Leica M10 Gebruikershandleiding

Type
Gebruikershandleiding
LEICA M10
Gebruiksaanwijzing
NL
114
VOORWOORD
Geachte klant,
Leica dankt u voor de aanschaf van de Leica M10 en feliciteert u
met deze beslissing. U hebt met deze unieke digitale 35mm sys-
teemcamera een uitstekende keuze gemaakt.
Wij wensen u veel plezier en succes bij het fotograferen met uw
nieuwe camera. Om alle mogelijkheden goed te kunnen gebruiken,
adviseren wij u eerst deze handleiding te lezen.
Leica Camera AG
Betekenis van de verschillende informatiecategorieën in
deze handleiding
Aanwijzing:
Bijkomende informatie
Belangrijk:
Niet-naleving kan leiden tot beschadiging van de camera, de
accessoires of de opnamen
Let op:
Niet-naleving kan leiden tot lichamelijk letsel
Voorwoord
NL
116
Leveringsomvang / accessoires / vervangende onderdelen
LEVERINGSOMVANG
Controleer, voordat u uw camera in gebruik neemt, de meegelever-
de accessoires op volledigheid.
1. Draagriem
2. Camera-bajonetkap
3. Lithium-ionen batterij Leica BP-SCL5
4. Oplaadapparaat Leica BC-SCL5, inclusief netsnoer (EU, VS) en
autolaadkabel
5. Afdekking voor accessoireschoen
Let op:
Sla kleine delen (zoals de afdekking voor de accessoireschoen) als
volgt op:
buiten het bereik van kinderen (inslikken kan leiden toe verstik-
king!)
op een plaats waar ze niet verloren gaan, bijvoorbeeld op de
hiertoe voorziene plaatsen van de cameraverpakking.
Wijziging in constructie en uitvoering voorbehouden.
ACCESSOIRES
Voor een actueel overzicht en beschrijving van de voor uw camera
beschikbare objectieven en accessoires gaat u naar de startpagina
van Leica Camera AG onder:
www.leica-camera.com
Belangrijk:
Er mogen uitsluitend de in deze handleiding genoemde en beschre-
ven en/of de door Leica Camera AG genoemde en beschreven
accessoires met de Leica M10 worden gebruikt.
VERVANGENDE
ONDERDELEN Bestelnummer
Camera-bajonetkap ............................................................ 16060
Cameradraagriem ............................................................... 24023
Lithium-ionen batterij BP-SCL5 ............................................ 24003
Batterij-oplaadapparaat BC-SCL5 (inclusief netsnoer voor VS
[423-116.001-020] en EU [423-116.001-005],
andere afhankelijk van de lokale markt), autolaadkabel ........ 24002
Afdekking voor accessoireschoen,
Kunststof, zwart .................................................420-300.001-035
NL
117
Aanwijzingen:
Leica werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling en optima-
lisering van uw camera. Omdat bij digitale camera’s zeer veel
functies uitsluitend zuiver elektronisch worden gestuurd, kunnen
deze verbeteringen en uitbreidingen van functies naderhand in
uw camera worden geïnstalleerd. Om deze reden biedt Leica
zogenaamde firmware-updates aan. Deze camera's zijn af fa-
briek altijd uitgerust met de nieuwste firmware. Maar u kunt de
nieuwe firmware ook zelf van onze startpagina downloaden en
naar uw camera overdragen: als u zich als eigenaar op de Leica
Camera homepage registreert, dan wordt u via de nieuwsbrief op
de hoogte gesteld als er een firmware-update beschikbaar is.
Meer details over registratie en firmware-updates voor uw came-
ra en eventuele veranderingen en aanvullingen op de uitvoerin-
gen in deze gebruiksaanwijzing vind u in 'Klantgedeelte' onder:
https://owners.leica-camera.com
De gegevens in deze handleiding hebben betrekking op een
vroege firmwareversie. Handleidingen en toelichtingen op basis
van andere firmwareversies vindt u eveneens in het 'Klantge-
deelte'.
Met welke firmwareversie uw camera is uitgerust (zie ook pagina
199), kunt u als volgt vaststellen:
Menupunt Camera Information kiezen.
In het submenu vindt u in de regel Camera Firmware rechts
het betreende nummer.
Specifieke, nationale goedkeuringen voor dit cameramodel vindt
u als volgt:
In hetzelfde submenu Camera Information (zie vorige aanwijzing)
Regulatory Information kiezen.
In het bijbehorende submenu vindt u op meerdere pagina's de
bijbehorende goedkeuringstekens.
De productiedatum van uw camera vindt u op de stickers in de
garantiekaart en/of op de verpakking. De datumnotatie is: jaar/
maand/dag.
Controleer, voordat u uw camera in gebruik neemt, de meegele-
verde accessoires op volledigheid.
NL
118
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD ..................................................................................... 114
LEVERINGSOMVANG ......................................................................... 116
ACCESSOIRES ....................................................................................116
VERVANGENDE ONDERDELEN .......................................................... 116
WAARSCHUWINGEN .......................................................................... 122
JURIDISCHE OPMERKINGEN ............................................................. 122
Milieuvriendelijk afvoeren van elektrische en
elektronische apparatuur ...............................................................123
BENAMING VAN DE ONDERDELEN ................................................... 124
BEKNOPTE HANDLEIDING .....................................................126
VOORBEREIDINGEN ........................................................................... 126
FOTOGRAFEREN ................................................................................126
BEKIJKEN VAN DE OPNAMEN ........................................................... 127
WISSEN VAN OPNAMEN .................................................................... 127
UITVOERIGE HANDLEIDING...................................................128
VOORBEREIDINGEN ........................................................................... 128
DRAAGRIEM BEVESTIGEN ................................................................128
BATTERIJ LADEN ..............................................................................128
BATTERIJ EN GEHEUGENKAART VERVANGEN ...................................132
LEICA M-OBJECTIEVEN .....................................................................135
Objectief plaatsen .........................................................................137
Objectief verwijderen ....................................................................137
DE BELANGRIJKSTE INSTELLINGEN /
BEDIENINGSELEMENTEN ..................................................................138
DE CAMERA IN- EN UITSCHAKELEN .................................................138
DE ONTSPANNER .............................................................................139
Serieopnamen ...............................................................................140
HET TIJDINSTELWIEL ........................................................................141
DE MENUBEDIENING .......................................................................142
VOORINSTELLINGEN .........................................................................146
CAMERA-BASISINSTELLINGEN .........................................................146
Menutaal .......................................................................................146
Datum en tijd ................................................................................146
Automatisch uitschakelen ..............................................................148
Monitor-/zoekerinstellingen ..........................................................148
Inhoudsopgave
NL
119
OPNAME-BASISINSTELLINGEN .........................................................150
DETECTIE OBJECTIEFTYPE ................................................................150
Handmatig ingeven van het objectieftype / de brandpuntsafstand . 150
BESTANDFORMAAT ..........................................................................152
JPG-INSTELLINGEN ..........................................................................152
Resolutie .......................................................................................152
Contrast, scherpte, kleurverzadiging ..............................................153
Zwart/wit-opnamen ......................................................................153
WITBALANS .....................................................................................154
ISO-GEVOELIGHEID ..........................................................................156
DE LICHTKADER-MEETZOEKER ........................................................158
DE BEELDVELDKIEZER .....................................................................159
DE MONITOR ...................................................................................160
Instellen van de helderheid ............................................................160
INFO-beeldscherm ........................................................................160
LIVE VIEW-MODUS ...........................................................................160
Belichtingssimulatie.......................................................................161
Overige weergaveopties .................................................................161
AFSTANDSMETING ...........................................................................164
Met de optische zoeker .................................................................164
Met het monitorbeeld in de Live View-modus .................................165
Markering scherp afgebeelde objectdelen .....................................166
BELICHTINGSMETING EN -REGELING ...............................................167
Belichtingsmeter-weergaven ..........................................................167
Belichtingsmeetmethoden .............................................................168
De Live View-meetmethoden kiezen ..............................................168
Belichtingsmodussen.....................................................................169
Tijdautomaat .................................................................................169
Meetwaardegeheugen ...................................................................170
Belichtingscorrecties .....................................................................170
Automatische belichtingsreeksen ..................................................172
Handmatige instelling van de belichting .........................................174
De B-instelling / De T-functie ........................................................174
Over- en onderschrijden van het meetbereik ..................................175
Inhoudsopgave
NL
120
Inhoudsopgave
WEERGAVEMODUS ............................................................................176
Andere opnamen bekijken / 'Bladeren' in het geheugen ................177
Vergroten / selecteren van uitsnede / gelijktijdig bekijken van
meerdere verkleinde opnamen ......................................................178
Opnamen markeren .......................................................................180
Opnamen wissen ...........................................................................180
OVERIGE FUNCTIES ...........................................................................182
FLITSMODUS ...................................................................................182
FOTOGRAFEREN MET DE ZELFONTSPANNER ...................................188
INTERVALOPNAMEN ........................................................................188
BEELDBESTANDEN
AUTEURSRECHTELIJK MARKEREN ....................................................189
REGISTRATIE VAN OPNAMELOCATIE MET GPS .................................190
GEBRUIKERSPROFIELEN / TOEPASSINGSPROFIELEN .......................192
RESETTEN VAN ALLE INDIVIDUELE INSTELLINGEN ...........................193
FORMATTEREN VAN DE GEHEUGENKAART .......................................193
MAPPENBEHEER ..............................................................................194
DRAADLOZE GEGEVENSOVERDRACHT EN AFSTANDSBEDIENING VAN
DE CAMERA .....................................................................................196
GEGEVENSOVERDRACHT NAAR EEN COMPUTER .............................198
WERKEN MET DNG -RAW DATA ........................................................198
INSTALLEREN VAN FIRMWARE-UPDATES ..........................................199
VEILIGHEIDSMAATREGELEN EN ONDERHOUD ...................200
ALGEMENE VOORZORGSMAATREGELEN ..........................................200
MONITOR .........................................................................................201
SENSOR ..........................................................................................201
CONDENSATIEVOCHT ......................................................................201
ONDERHOUD ..................................................................................... 202
VOOR DE CAMERA ...........................................................................202
VOOR OBJECTIEVEN .........................................................................202
VOOR DE BATTERIJEN ......................................................................203
VOOR HET OPLAADAPPARAAT .........................................................204
VOOR GEHEUGENKAARTEN .............................................................204
REINIGEN VAN DE SENSOR / STOFDETECTIE...................................206
OPBERGEN ......................................................................................... 208
NL
122
Waarschuwingen / Juridische opmerkingen
WAARSCHUWINGEN
Moderne elektronische elementen reageren gevoelig op elektro-
statische ontlading. Omdat mensen bijvoorbeeld bij het lopen
over synthetisch tapijt zonder moeite een lading van tienduizen-
den Volt kunnen ontwikkelen, kan het bij aanraking van uw ca-
mera tot een ontlading komen, vooral als deze op een gemakke-
lijk geleidende ondergrond ligt. Wanneer het alleen om de
camerabehuizing gaat, is deze ontlading voor de elektronica
geheel ongevaarlijk. De naar buiten gebrachte contacten, zoals
die in de accessoireschoen, moeten echter, ondanks extra inge-
bouwde veiligheidsschakelingen, om veiligheidsredenen zo mo-
gelijk niet worden aangeraakt. Daarom adviseren we de bijbeho-
rende afdekking altijd te plaatsen, als u geen zoeker of
flitsapparaat gebruikt.
Gebruik voor het schoonmaken van de contacten geen op-
tiek-microvezeldoek (synthetisch), maar een katoenen of linnen
doek! Wanneer u van tevoren bewust een verwarmingsbuis of
waterleiding (geleidend, met 'aarde' verbonden materiaal) aan-
raakt, zal een eventuele elektrostatische lading veilig worden
ontladen. Vermijd vervuiling en oxidatie van de contacten, ook
door uw camera altijd met een objectief of bajonetdeksel op de
camera droog op te bergen.
Gebruik uitsluitend aanbevolen accessoires om storing, kortslui-
ting of een elektrische schok te vermijden.
Probeer nooit onderdelen van de behuizing (afdekkingen) te
verwijderen; vakkundige reparaties kunnen alleen door een er-
kend servicepunt worden uitgevoerd.
JURIDISCHE OPMERKINGEN
Neem het auteursrecht nauwlettend in acht. Het kopiëren en
publiceren van zelf opgenomen media, zoals banden, cd's, of
door anderen uitgegeven of gepubliceerd materiaal kan het
auteursrecht schenden.
Dit geldt ook voor alle meegeleverde software.
Het SD-logo is een gedeponeerd merk.
Overige namen, firma- en productnamen die in deze handleiding
worden genoemd, zijn handelsmerken, respectievelijk gedepo-
neerde handelsmerken van de betreende ondernemingen.
NL
123
Milieuvriendelijk afvoeren van elektrische en
elektronische apparatuur
(Geldt voor de EU en overige Europese landen met
gescheiden inzameling.)
Dit apparaat bevat elektrische en / of elektronische onderdelen en
mag daarom niet met het gangbare huisvuil worden meegegeven!
In plaats daarvan moet het voor recycling op door de gemeenten
beschikbaar gestelde inzamelpunten worden afgegeven. Dit is voor
u gratis. Als het toestel zelf verwisselbare batterijen bevat, moeten
deze vooraf worden verwijderd en eventueel volgens de voorschrif-
ten milieuvriendelijk worden afgevoerd.
Meer informatie over dit onderwerp ontvangt u bij uw gemeentelij-
ke instantie, uw afvalverwerkingsbedrijf of de zaak waar u het ap-
paraat hebt gekocht.
!"#$%&"'()"
*$"$"($"#+,-#(.)/)0"1),23456
!"#$%&'ơ()Leica&Camera&AG*(+,-'.%-.#,/(0,$(1.2(3,4.#52(-"#0.#,($.%"0-5'&2(
6789:;<:=>("24.#.?2(%".0,@,'.4?2(.%(0.-,2(-,.05-.#,2(#?&2-,-,2A
Bnj2ǐ(CDEE=(3,4.#.ǐ(&%.3.#,@.&2(,-.-.0-."2($"0@,%,F.G&2(0&+.Gą(0@."#-,.(3,@.(
,-2.2.ǐ2-.(.1(4nj2ǐ(H&I(2"%'"%.&J
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
M".(-?%.-"(+,+.@$&4ǐ(0@,?2.4ǐ/(+%,1&4"(2?2.2."0-.J
NO".F,(I,4"%,(PQ)/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%/(Q"%4,#5(WX&0."-.G,Y
Z.2(3,4.#52(20.%-,2(["#$%,G,4(',%-&G.4?.A(W<(0,-"3&%.G,AY
Z.2(3,4.#52(5%,(20.%-,2(+%.2.G?#3-.(+%."(6/9(Q\R(VOP]A
7.4&#8'þ"8)
9:1)&),4,+(.)-84+$",23456
E?0,G/()Leica&Camera&AG*(.RG,'@G,/($,(G"(-,(.R$"@"0('(20@,$?(R([.2-'"#.4.(
R,^-"',4.(.#($%?3.4.(?2-%"R#.4.($&@&þ[,4.(H.%"0-.'"(6789:;<:=>A
_-%,#0"(2.(@,^0&(.R'&$(.R'.%#"(H&I(R,(#,1"(CDEE=(.R$"@0"(+%"#"2"G&(.R(#,1"3,(
'R&VWUHåQLND
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
X(+%.4"%?($&$,-#.^('+%,1,#G(2"(&[%#.-"(#,J
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%1HPþLMD
E,(.R$"@"0(G"(#,4"#G"#(1.%&0.(+&-%&1#G.A(W0,-"3&%.G,(<Y
E,(.R$"@"0(G"(#,4"#G"#(R,(+&'"R,'&(R($&2-&+#&(-&þ0&(6/9(Q\R(VOP]A
;4/+(
7)<+&)/+#/(.=/"8>,23456
\"%'"$("%0@`%"%()Leica&Camera&AG*(,-($"--"(+%&$?0-"-("%(.(2,42',%(4"$($"(
'"2"#[email protected]"(0%,'"#"(&3(,#$%"(%"@"',#-"(%"-#.#32@.#G"%(.($.%"0-.'(6789:;<:=>A
a?#$"%(0,#(@,2-"(#"$("#(0&+.(,'($"#(&%.3.#,@"(2,42',%2"%0@`%.#3"#(b&%('c%"(
CDEE=L+%&$?0-"%(b%,('c%(H&I(2"%'"%A(
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
\'.2($?(^,%(5--"%@.3"%"(2+d%24c@/(-,(0&#-,0-(4"$J
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%/(E520@,#$
H"--"(+%&$?0-"-("%(["%"3#"-(b&%(',#@.3"(b&%[%?0"%"A(Wa,-"3&%.(<Y
H"--"(+%&$?0-"-("%(["%"3#"-(b&%(-.@0&[@.#3(-.@(-.@3,#32+?#0-(6/9(Q\R(VOP]A
;#-#/.)8-+
?#/(.)/"8>,&)8,548@4/<"$#"$,23456
\."%4""('"%0@,,%-()Leica&Camera&AG*($,-($.-(+%&$?F-(.#(&'"%""#2-"44.#3(.2(4"-(
$"("22"#-.e@"('"%".2-"#("#(,#$"%"(%"@"',#-"(["+,@.#3"#(',#(C.F^[email protected]#(6789:;<:=>A
a@,#-"#(0?##"#(""#(0&+."(',#(^"-(&%.3.#"@"(H&I(4A[A-A(&#R"(CDEE=L+%&$?F-"#(
',#(&#R"(H&IL2"%'"%($&K#@&,$"#J
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
]""4(.#(3"',@(',#('"%$"%"('%,3"#(F&#-,F-(&+(4"-J
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%/(H?.-2@,#$
H.-(+%&$?F-(.2('&&%($"(,@3"4"#"(F&#2?4"#-(["$&"@$A(WI,-"3&%."(<Y
H.-(+%&$?F-(.2(2+"F.,,@(["$&"@$(&4(,,#3"2@&-"#(-"(K&%$"#(&+(""#(-&"3,#32+?#-(
',#(6/9(Q\R(VOP]A
Ȼɴɥɝɚɪɫɤɢ
Ⱦɟɤɥɚɪɚɰɢɹ,ɡɚ,ɫɴɨɬɜɟɬɫɬɜɢɟ,23456
)Leica&Camera&AG*(ɞɟɤɥɚɪɢɪɚ/(ɱɟ(ɬɨɡɢ(ɩɪɨɞɭɤɬ(ɟ(ɜ(ɫɴɨɬɜɟɬɫɬɜɢɟ(ɫ(ɨɫɧɨɜɧɢɬɟ(
ɢɡɢɫɤɜɚɧɢɹ(ɢ(ɩɪɢɥɨɠɢɦɢɬɟ(ɪɚɡɩɨɪɟɞɛɢ(ɧɚ(Ⱦɢɪɟɤɬɢɜɚ(6789:;<:=>A
Ʉɥɢɟɧɬɢɬɟ(ɦɨɝɚɬ(ɞɚ(ɢɡɬɟɝɥɹɬ(ɤɨɩɢɟ(ɨɬ(ɨɪɢɝɢɧɚɥɧɚɬɚ(H&I(ɡɚ(ɧɚɲɢɬɟ(ɩɪɨɞɭɤɬɢ(
CDEE=(ɨɬ(ɫɴɪɜɴɪɚ(ɡɚ(ɫɴɯɪɚɧɟɧɢɟ(ɧɚ(H&IJ
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
Ⱥɤɨ(ɢɦɚɬɟ(ɞɪɭɝɢ(ɜɴɩɪɨɫɢ/(ɦɨɥɹ/(ɫɜɴɪɠɟɬɟ(ɫɟ(ɫJ
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%/(Ƚɟɪɦɚɧɢɹ
Ɍɨɜɚ(ɢɡɞɟɥɢɟ(ɟ(ɩɪɟɞɧɚɡɧɚɱɟɧɨ(ɡɚ(ɨɛɳɨ(ɩɨɬɪɟɛɥɟɧɢɟA(WɄɚɬɟɝɨɪɢɹ(<Y
Ɍɨɜɚ(ɢɡɞɟɥɢɟ(ɟ(ɩɪɟɞɧɚɡɧɚɱɟɧɨ(ɡɚ(ɫɜɴɪɡɜɚɧɟ(ɫ(ɬɨɱɤɚ(ɧɚ(ɞɨɫɬɴɩ(ɧɚ(6/9(Ƚɏɰ(
ɜɴɜ(VOP]A
A4<B8ă
3#0.)/)Ġ"#,-#,548@4/<"$)$#,23456
S%.#(+%"R"#-,/()Leica&Camera&AG*($"F@,%ă(Fă(,F"2-(+%&$?2(%"2+"F-ă(F"%.#Ġ"@"(
"2"#Ġ.,@"(ú.(,@-"(+%"'"$"%.(%"@"',#-"(,@"(H.%"F-.'".(6789:;<:=>A
I@."#Ġ..(+&-($"2Fă%F,(&(F&+."(,(H&I(&%.3.#,@"/(+"#-%?(+%&$?2"@"(CDEE=/($"(+"(
2"%'"%?@(#&2-%?(H&IJ
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
H,Fă(4,.(,'"Ġ.(f#-%"[ă%./('ă(%?3ă4(2ă('ă(,$%"2,Ġ.J
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%/(Q"%4,#.,
PF"2-(+%&$?2("2-"(+%&."F-,-(+"#-%?(F@."#Ġ..(3"#"%,@.A(WI,-"3&%.,(<Y
PF"2-(+%&$?2(,(b&2-(F&#F"+?-(F?(2F&+?@($"(,(2"(F&#"F-,(@,(?#(+?#F-($"(,FF"2($"(
6/9(Q\R(VOP]A
C/&)$+("
9:1)&),4,+%(.)-84+$",23456
g'.4(-'%-0,()Leica&Camera&AG*(.RG,'@G?G"($,(G"(&',G(+%&.R'&$(2?0@,$,#(&2#&'#.4(
R,^-G"'.4,(.($%?3.4(+%.4G"#G.'.4(&$%"$[,4,(H.%"0-.'"(6789:;<:=>A
S&-%&1,þ.(4&3?(+%"?R"-.(+%.4G"%,0(&%.3.#,@#"(.RG,'"(&(2?0@,$#&2-.(WH&IY(R,(#,1"(
+%&.R'&$"(0&G.(2+,$,G?(?(%,$.&(.(-"@"0&4?#.0,F.G20?(-"%4.#,@20?(&+%"4?(WCDEE=Y(
VQDãHJSRVOXåLWHOMD]DL]MDYHRVXNODGQRVWL'R&
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
P0&([?$"-"(.4,@.(G&1(+.-,#G,/(0&#-,0-.%,G-"J
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%1MHPDþND
g',G(G"(+%&.R'&$(#,4.G"#G"#(R,(&+ü?(?+&%,[?A(Wa,-"3&%.G,(<Y
g',G(2"(+%&.R'&$(+&'"R?G"(#,(+%.2-?+#"(-&þNHEHåLþQHPUHåH:/$1RG*+]
DE/(F#
8\JXQOXN%H\DQÕ'R&
G)#".>#
3#)/HIJ,54<I/K"/#)0I$),23456
H",%[^,h&##()Leica&Camera&AG*((@".2(2"&(3&([^b?.@(,#(-i.%3"(2"&(.(3F&4^@h&#,$^(
F^",#3@,.2(%.,F^-,#,F^,(,3?2(b&%i@,F^,(i[^,%-^,(".@"(E%"&.%(6789:;<:=>A
j2(bk.$.%(@"(F?2-,.4k.%h(Fl.+($"#(H&I([?#m2,F^(,(h&2@l$i.@(F^?.3(i%($-i.%3h(CDEE=(
l#i%([^b%",2-,@,h(H&IJ
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
j(3Fi2(-?.@@",$^(F".2-",##,/($k,#(-",34^i.@(@"J
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%/(,#(Q^",%4i.#
Ei(,#(-i.%3"(2"&(F",+-^,($&#(-&4^,@-l.%(3.#",%i@-,A(WI,-,3l.%(<Y
]h(4l%($&#(-i.%3"(2"&(#,2F,$^(@"(+&.#-"(%&F^-,#,(6/9(Q\R(VOP]A
L).$"
3"(1)/)::148",$).MN48@4/<"$O,23456
)Leica&Camera&AG*(n"$(-.$$.0G,%,(@.($,#(.@L+%&$&--(G.00&#b&%4,(4,%L%"0K..-.((
"22"#RG,@.(?($L$.2+&.Ī.RRG&#.G."-(@L&ƫ
%,(%"@"',#-.(-,$LH.%"--.',(6789:;<:=>A(
j@[email protected]"#-.(G.2-3ƫ?(G#.ĪĪ@?(0&+G,(-,$LH&I(&%.ƥ.#,@.($K,%(.@L+%&$&--.(CDEE=(4.##(b?n((
.2L2"%'"%(-,$LH&I(-,3ƫ#,J(
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
op0,Ī(-,p(4.2-&n2.G."-(,$$.RRG&#,@./(G"00(G&3ƫƥ[&0(.00?#-,--G,(@.@J
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%,OƤHUPDQMD
H,#(.@L+%&$&--(^?K,(4,ƫ2?[(3ƫ,@@[email protected]"#-.(ƥ"#"%,@.A(Wa,-"3&%.G,(<Y
H,#(.@L+%&$&--(^?K,(.#-.Ī([."q(-,n[,$(4,p(+?#-(-,p(,ƛƛ"22(6/9(Q\R(VOP]A
!#$:#H%#/>#+0I
3#(.)/)$"4%8,"PP#/$,-QN48@4/<"$K"$,23456
)Leica&Camera&AG*($"0@,%k."%-(^".4,-/($,--($e2"(S%&$?.-($"#(\,,+-F%.-r%"#(
,#(,#"%(K.F^-"3"(a&#$.-.&?#"#('?#($"%("?%&+s"2F^"%(H.%"F-.'"(6789:;<:=>(
"#-2+%kF^-A
H"(I@."#-(0,##("#3(I&+."('?#($"%(&%.3.#,@"%(H&I(CDEE=(WC,$.&(,#$(
E"@"F&44?#.F,-.&#2(E"%4.#,@(=n?.+4"#-Y('?#(".2"4(H&I(_"%'"%("%&b@?"$"#J
KKKAF"%-A@".F,LF,4"%,AF&4
V,##(H.%(K".$"%(o%&"#(^?--/(0&#-,0-k."%-(KA"A3AJ
O".F,(I,4"%,(PQ/(P4(O".-RLS,%0(;/(<;;TU(V"-R@,%/(Hs.-2F^@,#$
He2"(S%&$?.-(,22(b.%($"#(,@@3"4"#3"(a&#2?4"#-(3"$?"F^-A(Wa,-"3&%."(<Y
He2"(S%&$?.-(,22(0&#R.+k."%-(b.%(4,-("#3"4(PFF"22(S&.#-('?#(6/9(Q\R(VOP](
'"%[&##"#(R"(3.##A

6789:;<:=>






De CE-markering van onze producten geeft aan dat de
basiseisen van de geldende EU-richtlijnen worden nageleefd.
Naam van de onderdelen
NL
124
BENAMING VAN DE ONDERDELEN
Afbeeldingen op de voorste en achterste omslagpagina's
Vooraanzicht
1 Objectief-ontgrendelingsknop
2 Ogen voor draagriem
3 Focusknop
4 Kijkvenster van de afstandsmeter
5 Helderheidssensor
1
6 Kijkvenster van de zoeker
7 Zelfontspanner-lichtdiode
8 Beeldveldkiezer
9 Borglip van de bodemkap
1
Leica M-objectieven met zoekeradapter bedekken de helderheidssensor. Infor-
matie over de werkwijze met deze en andere objectieven vindt u in de hoofd-
stukken „De indicaties / In de zoeker“ en „Leica M-objectief“.
Bovenaanzicht
10 ISO-instelwiel met klikstanden voor
A - automatische regeling van de ISO-gevoeligheid
100 - 6400 ISO-waarden
M ISO: voor hogere gevoeligheden
11 Index voor ISO-instelling
12 Vaststaande ring
a. Index voor afstandsinstelling
b. Scherptediepteschaal
c. Rode indexknop voor het verwisselen van objectief
13 Diafragma-instelring
14 Witte indexpunt voor diafragma-instelling
15 Tegenlichtkap
16 Afstandsinstelring
a. Vingergreep
17 Hoofdschakelaar met klikstanden voor in- (y) en uitgeschakel-
de camera
18 Ontspanner
a. Shroefdraad voor draadontspanner
19 Tijdinstelwiel met klikstanden voor
A - automatische regeling van de sluitertijd
Sluitertijden
1
4000
- 8 s (inclusief tussenwaarden)
B (langdurige belichting)
Flitssynchronisatietijd (
1
180
s)
20 Accessoireschoen
NL
Naam van de onderdelen
125
Achteraanzicht
21 Lichtdiode voor opnameregistratie / gegevensopslag op kaart
22 MENU-knop
– voor het oproepen van het menu FAVORITES, of het menu
MAIN MENU,als niet eerder een functie is toegewezen
– voor het verlaten van de menu´s FAVORITES en
MAIN MENU, en de submenu's
23 PLAY-knop
– voor het in- en uitschakelen van de (permanente) weergave-
modus
– voor terugkeer naar volledig beeld
24 LV-knop om de Live View-modus mee aan of uit te zetten
25 WLAN-antenne (niet zichtbaar)
26 Helderheidssensor voor monitor
27 Zoekeroculair
28 Instelwiel
– voor het navigeren door de menu's
– voor het instellen van de geselecteerde menuopties
– voor het instellen van een belichtingscorrectie
– voor het vergroten/verkleinen van de weergegeven opna-
mes
– voor het bladeren in het opnamegeheugen
29 Kruisknop
– voor het navigeren door de menu's
– voor het instellen van de geselecteerde menuopties
– voor het bladeren in het opnamegeheugen
– voor het aansturen van het gewenste beeldfragment bij het
gebruik van Gray Card
30 Middenknop
– voor het oproepen van de statusweergave
– voor het accepteren van de menu-instellingen
– voor weergave van instellingen/gegevens bij opname
– voor weergave van de opnamegegevens bij beeldweergave
31 Monitor
Onderaanzicht
(bodemdeksel geplaatst)
32 Vergrendelingsknevel voor bodemdeksel
33 Statiefschroefdraad A
1
4
, DIN 4503 (
1
4
“)
34 Bodemdeksel
(Bodemdeksel verwijderd)
35 Geheugenkaartensleuf
36 Batterijvak
37 Batterij–vergrendelingsschuif
NL
126
Verkorte handleiding
BEKNOPTE HANDLEIDING
Houd de volgende onderdelen gereed:
Camera
Batterij
Geheugenkaart (niet meegeleverd)
Laadapparaat en netsnoer
VOORBEREIDINGEN
1. Batterij laden (zie pagina 128)
2. Batterij plaatsen (zie pagina 132)
3. Geheugenkaart plaatsen (zie pagina 132)
4. Objectief plaatsen (zie pagina 137)
5. Camera inschakelen (zie pagina 138)
6. Menutaal instellen (zie pagina 146)
7. Datum en tijd instellen (zie pagina 146)
8. Geheugenkaart eventueel formatteren (zie pagina 193)
FOTOGRAFEREN
9. Tijdinstelwiel op A instellen (zie pagina 141)
10. Scherpte instellen (zie pagina 158)
11. Belichtingsmeting inschakelen (zie pagina 139)
12. Belichting eventueel corrigeren (zie pagina 141)
13. Ontspannen (zie pagina 139)
NL
127
Verkorte handleiding
BEKIJKEN VAN DE OPNAMEN
De camera is af fabriek ingesteld op de automatische, kortstondige
weergave van de laatste opname (zie pagina 176).
Permanente weergave inschakelen (altijd mogelijk):
PLAY-knop indrukken (zie pagina 176).
Andere opnamen bekijken:
Linker of rechter kant van de kruisknop indrukken.
Opnamen vergroten:
Instelwiel naar rechts draaien.
WISSEN VAN OPNAMEN
(uitsluitend binnen de PLAY-weergave mogelijk)
MENU-knop indrukken, om het wismenu op te roepen.
Meer informatie over deze procedure vindt u op pagina 180.
NL
128
Voorbereidingen
UITVOERIGE HANDLEIDING
VOORBEREIDINGEN
DRAAGRIEM BEVESTIGEN
BATTERIJ LADEN
Oplaadapparaat
A
C
D
B
A Bus voor netsnoer
B Bus voor autolaadkabel
C CHARGE-LED
D 80%-LED
E
F
E Contacten
F Vastzetnok
NL
129
Voorbereidingen
Batterij
De camera wordt door een Li-ionaccu van de benodigde energie
voorzien.
Als bevestiging van het oplaadproces begint de groene, met
CHARGE gemarkeerde LED te knipperen. Zodra de accu tot min-
stens
4
/
5
van zijn capaciteit is opgeladen, brandt bovendien de
gele, met 80% gemarkeerde LED. Als de accu volledig is opgela-
den, gaat ook de groene LED permanent branden.
Aanwijzing:
De 80%-LED zal vanwege het werkingsprincipe van het laadproces
al na circa 2 uur gaan branden.
Het laadapparaat moet van het lichtnet worden gehaald als het
opladen is voltooid. Er is geen gevaar voor overlading.
NL
130
Voorbereidingen
Let op:
Er mogen in deze camera uitsluitend batterijen worden gebruikt
die in deze handleiding (bestelnummer 24003) of door Leica
Camera AG worden genoemd en beschreven.
Deze accu's mogen uitsluitend met de speciaal daarvoor be-
stemde apparaten en alleen precies zoals hierna beschreven
worden opgeladen.
Als deze accu's niet volgens de voorschriften worden gebruikt of
als accu's worden gebruikt die niet hiervoor zijn bestemd, kan
onder bepaalde omstandigheden een explosie ontstaan!
Deze accu's mogen niet voor langere tijd aan hitte of zonlicht en
vooral ook niet aan vochtigheid of water worden blootgesteld.
Bovendien mogen deze accu's nooit in een magnetron of in een
omgeving onder hoge druk worden geplaatst wegens gevaar van
brand of explosie!
Een veiligheidsklep in de batterij zorgt ervoor dat bij onjuiste om-
gang met de batterij eventuele overdruk gecontroleerd kan ont-
wijken.
Er mag uitsluitend het Leica laadapparaat dat in deze handlei-
ding wordt genoemd (bestelnummer 24002) worden gebruikt.
Het gebruik van andere, niet door Leica Camera AG toegestane,
oplaadapparaten kan tot schade aan de accu's leiden en in een
extreem geval ook tot ernstige, levensgevaarlijke verwondingen.
Het meegeleverde oplaadapparaat mag uitsluitend voor het
opladen van deze accu's worden gebruikt. Probeer het niet voor
andere doeleinden te gebruiken.
De meegeleverde autolaadkabel mag in geen geval worden aan-
gesloten als de acculader met het net is verbonden.
Zorg ervoor dat het gebruikte stopcontact tijdens het laden vrij
toegankelijk is.
Het oplaadapparaat en accu mogen niet worden geopend. Repa-
raties mogen uitsluitend door erkende werkplaatsen worden
uitgevoerd.
NL
131
Voorbereidingen
Aanwijzingen:
De accu moet worden opgeladen voordat de camera voor de
eerste keer wordt gebruikt.
De batterij moet een temperatuur tussen 10 en 30 °C hebben
om te kunnen worden opgeladen (anders schakelt het oplaadap-
paraat niet in, respectievelijk weer uit).
Li-ionaccu's kunnen altijd en onafhankelijk van de laadtoestand
worden opgeladen. Als een accu bij het begin van opladen
slechts gedeeltelijk is ontladen, wordt de volledige oplading
sneller bereikt.
Tijdens het oplaadproces worden de accu's warm. Dit is normaal
en geen storing.
Indien beide LEDs van de lader snel gaan knipperen (2 Hz) net
nadat het laden is begonnen, duidt dit op een laadfout (bijvoor-
beeld wegens overschrijden van de maximale laadtijd, spannin-
gen of temperaturen buiten het toegestane gebied, of kortslui-
ting). Haal in zo’n geval het oplaadapparaat van de netvoeding
en verwijder de batterij. Zorg ervoor dat aan de hiervoor ge-
noemde temperatuurvoorwaarden wordt voldaan en start het
oplaadproces opnieuw. Als het probleem niet wordt opgelost,
neem dan contact op met uw dealer, de nationale vertegenwoor-
diging van Leica of met Leica Camera AG.
Een nieuwe accu bereikt zijn volledige capaciteit pas na 2-3
maal volledig opladen en ontladen door gebruik in de camera.
Dit ontlaadproces moet telkens na circa 25 keer laden worden
herhaald. Voor een maximale levensduur van de batterij mag
deze niet permanent aan extreem hoge of lage temperaturen
(bijvoorbeeld 's zomers respectievelijk 's winters in een gepar-
keerde auto) worden blootgesteld.
De levensduur van elke batterij is (zelfs bij optimale gebruiks-
voorwaarden) begrensd! Na enkele honderden oplaadcycli is dit
duidelijk te zien aan de korter wordende gebruiksperioden.
Na hoogstens vier jaar dient u de batterij te vervangen, omdat
de prestaties afnemen en u vooral bij lage temperaturen niet
meer verzekerd bent van een betrouwbare werking.
Defecte batterijen moeten volgens de betreende voorschriften
(zie pagina 123) worden afgevoerd.
De verwisselbare batterij voedt een vast in de camera ingebouw-
de buerbatterij die het permanent functioneren van de interne
klok en kalender voor maximaal 2 maanden verzekert. Als de
bueraccu uitgeput is, moet deze door het plaatsen van de ver-
wisselbare accu weer worden opgeladen. De volledige capaciteit
van de buerbatterij is (met geplaatste verwisselbare batterij) na
een of twee dagen weer bereikt. De camera hoeft hiervoor niet
ingeschakeld te blijven.
NL
132
Voorbereidingen
BATTERIJ EN GEHEUGENKAART VERVANGEN
De camera met de hoofdschakelaar 17 uitschakelen.
Belangrijk:
Open het bodemdeksel niet en verwijder de geheugenkaart of
batterij niet zolang als teken van opnameregistratie en/of
gegevensopslag op de kaart de rode LED 21 links onder naast de
monitor 31 knippert. Anders kunnen nog niet (volledig) opgeslagen
opnamegegevens verloren gaan.
Bodemkap verwijderen
Accu plaatsen
Accu verwijderen
NL
133
Voorbereidingen
Weergave batterijconditie
De batterijconditie verschijnt in de Live View-modus (zie pagina
160) in de monitor 31 als u op de middenknop 30 drukt.
Aanwijzingen:
Verwijder de accu als u de camera een tijd lang niet gebruikt.
Uiterlijk twee maanden nadat de capaciteit van een batterij in de
camera uitgeput is (zie hiervoor ook de laatste opmerking onder
'Batterij opladen', pagina 128), moeten de datum en tijd op-
nieuw worden ingevoerd.
Als de accucapaciteit afzwakt, ofwel als u een oude accu ge-
bruikt, zullen de waarschuwingen, indicaties en opties eventueel
beperkt of geblokkeerd blijven, afhankelijk van de gebruikte
cameraoptie.
Bruikbare geheugenkaarten
De camera slaat de opnamen op een SD- (Secure Digital), respec-
tievelijk SDHC- (High Capacity), respectievelijk SDXC- (eXtended
Capacity) kaart op.
SD/SDHC/SDXC-geheugenkaarten worden door verschillende pro-
ducenten en met uiteenlopende capaciteit en schrijf-/leessnelheid
aangeboden. Vooral die met een grote capaciteit en hoge schrijf-/
leessnelheid maken een aanzienlijk snellere registratie en weerga-
ve mogelijk.
De kaarten hebben een schakelaar voor schrijfbeveiliging, waarmee
de gegevens tegen onopzettelijk opslaan en wissen kunnen worden
beschermd. Deze schakelaar is als schuif op de niet-afgeschuinde
kant van de kaart uitgevoerd en beveiligt gegevens op de kaart in
zijn onderste stand, die met LOCK is gemarkeerd.
Aanwijzingen:
Raak de contacten van de geheugenkaart niet aan.
Geheugenkaarten met minder dan 1 GB capaciteit worden niet
ondersteund. Kaarten met capaciteit tussen 1 GB en 2 GB moe-
ten vóór het eerste gebruik in de camera worden geformatteerd.
Het gebruik van geheugenkaarten met geïntegreerd WLAN wordt
niet aanbevolen, aangezien ze de capaciteit van het ingebouwde
WLAN kunnen verminderen.
NL
134
Voorbereidingen
Geheugenkaart plaatsen
Geheugenkaart verwijderen
Aanwijzingen:
Het aanbod van SD/SDHC/SDXC-kaarten is te groot dat Leica
Camera AG alle verkrijgbare typen niet volledig op compatibiliteit
en kwaliteit kan controleren. Een beschadiging van camera of
kaart is weliswaar niet te verwachten, maar omdat veel kaarten
niet aan alle SD-/SDHC/SDXC-standaards voldoen, kan Leica
Camera AG geen garantie bieden voor een goede werking.
Als de geheugenkaart niet te plaatsen is, controleer dan de
juiste oriëntatie.
Wanneer u bij ingeschakelde camera de bodemkap of de geheu-
genkaart verwijdert, verschijnen op de monitor de betreende
waarschuwingen in plaats van de betreende indicaties:
Attention Bottom cover removed
Attention No card available
Omdat elektromagnetische velden, elektrostatische lading even-
als defecten aan de camera en de kaart tot beschadiging of
verlies van gegevens op de geheugenkaart kunnen leiden, is het
raadzaam de gegevens naar een computer te kopiëren en daar
op te slaan (zie pagina 198).
Om dezelfde reden wordt geadviseerd de kaart in principe in een
antistatisch foedraal te bewaren.
NL
135
Voorbereidingen
LEICA M-OBJECTIEVEN
Als basisregel geldt: De meeste Leica M-objectieven kunnen wor-
den gebruikt. Bijzonderheden over de enkele uitzonderingen en
beperkingen worden in de volgende opmerkingen toegelicht.
Het gebruik is onafhankelijk van de objectiefuitrusting: met of
zonder 6-bit codering in de bajonet.
Ook zonder deze extra uitrusting (dat wil zeggen: bij gebruik van
Leica M-objectieven zonder code) zal de camera in de meeste
gevallen goede opnamen maken.
Om ook in zulke gevallen optimale beeldkwaliteit te bereiken, advi-
seren wij u het objectieftype in te voeren (zie pagina 150).
Belangrijk:
Niet geschikt:
Hologon 15 mm f/8,
Summicron 50 mm f/2 met dichtbij-instelling,
Elmar 90mm f/4 met verzinkbare tubus (productieperiode
1954-1968)
Verscheidene exemplaren van de Summilux-M 35 mm f/1.4
(niet asferisch, productieperiode 1961-1995, Made in Cana-
da) kunnen niet op de camera worden gezet, respectievelijk
niet tot oneindig scherpstellen. De Leica Customer Care afde-
ling kan deze objectieven dusdanig modificeren dat ze ook op
de camera kunnen worden gebruikt.
Geschikt, maar met het risico van beschadiging van de ca-
mera respectievelijk het objectief:
Objectieven met verzinkbare tubus kunnen uitsluitend met uitge-
trokken tubus worden gebruikt, dat wil zeggen hun tubus mag op
de camera in geen geval worden verzonken. Dit geldt niet voor
de huidige Makro-Elmar-M 90 mm f/4, waarvan de tubus zelf in
verzonken toestand niet in de camera steekt en daarom onbe-
perkt kan worden gebruikt.
Beperkt bruikbaar:
Ondanks de grote nauwkeurigheid van de meetzoeker van de
camera kan precies focusseren met 135 mm-objectieven bij
open diafragma als gevolg van de zeer geringe scherptediepte
niet worden gegarandeerd. Wij raden u aan minstens twee stops
te diafragmeren. Daarentegen kunt u dankzij de Live View-mo-
dus van de camera en haar verscheidene instellingshulpjes dit
objectief onbeperkt gebruiken.
NL
136
Voorbereidingen
Geschikt, maar belichtingsmeting uitsluitend bij Live
View-modus mogelijk
Super-Angulon-M 21 mm f/4
Super-Angulon-M 21 mm f/3.4
Elmarit-M 28 mm f/2.8 met fabricagenummer onder
2314921.
Aanwijzingen:
Leica Customer Care kan vele Leica M-objectieven achteraf van
de 6-bit codering voorzien (adres: zie pagina 224).
Er kunnen aan de Leica M, behalve Leica M-objectieven met en
zonder codering, m.b.v. de als toebehoren verkrijgbare Leica
M-adapter R ook Leica R-objectieven worden ingezet. Verdere
details over deze accessoires vindt u op de startpagina van
Leica Camera AG.
Leica M objectieven zijn uitgerust met een regelkromme, die de
ingestelde afstand mechanisch aan de camera overdraagt, en zo
het handmatig scherpstellen met de meetzoeker van de Leica M
camera mogelijk maakt. Bij het gebruik van de meetzoeker in
combinatie met lichtsterke objectieven ( 1,4) moet rekening
worden gehouden met de volgende omstandigheden: Het
scherpstelmechanisme van iedere camera en ieder objectief
wordt in de fabriek van Leica Camera AG in Wetzlar individueel
met de grootst mogelijke precisie ingesteld. Hierbij worden ex-
treem kleine toleranties aangehouden, die in de fotografische
praktijk een nauwkeurige scherpstelling van iedere camera/
objectief-combinatie mogelijk maken.
Als lichtsterke objectieven ( 1,4) bij open diafragma worden
geplaatst, kan het vanwege de dan gedeeltelijk uiterst geringe
scherptediepte en onnauwkeurigheden bij het scherpstellen met
de meetzoeker evenwel gebeuren dat de (samengestelde) totaal-
tolerantie van camera en objectief instelfouten geeft. Daarom
kan bij kritische beschouwing in dergelijke gevallen niet worden
uitgesloten dat een bepaalde camera/objectief-combinatie
systematische afwijkingen vertoont. Als u bij het fotograferen
een algemene afwijking van de focussituatie in een bepaalde
richting waarneemt, wordt aanbevolen het objectief en de came-
ra te laten controleren door de Customer Care afdeling van
Leica. Hier kan dan nog eens worden gecontroleerd dat beide
producten binnen de toegestane totaaltolerantie zijn ingesteld.
Wij vragen uw begrip voor het feit dat niet voor alle combinaties
van camera en objectief een 100 % afstemming van de focussi-
tuatie kan worden gerealiseerd.
Om de hierboven vermelde reden adviseren we u in dergelijke
gevallen de Live View functie met de bijbehorende instelhulpen
in te stellen.
NL
137
Voorbereidingen
Objectief plaatsen
A
B
1. Camera uitschakelen
2. Het objectief aan de starre ring 12 vasthouden
3. De rode indexknop 12c van het objectief tegenover de ont-
grendelingsknop 1 op de camerabody houden
4. Het objectief in deze stand passend op de camera plaatsen
5. Met een korte draai naar rechts wordt het objectief hoor- en
voelbaar vergrendeld
Objectief verwijderen
A
B
1. Camera uitschakelen
2. Het objectief aan de starre ring 12 vasthouden
3. De ontgrendelingsknop 1 op de camerabody indrukken
4. Het objectief naar links draaien tot zijn rode indexknop 12c
tegenover de ontgrendelingsknop staat
5. Objectief dan zonder te wrikken, recht eruit nemen
Aanwijzingen:
Als basisregel geldt: Ter bescherming tegen het binnendringen
van stof en dergelijke moet u altijd een objectief of de came-
radop op de camera laten zitten.
Om dezelfde reden moet het wisselen van een objectief snel en
in een zo stofvrij mogelijke ruimte plaatsvinden.
Camera- of objectiefkappen moeten niet in een broekzak wor-
den bewaard, omdat ze daar stof aantrekken dat bij het plaatsen
van het objectief in de camera terecht kan komen.
NL
138
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
DE BELANGRIJKSTE INSTELLINGEN /
BEDIENINGSELEMENTEN
DE CAMERA IN- EN UITSCHAKELEN
Uitgeschakeld Ingeschakeld
De camera wordt met de hoofdschakelaar 17 in- en uitgeschakeld.
Deze bevindt zich onder de ontspanner en is als hendel uitgevoerd:
Inschakelen
Na het inschakelen licht de LED 21 even op en de indicaties in de
zoeker worden zichtbaar.
Aanwijzing:
De camera is vanaf circa 1 s na het inschakelen paraat.
Uitschakelen
Ook als de camera niet met de hoofdschakelaar is uitgeschakeld,
gebeurt dit automatisch als u via het menu een automatische uit-
schakeltijd hebt ingesteld (zie pagina 148) en de camera binnen
deze tijd niet wordt bediend.
Maar als de automatische uitschakeltijd op Off is gezet, en de
camera langere tijd niet wordt gebruikt, moet deze altijd met de
hoofdschakelaar worden uitgeschakeld, om abusievelijke ontspan-
ningen en het ontladen van de batterij uit te sluiten.
NL
139
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
DE ONTSPANNER
De ontspanner 18 heeft twee indrukstanden:
1. Aantikken (=Indrukken tot het eerste drukpunt)
activeert camera-elektronica en zoekerweergave
slaat in tijdautomaat de gemeten belichtingswaarde op; dat
wil zeggen: de door de camera berekende sluitertijd (meer
hierover staat in het hoofdstuk 'De opslag van meetwaar-
den' op pagina 170)
start de tijd van een eventueel lopende zelfontspanner op-
nieuw.
Als de ontspanner op deze indrukstand wordt gehouden, blijft
de weergave actief.
Als de camera vooraf is uitgeschakeld, zal hij weer worden
geactiveerd en de weergave worden ingeschakeld.
Als vooraf de weergavemodus was ingesteld, of de menubedie-
ning was geactiveerd, zal de camera teruggaan naar de opna-
memodus.
Na het loslaten van de ontspanner blijven camera-elektronica
en zoekerweergaven nog zolang ingeschakeld als is ingesteld
in het menupunt Automatic Power Saving (zie pagina 148).
Aanwijzing:
De ontspanknop blijft geblokkeerd
als het interne geheugen (tijdelijk) vol is, bijv. na een serie van
16 opnamen.
als de geplaatste geheugenkaart en het interne geheugen (tijde-
lijk) vol zijn.
als de accu zijn grenzen heeft bereikt (capaciteit, temperatuur,
leeftijd).
als de geheugenkaart schrijfbeveiliging heeft of is beschadigd.
als de beeldnummering op de geheugenkaart is verbruikt.
als de camera bij diens eerste ingebruikname, respectievelijk na
het terugstellen van alle instellingen, zegt dat taal, datum en tijd
moeten worden ingevoerd.
als de sensor te warm is.
2. Als de ontspanknop helemaal wordt doorgedrukt, wordt de
opname gemaakt, ofwel de ingestelde tijd van de zelfontspan-
ner begint af te lopen. De gegevens worden daarna op de
geheugenkaart opgeslagen.
Aanwijzing:
De ontspanknop moet, om bewegingsonscherpte te voorkomen,
voorzichtig – niet met een ruk – worden ingedrukt, totdat de sluiter
met licht klikken gaat aflopen.
De ontspanner heeft genormeerde schroefdraad 18a voor
draadontspanners.
