SPRINT382 383

Genius SPRINT382 383 Handleiding

  • Hallo! Ik ben een AI-chatbot die speciaal is getraind om je te helpen met de Genius SPRINT382 383 Handleiding. Ik heb het document al doorgenomen en kan je duidelijke en eenvoudige antwoorden geven.
NEDERLANDS
CE-VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING
Fabrikant: FAAC S.p.A. Soc. Unipersonale
Adres: Via Calari, 10 - 40069 - Zola Predosa- BOLOGNA - ITALIE
verklaart bij deze dat de volgende producten:
De elektronische apparatuur mod. Sprint 382
De elektronische apparatuur mod. Sprint 383
overeenstemmen met de volgende toepasselijke communautaire wetten:
2014/30/EU
2014/35/EU
2011/65/EU
Bovendien zijn de volgende harmonisatienormen toegepast:
EN61000-6-2:2005
EN61000-6-3:2007 + A1:2011
EN60335-1:2012 + A11:2014
Bologna, 27-05-2016 CEO
Opmerkingen voor het lezen van de instructies
Lees deze installatiehandleiding aandachtig door alvorens te beginnen met de installatie van het product.
Het symbool is een aanduiding voor belangrijke opmerkingen voor de veiligheid van personen en om het automatische systeem in goede staat te houden.
Het symbool vestigt de aandacht op opmerkingen over de eigenschappen of de werking van het product.
INHOUDSOPGAVE
1. WAARSCHUWINGEN pag.52
2. TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN pag.52
3. LAY-OUT EN COMPONENTEN pag.52
4. ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN pag.52
4.1. Aansluiting fotocellen en veiligheidsvoorzieningen pag.53
4.2. Klemmenbord J7 - Voeding ( g. 2) pag.54
4.3. Klemmenbord J6 - Motoren en waarschuwingslamp ( g. 2) pag.54
4.4. Klemmenbord J1 - Accessoires ( g. 2) pag.54
4.5. Connector J2 - Snelaansluiting ontvanger pag.55
4.6. Connettore J6 - Innesto rapido Finecorsa ( g. 2) pag.55
4.7. Connector J3- Snelkoppeling Encoder ( g. 2) pag.55
5. PROGRAMMERING pag.55
5.1. BASISPROGRAMMERING pag.55
5.2. GEAVANCEERDE PROGRAMMERING pag.56
6. INBEDRIJFSTELLING pag.57
6.1. CONTROLE VAN DE INGANGEN pag.57
7. TEST VAN HET AUTOMATISCHE SYSTEEM pag.57
53 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
ELEKTRONISCHE APPARATUUR SPRINT 382 - SPRINT 383
1. WAARSCHUWINGEN
alvorens werkzaamheden op de apparatuur te verrichten (verbindingen,
onderhoud) moet altijd eerst de elektrische voeding worden wegge-
nomen.
Breng bovenstrooms van de installatie een magnetothermische diffe-
rentieelschakelaar met een geschikte inschakellimiet aan.
Sluit de aardkabel aan op de daarvoor bestemde klem op de connector
J7 van de apparatuur (zie g. 2).
Houd de voedingskabels gescheiden van de bedienings- en veili-
gheidskabels (sleutelschakelaar, ontvanger, fotocellen enz.). Om
elektrische storingen te vermijden dienen gescheiden hulzen of afge-
schermde kabels te worden gebruikt (met de afscherming verbonden
met de aarde).
2. TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN
SPRINT 382 SPRINT 383
Voedingsspanning 230 V~ ( +6% -10%) - 50 Hz 115 V~ - 60 Hz
Opgenomen vermogen 10 W
Max. motorbelasting 1000 W
Max. belasting accessoires 0,5 A
Omgevingstemperatuur -20 °C +55 °C
Veiligheidszekeringen 2 (zie g. 1)
Bedrijfslogica’s
Automatisch / Automatisch “stap voor stap” /
Halfautomatisch / Veiligheid / Halfautomatisch B /
Dead man C / Halfautomatisch “stap voor stap”
Werktijd Programmeerbaar (van 0 tot 4 min.)
Pauzetijd Programmeerbaar (van 0 tot 4 min.)
Duwkracht Regelbaar op 50 niveaus
Ingangen op klemmenbord
Open / Gedeeltelijk open / Veiligheden bij op.
/ Veiligheden bij sl. / Stop / Veiligheidslijst /
Voeding +Aarde
Ingangen op connector Eindschakelaar opening en sluiting / Encoder
Uitgangen op klemmenbord
Waarschuwingslamp - Motor - Voeding acces. 24
Vdc - Controlelampje 24 Vdc/Tijdsgeschakelde
uitgang - Failsafe
Snelkoppeling
Aankoppeling kaarten met 5 pinnen,
ontvangers
Programmering
3 toetsen (+, -, F) en display, “basis” of “geavan-
ceerde” mode
Programmeerbare functies
basismode
Bedrijfslogica - Pauzetijd - Duwkracht - Richting
poort
Programmeerbare functies
geavanceerde mode
Koppelmoment - Remming - Failsafe - Voorknip-
perfunctie - Controlelampje/Tijdsgeschakelde
uitgang - Logica veiligheden bij opening en
sluiting - Encoder - Verlangzamingen - Tijd gede-
eltelijke opening - Werktijd - Verzoek assistentie
- Cyclusteller
3. LAY-OUT EN COMPONENTEN
DL DISPLAY VOOR SIGNALERING EN PROGRAMMERING
Led CONTROLELED STATUS INGANGEN
J1 LAAGSPANNINGSKLEMMENBORD
J2 CONNECTOR ONTVANGER
J3 CONNECTOR ENCODER
J4 CONNECTOR CONDENSATOR
J5 CONNECTOR EINDSCHAKELAAR
J6 KLEMMENBORD AANSLUITING MOTOREN EN WAARSCHUWINGSLAMP
J7 VOEDINGSKLEMMENBORD
F1
ZEKERING MOTOREN EN PRIMAIRE WIKK. TRANSF.
( Sprint 382 F 5A - Sprint 383 10A)
F2 ZEKERING LAAGSPANNING EN ACCESSOIRES (T 800mA)
F PROGRAMMEERKNOP “F”
- PROGRAMMEERKNOP “–”
+ PROGRAMMEERKNOP “+”
Fig. 1
4. ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN
Fig. 2
* Enkel in geval de connector J4
niet gebruikt word
230 o 115 V
FCA
FCC OPEN
A
OPEN
B
FSW
CL
FSW
OP
EDGE
SAFE
STOP
54 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
4.1. Aansluiting fotocellen en veiligheidsvoorzieningen
Alvorens de fotocellen (of andere voorzieningen) aan te sluiten, is het nuttig het type
werking te kiezen op basis van het gebied dat ze moeten beschermen (zie g. 3):
Veiligheden bij opening: grijpen alleen in tijdens de openende beweging van
de poort, en zijn dus geschikt om de gebieden tussen de opengaande vleugel
en vaste obstakels (muren, enz.) te beschermen tegen het risico voor botsingen
en inklemming.
Veiligheden bij sluiting: grijpen alleen in tijdens de sluitende beweging van de
poort, en zijn dus geschikt om het gebied waarin de poort zich sluit te beschermen
tegen het risico voor botsingen.
