Philips M1191A Handleiding

Type
Handleiding
28
Productbeschrijving
Drie series voor hergebruik geschikte SpO
2
-sensors van Philips bieden
bewakingsmogelijkheden voor veel verschillende typen patiënten, zoals in de
tabel hieronder te zien is. De referentiespecificaties voor de nauwkeurigheid
van de sensor staan verderop in deze gebruiksaanwijzing.
Sensors A-Serie: Voor gebruik met elk Philips-/Agilent-/HP-instrument dat
de sensor vermeldt als accessoire. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw
instrument voor informatie over de compatibiliteit met sensors uit de A-
Serie.
Sensors B-Serie: Voor gebruik met dezelfde Philips-/Agilent-/HP-
instrumenten die de sensors M1191A en M1191 AL uit de A-Serie
vermelden als compatibele accessoires; d.w.z. M1194B kan M1191A
vervangen en M1191BL kan M1191AL vervangen.
Special Edition Sensors A-Serie (AN-Serie):Voor gebruik met de
instrumenten M1020B of M3001A, Optie A02, die compatibel zijn met
OxiMax® van Philips. Ook voor gebruik met dezelfde Philips-/Agilent-/HP-
instrumenten die sensors van de A-Serie vermelden als compatibele
accessoires. Elke Special Edition A-Serie-sensor kan de gelijkgenummerde
A-serie-sensor vervangen; d.w.z. M1191ANL kan M1191AL vervangen;
M1192AN kan M1192A vervangen; M1193AN kan M1193A vervangen;
M1194AN kan M1194A vervangen; en M1195AN kan M1195A vervangen
.
1
Deze sensors hebben een langere kabel van 3 m (vergeleken met de standaardkabel van 2 m).
2
Deze sensors zijn ook compatibel met instrumenten die compatibel zijn met het Philips-merk OxiMax®.
3
Voorkeursplaatsen voor het aanbrengen van de sensors M1193A en M1195A.
A-Serie
Sensors
B-Serie
Sensors
2
Special
Edition
Sensors A-
Serie
Volwass-
enen
Pediatrie Baby Neonaat
Vinger Oor Vinger Oor
3
Vinger
Teen
3
Hand
Voet
M1191A M1191B n.v.t. 3
1
M1191AL
1
M1191BL
1
M1191ANL
3
M1192A n.v.t. M1192AN 3
M1193A n.v.t. M1193AN 33
M1194A n.v.t. M1194AN 3 3
M1195A n.v.t. M1195AN 33
29
Beoogd gebruik
De herbruikbare SpO
2
-sensors van Philips zijn bestemd voor gebruik bij
meerdere patiënten, wanneer doorlopend niet-invasieve monitoring van de
arteriële zuurstofverzadiging en de hartslagfrequentie vereist is.
Bij de sensors geleverde accessoires
M1627A polsband voor volwassenen: Alleen geleverd bij vingersensors
voor volwassenen om de sensorkabel op de rug van de hand en de pols van
de volwassen patiënt te bevestigen.
Gebruiksaanwijzing: Beschrijft sensormodellen, patiënttoepassingen,
waarschuwingen tegen onjuist gebruik en specificaties.
Accessoires die afzonderlijk kunnen worden gekocht
M1940A adapter: 8-pins (rond vr.) naar 12-pins (rond m.) adapterkabel.
Past 8-pins-sensorconnector aan voor 12-pins instrument-aansluiting.
Verlengt de sensorkabel met 2 m. NIET GEBRUIKEN MET sensoren
M1191AL, M1191ANL, M1191BL.
M1941A verlengkabel: 8-pins (rond vr.) naar 8-pins (rond m.) verlengkabel.
Verlengt de sensorkabel met 2 m. NIET GEBRUIKEN MET sensoren
M1191AL, M1191ANL, M1191BL.
Definitie van productsymbolen
Volwassenen Pediatrie Volwassene vinger Baby/Neo hand Volwassene/
pediatrie oor
Baby Neonaat (Neo) Pediatrie/Baby
Vinger
Baby teen Baby/neo voet
Voorzichtig, zie
documentatie
Alleen
gebruiken
op recept
Bij opslag
Temp
Bevat
geen latex
30
Waarschuwing
Deze sensors zijn uitsluitend voor gebruik met Philips-/Agilent-/HP-
instrumenten. Controleer voor gebruik of de combinatie instrument/
sensor vermeld is in de gebruikersdocumentatie van het instrument (bijv.
de gebruiksaanwijzing); anders kan de patiënt letsel oplopen.
