DAB AQUAPROF Handleiding

Type
Handleiding
ITALIANO pag. 05
FRANÇAIS page 22
ENGLISH page 39
DEUTSCH Seite 56
NEDERLANDS bladz. 73
ESPAÑOL pág. 90
The product RWS (ON/OFF float version, electronic transducer version with level indicator) conforms
to the council directives regarding the EC member states legislations related to:
Machine directive (2006/42/EC) and subsequent changes, in regards to the EN 292-1,
EN 292-2 standards
Electromagnetic Compatibility Directive (2004/108/CE) and subsequent changes
(in regards to the EN 55014-1/2, EN61000-3-2/3)
Low voltage directive No.2006/95/CE and subsequent changes, in regards to the
EN 60335-1, EN 60335-2-41 standards
UNI EN 1717, EN 13077, DIN 1988
Directive 92/31/CEE, 93/68/CEE
1
ALLEGATO / ATTACHMENT / ANNEXE / BEILAGE / BIJLAGE / ANEXO
2
ALLEGATO / ATTACHMENT / ANNEXE / BEILAGE / BIJLAGE / ANEXO
ITALIANO
3
IT - SCHEMA DI CABLAGGIO PER GALLEGGIANTE, TRASDUTTORE DI PRESSIONE E POMPA
AUSILIARIA
FR - CONNECTION POUR FLOTTEUR, CAPTEUR DE PRESSION ET POMPE D’ALIMENTATION
EN - WIRING SCHEME FOR FLOAT SWITCH, PRESSURE TRANSDUCER AND PRE-PRESSURE
PUMP
DE - SCHALTPLAN FÜR SCHWIMMSCHALTER, DRUCKFÜHLER, SELBSTANSAUGENDE
PUMPE
NL - AANSLUITSCHEMA VOOR VLOTTERSCHAKELAAR, DRUKSENSOR EN TOEVOERPOMP
ITALIANO
4
ITALIANO
11
3. Verificare che il tubo di scarico abbia una pendenza atta a garantire il normale riflusso di
eventuali scarichi.
4. Collegare lo scarico al sistema fognario.
5. Se la pendenza del tubo di scarico risultasse insufficiente, installare una stazione di sollevamento
al fine di garantirne lo smaltimento.
4.3 Collegamento del tubo dell’acqua di rete
Procedere come segue:
1. Collegare il tubo di alimentazione acqua di rete al tubo flessibile con ghiera girevole indicato in
figura, utilizzando l’apposita guarnizione (vedi fig. 01, punto 2, pag. 5).
2. Verificare che la valvola a galleggiante sia posizionata correttamente all’interno del serbatoio
acqua di rete (vedi fig. 01, pag. 5). Il galleggiante deve potersi muovere liberamente.
Ricordarsi di rimettere sempre il coperchio del serbatoio (vedi disegno 6 dell’allegato).
ATTENZIONE
La valvola a galleggiante per regolare l’immissione dell’acqua di rete è progettata per funzionare ad
una pressione massima di 4 Bar e ad una portata di 10 l/min. Nel caso in cui la pressione di rete
superi tale valore, installare a monte della valvola a galleggiante un riduttore di pressione ed un filtro a
rete per la protezione della stessa da impurità che potrebbero pregiudicarne il funzionamento.
Una pressione eccessiva dell’acqua del tubo di rete può provocare perdite o rotture della valvola a
galleggiante interna al sistema.
Si consiglia di installare una valvola di intercettazione prima della valvola a galleggiante, questo offre
la possibilità di chiudere l’alimentazione di rete in caso di rottura o guasto e di eseguire la
manutenzione in buone condizioni di sicurezza.
4.4 Collegamento del tubo di aspirazione acqua di raccolta
Il tubo di aspirazione deve avere un diametro interno di almeno DN25 e deve avere sempre una
pendenza verso il serbatoio di raccolta per evitare la formazione di sacche d’aria; prima di collegarlo al
sistema assicurarsi che sia pulito, eventualmente lavarlo con acqua pulita (evitare colli di cigno, punto
superiore, il tubo di aspirazione non deve mai passare al di sopra della pompa).
Istallare il sistema più vicino possibile alla cisterna di raccolta acqua piovana, per verificare che la
distanza non sia eccessiva utilizzare la tabella sottostante e per un buon rendimento della pompa non
superare mai i 20 metri di lunghezza e i 3 metri di altezza di aspirazione.
Nel caso in cui la lunghezza e l’altezza di aspirazione risultino maggiori, utilizzare un'altra pompa
collegata in serie a quella del sistema per ovviare al problema di aspirazione della pompa.
Il punto di aspirazione deve sempre garantire l’aspirazione di acqua pulita, utilizzare un Kit di
aspirazione ed istallarlo come indicato in figura 03, pagina 11.
Installare sempre un filtro per garantire che impurità non vadano a bloccare valvole o parti interne
della pompa.
ENGLISH
43
4. Installation
ATTENTION
If the system is installed indoors or in an underground location, it is indispensable for the premises to
be equipped with a drainage pit of suitable dimensions to drain any breaks in the system, as in the
figure below. The dimensions of the drain must be suited to the quantity of water supplied by the
mains (see drawing 2 in the attachment).
It is advisable to install an expansion tank of 5-8 l in the system, available on request.
NEDERLANDS
74
Over het algemeen is de installatie bedoeld om de wasmachine, de spoelbak van het toilet en de
vloerreinigingsinstallatie te voeden.