Veiligheden bij opening/sluiting: grijpen alleen in tijdens de openende en
sluitende bewegingen van de poort, en zijn dus geschikt om het gebied waarin
de poort zich sluit te beschermen tegen het risico voor botsingen.
Veiligheidslijsten: grijpen in tijdens de openende en sluitende beweging van
de poort, en zijn dus geschikt om de gebieden tussen de opengaande vleugel
en vaste obstakels (pilasters, muren, enz.) te beschermen tegen het risico voor
amputatie en meesleuren.
Encoder (optie): grijpt in tijdens de openende en sluitende beweging van de
poort, en is dus geschikt om het gebied waarin de poort zich opent en sluit te be-
schermen tegen het risico voor botsingen, inklemming, amputatie en meesleuren.
Als twee of meer veiligheidsvoorzieningen dezelfde functie hebben
(opening, sluiting, opening en sluiting, veiligheidslijst), moeten de
contacten onderling in serie worden geschakeld ( g. 4). Er moeten
rustcontacten worden gebruikt
Als er geen veiligheidsvoorzieningen worden gebruikt, moeten de
klemmen worden overbrugd zoals op g. 5.
Hieronder staan de meest voorkomende aansluitschema’s van fotocellen en
veiligheidsvoorzieningen (van g. 6 tot en met g. 13).
Fig. 3
Fig. 4
Aansluiting van twee rustcontacten in serie
(b.v.: fotocellen, stop, veiligheidslijst, enz.)
Fig. 5
Aansluiting zonder veiligheidsvoorzieningen
Fig. 6
Aansluiting van een veiligheidsvoorziening bij sluiting en een veili-
gheidsvoorziening bij opening
Fig. 7
Aansluiting van een veiligheidslijst
Fig. 8
Aansluiting van een paar fotocellen bij opening
Fig. 9
Aansluiting van een paar fotocellen bij sluiting
Fig. 10
Aansluiting van een paar fotocellen bij opening,
een paar bij sluiting en een veiligheidslijst
55 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
Fig. 11
Aansluiting van twee paar fotocellen bij sluiting en twee veiligheidslijsten
Fig. 12
Aansluiting van een paar fotocellen bij sluiting,
een paar bij opening en een paar bij opening/sluiting
4.2. Klemmenbord J7 - Voeding ( g. 2)
VOEDING (KLEMMEN PE-N-L):
PE: Aardaansluiting
N: Voeding ( nulleiding )
L: Voeding ( lijn )
voor een goede werking is het verplicht de kaart te verbinden met de
aardgeleider die in de installatie aanwezig is. Zorg bovenstrooms van
het systeem voor een goede magnetothermische differentieelscha-
kelaar.
4.3. Klemmenbord J6 - Motoren en waarschuwingslamp ( g. 2)
MOTOR - (klemmen 13-14-15): aansluiting motor. NBij motorvertragingen
waarin de besturingseenheid ingebouwd is, is deze verbinding al standaard
voorbekabeld. Voor de richting waarin de vleugel geopend wordt, zie de
basisprogrammering par. 5.1.
LAMP - (klemmen 16-17): uitgang waarschuwingslamp
4.4. Klemmenbord J1 - Accessoires ( g. 2)
OPEN A - Commando “Totale opening” (klem 1): hiermee wordt een
willekeurige impulsgever bedoeld (sleutelschakelaar, detector, enz.) die
door sluiting van een contact het commando tot totale opening en/of totale
sluiting van de vleugel van de poort geeft.
Om meerdere impulsgevers voor totale opening te installeren moeten
de arbeidscontacten parallel worden aangesloten ( g. 14).
OPEN B - Commando tot “Gedeeltelijke opening” of “Sluiting” (klem
2): hiermee wordt een willekeurige impulsgever bedoeld (sleutelschake-
laar, detector, enz.) die door sluiting van een contact het commando tot
gedeeltelijke opening en/of sluiting van de vleugel van de poort geeft. Bij
de logica’s B en C geeft hij altijd het commando tot sluiting van de poort.
Om meerdere impulsgevers voor gedeeltelijke opening te installeren
moeten de arbeidscontacten parallel worden aangesloten ( g. 14).
Fig. 13
Aansluiting van een paar fotocellen bij sluiting en
een paar bij opening/sluiting
Fig. 14
Parallelle aansluiting van twee arbeidscontacten
(b.v.: Open A, Open B)
56 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
FSW OP - Contact veiligheden bij opening (klem 3): de veiligheden bij
opening hebben tot taak het gebied waarin de vleugel zich in de ope-
ningsfase beweegt, te beschermen. Bij de logica’s A-AP-S-E-EP, tijdens de
openingsfase, keren de veiligheden de beweging van de vleugels van de
poort om, of stoppen en hervatten de beweging wanneer ze gedeactiveerd
worden (zie de geavanceerde programmering in par. 5.2.). Bij de logica’s
B en C onderbreken zij de beweging tijdens de openingscyclus. Ze grijpen
nooit in tijdens de sluitingscyclus.
Als de veiligheden bij opening worden geactiveerd terwijl de poort
gesloten is, verhinderen zij de openende beweging van de vleugels.
Om meerdere veiligheidsvoorzieningen te installeren moeten de
rustcontacten in serie worden aangesloten ( g. 4).
Als er geen veiligheidsvoorzieningen bij opening worden aangesloten,
moet een brug worden aangebracht tussen de klemmen OP en -TX
FSW ( g. 5).
FSW CL - Contact veiligheden bij sluiting (klem 4): de veiligheden bij
sluiting hebben tot taak het gebied waarin de vleugels zich in de slui-
tingsfase bewegen, te beschermen. Bij de logica’s A-AP-S-E-EP, tijdens
de sluitingsfase, keren de veiligheden de beweging van de vleugels van de
poort om, of stoppen en keren de beweging om wanneer ze gedeactiveerd
worden (zie de geavanceerde programmering in par. 5.2.). Bij de logica’s
B en C onderbreken zij de beweging tijdens de sluitcyclus. Ze grijpen nooit
in tijdens de openingscyclus.
Als de veiligheden bij sluiting worden ingeschakeld terwijl de poort
open is, verhinderen zij de sluitende beweging van de vleugels.
Om meerdere veiligheidsvoorzieningen te installeren, moeten de
rustcontacten in serie worden aangesloten ( g. 4).
Als er geen veiligheidsvoorzieningen bij sluiting worden aangesloten,
moet een brug worden gemaakt tussen de klemmen CL en -TX FSW
( g. 5).
STOP - STOP-contact (klem 5): hiermee wordt een willekeurige voorziening
(b.v. sleutelschakelaar) bedoeld die bij opening van een contact de beweging
van de poort kan laten stoppen.
Om meerdere STOP-voorzieningen te installeren, moeten de rustcon-
tacten in serie worden aangesloten.
Als er geen STOP-voorzieningen worden aangesloten, moet een brug
worden gemaakt tussen de klemmen STOP en -.
