Alpha innotec BWP 190 260 de handleiding

Type
de handleiding
WARMTEPOMPBOILER
Handleiding
BWP 190S
BWP 260S
OE03:967-1903
Technische wijzigingen voorbehouden- 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
NL
2
3
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
INHOUDSOPGAVE
Inleiding .........................................................................4
1. Over het product ................................................................4
2. Vervoer, behandeling en levering .............................................13
3. Positionering ..................................................................15
4. Watercircuit ...................................................................17
5. Luchtsysteem .................................................................21
6. Elektrische aansluitingen .....................................................24
7. Controle en bediening .........................................................25
8. Onderhoud ....................................................................42
9. Demontage en ontmanteling ..................................................45
10. Verklaring van overeenstemming .............................................46
4
INLEIDING
Het doel van deze handleiding is informatie, instructies en waarschuwingen te ver-
strekken over de warmtepompboiler. De handleiding is voor installateurs en loodgie-
ters maar ook voor eindgebruikers, omdat deze belangrijke veiligheidsaanduidingen
bevat. De handleiding is onderdeel van de warmtepompboiler en moet zorgvuldig wor-
den bewaard, omdat deze belangrijke installatie- en onderhoudsinstructies bevat die
nuttig zijn om een lange levensduur en een efficiënte werking te verzekeren.
1. OVER HET PRODUCT
Het product is een warmtepompboiler of ook warmtapwaterwarmtepomp die is ont-
wikkeld volgens EU-richtlijnen. Het product is bestemd voor de productie van warm-
tapwater voor huishoudelijk gebruik of voor soortgelijke toepassingen. De
warmtepomp is als een plug-and-play installatie ontworpen.
1.1. Veiligheidsmaatregelen
Het product dient alleen te worden geïnstalleerd, in bedrijf gesteld en gerepareerd
door erkende installateur. Onjuiste installatie kan resulteren in schade aan eigen-
dommen en in verwondingen aan mensen en dieren.
De warmtepomp moet worden losgemaakt van de voeding, wanneer de afdekking is
afgenomen.
De warmtepomp mag niet worden gebruikt door kinderen of mensen met een
fysieke of verstandelijke beperking.
Kinderen moeten onder toezicht staan om te voorkomen dat ze met het apparaat
spelen.
Kinderen mogen niet zonder toezicht reiniging en onderhoud uitvoeren.
Plaats geen brandbare materialen in contact met of dicht bij de warmtepomp.
Het watersysteem en het luchtsysteem moeten worden geïnstalleerd zoals aange-
geven in de handleiding.
Wanneer het toestel in bedrijf is, moet het niet worden geplaatst in gebieden met
een temperatuur onder nul.
Wanneer het toestel niet in bedrijf is, kan het worden geplaatst in gebieden met een
temperatuur onder nul, maar al het water in het reservoir of in de condensafvoer
moet worden verwijderd.
Heet water kan ernstige brandwonden veroorzaken bij rechtstreekse aansluiting op
de kranen. Een installatie met een mengklep wordt aanbevolen.
De warmtepomp moet alleen worden gebruikt voor het opgegeven gebruik. De fabri-
kant is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van het zich niet houden aan deze
handleiding.
Neem alle mogelijke voorzorgsmaatregelen om incidenten te voorkomen.
Het product bevat HFC-R134a.
5
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
1.2. Technische gegevens
1.2.1. Algemeen
De warmtepompboiler is samengesteld uit een waterreservoir, een koelcircuit, een
kast en een beeldscherm aangesloten op een bedieningspaneel. Het belangrijkste toe-
passingsgebied van het toestel is om water op te warmen dat in een reservoir is opge-
slagen.
1.2.2. Werking
De warmtepomp is geprogrammeerd om te beginnen met het verwarmen van het
water in het reservoir als de temperatuur van het water onder een vooraf ingesteld
niveau komt. Het toestel stopt wanneer de watertemperatuur een instelpunt bereikt
dat kan worden ingesteld door de gebruiker. In het algemeen is het apparaat ontwor-
pen om voldoende warm water te produceren om de behoefte van een gezin van 4 per-
sonen of meer te dekken.
Er zijn twee manieren waarop het toestel het water kan verwarmen:
1) Werking warmtepomp
Als de warmtepomp in bedrijf is, gebruikt een koelcyclus de werking van een compres-
sor en het onttrekken van warmte uit de lucht om het water in het reservoir te verwar-
men. Dit is de standaard manier die wordt gebruikt om het warmtapwater te
verwarmen, omdat dit leidt tot een lager elektriciteitsverbruik dus ook lagere
gebruikskosten.
Meer informatie over de werking van de warmtepomp en het koelcircuit is te vinden in
paragraaf 1.2.3.
2) Werking elektrische verwarming
Het water wordt verwarmd met een elektronisch verwarmingselement. Een elektro-
nisch verwarmingselement wordt gebruikt om het water op een veilige, snelle en flexi-
bele manier te verwarmen. Echter, het gebruik van de elektrische verwarming kan een
dure manier worden om warm water te produceren. Deze werking moet worden
gebruikt als back-up of als integratie van de standaardwerking.
Het elektronisch verwarmingselement wordt ingeschakeld bij:
Uitval van de werking van de warmtepomp.
Een te hoge of te lage luchttemperatuur.
Onvoldoende warmtapwater productie doormiddel van warmtepomp
6
1.2.3. Koelcircuit
Zoals weergegeven in figuur 1 en 2 kan de warmtepompcyclus worden ingedeeld in
vier processen: compressie (1-2), condensatie (2-3), expansie (3-4), verdamping (4-1)
zoals hieronder beschreven.
Aan de aanzuigzijde van de compressor (1) komt het oververhitte gasvormig koude-
middel de compressor binnen bij lage druk.
In de compressor wordt het gas gecomprimeerd tot een hogere druk en tempera-
tuurniveau (2).
De oververhitting van het gas wordt weggenomen en het gas wordt gecondenseerd
in de condensator, waarbij warmte wordt uitgewisseld met het water dat in het
reservoir is opgeslagen.
Het koudemiddel verlaat de condensator in onderkoelde, vloeibare vorm (3)
Door een thermostatische expansieklep wordt de druk van het koudemiddel ver-
laagd zodat verdamping bij lagere temperaturen (4) mogelijk wordt.
Het koudemiddel verdampt in de lamellen warmtewisselaar die geforceerde lucht
gebruikt als warmtebron (1).
Het proces gaat door totdat de stroomvoorziening naar de compressor wordt
gestopt.
Een nadere beschrijving van het koelcircuit en alle onderdelen van het ontwerp, is te
vinden in figuur 3, 4 en 5.
3 2
14
Figuur 1 – Principe warmtepomp Figuur 2 – Druk-enthalpie-diagram
7
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
Opmerking: Wanneer gebruik wordt gemaakt van het elektrisch verwarmingselement
leidt dit tot een hoger elektriciteitsgebruik, en heeft als gevolg dat de bewoner een
hogere energierekening krijgt. Een warmtepomp verbruikt ongeveer dan 3 keer min-
der stroom dan een elektrisch verwarmingselement. De energie die vrijkomt bij de
condensator (2-3) is in feite de som tussen de vrije energie uit de lucht in de verdam-
per (1-4) en de energie die wordt geleverd aan de compressor (2-1). Gemiddeld is de
energie die wordt geabsorbeerd door de verdamper meer dan het dubbele van de
energie die wordt gebruikt voor de werking van de compressor.
1.2.4. Veiligheidsinstructies – koudemiddel circuit
Alleen erkende installateurs mogen reparatie- en servicewerkzaamheden aan het
warmtepompcircuit uitvoeren.
Alvorens het koudemiddel circuit te openen, moet het koudemiddel worden ontla-
den tot een niveau waarbij veilig werken mogelijk is.
Het koudemiddel kan giftig zijn bij inademing of in hoge concentraties.
Speciale aandacht is nodig als werkzaamheden met een open vlam worden uitge-
voerd.
1.2.5. Proces- en instrumentatiediagram
Figuur 3 – Proces- en instrumentatiediagram
8
5R180G back
AA1
XL7
XL6
GQ1
HZ1
RM1
CA1
GQ2
AA2
XL8
XL1
XL2
XL9
XL3
Koudemiddel circuit
GQ1: Compressor
GQ2: Ventilator
RM1: Terugslagklep
EP1: Condensator
EP2: Verdamper
HZ1: Filterdroger
QN1: Elektromagnetische klep
QN2: Thermostatische
expansieklep
XL3: Serviceklep
Watercircuit
XL1: Waterafvoer
XL2: Waterinvoer
XL4: Bovenkant spiraal
XL5: Onderkant spiraal
XL6: Luchtuitlaat
XL7: Luchtinlaat
XL8: Condensafvoer
XL9*: Warmwatercirculatie
EP3: Spiraal
EB1: Elektrische verwarming
FR1: Anode
FN1: Thermische beveiliging
De items met een * zijn alleen voor BWP 260S.