Pulsoxymetrie-metingen kennen een statistische verdeling. Tweederde
van alle pulsoxymetriemetingen valt naar verwachting binnen de
vermelde nauwkeurigheidsmarges (raadpleeg Specificaties verderop in
deze gebruiksaanwijzing voor de vermelde nauwkeurigheid).
Sluit de sensor alleen aan op de SpO
2
-connector of op de SpO
2
-
adapterkabel van de oximeter.
Gebruik de sensor niet op een andere patiënt als de sensor nog niet
gedesinfecteerd is. De sensor kan gedurende de gehele opname bij
dezelfde patiënt in gebruik blijven.
Bij hoge omgevingstemperaturen kan de huid van de patiënt ernstig
verbranden bij langdurige toepassing van de sensor op plaatsen die geen
goede doorbloeding hebben. Controleer de plaatsen waar een sensor is
aangebracht regelmatig om dit te voorkomen. Alle genoemde sensors
werken zonder risico bij temperaturen van meer dan 41
o
C op de huid,
zolang de omgevingstemperatuur onder de 35
o
C blijft.
Zorg ervoor dat de sensor bij de patiënt wordt aangebracht op de
voorkeurs- of alternatieve meetplek en volg daarbij de instructies voor
het aanbrengen die u verderop in dit document aantreft. Het niet in acht
nemen hiervan kan onnauwkeurige metingen opleveren.
Voorkom veneuze pulsatie, circulatie-obstructie, drukplekken,
druknecrose, artefacten en onnauwkeurige metingen, door te zorgen
voor een goed passende sensor die niet te strak zit. Als de sensor te strak
zit doordat de meetplek te groot is of te groot wordt door oedeem, kan de
overmatige druk leiden tot veneuze stuwing achter de meetplek, wat tot
interstitieel oedeem en weefselischemie kan leiden.
Als de sensor te los is aangebracht, kan de sensor afvallen of de optische
uitlijning verstoren, waardoor de metingen onnauwkeurig worden.
31
Waarschuwingen (verv.)
Indien mogelijk dient de toepassingsplek een ledemaat te zijn zonder
arteriële katheter, bloeddrukmanchet of intraveneuze lijn.
Vermijd plekken met veel beweging. Tracht de patiënt stil te houden of
neem een andere plek met minder beweging.
Slecht functionerende hemoglobine of intravasculaire kleurstoffen
kunnen onnauwkeurige metingen opleveren.
Zorg ervoor dat de meetplek niet te zwaar gepigmenteerd is of sterk
gekleurd. Bijvoorbeeld nagellak, kunstnagels, kleurstoffen of
gepigmenteerde crème kunnen onnauwkeurige metingen opleveren. In
zulke gevallen dient u de sensor anders te plaatsen of een andere sensor
voor gebruik op een andere meetplek te kiezen.
Bedek de sensor met ondoorschijnend materiaal indien er sprake is van
sterk of buitengewoon veel licht (infrarode lampen, OK-lampen,
fototherapie). Het niet in acht nemen hiervan kan onnauwkeurige
metingen opleveren.
Voorkom dat de connector met een vloeistof in aanraking komt.
Inspecteer de sensorplaats elke 2 à 3 uur op integriteit van de huid,
correcte optische uitlijning en circulatie distaal van de sensorplek.
Huidirritatie of verkleuring kan optreden als de sensor te lang op één
plek zit. Verplaats de sensor elke vier uur of vaker als de circulatie of
integriteit van de huid in het geding is. Als de lichtbron niet recht
tegenover de detector zit, breng de sensor dan opnieuw aan, of kies een
andere sensor voor gebruik op een andere plek.
Gebruik een sensor niet tijdens MRI-scanning. Dit kan brandwonden of
onnauwkeurige metingen opleveren.
Alleen M1191AL/M1191ANL/M1191BL: Gebruik deze sensors niet
met een verleng- of adapterkabel.
Alleen M1195A/M1195AN: Baby's bewegen veel; maak een sensor op
een baby daarom met tape vast zodat de sensor niet los kan raken van de
vinger. Plaats de sensor indien nodig op een andere vinger of op een
andere plaats (teen).
32
Voordat u de sensor aanbrengt
Zorg ervoor dat u alle waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing van uw
SpO
2
-bewakingsinstrument hebt gelezen en begrepen, net als alle
waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing van deze sensor. Gebruik de
sensors alleen met toegestane instrumenten en alleen op een aanbevolen
toepassingsplaats op de patiënt.
