APRILIA ATLANTIC 400 SPRINT - 10-2006 Handleiding

Type
Handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

APRILIA WOULD LIKE TO THANK YOU
for choosing one of its products. We have compiled this booklet to provide a comprehensive overview of your vehicle's quality features. Please, read it
carefully before riding the vehicle for the first time. It contains information, tips and precautions for using your vehicle. It also describes features, details
and devices to assure you that you have made the right choice. We believe that if you follow our suggestions, you will soon get to know your new vehicle
well and that it will continue to give you satisfactory service for many years to come. This booklet is an integral part of the vehicle and must be handed
over to the new owner in the event of sale.
APRILIA WIL U BEDANKEN
omdat u één van haar producten heeft gekozen. Wij hebben deze handleiding opgesteld opdat u de kwaliteiten ervan ten volle kan waarderen. Wij
raden aan om deze handleiding geheel door te lezen, voordat u met het voertuig gaat rijden. Het bevat informatie, raadgevingen en waarschuwingen
in verband met het gebruik van uw voertuig; daarnaast zal u eigenschappen, bijzonderheden en handigheidjes ontdekken die u ervan zullen overtuigen
dat u een juiste keuze heeft gemaakt. Wij zijn er zeker van dat indien u hier rekening mee zal houden, u makkelijk zal wennen aan uw nieuw voertuig,
waar u lang naar volle tevredenheid gebruik van zal kunnen maken. Deze uitgave is een integrerend deel van het voertuig, en bij verkoop van dit laatste
moet het worden overhandigd aan de nieuwe eigenaar.
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC 500 SPRINT
Ed. 10 2006
The instructions in this booklet have been compiled primarily to offer a simple and clear guide to using the vehicle; it also describes routine maintenance
procedures and regular checks that should be carried out on the vehicle at an Aprilia Dealer or Authorised Workshop. This booklet also contains
instructions for simple repairs. Any operations not specifically described in this booklet require the use of special tools and/or particular technical
knowledge; for these operations, please take your vehicle to an Aprilia Dealer or Authorised Workshop.
De instructies in deze handleiding zijn voorbereid om vooral een eenvoudige en duidelijke leidraad te zijn voor het gebruik; men vindt eveneens de
handelingen van het klein onderhoud en van de periodieke controles die bij een Dealer of Erkende aprilia Garage moeten uitgevoerd worden. De
handleiding bevat tevens instructies voor een aantal eenvoudige herstellingen. De herstellingen die niet uitgebreid in deze uitgave zijn beschreven,
vereisen dat men over speciale gereedschappen en/of specifieke technische kennis beschikt; voor het uitvoeren van deze herstellingen raadt men aan
om zich te wenden tot een Dealer of Erkende aprilia Garage.
2
Personal safety
Failure to completely observe these instructions will
result in serious risk of personal injury.
Persoonlijke veiligheid
Indien deze voorschriften niet of niet volledig worden
opgevolgd, kan dit ernstig letsel aan personen tot ge-
volg hebben.
Safeguarding the environment
Sections marked with this symbol indicate the correct
use of the vehicle to prevent damaging the environ-
ment.
Bescherming van
Geeft het juiste gedrag aan dat u aan moet houden
zodat het gebruik van het voertuig geen schade aan-
richt aan de natuur.
Vehicle intactness
The incomplete or non-observance of these regula-
tions leads to the risk of serious damage to the vehicle
and sometimes even the invalidity of the guarantee.
Staat van het voertuig
Indien deze voorschriften niet of niet volledig worden
opgevolgd kan dit ernstige schade aan het voertuig,
en eventueel het vervallen van deze garantie tot ge-
volg hebben.
The symbols shown above are very important. They
are used to highlight those parts of the booklet that
should be read with particular care. As you can see,
each sign consists of a different graphic symbol, mak-
ing it quick and easy to locate the various topics.
Before starting the engine, read this booklet thorough-
ly and the "SAFE RIDING" section in particular. Your
safety as well as other's does not only depend on the
quickness of your reflexes and agility, but also on how
well you know your vehicle, the state of maintenance
of the vehicle itself and your knowledge of the rules
for SAFE RIDING. For your safety, get to know your
vehicle well so as to safely ride and master it in road
traffic IMPORTANT This booklet is an integral part of
the vehicle, and must be handed to the new owner in
the event of sale.
Bovengenoemde signalen zijn erg belangrijk. Ze heb-
ben namelijk tot doel om de delen van het boekje aan
te geven die u aandachtig door moet lezen. Zoals u
ziet, bestaat ieder teken uit een ander grafisch sym-
bool, zodat de bijbehorende onderwerpen meteen
duidelijk kunnen worden gevonden in de verschillen-
de delen. Vooraleer men de motor start, leest men
aandachtig deze handleiding, en vooral de paragraaf
"VEILIG RIJDEN". Uw veiligheid en die van anderen
hangt niet enkel af van uw reflexen en vlugheid, maar
ook van de kennis en de efficiëntie van het voertuig,
en van de kennis van de fundamentele regels voor het
VEILIG RIJDEN. We raden daarom aan om vertrouwd
te raken met het voertuig, zodat u zich veilig en be-
heersd kan bewegen in het verkeer. BELANGRIJK
Deze handleiding moet beschouwd worden als inte-
grerend deel van het voertuig, en moet worden over-
handigd bij de verkoop ervan.
3
4
INDEX
INDEX
GENERAL RULES.......................................................................... 7
VEHICLE......................................................................................... 9
Arrangement of the main components......................................... 12
Dashboard................................................................................... 13
Analogue instrument panel.......................................................... 14
Instruments.................................................................................. 21
Clock............................................................................................ 22
Key switch.................................................................................... 24
Locking the steering wheel....................................................... 25
Switch direction indicators........................................................... 25
Horn button.................................................................................. 26
Light switch.................................................................................. 26
Start-up button............................................................................. 27
Engine stop button....................................................................... 28
Fuel tank...................................................................................... 29
Power supply socket.................................................................... 29
Opening the saddle.................................................................. 30
Identification................................................................................. 30
Rear top box opening.................................................................. 32
Bag clip........................................................................................ 32
Interphone kit presetting.............................................................. 33
Antitheft alarm system................................................................. 33
USE................................................................................................. 35
Checks......................................................................................... 36
Refuelling..................................................................................... 38
Tyre pressure............................................................................... 41
Shock absorber adjustment......................................................... 44
Running in.................................................................................... 46
Starting up the engine.................................................................. 48
Difficult start up............................................................................ 56
Stopping the engine..................................................................... 57
NORME GENERALI.......................................................................... 7
VOERTUING..................................................................................... 9
Plaats van de hoofdcomponenten................................................. 12
Legenda......................................................................................... 13
Analoog instrumentenpaneel......................................................... 14
Instrumenten.................................................................................. 21
Klok................................................................................................ 22
Sleutelschakelaar........................................................................... 24
Inschakeling van het stuurslot.................................................... 25
Schakelaar richtingaanwijzers....................................................... 25
Drukknop claxon............................................................................ 26
Koplampschakelaar....................................................................... 26
Startknop........................................................................................ 27
Stopschakelaar motor.................................................................... 28
Benzinetank................................................................................... 29
Stopcontact.................................................................................... 29
Opening van het zadel............................................................... 30
Identificatie..................................................................................... 30
Penen van de koffer voor............................................................... 32
Tassenhaak................................................................................... 32
predispositie intercomkit................................................................ 33
Antidiefstalsysteem........................................................................ 33
GEBRUIK.......................................................................................... 35
Controles........................................................................................ 36
Tanken........................................................................................... 38
Bandenspanning............................................................................ 41
Regeling van de schokdempers..................................................... 44
Inrijden........................................................................................... 46
Starten des motors......................................................................... 48
Moeilijke start................................................................................. 56
Het stilleggen van de motor........................................................... 57
5
Catalytic silencer.......................................................................... 59
Stand........................................................................................... 60
Suggestions to prevent theft........................................................ 61
Safe driving.................................................................................. 63
MAINTENANCE.............................................................................. 71
Engine oil level............................................................................. 72
Engine oil level check............................................................... 74
Engine oil top-up...................................................................... 76
Engine oil change..................................................................... 78
Hub oil level................................................................................. 80
Tyres............................................................................................ 85
Spark plug dismantlement........................................................... 89
Removing the air filter.................................................................. 92
Air filter cleaning.......................................................................... 93
Cooling fluid level......................................................................... 94
Checking the brake oil level......................................................... 99
Battery......................................................................................... 102
Use of a new battery................................................................ 106
Checking the electrolyte level.................................................. 107
Long periods of inactivity............................................................. 107
Fuses........................................................................................... 108
Lamps.......................................................................................... 111
Front light group........................................................................... 114
Headlight adjustment............................................................... 118
Front direction indicators............................................................. 120
Rear optical unit........................................................................... 122
Number plate light........................................................................ 123
Helmet compartment lighting bulb............................................... 124
Rear-view mirrors........................................................................ 125
Front and rear disc brake............................................................. 126
Periods of inactivity...................................................................... 130
Cleaning the vehicle.................................................................... 132
Transport..................................................................................... 136
TECHNICAL DATA......................................................................... 139
Kit equipment............................................................................... 144
SPARE PARTS AND ACCESSORIES........................................... 145
PROGRAMMED MAINTENANCE.................................................. 147
Scheduled maintenance table..................................................... 148
Katalysator..................................................................................... 59
Standaard...................................................................................... 60
Tips tegen diefstal.......................................................................... 61
Het veilig rijden.............................................................................. 63
ONDERHOUD................................................................................... 71
Peil van de motorolie..................................................................... 72
Controle van het peil van de motorolie....................................... 74
Het bijvullen van motorolie......................................................... 76
Vervanging van de motorolie...................................................... 78
Oliepeil van de naaf....................................................................... 80
Banden........................................................................................... 85
Demonteren van de bougie............................................................ 89
Demonteren van het luchtfilter....................................................... 92
Reiniging van de luchtfilter............................................................. 93
Peil van de koelvloeistof................................................................ 94
Controle van het oliepeil van de remmen...................................... 99
Accu............................................................................................... 102
Inwerkingstelling van een nieuwe accu...................................... 106
Controle van het elektrolytpeil.................................................... 107
Lange stilstand............................................................................... 107
Zekeringen..................................................................................... 108
Lampen.......................................................................................... 111
Voorste optische groep.................................................................. 114
Regeling van de koplamp........................................................... 118
Voorste richtingaanwijzers............................................................. 120
Achterste optische groep............................................................... 122
Nummerplaatlicht........................................................................... 123
Licht van de verlichting van de helmruimte.................................... 124
Achteruitkijkspiegels...................................................................... 125
Schijfrem vooraan en achteraan.................................................... 126
Stilstand van het voertuig............................................................... 130
Reinigen van het voertuig.............................................................. 132
Vervoer.......................................................................................... 136
TECHNISCHE GEGEVENS.............................................................. 139
Bijgeleverde gereedschappen....................................................... 144
ONDERDELEN EN ACCESSOIRES................................................ 145
GEPLAND ONDERHOUD................................................................ 147
Tabel van het geprogrammeerd onderhoud.................................. 148
6
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC
500 SPRINT
Chap. 01
General rules
Hst. 01
Norme generali
7
8
1 General rules / 1 Norme generali
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC
500 SPRINT
Chap. 02
Vehicle
Hst. 02
Voertuing
9
02_01
10
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_02
11
2 Vehicle / 2 Voertuing
Arrangement of the main
components (02_02)
KEY
1. Rear brake fluid reservoir
2. Bag hook
3. Helmet compartment
4. Saddle lock
5. Air filter
6. Variator air intake
7. Centre stand
8. Passenger left footrest
9. Left inspection cover
10. Side stand
11. Expansion tank
12. Coolant expansion tank cap
13. Passenger handgrip
14. Battery
15. Main fuse box
16. Fuel tank cap lid
17. Front brake fluid reservoir
18. Ignition/steering lock switch
19. Horn
20. Fuel tank cap
21. Fuel tank
22. Right inspection cover
23. Spark plug
24. Right passenger footrest
25. Engine oil level/top-up cap
Plaats van de
hoofdcomponenten (02_02)
Legende
1. Vloeistoftank van de achterrem
2. Lasthaak
3. Helmruimte
4. Zadelslot
5. Luchtfilter
6. Luchtinlaat van de variator
7. Centrale standaard
8. Linker voetensteun van de pas-
sagier
9. Linker inspectiedeksel
10. Laterale standaard
11. Expansievat
12. Dop van het expansievat van de
koelvloeistof
13. Handgreep van de passagier
14. Accu
15. Hoofdzekeringenhouder
16. Deurtje van de dop van de
brandstoftank
17. Vloeistoftank van de voorrem
18. Schakelaar van de ontsteking/
stuurslot
19. Akoestische melder
20. Dop van de brandstoftank
21. Brandstoftank
22. Rechter inspectiedeksel
23. Bougie
24. Rechter voetensteun van de
passagier
25. Dop peil/bijvulling motorolie
12
2 Vehicle / 2 Voertuing
Dashboard (02_03)
KEY
1. Left rear-view mirror
2. Instrument panel and gauges
3. Right rear-view mirror
4. Throttle grip
5. Front brake lever
6. Electric controls on the right side
of the handlebar
7. Ignition / steering lock switch
( «ON» - «OFF» - «LOCK» )
8. Electric controls on the left side
of the handlebar
9. Combined brake lever (front and
rear)
Legenda (02_03)
LEGENDE
1. Linker achteruitkijkspiegeltje
2. Instrumenten en indicators
3. Rechter achteruitkijkspiegeltje
4. Gashandvat
5. Hendel van de voorrem
6. Elektrische commando's op de
rechter kant van het stuur
7. Schakelaar van de ontsteking /
stuurslot («ON» - «OFF» -
«LOCK»)
8. Elektrische commando's op de
linker kant van het stuur
9. Hendel van de gecombineerde
rem (vooraan en achteraan)
13
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_03
Analogue instrument panel
(02_04)
KEY
1. Side stand lowered amber warn-
ing light
2. «IMMOBILIZER» antitheft de-
vice red warning light (only for
vehicles fitted with this wiring)
Analoog instrumentenpaneel
(02_04)
LEGENDE
1. Amberkleurige controlelamp
van de standaard uitgeklapt
2. Rode controlelamp van het an-
tidiefstalsysteem «IMMOBILI-
ZER» (enkel voor voertuigen
met predispositie)
14
2 Vehicle / 2 Voertuing
3. Engine oil pressure red warning
light
4. ABS red warning light (only for
vehicles fitted with this wiring)
5. Left turn indicator green warning
light
6. Right turn indicator green warn-
ing light
7. Red «EFI» warning light
8. Low-beam light green warning
light
9. High-beam blue warning light
10. Low fuel yellow amber warning
light
11. Fuel level gauge
12. Coolant temperature gauge
13. Function selection and digital
clock adjustment buttons
14. Digital clock
15. Total odometer
16. Trip odometer
17. Speedometer
18. Trip odometer resetting knob
3. Rode controlelamp van de druk
van de motorolie
4. Rode controlelamp ABS (enkel
voor voertuigen met predisposi-
tie)
5. Groene controlelamp van de lin-
ker richtingaanwijzer
6. Groene controlelamp van de
rechter richtingaanwijzer
7. Rode controlelamp «EFI»
8. Groene controlelamp van de
dimlichten
9. Blauwe controlelamp van het
groot licht
10. Amberkleurige controlelamp
van de brandstofreserve
11. Indicator van het brandstofpeil
12. Indicator van de temperatuur
van de koelvloeistof
13. Drukknoppen voor de selectie
van de functies en de regeling
van de digitale klok
14. Digitale klok
15. Kilometerteller totaal
16. Kilometerteller partieel
17. Snelheidsmeter
18. Knop voor het op nul stelllen van
de kilometerteller partieel
15
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_04
INSTRUMENT AND GAUGE DESCRIP-
TION
CAUTION
WITH THE KEY SET TO «ON» ALL THE
PRE-INSTALLED WARNING LIGHTS,
INSTRUMENT PANEL LIGHTING AND
ALL THE SEGMENT IN DISPLAY 3
BESCHRIJVING VAN DE INSTRUMEN-
TEN EN DE INDICATORS
LET OP
MET DE SLEUTEL IN DE «ON» POSI-
TIE, LICHTEN ALLE VOORZIENE
CONTROLELAMPEN, DE VOLLEDIGE
VERLICHTING VAN HET DASH-
16
2 Vehicle / 2 Voertuing
TURN ON FOR THE FIRST 3 SECONDS
FOR AN INITIAL INSTRUMENT
CHECK.
BOARD EN ALLE SEGMENTEN VAN
DE 3 DISPLAYS OP VOOR 3 SECON-
DEN, VOOR EEN BEGINCHECK VAN
HET INSTRUMENT.
ABS (Anti-lock Braking System) warn-
ing light «4»
Only for vehicles fitted with this wiring.
Carries out the anti-locking system
check. Turns on if there is a problem.
CAUTION
IF THE WARNING LIGHT TURNS ON
DURING REGULAR ENGINE OPERA-
TION, THIS MEANS THAT THERE IS A
FAILURE IN THE ANTI-LOCKING SYS-
TEM. IN THIS EVENT, STOP THE EN-
GINE AT ONCE AND CONTACT AN
OFFICIAL APRILIA DEALER.
Controlelamp van het ABS (Anti-lock
Braking System) «4»
Enkel voor voertuigen met predispositie.
Voer de check uit van het antiblokkeer-
systeem. Deze licht op in geval van on-
regelmatigheden.
LET OP
WANNEER DE CONTROLELAMP OP-
LICHT TIJDENS DE NORMALE WERK-
ING VAN DE MOTOR, DUIDT DIT OP
EEN PROBLEEM VAN HET ANTI-
BLOKKEERSYSTEEM. IN DIT GEVAL
LEGT MEN ONMIDDELLIJK DE MO-
TOR STIL, EN WENDT MEN ZICH TOT
EEN OFFICIËLE APRILIA DEALER.
Antitheft warning light (immobilizer)
«2»
Only for vehicles fitted with this wiring.
When the scooter is off, it flashes as a
deterrent against thieves. Confirms that
the antitheft system is on.
Controlelamp van het antidiefstalsys-
teem (immobilizer) «2»
Enkel voor voertuigen met predispositie.
Met de motor uit, knippert dit als afschrik-
kingsmiddel tegen diefstal. Het bevestigt
dat het antidiefstalsysteem actief is.
17
2 Vehicle / 2 Voertuing
Engine oil pressure warning light «3»
Turns on every time the ignition switch is
set to «ON» and the engine has not been
started, this tests LED operation. The
warning light should turn off as soon as
the engine is started.
CAUTION
IF THE WARNING LIGHT TURNS ON
WHILE THE ENGINE IS WORKING
PROPERLY, THIS MEANS THAT THE
OIL PRESSURE IN THE CIRCUIT IS
NOT ENOUGH. IF THIS OCCURS,
STOP THE ENGINE AT ONCE AND
CONTACT AN aprilia Official Dealer.
Controlelamp van de druk van de mo-
torolie «3»
Deze licht elke keer op wanneer men de
onstekingsschakelaar op «ON» plaatst
en de motor niet gestart heeft, om zo een
test uit te voeren van de werking van de
LED. De controlelamp moet uitgaan wan-
neer de motor wordt gestart.
LET OP
WANNEER DE CONTROLELAMP OP-
LICHT TIJDENS DE NORMALE WERK-
ING VAN DE MOTOR, IS DE DRUK VAN
DE MOTOROLIE IN HET CIRCUIT ON-
VOLDOENDE. IN DIT GEVAL LEGT
MEN ONMIDDELLIJK DE MOTOR
STIL, EN WENDT MEN ZICH TOT EEN
Officiële aprilia Dealer.
Side stand lowered warning light «1»
Turns on when the side stand is lowered.
CAUTION
WHEN THE SIDE STAND IS LOW-
ERED, THE WARNING LIGHT TURNS
ON AND THE VEHICLE CANNOT BE
STARTED.
Controlelamp van de laterale stan-
daard uitgeklapt «1»
Deze licht op wanneer de laterale stan-
daard uitgeklapt is.
LET OP
WANNEER DE LATERALE STAN-
DAARD UITGEKLAPT IS EN DE CON-
TROLELAMP IS OPGELICHT, KAN
18
2 Vehicle / 2 Voertuing
HET VOERTUIG NIET GESTART WOR-
DEN.
Electronic fuel injection (EFI) check
warning light «7»
Turns on for about three seconds every
time the ignition switch is set to «ON» and
the engine has not been started, this tests
the injection system operation. The warn-
ing light should turn off as soon as the
engine is started.
CAUTION
IF THE WARNING LIGHT TURNS ON
WHILE THE ENGINE IS WORKING
PROPERLY, THIS MEANS THAT
THERE IS A FAILURE IN THE ELEC-
TRONIC FUEL INJECTION SYSTEM. IF
THIS OCCURS, STOP THE ENGINE AT
ONCE AND CONTACT AN OFFICIAL
APRILIA DEALER.
Controlelamp van de elektronische in-
jectiecontrole EFI «7»
Deze licht elke keer op voor ongeveer
drie seconden wanneer men de ontste-
kingsschakelaar op «ON» plaatst en de
motor niet gestart heeft, om zo een test
uit te voeren van de werking van het in-
jectiesysteem. De controlelamp moet uit-
gaan wanneer de motor wordt gestart.
LET OP
WANNEER DE CONTROLELAMP OP-
LICHT TIJDENS DE NORMALE WERK-
ING VAN DE MOTOR, DUIDT DIT OP
EEN PROBLEEM VAN HET ELEKTRO-
NISCH BENZINE-INJECTIESYSTEEM.
IN DIT GEVAL LEGT MEN ONMIDDEL-
LIJK DE MOTOR STIL, EN WENDT
MEN ZICH TOT EEN OFFICIËLE APRI-
LIA DEALER.
Right turn indicator warning light «6»
Flashes when in right turning mode.
Controlelamp van de rechter richting-
aanwijzer «6»
Knippert wanneer het signaal voor het
rechts afslaan in functie is.
19
2 Vehicle / 2 Voertuing
Left turn indicator warning light «5»
Flashes when in left turning mode.
Controlelamp van de linker richting-
aanwijzer «5»
Knippert wanneer het signaal voor het
links afslaan in functie is.
Low-beam warning light «8»
Turns on with the low-beam lights.
Controlelamp van de dimlichten «8»
Deze licht op wanneer de dimlichten wor-
den aangeschakeld.
High-beam warning light «9»
Turns on when the front headlamp high-
beam bulb is activated or when the high-
beam light is flashed (PASSING).
Controlelamp van het groot licht «9»
Deze licht op wanneer het lampje van het
groot licht van het voorlicht geactiveerd
is, of wanneer men het groot licht doet
knipperen (PASSING).
Low fuel warning light «10»
Turns on when there is a 1.5-litre fuel re-
serve in the tank.
Controlelamp van de brandstofreser-
ve «10»
Deze licht op wanneer er in de brandstof-
tank ongeveer 1,5 liter brandstof over-
blijft.
Fuel gauge «11»
Shows the approximate fuel level in the
tank. When the needle reaches the red
area, there are about 1.5 litres of fuel left.
If this occurs, refill the tank as soon as
possible.
Indicator van het brandstofpeil «11»
Duidt bij benadering het brandstofpeil in
de tank aan. Wanneer de wijzer de rode
zone bereikt, blijft er ongeveer 1,5 liter
brandstof over in de tank. In dit geval
moet men zo vlug mogelijk tanken.
20
2 Vehicle / 2 Voertuing
Coolant temperature gauge «12»
Shows the approximate temperature of
the coolant in the engine. When the nee-
dle starts to move away from the «MIN»
mark, the temperature is adequate to ride
the scooter. If the needle enters the red
area or the warning light turns on, stop
the engine and check the coolant level.
CAUTION
IF THE TEMPERATURE EXCEEDS
THE MAXIMUM ALLOWED ("MAX"
RED AREA OF THE SCALE), THE EN-
GINE CAN BE SERIOUSLY DAM-
AGED.
Indicator van de temperatuur van de
koelvloeistof «12»
Duidt bij benadering de temperatuur aan
van de koelvloeistof in de motor. Wan-
neer de wijzer zich naar het «MIN» peil
verplaatst, is de temperatuur onvoldoen-
de om met het voertuig te kunnen rijden.
Wanneer de wijzer de rode zone bereikt
of de controlelamp licht op, legt men de
motor stil en de controleert men het peil
van de koelvloeistof.
LET OP
WAMNNEER DE MAXIMUM TOEGE-
STANE TEMPERATUUR WORDT
OVERSCHREDEN (DE RODE ZONE
«MAX» VAN DE SCHAAL), KAN DE
MOTOR ERNSTIG WORDEN BESCHA-
DIGD.
Instruments
Digital clock «14»
View time and date in this display.
Total odometer «15»
Shows the total number of kilometres
covered.
Trip odometer «16»
Instrumenten
Digitale klok «14»
Op het display kunnen het uur en de da-
tum worden gevisualiseerd.
Kilometerteller totaal «15»
Duidt het totaal aantal afgelegde kilome-
ters aan.
Kilometerteller partieel «16»
21
2 Vehicle / 2 Voertuing
Shows the total number of kilometres
partially travelled. To reset it, use the re-
setting knob.
Speedometer «17»
Shows riding speed.
Duidt het totaal aantal afgelegde kilome-
ters van de trip aan. Om de waarde op nul
te stellen gebruikt men de opnulstellings-
knop.
Snelheidsmeter «17»
Duidt de rijsnelheid aan.
Clock (02_05)
Calendar adjustment:
Standard display: hours and mi-
nutes.
Date display: pressing the but-
ton «1» shows month and day
numbers.
Seconds display: press the but-
ton «1» twice.
NOTE
CONTACT AN OFFICIAL APRILIA
DEALER TO HAVE THE CLOCK BAT-
TERY REPLACED.
Klok (02_05)
Regeling van de datumaanduiding:
Normale visualisering: uren en
minuten.
Visualisering van de datum:
druk op de toets «1», en het
nummer van de maand en de
dag verschijnen.
Visualisering van de seconden:
druk twee keer op de toets «1».
N.B.
VOOR DE VERVANGING VAN DE BAT-
TERIJ VAN DE KLOK, WENDT MEN
ZICH TOT EEN OFFICIËLE APRILIA
DEALER.
22
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_05
Adjustment:
Pressing the button «2» once
displays date and time alterna-
tively.
Month: pressing «2» again dis-
plays the month on the left (the
rest disappears). Pressing the
button «1» sets the desired
month.
Day: pressing «2» again dis-
plays the day on the right.
Pressing the button «1» sets the
desired day.
Time: pressing the button «2»
displays the time on the left with
the letter «A» or «P» (A= am,
P= pm). Pressing the button
«1» sets the desired time.
Minutes: pressing the button
«2» displays the day to the right
of the display. Pressing the but-
ton «1» sets the desired mi-
nutes.
So the digital clock has been adjusted.
Press the button «2» and then button
«1» to return to regular operation.
Regeling:
Druk één keer op de toets «2»,
en de datum en het uur worden
afwisselend gevisualiseerd.
Maand: druk nogmals op «2»,
en de maand zal links verschij-
nen (de rest verdwijnt). Druk op
de toets «1» om de gewenste
maand in te stellen.
Dag: druk nogmaals op «2», en
de dag zal rechts verschijnen.
Druk op de toets «1» om de ge-
wenste dag in te stellen.
Uur: druk nogmaals op de toets
«2» en links zal het uur met de
letter «A» of «P» verschijnen
(A= antimeridiaan, P= postme-
ridiaan). Druk op de toets «1»
om het gewenste uur in te stel-
len.
Minuten: druk nogmals op de
toets «2», om rechts op het dis-
play de minuten te verkrijgen.
Druk op de toets «1» om de ge-
wenste minuten in te stellen.
De klok wordt op deze manier geregeld.
Druk nogmaals op de toets «2», en ver-
volgens op de toets «1» om terug te ke-
ren naar de normale werking.
23
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_06
Key switch (02_06)
The ignition switch "1" is found on the
right side, near the headstock.
NOTE
THE KEY «2» ACTIVATES THE IGNI-
TION SWITCH / STEERING LOCK, THE
SADDLE LOCK, THE GLOVE-BOX LID
AND THE FUEL FLAP.
Sleutelschakelaar (02_06)
Ontstekingsschakelaar «1» vindt men op
de rechter kant, nabij de kop van de
stuurinrichting.
N.B.
DE SLEUTEL «2» ACTIVEERT DE
SCHAKELAAR VAN DE ONTSTE-
KING / STUURSLOT, HET SLOT VAN
HET ZADEL, HET DEURTJE VAN DE
OPBERGRUIMTE EN HET BENZINE-
DEURTJE.
The vehicle is supplied with two keys
(one is the spare key).
NOTE
KEEP THE SPARE KEY IN DIFFERENT
PLACE, NOT WITH THE VEHICLE.
Bij het voertuig worden twee sleutels bij-
geleverd (één reservesleutel).
N.B.
BEWAAR DE RESERVESLEUTEL
NIET OP HET VOERTUIG.
SWITCH POSITION
ON «C»: The engine and lights can be set
to work. It is not possible to withdraw the
key.
OFF «B» : The engine and lights cannot
be set to work. It is possible to remove the
key.
LOCK «A» : The steering is locked. It is
impossible to start the engine or switch
on the lights. It is possible to remove the
key.
POSITIE VAN DE SCHAKELAAR
ON «C»: De motor en de lichten kunnen
in werking worden gesteld. Het is niet
mogelijk om de sleutel te verwijderen.
OFF «B» : De motor en de lichten kunnen
niet in werking worden gesteld. Het is
mogelijk om de sleutel te verwijderen.
LOCK «A» : De stuurinrichting is geblok-
keerd. Het is niet mogelijk om de motor te
starten en om de lichten te activeren. Het
is mogelijk om de sleutel te verwijderen.
24
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_07
Locking the steering wheel
(02_07)
To lock the steering:
Turn the handlebar completely
to the left.
Press the key «2» and them turn
it to «LOCK».
CAUTION
AVOIDING LOSING CONTROL OF THE
VEHICLE- NEVER TURN THE KEY TO
«LOCK» WHILE RIDING.
Inschakeling van het stuurslot
(02_07)
Om de stuurinrichting te blokkeren:
Draai het stuur volledig naar
links.
Druk op de sleutel «2» en draai
ze vervolgens in positie
«LOCK».
LET OP
DRAAI DE SLEUTEL NOOIT IN POSI-
TIE «LOCK» TIJDENS HET RIJDEN,
ZODAT MEN DE CONTROLE OVER
HET VOERTUIG NIET VERLIEST.
02_08
Switch direction indicators
(02_08)
TURN INDICATOR SWITCH «2»
Move the switch «2» to the left, to indicate
a left turn; move the switch to the right, to
indicate a right turn. Pressing the central
part of the switch deactivates the turn in-
dicator.
Schakelaar richtingaanwijzers
(02_08)
SCHAKELAAR VAN DE RICHTING-
AANWIJZERS «2»
Verplaats schakelaar «2» naar links, om
aan te duiden dat men naar links draait;
verplaats de schakelaar naar rechts, om
aan te duiden dat men naar rechts draait;
Druk centraal op de schakelaar, om de
richtingaanwijzer te desactiveren.
25
2 Vehicle / 2 Voertuing
NOTE
ELECTRICAL COMPONENTS FUNC-
TION ONLY WHEN THE IGNITION KEY
IS SET TO "ON"
N.B.
