Canon XF705 Handleiding

Categorie
Camcorders
Type
Handleiding
CEL-SX5WA282
Firmwareversie 1.0.3.1
4K Camcorder
Gebruiksaanwijzing
2
WAARSCHUWING MET BETREKKING TOT AUTEURSRECHTEN:
Als u zonder toestemming opnamen maakt van materialen waarop auteursrechten rusten, wordt mogelijk
inbreuk gemaakt op de rechten van de houders van de auteursrechten en op auteursrechtwetten.
Informatie over handelsmerken
Het SD-, SDHC- en SDXC-logo zijn handelsmerken van SD-3C, LLC.
Microsoft en Windows zijn handelsmerken of geregistreerde handelsmerken van Microsoft Corporation
in de VS en/of andere landen.
Apple, macOS zijn handelsmerken van Apple Inc., gedeponeerd in de VS en andere landen.
Avid en Media Composer zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Avid Technology, Inc.
of zijn dochterbedrijven in de Verenigde Staten en/of andere landen.
Wi-Fi is een gedeponeerd handelsmerk van de Wi-Fi Alliance.
Wi-Fi Certified, WPA, WPA2, en het Wi-Fi Certified-logo zijn handelsmerken van de Wi-Fi Alliance.
WPS zoals gebruikt in de instellingen, op de schermen en in deze gebruiksaanwijzing van de camcorder,
duidt op Wi-Fi Protected Setup.
Het Wi-Fi Protected Setup Identifier Mark is een merk van de Wi-Fi Alliance.
JavaScript is een handelsmerk of gedeponeerd handelsmerk van Oracle Corporation, hun geaffilieerde
bedrijven of dochterondernemingen in de Verenigde Staten en andere landen.
HDMI, het HDMI-logo en High-Definition Multimedia Interface zijn handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken van HDMI Licensing Administrator, Inc. in de Verenigde Staten en andere landen.
Overige namen en producten die hierboven niet zijn vermeld, kunnen handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken zijn van de betreffende ondernemingen.
Dit apparaat omvat exFAT-technologie onder licentie van Microsoft.
This product is licensed under AT&T patents for the MPEG-4 standard and may be used for encoding
MPEG-4 compliant video and/or decoding MPEG-4 compliant video that was encoded only (1) for a personal
and noncommercial purpose or (2) by a video provider licensed under the AT&T patents to provide MPEG-4
compliant video. No license is granted or implied for any other use for MPEG-4 standard.
* Kennisgeving in het Engels weergegeven, zoals vereist.
DIT PRODUCT VALT ONDER DE LICENTIE VAN DE AVC PATENT PORTFOLIO LICENSE VOOR PERSOONLIJK
GEBRUIK DOOR EEN CONSUMENT OF ANDERE VORMEN VAN GEBRUIK WAARBIJ DE CONSUMENT
GEEN VERGOEDING KRIJGT VOOR (i) HET CODEREN VAN VIDEO IN OVEREENSTEMMING MET DE
AVC-NORM ('AVC-VIDEO') EN/OF (ii) HET DECODEREN VAN AVC-VIDEO DIE GECODEERD IS DOOR EEN
CONSUMENT DIE BEZIG WAS MET EEN PERSOONLIJKE ACTIVITEIT EN/OF WERD VERKREGEN VAN EEN
VIDEOPROVIDER MET EEN LICENTIE VOOR HET LEVEREN VAN AVC-VIDEO. ER WORDT GEEN LICENTIE
VERLEEND OF BEDOELD VOOR ENIG ANDER GEBRUIK. AANVULLENDE INFORMATIE KAN WORDEN
VERKREGEN BIJ MPEG LA, L.L.C. ZIE HTTP://WWW.MPEGLA.COM
3
Belangrijkste punten van de XF705
De Canon XF705 4K Camcorder is een camcorder die krachtige prestaties levert. De geavanceerde functies en
de veelzijdige bruikbaarheid maken deze camcorder de perfecte keus voor diverse 4K-producties. De functies
hieronder zijn slechts een paar voorbeelden van de mogelijkheden van deze camcorder.
4K-opnamesysteem
Geavanceerde sensor en beeldprocessor
Het hart van de camcorder wordt gevormd door
de 1.0-type (1,0 inch) CMOS-sensor met één plaat,
met maar liefst 8.290.000 effectieve pixels, en een
beeldverwerkingsplatform met twee DIGIC DV
6-processors. Dankzij de geavanceerde technologie
voor ruisreductie en hoge gevoeligheid kan de
camcorder zelfs in situaties met weinig licht
genuanceerde beelden vastleggen.
U kunt drie video-indelingen selecteren,
al naargelang uw behoefte
Voor de video-indeling kunt u kiezen uit XF-HEVC
(HEVC/H.265-codec), XF-AVC (MPEG-4 AVC/
H.264-codec) of MP4 (MPEG-4 AVC/H.264-codec),
afhankelijk van welke indeling het beste past bij uw
werkproces. XF-HEVC- en XF-AVC-clips worden
opgenomen als reguliere MXF-bestanden
(Material eXchange Format).
Met de XF-HEVC-indeling kunt u video opnemen
met een resolutie van 3840x2160 en YCC422,
10-bits kleursampling tot 59.94P/50.00P. Met de
XF-AVC-indeling kunt u video opnemen met een
resolutie van 3840x2160 en YCC420, 8-bits
kleursampling tot 29.97P/25.00P. Met de MP4-
indeling kunt u daarentegen alleen opnemen in
Full HD-resolutie (1920x1080) met YCC420, 8-bits
kleursampling, maar tot 59.94P/50.00P.
Met de XF-HEVC- en XF-AVC-indelingen wordt
audio opgenomen als 4-kanaals lineaire PCM-audio
(24-bits, 48 kHz). Met de MP4-indeling kunt u
4-kanaals lineaire PCM-audio (16-bits, 48 kHz) of
2-kanaals AAC-audio (16-bits, 48 kHz) selecteren.
Bedieningsgemak en aanpasbaarheid
Veelzijdig ontwerp
De camcorder is ontworpen om comfortabel te
kunnen worden bediend door één gebruiker van
de camera. Er zijn 3 afzonderlijke ringen om de
scherpstelling, zoom en iris onafhankelijk van elkaar
te bedienen. De camcorder beschikt bovendien over
14 knoppen waaraan u een groot aantal functies
kunt toewijzen (A 119) om de camcorder aan uw
persoonlijke behoeften en voorkeuren aan te passen.
Verbeterde displays
De camcorder beschikt over een LCD-display van
4,0 inch (equivalent aan 1.230.000 beeldpunten)
dat 100% dekking en aanraakfuncties voor
scherpstelling biedt. Het LCD-paneel kan naar
links of naar rechts worden geopend. De zoeker
biedt een OLED-display (ook met 100% dekking)
en een grote oogschelp om comfortabel aan te
sluiten op diverse opnameomstandigheden.
SD-kaartopnameopties
De camcorder kan 4K-video opnemen op SD-kaarten,
wat voor goede economische prestaties zorgt met
betrekking tot opnamemedia. De camcorder is
uitgerust met 2 kaartsleuven, zodat u dubbele opname
kunt gebruiken om dezelfde clip op twee kaarten
op te nemen Relay Recording kunt gebruiken om
automatisch naar de andere kaart over te schakelen
als de kaart die in gebruik is, vol is (
A
36).
Veelzijdige artistieke expressie
Speciale opnamestanden
De speciale opnamestanden (A 115) geven
u meer creatieve controle over de opnamen die
u wilt maken. U kunt de beeldopnamesnelheid
wijzigen (maximaal 119.88P bij XF-HEVC- of
XF-AVC-indeling) om het effect van slow motion
1
te geven of u kunt vooropname gebruiken om
3 seconden voordat u op de knop drukt op te
nemen. Zo helpt u voorkomen dat u te laat bent
om bijzondere momenten vast te leggen.
Voorkeuze-instellingen (A 65, 123)
Kies een van de voorkeuze-instellingen voor kleur of
stel uw eigen gewenste combinatie van gammacurve,
kleurruimte en kleurmatrix in. Vervolgens kunt u een
aantal andere beeldgerelateerde parameters in detail
aanpassen. Met brede kleurruimteopties zoals
BT.2020 Gamut, de Canon Log 3-gammacurve,
die de kenmerken van het Canon Log-gamma
behoudt maar het dynamische bereik uitbreidt,
en twee HDR-opties
1
(HLG of PQ), kunt u erop
vertrouwen dat de camcorder aan al uw creatieve
behoeften voldoet.
1
Alleen voor XF-HEVC-clips.
4
Professionele functies en flexibiliteit
Netwerkfuncties
Sluit de camcorder aan op een draadloos
Wi-Fi-netwerk of een bekabeld netwerk (Ethernet)
en geniet van diverse netwerkfuncties
2
. U kunt
bijvoorbeeld een mobiel apparaat met Wi-Fi-functie
gebruiken om de camcorder op afstand te bedienen
met de toepassing Browser Remote (A 164), live
uitzendingen of opzienbarende beelden streamen
via IP (A 175) en opnamen vanaf een SD-kaart
overdragen naar een server op afstand via het
FTP-protocol (A 178).
2
De beschikbare functies zijn afhankelijk van de gebruikte
netwerkverbinding.
Software die de productieworkflow ondersteunt
Met Canon XF Utility (A 153) kunt u XF-HEVC-
of XF-AVC-clips die u hebt opgenomen van een
SD-kaart naar een computer kopiëren, de clips
afspelen en de clips ordenen. U kunt ook de
Canon XF-invoegtoepassingen gebruiken om
direct met de clips te werken in non-lineaire
videobewerkingssoftware (NLE) van Avid.
Bovendien kunt u met het programmaatje MP4
Join Tool (A 153) MP4-clips samenvoegen
die in meerdere bestanden zijn opgesplitst.
Professionele connectiviteit
De camcorder is uitgerust met een SDI-aansluitpunt
dat voldoet aan de 12G-SDI-standaard.
Deze standaard biedt een grotere bandbreedte en
ondersteunt 4K-video-uitvoer met een beeldsnelheid
van 59.94P of 50.00P. Daarnaast bieden het
TIME CODE-aansluitpunt en het G-LOCK/SYNC-
aansluitpunt tal van synchronisatieopties (A 94)
waarmee de camcorder deel kan uitmaken van
elke opnamesituatie met meerdere camera's.
Infraroodopname
U kunt opnamen maken in het donker met
infraroodopname (A 117). Met de ingebouwde
infraroodlamp kunt u opnamen maken van
nachtdieren in hun natuurlijke omgeving of andere
vergelijkbare scènes vastleggen.
Uitgebreide opties voor scherpstelling
Dual Pixel CMOS AF
De camcorder bevat de Dual Pixel CMOS AF-
technologie voor verbeterde autofocusfuncties
(A 76). Naast Continu AF biedt AF-boosted
MF handmatige scherpstelling aangevuld met
automatische scherpstelling door de camcorder.
Met AF-boosted MF voert de camcorder geen
onbetrouwbare aanpassingen van de focus uit,
zodat u stabieler kunt scherpstellen dan met
continue AF. De camcorder kan ook automatisch
scherpstellen op gezichten van mensen en
bewegende onderwerpen volgen terwijl ze
steeds scherp in beeld blijven (A 81).
Dual Pixel-scherpstelhulp (A 77)
De scherpstelhulp is een visuele, intuïtieve functie
die u kunt gebruiken om te controleren of het beeld
scherp is en om het beeld indien nodig aan te
passen. Dit kan u helpen om ervoor te zorgen
dat u altijd heel scherpe 4K-video's maakt.
Overige verbeterde functies
Stand voor directe instelling (A 54)
Wijzig terwijl u het beeld op het scherm bekijkt
de belangrijkste functies van de camcorder
door alleen de joystick te gebruiken.
Hulpfuncties
Op het scherm en in de zoeker kunt u hulpfuncties
gebruiken zoals contourverscherping en
vergroting (A 78), schermmarkeringen (A 87),
zebrapatronen (A 88), zwart-witbeeld (A 30)
en een golfvormmonitor (A 107). U kunt ze ook
weergeven op een extern scherm dat op het
SDI-aansluitpunt of het HDMI OUT-aansluitpunt
is aangesloten
3
.
Bovendien kunt u bij gebruik van een logaritmische
gammacurve ook een LUT toepassen (A 149)
zodat u beelden eenvoudigere kunt controleren.
3
De beschikbare hulpfuncties zijn afhankelijk van het
gebruikte scherm of de video-uitvoer.
Instelbare schermdisplays (A 44).
Bestand met menu-instellingen dat op
de camcorder of een SD-kaart kan worden
opgeslagen om alle menu-instellingen te
herstellen of op een andere XF705-camcorder
te dupliceren (A 131).
Accu's die compatibel zijn met Intelligent System
voor betere informatie over de resterende
gebruiksduur.
INPUT-aansluitpunten (XLR) die compatibel
zijn met analoge of digitale (AES/EBU) audio
en fantoomvoeding van +48 V (A 100).
Verbeterde clipnaamindeling met meer informatie,
zodat u clips eenvoudiger kunt identificeren en
ordenen (A 48).
Metadata (A 110) en geotaggen (A 112).
Uitvoer en opname van kleurenbalken en
testtoon (A 106).
Geavanceerde bediening op afstand met de
optionele afstandsbediening RC-V100 (A 39).
5
1. Inleiding 9
Over deze handleiding 9
Conventies die in deze handleiding worden
gebruikt 9
Bijgeleverde accessoires 10
Namen van onderdelen 11
Camcorder 11
Wireless afstandsbediening WL-D6000 18
2. Voorbereidingen 19
De stroombron voorbereiden 19
Een accu gebruiken 19
Een stopcontact gebruiken 21
De camcorder aan- en uitzetten 22
Datum-, tijd- en taalinstellingen 23
De datum en tijd instellen 23
De taal wijzigen 24
Gebruik van de menu's 25
Een optie selecteren in het menu 25
Het aan uw eigen voorkeuren aangepaste
submenu gebruiken (My Menu) 26
De camcorder voorbereiden 28
De microfoonhouder-unit aansluiten 28
De zonnekap bevestigen 28
Gebruik van de zoeker 28
Het LCD-scherm gebruiken 29
Het LCD-scherm of de zoeker afstellen 30
De handgreepriem afstellen 31
De schouderriem bevestigen 31
De afdekplaatjes van de aansluitpunten
verwijderen en bevestigen 31
Het schouderstuk verwijderen 32
Een statief gebruiken 32
SD-kaarten gebruiken 33
Compatibele SD-kaarten 33
Een SD-kaart plaatsen en verwijderen 34
Een SD-kaart initialiseren 35
Van SD-kaartsleuf wisselen 35
Relay Recording en dubbele opname 36
De resterende opnametijd op SD-kaarten
controleren 36
Clips herstellen 37
De camcorder op afstand bedienen 38
De bijgeleverde wireless afstandsbediening
gebruiken 38
De optionele afstandsbediening RC-V100
gebruiken 39
3. Opname 41
Video-opnamen maken 41
Voorbereidingen 41
Opname 42
Schermdisplays 44
De bestandsnaam van de clip instellen
voor XF-HEVC- of XF-AVC-clips 48
Nummering van MP4-clips en foto's 49
De ventilator gebruiken 50
Videoconfiguratie: video-indeling,
systeemfrequentie, beeldsnelheid,
resolutie en bitsnelheid 51
De opname-indeling selecteren 51
De systeemfrequentie selecteren 51
De beeldsnelheid selecteren 51
De resolutie en instellingen voor
kleursampling selecteren 52
De bitsnelheid selecteren 52
Hoofdfuncties wijzigen met de FUNC-knop 54
Directe instelling gebruiken 54
Sluitertijd 55
De sluitertijdstand wijzigen 55
De sluitertijdwaarde wijzigen 57
Knipperreductie 57
Versterking 58
Automatische versterkingsregeling 58
Het versterkingsniveau selecteren 59
De versterkingswaarde wijzigen 59
ND-filter 60
Diafragma 61
Automatisch diafragma 61
Tijdelijk automatisch diafragma –
knop voor automatische iris 62
Handmatig diafragma 62
Irislimiet 63
Belichtingscompensatie – AE-verschuiving 63
Lichtmeetmethode 64
Inhoudsopgave
6
Gammacurve en hoofdkleurinstellingen 65
Kleurvoorkeuze-instellingen 65
Witbalans 67
Automatische witbalans (AWB) 68
Kleurtemperatuur/voorkeuzewitbalans 68
Witbalansinstellingen aanpassen 69
Aangepaste witbalans 69
Zoomen 70
De zoomstand selecteren 70
De zoomregelaars selecteren 71
De zoomring gebruiken 71
De zoomtuimelschakelaar op de handgreep
gebruiken 71
De zoomtuimelschakelaar op de
camcorderhendel gebruiken 73
De bijgeleverde wireless afstandsbediening of een
optionele afstandsbediening gebruiken 74
Optionele conversielenzen gebruiken 75
Scherpstelling aanpassen 76
Handmatige scherpstelling 76
Push AF 79
AF-boosted MF/MF aangevuld door AF 79
Continue AF 80
De afmetingen en positie van
het AF-kader aanpassen 81
Gezichtsdetectie 81
Een specifiek onderwerp volgen 83
Scherpstellingslimiet en macro-opnamen 84
Beeldstabilisatie 85
Dynamic IS of Standaard IS 85
Powered IS 85
Schermmarkeringen en zebrapatronen 87
Schermmarkeringen weergeven 87
Zebrapatronen weergeven 88
De tijdcode instellen 90
De tijdcodemodus selecteren 90
Drop frame of non-drop frame instellen 91
De tijdcodedisplay op pauze zetten 91
De gebruikersbit (User Bit) instellen 93
Synchronisatie met een extern apparaat 94
Een extern apparaat aansluiten 94
Input van videoreferentiesignaal
(Genlock-synchronisatie) 94
Input van tijdcodesignaal 95
Uitvoer van videoreferentiesignaal 96
Output van tijdcodesignaal 96
Audio opnemen 97
Audio-instellingen en opgenomen audiokanalen 97
Een externe microfoon of externe audio-invoerbron
aansluiten op de camcorder 99
De audio-indeling van MP4-clips selecteren 100
Het audio-invoertype instellen voor de
INPUT 1/INPUT 2-aansluitpunten 100
De audio-invoerbron voor audiokanalen
selecteren 101
Het audio-opnameniveau instellen 101
Geavanceerde audio-invoerinstellingen 103
Audio controleren met een koptelefoon 105
Kleurenbalken/geluidsreferentiesignaal 106
Kleurenbalken 106
Geluidsreferentiesignaal 106
Golfvormmonitor 107
De golfvormmonitor weergeven 107
De golfvormmonitor configureren 107
Markeringen tijdens opnamen toevoegen
aan XF-HEVC- of XF-AVC-clips 109
Opnamemarkeringen toevoegen tijdens
opname 109
Een
$
-markering of vinkje
%
toevoegen aan
de laatst opgenomen XF-HEVC- of
XF-AVC-clip 109
Gebruik van metadata 110
Een gebruikersmemo instellen die is
aangemaakt met Canon XF Utility 110
Klapbordinformatie over de opname invoeren 111
GPS-informatie vastleggen (geotaggen) 112
De GPS-ontvanger aansluiten 112
Een opname bekijken 114
Speciale opnamestanden 115
Opnemen in slow motion 115
Vooropname 116
Infraroodopname 117
7
4. Voorkeuze instellen 119
Toewijzingsknoppen 119
Aan een knop een andere functie toewijzen 119
Functies die kunnen worden toegewezen 120
Voorkeuze-instellingen 123
Bestanden met voorkeuze-instellingen
selecteren 123
De instellingen van een bestand met
voorkeuze-instellingen bewerken 123
Bestanden met voorkeuze-instellingen
resetten 124
Bestanden met voorkeuze-instellingen
een andere naam geven 124
Bestanden met voorkeuze-instellingen
beveiligen 124
Bestanden met voorkeuze-instellingen
kopiëren 125
Het bestand met voorkeuze-instellingen
in XF-HEVC- of XF-AVC-clips insluiten 125
Beschikbare voorkeuze-instellingen 126
Camcorderinstellingen opslaan en laden 131
Camcorderinstellingen opslaan 131
Camcorderinstellingen laden 131
5. Afspelen 133
Afspelen 133
Clipindexscherm 133
Van indexscherm wisselen 135
Clips afspelen 135
Schermdisplays 136
Afspeelknoppen 137
Het volume aanpassen 138
Werken met clips 139
Het clipmenu gebruiken 139
Clipinformatie weergeven 140
Een
$
-markering of vinkje
%
toevoegen
(XF-HEVC- of XF-AVC-clips) 141
$
-markeringen of vinkjes
%
verwijderen
(XF-HEVC- of XF-AVC-clips) 141
Clips kopiëren 141
Clips verwijderen 142
De gebruikersmemo en GPS-gegevens verwijderen
(XF-HEVC- of XF-AVC-clips) 143
Opnamemarkeringen toevoegen en verwijderen
(XF-HEVC- of XF-AVC-clips) 143
6. Externe aansluitingen 145
Video-uitvoerconfiguratie 145
Videosignaalconfiguratie van opnamen en video-
uitvoerconfiguratie per aansluitpunt 145
De camcorder aansluiten op
een extern scherm 147
Het SDI-aansluitpunt gebruiken 147
Het HDMI OUT-aansluitpunt gebruiken 148
Schermdisplays over video-uitvoer
heen leggen 148
Een LUT toepassen op schermen/
video-uitvoer 149
De kleurkwaliteit aanpassen voor HLG-uitvoer 151
Het verschil in versterking tussen HDR
en SDR aanpassen 151
Het uitvoerbereik selecteren 151
Audio-uitvoer 152
Werken met clips op een computer 153
XF-HEVC- of XF-AVC-clips opslaan
op een computer 153
MP4-clips opslaan 153
7. Netwerkfuncties 155
Over de netwerkfuncties 155
Aansluiten op een Wi-Fi-netwerk 156
Cameratoegangspunt 157
Verbinden in de stand Infrastructuur 158
Wi-Fi Protected Setup (WPS) 158
Zoeken naar toegangspunten 159
Handmatig instellen 160
Aansluiten op een bekabeld netwerk (Ethernet) 161
Een netwerkverbinding selecteren 162
De netwerkstatus controleren 162
Netwerkinstellingen wijzigen 163
Browser Remote: de camcorder bedienen
vanaf een netwerkapparaat 164
Browser Remote instellen 164
Browser Remote starten 165
Browser Remote gebruiken 166
Streamen via IP 175
Instellingen voor streamen via IP 175
Video streamen via IP 176
8
FTP-bestandsoverdracht 178
FTP-server- en overdrachtsinstellingen 178
Clips overdragen (FTP-overdracht) 179
8. Foto's 181
Foto's maken 181
Foto's afspelen 182
Het indexscherm [Photos/Foto's] weergeven 182
Foto's bekijken 182
Foto's verwijderen 183
Eén enkele foto verwijderen 183
Alle foto's verwijderen 183
9. Overige informatie 185
Menuopties 185
De statusschermen weergeven 197
Problemen oplossen 206
Overzicht van berichten 211
Veiligheidsinstructies en hoe u de camera
moet behandelen 216
Onderhoud/overig 220
Optionele accessoires 221
Specificaties 223
Referentietabellen 228
Geschatte opnametijd op een SD-kaart 228
Oplaadtijden 228
Geschatte gebruikstijden met een
volledig opgeladen accu 229
Index 230
1
9
Inleiding
Over deze handleiding
Bedankt dat u hebt gekozen voor de Canon XF705. Lees deze handleiding zorgvuldig door voordat u de
camcorder gebruikt en bewaar deze zodat u de handleiding later na kunt slaan. Mocht de camcorder niet
goed werken, raadpleeg dan Problemen oplossen (A 206).
Conventies die in deze handleiding worden gebruikt
BELANGRIJK: voorzorgsmaatregelen die betrekking hebben op de bediening van de camcorder.
OPMERKINGEN: aanvullende onderwerpen die de elementaire bedieningsprocedures completeren.
A: paginanummer waarnaar wordt verwezen.
In deze handleiding worden de volgende termen gebruikt.
'Scherm' heeft betrekking op het LCD-scherm en het zoekerscherm.
'Kaart' heeft betrekking op een SD-, SDHC- of SDXC-kaart.
Als er niets anders wordt aangegeven, verwijst de 'statusindicator' naar een of beide SD-kaartstatusindicatoren
(SD CARD2/SD CARD3).
'Clip' verwijst naar één filmeenheid die is opgenomen met één opnamehandeling (bijvoorbeeld vanaf het
moment waarop u op de REC-knop drukt om met opnemen te beginnen, totdat u nog een keer op deze
knop drukt om de opname te stoppen).
De foto's in de handleiding zijn gesimuleerde foto's die zijn gemaakt met een fotocamera.
Sommige schermafbeeldingen zijn gewijzigd om deze leesbaarder te maken.
Bedieningsstandpictogrammen: deze pictogrammen geven de twee bedieningsstanden van de camcorder
aan (A 22). Een grijsgekleurd pictogram (zoals ) geeft aan dat de beschreven functie gebruikt kan
worden in de getoonde bedieningsstand; een niet-gekleurd pictogram (zoals ) geeft aan dat de functie
niet gebruikt kan worden.
De volgende stijl wordt gebruikt om menuselecties voor te stellen. Voor uitgebreide uitleg over het gebruik van
de menu's raadpleegt u Gebruik van de menu's (A 25). Raadpleeg Menuopties (A 185) voor een overzicht
van alle beschikbare menuopties en instellingen.
Bedieningsstanden:
Vierkante haakjes [ ] geven tekst aan zoals
deze verschijnt op het scherm van de camcorder
(menuopties, schermknoppen, berichten, enzovoort).
Deze pijl geeft een dieper niveau in
de menuhiërarchie of de volgende
stap in een procedure aan.
1 Selecteer [Initialize Media/Media initialiseren].
>
[
Æ
!
Recording/Media Setup/Opname/media instellen]
>
[Initialize Media/Media initialiseren]
2 Selecteer [SD Card A/SD-kaart A] of [SD Card B/SD-kaart B] en druk vervolgens op SET.
Bijgeleverde accessoires
10
Bijgeleverde accessoires
De volgende accessoires worden met de camcorder meegeleverd.
Schouderstuk* Zonnekap met lensbescherming Microfoonhouder Compacte netadapter CA-CP200 L
(inclusief netsnoer)
Acculader CG-A20 Acculader BP-A30
(inclusief afdekplaatje)
Oogschelp Zoekerdop
Lenskap* Schouderriem SS-1200 Wireless afstandsbediening WL-D6000
(inclusief lithiumbatterij CR2025)
Beknopte handleiding
* Is bij levering al op de camcorder bevestigd.
11
Namen van onderdelen
Namen van onderdelen
Camcorder
13
4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
2
1 Luchtinlaat (A 50)
2 Brandpuntsvlakaanduiding
3 ZOOM SPEED-schakelaar
(zoomsnelheid van de zoomtuimelschakelaar
op de camcorderhendel (A 73)
4 Zonnekap (A 28)
5 Schakelaar van de lensbescherming (A 41)
6 Scherpstelring (A 76)
7 Zoomring (A 71)
8Irisring (A 62)
9 SHUTTER-schakelaar (sluitertijdstand) (A 55)
10 PUSH AUTO IRIS-knop
(tijdelijk automatisch diafragma) (A 62)
11 GAIN-schakelaar (versterkingsniveau) (A 59)
12 WHITE BAL.-schakelaar (witbalans) (A 67)
13 Å-knop (instelling witbalans) (A 69)
14 Afdekplaatjes van de kaartsleuven (A 34):
SD CARD2 (boven) en SD CARD3 (onder)
15 Beschermende afdekking voor
audiobedieningsknoppen (A 97)
Namen van onderdelen
12
1
2345
6
7
8
14 15
16 17 18 19
910 111213
p15
1 ND FILTER (ND-filter) +/–-knoppen (A 60)
2 PUSH AF-knop (tijdelijke autofocus) (A 79)
3 FOCUS-schakelaar (scherpstelstand) (A 76)
4 POWERED IS-knop (powered IS) (A 85)/
toewijzingsknop camera 1 (A 119)
5 PEAKING-knop (contourverscherping) (A 78)/
toewijzingsknop camera 2 (A 119)
6 INFRARED-schakelaar (infraroodlicht) (A 117)
7 FULL AUTO-schakelaar
(volledig automatische stand) (A 43)
8 AWB-schakelaar (automatische witbalans) (A 68)
9 IRIS-schakelaar (diafragmastand) (A 61)
10 ZOOM-schakelaar
(selectie van zoomregeling) (A 71)
11 WFM-knop (golfvormmonitor) (A 107)/
toewijzingsknop camera 4 (A 119)
12 ZEBRA-knop (zebrapatroon) (A 88)/
toewijzingsknop camera 3 (A 119)
13 AGC-schakelaar
(automatische versterkingsregeling) (A 58)
14 SLOT SELECT-knop
(SD-kaartselectie) (A 35, 134)
15
-schakelaars (audioniveau) voor kanaal
CH1 (boven) en CH2 (onder) (A 101)
16 SD-kaartsleuven (A 34): SD CARD2 (boven)
en SD CARD3 (onder)
In deze gebruiksaanwijzing wordt naar de
SD-kaart in elke sleuf respectievelijk verwezen
als 'SD-kaart A' en 'SD-kaart B'.
17 Kaartstatusindicatoren (A 34): SD CARD2
(boven) en SD CARD3 (onder)
18 AUDIO STATUS-knop
(de [Audio]-statusschermen weergeven) (A 200)
19
-regelaars (audioniveau) voor kanaal
CH1 (boven) en CH2 (onder) (A 102)
13
Namen van onderdelen
1
8 9 10 11 12
23 4 5 6 7
1 Riembevestigingspunt (A 31)
2 INPUT 2-schakelaar
(selectie van audio-invoer) (A 100)
3 ANALOG-schakelaar (selectie van analoge
audiobron) voor INPUT 2 (A 100)
4 Handgreepriem (A 31)
5 INPUT 1-schakelaar
(selectie van audio-invoer) (A 100)
6 ANALOG-schakelaar (selectie van analoge
audiobron) voor INPUT 1 (A 100)
7 Schroefgaten voor de bevestigingsbouten
van de microfoonhouder (A 28)
8 Ventilatie-uitlaat (A 50)
9 INPUT 1-aansluitpunt (XLR) (A 99)
10 MIC-aansluitpunt (microfoon) (A 99)
11 USB-aansluitpunt (A 112)
12 Borgschroef zonnekap (A 28)
Namen van onderdelen
14
123 456
21
7
13
14
15
16
17
18
19
20
8
9
10
11
12
22
23 24 25
26
1 Ingebouwde stereomicrofoon (A 97)
2 Accessoireschoen
Voor de bevestiging van accessoires zoals
de optionele accu-videolamp VL-10Li II.
3 Statuslampje achterzijde (A 42)
4 Zoomtuimelschakelaar op de handgreep (A 71)
5 MAGN.-knop (vergroting) (A 78)/
toewijzingsknop camera 6 (A 119)
6 u-knop (opname bekijken) (A 114)/
toewijzingsknop camera 5 (A 119)
7 Ø-knop (versneld achteruit afspelen) (A 137)/
toewijzingsknop camera 8 (A 119)
8 Ú-knop (terug naar begin of naar vorige
clip gaan) (A 137)/toewijzingsknop camera 11
(A 119)
9 Ñ-knop (stoppen) (A 135)/
toewijzingsknop camera 12 (A 119)
10 INDEX-knop (indexschermen) (A 135)
11 Joystick en SET-knop (A 25)
12 Zoomtuimelschakelaar op camcorderhendel
(A 73)
13 ×-knop (versneld afspelen) (A 137)/
toewijzingsknop camera 10 (A 119)
14 Ò-knop (afspelen/onderbreken) (A 135)/
toewijzingsknop camera 9 (A 119)
15 Ù-knop (naar volgende clip gaan) (A 137)/
toewijzingsknop camera 13 (A 119)
16 MENU-knop (menu) (A 25)
17 CANCEL-knop (annuleren) (A 25)
18 Vergrendelingsschuifje van de REC-knop op
de hendel (A 42)
19 REC-knop (opnamen maken starten/stoppen)
(A 42)
20 MAGN.-knop (vergroting) (A 78)/
toewijzingskn
op camera 7 (A 1
19)
21 Ingebouwde luidspreker (A 138)
Bevindt zich op het bovenste oppervlak van de
ruimte waar het LCD-paneel wordt opgeborgen.
22 Riembevestigingspunt (A 31)
23 MEDIA-knop (afspeelstand) (A 22, 133)
24
Q
-knop (aan/uit) (A 22)
25 Accessoirebevestigingspunt
Voor het bevestigen van accessoires
met 1/4"-20 schroeven (6,9 mm diep).
26 KEY LOCK-schakelaar (functie voor vergrendeling
van de toetsen van de camcorder) (A 43)
15
Namen van onderdelen
12
34
1 Bevestigingspunten voor de optionele
statiefadapter TA-100 (A 32)
2 Bevestigingspunten en schroefgat voor
het schouderstuk (A 32)
3 Schroefgat voor 1/4"-20-bevestigingsschroefgaten
(8,8 mm diep) (A 32)
4 Schroefgat voor 3/8"-16-bevestigingsschroefgaten
(10 mm diep) (A 32)
Namen van onderdelen
16
1
2
3
56
4
7
9
8
1 Borgschroef microfoon (A 99)
2 Microfoonhouder (A 99)
3 Kabelklem microfoon (A 99)
4 Luchtinlaat (A 50)
5 Statuslampje voorzijde (A 42)
6 Sensor voor afstandsbediening (A 38)/
Infraroodlicht (A 117)
7 MIRROR-knop (het weergegeven beeld
omdraaien) (A 29)
8 Lensbescherming (A 41)
9 Toewijzingsknop camera 14 (A 119)
17
Namen van onderdelen
1
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
1 Zoeker (A 28, 30)
2 Oogsensor (A 28)
3 Oogschelp (A 29)
4 LCD-paneel met touchscreen (A 29, 30)
5 Oogcorrectieregelaar (A 28)
6 BATTERY RELEASE-knop
(ontgrendeling accu) (A 21)
7 MENU-knop (menu) (A 25)
8 FUNC-knop (hoofdfuncties) (A 54)
9 CUSTOM PICT.-knop
(voorkeuze-instellingen) (A 65, 123)
10 STATUS-knop
(statusscherm weergeven) (A 197)
11 DISP-knop (display) (A 44, 136)
12 Accucompartiment (A 20)/
Modelidentificatielabel
13 REC-knop
(opnamen maken starten/stoppen) (A 42)
14 Joystick en SET-knop (A 25)
15 CANCEL-knop (annuleren) (A 25)
16 INPUT 2-aansluitpunt (XLR) (A 99)
17 SDI-aansluitpunt (A 145, 147)
18 TIME CODE-aansluitpunt (tijdcode) (A 95, 96)
19 G-LOCK/SYNC-aansluitpunt
(Genlock/synchronisatie) (A 94, 96)
20
×
-aansluitpunt (koptelefoon) (A 105, 138)
21 REMOTE B-aansluitpunt (afstandsbediening)
Voor het aansluiten van de optionele
afstandsbediening RC-V100 (A 39).
22 -indicator (Ethernet) (A 161)
23 -aansluitpunt (Ethernet) (A 161)
24 HDMI OUT-aansluitpunt (A 145, 148)
25 REMOTE A-aansluitpunt (afstandsbediening)
Voor het aansluiten van de optionele
afstandsbediening RC-V100 (A 39) of in
de winkel verkrijgbare afstandsbedieningen.
26 DC IN-aansluitpunt (A 21)
Namen van onderdelen
18
Wireless afstandsbediening WL-D6000
1
9
10
11
12
13
14
2
3
4
5
6
7
8
1 Opname-inschakelingsknop: als u de START/
STOP-knop of ZOOM-knoppen gebruikt, dient
u deze knop tegelijk met de betreffende knop
in te drukken.
2 PHOTO-knop (foto) (A 181)
3 SHOT1-knop (opnamemarkering 1) (A 109, 143)
4 CANCEL-knop (annuleren) (A 25)
5 SET-knop (instellen) (A 25)
6 INDEX-knop (indexschermen) (A 135)
7 Ò-knop (afspelen/onderbreken) (A 135)
8 Ñ-knop (stoppen) (A 135)
9 START/STOP-knop (opnamen maken starten/
stoppen) (A 42)
10 ZOOM-knoppen (zoomen)
T: telelens/W: groothoek (A 74)
11 á/â/à/ß-knoppen
12 MENU-knop (menu) (A 25)
13 Ø/×-knoppen (versneld achteruit/
vooruit afspelen) (A 137)
14 Ô/Ó-knoppen (beeldje voor beeldje vooruit/
achteruit) (A 137)
2
19
Voorbereidingen
De stroombron voorbereiden
U kunt de camcorder met een accu van stroom voorzien of rechtstreeks via de compacte netadapter.
Als u de compacte netadapter op de camcorder aansluit terwijl een accu aangesloten is, zal de camcorder
stroom gebruiken uit het stopcontact.
Een accu gebruiken
U kunt de camcorder van stroom voorzien met de bijgeleverde accu BP-A30 of met de optionele accu BP-A60.
Beide accu's zijn compatibel met Intelligent System zodat u de geschatte resterende gebruiksduur van de accu
(in minuten) op het scherm kunt controleren. Voor meer nauwkeurige waarden laadt u de accu volledig op
wanneer u deze voor het eerst gebruikt en vervolgens gebruikt u de camcorder totdat de accu helemaal leeg is.
De accu opladen
Laad accu's op met de bijgeleverde acculader CG-A20 en
de compacte netadapter CA-CP200 L of gebruik een optionele
acculader CG-A10. Verwijder het afdekplaatje van de accu voor
het opladen.
1 Sluit het netsnoer aan op de bijgeleverde compacte
netadapter CA-CP200 L.
2 Steek het netsnoer van de compacte netadapter in een
stopcontact.
3 Sluit de stekker van de compacte netadapter aan op
de acculader.
4 Plaats de accu in de acculader.
Druk zachtjes en schuif de accu in de richting van de pijl
totdat de accu vastklikt.
De CHARGE-indicator (oplaadindicator) begint te knipperen
en geeft daarnaast bij benadering aan hoever de accu
is opgeladen. De indicator blijft branden wanneer de accu
is opgeladen.
circa 0% tot 49%: knippert elke 2 seconden
circa 50% tot 74%: knippert elke 2 seconden tweemaal
circa 75% tot 99%: knippert elke 2 seconden driemaal
5 Haal de accu uit de acculader wanneer de accu volledig is opgeladen.
6 Haal de stekker uit de acculader.
7 Haal het netsnoer uit het stopcontact en uit de compacte netadapter.
BELANGRIJK
Sluit alleen producten aan op de acculader die nadrukkelijk voor gebruik met deze camcorder worden
aanbevolen.
Gebruikt u de acculader of compacte netadapter, bevestig deze dan niet permanent op één plaats omdat
dit een storing kan veroorzaken.
De stroombron voorbereiden
20
Aangeraden wordt om de accu op te laden bij temperaturen tussen 10 ºC en 30 ºC. Bij een temperatuur
die lager is dan 0 ºC of hoger dan 40 ºC zal de accu niet worden opgeladen.
Sluit de bijgeleverde acculader of compacte netadapter niet aan op spanningsomzetters bij reizen naar andere
continenten of op speciale stroombronnen zoals die in vliegtuigen en schepen, DC-AC-omvormers, enz.
Anders kan het apparaat uitvallen of te heet worden.
OPMERKINGEN
Als de acculader, de compacte netadapter of de accu defect raakt, gaat de oplaadindicator uit en wordt
het opladen stopgezet.
Raadpleeg Accu (A 217) voor meer informatie over hoe u de accu moet behandelen.
Raadpleeg Referentietabellen (A 228) voor informatie over de geschatte oplaadtijd en de opnametijd
met een volledig opgeladen accu.
Opgeladen accu's ontladen zich op natuurlijke wijze. Zorg er daarom voor dat u de accu op de dag
van gebruik, of de dag ervoor, oplaadt. U bent dan verzekerd van een volle accu.
Wij raden u aan twee- tot driemaal zoveel opgeladen accu's bij de hand te houden dan u nodig denkt
te hebben.
Herhaaldelijk opladen en ontladen van de accu leidt uiteindelijk tot een kortere levensduur. U kunt de
levensduur van de accu bekijken op het statusscherm [Battery/Hour Meter/Accu/urenmeter] (A 203).
Als u de accu volledig oplaadt en volledig ontlaadt, wordt de waarde die u af kunt lezen nauwkeuriger.
De accu plaatsen
1 Houd de knop op de
Q
-schakelaar ingedrukt
en zet de schakelaar op OFF.
2 Plaats de accu volledig in het compartiment, zoals op
de afbeelding wordt getoond. Duw de accu vervolgens
voorzichtig omlaag totdat de accu vastklikt.
21
De stroombron voorbereiden
De accu verwijderen
1Zet de
Q
-schakelaar (aan/uit) op OFF.
2 Terwijl u de BATTERY RELEASE-knop ingedrukt houdt,
schuift u de accu naar boven en verwijdert u de accu uit
het compartiment.
De resterende acculading controleren
Wanneer de camcorder is ingeschakeld, kunt u de geschatte resterende gebruiksduur van de accu (in minuten)
controleren door op een willekeurig opnamescherm/afspeelscherm te kijken of door op het statusscherm
[Battery/Hour Meter/Accu/urenmeter] te kijken (A 203). U kunt ook de resterende acculading op de accu
zelf controleren.
Druk op de CHECK-knop op de accu. Er gaat
circa 3 seconden lang een indicator branden die
bij benadering de resterende acculading toont.
0–25%
26–50%
51–75%
76–100%
Een stopcontact gebruiken
U kunt de camcorder ook rechtstreeks via een stopcontact van stroom voorzien als u de bijgeleverde compacte
netadapter CA-CP200 L gebruikt. Wanneer de camcorder van stroom wordt voorzien via een stopcontact, kunt
u zelfs als de camcorder aan staat de accu veilig verwisselen.
1 Sluit het netsnoer aan op de compacte netadapter
en steek de stekker van het snoer in het stopcontact.
2 Sluit de stekker van de compacte netadapter aan
op het DC IN-aansluitpunt van de camcorder.
BELANGRIJK
Zorg ervoor dat de camcorder is uitgeschakeld voordat
u de compacte netadapter aansluit of verwijdert.
Gebruikt u de compacte netadapter, bevestig deze dan
niet permanent op één plaats omdat dit een storing kan
veroorzaken.
CHECK-knopOplaadindicator accu
DC IN-
aansluitpunt
Compacte netadapter
De stroombron voorbereiden
22
De camcorder aan- en uitzetten
De camcorder heeft twee bedieningsstanden: de CAMERA-stand ( ) voor het maken van opnamen
en de MEDIA-stand ( ) voor het afspelen van opnamen.
De camcorder aan-/uitzetten
Houd de knop op de Q-schakelaar ingedrukt en
verschuif de schakelaar naar ON om de camcorder aan te
zetten in de stand . Verschuif de schakelaar naar OFF
om de camcorder uit te zetten.
De camcorder aanzetten in de stand
Houd zowel de MEDIA-knop als de knop op de Q-
schakelaar ingedrukt en verschuif de schakelaar naar ON
om de camcorder meteen aan te zetten in de stand .
De bedieningsstand wijzigen
Druk op de MEDIA-knop om de camcorder over te schakelen van de -stand naar de -stand
of omgekeerd.
23
Datum-, tijd- en taalinstellingen
Datum-, tijd- en taalinstellingen
De datum en tijd instellen
U dient de datum en tijd op de camcorder in te stellen voordat u de camcorder kunt gebruiken. Als de interne
klok niet is ingesteld of als de instellingen verloren zijn gegaan omdat de ingebouwde reservebatterij leeg was,
verschijnt wanneer u de camcorder aanzet automatisch het scherm [Date/Time/Datum/tijd] met de standaard
ingestelde tijdzone.
1 Duw de joystick omhoog/omlaag om de gewenste tijdzone te selecteren en druk vervolgens op SET
(duw de joystick zelf in) om naar het volgende veld te gaan.
U kunt ook naar een ander veld gaan door de joystick naar links/rechts te duwen.
De standaard tijdzone is [UTC-05:00] (New York) of [UTC+01:00] (Centraal-Europa), al naargelang het
land/de regio van aankoop. Tijdzones zijn gebaseerd op Coordinated Universal Time (UTC).
2 Wijzig de rest van de velden op dezelfde wijze.
3 Selecteer [Set/Instellen] en druk vervolgens op SET om de klok te starten en het scherm te sluiten.
OPMERKINGEN
U kunt de datum/tijd weergeven in de stand met de instelling > [
¢%
Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] > [Custom Display 2/Aangepaste weergave 2] > [Date/Time/Datum/tijd].
Nadat de basisinstellingen zijn ingesteld, kunt u de tijdzone, datum en tijd wijzigen met de opties >
[B ! System Setup/Systeeminstelling] > [Time Zone/Tijdzone] en [Date/Time/Datum/tijd]. U kunt ook
de datumindeling en de klokindeling (12 of 24 uur) wijzigen met de instelling > [B ! System Setup/
Systeeminstelling] > [Date Format/Datumindeling].
Als de ingebouwde reservebatterij leeg raakt, kan de datum- en tijdinstelling verloren gaan. Laad in dat geval
de ingebouwde reservebatterij op (
A 219) en stel de tijdzone, datum en tijd opnieuw in.
Met behulp van de optionele GPS-ontvanger GP-E2 kunt u de camcorder automatisch instellingen laten
aanpassen op basis van de UTC-datum/-tijdinformatie die wordt verkregen van het GPS-signaal (A 112).
Bedieningsstanden:
Datum-, tijd- en taalinstellingen
24
De taal wijzigen
De standaardtaal van de camcorder is Engels. U kunt de taal wijzigen naar het Duits, Spaans, Frans, Italiaans,
Pools, Portugees, Russisch, Vereenvoudigd Chinees, Koreaans of Japans. Houd er rekening mee dat sommige
instellingen en schermen in het Engels worden getoond, ongeacht welke taal u hebt ingesteld.
1 Druk op de MENU-knop.
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om [
B
! System Setup/Systeeminstelling] te selecteren en druk
vervolgens op SET.
3 Selecteer op vergelijkbare wijze [Language
H
/Taal] en druk vervolgens op SET.
4 Duw de joystick omhoog/omlaag om een taal te selecteren.
5 Druk op SET om de taal te wijzigen en druk vervolgens op de MENU-knop om het menu te sluiten.
Bedieningsstanden:
25
Gebruik van de menu's
Gebruik van de menu's
Veel camcorderfuncties kunnen worden gewijzigd via het menu dat u opent door de MENU-knop in te drukken.
In de stand kunt u ook veelgebruikte menu-instellingen registreren in een door uzelf ingericht submenu
(My Menu), zodat u er gemakkelijk bij kunt. Raadpleeg Menuopties (A 185) voor meer informatie over de
beschikbare menuopties en instellingen.
Een optie selecteren in het menu
Hieronder wordt stapsgewijs beschreven hoe u voor de meeste menuopdrachten een optie selecteert
in het menu. Raadpleeg voor sommige menuopdrachten ook de beschrijving van de functie. Mogelijk zijn
er aanvullende bedieningshandelingen nodig. In de rest van deze handleiding is het sluiten van het menu niet
in de procedures opgenomen, maar wordt verondersteld dat u dat al hebt gedaan.
Omwille van de beknoptheid kunnen in de tekst verwijzingen naar instellingsmenu's als volgt worden afgekort:
> [B ! System Setup/Systeeminstelling] > [Language H/Taal] > Gewenste optie
1 Druk op de MENU-knop.
Het menu wordt geopend en het oranje selectiekader geeft de menuopdracht aan die de vorige keer
toen het menu werd afgesloten, geselecteerd was (tenzij u de camcorder hebt uitgeschakeld).
2 Duw de joystick naar links/rechts om het gewenste instellingsmenu en paginanummer te selecteren.
Wanneer een menuopdracht wordt geselecteerd (oranje gemarkeerd) kunt u pagina voor pagina bladeren
door de joystick naar links/rechts te duwen. Wilt u sneller van instellingsmenu veranderen, duw de joystick
dan omhoog/omlaag of druk op de CANCEL-knop totdat een pictogram wordt geselecteerd.
Duw vervolgens de joystick naar links/rechts.
Bedieningsstanden:
MENU-knop
Druk op deze knop om het menu te openen. Druk nogmaals op deze knop
om het menu te sluiten nadat u de gewenste instellingen hebt aangepast.
CANCEL-knop
Druk op deze knop om terug te gaan naar het vorige menu/submenu
of om een procedure stop te zetten waarmee u bezig was.
Joystick
Duw tegen de joystick om het oranje selectiekader in het menu te
verplaatsen. Druk vervolgens de joystick zelf in ('druk op SET') om de
menuopdracht te selecteren die door het oranje selectiekader wordt
aangeduid. Hoewel alleen de knop in het midden van een van de joysticks
is aangeduid met SET, wordt in de handleiding met 'druk op SET' bedoeld
dat een van beide joysticks zelf moet worden ingedrukt.
CANCEL-knop
MENU-knop
Joystick en
SET-knop
Joystick en SET-knop
MENU-knop
CANCEL-knop
Gebruik van de menu's
26
3 Duw de joystick omhoog/omlaag om de gewenste menuopdracht te selecteren en druk vervolgens
op SET.
Er verschijnen instellingsopties. De momenteel geselecteerde optie wordt aangeduid met een Ð-markering.
Sommige menuopdrachten hebben mogelijk een extra niveau met submenu's. Selecteer het gewenste
submenu en druk op SET om de instellingsopties weer te geven.
Wanneer pictogram van een instellingsmenu in het oranje wordt gemarkeerd, kunt u ook op SET drukken
om de eerste menuopdracht op de pagina van het instellingsmenu te selecteren.
4 Duw de joystick omhoog/omlaag om de gewenste insteloptie te selecteren en druk vervolgens
op SET.
5 Druk op de MENU-knop om het menu te sluiten.
OPMERKINGEN
Onderdelen die niet beschikbaar zijn, worden mogelijk in het grijs weergegeven.
U kunt op elk moment de MENU-knop indrukken om het menu te sluiten.
Op sommige schermen kunnen de volgende pictogrammen getoond worden om u op weg te helpen:
, , . Ze verwijzen respectievelijk naar het indrukken van de joystick (of de SET-knop),
de MENU-knop en de CANCEL-knop.
Als u gebruikmaakt van de bijgeleverde wireless afstandsbediening, gebruikt u de knoppen á, â, à, ß
en SET op dezelfde wijze als de joystick van de camcorder. Ook wanneer een optionele afstandsbediening
RC-V100 op de camcorder wordt aangesloten, kunt u op vergelijkbare wijze de knoppen omhoog/omlaag/
links/rechts/SET op de afstandsbediening gebruiken. Het indrukken van de SET-knop is gelijk aan het
indrukken van de joystick op de camcorder.
U kunt de meeste huidige instellingen controleren op de statusschermen (A 197).
Het aan uw eigen voorkeuren aangepaste submenu gebruiken (My Menu)
U kunt tot wel 6 veelgebruikte menu-instellingen registreren onder een My Menu-submenu, zodat u gemakkelijk
bij deze instellingen kunt. U kunt maximaal 5 afzonderlijke sets met My Menu-instellingen opslaan, zodat u zelf
verschillende opties kunt instellen voor verschillende opnamesituaties. Daarnaast kunt u een knop toewijzen
aan [My Menu/Mijn menu] (A 119). Door op de toewijzingsknop te drukken, kunt u dan de door u
geregistreerde menu-instellingen nog sneller en gemakkelijker openen.
Een My Menu-set selecteren
1 Selecteer het gewenste [My Menu/Mijn menu]-scherm.
> [¥ My Menu/Mijn menu]
2 Duw de joystick naar links/rechts om de pagina te selecteren die bij de gewenste My Menu-set hoort en druk
vervolgens op SET.
Menu-instellingen toevoegen
1 Selecteer [Register/Registreren].
> [¥ My Menu/Mijn menu]* > [Edit/Bewerken] > [Register/Registreren]
* Elke My Menu-set wordt op een afzonderlijke pagina weergegeven. Selecteer de pagina die bij de gewenste set hoort.
Er wordt een scherm geopend waar u de menu-instelling kunt selecteren die u wilt toevoegen.
Druk op de CANCEL-knop als u de bewerking wil annuleren en terug wilt keren naar het gewone menu.
2 Blader door de menu's om de menu-instelling te vinden die u wilt toevoegen en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens tweemaal op SET.
De menu-instelling die u hebt geregistreerd, wordt nu weergegeven onder de momenteel geselecteerde
My Menu-set.
27
Gebruik van de menu's
Menu-instellingen herschikken
1 Selecteer [Move/Verplaatsen].
> [¥ My Menu/Mijn menu]* > [Edit/Bewerken] > [Move/Verplaatsen]
* Elke My Menu-set wordt op een afzonderlijke pagina weergegeven. Selecteer de pagina die bij de gewenste set hoort.
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om de instelling te selecteren die u wilt verplaatsen en druk vervolgens op SET.
Het pictogram
]
verschijnt naast de instelling die u wilt verplaatsen.
3 Duw de joystick omhoog/omlaag om de instelling naar de gewenste positie te verplaatsen en druk vervolgens
op SET.
Menu-instellingen verwijderen
1 Selecteer [Delete/Verwijderen].
> [¥ My Menu/Mijn menu]* > [Edit/Bewerken] > [Delete/Verwijderen]
* Elke My Menu-set wordt op een afzonderlijke pagina weergegeven. Selecteer de pagina die bij de gewenste set hoort.
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om de instelling te selecteren die u wilt verwijderen en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens tweemaal op SET.
Het submenu My Menu resetten
1 Wilt u alle menu-opties resetten die u in de My Menu-set hebt geregistreerd, selecteer dan [Reset All/
Alles resetten].
> [¥ My Menu/Mijn menu]* > [Edit/Bewerken] > [Reset All/Alles resetten]
* Elke My Menu-set wordt op een afzonderlijke pagina weergegeven. Selecteer de pagina die bij de gewenste set hoort.
2 Selecteer [OK] en druk vervolgens tweemaal op SET.
De naam van de geselecteerde My Menu-set wijzigen
U kunt elk van de 5 My Menu-sets een omschrijvende naam geven, zodat u de sets gemakkelijker kunt herkennen.
1 Selecteer [Rename/Naam wijzigen].
> [¥ My Menu/Mijn menu]* > [Edit/Bewerken] > [Rename/Naam wijzigen]
* Elke My Menu-set wordt op een afzonderlijke pagina weergegeven. Selecteer de pagina die bij de gewenste set hoort.
2 Voer de gewenste naam (8 tekens lang) in met behulp van het toetsenbord op het scherm.
Het virtuele toetsenbord gebruiken
Het virtuele toetsenbord wordt op het scherm weergegeven. Afhankelijk van de functie kan de indeling
enigszins afwijken.
1 Gebruik de joystick om een teken te selecteren en druk
vervolgens op SET om het toe te voegen.
Duw de joystick omhoog/omlaag/links/rechts om het gewenste
teken te selecteren en druk vervolgens op SET om het in te
voeren. Gebruik de pijlen (///) om de positie van de cursor
te wijzigen en gebruik het backspace-teken ( ) om het teken
te verwijderen dat als laatste is ingevoerd.
Herhaal deze zo vaak als nodig is om de gewenste tekst in
te voeren.
Afhankelijk van de functie zijn sommige tekens niet beschikbaar.
Druk op de CANCEL-knop als u zonder tekst in te voeren wilt terugkeren naar het vorige scherm.
2 Nadat u de gewenste tekst hebt ingevoerd, selecteert u [OK]. Druk vervolgens op SET om
het toetsenbordscherm te sluiten.
Huidig teken/Tekenlimiet
De camcorder voorbereiden
28
De camcorder voorbereiden
In dit gedeelte worden de basisvoorbereidingen voor de camcorder beschreven, zoals het bevestigen
van de microfoon en zonnekap en het afstellen van het LCD-scherm en de zoeker.
De microfoonhouder-unit aansluiten
Gebruik de bijgeleverde schroeven om de microfoonhouder-unit
aan te sluiten op de hendel.
De zonnekap bevestigen
Bevestig de zonnekap om de lens te beschermen en de
hoeveelheid strooilicht die de lens kan raken te beperken.
Als u de lensbescherming gesloten houdt kan dit helpen
om vingerafdrukken en vuil op de lens te voorkomen.
Verwijder altijd de zonnekap en bevestig de lenskap als
u de camcorder vervoert of na gebruik opbergt.
1 Verwijder de lenskap.
De lenskap en zonnekap kunnen niet tegelijkertijd gebruikt
worden.
2 Plaats de zonnekap op de voorkant van de lens, met
de kant van de borgschroef naar beneden gericht
(),
en draai de zonnekap 90 graden met de klok mee
().
Let erop dat u de zonnekap niet vervormt.
Zorg ervoor dat de zonnekap goed op de schroefdraad
aansluit.
3 Draai de borgschroef vast ().
Gebruik van de zoeker
De zoeker van de camcorder beschikt over een OLED-scherm dat automatisch inschakelt wanneer u door
de zoeker kijkt en uitschakelt kort nadat u uw oog van de zoeker weghaalt.
De zoeker afstellen
1 Wijzig zo nodig de hoek van de zoeker.
2 Zet de camcorder aan en verstel de
oogcorrectieregelaar totdat het beeld van de zoeker
scherp is.
OPMERKINGEN
U kunt de zoeker permanent inschakelen
door > [
¢
" Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] > [VF Eye Sensor/
Oogsensor zoeker] in te stellen op [Off/Uit].
Oogcorrectie-
regelaar
29
De camcorder voorbereiden
De oogschelp aansluiten en verwijderen
Sluit de oogschelp zodanig aan dat deze de rubberen rand
van de zoekereenheid afdekt. Om de oogschelp te verwijderen,
trekt u deze vanaf de onderkant voorzichtig in een 'afpellende'
beweging van de camcorder af.
Voor gebruik met het linkeroog bevestigt u de oogschelp
zodanig dat het uitstekende deel naar de tegenovergestelde
zijde is gericht.
BELANGRIJK
De lens van de zoeker richten op de zon of andere sterke
lichtbronnen kan schade aan interne onderdelen veroorzaken.
Gebruikt u de zoeker niet, zorg er dan voor dat u de dop van
de zoeker op de zoeker plaatst. Hierdoor wordt de zoeker ook
beschermd tegen krassen en vuil. Bevestig de dop van de zoeker
door deze in de rubberen rand van de zoekereenheid te plaatsen.
Het LCD-scherm gebruiken
1 Trek het LCD-paneel 90° uit naar links of rechts.
2 Stel het LCD-paneel in op de gewenste hoek.
OPMERKINGEN
U kunt het beeld op het scherm omdraaien afhankelijk van
de positie van het LCD-paneel. In de stand kunt
u door op de MIRROR-knop te drukken overschakelen van
het oorspronkelijke beeld naar het verticaal omgekeerde
beeld en andersom. In de stand kunt u het beeld
zowel horizontaal als verticaal draaien. Terwijl het beeld
in de stand wordt omgekeerd, wordt het
schermdisplay van de camera niet weergegeven.
Oogschelp
Zoekereen-
heid
De camcorder voorbereiden
30
Het LCD-scherm of de zoeker afstellen
U kunt de helderheid, het contrast, de kleur, de scherpte en het helderheidsniveau van het LCD-scherm
en de zoeker onafhankelijk van elkaar instellen. Deze instellingen zijn niet van invloed op uw opnamen.
1 Open de pagina met het instellingsmenu voor het LCD-scherm of de zoeker.
> [
¢
! Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] (voor het LCD-scherm) of [
¢
" Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] (voor de zoeker)
2 Selecteer de gewenste instellingen voor helderheid, contrast, kleur, scherpte of luminantie en druk
vervolgens op SET.
Wanneer de zoeker is uitgeschakeld, worden de menuopdrachten in [¢"Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] grijs weergegeven.
3 Selecteer het gewenste niveau en druk vervolgens op SET.
Herhaal stap 2 en 3 om desgewenst andere instellingen te wijzigen.
Menuopdrachten per instelling
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop instelt voor [LCD Setup/LCD-configuratie] of [Viewfinder Setup/Zoekerconfiguratie]
(A 119), kunt u op deze knop drukken om de bijbehorende menupagina [
¢
! Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] of [
¢
" Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] te openen.
Over het LCD-scherm en het zoekerscherm: de schermen zijn geproduceerd met uiterst verfijnde technieken.
Meer dan 99,99% van de pixels functioneert correct. In zeer zeldzame gevallen kan het voorkomen dat pixels
niet goed werken of constant licht geven. Dit heeft geen gevolgen voor het opgenomen beeld en duidt niet op
een defect.
Het scherm instellen op zwart-wit
Beelden op het LCD-scherm en de zoeker worden standaard in kleur weergegeven, maar u kunt ook voor
weergave in zwart-wit kiezen. Zelfs wanneer het scherm zwart-wit is, worden de tekst op het scherm en
de pictogrammen in kleur weergegeven.
1 Selecteer de bijbehorende menu-instelling [B&W Image/Zwart-witbeeld].
> [
¢
$ Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [B&W Image: LCD/Zwart-witbeeld: LCD]
of [B&W Image: VF/Zwart-witbeeld zoeker]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Bedieningsstanden:
Instelling
Menuopdracht
LCD-scherm Zoeker
Helderheid [LCD Brightness/Helderheid LCD] [VF Brightness/Helderheid zoeker]
Contrast [LCD Contrast/Contrast LCD] [VF Contrast/Contrast zoeker]
Kleur [LCD Color/Kleur LCD] [VF Color/Kleur zoeker]
Scherpte [LCD Sharpness/Scherpte LCD] [VF Sharpness/Scherpte zoeker]
Luminantie [LCD Luminance/Luminantie LCD] [VF Luminance/Luminantie zoeker]
31
De camcorder voorbereiden
De handgreepriem afstellen
Stel de handgreepriem zo af dat u met uw wijsvinger en
middelvinger de zoomtuimelschakelaar op de handgreep
en met uw duim de REC-knop kunt bereiken.
BELANGRIJK
Let erop dat u de camcorder niet laat vallen
als u de handgreepriem afstelt.
De schouderriem bevestigen
Haal de uiteinden door de riembevestigingspunten
en verstel de lengte van de riem.
BELANGRIJK
Let erop dat u de camcorder niet laat vallen
als u de schouderriem bevestigt of afstelt.
De afdekplaatjes van de aansluitpunten verwijderen en bevestigen
U kunt de afdekplaatjes van alle aansluitpunten van de camcorder verwijderen zodat u er gemakkelijker bij kunt.
De afdekplaatjes verwijderen
1 Open het afdekplaatje en trek het naar buiten.
2 Pak de strip vast die het afdekplaatje met de camcorder
verbindt en trek aan de strip.
De afdekplaatjes bevestigen
Steek de verbindingsstrip in de opening om het afdekplaatje te bevestigen.
OPMERKINGEN
Als u de verbindingsstrip moeilijk kunt vastpakken, gebruikt u een pincet
of iets dergelijks.
De camcorder voorbereiden
32
Het schouderstuk verwijderen
Het schouderstuk is bij levering al op de camcorder
bevestigd. U kunt het verwijderen als u de voorkeur
geeft aan een andere configuratie.
Gebruik een kruiskopschroevendraaier om de
schroef te verwijderen zoals op de afbeelding
wordt geïllustreerd. Verwijder vervolgens het
schouderstuk.
Let erop dat u het schouderstuk of de schroef van
het schouderstuk niet kwijtraakt nadat u ze hebt
verwijderd.
Een statief gebruiken
U kunt de camcorder op elk statief bevestigen met een bevestigingsschroef van 0,64 cm (1/4") of 0,95 cm (3/8").
BELANGRIJK
Wanneer u een statief gebruikt met een bevestigingsschroef die langer is dan de diepte van het gebruikte
schroefgat (A 15), kan dit schade aan de camcorder veroorzaken.
Schroefgaten voor statieven
Schroefgaten voor de optionele
statiefadapter TA-100
33
SD-kaarten gebruiken
SD-kaarten gebruiken
De camcorder legt clips en foto's vast op in de winkel verkrijgbare Secure Digital (SD)-kaarten*. De camcorder
heeft twee SD-kaartsleuven en u kunt twee SD-kaarten gebruiken om op beide kaarten tegelijk op te nemen
of om automatisch naar de andere SD-kaart over te schakelen als de SD-kaart die in gebruik is, vol is (A 36).
Voordat u een SD-kaart de eerste keer met de camcorder gebruikt, moet u de SD-kaart initialiseren (A 35).
* De SD-kaart wordt ook gebruikt om bestanden met voorkeuze-instellingen en menu-instellingen op te slaan.
Compatibele SD-kaarten
De volgende typen SD-kaarten
1
kunnen met deze camcorder worden gebruikt. Bezoek de website van Canon
voor uw regio voor de nieuwste informatie over SD-kaarten die getest zijn voor gebruik met deze camcorder.
1
Vanaf maart 2018 is de clipopnamefunctie getest met SD-kaarten die zijn gemaakt door Panasonic, Toshiba en SanDisk.
2
UHS- en SD-snelheidsklassen zijn standaarden die de minimale gegarandeerde snelheid van gegevensoverdracht van
SD-kaarten aanduiden.
3
In de volgende gevallen wordt het gebruik van SD-kaarten met een UHS-snelheidsklasse van U3 aanbevolen:
- Wanneer de resolutie ingesteld wordt op 3840x2160.
- Als de opnamestand voor slow motion is ingeschakeld.
BELANGRIJK
Na het herhaaldelijk opnemen, verwijderen en bewerken van clips (als het geheugen gefragmenteerd raakt),
kan het langer duren om gegevens naar de kaart te schrijven en wordt de opname mogelijk zelfs stopgezet.
Als dit het geval is, maak dan een back-up van uw opnamen en initialiseer de kaart met de camcorder.
Zorg ervoor dat u kaarten initialiseert, met name voordat u belangrijke scènes gaat opnemen.
Over SDXC-kaarten: u kunt SDXC-kaarten gebruiken met deze camcorder, maar SDXC-kaarten worden
door de camcorder geïnitialiseerd met het exFAT-bestandssysteem.
- Controleer of externe apparatuur compatibel is met exFAT indien u met exFAT geformatteerde kaarten
gebruikt met andere apparaten (digitale recorders, kaartlezers, enzovoort). Neem voor meer informatie
over compatibiliteit contact op met de fabrikant van de computer, het besturingssysteem of de kaart.
- Indien u met exFAT geformatteerde kaarten gebruikt met een besturingssysteem dat niet compatibel is met
exFAT, wordt u mogelijk gevraagd om de kaart te formatteren. In dat geval moet u de procedure annuleren
om te voorkomen dat u gegevens verliest.
OPMERKINGEN
Er kan niet worden gegarandeerd dat alle SD-kaarten goed functioneren.
Type SD-kaart:
./ 0
SD-kaarten SDHC-kaarten SDXC-kaarten
SD-snelheidsklasse
2
:
UHS-snelheidsklasse
2,3
:
Snelheidsklasse U1 Snelheidsklasse U3
SD-kaarten gebruiken
34
Een SD-kaart plaatsen en verwijderen
1 Open het afdekplaatje van de kaartsleuf.
2 Steek de SD-kaart in zijn geheel, met het label in
de richting van de zoeker, in de kaartsleuf totdat
de kaart vastklikt.
Wilt u de SD-kaart verwijderen, controleer dan of
de statusindicator uit is en druk de kaart vervolgens
eenmaal in om de kaart te ontgrendelen. De kaart
springt naar buiten. Trek deze vervolgens in zijn
geheel uit de sleuf.
3 Sluit het afdekplaatje van de kaartsleuf.
Forceer het afdekplaatje niet dicht als de kaart niet
op de juiste wijze geplaatst is.
Kaartstatusindicatoren
Als u > [
B
$ System Setup/Systeeminstelling] > [LED] > [SD Card Access LED/Statusled van
SD-kaart] instelt op [Off/Uit], gaan de kaartstatusindicatoren niet branden.
BELANGRIJK
Neem de onderstaande voorschriften in acht wanneer een kaartstatusindicator rood brandt. Als u dat niet
doet, kunt u uw gegevens voorgoed kwijtraken.
- Verwijder de voeding niet en zet de camcorder niet uit.
- Verwijder de kaart niet.
SD-kaarten hebben een voor- en achterzijde die van elkaar verschillen. Als u een kaart verkeerd om
in de camcorder plaatst, kan de camcorder defect raken. Zorg ervoor dat u de kaart plaatst zoals
beschreven bij stap 2.
OPMERKINGEN
SD-kaarten zijn uitgerust met een schakelaar die u zo kunt instellen dat de kaart niet kan worden beschreven.
Zo voorkomt u dat gegevens per ongeluk worden gewist. Zet de schakelaar op de SD-kaart in de LOCK-stand
als u niet wilt dat de kaart kan worden beschreven.
SD CARD 2/SD CARD 3-
indicator
Status SD-kaart
Rood De SD-kaart wordt gelezen.
Groen
De kaartsleuf is momenteel geselecteerd en de camcorder is klaar voor opnemen/afspelen (clips op beide
kaarten, foto's alleen op SD-kaart B).
Uit
Er is geen SD-kaart geplaatst, de kaart wordt niet gelezen, de kaart is met de LOCK-schakelaar beveiligd tegen
schrijven of de kaartsleuf is momenteel niet geselecteerd.
Kaartstatus-
indicatoren
35
SD-kaarten gebruiken
Een SD-kaart initialiseren
Voordat u een SD-kaart de eerste keer met de camcorder gebruikt, moet u de SD-kaart initialiseren.
U kunt een kaart ook initialiseren als u alle gegevens hierop permanent wilt verwijderen.
1 Selecteer [Initialize Media/Media initialiseren].
> [Æ ! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Initialize Media/Media initialiseren]
2 Selecteer [SD Card A/SD-kaart A] of [SD Card B/SD-kaart B] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
4 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
BELANGRIJK
Wanneer u een kaart initialiseert, worden alle gegevens voorgoed gewist. Dit geldt ook voor clips met
een $-markering, foto's en beschermde bestanden met voorkeuze-instellingen. Gegevens die verloren zijn
gegaan, kunt u niet meer herstellen. Zorg er daarom voor dat u van belangrijke opnamen een back-up maakt.
Afhankelijk van de SD-kaart kan een initialisatie enkele minuten duren.
OPMERKINGEN
Terwijl u opnamen maakt op een SD-kaart, kunt u een andere SD-kaart initialiseren die in de andere
SD-kaartsleuf zit.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Initialize Media/Media initialiseren] (A 119), kunt u op deze knop
drukken om het submenu [Initialize Media/Media initialiseren] te openen.
Van SD-kaartsleuf wisselen
De camcorder is uitgerust met twee SD-kaartsleuven:
SD-kaartsleuf A en SD-kaartsleuf B. Als beide sleuven een kaart
bevatten, kunt u de kaarten desgewenst afwisselend gebruiken.
Druk op de SLOT SELECT-knop.
De statusindicator van de geselecteerde SD-kaartsleuf gaat
groen branden.
OPMERKINGEN
Als beide SD-kaartsleuven een kaart bevatten en u het afdekplaatje van de geselecteerde sleuf opent,
schakelt de camcorder automatisch over op de andere sleuf.
U kunt de SLOT SELECT-knop niet gebruiken om tijdens opnamen van SD-kaartsleuf te wisselen.
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (
A
164, 169).
Bedieningsstanden:
Bedieningsstanden:
SD-kaarten gebruiken
36
Relay Recording en dubbele opname
De camcorder bevat twee handige opnamemethoden die u kunt gebruiken wanneer beide SD-kaartsleuven
een kaart bevatten: Relay Recording en dubbele opname.
Relay-opname: met deze functie kunt u zonder onderbreking verdergaan met opnemen op een andere kaart
wanneer de gebruikte kaart vol raakt. Relay Recording is mogelijk vanaf SD-kaartsleuf A naar SD-kaartsleuf B
en omgekeerd.
Dubbele opname: met deze functie kunt u dezelfde clip gelijktijdig opnemen op twee kaarten. Dit is een handige
manier om tijdens het opnemen een back-up van uw opname te maken.
Relay Recording gebruiken
1 Selecteer [Relay Recording].
> [Æ " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Relay Recording]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Dubbele opnamen maken
1 Selecteer [Double Slot Recording/Dubbele opname].
> [Æ " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Double Slot Recording/
Dubbele opname]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
4
verschijnt boven in het scherm.
OPMERKINGEN
Relay Recording wordt uitgeschakeld (de camcorder zal niet naar de andere kaart overschakelen) wanneer
opnemen is slow motion wordt geactiveerd.
Wanneer een SD-kaart vol raakt tijdens het maken van dubbele opnamen, stopt de opname op beide kaarten.
Als zich echter op een van de SD-kaarten een fout voordoet, gaat de opname op de andere kaart verder.
Dubbele opname kan niet worden gebruikt in combinatie met Relay Recording of opnamen in slow motion.
Sla eerst de MP4-clips die met Relay Recording op verschillende SD-kaarten zijn opgenomen op de
computer op. Vervolgens kunt u MP4 Join Tool gebruiken om de bestanden samen te voegen en ze als
een afzonderlijke clip op te slaan (A 153).
De resterende opnametijd op SD-kaarten controleren
In de stand worden linksboven in het scherm pictogrammen van de SD-kaarten getoond met
de resterende opnametijd* (in minuten) voor elke kaart (A 45).
In het statusscherm [Media] (A 201) kunt u de totale ruimte, de gebruikte ruimte, de geschatte resterende
opnametijd* en de snelheidsklasse van elke kaart bekijken. Uitsluitend voor SD-kaart B wordt ook het geschatte
resterende aantal foto's weergegeven.