Controleer de sensor op schade
Controleer zowel de buiten- als de binnenkant. Om de binnenkant te
inspecteren opent u voorzichtig de holte van de sensor en controleert u of er
geen scheuren op of naast de transparante siliconenafdekking van de
optische elementen te zien zijn. Kijk ook goed of er geen blaasjes op de
siliconenafdekking zitten en of er geen vloeistof uit de optische elementen
lekt.
Sensors die tekenen van schade of veranderingen vertonen, mogen niet meer
worden gebruikt voor het monitoren van patiënten. Gooi deze sensors weg
en neem daarbij de juiste procedures voor afvalverwerking in acht (zie
verderop).
De sensor weggooien
Versleten sensors weggooien
Sensors die tekenen van materiële of elektrische beschadiging of defecten
vertonen, dienen te worden gedesinfecteerd, gedecontamineerd en weggegooid
volgens de plaatselijke richtlijnen voor afval van ziekenhuismateriaal.
Regelmatig van meetplek veranderen
Verplaats de sensor elke 4 uur naar een andere meetplek, of vaker als de
circulatie of integriteit van de huid daartoe aanleiding geeft.
33
Vinger- (of teen-) sensors
aanbrengen
Vingersensors voor volwassenen
Alle vingers behalve de duim, bij patiënten van meer
dan 50 kg.
A-Serie: M1191A of M1191AL
Special Edition (SE) A-Serie: M1191ANL
B-Serie: M1191B of M1191BL
Pediatrische vingersensors
Alle vingers behalve de duim, bij patiënten tussen 15 kg en 50 kg.
A-Serie: M1192A
Special Edition (SE) A-Serie: M1192AN
Vinger- (of teen-) sensors voor baby's
Alle vingers of tenen (behalve de duim) bij patiënten tussen 4 kg en 15 kg.
De diameter van de vinger of de teen moet 7-8 mm zijn (0,27 - 0,31")
A-Serie: M1195A, of
Special Edition (SE) A-Serie: M1195AN
Stap De vinger- (of teen-) sensor aanbrengen
1 Kies de juiste sensor voor het formaat van de patiënt (hierboven
gedefinieerd).
2 Plaats de sensor op de vinger van de patiënt. Let er bij een sensor voor de
vinger van een volwassene op dat de sensorkabel OP de vinger/hand wordt
geplaatst, zoals hierboven te zien is.
3 De vingertop van de patiënt moet het uiteinde van de sensor raken, maar
mag er niet doorheen steken. Knip de vingernagel als dat nodig is om de
sensor goed te kunnen plaatsen.
4 Maak bij het aanbrengen van een vingersensor voor volwassenen de kabel
vast op de RUG VAN DE HAND met een M1627A-polsband (alleen bij
vingersensors voor volwassenen geleverd).
5 Sluit de sensor aan op het instrument (of, als dat nodig is, op de
adapterkabel).
6 Controleer de sensorplek regelmatig en breng de sensor regelmatig op een
andere plek aan.
bevestiging bij
volwassenen afgebeeld
34
Hand-/voetsensors aanbrengen
Neonaten, hand of voet, voor patiënten tussen 1 kg en 4 kg.
A-Serie: M1193A
Special Edition (SE) A-Serie: M1193AN
Een oorclipsensor aanbrengen
Volwassenen of pediatrische patiënten, oor, voor patiënten
van meer dan 40 kg.
A-Serie: M1194A, of
Special Edition (SE) A-Serie: M1194AN
Stap De hand-/voetsensor aanbrengen
1 Plaats de sensor op de hand of de voet met de optische elementen
tegenover elkaar.
2 Houd de sensor vast terwijl u het bandje iets uitrekt (niet meer dan 2,5 cm
(1,0").
3 Doe het uitgerekte bandje in de gleuf en houd het zo vast terwijl u het
uiteinde door de sluiting haalt. Als het bandje nog te lang is, wikkel het dan
verder naar de volgende gleuf.
4 Sluit de sensor aan op het instrument (of, als dat nodig is, op de
adapterkabel).
5 Controleer de sensorplek regelmatig en breng de sensor regelmatig op
een andere plek aan.
Stap De oorclipsensor aanbrengen
1 Masseer of verwarm de oorlel om de perfusie te stimuleren.
2 Zet de sensor vast op het vlezige gedeelte van de oorlel. Het plastic
fixatiemechanisme verkleint de kans op artefacten door beweging van de
patiënt. Plaats de sensor niet op kraakbeen of op plaatsen waar de sensor
tegen het hoofd drukt.
3 Sluit de sensor aan op het instrument (of, als dat nodig is, op de
adapterkabel).