Figuur 4 – Ontwerp koelcircuit en de hoofd-
componenten
9
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
FR1
FN1
EB1
XL4
XL5
5R180G front
BT3
EP1
BT4
Sensoren
BT1: Luchtinlaattemperatuur
BT2: Verdampertemperatuur
BT3: Waterreservoirtemperatuur
BT4: Aanvullende temperatuur
BT5: Aanvullende temperatuur
(niet inbegrepen)
BP1: Drukschakelaar
Elektrische componenten
AA1: Hoofd printplaat
AA2: Display printplaat
WF1: Modbus-poort
GC1: Zonne-energie 0-3V/10V
QA1: SG-ready-poort
GP1: Extra voeding naar pomp
of luchtregelklep
KF1: Wi
De items met een * zijn
alleen voor BWP 260S.
Nomenclatuur volgens standaard
IEC 81346-1 en 81346-2.
Figuur 5 – Het ontwerp van het reservoir, de
condensator en bijbehorende onderdelen
10
1.2.6. Belangrijkste technische gegevens
De belangrijkste technische gegevens zijn verzameld in de volgende figuren en tabel.
A
B
C
H
F
G
D3
E2
D1
D2
E1
5R180G
Figuur 6 – Afmetingsgegevens
Parameter Eenheid 190L 260L
Afmetingsgegevens
A – Hoogte mm 1610 1960
B mm 385 385
C mm 280 280
D1 mm 180 300
D2 mm 435 670
D3 mm 375 460
E1 mm 285 285
E2 mm 305 305
F – Diameter mm 603 603
G - Diameter mm 160 160
H – Maximum diameter mm 620 620
Hoogte vereist voor installatie mm 1700 2040
Gewicht droog/nat (met spiraal) kg 94/284 (100/300) 100/350 (120/370)
Nominale isolatiedikte mm 50 50
11
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
Parameter Eenheid 190L 260L
Elektrische gegevens
Stroomtoevoer V/Hz 230/50
Zekering A 13 (10)
Elektrische aansluitingen - L1, N, G
Vermogen elektrische verwarming W 1500
Koeling en watercircuit
Type koudemiddel - R134a
Koudemiddel volume g 1200 1280
GWP - 1430
equivalent in CO2-uitstoot ton 1,7 1,8
Koudemiddel circuit - Gasdicht
Beschermingsgraad - IP21
Wateraansluitingen - geëmailleerd in ¾ - BSPT (ISO 7-1)
Wateraansluitingen – roestvrij* mm 22 – Compressiehulpstukken
Watercondensaansluiting mm Ø19
Nominale isolatiedikte mm 50 50
Bescherming tegen corrosie - Magnesium anode / RVS
Prestatiegegevens
Buitenlucht bij 7° C (EN16147)
COP - 3,57 3,69
Opwarmtijd uu:mm 06:28 09:12
Stand-by warmteverlies W 17 20
Geluid vermogen dB(A) 49 49
Binnenlucht bij 20° C (EN16147)
COP - 4,13* 4.20
Opwarmtijd uu:mm 05:15* 07:09
Stand-by warmteverlies W 17* 21
Geluid vermogen dB(A) 55,6 55,6
Volume bij 40°C L 247 347
Paux W 1,61 1,61
* moet worden ondersorpen aan testen door derden.
12
1.2.7. Ventilator-karakteristiek
Figuur 7 – Externe statische druk vs. luchtstroom bij verschillende ventilatorsnelheden.
Om een efficiënte werking te waarborgen, wordt voorgesteld de uitwendige drukval
lager dan 200 Pa te houden.
Parameter Eenheid 190L 260L
Luchtstroom
Nominale luchtstroomsnelheid (varia-
bel bereik)
m
3
/h 450 (70-800)
Maximaal stroomverbruik ventilator: W 85
Max externe statische druk Pa 200 Pa
G - Luchtkanaalaansluitingen mm 160
Minimaal volume ruimte-installatie m
3
30
Bedrijfsgrenzen
Max luchttemperatuur °C 40
Min luchttemperatuur °C -7
Max watertemperatuur °C 60
Max waterdruk MPa 0,6 of 1,0 Controleer typeplaatje
13
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
2. VERVOER, BEHANDELING EN LEVERING
Onmiddellijk na ontvangst moet de warmtepompboiler worden onderzocht om te zien
of deze intact en onbeschadigd is. Zo niet, dan moet meteen de verzender in kennis
worden gesteld. De ontvanger heeft de verantwoordelijkheid voor alle zendingen, ten-
zij anders is overeengekomen.
2.1. Levering
Het toestel wordt geleverd zonder condensafvoerbuis en veiligheidsuitrusting voor
het watercircuit.
2.2. Opslag
Het toestel moet bij voorkeur rechtopstaand worden opgeslagen en vervoerd, vrij van
water en in de verpakking.
Transport en opslag kunnen plaatsvinden bij temperaturen tussen -10° C en +50° C.
Als het toestel wordt getransporteerd of opgeslagen bij temperaturen onder nul,
moet de warmtepomp gedurende 24 uur vóór de inbedrijfstelling bij kamertempera-
tuur worden bewaard.
2.3. Transport met vorkheftruck
Voor het transport met een vorkheftruck moet de warmtepomp op het bijbehorende
transportframe staan. Til de warmtepomp altijd langzaam op. Vanwege het hoge
zwaartepunt moet het toestel tegen kantelen worden beveiligd tijdens het transport.
2.4. De warmtepomp lossen
Om schade te voorkomen moet het apparaat op een vlakke ondergrond worden gelost.
14
2.5. Transport met trailer
Het toestel mag alleen worden vervoerd op het bijbehorende transportframe.
Dit geldt ook voor het vervoer op trappen.
Het toestel moet worden beveiligd tegen schuiven op de trailer.
Wateraansluitingen enz. mogen niet worden gebruikt voor transportdoeleinden.
Er moet worden gezorgd dat de trailer de kast of de verschillende aansluitingen
niet beschadigt.
Figuur 8 – Transport met trailer
2.6. Horizontaal transport
Wanneer de warmtepomp voorzichtig op korte afstand naar zijn uiteindelijke locatie
wordt vervoerd, kan het transport horizontaal geschieden op de juiste zijde in de ver-
pakking. Als de warmtepomp meer dan 45° is gekanteld, moet de warmtepomp voor-
dat deze in gebruik wordt genomen 24 uur in zijn normale rechtopstaande positie
staan.
15
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
3. POSITIONERING
De locatie van de installatie moet zijn uitgerust met een voeding van 220-240V en 50
Hz. De voeding en het hydraulisch systeem moeten voldoen aan de plaatselijke veror-
deningen.
De warmtepomp moet verticaal worden geplaatst, met een maximale helling van 1°. De
warmtepomp moet in evenwicht en stabiel op de ondergrond staan. Gebruik de inge-
bouwde stelblokjes om de warmtepomp waterpas te zetten.
De warmtepomp moet zo zicht mogelijk bij het hydraulisch systeem worden geïnstal-
leerd om leidingverliezen te minimaliseren. De waterafvoer moet om dezelfde rede-
nen worden geïsoleerd.
De warmtepomp moet niet in direct contact met het zonlicht worden geplaatst.
De warmtepomp moet worden geïnstalleerd in een vorstvrije ruimte en aan deze cri-
teria moet zijn voldaan:
Kamertemperatuur tussen 5° C en 40° C.
Afvoermogelijkheid voor condens en afvoerput.
Geen abnormale stofconcentratie in de lucht.
Stevige ondergrond (ong. 500 kg / m
2
).
Het is noodzakelijk om te zorgen voor voldoende ruimte rond de eenheid voor onder-
houd en service. Een vrije ruimte van 0,5 m rondom de eenheid wordt aanbevolen.
Warmtepomp met luchtkanalen
Bij een warmtepomp met luchtkanalen, moet de
warmtepomp zo dicht mogelijk bij de wanden
worden geïnstalleerd teneinde drukverliezen in
de luchtkanalen te minimaliseren.
Warmtepomp zonder luchtkanalen
Indien de warmtepomp wordt gebruikt zonder
uitlaat/luchtafvoerkanalen moet deze in een
ruimte worden geplaatst met de volgende ken-
merken:
De inhoud van de ruimte moet meer zijn dan 30m
3
.
De ruimte moet goed geventileerd worden.