Het voornaamste doel van het RWS-systeem is het verbruik van regenwater te bevoordelen boven dat
van water uit de waterleiding. Wanneer het regenwater in het opvangreservoir onvoldoende is, gaat de
besturingseenheid over op watertoevoer uit de waterleiding, waardoor toevoer van water naar de
tappunten zekergesteld wordt (N.B. Het door het systeem geleverde water is geen drinkwater).
Aansluiting op het opvangreservoir van regenwater en het waterreservoir voor water uit de
waterleiding dat in het systeem ingebouwd is, wordt geselecteerd via een driewegsklep die op de
aanzuigzijde van de pomp is geïnstalleerd (alleen voor systemen met controle van de werking van de
driewegklep).
De pomp werkt net zoals een pomp met het systeem “start-stop” met controle van stroming en druk;
wanneer de druk onder een vooraf vastgestelde waarde komt, gaat de pomp van start; wanneer de
kraan gesloten wordt, stopt de pomp en bij gebrek aan water stopt de pomp waarbij de storing op het
bedieningspaneel wordt gesignaleerd; na een bepaalde vastgestelde tijd gaat de pomp weer
automatisch van start en als alle functies binnen de parameters terugkeren, zal de pomp weer
normaal gaan werken.
Het systeem is bovendien voorzien van een speciale antistank- en antileegloopsifon.
Het systeem controleert elke 24 uur of de 3-wegsklep goed werkt (alleen voor systemen met controle
van de werking van de driewegklep).
Het systeem zorgt elke week voor verversing van het water in het opvangreservoir van water uit de
waterleiding (verversing is gebonden aan de vraag naar water).
NEDERLANDS
75
Afbeelding 01
1. reservoir leidingwater
2. ingang leidingwater
3. bedieningspaneel
4. 3-wegsklep
5. pomp
6. systeem voor hydraulische
aansturing pomp
7. anti-lek vat
8. uitgang warme lucht
9. aanzuiging regenwater
10. aanzuiging koellucht pomp
11. uitgang water onder druk
12. behuizing achterzijde
13. overloop in geval van nood
14. manometer
15. horizontale uitgang
16. spleet voor doorvoer buizen en
elektriciteitskabels
17. vlotterkraan
18. vuldop pomp
20. terugslagklep
3. Technische gegevens
Max wateropbrengst (l/min-m3/h) 85-5,1
Max. opvoerhoogte Hm 48
Temperatuur van de verpompte vloeistof van +5°C tot +35°C
Maximumdruk van het systeem Max 6 bar
Maximumdruk waterleiding Max 4 bar
Minimumwateropbrengst waterleiding Min 10 l/min
Maximumhoogte van het hoogste tappunt 12 m
Spanning stroomvoorziening 1 fase Volt 230 Hz50
Max. opgenomen vermogen W 1000
Beveiligingsklasse IP 42
Omgevingstemperatuur Min +5°C Max +40°C
Materiaal kast PPE
Materiaal reservoir PE
Afmetingen buis voor water uit de waterleiding 3/4”
Afmeting persleiding 1”
Afmeting aanzuigleiding 1”
Afmeting overloop DN 50
Maximumhoogte m 1000
Max. vermogen relais 2° pomp 3’A_250Volt
Type water ph 4-9
uitvoering ON/OFF met vlotter. vlotter ON/OFF met 20 meter kabel
uitvoering met peilaangever via elektronische
transductor
Elektronische transductor (4-20 mA 8-28
Vcc) met 20 meter kabel
Gewicht leeg kg
Gewicht in werking kg
20
35
NEDERLANDS
76
3.1 Afmetingen
Afbeelding 02
NEDERLANDS
77
4 Installatie
LET OP
In het geval dat het systeem geïnstalleerd is in een binnenruimte of kelder, moet er in deze ruimte
beslist een voldoende grote afvoerput aanwezig zijn via welke het water kan worden afgevoerd als het
systeem eventueel defect zou raken, zie onderstaande afbeelding. Deze afvoer moet
gedimensioneerd zijn volgens de hoeveelheid water die wordt toegevoerd vanaf de waterleiding (zie
tekening 2 van de bijlage).
Geadviseerd wordt om in de installatie een expansietank van 5-8 l. te installeren; deze kan op
verzoek geleverd worden.
NEDERLANDS
78
4.1 Montage aan de wand
Controleer voor installatie dat het rioolstelsel ten minste 1-2 meter beneden het punt ligt waarop
de RWS is geïnstalleerd ( gewoonlijk wordt het straatniveau als rioolpeil aangemerkt).
De ruimte moet een afvoer hebben die op het riool is aangesloten.
Droge ruimte beschermd tegen regen.
Vlakke wand, in horizontale stand.
Minimumafstand van het plafond 50 cm.
!
Voor niet-gemetselde muren moet een bescherming worden voorzien voor water dat
eventueel naar buiten komt aan de achterkant van het systeem, als er problemen zouden zijn
(zie tekening 1 van de bijlage).
Ga als volgt te werk:
1. Plaats de bevestigingsbeugel op de wand aan, controleer met een waterpas dat die perfect
horizontaal is en teken de plaats van de boringen af.
2. Boor de bevestigingsgaten met punt D.10 uit.
3. Bevestig de beugel aan de muur en controleer dat die waterpas is.
4. Controleer dat de beugel stevig aan de muur is bevestigd.
5. Plaats het RWS-systeem zoals dat op de afbeelding is te zien.
6. Gebruik de 4 bijgeleverde antitrillingsinrichtingen tussen de beugel en de muur
(2 antitrillingsinrichtingen) en tussen het reservoir en de muur (2 antitrillingsinrichtingen) om de
overdracht van trillingen aan de wand te verminderen.