* Resterende opnametijden zijn bij benadering gegeven en zijn berekend op basis van de momenteel gebruikte videoconfiguratie.
Bedieningsstanden:
37
SD-kaarten gebruiken
Clips herstellen
Sommige handelingen, zoals bijvoorbeeld de camcorder onverwacht uitzetten of de SD-kaart verwijderen
terwijl er gegevens worden vastgelegd, kunnen gegevensfouten veroorzaken in de opgenomen clip.
1 Open het indexscherm met de clip die u wilt herstellen (A 133).
2 Selecteer de gewenste clip (een clip met een geel -pictogram in plaats van een miniatuurbeeld)
en druk vervolgens op SET om het clipmenu te openen.
3 Selecteer [Recover Clip/Clip herstellen] en druk vervolgens op SET.
4 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De camcorder zal proberen de beschadigde gegevens te herstellen.
5 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
OPMERKINGEN
In dit indexscherm worden herstelde MP4-clips weergegeven met een speciaal afspeelpictogram in plaats
van de gebruikelijke miniatuurweergave.
Deze procedure kan clips verwijderen die korter zijn dan 0,5 seconde.
In sommige gevallen kan het onmogelijk zijn om de gegevens te herstellen. Dit is vooral waarschijnlijk als
het bestandssysteem beschadigd is of als de kaart fysiek beschadigd is.
Alleen clips die met deze camcorder zijn opgenomen, kunnen worden hersteld. Foto's kunnen niet
worden hersteld.
Bedieningsstanden:
De camcorder op afstand bedienen
38
De camcorder op afstand bedienen
De camcorder kan op meerdere manieren op afstand bediend worden, met verschillende bedieningsmogelijkheden.
Ten eerste kunt u de bijgeleverde wireless afstandsbediening gebruiken, zoals hieronder wordt beschreven.
U kunt ook een optionele afstandsbediening RC-V100 aansluiten, voor maximale controle over uw opnamen
op een professioneel niveau.
Tot slot kunt u een netwerkapparaat met de camcorder verbinden via Wi-Fi en de toepassing Browser Remote
gebruiken om de camcorder te bedienen (A 164).
De bijgeleverde wireless afstandsbediening gebruiken
De batterij plaatsen
Plaats de bijgeleverde CR2025-lithiumknoopcelbatterij in de wireless
afstandsbediening voordat u deze in gebruik neemt.
1 Druk het lipje in de richting van de pijl () en trek de batterijhouder ()
naar buiten.
2 Plaats de lithiumknoopcelbatterij met de pluszijde (+) naar boven
gericht ().
3 Plaats de batterijhouder terug ().
De wireless afstandsbediening activeren
De wireless afstandsbediening is standaard ingeschakeld. Als deze uitgeschakeld is, volgt u de procedure
hieronder om de afstandsbediening te activeren.
1 Selecteer [WL-D6000].
> [B $ System Setup/Systeeminstelling] > [WL-D6000]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
De wireless afstandsbediening gebruiken
om de camcorder te bedienen
Als u de wireless afstandsbediening gebruikt,
richt u deze op de afstandsbedieningssensor op
de camcorder. Als u de knoppen op de wireless
afstandsbediening indrukt, gaan de statuslampjes
op de camcorder branden.
OPMERKINGEN
Als u de START/STOP-knop of ZOOM-knoppen op
de bijgeleverde wireless afstandsbediening gebruikt,
dient u tegelijk met de desbetreffende knop de opname-inschakelingsknop in te drukken.
Als de camcorder met de bijgeleverde wireless afstandsbediening niet of alleen op zeer korte afstand
kan worden bediend, vervangt u de batterij.
De bijgeleverde wireless afstandsbediening werkt mogelijk niet naar behoren wanneer de sensor wordt
blootgesteld aan fel licht of direct zonlicht.
Bedieningsstanden:
39
De optionele afstandsbediening RC-V100 gebruiken
De optionele afstandsbediening RC-V100 gebruiken
U kunt de optionele afstandsbediening RC-V100 aansluiten op het REMOTE A- of REMOTE B-aansluitpunt
van de camcorder om de camcorder (inclusief geavanceerde opnamefuncties) op afstand te bedienen. U kunt
de afstandsbediening gebruiken om de camcorder in te schakelen, door de menu's te bladeren en instellingen
te wijzigen, het diafragma en de sluitertijd te regelen, sommige voorkeuze-instellingen te wijzigen enzovoort.
Wanneer u de RC-V100 aansluit op het REMOTE B-aansluitpunt, kan de camcorder meerdere gelijktijdige
opdrachten vanaf de afstandsbediening ontvangen en verwerken.
Voor meer informatie over het aansluiten en gebruiken van de afstandsbediening raadpleegt u de gebruiksaanwijzing
van dit product.
1 Zet de camcorder uit en sluit de optionele afstandsbediening RC-V100 aan op de camcorder.
Zorg dat de selectieschakelaar voor het aansluitpunt van de afstandsbediening is ingesteld op het juiste
aansluitpunt van de camcorder.
2 Schakel de camcorder in en selecteer [REMOTE Term./Aansluitpunt voor afstandsbediening].
> [B $ System Setup/Systeeminstelling] > [REMOTE Term./Aansluitpunt voor afstandsbediening]
3 Selecteer [RC-V100 (REMOTE A)] of [RC-V100 (REMOTE B)] afhankelijk van het gebruikte
aansluitpunt en druk vervolgens op SET.
Opties
[RC-V100 (REMOTE A)], [RC-V100 (REMOTE B)]:
Selecteer deze optie om de optionele afstandsbediening RC-V100 te gebruiken die
op het desbetreffende REMOTE-aansluitpunt is aangesloten.
[Standard/Standaard]: Selecteer deze optie om in de winkel verkrijgbare afstandsbedieningen te gebruiken.
OPMERKINGEN
Als de camcorder ingesteld is op de volledig automatische stand (A 43) kunnen instellingen die zijn
gerelateerd aan diafragma, versterking, sluitertijd en witbalans (behalve [R Gain/Versterking R] en [B Gain/
Versterking B] bij de voorkeuze-instellingen van [White Balance/Witbalans]*) niet met de afstandsbediening
worden gewijzigd.
* Wanneer infraroodopname is ingeschakeld, hebben zelfs de WHITE BALANCE R- en B-regelaars geen effect op de camcorder.
Bedieningsstanden:
8-pens afstandsbedieningskabel
RR-10 of RR-100 (optioneel)
Naar het REMOTE A-
aansluitpunt van
de RC-V100
Naar het REMOTE B-
aansluitpunt van
de RC-V100
Kabel voor
afstandsbediening
(wordt bij de
RC-V100 geleverd)
De optionele afstandsbediening RC-V100 gebruiken
40
Instellingen die met het beeld te maken hebben, kunnen alleen met de afstandsbediening worden gewijzigd
als de uitgebreide instellingen geactiveerd zijn ( > [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] >
[Activate Other Settings/Overige instellingen activeren] is ingesteld op [On/Aan], A 123).
De REMOTE A- en REMOTE B-aansluitpunten kunnen niet tegelijkertijd gebruikt worden.
Bent u van plan om de afstandsbediening aan te sluiten op de camcorder met de optionele 8-pens
afstandsbedieningskabel RR-10 of RR-100, controleer dan het serienummer van de RC-V100.
Als het serienummer begint met '01 xxxx' (waar xxxx verwijst naar andere cijfers), dient u de firmware van de
afstandsbediening bij te werken. Canon zal deze functie-uitbreiding uitvoeren als u de afstandsbediening naar
een erkend Canon Service Center stuurt. Er kunnen kosten verbonden zijn aan de verzending en verwerking.
Neem voor meer informatie contact op met de klantenservice van Canon.
3
41
Opname
Video-opnamen maken
In dit hoofdstuk worden de basisprocedures beschreven voor het opnemen van clips*.
Raadpleeg Audio opnemen (A 97) voor meer informatie over het opnemen van audio.
Voordat u belangrijke opnamen voor de eerste keer maakt, maakt u testopnamen met behulp van
de videoconfiguratie(s) die u van plan bent te gebruiken om te controleren of de camcorder correct werkt.
Mocht de camcorder niet goed werken, raadpleeg dan Problemen oplossen (A 206).
* 'Clip' verwijst naar één filmeenheid die is opgenomen met één opnamehandeling. U kunt ook metadata insluiten in de clip.
Voorbereidingen
1 Verwijder de lenskap en bevestig de zonnekap
(
A 28).
2 Sluit een opgeladen accu aan op de camcorder
(
A 19, 20).
3 Plaats SD-kaarten naar behoefte (
A 33, 34).
Plaats kaarten in beide SD-kaartsleuven als u gebruik
wilt maken van Relay Recording of dubbele opname
(A 36).
4 Schuif de lensafdekkingsschakelaar omlaag naar
OPEN om de lensbescherming te openen.
5 Stel het LCD-scherm (
A 29) en/of de zoeker
af (
A 30).
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De camcorder kan een gebruikersmemo (A 110) toevoegen aan de XF-HEVC- of XF-AVC-clips die
u opneemt, maar u moet het gebruikersmemobestand voorbereiden voordat u met opnemen begint.
De gebruikersmemo kan worden gebruikt om klapbordinformatie op te slaan, zoals de clipnaam,
de gebruiker van de camera en de opnamelocatie.
Bedieningsstanden:
Video-opnamen maken
42
Opname
1 Houd de knop op de Q-schakelaar ingedrukt en zet de schakelaar op ON.
De camcorder wordt ingeschakeld in de stand en gaat naar de opnamestandby-stand.
De statusindicatoren van kaartsleuven waarin een kaart is geplaatst, lichten even rood op. Vervolgens
gaat de statusindicator van de kaartsleuf die u geselecteerd hebt voor opnamen, groen branden.
2 Druk op de REC-knop om te beginnen met opnemen.
De opname begint. De statuslampjes gaan branden en de opname-indicator [
Ü
REC] verschijnt boven
in het scherm.
U kunt de REC-knop op de handgreep of die op de camcorderhendel gebruiken.
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (
A
164, 169).
Als u de bijgeleverde wireless afstandsbediening gebruikt, drukt u tegelijkertijd op de START/STOP-knop
en de opname-inschakelingsknop.
3 Druk op de REC-knop om de opname te stoppen.
De clip wordt opgenomen en de camcorder gaat naar de opnamestandby-stand. De statuslampjes gaan uit.
BELANGRIJK
Neem de onderstaande voorschriften in acht wanneer een statusindicator rood brandt. Als u dat niet doet,
kunt u uw gegevens voorgoed kwijtraken.
- Open het afdekplaatje van de actieve kaart niet en verwijder de kaart niet.
- Verwijder de voeding niet en zet de camcorder niet uit.
Zorg ervoor dat u regelmatig een back-up van uw opnamen maakt (A 153), vooral nadat u belangrijke
opnamen hebt gemaakt. Canon is niet aansprakelijk voor verlies of beschadiging van gegevens.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De REC-knop op de camcorderhendel is uitgerust met een grendel om te voorkomen dat u de camcorder per
abuis bedient. Zet de grendel op C om te voorkomen dat u per ongeluk een opname start/stopt of als u niet
van plan bent deze REC-knop te gebruiken. Zet de grendel terug naar de vorige positie als u de REC-knop
weer wilt gebruiken.
U kunt de functie voor het bekijken van een opname (A 114) gebruiken om de laatste clip gedeeltelijk
of volledig af te spelen zonder te hoeven overschakelen naar de stand .
Als u een toewijzingsknop toewijst aan [Add $ Mark/Markering toevoegen] of [Add % Mark/Vinkje toevoegen]
(A 119), kunt u op de knop drukken om een $-markering of een vinkje % toe te voegen aan de laatst
opgenomen XF-HEVC- of XF-AVC-clip.
Kaartstatusindicatoren
Statuslampjes
43
Video-opnamen maken
Eventuele metadata-instellingen die u hebt ingesteld (A 110), zullen worden vastgelegd in de clips die
u opneemt. U kunt ook de gebruikte voorkeuze-instellingen opslaan in de opgenomen XF-HEVC- of
XF-AVC-clips (A 125).
De maximale continue opnametijd van één enkele clip is 6 uur. Hierna wordt automatisch een nieuwe
clip gemaakt en de opname wordt voortgezet als een aparte clip.
Als de LOCK-schakelaar op de SD-kaart zodanig is ingesteld dat de kaart tegen schrijven beveiligd is,
kunt u geen clips opnemen. Wijzig eerst de stand van de LOCK-schakelaar.
In de volgende gevallen wordt een video-opname opgeslagen als afzonderlijke clips:
- Wanneer de camcorder tijdens een video-opname overschakelt naar de andere SD-kaart vanwege
de functie Relay Recording (A 36).
- Voor opnamen van clips op een SDHC-kaart wordt het video(stream)bestand in de clip bij circa elke
4 GB gesplitst. De clip wordt op de camcorder ononderbroken afgespeeld.
Door afzonderlijke, gesplitste MP4-clips op een computer op te slaan, kunt u MP4 Join Tool gebruiken
om de bestanden samen te voegen en ze als een afzonderlijke clip op te slaan (A 153).
Afhankelijk van de clip kan de camcorder sommige instellingen intern aanpassen om een duidelijker beeld
weer te geven op het LCD-scherm en de zoeker.
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen wordt ingesteld op een instelling
anders dan [Canon Log 3], zal de camcorder een beeld produceren dat bij benadering laat zien hoe video
eruitziet op een goed geconfigureerde compatibele monitor.
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen wordt ingesteld op [Canon Log 3],
zal de camcorder kleuren produceren die het uiterlijk van de kleurruimte BT.709 benaderen, ongeacht welke
kleurruimte is gebruikt voor opname.
De bedieningselementen van de camcorder vergrendelen
(toetsenvergrendeling)
U kunt de KEY LOCK-schakelaar instellen op C
(toetsenvergrendeling) om alle fysieke bedieningselementen
(knoppen en schakelaars) op de camcorder te vergrendelen,
met uitzondering van de REC-knoppen*. Dit kan handig
zijn als u wilt voorkomen dat instellingen worden gewijzigd
door per ongeluk een van de knoppen in te drukken.
Zet de KEY LOCK-schakelaar weer op om de
bedieningselementen opnieuw te activeren. Wanneer de
bedieningselementen van de camcorder vergrendeld zijn,
kunt u de camcorder nog steeds bedienen met de
bijgeleverde wireless afstandsbediening, de optionele
afstandsbediening RC-V100 of de toepassing Browser
Remote.
* Alleen in de stand kunt u ervoor kiezen om ook de REC-knoppen te vergrendelen met de instelling
> [B $ System Setup/Systeeminstelling] > [Key Lock/Toetsenvergrendeling].
Opnamen maken in de Full Auto-stand
Zet de FULL AUTO-schakelaar op ON als u de camcorder
op de volledig automatische stand wilt instellen. In de volledig
automatische stand stelt de camcorder automatisch het diafragma,
de versterking, de sluitertijd en de witbalans in. De camcorder
zal continu de helderheid en witbalans automatisch instellen*.
De scherpstelstand wordt echter niet op autofocus ingesteld.
* De lichtmeetmethode (A 64) wordt ingesteld op [Standard/Standaard],
het AE-niveau (A 63) wordt ingesteld op [±0] en de AGC-limiet (A 58)
wordt ingesteld op [Off/33 dB/Uit/33 dB].
Video-opnamen maken
44
Schermdisplays
Raadpleeg dit hoofdstuk voor een beschrijving van de diverse schermdisplays die worden weergegeven
in de stand . U kunt gebruikmaken van de functie voor displayvoorkeuren (A 191) om persoonlijke
schermdisplays uit te schakelen als u ze niet nodig hebt. De menuopdracht die elk scherm beheert wordt
in de onderstaande tabel getoond (1: geeft een menuopdracht onder > [¢%Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] > [Custom Display 1/Aangepaste weergave 1] aan en 2: geeft een menuopdracht onder
[Custom Display 2/Aangepaste weergave 2] aan).
AF-kaders
Afhankelijk van de gebruikte scherpstelfunctie en de geselecteerde AF-kadergrootte (A 81), ziet u mogelijk
sommige van de volgende AF-kaders.
Continu AF-kader – altijd in het wit (A 80)
AF-boosted MF-kader – in het geel: bereik voor handmatige instelling; in het wit: bereik voor automatische aanpassing (A 79)
Face AF/autofocus op gezicht:
hoofdonderwerp (A 81)
Face AF/autofocus op gezicht:
overige gezichtsdetectiekaders
Volgen: onderwerpselectie (A 83)
Volgen: tijdens volgen
45
Video-opnamen maken
Links in het scherm
Pictogram/display Beschrijving Custom Display
C
Toetsenvergrendeling (A 43) 1: [Key Lock/
Toetsenvergrendeling]
è
é
ê
ë
(in het rood)
0000 min
Resterende accucapaciteit
Het pictogram geeft een schatting van de resterende lading aan.
Naast het pictogram wordt in minuten de resterende opnametijd getoond.
Als wordt weergegeven, vervangt u de accu door een volledig
opgeladen accu.
Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden wordt de resterende acculading
mogelijk niet nauwkeurig aangegeven.
2: [Remaining Battery/
Resterende accu]
Kaartstatus en geschatte resterende opnametijd 2: [Remaining Rec Time/
Resterende opnametijd]
6, 7, 0000 min Kaartstatus: in het groen – klaar voor opname; in het geel – kaart is bijna vol;
in het wit – de kaart wordt gelezen. De kaart die u hebt geselecteerd om opnamen
mee te maken, wordt aangeduid met een
Ð
-markering.
6, 7, END (in het rood) De kaart is vol.
, (in het rood) Er is geen SD-kaart aanwezig of er kunnen geen opnamen worden gemaakt
op de kaart.
,
Z 00/00
Zoomstand (A 70).
Kan worden weergegevens als zoombalk of als numerieke waarde.
Verschijnt alleen tijdens het zoomen.
1: [Zoom Indicator/
Zoomindicator] (type),
[Zoom Position/
Zoomstand] (wel of niet
weergeven)
000 m of 000 ft, , - Scherpstelafstanden bij benadering (alleen tijdens handmatige scherpstelling).
: oneindige focus, -: focus ligt voorbij het punt van oneindigheid.
1: [Object Distance/
Afstand tot object]
@, A Scherpstelstand (A 76) 1: [Focus Mode/
Scherpstelstand]
,
Face AF/Autofocus op gezicht (A 81)
, , , ,
, , ,
Voorkeuzegamma-instellingen (A 126) 1: [Custom Picture/
Voorkeuze-instellingen]
Uitgebreide beeldinstellingen van het bestand met voorkeuze-instellingen
zijn actief (A 127).
¯,°,± (in het geel) Beeldstabilisatie (A 85) 1: [Image Stabilizer/
Beeldstabilisator]
, Lichtmeetmethode (A 64) 1: [Light Metering/
Lichtmeetmethode]
LUT bekijken (A 149) 1: [LUT]
^ (in het geel) Vergroting (A 78)
U kunt op SET drukken om de vergrotingsfactor te wijzigen.
1: [Magnification/
Vergroting]
J, K (in het geel) Contourverscherping (A 78) 1: [Peaking/
Contourverscherping]
b
,
`
Ventilatorbediening en temperatuurwaarschuwing (A 50)
Als de interne temperatuur van de camcorder boven een bepaald niveau stijgt,
wordt b in het geel weergegeven. Als de temperatuur verder stijgt, wordt b
in het rood weergegeven.
Wanneer ` rood wordt weergegeven, duidt dit op een waarschuwing met
betrekking tot de ventilator (A 208).
2: [Temperature/Fan/
Temperatuur/ventilator]
Video-opnamen maken
46
Boven in het scherm
Rechts in het scherm
Pictogram/display Beschrijving Custom Display
,
,
Netwerktype, netwerkfunctie en verbindingsstatus (A 162).
In het wit getoonde pictogrammen – de functie is klaar voor gebruik; in het geel –
er wordt verbinding gemaakt met een netwerk of de verbinding wordt verbroken;
in het rood – er is een fout opgetreden.
2: [Network Functions/
Netwerkfuncties]
4
Dubbele opname (A 36) 2: [Recording Mode/
Opnamestand]
Opnamehandeling:
STBY,
Ü
REC Clipopname: opname stand-by, aan het opnemen.
SLOW STBY,
Ü
SLOW REC
Opnemen in slow motion (A 115): opname stand-by, aan het opnemen.
PRE REC STBY,
Ü
PRE REC
Vooropname (A 116): opname stand-by, aan het opnemen.
00.00P, 00.00i, 000/00.00P Beeldsnelheid (A 51)
Tijdens opnemen in slow motion wordt de beeldopnamesnelheid ook
weergegeven.
2: [Frame Rate/
Beeldsnelheid]
REC
`
, STBY
`
Output voor opdracht om op te nemen (A 188) 2: [Rec Command/
Opnameopdracht]
00:00:00.00, 00:00:00:00
R / P / F / E / H
Tijdcode (A 90) 2: [Time Code/Tijdcode]
Pictogram/display Beschrijving Custom Display
7 0000, (in het rood) Het aantal foto's dat bij benadering op de SD-kaart kan worden vastgelegd (A 181)
Wanneer in het rood verschijnt, is er geen kaart in SD-kaartsleuf B geplaatst
of kan er niets op de kaart worden vastgelegd.
2: [Remaining Photos/
Resterende foto's]
U Genlock (A 94) 2: [Genlock]
YCC422 10 bit,
YCC420 8 bit
Kleursampling (A 52) 2: [Resolution/
Color Sampling/
Resolutie/
kleursampling]
0000x0000 Resolutie (A 52)
, , ¸ Video-indeling (A 51) 2: [Rec Format/
Opname-indeling]
60(24)fps,
60(30)fps
Video-uitvoer (A 119) 2:
[Output Terminals Status/
Status uitvoeraansluit-
punten]
Q Gebruikersmemo (A 110) 2: [User Memo/
Gebruikersmemo]
T
(in het rood) Output voor schermdisplays (A 148) 2: [OSD Output/
Schermdisplayuitvoer]
(in het rood) Wireless afstandsbediening uitgeschakeld (A 38) 2: [WL-D6000]
Audiopiekbegrenzer (A 102) 2: [Audio Level Indicator/
Audioniveau-indicator]
Audioniveaumeter (A 101)
, Koptelefoonvolume (A 138)
Datum/tijd 2: [Date/Time/Datum/Tijd]
CH0/CH0 Audio-uitgangskanalen (A 152) 2: [Monitor Channels/
Monitorkanalen]
47
Video-opnamen maken
Onder in het scherm
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt op de DISP-knop drukken om de meeste pictogrammen en gegevens als volgt uit te schakelen:
Alle displays aan Alleen schermmarkeringen (indien geactiveerd, A 87) Minimale gegevens
(opnamehandeling enzovoort).
Pictogram/display Beschrijving Custom Display
00 00 00 00 Gebruikersbit (A 93) 2: [User Bit/Gebruikersbit]
A001C001 tot Z999D999 Clipidentificatie. Bevat de camera-index, het rolnummer en het clipnummer
die onderdeel vormen van de clipbestandsnaam (A 48).
2: [Reel/Clipnummer/
Rol-/clipnummer]
GPS-signaal (A 112): continu aan – satellietsignaal gevonden; knippert –
er is geen satellietsignaal gevonden.
Wordt alleen weergegeven wanneer een optionele GPS-ontvanger GP-E2
is aangesloten op de camcorder.
2: [GPS]
;
, =
Infraroodopname en infraroodlicht (A 117) 1: [IR Rec/IR-opname]
, , Digitale teleconverter (A 70) 1: [Tele-converter/
Teleconverter]
TL-U58, WA-U58 Optimalisatie van conversielens (A 75) 1: [Conversion Lens/
Conversielens]
@
Volledig automatische stand (A 43) 1: [Full Auto/
Volledig automatisch]
Å
A,
Å
B,
¼
,
É
,
È
, ,
0000 K ±0CC
Witbalans (A 67) 1: [White Balance/
Witbalans]
Zoomgevoeligheidsniveau
Verschijnt alleen bij gebruik van de zoomtuimelschakelaar wanneer een aangepaste
zoomsnelheid wordt geselecteerd (A 72).
1: [Grip Zoom Speed: User/
Zoomschakelaar op
handgreep: gebruiker]
Belichtingsbalk (A 62)
Wordt alleen weergegeven als de versterking, iris en sluiter allemaal op handmatige
instelling zijn ingesteld.
1: [Exposure Bar/
Belichtingsbalk]
AE ±0.00 AE-verschuiving (A 63) 1: [AE Shift/
AE-verschuiving]
ND 1/00, , ND-filter en ND-waarschuwing (A 60) 1: [ND Filter/ND-filter]
E
, F 0.0, closed Diafragmawaarde (A 61) 1: [Iris]
E
, 00.0 dB Versterkingswaarde (A 58) 1: [Gain/Versterking]
E
1/1000, 1/0000,
000.00 Hz, 000.00°
Sluitertijd (A 55) 1: [Shutter/Sluiter]
Video-opnamen maken
48
De bestandsnaam van de clip instellen voor XF-HEVC- of XF-AVC-clips
Met de camcorder kunt u diverse instellingen wijzigen die de bestandsnaam bepalen van XF-HEVC- of XF-AVC-clips
die u opneemt. Pas de bestandsnaam van de clip aan uw eigen voorkeur of huisstijl aan om bestanden te creëren
die eenvoudiger kunnen worden herkend en geordend.
De basisstructuur voor bestandsnamen van XF-HEVC- of XF-AVC-clips is als volgt.
De onderdelen van de bestandsnaam van de clip instellen
De camcorder-id instellen (camera-index)
1 Selecteer [Camera Index/Camera-index].
> [
Æ
" Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [Camera Index/
Camera-index]
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om de gewenste camera-index te selecteren en druk vervolgens tweemaal
op SET.
De methode voor clipnummering instellen
1 Selecteer [Clip Numbering/Clipnummering].
> [
Æ
" Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [Clip Numbering/
Clipnummering]
2 Selecteer [Reset/Resetten] of [Continuous/Doorlopend] en druk vervolgens op SET.
Opties
[Reset/Resetten]: Het clipnummer begint opnieuw vanaf 001 bij de eerste opname die u maakt nadat
u een nieuwe kaart hebt geplaatst.
[Continuous/Doorlopend]: Clipnummers beginnen bij het beginnummer dat is ingesteld met [Clip Number/
Clipnummer] (zie de procedure hierna) en blijven doortellen, ook als u de kaart verwisselt.
Bedieningsstanden:
A001C001HjjmmddXX_CANON_01
1 42 3 5 76 8
1 Camera-index: één teken (A tot en met Z) dat
aangeeft welke camcorder wordt gebruikt.
2 Rolnummer: 3 tekens (001 tot en met 999)
die de gebruikte kaart aangeven. Het nummer
wordt automatisch toegewezen, maar u kunt het
beginnummer instellen. Nadat u een nieuwe kaart
plaatst (die net is gekocht of geïnitialiseerd), gaat
het nummer met één omhoog zodra de eerste
opname wordt gemaakt.
3 Clipnummer: 4 tekens (C001 tot en met D999).
Het clipnummer gaat automatisch omhoog bij
elke vastgelegde clip (na C999 wordt verdergegaan
met D001), maar u kunt het beginnummer van de
clip en de methode voor clipnummering instellen.
4 Indeling: 'H' voor XF-HEVC-clips, '_' voor
XF-AVC-clips.
5 Opnamedatum (automatisch ingesteld door
de camcorder). jj – jaar, mm – maand, dd – dag
6 Willekeurige component: 2 tekens (nummers 0
tot en met 9 en hoofdletters A tot en met Z) die
willekeurig wijzigen bij elke clip.
7 Door gebruiker gedefinieerd veld: 5 tekens
(nummers 0 tot en met 9 en hoofdletters A tot
en met Z) voor andere identificatiedoeleinden.
8 Streamnummer: wanneer een SD-of SDHC-kaart
wordt gebruikt om op te nemen, wordt automatisch
een streamnummer (01 tot en met 99) toegevoegd.
Telkens wanneer het videobestand (de stream)
binnen de clip wordt gesplitst en de opname
verdergaat met een afzonderlijk streambestand,
gaat het streamnummer omhoog.
49
Video-opnamen maken
Het rolnummer of het beginnummer van de clip instellen
Het beginnummer van de clip kan alleen worden ingesteld als [Clip Numbering/Clipnummering] ingesteld
is op [Continuous/Doorlopend].
1 Selecteer [Reel Number/Rolnummer] of [Clip Number/Clipnummer].
> [
Æ
" Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [Reel Number/
Rolnummer] of [Clip Number/Clipnummer]
2 Selecteer [Change/Wijzigen] en druk vervolgens op SET.
Wilt u het rol-/clipnummer resetten naar [001], selecteer dan [Reset/Resetten].
3 Duw de joystick omhoog/omlaag om het eerste cijfer van het rol-clipnummer te selecteren en druk
vervolgens op SET om naar het volgende cijfer te gaan.
Wijzig de rest van de cijfers op dezelfde wijze.
4 Selecteer [Set/Instellen] en druk vervolgens op SET.
Door gebruiker gedefinieerd veld instellen
1 Selecteer [User Defined/Door gebruiker gedefinieerd].
> [
Æ
" Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [User Defined/
Door gebruiker gedefinieerd]
2 Selecteer [Change/Wijzigen] en druk vervolgens op SET.
Wilt u het door de gebruiker gedefinieerde veld resetten naar [CANON], selecteer dan [Reset/Resetten].
3 Duw de joystick omhoog/omlaag om het eerste teken te selecteren en druk vervolgens op SET om naar
het volgende teken te gaan.
Wijzig de rest van de tekens op dezelfde wijze.
4 Selecteer [Set/Instellen] en druk vervolgens op SET.
Nummering van MP4-clips en foto's
MP4-clips en foto's krijgen automatisch opeenvolgende nummers toegewezen en worden in mappen op
de SD-kaart opgeslagen. U kunt kiezen welke nummeringsmethode moet worden gebruikt.
1 Selecteer [MP4 Clip/Photo Numbering/Nummering van MP4-clips/foto's].
> [3 " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [MP4 Clip/Photo Numbering/
Nummering van MP4-clips/foto's]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[Reset/Resetten]: Telkens wanneer u een nieuwe kaart plaatst, beginnen de opnamenummers
opnieuw vanaf 100-0001. Als een kaart al eerdere opnamen bevat, tellen de
nummers verder vanaf het nummer van de laatste MP4-clip/foto op de kaart.
[Continuous/Doorlopend]: Opnamenummers tellen verder vanaf het nummer van de laatste MP4-clip/foto
die met de camcorder is vastgelegd. Deze instelling is de handigste manier om
bestanden op een computer te beheren. We raden aan dat u de instelling
[Continuous/Doorlopend] gebruikt.
Video-opnamen maken
50
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Elke map kan maximaal 500 bestanden bevatten. Als dit aantal wordt overschreden, wordt automatisch een
nieuwe map gemaakt.
De ventilator gebruiken
De camcorder gebruikt een interne ventilator om de warmte binnen de camcorder te verminderen.
U kunt de bedieningsstand van de ventilator wijzigen.
1 Selecteer [Fan/Ventilator].
> [
B
% System Setup/Systeeminstelling] > [Fan/Ventilator]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[Automatic/Automatisch]: De ventilator draait als de camcorder niet aan het opnemen is en wordt
automatisch uitgeschakeld als de camcorder aan het opnemen is. Als de interne
temperatuur van de camcorder echter te hoog wordt (pictogram b wordt in het
rood getoond), wordt de ventilator automatisch geactiveerd (in dat geval verschijnt
` naast het pictogram b). Als de temperatuur van de camcorder voldoende
gezakt is, wordt de ventilator uitgeschakeld. Gebruik deze instelling als u wilt
voorkomen dat de camcorder het geluid van de ventilator opneemt.
[Always On/Altijd aan]: De ventilator draait altijd.
BELANGRIJK
Wanneer de ventilator draait, zal de ventilatie-uitlaat warme lucht uitstoten.
Let erop dat niets de luchtinlaten en -uitlaten van de ventilator belemmert (A 11, 13, 16).
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Afhankelijk van de omgevingstemperatuur en andere opnameomstandigheden kan het voorkomen dat de
ventilator niet wordt uitgeschakeld, ondanks dat u de bedieningsstand hebt ingesteld op [Automatic/Automatisch].
In de stand draait de ventilator altijd.
Bedieningsstanden:
Mapnamen
Een voorbeeldmapnaam is '101_1103'. De eerste 3 cijfers geven het mapnummer aan (van 100 tot 999) en
de laatste 4 cijfers geven de maand en dag weer waarop de map is gemaakt. In dit voorbeeld is de map
met het nummer 101 gemaakt op 3 november.
Opnamenummers en bestandsnamen
Een voorbeeld van een opnamenummer is '101-0107'. De eerste 3 cijfers geven het mapnummer aan waar
de opname opgeslagen is en de laatste 4 cijfers geven het volgnummer aan dat aan de MP4-clip/foto
toegewezen is (van 0001 tot 9999).
Het opnamenummer geeft ook de naam en locatie van het bestand op de kaart aan. Een MP4-clip met
het nummer 101-0107 die is opgenomen op 3 november is bijvoorbeeld te vinden in de map
'DCIM\101_1103' als het bestand 'MVI_0107.MP4'. Een bestand dat hoort bij een foto met hetzelfde
nummer zou dan 'IMG_0107.jpg' heten.
51
Videoconfiguratie: video-indeling, systeemfrequentie, beeldsnelheid, resolutie en bitsnelheid
Videoconfiguratie: video-indeling, systeemfrequentie,
beeldsnelheid, resolutie en bitsnelheid
Met de volgende procedures kunt u de videoconfiguratie instellen die wordt gebruikt bij het opnemen van clips.
Selecteer de video-indeling, systeemfrequentie, beeldsnelheid, resolutie (beeldjesgrootte) en instellingen voor
kleursampling die het beste aansluiten op uw creatieve behoeften. De beschikbare opties voor sommige
instellingen kunnen verschillen afhankelijk van eerdere selecties voor andere instellingen. Raadpleeg de tabellen
van de procedures voor een overzicht.
De opname-indeling selecteren
1 Selecteer [Rec Format/Opname-indeling].
> [
Æ
! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Rec Format/Opname-indeling]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Het pictogram van de geselecteerde indeling verschijnt rechtsboven in het scherm.
Afhankelijk van de geselecteerde instelling verschijnt het bericht [The following settings were changed/
De volgende instellingen zijn gewijzigd]. Bekijk de wijzigingen die automatisch zijn doorgevoerd en druk
op SET.
De systeemfrequentie selecteren
1 Selecteer [System Frequency/Systeemfrequentie].
> [Æ ! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [System Frequency/
Systeemfrequentie]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
De camcorder zal zichzelf resetten en opnieuw opstarten in de geselecteerde stand.
De beeldsnelheid selecteren
1 Selecteer [Framerate/Beeldsnelheid].
> [
Æ
! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Frame Rate/Beeldsnelheid]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
De geselecteerde beeldsnelheid wordt bovenaan het scherm getoond.
Afhankelijk van de geselecteerde instelling verschijnt het bericht [The following settings were changed/
De volgende instellingen zijn gewijzigd]. Bekijk de wijzigingen die automatisch zijn doorgevoerd en druk
op SET.
Bedieningsstanden:
Bedieningsstanden:
Bedieningsstanden:
Videoconfiguratie: video-indeling, systeemfrequentie, beeldsnelheid, resolutie en bitsnelheid
52
De resolutie en instellingen voor kleursampling selecteren
1 Selecteer [Resolution/Color Sampling/Resolutie/kleursampling].
> [
Æ
! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Resolution/Color Sampling/
Resolutie/kleursampling]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
De geselecteerde instelling voor kleursampling en de resolutie verschijnen rechtsboven in het scherm.
Afhankelijk van de geselecteerde instelling verschijnt het bericht [The following settings were changed/
De volgende instellingen zijn gewijzigd]. Bekijk de wijzigingen die automatisch zijn doorgevoerd en druk
op SET.
De bitsnelheid selecteren
Voor XF-AVC-clips wordt de bitsnelheid ingesteld op 45 Mbps. Deze instelling kan niet gewijzigd worden.
1 Selecteer [Bit Rate/Bitsnelheid].
> [
Æ
! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Bit Rate/Bitsnelheid]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Beschikbare videoconfiguratie-instellingen (XF-HEVC-clips)
Beschikbare videoconfiguratie-instellingen (XF-AVC-clips)
1
De camcorder gebruikt een variabele bitsnelheid (VBR).
2
Bij Long GOP wordt het beeld gecomprimeerd nadat ook de wijzigingen in een groep beelden zijn geanalyseerd.
Dit zorgt voor betere compressieratio's (en een kleinere bestandsgrootte).
Bedieningsstanden:
Resolutie Kleursampling
Bitsnelheid
1
en compressie
2
Systeemfrequentie/beeldsnelheid
59,94 Hz 50,00 Hz
59.94i 59.94P 29.97P 23.98P 50.00i 50.00P 25.00P
3840x2160
YCbCr 4:2:2,
10 bits
110 Mbps,
160 Mbps
Long GOP
Ü Ü Ü Ü Ü
1920x1080
45 Mbps,
60 Mbps
Long GOP
Ü Ü Ü Ü Ü Ü Ü
Resolutie Kleursampling
Bitsnelheid
1
en compressie
2
Systeemfrequentie/beeldsnelheid
59,94 Hz 50,00 Hz
59.94i 59.94P 29.97P 23.98P 50.00i 50.00P 25.00P
3840x2160
YCbCr 4:2:0,
8 bits
160 Mbps
Long GOP
Ü Ü Ü
1920x1080
45 Mbps
Long GOP
Ü Ü Ü Ü Ü Ü Ü
53
Videoconfiguratie: video-indeling, systeemfrequentie, beeldsnelheid, resolutie en bitsnelheid
Beschikbare videoconfiguraties (MP4-clips)
1
De camcorder gebruikt een variabele bitsnelheid (VBR).
2
Bij Long GOP wordt het beeld gecomprimeerd nadat ook de wijzigingen in een groep beelden zijn geanalyseerd.
Dit zorgt voor betere compressieratio's (en een kleinere bestandsgrootte).
3
Wanneer u de taal van deze camcorder instelt op vereenvoudigd Chinees, wordt de resolutie automatisch ingesteld op
1920x1080 en is deze instelling niet beschikbaar. Omgekeerd geldt dat als u deze resolutie selecteert, [ ] (vereenvoudigd
Chinees) niet beschikbaar is als een van de taalopties van de camcorder.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Raadpleeg Video-uitvoerconfiguratie (A 145) voor meer informatie over de signaaluitvoer vanaf
elk aansluitpunt.
Resolutie
Kleursampling
Bitsnelheid
1
en
compressie
2
Systeemfrequentie/beeldsnelheid
59,94 Hz 50,00 Hz
59.94i 59.94P 29.97P 23.98P 50.00i 50.00P 25.00P
1920x1080
YCbCr 4:2:0,
8 bits
35 Mbps
Long GOP
Ü Ü Ü Ü Ü
1280x720
3
8 Mbps
Long GOP
Ü
Hoofdfuncties wijzigen met de FUNC-knop
54
Hoofdfuncties wijzigen met de FUNC-knop
U kunt drie hoofdfuncties van de camera – sluitertijd, witbalans en versterking – met de FUNC-knop (stand voor
directe instelling).
Dit hoofdstuk legt de basisbediening uit voor directe instelling. Voor meer gegevens over de functies kijkt u bij
het hoofdstuk van elke functie: sluitertijd (A 55), witbalans (A 67), versterking (A 58).
Directe instelling gebruiken
1 Druk op de FUNC-knop.
De schermweergave van de functie die aangepast gaat
worden, wordt oranje gemarkeerd.
Druk herhaaldelijk op de FUNC-knop of duw de joystick
naar links/rechts om de functie te selecteren die u wilt
aanpassen:
- Witbalansstand
- Kleurtemperatuurwaarde
- Kleurcompensatiewaarde (CC)
- Versterkingswaarde
- Sluitertijd, hoek of frequentie
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om de gewenste
waarde of witbalansstand te kiezen en druk vervolgens op SET.
De geselecteerde waarde wordt ingesteld en de camcorder verlaat de stand voor directe instelling.
De schermdisplay van de geselecteerde functie wordt weer normaal.
Afhankelijk van de gekozen functie is eventueel verdere afstelling mogelijk of nodig voordat u op SET drukt.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De camcorder verlaat in de volgende gevallen automatisch de stand voor directe instelling.
- Als er meer dan 6 seconden lang geen bewerking is uitgevoerd.
- Als het menu of een statusscherm is geopend.
Bedieningsstanden:
55
Sluitertijd
Sluitertijd
Stem de sluitertijd af op de opnameomstandigheden. Zo wilt u bijvoorbeeld in een donkere omgeving wellicht
een sluitertijd gebruiken die langer is. De camcorder biedt de volgende standen.
OFF: de camcorder maakt gebruik van een standaardsluitertijd
die gebaseerd is op de beeldsnelheid. Om de sluitertijdaan-
passing uit te schakelen en de standaardsluitertijd te gebruiken,
zet u de SHUTTER-schakelaar op UIT.
Automatisch: de camcorder stelt automatisch de sluitertijd
in op basis van de helderheid van het beeld.
Snelheid: hiermee kunt u (in fracties van een seconde) de
sluitertijd instellen. U kunt instellen of de sluitertijd moet worden
gewijzigd in stappen van 1/3 stop of in stappen van 1/4 stop.
Hoek: u kunt de sluiterhoek instellen om de sluitertijd
te bepalen.
Clear Scan: stel de frequentie in om opnamen te maken van
CRT-computermonitors zonder zwarte banden of flikkeringen
op het scherm.
Langzaam: u kunt op plaatsen met onvoldoende verlichting langere sluitertijden gebruiken om een helderdere
opname te krijgen. Deze stand is niet beschikbaar wanneer opnemen in slow motion geactiveerd is.
De sluitertijdstand wijzigen
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (A 164, 170).
Zet de SHUTTER-schakelaar op ON en schuif de
schakelaar vervolgens naar SEL om de sluitertijdstand
te wijzigen.
Door de schakelaar herhaaldelijk richting SEL te duwen,
wordt de sluitertijd in de volgende volgorde aangepast:
Automatisch snelheid hoek clear scan langzaam.
Bedieningsstanden:
Sluitertijd
56
Beschikbare sluitertijden
Welke sluitertijden beschikbaar zijn, hangt af van de gebruikte systeemfrequentie en beeldsnelheid.
1
Wanneer opnemen in slow motion geactiveerd is, variëren de beschikbare waarden afhankelijk van de gebruikte
beeldopnamesnelheid.
2
De grootte van de stappen waarmee de sluitertijd wordt gewijzigd, hangt af van de menu-instellingen. Wanneer >
[v! Camera Setup/Camera-instelling] > [Shutter Increment/Sluitertijdstappen] ingesteld is op [Normal/Normaal] kunt
u de sluitertijd aanpassen in stappen van 1/4 stop; als deze optie is ingesteld op [Fine/Fijn] in stappen van 1/256 stop.
3
U kunt ook hoekwaarden selecteren die equivalent zijn aan de volgende sluitertijden: 1/120, 1/100, 1/60, 1/50, 1/40, 3/100,
1/30 en 1/25. Welke hoekwaarden beschikbaar zijn, hangt af van de gebruikte beeldsnelheid.
4
Niet beschikbaar wanneer opnemen in slow motion geactiveerd is.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt de instelling > [
v
! Camera Setup/Camera-instelling] > [AE Response/AE-reactie]
gebruiken om te wijzigen hoe snel de belichting wordt aangepast wanneer de sluitertijdstand op automatisch
is ingesteld.
Sluitertijdstand
Systeemfrequentie/beeldsnelheid
59,94 Hz 50,00 Hz
59.94i/59.94P 29.97P 23.98P 50.00i/50.00P 25.00P
OFF 1/60 1/30 1/24 1/50 1/25
Automatisch
1/60 t/m 1/2000 1/30 t/m 1/2000 1/24 t/m 1/2000 1/50 t/m 1/2000 1/25 t/m 1/2000
Snelheid
1,2
Hoek
1,3
360.00°, 240.00°, 180.00°, 120.00°, 90.00°, 60.00°, 45.00°, 30.00°, 22.50°, 15.00°, 11.25°
Clear Scan
1
59,94 Hz tot 250,38 Hz 29,97 Hz tot 250,38 Hz 23,98 Hz tot 250,38 Hz 50,00 Hz tot 250,40 Hz 25,00 Hz tot 250,40 Hz
Langzaam
4
1/4, 1/8, 1/15, 1/30 1/4, 1/8, 1/15 1/3, 1/6, 1/12 1/3, 1/6, 1/12, 1/25 1/3, 1/6, 1/12
De stand voor lange sluitertijd gebruiken
Als u opnamen maakt in een donkere omgeving, kunt u een helderder beeld krijgen door de stand voor
lange sluitertijden te gebruiken. U kunt deze stand ook gebruiken als u aan uw opnamen bepaalde effecten
wilt geven, bijvoorbeeld om de achtergrond waziger te maken terwijl u 'pant' (horizontaal draaien van de
camcorder) of om een bewegend onderwerp op te nemen met een nabeeld met sporen.
De beeldkwaliteit is mogelijk niet zo goed als wanneer u kortere sluitertijden gebruikt in een omgeving
die helderder is.
Autofocus werkt mogelijk niet goed.
57
Sluitertijd
De sluitertijdwaarde wijzigen
Als de sluitertijdstand niet op OFF of automatisch is ingesteld, kunt u de sluitertijd handmatig instellen
als een snelheidswaarde, hoek of clear scan-frequentie.
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (A 164, 170).
1 Wilt u de grootte aanpassen van de stappen waarmee de sluitertijd wordt gewijzigd
in de snelheidsstand, selecteer dan [Shutter Increment/Sluitertijdstappen].
> [
v
! Camera Setup/Camera-instelling] > [Shutter Increment/Sluitertijdstappen]
2 Selecteer [Normal/Normaal] of [Fine/Fijn] en druk vervolgens op SET.
Als u [Fine/Fijn] selecteert, kunt u de sluitertijd aanpassen in stappen van 1/256 stop.
3 Nadat u het menu hebt gesloten, selecteert u een sluitertijdstand anders dan OFF of automatisch
(A 55).
De camera gaat naar de stand voor directe instelling, waarbij de sluitertijdwaarde in het oranje
wordt gemarkeerd.
U kunt ook herhaaldelijk op de FUNC-knop drukken om de huidige sluitertijdwaarde te markeren zonder
de huidige sluitertijdstand te wijzigen.
4 Pas de sluitertijd, hoekwaarde of clear scan-frequentie aan met de stand voor directe instelling.
Raadpleeg voor meer informatie Directe instelling gebruiken (A 54).
De geselecteerde sluitertijd verschijnt onderaan het scherm.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als u het diafragma sluit tijdens opnemen onder heldere omstandigheden, kan dit ervoor zorgen dat het
beeld wazig of onscherp lijkt. Om het verlies van scherpte door diffractie voorkomen, gebruikt u een dichter
ND-filter (A 60), een kortere sluitertijd of opent u het diafragma (A 61).
Als de versterking en het diafragma allebei op handmatig zijn ingesteld en de sluitertijdstand niet op OFF
of automatisch is ingesteld, verschijnt de belichtingsbalk onderaan het scherm (A 62).
Als u de camcorder instelt op de volledig automatische stand (A 43) of als u infraroodopname activeert
(A 117), wordt de sluitertijd ingesteld op automatisch. Als u opnemen in slow motion en infraroodopname
samen activeert, wordt de sluitertijd ingesteld op 1/120 (59,94 Hz-opnamen) of automatisch ingesteld binnen
het bereik 1/120 – 1/100 (50,00 Hz-opnamen).
Als een optionele afstandsbediening RC-V100 op de camcorder wordt aangesloten, kunt u de sluitertijdstand
wijzigen met de SHUTTER SELECT-knop op de afstandsbediening en de sluitertijdwaarde met de SHUTTER
Í
/
Î
-knoppen op de afstandsbediening, ongeacht de stand van de SHUTTER-schakelaar op de camcorder.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Shutter/Sluiter] (A 119), kunt u op deze knop drukken om de stand
voor directe instelling te openen, waarbij de sluitertijd wordt gemarkeerd.
Knipperreductie
U kunt de volgende procedure uitvoeren als u wilt dat de camcorder automatisch flikkeringen detecteert en reduceert.
1 Selecteer [Flicker Reduction/Knipperreductie].
> [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [Flicker Reduction/Knipperreductie]
2 Selecteer [Automatic/Automatisch] en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als u opneemt onder kunstmatige lichtbronnen, zoals TL-verlichting, kwiklampen of halogeenlampen, kan het
scherm flikkeren afhankelijk van de sluitertijd. U kunt flikkeringen voorkomen door de sluitertijdstand in te stellen
op Speed en de sluitertijd op een waarde in te stellen die past bij de frequentie van het plaatselijke lichtnet:
1/50* of 1/100 voor 50 Hz-systemen, 1/60 of 1/120 voor 60 Hz-systemen.
* Mogelijk niet beschikbaar, afhankelijk van de beeldsnelheid.
Versterking
58
Versterking
Afhankelijk van de opnameomstandigheden dient u mogelijk de helderheid van het beeld aan te passen.
Dit kunt u doen door de versterkingswaarde te wijzigen. Zo past u de gevoeligheid van de sensor aan.
De camcorder biedt 3 versterkingsniveaus (L/M/H) die u vooraf kunt aanpassen (versterkingswaarde en
stapgrootte) en eenvoudig kunt selecteren door een schakelaar te verzetten. U kunt ook automatische
versterkingsregeling selecteren en zelfs een limiet instellen voor de maximale versterkingswaarde die wordt
gebruikt (AGC-limiet).
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (A 164, 170).
Beschikbare versterkingsinstellingen
* Instelling > [v"Camera Setup/Camera-instelling] > [Gain L/Versterking L]/[Gain M/Versterking M]/
[Gain H/Versterking H] > [Mode/Stand].
** Het beschikbare bereik hangt af van de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen (A 126).
[Wide DR/Breed dynamisch bereik], [Canon Log 3]: 2,5 dB tot 33,0 dB
[PQ]: –2,0 dB tot 33,0 dB
[HLG]: –2,5 dB tot 33,0 dB
Automatische versterkingsregeling
Zet de AGC-schakelaar op ON.
De camcorder past de versterking automatisch aan om
de juiste belichting te verkrijgen.
De versterkingswaarde die automatisch door de camcorder
wordt ingesteld, verschijnt onderaan het scherm met een
-pictogram ernaast.
AGC-limiet
Wanneer de camcorder wordt ingesteld op automatische
versterkingsregeling (AGC), kunt u een limiet instellen voor
de maximale versterkingswaarde die automatisch kan worden
ingesteld. Als u de camcorder instelt op de volledig automatische stand (A 43) of als u infraroodopname
activeert (A 117), is de AGC-limiet niet van toepassing (deze wordt ingesteld op [Off/33 dB/Uit/33 dB]).
1 Selecteer [AGC Limit/AGC-limiet].
> [v"Camera Setup/Camera-instelling] > [AGC Limit/AGC-limiet]
2 Selecteer het gewenste versterkingsniveau en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt de instelling > [
v
! Camera Setup/Camera-instelling] > [AE Response/AE-reactie]
gebruiken om te wijzigen hoe snel de belichting wordt aangepast wanneer de camcorder op automatische
versterkingsregeling (AGC) is ingesteld.
Bedieningsstanden:
Versterkingsstand* Beschikbaar bereik
[Normal/Normaal] (stappen van 3 dB)
–6,0 dB tot 33,0 dB**
[Fine/Fijn] (stappen van 0,5 dB)
59
Versterking
Het versterkingsniveau selecteren
U kunt vooraf 3 versterkingsniveaus instellen en vervolgens snel kiezen welk niveau u wilt toepassen door
de positie van de GAIN-schakelaar te wijzigen.
1 Zet de AGC-schakelaar op OFF.
2 Stel de GAIN-schakelaar in op de positie die u wilt
aanpassen (L, M of H).
Onderaan het scherm verschijnt de versterkingswaarde
die momenteel aan die positie is toegewezen.
De versterkingswaarde wijzigen
1 Selecteer het versterkingsniveau dat u wilt aanpassen (A 59).
2 Pas de versterkingswaarde aan met de stand voor directe instelling.
Druk op de FUNC-knop om de stand voor directe instelling te openen en druk indien nodig nogmaals
om de versterkingswaarde te markeren. Selecteer de gewenste waarde en druk vervolgens op SET.
Raadpleeg voor meer informatie Directe instelling gebruiken (A 54).
De geselecteerde versterkingswaarde verschijnt onderaan het scherm.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt ook de instellingen onder de submenu's > [v"Camera Setup/Camera-instelling] >
[Gain L/Versterking L], [Gain M/Versterking M] en [Gain H/Versterking H] gebruiken om de stapgrootte voor
versterking ([Mode/Stand]) en twee afzonderlijke versterkingswaarden (een voor de stapgrootte [Fine/Fijn]
en een voor de stapgrootte [Normal/Normaal]) vooraf in te stellen voor elke versterkingsniveaustand.
Wanneer u de instelling [Mode/Stand] van een versterkingspositie instelt op [Fine/Fijn], kunt u zelfs wanneer
u de stand voor directe instelling gebruikt de versterkingswaarde aanpassen in stappen van 0,5 dB.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Gain/Versterking] (A 119), kunt u op deze knop drukken om de stand
voor directe instelling te openen, waarbij de versterkingswaarde wordt gemarkeerd.
Als de versterking en het diafragma allebei op handmatig zijn ingesteld en de sluitertijdstand niet op OFF
of automatisch is ingesteld, verschijnt de belichtingsbalk onderaan het scherm (A 62).
Het beeld kan enigszins flikkeren als hoge versterkingsniveaus ingesteld worden. Daarnaast is er een grotere kans
dat er ongelijkmatige kleuren, beeldruis (witte stippen) en verticale strepen of andere zaken in beeld verschijnen.
Als u infraroodopname activeert (A 117) wordt de versterkingsstand ingesteld op automatische
versterkingsregeling.
U kunt de instelling > [v"Camera Setup/Camera-instelling] > [Shockless Gain/Vloeiende
versterking] gebruiken om de beeldovergang minder schokkerig te maken wanneer u de versterkingsinstellingen
aanpast.
Als op de camcorder een optionele afstandsbediening RC-V100 wordt aangesloten, kunt u de versterkings-
waarde die overeenkomt met de huidige stand van de GAIN-schakelaar (L, M of H) instellen met de ISO/GAIN
Í/Î-knoppen op de afstandsbediening.
ND-filter
60
ND-filter
Als u het ND-filter gebruikt, kunt u het diafragma
openen om een lagere scherptediepte te verkrijgen,
zelfs wanneer u opnamen maakt in een heldere omgeving.
U kunt het ND-filter ook gebruiken om de zachte focus
die wordt veroorzaakt door diffractie bij gebruik van
een lage diafragmawaarde te vermijden. U kunt uit
3 densiteitsniveaus kiezen.
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met
behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (A 164, 170).
Druk op de knop ND FILTER + of om de gewenste ND-filterinstelling te selecteren.
Door herhaaldelijk op de knop ND FILTER + te drukken wordt de ND-filterinstelling in de volgende volgorde
aangepast: [ND 1/4] [ND 1/16] [ND 1/64] ND-filter uit (geen schermdisplay).
De knop ND FILTER bladert in de omgekeerde volgorde door de instellingen.
De geselecteerde ND-filterinstelling verschijnt onderaan het scherm.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Over de ND-waarschuwing:
Als in de volgende gevallen de ND-filterinstelling niet geschikt is, begint een ND-waarschuwingspictogram
te knipperen naast de ND-filterinstelling*.
- De versterkingswaarde is te hoog
- Het diafragma is te gesloten
- De sluitertijd is te kort
Wilt u het effect van dergelijke omstandigheden verzachten, wijzig dan de ND-filterinstelling door op de
knop ND + te drukken (wanneer knippert) of door op de knop ND – te drukken (wanneer knippert)
totdat het ND-waarschuwingspictogram verdwijnt.
* Wanneer de optionele afstandsbediening RC-V100 op de camcorder wordt aangesloten, zal de ND-filterindicator van de
RC-V100 ook knipperen.
Als u een toewijzingsknop toewijst aan [ND +] of [ND –] (A 119), kunt u op de desbetreffende knop drukken
om de ND-filterinstelling te wijzigen.
Afhankelijk van de scène kan de kleur veranderen wanneer u het ND-filter in- en uitschakelt. Een aangepaste
witbalans instellen (A 69) kan in dat geval effectief zijn.
Over het wijzigen van de ND-filterinstellingen met behulp van de optionele afstandsbediening RC-V100:
- Wanneer de afstandsbediening op de camcorder is aangesloten, kunt u de ND-knop van de
afstandsbediening op dezelfde manier gebruiken als de knop ND FILTER + van de camcorder.
- ND-filterindicators 1 tot 3 lichten oranje op wanneer het ND-filter is ingesteld op respectievelijk 1/4, 1/16
en 1/64.
Bedieningsstanden:
61
Diafragma
Diafragma
U kunt de helderheid van uw opnamen of de scherptediepte beïnvloeden door het diafragma te wijzigen.
Gebruik bijvoorbeeld een lage diafragmawaarde voor een lage scherptediepte die het onderwerp scherpstelt
en de achtergrond een beetje wazig maakt. De camcorder biedt 3 manieren om het diafragma aan te passen.
Automatisch diafragma: de camcorder past automatisch het diafragma aan.
Knop voor automatische iris: tijdelijk automatisch diafragma. Druk tijdens handmatige instelling van het
diafragma op de PUSH AUTO IRIS-knop of gebruik Browser Remote (A 164, 170) om het diafragma tijdelijk
automatisch aan te passen.
Handmatig diafragma: pas de diafragmawaarde handmatig aan met de irisring of, op afstand, met Browser
Remote op een aangesloten netwerkapparaat (A 164, 170).
Beschikbare diafragmawaarden
1
Beschikbare waarden hangen af van de zoomstand (F2.8 tot F11 bij maximale groothoek; F4.5 tot F11 bij maximale telefoto).
Diafragmawaarden die op het scherm worden weergegeven, dienen alleen ter referentie.
2
> [v!Camera Setup/Camera-instelling] > [Iris Limit/Irislimiet].
3
Alleen beschikbaar in de handmatige diafragmastand.
Automatisch diafragma
Zet de IRIS-schakelaar op A.
De camcorder past het diafragma automatisch aan om
de juiste belichting te verkrijgen.
De diafragmawaarde die automatisch door de camcorder
wordt ingesteld, verschijnt onderaan het scherm met een
-pictogram ernaast.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt de instelling > [
v
! Camera Setup/Camera-
instelling] > [AE Response/AE-reactie] gebruiken om te wijzigen
hoe snel de belichting wordt aangepast wanneer de camcorder
op automatisch diafragma is ingesteld.
Als de camcorder op de volledig automatische stand is ingesteld, wordt het diafragma automatisch
aangepast. Als u infraroodopname activeert, wordt het diafragma maximaal open gehouden.
Bedieningsstanden:
IRIS-schakelaar
(diafragmastand)
Diafragmawaarde
1
Alleen als [Iris Limit/Irislimiet]
2
is ingesteld op [Off/Uit]
A (automatisch) F2.8, F3.2, F3.4, F3.7, F4.0, F4.4, F4.5, F4.8, F5.2, F5.6,
F6.2, F6.7, F7.3, F8.0, F8.7, F9.5, F10, F11
F12, F14, F15, F16, F17, F19, F21, F22, F25, F27,
gesloten
3
M (handmatig)
Diafragma
62
Tijdelijk automatisch diafragma – knop voor
automatische iris
Tijdens handmatige instelling van het diafragma kunt u op de PUSH
AUTO IRIS-knop drukken om de camcorder tijdelijk automatisch
het diafragma te laten regelen voor de juiste belichting.
1 Zet de IRIS-schakelaar op M.
2 Houd de PUSH AUTO IRIS-knop ingedrukt.
De camcorder past automatisch het diafragma aan om
de juiste belichting te verkrijgen. Terwijl u de knop ingedrukt
houdt, wordt
E
op het scherm weergegeven naast de
diafragmawaarde.
Wanneer u de knop loslaat, wordt de automatische
diafragmastand beëindigd en verdwijnt het
E
-pictogram.
De geselecteerde diafragmawaarde verschijnt onderaan
het scherm.
Handmatig diafragma
1 Zet de IRIS-schakelaar op M.
2 Draai aan de irisring om het diafragma in te stellen.
De diafragmawaarde die op het scherm wordt weergegeven,
wijzigt in stappen van 1/4 stop.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De diafragmawaarde die handmatig is ingesteld, wordt niet opgeslagen als u terugkeert naar automatische
diafragmaregeling (met uitzondering van de volledig automatische stand). In plaats daarvan wordt de
diafragmawaarde gebruikt die door de camcorder automatisch wordt ingesteld, wanneer u terugkeert
naar handmatige diafragmaregeling.
De belichtingsbalk
Als de versterking en het diafragma allebei op handmatig zijn ingesteld
en de sluitertijdstand niet op OFF of automatisch is ingesteld, verschijnt
de belichtingsbalk op het scherm.
De
Î
boven in de belichtingsbalk geeft de optimale belichting aan zonder
compensatieniveau (AE±0); de schaalmarkeringen geven de afwijkingen ten
opzichte van de optimale belichting aan in stappen van 1/2 EV. De indicator
in de belichtingsbalk geeft de huidige belichting aan. Als het verschil tussen de huidige belichting en
de optimale belichting groter is dan ±2 EV, knippert de indicator aan de rand van de belichtingsbalk.
De optimale belichting verandert afhankelijk van de gebruikte lichtmeetmethode.
Optimale belichting AE±0
Huidige belichting
63
Diafragma
Als het ND-filter wordt geactiveerd, kan het beeld donker worden als u een hoge diafragmawaarde kiest.
Druk in dat geval op de knop ND FILTER – en pas de diafragmawaarde aan.
U kunt de instelling > [v!Camera Setup/Camera-instelling] > [Iris Ring Direction/Richting
irisring] gebruiken om te selecteren in welke richting wordt afgesteld wanneer u aan de irisring draait.
U kunt de irisring ook bedienen wanneer de bedieningselementen van de camcorder vergrendeld zijn (A 43).
Als op de camcorder een optionele afstandsbediening RC-V100 wordt aangesloten, kunt u het diafragma
wijzigen met de IRIS-regelaar op de afstandsbediening. Draai, met standaardinstellingen, de regelaar naar
rechts om het diafragma te openen en naar links om het diafragma te sluiten.
U kunt ook overschakelen van automatische naar handmatige afstelling van het diafragma of andersom
met de AUTO IRIS-knop op de afstandsbediening.
Irislimiet
De irislimiet is standaard ingesteld om te voorkomen dat de diafragmaopening onder de diffractielimiet
van de lens (F11) sluit.
1 Selecteer [Iris Limit/Irislimiet].
> [
v
! Camera Setup/Camera-instelling] > [Iris Limit/Irislimiet]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[On/Aan]: De maximale diafragmawaarde is [F11], de diffractielimiet van de lens.
[Off/Uit]: U kunt het diafragma volledig sluiten ([closed/gesloten]). Diafragmawaarden die de diffractielimiet
overschrijden, worden grijs weergegeven.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Het gebruik van diafragmawaarden die de diffractielimiet van de lens overschrijven, kan van invloed zijn op het
vastgelegde beeld (er kan bijvoorbeeld wazigheid door diffractie optreden). Het gebruik van diafragmawaarden
binnen de diffractielimiet van de lens (irislimiet) wordt aanbevolen.
Belichtingscompensatie – AE-verschuiving
Gebruik AE-verschuiving om het beeld donkerder of lichter te maken wanneer u de belichting wilt compenseren
die automatisch is ingesteld (wanneer de sluiter, de versterking of het diafragma is ingesteld op de automatische
stand of nadat de knop voor automatische iris is gebruikt om het diafragma automatisch in te stellen).
AE-verschuiving is niet beschikbaar als u de camcorder instelt op de volledig automatische stand (A 43)
of als u infraroodopname activeert (A 117).
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (A 164, 170).
1 Selecteer [AE Shift/AE-verschuiving].
> [
v
! Camera Setup/Camera-instelling] > [AE Shift/AE-verschuiving]
2 Selecteer een AE Shift-niveau en druk vervolgens op SET.
U kunt een van 17 AE-verschuivingsniveaus van –2,0 tot +2,0 selecteren.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop instelt voor [AE Shift +/AE-verschuiving +] of [AE Shift –/AE-verschuiving –]
(A 119), kunt u op deze knop drukken om het AE-verschuivingsniveau aan te passen.
Diafragma
64
Lichtmeetmethode
Selecteer de lichtmeetmethode die bij de opnameomstandigheden past. Als u de juiste instelling gebruikt,
zorgt u ervoor dat de camcorder het meest geschikte belichtingsniveau vaststelt als de sluitertijd, de versterking
en het diafragma automatisch worden ingesteld of wanneer de knop voor automatische iris wordt gebruikt.
1 Selecteer [Light Metering/Lichtmeetmethode].
> [
v
! Camera Setup/Camera-instelling] > [Light Metering/Lichtmeetmethode]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Het pictogram van de geselecteerde stand ( of , geen pictogram voor [Standard/Standaard]) verschijnt
links op het scherm.
Opties
[Backlight/Tegenlicht]: Geschikt voor het opnemen van scènes met tegenlicht.
[Standard/Standaard]: Berekent het gemiddelde van het licht dat op het gehele scherm wordt gemeten,
waarbij het onderwerp in het midden zwaarder weegt.
[Spotlight/Schijnwerper]: Gebruik deze optie voor het opnemen van een scène waarin slechts een bepaald
deel van het beeld verlicht is, als het onderwerp bijvoorbeeld onder een
schijnwerper staat.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop toewijst aan [Backlight/Tegenlicht] of [Spotlight/Schijnwerper] (A 119), kunt u op
deze knop drukken om de desbetreffende lichtmeetmethode in of uit te schakelen.
65
Gammacurve en hoofdkleurinstellingen
Gammacurve en hoofdkleurinstellingen
Het basiskleurbeheer van deze camcorder wordt bepaald door de hoofdinstellingen van het bestand met
voorkeuze-instellingen: gammacurve, kleurruimte en kleurmatrix. U kunt een van de kleurvoorkeuze-instellingen
van de camcorder selecteren of elke instelling afzonderlijk instellen. Raadpleeg Voorkeuze-instellingen (A 123)
voor meer informatie over het bestand met voorkeuze-instellingen en de bijbehorende instellingen.
Kleurvoorkeuze-instellingen
De camcorder biedt de volgende voorkeuze-instellingen voor kleur (combinaties van gammacurve, kleurruimte
en kleurmatrix). U kunt de voorkeuze-instellingen ook uitschakelen en elke hoofdinstelling afzonderlijk instellen.
U kunt zelfs naar behoefte de uitgebreide instellingen in het bestand met voorkeuze-instellingen aanpassen
(A 127).
* In het menu > [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen].
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Over de logaritmische gammacurve (Canon Log 3)
Deze gammacurve veronderstelt dat er behoefte is aan verwerking in postproductie. De gammacurve is
ontworpen om indrukwekkende niveaus van dynamisch bereik te verkrijgen, door optimaal gebruik te maken
van de eigenschappen van de beeldsensor.
- In de stand kunt u een LUT toepassen op het LCD-scherm en de zoeker en op video die wordt
uitgevoerd vanaf het SDI-aansluitpunt of het HDMI OUT-aansluitpunt. Zo kunt u gammacurve-instellingen
gebruiken die beter geschikt zijn voor weergave op een monitorscherm.
- Er zijn ook andere LUT's beschikbaar die kunnen worden toegepast voor verwerking in postproductie.
Ga voor de meest recente informatie over beschikbare LUT's naar de Canon-website voor uw regio.
1 Selecteer [Select/Selecteren].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [File/Bestand] > [Select/Selecteren]
Als op de camcorder een optionele afstandsbediening RC-V100 wordt aangesloten, kunt u op
de afstandsbediening op de CUSTOM PICT.-knop drukken om het menu [/ ! Custom Picture/
Voorkeuze-instellingen] te openen.
Bedieningsstanden:
[Preset/Voorkeuze]*
(voorkeuzes)
[Gamma]*
(gammacurve)
[Color Space/
Kleurruimte]*
(kleurruimte)
[Color Matrix/
Kleurmatrix]*
(kleurmatrix)
Eigenschappen
[Normal1 : BT.709/
Normaal 1: BT.709]
Normal 1
(Standard)/
Normaal 1
(standaard)
[BT.709 Gamut]
[Video]
Deze instellingen leveren een beeld op dat geschikt
is om op tv-schermen af te spelen.
[Normal1 : BT.2020/
Normaal 1: BT.2020]
[BT.2020 Gamut]
[Wide DR : BT.709/Breed
dynamisch bereik: BT.709]
[Wide DR/
Breed dynamisch
bereik]
[BT.709 Gamut]
Deze instellingen leveren een beeld op met een breed
dynamisch bereik dat geschikt is om op tv-schermen af
te spelen.
[Wide DR : BT.2020/Breed
dynamisch bereik: BT.2020]
[BT.2020 Gamut]
[PQ : BT.2020] [PQ]
[BT.2020 Gamut]
Deze instellingen gebruiken een gammacurve met een
hoog dynamisch bereik die voldoet aan de PQ-standaard,
zoals gedefinieerd door ITU-R BT.2100.
[HLG : BT.2020] [HLG]
Deze instellingen gebruiken een gammacurve met een
hoog dynamisch bereik die voldoet aan de HLG-standaard,
zoals gedefinieerd door ITU-R BT.2100.
[Canon Log 3 : BT.2020]
[Canon Log 3]
[BT.2020 Gamut]
[Neutral/
Neutraal]
Deze instellingen gebruiken het Canon Log 3-gamma en
vereisen een workflow waarin verwerking in postproductie
plaatsvindt.
[Canon Log 3 : BT.709] [BT.709 Gamut]
Gammacurve en hoofdkleurinstellingen
66
2 Selecteer het gewenste bestand en druk vervolgens op SET.
Selecteer een van de bestanden met voorkeuze-instellingen die op de camcorder zijn opgeslagen (C1 tot
en met C20). Wilt u de instellingen gebruiken van een bestand met voorkeuze-instellingen dat op een kaart
is opgeslagen, kopieer het bestand dan van tevoren naar de camcorder (A 125).
Wanneer u het menu sluit, worden instellingen uit het geselecteerde bestand met voorkeuze-instellingen
toegepast.
Het pictogram van de gebruikte [Gamma]-instelling wordt links in het scherm weergegeven. Als de
uitgebreide instellingen zijn geactiveerd ( > [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] >
[Activate Other Settings/Overige instellingen activeren] is ingesteld op [On/Aan]), wordt links in het
scherm weergegeven.
3 Selecteer [Preset/Voorkeuze].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [Preset/Voorkeuze]
4 Selecteer de gewenste instelling en druk vervolgens op SET.
Wilt u de gammacurve, kleurruimte of kleurmatrix afzonderlijk instellen, selecteer dan [Off/Uit] en ga
verder met de procedure bij stap 5. Wilt u een van de voorkeuze-instellingen gebruiken zonder verdere
aanpassingen, dan is de rest van de procedure niet nodig.
5 Selecteer [Gamma].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [Gamma]
6 Selecteer de gewenste gammacurve (A 126) en druk vervolgens op SET.
Herhaal stap 5 en 6 en selecteer op dezelfde wijze [Color Space/Kleurruimte] om de kleurruimte
te selecteren en/of [Color Matrix/Kleurmatrix] om de kleurmatrix te selecteren.
67
Witbalans
Witbalans
De camcorder maakt gebruik van een elektronisch witbalansproces om onder verschillende lichtomstandigheden
het beeld te kalibreren en nauwkeurige kleuren te produceren. Er zijn 4 methoden om de witbalans in te stellen.
U kunt deze functie ook op afstand uitvoeren met behulp van Browser Remote op een aangesloten
netwerkapparaat (A 164, 169).
Automatische witbalans (AWB): de camcorder selecteert automatisch de optimale witbalans.
Voorkeuzewitbalans: stelt de witbalans in op
¼
(daglicht) of
É
(kunstlicht). U kunt de waarden voor
kleurtemperatuur (K) en kleurcompensatie verder afstellen, waardoor de gradatie groen/magenta van de
kleur verder wordt aangepast.
Kleurtemperatuur: voor het instellen van de kleurtemperatuur tussen 2.000 K en 15.000 K en voor verdere
afstelling van de kleurcompensatiewaarde (CC).
Aangepaste witbalans: u kunt een grijze kaart of een wit object zonder patroon gebruiken om de witbalans
vast te stellen en in te stellen op een van twee aangepaste witbalansposities,
Å
A or
Å
B.
Als u opnamen maakt onder TL-licht raden we aan dat u de automatische witbalans gebruikt of een aangepaste
witbalans instelt.
Beschikbare witbalansstanden per positie van de WHITE BAL.-schakelaar
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als de camcorder op de volledig automatische stand is ingesteld, wordt de witbalans automatisch aangepast
(AWB). Als infraroodopname is geactiveerd, kan de witbalans niet worden aangepast.
De instellingen van [White Balance/Witbalans] en [Color Matrix Tuning/Verfijning van kleurmatrix] in het bestand
met voorkeuze-instellingen (A 129) hebben een hogere prioriteit dan de witbalans die met deze procedures
wordt ingesteld.
U kunt de instelling > [
v
" Camera Setup/Camera-instelling] > [Shockless WB/Vloeiende
witbalans] gebruiken om de beeldovergang minder schokkerig te maken wanneer u de witbalansinstellingen
aanpast.