Er mogen geen andere apparaten zijn die lucht
nodig hebben om te werken.
De minimale afstanden beschreven in figuur 9
Figuur 9 - Minimale afstand tot wan-
den voor eenheden zonder leidingen
16
dienen te worden gerespecteerd.
3.1. Volgorde van opstellen
Zodra de warmtepomp in een ruimte is geplaatst met kenmerken zoals gespecificeerd
in de vorige paragraaf, kan de warmtepomp worden voorbereid in de volgorde zoals
hieronder beschreven:
1. Haal de verpakking van de pallet.
2. Haal de verpakkingsmaterialen van de pallet.
3. Haal de warmtepomp van de pallet en plaats deze op de grond.
4. Stel de warmtepomp verticaal bij door de voeten aan te passen.
5. Controleer of de warmtepomp geen schade heeft.
6. Zet het watercircuit op (zie hoofdstuk 4) en vul het reservoir met water.
7. Zet het luchtcircuit op (zie hoofdstuk 5).
8. Stel de elektrische aansluitingen in (zie hoofdstuk 6).
Wanneer de warmtepomp wordt gevoed met elektriciteit, begint deze automatisch te
lopen in zijn standaard werking volgens de fabrieksinstellingen zoals beschreven in
hoofdstuk 7.  
Deel 10 - Volgorde van opstellen
17
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
QN3
QN8
QN7
QN4
QN6
QN5
GP1
RM4
RM3
XL1
XL9
XL2
XL4
XL5
4. WATERCIRCUIT
Het watercircuit dient volgens de plaatselijke normen te worden geïnstalleerd.
Het gebruikte water moet drinkwater zijn.
In het gehele systeem moet materiaalcompatibiliteit worden gewaarborgd. Onjuiste
materiaal
combinaties in het tapwater circuit kunnen leiden tot schade door corrosie. Dit vereist
bijzondere aandacht bij het gebruik van verzinkte componenten en componenten die
koper bevatten.
De buismaten voor installatie op locatie moeten worden gebaseerd op de beschikbare
waterdruk, evenals het verwachte drukverlies in het leidingsysteem.
Zoals bij alle drukvaten moet het waterreservoir van de warmtepomp een goedge-
keurde veiligheidsklep hebben (drukinstelling afhankelijk van de lokale voorschriften)
en een terugslagklep hebben op de koudwaterinvoer.
De volgende afbeelding toont de voorgestelde conguratie op het watersysteem, met
de mogelijkheid om een recirculatie circuit op te nemen. Deze laatste verbinding is
optioneel.
XL1: Waterinvoerpijpaansluiting
XL2: Waterinvoerpijpaansluiting
XL4: Bovenkant spiraal
XL5: Onderkant spiraal
XL9*: Watercirculatie-aansluiting
QN3: Afsluitklep waterafvoer
QN4: Afsluitklep waterinvoer
QN5: Afvoerklep
QN6: Veiligheidsklep
QN7: Afsluitklep pompinvoer
QN8: Afsluitklep pompuitvoer
RM3: Terugslagklep
RM4: Terugslagklep watercirculatie
GP1: Watercirculatiepomp
Figuur 11 – Schema van voorgestelde watercircuitaansluitingen
18
4.1. Wateraansluitingen
Vuil in de leidingen moet worden vermeden. Na de installatie van de externe leidingen:
doorspoelen indien nodig voor aansluiting van de warmtepompboiler.
Als er geen circulatie van water nodig is, moet u ervoor zorgen dat de circulatie-aan-
sluiting goed is afgedicht.
Bij de installatie van de leidingen moet u ervoor zorgen dat de leidingverbindingen niet
overmatig worden belast. Gebruik een pijpsleutel om de torsiekrachten te ontspannen
op de leidingverbindingen.
De warm waterleiding moet worden gsoleerd om warmteverlies naar de omgeving te
verminderen waardoor de kans op verwondingen en brandwonden verminderd wordt.
4.2. Locatie van verbindingsleidingen
De warm waterleiding is gemonteerd op de bovenste aansluiting.
Als de warmtepomp wordt gevuld middels circulatie leiding, wordt de middelste aan-
sluiting gebruikt voor warmwater retour. De invoer van het koude water wordt aange-
bracht op de onderste aansluiting.
4.3. Aansluiting condensafvoer
Als de warmtepomp draait, wordt con-
dens gevormd die naar de rioolput moet
worden geleid via de condensafvoerlei-
ding, Ø 19 mm aansluiting buiten. De hoe-
veelheid condens is afhankelijk van de
vochtigheid van de luchtstroom en de
temperatuur van de lucht.
De condensaansluitstomp moet zijn voor-
zien van een luchtdichte sifon en moet
naar een afvoer lopen. De sifon moet een
staande waterkolom bevatten van ten
minste 60 mm.
Het niet installeren van een sifon kan leiden tot schade aan het toestel. Als de sifon
niet correct is geïnstalleerd, is de productgarantie niet geldig.
Figuur 12 - Condensafvoer
19
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
4.4. Solar spiraal aansluiting (optioneel)
In de warmtepomp kan een extra warmtewisselaar worden geïnstalleerd. In de dom-
pelbuis van de thermostaatsensor kan er ook een sensor worden geplaatst om de
externe aansluitingen bijv. oliebrander, houtbrander etc. te controleren. De maximale
inlaattemperatuur van de verwarmingsspiraal is 90° C. Wanneer het risico bestaat dat
de inlaat temperaturen boven 90° C komen, moet de installateur een extern apparaat
installeren dat een hoge inlaattemperatuur van de verwarmingsspoel voorkomt.
4.5. Veiligheidsinstructies – Watercircuit
Er mag alleen drinkwater worden gebruikt.
Tijdens de installatie moet aandacht worden besteed aan de keuze van de materia-
len en er moet voor worden gezorgd dat gekozen materialen probleemloos samen-
werken in het gehele circuit.
Speciale aandacht moet worden besteed bij het gebruik van verzinkte componenten
en componenten die aluminium bevatten.
Er moet veiligheidsuitrusting worden geïnstalleerd om overdruk in het systeem te
voorkomen. Gebruik altijd een veiligheidsklep met een maximale overdruk volgens
het typeplaatje van de eenheid en een afsluiter (goedgekeurd volgens de regelge-
ving voor verwarming en sanitair). Alle leidingen moeten worden geïnstalleerd vol-
gens de regelgeving voor sanitair en verwarming.
De afvoerleiding van de overdrukklep (veiligheidsklep) moet vorstvrij en met een
helling van het apparaat af worden geïnstalleerd. De leiding moet ook aan de atmo-
sfeer worden opengelaten.
Temperaturen boven 90° C in de verwarmingsspoel kunnen leiden tot overmatige
druk in het koelcircuit.
Figuur 12 - Condensafvoer
20
4.6. Lektest
Na installatie is het noodzakelijk om te controleren of de gehele waterinstallatie dicht
is. Dit wordt bereikt door een lektest uit te voeren.
4.7. Inbedrijfstelling van het watercircuit
Vul het waterreservoir via de aansluiting voor koud water. Ontlucht het waterreser-
voir door een van de warmwater kranen op het hoogste niveau te openen tot er bij het
tappunt geen lucht meer verschijnt.
Controleer enkele dagen na de eerste installatie en het opstarten de installatie
op lekkage in de waterinstallatie of verstopping van de condensafvoer.
21
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
5. LUCHTSYSTEEM
De inlaatlucht mag niet worden vervuild met agressieve componenten (ammoniak,
chloor enz.) aangezien samenstellende componenten van de warmtepomp kunnen
worden beschadigd. De lucht dient eveneens vrij te zijn van stof en andere deeltjes.
Inlaat- en uitlaatkanalen moeten te zijn vervaardigd van stijve, gladde buizen om druk-
verliezen te minimaliseren. Houd rekening met de ventilatorwerkdruk en de leiding-
drukverliezen tijdens dimensionering van het leidingsysteem (zie technische
gegevens).
De twee aansluitingen op de warmtepomp zijn Ø 160 mm. Aangeraden wordt om de
luchtkanalen bij de warmtepomp, ggaliseerd of met een kleine inlaat te installeren,
om binnendringen van condenswater van het kanaalsysteem naar de warmtepomp te
voorkomen.
Alle luchtkanalen moeten worden geïsoleerd nadat ze zijn geïnstalleerd om warmte-
verlies en het geluidsniveau te verminderen. Isolatie moet worden aangebracht om te
beschermen tegen externe condens op het koude afvoerkanaal.
Aanbevolen wordt een flexibele aansluiting te monteren tussen het luchtkanaal en de
kanaalaansluiting om het toekomstige onderhoud van de eenheid te vergemakkelijken.