EDGE - Veiligheidscontact VEILIGHEIDSLIJST (klem 6): de veiligheidsvo-
orziening “veiligheidslijst” heeft tot taak het gebied waarin de vleugel zich
beweegt tijdens de openings-/sluitingsfase en vaste obstakels (pilasters,
muren, enz.) te beschermen. Bij alle logica’s keert de veiligheidsvoorziening
de beweging van de vleugel van de poort gedurende 2 seconden om, zowel
tijdens het openen als tijdens het sluiten. Als de veiligheidsvoorziening
nogmaals ingrijpt tijdens de 2 seconden omkering, stopt hij de beweging
(STOP) zonder een omkering uit te voeren.
Als de Veiligheidslijst wordt geactiveerd terwijl de poort gesloten of
open is, verhindert hij dat de vleugels kunnen bewegen.
Om meerdere veiligheidsvoorzieningen te installeren, moeten de
rustcontacten in serie worden aangesloten ( g. 4).
Als er geen veiligheidsvoorzieningen “veiligheidslijst” worden aange-
sloten, moet een brug worden gemaakt tussen de klemmen i EDGE
en - ( g. 5).
Negatieve voor voeding accessoires (klemmen 7 en 8)
+ 24 Vdc - Positieve voor voeding accessoires (klemmen 9 en 10)
de maximale belasting van de accessoires is 500 mA. Om de stroo-
mopnamen te berekenen, zie de instructies voor de afzonderlijke
accessoires.
TX -FSW - Negatieve voor voeding fotocelzenders (klem 11). Door deze
klem te gebruiken voor de aansluiting van de negatieve voor voeding van
de fotocelzenders, kan eventueel de functie FAILSAFE worden gebruikt
(zie geavanceerde programmering, par. 5.2). ls de functie wordt vrijge-
geven controleert de apparatuur de werking van de fotocellen vóór elke
openings- of sluitingscyclus.
W.L. - Voeding controlelampje/tijdsgeschakelde uitgang (klem 12). Sluit
tussen deze klem en de +24V een eventueel controlelampje of tijdsge-
schakelde uitgang aan (zie geavanceerde programmering par. 5.2) van
24 Vdc - 3 W max.
Om het systeem op de juiste manier te laten werken mag het aangegeven
vermogen niet worden overschreden.
4.5. Connector J2 - Snelaansluiting ontvanger
De besturingseenheid heeft een vooruitrusting voor een 5-pins radio-ontvanger.
Om hem te installeren moet eerst de elektrische voeding worden uitgeschakeld,
en de module in de speciale connector J2 binnenin de centrale worden geplaatst.
Volg vervolgens de instructies van de radio-ontvanger om de afstandsbediening in
het geheugen op te slaan. Zodra de afstandsbediening in het geheugen is opge-
slagen, werkt hij als een willekeurige bedieningsinrichting op START.
4.6. Connettore J6 - Innesto rapido Finecorsa ( g. 2)
Connector J6 - Snelkoppeling eindschakelaar ( g. 2)
Deze ingang is geschikt voor snelle aansluiting van de eindschakelaars bij ope-
ning en sluiting, die de vleugel kunnen laten stoppen of de verlangzaming of de
remming kunnen laten beginnen (zie geavanceerde programmering, par. 5.2). Bij
motorvertragingen waarin de besturingseenheid ingebouwd is, is deze verbinding
al standaard voorbekabeld ( g. 2). Voor de richting waarin de vleugel geopend
wordt, zie de geavanceerde programmering par. 5,2.
4.7. Connector J3- Snelkoppeling Encoder ( g. 2)
Deze ingang is geschikt voor snelle aansluiting van de Encoder (optie). Voor de
montage van de encoder op de motor, zie de desbetreffende instructies.
De aanwezigheid van de encoder wordt gesignaleerd wanneer de motorvertraging
in werking is, door het knipperen van de led “Encoder” op de kaart.
Door gebruik te maken van de encoder kent de besturingsunit tijdens de hele
beweging de exacte positie van de poort.
Met de encoder kunnen enkele functies van de unit op een andere manier worden
geregeld (gedeeltelijke opening en verlangzamingen, zie geavanceerde program-
mering par. 5.2), en hij kan als beveiliging tegen inklemming worden gebruikt.
Als de poort tijdens de opening of sluiting tegen een obstakel botst, keert de enco-
der de beweging van de vleugel van de poort gedurende 2 seconden om. Als de
encoder nogmaals ingrijpt tijdens de 2 seconden omkering, stopt hij de beweging
(STOP) zonder een omkering uit te voeren.
5. PROGRAMMERING
Om de werking van het automatische systeem te programmeren moet de mode
“PROGRAMMERING” worden opgeroepen.
De programmering bestaat uit twee delen: BASISPROGRAMMERING en GEA-
VANCEERDE PROGRAMMERING.
5.1. BASISPROGRAMMERING
De BASISPROGRAMMERING wordt opgeroepen met de drukknop F:
door hem in te drukken (en ingedrukt te houden) laat het display de naam van
de eerste functie zien.
als de knop wordt losgelaten, verschijnt de waarde van de functie op het display;
deze kan worden gewijzigd met de toetsen + en -.
door opnieuw op F te drukken (en ingedrukt te houden) laat het display de naam
van de volgende functie zien, enz.
aangekomen bij de laatste functie zult u de programmering verlaten als u opnieuw
op F drukt, en geeft het display de e status van de poort opnieuw weer.
In de volgende tabel wordt de sequens van functies gegeven die kunnen worden
opgeroepen bij de BASISPROGRAMMERING:
BASIS PROGRAMMERING F
Display Functie Default
LO
BEDRIJFSLOGICA’S (zie tabel 3/a-h):
A
=Automatisch
AP
=Automatisch “stap voor stap”
S
=Automatisch “Veiligheid”
E
=Halfautomatisch
EP
=Halfautomatisch “stap voor stap”
C
=Dead man
b
=Halfautomatisch “B”
bC
=Gemengde log. (
b
opening /
C
sluiting)
EP
PA
PAUZETIJD:
heeft alleen effect als een automatische logica is gese-
lecteerd. Regelbaar van
0
tot
59
seconden in stappen
van een seconde.
Vervolgens verandert de weergave in minuten en tien-
tallen seconden (gescheiden door een punt) en wordt
de tijd geregeld in stappen van 10 seconden, tot de
maximumwaarde van
4.1
minuten.
B.v.: als het display
2.5
aangeeft, correspondeert de
pauzetijd met 2 min. en 50 sec.
2.0
F0
KRACHT:
regelt de duwkracht van de motor.
01
= minimum kracht
50
= maximumkracht
20
d1
OPENINGSRICHTING:
geeft aan in welke richting de poort opengaat, en maakt
het mogelijk de aansluitingen op het klemmenbord van
de motor en van de eindschakelaars niet te hoeven
veranderen.
-3
= opening naar rechts
3-
= opening naar links
-3
St
STATUS VAN HET AUTOMATISCHE SYSTEEM:
verlaten van de programmering, opslag van de gege-
vens en terugkeer naar weergave van de status van
de poort.
00
= Gesloten
01
= Gaat open
02
= op “STOP”
03
= Open
04
= In pauze
05
= Ingreep door “FAIL SAFE” (cap.5.2.)