Als een optionele afstandsbediening RC-V100 op de camcorder wordt aangesloten, kunt u de witbalans
aanpassen met de AWB-knop, A-knop, B-knop, PRESET-knop en
Å
-knop op de afstandsbediening.
De kleurtemperaturen die op het scherm worden weergegeven, zijn bij benadering. Gebruik ze alleen
als referentie.
Bedieningsstanden:
Witbalansstand
Positie van WHITE BAL.-schakelaar
B A PRESET
Voorkeuzewitbalans Ü
Kleurtemperatuur Ü
Aangepaste witbalans Ü Ü
Witbalans
68
Automatische witbalans (AWB)
De camcorder stelt de witbalans continu automatisch in om het juiste niveau te bereiken. De camcorder past
de witbalans aan als de lichtbron verandert.
Zet de AWB-schakelaar op ON.
De camcorder past de witbalans automatisch aan.
De kleurtemperatuur en kleurcompensatiewaarde (CC)
die automatisch door de camcorder worden ingesteld,
verschijnen onderaan het scherm met een -pictogram
ernaast.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De aangepaste witbalans geeft mogelijk een beter resultaat
in de volgende gevallen:
- Bij veranderende lichtomstandigheden
-Bij close-ups
- Bij onderwerpen met één kleur (lucht, zee of bos)
- Onder kwiklampen en bepaalde soorten TL-licht of ledlampen
U kunt de instelling > [
v
" Camera Setup/Camera-instelling] > [AWB Response/AWB-reactie]
gebruiken om te wijzigen hoe snel de witbalans wordt aangepast in de automatische witbalansstand (AWB).
Als u een toewijzingsknop instelt voor [AWB Lock/AWB-vergrendeling] (A 119), kunt u op deze knop drukken
om de huidige witbalansinstellingen die automatisch door de camcorder zijn ingesteld, te vergrendelen. Wilt u de
vergrendeling beëindigen, druk dan nogmaals op de knop (om de automatische witbalansstand te hervatten)
of selecteer een andere witbalansinstelling.
Kleurtemperatuur/voorkeuzewitbalans
1 Zet de AWB-schakelaar op OFF en de WHITE BAL.-
schakelaar op PRESET.
2 Druk op de FUNC-knop om de stand voor directe
instelling te openen en druk indien nodig nogmaals
om de witbalansstand te markeren.
3 Duw de joystick omhoog/omlaag en selecteer
het
¼
- of het
É
-pictogram (voorkeuzewitbalans)
of het
È
-pictogram (kleurtemperatuurinstelling).
U kunt ook de instelling > [v"Camera Setup/
Camera-instelling] > [White Balance: PRESET/Witbalans:
voorkeuze] gebruiken om van tevoren te selecteren welke
witbalansstand wordt toegewezen aan de PRESET-positie
van de WHITE BAL.-schakelaar.
4 Druk op SET om de instellingen van de opgeslagen
voorkeuzewitbalans/kleurtemperatuur toe te passen.
De geselecteerde kleurtemperatuur en kleurcompensatiewaarde (CC) verschijnen onderaan het scherm
naast het pictogram van de witbalansstand.
Indien nodig kunt u de kleurtemperatuur en kleurcompensatiewaarde (CC) aanpassen met de volgende
procedure.
69
Witbalans
Witbalansinstellingen aanpassen
Als de witbalansstand wordt ingesteld op ¼, É (foorkeuzewitbalans) of È (kleurtemperatuur), kunt u de
kleurtemperatuur en CC-waarde wijzigen (kleurcompensatie door aanpassing van de gradatie groen/magenta).
1 Selecteer een van de witbalansstanden die kunnen worden aangepast.
Aanpassingsbereiken
2 Druk op de
Å
-knop.
De camera gaat naar de stand voor directe instelling, waarbij de kleurtemperatuur in het oranje wordt
gemarkeerd. Wilt u de CC-waarde aanpassen, duw de joystick dan naar rechts.
U kunt ook herhaaldelijk op de FUNC-knop drukken om de kleurtemperatuur of CC-waarde te selecteren.
3 Duw de joystick omhoog/omlaag om de waarde aan te passen en druk vervolgens op SET.
Aangepaste witbalans
U kunt in de camcorder twee aangepaste
witbalansinstellingen opslaan die u kunt gebruiken
bij uitdagende belichtingsomstandigheden.
1 Zet de AWB-schakelaar op OFF en de WHITE
BAL.-schakelaar op A of B.
Om de opgeslagen aangepaste witbalansinstelling
ongewijzigd te gebruiken, drukt u op SET. De rest
van de procedure is niet nodig. Wilt u een nieuwe
aangepaste witbalans opslaan, ga dan verder met
de procedure bij stap 2.
2 Richt de camcorder zodanig op een grijze kaart
of een wit voorwerp dat het gehele scherm wordt
gevuld.
Werk onder dezelfde verlichtingsomstandigheden die u van plan bent te gebruiken als u opnamen gaat maken.
3 Druk op de
Å
-knop.
•Het
Å
A- of
Å
B-pictogram zal snel knipperen.
Zorg ervoor dat de grijze kaart of het witte object het gehele scherm vult totdat de procedure is voltooid.
De procedure is voltooid zodra het pictogram stopt met knipperen. Ook als u de camcorder uitzet,
blijft de instelling behouden.
De kleurtemperatuur en kleurcompensatiewaarde (CC) die door de camcorder worden geregistreerd,
verschijnen onderaan het scherm naast het
Å
A- of
Å
B-pictogram.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Stel de aangepaste witbalans opnieuw in als de lichtbron verandert.
Zeer zelden en afhankelijk van de lichtbron kan het gebeuren dat
Å
blijft knipperen (dit gaat over in langzaam
knipperen). Het resultaat zal echter nog steeds beter zijn dan met de automatische witbalans.
Nadat de camcorder een aangepaste witbalans registreert, kunnen de kleurtemperatuur of kleurcompensatie-
waarde (CC) in het grijs worden weergegeven. Dit geeft aan dat de geregistreerde waarde buiten het bereik ligt dat
kan worden weergegeven, maar dat de witbalans goed is gekalibreerd en dat u kunt verdergaan met opnemen.
Witbalansstand
Aanpassingsbereik
Kleurtemperatuur (K) Kleurcompensatiewaarde (CC)
¼
(daglicht) 4.300 K tot 8.000 K
–5 tot +5
É
(kunstlicht) 2.700 K tot 3.700 K
È
(kleurtemperatuur) 2.000 K tot 15.000 K –20 tot +20
Zoomen
70
Zoomen
U kunt de zoom bedienen (optische zoom 15x) met de zoomtuimelschakelaar op de handgreep of die op
de camcorderhendel. U kunt ook de zoomring op de lens, de zoomknoppen op de bijgeleverde wireless
afstandsbediening of Browser Remote op een aangesloten netwerkapparaat gebruiken (A 164, 172).
Naast de optische zoom kunt u de digitale zoom* gebruiken om het zoombereik te vergroten naar 300x
of de digitale teleconverterfunctie** gebruiken om de brandpuntsafstand te verhogen met een factor van
circa 1,5, 3 of 6.
* In het bereik dat buiten de optische zoom ligt (15x tot 300x), wordt het beeld digitaal verwerkt.
Dit is van invloed op de beeldkwaliteit.
** Het beeld wordt digitaal verwerkt in het gehele zoombereik. Dit is van invloed op de beeldkwaliteit.
De zoomstand selecteren
1 Selecteer [Digital Zoom/Digitale zoom].
> [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Digital Zoom/Digitale zoom]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[Tele-converter 6.0x], [Tele-converter 3.0x], [Tele-converter 1.5x]:
De camcorder verwerkt het beeld digitaal om de brandpuntsafstand te vergroten met een
factor van respectievelijk circa 6, 3 of 1,5.
[Digital 300x/Digitaal 300x]:
De camcorder gebruikt de optische zoom tot een vergroting van 15x en verwerkt het beeld
digitaal bij hogere zoomfactoren tot een vergrotingsfactor van 300x.
[Advanced 30x/Geavanceerd 30x]:
De camcorder kan tot 30x zoomen, waarbij de optische zoom wordt gecombineerd met
aanvullende verwerking van het beeld.
[Off/Uit]: De camcorder gebruikt alleen de optische zoom tot 15x.
Als u de zoomfunctie bedient, verschijnt op het scherm een zoomindicator* die bij
benadering de zoomstand aangeeft. Het witte gebied van de zoombalk geeft het
optische zoombereik aan en het blauwe gebied** geeft het digitale zoombereik aan.
* U kunt de instelling > [¢ % Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] >
[Custom Display 1/Aangepaste weergave 1] > [Zoom Indicator/Zoomindicator] gebruiken
om de zoomindicator op numerieke wijze weer te geven.
** Alleen wanneer [Digital 300x/Digitaal 300x] is geselecteerd.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt de teleconverter TL-U58 of groothoekconverter WA-U58 (allebei optioneel) op de camcorder aansluiten
(A 75). U kunt de TL-U58 zelfs gebruiken in combinatie met de functies voor digitale zoom en digitale
teleconverter.
Als op de camcorder een optionele afstandsbediening RC-V100 aangesloten is en [Digital Zoom/Digitale zoom]
ingesteld is op een van de digitale teleconverteropties, gaat het EXTENDER-lampje op de afstandsbediening
branden.
•Wanneer > [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [Conversion Lens/Conversielens] ingesteld
is op [WA-U58], zijn [Digital 300x/Digitaal 300x] en de digitale teleconverteropties niet beschikbaar.
[Advanced 30x/Geavanceerd 30x] is niet beschikbaar in de volgende situaties.
- Als de opnamestand voor slow motion is ingeschakeld.
- Als de resolutie ingesteld is op 3840x2160.
Bedieningsstanden:
71
Zoomen
De zoomregelaars selecteren
Zet de ZOOM-schakelaar op de gewenste positie en selecteer
de fysieke bedieningselementen die u wilt gebruiken om de
zoom te bedienen.
Opties
RING (ring): Draai aan de zoomring om in of uit te zoomen.
ROCKER (andere bedieningselementen):
Gebruik de zoomtuimelschakelaar op de
handgreep, de zoomtuimelschakelaar op de
camcorderhendel, de bijgeleverde wireless
afstandsbediening of een afstandsbediening
die aangesloten is op een van de REMOTE-
aansluitpunten van de camcorder om in of
uit te zoomen.
De zoomring gebruiken
De zoomsnelheid hangt af van hoe snel u de zoomring verdraait.
1 Zet de ZOOM-schakelaar op RING.
2 Draai aan de zoomring om in of uit te zoomen.
De zoomverhouding wordt bepaald door de positie van
de zoomring.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Wanneer u de positie van de ZOOM-schakelaar van ROCKER
naar RING verschuift, zoomt de camcorder automatisch uit
naar de brandpuntsafstand die wordt aangegeven door de
huidige positie van de zoomring.
U kunt de zoomring zelfs bedienen wanneer de
bedieningselementen van de camcorder vergrendeld zijn
(A 43).
De zoomtuimelschakelaar op de handgreep gebruiken
U kunt de zoomsnelheid voor de zoomtuimelschakelaar instellen via
het menu. Met de [User Setting/Gebruikersinstelling] kunt u zelfs een
aangepast zoomsnelheidspatroon instellen dat rekening houdt met hoe
sterk u op de zoomtuimelschakelaar drukt (A 72).
1 Zet de ZOOM-schakelaar op ROCKER.
2 Beweeg de zoomtuimelschakelaar naar T als u wilt uitzoomen
(groothoek) en naar S als u wilt inzoomen (telefoto).
Zoomen
72
Zoomtuimelschakelaar: zoomsnelheden (bij benadering) (tijd die nodig is om van het ene eind naar het andere
eind te zoomen)
* Als de zoomsnelheid te snel is, wordt het lastiger om tijdens het zoomen scherp te stellen.
De zoomsnelheid instellen
1 Selecteer [Zoom Speed Level/Zoomsnelheidsniveau] om het algemene zoomsnelheidsniveau in te stellen.
> [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Zoom Speed Level/Zoomsnelheidsniveau]
2 Selecteer [Low/Laag], [Normal/Normaal] of [High/Hoog] en druk vervolgens op SET.
Wanneer [Zoom Speed Level/Zoomsnelheidsniveau] ingesteld is op [High/Sterk], kan de camcorder
bedieningsgeluiden van de lens registreren en opnemen.
3 Selecteer [Grip Zoom Speed/Zoomsnelheid van schakelaar op handgreep].
> [v&Camera Setup/Camera-instelling] > [Grip Zoom Speed/Zoomsnelheid van schakelaar
op handgreep]
4 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Hebt u [Constant] of [User Setting/Gebruikersinstelling] geselecteerd, selecteer dan de constante snelheid
of pas het patroon voor de zoomsnelheid aan met de volgende procedures.
Opties
[Constant]: Selecteer een van 16 constante zoomsnelheden.
[Variable/Variabel]: Variabele zoomsnelheid (hoe harder u drukt, hoe sneller wordt gezoomd).
[User Setting/Gebruikersinstelling]:
U kunt tot 3 patronen voor de zoomsnelheid instellen, waarbij u de gewenste
zoomsnelheid voor 5 afzonderlijke drukniveaus kunt instellen. U kunt bijvoorbeeld
een patroon instellen waarbij de zoomtuimelschakelaar pas reageert wanneer u harder
dan een bepaald niveau drukt om onbedoelde zoombewerkingen te voorkomen.
Het constante snelheidsniveau instellen
1 Selecteer [Constant Speed/Constante snelheid].
> [v&Camera Setup/Camera-instelling] > [Constant Speed/Constante snelheid]
2 Selecteer de gewenste snelheid (1 tot en met 16) en druk vervolgens op SET.
Het zoomsnelheidspatroon voor [User Setting/Gebruikersinstelling] aanpassen
1 Selecteer [Users Settings/Gebruikersinstellingen].
[v&Camera Setup/Camera-instelling] > [Users Settings/Gebruikersinstellingen]
2 Duw de joystick naar links/rechts om het zoomsnelheidspatroon ([User 1/Gebruiker 1] tot en met [User 3/
Gebruiker 3]) te selecteren dat u wilt gebruikt.
Wilt u het voorkeuzepatroon voor de zoomsnelheid gebruiken zonder verdere aanpassingen, selecteer dan
[OK] en druk vervolgens op SET. De rest van de procedure is niet nodig. Ga anders verder met de procedure
om het zoomsnelheidspatroon aan te passen.
3 Selecteer [Edit/Bewerken] en druk vervolgens op SET.
4 Duw de joystick omhoog/omlaag om de gewenste snelheid (0 = uitgeschakeld, 1 tot en met 16) te selecteren
en druk vervolgens op SET.
Wijzig de snelheid voor de overige drukniveaus op dezelfde wijze.
[v&Camera Setup/Camera-instelling] >
[v%Camera Setup/Camera-instelling] >
[Zoom Speed Level/Zoomsnelheidsniveau]
[Grip Zoom Speed/Zoomsnelheid
van schakelaar op handgreep]
[Constant Speed/
Constante snelheid]
[Low/Laag] [Normal/Normaal] [High/Hoog]
[Constant]
[1] (langzaamst) 4 min. 38 sec. 2 min 1 min
[16] (snelst) 4,2 sec 2,6 sec 0,9 sec.*
[Variable/Variabel] 4,2 sec. – 4 min. 38 sec. 2,6 sec. – 2 min. 1 sec.* – 1 min.
73
Zoomen
5 Selecteer [Set/Instellen] en druk vervolgens op SET.
Wilt u het zoomsnelheidspatroon resetten naar de oorspronkelijke waarden, selecteer dan [Reset/Resetten].
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
•Als > [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [High-Speed Zoom/Zoomen met hoge snelheid]
ingesteld is op [On/Aan] en de zoomsnelheid van de tuimelschakelaar op de handgreep ingesteld is op
[Variable/Variabel], als u de zoom bedient in de opnamestandby-stand, is de daadwerkelijke zoomsnelheid
alsof het algemene snelheidsniveau ingesteld is op [High/Hoog]. Tijdens opnamen volgt het zoomsnelheidsniveau
het snelheidsniveau dat in het menu is ingesteld.
De zoomtuimelschakelaar op de
camcorderhendel gebruiken
U kunt de zoomsnelheid voor de zoomtuimelschakelaar
op de camcorderhendel instellen via de ZOOM SPEED-
schakelaar en het menu.
1 Zet de ZOOM-schakelaar op ROCKER.
2 Beweeg de zoomtuimelschakelaar naar
T als
u wilt uitzoomen (groothoek) en naar
S als u wilt
inzoomen (telefoto).
Zoomtuimelschakelaar op camcorderhendel: zoomsnelheden (bij benadering) (tijd die nodig is om van het ene
eind naar het andere eind te zoomen)
* Als de zoomsnelheid te snel is, wordt het lastiger om tijdens het zoomen scherp te stellen.
De zoomsnelheid instellen
1 Selecteer het algemene zoomsnelheidsniveau (stap 1-2, A 72).
2 Selecteer [Handle Zoom Speed H/Zoomsnelheid camcorderhendel H] of [Handle Zoom Speed L/
Zoomsnelheid camcorderhendel L].
> [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Handle Zoom Speed H/Zoomsnelheid
camcorderhendel H] of [Handle Zoom Speed L/Zoomsnelheid camcorderhendel L]
U kunt de zoomsnelheid afzonderlijk instellen voor elke positie op de ZOOM SPEED-schakelaar.
3 Selecteer de gewenste snelheid en druk vervolgens op SET.
4 Zet de ZOOM SPEED-schakelaar op H of L.
U kunt de ZOOM SPEED-schakelaar op OFF zetten als u de zoomtuimelschakelaar op de camcorderhendel
wilt uitschakelen.
[v%Camera Setup/Camera-instelling] >
[Handle Zoom Speed H/Zoomsnelheid
camcorderhendel H]/[Handle Zoom Speed L/
Zoomsnelheid camcorderhendel L]
[v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Zoom Speed Level/Zoomsnelheidsniveau]
[Low/Laag] [Normal/Normaal] [High/Hoog]
[1] (langzaamst) 4 min. 38 sec. 2 min 1 min
[16] (snelst) 4,2 sec 2,6 sec 0,9 sec.*
Zoomen
74
De bijgeleverde wireless afstandsbediening
of een optionele afstandsbediening gebruiken
Stel de ZOOM-schakelaar in op ROCKER om de zoom op
afstand te bedienen. De zoomsnelheden bij gebruik van de
bijgeleverde wireless afstandsbediening, de optionele
afstandsbediening RC-V100 of een in de winkel verkrijgbare
afstandsbediening die aangesloten is op het REMOTE-
aansluitpunt, zijn verschillend. Als u de bijgeleverde wireless
afstandsbediening gebruikt, dient u de opname-inschakelingsknop
samen met de T- of W-knop in te drukken om te kunnen
zoomen.
Zoomsnelheden voor bediening op afstand
Bijgeleverde wireless afstandsbediening: zoomsnelheden (bij benadering)
(tijd die nodig is om van het ene eind
naar het andere eind te zoomen)
* Als de zoomsnelheid te snel is, wordt het lastiger om tijdens het zoomen scherp te stellen.
De zoomsnelheid instellen van de bijgeleverde wireless afstandsbediening
1 Selecteer het algemene zoomsnelheidsniveau (stap 1-2, A 72).
2 Selecteer [WL-D6000 Zoom Speed/Zoomsnelheid vanaf WL-D6000].
> [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [WL-D6000 Zoom Speed/Zoomsnelheid vanaf
WL-D6000]
3 Selecteer de gewenste snelheid en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als op de camcorder een optionele afstandsbediening RC-V100 wordt aangesloten, kunt u zoomen met
de ZOOM-regelaar op de afstandsbediening. Draai met standaardinstellingen de regelaar naar rechts om
in te zoomen (T) en naar links om uit te zoomen (W).
Accessoire Zoomsnelheid
Wireless afstandsbediening (bijgeleverd) Constante zoomsnelheid. Raadpleeg de onderstaande tabel.
Afstandsbediening RC-V100 (optioneel)
Variabele snelheid: hoe groter de hoek waarin de ZOOM-regelaar op de RC-V100 vanaf
het midden wordt gedraaid, hoe sneller de zoom.
In de winkel verkrijgbare afstandsbedieningen
Als de afstandsbediening geen variabele zoom ondersteunt: Constante zoomsnelheid.
Als de afstandsbediening variabele zoom ondersteunt: variabele zoom afhankelijk van
de instellingen van de afstandsbediening.
Browser Remote (A 172) Snelste constante zoomsnelheid. Raadpleeg de waarden bij [16] in de volgende tabel.
[v%Camera Setup/Camera-instelling] >
[WL-D6000 Zoom Speed/
Zoomsnelheid vanaf WL-D6000]
[v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Zoom Speed Level/Zoomsnelheidsniveau]
[Low/Laag] [Normal/Normaal] [High/Hoog]
[1] (langzaamst) 4 min. 38 sec. 2 min 1 min
[16] (snelst) 4,2 sec 2,6 sec 0,9 sec.*
75
Optionele conversielenzen gebruiken
Optionele conversielenzen gebruiken
U kunt de volgende optionele conversielenzen gebruiken op deze camcorder. Voordat u een conversielens
aansluit, doorloopt u de procedure hieronder om voor dat specifieke accessoire de autofocus en de minimale
afstand tot het object te optimaliseren.
1 Selecteer [Conversion Lens/Conversielens].
> [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [Conversion Lens/Conversielens]
2 Selecteer [TL-U58] of [WD-U58] en druk vervolgens op SET.
De beeldstabilisatiemethode, de minimale scherpstelafstand en de geschatte afstand tot het onderwerp
die op het scherm worden weergegeven, veranderen afhankelijk van de geselecteerde conversielens.
Selecteer [Off/Uit] als u niet van plan bent een conversielens te gebruiken.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Wanneer u groothoekopnames maakt met de optionele teleconverter TL-U58, leidt dit mogelijk tot vignettering.
Bedieningsstanden:
Optionele conversielens Brandpuntsafstandfactor Minimale scherpstellingsafstand
Teleconverter TL-U58 Circa 1,5x Circa 130 cm in het gehele zoombereik
Groothoekconverter WA-U58 Circa 0,8x Circa 60 cm in het gehele zoombereik
Scherpstelling aanpassen
76
Scherpstelling aanpassen
De camcorder biedt de volgende manieren om scherp te stellen en maakt gebruik van Dual Pixel CMOS AF-
technologie voor geavanceerde prestaties voor automatische scherpstelling. U kunt de scherpstelling ook op
afstand aanpassen met behulp van Browser Remote op een aangesloten netwerkapparaat (A 164, 171).
Handmatige scherpstelling: Draai aan de scherpstelring op de lens om de scherpstelling aan te passen.
De camcorder biedt meerdere functies voor hulp bij scherpstelling (A 77) zodat u nauwkeuriger kunt
scherpstellen wanneer u handmatige scherpstelling gebruikt.
Push AF: terwijl u handmatige scherpstelling gebruikt of autofocus bij lagere aanpassingssnelheden kunt u de
camcorder automatisch zo snel mogelijk laten scherpstellen ([AF Speed/AF-snelheid] en [AF Response/AF-reactie]
allebei ingesteld op [High/Hoog]) terwijl u de PUSH AF-knop ingedrukt houdt.
AF-boosted MF/MF aangevuld door AF: hiermee kunt u grotendeels handmatig scherpstellen en de camcorder
vervolgens automatisch verder laten scherpstellen.
Continue AF: de camcorder blijft altijd automatisch scherpstellen.
Face AF/autofocus op gezicht: de camcorder detecteert automatisch het gezicht van een persoon, stelt erop
scherp en kan het gezicht volgens als de persoon beweegt.
Volgen: nadat u een onderwerp selecteert, blijft de camcorder scherpstellen op het onderwerp. De camcorder
volgt het onderwerp als het beweegt.
Handmatige scherpstelling
Stel handmatig scherp met de scherpstelring op de lens.
1 Zet de FOCUS-schakelaar op M.
A verschijnt links in het scherm.
2 Draai aan de scherpstelring om de scherpstelling
aan te passen.
De scherpstelsnelheid hangt af van hoe snel u de ring
draait.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt de scherpstelring niet gebruiken om scherp te stellen
terwijl u de zoomfunctie bedient. Als de camcorder aanvankelijk
in de autofocus-stand stond, keert deze terug naar de
autofocus-stand nadat u de scherpstelling handmatig
hebt aangepast.
U kunt wijzigen in welke richting er wordt aangepast en hoe
gevoelig de scherpstelring reageert met behulp van de opties > [v$Camera Setup/Camera-
instelling] > [Focus Ring Direction/Richting scherpstelring] en [Focus Ring Response/Scherpstelringrespons].
Als u de zoomfunctie bedient nadat er is scherpgesteld, kan de scherpstelling op het onderwerp verloren gaan.
Als u handmatig scherpstelt en vervolgens de camcorder met ingeschakelde stroom achterlaat, kan het
gebeuren dat na een tijdje de scherpstelling op het onderwerp verloren gaat. Deze mogelijke kleine
verandering in de scherpstelling is het gevolg van een stijging van de interne temperatuur in de camcorder en
de lens. Controleer de scherpstelling voordat u de opname hervat.
Als op de camcorder een optionele afstandsbediening RC-V100 wordt aangesloten, kunt u scherpstellen met
de FOCUS-regelaar op de afstandsbediening. Draai, met standaardinstellingen, de regelaar naar rechts om
verder weg scherp te stellen en naar links om dichterbij scherp te stellen.
U kunt de scherpstelring zelfs bedienen wanneer de bedieningselementen van de camcorder vergrendeld zijn
(A 43).
Bedieningsstanden:
77
Scherpstelling aanpassen
De functies voor hulp bij scherpstelling gebruiken
Om nauwkeuriger scherp te stellen, kunt u de volgende functies voor hulp bij scherpstelling gebruiken:
Dual Pixel-scherpstelhulp, een hulpmiddel op het scherm dat toont of op het onderwerp is scherpgesteld;
contourverscherping, waarmee een duidelijker contrast wordt gecreëerd door de contouren van het onderwerp
te benadrukken; en vergroting, waarmee het beeld op het scherm wordt vergroot. U kunt contourverscherping
en de scherpstelhulp of contourverscherping en vergroting tegelijk gebruiken voor een groter effect.
Dual Pixel-scherpstelhulp
De scherpstelhulp biedt een intuïtieve, visuele indicatie van de huidige scherpstelafstand en de richting en de
hoeveelheid van de aanpassing die nodig is om het beeld volledig scherp te stellen. Als u deze functie gebruikt
in combinatie met gezichtsdetectie (A 81), stelt de scherpstelhulp scherp in de buurt van de ogen van de
persoon die als het hoofdonderwerp is gedetecteerd.
1 Selecteer [Focus Guide/Scherpstelhulp].
> [
A
! Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Focus Guide/Scherpstelhulp]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
3 Verplaats indien nodig het scherpstelhulpkader met de joystick of door het punt waarop u wilt scherpstellen
aan te raken op het LCD-scherm.
Druk op de CANCEL-knop als u de scherpstelhulp weer in het midden van het scherm wilt terugzetten.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Wanneer het scherpstelhulpkader groen wordt, is goed scherpgesteld op het onderwerp.
Wanneer het diafragma automatisch wordt aangepast, kan het even duren voordat de reactie van het
scherpstelhulpkader zichzelf stabiliseert nadat u de zoom bedient.
Met onderwerpen of in situaties waarbij autofocus mogelijk niet goed werkt (A 80), kan de scherpstelhulp
mogelijk niet correct functioneren.
De functie Dual Pixel-scherpstelhulp kan niet worden gebruikt in de volgende situaties:
- Terwijl de scherpstelling automatisch wordt aangepast met AF-boosted MF of continu AF.
- Wanneer u het diafragma verder dan F11 sluit.
- Wanneer > [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [Conversion Lens/Conversielens]
ingesteld is op een andere optie dan [Off/Uit].
- Wanneer > [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Digital Zoom/Digitale zoom] ingesteld
is op [Tele-converter 6.0x/Teleconverter 6,0x] of [Tele-converter 3.0x/Teleconverter 3,0x], of op [Digital 300x/
Digitaal 300 x] en de zoomverhouding zich in het digitale zoombereik bevindt.
- Terwijl de kleurenbalken worden weergegeven.
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen (A 126) is ingesteld op [PQ]
of [HLG].
- Wanneer infraroodopname is geactiveerd.
Wanneer de functie Dual Pixel-scherpstelhulp wordt gebruikt in combinatie met gezichtsdetectie of volgen,
kan de scherpstelhulp mogelijk niet goed scherpstellen op de ogen van het hoofdonderwerp, afhankelijk
van de richting waarin het gezicht is gedraaid.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Focus Guide/Scherpstelhulp] (A 119) kunt u op deze knop drukken
om de scherpstelhulp aan of uit te zetten.
Scherpgesteld
(in het groen)
Verder
scherpstellen
(grote aanpassing)
Verder scherpstellen
(kleine aanpassing)
Dichterbij
scherpstellen
(kleine aanpassing)
Dichterbij
scherpstellen
(grote aanpassing)
Kan de aanpassing
niet bepalen
Scherpstelling aanpassen
78
Contourverscherping
De camcorder biedt twee contourverscherpingsniveaus.
1 Druk op de PEAKING-knop.
Het contourverscherpingspictogram (
J
of
K
)
verschijnt links in het scherm en de contouren in het beeld
worden benadrukt, afhankelijk van de scherpstelling.
Druk nogmaals op de knop als u de
contourverscherpingsfunctie wilt uitschakelen.
2 Wilt u het contourverscherpingsniveau selecteren, selecteer
dan [Peaking/Contourverscherping].
> [
A
" Assistance Functions/Hulpfuncties] >
[Peaking/Contourverscherping]
3 Selecteer het gewenste niveau en druk vervolgens op SET.
Vergroting
1 Druk op de MAGN.-knop.
^
verschijnt links in het scherm en het midden van
het scherm* wordt 2 of 4 keer vergroot.
Het oranje kader dat rechtsboven in het scherm wordt
weergegeven (vergrotingskader) toont bij benadering het
gedeelte van het beeld dat vergroot wordt weergegeven.
Druk op SET om over te schakelen van 2x naar 4x
vergroting of omgekeerd.
2 Indien nodig gebruikt u de joystick om het vergrotingskader
te verplaatsen, zodat u andere delen van het beeld kunt
bekijken.
U kunt ook met uw vinger over het scherm slepen om
het kader te verplaatsen.
Druk op de CANCEL-knop als u het vergrotingskader
weer in het midden wilt terugzetten.
Druk nogmaals op de MAGN.-knop om de vergroting te annuleren.
* Als een van de AF-kaders of een gezichtsdetectiekader op het scherm wordt weergegeven, wordt in plaats daarvan het gebied
rond het actieve kader vergroot.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Over contourverscherping/vergroting:
- U kunt de opties > [A " Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Peaking 1/Contourverscherping 1]
en [Peaking 2/Contourverscherping 2] gebruiken om de kleur, versterking en frequentie van de twee
contourverscherpingsniveaus onafhankelijk van elkaar in te stellen.
- U kunt de opties > [
A
" Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Peaking: LCD/Contourver-
scherping: LCD], [Peaking: VF/Contourverscherping: zoeker], [Peaking: SDI/Contourverscherping: SDI]
en [Peaking: HDMI/Contourverscherping: HDMI] gebruiken om de contourverscherpingsfunctie afzonderlijk
in en uit te schakelen voor het LCD-scherm, de zoeker en externe schermen die op de desbetreffende
aansluitpunten zijn aangesloten.
Op dezelfde wijze kunt u ook de opties > [
A
! Assistance Functions/Hulpfuncties] >
[Magn.: VF+LCD/Vergroting zoeker + LCD] en [Magn.: SDI/HDMI/Vergroting SDI/HDMI] gebruiken om de
vergrotingsfunctie in en uit te schakelen op zowel het LCD-scherm als de zoeker of op alle externe schermen.
- U kunt ook de optie > [
A
" Assistance Functions/Hulpfuncties] > [B&W during Peaking/
Zwart-wit tijdens contourverscherping] of > [
A
! Assistance Functions/Hulpfuncties] >
[B&W during Magn./Zwart-wit tijdens vergroting] gebruiken om het beeld van de camcorder op zwart-wit
in te stellen terwijl u de desbetreffende hulpfunctie gebruikt.
- De hulpfuncties hebben geen invloed op uw opnamen.
79
Scherpstelling aanpassen
Push AF
Houd de PUSH AF-knop ingedrukt.
De camcorder stelt automatisch scherp met hoogste
AF-snelheid en AF-reactie zolang u de PUSH AF-knop
ingedrukt houdt.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De scherpstelling wordt in de volgende gevallen vergrendeld.
- Wanneer > [
v
$ Camera Setup/Camera-
instelling] > [Face AF/Autofocus op gezicht] ingesteld
is op [Face Only/Alleen gezicht] en er geen gezicht in het
beeld wordt waargenomen.
- Wanneer > [
v
# Camera Setup/
Camera-instelling] > [AF Mode/AF-stand] ingesteld
is op [AF-Boosted MF/MF aangevuld door AF] en de
scherpstelling het bereik voor handmatige instelling is.
Wanneer de AF-stand niet kan worden geselecteerd (A 80), is Push AF (autofocus met de hoogste snelheid)
ook niet beschikbaar.
AF-boosted MF/MF aangevuld door AF
In deze scherpstelstand kunt u grotendeels handmatig
scherpstellen en de camcorder vervolgens automatisch
verder laten scherpstellen. Dit is vooral handig wanneer
u zeker wilt zijn dat uw 4K-opnamen scherp in beeld
worden gebracht.
Bovendien zal de camcorder in deze modus geen
onbetrouwbare scherpstellingen uitvoeren als de camcorder
niet kan inschatten hoe de scherpstelling moet worden
aangepast. Dit zorgt ervoor dat u stabieler kunt scherpstellen
dan met continue AF.
1 Zet de FOCUS-schakelaar op A.
@ verschijnt links in het scherm.
2 Stel [AF Frame/AF-kader] in op een instelling anders dan [Automatic/Automatisch] (stap 1-2, A 81).
3 Selecteer [AF Mode/AF-stand].
> [
v
# Camera Setup/Camera-instelling] > [AF Mode/AF-stand]
4 Selecteer [AF-Boosted MF/MF aangevuld door AF] en druk vervolgens op SET.
Wanneer de scherpstelling in het bereik voor handmatige instelling ligt, verschijnt een geel scherpstelkader.
5 Pas indien nodig de afmetingen en positie van het AF-kader aan (A 81).
6 Draai aan de scherpstelring om de scherpstelling aan te passen.
Stel handmatig scherp om dichterbij scherp te stellen op het onderwerp. Wanneer de scherpstelling in het
bereik voor automatische aanpassing staat, wordt het scherpstelkader wit en gaat de camcorder verder met
automatisch scherpstellen.
Terwijl de scherpstelling zich in het bereik voor automatische aanpassing bevindt, blijft de camcorder
automatisch scherpstellen op het onderwerp.
Scherpstelling aanpassen
80
Continue AF
Standaard zal de camcorder automatisch scherpstellen
op een onderwerp in het midden van het scherm. Als de
AF-kadergrootte is gewijzigd naar een andere instelling
dan [Automatic/Automatisch] (A 81), zal de camcorder
automatisch scherpstellen op een onderwerp binnen het
AF-kader dat op het scherm verschijnt.
1 Zet de FOCUS-schakelaar op A.
@ verschijnt links in het scherm.
•Als > [
v
# Camera Setup/Camera-instelling]
> [AF Frame/AF-kader] ingesteld is op [Automatic/
Automatisch], is de rest van de procedure niet nodig.
Wilt u een AF-kader weergeven om te regelen waarop
uw scherpstelt, ga dan verder met stap 2.
2 Stel [AF Frame/AF-kader] in op een instelling anders dan [Automatic/Automatisch] (stap 1-2, A 81).
3 Selecteer [AF Mode/AF-stand].
> [
v
# Camera Setup/Camera-instelling] > [AF Mode/AF-stand]
4 Selecteer [Continuous/Continu] en druk vervolgens op SET.
Een wit AF-kader verschijnt op het scherm. Pas indien nodig de afmetingen en positie van het AF-kader aan
(A 81).
Als u gezichtsdetectie hebt geactiveerd, verschijnt een wit detectiekader rond het gezicht van de persoon
die als het hoofdonderwerp is gedetecteerd.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Over de autofocusfuncties (AF):
Het punt waarop de camcorder scherpstelt kan enigszins variëren al naargelang de opnameomstandigheden,
zoals het onderwerp, de helderheid en de zoomstand. Controleer de scherpstelling voordat u de opname hervat.
Wanneer u het diafragma verder sluit dan F11, zal de camcorder automatisch scherpstellen met continue AF.
Bij autofocus kan het langer duren om scherp te stellen wanneer de beeldsnelheid in de videoconfiguratie
ingesteld is op 29.97P, 25.00P of 23.98P.
U kunt bepaalde aspecten van de autofocusfunctie wijzigen met de volgende instellingen.
- > [
v
# Camera Setup/Camera-instelling] > [AF Speed/AF-snelheid] om de AF-snelheid
(de snelheid waarmee de scherpstelling wordt aangepast) in te stellen.
- > [
v
# Camera Setup/Camera-instelling] > [AF Response/AF-reactie] om de reactiesnelheid
van de autofocusfunctie in te stellen.
- Wanneer de AF-stand niet kan worden geselecteerd (zie het volgende punt), kunnen de opties [AF Speed/
AF-snelheid] en [AF Response/AF-reactie] ook niet worden geselecteerd.
De AF-stand kunt u niet selecteren in de volgende gevallen.
- Wanneer > [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [Conversion Lens/Conversielens]
ingesteld is op een andere instelling dan [Off/Uit].
- Wanneer > [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Digital Zoom/Digitale zoom] ingesteld
is op [Tele-converter 6.0x/Teleconverter 6,0x] of [Tele-converter 3.0x/Teleconverter 3,0x].
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen (A 126) is ingesteld op [PQ]
of [HLG].
- Wanneer infraroodopname is geactiveerd.
Autofocus werkt mogelijk niet goed met de volgende onderwerpen of in de volgende situaties. Stel in dat geval
handmatig scherp.
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen (A 126) ingesteld is op
[Canon Log 3] of [Wide DR/Breed dynamisch bereik].
- Wanneer u een kleine diafragmaopening gebruikt.
- Wanneer onderwerpen op verschillende afstanden verschijnen binnen het AF-kader.
- Reflecterende oppervlakken
- Onderwerpen met weinig contrast of zonder verticale lijnen
- Snel bewegende onderwerpen
- Opnamen door vuile of natte ramen
- Nachtscènes
- Onderwerpen met een repetitief patroon
81
Scherpstelling aanpassen
De afmetingen en positie van het AF-kader aanpassen
Wanneer autofocus wordt gebruikt, stelt de camcorder standaard scherp op een onderwerp in het midden
van het scherm en wordt er geen AF-kader weergegeven. U kunt ervoor kiezen om een AF-kader weer te geven
en de afmetingen en positie ervan wijzigen om scherp te stellen op een specifiek gebied of onderwerp.
Wanneer de functie voor gezichtsdetectie of volgen is geactiveerd, veranderen de afmetingen en positie van
het AF-kader automatisch afhankelijk van het onderwerp dat de camcorder volgt.
1 Selecteer [AF Frame/AF-kader].
> [
v
# Camera Setup/Camera-instelling] > [AF Frame/AF-kader]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
3 Hebt u [Large/Groot] of [Small/Klein] geselecteerd, selecteer dan [AF Frame Position/Positie
van AF-kader].
> [
v
# Camera Setup/Camera-instelling] > [AF Frame Position/Positie van AF-kader]
4 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties voor [AF Frame/AF-kader]
[Automatic/Automatisch]: Er wordt geen AF-kader weergegeven. De camcorder stelt automatisch scherp
op een onderwerp in het midden van het scherm.
[Large/Groot], [Small/Klein]: Er wordt een AF-kader weergegeven. U kunt het AF-kader verplaatsen binnen
80% van het schermgebied en u kunt de grootte van het AF-kader selecteren
volgens het onderwerp waarop u wilt scherpstellen.
Opties voor [AF Frame Position/Positie van AF-kader]
[Selectable/Selecteerbaar]: U kunt het AF-kader verplaatsen met de joystick of door het LCD-scherm aan
te raken. Druk op de CANCEL-knop als u het kader weer in het midden van het
scherm wilt terugzetten.
[Center Frame/Middenkader]: Een vast AF-kader verschijn in het midden van het scherm.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
In de volgende gevallen kunt u de afmetingen of positie van het AF-kader niet wijzigen.
- Wanneer > [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Digital Zoom/Digitale zoom] ingesteld
is op [Tele-converter 6.0x/Teleconverter 6,0x] of [Tele-converter 3.0x/Teleconverter 3,0x].
- Wanneer > [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [Conversion Lens/Conversielens]
ingesteld is op een andere optie dan [Off/Uit].
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen (A 126) is ingesteld op [PQ]
of [HLG].
- Terwijl de kleurenbalken worden weergegeven.
- Wanneer infraroodopname is geactiveerd.
Gezichtsdetectie
Als de gezichtsdetectiefunctie geactiveerd is, detecteert de camcorder gezichten van personen. Als er in het beeld
meerdere mensen aanwezig zijn, wordt één persoon aangewezen als het hoofdonderwerp. U kunt echter iemand
anders als hoofdonderwerp selecteren. De camcorder blijft het hoofdonderwerp volgen wanneer het beweegt.
U kunt gezichtsdetectie gebruiken in combinatie met een van de autofocusfuncties om de camcorder automatisch
te laten scherpstellen op het hoofdonderwerp (Face AF). U kunt gezichtsdetectie ook combineren met de
Dual Pixel-scherpstelhulp (A 77) om eenvoudiger handmatig te kunnen scherpstellen op het hoofdonderwerp.
1 Selecteer [Face Det. & Tracking/Gezichtsdetectie en volgen].
> [
v
$ Camera Setup/Camera-instelling] > [Face Det. & Tracking/Gezichtsdetectie en volgen]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [Face AF/Autofocus op gezicht].
> [
v
$ Camera Setup/Camera-instelling] > [Face AF/Autofocus op gezicht]
Scherpstelling aanpassen
82
4 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
(prioriteit voor gezicht) of (AF voor alleen gezichten) verschijnt links in het scherm.
5 Richt de camcorder op het onderwerp.
Alle waargenomen gezichten hebben een gezichtsdetectiekader. Het hoofdonderwerp wordt aangegeven
met een gezichtsdetectiekader met kleine pijlen (wit in AF-stand, grijs in MF-stand).
Tijdens continue AF blijft de camcorder scherpstellen op het gezicht van het hoofdonderwerp.
Als u gezichtsdetectie gebruikt in combinatie met de volgfunctie (A 83), kan de camcorder het
geselecteerde hoofdonderwerp beter volgen.
Duw de joystick naar links/rechts om iemand anders als hoofdonderwerp te selecteren. U kunt ook een
andere persoon aanraken op het LCD-scherm om de volgfunctie te gebruiken (A 83). Dit is vooral handig
als u een onderwerp wilt volgen en het moeilijk is om het gezicht van de persoon te blijven zien. Wanneer
u een onderwerp aanraakt op het LCD-scherm, verandert het gezichtsdetectiekader in een wit dubbel
kader £ (volgkader).
Opties
[Face Priority/Prioriteit voor gezicht]: Als geen gezicht wordt herkend, stelt de camcorder automatisch
scherp volgens de momenteel geselecteerde AF-stand.
[Face Only/Alleen gezicht]: Als er geen gezicht wordt herkend, vergrendelt de camcorder
de scherpstelling.
Bediening van autofocus op gezicht per AF-stand
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
In bepaalde gevallen kunnen gezichten mogelijk niet correct worden gedetecteerd. Typische voorbeelden
hiervan zijn:
- Gezichten die in relatie tot het algehele beeld extreem klein, groot, donker of helder zijn.
- Gezichten die zijwaarts zijn gericht, in een schuine hoek staan, gedeeltelijk verborgen zijn of ondersteboven
staan.
Gezichtsdetectie kunt u niet gebruiken in de volgende gevallen:
- Wanneer de gebruikte sluitertijd langer is dan 1/30 (59,94 Hz-opnamen)* of 1/25 (50,00 Hz-opnamen).
* Langer dan 1/24 als de beeldsnelheid is ingesteld op 23.98P.
- Als de opnamestand voor slow motion is ingeschakeld.
- Wanneer > [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Digital Zoom/Digitale zoom] ingesteld
is op [Digital 300x/Digitaal 300x] en de zoomverhouding groter is dan 60x.
- Wanneer > [v%Camera Setup/Camera-instelling] > [Digital Zoom/Digitale zoom] ingesteld
is op [Tele-converter 6.0x/Teleconverter 6,0x].
- Wanneer infraroodopname is geactiveerd.
Het kan gebeuren dat de camcorder de gezichten detecteert van niet-menselijke onderwerpen. Schakel in dat
geval de gezichtsdetectiefunctie uit.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Face Det. and Tracking/Gezichtsdetectie en volgen] (A 119) kunt u op
deze knop drukken om de functie aan of uit te zetten. Als u een toewijzingsknop instelt voor [Face AF/Autofocus
op gezicht], kunt u op deze knop drukken om van de ene gezichtsdetectieoptie naar de andere te gaan.
[
v
# Camera Setup/Camera-instelling] >
[AF Mode/AF-stand] en scherpstelfunctie
[
v
$ Camera Setup/Camera-instelling] > [Face AF/Autofocus op gezicht]
[Face Priority/Prioriteit voor gezicht] [Face Only/Alleen gezicht]
Gezicht herkend Geen gezicht herkend Gezicht herkend Geen gezicht herkend
[Continuous/Continu] (autofocus),
[AF-Boosted MF/MF aangevuld door AF] binnen het
bereik voor automatische aanpassing
Scherpstelling op
herkend gezicht
Scherpstelling op het
onderwerp in het AF-
kader
Scherpstelling op
herkend gezicht
Handmatige
scherpstelling
[AF-Boosted MF/MF aangevuld door AF] binnen het
bereik voor handmatige instelling (geel AF-kader)
Handmatige scherpstelling
83
Scherpstelling aanpassen
Een specifiek onderwerp volgen
U kunt de camcorder andere bewegende onderwerpen laten volgen die geen gezichten zijn. Bovendien
kunt u de volgfunctie combineren met een van de autofocusfuncties om de camcorder automatisch te laten
scherpstellen op het gewenste onderwerp.
Wanneer geen AF-kader wordt weergegeven
Wanneer [AF Frame/AF-kader] ingesteld is op [Automatic/Automatisch] (A 81), kunt u gewoon het touchscreen
gebruiken om een onderwerp te beginnen volgen.
Raak het gewenste onderwerp aan op het LCD-scherm om het te beginnen volgen.
Rondom het geselecteerde onderwerp wordt een dubbel wit kader £ (volgkader) getoond dat het onderwerp
volgt terwijl het beweegt. De camcorder volgt het onderwerp terwijl het beweegt.
Druk op de CANCEL-knop als u het kader wilt verwijderen en wilt stoppen met volgen.
Wanneer een AF-kader wordt weergegeven
Wanneer [AF Frame/Af-kader] ingesteld is op [Large/Groot] of [Small/Klein] (A 81) dient u, als u gebruikt
wilt maken van de volgfunctie, vooraf een toewijzingsknop toe te wijzen aan [Tracking/Volgen].
1 Wijs een toewijzingsknop toe aan [Tracking/Volgen] (A 119).
2 Druk op de toewijzingsknop.
•Als > [v$Camera Setup/Camera-instelling] > [Face AF/Autofocus op gezicht] ingesteld is op
[Face Only/Alleen gezicht], verschijnt een dubbel kader £ (volgkader) rond het geselecteerde hoofdonderwerp.
De camcorder volgt het onderwerp als het beweegt. De rest van de procedure is niet nodig.
Als > [v$Camera Setup/Camera-instelling] > [Face AF/Autofocus op gezicht] ingesteld
is op [Face Priority/Prioriteit voor gezicht], verschijnt de onderwerpselectiemarkering
I
op het scherm.
Ga verder met stap 3.
Druk nogmaals op de toewijzingsknop of druk op de CANCEL-knop om het onderwerpselectiescherm
te verlaten.
3 Selecteer het onderwerp dat u wilt volgen.
Raak het gewenste onderwerp aan op het LCD-scherm om het te beginnen volgen. U kunt ook de joystick
omhoog/omlaag/naar links/naar rechts duwen of het gewenste onderwerp aanraken op het LCD-scherm om
het midden van de
I
-markering op het gewenste onderwerp te plaatsen en vervolgens op SET drukken.
Als het volgen mislukt, wordt de
I
-markering tijdelijk rood. Selecteer het onderwerp opnieuw.
4De
I
-markering verandert in een dubbel wit kader £ (volgkader) en de camcorder zal het
geselecteerde onderwerp beginnen volgen.
Tijdens continue AF blijft de camcorder scherpstellen op het geselecteerde onderwerp.
Druk op SET of druk op de toewijzingsknop om terug te keren naar het onderwerpselectiescherm
en een ander onderwerp te selecteren of druk op de CANCEL-knop om de volgfunctie te beëindigen
en de camcorder weer op de daarvoor gebruikte scherpstelstand te zetten.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De camcorder kan het verkeerde onderwerp gaan volgens als er nog een onderwerp in het beeld is met
vergelijkbare kleur- of patroonkenmerken. Druk in dat geval op SET om terug te keren naar het selectiescherm
en selecteer het gewenste onderwerp opnieuw.
Volgen kan niet worden gebruikt als gezichtsdetectie niet kan worden gebruikt (A 82).
Scherpstelling aanpassen
84
Scherpstellingslimiet en macro-opnamen
Standaard is het scherpstellingsbereik van de camcorder zo ingesteld dat u macro-opnamen kunt maken.
U kunt de scherpstellingslimiet activeren om het scherpstellingsbereik te begrenzen. Het scherpstelbereik
(1 cm (bij maximale groothoek) tot ) wordt dan beperkt tot 60 cm tot (in het gehele zoombereik).
1 Selecteer [Focus Limit/Scherpstellingslimiet].
> [v$Camera Setup/Camera-instelling] > [Focus Limit/Scherpstellingslimiet]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Focus Limit/Scherpstellingslimiet] (A 119) kunt u op deze knop
drukken om de scherpstellingslimiet aan en uit te zetten.
85
Beeldstabilisatie
Beeldstabilisatie
Gebruik de Image Stabilizer om camcordertrillingen te compenseren zodat uw opnamen stabieler worden.
De camcorder biedt de volgende IS-standen. Selecteer de stand die het beste aansluit op uw behoeften.
Dynamic IS Ä: Dynamic IS biedt compensatie voor een hogere mate van camcordertrilling, bijvoorbeeld
als u opneemt terwijl u loopt, en is effectiever als de zoom de maximale groothoek nadert.
Standaard IS Å: Standaard IS biedt compensatie voor een lagere mate van camcordertrilling, bijvoorbeeld
als u opneemt terwijl u stilstaat, en is geschikt voor het opnemen van natuurlijk ogende scènes.
Powered IS È: Powered IS heeft het meeste effect als u stilstaat en inzoomt op verafgelegen onderwerpen
met gebruik van hoge zoomfactoren (hoe meer u het telefoto-einde nadert). Deze stand is niet geschikt voor
verticaal draaien (kantelen) en horizontaal draaien (pannen) van de camcorder.
Dynamic IS of Standaard IS
1 Selecteer [IS Mode/IS-stand].
> [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [IS Mode/IS-stand]
2 Selecteer [Standard/Standaard] of [Dynamic/Dynamisch] en druk vervolgens op SET.
Å (Standaard IS) of Ä (Dynamic IS) verschijnen links in het scherm.
3 Selecteer [Image Stabilizer].
> [v'Camera Setup/Camera-instelling] > [Image Stabilizer]
4 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Selecteer in plaats daarvan [Off/Uit] om de beeldstabilisatie uit te schakelen, bijvoorbeeld wanneer
u de camcorder op een statief bevestigt.
Powered IS
Druk op de POWERED IS-knop.
È verschijnt links in het scherm.
Druk nogmaals op de knop om de camcorder weer
in de IS-stand te zetten die in het menu is ingesteld.
U kunt ook de optie > [v'Camera Setup/
Camera-instelling] > [Powered IS] gebruiken om
Powered IS aan en uit te zetten.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als de camcordertrillingen te sterk zijn, kunnen deze mogelijk niet volledig worden gecompenseerd door
de beeldstabilisator.
Als u de stand Dynamic IS gebruikt, heeft dit mogelijk een nadelige invloed op de randen van het beeld
(er kunnen bijvoorbeeld schijnbeelden, voorwerpen en/of donkere gebieden verschijnen) als een hoge
mate van camcordertrilling moet worden gecompenseerd.
Het scherm wordt tijdelijk zwart wanneer u overschakelt van Dynamic IS naar Standaard IS of andersom.
U kunt tijdens een opname niet overschakelen van Dynamic IS naar Standaard IS of andersom.
Bedieningsstanden:
Beeldstabilisatie
86
Wanneer u Dynamic IS gebruikt, wordt de beeldhoek smaller.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Image Stabilizer] (A 119) kunt u op deze knop drukken om
de beeldstabilisatie aan en uit te zetten.
87
Schermmarkeringen en zebrapatronen
Schermmarkeringen en zebrapatronen
Door schermmarkeringen te gebruiken, kunt u ervoor zorgen dat uw onderwerp op de juiste wijze wordt
ingekaderd en zich binnen het juiste veilige gebied bevindt. De zebrapatronen helpen u gebieden te identificeren
die overbelicht zijn. De schermmarkeringen en het zebrapatroon zijn niet van invloed op uw opnamen.
Schermmarkeringen weergeven
De camcorder biedt diverse schermmarkeringen. U kunt tegelijkertijd meerdere schermmarkeringen weergeven.
1 Schakel de weergave van markeringen in.
> [
A
% Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Markers/Markeringen] > [On/Aan]
Als [Markers/Markeringen] niet is ingesteld op [On/Aan], worden de markeringen zelfs als u afzonderlijke
selecties maakt niet weergegeven.
2 Selecteer een instelmenu dat hoort bij een markering die u wilt weergeven.
>
[
A
%
Assistance Functions/Hulpfuncties]
>
[Center Marker/Centrale markering], [Horizontal Marker/
Horizontale markering], [Grid Marker/Rastermarkering], [Aspect Marker/Verhoudingsmarkering]
>
[
A
&
Assistance Functions/Hulpfuncties]
>
[Safe Area Marker/Markering van veilig gebied]
3 Selecteer de gewenste markeringskleur en druk vervolgens op SET.
Selecteer [Off/Uit] als u de geselecteerde markering wilt uitschakelen.
U kunt tegelijkertijd meerdere markeringen weergeven. Herhaal stap 2 en 3 indien nodig.
Hebt u [Aspect Marker/Verhoudingsmarkering] of [Safe Area Marker/Markering van veilig gebied] geselecteerd,
selecteer dan het gewenste veilige gebied of de hoogte/breedteverhouding met de volgende procedures (
A
88).
Opties
[Center Marker/Centrale markering]: Toont een kleine markering die het midden van het scherm aangeeft.
[Horizontal Marker/Horizontale markering]: Toont een horizontale lijn om u te helpen horizontale beeldcomposities
te maken.
[Grid Marker/Rastermarkering]: Toont een raster waarmee u opnamen op de juiste wijze kunt kaderen
(horizontaal en verticaal).
[Aspect Marker/Verhoudingsmarkering]: Toont markeringen die diverse hoogte/breedteverhoudingen aangeven
om u te helpen uw opname binnen dat gebied te houden. Beschikbare
opties voor [Marker Aspect Ratio/Markering hoogte/breedteverhouding]
zijn [4:3], [13:9], [14:9], [16:9], [1.375:1], [1.66:1], [1.75:1], [1.85:1],
[1.90:1], [2.35:1], [2.39:1] en [Custom/Aangepast], een vrije hoogte/
breedteverhouding die door de gebruiker wordt ingesteld.
[Safe Area Marker/Markering van veilig gebied]:
Toont indicatoren die diverse veilige gebieden weergeven, zoals een veilig
actiegebied en een veilig tekstgebied. U kunt het kerngebied selecteren
dat wordt gebruikt als basis voor het berekenen van het veilige gebied en
een percentage aangeven ([80%], [90%], [92.5%] of [95%]), dat in
verhouding staat tot dat kerngebied.
Bedieningsstanden:
Hoogte/breedtehulp 4:3
Centrale markering
Raster
Horizontale
markering
Veilig gebied
80% van het
volledige beeld
Schermmarkeringen en zebrapatronen
88
De hoogte/breedteverhouding instellen
1 Selecteer [Marker Aspect Ratio/Markering hoogte/breedteverhouding].
> [
A
% Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Marker Aspect Ratio/Markering hoogte/
breedteverhouding]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Hebt u een van de voorkeuze-instellingen voor de hoogte/breedteverhouding geselecteerd, dan is de rest
van de procedure niet nodig. Als u [Custom/Aangepast] hebt geselecteerd, gaat u verder met de procedure
om de gewenste hoogte/breedteverhouding in te stellen.
3 Selecteer [Marker Custom Asp. Ratio/Markering aangepaste hoogte/breedteverhouding].
> [
A
% Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Marker Custom Asp. Ratio/Markering aangepaste
hoogte/breedteverhouding]
4 Duw de joystick omhoog/omlaag om het eerste cijfer van de hoogte/breedteverhouding te selecteren en druk
vervolgens op SET om naar het volgende cijfer te gaan.
Wijzig de rest van de cijfers op dezelfde wijze.
5 Selecteer [Set/Instellen] en druk vervolgens op SET.
Het veilige gebied instellen
Als geen markering voor hoogte/breedteverhouding wordt geselecteerd, wordt het veilige gebied berekend als
percentage van het volledige beeld ([Whole Picture/Volledig beeld]) en kunt u alleen het percentage selecteren
(stap 3). Wilt u het veilige gebied berekenen als percentage van een markering voor hoogte/breedteverhouding
([Selected Aspect Marker/Geselecteerde markering voor hoogte/breedteverhouding]) selecteer dan vooraf een
markering voor hoogte/breedteverhouding en voer de procedure vanaf het begin uit.
1 Selecteer [Basis for Marker Safe Area/Basis voor markering van veilig gebied].
> [
A
& Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Basis for Marker Safe Area/Basis voor markering
van veilig gebied]
2 Selecteer [Whole Picture/Volledig beeld] of [Selected Aspect Marker/Geselecteerde markering voor hoogte/
breedteverhouding] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [Marker Safe Area %/Markering van veilig gebied in %].
>
[
A
&
Assistance Functions/Hulpfuncties]
>
[Marker Safe Area %/Markering van veilig gebied in %]
4 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt alle andere schermdisplays uitschakelen, zodat u alleen de markeringen overhoudt (A 47).
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Markers/Markeringen] (A 119) kunt u op deze knop drukken
om schermmarkeringen aan en uit te zetten.
Zebrapatronen weergeven
De camcorder is uitgerust met een zebrapatroonfunctie die zwarte en witte diagonale strepen
afbeeldt op gebieden die overbelicht zijn. Er zijn twee soorten zebrapatronen en deze kunt
u tegelijkertijd weergeven. Met zebra 1 kunt u gebieden binnen een bepaald bereik (±5% van
een gespecificeerd niveau van 5% tot 95%) identificeren terwijl u met zebra 2 gebieden kunt
identificeren die een bepaald niveau overschrijden (van 0% tot 100%).
1 Selecteer [Zebra].
> [
A
# Assistance Functions/Hulpfuncties] >
[Zebra]
2 Selecteer een zebrapatroon en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer de menu-instelling die overeenkomt met het
zebraniveau dat u hebt geselecteerd.
> [
A
# Assistance Functions/Hulpfuncties] >
[Zebra 1 Level/Zebraniveau 1] of [Zebra 2 Level/
Zebraniveau 2]
4 Selecteer het gewenste zebraniveau en druk
vervolgens op SET.
Zebra 1
Zebra 2
89
Schermmarkeringen en zebrapatronen
5 Druk op de ZEBRA-knop om het geselecteerde zebrapatroon te activeren.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt de opties
>
[
A
#
Assistance Functions/Hulpfuncties]
>
[Zebra: LCD], [Zebra: VF/
Zebra: zoeker], [Zebra: SDI] en [Zebra: HDMI] gebruiken om het zebrapatroon afzonderlijk in en uit te schakelen
voor het LCD-scherm, de zoeker en externe schermen die op de desbetreffende aansluitpunten zijn aangesloten.
De tijdcode instellen
90
De tijdcode instellen
In de stand genereert de camcorder een tijdcodesignaal dat wordt opgenomen in de opgenomen clips.
U kunt het tijdcodesignaal uitvoeren via het SDI-aansluitpunt, HDMI OUT-aansluitpunt en TIME CODE-aansluitpunt.
In de stand kunt u de tijdcode die in de afgespeelde clip is ingesloten, laten uitvoeren via het SDI-
aansluitpunt.
Afhankelijk van de gebruikte beeldsnelheid kunt u mogelijk kiezen uit twee tijdcodesignalen (drop frame of
non-drop frame) (A 91). De standaardmodus varieert al naargelang het land/de regio van aankoop. Alhoewel
de weergavestijl voor de tijdcode voor DF en NDF verschillend is, wordt in dit gedeelte omwille van de eenvoud
de NDF-weergavestijl gebruikt.
De tijdcodemodus selecteren
U kunt de tijdcodemodus van de camcorder selecteren.
1 Selecteer [Time Code Mode/Tijdcodemodus].
> [
B
# System Setup/Systeeminstelling] > [Time Code Mode/Tijdcodemodus]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[Preset/Voorkeuze]: De tijdcode start op een beginwaarde die u vooraf kunt selecteren. De standaardbeginwaarde
voor de tijdcode is 00:00:00:00.
Raadpleeg de volgende procedures om de werkingsmodus van de tijdcode te selecteren
en de starttijdcode in te stellen.
[Regen./Regeneratie]: De camcorder leest de geselecteerde SD-kaart en de tijdcode gaat verder vanaf de laatst
opgenomen tijdcode op de kaart. De tijdcode loopt alleen tijdens opnamen, zodat clips
die achter elkaar worden opgenomen op dezelfde kaart aansluitende tijdcodes hebben.
De werkingsmodus van de tijdcode selecteren
Als u de tijdcodemodus instelt op [Preset/Voorkeuze], kunt u de werkingsmodus van de tijdcode selecteren.
1 Selecteer [Time Code Run/Lopende tijdcode].
> [
B
# System Setup/Systeeminstelling] > [Time Code Run/Lopende tijdcode]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[Rec Run/Lopen tijdens opnamen]: De tijdcode loopt alleen tijdens opnamen, zodat clips die achter elkaar
worden opgenomen op dezelfde kaart aansluitende tijdcodes hebben.
[Free Run/Vrij lopen]: De tijdcode begint te lopen vanaf het moment dat u op SET drukt en blijft
lopen, ongeacht de bediening van de camcorder.
Bedieningsstanden:
91
De tijdcode instellen
De beginwaarde van de tijdcode instellen
Als u de tijdcodestand instelt op [Preset/Voorkeuze] kunt u de beginwaarde van de tijdcode instellen.
1 Selecteer [Set Time Code/Tijdcode instellen].
> [
B
# System Setup/Systeeminstelling] > [Set Time Code/Tijdcode instellen]
2 Selecteer [Change/Wijzigen] en druk vervolgens op SET.
Het scherm voor de tijdcode-instelling verschijnt met een oranje selectiekader dat de uren aangeeft.
Wilt u de tijdcode terugzetten naar [00:00:00:00], selecteer dan [Reset/Resetten] in plaats van de hierboven
geselecteerde instelling. Als u de werkingsmodus instelt op [Free Run/Vrij lopen], wordt de tijdcode gereset
op het moment dat u op SET drukt en blijft deze continu lopen vanaf 00:00:00:00.
3 Duw de joystick omhoog/omlaag om de uren in te stellen en druk op SET om naar de minuten te gaan.
Wijzig de rest van de velden (minuten, seconden, beeldje) op dezelfde wijze.
Druk op de CANCEL-knop als u wilt terugkeren naar het vorige scherm zonder de tijdcode in te stellen.
4 Selecteer [Set/Instellen] en druk op SET om het scherm te sluiten.
Als u de tijdcodestand instelt op [Free Run/Vrij lopen], begint op het moment dat u op SET drukt de tijdcode
te lopen vanaf de geselecteerde tijdcode.
Drop frame of non-drop frame instellen
Wanneer de beeldsnelheid ingesteld is op 59.94P, 59.94i of 29.97P, kunt u kiezen uit twee tijdcodesignalen:
drop frame (DF) of non-drop frame (NDF). Welke instelling u dient te kiezen, hangt af van hoe u de opnamen
wilt gebruiken.
Bij alle andere beeldsnelheden wordt de tijdcode ingesteld op non-drop frame (NDF). Deze instelling kan niet
worden gewijzigd.
1 Selecteer [Time Code DF/NDF/Tijdcode DF/NDF].
> [
B
# System Setup/Systeeminstelling] > [Time Code DF/NDF/Tijdcode DF/NDF]
2 Selecteer [DF] of [NDF] en druk vervolgens op SET.
Hoe de tijdcode wordt weergegeven, hangt af van de instelling. Als u [DF] selecteert, wordt de tijdcode
weergegeven als [00:00:00.00]; als u [NDF] selecteert, wordt de tijdcode weergegeven als [00:00:00:00].
De tijdcodedisplay op pauze zetten
Als u een toewijzingsknop toewijst aan [Time Code Hold/Tijdcode op pauze] (A 119) kunt u op de knop
drukken om de tijdcodedisplay op pauze te zetten*. Als de tijdcodedisplay op pauze gezet is, wordt op het
scherm [H] weergegeven naast de tijdcode.
De tijdcode blijft normaal doorlopen terwijl de tijdcodedisplay op pauze gezet is. Als u de tijdcodedisplay hervat,
wordt de huidige tijdcode getoond.
* Het tijdcodesignaal dat wordt uitgevoerd via de aansluitpunten, wordt niet op pauze gezet. De tijdcode die wordt weergegeven
op een scherm dat op het SDI-aansluitpunt of het HDMI OUT-aansluitpunt is aangesloten, wordt echter op pauze gezet.
Bedieningsstanden:
Bedieningsstanden:
De tijdcode instellen
92
Over de tijdcodedisplay
Afhankelijk van de werking wordt naast de tijdcode mogelijk een pictogram weergegeven.
Raadpleeg de volgende tabel.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De beeldjeswaarde van de tijdcode loopt van 0 tot en met 23 (beeldsnelheid ingesteld op 23.98P) of van
0 tot 24 (beeldsnelheid ingesteld op 25.00P, 50.00P of 50.00i) of van 0 tot 29 (alle andere beeldsnelheden).
•Als > [B " System Setup/Systeeminstelling] > [SDI/HDMI Scan Mode/SDI-HDMI-scanmodus]
echter ingesteld is op [PsF (Forced 1080i)/PsF (gedwongen 1080i)], zelfs als de beeldsnelheid ingesteld is
op 23.98P, wordt de beeldjeswaarde van de tijdcode die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt en het
HDMI OUT-aansluitpunt geconverteerd zodat deze van 0 tot 29 loopt.
Als opnemen in slow motion is geactiveerd, kunt u de werkingsmodus [Free Run/Vrij lopen] niet selecteren.
Omgekeerd geldt dat als vooropname is geactiveerd, [Free Run/Vrij lopen] automatisch wordt ingesteld
en niet gewijzigd kan worden.
Als de opnamestand voor slow motion is geactiveerd, wordt er geen tijdcodesignaal uitgevoerd via het
SDI-aansluitpunt, het HDMI-aansluitpunt of het TIME CODE-aansluitpunt.
Wanneer u tijdcodes van het type drop frame gebruikt in combinatie met tijdcodes van het type non-drop
frame, kan er een afwijking in de tijdcode optreden op het punt waar de opname begint.
Wanneer u de werkingsmodus [Free Run/Vrij lopen] gebruikt, blijft de tijdcode lopen zolang de ingebouwde
reservebatterij nog niet leeg is, zelfs als u alle andere voedingen verwijdert.
Als u een toewijzingsknop toewijst aan [Time Code/Tijdcode] (A 119) kunt u op deze knop drukken om
de menupagina [
B
# System Setup/Systeeminstelling] te openen.
Pictogram Beschrijving
R De tijdcodestand is ingesteld op [Regen./Regeneratie].
P
De tijdcodestand wordt ingesteld op [Preset/Voorkeuze] terwijl de werkingsmodus
op [Rec Run/Lopen tijdens opnamen] wordt ingesteld.
F
De tijdcodestand wordt ingesteld op [Preset/Voorkeuze] terwijl de werkingsmodus
op [Free Run/Vrij lopen] wordt ingesteld.
E Het tijdcodesignaal is afkomstig uit een externe bron.
H De tijdcodedisplay is op pauze gezet.
Geen pictogram Tijdcode tijdens het afspelen van een clip.
93
De gebruikersbit (User Bit) instellen
De gebruikersbit (User Bit) instellen
Om een gebruikersbit (met extra informatie in het tijdcodesignaal) weer te geven kunt u kiezen uit opnamedatum,
opnametijd of een identificatiecode die uit 8 tekens bestaat in het hexadecimale systeem. Er zijn zestien
mogelijke tekens: de nummers 0 t/m 9 en de letters A t/m F.
De gebruikersbit (User Bit) wordt opgenomen in clips* en kan worden uitgevoerd via het TIME CODE-aansluitpunt,
het SDI-aansluitpunt of het HDMI OUT-aansluitpunt. Deze optie kan naar wens worden gebruikt om opnamen
te ordenen en te beheren of om aanvullende informatie over de opnamen te bewaren.
* Alleen XF-HEVC- en XF-AVC-clips.
Een hexadecimale code instellen
1 Open het gebruikersbitinstelscherm.
> [
B
# System Setup/Systeeminstelling] > [User Bit Type/Type gebruikersbit] > [Setting/Instelling]
> [Change/Wijzigen]
Het gebruikersbitinstelscherm wordt weergegeven met een oranje selectiekader op het teken uiterst links.
Om de gebruikersbit te resetten naar [00 00 00 00], selecteert u in plaats daarvan [Reset/Resetten].
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om het eerste teken te selecteren en druk op SET om naar het volgende
teken te gaan.
Wijzig de rest van de tekens op dezelfde wijze.
Druk op de CANCEL-knop als u wilt terugkeren naar het vorige scherm zonder de gebruikersbit in te stellen.
3 Selecteer [Set/Instellen] en druk op SET.
De datum of tijd gebruiken
1 Selecteer [User Bit Type/Type gebruikersbit].
> [B # System Setup/Systeeminstelling] > [User Bit Type/Type gebruikersbit]
2 Selecteer [Date/Datum] of [Time/Tijd] en druk vervolgens op SET.
Bedieningsstanden:
Synchronisatie met een extern apparaat
94
Synchronisatie met een extern apparaat
Met Genlock-synchronisatie kunt u het videosignaal van deze camcorder synchroniseren met dat van een extern
videoapparaat. Ook kunt u met een extern tijdcodesignaal de tijdcode van deze camcorder synchroniseren met
het externe signaal. Door het externe tijdcodesignaal met meerdere camera's/camcorders te synchroniseren,
kunt u opnamen maken met meerdere camera's. U kunt ook het tijdcodesignaal van deze camcorder laten
uitvoeren voor hetzelfde resultaat. Als u de tijdcode uitvoert vanaf het SDI-aansluitpunt naar een editing-
apparaat, kan de editor video maken met dezelfde tijdcode.
Een extern apparaat aansluiten
Als u de camcorder wilt synchroniseren met een extern signaal*, gebruikt u het G-LOCK/SYNC-aansluitpunt.
Als u een tijdcodesignaal wilt synchroniseren, gebruikt u het TIME CODE-aansluitpunt. Vergeet niet om het
aansluitpunt dat u wilt gebruiken van tevoren op invoer of uitvoer te zetten.
Sluit het externe apparaat aan op de camcorder, zoals wordt getoond in het volgende schema.
* Als videoreferentiesignaal (invoersignaal) voor Genlock-synchronisatie kunt u een analoog blackburst- of tri-level-signaal gebruiken.
Aansluitschema
Input van videoreferentiesignaal (Genlock-synchronisatie)
Als een referentiesynchronisatiesignaal (analoog blackburst- of tri-level-signaal) wordt ingevoerd via het G-LOCK/
SYNC-aansluitpunt, worden de fasen van de V- en H-synchronisatie van de camcorder automatisch hiermee
gesynchroniseerd. het faseverschil tussen het externe Genlock-signaal en de camcorder wordt aanvankelijk
ingesteld op 0. De H-fase kan worden aangepast binnen een bereik van circa ±0,4 H.
1 Selecteer [G-LOCK/SYNC Term./G-LOCK/SYNC-aansluitpunt].
> [B " System Setup/Systeeminstelling] > [G-LOCK/SYNC Term./G-LOCK/SYNC-aansluitpunt]
2 Selecteer [Genlock Input/Genlockinvoer] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [Genlock Adjustment/Genlock afstellen].
> [B " System Setup/Systeeminstelling] > [Genlock Adjustment/Genlock afstellen]
4 Selecteer [Change/Wijzigen] en druk vervolgens op SET.
Het instelscherm voor het afstellen van de waarde wordt weergegeven met een oranje selectiekader
op het cijfer uiterst links.
Wilt u de afstelwaarde resetten naar [000], selecteer dan [Reset/Resetten].