Ook wordt aanbevolen om dempers te installeren tussen de warmtepomp en het venti-
latiesysteem om mogelijke verplaatsing van het geluid van de warmtepomp naar het
ventilatiesysteem te vermijden.
De warmtepomp is ontworpen om te werken met verschillende luchtkanaalcongura-
ties:
1) Warmtepomp zonder leidingen, omgevingslucht. De warmtepomp onttrekt
warmte aan de omgevingslucht en verlaagt de luchttemperatuur tot 5-15° C
bedrijfsomstandigheden. Aangezien de lucht wordt omgeleid naar de ruimte, is
deze conguratie vooral interessant tijdens de zomerperiode. Deze conguratie
wordt niet aanbevolen voor winterperiodes, vooral als de ruimte waarin het toe-
stel zich bevindt, wordt verwarmd door andere apparaten.
2) Warmtepomp gedeeltelijk met leidingen, omgevingslucht. Deze conguratie
heeft gewoonlijk de voorkeur boven conguratie 1, aangezien de koude lucht die
uit de warmtepomp komt, uit het huis wordt geleid.
22
3) Warmtepomp met leidingen, externe lucht. Deze conguratie minimaliseert de
temperatuurdaling van de installatieplaats, aangezien er geen contact is tussen
de lucht in de ruimte en de lucht door de warmtepomp. Aanbevolen wordt de
inlaatbuis ver van en eventueel boven de uitlaatbuis te plaatsen om de recircula-
tie van koude lucht in de warmtepomp te minimaliseren.
4) Warmtepomp met luchtkanalen, uitlaatlucht. Dit is de conguratie die normaal
het elektriciteitsverbruik van de warmtepomp minimaliseert. Deze is met name
aan te bevelen als er geen behoefte is aan koeling op de plaats van installatie.
Figuur 13 – Configuratie luchtkanalen
23
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
Het apparaat is meestal voorzien van twee luchtkanaalaansluitingen met een kunst-
stof net met een beschermende functie (figuur 14).
Als het apparaat wordt gebruikt als warmtepomp met luchtkanalen, wordt sterk aan-
bevolen om het kunststof net handmatig met een tang te verwijderen. Door deze
bewerking kan de warmtepomp efficiënter draaien, omdat het luchtdrukverlies in de
luchtcircuits wordt geminimaliseerd.
Figuur 14 - Standaardaansluiting voor gebruik
met omgevingslucht, warmtepomp zonder
luchtkanalen.
Figuur 15 - Aansluiting voor gebruik bij warmte-
pomp met luchtkanalen.
24
6. ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN
De warmtepomp moet worden gevoed op 220-240V en 50 Hz.
De eenheid is voorzien van een standaard geaarde stekker. Als lokale regelgeving
vaste installatie voorschrijft of indien de geleverde stekker geen correcte aarding
garandeert, moet de geaarde stekker van de voedingskabel worden geknipt.
Wanneer de eenheid wordt aangesloten op de voeding, zal deze automatisch worden
ingeschakeld en start de eenheid automatisch.
De eerste keer dat de eenheid wordt ingeschakeld, zal deze gaan werken volgens de
fabrieksinstellingen.
Als sommige regelinstellingen worden gewijzigd, zal de eenheid starten met
dezelfde instellingen van de vorige uitschakelingsomstandigheden.
6.1. Elektrisch schema
Figuur 16 - Bedradingsschema
25
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
7. CONTROLE EN BEDIENING
7.1. Openingsweergave
Het apparaat kan worden bediend vanaf het bedieningspaneel beschreven in figuur 17.
Vanaf het beginscherm kunnen alle belangrijke operationele standen, functies, instel-
punten en informatie over de eenheid worden bereikt.
Figuur 17 – Display, bedieningspaneel
1: Status elektrische verwarming (AAN/UIT)
2: Hoofdmenu (Kan worden geopend door te drukken op )
3: OK/Enter
4: Modus (wijzigen met of )
5: Scroll omlaag
6: Scroll omhoog
7: Terug
8: Informatie (openen met )
9: Temperatuurinstelpunt
10: Werking warmtepomp (warmtepomp, ventilatie, ontdooien)
11: Tijd
26
Het bovenste gedeelte van het scherm geeft informatie over de werking van de een-
heid, tijd- en temperatuurinstelpunt. Dit deel is passief en wordt automatisch veran-
derd.
Het onderste deel van het scherm is actief, wat betekent dat het pictogram op het
scherm andere menu-items bevat. Dit onderdeel bestaat uit drie menu's:
INFORMATIEMENU (8), dat kan worden geactiveerd door te drukken op ( )
MODUSMENU (4), dat kan worden geactiveerd door te drukken op ( ) of ( )
HOOFDMENU (2), dat kan worden geactiveerd door te drukken op ( )
Het HOOFDMENU bestaat uit 4 submenu's:
– Temperaturen
– Functies
– Algemeen
– Installateur
De menu-items met een * zijn optioneel.
7.2. Informatiemenu
Het informatiemenu kan worden geopend door op knop ( ) te drukken vanuit de
openingsweergave. Dit menu geeft alle operationele informatie van de eenheid. De
beschikbare informatie is verdeeld in vier groepen:
Temperaturen (T)
Verzamelde gegevens over de werking van de eenheid en prestaties (I)
De toestand van de relais van het apparaat (R)
De fouten en alarmen van de eenheid (Er)
Alle informatie die kan worden weergeven in het informatiemenu, wordt beschreven in
de volgende tabel. Alle temperaturen zijn in ° C.
27
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
Klasse Code Menu-item Omschrijving
T
T1 T luch i De luchttemperatuur bij de inlaat van de eenheid
T2 T luch o De verdampertemperatuur bij de uitlaat van de warmtepomp
T3 T buff t De watertemperatuur boven in de warmtepomp
T4 T buff b De watertemperatuur onder in de warmtepomp
T5 T extra De temperatuur gemeten door de extra sensor
V
V1 Vent % De huidige snelheid van de ventilator in %
V2 Input V* Het huidige ingangssignaal in GC1 (0-10V) van het fotovolta-
isch paneel of de hygrostaat in volt
I
I1 HP hr Het totale aantal uren dat de compressor heeft gedraaid
I2 EL hr Het totale aantal uren dat de elektrische verwarmingselement
heeft gedraaid
I3 Vent hr Het totale aantal uren dat de ventilator heeft gedraaid
I4 T avg a De gemiddelde luchttemperatuur met de draaiende warmte-
pomp wordt weergegeven in ° C sinds de laatste keer dat alles
werd gereset
I5 T avg f De gemiddelde verdampertemperatuur van de draaiende een-
heid in in ° C sinds de laatste keer dat alles werd gereset
I6 WP AAN Het aantal START/STOPS voor de gehele levensduur van de
warmtepomp sinds de laatste keer dat alles werd gereset
I7 W el Het berekende actuele elektriciteitsverbruik in W sinds de
laatste keer dat alles werd gereset
I8 MWh el Het berekende totale elektriciteitsverbruik in MWh sinds de
laatste keer dat alles werd gereset
I9 W th De berekende actuele verwarmingscapaciteit wordt weerge-
geven in W
I10 MWh th De totaal berekende warmwaterproductie wordt weergegeven
in MWh sinds de laatste keer dat alles werd gereset
I11 EL MWh Het elektriciteitsverbruik van de elektrische weerstand in
MWh sinds de laatste keer dat alles werd gereset
R
R1 Extra De werking van het extra relais, bijvoorbeeld voor
het gebruik van een circulatiepomp
R2 Ontd De werking van het relais dat de elektromagnetische klep
regelt voor de ontdooifunctie wordt weergegeven
R3 Vent De ventilatorsnelheid wordt weergegeven in %.
R4 WP De werking van de compressor wordt weergegeven
R5 EL De werking van de elektrische verwarming wordt weergegeven
28
7.3. Bedrijfsmodus
Er kunnen verschillende strategieën om het water te verwarmen worden geselecteerd
in het bedieningspaneel door op 5 of 6 te drukken (scroll omlaag of omhoog) vanuit het
beginscherm. De mogelijke bedrijfsmodi waaruit kan worden gekozen, zijn te vinden in
de volgende tabel:
Figuur 18 Bedrijfsmodi
Klasse Code Menu-item Omschrijving
Er
Er1 Error 1 Temperatuursensor T1 is buiten bereik
Er2 Error 2 Temperatuursensor T2 is buiten bereik
Er3 Error 3 Temperatuursensor T3 is buiten bereik Als T3 Fout
optreedt, verwarmt de warmtepomp het water op geen
enkele wijze
Er4 Error T4 Temperatuursensor T4 is buiten bereik Fout Er4 wordt
genegeerd en de warmtepomp loopt normaal
Er5 Error T5 Temperatuursensor T5 is buiten bereik Fout Er5 wordt
genegeerd en de eenheid loopt normaal
Er6 Err HP De drukschakelaar wordt geopend wanneer de druk in
het koudemiddel circuit boven de grens is van de druk die
wordt aangegeven op de hogedrukschakelaar
Er7 Err Ford De temperatuursensor T2 is boven T1 + 2° C gedurende
meer dan een uur
Er8 Err C Ford Temperatuur T2 is onder - 25° C
Er9 Err H Ford Temperatuur T2 is boven D11 (Verdamper T-max)
Er10 Filter Vervang filter Het alarm wordt weergegeven op het hoofd-
scherm, maar de werking van de warmtepomp wordt niet
beïnvloed.