DE ELEKTRISCHE ONDERDELEN
WERKEN ENKEL WANNEER DE ONT-
STEKINGSSCHAKELAAR ZICH IN PO-
SITIE «ON» BEVINDT
02_09
Horn button (02_09)
Pressing the button "1" activates the
horn.
NOTE
ELECTRICAL COMPONENTS FUNC-
TION ONLY WHEN THE IGNITION KEY
IS SET TO "ON"
Drukknop claxon (02_09)
Door op drukknop «1» te drukken, acti-
veert men de akoestische melder.
N.B.
DE ELEKTRISCHE ONDERDELEN
WERKEN ENKEL WANNEER DE ONT-
STEKINGSSCHAKELAAR ZICH IN PO-
SITIE «ON» BEVINDT
02_10
Light switch (02_10)
If the light switch is set to «A», this acti-
vates the low-beam light; if it is set to
«B», this activates the high-beam light.
If the light switch is pressed when set to
«C» (passing), the high-beam light flash-
es.
NOTE
ELECTRICAL COMPONENTS FUNC-
TION ONLY WHEN THE IGNITION KEY
IS SET TO "ON"
Koplampschakelaar (02_10)
Wanneer de omleider van de lichten zich
in positie «A» bevindt, wordt het dimlicht
geactiveerd; wanneer hij zich in positie
«B» bevindt, wordt het groot licht geacti-
veerd.
Door op de omleider van de lichten te
drukken in positie «C» (passing), acti-
veert men het knipperen van het groot
licht.
26
2 Vehicle / 2 Voertuing
NOTE
ONCE THE LIGHT SWITCH IS RE-
LEASED FROM THE PASSING MODE
IN "C"THE HIGH-BEAM LIGHT STOPS
FLASHING.
N.B.
DE ELEKTRISCHE ONDERDELEN
WERKEN ENKEL WANNEER DE ONT-
STEKINGSSCHAKELAAR ZICH IN PO-
SITIE «ON» BEVINDT
N.B.
WANNEER MEN DE OMLEIDER VAN
DE LICHTEN IN MODALITEIT KNIPPE-
REN «C» LOSLAAT, WORDT HET
KNIPPEREN VAN HET GROOT LICHT
GEDEACTIVEERD.
02_11
Start-up button (02_11)
By pressing the button «2» (RUN), the
starter motor starts the engine.
NOTE
ELECTRICAL COMPONENTS FUNC-
TION ONLY WHEN THE IGNITION KEY
IS SET TO "ON"
Startknop (02_11)
Door op de drukknop «2» (RUN) te druk-
ken, doet het startmotortje de motor
draaien.
N.B.
DE ELEKTRISCHE ONDERDELEN
WERKEN ENKEL WANNEER DE ONT-
STEKINGSSCHAKELAAR ZICH IN PO-
SITIE «ON» BEVINDT
27
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_12
Engine stop button (02_12)
The engine stop switch «1» functions as
a safety and emergency switch. When
this switch is set to «ON» , it is possible
to start the engine; when it is set to
«OFF» , the engine stops.
NOTE
ELECTRICAL COMPONENTS FUNC-
TION ONLY WHEN THE IGNITION KEY
IS SET TO "ON"
CAUTION
DO NOT ACTIVATE THE ENGINE
STOP SWITCH WHILE RIDING THE
VEHICLE.
CAUTION
WITH THE ENGINE OFF AND THE IG-
NITION SWITCH SET TO "ON" THE
BATTERY MAY DISCHARGE. WITH
THE ENGINE OFF AND AFTER IT
STOPS TURN THE IGNITION SWITCH
TO "OFF".
Stopschakelaar motor (02_12)
De schakelaar voor het stilleggen van de
motor «1» dient als veiligheids- of nood-
schakelaar. Met de schakelaar in positie
«ON» is het mogelijk om de motor te star-
ten; in positie «OFF» stopt de motor met
draaien.
N.B.
DE ELEKTRISCHE ONDERDELEN
WERKEN ENKEL WANNEER DE ONT-
STEKINGSSCHAKELAAR ZICH IN PO-
SITIE «ON» BEVINDT
LET OP
RAAK DE STOPSCHAKELAAR VAN
DE MOTOR NIET AAN TIJDENS HET
RIJDEN.
LET OP
MET DE MOTOR STIL EN DE ONTSTE-
KINGSSCHAKELAAR MET SLEUTEL
IN POSITIE «ON», KAN DE ACCU ONT-
LADEN. WANNEER HET VOERTUIG
STILSTAAT NADAT MEN DE MOTOR
HEEFT STILGELEGD, DRAAIT MEN
DE ONTSTEKINGSSCHAKELAAR IN
POSITIE «OFF».
28
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_13
Fuel tank (02_13)
To reach the fuel tank cap:
Insert the key «1» in the fuel flap
lock «2», located between the
footrests.
Turn the key clockwise and pull
it to open the fuel flap.
Unscrew the fuel tank cap «3».
Benzinetank (02_13)
Om de dop van de brandstoftank te be-
reiken:
Plaats de sleutel «1» in het slot
van het benzinedeurtje «2», dat
zich tussen de voetensteunvlak-
ken bevindt.
Draai de sleutel in wijzerszin, en
trek er aan zodat het benzine-
deurtje opent.
Draai de dop van de tank «3»
los.
02_14
Power supply socket (02_14)
There is a 12V plug socket «1»
inside the helmet compartment,
under the saddle.
This socket can be used to pow-
er equipment with a maximum
power of 180 W (mobile tele-
phones, hand lamp, etc.).
CAUTION
USING THIS SOCKET FOR A LONG
PERIOD CAN RESULT IN A FULLY
DISCHARGED BATTERY.
Stopcontact (02_14)
Binnenin de helmruimte onder
de zadelruimte is een stroom-
stopcontact «1» van 12V voor-
zien.
Het stroomstopcontact kan ge-
bruikt worden voor het voeden
van gebruiksvoorwerpen met
een vermogen van maximum
180 W (GSM, inspectielamp,
enz.).
LET OP
EEN LANG GEBRUIK VAN HET STOP-
CONTACT WANEER DE MOTOR UIT-
29
2 Vehicle / 2 Voertuing
STAAT, KAN DE ACCU VOLLEDIG
DOEN ONTLADEN.
02_15
Opening the saddle (02_15)
Insert the key «2» in the saddle
lock.
Push and turn the ignition key
anticlockwise.
To lock the saddle, lower and
press it (without forcing it) to trip
the lock.
CAUTION
BEFORE RIDING, MAKE SURE THAT
THE SADDLE IS CORRECTLY
LOCKED INTO POSITION.
Opening van het zadel (02_15)
Plaats de sleutel «2» in het za-
delslot.
Druk op de ontstekingssleutel
en draai ze in tegenwijzerszin.
Om het zadel te deblokkeren,
laat men het zakken en drukt
men er op (zonder te forceren),
en laat men het slot klikken.
LET OP
VOORALEER MEN GAAT RIJDEN,
CONTROLEERT MEN OF HET ZADEL
CORRECT GEBLOKKEERD IS.
Identification (02_16, 02_17)
Write down the chassis and engine num-
bers in the specific space in this manual.
The chassis number can be used to order
spare parts.
Identificatie (02_16, 02_17)
Het is goed om het framenummer en het
motornummer op de speciale plaats in dit
boekje te schrijven.
Het framenummer kan gebruikt worden
voor het aanschaffen van reserveonder-
delen.
30
2 Vehicle / 2 Voertuing
NOTE
ALTERING IDENTIFICATION NUM-
BERS CAN BE SERIOUSLY PUNISH-
ED BY LAW, PARTICULARLY MODI-
FYING THE CHASSIS NUMBER WILL
IMMEDIATELY INVALIDATE THE
WARRANTY.
N.B.
HET WIJZIGEN VAN DE IDENTIFICA-
TIENUMMERS KAN LEIDEN TOT ERN-
STIGE STRAFRECHTELIJKE EN AD-
MINISTRATIEVE SANCTIES, VOORAL
HET WIJZIGEN VAN HET FRAMENUM-
MER DOET DE GARANTIE ONMID-
DELLIJK VERVALLEN.
02_16
Chassis number
The chassis number is stamped on the
central chassis bar. To read the chassis
number it will be necessary to open the
glove-box and remove the snap-on pro-
tection.
Chassis
No.: ...............................................
Framenummer
Het framenummer is gedrukt op de cen-
trale buis van het frame. Voor het lezen
ervan moet men de opbergruimte ope-
nen en de erop gemonteerde klemver-
bindingbescherming verwijderen.
Framenum-
mer: ................................................
02_17
Engine number
The engine number is stamped near the
rear shock absorber lower support.
Engine
No.: ...............................................
Motornummer
Het motornummer is gedrukt in de nabij-
heid van de onderste steun van de ach-
terste schokdemper.
Motornum-
mer: ................................................
31
2 Vehicle / 2 Voertuing
02_18
Rear top box opening (02_18)
Thanks to the glove-box it is not neces-
sary to carry bulky items with you after
parking your scooter.
Insert the key «3» in the lock.
Press and turn the key anti-
clockwise.
Open the glove-box lid «4».
Penen van de koffer voor
(02_18)
Dankzij het gebruik van de documenten-
ruimte is het niet nodig om lastige voor-
werpen bij zich te houden, elke keer men
het voertuig parkeert.
Plaats de sleutel «3» in de slui-
ting.
Druk op de sleutel en draai ze in
tegenwijzerszin.
Open het deurtje «4» van de op-
bergruimte.
02_19
Bag clip (02_19)
The bag hook «3» is located at the front
of the internal shield.
CAUTION
DO NOT HANG BULKY BAGS OR
PACKAGES ON THE HOOK TO AVOID
OBSTRUCTING VEHICLE HANDLING
AND FEET MOVEMENT.
Characteristic
Maximum allowed weight
1.5 kg
Tassenhaak (02_19)
De lasthaak «3» bevindt zich op de inter-
ne beschermingsplaat, in de voorkant.
LET OP
HANG GEEN TE GROTE TASSEN OF
PAKKEN AAN DE LASTHAAK, OM-
DAT DE HANDELBAARHEID VAN HET
VOERTUIG OF DE BEWEGING VAN
DE VOETEN ZOU KUNNEN GEHIN-
DERD WORDEN.
Technische kenmerken
Maximum toegestaan gewicht
32
2 Vehicle / 2 Voertuing
1,5 kg
02_20
Interphone kit presetting
(02_20)
Only for vehicles fitted with this wiring.
There is a power socket for the
intercom control unit inside the
front shield.
To both sides of the central tun-
nel there are two standard jack
sockets «2» which are used to
connect the intercom/micro-
phone headsets.
Take your scooter to an Official aprilia
Dealer to carry out the installation.
predispositie intercomkit
(02_20)
Enkel voor voertuigen met predispositie.
Binnenin de voorste bescher-
mingsplaat is een stopcontact
voorzien voor de voeding van de
intercomcentrale.
Op de rechter en linker zijkant
van de centrale tunnel zijn twee
jack plugs «2» van het stan-
daardtype voorzien, voor de
aansluiting van de hoofdtele-
foons intercom/microfoon.
Voor de installatie wendt men zich tot een
Officiële aprilia Dealer
02_21
Antitheft alarm system (02_21,
02_22)
The vehicle is fitted with an antitheft
alarm system with siren. It can be activa-
ted or deactivated using the button «1»
on the remote control. System armed:
two short chirps, the four arrows flash
twice. System disarmed: one short chirp,
the four arrows flash once.
Antidiefstalsysteem (02_21,
02_22)
Het voertuig is voorzien van een antidief-
stalsysteem met alarmsirene. Deze kan
in- en uitgeschakeld worden met de toets
«1» op de afstandsbediening. Wanneer
het alarm wordt ingeschakeld zal het
voertuig dit bevestigen door middel van
twee korte bieps en twee knipperingen
van de vier richtingaanwijzers. Wanneer
het alarm wordt utgeschakeld zal het
voertuig dit bevestigen dor middel van
33
2 Vehicle / 2 Voertuing
één korte biep en één knippering van de
vier richtingaanwijzers.
02_22
After activation, the alarm warning light
«2» flashes on the instrument panel and
after 30 seconds the movement sensor
and the helmet compartment opening
sensor are activated. Fifty seconds after
the vehicle is turned off or the alarm is
disarmed, the system automatically acti-
vates the engine lock to ensure the nec-
essary safety in case the owner forgets
to activate the alarm system manually. If
this occur, the alarm siren connected to
the movement sensor and helmet com-
partment opening sensor are not activa-
ted, but the vehicle does not start.
FOR DETAILS ON THE ALARM SYS-
TEM OPERATION AND SETTING,
READ THE MANUAL THAT COMES
WITH THE VEHICLE.
Na de inschakeling zal de alarmcontrole-
lamp «2» knipperen op het dashboard,
en na 30 seconden worden de sensors
voor de beweging en de opening van de
zadelruimte geactiveerd. 50 seconden na
de uitschakeling van het voertuig of de
desactivatie van het alarm, voert het sys-
teem automatisch de motorblokkering in,
om een minimum veiligheidsniveau te
garanderen wanneer men vergeet om
het alarmsysteem manueel in te schake-
len. In deze situatie is de alarmsirene die
aan de sensors van de beweging en de
opening van de zadelruimte verbonden is
niet actief, maar het voertuig kan niet ge-
start worden.
VOOR DETAILS IN VERBAND MET DE
WERKING EN DE INSTELLING VAN
HET ALARMSYSTEEM, RAAD-
PLEEGT MEN DE HANDLEIDING IN
BIJLAGE BIJ HET VOERTUIG.
34
2 Vehicle / 2 Voertuing
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC
500 SPRINT
Chap. 03
Use
Hst. 03
Gebruik
35
Checks
CAUTION
BEFORE RIDING, ALWAYS PERFORM
A PRELIMINARY CHECK OF THE VE-
HICLE FOR CORRECT AND SAFE OP-
ERATION AS SHOWN IN THE TABLE.
FAILURE TO DO SO MAY LEAD TO
SEVERE INJURY OR VEHICLE DAM-
AGE.
DO NOT HESITATE TO CONTACT AN
OFFICIAL APRILIA DEALER IF YOU
DO NOT UNDERSTAND HOW SOME
CONTROLS WORK OR IF MALFUNC-
TION IS DETECTED OR SUSPECTED.
CHECKS DO NOT TAKE LONG AND
RESULT IN ENHANCED SAFETY.
Controles
LET OP
VÓÓR HET VERTREK VOERT MEN
STEEDS EEN VOORBEREIDENDE
CONTROLE UIT VAN HET VOERTUIG,
VOOR EEN CORRECTE EN VEILIGE
WERKING, ZOALS WORDT AANGE-
DUID IN DE TABEL. HET NIET UITVOE-
REN VAN DEZE HANDELINGEN KAN
ERNSTIGE LETSELS AAN UZELF OF
SCHADE AAN HET VOERTUIG VER-
OORZAKEN.
AARZEL NIET OM ZICH TE WENDEN
TOT EEN OFFICIËLE APRILIA DEA-
LER WANNEER MEN DE WERKING
VAN SOMMIGE COMMANDO'S NIET
BEGRIJPT, OF WANNEER MEN ON-
REGELMATIGHEDEN OPMERKT OF
VERONDERSTELT.
DE NODIGE TIJD VOOR EEN CON-
TROLE IS UITERST BEPERKT, EN DE
VEILIGHEID KOMT OP DE EERSTE
PLAATS.
PRE-RIDE CHECKS
Front and rear disc brake Check operation. Check brake
lever travel when stationary and
VOORBEREIDENDE CONTROLES
Voorste en achterste schijfrem Controleer de werking, de loze slag
van de commandohendels, het peil
36
3 Use / 3 Gebruik
brake fluid level. Check for leaks.
Check brake pads for wear. If
necessary top-up with brake fluid.
Brake levers Check they function smoothly.
Lubricate the joints if necessary.
Throttle grip Check that the throttle functions
smoothly and can be fully opened
and closed in all steering positions.
Adjust and/or lubricate if
necessary.
Engine oil Check and/or top-up as required.
Wheels/ tyres Check that tyres are in good
conditions. Check inflation
pressure, tyre wear and potential
damage.
Steering Check that the rotation is uniform,
smooth and there are no signs of
clearance or slackness.
Centre and side stands Check that it works smoothly and it
goes back to its normal position
when the springs are released.
Lubricate couplings and joints if
necessary.
Fastener elements Check that the fastener elements
are not loose.
Adjust or tighten if necessary.
van de vloeistof en eventuele
lekken. Controleer de slijtage van
de pastilles. Indien nodig vult men
remvloeistof bij.
Remhendels Controleer of ze zacht werken.
Smeer indien nodig de
bewegingsplaatsen.
Gashendel Controleer of hij zacht werkt en of
men hem volledig kan openen en
sluiten, in alle posities van het
stuur. Registreer en/of smeer
indien nodig.
Motorolie Controleer en/of vul bij indien
nodig.
Wielen/banden Controleer de conditie van de
rijvlakken van de banden, de
spanning, de slijtage en eventuele
schade.
Stuur Controleer of het draaien
homogeen en vloeiend, en zonder
speling of het lossen ervan
gebeurt.
Laterale standaard en centrale
standaard
Controleer of deze zacht werken,
en of de spanning van de veren ze
in de normale positie
terugbrengen. Smeer indien nodig
de koppelingen en de
bewegingsplaatsen.
37
3 Use / 3 Gebruik
Fuel tank Check the level and refill if
necessary.
Check the circuit for leaks or
obstructions.
Check that the tank cover closes
correctly.
Coolant Fluid level inside the expansion
tank should be between the «MIN»
and «MAX» reference marks.
engine stop switch Check function.
Lights, warning lights, horn and
electrical devices
Check the correct operation of the
horn and lights. Replace the bulbs
or intervene in case of failure.
Bevestigingselementen Controleer of de
bevestigingselementen niet gelost
zijn.
Stel ze af of sluit ze eventueel.
Brandstoftank Controleer het peil, en tank indien
nodig.
Controleer eventuele lekken of
afsluitingen van het circuit.
Controleer de correcte sluiting van
de brandstofdop.
Koelvloeistof Het vloeistofpeil in het expansievat
moet zich tussen de «MIN» en
«MAX» referenties bevinden.
SCHAKELAAR VOOR HET
STILLEGGEN VAN DE MOTOR
Controleer de correcte werking.
Lichten, controlelampen,
akoestische melder en elektrische
mechanismen
Controleer de correcte werking van
de akoestische en visieve
mechanismen. Vervang de
lampjes of grijp in bij schade.
Refuelling
CAUTION
FUEL USED TO POWER INTERNAL
COMBUSTION ENGINES IS HIGHLY
FLAMMABLE AND CAN BECOME EX-
Tanken
LET OP
DE BRANDSTOF DIE WORDT GE-
BRUIKT VOOR DE AANDRIJVING VAN
DE ONTPLOFFINGSMOTOR IS UI-
38
3 Use / 3 Gebruik
PLOSIVE UNDER SPECIFIC CONDI-
TIONS. CARRY OUT REFILLING AND
MAINTENANCE OPERATIONS IN A
WELL VENTILATED PLACE AND
WITH THE ENGINE OFF. DO NOT
SMOKE WHILE REFUELLING OR
WHEN CLOSE TO FUEL VAPOURS,
AVOID CONTACT WITH NAKED
FLAMES, SPARKS OR ANY OTHER
SOURCE THAT MAY CAUSE FUEL TO
CATCH FIRE OR EXPLODE. AVOID
SPILLING FUEL OFF THE FILLER AS
IT MAY CATCH FIRE IN CONTACT
WITH THE ENGINE HOT SURFACES.
IN CASE OF ACCIDENTAL FUEL
SPILLS, CHECK THAT THE AREA IS
COMPLETELY DRY BEFORE START-
ING THE SCOOTER. FUEL EXPANDS
WHEN EXPOSED TO HEAT OR SUN
RAYS, THEREFORE BE CAREFUL
AND DO NOT REFILL THE TANK UP
TO THE TOP. CLOSE THE CAP ADE-
QUATELY AFTER REFUELLING. BE
CAREFUL THE FUEL DOES NOT GET
INTO CONTACT WITH THE SKIN, DO
NOT BREATH VAPOURS OR SWAL-
LOW FUEL. DO NOT TRANSFER FUEL
FROM ONE CONTAINER TO ANOTH-
ER USING A HOSE.
CAUTION
DO NOT DISPOSE OF FUEL INTO THE
ENVIRONMENT.
TERST BRANDBAAR EN KAN EXPLO-
SIEF WORDEN IN BEPAALDE OM-
STANDIGHEDEN. VOER HET TANKEN
EN DE ONDERHOUDSHANDELINGEN
UIT IN EEN GEVENTILEERDE ZONE
EN MET DE MOTOR UIT. ROOK NIET
TIJDENS HET TANKEN EN IN DE NA-
BIJHEID VAN BRANDSTOFDAMPEN,
EN VERMIJDT ABSOLUUT CONTACT
MET VRIJE VLAMMEN, VONKEN EN
EENDER WELKE ANDER BRON DIE
HET VLAM VATTEN OF EXPLODEREN
ERVAN KAN VEROORZAKEN. VER-
MIJDT BOVENDIEN HET UITSTRO-
MEN VAN BRANDSTOF UIT DE KLEP,
OMDAT HIJ KAN VLAM VATTEN IN
CONTACT MET DE GLOEIEND HETE
OPPERVLAKKEN VAN DE MOTOR.
WANNEER ER ONVRIJWILLIG
BRANDSTOF WORDT GEMORST,
CONTROLEERT MEN OF DE ZONE
COMPLEET DROOG IS, VOORDAT
MEN HET VOERTUIG START. BRAND-
STOF ZET UIT INDIEN BLOOTGE-
STELD AAN WARMTE EN ZONNE-
STRALEN, DUS MAG MEN DE TANK
NOOIT VULLEN TOT AAN DE RAND.
SLUIT ZORGVULDIG DE DOP NA HET
TANKEN. VERMIJDT DAT DE BRAND-
STOF IN CONTACT KOMT MET DE
HUID, VERMIJDT HET INADEMEN
VAN DE DAMPEN, HET INSLIKKEN,
EN HET OVERGIETEN VAN EEN TANK
NAAR EEN ANDERE MET BEHULP
VAN EEN BUIS.
39
3 Use / 3 Gebruik
CAUTION
KEEP OUT OF THE REACH OF CHIL-
DREN.
LET OP
LOOS DE BRANDSTOF NIET IN HET
MILIEU.
LET OP
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN
HOUDEN
Use unleaded premium petrol only with
minimum octane rating of 95 (NORM)
and 85 (NOMM)
Characteristic
Fuel tank capacity (including reserve):
~ 14.5 l
Tank reserve:
~ 1.5 l
Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzi-
ne, met een minimum octaangehalte van
95 (N.O.R.M.) en 85 (N.O.M.M.).
Technische kenmerken
Capaciteit van de tank (inclusief de re-
serve):
~ 14,5 l
Reserve van de tank
~ 1,5 l
40
3 Use / 3 Gebruik
03_01
03_02
Tyre pressure (03_01, 03_02)
This vehicle is fitted with tyres without in-
ner tubes (Tubeless).
CAUTION
CHECK FREQUENTLY TYRE PRES-
SURE WITH TYRES AT AMBIENT TEM-
PERATURE.
THE MEASUREMENT MAY BE INCOR-
RECT IF TYRES ARE WARM. CHECK
TYRE PRESSURE MAINLY BEFORE
AND AFTER A LONG TRIP. IF TYRE
PRESSURE IS TOO HIGH, THE SUR-
FACE UNEVENNESS IS NOT CUSH-
IONED AND IS SENT TO THE HAN-
DLEBAR, RESULTING IN UNPLEAS-
ANT RIDING AND POOR ROAD GRIP
SPECIALLY WHEN TURNING.
CONVERSELY, WITH INADEQUATE
TYRE PRESSURE, TYRE SIDES "1"
BEAR MORE STRESS AND THE TYRE
CAN SLIDE ON THE RIM OR EVEN
GET DETACHED RESULTING IN LOSS
OF CONTROL OVER THE SCOOTER.
IN CASE OF SHARP BRAKING, TYRES
CAN EVEN GET OFF THE RIMS. LAST-
LY, THE VEHICLE MIGHT SKID IN A
BEND. INSPECT THREAD SURFACE
AND CHECK IT FOR WEAR. BADLY
WORN TYRES ADVERSELY AFFECT
TRACTION AND HANDLING. SOME
TYRE TYPES HOMOLOGATED FOR
THIS SCOOTER FEATURE WEAR IN-
Bandenspanning (03_01,
03_02)
Dit voertuig is voorzien van banden zon-
der binnenband (tubeless).
LET OP
CONTROLEER PERIODIEK DE SPAN-
NING VAN DE BANDEN BIJ DE OMGE-
VINGSTEMPERATUUR.
WANNEER DE BANDEN WARM ZIJN,
IS DE METING NIET CORRECT. VOOR
DE METING UIT VOORAL VÓÓR EN
NA EEN LANGE REIS. WANNEER DE
SPANNING TE HOOG IS, WORDT DE
ONEFFENHEID VAN HET TERREIN
NIET GEDEMPT, EN DUS NAAR DE
STUURINRICHTING VERSTUURT, ZO-
DAT HET RIJCOMFORT VERMINDERT
EN DE WEGLIGGING IN BOCHTEN
VERSLECHTERT.
WANNEER VICEVERSA DE BANDEN-
SPANNING ONVOLDOENDE IS, WER-
KEN DE ZIJKANTEN «1» VAN DE
BANDEN MEER, EN KAN HET ZIJN
DAT DE BAND OP DE VELG SLIPT OF
LOSKOMT, MET ALS GEVOLG DAT
MEN DE CONTROLE OVER HET
VOERTUIG VERLIEST. WANNEER
MEN BRUUSK REMT KUNNEN DE
BANDEN UIT DE VELGEN KOMEN. IN
BOCHTEN KAN HET VOERTUIG
GAAN SLIPPEN. CONTROLEER DE
STAAT VAN HET RIJOPPERVLAK EN
41
3 Use / 3 Gebruik
DICATORS. THERE ARE SEVERAL
TYPES OF WEAR INDICATORS.
CONSULT YOUR DEALER ON METH-
ODS TO CHECK FOR WEAR. CARRY
OUT A VISUAL INSPECTION FOR
TYRE CONSUMPTION, REPLACE
THEM IF WORN. OLD TYRES THAT
ARE NOT FULLY WORN CAN GET
HARD RESULTING IN LACK OF GRIP.
REPLACE TYRES IF THIS OCCURS.
REPLACE TYRES WHEN WORN OR IF
THE TREAD HAS A HOLE BIGGER
THAN 5 MM. AFTER A TYRE IS MEN-
DED, BALANCE THE WHEELS. USE
ONLY TYRE SIZES INDICATED BY
THE MANUFACTURER. DO NOT FIT
TYRES WITH INNER TUBES ON RIMS
FOR TUBELESS TYRES OR VICE VER-
SA. CHECK THAT THE INFLATION
VALVES HAVE THEIR CAPS IN OR-
DER TO AVOID UNEXPECTED FLAT
TYRES.
REPLACEMENT, REPAIR, MAINTE-
NANCE AND BALANCING OPERA-
TIONS ARE HIGHLY IMPORTANT AND
SO THEY SHOULD BE CARRYING
OUT USING THE SPECIFIC AND WITH
THE ADEQUATE KNOWLEDGE. IT IS
THEREFORE ESSENTIAL TO TAKE
YOUR SCOOTER TO AN OFFICIAL
APRILIA DEALER OR SPECIALISED
TYRE WORKSHOP TO CARRY OUT
THE OPERATIONS ABOVE. NEW
TYRES CAN BE COVERED BY A SLIP-
PERY COAT: RIDE WITH CAUTION
DURING THE FIRST KILOMETRES. DO
DE SLIJTAGE, OMDAT SLECHTE
BANDENCONDITIES DE WEGLIG-
GING EN DE MANOEUVREERBAAR-
HEID VAN HET VOERTUIG KUNNEN
SCHADEN. ENKELE BANDENTYPES,
DIE GEHOMOLOGEERD ZIJN VOOR
DIT VOERTUIG, HEBBEN EEN SLIJ-
TAGE-INDICATOR. ER BESTAAN
VERSCHILLENDE TYPES VAN SLIJ-
TAGE-INDICATORS.
VOOR INFORMATIE IN VERBAND
MET DE CONTROLE VAN DE SLIJTA-
GE, WENDT MEN ZICH TOT DE VER-
KOPER. CONTROLEER VISIEF DE
SLIJTAGE VAN DE BANDEN, EN VER-
VANG ZE INDIEN ZE VERSLETEN
ZIJN. WANNEER DE BANDEN OUD
ZIJN, EN OOKAL ZIJN ZE NIET VER-
SLETEN, KUNNEN ZE VERHARDEN
EN DUS DE WEGLIGGING SCHADEN.
IN DIT GEVAL VERVANGT MEN DE
BANDEN VERVANG DE BANDEN
WANNEER ZE VERSLETEN ZIJN, OF
WANNEER ER EEN EVENTUEEL GAT
IS IN DE ZONE VAN HET RIJVLAK DAT
GROTER IS DAN 5 MM. NADAT MEN
DE BAND HEEFT LATEN HERSTEL-
LEN, LAAT MEN DE WIELEN BALAN-
CEREN. GEBRUIK UITSLUITEND DE
MAAT VAN BANDEN DIE WORDT
AANGEDUID DOOR HET HUIS.
PLAATS GEEN BANDEN VAN HET TY-
PE MET BINNENBAND OP VELGEN
VOOR TUBELESS BANDEN, EN VICE-
VERSA. CONTROLEER OF DE KLEP-
PEN VOOR HET OPBLAZEN STEEDS
42
3 Use / 3 Gebruik
NOT APPLY UNSUITABLE LIQUIDS
ON TYRES.
HUN DOPJES HEBBEN, OM HET
PLOTSELING LEEGLOPEN VAN DE
BANDEN TE VERMIJDEN.
DE HANDELINGEN VAN HET VER-
VANGEN, HERSTELLEN, ONDER-
HOUD EN BALANCEREN ZIJN ZEER
BELANGRIJK, EN MOETEN DUS UIT-
GEVOERD WORDEN MET GESCHIK-
TE GEREEDSCHAPPEN EN MET DE
NODIGE ERVARING. DAAROM
RAADT MEN AAN OM ZICH TE WEN-
DEN TOT EEN OFFICIËLE APRILIA
DEALER OF EEN BANDENSPECIA-
LIST VOOR HET UITVOEREN VAN DE
VOORAFGAANDE HANDELINGEN.
WANNEER DE BANDEN NIEUW ZIJN,
KUNNEN ZE BEDEKT ZIJN MET EEN
GLADDE LAAG: DE EERSTE KILOME-
TERS MOET MEN VOORZICHTIG RIJ-
DEN. SMEER DE BANDEN NIET IN
MET ONGESCHIKTE VLOEISTOFFEN.
CAUTION
NEVER EXCEED THE MAXIMUM
WEIGHT ALLOWED TO BE TRANS-
PORTED. OVERLOADING THE
SCOOTER MAY RESULT IN LACK OF
STABILITY, POOR HANDLING AND
TYRE DAMAGE.