Bedieningsstanden:
G-LOCK/SYNC-aansluitpunt
TIME CODE-aansluitpunt
BNC-kabel
(in de winkel verkrijgbaar)
95
Synchronisatie met een extern apparaat
5 Duw de joystick omhoog/omlaag om het eerste cijfer te selecteren en druk op SET om naar het
volgende cijfer te gaan.
Pas de rest van de cijfers op dezelfde manier aan om de H-fase aan te passen tot het gewenste niveau
(–1023 tot 1023).
Druk op de CANCEL-knop als u wilt terugkeren naar het vorige scherm zonder de Genlock-afstelwaarde
in te stellen.
6 Selecteer [Set/Instellen] en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Als een geschikt Genlock-signaal wordt ingevoerd, stabiliseert de Genlock-synchronisatie na circa 10 seconden.
Als een geschikt Genlock-signaal wordt waargenomen, knippert het pictogram U rechtsboven in het scherm.
Als de camcorder het externe Genlock-signaal volgt, blijft het pictogram branden.
Als het externe Genlock-signaal onjuist is, is de synchronisatie mogelijk instabiel. In dat geval kan de opgenomen
tijdcode onjuist zijn.
Input van tijdcodesignaal
Als een extern LTC-timingsignaal dat voldoet aan de SMPTE-standaard, wordt ontvangen via het TIME CODE-
aansluitpunt, wordt dit signaal opgenomen als de tijdcode. De gebruikersbit van het externe timingsignaal kan
ook worden opgenomen in de clips. Stel het TIME CODE-aansluitpunt in op input voordat u het apparaat
aansluit. Verder dient u de tijdcodestand in te stellen op [Free Run/Vrij lopen] (A 90).
1 Selecteer [TC In/Out/Tijdcode in/uit].
> [B # System Setup/Systeeminstelling] > [TC In/Out/Tijdcode in/uit]
2 Selecteer [In] en druk vervolgens op SET.
De gebruikersbit van een extern signaal opnemen
De gebruikersbit van een extern tijdcodesignaal kunt u ook opnemen in clips, samen met de tijdcode zelf.
1 Selecteer [User Bit Recording Mode/Opnamestand gebruikersbit].
> [B # System Setup/Systeeminstelling] > [User Bit Recording Mode/Opnamestand gebruikersbit]
2 Selecteer [External/Extern] en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Stelt u de beeldsnelheid in op 23.98P, gebruik dan een tijdcodesignaal met 24 beeldjes als invoersignaal.
Stelt u de beeldsnelheid in op 25.00P, 50.00i of 50.00P, gebruik dan een tijdcodesignaal met 25 beeldjes.
Gebruik voor andere beeldsnelheden een tijdcodesignaal met 30 beeldjes.
Als een geschikt tijdcodesignaal wordt ontvangen, wordt de eigen tijdcode van de camcorder hiermee
gesynchroniseerd. De synchronisatie blijft zelfs behouden als u de kabel uit het TIME CODE-aansluitpunt
verwijdert.
Als het externe tijdcodesignaal onjuist is of wanneer er geen invoersignaal aanwezig is, wordt in plaats hiervan
de interne tijdcode opgenomen (die is ingesteld op de menupagina [B # System Setup/Systeeminstelling]).
Zolang een tijdcodesignaal wordt ontvangen, wordt de drop-framebit van de externe tijdcode gebruikt.
De synchronisatie raakt verstoord als u de hieronder genoemde handelingen uitvoert terwijl de kabel niet
aangesloten is. De juiste tijdcode wordt dan pas hersteld zodra u de kabel opnieuw aansluit.
- Uit/aanzetten van de camcorder
- De bedieningsstand op zetten
- De videoconfiguratie wijzigen
Bedieningsstanden:
Synchronisatie met een extern apparaat
96
Uitvoer van videoreferentiesignaal
Nadat de functie van het G-LOCK/SYNC-aansluitpunt gewijzigd is naar [HD Sync Output/HD-synchronisatie-uitvoer]
kunt u het videosignaal van de camcorder uitvoeren als referentiesynchronisatiesignaal (HD-tri-level-signaal)
om een extern apparaat met deze camcorder synchroniseren. De uitvoer van het referentievideosignaal heeft
dezelfde frequentie als het signaal dat via het SDI-aansluitpunt wordt uitgevoerd.
1 Selecteer [G-LOCK/SYNC Term./G-LOCK/SYNC-aansluitpunt].
> [B " System Setup/Systeeminstelling] > [G-LOCK/SYNC Term./G-LOCK/SYNC-aansluitpunt]
2 Selecteer [HD Sync Output/HD-synchronisatie-uitvoer] en druk vervolgens op SET.
3 Indien nodig wijzigt u de scanstand (P of PsF) met de optie
> [B " System Setup/
Systeeminstelling] > [SYNC Scan Mode/SYNC-scanstand].
Beschikbare synchronisatiesignalen
* Wijzig de scanstand (P of PsF) met de optie > [B " System Setup/Systeeminstelling] >
[SYNC Scan Mode/SYNC-scanstand].
Output van tijdcodesignaal
De tijdcode wordt uitgevoerd via het TIME CODE-aansluitpunt als een op de SMPTE-standaard gebaseerd
LTC-timingsignaal. Voordat u het apparaat aansluit, stelt u > [B # System Setup/Systeeminstelling]
> [TC In/Out/Tijdcode in/uit] in op [Out/Uit] om het TIME CODE-aansluitpunt op uitvoer in te stellen (A 95).
De ingesloten tijdcode wordt ook uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt. Daarnaast kunt u >
[3 " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [HDMI Time Code/HDMI-tijdcode] instellen
op [On/Aan], om de ingesloten tijdcode ook via het HDMI OUT-aansluitpunt uit te voeren.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Over de gebruikersbituitvoer: in de stand wordt de gebruikersbit uitgevoerd die door de gebruiker
is ingesteld (A 93). In de stand wordt de gebruikersbit uitgevoerd als deze is opgenomen bij de
clip die wordt afgespeeld. Geldt alleen voor XF-HEVC- en XF-AVC-clips.
De tijdcode en gebruikersbit worden niet uitgevoerd als opnemen in slow motion is geactiveerd.
In de stand worden de tijdcode en gebruikersbit alleen uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt.
Bedieningsstanden:
SDI-aansluitpunt SYNC-aansluitpunt
2160/59.94P 1080/59.94i
2160/29.97P 1080/29.97 (P/PsF)*
2160/23.98P 1080/23.98 (P/PsF)*
2160/25.00P 1080/25.00 (P/PsF) *
1080/59.94P 1080/59.94i
1080/59.94i 1080/59.94i
1080/29.97P 1080/29.97 (P/PsF) *
1080/23.98P 1080/23.98 (P/PsF) *
1080/50.00P 1080/50.00i
1080/50.00i 1080/50.00i
1080/25.00P 1080/25.00 (P/PsF) *
720/59.94P 1080/59.94i
Bedieningsstanden:
97
Audio opnemen
Audio opnemen
De camcorder beschikt over de volgende opties voor het opnemen en afspelen van audio. U kunt audio opnemen
met behulp van de INPUT-aansluitpunten (in de winkel verkrijgbare microfoons, analoge lijninvoeraudiobronnen,
digitale AES/EBU-audiobronnen), het MIC-aansluitpunt (in de winkel verkrijgbare microfoons) of de ingebouwde
microfoon.
Een audiosignaal wordt samen met het videosignaal uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt en het HDMI OUT-
aansluitpunt. U kunt dit audiosignaal opnemen op een externe recorder.
Beschikbare audio-indelingen
Audio-instellingen en opgenomen audiokanalen
Welke audio-ingangen worden opgenomen op welke audiokanalen wordt bepaald door een combinatie van
menu-instellingen en door audiogerelateerde bedieningselementen op de camcorder. Raadpleeg de onderstaande
illustratie en de tabel op de volgende pagina.
Bedieningsstanden:
Video-indeling Audio-indeling Aantal kanalen Sampling
XF-HEVC,
XF-AVC
Lineaire PCM (LPCM) 4 kanalen 24-bits, 48 kHz
MP4
AAC 2 kanalen
16-bits, 48 kHz
Lineaire PCM (LPCM) 4 kanalen
INPUT 1-schakelaar
(audio-invoerselectie)
INPUT 1-aansluitpunt:
ANALOG-schakelaar
(analoge audiobronselectie)
INPUT 2-
schakelaar
(audio-
invoerselectie)
INPUT 2-aansluitpunt:
ANALOG-schakelaar
(analoge audiobronselectie)
Audio opnemen
98
* > [
¡
! Audio Setup/Audio-instelling] > [Select CH1/CH2 Input/CH1/CH2-invoer selecteren],
[Select CH3/CH4 Input/CH3/CH4-invoer selecteren] en [CH2 Input/CH2-invoer].
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
•U kunt op de AUDIO STATUS-knop drukken om (alleen)
de [Audio]-statusschermen weer te geven. Op de [Audio]-
statusschermen (A 200) kunt u van elk audiokanaal de
geselecteerde invoerbron en andere audiogerelateerde
instellingen bekijken.
Wanneer u de [Audio]-statusschermen weergeeft met
de AUDIO STATUS-knop, kunt u op SET drukken om
de menupagina [¡!Audio Setup/Audio-instelling]
rechtstreeks te openen.
Audio-
invoerselectieschakelaars
[Select CH1/CH2 Input/
CH1/CH2-invoer
selecteren]*
[Select CH3/CH4 Input/
CH3/CH4-invoer
selecteren]*
[CH2 Input/
CH2-invoer]*
Opgenomen audiokanalen/audiobronnen
INPUT 1 INPUT 2 CH1 CH2 CH3 CH4
AES/EBU
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
INPUT 1-aansluitpunt (digitale audio)
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
AES/EBU AES/EBU
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
INPUT 1-aansluitpunt (digitale audio) INPUT 2-aansluitpunt (digitale audio)
AES/EBU ANALOG
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
INPUT 1-aansluitpunt (digitale audio)
INPUT 2-
aansluitpunt
AES/EBU
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
INPUT 1-aansluitpunt (digitale audio)
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
ANALOG
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
[INPUT 2]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-
aansluitpunt
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
ANALOG
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
[INPUT 1]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 1-
aansluitpunt
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
ANALOG AES/EBU
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT 1]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-aansluitpunt (digitale audio)
ANALOG AES/EBU
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT 2]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-aansluitpunt (digitale audio)
ANALOG ANALOG
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT 2]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-
aansluitpunt
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-
aansluitpunt
ANALOG ANALOG
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[INPUT 1]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-
aansluitpunt
ANALOG
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
[INPUT 2]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-
aansluitpunt
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
ANALOG
[INPUT Terminals/I
NPUT-aansluitpunten]
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
[INPUT 1]
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 1-
aansluitpunt
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
ANALOG
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-
aansluitpunt
AES/EBU
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
INPUT 2-aansluitpunt (digitale audio)
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
ANALOG
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
INPUT 1-
aansluitpunt
INPUT 2-
aansluitpunt
AES/EBU
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
[INPUT Terminals/
INPUT-aansluitpunten]
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
INPUT 2-aansluitpunt (digitale audio)
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
[MIC Terminal/
MIC-aansluitpunt]
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
MIC-aansluitpunt
(L)
MIC-aansluitpunt
(R)
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
[Built-in Mic/
Ingebouwde microfoon]
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
Ingebouwde
microfoon (L)
Ingebouwde
microfoon (R)
99
Audio opnemen
Een externe microfoon of externe audio-invoerbron aansluiten op de camcorder
Op elk INPUT-aansluitpunt kunt u in de winkel verkrijgbare microfoons, digitale audiobronnen (AES/EBU)
of analoge lijninvoerbronnen met een XLR-connector aansluiten. Op het MIC-aansluitpunt kunt u in de winkel
verkrijgbare condensmicrofoons aansluiten met een eigen stroombron en een 3,5 mm stereo-miniplug.
Met de bijgeleverde microfoonhouder kunt u externe microfoons met een diameter van 19 mm tot 20 mm
bevestigen.
Voer de procedure hieronder uit om een microfoon aan te sluiten (raadpleeg ook de afbeelding hieronder).
Sluit een extern apparaat aan op de camcorder door de stekker van de apparaatkabel in het gewenste
INPUT-aansluitpunt te steken ().
1 Draai de borgschroef los (), open de microfoonhouder
en sluit de microfoon aan ().
2 Draai de borgschroef vast en leid de microfoonkabel door de kabelklem onder de
microfoonhouder ().
3 Steek de stekker van de microfoonkabel in het gewenste INPUT-aansluitpunt () of het
MIC-aansluitpunt ().
Borgschroef voor microfoon
MIC-aansluitpunt
Kabelklem
INPUT 1-aansluitpunt
INPUT 2-aansluitpunt
Audio opnemen
100
De audio-indeling van MP4-clips selecteren
Wanneer u MP4-clips opneemt, kunt u de audio-indeling instellen op AAC (2 kanalen, 16-bits) of LPCM (lineaire
PCM, 4 kanalen, 16-bits). Als u de resolutie instelt op 1280x720, wordt de audio-indeling ingesteld op AAC.
Deze instelling kan niet worden gewijzigd.
1 Selecteer [Audio Format (MP4)/Audio-indeling (MP4)].
> [Æ ! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Audio Format (MP4)/
Audio-indeling (MP4)].
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Selecteer de AAC-indeling wanneer veelzijdigheid het belangrijkst is (als u wilt dat het apparaat op de meeste
apparaten kan worden afgespeeld). Selecteer de LPCM-indeling wanneer de audiokwaliteit belangrijker is.
Als u de audio-indeling instelt op AAC, worden de twee audiokanalen opgenomen als CH1 en CH2.
Het audio-invoertype instellen voor de INPUT 1/INPUT 2-aansluitpunten
Als u de INPUT 1/INPUT 2-aansluitpunten gebruikt, kunt u audio afzonderlijk opnemen vanaf een microfoon
of een audio-invoerbron.
Stel op de camcorder de audiogerelateerde schakelaars in op de
INPUT-aansluiting die u wilt gebruiken volgens het type audio-invoer
dat u wilt gebruiken.
1 Zet de audio-invoerselectieschakelaar INPUT 1 of INPUT 2
op AES/EBU (digitale audio) of ANALOG (analoge audio).
Wanneer de schakelaar wordt ingesteld op AES/EBU, kan het
audio-opnameniveau voor die invoer niet worden aangepast.
2 Hebt u analoge audio geselecteerd, zet dan de bijbehorende
ANALOG-schakelaar (selectie van analoge bron) op MIC
(microfoon) of LINE (audioapparaat).
Als u een microfoon wilt voorzien van fantoomvoeding, zet u de
schakelaar op MIC+48V in plaats van LINE of MIC. Zorg ervoor
dat u eerst de microfoon aansluit voordat u de fantoomvoeding
inschakelt. Zorg ervoor dat de microfoon nog aangesloten is
wanneer u de fantoomvoeding uitschakelt.
Wanneer u de INPUT-aansluitpunten gebruikt om naar slechts
één kanaal op te nemen, gebruikt u het INPUT 1-aansluitpunt.
BELANGRIJK
Als u een analoge microfoon of apparaat zonder ondersteuning
voor fantoomvoeding aansluit, dient u ervoor te zorgen dat de
ANALOG-schakelaar op respectievelijk MIC of LINE wordt gezet.
Als u de schakelaar op MIC+48V zet, kan de microfoon of het
apparaat beschadigd raken.
Bedieningsstanden:
INPUT 2-schakelaar
INPUT 1-schakelaar
ANALOG-schakelaar
voor INPUT 2
ANALOG-schakelaar
voor INPUT 1
101
Audio opnemen
De audio-invoerbron voor audiokanalen selecteren
U kunt de audio-invoerbron die op CH1/CH2 of CH3/CH4 wordt opgenomen, onafhankelijk voor elk paar
audiokanalen selecteren. Voor meer informatie raadpleegt u de tabel Audio-instellingen en opgenomen
audiokanalen (A 97).
1 Selecteer het gewenste paar audiokanalen.
> [
¡
! Audio Setup/Audio-instelling] > [Select CH1/CH2 Input/CH1/CH2-invoer selecteren]
of [Select CH3/CH4 Input/CH3/CH4-invoer selecteren]
2 Selecteer [INPUT Terminals/INPUT-aansluitpunten] (externe microfoon of audioapparaat),
[MIC Terminal/MIC-aansluitpunt] of [Built-in Mic/Ingebouwde microfoon] (ingebouwde microfoon)
en druk vervolgens op SET.
Herhaal indien nodig stap 1 en 2 om de audio-invoerbron voor het andere paar audiokanalen te selecteren.
Eén analoge audiobron opnemen op twee audiokanalen
Standaard wordt bij het gebruik van analoge audiobronnen (lijninvoer of microfoon) die op de INPUT-aansluitpunten
worden aangesloten, elke audio-invoer opgenomen op een eigen audiokanaal (INPUT 1 op CH1 en INPUT 2
op CH2).
Indien nodig (bijvoorbeeld als u een back-up wilt hebben van een audio-opname) kunt u dezelfde audiobron die
op het INPUT 1-aansluitpunt is aangesloten, laten opnemen op beide audiokanalen, CH1 en CH2. In dat geval
kunt u de audio-opnameniveaus voor elk kanaal afzonderlijk aanpassen.
1 Selecteer [CH2 Input/CH2-invoer].
> [
¡
! Audio Setup/Audio-instelling] > [CH2 Input/CH2-invoer]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[INPUT 2]: Neemt voor elk kanaal afzonderlijk audio op. Audio die wordt ingevoerd via INPUT 1 wordt
opgenomen op CH1, terwijl audio die wordt ingevoerd via INPUT 2 wordt opgenomen op CH2.
[INPUT 1]: Audio die wordt ingevoerd via INPUT 1, wordt opgenomen op beide kanalen. Audio die wordt
ingevoerd via INPUT 2, wordt niet opgenomen.
Het audio-opnameniveau instellen
U kunt het audio-opnameniveau instellen van analoge audiobronnen vanaf de INPUT-aansluitpunten, van externe
microfoons die op het MIC-aansluitpunt zijn aangesloten en van de ingebouwde microfoon. Voor de INPUT-
aansluitpunten (analoge bronnen) en het MIC-aansluitpunt kunt u het audio-opnameniveau voor elk afzonderlijk
kanaal of voor CH1/CH2 en CH3/CH4 als paar* instellen op automatische of handmatige instelling.
Het audio-opnameniveau van digitale audiobronnen (AES/EBU) vanaf de INPUT-aansluitpunten kan niet worden
aangepast.
Het audio-opnameniveau van de ingebouwde microfoon kan alleen voor kanaalparen samen (CH1/CH2 of
CH3/CH4) worden ingesteld.
U kunt > [¡% Audio Setup/Audioconfiguratie] > [Assign CH2 Switch & Dial/CH2-schakelaar
en -regelaar toewijzen] instellen op [CH3] als u de audiokanalen voor kanaal CH3 wilt kunnen aanpassen met
de schakelaar en knop voor het audioniveau van CH2.
* Vereist koppeling van de instelling van het audioniveau (ALC) van CH1/CH2 of CH3/CH4 (A 103).
Bedieningsstanden:
Bedieningsstanden:
Audio opnemen
102
Automatische instelling van het audioniveau
voor CH1 of CH2
Zet de
-schakelaar (audioniveau) van het
gewenste kanaal op A (automatisch) als u de camcorder
automatisch het audioniveau voor dat kanaal wilt laten
instellen.
Handmatige instelling van het audioniveau
voor CH1 en/of CH2
U kunt voor elk kanaal het audioniveau handmatig
instellen tussen en +18 dB.
1Zet de
-schakelaar (audioniveau) van het
gewenste kanaal op M (handmatig).
2 Draai aan de corresponderende
-regelaar
om het audioniveau in te stellen.
Ter referentie: 0 correspondeert met – ,
5 correspondeert met 0 dB en 10 correspondeert
met +18 dB.
Als richtlijn geldt: stel het audio-opnameniveau zo in
dat de audioniveaumeter op het scherm slechts zo
nu en dan rechts van de markering –18 dB komt
(één markering rechts van de markering –20 dB).
Als u de beschermende afdekking sluit, voorkomt
u dat de audiobedieningsknoppen per ongeluk
gewijzigd worden.
Instelling van het audioniveau voor CH3 en/of CH4
1 Selecteer [Audio Rec Level CH3/Audio-opnameniveau CH3], [Audio Rec Level CH4/Audio-opnameniveau
CH4] of [Audio Rec Level CH3/CH4/Audio-opnameniveau CH3/CH4].
> [
¡
" Audio Setup/Audio-instelling] > [Selecteer Audio Rec Level CH3/Audio-opnameniveau
CH3], [Audio Rec Level CH4/Audio-opnameniveau CH4] of [Audio Rec Level CH3/CH4/Audio-
opnameniveau CH3/CH4]
2 Selecteer [Automatic/Automatisch] of [Manual/Handmatig] en druk vervolgens op SET.
Als u [Automatic/Automatisch] hebt geselecteerd, is de rest van de procedure niet nodig. Als u [Manual/
Handmatig] hebt geselecteerd, gaat u verder met de procedure om het audio-opnameniveau in te stellen.
3 Selecteer [CH3 Level/Niveau CH3], [CH4 Level/Niveau CH4] of [CH3/CH4 Level/Niveau CH3/CH4].
> [
¡
" Audio Setup/Audio-instelling] > [CH3 Level/Niveau CH3], [CH4 Level/Niveau CH4]
of [CH3/CH4 Level/Niveau CH3/CH4]
4 Duw de joystick omhoog/omlaag om het audio-opnameniveau in te stellen en druk vervolgens op SET.
Ter referentie: 0 correspondeert met – , 50 correspondeert met 0 dB en 100 correspondeert met +18 dB.
Als richtlijn geldt: stel het audio-opnameniveau zo in dat de audioniveaumeter op het scherm slechts
zo nu en dan rechts van de markering –18 dB komt (één markering rechts van de markering –20 dB).
CH1/CH2
-
schakelaars
(audioniveau)
CH1/CH2 -
schakelaars
(audioniveau)
CH1/CH2
-regelaars
103
Audio opnemen
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
We raden aan dat u een koptelefoon gebruikt wanneer u het audioniveau instelt. Als het invoerniveau te hoog
is, kan de audio vervormd raken, zelfs als de indicator van het audioniveau een correct niveau aangeeft.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Audio Level Indicator/Audioniveau-indicator] (A 119) kunt u op deze
knop drukken om de audioniveau-indicator op het scherm aan of uit te zetten.
Geavanceerde audio-invoerinstellingen
Lage-tonenfilter (ingebouwde microfoon)
Hebt u [Built-in Mic/Ingebouwde microfoon] geselecteerd als de audio-invoer voor een audiokanaal (A 97),
dan kunt u het lage-tonenfilter van de ingebouwde microfoon activeren.
1 Selecteer [Built-in Mic Low Cut/Lagetonenfilter van ingebouwde microfoon].
> [
¡
# Audio Setup/Audio-instelling] > [Built-in Mic Low Cut/Lagetonenfilter van ingebouwde
microfoon]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties
[Off/Uit]: Om audio onder gebruikelijke omstandigheden op te nemen.
[LC1]: Om voornamelijk menselijke stemmen op te nemen.
[LC2]: Om het achtergrondgeluid van wind te verminderen als u buitenopnamen maakt in een
omgeving met veel wind (bijvoorbeeld op een strand of dicht in de buurt van gebouwen).
Houd er rekening mee dat samen met het geluid van de wind, bepaalde andere geluiden
met een lage frequentie ook worden onderdrukt.
Microfoongevoeligheid (ingebouwde microfoon)
Hebt u [Built-in Mic/Ingebouwde microfoon] geselecteerd als de audio-invoer voor een audiokanaal (A 97),
dan kunt u de gevoeligheid van de ingebouwde microfoon aanpassen.
1 Selecteer [Built-in Mic Sensitivity/Gevoeligheid ingebouwde microfoon].
>
[
¡#
Audio Setup/Audio-instelling]
>
[Built-in Mic Sensitivity/Gevoeligheid ingebouwde microfoon]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
De instelling van het audioniveau van CH1/CH2 of CH3/CH4 koppelen
Wanneer zowel CH1 als CH2 of zowel CH3 als CH4 op de INPUT-aansluitpunten of het MIC-aansluitpunt en
op hetzelfde type analoge audiobron zijn ingesteld (externe lijninvoer of externe microfoon), kunt u de optie
> [
¡
! Audio Setup/Audio-instelling] > [CH1/CH2 ALC Link/ALC van CH1/CH2 koppelen]
of [CH3/CH4 ALC Link/ALC van CH3/CH4 koppelen] gebruiken om de instelling van het audioniveau van
beide kanalen aan elkaar te koppelen.
Wanneer CH1 en CH2 gekoppeld zijn, kunt u zowel CH1 als CH2 aanpassen met de CH1 -schakelaar
(audioniveau) en regelaar. Wanneer CH3 en CH4 gekoppeld zijn, kunt u zowel CH3 als CH4 aanpassen met
de opties [Audio Rec Level CH3/CH4/Audio-opnameniveau CH3/CH4] en [CH3/CH4 Level/Niveau CH3/CH4].
Audiopiekbegrenzer
Indien ten minste een van de kanalen is ingesteld op de INPUT-aansluitpunten, een analoge audiobron en
handmatige instelling van het audioniveau, kunt u de audiopiekbegrenzer activeren om audiovervorming te
verminderen. Als de audiopiekbegrenzer geactiveerd is, begrenst deze de amplitude van audio-ingangssignalen
wanneer ze beginnen te vervormen. Gebruik de optie > [
¡
$ Audio Setup/Audio-instelling] >
[INPUT 1&2 Limiter/INPUT 1 en 2 aftoppen].
Bedieningsstanden:
Audio opnemen
104
Opties
[Normal/Normaal]: Om audio onder gebruikelijke omstandigheden op te nemen.
[High/Hoog]: Om audio op te nemen met een hoger volume (+6 dB).
Microfoondemper (ingebouwde microfoon)
Hebt u [Built-in Mic/Ingebouwde microfoon] geselecteerd als de audio-invoer voor een audiokanaal (A 97),
dan kunt u de demper van de ingebouwde microfoon activeren (12 dB).
1 Selecteer [Built-in Mic Att./Demper ingebouwde microfoon].
> [
¡
# Audio Setup/Audio-instelling] > [Built-in Mic Att./Demper ingebouwde microfoon]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Microfoongevoeligheid (INPUT-aansluitpunten)
Hebt u [INPUT Terminals/INPUT-aansluitpunten] geselecteerd als audio-invoer voor een audiokanaal (A 97),
een van de INPUT-schakelaars op ANALOG gezet en de bijbehorende ANALOG-schakelaar op MIC of MIC+48V
gezet, dan kunt u de gevoeligheid van de externe microfoon selecteren.
1 Selecteer de menu-instelling voor het gebruikte INPUT-aansluitpunt.
> [
¡
$ Audio Setup/Audio-instelling] > [INPUT 1 Mic Trimming/INPUT 1-microfoonbegrenzing]
of [INPUT 2 Mic Trimming/INPUT 2-microfoonbegrenzing]
2 Selecteer het gewenste niveau en druk vervolgens op SET.
U kunt kiezen uit 5 gevoeligheidsniveaus van –12 dB tot +12 dB.
Microfoondemper (INPUT-aansluitpunten)
Hebt u [INPUT Terminals/INPUT-aansluitpunten] geselecteerd als audio-invoer voor een audiokanaal (A 97),
een van de INPUT-schakelaars op ANALOG gezet en de bijbehorende ANALOG-schakelaar op MIC of MIC+48V
gezet, dan kunt u de demper van de externe microfoon activeren (20 dB).
1 Selecteer de menu-instelling voor het gebruikte INPUT-aansluitpunt.
> [
¡
$ Audio Setup/Audio-instelling] > [INPUT 1 Mic Att./INPUT 1-microfoondemper]
of [INPUT 2 Mic Att./INPUT 2-microfoondemper]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Microfoondemper (MIC-aansluitpunt)
Hebt u [MIC Terminal/MIC-aansluitpunt] geselecteerd als de audio-invoer voor een audiokanaal (A 97),
dan kunt u de demper van de externe microfoon activeren (20 dB).
1 Selecteer [MIC Att./MIC-demper].
> [
¡
$ Audio Setup/Audio-instelling] > [MIC Att./Microfoondemper]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Lage-tonenfilter (MIC-aansluitpunt)
Hebt u [MIC Terminal/MIC-aansluitpunt] geselecteerd als de audio-invoer voor een audiokanaal (A 97),
dan kunt u het lage-tonenfilter van de externe microfoon activeren.
1 Selecteer [MIC Low Cut/MIC-lage-tonenfilter].
> [
¡
$ Audio Setup/Audio-instelling] > [MIC Low Cut/MIC-lage-tonenfilter]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Wanneer u het lage-tonenfilter activeert, kunnen naast het geluid van de wind ook bepaalde andere geluiden
met een lage frequentie worden onderdrukt.
105
Audio opnemen
Audio controleren met een koptelefoon
Sluit een koptelefoon met een 3,5 mm stereo-miniplug aan
op het
×
-aansluitpunt (koptelefoon) om de opgenomen audio
af te spelen of te volgen.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt het volume ook aanpassen met de optie >
[
¡
% Audio Setup/Audio-instelling]* > [Headphone Volume/
Koptelefoonvolume]. Als u een toewijzingsknop instelt voor
[Headphones +/Koptelefoon +] or [Headphones –/Koptelefoon –]
(A 119), kunt u op deze knop drukken om het volume van de
koptelefoon aan te passen zonder het menu te gebruiken.
* Wordt op pagina ! weergegeven in de stand .
×
-aansluitpunt
(koptelefoon)
Kleurenbalken/geluidsreferentiesignaal
106
Kleurenbalken/geluidsreferentiesignaal
U kunt de camcorder zo instellen dat deze kleurenbalken en een geluidsreferentiesignaal van 1 kHz genereert
en uitvoert via het SDI-aansluitpunt, het HDMI OUT-aansluitpunt en het
×
-aansluitpunt (koptelefoon)*.
* Alleen het geluidsreferentiesignaal.
Kleurenbalken
De camcorder biedt 3 typen kleurenbalken (SMPTE, EBU of ARIB).
1 Selecteer [Color Bar Type/Type kleurenbalk].
> [
v
' Camera Setup/Camera-instelling] > [Color Bar Type/Type kleurenbalk]
2 Selecteer het gewenste type kleurenbalken en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [Color Bars/Kleurenbalken] om de kleurenbalken te activeren.
> [
v
' Camera Setup/Camera-instelling] > [Color Bars/Kleurenbalken]
4 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
De geselecteerde kleurenbalken verschijnen op het scherm en worden opgenomen wanneer u op de
REC-knop drukt.
Als u de camcorder uitzet of de bedieningsstand instelt op , worden de kleurenbalken uitgeschakeld.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt het type kleurenbalken niet wijzigen tijdens het opnemen of wanneer vooropname is geactiveerd.
U kunt de kleurenbalken tijdens opnamen niet in- en uitschakelen.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Color Bars/Kleurenbalken] (A 119) kunt u op deze knop drukken
om de kleurenbalken aan/uit te zetten.
Geluidsreferentiesignaal
De camcorder kan samen met de kleurenbalken een geluidsreferentiesignaal van 1 kHz uitvoeren.
1 Selecteer [1 kHz Tone/1 kHz-toon].
> [
¡
% Audio Setup/Audio-instelling] > [1 kHz Tone/1 kHz-toon]
2 Selecteer het gewenste niveau en druk vervolgens op SET.
U kunt een van drie audioniveaus selecteren (–12 dB, –18 dB, –20 dB) of u kunt [Off/Uit] selecteren om
het signaal uit te schakelen.
Het geluidsreferentiesignaal wordt uitgevoerd op het geselecteerde niveau wanneer u de kleurenbalken
laat weergeven en wordt opgenomen als u op de REC-knop drukt.
Bedieningsstanden:
107
Golfvormmonitor
Golfvormmonitor
De camcorder kan een vereenvoudigde golfvormmonitor weergeven op het LCD-scherm, de zoeker en externe
schermen (SDI-aansluitpunt of HDMI OUT-aansluitpunt).
De golfvormmonitor weergeven
Druk op de WFM-knop om de golfvormmonitor weer
te geven.
Het golfvormmonitorvenster verschijnt rechts in het scherm.
U kunt de opties > [
A
$
* Assistance Functions/
Hulpfuncties] > [WFM: LCD], [WFM: VF/WFM: zoeker],
[WFM: SDI] en [WFM: HDMI] gebruiken om de
golfvormmonitorweergave afzonderlijk in en uit te schakelen
voor het LCD-scherm, de zoeker en externe schermen die
op de desbetreffende aansluitpunten zijn aangesloten.
U kunt de optie > [
A
$
* Assistance Functions/
Hulpfuncties] > [Waveform Settings/Golfvorminstellingen]
> [Position/Positie] gebruiken om de golfvormmonitor links/
rechts op het scherm weer te geven.
* Wordt op pagina ! weergegeven in de stand .
De golfvormmonitor configureren
1 Selecteer het [Type] van de golfvormmonitor.
> [
A
$
* Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Waveform Settings/Golfvorminstellingen] >
[Type]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Als u [Select Line/Lijn selecteren] hebt geselecteerd, gaat u verder met de procedure om de Y-coördinaat in
te stellen voor de lijn die u wilt weergeven. Ga anders verder met stap 6 om de versterking aan te passen.
3 Selecteer [Select Line/Lijn selecteren] om de Y-coördinaat van de lijn te selecteren.
> [
A
$
* Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Waveform Settings/Golfvorminstellingen] >
[Select Line/Lijn selecteren]
4 Duw de joystick omhoog/omlaag om het eerste cijfer van de Y-coördinaat te selecteren en druk
vervolgens op SET om naar het volgende cijfer te gaan.
Wijzig de rest van de cijfers op dezelfde wijze.
Wanneer het aantal horizontale lijnen (verticale component) van de gebruikte resolutie 1080 bedraagt,
kunt u een waarde selecteren tussen 0 en 1079 (stappen van 1 lijn); wanneer de verticale resolutie
2160 bedraagt, kunt u een waarde selecteren tussen 0 en 2158 (stappen van 2 lijnen).
5 Selecteer [Set/Instellen] en druk vervolgens op SET.
6 Selecteer [Gain/Versterking].
> [
A
$
* Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Waveform Settings/Golfvorminstellingen] >
[Gain/Versterking]
Bedieningsstanden:
Golfvormmonitor
108
7 Selecteer de gewenste versterkingsfactor ([1x] of [2x]) en druk vervolgens op SET.
Als u [1x] hebt geselecteerd, is de rest van de procedure niet nodig. Hebt u [2x] geselecteerd, dan wordt
het weergavebereik van de Y-as van de golfvormmonitor gehalveerd. Ga verder met de procedure om
de minimale luminantiewaarde (in %) te selecteren die op de Y-as wordt getoond.
8 Selecteer [Y Position/Y-positie].
> [
A
$
* Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Waveform Settings/Golfvorminstellingen] >
[Y Position/Y-positie]
9 Selecteer het gewenste percentage en druk vervolgens op SET.
* Wordt op pagina ! weergegeven in de stand .
Opties voor [Type]
[Line/Lijn]: Hiermee selecteert u voor de golfvormmonitor de lijnweergavestand.
[Line+Spot/Lijn + punt]: De golfvorm van het gebied in het rode kader wordt weergegeven in een rode kleur
boven de golfvorm van de [Line/Lijn]-stand.
[Select Line/Lijn selecteren]: De geselecteerde horizontale lijn wordt samen met de bijbehorende
golfvorm weergeven.
[Field/Veld]: Hiermee selecteert u voor de golfvormmonitor de veldweergavestand.
[RGB]: Werkt als een RGB-paradescope.
[YPbPr]: Werkt als een YPbPr-paradescope.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
De golfvormmonitor wordt niet beïnvloed wanneer een LUT wordt toegepast op het LCD-scherm, de zoeker
of video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt of HDMI OUT-aansluitpunt.
De golfvormmonitor kan niet worden weergegeven terwijl de kleurenbalken worden weergegeven of terwijl
vergroting is geactiveerd.
Als de [Knee]-instellingen in het bestand met voorkeuze-instellingen (A 128) gewijzigd zijn, verschijnt een
horizontale lijn op de golfvormmonitor die het luminantieniveau (Y) aangeeft dat overeenkomt met het
knee-punt.
109
Markeringen tijdens opnamen toevoegen aan XF-HEVC- of XF-AVC-clips
Markeringen tijdens opnamen toevoegen aan XF-HEVC- of
XF-AVC-clips
Wanneer u XF-HEVC- of XF-AVC-clips opneemt, kunt u een belangrijk beeld in een clip markeren door een
'opnamemarkering' (!) toe te voegen. U kunt ook een OK-markering ($) of een vinkje (%) aan de clip als
geheel toevoegen, om clips te markeren die u apart wilt houden.
U kunt ook opnamemarkeringen (A 143), $- en %-markeringen (A 141) toevoegen en verwijderen
in de stand .
Opnamemarkeringen toevoegen tijdens opname
Als u tijdens opname een opnamemarkering wilt toevoegen, dient u eerst een toewijzingsknop in te stellen
voor [Add Shot Mark/Opnamemarkering toevoegen].
1 Wijs een toewijzingsknop toe aan [Add Shot Mark/Opnamemarkering toevoegen] (A 119).
2 Druk tijdens opname op de toewijzingsknop aan het begin van de opname die u wilt markeren.
Er verschijnt een bericht dat de opnamemarkering aangeeft en de geselecteerde opnamemarkering wordt
toegevoegd aan het huidige beeldje van de clip.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
U kunt ook op de SHOT1-knop drukken op de bijgeleverde wireless afstandsbediening om een
opnamemarkering toe te voegen.
U kunt maximaal 100 opnamemarkeringen aan één clip toevoegen.
Er kan een vertraging van maximaal 1 seconde optreden tussen het moment dat u de knop indrukt
en het moment waarop de camcorder de opnamemarkering toevoegt.
Als een clip een opnamemarkering bevat, wordt in het afspeelindexscherm ! weergegeven naast
de miniatuur van de clip.
Er kan geen opnamemarkering worden toegevoegd tijdens vooropname (voordat u op de REC-knop
drukt om te beginnen met opnemen).
Een $-markering of vinkje % toevoegen aan de laatst opgenomen XF-HEVC- of
XF-AVC-clip
Nadat u een belangrijke XF-HEVC- of XF-AVC-clip hebt opgenomen, kunt u een OK-markering (
$
) of een vinkje (
%
)
aan de clip toevoegen om de clip later snel te kunnen terugvinden. Verder kunt u
$
-markeringen gebruiken om
belangrijke clips te beschermen, omdat clips met een
$
-markering niet met de camcorder kunnen worden verwijderd.
Om een $-markering of een vinkje % toe te voegen aan de clip die als laatste is opgenomen in
de stand , dient u eerst een toewijzingsknop in te stellen voor [Add $ Mark/Markering toevoegen]
of [Add % Mark/Vinkje toevoegen].
1 Wijs een toewijzingsknop toe aan [Add $ Mark/Markering toevoegen] of [Add % Mark/
Vinkje toevoegen] (A 119).
Als u beide typen clipmarkeringen wilt toevoegen (aan verschillende clips), wijst u een toewijzingsknop toe
aan [Add $ Mark/Markering toevoegen] en een andere toewijzingsknop aan [Add % Mark/Vinkje toevoegen].
2 Druk op de toewijzingsknop nadat u een clip hebt opgenomen.
Er verschijnt een bericht dat de clipmarkering zal worden weergegeven en de geselecteerde clipmarkering
wordt toegevoegd aan de clip.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Een clip kan niet tegelijkertijd zowel een $-markering als een vinkje % hebben.
Als een clip een $-markering of een vinkje % bevat, wordt het bijbehorende pictogram weergegeven naast
de miniatuur van de clip in het afspeelindexscherm.
Bedieningsstanden:
Gebruik van metadata
110
Gebruik van metadata
De camcorder voegt automatische metadata toe aan de opgenomen XF-HEVC- of XF-AVC-clips. U kunt de
Canon XF Utility gebruiken om specifieke metadata te controleren en op te zoeken. U kunt ook op afstand een
gebruikersmemo aanmaken en overdragen met de toepassing Browser Remote (A 164, 172).
Metadatacomponenten
1
Alleen als een optionele GPS-ontvanger GP-E2 op de camcorder is aangesloten.
Tijdens opname wordt automatisch GPS-informatie vastgelegd door de camcorder (A 112).
2
GPS-informatie kan alleen worden toegevoegd aan clips die al zijn opgenomen.
3
Opnamedata worden automatisch door de camcorder gelogd.
Een gebruikersmemo instellen die is aangemaakt met Canon XF Utility
Voordat u een gebruikersmemo kunt toevoegen, dient u eerst Canon XF Utility te installeren (A 153).
Daarna maakt u de gebruikersmemo en slaat u deze op een SD-kaart op. Zodra u de kaart in de camcorder hebt
geplaatst en de gebruikersmemo hebt geselecteerd, wordt deze toegevoegd aan de clips die u daarna opneemt.
1 Gebruik Canon XF Utility om een gebruikersmemo op een SD-kaart op te slaan.
Raadpleeg Managing User Memo Profiles/Gebruikersmemoprofielen beheren in de Gebruiksaanwijzing
Canon XF Utility.
2 Plaats de kaart in de SD-kaartsleuf van de camcorder 3.
3 Selecteer de optie [Setting/Instelling] voor de gebruikersmemo.
> [3 " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [Setting/Instelling]
4 Selecteer [SD Card/SD-kaart] en druk vervolgens op SET.
5 Selecteer [User Memo/Gebruikersmemo].
> [3 " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [User Memo/
Gebruikersmemo]
6 Selecteer de bestandsnaam van de betreffende gebruikersmemo en druk vervolgens op SET.
Het pictogram Q verschijnt aan de rechterzijde van het scherm.
Selecteer [Off/Uit] als u clips wilt opnemen zonder een gebruikersmemo.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Nadat u een gebruikersmemo hebt geselecteerd, mag u de SD-kaart niet verwijderen terwijl u opnamen
maakt. Als u de kaart toch verwijdert, wordt de gebruikersmemo niet aan clips toegevoegd.
U dient de gebruikersmemo te selecteren voordat u met opnemen begint. Anders wordt deze niet toegevoegd
aan clips. U kunt een gebruikersmemo die al aan een clip is toegevoegd niet wijzigen met de camcorder,
maar wel met Canon XF Utility.
Wanneer de optionele GPS-ontvanger GP-E2 op de camcorder is aangesloten, wordt geen gebruikersmemo-
informatie opgenomen, zelfs niet als u een gebruikersmemobestand op de SD-kaart hebt geselecteerd.
Metadata
Inhoud invoeren Inhoud controleren
Camcorder Canon XF Utility Browser Remote Canon XF Utility
Gebruikersmemo: cliptitel, aangemaakt door,
locatie en beschrijving.
Ü Ü Ü
GPS-gegevens: hoogte, breedtegraad, lengtegraad. Ü
1
Ü
2
Ü Ü
Opnamedata: sluitertijd, versterkingswaarde, enzovoort.
3
Ü
UMID (Unique Material Identifiers): land, organisatie
en gebruikerscodes op basis van de SMPTE-standaard.
Ü
Bedieningsstanden:
111
Gebruik van metadata
Klapbordinformatie over de opname invoeren
U kunt informatie over de scène of take invoeren, zodat u de opname later eenvoudiger kunt herkennen.
1 Selecteer [Scene/Scène] of [Take].
>
[
3
"
Recording/Media Setup/Opname/media instellen]
>
[Metadata]
>
[Scene/Scène] of [Take]
2 Selecteer [Change/Wijzigen] en druk vervolgens op SET.
Voer de gewenste informatie in (scène, maximaal 16 tekens; take, maximaal 8 tekens) met het toetsenbord
op het scherm (A 27).
Wilt u de informatie over de scène/take wissen, selecteer dan [Reset/Resetten].
GPS-informatie vastleggen (geotaggen)
112
GPS-informatie vastleggen (geotaggen)
Als de optionele GPS-ontvanger GP-E2 wordt aangesloten op het USB-aansluitpunt van de camcorder, legt
de camcorder automatisch GPS-informatie (lengtegraad, breedtegraad en hoogte) vast in elke opname die u
maakt (clips en foto's). Alleen bij foto's wordt ook de UTC-datum en -tijd (coordinated universal time) vastgelegd.
U kunt deze GPS-informatie later gebruiken om clips te ordenen en te zoeken met Canon XF Utility (A 153).
In de stand kunt u in het scherm [Clip Info/Clipinformatie] controleren of een clip al GPS-informatie
bevat (A 140).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de GP-E2 voor informatie over het bevestigen en configureren van
de ontvanger.
De GPS-ontvanger aansluiten
Zet de camcorder en de ontvanger uit. Sluit de ontvanger aan op het USB-aansluitpunt van de camcorder
met de USB-kabel*. Tijdens opnamen plaatst u de ontvanger in de draagtas*, die u kunt vastmaken aan
de handgreepriem van de camcorder of zelf kunt dragen.
* Wordt bij de ontvanger geleverd.
BELANGRIJK
In bepaalde landen/regio's kan het gebruik van GPS aan beperkingen onderhevig zijn. Zorg ervoor dat u de
GPS-ontvanger gebruikt in overeenstemming met de plaatselijke wetten en voorschriften in het land/de regio
waar de ontvanger gebruikt wordt. Let vooral op als u naar het buitenland reist.
Let op als u de GPS-ontvanger wilt gebruiken op plaatsen waar het gebruik van elektronische apparaten
beperkt toegestaan is.
De GPS-gegevens die worden vastgelegd in clips en foto's kunnen gegevens bevatten waarmee anderen
u kunnen vinden of identificeren. Wees voorzichtig als u opnamen met geotags wilt delen met anderen
of wanneer u dergelijke opnamen uploadt naar internet.
Laat de GPS-ontvanger niet achter in de buurt van sterke elektromagnetische velden, zoals krachtige
magneten en motoren.
De datum en tijd automatisch instellen volgens de GPS-informatie
U kunt > [
B
! System Setup/Systeeminstelling] > [GPS Auto Time/Automatische tijd via GPS]
instellen op [On/Aan] om de camcorder automatisch de instellingen voor datum en tijd te laten aanpassen
aan de informatie die wordt ontvangen via het GPS-signaal. De datum en tijd worden automatisch bijgewerkt
wanneer voor de eerste keer een correct GPS-signaal gevonden wordt nadat u de camcorder hebt
ingeschakeld.
Terwijl de automatische aanpassing van datum/tijd is geactiveerd, zijn de opties > [
B
! System
Setup/Systeeminstelling] > [Time Zone/Tijdzone] en [Date/Time/Datum/tijd] niet beschikbaar.
USB-aansluitpunt
113
GPS-informatie vastleggen (geotaggen)
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Op het statusscherm [GPS Information Display/GPS-informatieweergave] (A 205) kunt u de huidige
GPS-informatie en de sterkte van het satellietsignaal bekijken.
U kunt de optie > [
¢
% Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [Displayed Units/Weergegeven
eenheden] gebruiken om te kiezen of u afstanden op het scherm in meter of feet wilt weergeven.
De GPS-gegevens die op clips zijn opgenomen, komen overeen met de locatie aan het begin van de opname.
Plaats geen kabels die op het SDI-aansluitpunt of HDMI OUT-aansluitpunt zijn aangesloten, in de buurt van de
ontvanger. Anders kan het GPS-signaal verstoord worden.
De GPS-gegevens die op clips zijn opgenomen, komen overeen met de locatie aan het begin van de opname.
De camcorder is niet compatibel met het digitale kompas en de positie-intervalfuncties van de GPS-ontvanger.
Daarnaast is de optie [Set now/Nu instellen] niet beschikbaar voor de instelling [GPS Auto Time/Automatische
tijd via GPS].
Een opname bekijken
114
Een opname bekijken
Als u vooraf een toewijzingsknop toewijst aan [Review Recording/Opname bekijken], kunt u de vorige clip geheel
of gedeeltelijk bekijken, zelfs als de camcorder in de stand staat.
1 Stel vooraf een toewijzingsknop in voor [Review Recording/Opname bekijken] (A 119).
2 Selecteer [Review Recording/Opname bekijken] om in te stellen hoe lang u de clip kunt bekijken.
> [
B
% System Setup/Systeeminstelling] > [Review Recording/Opname bekijken]
3 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
4 Druk op de toewijzingsknop u als u klaar bent met het opnemen van een clip.
De laatst opgenomen clip wordt met de ingestelde afspeelduur afgespeeld. [
Ð
REVIEW] wordt boven in
het scherm getoond.
Terwijl de clip wordt bekeken, wordt er geen geluid uitgevoerd via de ingebouwde luidspreker. Er wordt
wel audio uitgevoerd via het ×-aansluitpunt (koptelefoon), HDMI OUT-aansluitpunt en SDI-aansluitpunt).
U kunt de joystick gebruiken om in de clip vooruit/achteruit te springen (A 137).
Druk op de CANCEL-knop als u de clip niet langer wilt bekijken en de camcorder terug wilt zetten
in de opnamestandby-stand.
Nadat de clip is afgespeeld, keert de camcorder terug naar de opnamestandby-stand.
Opties
[Entire Clip/Gehele clip]: Hiermee kunt u de gehele clip bekijken.
[Last 4 sec/Laatste 4 seconden]: Hiermee bekijkt u slechts de laatste 4 seconden van de clip.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Indien de camcorder tijdens een opname van SD-kaart gewisseld heeft, speelt de camcorder de clip af van
de kaart waarop de meest recente opname staat.
Bedieningsstanden:
115
Speciale opnamestanden
Speciale opnamestanden
De camcorder heeft de volgende speciale opnamestanden.
Opnemen in slow motion: met deze stand kunt u de beeldopnamesnelheid wijzigen om tijdens het afspelen
een slow motion-effect te creëren.
Vooropname: een paar seconden voordat u op de REC-knop drukt, begint de camcorder op te nemen.
Dit is in het bijzonder handig als het moeilijk is om te voorspellen wanneer u met opnemen moet beginnen.
Opnemen in slow motion
Als u opnemen in slow motion hebt geactiveerd, neemt de camcorder op met een progressieve beeldsnelheid
(beeldopnamesnelheid) die verschilt van de beeldsnelheid die wordt gebruikt om opnamen af te spelen.
Een clip opnemen met een hogere beeldsnelheid dan de beeldsnelheid die staat ingesteld bij de optie
[Frame Rate/Beeldsnelheid], zorgt tijdens het afspelen van de opname voor een slow motion-effect
(tot 1/5 van de oorspronkelijke snelheid).
Geluid wordt niet opgenomen wanneer opnemen in slow motion geactiveerd is. Daarnaast is de maximale
opnametijd van één enkele clip gelijk aan ongeveer 6 uur afspeeltijd.
Opnemen in slow motion is alleen beschikbaar bij XF-HEVC- of XF-AVC-clips.
Beschikbare beeldopnamesnelheden en maximale opnametijd
* Voor clips die zijn opgenomen met een beeldsnelheid van 23.98P, is de afspeelbitsnelheid 35 Mbps; voor clips die zijn
opgenomen met andere beeldsnelheden is de afspeelbitsnelheid 45 Mbps.
1 Selecteer [Recording Mode/Opnamestand].
[
3
! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Recording Mode/Opnamestand]
2 Selecteer [Slow Motion Recording/Opnemen in slow motion] en druk vervolgens op SET.
Het bericht [The following settings were changed/De volgende instellingen zijn gewijzigd] verschijnt.
Bekijk de wijzigingen die automatisch zijn doorgevoerd en druk op SET.
[SLOW STBY] verschijnt boven in het scherm.
De beeldopnamesnelheid wordt weergegeven naast de beeldsnelheidinstelling (de beeldsnelheid
voor het afspelen van opnamen).
Wanneer de beeldopnamesnelheid ingesteld is op 119.88P, wordt deze weergegeven als '120'.
3 Druk op de REC-knop om te beginnen met opnemen.
De statuslampjes gaan branden.
[SLOW STBY] verandert tijdens opnamen in [
Ü
SLOW REC].
Bedieningsstanden:
Videoconfiguratie
Beeldopnamesnelheid Geschatte maximale opnametijd voor één enkele clip
Beeldsnelheid* Resolutie/kleursampling
59.94P
1920x1080, YCbCr 4:2:2, 10 bit
119.88P
3 uur
29.97P 1 uur 30 min.
23.98P 1 uur 12 min.
50.00P
100.00P
3 uur
25.00P 1 uur 30 min.
Beeldopnamesnelheid (fps)
[Frame Rate/Beeldsnelheid]-instelling (beeldsnelheid voor afspelen)
Speciale opnamestanden
116
4 Druk nogmaals op de REC-knop wanneer u met opnemen wilt stoppen.
De clip wordt opgenomen met de geselecteerde beeldsnelheid.
De statuslampjes gaan uit en [SLOW STBY] verschijnt boven in het scherm.
5 Bent u klaar met opnemen, schakel dan de speciale opnamestand uit.
Herhaal stap 1 en 2, maar selecteer dan [Normal Recording/Normale opname].
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Opnemen in slow motion kan niet worden gebruikt in combinatie met vooropname.
De beeldopnamesnelheid kan tijdens de opname niet worden gewijzigd.
Het tijdcodesignaal wordt niet uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt, HDMI OUT-aansluitpunt of TIME CODE-
aansluitpunt.
Als de video-indeling of systeemfrequentie wordt gewijzigd, wordt opnemen in slow motion geannuleerd
en wordt de Beeldopnamesnelheid gereset naar de standaardwaarde.
Over de tijdcode wanneer opnemen in slow motion is geactiveerd:
- De tijdcode kan worden ingesteld op [Regen./Regeneratie] of op [Preset/Voorkeuze] met de werkingsmodus
[Rec Run/Lopen tijdens opnamen].
- Als de werkingsmodus van de tijdcode was ingesteld op [Free Run/Vrij lopen], zal de werkingsmodus van
de tijdcode automatisch veranderen in [Rec Run/Lopen tijdens opnamen] wanneer opnemen in slow motion
wordt ingeschakeld.
- Wanneer de speciale opnamestand wordt uitgeschakeld, keert de werkingsmodus van de tijdcode terug naar
de vorige instelling.
Vooropname
Als u de vooropname hebt geactiveerd, begint de camcorder continu op te nemen in een tijdelijk geheugen
(circa 3 seconden). Dat houdt in dat wanneer u op de REC-knop drukt, de clip ook een paar seconden video
en audio bevat die werd opgenomen voordat u de knop indrukte.
1 Selecteer [Recording Mode/Opnamestand].
> [
Æ
! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Recording Mode/Opnamestand]
2 Selecteer [Pre-Recording/Vooropname] en druk vervolgens op SET.
[PRE REC STBY] verschijnt boven in het scherm.
3 Druk op de REC-knop om te beginnen met opnemen.
De statuslampjes gaan branden.
•[PRE REC STBY] verandert in [
Ü
PRE REC] terwijl u opneemt.
4 Druk nogmaals op de REC-knop wanneer u met opnemen wilt stoppen.
De clip wordt opgenomen. De opgenomen clip bevat een paar seconden met video en audio die zijn
opgenomen voordat u op de REC-knop drukte.
De statuslampjes gaan uit en [PRE REC STBY] verschijnt boven in het scherm.
5 Bent u klaar met opnemen, schakel dan de speciale opnamestand uit.
Herhaal stap 1 en 2, maar selecteer dan [Normal Recording/Normale opname].
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Vooropname kan niet worden gebruikt in combinatie met opnemen in slow motion.
De vooropnamestand wordt geannuleerd als u de filmindeling of systeemfrequentie wijzigt.
Over de tijdcode wanneer vooropname is geactiveerd:
- De tijdcode van de clip start enkele seconden nadat u op de REC-knop hebt gedrukt.
- De tijdcode wordt opgenomen met de werkingsmodus ingesteld op [Free Run/Vrij lopen].
- Als de tijdcodemodus ingesteld is op [Regen./Regeneratie] of op [Preset/Voorkeuze] met de werkingsmodus
[Rec Run/Lopen tijdens opname], wordt de werkingsmodus van de tijdcode automatisch gewijzigd in
[Free Run/Vrij lopen] wanneer vooropname wordt geactiveerd.
- Wanneer de speciale opnamestand wordt uitgeschakeld, keert de werkingsmodus van de tijdcode terug
naar de vorige instelling.
117
Infraroodopname
Infraroodopname
U kunt de infraroodstand gebruiken om op te nemen in zeer donkere situaties met behulp van het beschikbare
infraroodlicht. U kunt ook het infraroodlicht van de camcorder gebruiken om de opnamen nog helderder te
maken en de kleur selecteren voor de lichtere gebieden in het beeld (wit of groen).
1 Zet de INFRARED-schakelaar op ON.
; en = verschijnen linksonder in het scherm.
2 Selecteer [IR Rec Color/Kleur voor infraroodopname]
als u de kleuren van de lichte gebieden in het
infraroodbeeld wilt wijzigen.
> [v(Camera Setup/Camera-instelling] >
[IR Rec Color/Kleur voor infraroodopname]
3 Selecteer [White/Wit] of [Green/Groen] en druk
vervolgens op SET.
4 Als u het infraroodlicht wilt inschakelen, selecteert
u [IR Light/Infraroodlicht].
> [v(Camera Setup/Camera-instelling] >
[IR Light/Infraroodlicht]
5 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Wanneer het infraroodlicht wordt ingeschakeld, verandert = in .
Opties
[Toggle/Omschakelen]: Hiermee kunt u de infraroodlamp aan- en uitzetten met een toewijzingsknop.
Stel vooraf een toewijzingsknop (A 119) in voor [IR Light/Infraroodlicht] en druk op
de toewijzingsknop om de infraroodlamp aan/uit te zetten.
[Always On/Altijd aan]: De infraroodlamp is altijd ingeschakeld terwijl de camcorder in de infraroodstand staat.
[Always Off/Altijd uit]: De infraroodlamp is altijd uitgeschakeld.
OPMERKINGEN
OPMERKINGEN
Wanneer infraroodopname wordt geactiveerd, gebeuren de volgende wijzigingen.
- De camcorder schakelt over naar automatische instelling van versterking en sluitertijd, het diafragma wordt
vergrendeld op de maximale diafragmaopening en het ND-filter wordt ingeklapt en kan niet worden gebruikt.
- De AGC-limiet, lichtmeting, AE-verschuiving en witbalansinstellingen kunnen niet worden gebruikt.
- Wanneer de camcorder overschakelt naar de infraroodstand, kan de autofocus tijdelijk worden ingeschakeld
en kan het scherpstelpunt worden gewijzigd. Controleer of de scherpstelling klopt.
Afhankelijk van de lichtbron werkt autofocus tijdens zoomen mogelijk niet goed.
In de infraroodstand is de sensor van de camcorder veel gevoeliger aan nabij-infraroodlicht. Richt de lens
niet op sterke licht- of warmtebronnen wanneer infraroodopname is geactiveerd. Als er in het beeld dergelijke
licht- en warmtebronnen aanwezig zijn, raden we aan dat u de lens afschermt voordat u de camcorder
overschakelt naar de infraroodstand.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [IR Rec Color/Kleur voor infraroodopname] (A 119), kunt u op deze
knop drukken om de kleur van heldere gebieden in het infraroodbeeld te wijzigen.
Bedieningsstanden:
Infraroodopname
118
4
119
Voorkeuze instellen
Toewijzingsknoppen
De camcorder biedt een aantal knoppen waaraan u diverse functies kunt toewijzen (toewijzingsknoppen).
Wijs veelgebruikte functies toe aan de knoppen die u het meest geschikt vindt om de camcorder aan uw eigen
voorkeur en behoeften aan te passen.
Op de behuizing van de camcorder vindt u 14 toewijzingsknoppen. De optionele afstandsbediening RC-V100
biedt 4 extra toewijzingsknoppen die kunnen worden gebruikt wanneer de afstandsbediening op de camcorder
is aangesloten. De knopnamen die naast toewijzingsknoppen 1 tot en met 7 op de camcorder zijn gedrukt,
geven ook hun standaardinstellingen aan.
Aan een knop een andere functie toewijzen
1 Houd de MENU-knop ingedrukt en druk op de toewijzingsknop knop waarvan u de functie wilt
wijzigen.
Er verschijnt een lijst met beschikbare functies waarbij de huidige functie die aan de knop is toegewezen,
gemarkeerd is.
U kunt de menu-instellingen ook selecteren in het menu > [ Assignable Buttons/
Toewijzingsknoppen] (pagina's ! en " voor toewijzingsknoppen 1 tot en met 14 op de camcorder;
pagina # voor de toewijzingsknoppen op de RC-V100).
Toewijzingsknoppen 8 tot en met 13 zijn niet beschikbaar in de stand .
Bedieningsstanden:
Toewijzingsknoppen
120
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om de gewenste functie te selecteren en druk vervolgens op SET.
De geselecteerde functie wordt toegewezen aan de geselecteerde knop.
Hebt u een van de voorkeuzefuncties geselecteerd, dan is de rest van de procedure niet nodig.
Als u [User Setting/Gebruikersinstelling] hebt geselecteerd, gaat u verder met de procedure om een
menu-instelling te registeren.
3 Blader door de menu's om de menu-instelling te vinden die u wilt registreren en druk vervolgens op SET.
De geselecteerde menu-instelling wordt toegewezen aan de geselecteerde knop. Door de gebruiker
geselecteerde instellingen worden aangegeven met een -pictogram in het menu [ Assignable
Buttons/Toewijzingsknoppen].
4 Druk op de toewijzingsknop om de toegewezen functie te gebruiken volgens de beschrijving
in de volgende tabel.
OPMERKINGEN
U kunt in de statusschermen [Assignable Buttons/Toewijzingsknoppen] controleren (A 199) welke functies
momenteel aan elke knop zijn toegewezen.
U kunt alleen de functies resetten die aan de toewijzingsknoppen zijn toegewezen, zonder dat andere
camcorderinstellingen gewijzigd worden, met de functie > [
B
! System Setup/Systeeminstelling]
> [Reset/Resetten] > [Assignable Buttons/Toewijzingsknoppen]. Alle toewijzingsknoppen worden gereset
naar hun standaardfunctie.
Functies die kunnen worden toegewezen
Functies kunnen afzonderlijk worden ingesteld voor de stand en voor de stand . In de volgende
tabel staat beschreven welke functies u in welke stand kunt toewijzen.
Naam van de functie Beschrijving A
[(NONE)/(Geen)] Geen functie toegewezen – de knop is uitgeschakeld. Ü Ü
[Image Stabilizer] Zet beeldstabilisatie aan/uit. Ü
85
[Powered IS] Hiermee schakelt u de beeldstabilisatie met Powered IS in/uit. Ü
[Face AF/Autofocus op gezicht]
Hiermee kunt u de instelling [Face AF/Autofocus op gezicht] wijzigen
van [Face Priority/Prioriteit voor gezicht] naar [Face Only/Alleen gezicht]
of andersom.
Ü
81
[Face Det. & Tracking/
Gezichtsdetectie en volgen]
Schakelt de functie voor gezichtsdetectie en volgen in/uit. Ü
[Tracking/Volgen] Schakelt de volgfunctie in/uit. Ü 83
[Focus Limit/
Scherpstellingslimiet]
Hiermee kunt u de scherpstellingslimiet die in het menu is ingesteld
toepassen/verwijderen.
Ü 84
[Focus Guide/Scherpstelhulp] Schakelt de functie Dual Pixel-scherpstelhulp in/uit. Ü 77
[Peaking: All/
Contourverscherping: alle]
Zet contourverscherping aan/uit. Ü
78
[Peaking: LCD/
Contourverscherping: LCD],
[Peaking: VF/
Contourverscherping: zoeker],
[Peaking: SDI/
Contourverscherping: SDI],
[Peaking: HDMI/
Contourverscherping: HDMI]
Schakelt contourverscherping in/uit voor respectievelijk het LCD-scherm,
de zoeker of video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt of HDMI
OUT-aansluitpunt.
Ü
[Magn.: All/Vergroting: alle] Zet vergroting aan/uit. Ü
78
[Magn.: VF+LCD/
Vergroting: zoeker + LCD],
[Magn.: SDI/HDMI/
Vergroting: SDI/HDMI]
Schakelt vergroting in/uit voor respectievelijk het LCD-scherm en de
zoeker (samen) of video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt
of het HDMI OUT-aansluitpunt.
Ü
121
Toewijzingsknoppen
[Digital Zoom/Digitale zoom] Zet de 300x digitale zoom aan/uit. Ü
70
[Tele-converter/Teleconverter]
Bladert door de opties voor de digitale teleconverter in deze volgorde:
6,0x 3,0x 1,5x Uit.
Ü
[Push Auto Iris/
Knop voor automatische iris]
De camcorder pas het diafragma alleen automatisch aan terwijl
de knop wordt ingedrukt.
Ü 62
[ND +], [ND –]
Bladert door ND-filterinstellingen in oplopende (hogere dichtheid)
of aflopende (lagere dichtheid) volgorde.
Ü 60
[AE Shift +/AE-verschuiving +],
[AE Shift –/AE-verschuiving –]
Past het ingestelde doel voor automatische belichtingsinstelling
aan door het respectievelijk helderder of donkerder te maken.
Ü 63
[Backlight/Tegenlicht],
[Spotlight/Schijnwerper]
Zet de bijbehorende optie voor lichtmeting aan/uit. Ü 64
[IR Rec Color/Kleur voor
infraroodopname]
Verandert de kleur van lichte gebieden in het infraroodbeeld in wit of
groen.
Ü
117
[IR Light/Infraroodlicht]
Alleen als > [v(Camera Setup/Camera-instelling] >
[IR Light/Infraroodlicht] ingesteld is op [Toggle/Omschakelen] wordt
het infraroodlicht van de camcorder in- of uitgeschakeld.
Ü
[Zebra: All/Zebra: alle] Zet zebrapatronen aan/uit. Ü
88
[Zebra: LCD],
[Zebra: VF/Zebra: zoeker],
[Zebra: SDI], [Zebra: HDMI]
Schakelt zebrapatronen in/uit voor respectievelijk het LCD-scherm,
de zoeker of video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt
of HDMI OUT-aansluitpunt.
Ü
[WFM: All/WFM: alle] Zet de golfvormmonitor aan/uit. Ü Ü
107
[WFM: LCD],
[WFM: VF/WFM: zoeker],
[WFM: SDI], [WFM: HDMI]
Schakelt de golfvormmonitor in/uit voor respectievelijk het LCD-scherm,
de zoeker of video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt of HDMI
OUT-aansluitpunt.
Ü Ü
[LUT: All/LUT: alle] Schakelt het toepassen van de geselecteerde LUT in/uit. Ü
149
[LUT: LCD], [LUT: VF/LUT: zoeker],
[LUT: SDI], [LUT: HDMI]
Schakelt het toepassen van de geselecteerde LUT in/uit voor
respectievelijk het LCD-scherm, de zoeker of video die wordt
uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt of HDMI OUT-aansluitpunt.
Ü
[Set White Balance/
Witbalans instellen]
Start de witbalanskalibratie voor een aangepaste witbalansinstelling. Ü 69
[AWB Lock/AWB-vergrendeling]
Vergrendelt de huidige witbalansinstellingen terwijl u automatische
witbalans (AWB) gebruikt.
Ü 68
[
¼
Daylight/Daglicht],
[
É
Tungsten/Kunstlicht],
[
È
Kelvin]
Verandert de witbalansstand in de desbetreffende optie. Ü 68
[LCD Setup/LCD-configuratie] Opent het menu [
¢
! Monitoring Setup/Monitorconfiguratie]. Ü Ü
30
[Viewfinder Setup/
Zoekerconfiguratie]
Opent het menu [
¢
" Monitoring Setup/Monitorconfiguratie]. Ü Ü
[OSD Output: SDI/HDMI/
Schermdisplayuitvoer: SDI/HDMI]
Schakelt de schermdisplays voor alle videosignalen in één keer in/uit.
Ü Ü 148
[OSD Output: SDI/
Schermdisplayuitvoer: SDI],
[OSD Output: HDMI/
Schermdisplayuitvoer: HDMI]
Schakelt schermdisplays van de camcorder in/uit voor video die wordt
uitgevoerd via respectievelijk het SDI-aansluitpunt of het HDMI OUT-
aansluitpunt.
[Display/Weergave] Verandert het schermdisplayniveau. Ü Ü 47
[TL-U58], [WA-U58]
Bladert door de desbetreffende opties en [Off/Uit] voor de instelling
[Conversion Lens/Conversielens].
Ü 75
[Markers/Markeringen] Zet schermmarkeringen aan/uit. Ü 87
[Color Bars/Kleurenbalken] Zet kleurenbalken aan/uit. Ü 106
[Photo/Foto]* Maakt een foto. Ü 181
Naam van de functie Beschrijving A
Toewijzingsknoppen
122
* Deze functie kan alleen worden gebruikt door deze aan een knop toe te wijzen.
[Review Recording/
Opname bekijken]
Speelt de laatste clip af die is opgenomen in de stand . Ü 114
[Time Code/Tijdcode] Opent het menu [
B
# System Setup/Systeeminstelling]. Ü 90
[Time Code Hold/
Tijdcode op pauze]*
Zet de tijdcodedisplay op pauze of hervat deze. Ü Ü 91
[Add Shot Mark/
Opnamemarkering toevoegen]
Voegt een opnamemarkering toe aan de clip. Ü Ü 109
[Add $ Mark/
Markering toevoegen]
Voegt een $-markering toe aan de clip. Ü Ü
141
[Add % Mark/Vinkje toevoegen] Voegt een %-markering toe aan de clip. Ü Ü
[Headphones +/Koptelefoon +],
[Headphones –/Koptelefoon –]
Verhoogt of verlaagt het volume van de koptelefoon. Ü Ü 138
[Monitor Channels/
Monitorkanalen]
Wisselt de uitvoer van audiokanalen van het ×-aansluitpunt
(koptelefoon) en de ingebouwde luidspreker.
Ü Ü 152
[Audio Level Indicator/
Audioniveau-indicator]
Zet de audioniveaumeter aan/uit. Ü Ü 101
[FUNC]
Opent de stand voor directe instelling en bootst de werking
van de FUNC-knop van de camcorder na.
Ü 54
[Slow Motion Recording/
Opnemen in slow motion]
Schakelt opnemen in slow motion in/uit. Ü 115
Uitvoer: 60 60 (24) fps
Wanner de beeldsnelheid 59.94P of 59.94i is, wordt de beeldsnelheid
van de video-uitvoeraansluitpunten en het LCD-scherm afgewisseld
tussen de genoemde beeldsnelheden en respectievelijk 24 fps of 30 fps.
Ü
Uitvoer: 60 60 (30) fps Ü
[Shutter/Sluiter]
Opent de stand voor directe instelling. De sluitertijdwaarde wordt
daarbij gemarkeerd en kan meteen worden aangepast.
Ü 57
[Gain/Versterking]
Opent de stand voor directe instelling. De versterkingswaarde wordt
daarbij gemarkeerd en kan meteen worden aangepast.
Ü 59
[White Balance/Witbalans]
Opent de stand voor directe instelling. De witbalansstand wordt
daarbij gemarkeerd en kan meteen worden aangepast.
Ü 67
[Status] Toont de statusschermen. Ü Ü 197
[Audio Status/Audiostatus] Toont de [Audio]-statusschermen. Ü Ü 200
[Custom Picture/
Voorkeuze-instellingen]
Opent het [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen]-submenu
dat als laatste is geopend.
Ü 123
[My Menu/Mijn menu]
Opent het aan uw eigen voorkeuren aangepaste submenu
[¥!My Menu/Mijn menu].
Ü 26
[Initialize Media/
Media initialiseren]
Opent het submenu [Initialize Media/Media initialiseren]. Ü Ü 35
[ User Setting/
Gebruikersinstelling]*
Functie die u zelf kunt toewijzen. Wijs aan de knop een menu-instelling
toe die u graag wilt registreren.
Ü Ü
Naam van de functie Beschrijving A
123
Voorkeuze-instellingen
Voorkeuze-instellingen
Met de camcorder kunt u veel instellingen aanpassen (A 126) die verschillende aspecten van het uiteindelijke
beeld beheren. Deze instellingen worden samen gezien als bestand met voorkeuze-instellingen. Nadat u de gewenste
instellingen hebt aangepast aan uw wensen, kunt u tot wel 20 bestanden met voorkeuze-instellingen opslaan
(op de camcorder of een SD-kaart) en later weer laden om exact dezelfde instellingen toe te passen (A 125).
Alleen SD-kaart B kan worden gebruikt voor het opslaan en laden van bestanden met voorkeuze-instellingen.
OPMERKINGEN
Bestanden met voorkeuze-instellingen zijn uitsluitend compatibel voor gebruik met XF705-camcorders.
Bestanden met voorkeuze-instellingen selecteren
Selecteer een bestand met voorkeuze-instellingen om de instellingen hiervan toe te passen op uw opnamen
of om het bestand te bewerken, een andere naam te geven, te beveiligen of te verzenden.
1 Selecteer [Select/Selecteren].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [File/Bestand] > [Select/Selecteren]
2 Selecteer het gewenste bestand en druk vervolgens op SET.
Selecteer een van de bestanden met voorkeuze-instellingen die op de camcorder zijn opgeslagen (C1 tot
en met C20). Wilt u de instellingen gebruiken van een bestand met voorkeuze-instellingen dat op een kaart
is opgeslagen, kopieer het bestand dan van tevoren naar de camcorder (A 125).
Wanneer u het menu sluit, worden instellingen uit het geselecteerde bestand met voorkeuze-instellingen
toegepast.
Het pictogram van de gebruikte [Gamma]-instelling wordt links in het scherm weergegeven. Als de
uitgebreide instellingen zijn geactiveerd ( > [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] >
[Activate Other Settings/Overige instellingen activeren] is ingesteld op [On/Aan]), wordt links in het
scherm weergegeven.