4 Controleer de sensorplek regelmatig en breng de sensor regelmatig op een
andere plek aan.
35
Reiniging en beperkte desinfectie
De herbruikbare sensors moeten worden schoongemaakt en gedesinfecteerd,
maar mogen niet worden gesteriliseerd. Volg de hieronder beschreven
procedure.
Waarschuwing
Gebruik uitsluitend de hieronder vermelde toegestane reinigings- en
desinfectiemiddelen; gebruik geen andere producten. Het niet in acht
nemen hiervan kan schade aan de sensor en de aansluitdraden
veroorzaken, de levensduur ervan bekorten en veiligheidsrisico’s
opleveren.
Selecteer desinfectiemiddelen zorgvuldig: sommige middelen hebben
bijna dezelfde naam maar een totaal andere samenstelling.
Dompel de sensorconnector niet in reinigingsoplossingen,
desinfecterende middelen of andere vloeistoffen (alleen de sensor en de
kabelbehuizing mogen worden ondergedompeld, niet
de connector).
Week sensors niet langer in desinfecterende middelen dan door de
fabrikant van het middel is aangegeven.
Steriliseer de sensors niet.
Goedgekeurde reinigingsmiddelen
Goedgekeurde desinfecterende middelen
- Mild reinigingsmiddel - Zoutoplossing (1%)
Metricide
®
28 Cidex
®
Formula 7 Kohrsolin
®
(2%)
Metricide
®
Plus 30 Cidex
®
OPA Mucapur
®
-CD (1%)
Terralin
®
Liquid Cidex
®
Plus
Isopropanol (70%) of
Isopropanol Wipe (70%)
Incidin
®
Liquid Omnicide
®
28
Stap Reiniging en beperkte desinfectie
1 Reinig de sensor volgens de instructies van het reinigingsmiddel.
2 Desinfecteer de sensor volgens de instructies van het desinfecterende
middel.
3 Spoel de sensor af met water, veeg hem droog met een schone doek en
laat hem helemaal opdrogen. Als u tekenen van slijtage of schade opmerkt
aan de sensor of de kabel, gooi die dan onmiddellijk weg.
36
Specificaties
Nauwkeurigheid
Sensors A-Serie: Raadpleeg voor de nauwkeurigheid van SpO
2
en pulsfrequentie van de
sensors van de A-serie de gebruiksaanwijzing van uw Philips-/Agilent-/HP-instrument.
Sensors B-Serie: De nauwkeurigheidsspecificaties van SpO
2
en pulsfrequentie voor de
sensors M1191B en M1191BL zijn hetzelfde als de aangegeven specificaties voor de
sensors M1191A en M1191AL die in de gebruiksaanwijzing van uw Philips-/Agilent-/
HP-instrument staan.
Special Edition Sensors A-Serie (AN-Serie): SpO
2
-nauwkeurigheid (functionele
saturatie) voor sensors van de A-serie Special Edition gebruikt in combinatie met
M1020B of M3001A, Optie AO2, gespecificeerd als het root-mean-square verschil
(RMS, standaardafwijking) tussen de gemeten waarden en de referentiewaarden, van 70
tot 100% is: 2% voor M1191ANL en M1192AN; 3% voor M1193AN, M1194AN en
M1195AN.
Neonatale toepassingen: De vermelde nauwkeurigheidswaarden voor neonatale
toepassing zijn al verhoogd met 1% om rekening te houden met de invloed van foetaal
hemoglobine in neonataal bloed op de meting van zuurstofsaturatie, volgens de literatuur.
Golflengtebereik LED's
Het golflengtebereik van de LED's die in deze sensors worden gebruikt, ligt tussen 600
nm en 1000 nm, met een optisch uitgangsvermogen van minder dan 15 mW. Voor artsen
die fotodynamische therapie toepassen kan het nuttig zijn om te weten wat het
golflengtebereik is
Metingvalidatie
De SpO
2
nauwkeurigheid is gevalideerd in humane studies door vergelijking met
arteriële bloedmonsters met als referentie een CO-oximeter. In een patiëntcontrole-
desaturatieonderzoek werden gezonde volwassen vrijwilligers met saturatieniveaus
tussen 70% en 100% SaO2 bestudeerd. De populatiekenmerken voor dat onderzoek
waren:
Ongeveer 50% vrouwelijk en 50% mannelijk met leeftijden van 18-45 jaar
Huidskleur: van licht tot zwart
Omdat metingen van pulsoximeters statistisch worden gedistribueerd, kan van slechts
2/3 van de metingen van de pulsoximeters worden verwacht dat ze binnen de +
RMS-
waarde vallen die door een CO-oximeter wordt gemeten. Functionele testers, zoals een
SpO
2
-simulator, kunnen niet worden gebruikt om de nauwkeurigheid van
pulsoximetersensors te bepalen.