29
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
Opmerking: de eenheid kan worden uitgeschakeld door over te schakelen naar de VAKANTIE-modus.
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving
P1 AUTOMA-
TISCH
De warmtepomp verwarmt het water wanneer dat wordt gewenst, nor-
maal via de werking van de warmtepomp. De warmtepomp start wanneer
de temperatuur van het water T3 meer dan 5° C onder A1 (T Automatisch)
is en stopt wanneer deze temperatuur is bereikt. Als de luchttemperatuur
buiten de haalbare grenzen is, wordt het water verwarmd met de elektri-
sche verwarming.
P2 ECO De warmtepomp verbruikt zo weinig mogelijk energie. De warmtepomp
heeft een lager watertemperatuurinstelpunt A2 (T ECO). De warmtepomp
verwarmt het water tot een lagere temperatuur in vergelijking met de
andere bewerkingen.
P3 BOOST De warmtepomp en het elektrisch verwarmingselement werken tegelij-
kertijd indien mogelijk. De eenheid start wanneer de temperatuur van het
water T3 meer dan 5° C onder A3 is (T BOOST) en stopt wanneer deze
temperatuur is bereikt. Als A3 (T BOOST) hoger is dan D33 (T HP max),
stopt de compressor wanneer de temperatuur D33 (T HP max) is bereikt.
De resterende temperatuurstijging wordt bereikt met alleen het elek-
trisch verwarmingselement.
P4 BACKUP Dit is een noodmodus. Wanneer een fout optreedt, waardoor de warm-
tepomp niet kan werken, kan het water niet worden verwarmd. Op het
display wordt de gebruiker de mogelijkheid geboden om de BACK-UP-mo-
dus te activeren.
In de BACK-UP-modus wordt het water verwarmd door de elektrische
verwarming op een lagere dan de gewenste temperatuur.
De legionellacontrole is in elke situatie actief.
De eenheid start wanneer de temperatuur van het water T3 meer dan 5° C
onder D12 (BACKUP T) is en stopt wanneer deze temperatuur is bereikt.
P5 STIL De ventilatorsnelheid gaat terug tot een minimum om het geluid van de
werkende warmtepomp te minimaliseren. De warmtepomp start wanneer
de temperatuur van het water T3 meer dan 5° C onder T1 (T Automatisch)
is en stopt wanneer deze temperatuur is bereikt.
P6 VAKANTIE De warmtepomp wordt uitgeschakeld en alleen het LCD-display is actief.
De warmtepomp wordt niet gestart wanneer waterverwarming is vereist.
De compressor is UIT behalve tijdens LEGIONELLA-controle waarin deze
kan worden geactiveerd.
De VAKANTIE-modus is aangesloten op de Warm op tijd-functie B4 (Warm
op tijd). Nadat de VAKANTIEperiode is voltooid, gaat de eenheid terug
naar de vorige bedrijfsmodus.
30
7.4. Hoofdmenu
Dit menu openen vereist een goed inzicht in de werking van de eenheid. Het wordt zeer
aanbevolen om de beschrijving van de volgende menu-items te lezen en goed te begrij-
pen. Het wijzigen van deze instelpunten kan grote gevolgen hebben voor hoe het toe-
stel werkt en presteert.
Het hoofdmenu is onderverdeeld
in vier delen:
• Temperaturen
• Functies
• Algemeen
• Installateur
7.4.1. Temperaturen
De temperatuurinstelpunten kunnen worden gewijzigd onder het menupunt "tempera-
turen". Verschillende temperatuurinstelpunten kunnen worden aangepast overeen-
komstig de relatieve bedrijfsmodus. Alle temperaturen zijn in ° C.
Code
Naam
instel-
punt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
A1 T AUTO Het temperatuurniveau waarbij de warmtepomp
het water verwarmt wanneer de Automa-
tisch-modus is geselecteerd. De warmtepomp
wordt gestart als de temperatuur van het water
in T3 5°C onder het instelpunt komt.
50 - 60 53
A2 T ECO Het temperatuurniveau waarbij de warmtepomp
het water verwarmt wanneer de ECO-modus is
geselecteerd. De warmtepomp wordt gestart als
de temperatuur van het water in T3 5°C onder
het instelpunt komt.
50 - 55 50
A3 T BOOST Het temperatuurniveau waarbij de eenheid het
water verwarmt wanneer de BOOST-modus is
geselecteerd. De warmtepomp wordt gestart als
de temperatuur van het water in T3 5°C onder
het instelpunt komt.
50 - 65 55
Figuur 19 – Hoofdmenu
31
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
7.4.2. Functies
De functies zijn vergelijkbaar met de bedrijfsmodi maar ze kunnen niet rechtstreeks
worden geopend vanuit de openingsweergave en ze kunnen van eenheid tot eenheid
variëren.
Aangezien SOLAR, VLOER en KOELING (zogenaamde extra functies) niet gelijktijdig
kunnen worden gebruikt, moet de keuze van deze functies plaatsvinden vanuit het
menu Installateur (D26 Extra functie). In het functiemenu wordt normaal gesproken
slechts één van deze extra functies weergegeven.
Het functiemenu wordt beschreven in de volgende tabel.
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
B1
UIT
De ventilator wordt uitgeschakeld wanneer de
warmtepomp niet draait.
UIT/
Enkele
snelheid
/Dubbele
snelheden
UIT
Enkele
snelheid
De ventilator loopt altijd op een vaste snelheid
(B2 ventilatorsnelheid), zowel als de warmte-
pomp werkt als wanneer deze niet werkt.
Dubbele
snelhed
De ventilator is altijd in werking maar loopt
normaal op een hogere snelheid D6 (Automati-
sche snelheid) wanneer de warmtepomp actief
is en op (B2 Ventilator snelheid) als de pomp
niet actief is.
B2
Ventilator
snelheid
De belangrijkste ventilatorsnelheidsregeling
voor de ventilatorfunctie. Er zijn drie ventilatie-
niveaus waaruit kan worden gekozen: LAAG D5
(Min. ventilator snelheid), MEDIUM D4 (Med.
ventilator snelheid) HOOG D3 (Max. ventilator
snelheid).
LAAG/
MEDIUM/
HOOG
HOOG
B3 Laag tarief
Met het laag tarief is het mogelijk dat het
elektrisch verwarmingselement en de warmte-
pomp alleen werken tijdens perioden met lage
energieprijzen, volgens het menu-item dat het
programma van het laag tarief regelt, D17/
D18 (Laag tarief dordeweeks/weekenden). De
eenheid werkt alleen tijdens de vooraf gedefini-
eerde uren van de dag. Als de functie HW (B5)
actief is, kunnen de elektrische verwarming en
de warmtepomp werken buiten de periode van
het lage tarief.
UIT/AAN UIT
Ventilatie
32
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
B4
Heet op
tijd
De warmtepomp kan worden geprogrammeerd om
warm water te leveren van 1 tot 30 dagen vanaf
het moment waarop de functie is geactiveerd en
de VAKANTIE-modus is geselecteerd. De warmte-
pomp schakelt over naar de Automatisch-modus
in het gewenste aantal dagen. Als UIT is geselec-
teerd, is de functie niet actief.
UIT/
AAN
UIT
B5
UIT
De PV-functie is niet actief. Als deze functie
is geactiveerd, kunnen de warmtepomp en de
elektrische verwarming alleen starten als de in-
gangsspanning in GC1 (0-10V) langer dan D22 (PV
min tijd) hoger is dan D20/D21 (PV min Voltage
WP/EL).
UIT/
ECO/
OP-
SLAG
UIT
PV ECO
De PV-functie maakt waterverwarming alleen met
de warmtepomp mogelijk totdat het tempera-
tuurinstelpunt is bereikt, dat is bepaald door de
Bedrijfsmodus.