4.2 Aansluiting van de overloop
Ga als volgt te werk:
1. Verwijder het voordeksel van het RWS-systeem.
2. Verbind een afvoerleiding (beslist DN50) met de overloopleiding van het systeem (zie afb.01,
punt 13, pag.73) + (zie tekening 3 van de bijlage).
!
VERBIND NOOIT EEN BUIS MET KLEINERE DIAMETER DAN DN50, OM SLECHTE
WERKING VAN HET SYSTEEM TE VOORKOMEN.
!
DE VLOEISTOF DIE UIT DE OVERLOOP KOMT MOET ZICHTBAAR ZIJN (ZORG VOOR EEN
"TRECHTERVERBINDINGSSTUK”).
NEDERLANDS
79
3. Controleer dat de afvoerleiding een zodanige helling heeft dat een normale terugstroom van
eventuele afvoer wordt gegarandeerd.
4. Sluit de afvoer op het rioolstelsel aan.
5. Als de helling van de afvoerbuis onvoldoende mocht blijken te zijn, dient u een opvoerstation te
installeren om de verwerking van de afvoer zeker te stellen.
4.3 Aansluiting van de buis voor het water uit de waterleiding
Ga als volgt te werk:
1. Sluit de buis voor toevoer van water uit de waterleiding op de slang aan met een moer zoals u op
de afbeelding ziet en gebruik daarvoor de speciale dichting ( zie afb. 01, punt 2, blz. 73).
2. controleer dat de vlotterkraan op de juiste manier in het reservoir voor water uit de waterleiding
geplaatst is (zie afb. 01, blz. 73), waarbij de vlotter vrij moet kunnen bewegen; denk eraan altijd
het deksel op het reservoir terug te leggen (zie tekening 6 van de bijlage).
LET OP
De vlotterkraan die de instroom van het water uit de waterleiding moet reguleren, is ontworpen om te
werken bij een druk van ten hoogste 4 bar en een wateropbrengst van 10 l/min. Indien de netdruk
hoger is dan deze waarde, dienen er voor de vlotterkraan een drukverminderingsklep en een
roosterfilter te worden geïnstalleerd om de vlotterkraan te beschermen tegen onzuiverheden die de
werking ervan nadelig zouden kunnen beïnvloeden. Een te hoge druk van het water in de buis van de
waterleiding kan lekkage veroorzaken of breuk van de vlotterkraan binnenin het systeem.
Het is raadzaam een afsluitklep voor de vlotterkraan te installeren, zodat het mogelijk is wateraanvoer
uit de waterleiding in geval van defect of storing af te sluiten en onderhoudswerkzaamheden onder
goede, veilige omstandigheden uit te voeren.
4.4 Aansluiting van de aanzuigleiding van regenwater
De aanzuigleiding moet een binnendoorsnede hebben van ten minste DN25 en moet altijd een helling
naar het opvangreservoir hebben. Zorg ervoor dat er zich geen luchtbellen vormen en voordat u de
aanzuigleiding op het systeem aansluit dient u zich ervan te vergewissen dat die schoon is (spoel hem
eventueel met schoon water door). (Vermijd sifons, hoogste punt, de aanzuigleiding mag nooit boven
de pomp lopen.)
Installeer het systeem zo dicht mogelijk bij het opvangreservoir voor regenwater; om te controleren of
de afstand niet te groot is, kunt u onderstaande tabel gebruiken. Voor een goed rendement van de
pomp mag de lengte niet meer dan 20 meter en de aanzuighoogte niet meer dan 3 meter bedragen.
Voor het geval de lengte en de aanzuighoogte groter zijn, dient u nog een pomp te gebruiken die in
serie op die van het systeem dient te worden aangesloten om het aanzuigprobleem van de pomp te
verhelpen.
Het aanzuigpunt moet zodanig gekozen worden dat er altijd schoon water aangezogen wordt; gebruik
een aanzuigset en installeer die zoals dat op afbeelding 03, blz. 79 is aangegeven.
Installeer altijd een filter om te voorkomen dat ongerechtigheden kleppen of interne delen van de
pomp zullen blokkeren.
NEDERLANDS
80
AAN TE HOUDEN AFSTANDEN VERBINDING POMP/TANK
VUIL VLOTTERSCHAKELAAR
Geluidsniveau: 81dB
BELASTINGVERLIES VERLIEZEN EN BEKNELLINGEN
NEDERLANDS
81
Afbeelding 03
Tabel 1
Overeenkomst tussen de lengte en hoogte van de aanzuigleiding
Ga als volgt te werk:
1. Sluit de aanzuigleiding op het koppelstuk aan zoals dat op afbeelding _01 punt 9 blz.73 is
aangegeven en klem dat niet al te vast. Het koppelstuk heeft een O-Ring waarmee afdichting
gerealiseerd wordt.
LET OP
Gebruik tabel 1 om de maximumlengte van de aanzuigleiding te berekenen.
4.5 Aansluiting van de persleiding.
Ga als volgt te werk:
1. Sluit de persleiding op het koppelstuk van 1” aan zoals dat op afbeelding 01 punt 11, blz. 73 is
aangegeven en zet de meegeleverde dichting daartussen om zo de afdichting te realiseren.