Characteristic
MAX load
200 kg
LET OP
OVERSCHRIJDT DE MAXIMUM LI-
MIET VAN HET VERVOERBAAR GE-
WICHT NIET. HET OVERBELASTEN
VAN HET VOERTUIG SCHAADT DE
STABILITEIT EN DE HANDELBAAR-
HEID, EN KAN SCHADE AAN DE BAN-
DEN VEROORZAKEN.
Technische kenmerken
MAX belasting
43
3 Use / 3 Gebruik
200 Kg
TYRE PRESSURE
Front tyre pressure (rider only) 2.3 bar
Rear tyre pressure (rider only) 2.4 bar
Front tyre pressure (rider +
passenger)
2.3 bar
Rear tyre pressure (rider +
passenger)
2.6 bar
BANDENSPANNING
Spanning van de voorband (enkel
bestuurder)
2,3 bar
Spanning van de achterband
(enkel bestuurder)
2,4 bar
Spanning van de voorband
(bestuurder + passagier)
2,3 bar
Spanning van de achterband
(bestuurder + passagier)
2,6 bar
Shock absorber adjustment
(03_03)
The rear suspension consists of twin dou-
ble-acting shock absorbers (compres-
sion/extension braking), with silent-block
engine mount.
The manufacturer has set the standard
suspension adjustment for a rider weigh-
ing about 70 kg. For other weights, use a
hook spanner (supplied) on the ring nut
«1» to define the ideal running settings.
Regeling van de
schokdempers (03_03)
De achterste ophanging bestaat uit een
koppel schokdempers met dubbel effect
(remming bij compressie/extensie), en
zijn bevestigd door middel van de silent-
block aan de motor.
De standaardregeling, die wordt inge-
steld in de fabriek, is voorzien voor een
bestuurder van ongeveer 70 kg. Voor an-
dere gewichten en behoeften, handelt
men op dopmoer «1» met de sectorsleu-
tel (bijgevoegd), om een ideale rijconditie
te verkrijgen.
44
3 Use / 3 Gebruik
NOTE
ADJUST SHOCK ABSORBERS AT
THE SAME POSITION.
N.B.
IJK BEIDE SCHOKDEMPERS OP DE-
ZELFDE POSITIE.
03_03
Turning the ring nut to A: Spring preload-
ing decrease. The scooter suspension is
very soft. To be used on uneven roads or
when riding without passenger.
Turning the ring nut to B: Spring preload-
ing increases. The scooter suspension is
very hard. To be used with even or ordi-
nary surfaces or when riding with pas-
senger.
Rotatie van de dopmoer naar A: De voor-
belasting van de veer verlaagt. De inrich-
ting van het voertuig is zachter. Te
gebruiken op een onverhard wegdek en
voor het rijden zonder passagier.
Rotatie van de dopmoer naar B: De voor-
belasting van de veer verhoogt. De in-
richting van het voertuig is harder. Te
gebruiken op een glad of normaal weg-
dek en voor het rijden met passagier.
Front and rear suspension inspection
Change front suspension oil according to
the indications in the Scheduled mainte-
nance chart.
Carry out the following checks regularly:
With the front brake lever pulled,
press repeatedly on the handle-
bar lowering the fork.
The travel should be progres-
sive and there should be no
signs of oil on the stems.
Check that all organs are tight-
ened and the joints of the front
Inspectie van de voorste en achterste
ophanging
Laat de olie van de voorste ophanging
vervangen op basis van de Tabel van het
geprogrammeerd onderhoud.
Voer regelmatig de volgende controles
uit:
Met de hendel van de voorrem
geactiveerd, drukt men herhaal-
delijk op het stuur, door de vork
te laten zakken.
De loop moet progressief zijn en
er mogen geen oliesporen zijn
op de stangen.
45
3 Use / 3 Gebruik
and rear suspension work prop-
erly.
CAUTION
TO HAVE THE FRONT SUSPENSION
OIL CHANGED TAKE YOUR VEHICLE
TO AN Official aprilia Dealer WHO
WILL PROVIDE A PRECISE AND
PROMPT SERVICE.
CAUTION
IN CASE OF FAILURE OR WHEN THE
INTERVENTION OF SPECIALISED
PERSONNEL IS REQUIRED, TAKE
YOUR SCOOTER TO AN Official aprilia
Dealer.
Controleer de sluiting van alle
onderdelen en de functionalitieit
van de bewegingsplaatsen van
de voorste en achterste ophan-
ging.
LET OP
VOOR DE VERVANGING VAN DE OLIE
VAN DE VOORSTE OPHANGING
MOET EEN Officiële aprilia Dealer GE-
CONTACTEERD WORDEN, DIE EEN
ZORGVULDIGE EN SNELLE SERVICE
ZAL GARANDEREN.
LET OP
WANNEER ONREGELMATIGHEDEN
OPGEMERKT WORDEN BIJ DE
WERKING OF WANNEER EEN IN-
GREEP NODIG IS VAN GESPECIALI-
SEERD PERSONEEL, MOET EEN Offi-
ciële aprilia Dealer GECONTACTEERD
WORDEN.
Running in
Engine run-in is essential to ensure en-
gine long life and correct operation. If
possible, ride on roads with lots of bends
Inrijden
De proefperiode van de motor is funda-
menteel voor het garanderen van de duur
en de correcte werking. Rij indien moge-
lijk op wegen met veel bochten en/of hel-
46
3 Use / 3 Gebruik
and/or slopes to test that the engine, sus-
pensions and brakes perform efficiently.
Follow these indications:
Do not twist the throttle grip fully
at low rpm whether during or af-
ter run-in.
0-100 km (0-62 miles) During
the first 100 km (62 miles) step
carefully on the brakes to avoid
rough and long braking. That is
to permit the adequate adjust-
ment of the pad friction material
to the brake disc.
0-500 km (0-312 miles) During
the first 500 km (312 miles) do
not ride the scooter over 80% of
the predetermined maximum
speed.
AVOID KEEPING A CON-
STANT SPEED ALONG LONG
SECTIONS OF ROAD.
After the first 1000 km (625
miles), gradually increase the
speed until the maximum per-
formance is reached.
CAUTION
AFTER THE FIRST 1000 KM (625
MILES) IN OPERATION, PERFORM
THE CHECKS IN THE "RUN-IN END"
COLUMN IN THE SCHEDULED MAIN-
TENANCE CHART TO AVOID INJU-
lingen, waar de motor, de ophangingen
en de remmen worden onderworpen aan
een meer efficiëntere proefperiode.
Men moet zich houden aan de volgende
indicaties:
Draai het gashandvat niet hele-
maal bij lage regimes tijdens het
inrijden, en ook niet erna.
0-100 km (0-62 mi) Tijdens de
eerste 100 km (62 mi) behandelt
men de remmen voorzichtig, en
vermijdt men het bruusk en lang
remmen. Dit om een correcte
stabilisatie van het wrijvingsma-
teriaal van de pastilles op de
remschijf toe te staan.
0-500 km (0-312 mi) Tijdens de
eerste 500 km (312 mi) rijdt men
niet harder dan 80% van de
voorziene maximum snelheid.
Vermijdt om lang een constante
snelheid aan te houden.
Na de eerste 1000 km (625
mi), verhoogt men geleidelij-
kaan de snelheid tot men de
maximale prestaties bereikt.
LET OP
NA DE EERSTE 1000 KM (625 MIJL)
VAN WERKING, VOERT MEN DE CON-
TROLES UIT DIE VOORZIEN ZIJN IN
DE KOLOM ''EINDE VAN DE PROEF-
PERIODE'' VAN DE TABEL VAN HET
47
3 Use / 3 Gebruik
RIES TO YOURSELF, OTHERS AND/
OR DAMAGING THE VEHICLE.
NOTE
ONLY AFTER THE FIRST RUN-IN 1000
KM (625 MILES) IT IS POSSIBLE TO
ATTAIN THE BEST SPEED AND AC-
CELERATION PERFORMANCE OF
YOUR SCOOTER.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD,
OM LETSELS AAN ZICHZELF OF AN-
DEREN EN/OF SCHADE AAN HET
VOERTUIG TE VOORKOMEN.
N.B.
ENKEL NA DE EERSTE 1000 KM (625
MI) VAN HET INRIJDEN, IS HET MO-
GELIJK OM DE BESTE PRESTATIES
VAN HET ACCELERATIEVERMOGEN
EN DE SNELHEID VAN HET VOER-
TUIG TE VERKRIJGEN.
Starting up the engine (03_04,
03_05, 03_06, 03_07, 03_08,
03_09, 03_10, 03_11)
CAUTION
EXHAUST FUMES CONTAIN CARBON
MONOXIDE, AN EXTREMELY HARM-
FUL SUBSTANCE IF INHALED. NEV-
ER START THE ENGINE IN CLOSED
OR NOT WELL-VENTILATED ROOMS.
FAILURE TO OBSERVE THIS WARN-
ING COULD LEAD TO UNCON-
SCIOUSNESS AND EVEN DEATH
CAUSED BY SUFFOCATION.
DO NOT CLIMB ON THE VEHICLE TO
START IT UP. DO NOT START THE EN-
Starten des motors (03_04,
03_05, 03_06, 03_07, 03_08,
03_09, 03_10, 03_11)
LET OP
DE UITLAATGASSEN BEVATTEN
KOOLMONOXIDE, EEN UITERST
SCHADELIJKE STOF WANNEER ZE
WORDT INGEADEMD. VERMIJD HET
STARTEN VAN DE MOTOR IN GESLO-
TEN OF ONVOLDOENDE GEVENTI-
LEERDE RUIMTEN.
WANNEER MEN DIT ADVIES NIET OP-
VOLGT, KAN MEN FLAUWVALLEN EN
OOK STERVEN DOOR VERSTIKKING.
48
3 Use / 3 Gebruik
GINE WHILE THE VEHICLE RESTS ON
ITS SIDE STAND.
GAAN NIET OP HET VOERTUIG ZIT-
TEN VOOR DE START. START DE MO-
TOR NIET WANNEER HET VOERTUIG
OP DE LATERALE STANDAARD IS
GEPLAATST.
03_04
To start the engine, rest the ve-
hicle on its centre stand.
Make sure that the light switch
«1» is set to «low-beam».
Set the engine cut-off switch
«2» to «ON» (countries where
available).
Voor het starten van de motor
plaatst men het voertuig op de
centrale standaard.
Controleer of de omleider van
de lichten «1» zich in de positie
van het «dimlicht» bevindt.
Plaats de schakelaar voor het
stilleggen van de motor «2» op
«ON» (landen waar voorzien).
Turn the key "3" and set the ig-
nition switch to "ON".
CAUTION
NOW:
THE ENGINE OIL PRESSURE WARN-
ING LIGHT "4" TURNS ON THE IN-
STRUMENT PANEL AND REMAINS SO
UNTIL THE ENGINE STARTS UP.
IF THIS WARNING LIGHT DOES NOT
TURN ON OR IF AFTER THREE SEC-
ONDS THE WARNING LIGHTS DO
Draai de sleutel «3» en plaats
de ontstekingsschakelaar op
«ON».
LET OP
OP DIT MOMENT GEBEURT HET VOL-
GENDE:
OP HET DASHBOARD LICHT DE CON-
TROLELAMP VAN DE DRUK VAN DE
MOTOROLIE «4» OP, DIE BLIJFT OP-
LICHTEN TOT DE MOTOR WORDT GE-
START.
49
3 Use / 3 Gebruik
NOT TURN OFF, CONTACT AN OFFI-
CIAL APRILIA DEALER.
WANNEER DEZE NIET OPLICHTEN,
OF WANNEER NA DRIE SECONDEN
BEIDE CONTROLELAMPEN NIET UIT-
GAAN, WENDT MEN ZICH TOT EEN
OFFICIËLE APRILIA DEALER.
03_05
Block one wheel at least by op-
erating one brake lever «5». If
this does not occur, it means
there is no current in the ignition
relay and the engine does not
start.
Make sure the alarm and the en-
gine lock are deactivated.
Push the starter button «6» but
do not accelerate, and release it
as soon as the engine starts.
Blokkeer minstens een wiel,
door een remhendel «5» te ac-
tiveren. Wanneer dit niet ge-
beurt, bereikt de stroom het
startrelais niet, en de motor start
niet.
Controleer of het alarm en de
motorblokkering niet ingescha-
keld zijn.
Druk op de startknop «6» zon-
der gas te geven, en laat hem
los zodra de motor gestart is.
03_06
NOTE
IF THE VEHICLE IS NOT USED FOR A
LONG TIME, FOLLOW THE PROCE-
DURE FOR STARTING THE ENGINE
AFTER PROLONGED INACTIVITY.
NOTE
TO AVOID EXCESSIVE BATTERY
CONSUMPTION, DO NOT HOLD
DOWN THE STARTER BUTTON FOR
MORE THAN FIVE SECONDS (TEN
WHEN STARTING UP AFTER PRO-
LONGED INACTIVITY). IF THE ENGINE
FAILS TO START AFTER THIS TIME,
N.B.
WANNEER HET VOERTUIG VOOR
LANGE TIJD INACTIEF IS GEBLEVEN,
VOERT MEN DE HANDELINGEN VAN
HET STARTEN NA EEN LANGE INAC-
TIVITEIT UIT.
N.B.
OM EEN EXCESSIEF VERBRUIK VAN
DE ACCU TE VERMIJDEN, HOUDT
MEN DE STARTKNOP NIET INGE-
DRUKT VOOR LANGER DAN VIJF SE-
CONDEN (TIEN SECONDEN IN GEVAL
VAN EEN START NA EEN LANGE IN-
ACTIVITEIT). WANNEER IN DIT TIJDS-
50
3 Use / 3 Gebruik
WAIT TEN SECONDS AND REPEAT
THE PROCEDURE.
CAUTION
NEVER PRESS THE STARTER BUT-
TON "7" WHEN THE ENGINE IS AL-
READY RUNNING: DOING SO MAY
DAMAGE THE STARTER MOTOR.
INTERVAL DE MOTOR NIET START,
WACHT MEN TIEN SECONDEN EN
HERHAALT MEN DE PROCEDURE
OPNIEUW.
LET OP
VERMIJDT OM DE STARTKNOP «7» IN
TE DRUKKEN WANNEER DE MOTOR
REEDS GESTART IS: HET STARTMO-
TORTJE ZOU BESCHADIGD KUNNEN
WORDEN.
CAUTION
WHEN THE ENGINE IS RUNNING, THE
ENGINE OIL PRESSURE WARNING
LIGHT "4" SHOULD TURN OFF. IF THE
WARNING LIGHT STAYS ON OR
TURNS ON WHILE THE ENGINE IS
WORKING PROPERLY THIS MEANS
THAT THE OIL PRESSURE IN THE
CIRCUIT IS NOT ENOUGH. IF THIS OC-
CURS STOP THE ENGINE AT ONCE
AND CONTACT AN OFFICIAL APRILIA
DEALER. NEVER USE THE VEHICLE
WITH LOW ENGINE OIL SO AS TO
AVOID DAMAGING ENGINE PARTS.
LET OP
WANNEER DE MOTOR IS GESTART,
MOET DE CONTROLELAMP VAN DE
DRUK VAN DE MOTOROLIE «4» UIT-
GAAN. WANNEER DE CONTROLE-
LAMP AANBLIJFT OF OPLICHT TIJ-
DENS DE NORMALE WERKING VAN
DE MOTOR, IS DE DRUK VAN DE MO-
TOROLIE IN HET CIRCUIT ONVOL-
DOENDE. IN DIT GEVAL LEGT MEN
ONMIDDELLIJK DE MOTOR STIL, EN
WENDT MEN ZICH TOT EEN OFFICIË-
LE APRILIA DEALER. GEBRUIK HET
VOERTUIG NIET MET EEN ONVOL-
DOENDE HOEVEELHEID MOTOR-
OLIE, OM SCHADE TE VERMIJDEN
51
3 Use / 3 Gebruik
AAN DE ONDERDELEN VAN DE MO-
TOR.
03_07
Keep at least one brake lever
operated and accelerate only
when setting off.
CAUTION
DO NOT SET OFF SUDDENLY WHEN
THE ENGINE IS COLD.
TO MINIMISE THE EMISSION OF AIR
POLLUTING SUBSTANCES AND
FUEL CONSUMPTION, WARM UP THE
ENGINE BY RIDING THE FIRST KILO-
METRES AT A LIMITED SPEED.
Hou minstens één remhendel
geactiveerd, en geef geen gas
tot het vertrek.
LET OP
VERTREK NIET BRUUSK WANNEER
DE MOTOR KOUD STAAT.
OM DE EMISSIE VAN VERVUILENDE
STOFFEN IN DE LUCHT EN HET
BRANDSTOFVERBRUIK TE BEPER-
KEN, RAADT MEN AAN OM DE MO-
TOR OP TE WARMEN, DOOR DE
EERSTE KILOMETERS AF TE LEG-
GEN AAN EEN BEPERKTE SNELHEID.
03_08
To set off: t
Release the throttle grip
«2» (pos. A), operate the rear
brake and take the scooter off
the stand.
Get on the vehicle and, for sta-
bility reasons, keep at least one
foot on the ground.
Adjust the rear-view mirrors an-
gle correctly.
Om te vertrekken:
Laat het gashandvat los
«2» (pos.A), activeer de achter-
rem en laat het voertuig op de
standaard zakken.
Ga op het voertuig zitten, en hou
voor de stabiliteit minstens één
voet op de grond.
Regel de correcte helling van de
achteruitkijkspiegeltjes.
52
3 Use / 3 Gebruik
03_09
CAUTION
WITH THE VEHICLE AT A STAND-
STILL, PRACTICE USING THE REAR-
VIEW MIRRORS. THE MIRROR RE-
FLECTING SURFACE IS CONVEX SO
OBJECTS MAY SEEM FARTHER
THAN THEY REALLY ARE. THESE
MIRRORS OFFER A WIDE-ANGLE
VIEW AND ONLY EXPERIENCE
HELPS YOU JUDGE THE DISTANCE
SEPARATING YOU AND THE VEHI-
CLE BEHIND.
LET OP
WANNEER HET VOERTUIG STIL-
STAAT, PROBEERT MEN REEDS OM
AAN DE ACHTERUITKIJKSPIEGEL-
TJES GEWOON TE RAKEN. HET RE-
FLECTERENDE OPPERVLAK IS
ROND, DAAROM LIJKEN DE VOOR-
WERPEN VERDER DAN DAT ZE WER-
KELIJK ZIJN. DEZE SPIEGELTJES
BIEDEN EEN GROOTHOEKIG BEELD,
EN ENKEL ERVARING MAAKT HET IN-
SCHATTEN MOGELIJK VAN DE AF-
STAND VAN DE VOERTUIGEN DIE
VOLGEN.
03_10
Release the brake lever and ac-
celerate, gradually twisting the
throttle grip; the scooter starts
moving forward.
Laat de remhendel los en geef
gas, door matig aan het gas-
handvat te draaien; het voertuig
zal beginnen te rijden.
53
3 Use / 3 Gebruik
03_11
CAUTION
NEVER ACCELERATE AND DECEL-
ERATE REPEATEDLY AND CONTINU-
OUSLY AS YOU MAY INADVERTENT-
LY LOSE CONTROL OF YOUR
VEHICLE.
IF YOU HAVE TO BRAKE, DECELER-
ATE AND OPERATE BOTH BRAKES
TO OBTAIN A UNIFORM BRAKING,
CAREFULLY ACTIVATING THE
BRAKING PARTS IN AN ADEQUATE
MANNER.
OPERATING ONLY EITHER THE
FRONT OR THE REAR BRAKE SIG-
NIFICANTLY DECREASES THE
BRAKING POWER AND A WHEEL
MAY GET BLOCKED RESULTING IN
LACK OF GRIP. IN CASE OF STOP IN
ASCENT, FULLY DECELERATE AND
ONLY USE THE BRAKES TO KEEP
LET OP
NIET HERHAALDELIJK EN VOORT-
DUREND GAS GEVEN EN VERTRA-
GEN, OMDAT MEN DE CONTROLE
OVER HET VOERTUIG ONOPZETTE-
LIJK KAN VERLIEZEN.
WANNEER MEN REMT, VERTRAAGT,
OF BEIDE REMMEN ACTIVEERT OM
UNIFORM TE VERTRAGEN, DOSEERT
MEN OP GESCHIKTE WIJZE DE DRUK
OP DE REMMEN.
WANNEER MEN ENKEL DE VOOR-
REM OF DE ACHTERREM ACTI-
VEERT, VERMINDERT MEN DE REM-
KRACHT AANZIENLIJK, EN LOOPT
MEN HET RISICO DAT EEN WIEL
BLOKKEERT, MET ALS GEVOLG HET
VERLIES VAN GRIP. WANNEER MEN
MOET STOPPEN OP EEN HELLING,
VERTRAAGT MEN VOLLEDIG EN GE-
54
3 Use / 3 Gebruik
THE VEHICLE STOPPED. USING THE
ENGINE TO KEEP THE SCOOTER
STOPPED MAY CAUSE THE VARIA-
TOR TO OVERHEAT.
BRUIKT MEN ENKEL DE REMMEN OM
HET VOERTUIG STIL TE LATEN
STAAN. WANNEER ME DE MOTOR
GEBRUIKT OM HET VOERTUIG STIL
TE LATEN STAAN, KAN DE VARIA-
TOR OVERVERHIT RAKEN.
CAUTION
BEFORE GETTING INTO A BEND, RE-
DUCE SPEED OR BRAKE; WHILE
BENDING, RIDE AT THE SAME MOD-
ERATE AND CONSTANT SPEED OR
SLIGHTLY ACCELERATE; DO NOT
BRAKE IN EXCESS: THERE IS HIGH
RISK OF SKIDDING.
BRAKING CONTINUOUSLY WHILE
GOING DOWNHILL MAY RESULT IN
FRICTION GASKET OVERHEATING
AND CONSEQUENTLY IN POOR
BRAKING. TAKE ADVANTAGE OF
THE ENGINE COMPRESSION USING
THE BRAKES ALTERNATIVELY.
WHEN GOING DOWNHILL NEVER
RIDE WITH THE ENGINE OFF. WHEN
RIDING ON WET SURFACES OR WITH
POOR GRIP (SNOW, ICE, MUD, ETC.)
AT A MODERATE SPEED AVOIDING
SUDDEN BRAKING OR MANOEU-
VRES THAT MAY LEAD TO LACK OF
GRIP AND CONSEQUENTLY TO
FALLS. PAY ATTENTION TO OBSTA-
CLES ON OR VARIATIONS IN THE
LET OP
VOORALEER MEN EEN BOCHT
NEEMT, VERMINDERT MEN SNEL-
HEID OF REMT MEN, ZODAT MEN DE
BOCHT MET GEMATIGDE EN CON-
STANTE SNELHEID OF LICHT VER-
TRAAGD INGAAT; VERMIJDT OM
HARD TE REMMEN: HET IS GOED MO-
GELIJK DAT MEN GAAT SCHUIVEN.
WANNEER MEN TIJDENS EEN DA-
LING VOORTDUREND REMT, KUN-
NEN DE WRIJVINGSPAKKINGEN
OVERVERHIT RAKEN, ZODAT DE
DOELTREFFENDHEID VAN HET REM-
MEN VERMINDERT. GEBRUIK DE
COMPRESSIE VAN DE MOTOR, DOOR
PERIODIEK GEBRUIK TE MAKEN VAN
BEIDE REMMEN. TIJDENS EEN DA-
LING MAG MEN NIET RIJDEN MET DE
MOTOR UIT. OP EEN NATTE ONDER-
GROND, OF ALLESZINS MET WEINIG
GRIP (SNEEUW, IJS, MODDER, ENZ),
RIJDT MEN MET EEN GEMATIGDE
SNELHEID, EN VERMIJDT MEN OM
BRUUSK TE REMMEN EN OM MA-
55
3 Use / 3 Gebruik
ROAD SURFACE. UNEVEN ROADS,
RUTS, DRAINS, TRAFFIC SIGNS
PAINTED ON THE ROADS, PIPE-
WORK METAL SHEETS MAY BE-
COME SLIPPERY WHEN IT RAINS.
CROSS OVER THEM WITH EXTREME
CAUTION, RIDE CAREFULLY AND IN-
CLINE THE SCOOTER THE LEAST
POSSIBLE.
NOEUVRES UIT TE VOEREN DIE
GRIPVERLIES VEROORZAKEN, EN
DUS HET VALLEN TOT GEVOLG HEB-
BEN. LET OP VOOR EENDER WELK
OBSTAKEL OF VERANDERING VAN
DE GEOMETRIE VAN HET WEGDEK.
ONVERHARDE WEGEN, RAILS, PUT-
DEKSELS, GESCHILDERDE SIGNA-
LERINGEN OP HET WEGDEK EN ME-
TALEN PLATEN VAN WERVEN WOR-
DEN GLAD WANNEER HET REGENT,
EN DAAROM MOETEN DEZE ZEER
VOORZICHTIG WORDEN BENADERD,
EN MAG MEN NIET BRUUSK RIJDEN
EN ZO WEINIG MOGELIJK HET VOER-
TUIG DOEN HELLEN.
Difficult start up
The fuel supply system can control igni-
tion based on the engine condition (hot/
cold) or the ambient temperature and
pressure.
Moeilijke start
De voedingsinstallatie van het voertuig is
in staat om het starten te beheren op ba-
sis van de staat van de motor (koud/
warm) én in functie van de omgevings-
temperatuur en -druk.
56
3 Use / 3 Gebruik
03_12
03_13
Stopping the engine (03_12)
Release the throttle grip (pos.
A) and press the brakes gradu-
ally to stop the scooter.
Keep at least one brake operat-
ed for a brief stop.
CAUTION
WHENEVER POSSIBLE, AVOID
ROUGH BRAKING, SUDDEN DECEL-
ERATION AND BRAKING IN EXCESS.
CAUTION
PARK ON SAFE AND LEVEL GROUND
TO PREVENT THE VEHICLE FROM
FALLING.
Het stilleggen van de motor
(03_12)
Laat het gashandvat los (pos.
A) en activeer geleidelijk de
remmen om de beweging van
het voertuig te stoppen.
Tijdens een momentele pauze,
moet men minstens één rem ac-
tiveren.
LET OP
VERMIJD INDIEN MOGELIJK OM
BRUUSK TE STOPPEN, ONVER-
WACHTS TE VERTRAGEN EN HARD
TE REMMEN.
57
3 Use / 3 Gebruik
DO NOT LEAN THE VEHICLE ON A
WALL OR LAY ON THE GROUND.
MAKE SURE THE VEHICLE AND SPE-
CIALLY ITS HOT PARTS DO NOT
POSE ANY RISK TO PEOPLE OR
CHILDREN. DO NOT LEAVE YOUR VE-
HICLE UNATTENDED WITH THE EN-
GINE ON OR THE KEY IN THE IGNI-
TION SWITCH.
DO NOT SEAT ON THE VEHICLE
WHEN THE STAND IS LOWERED.
LET OP
PARKEER HET VOERTUIG OP EEN
VASTE EN VLAKKE ONDERGROND,
ZODAT HET NIET VALT.
LAAT HET VOERTUIG NIET STEUNEN
TEGEN MUREN, EN LEG HET NIET OP
DE GROND.
CONTROLEER OF HET VOERTUIG,
EN VOORAL DE GLOEIEND HETE DE-
LEN ERVAN, NIET GEVAARLIJK ZIJN
VOOR PERSONEN EN KINDEREN.
LAAT HET VOERTUIG NIET ONBE-
WAAKT ACHTER MET DE MOTOR
AAN, OF MET DE SLEUTEL IN DE
ONTSTEKINGSSCHAKELAAR.
GA NIET OP HET VOERTUIG ZITTEN
WANNEER DE STANDAARD UITGE-
KLAPT IS.
Stop the vehicle.
Set the engine stop switch «1»
to OFF.
Turn the key «2» and set the ig-
nition switch «3» to OFF.
Rest the scooter on its stand.
Block the steering and pull out
the key.
Stop het voertuig.
Plaats de schakelaar voor het
stilleggen van de motor «1» op
OFF.
Draai aan de sleutel «2» en
plaats de ontstekingsschake-
laar «3» op OFF.
Plaats het voertuig op de stan-
daard.
Blokkeer de stuurinrichting en
verwijder de sleutel.
58
3 Use / 3 Gebruik
CAUTION
WHEN THE ENGINE IS OFF AND THE
IGNITION SWITCH IS SET TO «ON»
THE BATTERY CAN GET DIS-
CHARGED.
CAUTION
DO NOT LEAVE THE KEY INSERTED
IN THE IGNITION SWITCH.
LET OP
MET DE MOTOR UIT EN DE ONTSTE-
KINGSSCHAKELAAR IN POSITIE ON,
KAN DE ACCU ONTLADEN.
LET OP
LAAT DE SLEUTEL NIET IN DE ONT-
STEKINGSSCHAKELAAR.
Catalytic silencer
Vehicle owners are warned that the law
may prohibit the following:
the removal of any device or el-
ement belonging to a new scoot-
er or any other action by anyone
leading to render it non-operat-
ing, if not for maintenance, re-
pair or replacement reasons, in
order to control noise emission
before the sale or delivery of the
vehicle to the ultimate buyer or
while it is used;
using the scooter after that de-
vice or element has been re-
moved or rendered non-operat-
ing.
Check the muffler/exhaust silencer and
the silencer pipes, make sure there are
Katalysator
Men waarschuwt de eigenaar van het
voertuig dat de wet het volgende kan ver-
bieden:
de verwijdering en elke daad
voor het niet operationeel ma-
ken, door eender wie, ware het
niet voor onderhoudshandelin-
gen, herstellingen of vervan-
ging, eender welk mechanisme
of samenstellend ingebouwd
element van een nieuw voertuig,
voor het controleren van lawaai
vóór verkoop of levering van het
voertuig aan de koper of terwijl
het wordt gebruikt;
het gebruik van het voertuig na-
dat dit mechanisme of samen-
stellend element werd verwij-
derd of niet-operationeel werd
gemaakt.
59
3 Use / 3 Gebruik
no signs of rust or holes and that the ex-
haust system works properly.
If exhaust noise increases, take your
scooter at once to an Official aprilia
Dealer.
NOTE
DO NOT TAMPER WITH THE EX-
HAUST SYSTEM.
Controleer de uitlaat/knaldemper van de
uitlaat en de buizen van de knaldemper,
en controleer of er geen roest of boringen
zijn en of het uitlaatsysteem correct
werkt.
Wanneer het lawaai van het uitlaatsys-
teem verhoogt, contacteert men onmid-
dellijk een Officiële aprilia Dealer.
N.B.
HET IS VERBODEN OM TE KNOEIEN
AAN HET UITLAATSYSTEEM.
03_14
Stand (03_14, 03_15)
The rotation of the stand "1" should be
free of obstacles.
Carry out the following checks:
The springs "2" should not be
damaged, worn, rusty or slack-
en.
The stand should turn freely,
grease the joint if necessary.
NOTE
THE FOLLOWING INFORMATION RE-
FERS TO ONE STAND BUT IS VALID
FOR BOTH.
Standaard (03_14, 03_15)
De rotatie van de standaard «1» mag niet
worden belet.
Voer de volgende controles uit:
De veren «2» mogen niet be-
schadigd, versleten, verroest of
verzwakt zijn.
De standaard moet vrij draaien;
vet eventueel het kogelgewricht
in.
N.B.
DE VOLGENDE INFORMATIE BE-
TREFT EEN ENKELE STANDAARD,
MAAR IS GELDIG VOOR BEIDE.