NL
140
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
Serieopnamen
In de fabrieksinstelling staat de camera op afzonderlijke opnames.
Maar u kunt ook serieopnamen maken, bijvoorbeeld om een bewe-
gingsproces in meerdere stappen vast te leggen. Of afzonderlijke
opnamen of serieopnamen worden gemaakt, stelt u vooraf in via
menubediening:
De functie instellen
1. Menupunt Drive Mode selecteren, en
2. in het submenu Single of Continuous.
Na de instelling worden serieopnamen gemaakt zolang u de ont-
spanner 18 helemaal ingedrukt houdt (en de capaciteit van de
geheugenkaart voldoende is). Wanneer u deze echter slechts kort
indrukt, worden steeds afzonderlijke opnamen gemaakt.
Er kunnen maximaal circa 40 foto's (in JPG-indeling) snel achter
elkaar (maximaal circa 5 foto’s per seconde) worden gemaakt.
Daarna met iets vertraagde frequentie.
Aanwijzingen:
De genoemde opnamen per seconde en het maximaal mogelijke
aantal opnamen in een serie baseren op de standaardinstelling
- ISO 200 en als formaat LQJ PG. In andere instellingen, respectie-
velijk afhankelijk van de beeldinhoud, White Balance-instelling en
gebruikte geheugenkaart kunnen de frequentie en het aantal
lager zijn.
Onafhankelijk van het aantal opnamen in een serie, wordt in
beide weergavemodi eerst de laatste foto van de serie getoond,
respectievelijk tijdens het opslaan de laatste op de geheugen-
kaart reeds opgeslagen foto van de serie getoond.
NL
141
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
HET TIJDINSTELWIEL
Met het tijdinstelwiel 19 worden de belichtingsmodi geselecteerd:
tijdautomaatmodus door instelling op de rood gemarkeerde
A-stand,
handmatig door het kiezen van een sluitertijd tussen
1
4000
s t/m
8 s, (tussenwaarden die in ½ stappen vastklikken zijn eveneens
beschikbaar), alsook
de met het -symbool extra gemarkeerde, kortst mogelijke
synchronisatietijd
1
180
s voor de flitsmodus, en
B voor lange belichtingstijden.
Het tijd-instelwieltje heeft geen aanslag, het kan vanuit elke stand
in een willekeurige richting kan worden gedraaid. Het klikt bij alle
gegraveerde standen en de tussenwaarden vast. Tussenstanden
buiten de klikstanden mogen niet worden gebruikt. Meer informatie
over de instelling van de juiste belichting staat in de paragrafen
vanaf pagina 167.
NL
142
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
DE MENUBEDIENING
Vele instellingen worden op de camera via menubesturing gereali-
seerd.
De toegang tot de menubesturing verschilt, afhankelijk of menu-
punten al of niet in het menu FAVORITES zijn opgenomen:
In de fabrieksinstelling, en altijd als minstens één menupunt aan dit
menubereik is toegewezen, dient hij als 'startpagina'; dat wil zeg-
gen: in die situaties vindt de toegang plaats via dit menu
FAVORITES.
Het 'hoofdbereik' van het menu (het menu MAIN MENU) bevat altijd
alle menupunten. In de hierboven omschreven situaties is hij uit-
sluitend bereikbaar vanuit het menu FAVORITES. Als aan de laatste
echter geen menupunt is toegewezen, vindt de toegang in het
menu MAIN MENU direct plaats
Aan het menu FAVORITES kunt u maximaal 7 van de in totaal 26
menupunten van het menu MAIN MENU toewijzen. Dit biedt de mo-
gelijkheid de vaakst gebruikte menupunten bijzonder snel en een-
voudig op te roepen en in te stellen. Meer over dit menubereik
leest u op de volgende pagina's.
De betreende instellingen respectievelijk instellingsstappen van
de menupunten vinden in beide menu's op gelijke wijze plaats. Ze
worden bij ingeschakelde camera overzichtelijk en stap voor stap
op het LCD-scherm 31 getoond.
De menubediening oproepen
FAVORITES-menu
MENU-knop 22 indrukken
Het menu FAVORITES verschijnt. Naast de variabele punten bevat
het in de onderste regel altijd het punt MAIN MENU. Het momen-
teel actieve menupunt is na het oproepen eerst altijd het laatst
geselecteerde.
NL
143
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
MAIN MENU
Wanneer aan het FAVORITES-menu menupunten zijn toegewezen:
1. MENU-knop 22 indrukken
2. Met instelwieltje 28 of bovenste / onderste kant van de kruis-
knop 29 MAIN MENU kiezen
3. Middenknop 30 of rechter kant van de kruisknop indrukken
De eerste pagina van het menu MAIN MENU verschijnt.
Wanneer aan het menu FAVORITES geen menupunten zijn toege-
wezen:
MENU-knop 22 indrukken
De eerste pagina van het menu MAIN MENU verschijnt.
Een menupunt kiezen
1. Het gewenste menupunt kiezen:
Instelwiel 28 draaien (naar rechts = omlaag, naar links =
omhoog)
of
Bovenste of onderste kant van de kruisknop 29 indrukken
Aanwijzingen:
Het gebruik van het instelwiel is niet alleen gemakkelijker, maar
ook aanzienlijk sneller.
Individuele menu-items, zoals GPS en Format SD alsmede enkele
submenu-items kunnen alleen worden opgeroepen onder be-
paalde omstandigheden. Meer informatie hierover vindt u in de
betreende hoofdstukken.
De letters in de betreende regels zijn grijs om dit aan te geven.
NL
144
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
Instellen van de menuoptie
2. Het betreende submenu oproepen:
Middenknop 30 indrukken
of
Op de rechterkant van de kruisknop 29 drukken
In de kopregel wordt het actuele menupunt getoond.
De submenu's bestaan meestal uit verschillende optievari-
anten die u in de volgende stap direct kunt kiezen.
In sommige gevallen is er ook een schaal voor het instellen
van waarden of de submenu's zijn op hun beurt samenge-
steld uit items waar u opnieuw optievarianten voor kunt
instellen.
Aanwijzing:
Het menupunt GPS heeft als enige geen submenu. Details over de
instelling vindt u op pagina 190.
3. Gewenste functievarianten / waarden kiezen:
Instelwiel 28 in juiste richting draaien
of
Juiste kant van de kruisknop 29 indrukken,
omhoog / omlaag voor volgende / vorige regel, ofwel voor
het kiezen van de functievarianten, links / rechts voor in-
stellingen in een regel, of op een schaal.
In subpunten met selecteerbare functievarianten kunt u ook
naar een andere regel gaan met de middenknop 30.
Aanwijzing:
Sommige menu-items, zoals de Date & Time en de opties
Exposure Bracketing en White Balance vereisen bijkomende instel-
lingen. De toelichtingen en andere bijzonderheden over de andere
menufuncties staan in de betreende gedeelten.
NL
145
De belangrijkste instellingen / bedieningselementen
Instelling opslaan
Middenknop 30 indrukken
Op de monitor verschijnt weer het startscherm. Rechts op de
betreende menubalk staat nu de zojuist ingestelde optievari-
ant.
Menubediening verlaten
De menu's en submenu's kunt u op elk gewenst moment (en zon-
der de gewijzigde instellingen toe te passen) verlaten door op de
volgende knoppen te drukken: ontspanner 18, PLAY 23 en MENU
22.
Het menu FAVORITES beheren
Voor de maximaal zeven menupunten die u kunt toewijzen aan het
menu FAVORITES, staan bijna alle menupunten van het menu
MAIN MENU ter beschikking (zie pagina 216 voor een volledige
lijst).
1. In het menu MAIN MENU kiest u Customize Control,
2. in het betreende submenu Edit Favorites, en
3. het bijbehorende submenu oproepen.
4. Gewenste menupunt kiezen, en
5. door de middenknop 30 in te drukken er het menu FAVORITES
aan toevoegen: On, of eruit verwijderen: Off.
Er verschijnt een waarschuwing, als bij de poging een menu-
punt toe te voegen het menu FAVORITES er reeds zeven
heeft.
Aanwijzing:
Als u in stap 5 alle menupunten Off-schakelt, wordt daardoor ook
het menu FAVORITES in totaal gewist. Daarom verschijnt in een
dergelijke situatie, zoals beschreven op pagina 142, reeds bij het
oproepen van de menubediening door het indrukken van de knop
MENU het menu MAIN MENU.
NL
146
Camera-basisinstellingen
VOORINSTELLINGEN
CAMERA-BASISINSTELLINGEN
Aanwijzing:
Als u de camera voor de eerste keer instelt, respectievelijk na het
opnieuw inschakelen na een terugstellen op de fabrieksinstellingen
(zie pagina 193), of na een firmware-update verschijnen de vol-
gende beide menupunten automatisch.
Menutaal
De camera is af fabriek ingesteld op Engels. De andere selecteer-
bare menutalen zijn Duits, Frans, Spaans, Portugees, Russisch,
Japans, Koreaans, of traditioneel, respectievelijk vereenvoudigd
Chinees.
De functie instellen
1. Menupunt Language kiezen, en
2. in het submenu de gewenste taal.
Op enkele uitzonderingen na (knopaanduidingen, korte be-
grippen) worden alle gegevens in de taal gewijzigd.
Datum en tijd
De functies instellen
1. Menupunt Date & Time kiezen, en
2. het submenu oproepen. Het bestaat uit de vijf punten Auto
GPS Time, Time Zone, Daylight Saving Time, Date Setting, en
Time Setting.
Aanwijzing:
Wij adviseren de volgende drie instellingen in de vermelde volgorde
te realiseren.
Voor correcte tijdindicatie overal ter wereld:
3. Kies in het submenu Date & Time, Time Zone , en
4. in het submenu de gewenste zone/de momentele locatie.
Links in de regel staat de afwijking ten opzichte van Green-
wich Mean Time, rechts grotere steden in de betreende
tijdzones.
NL
147
Camera-basisinstellingen
Voor correcte tijdindicatie in landen met tijdaanpassing van
het seizoen:
5. In het submenu Date & Time kiest u Daylight Saving Time, en
6. hier dan de gewenste variant (On / Off) kiezen.
Aanwijzing:
Time Zone en Daylight Saving Time zijn alleen beschikbaar als de
optie via Auto GPS Time uit staat.
De tijd instellen
7. In het submenu Date & Time kiest u Time Setting.
8. In het submenu in de bovenste regel Time Format kiest u de
gewenste weergave, in de onderste regel uren, minuten en am
of pm (uitsluitend in combinatie met de indeling 12 hour moge-
lijk).
Activeren van de betreende instelling:
Rechter of linker kant van de kruisknop indrukken.
De geselecteerde positie is rood onderstreept.
Instellen:
Instelwiel draaien of bovenste of onderste kant van de kruis-
knop indrukken.
Automatische, door GPS gestuurde tijdindicatie
Dit menupunt staat uitsluitend ter beschikking als de met een
geïntegreerde GPS-antenne uitgeruste elektronische zoeker is
geplaatst (als accessoire leverbaar), en in het menu het punt GPS
is ingeschakeld (zie pagina 190).
9. In het submenu Date & Time kiest u Auto GPS Time, en
10. daar schakelt u de functie On of Off.
Als u de optie hebt geactiveerd, zal de op de camera ingestelde tijd
continu aan de hand van de ontvangen GPS-signalen worden ge-
corrigeerd.
De datum instellen:
Er zijn drie varianten voor de volgorde van weergave beschikbaar.
3. In het submenu Date & Time kiest u Date Setting.
4. In het bijbehorende submenu in de bovenste regel Date ForQ
mat kiest u de gewenste weergave, in de onderste regel jaar,
maand en dag.
Activeren van de betreende instelling:
Rechter of linker kant van de kruisknop indrukken.
De geselecteerde positie is rood onderstreept.
Instellen:
Instelwiel draaien of bovenste of onderste kant van de kruis-
knop indrukken.
Aanwijzing:
Zelfs als er geen accu is geplaatst, of als deze leeg is, blijft de
instelling van datum en tijd door een ingebouwde bueraccu gedu-
rende circa 2 maanden behouden. Daarna moeten ze zoals hier-
voor beschreven opnieuw worden ingesteld.
NL
148
Camera-basisinstellingen
Automatisch uitschakelen
Deze functie schakelt de camera vanzelf na een vooraf ingestelde
tijd uit.
De functie instellen
1. Menupunt Automatic Power Saving kiezen, en
2. in het submenu de gewenste tijdsduur, respectievelijk de func-
tie Off-schakelen.
Aanwijzing:
Ook als de camera door deze functie werd uitgeschakeld, kunt u de
camera te allen tijde door indrukken van de ontspanner 18 weer
activeren.
Monitor-/zoekerinstellingen
Omschakelen tussen monitor en zoeker
Als u de als accessoire leverbare zoeker gebruikt, kunt u zowel voor
de Live View-, als voor de weergavemodus vastleggen, wanneer de
monitor of de zoeker moet worden gebruikt voor de betreende
weergaven. In de fabrieksinstelling vindt de wisseling automatisch
plaats (onder gebruik van de naderingssensor in het oculair van de
zoeker)
De functie instellen
1. Menupunt EVF/Display Control kiezen, en
2. in het submenu Play Screen Target (voor de weergavemodus)
of LV Screen Target (voor de Live View-modus).
3. In beide bijbehorende submenu's hetzij Auto kiezen, of de
betreende weergaven uitsluitend in de monitor (Monitor), of
uitsluitend in de zoeker (EVF) moeten plaatsvinden.
NL
150
Opname-basisinstellingen
OPNAME-BASISINSTELLINGEN
DETECTIE OBJECTIEFTYPE
De 6-bit codering in de bajonet van de huidige Leica M-objectieven
stelt de camera in staat met de sensor in zijn bajonet het ge-
plaatste objectieftype te herkennen.
Deze informatie wordt o.a. voor het optimaliseren van de beeld-
gegevens gebruikt. Bijvoorbeeld wordt de randverduistering, die
bijv. bij groothoekobjectieven en grote diafragmaopeningen
bijzonder opvallend kan zijn, in de beeldgegevens gecompen-
seerd.
Ook de regeling van de flitsbelichting en de flitsreflector maakt
gebruik van de objectiefgegevens (zie 'Geschikte flitsapparaten',
pagina 182).
Bovendien wordt de informatie die deze 6-bit codering oplevert
in de EXIF-gegevens van de opnamen weggeschreven. In de
uitgebreide beeldgegevens zal de brandpuntsafstand van het
objectief bovendien worden weergegeven.
De functie instellen
1. Menupunt Lens Detection kiezen, en
2. in het submenu de gewenste variant:
OFF, of
Auto , als een gecodeerd Leica M-objectief is geplaatst, of
Manual M/Manual R, als een ongecodeerd Leica M-objectief
is geplaatst / een Leica R-objectief met behulp van de Leica
R-adapter M op de camera kunnen worden gebruikt (als
accessoire leverbaar, voor meer details verwijzen wij u naar
de instructies van de adapter).
Aanwijzingen:
Bij het plaatsen van een gecodeerd Leica M-objectief schakelt
de camera automatisch om naar Auto, ook als vooraf in
Manual M een ander objectief is ingevoerd.
Bij gebruik van Leica R-objectieven schakelt de camera automa-
tisch om naar Manual R, ook als vooraf Auto is ingevoerd.
Bij gebruik van Leica M-objectieven zonder codering moet Auto
ten behoeve van vermijding van storingen niet worden gebruikt;
dat wil zeggen: in die situaties moet altijd het gebruikte objec-
tieftype handmatig worden ingevoerd.
Handmatig ingeven van het objectieftype / de brandpunts-
afstand
Vroegere Leica M-objectieven worden bij gebrek aan codering niet
herkend door de camera. U kunt ze echter wel via het menu invoe-
ren.
Hetzelfde geldt voor Leica R-objectieven.
3. In het submenu Manual M/Manual R kiezen, en
0p de monitor verschijnt de bijbehorende lijst met objectie-
ven waarin voor ondubbelzinnige identificatie ook de betref-
fende artikelnummers staan vermeld. De camera kan detec-
teren of er een M-objectief is bevestigd, of een Leica
R-objectief d.m.v. de adapter. Bijgevolg zal de lijst ofwel M-,
of R-objectieven bevatten.
4. Kies in de betreende lijst het objectief dat u gebruikt.
NL
151
Opname-basisinstellingen
Aanwijzingen voor Leica M-objectieven:
Het artikelnummer is bij vele objectieven aan de andere kant van
de scherptediepteschaal gegraveerd.
De lijst vermeldt objectieven die zonder codering verkrijgbaar
waren (circa vóór juni 2006). Objectieven van een latere intro-
ductiedatum zijn uitsluitend gecodeerd verkrijgbaar en kunnen
daarom niet handmatig worden geselecteerd.
Bij gebruik van de Leica Tri-Elmar-M 16-18-21 mm f/4 ASPH.
wordt de ingestelde brandpuntsafstand niet aan de camerabe-
huizing overgedragen en daarom ook niet in de EXIF-gegevensre-
cord van de opnamen vermeld. U kunt de brandpuntsafstand
echter naar wens handmatig opgeven.
De Leica Tri-Elmar -M 28-35-50 mm f/4 ASPH. bezit daarente-
gen de voor de inspiegeling van de geschikte lichtkaders in de
zoeker noodzakelijke mechanische overbrenging van de ingestel-
de brandpuntsafstand naar de camera. Deze wordt door de
elektronica van de camera afgetast en voor correctie van deze
brandpuntsafstand gebruikt. Wegens gebrek aan ruimte staat in
het menu alleen een artikelnummer - 11 625. Vanzelfsprekend
ook de beide andere varianten – 11 890 en 11 894 – gebruiken
en de in het menu ingestelde waarden gelden hiervoor net zo.
NL
152
Opname-basisinstellingen
BESTANDFORMAAT
Registratie van de beeldgegevens kan naar keuze gebeuren
a. met het bestandsformaat JPG, of
b. met het bestandsformaat DNG, of
c. gelijktijdig met beide formaten (dat wil zeggen: er ontstaan dan
per opname altijd twee bestanden).
Dit maakt enerzijds een precieze afstemming op de beoogde toe-
passingsdoeleinden respectievelijk op het gebruik van de aanwezi-
ge geheugencapaciteit op de kaart mogelijk, maar anderzijds ook
op de benodigde zekerheid en flexibiliteit voor toepassingen nader-
hand.
De functie instellen
1. Menupunt Photo File Format kiezen, en
2. in het bijbehorende submenu het gewenste formaat, respectie-
velijk de gewenste combinatie.
Aanwijzingen:
Voor de ongecomprimeerde opslag van onbewerkte opnamege-
gevens wordt het gestandaardiseerde formaat DNG (Digital
Negative) gebruikt.
Bij gelijktijdige opslag van de beeldgegevens als DNG en JPG
wordt voor het JPG-formaat de bestaande instelling van de
resolutie gebruikt; dat wil zeggen: de beide bestanden kunnen
vaak verschillende resoluties hebben.
Het op de monitor getoonde, resterende aantal opnamen veran-
dert niet noodzakelijkerwijs na elke opname. Dit hangt van het
object af; zeer fijne structuren resulteren in een grotere hoeveel-
heid gegevens, homogene vlakken in een kleinere hoeveelheid.
JPG-INSTELLINGEN
Aanwijzing:
De in deze paragraaf beschreven functies en instellingen hebben
uitsluitend betrekking op opnamen in het JPG-formaat. Op de
beeldgegevens in DNG-formaat hebben ze geen eect, omdat deze
in principe altijd in de oorspronkelijke vorm worden opgeslagen.
Resolutie
De registratie van de beeldgegevens is in het JPG-formaat met drie
verschillende resoluties mogelijk. Dit maakt een precieze afstem-
ming op het voorgenomen gebruik, respectievelijk de capaciteit van
de aanwezige geheugenkaart mogelijk. Met de hoogste resolutie
(overeenkomend met de grootste datahoeveelheid), die u bijv. voor
de hoogste kwaliteit bij grotere afdrukken dient te kiezen, kunnen
natuurlijk aanzienlijk minder opnamen op een kaart worden opge-
slagen dan met de laagste resolutie.
De functie instellen
1. Menupunt JPG Settings kiezen,
2. in het submenu JPG Resolution, en
3. in het bijbehorende submenu de gewenste resolutie.
NL
153
Opname-basisinstellingen
Contrast, scherpte, kleurverzadiging
In de elektronische fotografie kunnen naast de resolutie andere,
wezenlijke beeldeigenschappen eenvoudig worden aangepast.
Terwijl beeldbewerkingsprogramma’s dit – nadat de opname is
gemaakt en op de computer geladen – in grote mate mogelijk
maken, kunt u met deze camera drie van de belangrijkste beeldei-
genschappen al voor de opname beïnvloeden:
Het contrast, dat wil zeggen het verschil tussen lichte en donke-
re partijen, bepaalt of een beeld eerder „mat“ of „briljant“ over-
komt. Daarom kan het contrast door vergroten of verkleinen van
dit verschil, dat wil zeggen door de heldere weergave van lichte
en donkere partijen worden beïnvloed.
Een scherpe afbeelding door de juiste afstandsinstelling – ten-
minste van het hoofdonderwerp - is een voorwaarde voor een
gelukte opname. De scherpe indruk van een beeld wordt weer
sterk bepaald door de scherpte aan de zijkanten, dat wil zeggen
hoe klein het overgangsgebied van licht naar donker aan de
zijkanten van het beeld is. Door het vergroten of verkleinen van
dit gebied kan dus ook de indruk van scherpte worden gewijzigd.
De kleurverzadiging bepaalt of de kleuren op het beeld meer
„flets“ en pastelkleurig of „knallend“ en bont overkomen. Terwijl
lichtomstandigheden en weersgesteldheid (nevelig/helder) voor
de opname een gegeven zijn, kan hierdoor de weergave worden
beïnvloed.
Alle drie beeldeigenschappen kunnen (onafhankelijk van elkaar) op
drie niveaus worden ingesteld, zodat u ze optimaal kunt aanpassen
aan de betreende situatie en / of uw voorstellingen
De functies instellen
1. Menupunt JPG Settings kiezen,
2. in het submenu Contrast, of Sharpness, of Saturation, en
3. in het betreende submenu het gewenste niveau.
Aanwijzing:
De resolutie is bij het DNG-formaat altijd 24MP, dat wil zeggen
onafhankelijk van een mogelijk andere instelling voor het JPG-for-
maat.
Zwart/wit-opnamen
Zolang u uw opnamen (ook) in het JPG-formaat wilt registreren,
kunt u kiezen of u ze in kleur of in zwart/wit wilt bewaren.
De functies instellen
1. Menupunt JPG Settings kiezen,
1. in het submenu Monochrome, en
2. hier de functie On- of Offschakelen.
Aanwijzing:
Bij het gebruik van Monochrome is het submenu Saturation niet
beschikbaar (= grijs weergegeven).
NL
154
Opname-basisinstellingen
WITBALANS
In de digitale fotografie zorgt de witbalans voor een neutrale kleur-
weergave bij elk licht. De kleur die als wit moet worden weergege-
ven, wordt vooraf in de camera ingesteld.
U kunt uit tien verschillende instellingen kiezen:
Auto – voor de automatische regeling, die in de meeste situaties
neutrale resultaten levert.
Acht vaste voorinstellingen voor de meest voorkomende licht-
bronnen:
Daylight, - bijv. voor buitenopnamen in de zon,
Cloudy: bijvoorbeeld voor buitenopnamen bij bewolkte
hemel,
Shadow, - bijv. voor buitenopnamen met het hoofdonder-
werp in de schaduw,
Tungsten, - bijv. voor binnenopnamen met (voornamelijk)
licht van gloeilampen,
Fluorescent Warm: voor opnamen met (voornamelijk) licht
van TL-buizen, bijvoorbeeld voor woonruimten met warm licht
van circa 3700 K
1
dat het licht van gloeilampen nabootst,
Fluorescent Cool: voor opnamen met (voornamelijk) licht
van TL-buizen, bijvoorbeeld voor werkruimten en buitenverlich-
ting met koel licht van circa 5800 K
1
,
Flash - bijvoorbeeld voor opnamen met elektronische
flitsbelichting,
Gray Card – voor de handmatige instelling door meting en
Color Temperature
1
– voor een direct instelbare kleurtempera-
tuurwaarde.
1
Kleurtemperaturen worden in principe in Kelvin aangegeven.
Aanwijzing:
Bij het gebruik van elektronenflitsers die over de technische moge-
lijkheden van een System-Camera-Adaption (SCA) van het systeem
3000 en over de adapter SCA-3502-5 beschikken, of een overeen-
komstig geïntegreerde voet, kan de witbalans voor een juiste kleur-
weergave op Auto worden gezet.
Wanneer er echter andere, niet specifiek op de camera afgestemde
flitsapparaten worden gebruikt, die de witbalans van de camera
niet automatisch omschakelen, moet de instelling Flits worden
gebruikt.
De functie instellen
Voor de automatische of een van de vaste instellingen
1. In het menu White Balance kiezen, en
2. in het submenu de gewenste functie.
NL
155
Opname-basisinstellingen
Voor directe instelling van de kleurtemperatuur
U kunt waarden tussen 2000 en 13100 (K) direct instellen (van
2000 tot 5000K in stappen van 100, van 5000 tot 8000K in stap-
pen van 200 en van 8000 tot 13100K in stappen van 300). Daar-
mee is een zeer groot gebied beschikbaar dat bijna alle in de prak-
tijk voorkomende kleurtemperaturen dekt en waarbinnen u de
kleurweergave zeer nauwkeurig op de aanwezige lichtkleur en uw
persoonlijke voorkeur kunt afstemmen.
1. Menuoptie White Balance kiezen,
2. in het submenu de variant Color Temperature, en
3. kies met het instelwiel 28 of met de bovenste/onderste kruis-
knop 29 de gewenste waarde.
Voor de handmatige instelling door meting
1. In het menu White Balance kiezen, en
2. in het bijbehorende submenu de variant Gray Card.
Op de monitor verschijnt de melding: Please take a picture
for setting the white balance.
3. Maak nu een opname en let er daarbij op dat er een wit of
neutraal grijs (referentie-)vlak in beeld is.
Op de monitor verschijnt
de afbeelding op basis van de automatische witbalans-in-
stelling
een haarkruis in het beeldmiddelpunt
rechtsboven Preview als aanwijzing voor de verdere
bediening
4. Door de betreende kant van de kruisknop op het detail van
het onderwerp te richten dat de basis voor de nieuwe witba-
lans-instelling moet vormen (bijvoorbeeld op het genoemde
referentievlak).
5. Middenknop 30 indrukken.
De kleurweergave van het beeld wordt overeenkomstig
aangepast. Rechtsboven verschijnt Save als aanwijzing
voor de verdere bediening
6. Deze nieuwe witbalansinstelling
ofwel overnemen – door nogmaals de middenknop in te
drukken,
Op de monitor verschijnt de melding: White balance is
set.
of voor een herhaling van de gehele procedure (stappen 2-6)
MENU-knop 22 indrukken.
Een waarde die op deze wijze is bepaald, blijft zo lang opgeslagen
(dat wil zeggen: hij wordt voor alle volgende opnamen gebruikt), tot
er óf een nieuwe meting óf een andere instelling van de witbalans
wordt gebruikt.
NL
156
Opname-basisinstellingen
ISO-GEVOELIGHEID
De ISO-instelling heeft een gebied van ISO 100 – 50000, wat de
aanpassing aan de betreende situaties mogelijk maakt.
Behalve de vaste instellingen biedt de camera ook de optie A
1
waardoor de camera de gevoeligheid automatisch aan het omge-
vingslicht, respectievelijk de gekozen sluitertijd-/diafragmawaar-
den aanpast. In combinatie met de tijdautomaat (zie pagina 169)
wordt hierdoor het gebied van de automatische belichtingsregeling
uitgebreid.
Bij handmatige instellingen biedt dit meer ruimte voor het gebruik
van de gewenste sluitertijd/diafragmacombinatie.
De automatische instelling biedt echter ook de mogelijkheid priori-
teiten vast te leggen, bijvoorbeeld om creatieve redenen.
Aanwijzing:
In het bijzonder bij hoge ISO-waarden en latere beeldbewerking en
vooral in grotere gebieden van uniforme helderheid van het onder-
werp kan er ruis zichtbaar worden, alsmede verticale en horizonta-
le strepen.
1
Voor combinatie met het gebruik van flitsapparaten is deze optie niet beschik-
baar.
De functie instellen
Met het ISO-instelwiel 10
Ter beschikking staan de op het wiel gegraveerde waarden, en de
posities A voor de automatische instelling en M voor tussenwaar-
den, bijvoorbeeld 250, maar ook voor hogere waarden zoals 6400.
In zijn rustpositie (onder) is het wiel vergrendeld.
1. Instelwiel omhoog trekken, en
2. zo draaien dat de gewenste waarde of instelling tegenover de
index 11 staat
De ingestelde waarde verschijnt.
in de zoeker (voor circa 2 s in plaats van de sluitertijd)
in de monitor (uitsluitend wanneer de weergaven vooraf
waren opgeroepen)
3. Instelwiel naar beneden duwen
Verdere instellingen vinden in het menu plaats.
Als tussenwaarden of hogere waarden moeten worden
ingesteld: MQISO
4. Menupunt ISO Setup kiezen,
5. in het submenu MQISO, en
6. in het bijbehorende submenu uit de lijst de gewenste waarde.
NL
157
Opname-basisinstellingen
Als u het bereik van de automatische instelling wilt begrenzen
4. Menupunt ISO Setup kiezen,
5. in het submenu Maximum Auto ISO, respectievelijk Maximum ExQ
posure Time, en
6. in de betreende submenu´s de gewenste waarden.
In het submenu Maximum Auto ISO legt u met de gekozen hoog-
ste gevoeligheid het bereik vast waarbinnen de automatische
instelling moet werken. In het submenu Maximum Exposure Time
kunt u óf het aan de camera overlaten, sluitertijden te bereke-
nen die geen onscherpte veroorzaken, met één van de drie
brandpuntsafstand-gerelateerde instellingen 1/f, 1/(2f), 1/(4f)
2
,
óf zelf de langste sluitertijd invoeren, tussen 1/2 s en 1/500 s. Bij
de instellingen die op brandpuntsafstand zijn gebaseerd, scha-
kelt de camera pas over op een hogere filmgevoeligheid als
wegens geringere lichtsterkte de sluitertijd onder de betreende
drempel zou vallen, dus bijvoorbeeld met een 50 mm-objectief
bij langere tijden dan
1
60
s bij 1/f, respectievelijk
1
125
s bij 1/(2f),
of
1
250
s bij 1/(4f).
2
Deze functie vereist het gebruik van gecodeerde objectieven, respectievelijk de
instelling van het gebruikte objectieftype in het menu (zie pagina 150).
Aanwijzing:
Bij gebruik van de automatische belichtingsserie (zie pagina 172)
geldt de volgende regel:
De gevoeligheid die door de camera automatisch voor de niet-
gecorrigeerde opname is bepaald, zal ook voor alle andere opna-
men van een serie worden toegepast; dat wil zeggen dat deze
ISO-waarde tijdens een serie niet wordt veranderd. Dit kan er mo-
gelijk toe leiden dat de langste onder Maximum Exposure Time inge-
stelde sluitertijd overschreden wordt.
NL
158
Opnamemodus
DE LICHTKADER-MEETZOEKER
De lichtkader-meetzoeker van deze camera is niet alleen een bij-
zonder hoogwaardige, grote, briljante en heldere zoeker, maar ook
een aan het objectief gekoppelde, zeer precieze afstandmeter. De
koppeling gebeurt automatisch met alle Leica M-objectieven van
16 tot 135mm brandpuntsafstand als ze op de camera worden
geplaatst. De zoeker heeft een vergrotingsfactor van 0,72x.
Als u objectieven met brandpuntsafstanden 28 (Elmarit vanaf fabri-
cagenummer 2 411 001), 35, 50, 75, 90 en 135 mm gebruikt,
lichten automatisch de bijbehorende lichtkaders in de combinaties
28+90 mm, 35+135 mm, 50+75 mm op. Zodra de camera-elektro-
nica wordt ingeschakeld, verschijnen ze (door LEDs wit verlicht)
samen met de LEDs van de belichtingsmeter, respectievelijk het
LED-flitssymbool aan de onderste rand van het zoekerbeeld.
Ze zijn zodanig met de afstandsinstelling gekoppeld dat de parallax
(de oset tussen de objectief- en zoekeras) automatisch wordt
gecompenseerd. De sensor registreert bij afstanden van minder
dan 2 m iets minder dan dat de binnenkanten van de lichtkaders
aanduiden, bij grotere afstanden iets meer (zie afbeeldingen hier-
naast). Deze geringe afwijkingen zijn in de praktijk zelden van door-
slaggevende betekenis en worden bepaald door het principe:
Lichtkaders van een zoekercamera moeten op de beeldhoek van
de betreende objectief-brandpuntsafstanden worden afgestemd.
De nominale beeldhoek verandert echter iets bij het scherpstellen
vanwege de daarbij veranderende uittrekking; dat wil zeggen: door
de afstand van het optische systeem van het sensorvlak. Als de
ingestelde afstand kleiner is dan oneindig (en overeenkomstig de
uittrekking groter), wordt ook de werkelijke beeldhoek kleiner: het
objectief registreert minder van het onderwerp. Bovendien zijn de
verschillen van de beeldhoek bij langere brandpuntsafstanden ten
gevolge van de grotere uittrekking ook groter.
In het midden van het zoekerveld ligt het rechthoekige af-
stand-meetveld, dat lichter is dan het omliggende beeldveld. Meer
over de afstands- en belichtingsmeting evenals de flitsmodus staat
in de betreende paragrafen.
22:45 PM 22.02.2012
999-9000
8234/999912MP
2.8F 1/8000 12500ISO EV
A
B
Alle opnamen en lichtkader-posities gelden voor een brandpuntsafstand van
50mm
A
Lichtkader
B
Werkelijk beeldveld
Instelling op 0,7 m: De sensor registreert circa één kaderbreedte minder.
Instelling op 2 m: De sensor registreert precies het beeldveld dat door
de binnenkanten van het lichtkader wordt getoond.
Instelling op oneindig: De sensor detecteert één respectievelijk vier (verti-
caal of horizontaal) kaderbreedte(n) meer.
NL
159
Opnamemodus
DE BEELDVELDKIEZER
De beeldveldkiezer breidt de mogelijkheid van deze ingebouwde
universele zoeker nog uit: met deze ingebouwde universele zoeker
kunt u te allen tijde de beeldkaders in beeld brengen die niet tot
het op dat moment gebruikte objectief behoren. U ziet dan direct
of het voor de beeldvorming gunstiger is het onderwerp met een
andere brandpuntsafstand op te nemen.
35 mm + 135 mm
50 mm + 75 mm
22:45 PM 22.02.2012
999-9000
8234/999912MP
2.8F 1/8000 12500ISO EV
28 mm + 90 mm
22:45 PM 22.02.2012
999-9000
8234/999912MP
2.8F 1/8000 12500ISO EV
NL
160
Opnamemodus
DE MONITOR
De camera heeft een grote monitor, door een afdekglas van ex-
treem hard en bijzonder krasbestendige Gorilla
®
-glas beschermde
3“ LCD-kleurenmonitor 31. In de opnamemodus bij ingeschakelde
Live View geeft deze het beeld weer dat de sensor via het objectief
heeft geregistreerd. In de weergavemodus dient deze het bekijken
van de opnamen op de geheugenkaart. In beide gevallen wordt het
volledige beeldveld en de betreende geselecteerde gegevens en
informatie weergegevens (zie pagina 212).
De helderheid van het monitorbeeld kan worden aangepast in de
menubediening. U kunt naar keuze de automatische regeling kie-
zen, dat wil zeggen afhankelijk van de externe lichtsterkte, of een
van vijf handmatig in te stellen niveaus, zodat u de monitor opti-
maal aan de momentele situatie kunt aanpassen
Instellen van de helderheid
1. Menupunt Display Brightness kiezen, en
2. in de submenulijst de automatische instelling of het gewenste
niveau.
Aanwijzingen:
U kunt alle in deze handleiding beschreven indicaties (naar
wens) ook in een geplaatste elektronische zoeker bekijken (zoals
de optioneel verkrijgbare Leica Visoflex)
Met het menupunt EVF Brightness kunt u op dezelfde wijze als
hierboven beschreven de helderheid van een dergelijke zoeker
instellen.
INFO-beeldscherm
Bij gebruik van de meetzoeker kunt u de monitor met het indrukken
van de middenknop gebruiken om een reeks instellingen weer te
geven.
LIVE VIEW-MODUS
Met de Live View-modus van deze camera kunt u tijdens de opna-
me het onderwerp op de monitor bekijken, wat precies zo wordt
weergegeven als het geplaatste objectief het weergeeft. Deze
modus is ook vereist voor het gebruik van bepaalde focusseer- (zie
pagina 165) en belichtingsmethoden.
De Live View-functie in-/uitschakelen
LV-knop 24 indrukken.
Aanwijzingen:
De Live View-modus is gebaseerd op het beeld dat door de
sensor wordt geregistreerd. Daartoe moet de camera de sluiter
regelen. Dit is natuurlijk hoorbaar en kan eventueel ook een
korte ontspanvertraging met zich meebrengen.
Met name bij langer gebruik van de Live View-modus wordt de
camera warmer. Tegelijkertijd wordt het stroomverbruik hoger.
Wisselstroom veroorzaakt bij vele lichtbronnen helderheidvaria-
ties, die onzichtbaar zijn voor het oog. Vanwege de gevoeligheid
en de uitleesfrequentie van beeldsensoren kan dit leiden tot een
flikkerend beeld op de Live View-monitor. Dat geldt niet voor de
opnamen. Door een lange sluitertijd te kiezen, kunt u dit eect
bij de opname vermijden.
NL
161
Opnamemodus
Belichtingssimulatie
In de fabrieksinstelling wordt het onderwerp in de lichtsterkte
weergegeven die overeenkomt met de optimale belichtingsrege-
ling
1
. Dat geldt ongeacht de gebruikte belichtingsmodus (tijdauto-
maat / handmatige instelling), en onafhankelijk van de ingestelde
sluitertijd-/diafragmawaarden.
Als u de ontspanknop tot het eerste drukpunt indrukt, zal de hel-
derheid van het monitorbeeld wel met de betreende belichtingsre-
geling overeenstemmen. Hierdoor is een inschatting van het eect
van de betreende belichtingsregeling op de afbeelding vóór de op-
name mogelijk.
Dit wordt weergegeven door.
Zowel voor de tijdautomaat als de handmatige belichtingsinstelling
staat een instelling ter beschikking, waarbij daadwerkelijk beeldef-
fect permanent wordt weergegeven.
De functie instellen
1. Menupunt Capture Assistants kiezen,
2. in het submenu Exposure Simulation, en
3. daar Release half pressed (fabrieksinstelling) of Permanent
(voor handmatige belichtingsregeling).
1 Dit geldt zolang de helderheid van het onderwerp en de ingestelde belichting
geen te lage of hoge helderheidswaarden opleveren en zolang de intern belich-
tingstijd niet langer is dan
1
60
s.
Overige weergaveopties
In het Live View-monitorbeeld kunnen verschillende soorten infor-
matie worden weergegeven. De meesten verschijnen in een kop-
en een voetregel (zie daartoe ook pagina 212).
In de standaardinstelling verschijnt eerst (dat wil zeggen: zonder
dat een of andere knop wordt ingedrukt) slechts het beeld en,
zolang de ontspanner in het eerste drukpunt wordt gehouden, ook
de voetregel.
Met het indrukken van de middenknop 3 kunnen kop- en voetregel
permanent worden opgeroepen. In dit geval laat het vasthouden
van de ontspanner in het eerste drukpunt beiden verdwijnen.
Naast de standaardinformatie in kop- en voetregel kunt u een serie
andere weergaven selecteren, om het monitorbeeld in opname- en
weergavemodus aan te passen aan uw wensen. Hiertoe behoren
hulpfuncties voor de belichtingsinstelling en beeldvorming, maar
ook voor het scherpstellen. Laatsten worden in het kader van de
paragraaf 'Afstandsmeting' op de pagina 164 behandeld.
NL
162
Opnamemodus
Histogram
Het histogram geeft de helderheidsverdeling van de opname weer.
Daarbij komt de horizontale as overeen met de tinten die van zwart
(links) via grijs naar wit (rechts) lopen. De verticale as komt over-
een met de hoeveelheid pixels van de desbetreende helderheid.
Deze grafische weergave maakt – naast de beeldindruk zelf – een
extra snelle en eenvoudige beoordeling van de belichtingsinstelling
mogelijk.
De functie instellen
1. Menupunt Capture Assistants kiezen,
2. in het submenu Histogram, en
3. daar schakelt u de functie On of Off.
Aanwijzing:
Als de Release half pressed (zie vorige pagina) ingesteld is, ver-
schijnt het histogram uitsluitend bij aangetikte ontspanner.
Clipping
De clipping-weergaven tonen rood knipperend de lichte, en blauw
knipperend de donkere gedeelten van een afbeelding aan, die
zonder tekening, dat wil zeggen over- of onderbelicht worden. Om
deze weergaven aan te passen aan specifieke voorwaarden of uw
vormgevende voorstellingen, kunt u drempelwaarden vastleggen,
dat wil zeggen: bij welke graad van over-/onderbelichting ze
verschijnen.
Daarmee bieden de clipping-weergaven u de mogelijkheid, betref-
fende beelddelen heel eenvoudig te herkennen en de belichtingsin-
stelling nauwkeurig aan te passen.
De functie instellen
1. Menupunt Capture Assistants kiezen, en
2. in het submenu Exposure Clipping.
Er verschijnt een volgend submenu met de regels
Clipping Enabled, Lower Limit, Upper Limit en daaronder een
schaalverdeling, die zowel de betreende ingestelde waarde
als de instelgrenzen weergeeft.
3. In de regel Clipping Enabled de functie On- of Off-schakelen. Als
hij is uitgeschakeld, zijn de beide andere regels niet beschik-
baar (= grijs).
4. (Optioneel) In de regels Lower Limit en Upper Limit de gewens-
te onderste en bovenste drempelwaarde instellen.
NL
163
Opnamemodus
Aanwijzingen:
Het histogram is altijd gebaseerd op de weergegeven helderheid,
dat wil zeggen, afhankelijk van de gebruikte instellingen kan hij
de definitieve belichting eventueel niet weergeven.
In de opnamemodus moet het histogram worden begrepen als
"trend-indicator" en niet als een weergave van het exacte aantal
pixels.
Bij een opname met flits kan het histogram de uiteindelijke be-
lichting niet afbeelden, omdat de flits eerst na de weergave
wordt geactiveerd.
Het histogram kan bij de weergave van een beeld iets van die bij
de opname afwijken.
Het histogram is bij de gelijktijdige weergave van meerdere ver-
kleinde, respectievelijk vergrote opnamen niet beschikbaar.
De Clipping-indicator heeft altijd betrekking op de actueel ge-
toonde uitsnede van de opname.
Raster
Er zijn twee rasterweergaven beschikbaar. Ze verdelen het beeld-
veld in 3x3 of in 6x4 velden. Ze vereenvoudigen de beeldvorming,
maar ook de precieze oriëntatie van de camera.
De functie instellen
1. Menupunt Capture Assistants kiezen,
2. in het submenu Grids, en
3. in het bijbehorende submenu de gewenste instelling, of de
functie Off-schakelen.
NL
164
Opnamemodus
AFSTANDSMETING
Voor de afstandsinstelling kunt u verscheidene hulpmiddelen ge-
bruiken, afhankelijk van of u de camera-interne, optische zoeker 27
of de Live View-modus (zie pagina 165) gebruikt.
Met de optische zoeker
Met de afstandsmeter van deze camera kan vanwege zijn grote
eectieve meetbasis zeer precies worden gewerkt. Dit blijkt vooral
bij het gebruik van groothoekobjectieven met hun relatief grote
scherptediepte gunstig te zijn. Het meetveld van de afstandsmeter
is in het midden van de zoeker als lichte, scherp afgebakende
rechthoek te zien. De scherpte kan volgens de mengbeeld- of deel-
beeldmethode worden ingesteld:
Mengbeeldmethode (dubbelbeeld)
Richt bijvoorbeeld bij een portret het meetveld van de afstandsme-
ter op het oog, en draai net zo lang aan de afstand-instelring van
het objectief, totdat de contouren in het meetveld samenvallen.
Daarna de uitsnede van het onderwerp vastleggen.
onscherp scherp
Deelbeeldmethode
Richt bijvoorbeeld voor een architectuuropname het meetveld van
de afstandsmeter op de verticale of een andere duidelijk afgeba-
kende verticale lijn, en draai met de afstandsinstelring van het
objectief net zo lang, totdat de contouren van de kant of lijn op de
begrenzingen van het meetveld zonder oset te zien zijn. Daarna
de uitsnede van het onderwerp vastleggen.
onscherp scherp
Aanwijzing:
Let ten aanzien van de instelnauwkeurigheid ook op de derde aan-
wijzing op pagina 136.
NL
165
Opnamemodus
Met het monitorbeeld in de Live View-modus
In de Live View-modus kunt u met behulp van de monitor focusse-
ren: De monitor geeft het onderwerp net zo scherp weer als het
door het objectief wordt afgebeeld, afhankelijk van de afstands- en
diafragma-instelling.
Dit geldt voor alle gebruikte objectieven, dat wil zeggen ook met
Leica R-objectieven.
Aanwijzing:
Vanwege de verschillende gevoeligheden en gebruiksomstandighe-
den kunnen er verschillen optreden tussen de als optimaal ervaren,
ofwel de weergegeven instellingen.
Werkwijze
1. Met het indrukken van de knop LV 24 Live View-modus inscha-
kelen.
2. Stel met de afstandsinstelring van het objectief de gewenste
delen van het onderwerp scherp.
Hulpmiddelen voor de handmatige scherpstelling in de
Live View-modus
Om de instelling te vergemakkelijken of om de instelnauwkeurig-
heid te verhogen, zijn twee weergavevarianten beschikbaar:
Vergroten van een (aanvankelijk) centraal fragment van het mo-
nitorbeeld.
Markeren van scherpe onderwerpdelen in het monitorbeeld.
Beide varianten kunnen gezamenlijk worden toegepast.
Een uitsnede vergroten
Deze optie kan op drie manieren worden opgeroepen.
Voor incidenteel gebruik
Met de Focus-knop:
1. Menupunt Capture Assistants kiezen,
2. in het submenu Focus Aid, en
3. daar de functie Manual.
4. Focus-knop 3 indrukken.
Voor continu gebruik
Met de afstandsinstelring van het objectief:
1. Menupunt Capture Assistants kiezen,
2. in het submenu Focus Aid, en
3. daar de functie Automatic.
4. De afstandsinstelring van het objectief 16 draaien.
Met het instelwiel van de camera:
1. Menupunt Customize Control kiezen,
2. in het submenu Customize Wheel, en
3. in het bijbehorende submenu LV Zoom.
4. Het instelwiel van de camera 28 draaien.
Zodra de Focus-knop ingedrukt, respectievelijk de ring of
het instelwiel gedraaid wordt, toont het monitorbeeld:
het vergrote gebied
onder links met behulp van een rechthoek binnen een
frame bij benadering de positie van het fragment
NL
166
Opnamemodus
De verdere bediening is in beide gevallen hetzelfde:
5. (Optioneel)
Vergrotingsfactor met het instelwiel 28 veranderen, in twee
niveaus.
Positie van het fragment binnen het beeldveld met de kruis-
knop 29 verschuiven.
Bij verschoven fragment toont een haarkruis in het beeld-
veld het midden van het fragment.
6. Stel met de afstandsinstelring van het objectief de gewenste
delen van het onderwerp scherp.
U kunt op elk gewenst moment terugkeren naar gangbare
(= niet-vergrote) weergave.
Door het aantikken van de ontspanner
Met het instelwiel
Als u vervolgens nogmaals op de Focus-knop drukt of de af-
standsinstelring van het objectief draait, verschijnt de laatst ge-
bruikte fragmentgrootte.
Markering scherp afgebeelde objectdelen
U kunt de delen van het onderwerp die optimaal scherp zijn op het
monitorbeeld door 'inkleuring' van de bijbehorende contouren
markeren, zodat ze gemakkelijk te herkennen zijn. Dankzij de be-
schikbare vier kleuren kunt u de weergave aan elke achtergrond
aanpassen.
De functie instellen
1. Menupunt Capture Assistants kiezen,
2. in het submenu Focus Peaking, en
3. in het bijbehorende submenu de gewenste kleur, respectieve-
lijk Off, wanneer u van de optie geen gebruik wilt maken.
Toepassing
4. Beelduitsnede bepalen.
5. Focusknop 3 indrukken, respectievelijk afstandsinstelring van
het objectief zo draaien dat de gewenste motiefdelen optimaal
scherp zijn.
Alle delen van het object die bij de betreend ingestelde
afstand scherp worden afgebeeld, worden door omrandin-
gen in de geselecteerde kleur gemarkeerd.
22:45 PM 22.02.2012
999-9000
8234/999912MP
2.8F 1/8000 12500ISO EV
INFO
Belangrijk:
Deze functie werkt op objectcontrast; dat wil zeggen: op licht/
donker-verschillen. Er kunnen daarom soms delen van het object
worden gemarkeerd die niet scherp zijn afgebeeld, maar die een
hoog contrast vertonen.
Met name bij het gebruik van groothoekobjectieven met kleine
diafragma (= grote scherptediepte) neemt de nauwkeurigheid
van de weergave af.
NL
167
Opnamemodus
BELICHTINGSMETING EN -REGELING
Belichtingsmeter-weergaven
Als aanduiding dat de belichtingsmeter gereed is om te meten,
brandt een van de indicaties in de zoeker, respectievelijk op de
monitor continu:
bij tijdautomaat door de weergave van de sluitertijd,
bij handmatige instelling in de zoeker door een van de beide
driehoekige LED’s, evt. samen met de middelste, ronde LED, op
de monitor met de lichtschaal.
Als de ontspanner weer wordt losgelaten zonder de sluiter te acti-
veren, blijft (blijven) de betreende LED(’s) zolang branden tot de
camera zich uitschakelt.
Wanneer het tijd-instelwieltje 19 op B staat, is de belichtingsmeter
uitgeschakeld.
Aanwijzingen:
Als een juiste belichting met de beschikbare sluitertijden bij
tijdautomaat niet mogelijk is, knippert als waarschuwing de
sluitertijd-indicatie (alleen in de zoeker, meer hierover vindt u in
het hoofdstuk 'De tijdautomaat' op pagina 169).
Als bij handmatige instelling en zeer weinig licht het meetbereik
van de belichtingsmeter niet wordt bereikt, zal als waarschuwing
de linker driehoekige LED gaan knipperen, respectievelijk op de
monitor de linker streep van de lichtschaal. Bij tijdautomaat
wordt verder de sluitertijd weergegeven. Wanneer de benodigde
sluitertijd de langst mogelijke tijd overschrijdt, knippert ook deze
indicatie in de zoeker.
Wanneer de camera langere tijd niet wordt gebruikt of in een tas
wordt opgeborgen, moet deze altijd met de hoofdschakelaar
worden uitgeschakeld. Onbedoelde opnamen worden hiermee
ook verhinderd.