06
= Gaat dicht
07
= Keert om
08
= ingreep fotocellen
57 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
5.2. GEAVANCEERDE PROGRAMMERING
Om toegang te krijgen tot de GEAVANCEERDE PROGRAMMERING moet op de
knop F worden gedrukt, en terwijl deze ingedrukt gehouden wordt, op de knop +:
als de knop + wordt losgelaten, verschijnt de naam van de eerste functie op
het display.
als ook de knop F wordt losgelaten, verschijnt de waarde van de functie op het
display; deze kan worden gewijzigd met de toetsen + en -.
door op de toets F te drukken (en hem ingedrukt te houden) verschijnt de naam
van de volgende functie; als hij wordt losgelaten verschijnt de waarde die kan
worden gewijzigd met de toetsen + en -.
aangekomen bij de laatste functie zult u de programmering verlaten als u op-
nieuw op F drukt, en hervat het display de weergave van de status van de poort.
In de volgende tabel wordt de sequens van functies gegeven die kunnen worden
opgeroepen bij de GEAVANCEERDE PROGRAMMERING:
GEAVANC. PROGRAMMERING F + +
Display Functie Default
b0
MAX. KOPPELMOMENT:
aan het begin van de beweging werkt de motor met het
maximale koppel (en houdt hierbij geen rekening met de
instelling van het koppel) . Nuttig voor zware vleugels.
Y
= Actief
no
= Uitgeschakeld
Y
br
REMMING AAN EINDE:
wanneer de poort de eindschakelaar activeert bij ope-
ning of sluiting, is het mogelijk een rembeweging in te
stellen om te garanderen dat de vleugel onmiddellijk
stilhoudt. Als er verlangzamingen geselecteerd zijn, zal
de remming aan het eind hiervan beginnen.
Met de waarde
00
is de remming buiten werking.
De tijd kan worden ingesteld tussen
01
en
20
in stappen
van 0,01 seconden.
B.v.: als het display B.v.: als het display
10
aangeeft,
correspondeert de remtijd met 1 seconde.
00
= remming uitgeschakeld
van
01
tot
20
= tijdsgeschakelde remming
05
FS
FAIL SAFE:
als deze functie geactiveerd wordt, wordt vóór elke
beweging van het hek een bedrijfstest van de fotocellen
uitgevoerd. Als de test niet goed a oopt (fotocellen bu-
iten werking, gesignaleerd door de waarde
05
op het
display), begint de poort de beweging niet.
Y
= Actief
no
= Uitgeschakeld
no
SA
SAFE
Met deze functie is het mogelijk de failsafe-test op de
SAFE-ingang al dan niet in te schakelen
no
PF
VOORKNIPPERFUNCTIE (5 sec.):
hiermee kan de voorknipperfunctie voor het begin van
de beweging 5 seconden lang worden geactiveerd.
no
= Uitgeschakeld
oP
= Alleen vóór de opening
CL
= Alleen vóór de sluiting
OC
= Vóór elke beweging
no
GEAVANC. PROGRAMMERING F + +
Display Functie Default
SP
CONTROLELAMPJE:
door selectie van
00
functioneert de uitgang als stan-
daard controlelampje (dat brandt bij opening en pauze,
knippert bij sluiting, uit is als het hek gesloten is).
Verlichting: Andere cijfers corresponderen met de
tijdsgeschakelde activering van de uitgang, die kan
worden gebruikt (via een relais) om de verlichting te
voeden. De tijd kan worden ingesteld van
0
tot
59
sec.
met stappen van 1 sec., en van
1.0
tot
4.1
minuten met
stappen van 10 sec.
Bediening elektroslot en verkeerslichtfuncties:
Als vanuit instelling
00
de toets - wordt ingedrukt,
wordt het commando voor het elektroslot voor sluiting
E1
geactiveerd;
door opnieuw op
- te drukken wordt het commando
voor het elektroslot voor sluiting en opening
E2
ge-
activeerd;
door opnieuw op de toets
- te drukken kunnen de
verkeerslichtfuncties
E3
en
E4
worden ingesteld.
00
= standaard controlelampje
van
01
tot
4.1
= tijdsgeschakelde uitgang.
E1
= commando elektroslot vóór de openingsbeweging.
E2
= commando elektroslot vóór de openings- en
sluitingsbeweging.
E3
= verkeerslichtfunctie: de uitgang is actief in de sta-
tus “open” en “geopend in pauze”, en wordt 3 seconden
voor het begin van de sluitingshandeling gedeactiveerd.
Vóór de sluiting is de voorknipperfunctie 3
seconden actief.
E4
= verkeerslichtfunctie: de uitgang is alleen actief in
de status “gesloten”.
de uitgang mag niet meer worden belast dan
maximaal is toegestaan (24V dc - 3W).
Gebruik indien nodig een relais en een
voedingsbron buiten de apparatuur.
00
Ph
LOGICA FOTOCELLEN SLUITING:
selecteer de wijze waarop de fotocellen bij sluiting
ingrijpen.
Grijpen alleen in op de sluitende beweging: blokkeren de
beweging en keren hem om wanneer ze gedeactiveerd
worden, of keren hem onmiddellijk om.
Y
= Omkering bij deactivering
no
= Onmiddellijke omkering in opening
no
oP
LOGICA FOTOCELLEN OPENING:
selecteer de wijze waarop de fotocellen bij opening
ingrijpen.
Grijpen alleen in op de openende beweging: blokkeren
de beweging en keren hem om wanneer ze gedeactive-
erd worden, of keren hem onmiddellijk om.
Y
= Onmiddellijke omkering in sluiting
no
= Omkering bij deactivering
no
EC
ENCODER:
indien het gebruik van de encoder voorzien is, kan de
aanwezigheid ervan worden geselecteerd.
Als hij aanwezig en actief is, worden de “verlangza-
mingen” en “gedeeltelijke opening” door de encoder
bestuurd (zie de desbetreffende paragrafen).
De encoder functioneert als beveiliging tegen inklem-
ming: als de poort tijdens de opening of sluiting tegen
een obstakel botst, keert de encoder de beweging van
de vleugel van de poort gedurende 2 seconden om. Als
de encoder nogmaals ingrijpt tijdens de 2 seconden
omkering, stopt hij de beweging (STOP) zonder een
omkering uit te voeren. Als de sensor niet aanwezig is,
moet de parameter op
00
worden gezet. Als de encoder
aanwezig is, moet de gevoeligheid van het systeem
tegen inklemming worden geregeld door de parameter
in te stellen tussen
01
(maximale gevoeligheid) en
99
(minimale gevoeligheid).
van
01
tot
99
= encoder actief en regeling gevoeligheid
00
= encoder uitgeschakeld
00
rP
VERLANGZAMING vóór de eindschakelaar:
het is mogelijk de verlangzaming van de poort vóór de
ingreep van de eindschakelaars bij opening en sluiting
in te stellen.
De tijd kan worden ingesteld van
00
tot
99
met stappen
van 0,1 sec.,
Als het gebruik van de encoder voorzien is, wordt de
regeling niet bepaald door de tijd maar door het toerental
van de motor, zodat een grotere nauwkeurigheid van
de verlangzaming wordt bereikt.