OPMERKINGEN
Over het wijzigen van de voorkeuze-instellingen met behulp van de optionele afstandsbediening RC-V100
- Als op de camcorder een optionele afstandsbediening RC-V100 wordt aangesloten, kunt u op
de afstandsbediening op de CUSTOM PICT.-knop drukken om het menu [/ ! Custom Picture/
Voorkeuze-instellingen] te openen.
- Als een beveiligd bestand met voorkeuze-instellingen is geselecteerd op de camcorder, kunnen
instellingen die met het beeld te maken hebben niet worden gewijzigd met de afstandsbediening.
- Als u met de afstandsbediening voorkeuze-instellingen wijzigt, worden de instellingen gewijzigd die onder
het momenteel geselecteerde bestand met voorkeuze-instellingen zijn geregistreerd. Als u een belangrijk
bestand met voorkeuze-instellingen wilt behouden, kopieert u dit eerst naar een SD-kaart of selecteert
u eerst een bestand met voorkeuze-instellingen waarvan u het niet erg vindt dat het wordt gewijzigd.
De instellingen van een bestand met voorkeuze-instellingen bewerken
1 Selecteer een bestand met voorkeuze-instellingen (A 123).
2 Schakel de kleurvoorkeuze-instellingen uit.
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [Preset/Voorkeuze] > [Off/Uit]
3 Wijzig indien nodig de gammacurve, kleurruimte en/of kleurmatrix (A 126).
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [Gamma], [Color Space/Kleurruimte],
[Color Matrix/Kleurmatrix]
Bedieningsstanden:
Voorkeuze-instellingen
124
4 Selecteer de gewenste instelling en druk vervolgens op SET.
5 Wilt u de uitgebreide instellingen van het bestand met voorkeuze-instellingen wijzigen, activeer
dan de uitgebreide instellingen van het bestand met voorkeuze-instellingen.
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [Activate Other Settings/Overige instellingen
activeren] > [On/Aan]
6 Open het submenu [Other Settings/Overige instellingen].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [Other Settings/Overige instellingen]
7 Selecteer een voorkeuze-instelling en druk vervolgens op SET.
8 Wijzig de instelling naar gewenste niveau in en druk op SET.
Raadpleeg de tabel Beschikbare voorkeuze-instellingen (A 127) voor meer informatie over de diverse
instellingen.
Herhaal stap 7 en 8 als u andere instellingen wilt wijzigen.
Wanneer u het menu sluit, worden de nieuwe voorkeuze-instellingen toegepast.
Bestanden met voorkeuze-instellingen resetten
1 Selecteer een bestand met voorkeuze-instellingen (A 123).
2 Selecteer [Reset/Resetten].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [File/Bestand] > [Reset/Resetten]
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
Bestanden met voorkeuze-instellingen een andere naam geven
1 Selecteer een bestand met voorkeuze-instellingen (A 123).
2 Selecteer [Rename/Naam wijzigen].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [File/Bestand] > [Rename/Naam wijzigen]
3 Selecteer [Input/Invoer] en druk vervolgens op SET.
Voer de gewenste bestandsnaam (maximaal 8 tekens) in met behulp van het toetsenbord op het scherm
(A 27).
Bestanden met voorkeuze-instellingen beveiligen
Door een bestand met voorkeuze-instellingen te beveiligen, wordt voorkomen dat de instellingen per ongeluk
worden gewijzigd.
1 Selecteer een bestand met voorkeuze-instellingen (A 123).
2 Selecteer [Protect/Beveiligen].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [File/Bestand] > [Protect/Beveiligen]
3 Selecteer [Protect/Beveiligen] en druk vervolgens op SET.
In het selectiescherm voor bestanden met voorkeuze-instellingen verschijnt
i
naast de bestandsnaam.
Als u een beveiliging wilt verwijderen, selecteert u [Unprotect/Beveiliging opheffen].
125
Voorkeuze-instellingen
Bestanden met voorkeuze-instellingen kopiëren
U kunt bestanden met voorkeuze-instellingen kopiëren van de camcorder naar SD-kaart B en andersom.
Een bestand kopiëren vanuit de camcorder naar SD-kaart B
1 Plaats een kaart in SD-kaartsleuf B van de camcorder.
2 Selecteer een bestand met voorkeuze-instellingen (A 123).
3 Selecteer [Copy to SD Card B/Naar SD-kaart B kopiëren].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [File/Bestand] > [Copy to SD Card B/
Naar SD-kaart B kopiëren]
4 Selecteer het doelbestand en druk vervolgens op SET.
Selecteer een bestaand bestand met voorkeuze-instellingen om het te overschrijven of selecteer [New File/
Nieuw bestand] om de instellingen als nieuw bestand met voorkeuze-instellingen op te slaan op de kaart.
5 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
Het bestand op de SD-kaart B wordt overschreven of er wordt een nieuw bestand op de kaart gemaakt.
6 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
Een bestand in de camcorder vervangen door een bestand op SD-kaart B
1 Plaats de kaart met het gewenste bestand met voorkeuze-instellingen in SD-kaartsleuf B van de camcorder.
2 Selecteer een onbeveiligd bestand met voorkeuze-instellingen dat u wilt vervangen (A 123).
3 Selecteer [Load from SD Card B/Laden vanaf SD-kaart B].
> [/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > [File/Bestand] > [Load from SD Card B/
Laden vanaf SD-kaart B]
4 Selecteer het bestand met de instellingen die u wilt kopiëren en druk vervolgens op SET.
5 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
Het bestand in de camcorder wordt overschreven door het bestand op SD-kaart B.
6 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
Het bestand met voorkeuze-instellingen in XF-HEVC- of XF-AVC-clips insluiten
Wijzig eerst de diverse instellingen. Vervolgens kunt u het gebruikte bestand met voorkeuze-instellingen samen
met de metadata van XF-HEVC- of XF-AVC-clips opnemen. Wanneer een bestand met voorkeuze-instellingen is
ingesloten in een XF-HEVC- of XF-AVC-clip, kunt u de instellingen die tijdens de opname zijn gebruikt bekijken
op het scherm [Clip Info/Clipinformatie] (A 140).
1 Selecteer [Add / File/Bestand toevoegen].
> [3 " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [Add / File/
Bestand toevoegen]
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
Wanneer u [Off/Uit] selecteert, wordt het bestand met voorkeuze-instellingen niet in de clips opgenomen.
Voorkeuze-instellingen
126
Beschikbare voorkeuze-instellingen
[/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen]-menu
Menuopdrachten Instelopties en overige informatie
[Preset/Voorkeuze] Voor XF-HEVC-clips:
[Normal1 : BT.709], [Normal1 : BT.2020], [Wide DR : BT.709], [Wide DR : BT.2020],
[PQ : BT.2020], [HLG : BT.2020], [Canon Log 3 : BT.2020], [Canon Log 3 : BT.709], [Off/Uit]
Voor XF-AVC- en XF-MP4-clips:
[Normal1 : BT.709], [Wide DR : BT.709], [Canon Log 3 : BT.709], [Off/Uit]
De camcorder biedt een aantal voorkeuze-instellingen voor kleur (combinaties van kleurruimte,
gammacurve en kleurmatrix). Raadpleeg Kleurvoorkeuze-instellingen (
A
65) voor meer informatie.
[Off/Uit]: selecteer deze instelling als u een andere combinatie voorkeuze-instellingen wilt instellen
met de afzonderlijke voorkeuze-instellingen die hieronder worden beschreven.
[Gamma] [Normal 1 (Standard)/Normaal 1 (standaard)], [Normal 2 (x4.0)/Normaal 2 (x4,0)],
[Normal 3 (BT.709)/Normaal 3 (BT.709)], [Normal 4 (x5.0)/Normaal 4 (x5,0)], [Wide DR/
Breed dynamisch bereik], [PQ]*, [HLG]*, [Canon Log 3]
* Alleen beschikbaar voor XF-HEVC-clips.
Verandert de algehele impressie van het beeld.
[Normal 1 (Standard)/Normaal 1 (standaard)]: standaardbeeld om af te spelen op tv-schermen.
[Normal 2 (x4.0)/Normaal 2 (x4,0)]: instelling die geschikt is om af te spelen op tv-schermen.
Levert helderdere lichte gebieden (highlights van het beeld) op dan de instelling [Normal 1
(Standard)/Normaal 1 (standaard)].
[Normal 3 (BT.709)/Normaal 3 (BT.709)]: instelling die geschikt is om af te spelen op tv-schermen.
Levert een natuurgetrouwere gradatie van zwarttinten op in de donkere gebieden (donkere
partijen van het beeld) dan de instelling [Normal 2 (x4.0)/Normaal 2 (x4,0)].
[Normal 4 (x5.0)/Normaal 4 (x5,0)]: instelling die geschikt is om af te spelen op tv-schermen.
Levert een nog betere gradatie van zwarttinten op in de donkere gebieden (donkere partijen van
het beeld) dan de instelling [Normal 3 (BT.709)/Normaal 3 (BT.709)].
[Wide DR/Breed dynamisch bereik]: gammacurve met een zeer breed dynamisch bereik.
Geoptimaliseerd om af te spelen op tv-schermen.
[PQ]: HDR-gammacurve (hoog dynamisch bereik) die voldoet aan de PQ-standaard,
zoals gedefinieerd door ITU-R BT.2100.
[HLG]: HDR-gammacurve (hoog dynamisch bereik) die voldoet aan de HLG-standaard,
zoals gedefinieerd door ITU-R BT.2100.
[Canon Log 3]: logaritmische gammacurve die veronderstelt dat het beeld in postproductie
zal worden verwerkt.
[Color Space/Kleurruimte] [BT.2020 Gamut], [BT.709 Gamut]
Bepaalt alleen voor XF-HEVC-clips de kleurruimte van het beeld.
[BT.2020 Gamut]: kleurruimte die voldoet aan de ITU-R BT.2020-standaarden, waarin parameters
zijn gedefinieerd voor UHD-tv's (4K/8K).
[BT.709 Gamut]: standaard kleurruimte die compatibel is met sRGB-specificaties.
[Color Matrix/Kleurmatrix] [Video], [Neutral/Neutraal]
De kleurmatrix is van invloed op de algehele kleurtonen van het beeld.
[Video]: reproduceert de kleuren van een EOS C300/EOS C500-camera zonder dat er voorkeuze-
instellingen zijn toegepast.
[Neutral/Neutraal]: reproduceert neutrale kleuren.
Normal 4
Normal 2/3/4
Normal 3
Normal 1/2
Normal 1
Invoer
Uitvoer
Normal1
Wide DR
Canon Log 3
Invoer
Uitvoer
PQ
HLG
Wide DR
Normal1
Invoer
Uitvoer
127
Voorkeuze-instellingen
[/ ! Custom Picture/Voorkeuze-instellingen] > submenu [Other Settings/Overige instellingen]
(uitgebreide instellingen)
[HLG Color/Kleur HLG] [BT.2100], [Vivid/Levendig]
Verandert de kwaliteit van de kleurweergave wanneer u het hybride logaritmische gamma (HLG)
gebruikt. Deze instelling is alleen beschikbaar wanneer [Gamma] ingesteld is op [HLG].
[BT.2100]: kleurweergave volgens de specificaties van ITU-R BT.2100.
[Vivid/Levendig]: meer verzadigde kleurwaargave volgens de 'Traditionele kleur'-benadering
in ITU-R BT.2390.
[Activate Other Settings/
Overige instellingen activeren]
[On/Aan], [Off/Uit]
Zet deze instelling op [On/Aan] als u de uitgebreide instellingen van het bestand met voorkeuze-
instellingen wilt kunnen bewerken. De uitgebreide instellingen worden in de volgende tabel uitgelegd.
Menuopdrachten Instelopties en overige informatie
[Black/Zwart]*
[Master Pedestal] –50 tot 50 (±0)
Vergroot of verkleint het zwartingsniveau. Hogere instellingen maken donkere gebieden helderder
maar verminderen het contrast. Deze instelling is niet beschikbaar wanneer [Gamma] ingesteld
is op [Canon Log 3].
[Master Black Red/
Master Black - rood],
[Master Black Blue/
Master Black - blauw]
–50 tot 50 (±0)
Deze instellingen corrigeren de kleurzweem in zwarte tonen. Deze instellingen zijn niet beschikbaar
wanneer [Gamma] ingesteld is op [Canon Log 3].
[Black Gamma]*
[Level/Niveau] –50 tot 50 (±0)
[Range/Bereik], [Point/Punt] –20 tot 50 (±0)
Deze instellingen regelen het onderste gedeelte van de gammacurve (donkere gebieden
van het beeld). Deze instellingen zijn niet beschikbaar wanneer [Gamma] ingesteld is op
[Wide DR/Breed dynamisch bereik], [PQ], [HLG] of [Canon Log 3].
[Level/Niveau]: verhoogt of verlaagt het onderste gedeelte van de gammacurve.
[Range/Bereik]: selecteert het aanpassingsbereik vanaf het geselecteerde [Point/Punt].
[Point/Punt]: bepaalt de vorm van het onderste gedeelte van de gammacurve.
[Low Key Satur./
Kleurverzadiging donkere gebieden]*
[Activate/Activeren] [On/Aan], [Off/Uit]
Zet deze instelling op [On/Aan] om de kleurverzadiging in donkere gebieden te kunnen aanpassen
met de instelling [Level/Niveau].
[Level/Niveau] –50 tot 50 (±0)
Bepaalt hoe verzadigde kleuren zijn in donkere gebieden.
Menuopdrachten Instelopties en overige informatie
Invoer
Uitvoer
[Point/Punt]
[Range/
Bereik]
[Level/
Niveau]
Voorkeuze-instellingen
128
[Knee]*
[Activate/Activeren] [On/Aan], [Off/Uit]
Zet deze instelling op [On/Aan] om het knee-punt te kunnen aanpassen met de volgende instellingen.
De [Knee]-instellingen zijn niet beschikbaar wanneer [Gamma] ingesteld is op [Wide DR/
Breed dynamisch bereik], [PQ], [HLG] of [Canon Log 3].
[Automatic/Automatisch] [On/Aan], [Off/Uit]
Zet deze instelling op [On/Aan] als u de [Knee]-instellingen wilt laten aanpassen.
[Slope/Helling] –35 tot 50 (±0)
[Point/Punt] 50 tot en met 109 (95)
[Saturation/Verzadiging] –10 tot 10 (±0)
Deze instellingen regelen het bovenste gedeelte van de gammacurve (lichte gebieden van het beeld).
Door de lichte gebieden te comprimeren, kunt u voorkomen dat gedeelten van het beeld overbelicht
worden.
[Slope/Helling]: bepaalt de helling van de gammacurve boven het knee-punt.
[Point/Punt]: stelt het knee-punt van de gammacurve in.
[Saturation/Verzadiging]: past de kleurverzadiging aan van lichte gebieden.
[Sharpness/Scherpte]*
[Level/Niveau] –10 tot 50 (±0)
Stelt het scherpteniveau van het video-uitvoersignaal en het opgenomen signaal in.
[Detail Frequency/Frequentie detail] –8 tot 8 (±0)
Stelt de middenfrequentie van horizontale scherpte in. Instelling van een hogere waarde verhoogt
de frequentie, die op haar beurt de scherpte vergroot.
[Coring Level/Coring-niveau] –30 tot 50 (±0)
Stelt het niveau van correctie in voor ruis die wordt veroorzaakt door hoge scherpteniveaus (coring).
Hogere waarden voorkomen dat scherpte wordt toegepast op uiterst kleine details, wat resulteert
in minder ruis.
[HV Detail Bal./Verhouding
horizontaal/verticaal detail]:
–8 tot 8 (±0)
Stelt de verhouding in tussen horizontaal en verticaal detail. Hogere waarden benadrukken
het verticale detail terwijl lagere waarden het horizontale detail benadrukken.
[Limit/Limiet] –50 tot 50 (±0)
Beperkt hoeveel scherpte wordt toegepast.
Menuopdrachten Instelopties en overige informatie
Invoer
UitvoerUitvoer
Invoer
[Slope/Helling]
[Point/Punt]
129
Voorkeuze-instellingen
[Noise Reduction/Ruisreductie]*
[Level/Niveau] [Automatic/Automatisch], 1 (laagste niveau) tot 12 (hoogste niveau), [Off/Uit]
Reduceert de hoeveelheid ruis die in het beeld verschijnt.
[Skin Detail/Huiddetail]*
[Effect Level/Effectniveau] [High/Hoog], [Middle/Middel], [Low/Laag], [Off/Uit]
[Hue/Tint] –16 tot 16 (±0)
[Chroma/Kleurverzadiging],
[Area/Gebied], [Y Level/Y-niveau]
0 tot en met 31 (16)
De camcorder past een verzachtend filter toe op gebieden in het beeld met huidtinten, om onderwerpen
een aangenamer voorkomen te geven. Door deze instellingen te wijzigen, kunt u bepalen welke gebieden
als huidtinten zullen worden waargenomen. Er worden op het scherm zebrapatronen weergegeven
op gebieden van het beeld waarvan is waargenomen dat ze huidtinten bevatten.
[Effect Level/Effectniveau]: stelt het niveau van het filter in.
[Hue/Tint]: stelt de kleurschakering in voor het waarnemen van huidtinten.
[Chroma/Kleurverzadiging]: stelt de kleurverzadiging in voor het waarnemen van huidtinten.
[Area/Gebied]: stelt het kleurbereik in voor het waarnemen van huidtinten.
[Y Level/Y-niveau]: stelt de helderheid in voor het waarnemen van huidtinten.
[White Balance/Witbalans]*
[R Gain/Versterking R],
[B Gain/Versterking B]
–50 tot 50 (±0)
Deze instellingen passen de hoeveelheid witbalans in het hele beeld aan door de intensiteit
van roodtinten ([R Gain/Versterking R]) en blauwtinten ([B Gain/Versterking B]) aan te passen.
[Color Matrix Tuning/Verfijning van kleurmatrix]*
[Gain/Versterking] –50 tot 50 (±0)
[Phase/Fase] –18 tot 18 (±0)
Deze instellingen passen de kleurintensiteit ([Gain/Versterking]) en kleurfase ([Phase/Fase])
van de kleurmatrix aan, waardoor de kleurtonen van het hele beeld worden gewijzigd.
[R-G], [R-B], [G-R], [G-B],
[B-R], [B-G]
–50 tot 50 (±0)
Elke matrix verandert de tint van het beeld volgens de hieronder beschreven kleurgradaties,
waardoor de kleurtonen van het hele beeld worden gewijzigd.
[R-G]: cyaan/groen en rood/magenta; [R-B]: cyaan/blauw en rood/geel;
[G-R]: magenta/rood en groen/cyaan; [G-B]: magenta/blauw en groen/geel;
[B-R]: geel/rood en blauw/cyaan; [B-G]: geel/groen en blauw/magenta.
[Color Correction/Kleurcorrectie]*
[Select Area/Gebied selecteren] [Area A&B/Gebied A en B], [Area B/Gebied B], [Area A/Gebied A], [Off/Uit]
De camcorder neemt gebieden met bepaalde kleurkenmerken waar (kleurfase, kleurverzadiging,
gebied en Y-niveau) en corrigeert deze tijdens het opnemen. U kunt de kleurcorrectie voor maximaal
twee verschillende gebieden (A en B) instellen en de kleurcorrectie toepassen op één gebied ([Area A/
Gebied A] of [Area B/Gebied B]) of op allebei ([Area A&B/Gebied A en B]). Terwijl kleurcorrectie
geactiveerd is, wordt op het scherm een zebrapatroon weergegeven op gebieden van het beeld
waarvan is waargenomen dat ze de kenmerken hebben die zijn opgegeven voor gebied A of gebied B.
[Area A Setting Phase/
Instelling gebied A - fase],
[Area B Setting Phase/
Instelling gebied B - fase],
0 tot en met 31 (0)
Deze instellingen bepalen de kleurfase van het gebied dat moet worden gecorrigeerd
(respectievelijk A of B).
Menuopdrachten Instelopties en overige informatie
Voorkeuze-instellingen
130
* Instellingen zijn niet beschikbaar wanneer Infraroodopname geactiveerd is.
OPMERKINGEN
Als bewerking van de uitgebreide instellingen van het bestand met voorkeuze-instellingen ingeschakeld is
( > [/ ! Custom Picture/Voorkeuze] > [Activate Other Settings/Overige instellingen activeren]
is ingesteld op [On/Aan]) en een optionele afstandsbediening RC-V100 wordt aangesloten op de camcorder,
kunnen de volgende voorkeuze-instellingen worden gewijzigd met behulp van de knoppen en regelaars op
de afstandsbediening.
- [Other Settings/Overige instellingen] > [Black/Zwart] > [Master Pedestal], [Master Black Red/
Master Black - rood], [Master Black Blue/Master Black - blauw]
- [Other Settings/Overige instellingen] > [Black Gamma] > [Level/Niveau]
- [Other Settings/Overige instellingen] > [Knee] > [Automatic/Automatisch], [Slope/Helling], [Point/Punt]
(alleen wanneer [Knee] > [Activate/Activeren] ingesteld is op [On/Aan])
- [Other Settings/Overige instellingen] > [Sharpness/Scherpte] > [Level/Niveau]
- [Other Settings/Overige instellingen] > [White Balance/Witbalans] > [R Gain/Versterking R],
[B Gain/Versterking B]
[Area A Setting Chroma/Instelling
gebied A - kleurverzadiging],
[Area A Setting Area/
Instelling gebied A - gebied],
[Area A Setting Y Level/
Instelling gebied A - Y-niveau],
[Area B Setting Chroma/
Instelling gebied B - kleurverzadiging],
[Area B Setting Area/
Instelling gebied B - gebied],
[Area B Setting Y Level/
Instelling gebied B - Y-niveau],
0 tot en met 31 (16)
Deze instellingen bepalen de volgende kleurkenmerken van het gebied dat moet worden
gecorrigeerd (respectievelijk A of B).
[Area A Setting Chroma/Instelling gebied A - kleurverzadiging], [Area B Setting Chroma/Instelling
gebied B - kleurverzadiging]: kleurverzadiging.
[Area A Setting Area/Instelling gebied A - gebied], [Area B Setting Chroma/Instelling gebied B - gebied]:
kleurbereik.
[Area A Setting Y Level/Instelling gebied A - Y-niveau], [Area B Setting Y Level/Instelling gebied B -
Y-niveau]: helderheid.
[Area A Revision Level/
Correctieniveau gebied A],
[Area B Revision Level/
Correctieniveau gebied B]
–50 tot 50 (±0)
Deze instellingen passen de hoeveelheid correctie aan die wordt toegepast op de kleurverzadiging
in het gecorrigeerde gebied (respectievelijk A of B).
[Area A Revision Fase/
Correctie fase gebied A],
[Area B Revision Fase/
Correctie fase gebied B],
–18 tot 18 (±0)
Deze instellingen passen de hoeveelheid correctie aan die wordt toegepast op de kleurfase
in het gecorrigeerde gebied (respectievelijk A of B).
[Other Functions/Overige functies]*
[Over 100%/Meer dan 100%] [Through/Door], [Press/Comprimeren], [Clip/Afknotten]
Bepaalt hoe de camcorder omgaat met videosignalen die 100% overschrijden. Deze instelling
is niet beschikbaar wanneer [Gamma] ingesteld is op [PG], [HLG] of [Canon Log 3].
[Through/Door]: het signaal wordt niet gewijzigd.
[Clip/Afknotten]: het signaal wordt afgeknot op 100%.
[Press/Comprimeren]: comprimeer een signaal van maximaal 108% tot niveaus van 100%.
Menuopdrachten Instelopties en overige informatie
131
Camcorderinstellingen opslaan en laden
Camcorderinstellingen opslaan en laden
Nadat u instellingen in de verschillende menu's hebt aangepast, kunt u deze instellingen opslaan op
de camcorder of op een SD-kaart. Alleen SD-kaart B kan worden gebruikt voor het opslaan en laden
van bestanden met camcorderinstellingen. U kunt die instellingen dan op een later tijdstip weer laden
of op een andere XF705-camcorder laden, zodat u die camcorder op dezelfde wijze kunt gebruiken.
Camcorderinstellingen opslaan
1 Wilt u de instellingen van de camcorder opslaan op een SD-kaart, plaats dan een kaart
in SD-kaartsleuf B van de camcorder.
2 Selecteer [Save/Opslaan].
[
B
! System Setup/Systeeminstelling] > [Transfer Menu/Overdrachtsmenu/
/
] > [Save/Opslaan]
3 Selecteer [To Camera/Naar camera] of [To SD Card B/Naar SD-kaart B] en druk vervolgens op SET.
4 Selecteer [OK] en druk op SET.
De menu-instellingen van de camcorder worden op de geselecteerde bestemming opgeslagen.
Als er eerder menu-instellingen zijn opgeslagen, wordt het oude bestand overgeschreven door
de huidige menu-instellingen.
5 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
Camcorderinstellingen laden
1 Wilt u menu-instellingen van een kaart laden, plaats dan de kaart met daarop het gewenste bestand
met camcorderinstellingen in SD-kaartsleuf B van de camcorder.
2 Selecteer [Load/Laden].
[
B
! System Setup/Systeeminstelling] > [Transfer Menu/Overdrachtsmenu/
/
] > [Load/Laden]
3 Selecteer [From Camera/Vanaf camera] of [From SD Card B/Vanaf SD-kaart B] en druk vervolgens
op SET.
4 Selecteer [OK] en druk op SET.
De menu-instellingen van de camcorder worden vervangen door de instellingen die op de geselecteerde
bron zijn opgeslagen. Vervolgens wordt het scherm korte tijd zwart en wordt de camcorder opnieuw
opgestart.
OPMERKINGEN
De volgende menu-instellingen en eventuele wachtwoorden die door de gebruiker zijn ingesteld, worden
niet opgeslagen met deze bewerking.
- > [v ' Camera Setup/Camera-instelling] > [Color Bars/Kleurenbalken]
- > [3 " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [User Memo/
Gebruikersmemo]
- > [A ! Assistance Functions/Hulpfuncties] > [Magn.: VF+LCD/Vergroting zoeker + LCD]
en [Magn.: SDI/HDMI/Vergroting: SDI/HDMI]
- > [
7
! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Network Functions/Netwerkfuncties]
- Versleutelingscodes/wachtwoorden onder > [
7
! Network Settings/Netwerkinstellingen] >
[Connection Settings/Verbindingsinstellingen]
Bedieningsstanden:
Camcorderinstellingen opslaan en laden
132
- Wachtwoorden van Browser Remote onder > [
7
! Network Settings/Netwerkinstellingen] >
[Browser Remote Settings/Instellingen van Browser Remote] > [Full: Password/Volledig: wachtwoord],
[Camera: Password/Camera: wachtwoord] en [Meta: Password/Meta: wachtwoord]
- De wachtwoorden onder
>
[
7
!
Network Settings/Netwerkinstellingen]
>
[FTP Transfer Settings/
FTP-overdrachtsinstellingen]
>
[FTP: Password/FTP: wachtwoord]
Wanneer u menu-instellingen laadt met deze bewerking, worden zelfs beveiligde bestanden met voorkeuze-
instellingen in de camcorder vervangen.
Bestanden met camcorderinstellingen zijn uitsluitend compatibel voor gebruik met XF705-camcorders.
5
133
Afspelen
Afspelen
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u opnamen afspeelt met de camcorder. Raadpleeg De camcorder
aansluiten op een extern scherm (A 147) voor informatie over hoe u opnamen afspeelt op een externe monitor.
Clipindexscherm
Wanneer u de camcorder instelt op de stand , verschijnt
een indexscherm. Vanuit het indexscherm kunt u de verschillende
afspeelfuncties openen.
Als de geselecteerde SD-kaart clips bevat die zijn opgenomen
met een systeemfrequentie die anders is dan de systeemfrequentie
die momenteel door de camcorder wordt gebruikt, kunt u de
clips niet afspelen. Pas in dat geval de systeemfrequentie van
de camcorder aan (A 51) zodat deze overeenkomt met de
opnamen op de kaart.
Zet de camcorder in de stand (A 22).
Het clipindexscherm verschijnt. Welk indexscherm verschijnt, hangt af van de momenteel geselecteerde
opname-indeling. U kunt het indexscherm echter wijzigen (A 135).
Bedieningsstanden:
Afspelen
134
1
Alleen XF-HEVC- of XF-AVC-clips.
2
Voor XF-HEVC- of XF-AVC-clips die zijn opgenomen in slow motion, worden zowel de beeldopnamesnelheid als de
beeldafspeelsnelheid getoond.
Van SD-kaart wisselen
Als beide kaartsleuven een kaart bevatten kunt u op de
SLOT SELECT-knop drukken om opnamen van de andere
kaart af te spelen.
8 109
14
15
4
5
1
7
12
13
6
3
2
1716 18
11
1 Toetsenvergrendeling (A 43)
2 Opnamemarkering
1
(A 109, 143)
3 $-markering
1
/vinkje %
1
(A 109, 141)
4 Oranje selectiekader
5 Ingesloten bestand met voorkeuze-instellingen
1
(A 125)
6
XF-HEVC- of XF-AVC-clips: clipidentificatie
(camera-index, rolnummer en clipnummer) (
A
48)
MP4-clips of foto's: opnamenummer (A 49)
7 Datum en tijd van opname
8 Clipminiatuur
9 SD-kaart (de momenteel geselecteerde kaart
wordt in het wit weergegeven)
10 Momenteel weergegeven indexscherm (A 135)
11 Netwerkverbinding (A 162) /
FTP-overdracht (A 179)
12 Clipnummer/totaal aantal clips
13 Opnamedatum (alleen de maand en de dag)
en -tijd
14 Starttijdcode van de clip
15 Clipduur
16 Opnemen in slow motion
1
(A 115)
17 Kleursampling en resolutie (A 52)
18 Beeldsnelheid
2
(A 51)
135
Afspelen
Van indexscherm wisselen
Welk indexscherm verschijnt wanneer u overschakelt naar de stand
, hangt af van de huidige opname-instellingen. Wijzig het
indexscherm om clips die in een andere indeling zijn opgenomen
of foto's te bekijken.
[XF-HEVC Index/XF-HEVC-index]:
Indexscherm van XF-HEVC-clips die op de geselecteerde
kaart zijn opgenomen.
[XF-AVC Index/XF-AVC-index]:
Indexscherm van XF-AVC-clips die op de geselecteerde kaart
zijn opgenomen.
[MP4 Index/MP4-index]:
Indexscherm van MP4-clips die op de geselecteerde kaart
zijn opgenomen.
[Photo Index/Foto-index]:
indexscherm van foto's die zijn vastgelegd op SD-kaart B (alleen deze kaart is mogelijk voor foto's).
1 Druk op de INDEX-knop.
Het indexschermselectiemenu verschijnt.
2 Selecteer het gewenste indexscherm en druk vervolgens op SET.
Het geselecteerde indexscherm verschijnt.
Selecteer [Cancel/Annuleren] als u de procedure wilt annuleren.
Clips afspelen
Nadat u vanuit het indexscherm een clip selecteert om af te spelen,
kunt u het afspelen regelen met de knoppen op de camcorder of
met de joystick en de joystickaanduiding op het scherm (A 137).
U kunt ook de bijgeleverde wireless afstandsbediening gebruiken.
1 Verplaats het oranje selectiekader naar de clip die u wilt
afspelen.
2 Druk op de
Ò
-knop om met afspelen te beginnen.
Het afspelen begint.
Druk nogmaals op de
Ò
-knop of druk op SET om het
afspelen te onderbreken/hervatten.
Wanneer de geselecteerde clip is afgelopen, wordt automatisch
de volgende clip afgespeeld. Als de laatste clip in het
indexscherm is afgelopen, wordt het afspelen onderbroken.
Druk op de
Ñ
-knop als u wilt stoppen met afspelen en terug
wilt keren naar het indexscherm.
BELANGRIJK
Neem de onderstaande voorschriften in acht wanneer een statusindicator rood brandt. Als u dat niet doet,
kunt u uw gegevens voorgoed kwijtraken.
- Verwijder de voeding niet en zet de camcorder niet uit.
- Open het afdekplaatje van de actieve kaart niet en verwijder de kaart niet.
OPMERKINGEN
Mogelijk doen zich tijdens het afspelen van video of audio korte onderbrekingen voor.
Afspelen
136
Afhankelijk van de clip kan de camcorder sommige instellingen intern aanpassen om een duidelijker beeld
weer te geven op het LCD-scherm en de zoeker.
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen wordt ingesteld op een instelling
anders dan [Canon Log 3], zal de camcorder een beeld produceren dat bij benadering laat zien hoe video
eruitziet op een goed geconfigureerde compatibele monitor.
- Wanneer de instelling [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen wordt ingesteld op [Canon Log 3],
zal de camcorder kleuren produceren die het uiterlijk van de kleurruimte BT.709 benaderen, ongeacht welke
kleurruimte is gebruikt voor opname.
Schermdisplays
1
Voor XF-HEVC- of XF-AVC-clips die zijn opgenomen in slow motion, worden zowel de beeldopnamesnelheid als de
beeldafspeelsnelheid getoond.
2
Alleen XF-HEVC- of XF-AVC-clips.
3
Alleen als > [
¢
$ Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [Custom Display/Aangepaste weergave] >
[Audio Level Indicator/Audioniveau-indicator] ingesteld is op [On/Aan].
4
Alleen XF-HEVC- of XF-AVC-clips wanneer > [
¢
$ Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [Custom Display/
Aangepaste weergave] > [Camera Data/Cameragegevens] ingesteld is op [On/Aan].
5
Alleen als > [
¢
$ Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [Custom Display/Aangepaste weergave] >
[Date/Time/Datum/tijd] ingesteld is op [On/Aan].
65 7 8
252322 24 26
12119 10
19
20
3
4
1
2
17
18
16
13
14
15
21
1 Toetsenvergrendeling (A 43)
2 Ventilatorbediening (A 50) en
temperatuurwaarschuwing (A 208)
3 Joystickaanduiding (A 137)
4 Instelling van interval voor verspringen (A 137)
5 Resterende acculading (A 45)
6Netwerkverbinding (A 162) /
FTP-overdracht (A 179)
7 SD-kaart
8 Afspeelmethode
9 Beeldsnelheid
1
(A 51)
10 Ingesloten bestand met voorkeuze-instellingen
2
(A 125)
11 $-markering
2
/vinkje %
2
(A 109, 141)
12 Tijdcode (A 90)
13 Clipnummer/totaal aantal clips
14 Kleursampling (A 52)
15 Resolutie (A 52)
16 Video-indeling (A 51)
17 Output voor schermdisplays (A 148)
18 Wireless afstandsbediening uitgeschakeld (A 38)
19 Audioniveaumeter
3
20 Audio-uitgangskanalen (A 152)
21 Koptelefoonvolume (A 138)
22 Sluitertijd
4
(A 55)
23 Versterking
4
(A 58)
24 Diafragmawaarde
4
(A 61)
25 Gebruikersbit (A 93)
26 XF-HEVC- of XF-AVC-clips: opnamedatum
en -tijd
5
, MP4-clips: opnamedatum
5
Ð
PLAY Afspelen
Ý
PAUSE Afspelen onderbreken
Ô
/
Ó
Beeldje achteruit/beeldje vooruit
F FWD x5
×
Versneld afspelen
Ø
F REV x5 Versneld achteruit afspelen
30s
×
,
10%
×
Spring 30 seconden of 10% van
de clip vooruit
Ø
10s,
Ø
10%
Spring 10 seconden of 10% van
de clip achteruit
137
Afspelen
Afspeelknoppen
Als u een clip afspeelt, gebruikt u de knoppen op de camcorder,
de joystick en joystickaanduiding of de bijgeleverde wireless
afstandsbediening. U kunt op de DISP-knop drukken om de
joystickaanduiding te tonen/verbergen. Raadpleeg de
volgende tabel.
Beschikbare afspeeltypen
OPMERKINGEN
Tijdens het afspelen van de afspeeltypen die in de vorige tabel vermeld worden, wordt geen audio afgespeeld.
U kunt tijdens het versneld afspelen op de Ò-knop drukken om terug te keren naar de normale
afspeelsnelheid.
Tijdens sommige afspeelstanden ziet u in het afspeelbeeld mogelijk videoafwijkingen (blokken, strepen,
enzovoort).
Op het scherm wordt bij benadering de snelheid getoond.
De hoeveelheid tijd die overeenkomt met één beeld vooruit springen is langer dan één beeld achteruit springen
en hangt van de gebruikte video-indeling: circa 0,5 seconde voor XF-AVC- of MP4-clips en 1 seconde voor
XF-HEVC-clips.
Afspeeltype Bediening
Versneld afspelen
Afspelen met circa 5x de normale
snelheid.
Knoppen: druk op de Ø-knop of de ×-knop.
Wireless afstandsbediening: druk op de Ø-knop of de ×-knop.
Beeldje voor beeldje vooruit/
achteruit
Joystick: duw als het afspelen onderbroken is de joystick omhoog of omlaag.
Wireless afstandsbediening: druk terwijl het afspelen onderbroken is op de Ô-knop of de Ó-knop.
Vooruit/achteruit springen in de clip
Joystick: duw tijdens het afspelen de joystick omhoog of omlaag.
U kunt op de FUNC-knop drukken om de interval voor verspringing te in te stellen op [sec] om 30 seconden
vooruit/10 seconden achteruit te springen of op [%] om 10% van de clip te verspringen.
Naar het begin van de volgende
clip springen
Knoppen: druk op de Ù-knop.
Joystick: duw de joystick naar rechts.
Wireless afstandsbediening: druk op de ß-knop.
Naar het begin van de huidige
clip springen
Knoppen: druk op de Ú-knop.
Joystick: duw de joystick naar links.
Wireless afstandsbediening: druk op de à-knop.
Naar de vorige clip springen
Knoppen: druk tweemaal op de Ú-knop.
Joystick: duw de joystick tweemaal naar links.
Wireless afstandsbediening: druk tweemaal op de à-knop.
Terugkeren naar normale
afspeelstand
Knoppen: druk op de Ò-knop.
Joystick: druk op de joystick zelf (SET-knop).
Wireless afstandsbediening: druk op de Ò-knop.
Afspelen
138
Het volume aanpassen
U kunt een koptelefoon of de ingebouwde luidspreker gebruiken
om tijdens normaal afspelen de audio te beluisteren. Als u een
koptelefoon aansluit op het ×-aansluitpunt (koptelefoon),
wordt geluid uit de ingebouwde luidspreker volledig gedempt.
Het audiosignaal wordt ook uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt
en het HDMI OUT-aansluitpunt.
Het volume kunt u aanpassen met de optie >
[
¡
! Audio Setup/Audioconfiguratie] > [Headphone Volume/
Vol. Koptelef.] of [Speaker Volume/Luidsprekervol.]*.
Het audiosignaal wordt ook uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt
en het HDMI OUT-aansluitpunt.
* Alleen beschikbaar in de stand .
OPMERKINGEN
Raadpleeg Audio uitvoeren (A 152) voor meer informatie
over selectie van een ander audiokanaal.
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Headphones +/Koptelefoon +] of [Headphones –/Koptelefoon –]
(A 119), kunt u op deze knop drukken om het volume van de koptelefoon aan te passen zonder het menu
te gebruiken.
×
-aansluitpunt
(koptelefoon)
Ingebouwde luidspreker
139
Werken met clips
Werken met clips
Behalve dat u een clip kunt afspelen, kunt u ook andere handelingen uitvoeren vanuit het clipmenu, zoals een
clip verwijderen of clipinformatie weergeven. Raadpleeg de tabel hieronder voor informatie over welke functies
beschikbaar zijn en raadpleeg de pagina's hierna voor meer bijzonderheden over de functies.
Functies in het clipmenu
* Als de clip al een $- of %-markering bevat, verschijnt de optie [Delete/Verwijderen] in het clipmenu.
** Verschijnt alleen wanneer een clip moet worden hersteld. In dat geval zullen alleen [Cancel/Annuleren],
[Recover Clip/Clip herstellen] en [Delete Clip/Clip verwijderen] in het clipmenu worden getoond.
Het clipmenu gebruiken
1 Selecteer een clip en druk vervolgens op SET.
Het clipmenu verschijnt. Welke functies beschikbaar zijn, hangt af van het gebruikte indexscherm
en welke functies ingeschakeld zijn.
2 Selecteer de gewenste functie en druk vervolgens op SET.
De functie wordt ingeschakeld. Voor sommige functies zijn meer handelingen nodig. Voer hiertoe
de instructies op het scherm uit.
Druk anders op de CANCEL-knop als u wilt terugkeren naar het clipindexscherm.
BELANGRIJK
Neem de onderstaande voorschriften in acht wanneer een statusindicator rood brandt. Als u dat niet doet,
kunt u uw gegevens voorgoed kwijtraken.
- Verwijder de voeding niet en zet de camcorder niet uit.
- Open het afdekplaatje van de actieve kaart niet en verwijder de kaart niet.
OPMERKINGEN
Zorgt dat de LOCK-schakelaar op de SD-kaart niet zo ingesteld staat dat de kaart niet kan worden beschreven.
Bedieningsstanden:
Menuopdracht Beschrijving
Indexscherm
A
[XF-HEVC],
[XF-AVC]
[MP4]
[Cancel/Annuleren] Sluit het clipmenu. Ü Ü
[Display Clip Info/Clipinformatie weergeven] Geeft het clipinformatiescherm weer. Ü Ü 140
[Add $ Mark/Markering toevoegen]/
[Delete $ Mark/Markering verwijderen]*
Voegt een $-markering toe of verwijdert deze markering. Ü 141
[Add % Mark/Vinkje toevoegen]/
[Delete % Mark/Vinkje verwijderen]*
Voegt een %-markering toe of verwijdert deze markering. Ü 141
[Del. All Shot Marks/
Alle opnamemarkeringen verwijderen]
Verwijdert alle opnamemarkeringen uit een clip. Ü 143
[Copy Clip/Clip kopiëren] Kopieert een clip van de geselecteerde kaart naar de andere. Ü Ü 141
[Recover Clip/Clip herstellen]** Herstelt een clip. Ü Ü 37
[Delete Clip/Clip verwijderen] Verwijdert een clip. Ü Ü 142
[Delete User Memo/
Gebruikersmemo verwijderen]
Verwijdert de gebruikersmemo en de GPS-gegevens
van een clip.
Ü 143
[FTP Transfer/FTP-overdracht] Draagt een clip over met het FTP-protocol. Ü Ü 179
Werken met clips
140
Clipinformatie weergeven
Selecteer [Display Clip Info/Clipinformatie weergeven] in het clipmenu om het informatiescherm van de
geselecteerde clip (het scherm [Clip Info/Clipinformatie]) op te roepen. Duw de joystick naar links/rechts
om naar de vorige/volgende clip te gaan. Als u klaar bent, drukt u op de CANCEL-knop om terug te keren
naar het clipindexscherm.
1
Alleen XF-HEVC- of XF-AVC-clips.
2
Voor XF-HEVC- of XF-AVC-clips die zijn opgenomen in slow motion, worden zowel de beeldopnamesnelheid als
de beeldafspeelsnelheid getoond.
De gebruikersmemo weergeven (XF-HEVC- of XF-AVC-clips)
Vanuit het scherm [Clip Info/Clipinformatie] beweegt u de joystick om het scherm [Q] weer te geven.
In dit scherm kunt u details bekijken van de ingesloten gebruikersmemo. Duw de joystick omlaag om weer
terug te keren naar het scherm [Clip Info/Clipinformatie].
Voorkeuze-instellingen weergeven (XF-HEVC- of XF-AVC-clips)
Wanneer een XF-HEVC- of XF-AVC-clip een bestand met voorkeuze-instellingen bevat (A 125), kunt u de
voorkeuze-instellingen bekijken die zijn gebruikt toen de clip werd opgenomen. Druk vanuit het scherm [Clip Info/
Clipinformatie] de joystick omlaag om de eerste van vier schermen met voorkeuze-instellingen van de clip op te
roepen. Duw de joystick herhaaldelijk naar beneden om in deze volgorde informatieschermen te bekijken:
[/ Data 1/4]- tot en met [/ Data 4/4]-schermen [Q]-scherm [Clip Info/Clipinformatie]-scherm.
9
546
1
3
2
8
10
14
13
12
15
16
17
11
7
1 Miniatuur van de geselecteerde clip
2 Miniatuur van de volgende clip
3 Miniatuur van de vorige clip
4 SD-kaart (de momenteel geselecteerde kaart
wordt in het wit weergegeven)
5 Clip die voorzien is van GPS-informatie (A 112)
6 Opnemen in slow motion
1
(A 115)
7 Clipnummer/totaal aantal clips
8 Datum en tijd van opname
9 XF-HEVC- of XF-AVC-clips: bestandsnaam
van clip (A 48)
MP4-clips: opnamenummer (A 49)
10 Compressie, bitsnelheid en resolutie (A 51)
11 Beeldsnelheid
2
(A 51)
12 Opnamemarkering
1
(A 109, 143)
en $-markering
1
/vinkje %
1
(A 109, 141)
13 Ingesloten bestand met voorkeuze-instellingen
1
(A 125)
14 Kleursampling (A 52)
15 Starttijdcode van de clip
16 Eindtijdcode van de clip
17 Clipduur
141
Werken met clips
Een $-markering of vinkje % toevoegen (XF-HEVC- of XF-AVC-clips)
Tijdens het afspelen of via het indexscherm kunt u een OK-markering ($) of een vinkje (%) aan een XF-HEVC-
of XF-AVC-clip toevoegen.
Een $-markering of vinkje % toevoegen tijdens het afspelen
Om een $-markering of vinkje % toe te voegen aan een clip tijdens het afspelen of als het afspelen
is onderbroken, dient u eerst een toewijzingsknop in te stellen voor [Add $ Mark/Markering toevoegen]
of [Add % Mark/Vinkje toevoegen].
1 Wijs een toewijzingsknop toe aan [Add $ Mark/Markering toevoegen] of [Add % Mark/Vinkje toevoegen]
(A 119).
Als u beide typen clipmarkeringen wilt toevoegen (aan verschillende clips), wijst u een toewijzingsknop toe aan
[Add
$
Mark/Markering toevoegen] en een andere toewijzingsknop aan [Add
%
Mark/Vinkje toevoegen].
2 Druk tijdens het afspelen of wanneer het afspelen onderbroken is op de toewijzingsknop om de clipmarkering
toe te voegen.
Er verschijnt een bericht dat de clipmarkering zal worden weergegeven en de geselecteerde clipmarkering
wordt toegevoegd aan de clip.
Als u tijdens het afspelen een clipmarkering toevoegt aan een clip wordt het afspelen onderbroken.
•Een $-markering of vinkje % verschijnt rechtsboven in het afspeelscherm.
Een $-markering of vinkje % toevoegen vanuit het indexscherm
1 Selecteer de gewenste clip en druk vervolgens op SET om het clipmenu te openen.
2 Selecteer [Add $ Mark/Markering toevoegen] of [Add % Mark/Vinkje toevoegen] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
Naast de miniatuur van de geselecteerde clip verschijnt een $-markering of een vinkje %.
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop instelt voor [Add $ Mark/Markering toevoegen] of [Add % Mark/Vinkje toevoegen]
(A 119), kunt u een $-markering of een vinkje % toevoegen aan clips vanuit het indexscherm.
Een clip kan niet tegelijkertijd zowel een $-markering als een vinkje % hebben. Als u een vinkje % toevoegt
aan een clip met een $-markering, wordt de $-markering verwijderd. Omgekeerd geldt dat als u een
$-markering toevoegt aan een clip met een %-markering, het vinkje % wordt verwijderd.
$-markeringen of vinkjes % verwijderen (XF-HEVC- of XF-AVC-clips)
1 Selecteer de gewenste XF-HEVC- of XF-AVC-clip in het indexscherm en druk vervolgens op SET om
het clipmenu te openen.
2 Selecteer [Delete $ Mark/Markering verwijderen] of [Delete % Mark/Vinkje verwijderen] en druk vervolgens
op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De geselecteerde markering wordt verwijderd.
Clips kopiëren
U kunt clips van de ene naar de andere kaart kopiëren.
Eén enkele clip kopiëren
1 Selecteer de gewenste clip en druk vervolgens op SET om het clipmenu te openen.
2 Selecteer [Copy Clip/Clip kopiëren] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De clip wordt gekopieerd naar de andere SD-kaart. Terwijl de clip wordt gekopieerd, kunt u op SET drukken
als u de procedure wilt annuleren.
Werken met clips
142
4 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
Alle clips kopiëren
1 Selecteer [Copy All Clips/Alle clips kopiëren].
> [3 ! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Clips] > [Copy All Clips/
Alle clips kopiëren]
2 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De clip worden gekopieerd naar de andere SD-kaart. Terwijl clips worden gekopieerd, kunt u op SET drukken
om de procedure te onderbreken.
3 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
OPMERKINGEN
In de volgende gevallen kunt u geen opnamen kopiëren:
- Als het afdekplaatje van de kaartsleuf openstaat.
- Als de LOCK-schakelaar op de doelkaart zo ingesteld staat dat de kaart niet kan worden beschreven.
- Voor MP4-clips: als er geen bestandsnummer (A 188) kan worden aangemaakt omdat het aantal mappen
en bestanden op de doelkaart het maximum heeft bereikt.
Videostreambestanden van meer dan 4 GB grootte kunnen niet worden gekopieerd naar SDHC-kaarten.
Als de doelkaart al een XF-HEVC- of XF-AVC-clip met hetzelfde clipnummer bevat, krijgt de clip die wordt
gekopieerd een naam met een nummer dat volgt op het grootste clipnummer op de kaart.
Clips verwijderen
U kunt clips verwijderen als ze geen $-markering hebben. Als u dergelijke clips wilt verwijderen, dient u eerst
de $-markering te verwijderen.
Eén enkele clip verwijderen
1 Selecteer de gewenste clip en druk vervolgens op SET om het clipmenu te openen.
2 Selecteer [Delete Clip/Clip verwijderen] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
Terwijl de clip wordt verwijderd, kunt u deze procedure niet annuleren.
4 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
Alle clips verwijderen
1 Selecteer [Delete All Clips/Alle clips verwijderen].
> [3 ! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Clips] > [Delete All Clips/
Alle clips verwijderen]
2 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
Terwijl clips worden verwijderd, kunt u op SET drukken om de procedure te onderbreken. Clips die zijn
verwijderd voordat u op SET drukt, worden voorgoed verwijderd.
3 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
143
Werken met clips
De gebruikersmemo en GPS-gegevens verwijderen (XF-HEVC- of XF-AVC-clips)
1 Selecteer de gewenste XF-HEVC- of XF-AVC-clip en druk vervolgens op SET om het clipmenu
te openen.
2 Selecteer [Delete User Memo/Gebruikersmemo verwijderen] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De gebruikersmemo en de GPS-informatie worden verwijderd uit de clip.
Opnamemarkeringen toevoegen en verwijderen (XF-HEVC- of XF-AVC-clips)
U kunt opnamemarkeringen toevoegen aan beelden in een XF-HEVC- of XF-AVC-clip die u later snel wilt kunnen
terugvinden.
Opnamemarkeringen toevoegen tijdens het afspelen
Om een opnamemarkering toe te voegen aan een clip tijdens het afspelen of als het afspelen is onderbroken,
dient u eerst een toewijzingsknop in te stellen voor [Add Shot Mark/Opnamemarkering toevoegen].
1 Wijs een toewijzingsknop toe aan [Add Shot Mark/Opnamemarkering toevoegen] (A 119).
2 Druk tijdens het afspelen of als het afspelen is onderbroken op de toewijzingsknop bij het punt in de clip waar
u de opnamemarkering wilt toevoegen.
Op het scherm verschijnt een bericht dat de opnamemarkering aangeeft en de opnamemarkering wordt
toegevoegd aan de clip.
Als u tijdens het afspelen een opnamemarkering toevoegt aan een clip, wordt het afspelen onderbroken.
Als een clip een opnamemarkering bevat, wordt in het indexscherm een !-markering weergegeven naast
de miniatuur van de clip.
Alle opnamemarkeringen verwijderen uit een clip
1 Selecteer de gewenste clip en druk vervolgens op SET om het clipmenu te openen.
2 Selecteer [Del. All Shot Marks/Alle opnamemarkeringen verwijderen] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
Alle opnamemarkeringen worden uit de clip verwijderd.
Werken met clips
144
6
145
Externe aansluitingen
Video-uitvoerconfiguratie
De videosignaaluitvoer van het SDI-aansluitpunt en HDMI
TM
OUT-aansluitpunt is afhankelijk van de videoconfiguratie
van de clip en van verschillende menu-instellingen.
Videosignaalconfiguratie van opnamen en video-uitvoerconfiguratie per aansluitpunt
Raadpleeg de volgende tabel voor de video-uitvoerconfiguratie vanaf elk aansluitpunt, afhankelijk van de
videoconfiguratie die wordt gebruikt voor opnamen.
Bedieningsstanden:
Videoconfiguratie voor opnamen Menu-instellingen Video-uitvoerconfiguratie
Video-indeling
1
Resolutie/
kleursampling
Beeldsnelheid Scanstand
2
Maximale
resolutie
3
SDI-aansluitpunt HDMI OUT-aansluitpunt
XF-HEVC
3840x2160
YCbCr 4:2:2
10 bits
59.94P
50.00P
P
3840x2160 3840x2160 (59.94P/50.00P)
1920x1080 1920x1080 (59.94P/50.00P)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF 1920x1080 (59.94i/50.00i)
29.97P
25.00P
P
3840x2160 3840x2160 (29.97P/25.00P)
1920x1080 1920x1080 (29.97P/25.00P)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF
1920x1080
(29.97PsF/25.00PsF)
1920x1080
(59.94i/50.00i)
23.98P
P
3840x2160 3840x2160 (23.98P)
1920x1080 1920x1080 (23.98P)
1280x720 1280x720 (59.94P)
PsF 1920x1080 (59.94i)
1920x1080
YCbCr 4:2:2
10 bits
59.94P
50.00P
P
1920x1080 1920x1080 (59.94P/50.00P)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF 1920x1080 (59.94i/50.00i)
59.94i
50.00i
1920x1080 1920x1080 (59.94i/50.00i)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
29.97P
25.00P
P
1920x1080 1920x1080 (29.97P/25.00P)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF
1920x1080
(29.97PsF/25.00PsF)
1920x1080
(59.94i/50.00i)
23.98P
P
1920x1080 1920x1080 (23.98P)
1280x720 1280x720 (59.94P)
PsF 1920x1080 (59.94i)
Video-uitvoerconfiguratie
146
1
> [
3
! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Rec Format/Opname-indeling].
2
> [
B
" System Setup/Systeeminstelling] > [SDI/HDMI Scan Mode/SDI/HDMI-scanstand].
3
> [
B
" System Setup/Systeeminstelling] > [SDI/HDMI Max Res./Maximale resolutie SDI/HDMI].
4
Als u > [B " System Setup/Systeeminstelling] > [SDI Output/SDI-uitvoer] instelt op [Off/Uit], wordt het uitvoersignaal
automatisch aangepast aan de mogelijkheden van de externe monitor.
XF-AVC
3840x2160
YCbCr 4:2:0
8 bits
29.97P
25.00P
P
3840x2160 3840x2160 (29.97P/25.00P)
1920x1080 1920x1080 (29.97P/25.00P)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF
1920x1080
(29.97PsF/25.00PsF)
1920x1080
(59.94i/50.00i)
23.98P
P
3840x2160 3840x2160 (23.98P)
1920x1080 1920x1080 (23.98P)
1280x720 1280x720 (59.94P)
PsF 1920x1080 (59.94i)
1920x1080
YCbCr 4:2:0
8bits
59.94P
50.00P
P
1920x1080
1920x1080
(59.94P/50.00P)
1920x1080
(59.94P/50.00P)
720x480 (59.94P)
4
720x576 (50.00P)
4
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF 1920x1080 (59.94i/50.00i)
59.94i
50.00i
P
1920x1080 1920x1080 (59.94i/50.00i)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF 1920x1080 (59.94i/50.00i)
29.97P
25.00P
P
1920x1080 1920x1080 (29.97P/25.00P)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF
1920x1080
(29.97PsF/25.00PsF)
1920x1080
(59.94i/50.00i)
23.98P
P
1920x1080 1920x1080 (23.98P)
1280x720 1280x720 (59.94P)
PsF 1920x1080 (59.94i)
MP4
1920x1080
YCbCr 4:2:0
8 bits
59.94P
50.00P
P
1920x1080
1920x1080
(59.94P/50.00P)
1920x1080
(59.94P/50.00P)
720x480 (59.94P)
4
720x576 (50.00P)
4
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF 1920x1080 (54.94i/50.00i)
29.97P
25.00P
P
1920x1080 1920x1080 (29.97P/25.00P)
1280x720 1280x720 (59.94P/50.00P)
PsF
1920x1080
(29.97PsF/25.00PsF)
1920x1080
(59.94i/50.00i)
23.98P
P
1920x1080 1920x1080 (23.98P)
1280x720 1280x720 (59.94P)
PsF 1920x1080 (59.94i)
1280x720
YCbCr 4:2:0
8 bits
59.94P 1280x720 (59.94P)
Videoconfiguratie voor opnamen Menu-instellingen Video-uitvoerconfiguratie
Video-indeling
1
Resolutie/
kleursampling
Beeldsnelheid Scanstand
2
Maximale
resolutie
3
SDI-aansluitpunt HDMI OUT-aansluitpunt
147
De camcorder aansluiten op een extern scherm
De camcorder aansluiten op een extern scherm
Sluit u de camcorder aan op een extern scherm (om opnamen te controleren of af te spelen), gebruik dan
het aansluitpunt op de camcorder dat overeenkomt met het aansluitpunt dat u op het scherm wilt gebruiken.
Selecteer vervolgens de configuratie van de videosignaaluitvoer (A 145).
Aansluitschema
Het verdient aanbeveling dat u met de compacte netadapter stroom levert aan de camcorder via het stopcontact.
Het SDI-aansluitpunt gebruiken
Het digitale signaal dat wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt bevat het videosignaal, audiosignaal
(maximaal 4 kanalen), tijdcodesignaal en het opnameopdrachtsignaal.
Wanneer u het SDI-aansluitpunt gebruikt, kunt u diverse hulpdisplays (schermdisplays, markeringen enz.)
uitvoeren zodat u ook deze displays op een extern scherm kunt controleren.
1 Selecteer [SDI/HDMI Max Res./Maximale resolutie SDI/HDMI].
> [
B
" System Setup/Systeeminstelling] > [SDI/HDMI Max Res./Maximale resolutie SDI/HDMI]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [SDI Output/SDI-uitvoer].
> [
B
" System Setup/Systeeminstelling] > [SDI Output/SDI-uitvoer]
4 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
5 Selecteer [3G-SDI Mapping/3G-SDI-toewijzing].
> [
B
" System Setup/Systeeminstelling] > [3G-SDI Mapping/3G-SDI-toewijzing]
6 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
U kunt een video-uitvoersignaal selecteren dat voldoet aan Level A of Level B van de SMPTE ST 425-1-
standaard.
Bedieningsstanden:
HDMI OUT-aansluitpunt
HDMI-kabel
(in de winkel verkrijgbaar)
BNC-kabel
(in de winkel verkrijgbaar)
SDI-invoer
Extern scherm
HDMI-invoer
SDI-aansluitpunt
De camcorder aansluiten op een extern scherm
148
Het HDMI OUT-aansluitpunt gebruiken
De digitale signaaluitvoer vanaf het HDMI-aansluitpunt omvat het videosignaal en het audiosignaal. U kunt ook
het tijdcodesignaal en sommige hulpdisplays (schermdisplays, markeringen enz.) uitvoeren zodat u ook deze
displays op een extern scherm kunt controleren.
Het audio-uitvoersignaal is lineaire PCM-audio op twee kanalen (16-bits, 48 kHz-bemonstering). U kunt selecteren
welke audiokanalen u wilt uitvoeren (A 152).
1 Selecteer [SDI/HDMI Max Res./Maximale resolutie SDI/HDMI].
> [
B
" System Setup/Systeeminstelling] > [SDI/HDMI Max Res./Maximale resolutie SDI/HDMI]
2 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
3 Alleen de stand : wilt u het tijdcodesignaal uitvoeren, selecteer dan [HDMI Time Code/
HDMI-tijdcode].
> [
3
" Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [HDMI Time Code/HDMI-tijdcode]
4 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
OPMERKINGEN
Het HDMI OUT-aansluitpunt is alleen bedoeld voor uitvoersignalen. Sluit de camcorder niet via het
HDMI OUT-aansluitpunt aan op de uitgangsaansluiting van een ander apparaat, omdat de camcorder
dan niet goed zal werken.
Bij aansluiting van de camcorder op DVI-monitors kan een juiste werking niet worden gegarandeerd.
Afhankelijk van de monitor wordt video mogelijk niet correct uitgevoerd. Gebruik in dat geval een ander
aansluitpunt.
U kunt zowel > [
3
" Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Rec Command/
Opnameopdracht] als [HDMI Time Code/HDMI-tijdcode] instellen op [On/Aan] om de REC-knop van de
camcorder te gebruiken om ook de opnamehandelingen van een externe recorder die is aangesloten op
het HDMI OUT-aansluitpunt te bedienen. Het tijdcodesignaal van de camcorder wordt ook uitgevoerd.
Schermdisplays over video-uitvoer heen leggen
U kunt ervoor kiezen om de schermdisplays van de camcorder samen met het videosignaal uit te voeren via
het SDI-aansluitpunt of het HDMI OUT-aansluitpunt om de schermdisplays op een extern scherm te controleren.
Deze instelling heeft geen invloed op uw opnamen.
1 Selecteer de menu-instelling die overeenkomt met het gewenste aansluitpunt.
> [
¢
%* Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [OSD Output: SDI/Schermdisplayuitvoer: SDI]
of [OSD Output: HDMI/Schermdisplayuitvoer: HDMI]
* Wordt op pagina $ weergegeven in de stand .
2 Selecteer [On/Aan] en druk vervolgens op SET.
In de stand wordt
T
rechts in het scherm weergegeven (alleen als [
¢
% Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] > [Custom Display 2/Aangepaste weergave 2] > [OSD Output/Schermdisplayuitvoer]
ingesteld is op [On/Aan]). In de stand verschijnt het scherm rechts op het scherm in het afspeelscherm.
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop instelt voor [OSD Output: SDI/HDMI/Schermdisplayuitvoer: SDI/HDMI] (A 119),
kunt u op deze knop drukken om de uitvoer van schermdisplays over het videosignaal heen in of uit
te schakelen.
Wanner de uitvoerresolutie van het HDMI OUT-aansluitpunt 720x480 of 720x576 is, worden de
schermdisplays van de camcorder niet uitgevoerd.
149
Een LUT toepassen op schermen/video-uitvoer
Een LUT toepassen op schermen/video-uitvoer
Terwijl u opnamen maakt met speciale gammacurves, kunt u een LUT toepassen op het beeld dat wordt
weergegeven op het LCD-scherm, de zoeker en externe schermen (SDI-aansluitpunt of HDMI OUT-aansluitpunt).
Wanneer een LUT wordt toegepast, ziet het beeld eruit alsof er een standaard gammacurve is gebruikt. Zo kunt
u eenvoudiger het beeld controleren op het gebruikte weergaveapparaat. Om het beeld op een extern scherm
te controleren, hebt u een scherm nodig dat compatibel is met de kleurruimte van de video.
1 Selecteer de menu-instelling die overeenkomt met het gewenste scherm of aansluitpunt.
> [¢#Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [LUT: LCD] (LCD-scherm), [LUT: VF/LUT: zoeker]
(zoeker), [LUT: SDI] of [LUT: HDMI] (desbetreffende aansluitpunt)
2 Selecteer de gewenste LUT en druk vervolgens op SET.
De gammacurve en kleurruimte van de video-uitvoer veranderen.
Is er geen LUT nodig, selecteer dan [Off/Uit].
Herhaal de procedure indien nodig om een LUT op een ander scherm/uitvoeraansluitpunt toe te passen.
Opties
* Alleen beschikbaar voor video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt en het HDMI OUT-aansluitpunt.
** Alleen beschikbaar voor het LCD-scherm en de zoeker.
Bedieningsstanden:
Toegepaste LUT
Uitvoerinstellingen met toegepaste LUT
Beschrijving
Gammacurve Kleurruimte
[Normal1 : BT.709]
[Normal2 : BT.709]
[Normal3 : BT.709]
[Normal4 : BT.709]
Normal 1
Normal 2
Normal 3
Normal 4
BT.709
LUT voor weergave op het scherm van de camcorder of externe
schermen die compatibel zijn met de specificaties van BT.709.
De beschikbare LUT hangt af van de instelling [Gamma] in het
bestand met voorkeuze-instellingen.
[Wide DR : BT.709] Normal 1 BT.709
[Wide DR : BT.2020]* Wide DR BT.2020
LUT voor weergave op externe schermen die compatibel zijn met
de ITU-R BT.2020-standaarden, waarin parameters zijn gedefinieerd
voor UHD-tv's (4K/8K).
[PQ : BT.2020]* PQ BT.2020
LUT voor weergave van HDR-beelden (hoog dynamisch bereik) op
externe schermen die compatibel zijn met de PQ-standaard, zoals deze
is gedefinieerd door ITU-R BT.2100. De signaaluitvoer maakt gebruik
van codering met een smal bereik (videocodering).
[HLG : BT.2020]* HLG BT.2020
LUT voor weergave van HDR-beelden (hoog dynamisch bereik)
op externe schermen die compatibel zijn met de HLG-standaard,
zoals deze is gedefinieerd door ITU-R BT.2100. De signaaluitvoer
maakt gebruik van codering met een smal bereik (videocodering).
[HDR Assist. (800%)]**
[HDR Assist. (400%)]**
Originele
gammacurve
BT.709
LUT voor weergave van HDR-beelden (hoog dynamisch bereik)
op de schermen van de camcorder (LCD/zoeker). De LUT volgt de
BT.2100-overdrachtsfunctie om een helderheidsbereik van respectievelijk
800% of 400% te converteren naar een beeld dat er hetzelfde uitziet als
video die wordt weergegeven op een HDR-compatibel scherm.
[Off/Uit] Geen LUT toegepast.
Een LUT toepassen op schermen/video-uitvoer
150
Beschikbare LUT-opties per gammacurve en kleurruimte
Welke LUT's beschikbaar zijn, hangt af van de gebruikte combinatie van gammacurve en kleurruimte en of deze
combinatie is ingesteld via een de kleurvoorkeuze-instellingen of via de afzonderlijke hoofdinstellingen in het
bestand met voorkeuze-instellingen (A 126).
1
U kunt de kleurkwaliteit wijzigen naar [BT.2100] of [Vivid/Levendig] met de optie > [¢#Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] > [HLG Color/HLG-kleur].
2
Alleen beschikbaar voor het LCD-scherm en de zoeker.
3
Alleen beschikbaar voor video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt en het HDMI OUT-aansluitpunt.
4
U kunt het versterkingsniveau ook aanpassen met de optie > [¢#Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] >
[Gain for HDRSDR Conv./Conversie van versterking voor HDR naar SDR].
Voorkeuze-instellingen Beschikbare LUT's
[Gamma] [Color Space/Kleurruimte] [Normal1 : BT.709] [Normal2 : BT.709] [Normal3 : BT.709] [Normal4 : BT.709]
[Normal 1 (Standard)/
Normaal 1 (standaard)]
[BT.2020 Gamut] Ü
[BT.709 Gamut]
[Normal 2 (x4.0)/
Normaal 2 (x4,0)]
[BT.2020 Gamut] Ü
[BT.709 Gamut]
[Normal 3 (BT.709)/
Normaal 3 (BT.709)]
[BT.2020 Gamut] Ü
[BT.709 Gamut]
[Normal 4 (x5.0)/
Normaal 4 (x5,0)]
[BT.2020 Gamut] Ü
[BT.709 Gamut]
[Wide DR/Breed
dynamisch bereik]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
[PQ]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
[HLG]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
[Canon Log 3]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
Voorkeuze-instellingen Beschikbare LUT's
[Gamma] [Color Space/Kleurruimte]
[Wide DR :
BT.709]
[Wide DR :
BT.2020]
[PQ : BT.2020]
[HLG :
BT.2020]
1
[HDR Assist./
HDR-hulp]
2
(800%/400%)
[Normal 1 (Standard)/
Normaal 1 (standaard)]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
[Normal 2 (x4.0)/
Normaal 2 (x4,0)]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
[Normal 3 (BT.709)/
Normaal 3 (BT.709)]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
[Normal 4 (x5.0)/
Normaal 4 (x5,0)]
[BT.2020 Gamut]
[BT.709 Gamut]
[Wide DR/Breed
dynamisch bereik]
[BT.2020 Gamut] Ü
3
[BT.709 Gamut]
[PQ]
[BT.2020 Gamut] Ü
4
Ü
4
[BT.709 Gamut] Ü
4
[HLG]
[BT.2020 Gamut] Ü
4
Ü
4
[BT.709 Gamut] Ü
4
[Canon Log 3]
[BT.2020 Gamut] Ü Ü Ü Ü Ü
[BT.709 Gamut] Ü
151
Een LUT toepassen op schermen/video-uitvoer
De kleurkwaliteit aanpassen voor HLG-uitvoer
U kunt de kwaliteit van de kleurweergave wijzigen wanneer de LUT [HLG : BT.2020] wordt gebruikt.
1 Selecteer [HLG Color/HLG-kleur].
> [¢#Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [HLG Color/HLG-kleur]
2 Selecteer de gewenste instelling en druk vervolgens op SET.
Opties
[BT.2100]: Kleurweergave volgens de specificaties van ITU-R BT.2100.
[Vivid/Levendig]: Meer verzadigde kleurwaargave volgens de 'Traditionele kleur'-benadering
in ITU-R BT.2390.
Het verschil in versterking tussen HDR en SDR aanpassen
Wanneer u een LUT selecteert waarmee de versterking kan worden aangepast, kunt u het verschil in versterking
van de SDR-uitvoer in verhouding tot het HDR-beeld instellen.
1 Selecteer [Gain for HDRSDR Conv./Conversie van versterking voor HDR naar SDR].
> [¢#Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [Gain for HDRSDR Conv./Conversie
van versterking voor HDR naar SDR]
2 Selecteer de gewenste instelling en druk vervolgens op SET.
Het uitvoerbereik selecteren
U kunt het uitvoerbereik selecteren voor video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt of het HDMI OUT-
aansluitpunt.
1 Selecteer de bereikinstelling die overeenkomt met het aansluitpunt dat u wilt gebruiken.
> [¢#Monitoring Setup/Monitorconfiguratie] > [Range: SDI/Bereik: SDI] (SDI-aansluitpunt)
of [Range: HDMI/Bereik: HDMI] (HDMI OUT-aansluitpunt)
2 Selecteer [During Canon Log 3 Output/Tijdens Canon Log 3-uitvoer] of [During HDR Output/Tijdens
HDR-uitvoer] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Herhaal de procedure indien nodig om het uitvoerbereik voor andere aansluitpunten/videosignalen
te selecteren.
Opties
[Full Range/Volledig bereik]: Video-uitvoer in volledig bereik. Alleen beschikbaar voor het SDI-aansluitpunt.
[Full Range Priority/Prioriteit voor volledig bereik]:
De uitvoer van video in volledig bereik krijgt prioriteit wanneer dat mogelijk is.
Alleen beschikbaar voor het HDMI OUT-aansluitpunt.
[Narrow Range/Smal bereik]: Video-uitvoer in smal bereik (videobereik).
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop toewijst aan [LUT] (A 119), kunt u op deze knop drukken om de LUT's die aan
alle schermen/uitvoeraansluitpunten zijn toegewezen, in één keer in of uit te schakelen.
Als u de instelling [Preset/Voorkeuze] of [Gamma] in het bestand met voorkeuze-instellingen aanpast,
worden de LUT's die aan alle schermen/uitvoeraansluitpunten zijn toegewezen gereset naar [Off/Uit].
Audio-uitvoer
152
Audio-uitvoer
De camcorder kan audio uitvoeren via het SDI-aansluitpunt, HDMI OUT-aansluitpunt, ×-aansluitpunt (koptelefoon)
of de luidspreker*. U kunt selecteren welke twee kanalen van de vier audiokanalen die in de clip zijn opgenomen,
zullen worden uitgevoerd via het HDMI OUT-aansluitpunt, de koptelefoon of de luidspreker.
* Voor de luidspreker is alleen mono-uitvoer beschikbaar.
Audio-uitvoerconfiguratie
1
U kunt selecteren welke twee kanalen moeten worden uitgevoerd met de onderstaande procedure.
De audiokanalen voor uitvoer naar de koptelefoon of luidspreker selecteren
Selecteer > [
¡
% Audio Setup/Audioconfiguratie] > [Monitor Channels/Monitorkanalen]
> gewenste optie voor audio-uitvoer (L/R).
Opties zoals [CH1+2] geven aan dat twee audiokanalen (in dit voorbeeld CH1 en CH2) worden gecombineerd
en via dezelfde uitgang worden uitgevoerd.
De audiokanalen voor HDMI-uitvoer selecteren
Selecteer > [
¡
% Audio Setup/Audioconfiguratie] > [HDMI OUT Channels/Kanalen voor
HDMI-uitvoer]
> [CH1/CH2] of [CH3/CH4].
OPMERKINGEN
Als u een toewijzingsknop toewijst aan [Monitor Channels/Monitorkanalen] (A 119), kunt u op deze knop
drukken om door de opties voor audiokanaaluitvoer te bladeren.