NL
168
Opnamemodus
Belichtingsmeetmethoden
Afhankelijk van het feit of de Live View-modus al of niet wordt
toegepast, staan verschillende meetmethoden ter beschikking:
Bij gebruik van de meetzoeker:
een sterk centrum-georiënteerde meting. Deze methode houdt
rekening met het gehele beeldveld, maar de in het midden gere-
gistreerde onderwerpen bepalen veel sterker dan de randgebie-
den de berekening van de belichtingswaarde.
Hiervoor wordt het door de lichte sluiterlamel gereflecteerde
licht door een fotodiode geregistreerd en gemeten.
Met de Live View-modus:
naar wens punt-, centrum-georiënteerde meting en meerveldme-
ting. In deze gevallen vindt de meting plaats door de opname-
sensor.
De Live View-meetmethoden kiezen
De functie instellen
1. Menupunt Exp. Metering kiezen, en
2. in het submenu de gewenste meetmethode:
Spot Slechts een klein, door een cirkel in het midden van
het monitorbeeld weergegeven bereik wordt geregistreerd
en geëvalueerd.
CenterQweighted Deze methode houdt rekening met het
gehele beeldveld, maar de in het midden geregistreerde
onderwerpen bepalen veel sterker dan de randgebieden de
berekening van de belichtingswaarde.
MultiQfield Deze meetmethode baseert op de registratie van
meerdere meetwaarden. Ze worden in een algoritme bere-
kend die aan de situatie is aangepast, wat resulteert in een
belichtingswaarde die is afgestemd op de passende weerga-
ve van het veronderstelde hoofdonderwerp.
De ingestelde meetmethode wordt in de Live View-modus in de
kopbalk van het monitorbeeld weergegeven, bij gebruik van de
zoeker in het INFO-beeldscherm (zie pagina 212).
De sluitertijd die nodig is voor een correcte belichting, respectieve-
lijk de afwijking van de juiste belichting, wordt aangegeven door de
zoeker of de monitor, ofwel wordt met hun behulp bepaald (zie de
volgende secties).
NL
169
Opnamemodus
Belichtingsmodussen
De camera kent twee belichtingsmodi: tijdautomaat of handmatige
instelling. Afhankelijk van motief, situatie en individuele voorkeur
kan op deze wijze gekozen worden uit
de gebruikelijke 'half-automaat' of
de vaste instelling van sluitertijd en diafragma.
Tijdautomaat
Als het tijd-draaiwiel 19 in de A-stand staat, dan zal de elektronica
van de camera de geschikte sluitertijd automatisch en traploos
binnen een bereik van
1
4000
tot 125 s bepalen, en wel volgens de
ingestelde filmgevoeligheid, de gemeten helderheid en het handma-
tig gekozen diafragma. De bepaalde sluitertijd wordt voor een beter
overzicht in halve stappen weergegeven.
Bij langere sluitertijden dan 2 s wordt na het ontspannen in de
weergave de resterende belichtingstijd in seconden teruggeteld. De
werkelijk berekende, en traploos gestuurde belichtingstijd kan
echter van de halve-stap weergaven afwijken: Als bijv. vóór het
ontspannen 16 (als dichtstbijgelegen waarde) in de indicatie is te
zien en de bepaalde belichtingstijd toch langer is, kan het terugtel-
len na ontspannen ook met 19 beginnen.
Bij extreme lichtomstandigheden kan de belichtingsmeting bij de
verwerking van alle parameters sluitertijden opleveren, die buiten
het werkgebied liggen, dat wil zeggen dat er belichtingstijden kor-
ter dan
1
4000
s of langer dan 125 s vereist zouden zijn. In zulke ge-
vallen worden toch de genoemde minimale en maximale sluitertij-
den gebruikt, maar als waarschuwing zullen deze waarden in de
zoeker knipperen.
Aanwijzingen:
Zoals in combinatie met de ISO-instelling beschreven staat, is bij
de toepassing van hoge gevoeligheden, en vooral bij gelijkmatig
donkere vlakken, in meer of mindere mate beeldruis merkbaar.
Ter reductie van dit storende verschijnsel maakt de camera
automatisch na opnamen met langere sluitertijden en hoge
ISO-waarden een tweede 'zwartopname' (met gesloten sluiter).
De bij deze parallel-opname gemeten ruis wordt dan rekenkun-
dig van het eigenlijke opnamerecord 'afgetrokken'. Dienovereen-
komstig zal in zulke gevallen als aanwijzing de melding
Noise Reduction 12s
1
op het LCD-scherm verschijnen. Bij langdu-
rige belichtingen moet rekening worden gehouden met deze
verdubbeling van de 'belichtings'-tijd. De camera mag intussen
niet worden uitgeschakeld.
Als de B-functie in combinatie met de zelfontspanner (zie pagina
188) wordt gebruikt, moet de ontspanner niet ingedrukt wor-
den gehouden; de sluiter blijft zolang open tot de ontspanner
een tweede keer wordt ingedrukt (komt in dit geval overeen met
de T-functie).
1
De tijdindicatie is maar een voorbeeld.
NL
170
Opnamemodus
Meetwaardegeheugen
Vaak worden belangrijke delen van het onderwerp om vormgeven-
de redenen uit het midden geplaatst en soms zijn ze lichter of
donkerder dan gemiddeld. De centrum-georiënteerde meting en de
spotmeting registreren in principe maar een gedeelte in het cen-
trum van het beeld en zijn op een gemiddelde grijswaarde geijkt.
Onderwerpen en situaties van deze soort kunnen ook met de tijd-
automaat zeer eenvoudig met het meetwaardegeheugen worden
verwerkt.
Aanwijzingen:
Een meetwaardegeheugen is in combinatie met meerveldmeting
niet zinvol, omdat in dat geval de specifieke registratie van een
enkel deel van het onderwerp niet mogelijk is.
In combinatie met het meetwaardegeheugen is er in Live View
ook een belichtingssimulatie beschikbaar (zie pagina 161).
Toepassen van de functie
1. Richt uw camera op het belangrijke deel van het onderwerp
(bij spotmeting met meetveld), ofwel alternatief een ander,
gemiddeld helder detail.
2. De ontspanner 18 tot aan het eerste rukpunt indrukken: me-
ting en opslag vinden plaats.
Zolang het drukpunt wordt vastgehouden, verschijnt als be-
vestiging in de zoeker een kleine rode punt op de regel met
cijfers en de tijdweergave verandert ook bij gewijzigde
lichtomstandigheden niet meer.
3. Met nog steeds ingedrukt gehouden ontspanner de camera
daarna op het uiteindelijke beeldfragment zwenken, en
4. de opname maken.
Een wijziging van de diafragma-instelling nadat de meetwaarde is
opgeslagen, heeft geen aanpassing van de sluitertijd tot gevolg en
zou tot een foutieve belichting leiden. Het opslaan wordt geannu-
leerd als u uw vinger van het drukpunt van de ontspanknop neemt.
Belichtingscorrecties
Belichtingsmeters zijn afgestemd op een gemiddelde grijswaarde
geijkt (18 % reflectie), die overeenkomt met de lichtsterkte van een
normaal, dat wil zeggen gemiddeld fotografisch onderwerp. Wan-
neer het gemeten detail van het motief niet aan deze voorwaarden
voldoet, kan een belichtingscorrectie worden uitgevoerd.
Vooral bij meerdere opnamen achter elkaar, bijvoorbeeld als om
bepaalde redenen voor een serie opnamen bewust een iets krappe-
re of ruimere belichting gewenst is, kan de belichtingscorrectie een
zeer handige functie zijn. Eenmaal ingesteld blijft deze anders dan
de meetwaarde-opslag werkzaam totdat deze weer wordt gereset.
U kunt belichtingscorrecties in een gebied van ±3 EV in stappen
van
1
/
3
EV instellen (EV: Exposure Value = belichtingswaarde).
Instellen en verwijderen van een belichtingscorrectie
A. Met focusgegevens en instelwiel
1. Focusknop 3 ingedrukt houden, en
2. met het instelwiel 28 gewenste waarde selecteren.
NL
171
Opnamemodus
B. Met overeenkomstig 'geprogrammeerd' instelwiel
1. Menupunt Customize Control kiezen,
2. in het submenu Customize Wheel,
3. in het bijbehorende submenu Exp. Compensation, en
4. Functie bevestigen door het indrukken van de middenknop 30.
5. Met het instelwiel 28 gewenste waarde instellen.
C. Via de menubediening
1. Menupunt Exp. Compensation kiezen.
Op de monitor verschijnt als submenu een schaalverdeling:
A Ingestelde correctiewaarde (markeringen bij O = uitgeschakeld)
2. Gewenste waarde instellen.
Weergeven
In de situaties A en B wordt de correctiewaarde in de zoeker
weergegeven, bijvoorbeeld 1.0Q /0.3 (tijdelijke weergave in
plaats van de sluitertijd). Daarna in de vorm van gewijzigde slui-
tertijden en een knipperend laagste punt, ofwel voor ongeveer
0,5 s als de weergave wordt geactiveerd.
Onafhankelijk van de instelmethode wordt de waarde in de moni-
tor bij Live View-modus evenals in het INFO-beeldscherm bij
gebruik van de zoeker door een markering in het onderste ge-
deelte van de lichtschaal weergegeven, maar ook in de uitgangs-
menulijst door EV+_X
1
.
Belangrijk:
Een op de camera ingestelde belichtingscorrectie beïnvloedt uit-
sluitend de meting van het aanwezige licht, dat wil zeggen niet die
van de flitser (meer informatie over flitsfotografie vindt u in het
gedeelte vanaf pagina 182).
Voor de ingestelde correcties geldt - onafhankelijk van de wijze
waarop ze oorspronkelijk zijn ingevoerd:
Deze blijven zo lang geldig tot ze handmatig weer op 0 worden
teruggezet. Daarbij doet het er niet toe of die camera tussen-
door uit- en weer ingeschakeld is geweest.
Ze kunnen zowel via het menu alsook met het instelwiel worden
teruggezet.
1
Voorbeeld; hetzij plus of minus, „±X“ staat voor de betreende waarde.
NL
172
Opnamemodus
Automatische belichtingsreeksen
Veel aantrekkelijke motieven zijn erg contrastrijk en hebben zowel
zeer lichte alsook zeer donkere gebieden. Afhankelijk van het deel
waarop u uw belichting afstemt, kan het beeldeect verschillend
zijn. In zulke gevallen kunnen – bij tijdautomaat - met de automati-
sche belichtingsreeks (bracketing) meerdere alternatieven met
gestaelde belichting, dat wil zeggen met verschillende sluitertij-
den, worden gemaakt. Daarna kan de geschiktste opname voor
gebruik worden geselecteerd of met bewerkingssoftware een opna-
me met zeer veel contrast worden gemaakt (trefwoord HDR).
Beschikbaar zijn:
5 trappen: 0.3EV, 0.7EV, 1EV, 2EV und 3EV
2 aantal opnamen: 3 of 5
De functie instellen
1. Menupunt Drive Mode selecteren, en
2. in het submenu Exposure Bracketing.
Op de monitor verschijnt het betreende submenu.
A
B
C
D
E
F
A Aantal opnamen
B Belichtingsverschil tussen de opnamen
C Belichtingscorrectie-instelling
D Procedure van de belichtingsreeks
E Lichtwaarde-schaalverdeling met rood gemarkeerde belichtings-
waarden van de
F opnamen (als tegelijkertijd een belichtingscorrectie is ingesteld,
wordt de schaal met de bijbehorende waarde verschoven).
NL
173
Opnamemodus
3. In de regel Frames de gewenste waarde kiezen, in de regel
FQStops het gewenste belichtingsverschil, en in de regel
Exp. Compensation de gewenste Correctiewaarde belichting
(optioneel).
De gemarkeerde belichtingswaarden zullen van locatie wis-
selen, afhankelijk van de betreende instellingen. Bij een
belichtingscorrectie verschuift ook de schaalverdeling.
4. In de regel Automatic kiezen of de opnamen allen door eenma-
lig ontspannen moeten plaatsvinden: On, of allen afzonderlijk:
Off.
5. Instelling bevestigen door het indrukken van de middenknop.
6. Door eenmalig respectievelijk meermalig te ontspannen, wor-
den alle opnamen gemaakt.
Aanwijzingen:
Bij gebruik van de automatische belichtingsreeks geldt de vol-
gende regel:
Bij automatische regeling van de ISO-gevoeligheid (zie pagina
156) zal de gevoeligheid die door de camera automatisch voor
de niet-gecorrigeerde opname is bepaald, ook voor alle andere
opnamen van een serie worden toegepast; dat wil zeggen dat
deze ISO-waarde tijdens een serie niet wordt veranderd. Dit kan
er mogelijk toe leiden dat de langste onder Maximum Exposure
Time ingestelde sluitertijd wordt overschreden.
Afhankelijk van de beschikbare combinatie sluitertijd/diafragma
kan het werkgebied van de automatische belichtingsserie be-
perkt zijn.
Onafhankelijk daarvan wordt altijd het ingestelde aantal opna-
men gemaakt en kunnen er daarom meerdere opnamen van een
reeks op dezelfde wijze belicht zijn.
Automatische belichtingsreeksen zijn ook in combinatie met de
flitsmodus mogelijk. Dit gebeurt zonder rekening te houden met
de accuconditie van het flitsapparaat, dat wil zeggen de reeks
zal zowel opnamen met als zonder flits bevatten.
De functie blijft actief tot een andere functie wordt gekozen in
het submenu Drive Mode, dat wil zeggen ook na het in- en uit-
schakelen van de camera. Als een andere functie wordt gekozen,
vindt bij elke bediening van de ontspanner een volgende belich-
tingsserie plaats.
NL
174
Opnamemodus
Handmatige instelling van de belichting
1. Ontspanknop aantikken, en
2. met tijdinstelwiel 19 en/of diafragma-instelring 13 van het
objectief de gewenste belichting instellen.
In de Live View-modus vindt dit plaats met behulp van het
merkteken op de lichtschaal in de voetregel van het monitor-
beeld, bij gebruik van de zoeker door middel van een uit drie
LEDs bestaande lichtschaal.
Behalve de voor een goede belichting benodigde draairichting van
het tijdinstelwieltje en de diafragma-instelring geven de drie LED’s
van de lichtschaal in de zoeker op de volgende wijze onder- en
overbelichting evenals de juiste belichting aan:
Onderbelichting met minstens één diafragmastop;
naar rechts draaien
Onderbelichting van
1
2
diafragmastop;
naar rechts draaien
Juiste belichting
Overbelichting van
1
2
diafragmastop;
naar links draaien
Overbelicht met minstens één diafragmastop;
naar links draaien
Aanwijzingen:
Het tijd-instelwieltje moet op één van de ingegraveerde sluitertij-
den of tussenwaarden zijn vastgeklikt.
Bij langere sluitertijden dan 2 s wordt na het ontspannen in de
weergave de resterende belichtingstijd in seconden teruggeteld.
De B-instelling / De T-functie
Met de B-instelling blijft de sluiter zo lang geopend als de ontspan-
ner ingedrukt wordt gehouden (tot maximaal 125 s; afhankelijk van
de ISO-instelling).
De B-functie kan bovendien worden gebruikt om langere sluitertij-
den dan 8 s vast in te stellen:
1. Focusknop 3 circa 1 s indrukken.
Op de monitor verschijnt het submenu met de sluitertijden,
respectievelijk B. Beschikbare sluitertijden zijn wit gemar-
keerd (afhankelijk van de ISO-gevoeligheid verschillend), niet
beschikbare grijs.
2. Gewenste sluitertijd kiezen,
3. submenu door aantikken van de ontspanner 18, of door indruk-
ken van het MENU-22, of de middenknop 30 verlaten, en
4. de opname maken.
In combinatie met de zelfontspanner is tevens een T-functie be-
schikbaar: Is zowel B ingesteld en ook de zelfontspanner door
aantikken van de ontspanner geactiveerd, opent de sluiter na de
gekozen wachttijd automatisch. Deze blijft dan – zonder dat de
ontspanknop hoeft te worden vastgehouden – zolang geopend tot
de ontspanknop een tweede keer wordt aangetipt. Zo kan de bewe-
gingsonscherpte die door bediening van de ontspanknop eventueel
ontstaat ook bij langdurige opnamen verregaand worden verme-
den.
De belichtingsmeter blijft in alle gevallen uitgeschakeld, na de
ontspanning telt de digitale cijferindicatie in de zoeker echter ter
oriëntatie de verlopen belichtingstijd in seconden mee.
NL
175
Opnamemodus
Aanwijzingen:
Bij lange belichtingstijden kan zeer sterke beeldruis ontstaan.
Na opnamen met langere sluitertijden (vanaf circa
1
30
s, afhanke-
lijk van andere menu-instellingen), vindt ter verkleining van dit
storende verschijnsel een gegevensverwerkingsronde plaats, die
evenveel tijd krijgt als de belichting. Bij langdurige belichtingen
moet rekening worden gehouden met deze verdubbeling van de
'belichtings'-tijd. De camera mag intussen niet worden uitge-
schakeld.
Dienovereenkomstig zal in zulke gevallen als aanwijzing de mel-
ding Noise Reduction 12s
1
op het LCD-scherm verschijnen.
1
De tijdindicatie is maar een voorbeeld.
Over- en onderschrijden van het meetbereik
Als bij handmatige instelling en zeer weinig licht het meetbereik
van de belichtingsmeter niet wordt gehaald, knippert als waarschu-
wing in de zoeker de linker driehoekige LED ( ) en bij te veel licht
de rechter ( ). Bij tijdautomaat wordt verder de sluitertijd weerge-
geven. Wanneer de benodigde sluitertijd langer blijkt dan de lang-
ste mogelijke tijd, respectievelijk korter wordt dan de kortste moge-
lijke tijd, zullen ook deze indicaties gaan knipperen. Omdat de
belichtingsmeting met het ingestelde diafragma plaatsvindt, kan
deze situatie ook door diafragmeren van het objectief ontstaan.
NL
176
Weergavemodus
WEERGAVEMODUS
Voor de weergave van opnamen kunt u kiezen:
PLAY Weergave voor onbeperkte tijd, of
Auto Review Kortstondige weergave direct na de opname
Weergave voor onbeperkte tijd
PLAY-knop 23 indrukken.
In de monitor verschijnt de laatst opgenomen afbeelding en, in
zoverre ze bij het laatste gebruik ingeschakeld waren, de bijbe-
horende weergaven.
Wanneer echter geen beeldbestand op de geplaatste geheugen-
kaart aanwezig is, verschijnt na omschakeling op weergave de
melding: Attention No media file to display
Afhankelijk van de vooraf ingestelde functie heeft het indrukken
van de PLAY-knop verschillende gevolgen:
Uitgangssituatie Na drukken op de PLAY-knop
a. Volledige weergave
van een opname
Opnamemodus
b. Weergave van een vergroot frag-
ment / meerdere kleinere opna-
men
Volledige weergave
van de opname
Automatische weergave van telkens de laatste opname
In de modus Auto Review wordt elk beeld direct na de opname
weergegeven. Op deze wijze kan bijv. snel en eenvoudig worden ge-
controleerd of de foto gelukt is of herhaald moet worden. Met deze
optie stelt u de weergaveduur van het beeld in.
De functie instellen
1. Menupunt Auto Review selecteren,
2. in het bijbehorende submenu de gewenste optie, respectieve-
lijk tijdsduur: (Off, 1 s , 3 s , 5 s , Hold).
Vanuit de modus Auto Review kan altijd naar de normale, dat wil
zeggen qua tijd onbegrensde, PLAY-weergavemodus worden omge-
schakeld.
Aanwijzing:
Als u met de seriefoto-functie (zie pagina 140) hebt gefotogra-
feerd, wordt in beide weergavemodi eerst de laatste foto van de
serie getoond, respectievelijk tijdens het opslaan de laatste op de
geheugenkaart reeds opgeslagen foto van de serie getoond. Hoe u
andere opnamen van de serie kunt kiezen en welke mogelijkheden
er verder nog zijn voor de weergave, kunt u in de volgende sectie
nalezen.
NL
177
Weergavemodus
Weergaven bij flitsmodus
Om de opnamen goed te kunnen bekijken, verschijnt er in de fa-
brieksinstelling de opname zonder de informatie in de kop- en
voetregels.
999-9000
2.8F 1/8000 12500ISO EV
Met het indrukken van de middenknop 30 kunt u altijd kop- en
voetregels oproepen. In zoverre Histogram en Exposure Clipping zijn
ingeschakeld (zie pagina 162), verschijnen deze gegevens dan
ook.
999-9000
2.8F 1/8000 12500ISO EV
Aanwijzingen:
Het histogram en de clipping-weergaven zijn zowel bij de weer-
gave van het volledige beeld, alsook van een uitsnede beschik-
baar, maar niet bij gelijktijdige weergave van 12 of 20 verkleinde
opnamen.
Het histogram en de clipping-weergaven hebben altijd betrek-
king op de actueel getoonde uitsnede van de opname.
Andere opnamen bekijken / 'Bladeren' in het geheugen
Met de linker en rechter kant van de kruisknop 29 kunt u de overi-
ge opgeslagen opnamen oproepen. Na de eerste / laatste opname
beginnen de in een oneindige lus geschakelde opnamen weer van
voren af aan, zodat u alle opnamen in beide richtingen kunt berei-
ken.
De opnamenummers wisselen navenant.
NL
178
Weergavemodus
Vergroten / selecteren van uitsnede / gelijktijdig bekijken
van meerdere verkleinde opnamen
U kunt, voor een betere beoordeling van een vergrote uitsnede, een
opname oproepen en deze uitsnede vrij kiezen. Omgekeerd kunt u
ook maximaal 20 opnamen tegelijk bekijken, bijvoorbeeld om een
overzicht te krijgen of om een gezochte foto sneller te vinden.
Door het instelwiel 28 naar rechts te draaien, wordt een uitsnede
vanuit het midden vergroot. Vergrotingen zijn tot 1:1 mogelijk, dat
wil zeggen tot 1 pixel van de monitor 1 pixel van de opname weer-
geeft.
Met de kruisknop 29 kunt u bij een vergrote afbeelding de locatie
van de uitsnede willekeurig verschuiven.
De rechthoek binnen het kader in de linker onderhoek symboli-
seert de locatie en de vergroting van de getoonde uitsnede.
Aanwijzing:
Ook bij vergrote afbeelding kunt u
direct naar een andere opname gaan, die dan in dezelfde vergro-
ting wordt getoond. Hiervoor gebruikt u weer de linker of rechter
kruisknop – echter met ingedrukt gehouden PLAY-knop 23.
de opname markeren (zie pagina 180).
NL
179
Weergavemodus
Door het instelwiel naar links te draaien (van de normale afmeting
uitgaand), kunt u gelijktijdig 12, respectievelijk door verder te draai-
en 20 opnamen op de monitor bekijken.
A
C
B
A Vooraf in normale grootte bekeken opname
B Nummer van de rood omrande opname
C Schuifbalk; toont schematisch de positie van de gemarkeerde
opname in de overzichtslijst aan
Met de kruisknop kunt u vrij onder de verkleinde opnamen navige-
ren, de betreende opname wordt gemarkeerd door het rode ka-
der. Deze opname kunt weer op normale grootte instellen door aan
het instelwiel naar rechts te draaien, ofwel in één stap door op de
PLAY-knop te drukken.
Bij de weergave van 20 beelden kunt u door het instelwiel verder
naar links te draaien het rode kader om alle beelden plaatsen,
zodat u vervolgens 'per blok' snel kunt 'bladeren'.
B
A
A Opnamenummers van de rood omkaderde groep van 20
B Schuifbalk; toont schematisch de positie van de gemarkeerde
groep van 20 in de overzichtslijst aan
NL
180
Weergavemodus
Opnamen markeren
U kunt iedere opname markeren, bijvoorbeeld om ze sneller weer
te vinden, of om het latere wissen van meer opnamen te vereen-
voudigen (zie volgende paragraaf). Het markeren kan direct, of
menubediend plaatsvinden:
Direct
Bovenste kant van de kruisknop 29 indrukken.
De opname wordt gemarkeerd door .
Het verwijderen van een markering gebeurt net zo.
Menubediend
1. MENU-knop 22 indrukken.
Het betreende menu verschijnt.
2. Rate kiezen.
3. Middenknop 30 indrukken.
De opname wordt gemarkeerd door , in het menu wordt
Rate vervangen door Unrate.
Afzonderlijke markeringen verwijdert u in principe op dezelfde
manier met Unrate, meerdere tegelijk met Unrate ALL. In dit geval
knippert tijdens de procedure de LED 21.
Opnamen wissen
Zolang een opname wordt getoond, kan deze eventueel ook op dat
moment worden gewist. Dit kan nuttig zijn als de opnamen bijv. op
andere media werden opgeslagen, als ze niet meer nodig zijn of
wanneer meer geheugen op de kaart nodig is. U hebt de mogelijk-
heid naar wens enkele of gelijktijdig uitsluitend de niet gemarkeer-
de, of alle opnamen te wissen.
Werkwijze
1. MENU-knop 22 indrukken.
Het menu "wissen" verschijnt.
De verdere bediening is afhankelijk van het feit of u slechts één
opname of gelijkertijd meerdere opnamen wilt wissen.
Afzonderlijke opnamen wissen
2. Delete Single kiezen, en
3. om het proces te starten, de middenknop 30 indrukken.
Tijdens het wissen knippert de LED 21.
Na het wissen verschijnt de volgende opname. Wanneer
echter geen opnamen meer op de kaart zijn opgeslagen,
verschijnt de melding: Attention No media file to display.
NL
181
Weergavemodus
Meerdere/alle opnamen wissen
2. Delete Multi kiezen,
3. Middenknop 30 indrukken,
4. in het submenu de gewenste variant, ALL, ALL Unrated (zie vori-
ge paragraaf), of, als u geen opname meer wilt wissen, Cancel, en
5. Middenknop nogmaals indrukken.
Tijdens het wissen knippert de LED 21.
Na het wissen verschijnt de volgende gemarkeerde opname.
Bij ALL en ALL Unrated verschijnt in plaats daarvan een na-
vraag-submenu ter beveiliging tegen abusievelijk wissen.
Uitsluitend bij ALL en ALL Unrated
Als daadwerkelijk alle opnamen moeten worden gewist:
6. In het navraagmenu Yes kiezen.
Tijdens het wissen knippert de LED 21. Na het wissen ver-
schijnt de melding: Attention No media file to display.
Aanwijzingen:
Markeren en wissen is uitsluitend mogelijk vanuit de weergave
PLAY. Maar het is onafhankelijk van het feit of de weergave in
normale grootte of in meerdere verkleinde afbeeldingen plaats-
vindt (behalve als bij de 20-voudige weergave het rode kader de
gehele groep omsluit).
Ook bij opgeroepen wis- en markeringsmenu kunt u altijd andere
opnamen kiezen.
Met de PLAY-knop kunt u te allen tijde het wismenu weer uit-
schakelen.
Door een opname te wissen worden de volgende opnamen op-
nieuw genummerd volgens het volgende patroon: wist u bijvoor-
beeld beeld nr. 3, wordt het beeld dat voorheen nr. 4 was vervol-
gens nr. 3, het beeld dat voorheen nr. 5 was, wordt nr. 4, enz.
Dit geldt echter niet voor de bestandsnummering op de geheu-
genkaart.
NL
182
Overige functies
OVERIGE FUNCTIES
FLITSMODUS
De camera bepaalt het benodigde flitsvermogen door het afgeven
van een of meer meetflitsen in fracties van seconden voor de ei-
genlijke opname. Direct daarna, bij het begin van de belichting,
wordt de hoofdflits afgegeven. Alle factoren die de belichting beïn-
vloeden (bijvoorbeeld opnamefilters en wijziging van de diafrag-
ma-instelling) worden automatisch gerespecteerd.
Geschikte flitsapparaten
De volgende flitsapparaten kunnen met de camera worden ge-
bruikt. Ze laten afhankelijk van de uitrusting, verschillend veel van
de in deze handleiding beschreven functies.
Leica systeem-flitsapparaten zoals de modellen SF40, SF64,
SF26
Andere systeem-flitsapparaten, behalve Leica SF 20
Andere, gebruikelijke flitsapparaten met gestandaardiseerde
flitsvoet en positief middencontact
1
(ontsteking via het midden-
/X-contact). Wij adviseren het gebruik van thyristor-geregelde
elektronenflitsapparaten.
Studio-flitssystemen (ontsteking via synchroonkabel)
1
Wanneer andere, niet speciaal op de camera afgestemde flitsapparaten worden gebruikt, die
de witbalans van de camera niet automatisch omschakelen, moet de instelling Flash
worden gebruikt (zie pagina 154).
Flitsapparaat aanbrengen
Alvorens u een flitsapparaat in de accessoireschoen 20 van de
camera plaatst
het kapje dat de accessoireschoen beschermt, als het niet wordt
gebruikt, naar achter worden geschoven en
moeten camera en flitsapparaat worden uitgeschakeld.
Bij het plaatsen van een flitsapparaat moet u erop letten, dat u de
voet volledig in de accessoireschoen schuift en, indien aanwezig,
met de klemmoer tegen ongewild loskomen en vallen beschermt.
Dit is vooral bij flitsapparaten met extra regel- en signaalcontacten
belangrijk omdat wijziging van de positie in de accessoireschoen
de vereiste contacten onderbreekt en daardoor foutieve functies
kunnen ontstaan.
Aanwijzing:
Zorg dat het accessoireschoen-kapje steeds is aangebracht als er
geen accessoire wordt gebruikt (bijvoorbeeld een flitsapparaat).
NL
183
Overige functies
Flits-belichtingsregeling
De volautomatische (dat wil zeggen: door de camera geregelde)
flitsmodus is bij de camera met de hiervoor genoemde systeem-
compatibele flitsapparaten en in beide belichtingsmodi (tijdauto-
maat A en handmatige instelling) beschikbaar.
Bovendien is in alle drie belichtingsmodi een automatische invul-
flitsregeling actief. Om steeds een uitgebalanceerde verhouding
tussen flits- en omgevingslicht te garanderen, wordt het flitsvermo-
gen bij toenemende lichtsterkte evt. met max. 1
2
3
EV verminderd.
Wanneer echter de aanwezige lichtsterkte zelfs met de kortst mo-
gelijke flitssynchronisatietijd van
1
180
s al overbelichting tot gevolg
heeft, zal een HSS-compatibele flits bij tijdautomaat niet worden
geactiveerd. In zulke gevallen wordt de sluitertijd overeenkomstig
het omgevingslicht geregeld en in de zoeker aangegeven.
Bovendien kunt u met de camera met tijdautomaat A en handmati-
ge instelling gebruik maken van interessante vormgevende flits-
technieken, zoals flitssynchronisatie op het 2e in plaats van het
gebruikelijke 1e Sluitergordijn en het flitsen met langere sluitertij-
den dan de synchronisatietijd van
1
180
s. Deze functies worden op
de camera via het menu ingesteld (meer hierover in de volgende
hoofdstukken).
Bovendien geeft de camera de ingestelde gevoeligheid door aan
het flitsapparaat. Daarmee kan het flitsapparaat, voorzover het
deze weergaven bezit en voorzover het op het objectief gekozen
diafragma ook op het flitsapparaat is ingevoerd, zijn reikwijdte
automatisch aangeven. De gevoeligheidsinstelling kan bij systeem-
compatibele flitsers niet via de flitser zelf worden beïnvloed, omdat
deze al door de camera wordt overgedragen.
Aanwijzingen:
Studioflitsinstallaties hebben vaak een zeer lange flitsduur. Het
kan in dat geval daarom eventueel zinvol zijn een langere sluiter-
tijd dan
1
180
s te kiezen.
Hetzelfde geldt voor radiografisch gestuurde flitstriggers bij het
'draadloos flitsen', omdat de radiografische overdracht een
tijdvertraging kan veroorzaken.
De instellingen en functies die in de volgende hoofdstukken zijn
beschreven, hebben alleen betrekking op deze camera en sys-
teemcompatibele flitsapparaten.
Een op de camera ingestelde belichtingscorrectie (zie pagina
170) beïnvloedt uitsluitend de meting van het aanwezige licht!
Wanneer u in de flitsmodus gelijktijdig een correctie van de
TTL-flitsbelichtingsmeting wenst (parallel of tegengesteld), moet
u deze extra (op het flitsapparaat) instellen! (Uitzondering: Met
de Leica SF26 moet de correctie aan de camera per menubedie-
ning worden ingesteld.)
Meer informatie over de flitsmodus, vooral in combinatie met
andere, niet speciaal op deze camera afgestemde flitsapparaten,
evenals de verschillende modi van de flitsapparaten, vindt u in
de betreende handleiding.
NL
184
Overige functies
De instellingen van de automatische TTL-flitsmodus die door
de camera wordt geregeld
Aan het flitsapparaat:
1. Het gebruikte flitsapparaat inschakelen, en
2. op de modus voor regeling van het richtgetal (bijvoorbeeld TTL
of GNC = Guide Number Control) zetten.
Op de camera:
1. Camera inschakelen, respectievelijk bij automatisch uitgescha-
kelde camera ontspanner aantikken. Als het laatste door te
snel en in één keer volledig indrukken van de ontspanner wordt
verzuimd, zal het flitsapparaat eventueel niet worden geacti-
veerd.
2. Het tijdinstelwiel op A, op de flitssynchronisatietijd (
1
180
s), of
op een langere sluitertijd (ook B) instellen.
In de modus Tijdautomaat stelt de camera automatisch een
sluitertijd in het kader van het in het menu gekozen tijdbereik
in (zie 'Het synchroontijdbereik kiezen' / 'Het ontstekingstijd-
stip kiezen', pagina 182). Let daarbij op de kortste flitssyn-
chronisatie-tijd, omdat deze bepaalt of er een 'normale'
opnameflits of een HSS-flits wordt gegeven.
3. De gewenste (respectievelijk het voor de betreende afstand
tot het onderwerp benodigde) diafragma instellen.
Aanwijzing:
Als de automatische geregelde of handmatig ingestelde sluitertijd
korter is dan
1
180
s, zal het flitsapparaat niet flitsen, behalve als het
een HSS-compatibel flitsapparaat is.
De controleweergaven van de flitsbelichting in de zoeker bij
systeemconforme flitsapparaten
In de zoeker dient een flitsvormige LED voor terugmelding en weer-
gave van verschillende situaties. Deze LED verschijnt samen met
de beschreven weergaven voor de belichtingsmeting van het aan-
wezige licht.
Bij TTL-flitsmodus
verschijnt ondanks ingeschakeld en gereed flitsapparaat niet:
op de camera is handmatig een kortere sluitertijd dan 1180s inge-
steld en het aangesloten flitsapparaat is niet HSS-compatibel. In
zulke gevallen activeert de camera ook een ingeschakeld en
paraat flitsapparaat niet.
knippert voor de opname langzaam (2Hz):
het flitsapparaat is nog niet paraat.
brandt voor de opname:
het flitsapparaat is paraat.
NL
185
Overige functies
blijft na het ontspannen ononderbroken branden, de overige
indicaties zijn echter verdwenen:
de flitscapaciteit was voor een normgetrouwe belichting in orde,
het flitsapparaat blijft paraat.
knippert na het ontspannen snel (4 Hz), de overige indicaties
zijn echter verdwenen:
de flitscapaciteit was voor een normgetrouwe belichting in orde,
het flitsapparaat is echter nog niet weer paraat.
gaat na het ontspannen samen met de overige indicaties uit:
de flitscapaciteit was voor een normgetrouwe belichting niet in
orde, bijvoorbeeld door een te klein gekozen diafragma voor het
onderwerp. Als op het flitsapparaat een gedeelde flitsstand is
ingesteld, kan op basis van het geringere opgeroepen vermogen
ondanks de verdwenen flits-LED het apparaat toch paraat zijn.
Bij instelling van het flitsapparaat op computerregeling (A) of
handmatige modus (M)
verschijnt ondanks ingeschakeld en gereed flitsapparaat niet:
op de camera is handmatig een kortere sluitertijd dan 1180s inge-
steld. In zulke gevallen activeert de camera ook een ingescha-
keld en paraat flitsapparaat niet.
knippert voor de opname langzaam (2Hz):
het flitsapparaat is nog niet paraat.
brandt voor de opname:
het flitsapparaat is paraat.
Flitsmodus met korte sluitertijden (High Speed Sync.)
De volautomatische, dat wil zeggen door de camera gestuurde
lineaire flitsmodus, is bij de camera met desbetreend uitgeruste
Leica flitsapparaten, met alle sluitertijden en met tijdautomaat,
alsook met handmatige belichtingsregeling beschikbaar. Hij wordt
automatisch geactiveerd door de camera, als de geselecteerde of
berekende sluitertijd korter is dan de synchronisatietijd
1
180
s. Bij
een juist ingesteld flitsapparaat vereist deze omschakeling verder
geen activiteiten van de fotograaf.
Belangrijk:
De reikwijdte bij het HSS-flitsen is duidelijk korter dan bij het
TTL-flitsen.
NL
186
Overige functies
Keuze van het synchronisatietijdbereik
De weergave van het voorhanden licht wordt bepaald door de slui-
tertijd en het diafragma. Bij vaste instelling van de kortst mogelijke
sluitertijd in de flitsmodus, de synchronisatietijd, leidt dit in vele
situaties tot een onnodige, meer of minder sterke onderbelichting
van alle delen van het onderwerp die door het flitslicht niet goed
worden belicht.
Deze camera kunt u in de flitsmodus in combinatie met de tijdauto-
maat gebruikte sluitertijdbereik nauwkeurig aan de voorwaarden
voor het betreende onderwerp, respectievelijk aan uw wensen
met betrekking tot beeldvorming aanpassen.
De functie instellen
1. Menupunt Flash Settings kiezen,
2. in het submenu Max. Flash Sync. Time, en
3. in deze lijst hetzij één van de automatische, brandpuntsaf-
stand-gerelateerde instellingen (1/f , 1/(2f) , 1/(4f) ) of de ge-
wenste langste sluitertijd (in het bereik van 1/2 s tot 1/125 s)
1
.
1
Alleen bij gebruik van Leica M-objectieven met 6-bit codering, respectievelijk bij
handmatige invoer van het objectief in het menu.
Aanwijzingen:
1/f leidt tot de langste sluitertijden volgens de vuistregel voor
stabiele opnamen uit de hand, bijvoorbeeld
1
60
s met een 50
mm-objectief. De overeenkomstige sluitertijden met 1/(2f) en 1/
(4f) zouden in het voorbeeld
1
125
s en
1
250
s zijn.
Belangrijk: Het instelbereik is op
1
125
s begrensd, ook al is de
gebruikte brandpuntsafstand langer.
Bij handmatige regeling van de belichting kunt u eveneens alle
sluitertijden tot de synchronisatietijd
1
180
s instellen.
Het synchronisatietijdstip kiezen
De belichting van flitsopnamen vindt plaats met twee lichtbronnen,
de aanwezige – en het flitslicht. De uitsluitend of hoofdzakelijk door
het flitslicht belichte delen van het onderwerp worden daarbij door
de uitzonderlijk korte lichtimpuls bijna altijd (bij correcte scherp-
stelling) scherp weergegeven. Daarentegen worden alle andere
motiefdelen – namelijk de delen die voldoende door het aanwezige
licht zijn belicht, respectievelijk zelf oplichten – in hetzelfde beeld
met wisselende scherpte afgebeeld. Of deze motiefdelen scherp of
"vaag" worden weergegeven, respectievelijk hoe groot de "vaag-
heid" is, wordt door twee van elkaar afhankelijke factoren bepaald:
1. de lengte van de sluitertijd, dat wil zeggen hoe lang deze mo-
tiefdelen op de sensor "inwerken" en
2. hoe snel deze motiefdelen – of ook de camera zelf – tijdens de
opname bewegen.
NL
187
Overige functies
Hoe langer de sluitertijd respectievelijk hoe sneller de beweging is,
hoe duidelijker beide elkaar overlappende beeldfragmenten ver-
schillen. Het gebruikelijke tijdstip van de flitsontsteking is aan het
begin van de belichting, dat wil zeggen onmiddellijk nadat het 1ste
sluitergordijn het beeldvenster volledig heeft geopend. Dit kan zelfs
tot schijnbare tegenstrijdigheden leiden, zoals bij de opname van
de motorfiets, die door zijn eigen lichtsporen wordt ingehaald. De
camera biedt u de optie tussen dit gebruikelijke flits-ontstekings-
tijdstip en de synchronisatie aan het einde van de belichting te
kiezen, dat wil zeggen onmiddellijk voordat het 2e sluitergordijn
weer begint met het sluiten van het beeldvenster. Het scherpe
beeld geeft in dit geval het einde van de beweging weer. Deze
flitstechniek verleent de foto een natuurlijkere indruk van beweging
en dynamiek.
Deze optie is beschikbaar
bij alle camera- en flitsapparaatinstellingen
bij tijdautomaat evenals bij handmatige sluitertijdkeuze
in het automatische, evenals de handmatige flitsmodus
De weergaven zijn in beide gevallen gelijk.
De functie instellen
1. Menupunt Flash Settings kiezen,
2. in het submenu Flash Sync. Mode, en
3. daar de gewenste variant.
Flits-belichtingscorrecties
Met deze functie kan de flitsbelichting onafhankelijk van de belich-
ting van het aanwezige licht gericht afgezwakt of versterkt worden,
bijv. om bij een buitenopname in de avond het gezicht van een
persoon op de voorgrond lichter te maken, terwijl de lichtsfeer
behouden moet blijven.
De functie instellen
1. Menupunt Flash settings kiezen, en
2. in het submenu Flash Exposure Compensation en
3. in het bijbehorende submenu de gewenste instelling.
Aanwijzingen:
Flash Exposure Compensation staat (bij uitgeschakeld flitsappa-
raat) slechts ter beschikking als de correctie aan het gebruikte
flitsapparaat niet kan worden ingesteld, zoals bij de Leica SF26.
Een met plus-correctie gekozen heldere flitsverlichting vereist
een hoger flitsvermogen en omgekeerd. Daarom beïnvloeden
flits-belichtingscorrecties meer of minder sterk de reikwijdte van
de flits: een plus-correctie vermindert de reikwijdte, een mi-
nus-correctie verhoogt deze.
Een ingestelde correctie blijft ook na een willekeurig aantal
opnamen en zelfs na het uitschakelen van de camera actief,
respectievelijk zolang tot hij op 0 wordt teruggezet.
NL
188
Overige functies
FOTOGRAFEREN MET DE ZELFONTSPANNER
Met de zelfontspanner kunt u een opname met een vertraging van
eventueel 2 of 12s maken. Dit is handig als u bijv. onscherpte door
bewegen bij het afdrukken wilt voorkomen of als u bij een groeps-
opname zelf ook in beeld wilt verschijnen. In zulke gevallen wordt
geadviseerd de camera op een statief te plaatsen.
De functie instellen en gebruiken
1. Menupunt Drive Mode selecteren, en
2. in het submenu de regel met de gewenste wachttijd.
3. Met de ontspanner 18 wachttijd starten.
Aan de voorkant van de camera geeft, gedurende de eerste
10 s van de 12 s voorlooptijd, de knipperende LED 7 het
aflopen van de voorlooptijd aan, en op het LCD-scherm
wordt deze gelijktijdig afgeteld.
Tijdens de 12 s lopende zelfontspanner-voorlooptijd kan de functie
altijd door indrukken van de MENU-knop 22 worden geannuleerd;
de instelling blijft behouden, of wordt door opnieuw aantippen van
de ontspanner weer gestart.
Belangrijk:
Tijdens zelfontspanning vindt instelling van de belichting niet plaats
bij het drukpunt van de ontspanner, maar pas direct vóór de opna-
me.
INTERVALOPNAMEN
Met deze camera kunt u bewegingen over een langere periode in
vorm van fotoseries automatisch opnemen. Daarbij legt u de af-
standen tussen de opnamen en het aantal foto's vast.
De functie instellen en gebruiken
1. Menupunt Drive Mode selecteren,
2. in het submenu Interval, en
3. in het bijbehorende submenu Frames.
4. In het bijbehorende toetsenblok-submenu het aantal opnamen
kiezen, waaruit de voorziene intervalopname moet bestaan.
AA
B
C D
A Invoerregel
B Cijferblok
C Knop 'Wissen' (wissen van de betreende laatste waarde)
D Knop 'Bevestigen' (bevestigen van zowel afzonderlijke waarden
als afgesloten instellingen; terugkeer naar het vorige menuniveau
zonder bevestigen van enige instelling door op de MENU-knop te
drukken)
NL
189
Overige functies
5. In het Interval-submenu Interval Time kiezen, en
6. in dit submenu de gewenste afstand tussen de opnamen.
De waarden verwisselen: Bovenste/onderste zijde van de
kruisknop indrukken.
Wisselen tussen hh (uren), mm (minuten) en ss (seconden):
linker / rechter zijde van de kruisknop indrukken.
7. Met de ontspanner 18 serie starten.
Een verstrijkende opnameserie kan uitsluitend worden afgebroken
door de camera uit te schakelen. De betreende instellingen blij-
ven daarbij behouden, zodat na het inschakelen van de camera een
opnieuw aantikken van de ontspanner de serie opnieuw start.
Aanwijzingen:
Bij intervalopnamen is Live View-modus slechts kortstondig
mogelijk: na een opname wordt hij weer ingeschakeld.
Onafhankelijk van het aantal opnamen in een serie, wordt in
beide weergavemodi eerst de laatste foto van de serie getoond,
respectievelijk tijdens het opslaan de laatste op de geheugen-
kaart reeds opgeslagen foto van de serie getoond.
BEELDBESTANDEN
AUTEURSRECHTELIJK MARKEREN
Met deze camera kunt u uw beeldbestanden markeren door tekst
en andere tekens in te voeren.
Hiervoor kunt u per opname in 2 rubrieken telkens informatie t/m
20 tekens invoeren.
De functie instellen en gebruiken
1. Menupunt Camera Information kiezen, en
2. in het submenu Copyright Information.
Het bijbehorende submenu bevat de drie punten Copyright,
Information en Artist. Aanvankelijk is alleen de regel met
Copyright geactiveerd.
3. Copyright-functie On-schakelen.
De regels Information en Artist zijn geactiveerd.
4. Information /Artist-submenu oproepen. (De verdere bediening
is in beide gevallen hetzelfde.)
Het toetsenbord-submenu verschijnt.
NL
190
Overige functies
A
B
E
F
C
D
A Invoerregel
B Toetsenblok
C Knop 'Wissen' (wissen van het betreende laatste teken)
D Knop 'Bevestigen' (bevestigen van zowel afzonderlijke waarden als
afgesloten instellingen; terugkeer naar het vorige menuniveau zon-
der bevestigen van enige instelling door op de MENU-knop te druk-
ken)
E Veranderen hoofdletters / kleine letters
F Veranderen letters / cijfers en tekens
In de invoerregel is de eerste plaats gemarkeerd als gereed
voor bewerking. (In de fabrieksinstelling staan daar als voor-
beelden reeds Information , respectievelijk Artist). De be-
schikbare tekens zijn hoofdletters en kleine letters, en een
spatie_, en na het omschakelen de cijfers 0 tot en met 9 en
diverse leestekens. Beide tekengroepen staan steeds in een
gesloten lus.
5. In dit toetsenbord-submenu met het instelwiel 28 of de kruis-
knop 29 de gewenste tekens markeren,
6. steeds met de middenknop 30 invoeren, en
7. vervolgens de ingevoerde gegevens bevestigen met de -knop.
REGISTRATIE VAN OPNAMELOCATIE MET GPS
Aanwijzing:
Dit menu-item is alleen beschikbaar met geplaatste Leica Visoflex
zoeker (als toebehoren verkrijgbaar).
Met het Global Positioning Systeem kan wereldwijd de juiste posi-
tie van een ontvanger worden bepaald. De Leica Visoflex zoeker is
uitgerust met een bijbehorende ontvanger. Als hij op de camera is
bevestigd, zal de camera bij ingeschakelde functie continu signalen
ontvangen en de positiegegevens actualiseren. De camera kan
deze gegevens (breedte- en lengtegraden, hoogte boven NAP) in de
'EXIF'-data wegschrijven.
De functie instellen
1. Menupunt GPS kiezen, en
2. daar On- of Off-schakelen.
Op het LCD-scherm 31 geeft het "Satelliet"-pictogram
( ) de betreende status aan (alleen in het venster met de
opnamegegevens):
= laatste positiebepaling hoogstens 1 min. geleden
= laatste positiebepaling hoogstens 24 uur geleden
= laatste positiebepaling minstens 24 uur geleden, of
er zijn geen positiegegevens
NL
191
Overige functies
Opmerkingen bij de functie:
De GPS antenne bevindt zich bovenin de behuizing van de zoe-
ker.
Een vereiste voor GPS-positiebepaling is "vrij zicht" van de anten-
ne naar de hemel. Het is raadzaam de camera zodanig vast te
houden dat de zoeker verticaal naar boven wijst.
De positiebepaling kan soms een paar minuten duren. Dit kan
met name dan optreden wanneer er tussen het uit- en weer
aanzetten van de camera zo veel tijd verstreken is dat de satel-
lietlocaties aanzienlijk zijn gewijzigd en opnieuw moeten worden
gevonden.
Let erop dat de GPS-antenne niet door uw hand of door andere
voorwerpen (vooral niet door metalen voorwerpen) wordt be-
dekt.
Een foutloze ontvangst van signalen van GPS-satellieten is bij-
voorbeeld op de volgende plaatsen of situaties eventueel niet
mogelijk. In dergelijke gevallen zal er geen of slechts een gebrek-
kige positiebepaling mogelijk zijn.
in gesloten ruimtes
onderaards
onder bomen
in een bewegend voertuig
in de buurt van hoge gebouwen of in nauwe dalen
in de buurt van de hoogspanningsleidingen
in tunnels
in de buurt van 1,5 Ghz mobiele telefoons
Opmerking over veilige toepassing:
Het door het GPS-systeem geproduceerde elektromagnetische veld
kan instrumenten en meetapparatuur beïnvloeden. Denkt u er
daarom aan bijv. aan boord van een vliegtuig voor het starten of
landen, in ziekenhuizen en op andere plaatsen waar radioverkeer
aan beperkingen onderworpen is, altijd de GPS-functie uit te scha-
kelen.
Belangrijk (juridisch voorgeschreven gebruiksbeperkingen):
In bepaalde landen of regio's is het gebruik van GPS en daarmee
samenhangende technologieën zo mogelijk beperkt. Voor reizen
naar het buitenland dient u zich in elk geval bij de ambassade
van het betreende land, respectievelijk uw reisorganisatie hier-
over te laten informeren.
Het gebruik van GPS in de Volksrepubliek China en in Cuba en in
de nabijheid van hun grenzen (uitgezonderd: Hong Kong en
Macao) is verboden door de wetten van het land.
Overtredingen worden vervolgd door de autoriteiten! Daarom
wordt de GPS-functie in deze gebieden automatisch gedeacti-
veerd.
NL
192
Overige functies
GEBRUIKERSPROFIELEN / TOEPASSINGSPROFIELEN
Met deze camera kunt u naar wens combinaties van alle menu-in-
stellingen permanent opslaan, bijv. om ze bij terugkerende
situaties / onderwerpen snel en eenvoudig te kunnen oproepen. Er
zijn vier geheugenplaatsen voor dergelijke combinaties mogelijk,
plus de onveranderlijke fabrieksinstelling die u altijd weer kunt
oproepen. De naam van de opgeslagen profielen kunt u wijzigen.
De op deze camera ingestelde profielen kunt u op een andere
geheugenkaart overdragen om ze in andere camerabody's toe te
passen, en u kunt profielen die op een andere kaart zijn opgesla-
gen ook naar deze camera overdragen.
Instellingen opslaan / profiel aanmaken
1. Gewenste functies in het menu instellen.
2. Menupunt User Profiles selecteren,
3. in het submenu Save as User Profile, en
4. in het bijbehorende submenu de gewenste geheugenplaats.
Een profiel kiezen
1. Menupunt User Profiles kiezen.
Als u gebruikersprofielen hebt opgeslagen, zal de profiel-
naam wit verschijnen; bovendien zijn ze als active gemar-
keerd. Ongebruikte geheugenplaatsen verschijnen grijs.
2. In de submenulijst kiest u het gewenste profiel, ofwel één van
de opgeslagen profielen, of Standard Profile (komt overeen
met de fabrieksinstelling van de camera).
De gekozen geheugenplaats wordt in de oorspronkelijke
menulijst bijvoorbeeld door User 1 aangegeven, in het infor-
matiebeeldscherm (zie pagina 214) door het betreende
symbool, in dit geval .
Aanwijzing:
Als u een instelling van een momenteel toegepast profiel wijzigt, zal
er in de oorspronkelijke menulijst verschijnen, in plaats van de
naam van het eerder toegepaste profiel.
Naam profiel wijzigen
1. Menupunt User Profiles selecteren,
2. in het submenu Rename User Profile, en
3. in deze submenulijst het gewenste profielnummer.
Het toetsenbord-submenu verschijnt. Hetzelfde toetsenbord
als bij de functie Copyright (zie pagina 189).
4. De verdere bediening gebeurt net zo als bij de functie
Copyright in de stappen 5-7 beschreven.
Profielen op een kaart opslaan / van een kaart overnemen
1. Menupunt User Profiles kiezen,
2. in het submenu Export to Card, respectievelijk Import from
Card,
3. in de betreende vraag-submenu´s de procedure bevestigen
of afwijzen, en
4. Middenknop 30 indrukken.
Aanwijzing:
Bij het ex- en importeren worden in principe alle vier profielen naar
(van) de kaart overgedragen; dat wil zeggen: ook profielen die
eventueel leeg zijn. Als gevolg daarvan worden bij het importeren
van profielen alle eventueel reeds op de camera aanwezige profie-
len overschreven; dat wil zeggen: gewist.
NL
193
Overige functies
RESETTEN VAN ALLE INDIVIDUELE INSTELLINGEN
Met deze functie kunt u alle eigen instellingen in het hoofdmenu en
opnameparameter-menu in één keer op de fabrieksinstellingen
terugzetten.
De functie instellen
1. Menupunt Reset Camera kiezen,
2. in het vraag-submenu de procedure bevestigen of afwijzen, en
3. Middenknop 30 indrukken.
Aanwijzingen:
Dit terugzetten geldt ook voor de eventueel met de functie
User Profiles vastgelegde en opgeslagen, individuele profielen.
Zolang de camera niet wordt uitgeschakeld, geldt dit echter niet
voor de instellingen onder Date & Time. Na het uit- en inschake-
len van de camera vindt echter een nieuwe opstart plaats; dat
wil zeggen: daarna moeten de instellingen weer worden gereali-
seerd.
FORMATTEREN VAN DE GEHEUGENKAART
Gewoonlijk is het niet nodig reeds gebruikte geheugenkaarten te
formatteren. Wanneer echter een niet-geformatteerde kaart voor
het eerst wordt geplaatst, moet deze worden geformatteerd.
Aanwijzing:
Maak er daarom een gewoonte van, al uw opnamen zo snel moge-
lijk op een geheugenmedium, bijv. op de harde schijf van uw com-
puter te kopiëren. Dit geldt vooral als de camera bij een servicege-
val samen met de geheugenkaart wordt opgestuurd.
Werkwijze
1. Menupunt Format SD kiezen,
2. in het vraag-submenu de procedure bevestigen of afwijzen, en
3. Middenknop 30 indrukken.
Aanwijzingen:
Schakel de camera niet uit terwijl een geheugenkaart wordt gefor-
matteerd.
Als de geheugenkaart in een ander apparaat, bijv. een computer
is geformatteerd, moet u hem in deze camera opnieuw formatte-
ren.
Als de geheugenkaart niet kan worden geformatteerd / beschre-
ven, vraagt u uw dealer of de afdeling Leica Product Support
(adres: zie pagina 224) om advies.
NL
194
Overige functies
MAPPENBEHEER
De beeldgegevens worden op de geheugenkaart in mappen opge-
slagen, die automatisch worden aangemaakt. Deze mapnamen
bestaan in principe uit acht tekens: drie cijfers en vijf letters. In de
fabrieksinstelling wordt de eerste map als 100LEICA aangeduid, de
tweede als 101LEICA, enz. Als mapnummer wordt in principe het
eerste vrije nummer aangemaakt, er zijn maximaal 999 mappen
mogelijk. Als alle nummers zijn verbruikt, verschijnt er een waar-
schuwing op de monitor.
De individuele afbeeldingen in de mappen krijgen doorlopende
nummers tot en met 9999, behalve als er zich op de geheugen-
kaart al een afbeelding met een hoger nummer bevindt dan het
laatste dat de camera heeft aangemaakt. In zulke gevallen telt de
camera door, volgens de nummering van de afbeelding op deze
kaart. Als de actuele map het beeldnummer 9999 bevat, zal er
automatisch een nieuwe map worden aangemaakt, waarin de num-
mering weer bij 0001 zal beginnen. Als mapnummer 999 en beeld-
nummer 9999 zijn bereikt, zal er op de monitor een betreende
waarschuwing verschijnen en zult u de nummering moeten resetten
(zie hieronder). Dit kan gebeuren door de geheugenkaart te format-
teren, maar ook door een andere geheugenkaart te gebruiken.
Met deze camera kunt u bovendien altijd een nieuwe map aanma-
ken, zelf de naam ervan bepalen, en de bestandsnamen wijzigen.
Mapnaam wijzigen
1. Menupunt Image Numbering kiezen, en
2. in het bijbehorende submenu New Folder.
Het toetsenbord-submenu verschijnt. Hetzelfde toetsenbord
als bij de functie Copyright (zie pagina 189).
3. De verdere bediening gebeurt net zo als bij de functie
Copyright in de stappen 5-7 beschreven.
In de invoerregel staat eerst altijd XXX LEICA. De tekens 4-8
kunnen worden gewijzigd.
Na de laatste invoer verschijnt een vraag-submenu.
4. De nieuwe mapnaam bevestigen of afwijzen.
Aanwijzing:
Als u een geheugenkaart gebruikt, die niet met uw camera is gefor-
matteerd (zie pagina 193), zal de camera automatisch een nieuwe
map aanmaken.
NL
195
Overige functies
Bestandsnaam afbeelding wijzigen
1. Menupunt Image Numbering kiezen, en
2. in het bijbehorende submenu Change Filename.
Het toetsenbord-submenu verschijnt. Hetzelfde toetsenbord
als bij de functie Copyright (zie pagina 189).
3. De verdere bediening gebeurt net zo als bij de functie
Copyright in de stappen 5-7 beschreven.
In de invoerregel staat eerst altijd L100Q0 001. DN G
1
. De eer-
ste vier plaatsen kunnen worden veranderd.
Na de laatste invoer verschijnt weer het Image Numbering
-submenu.
Beeldnummers terugzetten
1. Menupunt Image Numbering kiezen, en
2. in het bijbehorende submenu Reset Image Numbering.
Een vraag-submenu verschijnt.
3. De procedure bevestigen of afwijzen.
1
Voorbeeld: alle tekens zijn bedoeld als plaatshouders.
NL
196
Overige functies
DRAADLOZE GEGEVENSOVERDRACHT EN AFSTANDSBEDIE-
NING VAN DE CAMERA
U kunt de camera met een iPhone / iPad op afstand bedienen
respectievelijk deze toestellen als extern geheugenmedium gebrui-
ken. Hiertoe moet eerst de betreende app op uw iPhone / iPad
worden geïnstalleerd. Deze app is in de Apple App Store™ beschik-
baar voor iOS™ apparaten.
WLAN-activering en keuze van de verbindingsmethoden
Er zijn twee mogelijkheden van verbindingsopbouw tussen uw
camera en uw iPhone/iPad. Wanneer u toegang heeft tot een
WLAN is het raadzaam om de methode bij Join WLAN te gebruiken.
Bij deze methode zijn camera en iPhone / iPad in hetzelfde
WLAN-netwerk aangemeld. Het maken van een directe verbinding
(Create WLAN) is met name praktisch, wanneer geen WLAN be-
schikbaar is. Bij deze methode brengt de camera een toegangs-
punt tot stand, waar u zich met uw iPhone/iPad aan kunt melden.
De functie instellen
1. Menuoptie WLAN kiezen,
2. in het submenu Function inschakelen, en
3. in hetzelfde submenu Create WLAN of Join WLAN.
Met een beschikbaar netwerk verbinden (Join WLAN)
Met deze functie is een toegang tot de beschikbare WLAN-netwer-
ken mogelijk.
De functie instellen
4. In het WLAN-submenu Setup selecteren.
De camera geeft automatisch een overzicht van de beschik-
bare netwerken.
5. Het gewenste WLAN uit de netwerklijst selecteren of met Add
Network een verborgen netwerk invoeren.
6. Met de middenknop het geselecteerde netwerk bevestigen.
Het toetsenbord-submenu verschijnt.
Directe verbinding ( Create WLAN)
Met deze functie is een toegang tot de camera zonder beschikbaar
WLAN-netwerk mogelijk.
De functie instellen
4. In het WLAN-submenu Setup selecteren.
5. De cameranaam bij SSID/Network Name invoeren (indien ge-
wenst). Dit gebeurt in een toetsenbord-submenu net als voor
Copyright beschreven.
6. Een netwerk-wachtwoord bij Password invoeren (indien ge-
wenst). Ook dit gebeurt in een toetsenbord-submenu zoals
beschreven.
NL
197
Overige functies
A
B
E
F
C
D
A Invoerregel
B Toetsenblok
C Knop 'Wissen' (wissen van het betreende laatste teken)
D Knop 'Bevestigen' (bevestigen van zowel afzonderlijke waarden als
afgesloten instellingen; terugkeer naar het vorige menuniveau zon-
der bevestigen van enige instelling door op de MENU-knop te druk-
ken)
E Veranderen hoofdletters / kleine letters
F Veranderen letters / cijfers en tekens
In de invoerregel is de eerste plaats gemarkeerd als gereed
voor bewerking. De beschikbare tekens zijn hoofdletters en
kleine letters, en een spatie_, en na het omschakelen de
cijfers 0 tot en met 9 en diverse leestekens. Beide teken-
groepen staan steeds in een gesloten lus.
7. Het wachtwoord (indien vereist) invoeren.
Aanwijzingen:
Bij het gebruik van apparaten of computersystemen die een
betrouwbaardere beveiliging dan WLAN-apparaten vereisen,
moet ervoor worden gezorgd dat de juiste maatregelen voor de
beveiliging en bescherming tegen storingen op de gebruikte
systemen worden toegepast.
Leica Camera AG aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die
kan optreden bij gebruik van de camera voor andere doeleinden dan
voor het gebruik als een WLAN-apparaat.
Aangenomen wordt dat het gebruik van de WLAN-functie mogelijk is
in de landen waar deze camera wordt verkocht. Er bestaat het gevaar,
dat de camera in strijd is met de wetgeving over radiocommunicatie
als het wordt gebruikt in andere landen dan waarin het wordt ver-
kocht. Leica Camera AG aanvaardt geen aansprakelijkheid voor even-
tuele schendingen.
Houd er rekening mee dat er gevaar is voor het auisteren van de via
de radiocommunicatie verzonden en ontvangen gegevens door der-
den. Het wordt ten zeerste aanbevolen om de versleuteling onder de
instellingen van de draadloze toegangspunten te activeren om infor-
matieveiligheid te waarborgen.
Vermijd het gebruik van de camera in gebieden met magnetische
velden, statische elektriciteit of storingen, bijvoorbeeld in de buurt van
magnetrons. Anders bereikt de radiocommunicatie de camera mis-
schien niet.
Wanneer de camera in de buurt van apparatuur zoals magnetrons en
draadloze telefoons wordt gebruikt die de 2,4 GHz-frequentieband
gebruiken, kan dit op beide apparaten beïnvloeding van de prestaties
veroorzaken.
Maak geen verbinding met draadloze netwerken, waar u niet bevoegd
bent om deze te gebruiken.
Bij geactiveerde WLAN-functie worden draadloze netwerken automa-
tisch gezocht. Wanneer dit gebeurt, kunnen ook netwerken worden
weergegeven, waarvoor u niet bevoegd bent om deze te gebruiken
(SSID: verwijst naar de naam die wordt gebruikt om een netwerk te
identiceren via een WLAN-verbinding). Probeert u echter niet om
een verbinding tot een dergelijk netwerk tot stand te brengen, omdat
dit als onbevoegde toegang zou kunnen worden beschouwd.
Het wordt aanbevolen om de WLAN-functie in vliegtuigen uit te scha-
kelen
NL
198
Overige functies
GEGEVENSOVERDRACHT NAAR EEN COMPUTER
De beeldgegevens op een geheugenkaart kunt u met een kaart-
leesapparaat voor SD-/SDHC/SDXC-kaarten naar een computer
overdragen.
Datastructuur op de geheugenkaart
Gegevens die op een kaart zijn opgeslagen en naar een computer
worden gekopieerd, worden in de mappen 100LEICA, 101LEICA
etc. opgeslagen:
In deze mappen kunnen maximaal 9999 opnamen worden opgesla-
gen.
WERKEN MET DNG -RAW DATA
Wanneer u het gestandaardiseerde en toekomst verzekerde DNG
(Digital Negativ)-formaat wilt gebruiken, hebt u een gespecialiseer-
de software nodig, om de opgeslagen onbewerkte gegevens in de
hoogste kwaliteit te converteren, bijvoorbeeld een professionele
converter voor onbewerkte gegevens Adobe® Photoshop® Light-
room®. Dergelijke beeldbewerkingssoftware biedt kwalitatief geop-
timaliseerde algoritmen voor de digitale kleurverwerking, die gelijk-
tijdig bijzonder weinig ruis en een verbazingwekkende
beeldresolutie mogelijk maken.
Bij de bewerking hebt u de mogelijkheid achteraf parameters zoals
ruisvermindering, gradatie, scherpte enz. in te stellen en op deze
wijze een maximale beeldkwaliteit te realiseren.
NL
199
Overige functies
INSTALLEREN VAN FIRMWARE-UPDATES
Leica werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling en optimali-
sering van zijn producten. Omdat er bij digitale camera’s zeer veel
functies uitsluitend door software worden gestuurd, kunnen enkele
van deze verbeteringen en uitbreidingen van opties achteraf wor-
den geïnstalleerd.
Om deze reden biedt Leica in onregelmatige intervallen zogenaam-
de firmware-updates aan, die u kunt ophalen op onze startpagina.
Nadat u de camera op de startpagina van Leica Camera hebt gere-
gistreerd, wordt u per nieuwsbrief geïnformeerd, wanneer een
firmware-update ter beschikking staat. Leica Camera AG infor-
meert u over alle nieuwe updates.
Wanneer u vast wilt stellen, welke firmwareversie geïnstalleerd is:
Menupunt Camera Information kiezen.
In de regel Camera Firmware wordt rechts in de regel het versie-
nummer aangegeven.
Meer details over registratie en firmware-updates voor uw camera
en eventuele veranderingen en aanvullingen op de uitvoeringen in de
gebruiksaanwijzing vind u in 'Klantgedeelte' onder:
https://owners.leica-camera.com
Aanwijzingen:
Wanneer de batterij onvoldoende is geladen, krijgt u de waar-
schuwing Battery low. Laad in dit geval eerst de batterij op en
herhaal de hierboven beschreven actie.
Neem alle instructies in acht met betrekking tot het opnieuw in
gebruik nemen van de camera.
NL
200
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
VEILIGHEIDSMAATREGELEN EN
ONDERHOUD
ALGEMENE VOORZORGSMAATREGELEN
Gebruik uw camera niet in de onmiddellijke nabijheid van appa-
ratuur met sterke magneetvelden en elektrostatische of elektro-
magnetische velden (zoals inductie-ovens, magnetrons, monito-
ren van tv of computer, videogame-consoles, mobiele telefoons,
zendapparatuur).
Wanneer u de camera op een televisie plaatst, of in de onmiddel-
lijke nabijheid van een televisie gebruikt, kan het magneetveld
beeldregistraties verstoren.
Hetzelfde geldt voor gebruik in de buurt van mobiele telefoons.
Sterke magneetvelden, bijvoorbeeld die van luidsprekers of grote
elektromotoren, kunnen beschadiging van de opgeslagen gege-
ven, respectievelijk verstoring van de opnamen tot gevolg heb-
ben.
Gebruik de camera niet in de onmiddellijke nabijheid van radio-
zenders of hoogspanningsleidingen. Hun elektromagnetische
velden kunnen de beeldregistraties eveneens verstoren.
Als de camera door het eect van elektromagnetische velden
niet goed functioneert, deze uitschakelen, de batterij verwijde-
ren en weer plaatsen, en de camera weer inschakelen.
Bescherm de camera tegen contact met insectenspray en ande-
re agressieve chemicaliën. Benzine, verdunner en alcohol mogen
ook niet voor reiniging worden gebruikt.
Bepaalde chemicaliën en vloeistoen kunnen de behuizing van
de camera, respectievelijk het oppervlak beschadigen.
Omdat rubber en kunststof soms agressieve chemicaliën af-
scheiden, mogen ze niet langere tijd met de camera in contact
blijven.
Zorg ervoor, dat zand of stof niet in de camera kan binnendrin-
gen, bijvoorbeeld aan het strand. Zand en stof kunnen de came-
ra en de geheugenkaart beschadigen. Let hier vooral op bij het
vervangen van objectieven en kaarten.
Zorg ervoor, dat geen water in de camera kan binnendringen,
bijvoorbeeld bij sneeuw, regen of aan het strand. Vocht kan tot
storingen leiden en zelfs onherstelbare schade aan de camera
en de geheugenkaart veroorzaken.
Zorg ervoor dat het flitsschoen-beschermkapje altijd op zijn
plaats zit als u geen accessoire gebruikt (bijv. flitser of externe
zoeker). Het beschermt bus 28 een tijd lang tegen het binnen-
dringen van water.
Als er spetters zout water op uw camera zijn gekomen, bevoch-
tigt u een zachte doek eerst met leidingwater, wringt deze stevig
uit en wist hiermee de camera af. Daarna met een droge doek
goed nawrijven.
NL
201
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
MONITOR
De productie van de monitor vindt plaats in een zeer nauwkeurig
proces. Zo is verzekerd dat van de in totaal meer dan 1.036.800
pixels maar heel, heel weinig pixels niet werken, dat wil zeggen dat
ze donker blijven, of altijd helder. Dit is echter geen storing en
beïnvloedt de beeldweergave niet nadelig.
Wanneer de camera aan grote temperatuurschommelingen
wordt blootgesteld, kan zich condens op de monitor vormen. Wis
deze voorzichtig met een zachte, droge doek af.
Als de camera bij het inschakelen zeer koud is, kan de monitor
aanvankelijk iets donkerder zijn dan normaal. Zodra deze war-
mer wordt, bereikt de monitor weer zijn normale helderheid.
SENSOR
Hoogtestraling (bijvoorbeeld bij vluchten) kan pixeldefecten
veroorzaken.
CONDENSATIEVOCHT
Als er zich condens op of in de camera heeft gevormd, moet u
hem uitschakelen en ongeveer 1 uur
bij kamertemperatuur laten liggen. Als kamer- en cameratempe-
ratuur gelijk zijn, verdwijnt de condens vanzelf.
NL
202
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
ONDERHOUD
Omdat elke vervuiling tevens een voedingsbodem voor micro-orga-
nismen vormt, moet de uitrusting zorgvuldig worden schoongehou-
den.
VOOR DE CAMERA
Reinig de camera uitsluitend met een zachte, droge doek. Hard-
nekkig vuil moet eerst met een sterk verdund afwasmiddel wor-
den bevochtigd, en vervolgens met een droge doek worden
weggeveegd.
Camera en objectief moeten voor het verwijderen van vlekken
en vingerafdrukken met een schone, pluisvrije doek worden
afgeveegd. Vuil in moeilijk toegankelijke hoeken van de camera-
behuizing kan met een klein borsteltje worden verwijderd. De
sluiterlamellen mogen in geen geval worden aangeraakt.
Alle mechanisch bewegende lagers en glijvlakken van uw camera
zijn gesmeerd. Denk daar aan als u de camera langere tijd niet
gebruikt: de camera ongeveer elke drie maanden meerdere
keren ontspannen om verharsen van de smeerpunten te vermij-
den. Het is ook aanbevolen dat u herhaaldelijk alle andere bedie-
ningselementen verstelt en gebruikt. Ook de afstandsinstelring
en diafragma-instelring van de objectieven moet regelmatig
worden bewogen.
Let op dat de sensor voor de 6-bit codering in de bajonet niet
wordt vervuild of verkrast. Zorg er ook voor dat zich daar geen
zandkorrels of dergelijke deeltjes verzamelen die krassen op de
bajonet kunnen veroorzaken. Reinig dit onderdeel uitsluitend
droog en oefen geen druk uit op het afdekglas!
VOOR OBJECTIEVEN
Op de buitenlenzen van het objectief moet het verwijderen van
stof met de zachte haarpenseel normaal gesproken volstaan. Bij
sterkere vervuiling kunnen deze met een zeer schone, gegaran-
deerd smetvrije, zachte doek in cirkelvormige bewegingen van
binnen naar buiten voorzichtig worden gereinigd. Wij adviseren
microvezeldoekjes (verkrijgbaar in de foto- en optiekzaak) die in
een beschermende verpakking worden bewaard en bij tempera-
turen tot 40 °C wasbaar zijn (geen wasverzachter, nooit strij-
ken!). Reinigingsdoekjes voor brillen die met chemische midde-
len zijn geïmpregneerd, mogen niet worden gebruikt omdat ze
het objectiefglas kunnen beschadigen.
Let op dat de 6-bit codering in de bajonet (sj) niet wordt vervuild
of verkrast. Zorg er ook voor dat zich daar geen zandkorrels of
dergelijke deeltjes verzamelen die krassen op de bajonet kunnen
veroorzaken. Reinig dit onderdeel uitsluitend droog!
Optimale bescherming van frontlenzen bij ongunstige opname-
omstandigheden (bijvoorbeeld zand, spetters zout water!) ver-
krijgt u met kleurloze UVA-filters. Er moet echter rekening mee
worden gehouden dat ze bij bepaalde tegenlichtsituaties en
grote contrasten, zoals bij elk filter, ongewenste reflexen kunnen
veroorzaken. Het altijd aanbevelenswaardige gebruik van een
tegenlichtkap biedt extra bescherming tegen ongewenste vinger-
afdrukken en regen.
NL
203
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
VOOR DE BATTERIJEN
De oplaadbare Li-ionaccu's genereren stroom door interne chemi-
sche reacties. Deze reacties worden ook door de buitentempera-
tuur en luchtvochtigheid beïnvloed. Zeer hoge en lage temperatu-
ren verkorten de verblijftijd en levensduur van de accu's.
Verwijder de accu altijd als u de camera langere tijd niet ge-
bruikt. Anders kan de batterij na enkele weken diep worden
ontladen; dat wil zeggen: De spanning daalt sterk, omdat de
camera, zelfs wanneer deze is uitgeschakeld, een geringe rust-
stroom verbruikt (bijvoorbeeld voor de opslag van de datum).
Li-ionenaccu's moeten in gedeeltelijk opgeladen toestand wor-
den bewaard, dat wil zeggen niet volledig ontladen, maar ook
niet volledig opgeladen (volgens de indicatie op de monitor). Bij
zeer langdurige opslag moet de batterij ongeveer tweemaal per
jaar gedurende circa 15 minuten worden opgeladen om diepe
ontlading te vermijden.
Houd de contacten van de batterijen steeds schoon en vrij toe-
gankelijk. Li-ionaccu's zijn weliswaar tegen kortsluiting beveiligd,
maar toch mag u de contacten niet in aanraking laten komen
met metalen voorwerpen zoals paperclips of sieraden. Een kort-
gesloten accu kan zeer heet worden en ernstige brandwonden
veroorzaken.
Als er een batterij op de grond valt, moet u daarna de behuizing
en contacten op eventuele schade controleren. Het plaatsen van
een beschadigde batterij kan de camera beschadigen.
Als er geuren, verkleuringen, vervormingen, oververhitting of
lekkages van vloeistof optreden, moet onmiddellijk de batterij uit
de camera of oplaadapparaat worden verwijderd en moet deze
worden vervangen. Bij voortgezet gebruik van de batterij is er
anders een reëel risico voor oververhitting met brand- en/of
explosiegevaar!
Bij brandlucht of lekkende vloeistoen moet u de batterij uit de
buurt van warmtebronnen houden. De lekkende vloeistof kan
gaan branden!
Een veiligheidsklep in de batterij zorgt ervoor dat bij onjuiste om-
gang met de batterij eventuele overdruk gecontroleerd kan ont-
wijken.
Met name koude omgevingen kunnen leiden tot een capaciteits-
vermindering van de batterij.
Accu's hebben slechts een beperkte levensduur. Wij adviseren
een vervanging na circa vier jaar.
Den productiedatum van een batterij is op de body vermeld:
WWJJ (WW = kalenderweek / JJ =jaar).
Geef de schadelijke accu's af aan een verzamelpunt voor correc-
te recycling.
Deze accu's mogen niet voor langere tijd aan hitte of zonlicht en
vooral ook niet aan vochtigheid of water worden blootgesteld.
Bovendien mogen deze batterijen nooit in een magnetron of in
een omgeving onder hoge druk worden geplaatst wegens gevaar
van brand of explosie!
NL
204
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
VOOR HET OPLAADAPPARAAT
Wanneer het oplaadapparaat in de buurt van radio-ontvangers
wordt gebruikt, kan de ontvangst worden verstoord. Houd tus-
sen de apparaten een afstand van minimaal 1 m aan.
Wanneer het oplaadapparaat wordt gebruikt, kan dit geluid ver-
oorzaken ('zoemen'); dit is normaal en geen storing.
Trek de netstekker van het oplaadapparaat eruit als dit niet
wordt gebruikt, omdat het ook zonder batterij (zeer weinig)
stroom verbruikt.
Houd de contacten van het oplaadapparaat altijd schoon en
maak nooit kortsluiting.
De meegeleverde autolaadkabel
mag alleen in 12 V-stroomcircuits worden gebruikt,
mag in geen geval worden aangesloten als de lader met het net
is verbonden.
VOOR GEHEUGENKAARTEN
Zolang een opname wordt opgeslagen of de geheugenkaart
wordt uitgelezen, mag deze niet worden verwijderd, cameramag
niet worden uitgeschakeld en niet aan trillingen worden blootge-
steld.
Geheugenkaarten moeten veiligheidshalve uitsluitend in het
meegeleverde antistatische foedraal worden bewaard.
Bewaar geheugenkaarten niet op een plaats waar ze aan hoge
temperaturen, direct zonlicht, magneetvelden of statische ontla-
ding worden blootgesteld.
Laat de geheugenkaart niet vallen en buig deze niet, omdat deze
anders beschadigd kan worden en de opgeslagen gegevens
verloren kunnen gaan.
Verwijder altijd de geheugenkaart als u de camera langere tijd
niet gebruikt.
Raak de aansluitingen aan de achterzijde van de geheugenkaart
niet aan en houd ze vrij van vuil, stof en vocht.
Het is raadzaam de geheugenkaart af en toe te formatteren,
omdat voor de fragmentering bij het wissen enige geheugenca-
paciteit nodig kan zijn.
NL
205
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
Aanwijzingen:
Bij gewoon formatteren gaan de gegevens op de kaart voorlopig
nog niet onherroepelijk verloren. Alleen de directory wordt ge-
wist zodat de aanwezige bestanden niet meer direct toegankelijk
zijn. Met de goede software kunnen de gegevens weer toeganke-
lijk worden gemaakt. Alleen de gegevens die daarna door het
opslaan van nieuwe gegevens worden overschreven, zijn echt
definitief gewist. Maak er daarom een gewoonte van al uw opna-
men altijd zo snel mogelijk op een veilig geheugenmedium op te
slaan, bijv. de harde schijf van uw computer. Dit geldt vooral als
de camera bij een servicegeval samen met de geheugenkaart
wordt opgestuurd.
Afhankelijk van de toegepaste geheugenkaart kan het formatte-
ren wel 3 minuten duren.
NL
206
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
REINIGEN VAN DE SENSOR / STOFDETECTIE
Als zich stof- of vuildeeltjes aan het sensor-afdekglas hechten, kan
dit, afhankelijk van de grootte, zich manifesteren in donkere punten
of vlekken op de opnamen.
Met de optie Dust Detection kunt u controleren, of er zich stof op
de sensor bevindt en hoeveel. Dit is veel exacter als een visuele
controle en zodoende dus een betrouwbare methode om te kunnen
beoordelen of een reiniging nodig is.
De camera kan voor reiniging van de sensor - tegen een vergoeding
- naar de Customer Care van Leica Camera AG worden gestuurd
(adres: zie pagina 224). Deze reiniging maakt geen deel uit van de
garantie.
U kunt de reiniging ook zelf ter hand nemen; hiervoor dient de
menufunctie Open Shutter. Toegang tot de sensor vindt plaats via
de opengehouden sluiter.
Stofdetectie
1. Menupunt Sensor Cleaning kiezen.
Het submenu verschijnt.
2. Dust detection kiezen.
De volgende melding Please close the aperture to the larQ
gest value (16 or 22), and take a picture of a homogeneous
surface (defocussed).
3. Druk de ontspanner 17 in.
Op de monitor verschijnt na een korte tijd een "foto" waarop
zwarte pixels de stofdeeltjes weergeven.
Aanwijzing:
Als de stofdetectie niet mogelijk is gebleken, zal er in plaats daar-
van een betreende melding verschijnen.
Na enkele seconden zal het scherm weer teruggaan naar het onder
punt 2 genoemde. De opname kan dan herhaald worden.
Reinigen
1. Menupunt Sensor Cleaning kiezen.
Het submenu verschijnt.
2. Open Shutter kiezen.
Een vraag-submenu verschijnt.
3. De procedure bevestigen. Bij voldoende accucapaciteit, dat wil
zeggen bij minstens 60% zal de sluiter opengaan.
De melding Attention Please switch off
camera after Inspection verschijnt.
Aanwijzing:
Wanneer de batterijcapaciteit echter lager is, verschijnt in plaats
daarvan de waarschuwing Attention Battery capacity too low for
sensor cleaning om erop te wijzen dat de optie niet beschikbaar is,
dat wil zeggen Yes niet kan worden gekozen
4. Reiniging realiseren. Neem daarbij beslist de onderstaande
opmerkingen in acht.
5. Schakel de camera na de reiniging uit. De sluiter zal voor de
veiligheid pas 10s daarna sluiten.
De melding Attention Please stop sensor
cleaning immediately verschijnt.
NL
207
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
Aanwijzingen:
Als basisregel geldt: Op de camera moet als bescherming tegen
het binnendringen van stof e.d. in het binnenwerk van de came-
ra altijd een objectief zijn geplaatst, of de kap van de body.
Om dezelfde reden moet het wisselen van een objectief snel en
in een zo stofvrij mogelijke ruimte plaatsvinden.
Omdat onderdelen van kunststof snel statisch worden opgela-
den en dan in toenemende mate stof aantrekken, dient u kappen
van de objectieven en body slechts kort in de zakken van uw
kleding te bewaren.
Om nog meer vervuiling te vermijden, moeten inspectie en reini-
ging van de sensor in een zo stofvrij mogelijke ruimte plaatsvin-
den.
Zwak aanhechtend stof kan met schoon, eventueel geïoniseerd
gas zoals lucht of stikstof van het sensor-afdekglas worden ge-
blazen. Hiervoor kan een (rubber-) blaasbalg zonder borsteltje
worden gebruikt. Ook speciale, drukloze reinigingssprays, zoals
'Tetenal Antidust Professional' kunnen conform hun gebruiks-
aanwijzing worden gebruikt.
Als de aangehechte deeltjes op de beschreven wijze niet kunnen
worden verwijderd, neem dan contact op met de Leica Info-
dienst.
Als de batterijcapaciteit bij geopende sluiter terugloopt tot min-
der dan 40%, verschijnt op de monitor de waarschuwing
Attention Please stop sensor cleaning immediately. Door het
uitschakelen wordt ook de sluiter weer gesloten.
Let er beslist op dat u het venster van de sluiter in zo’n geval
vrijhoudt. Dat wil zeggen: dat er, om schade te vermijden, geen
voorwerp het correct sluiten van de sluiter verhindert!
Belangrijk:
Leica Camera AG biedt geen garantie voor schade die door de
gebruiker bij het reinigen van de sensor wordt veroorzaakt.
Probeer niet met de mond stofdeeltjes van het sensor-afdekglas
te blazen; de kleinste druppeltjes speeksel kunnen al moeilijk te
verwijderen vlekken veroorzaken.
Persluchtreinigers met hoge gasdruk mogen niet worden ge-
bruikt, omdat deze ook schade kunnen veroorzaken.
Voorkom dat het sensoroppervlak bij inspectie en reiniging met
een of ander hard voorwerp in aanraking komt.
NL
208
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
OPBERGEN
Wanneer u de camera een tijd lang niet gebruikt, is het raad-
zaam
a. de geheugenkaart te verwijderen (zie pagina 132), en
b. de batterij te verwijderen (zie pagina 132) (na uiterlijk 2
maanden gaan de opgeslagen tijd en datum verloren).
Een objectief werkt als een brandglas als het volle zonlicht fron-
taal op de camera staat. De camera moet daarom altijd tegen
sterke zonnestraling worden beschermd. Het plaatsen van een
objectiefkap, het opbergen van de camera in de schaduw (of
gelijk in de tas) kan ertoe bijdragen interne schade aan de ca-
mera te voorkomen.
Bewaar de camera bij voorkeur in een gesloten en gestoeerd
foedraal, zodat er niets tegenaan kan schuren en stof op afstand
wordt gehouden.
Bewaar de camera op een droge, voldoende geventileerde
plaats, die bescherming biedt tegen hoge temperatuur en voch-
tigheid. De camera moet bij gebruik in een vochtige omgeving
voor de opslag beslist vrij zijn van ieder vocht.
Fototassen die bij gebruik nat zijn geworden, moeten worden
leeggemaakt om beschadiging van uw uitrusting door vocht en
eventueel vrijkomende restanten leerlooimiddel uit te sluiten.
Ter bescherming tegen schimmelvorming, bij gebruik in een
vochtig en warm tropisch klimaat, moet de camera-uitrusting zo
veel mogelijk aan zon en lucht worden blootgesteld. Het bewa-
ren in afgesloten koers of tassen is slechts aan te bevelen als
bovendien een droogmiddel, bijvoorbeeld silicagel, wordt ge-
bruikt.
Bewaar de camera ter vermijding van schimmelvorming niet voor
lange tijd in de leren tas.
Noteer het fabricagenummer van uw camera (in de accessoire-
schoen gegraveerd!) en de objectieven, omdat die in geval van
verlies uitermate belangrijk zijn.
STORINGEN EN REMEDIES
De camera reageert niet op het inschakelen.
Is de accu goed geplaatst?
Is de accuconditie voldoende?
Gebruikt u een opgeladen accu.
Is de bodemkap goed geplaatst?
Onmiddellijk na het inschakelen schakelt de camera zichzelf
weer uit.
Is de accuconditie voldoende voor de werking van de camera?
Laad de accu op of plaats een opgeladen accu.
Is er sprake van condens?
Dit komt voor als de camera van een koude naar een warme
plaats wordt gebracht. Wacht in dat geval eerst tot
het condens is vervluchtigd.
NL
209
Veiligheidsmaatregelen en onderhoud
De camera laat zich niet ontspannen.
Er worden beeldgegevens naar de geheugenkaart gekopieerd en
nou is het buergeheugen net vol.
De capaciteit van de geheugenkaart is onvoldoende en het buf-
fergeheugen is vol.
Wis niet meer benodigde opnamen voordat u nieuwe maakt.
Er is geen geheugenkaart geplaatst en het buergeheugen is vol.
De geheugenkaart is defect of beveiligd tegen schrijven.
Schakel de schrijfbeveiliging van de camera uit, respectievelijk
plaats een andere geheugenkaart.
De beeldnummering is verbruikt.
Zet de beeldnummering terug.
De sensor is oververhit.
Geef de camera de mogelijkheid om af te koelen.
De opname kan niet worden opgeslagen.
Is een geheugenkaart geplaatst?
De capaciteit van de geheugenkaart is onvoldoende.
Wis niet meer benodigde opnamen voordat u nieuwe maakt.
De monitor is te licht of te donker.
De kwaliteit van het monitorbeeld wordt onder een grote hoek in
principe minder.
Als u loodrecht op de monitor kijkt en het beeld is te donker of
te licht: Stelt u een andere lichtsterkte in, of gebruik de als
accessoire verkrijgbare, externe elektronische zoeker.
De zojuist gemaakte opname wordt
niet op de monitor getoond
Is (indien de camera in de opnamemodus staat) de optie Auto
Review ingeschakeld?
De opname kan niet worden getoond.
Is een geheugenkaart geplaatst?
Er zijn geen gegevens op de geheugenkaart.
De tijd en datum zijn onjuist respectievelijk niet meer
aanwezig.
De camera werd lange tijd niet gebruikt; vooral bij verwijderde
accu.
Plaats een volledig opgeladen accu.
Stel datum en tijd in.
NL
211
Appendix
1. Lichtkaders voor 50 mm en 75 mm
1
(voorbeeld)
2. Meetveld voor afstandsinstelling
3. Met LED’s
1
(Light Emitting Diodes – lichtdiodes) voor:
a. Digitale indicatie met vier tekens, met onder- en bovenlig-
gende punten
Digitale weergave:
Weergave van de automatisch berekende sluitertijd bij
tijdautomaat A, respectievelijk bij het verstrijken van
langere sluitertijden dan 1 s
Waarschuwing voor waarden onder respectievelijk bo-
ven het meetbereik of het instelbereik bij tijdautomaat A
Indicatie van de belichtingscorrectie (kortstondig tijdens
de instelling, of voor ongeveer 0,5s bij het activeren van
de belichtingsmeting door kort halverwege indrukken
van de ontspanknop)
Aanduiding (tijdelijk) van vol buergeheugen
Indicatie ontbrekende geheugenkaart (Sd)
Aanduiding volle geheugenkaart (Full)
b. Bovenliggend punt:
Aanduiding (branden) van actief meetwaardegeheugen
c. Onderliggend punt:
Aanduiding (knipperen) van actieve belichtingscorrectie
d. Twee driehoekige en een ronde LED:
Bij handmatige belichtingsinstelling:
gemeenschappelijk als lichtschaal voor de belichtingsre-
geling. Driehoekige LED’s geven de noodzakelijke draai-
richting aan voor zowel de diafragmaring als het instel-
wieltje van de sluitertijden.
Waarschuwing voor waarde onder het meetbereik
e. Flitssymbool:
Flitsparaatstatus
Informatie over de flitsbelichting vóór en na de opname
1
Met automatische, aan het daglicht aangepaste lichtsterkteregeling. De automa-
tische regeling is met Leica M-objectieven met zoekeradapter niet mogelijk,
omdat deze de helderheidssensor 5 bedekt, die de informatie hiervoor moet
leveren. In zulke gevallen branden de kaders en weergaven altijd met constante
helderheid.
NL
212
Appendix
DE INDICATIES OP DE MONITOR
BIJ OPNAME
In Live View-modus
20
13
18
16
17
15 14
19
10
11
12
9
1 2 3 4 5 6 7 8 9
Opname-histogram
10
Clipping-markering onder- (blauw), respectievelijk overbelichte
(rood) onderwerpdelen
11
Markering scherp ingestelde randen in het onderwerp (Focus
Peaking)
12
Spot-belichtingsmeetveld (uitsluitend als meetmethode is inge-
schakeld)
13
Raster (twee varianten selecteerbaar)
14
Belichtingsmodus
15
ISO-gevoeligheid/-instelling
16
Lichtschaal
17
Belichtings-correctieschaal
18
Sluitertijd
19
Belichtingssimulatie
20
Resterende aantal opnamen inclusief tendensweergave door
staafdiagram
21
Weergave van de grootte en de locatie van de uitsnede
(alleen bij vergroting van een fragment)
1
Witbalans-modus
2
Bestandsformaat / compressieniveau / resolutie
3
Methode belichtingsmeting
4
Ontspanner-/Drive Mode-modus
5
WLAN (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven,
afhankelijk van de ontvangstsituatie)
6
GPS (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven,
afhankelijk van de ontvangstsituatie)
7
Lichtsterkte/brandpuntsafstand of type objectief
8
Batterijcapaciteit
NL
213
Appendix
In de zoekermodus (met een druk op de middenknop)
21 3 4 5 6 24
20
18
17
16
22 23
714
15
22
Batterijcapaciteit, vergeleken met de Live View-modus met
extra tendensweergave door staafdiagram
23
Geheugenkaart-capaciteit inclusief tendensweergave door
staafdiagram
24
Gebruikte profiel-geheugenplaats (uitsluitend indien ingeschakeld)
NL
214
Appendix
BIJ WEERGAVE
19
13
18
16
17
15 14
10
11
12
9
1 2 3 4 5 6 7 8
12
Clipping-markering onder- (blauw), respectievelijk overbelichte
(rood) onderwerpdelen
13
Weergave van de grootte en de locatie van de uitsnede
(alleen bij uitsneden)
14
Belichtingsmodus
15
ISO-gevoeligheid
16
Lichtschaal
17
Schaal voor belichtingscorrecties
18
Sluitertijd
19
Totaalaantal opnamen op de geheugenkaart inclusief staafdi-
agram voor weergave voor relatieve situatie in verhouding tot
het totaalaantal opnamen
20
Geselecteerd beeld / geselecteerde beeldgroep
(alleen bij verkleinde weergave van 12 / 20 afbeeldingen)
1
Witbalans-modus
2
Bestandsformaat / compressieniveau / resolutie
3
Methode belichtingsmeting
4
Ontspanner-/Drive Mode-modus
5
WLAN (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven,
afhankelijk van de ontvangstsituatie)
6
GPS (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven,
afhankelijk van de ontvangstsituatie)
7
Lichtsterkte/brandpuntsafstand of type objectief
8
Batterijcapaciteit
9
Weergave-histogram
10
Bestandsnummer van de getoonde opname
11
Symbool voor gemarkeerde opname
NL
215
Appendix
Wismenu
BIJ MENUBEDIENING
21
3
4
5
2
1
21
Wismenu met menupunten
1
Weergave van het menugedeelte FAVORITES (uitsluitend, als
minstens één menupunt aan dit menu is toegewezen)
2
Menuoptie
3
Instellen van menu-item
4
Verwijzing naar submenu
5
Schuifbalk met paginamarkering (alleen in het hoofdmenu)
NL
216
Appendix
DE MENUPUNTEN
Fabrieksinstelling menu FAVORITES Bruikbaar voor menu FAVORITES
Pagina
Lens Detection
6
150
Drive Mode
6 6
140/172/188
Exp. Metering
6
168
Exp. Compensation
6 6
171
Flash settings
6 6
186/187
ISO Setup
6 6
156
White Balance
6 6
154
Photo File Format
6 6
152
JPG Settings
6 6
152-153
(Deelpunt van JPG Settings)
Auto Review
6
176
Capture Assistants
6
161
EVF/Display Control
6
161-163/165-166
User Profiles
6
148
Customize Control
6
192
Display Brightness
6
160
EVF Brightness
6
160
NL
217
Appendix
Fabrieksinstelling menu FAVORITES Bruikbaar voor menu FAVORITES
Pagina
Auto Power Saving
6
148
WLAN
6
196
GPS
1
6
190/147
Date & Time
6
146-147
Language
6
146
Reset Camera
6
193
Format SD
6
193
Image Numbering
194-195
Sensor Cleaning
206
Camera Information
117/189/199
1
Menupunt is alleen beschikbaar met geplaatste Leica Visoflex zoeker (als toebehoren verkrijgbaar).
NL
218
Index
TREFWOORDENREGISTER
Aanduiding van de onderdelen .................................................124
Afstandsinstelling .....................................................................164
Afstandsmeter .......................................................................162
Deelbeeldmethode ................................................................164
Instelwiel ...............................................................................124
Meetveld ...................................................................... 158/210
Mengbeeldmethode ...............................................................164
Op de monitor .......................................................................165
Scherpte instellingshulpjes ........................................... 165/166
Alle individuele menu-instellingen terugstellen ..........................193
Batterij, plaatsen en eruit nemen ..............................................244
Beeldeigenschappen (contrast, scherpte, kleurverzadiging) ......153
Beeldfrequentie ........................................................................140
Beeldveldkiezer ........................................................................159
Bekijken van de opname ..........................................................176
met de Auto Review-functie (automatische weergave) ............176
met de PLAY-functie ..............................................................176
Belichting / belichtingsregeling / belichtingsmeter
Automatische belichtingsseries ..............................................172
Belichtingscorrecties .............................................................170
Handmatige instelling ............................................................174
Inschakelen ...........................................................................139
Meetbereik ................................................................... 175/220
Meetmethoden ......................................................................168
Meetwaardenopslag ..............................................................170
Tijdautomaat .........................................................................169
Uitschakelen .........................................................................139
Waardes boven of onder het meetbereik ................................175
Bewaren ..................................................................................208
Contrast, zie beeldeigenschappen
Copyright .................................................................................189
Datastructuur op de geheugenkaart .........................................198
Datum en tijd ...........................................................................146
Diafragma-instelring .................................................................124
DNG ............................................................................... 152/199
Draagriem ................................................................................128
Firmware-downloads ................................................................199
Flitsmodus ...............................................................................182
Flitsapparaten .......................................................................182
Synchronisatie.......................................................................186
Formaatkader ............................................................... 158/210
Formatteren van de geheugenkaart ..........................................193
Fragment, zie Weergavemodus .................................................178
Gegevensoverdracht naar een computer ...................................198
Geheugenkaart, plaatsen en eruit nemen ..................................134
Gevoeligheid ............................................................................156
GPS .........................................................................................190
Histogram ....................................................................... 162/212
Hoofdschakelaar ......................................................................138
HSS-flits ..................................................................................180
In-/uitschakelen ......................................................................138
Infodienst, Leica Product Support ............................................224
Intervalopnamen ......................................................................188
ISO-gevoeligheid ......................................................................156
NL
219
Index
Klantendienst ...........................................................................224
Kleurverzadiging, zie beeldeigenschappen
Leveringsomvang .....................................................................116
Lichtkader-meetzoeker .................................................... 158/210
Live View ........................................................................ 160/165
Menubediening ........................................................................142
Menupunten ............................................................................217
Menutaal .................................................................................146
Monitor ....................................................................................160
Objectieven, Leica M................................................................135
Gebruik van aanwezige objectieven ................................ 135-136
Opbouw ................................................................................124
Plaatsen en verwijderen .........................................................137
Onbewerkte gegevens ..............................................................152
Onderdelen, benaming van de ..................................................124
Onderhoud ...............................................................................202
Ontspanner, zie ook Sluiter en Technische gegevens ........ 139/222
Opname wissen .......................................................................180
Reparaties / Leica Customer Care ...........................................224
Resolutie ..................................................................................152
Scherpte, zie beeldeigenschappen
Scherptediepteschaal ...............................................................124
Serieopnames ..........................................................................140
Sluiter, zie Ontspanner en Technische gegevens
Storingen en oplossingen .........................................................208
Technische gegevens ...............................................................220
Tijd/diafragma-combinatie, zie belichtingsinstelling ..................174
Tijdautomaat ............................................................................169
Tijdinstelwiel ............................................................................141
Uitschakeling, automatische .....................................................260
Vergroten van de opname ............................................... 165/178
Vervangende onderdelen ..........................................................116
Voorzorgsmaatregelen .............................................................200
Waarschuwingen ......................................................................122
Weergavemodus .......................................................................176
Weergeven
in de zoeker...........................................................................210
op de monitor ........................................................................211
Wisselobjectieven ....................................................................135
Witbalans .................................................................................154
WLAN ......................................................................................196
Zelfontspanner .........................................................................188
Zoeker
Lichtkader .................................................................... 158/210
Weergeven ............................................................................210
NL
220
Technische gegevens
TECHNISCHE GEGEVENS
Cameratype
Leica M10, compacte digitale meetzoeker-systeemcamera
Typenummer
3656
Objectiefaansluiting
Leica M-bajonet met extra sensor voor 6-bit codering
Objectiefsysteem
Leica M-objectief, Leica R-objectief via adapter plaatsbaar (ver-
krijgbaar als accessoire, zie pagina 116)
Opnameformaat / beeldsensor
CMOS-chip, actief vlak circa 24 x 36 mm
Resolutie
DNG™: 5976 x 3992 pixels (24 MP),
JPEG: 5952 x 3968 pixels (24 MP), 4256 x 2832 pixels (12 MP),
2976 x 1984 pixels (6 MP)
Gegevensindelingen
DNG™ (onbewerkte gegevens), zonder verlies gecomprimeerd,
JPEG
Bestandsgrootte
DNG™: 20-30 MB, JPEG: Afhankelijk van resolutie en beeldinhoud
Buergeheugen
2 GB / 16 opnamen in serie
Witbalans
Automatisch, handmatig, 8 voorinstellingen, instelling kleurtempe-
ratuur
Opslagmedium
SD-kaarten tot 2 GB / SDHC-kaarten tot 32 GB / SDXC-kaarten
Menutalen
Duits, Engels, Frans, Spaans, Italiaans, Portugees, Japans, traditio-
neel Chinees, vereenvoudigd Chinees, Russisch, Koreaans
Belichtingsmeting
Belichtingsmeting door het objectief (TTL), bij ingesteld diafragma;
Meetprincipe/-methode
Bij de meting van het door de lichte lamellen van het 1ste sluiter-
gordijn op een meetcel gereflecteerde licht: sterk op het centrum
georiënteerd; bij de meting op de sensor: spot-, centrum-georiën-
teerde of multi-segment-meting
Meetgebied
Komt overeen bij kamertemperatuur en normale luchtvochtigheid
en ISO 100 bij diafragma 1,0 EV-1 tot EV20 bij diafragma 32. Als
de linker driehoekige LED in de zoeker knippert, duidt dit op waar-
den onder het meetgebied
Gevoeligheidsbereik
ISO 100 tot ISO 50000, vanaf ISO 200 in
1
/
3
ISO-stappen instel-
baar, naar keuze automatische regeling of handmatige instelling
Belichtingsmodussen
Naar keuze automatische regeling van de sluitertijd met handmati-
ge diafragma-selectie - tijdautomaat A, of handmatige instelling
van sluitertijd en diafragma
NL
221
Technische gegevens
Flits-belichtingsregeling
Aansluiting flitsapparaten
Via accessoireschoen met midden- en regelcontacten
Synchronisatie
Naar keuze op het eerste of tweede sluitergordijn schakelbaar
Flitssynchronisatietijd
=
1
180
s; langere sluitertijden zijn mogelijk wanneer synchronisa-
tietijd wordt onderschreden: automatisch overschakelen naar
TTL-lineair flitsen met HSS-compatibele Leica systeemflitsappara-
ten
Flits-belichtingsmeting
Door middel van centrumgeoriënteerde TTL-voorflitsmeting met
Leica flitsapparaten (SF40, SF64, SF26), respectievelijk systeem-
conforme flitsapparaten door middel van SCA3502 M5-adapter
Flitsmeetcel
2 silicium-fotodiodes met convergerende lens op de camerabodem
Flits-belichtingscorrectie
±3 EV in
1
3
EV-stappen
Displays in flash-modus (alleen in de zoeker)
Door middel van flitssymbool–LED
Zoeker
Contructieprincipe
Grote, heldere lichtkader-meetzoeker met automatische parallax-
compensatie
Oculair
Afgestemd op -0,5 dioptrie; correctielenzen verkrijgbaar van –3 tot
+3 dioptrieën
Beeldveldbegrenzing
Door twee oplichtende kaders: Voor 35 en 135 mm, ofwel 28 en
90mm, ofwel 50 en 75 mm; automatische omschakeling als het
objectief wordt geplaatst
Parallax-compensatie
Het horizontale en verticale verschil tussen zoeker en objectief
wordt overeenkomstig de afstandsinstelling automatisch gecom-
penseerd, dat wil zeggen het lichtkader van de zoeker komt auto-
matisch overeen met de door het objectief geregistreerde uitsnede
van het onderwerp
NL
222
Technische gegevens
Overeenstemming van zoekerbeeld en werkelijk beeld
De afmetingen van de lichtkaders komen bij een afstandsinstelling
van 2 m exact overeen met de sensorafmetingen van circa 23,9 x
35,8 mm; wanneer op oneindig is ingesteld, wordt er, afhankelijk
van de brandpuntsafstand, circa 7,3 % (28 mm) tot 18 % (135 mm)
méér door de sensor gezien dan het betreende lichtkader aan-
duidt en vice versa iets minder bij kortere afstanden dan 2 m
Vergroting (voor alle objectieven)
0,73-voudig
Grootbasis afstandsmeter
Deelbeeld- en mengbeeldafstandsmeter in het midden van het
zoekerbeeld, als helder veld gemarkeerd
Eectieve meetbasis
50,6 mm (mechanische meetbasis 69,31 mm x zoeker
vergroting 0,73x)
Weergeven
In de zoeker
Digitale indicatie met vier tekens, met onder- en bovenliggende
punten
Op achterwand
3“ kleuren-TFT-LCD-monitor met 16 miljoen kleuren en
1.036.800 pixels, circa 100% beeldveld, afdekglas van extreem
hard, bijzonder krasbestendig Gorilla
®
-glas, kleurruimte: sRGB,
voor Live View- en weergavemodus, indicaties
Sluiter en ontspanning
Afsluiting
Spleetsluiter van metalen lamellen met verticaal verloop
Sluitertijden
Bij tijdautomaat: (A) traploos van 125 s tot
1
4000
s.,
bij handmatige instelling: 8 s tot
1
4000
s in halve niveaus, van 8 s tot
125s in hele niveaus, B: voor langdurige opnamen tot maximaal
125s (samen met zelfontspanner T-functie, dat wil zeggen 1ste
ontspannen= sluiter opent, 2de keer ontspannen= sluiter sluit),
(
1
180
s): mogelijkheid van erg korte sluitertijd voor flitssynchroni-
satie, HSS lineair flitsen met sluitertijden korter dan
1
180
s
(HSS-compatibiliteit Leica-systeemflitsapparaten)
Serieopnamen
circa 5 beelden/s, 30-40 beelden in serie (afhankelijk van verschil-
lende instellingen)
Ontspanknop
Tweetraps, eerste niveau: activering van de camera-elektronica
belichtingsmeting en meetwaardeopslag (bij tijdautomaat), tweede
niveau: ontspanning, standaard schroefdraad voor draadontspan-
ner is geïntegreerd.
Zelfontspanner
Voorlooptijd naar keuze 2 s (bij tijdautomaat en handmatige instel-
ling van de belichting) of 12 s via menu instelbaar. Indicatie door
knipperende lichtdiode (LED) aan de voorzijde van de camera,
evenals indicatie op de monitor
NL
223
Technische gegevens
De camera in-/uitschakelen
Met hoofdschakelaar op de camera-afdekkap, naar keuze zelfstan-
dig uitschakelen van de camera-elektronica na circa 2/5/10 min;
opnieuw activeren door aantippen van de ontspanner
Voeding
1 Lithium-ionen batterij, nominale spanning 7,4 V, capaciteit
1300 mAh.; maximale laadstroom/-spanning:
Gelijkstroom 1000 mA, 7,4 V; modelnummer: BP-SCL5
fabrikant: PT. VARTA Microbattery, geproduceerd in Indonesië
Oplaadapparaat
Ingangen: wisselspanning 100-240 V, 50 / 60 Hz, 300 mA, auto-
matische omschakeling of gelijkspanning 12 V / 1,3 A; uitgang:
gelijkstroom nominaal 7,4 V, 1000 mA / maximaal 8,25 V,
1100 mA; modelnummer: BC-SCL5, fabrikant: Guangdong PISEN
Electronics Co, Ltd., geproduceerd in China
GPS (alleen beschikbaar met geplaatste Leica Visoflex zoeker, als
toebehoren verkrijgbaar)
Inschakelbaar (wegens nationale wetgeving niet overal beschik-
baar; dat wil zeggen: schakelt in deze landen automatisch uit), de
gegevens worden in de EXIF-header van de beeldbestanden wegge-
schreven.
WLAN
Voldoet aan standaard IEEE 802.11b/g/n (standaard WLAN-proto-
col),
kanaal 1-11; encryptie-methode: WiFi-compatibel WPA™/
WPA2™-encryptie, toegangsmethode: Infrastructuurwerking
Camerabehuizing
Materiaal
Volledig metalen body van gegoten magnesium, afgewerkt met
kunstleer; afdekkap en bodemkap van messing, zwart of zilver
verchroomd
Beeldveldkiezer
Maakt het mogelijk de beide lichtkaders steeds handmatig op te
roepen (bijvoorbeeld voor het vergelijken van fragmenten)
Statiefschroefdraad
A
1
4
(
1
4
“) DIN van roestvast staal in bodem
Gebruiksvoorwaarden
0-40 °C
Interfaces
ISO-accessoireschoen met extra contacten voor Leica Visoflex
zoeker (als toebehoren verkrijgbaar)
Maten
(breedte x diepte x hoogte) circa 139 x 38,5 x 80 mm
Gewicht
circa 660 g (met batterij)
Leveringsomvang
Oplaadapparaat 100-240 V met 2 netsnoeren (Euro, USA, voor
sommige exportmarkten afwijkend) en 1 autolaadsnoer, lithium-
ionenaccu, draagriem, bajonetdeksel voor behuizing, deksel voor
accessoireschoen
Wijziging in constructie, uitvoering en aanbod voorbehouden.
NL
224
Leica serviceadressen
LEICA SERVICEADRESSEN
Leica Product Support
Technische vragen over toepassingen met Leica-producten, ook
over de meegeleverde software, worden schriftelijk, telefonisch of
per e-mail beantwoord door de afdeling Product Support van Leica
Camera AG. Ook voor koopadvies en het bestellen van handleidin-
gen is dit uw contactadres. U kunt uw vragen eveneens via het
contactformulier op de website van Leica Camera AG aan ons
richten.
Leica Camera AG
Product Support / Software Support
Am Leitz-Park 5
35578 Wetzlar, Germany
Telefoon: +49(0) 6441-2080-111 /-108
Fax: +49(0) 6441-2080-490
Leica Customer Care
Voor het onderhoud van uw Leica-uitrusting en in geval van schade
kunt u gebruik maken van de Customer Care van Leica Camera AG
of de reparatieservice van een Leica-vertegenwoordiging in uw land
(voor adressenlijst zie garantiebewijs).
Leica Camera AG
Customer Care
Am Leitz-Park 5
35578 Wetzlar, Germany
Telefoon: +49(0) 6441-2080-189
Fax: +49(0) 6441-2080-339
customer.care@leica-camera.com

Documenttranscriptie

LEICA M10 Gebruiksaanwijzing Voorwoord NL VOORWOORD Geachte klant, Leica dankt u voor de aanschaf van de Leica M10 en feliciteert u met deze beslissing. U hebt met deze unieke digitale 35 mm systeemcamera een uitstekende keuze gemaakt. Wij wensen u veel plezier en succes bij het fotograferen met uw nieuwe camera. Om alle mogelijkheden goed te kunnen gebruiken, adviseren wij u eerst deze handleiding te lezen. Leica Camera AG 114 Betekenis van de verschillende informatiecategorieën in deze handleiding Aanwijzing: Bijkomende informatie Belangrijk: Niet-naleving kan leiden tot beschadiging van de camera, de accessoires of de opnamen Let op: Niet-naleving kan leiden tot lichamelijk letsel Leveringsomvang / accessoires / vervangende onderdelen NL 116 LEVERINGSOMVANG ACCESSOIRES Controleer, voordat u uw camera in gebruik neemt, de meegeleverde accessoires op volledigheid. 1. Draagriem 2. Camera-bajonetkap 3. Lithium-ionen batterij Leica BP-SCL5 4. Oplaadapparaat Leica BC-SCL5, inclusief netsnoer (EU, VS) en autolaadkabel 5. Afdekking voor accessoireschoen Voor een actueel overzicht en beschrijving van de voor uw camera beschikbare objectieven en accessoires gaat u naar de startpagina van Leica Camera AG onder: www.leica-camera.com Let op: Sla kleine delen (zoals de afdekking voor de accessoireschoen) als volgt op: – buiten het bereik van kinderen (inslikken kan leiden toe verstikking!) – op een plaats waar ze niet verloren gaan, bijvoorbeeld op de hiertoe voorziene plaatsen van de cameraverpakking. Wijziging in constructie en uitvoering voorbehouden. Belangrijk: Er mogen uitsluitend de in deze handleiding genoemde en beschreven en/of de door Leica Camera AG genoemde en beschreven accessoires met de Leica M10 worden gebruikt. VERVANGENDE ONDERDELEN Bestelnummer Camera-bajonetkap ............................................................ 16060 Cameradraagriem ............................................................... 24023 Lithium-ionen batterij BP-SCL5 ............................................ 24003 Batterij-oplaadapparaat BC-SCL5 (inclusief netsnoer voor VS [423-116.001-020] en EU [423-116.001-005], andere afhankelijk van de lokale markt), autolaadkabel ........ 24002 Afdekking voor accessoireschoen, Kunststof, zwart .................................................420-300.001-035 Aanwijzingen: • Leica werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling en optimalisering van uw camera. Omdat bij digitale camera’s zeer veel functies uitsluitend zuiver elektronisch worden gestuurd, kunnen deze verbeteringen en uitbreidingen van functies naderhand in uw camera worden geïnstalleerd. Om deze reden biedt Leica zogenaamde firmware-updates aan. Deze camera's zijn af fabriek altijd uitgerust met de nieuwste firmware. Maar u kunt de nieuwe firmware ook zelf van onze startpagina downloaden en naar uw camera overdragen: als u zich als eigenaar op de Leica Camera homepage registreert, dan wordt u via de nieuwsbrief op de hoogte gesteld als er een firmware-update beschikbaar is. Meer details over registratie en firmware-updates voor uw camera en eventuele veranderingen en aanvullingen op de uitvoeringen in deze gebruiksaanwijzing vind u in 'Klantgedeelte' onder: https://owners.leica-camera.com • De gegevens in deze handleiding hebben betrekking op een vroege firmwareversie. Handleidingen en toelichtingen op basis van andere firmwareversies vindt u eveneens in het 'Klantgedeelte'. • Met welke firmwareversie uw camera is uitgerust (zie ook pagina 199), kunt u als volgt vaststellen: Menupunt Camera Information kiezen. • In het submenu vindt u in de regel Camera Firmware rechts het betreffende nummer. • Specifieke, nationale goedkeuringen voor dit cameramodel vindt u als volgt: In hetzelfde submenu Camera Information (zie vorige aanwijzing) Regulatory Information kiezen. • In het bijbehorende submenu vindt u op meerdere pagina's de bijbehorende goedkeuringstekens. • De productiedatum van uw camera vindt u op de stickers in de garantiekaart en/of op de verpakking. De datumnotatie is: jaar/ maand/dag. • Controleer, voordat u uw camera in gebruik neemt, de meegeleverde accessoires op volledigheid. NL 117 Inhoudsopgave NL INHOUDSOPGAVE VOORWOORD..................................................................................... 114 UITVOERIGE HANDLEIDING...................................................128 LEVERINGSOMVANG ......................................................................... 116 VOORBEREIDINGEN ........................................................................... 128 ACCESSOIRES .................................................................................... 116 DRAAGRIEM BEVESTIGEN ................................................................128 VERVANGENDE ONDERDELEN .......................................................... 116 BATTERIJ LADEN ..............................................................................128 WAARSCHUWINGEN.......................................................................... 122 BATTERIJ EN GEHEUGENKAART VERVANGEN ...................................132 JURIDISCHE OPMERKINGEN ............................................................. 122 Milieuvriendelijk afvoeren van elektrische en elektronische apparatuur...............................................................123 LEICA M-OBJECTIEVEN .....................................................................135 Objectief plaatsen .........................................................................137 BENAMING VAN DE ONDERDELEN ................................................... 124 DE BELANGRIJKSTE INSTELLINGEN / BEDIENINGSELEMENTEN .................................................................. 138 BEKNOPTE HANDLEIDING .....................................................126 VOORBEREIDINGEN ........................................................................... 126 Objectief verwijderen ....................................................................137 DE CAMERA IN- EN UITSCHAKELEN .................................................138 FOTOGRAFEREN ................................................................................ 126 DE ONTSPANNER .............................................................................139 Serieopnamen...............................................................................140 BEKIJKEN VAN DE OPNAMEN ........................................................... 127 HET TIJDINSTELWIEL ........................................................................141 WISSEN VAN OPNAMEN.................................................................... 127 DE MENUBEDIENING .......................................................................142 VOORINSTELLINGEN ......................................................................... 146 CAMERA-BASISINSTELLINGEN .........................................................146 Menutaal.......................................................................................146 Datum en tijd ................................................................................146 Automatisch uitschakelen ..............................................................148 Monitor-/zoekerinstellingen ..........................................................148 118 NL DETECTIE OBJECTIEFTYPE ................................................................150 Handmatig ingeven van het objectieftype / de brandpuntsafstand .150 BESTANDFORMAAT ..........................................................................152 JPG-INSTELLINGEN ..........................................................................152 Resolutie .......................................................................................152 Contrast, scherpte, kleurverzadiging ..............................................153 Zwart/wit-opnamen ......................................................................153 WITBALANS .....................................................................................154 ISO-GEVOELIGHEID..........................................................................156 DE LICHTKADER-MEETZOEKER ........................................................158 BELICHTINGSMETING EN -REGELING ...............................................167 Belichtingsmeter-weergaven ..........................................................167 Belichtingsmeetmethoden .............................................................168 De Live View-meetmethoden kiezen ..............................................168 Belichtingsmodussen.....................................................................169 Tijdautomaat .................................................................................169 Inhoudsopgave OPNAME-BASISINSTELLINGEN ......................................................... 150 Meetwaardegeheugen ...................................................................170 Belichtingscorrecties .....................................................................170 Automatische belichtingsreeksen ..................................................172 Handmatige instelling van de belichting .........................................174 De B-instelling / De T-functie ........................................................174 Over- en onderschrijden van het meetbereik ..................................175 DE BEELDVELDKIEZER .....................................................................159 DE MONITOR ...................................................................................160 Instellen van de helderheid ............................................................160 INFO-beeldscherm ........................................................................160 LIVE VIEW-MODUS...........................................................................160 Belichtingssimulatie.......................................................................161 Overige weergaveopties.................................................................161 AFSTANDSMETING...........................................................................164 Met de optische zoeker .................................................................164 Met het monitorbeeld in de Live View-modus .................................165 Markering scherp afgebeelde objectdelen .....................................166 119 Inhoudsopgave NL WEERGAVEMODUS ............................................................................ 176 Andere opnamen bekijken / 'Bladeren' in het geheugen ................177 Vergroten / selecteren van uitsnede / gelijktijdig bekijken van meerdere verkleinde opnamen ......................................................178 Opnamen markeren.......................................................................180 ALGEMENE VOORZORGSMAATREGELEN .......................................... 200 MONITOR.........................................................................................201 SENSOR ..........................................................................................201 Opnamen wissen ...........................................................................180 CONDENSATIEVOCHT ......................................................................201 OVERIGE FUNCTIES ........................................................................... 182 ONDERHOUD ..................................................................................... 202 FLITSMODUS ...................................................................................182 VOOR DE CAMERA...........................................................................202 FOTOGRAFEREN MET DE ZELFONTSPANNER ...................................188 VOOR OBJECTIEVEN.........................................................................202 INTERVALOPNAMEN ........................................................................188 VOOR DE BATTERIJEN ......................................................................203 BEELDBESTANDEN AUTEURSRECHTELIJK MARKEREN ....................................................189 VOOR HET OPLAADAPPARAAT .........................................................204 VOOR GEHEUGENKAARTEN .............................................................204 REGISTRATIE VAN OPNAMELOCATIE MET GPS .................................190 REINIGEN VAN DE SENSOR / STOFDETECTIE...................................206 GEBRUIKERSPROFIELEN / TOEPASSINGSPROFIELEN.......................192 OPBERGEN ......................................................................................... 208 RESETTEN VAN ALLE INDIVIDUELE INSTELLINGEN ...........................193 FORMATTEREN VAN DE GEHEUGENKAART.......................................193 MAPPENBEHEER ..............................................................................194 DRAADLOZE GEGEVENSOVERDRACHT EN AFSTANDSBEDIENING VAN DE CAMERA .....................................................................................196 GEGEVENSOVERDRACHT NAAR EEN COMPUTER .............................198 WERKEN MET DNG -RAW DATA ........................................................198 INSTALLEREN VAN FIRMWARE-UPDATES ..........................................199 120 VEILIGHEIDSMAATREGELEN EN ONDERHOUD ...................200 Waarschuwingen / Juridische opmerkingen NL 122 WAARSCHUWINGEN JURIDISCHE OPMERKINGEN • Moderne elektronische elementen reageren gevoelig op elektrostatische ontlading. Omdat mensen bijvoorbeeld bij het lopen over synthetisch tapijt zonder moeite een lading van tienduizenden Volt kunnen ontwikkelen, kan het bij aanraking van uw camera tot een ontlading komen, vooral als deze op een gemakkelijk geleidende ondergrond ligt. Wanneer het alleen om de camerabehuizing gaat, is deze ontlading voor de elektronica geheel ongevaarlijk. De naar buiten gebrachte contacten, zoals die in de accessoireschoen, moeten echter, ondanks extra ingebouwde veiligheidsschakelingen, om veiligheidsredenen zo mogelijk niet worden aangeraakt. Daarom adviseren we de bijbehorende afdekking altijd te plaatsen, als u geen zoeker of flitsapparaat gebruikt. • Gebruik voor het schoonmaken van de contacten geen optiek-microvezeldoek (synthetisch), maar een katoenen of linnen doek! Wanneer u van tevoren bewust een verwarmingsbuis of waterleiding (geleidend, met 'aarde' verbonden materiaal) aanraakt, zal een eventuele elektrostatische lading veilig worden ontladen. Vermijd vervuiling en oxidatie van de contacten, ook door uw camera altijd met een objectief of bajonetdeksel op de camera droog op te bergen. • Gebruik uitsluitend aanbevolen accessoires om storing, kortsluiting of een elektrische schok te vermijden. • Probeer nooit onderdelen van de behuizing (afdekkingen) te verwijderen; vakkundige reparaties kunnen alleen door een erkend servicepunt worden uitgevoerd. • Neem het auteursrecht nauwlettend in acht. Het kopiëren en publiceren van zelf opgenomen media, zoals banden, cd's, of door anderen uitgegeven of gepubliceerd materiaal kan het auteursrecht schenden. • Dit geldt ook voor alle meegeleverde software. • Het SD-logo is een gedeponeerd merk. • Overige namen, firma- en productnamen die in deze handleiding worden genoemd, zijn handelsmerken, respectievelijk gedeponeerde handelsmerken van de betreffende ondernemingen. Leica  Camera  AG,  Am  Leitz-­Park  5,  35578  Wetzlar,  Germania Ta  izdelek  je  namenjen  široki  potrošnji.  (kategorija  3) Ta  izdelek  je  namenjen  za  povezavo  z  dostopno  toþko  2,4  GHz  WLAN. Milieuvriendelijk afvoeren van elektrische en elektronische apparatuur Norsk (Geldt voor de EU en overige Europese landen met gescheiden inzameling.) Dit apparaat bevat elektrische en / of elektronische onderdelen en mag daarom niet met het gangbare huisvuil worden meegegeven! Samsvarserklæring  (DoC) InHerved  erklærer  “Leica  Camera  AG”  at  dette  produktet  er  i  samsvar  med  de   plaats daarvan moet het voor recycling op door de gemeenten vesentlige  kravene  og  andre  relevante  retningslinjer  i  direktiv  2014/53/EU. beschikbaar gestelde inzamelpunten worden afgegeven. Dit is voor Kunder  kan  laste  ned  en  kopi  av  den  originale  samsvarserklæringen  for  våre   uR&TTE-­produkter  fra  vår  DoC  server.   gratis. Als het toestel zelf verwisselbare batterijen bevat, moeten www.cert.leica-­camera.com Hvis  du  har  ytterligere  spørsmål,  ta  kontakt  med: deze vooraf worden verwijderd en eventueel volgens de voorschrifLeica  Camera  AG,  Am  Leitz-­Park  5,  35578  Wetzlar,  Tyskland ten milieuvriendelijk worden afgevoerd. Meer informatie over dit onderwerp ontvangt u bij uw gemeentelijDette  produktet  er  beregnet  for  vanlige  forbrukere.  (Kategori  3) Dette  produktet  er  beregnet  for  tilkobling  til  tilgangspunkt  2,4  GHz  WLAN. ke instantie, uw afvalverwerkingsbedrijf of de zaak waar u het apparaat hebt gekocht. Acest  produs  este  proiectat  pentru  clienĠii  generali.  (Categoria  3) De CE-markering van onze producten geeft aan dat de Acest  produs  a  fost  conceput  cu  scopul  de  a  se  conecta  la  un  punct  de  acces  de   2,4  GHz  WLAN. basiseisen van de geldende EU-richtlijnen worden nageleefd. Dan  il-­prodott  hu Dan  il-­prodott  hu NL Letzebuergesch Hrvatski Izjava  o  sukladnosti  (DoC) Ovim  tvrtka  “Leica  Camera  AG”  izjavljuje  da  je  ovaj  proizvod  sukladan  osnovnim   zahtjevima  i  drugim  primjenjivim  odredbama  Direktive  2014/53/EU. Potrošaþi  mogu  preuzeti  primjerak  originalne  izjave  o  sukladnosti  (DoC)  za  naše   proizvode  koji  spadaju  u  radio  i  telekomunikacijsku  terminalsku  opremu  (R&TTE)   VQDãHJSRVOXåLWHOMD]DL]MDYHRVXNODGQRVWL 'R&  www.cert.leica-­camera.com Ako  budete  imali  još  pitanja,  kontaktirajte: Leica  Camera  AG,  Am  Leitz-­Park  5,  35578  Wetzlar1MHPDþND Ovaj  je  proizvod  namijenjen  za  opüu  uporabu.  (Kategorija  3) Ovaj  se  proizvod  povezuje  na  pristupne  toþNHEHåLþQHPUHåH:/$1RG*+] Deklaratioun  iw “Leica  Camera  A an  aner  wichtege entsprécht. De  Client  kann  e Telecommunicati www.cert.leica-­ca Wann  Dir  weider   Leica  Camera  AG Dëse  Produit  ass Dëse  Produit  ass verbonnen  ze  gin Nederlands Türkçe Verklaring  van  Conformiteit  (DoC) Hiermee  verklaart  “Leica  Camera  AG”  dat  dit  product  in  overeenstemming  is  met   de  essentiële  vereisten  en  andere  relevante  bepalingen  van  Richtlijn  2014/53/EU. Klanten  kunnen  een  kopie  van  het  originele  DoC  m.b.t.  onze  R&TTE-­producten   van  onze  DoC-­server  downloaden: www.cert.leica-­camera.com Neem  in  geval  van  verdere  vragen  contact  op  met: Leica  Camera  AG,  Am  Leitz-­Park  5,  35578  Wetzlar,  Duitsland 8\JXQOXN%H\DQÕ 'R& 2014/53/EU Dit  product  is  voor  de  algemene  consument  bedoeld.  (Categorie  3) Dit  product  is  speciaal  bedoeld  om  aangesloten  te  worden  op  een  toegangspunt   van  2,4  GHz  WLAN. Bu ürün genel tüketici içindir. (Kategori 3) 123 Naam van de onderdelen NL BENAMING VAN DE ONDERDELEN Afbeeldingen op de voorste en achterste omslagpagina's Vooraanzicht 1 Objectief-ontgrendelingsknop 2 Ogen voor draagriem 3 Focusknop 4 Kijkvenster van de afstandsmeter 5 Helderheidssensor1 6 Kijkvenster van de zoeker 7 Zelfontspanner-lichtdiode 8 Beeldveldkiezer 9 Borglip van de bodemkap 1 124 Leica M-objectieven met zoekeradapter bedekken de helderheidssensor. Informatie over de werkwijze met deze en andere objectieven vindt u in de hoofdstukken „De indicaties / In de zoeker“ en „Leica M-objectief“. Bovenaanzicht 10 ISO-instelwiel met klikstanden voor – A - automatische regeling van de ISO-gevoeligheid – 100 - 6400 ISO-waarden – M ISO: voor hogere gevoeligheden 11 Index voor ISO-instelling 12 Vaststaande ring a. Index voor afstandsinstelling b. Scherptediepteschaal c. Rode indexknop voor het verwisselen van objectief 13 Diafragma-instelring 14 Witte indexpunt voor diafragma-instelling 15 Tegenlichtkap 16 Afstandsinstelring a. Vingergreep 17 Hoofdschakelaar met klikstanden voor in- (y) en uitgeschakelde camera 18 Ontspanner a. Shroefdraad voor draadontspanner 19 Tijdinstelwiel met klikstanden voor – A - automatische regeling van de sluitertijd – Sluitertijden 1⁄ 4000 - 8 s (inclusief tussenwaarden) – B (langdurige belichting) – Flitssynchronisatietijd (1⁄180s) 20 Accessoireschoen 30 Middenknop – voor het oproepen van de statusweergave – voor het accepteren van de menu-instellingen – voor weergave van instellingen/gegevens bij opname – voor weergave van de opnamegegevens bij beeldweergave 31 Monitor Onderaanzicht (bodemdeksel geplaatst) 32 Vergrendelingsknevel voor bodemdeksel 33 Statiefschroefdraad A1⁄4, DIN 4503 (1⁄4“) 34 Bodemdeksel NL Naam van de onderdelen Achteraanzicht 21 Lichtdiode voor opnameregistratie / gegevensopslag op kaart 22 MENU -knop – voor het oproepen van het menu FAVORITES, of het menu MAIN MENU,als niet eerder een functie is toegewezen – voor het verlaten van de menu´s FAVORITES en MAIN MENU, en de submenu's 23 PLAY-knop – voor het in- en uitschakelen van de (permanente) weergavemodus – voor terugkeer naar volledig beeld 24 LV-knop om de Live View-modus mee aan of uit te zetten 25 WLAN-antenne (niet zichtbaar) 26 Helderheidssensor voor monitor 27 Zoekeroculair 28 Instelwiel – voor het navigeren door de menu's – voor het instellen van de geselecteerde menuopties – voor het instellen van een belichtingscorrectie – voor het vergroten/verkleinen van de weergegeven opnames – voor het bladeren in het opnamegeheugen 29 Kruisknop – voor het navigeren door de menu's – voor het instellen van de geselecteerde menuopties – voor het bladeren in het opnamegeheugen – voor het aansturen van het gewenste beeldfragment bij het gebruik van Gray Card (Bodemdeksel verwijderd) 35 Geheugenkaartensleuf 36 Batterijvak 37 Batterij–vergrendelingsschuif 125 NL BEKNOPTE HANDLEIDING Verkorte handleiding Houd de volgende onderdelen gereed: – Camera – Batterij – Geheugenkaart (niet meegeleverd) – Laadapparaat en netsnoer VOORBEREIDINGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. Batterij laden (zie pagina 128) Batterij plaatsen (zie pagina 132) Geheugenkaart plaatsen (zie pagina 132) Objectief plaatsen (zie pagina 137) Camera inschakelen (zie pagina 138) Menutaal instellen (zie pagina 146) Datum en tijd instellen (zie pagina 146) Geheugenkaart eventueel formatteren (zie pagina 193) FOTOGRAFEREN 9. 10. 11. 12. 13. 126 Tijdinstelwiel op A instellen (zie pagina 141) Scherpte instellen (zie pagina 158) Belichtingsmeting inschakelen (zie pagina 139) Belichting eventueel corrigeren (zie pagina 141) Ontspannen (zie pagina 139) WISSEN VAN OPNAMEN De camera is af fabriek ingesteld op de automatische, kortstondige weergave van de laatste opname (zie pagina 176). (uitsluitend binnen de PLAY-weergave mogelijk) MENU -knop indrukken, om het wismenu op te roepen. Permanente weergave inschakelen (altijd mogelijk): PLAY-knop indrukken (zie pagina 176). Meer informatie over deze procedure vindt u op pagina 180. Andere opnamen bekijken: Linker of rechter kant van de kruisknop indrukken. NL Verkorte handleiding BEKIJKEN VAN DE OPNAMEN Opnamen vergroten: Instelwiel naar rechts draaien. 127 NL UITVOERIGE HANDLEIDING BATTERIJ LADEN Voorbereidingen VOORBEREIDINGEN Oplaadapparaat DRAAGRIEM BEVESTIGEN A B C D B Bus voor netsnoer Bus voor autolaadkabel CHARGE-LED 80% -LED A D C E Contacten F Vastzetnok E 128 F Aanwijzing: De 80% -LED zal vanwege het werkingsprincipe van het laadproces al na circa 2 uur gaan branden. Het laadapparaat moet van het lichtnet worden gehaald als het opladen is voltooid. Er is geen gevaar voor overlading. NL Voorbereidingen Batterij De camera wordt door een Li-ionaccu van de benodigde energie voorzien. • Als bevestiging van het oplaadproces begint de groene, met CHARGE gemarkeerde LED te knipperen. Zodra de accu tot minstens 4/5 van zijn capaciteit is opgeladen, brandt bovendien de gele, met 80% gemarkeerde LED. Als de accu volledig is opgeladen, gaat ook de groene LED permanent branden. 129 Voorbereidingen NL 130 Let op: • Er mogen in deze camera uitsluitend batterijen worden gebruikt die in deze handleiding (bestelnummer 24003) of door Leica Camera AG worden genoemd en beschreven. • Deze accu's mogen uitsluitend met de speciaal daarvoor bestemde apparaten en alleen precies zoals hierna beschreven worden opgeladen. • Als deze accu's niet volgens de voorschriften worden gebruikt of als accu's worden gebruikt die niet hiervoor zijn bestemd, kan onder bepaalde omstandigheden een explosie ontstaan! • Deze accu's mogen niet voor langere tijd aan hitte of zonlicht en vooral ook niet aan vochtigheid of water worden blootgesteld. Bovendien mogen deze accu's nooit in een magnetron of in een omgeving onder hoge druk worden geplaatst wegens gevaar van brand of explosie! • Een veiligheidsklep in de batterij zorgt ervoor dat bij onjuiste omgang met de batterij eventuele overdruk gecontroleerd kan ontwijken. • Er mag uitsluitend het Leica laadapparaat dat in deze handleiding wordt genoemd (bestelnummer 24002) worden gebruikt. Het gebruik van andere, niet door Leica Camera AG toegestane, oplaadapparaten kan tot schade aan de accu's leiden en in een extreem geval ook tot ernstige, levensgevaarlijke verwondingen. • Het meegeleverde oplaadapparaat mag uitsluitend voor het opladen van deze accu's worden gebruikt. Probeer het niet voor andere doeleinden te gebruiken. • De meegeleverde autolaadkabel mag in geen geval worden aangesloten als de acculader met het net is verbonden. • Zorg ervoor dat het gebruikte stopcontact tijdens het laden vrij toegankelijk is. • Het oplaadapparaat en accu mogen niet worden geopend. Reparaties mogen uitsluitend door erkende werkplaatsen worden uitgevoerd. • De levensduur van elke batterij is (zelfs bij optimale gebruiksvoorwaarden) begrensd! Na enkele honderden oplaadcycli is dit duidelijk te zien aan de korter wordende gebruiksperioden. • Na hoogstens vier jaar dient u de batterij te vervangen, omdat de prestaties afnemen en u vooral bij lage temperaturen niet meer verzekerd bent van een betrouwbare werking. • Defecte batterijen moeten volgens de betreffende voorschriften (zie pagina 123) worden afgevoerd. • De verwisselbare batterij voedt een vast in de camera ingebouwde bufferbatterij die het permanent functioneren van de interne klok en kalender voor maximaal 2 maanden verzekert. Als de bufferaccu uitgeput is, moet deze door het plaatsen van de verwisselbare accu weer worden opgeladen. De volledige capaciteit van de bufferbatterij is (met geplaatste verwisselbare batterij) na een of twee dagen weer bereikt. De camera hoeft hiervoor niet ingeschakeld te blijven. NL Voorbereidingen Aanwijzingen: • De accu moet worden opgeladen voordat de camera voor de eerste keer wordt gebruikt. • De batterij moet een temperatuur tussen 10 en 30 °C hebben om te kunnen worden opgeladen (anders schakelt het oplaadapparaat niet in, respectievelijk weer uit). • Li-ionaccu's kunnen altijd en onafhankelijk van de laadtoestand worden opgeladen. Als een accu bij het begin van opladen slechts gedeeltelijk is ontladen, wordt de volledige oplading sneller bereikt. • Tijdens het oplaadproces worden de accu's warm. Dit is normaal en geen storing. • Indien beide LEDs van de lader snel gaan knipperen (2 Hz) net nadat het laden is begonnen, duidt dit op een laadfout (bijvoorbeeld wegens overschrijden van de maximale laadtijd, spanningen of temperaturen buiten het toegestane gebied, of kortsluiting). Haal in zo’n geval het oplaadapparaat van de netvoeding en verwijder de batterij. Zorg ervoor dat aan de hiervoor genoemde temperatuurvoorwaarden wordt voldaan en start het oplaadproces opnieuw. Als het probleem niet wordt opgelost, neem dan contact op met uw dealer, de nationale vertegenwoordiging van Leica of met Leica Camera AG. • Een nieuwe accu bereikt zijn volledige capaciteit pas na 2-3 maal volledig opladen en ontladen door gebruik in de camera. Dit ontlaadproces moet telkens na circa 25 keer laden worden herhaald. Voor een maximale levensduur van de batterij mag deze niet permanent aan extreem hoge of lage temperaturen (bijvoorbeeld 's zomers respectievelijk 's winters in een geparkeerde auto) worden blootgesteld. 131 NL BATTERIJ EN GEHEUGENKAART VERVANGEN Accu plaatsen Voorbereidingen De camera met de hoofdschakelaar 17 uitschakelen. Belangrijk: Open het bodemdeksel niet en verwijder de geheugenkaart of batterij niet zolang als teken van opnameregistratie en/of gegevensopslag op de kaart de rode LED 21 links onder naast de monitor 31 knippert. Anders kunnen nog niet (volledig) opgeslagen opnamegegevens verloren gaan. Bodemkap verwijderen Accu verwijderen 132 Aanwijzingen: • Verwijder de accu als u de camera een tijd lang niet gebruikt. • Uiterlijk twee maanden nadat de capaciteit van een batterij in de camera uitgeput is (zie hiervoor ook de laatste opmerking onder 'Batterij opladen', pagina 128), moeten de datum en tijd opnieuw worden ingevoerd. • Als de accucapaciteit afzwakt, ofwel als u een oude accu gebruikt, zullen de waarschuwingen, indicaties en opties eventueel beperkt of geblokkeerd blijven, afhankelijk van de gebruikte cameraoptie. Bruikbare geheugenkaarten De camera slaat de opnamen op een SD- (Secure Digital), respectievelijk SDHC- (High Capacity), respectievelijk SDXC- (eXtended Capacity) kaart op. SD/SDHC/SDXC-geheugenkaarten worden door verschillende producenten en met uiteenlopende capaciteit en schrijf-/leessnelheid aangeboden. Vooral die met een grote capaciteit en hoge schrijf-/ leessnelheid maken een aanzienlijk snellere registratie en weergave mogelijk. De kaarten hebben een schakelaar voor schrijfbeveiliging, waarmee de gegevens tegen onopzettelijk opslaan en wissen kunnen worden beschermd. Deze schakelaar is als schuif op de niet-afgeschuinde kant van de kaart uitgevoerd en beveiligt gegevens op de kaart in zijn onderste stand, die met LOCK is gemarkeerd. NL Voorbereidingen Weergave batterijconditie De batterijconditie verschijnt in de Live View-modus (zie pagina 160) in de monitor 31 als u op de middenknop 30 drukt. Aanwijzingen: • Raak de contacten van de geheugenkaart niet aan. • Geheugenkaarten met minder dan 1 GB capaciteit worden niet ondersteund. Kaarten met capaciteit tussen 1 GB en 2 GB moeten vóór het eerste gebruik in de camera worden geformatteerd. • Het gebruik van geheugenkaarten met geïntegreerd WLAN wordt niet aanbevolen, aangezien ze de capaciteit van het ingebouwde WLAN kunnen verminderen. 133 Geheugenkaart plaatsen Voorbereidingen NL Geheugenkaart verwijderen 134 Aanwijzingen: • Het aanbod van SD/SDHC/SDXC-kaarten is te groot dat Leica Camera AG alle verkrijgbare typen niet volledig op compatibiliteit en kwaliteit kan controleren. Een beschadiging van camera of kaart is weliswaar niet te verwachten, maar omdat veel kaarten niet aan alle SD-/SDHC/SDXC-standaards voldoen, kan Leica Camera AG geen garantie bieden voor een goede werking. • Als de geheugenkaart niet te plaatsen is, controleer dan de juiste oriëntatie. • Wanneer u bij ingeschakelde camera de bodemkap of de geheugenkaart verwijdert, verschijnen op de monitor de betreffende waarschuwingen in plaats van de betreffende indicaties: – Attention Bottom cover removed – Attention No card available • Omdat elektromagnetische velden, elektrostatische lading evenals defecten aan de camera en de kaart tot beschadiging of verlies van gegevens op de geheugenkaart kunnen leiden, is het raadzaam de gegevens naar een computer te kopiëren en daar op te slaan (zie pagina 198). • Om dezelfde reden wordt geadviseerd de kaart in principe in een antistatisch foedraal te bewaren. LEICA M-OBJECTIEVEN NL Voorbereidingen Als basisregel geldt: De meeste Leica M-objectieven kunnen worden gebruikt. Bijzonderheden over de enkele uitzonderingen en beperkingen worden in de volgende opmerkingen toegelicht. Het gebruik is onafhankelijk van de objectiefuitrusting: met of zonder 6-bit codering in de bajonet. Ook zonder deze extra uitrusting (dat wil zeggen: bij gebruik van Leica M-objectieven zonder code) zal de camera in de meeste gevallen goede opnamen maken. Om ook in zulke gevallen optimale beeldkwaliteit te bereiken, adviseren wij u het objectieftype in te voeren (zie pagina 150). Belangrijk: • Niet geschikt: – Hologon 15 mm f/8, – Summicron 50 mm f/2 met dichtbij-instelling, – Elmar 90mm f/4 met verzinkbare tubus (productieperiode 1954-1968) – Verscheidene exemplaren van de Summilux-M 35 mm f/1.4 (niet asferisch, productieperiode 1961-1995, Made in Canada) kunnen niet op de camera worden gezet, respectievelijk niet tot oneindig scherpstellen. De Leica Customer Care afdeling kan deze objectieven dusdanig modificeren dat ze ook op de camera kunnen worden gebruikt. • Geschikt, maar met het risico van beschadiging van de camera respectievelijk het objectief: Objectieven met verzinkbare tubus kunnen uitsluitend met uitgetrokken tubus worden gebruikt, dat wil zeggen hun tubus mag op de camera in geen geval worden verzonken. Dit geldt niet voor de huidige Makro-Elmar-M 90 mm f/4, waarvan de tubus zelf in verzonken toestand niet in de camera steekt en daarom onbeperkt kan worden gebruikt. • Beperkt bruikbaar: Ondanks de grote nauwkeurigheid van de meetzoeker van de camera kan precies focusseren met 135 mm-objectieven bij open diafragma als gevolg van de zeer geringe scherptediepte niet worden gegarandeerd. Wij raden u aan minstens twee stops te diafragmeren. Daarentegen kunt u dankzij de Live View-modus van de camera en haar verscheidene instellingshulpjes dit objectief onbeperkt gebruiken. 135 Voorbereidingen NL 136 • Geschikt, maar belichtingsmeting uitsluitend bij Live View-modus mogelijk – Super-Angulon-M 21 mm f/4 – Super-Angulon-M 21 mm f/3.4 – Elmarit-M 28 mm f/2.8 met fabricagenummer onder 2 314 921. Aanwijzingen: • Leica Customer Care kan vele Leica M-objectieven achteraf van de 6-bit codering voorzien (adres: zie pagina 224). • Er kunnen aan de Leica M, behalve Leica M-objectieven met en zonder codering, m.b.v. de als toebehoren verkrijgbare Leica M-adapter R ook Leica R-objectieven worden ingezet. Verdere details over deze accessoires vindt u op de startpagina van Leica Camera AG. • Leica M objectieven zijn uitgerust met een regelkromme, die de ingestelde afstand mechanisch aan de camera overdraagt, en zo het handmatig scherpstellen met de meetzoeker van de Leica M camera mogelijk maakt. Bij het gebruik van de meetzoeker in combinatie met lichtsterke objectieven (≥ 1,4) moet rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden: Het scherpstelmechanisme van iedere camera en ieder objectief wordt in de fabriek van Leica Camera AG in Wetzlar individueel met de grootst mogelijke precisie ingesteld. Hierbij worden extreem kleine toleranties aangehouden, die in de fotografische praktijk een nauwkeurige scherpstelling van iedere camera/ objectief-combinatie mogelijk maken. Als lichtsterke objectieven (≥ 1,4) bij open diafragma worden geplaatst, kan het vanwege de dan gedeeltelijk uiterst geringe scherptediepte en onnauwkeurigheden bij het scherpstellen met de meetzoeker evenwel gebeuren dat de (samengestelde) totaaltolerantie van camera en objectief instelfouten geeft. Daarom kan bij kritische beschouwing in dergelijke gevallen niet worden uitgesloten dat een bepaalde camera/objectief-combinatie systematische afwijkingen vertoont. Als u bij het fotograferen een algemene afwijking van de focussituatie in een bepaalde richting waarneemt, wordt aanbevolen het objectief en de camera te laten controleren door de Customer Care afdeling van Leica. Hier kan dan nog eens worden gecontroleerd dat beide producten binnen de toegestane totaaltolerantie zijn ingesteld. Wij vragen uw begrip voor het feit dat niet voor alle combinaties van camera en objectief een 100 % afstemming van de focussituatie kan worden gerealiseerd. Om de hierboven vermelde reden adviseren we u in dergelijke gevallen de Live View functie met de bijbehorende instelhulpen in te stellen. Objectief plaatsen NL Objectief verwijderen B B 1. Camera uitschakelen 2. Het objectief aan de starre ring 12 vasthouden 3. De rode indexknop 12c van het objectief tegenover de ontgrendelingsknop 1 op de camerabody houden 4. Het objectief in deze stand passend op de camera plaatsen 5. Met een korte draai naar rechts wordt het objectief hoor- en voelbaar vergrendeld Voorbereidingen A A 1. 2. 3. 4. Camera uitschakelen Het objectief aan de starre ring 12 vasthouden De ontgrendelingsknop 1 op de camerabody indrukken Het objectief naar links draaien tot zijn rode indexknop 12c tegenover de ontgrendelingsknop staat 5. Objectief dan zonder te wrikken, recht eruit nemen Aanwijzingen: • Als basisregel geldt: Ter bescherming tegen het binnendringen van stof en dergelijke moet u altijd een objectief of de cameradop op de camera laten zitten. • Om dezelfde reden moet het wisselen van een objectief snel en in een zo stofvrij mogelijke ruimte plaatsvinden. • Camera- of objectiefkappen moeten niet in een broekzak worden bewaard, omdat ze daar stof aantrekken dat bij het plaatsen van het objectief in de camera terecht kan komen. 137 De belangrijkste instellingen / bedieningselementen NL 138 DE BELANGRIJKSTE INSTELLINGEN / BEDIENINGSELEMENTEN Inschakelen Na het inschakelen licht de LED 21 even op en de indicaties in de zoeker worden zichtbaar. DE CAMERA IN- EN UITSCHAKELEN Aanwijzing: De camera is vanaf circa 1 s na het inschakelen paraat. Uitgeschakeld Ingeschakeld Uitschakelen Ook als de camera niet met de hoofdschakelaar is uitgeschakeld, gebeurt dit automatisch als u via het menu een automatische uitschakeltijd hebt ingesteld (zie pagina 148) en de camera binnen deze tijd niet wordt bediend. Maar als de automatische uitschakeltijd op Off is gezet, en de camera langere tijd niet wordt gebruikt, moet deze altijd met de hoofdschakelaar worden uitgeschakeld, om abusievelijke ontspanningen en het ontladen van de batterij uit te sluiten. De camera wordt met de hoofdschakelaar 17 in- en uitgeschakeld. Deze bevindt zich onder de ontspanner en is als hendel uitgevoerd: DE ONTSPANNER 2. Als de ontspanknop helemaal wordt doorgedrukt, wordt de opname gemaakt, ofwel de ingestelde tijd van de zelfontspanner begint af te lopen. De gegevens worden daarna op de geheugenkaart opgeslagen. Aanwijzing: De ontspanknop moet, om bewegingsonscherpte te voorkomen, voorzichtig – niet met een ruk – worden ingedrukt, totdat de sluiter met licht klikken gaat aflopen. NL De belangrijkste instellingen / bedieningselementen De ontspanner 18 heeft twee indrukstanden: 1. Aantikken (=Indrukken tot het eerste drukpunt) – activeert camera-elektronica en zoekerweergave – slaat in tijdautomaat de gemeten belichtingswaarde op; dat wil zeggen: de door de camera berekende sluitertijd (meer hierover staat in het hoofdstuk 'De opslag van meetwaarden' op pagina 170) – start de tijd van een eventueel lopende zelfontspanner opnieuw. Als de ontspanner op deze indrukstand wordt gehouden, blijft de weergave actief. Als de camera vooraf is uitgeschakeld, zal hij weer worden geactiveerd en de weergave worden ingeschakeld. Als vooraf de weergavemodus was ingesteld, of de menubediening was geactiveerd, zal de camera teruggaan naar de opnamemodus. Na het loslaten van de ontspanner blijven camera-elektronica en zoekerweergaven nog zolang ingeschakeld als is ingesteld in het menupunt Automatic Power Saving (zie pagina 148). Aanwijzing: De ontspanknop blijft geblokkeerd – als het interne geheugen (tijdelijk) vol is, bijv. na een serie van ≥ 16 opnamen. – als de geplaatste geheugenkaart en het interne geheugen (tijdelijk) vol zijn. – als de accu zijn grenzen heeft bereikt (capaciteit, temperatuur, leeftijd). – als de geheugenkaart schrijfbeveiliging heeft of is beschadigd. – als de beeldnummering op de geheugenkaart is verbruikt. – als de camera bij diens eerste ingebruikname, respectievelijk na het terugstellen van alle instellingen, zegt dat taal, datum en tijd moeten worden ingevoerd. – als de sensor te warm is. De ontspanner heeft genormeerde schroefdraad 18a voor draadontspanners. 139 De belangrijkste instellingen / bedieningselementen NL 140 Serieopnamen In de fabrieksinstelling staat de camera op afzonderlijke opnames. Maar u kunt ook serieopnamen maken, bijvoorbeeld om een bewegingsproces in meerdere stappen vast te leggen. Of afzonderlijke opnamen of serieopnamen worden gemaakt, stelt u vooraf in via menubediening: De functie instellen 1. Menupunt Drive Mode selecteren, en 2. in het submenu Single of Continuous. Na de instelling worden serieopnamen gemaakt zolang u de ontspanner 18 helemaal ingedrukt houdt (en de capaciteit van de geheugenkaart voldoende is). Wanneer u deze echter slechts kort indrukt, worden steeds afzonderlijke opnamen gemaakt. Er kunnen maximaal circa 40 foto's (in JPG -indeling) snel achter elkaar (maximaal circa 5 foto’s per seconde) worden gemaakt. Daarna met iets vertraagde frequentie. Aanwijzingen: • De genoemde opnamen per seconde en het maximaal mogelijke aantal opnamen in een serie baseren op de standaardinstelling - ISO 200 en als formaat L-‐JPG. In andere instellingen, respectievelijk afhankelijk van de beeldinhoud, White Balance -instelling en gebruikte geheugenkaart kunnen de frequentie en het aantal lager zijn. • Onafhankelijk van het aantal opnamen in een serie, wordt in beide weergavemodi eerst de laatste foto van de serie getoond, respectievelijk tijdens het opslaan de laatste op de geheugenkaart reeds opgeslagen foto van de serie getoond. HET TIJDINSTELWIEL NL De belangrijkste instellingen / bedieningselementen Met het tijdinstelwiel 19 worden de belichtingsmodi geselecteerd: – tijdautomaatmodus door instelling op de rood gemarkeerde A-stand, – handmatig door het kiezen van een sluitertijd tussen 1⁄4000 s t/m 8 s, (tussenwaarden die in ½ stappen vastklikken zijn eveneens beschikbaar), alsook – de met het -symbool extra gemarkeerde, kortst mogelijke synchronisatietijd 1⁄180s voor de flitsmodus, en – B voor lange belichtingstijden. Het tijd-instelwieltje heeft geen aanslag, het kan vanuit elke stand in een willekeurige richting kan worden gedraaid. Het klikt bij alle gegraveerde standen en de tussenwaarden vast. Tussenstanden buiten de klikstanden mogen niet worden gebruikt. Meer informatie over de instelling van de juiste belichting staat in de paragrafen vanaf pagina 167. 141 De belangrijkste instellingen / bedieningselementen NL 142 DE MENUBEDIENING Vele instellingen worden op de camera via menubesturing gerealiseerd. De toegang tot de menubesturing verschilt, afhankelijk of menupunten al of niet in het menu FAVORITES zijn opgenomen: In de fabrieksinstelling, en altijd als minstens één menupunt aan dit menubereik is toegewezen, dient hij als 'startpagina'; dat wil zeggen: in die situaties vindt de toegang plaats via dit menu FAVORITES. Het 'hoofdbereik' van het menu (het menu MAIN MENU) bevat altijd alle menupunten. In de hierboven omschreven situaties is hij uitsluitend bereikbaar vanuit het menu FAVORITES. Als aan de laatste echter geen menupunt is toegewezen, vindt de toegang in het menu MAIN MENU direct plaats Aan het menu FAVORITES kunt u maximaal 7 van de in totaal 26 menupunten van het menu MAIN MENU toewijzen. Dit biedt de mogelijkheid de vaakst gebruikte menupunten bijzonder snel en eenvoudig op te roepen en in te stellen. Meer over dit menubereik leest u op de volgende pagina's. De betreffende instellingen respectievelijk instellingsstappen van de menupunten vinden in beide menu's op gelijke wijze plaats. Ze worden bij ingeschakelde camera overzichtelijk en stap voor stap op het LCD-scherm 31 getoond. De menubediening oproepen FAVORITES -menu MENU -knop 22 indrukken • Het menu FAVORITES verschijnt. Naast de variabele punten bevat het in de onderste regel altijd het punt MAIN MENU. Het momenteel actieve menupunt is na het oproepen eerst altijd het laatst geselecteerde. MAIN MENU Een menupunt kiezen 1. Het gewenste menupunt kiezen: – Instelwiel 28 draaien (naar rechts = omlaag, naar links = omhoog) of – Bovenste of onderste kant van de kruisknop 29 indrukken 3. Middenknop 30 of rechter kant van de kruisknop indrukken • De eerste pagina van het menu MAIN MENU verschijnt. Aanwijzingen: • Het gebruik van het instelwiel is niet alleen gemakkelijker, maar ook aanzienlijk sneller. • Individuele menu-items, zoals GPS en Format SD alsmede enkele submenu-items kunnen alleen worden opgeroepen onder bepaalde omstandigheden. Meer informatie hierover vindt u in de betreffende hoofdstukken. De letters in de betreffende regels zijn grijs om dit aan te geven. NL De belangrijkste instellingen / bedieningselementen Wanneer aan het FAVORITES -menu menupunten zijn toegewezen: 1. MENU -knop 22 indrukken 2. Met instelwieltje 28 of bovenste / onderste kant van de kruisknop 29 MAIN MENU kiezen Wanneer aan het menu FAVORITES geen menupunten zijn toegewezen: MENU -knop 22 indrukken • De eerste pagina van het menu MAIN MENU verschijnt. 