Documenttranscriptie

Productbeschrijving Drie series voor hergebruik geschikte SpO2-sensors van Philips bieden bewakingsmogelijkheden voor veel verschillende typen patiënten, zoals in de tabel hieronder te zien is. De referentiespecificaties voor de nauwkeurigheid van de sensor staan verderop in deze gebruiksaanwijzing. • Sensors A-Serie: Voor gebruik met elk Philips-/Agilent-/HP-instrument dat de sensor vermeldt als accessoire. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw instrument voor informatie over de compatibiliteit met sensors uit de ASerie. • Sensors B-Serie: Voor gebruik met dezelfde Philips-/Agilent-/HPinstrumenten die de sensors M1191A en M1191 AL uit de A-Serie vermelden als compatibele accessoires; d.w.z. M1194B kan M1191A vervangen en M1191BL kan M1191AL vervangen. • Special Edition Sensors A-Serie (AN-Serie):Voor gebruik met de instrumenten M1020B of M3001A, Optie A02, die compatibel zijn met OxiMax® van Philips. Ook voor gebruik met dezelfde Philips-/Agilent-/HPinstrumenten die sensors van de A-Serie vermelden als compatibele accessoires. Elke Special Edition A-Serie-sensor kan de gelijkgenummerde A-serie-sensor vervangen; d.w.z. M1191ANL kan M1191AL vervangen; M1192AN kan M1192A vervangen; M1193AN kan M1193A vervangen; M1194AN kan M1194A vervangen; en M1195AN kan M1195A vervangen. 2 A-Serie Sensors B-Serie Sensors Special Edition Sensors ASerie Vinger M1191A M1191B n.v.t. 3 M1191ANL 3 1 M1191AL 1M1191BL 1 M1192A n.v.t. M1192AN M1193A n.v.t. M1193AN M1194A n.v.t. M1194AN M1195A n.v.t. M1195AN Volwassenen Oor Pediatrie Vinger Oor Baby 3 Vinger Neonaat Teen 3 Hand Voet 3 3 3 3 3 3 3 1Deze sensors hebben een langere kabel van 3 m (vergeleken met de standaardkabel van 2 m). 2Deze sensors zijn ook compatibel met instrumenten die compatibel zijn met het Philips-merk OxiMax®. 3Voorkeursplaatsen voor het aanbrengen van de sensors M1193A en M1195A. 28 Beoogd gebruik De herbruikbare SpO2-sensors van Philips zijn bestemd voor gebruik bij meerdere patiënten, wanneer doorlopend niet-invasieve monitoring van de arteriële zuurstofverzadiging en de hartslagfrequentie vereist is. Bij de sensors geleverde accessoires • M1627A polsband voor volwassenen: Alleen geleverd bij vingersensors voor volwassenen om de sensorkabel op de rug van de hand en de pols van de volwassen patiënt te bevestigen. • Gebruiksaanwijzing: Beschrijft sensormodellen, patiënttoepassingen, waarschuwingen tegen onjuist gebruik en specificaties. Accessoires die afzonderlijk kunnen worden gekocht • M1940A adapter: 8-pins (rond vr.) naar 12-pins (rond m.) adapterkabel. Past 8-pins-sensorconnector aan voor 12-pins instrument-aansluiting. Verlengt de sensorkabel met 2 m. NIET GEBRUIKEN MET sensoren M1191AL, M1191ANL, M1191BL. • M1941A verlengkabel: 8-pins (rond vr.) naar 8-pins (rond m.) verlengkabel. Verlengt de sensorkabel met 2 m. NIET GEBRUIKEN MET sensoren M1191AL, M1191ANL, M1191BL. Definitie van productsymbolen Volwassenen Pediatrie Volwassene vinger Baby/Neo hand Volwassene/ pediatrie oor Baby Neonaat (Neo) Pediatrie/Baby Vinger Baby teen Baby/neo voet Voorzichtig, zie documentatie Alleen gebruiken op recept Bij opslag Temp Bevat geen latex 29 Waarschuwing • Deze sensors zijn uitsluitend voor gebruik met Philips-/Agilent-/HPinstrumenten. Controleer voor gebruik of de combinatie instrument/ sensor vermeld is in de gebruikersdocumentatie van het instrument (bijv. de gebruiksaanwijzing); anders kan de patiënt letsel oplopen. • Pulsoxymetrie-metingen kennen een statistische verdeling. Tweederde van alle pulsoxymetriemetingen valt naar verwachting binnen de vermelde nauwkeurigheidsmarges (raadpleeg Specificaties verderop in deze gebruiksaanwijzing voor de vermelde nauwkeurigheid). • Sluit de sensor alleen aan op de SpO2-connector of op de SpO2adapterkabel van de oximeter. • Gebruik de sensor niet op