Configuratie van opgenomen audio Uitgevoerde audio tijdens opnemen/afspelen
Audio-indeling Audiobitdiepte SDI-aansluitpunt
HDMI OUT-
aansluitpunt
1
4-kanaals
lineaire PCM
16 bits / 24 bits
4-kanaals
lineaire PCM
24 bits
2-kanaals
lineaire PCM
16 bits
2-kanaals AAC 16 bits
Bedieningsstanden:
153
Werken met clips op een computer
Werken met clips op een computer
XF-HEVC- of XF-AVC-clips opslaan op een computer
Gebruik Canon XF Utility om XF-HEVC- of XF-AVC-clips op een computer op te slaan en te ordenen.
U kunt de Canon XF-invoegtoepassingen gebruiken om clips handig direct te gebruiken met non-lineaire
videobewerkingssoftware (NLE) van Avid. Wilt u XF-HEVC-clips kunnen gebruiken in Canon XF Utility of de
Canon XF-invoegtoepassingen, dan dient u ook de Canon XF-HEVC Decoder te downloaden. De software,
invoegtoepassingen en decoder zijn beschikbaar als gratis downloads via de Canon-website voor uw regio.
Kijk op de downloadpagina voor de systeemvereisten en de nieuwste informatie.
U vindt uitgebreide instructies voor het installeren en verwijderen van de software in het PDF-bestand
'Lees dit eerst' (Install-XF Utlity.pdf) dat wordt meegeleverd met het gecomprimeerde bestand dat u van
de website downloadt. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing (PDF-bestand) die samen met de software wordt
geïnstalleerd voor meer informatie over het gebruik van de software.
Canon XF Utility (voor Windows/macOS): softwaretoepassing waarmee u clips op een computer kunt opslaan,
clips kunt controleren, afspelen en ordenen en beeldjes van clips kunt opslaan.
Canon XF Plugin for Avid Media Access
(voor Windows/macOS): invoegtoepassing waarmee u gemakkelijk clips
van een SD-kaart of een lokale map op de computer kunt importeren naar de compatibele versie van Avid Media
Composer (een NLE-toepassing die compatibel is met Avid Media Access), rechtstreeks vanuit de toepassing.
Canon XF-HEVC Decoder (voor Windows/macOS): decoder waarmee u XF-HEVC-clips kunt afspelen
met Canon XF Utility of de Canon XF-invoegtoepassingen. De decoder is vereist om XF-HEVC-clips op
een computer te kunnen gebruiken.
MP4-clips opslaan
Vergeet niet om clips die u met deze camcorder hebt opgenomen, op een computer op te slaan. Hiervoor hebt
u een kaartlezer nodig die op een computer aangesloten is of een computer met een SD-kaartsleuf. Voor meer
informatie over het overdragen van bestanden vanaf de SD-kaart, raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van de
computer of de hulpmodules van het besturingssysteem.
Onder bepaalde omstandigheden kunnen clips worden gesplitst en als afzonderlijke bestanden worden
opgenomen. Met MP4 Join Tool kunt u de gesplitste bestanden samenvoegen en opslaan als één vloeiende clip.
Bestanden overdragen naar een computer
1 Steek de SD-kaart met de gewenste clips in de SD-kaartsleuf van de computer of in een kaartlezer die op
de computer aangesloten is.
2 Volg de instructies op het scherm van het besturingssysteem.
3 Kopieer de clips op de SD-kaart naar de computer.
Opnamen op de SD-kaart staan in mappen met de naam 'XXX_mmdd' in de map 'DCIM'. Hierbij is XXX
het mapnummer (100 tot 999) en verwijst mmdd naar de opnamedatum (A 49).
Door de camcorder gesplitste clips samenvoegen
Gebruik MP4 Join Tool om MP4-clips samen te voegen die in de volgende gevallen door de camcorder
wordt gesplitst.
Wanneer de camcorder tijdens een video-opname overschakelt naar de andere SD-kaart vanwege
de functie Relay Recording (A 36).
Het video(stream)bestand in de clip wordt bij circa elke 4 GB gesplitst.
MP4 Join Tool is beschikbaar als gratis download (voor Windows of macOS) via de website van Canon voor
uw regio. Kijk op de downloadpagina voor de systeemvereisten en de nieuwste informatie.
U vindt uitgebreide instructies voor het installeren en verwijderen van de software in het PDF-bestand
'Lees dit eerst' (Install-MP4 Join Tool.pdf). Dit bestand wordt meegeleverd in het gecomprimeerde bestand dat
u downloadt. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing (PDF-bestand) die samen met de software wordt geïnstalleerd
voor meer informatie over het gebruik van de software.
Werken met clips op een computer
154
7
155
Netwerkfuncties
Over de netwerkfuncties
U kunt de camcorder via Wi-Fi (A 156) aansluiten op een draadloos netwerk of een compatibel netwerkapparaat.
U kunt ook een bekabeld netwerk gebruiken met behulp van een Ethernet-kabel (A 161).
Netwerkfuncties en typen verbindingen
1
Verbinding met een Wi-Fi-netwerk via een extern toegangspunt (draadloze router, enzovoort)
2
Directe verbinding met een apparaat met Wi-Fi, waarbij de camcorder dient als Wi-Fi-toegangspunt.
Voordat u de netwerkfuncties gebruikt
Bij de instructies in dit hoofdstuk wordt verondersteld dat u reeds beschikt over een geconfigureerd en
werkend netwerk, netwerkapparaat en/of Wi-Fi-toegangspunt. Raadpleeg indien nodig de documentatie
van de netwerkapparaten die u van plan bent te gebruiken.
Om netwerkinstellingen te configureren is voldoende kennis nodig van het configureren en gebruiken
van bekabelde (Ethernet) en/of draadloze (Wi-Fi) netwerken. Canon kan geen ondersteuning bieden
met betrekking tot netwerkconfiguraties.
BELANGRIJK
Gegevens die worden overgedragen via netwerken, zijn niet versleuteld.
Canon is niet aansprakelijk voor gegevens die u kwijtraakt of schade die ontstaat door onjuiste
netwerkconfiguratie of instellingen. Verder is Canon niet aansprakelijk voor schade of verlies als gevolg
van het gebruik van netwerkfuncties.
Gebruik van een onbeveiligd Wi-Fi-netwerk kan tot gevolg hebben dat onbevoegden uw gegevens kunnen
inzien. De camcorder wordt bovendien geleverd met standaardwachtwoorden, zodat u de netwerkfuncties
zo snel mogelijk kunt uitproberen. De begininstellingen wijzigen wordt aanbevolen. Wees uzelf bewust van
eventuele risico's met betrekking tot gegevensbeveiliging.
OPMERKINGEN
Over de Wi-Fi-antenne: bij gebruik van de Wi-Fi-functies van de camcorder
mag u de Wi-Fi-antenne niet met uw hand of een ander voorwerp bedekken.
Anders worden draadloze signalen mogelijk verstoord.
Open de afdekplaatjes van de kaartsleuven niet terwijl u netwerkfuncties
gebruikt.
Plaats geen kabels die op het SDI-aansluitpunt of HDMI OUT-aansluitpunt
zijn aangesloten, in de buurt van de Wi-Fi-antenne. Als u dit wel doet,
kan dit de draadloze communicatie via Wi-Fi negatief beïnvloeden.
Netwerkfunctie Beschrijving
Bekabeld
netwerk
Wi-Fi
A
Infrastructuur
1
Cameratoe-
gangspunt
2
Browser Remote
Bedien de camcorder op afstand via de webbrowser
van een aangesloten apparaat.
Ü Ü 164
Streamen via IP
Stream live video en audio van de camcorder via IP
naar een compatibele IP-videodecoder die op het
netwerk is aangesloten.
Ü 175
FTP-bestandsoverdracht
Verstuur met behulp van het FTP-protocol clips die
met de camcorder zijn opgenomen, naar een ander
apparaat dat op het netwerk is aangesloten.
Ü Ü 178
Wi-Fi-antenne
Aansluiten op een Wi-Fi-netwerk
156
Aansluiten op een Wi-Fi-netwerk
De camcorder is Wi-Fi-gecertificeerd en kan verbinding maken met toegangspunten (draadloze
router enzovoort) en netwerkapparaten die voldoen aan het protocol 802.11a/b/g/n en die
Wi-Fi-gecertificeerd zijn (waarop het logo staat dat rechts getoond wordt). De functionaliteit
van de Wi-Fi-verbinding en de toepasselijke beperkingen kunnen verschillen afhankelijk van het
gebruikte netwerk. Houd er rekening mee dat als u een onbeveiligde Wi-Fi-verbinding gebruikt,
dit tot gevolg kan hebben dat onbevoegden uw gegevens kunnen inzien. Wees uzelf bewust
van de inherente risico's.
U kunt de camcorder aansluiten op een Wi-Fi-netwerk in de modus Infrastructuur (met behulp van een
toegangspunt) of u kunt deze direct aansluiten op één netwerkapparaat in de modus Cameratoegangspunt.
Het type verbinding dat u kunt gebruiken, is afhankelijk van de netwerkfunctie die u wilt gebruiken (A 155).
Voor een Infrastructuur-verbinding biedt de camcorder 4 manieren om een toegangspunt te configureren
en de methode die u gebruikt, hangt af van het type en de specificaties van het toegangspunt en netwerk
die u wilt gebruiken.
Cameratoegangspunt: als u opnamen maakt op een locatie zonder beschikbare toegangspunten,
kan de camcorder als draadloos toegangspunt* dienen. Apparaten met Wi-Fi-functie kunnen dan rechtstreeks
draadloos verbinding maken met de camcorder.
* De verbinding is beperkt tot de verbinding tussen de camcorder en ondersteunde apparaten met Wi-Fi-functie.
De functionaliteit is niet hetzelfde als die van toegangspunten die in de winkel verkrijgbaar zijn.
Infrastructuur-verbinding:
WPS (knop): als uw draadloze router Wi-Fi Protected Setup (WPS) ondersteunt, is de
instelling gemakkelijk en is een minimale configuratie nodig zonder wachtwoorden.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw draadloze router om te controleren of uw
draadloze router een WPS-knop heeft en voor meer informatie over hoe u Wi-Fi Protected
Setup activeert.
WPS (pincode): zelfs als uw draadloze router geen speciale WPS-knop heeft, ondersteunt deze mogelijk
wel WPS, maar dan met een pincode. Voor instelling met behulp van een pincode dient u eerst te weten hoe
u de WPS-functie van de draadloze router activeert. Raadpleeg voor meer informatie de gebruiksaanwijzing
van uw draadloze router.
Toegangspunten zoeken: als uw toegangspunt geen WPS-functie ondersteunt of als u deze niet kunt activeren,
kunt u de camcorder naar toegangspunten in de buurt laten zoeken.
Handmatig instellen: als het toegangspunt dat u wilt gebruiken verborgen wordt en niet automatisch door de
camcorder kan worden gevonden, kunt u alle nodige instellingen handmatig invoeren. Hiervoor is gevorderde
kennis nodig van Wi-Fi en netwerkinstellingen.
BELANGRIJK
Afhankelijk van het land/de regio van gebruik kunnen er bepaalde beperkingen voor buitengebruik of
cameratoegangspuntverbindingen van toepassing zijn bij het gebruik van de standaard voor draadloze
communicatie IEEE802.11a/n in de 5 GHz-band. Voor meer informatie over gebruiksgebieden en
beperkingen raadpleegt u de Specificaties (A 224).
157
Aansluiten op een Wi-Fi-netwerk
Cameratoegangspunt
In deze stand dient de camcorder zelf als draadloos toegangspunt waarmee andere apparaten met Wi-Fi-functie
verbinding kunnen maken. Aanvankelijk zijn basisinstellingen voor een cameratoegangspuntverbinding (netwerknaam
(SSID: [XF705-xxxx_Canon0C], wachtwoord: [12345678]) al opgeslagen onder het netwerkconfiguratieprofiel
[1:]. U kunt de standaardinstellingen gebruiken om onmiddellijk verbinding te maken met de camcorder of volg
de onderstaande procedure als u de instellingen wilt wijzigen.
1 Selecteer [Connection Settings/Verbindingsinstellingen].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Connection Settings/Verbindingsinstellingen]
2 Selecteer het gewenste netwerkconfiguratieprofiel en selecteer vervolgens [Camera Access Point/
Cameratoegangspunt].
Netwerkconfiguratieprofiel ([1:] tot en met [4:]) > [Edit/Bewerken] > [Camera Access Point/
Cameratoegangspunt]
U kunt maximaal 4 netwerkconfiguratieprofielen in de camcorder opslaan. Duw de joystick omhoog/omlaag
om het gewenste profiel te selecteren.
3 Voer de SSID (netwerknaam) in die de camcorder als Wi-Fi-toegangspunt zal gebruiken.
[Input/Invoer] > Voer de gewenste netwerknaam in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27)
> [OK]
4 Selecteer de frequentieband voor de Wi-Fi-verbinding ([5 GHz] of [2.4 GHz]) en druk vervolgens op SET.
Voor gebruikers van model ID0118 PAL (A 17): omdat alleen de 2,4 GHz-band beschikbaar is voor
de cameratoegangspuntverbinding, gaat u verder met stap 5.
5 Selecteer het kanaal en druk vervolgens op SET.
Beschikbare kanalen verschillen afhankelijk van de geselecteerde frequentieband. (Mogelijk niet beschikbaar,
afhankelijk van het model.)
6 Selecteer de versleutelingsmethode en druk vervolgens op SET.
Als u [Open/No Encryption/Open/geen versleuteling] selecteert, gaat u verder met stap 8.
7 Voer de versleutelingscode (wachtwoord) in.
[Input/Invoer] > Voer het gewenste wachtwoord in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27)
> [OK]
Dit wachtwoord is nodig om de verbinding tot stand te brengen tussen het netwerkapparaat en de camcorder.
Schrijf het wachtwoord op indien nodig.
8 Ga verder met de procedure om de IP-adrestoewijzing te configureren (A 157).
De IP-adresinstellingen configureren
U dient nu de TCP/IP-instellingen te configureren. Als u de TCP/IP-instellingen handmatig dient te configureren,
neemt u contact op met de netwerkbeheerder om de benodigde informatie te verkrijgen.
1 Selecteer de methode voor het toewijzen van het IP-adres ([Automatic/Automatisch] of [Manual/Handmatig])
en druk vervolgens op SET.
Als u [Automatic/Automatisch] selecteert, wordt het IP-adres automatisch toegewezen. Ga verder met
de procedure om de configuratie te controleren en op te slaan (A 158).
2 Voer het IP-adres in.
Duw de joystick omhoog/omlaag om een waarde voor het eerste veld te selecteren en druk vervolgens
op SET om naar het volgende veld te gaan. Nadat u de vier velden van het adres hebt ingevuld, selecteert
u [Set/Instellen]. Druk vervolgens op SET.
3 Voer de rest van de nodige TCP/IP-instellingen op dezelfde wijze in.
Cameratoegangspuntverbindingen: voer het [Subnet Mask/Subnetmasker] in.
Infrastructuur/Ethernet-verbindingen: voer het [Subnet Mask/Subnetmasker], de [Default Gateway/
Standaard-gateway], de [Primary DNS Server/Primaire DNS-server] en de [Secndry DNS Server/
Secundaire DNS-server] in. Raak indien nodig [Í]/[Î] aan om omhoog/omlaag te bladeren.
4 Nadat u de benodigde instellingen volledig hebt ingevoerd, gaat u verder met de procedure om de configuratie
te controleren en op te slaan (A 158).
Aansluiten op een Wi-Fi-netwerk
158
De configuratie opslaan
1 Controleer de configuratie van het toegangspunt en druk vervolgens op SET.
Duw de joystick naar links/rechts om alle informatie te controleren voordat u op SET drukt.
2 Voer een naam in voor het nieuwe netwerkconfiguratieprofiel.
[Input/Invoer] > Voer de gewenste naam in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27) > [OK]
Als u dat wilt, kunt u het netwerkconfiguratieprofiel een omschrijvende naam geven zodat u het profiel
gemakkelijker kunt herkennen.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET om de netwerkconfiguratie op te slaan.
4 Druk op SET als het bevestigingsscherm verschijnt.
Verbinden in de stand Infrastructuur
1 Selecteer [Connection Settings/Verbindingsinstellingen].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Connection Settings/Verbindingsinstellingen]
2 Selecteer het gewenste netwerkconfiguratieprofiel en selecteer vervolgens [Infrastructure/Infrastructuur].
Netwerkconfiguratieprofiel ([1:] tot en met [4:]) > [Edit/Bewerken] > [Infrastructure/Infrastructuur]
U kunt maximaal 4 netwerkconfiguratieprofielen in de camcorder opslaan. Duw de joystick omhoog/omlaag
om het gewenste profiel te selecteren.
3 Selecteer de gewenste configuratiemethode voor het netwerk en druk vervolgens op SET.
Ga verder met het instellen volgens de procedure die overeenkomt met de methode die u wilt gebruiken
(raadpleeg de onderstaande referentiepagina's).
[WPS: Button/WPS: knop] (A 158)
[WPS: PIN Code/WPS: pincode] (A 159)
[Search for Access Points/Zoeken naar toegangspunten] (A 159)
[Manual/Handmatig] (A 160)
Wi-Fi Protected Setup (WPS)
Wi-Fi Protected Setup (WPS) is de gemakkelijkste manier om een Wi-Fi-toegangspunt in te stellen. U kunt
gemakkelijk verbinding maken met een druk op de knop (als het toegangspunt (draadloze router) waarmee
u verbinding wilt maken een WPS-knop heeft) of met behulp van een pincode die door de camcorder wordt
gegeven.
Draadloze routers met een WPS-knop
1 Houd de WPS-knop op de draadloze router ingedrukt.
Hoe lang u de WPS-knop ingedrukt dient te houden, hangt af van de draadloze router. Raadpleeg
de gebruiksaanwijzing van uw draadloze router en zorg ervoor dat de WPS-functie van de draadloze
router geactiveerd is.
2 Druk binnen 2 minuten op SET.
Als [Connecting/Aan het verbinden] op het scherm verschijnt, kunt u op SET drukken om de bewerking
te annuleren.
3 Ga verder met de procedure om de IP-adrestoewijzing te configureren (A 157).
OPMERKINGEN
De methode [WPS: Button/WPS: knop] werkt mogelijk niet naar behoren als er meerdere actieve
toegangspunten in de buurt zijn. Probeer in dat geval [WPS: PIN Code/WPS: pincode] of [Search for
Access Points/Zoeken naar toegangspunten] (A 159) te gebruiken.
159
Aansluiten op een Wi-Fi-netwerk
WPS met een pincode
1 Nadat u [WPS: PIN CodeWPS: pincode] hebt geselecteerd, zal de camcorder een pincode van 8 cijfers
genereren en op het scherm weergeven.
2 Voer de pincode in op het WPS-instellingenscherm (het pincodescherm) van de draadloze router.
Bij de meeste draadloze routers hebt u een webbrowser nodig om het instellingenscherm te openen.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw draadloze router voor meer informatie over het openen van de
instellingen van uw draadloze router en het activeren van Wi-Fi Protected Setup (WPS) met behulp van
een pincode.
3 Druk binnen 2 minuten op SET.
Als [Connecting/Aan het verbinden] op het scherm verschijnt, kunt u op SET drukken om de bewerking
te annuleren.
4 Ga verder met de procedure om de IP-adrestoewijzing te configureren (A 157).
Zoeken naar toegangspunten
De camcorder vindt automatisch toegangspunten in de buurt. Nadat u het gewenste toegangspunt hebt
geselecteerd, hoeft u alleen maar het wachtwoord van het geselecteerde netwerk in te voeren om verbinding
te maken met de camcorder. Voor meer informatie over de netwerknaam (SSID) en het wachtwoord van het
toegangspunt raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van de draadloze router of neemt u contact op met de
netwerkbeheerder van het toegangspunt.
1 Nadat u [Search for Access Points/Zoeken naar toegangspunten] hebt geselecteerd, zoekt de
camcorder naar actieve toegangspunten in de buurt en geeft deze een lijst met de beschikbare
opties weer op het scherm.
2 Duw de joystick omhoog/omlaag om het gewenste toegangspunt te selecteren en druk vervolgens
op SET.
Alleen ASCII-tekens in de netwerknaam (SSID) worden weergegeven. Als de SSID van het toegangspunt
speciale tekens of tekens uit vreemde talen bevat, zullen ze als lege ruimtes worden weergegeven.
Is het toegangspunt niet versleuteld, ga dan verder met stap 5.
3 Selecteer indien nodig de WEP-indexsleutel.
Deze stap is alleen nodig als de verificatiemethode van het Wi-Fi-netwerk ingesteld is op [Shared Key/
Gedeelde sleutel] of als de versleutelingsmethode ingesteld is op [WEP].
4 Voer de versleutelingscode (wachtwoord) in.
[Input/Invoer] > Voer het wachtwoord in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27) > [OK]
5 Ga verder met de procedure om de IP-adrestoewijzing te configureren (A 157).
Netwerknaam
(SSID, alleen ASCII-tekens)
Huidig toegangspunt/Totale aantal
gevonden actieve toegangspunten
Versleuteld
toegangspunt
Aansluiten op een Wi-Fi-netwerk
160
Handmatig instellen
Als u dat liever hebt, kunt u de gegevens van het Wi-Fi-netwerk waarmee u verbinding wilt maken handmatig
invoeren. Volg de instructies op het scherm om de procedure te voltooien.
1 Voer de SSID (netwerknaam) van het toegangspunt in.
[Input/Invoer] > Voer de netwerknaam in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27) > [OK]
2 Selecteer de verificatiemethode en druk vervolgens op SET.
Als u [Open] hebt geselecteerd, selecteert u [WEP] en gaat u verder met de procedure of selecteert
u [No Encryption/Geen versleuteling], drukt u op SET en gaat u verder met de procedure om de
IP-adrestoewijzing te configureren (A 157).
3 Selecteer de WEP-index of versleutelingsmethode afhankelijk van de geselecteerde
verificatiemethode.
[Shared Key/Gedeelde sleutel]/[WEP]: selecteer de WEP-index en druk vervolgens op SET.
[WPA-PSK]/[WPA2-PSK]: selecteer [TKIP] of [AES] en druk vervolgens op SET.
4 Voer de versleutelingscode (wachtwoord) in.
[Input/Invoer] > Voer het wachtwoord in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27) > [OK]
5 Ga verder met de procedure om de IP-adrestoewijzing te configureren (A 157).
OPMERKINGEN
Geldige wachtwoorden variëren afhankelijk van de versleutelingsmethode.
64-bits WEP-versleuteling: 5 ASCII-tekens of 10 hexadecimale tekens.
128-bits WEP-versleuteling: 13 ASCII-tekens of 26 hexadecimale tekens.
AES/TKIP-versleuteling: 8 tot 63 ASCII-tekens of 64 hexadecimale tekens.
* Let op: ASCII-tekens zijn de cijfers 0 tot en met 9, de letters a tot en met z en A tot en met Z, en een aantal interpunctietekens
en speciale symbolen. Hexadecimale tekens zijn de cijfers 0 tot en met 9 en de letters a tot met f en A tot en met F.
161
Aansluiten op een bekabeld netwerk (Ethernet)
Aansluiten op een bekabeld netwerk (Ethernet)
Sluit de camcorder aan op een router of een ander apparaat dat aangesloten is op een bekabeld netwerk
(Ethernet), met behulp van een in de winkel verkrijgbare Ethernet-kabel. Gebruik STP (shielded twisted pair)
Ethernet-kabels van categorie 5e of beter die compatibel zijn met Gigabit Ethernet (1000BASE-T) en die goed
geïsoleerd zijn.
1 Sluit een in de winkel verkrijgbare Ethernet-kabel aan op het -aansluitpunt (Ethernet)
op de camcorder en op een Ethernet-poort van een netwerkapparaat.
2 Selecteer [Connection Settings/Verbindingsinstellingen].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Connection Settings/Verbindingsinstellingen]
3 Selecteer het gewenste netwerkconfiguratieprofiel en selecteer vervolgens [Ethernet].
Netwerkconfiguratieprofiel ([1:] tot en met [4:]) > [Edit/Bewerken] > [Ethernet]
U kunt maximaal 4 netwerkconfiguratieprofielen in de camcorder opslaan. Duw de joystick omhoog/omlaag
om het gewenste profiel te selecteren.
4 Ga verder met de procedure om de IP-adrestoewijzing te configureren (A 157).
-statusindicator (Ethernet)
Ethernet-kabel
(in de winkel verkrijgbaar)
Ethernet-poort op
een netwerkapparaat
Een netwerkverbinding selecteren
162
Een netwerkverbinding selecteren
U kunt maximaal 4 netwerkconfiguratieprofielen opslaan. Als u net een nieuwe netwerkconfiguratie hebt
opgeslagen, is deze al automatisch voor u geselecteerd. Volg dus deze procedure als u een ander
configuratieprofiel wilt selecteren.
1 Selecteer [Connection Settings/Verbindingsinstellingen].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Connection Settings/Verbindingsinstellingen]
2 Selecteer het gewenste configuratienummer en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De netwerkstatus controleren
Nadat u een netwerkfunctie activeert, maakt de camcorder alleen verbinding met het netwerk dat vooraf
is geconfigureerd. De pictogrammen die in het scherm worden weergegeven, geven het type netwerk aan
dat gekozen is en de verbindingsstatus.
Wi-Fi (infrastructuur):
In het geel – de camcorder is verbinding aan het maken met het netwerk of is de verbinding
aan het verbreken. In het wit – de netwerkfunctie kan gebruikt worden.
Wi-Fi (cameratoegangspunt):
In het geel – het cameratoegangspunt wordt opgestart. In het wit – het toegangspunt van
de camcorder is gereed. Breng de verbinding tot stand tussen de camcorder en het apparaat
met ingeschakelde Wi-Fi-functies.
Ethernet: In het geel – de camcorder is verbinding aan het maken met het netwerk of is de verbinding
aan het verbreken. In het wit – de netwerkfunctie kan gebruikt worden.
De -indicator (Ethernet) naast het aansluitpunt gaat als volgt knipperen of branden*:
Knippert groen – er wordt verbinding gemaakt met het netwerk of streamende video (alleen
bij streamen via IP); brandt groen – FTP-overdracht actief; knippert rood – netwerkfout.
: Browser Remote (A 164)
: Streamen via IP (A 175)
: FTP-overdracht (A 178)
* U kunt ook > [B $ System Setup/Systeeminstelling] > [LED] > [ (Ethernet)] instellen op [Off/Uit] om de indicator
uit te schakelen.
163
Netwerkinstellingen wijzigen
Netwerkinstellingen wijzigen
U kunt de instellingen van het momenteel geselecteerde netwerkconfiguratieprofiel ook na de oorspronkelijke
instellingen nog steeds controleren en indien nodig wijzigen. Om instellingen handmatig te wijzigen is gevorderde
kennis nodig van Wi-Fi en netwerkinstellingen.
1 Selecteer [Connection Settings/Verbindingsinstellingen].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Connection Settings/Verbindingsinstellingen]
2 Selecteer het netwerkconfiguratieprofiel dat u wilt controleren en druk vervolgens op SET.
3 Wilt u de netwerkinstellingen wijzigen, selecteer dan [Edit/Bewerken] en druk vervolgens op SET.
4 Selecteer [Infrastructure/Infrastructuur], [Camera Access Point/Cameratoegangspunt] of [Ethernet].
Wijzig de netwerkinstellingen zoals beschreven in de vorige secties.
- Infrastructuur-verbindingen (A 158, vanaf stap 3)
- Cameratoegangspuntverbindingen (A 157, vanaf stap 3)
- Ethernet-verbindingen: sluit het netwerkapparaat aan (stap 1, A 161) en wijzig de IP-instellingen
(A 157).
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
164
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
Nadat u de camcorder via Wi-Fi op een netwerkapparaat hebt aangesloten, kunt u de camcorder op afstand
bedienen met Browser Remote, een webbrowser-toepassing die kan worden geopend met de webbrowser van
netwerkapparaten*. Als u Browser Remote gebruikt, kunt u het live videobeeld van de camcorder controleren
en verschillende opname-instellingen bedienen. Op het Browser Remote-scherm kunt u ook de resterende
opnametijd op de kaart, de resterende acculading en de tijdcode van de camcorder controleren.
* Raadpleeg de Canon-website voor uw regio voor informatie over compatibele apparaten, besturingssystemen, webbrowsers, enzovoort.
Browser Remote instellen
U kunt een unieke identificatiecode van de camcorder instellen en de poort toewijzen die de toepassing Browser
Remote moet gebruiken om de camcorder via het netwerk te openen. Het poortnummer (HTTP-protocol) dat
door Browser Remote wordt gebruikt, is standaard ingesteld op poort 80. Indien nodig kunt u het poortnummer
wijzigen. De camcorder-id wordt weergegeven op het Browser Remote-scherm, waardoor u gemakkelijk kunt
zien welke camcorder de toepassing aan het bedienen is als u gebruikmaakt van meerdere camera's tegelijk.
Camcorderinstellingen
1 Selecteer [Browser Remote Settings/Instellingen van Browser Remote].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Browser Remote Settings/Instellingen van
Browser Remote]
2 Om het poortnummer te wijzigen, selecteert u [Port No./Poortnummer].
Om het poortnummer in te voeren, duwt u de joystick naar links/rechts om het cijfer te selecteren dat u wilt
wijzigen en vervolgens omhoog/omlaag om een waarde voor het geselecteerde cijfer te selecteren. Nadat
u alle vijf cijfers van het poortnummer hebt ingevuld, selecteert u [Set/Instellen]. Druk vervolgens op SET.
3 Als u de camcorder-id wilt wijzigen, selecteert u [Camera ID/Camera-id].
Voer de gewenste camcorder-id in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27).
Gebruikersinstellingen
U hebt een gebruikersnaam en wachtwoord nodig om in te loggen bij de toepassing Browser Remote. U kunt
maximaal drie verschillende gebruikers instellen en selecteren of u bediening door één gebruiker wilt toestaan
(volledige bediening) of bediening door twee gebruikers (een voor de bedieningsfuncties van de camcorder
en een voor de invoer van metadata voor clips).
[Full/Volledig]: Kan alle 3 Browser Remote-schermen openen: [
v
] (hoofdopnamescherm), [ ]
(metadatascherm) en [ ] (basisscherm).
[Camera]: Kan alleen het scherm [
v
] (hoofdopname) openen. Deze persoon is de hoofdbediener
die de camcorder bedient.
[Meta]: Kan alleen het scherm [ ] (metadata) openen. Deze persoon heeft als taak om de
clipinformatie up-to-date te houden.
1 Selecteer [Browser Remote Settings/Instellingen van Browser Remote]
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Browser Remote Settings/
Instellingen van Browser Remote]
2 Wilt u het aantal gebruikers van Browser Remote selecteren, selecteer dan [Users Settings/Gebruikersinstellingen].
3 Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Hebt u [One User (Full)/Eén gebruiker (volledig)] geselecteerd, voer dan stap 4 en 5 uit om de gebruikersnaam
en het wachtwoord in te vullen voor de [Full/Volledig]-gebruiker. Hebt u [Two Users (Camera/Meta)/Twee
gebruikers (camera/meta)] geselecteerd, voer dan stap 4 en 5 tweemaal uit: eenmaal voor de [Camera]-
gebruiker en nogmaals voor de [Meta]-gebruiker.
Bedieningsstanden:
165
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
4 Selecteer [Full: User Name/Volledig: gebruikersnaam], [Camera: User Name/Camera: gebruikersnaam]
of [Meta: User Name/Meta: gebruikersnaam].
Voer de gewenste gebruikersnaam in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27).
5 Selecteer [Full: Password/Volledig: wachtwoord], [Camera: Password/Camera: wachtwoord]
of [Meta: Password/Meta: wachtwoord].
Voer het gewenste wachtwoord in met behulp van het toetsenbord op het scherm (A 27).
Browser Remote starten
Nadat u de netwerkverbinding hebt voltooid, kunt u de toepassing Browser Remote starten in de webbrowser*
van elk netwerkapparaat** dat op hetzelfde netwerk is aangesloten. U kunt de instellingen van Browser Remote
controleren op het statusscherm (A 204).
* Hiervoor is een webbrowser nodig die JavaScript ondersteunt en die ingesteld is om cookies te accepteren.
** Raadpleeg de Canon-website voor uw regio voor informatie over compatibele apparaten, besturingssystemen, webbrowsers, enzovoort.
Voorbereidingen op de camcorder
1 Activeer Browser Remote op de camcorder.
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Network Functions/Netwerkfuncties] >
[Browser Remote]
De camcorder zal beginnen te functioneren als een draadloos toegangspunt.
Bovenaan het scherm verschijnen het pictogram voor het type netwerk en . Als de pictogrammen wit
worden, is de camcorder klaar om opdrachten te accepteren vanuit de toepassing Browser Remote.
2 Indien nodig kunt u de netwerkinstellingen controleren terwijl Browser Remote geactiveerd is.
Druk op de STATUS-knop om de volgende statusschermen weer te geven waarmee u relevante informatie
kunt controleren. Druk op de STATUS-knop om het statusscherm te sluiten.
- Statusscherm [Network 1/6/Netwerk 1/6]: SSID voor cameratoegangspuntverbindingen
- Statusscherm [Network 4/6/Netwerk 4/6]: URL voor Browser Remote
- Statusscherm [Network 5/6/Netwerk 5/6]: gebruikersnamen/wachtwoorden* van Browser Remote
* Alleen standaard wachtwoorden worden getoond.
Op het netwerkapparaat
1 Sluit het netwerkapparaat aan op de camcorder.
Selecteer de SSID (netwerknaam) van de camcorder in de Wi-Fi-instellingen van het apparaat.
2 Open de webbrowser op het netwerkapparaat.
3 Voer de URL van de camcorder precies in zoals deze wordt weergegeven
op het statusscherm.
4 Voer de gebruikersnaam en het wachtwoord in.
Zorg ervoor dat u inlogt met de gebruikersnaam en het wachtwoord
van een van de gebruikers die in de camcorder zijn ingesteld
(A 164). Raadpleeg indien nodig de beheerder die de instellingen
van de camcorder heeft geconfigureerd.
Het Browser Remote-scherm verschijnt. Het getoonde scherm kan
afwijken afhankelijk van de gebruikersinformatie die gebruikt wordt
om in te loggen.
Zolang Browser Remote correct met de camcorder is verbonden,
gaat de van de status van de netwerkverbinding steeds
opnieuw aan en weer uit.
Als de camcorder-id is ingesteld, wordt deze weergegeven in het
Browser Remote-scherm zolang live beeld niet wordt ingeschakeld.
Bedieningsstanden:
Voorbeeld van het inlogscherm.
Het scherm kan afwijken, afhankelijk
van de internetbrowser en de versie
die u gebruikt.
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
166
5 Selecteer de taal voor Browser Remote.
Raak [H] aan en selecteer vervolgens de gewenste taal in de lijst. De geselecteerde
taal geldt vooral voor het metadatascherm en voor berichten die in de toepassing
worden weergegeven. De knoppen van de toepassing worden alleen in het Engels
getoond, ongeacht welke taal is geselecteerd.
Houd er rekening mee dat niet alle talen die door de camcorder worden ondersteund,
ondersteund worden door de toepassing Browser Remote.
6 Gebruik de besturingselementen van Browser Remote om de camcorder te bedienen.
Beschrijvingen van de besturingselementen vindt u op de volgende pagina's. Uitgebreide
uitleg vindt u op de pagina waar voor elke afzonderlijke functie naar verwezen wordt.
7 Wanneer u klaar bent met het gebruik van Browser Remote, schakelt u deze functie uit op
de camcorder.
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Network Functions/Netwerkfuncties] > [Off/Uit]
De netwerkpictogrammen worden geel en verdwijnen vervolgens uit het scherm. De verbinding met de
toepassing wordt verbroken.
OPMERKINGEN
Afhankelijk van het gebruikte netwerk en de sterkte van het Wi-Fi-signaal kan het voorkomen dat u vertragingen
merkt wanneer het live videobeeld of andere instellingen ververst worden.
Als Browser Remote is ingesteld op een andere taal dan de taal die op het netwerkapparaat is ingesteld,
wordt de toepassing mogelijk niet correct weergegeven.
Browser Remote gebruiken
De toepassing Browser Remote heeft 3 schermen: [
v
] het hoofdscherm voor het op afstand bedienen van
de camcorder in de opnamestand, [ ] het metadatascherm en [ ] een basisscherm waarmee gebruikers
alleen de opname kunnen starten/stoppen met een smartphone of een ander apparaat met een klein scherm.
Het getoonde scherm verschilt afhankelijk van de gebruikersinformatie die gebruikt wordt om in te loggen.
In de volgende secties wordt beschreven hoe u de Browser Remote-knoppen kunt gebruiken. Voor gedetailleerde
informatie en van toepassing zijnde beperkingen over de functies zelf raadpleegt u de uitleg van elke functie.
Taalkeuze
Camcorder-id
Status van
netwerkverbinding
167
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
OPMERKINGEN
Browser Remote biedt geen ondersteuning voor multi-aanraakbewegingen.
Het hoofdscherm voor opnamen op afstand [
v
] (alleen [Full/Volledig]/[Camera]-gebruikers)
Wanneer u een computer, tablet of andere apparaten met grotere schermen gebruikt, biedt dit scherm alle
besturingselementen die nodig zijn om de camcorder op afstand te bedienen via Browser Remote.
* Alleen indicatie/schermdisplay. De inhoud of waarde kan niet worden gewijzigd met Browser Remote.
8769
12
*
1311 14 1815 1610 17
*
1
*
4
3
5
2
*
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
168
1 Scherm met live beeld
Geeft het live videobeeld van de camcorder weer. Wanneer het live videobeeld niet is ingeschakeld,
wordt de camcorder-id hier weergegeven.
2 Statusindicatoren
3 [LIVE VIEW]-knop
Raak de knop aan om het live videobeeld van de camcorder weer te geven op het Browser Remote-scherm.
4 Knop [Shot Mark/Opnamemarkering] (opnamemarkering)
Raak de knop aan tijdens het opnemen van XF-HEVC- of XF-AVC-clips om een opnamemarkering aan de
clip toe te voegen. Raak [ ] aan als het bericht [Shot Mark/Opnamemarkering] verschijnt.
5 Clipmarkeringsknoppen
Wanneer u XF-HEVC- of XF-AVC-clips opneemt, kunt u belangrijke clips van een tag voorzien door
clipmarkeringen (A 109) toe te voegen.
Een clipmarkering toevoegen
: nadat u een clip hebt opgenomen, raakt u [ Mark/Markering] aan om een
$
-markering aan de clip toe te voegen of [ Mark/Vinkje] om een vinkje
%
aan de clip toe te voegen.
Raak aan als het bericht [OK Mark/OK-markering] of [CHECK Mark/Vinkje] verschijnt.
6 Browser Remote-schermselectie (alleen [Full/Volledig]-gebruiker)
Raak [
v
] aan om het hoofdscherm voor opnamen op afstand te openen, raak [ ] aan om het
metadatascherm te openen (A 172) of raak [ ] aan om het basisscherm te openen voor apparaten
met een klein scherm (A 174).
7 Knop [FULL AUTO] (volledig automatische stand)
Wilt u de camcorder in de volledig automatische stand zetten, (A 43), raak dan [Off/Aan], selecteer [On/Aan]
en raak vervolgens [ ] aan.
8 Taalkeuze
Hiermee wordt de taal voor bedieningselementen in het scherm [ ] (invoer van metadata) en voor
foutmeldingen gewijzigd. De meeste bedieningselementen van de toepassing bootsen echter fysieke
knoppen op de camcorder na en worden alleen in het Engels weergegeven, ongeachte welke taal gekozen
wordt. Houd er ook rekening mee dat niet alle talen die door de camcorder worden ondersteund,
ondersteund worden door Browser Remote.
9 Knop voor toetsenvergrendeling
Raak het pictogram aan om de Browser Remote-schermen te vergrendelen om te voorkomen dat instellingen
per ongeluk worden gewijzigd.
10 Knop [
D
Touch Focus/Aanraakscherpstelling]
Raak de knop aan om de modus voor aanraakscherpstelling te ontgrendelen (in te schakelen).
OPMERKINGEN
Het live videobeeld wordt in de volgende gevallen niet weergegeven in Browser Remote.
- Terwijl de kleurenbalken worden weergegeven.
- Wanneer de resolutie 2340x2160 is, de beeldsnelheid 59.94P of 50.00P is en >
[B " System Setup/Systeeminstelling] > [SDI/HDMI Max Res./Maximale resolutie SDI/HDMI]
ingesteld is op [3840x2160].
: Indicator van Wi-Fi-verbinding. Zolang Browser Remote correct met de camcorder
is verbonden, gaan de punten steeds opnieuw aan en weer uit.
STBY, enz.: Opnamehandeling (dezelfde als op de camcorder, A 46).
STBY
`
, REC
`
: Output voor opdracht om op te nemen (A 188).
4
: Verschijnt tijdens dubbele opname (A 36).
: Infraroodopname (A 117)
è
, enz.: Resterende acculading (A 45)
OPMERKINGEN
Afhankelijk van de sterkte van de Wi-Fi-verbinding kan er een vertraging van 0,5 seconde optreden
tussen het beeldje dat wordt getoond wanneer u de knop aanraakt en het beeldje waaraan de camcorder
de opnamemarkering toevoegt.
169
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
11 [REC]-knop
Raak de knop aan om de opname te starten. Tijdens het opnemen wordt het midden van de knop rood.
Raak de knop nogmaals aan wanneer u met opnemen wilt stoppen.
12 Kaartselectie en geschatte resterende opnametijd
De momenteel geselecteerde SD-kaart wordt aangeduid met een markering
Ð
naast het pictogram.
Resterende opnametijden zijn bij benadering gegeven en zijn berekend op basis van de momenteel gebruikte
videoconfiguratie.
13 Knop [SLOT SELECT]
Raak de knop aan om de andere SD-kaart te selecteren wanneer beide kaartsleuven een kaart bevatten.
14 Huidige camcorderinstellingen
Dit paneel geeft een overzicht weer van de camcorderinstellingen die momenteel worden gebruikt.
U kunt camcorderinstellingen wijzigen met de besturingselementen op het paneel met gedetailleerde
camcorderinstellingen (18) aan de rechterkant.
15 Indicator voor volledig automatische stand (A 43)
16 Video-indeling (A 51)
17 Tijdcode (dezelfde als op de camcorder)
18 Paneel met uitgebreide camcorderinstellingen (A 169)
Raak een van de tabbladen aan de onderkant aan om de camcorderinstellingen te selecteren
die u wilt aanpassen:
Het hoofdscherm voor opnamen op afstand: uitgebreide camcorderinstellingen
In de volgende secties wordt uitgelegd hoe u de besturingselementen op het paneel met gedetailleerde
camcorderinstellingen kunt gebruiken. Voor gedetailleerde informatie en van toepassing zijnde beperkingen
over de functies zelf raadpleegt u de uitleg van elke functie.
De witbalans wijzigen
Raak het tabblad [White Balance/Witbalans] op het paneel met
gedetailleerde camcorderinstellingen aan.
1 Knop voor automatische witbalans
Raak [ ] aan om de camcorder in te stellen op de stand voor
automatische witbalans (AWB).
2 Knoppen voor aangepaste witbalans
Raak [
Å
A] of [
Å
B] aan.
Een aangepaste witbalans registreren
: richt de camcorder zodanig
op een grijze kaart of een wit voorwerp zonder patroon dat het midden
van het monitorscherm/scherm met het live beeld wordt gevuld en
raak [
Å
] aan. Werk onder dezelfde verlichtingsomstandigheden
die u van plan bent te gebruiken als u opnamen gaat maken.
Tijdens de procedure knippert het pictogram in de knop snel. Wanneer
het pictogram stopt met knipperen, is de procedure voltooid en wordt
de aangepaste witbalans toegepast.
3 Voorkeuzewitbalans (¼/É)/kleurtemperatuur (È)
Raak een knop aan om de witbalansinstelling toe te passen die in de knop wordt getoond.
[ND]: ND-filter [WB]: witbalans
[Shutter/Sluiter]: sluitertijd [Iris]: diafragmawaarde
[AE]: AE-verschuiving [Gain/Versterking]: versterkingswaarde
[White Balance/Witbalans]: witbalansstand en gerelateerde instellingen.
[Exposure/Belichting]: belichtingsgerelateerde instellingen: diafragma, sluitertijd en versterking.
[Focus/Scherpstelling]: scherpstellingsgerelateerde instellingen.
[Zoom]: zoombewerking.
1
4
2
3
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
170
4 Knop [AWB Lock/AWB-vergrendeling] (vergrendeling van automatische witbalans)
Wanneer de automatische witbalans geactiveerd is, kunt u de knop aanraken om de huidige
witbalansinstellingen te vergrendelen en te behouden wanneer u van onderwerp verandert.
De kleurtemperatuur of kleurcompensatiewaarde (CC) afstellen
1 Selecteer een witbalansinstelling anders dan [ ], [
Å
A] of [
Å
B].
2 Raak het rechterdeel van de witbalansknop aan (huidige kleurtemperatuur en CC-waarde).
3 Raak het tabblad [K] (kleurtemperatuur) of het tabblad [CC] (kleurcompensatiewaarde) aan,
selecteer de gewenste waarde in de lijst en raak vervolgens [ ] aan.
Herhaal deze stap indien nodig om de andere instelling te wijzigen.
De belichtingsgerelateerde instellingen wijzigen
Raak het tabblad [Exposure/Belichting] op het paneel met gedetailleerde
camcorderinstellingen aan.
1 ND-filterknoppen
Raak [–] of [+] aan om de dichtheid van het ND-filter te wijzigen.
U kunt ook de huidige ND-filterinstelling aanraken, de gewenste instelling
in de lijst selecteren (of [–]/[+] aanraken) en vervolgens [ ] aanraken.
2 Diafragmagerelateerde knoppen
Wilt u het diafragma automatisch laten regelen door de camcorder,
raak dan [Manual/Handmatig] aan, selecteer [Automatic/Automatisch]
en raak vervolgens [ ] aan. Meer instellingen zijn niet nodig.
Wilt u het diafragma handmatig aanpassen, selecteer dan [Manual/
Handmatig] en gebruik de diafragmaregeling zoals hieronder beschreven.
Raak [–] of [+] aan om de diafragmawaarde te wijzigen (wordt boven
de knoppen weergegeven). U kunt ook de huidige diafragmawaarde
aanraken, de gewenste waarde in de lijst selecteren (of [–]/[+] aanraken)
en vervolgens [ ] aanraken.
3 Sluitertijdgerelateerde knoppen
Wilt u de sluitertijdstand wijzigen, raak dan [Speed/Snelheid] aan en selecteer de gewenste sluitertijdstand
aan ([Speed/Snelheid] (standaard sluitertijd), [Angle/Hoek], [Clear Scan], [Slow/Langzaam] (lange sluitertijden),
[Auto/Automatisch] of [Off/Uit]).
Wilt u de stapgrootte wijzigen als u [Speed/Snelheid] hebt geselecteerd, raak dan [Normal/Normaal] aan,
selecteer de gewenste grootte van de stappen waarmee de sluitertijd wordt gewijzigd en raak vervolgens
[] aan.
Raak [–] of [+] aan om de sluitertijd te wijzigen (wordt boven de knoppen weergegeven). U kunt ook de
huidige sluitertijd aanraken, de gewenste waarde in de lijst selecteren (of [–]/[+] aanraken) en vervolgens
[ ] aanraken.
4 Versterkingsgerelateerde knoppen
Wilt u de versterking automatisch laten regelen door de camcorder, raak dan [Manual/Handmatig] aan,
selecteer [Automatic/Automatisch] en raak vervolgens [ ] aan. Meer instellingen zijn niet nodig. Wilt u de
versterking handmatig aanpassen, selecteer dan [Manual/Handmatig] en gebruik de versterkingsregeling
zoals hieronder beschreven.
Wilt u de stapgrootte wijzigen, raak dan [Normal/Normaal aan], selecteer de gewenste grootte van
de stappen waarmee de versterking wordt gewijzigd en raak vervolgens [ ] aan.
Raak [–] of [+] aan om de versterkingswaarde te wijzigen (wordt boven de knoppen weergegeven).
U kunt ook de huidige versterkingswaarde aanraken, de gewenste waarde in de lijst selecteren
(of [–]/[+] aanraken) en vervolgens [ ] aanraken.
5 Knoppen voor AE-verschuiving
Raak [–] of [+] aan om het AE-verschuivingsniveau te wijzigen.
OPMERKINGEN
Tijdens handmatige instelling van het diafragma kunt u ook [PUSH AUTO IRIS] aanraken om het diafragma
slechts eenmaal automatisch aan te passen. (De knoppen voor handmatige diafragmaregeling zullen dan
niet beschikbaar zijn.)
5
2
1
2
3
4
171
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
De scherpstelling aanpassen en scherpstellingsgerelateerde functies gebruiken
Raak het tabblad [Focus/Scherpstelling] op het paneel met gedetailleerde
camcorderinstellingen aan.
1 Knop voor scherpstellingsstand
2 Knop [Face Det. & Tracking/Gezichtsdetectie en volgen]
(gezichtsdetectie en volgen)
3 Knop [Focus Guide/Scherpstelhulp] (functie Dual Pixel-scherpstelhulp)
4 Volgknoppen
5 Knoppen voor handmatige scherpstelling
Handmatige scherpstelling
1 Raak [AF] aan.
2 Raak [MF] aan en raak vervolgens [ ] aan.
3 Raak een van de bedieningselementen voor handmatige scherpstelling aan de [Near/Dichtbij]-zijde aan om
dichterbij scherp te stellen of een van de bedieningselementen aan de [Far/Ver]-zijde om verder weg scherp
te stellen. Er zijn drie instellingsniveaus: [ ]/[ ] is het kleinst en [ ]/[ ] het grootst.
Scherpstelhulp
1 Raak de knop [Focus Guide/Scherpstelhulp] aan.
2 Raak [On/Aan] aan om de scherpstelhulp weer te geven (A 77) en raak vervolgens [ ] aan.
Aanraakscherpstelling
In de autofocus-stand kunt u een onderwerp aanraken dat op het scherm met het live beeld van Browser
Remote wordt weergegeven om het te selecteren voor scherpstelling.
1 Zorg ervoor dat de functie voor aanraakscherpstelling ontgrendeld is en dat het pictogram
D
wordt
weergegeven op de knop (A 168).
2 Raak het gewenste onderwerp aan op het scherm met het live beeld.
Afhankelijk van de gebruikte scherpstellingsstand kan een AF-kader op het geselecteerde onderwerp
verschijnen.
Autofocus op gezicht
1 Raak [Face Det. & Tracking/Gezichtsdetectie en volgen] aan.
2 Raak [On/Aan] aan en raak vervolgens [ ] aan.
Er wordt een gezichtsdetectiekader rond alle herkende gezichten weergegeven op het scherm met het
live beeld. Het hoofdonderwerp wordt aangegeven met pijlen (
Þ
) aan de rand. De camcorder volgt
het hoofdonderwerp terwijl het beweegt.
Raak het gezicht van een ander onderwerp om het andere onderwerp als hoofdonderwerp te selecteren.
3 Stel handmatig scherp of laat de camcorder automatisch scherpstellen op het gezicht van het hoofdonderwerp.
Andere onderwerpen volgen
1 Raak [Tracking/Volgen] aan.
Deze stap is niet nodig wanneer [v#Camera Setup/Camera-instelling] > [AF Frame/AF-kader]
ingesteld is op [Automatic/Automatisch] (A 81).
2 Raak het scherm met het live beeld aan om het onderwerp te selecteren dat u wilt volgen.
Een volgkader verschijnt op het scherm met het live beeld en de camcorder blijft het onderwerp volgen
terwijl het beweegt.
Wilt u een ander onderwerp volgen, raak dan [Cancel Tracking/Volgen annuleren] aan.
3 Stel handmatig scherp of laat de camcorder automatisch scherpstellen op het onderwerp.
1
2
3
4
5
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
172
De zoom aanpassen
1 Raak het tabblad [Zoom] op het paneel met gedetailleerde
camcorderinstellingen aan.
2 Raak een van de knoppen met vaste zoomstand aan de [Tele]-zijde aan
om in te zoomen of een van de knoppen aan de [Wide/Groothoek]-zijde
om uit te zoomen.
U kunt ook de knoppen voor handmatig zoomen aanraken [ ]/[ ].
OPMERKINGEN
Wanneer u een langzame zoomsnelheid gebruikt, kan het even duren
totdat de lens begint te bewegen.
Het metadatascherm [] (alleen [Full/Volledig]/[Meta]-gebruiker)
Met Browser Remote kunt u metadata-informatie aanmaken, bewerken en overdragen naar de camcorder om te
gebruiken in XF-HEVC- of XF-AVC-clips. De metadata bevat de gebruikersmemogegevens (cliptitel, maker,
locatie en beschrijving) en de GPS-informatie. Raadpleeg Metadata gebruiken (A 110) voor meer informatie.
Als u het invoerscherm voor metadata wilt openen, raakt u het pictogram [ ] bovenaan het Browser Remote-
scherm aan.
Deze stap is niet nodig wanneer u inlogt met de gebruikersnaam en het wachtwoord van de [Meta]-gebruiker.
1 Cliptitel
Raak de binnenkant van het tekstvak aan en voer de gewenste tekst in. Wilt u de tekst verwijderen,
raak dan [Clear All/Alles wissen] aan.
Knoppen
voor
handmatig
zoomen
Vaste
zoomstanden
5
6
7
811910
1
4
3
2
173
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
2 GPS-gegevens
De hoogte invoeren: raak de binnenkant van het tekstvak [Altitude/Hoogte] aan en voer de gewenste waarde in.
De breedtegraad invoeren
: raak de binnenkant van een van de tekstvakken onder [Latitude/Breedtegraad]
aan en voer (van links naar rechts) de waarden in voor graden, minuten en seconden. Wilt u een zuidelijke
breedtegraad selecteren, raak dan [North/Noord] aan en selecteer [South/Zuid].
De lengtegraad invoeren
: raak de binnenkant van een van de tekstvakken onder [Longitude/Lengtegraad]
aan en voer (van links naar rechts) de waarden in voor graden, minuten en seconden. Wilt u een westelijke
lengtegraad selecteren, raak dan [East/Oost] aan en selecteer [West].
Wilt u alle GPS-gerelateerde velden in één keer wissen, raak dan [Clear All/Alles wissen] aan.
3 Scherm met live beeld
Geeft het live videobeeld van de camcorder weer. Wanneer het live videobeeld niet is ingeschakeld,
wordt de camcorder-id hier weergegeven.
4 [LIVE VIEW]-knop
Raak de knop aan om het live videobeeld van de camcorder weer te geven op het Browser Remote-scherm.
5 Maker van de clip
6 Opnamelocatie
7 Beschrijving van de clip
Raak de binnenkant van het desbetreffende tekstvak aan en voer de gewenste tekst in. Wilt u de tekst
verwijderen, raak dan [Clear All/Alles wissen] aan.
8 Statusindicatoren
Zie de beschrijvingen in het gedeelte over het scherm [
v
] (A 168).
9 Knop [ Activate/Activeren]
Raak de knop aan om bij het opnemen van clips prioriteit te geven aan de metadata die in dit scherm
is ingevoerd. De metadata die wordt gelezen uit een bestand dat op SD-kaart B is opgeslagen, wordt
dan genegeerd.
10 Knop [Overwrite Previous/Vorige overschrijven]/knop [Overwrite/Overschrijven] (XF-HEVC- of
XF-AVC-clips)
Tijdens het opnemen van een clip: raak [Overwrite/Overschrijven] aan om de in dit scherm ingevoerde
metadata naar de camcorder te verzenden. Eventuele metadata die de clip die wordt opgenomen al heeft,
wordt dan vervangen. Raak aan als het bevestigingsbericht verschijnt.
Na het opnemen van een clip: raak [Overwrite Previous/Vorige overschrijven] aan om de in dit scherm
ingevoerde metadata naar de camcorder te verzenden. Eventuele metadata die in de laatst opgenomen
clip is ingesloten, wordt dan vervangen. Raak aan als het bevestigingsbericht verschijnt.
11 Knop [Apply from Next/Toepassen vanaf volgende] (XF-HEVC- of XF-AVC-clips)
Raak de knop aan om de in dit scherm ingevoerde metadata naar de camcorder te verzenden. De verzonden
metadata wordt dan alleen ingesloten in clips die na de overdracht worden opgenomen. Raak aan als het
bevestigingsbericht verschijnt.
Deze optie overschrijft geen metadata van clips die al zijn of worden opgenomen.
OPMERKINGEN
De metadata die vanaf Browser Remote naar de camcorder is verstuurd, gaat in de volgende gevallen verloren.
- De camcorder wordt uitgeschakeld.
- De optie > [3 " Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] >
[Setting/Instelling] is gewijzigd.
Met Browser Remote (knop [ Activate/Activeren]) kunt u prioriteit geven aan de metadata die vanuit de
toepassing is verstuurd. U kunt de prioriteit echter niet teruggeven aan de SD-kaart. Om een
gebruikersmemobestand te gebruiken dat op een kaart is opgeslagen, dient u > [3 " Recording/
Media Setup/Opname/media instellen] > [Metadata] > [Setting/Instelling] op de camcorder zelf in te stellen
op [SD Card/SD-kaart].
Als u Browser Remote gebruikt om gebruikersmemo-informatie over te dragen naar een relayclip nadat naar
een andere kaart is overgeschakeld, wordt de gebruikersmemo niet opgeslagen in de clip die is opgenomen
voordat de camcorder naar de andere kaart overschakelde.
Browser Remote: de camcorder bedienen vanaf een netwerkapparaat
174
Het basisscherm [ ] (alleen [Full/Volledig]-gebruiker)
Wanneer u een smartphone of ander apparaat met een kleiner scherm gebruikt,
biedt dit alleen een klein scherm met live beeld voor definitieve bevestiging,
zoomregelaars en de [REC]-knop om het opnemen te starten en stoppen.
Als u het basisscherm wilt openen, raakt u het pictogram [ ] bovenaan
het Browser Remote-scherm aan.
175
Streamen via IP
Streamen via IP
Nadat u de camcorder met een netwerk hebt verbonden, kunt u live video en audio* van de camcorder via
IP streamen naar een compatibele IP-videodecoder** die op het netwerk is aangesloten. U kunt streamen via
IP gebruiken voor live uitzendingen of om een nieuwsrapportage te verzenden vanaf een locatie met slechte
netwerkconnectiviteit.
Wanneer streamen via IP geactiveerd is, is intern opnemen op een SD-kaart op de camcorder uitgeschakeld
maar u kunt wel opnemen op een extern apparaat.
* Slechts 2 kanalen. Tijdens opnamen in 4-kanaals audio kunt u selecteren welke twee kanalen worden gestreamd via IP.
** Dit kan een speciaal apparaat voor video-overdracht zijn of decodersoftware op een computer. Raadpleeg de Canon-website
voor uw regio voor informatie over compatibele decoders.
Configuratie van video die via IP wordt gestreamd
* Instelling > [3 ! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Rec Format/Opname-indeling].
Beschikbare opties voor het streamingsignaal variëren afhankelijk van de videoconfiguratie die wordt gebruikt om te nemen.
Instellingen voor streamen via IP
Voordat u video kunt streamen via IP dient u instellingen te configureren die met de overdracht te maken hebben,
zoals het te gebruiken protocol en poortnummer. U kunt ook de configuratie van de gestreamde video selecteren.
Camcorderinstellingen
1 Een Ethernet-netwerkverbinding configureren (A 161).
2 Selecteer [IP Streaming Settings/Instellingen voor streamen via IP].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [IP Streaming Settings/Instellingen voor
streamen via IP]
3 Wilt u de videoconfiguratie voor streamen selecteren, selecteer dan [Streaming Output Signal/
Uitvoersignaal voor streaming].
Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
4 Wilt u de audiokanalen voor streamen selecteren, selecteer dan [Audio Out Channels/
Audio-uitgangskanalen].
Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
5 Selecteer [Protocol].
Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Hebt u [RTP+FEC] geselecteerd, voltooi dan de instellingen voor het verhelpen van fouten (A 176).
Opties
[UDP]: Dit protocol geeft prioriteit aan overdrachtssnelheden, maar garandeert de betrouwbaarheid/integriteit
van de data niet. Verloren of vertraagde IP-pakketten worden genegeerd.
[RTP]: Standaard protocol voor video/audio-uitzendingen via internet. Verloren of vertraagde IP-pakketten
worden genegeerd.
[RTP+FEC]: Deze instelling gebruikt het RTP-protocol en voegt een laag voor FEC-foutcorrectie toe, zodat
de ontvangende zijde* verloren of vertraagde IP-pakketten kan herstellen.
* Een decoder die compatibel is met FEC-foutcorrectie is vereist.
Video-indeling*
(compressie)
Streamingconfiguratie
Video
Audio
Bitsnelheid Resolutie Beeldsnelheid
XF-HEVC
(H.265/HEVC-compressie)
16 Mbps, 9 Mbps 3840x2160
59.94P, 29.97P, 50.00P,
25.00P
MPEG-2 AAC,
256 Kbps, 2 kanalen
9 Mbps, 4 Mbps 1920x1080
XF-AVC, MP4
(MPEG-4 AVC/H.264-compressie)
9 Mbps, 4 Mbps 1920x1080 59.94i, 50.00i
Bedieningsstanden:
Streamen via IP
176
Ontvangerinstellingen
1 Selecteer [IP Streaming Settings/Instellingen voor streamen via IP].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [IP Streaming Settings/Instellingen voor streamen
via IP]
2 Selecteer [Dest. IP Address/IP-adres van bestemming] en voer het IP-adres in dat aan de decoder
is toegewezen.
Duw de joystick omhoog/omlaag om een waarde voor het eerste veld van het adres te selecteren en druk
vervolgens op SET om naar het volgende veld te gaan. Nadat u de vier velden van het adres hebt ingevuld,
selecteert u [Set/Instellen]. Druk vervolgens op SET.
3 Om het poortnummer te wijzigen, selecteert u [Dest. Port No./Poortnummer van bestemming].
Om het poortnummer in te voeren, duwt u de joystick naar links/rechts om het cijfer te selecteren dat u wilt
wijzigen en vervolgens omhoog/omlaag om een waarde voor het geselecteerde cijfer te selecteren. Nadat u alle
vijf cijfers van het poortnummer hebt ingevuld, selecteert u [Set/Instellen]. Druk vervolgens op SET.
Aanbevolen wordt om het standaard poortnummer te gebruiken.
Instellingen voor FEC-foutcorrectie
1 Selecteer [IP Streaming Settings/Instellingen voor streamen via IP].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [IP Streaming Settings/Instellingen
voor streamen via IP]
2 Wilt u het poortnummer invoeren dat voor FEC-pakketten wordt gebruikt, selecteer dan
[FEC Port No./FEC-poortnummer].
Om het poortnummer in te voeren, duwt u de joystick naar links/rechts om het cijfer te selecteren dat u wilt
wijzigen en vervolgens omhoog/omlaag om een waarde voor het geselecteerde cijfer te selecteren. Nadat u alle
vijf cijfers van het poortnummer hebt ingevuld, selecteert u [Set/Instellen]. Druk vervolgens op SET.
Aanbevolen wordt om het standaard poortnummer te gebruiken.
3 Wilt u het interval voor FEC-pakketten wijzigen, selecteer dan [FEC Interval/FEC-interval].
Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Video streamen via IP
1 Sluit de decoder aan op het netwerk en voer eventuele instellingen in die aan de ontvangende
zijde nodig zijn, zodat de decoder klaar is om video via IP te kunnen ontvangen.
Voor informatie raadpleegt u de gebruiksaanwijzing van het decoderapparaat of de software die u gaat
gebruiken.
2 Selecteer het gewenste netwerk (A 162).
Gebruik een Ethernet-verbinding (A 161) en sluit de camcorder op het gewenste netwerk aan met
een Ethernet-kabel.
3 Activeer streamen via IP op de camcorder.
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Network Functions/Netwerkfuncties] >
[IP Streaming/Streamen via IP]
4 Wanneer het bevestigingsbericht verschijnt, selecteert u [OK] en vervolgens drukt u op SET.
en verschijnen bovenaan het scherm. Wanneer de pictogrammen wit worden, begint de
camcorder video te streamen via het geselecteerde netwerk.
5 Als u klaar bent met het streamen van de gewenste video, zet u de netwerkfuncties uit.
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [Network Functions/Netwerkfuncties] > [Off/Uit]
De netwerkpictogrammen worden geel en verdwijnen vervolgens uit het scherm.
177
Streamen via IP
OPMERKINGEN
Terwijl streamen via IP geactiveerd is, blijft de camcorder video- en audiodata uitzenden via het IP-netwerk,
ongeacht de status van de ontvanger. De gestreamde data wordt niet versleuteld. Let goed op dat u het juiste
IP-adres instelt en test vooraf of de ontvangende decoder inderdaad de signalen kan ontvangen.
Afhankelijk van het gebruikte netwerk en de omstandigheden van de verbinding, kan het voorkomen dat
IP-pakketten verloren gaan of vertraagd worden.
Nadat u 24 uur lang continu video hebt gestreamd, stopt de camcorder tijdelijk met streamen via IP.
Vervolgens wordt het streamen automatisch opnieuw gestart.
FTP-bestandsoverdracht
178
FTP-bestandsoverdracht
Met behulp van het FTP-protocol kunt u clips overdragen van de camcorder naar een ander apparaat dat
op het netwerk is aangesloten.
In de volgende uitleg wordt verondersteld dat de FTP-server aan staat, klaar is en juist geconfigureerd is.
FTP-server- en overdrachtsinstellingen
Voordat u clips kunt overdragen naar een aangesloten apparaat, configureert u de FTP-serverinstellingen en
andere instellingen die te maken hebben met de verwerking van mappen en bestanden. Neem indien nodig
contact op met de netwerkbeheerder van de FTP-server.
1 Selecteer [FTP Transfer Settings/FTP-overdrachtsinstellingen].
> [ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [FTP Transfer Settings/FTP-overdrachtsinstellingen]
2 Om de FTP-server die de bestemming is in te voeren, selecteert u [FTP Server/FTP-server].
Druk vervolgens op SET.
Voer het IP-adres of de hostnaam van de FTP-server in met behulp van het toetsenbord op het scherm
(A 27).
3 Voer op dezelfde wijze waarden in voor [FTP: User Name/FTP: Gebruikersnaam], [FTP: Password/
FTP: wachtwoord] en [Destination Folder/Bestemmingsmap].
4 Wilt u het poortnummer wijzigen, selecteer dan [Port No./Poortnummer] en druk vervolgens op SET.
Om het poortnummer in te voeren, duwt u de joystick naar links/rechts om het cijfer te selecteren dat u wilt
wijzigen en vervolgens omhoog/omlaag om een waarde voor het geselecteerde cijfer te selecteren. Nadat
u alle vijf cijfers van het poortnummer hebt ingevuld, selecteert u [Set/Instellen]. Druk vervolgens op SET.
5 Selecteer [Passive Mode/Passieve stand] als u de passieve stand wilt activeren.
Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
[Off/Uit] is in de meeste gevallen de standaardinstelling. [On/Aan] (passieve stand) is geschikter voor
FTP-overdracht achter een firewall.
6 Wilt u selecteren of er een nieuwe map voor elke overdrachtsdatum wordt gemaakt, selecteer
dan [New Folder by Date/Nieuwe map op datum].
Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
7 Wilt u selecteren hoe u bestandsoverdrachten wilt afhandelen wanneer er al een bestand met
dezelfde naam bestaat, selecteer dan [Same Named Files/Bestanden met dezelfde naam].
Selecteer de gewenste optie en druk vervolgens op SET.
Opties voor [New Folder by Date/Nieuwe map op datum]
[On/Aan]: Bij elke overdracht wordt onder de bestemmingsmap een nieuwe submap aangemaakt,
'JJJJMMDD\UUMMSS'.
[Off/Uit]: Alle bestanden worden overgedragen naar de map die ingesteld is als [Destination Folder/
Bestemmingsmap] in de FTP-serverinstellingen.
Opties voor [Same Named Files/Bestanden met dezelfde naam]
[Skip/Overslaan]: Als de bestemmingsmap al een bestand bevat met dezelfde naam, wordt het
bestand niet overgedragen.
[Overwrite/Overschrijven]: Zelfs als de bestemmingsmap al een bestand bevat met dezelfde naam, wordt het
bestand overgedragen. Eventuele bestanden in de bestemmingsmap met dezelfde
naam worden in dat geval overschreven.
Bedieningsstanden:
179
FTP-bestandsoverdracht
OPMERKINGEN
U kunt de huidige FTP-instellingen controleren op de statusschermen [Network 4/6/Netwerk 4/6] tot en met
[Network 6/6/Netwerk 6/6].
Clips overdragen (FTP-overdracht)
Eén enkele clip overdragen
1 Selecteer het gewenste netwerk (A 162).
Gebruik een infrastructuur-verbinding (A 156) of een Ethernet-verbinding (A 161).
Met Ethernet-verbindingen sluit u de camcorder aan op het gewenste netwerk met behulp van een
Ethernet-kabel.
2 Selecteer de gewenste clip en druk vervolgens op SET om het clipmenu te openen.
3 Selecteer [FTP Transfer/FTP-overdracht] en druk vervolgens op SET.
4 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De camcorder maakt verbinding met de FTP-server en de geselecteerde clip wordt overgedragen. Als u een
Ethernet-verbinding gebruikt, knippert het Ethernet-statuslampje terwijl bestanden worden overgedragen.
Druk op de CANCEL-knop om de bewerking te annuleren.
5 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
Alle clips overdragen
1 Open het indexscherm met de clips die u wilt overdragen (A 133).
2 Selecteer het gewenste netwerk (A 162).
Gebruik een infrastructuur-verbinding (A 156) of een Ethernet-verbinding (A 161).
Met Ethernet-verbindingen sluit u de camcorder aan op het gewenste netwerk met behulp van een
Ethernet-kabel.
3 Selecteer [FTP Transfer/FTP-overdracht].
[ ! Network Settings/Netwerkinstellingen] > [FTP Transfer/FTP-overdracht]
4 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
De camcorder maakt verbinding met de FTP-server en alle clips in het indexscherm worden overgedragen.
Als u een Ethernet-verbinding gebruikt, knippert het Ethernet-statuslampje terwijl bestanden worden
overgedragen.
Druk op de CANCEL-knop om de bewerking te annuleren.
5 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
BELANGRIJK
Neem de onderstaande voorschriften in acht als u bestanden verzendt. Als u dat nalaat, dan kan dit tot gevolg
hebben dat de bestandsoverdracht wordt onderbroken en op de bestemming incomplete bestanden
worden afgeleverd.
- Open de afdekplaatjes van de kaartsleuven niet.
- Verwijder de voeding niet en zet de camcorder niet uit.
Als op de bestemming incomplete bestanden worden afgeleverd, controleer dan de inhoud hiervan
en controleer of deze bestanden veilig kunnen worden verwijderd voordat u dat doet.
OPMERKINGEN
Afhankelijk van de instellingen en capaciteit van het toegangspunt kan het enige tijd duren om bestanden over
te dragen.
FTP-bestandsoverdracht
180
8
181
Foto's
Foto's maken
U kunt foto's vastleggen op (uitsluitend) SD-kaart B wanneer de camcorder in de opnamestandby-stand staat.
De fotoresolutie is hetzelfde, ongeacht de momenteel gebruikte videoconfiguratie.
1 Stel een toewijzingsknop in voor [Photo/Foto] (A 119).
2 Druk terwijl de camcorder in de opnamestandby-stand staat op de toewijzingsknop om een foto
te maken.
7
en het aantal foto's dat nog kan worden gemaakt, worden rechtsboven in het scherm weergegeven.
Het maximumaantal beschikbare foto's dat in het scherm kan worden weergegeven, bedraagt 9999.
•De SD CARD
3
-statusindicator gaat rood branden terwijl de foto wordt gemaakt.
U kunt ook op de PHOTO-knop drukken op de bijgeleverde wireless afstandsbediening.
BELANGRIJK
Neem de onderstaande voorschriften in acht wanneer de SD CARD
3
-statusindicator rood brandt.
Als u dat niet doet, kunt u uw gegevens voorgoed kwijtraken.
- Open het afdekplaatje van de SD CARD 3-kaartsleuf niet en verwijder de kaart niet.
- Verwijder de voeding niet en zet de camcorder niet uit.
OPMERKINGEN
In de volgende gevallen kunt u geen foto's maken:
- Wanneer vooropname geactiveerd is.
- Als de opnamestand voor slow motion is ingeschakeld.
- Wanneer Browser Remote geactiveerd is.
Als de LOCK-schakelaar op de SD-kaart zodanig is ingesteld dat de kaart tegen schrijven beveiligd is,
kunt u geen foto's maken. Wijzig eerst de stand van de LOCK-schakelaar.
Momenteel gebruikte resolutie Fotogrootte Geschatte bestandsgrootte per afbeelding
3840x2160, 1920x1080 1920x1080 880 KB
Bedieningsstanden:
Foto's afspelen
182
Foto's afspelen
U kunt de foto's bekijken die u op SD-kaart B hebt vastgelegd.
Het indexscherm [Photos/Foto's] weergeven
1 Zet de camcorder in de stand (A 22).
2 Open het indexscherm [Photos/Foto's] (A 135).
Foto's bekijken
1 Verplaats het oranje selectiekader naar de gewenste foto.
2 Druk op de Ò-knop om de foto te bekijken.
Het fotoweergavescherm verschijnt en de geselecteerde foto
wordt getoond.
Gebruik de knoppen Ú/Ù of duw de joystick naar links/
rechts om naar de vorige/volgende foto te gaan.
Druk op de DISP-knop om de schermdisplays te verbergen
of weer te geven.
Druk op de Ñ-knop om terug te keren naar het indexscherm
[Photos/Foto's].
BELANGRIJK
Neem de onderstaande voorschriften in acht wanneer een
statusindicator rood brandt. Als u dat niet doet, kunt u uw
gegevens voorgoed kwijtraken.