00
= verlangzaming uitgeschakeld
van
01
tot
99
= verlangzaming actief
10
58 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
GEAVANC. PROGRAMMERING F + +
Display Functie Default
rA
VERLANGZAMING na de eindschakelaar:
het is mogelijk de verlangzaming van de poort na de
ingreep van de eindschakelaars bij opening en sluiting
in te stellen.
De tijd kan worden ingesteld van
00
tot
20
met stappen
van 0,1 sec.,
Als het gebruik van de encoder voorzien is, wordt de
regeling niet bepaald door de tijd maar door het toerental
van de motor, zodat een grotere nauwkeurigheid van
de verlangzaming wordt bereikt.
00
= verlangzaming uitgeschakeld
van
01
tot
20
= verlangzaming actief
05
PO
GEDEELTELIJKE OPENING:
het is mogelijk de omvang van de gedeeltelijke opening
van de vleugel te regelen.
De tijd kan worden ingesteld van
01
tot
20
, met stappen
van 0,1 seconde.
Als het gebruik van de encoder (optie) voorzien is, wordt
de regeling niet bepaald door de tijd maar door het toe-
rental van de motor, zodat een grotere nauwkeurigheid
van de gedeeltelijke opening wordt bereikt.
B.v. voor een poort met een schuifsnelheid van 10
m/min, betekent de waarde
10
ongeveer 1,7 meter
opening.
B.v. voor een poort met een schuifsnelheid van 12 m/
min, betekent de waarde
10
ongeveer 2 meter opening.
05
t
WERKTIJD (time-out):
het is wenselijk een waarde van 5÷10 seconden meer
in te stellen dan de tijd die de poort nodig heeft om van
de eindschakelaar bij sluiting naar de eindschakelaar
bij opening te komen, en omgekeerd.
Regelbaar van
0
tot
59
seconden in stappen van een
seconde.
Vervolgens verandert de weergave in minuten en
tienden van seconden (gescheiden door een punt) en
wordt de tijd geregeld in stappen van 10 seconden, tot
de maximumwaarde van
4.1
minuten.
B.v.: als het display
2.5
aangeeft, correspondeert de
werktijd met 2 min. en 50 sec.
De ingestelde waarde correspondeert niet
exact met de maximum werktijd van de
motor, aangezien deze gewijzigd wordt
in relatie tot de uitgevoerde vertra-
gingsafstanden.
2.0
AS
VERZOEK ASSISTENTIE (in combinatie met de
volgende functie):
als deze functie geactiveerd wordt, zal de voorknipper-
functie aan het einde van het aftellen (dat kan worden
ingesteld met de volgende functie “Programmering
cycli”) bij elke Open-impuls (verzoek om ingreep)
gedurende 2 sec. (afgezien van hetgeen eventueel al
is ingesteld met de functie PF) werken. Dit kan nuttig
zijn voor het instellen van geprogrammeerd onderhoud.
Y
= Actief
no
= Uitgeschakeld
no
nc
PROGRAMMERING CYCLI:
hiermee kan het aftellen van het aantal door de instal-
latie verrichte bedrijfscycli worden ingesteld. Instelbaar
(in duizenden) van
00
tot
99
duizend cycli.
De weergegeven waarde wordt bijgewerkt naarmate
de cycli plaatsvinden.
De functie kan worden benut om het gebruik van de
kaart na te gaan of om gebruik te maken van de functie
“Verzoek om assistentie”.
00
St
STATUS POORT:
Verlaten van de programmering, opslag van de gege-
vens en terugkeer naar de weergave van de status van
de poort (zie par. 5.1.).
Om de defaultinstellingen van de programmering te herstellen, dient
u te controleren of de ingang veiligheidslijst open is (de led SAFE uit),
en tegelijkertijd op de toetsen +, - en F te drukken en deze 5 seconden
ingedrukt te houden.
De gewijzigde programmeringsparameters treden onmiddellijk in
werking, terwijl de de nitieve opslag in het geheugen pas plaatsvindt
wanneer de programmering wordt afgesloten en teruggekeerd wordt
naar de weergave van de status van de poort. Als de voeding naar de
apparatuur wordt afgekoppeld vóór terugkeer naar weergave van de
status, gaan alle aangebrachte wijzigingen verloren
6. INBEDRIJFSTELLING
6.1. CONTROLE VAN DE INGANGEN
In de onderstaande tabel wordt de status van de leds gegeven in relatie tot de
status van de ingangen.
Let erop dat: Led brandt = contact gesloten
Led uit = contact open
Controleer de status van de signaleringsleds aan de hand van de tabel.
De conditie van de leds als de poort gesloten en in ruststand is, zijn
vet gedrukt.
dl = -3
= opening naar rechts
LEDS BRANDT UIT
FCA eindschakelaar vrij
eindschakelaar ingeschakeld
FCC eindschakelaar vrij
eindschakelaar ingeschakeld
OPEN B commando geactiveerd commando non-actief
OPEN A commando geactiveerd commando non-actief
FSW OP veiligheden gedeactiveerd veiligheden geactiveerd
FSW CL veiligheden gedeactiveerd veiligheden geactiveerd
STOP commando non-actief commando geactiveerd
EDGE veiligheden gedeactiveerd veiligheden geactiveerd
dl = -3
= opening naar links
LEDS BRANDT UIT
FCA eindschakelaar vrij
eindschakelaar ingeschakeld
FCC eindschakelaar vrij
eindschakelaar ingeschakeld
OPEN B commando geactiveerd commando non-actief
OPEN A commando geactiveerd commando non-actief
FSW OP veiligheden gedeactiveerd veiligheden geactiveerd
FSW CL veiligheden gedeactiveerd veiligheden geactiveerd
STOP commando non-actief commando geactiveerd
EDGE veiligheden gedeactiveerd veiligheden geactiveerd
7. TEST VAN HET AUTOMATISCHE SYSTEEM
Aan het einde van de programmering moet worden gecontroleerd of de installatie
correct functioneert.
Controleer vooral of de kracht en de juiste ingreep van de veiligheidsvoorzieningen
goed geregeld zijn.