60
3 Use / 3 Gebruik
03_15
RESTING THE VEHICLE ON ITS
STAND
Centre stand
Hold the left handgrip «4» and
the passenger handgrip «5».
Push the stand lever «6».
Side stand
Hold the left handgrip «4» and
the passenger handgrip «5».
Push the side stand «7» with
your right foot to fully lower it.
Tilt the vehicle until the stand
touches the ground.
Turn the handlebar fully left-
wards.
CAUTION
MAKE SURE THE VEHICLE IS STA-
BLE.
PLAATSING VAN HET VOERTUIG OP
DE STANDAARD
Centrale standaard
Grijp het linker handvat «4» en
de handgreep van de passagier
«5» vast.
Duw op de hendel van de stan-
daard «6».
Laterale standaard
Grijp het linker handvat «4» en
de handgreep van de passagier
«5» vast.
Duw op de laterale standaard
«7» met de rechter voet, en klap
hem volledig uit.
Hel het voertuig tot de stan-
daard de grond raakt.
Draai het stuur helemaal naar
links.
LET OP
CONTROLEER DE STABILITEIT VAN
HET VOERTUIG.
Suggestions to prevent theft
NEVER leave the ignition key in the lock
and always use the steering lock.
Tips tegen diefstal
Laat de ontstekingssleutel NOOIT achter
op het voertuig, en gebruik steeds het
stuurslot.
61
3 Use / 3 Gebruik
Park the scooter in a safe place such as
a garage or a place with guards.
Whenever possible, use the aprilia
"Bodyguard" armoured cable or an addi-
tional antitheft device.
Make sure all vehicle documents are in
order and the road tax paid.
Write down your personal details and tel-
ephone number on this page to help iden-
tifying the owner in case of vehicle
retrieval after a theft.
LAST
NAME: ...............................................
NAME: ....................................................
...
AD-
DRESS: ...............................................
................................................................
...
TELEPHONE
No: ....................................
CAUTION
DO NOT USE DISC LOCKING DEVI-
CES. FAILURE TO OBSERVE THIS
WARNING MAY CAUSE SERIOUS
DAMAGE TO THE BRAKING SYSTEM
AND ACCIDENTS RESULTING IN
PHYSICAL INJURIES OR EVEN
DEATH.
Parkeer het voertuig op een veilige
plaats, indien mogelijk in een garage of
een bewaakte plaats.
Gebruik wanneer mogelijk de speciale
gepantserde kabel "Body-Guard" van
aprilia, of een extra antidiefstalmechanis-
me.
Controleer of de documenten en de ver-
keersbelasting in orde zijn.
Schrijf uw gegevens en telefoonnummer
op deze pagina, om de identificatie van
de eigenaar te vergemakkelijken in geval
van het terugvinden van het voertuig na
diefstal.
NAAM: ...............................................
VOOR-
NAAM: ....................................................
...
ADRES: ................................................
................................................................
...
TELEFOONNUM-
MER: ....................................
LET OP
GEBRUIK GEEN SCHIJFBLOKKE-
RINGSMECHANISMEN. HET NIET
RESPECTEREN VAN DEZE WAAR-
SCHUWING KAN ERNSTIGE SCHADE
VEROORZAKEN AAN DE REMIN-
STALLATIE EN ONGELUKKEN VER-
OORZAKEN, MET LETSELS EN ZELFS
DE DOOD ALS GEVOLG.
62
3 Use / 3 Gebruik
NOTE
IN MANY CASES, STOLEN VEHICLES
CAN BE IDENTIFIED THROUGH DATA
INDICATED IN THE USE AND MAINTE-
NANCE BOOKLET.
N.B.
IN VEEL GEVALLEN WORDEN GE-
STOLEN VOERTUIGEN GEÏDENTIFI-
CEERD DOOR MIDDEL VAN DE GE-
GEVENS IN HET GEBRUIKS- EN
ONDERHOUDSBOEKJE.
03_16
03_17
Safe driving (03_16, 03_17,
03_18, 03_19, 03_20, 03_21,
03_22, 03_23, 03_24, 03_25,
03_26, 03_27)
MAIN SAFETY RULES
To ride the vehicle it is necessary to com-
ply with all legal requirements (driving
license, minimum driving age, psycho-
physical performance, insurance, taxes
and fees, registration, license plate, etc.).
You should practise using the vehicle in
traffic-free areas and/or private property
until you have become thoroughly ac-
quainted with the vehicle.
Driving under the influence of medica-
tion, alcohol and narcotic drugs or psy-
chotropic substances dramatically in-
creases the risk of accidents.
Do not ride your vehicle if you feel tired or
drowsy and always keep safe psycho-
physical riding conditions.
The main cause of motorcycle accidents
is users' inexperience.
Het veilig rijden (03_16, 03_17,
03_18, 03_19, 03_20, 03_21,
03_22, 03_23, 03_24, 03_25,
03_26, 03_27)
FUNDAMENTELE VEILIGHEIDSRE-
GELS
Om met het voertuig te rijden moet men
beschikken over alle door de wet voor-
ziene vereisten (rijbewijs, minimum leef-
tijd, psychofysische geschiktheid, verze-
kering, overheidsbelasting, registratie,
nummerplaat, enz.).
Men raadt aan om het voertuig gewoon
te raken in zones met weinig verkeer en/
of in private eigendommen.
Rijden onder invloed van medicijnen, al-
cohol, verdovende of psychotrope mid-
delen verhoogt aanzienlijk het risico op
ongevallen.
Men moet er zeker van zijn dat de psy-
chofysische condities geschikt zijn voor
het rijden, met vooral aandacht voor fysi-
sche moeheid of slaperigheid.
63
3 Use / 3 Gebruik
03_18
NEVER lend the vehicle to beginners and
always make sure that the rider complies
with all necessary requirements for a safe
riding.
Strictly obey all national and local traffic
signs and rules.
Avoid any abrupt and dangerous
swerves for your own as well as others'
safety (for example: rearing up on the
back wheel, riding over the speed limit,
etc.). Besides, always assess and bear in
mind the road surface conditions, visibil-
ity, etc.
Do not knock obstacles that can damage
the vehicle or cause loss of control.
Do not ride on the course of the vehicle
in front just to improve your own speed.
CAUTION
ALWAYS RIDE WITH BOTH HANDS
ON THE HANDLEBAR AND FEET ON
THE FOOTRESTS (OR THE RIDER' S
FOOTRESTS) IN THE ADEQUATE RID-
ING POSITION.
De meeste ongevallen zijn te wijten aan
het gebrek aan ervaring van de bestuur-
der.
Leen het voertuig NOOIT aan beginners,
en controleer in elk geval of de bestuur-
der in het bezit is van alle vereisten voor
het rijden.
Respecteer nauwkeurig de bewegwijze-
ring en het normenstelsel in verband met
het nationale en plaatselijk verkeer.
Vermijdt bruuske en gevaarlijke manoeu-
vres voor zichzelf en voor anderen (voor-
beeld: het steigeren, het niet naleven van
de snelheidslimieten, enz.), bovendien
moet men steeds rekening houden met
de condities van het wegdek, de zicht-
baarheid, enz.
Stoot niet tegen obstakels die schade
aan het voertuig of controleverlies over
het voertuig kunnen veroorzaken.
Blijf niet achter voertuigen rijden om de
eigen snelheid te verhogen.
LET OP
RIJ STEEDS MET BEIDE HANDEN OP
HET STUUR EN DE VOETEN OP HET
VOETENVLAK (OF OP DE VOETEN-
STEUNEN VAN DE BESTUURDER),
EN BEHOU EEN CORRECTE RIJPOSI-
TIE.
64
3 Use / 3 Gebruik
03_19
03_20
03_21
Never stand on your feet or stretch your-
self while riding.
The rider should always be attentive,
never get distracted or influenced by peo-
ple, things or actions (never smoke, eat,
drink, read, etc.) while riding.
Always use fuel and lubricants specific
for the vehicle, of the type recommended
in the "LUBRICANTS TABLE". Check
fuel, oil and coolant frequently for correct
level.
In case of an accident or after the vehicle
has fallen down or suffered a sudden
bump, make sure the control levers, pip-
ing, cables, brake circuit and main parts
of the vehicle have not been damaged.
If necessary, take the vehicle to an Offi-
cial aprilia Dealer to check especially the
frame, handlebar, suspensions, safety
components and any device the user
cannot assess without the aid of a spe-
cialist.
Report any malfunction to the engineers
and/or mechanics in order to facilitate
their work.
Never ride the vehicle if the damage jeop-
ardises safety.
Do not modify the position, angle or col-
our of: license plate, turn indicators, light-
ing devices and horn.
Any changes to the vehicle will void the
warranty.
Vermijdt absoluut om recht te staan op
het voertuig en om zich uit te rekken tij-
dens het rijden.
De bestuurder mag niet afgeleid zijn, zich
niet laten afleiden of niet laten beïnvloe-
den door personen, voorwerpen, acties
(niet eten, roken, drinken, lezen, enz.)
wanneer hij met het voertuig rijdt.
Gebruik de brandstof en specifieke
smeermiddelen voor het voertuig, van
het type dat men vindt in de "TABEL VAN
DE SMEERMIDDELEN", controleer her-
haaldelijk of de voorgeschreven peilen
van brandstof, olie en koelvloeistoffen
correct zijn.
Wanneer het voertuig een ongeval heeft
gehad, gevallen is of er werd tegen ge-
stoten, controleert men of de comman-
dohendels, de buizen, de kabels, de
reminstallatie en de fundamentele delen
niet zijn beschadigd.
Laat het voertuig eventueel controleren
bij een Officiële aprilia Dealer, door voor-
al aandacht te schenken voor het frame,
het stuur, de ophangingen, de veilig-
heidsonderdelen en mechanismen waar-
voor de gebruiker niet in staat is om hun
integriteit vast te stellen.
Meldt eender welke slechte werking om
de ingreep van techniekers en/of mecha-
niciens te bevorderen.
Rij absoluut niet met het voertuig wan-
neer de aangebrachte schade de veilig-
heid schaadt.
65
3 Use / 3 Gebruik
Any change introduced to the vehicle and
the removal of original parts may jeop-
ardise the vehicle performance and
therefore reduce safety or even render
the vehicle inappropriate for legal riding.
Comply with all national and local laws
and regulations on vehicle equipment.
In particular do not introduce technical
changes leading to improve performance
and under no circumstances alter the
original specifications of the vehicle.
Never race with vehicles.
Never ride off-road.
Wijzig absoluut niet de positie, de helling
of de kleur van: de nummerplaat, de rich-
tingaanwijzers, de verlichtingsmechanis-
men en de akoestische melders.
Wanneer men wijzigingen uitvoert aan
het voertuig, vervalt de garantie.
Elke eventuele aan het voertuig aange-
brachte wijziging en de verwijdering van
originele stukken, kan de prestaties van
het voertuig schaden, en dus het veilig-
heidsniveau schaden en het voertuig
zelfs illegaal maken.
Men raadt aan om zich steeds te houden
aan alle wetsvoorschriften en nationale
en plaatselijke reglementen in verband
met de uitrusting van het voertuig.
Men moet vooral vermijden om techni-
sche wijzigingen aan te brengen voor het
verhogen van de prestaties, of die alles-
zins de originele kenmerken van het
voertuig wijzigen.
Vermijdt absoluut om wedstrijden te hou-
den met de voertuigen.
Vermijdt om te crossen.
66
3 Use / 3 Gebruik
03_22
03_23
CLOTHING
Before riding off, remember to put on the
helmet and fasten it correctly. Make sure
it is a homologated model, that it is un-
damaged, of the right size and that the
visor is clean.
Wear appropriate protective clothes,
preferably light-coloured and/or in reflec-
tive material. In this way you will be easily
visible to other drivers, thus reducing the
risk of being hit, and you will be better
protected in case of falling.
Always wear tight-fitting clothes without
open cuffs; avoid hanging strings, belts or
ties; these or any other objects should not
interfere with a safe riding when getting
entangled with the riding elements or due
to a special movement.
Never carry in your pockets objects that
can be potentially dangerous in case of
fall, like: pointed objects such as keys,
pens, glass containers, etc. (the same
rule applies to passengers).
KLEDING
Vooraleer men gaat rijden denkt men er-
aan om steeds en correct de helm op te
zetten en vast te maken. Controleer of hij
gehomologeerd en integer is, of de maat
juist is en of het visier rein is.
Draag beschermende kleding, indien mo-
gelijk met een lichte en/of reflecterende
kleur. Op deze manier is men goed zicht-
baar voor andere weggebruikers en ver-
mindert men aanzienlijk het risico op
aanrijdingen, en is men beter beschermd
wanneer men valt.
De kleding moet goed aansluiten en de
uiteinden moeten gesloten zijn; koorden,
ceinturen en dassen mogen niet benge-
len; vermijdt dat deze of andere voorwer-
pen interfereren met het rijden, doordat
ze verstrengd raken met bewegende on-
derdelen of ander delen.
Hou geen voorwerpen bij zich, die moge-
lijk gevaarlijk zijn wanneer men valt, bij-
voorbeeld: puntige voorwerpen zoals
sleutels, pennen, glazen voorwerpen,
enz. (dit advies geldt eveneens voor de
eventuele passagier).
67
3 Use / 3 Gebruik
03_24
ACCESSORIES
User is personally responsible for the in-
stallation and use of the accessories.
While assembling accessories, make
sure that they do not cover the sound or
light alarm devices or affect their correct
functioning, do not limit the suspension
travel or the steering angle, do not ob-
struct control actuation or reduce the
ground clearance and inclination angle at
corners.
Do not use accessories that hinder ac-
cess to the controls as they may increase
the reaction time in case of an emergen-
cy.
Fairings and large windshields fitted to
the vehicle may cause aerodynamic
forces that affect the vehicle stability
while riding, mainly at high speeds.
Make sure the accessory is firm and se-
cured to the vehicle and that it does not
pose any risks while riding the vehicle.
Do not add or modify electrical equipment
that exceed the vehicle capacity as this
may result in a sudden stop or a danger-
ous lack of power required to keep the
sound and light alarm devices operative.
aprilia advises using original accesso-
ries (aprilia genuine accessories).
ACCESSOIRES
De gebruiker is verantwoordelijk voor de
keuze van de installatie en het gebruik
van de accessoires.
Men raadt aan tijdens de montage, dat
het accessoire de mechanismen van het
akoestisch en visief melden niet bedekt
en dus de functionaliteit ervan schaadt,
de werking van de ophangingen en de
hoek van sturing niet beperkt, de active-
ring van de commando´s niet hindert, en
de hoogte van de grond en de helhoek in
een bocht niet vermindert.
Vermijdt het gebruik van accessoires die
de toegang tot de commando´s hinderen,
en die dus de reactietijden bij nood kun-
nen verlengen.
De bekledingen en de windschermen
met grote afmetingen, die gemonteerd
zijn op het voertuig, kunnen aerodynami-
sche krachten veroorzaken die de stabi-
liteit van het voertuig tijdens het rijden
schaden, vooral bij hoge snelheden.
Controleer of het accessoire goed veran-
kerd is op het voertuig en dat het niet
gevaarlijk is tijdens het rijden.
Wijzig of voeg geen elektrische appara-
ten toe die het draagvermogen van het
voertuig overschrijden; op deze wijze zou
het voertuig onverwacht kunnen stilvallen
of zou er een gevaarlijke afwezigheid van
stroom kunnen zijn, die nodig is voor de
68
3 Use / 3 Gebruik
werking van de akoestische en visieve
meldingsmechanismen.
aprilia raadt het gebruik aan van origine-
le accessoires (aprilia genuine accesso-
ries).
03_25
03_26
LOADING
Do not overload your vehicle. Keep pack-
ages as close as possible to the vehicle
centre of gravity and distribute load even-
ly on both sides to minimise imbalance.
Check also that the load is firm and se-
cured to the vehicle, mainly for long trips.
Do not hang anything from your vehicle's
handlebars, mudguards or forks, such as
protruding, bulky, heavy and/or danger-
ous objects: this will slow the vehicle per-
formance when turning and will upset the
handling of your vehicle.
Do not carry packages that protrude from
vehicle sides as this may hit people or
objects and result in loss of control of your
vehicle.
Never carry packages that are not se-
curely fastened to the vehicle.
Do not carry packages that protrude from
the luggage rack or which cover any of
the sound and light alarm devices.
Never carry animals or small children on
the glove-box or the luggage rack.
Never exceed the maximum weight al-
lowed for each luggage rack.
BELASTING
Wees voorzichtig en matig bij het laden
van bagage. Men moet de bagage zo
dicht mogelijk bij het zwaartepunt van het
voertuig laden en uniform verdelen op de
twee kanten, om elke onbalans zo klein
mogelijk te houden. Controleer boven-
dien of de lading goed is verankerd op het
voertuig, vooral tijdens lange reizen.
Bevestig absoluut geen plaatsinnemen-
de, volumineuze, zware en/of gevaarlijke
voorwerpen aan het stuur, de spatborden
en de vorken: dit kan het voertuig vertra-
gen in bochten, en dus de handelbaar-
heid ervan schaden.
Plaats op de kanten van het voertuig
geen plaatsinnemende bagage, omdat
dit personen of obstakels zou kunnen
aanstoten, en dus controleverlies over
het voertuig zou kunnen veroorzaken.
Vervoer geen bagage die niet stevig is
bevestigd aan het voertuig.
Vervoer geen bagage die ver uit de ba-
gagedrager steekt, of die de akoestische
en visieve verlichtingsmechanismen be-
dekt.
69
3 Use / 3 Gebruik
03_27
Overloading the vehicle may result in lack
of stability and poor handling.
Vervoer geen dieren of kinderen op de
documentenhouder of bagagedrager.
Overschrijdt de maximum limiet van het
vervoerbare gewicht niet voor elke baga-
gedrager.
De overbelasting van het voertuig
schaadt de stabiliteit en de handelbaar-
heid.
70
3 Use / 3 Gebruik
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC
500 SPRINT
Chap. 04
Maintenance
Hst. 04
Onderhoud
71
Engine oil level
Check engine oil level frequently.
See the Scheduled maintenance chart
for engine oil checking and changing.
Take your scooter to an Official aprilia
Dealer to carry out the replacement.
CAUTION
HANDLING OIL FOR PROLONGED PE-
RIODS AND ON A REGULAR BASIS
CAN CAUSE SERIOUS SKIN DAM-
AGE.
WASH YOUR HANDS CAREFULLY
AFTER HANDLING OIL.
WHEN CARRYING OUT MAINTE-
NANCE OPERATIONS, IT IS ADVISA-
BLE TO WEAR LATEX GLOVES.
KEEP OUT OF THE REACH OF CHIL-
DREN
DO NOT DISPOSE OF OIL INTO THE
ENVIRONMENT.
CAUTION
PROCEED WITH CAUTION.
DO NOT SPILL OIL.
Peil van de motorolie
Controleer regelmatig het peil van de mo-
torolie.
Voor de controle en de vervanging van de
motorolie raadpleegt men de Tabel van
het geprogrammeerd onderhoud.
Voor de vervanging wendt men zich tot
een Officiële aprilia Dealer
LET OP
DE OLIE KAN ERNSTIGE SCHADE
VEROORZAKEN AAN DE HUID, IN-
DIEN LANG EN DAGELIJKS GEHAN-
TEERD.
MEN RAADT AAN OM DE HANDEN
ZORGVULDIG TE WASSEN NA HET
HANTEREN VAN OLIE.
BIJ ONDERHOUDSHANDELINGEN
RAADT MEN AAN OM LATEX HAND-
SCHOENEN TE GEBRUIKEN.
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN
HOUDEN
LOOS DE OLIE NIET IN HET MILIEU.
LET OP
WEES VOORZICHTIG BIJ HET GE-
BRUIK.
72
4 Maintenance / 4 Onderhoud
BE CAREFUL NOT TO DIRTY COMPO-
NENTS, THE WORKING OR SUR-
ROUNDING AREA.
THOROUGHLY WASH OUT ANY OIL
TRACE.
IN THE EVENT OF OIL LEAKS OR
MALFUNCTIONING, TAKE YOUR VE-
HICLE TO AN Official aprilia Dealer.
NOTE
DO NOT EXCEED THE "MAX" MARK
WHEN TOPPING-UP ENGINE OIL.
NOTE
USE OIL OF THE TYPE SPECIFIED IN
THE RECOMMENDED PRODUCTS TA-
BLE.
GIET DE OLIE NIET UIT.
DRAAG ZORG OM GEEN ENKEL ON-
DERDEEL, OM DE ZONE WAARIN
MEN WERKT, EN OM OMLIGGENDE
ZONES NIET TE BESMEUREN.
REINIG ZORGVULDIG ELK EVENTU-
EEL OLIESPOOR.
BIJ OLIELEKKEN OF EEN SLECHTE
WERKING WENDT MEN ZICH TOT
EEN Officiële aprilia Dealer.
N.B.
BIJ HET BIJVULLEN VAN MOTOR-
OLIE RAADT MEN AAN OM HET
"MAX" PEIL NIET TE OVERSCHRIJ-
DEN.
N.B.
GEBRUIK OLIE VAN HET TYPE DAT
MEN VINDT IN DE TABEL VAN DE
AANBEVOLEN PRODUCTEN.
73
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_01
Engine oil level check (04_01,
04_02)
Rest the vehicle on its centre
stand.
CAUTION
PARK THE VEHICLE ON SAFE AND
LEVEL GROUND.
CAUTION
THE ENGINE AND THE EXHAUST
SYSTEM COMPONENTS CAN GET
VERY HOT AND REMAIN SO FOR
SOME TIME EVEN AFTER THE EN-
GINE IS TURNED OFF. WEAR INSU-
LATING GLOVES BEFORE HANDLING
THESE PARTS OR WAIT UNTIL THE
ENGINE AND THE EXHAUST SYSTEM
COOL DOWN.
Controle van het peil van de
motorolie (04_01, 04_02)
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
LET OP
PLAATS HET VOERTUIG OP EEN
VASTE EN VLAKKE ONDERGROND.
LET OP
DE MOTOR EN DE ONDERDELEN VAN
DE UITLAATINSTALLATIE WORDEN
ZEER WARM EN BLIJVEN WARM
VOOR EEN ZEKERE PERIODE, OOK
NADAT DE MOTOR WORDT UITGE-
ZET. VOORALEER MEN DEZE ON-
DERDELEN HANTEERT, DRAAGT
MEN ISOLERENDE HANDSCHOE-
NEN, OF WACHT MEN TOT DE MO-
TOR EN DE UITLAATINSTALLATIE
AFGEKOELD ZIJN.
74
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_02
Stop the engine and let it cool off
so that the oil in the crankcase
flows down and cools as well.
NOTE
FAILURE TO FOLLOW THESE OPER-
ATIONS MAY RESULT IN AN INCOR-
RECT READING OF THE ENGINE OIL
LEVEL.
Leg de motor stil en laat hem af-
koelen, om de drainage van de
olie in de carter en de afkoeling
van de olie zelf toe te staan.
N.B.
WANNEER MEN VOORAFGAANDE
HANDELINGEN NIET UITVOERT, KAN
HET ZIJN DAT MEN EEN FOUTE OP-
METING UITVOERT VAN HET PEIL
VAN DE MOTOROLIE.
Unscrew and take out the meas-
uring cap-dipstick «1».
Clean the area in contact with oil
with a clean cloth.
Screw the cap-dipstick «1» fully
down into its tube «
2».
Extract the cap-dipstick «1»
again and read the oil level on
the cap-dipstick:
MAX = maximum level;
MIN = minimum level.
The difference between the «MAX» and
«MIN» levels is about 400 cc.
The level is correct when it is
close to the «MAX» level
marked on the measuring dip-
stick.
Draai de dop-meetstaaf «1» los
en verwijder hem.
Reinig de delen die in contact
komen met de olie met een rein
doek.
Draai de dop-staaf «1» vast in
de inlaatboring «2».
Verwijder de dop-staaf «1» en
lees het peil van de olie op de
staaf:
MAX = maximum peil;
MIN = minimum peil.
Het verschil tussen het «MAX» en het
«MIN» bedraagt ongeveer 400 cc.
Het peil is correct wanneer het
ongeveer het «MAX» peil be-
reikt, dat wordt aangegeven op
de meetstaaf.
Top-up if necessary.
Indien nodig vult men bij.
75
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
IN ORDER TO AVOID DAMAGING THE
ENGINE, OIL LEVEL MUST NEVER EX-
CEED THE «MAX» MARK OR FALL
BELOW THE «MIN» MARK.
LET OP
OVERSCHRIJDT DE MARKERING
«MAX» NIET EN LAAT HET NIET ON-
DER DE MARKERING «MIN» KOMEN,
OM GEEN ERNSTIGE SCHADE AAN
DE MOTOR TE VEROORZAKEN.
Engine oil top-up
Pour a little oil through the dip-
stick tube "2" and wait one mi-
nute so that the oil flows uni-
formly into the crankcase.
Check oil level and top-up if nec-
essary.
Do so with small quantities of oil
at a time until the specified level
is reached.
After finishing this operation,
screw and tighten the tap/dip-
stick "1".
CAUTION
DO NOT RIDE THE VEHICLE WITH IN-
SUFFICIENT LUBRICATION OR WITH
CONTAMINATED OR INCORRECT LU-
BRICANTS AS THIS ACCELERATES
THE WEAR AND TEAR OF THE MOV-
Het bijvullen van motorolie
Giet een kleine hoeveelheid olie
in de inlaatboring «2» en wacht
ongeveer een minuut tot de olie
uniform binnenin de carter
vloeit.
Voer de controle van het oliepeil
uit, en vul eventueel bij.
Voer het bijvullen uit met kleine
hoeveelheden olie, tot het voor-
geschreven peil wordt bereikt.
Op het einde van de handeling
draait men de dop/staaf «1»
vast en sluit men hem.
LET OP
GEBRUIK HET VOERTUIG NIET MET
ONVOLDOENDE SMERING OF MET
VERONTREINIGDE OF ONGESCHIK-
TE SMEERMIDDELEN, OMDAT DE BE-
WEGENDE DELEN ERVAN SNELLER
76
4 Maintenance / 4 Onderhoud
ING PARTS AND CAN CAUSE IRRE-
TRIEVABLE DAMAGE.
ZULLEN VERSLIJTEN EN DUS ERN-
STIGE SCHADE KAN TOEBRENGEN.
04_03
04_04
77
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Engine oil change (04_04)
Stop the engine and let it cool
down. This will allow the oil to
settle into the crankcase and
cool down.
Unscrew and take out the meas-
uring tap-dipstick «1».
Unscrew and remove the car-
tridge engine oil filter «3».
CAUTION
RIDING THE VEHICLE WITH INSUFFI-
CIENT LUBRICATION OR CONTAMI-
NATED OR NOT RECOMMENDED LU-
BRICANTS ACCELERATES THE
WEAR AND TEAR OF MOVING PARTS
AND CAN CAUSE IRRETRIEVABLE
DAMAGE.
Vervanging van de motorolie
(04_04)
Leg de motor stil en laat hem af-
koelen, om de drainage van de
olie in de carter en de afkoeling
van de olie zelf toe te staan.
Draai de dop/meetstaaf «1» los
en verwijder deze.
Draai de patroonfilter van de
motorolie «3» los, en verwijder
hem.
LET OP
GEBRUIK HET VOERTUIG NIET MET
ONVOLDOENDE SMERING OF MET
VERONTREINIGDE OF ONGESCHIK-
TE SMEERMIDDELEN, OMDAT DE BE-
WEGENDE DELEN ERVAN SNELLER
ZULLEN VERSLIJTEN EN DUS ERN-
STIGE SCHADE KUNNEN TOEBREN-
GEN.
Unscrew and remove the oil
drainage plug «4» and then
drain all engine oil.
Fit a new oil cartridge filter «3»
and take special care to lubri-
cate with oil the filter sealing O-
rings.
Screw and tighten the engine oil
drainage plug «4».
Draai de afvoerdop van de olie
«4» los, verwijder hem, en laat
alle motorolie volledig uitstro-
men.
Installeer een niewe patroonfil-
ter voor de olie «3», en let op om
de O-ringen voor de dichting
van de filter zelf te smeren met
olie.
Draai de afvoerdop van de mo-
torolie «4» vast en sluit hem.
78
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Refill through the engine oil fill
opening «2».
Screw and tighten the oil level
dipstick «1».
Start the engine and let it run for
several minutes. Stop the en-
gine and let it cool down. Check
engine oil level again using the
dipstick «1» and if necessary
top up but never exceed the
«MAX» level.
Use new oil of the type specified in the
recommended products table at every
top-up or change.
CAUTION
AS USED OIL HAS SUBSTANCES
HARMFUL TO THE ENVIRONMENT,
TAKE YOUR SCOOTER TO AN OFFI-
CIAL APRILIA DEALER TO HAVE THE
OIL CHANGED. THESE CENTRES
CAN CARRY OUT ENVIRONMENTAL-
LY-FRIENDLY DISPOSAL OF USED
OIL IN COMPLIANCE WITH REGULA-
TIONS IN FORCE.
Voer het bijvullen uit langs de
vulboring «2» voor de motorolie.
Draai de peilstaaf van de olie
«1» vast en sluit deze.
Start het voertuig en laat het
voor enkele minuten draaien.
Zet hem af en laat hem afkoe-
len. Voer opnieuw een controle
uit van het peil van de motorolie
met staaf «1», en vul eventueel
bij zonder het «MAX» te over-
schrijden.
Voor het bijvullen en voor de vervan-
ging gebruikt men nieuwe olie van het
type dat wordt aangeduid in de tabel
van de aanbevolen producten.
LET OP
DE GEBRUIKTE OLIE BEVAT GE-
VAARLIJKE STOFFEN VOOR HET MI-
LIEU, EN VOOR DE VERVANGING
VAN DE MOTORLOIE MOET MEN ZICH
DUS WENDEN TOT EEN OFFICIËLE
APRILIA DEALER, DIE DE GEBRUIK-
TE OLIES ZAL VERWERKEN DOOR
DE VAN KRACHT ZIJNDE NORMEN TE
RESPECTEREN.
79
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Hub oil level (04_05, 04_06,
04_07)
Park the scooter on its centre
stand.
CAUTION
PARK THE VEHICLE ON SAFE AND
LEVEL GROUND.
CAUTION
THE ENGINE AND THE EXHAUST
SYSTEM COMPONENTS CAN GET
VERY HOT AND REMAIN SO FOR
SOME TIME EVEN AFTER THE EN-
GINE IS TURNED OFF. WEAR INSU-
LATING GLOVES BEFORE HANDLING
THESE PARTS OR WAIT UNTIL THE
ENGINE AND THE EXHAUST SYSTEM
COOL DOWN.
Oliepeil van de naaf (04_05,
04_06, 04_07)
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
LET OP
PLAATS HET VOERTUIG OP EEN
VASTE EN VLAKKE ONDERGROND.
LET OP
DE MOTOR EN DE ONDERDELEN VAN
DE UITLAATINSTALLATIE WORDEN
ZEER WARM EN BLIJVEN WARM
VOOR EEN ZEKERE PERIODE, OOK
NADAT DE MOTOR WORDT UITGE-
ZET. VOORALEER MEN DEZE ON-
DERDELEN HANTEERT, DRAAGT
MEN ISOLERENDE HANDSCHOE-
NEN, OF WACHT MEN TOT DE MO-
TOR EN DE UITLAATINSTALLATIE
AFGEKOELD ZIJN.