143 De belangrijkste instellingen / bedieningselementen NL Instellen van de menuoptie 2. Het betreffende submenu oproepen: – Middenknop 30 indrukken of – Op de rechterkant van de kruisknop 29 drukken • In de kopregel wordt het actuele menupunt getoond. De submenu's bestaan meestal uit verschillende optievarianten die u in de volgende stap direct kunt kiezen. In sommige gevallen is er ook een schaal voor het instellen van waarden of de submenu's zijn op hun beurt samengesteld uit items waar u opnieuw optievarianten voor kunt instellen. Aanwijzing: Het menupunt GPS heeft als enige geen submenu. Details over de instelling vindt u op pagina 190. 144 3. Gewenste functievarianten / waarden kiezen: – Instelwiel 28 in juiste richting draaien of – Juiste kant van de kruisknop 29 indrukken, omhoog / omlaag voor volgende / vorige regel, ofwel voor het kiezen van de functievarianten, links / rechts voor instellingen in een regel, of op een schaal. In subpunten met selecteerbare functievarianten kunt u ook naar een andere regel gaan met de middenknop 30. Aanwijzing: Sommige menu-items, zoals de Date & Time en de opties Exposure Bracketing en White Balance vereisen bijkomende instellingen. De toelichtingen en andere bijzonderheden over de andere menufuncties staan in de betreffende gedeelten. Menubediening verlaten De menu's en submenu's kunt u op elk gewenst moment (en zonder de gewijzigde instellingen toe te passen) verlaten door op de volgende knoppen te drukken: ontspanner 18, PLAY 23 en MENU 22. Het menu FAVORITES beheren Voor de maximaal zeven menupunten die u kunt toewijzen aan het menu FAVORITES, staan bijna alle menupunten van het menu MAIN MENU ter beschikking (zie pagina 216 voor een volledige lijst). 1. In het menu MAIN MENU kiest u Customize Control, 2. in het betreffende submenu Edit Favorites, en 3. het bijbehorende submenu oproepen. 4. Gewenste menupunt kiezen, en 5. door de middenknop 30 in te drukken er het menu FAVORITES aan toevoegen: On, of eruit verwijderen: Off. • Er verschijnt een waarschuwing, als bij de poging een menupunt toe te voegen het menu FAVORITES er reeds zeven heeft. Aanwijzing: Als u in stap 5 alle menupunten Off-schakelt, wordt daardoor ook het menu FAVORITES in totaal gewist. Daarom verschijnt in een dergelijke situatie, zoals beschreven op pagina 142, reeds bij het oproepen van de menubediening door het indrukken van de knop MENU het menu MAIN MENU. NL De belangrijkste instellingen / bedieningselementen Instelling opslaan Middenknop 30 indrukken • Op de monitor verschijnt weer het startscherm. Rechts op de betreffende menubalk staat nu de zojuist ingestelde optievariant. 145 NL VOORINSTELLINGEN Camera-basisinstellingen CAMERA-BASISINSTELLINGEN Aanwijzing: Als u de camera voor de eerste keer instelt, respectievelijk na het opnieuw inschakelen na een terugstellen op de fabrieksinstellingen (zie pagina 193), of na een firmware-update verschijnen de volgende beide menupunten automatisch. De functies instellen 1. Menupunt Date & Time kiezen, en 2. het submenu oproepen. Het bestaat uit de vijf punten Auto GPS Time, Time Zone, Daylight Saving Time, Date Setting, en Time Setting. Aanwijzing: Wij adviseren de volgende drie instellingen in de vermelde volgorde te realiseren. Menutaal De camera is af fabriek ingesteld op Engels. De andere selecteerbare menutalen zijn Duits, Frans, Spaans, Portugees, Russisch, Japans, Koreaans, of traditioneel, respectievelijk vereenvoudigd Chinees. De functie instellen 1. Menupunt Language kiezen, en 2. in het submenu de gewenste taal. • Op enkele uitzonderingen na (knopaanduidingen, korte begrippen) worden alle gegevens in de taal gewijzigd. 146 Datum en tijd Voor correcte tijdindicatie overal ter wereld: 3. Kies in het submenu Date & Time, Time Zone , en 4. in het submenu de gewenste zone/de momentele locatie. • Links in de regel staat de afwijking ten opzichte van Greenwich Mean Time, rechts grotere steden in de betreffende tijdzones. Aanwijzing: Time Zone en Daylight Saving Time zijn alleen beschikbaar als de optie via Auto GPS Time uit staat. De tijd instellen 7. In het submenu Date & Time kiest u Time Setting. 8. In het submenu in de bovenste regel Time Format kiest u de gewenste weergave, in de onderste regel uren, minuten en am of pm (uitsluitend in combinatie met de indeling 12 hour mogelijk). – Activeren van de betreffende instelling: Rechter of linker kant van de kruisknop indrukken. • De geselecteerde positie is rood onderstreept. – Instellen: Instelwiel draaien of bovenste of onderste kant van de kruisknop indrukken. Automatische, door GPS gestuurde tijdindicatie Dit menupunt staat uitsluitend ter beschikking als de met een geïntegreerde GPS-antenne uitgeruste elektronische zoeker is geplaatst (als accessoire leverbaar), en in het menu het punt GPS is ingeschakeld (zie pagina 190). 9. In het submenu Date & Time kiest u Auto GPS Time, en 10. daar schakelt u de functie On of Off. Als u de optie hebt geactiveerd, zal de op de camera ingestelde tijd continu aan de hand van de ontvangen GPS-signalen worden gecorrigeerd. De datum instellen: Er zijn drie varianten voor de volgorde van weergave beschikbaar. NL Camera-basisinstellingen Voor correcte tijdindicatie in landen met tijdaanpassing van het seizoen: 5. In het submenu Date & Time kiest u Daylight Saving Time, en 6. hier dan de gewenste variant (On / Off) kiezen. 3. In het submenu Date & Time kiest u Date Setting. 4. In het bijbehorende submenu in de bovenste regel Date For-‐ mat kiest u de gewenste weergave, in de onderste regel jaar, maand en dag. – Activeren van de betreffende instelling: Rechter of linker kant van de kruisknop indrukken. • De geselecteerde positie is rood onderstreept. – Instellen: Instelwiel draaien of bovenste of onderste kant van de kruisknop indrukken. Aanwijzing: Zelfs als er geen accu is geplaatst, of als deze leeg is, blijft de instelling van datum en tijd door een ingebouwde bufferaccu gedurende circa 2 maanden behouden. Daarna moeten ze zoals hiervoor beschreven opnieuw worden ingesteld. 147 Camera-basisinstellingen NL 148 Automatisch uitschakelen Monitor-/zoekerinstellingen Deze functie schakelt de camera vanzelf na een vooraf ingestelde tijd uit. Omschakelen tussen monitor en zoeker Als u de als accessoire leverbare zoeker gebruikt, kunt u zowel voor de Live View-, als voor de weergavemodus vastleggen, wanneer de monitor of de zoeker moet worden gebruikt voor de betreffende weergaven. In de fabrieksinstelling vindt de wisseling automatisch plaats (onder gebruik van de naderingssensor in het oculair van de zoeker) De functie instellen 1. Menupunt Automatic Power Saving kiezen, en 2. in het submenu de gewenste tijdsduur, respectievelijk de functie Off-schakelen. Aanwijzing: Ook als de camera door deze functie werd uitgeschakeld, kunt u de camera te allen tijde door indrukken van de ontspanner 18 weer activeren. De functie instellen 1. Menupunt EVF/Display Control kiezen, en 2. in het submenu Play Screen Target (voor de weergavemodus) of LV Screen Target (voor de Live View-modus). 3. In beide bijbehorende submenu's hetzij Auto kiezen, of de betreffende weergaven uitsluitend in de monitor (Monitor), of uitsluitend in de zoeker (EVF) moeten plaatsvinden. NL OPNAME-BASISINSTELLINGEN Opname-basisinstellingen DETECTIE OBJECTIEFTYPE De 6-bit codering in de bajonet van de huidige Leica M-objectieven stelt de camera in staat met de sensor in zijn bajonet het geplaatste objectieftype te herkennen. – Deze informatie wordt o.a. voor het optimaliseren van de beeldgegevens gebruikt. Bijvoorbeeld wordt de randverduistering, die bijv. bij groothoekobjectieven en grote diafragmaopeningen bijzonder opvallend kan zijn, in de beeldgegevens gecompenseerd. – Ook de regeling van de flitsbelichting en de flitsreflector maakt gebruik van de objectiefgegevens (zie 'Geschikte flitsapparaten', pagina 182). – Bovendien wordt de informatie die deze 6-bit codering oplevert in de EXIF-gegevens van de opnamen weggeschreven. In de uitgebreide beeldgegevens zal de brandpuntsafstand van het objectief bovendien worden weergegeven. De functie instellen 1. Menupunt Lens Detection kiezen, en 2. in het submenu de gewenste variant: – OFF, of – Auto , als een gecodeerd Leica M-objectief is geplaatst, of – Manual M/Manual R, als een ongecodeerd Leica M-objectief is geplaatst / een Leica R-objectief met behulp van de Leica R-adapter M op de camera kunnen worden gebruikt (als accessoire leverbaar, voor meer details verwijzen wij u naar de instructies van de adapter). 150 Aanwijzingen: • Bij het plaatsen van een gecodeerd Leica M-objectief schakelt de camera automatisch om naar Auto, ook als vooraf in Manual M een ander objectief is ingevoerd. • Bij gebruik van Leica R-objectieven schakelt de camera automatisch om naar Manual R, ook als vooraf Auto is ingevoerd. • Bij gebruik van Leica M-objectieven zonder codering moet Auto ten behoeve van vermijding van storingen niet worden gebruikt; dat wil zeggen: in die situaties moet altijd het gebruikte objectieftype handmatig worden ingevoerd. Handmatig ingeven van het objectieftype / de brandpuntsafstand Vroegere Leica M-objectieven worden bij gebrek aan codering niet herkend door de camera. U kunt ze echter wel via het menu invoeren. Hetzelfde geldt voor Leica R-objectieven. 3. In het submenu Manual M/Manual R kiezen, en • 0p de monitor verschijnt de bijbehorende lijst met objectieven waarin voor ondubbelzinnige identificatie ook de betreffende artikelnummers staan vermeld. De camera kan detecteren of er een M-objectief is bevestigd, of een Leica R-objectief d.m.v. de adapter. Bijgevolg zal de lijst ofwel M-, of R-objectieven bevatten. 4. Kies in de betreffende lijst het objectief dat u gebruikt. NL Opname-basisinstellingen Aanwijzingen voor Leica M-objectieven: • Het artikelnummer is bij vele objectieven aan de andere kant van de scherptediepteschaal gegraveerd. • De lijst vermeldt objectieven die zonder codering verkrijgbaar waren (circa vóór juni 2006). Objectieven van een latere introductiedatum zijn uitsluitend gecodeerd verkrijgbaar en kunnen daarom niet handmatig worden geselecteerd. • Bij gebruik van de Leica Tri-Elmar-M 16-18-21 mm f/4 ASPH. wordt de ingestelde brandpuntsafstand niet aan de camerabehuizing overgedragen en daarom ook niet in de EXIF-gegevensrecord van de opnamen vermeld. U kunt de brandpuntsafstand echter naar wens handmatig opgeven. • De Leica Tri-Elmar -M 28-35-50 mm f/4 ASPH. bezit daarentegen de voor de inspiegeling van de geschikte lichtkaders in de zoeker noodzakelijke mechanische overbrenging van de ingestelde brandpuntsafstand naar de camera. Deze wordt door de elektronica van de camera afgetast en voor correctie van deze brandpuntsafstand gebruikt. Wegens gebrek aan ruimte staat in het menu alleen een artikelnummer - 11 625. Vanzelfsprekend ook de beide andere varianten – 11 890 en 11 894 – gebruiken en de in het menu ingestelde waarden gelden hiervoor net zo. 151 Opname-basisinstellingen NL BESTANDFORMAAT JPG-INSTELLINGEN Registratie van de beeldgegevens kan naar keuze gebeuren a. met het bestandsformaat JPG, of b. met het bestandsformaat DNG, of c. gelijktijdig met beide formaten (dat wil zeggen: er ontstaan dan per opname altijd twee bestanden). Dit maakt enerzijds een precieze afstemming op de beoogde toepassingsdoeleinden respectievelijk op het gebruik van de aanwezige geheugencapaciteit op de kaart mogelijk, maar anderzijds ook op de benodigde zekerheid en flexibiliteit voor toepassingen naderhand. Aanwijzing: De in deze paragraaf beschreven functies en instellingen hebben uitsluitend betrekking op opnamen in het JPG -formaat. Op de beeldgegevens in DNG -formaat hebben ze geen effect, omdat deze in principe altijd in de oorspronkelijke vorm worden opgeslagen. De functie instellen 1. Menupunt Photo File Format kiezen, en 2. in het bijbehorende submenu het gewenste formaat, respectievelijk de gewenste combinatie. Aanwijzingen: • Voor de ongecomprimeerde opslag van onbewerkte opnamegegevens wordt het gestandaardiseerde formaat DNG (Digital Negative) gebruikt. • Bij gelijktijdige opslag van de beeldgegevens als DNG en JPG wordt voor het JPG -formaat de bestaande instelling van de resolutie gebruikt; dat wil zeggen: de beide bestanden kunnen vaak verschillende resoluties hebben. • Het op de monitor getoonde, resterende aantal opnamen verandert niet noodzakelijkerwijs na elke opname. Dit hangt van het object af; zeer fijne structuren resulteren in een grotere hoeveelheid gegevens, homogene vlakken in een kleinere hoeveelheid. 152 Resolutie De registratie van de beeldgegevens is in het JPG -formaat met drie verschillende resoluties mogelijk. Dit maakt een precieze afstemming op het voorgenomen gebruik, respectievelijk de capaciteit van de aanwezige geheugenkaart mogelijk. Met de hoogste resolutie (overeenkomend met de grootste datahoeveelheid), die u bijv. voor de hoogste kwaliteit bij grotere afdrukken dient te kiezen, kunnen natuurlijk aanzienlijk minder opnamen op een kaart worden opgeslagen dan met de laagste resolutie. De functie instellen 1. Menupunt JPG Settings kiezen, 2. in het submenu JPG Resolution, en 3. in het bijbehorende submenu de gewenste resolutie. Contrast, scherpte, kleurverzadiging Aanwijzing: De resolutie is bij het DNG -formaat altijd 24MP, dat wil zeggen onafhankelijk van een mogelijk andere instelling voor het JPG -formaat. Zwart/wit-opnamen NL Opname-basisinstellingen In de elektronische fotografie kunnen naast de resolutie andere, wezenlijke beeldeigenschappen eenvoudig worden aangepast. Terwijl beeldbewerkingsprogramma’s dit – nadat de opname is gemaakt en op de computer geladen – in grote mate mogelijk maken, kunt u met deze camera drie van de belangrijkste beeldeigenschappen al voor de opname beïnvloeden: • Het contrast, dat wil zeggen het verschil tussen lichte en donkere partijen, bepaalt of een beeld eerder „mat“ of „briljant“ overkomt. Daarom kan het contrast door vergroten of verkleinen van dit verschil, dat wil zeggen door de heldere weergave van lichte en donkere partijen worden beïnvloed. • Een scherpe afbeelding door de juiste afstandsinstelling – tenminste van het hoofdonderwerp - is een voorwaarde voor een gelukte opname. De scherpe indruk van een beeld wordt weer sterk bepaald door de scherpte aan de zijkanten, dat wil zeggen hoe klein het overgangsgebied van licht naar donker aan de zijkanten van het beeld is. Door het vergroten of verkleinen van dit gebied kan dus ook de indruk van scherpte worden gewijzigd. • De kleurverzadiging bepaalt of de kleuren op het beeld meer „flets“ en pastelkleurig of „knallend“ en bont overkomen. Terwijl lichtomstandigheden en weersgesteldheid (nevelig/helder) voor de opname een gegeven zijn, kan hierdoor de weergave worden beïnvloed. Alle drie beeldeigenschappen kunnen (onafhankelijk van elkaar) op drie niveaus worden ingesteld, zodat u ze optimaal kunt aanpassen aan de betreffende situatie en / of uw voorstellingen De functies instellen 1. Menupunt JPG Settings kiezen, 2. in het submenu Contrast, of Sharpness, of Saturation, en 3. in het betreffende submenu het gewenste niveau. Zolang u uw opnamen (ook) in het JPG-formaat wilt registreren, kunt u kiezen of u ze in kleur of in zwart/wit wilt bewaren. De functies instellen 1. Menupunt JPG Settings kiezen, 1. in het submenu Monochrome, en 2. hier de functie On - of Offschakelen. Aanwijzing: Bij het gebruik van Monochrome is het submenu Saturation niet beschikbaar (= grijs weergegeven). 153 Opname-basisinstellingen NL WITBALANS In de digitale fotografie zorgt de witbalans voor een neutrale kleurweergave bij elk licht. De kleur die als wit moet worden weergegeven, wordt vooraf in de camera ingesteld. U kunt uit tien verschillende instellingen kiezen: – Auto – voor de automatische regeling, die in de meeste situaties neutrale resultaten levert. – Acht vaste voorinstellingen voor de meest voorkomende lichtbronnen: – Daylight, - bijv. voor buitenopnamen in de zon, – Cloudy: bijvoorbeeld voor buitenopnamen bij bewolkte hemel, – Shadow, - bijv. voor buitenopnamen met het hoofdonderwerp in de schaduw, – Tungsten, - bijv. voor binnenopnamen met (voornamelijk) licht van gloeilampen, – Fluorescent Warm: voor opnamen met (voornamelijk) licht van TL-buizen, bijvoorbeeld voor woonruimten met warm licht van circa 3700 K1 dat het licht van gloeilampen nabootst, – Fluorescent Cool: voor opnamen met (voornamelijk) licht van TL-buizen, bijvoorbeeld voor werkruimten en buitenverlichting met koel licht van circa 5800 K1, – Flash - bijvoorbeeld voor opnamen met elektronische flitsbelichting, – Gray Card – voor de handmatige instelling door meting en – Color Temperature 1 – voor een direct instelbare kleurtemperatuurwaarde. 1 154 Kleurtemperaturen worden in principe in Kelvin aangegeven. Aanwijzing: Bij het gebruik van elektronenflitsers die over de technische mogelijkheden van een System-Camera-Adaption (SCA) van het systeem 3000 en over de adapter SCA-3502-5 beschikken, of een overeenkomstig geïntegreerde voet, kan de witbalans voor een juiste kleurweergave op Auto worden gezet. Wanneer er echter andere, niet specifiek op de camera afgestemde flitsapparaten worden gebruikt, die de witbalans van de camera niet automatisch omschakelen, moet de instelling Flits worden gebruikt. De functie instellen Voor de automatische of een van de vaste instellingen 1. In het menu White Balance kiezen, en 2. in het submenu de gewenste functie. 4. Door de betreffende kant van de kruisknop op het detail van het onderwerp te richten dat de basis voor de nieuwe witbalans-instelling moet vormen (bijvoorbeeld op het genoemde referentievlak). 5. Middenknop 30 indrukken. • De kleurweergave van het beeld wordt overeenkomstig aangepast. Rechtsboven verschijnt Save als aanwijzing voor de verdere bediening 6. Deze nieuwe witbalansinstelling – ofwel overnemen – door nogmaals de middenknop in te drukken, • Op de monitor verschijnt de melding: White balance is NL Opname-basisinstellingen Voor directe instelling van de kleurtemperatuur U kunt waarden tussen 2000 en 13100 (K) direct instellen (van 2000 tot 5000K in stappen van 100, van 5000 tot 8000K in stappen van 200 en van 8000 tot 13100K in stappen van 300). Daarmee is een zeer groot gebied beschikbaar dat bijna alle in de praktijk voorkomende kleurtemperaturen dekt en waarbinnen u de kleurweergave zeer nauwkeurig op de aanwezige lichtkleur en uw persoonlijke voorkeur kunt afstemmen. 1. Menuoptie White Balance kiezen, 2. in het submenu de variant Color Temperature, en 3. kies met het instelwiel 28 of met de bovenste/onderste kruisknop 29 de gewenste waarde. set. Voor de handmatige instelling door meting 1. In het menu White Balance kiezen, en 2. in het bijbehorende submenu de variant Gray Card. • Op de monitor verschijnt de melding: Please take a picture for setting the white balance. 3. Maak nu een opname en let er daarbij op dat er een wit of neutraal grijs (referentie-)vlak in beeld is. • Op de monitor verschijnt – de afbeelding op basis van de automatische witbalans-instelling – een haarkruis in het beeldmiddelpunt – rechtsboven Preview als aanwijzing voor de verdere bediening – of voor een herhaling van de gehele procedure (stappen 2-6) MENU -knop 22 indrukken. Een waarde die op deze wijze is bepaald, blijft zo lang opgeslagen (dat wil zeggen: hij wordt voor alle volgende opnamen gebruikt), tot er óf een nieuwe meting óf een andere instelling van de witbalans wordt gebruikt. 155 NL ISO-GEVOELIGHEID Opname-basisinstellingen De ISO-instelling heeft een gebied van ISO 100 – 50000, wat de aanpassing aan de betreffende situaties mogelijk maakt. Behalve de vaste instellingen biedt de camera ook de optie A1 waardoor de camera de gevoeligheid automatisch aan het omgevingslicht, respectievelijk de gekozen sluitertijd-/diafragmawaarden aanpast. In combinatie met de tijdautomaat (zie pagina 169) wordt hierdoor het gebied van de automatische belichtingsregeling uitgebreid. Bij handmatige instellingen biedt dit meer ruimte voor het gebruik van de gewenste sluitertijd/diafragmacombinatie. De automatische instelling biedt echter ook de mogelijkheid prioriteiten vast te leggen, bijvoorbeeld om creatieve redenen. Aanwijzing: In het bijzonder bij hoge ISO-waarden en latere beeldbewerking en vooral in grotere gebieden van uniforme helderheid van het onderwerp kan er ruis zichtbaar worden, alsmede verticale en horizontale strepen. Voor combinatie met het gebruik van flitsapparaten is deze optie niet beschikbaar. 1 156 De functie instellen Met het ISO-instelwiel 10 Ter beschikking staan de op het wiel gegraveerde waarden, en de posities A voor de automatische instelling en M voor tussenwaarden, bijvoorbeeld 250, maar ook voor hogere waarden zoals 6400. In zijn rustpositie (onder) is het wiel vergrendeld. 1. Instelwiel omhoog trekken, en 2. zo draaien dat de gewenste waarde of instelling tegenover de index 11 staat • De ingestelde waarde verschijnt. – in de zoeker (voor circa 2 s in plaats van de sluitertijd) – in de monitor (uitsluitend wanneer de weergaven vooraf waren opgeroepen) 3. Instelwiel naar beneden duwen Verdere instellingen vinden in het menu plaats. Als tussenwaarden of hogere waarden moeten worden ingesteld: M-‐ISO 4. Menupunt ISO Setup kiezen, 5. in het submenu M-‐ISO, en 6. in het bijbehorende submenu uit de lijst de gewenste waarde. Aanwijzing: Bij gebruik van de automatische belichtingsserie (zie pagina 172) geldt de volgende regel: De gevoeligheid die door de camera automatisch voor de nietgecorrigeerde opname is bepaald, zal ook voor alle andere opnamen van een serie worden toegepast; dat wil zeggen dat deze ISO-waarde tijdens een serie niet wordt veranderd. Dit kan er mogelijk toe leiden dat de langste onder Maximum Exposure Time ingestelde sluitertijd overschreden wordt. NL Opname-basisinstellingen Als u het bereik van de automatische instelling wilt begrenzen 4. Menupunt ISO Setup kiezen, 5. in het submenu Maximum Auto ISO, respectievelijk Maximum Ex-‐ posure Time, en 6. in de betreffende submenu´s de gewenste waarden. In het submenu Maximum Auto ISO legt u met de gekozen hoogste gevoeligheid het bereik vast waarbinnen de automatische instelling moet werken. In het submenu Maximum Exposure Time kunt u óf het aan de camera overlaten, sluitertijden te berekenen die geen onscherpte veroorzaken, met één van de drie brandpuntsafstand-gerelateerde instellingen 1/f, 1/(2f), 1/(4f)2, óf zelf de langste sluitertijd invoeren, tussen 1/2 s en 1/500 s. Bij de instellingen die op brandpuntsafstand zijn gebaseerd, schakelt de camera pas over op een hogere filmgevoeligheid als wegens geringere lichtsterkte de sluitertijd onder de betreffende drempel zou vallen, dus bijvoorbeeld met een 50 mm-objectief bij langere tijden dan 1⁄60s bij 1/f, respectievelijk 1⁄125s bij 1/(2f), of 1⁄250s bij 1/(4f). Deze functie vereist het gebruik van gecodeerde objectieven, respectievelijk de instelling van het gebruikte objectieftype in het menu (zie pagina 150). 2 157 Opnamemodus NL 158 DE LICHTKADER-MEETZOEKER De lichtkader-meetzoeker van deze camera is niet alleen een bijzonder hoogwaardige, grote, briljante en heldere zoeker, maar ook een aan het objectief gekoppelde, zeer precieze afstandmeter. De koppeling gebeurt automatisch met alle Leica M-objectieven van 16 tot 135mm brandpuntsafstand als ze op de camera worden geplaatst. De zoeker heeft een vergrotingsfactor van 0,72x. Als u objectieven met brandpuntsafstanden 28 (Elmarit vanaf fabricagenummer 2 411 001), 35, 50, 75, 90 en 135 mm gebruikt, lichten automatisch de bijbehorende lichtkaders in de combinaties 28+90 mm, 35+135 mm, 50+75 mm op. Zodra de camera-elektronica wordt ingeschakeld, verschijnen ze (door LEDs wit verlicht) samen met de LEDs van de belichtingsmeter, respectievelijk het LED-flitssymbool aan de onderste rand van het zoekerbeeld. Ze zijn zodanig met de afstandsinstelling gekoppeld dat de parallax (de offset tussen de objectief- en zoekeras) automatisch wordt gecompenseerd. De sensor registreert bij afstanden van minder dan 2 m iets minder dan dat de binnenkanten van de lichtkaders aanduiden, bij grotere afstanden iets meer (zie afbeeldingen hiernaast). Deze geringe afwijkingen zijn in de praktijk zelden van doorslaggevende betekenis en worden bepaald door het principe: Lichtkaders van een zoekercamera moeten op de beeldhoek van de betreffende objectief-brandpuntsafstanden worden afgestemd. De nominale beeldhoek verandert echter iets bij het scherpstellen vanwege de daarbij veranderende uittrekking; dat wil zeggen: door de afstand van het optische systeem van het sensorvlak. Als de ingestelde afstand kleiner is dan oneindig (en overeenkomstig de uittrekking groter), wordt ook de werkelijke beeldhoek kleiner: het objectief registreert minder van het onderwerp. Bovendien zijn de verschillen van de beeldhoek bij langere brandpuntsafstanden ten gevolge van de grotere uittrekking ook groter. In het midden van het zoekerveld ligt het rechthoekige afstand-meetveld, dat lichter is dan het omliggende beeldveld. Meer over de afstands- en belichtingsmeting evenals de flitsmodus staat in de betreffende paragrafen. F2.8 1/8000 ISO 12500 EV B 999-9000 A 22:45PM 22.02.2012 12MP 8234/9999 Alle opnamen en lichtkader-posities gelden voor een brandpuntsafstand van 50mm A B Instelling op 0,7 m: Instelling op 2 m: Instelling op oneindig: Lichtkader Werkelijk beeldveld De sensor registreert circa één kaderbreedte minder. De sensor registreert precies het beeldveld dat door de binnenkanten van het lichtkader wordt getoond. De sensor detecteert één respectievelijk vier (verticaal of horizontaal) kaderbreedte(n) meer. DE BEELDVELDKIEZER NL 50 mm + 75 mm F2.8 1/8000 ISO 12500 EV 999-9000 Opnamemodus De beeldveldkiezer breidt de mogelijkheid van deze ingebouwde universele zoeker nog uit: met deze ingebouwde universele zoeker kunt u te allen tijde de beeldkaders in beeld brengen die niet tot het op dat moment gebruikte objectief behoren. U ziet dan direct of het voor de beeldvorming gunstiger is het onderwerp met een andere brandpuntsafstand op te nemen. 35 mm + 135 mm F2.8 1/8000 ISO 12500 EV 999-9000 22:45PM 22.02.2012 12MP 8234/9999 28 mm + 90 mm F2.8 1/8000 ISO 12500 EV 999-9000 22:45PM 22.02.2012 12MP 8234/9999 22:45PM 22.02.2012 12MP 8234/9999 159 Opnamemodus NL DE MONITOR INFO-beeldscherm De camera heeft een grote monitor, door een afdekglas van extreem hard en bijzonder krasbestendige Gorilla®-glas beschermde 3“ LCD-kleurenmonitor 31. In de opnamemodus bij ingeschakelde Live View geeft deze het beeld weer dat de sensor via het objectief heeft geregistreerd. In de weergavemodus dient deze het bekijken van de opnamen op de geheugenkaart. In beide gevallen wordt het volledige beeldveld en de betreffende geselecteerde gegevens en informatie weergegevens (zie pagina 212). De helderheid van het monitorbeeld kan worden aangepast in de menubediening. U kunt naar keuze de automatische regeling kiezen, dat wil zeggen afhankelijk van de externe lichtsterkte, of een van vijf handmatig in te stellen niveaus, zodat u de monitor optimaal aan de momentele situatie kunt aanpassen Bij gebruik van de meetzoeker kunt u de monitor met het indrukken van de middenknop gebruiken om een reeks instellingen weer te geven. Instellen van de helderheid 1. Menupunt Display Brightness kiezen, en 2. in de submenulijst de automatische instelling of het gewenste niveau. Aanwijzingen: • U kunt alle in deze handleiding beschreven indicaties (naar wens) ook in een geplaatste elektronische zoeker bekijken (zoals de optioneel verkrijgbare Leica Visoflex) • Met het menupunt EVF Brightness kunt u op dezelfde wijze als hierboven beschreven de helderheid van een dergelijke zoeker instellen. 160 LIVE VIEW-MODUS Met de Live View-modus van deze camera kunt u tijdens de opname het onderwerp op de monitor bekijken, wat precies zo wordt weergegeven als het geplaatste objectief het weergeeft. Deze modus is ook vereist voor het gebruik van bepaalde focusseer- (zie pagina 165) en belichtingsmethoden. De Live View-functie in-/uitschakelen LV-knop 24 indrukken. Aanwijzingen: • De Live View-modus is gebaseerd op het beeld dat door de sensor wordt geregistreerd. Daartoe moet de camera de sluiter regelen. Dit is natuurlijk hoorbaar en kan eventueel ook een korte ontspanvertraging met zich meebrengen. • Met name bij langer gebruik van de Live View-modus wordt de camera warmer. Tegelijkertijd wordt het stroomverbruik hoger. • Wisselstroom veroorzaakt bij vele lichtbronnen helderheidvariaties, die onzichtbaar zijn voor het oog. Vanwege de gevoeligheid en de uitleesfrequentie van beeldsensoren kan dit leiden tot een flikkerend beeld op de Live View-monitor. Dat geldt niet voor de opnamen. Door een lange sluitertijd te kiezen, kunt u dit effect bij de opname vermijden. Overige weergaveopties In de fabrieksinstelling wordt het onderwerp in de lichtsterkte weergegeven die overeenkomt met de optimale belichtingsregeling1. Dat geldt ongeacht de gebruikte belichtingsmodus (tijdautomaat / handmatige instelling), en onafhankelijk van de ingestelde sluitertijd-/diafragmawaarden. Als u de ontspanknop tot het eerste drukpunt indrukt, zal de helderheid van het monitorbeeld wel met de betreffende belichtingsregeling overeenstemmen. Hierdoor is een inschatting van het effect van de betreffende belichtingsregeling op de afbeelding vóór de opname mogelijk. • Dit wordt weergegeven door. Zowel voor de tijdautomaat als de handmatige belichtingsinstelling staat een instelling ter beschikking, waarbij daadwerkelijk beeldeffect permanent wordt weergegeven. In het Live View-monitorbeeld kunnen verschillende soorten informatie worden weergegeven. De meesten verschijnen in een kopen een voetregel (zie daartoe ook pagina 212). In de standaardinstelling verschijnt eerst (dat wil zeggen: zonder dat een of andere knop wordt ingedrukt) slechts het beeld en, zolang de ontspanner in het eerste drukpunt wordt gehouden, ook de voetregel. Met het indrukken van de middenknop 3 kunnen kop- en voetregel permanent worden opgeroepen. In dit geval laat het vasthouden van de ontspanner in het eerste drukpunt beiden verdwijnen. De functie instellen 1. Menupunt Capture Assistants kiezen, 2. in het submenu Exposure Simulation, en 3. daar Release half pressed (fabrieksinstelling) of Permanent (voor handmatige belichtingsregeling). 1 Dit geldt zolang de helderheid van het onderwerp en de ingestelde belichting geen te lage of hoge helderheidswaarden opleveren en zolang de intern belichtingstijd niet langer is dan 1⁄60s. NL Opnamemodus Belichtingssimulatie Naast de standaardinformatie in kop- en voetregel kunt u een serie andere weergaven selecteren, om het monitorbeeld in opname- en weergavemodus aan te passen aan uw wensen. Hiertoe behoren hulpfuncties voor de belichtingsinstelling en beeldvorming, maar ook voor het scherpstellen. Laatsten worden in het kader van de paragraaf 'Afstandsmeting' op de pagina 164 behandeld. 161 Opnamemodus NL Histogram Het histogram geeft de helderheidsverdeling van de opname weer. Daarbij komt de horizontale as overeen met de tinten die van zwart (links) via grijs naar wit (rechts) lopen. De verticale as komt overeen met de hoeveelheid pixels van de desbetreffende helderheid. Deze grafische weergave maakt – naast de beeldindruk zelf – een extra snelle en eenvoudige beoordeling van de belichtingsinstelling mogelijk. De functie instellen 1. Menupunt Capture Assistants kiezen, 2. in het submenu Histogram, en 3. daar schakelt u de functie On of Off. Aanwijzing: Als de Release half pressed (zie vorige pagina) ingesteld is, verschijnt het histogram uitsluitend bij aangetikte ontspanner. 162 Clipping De clipping-weergaven tonen rood knipperend de lichte, en blauw knipperend de donkere gedeelten van een afbeelding aan, die zonder tekening, dat wil zeggen over- of onderbelicht worden. Om deze weergaven aan te passen aan specifieke voorwaarden of uw vormgevende voorstellingen, kunt u drempelwaarden vastleggen, dat wil zeggen: bij welke graad van over-/onderbelichting ze verschijnen. Daarmee bieden de clipping-weergaven u de mogelijkheid, betreffende beelddelen heel eenvoudig te herkennen en de belichtingsinstelling nauwkeurig aan te passen. De functie instellen 1. Menupunt Capture Assistants kiezen, en 2. in het submenu Exposure Clipping. • Er verschijnt een volgend submenu met de regels Clipping Enabled, Lower Limit, Upper Limit en daaronder een schaalverdeling, die zowel de betreffende ingestelde waarde als de instelgrenzen weergeeft. 3. In de regel Clipping Enabled de functie On - of Off-schakelen. Als hij is uitgeschakeld, zijn de beide andere regels niet beschikbaar (= grijs). 4. (Optioneel) In de regels Lower Limit en Upper Limit de gewenste onderste en bovenste drempelwaarde instellen. Raster Er zijn twee rasterweergaven beschikbaar. Ze verdelen het beeldveld in 3x3 of in 6x4 velden. Ze vereenvoudigen de beeldvorming, maar ook de precieze oriëntatie van de camera. De functie instellen 1. Menupunt Capture Assistants kiezen, 2. in het submenu Grids, en 3. in het bijbehorende submenu de gewenste instelling, of de functie Off-schakelen. NL Opnamemodus Aanwijzingen: • Het histogram is altijd gebaseerd op de weergegeven helderheid, dat wil zeggen, afhankelijk van de gebruikte instellingen kan hij de definitieve belichting eventueel niet weergeven. • In de opnamemodus moet het histogram worden begrepen als "trend-indicator" en niet als een weergave van het exacte aantal pixels. • Bij een opname met flits kan het histogram de uiteindelijke belichting niet afbeelden, omdat de flits eerst na de weergave wordt geactiveerd. • Het histogram kan bij de weergave van een beeld iets van die bij de opname afwijken. • Het histogram is bij de gelijktijdige weergave van meerdere verkleinde, respectievelijk vergrote opnamen niet beschikbaar. • De Clipping-indicator heeft altijd betrekking op de actueel getoonde uitsnede van de opname. 163 Opnamemodus NL AFSTANDSMETING Voor de afstandsinstelling kunt u verscheidene hulpmiddelen gebruiken, afhankelijk van of u de camera-interne, optische zoeker 27 of de Live View-modus (zie pagina 165) gebruikt. Met de optische zoeker Met de afstandsmeter van deze camera kan vanwege zijn grote effectieve meetbasis zeer precies worden gewerkt. Dit blijkt vooral bij het gebruik van groothoekobjectieven met hun relatief grote scherptediepte gunstig te zijn. Het meetveld van de afstandsmeter is in het midden van de zoeker als lichte, scherp afgebakende rechthoek te zien. De scherpte kan volgens de mengbeeld- of deelbeeldmethode worden ingesteld: Mengbeeldmethode (dubbelbeeld) Richt bijvoorbeeld bij een portret het meetveld van de afstandsmeter op het oog, en draai net zo lang aan de afstand-instelring van het objectief, totdat de contouren in het meetveld samenvallen. Daarna de uitsnede van het onderwerp vastleggen. onscherp 164 scherp Deelbeeldmethode Richt bijvoorbeeld voor een architectuuropname het meetveld van de afstandsmeter op de verticale of een andere duidelijk afgebakende verticale lijn, en draai met de afstandsinstelring van het objectief net zo lang, totdat de contouren van de kant of lijn op de begrenzingen van het meetveld zonder offset te zien zijn. Daarna de uitsnede van het onderwerp vastleggen. onscherp scherp Aanwijzing: Let ten aanzien van de instelnauwkeurigheid ook op de derde aanwijzing op pagina 136. Met het monitorbeeld in de Live View-modus Aanwijzing: Vanwege de verschillende gevoeligheden en gebruiksomstandigheden kunnen er verschillen optreden tussen de als optimaal ervaren, ofwel de weergegeven instellingen. Werkwijze 1. Met het indrukken van de knop LV 24 Live View-modus inschakelen. 2. Stel met de afstandsinstelring van het objectief de gewenste delen van het onderwerp scherp. Hulpmiddelen voor de handmatige scherpstelling in de Live View-modus Om de instelling te vergemakkelijken of om de instelnauwkeurigheid te verhogen, zijn twee weergavevarianten beschikbaar: – Vergroten van een (aanvankelijk) centraal fragment van het monitorbeeld. – Markeren van scherpe onderwerpdelen in het monitorbeeld. Beide varianten kunnen gezamenlijk worden toegepast. Voor incidenteel gebruik Met de Focus-knop: 1. Menupunt Capture Assistants kiezen, 2. in het submenu Focus Aid, en 3. daar de functie Manual. 4. Focus-knop 3 indrukken. NL Opnamemodus In de Live View-modus kunt u met behulp van de monitor focusseren: De monitor geeft het onderwerp net zo scherp weer als het door het objectief wordt afgebeeld, afhankelijk van de afstands- en diafragma-instelling. Dit geldt voor alle gebruikte objectieven, dat wil zeggen ook met Leica R-objectieven. Een uitsnede vergroten Deze optie kan op drie manieren worden opgeroepen. Voor continu gebruik Met de afstandsinstelring van het objectief: 1. Menupunt Capture Assistants kiezen, 2. in het submenu Focus Aid, en 3. daar de functie Automatic. 4. De afstandsinstelring van het objectief 16 draaien. Met het instelwiel van de camera: 1. Menupunt Customize Control kiezen, 2. in het submenu Customize Wheel, en 3. in het bijbehorende submenu LV Zoom. 4. Het instelwiel van de camera 28 draaien. • Zodra de Focus-knop ingedrukt, respectievelijk de ring of het instelwiel gedraaid wordt, toont het monitorbeeld: – het vergrote gebied – onder links met behulp van een rechthoek binnen een frame bij benadering de positie van het fragment 165 Opnamemodus NL De verdere bediening is in beide gevallen hetzelfde: 5. (Optioneel) – Vergrotingsfactor met het instelwiel 28 veranderen, in twee niveaus. – Positie van het fragment binnen het beeldveld met de kruisknop 29 verschuiven. • Bij verschoven fragment toont een haarkruis in het beeldveld het midden van het fragment. 6. Stel met de afstandsinstelring van het objectief de gewenste delen van het onderwerp scherp. Toepassing 4. Beelduitsnede bepalen. 5. Focusknop 3 indrukken, respectievelijk afstandsinstelring van het objectief zo draaien dat de gewenste motiefdelen optimaal scherp zijn. • Alle delen van het object die bij de betreffend ingestelde afstand scherp worden afgebeeld, worden door omrandingen in de geselecteerde kleur gemarkeerd. F2.8 1/8000 ISO 12500 EV 999-9000 U kunt op elk gewenst moment terugkeren naar gangbare (= niet-vergrote) weergave. – Door het aantikken van de ontspanner – Met het instelwiel Als u vervolgens nogmaals op de Focus-knop drukt of de afstandsinstelring van het objectief draait, verschijnt de laatst gebruikte fragmentgrootte. INFO 22:45PM 22.02.2012 Markering scherp afgebeelde objectdelen U kunt de delen van het onderwerp die optimaal scherp zijn op het monitorbeeld door 'inkleuring' van de bijbehorende contouren markeren, zodat ze gemakkelijk te herkennen zijn. Dankzij de beschikbare vier kleuren kunt u de weergave aan elke achtergrond aanpassen. De functie instellen 1. Menupunt Capture Assistants kiezen, 2. in het submenu Focus Peaking, en 3. in het bijbehorende submenu de gewenste kleur, respectievelijk Off, wanneer u van de optie geen gebruik wilt maken. 166 12MP 8234/9999 Belangrijk: • Deze functie werkt op objectcontrast; dat wil zeggen: op licht/ donker-verschillen. Er kunnen daarom soms delen van het object worden gemarkeerd die niet scherp zijn afgebeeld, maar die een hoog contrast vertonen. • Met name bij het gebruik van groothoekobjectieven met kleine diafragma (= grote scherptediepte) neemt de nauwkeurigheid van de weergave af. BELICHTINGSMETING EN -REGELING Belichtingsmeter-weergaven NL Opnamemodus Als aanduiding dat de belichtingsmeter gereed is om te meten, brandt een van de indicaties in de zoeker, respectievelijk op de monitor continu: – bij tijdautomaat door de weergave van de sluitertijd, – bij handmatige instelling in de zoeker door een van de beide driehoekige LED’s, evt. samen met de middelste, ronde LED, op de monitor met de lichtschaal. Als de ontspanner weer wordt losgelaten zonder de sluiter te activeren, blijft (blijven) de betreffende LED(’s) zolang branden tot de camera zich uitschakelt. Wanneer het tijd-instelwieltje 19 op B staat, is de belichtingsmeter uitgeschakeld. Aanwijzingen: • Als een juiste belichting met de beschikbare sluitertijden bij tijdautomaat niet mogelijk is, knippert als waarschuwing de sluitertijd-indicatie (alleen in de zoeker, meer hierover vindt u in het hoofdstuk 'De tijdautomaat' op pagina 169). • Als bij handmatige instelling en zeer weinig licht het meetbereik van de belichtingsmeter niet wordt bereikt, zal als waarschuwing de linker driehoekige LED gaan knipperen, respectievelijk op de monitor de linker streep van de lichtschaal. Bij tijdautomaat wordt verder de sluitertijd weergegeven. Wanneer de benodigde sluitertijd de langst mogelijke tijd overschrijdt, knippert ook deze indicatie in de zoeker. • Wanneer de camera langere tijd niet wordt gebruikt of in een tas wordt opgeborgen, moet deze altijd met de hoofdschakelaar worden uitgeschakeld. Onbedoelde opnamen worden hiermee ook verhinderd. 167 Opnamemodus NL Belichtingsmeetmethoden De Live View-meetmethoden kiezen Afhankelijk van het feit of de Live View-modus al of niet wordt toegepast, staan verschillende meetmethoden ter beschikking: – Bij gebruik van de meetzoeker: een sterk centrum-georiënteerde meting. Deze methode houdt rekening met het gehele beeldveld, maar de in het midden geregistreerde onderwerpen bepalen veel sterker dan de randgebieden de berekening van de belichtingswaarde. Hiervoor wordt het door de lichte sluiterlamel gereflecteerde licht door een fotodiode geregistreerd en gemeten. – Met de Live View-modus: naar wens punt-, centrum-georiënteerde meting en meerveldmeting. In deze gevallen vindt de meting plaats door de opnamesensor. De functie instellen 1. Menupunt Exp. Metering kiezen, en 2. in het submenu de gewenste meetmethode: – Spot Slechts een klein, door een cirkel in het midden van het monitorbeeld weergegeven bereik wordt geregistreerd en geëvalueerd. – Center-‐weighted Deze methode houdt rekening met het gehele beeldveld, maar de in het midden geregistreerde onderwerpen bepalen veel sterker dan de randgebieden de berekening van de belichtingswaarde. – Multi-‐field Deze meetmethode baseert op de registratie van meerdere meetwaarden. Ze worden in een algoritme berekend die aan de situatie is aangepast, wat resulteert in een belichtingswaarde die is afgestemd op de passende weergave van het veronderstelde hoofdonderwerp. • De ingestelde meetmethode wordt in de Live View-modus in de kopbalk van het monitorbeeld weergegeven, bij gebruik van de zoeker in het INFO -beeldscherm (zie pagina 212). De sluitertijd die nodig is voor een correcte belichting, respectievelijk de afwijking van de juiste belichting, wordt aangegeven door de zoeker of de monitor, ofwel wordt met hun behulp bepaald (zie de volgende secties). 168 Belichtingsmodussen Tijdautomaat Als het tijd-draaiwiel 19 in de A-stand staat, dan zal de elektronica van de camera de geschikte sluitertijd automatisch en traploos binnen een bereik van 1⁄4000 tot 125 s bepalen, en wel volgens de ingestelde filmgevoeligheid, de gemeten helderheid en het handmatig gekozen diafragma. De bepaalde sluitertijd wordt voor een beter overzicht in halve stappen weergegeven. Bij langere sluitertijden dan 2 s wordt na het ontspannen in de weergave de resterende belichtingstijd in seconden teruggeteld. De werkelijk berekende, en traploos gestuurde belichtingstijd kan echter van de halve-stap weergaven afwijken: Als bijv. vóór het ontspannen 16 (als dichtstbijgelegen waarde) in de indicatie is te zien en de bepaalde belichtingstijd toch langer is, kan het terugtellen na ontspannen ook met 19 beginnen. Bij extreme lichtomstandigheden kan de belichtingsmeting bij de verwerking van alle parameters sluitertijden opleveren, die buiten het werkgebied liggen, dat wil zeggen dat er belichtingstijden korter dan 1⁄4000s of langer dan 125 s vereist zouden zijn. In zulke gevallen worden toch de genoemde minimale en maximale sluitertijden gebruikt, maar als waarschuwing zullen deze waarden in de zoeker knipperen. 1 De tijdindicatie is maar een voorbeeld. NL Opnamemodus De camera kent twee belichtingsmodi: tijdautomaat of handmatige instelling. Afhankelijk van motief, situatie en individuele voorkeur kan op deze wijze gekozen worden uit – de gebruikelijke 'half-automaat' of – de vaste instelling van sluitertijd en diafragma. Aanwijzingen: • Zoals in combinatie met de ISO-instelling beschreven staat, is bij de toepassing van hoge gevoeligheden, en vooral bij gelijkmatig donkere vlakken, in meer of mindere mate beeldruis merkbaar. Ter reductie van dit storende verschijnsel maakt de camera automatisch na opnamen met langere sluitertijden en hoge ISO-waarden een tweede 'zwartopname' (met gesloten sluiter). De bij deze parallel-opname gemeten ruis wordt dan rekenkundig van het eigenlijke opnamerecord 'afgetrokken'. Dienovereenkomstig zal in zulke gevallen als aanwijzing de melding Noise Reduction 12s 1 op het LCD-scherm verschijnen. Bij langdurige belichtingen moet rekening worden gehouden met deze verdubbeling van de 'belichtings'-tijd. De camera mag intussen niet worden uitgeschakeld. • Als de B -functie in combinatie met de zelfontspanner (zie pagina 188) wordt gebruikt, moet de ontspanner niet ingedrukt worden gehouden; de sluiter blijft zolang open tot de ontspanner een tweede keer wordt ingedrukt (komt in dit geval overeen met de T-functie). 169 NL Meetwaardegeheugen Opnamemodus Vaak worden belangrijke delen van het onderwerp om vormgevende redenen uit het midden geplaatst en soms zijn ze lichter of donkerder dan gemiddeld. De centrum-georiënteerde meting en de spotmeting registreren in principe maar een gedeelte in het centrum van het beeld en zijn op een gemiddelde grijswaarde geijkt. Onderwerpen en situaties van deze soort kunnen ook met de tijdautomaat zeer eenvoudig met het meetwaardegeheugen worden verwerkt. Aanwijzingen: • Een meetwaardegeheugen is in combinatie met meerveldmeting niet zinvol, omdat in dat geval de specifieke registratie van een enkel deel van het onderwerp niet mogelijk is. • In combinatie met het meetwaardegeheugen is er in Live View ook een belichtingssimulatie beschikbaar (zie pagina 161). Toepassen van de functie 1. Richt uw camera op het belangrijke deel van het onderwerp (bij spotmeting met meetveld), ofwel alternatief een ander, gemiddeld helder detail. 2. De ontspanner 18 tot aan het eerste rukpunt indrukken: meting en opslag vinden plaats. • Zolang het drukpunt wordt vastgehouden, verschijnt als bevestiging in de zoeker een kleine rode punt op de regel met cijfers en de tijdweergave verandert ook bij gewijzigde lichtomstandigheden niet meer. 3. Met nog steeds ingedrukt gehouden ontspanner de camera daarna op het uiteindelijke beeldfragment zwenken, en 4. de opname maken. 