- Verwijder de voeding niet en zet de camcorder niet uit.
- Open het afdekplaatje van de actieve kaart niet en verwijder
de kaart niet.
OPMERKINGEN
De volgende foto's worden mogelijk niet correct weergegeven.
- Foto's die niet met deze camcorder zijn gemaakt.
- Foto's die zijn gemaakt of bewerkt op een computer.
- Foto's waarvan de bestandsnamen zijn veranderd.
Bedieningsstanden:
183
Foto's verwijderen
Foto's verwijderen
Foto's die u niet wilt bewaren, kunt u verwijderen.
Eén enkele foto verwijderen
1 Geef de foto weer die u wilt verwijderen of selecteer deze in het indexscherm [Photos/Foto's]
(A 135) en druk vervolgens op SET.
2 Selecteer [Delete/Verwijderen] en druk vervolgens op SET.
3 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
4 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
Alle foto's verwijderen
U kunt alle foto's in het indexscherm [Photos/Foto's] verwijderen.
1 Selecteer [Delete All Photos/Alle foto's verwijderen].
> [3 ! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Delete All Photos/Alle foto's
verwijderen]
2 Selecteer [OK] en druk vervolgens op SET.
3 Als het bevestigingsbericht verschijnt, drukt u op SET.
BELANGRIJK
Wees voorzichtig bij het verwijderen van foto's. Verwijderde foto's bent u voorgoed kwijt.
Bedieningsstanden:
Foto's verwijderen
184
9
185
Overige informatie
Menuopties
Raadpleeg Gebruik van de menu's (A 25) voor meer informatie over hoe u een optie kunt selecteren. De locatie
van een menuopdracht in een menu wordt aangegeven door het paginanummerpictogram (!" enz.) in de
linkerkolom. Raadpleeg de pagina waarnaar wordt verwezen of de uitleg die bij het menuonderdeel hoort voor meer
informatie over elke functie. De standaardinstelling van een insteloptie wordt aangegeven in een vet lettertype.
Afhankelijk van de bedieningsstand van de camcorder en de instellingen zijn sommige menuopdrachten mogelijk
niet beschikbaar. Dergelijke menuopdrachten worden niet getoond of worden in het grijs weergegeven in de
menuschermen.
Als u direct naar een pagina van een specifiek menu wilt gaan:
Menu [
v
Camera Setup/Camera-instelling] (alleen stand )
Menu [
v
Camera Setup/
Camera-instelling] A 185
Menu [/ Custom Picture/
Voorkeuze-instellingen] A 187
Menu [
3
Recording/Media Setup/
Opname/media instellen] A 187
Menu [
¡
Audio Setup/Audio-instelling] A 189
Menu [
¢
Monitoring Setup/
Monitorconfiguratie] A 190
Menu [
A
Assistance Functions/
Hulpfuncties] A 192
Menu [7 Network Settings/
Netwerkinstellingen] A 193
Menu [ Assignable Buttons/
Toewijzingsknoppen] A 194
Menu [
B
System Setup/
Systeeminstelling] A 195
Aangepast menu [
¥
My Menu/Mijn menu] A 196
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Light Metering/Lichtmeetmethode] [Backlight/Tegenlicht], [Standard/Standaard], [Spotlight/Schijnwerper] (A 64)
[AE Shift/AE-verschuiving] –2,0 tot +2,0 in stappen van 0,25 punt (±0) (A 63)
[AE Response/AE-reactie] [High/Hoog], [Normal/Normaal], [Low/Laag]
Bepaalt hoe snel de belichting (diafragma, sluitertijd en versterking) wordt aangepast
wanneer de stand voor automatische instelling wordt gebruikt.
[Iris Limit/Irislimiet] [On/Aan], [Off/Uit] (A 63)
[Iris Ring Direction/Richting irisring] [Reverse/Omgekeerd], [Normal/Normaal] (A 62)
[Shutter Increment/Sluitertijdstappen] [Fine/Fijn], [Normal/Normaal] (A 57)
"
[AGC Limit/AGC-limiet] [Off/33 dB/Uit/33 dB], [32.0 dB] tot [–6.0 dB] in stappen van 1-dB (A 58)
[Gain L/Versterking L] (A 59)
[Mode/Stand] [Fine/Fijn], [Normal/Normaal]
[Fine/Fijn] [33.0 dB] tot [–6.0 dB] in stappen van 0,5-dB ([0.0 dB])
[Normal/Normaal] [33.0 dB] tot [–6.0 dB] in stappen van 3-dB ([0.0 dB])
[Gain M/Versterking M] (A 59)
[Mode/Stand] [Fine/Fijn], [Normal/Normaal]
[Fine/Fijn] [33.0 dB] tot [–6.0 dB] in stappen van 0,5-dB ([6.0 dB])
[Normal/Normaal] [33.0 dB] tot [–6.0 dB] in stappen van 3-dB ([6.0 dB])
[Gain H/Versterking H] (A 59)
[Mode/Stand] [Fine/Fijn], [Normal/Normaal]
[Fine/Fijn] [33.0 dB] tot [–6.0 dB] in stappen van 0,5-dB ([12.0 dB])
[Normal/Normaal] [33.0 dB] tot [–6.0 dB] in stappen van 3-dB ([12.0 dB])
[Shockless Gain/Vloeiende versterking] [High/Hoog], [Normal/Normaal], [Low/Laag], [Off/Uit] (A 59)
Menuopties
186
1
De standaardwaarde hangt af van het land/de regio van aankoop.
[White Balance: Preset/Witbalans: voorkeuze] [¼ Daylight/Daglicht], [É Tungsten/Kunstlicht], [È Kelvin] (A 68)
[Shockless WB/Vloeiende witbalans] [On/Aan], [Off/Uit] (A 67)
[AWB Response/AWB-reactie] [High/Hoog], [Normal/Normaal], [Low/Laag] (A 68)
#
[AF Mode/AF-stand] [AF-Boosted MF/MF aangevuld door AF], [Continuous/Continu] (A 79, 80)
[AF Frame/AF-kader] [Automatic/Automatisch], [Large/Groot], [Small/Klein] (A 81)
[AF Frame Position/Positie van AF-kader] [Selectable/Selecteerbaar], [Center Frame/Middenkader] (A 81)
[AF Speed/AF-snelheid] [High/Hoog], [Normal/Normaal], [Low/Laag] (A 80)
[AF Response/AF-reactie] [High/Hoog], [Normal/Normaal], [Low/Laag] (A 80)
$
[Face Det. & Tracking/Gezichtsdetectie en volgen] [On/Aan], [Off/Uit] (A 81)
[Face AF/Autofocus op gezicht] [Face Priority/Prioriteit voor gezicht], [Face Only/Alleen gezicht] (A 81)
[Focus Limit/Scherpstellingslimiet] [On/Aan], [Off/Uit] (A 84)
[Focus Ring Direction/Richting scherpstelring] [Reverse/Omgekeerd], [Normal/Normaal] (A 76)
[Focus Ring Response/Scherpstelringrespons] [High/Hoog], [Normal/Normaal], [Low/Laag] (A 76)
%
[Zoom Speed Level/Zoomsnelheidsniveau] [High/Hoog], [Normal/Normaal], [Low/Laag] (A 72)
[High-Speed Zoom/Zoomen met hoge snelheid] [On/Aan], [Off/Uit] (A 72)
[Digital Zoom/Digitale zoom] [Tele-converter 6.0x/Teleconverter 6,0x], [Tele-converter 3.0x/
Teleconverter 3,0x], [Tele-converter 1.5x/Teleconverter 1,5x],
[Digital 300x/Digitaal 300x], [Advanced 30x/Geavanceerd 30x], [Off/Uit]
(A 70)
[Handle Zoom Speed H/
Zoomsnelheid camcorderhendel H]
1 tot en met 16 (16) (A 73)
[Handle Zoom Speed L/
Zoomsnelheid camcorderhendel L]
1 tot en met 16 (8)
[WL-D6000 Zoom Speed/
Zoomsnelheid vanaf WL-D6000]
1 tot en met 16 (8) (A 73)
&
[Grip Zoom Speed/Zoomsnelheid
van schakelaar op handgreep]
[Constant], [Variable/Variabel], [User Setting/Gebruikersinstelling] (A 72)
[Constant Speed/Constante snelheid] 1 tot en met 16 (8) (A 72)
[Users Settings/Gebruikersinstellingen] [User 1/Gebruiker 1], [User 2/Gebruiker 2], [User 3/Gebruiker 3] (A 72)
'
[IS Mode/IS-stand] [Dynamic/Dynamisch], [Standard/Standaard] (A 85)
[Image Stabilizer] [On/Aan], [Off/Uit] (A 85)
[Powered IS] [On/Aan], [Off/Uit] (A 85)
[Color Bars/Kleurenbalken] [On/Aan], [Off/Uit] (A 106)
[Color Bar Type/Type kleurenbalk] [SMPTE], [EBU]
1
, [ARIB] (A 106)
[Flicker Reduction/Knipperreductie] [Automatic/Automatisch], [Off/Uit] (A 57)
[Conversion Lens/Conversielens] [TL-U58], [WA-U58], [Off/Uit] (A 75)
(
[IR Rec Color/Kleur voor infraroodopname] [White/Wit], [Green/Groen] (A 117)
[IR Light/Infraroodlicht] [Toggle/Omschakelen], [Always On/Altijd aan], [Always Off/
Altijd uit]
(A 117)
[IR Slow Shutter/Langzame sluiter IR] [On/Aan], [Off/Uit] (A 117)
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
187
Menuopties
Menu [/ Custom Picture/Voorkeuze] (alleen in de stand )
Menu [
3
Recording/Media Setup/Opname/media instellen]
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Preset/Voorkeuze], [Gamma],
[Color Space/Kleurruimte],
[Color Matrix/Kleurmatrix],
[HLG Color/Kleur HLG],
[Activate Other Settings/
Overige instellingen activeren],
[Other Settings/Overige instellingen]
Zie de tabellen in het gedeelte Voorkeuze-instellingen:
Kleurvoorkeuze-instellingen (
A
65), Beschikbare voorkeuze-instellingen (
A
126–130).
[File/Bestand]
[Select/Selecteer] [C1:CP000001] tot [C20:CP000020] (A 123)
[Rename/Naam wijzigen] (A 124)
[Protect/Beveiligen] [Unprotect/Beveiliging opheffen], [Protect/Beveiligen] (A 124)
[Reset/Resetten] (A 124)
[Copy to SD Card B/
Naar SD-kaart B kopiëren],
[Load from SD Card B/
Laden vanaf SD-kaart B]
(A 125)
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Initialize Media/Media initialiseren] [SD Card A/SD-kaart A], [SD Card B/SD-kaart B] (A 35)
[Rec Format/Opname-indeling] [XF-HEVC], [XF-AVC], [MP4] (A 51)
[System Frequency/
Systeemfrequentie]
[59.94 Hz], [50.00 Hz]
1
(A 51)
[Recording Mode/Opnamestand] [Normal Recording/Normale opname], [Slow Motion Recording/
Opnemen in slow motion]*, [Pre-Recording/Vooropname]
(A 115)
* Alleen beschikbaar voor XF-HEVC- of XF-AVC-clips.
[Frame Rate/Beeldsnelheid] Wanneer [System Frequency/Systeemfrequentie] ingesteld is op [59.94 Hz]:
[59.94i], [59.94P], [29.97P], [23.98P]
Wanneer [System Frequency/Systeemfrequentie] ingesteld is op [50.00 Hz]:
[50.00i], [50.00P], [25.00P]
(A 51)
De beschikbare instellingen variëren afhankelijk van de gebruikte video-indeling en systeemfrequentie.
[Resolution/Color Sampling/
Resolutie/kleursampling]
Wanneer [Rec Format/Opname-indeling] ingesteld is op [XF-HEVC]
[3840x2160 YCC422 10 bit], [1920x1080 YCC422 10 bit]
Wanneer [Rec Format/Opname-indeling] ingesteld is op [XF-AVC]
[3840x2160 YCC420 8 bit], [1920x1080 YCC420 8 bit]
Wanneer [Rec Format/Opname-indeling] ingesteld is op [MP4]
[1920x1080 YCC420 8 bit], [1280x720 YCC420 8 bit]
(A 52)
De beschikbare instellingen variëren afhankelijk van de gebruikte video-indeling en beeldsnelheid.
[Bit Rate/Bitsnelheid] Wanneer [Rec Format/Opname-indeling] ingesteld is op [XF-HEVC]
[160 Mbps], [110 Mbps], [60 Mbps], [45 Mbps], [35 Mbps]*
Wanneer [Rec Format/Opname-indeling] ingesteld is op [XF-AVC]
[160 Mbps], [45 Mbps], [35 Mbps]*
Wanneer [Rec Format/Opname-indeling] ingesteld is op [MP4]
[35 Mbps], [8 Mbps]
(A 52)
De beschikbare instellingen variëren afhankelijk van de gebruikte video-indeling en resolutie.
* Alleen tijdens opnamen in slow motion waarbij de beeldsnelheid ingesteld is op 23.98P.
[Audio Format (MP4)/Audio-indeling
(MP4)]
[AAC 16 bit 2CH], [LPCM 16 bit 4CH] (A 100)
Menuopties
188
1
De standaardwaarde hangt af van het land/de regio van aankoop.
[Clips]
[Copy All Clips/
Alle clips kopiëren],
[Delete All Clips/
Alle clips verwijderen]
(A 142)
(A 142)
[Delete All Photos/
Alle foto's verwijderen]
(A 183)
"
[Relay Recording],
[Double Slot Recording/
Dubbele opname]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 36)
[Metadata]
[Camera Index/Camera-index] [A] tot en met [Z] (A 48)
[Reel Number/Rolnummer],
[Clip Number/Clipnummer]
[001] tot [999] (A 48)
[User Defined/
Door gebruiker gedefinieerd]
Door de gebruiker ingestelde tekst van maximaal 5 tekens ([CANON]) (A 48)
[Scene/Scène], [Take] Beschrijving van de scène van maximaal 16 tekens/beschrijving van de take van
maximaal 8 tekens
(A 111)
[Setting/Instelling] [Remote], [SD Card/SD-kaart] (A 110, 172)
[User Memo/Gebruikersmemo] [Off/Uit], lijst met gebruikersmemoprofielen die op SD-kaart B beschikbaar zijn (A 110)
[Country Code/Landcode],
[Organization/Organisatie],
[User Code/Gebruikerscode]
Id's van maximaal 4 tekens ([00__] standaard voor alleen [Organization/Organisatie])
[Country Code/Landcode]: deze identificatiecode is de landcode die is vastgelegd in ISO-3166-1.
Begin aan de linkerzijde als u de code invoert.
[Organization/Organisatie]: deze identificatiecode geeft aan welke organisatie de eigenaar of
operator van de camcorder is en kan worden verkregen door registratie bij de SMPTE
Registration Authority. Als de organisatie niet geregistreerd is, voert u [0000] in.
[User Code/Gebruikerscode]: deze identificatiecode geeft aan wie de gebruiker is. Laat deze optie
leeg als [Organization/Organisatie] ingesteld is op [0000].
[Add / File/
Bestand toevoegen]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 125)
[Clip Numbering/Clipnummer] [Reset/Resetten], [Continuous/Doorlopend] (A 48)
[Rec Command/Opnameopdracht] [On/Aan], [Off/Uit]
Als deze optie ingesteld is op [On/Aan] en u de camcorder aansluit op een externe recorder,
zal wanneer u een opname met de camcorder start of stopt, de externe recorder ook starten
of stoppen met opnemen. Wilt u de opnameopdracht uitvoeren va het HDMI OUT-aansluitpunt,
dan dient u ook [HDMI Time Code/HDMI-tijdcode] in te stellen op [On/Aan].
[HDMI Time Code/HDMI-tijdcode] [On/Aan], [Off/Uit] (A 148)
[MP4 Clip/Photo Numbering/
Nummering van MP4-clips/foto's]
[Reset/Resetten], [Continuous/Doorlopend] (A 49)
[Vertical Filter/Verticaal filter] [On (1080i/1080p)/Aan (1080i/1080p)], [On (1080i)/Aan (1080i)], [Off/Uit]
Als deze instelling wordt ingesteld op een andere optie dan [Off/Uit], wordt een verticaal filter
toegepast bij het opnemen of streamen van video met een resolutie van 1920x1080 (Full HD).
Deze instelling is alleen beschikbaar in de -stand.
[On (1080i/1080p)/Aan (1080i/1080p)]: het verticale filter wordt toegepast op Full HD-video,
ongeacht de gebruikte beeldsnelheid.
[On (1080i)/Aan (1080i)]: het verticale filter wordt alleen toegepast bij gebruik van een interlaced
beeldsnelheid.
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
189
Menuopties
Menu [
¡
Audio Setup/Audio-instelling]
1
Wordt op pagina ! weergegeven in de stand .
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Select CH1/CH2 Input/CH1/CH2-invoer selecteren],
[Select CH3/CH4 Input/CH3/CH2-invoer selecteren]
[INPUT Terminals/INPUT-aansluitpunten], [MIC Terminal/MIC-aansluitpunt],
[Built-in Mic/Ingebouwde microfoon]
(A 101)
[CH2 Input/CH2-invoer]
[INPUT 2], [INPUT 1] (A 101)
[CH1/CH2 ALC Link/ALC van CH1/CH2 koppelen],
[CH3/CH4 ALC Link/ALC van CH3/CH4 koppelen]
[Linked/Gekoppeld], [Separated/Afzonderlijk] (A 103)
"
[Audio Rec Level CH2/Audio-opnameniveau CH2],
[Audio Rec Level CH3/Audio-opnameniveau CH3],
[Audio Rec Level CH4/Audio-opnameniveau CH4],
[Audio Rec Level CH3/CH4/
Audio-opnameniveau CH3/CH4],
[Automatic/Automatisch], [Manual/Handmatig] (A 102)
[CH2 Level/Niveau CH2],
[CH3 Level/Niveau CH3], [CH4 Level/Niveau CH 4],
[CH3/CH4 Level/Niveau CH 3/CH 4]
0 tot en met 100 (50) (A 102)
#
[Built-in Mic Low Cut/
Lagetonenfilter van ingebouwde microfoon]
[Off/Uit], [LC1], [LC2] (A 103)
[Built-in Mic Sensitivity/
Gevoeligheid ingebouwde microfoon]
[Normal/Normaal], [High/Hoog] (A 103)
[Built-in Mic Att./Demper ingebouwde microfoon]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 104)
$
[INPUT 1 Mic Trimming/
INPUT 1-microfoonbegrenzing],
[INPUT 2 Mic Trimming/
INPUT 2-microfoonbegrenzing]
[+12 dB], [+6 dB], [0 dB], [–6 dB], [–12 dB] (A 104)
[INPUT 1 Mic Att./INPUT 1-microfoondemper],
[INPUT 2 microfoon dempen]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 104)
[INPUT 1&2 Limiter/
INPUT 1 en 2 aftoppen]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 103)
[MIC Att./MIC-demper]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 104)
[MIC Low Cut/MIC-lage-tonenfilter]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 104)
%
[1 kHz Tone/1 kHz-toon]
[–12 dB], [–18 dB], [–20 dB], [Off/Uit] (A 106)
[Headphone Volume/Vol. Koptelefoon]
1
[Off/Uit], 1 tot en met 15 (8) (A 138)
[Speaker Volume/Luidsprekervol.]
1
[Off/Uit], 1 tot en met 15 (8) (A 138)
[Monitor Channels/Monitorkanalen]
1
[CH1/CH2]
, [CH1/CH1], [CH2/CH2], [CH1+2/CH1+2], [CH3/CH4], [CH3/CH3],
[CH4/CH4], [CH3+4/CH3+4], [CH1/CH3], [CH2/CH4], [CH1+3/CH2+4]
(A 152)
[HDMI OUT Channels/
HDMI OUT-kanalen]
1
[CH1/CH2], [CH3/CH4] (A 152)
[Assign CH2 Switch & Dial/
CH2-schakelaar en -regelaar toewijzen]
[CH1], [CH3]
Stel deze optie in op [CH3] als u de audiokanalen voor kanaal CH3 wilt kunnen
aanpassen met de schakelaar en regelaar voor het audioniveau van CH2.
Menuopties
190
Menu [
¢
Monitoring Setup/Monitorconfiguratie]
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[LCD Brightness/LCD-helderheid],
[LCD Contrast/Contrast LCD]
–99 tot +99 (±0) (A 30)
[LCD Color/Kleur LCD] –20 tot +20 (±0)
[LCD Sharpness/Scherpte LCD] 1 tot en met 4 (2)
[LCD Luminance/Luminantie LCD] [Normal/Normaal], [+1], [+2]
"
[VF Brightness/Helderheid zoeker],
[VF Contrast/Contrast zoeker]
–99 tot +99 (±0) (A 30)
[VF Color/Kleur zoeker] –20 tot +20 (±0)
[VF Sharpness/Scherpte zoeker] 1 tot en met 4 (2)
[VF Luminance/Luminantie zoeker] [Normal/Normaal], [High/Hoog]
[VF Eye Sensor/Oogsensor zoeker] [On/Aan], [Off/Uit]
Als deze optie ingesteld is op [On/Aan], wordt de zoeker automatisch gedimd
wanneer de sensor detecteert dat de gebruiker 30 seconden lang niet in de zoeker
gekeken heeft (of 10 seconden in de afspeelstand).
#
[LUT: LCD], [LUT: VF/LUT: zoeker] [Wide DR : BT.709], [HDR Assist. (800%)/HDR-hulp (800%)],
[HDR Assist. (400%)/HDR-hulp (400%)], [Off/Uit]
(A 149)
[LUT: SDI], [LUT: HDMI] [Normal1 : BT.709], [Normal2 : BT.709], [Normal3 : BT.709],
[Normal4 : BT.709], [Wide DR : BT.709], [Wide DR : BT.2020],
[PQ : BT.2020], [HLG : BT.2020], [Off/Uit]
[HLG Color/Kleur HLG] [BT.2100], [Vivid/Levendig] (A 151)
[Gain for HDRSDR Conv./Conversie van versterking
voor HDR naar SDR]
–7,5 dB tot +7,5 dB (–3,0 dB) (A 151)
[Range: SDI/Bereik: SDI], (A 151)
[During Canon Log 3 Output/
Tijdens Canon Log 3-uitvoer]
[Full Range/Volledig bereik], [Narrow Range/Smal bereik]
[During HDR Output/Tijdens HDR-uitvoer] [Full Range/Volledig bereik], [Narrow Range/Smal bereik]
[Range: HDMI/Bereik: HDMI] (A 151)
[During Canon Log 3 Output/
Tijdens Canon Log 3-uitvoer]
[Full Range Priority/Prioriteit voor volledig bereik],
[Narrow Range/Smal bereik]
[During HDR Output/Tijdens HDR-uitvoer] [Full Range Priority/Prioriteit voor volledig bereik],
[Narrow Range/Smal bereik]
$
[B&W Image: LCD/Zwart-witbeeld: LCD],
[B&W Image: VF/Zwart-witbeeld: zoeker],
[B&W Image: SDI/Zwart-witbeeld: SDI],
[B&W Image: HDMI]
[On/Aan], [Off/Uit] (A 30)
[Custom Display/Aangepaste weergave]
[Audio Level Indicator/Audioniveau-indicator] [On/Aan], [Off/Uit]
[Date/Time/Datum/tijd],
[Camera Data/Cameragegevens]
[On/Aan], [Off/Uit]
Deze instellingen zijn alleen beschikbaar in de stand wanneer het menu
wordt geopend via het afspeelscherm (A 136) en bepalen of de volgende
schermdisplays in het afgespeelde beeld worden getoond.
[Audio Level Indicator/Audioniveau-indicator]: de audioniveaumeter (alleen clips).
[Datum/Tijd]: de datum en/of tijd waarop de clip/foto werd vastgelegd.
(Bij MP4-clips alleen de opnamedatum.)
[Camera Data/Cameragegevens]: de diafragmawaarde, de sluitertijd en de
versterkingswaarde die zijn gebruikt om de clip op te nemen (alleen XF-HEVC-
of XF-AVC-clips).
191
Menuopties
1
De standaardwaarde hangt af van het land/de regio van aankoop.
2
Wordt op pagina $ weergegeven in de stand .
%
[OSD Output: SDI/Schermdisplayuitvoer: SDI]
2
,
[OSD Output: HDMI/Schermdisplayuitvoer]
2
[On/Aan]
, [Off/Uit]
(A 148)
[Custom Display 1/Aangepaste weergave 1]
(A 44)
[Light Metering/Lichtmeetmethode],
[Custom Picture/Voorkeuze-instellingen]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
[Zoom Indicator/Zoomindicator]
[Bar/Balk]
, [Numerical/Numeriek]
[Zoom Position/Zoomstand], [Grip Zoom Speed:
User/Zoomschakelaar op handgreep: gebruiker],
[Object Distance/Afstand tot object]
[Always On/Altijd aan],
[Normal/Normaal]
, [Off/Uit]
[ND Filter/ND-filter] [Only Warnings/Alleen waarschuwingen],
[Normal/Normaal]
, [Off/Uit]
[Focus Mode/Scherpstelstand], [Key Lock/
Toetsenvergrendeling], [Full Auto/
Volledig automatisch], [IR Rec/IR-opname],
[White Balance/Witbalans], [AE Shift/
AE-verschuiving], [Exposure Bar/Belichtingsbalk],
[Iris], [Gain/Versterking], [Shutter/Sluiter],
[Peaking/Contourverscherping], [Tele-converter/
Teleconverter], [Conversion Lens/Conversielens],
[Magnification/Vergroting], [LUT],
[Image Stabilizer]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
[Custom Display 2/Aangepaste weergave 2]
(A 44)
[Remaining Battery/Resterende accu],
[Remaining Rec Time/Resterende opnametijd]
[Only Warnings/Alleen waarschuwingen],
[Normal/Normaal]
, [Off/Uit]
[Recording Mode/Opnamestand], [Time Code/
Tijdcode], [Reel/Clipnummer/Rol-/clipnummer]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
[Remaining Photos/Resterende foto's] [Only Warnings/Alleen waarschuwingen],
[Normal/Normaal]
, [Off/Uit]
[Temperature/Fan/Temperatuur/ventilator],
[Resolution/Color Sampling/Resolutie/
kleursampling], [Frame Rate/Beeldsnelheid],
[Output Terminals Status/
Status uitvoeraansluitpunten],
[OSD Output/Schermdisplayuitvoer]*,
[Rec Command/Opnameopdracht],
[User Bit/Gebruikersbit]*,
[Monitor Channels/Monitorkanalen]*,
[Audio Level Indicator/Audioniveau-indicator],
[Network Functions/Netwerkfuncties], [GPS],
[WL-D6000], [Genlock], [User Memo/
Gebruikersmemo], [Rec Format/Opname-indeling]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
[On/Aan], [Normal/Normaal]: het pictogram/de schermdisplay wordt altijd getoond
of wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
[Only Warnings/Alleen waarschuwingen]: het pictogram/de schermdisplay wordt alleen
getoond wanneer een kritiek niveau bereikt is.
De standaardinstelling voor onderdelen die met een sterretje (*) zijn gemarkeerd,
is [Off/Uit].
[Date/Time/Datum/tijd] [Date/Time/Datum/tijd], [Time/Tijd], [Date/Datum],
[Off/Uit]
[Displayed Units/Weergegeven eenheden]
[Meters]
,
[Feet]
1
Verandert de afstandseenheden die in de displays van de camcorder worden gebruikt
in meter of feet.
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
Menuopties
192
Menu [
A
Assistance Functions/Hulpfuncties]
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Focus Guide/Scherpstelhulp] [On/Aan],
[Off/Uit]
(A 77)
[Magn.: VF+LCD/Vergroting: zoeker + LCD],
[Magn.: SDI/HDMI/Vergroting: SDI/HDMI]
[On/Aan],
[Off/Uit]
(A 78)
[B&W during Magn./
Zwart-wit tijdens vergroting]
[On/Aan],
[Off/Uit]
(A 78)
"
[Peaking: LCD/Contourverscherping: LCD], [Peaking: VF/
Contourverscherping: zoeker], [Peaking: SDI/
Contourverscherping: SDI], [Peaking: HDMI]
[On/Aan],
[Off/Uit]
(A 78)
[Peaking/Contourverscherping]
[Peaking 1/Contourverscherping 1]
, [Peaking 2/Contourverscherping 2]
(A 78)
[Peaking 1/Contourverscherping 1]
(A 78)
[Color/Kleur]
[White/Wit]
, [Red/Rood], [Yellow/Geel], [Blue/Blauw]
[Gain/Versterking] [Off/Uit], 1 tot en met 15
(8)
[Frequency/Frequentie] 1 tot en met 4
(2)
[Peaking 2/Contourverscherping 2]
(A 78)
[Color/Kleur] [White/Wit],
[Red/Rood]
, [Yellow/Geel], [Blue/Blauw]
[Gain/Versterking] [Off/Uit], 1 tot en met 15
(15)
[Frequency/Frequentie] 1 tot en met 4
(1)
[B&W during Peaking/Zwart-wit tijdens
contourverscherping]
[On/Aan],
[Off/Uit]
(A 78)
#
[Zebra: LCD], [Zebra: VF/Zebra: zoeker],
[Zebra: SDI], [Zebra: HDMI]
[On/Aan],
[Off/Uit]
(A 88)
[Zebra]
[Zebra 1]
, [Zebra 2], [Zebra 1+2]
(A 88)
[Zebra 1 Level/Zebraniveau 1] [5 ±5%] tot [95 ±5%] in stappen van 5 procent (
[70 ±5%]
)
(A 88)
[Zebra 2 Level/Zebraniveau 2] 0% tot 100% in stappen van 5 procent
(100%)
(A 88)
$
[WFM: LCD]
1
, [WFM: VF/WFM: zoeker]
1
,
[WFM: SDI]
1
, [WFM: HDMI]
1
[On/Aan],
[Off/Uit]
(A 107)
[Waveform Settings/Golfvorminstellingen]
1
(A 107)
[Position/Positie]
[Right/Rechts]
, [Left/Links]
[Type]
[Line/Lijn]
, [Line+Spot/Lijn + punt], [Select Line/Lijn selecteren],
[Field/Veld], [RGB], [YPbPr]
[Gain/Versterking]
[1x]
, [2x]
[Y Position/Y-positie]
[0%]
, [15%], [30%], [45%], [50%]
[Select Line/Lijn selecteren] Wanneer de verticale resolutie 720 is:
0 tot 719
(360)
in stappen van 1 lijn, [Set/Instellen]
Wanneer de verticale resolutie 1080 is:
0 tot 1079
(540)
in stappen van 1 lijn, [Set/Instellen]
Wanneer de verticale resolutie 2160 is:
0 tot 2158
(1080)
in stappen van 2 lijn, [Set/Instellen]
193
Menuopties
1
Wordt op pagina ! weergegeven in de stand .
Menu [7 Network Settings/Netwerkinstellingen]
%
[Markers/Markeringen]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
(A 87)
[Center Marker/Centrale markering], [Horizontal Marker/
Horizontale markering], [Grid Marker/Rastermarkering],
[Aspect Marker/Verhoudingsmarkering]
[Yellow/Geel], [Blue/Blauw], [Green/Groen], [Red/Rood],
[Black/Zwart], [Gray/Grijs], [White/Wit],
[Off/Uit]
(A 87)
[Marker Aspect Ratio/Markering hoogte/
breedteverhouding]
[4:3], [13:9], [14:9], [16:9], [1.375:1], [1.66:1], [1.75:1], [1.85:1], [1.90:1],
[2.35:1],
[2.39:1]
, [Custom/Aangepast]
(A 88)
[Marker Custom Asp. Ratio/Markering aangepaste
hoogte/breedteverhouding]
1.00:1 tot 9.99:1
(1.00:1)
(A 88)
&
[Safe Area Marker/Markering van veilig gebied] [Yellow/Geel], [Blue/Blauw], [Green/Groen], [Red/Rood], [Black/Zwart],
[Gray/Grijs], [White/Wit],
[Off/Uit]
(A 87)
[Basis for Marker Safe Area/Basis voor markering
van veilig gebied]
[Whole Picture/Volledig beeld]
, [Selected Aspect Marker/
Geselecteerde markering voor hoogte/breedteverhouding]
(A 88)
[Safe Area Marker %/Markering van veilig gebied in %] [80%], [90%], [92.5%],
[95%]
(A 88)
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Connection Settings/Verbindingsinstellingen] [1:] tot [4:]
Standaardinstelling voor profiel [1: CameraAP]:
[SSID]:
[XF705-xxxx_Canon0C]
,
[Password/Wachtwoord]:
[12345678]
(A 162)
U kunt maximaal 4 netwerkconfiguratieprofielen in de camcorder opslaan.
Aanvankelijk zijn basisinstellingen voor een cameratoegangspuntverbinding opgeslagen
onder het netwerkconfiguratieprofiel [1: CameraAP].
[Network Functions/Netwerkfuncties] [Browser Remote], [IP Streaming/Streamen via IP],
[Off/Uit]
(A 165, 176)
[Browser Remote Settings/
Instellingen van Browser Remote]
(A 164)
[Port No./Poortnummer] 1 tot 65535 (
[80]
)
[Camera ID/Camera-id] Camcorder-id van maximaal 8 tekens (
[XF705]
)
[Users Settings/Gebruikersinstellingen]
[One User (Full)/Eén gebruiker (volledig)]
, [Two Users (Camera/Meta)/Twee gebruikers
(camera/meta)]
[Full: User Name/Volledig: gebruikersnaam],
[Camera: User Name/Camera: gebruikersnaam],
[Meta: User Name/Meta: gebruikersnaam]
Gebruikersnaam met maximaal 8 tekens
(Standaard gebruikersnamen zijn respectievelijk
[Full/Volledig]
,
[Camera]
en
[Meta]
)
[Full: Password/Volledig: wachtwoord]
[Camera: Password/Camera: wachtwoord]
[Meta: Password/Meta: wachtwoord]
Wachtwoord van maximaal 8 tekens (
[12345678]
)
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
Menuopties
194
Menu [ Assignable Buttons/Toewijzingsknoppen]
Hieronder vindt u de standaardinstellingen voor elke toewijzingsknop. Voor een volledige lijst van de functies
die kunnen worden toegewezen, raadpleegt u de uitgebreide tabel (A 120).
[IP Streaming Settings/Instellingen voor streamen via IP]
(A 175)
[Streaming Output Signal/
Uitvoersignaal voor streaming]
XF-HEVC-clips wanneer [
3
!
Recording/Media Setup/Opname/
media instellen]
>
[System Frequency/Systeemfrequentie]
ingesteld is op [59.94 Hz]:
[16 Mbps/3840x2160 59.94P]
, [9 Mbps/3840x2160 59.94P],
[16 Mbps/3840x2160 29.97P], [9 Mbps/3840x2160 29.97P],
[9 Mbps/1920x1080 59.94P], [4 Mbps/1920x1080 59.94P],
[9 Mbps/1920x1080 29.97P], [4 Mbps/1920x1080 29.97P]
XF-HEVC-clips wanneer [
3
!
Recording/Media Setup/Opname/
media instellen]
>
[System Frequency/Systeemfrequentie]
ingesteld is op [50.00 Hz]:
[16 Mbps/3840x2160 50.00P]
, [9 Mbps/3840x2160 50.00P],
[16 Mbps/3840x2160 25.00P], [9 Mbps/3840x2160 25.00P],
[9 Mbps/1920x1080 50.00P], [4 Mbps/1920x1080 50.00P],
[9 Mbps/1920x1080 25.00P], [4 Mbps/1920x1080 25.00P]
XF-AVC- en MP4-clips wanneer [
3
!
Recording/Media Setup/
Opname/media instellen]
>
[System Frequency/
Systeemfrequentie] ingesteld is op [59.94 Hz]:
[9 Mbps/1920x1080 59.94i]
, [4 Mbps/1920x1080 59.94i]
XF-AVC- en MP4-clips wanneer [
3
!
Recording/Media Setup/
Opname/media instellen]
>
[System Frequency/
Systeemfrequentie] ingesteld is op [50.00 Hz]:
[9 Mbps/1920x1080 50.00i]
, [4 Mbps/1920x1080 50.00i]
[Audio Out Channels/Audio-uitgangskanalen]
[CH1/CH2]
, [CH3/CH4]
[Dest. IP Address/IP-adres van bestemming] 0.0.0.0 tot 255.255.255.255 (
[0.0.0.0]
)
[Dest. Port No./Poortnummer van bestemming] 1024 tot 65530 (
[5000]
)
[Protocol]
[UDP]
, [RTP], [RTP+FEC]
[FEC Port No./FEC-poortnummer] 1026 tot 65532 (
[5002]
)
[FEC Interval/FEC-interval] 10 tot 100 in stappen van 5 (
100
)
[FTP Transfer/FTP-overdracht]
(A 179)
[FTP Transfer Settings/FTP-overdrachtsinstellingen]
(A 178)
[FTP Server/FTP-server] Servernaam met maximaal 32 tekens
[FTP: User Name/FTP: gebruikersnaam] Gebruikersnaam met maximaal 32 tekens
[FTP: Password/FTP: wachtwoord] Wachtwoord met maximaal 32 tekens
[Destination Folder/Bestemmingsmap]
Pad van doelmap met maximaal 152 tekens (standaard is de hoofdmap
[/]
)
[Port No./Poortnummer] 1 tot 65535 (
[21]
)
[Passive Mode/Passieve stand] [On/Aan],
[Off/Uit]
[New Folder by Date/Nieuwe map op datum]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
[Same Named Files/Bestanden met dezelfde naam]
[Skip/Overslaan]
, [Overwrite/Overschrijven]
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Camera 1] tot en met [Camera 7] 1:
[Powered IS]
, 2:
[Peaking: All/Contourverscherping: alle]
, 3:
[Zebra: All/Zebra: alle]
,
4:
[WFM: All/WFM: alle]
, 5:
[Review Recording/Opname bekijken]
,
6:
[Magn.: VF+LCD/Vergroting: zoeker + LCD]
, 7:
[Magn.: VF+LCD/Vergroting: zoeker + LCD]
"
[Camera 8] tot en met [Camera 14]
[(NONE)/(Geen)]
#
[RC-V100 1] tot en met [RC-V100 4] 1:
[Powered IS]
, 2:
[Peaking: All/Contourverscherping: alle]
, 3:
[Zebra: All/Zebra: alle]
,
4:
[WFM: All/WFM: alle]
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
195
Menuopties
Menu [
B
System Setup/Systeeminstelling]
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[Reset/Resetten] [All Settings/Alle instellingen], [Camera Settings/Camera-instellingen],
[Assignable Buttons/Toewijzingsknoppen]
Deze opties herstellen de standaardwaarden/-instellingen voor de volgende camcorderinstellingen.
[All Settings/Alle instellingen]: alle camcorderinstellingen behalve de urenteller.
[Camera Settings/Camera-instellingen]: witbalans, iris, ISO-snelheid, versterking, sluitertijd, instellingen in
[
v
Camera Setup/Camera-instelling] en instellingen in [
/
Custom Picture/Voorkeuze]. Deze optie is
alleen beschikbaar in de stand .
[Assignable Buttons/Toewijzingsknoppen]: alleen de toewijzingsknoppen.
[Transfer Menu/
/
/
Overdrachtsmenu]
(A 131)
[Save/Opslaan] [To Camera/Naar camera], [To SD Card B/Naar SD-kaart B]
[Load/Laden] [From Camera/Vanaf camera], [From SD Card B/Vanaf SD-kaart B]
[Time Zone/Tijdzone] Lijst met tijdzones van de wereld.
[UTC-05:00 New York]
of
[UTC+01:00 Central Europe/Centraal-Europa]
1
(A 23)
[Date/Time/Datum/tijd]
(A 23)
[Date Format/Datumindeling] [YMD/JMD], [YMD/24H/JMD/24U],
[MDY/MDJ]
, [MDY/24H/MDJ/24U],
[DMY/DMJ]
, [DMY/
24H/DMJ/24U]
1
(A 23)
[GPS Auto Time/
Automatische tijd via GPS]
[On/Aan],
[Off/Uit]
(A 112)
Deze instelling is alleen beschikbaar als de optionele GPS-ontvanger GP-E2 op de camcorder
is aangesloten.
[Language
H
/Taal] [Deutsch],
[English]
, [Español], [Français], [Italiano], [Polski], [Português],
[],
[]
, [ ], [ ]
(A 24)
"
[SDI/HDMI Max. Res./
Maximale resolutie SDI/HDMI]
[3840x2160],
[1920x1080]
, [1280x720]
(A 147, 148)
[SDI Output/SDI-uitvoer]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
(A 147)
[3G-SDI Mapping/3G-SDI-toewijzing] [Level A/Niveau A],
[Level B/Niveau B]
(A 147)
[SDI/HDMI Scan Mode/
SDI/HDMI-scanstand]
[P]
, [PsF (Forced 1080i)/PsF (gedwongen 1080i)]
(A 145)
[G-LOCK/SYNC Term./
G-LOCK/SYNC-aansluitpunt]
[HD Sync Output/HD-synchronisatie-uitvoer],
[Genlock Input/Genlock-invoer]
(A 94, 96)
[Genlock Adjustment/
Genlock afstellen]
–1023 tot +1023
(000)
(A 94)
het faseverschil tussen het externe Genlock-signaal en de camcorder wordt aanvankelijk ingesteld op 0.
Met deze optie kunt u het faseverschil aanpassen binnen een bereik van circa ±0,4 H (–1023 tot en met
1023). Wilt u een 4-cijferige aanpassingswaarde instellen, stel dan het eerste veld in op 10 of –10.
[SYNC Scan Mode/SYNC-scanstand]
[P]
, [PsF]
(A 96)
#
[Time Code Mode/Tijdcodemodus]
[Preset/Voorkeuze]
, [Regen./Regeneratie]
(A 90)
[Time Code Run/Lopende tijdcode]
[Rec Run/Lopen tijdens opname]
, [Free Run/Vrij lopen]
(A 90)
[Time Code DF/NDF/
Tijdcode DF/NDF]
[DF]
, [NDF]
(A 91)
[Set Time Code/Tijdcode instellen]
[00:00:00:00]
tot [23:59:59:29] (59,94 Hz-opnamen) of
[23:59:59:24] (50,00 Hz-opnamen)
(A 91)
[User Bit Recording Mode/
Opnamemodus gebruikersbit]
[Internal/Intern]
, [External/Extern]
(A 95)
[Type User Bit/Type gebruikersbit]
[Setting/Instelling]
, [Time/Tijd], [Date/Datum]
(A 93)
[TC In/Out/Tijdcode in/uit]
[In]
, [Out/Uit]
(A 95, 96)
Menuopties
196
1
De standaardwaarde hangt af van het land/de regio van aankoop.
2
Wordt op pagina # weergegeven in de stand .
3
Wordt op pagina $ weergegeven in de stand .
[
¥
My Menu] (alleen stand )
$
[Key Lock/Toetsenvergrendeling] [All Buttons/Alle knoppen],
[All Except REC Button/Alle knoppen behalve REC]
(A 43)
[Camera Grip REC Button/
REC-knop op camerahandgreep]
[Disable/Uitschakelen],
[Enable/Inschakelen]
Schakelt het gebruik van de REC-knop op de handgreep in/uit. Deze instelling is alleen beschikbaar in de
stand .
[Touch Screen Response/
Touchscreenreactie]
[Normal/Normaal]
, [Low/Laag]
Past de gevoeligheid van het LCD-touchscreen van de camcorder aan.
[REMOTE Term./REMOTE-aansluitpunt]
2
[RC-V100 (REMOTE B)], [RC-V100 (REMOTE A)],
[Standard/Standaard]
(A 39)
[WL-D6000]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
Schakelt het gebruik van de bijgeleverde wireless afstandsbediening (WL-D6000) in/uit.
[LED]
2
[Tally Lamp (Front)/
Statuslampje (voorzijde)],
[Tally Lamp (Rear)/
Statuslampje (achterzijde)],
[SD Card Access LED/
Statusled van SD-kaart],
[ (Ethernet)]
[On/Aan]
, [Off/Uit]
Deze instellingen bepalen of de volgende led-lampen en indicatoren oplichten.
[Tally Lamp (Front)/Statuslampje (voorzijde)], [Tally Lamp (Rear)/Statuslampje (achterzijde)]:
de statuslampjes op de camcorder. Houd er rekening mee dat ongeacht de instelling van deze optie,
de statuslampjes tijdelijk rood gaan branden nadat de knop
Q
wordt ingedrukt wanneer de
camcorder is uitgeschakeld. Deze opties zijn alleen beschikbaar in de stand .
[SD Card Access LED/Statusled van SD-kaart]: de statusindicatoren van de SD-kaart wanneer de camcorder
de kaart aan het lezen is.
[ (Ethernet)]: de -indicator (Ethernet) wanneer de camcorder toegang krijgt tot een bekabeld netwerk.
%
[Review Recording/Opname bekijken]
[Entire Clip/Gehele clip]
, [Last 4 sec/Laatste 4 seconden]
(A 114)
[Reset Hour Meter/
Urenteller resetten]
De camcorder heeft twee 'urentellers' – de eerste houdt bij hoeveel uur de camcorder in totaal in gebruik is
geweest en de tweede houdt bij hoeveel uur de camera in gebruik is geweest sinds de laatste keer dat de
tweede urenteller met deze functie is gereset. Deze instelling is alleen beschikbaar in de stand .
[Fan/Ventilator] [Automatic/Automatisch],
[Always On/Altijd aan]
(A 50)
[Certification Logos/Certificaatlogo's]
3
Geeft specifieke certificaatlogo's weer die op de camcorder van toepassing zijn.
[Firmware]
Toont de huidige versie van de camcorderfirmware. Deze instelling is alleen beschikbaar
in de stand , maar wordt meestal gedimd weergegeven.
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
!
[CAMERA-1 Edit/Bewerken] [Register/Registreren], [Move/Verplaatsen], [Delete/Verwijderen],
[Reset All/Alles resetten], [Rename/Naam wijzigen]
(A 26)
"
[CAMERA-2 Edit/Bewerken] [Register/Registreren], [Move/Verplaatsen], [Delete/Verwijderen],
[Reset All/Alles resetten], [Rename/Naam wijzigen]
#
[CAMERA-3 Edit/Bewerken] [Register/Registreren], [Move/Verplaatsen], [Delete/Verwijderen],
[Reset All/Alles resetten], [Rename/Naam wijzigen]
$
[CAMERA-4 Edit/Bewerken] [Register/Registreren], [Move/Verplaatsen], [Delete/Verwijderen],
[Reset All/Alles resetten], [Rename/Naam wijzigen]
%
[CAMERA-5 Edit/Bewerken] [Register/Registreren], [Move/Verplaatsen], [Delete/Verwijderen],
[Reset All/Alles resetten], [Rename/Naam wijzigen]
Menuopdracht Instelopties en overige informatie
197
De statusschermen weergeven
De statusschermen weergeven
U kunt de statusschermen gebruiken om diverse instellingen van de
camcorder te controleren. U kunt de statusschermen ook weergeven
op een externe monitor. Delen van de statusschermen worden altijd
in het Engels getoond, ongeacht welke taal is geselecteerd.
1 Druk op de STATUS-knop om de statusschermen te openen.
Het meest recent gebruikte statusscherm wordt geopend.
U kunt ook op de AUDIO STATUS-knop drukken om alleen de [Audio]-statusschermen weer te geven
(A 200).
2 Duw de joystick naar links/rechts om de statusschermen te doorlopen.
3 Druk nogmaals op de STATUS-knop om de statusschermen te sluiten.
U kunt ook op de MENU-knop drukken om het statusscherm te sluiten en in plaats daarvan het menu
te openen.
[Gamma/Color Space/Color Matrix/Gamma/kleurruimte/kleurmatrix]-scherm A 198
(gammacurve en kleurinstellingen)
[SDR Gain/Range/SDR-versterking/bereik]-scherm A 198
(versterking voor SDR-uitvoer en kleurbereikinstellingen)
[
/
Data]-schermen A 198
(uitgebreide voorkeuze-instellingen)
[Camera]-schermen A 199
[Assignable Buttons/Toewijzingsknoppen]-schermen A 199
[Audio]-schermen A 200
[Media]-scherm A 201
(Informatie over de SD-kaarten)
[Terminal Outputs/Uitvoer via aansluitpunten]-scherm A 201
[Recording/Opname]-scherm A 202
[Metadata]-schermen A 202
[Battery/Hour Meter/Accu/urenteller]-scherm A 203
(accu en urenteller)
[Network/Netwerk]-schermen A 203
[GPS Information Display/GPS-informatieweergave]-scherm* A 205
* Alleen wanneer de optionele GPS-ontvanger GP-E2 is aangesloten op de camcorder.
Bedieningsstanden:
De statusschermen weergeven
198
[Gamma/Color Space/Color Matrix/Gamma/kleurruimte/kleurmatrix]- en [SDR Gain/
Range]-statusschermen (alleen stand )
Gammacurve, kleurruimte, kleurmatrix (A 126), SDR-versterking en bereik (A 151) gebruikt voor opnamen,
video-uitvoer en displays
[
/
Data 1/3]]- tot en met [/ Data 3/3]-statusschermen (alleen stand )
5
4
1
2
3
1 [SD CARD/SD-kaart]: instellingen die worden
gebruikt voor clips die op de SD-kaart worden
opgenomen (A 65)
2 [SDI], [HDMI]: instellingen/LUT gebruikt voor
video-uitvoer via de desbetreffende
aansluitpunten (A 149)
3 [LCD], [VF/Zoeker]: instellingen/LUT gebruikt
voor het LCD-scherm en de zoeker (A 149)
4Kleur HLG (A 151)
5 > [
/ ! Custom Picture/Voorkeuze-
instellingen] > [Activate Other Settings/Overige
instellingen activeren] (bepaalt of uitgebreide
instellingen in het bestand met voorkeuze-
instellingen al dan niet actief zijn)
2
1
2
1
1
2
1 Naam van bestand met voorkeuze-instellingen
(A 123)
2 [Other Settings/Overige instellingen] van
het bestand met voorkeuze-instellingen
(uitgebreide instellingen) (A 127)
199
De statusschermen weergeven
[Camera 1/4]- tot en met [Camera 4/4]-statusschermen (alleen stand )
[Assignable Buttons 1/3/Toewijzingsknoppen 1/3]- tot en met [Assignable Buttons 3/3/
Toewijzingsknoppen 3/3]-statusschermen
Huidige functies van de toewijzingsknoppen (A 119)
7
8
4
5
1
2
3
6
1 Automatische belichting (AE)
AE-verschuiving (A 63), AE-reactie (A 185)
2 Diafragmalimiet (A 61)
3 Stappen voor sluitertijd (A 57)
4AGC-limiet (A 58)
5 Versterkingsinstellingen per schakelaarpositie
(A 58)
6 Witbalans (A 67)
Instelling van de positie van de PRESET-schakelaar,
vloeiende witbalans en de AWB-reactie
(automatische witbalans).
7Focus (A 76)
AF-stand, afmetingen en positie van AF-kader,
AF-snelheid, AF-reactie en scherpstellingslimiet
8Zoom (A 70)
Zoomsnelheidsniveau, instelling voor zoomen op
hoge snelheid en zoomsnelheidsinstellingen voor
de zoomtuimelschakelaar op de camcorderhendel,
de bijgeleverde wireless afstandsbediening en de
zoomtuimelschakelaar op de handgreep
2
1
1 Op de camcorderbehuizing
Toewijzingsknoppen camera 8 tot en met 13
worden alleen weergegeven in de stand .
2 Op de optionele afstandsbediening RC-V100
De statusschermen weergeven
200
[Audio]-statusschermen
4
1
2
3
5
3
2
4
In de stand
In de stand
1 Audiobroningang, instelling van het audioniveau
en audioniveau-indicatie voor elk audiokanaal
(A 97)
2 Audiokanalen die worden uitgevoerd via de
koptelefoon/ingebouwde luidspreker (A 152)
3 Koptelefoonvolume (A 138)
4 Audio-indeling, audiobitdiepte en audiokanalen
die worden gebruikt voor opname of uitvoer
(A 97, 152).
[SD Card/SD-kaart]: instellingen die worden
gebruikt voor clips die op de kaart worden
opgenomen.
[SDI], [HDMI]: instellingen die worden gebruikt
voor audio die wordt uitgevoerd via het
desbetreffende aansluitpunt.
5 Druk op SET om het menu [¡!Audio Setup/
Audio-instelling] te openen.
(Alleen wanneer het [Audio]-statusscherm
geopend is met de AUDIO STATUS-knop.)
201
De statusschermen weergeven
[Media]-statusscherm
OPMERKINGEN
Afhankelijk van de SD-kaart kan de totale ruimte die op het scherm wordt getoond, afwijken van de nominale
capaciteit die op de kaart wordt vermeld.
[Terminal Outputs/Uitvoer via aansluitpunten]-statusscherm
* De weergegeven bitdiepte verwijst naar de bitdiepte van het videosignaal.
4
3
5
1
2
7
6
1 SD-kaart A/SD-kaart B
Voor elk:
2 Visuele balk: geschatte gebruikte/beschikbare
ruimte
3Totale ruimte
4 Gebruikte (opgenomen) ruimte
5 Beschikbare ruimte
6 SD/UHS-snelheidsklasse
Alleen voor SD-kaart B:
7 Aantal resterende foto's
2
1
4
3
1 Status HDMI OUT-aansluitpunt: uitvoersignaal
(A 148), uitgevoerde schermdisplays (A 148)
2 Status SDI-aansluitpunt: video-uitvoer*,
3G-SDI-uitvoertoewijzing (A 147),
uitgevoerde schermdisplays (A 148)
3 Tijdcode-uitvoer via het HDMI OUT-aansluitpunt
(A 148)
4 Type gebruikersbit (A 93)
De statusschermen weergeven
202
[Recording/Opname]-statusscherm (alleen stand )
[Metadata 1/2]- en [Metadata 2/2]-statusschermen (alleen stand )
* Alleen XF-HEVC- of XF-AVC-clips.
3
4
1
5
2
6
1 Resolutie en kleursampling (A 52)
2Bitsnelheid (A 52)
3 Relay Recording (A 36)
4 Speciale opnamestand (A 115)
5 Nummering van MP4-clips/foto's (A 188)
6 Clipnummering (A 48)
2
3
4
1
1 Gebruikersmemo* (A 110)
(bestandsnaam, titel, gemaakt door, locatie
en beschrijving)
2 Clipnaam en klapbordinformatie (A 48, 111)
(camera-index, rolnummer, clipnummer, door
gebruiker gedefinieerd veld, scènenummer
en takenummer).
3 UMID-informatie (Unique Material Identifier)
(A 110)
(landcode, organisatie en gebruikerscode)
4 Bestand met voorkeuze-instellingen insluiten
in clips* (A 125)
203
De statusschermen weergeven
[Battery/Hour Meter/Accu/urenteller]-statusscherm
[Network 1/6/Netwerk 1/6]- tot en met [Network 3/6/Netwerk 3/6]-statusschermen
Verbindingsinstellingen van de huidige netwerkverbinding (A 155)
1
2
3
4
5
1 Resterende opnameduur
2 Indicator resterende opnametijd
3 Indicator levensduur accu
4 Totale gebruiksduur tot nu toe (A 196)
5 Gebruiksduur sinds de laatste keer dat [Reset
Hour Meter/Urenteller resetten] werd gebruikt
(A 196)
6
1
2
3
4
5
7
1 Netwerkconfiguratienaam
2 Verbindingsmethode
3 SSID (netwerknaam)
4 Methode voor verificatie en versleuteling
5 WEP-indexsleutel
6Wi-Fi-frequentieband en kanaal
7 TCP/IP-instellingen van de huidige
netwerkverbinding (A 157)
De statusschermen weergeven
204
[Network 4/6/Netwerk 4/6]- en [Network 5/6/Netwerk 5/6]-statusschermen
(stand )
Instellingen van Browser Remote (A 164)
* Alleen standaard wachtwoorden worden weergegeven. Als een wachtwoord is gewijzigd, laat het statusscherm alleen zien dat
het veld met een wachtwoord beveiligd is.
[Network 6/6]-statusscherm (stand )
Instellingen voor streamen via IP (A 175)
3
1
2
1 Camcorderinstellingen (A 164)
2 URL van Browser Remote
3 Gebruikersinstellingen* (A 164)
3
1
2
1 Videoconfiguratie en audiokanalen voor streamen
2 Ontvangerinstellingen en overdrachtsprotocol
3 Instellingen voor foutcorrectie (A 176)
205
De statusschermen weergeven
[Network 4/6/Netwerk 4/6]- tot en met [Network 6/6/Netwerk 6/6]-statusschermen
(stand )
* Het statusscherm laat alleen zien dat het veld met een wachtwoord beveiligd is.
[GPS Information Display/GPS-informatieweergave]-statusscherm
(alleen stand )
Raadpleeg voor meer informatie GPS-informatie vastleggen (geotaggen) (A 112).
1
2
FTP-instellingen (A 178)
1 FTP-serverinstellingen
(doelserver, gebruikersnaam en wachtwoord*)
2 FTP-overdrachtsinstellingen
(bestemmingsmap, poortnummer, passieve
stand, nieuwe map maken en afhandeling
van bestanden met dezelfde naam)
1
2
3
4
5
1 Breedtegraad
2 Lengtegraad
3 Hoogte
4 Datum en tijd op basis van UTC
(Coordinated Universal Time)
5 Sterkte satellietsignaal
Problemen oplossen
206
Problemen oplossen
Doorloop eerst de lijst hieronder wanneer u problemen ondervindt bij het gebruik van uw camcorder.
Neem contact op met uw dealer of een Canon Service Center als het probleem aanhoudt.
Stroombron
De camcorder kan niet worden ingeschakeld of schakelt zichzelf uit.
- De accu is leeg. Vervang de accu of laad deze op.
- Verwijder de accu en sluit deze opnieuw goed aan.
Niet lang nadat de camcorder is aangezet, schakelt de camcorder zichzelf uit.
- U gebruikt een accu die incompatibel is met gebruik in deze camcorder. Gebruik een aanbevolen accu (A 222).
Ik kan de accu niet opladen.
- De temperatuur van de accu is hoger of lager dan het oplaadbereik. Als de temperatuur van de accu lager is dan 0°C,
laat u de accu opwarmen voordat u deze oplaadt. Als de temperatuur van de accu hoger is dan 40°C, laat u de batterij
afkoelen voordat u de accu oplaadt.
- Laad de accu op bij temperaturen tussen 0°C en 40°C.
- De accu is defect. Vervang de accu.
De accu is zelfs bij normale temperaturen snel leeg.
- Controleer op het statusscherm [Battery/Hour Meter/Accu/urenteller] (A 203) of de accu het einde van zijn levensduur
heeft bereikt. In dat geval koopt u een nieuwe accu.
Opname
De bedieningselementen van de camcorder reageren niet/zijn uitgeschakeld.
- Wanneer de KEY LOCK-schakelaar op
C
is gezet, zijn alle knoppen (of alle knoppen met uitzondering van sommige
REC-knoppen) vergrendeld en kunnen ze niet worden bediend. Zet de KEY LOCK-schakelaar op . U kunt aanpassen
welke bedieningselementen worden vergrendeld met de optie
> [$ System Setup/Systeeminstelling] >
[Key Lock/Toetsenvergrendeling] (A 196).
Als ik op de REC-knop druk, wordt niet begonnen met de opname.
- De gebruikte REC-knop is mogelijk uitgeschakeld. Wijzig de huidige instellingen bij de optie
> [$ System
Setup/Systeeminstelling] > [Camera Grip REC Button/REC-knop op camerahandgreep] om het gebruik van de
REC-knop op de handgreep mogelijk te maken.
- Mogelijk staat de camcorder in een speciale opnamestand. Is de speciale opnamestand niet meer nodig, stel
> [! Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [Recording Mode/Opnamestand] dan weer in op [Normal
Recording/Normale opname] om de speciale opnamestand te beëindigen.
- Mogelijk kunt u geen opname starten of stappen terwijl bedieningselementen op de optionele afstandsbediening
RC-V100 worden gebruikt. Beëindig het gebruik van de afstandsbediening en druk vervolgens op de REC-knop.
Het punt waar de REC-knop werd ingedrukt, komt niet overeen met het begin/einde van de opname.
- Er is een kleine vertraging tussen het moment waarop u de REC-knop indrukt en het daadwerkelijke begin/einde
van de opname. Dit is normaal en duidt niet op een storing.
De camcorder stelt niet scherp.
- De camcorder kan met autofocus mogelijk niet scherpstellen op bepaalde onderwerpen. Stel handmatig scherp (A 76).
- Wanneer de AF-modus is ingesteld op AF-boosted MF, begint u handmatig scherp te stellen totdat het AF-kader
wit wordt (bereik voor automatische aanpassing).
- De zoeker wordt niet ingesteld. Gebruik de oogcorrectieregelaar om de zoeker correct in te stellen (A 28).
- De lens is vuil. Reinig de lens met een zacht lensreinigingsdoekje.
Het beeld ziet er enigszins gekromd uit als een onderwerp snel voorbij de lens flitst.
- Dit is een verschijnsel dat kenmerkend is voor CMOS-beeldsensors. Als een onderwerp zeer snel langs de voorzijde
van de camcorder beweegt, kan het beeld er enigszins gekromd uitzien. Dit is normaal en duidt niet op een storing.
Op het scherm worden abnormale beelden weergegeven en de camcorder kan niet naar behoren opnemen.
- Terwijl u een bijna lege accu gebruikte in combinatie met de compacte netadapter, werd de compacte netadapter
per ongeluk losgekoppeld of werd de voeding plotseling onderbroken. Sluit de compacte netadapter opnieuw aan
en zet de camcorder uit en vervolgens weer aan of vervang de accu door een volledig opgeladen exemplaar.
Het duurt langer dan normaal om over te schakelen tussen opname (
Ü
REC) en opnamestand-by (STBY).
- Als de SD-kaart een groot aantal clips bevat, dan kunnen sommige procedures langer duren dan normaal.
Sla een back-up van uw clips op (A 153) en initialiseer de kaart (A 35). U kunt ook een andere kaart plaatsen.
207
Problemen oplossen
De camcorder neemt niet goed op de SD-kaart op.
- Dit kan zich voordoen als in de loop der tijd veel opnamen zijn gemaakt en verwijderd. Maak een back-up van uw opnamen
(A 153) en initialiseer de kaart (A 35).
Na lang gebruik van de camcorder wordt deze heet.
- De camcorder kan warm worden nadat deze een lange tijd ononderbroken is gebruikt; dit wijst niet op een storing.
Als de camcorder ongebruikelijk heet wordt of heet wordt nadat u deze slechts korte tijd hebt gebruikt, dan kan
dit duiden op een probleem met de camcorder. Neem contact op met een Canon Service Center.
Afspelen
Ik kan een clip niet verwijderen.
- Mogelijk heeft de XF-HEVC- of XF-AVC-clip een $-markering. Verwijder de $-markering (A 141).
- De LOCK-schakelaar op de SD-kaart staat zo ingesteld dat gegevens op de kaart niet per ongeluk kunnen worden
gewist. Wijzig de stand van de LOCK-schakelaar.
Het verwijderen van clips neemt meer tijd in beslag dan gewoonlijk.
- Als de SD-kaart een groot aantal clips bevat, dan kunnen sommige procedures langer duren dan normaal. Maak een
back-up van uw opnamen (A 153) en initialiseer de kaart (A 35).
Ik kan geen clips kopiëren.
- Er is te weinig ruimte op de kaart die als bestemming is gekozen of de kaart bevat al het maximale aantal clips
(999 clips). Verwijder een aantal clips (
A
142) om ruimte vrij te maken of vervang de kaart.
Ik kan een foto niet verwijderen.
- De LOCK-schakelaar op de SD-kaart staat zo ingesteld dat gegevens op de kaart niet per ongeluk kunnen worden
gewist. Wijzig de stand van de LOCK-schakelaar.
- Foto's die met behulp van andere apparaten zijn beveiligd, kunt u niet verwijderen met de camcorder.
Indicatoren en schermdisplays
verschijnt in het rood op het scherm.
- De accu is leeg. Vervang de accu of laad deze op.
í
verschijnt op het scherm.
- De camcorder kan niet met de accu communiceren, waardoor de resterende acculading niet kan worden weergegeven.
Het statuslampje brandt niet.
-Stel > [$ System Setup/Systeeminstelling] > [LED] > [Tally Lamp (Front)/Statuslampje (voorzijde)]
of [Tally Lamp (Rear)/Statuslampje (achterzijde)] in op [On/Aan].
Het statuslampje knippert snel. (knippert 4 keer per seconde)
- De accu is leeg. Vervang de accu of laad deze op.
- Er is te weinig ruimte beschikbaar op de SD-kaart. Verwijder een aantal clips (A 142) om ruimte vrij te maken
of vervang de geselecteerde kaart.
- Er heeft zich een systeemfout voorgedaan. Zet de camcorder uit en vervolgens weer aan. Als dit het probleem
niet oplost, neemt u contact op met een Canon Service Center.
Het statuslampje knippert langzaam. (knippert 1 keer per seconde)
- De beschikbare ruimte op beide kaarten is bij elkaar opgeteld te laag. Vervang de kaart waarop geen opnamen
worden gemaakt.
/ verschijnt in het rood op het scherm.
- Er is een kaartfout opgetreden. Verwijder de kaart en plaats deze terug. Als het display niet normaal wordt,
maakt u een back-up van uw opnamen (A 153) en initialiseert u de kaart (A 35).
6/7 (in het rood) en [END] verschijnen op het scherm.
- De SD-kaart is vol. Gebruik een andere kaart of verwijder enkele clips (A 142) om ruimte vrij te maken op de kaart.
Zelfs nadat ik ben gestopt met opnemen, blijft de statusindicator van de geheugenkaart rood knipperen.
- De clip wordt nog opgenomen op de kaart. Dit is normaal en duidt niet op een storing.
b
verschijnt in het geel op het scherm.
- De interne temperatuur van de camcorder heeft een vooraf bepaald niveau bereikt. U kunt de camcorder blijven gebruiken.
b
verschijnt in het rood op het scherm.
- De interne temperatuur van de camcorder is verder gestegen nadat
b
in het geel werd weergegeven op het scherm.
- Verschijnt het pictogram in het rood in de stand terwijl > [% System Setup/Systeeminstelling] >
[Fan/Ventilator] ingesteld is op [Always On/Altijd aan], schakel dan de camcorder uit en wacht totdat de temperatuur
is afgenomen.
- Als in de stand de optie [Fan/Ventilator] ingesteld is op [Automatic/Automatisch] en de ventilator uitgeschakeld
is tijdens opname, schakelt de ventilator automatisch in (in dat geval verschijnt
`
op het scherm).
Problemen oplossen
208
`
verschijnt in het rood op het scherm.
- De ventilator werkt mogelijk niet naar behoren. De camcorder zal automatisch binnen circa 10 minuten worden
uitgeschakeld. Neem contact op met een Canon Service Center.
Beeld en geluid
De contourverscherping/de vergroting/het zebrapatroon/de golfvormmonitor/het zwart-witbeeld verschijnt niet
op het scherm.
- Controleer de desbetreffende uitvoerinstellingen om er zeker van te zijn dat de weergave van de gewenste hulpfunctie
ingeschakeld is voor het gewenste scherm/de gewenste video-uitvoer.
De schermdisplays verschijnen en verdwijnen herhaaldelijk.
- De accu is leeg. Vervang de accu of laad deze op.
- Verwijder de accu en sluit deze opnieuw goed aan.
Op het scherm worden abnormale tekens weergegeven en de camcorder functioneert niet naar behoren.
- Verwijder de voeding en sluit deze na enige tijd weer aan. Blijft het probleem zich voordoen, gebruik dan de
optie > [! System Setup/Systeeminstelling] > [Reset/Resetten] > [All Settings/Alle instellingen].
Hierdoor worden alle camcorderinstellingen gereset naar de standaardwaarden, behalve de urenteller.
Op het scherm verschijnt videoruis.
- Houd de camcorder op afstand van apparaten die sterke elektromagnetische velden produceren, zoals krachtige
magneten en motors, MRI-machines of hoogspanningsleidingen.
Op het scherm verschijnen horizontale strepen.
- Dit is een verschijnsel dat zich typisch voordoet bij CMOS-beeldsensors als u opnamen maakt onder sommige tl-lampen,
kwiklampen of natriumlampen. Dit is normaal en duidt niet op een storing. U kunt de symptomen verminderen door de
sluitertijdstand in te stellen op Speed/Snelheid en de sluitertijd op een waarde in te stellen die past bij de frequentie
van het plaatselijke lichtnet: 1/50* of 1/100 voor 50 Hz-systemen, 1/60 of 1/120 voor 60 Hz-systemen.
* Mogelijk niet beschikbaar, afhankelijk van de beeldsnelheid.
Ik kan geen audio opnemen.
- De INPUT-schakelaar (audio-invoerselectie) is ingesteld op AES/EBU maar er is een analoge audiobron aangesloten of
de schakelaar is op ANALOG gezet en er is een digitale audiobron aangesloten. Stel de audiogerelateerde schakelaars
goed in volgens de audiobron die u wilt gebruiken (A 100).
- Gebruikt u de INPUT 1/INPUT 2-aansluitpunten, zorg er dan voor dat u een XLR-connector gebruikt. Gebruikt u het
MIC-aansluitpunt, zorg er dan voor dat u een condensmicrofoon gebruikt met een eigen stroombron en een 3,5 mm
stereo-miniplug.
- De externe microfoon die aangesloten wordt op het INPUT 1/INPUT 2-aansluitpunt, heeft fantoomvoeding nodig.
Stel de bijbehorende ANALOG-schakelaar in op MIC+48V (A 100).
Audio wordt opgenomen op een extreem laag niveau.
- Wanneer de INPUT 1/INPUT 2-aansluitpunten of het MIC-aansluitpunt worden gebruikt: De schakelaar
(audioniveau) voor CH1 of CH2 is ingesteld op M en het opnameniveau is te laag ingesteld. Controleer de
audioniveaumeter op het scherm en stel het audioniveau correct in (A 101).
- De microfoondemper is ingeschakeld. Zet de microfoondemper uit (A 104, 104).
Het geluid is vervormd of wordt opgenomen op een lager niveau.
- Als u opnamen maakt bij harde geluiden (zoals vuurwerk, shows of concerten), kan het geluid vervormd raken of wordt
het geluid mogelijk niet op het feitelijke niveau opgenomen. Activeer de microfoondemper (A 104, 104) of stel het
audio-opnameniveau handmatig in.
Het beeld wordt correct weergegeven maar de ingebouwde luidspreker produceert geen geluid.
- Het luidsprekervolume staat uit. Pas het volume aan (A 138).
- Koppel eventuele kabels/externe apparaten los die op het ×-aansluitpunt (koptelefoon) zijn aangesloten.
209
Problemen oplossen
Kaarten en accessoires
Ik kan de SD-kaart niet plaatsen.
- De kaart die u in de camcorder probeert te plaatsen, houdt u verkeerd om vast. Draai de kaart om en plaats deze
in de camcorder.
Ik kan geen opnamen maken op de SD-kaart.
- Er moet een compatibele kaart gebruikt worden (A 33).
- Initialiseer de kaart (A 35) als u deze voor de eerste keer met de camcorder gebruikt.
- De LOCK-schakelaar op de SD-kaart staat zo ingesteld dat gegevens op de kaart niet per ongeluk kunnen worden
gewist. Wijzig de stand van de LOCK-schakelaar.
- Foto's kunnen alleen op SD-kaart B worden vastgelegd. Plaats een kaart in SD-kaartsleuf B.
- De kaart is vol of bevat al het maximale aantal clips (999 clips). Verwijder een aantal clips (A 142) om ruimte
vrij te maken of vervang de kaart.
- De map- en bestandsnummers hebben hun maximale waarde bereikt. Stel de optie
>
[
"
Recording/Media Setup/
Opname/media instellen]
>
[MP4 Clip/Photo Numbering/Nummering van MP4-clips/foto's] in op [Reset/Resetten] en
plaats een nieuwe kaart.
Opnemen en afspelen vanaf een SD-kaart verloopt traag.
- Dit kan zich voordoen als in de loop der tijd veel clips en foto's worden gemaakt/verwijderd. Maak een back-up
van uw opnamen (A 153) en initialiseer de kaart (A 35).
De optionele afstandsbediening RC-V100 of een in de winkel verkrijgbare afstandsbediening doet het niet.
- Zorg ervoor dat > [$ System Setup/Systeeminstelling] > [REMOTE Term./REMOTE-aansluitpunt] ingesteld
is op [RC-V100 (REMOTE B)] of [RC-V100 (REMOTE A)] wanneer u de optionele afstandsbediening RC-V100 gebruikt
of op [Standard/Standaard] wanneer u een in de winkel verkrijgbare afstandsbediening gebruikt.
- Zet de camcorder uit, sluit de afstandsbediening opnieuw aan en zet vervolgens de camcorder weer aan.
- Wanneer > [! Custom Picture/Voorkeuze] > [Activate Other Settings/Overige instellingen activeren] ingesteld
is op [Off/Uit] of als het momenteel geselecteerde bestand met voorkeuze-instellingen beveiligd is, kunnen de uitgebreide
voorkeuze-instellingen niet worden aangepast met de RC-V100. Stel [Activate Other Settings/Overige instellingen activeren]
in op [On/Aan] nadat u een bestand met voorkeuze-instellingen hebt geselecteerd dat niet beveiligd is (A 123).
Aansluiten van externe apparaten
Op een nabij tv-scherm verschijnt videoruis.
- Als u de camcorder gebruikt in een kamer waar een tv staat, houd dan tussen de compacte netadapter en het netsnoer
en de antennekabels van de tv voldoende afstand aan.