59 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
Tab. 3/a
LOGICA “A” IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A OPEN-B STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN
Opent de vleugel, en sluit
weer na de pauzetijd
Opent de vleugel voor de ge-
deeltelijke openingstijd en sluit
hem weer na de pauzetijd
Geen effect (OPEN onderdrukt) Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
GEOPEND in PAUZE
Begint de pauzetijd
weer
Blokkeert de werking
Geen effect
Begint de pauzetijd
weer (OPEN onderdrukt)
Begint de pauzetijd weer
(OPEN onderdrukt)
GAAT DICHT
Opent de vleugel onmiddellijk weer
Geen effect (slaat OPEN in
het geheugen op)
zie paragraaf 5.2
Blokkeert en bij deactivering
keert hij om en gaat hij open
Keert om in opening gedurende
2”
GAAT OPEN
Geen effect
zie paragraaf 5.2 Geen effect
Blokkeert en bij deactivering
blijft hij opengaan
Keert om in sluiting gedurende
2”
GEBLOKKEERD Sluit de vleugel
Geen effect (OPEN onder-
drukt)
Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
Tab. 3/b
LOGICA “AP” IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A OPEN-B STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN
Opent de vleugel, en sluit
weer na de pauzetijd
Opent de vleugel voor de ge-
deeltelijke openingstijd en sluit
hem weer na de pauzetijd
Geen effect (OPEN onderdrukt) Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
GEOPEND in PAUZE Blokkeert de werking
Blokkeert de werking
Geen effect
Begint de pauzetijd
weer (OPEN onderdrukt)
Geen effect (OPEN onderdrukt)
GAAT DICHT
Opent de vleugel onmiddellijk weer
Geen effect (slaat OPEN in
het geheugen op)
zie paragraaf 5.2
Blokkeert en bij deactivering
keert hij om en gaat hij open
Keert om in opening gedurende
2”
GAAT OPEN Blokkeert de werking zie paragraaf 5.2 Geen effect
Blokkeert en bij deactivering
blijft hij opengaan
Keert om in sluiting gedurende
2”
GEBLOKKEERD Sluit de vleugel
Geen effect (OPEN onder-
drukt)
Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
Tab. 3/c
LOGICA “S” IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A OPEN-B STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN
Opent de vleugel, en sluit
weer na de pauzetijd
Opent de vleugel voor de ge-
deeltelijke openingstijd en sluit
hem weer na de pauzetijd
Geen effect (OPEN onderdrukt) Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
GEOPEND in PAUZE Sluit de vleugel onmiddellijk weer
Blokkeert de werking
Geen effect Sluit na 5” (OPEN onderdrukt) Geen effect (OPEN onderdrukt)
GAAT DICHT Opent de vleugel onmiddellijk weer
Geen effect (slaat OPEN in
het geheugen op)
zie paragraaf 5.2
Blokkeert en bij deactivering
keert hij om en gaat hij open
Keert om in opening gedurende
2”
GAAT OPEN Sluit de vleugel onmiddellijk weer zie paragraaf 5.2 Geen effect
Blokkeert en bij deactivering
blijft hij opengaan
Keert om in sluiting gedurende
2”
GEBLOKKEERD Sluit de vleugel
Geen effect (OPEN onder-
drukt)
Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
60 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
Tab. 3/d
LOGICA “E” IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A OPEN-B STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN Opent de vleugel
Opent de vleugel gedurende
de tijd voor gedeeltelijke
opening
Geen effect (OPEN onderdrukt) Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
GEOPEND Sluit de vleugel onmiddellijk weer
Blokkeert de werking
Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
GAAT DICHT Opent de vleugel onmiddellijk weer
Geen effect (slaat OPEN in
het geheugen op)
zie paragraaf 5.2
Blokkeert en bij deactivering
keert hij om en gaat hij open
Keert om in opening gedurende
2”
GAAT OPEN Blokkeert de werking zie paragraaf 5.2 Geen effect
Blokkeert en bij deactivering
blijft hij opengaan
Keert om in sluiting gedurende
2”
GEBLOKKEERD
Sluit de vleugel (als de veiligheden bij sluiting geactiveerd
zijn, gaat hij open bij de 2e impuls)
Geen effect (OPEN onder-
drukt)
Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
Tab. 3/e
LOGICA “EP” IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A OPEN-B STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN Opent de vleugel
Opent de vleugel gedurende
de tijd voor gedeeltelijke
opening
Geen effect (OPEN onderdrukt) Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
GEOPEND Sluit de vleugel onmiddellijk weer
Blokkeert de werking
Geen effect Geen effect (OPEN onderdrukt)
GAAT DICHT
Blokkeert de werking
Geen effect (slaat OPEN in
het geheugen op)
zie paragraaf 5.2
Blokkeert en bij deactivering
keert hij om en gaat hij open
Keert om in opening geduren-
de 2”
GAAT OPEN zie paragraaf 5.2 Geen effect
Blokkeert en bij deactivering
blijft hij opengaan
Keert om in sluiting gedurende
2”
GEBLOKKEERD
hervat de beweging in tegengestelde richting (na een Stop
sluit hij altijd)
Geen effect (OPEN onder-
drukt)
Geen effect (als hij moet ope-
nen, verhindert hij OPEN)
Geen effect (als hij moet slui-
ten, onderdrukt hij OPEN)
Geen effect (OPEN onderdrukt)
Tab. 3/f
LOGICA “C” BEDIENINGEN ALTIJD INGEDRUKT IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A (opening) OPEN-B (sluiting) STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN Opent de vleugel Geen effect Geen effect (OPEN-A onderdrukt)
Geen effect (OPEN-B onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-A onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-A/B
onderdrukt)
GEOPEND Geen effect Sluit de vleugel
Geen effect (OPEN-B onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-A onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-B onder-
drukt)
GAAT DICHT Blokkeert de werking
Blokkeert de werking
Geen effect
Blokkeert de werking (OPEN-
B onderdrukt)
Blokkeert de werking (OPEN-
A/B onderdrukt)
Keert om in opening geduren-
de 2”
GAAT OPEN Blokkeert de werking
Blokkeert de werking (OPEN-
A onderdrukt)
Geen effect
Keert om in sluiting gedurende
2”
61 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
NEDERLANDS
Tab. 3/g
LOGICA “B” IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A (opening) OPEN-B (sluiting) STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN Opent de vleugel Geen effect Geen effect (OPEN-A onderdrukt)
Geen effect (OPEN-B onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-A onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-A/B
onderdrukt)
GEOPEND Geen effect Sluit de vleugel
Geen effect
(OPEN-B onderdrukt)
Geen effect (OPEN-A onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-B onder-
drukt)
GAAT DICHT keert om in opening
Geen effect Blokkeert de werking
Geen effect
Blokkeert de werking (OPEN-
B onderdrukt)
Blokkeert de werking (OPEN-
A/B onderdrukt)
Keert om in opening geduren-
de 2”
GAAT OPEN Geen effect
Blokkeert de werking(OPEN-A
onderdrukt)
Geen effect
Keert om in sluiting gedurende
2”
GEBLOKKEERD Opent de vleugel Sluit de vleugel
Geen effect (OPEN-A/B
onderdrukt)
Geen effect (OPEN-A onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-B onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-A/B onderdrukt)
Tab. 3/h
LOGICA “BC”
IMPULSEN VOOR OPENING/
COMMANDO’S ALTIJD INGEDRUKT VOOR SLUITING
IMPULSEN
STATUS POORT OPEN-A (opening) OPEN-B (sluiting) STOP VEILIGHEDEN OPENING VEILIGHEDEN SLUITING VEILIGHEID OP/SL. VEILIGHEIDSLIJST
GESLOTEN Opent de vleugel Geen effect Geen effect (OPEN-A onderdrukt) Geen effect Geen effect (OPEN-A onderdrukt)
GEOPEND Geen effect Sluit de vleugel
Geen effect OPEN-B onder-
drukt)
Geen effect Geen effect (OPEN-B onderdrukt)
Geen effect (OPEN-A/B
onderdrukt)
GAAT DICHT keert om in opening Geen effect
Blokkeert de werking
Geen effect (slaat OPEN A in
het geheugen op)
Blokkeert de werking (OPEN-
B onderdrukt)
Blokkeert de werking (OPEN-
A/B onderdrukt)
Keert om in opening geduren-
de 2”
GAAT OPEN Geen effect
Blokkeert de werking (OPEN-
A onderdrukt)
Geen effect
Keert om in sluiting
gedurende 2”
GEBLOKKEERD Opent de vleugel Sluit de vleugel
Geen effect (OPEN-A/B
onderdrukt)
Geen effect (OPEN-A onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-B onder-
drukt)
Geen effect (OPEN-A/B onderdrukt)
Indien hij ingedrukt gehouden wordt, houdt de pauze aan totdat het commando gedeactiveerd wordt (timerfunctie)
Bij een nieuwe impuls binnen twee seconden omkering wordt de werking onmiddellijk geblokkeerd.