een andere patiënt als de sensor nog niet gedesinfecteerd is. De sensor kan gedurende de gehele opname bij dezelfde patiënt in gebruik blijven. • Bij hoge omgevingstemperaturen kan de huid van de patiënt ernstig verbranden bij langdurige toepassing van de sensor op plaatsen die geen goede doorbloeding hebben. Controleer de plaatsen waar een sensor is aangebracht regelmatig om dit te voorkomen. Alle genoemde sensors werken zonder risico bij temperaturen van meer dan 41oC op de huid, zolang de omgevingstemperatuur onder de 35oC blijft. • Zorg ervoor dat de sensor bij de patiënt wordt aangebracht op de voorkeurs- of alternatieve meetplek en volg daarbij de instructies voor het aanbrengen die u verderop in dit document aantreft. Het niet in acht nemen hiervan kan onnauwkeurige metingen opleveren. • Voorkom veneuze pulsatie, circulatie-obstructie, drukplekken, druknecrose, artefacten en onnauwkeurige metingen, door te zorgen voor een goed passende sensor die niet te strak zit. Als de sensor te strak zit doordat de meetplek te groot is of te groot wordt door oedeem, kan de overmatige druk leiden tot veneuze stuwing achter de meetplek, wat tot interstitieel oedeem en weefselischemie kan leiden. • Als de sensor te los is aangebracht, kan de sensor afvallen of de optische uitlijning verstoren, waardoor de metingen onnauwkeurig worden. 30 Waarschuwingen (verv.) • Indien mogelijk dient de toepassingsplek een ledemaat te zijn zonder arteriële katheter, bloeddrukmanchet of intraveneuze lijn. • Vermijd plekken met veel beweging. Tracht de patiënt stil te houden of neem een andere plek met minder beweging. • Slecht functionerende hemoglobine of intravasculaire kleurstoffen kunnen onnauwkeurige metingen opleveren. • Zorg ervoor dat de meetplek niet te zwaar gepigmenteerd is of sterk gekleurd. Bijvoorbeeld nagellak, kunstnagels, kleurstoffen of gepigmenteerde crème kunnen onnauwkeurige metingen opleveren. In zulke gevallen dient u de sensor anders te plaatsen of een andere sensor voor gebruik op een andere meetplek te kiezen. • Bedek de sensor met ondoorschijnend materiaal indien er sprake is van sterk of buitengewoon veel licht (infrarode lampen, OK-lampen, fototherapie). Het niet in acht nemen hiervan kan onnauwkeurige metingen opleveren. • Voorkom dat de connector met een vloeistof in aanraking komt. • Inspecteer de sensorplaats elke 2 à 3 uur op integriteit van de huid, correcte optische uitlijning en circulatie distaal van de sensorplek. Huidirritatie of verkleuring kan optreden als de sensor te lang op één plek zit. Verplaats de sensor elke vier uur of vaker als de circulatie of integriteit van de huid in het geding is. Als de lichtbron niet recht tegenover de detector zit, breng de sensor dan opnieuw aan, of kies een andere sensor voor gebruik op een andere plek. • Gebruik een sensor niet tijdens MRI-scanning. Dit kan brandwonden of onnauwkeurige metingen opleveren. • Alleen M1191AL/M1191ANL/M1191BL: Gebruik deze sensors niet met een verleng- of adapterkabel. • Alleen M1195A/M1195AN: Baby's bewegen veel; maak een sensor op een baby daarom met tape vast zodat de sensor niet los kan raken van de vinger. Plaats de sensor indien nodig op een andere vinger of op een andere plaats (teen). 31 Voordat u de sensor aanbrengt Zorg ervoor dat u alle waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing van uw SpO2-bewakingsinstrument hebt gelezen en begrepen, net als alle waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing van deze sensor. Gebruik de sensors alleen met toegestane instrumenten en alleen op een aanbevolen toepassingsplaats op de patiënt. Controleer de sensor op schade • Controleer zowel de buiten- als de binnenkant. Om de binnenkant te inspecteren opent u voorzichtig de holte van de sensor en controleert u of er geen scheuren op of naast de transparante siliconenafdekking