De camcorder geeft een goede weergave maar er is geen beeld op een extern scherm.
- De camcorder is niet op de juiste wijze op het externe scherm aangesloten. Zorg ervoor dat u de juiste aansluiting
gebruikt (A 147).
- De video-ingang op het externe scherm is niet afgestemd op het videoaansluitpunt waarop u de camcorder hebt
aangesloten. Selecteer de juiste video-ingang.
De computer herkent de camcorder niet, hoewel de camcorder correct aangesloten is.
- Verwijder de USB-kabel en zet de camcorder uit. Zet na korte tijd de camcorder weer aan en herstel de verbinding.
- Sluit de camcorder aan op een andere USB-poort van de computer.
- Breng de USB-verbinding tot stand terwijl het indexscherm [MP4] of [Photos/Foto's] wordt weergegeven (A 134).
Kan geen MP4-clips of foto's overdragen naar de computer.
- De SD-kaart bevat te veel MP4-clips en foto's. Verwijder clips of foto's totdat de kaart een gecombineerd totaal van
2.500 (Windows)/1.000 (macOS) opnamen of minder bevat en gebruik vervolgens een kaartlezer om de opnamen
vanaf de kaart over te dragen.
Er is geen beeld of geluid op een extern scherm dat op het SDI-aansluitpunt is aangesloten
- Zorg ervoor dat het aangesloten externe apparaat compatibel is met 12G-SDI en de gebruikte beeldsnelheid.
- Controleer of de instellingen van het externe scherm overeenkomen met de configuratie van het uitvoersignaal
dat op de camcorder is geselecteerd (A 145).
Er is geen beeld of geluid op een extern scherm dat op het HDMI OUT-aansluitpunt is aangesloten
- Verwijder de HDMI-kabel en herstel vervolgens de verbinding of zet de camcorder uit en weer aan.
- Zorg ervoor dat het externe scherm compatibel is met het uitvoersignaal dat op de camcorder is geselecteerd (A 145).
De contourverscherping/het zwart-witbeeld/de vergroting/de zebrapatronen/de golfvormmonitor verschijnen
niet in de zoeker.
- Controleer of de weergave van de gewenste hulpfunctie ingeschakeld is voor de zoeker ([B&W Image: VF/Zwart-
witbeeld: zoeker] (A 190), [Magn.: VF+LCD/Vergroting: zoeker + LCD], [Peaking: VF/Contourverscherping: zoeker],
[Zebra: VF/Zebra: zoeker], [WFM: VF/WFM: zoeker] (A 192)).
De contourverscherping/het zwart-witbeeld/de vergroting/de zebrapatronen/de golfvormmonitor verschijnen niet
in de video die wordt uitgevoerd via het SDI-aansluitpunt.
- Controleer of de weergave van de gewenste hulpfunctie ingeschakeld is voor het SDI-aansluitpunt ([B&W Image: SDI/
Zwart-witbeeld: SDI] (A 190), [Magn.: SDI/HDMI/Vergroting: SDI/HDMI], [Peaking: SDI/Contourverscherping: SDI],
[Zebra: SDI], [WFM: SDI] (A 192)).
Problemen oplossen
210
De contourverscherping/het zwart-witbeeld/de vergroting/de zebrapatronen/de golfvormmonitor verschijnen niet
in de video die wordt uitgevoerd via het HDMI OUT-aansluitpunt.
- Controleer of de weergave van de gewenste hulpfunctie ingeschakeld is voor het HDMI OUT-aansluitpunt
([B&W Image: HDMI/Zwart-witbeeld: HDMI] (A 190), [Magn.: SDI/HDMI/Vergroting: SDI/HDMI], [Peaking: HDMI/
Contourverscherping], [Zebra: HDMI], [WFM: HDMI] (A 192)).
Netwerkfuncties
Eerst controleren
Ik kan geen verbinding maken met een toegangspunt.
- Er zijn andere apparaten in de buurt die een belemmering vormen voor het draadloze signaal. Raadpleeg
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot Wi-Fi-netwerken (A 210).
- Wachtwoordinformatie is niet opgeslagen in de camcorderinstellingen. Als u instellingen op de camcorder laadt vanuit
een eerder opgeslagen bestand met camcorderinstellingen, worden alle wachtwoorden in de netwerkgerelateerde
instellingen gereset. Stel de netwerkgerelateerde instellingen in waar nodig (A 155).
- Wanneer u een Wi-Fi-netwerk gebruikt, kan de camcorder geen toegangspunt detecteren als de stealth-functie van
het toegangspunt geactiveerd is. Configureer de netwerkverbinding handmatig (A 160) of schakel de stealth-functie
van het toegangspunt uit.
Er kan geen cameratoegangspuntverbinding tot stand worden gebracht met een netwerkapparaat.
- Er zijn andere apparaten in de buurt die een belemmering vormen voor het draadloze signaal.
Raadpleeg Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot Wi-Fi-netwerken (A 210).
- Wanneer u alle instellingen van de camcorder reset, gaan ook alle netwerkinstellingen verloren. Maak verbinding
met de standaardinstellingen of stel de cameratoegangspuntinstellingen opnieuw in (A 157).
Kan geen verbinding maken met een bekabeld netwerk (Ethernet).
- Gebruik een STP (shielded twisted pair) Ethernet-kabel van categorie 5e of hoger.
- Probeer de Ethernet-kabel te vervangen.
- Wanneer u alle instellingen van de camcorder reset, gaan ook alle netwerkinstellingen verloren. Stel de netwerkinstellingen
opnieuw in (A 155).
- Controleer of het netwerkapparaat waarmee de camcorder verbonden is, aanstaat en goed werkt.
Om verbindingssnelheden van 1000BASE-T te gebruiken, hebt u netwerkapparatuur nodig die Gigabit Ethernet
(1000BASE-T) ondersteunt.
De toepassing Browser Remote wordt niet geopend in de webbrowser.
- Zorg ervoor dat Browser Remote geactiveerd is (A 165).
- De URL die in de adresbalk van de webbrowser is ingevoerd, klopt niet. Zorg ervoor dat u de URL precies gebruikt
zoals deze wordt weergegeven in het statusscherm [Network 4/6/Netwerk 4/6] van de stand (A 204).
Het scherm Browser Remote wordt niet juist weergegeven in de webbrowser.
- Dit apparaat, dit besturingssysteem of deze webbrowser wordt mogelijk niet ondersteund. Bezoek de website
van Canon voor uw regio voor de nieuwste informatie over ondersteunde systemen.
- Schakel JavaScript en cookies in de instellingen van uw webbrowser in. Raadpleeg de hulpmodules of online
documentatie van de webbrowser die u gebruikt.
- Verwijder de cache en cookies voor de URL van Browser Remote in uw webbrowser en start Browser Remote
opnieuw op.
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot Wi-Fi-netwerken
Als u een Wi-Fi-netwerk gebruikt, kunt u de volgende oplossingsmogelijkheden proberen als de verzendsnelheid
zakt, de verbinding verbroken wordt of wanneer zich andere problemen voordoen.
Een netwerkapparaat plaatsen (toegangspunt, mobiel apparaat enz.)
- Als u een Wi-Fi-netwerk binnen gebruikt, plaatst u het netwerkapparaat in dezelfde ruimte als de camcorder.
- Plaats het netwerkapparaat op een open locatie zonder belemmeringen, waar geen mensen of voorwerpen tussen
het toegangspunt en de camcorder kunnen komen.
- Plaats het netwerkapparaat zo dicht mogelijk bij de camcorder en pas de hoogte of richting van het netwerkapparaat
naar behoefte aan.
Zijn het toegangspunt (draadloze router), de camcorder, de computer en andere netwerkapparaten ingeschakeld?
Werkt het netwerk goed en is het correct geconfigureerd?
Zijn alle netwerkapparaten correct aangesloten op hetzelfde netwerk als de camcorder?
Zijn er hindernissen tussen de camcorder en het toegangspunt of tussen het gebruikte netwerkapparaat en het
toegangspunt?
211
Problemen oplossen
Elektronische apparaten in de buurt
- Als de verzendsnelheid van een Wi-Fi-netwerk zakt wegens storing door een van de volgende elektronische
apparaten, kan het probleem worden opgelost als u overstapt op de 5 GHz-band of op een ander kanaal.
- Wi-Fi-netwerken die het protocol IEEE 802.11b/g/n gebruiken, werken in de 2,4 GHz-band. Daardoor kan de
verzendsnelheid zakken als er in de buurt magnetrons, draadloze telefoons, microfoons of andere vergelijkbare
apparaten gebruikt worden die op dezelfde frequentieband werken.
- Als in de buurt een ander toegangspunt wordt gebruikt dat op dezelfde frequentie werkt als de camcorder,
kan de verzendsnelheid zakken.
Meerdere camcorders/draadloze verzenders/toegangspunten gebruiken
- Controleer of er geen IP-adresconflicten zijn tussen de apparaten die op hetzelfde netwerk zijn aangesloten.
- Als er meerdere XF705-camcorders worden verbonden met één toegangspunt, kunnen de verbindingssnelheden
lager worden.
- Om storing door radiogolven te verminderen als meerdere toegangspunten gebruikmaken van IEEE 802.11b/g of
IEEE 802.11n (in de 2,4 GHz-band), slaat u vier kanalen over tussen elk toegangspunt. Gebruik bijvoorbeeld kanalen 1,
6 en 11, kanalen 2, 7 en 12, of kanalen 3, 8 en 13. Als u IEEE 802.11a/n kunt gebruiken (in de 5 GHz-band), schakelt
u over op IEEE 802.11a/n en voert u een ander kanaal in.
Overzicht van berichten
Raadpleeg dit hoofdstuk als er een bericht op het scherm verschijnt. De berichten in dit hoofdstuk staan
hieronder in alfabetische volgorde. Houd er rekening mee dat bij sommige berichten een indicatie van de kaart
waarvoor het bericht geldt (SD-kaart A, SD-kaart B of beide), boven het bericht zelf getoond kan worden.
Accessing SD Card A/SD Card B Do not remove / SD-kaart A/SD-kaart B wordt gelezen Niet verwijderen
- U hebt het afdekplaatje van de kaartsleuf geopend terwijl de camcorder bezig was met een bewerking op de kaart.
Sluit het afdekplaatje van de kaartsleuf.
Battery communication error. Does this battery display the Canon logo? /
Communicatiefout met accu. Bevat de accu het logo van Canon?
- U hebt een accu aangesloten die niet door Canon wordt aanbevolen voor gebruik met deze camcorder.
- Als u een accu gebruikt die door Canon aanbevolen is voor gebruik met deze camcorder, is er mogelijk een probleem
met de accu of de camcorder. Neem contact op met een Canon Service Center.
Buffer overflow. Recording was stopped. / Bufferoverschrijding. De opname is beëindigd.
- De gegevensoverdrachtssnelheid was te hoog voor de gebruikte kaart en de opname werd stopgezet.
Gebruik een aanbevolen kaart (
A
33).
Cannot play back/Kan niet weergeven
- De kaart bevat clips die zijn opgenomen met een systeemfrequentie die anders is dan de frequentie die de camcorder
momenteel gebruikt. Wilt u de opnamen op de kaart afspelen, stel dan de optie
>
[
!
Recording/Media Setup/
Opname/media instellen]
>
[System Frequency/Systeemfrequentie] in op een instelling die overeenkomt met de opnamen
op de kaart.
-
De bestandsbeheerinformatie van XF-HEVC- of XF-AVC-clips is beschadigd of er is een decoderingsfout opgetreden
.
Zet de camcorder uit en vervolgens weer aan. Als dit het probleem niet oplost, neemt u contact op met een Canon
Service Center.
Cannot switch SD card slots/Kan niet van SD-kaartsleuf wisselen
- De SLOT SELECT-knop is ingedrukt terwijl de camcorder aan het opnemen is. Wacht totdat u klaar bent met opnemen
voordat u een andere SD-kaartsleuf selecteert.
Change the battery pack/Vervang de accu
- De accu is leeg. Vervang de accu of laad deze op.
Cover is open/Afdekplaatje is open
- Het afdekplaatje van de SD-kaartsleuf of SD-kaartsleuf stond open toen de camcorder in de stand werd gezet
of in deze stand werd ingeschakeld. Plaats een kaart en sluit het afdekplaatje van de kaartsleuf.
Fan error/Ventilatorfout
- De koelventilator werkt mogelijk niet naar behoren. Neem contact op met een Canon Service Center.
File name error/Fout in bestandsnaam
- U hebt geprobeerd een clip op te nemen terwijl de clipnummering de maximumwaarde al bereikt had. Maak een back-up
van uw clips (
A
153) en initialiseer de kaart (
A
35) of verwijder alle clips (
A
142).
- U hebt geprobeerd om een MP4-clip of foto te maken terwijl het maximumaantal MP4-clips/foto's al bereikt is.
Stel de optie > [" Recording/Media Setup/Opname/media instellen] > [MP4 Clip/Photo Numbering/
Nummering van MP4-clips/foto's] in op [Reset/Resetten] en verwijder alle MP4-clips en foto's op de kaart (A 183)
of initialiseer de kaart (A 35).
Problemen oplossen
212
INFRARED switch position changed (ON/OFF). Check the focus./Positie van INFRARED-schakelaar is gewijzigd.
Controleer de scherpstelling
- De scherpstelling kan gewijzigd worden wanneer u de infraroodstand in- of uitschakelt. Controleer of de scherpstelling klopt.
Invalid operation/Ongeldige handeling
- De volgende bedieningshandelingen zijn ongeldig en kunt u niet uitvoeren.
Een opnamemarkering toevoegen aan een beeldje dat al een opnamemarkering heeft.
•Een
$
-markering en een
%
-markering toevoegen aan dezelfde clip.
Op de REC-knop drukken zonder dat kaarten in de camcorder zijn geplaatst.
Management file error/Fout in beheerbestand
-
De camcorder kan niet opnemen omdat de camcorder geen schrijftoegang heeft tot de bestandsbeheerinformatie van
XF-HEVC- of XF-AVC-clips
. Dit kan zich voordoen als een ander apparaat met de bestanden op de kaart heeft gewerkt.
Sla een back-up van uw clips op (
A
153) en initialiseer de kaart (
A
35).
May not be possible to record clips on this media/Het is eventueel niet mogelijk clips op dit opslagmedium op te nemen
- De kaart die u hebt geselecteerd om opnamen mee te maken, heeft een snelheidsklasse die lager is dan 10.
Gebruik een aanbevolen kaart (
A
33).
Media full/Opnamemedium is vol
- De SD-kaart is vol. Vervang de geheugenkaart of verwijder een aantal opnamen (
A
142, 183) om ruimte vrij te maken
op de geheugenkaart.
Media is almost full/Opnamemedium is bijna vol
- Er is te weinig ruimte beschikbaar op de SD-kaart. Vervang de kaart of verwijder enkele opnamen (
A
142, 183) om wat
ruimte vrij te maken.
- De hoeveelheid beschikbare ruimte op SD-kaart A en SD-kaart B is bij elkaar opgeteld klein. Vervang de kaart
die niet geselecteerd is.
Media is not supported/Opnamemedium wordt niet ondersteund
- Kaarten van 512 MB of kleiner kunnen niet worden gebruikt in de camcorder. Gebruik een aanbevolen kaart (
A
33).
Memory card is write-protected/De kaart is tegen wissen beveiligd
- De LOCK-schakelaar op de SD-kaart staat zo ingesteld dat gegevens op de kaart niet per ongeluk kunnen worden gewist.
Wijzig de stand van de LOCK-schakelaar.
Number of clips already at maximum/Maximumaantal clips bereikt
-
De kaart die voor opname geselecteerd is, bevat al het maximumaantal XF-HEVC- of XF-AVC-clips (999 clips)
.
Vervang de kaart.
Number of Shot Marks at maximum/Maximumaantal opnamemarkeringen bereikt
- De opnamemarkering kon niet worden toegevoegd omdat de clip al 100 opnamemarkeringen bevat.
Recorded at 50.00 Hz/59.94 Hz SD Card A / SD Card B: Recommend checking the data and initializing/
Opgenomen met 50,00 Hz/59,94 Hz SD-kaart A/SD-kaart B: aanbevolen wordt om de data te controleren en te initialiseren
- De kaart bevat clips die zijn opgenomen met een systeemfrequentie die anders is dan de frequentie die de camcorder
momenteel gebruikt. Maak indien nodig een back-up van de inhoud van de kaart en initialiseer de kaart vervolgens met deze
camcorder (
A
35).
Recording was stopped./De opname is beëindigd.
-
De bestandsbeheerinformatie van XF-HEVC- of XF-AVC-clips is beschadigd of er is een coderingsfout opgetreden
.
Zet de camcorder uit en vervolgens weer aan. Verwijder vervolgens de geplaatste kaart en plaats deze terug. U kunt ook een
andere kaart plaatsen. Als dit het probleem niet oplost, neemt u contact op met een Canon Service Center.
SD Card A / SD Card B: Check the data./SD-kaart A/SD-kaart B: controleer de data.
- De kaart kan niet worden gelezen. Controleer de kaart en zorg ervoor dat deze correct geplaatst is.
- Er is een kaartfout opgetreden. De camcorder kan de foto niet maken of niet weergeven. Verwijder de kaart en plaats
deze weer terug, of gebruik een andere kaart.
- U hebt een MultiMediaCard (MMC) in de camcorder geplaatst. Gebruik een aanbevolen SD-kaart (
A
33).
- Als het bericht verdwijnt en
of daarna in het rood wordt weergegeven, gaat u als volgt te werk: zet de camcorder uit,
verwijder de kaart en plaats deze weer terug in de camcorder. Als
6
of
7
weer groen wordt, kunt u het opnemen/afspelen
hervatten. Blijft het probleem zich voordoen, maak dan een back-up van uw clips (
A
153) en initialiseer de kaart (
A
35).
SD Card A / SD Card B: Recommend checking the data and initializing/SD-kaart A/SD-kaart B: aanbevolen wordt om de data
te controleren en te initialiseren
- De kaart kan niet worden gebruikt om een van de volgende redenen. Sla een back-up van uw clips op (
A
153) en initialiseer
de kaart (
A
35).
Er heeft zich een probleem voorgedaan met de kaart.
De camcorder kan de gegevens op de kaart niet lezen.
De kaart is geïnitialiseerd met een computer.
De kaart is in meerdere schijven verdeeld.
- De kaart is geïnitialiseerd met behulp van een camcorder met een andere firmwareversie. Om te kunnen opnemen op de kaart,
maakt u een back-up van de opnamen op de kaart en vervolgens initialiseert u de kaart opnieuw met deze camcorder.
213
Problemen oplossen
Netwerkfuncties
Raadpleeg naast deze lijst ook de gebruiksaanwijzingen van het toegangspunt of andere externe apparaten
die u gebruikt.
SD Card A
SD Card B / SD Card B
SD Card A Switched/SD-kaart overgeschakeld
- De camcorder is nadat u op de SLOT SELECT-knop drukte of automatisch wegens Relay Recording overgeschakeld naar
opnemen op de andere kaart.
SD Card A
SD Card B / SD Card B
SD Card A Will switch in a moment/Zal zo dadelijk overschakelen van SD-kaart
- De geselecteerde kaart is bijna vol, daarom zal de camcorder over circa 1 minuut verdergaan met opnemen op de andere
kaart (Relay Recording).
Some clips require data recovery./Bij sommige clips is gegevens terughalen nodig.
- De stroom is mogelijk plotseling uitgevallen of de kaart werd verwijderd terwijl opnamen werden gemaakt met de camcorder.
Daardoor bevatten een of meerdere XF-HEVC- of XF-AVC-clips beschadigde gegevens
. U kunt proberen de clips
te herstellen (
A
37).
The / file needs to be unprotected to change this setting./
Voor het wijzigen van deze instelling moet eerst de beveiliging van het bestand worden opgeheven.
- Als u de video-indeling instelt op XF-HEVC en een beveiligd bestand met voorkeuze-instellingen selecteert, kan de
video-indeling niet worden gewijzigd. Hef eerst de beveiliging van het bestand met voorkeuze-instellingen op (A 124)
of selecteer een bestand met voorkeuze-instellingen dat niet beveiligd is en wijzig vervolgens de video-indeling.
The following settings were changed./De volgende instellingen zijn gewijzigd.
- De instellingen die op het scherm worden weergegeven, zijn automatisch aangepast wegens een wijziging in een van de
instellingen van [Recording/Media Setup/Opname/media instellen]. Controleer de instellingen voordat u verdergaat met
opnemen.
- LUT-opties die zijn ingesteld voor [PQ : BT.2020] of [HLG : BT.2020] zullen automatisch worden gereset naar [Off/Uit] wanneer
u opnemen in slow motion activeert.
The memory card is not compatible with the current recording settings./
De geheugenkaart is niet compatibel met de huidige opname-instellingen.
- U kunt geen opnamen met een resolutie van 3840x2160 of in slow of fast motion maken wanneer de gebruikte kaart
een snelheidsklasse heeft die lager is dan UHS U3. Vervang de kaart, wijzig de resolutie (A 52) of wijzig de
opnamemodus (A 115).
The sound of the camcorder zooming may also be recorded/
Het geluid van de in- en uitzoomende camcorder kan ook worden opgenomen
- Wanneer u in- of uitzoomt terwijl > [v%Camera Setup/Cameraconfiguratie] > [Zoom Speed Level/
Zoomsnelheidsniveau] ingesteld is op [High/Sterk], is het mogelijk dat ook het geluid van de draaiende zoommotor
wordt opgenomen. Verander het zoomsnelheidsniveau om dit te voorkomen.
Too many photos and MP4 clips
. Disconnect the USB cable./
Te veel MP4-clips en foto's.
Koppel de USB-kabel los.
- Koppel de USB-kabel los.
Probeer een kaartlezer te gebruiken of breng het aantal MP4-clips en foto's op de kaart terug
tot minder dan 2.500 (Windows) of 1.000 (macOS). Breng de verbinding vervolgens opnieuw tot stand
.
Unable to recover data/Kan gegevens niet herstellen
- De geselecteerde clip kon niet worden hersteld. Maak een back-up van uw clips (
A
153) en verwijder de clips die niet konden
worden hersteld (
A
142).
- De camcorder kan mogelijk geen clips herstellen wanneer er onvoldoende ruimte op de kaart is. Verwijder een aantal clips
(
A
142) om ruimte vrij te maken.
A User is already accessing the server. Try again later./Een gebruiker heeft al toegang tot de server. Probeer het
later nogmaals.
- Dit bericht verschijnt op het scherm van het aangesloten apparaat. Een ander apparaat dat op het netwerk is aangesloten,
is de camcorder aan het bedienen. Om dit apparaat te kunnen gebruiken, beëindigt u eerst de verbinding met het apparaat
dat de camcorder gebruikt. Raak vervolgens [Retry/Opnieuw proberen] aan.
Cannot log in to FTP server./Kan niet aanmelden bij FTP-server.
- Controleer de gebruikersnaam- en wachtwoordinformatie in de instellingen voor de FTP-server (
A
178).
Cannot transfer files to FTP server./Kan bestanden niet overbrengen naar FTP-server.
- Controleer of er genoeg ruimte beschikbaar is op het apparaat voor gegevensopslag (harde schijf, enzovoort) waarop
de bestemmingsmap van de FTP-server staat.
FTP transfer error. File transfer was not completed./FTP-overdrachtsfout. Bestandsoverdracht niet voltooid.
- Er is een fout opgetreden tijdens de overdracht van bestanden naar de FTP-server. Zet de camcorder en de FTP-server uit en
weer aan. Probeer vervolgens de FTP-overdracht opnieuw uit te voeren.
IP address conflict/IP-adresconflict
- De camcorder en een ander apparaat dat op hetzelfde netwerk is aangesloten, hebben hetzelfde IP-adres toegewezen
gekregen. Wijzig het IP-adres van de camcorder of van het apparaat dat voor het conflict zorgt.
Problemen oplossen
214
LAN cable not connected./LAN-kabel niet aangesloten.
- U hebt geprobeerd om verbinding te maken met een bekabeld netwerk, maar de Ethernet-kabel is niet aangesloten.
Controleer of de Ethernet-kabel juist is aangesloten op het
-aansluitpunt (Ethernet) van de camcorder en op de
LAN/Ethernet-poort van het netwerkapparaat.
Multiple access points detected. Try the operation again./Meerdere toegangspunten gevonden. Probeer het opnieuw.
- Er zijn meerdere toegangspunten die tegelijkertijd een WPS-signaal uitzenden. Probeer het later nogmaals of voer
de instellingen in met de optie [WPS: pincode] of [Zoeken naar toegangspunten] (
A
159).
Network functions malfunction./Storing van netwerkfuncties.
- Er is een hardwareprobleem met het schakelsysteem van het netwerk van de camcorder. Probeer de camcorder uit en weer
aan te zetten. Als het probleem aanhoudt, neemt u contact op met een Canon Service Center.
No access points found/Geen toegangspunten gevonden
- De camcorder heeft gezocht naar actieve Wi-Fi-netwerken (toegangspunten) in de buurt, maar heeft geen netwerk gevonden.
Zorg ervoor dat het toegangspunt juist werkt en probeer opnieuw verbinding te maken.
- Het toegangspunt is verborgen. Schakel in de instellingen van de draadloze router (toegangspunt) de functie uit waarmee
de draadloze router verborgen wordt.
- De camcorder kan het toegangspunt mogelijk niet vinden als MAC-adresfiltering ingeschakeld is. Controleer het statusscherm
[Network 3/6/Netwerk 3/6] (
A
203) en zorg ervoor dat u het MAC-adres van de camcorder toevoegt aan de lijst met
goedgekeurde draadloze apparaten in de instellingen van de draadloze router (toegangspunt).
Reached the end of the adjustment range/Het einde van het aanpassingsbereik is bereikt
- Dit bericht verschijnt op het scherm van het aangesloten apparaat. Wanneer u scherpstelt met Browser Remote verschijnt dit
bericht wanneer een aanpassing van de scherpstelling de scherpstelling buiten het beschikbare bereik van de lens zou duwen.
Some files could not be transferred./Sommige bestanden zijn niet overgebracht.
- Het bestandssysteem is beschadigd of u hebt geprobeerd clips over te dragen die niet met deze camcorder zijn opgenomen.
Verwijder deze clips van de SD-kaart en draag de bestanden vervolgens opnieuw over (
A
178).
- De doelmap bevat bestanden met dezelfde bestandsnaam als de bestanden die moeten worden overgedragen. Wijzig de
naam van de bestanden of stel
>
[
!
Network Settings/Netwerkinstellingen]
>
[FTP Transfer Settings/
FTP-overdrachtsinstellingen]
>
[Same Named Files/Bestanden met dezelfde naam] in op [Overwrite/Overschrijven] om de
bestanden in de doelmap te overschrijven.
Unable to complete WPS. Try the operation again./Kan WPS niet voltooien. Probeer het opnieuw.
- Nadat WPS op het toegangspunt werd geselecteerd, zijn er meer dan 2 minuten verstreken voordat [OK] op de camcorder
werd geselecteerd. Begin de WPS-procedure opnieuw vanaf het begin.
- De WPS-knop is niet lang genoeg ingedrukt. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw draadloze router. Wanneer u WPS
gebruikt om een draadloze verbinding tot stand te brengen, houdt u de WPS-knop ingedrukt totdat de WPS-functie van de
draadloze router ingeschakeld wordt.
- De versleutelingsmethode van het toegangspunt is ingesteld op [WEP]. Wi-Fi Protected Setup (WPS) kan geen verbinding
maken met toegangspunten die op deze versleutelingsmethode zijn ingesteld. Wijzig de versleutelingsmethode van het
toegangspunt of gebruik een andere verbindingsmethode (
A
158).
Unable to connect to FTP server./Kan FTP-server niet bereiken.
- Kan niet verbinden met de FTP-server. Controleer de instellingen van de FTP-server (
A
178).
Unable to connect/Kan geen verbinding maken
- Er kon geen verbinding worden gemaakt met het geselecteerde toegangspunt of netwerkapparaat.
- Snoerloze telefoons, magnetrons, koelkasten en andere apparaten kunnen een belemmering vormen voor het draadloze
signaal. Probeer de camcorder verder uit de buurt van dergelijke apparaten te gebruiken.
Unable to obtain an IP address/Kan geen IP-adres verkrijgen
- Als u geen DHCP-server gebruikt, maakt u verbinding met de optie [Manual/Handmatig] en voert u het IP-adres in met
de optie [Manual/Handmatig] (
A
160).
- Schakel de DHCP-server in. Als deze al ingeschakeld is, controleer dan of deze goed werkt.
- Controleer of het adresbereik voor de DHCP-server toereikend is.
- Gebruikt u geen DNS-server, stel het DNS-adres dan in op een adres anders dan [0.0.0.0].
- Stel het IP-adres van de DNS-server in de camcorder in.
- Schakel de DNS-server in. Als deze al ingeschakeld is, controleer dan of deze goed werkt.
- Zorg ervoor dat het IP-adres van de DNS-server en de naam voor dat adres juist geconfigureerd zijn.
- Als u gebruikmaakt van een draadloze gateway-router, zorg er dan voor dat alle apparaten in het netwerk, waaronder
de camcorder, worden geconfigureerd met het juiste gateway-adres.
Wi-Fi connection terminated/Wi-Fi-verbinding beëindigd
- Er is een fout opgetreden op het toegangspunt of het aangesloten apparaat. Controleer het netwerk of het aangesloten
apparaat en probeer opnieuw verbinding te maken.
- Het Wi-Fi-signaal is te zwak geworden en de draadloze verbinding is verbroken. Wacht een ogenblik of zet andere apparaten
uit die zich in de buurt bevinden en die mogelijk het Wi-Fi-signaal verstoren. Probeer daarna opnieuw verbinding te maken.
Wi-Fi error. Incorrect authentication method./Wi-Fi-fout. Onjuiste verificatiemethode.
- Zorg ervoor dat de camcorder en het toegangspunt dezelfde verificatie-/encryptiemethode en dezelfde encryptiesleutel
gebruiken.
215
Problemen oplossen
Wi-Fi error. Incorrect encryption key/Wi-Fi-fout. Onjuiste versleutelingscode.
- Als de verificatiemethode ingesteld is op [WPA-PSK], [WPA2-PSK] of [Shared Key/Gedeelde Sleutel] of als de
versleutelingsmethode ingesteld is op [WEP], is de versleutelingscode (WEP-sleutel of AES/TKIP-wachtwoord)
die is ingevoerd of de lengte daarvan (aantal tekens) onjuist.
Geldige wachtwoorden variëren afhankelijk van de versleutelingsmethode:
- AES/TKIP-versleuteling
: 8 tot 63 ASCII-tekens of 64 hexadecimale tekens.
- 64-bits WEP-versleuteling
: 5 ASCII-tekens of 10 hexadecimale tekens.
- 128-bits WEP-versleuteling
: 13 ASCII-tekens of 26 hexadecimale tekens.
Wi-Fi error. Incorrect encryption method./Wi-Fi-fout. Onjuiste versleutelingsmethode.
- Zorg ervoor dat de camcorder en het toegangspunt dezelfde verificatie-/encryptiemethode en dezelfde encryptiesleutel
gebruiken.
Veiligheidsinstructies en hoe u de camera moet behandelen
216
Veiligheidsinstructies en hoe u de camera moet behandelen
Zorg dat u deze veiligheidsmaatregelen leest om het product veilig te kunnen gebruiken. Houd u aan deze
veiligheidsmaatregelen om te voorkomen dat de gebruiker van het product of anderen verwondingen of
letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Hiermee wordt gewezen op het risico van ernstig letsel of levensgevaar.
Stop onmiddellijk met het gebruik van het product in geval van vreemde omstandigheden, zoals de
aanwezigheid van rook of een vreemde geur.
Raak geen blootgelegde interne onderdelen aan.
Maak het product niet nat. Stop geen vreemde voorwerpen of vloeistoffen in het product.
Raak het product niet aan tijdens onweer als de stekker in het stopcontact zit. Dit kan een elektrische schok
veroorzaken.
Demonteer of wijzig het product niet.
Stel het product niet bloot aan harde schokken of trillingen.
Gebruik alleen stroombronnen waarvan in deze gebruiksaanwijzing
wordt aangegeven dat ze bedoeld zijn
voor gebruik met dit product.
Neem de volgende instructies in acht bij gebruik van een acculader of compacte netadapter.
- Raak de acculader of compacte netadapter niet aan tijdens onweer indien deze in het stopcontact is gestoken.
- Gebruik het product niet als de stekker niet volledig in het stopcontact is gestoken.
- Haal de stekker van het product niet uit het stopcontact door aan het snoer te trekken.
- Steek de stekker van het product niet met natte handen in het stopcontact en haal de stekker niet met natte
handen uit het stopcontact.
- Plaats geen zware voorwerpen op het netsnoer. Beschadig, breek of wijzig het netsnoer niet.
- Laat het product niet gedurende lange tijd aangesloten blijven op een stroombron.
Stel de stekker en de polen niet bloot aan vuil en zorg ervoor dat ze niet in contact komen met metalen
pennen of andere metalen voorwerpen.
Laad batterijen niet op bij temperaturen buiten het bereik van 0-40 °C.
Neem de volgende veiligheidsmaatregelen in acht wanneer u in de winkel verkrijgbare batterijen of bijgeleverde
batterijen gebruikt.
- Gebruik geen lekkende batterijen. Indien een batterij lekt en het materiaal in contact komt met uw huid of
kleding, dient u de blootgestelde huid of kleding grondig af te spoelen met stromend water. In geval van
contact met de ogen dient u de ogen grondig te spoelen met ruime hoeveelheden stromend water en
onmiddellijk medische hulp in te roepen.
- Gebruik batterijen alleen voor het product waarvoor ze bedoeld zijn.
- Verwarm batterijen niet en stel ze niet bloot aan vuur.
- Laad batterijen alleen op met goedgekeurde batterijladers.
- Stel de polen niet bloot aan vuil en zorg ervoor dat ze niet in contact komen met metalen pennen of andere
metalen voorwerpen.
- Breng tape of ander isolatiemateriaal aan over de polen van de batterijen voordat u batterijen weggooit.
Kijk niet door de zoeker naar een sterke lichtbron, zoals de zon op een heldere dag of lasers en andere sterke
kunstmatige lichtbronnen.
Laat de lens niet blootliggen zonder dat de lensdop is bevestigd. De lens kan het licht bundelen en brand
veroorzaken.
Wikkel het product tijdens gebruik of kort na gebruik, wanneer het product nog steeds warm is, niet in doeken
of andere materialen.
Laat het product tijdens gebruik niet langdurig in contact komen met hetzelfde gedeelte van de huid. Zelfs als
het product niet warm aanvoelt, kan dit leiden tot eerstegraads verbrandingen, zoals een rode huid of blaren.
Het gebruik van een statief of vergelijkbare apparatuur wordt aanbevolen wanneer het product wordt gebruikt
op warme locaties of door mensen met een slechte bloedsomloop of een minder gevoelige huid.
Houd het product buiten bereik van jonge kinderen.
Een draagriem rond de nek van een persoon wikkelen kan leiden tot verwurging.
Verwijder regelmatig met een droge doek eventueel stof dat zich op de stekker en het stopcontact ophoopt.
217
Veiligheidsinstructies en hoe u de camera moet behandelen
Volg aanwijzingen op om het gebruik uit te schakelen op locaties waar het gebruik ervan verboden is.
Als u dit niet doet kunt u storingen in andere apparatuur veroorzaken als gevolg van elektromagnetische
golven. Dit kan zelfs ongelukken veroorzaken.
VOORZICHTIG
Hiermee wordt gewezen op het risico van letsel.
De draagriem is alleen bedoeld voor gebruik op het lichaam. Wanneer u de draagriem met een bevestigd
product aan een haak of ander voorwerp hangt, kan het product beschadigd raken. Schud daarnaast niet met
het product en stel product niet bloot aan harde schokken. Dit kan letsel of schade aan het product veroorzaken.
Laat het product niet achter op locaties die worden blootgesteld aan extreem hoge of lage temperaturen.
Het product kan extreem heet/koud worden en brandwonden of letsel veroorzaken wanneer het wordt
aangeraakt.
Bevestig het product alleen op een statief dat stevig genoeg is.
Camcorder
Houd u aan de instructies hieronder om ervoor te zorgen dat de camcorder optimaal blijft functioneren.
Gebruik en bewaar de camcorder niet op stoffige of zanderige plaatsen. De camcorder is niet waterdicht –
vermijd daarom ook water, modder of zout. De camcorder en/of lens kan beschadigd raken als dergelijke
substanties de camcorder binnendringen. Neem zo snel mogelijk contact op met een Canon Service Center.
Voorkom dat vuil en stofdeeltjes zich ophopen op de lens of in de camcorder terechtkomen. Als u de camcorder
niet meer gebruikt, verwijdert u de zonnekap en bevestigt u de lenskap op de lens.
Gebruik de camcorder niet in de buurt van sterke elektromagnetische velden, zoals krachtige magneten
en motors, MRI-machines of hoogspanningsleidingen. Als u de camcorder op dergelijke plaatsen gebruikt,
kan video vervormd worden of kan audio- of videoruis optreden.
Richt de camcorder of zoeker niet op een intense lichtbron, zoals de zon op een zonnige dag of een krachtige
kunstmatige lichtbron. Als u dit wel doet, kunt u de beeldsensor of interne onderdelen van de camcorder
beschadigen. Wees bijzonder voorzichtig als u een statief of schouderriem gebruikt. Als u de camcorder
niet gebruikt, verwijdert u de zonnekap en bevestigt u de lenskap op de lens. Gebruikt u de zoeker niet,
plaats dan de dop van de zoeker op het apparaat.
Houd de camcorder niet vast aan het LCD-paneel als u de camcorder draagt. Wees voorzichtig als u het
LCD-paneel sluit.
De camcorder voor langere tijd opbergen
Indien u van plan bent de camcorder lange tijd niet te gebruiken, bergt u deze op een plaats op die vrij is van
stof, met een lage luchtvochtigheid en bij een temperatuur die niet hoger wordt dan 30°C.
Accu
Vuile polen kunnen tot gevolg hebben dat het contact tussen de accu en de camcorder niet goed is.
Veeg de polen schoon met een zachte, droge doek.
GEVAAR!
Behandel de accu met de nodige voorzichtigheid.
Houd de accu uit de buurt van open vuur (de accu kan exploderen).
Stel de accu niet bloot aan een temperatuur die hoger is dan 60 ºC. Laat de accu niet achter in de buurt
van een ingeschakeld verwarmingsapparaat of binnen een auto bij heet weer.
Probeer de accu niet uit elkaar te halen of eraan te knutselen.
Laat de accu niet vallen en stel de accu niet bloot aan schokken.
Laat de accu niet nat worden.
Veiligheidsinstructies en hoe u de camera moet behandelen
218
De camcorder voor langere tijd opbergen
Berg accu's op een droge plaats op waar de temperatuur niet hoger wordt dan 30°C.
U verlengt de levensduur van de accu door deze volledig te ontladen voordat u de accu opbergt.
Accu's moet u minstens eenmaal per jaar volledig opladen en volledig ontladen.
Plaats altijd het afdekplaatje van de accu.
Voorkom dat metalen objecten in aanraking komen met de contactpunten
(afbeelding 1). Anders kan kortsluiting ontstaan en de accu beschadigd raken.
Plaats het afdekplaatje als u de accu niet gebruikt (afbeelding 2).
Het afdekplaatje van de accu heeft een [
ð
]-vormige opening. Dit komt van pas
wanneer u onderscheid wilt maken tussen accu's die zijn opgeladen en accu's
die niet zijn opgeladen. Plaats bij een opgeladen accu het afdekplaatje
bijvoorbeeld zodanig dat de [
ð
]-vormige opening het gekleurde label laat zien.
Resterende accucapaciteit
Wordt de resterende accucapaciteit niet correct weergegeven, maak de accu dan helemaal leeg en laad de accu
vervolgens volledig op. Het kan echter ook gebeuren dat de juiste tijd niet wordt weergegeven wanneer een
volledig geladen accu bij hoge temperaturen continu wordt gebruikt of wanneer de accu heel lang niet gebruikt
is. Of de resterende accutijd correct wordt weergegeven, kan ook afhangen van de levensduur van de accu.
Gebruik daarom de weergegeven tijd op het scherm als indicatie.
SD-kaart
We raden aan dat u van uw opnamen op de SD-kaart een back-up maakt op uw computer. Gegevens kunnen
vanwege kaartdefecten of blootstelling aan statische elektriciteit beschadigd of verloren raken. Canon is niet
aansprakelijk voor gegevens die verloren of beschadigd zijn geraakt.
Raak de contactpunten niet aan en stel deze niet bloot aan stof of vuil.
Gebruik geen SD-kaarten op plaatsen die blootstaan aan sterke magnetische velden.
Laat SD-kaarten niet achter op plaatsen met een hoge vochtigheid en hoge temperaturen.
Demonteer of verbuig een SD-kaart niet, laat een SD-kaart niet vallen en stel een SD-kaart niet bloot aan
schokken of water.
Controleer hoe u de SD-kaart naar de camcorder gericht houdt voordat u deze in de camcorder plaatst.
Als u een kaart verkeerd om in een sleuf probeert te plaatsen, kan de kaart of camcorder beschadigd raken.
Plak geen labels of stickers op de SD-kaart.
Afdanken
Als u gegevens verwijdert op een SD-kaart, wordt alleen de bestandstoewijzingstabel gewijzigd en worden de
opgeslagen gegevens niet fysiek gewist. Neem daarom de vereiste maatregelen wanneer u een kaart afdankt.
U kunt het opnamemedium bijvoorbeeld fysiek beschadigen om te voorkomen dat privégegevens openbaar
worden.
Bent u van plan om de SD-kaart aan iemand anders te geven, initialiseer de kaart dan eerst (A 35).
Maak vervolgens de kaart vol met onbelangrijke opnamen en initialiseer de kaart opnieuw. Dit maakt het
voor anderen heel moeilijk om de originele opnamen terug te halen.
Afbeelding 1 Afbeelding 2
Achterzijde
van de accu
Niet opgeladen
Afdekplaatje geplaatst
Opgeladen
219
Veiligheidsinstructies en hoe u de camera moet behandelen
Interne oplaadbare lithiumbatterij
Deze camcorder is uitgerust met een interne oplaadbare lithiumbatterij waarmee de camcorder de datum, tijd
en andere instellingen kan onthouden. De ingebouwde lithiumbatterij wordt weer opgeladen als u de camcorder
gebruikt. Als u de camcorder echter circa 3 maanden niet gebruikt, raakt de ingebouwde lithiumbatterij geheel leeg.
De interne lithiumbatterij laadt u als volgt opnieuw op: sluit de DC-kabel en compacte netadapter aan op
de camcorder en gebruik een stopcontact om 24 uur lang stroom te leveren aan de camcorder terwijl deze
uitgeschakeld is.
Lithiumknoopcelbatterij
Gebruik geen pincet of ander metalen gereedschap, omdat hierdoor kortsluiting ontstaat.
Veeg de batterij af met een schone, droge doek om een goed contact te waarborgen.
WAARSCHUWING!
Onjuist gebruik van de batterij in dit apparaat kan leiden tot brand of chemische brandwonden.
U mag de batterij niet demonteren, geen veranderingen in de batterij aanbrengen, de batterij niet in water
onderdompelen, niet blootstellen aan hitte boven 100°C en niet verbranden.
Steek de batterij niet in uw mond. Schakel direct medische hulp in wanneer deze wordt ingeslikt. De behuizing
van de batterij kan openscheuren, waarna de batterijvloeistoffen tot inwendig letsel kunnen leiden.
Houd de batterij buiten bereik van kinderen.
Laad de batterij niet op, veroorzaak geen kortsluiting en plaats de batterij niet verkeerd om.
Houd u bij het weggooien van gebruikte batterijen aan de voorschriften die gelden voor recycling.
In Europa dient u gebruikte batterijen in te leveren bij een inzamelpunt voor klein chemisch afval.
Onderhoud/overig
220
Onderhoud/overig
Reinigen
Camcorderbehuizing
Gebruik een zachte, droge doek om de camcorderbehuizing te reinigen. Gebruik nooit met chemicaliën
behandelde doeken of vluchtige oplosmiddelen zoals verfverdunner.
Lens
Verwijder stof of vuildeeltjes met een blaaskwastje (geen spuitbus gebruiken).
Gebruik een schoon, zacht lensreinigingsdoekje om de lens schoon te maken. Doe dit voorzichtig.
Gebruik nooit tissuepapier.
LCD-scherm
Reinig het LCD-scherm met een schoon, zacht lensreinigingsdoekje en een in de winkel verkrijgbare
reinigingsvloeistof die wordt gebruikt voor de reiniging van brillenglazen.
Bij plotselinge temperatuurschommelingen kan zich op het oppervlak van het scherm condens voordoen.
Veeg het vocht weg met een zachte, droge doek.
Condens
Als u de camcorder snel verplaatst tussen locaties met hete en koude temperaturen, kan er op de interne
oppervlakken van de camcorder condens (waterdruppeltjes) ontstaan. Gebruik de camcorder niet als condens
wordt gesignaleerd. Als u de camcorder blijft gebruiken, kan deze beschadigd raken.
Condens kan zich in de volgende situaties voordoen:
Als de camcorder snel wordt verplaatst van koude naar warme plaatsen
Wanneer de camcorder wordt achtergelaten in een vochtige kamer
Als een koude kamer snel wordt verwarmd
Condens voorkomen
Stel de camcorder niet bloot aan plotselinge of extreme temperatuurswijzigingen.
Verwijder de SD-kaarten en de accu. Plaats de camcorder vervolgens in een luchtdichte zak en laat
de camcorder langzaam op temperatuur komen voordat u de camcorder uit de zak haalt.
Als condens wordt gedetecteerd
Hoe lang het precies duurt voordat de waterdruppeltjes zijn verdampt, hangt af van de locatie en
weersomstandigheden. Als vuistregel geldt: wacht 2 uur voordat u het gebruik van de camcorder hervat.
Gebruik van de camcorder in het buitenland
Stroombronnen
U kunt gebruikmaken van de compacte netadapter om de camcorder te bedienen en van de acculader om
accu's op te laden in elk land/elke regio met een voeding tussen 100 en 240 V AC, 50/60 Hz. Neem contact
op met een Canon Service Center voor informatie over stekkeradapters voor gebruik in het buitenland.
221
Optionele accessoires
Optionele accessoires
De volgende optionele accessoires zijn compatibel met deze camcorder. De verkrijgbaarheid verschilt van
gebied tot gebied.
Gebruik van originele Canon-accessoires wordt aanbevolen.
Het bericht [Battery communication error/Communicatiefout met accu] wordt weergegeven als u geen
originele Canon-accu gebruikt. Een reactie van de gebruiker is vervolgens noodzakelijk. Houd er rekening
mee dat Canon niet aansprakelijk kan worden gehouden voor eventuele schade, bijvoorbeeld defecten of
brand, die ontstaat door het gebruik van niet-originele Canon-accu's.
BP-A30, BP-A60
Accu
CA-CP200 L
Compacte netadapter
CG-A10
Acculader
TL-U58
Teleconverter
Beschermingsfilter 58 mm,
ND4L-filter 58 mm,
ND8L-filter 58 mm
RC-V100
Afstandsbediening
Statiefadapter TA-100GPS-ontvanger GP-E2
Acculader CG-A20 en
Compacte netadapter
CA-CP200B
WA-U58
Groothoekconverter
IFC-400PCU
USB-kabel
Optionele accessoires
222
Accu's
Hebt u extra accu's nodig, kies dan uitsluitend voor de accu BP-A30 of de accu
BP-A60.
Als u accu's met de aanduiding Intelligent System gebruikt, kan de camcorder
met de accu communiceren en de resterende gebruiksduur weergeven (met een
nauwkeurigheid van 1 minuut). Deze accu's kunt u alleen gebruiken met camcorders
en opladers die compatibel zijn met het Intelligent System.
Teleconverter TL-U58
De minimale scherpstelafstand bij maximale telefoto met de teleconverter
is 1,3 m.
De teleconverter kan niet worden gebruikt in combinatie met de bijgeleverde
zonnekap.
Groothoekconverter WA-U58
De groothoekconverter kan niet worden gebruikt in combinatie met de
bijgeleverde zonnekap.
Dit merkteken is het symbool van originele Canon-videoaccessoires. Als u gebruikmaakt van
Canon-videoapparatuur, raden wij u aan om gebruik te maken van accessoires of producten
van het Canon-merk met hetzelfde merkteken.
223
Specificaties
Specificaties
XF705
Systeem
Opnamesysteem
Clips:
XF-HEVC
Videocompressie: H.265 / HEVC
Audio-indeling: Lineaire PCM, 24-bits, 48 kHz, 4 kanalen
Bestandsindeling: MXF
XF-AVC
Videocompressie: MPEG-4 AVC/H.264
Audio-indeling: Lineaire PCM, 24-bits, 48 kHz, 4 kanalen
Bestandsindeling: MXF
MP4
Videocompressie: MPEG-4 AVC/H.264
Audio-indeling: MPEG-2 AAC-LC, 16-bits, 48 kHz, 2 kanalen
Lineaire PCM, 16-bits, 48 kHz, 4 kanalen
Bestandsindeling: MP4
Foto's: DCF (Design rule for Camera File system), compatibel met Exif Ver. 2.3, JPEG-compressie
Videoconfiguratie
1
(opnemen/afspelen)
XF-HEVC
Bitsnelheid: 160 Mbps, 110 Mbps, 60 Mbps, 45 Mbps
Resolutie: 3840x2160, 1920x1080
Kleursampling: YCbCr 4:2:2, 10-bits
Beeldsnelheid: 59.94i, 59.94P, 50.00i, 50.00P, 29.97P, 25.00P, 23.98P
XF-AVC
Bitsnelheid: 45 Mbps
Resolutie: 1920x1080
Kleursampling: YCbCr 4:2:0, 8-bits
Beeldsnelheid: 59.94P, 50.00P, 29.97P, 25.00P, 23.98P
MP4
Bitsnelheid: 35 Mbps, 8 Mbps
Resolutie: 1920x1080, 1280x720
Kleursampling: YCbCr 4:2:0, 8-bit
Beeldsnelheid: 59.94P, 50.00P, 29.97P, 25.00P, 23.98P
1
Beschikbare opties variëren afhankelijk van de systeemfrequentie die op dat moment wordt gebruikt.
Opnamemedia (niet bijgeleverd)
Raadpleeg de Referentietabellen (A 228) voor geschatte opnametijden
SD-, SDHC- (SD High Capacity) of SDXC-kaarten (SD eXtended Capacity)
2
; 2 sleuven voor clips,
alleen SD-kaart B voor foto's
2
SD-kaart B wordt ook gebruikt om bestanden met voorkeuze-instellingen, gebruikersmemobestanden en het bestand
met camcorderinstellingen op te slaan.
•Beeldsensor
Type 1.0 (1,0 inch) CMOS-sensor met één plaat
Effectief aantal pixels (geschat): 8.290.000 pixels (3840x2160)
•LCD-touchscreen
10,1 cm (4,0 inch) kleuren-LCD, beeldverhouding 16:9, circa 1.230.000 beeldpunten, 100% dekking,
bediening met capacitief touchscreen
•Zoeker: 1,18 cm* (0,46 inch), organisch leddisplay, circa 1.770.000 beeldpunten*, 100% dekking
* Wanneer de taal op vereenvoudigd Chinees wordt ingesteld, zijn de waarden met een sterretje als volgt:
1,09 cm (0,43 inch), circa 1.555.000 beeldpunten.
Specificaties
224
•Lens
f=8,3–124,5 mm, F/2.8–4.5, 15x optische zoom, irisdiafragma met 9 bladen
Brandpuntsafstand equivalent aan 35 mm: circa 28,3–424,6 mm (Dynamic IS)
circa 25,5–382,5 mm (andere IS-standen)
Lenssamenstelling: 18 elementen in 14 groepen (inclusief 2 asferische elementen)
Filterdiameter: 58 mm
Minimale scherpstellingsafstand
60 cm in het gehele zoombereik; 1 cm bij volledige groothoek
Sluitertijd
Automatisch, snelheid (normale stappen of verfijningsstappen), hoek, clear scan, lange sluiter, uit
Iris: Handmatig, knop voor automatische iris, automatisch diafragma
•Gain: –6,0 dB tot 33,0 dB, normaal (3,0-dB) of verfijningsstappen (0,5-dB)
•ND-filter: ingebouwd (uit, 1/4, 1/16, 1/64), aangedreven door een motor
Belichting: AE-verschuiving, lichtmeetmethoden (standaard, schijnwerper, tegenlicht)
•Witbalans
Automatische witbalans (AWB); aangepaste witbalans (twee sets, A en B); twee voorkeuze-instellingen
(daglicht, 5.600 K
3
en kunstlicht, 3.200 K
3
); kleurtemperatuurinstelling (2.000 K tot 15.000 K)
Afstelling van kleurtemperatuur en kleurcompensatie (CC) is beschikbaar voor alle instellingen behalve
aangepaste witbalans en AWB.
3
Kleurtemperaturen zijn bij benadering gegeven en dienen alleen ter indicatie.
Scherpstelling
Handmatige scherpstelling (Push AF, MF aangevuld door AF, continue AF, autofocus op gezicht);
gezichtsdetectie en onderwerp volgen beschikbaar
AF-type: Dual Pixel CMOS AF, contrastdetectie-AF
Beeldstabilisatie
Beeldstabilisator met optische verschuiving + digitale compensatie (Standaard IS, Dynamic IS, Powered IS)
Verlichtingsbereik onderwerp (versterking 33,0 dB)
59,94 Hz: 3 lux (59.94P, sluitertijd 1/30)
50,00 Hz: 2,5 lux (50.00P, sluitertijd 1/25)
Infraroodstand: beschikbaar, inclusief ingebouwde infraroodlamp
Ingebouwde microfoon: stereo electreet condensmicrofoon
Resolutie van foto's: 1920x1080
Wi-Fi
Standaard voor draadloze communicatie: IEEE802.11b/g/n (2,4 GHz-band), IEEE802.11a/n (5 GHz-band)
Verbindingsmethoden
Infrastructuur (Wi-Fi Protected Setup (WPS), zoeken naar toegangspunten, handmatig), cameratoegangspunt
Verificatiemethoden: open, gedeelde sleutel, WPA-PSK, WPA2-PSK
Versleutelingmethoden: WEP-64, WEP-128, TKIP, AES
Beschikbare Wi-Fi-kanalen
Beschikbare Wi-Fi-kanalen verschillen afhankelijk van het camcordermodel. Controleer het identificatielabel
in het accucompartiment (A 17). Houd er ook rekening mee dat niet alle Wi-Fi-kanalen beschikbaar zijn
voor cameratoegangspuntverbindingen.
Model ID0117
2,4 GHz-band: CH1 tot CH11;
5 GHz-band: CH56 tot CH64 (alleen infrastructuur), CH149 tot CH161 (infrastructuur/cameratoegangspunt)
225
Specificaties
Model ID0118
2,4 GHz-band: CH1 tot CH13;
5 GHz-band: CH36 tot CH64* (alleen infrastructuur)
* Deze kanalen zijn ook verboden voor buitengebruik in de volgende landen/regio's:
Australië, België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije,
Hongkong S.A.R., Ierland, IJsland, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland,
Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië,
Verenigd Koninkrijk, Zweden, Zwitserland
Aansluitpunten
•SDI-aansluitpunt
BNC-aansluiting, alleen uitvoer, 0,8 Vp-p/75 Ω, asymmetrisch
HD-SDI: SMPTE 292, SMPTE ST 299-1
3G-SDI: SMPTE 424, SMPTE 425, SMPTE ST 299-2
6G-SDI: SMPTE ST 2081
12G-SDI: SMPTE ST 2082
Ingesloten audio, tijdcode (VITC/LTC)
Aanvullende displays (schermdisplays over opnamen heen, contourverscherping, zebrapatroon, vergroting,
golfvormmonitor) kunnen ook worden uitgevoerd.
HDMI OUT-aansluitpunt
HDMI-connector, alleen uitvoer
Tijdcode en aanvullende displays (schermdisplays over opnamen heen, contourverscherping, zebrapatroon,
vergroting, golfvormmonitor) kunnen ook worden uitgevoerd.
INPUT-aansluitpunten (INPUT 1 en INPUT 2)
3-pens XLR-jack (pen 1: afscherming, pen 2: hot, pen 3: cold), 2 sets, symmetrisch
Analoge invoer
MIC-instelling: –60 dBu (volumecentrum, volledige schaal –18 dB)/600 Ω , microfoondemper: 20 dB
LINE-instelling: 4 dBu (volumecentrum, volledige schaal –18 dB)/10 kΩ
Digitale invoer (AES/EBU)
AES3-standaard (48 kHz, 24-bits, 2-kanaals) / 110 Ω
MIC-aansluitpunt
3,5 mm stereo-mini-jack, –72 dBV (handmatig volumecentrum, volledige schaal –18 dB)/5,6 kΩ
Microfoondemper: 20 dB
×
-aansluitpunt (koptelefoon)
3,5 mm stereo-mini-jack, – tot en met –8 dBV (belasting van 16 Ω, volumebereik van min. tot max.)/
50 Ω of minder
USB-aansluitpunt: mini-B-aansluiting, Hi-Speed USB, alleen uitvoer
G-LOCK/SYNC-aansluitpunt
BNC-jack, 1,0 Vp-p/75 Ω
GENLOCK-instelling: alleen invoer; SYNC OUT-instelling: alleen uitvoer, tri-level-HD-signaal
TIME CODE-aansluitpunt
BNC-jack, invoer/uitvoer
Invoerinstelling: 0,5 Vp-p tot 18 Vp-p/100 kΩ; Uitvoerinstelling: 1,3 Vp-p/50 Ω of minder
REMOTE A-aansluitpunt, REMOTE B-aansluitpunt
REMOTE A: 2,5 mm stereo-sub-mini-jack
REMOTE B: 8-pens circulaire jack (voor de optionele afstandsbediening RC-V100, interface RS-422)
(Ethernet)-aansluitpunt: Ethernet, compatibel met 1000BASE-T
Specificaties
226
Voeding/overig
Voeding (nominaal): 14,4 V DC (accu), 24,0 V DC (DC IN)
Stroomverbruik (opname met behulp van het LCD-scherm met ingeschakelde uitvoer van het SDI-aansluitpunt)
XF-HEVC-clips, 3840x2160, 160 Mbps: 21,5 W (59.94P), 20,8 W (50.00P)
XF-HEVC-clips, 1920x1080, 60 Mbps: 20,6 W (59.94P), 19,9 W (50.00P)
XF-AVC-clips, 3840x2160, 160 Mbps: 18,3 W (29.97P), 17,7 W (25.00P)
XF-AVC-clips, 1920x1080, 45 Mbps: 19,1 W (59.94P), 18,8 W (50.00P)
MP4-clips, 1920x1080, 35 Mbps: 19,1 W (59.94P), 18,7 W (50.00P)
Gebruikstemperatuur: 0–40°C
Afmetingen (B x H x D)
1
Alleen camcorderbehuizing: 162 x 210 x 378 mm
Camcorderbehuizing met zonnekap, microfoonhouder en oogschelp: 191 x 258 x 433 mm
1
Alle afmetingen zijn bij benadering gegeven.
•Gewicht
2
Alleen camcorderbehuizing (inclusief het schouderstuk en de handgreepriem): 2.710 g
Typische gebruiksconfiguratie*: 3.160 g
* Camcorder met schouderstuk, handgreepriem, zonnekap, microfoonhouder, oogschelp, accu BP-A30 en één SD-kaart.
2
Alle gewichten zijn bij benadering gegeven.
Compacte netadapter CA-CP200 L
Nominale ingangsspanning: 100–240 V AC, 50/60 Hz, 90 VA–120 VA
Nominale uitgangsspanning: 24 V DC, 1,8 A
Gebruikstemperatuur: 0–40°C
Afmetingen (B x H x D): 67,5 x 37 x 134 mm
•Gewicht: circa 290 g
Acculader CG-A20
Nominale ingangsspanning: 24 V DC, 1,8 A
Nominale uitgangsspanning: 16,7 V DC, 1,5 A
Gebruikstemperatuur: 0–40°C
Afmetingen (B x H x D): 100 x 24 x 100 mm
•Gewicht: circa 145 g
227
Specificaties
Accu BP-A30
Accutype
Oplaadbare lithiumionaccu, compatibel met Intelligent System
Nominale spanning: 14,4 V DC
Gebruikstemperatuur: 0–40°C
Nominale accucapaciteit: 3100 mAh/45 Wh
Afmetingen (B x H x D): 41,5 x 45,1 x 69,7 mm
•Gewicht: circa 225 g
Gewicht en afmetingen zijn bij benadering gegeven. Fouten en omissies voorbehouden.
Referentietabellen
228
Referentietabellen
Geschatte opnametijd op een SD-kaart
Geschatte tijden, alleen ter referentie, gebaseerd op één opname die doorloopt totdat de kaart vol is.
XF-HEVC/XF-AVC
MP4
Oplaadtijden
De oplaadtijd voor de diverse accu's is bij benadering gegeven en varieert al naargelang de
oplaadomstandigheden, de omgevingstemperatuur en de aanvankelijke laadstatus van de accu.
Bitsnelheid
Capaciteit SD-kaart
32 GB 64 GB 128 GB 256 GB
160 Mbps 25 min. 50 min. 105 min. 210 min.
110 Mbps 35 min. 75 min. 150 min. 305 min.
60 Mbps 65 min. 140 min. 280 min. 565 min.
45 Mbps 90 min. 185 min. 375 min. 755 min.
Bitsnelheid (audio-indeling)
Capaciteit SD-kaart
32 GB 64 GB 128 GB 256 GB
8 Mbps (AAC) 505 min. 1015 min. 2045 min. 4100 min.
35 Mbps (AAC) 115 min. 235 min. 480 min. 965 min.
35 Mbps (LPCM) 110 min. 220 min. 445 min. 890 min.
Accu BP-A30 (bijgeleverd) BP-A60 (optioneel)
Oplaadtijd met de bijgeleverde acculader CG-A20 170 min. 300 min.
229
Referentietabellen
Geschatte gebruikstijden met een volledig opgeladen accu
De gebruikstijden in de tabellen hieronder zijn bij benadering gegeven en zijn gemeten onder de volgende
omstandigheden. De daadwerkelijke tijden variëren.
Opnametijden bij normaal gebruik meten opname met herhaalde bedieningshandelingen, zoals opname
starten/stoppen, zoomen en de camcorder in-/uitschakelen.
De effectieve gebruiksduur van de accu kan afnemen bij gebruik van een heldere scherminstelling,
bij opnamen in koude omstandigheden enzovoort.
Videoconfiguratie
Gebruiksomstandigheden
Accu
Video-indeling,
resolutie en bitsnelheid
Beeldsnelheid
BP-A30
(bijgeleverd)
BP-A60
(optioneel)
XF-HEVC-clips
3840x2160, 160 Mbps
59.94P
Opname (maximum) 120 min. 245 min.
Opname (normaal gebruik) 65 min. 140 min.
Afspelen 140 min. 280 min.
50.00P
Opname (maximum) 125 min. 255 min.
Opname (normaal gebruik) 70 min. 145 min.
Afspelen 140 min. 290 min.
1920x1080, 60 Mbps
59.94P
Opname (maximum) 125 min. 255 min.
Opname (normaal gebruik) 70 min. 145 min.
Afspelen 145 min. 300 min.
50.00P
Opname (maximum) 125 min. 260 min.
Opname (normaal gebruik) 70 min. 145 min.
Afspelen 155 min. 315 min.
XF-AVC-clips
3840x2160, 160 Mbps
29.97P
Opname (maximum) 140 min. 290 min.
Opname (normaal gebruik) 85 min. 170 min.
Afspelen 160 min. 330 min.
25.00P
Opname (maximum) 145 min. 300 min.
Opname (normaal gebruik) 85 min. 175 min.
Afspelen 165 min. 345 min.
1920x1080, 45 Mbps
59.94P
Opname (maximum) 135 min. 280 min.
Opname (normaal gebruik) 80 min. 165 min.
Afspelen 155 min. 325 min.
50.00P
Opname (maximum) 135 min. 285 min.
Opname (normaal gebruik) 80 min. 165 min.
Afspelen 160 min. 340 min.
MP4-clips
1920x1080, 35 Mbps
29.97P
Opname (maximum) 135 min. 280 min.
Opname (normaal gebruik) 80 min. 165 min.
Afspelen 160 min. 330 min.
25.00P
Opname (maximum) 135 min. 285 min.
Opname (normaal gebruik) 80 min. 165 min.
Afspelen 165 min. 340 min.
230
-aansluitpunt (Ethernet) . . . . . . . . . . . . . . . . .161
×
-aansluitpunt (koptelefoon) . . . . . . . . . . .105, 138
A
Aan/uitzetten van de camcorder . . . . . . . . . . . . . .22
Aansluitingen met externe apparaten . . . . . . . . .147
Accessoires . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .221
Accu
Accu-informatie . . . . . . . . . . . . . . . .203, 222
Opladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .19
Resterende acculading . . . . . . . . . . .21, 203
AE Shift/AE-verschuiving . . . . . . . . . . . . . . . . . . .63
Afdekplaatjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .31
Afspelen
Clips . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .135
Foto's . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .182
Afstandsbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .39
AGC (automatische versterkingsregeling) . . . . . . .58
AGC-limiet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .58
Audio opnemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .97
Audio-opnameniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .101
Audiopiekbegrenzer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .103
Audio-uitgangskanalen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .152
AWB (automatische witbalans) . . . . . . . . . . . . . . .68
B
Bediening op afstand . . . . . . . . . . . . . . .38, 39, 164
Beeldopnamesnelheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .115
Beeldsnelheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .51
Belichtingscompensatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .63
Bestand met camcorderinstellingen . . . . . . . . . .131
Bitsnelheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .52
Browser Remote . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .164
Buitenland, gebruik van de camcorder . . . . . . . .220
C
Cameratoegangspunt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .157
Canon Log 3 (gammacurve) . . . . . . . . . . . . .65, 126
Canon XF Utility (download) . . . . . . . . . . . . . . . .153
Clips
Afspelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135
Clipinformatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
Clipnaamindeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
Clipnummering . . . . . . . . . . . . . . . . . 48, 49
Een
$
-markering/
vinkje
%
toevoegen . . . . . . . . 109, 141
Herstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
Kopiëren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141
Opnamemarkeringen toevoegen/
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . 109, 143
Opnemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
Opslaan op een computer . . . . . . . . . . . 153
Verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142
Condens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220
Contourverscherping . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
Conversielens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
D
Datum en tijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
DC IN-aansluitpunt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Diafragma . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
Automatisch diafragma
(automatische iris) . . . . . . . . . . . . . . . 61
Knop voor automatische iris . . . . . . . . . . 62
Digitale teleconverter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
Directe instelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
Displayvoorkeuren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
Drop frame (tijdcode) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
Dual Pixel-scherpstelhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77
Dubbele opname . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
E
Een clip bekijken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Een SD-kaart initialiseren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35
F
Fantoomvoeding (microfoon) . . . . . . . . . . . . . . . 100
FEC-foutcorrectie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176
Foto's
Bekijken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
Fotonummering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
Opnemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 181
Verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 183
Free Run/Vrij lopen (tijdcode) . . . . . . . . . . . . . . . . 90
FTP-overdracht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178
Full Auto-stand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
Index
231
G
Gammacurve . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .65, 126
Gebruikersbit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .93
Gebruikersinstellingen (gebruikersnamen/
wachtwoorden van Browser Remote) . . . . . .164
Gebruikersmemo . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .110
Geluidsreferentiesignaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . .106
Genlock . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .94
Gezichtsdetectie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .81
G-LOCK/SYNC-aansluitpunt . . . . . . . . . . . . .94, 96
Golfvormmonitor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .107
GPS-gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .112, 205
H
HDMI OUT-aansluitpunt . . . . . . . . . . . . . . .145, 148
HDR (hoog dynamisch bereik) . . . . . . . . . .126, 149
HLG (hybride logaritmische
gammacurve) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .126, 149
I
Image Stabilizer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .85
Indexschermen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .133
Infraroodlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .117
Infraroodopname . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .117
Infrastructuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .158
Ingebouwde reservebatterij . . . . . . . . . . . . . . . . .219
INPUT 1/INPUT 2-aansluitpunten . . . . . . . . .97, 100
Iris . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .61
J
Joystick . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .25
Joystickaanduiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .137
K
Kleurenbalken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .106
Kleurruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .65, 126
Kleursampling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .52
Knipperreductie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .57
Knopverbindingsmodus (WPS) . . . . . . . . . . . . . .158
Koptelefoon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .105
L
LCD-scherm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Lichtmeetmethode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
Luchtinlaten en -uitlaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
LUT (opzoektabel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 149
M
Macro-opnamen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
Menu-instellingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
Metadata . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
MIC-aansluitpunt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97, 99
Microfoon
Extern . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97, 99
Gevoeligheid/demper/lage-tonenfilter . . . 103
Ingebouwd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
Microfoonhouder-unit . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28, 99
MP4 Join Tool (download) . . . . . . . . . . . . . . . . . 153
My Menu/Mijn menu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
N
ND-filter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
Netwerkfuncties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155
Netwerkverbinding
Bekabeld (Ethernet) . . . . . . . . . . . . . . . . 161
Wi-Fi . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
Non-drop frame (tijdcode) . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91
O
OK-markeringen (
$
) . . . . . . . . . . . . . . . . . 109, 141
Opnamemarkeringen . . . . . . . . . . . . . . . . . 109, 143
Opnemen
Clips . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
Foto’s . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 181
Opnemen in slow motion . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
Overzicht van berichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
P
Pincodeverbindingsmodus (WPS) . . . . . . . . . . . 159
Powered IS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 85
POWER-schakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
Problemen oplossen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206
232
R
Rec run/Lopen tijdens opnamen (tijdcode) . . . . . .90
Referentietabellen (opladen, gebruiks- en
opnametijden, enzovoort) . . . . . . . . . . . . . . .228
Relay Recording . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .36
REMOTE A-, REMOTE B-aansluitpunten . . . . . . .39
Resetten van alle camcorderinstellingen
naar de standaardwaarde . . . . . . . . . . . . . . .195
Resolutie (beeldjesgrootte) . . . . . . . . . . . . . . . . . .52
S
Schermdisplays . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .44, 136
Schermmarkeringen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .87
Scherpstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .76
AF-boosted MF . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .79
AF-snelheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .80
Continue AF . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .80
Face AF/autofocus op gezicht . . . . . . . . .81
Functies voor hulp bij scherpstelling . . . . .77
Handmatige scherpstelling . . . . . . . . . . . .76
PUSH AF (tijdelijke autofocus) . . . . . . . . . .79
Scherpstellingslimiet . . . . . . . . . . . . . . . . .84
Volgen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .83
Schouderriem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .31
Schouderstuk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .32
SDI-aansluitpunt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .147
SD-kaart
Compatibele SD-kaarten . . . . . . . . . . . . . .33
Initialiseren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .35
Opnamemethode . . . . . . . . . . . . . . . . . . .36
Plaatsen/verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . .34
Van SD-kaartsleuf wisselen . . . . . . . .35, 134
Sluitertijd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .55
Speciale opnamestanden . . . . . . . . . . . . . . . . . .115
Specificaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .223
Statief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .32
Statuslampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .42
Statusschermen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .197
Streamen via IP . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .175
Synchronisatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .94
Systeemfrequentie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .51
T
Taal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .24
Tijdcode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .90
Tijdcodesynchronisatie . . . . . . . . . . . . . . . . . .95, 96
TIME CODE-aansluitpunt . . . . . . . . . . . . . . . 95, 96
Toegangspunt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 155, 158
Toetsenvergrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
Toewijzingsknoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
U
Urenteller . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 196, 203
USB-aansluitpunt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
V
Veilige zone . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87
Ventilator . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Vergroting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
Versterking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58
Videoconfiguratie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
Video-indeling (XF-HEVC, XF-AVC, MP4) . . . . . . 51
Video-uitvoerconfiguratie . . . . . . . . . . . . . . . . . . 145
Vinkjes (
%
) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109, 141
Voeding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Volume . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 138
Voorkeuze-instellingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Hoofdinstellingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 126
Kleurvoorkeuze-instellingen . . . . . . . . . . . 65
Overige instellingen . . . . . . . . . . . . . . . . 127
Vooropname . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
W
Werkingsmodus (tijdcode) . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90
Wide DR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65, 126
Wireless afstandsbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Witbalans . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
WPS (Wi-Fi Protected Setup) . . . . . . . . . . . . . . 158
Z
Zebrapatroon . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88
Zoeken naar toegangspunten . . . . . . . . . . . . . . 159
Zoeker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28, 30
Zonnekap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
Zoom . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
Zoomen
Aanpasbare zoomsnelheidspatronen
voor schakelaar op handgreep . . . . . 72
CEL-SX5WA282© CANON INC. 2020
Canon Europa N.V.
Bovenkerkerweg 59, 1185 XB Amstelveen, The Netherlands http://www.canon-europe.com
Raadpleeg uw garantiekaart of ga naar www.canon-europe.com/Support voor informatie over het
dichtstbijzijnde Canon-kantoor.
Dit product en de hieraan gekoppelde garantie worden in landen in Europa geleverd door
Canon Europa N.V.
De informatie in dit document is gecontroleerd en goedgekeurd in maart 2020. Specificaties kunnen
zonder kennisgeving worden gewijzigd. Bezoek de Canon-website voor uw regio om de meest
recente versie te downloaden.
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233

Canon XF705 Handleiding

Categorie
Camcorders
Type
Handleiding