Tussen haakjes de effecten op de andere ingangen wanneer de impuls actief is.
62 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
en la utilización.
10. La instalación debe ser realizada de conformidad con las Normas EN 12453 y EN 12445.
El nivel de seguridad de la automación debe ser C+D.
11. Quiten la alimentación eléctrica y desconecten las baterías antes de efectuar cualquier
intervención en la instalación.
12. Coloquen en la red de alimentación de la automación un interruptor omnipolar con distancia
de apertura de los contactos igual o superior a 3 mm. Se aconseja usar un magnetotérmico
de 6A con interrupción omnipolar.
13. Comprueben que la instalación disponga línea arriba de un interruptor diferencial con
umbral de 0,03 A.
14. Veri quen que la instalación de tierra esté correctamente realizada y conecten las partes
metálicas del cierre.
15. La automación dispone de un dispositivo de seguridad antiaplastamiento constituido por
un control de par. No obstante, es necesario comprobar el umbral de intervención según lo
previsto en las Normas indicadas en el punto 10.
16. Los dispositivos de seguridad (norma EN 12978) permiten proteger posibles áreas de peligro
de Riesgos mecánicos de movimiento, como por ej. aplastamiento, arrastre, corte.
17. Para cada equipo se aconseja usar por lo menos una señalización luminosa así como un
cartel de señalización adecuadamente jado a la estructura del bastidor, además de los
dispositivos indicados en el “16”.
18. GENIUS declina toda responsabilidad relativa a la seguridad y al buen funcionamiento de la
automación si se utilizan componentes de la instalación que no sean de producción GENIUS.
19. Para el mantenimiento utilicen exclusivamente piezas originales GENIUS
20. No efectúen ninguna modi cación en los componentes que forman parte del sistema de
automación.
21. El instalador debe proporcionar todas las informaciones relativas al funcionamiento del
sistema en caso de emergencia y entregar al usuario del equipo el manual de advertencias
que se adjunta al producto.
22. No permitan que niños o personas se detengan en proximidad del producto durante su
funcionamiento.
23. La aplicación no puede ser utilizada por niños, personas con reducida capacidad física,
mental, sensorial o personas sin experiencia o la necesaria formación.
24. Mantengan lejos del alcance los niños los telemandos o cualquier otro emisor de impulso,
para evitar que la automación pueda ser accionada involuntariamente.
25. Sólo puede transitarse entre las hojas si la cancela está completamente abierta.
26. El usuario debe abstenerse de intentar reparar o de intervenir directamente, y debe dirigirse
exclusivamente a personal cuali cado GENIUS o a centros de asistencia GENIUS.
27. Todo lo que no esté previsto expresamente en las presentes instrucciones debe entenderse
como no permitido
DEUTSCH
HINWEISE FÜR DEN INSTALLATIONSTECHNIKER
ALLGEMEINE SICHERHEITSVORSCHRIFTEN
ACHTUNG! Um die Sicherheit von Personen zu gewährleisten, sollte
die Anleitung aufmerksam befolgt werden. Eine falsche Installation
oder ein fehlerhafter Betrieb des Produktes können zu schwerwie-
genden Personenschäden führen.
1. Bevor mit der Installation des Produktes begonnen wird, sollten die Anleitungen aufmerksam
gelesen werden.
2. Das Verpackungsmaterial (Kunststoff, Styropor, usw.) sollte nicht in Reichweite von Kindern
aufbewahrt werden, da es eine potentielle Gefahrenquelle darstellt.
3. Die Anleitung sollte aufbewahrt werden, um auch in Zukunft Bezug auf sie nehmen zu können.
4. Dieses Produkt wurde ausschließlich für den in diesen Unterlagen angegebenen Gebrauch
entwickelt und hergestellt. Jeder andere Gebrauch, der nicht ausdrücklich angegeben ist,
könnte die Unversehrtheit des Produktes beeinträchtigen und/oder eine Gefahrenquelle
darstellen.
5. Die Firma GENIUS lehnt jede Haftung für Schäden, die durch unsachgemäßen oder nicht
bestimmungsgemäßen Gebrauch der Automatik verursacht werden, ab.
6. Das Gerät sollte nicht in explosionsgefährdeten Umgebungen installiert werden: das
Vorhandensein von ent ammbaren Gasen oder Rauch stellt ein schwerwiegendes Si-
cherheitsrisiko dar.
7. Die mechanischen Bauelemente müssen den Anforderungen der Normen EN 12604 und
EN 12605 entsprechen.
8. Für Länder, die nicht der Europäischen Union angehören, sind für die Gewährleistung eines
entsprechenden Sicherheitsniveaus neben den nationalen gesetzlichen Bezugsvorschriften
die oben aufgeführten Normen zu beachten.
9. Die Firma GENIUS übernimmt keine Haftung im Falle von nicht fachgerechten Ausführungen
bei der Herstellung der anzutreibenden Schließvorrichtungen sowie bei Deformationen, die
eventuell beim Betrieb entstehen.
10. Die Installation muß unter Beachtung der Normen EN 12453 und EN 12445 erfolgen. Die
Sicherheitsstufe der Automatik sollte C+D sein.
11. Vor der Ausführung jeglicher Eingriffe auf der Anlage sind die elektrische Versorgung und
die Batterie abzunehmen.
12. Auf dem Versorgungsnetz der Automatik ist ein omnipolarer Schalter mit Öffnungsabstand
der Kontakte von über oder gleich 3 mm einzubauen. Darüber hinaus wird der Einsatz eines
Magnetschutzschalters mit 6A mit omnipolarer Abschaltung empfohlen.
13. Es sollte überprüft werden, ob vor der Anlage ein Differentialschalter mit einer Auslöseschwelle
von 0,03 A zwischengeschaltet ist.
14. Es sollte überprüft werden, ob die Erdungsanlage fachgerecht augeführt wurde. Die Metallteile
der Schließung sollten an diese Anlage angeschlossen werden.
15. Die Automation verfügt über eine eingebaute Sicherheitsvorrichtung für den Quetschschutz,
die aus einer Drehmomentkontrolle besteht. Es ist in jedem Falle erforderlich, deren Eingrif-
fsschwelle gemäß der Vorgaben der unter Punkt 10 angegebenen Vorschriften zu überprüfen.
16. Die Sicherheitsvorrichtungen (Norm EN 12978) ermöglichen den Schutz eventueller Ge-
fahrenbereiche vor mechanischen Bewegungsrisiken, wie zum Beispiel Quetschungen,
Mitschleifen oder Schnittverletzungen.