van de optische elementen te zien zijn. Kijk ook goed of er geen blaasjes op de siliconenafdekking zitten en of er geen vloeistof uit de optische elementen lekt. • Sensors die tekenen van schade of veranderingen vertonen, mogen niet meer worden gebruikt voor het monitoren van patiënten. Gooi deze sensors weg en neem daarbij de juiste procedures voor afvalverwerking in acht (zie verderop). De sensor weggooien Versleten sensors weggooien Sensors die tekenen van materiële of elektrische beschadiging of defecten vertonen, dienen te worden gedesinfecteerd, gedecontamineerd en weggegooid volgens de plaatselijke richtlijnen voor afval van ziekenhuismateriaal. Regelmatig van meetplek veranderen Verplaats de sensor elke 4 uur naar een andere meetplek, of vaker als de circulatie of integriteit van de huid daartoe aanleiding geeft. 32 Vinger- (of teen-) sensors aanbrengen Vingersensors voor volwassenen Alle vingers behalve de duim, bij patiënten van meer dan 50 kg. bevestiging bij • A-Serie: M1191A of M1191AL volwassenen afgebeeld • Special Edition (SE) A-Serie: M1191ANL • B-Serie: M1191B of M1191BL Pediatrische vingersensors Alle vingers behalve de duim, bij patiënten tussen 15 kg en 50 kg. • A-Serie: M1192A • Special Edition (SE) A-Serie: M1192AN Vinger- (of teen-) sensors voor baby's Alle vingers of tenen (behalve de duim) bij patiënten tussen 4 kg en 15 kg. De diameter van de vinger of de teen moet 7-8 mm zijn (0,27 - 0,31") • A-Serie: M1195A, of • Special Edition (SE) A-Serie: M1195AN Stap De vinger- (of teen-) sensor aanbrengen 1 Kies de juiste sensor voor het formaat van de patiënt (hierboven gedefinieerd). 2 Plaats de sensor op de vinger van de patiënt. Let er bij een sensor voor de vinger van een volwassene op dat de sensorkabel OP de vinger/hand wordt geplaatst, zoals hierboven te zien is. 3 De vingertop van de patiënt moet het uiteinde van de sensor raken, maar mag er niet doorheen steken. Knip de vingernagel als dat nodig is om de sensor goed te kunnen plaatsen. 4 Maak bij het aanbrengen van een vingersensor voor volwassenen de kabel vast op de RUG VAN DE HAND met een M1627A-polsband (alleen bij vingersensors voor volwassenen geleverd). 5 Sluit de sensor aan op het instrument (of, als dat nodig is, op de adapterkabel). 6 Controleer de sensorplek regelmatig en breng de sensor regelmatig op een andere plek aan. 33 Hand-/voetsensors aanbrengen Neonaten, hand of voet, voor patiënten tussen 1 kg en 4 kg. • A-Serie: M1193A • Special Edition (SE) A-Serie: M1193AN Stap De hand-/voetsensor aanbrengen 1 Plaats de sensor op de hand of de voet met de optische elementen tegenover elkaar. 2 Houd de sensor vast terwijl u het bandje iets uitrekt (niet meer dan 2,5 cm (1,0"). 3 Doe het uitgerekte bandje in de gleuf en houd het zo vast terwijl u het uiteinde door de sluiting haalt. Als het bandje nog te lang is, wikkel het dan verder naar de volgende gleuf. 4 Sluit de sensor aan op het instrument (of, als dat nodig is, op de adapterkabel). 5 Controleer de sensorplek regelmatig en breng de sensor regelmatig op een andere plek aan. Een oorclipsensor aanbrengen Volwassenen of pediatrische patiënten, oor, voor patiënten van meer dan 40 kg. • A-Serie: M1194A, of • Special Edition (SE) A-Serie: M1194AN Stap De oorclipsensor aanbrengen 1 Masseer of verwarm de oorlel om de perfusie te stimuleren. 2 Zet de sensor vast op het vlezige gedeelte van de oorlel. Het plastic fixatiemechanisme verkleint de kans op artefacten door beweging van de patiënt. Plaats de sensor niet op kraakbeen of op plaatsen waar de sensor tegen het hoofd drukt. 3 Sluit de sensor aan op het instrument (of, als dat nodig is, op de adapterkabel). 