PV
OPSLAG
Dankzij de PV-functie kan de waterverwarming
het maximale temperatuurniveau bereiken, waar-
bij prioriteit wordt gegeven aan de werking van
de warmtepomp als de modus BOOST of BACKUP
niet actief is. De warmtepomp werkt alleen tot
de maximum toegestane temperatuur van de
warmtepompwerking D33 (T HP Max) is bereikt.
De elektrische verwarming werkt alleen vanaf
D33 tot de maximum toegestane temperatuur D9
(T-water max).
B6 Solar
Met de Solar-functie kan het water worden
verwarmd door de zonnecollector, waarbij een
waterpomp wordt geactiveerd, geregeld door het
extra relais (GP1). De pomp start wanneer T5 > T3
+ D24 (Solar DT min). De pomp stopt als de tem-
peratuur in het reservoir boven D23 gaat (Solar T
max) komt of als T5 lager is dan T3.
UIT/
AAN
UIT
B7 Vloer
De vloerverwarmingsfunctie activeert een
externe circulatiepomp. Als de temperatuur in de
bodem van het reservoir T4 (T buff t) hoger is dan
het instellingsmenu D25 (Vloer T start), wordt
de vloerverwarmingsfunctie geactiveerd. Als de
extra temperatuur T5 (T Extra) hoger is dan de
vloerverwarmingstemperatuur (B8 Vloer T), stopt
de circulatiepomp (Extra relais GP1).
UIT/
AAN
UIT
Fotovoltaïsch
33
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
7.4.3. Algemeen
In Algemeen worden alle standaardinstellingen verzameld, die weinig of geen effect
hebben op de werking van de warmtepomp, behalve het menu-item Reset.
Het activeren van de functie Reset brengt alle instelpunten terug naar de fabrieksin-
stellingen.
De instelpunten van het menu Algemeen worden beschreven in de onderstaande tabel
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
B8 Vloer T
De gewenste vloerverwarmingstemperatuur in °C
met hysteresis van 1K
15 - 40 35
B9 Koeling
De Koelfunctie kan worden geactiveerd. Zie
Installateurmenu D28 (Koeling type).
UIT/
AAN
UIT
B10 Koeling T
Het luchttemperatuurinstelpunt (°C) waaronder
de warmtepomp stopt, wanneer de warmtepomp
in de Koelfunctie loopt.
10 - 30 21
Code
Naam
instel-
punt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
C0 Reset
De instelpunten in het gebruikersmenu worden
gereset. De meer geavanceerde instellingen
kunnen worden gereset in het menu Installateur.
De informatie als aantal uren van de compressor
en de ventilator kan niet worden gereset.
UIT/AAN UIT
C1 Info De softwareversie wordt weergegeven. - -
C2 Tijd Hier kan de tijd worden aangepast. - -
C3 Datum Hier kan de datum worden aangepast. - -
C4 Dag De dag van de week kan worden geselecteerd. - Maandag
C5 Taal Er kunnen meer talen worden geselecteerd. - Engels
C6
Contrast De helderheid van het scherm kan worden
aangepast.
0 -10 5
34
7.4.4. Installateur
Het menu Installateur moet alleen worden gebruikt door erkende installateur. Enkele
instelpunten die in dit menu kunnen worden geregeld, kunnen grote gevolgen hebben
voor de prestaties van de warmtepomp afhankelijk van het soort inbedrijfstelling en
installatie. Er moet een goede match zijn tussen de installateur-instelpunten en het
type installatie voor het optimaliseren van de prestaties en de levensduur van de
warmtepomp. Om het menu Installateur te openen moet een wachtwoord van 4 cijfers
worden ingevoerd. Het wachtwoord: 2016. Alle temperaturen worden uitgedrukt in °C.
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
D0 Reset alles
Alle instelpunten worden teruggezet naar de
oorspronkelijk fabrieksinstellingen. Ook worden
het informatiemenu en de installateur-instel-
punten gewijzigd.
UIT/AAN UIT
D1 Errors
Hier kunnen de alarmen van de warmtepomp
worden gecontroleerd.
- -
D2
D2.0 Adres
Modbus-adres. Het Modbus-adres moet worden
geselecteerd tussen 1 en 247.
1 -247 30
D2.1
Baudrate
Modus-baudrate De Modbus-baudrate moet
worden geselecteerd tussen 19200 en 9600.
9600/
19200
19200
D2.2
Pariteit
Modbus-pariteit. Als Modbus-pariteit kan Even
of Oneven worden gekozen maar de pariteit kan
ook worden uitgeschakeld.
Even /
Oneven /
Geen
Even
D2.3
Schrijf
inschakelen
Modbus wijzigen. Als deze functie is geacti-
veerd, kunnen de instelpunten worden gewijzigd
voor ontwikkeling met een datalogger.
UIT/AAN AAN
D3
Max.
ventilator
snelheid
De maximale ventilatorsnelheid (%) kan worden
geregeld. Dit is de hoogste limiet waarop de
ventilator kan draaien wanneer de ventilatie-
functie actief is en wanneer de warmtepomp in
standaardmodus draait.
0 -100 70
D4
Med.
ventilator
snelheid
De gemiddelde ventilatorsnelheid (%) kan
worden aangepast. 0 -100 50
D5
Min. ventila-
tor snelheid
De minimale ventilatorsnelheid (%) kan worden
aangepast.
0 -100 40
D6
AUTO-snel-
heid
De automatische snelheid van de ventilator (%)
wanneer de warmtepomp draait in AUTO- en
ECO-modus kan worden geregeld. Dit is een
nominale waarde, terwijl de snelheid van de
ventilator automatisch de snelheid op een hoger
niveau varieert, afhankelijk van de bedrijfsom-
standigheden.
0 -100 57
Modbus
35
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
D7
T-lucht
min
De minimale luchttemperatuur die is toege-
staan tijdens de werking van de warmtepomp
kan hier worden geregeld. Als T1 onder Air
T min is, start de elektrische verwarming en
deze werkt alleen totdat het instelpunt is
bereikt. (Zelfs als de temperatuur van de lucht
in de tussentijd stijgt).
(-7) -
(+10)
-7
D8
T-lucht
max
De maximale luchttemperatuur die is toege-
staan tijdens de werking van de warmtepomp
kan hier worden geregeld.
30 -40 40
D9
T-water
max
De maximaal toegestane temperatuur in het
reservoir.
55 -65 65
D10
T-Stop
ontdooien
De temperatuur van T2 waarbij de ontdooi-
functie stopt. De ontdooifunctie is automa-
tisch en komt niet vaker voor dan eens per uur.
0 -10 4
D11
Verdam-
per T-max
De maximale luchttemperatuur die is toege-
staan tijdens de werking van de warmtepomp
kan hier worden geregeld. Als T2 een hogere
temperatuur dan de het instelpunt heeft,
gebruik dan de elektrische verwarming. Deze
functie is 10 minuten actief nadat de com-
pressor is gestart.
10 -40 30
D12 Backup T
De watertemperatuur waarop de eenheid de
back-upmodus stopt met alleen de elektri-
sche verwarming.
0 -65 35
D13 Legionella
De legionellafunctie kan worden geactiveerd.
De legionellafunctie schakelt de warmtepomp
niet in, maar voert de opwarmcyclus op tot
een hogere temperatuur D14 (Legionella
T). De legionellafunctie werkt alleen met de
warmtepomp tot 60°C. De resterende tem-
peratuurstijging wordt bereikt met alleen de
elektrische verwarming.
UIT/AAN UIT
D14
Legionel-
la T
Het legionella-temperatuurinstelpunt kan
worden geregeld.
60 -65 60
D15
Legionella
dag
De legionella-weekdag kan worden ingesteld Maandag/
Zondag
Zondag
36
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
D16
Gedwongen
gebruik
De gedwongen werking van de warmtepomp kan
hier worden geactiveerd. De warmtepomp start
zelfs als er geen behoefte is aan warm water.
De eenheid zal stoppen wanneer de maximum-
temperatuur toegestaan door de warmtepomp
is bereikt. Deze functie is te gebruiken voor
testdoeleinden. Hij gaat weer UIT nadat een
warmtecyclus is voltooid.
UIT/AAN UIT
D17
Laag tarief
dordeweeks
De start- en stoptijd van de lage elektriciteit-
stariefperiode voor weekdagen. Er kunnen drie
perioden worden geselecteerd.
0 -23
0 -23
0 -23
0
0
0
D18
Laag tarief
weekenden
De start- en stoptijd van de lage elektriciteit-
stariefperiode voor weekends. Er kunnen drie
perioden worden geselecteerd.
0 -23
0 -23
0 -23
0
0
0
D19
Licht bespa-
rings tijd
Zomertijd kan worden uitgeschakeld.