2. Zet de buis met een buisklemmetje dat goed aan de muur bevestigd is, vast.
U kunt ook de zijuitgang gebruiken; ga dan als volgt te werk:
NEDERLANDS
82
1. Haal de dop op het koppelstuk weg.
2. Boor een gat met een doorsnede van 32/35 mm in de wand van het systeem.
3. Haal de tuboflex uit de verticale stand weg en draai hem na afdichting in horizontale stand vast.
4. Zet de dop in het gat waar de tuboflex gemonteerd was.
LET OP
Het is raadzaam een afsluitklep voor de vlotterkraan te installeren, zodat het mogelijk is wateraanvoer
uit de waterleiding in geval van defect of storing af te sluiten en onderhoudswerkzaamheden onder
goede, veilige omstandigheden uit te voeren.
4.6 Installatie niveauschakelaar (vlotter)
Elektrisch schema - bladz. 3-4
4.6.1 Uitvoering met elektromechanische vlotter (uitvoering ON/OFF met vlotter):
1. Breng de vlotter aan zoals dat op afbeelding 04 is aangegeven.
2. de aanbevolen plaats voor het tegengewicht bevindt zich ten minste 20cm boven de vlotter.
Afbeelding 04
3. Nadat u de vlotter geïnstalleerd hebt, dient u de kabel over het vastgestelde traject vast te zetten
en te beschermen.
4. Laat de kabel door de benedenspleet van het systeem lopen (spleet waardoor alle leidingen en
de stroomkabel lopen: pos16 afb. 01, blz. 73.
5. Sluit de draden op de klemmetjes IN1 e + V1. Geen polariteit, zie afb 05, blz. 81.
6. Zet de kabel met bandjes op de interne leidingen van de apparatuur vast.
7. De vlotterschakelaar moet het contact tenminste 15 cm voordat de voetklep (zuigklep van de
pomp) lucht aanzuigt omschakelen.
Vlotterschakelaar
Bodem van het reservoir
Zuigleiding
NEDERLANDS
83
Afbeelding 05
De peilaflezer zal doordat het eerste ledlampje onderaan gaat branden, aangeven dat het reservoir
leeg is; wanneer alle ledlampjes branden, is het reservoir gedeeltelijk of helemaal vol.
4.6.2 Uitvoering met elektronische transductor (uitvoering met peilaangever via elektronische
transductor):
1. Plaats de transductor zoals dat op afbeelding 06 is aangegeven.
Contacten voor
microschakelaar
Sensor met 4/20 mA stroom
Aan/uit-vlotter
Standen microschakelaar
zie tabel
SPANNING OP TRANSDUCTOR
NEDERLANDS
84
Afbeelding 06
2. Nadat u de transductor geïnstalleerd hebt, dient u de kabel over het vastgestelde traject vast te
zetten en te beschermen.
3. Laat de kabel door de benedenspleet van het systeem lopen (spleet waardoor alle leidingen en
de stroomkabel lopen: pos16 afb. 01, blz. 73).
4. Verbind de draden met de klemmen op basis van het sensormodel, volgens onderstaande tabel:
Model
sensor
Klem
IN1
Klem
+V1
MAC3 gele draad witte draad
JUMO witte draad bruine draad
KELLER rood draad zwart draad
5. Zet de kabel met bandjes op de interne leidingen van de apparatuur vast.
! Let op: de zuigleiding moet in de nabijheid van de transductor worden geplaatst, de zuigleiding moet
niet op een hoogte van meer dan 5 cm vanaf de druktransductor geïnstalleerd worden
(zie afb. 06, blz. 82).
De bargraph zal op het moment van installatie aangeven dat het reservoir leeg is doordat het
ledlampje 0% knippert; wanneer alle ledlampjes branden zal het peil 100% bedragen.
!
Voor opvangbakken met een hoogte van minder dan 2 m, gebruik een drukomzetter met een schaal
van 0-2m
LET OP
De transductor constateert automatisch wat het peil is en zal automatisch de waarde van 100%
actualiseren telkens wanneer de waarde van de vloeistof in de opvangbank hoger is; daarom zal de
werkelijke waarde van 100% alleen verkregen worden als het reservoir geheel vol is. De waarde van
100% die tijdens de eerste vulling van het reservoir wordt aangegeven is als virtueel te beschouwen.
Nadat de opvangbak voor de eerste maal vol is gelopen komen de waarden tussen 10% en 100% met
de daadwerkelijke hoeveelheid water in het reservoir overeen.
Transductor
Bodem van het reservoir
NEDERLANDS
85
Selectie DIP SWITCH
Selectie DIP-SW voor de functionaliteit Hulprelais (DIP 1 en DIP 2) en beschrijving van de contacten
Dip
1
Dip
2
Functionaliteit C NO NC Opm.
OFF OFF Geen hulpfunctionaliteit - Standaardpositie
ON OFF Hulprelais AANJAAGPOMP - Hiermee kan een hulppomp worden
bestuurd
X X 1
OFF ON Hulprelais AFKOPPELING WATERLEIDING - Hiermee kan een
elektromagnetische isolatieklep worden bestuurd
X X 2
ON ON Hulprelais VULLING OPVANGBAK - Hiermee kan een
elektromagnetische vulklep worden bestuurd
X X
1 – Max. relaisvermogen 3A bij 250V AC
2 – Bij een normaal gesloten magneetklep, gebruik de contacten C en NC
Dip 3 Op OFF laten
Dip 4 Functionaliteit DIP-SW 4
ON Beheer GEEN VLOTTER actief
OFF Normaal beheer met vlotter
Bij de selectie van de functionaliteiten treedt er een fout op(led nr. 10 knippert zodra de
microschakelaars worden aangedreven) wanneer de modaliteit "BOOST-POMP" en "DP SW 3"
tegelijkertijd geselecteerd worden, of als de functionaliteiten "VULLING OPVANGBAK" en "Beheer
GEEN VLOTTER" tegelijkertijd geselecteerd worden".
4.7 Installatie hulppomp
Elektrisch schema - bladz. 3-4
Het systeem is reeds zodanig uitgerust dat het ook een tweede pomp kan aansturen die aan de
aanzuigzijde geïnstalleerd moet worden indien het hoogteverschil tussen het punt waar het systeem
geplaatst worden en het aanzuigreservoir te groot is; zie ook paragraaf 4.4.
Ga als volgt te werk:
installeer de gekozen pomp in het reservoir voor regenwater, gebruik de klemmetjes C en NO als
start-/stopschakelaar (zie afbeelding 05, blz. 14) + zet DIP1 op ON.
Hoe functioneert de pomp die in de opvangbak geïnstalleerd is:
Wanneer er alleen water uit de waterleiding afgenomen wordt, treedt de pomp nooit in werking.
Bij automatische werking: wanneer er water in de opvangbak is, zal behalve dat de pomp
binnenin het RWS-systeem van start gaat, ook de tweede pomp in werking treden; als er geen
water in de opvangbak is, zal de pomp niet van start gaan.
BELANGRIJK
Zodra de hydraulische en elektrische installatie ten einde is, sluit u met speciale spons de lege
ruimte in zone 16 en 17 op afbeelding 1 en eventuele andere gemaakte boringen af; dit dient
om te voorkomen dat kleine diertjes het systeem binnenkomen en een betere werking van de
interne pomp te garanderen alsook om het geluid te beperken.
Zet het voorpaneel terug en controleer dat deze perfect tegen het achterpaneel zit.
NEDERLANDS
86
!
VERGEWIS U ERVAN DAT HET SYSTEEM GOED AAN DE WAND BEVESTIGD IS
5. Inbedrijfstelling
Voordat u de eenheid in bedrijf stelt dient u onderstaande punten te controleren:
Vergewis u ervan dat de elektrische stroomtoevoer uitgeschakeld is.
Alle hydraulische aansluitingen dienen goed vastgedraaid te worden.
Alle elektrische aansluitingen dienen gecontroleerd te worden.
De binnenkant van de kast van het systeem moet schoon zijn.
Alle passages van de leidingen moeten afgedicht worden.
Zie bovendien sectie 6 om het bedieningspaneel te leren gebruiken.
Ga als volgt te werk:
Inbedrijfstelling met water uit de waterleiding
1. Open de afsluitklep van de buis voor water uit de waterleiding en het reservoir zal automatisch
gevuld worden.
2. Verwijder de vuldop van de pomp en vul het pomphuis met water.
3. Open de afsluitklep van de persleiding.
4. Controleer dat er geen lekkage in het hydraulische circuit is.
5. Schakel de elektrische stroomvoorziening in via een contact dat op de juiste manier beveiligd is;
het groene ledlampje zal nu gaan branden ten teken dat het systeem onder spanning staat.
6. Selecteer met knop 2 de werking ONLY; led 7 zal gaan knipperen en led 8 knippert.
7. De pomp gaat van start en op het paneel gaat het het oranje lampje pomp ON branden.
8. Als alle kranen van de installatie dicht zijn, zal de pomp binnen 15-20 seconden stoppen.
Inbedrijfstelling met water uit het opvangreservoir
Vul de aanzuigleidingen met water.
Inbedrijfstelling met water uit het opvangreservoir is alleen mogelijk als het waterpeil meer dan 25%
van de minimumwaarde bedraagt; zo niet dan dient u het reservoir bij te vullen totdat het peil de
aangegeven waarde overschrijdt.
Ga als volgt te werk:
1. Druk op knop 2, waardoor het systeem in automatische werking komt; led 7 zal nu onafgebroken
branden.
2. Wacht 6-8 seconden tot de klep overschakelt op het opvangreservoir regenwater.
3. Open de kraan van een tappunt en als gevolg van de vermindering van druk in de installatie, zal
de pomp in werking treden en zich vullen. Wanneer er geen lucht en water uit kraan komt maar
alleen water, draait u de kraan dicht en de pomp zal automatisch stoppen.
Indien de pomp in alarm komt (het ledlampje 6 brandt dan) dient u op knop 1 te drukken totdat de
pomp weer normaal gaat werken. Indien u dat meer dan 3 maal moet doen, haalt u de stekker uit
het stopcontact, zet hem er weer in, anders zal het systeem zichzelf automatisch na een uur
terugstellen.
Stand van de driewegklep
Aanzuiging van regenwater in
het opvangreservoir EP
Aanzuiging van leidingwater via
de terugstroombeveiliging
NEDERLANDS
87
6. Bedieningspaneel
Versie met niveau-indicator met elektronische omzetter
Versie met niveauschakelaar (vlotter)
Beschrijving bedieningspaneel.
1. Resetknop; druk op de resetknop in geval van alarm van de pomp wegens gebrek aan water; als
er bij alarm niet op de knop wordt gedrukt, wordt na bepaalde tijd het systeem automatisch
teruggesteld.
2. Selectieknop werking; druk op de knop om over te gaan op automatische werking of “only” voor
alleen water uit de waterleiding, en omgekeerd.
3. Druk op de resetknop alarm om het geluidsalarm uit te schakelen. Druk op de knop om het
geluidsalarm bij een alarmsituatie uit te schakelen.
4. Het oranje ledlampje gaat aan wanneer de pomp in werking is.
5. Het rode ledlampje gaat aan wanneer de pomp in alarm is. Het lampje kan gaan branden als
gevolg van gebrek aan water, omdat de motor of de pomp geblokkeerd raakt, of als gevolg van
oververhitting van de motor.
6. Zie tabel.
7. Zie tabel.
8. Wanneer het rode ledlampje ononderbroken brandt, betekent dit dat het geluidsalarm
uitgeschakeld is.
9. Wanneer het rode ledlampje ononderbroken brandt, betekent dit dat er lekkage is uit de
vlotterkraan; wanneer het lampje knippert, betekent dit dat de 3-wegsklep is geblokkeerd of
onregelmatig werkt (alleen voor systemen met controle van de werking van de driewegklep);
tegelijk met het gaan branden of knipperen van het lampje wordt er ook een geluidsalarm
geactiveerd.
10. Wanneer het groene ledlampje brandt betekent dit dat het apparaat onder spanning staat.
11. Peilaflezers water in het reservoir.
5 6
7 8
9
10
12
4
1
2
3
11
5 6
7 8
9
10
12
4
1
2
3
11
NEDERLANDS
88
Beknopte beschrijving lampjes waterbeheerpaneel
Lampje AUTO Lampje MAIN Functie
Vast brandend Uit Automatische werking en aanzuiging van regenwater (zie
tekening 5 van de bijlage)
Vast brandend Knipperend Automatische werking en aanzuiging van leidingwater als er
geen regenwater is (zie tekening 5 van de bijlage)
Uit Vast brandend Handbedieningde werking, aanzuiging van leidingwater (zie
tekening 5 van de bijlage).
7. Onderhoud
Het systeem behoeft geen enkel periodiek onderhoud, eventuele abnormaliteiten worden op het
bedieningspaneel gesignaleerd. Indien u het systeem wilt inspecteren of de hieronder aangegeven
controles wilt uitvoeren, is het absoluut noodzakelijk dat er een correcte aanvoer en afvoer van
koellucht is.
!
LET OP
Voordat u onderdelen, aan de binnen- of buitenkant van het systeem, aanraakt dient u de stekker uit
het stopcontact te halen, de afsluitkleppen dicht te doen en te controleren dat niemand tijdens de
werkzaamheden de stekker weer in het stopcontact kan stoppen of de kleppen kan openen.
Kast, controleer dat deze schoon is, goed op de muur bevestigd is en het voordeel goed op het
achterdeel aansluit.
Vlotterkraan
, controleer dat de vlotterkraan hermetisch sluit en dat de vlotter vrijelijk kan
bewegen.
Bedieningspaneel
, controleer dat de lampjes correct gaan branden in overeenstemming met de
functie van dat moment.
Pomp
, controleer dat de juiste druk wordt afgegeven en dat de pomp geen mechanische
geluiden of gefluit laat horen.
Waterlekkage
, controleer dat de aansluitingen geen lekkage vertonen.
Sensor
, controleer wanneer u het opvangreservoir regenwater schoon maakt, of de sensor goed
werkt.
De hierboven beschreven werkzaamheden dienen elk half jaar / jaar uitgevoerd te worden.
In geval van vervanging van de peilsensor van het regenwateropvangreservoir door een ander type
dan in de fabriek was gemonteerd, dient u op de drukknop SET te drukken, en, na deze circa twee
seconden ingedrukt te hebben gehouden, ook op de drukknop 2 (de drukknoppen zijn op dit punt
tegelijkertijd ingedrukt). Houd de drukknoppen ingedrukt totdat het eerste lampje van de peilindicator
van het reservoir (ref.12) gaat knipperen. Schakel de spanning uit en installeer de nieuwe transductor.
De kaart zal zich automatisch aanpassen aan de nieuwe transductor en aan het waterpeil van het
reservoir (het is belangrijk dat de karakteristieken onveranderd blijven). Na de installatie te hebben
voltooid, de netspanning weer inschakelen.
BELANGRIJK (alleen uitvoering met peilaangever via elektronische transductor)
Wanneer er zich een te grote hoeveelheid bezinksel op de bodem van het reservoir heeft afgezet, kunt
u het minimumpeil van het water (en daarmee de minimumaanzuigdiepte) op een hoger niveau
brengen; u doet dit eenvoudigweg met behulp van de knoppen op het paneel.
Ga als volgt te werk
Verhoging minimumpeil (punt 0%):
wanneer u langer dan 5 sec. op knop SET drukt, komt u in de
programmering (het ledlampje 0% gaat knipperen). Telkens wanneer u op de knop drukt gaat er nog
een led branden hetgeen overeenkomt met een niveauverhoging van ongeveer 5-7 cm (verhoging is
mogelijk tot 100% dus 50-70 cm). Wanneer u het gewenste niveau bereikt hebt verlaat u de
programmering door langer dan 5 sec. op de knop te drukken.
Bij gebruik van de aanzuigset zoals op afbeelding 3 te zien is, zal de minimumaanzuigdiepte
automatisch hoger worden.
NEDERLANDS
89
8. Opsporen van storingen
storing oorzaak remedie
Geluids- en visueel alarm
overloop.
Vlotterkraan door kalkafzetting
geblokkeerd.
Installeer een antikalkfilter.
Vlotter van de vlotterkraan raakt
de wand van het reservoir.
Draai de moer die de vulregelaar vasthoudt,
los; plaats de vlotter zo dat deze de wanden
van het reservoir niet aanraakt en draai de
moer weer vast. Zie tekening 6 van de bijlage.
Druk van de leiding te hoog.
Installeer een drukregelaar op de ingang van
het reservoir waterleiding.
Controleer de stand van de niveauschakelaar
in de regenwatertank. Zie afbeelding 4, blz. 80.
Akoestische en visuele indicatie
geblokkeerde driewegklep (alleen
voor systemen met controle van
de werking van de driewegklep).
Er zijn ongerechtigheden in de
klep gekomen.
Installeer een filter op de aanzuigleiding.
Reinig het opvangreservoir
Klep beschadigd.
Visueel alarm pomp.
Gebrek aan water.
Nadat het water is teruggekeerd drukt u op de
resetknop; terugstelling vindt ook automatisch
op vooraf ingestelde tijden plaats.
Controleer of de wateropbrengst van de
waterleiding meer dan 10l/min is.
Motor of waaier geblokkeerd.
Controleer of er geen vuil op de waaiers
aanwezig is.
Oververhitting motor.
Controleer of de luchtinlaat en –uitlaat vrij zijn.
Algemene informatie over de pomp
Om de pomp op de juiste manier te laten functioneren, dient u als volgt te werk te gaan:
a) De zuig- en persleidingen mogen nooit kleiner zijn dan de doorsnede van de desbetreffende openingen (25mm).
Wanneer de aanzuighoogte meer dan 4 meter bedraagt, is het raadzaam op de aanzuigopening een leiding met
een grotere doorsnede te monteren.
storing oorzaak remedie
De pomp draait niet. 1) Er is geen elektrische stroom.
2) As geblokkeerd.
1) Controleer of er spanning op het stopcontact
staat en de stekker er goed in zit.
2) Haal de stekker uit het stopcontact: steek een
schroevendraaier in de inkeping op de as (aan
de kant van de koelvin) en neem de blokkering
weg door de schroevendraaier om te draaien.
De pomp draait maar er komt
geen water uit.
1) Er zit nog lucht in het pomphuis.
2) Er is lucht in de aanzuigleiding
gekomen.
3) De aanzuigklep is niet onder
water:
-Aanzuigklep verstopt.
-De maximale aanzuigdiepte is
overschreden.
4) Zelfaanzuigende klep geblokkeerd
door ongerechtigheden.
1) Stop de pomp, draai de persleiding los en laat
de lucht weglopen, vul zo nodig water bij.
2) Controleer of de koppelingen op de
aanzuigleidingen goed zijn uitgevoerd.
Controleer of de leidingen niet naar de
verkeerde kant hellen, of er geen, sifons of
vernauwingen in de aanzuigleiding zijn en of de
bodemklep niet geblokkeerd is.
3) Plaats de aanzuigklep in water:
- Maak de bodemklep schoon
- Maak de aanzuigkuip schoon
- Controleer de aanzuigdiepte
4) Wend u tot een technische servicedienst.
De pomp stopt wegens
oververhitting als gevolg van
het openen van de
oververhittingbeveiliging.
1) Stroomvoorziening komt niet
overeen met die op het
motorplaatje (spanning te hoog
of te laag).
2) Een voorwerp heeft de waaier
geblokkeerd.
3) De pomp heeft met te warm
water gewerkt.
1) Haal de stekker uit het stopcontact, neem de
oorzaak van de oververhitting weg, wacht tot de
motor is afgekoeld en start opnieuw.
Onderhoud
Bij vorstgevaar dient de pomp helemaal geleegd te worden.
Wanneer de pomp gedurende langere tijd niet gebruikt wordt is het raadzaam de pomp helemaal te legen. Voordat u
hem opnieuw gaat gebruiken dient u te controleren of hij vrijelijk draait.
ESPAÑOL
90
ÍNDICE
1. objeto del suministro
2. descripción general del sistema
3. datos técnicos
4. instalación
5. puesta en servicio
6. panel de control
7. mantenimiento
8. búsqueda de las averías
1. Objeto del suministro
El suministro incluye:
Unidad RWS para la gestión del agua de lluvia y otros tipos de agua.
Estribo de fijación.
Tacos de fijación Ø 10.
4 Antivibradores.
Sensor de nivel de agua con 20 metros de cable:
A) Versión ON/OFF con flotador.
B) Versión con indicador de nivel con transductor electrónico.
Instrucciones de uso y mantenimiento.
! Atención: antes del montaje y de la puesta en funcionamiento del sistema, lea detenidamente este
manual. Por razones de seguridad, las personas que no haya leído las instrucciones no deben utilizar
el sistema. Los menores de 16 años no deben utilizar el sistema y deben mantenerse lejos del
sistema conectado.
!
Medidas de seguridad. Importante - leer detenidamente
El usuario es responsable de los problemas provocados a terceros causados por el sistema
(instalación eléctrica, hídrica, etc.), según las normativas locales de seguridad e instalación. Antes de
la puesta en marcha, un electricista experto debe controlar que se hayan tomado las medidas de
seguridad requeridas. Para la utilización es obligatorio utilizar en la instalación eléctrica un interruptor
de protección (diferencial automático) de In=30mA. Controle que el voltaje de la línea eléctrica
corresponda con el voltaje de alimentación del sistema. Las indicaciones mencionadas en la placa de
datos técnicos deben corresponder con aquellas de la instalación eléctrica. No utilice el cable de
alimentación para levantar ni para transportar el sistema. Controle que el cable y el enchufe de
alimentación no estén averiados. Controle que el enchufe de alimentación y todo el sistema estén
protegidos de inundaciones o de los chorros de agua directos. En caso de problemas, las
reparaciones deben ser efectuadas únicamente por talleres autorizados y deben utilizarse sólo
recambios originales.
Cabe señalar que por los daños provocados por:
a) Reparaciones inadecuadas efectuadas por talleres de servicio no autorizados.
b) Sustituciones de piezas de repuesto no originales.
No nos asumimos ninguna responsabilidad.
