoomen, 167
vegen, 66
geluidsbestanden, 114, 175
Geodriehoek hoekmeters, 206
GeoGebra
met inhoud werken en vinden uit, 84
GIF-bestanden, 17
groepen
object, 77, 239
pagina's, 29
H
hand-outs, 19
handschrift, conversie naar tekst van, 42, 182-183
taal instellen voor, 228
headers;footers, 18, 20
hoekmeters, 204
hoofdletters uitschakelen, 44
HTML files;web pages, 18
I
importen, 92-95
imports;Gallery
inhoud importeren naar, 106
in- en uitzoomen, 167, 179
inhoud
delen met andere docenten, 106
in .notebook-bestanden invoegen, 81
systeem aanbrengen, 105
Interactieve producten van SMART Board, 155
Interactive Whiteboard Common File
Format;CFF files, 19, 95
Internetbrowsers, 100
Invoegtoepassingen
gebruiken, 215-216
GeoGebra, 84
identificeren van ontbrekende, 216
informatie, 215
installeren, 215
SMART-blokken, 187
uitschakelen, 217
verwijderen, 217
INDEX
245
J
JPEG-bestanden, 17
K
Klantervaringsprogramma, 235
Knooppunt, 161
kompassen, 208
koppelingen
toevoegen aan objecten, 112, 185
weergave, 174
L
lijnen, 40
Linux-besturingssystemen, 16
M
Magisch penhulpmiddel, 178
MediaCoder, 91
meerdere interactieve producten, 174
meethulpmiddelen
informatie, 202
setting preferences for;preferences
meethulpmiddelen, 225
types
Geodriehoek, 206
hoekmeter, 204
kompas, 208
linialen, 203
meldingen voor wijzigingen in
hulpmiddelen, 12
menupijlen, 60
miniaturen
in afdrukken, 19
in de paginasorteerder, 25
MOV-bestanden, 91
MP3-bestanden, Zie:geluidsbestanden
MPEG-bestanden, 91
multimediabestanden, 88
muziekbestanden, Zie:geluidsbestanden
N
namen
van bestanden, 16, 224
van pagina's, 28
van paginagroepen, 29
.notebook-bestandsindeling, 16
Notebook-software, Zie:SMART
Notebook
O
objecten
alles wissen van een pagina, 210
animatie toevoegen, 116
de grootte van tekst aanpassen, 45
draaien, 75
dupliceren, 72
groepen instellen, 77
grootte veranderen, 72
herschikken, 69
knippen, kopren en plakken, 70
koppelingen toevoegen aan, 112, 185
lijn- en opvulstijl instellen voor, 62
locking;locked objects, 116
naar andere pagina's verplaatsen, 67
selecteren, 60
spiegelen, 77
toevoegen aan de galerie, 104
toevoegen aan tabellen, 50
uitlijnen, 67
uitsnijden, 70
verplaatsen, 66
vervagen, 179, 187
verwijderen, 79
wissen, 37
objecten vervagen, 179, 187
online bronnen, 85
onzichtbare gebieden, Zie:transparente
gebieden
ovalen, 39
INDEX
246
P
pagina's
achtergronden instellen voor, 120
displaying in Transparent Background
view;files
met transparante achtergrond
weergeven, 171
dupliceren, 27
groepen instellen, 29
herschikken, 29
in- en uitzoomen, 167
in dubbele paginaweergave tonen, 173
in volledige schermweergave tonen, 169
koppelen naar objecten, 112
maken, 26
naam wijzigen, 28
objecten verplaatsen tussen, 67
opnemen, 119, 175
pannen, 168
printing;handouts, 19
toevoegen aan de galerie, 104
uitbreiden, 27
vastspelden, 173
verbergen met schermschaduwen, 177
verwijderen, 31
weergave in tweegebruikersmodus, 213
weergeven, 25
wissen, 210
paginanummers, 19-20
pannen, 168
Pdf-bestanden
exporteren, 18
toevoegen aan e-mailberichten, 24
Penhulpmiddel vormherkenning, 39
pennen
types
Calligraphic;Calligraphic pen
type, 34
Crayon;Crayon pen type, 34
Creatief, 110
Creative;Creative pen type, 35
Highlighter;highlighter, 35
Magic;Magic pen tool, 35
Magisch, 178
Paint Brush;Paint Brush pen type, 35
Shape Recognition;Shape
Recognition Pen tool, 35
Standaard, 34
Text;Text pen type, 35
Vormherkenning, 39
Pentype creatief, 110
PNG-bestanden, 17
PNG files;JPEG files;GIF files;BMP files, 22