4 Controleer de sensorplek regelmatig en breng de sensor regelmatig op een andere plek aan. 34 Reiniging en beperkte desinfectie De herbruikbare sensors moeten worden schoongemaakt en gedesinfecteerd, maar mogen niet worden gesteriliseerd. Volg de hieronder beschreven procedure. Waarschuwing • Gebruik uitsluitend de hieronder vermelde toegestane reinigings- en desinfectiemiddelen; gebruik geen andere producten. Het niet in acht nemen hiervan kan schade aan de sensor en de aansluitdraden veroorzaken, de levensduur ervan bekorten en veiligheidsrisico’s opleveren. Selecteer desinfectiemiddelen zorgvuldig: sommige middelen hebben bijna dezelfde naam maar een totaal andere samenstelling. Dompel de sensorconnector niet in reinigingsoplossingen, desinfecterende middelen of andere vloeistoffen (alleen de sensor en de kabelbehuizing mogen worden ondergedompeld, niet de connector). Week sensors niet langer in desinfecterende middelen dan door de fabrikant van het middel is aangegeven. Steriliseer de sensors niet. • • • • Goedgekeurde reinigingsmiddelen - Mild reinigingsmiddel - Zoutoplossing (1%) Goedgekeurde desinfecterende middelen Metricide® 28 ® Cidex® Formula 7 Kohrsolin® (2%) Metricide Plus 30 Cidex OPA Mucapur®-CD (1%) Terralin® Liquid Cidex® Plus Incidin® Omnicide® Isopropanol (70%) of Isopropanol Wipe (70%) Stap Liquid ® 28 Reiniging en beperkte desinfectie 1 Reinig de sensor volgens de instructies van het reinigingsmiddel. 2 Desinfecteer de sensor volgens de instructies van het desinfecterende middel. 3 Spoel de sensor af met water, veeg hem droog met een schone doek en laat hem helemaal opdrogen. Als u tekenen van slijtage of schade opmerkt aan de sensor of de kabel, gooi die dan onmiddellijk weg. 35 Specificaties Nauwkeurigheid Sensors A-Serie: Raadpleeg voor de nauwkeurigheid van SpO2 en pulsfrequentie van de sensors van de A-serie de gebruiksaanwijzing van uw Philips-/Agilent-/HP-instrument. Sensors B-Serie: De nauwkeurigheidsspecificaties van SpO2 en pulsfrequentie voor de sensors M1191B en M1191BL zijn hetzelfde als de aangegeven specificaties voor de sensors M1191A en M1191AL die in de gebruiksaanwijzing van uw Philips-/Agilent-/ HP-instrument staan. Special Edition Sensors A-Serie (AN-Serie): SpO2-nauwkeurigheid (functionele saturatie) voor sensors van de A-serie Special Edition gebruikt in combinatie met M1020B of M3001A, Optie AO2, gespecificeerd als het root-mean-square verschil (RMS, standaardafwijking) tussen de gemeten waarden en de referentiewaarden, van 70 tot 100% is: 2% voor M1191ANL en M1192AN; 3% voor M1193AN, M1194AN en M1195AN. Neonatale toepassingen: De vermelde nauwkeurigheidswaarden voor neonatale toepassing zijn al verhoogd met 1% om rekening te houden met de invloed van foetaal hemoglobine in neonataal bloed op de meting van zuurstofsaturatie, volgens de literatuur. Golflengtebereik LED's Het golflengtebereik van de LED's die in deze sensors worden gebruikt, ligt tussen 600 nm en 1000 nm, met een optisch uitgangsvermogen van minder dan 15 mW. Voor artsen die fotodynamische therapie toepassen kan het nuttig zijn om te weten wat het golflengtebereik is Metingvalidatie De SpO2 nauwkeurigheid is gevalideerd in humane studies door vergelijking met arteriële bloedmonsters met als referentie een CO-oximeter. In een patiëntcontroledesaturatieonderzoek werden gezonde volwassen vrijwilligers met saturatieniveaus tussen 70% en 100% SaO2 bestudeerd. De populatiekenmerken voor dat onderzoek waren: • Ongeveer 50% vrouwelijk en 50% mannelijk met leeftijden van 18-45 jaar • Huidskleur: van licht tot zwart Omdat metingen van pulsoximeters statistisch worden gedistribueerd, kan van slechts 2/3 van de metingen van de pulsoximeters worden verwacht dat ze binnen de + RMSwaarde vallen die door een CO-oximeter wordt gemeten. Functionele testers, zoals een SpO2-simulator, kunnen niet worden gebruikt om de nauwkeurigheid van pulsoximetersensors te bepalen. 36
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247

Philips M1191A Handleiding

Type
Handleiding