80
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_05
Unscrew and take out the meas-
uring tap-dipstick "1".
Clean the area in contact with oil
with a clean cloth.
Screw the tap-dipstick "1" fully
down into its tube.
Extract the tap-dipstick "1" again
and read the oil level on the tap-
dipstick:
MAX = maximum level;
MIN = minimum level.
The level is correct when it is
close to the «MAX» level
marked on the measuring dip-
stick.
Top up if necessary.
CAUTION
DO NOT GO BEYOND THE MAX AND
BELOW THE MIN LEVEL MARKS TO
AVOID SEVERE ENGINE DAMAGE.
Draai de dop-meetstaaf «1» los
en verwijder hem.
Reinig de delen die in contact
komen met de olie met een rein
doek.
Draai de dop-staaf «1» vast in
de inlaatboring.
Verwijder de dop-staaf «1» op-
nieuw en lees het peil van de
olie op de staaf:
MAX = maximum peil;
MIN = minimum peil.
Het peil is correct wanneer on-
geveer het «MAX» peil wordt
bereikt, aangeduid op de meet-
staaf.
Indien nodig vult men bij.
LET OP
OVERSCHRIJDT DE MARKERING
«MAX» NIET EN LAAT HET NIET ON-
DER DE MARKERING «MIN» KOMEN,
OM GEEN ERNSTIGE SCHADE AAN
DE MOTOR TE VEROORZAKEN.
81
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_06
TOPPING-UP
Pour a small quantity of oil in the
tube and wait about one minute
so that the oil flows evenly into
the crankcase.
Check the oil level and top up, if
necessary.
Top up with small quantities of
oil, until the recommended level
is reached.
At the end of the operation,
screw and tighten the tap-dip-
stick «1».
Use new oil of the type specified in the
recommended products table at every
top-up or change.
CAUTION
RIDING THE VEHICLE WITH INSUFFI-
CIENT LUBRICATION OR CONTAMI-
NATED OR NOT RECOMMENDED LU-
BRICANTS ACCELERATES THE
WEAR AND TEAR OF MOVING PARTS
AND CAN CAUSE IRRETRIEVABLE
DAMAGE.
Recommended products
AGIP GEAR SYNTH SAE 75W-90
Transmission oil
BIJVULLING
Giet een kleine hoeveelheid olie
in de vulboring en wacht onge-
veer één minuut tot de olie uni-
form in de carter kan lopen.
Voer de controle van het peil uit,
en vul eventueel bij.
Voer het bijvullen uit met kleine
hoeveelheden olie, tot het voor-
geschreven peil wordt bereikt.
Na de handeling draait men de
dop-staaf «1» vast, en sluit men
hem.
Voor het bijvullen en voor de vervan-
ging gebruikt men nieuwe olie van het
type dat wordt aangeduid in de tabel
van de aanbevolen producten.
LET OP
GEBRUIK HET VOERTUIG NIET MET
ONVOLDOENDE SMERING OF MET
VERONTREINIGDE OF ONGESCHIK-
TE SMEERMIDDELEN, OMDAT DE BE-
WEGENDE DELEN ERVAN SNELLER
ZULLEN VERSLIJTEN EN DUS ERN-
STIGE SCHADE KUNNEN TOEBREN-
GEN.
Aanbeloven producten
AGIP GEAR SYNTH SAE 75W - 90
Olie van de transmissie
82
4 Maintenance / 4 Onderhoud
GEARBOX OIL CHANGE
Take your scooter to an Official aprilia
Dealer to carry out the replacement.
CAUTION
PARK THE VEHICLE ON SAFE AND
LEVEL GROUND.
VERVANGING VAN DE OLIE VAN DE
TRANSMISSIE
Voor de vervanging wendt men zich tot
een Officiële aprilia Dealer
LET OP
PLAATS HET VOERTUIG OP EEN
VASTE EN VLAKKE ONDERGROND.
Park the scooter on its centre
stand.
CAUTION
PARK THE VEHICLE ON SAFE AND
LEVEL GROUND.
CAUTION
THE ENGINE AND THE EXHAUST
SYSTEM COMPONENTS CAN GET
VERY HOT AND REMAIN SO FOR
SOME TIME EVEN AFTER THE EN-
GINE IS TURNED OFF. WEAR INSU-
LATING GLOVES BEFORE HANDLING
THESE PARTS OR WAIT UNTIL THE
ENGINE AND THE EXHAUST SYSTEM
COOL DOWN.
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
LET OP
PLAATS HET VOERTUIG OP EEN
VASTE EN VLAKKE ONDERGROND.
LET OP
DE MOTOR EN DE ONDERDELEN VAN
DE UITLAATINSTALLATIE WORDEN
ZEER WARM EN BLIJVEN WARM
VOOR EEN ZEKERE PERIODE, OOK
NADAT DE MOTOR WORDT UITGE-
ZET. VOORALEER MEN DEZE ON-
DERDELEN HANTEERT, DRAAGT
MEN ISOLERENDE HANDSCHOE-
NEN, OF WACHT MEN TOT DE MO-
83
4 Maintenance / 4 Onderhoud
TOR EN DE UITLAATINSTALLATIE
AFGEKOELD ZIJN.
Stop the engine and let it cool off
so that the oil in the crankcase
flows down and cools as well.
CAUTION
WHEN CHANGING THE TRANSMIS-
SION OIL, AVOID THE OIL COMING
INTO CONTACT WITH THE REAR
BRAKE DISC.
Leg de motor stil en laat hem af-
koelen, om de drainage van de
olie in de carter en de afkoeling
van de olie zelf toe te staan.
LET OP
BIJ DE VERVANGING VAN DE OLIE
VAN DE TRANSMISSIE, VERMIJDT
MEN DAT DEZE IN CONTACT KOMT
MET DE ACHTERSTE REMSCHIJF.
04_07
Unscrew and take out the meas-
uring tap-dipstick «1».
Unscrew and remove the trans-
mission oil drainage screw «2».
Let the transmission oil drain out
completely and collect it in a
container with suitable capacity.
Screw and tighten the transmis-
sion oil drainage screw «2».
Refill with the quantity and type
of transmission oil specified in
the recommended products ta-
ble.
Screw and tighten the measur-
ing tap-dipstick «1».
Check transmission oil level
again using the dipstick «1» and
Draai de dop/meetstaaf «1» los
en verwijder deze.
Draai de afvoerbout «2» van de
olie van de transmissie los en
verwijder ze.
Laat de olie van de transmissie
volledig uitlopen in een recipiënt
met aangepaste capaciteit.
Draai de afvoerbout «2» van de
olie van de transmissie vast en
sluit ze.
Vul de transmissie bij met een
geschikte hoeveelheid olie van
het aanbevolen type, dat wordt
aangeduid in de tabel van de
aanbevolen producten.
Draai de dop/meetstaaf «1»
vast en sluit deze.
84
4 Maintenance / 4 Onderhoud
if necessary top up but never ex-
ceed the «MAX» level.
Use new oil of the type specified in the
Recommended products table at ev-
ery top-up or change.
Characteristic
Oil quantity:
250 cc
Voer opnieuw een controle uit
van het peil van de olie van de
transmissie met de staaf «1», en
vul eventueel bij zonder het
«MAX» te overschrijden.
Voor het bijvullen en voor de vervan-
ging gebruikt men nieuwe olie van het
type dat wordt aangeduid in de Tabel
van de aanbevolen producten.
Technische kenmerken
Hoeveeelheid olie:
250 cc
04_08
Tyres (04_08, 04_09)
TYRES
This vehicle is fitted with tyres without in-
ner tubes (Tubeless).
CAUTION
CHECK FREQUENTLY TYRE PRES-
SURE WITH TYRES AT AMBIENT TEM-
PERATURE.
THE MEASUREMENT MAY BE INCOR-
RECT IF TYRES ARE WARM. CHECK
TYRE PRESSURE MAINLY BEFORE
AND AFTER A LONG JOURNEY.AN
OVER-INFLATED TYRE WILL PRO-
VIDE A HARSH RIDE AS SURFACE
Banden (04_08, 04_09)
BANDEN
Dit voertuig is voorzien van banden zon-
der binnenband (tubeless).
LET OP
CONTROLEER PERIODIEK DE SPAN-
NING VAN DE BANDEN BIJ DE OMGE-
VINGSTEMPERATUUR.
WANNEER DE BANDEN WARM ZIJN,
IS DE METING NIET CORRECT. VOOR
DE METING UIT VOORAL VÓÓR EN
NA EEN LANGE REIS.WANNEER DE
SPANNING TE HOOG IS, WORDT DE
ONEFFENHEID VAN HET TERREIN
85
4 Maintenance / 4 Onderhoud
UNEVENNESS IS NOT CUSHIONED
AND IS SENT TO THE HANDLEBAR,
THUS REDUCING GRIP AND STABIL-
ITY SPECIALLY WHEN CORNERING.
CONVERSELY, AN UNDER-INFLATED
TYRE WILL EXTEND THE CONTACT
PATCH TO INCLUDE A LARGER POR-
TION OF THE TYRE SIDEWALLS «1».
IF SO, THE TYRE COULD SLIP ON OR
EVEN GET DETACHED FROM THE
RIM RESULTING IN LOSS OF CON-
TROL OVER THE VEHICLE. THE TYRE
MIGHT EVEN JUMP OFF THE RIM UN-
DER HARD BRAKING. EVENTUALLY
THE VEHICLE MIGHT SKID IN A BEND.
INSPECT THREAD SURFACE AND
CHECK IT FOR WEAR. BADLY WORN
TYRES ADVERSELY AFFECT TRAC-
TION AND HANDLING. SOME TYRE
TYPES HOMOLOGATED FOR THIS
VEHICLE FEATURE WEAR INDICA-
TORS. THERE ARE SEVERAL TYPES
OF WEAR INDICATORS.
CONSULT YOUR DEALER ON METH-
ODS TO CHECK WEAR. CARRY OUT
A VISUAL INSPECTION FOR TYRE
CONSUMPTION. REPLACE TYRES IF
WORN. OLD TYRES THAT ARE NOT
FULLY WORN CAN GET HARD RE-
SULTING IN LACK OF GRIP. RE-
PLACE TYRES IF THIS OCCURS. RE-
PLACE TYRES WHEN WORN OR IF
THE TREAD HAS A HOLE BIGGER
THAN 5 MM. BALANCE THE WHEELS
AFTER A TYRE IS MENDED.. USE ON-
LY TYRE SIZES INDICATED BY THE
NIET GEDEMPT, EN DUS NAAR DE
STUURINRICHTING VERSTUURT, ZO-
DAT HET RIJCOMFORT VERMINDERT
EN DE WEGLIGGING IN BOCHTEN
VERSLECHTERT.
WANNEER VICEVERSA DE BANDEN-
SPANNING ONVOLDOENDE IS, WER-
KEN DE ZIJKANTEN «1» VAN DE
BANDEN MEER, EN KAN HET ZIJN
DAT DE BAND OP DE VELG SLIPT OF
LOSKOMT, MET ALS GEVOLG DAT
MEN DE CONTROLE OVER HET
VOERTUIG VERLIEST. WANNEER
MEN BRUUSK REMT KUNNEN DE
BANDEN UIT DE VELGEN KOMEN. IN
BOCHTEN KAN HET VOERTUIG
GAAN SLIPPEN. CONTROLEER DE
STAAT VAN HET RIJOPPERVLAK EN
DE SLIJTAGE, OMDAT SLECHTE
BANDENCONDITIES DE WEGLIG-
GING EN DE MANOEUVREERBAAR-
HEID VAN HET VOERTUIG KUNNEN
SCHADEN. ENKELE BANDENTYPES,
DIE GEHOMOLOGEERD ZIJN VOOR
DIT VOERTUIG, HEBBEN EEN SLIJ-
TAGE-INDICATOR. ER BESTAAN
VERSCHILLENDE TYPES VAN SLIJ-
TAGE-INDICATORS.
VOOR INFORMATIE IN VERBAND
MET DE CONTROLE VAN DE SLIJTA-
GE, WENDT MEN ZICH TOT DE VER-
KOPER. CONTROLEER VISIEF DE
SLIJTAGE VAN DE BANDEN, EN VER-
VANG ZE INDIEN ZE VERSLETEN
ZIJN. WANNEER DE BANDEN OUD
ZIJN, EN OOKAL ZIJN ZE NIET VER-
86
4 Maintenance / 4 Onderhoud
MANUFACTURER. DO NOT FIT
TYRES WITH INNER TUBES ON RIMS
FOR TUBELESS TYRES OR VICE VER-
SA. CHECK THAT THE INFLATION
VALVES HAVE THEIR CAPS FITTED
IN ORDER TO AVOID UNEXPECTED
FLAT TYRES.
REPLACEMENT, REPAIR, MAINTE-
NANCE AND BALANCING OPERA-
TIONS ARE HIGHLY IMPORTANT AND
SO THEY SHOULD BE CARRIED OUT
USING THE SPECIFIC TOOLS AND
WITH THE ADEQUATE KNOWLEDGE.
IT IS THEREFORE ESSENTIAL TO
HAVE YOUR TYRES AND WHEELS
SERVICED AT AN Official aprilia Deal-
er OR A SPECIALISED TYRE WORK-
SHOP. NEW TYRES CAN BE COV-
ERED BY A SLIPPERY COAT: RIDE
WITH CAUTION DURING THE FIRST
KILOMETRES. DO NOT APPLY UN-
SUITABLE LIQUIDS ON TYRES.
SLETEN, KUNNEN ZE VERHARDEN
EN DUS DE WEGLIGGING SCHADEN.
IN DIT GEVAL VERVANGT MEN DE
BANDEN VERVANG DE BANDEN
WANNEER ZE VERSLETEN ZIJN, OF
WANNEER ER EEN EVENTUEEL GAT
IS IN DE ZONE VAN HET RIJVLAK DAT
GROTER IS DAN 5 MM. NADAT MEN
DE BAND HEEFT LATEN HERSTEL-
LEN, LAAT MEN DE WIELEN BALAN-
CEREN. GEBRUIK UITSLUITEND DE
MAAT VAN BANDEN DIE WORDT
AANGEDUID DOOR HET HUIS.
PLAATS GEEN BANDEN VAN HET TY-
PE MET BINNENBAND OP VELGEN
VOOR TUBELESS BANDEN, EN VICE-
VERSA. CONTROLEER OF DE KLEP-
PEN VOOR HET OPBLAZEN STEEDS
HUN DOPJES HEBBEN, OM HET
PLOTSELING LEEGLOPEN VAN DE
BANDEN TE VERMIJDEN.
DE HANDELINGEN VAN HET VER-
VANGEN, HERSTELLEN, ONDER-
HOUD EN BALANCEREN ZIJN ZEER
BELANGRIJK, EN MOETEN DUS UIT-
GEVOERD WORDEN MET GESCHIK-
TE GEREEDSCHAPPEN EN MET DE
NODIGE ERVARING. DAAROM
RAADT MEN AAN OM ZICH TE WEN-
DEN TOT EEN Officiële aprilia Dealer
OF EEN BANDENSPECIALIST VOOR
HET UITVOEREN VAN DE VOORAF-
GAANDE HANDELINGEN. WANNEER
DE BANDEN NIEUW ZIJN, KUNNEN ZE
BEDEKT ZIJN MET EEN GLADDE
LAAG: DE EERSTE KILOMETERS
87
4 Maintenance / 4 Onderhoud
MOET MEN VOORZICHTIG RIJDEN.
SMEER DE BANDEN NIET IN MET ON-
GESCHIKTE VLOEISTOFFEN.
TREAD DEPTH MINIMUM THRESHOLD «2»
Front: 1.5 mm
Rear 1.5 mm
MINIMUM DIEPTELIMIET VAN HET RIJVLAK «2»
Vooraan: 1,5 mm
Achteraan 1,5 mm
TYRE WEAR MINIMUM THRESHOLD «2» (USA
VERSION)
Front (USA version) 3 mm
Rear (USA version) 3 mm
MINIMUM DIEPTELIMIET VAN HET RIJVLAK
«2» (VERSIE USA)
Vooraan (versie USA) 3 mm
Achteraan (versie USA) 3 mm
04_09
88
4 Maintenance / 4 Onderhoud
TYRE MODEL
Front tyre 120/70-14'' 55S MICHELIN GOLD
STANDARD
Rear tyre 140/60 -14'' 64S MICHELIN GOLD
STANDARD
MODEL VAN DE BANDEN
Voorste band MICHELIN 120/70-14'' 55S GOLD
STANDARD
Achterste band MICHELIN 140/60 -14'' 64S GOLD
STANDARD
04_10
Spark plug dismantlement
(04_10)
Check the spark plug at each scheduled
maintenance operation. Remove the
spark plug regularly, clean off carbon
scales, and replace it if necessary.
To access the spark plug:
Remove the left inspection cov-
er.
Demonteren van de bougie
(04_10)
Controleer de bougie bij elke handeling
van het geprogrammeerd onderhoud.
Demonteer periodiek de bougie, reinig ze
van koolstofafzettingen, en vervang ze
indien nodig.
Om de bougie te bereiken, handelt men
als volgt:
Verwijder het linker inspectie-
dekseltje.
For removal and cleaning:
CAUTION
BEFORE CARRYING OUT THE FOL-
LOWING OPERATIONS AND IN OR-
DER TO AVOID BURNS, LEAVE EN-
Voor de verwijdering en de reiniging han-
delt men als volgt:
LET OP
VOORALEER MEN DE VOLGENDE
HANDELINGEN UITVOERT, LAAT
MEN DE MOTOR EN DE UITLAAT AF-
KOELEN TOT DEZE DE OMGEVINGS-
89
4 Maintenance / 4 Onderhoud
GINE AND MUFFLER TO COOL OFF
TO AMBIENT TEMPERATURE.
TEMPERATUUR HEBBEN BEREIKT,
OM MOGELIJKE BRANDWONDEN TE
VERMIJDEN.
Disconnect the cap «1» of the
high voltage cable from the
spark plug.
Clean off any trace of dirt from
the spark plug base. Then un-
screw it using the spanner sup-
plied in the tool kit and remove it
from its seat, being careful not to
let dust or any other substance
into the cylinder.
Check that the spark plug elec-
trode and centre porcelain are
free of carbon deposits or signs
of corrosion. If necessary, clean
using suitable spark plug clean-
ers, a wire and/or metal brush.
Blow with a strong air blast to
avoid removed dirt getting into
the engine. Replace the spark
plug if there are cracks on the
spark plug insulating material,
corroded electrodes or several
deposits.
Check the electrode gap with a
thickness gauge. It should be
0.7 - 0.8 mm; adjust it if neces-
sary by carefully bending the
earth electrode.
Make sure the washer is in good
conditions. Once the washer is
fitted, manually screw the spark
Maak het kapje «1» los van de
hoogspanningskabel van de
bougie.
Verwijder alle vuilresten van de
basis van de bougie, draai ze
daarna los met de in de gereed-
schapskit bijgevoegde sleutel
en verwijder ze uit haar zit, door
te zorgen dat er geen stof of an-
dere stoffen binnenin de cilinder
terecht komt.
Controleer of de elektrode en
het centrale porcelein van de
bougie geen koolstofafzettingen
of corrosietekens heeft, en rei-
nig eventueel met speciale rei-
nigingsmiddelen voor bougies,
met een ijzerdraad en/of met
een metalen borsteltje.
Blaas goed uit met een lucht-
straal, om te vermijden dat de
verwijderde resten in de motor
terecht komen. Wanneer de
bougie scheuren op de isole-
ring, verroeste elektroden of ex-
cessieve afzettingen vertoont,
moet ze worden vervangen.
Controleer de afstand tussen de
elektroden met een diktemeter.
Deze moet 0,7 - 0,8 mm bedra-
gen; regel de afstand eventueel,
door voorzichtig de massaelek-
trode te buigen.
90
4 Maintenance / 4 Onderhoud
plug to avoid damaging the
thread.
Tighten using the spanner sup-
plied in the tool kit, make the
spark plug complete 1/2 a turn
to press the washer.
CAUTION
TIGHTEN THE SPARK PLUG COR-
RECTLY, OTHERWISE THE ENGINE
MAY OVERHEAT AND GET IRRE-
TRIEVABLE DAMAGED. USE ONLY
THE RECOMMENDED TYPE OF
SPARK PLUG, OTHERWISE, THE EN-
GINE DURATION AND PERFORM-
ANCE COULD BE COMPROMISED.
Characteristic
Spark plug tightening torque:
12 ÷ 14 Nm (1.2 ÷ 1.4 kg).
Spark plug electrode gap
0.7 -0.8 mm
Controleer of de rondel zich in
goede condities bevindt. Met
gemonteerde rondel, draait men
de bougie manueel vast om te
vermijden dat de schroefdraad
wordt beschadigd.
Sluit de bougie met behulp van
de in de gereedschapskit bijge-
voegde sleutel, door ze een 1/2
draai vast te draaien om de ron-
del vast te drukken.
LET OP
DE BOUGIE MOET GOED WORDEN
VASTGEDRAAID, OMDAT ANDERS
DE MOTOR KAN OVERVERHITTEN,
EN DUS ERNSTIG WORDT BESCHA-
DIGD. GEBRUIK ENKEL BOUGIES
VAN HET AANBEVOLEN TYPE, AN-
DERS ZOUDEN DE PRESTATIES EN
DE DUUR VAN DE MOTOR GE-
SCHAAD KUNNEN WORDEN.
Technische kenmerken
Sluitkoppel van de bougie:
12 ÷ 14 Nm (1,2 ÷ 1,4 kgm).
Afstand van de elektroden van de bou-
gie
0,7 - 0,8 mm
91
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Insert the spark plug tube cor-
rectly so that it does not get de-
tached due to engine vibrations.
Refit the left inspection cover.
Plaats de pipet van de bougie
correct, zodat deze niet loskomt
door de vibraties van de motor.
Hermonteer het linker inspectie-
deksel.
04_11
04_12
Removing the air filter (04_11,
04_12)
Place the scooter on its centre
stand.
Unscrew and remove the nine
screws «1».
Remove the filter housing cover
«2» together with the filtering el-
ement «3».
Check the filtering element «3»
and replace it if necessary.
Demonteren van het luchtfilter
(04_11, 04_12)
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
Draai de negen bouten «1» los
en verwijder ze.
Verwijder het deksel van de fil-
terkist «2» compleet met filter-
end element «3».
Controleer het filterend element
«3», en vervang het eventueel.
92
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Air filter cleaning (04_13)
Clean and check the air filter following the
instructions on the Scheduled mainte-
nance chart. If the scooter is used on
dusty or wet roads, clean or replace the
filter more frequently.
Remove the filtering element
from the scooter for cleaning.
Reiniging van de luchtfilter
(04_13)
Voer de reiniging en de controle van de
secundaire luchtfilter uit volgens de aan-
duidingen in de Tabel van het gepro-
grammeerd onderhoud. Wanneer het
voertuig wordt gebruikt op natte of stoffi-
ge wegen, moeten de handelingen van
de reiniging of de vervanging vlugger
worden uitgevoerd.
Voor de reiniging van het filter-
end element, moet men het van
het voertuig verwijderen.
04_13
Clean the filtering element «3»
with a blast of pressurised air.
CAUTION
TO AVOID RISK OF FIRE OR EXPLO-
SION DO NOT USE PETROL OR FLAM-
MABLE SOLVENTS TO CLEAN THE
FILTERING ELEMENT.
DO NOT USE ADDITIVES OR LIQUIDS
WHEN CLEANING TO AVOID HUMIDI-
TY INSIDE THE FILTER HOUSING.
USE COMPRESSED AIR ONLY.
Reinig het filterend element «3»
door gebruik te maken van een
luchtstraal onder druk.
LET OP
GEBRUIK GEEN BENZINE OF BRAND-
BARE OPLOSMIDDELEN VOOR HET
WASSEN VAN HET FILTEREND ELE-
MENT, OM HET RISICO OP BRAND EN
EXPLOSIES TE VERMIJDEN.
GEBRUIK GEEN ENKEL ADDITIEF EN
GEEN ENKELE VLOEISTOF VOOR DE
REINIGING, OM TE VERMIJDEN DAT
ER BINNENIN DE FILTERKAS VOCH-
TIGHEID WORDT GEVORMD. GE-
BRUIK UITSLUITEND PERSLUCHT.
93
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
DO NOT OIL THE FILTERING ELE-
MENT OR OIL MAY GET INTO THE
BELT HOUSING AND DAMAGE OR
MAKE IT SLIDE.
LET OP
OLIE HET FILTEREND ELEMENT
NIET, ANDERS KAN DE OLIE DIE IN
DE DOOS VAN DE RIEM KOMT HAAR
BESCHADIGEN OF DOEN SLIPPEN.
04_14
Cooling fluid level (04_14)
Check the coolant level periodically or af-
ter long trips; have it changed every 2
years at an Official aprilia Dealer.
Coolant solution is 50% water and 50%
antifreeze fluid. This mixture is ideal for
most operating temperatures and pro-
vides a good protection against corro-
sion. It is advisable to use the same
mixture even in hot weather, as this min-
imises loss due to evaporation and the
need of frequent top-ups. Thus, mineral
salt deposits formed in the radiator by
evaporated water are also minimised and
the efficiency of the cooling system is not
affected. When the temperature drops
below zero degrees centigrade, check
the cooling system frequently and add
more antifreeze if needed (up to 60%
max.).
Use distilled water for the coolant solution
so as not to damage the engine.
Peil van de koelvloeistof
(04_14)
Controleer regelmatig en na lange reizen
het peil van de koelvloeistof; Laat de
vloeistof elke 2 jaar vervangen bij een
Officiële aprilia Dealer.
De oplossing van de koelvloeistof be-
staat uit 50% water en 50% antivries. Dit
mengsel is ideaal voor het grootste deel
van de werkingstemperaturen en garan-
deert een goede bescherming tegen cor-
rosie. Het is passend om hetzelfde meng-
sel ook te behouden voor het warme
seizoen, omdat zo verlies door verdam-
ping en de nood voor frequente bijvullin-
gen worden verminderd. Op deze manier
verminderen de bezinksels van mineraal-
zouten die in de radiator van het ver-
dampte water werden gelaten, en veran-
dert de efficiëntie van de koelinstallatie
niet. Wanneer de buitentemperatuur zich
onder het vriespunt bevindt, moet men
het koelcircuit frequent controleren, en
voegt men indien nodig een hogere con-
94
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
DO NOT USE YOUR VEHICLE IF THE
COOLANT LEVEL IS BELOW THE MIN-
IMUM LEVEL MARKED "MIN".
CAUTION
COOLANT IS TOXIC IF INGESTED;
CONTACT WITH YOUR EYES OR SKIN
MAY CAUSE IRRITATION. IF THE FLU-
ID GETS IN CONTACT WITH THE
EYES OR SKIN, RINSE REPEATEDLY
WITH PLENTY OF WATER AND SEEK
MEDICAL ADVICE. IF SWALLOWED,
INDUCE VOMITING, RINSE MOUTH
AND THROAT WITH PLENTY OF WA-
TER AND SEEK MEDICAL ADVICE IM-
MEDIATELY.
CAUTION
DO NOT DISPOSE OF THE FLUID INTO
THE ENVIRONMENT.
centratie antivries toe (tot een maximum
van 60%).
Voor de koeloplossing gebruikt men ge-
destilleerd water om de motor niet te be-
schadigen.
LET OP
GEBRUIK HET VOERTUIG NIET WAN-
NEER DE KOELVLOEISTOF ZICH ON-
DER HET MINIMUM "MIN" PEIL BE-
VINDT.
LET OP
DE KOELVLOEISTOF IS SCHADELIJK
WANNEER HIJ WORDT INGESLIKT;
HET CONTACT MET DE HUID EN DE
OGEN KAN IRRITATIES VEROORZA-
KEN. WANNEER DE VLOEISTOF IN
CONTACT ZOU KOMEN MET DE HUID
EN DE OGEN, SPOELT MEN LANG
MET VEEL WATER, EN RAADPLEEGT
MEN EEN ARTS. WANNEER HET
WORDT INGESLIKT, MOET MEN
OVERGEVEN, DE MOND EN DE KEEL
SPOELEN MET VEEL WATER, EN ON-
MIDDELLIJK EEN ARTS RAADPLE-
GEN.
95
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
KEEP OUT OF THE REACH OF CHIL-
DREN.
CAUTION
PAY ATTENTION NOT TO POUR
COOLANT ONTO THE ENGINE HOT
COMPONENTS; IT MAY CATCH FIRE
PRODUCING INVISIBLE FLAMES.
WHEN CARRYING OUT MAINTE-
NANCE OPERATIONS, IT IS ADVISA-
BLE TO WEAR LATEX GLOVES. CON-
TACT AN Official aprilia Dealer FOR
REPLACEMENT.
CAUTION
DO NOT REMOVE THE EXPANSION
TANK PLUG «4» WHEN THE ENGINE
IS HOT, SINCE COOLANT IS UNDER
PRESSURE AND VERY HOT. CON-
TACT WITH SKIN OR CLOTHES MAY
CAUSE SEVERE BURNS AND/OR IN-
JURIES.
LET OP
LOOS DE VLOEISTOF NIET IN HET MI-
LIEU.
LET OP
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN
HOUDEN
LET OP
GIET DE KOELVLOEISTOF NIET OP
DE GLOEIEND HETE DELEN VAN DE
MOTOR; DEZE ZOU BRAND KUNNEN
VATTEN MET ONZICHTBARE VLAM-
MEN. BIJ ONDERHOUDSHANDELIN-
GEN RAADT MEN AAN OM LATEX
HANDSCHOENEN TE GEBRUIKEN.
VOOR DE VERVANGING WENDT MEN
ZICH TOT EEN Officiële aprilia Dealer.
LET OP
VERWIJDER DOP «4» NIET VAN HET
EXPANSIEVAT WANNEER DE MOTOR
WARM STAAT, OMDAT DE KOEL-
VLOEISTOF ONDER DRUK STAAT EN
EEN HOGE TEMPRATUUR HEEFT. BIJ
CONTACT MET DE HUID OF DE KLE-
96
4 Maintenance / 4 Onderhoud
DING KAN HET ERNSTIGE LETSELS/
SCHADE VEROORZAKEN.
CHECKING
Shut off the engine and wait until it cools
off.
Open the glove-box and release
the end of stroke rods by push-
ing them down moderately.
Remove the left inspection cov-
er by levering the upper release
tongue.
Make sure the fluid level inside
the expansion tank «3» is be-
tween the «MIN» and «MAX»
marks.
MIN = minimum level.
MAX = maximum level.
Otherwise:
Loosen (turning it clockwise) but
do not remove the filler cap «4».
Wait for some seconds so that
possible pressure may be
purged.
Unscrew and remove the tap
«4».
CONTROLE
Leg de motor stil en wacht tot hij afge-
koeld is.
Open de opbergruimte en kop-
pel de eindeloopstaven los, door
er gematigd naar beneden toe
op de drukken.
Verwijder het linker inspectie-
deksel door te handelen op het
bovenste koppellipje.
Controleer of het vloeistofpeil in
het expansievat «3» zich tussen
de «MIN» en «MAX» referenties
bevindt.
MIN = minimum peil.
MAX = maximum peil.
In het omgekeerde geval:
Los de vuldop «4» (door in te-
genwijzerszin te draaien) zon-
der hem te verwijderen.