UIT/AAN AAN
D20
PV min Vol-
tage WP
De minimale spanning (V) nodig om de HP te
starten wanneer de PV-functie actief is.
0 -10 0
D21
PV min
Voltage EL
De minimale spanning (V) nodig om het
elektrisch verwarmingselement te starten
wanneer de PV-functie actief is.
0 -10 0
D22 PV min tijd
De minimumtijd (minuten) waarop de ingangs-
spanning van het PV-paneel boven het instel-
punt D20/D21 (PV min Voltage WP/EL) moet
zijn om de elektrische verwarming of warmte-
pomp te starten wanneer de PV-functie actief
is. D22 regelt ook de minimale operationele tijd
van de warmtepomp wanneer gestart door de
PV-functie.
1 -120 15
D23 Solar T max
De maximaal toegestane temperatuur (°C) in de
zonnecollector.
55 -89 89
D24 Solar DT min
Het minimumtemperatuurverschil (°C) tussen de
zonnecollector en het reservoir.
1 -5 5
D25 Vloer T start
De temperatuur (°C) die in het reservoir moet
zijn, wil de vloerfunctie actief zijn met hystere-
sis van 1K.
25 -45 35
37
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
Code
Naam
instel-
punt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
D26
Extra
functies
De gewenste extra functie wordt hier geselec-
teerd. De mogelijke functies zijn Solar, Vloer en
Koeling. Ga nadat de functie is geactiveerd naar
het functiemenu en pas het instelpunt desge-
wenst aan.
UIT/
Solar /
Vloer /
Koeling
UIT
D27
UIT
De SG ready-functie kan hier worden geac-
tiveerd door de installateur. Er kan worden
gekozen uit drie modi. Met deze functie is start
van de warmtepomp vanaf een externe toegang
mogelijk. SG ready is niet actief als er geen
externe input is (SG1 UIT, SG2 UIT).
UIT/
SG Boost/
SG Eco/
SG Block
UIT
(SG
Boost)
De warmtepomp en de elektrische verwarming
moeten starten, als de temperatuur in het reser-
voir onder het toegestane maximum is. Zowel
de warmtepomp als de elektrische verwarming
worden gedwongen te werken (SG1 AAN en SG2
AAN).
(SG Eco)
De warmtepomp werkt op minimale
kosten, alleen de warmtepomp wordt geacti-
veerd (SG1 UIT, SG2 AAN).
(SG
Block)
De warmtepomp kan worden gestopt, zelfs als
er een behoefte is aan warm water (SG1 AAN,
SG2 UIT).
D28
Koeling 1
De ventilator en de warmtepomp draaien tot
de extra temperatuur T5 geplaatst in de ruimte
onder een bepaald niveau komt. De watertem-
peratuur kan slechts de maximumtemperatuur
bereiken die is toegestaan in het reservoir D33
(T HP max). De koelfunctie activeert een drieweg
luchtregelklep, die de koude uitlaatlucht leidt
naar een ruimte met koelingseisen. De twee
functies bedienen de luchtregelklep in tegen-
overgestelde richtingen.
Koeling 1 (2). Als de T5 hoger is dan de B10 T
koeling, wordt het extra relais dat de luchtregel-
klep (GP1) bedient, ingeschakeld, AAN (UIT).
Als de T5 lager is dan de B10 T koeling, wordt het
extra relais dat de luchtregelklep (GP1) bedient,
uitgeschakeld, UIT (AAN).
Koeling 1/
Koeling 2
Koeling 1
Koeling 2
SG Ready
Koeling type
38
7.5. Ontdooien
Wanneer de verdampingstemperatuur (T2) daalt tot onder 0° C, begint de verdamper
ijs te vormen op zijn ribben. Om de warmtepomp betrouwbaar te houden en goed te
laten presteren, wordt een automatische ontdooibewerking geactiveerd.
Ontdooiing kan optreden tussen 60 en 120 minuten vanaf de laatste ontdooiing of
vanaf het laatste moment waarop de verdampingstemperatuur boven 0° C was.
Ontdooiing kan optreden met twee verschillende strategieën volgens de condities van
de inlaatlucht.
1) Als de luchttemperatuur hoger dan 4° C is, treedt de ontdooiing in werking met
zowel de compressor als de ventilator. De ventilator draait op snelheid D3 (Ventila-
tor max snelheid).
Code
Naam
instelpunt
Omschrijving Bereik
Fabrieksin-
stelling
D29
UIT Normaal bedrijf.
UIT/
Hygrostaat/
Max vent./
Start-Stop
UIT
Hygrostaat
Dwing warmtepomp in ventilatiefunctie
wanneer het signaal GC1 hoger is dan 2V.
Deze ingang kan rechtstreeks komen van
een externe vochtigheidssensor of via het
15 VDC-signaal van WF1 (X8-4 in figuur 16)
aangesloten op een serieschakelaar met een
weerstand van 10Kohm.
Max vent.
Als de ventilatiefunctie al is geselecteerd,
leidt een signaal hoger dan 2V naar GC1 tot
een maximale luchtstroom.
Start/Stop
Als GC1 een signaal ontvangt hoger dan
2V, wordt de werking van de warmtepomp
gestopt.
D30 Filter timer
De filterfunctie wordt geactiveerd (AAN) of
uitgeschakeld (UIT).
UIT/AAN UIT
D31
Filter timer
tijd
Als de filterfunctie is ingeschakeld, kan de
timer van het filter worden geselecteerd. Dit
instelpunt bepaalt het aantal maanden waar-
na het filteralarm wordt weergegeven.
0 -12 3
D32 Filter reset
Zodra het luchtfilter is vervangen, moet deze
functie worden geactiveerd om de filtertimer
te resetten.
UIT/AAN UIT
D33 T HP max
De maximale watertemperatuur die kan wor-
den bereikt door de warmtepomp in °C.
50 -65 60
Externe bediening
39
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
2) Als de luchttemperatuur onder 4° C is, treedt ontdooiing in werking met de com-
pressor en wordt de ventilator gestopt.
Voordat het ontdooien is voltooid, stopt de ventilator voor een korte periode zodat
het overtollige water de warmtepomp kan verlaten vanuit de condensafvoer.
Ontdooiing stopt automatisch wanneer de temperatuur van de verdamper (T2) hoger
is dan het instelpunt (D10).
7.6. Fotovoltaïsche functie
De warmtepompboiler kan worden bediend door een signaal van een zonne-fotovolta-
ische (PV)-omvormer of van een energiemeter, hetzij als eenvoudig start/stop via een
potentiaalvrij contact of door een variabel signaal.
Figuur 20 toont mogelijk installatieconguraties met of zonder energiemeter.
Met de optie via een variabel signaal komt een bepaalde output (DC of mA) van de
omvormer (PV) of de energiemeter overeen met een gegeven hoeveelheid overtollige
stroom voor gebruik in de DHWHP. Deze overtollige stroom kan worden gebruikt om
de dompelverwarmer, de warmtepomp of beide te activeren.
Figuur 20 – PV-installatie 1: controlesignaal van omvormer. PV-installatie 2: controlesignaal van energiemeter.
40
TB1: DC/AC omvormer
BU: Energiemeter
E1-2-3: Elektrische ladingen
WG1: Voeding warmtepomp
GC1: Fotovoltsche functie ingangssignaal (0-10 VDC, 0-3 VDC, 4-20 mA).
7.7. Veiligheidsfuncties
7.7.1. Hogedrukschakelaar
Om te waarborgen dat de compressor niet buiten zijn operationele grens draait, is er
een ingebouwde hogedrukschakelaar die de compressor afsluit wanneer de druk in het
koudemiddel circuit te hoog wordt. De drukschakelaar schakelt de compressor uit als
de druk hoger is dan 2.0 MPa.
Om de warmtepomp opnieuw te starten, moet de stroom worden uitgeschakeld en
weer ingeschakeld.
7.7.2. Veiligheidsschakelaars
Bij een storing in de elektrische dompelverwarmer, zullen de veiligheidsschakelaars
de warmtepomp afsluiten. Als de ingestelde waarde (80° C) wordt overschreden, zal
de elektrische dompelverwarmer worden afgekoppeld. De elektrische dompelverwar-
mer kan worden gereactiveerd wanneer de temperatuur onder 80° C is.
Hiervoor moet de stroom naar de eenheid worden uitgeschakeld en het voorpaneel
gedemonteerd. Dan kunnen de resetknoppen in het midden van de schakelaars worden
ingedrukt. Dit mag alleen worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel.
Daarbij schakelt een extra thermische veiligheidsschakelaar de compressor uit in het
geval dat het compressoroppervlak temperaturen boven 160° C bereikt
41
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
7.7.3. Alar men
Alarm Betekenis Mogelijke oorzaken Mogelijke oplossing
Er1, Er2, Er3,
Er4, Er5
Tempera-
tuursensoren
buiten de
waarde
De temperatuursensor T1, T2, T3,
T4 of T5 is defect of niet aange-
sloten op de PCB
Controleer of de sensor is
aangesloten op de PCB
Vervang de temperatuur-
sensor
Er- Err HP Hogedruk-
schakelaar
Hoge druk in het koudemiddel
systeem
Verlaag het
watertemperatuurinstelpunt
Verminder de maximale snel-
heid van de ventilator in het
installateurmenu
Hogedrukschakelaar BP1 is
defect of niet aangesloten op de
PCB
Vervang onderdeel
Er 7 - Err
Evap / Er9 -
Err H Evap
Hoge ver-
dampertem-
peratuur
Verkeerde positie van de tempe-
ratuursensor
Controleer of T2 in de ver-
damper is gepositioneerd
Lekkage van koudemiddel
Los lekkages op en vul het
koudemiddel bij
Er- Err C
Evap
Lage
verdam-
pingstempe-
ratuur
Defecte ventilator Zorg ervoor dat de ventila-
tor is aangesloten op de PCB
of vervang het onderdeel
Lage luchtstroom Verhoog de maximale snel-
heid van de ventilator in het
installateurmenu
Lage luchtinlaattemperatuur T1 Verhoog de minimale lucht-
temperatuur in het installa-
teurmenu
Er10 - Filter
Vervang
filter
Vervang het luchtfilter
42
8. ONDERHUD
Let op de lokale wet- en regelgeving met betrekking tot potentiële periodieke inspec-
tie van de warmtepomp door geschoold personeel.
8.1. Milieu-eisen
Volg bij het repareren of demonteren van de warmtepompboiler de milieuregels en
wettelijke vereisten in verband met recycling en verwerking van materialen.
8.2. Koudemiddelsysteem en ventilator
Het onderhoud bestaat voornamelijk uit het reinigen van de verdamper als geen lucht-
filter is geïnstalleerd.
Verwijder de bovenplaat van de warmtepomp. Verplaats kabels van het bovenste
gedeelte van de EPS-behuizing. Verwijder het bovenste gedeelte van de EPS-behui-
zing uit de warmtepomp. Reinig de verdamper en de ventilator met een borstel of een
flesborstel.
Wees voorzichtig wanneer u reinigingsspray gebruikt. Deze kunnen chemicaliën
bevatten, die EPS-onderdelen kunnen beschadigen. Controleer bij twijfel de spray op
een kleine EPS.
Wees voorzichtig dat u de balansgewichten op het ventilatorwiel tijdens dit proces
niet verplaatst, dit veroorzaakt onbalans van de ventilator en leidt tot een hoger
geluidsniveau evenals slijtage aan de ventilator.
8.3. Condens en condensafvoer
Samen met het inspecteren en schoonmaken van de ventilator moet de condensaf-
voer van vuil worden gereinigd.
Giet wat water in de onderste helft van het EPS-deel en controleer of het water vrij
stroomt. Zo niet, dan moet de afvoer worden gereinigd.
43
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
8.4. Watercirculatie en waterreservoir
8.4.1. Overdrukklep
Uw installateur heeft een overdrukklep in de buurt van de koudwateraansluiting op
het warmwaterreservoir geïnstalleerd om het waterreservoir te beschermen tegen
buitensporige druk wanneer het tapwater uitzet tijdens het verhittingsproces.
De tegendrukklep (terugslagklep), die is geïnstalleerd voor de overdrukklep op de
koudwaterleiding, voorkomt dat water uit het reservoir terug in de koudwaterleiding
stroomt. Daardoor stijgt de druk in het waterreservoir naar de maximale instelling van
de overdrukklep en de overdrukklep gaat open. Het overtollige water wordt afge-
voerd. Als de overdrukklep niet openging, zou het waterreservoir barsten.
De overdrukklep moet regelmatig worden bediend om kalkafzetting te verwijderen en
om te controleren of deze niet wordt geblokkeerd. Het wordt getest door de hendel in
te drukken/de greep op de overdrukklep te draaien terwijl wordt gecontroleerd of
water wordt geloosd. Schade veroorzaakt door een defecte overdrukklep wordt niet
gedekt door de garantie.
Houd er rekening mee dat er water uit de afvoerbuis van de overdrukklep kan druppe-
len als gevolg van de verwarming van het water.
8.4.2. Anode
Om corrosie van het geëmailleerde warmwaterreservoir te voorkomen, wordt een
magnesium anode geïnstalleerd achter het voorpaneel aan de bovenste helft van het
waterreservoir.
De anode heeft een levensverwachting van ongeveer 2-5 jaar afhankelijk van de
waterkwaliteit.
Het is raadzaam de anode elk jaar te inspecteren.
1) Sluit elektrische voeding af of trek de stekker eruit.
2) Verwijder de plastic voorklep. Hierdoor krijgt u toegang tot de anode,
3) Ontkoppel de draadverbinding tussen de anode en het reservoir (zie onderstaande
guren).
4) Voeg een multimeter (bereik mA) in tussen de anode en het reservoir. Anodestroom
> 0,3 mA: Anode is actief en ok. Anodestroom < 0,3 mA: Anode moet worden gecon-
troleerd en mogelijk worden vervangen.
5) Ontkoppel de draadverbinding tussen de anode en het reservoir. Sluit de voorklep
en schakel de eenheid in.
44
0.3 mA
Figuur 22 – Anodecontrole
Let op dat het water ten minstens één keer moet worden verwarmd tot operationele
temperaturen voordat de test hierboven kan worden uitgevoerd.
Ter vervanging van de anode moet het volgende gebeuren:
Sluit de koudwaterinvoer.
Sluit een slang aan op de afvoerklep zodat het water uit het waterreservoir in de
dichtstbijzijnde afvoer kan lopen.
Open een warmwatertap (om vacm in het waterreservoir te voorkomen).
Wanneer het waterpeil in het reservoir onder de anode is, kan deze worden verwij-
derd voor inspectie en vervanging.
Controle en vervanging van de anode moeten alleen worden uitgevoerd door gekwali-
ficeerd personeel.
45
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
9. DEMONTAGE EN ONTMANTELING
Het volgende moet worden gedaan tijdens de ontmanteling:
Koppel de eenheid los van de stroom - dat wil zeggen dat de elektrische kabels wor-
den verwijderd.
Sluit de koudwatertoevoer en sluit een slang aan op de afvoerklep zodat het water
uit het reservoir in de dichtstbijzijnde afvoer kan lopen.
Verwijder het water en de verwarmingsbuizen.
Verwijder de luchtkanalen en sluit alle toevoer en afvoerluchtregelkleppen zodat er
zich condens vormt in de kanalen.
De warmtepomp moet worden ontmanteld op de meest milieuvriendelijke manier.
Wanneer het product wordt verwijderd, neem dan de lokale regels voor gemeentelijke
afvalverwijdering in acht.
46
10. VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING
ait-deutschland GmbH
Industrie Str. 3
93359 Kasendorf
Germany
EG-conformiteitsverklaring
bevestigd dat de als volgt aangeduide toestellen in de door ons in omloop gebrachte uitvoering, aan de eisen
van de geharmoniseerde EG-richtlijnen, de EG-veiligheidsstandaards en de productspecifieke EG-
standaards voldoet.
Bij wijzigingen aan een of meerdere toestellen vervalt de geldigheid van deze verklaring.
Aanduiding van de Warmtepomp/de Toestellen
De ondergetekende
Warmtepomp
EN 55014-1
EN ISO 3743-1
Jesper Stannow
Hoofd Ontwikkeling Verwarming
Bedrijf:
Plaats, datum:
Ondertekening
Kasendorf, 12.03.2019
EN 62233
EG-Richtlijnen
EU 517/2014
2014/35/EU 814/2013
2014/30/EU
2017/1369
EN12102
Geharmoniseerde EN
EN12102
EN 55014-2
http;//eur-lex.europa.eu
EU 517/2014
BWP 190S
BWP 260S
WWB190
15208001
15208201
15210901
Artikelnummer 2Artikelnummer 1BestelnummerApparaattype
2011/65/EU
EN 60335-1
EN16147
EN 60335-2-40
47
Technische wijzigingen voorbehouden - 83034800bNL - Originele instructies - ait-deutschland GmbH
ait-deutchland GmbH
Industriestrasse 3
95359 Kasendorf
www.alpha-innotec.de
OE03:967-1903
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48

Alpha innotec BWP 190 260 de handleiding

Type
de handleiding