polygonen, 38
PowerPoint, 18, 49, 94
printers, 19, 92-93
problemen oplossen
digital ink;digital ink
problemen oplossen, 238
files;files
problemen oplossen, 237
gestures;gestures
problemen oplossen, 240
objects;objects
problemen oplossen, 239
SMART Notebook software window
and toolbar;toolbars
SMART Notebook, 237
productcodes, 233
proxyservers, 101
Q
QuickTime-bestanden, Zie:MOV-
bestanden
R
rechte lijnen, 40
rulers;measurement tools
types
linialen, 203
S
scanners, 87
Schermschaduwen, 177-178
SMART-blokken, 187
SMART-productstuurprogramma's, 2
SMART-softwareportaal, 233
SMART-verwijderingsprogramma, 229
INDEX
247
SMART Board-hulpmiddelen, 2
SMART Board 800 Series interactieve
whiteboards, 213
SMART Board D600-serie interactive
whiteboards, 213
SMART Document Camera's, 87
SMART Exchange, 85, 108, 215
SMART Ink
informatie, 2
SMART Notebook, 2
SMART Notebook Document Writer, 93
SMART Notebook Print Capture, 92
SMART Product Update, 231
snelkoppelingen, 102
Software voor Mac OS X-
besturingssystemen, 16
spellingscontrole, 46, 228
spotlicht, 181
stapelingen van objecten, 69
SWF-bestanden, Zie:Bestanden
compatibel met Adobe Flash Player
T
T-vierkanten, Zie:Geodriehoek
hoekmeters
tabellen
cellen samenvoegen of delen in, 56
celschaduwen toevoegen aan, 178
celschaduwen verwijderen van, 178
eigenschappen wijzigen voor, 52
informatie, 48
kolommen toevoegen aan rijen en
cellen
tabellen
kolommen, rijen en cellen
verwijderen van 55
maken, 48
objecten toevoegen aan, 50
removing cell padding
from;preferences
table cell padding;cell
padding;padding, 227
selecteren, 51
verplaatsen, 52
verwijderen, 57
talen, 42, 182-183, 228
Team Inhoud-categorieën, 107, Zie
ook:Categorie Mijn inhoud
tekst
bewerken, 43
grootte veranderen, 45
handschrift omzetten in, 42, 182-183
knippen, 47
spelling controleren van, 46
typen, 41
wiskundige symbolen invoegen in, 46
thema's
applying;Gallery
achtergronden en thema's
toepassen van, 123
maken, 124
Toestaan, 156
toetsenborden, 229
Transparante achtergrondweergave, 171
transparente gebieden, 88
Tweegebruikersmodus, 213
U
uitsnijden
afbeeldingen, 70
updates, 231
V
vereisten, 155
vergoten, 167, 179
vergrendelde objecten, 239
video's, 90
videocoderingsprogramma, 91
vierkanten, 38-39
vierkanten instellen, Zie:Geodriehoek
hoekmeters
vijfhoeken, 38
Volledige schermweergave, 169
volume, 175
Voorbeelden lesactiviteiten, 82
voorkeuren
image optimization;pictures
reducing file sizes of;files
omvang verkleinen van 223
INDEX
248
Voorkeuren
nieuwe pagina in standaardkleur, 225
vormen
creating with the Regular Polygons
tools;triangles;squares;pentagons;hexag
ons;heptagons;octagons, 38
creating with the Shapes
tool;circles;triangles;diamonds;hexagons;
pentagons;arrows;check
marks;squares;rectangles;trapezoids;par
allelograms;crosses, 37
informatie, 37
met het hulpmiddel voor de
vormherkenningspen maken, 39
vrije-stijl objecten, Zie:digitale inkt
W
WAV-bestanden, 91
webbrowser, 155
webbrowsers, Zie:Internetbrowsers
webpagina's, 103, 112
werkbalken
SMART Notebook, 219
Transparante achtergrond, 171
Volledig scherm, 170
Werkset lesactiviteiten, 82
widgets, 85
Windows-besturingssystemen, 16
Windows Media-bestanden, 91
wiskunde-editor, 98
wiskundige symbolen, 46
wisser, 37
Word, 49
X
XBK-bestanden, 15
Z
zeshoeken, 38-39
zevenhoeken, 38
SMARTTECHNOLOGIES
smarttech.com/support
smarttech.com/contactsupport
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256

SMART Technologies Notebook 15 Referentie gids

Type
Referentie gids