17. Für jede Anlage wird der Einsatz von mindestens einem Leuchtsignal empfohlen sowie eines
Hinweisschildes, das über eine entsprechende Befestigung mit dem Aufbau des Tors verbun-
den wird. Darüber hinaus sind die unter Punkt “16” erwähnten Vorrichtungen einzusetzen.
18. Die Firma GENIUS lehnt jede Haftung hinsichtlich der Sicherheit und des störungsfreien
Betriebs der Automatik ab, soweit Komponenten auf der Anlage eingesetzt werden, die nicht
im Hause GENIUS hergestellt urden.
19. Bei der Instandhaltung sollten ausschließlich Originalteile der Firma GENIUS verwendet
werden.
20. Auf den Komponenten, die Teil des Automationssystems sind, sollten keine Veränderungen
vorgenommen werden.
21. Der Installateur sollte alle Informationen hinsichtlich des manuellen Betriebs des Systems
in Notfällen liefern und dem Betreiber der Anlage das Anleitungsbuch, das dem Produkt
beigelegt ist, übergeben.
22. Weder Kinder noch Erwachsene sollten sich während des Betriebs in der unmittelbaren
Nähe der Automation aufhalten.
23. Die Anwendung darf nicht von Kindern, von Personen mit verminderter körperlicher, geistiger,
sensorieller Fähigkeit oder Personen ohne Erfahrungen oder der erforderlichen Ausbildung
verwendet werden.
24. Die Funksteuerungen und alle anderen Impulsgeber sollten außerhalb der Reichweite von
Kindern aufbewahrt werden, um ein versehentliches Aktivieren der Automation zu vermeiden.
25. Der Durchgang oder die Durchfahrt zwischen den Flügeln darf lediglich bei vollständig
geöffnetem Tor erfolgen.
26. Der Benutzer darf direkt keine Versuche für Reparaturen oder Arbeiten vornehmen und hat
sich ausschließlich an quali ziertes Fachpersonal GENIUS oder an Kundendienstzentren
GENIUS zu wenden.
27. Alle Vorgehensweisen, die nicht ausdrücklich in der vorliegenden Anleitung vorgesehen
sind, sind nicht zulässig
NEDERLANDS
WAARSCHUWINGEN VOOR DE INSTALLATEUR
ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
LET OP! Het is belangrijk voor de veiligheid dat deze hele instructie
zorgvuldig wordt opgevolgd. Een onjuiste installatie of foutief ge-
bruik van het product kunnen ernstig persoonlijk letsel veroorzaken.
1. Lees de instructies aandachtig door alvorens te beginnen met de installatie van het product.
2. De verpakkingsmaterialen (plastic, polystyreen, enz.) mogen niet binnen het bereik van
kinderen worden gelaten, want zij vormen een mogelijke bron van gevaar.
3. Bewaar de instructies voor raadpleging in de toekomst.
4. Dit product is uitsluitend ontworpen en gebouwd voor het doel dat in deze documentatie
wordt aangegeven. Elk ander gebruik, dat niet uitdrukkelijk wordt vermeld, zou het product
kunnen beschadigen en/of een bron van gevaar kunnen vormen.
5. GENIUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade die ontstaat uit oneigenlijk
gebruik of ander gebruik dan waarvoor het automatische systeem is bedoeld.
6. Installeer het apparaat niet in een explosiegevaarlijke omgeving: de aanwezigheid van
ontvlambare gassen of dampen vormt een ernstig gevaar voor de veiligheid.
7. De mechanische bouwelementen moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van
de normen EN 12604 en EN 12605.
8. Voor niet-EEG landen moeten, om een goed veiligheidsniveau te bereiken, behalve de
nationale voorschriften ook de bovenstaande normen in acht worden genomen.
9. GENIUS is niet aansprakelijk als de regels der goede techniek niet in acht genomen zijn
bij de bouw van het sluitwerk dat gemotoriseerd moet worden, noch voor vervormingen die
zouden kunnen ontstaan bij het gebruik.
10. De installatie dient te geschieden in overeenstemming met de normen EN 12453 en EN
12445. Het veiligheidsniveau van het automatische systeem moet C+D zijn.
11. Alvorens ingrepen te gaan verrichten op de installatie moet de elektrische voeding worden
weggenomen en moeten de batterijen worden afgekoppeld.
12. Zorg op het voedingsnet van het automatische systeem voor een meerpolige schakelaar met
een opening tussen de contacten van 3 mm of meer. Het wordt geadviseerd een magneto-
thermische schakelaar van 6A te gebruiken met meerpolige onderbreking.
13. Controleer of er bovenstrooms van de installatie een differentieelschakelaar is geplaatst
met een limiet van 0,03 A.
14. Controleer of de aardingsinstallatie vakkundig is aangelegd en sluit er de metalen delen van
het sluitsysteem op aan.
15. Het automatische systeem beschikt over een intrinsieke beveiliging tegen inklemming, be-
staande uit een controle van het koppel. De inschakellimiet hiervan dient echter te worden
gecontroleerd volgens de bepalingen van de normen die worden vermeld onder punt 10.
16. De veiligheidsvoorzieningen (norm EN 12978) maken het mogelijk eventuele gevaarlijke
gebieden te beschermen tegen Mechanische gevaren door beweging, zoals bijvoorbeeld
inklemming, meesleuren of amputatie.
17. Het wordt voor elke installatie geadviseerd minstens één lichtsignaal te gebruiken alsook een
waarschuwingsbord dat goed op de constructie van het hang- en sluitwerk dient te worden
bevestigd, afgezien nog van de voorzieningen die genoemd zijn onder punt “16”.
18. GENIUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor wat betreft de veiligheid en de goede
werking van het automatische systeem, als er in de installatie gebruik gemaakt wordt van
componenten die niet door GENIUS zijn geproduceerd.
19. Gebruik voor het onderhoud uitsluitend originele GENIUS-onderdelen.
20. Verricht geen wijzigingen op componenten die deel uitmaken van het automatische systeem.
21. De installateur dient alle informatie te verstrekken over de handbediening van het systeem
in noodgevallen, en moet de gebruiker van de installatie het bij het product geleverde boekje
met aanwijzingen overhandigen.
22. De toepassing mag niet worden gebruikt door kinderen, personen met lichamelijke, geeste-
lijke en sensoriele beperkingen, of door personen zonder ervaring of de benodigde training.
23. Sta het niet toe dat kinderen of volwassenen zich ophouden in de buurt van het product
terwijl dit in werking is.
24. Houd radio-afstandsbedieningen of alle andere impulsgevers buiten het bereik van kinderen,
om te voorkomen dat het automatische systeem onopzettelijk kan worden aangedreven.
25. Ga alleen tussen de vleugels door als het hek helemaal geopend is.
26. De gebruiker mag zelf geen pogingen ondernemen tot reparaties of andere directe ingrepen,
en dient zich uitsluitend te wenden tot gekwali ceerd en geautoriseerd GENIUS-personeel
of een erkend GENIUS-servicecentrum.
27. Alles wat niet uitdrukkelijk in deze instructies wordt aangegeven, is niet toegestaan
63 00058I0112 - Rev. 5SPRINT 382 - SPRINT 383
1/64