Wacht enkele seconden zodat
de eventuele druk kan ontluch-
ten.
Draai de dop «4» los en verwij-
der hem.
97
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
WAIT FOR THE ENGINE TO COOL
DOWN BEFORE CHECKING OR TOP-
PING-UP THE COOLANT LEVEL.
CAUTION
COOLANT IS TOXIC IF INGESTED;
CONTACT WITH EYES OR SKIN MAY
CAUSE IRRITATION. DO NOT INTRO-
DUCE YOUR FINGERS OR ANY OTH-
ER OBJECT TO CHECK IF THERE IS
COOLANT OR NOT.
LET OP
VOER DE HANDELINGEN VAN DE
CONTROLE EN HET BIJVULLEN VAN
DE KOELVLOEISTOF UIT WANNEER
DE MOTOR KOUD STAAT.
LET OP
DE KOELVLOEISTOF IS SCHADELIJK
WANNEER HET WORDT INGESLIKT;
HET CONTACT MET DE HUID EN DE
OGEN KAN IRRITATIES VEROORZA-
KEN. VOEL NIET MET DE VINGERS OF
GEBRUIK GEEN ANDERE VOORWER-
PEN OM TE CONTROLEREN OF ER
KOELVLOEISTOF AANWEZIG IS.
TOP-UP
Top up with coolant until the fluid
level is close to the «MAX»
mark.
Refit the filler cap «4».
Refit the inspection cover, care-
fully checking it is correctly
fixed.
BIJVULLING
Vul bij met koelvloeistof, tot het
vloeistofpeil ongeveer het
«MAX» peil bereikt.
Plaats de vuldop «4» opnieuw.
Plaats het inspectiedeksel op-
nieuw, en controleer de correcte
bevestiging.
98
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
WHEN TOPPING-UP, DO NOT EX-
CEED THE «MAX» LEVEL OR THE
FLUID WILL FLOW OUT WHEN THE
ENGINE IS RUNNING.
CAUTION
IF THERE IS AN EXCESSIVE CON-
SUMPTION OF COOLANT OR THE
RESERVOIR REMAINS EMPTY,
CHECK THAT THERE ARE NO LEAKS
IN THE CIRCUIT. FOR REPAIRS, TAKE
YOUR VEHICLE TO AN OFFICIAL
APRILIA DEALER.
LET OP
BIJ HET BIJVULLEN MAG MEN HET
«MAX» PEIL NIET OVERSCHRIJDEN,
ANDERS ZAL DE VLOEISTOF TIJ-
DENS DE WERKING VAN DE MOTOR
UITSTROMEN.
LET OP
WANNEER HET VERBRUIK VAN
KOELVLOEISTOF EXCESSIEF IS, EN
WANNEER HET EXPANSIEVAT LEEG
BLIJFT, CONTROLEERT MEN OF ER
GEEN LEKKEN ZIJN IN HET CIRCUIT.
VOOR DE HERSTELLING, WENDT
MEN ZICH TOT EEN OFFICIËLE APRI-
LIA DEALER.
Checking the brake oil level
(04_15)
The information provided below relates to
an individual braking system but is appli-
cable to both.
When the friction pads wear out, the
brake fluid level in the reservoir goes
down to automatically compensate for
that wear.
Controle van het oliepeil van
de remmen (04_15)
De volgende informatie is in verband met
slechts één reminstallatie, maar geldt
voor beide.
Met het verbruik van de wrijvingspastilles
vermindert het peil van de remvloeistof in
de tank, om automatisch de slijtage te
compenseren.
99
4 Maintenance / 4 Onderhoud
The brake fluid reservoirs are located on
the handlebar, near the brake lever at-
tachments.
Check frequently the brake fluid level in
the reservoirs and the brake pad wear.
NOTE
THIS VEHICLE IS EQUIPPED WITH
FRONT AND REAR DISC BRAKES,
EACH OPERATED BY AN INDEPEND-
ENT HYDRAULIC CIRCUIT.
CAUTION
DO NOT USE YOUR VEHICLE IF A
FLUID LEAK IN THE BRAKING CIR-
CUIT IS DETECTED.
De tanks van de remvloeistof vindt men
onder de stuurbedekking, in de nabijheid
van de koppelingen van de remhendels.
Controleer regelmatig het peil van de
remvloeistof in de tanks, en de slijtage
van de pastilles.
N.B.
DIT VOERTUIG IS UITGERUST MET
SCHIJFREMMEN VOORAAN EN ACH-
TERAAN, MET GESCHEIDEN HY-
DRAULISCHE CIRCUITS.
LET OP
GEBRUIK HET VOERTUIG NOOIT
WANNEER MEN EEN LEK OPMERKT
VAN DE REMINSTALLATIE.
To check level:
CAUTION
PARK THE VEHICLE ON SAFE AND
LEVEL GROUND.
Voor de controle van het peil handelt men
als volgt:
LET OP
PLAATS HET VOERTUIG OP EEN
VASTE EN VLAKKE ONDERGROND.
Rest the scooter on its centre
stand.
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
100
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Rotate the handlebar so that the
fluid in the brake fluid reservoir
is parallel to the «MIN» refer-
ence mark on the sight glass
«1».
Check that the fluid in the reser-
voir is over the «MIN» reference
mark on the sight glass «1».
MIN = minimum level.
CAUTION
DO NOT USE YOUR VEHICLE IF THE
FLUID DOES NOT REACH AT LEAST
AT THE «MIN» REFERENCE MARK.
CAUTION
BRAKE LEVEL DECREASES GRADU-
ALLY AS BRAKE PADS WEAR DOWN.
Draai het stuur zodat de vloei-
stof in de tank van de remvloei-
stof zich parallel aan de «MIN»
referentie op het glasje «1» be-
vindt.
Controleer of de vloeistof in de
tank de referentie «MIN» op het
glasje «1» overschrijdt.
MIN = minimum peil.
LET OP
GEBRUIK HET VOERTUIG NIET WAN-
NEER DE VLOEISTOF DE REFEREN-
TIE «MIN» NIET BEREIKT.
LET OP
HET PEIL VAN DE VLOEISTOF VER-
MINDERT PROGRESSIEF MET DE
SLIJTAGE VAN DE PASTILLES.
04_15
If the level is too low:
Check the brake pads and discs
for wear
If pads and/or the disc need not to be re-
placed:
Take your scooter to an Offi-
cial aprilia Dealer to carry out
the top-up.
Wanneer het peil te laag is:
Controleer de slijtage van de
rempastilles en van de schijf.
Wanneer de pastilles en/of de schijf niet
aan vervanging toe zijn:
Voor het bijvullen wendt men
zich tot een Officiële aprilia
Dealer.
101
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
CHECK BRAKING EFFICIENCY.
IN CASE OF EXCESSIVE TRAVEL OF
THE BRAKE LEVER OR POOR PER-
FORMANCE OF THE BRAKING CIR-
CUIT, TAKE YOUR SCOOTER TO AN
Official aprilia Dealer AS IT MAY BE
NECESSARY TO PURGE AIR FROM
THE CIRCUIT.
LET OP
CONTROLEER DE REMEFFICIËNTIE.
IN GEVAL VAN EEN EXCESSIEVE
LOOP VAN DE REMHENDEL OF VAN
VERLIES VAN EFFICIËNTIE VAN DE
REMINSTALLATIE, WENDT MEN ZICH
TOT EEN Officiële aprilia Dealer, OM-
DAT HET NODIG KAN ZIJN OM EEN
ONTLUCHTING UIT TE VOEREN VAN
DE INSTALLATIE.
Battery (04_16, 04_17)
Check that the terminals are tightened
following the instructions on the Sched-
uled maintenance chart.
CAUTION
DO NOT INVERT THE CONNEXIONS
OF THE BATTERY LEADS.
CONNECT AND DISCONNECT THE
BATTERY WITH THE IGNITION
SWITCH SET TO «OFF», OTHERWISE
THIS MAY DAMAGE SOME COMPO-
NENTS. FIRST CONNECT THE POSI-
TIVE TERMINAL (+) AND THEN THE
Accu (04_16, 04_17)
Controleer de sluiting van de klemmen
volgens de aanduidingen in de Tabel van
het geprogrammeerd onderhoud.
LET OP
DRAAI DE VERBINDINGEN VAN DE
KABELS VAN DE ACCU NOOIT OM.
VERBINDT EN MAAK DE ACCU LOS
MET DE ONTSTEKINGSSCHAKE-
LAAR IN POSITIE «OFF», ANDERS
ZOUDEN SOMMIGE ONDERDELEN
SCHADE KUNNEN OPLOPEN. VER-
BINDT EERST DE POSITIEVE KABEL
(+) EN DAARNA DE NEGATIEVE (-).
102
4 Maintenance / 4 Onderhoud
NEGATIVE ONE (-). DISCONNECT IN
THE REVERSE ORDER.
BATTERY FLUID IS CORROSIVE.
DO NOT POUR OR SPREAD IT ESPE-
CIALLY ON PLASTIC PARTS.
USE A SPECIFIC BATTERY CHARGER
(CONSTANT VOLTAGE/CURRENT OR
CONSTANT VOLTAGE TYPE) WHEN
RECHARGING A "MAINTENANCE
FREE" BATTERY INSTALLED.
USING A CONVENTIONAL BATTERY
CHARGER MAY DAMAGE THE BAT-
TERY.
MAAK ZE LOS IN DE OMGEKEERDE
VOLGORDE.
DE VLOEISTOF VAN DE ACCU IS
CORROSIEF.
GIET ZE NIET UIT EN VERSPREIDT ZE
NIET, VOORAL NIET OP DE PLASTIC
DELEN.
WANNEER MEN EEN ACCU INSTAL-
LEERT VAN HET TYPE "ZONDER ON-
DERHOUD", GEBRUIKT MEN VOOR
HET OPLADEN EEN SPECIFIEKE AC-
CULADER (VAN HET TYPE MET CON-
STANTE VOLTAGE/ELEKTRISCHE
STROOMSTERKTE OF CONSTANTE
VOLTAGE).
WANNEER MEN EEN ACCULADER
VAN HET CONVENTIONELE TYPE GE-
BRUIKT, KAN DE ACCU BESCHA-
DIGD WORDEN.
04_16
BATTERY COVER REMOVAL
Make sure the ignition switch is
set to «OFF».
Lift the saddle.
Unscrew and remove the two
screws «1».
Slide off the battery cover «2».
VERWIJDERING VAN HET ACCUDEK-
SEL
Controleer of de ontstekings-
schakelaar zich in positie
«OFF» bevindt.
Hef het zadel op.
Draai de twee bouten «1» los en
verwijder ze.
Verwijder het accudeksel «2».
103
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
PARK THE VEHICLE ON SAFE AND
LEVEL GROUND.
LET OP
PLAATS HET VOERTUIG OP EEN
VASTE EN VLAKKE ONDERGROND.
CHECKING AND CLEANING LEADS
AND TERMINALS
Remove the battery cover.
Make sure the ignition switch is
set to «OFF».
Check that the leads «3» and
the terminals «4» of the battery
are:
- in good conditions (not corro-
ded or covered by deposits);
- covered by neutral grease or
petroleum jelly.
If necessary:
Disconnect first the negative
lead (-) and then the positive
one (+).
Brush with a metal bristle brush
to remove all signs of corrosion.
Connect again first the positive
lead (+) and then the negative
one (-).
Cover the leads and terminals
with neutral grease or petroleum
jelly.
CONTROLE EN REINIGING VAN DE
TERMINALS EN VAN DE KLEMMEN
Verwijder het accudeksel.
Controleer of de ontstekings-
schakelaar zich in positie
«OFF» bevindt.
Controleer of de terminals «3»
van de kabels en de klemmen
«4» van de accu:
- zich in goede condities bevin-
den (en niet verroest zijn of be-
dekt zijn met afzettingen)
; bedekt zijn met neutraal vet of
vaseline.
Indien nodig:
Maakt men eerst de negatieve
kabel (-) en daarna de positieve
kabel (+) los.
Borstelt men met een metalen
borstel, om elk roestspoor te eli-
mineren.
Verbindt men opnieuw de posi-
tieve kabel (+) en daarna de ne-
gatieve kabel (-).
104
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Bedekt men de terminals en de
klemmen met neutraal vet of va-
seline.
04_17
BATTERY REMOVAL
Remove the battery cover.
Disconnect the negative lead (-)
first and then the positive one
(+).
Remove the battery «6» from its
housing and put it away on a
level surface in a cool and dry
place.
CAUTION
ONCE REMOVED, THE BATTERY
MUST BE PUT AWAY IN A SAFE
PLACE OUT OF THE REACH OF CHIL-
DREN.
VERWIJDERING VAN DE ACCU
Verwijder het accudeksel.
Maak eerst de negatieve kabel
(-) en daarna de positieve kabel
(+) los.
Verwijder de accu «6» uit zijn
plaats, en plaats ze op een vlak-
ke ondergrond in een koele en
droge ruimte.
LET OP
DE VERWIJDERDE ACCU MOET
WORDEN OPGEBORGEN OP EEN
VEILGE PLAATS EN UIT DE BUURT
VAN KINDEREN.
Refit the battery cover.
Herplaats het accudeksel.
105
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_18
Use of a new battery (04_18)
Remove the battery cover.
Place the battery «1» in its hous-
ing.
CAUTION
ALWAYS CONNECT THE BATTERY
BREATHER PIPE SO THAT SULPHU-
RIC ACID VAPOURS, WHEN RE-
LEASED THROUGH THE PIPE, DO
NOT CORRODE THE ELECTRICAL
SYSTEM, PAINTED PARTS, RUBBER
COMPONENTS OR GASKETS. (ONLY
125-250 VERSIONS).
Inwerkingstelling van een
nieuwe accu (04_18)
Verwijder het accudeksel.
Plaats de accu «1» op zijn
plaats.
LET OP
VERBINDT STEEDS DE ONTLUCH-
TING VAN DE ACCU, OM TE VERMIJ-
DEN DAT DE ZWAVELZUURDAMPEN
DIE UIT DE ONTLUCHTING KOMEN
DE ELEKTRISCHE INSTALLATIE, DE
GELAKTE DELEN, DE RUBBEREN
DETAILS OF DE PAKKINGEN KUN-
NEN AANTASTEN. (ENKEL VERSIE
125-250).
Connect the positive lead (+)
first and then the negative one
(-).
Cover the leads and terminals
with neutral grease or petroleum
jelly.
Refit the battery cover.
Verbindt eerst de positieve ka-
bel (+) en daarna de negatieve
kabel (-).
Bedek de terminals en de klem-
men met neutraal vet of vaseli-
ne.
Herplaats het accudeksel.
106
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_19
Checking the electrolyte level
(04_19)
BATTERY RECHARGE
Remove the battery.
Connect the battery to a battery
charger.
It is advisable to recharge at a
current of 1/10 of the battery rat-
ed capacity.
NOTE
REFIT THE BATTERY ONLY 5-10 MI-
NUTES AFTER DISCONNECTING THE
CHARGER AS THE BATTERY KEEPS
PRODUCING GASES FOR A SHORT
TIME.
Controle van het elektrolytpeil
(04_19)
HET OPLADEN VAN DE ACCU
Verwijder de accu.
Verbindt de accu aan een accu-
lader.
Men raadt aan om op te laden
aan een elektrische stroom-
sterkte die 1/10 bedraagt van de
capaciteit van de accu zelf.
N.B.
HERMONTEER DE ACCU ENKEL NA 5-
10 MINUTEN NA HET UITSCHAKELEN
VAN DE LAADAPPARATUUR, OMDAT
DE ACCU GAS BLIJFT PRODUCEREN
VOOR EEN KORTE PERIODE.
Long periods of inactivity
If the scooter is inactive longer than fif-
teen days, it is necessary to recharge the
battery to avoid sulphation,
Remove the battery and put it
away in a cool and dry place.
In winter or when the vehicle remains
stopped, check the charge frequently
(about once a month) to avoid deteriora-
tion.
Fully recharge with an ordinary
charge.
Lange stilstand
Wanneer het voertuig inactief blijft voor
langer dan 15 dagen, moet men de accu
opladen om sulfatatie te vermijden,
Verwijder de accu en plaats ze
op een frisse en droge plaats.
Tijdens de winter of wanneer het voertuig
stilstaat, controleert men periodiek de la-
ding (ongeveer eens per maand) om het
verval ervan te vermijden.
Laadt ze volledig op door ge-
bruik te maken van een normale
lading.
107
4 Maintenance / 4 Onderhoud
If the battery is still on the vehicle, dis-
connect the cables from the terminals.
Wanneer de accu op het voertuig blijft,
maakt men de kabels los van de klem-
men.
04_20
04_21
Fuses (04_20, 04_21, 04_22,
04_23)
CAUTION
NEVER ATTEMPT TO REPAIR FAUL-
TY FUSES. NEVER USE A FUSE OF A
RATING OTHER THAN SPECIFIED.
THIS COULD DAMAGE THE ELECTRI-
CAL SYSTEM OR CAUSE A SHORT
CIRCUIT, WITH THE RISK OF FIRE.
CAUTION
A FUSE THAT BLOWS FREQUENTLY
MAY INDICATE A SHORT CIRCUIT OR
OVERLOAD. IF THIS OCCURS, CON-
TACT AN Official aprilia Dealer.
Zekeringen (04_20, 04_21,
04_22, 04_23)
LET OP
HERSTEL GEEN DEFECTE ZEKERIN-
GEN. GEBRUIK NOOIT ANDERE ZE-
KERINGEN DAN GESPECIFICEERD.
MEN ZOU SCHADE KUNNEN VER-
OORZAKEN AAN HET ELEKTRISCH
SYSTEEM, OF ZELFS BRAND IN GE-
VAL VAN KORSTSLUITING.
LET OP
WANNEER EEN ZEKERING FRE-
QUENT WORDT BESCHADIGD, IS ER
WAARSCHIJNLIJK EEN KORTSLUI-
TING OF EEN OVERBELASTING. IN
DIT GEVAL RAADPLEEGT MEN EEN
Officiële aprilia Dealer.
108
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_22
FUSE DISTRIBUTION
15A fuse (A) From the voltage regulator to:
injection, stop light/ignition logic.
15A fuse (B) From the ignition switch to: engine
kill logic, stop lights.
15A fuse (C) From the ignition switch to: lights,
horn, instrument panel, fan relay,
car radio power supply.
15A fuse (D) From the main fuse to the plug
socket in the glovebox.
3A fuse (E) From the voltage regulator to the
ECU permanent power supply.
15A fuse (F) Spare Parts.
3A fuse (G) Spare Parts.
Free (H) Free (H)
PLAATS VAN DE ZEKERINGEN
Zekering van 15A (A) Van de spanningsregelaar naar:
injectie, logica van de stoplichten/
start.
Zekering van 15A (B) Van de ontstekingsschakelaar
naar: logica engine kill, stoplichten.
Zekering van 15A (C) Van de ontstekingsschakelaar
naar: lichten, claxon, dashboard,
relais van de schroef, voeding voor
de autoradio.
Zekering van 15A (D) van de hoofdzekering naar het
stopcontact in de
documentenruimte.
Zekering van 3A (E) Van de spanningsregelaar naar de
permanente voeding van de ECU
centrale.
109
4 Maintenance / 4 Onderhoud
30A fuse (I) From the battery to: ignition switch,
fuse (A), helmet compartment light,
cooling fan, instrument panel
permanent power supply.
30A fuse (L) From the battery to: voltage
regulator, fuse (B), fuse (C).
30A fuse (M) Spare Parts.
Zekering van 15A (F) Reserve.
Zekering van 3A (G) Reserve.
Vrij (H) Vrij (H)
Zekering van 30A (I) Van de accu naar:
ontstekingsschakelaar, zekering
(A), het licht van de helmruimte, de
koelschroef, de permanente
voeding van het dashboard.
Zekering van 30A (L) Van de accu naar:
spanningsregelaar, zekering (B),
zekering (C).
Zekering van 30A (M) Reserve.
04_23
Checking the fuses is necessary when-
ever an electrical component fails to op-
erate or is malfunctioning or when the
engine does not start.
First check 3A and 15A fuses and then
30A fuses.
Wanneer men het niet of onregelmatig
werken van een elektrisch onderdeel of
het niet starten van de motor opmerkt,
moet men de zekeringen controleren.
110
4 Maintenance / 4 Onderhoud
To carry out the check:
Remove the battery cover.
Before replacing the fuse, find
and solve, if possible, the prob-
lem that caused the problem.
If the fuse is damaged, replace
it with one of the same amper-
age.
Refit the battery cover.
NOTE
IF THE SPARE FUSE IS USED, RE-
PLACE WITH ONE OF THE SAME
TYPE IN THE CORRESPONDING FIT-
TING.
Controleer eerst de zekeringen van 3 A
en 15 A, en vervolgens de zekeringen
van 30 A.
Voor de controle:
Verwijder het accudeksel.
Vooraleer men de zekering ver-
vangt, zoekt men indien moge-
lijk de oorzaak van het pro-
bleem.
Vervang de zekering indien be-
schadigd, met een andere met
dezelfde elektrische stroom-
sterkte.
Herplaats het accudeksel.
N.B.
WANNEER MEN EEN RESERVEZEKE-
RING GEBRUIKT, PLAATST MEN EEN
GELIJKE IN DE SPECIALE ZITTING.
Lamps
CAUTION
FIRE HAZARD. FUEL OR ANY OTHER
FLAMMABLE SUBSTANCES MUST
NOT BE CLOSE TO ELECTRICAL
COMPONENTS.
Lampen
LET OP
BRANDGEVAAR. HOU BRANDSTOF
EN ANDERE ONTVLAMBARE STOF-
FEN VER WEG VAN ELEKTRISCHE
ONDERDELEN.
111
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
BEFORE REPLACING A BULB, TURN
THE IGNITION SWITCH TO "KEY OFF"
AND WAIT A FEW MINUTES FOR THE
BULB TO COOL OFF.
WEAR CLEAN GLOVES OR USE A
CLEAN DRY CLOTH TO REPLACE
THE BULB.
DO NOT LEAVE PRINTS ON THE
BULB AS THIS MAY CAUSE IT TO
OVERHEAT OR EVEN BLOW OUT. IF
YOU TOUCH THE BULB WITHOUT
WEARING GLOVES, CLEAN OFF
PRINTS WITH ALCOHOL TO AVOID
DAMAGING THE BULB.
DO NOT FORCE ELECTRICAL CA-
BLES.
NOTE
BEFORE CHANGING A BULB, CHECK
THE FUSES.
LET OP
VOORALEER MEN EEN LAMPJE VER-
VANGT, PLAATST MEN DE ONTSTE-
KINGSSCHAKELAAR IN POSITIE
«OFF», EN WACHT MEN ENKELE MI-
NUTEN ZODAT DEZE KAN AFKOE-
LEN.
WANNEER MEN HET LAMPJE VER-
VANGT, DRAAGT MEN REINE HAND-
SCHOENEN OF GEBRUIKT MEN EEN
REIN EN DROOG DOEK.
LAAD GEEN AFDRUKKEN ACHTER
OP HET LAMPJE, OMDAT HET KAN
OVERVERHITTEN EN DUS STUK KAN
GAAN. WANNEER MEN HET LAMPJE
MET DE BLOTE HANDEN AANRAAKT,
REINIGT MEN DE EVENTUELE AF-
DRUKKEN MET ALCOHOL, OM TE
VERMIJDEN DAT HET WORDT BE-
SCHADIGD.
FORCEER DE ELEKTRISCHE KA-
BELS NIET.
N.B.
VOORALEER MEN EEN LAMPJE VER-
VANGT, CONTROLEERT MEN DE ZE-
KERINGEN.
112
4 Maintenance / 4 Onderhoud
BULBS
Rear light bulbs / brake 12V - 5W/21W
Turn indicators bulb 12V - 10W
Tail light bulb 12V - 16W
High-beam bulb 12V - 55W
Low beam bulb 12V - 55W
Instrument panel lighting warning
light
12V - 1.2W
Turn indicator warning light 12V - 1.2W
Engine oil pressure warning light 12V - 1.2W
Low-beam warning light 12V - 1.2W
High-beam warning light 12V - 1.2W
Low fuel warning light 12V - 1.2W
LAMPEN
Lamp van de achterste lichten /
remlichten
12V - 5W/21W
Lamp van het licht van de
richtingaanwijzers
12V - 10W
Lamp van het positielicht 12V - 16W
Lamp van het groot licht 12V - 55W
Lamp van het dimlicht 12V - 55W
Controlelamp verlichting
dashboard
12V - 1,2W
Controlelamp van de
richtingaanwijzers
12V - 1,2W
Controlelamp van de oliedruk van
de motor
12V - 1,2W
Controlelamp van het dimlicht 12V - 1,2W
Controlelamp van het groot licht 12V - 1,2W
Controlelamp van de
brandstofreserve
12V - 1,2W
113
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_24
Front light group (04_24,
04_25, 04_26, 04_27, 04_28)
Front headlamp bulb replacement
In the front headlight there are:
One high-beam light bulb «1».
One low-beam light bulb «2».
One front tail light bulb «7».
For replacement:
Open the glove-box and release
the end of stroke side rods by
pressing them down moderate-
ly.
Voorste optische groep
(04_24, 04_25, 04_26, 04_27,
04_28)
Vervanging van de lampjes van het
voorlicht
Op het achterlicht vindt men:
Eén lampje van het groot licht
«1».
Eén lampje van het dimlicht
«2».
Eén lampje van het achterste
positielicht «7».
Voor de vervanging:
Open de documentenruimte en
koppel de laterale eindeloopsta-
ven los door er gematigd naar
beneden toe op te drukken.
04_25
High-beam and low-beam bulbs
Hold the electrical bulb connec-
tor «3», pull and disconnect it
from the bulb.
Turn the bulb «4» anticlockwise
and remove it from the parabole
fitting.
When refitting:
Place the bulb «4» in the para-
bole fitting and turn it clockwise.
Connect the bulb electrical con-
nector «3».
Lampjes van het groot licht en het
dimlicht
Grijp de elektrische connector
van het lampje «3» vast, trek er
aan en koppel het los van het
lampje.
Draai het lampje «4» in tegen-
wijzerszin, en verwijder het uit
de paraboolzit.
Bij de hermontage:
Plaats het lampje «4» in de pa-
raboolzit en draai het in wijzers-
zin.
114
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
DO NOT PULL THE ELECTRICAL CA-
BLES WHEN TAKING OUT THE BULB
ELECTRICAL CONNECTOR.
NOTE
INSERT THE BULB IN THE PARA-
BOLE FITTING SO THAT THE THREE
BULB TABS COINCIDE WITH THEIR
SLOTS IN THE BULB HOLDER.
Verbindt de elektrische connec-
tor van het lampje «3».
LET OP
OM DE ELEKTRISCHE CONNECTOR
VAN HET LAMPJE TE VERWIJDEREN,
MAG MEN NIET AAN DE ELEKTRI-
SCHE KABELS TREKKEN.
N.B.
PLAATS HET LAMPJE IN DE PARA-
BOOLZIT, DOOR DE DRIE KLEMVER-
BINDINGEN OP HET LAMPJE TE
DOEN OVEREENKOMEN MET DE
RESPECTIEVELIJKE GELEIDERS OP
DE PARABOOLZIT.
04_26
Tail light bulb replacement
Rest the scooter on its centre
stand.
Unscrew and remove the two
screws «6».
Vervanging van de positielamp
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
Draai de twee bouten «6» los en
verwijder ze.
115
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_27
Unscrew and remove the two
screws «7».
Unscrew and remove the two
screws «8».
CAUTION
UPON REMOVAL, BE CAREFUL NOT
TO DROP THE CLIPS INSTALLED ON
THE TONGUES.
Draai de twee bouten «7» los en
verwijder ze.
Draai de twee bouten «8» los en
verwijder ze.
LET OP
TIJDENS DE FASE VAN DE DEMON-
TAGE MOET MEN OPLETTEN OM DE
CLIPS DIE GEÏNSTALLEERD ZIJN OP
DE KLEMVERBINDINGSLIPJES NIET
TE LATEN VALLEN.
Pull carefully to remove the front
case «9» .
Verwijder de voorste motorkap
«9» door er voorzichtig aan te
trekken.
04_28
Working from the rear part of the
bulb holder «6», turn and extract
the entire bulb holder.
Extract the bulb «5» from its fit-
ting.
Fit a new bulb of the same type
correctly .
Follow the same procedure but
in reverse order to refit.
NOTE
IT IS NOT NECESSARY TO OPERATE
OR REMOVE THE HEADLIGHT GLASS
Door te handelen langs de ach-
terkant van de lamphouder «6»
draait men aan de lamphouder
zelf, en verwijdert men ze.
Verwijder het lampje «5» uit de
zit.
Installeer correct een lampje
van hetzelfde type.
Voor de hermontage handelt
men in de omgekeerde zin.
N.B.
VOOR DE VERVANGING VAN DE PO-
SITIELAMP, IS HET NIET NODIG OM
116
4 Maintenance / 4 Onderhoud
OR PARABOLE TO REPLACE THE
TAIL LIGHT BULB.
CAUTION
PROCEED WITH CAUTION.
DO NOT DAMAGE THE TABS AND/OR
THEIR CORRESPONDING SLOTS.
HANDLE PLASTIC AND PAINTED
COMPONENTS WITH CARE, DO NOT
SCRATCH OR SPOIL THEM.
NOTE
INSERT THE BULB «5» IN THE BULB
HOLDER «6» SO THAT THE TWO
GUIDING PINS COINCIDE WITH THEIR
GUIDES ON THE BULB HOLDER.
NOTE
WHEN REFITTING INSERT TABS IN
THEIR SLOTS WITH THE CORRE-
SPONDING CLIPS.
TE HANDELEN OP, OF OM DE LENS
OF DE PARABOOL VAN DE KOPLAMP
ZELF TE DEMONTEREN.
LET OP
WEES VOORZICHTIG BIJ HET GE-
BRUIK.
BESCHADIG DE LIPJES EN/OF DE RE-
LATIEVE KLEMVERBINDINGSZITTEN
NIET.
HANTEER VOORZICHTIG DE PLAS-
TIC ONDERDELEN EN DE GELAKTE
DELEN, EN KRAS OF BESCHADIG ZE
NIET.
N.B.
PLAATS HET LAMPJE «5» IN DE
LAMPHOUDER «6», DOOR DE TWEE
GELEIDERPINNETJES TE DOEN
OVEREENKOMEN MET DE RESPEC-
TIEVELIJKE GELEIDERS OP DE
LAMPHOUDER.
N.B.
PLAATS BIJ DE HERMONTAGE DE
KLEMVERBINDINGSLIPPEN COR-
RECT IN DE SPECIALE ZITTEN, MET
DE RELATIEVE CLIPS.
117
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_29
04_30
Headlight adjustment (04_29,
04_30, 04_31)
LIGHT BEAM VERTICAL ADJUST-
MENT
For a quick check of the correct direction
of the front light beams, place the scooter
ten metres from a vertical wall and make
sure the ground is level.
Turn on the low beam light, sit on the
scooter and check that the light beam
projected to the wall is a little below the
headlight horizontal straight line (about
9/10 of the total height).
To adjust the light beam:
Open the glove-box «1» and re-
lease the end of stroke side rods
by pressing them down moder-
ately.
Remove the right and left pro-
tection covers by levering the
upper release tongue.
Use a screwdriver or an 8 mm
combination spanner to undo
the lower set screws «2» for
both headlights:
- Turn it CLOCKWISE to lower
the light beam.