Para los accesorios son válidas las indicaciones habituales.
2. Descripción general del sistema
La unidad RWS sirve para la gestión y la distribución del agua de lluvia. La unidad detecta las
posibles averías en el sistema de recogida tanto del agua de lluvia como de la red y realiza las
correcciones para garantizar el correcto funcionamiento de la instalación (es decir que no hace que
falte agua en los componentes de servicio identificados). Avisa en caso de anomalía e indica el tipo
de problema detectado.
Generalmente, la instalación sirve para alimentar la lavadora, cisternas de WC y los sistemas de
lavado de suelos.
ESPAÑOL
94
4 Instalación
ATENCIÓN
De instalarse el sistema en un local interior o en sótanos, es imprescindible que dicho espacio cuente
con una poceta de desagüe de dimensiones apropiadas, para drenar las posibles pérdidas de agua
en caso de roturas de la instalación, como se indica en la figura de abajo. Dicho drenaje deberá estar
dimensionado con arreglo a la cantidad de agua de alimentación de la red hídrica (ver dibujo 2 del
anexo).
Se aconseja montar en la instalación un depósito de expansión de 5-8 l, que se suministra
sobre demanda.
ESPAÑOL
96
3. Controle que el tubo de descarga tenga una pendiente adecuada que garantice el reflujo de las
descargas.
4. Conecte la descarga al sistema cloacal.
5. Si la pendiente del tubo de descarga fuera insuficiente, instale una estación de elevación para
garantizar la eliminación.
4.3 Conexión del tubo de agua de red
Proceda de la siguiente manera:
1. Conecte el tubo de alimentación del agua de red al tubo flexible con casquillo giratorio (indicado
en la figura), utilizando la junta correspondiente (véase la fig. 01 punto 2, pág. 90).
2. Controle que la llave de flotador esté montada correctamente en el interior del depósito de agua
de red (véase la fig .01, pág. 90); el flotador debe moverse libremente; recuerde montar siempre
la tapa del depósito (ver dibujo 6 del anexo)
ATENCIÓN
La llave de flotador para regular la entrada del agua de red ha sido diseñada para funcionar con una
presión máxima de 4 bares y un caudal de 10 l/min. De superar la presión de red dicho valor, instalar
antes de la llave de flotador un reductor de presión y un filtro de red para protegerla contra impurezas
que podrían perjudicar su funcionamiento. Una presión excesiva del agua del tubo de red puede
provocar pérdidas o roturas de la llave de flotador en el interior del sistema.
Se aconseja instalar una válvula de interceptación antes de la llave de flotador, lo cual permite cortar
la alimentación de red en el caso de roturas o averías, y también efectuar el mantenimiento en
buenas condiciones de seguridad.
4.4 Conexión del tubo de aspiración del agua de recogida
El tubo de aspiración debe tener un diámetro interior de DN25 como mínimo y siempre debe tener
una pendiente hacia el depósito de recogida; evite que se formen burbujas de aire antes de
conectarlo al sistema, controle que esté limpio y, de ser necesario, lávelo con agua limpia (evitar
cuellos de cisne, punto superior, el tubo de aspiración no deberá nunca pasar por encima de la
bomba).
Instale el sistema lo más cerca posible del depósito de recogida del agua de lluvia; para comprobar
que la distancia no sea excesiva, utilice la tabla indicada más abajo; para un buen rendimiento de la
bomba, no supere nunca 20 metros de largo y 3 metros de altura de aspiración.
Si el largo y la altura de aspiración fueran mayores, utilice otra bomba conectada en serie a aquella
del sistema para solucionar el problema de aspiración de la bomba.
El punto de aspiración siempre debe garantizar la aspiración de agua limpia, utilice un juego de
aspiración e instálelo tal como se indica en la figura 03, página 96.
Instale un filtro para garantizar que las impurezas no bloqueen las válvulas o las piezas internas de la
bomba.
ESPAÑOL
101
Figura 06
2. Después de haber instalado el transductor, controle el cable y protéjalo en todo su recorrido.
3. Pase el cable a través de la ranura inferior del sistema (ranura por donde pasan todos los tubos
y el cable de alimentación pos. 16 fig. 01, pág. 90).
4. Conectar los hilos a los bornes según el modelo de sensor, conforme a la tabla siguiente:
Modelo de
sensor
Borne
IN1
Borne
+V1
MAC3 hilo amarillo hilo blanco
JUMO hilo blanco hilo marrón
KELLER hilo rojo hilo negro
5. Asegure con abrazaderas el cable a los tubos internos del equipo.
¡Atención!: el tubo de aspiración deberá estar colocado en proximidad del transductor y no se
posicionará a una altura del transductor de presión superior a 5 cm (ver fig. 06, pág. 99).
El diagrama de barras indicará en el momento de la instalación que el depósito está vacío con el led 0%
intermitente, con todos los leds encendidos, el nivel está al 100%.
!
Para los tanques de recogida con altura inferior a 2 m, utilizar un transductor de presión con
escala 0-2m
ATENCIÓN
El transductor detecta el nivel automáticamente, actualizando el valor del 100% cada vez que se supera el
valor del líquido contenido en el depósito; por lo tanto, el valor real del 100% será adquirido sólo con el
depósito completamente lleno. El valor 100% indicado durante la primera etapa de llenado del depósito debe
considerarse virtual. Después del primer llenado completo del depósito, los valores de 10% a 100%
corresponden a la cantidad de agua real contenida en el depósito.
Transductor
Fondo del depósito
07/12 cod.60142411
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112

DAB AQUAPROF Handleiding

Type
Handleiding