170 Een wijziging van de diafragma-instelling nadat de meetwaarde is opgeslagen, heeft geen aanpassing van de sluitertijd tot gevolg en zou tot een foutieve belichting leiden. Het opslaan wordt geannuleerd als u uw vinger van het drukpunt van de ontspanknop neemt. Belichtingscorrecties Belichtingsmeters zijn afgestemd op een gemiddelde grijswaarde geijkt (18 % reflectie), die overeenkomt met de lichtsterkte van een normaal, dat wil zeggen gemiddeld fotografisch onderwerp. Wanneer het gemeten detail van het motief niet aan deze voorwaarden voldoet, kan een belichtingscorrectie worden uitgevoerd. Vooral bij meerdere opnamen achter elkaar, bijvoorbeeld als om bepaalde redenen voor een serie opnamen bewust een iets krappere of ruimere belichting gewenst is, kan de belichtingscorrectie een zeer handige functie zijn. Eenmaal ingesteld blijft deze anders dan de meetwaarde-opslag werkzaam totdat deze weer wordt gereset. U kunt belichtingscorrecties in een gebied van ±3 EV in stappen van 1/3 EV instellen (EV: Exposure Value = belichtingswaarde). Instellen en verwijderen van een belichtingscorrectie A. Met focusgegevens en instelwiel 1. Focusknop 3 ingedrukt houden, en 2. met het instelwiel 28 gewenste waarde selecteren. C. Via de menubediening 1. Menupunt Exp. Compensation kiezen. • Op de monitor verschijnt als submenu een schaalverdeling: Weergeven – In de situaties A en B wordt de correctiewaarde in de zoeker weergegeven, bijvoorbeeld 1.0-‐ /0.3 (tijdelijke weergave in plaats van de sluitertijd). Daarna in de vorm van gewijzigde sluitertijden en een knipperend laagste punt, ofwel voor ongeveer 0,5 s als de weergave wordt geactiveerd. – Onafhankelijk van de instelmethode wordt de waarde in de monitor bij Live View-modus evenals in het INFO -beeldscherm bij gebruik van de zoeker door een markering in het onderste gedeelte van de lichtschaal weergegeven, maar ook in de uitgangsmenulijst door EV+_X1. NL Opnamemodus B. Met overeenkomstig 'geprogrammeerd' instelwiel 1. Menupunt Customize Control kiezen, 2. in het submenu Customize Wheel, 3. in het bijbehorende submenu Exp. Compensation, en 4. Functie bevestigen door het indrukken van de middenknop 30. 5. Met het instelwiel 28 gewenste waarde instellen. Belangrijk: Een op de camera ingestelde belichtingscorrectie beïnvloedt uitsluitend de meting van het aanwezige licht, dat wil zeggen niet die van de flitser (meer informatie over flitsfotografie vindt u in het gedeelte vanaf pagina 182). A Ingestelde correctiewaarde (markeringen bij O = uitgeschakeld) 2. Gewenste waarde instellen. Voor de ingestelde correcties geldt - onafhankelijk van de wijze waarop ze oorspronkelijk zijn ingevoerd: – Deze blijven zo lang geldig tot ze handmatig weer op 0 worden teruggezet. Daarbij doet het er niet toe of die camera tussendoor uit- en weer ingeschakeld is geweest. – Ze kunnen zowel via het menu alsook met het instelwiel worden teruggezet. 1 Voorbeeld; hetzij plus of minus, „±X“ staat voor de betreffende waarde. 171 Opnamemodus NL Automatische belichtingsreeksen Veel aantrekkelijke motieven zijn erg contrastrijk en hebben zowel zeer lichte alsook zeer donkere gebieden. Afhankelijk van het deel waarop u uw belichting afstemt, kan het beeldeffect verschillend zijn. In zulke gevallen kunnen – bij tijdautomaat - met de automatische belichtingsreeks (bracketing) meerdere alternatieven met gestaffelde belichting, dat wil zeggen met verschillende sluitertijden, worden gemaakt. Daarna kan de geschiktste opname voor gebruik worden geselecteerd of met bewerkingssoftware een opname met zeer veel contrast worden gemaakt (trefwoord HDR). Beschikbaar zijn: – 5 trappen: 0.3EV, 0.7EV, 1EV, 2EV und 3EV – 2 aantal opnamen: 3 of 5 De functie instellen 1. Menupunt Drive Mode selecteren, en 2. in het submenu Exposure Bracketing. • Op de monitor verschijnt het betreffende submenu. A B C D E F A Aantal opnamen B Belichtingsverschil tussen de opnamen C Belichtingscorrectie-instelling D Procedure van de belichtingsreeks E Lichtwaarde-schaalverdeling met rood gemarkeerde belichtings- waarden van de F opnamen (als tegelijkertijd een belichtingscorrectie is ingesteld, wordt de schaal met de bijbehorende waarde verschoven). 172 Aanwijzingen: • Bij gebruik van de automatische belichtingsreeks geldt de volgende regel: Bij automatische regeling van de ISO-gevoeligheid (zie pagina 156) zal de gevoeligheid die door de camera automatisch voor de niet-gecorrigeerde opname is bepaald, ook voor alle andere opnamen van een serie worden toegepast; dat wil zeggen dat deze ISO-waarde tijdens een serie niet wordt veranderd. Dit kan er mogelijk toe leiden dat de langste onder Maximum Exposure Time ingestelde sluitertijd wordt overschreden. • Afhankelijk van de beschikbare combinatie sluitertijd/diafragma kan het werkgebied van de automatische belichtingsserie beperkt zijn. Onafhankelijk daarvan wordt altijd het ingestelde aantal opnamen gemaakt en kunnen er daarom meerdere opnamen van een reeks op dezelfde wijze belicht zijn. • Automatische belichtingsreeksen zijn ook in combinatie met de flitsmodus mogelijk. Dit gebeurt zonder rekening te houden met de accuconditie van het flitsapparaat, dat wil zeggen de reeks zal zowel opnamen met als zonder flits bevatten. • De functie blijft actief tot een andere functie wordt gekozen in het submenu Drive Mode, dat wil zeggen ook na het in- en uitschakelen van de camera. Als een andere functie wordt gekozen, vindt bij elke bediening van de ontspanner een volgende belichtingsserie plaats. NL Opnamemodus 3. In de regel Frames de gewenste waarde kiezen, in de regel F-‐Stops het gewenste belichtingsverschil, en in de regel Exp. Compensation de gewenste Correctiewaarde belichting (optioneel). • De gemarkeerde belichtingswaarden zullen van locatie wisselen, afhankelijk van de betreffende instellingen. Bij een belichtingscorrectie verschuift ook de schaalverdeling. 4. In de regel Automatic kiezen of de opnamen allen door eenmalig ontspannen moeten plaatsvinden: On, of allen afzonderlijk: Off. 5. Instelling bevestigen door het indrukken van de middenknop. 6. Door eenmalig respectievelijk meermalig te ontspannen, worden alle opnamen gemaakt. 173 Opnamemodus NL Handmatige instelling van de belichting De B-instelling / De T-functie 1. Ontspanknop aantikken, en 2. met tijdinstelwiel 19 en/of diafragma-instelring 13 van het objectief de gewenste belichting instellen. In de Live View-modus vindt dit plaats met behulp van het merkteken op de lichtschaal in de voetregel van het monitorbeeld, bij gebruik van de zoeker door middel van een uit drie LEDs bestaande lichtschaal. Behalve de voor een goede belichting benodigde draairichting van het tijdinstelwieltje en de diafragma-instelring geven de drie LED’s van de lichtschaal in de zoeker op de volgende wijze onder- en overbelichting evenals de juiste belichting aan: Onderbelichting met minstens één diafragmastop; naar rechts draaien Onderbelichting van 1⁄2 diafragmastop; naar rechts draaien Juiste belichting Overbelichting van 1⁄2 diafragmastop; naar links draaien Overbelicht met minstens één diafragmastop; naar links draaien Met de B -instelling blijft de sluiter zo lang geopend als de ontspanner ingedrukt wordt gehouden (tot maximaal 125 s; afhankelijk van de ISO-instelling). De B-functie kan bovendien worden gebruikt om langere sluitertijden dan 8 s vast in te stellen: 1. Focusknop 3 circa 1 s indrukken. • Op de monitor verschijnt het submenu met de sluitertijden, respectievelijk B. Beschikbare sluitertijden zijn wit gemarkeerd (afhankelijk van de ISO-gevoeligheid verschillend), niet beschikbare grijs. 2. Gewenste sluitertijd kiezen, 3. submenu door aantikken van de ontspanner 18, of door indrukken van het MENU -22, of de middenknop 30 verlaten, en 4. de opname maken. Aanwijzingen: • Het tijd-instelwieltje moet op één van de ingegraveerde sluitertijden of tussenwaarden zijn vastgeklikt. • Bij langere sluitertijden dan 2 s wordt na het ontspannen in de weergave de resterende belichtingstijd in seconden teruggeteld. 174 In combinatie met de zelfontspanner is tevens een T-functie beschikbaar: Is zowel B ingesteld en ook de zelfontspanner door aantikken van de ontspanner geactiveerd, opent de sluiter na de gekozen wachttijd automatisch. Deze blijft dan – zonder dat de ontspanknop hoeft te worden vastgehouden – zolang geopend tot de ontspanknop een tweede keer wordt aangetipt. Zo kan de bewegingsonscherpte die door bediening van de ontspanknop eventueel ontstaat ook bij langdurige opnamen verregaand worden vermeden. De belichtingsmeter blijft in alle gevallen uitgeschakeld, na de ontspanning telt de digitale cijferindicatie in de zoeker echter ter oriëntatie de verlopen belichtingstijd in seconden mee. 1 De tijdindicatie is maar een voorbeeld. Over- en onderschrijden van het meetbereik Als bij handmatige instelling en zeer weinig licht het meetbereik van de belichtingsmeter niet wordt gehaald, knippert als waarschuwing in de zoeker de linker driehoekige LED ( ) en bij te veel licht de rechter ( ). Bij tijdautomaat wordt verder de sluitertijd weergegeven. Wanneer de benodigde sluitertijd langer blijkt dan de langste mogelijke tijd, respectievelijk korter wordt dan de kortste mogelijke tijd, zullen ook deze indicaties gaan knipperen. Omdat de belichtingsmeting met het ingestelde diafragma plaatsvindt, kan deze situatie ook door diafragmeren van het objectief ontstaan. NL Opnamemodus Aanwijzingen: • Bij lange belichtingstijden kan zeer sterke beeldruis ontstaan. • Na opnamen met langere sluitertijden (vanaf circa 1⁄30s, afhankelijk van andere menu-instellingen), vindt ter verkleining van dit storende verschijnsel een gegevensverwerkingsronde plaats, die evenveel tijd krijgt als de belichting. Bij langdurige belichtingen moet rekening worden gehouden met deze verdubbeling van de 'belichtings'-tijd. De camera mag intussen niet worden uitgeschakeld. Dienovereenkomstig zal in zulke gevallen als aanwijzing de melding Noise Reduction 12s 1 op het LCD-scherm verschijnen. 175 Weergavemodus NL 176 WEERGAVEMODUS Voor de weergave van opnamen kunt u kiezen: – PLAY Weergave voor onbeperkte tijd, of – Auto Review Kortstondige weergave direct na de opname Weergave voor onbeperkte tijd PLAY-knop 23 indrukken. • In de monitor verschijnt de laatst opgenomen afbeelding en, in zoverre ze bij het laatste gebruik ingeschakeld waren, de bijbehorende weergaven. Wanneer echter geen beeldbestand op de geplaatste geheugenkaart aanwezig is, verschijnt na omschakeling op weergave de melding: Attention No media file to display Afhankelijk van de vooraf ingestelde functie heeft het indrukken van de PLAY-knop verschillende gevolgen: Uitgangssituatie Na drukken op de PLAY-knop a. Volledige weergave van een opname Opnamemodus b. Weergave van een vergroot fragment / meerdere kleinere opnamen Volledige weergave van de opname Automatische weergave van telkens de laatste opname In de modus Auto Review wordt elk beeld direct na de opname weergegeven. Op deze wijze kan bijv. snel en eenvoudig worden gecontroleerd of de foto gelukt is of herhaald moet worden. Met deze optie stelt u de weergaveduur van het beeld in. De functie instellen 1. Menupunt Auto Review selecteren, 2. in het bijbehorende submenu de gewenste optie, respectievelijk tijdsduur: (Off, 1 s , 3 s , 5 s , Hold). Vanuit de modus Auto Review kan altijd naar de normale, dat wil zeggen qua tijd onbegrensde, PLAY-weergavemodus worden omgeschakeld. Aanwijzing: Als u met de seriefoto-functie (zie pagina 140) hebt gefotografeerd, wordt in beide weergavemodi eerst de laatste foto van de serie getoond, respectievelijk tijdens het opslaan de laatste op de geheugenkaart reeds opgeslagen foto van de serie getoond. Hoe u andere opnamen van de serie kunt kiezen en welke mogelijkheden er verder nog zijn voor de weergave, kunt u in de volgende sectie nalezen. F2.8 1/8000 ISO 12500 EV Aanwijzingen: • Het histogram en de clipping-weergaven zijn zowel bij de weergave van het volledige beeld, alsook van een uitsnede beschikbaar, maar niet bij gelijktijdige weergave van 12 of 20 verkleinde opnamen. • Het histogram en de clipping-weergaven hebben altijd betrekking op de actueel getoonde uitsnede van de opname. 999-9000 NL Weergavemodus Weergaven bij flitsmodus Om de opnamen goed te kunnen bekijken, verschijnt er in de fabrieksinstelling de opname zonder de informatie in de kop- en voetregels. Andere opnamen bekijken / 'Bladeren' in het geheugen Met het indrukken van de middenknop 30 kunt u altijd kop- en voetregels oproepen. In zoverre Histogram en Exposure Clipping zijn ingeschakeld (zie pagina 162), verschijnen deze gegevens dan ook. F2.8 Met de linker en rechter kant van de kruisknop 29 kunt u de overige opgeslagen opnamen oproepen. Na de eerste / laatste opname beginnen de in een oneindige lus geschakelde opnamen weer van voren af aan, zodat u alle opnamen in beide richtingen kunt bereiken. • De opnamenummers wisselen navenant. 1/8000 ISO 12500 EV 999-9000 177 NL Vergroten / selecteren van uitsnede / gelijktijdig bekijken van meerdere verkleinde opnamen Weergavemodus U kunt, voor een betere beoordeling van een vergrote uitsnede, een opname oproepen en deze uitsnede vrij kiezen. Omgekeerd kunt u ook maximaal 20 opnamen tegelijk bekijken, bijvoorbeeld om een overzicht te krijgen of om een gezochte foto sneller te vinden. • De rechthoek binnen het kader in de linker onderhoek symboliseert de locatie en de vergroting van de getoonde uitsnede. Door het instelwiel 28 naar rechts te draaien, wordt een uitsnede vanuit het midden vergroot. Vergrotingen zijn tot 1:1 mogelijk, dat wil zeggen tot 1 pixel van de monitor 1 pixel van de opname weergeeft. Met de kruisknop 29 kunt u bij een vergrote afbeelding de locatie van de uitsnede willekeurig verschuiven. Aanwijzing: Ook bij vergrote afbeelding kunt u – direct naar een andere opname gaan, die dan in dezelfde vergroting wordt getoond. Hiervoor gebruikt u weer de linker of rechter kruisknop – echter met ingedrukt gehouden PLAY-knop 23. – de opname markeren (zie pagina 180). 178 Bij de weergave van 20 beelden kunt u door het instelwiel verder naar links te draaien het rode kader om alle beelden plaatsen, zodat u vervolgens 'per blok' snel kunt 'bladeren'. B A A C A Vooraf in normale grootte bekeken opname B Nummer van de rood omrande opname C Schuifbalk; toont schematisch de positie van de gemarkeerde opname in de overzichtslijst aan NL Weergavemodus Door het instelwiel naar links te draaien (van de normale afmeting uitgaand), kunt u gelijktijdig 12, respectievelijk door verder te draaien 20 opnamen op de monitor bekijken. B A Opnamenummers van de rood omkaderde groep van 20 B Schuifbalk; toont schematisch de positie van de gemarkeerde groep van 20 in de overzichtslijst aan Met de kruisknop kunt u vrij onder de verkleinde opnamen navigeren, de betreffende opname wordt gemarkeerd door het rode kader. Deze opname kunt weer op normale grootte instellen door aan het instelwiel naar rechts te draaien, ofwel in één stap door op de PLAY-knop te drukken. 179 Weergavemodus NL Opnamen markeren U kunt iedere opname markeren, bijvoorbeeld om ze sneller weer te vinden, of om het latere wissen van meer opnamen te vereenvoudigen (zie volgende paragraaf). Het markeren kan direct, of menubediend plaatsvinden: Direct Bovenste kant van de kruisknop 29 indrukken. • De opname wordt gemarkeerd door . Het verwijderen van een markering gebeurt net zo. Menubediend 1. MENU -knop 22 indrukken. • Het betreffende menu verschijnt. Afzonderlijke markeringen verwijdert u in principe op dezelfde manier met Unrate, meerdere tegelijk met Unrate ALL. In dit geval knippert tijdens de procedure de LED 21. Opnamen wissen Zolang een opname wordt getoond, kan deze eventueel ook op dat moment worden gewist. Dit kan nuttig zijn als de opnamen bijv. op andere media werden opgeslagen, als ze niet meer nodig zijn of wanneer meer geheugen op de kaart nodig is. U hebt de mogelijkheid naar wens enkele of gelijktijdig uitsluitend de niet gemarkeerde, of alle opnamen te wissen. Werkwijze 1. MENU -knop 22 indrukken. • Het menu "wissen" verschijnt. De verdere bediening is afhankelijk van het feit of u slechts één opname of gelijkertijd meerdere opnamen wilt wissen. 2. Rate kiezen. 3. Middenknop 30 indrukken. • De opname wordt gemarkeerd door Rate vervangen door Unrate. 180 , in het menu wordt Afzonderlijke opnamen wissen 2. Delete Single kiezen, en 3. om het proces te starten, de middenknop 30 indrukken. • Tijdens het wissen knippert de LED 21. Na het wissen verschijnt de volgende opname. Wanneer echter geen opnamen meer op de kaart zijn opgeslagen, verschijnt de melding: Attention No media file to display. Bij ALL en ALL Unrated verschijnt in plaats daarvan een navraag-submenu ter beveiliging tegen abusievelijk wissen. Uitsluitend bij ALL en ALL Unrated Als daadwerkelijk alle opnamen moeten worden gewist: 6. In het navraagmenu Yes kiezen. • Tijdens het wissen knippert de LED 21. Na het wissen verschijnt de melding: Attention No media file to display. Aanwijzingen: • Markeren en wissen is uitsluitend mogelijk vanuit de weergave PLAY. Maar het is onafhankelijk van het feit of de weergave in normale grootte of in meerdere verkleinde afbeeldingen plaatsvindt (behalve als bij de 20-voudige weergave het rode kader de gehele groep omsluit). • Ook bij opgeroepen wis- en markeringsmenu kunt u altijd andere opnamen kiezen. • Met de PLAY-knop kunt u te allen tijde het wismenu weer uitschakelen. • Door een opname te wissen worden de volgende opnamen opnieuw genummerd volgens het volgende patroon: wist u bijvoorbeeld beeld nr. 3, wordt het beeld dat voorheen nr. 4 was vervolgens nr. 3, het beeld dat voorheen nr. 5 was, wordt nr. 4, enz. Dit geldt echter niet voor de bestandsnummering op de geheugenkaart. NL Weergavemodus Meerdere/alle opnamen wissen 2. Delete Multi kiezen, 3. Middenknop 30 indrukken, 4. in het submenu de gewenste variant, ALL, ALL Unrated (zie vorige paragraaf), of, als u geen opname meer wilt wissen, Cancel, en 5. Middenknop nogmaals indrukken. • Tijdens het wissen knippert de LED 21. Na het wissen verschijnt de volgende gemarkeerde opname. 181 NL OVERIGE FUNCTIES Overige functies FLITSMODUS De camera bepaalt het benodigde flitsvermogen door het afgeven van een of meer meetflitsen in fracties van seconden voor de eigenlijke opname. Direct daarna, bij het begin van de belichting, wordt de hoofdflits afgegeven. Alle factoren die de belichting beïnvloeden (bijvoorbeeld opnamefilters en wijziging van de diafragma-instelling) worden automatisch gerespecteerd. Geschikte flitsapparaten De volgende flitsapparaten kunnen met de camera worden gebruikt. Ze laten afhankelijk van de uitrusting, verschillend veel van de in deze handleiding beschreven functies. • Leica systeem-flitsapparaten zoals de modellen SF40, SF64, SF26 • Andere systeem-flitsapparaten, behalve Leica SF 20 • Andere, gebruikelijke flitsapparaten met gestandaardiseerde flitsvoet en positief middencontact1 (ontsteking via het midden/X-contact). Wij adviseren het gebruik van thyristor-geregelde elektronenflitsapparaten. • Studio-flitssystemen (ontsteking via synchroonkabel) 1 Wanneer andere, niet speciaal op de camera afgestemde flitsapparaten worden gebruikt, die de witbalans van de camera niet automatisch omschakelen, moet de instelling worden gebruikt (zie pagina 154). 182 Flash Flitsapparaat aanbrengen Alvorens u een flitsapparaat in de accessoireschoen 20 van de camera plaatst – het kapje dat de accessoireschoen beschermt, als het niet wordt gebruikt, naar achter worden geschoven en – moeten camera en flitsapparaat worden uitgeschakeld. Bij het plaatsen van een flitsapparaat moet u erop letten, dat u de voet volledig in de accessoireschoen schuift en, indien aanwezig, met de klemmoer tegen ongewild loskomen en vallen beschermt. Dit is vooral bij flitsapparaten met extra regel- en signaalcontacten belangrijk omdat wijziging van de positie in de accessoireschoen de vereiste contacten onderbreekt en daardoor foutieve functies kunnen ontstaan. Aanwijzing: Zorg dat het accessoireschoen-kapje steeds is aangebracht als er geen accessoire wordt gebruikt (bijvoorbeeld een flitsapparaat). Aanwijzingen: • Studioflitsinstallaties hebben vaak een zeer lange flitsduur. Het kan in dat geval daarom eventueel zinvol zijn een langere sluitertijd dan 1⁄180s te kiezen. • Hetzelfde geldt voor radiografisch gestuurde flitstriggers bij het 'draadloos flitsen', omdat de radiografische overdracht een tijdvertraging kan veroorzaken. • De instellingen en functies die in de volgende hoofdstukken zijn beschreven, hebben alleen betrekking op deze camera en systeemcompatibele flitsapparaten. • Een op de camera ingestelde belichtingscorrectie (zie pagina 170) beïnvloedt uitsluitend de meting van het aanwezige licht! Wanneer u in de flitsmodus gelijktijdig een correctie van de TTL-flitsbelichtingsmeting wenst (parallel of tegengesteld), moet u deze extra (op het flitsapparaat) instellen! (Uitzondering: Met de Leica SF26 moet de correctie aan de camera per menubediening worden ingesteld.) • Meer informatie over de flitsmodus, vooral in combinatie met andere, niet speciaal op deze camera afgestemde flitsapparaten, evenals de verschillende modi van de flitsapparaten, vindt u in de betreffende handleiding. NL Overige functies Flits-belichtingsregeling De volautomatische (dat wil zeggen: door de camera geregelde) flitsmodus is bij de camera met de hiervoor genoemde systeemcompatibele flitsapparaten en in beide belichtingsmodi (tijdautomaat A en handmatige instelling) beschikbaar. Bovendien is in alle drie belichtingsmodi een automatische invulflitsregeling actief. Om steeds een uitgebalanceerde verhouding tussen flits- en omgevingslicht te garanderen, wordt het flitsvermogen bij toenemende lichtsterkte evt. met max. 12⁄3 EV verminderd. Wanneer echter de aanwezige lichtsterkte zelfs met de kortst mogelijke flitssynchronisatietijd van 1⁄180s al overbelichting tot gevolg heeft, zal een HSS-compatibele flits bij tijdautomaat niet worden geactiveerd. In zulke gevallen wordt de sluitertijd overeenkomstig het omgevingslicht geregeld en in de zoeker aangegeven. Bovendien kunt u met de camera met tijdautomaat A en handmatige instelling gebruik maken van interessante vormgevende flitstechnieken, zoals flitssynchronisatie op het 2e in plaats van het gebruikelijke 1e Sluitergordijn en het flitsen met langere sluitertijden dan de synchronisatietijd van 1⁄180s. Deze functies worden op de camera via het menu ingesteld (meer hierover in de volgende hoofdstukken). Bovendien geeft de camera de ingestelde gevoeligheid door aan het flitsapparaat. Daarmee kan het flitsapparaat, voorzover het deze weergaven bezit en voorzover het op het objectief gekozen diafragma ook op het flitsapparaat is ingevoerd, zijn reikwijdte automatisch aangeven. De gevoeligheidsinstelling kan bij systeemcompatibele flitsers niet via de flitser zelf worden beïnvloed, omdat deze al door de camera wordt overgedragen. 183 Overige functies NL De instellingen van de automatische TTL-flitsmodus die door de camera wordt geregeld Aan het flitsapparaat: 1. Het gebruikte flitsapparaat inschakelen, en 2. op de modus voor regeling van het richtgetal (bijvoorbeeld TTL of GNC = Guide Number Control) zetten. De controleweergaven van de flitsbelichting in de zoeker bij systeemconforme flitsapparaten In de zoeker dient een flitsvormige LED voor terugmelding en weergave van verschillende situaties. Deze LED verschijnt samen met de beschreven weergaven voor de belichtingsmeting van het aanwezige licht. Op de camera: 1. Camera inschakelen, respectievelijk bij automatisch uitgeschakelde camera ontspanner aantikken. Als het laatste door te snel en in één keer volledig indrukken van de ontspanner wordt verzuimd, zal het flitsapparaat eventueel niet worden geactiveerd. 2. Het tijdinstelwiel op A, op de flitssynchronisatietijd (1⁄180s), of op een langere sluitertijd (ook B) instellen. In de modus Tijdautomaat stelt de camera automatisch een sluitertijd in het kader van het in het menu gekozen tijdbereik in (zie 'Het synchroontijdbereik kiezen' / 'Het ontstekingstijdstip kiezen', pagina 182). Let daarbij op de kortste flitssynchronisatie-tijd, omdat deze bepaalt of er een 'normale' opnameflits of een HSS-flits wordt gegeven. 3. De gewenste (respectievelijk het voor de betreffende afstand tot het onderwerp benodigde) diafragma instellen. Bij TTL-flitsmodus • verschijnt ondanks ingeschakeld en gereed flitsapparaat niet: op de camera is handmatig een kortere sluitertijd dan 1⁄180s ingesteld en het aangesloten flitsapparaat is niet HSS-compatibel. In zulke gevallen activeert de camera ook een ingeschakeld en paraat flitsapparaat niet. • knippert voor de opname langzaam (2Hz): het flitsapparaat is nog niet paraat. • brandt voor de opname: het flitsapparaat is paraat. Aanwijzing: Als de automatische geregelde of handmatig ingestelde sluitertijd korter is dan 1⁄180s, zal het flitsapparaat niet flitsen, behalve als het een HSS-compatibel flitsapparaat is. 184 • Flitsmodus met korte sluitertijden (High Speed Sync.) De volautomatische, dat wil zeggen door de camera gestuurde lineaire flitsmodus, is bij de camera met desbetreffend uitgeruste Leica flitsapparaten, met alle sluitertijden en met tijdautomaat, alsook met handmatige belichtingsregeling beschikbaar. Hij wordt automatisch geactiveerd door de camera, als de geselecteerde of berekende sluitertijd korter is dan de synchronisatietijd 1⁄180s. Bij een juist ingesteld flitsapparaat vereist deze omschakeling verder geen activiteiten van de fotograaf. NL Overige functies blijft na het ontspannen ononderbroken branden, de overige indicaties zijn echter verdwenen: de flitscapaciteit was voor een normgetrouwe belichting in orde, het flitsapparaat blijft paraat. • knippert na het ontspannen snel (4 Hz), de overige indicaties zijn echter verdwenen: de flitscapaciteit was voor een normgetrouwe belichting in orde, het flitsapparaat is echter nog niet weer paraat. • gaat na het ontspannen samen met de overige indicaties uit: de flitscapaciteit was voor een normgetrouwe belichting niet in orde, bijvoorbeeld door een te klein gekozen diafragma voor het onderwerp. Als op het flitsapparaat een gedeelde flitsstand is ingesteld, kan op basis van het geringere opgeroepen vermogen ondanks de verdwenen flits-LED het apparaat toch paraat zijn. Belangrijk: De reikwijdte bij het HSS-flitsen is duidelijk korter dan bij het TTL-flitsen. Bij instelling van het flitsapparaat op computerregeling (A) of handmatige modus (M) • verschijnt ondanks ingeschakeld en gereed flitsapparaat niet: op de camera is handmatig een kortere sluitertijd dan 1⁄180s ingesteld. In zulke gevallen activeert de camera ook een ingeschakeld en paraat flitsapparaat niet. • knippert voor de opname langzaam (2Hz): het flitsapparaat is nog niet paraat. • brandt voor de opname: het flitsapparaat is paraat. 185 Overige functies NL Keuze van het synchronisatietijdbereik De weergave van het voorhanden licht wordt bepaald door de sluitertijd en het diafragma. Bij vaste instelling van de kortst mogelijke sluitertijd in de flitsmodus, de synchronisatietijd, leidt dit in vele situaties tot een onnodige, meer of minder sterke onderbelichting van alle delen van het onderwerp die door het flitslicht niet goed worden belicht. Deze camera kunt u in de flitsmodus in combinatie met de tijdautomaat gebruikte sluitertijdbereik nauwkeurig aan de voorwaarden voor het betreffende onderwerp, respectievelijk aan uw wensen met betrekking tot beeldvorming aanpassen. De functie instellen 1. Menupunt Flash Settings kiezen, 2. in het submenu Max. Flash Sync. Time, en 3. in deze lijst hetzij één van de automatische, brandpuntsafstand-gerelateerde instellingen (1/f , 1/(2f) , 1/(4f) ) of de gewenste langste sluitertijd (in het bereik van 1/2 s tot 1/125 s)1. Alleen bij gebruik van Leica M-objectieven met 6-bit codering, respectievelijk bij handmatige invoer van het objectief in het menu. 1 186 Aanwijzingen: • 1/f leidt tot de langste sluitertijden volgens de vuistregel voor stabiele opnamen uit de hand, bijvoorbeeld 1⁄60s met een 50 mm-objectief. De overeenkomstige sluitertijden met 1/(2f) en 1/ (4f) zouden in het voorbeeld 1⁄125s en 1⁄250s zijn. Belangrijk: Het instelbereik is op 1⁄125s begrensd, ook al is de gebruikte brandpuntsafstand langer. • Bij handmatige regeling van de belichting kunt u eveneens alle sluitertijden tot de synchronisatietijd 1⁄180s instellen. Het synchronisatietijdstip kiezen De belichting van flitsopnamen vindt plaats met twee lichtbronnen, de aanwezige – en het flitslicht. De uitsluitend of hoofdzakelijk door het flitslicht belichte delen van het onderwerp worden daarbij door de uitzonderlijk korte lichtimpuls bijna altijd (bij correcte scherpstelling) scherp weergegeven. Daarentegen worden alle andere motiefdelen – namelijk de delen die voldoende door het aanwezige licht zijn belicht, respectievelijk zelf oplichten – in hetzelfde beeld met wisselende scherpte afgebeeld. Of deze motiefdelen scherp of "vaag" worden weergegeven, respectievelijk hoe groot de "vaagheid" is, wordt door twee van elkaar afhankelijke factoren bepaald: 1. de lengte van de sluitertijd, dat wil zeggen hoe lang deze motiefdelen op de sensor "inwerken" en 2. hoe snel deze motiefdelen – of ook de camera zelf – tijdens de opname bewegen. De functie instellen 1. Menupunt Flash Settings kiezen, 2. in het submenu Flash Sync. Mode, en 3. daar de gewenste variant. Flits-belichtingscorrecties Met deze functie kan de flitsbelichting onafhankelijk van de belichting van het aanwezige licht gericht afgezwakt of versterkt worden, bijv. om bij een buitenopname in de avond het gezicht van een persoon op de voorgrond lichter te maken, terwijl de lichtsfeer behouden moet blijven. De functie instellen 1. Menupunt Flash settings kiezen, en 2. in het submenu Flash Exposure Compensation en 3. in het bijbehorende submenu de gewenste instelling. NL Overige functies Hoe langer de sluitertijd respectievelijk hoe sneller de beweging is, hoe duidelijker beide elkaar overlappende beeldfragmenten verschillen. Het gebruikelijke tijdstip van de flitsontsteking is aan het begin van de belichting, dat wil zeggen onmiddellijk nadat het 1ste sluitergordijn het beeldvenster volledig heeft geopend. Dit kan zelfs tot schijnbare tegenstrijdigheden leiden, zoals bij de opname van de motorfiets, die door zijn eigen lichtsporen wordt ingehaald. De camera biedt u de optie tussen dit gebruikelijke flits-ontstekingstijdstip en de synchronisatie aan het einde van de belichting te kiezen, dat wil zeggen onmiddellijk voordat het 2e sluitergordijn weer begint met het sluiten van het beeldvenster. Het scherpe beeld geeft in dit geval het einde van de beweging weer. Deze flitstechniek verleent de foto een natuurlijkere indruk van beweging en dynamiek. Deze optie is beschikbaar – bij alle camera- en flitsapparaatinstellingen – bij tijdautomaat evenals bij handmatige sluitertijdkeuze – in het automatische, evenals de handmatige flitsmodus De weergaven zijn in beide gevallen gelijk. Aanwijzingen: • Flash Exposure Compensation staat (bij uitgeschakeld flitsapparaat) slechts ter beschikking als de correctie aan het gebruikte flitsapparaat niet kan worden ingesteld, zoals bij de Leica SF26. • Een met plus-correctie gekozen heldere flitsverlichting vereist een hoger flitsvermogen en omgekeerd. Daarom beïnvloeden flits-belichtingscorrecties meer of minder sterk de reikwijdte van de flits: een plus-correctie vermindert de reikwijdte, een minus-correctie verhoogt deze. • Een ingestelde correctie blijft ook na een willekeurig aantal opnamen en zelfs na het uitschakelen van de camera actief, respectievelijk zolang tot hij op 0 wordt teruggezet. 187 Overige functies NL FOTOGRAFEREN MET DE ZELFONTSPANNER INTERVALOPNAMEN Met de zelfontspanner kunt u een opname met een vertraging van eventueel 2 of 12s maken. Dit is handig als u bijv. onscherpte door bewegen bij het afdrukken wilt voorkomen of als u bij een groepsopname zelf ook in beeld wilt verschijnen. In zulke gevallen wordt geadviseerd de camera op een statief te plaatsen. Met deze camera kunt u bewegingen over een langere periode in vorm van fotoseries automatisch opnemen. Daarbij legt u de afstanden tussen de opnamen en het aantal foto's vast. De functie instellen en gebruiken 1. Menupunt Drive Mode selecteren, en 2. in het submenu de regel met de gewenste wachttijd. 3. Met de ontspanner 18 wachttijd starten. • Aan de voorkant van de camera geeft, gedurende de eerste 10 s van de 12 s voorlooptijd, de knipperende LED 7 het aflopen van de voorlooptijd aan, en op het LCD-scherm wordt deze gelijktijdig afgeteld. Tijdens de 12 s lopende zelfontspanner-voorlooptijd kan de functie altijd door indrukken van de MENU -knop 22 worden geannuleerd; de instelling blijft behouden, of wordt door opnieuw aantippen van de ontspanner weer gestart. Belangrijk: Tijdens zelfontspanning vindt instelling van de belichting niet plaats bij het drukpunt van de ontspanner, maar pas direct vóór de opname. De functie instellen en gebruiken 1. Menupunt Drive Mode selecteren, 2. in het submenu Interval, en 3. in het bijbehorende submenu Frames. 4. In het bijbehorende toetsenblok-submenu het aantal opnamen kiezen, waaruit de voorziene intervalopname moet bestaan. A B C D A Invoerregel B Cijferblok C Knop 'Wissen' (wissen van de betreffende laatste waarde) D Knop 'Bevestigen' (bevestigen van zowel afzonderlijke waarden als afgesloten instellingen; terugkeer naar het vorige menuniveau zonder bevestigen van enige instelling door op de MENU -knop te drukken) 188 Aanwijzingen: • Bij intervalopnamen is Live View-modus slechts kortstondig mogelijk: na een opname wordt hij weer ingeschakeld. • Onafhankelijk van het aantal opnamen in een serie, wordt in beide weergavemodi eerst de laatste foto van de serie getoond, respectievelijk tijdens het opslaan de laatste op de geheugenkaart reeds opgeslagen foto van de serie getoond. BEELDBESTANDEN AUTEURSRECHTELIJK MARKEREN Met deze camera kunt u uw beeldbestanden markeren door tekst en andere tekens in te voeren. Hiervoor kunt u per opname in 2 rubrieken telkens informatie t/m 20 tekens invoeren. De functie instellen en gebruiken 1. Menupunt Camera Information kiezen, en 2. in het submenu Copyright Information. • Het bijbehorende submenu bevat de drie punten Copyright, Information en Artist. Aanvankelijk is alleen de regel met Copyright geactiveerd. 3. Copyright-functie On -schakelen. • De regels Information en Artist zijn geactiveerd. 4. Information /Artist-submenu oproepen. (De verdere bediening is in beide gevallen hetzelfde.) • Het toetsenbord-submenu verschijnt. NL Overige functies 5. In het Interval -submenu Interval Time kiezen, en 6. in dit submenu de gewenste afstand tussen de opnamen. De waarden verwisselen: Bovenste/onderste zijde van de kruisknop indrukken. Wisselen tussen hh (uren), mm (minuten) en ss (seconden): linker / rechter zijde van de kruisknop indrukken. 7. Met de ontspanner 18 serie starten. Een verstrijkende opnameserie kan uitsluitend worden afgebroken door de camera uit te schakelen. De betreffende instellingen blijven daarbij behouden, zodat na het inschakelen van de camera een opnieuw aantikken van de ontspanner de serie opnieuw start. 189 Overige functies NL REGISTRATIE VAN OPNAMELOCATIE MET GPS Aanwijzing: Dit menu-item is alleen beschikbaar met geplaatste Leica Visoflex zoeker (als toebehoren verkrijgbaar). A E F B C D A Invoerregel B Toetsenblok C Knop 'Wissen' (wissen van het betreffende laatste teken) D Knop 'Bevestigen' (bevestigen van zowel afzonderlijke waarden als afgesloten instellingen; terugkeer naar het vorige menuniveau zonder bevestigen van enige instelling door op de MENU -knop te drukken) E Veranderen hoofdletters / kleine letters F Veranderen letters / cijfers en tekens • In de invoerregel is de eerste plaats gemarkeerd als gereed voor bewerking. (In de fabrieksinstelling staan daar als voorbeelden reeds Information , respectievelijk Artist). De beschikbare tekens zijn hoofdletters en kleine letters, en een spatie_, en na het omschakelen de cijfers 0 tot en met 9 en diverse leestekens. Beide tekengroepen staan steeds in een gesloten lus. 5. In dit toetsenbord-submenu met het instelwiel 28 of de kruisknop 29 de gewenste tekens markeren, 6. steeds met de middenknop 30 invoeren, en 7. vervolgens de ingevoerde gegevens bevestigen met de -knop. 190 Met het Global Positioning Systeem kan wereldwijd de juiste positie van een ontvanger worden bepaald. De Leica Visoflex zoeker is uitgerust met een bijbehorende ontvanger. Als hij op de camera is bevestigd, zal de camera bij ingeschakelde functie continu signalen ontvangen en de positiegegevens actualiseren. De camera kan deze gegevens (breedte- en lengtegraden, hoogte boven NAP) in de 'EXIF'-data wegschrijven. De functie instellen 1. Menupunt GPS kiezen, en 2. daar On - of Off-schakelen. • Op het LCD-scherm 31 geeft het "Satelliet"-pictogram ( ) de betreffende status aan (alleen in het venster met de opnamegegevens): – = laatste positiebepaling hoogstens 1 min. geleden – = laatste positiebepaling hoogstens 24 uur geleden – = laatste positiebepaling minstens 24 uur geleden, of er zijn geen positiegegevens Opmerking over veilige toepassing: Het door het GPS-systeem geproduceerde elektromagnetische veld kan instrumenten en meetapparatuur beïnvloeden. Denkt u er daarom aan bijv. aan boord van een vliegtuig voor het starten of landen, in ziekenhuizen en op andere plaatsen waar radioverkeer aan beperkingen onderworpen is, altijd de GPS-functie uit te schakelen. Belangrijk (juridisch voorgeschreven gebruiksbeperkingen): • In bepaalde landen of regio's is het gebruik van GPS en daarmee samenhangende technologieën zo mogelijk beperkt. Voor reizen naar het buitenland dient u zich in elk geval bij de ambassade van het betreffende land, respectievelijk uw reisorganisatie hierover te laten informeren. • Het gebruik van GPS in de Volksrepubliek China en in Cuba en in de nabijheid van hun grenzen (uitgezonderd: Hong Kong en Macao) is verboden door de wetten van het land. Overtredingen worden vervolgd door de autoriteiten! Daarom wordt de GPS-functie in deze gebieden automatisch gedeactiveerd. NL Overige functies Opmerkingen bij de functie: • De GPS antenne bevindt zich bovenin de behuizing van de zoeker. • Een vereiste voor GPS-positiebepaling is "vrij zicht" van de antenne naar de hemel. Het is raadzaam de camera zodanig vast te houden dat de zoeker verticaal naar boven wijst. • De positiebepaling kan soms een paar minuten duren. Dit kan met name dan optreden wanneer er tussen het uit- en weer aanzetten van de camera zo veel tijd verstreken is dat de satellietlocaties aanzienlijk zijn gewijzigd en opnieuw moeten worden gevonden. • Let erop dat de GPS-antenne niet door uw hand of door andere voorwerpen (vooral niet door metalen voorwerpen) wordt bedekt. • Een foutloze ontvangst van signalen van GPS-satellieten is bijvoorbeeld op de volgende plaatsen of situaties eventueel niet mogelijk. In dergelijke gevallen zal er geen of slechts een gebrekkige positiebepaling mogelijk zijn. – in gesloten ruimtes – onderaards – onder bomen – in een bewegend voertuig – in de buurt van hoge gebouwen of in nauwe dalen – in de buurt van de hoogspanningsleidingen – in tunnels – in de buurt van 1,5 Ghz mobiele telefoons 191 Overige functies NL GEBRUIKERSPROFIELEN / TOEPASSINGSPROFIELEN Met deze camera kunt u naar wens combinaties van alle menu-instellingen permanent opslaan, bijv. om ze bij terugkerende situaties / onderwerpen snel en eenvoudig te kunnen oproepen. Er zijn vier geheugenplaatsen voor dergelijke combinaties mogelijk, plus de onveranderlijke fabrieksinstelling die u altijd weer kunt oproepen. De naam van de opgeslagen profielen kunt u wijzigen. De op deze camera ingestelde profielen kunt u op een andere geheugenkaart overdragen om ze in andere camerabody's toe te passen, en u kunt profielen die op een andere kaart zijn opgeslagen ook naar deze camera overdragen. Instellingen opslaan / profiel aanmaken 1. Gewenste functies in het menu instellen. 2. Menupunt User Profiles selecteren, 3. in het submenu Save as User Profile, en 4. in het bijbehorende submenu de gewenste geheugenplaats. Een profiel kiezen 1. Menupunt User Profiles kiezen. • Als u gebruikersprofielen hebt opgeslagen, zal de profielnaam wit verschijnen; bovendien zijn ze als active gemarkeerd. Ongebruikte geheugenplaatsen verschijnen grijs. 2. In de submenulijst kiest u het gewenste profiel, ofwel één van de opgeslagen profielen, of Standard Profile (komt overeen met de fabrieksinstelling van de camera). • De gekozen geheugenplaats wordt in de oorspronkelijke menulijst bijvoorbeeld door User 1 aangegeven, in het informatiebeeldscherm (zie pagina 214) door het betreffende symbool, in dit geval . 192 Aanwijzing: Als u een instelling van een momenteel toegepast profiel wijzigt, zal er in de oorspronkelijke menulijst verschijnen, in plaats van de naam van het eerder toegepaste profiel. Naam profiel wijzigen 1. Menupunt User Profiles selecteren, 2. in het submenu Rename User Profile, en 3. in deze submenulijst het gewenste profielnummer. • Het toetsenbord-submenu verschijnt. Hetzelfde toetsenbord als bij de functie Copyright (zie pagina 189). 4. De verdere bediening gebeurt net zo als bij de functie Copyright in de stappen 5-7 beschreven. Profielen op een kaart opslaan / van een kaart overnemen 1. Menupunt User Profiles kiezen, 2. in het submenu Export to Card, respectievelijk Import from Card, 3. in de betreffende vraag-submenu´s de procedure bevestigen of afwijzen, en 4. Middenknop 30 indrukken. Aanwijzing: Bij het ex- en importeren worden in principe alle vier profielen naar (van) de kaart overgedragen; dat wil zeggen: ook profielen die eventueel leeg zijn. Als gevolg daarvan worden bij het importeren van profielen alle eventueel reeds op de camera aanwezige profielen overschreven; dat wil zeggen: gewist. FORMATTEREN VAN DE GEHEUGENKAART Met deze functie kunt u alle eigen instellingen in het hoofdmenu en opnameparameter-menu in één keer op de fabrieksinstellingen terugzetten. Gewoonlijk is het niet nodig reeds gebruikte geheugenkaarten te formatteren. Wanneer echter een niet-geformatteerde kaart voor het eerst wordt geplaatst, moet deze worden geformatteerd. De functie instellen 1. Menupunt Reset Camera kiezen, 2. in het vraag-submenu de procedure bevestigen of afwijzen, en 3. Middenknop 30 indrukken. Aanwijzing: Maak er daarom een gewoonte van, al uw opnamen zo snel mogelijk op een geheugenmedium, bijv. op de harde schijf van uw computer te kopiëren. Dit geldt vooral als de camera bij een servicegeval samen met de geheugenkaart wordt opgestuurd. Aanwijzingen: • Dit terugzetten geldt ook voor de eventueel met de functie User Profiles vastgelegde en opgeslagen, individuele profielen. • Zolang de camera niet wordt uitgeschakeld, geldt dit echter niet voor de instellingen onder Date & Time. Na het uit- en inschakelen van de camera vindt echter een nieuwe opstart plaats; dat wil zeggen: daarna moeten de instellingen weer worden gerealiseerd. NL Overige functies RESETTEN VAN ALLE INDIVIDUELE INSTELLINGEN Werkwijze 1. Menupunt Format SD kiezen, 2. in het vraag-submenu de procedure bevestigen of afwijzen, en 3. Middenknop 30 indrukken. Aanwijzingen: • Schakel de camera niet uit terwijl een geheugenkaart wordt geformatteerd. • Als de geheugenkaart in een ander apparaat, bijv. een computer is geformatteerd, moet u hem in deze camera opnieuw formatteren. • Als de geheugenkaart niet kan worden geformatteerd / beschreven, vraagt u uw dealer of de afdeling Leica Product Support (adres: zie pagina 224) om advies. 193 Overige functies NL 194 MAPPENBEHEER De beeldgegevens worden op de geheugenkaart in mappen opgeslagen, die automatisch worden aangemaakt. Deze mapnamen bestaan in principe uit acht tekens: drie cijfers en vijf letters. In de fabrieksinstelling wordt de eerste map als 100LEICA aangeduid, de tweede als 101LEICA, enz. Als mapnummer wordt in principe het eerste vrije nummer aangemaakt, er zijn maximaal 999 mappen mogelijk. Als alle nummers zijn verbruikt, verschijnt er een waarschuwing op de monitor. De individuele afbeeldingen in de mappen krijgen doorlopende nummers tot en met 9999, behalve als er zich op de geheugenkaart al een afbeelding met een hoger nummer bevindt dan het laatste dat de camera heeft aangemaakt. In zulke gevallen telt de camera door, volgens de nummering van de afbeelding op deze kaart. Als de actuele map het beeldnummer 9999 bevat, zal er automatisch een nieuwe map worden aangemaakt, waarin de nummering weer bij 0001 zal beginnen. Als mapnummer 999 en beeldnummer 9999 zijn bereikt, zal er op de monitor een betreffende waarschuwing verschijnen en zult u de nummering moeten resetten (zie hieronder). Dit kan gebeuren door de geheugenkaart te formatteren, maar ook door een andere geheugenkaart te gebruiken. Met deze camera kunt u bovendien altijd een nieuwe map aanmaken, zelf de naam ervan bepalen, en de bestandsnamen wijzigen. Mapnaam wijzigen 1. Menupunt Image Numbering kiezen, en 2. in het bijbehorende submenu New Folder. • Het toetsenbord-submenu verschijnt. Hetzelfde toetsenbord als bij de functie Copyright (zie pagina 189). 3. De verdere bediening gebeurt net zo als bij de functie Copyright in de stappen 5-7 beschreven. • In de invoerregel staat eerst altijd XXX LEICA. De tekens 4-8 kunnen worden gewijzigd. Na de laatste invoer verschijnt een vraag-submenu. 4. De nieuwe mapnaam bevestigen of afwijzen. Aanwijzing: Als u een geheugenkaart gebruikt, die niet met uw camera is geformatteerd (zie pagina 193), zal de camera automatisch een nieuwe map aanmaken. NL Overige functies Bestandsnaam afbeelding wijzigen 1. Menupunt Image Numbering kiezen, en 2. in het bijbehorende submenu Change Filename. • Het toetsenbord-submenu verschijnt. Hetzelfde toetsenbord als bij de functie Copyright (zie pagina 189). 3. De verdere bediening gebeurt net zo als bij de functie Copyright in de stappen 5-7 beschreven. • In de invoerregel staat eerst altijd L100-‐0001.DNG1. De eerste vier plaatsen kunnen worden veranderd. Na de laatste invoer verschijnt weer het Image Numbering -submenu. Beeldnummers terugzetten 1. Menupunt Image Numbering kiezen, en 2. in het bijbehorende submenu Reset Image Numbering. • Een vraag-submenu verschijnt. 3. De procedure bevestigen of afwijzen. 1 Voorbeeld: alle tekens zijn bedoeld als plaatshouders. 195 NL DRAADLOZE GEGEVENSOVERDRACHT EN AFSTANDSBEDIENING VAN DE CAMERA Overige functies U kunt de camera met een iPhone / iPad op afstand bedienen respectievelijk deze toestellen als extern geheugenmedium gebruiken. Hiertoe moet eerst de betreffende app op uw iPhone / iPad worden geïnstalleerd. Deze app is in de Apple App Store™ beschikbaar voor iOS™ apparaten. WLAN-activering en keuze van de verbindingsmethoden Er zijn twee mogelijkheden van verbindingsopbouw tussen uw camera en uw iPhone/iPad. Wanneer u toegang heeft tot een WLAN is het raadzaam om de methode bij Join WLAN te gebruiken. Bij deze methode zijn camera en iPhone / iPad in hetzelfde WLAN-netwerk aangemeld. Het maken van een directe verbinding (Create WLAN) is met name praktisch, wanneer geen WLAN beschikbaar is. Bij deze methode brengt de camera een toegangspunt tot stand, waar u zich met uw iPhone/iPad aan kunt melden. De functie instellen 1. Menuoptie WLAN kiezen, 2. in het submenu Function inschakelen, en 3. in hetzelfde submenu Create WLAN of Join WLAN. 196 Met een beschikbaar netwerk verbinden (Join WLAN) Met deze functie is een toegang tot de beschikbare WLAN-netwerken mogelijk. De functie instellen 4. In het WLAN -submenu Setup selecteren. • De camera geeft automatisch een overzicht van de beschikbare netwerken. 5. Het gewenste WLAN uit de netwerklijst selecteren of met Add Network een verborgen netwerk invoeren. 6. Met de middenknop het geselecteerde netwerk bevestigen. • Het toetsenbord-submenu verschijnt. Directe verbinding ( Create WLAN) Met deze functie is een toegang tot de camera zonder beschikbaar WLAN-netwerk mogelijk. De functie instellen 4. In het WLAN -submenu Setup selecteren. 5. De cameranaam bij SSID/Network Name invoeren (indien gewenst). Dit gebeurt in een toetsenbord-submenu net als voor Copyright beschreven. 6. Een netwerk-wachtwoord bij Password invoeren (indien gewenst). Ook dit gebeurt in een toetsenbord-submenu zoals beschreven. E F B C D A Invoerregel B Toetsenblok C Knop 'Wissen' (wissen van het betreffende laatste teken) D Knop 'Bevestigen' (bevestigen van zowel afzonderlijke waarden als afgesloten instellingen; terugkeer naar het vorige menuniveau zonder bevestigen van enige instelling door op de MENU -knop te drukken) E Veranderen hoofdletters / kleine letters F Veranderen letters / cijfers en tekens • In de invoerregel is de eerste plaats gemarkeerd als gereed voor bewerking. De beschikbare tekens zijn hoofdletters en kleine letters, en een spatie_, en na het omschakelen de cijfers 0 tot en met 9 en diverse leestekens. Beide tekengroepen staan steeds in een gesloten lus. 7. Het wachtwoord (indien vereist) invoeren. Aanwijzingen: • Bij het gebruik van apparaten of computersystemen die een betrouwbaardere beveiliging dan WLAN-apparaten vereisen, moet ervoor worden gezorgd dat de juiste maatregelen voor de beveiliging en bescherming tegen storingen op de gebruikte systemen worden toegepast. NL Overige functies A • Leica Camera AG aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die kan optreden bij gebruik van de camera voor andere doeleinden dan voor het gebruik als een WLAN-apparaat. • Aangenomen wordt dat het gebruik van de WLAN-functie mogelijk is in de landen waar deze camera wordt verkocht. Er bestaat het gevaar, dat de camera in strijd is met de wetgeving over radiocommunicatie als het wordt gebruikt in andere landen dan waarin het wordt verkocht. Leica Camera AG aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schendingen. • Houd er rekening mee dat er gevaar is voor het afluisteren van de via de radiocommunicatie verzonden en ontvangen gegevens door derden. Het wordt ten zeerste aanbevolen om de versleuteling onder de instellingen van de draadloze toegangspunten te activeren om informatieveiligheid te waarborgen. • Vermijd het gebruik van de camera in gebieden met magnetische velden, statische elektriciteit of storingen, bijvoorbeeld in de buurt van magnetrons. Anders bereikt de radiocommunicatie de camera misschien niet. • Wanneer de camera in de buurt van apparatuur zoals magnetrons en draadloze telefoons wordt gebruikt die de 2,4 GHz-frequentieband gebruiken, kan dit op beide apparaten beïnvloeding van de prestaties veroorzaken. • Maak geen verbinding met draadloze netwerken, waar u niet bevoegd bent om deze te gebruiken. • Bij geactiveerde WLAN-functie worden draadloze netwerken automatisch gezocht. Wanneer dit gebeurt, kunnen ook netwerken worden weergegeven, waarvoor u niet bevoegd bent om deze te gebruiken (SSID: verwijst naar de naam die wordt gebruikt om een netwerk te identificeren via een WLAN-verbinding). Probeert u echter niet om een verbinding tot een dergelijk netwerk tot stand te brengen, omdat dit als onbevoegde toegang zou kunnen worden beschouwd. • Het wordt aanbevolen om de WLAN-functie in vliegtuigen uit te schakelen 197 Overige functies NL 198 GEGEVENSOVERDRACHT NAAR EEN COMPUTER WERKEN MET DNG -RAW DATA De beeldgegevens op een geheugenkaart kunt u met een kaartleesapparaat voor SD-/SDHC/SDXC-kaarten naar een computer overdragen. Wanneer u het gestandaardiseerde en toekomst verzekerde DNG (Digital Negativ)-formaat wilt gebruiken, hebt u een gespecialiseerde software nodig, om de opgeslagen onbewerkte gegevens in de hoogste kwaliteit te converteren, bijvoorbeeld een professionele converter voor onbewerkte gegevens Adobe® Photoshop® Lightroom®. Dergelijke beeldbewerkingssoftware biedt kwalitatief geoptimaliseerde algoritmen voor de digitale kleurverwerking, die gelijktijdig bijzonder weinig ruis en een verbazingwekkende beeldresolutie mogelijk maken. Bij de bewerking hebt u de mogelijkheid achteraf parameters zoals ruisvermindering, gradatie, scherpte enz. in te stellen en op deze wijze een maximale beeldkwaliteit te realiseren. Datastructuur op de geheugenkaart Gegevens die op een kaart zijn opgeslagen en naar een computer worden gekopieerd, worden in de mappen 100LEICA, 101LEICA etc. opgeslagen: In deze mappen kunnen maximaal 9999 opnamen worden opgeslagen. INSTALLEREN VAN FIRMWARE-UPDATES NL Overige functies Leica werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling en optimalisering van zijn producten. Omdat er bij digitale camera’s zeer veel functies uitsluitend door software worden gestuurd, kunnen enkele van deze verbeteringen en uitbreidingen van opties achteraf worden geïnstalleerd. Om deze reden biedt Leica in onregelmatige intervallen zogenaamde firmware-updates aan, die u kunt ophalen op onze startpagina. Nadat u de camera op de startpagina van Leica Camera hebt geregistreerd, wordt u per nieuwsbrief geïnformeerd, wanneer een firmware-update ter beschikking staat. Leica Camera AG informeert u over alle nieuwe updates. Wanneer u vast wilt stellen, welke firmwareversie geïnstalleerd is: Menupunt Camera Information kiezen. • In de regel Camera Firmware wordt rechts in de regel het versienummer aangegeven. Meer details over registratie en firmware-updates voor uw camera en eventuele veranderingen en aanvullingen op de uitvoeringen in de gebruiksaanwijzing vind u in 'Klantgedeelte' onder: https://owners.leica-camera.com Aanwijzingen: • Wanneer de batterij onvoldoende is geladen, krijgt u de waarschuwing Battery low. Laad in dit geval eerst de batterij op en herhaal de hierboven beschreven actie. • Neem alle instructies in acht met betrekking tot het opnieuw in gebruik nemen van de camera. 199 Veiligheidsmaatregelen en onderhoud NL 200 VEILIGHEIDSMAATREGELEN EN ONDERHOUD ALGEMENE VOORZORGSMAATREGELEN • Gebruik uw camera niet in de onmiddellijke nabijheid van apparatuur met sterke magneetvelden en elektrostatische of elektromagnetische velden (zoals inductie-ovens, magnetrons, monitoren van tv of computer, videogame-consoles, mobiele telefoons, zendapparatuur). • Wanneer u de camera op een televisie plaatst, of in de onmiddellijke nabijheid van een televisie gebruikt, kan het magneetveld beeldregistraties verstoren. • Hetzelfde geldt voor gebruik in de buurt van mobiele telefoons. • Sterke magneetvelden, bijvoorbeeld die van luidsprekers of grote elektromotoren, kunnen beschadiging van de opgeslagen gegeven, respectievelijk verstoring van de opnamen tot gevolg hebben. • Gebruik de camera niet in de onmiddellijke nabijheid van radiozenders of hoogspanningsleidingen. Hun elektromagnetische velden kunnen de beeldregistraties eveneens verstoren. • Als de camera door het effect van elektromagnetische velden niet goed functioneert, deze uitschakelen, de batterij verwijderen en weer plaatsen, en de camera weer inschakelen. • Bescherm de camera tegen contact met insectenspray en andere agressieve chemicaliën. Benzine, verdunner en alcohol mogen ook niet voor reiniging worden gebruikt. • Bepaalde chemicaliën en vloeistoffen kunnen de behuizing van de camera, respectievelijk het oppervlak beschadigen. • Omdat rubber en kunststof soms agressieve chemicaliën afscheiden, mogen ze niet langere tijd met de camera in contact blijven. • Zorg ervoor, dat zand of stof niet in de camera kan binnendringen, bijvoorbeeld aan het strand. Zand en stof kunnen de camera en de geheugenkaart beschadigen. Let hier vooral op bij het vervangen van objectieven en kaarten. • Zorg ervoor, dat geen water in de camera kan binnendringen, bijvoorbeeld bij sneeuw, regen of aan het strand. Vocht kan tot storingen leiden en zelfs onherstelbare schade aan de camera en de geheugenkaart veroorzaken. • Zorg ervoor dat het flitsschoen-beschermkapje altijd op zijn plaats zit als u geen accessoire gebruikt (bijv. flitser of externe zoeker). Het beschermt bus 28 een tijd lang tegen het binnendringen van water. • Als er spetters zout water op uw camera zijn gekomen, bevochtigt u een zachte doek eerst met leidingwater, wringt deze stevig uit en wist hiermee de camera af. Daarna met een droge doek goed nawrijven. SENSOR De productie van de monitor vindt plaats in een zeer nauwkeurig proces. Zo is verzekerd dat van de in totaal meer dan 1.036.800 pixels maar heel, heel weinig pixels niet werken, dat wil zeggen dat ze donker blijven, of altijd helder. Dit is echter geen storing en beïnvloedt de beeldweergave niet nadelig. • Wanneer de camera aan grote temperatuurschommelingen wordt blootgesteld, kan zich condens op de monitor vormen. Wis deze voorzichtig met een zachte, droge doek af. • Als de camera bij het inschakelen zeer koud is, kan de monitor aanvankelijk iets donkerder zijn dan normaal. Zodra deze warmer wordt, bereikt de monitor weer zijn normale helderheid. • Hoogtestraling (bijvoorbeeld bij vluchten) kan pixeldefecten veroorzaken. CONDENSATIEVOCHT • Als er zich condens op of in de camera heeft gevormd, moet u hem uitschakelen en ongeveer 1 uur bij kamertemperatuur laten liggen. Als kamer- en cameratemperatuur gelijk zijn, verdwijnt de condens vanzelf. NL Veiligheidsmaatregelen en onderhoud MONITOR 201 Veiligheidsmaatregelen en onderhoud NL 202 ONDERHOUD Omdat elke vervuiling tevens een voedingsbodem voor micro-organismen vormt, moet de uitrusting zorgvuldig worden schoongehouden. VOOR DE CAMERA • Reinig de camera uitsluitend met een zachte, droge doek. Hardnekkig vuil moet eerst met een sterk verdund afwasmiddel worden bevochtigd, en vervolgens met een droge doek worden weggeveegd. • Camera en objectief moeten voor het verwijderen van vlekken en vingerafdrukken met een schone, pluisvrije doek worden afgeveegd. Vuil in moeilijk toegankelijke hoeken van de camerabehuizing kan met een klein borsteltje worden verwijderd. De sluiterlamellen mogen in geen geval worden aangeraakt. • Alle mechanisch bewegende lagers en glijvlakken van uw camera zijn gesmeerd. Denk daar aan als u de camera langere tijd niet gebruikt: de camera ongeveer elke drie maanden meerdere keren ontspannen om verharsen van de smeerpunten te vermijden. Het is ook aanbevolen dat u herhaaldelijk alle andere bedieningselementen verstelt en gebruikt. Ook de afstandsinstelring en diafragma-instelring van de objectieven moet regelmatig worden bewogen. • Let op dat de sensor voor de 6-bit codering in de bajonet niet wordt vervuild of verkrast. Zorg er ook voor dat zich daar geen zandkorrels of dergelijke deeltjes verzamelen die krassen op de bajonet kunnen veroorzaken. Reinig dit onderdeel uitsluitend droog en oefen geen druk uit op het afdekglas! VOOR OBJECTIEVEN • Op de buitenlenzen van het objectief moet het verwijderen van stof met de zachte haarpenseel normaal gesproken volstaan. Bij sterkere vervuiling kunnen deze met een zeer schone, gegarandeerd smetvrije, zachte doek in cirkelvormige bewegingen van binnen naar buiten voorzichtig worden gereinigd. Wij adviseren microvezeldoekjes (verkrijgbaar in de foto- en optiekzaak) die in een beschermende verpakking worden bewaard en bij temperaturen tot 40 °C wasbaar zijn (geen wasverzachter, nooit strijken!). Reinigingsdoekjes voor brillen die met chemische middelen zijn geïmpregneerd, mogen niet worden gebruikt omdat ze het objectiefglas kunnen beschadigen. • Let op dat de 6-bit codering in de bajonet (sj) niet wordt vervuild of verkrast. Zorg er ook voor dat zich daar geen zandkorrels of dergelijke deeltjes verzamelen die krassen op de bajonet kunnen veroorzaken. Reinig dit onderdeel uitsluitend droog! • Optimale bescherming van frontlenzen bij ongunstige opnameomstandigheden (bijvoorbeeld zand, spetters zout water!) verkrijgt u met kleurloze UVA-filters. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat ze bij bepaalde tegenlichtsituaties en grote contrasten, zoals bij elk filter, ongewenste reflexen kunnen veroorzaken. Het altijd aanbevelenswaardige gebruik van een tegenlichtkap biedt extra bescherming tegen ongewenste vingerafdrukken en regen. VOOR DE BATTERIJEN • Als er geuren, verkleuringen, vervormingen, oververhitting of lekkages van vloeistof optreden, moet onmiddellijk de batterij uit de camera of oplaadapparaat worden verwijderd en moet deze worden vervangen. Bij voortgezet gebruik van de batterij is er anders een reëel risico voor oververhitting met brand- en/of explosiegevaar! • Bij brandlucht of lekkende vloeistoffen moet u de batterij uit de buurt van warmtebronnen houden. De lekkende vloeistof kan gaan branden! • Een veiligheidsklep in de batterij zorgt ervoor dat bij onjuiste omgang met de batterij eventuele overdruk gecontroleerd kan ontwijken. • Met name koude omgevingen kunnen leiden tot een capaciteitsvermindering van de batterij. • Accu's hebben slechts een beperkte levensduur. Wij adviseren een vervanging na circa vier jaar. • Den productiedatum van een batterij is op de body vermeld: WWJJ (WW = kalenderweek / JJ =jaar). • Geef de schadelijke accu's af aan een verzamelpunt voor correcte recycling. • Deze accu's mogen niet voor langere tijd aan hitte of zonlicht en vooral ook niet aan vochtigheid of water worden blootgesteld. Bovendien mogen deze batterijen nooit in een magnetron of in een omgeving onder hoge druk worden geplaatst wegens gevaar van brand of explosie! NL Veiligheidsmaatregelen en onderhoud De oplaadbare Li-ionaccu's genereren stroom door interne chemische reacties. Deze reacties worden ook door de buitentemperatuur en luchtvochtigheid beïnvloed. Zeer hoge en lage temperaturen verkorten de verblijftijd en levensduur van de accu's. • Verwijder de accu altijd als u de camera langere tijd niet gebruikt. Anders kan de batterij na enkele weken diep worden ontladen; dat wil zeggen: De spanning daalt sterk, omdat de camera, zelfs wanneer deze is uitgeschakeld, een geringe ruststroom verbruikt (bijvoorbeeld voor de opslag van de datum). • Li-ionenaccu's moeten in gedeeltelijk opgeladen toestand worden bewaard, dat wil zeggen niet volledig ontladen, maar ook niet volledig opgeladen (volgens de indicatie op de monitor). Bij zeer langdurige opslag moet de batterij ongeveer tweemaal per jaar gedurende circa 15 minuten worden opgeladen om diepe ontlading te vermijden. • Houd de contacten van de batterijen steeds schoon en vrij toegankelijk. Li-ionaccu's zijn weliswaar tegen kortsluiting beveiligd, maar toch mag u de contacten niet in aanraking laten komen met metalen voorwerpen zoals paperclips of sieraden. Een kortgesloten accu kan zeer heet worden en ernstige brandwonden veroorzaken. • Als er een batterij op de grond valt, moet u daarna de behuizing en contacten op eventuele schade controleren. Het plaatsen van een beschadigde batterij kan de camera beschadigen. 203 Veiligheidsmaatregelen en onderhoud NL 204 VOOR HET OPLAADAPPARAAT VOOR GEHEUGENKAARTEN • Wanneer het oplaadapparaat in de buurt van radio-ontvangers wordt gebruikt, kan de ontvangst worden verstoord. Houd tussen de apparaten een afstand van minimaal 1 m aan. • Wanneer het oplaadapparaat wordt gebruikt, kan dit geluid veroorzaken ('zoemen'); dit is normaal en geen storing. • Trek de netstekker van het oplaadapparaat eruit als dit niet wordt gebruikt, omdat het ook zonder batterij (zeer weinig) stroom verbruikt. • Houd de contacten van het oplaadapparaat altijd schoon en maak nooit kortsluiting. • De meegeleverde autolaadkabel – mag alleen in 12 V-stroomcircuits worden gebruikt, – mag in geen geval worden aangesloten als de lader met het net is verbonden. • Zolang een opname wordt opgeslagen of de geheugenkaart wordt uitgelezen, mag deze niet worden verwijderd, cameramag niet worden uitgeschakeld en niet aan trillingen worden blootgesteld. • Geheugenkaarten moeten veiligheidshalve uitsluitend in het meegeleverde antistatische foedraal worden bewaard. • Bewaar geheugenkaarten niet op een plaats waar ze aan hoge temperaturen, direct zonlicht, magneetvelden of statische ontlading worden blootgesteld. • Laat de geheugenkaart niet vallen en buig deze niet, omdat deze anders beschadigd kan worden en de opgeslagen gegevens verloren kunnen gaan. • Verwijder altijd de geheugenkaart als u de camera langere tijd niet gebruikt. • Raak de aansluitingen aan de achterzijde van de geheugenkaart niet aan en houd ze vrij van vuil, stof en vocht. • Het is raadzaam de geheugenkaart af en toe te formatteren, omdat voor de fragmentering bij het wissen enige geheugencapaciteit nodig kan zijn. NL Veiligheidsmaatregelen en onderhoud Aanwijzingen: • Bij gewoon formatteren gaan de gegevens op de kaart voorlopig nog niet onherroepelijk verloren. Alleen de directory wordt gewist zodat de aanwezige bestanden niet meer direct toegankelijk zijn. Met de goede software kunnen de gegevens weer toegankelijk worden gemaakt. Alleen de gegevens die daarna door het opslaan van nieuwe gegevens worden overschreven, zijn echt definitief gewist. Maak er daarom een gewoonte van al uw opnamen altijd zo snel mogelijk op een veilig geheugenmedium op te slaan, bijv. de harde schijf van uw computer. Dit geldt vooral als de camera bij een servicegeval samen met de geheugenkaart wordt opgestuurd. • Afhankelijk van de toegepaste geheugenkaart kan het formatteren wel 3 minuten duren. 205 Veiligheidsmaatregelen en onderhoud NL REINIGEN VAN DE SENSOR / STOFDETECTIE Als zich stof- of vuildeeltjes aan het sensor-afdekglas hechten, kan dit, afhankelijk van de grootte, zich manifesteren in donkere punten of vlekken op de opnamen. Met de optie Dust Detection kunt u controleren, of er zich stof op de sensor bevindt en hoeveel. Dit is veel exacter als een visuele controle en zodoende dus een betrouwbare methode om te kunnen beoordelen of een reiniging nodig is. De camera kan voor reiniging van de sensor - tegen een vergoeding - naar de Customer Care van Leica Camera AG worden gestuurd (adres: zie pagina 224). Deze reiniging maakt geen deel uit van de garantie. U kunt de reiniging ook zelf ter hand nemen; hiervoor dient de menufunctie Open Shutter. Toegang tot de sensor vindt plaats via de opengehouden sluiter. Stofdetectie 1. Menupunt Sensor Cleaning kiezen. • Het submenu verschijnt. 2. Dust detection kiezen. • De volgende melding Please close the aperture to the lar-‐ gest value (16 or 22), and take a picture of a homogeneous surface (defocussed). 3. Druk de ontspanner 17 in. • Op de monitor verschijnt na een korte tijd een "foto" waarop zwarte pixels de stofdeeltjes weergeven. 206 Aanwijzing: Als de stofdetectie niet mogelijk is gebleken, zal er in plaats daarvan een betreffende melding verschijnen. Na enkele seconden zal het scherm weer teruggaan naar het onder punt 2 genoemde. De opname kan dan herhaald worden. Reinigen 1. Menupunt Sensor Cleaning kiezen. • Het submenu verschijnt. 2. Open Shutter kiezen. • Een vraag-submenu verschijnt. 3. De procedure bevestigen. Bij voldoende accucapaciteit, dat wil zeggen bij minstens 60% zal de sluiter opengaan. • De melding Attention Please switch off camera after Inspection verschijnt. Aanwijzing: Wanneer de batterijcapaciteit echter lager is, verschijnt in plaats daarvan de waarschuwing Attention Battery capacity too low for sensor cleaning om erop te wijzen dat de optie niet beschikbaar is, dat wil zeggen Yes niet kan worden gekozen 4. Reiniging realiseren. Neem daarbij beslist de onderstaande opmerkingen in acht. 5. Schakel de camera na de reiniging uit. De sluiter zal voor de veiligheid pas 10s daarna sluiten. • De melding Attention Please stop sensor cleaning immediately verschijnt. Belangrijk: • Leica Camera AG biedt geen garantie voor schade die door de gebruiker bij het reinigen van de sensor wordt veroorzaakt. • Probeer niet met de mond stofdeeltjes van het sensor-afdekglas te blazen; de kleinste druppeltjes speeksel kunnen al moeilijk te verwijderen vlekken veroorzaken. • Persluchtreinigers met hoge gasdruk mogen niet worden gebruikt, omdat deze ook schade kunnen veroorzaken. • Voorkom dat het sensoroppervlak bij inspectie en reiniging met een of ander hard voorwerp in aanraking komt. NL Veiligheidsmaatregelen en onderhoud Aanwijzingen: • Als basisregel geldt: Op de camera moet als bescherming tegen het binnendringen van stof e.d. in het binnenwerk van de camera altijd een objectief zijn geplaatst, of de kap van de body. • Om dezelfde reden moet het wisselen van een objectief snel en in een zo stofvrij mogelijke ruimte plaatsvinden. • Omdat onderdelen van kunststof snel statisch worden opgeladen en dan in toenemende mate stof aantrekken, dient u kappen van de objectieven en body slechts kort in de zakken van uw kleding te bewaren. • Om nog meer vervuiling te vermijden, moeten inspectie en reiniging van de sensor in een zo stofvrij mogelijke ruimte plaatsvinden. • Zwak aanhechtend stof kan met schoon, eventueel geïoniseerd gas zoals lucht of stikstof van het sensor-afdekglas worden geblazen. Hiervoor kan een (rubber-) blaasbalg zonder borsteltje worden gebruikt. Ook speciale, drukloze reinigingssprays, zoals 'Tetenal Antidust Professional' kunnen conform hun gebruiksaanwijzing worden gebruikt. • Als de aangehechte deeltjes op de beschreven wijze niet kunnen worden verwijderd, neem dan contact op met de Leica Infodienst. • Als de batterijcapaciteit bij geopende sluiter terugloopt tot minder dan 40%, verschijnt op de monitor de waarschuwing Attention Please stop sensor cleaning immediately. Door het uitschakelen wordt ook de sluiter weer gesloten. • Let er beslist op dat u het venster van de sluiter in zo’n geval vrijhoudt. Dat wil zeggen: dat er, om schade te vermijden, geen voorwerp het correct sluiten van de sluiter verhindert! 207 Veiligheidsmaatregelen en onderhoud NL 208 OPBERGEN • Wanneer u de camera een tijd lang niet gebruikt, is het raadzaam a. de geheugenkaart te verwijderen (zie pagina 132), en b. de batterij te verwijderen (zie pagina 132) (na uiterlijk 2 maanden gaan de opgeslagen tijd en datum verloren). • Een objectief werkt als een brandglas als het volle zonlicht frontaal op de camera staat. De camera moet daarom altijd tegen sterke zonnestraling worden beschermd. Het plaatsen van een objectiefkap, het opbergen van de camera in de schaduw (of gelijk in de tas) kan ertoe bijdragen interne schade aan de camera te voorkomen. • Bewaar de camera bij voorkeur in een gesloten en gestoffeerd foedraal, zodat er niets tegenaan kan schuren en stof op afstand wordt gehouden. • Bewaar de camera op een droge, voldoende geventileerde plaats, die bescherming biedt tegen hoge temperatuur en vochtigheid. De camera moet bij gebruik in een vochtige omgeving voor de opslag beslist vrij zijn van ieder vocht. • Fototassen die bij gebruik nat zijn geworden, moeten worden leeggemaakt om beschadiging van uw uitrusting door vocht en eventueel vrijkomende restanten leerlooimiddel uit te sluiten. • Ter bescherming tegen schimmelvorming, bij gebruik in een vochtig en warm tropisch klimaat, moet de camera-uitrusting zo veel mogelijk aan zon en lucht worden blootgesteld. Het bewaren in afgesloten koffers of tassen is slechts aan te bevelen als bovendien een droogmiddel, bijvoorbeeld silicagel, wordt gebruikt. • Bewaar de camera ter vermijding van schimmelvorming niet voor lange tijd in de leren tas. • Noteer het fabricagenummer van uw camera (in de accessoireschoen gegraveerd!) en de objectieven, omdat die in geval van verlies uitermate belangrijk zijn. STORINGEN EN REMEDIES De camera reageert niet op het inschakelen. – Is de accu goed geplaatst? – Is de accuconditie voldoende? Gebruikt u een opgeladen accu. – Is de bodemkap goed geplaatst? Onmiddellijk na het inschakelen schakelt de camera zichzelf weer uit. – Is de accuconditie voldoende voor de werking van de camera? Laad de accu op of plaats een opgeladen accu. – Is er sprake van condens? Dit komt voor als de camera van een koude naar een warme plaats wordt gebracht. Wacht in dat geval eerst tot het condens is vervluchtigd. De opname kan niet worden opgeslagen. – Is een geheugenkaart geplaatst? – De capaciteit van de geheugenkaart is onvoldoende. Wis niet meer benodigde opnamen voordat u nieuwe maakt. De monitor is te licht of te donker. – De kwaliteit van het monitorbeeld wordt onder een grote hoek in principe minder. Als u loodrecht op de monitor kijkt en het beeld is te donker of te licht: Stelt u een andere lichtsterkte in, of gebruik de als accessoire verkrijgbare, externe elektronische zoeker. De zojuist gemaakte opname wordt niet op de monitor getoond – Is (indien de camera in de opnamemodus staat) de optie Auto Review ingeschakeld? De opname kan niet worden getoond. – Is een geheugenkaart geplaatst? – Er zijn geen gegevens op de geheugenkaart. De tijd en datum zijn onjuist respectievelijk niet meer aanwezig. – De camera werd lange tijd niet gebruikt; vooral bij verwijderde accu. Plaats een volledig opgeladen accu. Stel datum en tijd in. NL Veiligheidsmaatregelen en onderhoud De camera laat zich niet ontspannen. – Er worden beeldgegevens naar de geheugenkaart gekopieerd en nou is het buffergeheugen net vol. – De capaciteit van de geheugenkaart is onvoldoende en het buffergeheugen is vol. Wis niet meer benodigde opnamen voordat u nieuwe maakt. – Er is geen geheugenkaart geplaatst en het buffergeheugen is vol. – De geheugenkaart is defect of beveiligd tegen schrijven. Schakel de schrijfbeveiliging van de camera uit, respectievelijk plaats een andere geheugenkaart. – De beeldnummering is verbruikt. Zet de beeldnummering terug. – De sensor is oververhit. Geef de camera de mogelijkheid om af te koelen. 209 d. Twee driehoekige en een ronde LED: – Bij handmatige belichtingsinstelling: gemeenschappelijk als lichtschaal voor de belichtingsregeling. Driehoekige LED’s geven de noodzakelijke draairichting aan voor zowel de diafragmaring als het instelwieltje van de sluitertijden. – Waarschuwing voor waarde onder het meetbereik e. Flitssymbool: – Flitsparaatstatus – Informatie over de flitsbelichting vóór en na de opname NL Appendix 1. Lichtkaders voor 50 mm en 75 mm1 (voorbeeld) 2. Meetveld voor afstandsinstelling 3. Met LED’s1 (Light Emitting Diodes – lichtdiodes) voor: a. Digitale indicatie met vier tekens, met onder- en bovenliggende punten Digitale weergave: – Weergave van de automatisch berekende sluitertijd bij tijdautomaat A, respectievelijk bij het verstrijken van langere sluitertijden dan 1 s – Waarschuwing voor waarden onder respectievelijk boven het meetbereik of het instelbereik bij tijdautomaat A – Indicatie van de belichtingscorrectie (kortstondig tijdens de instelling, of voor ongeveer 0,5s bij het activeren van de belichtingsmeting door kort halverwege indrukken van de ontspanknop) – Aanduiding (tijdelijk) van vol buffergeheugen – Indicatie ontbrekende geheugenkaart (Sd) – Aanduiding volle geheugenkaart (Full) b. • Bovenliggend punt: – Aanduiding (branden) van actief meetwaardegeheugen c. • Onderliggend punt: – Aanduiding (knipperen) van actieve belichtingscorrectie 1 Met automatische, aan het daglicht aangepaste lichtsterkteregeling. De automatische regeling is met Leica M-objectieven met zoekeradapter niet mogelijk, omdat deze de helderheidssensor 5 bedekt, die de informatie hiervoor moet leveren. In zulke gevallen branden de kaders en weergaven altijd met constante helderheid. 211 Appendix NL DE INDICATIES OP DE MONITOR BIJ OPNAME In Live View-modus 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 10 9 11 11 12 12 13 14 13 14 1 2 3 4 5 6 7 8 212 15 16 15 16 19 17 18 20 Witbalans-modus Bestandsformaat / compressieniveau / resolutie Methode belichtingsmeting Ontspanner-/Drive Mode -modus WLAN (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven, afhankelijk van de ontvangstsituatie) GPS (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven, afhankelijk van de ontvangstsituatie) Lichtsterkte/brandpuntsafstand of type objectief Batterijcapaciteit 17 18 19 20 21 Opname-histogram Clipping-markering onder- (blauw), respectievelijk overbelichte (rood) onderwerpdelen Markering scherp ingestelde randen in het onderwerp (Focus Peaking) Spot-belichtingsmeetveld (uitsluitend als meetmethode is ingeschakeld) Raster (twee varianten selecteerbaar) Belichtingsmodus ISO-gevoeligheid/-instelling Lichtschaal Belichtings-correctieschaal Sluitertijd Belichtingssimulatie Resterende aantal opnamen inclusief tendensweergave door staafdiagram Weergave van de grootte en de locatie van de uitsnede (alleen bij vergroting van een fragment) NL Appendix In de zoekermodus (met een druk op de middenknop) 22 23 17 16 15 1 2 14 22 23 24 18 3 4 7 5 6 24 20 Batterijcapaciteit, vergeleken met de Live View-modus met extra tendensweergave door staafdiagram Geheugenkaart-capaciteit inclusief tendensweergave door staafdiagram Gebruikte profiel-geheugenplaats (uitsluitend indien ingeschakeld) 213 NL Appendix BIJ WEERGAVE 12 1 2 3 4 5 6 7 8 13 10 9 14 15 11 16 17 18 12 19 13 14 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 214 15 16 17 18 19 Witbalans-modus Bestandsformaat / compressieniveau / resolutie Methode belichtingsmeting Ontspanner-/Drive Mode -modus WLAN (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven, afhankelijk van de ontvangstsituatie) GPS (uitsluitend, indien ingeschakeld, verschillende weergaven, afhankelijk van de ontvangstsituatie) Lichtsterkte/brandpuntsafstand of type objectief Batterijcapaciteit Weergave-histogram Bestandsnummer van de getoonde opname Symbool voor gemarkeerde opname 20 Clipping-markering onder- (blauw), respectievelijk overbelichte (rood) onderwerpdelen Weergave van de grootte en de locatie van de uitsnede (alleen bij uitsneden) Belichtingsmodus ISO-gevoeligheid Lichtschaal Schaal voor belichtingscorrecties Sluitertijd Totaalaantal opnamen op de geheugenkaart inclusief staafdiagram voor weergave voor relatieve situatie in verhouding tot het totaalaantal opnamen Geselecteerd beeld / geselecteerde beeldgroep (alleen bij verkleinde weergave van 12 / 20 afbeeldingen) NL Appendix BIJ MENUBEDIENING Wismenu 1 2 21 21 Wismenu met menupunten 5 1 2 3 4 5 3 4 Weergave van het menugedeelte FAVORITES (uitsluitend, als minstens één menupunt aan dit menu is toegewezen) Menuoptie Instellen van menu-item Verwijzing naar submenu Schuifbalk met paginamarkering (alleen in het hoofdmenu) 215 Appendix NL DE MENUPUNTEN Fabrieksinstelling menu FAVORITES Lens Detection Drive Mode 6 Exp. Metering Bruikbaar voor menu FAVORITES Pagina 6 150 6 140/172/188 6 168 Exp. Compensation 6 6 171 Flash settings 6 6 186/187 ISO Setup 6 6 156 White Balance 6 6 154 Photo File Format 6 6 152 JPG Settings 6 6 152-153 (Deelpunt van JPG Settings) 216 Auto Review 6 176 Capture Assistants 6 161 EVF/Display Control 6 161-163/165-166 User Profiles 6 148 Customize Control 6 192 Display Brightness 6 160 EVF Brightness 6 160 NL Pagina Auto Power Saving 6 148 WLAN 6 196 GPS1 6 190/147 Date & Time 6 146-147 Language 6 146 Reset Camera 6 193 Format SD 6 193 Image Numbering Sensor Cleaning Camera Information 1 Bruikbaar voor menu FAVORITES Appendix Fabrieksinstelling menu FAVORITES 194-195 206 117/189/199 Menupunt is alleen beschikbaar met geplaatste Leica Visoflex zoeker (als toebehoren verkrijgbaar). 217 Index NL 218 TREFWOORDENREGISTER Aanduiding van de onderdelen .................................................124 Afstandsinstelling .....................................................................164 Afstandsmeter .......................................................................162 Deelbeeldmethode ................................................................164 Instelwiel ...............................................................................124 Meetveld ...................................................................... 158/210 Mengbeeldmethode...............................................................164 Op de monitor .......................................................................165 Scherpte instellingshulpjes ........................................... 165/166 Alle individuele menu-instellingen terugstellen ..........................193 Batterij, plaatsen en eruit nemen ..............................................244 Beeldeigenschappen (contrast, scherpte, kleurverzadiging) ......153 Beeldfrequentie........................................................................140 Beeldveldkiezer ........................................................................159 Bekijken van de opname ..........................................................176 met de Auto Review-functie (automatische weergave)............176 met de PLAY-functie ..............................................................176 Belichting / belichtingsregeling / belichtingsmeter Automatische belichtingsseries ..............................................172 Belichtingscorrecties .............................................................170 Handmatige instelling ............................................................174 Inschakelen ...........................................................................139 Meetbereik ................................................................... 175/220 Meetmethoden ......................................................................168 Meetwaardenopslag ..............................................................170 Tijdautomaat .........................................................................169 Uitschakelen .........................................................................139 Waardes boven of onder het meetbereik ................................175 Bewaren ..................................................................................208 Contrast, zie beeldeigenschappen Copyright .................................................................................189 Datastructuur op de geheugenkaart .........................................198 Datum en tijd ...........................................................................146 Diafragma-instelring .................................................................124 DNG ............................................................................... 152/199 Draagriem................................................................................128 Firmware-downloads ................................................................199 Flitsmodus ...............................................................................182 Flitsapparaten .......................................................................182 Synchronisatie.......................................................................186 Formaatkader ............................................................... 158/210 Formatteren van de geheugenkaart ..........................................193 Fragment, zie Weergavemodus .................................................178 Gegevensoverdracht naar een computer...................................198 Geheugenkaart, plaatsen en eruit nemen..................................134 Gevoeligheid ............................................................................156 GPS .........................................................................................190 Histogram ....................................................................... 162/212 Hoofdschakelaar ......................................................................138 HSS-flits ..................................................................................180 In-/uitschakelen ......................................................................138 Infodienst, Leica Product Support ............................................224 Intervalopnamen ......................................................................188 ISO-gevoeligheid ......................................................................156 Uitschakeling, automatische .....................................................260 Vergroten van de opname ............................................... 165/178 Vervangende onderdelen..........................................................116 Voorzorgsmaatregelen .............................................................200 Waarschuwingen ......................................................................122 Weergavemodus.......................................................................176 Weergeven in de zoeker...........................................................................210 op de monitor........................................................................211 Wisselobjectieven ....................................................................135 Witbalans .................................................................................154 WLAN ......................................................................................196 Zelfontspanner .........................................................................188 Zoeker Lichtkader .................................................................... 158/210 Weergeven ............................................................................210 NL Index Klantendienst ...........................................................................224 Kleurverzadiging, zie beeldeigenschappen Leveringsomvang .....................................................................116 Lichtkader-meetzoeker .................................................... 158/210 Live View ........................................................................ 160/165 Menubediening ........................................................................142 Menupunten ............................................................................217 Menutaal .................................................................................146 Monitor ....................................................................................160 Objectieven, Leica M................................................................135 Gebruik van aanwezige objectieven................................ 135-136 Opbouw ................................................................................124 Plaatsen en verwijderen.........................................................137 Onbewerkte gegevens ..............................................................152 Onderdelen, benaming van de ..................................................124 Onderhoud...............................................................................202 Ontspanner, zie ook Sluiter en Technische gegevens ........ 139/222 Opname wissen .......................................................................180 Reparaties / Leica Customer Care ...........................................224 Resolutie..................................................................................152 Scherpte, zie beeldeigenschappen Scherptediepteschaal...............................................................124 Serieopnames ..........................................................................140 Sluiter, zie Ontspanner en Technische gegevens Storingen en oplossingen .........................................................208 Technische gegevens ...............................................................220 Tijd/diafragma-combinatie, zie belichtingsinstelling ..................174 Tijdautomaat ............................................................................169 Tijdinstelwiel ............................................................................141 219 Technische gegevens NL 220 TECHNISCHE GEGEVENS Cameratype Leica M10, compacte digitale meetzoeker-systeemcamera Typenummer 3656 Objectiefaansluiting Leica M-bajonet met extra sensor voor 6-bit codering Objectiefsysteem Leica M-objectief, Leica R-objectief via adapter plaatsbaar (verkrijgbaar als accessoire, zie pagina 116) Opnameformaat / beeldsensor CMOS-chip, actief vlak circa 24 x 36 mm Resolutie DNG™: 5976 x 3992 pixels (24 MP), JPEG: 5952 x 3968 pixels (24 MP), 4256 x 2832 pixels (12 MP), 2976 x 1984 pixels (6 MP) Gegevensindelingen DNG™ (onbewerkte gegevens), zonder verlies gecomprimeerd, JPEG Bestandsgrootte DNG™: 20-30 MB, JPEG: Afhankelijk van resolutie en beeldinhoud Buffergeheugen 2 GB / 16 opnamen in serie Witbalans Automatisch, handmatig, 8 voorinstellingen, instelling kleurtemperatuur Opslagmedium SD-kaarten tot 2 GB / SDHC-kaarten tot 32 GB / SDXC-kaarten Menutalen Duits, Engels, Frans, Spaans, Italiaans, Portugees, Japans, traditioneel Chinees, vereenvoudigd Chinees, Russisch, Koreaans Belichtingsmeting Belichtingsmeting door het objectief (TTL), bij ingesteld diafragma; Meetprincipe/-methode Bij de meting van het door de lichte lamellen van het 1ste sluitergordijn op een meetcel gereflecteerde licht: sterk op het centrum georiënteerd; bij de meting op de sensor: spot-, centrum-georiënteerde of multi-segment-meting Meetgebied Komt overeen bij kamertemperatuur en normale luchtvochtigheid en ISO 100 bij diafragma 1,0 EV-1 tot EV20 bij diafragma 32. Als de linker driehoekige LED in de zoeker knippert, duidt dit op waarden onder het meetgebied Gevoeligheidsbereik ISO 100 tot ISO 50000, vanaf ISO 200 in 1/3 ISO-stappen instelbaar, naar keuze automatische regeling of handmatige instelling Belichtingsmodussen Naar keuze automatische regeling van de sluitertijd met handmatige diafragma-selectie - tijdautomaat A, of handmatige instelling van sluitertijd en diafragma Zoeker Contructieprincipe Grote, heldere lichtkader-meetzoeker met automatische parallaxcompensatie Oculair Afgestemd op -0,5 dioptrie; correctielenzen verkrijgbaar van –3 tot +3 dioptrieën Beeldveldbegrenzing Door twee oplichtende kaders: Voor 35 en 135 mm, ofwel 28 en 90mm, ofwel 50 en 75 mm; automatische omschakeling als het objectief wordt geplaatst Parallax-compensatie Het horizontale en verticale verschil tussen zoeker en objectief wordt overeenkomstig de afstandsinstelling automatisch gecompenseerd, dat wil zeggen het lichtkader van de zoeker komt automatisch overeen met de door het objectief geregistreerde uitsnede van het onderwerp NL Technische gegevens Flits-belichtingsregeling Aansluiting flitsapparaten Via accessoireschoen met midden- en regelcontacten Synchronisatie Naar keuze op het eerste of tweede sluitergordijn schakelbaar Flitssynchronisatietijd = 1⁄180s; langere sluitertijden zijn mogelijk wanneer synchronisatietijd wordt onderschreden: automatisch overschakelen naar TTL-lineair flitsen met HSS-compatibele Leica systeemflitsapparaten Flits-belichtingsmeting Door middel van centrumgeoriënteerde TTL-voorflitsmeting met Leica flitsapparaten (SF40, SF64, SF26), respectievelijk systeemconforme flitsapparaten door middel van SCA3502 M5-adapter Flitsmeetcel 2 silicium-fotodiodes met convergerende lens op de camerabodem Flits-belichtingscorrectie ±3 EV in 1⁄3 EV-stappen Displays in flash-modus (alleen in de zoeker) Door middel van flitssymbool–LED 221 Technische gegevens NL Overeenstemming van zoekerbeeld en werkelijk beeld De afmetingen van de lichtkaders komen bij een afstandsinstelling van 2 m exact overeen met de sensorafmetingen van circa 23,9 x 35,8 mm; wanneer op oneindig is ingesteld, wordt er, afhankelijk van de brandpuntsafstand, circa 7,3 % (28 mm) tot 18 % (135 mm) méér door de sensor gezien dan het betreffende lichtkader aanduidt en vice versa iets minder bij kortere afstanden dan 2 m Vergroting (voor alle objectieven) 0,73-voudig Grootbasis afstandsmeter Deelbeeld- en mengbeeldafstandsmeter in het midden van het zoekerbeeld, als helder veld gemarkeerd Effectieve meetbasis 50,6 mm (mechanische meetbasis 69,31 mm x zoeker vergroting 0,73x) Weergeven In de zoeker Digitale indicatie met vier tekens, met onder- en bovenliggende punten Op achterwand 3“ kleuren-TFT-LCD-monitor met 16 miljoen kleuren en 1.036.800 pixels, circa 100% beeldveld, afdekglas van extreem hard, bijzonder krasbestendig Gorilla®-glas, kleurruimte: sRGB, voor Live View- en weergavemodus, indicaties 222 Sluiter en ontspanning Afsluiting Spleetsluiter van metalen lamellen met verticaal verloop Sluitertijden Bij tijdautomaat: (A) traploos van 125 s tot 1⁄4000s., bij handmatige instelling: 8 s tot 1⁄4000s in halve niveaus, van 8 s tot 125s in hele niveaus, B: voor langdurige opnamen tot maximaal 125s (samen met zelfontspanner T-functie, dat wil zeggen 1ste ontspannen= sluiter opent, 2de keer ontspannen= sluiter sluit), (1⁄180s): mogelijkheid van erg korte sluitertijd voor flitssynchronisatie, HSS lineair flitsen met sluitertijden korter dan 1⁄180s (HSS-compatibiliteit Leica-systeemflitsapparaten) Serieopnamen circa 5 beelden/s, 30-40 beelden in serie (afhankelijk van verschillende instellingen) Ontspanknop Tweetraps, eerste niveau: activering van de camera-elektronica belichtingsmeting en meetwaardeopslag (bij tijdautomaat), tweede niveau: ontspanning, standaard schroefdraad voor draadontspanner is geïntegreerd. Zelfontspanner Voorlooptijd naar keuze 2 s (bij tijdautomaat en handmatige instelling van de belichting) of 12 s via menu instelbaar. Indicatie door knipperende lichtdiode (LED) aan de voorzijde van de camera, evenals indicatie op de monitor Camerabehuizing Materiaal Volledig metalen body van gegoten magnesium, afgewerkt met kunstleer; afdekkap en bodemkap van messing, zwart of zilver verchroomd Beeldveldkiezer Maakt het mogelijk de beide lichtkaders steeds handmatig op te roepen (bijvoorbeeld voor het vergelijken van fragmenten) Statiefschroefdraad A 1⁄4 (1⁄4“) DIN van roestvast staal in bodem Gebruiksvoorwaarden 0-40 °C Interfaces ISO-accessoireschoen met extra contacten voor Leica Visoflex zoeker (als toebehoren verkrijgbaar) Maten (breedte x diepte x hoogte) circa 139 x 38,5 x 80 mm Gewicht circa 660 g (met batterij) NL Technische gegevens De camera in-/uitschakelen Met hoofdschakelaar op de camera-afdekkap, naar keuze zelfstandig uitschakelen van de camera-elektronica na circa 2/5/10 min; opnieuw activeren door aantippen van de ontspanner Voeding 1 Lithium-ionen batterij, nominale spanning 7,4 V, capaciteit 1300 mAh.; maximale laadstroom/-spanning: Gelijkstroom 1000 mA, 7,4 V; modelnummer: BP-SCL5 fabrikant: PT. VARTA Microbattery, geproduceerd in Indonesië Oplaadapparaat Ingangen: wisselspanning 100-240 V, 50 / 60 Hz, 300 mA, automatische omschakeling of gelijkspanning 12 V / 1,3 A; uitgang: gelijkstroom nominaal 7,4 V, 1000 mA / maximaal 8,25 V, 1100 mA; modelnummer: BC-SCL5, fabrikant: Guangdong PISEN Electronics Co, Ltd., geproduceerd in China GPS (alleen beschikbaar met geplaatste Leica Visoflex zoeker, als toebehoren verkrijgbaar) Inschakelbaar (wegens nationale wetgeving niet overal beschikbaar; dat wil zeggen: schakelt in deze landen automatisch uit), de gegevens worden in de EXIF-header van de beeldbestanden weggeschreven. WLAN Voldoet aan standaard IEEE 802.11b/g/n (standaard WLAN-protocol), kanaal 1-11; encryptie-methode: WiFi-compatibel WPA™/ WPA2™-encryptie, toegangsmethode: Infrastructuurwerking Leveringsomvang Oplaadapparaat 100-240 V met 2 netsnoeren (Euro, USA, voor sommige exportmarkten afwijkend) en 1 autolaadsnoer, lithiumionenaccu, draagriem, bajonetdeksel voor behuizing, deksel voor accessoireschoen Wijziging in constructie, uitvoering en aanbod voorbehouden. 223 Leica serviceadressen NL 224 LEICA SERVICEADRESSEN Leica Product Support Technische vragen over toepassingen met Leica-producten, ook over de meegeleverde software, worden schriftelijk, telefonisch of per e-mail beantwoord door de afdeling Product Support van Leica Camera AG. Ook voor koopadvies en het bestellen van handleidingen is dit uw contactadres. U kunt uw vragen eveneens via het contactformulier op de website van Leica Camera AG aan ons richten. Leica Camera AG Product Support / Software Support Am Leitz-Park 5 35578 Wetzlar, Germany Telefoon: +49(0) 6441-2080-111 /-108 Fax: +49(0) 6441-2080-490 [email protected] / [email protected] Leica Customer Care Voor het onderhoud van uw Leica-uitrusting en in geval van schade kunt u gebruik maken van de Customer Care van Leica Camera AG of de reparatieservice van een Leica-vertegenwoordiging in uw land (voor adressenlijst zie garantiebewijs). Leica Camera AG Customer Care Am Leitz-Park 5 35578 Wetzlar, Germany Telefoon: +49(0) 6441-2080-189 Fax: +49(0) 6441-2080-339 [email protected]
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229

Leica M10 Gebruikershandleiding

Type
Gebruikershandleiding

in andere talen