- Turn it ANTICLOCKWISE to
raise the light beam.
Regeling van de koplamp
(04_29, 04_30, 04_31)
VERTICALE REGELING VAN DE
LICHTBUNDEL
Voor een snelle controle van de correcte
richting van de lichtbundel vooraan,
plaats men het voertuig op tien meter af-
stand van een verticale wand, en contro-
leert men of het terrein vlak is.
Ontsteek het dimlicht, ga op het voertuig
zitten en controleer of de lichtbundel die
op de wand wordt geprojecteerd zich iets
onder de horizontale lijn van de koplamp
bevindt (ongeveer 9/10 van de totale
hoogte).
Voor het regelen van de lichtbundel:
Open de documentenruimte
«1» en koppel de laterale einde-
loopstaven los door er gematigd
naar beneden toe op te drukken.
Verwijder de rechter en linker
beschermingsdeksels door te
handelen op het bovenste kop-
pellipje.
Gebruik een schroevendraaier
of een gecombineerde sleutel
van 8 mm om op de onderste
regelbouten «2» op beide ko-
plampen te handelen:
- Wanneer men in WIJZERSZIN
draait, verlaagt de lichtbundel.
118
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Wanneer men in TEGENWIJ-
ZERSZIN draait, verhoogt de
lichtbundel.
04_31
LIGHT BEAM HORIZONTAL ADJUST-
MENT
Open the glove-box «1» and re-
lease the end of stroke side rods
by pressing them down moder-
ately.
Remove the right and left pro-
tection covers using the upper
fixing tongue.
To adjust the light beam:
Use a screwdriver or an 8 mm
combination spanner to undo
the upper set screws «2» for
both headlights: turn them
CLOCKWISE to move the light
beam to the LEFT (in relation to
the riding direction). Turn them
ANTICLOCKWISE to move the
light beam to the RIGHT (in re-
lation to the riding direction).
HORIZONTALE REGELING VAN DE
LICHTBUNDEL
Open de documentenruimte
«1» en koppel de laterale einde-
loopstaven los door er gematigd
naar beneden toe op te drukken.
Verwijder de rechter en linker
beschermingsdeksels door te
handelen op het bovenste kop-
pellipje.
Voor het regelen van de lichtbundel:
Gebruik een schroevendraaier
of een gecombineerde sleutel
van 8 mm om op de bovenste
regelbouten «2» op beide ko-
plampen te handelen:- draai in
WIJZERSZIN en de lichtbundel
zal zich naar LINKS verplaatsen
(tegenover de rijrichting). draai
in TEGENWIJZERSZIN en de
lichtbundel zal zich naar
RECHTS verplaatsen (tegen-
over de rijrichting).
119
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_32
Front direction indicators
(04_32, 04_33, 04_34)
BULB REPLACEMENT
For replacement:
Rest the scooter on its centre
stand.
Unscrew and remove the two
screws «6».
Voorste richtingaanwijzers
(04_32, 04_33, 04_34)
VERVANGING VAN DE LAMPJES
Voor de vervanging:
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
Draai de twee bouten «6» los en
verwijder ze.
04_33
Unscrew and remove the two
screws «7».
Unscrew and remove the two
screws «8».
CAUTION
UPON REMOVAL, BE CAREFUL NOT
TO DROP THE CLIPS INSTALLED ON
THE TONGUES.
Draai de twee bouten «7» los en
verwijder ze.
Draai de twee bouten «8» los en
verwijder ze.
LET OP
TIJDENS DE FASE VAN DE DEMON-
TAGE MOET MEN OPLETTEN OM DE
CLIPS DIE GEÏNSTALLEERD ZIJN OP
DE KLEMVERBINDINGSLIPJES NIET
TE LATEN VALLEN.
120
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_34
Pull carefully to remove the front
case «9» .
Verwijder de voorste motorkap
«9» door er voorzichtig aan te
trekken.
Working from the front part of
the vehicle, turn the holder «3»
with the bulb «4» clockwise and
extract them from their fitting.
Press the bulb «4» moderately
and turn it anticlockwise.
Extract the bulb from its fitting.
Install a bulb of the same type
adequately.
Reinstall in the reverse order.
NOTE
INSERT THE BULB IN THE BULB
HOLDER SO THAT THE TWO GUIDING
PINS COINCIDE WITH THEIR GUIDES
ON THE BULB HOLDER.
Door te handelen langs de ach-
terkant van het voertuig, draait
men de steun «3» met het lamp-
je «4» in wijzerszin, en verwij-
dert men beide uit hun plaats.
Druk gematigd op het lampje
«4» en draai het in tegenwijzers-
in.
Verwijder het lampje uit de zit.
Installeer op correcte wijze een
nieuw lampje van hetzelfde ty-
pe.
Voor de hermontage handelt
men in de omgekeerde zin.
N.B.
PLAATS HET LAMPJE IN DE LAMPEN-
HOUDER, DOOR DE TWEE GELEI-
DERPINNETJES TE DOEN OVEREEN-
KOMEN MET DE RESPECTIEVELIJKE
GELEIDERS OP DE LAMPENHOU-
DER.
121
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_35
Rear optical unit (04_35,
04_36, 04_37)
REAR HEADLAMP BULB REPLACE-
MENT
In the rear headlamps there are:
Two tail light/stop light bulbs
«1».
Two rear turn indicator bulbs
«2».
Achterste optische groep
(04_35, 04_36, 04_37)
VERVANGING VAN DE LAMPJES VAN
HET ACHTERLICHT
In de achterlichten vindt men:
Twee lampjes van het positie-
licht/stoplicht «1».
Twee lampjes van de achterste
richtingaanwijzers «2».
04_36
For replacement:
Unscrew the two fixing screws
«3» and remove the glass «4».
NOTE
THE FOLLOWING INFORMATION RE-
FERS TO ONLY ONE INDICATOR BUT
IT APPLIES TO BOTH.
CAUTION
PROCEED WITH CAUTION.
DO NOT DAMAGE THE TABS AND/OR
THEIR CORRESPONDING SLOTS.
HANDLE PLASTIC AND PAINTED
COMPONENTS WITH CARE, DO NOT
SCRATCH OR SPOIL THEM.
Voor de vervanging:
Draai de twee bevestigingsbou-
ten «3» los en verwijder de lens
«4».
N.B.
DE VOLGENDE INFORMATIE BE-
TREFT ÉÉN RICHTINGAANWIJZER,
MAAR IS GELDIG VOOR BEIDE.
LET OP
WEES VOORZICHTIG BIJ HET GE-
BRUIK.
BESCHADIG DE LIPJES EN/OF DE RE-
LATIEVE KLEMVERBINDINGSZITTEN
NIET.
HANTEER VOORZICHTIG DE PLAS-
TIC ONDERDELEN EN DE GELAKTE
122
4 Maintenance / 4 Onderhoud
DELEN, EN KRAS OF BESCHADIG ZE
NIET.
04_37
Turn anticlockwise and extract
the tail light/stop light bulb «5»
or the turn indicator bulb «.
Install a bulb of the same type
adequately.
CAUTION
UPON REFITTING, PLACE THE
GLASS «4» CORRECTLY INTO
PLACE.
Draai in tegenwijzerszin en ver-
wijder het lampje «5», positie/
stop) of «6», richtingaanwijzer).
Installeer op correcte wijze een
nieuw lampje van hetzelfde ty-
pe.
LET OP
BIJ DE HERASSEMBLAGE PLAATST
MEN CORRECT DE LENS «4» IN HAAR
ZIT.
04_38
Number plate light (04_38)
For replacement:
Hold and pull the bulb holder
«1» to extract it from its seat.
Slide off and replace the bulb
with another of the same type.
CAUTION
DO NOT PULL THE ELECTRICAL CA-
BLES WHEN TAKING OUT THE BULB
HOLDER.
Nummerplaatlicht (04_38)
Voor de vervanging:
Neem de lampenhouder «1»
vast, trek eraan en verwijder het
uit de zit.
Verwijder en vervang het lampje
met een ander van hetzelfde ty-
pe.
123
4 Maintenance / 4 Onderhoud
LET OP
TREK NIET AAN DE ELEKTRISCHE
KABELS OM DE LAMPENHOUDER TE
VERWIJDEREN.
04_39
Helmet compartment lighting
bulb (04_39)
For replacement:
Lift the saddle.
Loosen and remove the fixing
screw «2» on the battery cover
glass.
Remove the glass «3» and slide
it off downward.
Hold and pull the bulb holder
«4» to extract it from its seat.
Slide off the bulb «5» and re-
place it with another of the same
type.
CAUTION
DO NOT PULL THE ELECTRICAL CA-
BLES WHEN TAKING OUT THE BULB
HOLDER.
Licht van de verlichting van de
helmruimte (04_39)
Voor de vervanging:
Hef het zadel op.
Los de bevestigingsbout «2»
van het dekglas van het accu-
deksel, en verwijder ze.
Verwijder dekglas «3» langs on-
der.
Neem de lampenhouder «4»
vast, trek eraan en verwijder het
uit de zit.
Verwijder de lamp «5» en ver-
vang ze met een andere van
hetzelfde type.
LET OP
TREK NIET AAN DE ELEKTRISCHE
KABELS OM DE LAMPENHOUDER TE
VERWIJDEREN.
124
4 Maintenance / 4 Onderhoud
04_40
04_41
Rear-view mirrors (04_40,
04_41)
The following information refers to one
rear view mirror but is valid for both.
Rest the scooter on its centre
stand.
Lift the protection rubber ring
«1» and unscrew the two fixing
screws «2» .
Remove the protection cover
«3».
Remove the two fixing screws
«5».
Remove the rear-view mirror
«4».
NOTE
ASSEMBLE THE COMPONENTS FOR
THE RIGHT AND THE LEFT REAR -
VIEW MIRRORS SEPARATELY.
CAUTION
HOLD THE REAR-VIEW MIRROR "4"
TO AVOID DROPPING IT BY ACCI-
DENT.
Achteruitkijkspiegels (04_40,
04_41)
Volgende informatie betreft één achter-
uitkijkspiegel, maar is geldig voor beide.
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
Hef het beschermingsrubbertje
«1» op en draai de twee beves-
tigingsbouten «2» los.
Verwijder het beschermings-
deksel «3».
Verwijder de twee bevestigings-
bouten «5».
Verwijder het achteruitkijkspie-
geltje «4».
N.B.
HOU DE ONDERDELEN VAN HET
RECHTER EN LINKER SPIEGELTJE
GESCHEIDEN.
LET OP
ONDERSTEUN HET ACHTERUITKIJK-
SPEIGELTJE «4» ZODAT HET NIET
TOEVALLIG KAN VALLEN.
LET OP
HANTEER VOORZICHTIG DE PLAS-
TIC ONDERDELEN EN DE GELAKTE
125
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
HANDLE THE PLASTIC AND PAINTED
COMPONENTS WITH CARE, DO NOT
SCRATCH OR SPOIL THEM.
DELEN, EN KRAS OF BESCHADIG ZE
NIET.
Front and rear disc brake
(04_42, 04_43, 04_44)
NOTE
THIS VEHICLE IS FITTED WITH
FRONT AND REAR DISC BRAKES
WITH INDEPENDENT HYDRAULIC
CIRCUITS. THE FOLLOWING INFOR-
MATION REFERS TO ONE BRAKING
CIRCUIT BUT IT APPLIES TO BOTH.
CAUTION
SUDDEN BACKLASH CHANGES OR
ELASTIC RESISTANCE IN THE LEVER
ARE DUE TO MALFUNCTION OF THE
HYDRAULIC CIRCUIT. CONTACT AN
APRILIA OFFICIAL DEALER IN CASE
OF DOUBTS ON THE CORRECT OP-
ERATION OF THE SYSTEM AND
WHEN UNABLE TO CARRY OUT ROU-
TINE CHECK PROCEDURES.
Schijfrem vooraan en
achteraan (04_42, 04_43,
04_44)
N.B.
DIT VOERTUIG IS UITGERUST MET
SCHIJFREMMEN VOORAAN EN ACH-
TERAAN, MET GESCHEIDEN HY-
DRAULISCHE CIRCUITS. DE VOL-
GENDE INFORMATIE BETREFT EEN
ENKELE REMINSTALLATIE, MAAR IS
GELDIG VOOR BEIDE.
LET OP
HET PLOTSELING WIJZIGEN VAN DE
SPELING OF EEN ELASTISCHE
WEERSTAND OP DE HENDEL, IS TE
WIJTEN AAN PROBLEMEN MET DE
HYDRAULISCHE INSTALLATIE. IN
GEVAL VAN TWIJFELS IN VERBAND
MET DE PERFECTE WERKING VAN
DE INSTALLATIE EN IN GEVAL MEN
NIET IN STAAT IS OM DE NORMALE
126
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
PAY SPECIAL ATTENTION TO THE
BRAKE DISC AND THE FRICTION
GASKETS AND CHECK THAT THEY
ARE NOT OILY OR GREASY, SPE-
CIALLY AFTER MAINTENANCE OP-
ERATIONS OR CHECKS.
CHECK THAT THE BRAKE PIPE IS
NOT TWISTED OR WORN.
DO NOT DISPOSE OF THE FLUID INTO
THE ENVIRONMENT.
KEEP OUT OF THE REACH OF CHIL-
DREN
CAUTION
BRAKES ARE THE MOST IMPORTANT
COMPONENTS TO ENSURE SAFETY
AND THEREFORE THEY HAVE TO BE
ALWAYS IN PERFECT CONDITIONS;
CHECK THEM BEFORE EVERY RIDE.
A DIRTY DISC SMEARS THE PADS
RESULTING IN POOR BRAKING. RE-
PLACE DIRTY PADS AND CLEAN THE
DIRTY DISC USING A TOP-QUALITY
DEGREASING PRODUCT.
BRAKE FLUID SHOULD BE CHANGED
EVERY TWO YEARS AT AN Official
aprilia Dealer.
CONTROLEHANDELINGEN UIT TE
VOEREN, WENDT MEN ZICH TOT EEN
OFFICIËLE APRILIA DEALER.
LET OP
LET VOORAL OP VOOR DE SCHIJF-
REM EN VOOR DE WRIJVINGSPAK-
KINGEN, EN CONTROLEER OF ZE
NIET VETTIG ZIJN OF INGEVET ZIJN,
VOORAL NA HET UITVOEREN VAN
DE ONDERHOUDS OF CONTROLE-
HANDELINGEN.
CONTROLEER OF DE REMBUIS NIET
IN ELKAAR IS GEDRAAID OF VER-
SLETEN IS.
LOOS DE VLOEISTOF NIET IN HET MI-
LIEU.
BUITEN BEREIK VAN KINDEREN
HOUDEN
LET OP
DE REMMEN ZIJN DE ONDERDELEN
DIE HET MEEST DE VEILIGHEID GA-
RANDEREN, EN MOETEN DUS
STEEDS PERFECT EFFICIËNT WOR-
DEN GEHOUDEN; CONTROLEER ZE
VÓÓR ELKE REIS.
127
4 Maintenance / 4 Onderhoud
DO NOT HESITATE TO CONTACT AN
Official aprilia Dealer IN CASE OF
DOUBTS ON THE CORRECT OPERA-
TION OF THE BRAKING SYSTEM AND
WHEN THE ORDINARY CHECKS CAN
NOT BE CARRIED OUT.
EEN VUILE SCHIJF BESMEURT DE
PASTILLES, EN VERMINDERT DUS
DE DOELTREFFENDHEID VAN HET
REMMEN. VUILE PASTILLES MOE-
TEN WORDEN VERVANGEN, TER-
WIJL DE VUILE SCHIJF MOET GEREI-
NIGD WORDEN MET EEN ONTVET-
TEND PRODUCT VAN HOGE KWALI-
TEIT.
DE REMVLOEISTOF MOET ELKE
TWEE JAAR WORDEN VERVANGEN
DOOR EEN Officiële aprilia Dealer.
IN GEVAL VAN TWIJFELS IN VER-
BAND MET DE PERFECTE WERKING
VAN DE REMINSTALLATIE EN IN GE-
VAL MEN NIET IN STAAT IS OM DE
NORMALE CONTROLEHANDELIN-
GEN UIT TE VOEREN, WENDT MEN
ZICH TOT EEN Officiële aprilia Dealer.
Pads wear check
Check brake pads for wear according to
the indications in the Scheduled mainte-
nance chart.
Disc brake pad wear depend on the use,
the riding style and the roads.
NOTE
THE FOLLOWING INFORMATION RE-
FERS TO ONE BRAKING CIRCUIT BUT
IS VALID FOR BOTH.
Controle van de slijtage van de pastil-
les
Controleer de slijtage van de rempastilles
op basis van de Tabel van het gepro-
grammerd onderhoud.
De slijtage van de pastilles van de rem-
schijf hangt af van het gebruik, van het
rijgedrag en van het wegtype.
N.B.
DE VOLGENDE INFORMATIE BE-
TREFT ÉÉN REMINSTALLATIE, MAAR
IS GELDIG VOOR BEIDE.
128
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
CHECK BRAKE PADS FOR WEAR
MAINLY BEFORE EACH RIDE.
LET OP
CONTROLEER DE SLIJTAGE VAN DE
REMPASTILLES VOORAL VÓÓR
ELKE REIS.
04_42
To carry out a quick pad check:
Rest the scooter on its centre
stand.
Carry out a visual inspection of
brake disc and pads as follows.
Front brake callipers
- From the front bottom side for both cal-
lipers.
Voor het uitvoeren van een snelle con-
trole van de slijtage van de pastilles:
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard.
Voer een visieve controle uit
tussen de remschijf en de pas-
tilles, door als volgt te handelen.
Voorste remtangen
- Vooraan van onder voor beide tangen.
04_43
Rear brake calliper
- From the back bottom side for both pads
«C».
NOTE
EXCESSIVE WEAR OF THE FRICTION
MATERIAL MAKES THE PAD METAL
SUPPORT GET INTO CONTACT WITH
THE DISC, WHICH RESULTS IN A
METALLIC NOISE AND SPARKS IN
THE CALLIPER; THEREFORE, BRAK-
ING EFFICIENCY AND DISC SAFETY
AND INTEGRITY ARE AT RISK.
Achterste remtang
- Achteraan van onder voor beide pastil-
les «C».
N.B.
EEN VERDER VERBRUIK VAN HET
WRIJVINGSMATERIAAL KAN HET
CONTACT VEROORZAKEN MET DE
METALEN STEUN VAN DE PASTIL-
LES MET DE SCHIJF, MET ALS GE-
VOLG LAWAAI VAN METAAL EN DE
TANG DIE VONKEN MAAKT; DE
DOELTREFFENDHEID VAN HET REM-
129
4 Maintenance / 4 Onderhoud
MEN, DE VEILIGHEID EN DE INTEGRI-
TEIT VAN DE SCHIJF WORDEN OP
DEZE MANIER GESCHAAD.
04_44
If the friction material thickness
(even in only one pad) is re-
duced to about 1.5 mm, replace
both pads.
- Front pads «1».
- Rear pads «2».
CAUTION
TAKE YOUR SCOOTER TO AN Official
aprilia Dealer TO HAVE DISCS RE-
PLACED.
Wanneer de dikte van het wrij-
vingsmateriaal (ook van slechts
één pastille) verminderd is tot
ongeveer 1,5 mm, laat men bei-
de pastilles vervangen.
- Pastilles vooraan «1».
- Achterste pastilles «2».
LET OP
VOOR DE VERVANGING MOET MEN
ZICH TOT EEN Officiële aprilia Dealer
WENDEN.
04_45
Periods of inactivity (04_45,
04_46)
Take some measures to avoid the side
effects of not using the vehicle. Besides,
it is necessary to carry out general repairs
and checks before garaging the vehicle
as one can forget to do so afterwards.
Proceed as follows:
Empty the fuel tank completely.
Remove the spark plug.
Pour a teaspoonful (5 -10 cm³)
of engine oil into the cylinder.
Stilstand van het voertuig
(04_45, 04_46)
Men moet enkele voorzorgsmaatregelen
treffen om de effecten van het niet ge-
bruiken van het voertuig tegen te gaan.
Bovendien moet men de herstellingen en
de algemene controle vóór het opbergen
uitvoeren, anders kan men vergeten om
dit vervolgens uit te voeren.
Handel als volgt:
Ledig de brandstoftank volledig.
Verwijder de bougie.
130
4 Maintenance / 4 Onderhoud
NOTE
PLACE A CLEAN CLOTH ON THE
CYLINDER NEXT TO THE SPARK
PLUG SEAT TO PROTECT IT FROM
POSSIBLE OIL SPLASHES.
Giet in de cilinder een lepeltje (5
-10 cm³) motorolie.
N.B.
PLAATS EEN REIN DOEK OP DE CI-
LINDER, NABIJ DE ZIT VAN DE BOU-
GIE, TER BESCHERMING TEGEN
EVENTUELE OLIESPATTEN.
04_46
Set the ignition switch to "ON"
and press the starter button "A"
for a few seconds to distribute
the oil on the cylinder surfaces
uniformly.
Remove the protection cloth.
Refit the spark plug.
Remove the battery.
Wash and dry the scooter.
Polish the painted surfaces.
Inflate tyres.
Place the scooter so that both
tyres do not touch the ground
using a specific support.
Store the vehicle in a cool, dry
place, away from sunlight and
with steady temperature.
Put a plastic bag on the muffler
exhaust end and tie it so that hu-
midity cannot get in.
Cover the scooter but do not use
plastic or waterproof materials.
AFTER STORAGE
Uncover and clean the scooter.
Check that the battery charge is
OK and fit it.
Refill the fuel tank.
Plaats de ontstekingsschake-
laar in «ON» en druk voor enke-
le seconden op de startmotor
«A» om de olie uniform op de
oppervlakken van de cilinder te
verdelen.
Verwijder het beschermende
doek.
Hermonteer de bougie.
Verwijder de accu.
Was en droog het voertuig.
Breng was aan op de gelakte
oppervlakken.
Blaas de banden op.
Plaats het voertuig zodanig dat
beide banden van de grond zijn,
door gebruik te maken van een
speciale steun.
Plaats het voertuig in een niet
verwarmd lokaal, zonder voch-
tigheid, beschermd tegen zon-
nestralen, en waar tempera-
tuursverschillen miniem zijn.
Plaats een plastic zakje op de
uitlaat en bindt dit vast, zodat er
geen vochtigheid in kan komen.
131
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Carry out the preliminary
checks.
CAUTION
AS A TEST, RIDE THE VEHICLE FOR
A FEW KILOMETRES AT A MODER-
ATE SPEED AND AWAY FROM TRAF-
FIC AREAS.
Bedek het voertuig, maar met
geen plastic of ondoordringbaar
materiaal.
NA HET OPBERGEN
Verwijder de bedekking en rei-
nig het voertuig.
Controleer de staat van lading
van de accu, en installeer ze.
Tank brandstof.
Voer de voorbereidende contro-
les uit.
LET OP
VOER VOOR ENKELE KILOMETERS
EEN TESTRIT UIT AAN EEN GEMA-
TIGDE SNELHEID, IN EEN VER-
KEERSVRIJE ZONE.
Cleaning the vehicle
Clean the vehicle frequently when it is
exposed to adverse conditions, such as:
Air pollution (cities and industrial
areas)
Salinity and humidity in the at-
mosphere (seashore areas, hot
and wet weather).
Special ambient/seasonal con-
ditions (use of salt, anti-icing
chemical products on roads in
winter).
Reinigen van het voertuig
Reinig het voertuig regelmatig wanneer
het wordt gebruikt in de volgende zones
of condities:
Atmosferische vervuiling (in de
stad of in industriële zones)
Zoutgehalte en vochtigheid van
de atmosfeer (zeegebieden,
warm en vochtig klimaat).
Speciale milieu/seizoenscondi-
ties (het gebruik van zout, che-
mische anti-ijsproducten op we-
gen in de winterperiode).
132
4 Maintenance / 4 Onderhoud
Make sure to clean off any in-
dustrial residue or polluting dirt
as well as remove tar stains,
dead insects, bird droppings,
etc.
Avoid parking your vehicle un-
der trees; During some sea-
sons, resins, fruits or leaves
containing aggressive chemical
substances that may damage
the paintwork may fall from
trees.
CAUTION
AFTER CLEANING YOUR VEHICLE,
BRAKING EFFICIENCY MAY BE TEM-
PORARILY AFFECTED DUE TO THE
PRESENCE OF WATER ON THE FRIC-
TION SURFACES OF THE BRAKING
CIRCUIT. CALCULATE A LONGER
BRAKING DISTANCE IN ORDER TO
AVOID ACCIDENTS. BRAKE REPEAT-
EDLY TO RESTORE NORMAL OPER-
ATION. CARRY OUT THE PRE-RIDE
CHECKS.
Let vooral op dat op de carros-
serie geen afzettingsresten blij-
ven van industriële en vervuilen-
de stoffen, teervlekken, dode
insecten, uitwerpselen van vo-
gels, enz.
Vermijdt om het voertuig onder
bomen te parkeren; In sommige
seizoenen kan er uit de bomen
hars, fruit of bladeren vallen die
chemische stoffen bevatten die
schadelijk zijn voor de lak.
LET OP
NADAT MEN HET VOERTUIG HEEFT
GEWASSEN, KAN DE REMDOEL-
TREFFENDHEID TIJDELIJK MINDER
ZIJN DOOR DE AANWEZIGHEID VAN
WATER OP DE WRIJVINGSOPPER-
VLAKKEN VAN DE REMINSTALLATIE.
VOORZIE EEN LANGE REMAFSTAND
OM ONGELUKKEN TE VERMIJDEN.
ACTIVEER HERHAALDELIJK DE
REMMEN, OM DE NORMALE REM-
CONDITIES TE HERSTELLEN. VOER
DE VOORBEREIDENDE CONTROLES
UIT.
To remove dirt and mud deposited on the
painted surfaces, use a low pressure wa-
ter blast to soak all dirty parts carefully.
Wipe off mud and dirt with a soft sponge
for bodywork soaked in a lot of water and
Om het vuil en de modder te verwijderen
die zich hebben afgezet op de gelakte
oppervlakken, moet men een waterstraal
onder lage druk gebruiken, de vuile delen
zorgvuldig nat maken, de modder en het
133
4 Maintenance / 4 Onderhoud
shampoo (2 … 4% parts of shampoo in
water). Then rinse abundantly with water
and dry with a shammy cloth. To clean
the engine outer parts, use degreasing
detergent, brushes and cloth
NOTE
SCOOTER CLEANING TIPS
1. REMOVE ALL OBJECTS
FROM INSIDE THE FRONT
CASE AND THE HELMET
COMPARTMENT; REMOVE
MOQUETTE CARPET IN THE
HELMET COMPARTMENT;
2. MAKE SURE ALL THE COM-
PARTMENTS ALL ADE-
QUATELY CLOSED;
3. WASH ONLY WITH NEUTRAL
DETERGENT AND RINSE
WITH WATER BUT NOT WITH
PRESSURE.
CAUTION
REMEMBER TO CLEAN THE SCOOT-
ER CAREFULLY BEFORE ANY POL-
ISHING WITH SILICON WAX. DO NOT
POLISH MATT-PAINTED SURFACES
WITH POLISHING PASTE. THE
SCOOTER SHOULD NEVER BE
WASHED IN DIRECT SUNLIGHT, ES-
PECIALLY DURING SUMMER, WITH
THE BODYWORK STILL HOT, AS THE
SHAMPOO CAN DAMAGE THE PAINT-
WORK IF IT DRIES BEFORE BEING
vuil verwijderen met een zachte spons
voor carrosseries die doordrenkt is in
veel water en shampoo (2 … 4% delen
shampoo in water). Spoel vervolgens
overvloedig met water en droog af met
een zeemvel. Om de externe delen van
de motor te reinigen, gebruikt men een
ontvettend reinigingsmiddel, kwasten en
doeken
N.B.
NORMEN VOOR HET WASSEN VAN
HET VOERTUIG
1. VERWIJDER ALLE VOOR-
WERPEN UIT DE VOORSTE
RUIMTES EN UIT DE ZADEL-
RUIMTE; VERWIJDER HET
TAPIJTJE UIT DE ZADEL-
RUIMTE;
2. CONTROLEER OF DE RUIM-
TES CORRECT ZIJN GESLO-
TEN;
3. WAS ENKEL MET NEUTRALE
REINIGINGSMIDDELEN, EN
SPOEL AF MET WATER ZON-
DER DRUK.
LET OP
MEN HERINNERT DAT HET OPPOET-
SEN MET SILICONENWAS UITGE-
VOERD MOET WORDEN NADAT MEN
HET VOERTUIG ZORGVULDIG HEEFT
GEWASSEN. POETS MATTE LAKKEN
NIET OP MET SCHURENDE PASTA'S.
134
4 Maintenance / 4 Onderhoud
RINSED OFF. DO NOT USE LIQUIDS
AT TEMPERATURES OVER 40 °C
WHEN CLEANING PLASTIC PARTS
OF THE SCOOTER. DO NOT DIRECT
HIGH PRESSURE WATER OR AIR
JETS OR STEAM TO THE FOLLOWING
PARTS: WHEEL HUBS, CONTROLS
LOCATED ON THE RIGHT OR LEFT
SIDE OF THE HANDLEBAR, BEAR-
INGS, BRAKE PUMPS, INSTRUMENTS
AND GAUGES, MUFFLER EXHAUST,
GLOVE-BOX/TOOL KIT, IGNITION
SWITCH/STEERING. DO NOT USE AL-
COHOL, PETROL OR SOLVENTS TO
CLEAN RUBBER AND PLASTIC
PARTS. USE ONLY WATER AND NEU-
TRAL SOAP INSTEAD. DO NOT USE
SOLVENTS OR PETROL BY-PROD-
UCTS (ACETONE, TRICHLORO-ETH-
YLENE, TURPENTINE, PETROL, THIN-
NERS) TO CLEAN THE SADDLE. USE
INSTEAD DETERGENTS WITH SUR-
FACE ACTIVE AGENTS NOT EXCEED-
ING 5% (NEUTRAL SOAP, DEGREAS-
ING DETERGENTS OR ALCOHOL).
DRY THE SADDLE WELL AFTER
CLEANING.
CAUTION
DO NOT APPLY ANY PROTECTIVE
WAX ON THE SADDLE OR IT MAY BE-
COME SLIPPERY.
HET WASSEN MAG NOOIT WORDEN
UITGEVOERD IN DE ZON, VOORAL
NIET IN DE ZOMER WANNEER DE
CARROSSERIE NOG WARM IS, OM-
DAT DE SHAMPOO DIE VÓÓR HET
SPOELEN OPDROOGT DE LAK KAN
BESCHADIGEN. GEBRUIK GEEN
VLOEISTOFFEN MET EEN TEMPERA-
TUUR VAN MEER DAN 40°C VOOR
HET REINIGEN VAN DE PLASTIC DE-
LEN VAN HET VOERTUIG. RICHT DE
WATERSTRALEN OF PERSLUCHT OF
DAMP NIET OP DE VOLGENDE DE-
LEN: DE NAVEN VAN DE WIELEN, DE
COMMANDO'S OP HET RECHTER EN
LINKER KANT VAN HET STUUR, DE
KUSSENTJES, DE REMPOMPEN, DE
INSTRUMENTEN EN DE INDICATORS,
DE UITLAAT VAN DE KNALDEMPER,
DE DOCUMENTENRUIMTE/GEREED-
SCHAPSKIT, DE ONTSTEKINGS-
SCHAKELAAR/STUURSLOT. VOOR
DE REINIGING VAN DE RUBBEREN
EN PLASTIC DELEN MAG MEN GEEN
ALCOHOL OF BENZINE OF OPLOS-
MIDDELEN, MAAR ENKEL WATER EN
NEUTRALE ZEEP GEBRUIKEN. VOOR
DE REINIGING VAN HET ZADEL MAG
MEN GEEN OPLOSMIDDELEN OF PE-
TROLEUMDERIVATEN GEBRUIKEN
(ACETON, TRICHLOORETHYLEEN,
TERMENTIJN, BENZINE, OPLOSMID-
DELEN). MEN MAG REINIGINGSMID-
DELEN GEBRUIKEN DIE MAXIMUM
5% CAPILLAIR ACTIEVE DELEN BE-
VATTEN (NEUTRALE ZEEP, ONTVET-
TENDE REINIGINGSMIDDELEN OF
135
4 Maintenance / 4 Onderhoud
ALCOHOL). DROOG HET ZADEL
ZORGVULDIG NA DE REINIGING.
LET OP
GEBRUIK OP HET ZADEL GEEN BE-
SCHERMENDE WAS, OM TE VERMIJ-
DEN DAT HET GAAT SCHUIVEN.
Transport
NOTE
BEFORE TRANSPORTING THE
SCOOTER, EMPTY THE FUEL TANK
WELL AND MAKE SURE IT IS PER-
FECTLY DRY.
WHILE TRANSPORTING THE SCOOT-
ER, IT SHOULD BE AT ALL TIMES
VERTICAL AND WELL ANCHORED IN
ORDER TO AVOID FUEL, OIL OR
COOLANT LEAKS.
IN CASE OF FAILURE, DO NOT HAVE
THE SCOOTER TOWED. ASK FOR AN
ADEQUATE ASSISTANCE.
Vervoer
N.B.
VOORALEER MEN HET VOERTUIG
VERVOERT, MOET MEN DE BRAND-
STOFTANK ZORGVULDIG LEDIGEN,
EN CONTROLEREN OF DEZE GOED
DROOG IS.
TIJDENS DE VERPLAATSING MOET
HET VOERTUIG VERTICAAL BLIJVEN
EN GOED WORDEN VERANKERD,
ZODAT HET VERLIES VAN BRAND-
STOF, OLIE EN KOELVLOEISTOF
WORDT VERMEDEN.
IN GEVAL VAN EEN DEFECT MAG
MEN HET VOERTUIG NIET SLEPEN,
MAAR MOET MEN EEN HULPDIENST
CONTACTEREN.
Emptying the fuel tank Het ledigen van de brandstoftank
136
4 Maintenance / 4 Onderhoud
CAUTION
FIRE HAZARD.
WAIT UNTIL THE ENGINE AND THE
MUFFLER ARE COLD.
FUEL VAPOURS ARE HARMFUL TO
HEALTH.
BEFORE ANY OPERATION, MAKE
SURE THAT THE ROOM WHERE YOU
ARE HAS ADEQUATE AIR VENTILA-
TION.
DO NOT INHALE FUEL VAPOURS.
DO NOT SMOKE OR USE NAKED
FLAMES.
DO NOT DISPOSE OF FUEL INTO THE
ENVIRONMENT.
LET OP
BRANDGEVAAR.
WACHT TOT DE MOTOR EN DE UIT-
LAAT VOLLEDIG AFGEKOELD ZIJN.
DE BRANDSTOFDAMPEN ZIJN SCHA-
DELIJK VOOR DE GEZONDHEID.
CONTROLEER EERST OF HET LO-
KAAL WAAR MEN HANDELT GOED
VERLUCHT IS.
ADEM DE BRANDSTOFDAMPEN NIET
IN.
ROOK NIET EN GEBRUIK GEEN VRIJE
VLAMMEN.
LOOS DE BRANDSTOF NIET IN HET
MILIEU.
Rest the scooter on its centre
stand and on safe and level
ground.
Shut off the engine and wait until
it cools off.
Take a container with a capacity
higher than the amount of fuel in
the tank and place it on the
scooter left hand side.
Remove the fuel tank cap.
To drain the fuel off the tank use
a hand-operated pump or a sim-
ilar system. Take care not to
Plaats het voertuig op de cen-
trale standaard en op een vaste
en vlakke ondergrond.
Leg de motor stil en wacht tot hij
afkoelt.
Voorzie een recipiënt die alle
brandstof kan opvangen die
aanwezig is in de tank, en plaats
het op de grond, links van het
voertuig.
Verwijder de dop van de brand-
stoftank.
Voor het ledigen van de brand-
stof uit de tank, gebruikt men
137
4 Maintenance / 4 Onderhoud
damage the pump unit (probe
checking fuel level in the tank).
CAUTION
AFTER EMPTYING THE TANK, REFIT
THE FUEL TANK CAP ADEQUATELY.
een handpomp of een gelijk-
soortig systeem. Let op om de
pompgroep niet te beschadigen
(peilsonde van de benzine in de
tank).
LET OP
NA HET LEDIGEN VAN DE TANK,
HERPLAATST MEN CORRECT DE
DOP VAN DE TANK.
138
4 Maintenance / 4 Onderhoud
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC
500 SPRINT
Chap. 05
Technical data
Hst. 05
Technische
gegevens
139
TECHNICAL DATA
Max. length 2200 mm
Max. width 815 mm
Max. height (to windshield) 1370 mm
Saddle height 790 mm
Centre to centre distance 1550 mm
Minimum ground clearance 190 mm
Kerb weight (in running order) 210 kg
Variator transmission continuous, automatic
Main transmission V-belt
Secondary transmission Gear reduction unit
Engine/wheel total ratio short: 1 :12.72
long: 1:4.88
Engine oil (Change to inspect
engine)
1700 cm³
Engine oil (Engine oil change and
engine oil filter replacement)
1500 cm³
Transmission oil ~ 250 cm³
Fuel capacity (reserve included) 14.5 l
Fuel reserve 1.5 l
Cooling system capacity 1.500 cm³
TECHNISCHE GEGEVENS VAN HET VOERTUIG
Max lengte 2200 mm
Max breedte 815 mm
Max hoogte (tot de kap) 1370 mm
Hoogte tot het zadel 790 mm
Asafstand 1550 mm
Minimum vrije hoogte vanaf de
grond
190 mm
Leeg gewicht (per versnelling) 210 Kg
Variator van de transmissie Continu en automatisch
Primaire transmissie Met trapeziumvormige riem
Secundaire transmissie Met raderwerk
Totale verhouding motor/wiel kort: 1:12,72
lang: 1:4,88
Motorolie (Vervanging voor de
revisie van de motor)
1700 cm³
Motorolie (Vervanging van de
motorolie en de filter van de
motorolie)
1500 cm³
Olie van de transmissie ~ 250 cm³
Brandstofcapaciteit (inclusief de
reserve)
14,5 l
140
5 Technical data / 5 Technische gegevens
Seats 2
Scooter max load (rider +
passenger + luggage)
200 kg
Chassis type Single spar with superimposed
double cradle
Steering inclination angle 28°
Front stroke 104 mm
Front suspension hydraulic telescopic fork
Front suspension (travel) 105 mm
Rear suspension 2 hydraulic shock absorbers
Rear suspension (travel) 90 mm
Front brake Ø 260 mm disc brake with
hydraulic transmission
Rear brake Ø 220 mm disc brake with
hydraulic transmission combined
with front brake
Front wheel rim 14'' X 3.00 DOT-D
Rear wheel rim 14" X 3.75 DOT-D
Tyre type Without inner tube (Tubeless)
Front tyre 120 /70 -14" 55R
Rear tyre 140 /60 -14" 64R
Front tyre standard inflation
pressure
230 kPa
Rear tyre standard inflation
pressure
240 kPa
Brandstofreserve 1,5 l
Capaciteit van de koelinstallatie 1.500 cm³
Plaatsen 2
Max belasting van het voertuig
(bestuurder + passagier + bagage)
200 Kg
Type van frame Monoligger met dubbele
overlappende motorsteun
Hellingshoek van de
stuurinrichting
28°
Voorloop 104 mm
Voorste ophanging Telescoopvork met hydraulische
werking
Voorste ophanging (verplaatsing) 105 mm
Achterste ophanging 2 hydraulische schokdempers
Achterste ophanging
(verplaatsing)
90 mm
Voorrem Met schijf - Ø 260 mm - met
hydraulische transmissie
Achterrem Met schijf - Ø 220 mm - met
hydraulische transmissie
gecombineerd met de voorrem
Velg van het voorwiel 14'' X 3,00 DOT-D
Velg van het achterwiel 14" X 3,75 DOT-D
Type van band Zonder binnenband (tubeless)
Voorste band 120 /70 -14" 55R
141
5 Technical data / 5 Technische gegevens
Front tyre standard inflation
pressure with passenger
230 kPa
Rear tyre standard inflation
pressure with passenger
260 kPa
Battery 12V - 12 Ah
Fuses 3- 15- 30 A
Generator (permanent magneto) 12V - 380W
Achterste band 140 /60 -14" 64R
Standaardspanning van de
voorband
230 KPa
Standaardspanning van de
achterband
240 KPa
Spanning van de voorband met
passagier
230 KPa
Spanning van de achterband met
passagier
260 KPa
Accu 12V - 12 Ah
Zekeringen 3- 15- 30 A
Generator (met permanente
magneet)
12V - 380W
ENGINE TECHNICAL DATA
Engine M520 (400 VERSION)
M346M (500 VERSION)
Engine type Single-cylinder, 4-stroke, 4 valves,
wet sump forced lubrication
system, overhead camshaft.
Cylinder quantity 1
Overall engine capacity 398.9 cm³ (400 VERSION)
Overall engine capacity 459 cm³ (500 VERSION)
Bore/stroke 85.8 mm / 69 mm (400 VERSION)
TECHNISCHE GEGEVENS VAN DE MOTOR
Motor M520 (VERSIE 400)
M346M (VERSIE 500)
Type van motor Monocilindrisch 4-takt met 4
kleppen, geforceerde smering met
vochtige carter, as met nokken in
de kop.
Aantal cilinders 1
Complessieve cilinderinhoud 398,9 cm³ (VERSIE 400)
Complessieve cilinderinhoud 459 cm³ (VERSIE 500)
142
5 Technical data / 5 Technische gegevens
Bore/stroke 92 mm / 69 mm (500 VERSION)
Compression ratio 10 ÷ 11 : 1
Ignition Electric
Engine revs at idle speed 1450 ± 100 rpm
Clutch Centrifugal
Transmission Automatic
Cooling Fluid (50% water + 50% coolant),
forced-circulation system
Valve clearance Inlet 0.10 / Outlet 0.15
Fuel premium unleaded petrol,
minimum octane rating of 95
(NORM) and 85 (NOMM)
Fuel supply Ø 38 mm throttle body
IGNITION Capacitive discharge ignition,
variable advance
Ignition advance Variable, controlled by ECU 20°/
3100 rpm - 33°/6200 rpm
Spark plug Standard: CHAMPION RG6YC,
CHAMPION RG4HC
Alternatively: NGK - CR7EKB,
NGK - CR8EKB
Cilinderdiameterboring/loop 85,8 mm / 69 mm (VERSIE 400)
Cilinderdiameterboring/loop 92 mm / 69 mm (VERSIE 500)
Compressieverhouding 10 ÷ 11: 1
Start Elektrisch
Toerental van de motor aan het
minimum regime
1450 ± 100 toeren/min
Koppeling Centrifuge
Versnellingsbak Automatisch
Koeling Met vloeistof (50% water + 50%
koelvloeistof) met geforceerde
circulatie
Kleppenspeling Aanzuiging 0,10 / Uitlaat 0,15
Brandstof Loodvrije superbenzine, met een
minimum octaangehalte van 95
(N.O.R.M.) en 85 (N.O.M.M.).
Voeding Vlinderromp Ø 38 mm
Ontsteking Met capacitieve uitlaat met
variabele voorontsteking
Voorontsteking Variabele voorontsteking, beheerd
door de centrale 20°/3100 toeren /
min - 33°/6200 toeren / min
Bougie Standaard: CHAMPION RG6YC,
CHAMPION RG4HC
Als alternatief: NGK - CR7EKB,
NGK - CR8EKB
143
5 Technical data / 5 Technische gegevens
05_01
Kit equipment (05_01)
The tool kit «1» is fixed inside the helmet
compartment / glove-box, under the sad-
dle.
To reach it:
- Unlock the saddle.
The tools supplied are:
crosshead/plain slot screwdriv-
er;
screwdriver handle;
16x70 mm hex box-spanner ;
13 mm combination spanner;
square drive hook wrench;
pouch bag.
Bijgeleverde gereedschappen
(05_01)
De gereedschapskit «1» is bevestigd bin-
nenin de helmruimte / documentenruim-
te, onder het zadel.
Om het te bereiken moet men:
- Deblokkeer het zadel.
De bijgevoegde gereedschappen zijn:
tweepuntige schroevendraaier
kruis/punt;
handgreepje voor de schroe-
vendraaier;
buissleutel 16x70 mm met zes-
hoek;
gecombineerde sleutel van 13
mm;
sectorsleutel met vierkant oog-
je;
gereedschapstas.
144
5 Technical data / 5 Technische gegevens
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC
500 SPRINT
Chap. 06
Spare parts and
accessories
Hst. 06
Onderdelen en
accessoires
145
146
6 Spare parts and accessories / 6 Onderdelen en accessoires
ATLANTIC 400 SPRINT ATLANTIC
500 SPRINT
Chap. 07
Programmed
maintenance
Hst. 07
Gepland
onderhoud
147
Scheduled maintenance table
CAUTION
FIRE HAZARD.
FUEL OR ANY OTHER INFLAMMABLE
SUBSTANCES MUST NOT BE CLOSE
TO ELECTRICAL COMPONENTS.
BEFORE ANY MAINTENANCE OPER-
ATION OR INSPECTION ON THE VE-
HICLE, SHUT OFF THE ENGINE AND
REMOVE THE KEY. WAIT UNTIL THE
ENGINE AND THE EXHAUST SYSTEM
ARE COLD. WHENEVER POSSIBLE,
LIFT THE VEHICLE WITH A SPECIFIC
EQUIPMENT ON A FIRM AND LEVEL
GROUND.
BEFORE ANY OPERATION, MAKE
SURE THAT THE ROOM WHERE YOU
ARE HAS ADEQUATE AIR VENTILA-
TION.
TO AVOID BURNS BE SPECIALLY
CAREFUL WITH HOT ENGINE AND
EXHAUST SYSTEM PARTS.
DO NOT HOLD ANY MECHANICAL OR
OTHER VEHICLE PARTS WITH YOUR
MOUTH: VEHICLE COMPONENTS
ARE NOT EDIBLE; ON THE CONTRA-
RY, SOME OF THEM ARE HARMFUL
AND EVEN TOXIC.
Tabel van het
geprogrammeerd onderhoud
LET OP
BRANDGEVAAR.
HOU BRANDSTOF EN ANDERE ONT-
VLAMBARE STOFFEN VER WEG VAN
ELEKTRISCHE ONDERDELEN.
VOORALEER MEN EENDER WELKE
ONDERHOUDSHANDELING OF IN-
SPECTIE UITVOERT OP HET VOER-
TUIG, LEGT MEN DE MOTOR STIL EN
VERWIJDERT MEN DE SLEUTEL.
WACHT TOT DE MOTOR EN DE UIT-
LAATINSTALLATIE AFGEKOELD
ZIJN, EN HEF INDIEN MOGELIJK HET
VOERTUIG OP MET DE SPECIALE AP-
PARATUUR OP EEN VASTE EN VLAK-
KE ONDERGROND.
CONTROLEER EERST OF HET LO-
KAAL WAAR MEN HANDELT GOED
VERLUCHT IS.
SCHENK VOORAL AANDACHT AAN
DE DELEN VAN DE MOTOR EN DE
UITLAATINSTALLLATIE DIE NOG
WARM ZIJN, OM BRANDWONDEN TE
VERMIJDEN.
HOU NOOIT MECHANISCHE OF AN-
DERE DELEN VAN HET VOERTUIG IN
DE MOND: GEEN ENKEL ONDER-
DEEL IS EETBAAR, ENKELE DELEN
148
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
NOTE
UNLESS OTHERWISE INDICATED,
REFIT THE UNIT FOLLOWING THE
REMOVAL STEPS BUT IN REVERSE
ORDER.
WHEN CARRYING OUT MAINTE-
NANCE OPERATIONS, IT IS ADVISA-
BLE TO WEAR LATEX GLOVES.
ZIJN INTEGENDEEL SCHADELIJK OF
ZELFS GIFTIG.
N.B.
WANNEER HET NIET UITDRUKKE-
LIJK IS BESCHREVEN, WORDT DE
HERMONTAGE VAN DE GROEPEN IN
OMGEKEERDE ZIN VAN DE MONTA-
GEHANDELINGEN UITGEVOERD.
BIJ ONDERHOUDSHANDELINGEN
RAADT MEN AAN OM LATEX HAND-
SCHOENEN TE GEBRUIKEN.
In general routine maintenance opera-
tions can be carried out by the user; in
some cases it is necessary to use specific
tools and have some technical knowl-
edge.
If you need assistance or technical ad-
vice, consult an Official aprilia Dealer
who will provide a precise and quick serv-
ice.
Ask your Official aprilia Dealer to test the
scooter on the road after a repair or a
scheduled maintenance operation.
Nonetheless, personally carry out the
Preliminary checks after a maintenance
operation.
Normaalgezien kunnen de handelingen
van het gewoon onderhoud door de ge-
bruiker worden uitgevoerd; in enkele ge-
vallen kan men specifieke gereedschap-
pen nodig hebben en moet men
technisch voorbereid zijn.
Wanneer men assistentie of technisch
advies nodig heeft, wendt men zich tot
een Officiële aprilia Dealer, die een zorg-
vuldige en bekommerde service garan-
deert.
Men raadt aan om aan de Officiële aprilia
Dealer te vragen om een testrit uit te voe-
ren na een herstelling of het geprogram-
meerd onderhoud.
Voer alleszins persoonlijk de Vooraf-
gaande Controles uit na en onderhouds-
handeling.
149
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
Periodic maintenance chart
Adequate maintenance is fundamental to
ensuring long-lasting, optimum operation
and performance of your vehicle.
To this end, aprilia offers a set of checks
and maintenance services (at the own-
er's expense), that are summarised in the
table shown on the following page. Any
minor fault should be reported without de-
lay to an Official aprilia Dealer without
waiting for the next scheduled service to
solve it.
Carrying out scheduled services on time
is necessary to ensure your warranty re-
mains valid. For further information con-
cerning Warranty procedures and Sched-
uled Maintenance, please refer to the
Warranty Booklet.
Kaart van het periodiek onderhoud
Een aangepast onderhoud is van door-
slaggevend belang voor een langere le-
vensduur van het voertuig in optimale
werkcondities met optimale prestaties.
Daarom heeft aprilia een serie van con-
troles en onderhoudshandelingen tegen
betaling voorzien, die men vindt in het
samenvattend kader op de volgende pa-
gina. Het is goed om eventuele kleine
onregelmatigheden bij de werking onmid-
dellijk mee te delen aan een Officiële
aprilia Dealer zonder te wachten, om ze
te verhelpen, tot het uitvoeren van de vol-
gende servicebeurt.
Een stipte uitvoering van de servicebeur-
ten is noodzakelijk voor het correcte ge-
bruik van de garantie. Voor alle andere
informatie in verband met de toepas-
singswijzen van de Garantie en de uit-
voering van het Geprogrammeerd On-
derhoud, raadpleegt men het Garantie-
boekje.
EVERY 2 YEARS
Coolant - Check
Brake fluid - change
ELKE 2 JAAR
Koelvloeistof - Controle
Remolie - Vervanging
150
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
AFTER 1000 KM
Safety locks - check
Throttle lever - adjustment
Engine oil filter - Replace
Electrical system and battery - Check
Coolant level - check
Brake fluid level - check
Engine oil - Change
Brake pad wear - check
Tyre pressure and wear - check
Vehicle and brake test - test drive
Hub oil - Change
Engine revs at idle speed - Adjustment.
Crankcase breather - empty
Steering - check up
BIJ 1000 KM
Veiligheidsblokkeringen - controle
Gascommando - registratie
Oliefilter van de motor - Vervangen
Elektrische installatie en accu - Controle
Peil van de koelvloeistof - controle
Oliepeil van de remmen - controle
Motorolie - Vervangen
Slijtage van de rempastilles - controle
Spanning en slijtage van de banden - controle
Test van het voertuig en reminstallatie - rijtest
Naafolie - Vervanging
Minimum regime van de toeren van de motor - Regelen
Ontluchting van het grondvlak - Ledigen
Stuurinrichting - controle
EVERY 5000 KM
Engine oil - level check/topping-up
Brake pad wear - Check
ELKE 5000 KM
Motorolie - Peilcontrole/bijvullen
Slijtage van de rempastilles - Controleren
151
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
AT 10000 KM, AT 30000 KM, AT 50000 KM AND AT
70000 KM
Safety locks - check
Spark plug - Replace
Driving belt - replacement
Throttle lever - adjustment
Air filter - cleaning
Air filter in belt compartment - Check
Engine oil filter - Replace
Valve clearance - check
Electrical system and battery - Check
Coolant level - check
Brake fluid level - check
Engine oil - Change
Brake pad wear - check
Sliding block/ variable speed rollers - Replacement
Tyre pressure and wear - check
Vehicle and brake test - test drive
Hub oil - Check
Engine revs at idle speed - Adjustment.
Stand control roller - Replacement
Suspensions - Check
BIJ 10000 KM BIJ 30000 KM BIJ 50000 KM EN BIJ 70000
KM
Veiligheidsblokkeringen - controle
Bougie Vervangen
Transmissieriem - vervanging
Gascommando - registratie
Luchtfilter - reiniging
Luchtfilter van de riemruimte - Controle
Oliefilter van de motor - Vervangen
Kleppenspeling - Controle
Elektrische installatie en accu - Controle
Peil van de koelvloeistof - controle
Oliepeil van de remmen - controle
Motorolie - Vervangen
Slijtage van de rempastilles - controle
Schuifsleden / variatorrollen - Vervanging
Spanning en slijtage van de banden - controle
Test van het voertuig en reminstallatie - rijtest
Naafolie - Controle
Minimum regime van de toeren van de motor - Regelen
Palrol van de standaard Vervanging
Ophangingen - Controle
152
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
Steering - check up
Crankcase breather - empty
Stuurinrichting - controle
Ontluchting van het grondvlak - Ledigen
AT 20000 KM, AT 40000 KM, AT 60000 KM AND AT
80000 KM
Safety locks - check
Driven pulley bushing - check
Spark plug - Replace
Driving belt - replacement
Throttle lever - adjustment
Air filter - cleaning
Air filter in belt compartment - Check
Engine oil filter - Replace
Valve clearance - check
Electrical system and battery - Check
Engine oil - Change
Coolant level - check
Brake fluid level - check
Brake pad wear - Check
Sliding block/ variable speed rollers - Replacement
Tyre pressure and wear - check
Vehicle and brake test - test drive
BIJ 20000 KM BIJ 40000 KM BIJ 60000 KM EN BIJ 80000
KM
Veiligheidsblokkeringen - controle
Beslagring van de geconduceerde poelie - controle
Bougie Vervangen
Transmissieriem - vervanging
Gascommando - registratie
Luchtfilter - reiniging
Luchtfilter van de riemruimte - Controle
Oliefilter van de motor - Vervangen
Kleppenspeling - Controle
Elektrische installatie en accu - Controle
Motorolie - Vervangen
Peil van de koelvloeistof - controle
Oliepeil van de remmen - controle
Slijtage van de rempastilles - Controleren
Schuifsleden / variatorrollen - Vervanging
Spanning en slijtage van de banden - controle
Test van het voertuig en reminstallatie - rijtest
153
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
Hub oil - Check
Engine revs at idle speed - Adjustment.
Stand control roller - Replacement
Crankcase breather - empty
Suspensions - Check
Steering - check up
Fuel filter - check
Naafolie - Controle
Minimum regime van de toeren van de motor - Regelen
Palrol van de standaard Vervanging
Ontluchting van het grondvlak - Ledigen
Ophangingen - Controle
Stuurinrichting - controle
Benzinefilter - controleren
RECOMMENDED PRODUCTS TABLE
Product Description Specifications
AGIP CITY HI TEC 4T Engine oil SAE 5W/40, API SL, ACEA A3, JASO MA
AGIP GEAR SYNTH SAE 75W-90 Gearbox oil API GL4, GL5
AGIP FORK 7.5W Fork oil -
AGIP GREASE SM2 Lithium grease with molybdenum for bearings
and other points needing lubrication
NLGI 2
AGIP BRAKE 4 Brake fluid FMVSS DOT4+
SPECIAL AGIP PERMANENT fluid Coolant Biodegradable coolant, ready for use, with
"long life" technology and characteristics
154
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
Product Description Specifications
(pink). Freezing protection up to -40°.
According to CUNA 956-16 standard.
TABEL VAN DE AANBEVOLEN PRODUCTEN
Product
Beschrijving Kenmerken
AGIP CITY HI TEC 4T Motorolie SAE 5W/40, API SL, ACEA A3, JASO MA
AGIP GEAR SYNTH SAE 75W-90 Olie voor de versnellingsbak API GL4, GL5
AGIP FORK 7.5W Olie van de vork -
AGIP GREASE SM2 Lithiumvet met molybdeen voor de kussentjes
en andere te smeren punten
NLGI 2
AGIP BRAKE 4 Remvloeistof FMVSS DOT4+
AGIP PERMANENT SPEZIAL Koelvloeistof Biologisch afbreekbare koelvloeistof,
gebruiksklaar, met "long life" technologie en
kenmerken (rood). Verzekert een bescherming
tegen vriestemperaturen tot -40°. Beantwoordt
aan de norm CUNA 956-16.
155
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
156
7 Programmed maintenance / 7 Gepland onderhoud
TABLE OF CONTENTS
A
Accessories: 145
Air filter: 92, 93
B
Battery: 102, 106
Brake: 99, 126
C
Clock: 22
D
Disc brake: 126
E
Engine oil: 72, 74, 76, 78
Engine stop: 28
F
Fuel: 29
Fuses: 108
H
Headlight: 118
Helmet compartment: 124
Horn: 26
Hub oil: 80
I
Identification: 30
Instrument panel: 14
K
Key switch: 24
L
Light switch: 26
M
Maintenance: 71, 147, 148
Mirrors: 125
S
Saddle: 30
Scheduled maintenance:
148
Shock absorber: 44
Spark plug: 89
Stand: 60
Start-up: 27
T
Tank: 29
Technical data: 139
Tyre pressure: 41
Tyres: 85
157
158
TREFWOORDENREGISTER
A
Accessoires: 145
ACCU: 102, 106
B
Banden: 85
Bandenspanning: 41
BIJGELEVERDE
GEREEDSCHAPPEN: 144
BOUGIE: 89
C
Claxon: 26
G
Geprogrammeerd
onderhoud: 148
H
Helmruimte: 124
Het stilleggen van de motor:
57
I
Identificatie: 30
K
Klok: 22
Koelvloeistof: 94
Koplamp: 118
L
Lampen: 111
Luchtfilter: 92, 93
M
Motorolie: 72, 74, 76, 78
O
Onderhoud: 71, 147, 148
Optische groep: 114, 122
R
Richtingaanwijzers: 25, 120
S
Schijfrem: 126
Schokdempers: 44
Sleutelschakelaar: 24
Standaard: 60
Start: 56
Stuurslot: 25
T
Technische gegevens: 139
Z
Zadel: 30
Zekeringen: 108
159
THE VALUE OF SERVICE
Thanks to continuous technical updates and specific training programs on aprilia products, only aprilia Official Network mechanics know this vehicle fully and have the special tools necessary to carry
out maintenance and repair operations correctly.
The reliability of the vehicle also depends on its mechanical conditions. Checking the vehicle before riding, its regular maintenance and the use of Original aprilia Spare Parts only, are essential factors!
For information about the nearest Official Dealer and/or Service Centre, consult the Yellow Pages or search directly on the inset map in our Official Website:
www.aprilia.com
Only aprilia Original Spare Parts ensure products already studied and tested during the vehicle design stage. All aprilia Original Spare Parts undergo quality control procedures to guarantee full reliability
and duration.
The descriptions and illustrations given in this publication are not binding; while the basic characteristics as described and illustrated in this manual remain unchanged, aprilia reserves the right, at any
time and without being required to update this publication beforehand, to make any changes to components, parts or accessories, which it considers necessary to improve the product or which are
required for manufacturing or construction reasons.
Not all versions/models shown in this publication are available in all countries. The availability of individual versions/models should be confirmed with the official Aprilia sales network.
© Copyright 2006- Aprilia. All rights reserved. Reproduction of this publication in whole or in part is prohibited. Aprilia - After-sales service.
Aprilia trademark is property of Piaggio & C. S.p.A.
DE WAARDE VAN DE ASSISTENTIE
Dankzij de voortdurende technische actualiseringen en de specifieke trainingsprogramma´s van de aprilia producten, kennen enkel de onderhoudsmonteurs van het Officiële Netwerk van aprilia
grondig dit voertuig, en beschikken ze over de nodige speciale uitrusting voor een correcte uitvoering van de handelingen van het onderhoud en de herstellingen.
De betrouwbaarheid van het voertuig hangt ook af van de mechanische condities van het voertuig. De controle vóór het rijden, het regelmatig onderhoud en het exclusief gebruik van de Originele
Reserveonderdelen van aprilia zijn essentiële factoren !
Voor informatie in verband met de dichtstbijzijnde Officiële dealer en/of Assistentiedienst, raadpleegt men de Gouden Gids of zoekt men rechtstreeks op de geografische kaart op onze Officiële
Website:
www.aprilia.com
Enkel wanneer men Originele Aprilia Reserveonderdelen aanvraagt, zal men een product krijgen dat reeds bestudeerd en getest werd tijdens de ontwerpfase van het voertuig. De Originele Aprilia
Reserveonderdelen worden systematisch onderworpen aan kwaliteitscontroleprocedures om de volledige betrouwbaarheid en de duur ervan te garanderen.
De beschrijvingen en de illustraties in deze uitgave zijn niet bindend; Aprilia houdt zich derhalve het recht voor om, met behoud van de essentiële eigenschappen van het model dat hierin is beschreven
en geïllustreerd, op elk moment wijzigingen aan te brengen aan de organen, de onderdelen of aan de levering van accessoires naar gelang zij dit nodig acht om het product te verbeteren, of om te
voldoen aan vereisten van constructieve of commerciële aard, zonder verplicht te zijn om tijdig deze uitgave bij te werken.
Niet alle versies in deze uitgave zijn in alle landen beschikbaar. De beschikbaarheid van de afzonderlijke versies moet gecontroleerd worden via het officiële verkoopsnetwerk van Aprilia.
© Copyright 2006- Aprilia. Alle rechten voorbehouden. Het reproduceren van de inhoud, ook van delen hiervan, is verboden. Aprilia - Dienst na verkoop.
Het merk Aprilia is eigendom van Piaggio & C. S.p.A.
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161

APRILIA ATLANTIC 400 SPRINT - 10-2006 Handleiding

Type
Handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor