HP EliteBook 2540p Notebook PC Handleiding

Type
Handleiding
HP EliteBook Notebook PC
Gebruikershandleiding
© Copyright 2010 Hewlett-Packard
Development Company, L.P.
Bluetooth is een handelsmerk van de
desbetreffende eigenaar en wordt door
Hewlett-Packard Company onder licentie
gebruikt. Intel en Centrino zijn
handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken van Intel Corporation of haar
dochterondernemingen in de Verenigde
Staten en andere landen. Java is een in de
Verenigde Staten gedeponeerd
handelsmerk van Sun Microsystems, Inc.
Microsoft en Windows zijn in de Verenigde
Staten gedeponeerde handelsmerken van
Microsoft Corporation. Het SD-logo is een
handelsmerk van de desbetreffende
eigenaar.
De informatie in deze documentatie kan
zonder kennisgeving worden gewijzigd. De
enige garanties voor HP producten en
diensten staan vermeld in de expliciete
garantievoorwaarden bij de betreffende
producten en diensten. Aan de informatie in
deze handleiding kunnen geen aanvullende
rechten worden ontleend. HP aanvaardt
geen aansprakelijkheid voor technische
fouten, drukfouten of weglatingen in deze
publicatie.
Eerste editie, maart 2010
Artikelnummer: 592931-331
Kennisgeving over het product
In deze handleiding worden de
voorzieningen beschreven die op de meeste
modellen beschikbaar zijn. Mogelijk zijn niet
alle voorzieningen op uw computer
beschikbaar.
Kennisgeving aangaande de veiligheid
WAARSCHUWING! Werk niet met de computer op uw schoot en blokkeer de ventilatieopeningen van
de computer niet, om de kans op letsel door hitte of oververhitting van de computer te beperken. Gebruik
de computer alleen op een stevige, vlakke ondergrond. Zorg dat de luchtcirculatie niet wordt
geblokkeerd door een voorwerp van hard materiaal, zoals een ernaast staande printer, of een voorwerp
van zacht materiaal (zoals een kussen, een dik kleed of kleding). Zorg ook dat de netvoedingsadapter,
als die wordt gebruikt, niet in contact komt met de huid of een een voorwerp van zacht materiaal. De
computer en de netvoedingsadapter voldoen aan de temperatuurlimieten voor oppervlakken die voor
de gebruiker toegankelijk zijn, zoals gedefinieerd door de International Standard for Safety of
Information Technology Equipment (IEC 60950).
iii
iv Kennisgeving aangaande de veiligheid
Inhoudsopgave
1 Voorzieningen ................................................................................................................................................. 1
Hardware herkennen ............................................................................................................................ 1
Onderdelen aan de bovenkant ............................................................................................ 1
Aanwijsapparaten ................................................................................................ 1
Lampjes ............................................................................................................... 3
Knoppen en vingerafdruklezer ............................................................................ 4
Toetsen ............................................................................................................... 6
Onderdelen aan de voorkant ............................................................................................... 6
Onderdelen aan de achterkant ............................................................................................ 7
Onderdelen aan de rechterkant ........................................................................................... 8
Onderdelen aan de linkerkant .............................................................................................. 9
Onderdelen aan de onderkant ........................................................................................... 10
Onderdelen van het beeldscherm ..................................................................................... 11
Aanvullende hardwareonderdelen ..................................................................................... 13
Labels herkennen ............................................................................................................................... 13
2 Netwerk (alleen bepaalde modellen) ........................................................................................................... 15
Draadloze verbindingen ..................................................................................................................... 15
Draadloze verbinding tot stand brengen ............................................................................ 15
Pictogrammen voor draadloze communicatie en netwerk herkennen .............. 15
Bedieningselementen voor draadloze communicatie gebruiken ....................... 16
Knop voor draadloze communicatie gebruiken ................................ 16
Wireless Assistant-software gebruiken ............................................. 16
HP Connection Manager gebruiken (alleen bepaalde modellen) ..... 17
Voorzieningen van het besturingssysteem gebruiken ...................... 17
WLAN gebruiken ................................................................................................................ 17
Draadloos netwerk installeren ........................................................................... 17
Draadloos netwerk beveiligen ........................................................................... 18
Verbinding maken met een WLAN .................................................................... 19
Roamen naar een ander netwerk ...................................................................... 20
HP mobiel breedband gebruiken (alleen bepaalde modellen) ........................................... 20
SIM-kaart plaatsen ............................................................................................ 21
SIM-kaart verwijderen ....................................................................................... 22
Draadloos Bluetooth-apparaat gebruiken .......................................................................... 23
Bluetooth en ICS (Internet Connection Sharing) ............................................... 23
Problemen met draadloze verbinding oplossen ................................................................. 23
Kan geen verbinding met het WLAN tot stand brengen .................................... 23
Kan geen verbinding maken met een voorkeursnetwerk .................................. 24
v
Huidige netwerkbeveiligingscodes niet beschikbaar ......................................... 24
WLAN-verbinding is erg zwak ........................................................................... 25
Kan geen verbinding maken met de draadloze router ...................................... 25
Bekabelde verbindingen ..................................................................................................................... 26
Verbinding maken met een lokaal netwerk (LAN) ............................................................. 26
Modem gebruiken (alleen bepaalde modellen) .................................................................. 26
Modemkabel aansluiten (alleen bepaalde modellen) ........................................ 27
Land- of regiospecifieke modemkabeladapter aansluiten (alleen bepaalde
modellen) .......................................................................................................... 27
Locatie-instelling selecteren .............................................................................. 28
Huidige locatieselectie weergeven ................................................... 28
Nieuwe locaties toevoegen tijdens het reizen .................................. 28
Problemen met de reisverbinding oplossen ...................................................... 30
3 Cursorbesturing en toetsenbord ................................................................................................................. 32
Cursorbesturing gebruiken ................................................................................................................. 32
Voorkeuren voor aanwijsapparaten instellen ..................................................................... 32
Touchpad gebruiken .......................................................................................................... 32
Muisbesturing gebruiken .................................................................................................... 32
Externe muis aansluiten .................................................................................................... 32
Toetsenbord gebruiken ...................................................................................................................... 33
Toetsenbordlampje gebruiken ........................................................................................... 33
Sneltoetsen gebruiken ....................................................................................................... 33
HP QuickLook 3 gebruiken ................................................................................................................. 34
Toetsenblokken gebruiken ................................................................................................................. 35
Geïntegreerd numeriek toetsenblok gebruiken .................................................................. 36
Geïntegreerd numeriek toetsenblok in- en uitschakelen ................................... 36
Schakelen tussen functies van toetsen op het geïntegreerde toetsenblok ....... 36
Optioneel extern numeriek toetsenblok gebruiken ............................................................ 36
Touchpad en toetsenbord reinigen ..................................................................................................... 36
4 Multimedia ..................................................................................................................................................... 38
Multimediavoorzieningen .................................................................................................................... 38
Multimediacomponenten herkennen .................................................................................. 38
Multimediasoftware ............................................................................................................................ 39
Vooraf geïnstalleerde multimediasoftware gebruiken ........................................................ 39
Multimediasoftware vanaf een schijf installeren ................................................................ 39
Audio .................................................................................................................................................. 40
Geluidsvolume aanpassen ................................................................................................ 40
Externe audioapparatuur aansluiten .................................................................................. 41
Audiofuncties controleren .................................................................................................. 42
Video .................................................................................................................................................. 42
Externe monitor of projector aansluiten ............................................................................. 42
vi
externe-monitorpoort gebruiken ........................................................................ 42
DisplayPort gebruiken ....................................................................................... 43
Optische-schijfeenheden (alleen bepaalde modellen) ....................................................................... 44
Geïnstalleerde optische-schijfeenheid herkennen ............................................................. 44
Cd of dvd afspelen ............................................................................................................. 44
Regio-instelling voor dvd's wijzigen ................................................................................... 45
Cd of dvd maken (branden) ............................................................................................... 45
Optische schijf (cd of dvd) verwijderen .............................................................................. 46
Webcam ............................................................................................................................................. 47
Webcameigenschappen aanpassen .................................................................................. 47
Webcamfocus instellen ...................................................................................................... 48
Visitekaartjes vastleggen ................................................................................................... 48
5 Energiebeheer ............................................................................................................................................... 50
Opties voor energiebeheer instellen ................................................................................................... 50
Energiebesparende standen gebruiken ............................................................................. 50
Standbystand activeren en beëindigen ............................................................. 50
Hibernationstand activeren of beëindigen ......................................................... 51
Energiemeter gebruiken .................................................................................................... 51
Energiebeheerschema's gebruiken ................................................................................... 52
Huidig energiebeheerschema weergeven ......................................................... 52
Energiebeheerschema’s selecteren .................................................................. 52
Energiebeheerschema’s aanpassen ................................................................. 53
Wachtwoord instellen voor beëindigen standbystand ........................................................ 53
Externe netvoeding gebruiken ............................................................................................................ 53
Netvoedingsadapter aansluiten ......................................................................................... 54
Accuvoeding gebruiken ...................................................................................................................... 54
Acculading weergeven ....................................................................................................... 55
Accu plaatsen of verwijderen ............................................................................................. 55
Accu opladen ..................................................................................................................... 56
Accuwerktijd maximaliseren .............................................................................................. 57
Omgaan met een lage acculading ..................................................................................... 57
Lage acculading herkennen .............................................................................. 58
Problemen met lage acculading verhelpen ....................................................... 59
Lage acculading verhelpen wanneer een externe voedingsbron
beschikbaar is ................................................................................... 59
Lage acculading verhelpen wanneer een opgeladen accu
beschikbaar is ................................................................................... 59
Lage acculading verhelpen wanneer geen voedingsbron
beschikbaar is ................................................................................... 59
Lage acculading verhelpen wanneer de computer de
hibernationstand niet kan beëindigen ............................................... 59
Accu kalibreren .................................................................................................................. 59
Stap 1: laad de accu volledig op ....................................................................... 59
vii
Stap 2: schakel de energiebesparende voorzieningen uit ................................ 60
Stap 3: ontlaad de accu .................................................................................... 60
Stap 4: laad de accu volledig op ....................................................................... 61
Stap 5: schakel de energiebesparende voorzieningen weer in ......................... 61
Accuvoeding besparen ...................................................................................................... 61
Accu opbergen ................................................................................................................... 61
Afvoeren van afgedankte accu's ........................................................................................ 62
Accu vervangen ................................................................................................................. 62
Netvoedingsadapter testen ................................................................................................................ 62
Computer afsluiten ............................................................................................................................. 62
6 Schijfeenheden ............................................................................................................................................. 64
Geïnstalleerde schijfeenheden herkennen ......................................................................................... 64
Schijfeenheden hanteren ................................................................................................................... 64
Prestaties van de vaste schijf verbeteren ........................................................................................... 65
Schijfdefragmentatie gebruiken ......................................................................................... 65
Schijfopruiming gebruiken ................................................................................................. 65
HP 3D DriveGuard gebruiken ............................................................................................................. 65
Status van HP 3D DriveGuard herkennen ......................................................................... 66
HP 3D DriveGuard software gebruiken ............................................................................. 66
RAID gebruiken (alleen bepaalde modellen) ...................................................................................... 66
Vaste schijf vervangen ....................................................................................................................... 67
1,8-inch vaste schijf vervangen ......................................................................................... 67
2,5-inch vaste schijf vervangen ......................................................................................... 72
7 Externe apparatuur ....................................................................................................................................... 79
USB-apparaat gebruiken .................................................................................................................... 79
USB-apparaat aansluiten ................................................................................................... 79
USB-apparaat verwijderen ................................................................................................. 80
Ondersteuning voor oudere USB-systemen ...................................................................... 80
1394-apparaten gebruiken ................................................................................................................. 80
1394-apparaat aansluiten .................................................................................................. 81
1394-apparaat verwijderen ................................................................................................ 81
Dockingconnector gebruiken .............................................................................................................. 82
Externe schijfeenheden gebruiken ..................................................................................................... 82
Optionele externe apparaten gebruiken ............................................................................ 82
Optionele externe optischeschijfeenheid gebruiken ........................................................................... 83
Optische schijf (cd of dvd) plaatsen ................................................................................... 83
Optische schijf (cd of dvd) verwijderen .............................................................................. 84
Als de lade opengaat ........................................................................................ 84
Als de lade niet opengaat .................................................................................. 85
viii
8 Externe mediakaarten ................................................................................................................................... 86
SD Cards gebruiken ........................................................................................................................... 86
Digitale kaart plaatsen ....................................................................................................... 86
Digitale kaart verwijderen .................................................................................................. 86
ExpressCards gebruiken .................................................................................................................... 87
ExpressCard configureren ................................................................................................. 87
ExpressCard plaatsen ....................................................................................................... 87
ExpressCard verwijderen ................................................................................................... 88
Smart Cards gebruiken ...................................................................................................................... 89
Smart Card plaatsen .......................................................................................................... 90
Smart Card verwijderen ..................................................................................................... 90
9 Geheugenmodules ........................................................................................................................................ 91
Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsmoduleslot plaatsen of vervangen ............................ 91
Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden ...................................... 94
10 Beveiliging ................................................................................................................................................. 103
Computer beschermen ..................................................................................................................... 103
Wachtwoorden gebruiken ................................................................................................................. 104
Wachtwoorden instellen in Windows ............................................................................... 104
Wachtwoorden instellen in Computer Setup .................................................................... 104
BIOS-beheerderswachtwoord .......................................................................................... 105
BIOS-beheerderswachtwoord beheren ........................................................... 106
BIOS-beheerderswachtwoord invoeren .......................................................... 108
DriveLock gebruiken in Computer Setup ......................................................................... 108
DriveLock-wachtwoord instellen ...................................................................... 109
DriveLock-wachtwoord invoeren ..................................................................... 110
DriveLock-wachtwoord wijzigen ...................................................................... 111
DriveLock-beveiliging verwijderen ................................................................... 112
Auto DriveLock gebruiken in Computer Setup ................................................................. 112
Wachtwoord voor Automatische DriveLock invoeren ...................................... 112
Beveiliging met Automatische DriveLock verwijderen ..................................... 113
Beveiligingsvoorzieningen van Computer Setup gebruiken ............................................................. 113
Systeemapparaten beveiligen ......................................................................................... 113
Systeeminformatie weergeven in Computer Setup ......................................................... 114
Systeemidentificatie gebruiken in Computer Setup ......................................................... 114
Antivirussoftware gebruiken ............................................................................................................. 115
Firewallsoftware gebruiken ............................................................................................................... 115
Essentiële beveiligingsupdates installeren ....................................................................................... 116
HP ProtectTools Security Manager gebruiken (alleen bepaalde modellen) ..................................... 116
Beveiligingskabel aanbrengen ......................................................................................................... 116
ix
11 Software-updates ...................................................................................................................................... 118
Software-update uitvoeren ............................................................................................................... 118
BIOS bijwerken ................................................................................................................ 118
BIOS-versie bepalen ....................................................................................... 119
BIOS-update downloaden ............................................................................... 120
Applicaties en stuurprogramma's bijwerken .................................................................... 121
SoftPaq Download Manager gebruiken ........................................................................... 121
12 MultiBoot ................................................................................................................................................... 123
Opstartvolgorde van apparaten ........................................................................................................ 123
Opstartapparaten inschakelen in Computer Setup .......................................................................... 123
Wijzigingen in de opstartvolgorde overwegen .................................................................................. 124
MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen ............................................................................................ 125
Nieuwe opstartvolgorde instellen in Computer Setup ...................................................... 125
Op dynamische wijze een opstartapparaat kiezen met de f9-prompt .............................. 126
Prompt voor MultiBoot Express instellen ......................................................................... 126
Voorkeuren MultiBoot Express invoeren ......................................................................... 126
13 Beheer ........................................................................................................................................................ 127
Client Management Solutions gebruiken .......................................................................................... 127
Software-images configureren en distribueren ................................................................ 127
Software beheren en updaten ......................................................................................... 128
HP Client Manager voor Altiris (alleen bepaalde modellen) ............................ 128
HP CCM (Client Configuration Manager) (alleen bepaalde modellen) ........... 130
HP SSM (System Software Manager) ............................................................. 131
Intel Active Management Technology gebruiken (alleen bepaalde modellen) ................................. 131
iAMT-oplossing activeren ................................................................................................ 131
Menu's van het MEBx-setupprogramma gebruiken ......................................................... 131
14 Computer Setup ........................................................................................................................................ 133
Computer Setup starten ................................................................................................................... 133
Computer Setup gebruiken .............................................................................................................. 133
Navigeren en selecteren in Computer Setup ................................................................... 133
Fabrieksinstellingen in Computer Setup herstellen ......................................................... 134
Menu’s van Computer Setup ............................................................................................................ 134
Menu File (Bestand) ........................................................................................................ 135
Menu Security (Beveiliging) ............................................................................................. 136
Menu System Configuration (Systeemconfiguratie) ........................................................ 137
15 Back-up en herstel .................................................................................................................................... 141
Back-up maken van gegevens ......................................................................................................... 141
Herstelactie uitvoeren ....................................................................................................................... 142
Informatie herstellen ........................................................................................................ 142
x
Besturingssysteem en programma's herstellen ............................................................... 142
Index ................................................................................................................................................................. 144
xi
xii
1 Voorzieningen
Hardware herkennen
De samenstelling van de computer verschilt per regio/land en per model. Op de afbeeldingen in dit
hoofdstuk worden de standaardvoorzieningen van de meeste computermodellen weergegeven.
U geeft als volgt een overzicht weer van de hardware die in de computer is geïnstalleerd:
1. Selecteer Start > Deze computer.
2. Klik in het linkerdeelvenster onder Systeemtaken op Systeeminformatie weergeven.
3. Selecteer het tabblad Hardware > Apparaatbeheer.
Met Apparaatbeheer kunt u ook hardware toevoegen of apparaatconfiguraties wijzigen.
Onderdelen aan de bovenkant
Aanwijsapparaten
Onderdeel Beschrijving
(1) Linkerknop van het touchpad* Deze knop heeft dezelfde functie als de linkerknop op een externe
muis.
(2) Touchpad* Hiermee kunt u de aanwijzer (cursor) verplaatsen en onderdelen
op het scherm selecteren of activeren.
(3) Linkerknop EasyPoint-muisbesturing* Deze knop heeft dezelfde functie als de linkerknop op een externe
muis.
Hardware herkennen 1
Onderdeel Beschrijving
(4) EasyPoint-muisbesturing* Hiermee kunt u de aanwijzer (cursor) verplaatsen en onderdelen
op het scherm selecteren of activeren.
(5) Aan/uit-knop van het touchpad Hiermee kunt u het touchpad aan- en uitzetten.
(6) Rechterknop EasyPoint-muisbesturing* Deze knop heeft dezelfde functie als de rechterknop op een
externe muis.
(7) Schuifzone van het touchpad Hiermee schuift u de weergave in het actieve venster op het
beeldscherm omhoog of omlaag.
(8) Rechterknop van het touchpad* Deze knop heeft dezelfde functie als de rechterknop op een
externe muis.
*In deze tabel worden de fabrieksinstellingen beschreven. Om de voorkeuren voor cursorbesturing weer te geven of te wijzigen,
selecteert u Start > Configuratiescherm > Printers en andere hardware > Muis.
2 Hoofdstuk 1 Voorzieningen
Lampjes
Onderdeel Beschrijving
(1) Aan/uit-lampje
Aan: de computer staat aan.
Knipperend: de computer staat in de standbystand.
Uit: de computer is uitgeschakeld of staat in de
hibernationstand.
(2) QuickLook-lampje
Aan: de computer is ingeschakeld.
Uit: de computer is uitgeschakeld of staat in de stand-bystand
of hibernationstand.
(3) QuickWeb-lampje
Aan: de computer is ingeschakeld.
Uit: de computer is uitgeschakeld of staat in de stand-bystand
of hibernationstand.
(4) Lampje voor draadloze communicatie
Blauw: een geïntegreerd apparaat voor draadloze
communicatie, zoals een WLAN-apparaat
(draadloosnetwerkadapter), de HP-module voor mobiel
breedband (alleen bepaalde modellen) en/of een Bluetooth®-
apparaat, is ingeschakeld.
Oranje: alle apparatuur voor draadloze communicatie is
uitgeschakeld.
(5) Aan/uit-lampje van het touchpad
Wit: het touchpad is ingeschakeld.
Oranje: het touchpad is uitgeschakeld.
(6) Caps Lock-lampje Aan: Caps Lock is ingeschakeld.
(7) Num Lock-lampje Aan: Num Lock is actief of het geïntegreerde numerieke
toetsenblok is ingeschakeld.
Hardware herkennen 3
Onderdeel Beschrijving
(8) Lampje Geluid uit
Wit: de luidspreker is ingeschakeld.
Oranje: de luidspreker is uitgeschakeld.
(9) Lampje Geluid zachter Knipperend: de knop Geluid zachter wordt gebruikt om het
geluidsvolume te verlagen.
(10) Lampje Geluid harder Knipperend: de knop Geluid harder wordt gebruikt om het
geluidsvolume te verhogen.
Knoppen en vingerafdruklezer
4 Hoofdstuk 1 Voorzieningen
Onderdeel Beschrijving
(1) Aan/uit-knop
Als de computer is uitgeschakeld, drukt u op de aan/
uit-knop om de computer in te schakelen.
Als de computer is ingeschakeld, drukt u op de knop
om de computer uit te schakelen.
OPMERKING: Hoewel u de computer kunt
afsluiten met de aan/uit-knop, is de aanbevolen
procedure het gebruik van de opdracht Afsluiten van
Windows.
Als de computer in de standbystand staat, drukt u
kort op de aan/uit-knop om de standbystand te
beëindigen.
Als de computer in de hibernationstand staat, drukt
u kort op de aan/uit-knop om de hibernationstand te
beëindigen.
Als de computer niet meer reageert en de
afsluitprocedures van Windows geen effect hebben,
houdt u de aan/uit-knop minstens vijf seconden ingedrukt
om de computer uit te schakelen.
Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en
onderhoud > Energiebeheer als u meer wilt weten over
de instellingen voor energiebeheer.
(2) QuickLook-knop
Als de computer is uitgeschakeld, drukt u op deze
knop om HP QuickLook te openen.
Als de computer is ingeschakeld, drukt u op deze
knop om HP Software Setup (Software installeren)
te openen.
OPMERKING: Als HP Software Setup (Software
installeren) niet beschikbaar is, wordt de
standaardwebbrowser geopend.
(3) QuickWeb-knop
Als de computer is uitgeschakeld, drukt u op deze
knop om HP QuickWeb te openen.
Als de computer is ingeschakeld, drukt u op deze
knop om de standaardwebbrowser te openen.
(4) Knop voor draadloze communicatie Met deze knop kunt u de geïnstalleerde draadloze
apparaten in- en uitschakelen, maar geen draadloze
verbinding tot stand brengen.
OPMERKING: Als u een draadloze verbinding tot stand
wilt brengen, moet er al een draadloos netwerk zijn
ingesteld.
(5) Aan/uit-knop van het touchpad Hiermee kunt u het touchpad in- of uitschakelen.
(6) Knop Geluid uit Hiermee schakelt u de geluidsweergave van het systeem
uit (en weer in).
(7) Knop Geluid zachter Hiermee verlaagt u het geluidsvolume.
(8) Knop Geluid harder Hiermee verhoogt u het geluidsvolume.
(9) Vingerafdruklezer Hiermee kunt u zich met een vingerafdruk bij Windows
aanmelden, in plaats van met een wachtwoord.
Hardware herkennen 5
Toetsen
Onderdeel Beschrijving
(1) esc-toets Druk op deze toets in combinatie met de fn-toets om
systeeminformatie weer te geven.
(2) fn-toets Druk op deze toets in combinatie met een functietoets of de esc-
toets om veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.
(3) Windows-logotoets Hiermee geeft u het menu Start van Windows weer.
(4) Windows-toepassingstoets Hiermee opent u een snelmenu voor items waarbij de aanwijzer
staat.
(5) Toetsen van het geïntegreerde numerieke
toetsenblok
Deze toetsen kunt u laten werken als de toetsen op een extern
numeriek toetsenblok.
(6) Functietoetsen Druk op een van deze toetsen in combinatie met de fn-toets om
veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.
Onderdelen aan de voorkant
6 Hoofdstuk 1 Voorzieningen
Onderdeel Beschrijving
(1) Slot voor visitekaartjes Hiermee houdt u een visitekaartje op zijn plek, zodat de webcam
de gegevens op het kaartje kan vastleggen.
(2) Lampje voor draadloze communicatie
Blauw: een geïntegreerd apparaat voor draadloze
communicatie, zoals een WLAN-apparaat
(draadloosnetwerkadapter), de HP-module voor mobiel
breedband (alleen bepaalde modellen) en/of een Bluetooth-
apparaat, is ingeschakeld.
Oranje: alle apparatuur voor draadloze communicatie is
uitgeschakeld.
(3) Aan/uit-lampje
Aan: de computer is ingeschakeld.
Knipperend: de computer staat in de stand-bystand.
Uit: de computer is uitgeschakeld of staat in de
hibernationstand.
(4) Acculampje
Oranje: er wordt een accu opgeladen.
Wit: de accu is bijna geheel opgeladen.
Knipperend oranje: een accu die de enige beschikbare
voedingsbron is, is bijna leeg. Wanneer de accu een kritiek
laag ladingsniveau bereikt, begint het acculampje snel te
knipperen.
Uit: als de computer is aangesloten op een externe
voedingsbron, gaat het lampje uit wanneer alle accu's in de
computer volledig zijn opgeladen. Als de computer niet is
aangesloten op een externe voedingsbron, blijft het lampje uit
tot de accu in de computer bijna leeg is.
(5) Schijfeenheidlampje
Wit: er wordt geschreven naar of gelezen van de vaste schijf
of een optische-schijfeenheid.
Oranje: HP 3D DriveGuard heeft de interne vaste schijf tijdelijk
geparkeerd.
(6) Luidsprekers (2) Hiermee wordt het geluid van de computer weergegeven.
(7) Beeldschermontgrendeling Hiermee opent u de computer.
Onderdelen aan de achterkant
Onderdeel Beschrijving
(1) RJ-45-netwerkconnector Hierop kunt u een netwerkkabel aansluiten.
(2) USB-poorten (2) Hierop kunt u optionele USB-apparatuur aansluiten.
Hardware herkennen 7
Onderdelen aan de rechterkant
Onderdeel Beschrijving
(1) ExpressCard-slot Hierin kunt u optionele ExpressCards plaatsen.
(2) Dockingconnector Hierop kunt u een optioneel dockingapparaat aansluiten.
(3) Bevestigingspunt voor beveiligingskabel Hiermee bevestigt u een als optie verkrijgbare beveiligingskabel
aan de computer.
OPMERKING: Van de beveiligingskabel moet op de eerste
plaats een ontmoedigende werking uitgaan. Deze voorziening kan
echter niet voorkomen dat de computer verkeerd wordt gebruikt of
wordt gestolen.
(4) Ventilatieopening Deze opening zorgt voor luchtkoeling van de interne onderdelen.
OPMERKING: De ventilator van de computer wordt automatisch
gestart voor luchtkoeling van de interne onderdelen van de
computer en om oververhitting te voorkomen. Het is normaal dat
de interne ventilator af en toe aan- en uitgaat tijdens het gebruik
van de computer.
(5) DisplayPort Via deze poort sluit u een digitaal weergaveapparaat, zoals een
hoogwaardige monitor of projector, aan op het apparaat.
(6) Poort voor externe monitor Hierop kunt u een als optie verkrijgbare VGA-monitor of projector
aansluiten.
(7) Audio-uitgang (hoofdtelefoon)/Audio-ingang
(microfoon)
Hierop kunt u een audioapparaat aansluiten, zoals optionele
stereoluidsprekers met eigen voeding, een hoofdtelefoon, een
oortelefoon, een headset of een televisietoestel, om het
computergeluid via dat apparaat weer te geven. Ook kunt u hierop
de microfoon van een optionele headset aansluiten.
OPMERKING: Wanneer u een extern audioapparaat aansluit op
de hoofdtelefoonuitgang, worden de computerluidsprekers
uitgeschakeld.
(8) 1394-poort Hiermee kunt u een optioneel IEEE 1394- of 1394a-apparaat, zoals
een camcorder, aansluiten op de computer.
(9) SD Card-lezer Ondersteunt digitale kaarten van het type MMD (MultiMediaCard)
en SD (Secure Digital).
8 Hoofdstuk 1 Voorzieningen
Onderdelen aan de linkerkant
OPMERKING: raadpleeg de afbeelding die het meest overeenkomt met uw computer.
Onderdeel Beschrijving
(1) Netvoedingsconnector Hierop kunt u een netvoedingsadapter aansluiten.
(2) RJ-11-connector (modem) Hierop kunt u een modemkabel aansluiten (alleen bepaalde
modellen).
(3) USB-poort met eigen voeding Deze poort voorziet een USB-apparaat, zoals een optionele
externe MultiBay, van voeding bij gebruik van een speciale USB-
kabel die geschikt is om voeding door te geven van de USB-poort
naar het apparaat.
(4) Optische-schijfeenheid Leest van en schrijft naar een optische schijf (alleen bepaalde
modellen).
(5) Smart Card-lezer Hierin kunt u optionele Smart Cards en Java™ Cards plaatsen.
Onderdeel Beschrijving
(1) Netvoedingsconnector Hierop kunt u een netvoedingsadapter aansluiten.
(2) RJ-11-connector (modem) Hierop kunt u een modemkabel aansluiten (alleen bepaalde
modellen).
(3) USB-poort met eigen voeding Deze poort voorziet een USB-apparaat, zoals een optionele
externe MultiBay, van voeding bij gebruik van een speciale USB-
kabel die geschikt is om voeding door te geven van de USB-poort
naar het apparaat.
(4) USB-poort Hierop kunt u een optioneel USB-apparaat aansluiten.
(5) Vaste-schijfruimte Bevat een 2,5-inch vaste schijf.
(6) Smart Card-lezer Hierin kunt u optionele Smart Cards en Java Cards plaatsen.
Hardware herkennen 9
Onderdelen aan de onderkant
Onderdeel Beschrijving
(1) Accuontgrendelingen (2) Hiermee ontgrendelt u de accu uit de accuruimte.
(2) Accuruimte Hierin bevindt zich de accu.
(3) Ventilatieopeningen (7) Deze openingen zorgen voor luchtkoeling van de interne
onderdelen.
OPMERKING: De ventilator van de computer wordt automatisch
gestart voor luchtkoeling van de interne onderdelen van de
computer en om oververhitting te voorkomen. Het is normaal dat
de interne ventilator af en toe aan- en uitgaat tijdens het gebruik
van de computer.
(4) SIM-slot (alleen bepaalde modellen) Hierin bevindt zich een draadloze SIM-kaart (Subscriber Identity
Module). Het SIM-slot bevindt zich in de accuruimte.
(5) Vaste-schijfruimte en
geheugenmodulecompartiment
Bevat een 1,8-inch vaste schijf en een slot voor een
geheugenuitbreidingsmodule.
OPMERKING: De computer heeft één of twee vaste schijven –
een 1,8-inch vaste schijf en/of een 2,5-inch vaste schijf. Als de
computer één vaste schijf heeft, kan de locatie ervan verschillend
zijn.
(6) Luidsprekers (2) Hiermee wordt het geluid van de computer weergegeven.
10 Hoofdstuk 1 Voorzieningen
Onderdeel Beschrijving
(7) Compartiment voor draadloze communicatie Hierin bevindt zich een HP-draadloosbreedbandmodule (alleen
bepaalde modellen) en een WLAN-module (alleen bepaalde
modellen).
VOORZICHTIG: Vervang de module alleen door een module die
is goedgekeurd voor gebruik in de computer door de
overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor de regelgeving met
betrekking tot apparatuur voor draadloze communicatie in uw land/
regio. Zo voorkomt u dat het systeem niet meer reageert en er een
waarschuwing verschijnt. Als er na het vervangen van de module
een waarschuwing verschijnt, verwijdert u de module om de
functionaliteit van de computer te herstellen. Neem vervolgens via
Help en ondersteuning contact op met de technische
ondersteuningsdienst.
(8) Ruimte voor optische schijf of vaste schijf. Bevat een optische schijf of een 2,5-inch vaste schijf.
OPMERKING: De computer heeft één of twee vaste schijven –
een 1,8-inch vaste schijf en/of een 2,5-inch vaste schijf. Als de
computer één vaste schijf heeft, kan de locatie ervan verschillend
zijn.
Onderdelen van het beeldscherm
Hardware herkennen 11
Onderdeel Beschrijving
(1) WWAN-antennes (2)* Via deze antennes worden draadloze signalen verzonden en
ontvangen om te communiceren met draadloze WAN's (WWAN's,
wireless wide area networks) (alleen bepaalde modellen).
(2) WLAN-antennes (2)* Via deze antennes worden draadloze signalen verzonden en
ontvangen om te communiceren met draadloze LAN's (WLAN's,
wireless local area networks) (alleen bepaalde modellen).
(3) Webcamlampje Aan: de webcam is in gebruik.
(4) Webcam Hiermee kunt u audio en videobeelden vastleggen en foto's maken.
(5) Lampje en knop van het toetsenbord Hiermee kunt u het lampje van het toetsenbord openen en
inschakelen, dat het toetsenbord bij slecht licht verlicht.
(6) Interne microfoons (2) Hiermee neemt u geluid op.
OPMERKING: Als er naast elke microfoonopening een
microfoonpictogram staat, beschikt uw computer over interne
microfoons.
(7) Omgevingslichtsensor Hiermee wordt de helderheid van het beeldscherm automatisch
aangepast aan het licht in uw omgeving.
*De antennes zijn niet zichtbaar aan de buitenkant van de computer. Voor een optimale signaaloverdracht houdt u de directe
omgeving van de antennes vrij.
Voor informatie over de voorschriften voor draadloze communicatie raadpleegt u het gedeelte van Informatie over voorschriften,
veiligheid en milieu dat van toepassing is op uw land/regio. Deze voorschriften vindt u in Help en ondersteuning.
12 Hoofdstuk 1 Voorzieningen
Aanvullende hardwareonderdelen
Onderdeel Beschrijving
(1) Netsnoer* Hiermee kunt u een netvoedingsadapter aansluiten op een
stopcontact.
(2) Netvoedingsadapter Hiermee wordt netvoeding omgezet in gelijkstroom.
(3) Accu* Hiermee kunt u de computer op accuvoeding laten werken als de
computer niet is aangesloten op een externe voedingsbron.
(4) Modemkabel (alleen bepaalde modellen)* Hiermee kunt u het interne modem aansluiten op een RJ-11-
telefoonaansluiting of op een land-/regiospecifieke
modemkabeladapter.
(5) Land-/regiospecifieke modemkabeladapter
(alleen bepaalde modellen)
Hiermee wordt de modemkabel geschikt gemaakt voor
telefoonaansluitingen van een ander type dan RJ-11.
*Het uiterlijk van modemkabels, accu's en netsnoeren verschilt per land/regio.
Labels herkennen
De labels die zijn aangebracht op de computer, bieden informatie die u nodig kunt hebben wanneer u
problemen met het systeem probeert op te lossen of wanneer u de computer in het buitenland gebruikt:
Servicelabel: biedt belangrijke informatie, waaronder:
Labels herkennen 13
Productnaam (1). Dit is de productnaam die aan de voorkant van de computer zichtbaar is.
Serienummer (s/n) (2). Dit is een alfanumerieke identificatiecode die voor elk product uniek
is.
Productnummer (p/n) (3). Dit nummer biedt specifieke informatie omtrent de
hardwarecomponenten van het product. Aan de hand van het productnummer kan een
servicemonteur bepalen welke onderdelen er nodig zijn.
Modelbeschrijving (4). Dit is een alfanumerieke identificatiecode die dient om documenten,
stuurprogramma's en ondersteuning voor de computer op te zoeken.
Garantieperiode (5). Dit getal beschrijft de duur (in jaren) van de garantieperiode voor de
computer.
Houd deze gegevens bij de hand wanneer u contact opneemt met de technische ondersteuning.
Het servicelabel bevindt zich in de accuruimte.
Certificaat van echtheid van Microsoft®: bevat de Windows-productcode. U kunt de productcode
nodig hebben wanneer u een update van het besturingssysteem wilt uitvoeren of problemen met
het systeem wilt oplossen. Het certificaat bevindt zich aan de onderkant van de computer.
Label met kennisgevingen: bevat kennisgevingen betreffende het gebruik van de computer. Het
label met kennisgevingen bevindt zich aan de onderzijde van de computer.
Label(s) met keurmerk voor draadloze communicatie (alleen bepaalde modellen): bevatten
informatie over optionele apparatuur voor draadloze communicatie en de keurmerken van diverse
landen waar de apparatuur is goedgekeurd en toegestaan voor gebruik. Een optioneel apparaat
kan een WLAN-apparaat, een HP module voor mobiel breedband of een optioneel Bluetooth®-
apparaat zijn. Als uw computermodel is voorzien van een of meer apparaten voor draadloze
communicatie, heeft de computer een of meer van deze labels met keurmerk. U kunt deze
informatie nodig hebben als u het apparaat in het buitenland wilt gebruiken. Labels met keurmerken
voor apparaten voor draadloze communicatie zijn bevestigd op de onderkant van de computer.
SIM-label (alleen bepaalde modellen): bevat de ICCID (Integrated Circuit Card Identifier) van uw
SIM-kaart. Dit label bevindt zich in de accuruimte.
Label met serienummer van HP module voor mobiel breedband (alleen bepaalde modellen): bevat
het serienummer van uw HP module voor mobiel breedband. Dit label bevindt zich in de
accuruimte.
14 Hoofdstuk 1 Voorzieningen
2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
Uw computer ondersteunt 2 soorten internettoegang:
Draadloos—Voor mobiele internettoegang kunt u een draadloze verbinding gebruiken.
Bekabeld—U kunt toegang krijgen tot internet door in te bellen bij een serviceprovider of door
verbinding te maken met een bekabeld netwerk.
Draadloze verbindingen
Draadloze verbinding tot stand brengen
Met technologie voor draadloze communicatie worden gegevens niet via kabels maar via radiogolven
doorgegeven. Uw computer kan zijn voorzien van een of meer van de volgende apparaten voor
draadloze communicatie:
WLAN-apparaat (Wireless Local Area Network)
HP-module voor mobiel breedband
Bluetooth®-apparaat
Raadpleeg de informatie en koppelingen naar websites in Help en ondersteuning voor meer informatie
over de technologie voor draadloze communicatie.
Pictogrammen voor draadloze communicatie en netwerk herkennen
Pictogram Naam Beschrijving
Draadloze
communicatie
(ingeschakeld)
Geeft de locatie van de lampjes en knop voor draadloze communicatie
op de computer aan. Hiermee wordt tevens de Wireless Assistant-
software op de computer herkend en wordt aangegeven dat een of
meer apparaten voor draadloze communicatie zijn ingeschakeld.
Draadloze
communicatie
(uitgeschakeld)
Hiermee wordt de Wireless Assistant-software op de computer
aangegeven en wordt aangegeven dat alle apparaten voor draadloze
communicatie zijn uitgeschakeld.
HP Connection
Manager
Hiermee wordt HP Connection Manager geopend, waarmee u
verbinding kunt maken met een HP-apparaat voor mobiel breedband
(alleen bepaalde modellen).
Netwerkstatus
(aangesloten)
Hiermee wordt aangegeven dat een of meer van uw
netwerkstuurprogramma's zijn geïnstalleerd en dat een of meer
netwerkapparaten zijn aangesloten op het netwerk.
Netwerkstatus
(uitgeschakeld)
Hiermee wordt aangegeven dat een of meer van uw
netwerkstuurprogramma's zijn geïnstalleerd maar dat er geen
netwerkapparaten op het netwerk zijn aangesloten.
Draadloze verbindingen 15
Bedieningselementen voor draadloze communicatie gebruiken
Met de volgende voorzieningen kunt u de apparaten voor draadloze communicatie op de computer
besturen.
Knop voor draadloze communicatie
Wireless Assistant (Assistent voor draadloze communicatie), software
HP Connection Manager-software (alleen bepaalde modellen)
Voorzieningen van het besturingssysteem
Knop voor draadloze communicatie gebruiken
De computer heeft een knop voor draadloze communicatie, een of meer apparaten voor draadloze
communicatie en 2 lampjes voor draadloze communicatie. Standaard zijn alle apparaten voor draadloze
communicatie geactiveerd en branden de lampjes voor draadloze communicatie blauw wanneer u de
computer aanzet.
De lampjes voor draadloze communicatie geven niet de status van afzonderlijke apparaten voor
draadloze communicatie aan, maar de status van deze apparaten als groep. Als de lampjes voor
draadloze communicatie blauw zijn, is minimaal één apparaat voor draadloze communicatie
ingeschakeld. Als de lampjes voor draadloze communicatie oranje zijn, zijn alle apparaten voor
draadloze communicatie uitgeschakeld.
Omdat alle apparaten voor draadloze communicatie standaard zijn ingeschakeld, kunt u de knop voor
draadloze communicatie gebruiken om alle apparatuur voor draadloze communicatie tegelijk in of uit te
schakelen. Een afzonderlijk apparaat voor draadloze communicatie kan worden bestuurd via Wireless
Assistant of via het hulpprogramma Computer Setup (Computerinstellingen).
OPMERKING: Als de apparaten voor draadloze communicatie zijn uitgeschakeld in Computer Setup
(Computerinstellingen), kunt u ze niet besturen met de knop voor draadloze communicatie totdat u ze
weer inschakelt.
Wireless Assistant-software gebruiken
Een apparaat voor draadloze communicatie kan worden in- of uitgeschakeld via Wireless Assistant
(Assistent voor draadloze communicatie). Als een apparaat voor draadloze communicatie is
gedeactiveerd door Computer Setup (Computerinstellingen), moet het eerst opnieuw worden
geactiveerd via Computer Setup (Computerinstellingen) voordat het kan worden in- of uitgeschakeld
via Wireless Assistant.
OPMERKING: Als u een draadloos apparaat activeert of inschakelt betekent dit niet dat de computer
automatisch verbinding maakt met een netwerk of Bluetooth-apparaat.
U geeft op een van de volgende manieren de status van de apparatuur voor draadloze communicatie
weer:
Plaats de aanwijzer op het pictogram voor draadloze communicatie in het systeemvak aan de
rechterkant van de taakbalk.
– of –
Open Wireless Assistant door te dubbelklikken op het pictogram in het systeemvak.
Raadpleeg de online helpfunctie van de Wireless Assistant-software voor meer informatie:
1. Open Wireless Assistant door te dubbelklikken op het pictogram in het systeemvak.
2. Klik op de knop Help.
16 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
HP Connection Manager gebruiken (alleen bepaalde modellen)
U kunt HP Connection Manager gebruiken om verbinding te maken met WWAN's via de HP-module
voor mobiel breedband in de computer (alleen bepaalde modellen).
Om Connection Manager te starten, klikt u op het pictogram Connection Manager in het systeemvak
aan de rechterkant van de taakbalk.
– of –
Selecteer Start > Alle programma’s > HP > HP Connection Manager.
Raadpleeg de helpfunctie van de Connection Manager-software voor meer informatie.
Voorzieningen van het besturingssysteem gebruiken
Sommige besturingssystemen bieden ook de mogelijkheid om geïntegreerde apparaten voor draadloze
communicatie en de draadloze verbinding te beheren. Met Netwerkverbindingen van Windows® kunt
u bijvoorbeeld kunt u de volgende taken uitvoeren: een verbinding instellen, verbinding maken met een
netwerk, draadloze netwerken beheren, diagnoses stellen van verbindingen en verbindingen herstellen.
Om toegang te krijgen tot Netwerkverbindingen selecteert u Start > Configuratiescherm > Netwerk-
en Internet-verbindingen > Netwerkverbindingen.
Raadpleeg Help en ondersteuning voor meer informatie. Selecteer Start > Help en ondersteuning.
WLAN gebruiken
Met een WLAN-apparaat hebt u toegang tot een draadloos LAN, dat bestaat uit andere computers en
accessoires die met behulp van een draadloze router of een draadloos toegangspunt met elkaar zijn
verbonden.
OPMERKING: De begrippen draadloze router en draadloos toegangspunt worden vaak door elkaar
gebruikt.
Een grootschalig WLAN, zoals een bedrijfs-WLAN of openbaar WLAN, maakt gewoonlijk gebruik
van draadloze toegangspunten die ondersteuning bieden voor een groot aantal computers en
accessoires, en waarmee belangrijke netwerkfuncties kunnen worden afgescheiden.
Een privé-WLAN of een WLAN op een klein kantoor maakt gewoonlijk gebruik van een draadloze
router, waarmee een aantal draadloze en bekabelde computers een internetverbinding, printer en
bestanden kunnen delen zonder dat daarvoor extra hardware of software nodig is.
Als u het WLAN-apparaat in de computer wilt gebruiken, moet u verbinding maken met een WLAN-
infrastructuur (aangeboden door een aanbieder van netwerkdiensten of een openbaar netwerk of
bedrijfsnetwerk).
Draadloos netwerk installeren
Als u een draadloos netwerk wilt installeren en verbinding wilt maken met internet, hebt u de volgende
apparatuur nodig:
een breedbandmodem (DSL- of kabelmodem) (1) en een internetservice met hoge snelheid via
een abonnement bij een internetprovider;
een (afzonderlijk aan te schaffen) draadloze router (2);
de draadloze computer (3)
De volgende afbeelding laat een voorbeeld zien van een geïnstalleerd draadloos netwerk dat is
verbonden met internet.
Draadloze verbindingen 17
Naarmate het netwerk groeit, kunnen aanvullende draadloze en bekabelde computers op het netwerk
worden aangesloten om toegang tot internet te verkrijgen.
Als u hulp nodig hebt bij het installeren van een draadloos netwerk, raadpleegt u de informatie die de
routerfabrikant of uw internetprovider heeft verstrekt.
Draadloos netwerk beveiligen
Omdat de WLAN-standaard is ontworpen met slechts beperkte beveiligingsmogelijkheden – enkel
bedoeld om sporadisch afluisteren te verijdelen en niet de krachtigere vormen van misbruik - is het van
belang dat u inziet dat WLAN's kwetsbaar zijn voor bekende en goed gedocumenteerde
beveiligingslekken.
Draadloze netwerken in openbare zones, of "hotspots", zoals café's en luchthavens, zijn mogelijk
helemaal niet beveiligd. Door fabrikanten van producten voor draadloze communicatie en aanbieders
van hotspotservices worden nieuwe technologieën ontwikkeld om de openbare ruimte veiliger en
anoniemer te maken. Als u bezorgd bent om de beveiliging van uw computer in een hotspot, beperkt u
uw netwerkactiviteiten tot minder belangrijke e-mail en eenvoudig surfen over internet.
Wanneer u een draadloos netwerk installeert of verbinding maakt met een bestaand draadloos netwerk,
is het altijd belangrijk de beveiligingsvoorzieningen in te schakelen om het netwerk te beveiligen tegen
onbevoegde toegang. De algemene beveiligingsniveaus zijn WPA (Wi-Fi Protected Access) en WEP
(Wired Equivalent Privacy). Aangezien draadloze radiosignalen tot buiten het netwerk reiken, kunnen
andere WLAN-apparaten onbeschermde signalen opvangen en verbinding maken met uw netwerk
(onuitgenodigd) of informatie opvangen die via het netwerk wordt verzonden. U kunt echter de volgende
voorzorgsmaatregelen nemen om uw draadloze netwerk hiertegen te beschermen:
Gebruik een zender met ingebouwde beveiliging.
Veel draadloze basisstations, gateways en routers bevatten ingebouwde
beveiligingsvoorzieningen, zoals beveiligingsprotocollen en firewalls voor draadloze
communicatie. Met behulp van de juiste draadloze zender kunt u uw netwerk beschermen tegen
de meest voorkomende beveiligingsrisico’s van draadloze communicatie.
Gebruik een firewall.
Een firewall is een barrière die zowel gegevens als gegevensverzoeken controleert die naar uw
netwerk worden verstuurd, en verdachte items verwijdert. Firewalls zijn er in vele variaties, zowel
softwarematige als hardwarematige. Sommige netwerken maken gebruik van een combinatie van
beide types.
Gebruik versleuteling voor draadloze communicatie.
Voor een draadloos netwerk zijn verschillende geavanceerde coderingsprotocollen beschikbaar.
Kies de oplossing die het beste werkt voor de beveiliging van uw netwerk:
Wired Equivalent Privacy (WEP) is een beveiligingsprotocol voor draadloze communicatie
dat een WEP-sleutel gebruikt om alle netwerkgegevens te coderen of te versleutelen voordat
deze worden doorgestuurd. Normaal gesproken kunt u het netwerk de WEP-sleutel laten
toewijzen. U kunt echter ook zelf een sleutel instellen, een andere sleutel genereren of andere
18 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
geavanceerde opties kiezen. Zonder de juiste sleutel kunnen anderen niet gebruikmaken van
het draadloze netwerk.
WPA (Wi-Fi Protected Access) maakt, net zoals WEP, gebruik van beveiligingsinstellingen
om gegevens te coderen en te decoderen die via het netwerk worden verzonden. In plaats
van één statische beveiligingssleutel voor versleuteling te gebruiken, zoals dat bij WEP het
geval is, maakt WPA echter gebruik van een temporal key integrity protocol (TKIP) om voor
elk pakket dynamisch een nieuwe sleutel te genereren. Bovendien worden voor elke computer
op het netwerk andere sleutelsets gegenereerd.
Sluit uw netwerk.
Voorkom indien mogelijk dat uw netwerknaam (SSID) wordt uitgezonden door de draadloze
zender. De meeste netwerken zenden de naam uit, waarmee ze computers in de buurt van uw
netwerk laten weten dat uw netwerk beschikbaar is. Door het netwerk te sluiten, is de kans kleiner
dat andere computers weten dat uw netwerk bestaat.
OPMERKING: Als uw netwerk gesloten is en de SSID wordt niet uitgezonden, moet u de SSID
onthouden om nieuwe apparaten op het netwerk te kunnen aansluiten. Noteer de SSID en bewaar
de notitie op een veilige plaats voordat u het netwerk sluit.
Verbinding maken met een WLAN
Ga als volgt te werk om verbinding te maken met het WLAN:
1. Controleer of het WLAN-apparaat is ingeschakeld. Als het apparaat is ingeschakeld, branden de
lampjes voor draadloze communicatie blauw. Als de lampjes voor draadloze communicatie oranje
branden, drukt u op de knop voor draadloze communicatie.
2. Selecteer Start > Verbinding maken.
3. Selecteer het WLAN in de lijst en voer als dat nodig is de netwerkbeveiligingssleutel in.
Als het netwerk niet beveiligd is, en iedereen dus zonder meer toegang heeft tot het netwerk,
wordt een waarschuwing weergegeven. Klik op Toch verbinding maken om de
waarschuwing te accepteren en de verbinding tot stand te brengen.
Als het netwerk een beveiligd draadloos netwerk is, wordt u verzocht een
netwerkbeveiligingssleutel in te voeren. Dit is een beveiligingscode. Typ de code en klik
daarna op Verbinden om de verbinding tot stand te brengen.
OPMERKING: Als er geen WLAN's worden weergegeven, betekent dit dat u zich buiten het
bereik van een draadloze router of toegangspunt bevindt.
OPMERKING: Als het netwerk waarmee u verbinding wilt maken niet wordt weergegeven, klikt
u op Alle verbindingen weergeven. Er verschijnt een lijst met opties, waaronder het maken van
een nieuwe netwerkverbinding, alsmede onderwerpen die betrekking hebben op het oplossen van
verbindingsproblemen.
Nadat de verbinding is gemaakt, beweegt u de muisaanwijzer over het netwerkstatuspictogram in het
systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk om de naam en status van de verbinding te controleren.
OPMERKING: Het effectieve bereik (de reikwijdte van de draadloze signalen) varieert al naargelang
de WLAN-implementatie, het merk router en interferentie van andere elektronische apparatuur of vaste
obstakels zoals wanden en vloeren.
Draadloze verbindingen 19
Meer informatie over het gebruik van een WLAN is beschikbaar via de volgende bronnen:
Informatie van uw internetprovider en de instructies van de fabrikant die bij de draadloze router en
andere WLAN-apparatuur zijn geleverd.
Informatie en koppelingen naar relevante websites in Help en ondersteuning
Neem contact op met uw internetprovider of zoek op internet naar een overzicht van openbare draadloze
netwerken ("hotspots") bij u in de buurt. Ga naar de website van uw internetprovider of zoek op internet
met de zoekterm "hotspot". Informeer bij elke locatie met een openbaar draadloos netwerk naar de
kosten en de vereisten voor een verbinding.
Neem contact op met uw netwerkbeheerder of IT-afdeling voor meer informatie over de manier waarop
u met de computer verbinding kunt maken met een draadloos bedrijfsnetwerk.
Roamen naar een ander netwerk
Wanneer u uw computer binnen het bereik van een ander WLAN plaatst, probeert Windows verbinding
te maken met dat netwerk. Als dit lukt, wordt automatisch een verbinding gemaakt tussen uw computer
en het nieuwe netwerk. Als het nieuwe netwerk niet door Windows wordt herkend, volgt u dezelfde
procedure die u eerder gebruikte om verbinding te maken met uw draadloze netwerk.
HP mobiel breedband gebruiken (alleen bepaalde modellen)
Met HP mobiel breedband kan de computer via een WWAN (Wireless Wide Area Network) verbinding
maken met internet vanaf meer locaties en over grotere gebieden dan bij gebruik van een WLAN. Voor
het gebruik van HP mobiel breedband hebt u een netwerkserviceprovider (aanbieder van mobiele
netwerkdiensten) nodig. In de meeste gevallen is dit een aanbieder van mobiele telefonie. De dekking
voor HP mobiel breedband is vergelijkbaar met de dekking voor mobiele telefonie.
Wanneer uw apparaat met HP mobiel breedband wordt gebruikt in combinatie met de service van een
aanbieder van mobiele netwerkdiensten, biedt HP mobiel breedband de mogelijkheid om verbinding te
houden met internet, e-mail te versturen of contact te leggen met het bedrijfsnetwerk, ook als u
onderweg bent en buiten het bereik van Wi-Fi hotspots bent.
HP ondersteunt de volgende technologieën:
HSPA (High Speed Packet Access): biedt toegang tot netwerken op basis van de
telecommunicatiestandaard GSM (Global System for Mobile Communications).
EV-DO (Evolution Data Optimized): biedt toegang tot netwerken op basis van de
telecommunicatiestandaard CDMA (Code Division Multiple Access).
Mogelijk hebt u het serienummer van de HP-module voor mobiel breedband nodig om de mobiele
breedbanddiensten te activeren. Het serienummer is gedrukt op een label in de accuruimte van de
computer.
Sommige aanbieders van mobiele netwerkdiensten vereisen het gebruik van een SIM-kaart (Subscriber
Identity Module). Een SIM-kaart bevat basisinformatie over u, zoals een pincode (persoonlijk
identificatienummer), alsmede netwerkinformatie. Sommige computers bevatten een SIM-kaart die
vooraf in de accuruimte is geïnstalleerd. Als de SIM-kaart niet vooraf is geïnstalleerd, wordt deze
mogelijk meegeleverd met de informatie over HP mobiel breedband bij de computer, of wordt deze
mogelijk apart geleverd door de aanbieder van mobiele netwerkdiensten.
Informatie over het plaatsen en verwijderen van de SIM-kaart vindt u in de gedeelten, "SIM-kaart
plaatsen" en "SIM-kaart verwijderen".
Informatie over HP mobiel breedband en over de manier waarop u de service van een aanbieder van
mobiele netwerkdiensten activeert, vindt u in de informatie over mobiel breedband die bij de computer
20 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
is geleverd. Ga naar de website van HP op http://www.hp.com/go/mobilebroadband en klik op de
koppeling voor uw land of regio voor meer informatie.
SIM-kaart plaatsen
VOORZICHTIG: Wanneer u een SIM-kaart plaatst, moet u de kaart positioneren met de schuine hoek
zoals op de afbeelding. Wanneer een SIM-kaart achterwaarts of omgekeerd wordt geplaatst, klikt de
accu mogelijk niet goed op zijn plaats en kan dit schade veroorzaken aan de SIM-kaart en de SIM-
connector.
Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het plaatsen van een SIM-kaart, om beschadiging van de
connectoren te voorkomen.
Ga als volgt te werk om een SIM-kaart te plaatsen:
1. Sluit de computer af. Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand
staat, zet u de computer aan door op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af
via het besturingssysteem.
2. Sluit het beeldscherm.
3. Ontkoppel alle randapparatuur die op de computer is aangesloten.
4. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.
5. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak neer, met de accuruimte naar u toe.
6. Verwijder de accu.
7. Plaats de SIM-kaart in het SIM-slot en druk de SIM-kaart voorzichtig in het slot tot deze goed vastzit.
8. Plaats de accu terug.
OPMERKING: HP mobiel breedband wordt uitgeschakeld als de accu niet wordt teruggeplaatst.
Draadloze verbindingen 21
9. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
10. Schakel de computer in.
SIM-kaart verwijderen
Ga als volgt te werk om een SIM-kaart te verwijderen:
1. Sluit de computer af. Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand
staat, zet u de computer aan door op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af
via het besturingssysteem.
2. Sluit het beeldscherm.
3. Ontkoppel alle randapparatuur die op de computer is aangesloten.
4. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.
5. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak neer, met de accuruimte naar u toe.
6. Verwijder de accu.
7. Druk de SIM-kaart iets naar binnen (1) en verwijder deze vervolgens uit het slot (2).
8. Plaats de accu terug.
9. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
10. Schakel de computer in.
22 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
Draadloos Bluetooth-apparaat gebruiken
Een Bluetooth-apparaat biedt draadloze communicatie binnen klein bereik, ter vervanging van fysieke
kabelverbindingen waarmee elektronische apparaten, zoals de volgende, vroeger werden aangesloten:
Computers (pc, notebook, PDA)
Telefoons (mobiel, draadloos, smartphone)
Weergaveapparaten (printer, camera)
Audioapparaten (headset, luidsprekers)
Bluetooth-apparaten bieden peer-to-peer mogelijkheden waarmee u een persoonlijk netwerk (PAN) van
Bluetooth-apparaten kunt samenstellen. Voor meer informatie over de configuratie en het gebruik van
Bluetooth-apparaten raadpleegt u de Help bij de Bluetooth-software.
Bluetooth en ICS (Internet Connection Sharing)
HP raadt af om één computer met Bluetooth in te stellen als een host en deze vervolgens te gebruiken
als een gateway waarlangs andere computers verbinding met internet kunnen maken. Wanneer twee
of meer computers met behulp van Bluetooth met elkaar zijn verbonden, en ICS (Internet Connection
Sharing) op een van de computers is ingeschakeld, kunnen de andere computers geen verbinding met
internet maken via het Bluetooth-netwerk.
De kracht van Bluetooth ligt in het synchroniseren van informatieoverdrachten tussen uw computer en
draadloze apparaten, waaronder mobiele telefoons, printers, camera's en PDA's. Het feit dat twee of
meer computers niet consistent met elkaar kunnen worden verbonden om internet te gebruiken via
Bluetooth, is een beperking van Bluetooth en het Windows-besturingssysteem.
Problemen met draadloze verbinding oplossen
Enkele mogelijke oorzaken van problemen met draadloze verbindingen zijn:
Een draadloos apparaat is niet correct geïnstalleerd of is uitgeschakeld.
Er is een storing opgetreden in een draadloos apparaat of router.
De netwerkconfiguratie (SSID of beveiliging) is gewijzigd.
Signalen van het draadloze apparaat worden verstoord door andere apparaten.
OPMERKING: Apparaten voor draadloze netwerken worden alleen met bepaalde computermodellen
geleverd. Als draadloos netwerken niet voorkomt in de lijst met voorzieningen op de oorspronkelijke
computerverpakking, kunt u de computer van deze mogelijkheid voorzien door een apparaat voor
draadloze communicatie aan te schaffen.
Voordat u de reeks mogelijke oplossingen voor uw netwerkverbindingsprobleem doorloopt, controleert
u eerst of voor elk draadloos apparaat een stuurprogramma is geïnstalleerd.
Als een computer niet op de gewenste manier verbinding maakt met het netwerk, volgt u de procedures
in dit hoofdstuk om een diagnose te stellen en het probleem op te lossen.
Kan geen verbinding met het WLAN tot stand brengen
Als u problemen hebt met het tot stand brengen van een WLAN-verbinding, controleert u of het
geïntegreerde WLAN-apparaat correct op uw computer is geïnstalleerd.
1. Selecteer Start > Deze computer.
2. Klik met de rechtermuisknop in het venster Deze computer.
Draadloze verbindingen 23
3. Selecteer Eigenschappen > Hardware > Apparaatbeheer > Netwerkadapters.
4. Zoek het WLAN-apparaat in de lijst met netwerkadapters. De vermelding van een WLAN-apparaat
bevat de term draadloos, draadloos LAN, WLAN of 802.11.
Als er geen WLAN-apparaat wordt vermeld, beschikt de computer niet over een geïntegreerd
WLAN-apparaat of is het stuurprogramma van het WLAN-apparaat niet correct geïnstalleerd.
Raadpleeg de informatie en koppelingen naar websites in Help en ondersteuning voor meer informatie
over het oplossen van problemen met WLAN's.
Kan geen verbinding maken met een voorkeursnetwerk
Windows kan automatisch een beschadigde WLAN-verbinding herstellen:
Als een netwerkstatuspictogram wordt weergegeven in het systeemvak aan de rechterkant van de
taakbalk, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram en klikt u vervolgens op Herstellen in
het menu.
Windows reset het netwerkapparaat en probeert opnieuw verbinding te maken met een van de
voorkeursnetwerken.
Als er een 'x' op het netwerkstatuspictogram staat, betekent dit dat een of meer WLAN- of LAN-
stuurprogramma's zijn geïnstalleerd, maar dat de computer niet is aangesloten.
Als geen netwerkstatuspictogram wordt weergegeven in het systeemvak, doet u het volgende:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk- en Internet-verbindingen >
Netwerkverbindingen.
2. Klik op een van de verbindingen.
3. Klik in het linkerdeelvenster op Deze verbinding herstellen.
Het venster Netwerkverbindingen wordt geopend en Windows reset het netwerkapparaat en
probeert opnieuw verbinding te maken met een van de voorkeursnetwerken.
Huidige netwerkbeveiligingscodes niet beschikbaar
Als u wordt gevraagd om een netwerksleutel of een SSID wanneer u verbinding wilt maken met een
WLAN, is het netwerk beveiligd. U hebt de huidige codes nodig om verbinding te kunnen maken met
een beveiligd netwerk. De SSID en de netwerksleutel zijn alfanumerieke codes waarmee de computer
door het netwerk wordt herkend. U geeft deze codes in de computer op.
Als het netwerk is aangesloten op uw persoonlijke draadloze router, raadpleegt u de
gebruikershandleiding bij de router voor instructies over het instellen van dezelfde codes op zowel
de router als het WLAN-apparaat.
Als het een privé-netwerk betreft, bijvoorbeeld een netwerk in een kantoor of in een openbare
internetchatroom, vraagt u de codes aan de netwerkbeheerder en voert u de codes in wanneer dit
wordt gevraagd.
Bij sommige netwerken worden SSID's of netwerksleutels die op de routers of toegangspunten
worden gebruikt, regelmatig gewijzigd, ter verbetering van de beveiliging. In dat geval moeten de
codes op de computer dienovereenkomstig worden aangepast.
24 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
Als u nieuwe sleutels en een nieuwe SSID hebt ontvangen voor een netwerk en u eerder was verbonden
met dat netwerk, gaat u als volgt te werk om verbinding te maken met het netwerk:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk- en Internet-verbindingen >
Netwerkverbindingen.
Er wordt een lijst weergegeven met de beschikbare WLAN's. Als u zich in een hotspot bevindt waar
meerdere WLAN's actief zijn, worden er meerdere netwerken weergegeven.
2. Klik met de rechtermuisknop op het netwerk en klik op Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Draadloze netwerken.
4. Selecteer het netwerk en klik op Eigenschappen.
OPMERKING: Als het gewenste netwerk niet in de lijst voorkomt, neemt u contact op met de
netwerkbeheerder om na te gaan of de router of het toegangspunt wel werkt.
5. Klik op het tabblad Koppeling en voer de correcte versleutelingsgegevens voor draadloze
communicatie in het veld Netwerksleutel in.
6. Klik op OK om deze instellingen op te slaan.
WLAN-verbinding is erg zwak
Als het netwerk erg zwak is of als de computer geen verbinding met een WLAN kan maken, gaat u als
volgt te werk om te zorgen voor minder interferentie van andere apparaten:
Plaats de computer dichter bij de draadloze router of het toegangspunt.
Schakel andere draadloze apparaten zoals magnetrons en draadloze en mobiele telefoons tijdelijk
uit, om ervoor te zorgen dat andere draadloze apparaten niet storen.
Als de verbinding niet verbetert, kunt u proberen om alle verbindingswaarden op het apparaat opnieuw
in te stellen:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk- en Internet-verbindingen >
Netwerkverbindingen.
2. Klik met de rechtermuisknop op het netwerk en klik op Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Draadloze netwerken.
Er wordt een lijst weergegeven met de beschikbare WLAN's. Als u zich in een hotspot bevindt waar
meerdere WLAN's actief zijn, worden er meerdere netwerken weergegeven.
4. Selecteer een netwerk en klik vervolgens op Verwijderen.
Kan geen verbinding maken met de draadloze router
Als u tevergeefs verbinding probeert te maken met de draadloze router, reset u de draadloze router
door de router gedurende 10 tot 15 seconden uit te zetten.
Als de computer daarna nog steeds geen verbinding met een WLAN kan maken, start u de draadloze
router opnieuw op. Raadpleeg de instructies van de routerfabrikant voor details.
Draadloze verbindingen 25
Bekabelde verbindingen
Verbinding maken met een lokaal netwerk (LAN)
Als u verbinding wilt maken met een lokaal netwerk (LAN), hebt u een 8-pins RJ-45-netwerkkabel nodig
(niet meegeleverd). Als de netwerkkabel een ruisonderdrukkingscircuit (1) bevat, waarmee storing van
de ontvangst van tv- en radiosignalen wordt voorkomen, sluit u de kabel aan op de computer met het
uiteinde waar zich het ruisonderdrukkingscircuit bevindt (2).
Ga als volgt te werk om de netwerkkabel aan te sluiten:
1. Sluit de netwerkkabel aan op de netwerkconnector van de computer (1).
2. Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op een netwerkaansluiting in de wand (2).
WAARSCHUWING! Sluit geen modem- of telefoonkabel aan op een RJ-45-netwerkconnector, om het
risico van een elektrische schok, brand of schade aan de apparatuur te beperken.
Modem gebruiken (alleen bepaalde modellen)
Het modem moet zijn aangesloten op een analoge telefoonlijn via een 6-pins RJ-11-modemkabel (alleen
bepaalde modellen). In sommige landen/regio's is bovendien een land- of regiospecifieke
modemkabeladapter (alleen bepaalde modellen) vereist. Connectoren voor digitale PBX-systemen
lijken mogelijk op analoge telefoonconnectoren maar zijn niet compatibel met het modem.
WAARSCHUWING! Wanneer u het interne analoge modem aansluit op een digitale lijn kan dit het
modem permanent beschadigen. Koppel de modemkabel onmiddellijk los als u deze per ongeluk op
een digitale lijn hebt aangesloten.
26 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
Als de modemkabel een ruisonderdrukkingscircuit (1) bevat, waarmee storing van de ontvangst van tv-
en radiosignalen wordt voorkomen, sluit u de kabel aan op de computer met het uiteinde waar zich het
ruisonderdrukkingscircuit bevindt (2).
Modemkabel aansluiten (alleen bepaalde modellen)
WAARSCHUWING! Sluit geen modem- of telefoonkabel aan op een RJ-45-netwerkconnector, om het
risico van een elektrische schok, brand of schade aan de apparatuur te beperken.
Ga als volgt te werk om een modemkabel aan te sluiten:
1. Steek de modemkabel in de modemconnector (1) van de computer.
2. Steek de modemkabel in de RJ-11-telefoonaansluiting in de muur (2).
Land- of regiospecifieke modemkabeladapter aansluiten (alleen bepaalde modellen)
Telefoonconnectoren verschillen per land/regio. Als u het modem en de modemkabel (alleen bepaalde
modellen) wilt gebruiken buiten het land of de regio waarin u de computer hebt aangeschaft, moet u
een modemkabeladapter (alleen bepaalde modellen) aanschaffen voor specifieke landen/regio's.
Volg deze stappen om het modem aan te sluiten op een analoge telefoonlijn die geen RJ-11
telefoonconnector heeft:
1. Steek de modemkabel in de modemconnector (1) van de computer.
2. Steek de modemkabel in de modemkabelconnector (2).
Bekabelde verbindingen 27
3. Steek de modemkabeladapter (3) in de telefoonaansluiting in de muur.
Locatie-instelling selecteren
Huidige locatieselectie weergeven
Ga als volgt te werk om de huidige locatie-instelling voor het modem weer te geven:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm.
2. Klik op Datum, tijd, taal en landinstellingen.
3. Klik op Landinstellingen.
Uw locatie wordt weergegeven onder Locatie.
Nieuwe locaties toevoegen tijdens het reizen
Een locatie-instelling voor het land of de regio waarin u de computer hebt aangeschaft, is standaard de
enige beschikbare locatie-instelling voor het modem. Als u naar verschillende landen/regio's reist, stelt
u het interne modem in op een locatie-instelling die voldoet aan de gebruiksnormen van het land of de
regio waarin u het modem gebruikt.
Wanneer u nieuwe locatie-instellingen toevoegt, worden deze opgeslagen door de computer zodat u
op elk moment kunt schakelen tussen de instellingen. U kunt meerdere locatie-instellingen toevoegen
voor elk land en elke regio.
VOORZICHTIG: Wis de huidige land-/regio-instellingen voor het modem niet, om te voorkomen dat u
de instellingen voor uw eigen land/regio verliest. Voeg een nieuwe configuratie toe voor elke locatie
waar u het modem gebruikt. Op die manier kunt u het modem in andere landen/regio's gebruiken, terwijl
de configuratie voor uw eigen land/regio behouden blijft.
VOORZICHTIG: Selecteer het land of de regio waarin de computer zich bevindt, om te voorkomen
dat u het modem configureert op een manier die in strijd is met de lokale wet- en regelgeving voor
telecommunicatie. Mogelijk functioneert het modem niet correct als het verkeerde land of de verkeerde
regio is geselecteerd.
28 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
Ga als volgt te werk om een locatie-instelling voor het modem toe te voegen:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk- en Internet-verbindingen.
2. Klik in het deelvenster aan de linkerzijde op Telefoon- en modemopties.
3. Klik vervolgens op het tabblad Kiesregels.
4. Klik op Nieuw. Het venster Nieuwe locatie wordt weergegeven.
5. In het vak Locatienaam typt u een naam (zoals “thuis” of “werk”) voor de nieuwe locatie-instelling.
6. Selecteer een land of regio in de keuzelijst Land/regio. (Indien u een land of regio selecteert die
niet ondersteund wordt door het modem, wordt de land/regio-selectie voor VS of VK standaard
weergegeven.)
7. Klik op OK om uw nieuwe locatie-instelling op te slaan. Het venster Telefoon- en modemopties
wordt weergegeven.
8. Ga als volgt te werk:
Klik op OK om uw nieuwe locatie-instelling als de huidige locatie op te slaan.
Selecteer uw voorkeur in de instellingen in de lijst Locatie en klik vervolgens op OK om een
andere locatie-instelling als de huidige locatie-instelling te selecteren.
OPMERKING: U kunt de voorgaande procedure gebruiken om locatie-instellingen toe te
voegen voor locaties binnen uw eigen land/regio en in andere landen/regio's. U kunt
bijvoorbeeld een instelling 'Werk' toevoegen met kiesregels voor het bereiken van een externe
lijn.
Bekabelde verbindingen 29
Problemen met de reisverbinding oplossen
Als u problemen ondervindt met de modemverbinding bij gebruik van de computer buiten het land of de
regio waarin u de computer hebt aangeschaft, probeert u de volgende suggesties.
Controleer het type telefoonlijn.
Het modem vereist een analoge en geen digitale telefoonlijn. Een lijn die omschreven wordt als
een PBX-lijn is gewoonlijk een digitale lijn. Een telefoonlijn die omschreven wordt als een datalijn,
faxapparaatlijn, modemlijn of standaard telefoonlijn is gewoonlijk een analoge lijn.
Controleer op puls- of toonkeuze.
Een analoge telefoonlijn ondersteunt een van 2 kiesmodi: puls- of toonkeuze. Deze opties voor de
kiesmodus worden geselecteerd in de instellingen Telefoon- en modemopties. De geselecteerde
optie voor de kiesmodus moet overeenkomen met de kiesmodus die ondersteund wordt door de
telefoonlijn in uw locatie.
Doe het volgende om de kiesmodus te bepalen die ondersteund wordt door een telefoonlijn: kies
enkele cijfers op de telefoon en luister vervolgens naar kliktonen (pulsen) of pieptonen. Kliktonen
wijzen erop dat de telefoonlijn pulskeuze ondersteunt. Pieptonen wijzen erop dat de telefoonlijn
toonkeuze ondersteunt.
Ga als volgt te werk om de kiesmodus in uw huidige modemlocatie-instelling te wijzigen:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk- en Internet-verbindingen.
2. Klik in het deelvenster aan de linkerzijde op Telefoon- en modemopties.
3. Klik vervolgens op het tabblad Kiesregels.
4. Selecteer uw modemlocatie-instelling.
5. Klik op Bewerken.
6. Klik op Toon of Puls.
7. Klik twee keer op OK.
Controleer het telefoonnummer dat u kiest en de respons van het externe modem.
Kies een telefoonnummer, controleer of er een respons is van het externe modem en haak
vervolgens in.
Stel het modem zodanig in dat kiestonen genegeerd worden.
Indien het modem een kiestoon ontvangt die het niet kan herkennen, kiest het modem niet en
verschijnt een foutbericht “Geen kiestoon”.
Ga als volgt te werk om het modem zodanig in te stellen dat alle kiestonen worden genegeerd
alvorens te kiezen:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Netwerk- en Internet-verbindingen.
2. Klik in het deelvenster aan de linkerzijde op Telefoon- en modemopties.
3. Klik vervolgens op het tabblad Modems.
4. Klik op de vermelding van het modem in de lijst.
5. Klik op Eigenschappen.
6. Klik op Modem.
30 Hoofdstuk 2 Netwerk (alleen bepaalde modellen)
7. Schakel het selectievakje uit voor Op kiestoon wachten voordat het nummer wordt
gekozen.
8. Klik twee keer op OK.
Bekabelde verbindingen 31
3 Cursorbesturing en toetsenbord
Cursorbesturing gebruiken
Voorkeuren voor aanwijsapparaten instellen
Via de eigenschappen voor de muis in Windows® kunt u de instellingen voor aanwijsapparaten
aanpassen aan uw wensen. U kunt bijvoorbeeld de knopconfiguratie, kliksnelheid en opties voor de
aanwijzer instellen.
Selecteer Start > Configuratiescherm > Printers en andere hardware > Muis om Eigenschappen
voor Muis te openen.
Touchpad gebruiken
Als u de aanwijzer wilt verplaatsen, schuift u uw vinger over het oppervlak van het touchpad in de richting
waarin u de aanwijzer wilt bewegen. Gebruik de knoppen van het touchpad zoals u de knoppen op een
externe muis zou gebruiken. Als u omhoog en omlaag wilt schuiven met de verticale schuifzone van het
touchpad, schuift u met uw vinger omhoog en omlaag over de lijnen.
OPMERKING: Als u het touchpad gebruikt om de aanwijzer te verplaatsen, haalt u eerst uw vinger
van het touchpad voordat u uw vinger op de schuifzone plaatst. Als u uw vinger doorschuift van het
touchpad naar de schuifzone, wordt de schuiffunctie niet geactiveerd.
Muisbesturing gebruiken
Druk de EasyPoint-muisbesturing in de richting waarin u de aanwijzer op het scherm wilt verplaatsen.
Gebruik de linker- en rechterknop van de EasyPoint-muisbesturing net zoals u de linker- en rechterknop
op een externe muis gebruikt.
Externe muis aansluiten
U kunt een externe USB-muis aansluiten op de computer via een van de USB-poorten op de computer.
U kunt ook een USB-muis aansluiten op het systeem via de poorten op een optioneel
dockingapparaat.
32 Hoofdstuk 3 Cursorbesturing en toetsenbord
Toetsenbord gebruiken
Toetsenbordlampje gebruiken
Het toetsenbordlampje verlicht het toetsenbord van de computer als er weinig licht is.
1. Om het toetsenbordlampje te openen en aan te doen, drukt u op de knop van het
toetsenbordlampje.
2. Druk nogmaals op de knop om het toetsenbordlampje in te schakelen.
Sneltoetsen gebruiken
Sneltoetsen zijn combinaties van de fn-toets (1) met de esc-toets (2) of met een van de functietoetsen
(3).
De pictogrammen op de toetsen f3, f4 en f8 tot en met f11 geven de functies van de sneltoetsen weer.
Sneltoetsfuncties en procedures voor sneltoetsen worden beschreven in de volgende gedeelten.
Toetsenbord gebruiken 33
Ga als volgt te werk om een sneltoetsopdracht uit te voeren met het toetsenbord van de computer:
Druk kort op de fn-toets en druk vervolgens kort op de tweede toets van de sneltoetsopdracht.
– of –
Houd de fn-toets ingedrukt, druk kort op de tweede toets van de sneltoetsopdracht en laat
vervolgens beide toetsen tegelijk los.
sneltoets Beschrijving
fn+esc esc Hiermee geeft u informatie weer over de hardwareonderdelen en het versienummer
van het systeem-BIOS.
fn+f3 Activeert de stand-bystand waarbij uw informatie in het systeemgeheugen wordt
opgeslagen. Het scherm wordt leeg en de energiebesparingsmodus wordt
geactiveerd. De aan/uit-lampjes knipperen wanneer de computer in de stand-
bystand staat.
Druk kort op de aan/uit-knop als u de stand-bystand wilt beëindigen.
VOORZICHTIG: Sla uw werk op voordat u de stand-bystand activeert, om het
risico van gegevensverlies te beperken.
OPMERKING: Als de acculading een kritiek laag niveau bereikt terwijl de
computer in de stand-bystand staat, wordt de hibernationstand geactiveerd en
worden de gegevens in het geheugen opgeslagen op de vaste schijf.
De functie van de sneltoets fn+f3 kan worden gewijzigd. U kunt bijvoorbeeld instellen
dat met de sneltoets fn+f3 de hibernationstand wordt geactiveerd in plaats van de
stand-bystand.
OPMERKING: In alle vensters in het besturingssysteem Windows verwijst de term
slaapstandknop naar de sneltoets fn+f3.
fn+f4 Hiermee schakelt u tussen de weergaveapparaten die op het systeem zijn
aangesloten. Als bijvoorbeeld een monitor op de computer is aangesloten, wordt de
weergave iedere keer dat u op fn+f4 drukt, overgeschakeld tussen het scherm van
de computer, de monitor, en zowel het computerscherm als de monitor tegelijk.
De meeste externe monitoren maken gebruik van de externe-VGA-videostandaard
om videogegevens van de computer te ontvangen. De sneltoets fn+f4 kan ook de
weergave overschakelen tussen andere apparaten die van de computer
videogegevens ontvangen.
fn+f8 Geeft oplaadgegevens weer voor alle geïnstalleerde accu's. Op het scherm wordt
zowel weergegeven welke accu’s worden opgeladen als de resterende lading van
elke accu.
fn+f9 Hiermee verlaagt u de helderheid van het scherm.
fn+f10 Hiermee verhoogt u de helderheid van het scherm.
fn+f11 Activeert en deactiveert de omgevingslichtsensor.
HP QuickLook 3 gebruiken
Met QuickLook 3 kunt u agenda-items, contactgegevens, gegevens uit Postvak IN en taakgegevens uit
Microsoft Outlook opslaan op de vaste schijf van de computer. Wanneer de computer is uitgeschakeld,
34 Hoofdstuk 3 Cursorbesturing en toetsenbord
kunt u op de QuickLook-knop van de computer drukken om deze informatie te bekijken zonder te hoeven
wachten tot het besturingssysteem is opgestart.
Met QuickLook 3 kunt u contactgegevens, agendagegevens, e-mailgegevens en taken beheren zonder
de computer te hoeven opstarten.
OPMERKING: QuickLook 3 ondersteunt de standbystand of de hibernationstand in Windows niet.
Raadpleeg de helpfunctie van de QuickLook 3-software voor meer informatie over het configureren en
gebruiken van QuickLook 3.
Toetsenblokken gebruiken
De computer heeft een geïntegreerd numeriek toetsenblok en ondersteunt tevens een optioneel extern
numeriek toetsenblok of een optioneel extern toetsenbord met een numeriek toetsenblok.
Onderdeel Beschrijving
(1) fn-toets Als u op deze toets drukt in combinatie met de num lk-toets, wordt
het geïntegreerde numerieke toetsenbord ingeschakeld.
(2) Num Lock-lampje Aan: Num Lock is ingeschakeld.
(3) Geïntegreerd numeriek toetsenblok Wanneer het toetsenblok is ingeschakeld, kunt u de toetsen op
dezelfde manier gebruiken als de toetsen van een extern numeriek
toetsenblok.
(4) Num lk-toets Als u op deze toets drukt in combinatie met de fn-toets, wordt het
geïntegreerde numerieke toetsenbord in-/uitgeschakeld.
Toetsenblokken gebruiken 35
Geïntegreerd numeriek toetsenblok gebruiken
U kunt de vijftien toetsen van het geïntegreerde numerieke toetsenblok op dezelfde manier gebruiken
als de toetsen van een extern toetsenblok. Wanneer het geïntegreerde numerieke toetsenblok is
ingeschakeld, voert u met elke toets van dit toetsenblok de functie uit die wordt aangegeven door het
pictogram in de rechterbovenhoek van de toets.
Geïntegreerd numeriek toetsenblok in- en uitschakelen
Druk op fn+num lk om het geïntegreerde numerieke toetsenblok in te schakelen. Druk nogmaals op
fn+num lk om de toetsen weer normaal te kunnen gebruiken.
OPMERKING: Het geïntegreerde numerieke toetsenblok functioneert niet wanneer een extern
toetsenbord of een extern numeriek toetsenblok is aangesloten op de computer of een optioneel
dockingapparaat.
Schakelen tussen functies van toetsen op het geïntegreerde toetsenblok
U kunt tijdelijk schakelen tussen de standaardwerking van de toetsen van het geïntegreerde numerieke
toetsenblok en de numerieke functie. Gebruik hiervoor de toets fn of de toetsencombinatie fn+shift.
Als u de toetsenblokfunctie van een toetsenbloktoets wilt activeren wanneer het toetsenblok is
uitgeschakeld, houdt u de fn-toets ingedrukt terwijl u op de toetsenbloktoets drukt.
Wanneer het toetsenblok is ingeschakeld, gebruikt u de toetsenbloktoetsen als volgt tijdelijk als
standaardtoetsen:
Houd de fn-toets ingedrukt en druk op de toetsenbloktoets om kleine letters te typen.
Houd de toetsen fn+shift ingedrukt om hoofdletters te typen.
Optioneel extern numeriek toetsenblok gebruiken
Voor de meeste externe numerieke toetsenblokken geldt dat de werking van de toetsen afhangt van
het wel of niet ingeschakeld zijn van Num Lock (Num Lock is standaard uitgeschakeld). Bijvoorbeeld:
Wanneer Num Lock is ingeschakeld, kunt u met de meeste toetsenbloktoetsen cijfers typen.
Wanneer Num Lock is uitgeschakeld, werken de meeste toetsenbloktoetsen als pijltoetsen, page
up-toets of page down-toets.
Wanneer Num Lock op een extern toetsenblok wordt ingeschakeld, gaat het Num Lock-lampje op de
computer branden. Wanneer Num Lock op een extern toetsenblok wordt uitgeschakeld, gaat het Num
Lock-lampje op de computer uit.
U schakelt als volgt Num Lock in of uit tijdens het werken op een extern toetsenblok:
Druk op de toets num lk op het externe toetsenblok, niet op het toetsenbord van de computer.
Touchpad en toetsenbord reinigen
Als het touchpad vies of vettig wordt, is het mogelijk dat de muisaanwijzer onverwachte bewegingen op
het scherm maakt. U kunt dit voorkomen door het touchpad te reinigen met een vochtige doek en uw
handen regelmatig te wassen wanneer u met de computer werkt.
WAARSCHUWING! Gebruik geen stofzuigeraccessoires om het toetsenbord te reinigen, om het risico
van een elektrische schok of schade aan interne onderdelen te beperken. Een stofzuiger kan
stofdeeltjes op het oppervlak van het toetsenbord achterlaten.
36 Hoofdstuk 3 Cursorbesturing en toetsenbord
Maak het toetsenbord regelmatig schoon om te voorkomen dat toetsen blijven hangen en om stof, pluis
en vuildeeltjes te verwijderen, zodat deze niet vast komen te zitten onder de toetsen. U kunt een spuitbus
met perslucht en een rietje gebruiken om lucht om en onder de toetsen te blazen en vuil te verwijderen.
Touchpad en toetsenbord reinigen 37
4Multimedia
Multimediavoorzieningen
De computer bevat multimediavoorzieningen waarmee u muziek kunt beluisteren, naar films kunt kijken
en afbeeldingen en foto's kunt bekijken. De computer beschikt mogelijk over de volgende
multimediacomponenten:
Optische-schijfeenheid voor het afspelen van audio- en videoschijven
Geïntegreerde luidsprekers om muziek te beluisteren
Geïntegreerde microfoons om zelf geluid op te nemen
Geïntegreerde webcam waarmee u video kunt opnemen en delen
Vooraf geïnstalleerde multimediasoftware waarmee u muziek, films, afbeeldingen en foto's kunt
weergeven en beheren
OPMERKING: De computer beschikt mogelijk niet over alle vermelde componenten.
Multimediacomponenten herkennen
De volgende afbeelding en tabel geven informatie over de multimediavoorzieningen van de computer.
38 Hoofdstuk 4 Multimedia
Onderdeel Beschrijving
(1) Webcam Hiermee kunt u audio en videobeelden vastleggen en foto's maken.
(2) Interne microfoons (2) Hiermee neemt u geluid op.
OPMERKING: De interne microfoons gebruiken een technologie
met twee arrays, die zorgt voor een betere opname van spraak en
omgevingsgeluiden onderdrukt.
(3) Knop Geluid harder Hiermee verhoogt u het geluidsvolume.
(4) Knop Geluid zachter Hiermee verlaagt u het geluidsvolume.
(5) Knop Geluid uit Hiermee schakelt u de geluidsweergave van het systeem uit (en
weer in).
(6) Audio-uitgang (hoofdtelefoon)/Audio-ingang
(microfoon)
Hierop kunt u optionele stereoluidsprekers met eigen voeding, een
hoofdtelefoon, een oortelefoon of een headset aansluiten. Ook
kunt u hierop de microfoon van een optionele headset aansluiten.
WAARSCHUWING! Zet het volume laag voordat u de
hoofdtelefoon, oortelefoon of headset opzet. Zo beperkt u het risico
van gehoorbeschadiging. Raadpleeg voor aanvullende
veiligheidsinformatie de Informatie over voorschriften, veiligheid en
milieu.
OPMERKING: Wanneer u een extern audioapparaat aansluit op
de hoofdtelefoonuitgang, worden de computerluidsprekers
uitgeschakeld.
(7) Luidsprekers (2) Hiermee wordt het geluid van de computer weergegeven.
Multimediasoftware
De computer bevat vooraf geïnstalleerde multimediasoftware waarmee u muziek kunt afspelen, naar
films kunt kijken en afbeeldingen en foto's kunt bekijken. De volgende gedeelten bevatten meer
informatie over vooraf geïnstalleerde multimediasoftware en over het installeren van
multimediasoftware vanaf een cd of dvd.
Vooraf geïnstalleerde multimediasoftware gebruiken
U maakt als volgt gebruik van de vooraf geïnstalleerde multimediasoftware:
Selecteer Start > Alle programma's en open het multimediaprogramma dat u wilt gebruiken.
OPMERKING: Sommige programma’s bevinden zich mogelijk in submappen.
OPMERKING: Raadpleeg de instructies van de softwarefabrikant voor informatie over de software
die bij de computer is geleverd. Deze instructies kunnen worden verstrekt bij de software of kunnen op
de website van de fabrikant staan.
Multimediasoftware vanaf een schijf installeren
U installeert multimediasoftware als volgt vanaf een cd of dvd:
1. Plaats de schijf in de optische-schijfeenheid of een optionele externe optische-schijfeenheid.
2. Volg de installatie-instructies in de installatiewizard.
3. Start de computer opnieuw op als u daarom wordt gevraagd.
Multimediasoftware 39
Audio
Uw computer biedt de mogelijkheid uiteenlopende audiovoorzieningen te gebruiken:
Muziek afspelen via de computerluidsprekers en/of aangesloten externe luidsprekers
Geluid opnemen met de interne microfoons of een optionele externe microfoon
Muziek downloaden van internet;
Multimediapresentaties maken met beeld en geluid;
Beeld en geluid overbrengen met expresberichtenprogramma's;
Radioprogramma's als audiostream ontvangen (alleen bepaalde modellen) of FM-radiosignalen
ontvangen;
Audio-cd's maken of "branden" met de optische-schijfeenheid (alleen bepaalde modellen) of een
optionele externe optische-schijfeenheid.
Geluidsvolume aanpassen
U kunt het geluidsvolume regelen met de volgende voorzieningen:
Volumeknoppen van de computer:
Als u het geluid wilt uitschakelen of weer wilt inschakelen, drukt u op de knop Geluid uit (1).
Als u het geluid zachter wilt zetten, drukt u op de knop Geluid zachter (2) tot het gewenste
geluidsniveau is bereikt.
Als u het geluid harder wilt zetten, drukt u op de knop Geluid harder (3) tot het gewenste
geluidsniveau is bereikt.
Volumeregeling van Windows:
a. Klik op het pictogram Volume in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
b. U kunt het geluid harder of zachter zetten door de schuifregelaar omhoog of omlaag te
schuiven. Klik op het selectievakje Dempen om het geluid uit te schakelen.
40 Hoofdstuk 4 Multimedia
– of –
a. Dubbelklik op het pictogram Volume in het systeemvak.
b. In de kolom Hoofdvolume zet u het geluid harder of zachter door de schuifregelaar
Volume omhoog of omlaag te bewegen. U kunt ook de balans aanpassen of het geluid
uitschakelen.
Als het pictogram Volume niet in het systeemvak staat, plaatst u het als volgt in het systeemvak:
a. Selecteer Start > Configuratiescherm > Spraak, geluid en geluidsapparaten > Geluiden
en audioapparaten > tabblad Volume.
b. Schakel de optie Pictogram voor het volume in het systeemvak plaatsen in.
c. Klik op Toepassen.
Volumeregeling van programma's:
Het geluidsvolume kan ook binnen bepaalde programma’s worden geregeld.
Externe audioapparatuur aansluiten
WAARSCHUWING! Zet het volume laag voordat u de hoofdtelefoon, oortelefoon of headset opzet.
Zo beperkt u het risico van gehoorbeschadiging. Raadpleeg Informatie over voorschriften, veiligheid en
milieu voor aanvullende informatie over veiligheid.
Als u externe apparaten zoals externe luidsprekers, een hoofdtelefoon of een microfoon wilt aansluiten,
raadpleegt u de bij het apparaat verstrekte informatie. Voor optimale resultaten zijn de volgende tips
van belang:
Zorg dat de apparaatkabel correct is aangesloten op de juiste connector van de computer.
(Kabelconnectoren hebben normaliter een kleurcodering die overeenkomt met die van de
corresponderende connectoren op de computer.)
Installeer alle stuurprogramma's die zijn vereist voor het externe apparaat.
OPMERKING: Een stuurprogramma is een vereist programma dat fungeert als "vertaler" tussen
het apparaat en de programma's die gebruikmaken van het apparaat.
Audio 41
Audiofuncties controleren
U controleert het systeemgeluid van de computer als volgt:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm.
2. Selecteer Spraak, geluid en geluidsapparaten > Geluiden en audioapparaten.
3. Wanneer het venster Eigenschappen voor Geluiden en audioapparaten verschijnt, klikt u op de
tab Geluiden. Selecteer onder Programmagebeurtenissen de gewenste vorm van geluid, zoals
een pieptoon of een alarmsignaal, en klik op de knop Afspelen.
Als het goed is, hoort u het geluid door de luidsprekers van de computer of de aangesloten
hoofdtelefoon.
U controleert de opnamefuncties van de computer als volgt:
1. Selecteer Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Entertainment >
Geluidsrecorder.
2. Klik op Opnemen en spreek in de microfoon. Sla het bestand op het bureaublad op.
3. Open Windows Media Player en speel het geluid af.
OPMERKING: Voor optimale resultaten tijdens het opnemen spreekt u rechtstreeks in de microfoon
en neemt u geluid op in een omgeving die vrij is van achtergrondruis.
Om de audio-instellingen van de computer te bevestigen of te wijzigen, klikt u met de
rechtermuisknop op het pictogram Geluid op de taakbalk, of selecteert u Start >
Configuratiescherm > Spraak, geluid en geluidsapparaten > Geluiden en audioapparaten.
Video
Uw computer biedt de mogelijkheid uiteenlopende videovoorzieningen te gebruiken:
Films bekijken;
Spelletjes spelen via internet;
Afbeeldingen en video's bewerken voor presentaties;
Externe videoapparatuur aansluiten.
Externe monitor of projector aansluiten
Uw computer heeft een externe-monitorpoort en een DisplayPort waarmee u een externe monitor of
projector kunt aansluiten.
externe-monitorpoort gebruiken
Via de externe-monitorpoort sluit u een extern VGA-weergaveapparaat aan op de computer, zoals een
externe VGA-monitor of VGA-projector. De externe-monitorpoort is een analoge weergave-interface.
42 Hoofdstuk 4 Multimedia
Sluit de kabel van het apparaat aan op de externe-monitorpoort om een VGA-weergaveapparaat
aan te sluiten.
OPMERKING: Als een extern weergaveapparaat op de juiste wijze is aangesloten maar geen beeld
geeft, drukt u op fn+f4 om het beeld naar het apparaat te schakelen. Druk herhaaldelijk op fn+f4 om te
schakelen tussen weergave op het computerbeeldscherm en het externe weergaveapparaat.
DisplayPort gebruiken
De DisplayPort sluit een optioneel digitaal weergaveapparaat aan, zoals een hoogwaardige monitor of
projector, op het apparaat. De DisplayPort levert een hogere prestatie dan de externe VGA-monitorpoort
en verbetert de digitale aansluiting.
Sluit de kabel van het apparaat aan op de DisplayPort om een digitaal weergaveapparaat aan te
sluiten.
OPMERKING: Als een extern weergaveapparaat op de juiste wijze is aangesloten maar geen beeld
geeft, drukt u op fn+f4 om het beeld naar het apparaat te schakelen. Druk herhaaldelijk op fn+f4 om te
schakelen tussen weergave op het computerbeeldscherm en het externe weergaveapparaat.
Video 43
Optische-schijfeenheden (alleen bepaalde modellen)
Geïnstalleerde optische-schijfeenheid herkennen
Selecteer Start > Deze computer.
U ziet een lijst met alle apparaten die zijn geïnstalleerd op de computer, waaronder de optische-
schijfeenheid.
Cd of dvd afspelen
1. Zet de computer aan.
2. Druk op de ejectknop (1) op het voorpaneel van de optische-schijfeenheid om de lade te openen.
3. Trek de lade uit (2).
4. Houd de schijf bij de randen vast en plaats de schijf op de as in de lade met het label naar boven.
OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf enigszins
schuin zodat u deze voorzichtig op de as kunt plaatsen.
5. Druk de schijf voorzichtig op de as van de lade totdat de schijf vastklikt (3).
6. Sluit de lade.
7. Als u Automatisch afspelen nog niet heeft geconfigureerd, wordt het dialoogvenster Automatisch
afspelen geopend en kunt u selecteren hoe u de inhoud van het medium wilt gebruiken. Kies
Windows Media Player, dat vooraf is geïnstalleerd op de computer.
OPMERKING: Nadat u een schijf heeft geplaatst, volgt een korte pauze.
Als de standbystand of de hibernationstand per ongeluk wordt geactiveerd tijdens het afspelen van een
schijf, kan het volgende gebeuren:
Het afspelen kan worden onderbroken.
Er kan een waarschuwing worden weergegeven waarin u wordt gevraagd of u wilt doorgaan. Als
dit bericht verschijnt, klikt u op Nee.
Mogelijk moet u de cd of dvd opnieuw starten om het afspelen te hervatten.
44 Hoofdstuk 4 Multimedia
Regio-instelling voor dvd's wijzigen
De meeste dvd's met auteursrechtelijk beschermde bestanden bevatten ook regiocodes. Regiocodes
zijn een hulpmiddel voor de internationale bescherming van auteursrechten.
U kunt een dvd met regiocode alleen afspelen als de regiocode op de dvd overeenkomt met de regio-
instelling van de dvd-drive.
VOORZICHTIG: U kunt de regio-instelling van de dvd-drive slechts vijf keer wijzigen.
De vijfde regio-instelling die u selecteert, wordt de permanente regio-instelling van de dvd-drive.
Op het tabblad DVD-regio kunt u zien hoe vaak u de regio-instelling nog kunt wijzigen.
U wijzigt de instelling als volgt met het besturingssysteem:
1. Selecteer Start > Deze computer.
2. Klik met de rechtermuisknop in het venster en selecteer Eigenschappen > tabblad Hardware >
Apparaatbeheer.
3. Klik op het "+"-teken naast Dvd-/cd-rom-stations.
4. Klik met de rechtermuisknop op de dvd-drive waarvan u de regio-instelling wilt wijzigen en klik
vervolgens op Eigenschappen.
5. Klik op het tabblad DVD-regio en wijzig de instelling.
6. Klik op OK.
Cd of dvd maken (branden)
VOORZICHTIG: Neem de auteursrechtwaarschuwing in acht. Het illegaal kopiëren van
auteursrechtelijk beschermd materiaal, waaronder computerprogramma's, films, uitzendingen en
geluidsopnamen, vormt op grond van het van toepassing zijnde auteursrecht een strafrechtelijke
overtreding. Gebruik deze computer niet voor dergelijke doeleinden.
Als de optische-schijfeenheid van het type cd-rw, dvd-rw of dvd±-rw is, kunt u met behulp van software
zoals Windows Media Player gegevens- en audiobestanden branden, waaronder MP3- en WAV-
muziekbestanden. Voor het branden van videobestanden naar een cd of dvd gebruikt u MyDVD.
Neem de volgende richtlijnen in acht wanneer u een cd of dvd brandt:
Sla open bestanden op en sluit alle programma's af voordat u een schijf brandt.
Een cd-r of dvd-r is gewoonlijk het meest geschikt voor het branden van audiobestanden, omdat
de informatie na het kopiëren niet meer kan worden gewijzigd.
Omdat sommige stereo-installaties in huis of in de auto geen cd-rw's kunnen afspelen, kunt u het
beste cd-r's gebruiken om muziek-cd's te branden.
Een cd-rw of dvd-rw is over het algemeen het meest geschikt voor het branden van
gegevensbestanden of voor het testen van audio- of video-opnamen voordat u ze op een cd of dvd
brandt die niet kan worden gewijzigd.
Dvd-spelers in beeld- en geluidsystemen voor thuisgebruik ondersteunen gewoonlijk niet alle dvd-
indelingen. Raadpleeg de handleiding bij de dvd-speler voor een overzicht van ondersteunde
indelingen.
Een MP3-bestand neemt minder ruimte in beslag dan muziekbestanden met andere indelingen,
en het proces voor het maken van een MP3-schijf is gelijk aan het proces voor het maken van een
gegevensbestand. MP3-bestanden kunnen alleen worden afgespeeld op MP3-spelers of op
computers waarop MP3-software is geïnstalleerd.
Optische-schijfeenheden (alleen bepaalde modellen) 45
Ga als volgt te werk om een cd of dvd te branden:
1. Download of kopieer de bronbestanden naar een map op de vaste schijf.
2. Plaats een lege cd of dvd in de optische-schijfeenheid (alleen bepaalde modellen) of een optionele
externe optische-schijfeenheid.
3. Selecteer Start > Alle programma's en selecteer de software die u wilt gebruiken.
4. Selecteer het type cd of dvd dat u wilt maken: gegevens, audio of video.
5. Klik met de rechtermuisknop op Start, Verkennen en navigeer naar de map waarin de
bronbestanden zijn opgeslagen.
6. Open de map en sleep de bestanden naar de schijfeenheid die de lege schijf bevat.
7. Start het brandproces, zoals aangegeven door het programma dat u heeft gekozen.
Kijk voor specifieke aanwijzingen in de instructies van de softwarefabrikant. Deze aanwijzingen kunnen
bij de software zitten, op schijf staan of op de website van de fabrikant.
VOORZICHTIG: Neem de auteursrechtwaarschuwing in acht. Het illegaal kopiëren van
auteursrechtelijk beschermd materiaal, waaronder computerprogramma's, films, uitzendingen en
geluidsopnamen, is een strafrechtelijke overtreding op grond van toepasselijk auteursrecht. Gebruik
deze computer niet voor dergelijke doeleinden.
Optische schijf (cd of dvd) verwijderen
1. Druk op de ejectknop (1) op de schijfeenheid om de lade te ontgrendelen en trek de lade voorzichtig
zo ver mogelijk uit (2).
2. Verwijder de schijf (3) uit de lade door voorzichtig op de as te drukken terwijl u de schijf aan de
randen optilt. Houd de schijf bij de randen vast en raak het oppervlak niet aan.
OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf voorzichtig
enigszins schuin bij het verwijderen.
3. Sluit de lade en berg de schijf op in het bijbehorende doosje.
46 Hoofdstuk 4 Multimedia
Webcam
OPMERKING: In dit gedeelte worden de voorzieningen beschreven die op de meeste modellen
beschikbaar zijn. Mogelijk zijn niet alle voorzieningen op uw computer beschikbaar.
De computer heeft een geïntegreerde webcam, die zich bovenaan het beeldscherm bevindt. Met de
vooraf geïnstalleerde software kunt u met behulp van de webcam foto's maken en video en audio
opnemen. U kunt een voorbeeld van de foto of de video- of audio-opname weergeven en deze opslaan
op de vaste schijf.
Als u de webcam en de HP Webcam-software wilt gebruiken, selecteert u Start >
Alle programma’s > HP > HP Webcam.
Met de webcamsoftware kunt u experimenteren met de volgende voorzieningen:
Hiermee kunt u video opnemen.
Hiermee kunt u audio opnemen en afspelen.
Hiermee kunt u video streamen met software voor expresberichten.
Hiermee kunt u foto’s maken.
Hiermee kunt u visitekaartjes opnemen in een bruikbare database met contactgegevens.
Neem voor de beste resultaten de volgende richtlijnen in acht bij het gebruik van de webcam:
Zorg dat u de recentste versie van een expresberichtenprogramma heeft voordat u een
videogesprek begint.
De firewalls van sommige netwerken kunnen het functioneren van de webcam belemmeren.
OPMERKING: Als u problemen ondervindt bij het weergeven of verzenden van
multimediabestanden naar iemand in een ander lokaal netwerk of buiten uw netwerkfirewall,
schakelt u de firewall tijdelijk uit. Voer de gewenste taak uit en schakel daarna de firewall weer in.
Om het probleem definitief op te lossen, configureert u de firewall zo nodig opnieuw en past u de
regels en instellingen van andere systemen voor detectie van computeraanvallen aan. Neem
contact op met uw netwerkbeheerder of IT-afdeling voor verdere informatie.
Plaats heldere lichtbronnen zo mogelijk achter de webcam en buiten het beeldveld.
Webcameigenschappen aanpassen
U kunt de volgende eigenschappen van de webcam aanpassen:
Brightness (Helderheid): de hoeveelheid licht in het beeld. Een hogere instelling voor helderheid
zorgt voor een lichter beeld. Een lagere instelling voor helderheid zorgt voor een donkerder beeld.
Contrast: het verschil tussen lichtere en donkerdere delen van het beeld. Een hogere instelling
voor contrast zorgt voor een scherpere afbeelding. Een lagere instelling voor contrast behoudt het
dynamische bereik van de oorspronkelijke afbeelding, maar zorgt voor een vlakkere afbeelding.
Hue (Kleurtint): het aspect van een kleur dat de kleur onderscheidt van andere kleuren (waardoor
een kleur bijvoorbeeld als rood, groen of blauw wordt waargenomen). Kleurtint is niet hetzelfde als
verzadiging. Verzadiging is de intensiteit van de kleurtint.
Saturation (Verzadiging): de kracht van een kleur in het uiteindelijke beeld. Een hogere instelling
voor verzadiging zorgt voor een meer uitgesproken beeld. Een lagere instelling voor verzadiging
zorgt voor een subtieler beeld.
Webcam 47
Sharpness (Scherpte): de definitie van randen in een beeld. Een hogere instelling voor scherpte
zorgt voor een sterker gedefinieerd beeld. Een lagere instelling voor scherpte zorgt voor een
zachter beeld.
Gamma (Kleurgamma): het contrast dat van invloed is op de middelste grijswaarden of
middentonen van het beeld. Met deze optie kunt u de helderheid van de middelste grijswaarden
en middentonen instellen, zonder de donkere en lichte plekken drastisch aan te passen. Een lagere
instelling voor gamma zorgt ervoor dat grijstinten in de richting van zwart gaan en donkere kleuren
nog donkerder worden.
Backlight Compensation (Tegenlichtcorrectie): hiermee wordt het beeld gecorrigeerd als er
sprake is van veel tegenlicht. Als dit niet zou gebeuren, zou het beeld onduidelijk worden of zou
alleen een silhouet van het onderwerp zichtbaar zijn.
Night Mode (Nachtmodus): hiermee compenseert u omstandigheden met weinig licht.
Zoom (alleen bepaalde modellen): hiermee wordt het zoompercentage aangepast voor het
maken van foto's en het opnemen van video.
Horizontaal of verticaal: hiermee draait u het beeld horizontaal of verticaal.
50Hz of 60Hz: hiermee past u de sluitersnelheid aan om een video-opname te krijgen waarvan
het beeld niet flikkert.
Aanpasbare, vooraf ingestelde profielen voor verschillende lichtomstandigheden corrigeren de
volgende omstandigheden: gloeiend, fluorescerend, halogeen, zonnig, bewolkt, nacht.
Webcamfocus instellen
Ga als volgt te werk om de webcamfocus in te stellen:
1. Selecteer Start > Alle programma's > HP > HP Webcam.
2. Klik op het pictogram Menu en vervolgens op Instellingen.
3. Klik op het tabblad Opties.
Hierbij hebt u de volgende mogelijkheden:
Normaal: de fabrieksinstelling van de camera, die geschikt is voor normale fotografie. Het bereik
is van een aantal meters voor de lens tot oneindig.
Macro: de focusinstelling voor close-up, voor het maken van foto's en het opnemen van video op
zeer korte afstand.
Visitekaartjes vastleggen
U kunt de webcam in combinatie met het programma HP Business Card Reader gebruiken om foto’s
te maken van visitekaartjes en de tekst te exporteren naar verschillende typen adresboeksoftware, zoals
Contactpersonen van Microsoft® Outlook.
Ga als volgt te werk om een opname van een visitekaartje te maken:
1. Klik op Start > Alle programma's > HP > HP Business Card Reader.
2. Als u informatie van één visitekaartje wilt vastleggen, Selecteert u Enkele scan.
– of –
Als u informatie van meerdere visitekaartjes wilt vastleggen, Selecteert u Meerdere scannen.
48 Hoofdstuk 4 Multimedia
3. Plaats een visitekaartje in het visitekaartjesslot aan de voorkant van de computer (1) en schuif het
kaartje naar links (2) zodat dit zich recht onder de webcam bevindt.
OPMERKING: Als het slot zich voor een deel voor de tekst bevindt, draait u de kaart 180 graden.
Houd de tekst naar de webcam gericht.
4. Breng het beeldscherm langzaam omlaag (1) totdat het webcamlampje (2) stopt met knipperen en
een geluid wordt weergegeven. Dit geeft aan dat de webcam goed is gefocust.
5. Als u meerdere visitekaartjes vastlegt, haalt u het eerste kaartje uit het slot en plaatst u het tweede.
Het webcamlampje gaat branden wanneer het kaartje in focus is. Vervolgens neemt de webcam
een foto van het visitekaartje en gaat het webcamlampje uit.
Herhaal deze stap om nog meer visitekaartjes vast te leggen.
6. Wanneer u klaar bent met het vastleggen van de informatie van de visitekaartjes, haalt u het kaartje
uit het slot en doet u het beeldscherm weer helemaal open.
7. Controleer de informatie die HP Business Card Reader heeft vastgelegd, om zeker te stellen dat
het volledig is.
Webcam 49
5 Energiebeheer
Opties voor energiebeheer instellen
Energiebesparende standen gebruiken
Standaard zijn twee energiebesparende voorzieningen ingeschakeld: de standbyvoorziening en de
hibernationvoorziening.
Wanneer de stand-bystand wordt geactiveerd, knipperen de aan/uit-lampjes en wordt het scherm
leeggemaakt. Uw werk wordt in het geheugen opgeslagen. Het beëindigen van de stand-bystand gaat
sneller dan het beëindigen van de hibernationstand. Als de computer lang in de stand-bystand staat, of
als de acculading een kritiek laag niveau bereikt terwijl de computer in de stand-bystand staat, wordt
de hibernationstand geactiveerd.
Wanneer de hibernationstand wordt geactiveerd, wordt uw werk opgeslagen in een hibernationbestand
op de vaste schijf en wordt de computer afgesloten.
VOORZICHTIG: Activeer de standbystand of de hibernationstand niet terwijl er wordt gelezen van of
geschreven naar een schijf of een externe mediakaart. Zo voorkomt u mogelijke verslechtering van de
audio- of videokwaliteit, verlies van audio- of video-afspeelfunctionaliteit of verlies van gegevens.
OPMERKING: Wanneer de computer in de standbystand of de hibernationstand staat, is het niet
mogelijk om netwerkverbindingen te maken of de computer te gebruiken.
OPMERKING: Als HP 3D DriveGuard een schijf heeft geparkeerd, zal de computer de standbystand
of de hibernationstand niet activeren en wordt het beeldscherm uitgeschakeld.
Standbystand activeren en beëindigen
Standaard is het systeem zo ingesteld dat de standbystand wordt geactiveerd als de computer 10
minuten inactief is wanneer accuvoeding wordt gebruikt, en 25 minuten inactief is als een externe
voedingsbron wordt gebruikt.
U kunt de instellingen voor energiebeheer en de wachttijden wijzigen in het onderdeel Energiebeheer
van het Configuratiescherm van Windows®.
Als de computer is ingeschakeld kunt u de standbystand op de volgende manieren activeren:
Druk op fn+f3.
Selecteer Start > Uitschakelen > Stand-by.
OPMERKING: Als u bij een netwerkdomein bent geregistreerd, heet de knop waarop u moet
klikken Afsluiten in plaats van Computer uitschakelen.
Als Stand-by niet wordt weergegeven, doet u het volgende:
a. Klik op de pijl-omlaag.
b. Selecteer Stand-by in de lijst.
c. Klik op OK.
50 Hoofdstuk 5 Energiebeheer
Ga als volgt te werk om de standbystand te beëindigen:
Druk op de aan/uit-knop.
Wanneer de stand-bystand wordt beëindigd gaan de aan/uit-lampjes branden en verschijnt uw
werk op het scherm op het punt waar u was gestopt met werken en de stand-bystand werd
geactiveerd.
OPMERKING: Als u heeft ingesteld dat een wachtwoord nodig is om de standbystand te beëindigen,
moet u uw Windows-wachtwoord opgeven voordat uw werk weer op het scherm verschijnt.
Hibernationstand activeren of beëindigen
Standaard wordt de hibernationstand geactiveerd wanneer de computer 30 minuten inactief is terwijl
de computer op accuvoeding werkt, of wanneer de acculading een kritiek laag niveau bereikt.
OPMERKING: De hibernationstand wordt niet geactiveerd als de computer op externe voeding werkt.
U kunt de instellingen voor energiebeheer en de wachttijden wijzigen in het onderdeel Energiebeheer
van het Configuratiescherm van Windows.
U activeert als volgt de hibernationstand:
1. Selecteer Start > Uitschakelen.
OPMERKING: Als u bij een netwerkdomein bent geregistreerd, heet de knop waarop u moet
klikken Afsluiten in plaats van Computer uitschakelen.
2. Houd de shift-toets ingedrukt en selecteer Slaapstand.
Als Slaapstand niet wordt weergegeven, gaat u als volgt te werk:
a. Klik op de pijl-omlaag.
b. Selecteer Slaapstand in de lijst.
c. Klik op OK.
U beëindigt als volgt de hibernationstand:
Druk op de aan/uit-knop.
De aan/uit-lampjes gaan branden en uw werk verschijnt op het scherm op het punt waar u was gestopt
met werken en de hibernationstand werd geactiveerd.
OPMERKING: Als u heeft ingesteld dat een wachtwoord nodig is om de hibernationstand te
beëindigen, moet u uw Windows-wachtwoord opgeven voordat uw werk weer op het scherm verschijnt.
Energiemeter gebruiken
De Energiemeter wordt standaard weergegeven in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
Met behulp van de Energiemeter krijgt u snel toegang tot de instellingen van Energiebeheer en kunt u
de resterende acculading bekijken.
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Energiemeter in het systeemvak en klik op
Eigenschappen van energiebeheer aanpassen om de Eigenschappen van Energiebeheer te
openen.
Dubbelklik op het pictogram van de Energiemeter om het percentage resterende acculading weer
te geven.
Aan de verschillende pictogrammen kunt u zien of de computer op accuvoeding of op externe
netvoeding werkt.
Opties voor energiebeheer instellen 51
Ga als volgt te werk om het pictogram Energiemeter uit het systeemvak te verwijderen:
1. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Energiemeter in het systeemvak en klik vervolgens
op Eigenschappen van energiebeheer aanpassen.
2. Klik op het tabblad Geavanceerd.
3. Schakel de optie Pictogram altijd in het systeemvak weergeven uit.
4. Klik op Toepassen en vervolgens op OK.
U geeft als volgt het pictogram Energiemeter weer in het systeemvak:
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en onderhoud > Energiebeheer.
2. Klik op het tabblad Geavanceerd.
3. Schakel de optie Pictogram altijd in het systeemvak weergeven in.
4. Klik op Toepassen en vervolgens op OK.
OPMERKING: Als u een pictogram dat u in het systeemvak rechts op de taakbalk heeft geplaatst niet
kunt zien, klikt u op het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (< of <<) in het systeemvak.
Energiebeheerschema's gebruiken
Een energiebeheerschema is een reeks systeeminstellingen waarmee het energieverbruik van de
computer wordt geregeld. Met behulp van energiebeheerschema’s kunt u energie besparen en de
prestaties van de computer optimaliseren.
De volgende energiebeheerschema’s zijn beschikbaar:
Draagbaar/laptop (aanbevolen)
Thuis/kantoor
Presentatie
Altijd aan
Minimaal energieverbruik
Accu vol
Met behulp van Eigenschappen voor Energiebeheer kunt u de instellingen van deze
energiebeheerschema’s wijzigen.
Huidig energiebeheerschema weergeven
Klik op het pictogram Energiemeter in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
– of –
Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en onderhoud > Energiebeheer.
Energiebeheerschema’s selecteren
Klik op het pictogram Energiemeter in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk en
selecteer een energiebeheerschema in de lijst.
52 Hoofdstuk 5 Energiebeheer
– of –
a. Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en onderhoud > Energiebeheer.
b. Selecteer een energiebeheerschema in de lijst met Energiebeheerschema’s.
c. Klik op OK.
Energiebeheerschema’s aanpassen
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en onderhoud > Energiebeheer.
2. Selecteer een energiebeheerschema in de lijst met Energiebeheerschema’s.
3. Wijzig indien nodig de instellingen voor Netstroom en Accustroom.
4. Klik op OK.
Wachtwoord instellen voor beëindigen standbystand
Ga als volgt te werk om in te stellen dat een wachtwoord moet worden opgegeven bij het beëindigen
van de standbystand:
1. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Energiemeter in het systeemvak en klik vervolgens
op Eigenschappen energie aanpassen.
2. Klik op het tabblad Geavanceerd.
3. Schakel de optie Wachtwoord vragen als computer uit standby wordt gehaald in.
4. Klik op Toepassen.
Externe netvoeding gebruiken
Externe netvoeding wordt geleverd door een van de volgende apparaten:
WAARSCHUWING! Gebruik om veiligheidsredenen alleen de bij de computer geleverde
netvoedingsadapter, een door HP geleverde vervangende adapter, of een door HP geleverde
compatibele adapter.
Goedgekeurde netvoedingsadapter
Optioneel dockingapparaat
Sluit de computer aan op een externe netvoedingsbron in de volgende situaties:
WAARSCHUWING! Laad de accu van de computer niet op aan boord van een vliegtuig.
wanneer u een accu oplaadt of kalibreert;
wanneer u systeemsoftware installeert of aanpast;
wanneer u informatie naar een cd of dvd schrijft.
Als u de computer aansluit op externe netvoeding, gebeurt het volgende:
De accu laadt op.
Als de computer is ingeschakeld, verandert het pictogram van de energiemeter in het systeemvak
van vorm.
Externe netvoeding gebruiken 53
Als u de computer loskoppelt van externe netvoeding, gebeurt het volgende:
De computer schakelt over op accuvoeding.
De helderheid van het beeldscherm wordt automatisch verlaagd om accuvoeding te besparen. Als
u de helderheid van het beeldscherm wilt verhogen, drukt u op de sneltoets fn+f10 of sluit u de
netvoedingsadapter opnieuw aan.
Netvoedingsadapter aansluiten
WAARSCHUWING! U kunt als volgt het risico van een elektrische schok en schade aan de apparatuur
beperken:
Sluit het netsnoer aan op een geaard stopcontact dat altijd gemakkelijk te bereiken is.
Ontkoppel de netvoeding van de computer door de stekker uit het stopcontact te halen (niet door het
netsnoer los te koppelen van de computer).
Als bij het product een geaard netsnoer met een geaarde stekker is geleverd, sluit u het netsnoer aan
op een geaard stopcontact. Probeer niet de aarding te omzeilen door bijvoorbeeld adapters of
stekkerdozen zonder aarding te gebruiken. De aarding is een belangrijke veiligheidsvoorziening.
Ga als volgt te werk om de computer aan te sluiten op een externe netvoedingsbron:
1. Sluit de netvoedingsadapter aan op de voedingsconnector van de computer (1).
2. Sluit het ene uiteinde van het netsnoer aan op de netvoedingsadapter (2).
3. Steek het andere uiteinde van het netsnoer in een stopcontact (3).
Accuvoeding gebruiken
Wanneer er zich een opgeladen accu in de computer bevindt en de computer niet is aangesloten op
een externe voedingsbron, werkt de computer op accuvoeding. Wanneer de computer is aangesloten
op een externe netvoedingsbron, werkt de computer op netvoeding.
Als er een opgeladen accu in de computer is geplaatst en de computer op externe voeding werkt via
de netvoedingsadapter, schakelt de computer over op accuvoeding wanneer de netvoedingsadapter
wordt losgekoppeld van de computer.
54 Hoofdstuk 5 Energiebeheer
OPMERKING: De helderheid van het beeldscherm wordt verlaagd om accuvoeding te besparen
wanneer u de computer loskoppelt van de netvoeding. Als u de helderheid van het beeldscherm wilt
verhogen, drukt op de hotkey fn+f10 of sluit u de netvoedingsadapter opnieuw aan.
U kunt een accu in de computer laten zitten of de accu verwijderen en opbergen. Dit is afhankelijk van
de manier waarop u de computer gebruikt. Als u de accu in de computer laat zitten wanneer de computer
is aangesloten op een netvoedingsbron, wordt de accu opgeladen. Bovendien wordt zo uw werk
beschermd in geval van een stroomstoring. Een accu in de computer wordt echter langzaam ontladen
wanneer de computer is uitgeschakeld en niet is aangesloten op een externe voedingsbron.
WAARSCHUWING! Gebruik om veiligheidsredenen alleen de bij de computer geleverde accu, een
door HP geleverde vervangende accu of een compatibele accu die als accessoire is aangeschaft bij
HP.
De werktijd van de accu van een computer kan verschillen, afhankelijk van de instellingen voor
energiebeheer, geopende programma’s, de helderheid van het beeldscherm, externe apparatuur die
op de computer is aangesloten en andere factoren.
Acculading weergeven
Dubbelklik op het pictogram Energiemeter in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
– of –
Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en onderhoud > Energiebeheer > tabblad
Energiemeter.
Meestal wordt de acculading zowel in percentages als in resterend aantal minuten werktijd
weergegeven.
Het percentage geeft de geschatte resterende lading van de accu aan.
De tijdsduur geeft bij benadering de resterende accuwerktijd aan als de accu op het huidige niveau
voeding blijft leveren. De resterende accuwerktijd neemt bijvoorbeeld af als u een dvd afspeelt en
neemt toe als u het afspelen van een dvd stopt.
Wanneer een accu wordt opgeladen, kan in het venster Energiemeter een bliksemsymbool over het
accupictogram worden weergegeven.
Accu plaatsen of verwijderen
VOORZICHTIG: Bij het verwijderen van een accu die de enige beschikbare voedingsbron vormt,
kunnen er gegevens verloren gaan. Sla uw werk op en activeer de hibernationstand of schakel de
computer uit via Windows voordat u de accu verwijdert. Zo voorkomt u dat er gegevens verloren gaan.
U plaatst de accu als volgt:
1. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak neer, met de accuruimte naar u toe.
Accuvoeding gebruiken 55
2. Schuif de accu in de accuruimte (1) totdat de accu goed op zijn plaats zit.
De accuvergrendelingen (2) vergrendelen de accu automatisch.
U verwijdert de accu als volgt:
1. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak neer, met de accuruimte naar u toe.
2. Verschuif de linkeraccuvergrendeling (1) totdat deze vastklikt.
3. Verschuif de rechteraccu-ontgrendeling (2) om de accu te ontgrendelen.
4. Verwijder de accu (3).
Accu opladen
WAARSCHUWING! Laad de accu van de computer niet op aan boord van een vliegtuig.
56 Hoofdstuk 5 Energiebeheer
De accu wordt opgeladen wanneer de computer is aangesloten op een externe voedingsbron via een
netvoedingsadapter, een optionele voedingsadapter of een optioneel dockingapparaat.
De accu wordt opgeladen ongeacht of de computer in gebruik is of uit staat, maar het opladen verloopt
sneller wanneer de computer is uitgeschakeld.
Het opladen kan langer duren wanneer de accu nieuw is, langer dan twee weken niet is gebruikt of veel
warmer of kouder is dan de normale kamertemperatuur.
Ga als volgt te werk om de accuwerktijd te verlengen en de nauwkeurigheid van de weergave van de
acculading te optimaliseren:
Als u een nieuwe accu oplaadt, wacht u tot de accu volledig is opgeladen voordat u de computer
inschakelt.
Laad de accu op tot het acculampje van de computer uit gaat.
OPMERKING: Als de computer is ingeschakeld wanneer de accu wordt opgeladen, is het
mogelijk dat de energiemeter in de taakbalk aangeeft dat de accu voor 100 procent is opgeladen,
terwijl dit nog niet het geval is.
Laad de accu pas op wanneer deze door normaal gebruik is ontladen tot ongeveer 5 procent van
de volledige lading.
Als de accu één maand of langer niet is gebruikt, is het noodzakelijk de accu te kalibreren in plaats
van op te laden.
Het acculampje geeft als volgt de status van de acculading aan:
Oranje: er wordt een accu opgeladen.
Wit: de accu is bijna geheel opgeladen.
Oranje knipperend: een accu die de enige beschikbare voedingsbron is, is bijna leeg. Wanneer de
accu een kritiek laag ladingsniveau bereikt, begint het acculampje snel te knipperen.
Uit: als de computer is aangesloten op een externe voedingsbron, gaat het lampje uit wanneer alle
accu's in de computer volledig zijn opgeladen. Als de computer niet is aangesloten op een externe
voedingsbron, blijft het lampje uit tot de accu in de computer bijna leeg is.
Accuwerktijd maximaliseren
De accuwerktijd varieert, afhankelijk van de functies u gebruikt terwijl de computer op de accu werkt.
De maximale accuwerktijd neemt geleidelijk af omdat de capaciteit van de accu afneemt ten gevolge
van bepaalde natuurlijke processen.
De accuwerktijd maximaliseren:
Verminder de helderheid op het beeldscherm.
Verwijder de accu uit de computer als deze niet wordt gebruikt of opgeladen.
Bewaar de accu op een koele, droge plaats.
Omgaan met een lage acculading
In dit gedeelte worden de waarschuwingen en systeemreacties beschreven die standaard zijn ingesteld.
Sommige waarschuwingen voor een lage acculading en de manier waarop het systeem daarop
reageert, kunt u wijzigen in het onderdeel Energiebeheer van het Configuratiescherm van Windows.
Voorkeuren die u in Energiebeheer instelt, zijn niet van invloed op de werking van de lampjes.
Accuvoeding gebruiken 57
Lage acculading herkennen
Als een accu die de enige voedingsbron van de computer is bijna leeg is, gaat het acculampje
knipperen.
Als u niets onderneemt wanneer de accu bijna leeg is, wordt het niveau van de acculading kritiek en
gaat het acculampje snel knipperen.
Wanneer de acculading een kritiek laag niveau bereikt, gebeurt het volgende:
Als de hibernationvoorziening is ingeschakeld en de computer aanstaat of in de standbystand
staat, wordt de hibernationstand geactiveerd.
Als de hibernationvoorziening is uitgeschakeld en de computer aanstaat of in de standbystand
staat, blijft de computer nog even in de standbystand staan. Vervolgens wordt de computer
uitgeschakeld, waarbij niet-opgeslagen werk verloren gaat.
58 Hoofdstuk 5 Energiebeheer
Problemen met lage acculading verhelpen
VOORZICHTIG: Wacht met het herstellen van de voeding totdat de aan/uit-lampjes uit zijn. Zo beperkt
u het risico van gegevensverlies wanneer de hibernationstand is geactiveerd doordat het ladingsniveau
van de accu in de computer kritiek laag is geworden.
Lage acculading verhelpen wanneer een externe voedingsbron beschikbaar is
Sluit een van de volgende apparaten aan:
netvoedingsadapter
optioneel dockingapparaat
optionele voedingsadapter
Lage acculading verhelpen wanneer een opgeladen accu beschikbaar is
1. Schakel de computer uit of activeer de hibernationstand.
2. Verwijder de lege accu en plaats vervolgens een volle accu.
3. Zet de computer aan.
Lage acculading verhelpen wanneer geen voedingsbron beschikbaar is
Activeer de hibernationstand.
– of –
Sla uw werk op en sluit de computer af.
Lage acculading verhelpen wanneer de computer de hibernationstand niet kan beëindigen
Als de computer niet voldoende acculading heeft om de hibernationstand te beëindigen, gaat u als volgt
te werk:
1. Plaats een opgeladen accu of sluit de computer aan op een externe voedingsbron.
2. Beëindig de hibernationstand door kort op de aan/uit-knop te drukken.
Accu kalibreren
Kalibreer een accu in de volgende gevallen:
als de weergegeven acculading onjuist lijkt te zijn
als u constateert dat de werktijd van de accu duidelijk anders is dan tevoren
Zelfs als een accu intensief wordt gebruikt, is het niet nodig om de accu vaker dan eens per maand te
kalibreren. Het is ook niet nodig om een nieuwe accu te kalibreren.
Stap 1: laad de accu volledig op
WAARSCHUWING! Laad de accu van de computer niet op aan boord van een vliegtuig.
OPMERKING: De accu wordt opgeladen ongeacht of de computer in gebruik is of uit staat, maar het
opladen verloopt sneller wanneer de computer is uitgeschakeld.
Accuvoeding gebruiken 59
Ga als volgt te werk om de accu volledig op te laden:
1. Plaats de accu in de computer.
2. Sluit de computer aan op een netvoedingsadapter, optionele voedingsadapter of optioneel
dockingapparaat en sluit vervolgens de adapter of het apparaat aan op een externe
netvoedingsbron.
Het acculampje van de computer gaat branden.
3. Zorg dat de computer op de externe voedingsbron aangesloten blijft totdat de accu volledig is
opgeladen.
Het acculampje van de computer gaat uit.
Stap 2: schakel de energiebesparende voorzieningen uit
1. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Energiemeter in het systeemvak aan de rechterkant
van de taakbalk en klik vervolgens op Eigenschappen van energiebeheer aanpassen.
– of –
Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en onderhoud > Energiebeheer.
2. Noteer de 4 instellingen in de kolommen Accustroom en Netstroom, zodat u deze na het
kalibreren opnieuw kunt instellen.
3. Stel de vier opties in op Nooit.
4. Klik op OK.
Stap 3: ontlaad de accu
De computer moet ingeschakeld blijven tijdens het ontladen van de accu. De accu wordt ontladen,
ongeacht of de computer in gebruik is. Wanneer u de computer gebruikt, verloopt het ontladen echter
sneller.
Als u de computer onbeheerd wilt achterlaten tijdens het ontladen, slaat u uw gegevens op voordat
u de ontladingsprocedure start.
Als u de computer incidenteel gebruikt tijdens de ontladingsprocedure en u wachttijden voor
energiebesparing heeft ingesteld, kunnen de volgende verschijnselen optreden tijdens het
ontladingsproces:
De monitor wordt niet automatisch uitgeschakeld.
De snelheid van de vaste schijf neemt niet automatisch af wanneer de computer inactief is.
De hibernationstand wordt niet automatisch geactiveerd.
Ga als volgt te werk om de accu te ontladen:
1. Koppel de computer los van de externe netvoedingsbron, maar schakel de computer niet uit.
2. Laat de computer op accuvoeding werken totdat de accu volledig is ontladen. Het acculampje gaat
knipperen wanneer de accu bijna ontladen is. Wanneer de accu volledig is ontladen, gaat het
acculampje uit en wordt de computer afgesloten.
60 Hoofdstuk 5 Energiebeheer
Stap 4: laad de accu volledig op
Ga als volgt te werk om de accu op te laden:
1. Zorg dat de computer op een externe voedingsbron aangesloten blijft totdat de accu volledig is
opgeladen. Wanneer de accu volledig is opgeladen, gaat het acculampje op de computer uit.
U kunt de computer gewoon gebruiken terwijl de accu wordt opgeladen, maar het opladen gaat
sneller wanneer de computer is uitgeschakeld.
2. Als de computer is uitgeschakeld, schakelt u deze in wanneer de accu volledig is opgeladen en
het acculampje uit is.
Stap 5: schakel de energiebesparende voorzieningen weer in
VOORZICHTIG: Als u de hibernationvoorziening niet opnieuw inschakelt nadat u de accu heeft
gekalibreerd, kan de accu volledig worden ontladen. Hierdoor kunt u gegevens verliezen wanneer de
acculading van de computer een kritiek laag niveau bereikt.
1. Selecteer Start > Configuratiescherm > Prestaties en onderhoud > Energiebeheer.
2. Voer opnieuw de instellingen in die u heeft genoteerd voor de items in de kolommen Netstroom
en Accustroom.
3. Klik op OK.
Accuvoeding besparen
Open het onderdeel Energiebeheer van het Configuratiescherm en selecteer instellingen voor een
lager energieverbruik.
Schakel draadloze verbindingen en LAN-verbindingen uit en sluit modemapplicaties af wanneer u
deze niet gebruikt.
Ontkoppel externe apparatuur die niet is aangesloten op een externe voedingsbron wanneer u
deze apparatuur niet gebruikt.
Zet alle optionele externemediakaarten die u niet gebruikt stop, schakel ze uit of verwijder ze.
Gebruik de hotkeys fn+f9 en fn+f10 om de helderheid van het scherm aan te passen aan de
omstandigheden.
Activeer de standbystand of de hibernationstand of sluit de computer af zodra u stopt met werken.
Accu opbergen
VOORZICHTIG: Stel een accu niet gedurende langere tijd bloot aan hoge temperaturen, om
beschadiging van de accu te voorkomen.
Verwijder de accu en bewaar deze afzonderlijk als de computer meer dan 2 weken niet wordt gebruikt
en niet is aangesloten op een externe voedingsbron.
Bewaar de accu op een koele en droge plaats, zodat de accu langer opgeladen blijft.
OPMERKING: Een opgeslagen accu moet om de zes maanden worden gecontroleerd. Als het
ladingspercentage minder dan 50 procent is, moet u de accu opladen voordat u deze weer opbergt.
Kalibreer een accu die een maand of langer opgeborgen is geweest voordat u deze in gebruik neemt.
Accuvoeding gebruiken 61
Afvoeren van afgedankte accu's
WAARSCHUWING! Probeer de batterij niet uit elkaar te halen, te pletten of te doorboren, zorg dat u
geen kortsluiting veroorzaakt tussen de externe contactpunten en laat de batterij niet in aanraking
komen met water of vuur. Zo beperkt u het risico op brand en brandwonden.
Raadpleeg voor informatie over het afvoeren van afgedankte accu's de Informatie over voorschriften,
veiligheid en milieu.
Accu vervangen
De levensduur van de accu van een computer kan verschillen, afhankelijk van de instellingen voor
energiebeheer, geopende programma’s, de helderheid van het beeldscherm, externe apparatuur die
op de computer is aangesloten en andere factoren.
OPMERKING: Om er zeker van te zijn dat u altijd over accuvoeding kunt beschikken als u die nodig
heeft, raadt HP u aan een nieuwe accu te kopen als de capaciteitsindicator groen-geel wordt.
Netvoedingsadapter testen
Test de netvoedingsadapter als de computer een of meer van de volgende symptomen vertoont:
De computer gaat niet aan wanneer deze wordt aangesloten op de netvoedingsadapter en een
externe netvoedingsbron.
Het beeldscherm gaat niet aan wanneer de computer wordt aangesloten op de netvoedingsadapter
en een externe netvoedingsbron.
De aan/uit-lampjes zijn uit terwijl de computer is aangesloten op de netvoedingsadapter en externe
voeding.
U test de netvoedingsadapter als volgt:
1. Verwijder de accu uit de computer.
2. Sluit de netvoedingsadapter aan op de computer en op een stopcontact.
3. Zet de computer aan.
Als de aan/uit-lampjes aan gaan, werkt de netvoedingsadapter naar behoren.
Als de aan/uit-lampjes uit blijven, werkt de netvoedingsadapter niet en moet deze worden
vervangen.
Neem contact op met de technische ondersteuning voor informatie over het verkrijgen van een
vervangende netvoedingsadapter. Selecteer Start > Help en ondersteuning > Contact opnemen
met ondersteuning.
Computer afsluiten
VOORZICHTIG: Wanneer u de computer uitschakelt, gaat alle informatie verloren die u niet heeft
opgeslagen.
Met de opdracht Afsluiten sluit u alle geopende programma's, waaronder het besturingssysteem, en
worden vervolgens het beeldscherm en de computer uitgeschakeld.
62 Hoofdstuk 5 Energiebeheer
Sluit de computer af in de volgende gevallen:
als u de accu wilt vervangen of toegang wilt tot onderdelen in de computer;
als u externe hardware aansluit die niet op een USB-poort kan worden aangesloten;
als u de computer langere tijd niet gebruikt en loskoppelt van de externe voedingsbron.
U schakelt als volgt de computer uit:
OPMERKING: Als de computer in de standbystand of de hibernationstand staat, beëindigt u eerst de
standbystand of de hibernationstand, voordat u de computer kunt afsluiten.
1. Sla uw werk op en sluit alle geopende programma's af.
2. Selecteer Start > Uitschakelen > Uitschakelen.
OPMERKING: Als u bij een netwerkdomein bent geregistreerd, heet de knop waarop u moet
klikken Afsluiten in plaats van Computer uitschakelen.
Als de computer niet reageert en het niet mogelijk is de hierboven genoemde afsluitprocedures te
gebruiken, probeert u de volgende noodprocedures in de volgorde waarin ze hier staan vermeld:
Druk op ctrl+alt+delete. Klik vervolgens op Afsluiten > Uitschakelen.
Druk op de aan/uit-knop en houd deze minimaal vijf seconden ingedrukt.
Koppel de externe voedingsbron los en verwijder de accu uit de computer.
Computer afsluiten 63
6 Schijfeenheden
Geïnstalleerde schijfeenheden herkennen
Selecteer Start > Deze computer om de in de computer geïnstalleerde schijfeenheden weer te geven.
Schijfeenheden hanteren
Schijfeenheden zijn kwetsbare computeronderdelen, die voorzichtig moeten worden behandeld. Lees
de volgende waarschuwingen voordat u schijfeenheden hanteert. Waarschuwingen die betrekking
hebben op specifieke procedures worden vermeld bij de desbetreffende procedures.
VOORZICHTIG: Neem de volgende voorschriften in acht om het risico van schade aan de computer
of een schijfeenheid, of verlies van gegevens te beperken:
Activeer de standbystand en wacht tot het scherm leeg is, of ontkoppel de externe vaste schijf op de
correcte wijze, voordat u een computer verplaatst waarop een externe vaste schijf is aangesloten.
Raak voordat u de schijfeenheid aanraakt, eerst het ongeverfde metalen oppervlak van de schijfeenheid
aan, zodat u niet statisch geladen bent.
Raak de connectorpinnen op een verwisselbare schijf of op de computer niet aan.
Behandel een schijfeenheid voorzichtig. Laat de schijfeenheid niet vallen en zet er niets op.
Schakel de computer uit voordat u een schijfeenheid plaatst of verwijdert. Als u niet zeker weet of de
computer is afgesloten of in de standbystand of hibernationstand staat, schakelt u de computer in en
vervolgens via het besturingssysteem weer uit.
Gebruik niet te veel kracht wanneer u een schijfeenheid in een schijfruimte plaatst.
Gebruik het toetsenbord niet en verplaats de computer niet als een optionele optischeschijfeenheid naar
een schijf schrijft. Het schrijfproces is gevoelig voor trillingen.
Zorg ervoor dat de accu voldoende is opgeladen alvorens naar een medium te schrijven wanneer de
accu de enige voedingsbron is.
Stel schijfeenheden niet bloot aan extreme temperaturen of extreme vochtigheid.
Stel schijfeenheden niet bloot aan vloeistoffen. Spuit geen reinigingsmiddelen op een schijfeenheid.
Verwijder het medium uit een schijfeenheid alvorens de schijfeenheid uit de schijfruimte te verwijderen,
of voordat u een schijfeenheid meeneemt op reis, verzendt of opbergt.
Verzend een schijfeenheid in goed beschermend verpakkingsmateriaal, zoals noppenfolie. Vermeld op
de verpakking dat het om breekbare apparatuur gaat.
Stel schijfeenheden niet bloot aan magnetische velden. Voorbeelden van beveiligingsapparatuur met
magnetische velden zijn detectiepoortjes op vliegvelden en detectorstaven. In de
beveiligingsapparatuur waarmee handbagage wordt gescand, bijvoorbeeld op een lopende band,
worden röntgenstralen gebruikt in plaats van magnetische velden. Deze beveiligingsapparatuur brengt
geen schade toe aan schijfeenheden.
64 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
Prestaties van de vaste schijf verbeteren
Schijfdefragmentatie gebruiken
Wanneer u de computer gebruikt, raken de bestanden op de vaste schijf gefragmenteerd. Met
Schijfdefragmentatie worden de gefragmenteerde bestanden en mappen samengevoegd op de vaste
schijf zodat het systeem efficiënter werkt.
Nadat u Schijfdefragmentatie heeft gestart, werkt deze toepassing zelfstandig verder. Al naargelang de
grootte van de vaste schijf en het aantal gefragmenteerde bestanden kan de defragmentatie meer dan
een uur in beslag nemen. U kunt instellen dat de schijfdefragmentatie 's nachts wordt uitgevoerd, of op
een ander tijdstip waarop u de computer niet hoeft te gebruiken.
HP adviseert u om de vaste schijf minstens één keer per maand te defragmenteren. U kunt instellen
dat Schijfdefragmentatie maandelijks wordt uitgevoerd, maar u kunt ook op elk gewenst moment
Schijfdefragmentatie handmatig starten.
U gebruikt Schijfdefragmentatie als volgt:
1. Selecteer Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Systeemwerkset >
Schijfdefragmentatie.
2. Klik onder Volume op de vermelding van de vaste schijf. Meestal wordt dit volume weergegeven
als (C:). Klik vervolgens op Defragmenteren.
Raadpleeg voor meer informatie de helpfunctie van Schijfdefragmentatie.
Schijfopruiming gebruiken
Met Schijfopruiming wordt op de vaste schijf gezocht naar overbodige bestanden, die u veilig kunt
verwijderen om schijfruimte vrij te maken, zodat de computer efficiënter werkt.
U gebruikt Schijfopruiming als volgt:
1. Selecteer Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Systeemwerkset >
Schijfopruiming.
2. Volg de instructies op het scherm.
HP 3D DriveGuard gebruiken
HP 3D DriveGuard beschermt de vasteschijfeenheid door deze te parkeren en I/O-verzoeken te
blokkeren onder de volgende omstandigheden:
U laat de computer vallen.
U verplaatst de computer met gesloten beeldscherm, terwijl de computer op accuvoeding werkt.
Kort na elk van deze gebeurtenissen wordt de vasteschijfeenheid door HP 3D DriveGuard weer
vrijgegeven voor normale werking.
OPMERKING: Vaste schijven die zijn aangesloten op een optioneel dockingapparaat of op een USB-
poort worden niet beschermd door HP 3D DriveGuard.
Omdat solid-state-schijfeenheden (alleen bepaalde modellen) geen draaiende onderdelen bevatten,
hoeven deze niet te worden beschermd door HP 3D DriveGuard.
Raadpleeg de helpfunctie van de HP 3D DriveGuard-software voor meer informatie.
Prestaties van de vaste schijf verbeteren 65
Status van HP 3D DriveGuard herkennen
Het schijflampje op de computer brandt oranje om aan te geven dat de schijfeenheid is geparkeerd. Als
u wilt achterhalen of schijfeenheden worden beschermd en of een schijfeenheid is geparkeerd, kijkt u
naar het pictogram dat wordt weergegeven in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
Als de HP 3D DriveGuard software is ingeschakeld, wordt er een groen vinkje weergegeven over
het pictogram van de vasteschijfeenheid.
Als de HP 3D DriveGuard software is uitgeschakeld, wordt er een rood kruisje weergegeven over
het pictogram van de vasteschijfeenheid.
Als de schijfeenheden zijn geparkeerd, wordt er een geel maantje weergegeven over het pictogram
van de vasteschijfeenheid.
Als HP 3D DriveGuard de schijfeenheid heeft geparkeerd, kan het volgende gebeuren:
De computer sluit niet af.
De computer activeert niet automatisch de standbystand of de hibernationstand, behalve in de
situatie beschreven in de opmerking hieronder.
OPMERKING: Als de computer op accuvoeding werkt en de acculading een kritiek laag niveau
bereikt, staat HP 3D DriveGuard toe dat de hibernationstand wordt geactiveerd.
Accuwaarschuwingen die zijn ingesteld op het tabblad Waarschuwingen van Eigenschappen voor
Energiebeheer worden niet geactiveerd.
HP adviseert om de computer af te sluiten of om de standbystand of hibernationstand te activeren
voordat u de computer verplaatst.
HP 3D DriveGuard software gebruiken
Met de HP 3D DriveGuard software kunt u de volgende taken uitvoeren:
HP 3D DriveGuard in- of uitschakelen.
OPMERKING: Afhankelijk van uw gebruikersrechten is het mogelijk dat u HP 3D DriveGuard niet
kunt in- of uitschakelen.
Achterhalen of een schijfeenheid in het systeem wordt ondersteund door HP 3D DriveGuard.
Het pictogram voor HP 3D DriveGuard in het systeemvak weergeven of verbergen.
Ga als volgt te werk om HP 3D DriveGuard te openen en de instellingen te wijzigen:
1. Dubbelklik op het pictogram in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
– of –
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram in het systeemvak en selecteer Instellingen.
2. Klik op de relevante knop om de instellingen te wijzigen.
3. Klik op OK.
RAID gebruiken (alleen bepaalde modellen)
RAID (Redundant Array of Independent Disks) is een oplossing waarmee gegevens kunnen worden
hersteld na een probleem met de schijfeenheid. Uw computer bevat een eenvoudige RAID-oplossing
die gegevens op een SATA-schijfeenheid (Serial ATA) herstelt na een probleem met de schijfeenheid
66 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
of virusinfectie. De RAID-oplossing van HP heeft ook voordelen voor computergebruikers die vaak met
grote bestanden werken en die de opslagcapaciteit van hun computer willen verbeteren.
Voor aanvullende informatie over RAID raadpleegt u de gebruikershandleiding bij RAID in Help en
ondersteuning.
Vaste schijf vervangen
De computer heeft één of twee vaste schijven – een 1,8-inch vaste schijf en/of een 2,5-inch vaste schijf.
Welke procedures voor vervanging u moet gebruiken, hangt af van het type vaste schijf dat is
geïnstalleerd in de computer.
VOORZICHTIG: Ga als volgt te werk om te voorkomen dat gegevens verloren gaan of dat de computer
niet meer reageert:
Sluit de computer af voordat u de vaste schijf uit de vaste-schijfruimte verwijdert. Verwijder de vaste
schijf niet wanneer de computer aanstaat of in de stand-bystand of de hibernationstand staat.
Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand staat, zet u de computer aan
door kort op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af via het besturingssysteem.
1,8-inch vaste schijf vervangen
Ga als volgt te werk om een 1,8-inch vaste schijf te verwijderen:
1. Sla uw werk op.
2. Schakel de computer uit en sluit het beeldscherm.
3. Ontkoppel alle externe hardware die op de computer is aangesloten.
4. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.
5. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak neer, met de accuruimte naar u toe.
6. Verwijder de accu uit de computer.
7. Draai de 3 schroeven van het afdekplaatje van de vaste schijf los (1).
8. Til de rand van het afdekplaatje van de vaste schijf (2) met uw vinger of een schroevendraaier op
om het open te maken, en verwijder het afdekplaatje van de computer (3).
Vaste schijf vervangen 67
9. Verwijder de 2 schroeven van het afdekplaatje van de vaste schijf (1).
10. Til de rechterkant van de vaste-schijfafdekking (2) op en schuif deze van de computer weg (3).
11. Til de rechterkant van de vaste schijf (1) op en verwijder deze uit de vaste-schijfruimte (2).
68 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
12. Verwijder de rubberen bescherming uit de vaste schijf.
13. Haal de vaste-schijfconnector uit de vaste schijf.
Vaste schijf vervangen 69
Ga als volgt te werk om een 1,8-inch vaste schijf te installeren:
1. Plaats de vaste-schijfconnector terug.
2. Plaats de rubberen bescherming terug.
OPMERKING: Let er bij het terugplaatsen van de rubberen bescherming op dat u deze met de
steunen naar beneden plaatst.
3. Plaats de vaste schijf in de vaste-schijfruimte (1).
70 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
4. Druk de vaste-schijfconnector omlaag (2).
5. Plaats het afdekplaatje van de vaste schijf (1) in een hoek, en draai het naar beneden (2).
6. Plaats de 2 schroeven van het afdekplaatje van de vaste schijf (3) terug.
7. Steek de lipjes (1) op het afdekplaatje van de vaste schijf in de uitsparingen op de computer.
8. Laat het afdekplaatje zakken (2) en druk op het afdekplaatje tot het op zijn plaats vastklikt.
Vaste schijf vervangen 71
9. Draai de 3 schroeven van het afdekplaatje van de vaste schijf vast (3).
10. Plaats de accu terug.
11. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
12. Schakel de computer in.
2,5-inch vaste schijf vervangen
Ga als volgt te werk om een 2,5-inch vaste schijf te vervangen:
1. Sla uw werk op.
2. Schakel de computer uit en sluit het beeldscherm.
3. Ontkoppel alle randapparatuur die op de computer is aangesloten.
4. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.
5. Leg de computer ondersteboven op een vlakke ondergrond neer, met de vasteschijfruimte naar u
toe.
6. Verwijder de accu uit de computer.
7. Draai de 3 schroeven van het compartiment voor de geheugenmodule los (1).
72 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
8. Til de rand van het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment (2) met uw vinger of een
schroevendraaier op om het open te maken, en verwijder het afdekplaatje van de computer (3).
9. Verwijder de 6 schroeven van de vaste-schijfdrager.
Vaste schijf vervangen 73
10. Schuif de vaste-schijfdrager voorzichtig uit de vaste-schijfruimte.
11. Ga als volgt te werk om de vaste schijf van de vaste-schijfdrager te halen:
a. Koppel de ZIFF-connector (1) en de lintkabel (2) los.
b. Verwijder de 2 schroeven boven op de vaste-schijfdrager (1).
74 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
c. Verwijder de 2 schroeven aan beide kanten van de vaste-schijfdrager (2).
d. Til de achterkant van de vaste schijf (1) op en schuif deze van de vaste-schijfdrager (2) af.
OPMERKING: Hiermee koppelt u de vaste schijf ook los van de USB-kaart.
Vaste schijf vervangen 75
Ga als volgt te werk om een 2,5-inch vaste schijf te installeren:
1. Ga als volgt te werk om de vaste schijf in de vaste-schijfdrager te plaatsen:
a. Plaats de vaste schijf (1) in een hoek in de vaste-schijfdrager om de USB-kaart opnieuw aan
te sluiten, en duw erop om de vaste schijf vast te zetten (2).
b. Plaats de 2 schroeven aan beide kanten van de vaste-schijfdrager (1) terug.
c. Plaats de 2 schroeven boven op de vaste-schijfdrager (2) terug.
76 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
d. Sluit de ZIFF-connector (1) en de lintkabel (2) weer aan.
2. Plaats de vaste-schijfdrager in de vaste-schijfruimte en druk de vaste schijf aan totdat deze stevig
vastzit.
Vaste schijf vervangen 77
3. Plaats de 6 schroeven van de vaste-schijfdrager weer terug.
4. Plaats het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment met de lipjes (1) in de uitsparingen
in de computer.
5. Laat het afdekplaatje zakken (2) en druk op het afdekplaatje tot het op zijn plaats vastklikt.
6. Draai de 3 schroeven van het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment vast (3).
7. Plaats de accu terug.
8. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
9. Schakel de computer in.
78 Hoofdstuk 6 Schijfeenheden
7 Externe apparatuur
USB-apparaat gebruiken
USB (Universal Serial Bus) is een hardwarematige interface waarmee een optioneel extern apparaat,
zoals een USB-toetsenbord, -muis, -schijfeenheid, -printer, -scanner of -hub kan worden aangesloten
op de computer of op een optioneel dockingproduct.
Voor bepaalde USB-apparatuur is extra ondersteunende software nodig. Deze wordt meestal met het
apparaat meegeleverd. Raadpleeg de instructies van de fabrikant voor meer informatie over
apparaatspecifieke software. Deze instructies kunnen worden verstrekt bij de software of op schijven,
of kunnen op de website van de fabrikant staan.
Afhankelijk van het model heeft de computer maximaal 4 USB-poorten die apparaten voor USB 1.0,
USB 1.1 en USB 2.0 ondersteunen. De 2 USB-poorten aan de achterzijde van de computer zijn
standaard USB-poorten. Aan de linkerzijde van de computer bevindt zich 1 standaard USB-poort (alleen
bepaalde modellen) en 1 USB-poort met eigen voeding. Een USB-poort met eigen voeding levert
voeding aan een extern apparaat als u het aansluit met een kabel die geschikt is voor USB met voeding.
Een optioneel dockingapparaat of USB-hub biedt extra USB-poorten die met de computer kunnen
worden gebruikt.
USB-apparaat aansluiten
VOORZICHTIG: Gebruik niet te veel kracht bij het aansluiten van een USB-apparaat, om
beschadiging van de USB-connector te voorkomen.
Als u een USB-apparaat wilt aansluiten op de computer, sluit u de USB-kabel van het apparaat
aan op de USB-poort.
Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft het systeem dit aan met een geluidssignaal.
OPMERKING: De eerste keer dat u een USB-apparaat aansluit, verschijnt er een bericht in het
systeemvak dat het apparaat door de computer wordt herkend.
USB-apparaat gebruiken 79
USB-apparaat verwijderen
VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van het USB-apparaat,
om te voorkomen dat informatie verloren gaan of het systeem vastloopt.
VOORZICHTIG: Trek niet aan de kabel om een USB-apparaat los te koppelen, om beschadiging van
de USB-connector te voorkomen.
Ga als volgt te werk om een USB-apparaat te verwijderen:
1. Dubbelklik op het pictogram Hardware veilig verwijderen in het systeemvak aan de rechterkant
van de taakbalk.
OPMERKING: U kunt het pictogram Hardware veilig verwijderen weergeven door te klikken op
het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (< of <<) in het systeemvak.
2. Klik in de lijst op de naam van het apparaat.
OPMERKING: Als het USB-apparaat niet in de lijst voorkomt, hoeft u het apparaat niet stop te
zetten voordat u het verwijdert.
3. Klik op Stoppen en klik vervolgens op OK.
4. Koppel het apparaat los.
Ondersteuning voor oudere USB-systemen
Ondersteuning voor oudere USB-systemen (standaard ingeschakeld) biedt de volgende
mogelijkheden:
Het gebruik van een USB-toetsenbord, -muis of -hub die is aangesloten op een USB-poort op de
computer, tijdens het opstarten of in een MS-DOS-programma.
Het starten of opnieuw opstarten van de computer vanaf een optioneel extern MultiBay apparaat
of een optioneel USB-apparaat met voorzieningen om als opstarteenheid te fungeren.
Ondersteuning voor oudere USB-systemen is standaard ingeschakeld. U schakelt als volgt
ondersteuning voor oudere USB-systemen in of uit:
1. Open Computer Setup (Computerinstellingen) door de computer aan te zetten of opnieuw op te
starten en op esc te drukken wanneer het bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op
Esc voor het startmenu) onder aan het scherm verschijnt.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of de pijltoetsen System Configuration
(Systeemconfiguratie) > Device Configurations (Apparaatconfiguraties). Controleer of het vakje
naast USB legacy support (Ondersteuning voor oudere USB) is ingeschakeld.
OPMERKING: Druk op enter als het niet is ingeschakeld.
4. Om uw voorkeuren op te slaan en Computer Setup af te sluiten, selecteert u File (Bestand) > Save
Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en afsluiten). Volg daarna de instructies op het scherm.
De voorkeursinstellingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
1394-apparaten gebruiken
IEEE 1394 is een hardwarematige interface waarmee een multimedia-apparaat of
gegevensopslagapparaat met hoge snelheid wordt aangesloten op de computer. Voor scanners,
digitale camera's en digitale camcorders is vaak een 1394-aansluiting vereist.
80 Hoofdstuk 7 Externe apparatuur
Voor bepaalde 1394-apparatuur is extra ondersteunende software nodig. Deze wordt meestal bij het
apparaat geleverd. Raadpleeg de instructies van de fabrikant voor meer informatie over
apparaatspecifieke software.
De 1394-poort ondersteunt ook IEEE 1394a-apparaten.
1394-apparaat aansluiten
VOORZICHTIG: Gebruik niet te veel kracht bij het aansluiten van een 1394-apparaat, om
beschadiging van de connectoren van de 1394-poort te voorkomen.
Als u een 1394-apparaat wilt aansluiten op de computer, sluit u de 1394-kabel van het apparaat
aan op de 1394-poort.
Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft het systeem dit aan met een geluidssignaal.
1394-apparaat verwijderen
VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van het 1394-apparaat,
om te voorkomen dat informatie verloren gaan of het systeem vastloopt.
VOORZICHTIG: Trek niet aan de kabel om een 1394-apparaat los te koppelen, om beschadiging van
de 1394-connector te voorkomen.
Ga als volgt te werk om een 1394-apparaat te verwijderen:
1. Dubbelklik op het pictogram Hardware veilig verwijderen in het systeemvak aan de rechterkant
van de taakbalk.
OPMERKING: U kunt het pictogram Hardware veilig verwijderen weergeven door te klikken op
het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (< of <<) in het systeemvak.
2. Klik in de lijst op de naam van het apparaat.
OPMERKING: Als het apparaat niet in de lijst wordt vermeld, hoeft u het niet stop te zetten
voordat u het verwijdert.
3. Klik op Stoppen en klik vervolgens op OK.
4. Koppel het apparaat los.
1394-apparaten gebruiken 81
Dockingconnector gebruiken
Via de dockingconnector kunt u een optioneel dockingapparaat op de computer aansluiten, zodat extra
poorten en connectoren met de computer kunnen worden gebruikt.
Externe schijfeenheden gebruiken
Verwisselbare externe schijfeenheden bieden u meer mogelijkheden voor het opslaan en gebruiken
van informatie. U kunt een USB-schijfeenheid toevoegen door de schijfeenheid aan te sluiten op een
USB-poort op de computer.
OPMERKING: Er moet een externe optische USB-schijf van HP worden aangesloten op de USB-poort
aan de linkerzijde van de computer.
Er zijn een aantal types USB-schijfeenheden:
1,44-MB diskettedrive
vasteschijfmodule (een vasteschijfeenheid met een gekoppelde adapter)
externe optischeschijfeenheid
MultiBay apparaat
Optionele externe apparaten gebruiken
OPMERKING: Raadpleeg de instructies van de fabrikant voor meer informatie over de vereiste
software en stuurprogramma's en over de poort op de computer die moet worden gebruikt.
U sluit een extern apparaat als volgt aan op de computer:
VOORZICHTIG: Zorg dat het apparaat is uitgeschakeld en dat het netsnoer is losgekoppeld om het
risico van schade aan de apparatuur bij aansluiting van een apparaat met eigen voeding te beperken.
1. Sluit het apparaat aan op de computer.
2. Steek het netsnoer van het apparaat in een geaard stopcontact als u een apparaat met voeding
aansluit.
3. Zet het apparaat aan.
82 Hoofdstuk 7 Externe apparatuur
Als u een extern apparaat zonder eigen voeding wilt loskoppelen van de computer, zet u het apparaat
uit en koppelt u het daarna los van de computer. Om een extern apparaat met eigen voeding los te
koppelen, schakelt u het apparaat uit. Koppel het apparaat los van de computer en haal daarna het
netsnoer uit het stopcontact.
Optionele externe optischeschijfeenheid gebruiken
Een externe optische-schijfeenheid wordt aangesloten op een USB-poort op de computer en stelt u in
staat optische schijven (cd's en dvd's) te gebruiken. De computer heeft aan de linkerkant één USB-poort
met eigen voeding. Deze poort voorziet een externe optische-schijfeenheid van voeding bij gebruik van
een speciale USB-kabel die geschikt is voor het doorgeven van voeding van de USB-poort naar het
apparaat. Een externe optische-schijfeenheid die op de andere USB-poort van de computer wordt
aangesloten, moet worden aangesloten op een netvoedingsbron.
OPMERKING: Een externe optische-schijfeenheid moet worden aangesloten op een USB-poort op
de computer, niet op een USB-poort op een ander extern apparaat, zoals een hub of dockingstation.
Als de standbystand of hibernationstand per ongeluk wordt geactiveerd tijdens het afspelen van
bijvoorbeeld een schijf, kan het volgende gebeuren:
Het afspelen kan worden onderbroken.
Er kan een waarschuwing worden weergegeven waarin u wordt gevraagd of u wilt doorgaan. Als
dit bericht verschijnt, klikt u op Nee.
Mogelijk moet u de cd of dvd opnieuw starten om het afspelen van de audio of video te hervatten.
Optische schijf (cd of dvd) plaatsen
1. Zet de computer aan.
2. Druk op de ejectknop (1) op het voorpaneel van de schijfeenheid om de lade te openen.
3. Trek de lade uit (2).
4. Houd de cd of dvd bij de randen vast om te voorkomen dat u het oppervlak aanraakt en plaats de
schijf op de as in de lade met het label naar boven.
OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf enigszins
schuin zodat u deze voorzichtig op de as kunt plaatsen.
Optionele externe optischeschijfeenheid gebruiken 83
5. Druk de schijf voorzichtig op de as van de lade totdat de schijf vastklikt (3).
6. Sluit de lade.
Optische schijf (cd of dvd) verwijderen
Er zijn twee manieren om een schijf te verwijderen, afhankelijk van of de lade normaal opengaat of niet.
Als de lade opengaat
1. Druk op de ejectknop (1) op de schijfeenheid om de lade te ontgrendelen en trek de lade voorzichtig
zo ver mogelijk uit (2).
2. Verwijder de schijf (3) uit de lade door voorzichtig op de as te drukken terwijl u de schijf aan de
randen optilt. Houd de schijf bij de randen vast en raak het oppervlak niet aan.
OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf voorzichtig
enigszins schuin bij het verwijderen.
3. Sluit de lade en berg de schijf op in het bijbehorende doosje.
84 Hoofdstuk 7 Externe apparatuur
Als de lade niet opengaat
1. Steek het uiteinde van een paperclip (1) in de ontgrendelingsopening in het voorpaneel van de
schijfeenheid.
2. Druk voorzichtig op de paperclip om de lade te ontgrendelen en trek de lade vervolgens zo ver
mogelijk uit (2).
3. Verwijder de schijf uit de lade door voorzichtig op de as te drukken terwijl u de schijf aan de randen
optilt (3). Houd de schijf bij de randen vast en raak het oppervlak niet aan.
OPMERKING: Als de lade niet volledig kan worden uitgetrokken, houdt u de schijf voorzichtig
enigszins schuin bij het verwijderen.
4. Sluit de lade en berg de schijf op in het bijbehorende doosje.
Optionele externe optischeschijfeenheid gebruiken 85
8 Externe mediakaarten
SD Cards gebruiken
Met optionele digitale kaarten kunt u gegevens veilig opslaan en gemakkelijk uitwisselen. Deze kaarten
worden vaak gebruikt om gegevens uit te wisselen tussen computers of tussen een computer en
apparatuur met digitale media, zoals camera's en pda's.
De SD Card-lezer ondersteunt de volgende kaarttypes:
MultiMediaCard (MMC)
Secure Digital-geheugenkaart (SD)
Digitale kaart plaatsen
VOORZICHTIG: Voorkom beschadiging van de digitale kaart of de computer en plaats geen adapter,
van welk type dan ook, in de SD Card-lezer.
VOORZICHTIG: Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het plaatsen van een digitale kaart, om
beschadiging van de connectoren van de digitale kaart te voorkomen.
1. Houd de digitale kaart met het label naar boven, terwijl de connectoren naar de computer zijn
gericht.
2. Plaats de kaart in de SD Card-lezer en druk de kaart aan totdat deze goed op zijn plaats zit.
Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft de computer dit aan met een geluidssignaal. Mogelijk
wordt een menu met beschikbare opties weergegeven.
Digitale kaart verwijderen
VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van een digitale kaart om
te voorkomen dat gegevens verloren gaan of het systeem vastloopt.
86 Hoofdstuk 8 Externe mediakaarten
Ga als volgt te werk om een digitale kaart te verwijderen:
1. Sla uw gegevens op en sluit alle applicaties die gebruikmaken van de digitale kaart.
OPMERKING: Als u een gegevensoverdracht wilt stoppen, klikt u op Annuleren in het
kopieervenster van het besturingssysteem.
2. Ga als volgt te werk om de digitale kaart te stoppen:
a. Dubbelklik op het pictogram Hardware veilig verwijderen in het systeemvak aan de
rechterkant van de taakbalk.
OPMERKING: U kunt het pictogram Hardware veilig verwijderen weergeven door te klikken
op het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (< of <<) in het systeemvak.
b. Klik in de lijst op de naam van de digitale kaart.
c. Klik op Stoppen en klik vervolgens op OK.
3. Trek de kaart uit het slot.
ExpressCards gebruiken
Een ExpressCard is een hoogwaardige PC Card die in het ExpressCard-slot wordt geplaatst.
Net als bij standaard PC Cards voldoet de functionaliteit van ExpressCards aan de specificaties van de
Personal Computer Memory Card International Association (PCMCIA).
ExpressCard configureren
Installeer alleen de software die voor uw apparaat is vereist. Als u volgens de instructies van de fabrikant
van de ExpressCard stuurprogramma's moet installeren, gaat u als volgt te werk:
Installeer alleen de stuurprogramma's voor uw besturingssysteem.
Installeer geen andere software zoals card services, socket services of enablers die door de
fabrikant van de ExpressCard zijn geleverd.
ExpressCard plaatsen
VOORZICHTIG: Plaats een PC Card niet in een ExpressCard-slot, om beschadiging van de computer
of externe mediakaarten te voorkomen.
VOORZICHTIG: Neem de volgende richtlijnen in acht om het risico van beschadiging van de
connectoren te beperken:
Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het plaatsen van een ExpressCard.
Verplaats of vervoer de computer niet wanneer er een ExpressCard in gebruik is.
ExpressCards gebruiken 87
In het ExpressCard-slot kan een beschermplaatje zijn geplaatst. Ga als volgt te werk om het
beschermplaatje te verwijderen:
1. Druk het beschermplaatje (1) iets naar binnen om het te ontgrendelen.
2. Haal het plaatje uit het slot (2).
Ga als volgt te werk om een ExpressCard te plaatsen:
1. Houd de kaart met het label naar boven en de connectoren naar de computer gericht.
2. Plaats de kaart voorzichtig in het ExpressCard-slot en druk de kaart aan tot deze stevig op zijn
plaats zit.
Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft de computer dit aan met een geluidssignaal. Mogelijk
wordt een menu met beschikbare opties weergegeven.
OPMERKING: De eerste keer dat u een ExpressCard plaatst, verschijnt er een bericht in het
systeemvak dat het apparaat door de computer wordt herkend.
OPMERKING: Wanneer er een ExpressCard is geplaatst, verbruikt deze stroom, zelfs wanneer de
kaart niet wordt gebruikt. Wanneer een ExpressCard niet in gebruik is, kunt u energie besparen door
de kaart stop te zetten of te verwijderen.
ExpressCard verwijderen
VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van de ExpressCard om
te voorkomen dat gegevens verloren gaan of het systeem vastloopt.
88 Hoofdstuk 8 Externe mediakaarten
Ga als volgt te werk om een ExpressCard te verwijderen:
1. Sla uw gegevens op en sluit alle toepassingen die gebruikmaken van de ExpressCard.
OPMERKING: Als u een gegevensoverdracht wilt stoppen, klikt u op Annuleren in het
kopieervenster van het besturingssysteem.
2. Ga als volgt te werk om de ExpressCard te stoppen:
a. Dubbelklik op het pictogram Hardware veilig verwijderen in het systeemvak aan de
rechterkant van de taakbalk.
OPMERKING: U kunt het pictogram Hardware veilig verwijderen weergeven door te klikken
op het pictogram Verborgen pictogrammen weergeven (< of <<) in het systeemvak.
b. Klik in de lijst op de naam van de ExpressCard.
c. Klik op Stoppen en klik vervolgens op OK.
3. Ga als volgt te werk om de ExpressCard te ontgrendelen en verwijderen:
a. Druk de ExpressCard (1) voorzichtig iets naar binnen om de kaart te ontgrendelen.
b. Haal de ExpressCard uit het slot (2).
Smart Cards gebruiken
OPMERKING: De term Smart Card verwijst in dit hoofstuk zowel naar Smart Cards als Java™ Cards.
Een Smart Card is een accessoire met het formaat van een creditcard, dat is voorzien van een microchip
met geheugen en een microprocessor. Smart Cards hebben, net zoals personal computers, een
besturingssysteem voor het beheer van de in- en uitvoer. Daarnaast zijn ze voorzien van
beveiligingsvoorzieningen om ze te beveiligen tegen aanvallen van buitenaf. Standaard Smart Cards
worden gebruikt in combinatie met de Smart Card-lezer.
U heeft een pincode nodig om toegang te krijgen tot de inhoud van de microchip. Raadpleeg Help en
ondersteuning voor meer informatie over de beveiligingsvoorzieningen van Smart Cards.
Smart Cards gebruiken 89
Smart Card plaatsen
Ga als volgt te werk om een Smart Card te plaatsen:
1. Houd het kaartlabel naar boven en schuif de kaart voorzichtig in de Smart Card-lezer tot de kaart
goed op zijn plaats zit.
2. Volg de instructies op het scherm om u aan te melden op de computer met behulp van de pincode
van de Smart Card.
Smart Card verwijderen
Ga als volgt te werk om een Smart Card te verwijderen:
Pak de Smart Card bij de zijkanten vast en trek de kaart voorzichtig uit de Smart Card-lezer.
90 Hoofdstuk 8 Externe mediakaarten
9 Geheugenmodules
De computer heeft twee geheugenmodulecompartimenten. Het primaire
geheugenmodulecompartiment bevindt zich onder het toetsenbord. Het compartiment voor de
geheugenuitbreidingsmodule bevindt zich aan de onderkant van de computer.
De geheugencapaciteit van de computer kan worden uitgebreid door een geheugenmodule toe te
voegen aan het vrije slot voor een geheugenuitbreidingsmodule, of door de bestaande module in het
slot voor de primaire geheugenmodule te upgraden.
WAARSCHUWING! Koppel het netsnoer los en verwijder alle accu's voordat u een geheugenmodule
plaatst, om het risico van een elektrische schok of schade aan de apparatuur te beperken.
VOORZICHTIG: Door elektrostatische ontlading kunnen elektronische onderdelen beschadigd raken.
Zorg ervoor dat u vrij bent van statische elektriciteit door een goed geaard metalen voorwerp aan te
raken voordat u elektronische onderdelen hanteert.
Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsmoduleslot
plaatsen of vervangen
U kunt als volgt een geheugenmodule toevoegen aan of vervangen in het geheugenuitbreidingsslot:
1. Sla uw werk op.
2. Schakel de computer uit en sluit het beeldscherm.
Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand staat, zet u de computer
aan door op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af via het besturingssysteem.
3. Ontkoppel alle randapparatuur die op de computer is aangesloten.
4. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.
5. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak.
6. Verwijder de accu uit de computer.
7. Draai de 3 schroeven van het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment los (1).
Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsmoduleslot plaatsen of vervangen 91
8. Til de rand van het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment (2) met uw vinger of een
schroevendraaier op om het open te maken, en verwijder het afdekplaatje van de computer (3).
OPMERKING: Als er geen module in het slot zit, slaat u stap 9 over en gaat u verder met stap
10.
9. Verwijder de geheugenmodule als volgt:
a. Trek de borgklemmetjes aan beide zijden van de geheugenmodule weg (1).
De geheugenmodule komt omhoog.
VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule alleen vast aan de randen, anders kan schade
ontstaan aan de module. Raak de onderdelen van de geheugenmodule niet aan.
b. Pak de geheugenmodule aan de rand vast (2) en trek de module voorzichtig uit het
geheugenmoduleslot.
Bewaar een verwijderde geheugenmodule in een antistatische verpakking om de module te
beschermen.
92 Hoofdstuk 9 Geheugenmodules
10. U plaatst een geheugenmodule als volgt:
VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule alleen vast aan de randen, om schade aan de
module te voorkomen. Raak de onderdelen op de geheugenmodule niet aan en buig de
geheugenmodule niet.
a. Breng de inkeping (1) in de geheugenmodule op één lijn met het nokje van het
geheugenmoduleslot.
b. Druk de module (2) onder een hoek van 45 graden ten opzichte van het
geheugenmodulecompartiment in het geheugenmoduleslot totdat de module goed op zijn
plaats zit.
c. Kantel de geheugenmodule (3) voorzichtig naar beneden, waarbij u drukt op de linker- en
rechterrand van de module, totdat de borgklemmetjes vastklikken.
11. Plaats het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment met de lipjes (1) in de uitsparingen
in de computer.
12. Laat het afdekplaatje zakken (2) en druk op het afdekplaatje tot het op zijn plaats vastklikt.
Geheugenmodule in het geheugenuitbreidingsmoduleslot plaatsen of vervangen 93
13. Draai de 3 schroeven van het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment vast (3).
14. Plaats de accu terug.
15. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
16. Zet de computer aan.
Geheugenmodule in het slot voor de primaire
geheugenmodule upgraden
U kunt als volgt een geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden:
1. Sla uw werk op.
2. Schakel de computer uit en sluit het beeldscherm.
Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld of in de hibernationstand staat, zet u de computer
aan door op de aan/uit-knop te drukken. Sluit de computer vervolgens af via het besturingssysteem.
3. Ontkoppel alle randapparatuur die op de computer is aangesloten.
4. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.
5. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak.
6. Verwijder de accu uit de computer.
7. Draai de 3 schroeven van het afdekplaatje van de vaste schijf los (1).
94 Hoofdstuk 9 Geheugenmodules
8. Til de rand van het afdekplaatje van de vaste schijf (2) met uw vinger of een schroevendraaier op
om het open te maken, en verwijder het afdekplaatje van de computer (3).
9. Verwijder de 3 schroeven op het schakelaarafdekplaatje (1).
10. Draai de 4 schroeven voor toegang tot het toetsenbord (2) los.
11. Draai de computer weer om en open het beeldscherm.
Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden 95
12. Til het schakelaarafdekplaatje voorzichtig van het toetsenbord weg.
13. Til voorzichtig de bovenrand van het toetsenbord (1) op en trek het toetsenbord omhoog (2).
OPMERKING: Als de linkerkant van het toetsenbord eerder loskomt dan de rechterkant, trekt u
het toetsenbord voorzichtig naar links om de rechterkant los te maken.
14. Til voorzichtig de grote kabelconnector (1) op en trek de kabel weg (2) om deze los te maken.
96 Hoofdstuk 9 Geheugenmodules
15. Til voorzichtig de kleine kabelconnector (3) op en trek de kabel weg (4) om deze los te maken.
16. Kantel het toetsenbord tot het op de polssteun van de computer ligt.
17. Verwijder de schroef van het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment (1).
18. Verwijder het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment (2).
19. Verwijder de geheugenmodule als volgt:
a. Trek de borgklemmetjes aan beide zijden van de geheugenmodule weg (1).
De geheugenmodule komt omhoog.
VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule alleen vast aan de randen, anders kan schade
ontstaan aan de module. Raak de onderdelen van de geheugenmodule niet aan.
Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden 97
b. Pak de geheugenmodule aan de rand vast (2) en trek de module voorzichtig uit het
geheugenmoduleslot.
Bewaar een verwijderde geheugenmodule in een antistatische verpakking om de module te
beschermen.
20. U plaatst een geheugenmodule als volgt:
VOORZICHTIG: Houd de geheugenmodule alleen vast aan de randen, om schade aan de
module te voorkomen. Raak de onderdelen op de geheugenmodule niet aan en buig de
geheugenmodule niet.
a. Breng de inkeping (1) in de geheugenmodule op één lijn met het nokje van het
geheugenmoduleslot.
b. Druk de module (2) onder een hoek van 45 graden ten opzichte van het
geheugenmodulecompartiment in het geheugenmoduleslot totdat de module goed op zijn
plaats zit.
98 Hoofdstuk 9 Geheugenmodules
c. Kantel de geheugenmodule (3) voorzichtig naar beneden, waarbij u drukt op de linker- en
rechterrand van de module, totdat de borgklemmetjes vastklikken.
21. Plaats het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment (1) terug.
22. Draai de schroef van het afdekplaatje van het geheugenmodulecompartiment vast (2).
23. Plaats de grote kabel (1) weer in de kabelconnector en duw de kabelconnector vervolgens omlaag
tot deze op zijn plaats vastklikt (2).
Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden 99
24. Plaats de kleine kabel (3) weer in de kabelconnector en duw de kabelconnector vervolgens omlaag
tot deze op zijn plaats vastklikt (4).
25. Lijn de inkepingen van het toetsenbord uit met de nokjes in het toetsenbordslot (1) en kantel het
toetsenbord weer in het toetsenbordslot (2).
100 Hoofdstuk 9 Geheugenmodules
26. Lijn het schakelaarafdekplaatje uit en druk vervolgens op de plaats van het schakelaarafdekplaatje
tot het op zijn plaats vastklikt.
OPMERKING: Als het afdekplaatje van de beeldschermschakelaar niet helemaal vlak is,
verwijdert u het en herhaalt u deze stap.
27. Sluit het beeldscherm.
28. Leg de computer ondersteboven op een vlak oppervlak.
29. Draai de 4 schroeven voor toegang tot het toetsenbord (1) vast.
30. Plaats de 3 schroeven van het schakelaarafdekplaatje terug (2).
31. Steek de lipjes (1) op het afdekplaatje van de vaste schijf in de uitsparingen op de computer.
32. Laat het afdekplaatje zakken (2) en druk op het afdekplaatje tot het op zijn plaats vastklikt.
Geheugenmodule in het slot voor de primaire geheugenmodule upgraden 101
33. Draai de 3 schroeven van het afdekplaatje van de vaste schijf vast (3).
34. Plaats de accu terug.
35. Keer de computer weer om en sluit de externe voeding en de externe apparaten weer aan.
36. Zet de computer aan.
102 Hoofdstuk 9 Geheugenmodules
10 Beveiliging
Computer beschermen
OPMERKING: Van beveiligingsfuncties moet op de eerste plaats een ontmoedigingseffect uitgaan.
Dergelijke maatregelen kunnen echter niet altijd voorkomen dat een product verkeerd wordt gebruikt of
gestolen.
OPMERKING: In sommige landen of regio’s ondersteunt de computer CompuTrace, een online
service voor opsporing en herstel in het kader van beveiliging. Als de computer wordt gestolen, kan
CompuTrace deze opsporen wanneer de onbevoegde gebruiker internet op gaat. U kunt CompuTrace
gebruiken door de software aan te schaffen en een abonnement op de service te nemen. Informatie
over het bestellen van de CompuTrace-software vindt u op de website van HP op
http://www.hpshopping.com.
De beveiligingsfuncties van uw computer beschermen uw computer, persoonlijke informatie en
gegevens tegen diverse gevaren. De manier waarop u de computer gebruikt, bepaalt welke
beveiligingsfuncties u nodig heeft.
Het besturingssysteem Windows® is voorzien van diverse beveiligingsfuncties. De aanvullende
beveiligingsfuncties zijn opgenomen in de volgende tabel. De meeste van deze aanvullende
voorzieningen kunnen worden ingesteld met het programma Computer Setup.
Ter beveiliging tegen Deze beveiligingsfunctie gebruiken
Onbevoegd gebruik van de computer HP ProtectTools Security Manager, in combinatie met een
wachtwoord, Smart Card en/of vingerafdruklezer
Onbevoegde toegang tot Computer Setup (f10) BIOS-beheerderswachtwoord in Computer Setup*
Onbevoegde toegang tot de inhoud van een vaste schijf DriveLock-wachtwoord in Computer Setup*
Onbevoegd opstarten vanaf een optischeschijfeenheid,
diskettedrive of interne netwerkadapter
Functie voor opstartopties in Computer Setup*
Onbevoegde toegang tot Windows-gebruikersaccounts HP ProtectTools Security Manager
Onbevoegde toegang tot gegevens
Firewall-software
Windows-updates
Drive Encryption for HP ProtectTools
Onbevoegde toegang tot de instellingen van Computer Setup
en andere identificatiegegevens van het systeem
BIOS-beheerderswachtwoord in Computer Setup*
Onbevoegd meenemen van de computer Slot voor een beveiligingskabel (voor een optionele
beveiligingskabel)
*Computer Setup is een vooraf geïnstalleerd programma in het ROM-geheugen, dat zelfs kan worden gebruikt wanneer het
besturingssysteem niet werkt of niet kan worden geladen. U kunt navigeren door Computer Setup en selecties maken met
behulp van een aanwijsapparaat (zoals het touchpad, de EasyPoint-muisbesturing of een USB-muis) of het toetsenbord.
Computer beschermen 103
Wachtwoorden gebruiken
De meeste beveiligingsfuncties maken gebruik van een wachtwoord. Noteer een wachtwoord nadat u
het heeft ingesteld en bewaar het op een veilige plaats uit de buurt van de computer. Op wachtwoorden
zijn onderstaande overwegingen van toepassing:
Het instelwachtwoord en het DriveLock-wachtwoord worden ingesteld in Computer Setup en
beheerd door het systeem-BIOS.
Het wachtwoord voor geïntegreerde beveiliging is een wachtwoord van HP ProtectTools Security
Manager. Het kan worden geactiveerd in Computer Setup om het BIOS te voorzien van
wachtwoordbeveiliging naast de gebruikelijke functies van HP ProtectTools. Het wachtwoord voor
geïntegreerde beveiliging wordt gebruikt in combinatie met de optionele geïntegreerde
beveiligingschip.
Wachtwoorden voor Windows kunnen uitsluitend worden ingesteld in het besturingssysteem
Windows.
Als u het in Computer Setup ingestelde BIOS-beheerderswachtwoord vergeet, kunt u HP SpareKey
gebruiken om toegang te krijgen tot het programma.
Als u zowel het gebruikerswachtwoord als het hoofdwachtwoord voor DriveLock vergeet, is de
vaste schijf die met die wachtwoorden is beveiligd permanent vergrendeld en kan deze niet meer
worden gebruikt.
U kunt hetzelfde wachtwoord gebruiken voor een functie van Computer Setup en een
beveiligingsvoorziening van Windows. U kunt hetzelfde wachtwoord gebruiken voor meerdere functies
van Computer Setup.
Gebruik de volgende tips voor het maken en opslaan van wachtwoorden:
Volg, bij het maken van wachtwoorden, de vereisten die zijn ingesteld door het programma.
Noteer uw wachtwoorden en bewaar deze op een veilige plaats uit de buurt van de computer.
Bewaar de wachtwoorden niet in een bestand op de computer.
In de volgende tabellen worden veelgebruikte Windows- en BIOS-beheerderswachtwoorden
beschreven in combinatie met de bijbehorende functies.
Wachtwoorden instellen in Windows
Windows-wachtwoorden Functie
Beheerderswachtwoord* Beveiligt de toegang tot een Windows-account op
beheerdersniveau.
Gebruikerswachtwoord* Beveiligt de toegang tot een Windows-gebruikersaccount.
*Selecteer voor informatie over het instellen van een beheerders- of gebruikerswachtwoord voor Windows Start > Help en
ondersteuning.
Wachtwoorden instellen in Computer Setup
BIOS-beheerderswachtwoorden Functie
BIOS-beheerderswachtwoord Beveiligt de toegang tot Computer Setup.
104 Hoofdstuk 10 Beveiliging
BIOS-beheerderswachtwoorden Functie
DriveLock-hoofdwachtwoord Beveiligt de toegang tot de interne vaste schijf die wordt
beschermd door DriveLock. Het wordt tevens gebruikt om de
DriveLock beveiliging te verwijderen. Dit wachtwoord wordt
ingesteld onder DriveLock wachtwoorden tijdens het
inschakelproces.
DriveLock-gebruikerswachtwoord Beveiligt de toegang tot de interne vaste schijf die wordt
beschermd door DriveLock en wordt ingesteld onder
DriveLock wachtwoorden tijdens het inschakelproces.
Wachtwoord voor geïntegreerde TPM-beveiliging Beveiligt (mits ingesteld als BIOS-beheerderswachtwoord) de
toegang tot de inhoud van de computer wanneer deze is
ingeschakeld, opnieuw wordt opgestart of wanneer de
hibernationstand wordt beëindigd.
Voor dit wachtwoord dient de optionele geïntegreerde
beveiligingschip deze beveiligingsfunctie te ondersteunen.
BIOS-beheerderswachtwoord
Met het BIOS-beheerderswachtwoord van Computer Setup beveiligt u de configuratie-instellingen en
systeemidentificatiegegevens in Computer Setup. Nadat dit wachtwoord is ingesteld, moet u het elke
keer opgeven als u Computer Setup opent en hier instellingen wijzigt.
Een BIOS-beheerderswachtwoord heeft de volgende kenmerken:
Het is niet hetzelfde als het beheerderswachtwoord dat in Windows is ingesteld, hoewel beide
wachtwoorden hetzelfde mogen zijn.
Het wordt niet weergegeven als het wordt ingesteld, opgegeven, gewijzigd of verwijderd.
Het moet met dezelfde toetsen worden opgegeven als waarmee het wachtwoord is ingesteld. Als
u bijvoorbeeld een BIOS-beheerderswachtwoord instelt met de cijfertoetsen boven aan het
toetsenbord, wordt het niet herkend wanneer u het daarna opgeeft met de cijfertoetsen van het
geïntegreerde numerieke toetsenblok.
Het kan uit een willekeurige combinatie van maximaal 32 letters en cijfers bestaan, waarbij geen
onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters, tenzij de beheerder dit vereist.
Wachtwoorden gebruiken 105
BIOS-beheerderswachtwoord beheren
Het BIOS-beheerderswachtwoord wordt ingesteld, gewijzigd en verwijderd in Computer Setup.
U stelt dit wachtwoord in Computer Setup als volgt in:
1. Zet de computer aan of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer het bericht "Press the ESC
key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor het startmenu) onderaan het scherm verschijnt.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met de cursorbesturing of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Setup BIOS
Administrator Password (BIOS-beheerderswachtwoord instellen) en druk op enter.
4. Typ een wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd.
5. Typ nogmaals het nieuwe wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd.
6. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk op enter.
De voorkeursinstellingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
U wijzigt dit wachtwoord als volgt in Computer Setup:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onderin het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met behulp van de cursorbesturing of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Change
Password (Wachtwoord wijzigen) en druk vervolgens op enter.
4. Typ uw huidige wachtwoord wanneer u daarom wordt gevraagd.
5. Typ opnieuw uw nieuwe wachtwoord ter bevestiging wanneer u daarom wordt gevraagd.
6. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Ga als volgt te werk om dit wachtwoord te verwijderen in Computer Setup:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met behulp van de cursorbesturing of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Change
Password (Wachtwoord wijzigen) en druk vervolgens op enter
.
4. Typ uw huidige wachtwoord wanneer u daarom wordt gevraagd.
106 Hoofdstuk 10 Beveiliging
5. Wanneer u wordt gevraagd om het nieuwe wachtwoord, laat u het vak leeg en drukt u op enter.
6. Lees de waarschuwing. Selecteer YES (JA) om verder te gaan.
7. Wanneer u wordt gevraagd uw nieuwe wachtwoord opnieuw te typen, laat u het vak leeg en drukt
u op enter.
8. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk vervolgens op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Wachtwoorden gebruiken 107
BIOS-beheerderswachtwoord invoeren
Typ achter de prompt BIOS administrator password (BIOS-beheerderswachtwoord) uw wachtwoord
(met dezelfde soort toetsen als waarmee u het wachtwoord heeft ingesteld) en druk op enter. Als u drie
keer het verkeerde BIOS-beheerderswachtwoord heeft ingevoerd, moet u de computer opnieuw
opstarten voordat u het opnieuw kunt proberen.
DriveLock gebruiken in Computer Setup
VOORZICHTIG: Noteer het gebruikerswachtwoord en het hoofdwachtwoord voor DriveLock
zorgvuldig en bewaar dit uit de buurt van uw computer om te voorkomen dat de met DriveLock
beschermde vaste schijf permanent onbruikbaar wordt. Als u beide DriveLock-wachtwoorden vergeet,
is de vaste schijf permanent vergrendeld en kan deze niet meer worden gebruikt.
Met DriveLock voorkomt u onbevoegde toegang tot de inhoud van een vaste schijf. DriveLock kan alleen
worden toegepast op de interne vaste schijf of schijven van de computer. Als DriveLock-beveiliging op
een schijf wordt toegepast, moet een wachtwoord worden ingevoerd om toegang tot deze schijf te
krijgen. U krijgt alleen toegang tot de schijf met behulp van de DriveLock-wachtwoorden als de schijf in
de computer of een geavanceerde poortreplicator is geplaatst.
Om DriveLock-beveiliging toe te passen op een interne vaste schijf, moeten in Computer Setup een
gebruikerswachtwoord en een hoofdwachtwoord worden ingesteld. Op DriveLock-beveiliging zijn de
volgende overwegingen van toepassing:
Nadat DriveLock beveiliging is toegepast op een vaste schijf, kan deze alleen nog maar worden
gebruikt wanneer eerst het gebruikers- of hoofdwachtwoord wordt ingevoerd.
Het gebruikerswachtwoord is voor de dagelijkse gebruiker van de beveiligde vaste schijf. Het
hoofdwachtwoord is voor de systeembeheerder of gebruiker.
Het gebruikerswachtwoord en het hoofdwachtwoord mogen hetzelfde zijn.
U kunt een gebruikers- of hoofdwachtwoord uitsluitend verwijderen door de DriveLock-beveiliging
van de vaste schijf te verwijderen. DriveLock-beveiliging kan alleen met het hoofdwachtwoord van
een schijf worden verwijderd.
108 Hoofdstuk 10 Beveiliging
DriveLock-wachtwoord instellen
Ga als volgt te werk om een DriveLock-wachtwoord in te stellen in Computer Setup:
1. Schakel de computer in en druk op esc wanneer de melding ‘Press the ESC key for Startup
Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > DriveLock
Password (DriveLock-wachtwoord) en druk op enter.
4. Klik met de cursorbesturing op de vaste schijf die u wilt beveiligen.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen de vaste schijf die u wilt beveiligen en druk vervolgens op enter.
5. Lees de waarschuwing. Selecteer YES (JA) om verder te gaan.
6. Typ een hoofdwachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd en druk op enter.
7. Typ nogmaals het hoofdwachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd en druk op enter.
8. Typ een gebruikerswachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd en druk op enter.
9. Typ nogmaals het gebruikerswachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd en druk op enter.
10. Bevestig de DriveLock-beveiliging op de geselecteerde schijf door in het bevestigingsveld
DriveLock te typen en vervolgens op enter te drukken.
OPMERKING: De DriveLock-bevestiging maakt onderscheid tussen hoofdletters en kleine
letters.
11. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Wachtwoorden gebruiken 109
DriveLock-wachtwoord invoeren
Zorg ervoor dat de vaste schijf in de computer zelf is ondergebracht (niet in een optioneel
dockingapparaat of externe MultiBay).
Wanneer u wordt gevraagd een DriveLock-wachtwoord op te geven, typt u het gebruikerswachtwoord
of het hoofdwachtwoord (met hetzelfde type toetsen als waarmee u het wachtwoord heeft ingesteld).
Druk daarna op enter.
Als u twee keer het verkeerde wachtwoord heeft ingevoerd, moet u de computer uitschakelen en het
opnieuw proberen.
110 Hoofdstuk 10 Beveiliging
DriveLock-wachtwoord wijzigen
Ga als volgt te werk om een DriveLock-wachtwoord te wijzigen in Computer Setup:
1. Schakel de computer in en druk op esc wanneer de melding ‘Press the ESC key for Startup
Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > DriveLock
Password (DriveLock-wachtwoord) en druk op enter.
4. Selecteer met de cursorbesturing een interne vaste schijf.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens op enter.
5. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen het wachtwoord dat u wilt wijzigen.
6. Typ uw huidige wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd en druk op enter.
7. Typ een nieuw wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd en druk op enter.
8. Typ nogmaals het nieuwe wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd en druk op enter.
9. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Wachtwoorden gebruiken 111
DriveLock-beveiliging verwijderen
Ga als volgt te werk om de DriveLock-beveiliging te verwijderen in Computer Setup:
1. Schakel de computer in en druk op esc wanneer de melding ‘Press the ESC key for Startup
Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > DriveLock
Password (DriveLock-wachtwoord) en druk op enter.
4. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens op
enter.
5. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen Disable protection (Beveiliging uitschakelen).
6. Typ uw hoofdwachtwoord en druk vervolgens op enter.
7. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk vervolgens op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Auto DriveLock gebruiken in Computer Setup
In een omgeving met meerdere gebruikers kunt u een wachtwoord voor Automatische DriveLock
instellen. Wanneer het wachtwoord voor Automatische DriveLock wordt geactiveerd, worden een
willekeurig gebruikerswachtwoord en een DriveLock-hoofdwachtwoord voor u aangemaakt. Wanneer
een gebruiker het juiste wachtwoord opgeeft, worden hetzelfde willekeurige gebruikerswachtwoord en
DriveLock-hoofdwachtwoord gebruikt om de schijf te ontgrendelen.
OPMERKING: U heeft een BIOS-beheerderswachtwoord nodig om toegang te krijgen tot de
voorzieningen van Automatische DriveLock.
Wachtwoord voor Automatische DriveLock invoeren
Ga als volgt te werk om een wachtwoord voor Automatische DriveLock in te schakelen in Computer
Setup:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Automatic
DriveLock (Automatische DriveLock) en druk vervolgens op enter.
4. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens op
enter.
5. Lees de waarschuwing. Selecteer YES (JA) om verder te gaan.
6. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
112 Hoofdstuk 10 Beveiliging
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk vervolgens op enter.
Beveiliging met Automatische DriveLock verwijderen
Ga als volgt te werk om de DriveLock-beveiliging te verwijderen in Computer Setup:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Automatic
DriveLock (Automatische DriveLock) en druk vervolgens op enter.
4. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen een interne vaste schijf en druk vervolgens op
enter.
5. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen Disable protection (Beveiliging uitschakelen).
6. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk vervolgens op enter.
Beveiligingsvoorzieningen van Computer Setup gebruiken
Systeemapparaten beveiligen
U kunt systeemapparaten in- of uitschakelen vanuit de volgende menu’s in Computer Setup:
Boot Options (Opstartopties)
Device Configurations (Apparaatconfiguraties)
Built-In Device Options (Opties voor geïntegreerde apparaten)
Port Options (Poortopties)
U kunt als volgt systeemapparaten uit- en weer inschakelen in Computer Setup:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Gebruik een aanwijsapparaat of de pijltoetsen om System Configuration
(Systeemconfiguratie) > Boot Options (Opstartopties) of System Configuration
(Systeemconfiguratie) > Device Configurations (Apparaatconfiguraties) of System
Configuration (Systeemconfiguratie) > Built-in Device Options (Opties voor geïntegreerde
apparaten) of System Configuration (Systeemconfiguratie) > Port Options (Poortopties) te
selecteren.
4. Druk op enter.
5. Als u een optie wilt uitschakelen, gebruikt u een aanwijsapparaat om het vakje naast de optie uit
te schakelen.
Beveiligingsvoorzieningen van Computer Setup gebruiken 113
– of –
Gebruik de pijltoetsen om de optie te markeren en druk op enter.
6. Als u een optie opnieuw wilt inschakelen, gebruikt u een aanwijsapparaat om het vakje naast de
optie in te schakelen.
– of –
Gebruik de pijltoetsen om de optie te markeren en druk op enter.
7. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk vervolgens op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Systeeminformatie weergeven in Computer Setup
De functie voor systeeminformatie in Computer Setup verschaft twee soorten gegevens over het
systeem:
identificatiegegevens over het computermodel en de accu's;
specificaties van de processor, het geheugen, het ROM, de revisie van de videokaart, de revisie
van de toetsenbordcontroller en identificatienummers van voorzieningen voor draadloze
communicatie.
Ga als volgt te werk om deze algemene systeeminformatie in Computer Setup weer te geven:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen File (Bestand) > System Information
(Systeeminformatie) en druk vervolgens op enter.
OPMERKING: Als u wilt voorkomen dat onbevoegden toegang hebben tot deze gegevens, stelt u in
Computer Setup een BIOS-beheerderswachtwoord in.
Systeemidentificatie gebruiken in Computer Setup
Met de functie voor systeemidentificatie in Computer Setup kunt u labels invoeren voor de computer en
de eigenaar.
OPMERKING: Als u wilt voorkomen dat onbevoegden toegang hebben tot deze gegevens, stelt u in
Computer Setup een BIOS-beheerderswachtwoord in.
Ga als volgt te werk om deze voorziening te gebruiken in Computer Setup:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
114 Hoofdstuk 10 Beveiliging
3. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen Security (Beveiliging) > System IDs
(Systeemidentificatie) en druk vervolgens op enter.
4. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen Notebook Asset Tag (Inventarisnummer
notebookcomputer) of Notebook Ownership Tag (Eigendomslabel notebookcomputer) en voer
vervolgens de gegevens in.
5. Druk als u klaar bent op enter.
6. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk vervolgens op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Antivirussoftware gebruiken
Als u de computer gebruikt om toegang te krijgen tot e-mail, een netwerk of internet, stelt u de computer
bloot aan computervirussen. Computervirussen kunnen het besturingssysteem, programma’s en
hulpprogramma’s onklaar maken of de werking hiervan verstoren.
Met antivirussoftware kunnen de meeste virussen worden opgespoord en vernietigd. In de meeste
gevallen kan ook schade die door virussen is aangericht, worden hersteld. Het is noodzakelijk om
antivirussoftware regelmatig bij te werken, zodat deze ook bescherming biedt tegen nieuw ontdekte
virussen.
De antivirussoftware McAfee Total Protection is vooraf geïnstalleerd of vooraf geladen op de
computer.
Als de antivirussoftware vooraf is geïnstalleerd, selecteert u Start > Alle programma’s > McAfee >
Managed Services (Beheerde services) > Total Protection.
Als de software vooraf is geladen, selecteert u Start > Alle programma’s > HP Software Setup en
volgt u de instructies op het scherm om de McAfee Total Protection-software te laden.
Voor meer informatie over computervirussen typt u virussen in het zoekvak in Help en ondersteuning.
Firewallsoftware gebruiken
Wanneer u de computer gebruikt om toegang te krijgen tot e-mail, een netwerk of internet, kunnen
onbevoegden mogelijk toegang krijgen tot de computer, uw persoonlijke bestanden en gegevens over
u. Bescherm uw privacy met de firewallsoftware die vooraf op de computer is geïnstalleerd. De
antivirussoftware McAfee Total Protection is vooraf geïnstalleerd op de computer. U kunt deze software
openen door Start > Alle programma’s > McAfee > Managing Services (Services beheren) > Total
Protection te selecteren.
Firewallvoorzieningen omvatten onder andere logboek- en rapportagefunctionaliteit voor
netwerkactiviteit en automatische bewaking van al het inkomende en uitgaande gegevensverkeer.
Raadpleeg de instructies van de softwarefabrikant voor meer informatie. Deze instructies kunnen
worden geleverd bij de software, op schijf of op de website van de fabrikant.
Antivirussoftware gebruiken 115
OPMERKING: In bepaalde situaties kan een firewall toegang tot spelletjes op internet blokkeren, het
delen van printers of bestanden in een netwerk tegenhouden of toegestane bijlagen bij e-mailberichten
blokkeren. U kunt dit probleem tijdelijk oplossen door de firewall uit te schakelen, de gewenste taak uit
te voeren en de firewall weer in te schakelen. Als u het probleem permanent wilt oplossen, configureert
u waar nodig de firewall opnieuw en past u het beleid en de instellingen van andere
inbraakdetectiesystemen aan. Neem voor meer informatie contact op met uw netwerkbeheerder of IT-
afdeling.
Essentiële beveiligingsupdates installeren
VOORZICHTIG: Microsoft verstuurt waarschuwingen over essentiële updates. Installeer alle
essentiële updates van Microsoft zodra u een waarschuwing ontvangt, om de computer te beschermen
tegen beveiligingsschendingen en computervirussen.
Wellicht zijn er, nadat de computer is geleverd, updates voor het besturingssysteem en andere software
beschikbaar gesteld. Neem de volgende richtlijnen in acht om te controleren of alle beschikbare updates
op de computer zijn geïnstalleerd:
Voer Windows Update maandelijks uit om de meest recente software van Microsoft te downloaden.
Haal de updates zodra deze worden vrijgegeven op van de Microsoft-website en via de koppeling
voor updates in Help en ondersteuning.
HP ProtectTools Security Manager gebruiken (alleen
bepaalde modellen)
De HP ProtectTools Security Manager-software is alleen op bepaalde modellen vooraf geïnstalleerd. U
krijgt toegang tot deze software via het Configuratiescherm van Windows. Deze software biedt
beveiliging tegen onbevoegde toegang tot de computer, netwerken en kritieke data. Raadpleeg de Help
bij de HP ProtectTools-software voor meer informatie.
Beveiligingskabel aanbrengen
OPMERKING: Van de beveiligingskabel moet op de eerste plaats een ontmoedigingseffect uitgaan.
Deze voorziening kan echter niet voorkomen dat de computer verkeerd wordt gebruikt of wordt gestolen.
1. Leg de beveiligingskabel om een stevig verankerd voorwerp heen.
2. Steek de sleutel (1) in het kabelslot (2).
116 Hoofdstuk 10 Beveiliging
3. Steek het kabelslot in het slot voor de beveiligingskabel op de computer (3) en vergrendel het
kabelslot met de sleutel.
OPMERKING: Uw computer kan er anders uitzien dan de afgebeelde computer. De locatie van het
beveiligingskabelslot verschilt per computermodel.
Beveiligingskabel aanbrengen 117
11 Software-updates
Software-update uitvoeren
Updates van de software die bij de computer is geleverd, zijn beschikbaar via het hulpprogramma HP
Update of op de website van HP.
Het hulpprogramma HP Update zoekt automatisch naar software-updates van HP. Het hulpprogramma
wordt met een bepaald interval uitgevoerd en biedt een lijst met ondersteuningsmeldingen, zoals
verbeteringen van de beveiliging en optionele updates van software en stuurprogramma's.
U kunt op elk gewenst moment controleren op updates door Start > Help en ondersteuning > Software
en stuurprogramma's bijwerken te selecteren en de instructies op het scherm op te volgen.
De meeste software op de website van HP is verpakt in gecomprimeerde bestanden die SoftPaqs
worden genoemd. Sommige BIOS-updates zijn verpakt in gecomprimeerde bestanden die ROMPaqs
worden genoemd.
Sommige downloadpakketten bevatten een bestand met de naam Readme.txt. Dit bestand bevat
informatie over de installatie en het oplossen van problemen. (Readme.txt-bestanden die bij ROMPaq's
worden geleverd, zijn in het Engels.)
Ga als volgt te werk om een update van de software uit te voeren via de website van HP:
1. Ga na wat het model, de productcategorie en de serie of het type van uw computer is. Bereid een
update van het systeem-BIOS voor door na te gaan wat de versie is van het huidige BIOS dat op
de computer is geïnstalleerd. Raadpleeg het gedeelte "BIOS-versie vaststellen" voor nadere
informatie.
Als de computer op een netwerk is aangesloten, raadpleegt u de netwerkbeheerder voordat u
software-updates installeert, vooral als het gaat om updates van het systeem-BIOS.
OPMERKING: In het systeem-ROM van de computer wordt het systeem-BIOS van de computer
opgeslagen. Het BIOS initialiseert het besturingssysteem, regelt de interactie tussen de computer
en de hardwareapparaten en voorziet in de overdracht van gegevens tussen hardwareapparaten,
waaronder de tijd en datum.
2. Open uw webbrowser en ga naar http://www.hp.com/support.
3. Selecteer uw land of regio.
4. Klik op de optie voor software- en driver-downloads en typ het modelnummer van uw computer in
het productvak.
5. Druk op enter.
6. Volg de instructies op het scherm.
BIOS bijwerken
Als u het BIOS wilt bijwerken, bepaalt u eerst welke BIOS-versie u momenteel heeft. Download en
installeer vervolgens het nieuwe BIOS.
118 Hoofdstuk 11 Software-updates
BIOS-versie bepalen
Informatie over de BIOS-versie (ook wel ROM-datum of systeem-BIOS genoemd) kunt u weergeven
door te drukken op fn+esc (als Microsoft Windows® al is gestart) of door gebruik te maken van het
programma Computer Setup.
Ga als volgt te werk om BIOS-informatie weer te geven in het programma Computer Setup:
1. Zet de computer aan of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the ESC
key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met de cursorbesturing of de pijltoetsen File (Bestand) > System Information
(Systeeminformatie).
4. Druk op esc om terug te keren naar het menu File (Bestand).
5. Klik op Exit (Afsluiten) en volg de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Ignore changes and exit (Wijzigingen negeren en
afsluiten) en druk op enter.
Software-update uitvoeren 119
BIOS-update downloaden
VOORZICHTIG: Ter voorkoming van schade aan de computer of een mislukte installatie, wordt u
aangeraden een BIOS-update alleen te downloaden en te installeren wanneer de computer met de
netvoedingsadapter is aangesloten op een betrouwbare externe voedingsbron. Download of installeer
een BIOS-update niet wanneer de computer op accuvoeding werkt of wanneer de computer is
aangesloten op een optioneel dockingapparaat of een optionele voedingsbron. Volg de onderstaande
instructies tijdens het downloaden en installeren:
Schakel de stroomvoorziening van de computer niet uit door de stekker van het netsnoer uit het
stopcontact te halen.
Sluit de computer niet af en activeer de standbystand of de hibernationstand niet.
Zorg dat u geen apparaten, kabels of snoeren plaatst, verwijdert, aansluit of loskoppelt.
Ga als volgt te werk om een BIOS-update te downloaden:
OPMERKING: BIOS-updates worden beschikbaar gesteld wanneer dat nodig is. Mogelijk is geen
nieuwere BIOS-update beschikbaar voor uw computer. Het wordt aanbevolen regelmatig op de website
van HP te kijken of er BIOS-updates zijn.
1. Open uw webbrowser, ga naar http://www.hp.com/support en selecteer vervolgens uw land/regio.
2. Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma’s, typ het nummer van uw
computermodel in het productvak en druk vervolgens op enter.
3. Klik bij de weergegeven modellen op uw specifieke product.
4. Klik op uw besturingssysteem.
5. Volg de instructies op het scherm om de BIOS-update te zoeken die u wilt downloaden. Noteer de
datum, naam of andere informatie waaraan u de download kunt herkennen. Aan de hand van deze
gegevens kunt u de update terugvinden nadat deze naar de vaste schijf is gedownload.
6. Voer de volgende stappen uit in het downloadgebied:
a. Zoek de BIOS-update die recenter is dan de BIOS-versie die momenteel op de computer is
geïnstalleerd.
b. Volg de instructies op het scherm om uw selectie naar de vaste schijf te downloaden.
Noteer het pad naar de locatie op de vaste schijf waar de BIOS-update wordt gedownload. U
hebt dit pad nodig wanneer u klaar bent om de update te installeren.
OPMERKING: Als uw computer is aangesloten op een netwerk, raadpleegt u de netwerkbeheerder
voordat u software-updates installeert, vooral als het gaat om updates van het systeem-BIOS.
De procedures voor de installatie van BIOS-updates kunnen verschillen. Volg de instructies die op het
scherm verschijnen nadat het downloaden is voltooid. Als er geen instructies worden weergegeven,
gaat u als volgt te werk:
1. Open Windows Verkenner door Start > Deze computer te selecteren.
2. Dubbelklik op de aanduiding van de vaste schijf. De vasteschijfaanduiding is gewoonlijk Lokaal
station (C:).
3. Maak gebruik van het eerder genoteerde pad en open de map op de vaste schijf die de update
bevat.
4. Dubbelklik op het bestand met de extensie .exe (bijvoorbeeld bestandsnaam.exe).
120 Hoofdstuk 11 Software-updates
De installatie van het BIOS begint.
5. Volg de instructies op het scherm om de installatie te voltooien.
OPMERKING: Nadat op het scherm wordt aangegeven dat de installatie is geslaagd, kunt u het
gedownloade bestand van de vaste schijf verwijderen.
Applicaties en stuurprogramma's bijwerken
1. Open uw webbrowser, ga naar http://www.hp.com/support en selecteer vervolgens uw land/regio.
2. Klik op de optie voor het downloaden van software en stuurprogramma’s, typ het nummer van uw
computermodel in het productvak en druk vervolgens op enter.
3. Klik bij de weergegeven modellen op uw specifieke product.
4. Klik op uw besturingssysteem.
5. Wanneer de lijst met updates verschijnt, klikt u op een update om een venster met extra informatie
te openen.
6. Klik op Nu downloaden.
7. Klik op Run (Uitvoeren) om de bijgewerkte software te installeren zonder het bestand te
downloaden.
– of –
Klik op Opslaan om het bestand op te slaan op uw computer. Selecteer een opslaglocatie op de
vaste schijf wanneer u daarom wordt gevraagd.
Nadat het bestand is gedownload, gaat u naar de map waarin het bestand is opgeslagen.
Dubbelklik op het bestand om de update te installeren.
8. Als hierom wordt gevraagd, start u de computer opnieuw op nadat de installatie is voltooid.
SoftPaq Download Manager gebruiken
HP SoftPaq Download Manager (SDM) is een hulpprogramma dat snel toegang verschaft tot SoftPaq-
informatie voor zakelijke computers van HP zonder dat het SoftPaq-nummer benodigd is. Met dit
hulpprogramma kunt u op eenvoudige wijze SoftPaqs zoeken en ze daarna downloaden en uitpakken.
SoftPaq Download Manager leest en downloadt een gepubliceerd databasebestand van de FTP-site
van HP, dat informatie over computermodellen en SoftPaqs bevat. Met SoftPaq Download Manager
kunt u een of meer computermodellen opgeven om vast te stellen welke SoftPaqs beschikbaar zijn om
te downloaden.
SoftPaq Download Manager controleert de FTP-site van HP op updates van de database en de
software. Als er updates worden gevonden, worden ze gedownload en automatisch toegepast.
OPMERKING: SoftPaq Download Manager is alleen op bepaalde computermodellen vooraf
geïnstalleerd. Als u SoftPaq Download Manager wilt downloaden of meer informatie wilt over het gebruik
ervan, raadpleegt u de website van HP op
http://www.hp.com/go/sdm
U downloadt SoftPaqs als volgt:
1. Klik op Start > Alle programma's > HP > HP SoftPaq Download Manager.
2. Wanneer SoftPaq Download Manager de eerste keer wordt geopend, verschijnt er een venster
met de vraag of alleen software voor de computer die u gebruikt moet worden weergegeven, of de
software voor alle ondersteunde modellen. Selecteer Show software for all supported models
Software-update uitvoeren 121
(Software voor alle ondersteunde modellen weergeven). Als u HP SoftPaq Download Manager al
eerder heeft gebruikt, gaat u door naar stap 3.
a. Selecteer uw besturingssysteem- en taalfilters in het venster Configuration Options
(Configuratie-opties). Middels de filters beperkt u het aantal opties dat wordt weergegeven in
het deelvenster Product Catalog (Productcatalogus). Als bijvoorbeeld alleen Windows XP
Professional wordt geselecteerd in het besturingssysteemfilter, wordt alleen Windows XP
Professional als besturingssysteem weergegeven in de productcatalogus.
b. Om andere besturingssystemen toe te voegen, wijzigt u de filterinstellingen in het venster
Configuration Options (Configuratie-opties). Raadpleeg de helpfunctie van de HP SoftPaq
Download Manager-software voor meer informatie.
3. Klik in het linkerdeelvenster op het plusteken (+) om de lijst met modellen uit te vouwen en selecteer
een of meer modellen van de producten die u wilt updaten.
4. Klik op Find Available SoftPaqs (Beschikbare SoftPaqs zoeken) om een lijst met beschikbare
SoftPaqs voor de geselecteerde computer te downloaden.
5. Selecteer een SoftPaq in de lijst en klik op Download Only (Alleen downloaden) als u veel
SoftPaqs wilt downloaden. Hoe lang het downloadproces in beslag neemt, hangt namelijk af van
de geselecteerde SoftPaqs en de snelheid van de internetverbinding.
Als u slechts één of twee SoftPaqs wilt downloaden en een internetverbinding met hoge snelheid
heeft, klikt u op Download & Unpack (Downloaden en uitpakken).
6. Klik met de rechtermuisknop op Install SoftPaq (SoftPaq installeren) in de SoftPaq Download
Manager-software om de geselecteerde SoftPaqs op de computer te installeren.
122 Hoofdstuk 11 Software-updates
12 MultiBoot
Opstartvolgorde van apparaten
Als de computer wordt opgestart, probeert het systeem op te starten vanaf ingeschakelde
opstartapparaten. Het hulpprogramma MultiBoot, dat standaard is ingeschakeld, bepaalt de volgorde
waarin het systeem een opstartapparaat selecteert. Bij opstartapparaten kan het gaan om
optischeschijfeenheden, diskettedrives, een netwerkkaart (NIC), vaste schijven of USB-apparaten.
Opstartapparaten bevatten opstartmedia of bestanden die de computer nodig heeft om correct te
kunnen opstarten en werken.
OPMERKING: Sommige opstartapparaten moeten worden ingeschakeld in Computer Setup voordat
u deze kunt opnemen in de opstartvolgorde.
In de fabriek is de computer zodanig ingesteld dat het opstartapparaat wordt geselecteerd door in de
onderstaande volgorde te zoeken naar ingeschakelde opstartapparaten en locaties van de schijfpositie:
OPMERKING: Sommige van de aangegeven opstartapparaten en locaties van de schijfpositie worden
mogelijk niet ondersteund op uw computer.
Optischeschijfeenheid
Vaste schijf van notebookcomputer
USB-diskettedrive
USB-cd-romstation
USB-drive
Ethernetaansluiting van notebookcomputer
Secure Digital-geheugenkaart (SD)
U kunt de volgorde waarin de computer naar een opstartapparaat zoekt, wijzigen door de
opstartvolgorde te wijzigen in Computer Setup (Computerinstellingen). U kunt ook op esc drukken terwijl
het bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm
wordt weergegeven. Druk vervolgens op f9. Wanneer u op f9 drukt, wordt een menu met de huidige
opstartapparaten weergegeven waarin u een opstartapparaat kunt selecteren. U kunt ook MultiBoot
Express gebruiken om de computer zo in te stellen dat u telkens om een opstartlocatie wordt gevraagd
wanneer de computer wordt ingeschakeld of opnieuw wordt gestart.
Opstartapparaten inschakelen in Computer Setup
De computer start alleen op vanaf een USB-apparaat of netwerkkaart als het betreffende apparaat eerst
is ingeschakeld in Computer Setup.
Ga als volgt te werk om Computer Setup te starten en een USB-apparaat of netwerkkaart te gebruiken
als opstartapparaat:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer ‘Press the ESC key for
Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
Opstartvolgorde van apparaten 123
3. Als u opstartmedia in USB-stations of in stations in een optioneel dockingapparaat wilt inschakelen,
gebruikt u een aanwijsapparaat of de pijltoetsen om System Configuration
(Systeemconfiguratie) > Device Configurations (Apparaatconfiguraties) te selecteren. Controleer
of het vakje naast USB legacy support (Ondersteuning voor oudere USB) is ingeschakeld.
OPMERKING: De optie USB Port (USB-poort) moet zijn ingeschakeld om USB legacy support
(Ondersteuning voor oudere USB) te gebruiken. Deze optie is standaard ingeschakeld. Als de poort
wordt uitgeschakeld, schakelt u deze opnieuw in door System Configuration
(Systeemconfiguratie) > Port Options (Poortopties) te selecteren en vervolgens in het vakje naast
USB Port (USB-poort) te klikken.
– of –
Als u een NIC-apparaat wilt inschakelen, selecteert u System Configuration
(Systeemconfiguratie) > Boot Options (Opstartopties) en klikt u op het vakje naast PXE Internal
NIC boot (Opstarten vanaf PXE interne netwerkadapter).
4. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
OPMERKING: Ga als volgt te werk om een netwerkkaart aan te sluiten op een PXE-server (Preboot
eXecution Environment) of RPL-server (Remote Program Load) zonder MultiBoot te gebruiken: druk op
esc wanneer ‘Press the ESC key for Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm
verschijnt en druk vervolgens snel op f12.
Wijzigingen in de opstartvolgorde overwegen
Houd bij het wijzigen van de opstartvolgorde rekening met het volgende:
Als de computer opnieuw wordt opgestart nadat de opstartvolgorde is gewijzigd, probeert de
computer met de nieuwe opstartvolgorde op te starten.
Als er meerdere typen opstartapparaten zijn, probeert de computer op te starten vanaf het eerste
apparaat van elke type opstartapparaat (behalve voor optische apparaten). Als de computer
bijvoorbeeld is aangesloten op een optioneel dockingapparaat dat een vaste schijf bevat, wordt
deze vaste schijf in de opstartvolgorde weergegeven als een vaste USB-schijf. Als het systeem
vanaf deze vaste USB-schijf probeert op te starten en dit mislukt, wordt geen poging ondernomen
om op te starten vanaf de vaste schijf in de vaste-schijfruimte. In plaats daarvan wordt geprobeerd
op te starten vanaf het volgende type apparaat in de opstartvolgorde. Als er echter 2 optische
apparaten zijn en het eerste optische apparaat niet opstart (omdat het geen media bevat of omdat
het medium geen opstartschijf is), probeert het systeem op te starten van het tweede optische
apparaat.
Als u de opstartvolgorde wijzigt, verandert u daarmee ook de logische stationsaanduidingen. Als
u bijvoorbeeld opstart vanaf een cd-romstation met daarin een in de vorm van station C
geformatteerde schijf, wordt dat cd-romstation station C en de vaste schijf in de vasteschijfruimte
station D.
De computer wordt alleen opgestart vanaf een netwerkkaart als het apparaat is ingeschakeld in
het menu Built-In Device Options (Opties voor ingebouwde apparaten) van Computer Setup en als
opstarten van dit apparaat is ingeschakeld in het menu Boot Options (Opstartopties) van Computer
124 Hoofdstuk 12 MultiBoot
Setup. Opstarten vanaf een netwerkkaart heeft geen invloed op de logische stationstoewijzingen
omdat er geen stationsaanduiding is gekoppeld aan de netwerkkaart.
Stations in een optioneel dockingapparaat worden in de opstartvolgorde behandeld als externe
USB-apparaten.
MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen
U kunt MultiBoot op de volgende manieren gebruiken:
om een nieuwe opstartvolgorde in te stellen die door de computer wordt gebruikt telkens wanneer
deze wordt op gestart door de opstartvolgorde in Computer Setup te wijzigen;
op dynamische wijze het opstartapparaat kiezen door op esc te drukken wanneer ‘Press the ESC
key for Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt en
vervolgens op f9 te drukken om het menu Boot Device Options (Opties opstartapparaat) te openen;
om MultiBoot Express te gebruiken om een variabele opstartvolgorde in te stellen. Bij deze functie
wordt u gevraagd om een opstartapparaat telkens wanneer de computer wordt ingeschakeld of
opnieuw wordt opgestart.
Nieuwe opstartvolgorde instellen in Computer Setup
Voer de volgende stappen uit om Computer Setup te starten en een volgorde voor opstartapparaten in
te stellen die wordt gebruikt telkens wanneer de computer wordt ingeschakeld of opnieuw wordt
opgestart:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer ‘Press the ESC key for
Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Gebruik een aanwijsapparaat of de pijltoetsen om System Configuration
(Systeemconfiguratie) > Boot Options (Opstartopties) en vervolgens Legacy Boot Order
(Verouderde opstartvolgorde) te selecteren.
4. Gebruik de cursorbesturing om met de pijltoets-omhoog de apparaatnaam aan te klikken om het
apparaat omhoog te verplaatsen in de opstartvolgorde, of druk op de +-toets.
– of –
Als u het apparaat omlaag wilt verplaatsen in de opstartvolgorde, gebruikt u de cursorbesturing
om op de pijl omlaag naast de apparaatnaam te klikken, of drukt u op de --toets.
5. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk vervolgens op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen 125
Op dynamische wijze een opstartapparaat kiezen met de f9-prompt
U kunt als volgt op dynamische wijze een opstartapparaat voor de huidige opstartprocedure kiezen:
1. Open het menu Select Boot Device (Opstartapparaat selecteren) door de computer in te schakelen
of opnieuw op te starten en druk vervolgens op esc wanneer ‘Press the ESC key for Startup
Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.
2. Druk op f9.
3. Gebruik de cursorbesturing of de pijltoetsen om een opstartapparaat te selecteren en druk
vervolgens op enter.
De wijzigingen worden onmiddellijk geactiveerd.
Prompt voor MultiBoot Express instellen
Ga als volg te werk om Computer Setup te starten en het menu voor de MultiBoot-opstartlocatie weer
te geven telkens wanneer de computer wordt ingeschakeld of opnieuw wordt opgestart:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer ‘Press the ESC key for
Startup Menu’ (Druk op Esc voor het startmenu) onder in het scherm verschijnt.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Gebruik de cursorbesturing of de pijltoetsen om System Configuration (Systeemconfiguratie) >
Boot Options (Opstartopties) te selecteren en druk vervolgens op enter.
4. In het veld Express Boot Popup Delay (Sec) (Wachttijd Express Boot-menu (in seconden)) voert
u in seconden in hoelang u wilt dat de computer het opstartlocatiemenu weergeeft, voordat het
standaard naar de huidige MultiBoot-instelling gaat. (Wanneer u 0 selecteert, wordt het menu van
de Express Boot-opstartlocatie niet weergegeven.)
5. Om uw wijzigingen op te slaan en Computer Setup (Computerinstellingen) af te sluiten, klikt u op
Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Voorkeuren MultiBoot Express invoeren
Wanneer het menu van Express Boot wordt weergegeven tijdens het opstarten, hebt u de volgende
keuzemogelijkheden:
Om een opstartapparaat uit het menu van Express Boot op te geven, selecteert u uw voorkeur
binnen de opgegeven tijd en drukt u op enter.
Ter voorkoming dat de computer de huidige MultiBoot-instelling gebruikt, drukt u op een toets
voordat de wachttijd verstrijkt. De computer start niet op voordat u een opstartapparaat heeft
geselecteerd en op enter drukt.
Om ervoor te zorgen dat de computer de huidige MultiBoot-instelling gebruikt, wacht u totdat de
wachttijd is verstreken.
126 Hoofdstuk 12 MultiBoot
13 Beheer
Client Management Solutions gebruiken
Client Management Solutions software biedt op standaarden gebaseerde oplossingen voor het beheren
van clientcomputers (gebruikerscomputers), variërend van desktopcomputers en werkstations tot
notebookcomputers en tablet-pc’s, in een netwerkomgeving.
Clientbeheer omvat de volgende basismogelijkheden en voorzieningen:
Initiële implementatie van software-image
Installatie van systeemsoftware op afstand
Beheer en updates van software
ROM-updates
Behouden en beveiligen van computermiddelen (de hardware en software die op de computer zijn
geïnstalleerd)
Foutberichten en herstel van bepaalde onderdelen van de systeemsoftware en -hardware
OPMERKING: De ondersteuning van specifieke functies die in dit onderdeel worden beschreven kan
variëren per model computer en/of de op de computer geïnstalleerde versie van de beheersoftware.
Software-images configureren en distribueren
De computer wordt geleverd met een van tevoren geïnstalleerde "image" van de systeemsoftware. Deze
initiële software-image wordt geconfigureerd tijdens de eerste installatie van de computer. Nadat de
software is "uitgepakt", is de computer klaar voor gebruik.
U kunt een eigen software-image op een van de volgende manieren implementeren (verspreiden):
Aanvullende softwareapplicaties installeren na het uitpakken van de vooraf geïnstalleerde
software-image
Hulpmiddelen voor de distributie van software gebruiken, zoals Altiris Deployment Solutions, om
de vooraf geïnstalleerde software te vervangen door een eigen software-image
Met een procedure voor "disk cloning" de inhoud van één vaste schijf naar een andere kopiëren
De methode die u daarvoor gebruikt, is afhankelijk van de technologische omgeving en processen van
uw organisatie.
OPMERKING: Het hulpprogramma Computer Setup en diverse andere systeemvoorzieningen bieden
aanvullende hulp bij configuratiebeheer, probleemoplossing, energiebeheer en het herstel van
systeemsoftware.
Client Management Solutions gebruiken 127
Software beheren en updaten
HP biedt verschillende hulpmiddelen voor het beheren en updaten van de software op clientcomputers:
HP Client Manager voor Altiris (alleen bepaalde modellen)
OPMERKING: Als u de HP Client Manager voor Altiris wilt downloaden of als u meer informatie
wilt over HP Client Manager voor Altiris, raadpleegt u de website van HP op
http://www.hp.com.
HP CCM (Client Configuration Manager) (alleen bepaalde modellen)
HP SSM (System Software Manager)
HP Client Manager voor Altiris (alleen bepaalde modellen)
HP Client Manager voor Altiris combineert ‘Intelligent Manageability’-technologie met software van
Altiris. HP Client Manager voor Altiris biedt superieure functionaliteit voor hardwarebeheer voor HP
apparaten:
Gedetailleerde overzichten van de hardware (voor activabeheer)
Observatie en diagnostiek door middel van System Checkup
Via het web toegankelijke rapporten over bedrijfskritieke gegevens, zoals temperatuur- en
geheugenwaarschuwingen
Update op afstand van systeemsoftware, zoals stuurprogramma’s voor apparaten en het systeem-
BIOS
OPMERKING: Aanvullende functionaliteit wordt toegevoegd wanneer HP Client Manager voor Altiris
wordt gebruikt in combinatie met optionele software van Altiris Solutions (afzonderlijk verkrijgbaar).
Als HP Client Manager voor Altiris (geïnstalleerd op een clientcomputer) wordt gebruikt in combinatie
met software van Altiris Solutions (geïnstalleerd op een beheercomputer), biedt HP Client Manager voor
Altiris extra beheerfunctionaliteit en gecentraliseerd hardwarebeheer van clientapparatuur voor de
volgende aspecten van de IT-levensduur:
Voorraad- en activabeheer
Softwarelicentiecontrole
Opsporing en rapportage van computers
Informatie over leasecontracten en controle vaste activa
Distributie en migratie van systeemsoftware
Windows®-migratie
Systeemimplementatie
Migratie persoonlijkheid (persoonlijke instellingen gebruiker)
128 Hoofdstuk 13 Beheer
Helpdesk en probleemoplossing
Beheer van helpdesktickets
Probleemoplossing op afstand
Oplossing van problemen op afstand
Herstel client na noodsituatie
Software- en taakbeheer
Doorlopend clientbeheer
Distributie van HP-systeemsoftware
"Self-healing" van applicaties (het vermogen om bepaalde problemen met applicaties te
herkennen en te herstellen)
De software van Altiris Solutions biedt gebruiksvriendelijke functies voor softwaredistributie. HP Client
Manager voor Altiris ondersteunt communicatie met de software van Altiris Solutions, die kan worden
gebruikt voor de implementatie van nieuwe hardware of persoonlijkheidsmigratie naar een nieuw
besturingssysteem met behulp van gebruiksvriendelijke wizards. HP Client Manager voor Altiris kan
worden gedownload van de website van HP.
Als de software van Altiris Solutions wordt gebruikt in combinatie met HP System Software Manager of
HP Client Manager voor Altiris, kunnen beheerders tevens het systeem-BIOS en de
apparaatstuurprogramma's bijwerken vanaf een centrale console.
Client Management Solutions gebruiken 129
HP CCM (Client Configuration Manager) (alleen bepaalde modellen)
HP CCM (Client Configuration Manager) automatiseert het beheer van software, waaronder
besturingssystemen, applicaties, updates, content en instellingen, en garandeert zo dat iedere
computer de juiste configuratie heeft. Met deze automatische beheeroplossingen kunt u gedurende de
gehele levensduur van de computer de software beheren.
Met CCM kunt u de volgende taken uitvoeren:
De hardware en software in allerlei verschillende platformen in kaart brengen
Een softwarepakket maken en een analyse van de gevolgen maken voor de distributie
Beleidsconforme distributie en onderhoud van software uitvoeren op specifieke individuele
computers, werkgroepen of gehele computerpopulaties
De besturingssystemen, applicaties en content op verschillende computers vanaf een willekeurige
locatie controleren en beheren
CCM integreren met helpdesks en andere hulpmiddelen voor systeembeheer voor een
probleemloze afhandeling
De vruchten plukken van een gezamenlijke infrastructuur voor het beheren van software en content
op de standaardcomputers van alle zakelijke gebruikers binnen een netwerk
De schaal afstemmen op de behoeftes van het bedrijf
130 Hoofdstuk 13 Beheer
HP SSM (System Software Manager)
Met HP SSM (System Software Manager) kunt u op afstand en op meerdere systemen tegelijk
systeemsoftware bijwerken. Wanneer SSM wordt uitgevoerd op een clientcomputer, worden de versies
van hardware en software gedetecteerd en wordt geselecteerde software bijgewerkt vanuit een centrale
locatie, die filestore wordt genoemd. Versies van stuurprogramma's die worden ondersteund door SSM
worden op de website van HP voor het downloaden van stuurprogramma's en op de cd Support
Software (Ondersteuningssoftware) aangegeven met een speciaal pictogram. Als u het hulpprogramma
SSM wilt downloaden of als u meer informatie wilt over SSM, raadpleegt u de website van HP op
http://www.hp.com/go/ssm (alleen Engels).
Intel Active Management Technology gebruiken (alleen
bepaalde modellen)
Met Intel® Active Management Technology (iAMT) kunnen computers en andere netwerkapparaten
worden gedetecteerd, gerepareerd en beveiligd. Met iAMT kunnen computers worden beheerd,
ongeacht of ze in- of uitgeschakeld zijn. De iAMT-oplossing is beschikbaar op Intel Centrino®-computers
met mobiele vPro-technologie.
De voorzieningen van iAMT zijn:
Informatie over de hardwarevoorraad
Melden van gebeurtenissen
Energiebeheer
Diagnose en reparatie op afstand
Isolatie en herstel op hardwarebasis: beperking of afsluiting van toegang tot computernetwerken
bij detectie van virusachtige activiteiten
iAMT-oplossing activeren
Ga als volgt te werk om de iAMT-instellingen te configureren:
OPMERKING: De ctrl+p-prompt is alleen zichtbaar als de optie AMT Setup Prompt (AMT-
installatieprompt) is ingeschakeld in Computer Setup (Computerinstellingen).
1. Zet de computer aan of start de computer opnieuw op.
2. Druk op ctrl+p voordat Windows is gestart.
OPMERKING: Als u niet op tijd op ctrl+p drukt, moet u stap 1 en 2 herhalen om het
hulpprogramma voor setup van MEBx te starten.
3. Geef het ME-wachtwoord op. De fabrieksinstelling voor het wachtwoord is admin.
Het MEBx-setupprogramma wordt geopend. Gebruik de pijltoetsen om te navigeren.
4. U kunt kiezen uit het configureren van Intel ME, het configureren van iAMT of het wijzigen van het
Intel ME-wachtwoord.
5. Wanneer u uw keuze hebt gemaakt, selecteert u Exit (Afsluiten) om het MEBx-setupprogramma
af te sluiten.
Menu's van het MEBx-setupprogramma gebruiken
OPMERKING: Voor meer informatie over iAMT gaat u naar de website van Intel op
http://www.intel.com en zoekt u naar iAMT.
Intel Active Management Technology gebruiken (alleen bepaalde modellen) 131
Intel ME Configuration (Configuratie van Intel ME)
Optie Actie
Intel ME State Control (Beheer Intel ME-status) Hiermee kunt u de beheerengine inschakelen/uitschakelen.
Intel ME Firmware Local Update (Lokale update Intel ME-
firmware)
Hiermee kunt u het lokale beheer van firmware-updates
inschakelen/uitschakelen.
LAN Controller Hiermee kunt u de geïntegreerde netwerkcontroller
inschakelen/uitschakelen.
Intel ME Features Control (Beheer Intel ME-voorzieningen) Hiermee kunt u AMT of niets inschakelen.
Intel ME Power Control (Intel ME-energiebeheer) Hiermee kunt u het energiebeleid voor de beheerengine
configureren.
iAMT Configuration (iAMT-configuratie)
Optie Actie
Host Name (Hostnaam) Hiermee kunt u een hostnaam toewijzen aan de computer.
TCP/IP Hiermee kunt u de netwerkinterface of DHCP inschakelen/
uitschakelen (er wordt een IP-adres toegewezen als DHCP is
uitgeschakeld) of de domeinnaam wijzigen.
Provision Model (Instellingenmodus) Hiermee kunt u het iAMT-model Enterprise of Small Business
toewijzen.
Setup and Configuration (Setup en configuratie) Hiermee kunt u opties instellen voor het extern configureren
van AMT.
Un-Provision Hiermee kunt u de fabrieksinstellingen van de AMT-
configuratie herstellen.
SOL/IDE-R Hiermee kunt u opstarten op afstand met IDE-diskette of cd-
rom inschakelen en een gebruikersnaam en wachtwoord
toewijzen.
Password Policy (Wachtwoordbeleid) Hiermee kunt u opties instellen voor de vereisten voor het
netwerkwachtwoord en het MEBx-wachtwoord.
Secure Firmware Update (Veilige firmware-update) Hiermee kunt u het op afstand updaten van firmware activeren
of deactiveren.
Set PRTC (PRTC instellen) Hiermee kunt u de realtimeklok instellen.
Idle Timeout (Time-out voor inactiviteit) Hiermee kunt u een waarde voor de time-out instellen.
Change Intel ME Password (Intel ME-wachtwoord wijzigen)
Optie Actie
Change ME Password (ME-wachtwoord wijzigen) Hiermee kunt u het wachtwoord wijzigen.
OPMERKING: Het standaardwachtwoord is admin.
132 Hoofdstuk 13 Beheer
14 Computer Setup
Computer Setup starten
Computer Setup is een vooraf geïnstalleerd programma in het ROM-geheugen, dat zelfs kan worden
gebruikt wanneer het besturingssysteem niet werkt of niet kan worden geladen.
OPMERKING: Mogelijk worden niet alle in deze handleiding genoemde menuopties voor Computer
Setup door uw computer ondersteund.
OPMERKING: Een op een USB-poort aangesloten toetsenbord of muis kan in Computer Setup
uitsluitend worden gebruikt wanneer de ondersteuning voor oudere USB-systemen is ingeschakeld.
Ga als volgt te werk om Computer Setup te starten:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
Computer Setup gebruiken
Navigeren en selecteren in Computer Setup
De informatie en instellingen in Computer Setup (Computerinstellingen) zijn toegankelijk via de menu's
File (Bestand), Security (Beveiliging) en System Configuration (Systeemconfiguratie).
Ga als volgt te werk om te navigeren in Computer Setup en items te selecteren:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
Als u een menu of menuonderdeel wilt selecteren, gebruikt u de tab-toets en de pijltoetsen
van het toetsenbord en drukt u vervolgens op enter, of gebruikt u een aanwijsapparaat om op
het onderdeel te klikken.
Klik op de pijl-omhoog of pijl-omlaag in de rechterbovenhoek van het scherm of gebruik de
toetsen pijl-omhoog of pijl-omlaag om omhoog of omlaag te bladeren.
Druk op esc om alle open dialoogvensters te sluiten en terug te keren naar het hoofdscherm
van Computer Setup. Volg daarna de instructies op het scherm.
OPMERKING: U kunt navigeren door Computer Setup en selecties maken met behulp van een
aanwijsapparaat (zoals het touchpad, de EasyPoint-muisbesturing of een USB-muis) of het
toetsenbord.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer het menu File (Bestand), Security (Beveiliging) of System Configuration
(Systeemconfiguratie).
Computer Setup starten 133
Ga als volgt te werk om de menu's van Computer Setup af te sluiten:
Als u de menu's van Computer Setup (Computerinstellingen) wilt sluiten zonder wijzigingen op te
slaan, klikt u op Exit (Afsluiten) en volgt u de instructies in het scherm.
– of –
Gebruik de tab-toets en de pijltoetsen om File (Bestand) > Ignore Changes and Exit (Wijzigingen
negeren en afsluiten) te selecteren, en druk op enter.
– of –
Om uw wijzigingen op te slaan en de menu's van Computer Setup (Computerinstellingen) af te
sluiten, klikt u op Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm.
– of –
Selecteer met de tab-toets en de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen
opslaan en afsluiten) en druk op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
Fabrieksinstellingen in Computer Setup herstellen
OPMERKING: Het herstellen van de standaardwaarden is niet van invloed op de vasteschijfmodus.
Ga als volgt te werk om alle instellingen in Computer Setup terug te zetten op de fabriekswaarden:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer de melding ‘Press the
ESC key for Startup Menu’ (Druk op esc om het opstartmenu te openen) onder in het scherm wordt
weergegeven.
2. Druk op f10 om naar Computer Setup (Computerinstellingen) te gaan.
3. Selecteer met de cursorbesturing of met de pijltoetsen File (Bestand) > Restore defaults
(Standaardinstellingen herstellen).
4. Volg de instructies op het scherm.
5. Klik op Save (Opslaan) en volgt u de instructies op het scherm als u de wijzigingen wilt opslaan
en wilt afsluiten.
– of –
Selecteer met de pijltoetsen File (Bestand) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk op enter.
De wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer opnieuw wordt gestart.
OPMERKING: Uw wachtwoord- en beveiligingsinstellingen blijven ongewijzigd wanneer u de
oorspronkelijke fabrieksinstellingen herstelt.
Menu’s van Computer Setup
De menutabellen in dit onderdeel geven een overzicht van de opties in Computer Setup.
OPMERKING: Mogelijk worden niet alle menuopties voor Computer Setup die in dit hoofdstuk worden
genoemd door uw computer ondersteund.
134 Hoofdstuk 14 Computer Setup
Menu File (Bestand)
Optie Actie
System Information (Systeeminformatie)
Hiermee kunt u identificatie-informatie weergeven over
de computer en de accu's in het systeem.
Hiermee kunt u informatie weergeven over de
specificaties van de processor, de grootte van het
geheugen, het systeem-ROM, de revisie van de
videokaart, de versie van de toetsenbordcontroller en
identificatienummers van voorzieningen voor draadloze
communicatie.
Set System Date and Time (Systeemdatum en -tijd instellen) Hiermee verandert u de datum en tijd.
Stel datum in: MM:DD:JJJJ
Stel tijd in: UU:MM
System Diagnostics (Systeemdiagnose)
System Information (Systeeminformatie): hiermee geeft
u de volgende informatie weer:
Identificatiegegevens over het computermodel en
de accu’s in het systeem.
Informatie over de specificaties van de processor,
de grootte van het geheugen, het systeem-ROM, de
revisie van de videokaart, de versie van de
toetsenbordcontroller en identificatienummers van
voorzieningen voor draadloze communicatie.
Start-up Test (Opstarttest): hiermee controleert u de
systeemonderdelen die nodig zijn voor het opstarten van
de computer.
Run-In Test (Run-in-test): hiermee voert u een
uitgebreide controle uit van de status van het
systeemgeheugen, de vaste schijf, de accu en de
draadloze module.
Hard Disk Test (Vaste-schijftest): hiermee voert u een
omvangrijke zelftest uit van elke vaste schijf in het
systeem.
Memory Test (Geheugentest): hiermee voert u een
uitgebreide controle uit van de geheugenmodules.
Battery Test (Accutest): hiermee voert u een uitgebreide
controle uit van de accu.
Error Log (Foutenlogboek): weergave van een
logbestand als er fouten zijn opgetreden.
Restore Defaults (Standaardinstellingen herstellen) Hiermee kunt u de configuratie-instellingen in Computer Setup
vervangen door de oorspronkelijke fabrieksinstellingen. (De
vasteschijfmodus, wachtwoordinstellingen en
beveiligingsinstellingen blijven ongewijzigd wanneer u de
oorspronkelijke fabrieksinstellingen herstelt.)
Reset BIOS security to factory default (Fabrieksinstellingen
van BIOS-beveiliging herstellen)
Hiermee herstelt u het in de fabriek ingestelde wachtwoord in
geval van een vergeten wachtwoord.
Menu’s van Computer Setup 135
Optie Actie
Ignore Changes and Exit (Wijzigingen negeren en afsluiten) Hiermee kunt u wijzigingen annuleren die tijdens de huidige
sessie zijn ingevoerd. Vervolgens wordt Computer Setup
afgesloten en wordt de computer opnieuw opgestart.
Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en afsluiten) Hiermee kunt u wijzigingen opslaan die tijdens de huidige
sessie zijn ingevoerd. Vervolgens wordt Computer Setup
afgesloten en wordt de computer opnieuw opgestart. De
wijzigingen worden geactiveerd wanneer de computer
opnieuw wordt gestart.
Menu Security (Beveiliging)
OPMERKING: Mogelijk worden niet alle in dit gedeelte genoemde menuopties door uw computer
ondersteund.
Optie Actie
Setup BIOS Administrator Password (BIOS-
beheerderswachtwoord instellen)
Hiermee kunt u een BIOS-beheerderswachtwoord instellen.
User Management (Gebruikersbeheer, BIOS-wachtwoord
vereist)
Hiermee kunt u een nieuwe gebruikersaccount voor het
BIOS aanmaken.
Hiermee kunt u een lijst met gebruikers van ProtectTools
weergeven.
Password Policy (Wachtwoordbeleid, BIOS-wachtwoord
vereist)
Hiermee kunt u de criteria voor het wachtwoordbeleid
instellen.
HP SpareKey Hiermee kunt u HP SpareKey inschakelen of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Always Prompt for HP SpareKey Enrollment (Altijd vragen om
inschrijving bij HP SpareKey)
Hiermee kunt u de inschrijving bij HP SpareKey inschakelen
of uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Fingerprint Reset on Reboot (If Present) (Vingerafdruk opnieuw
instellen (indien aanwezig))
Hiermee kunt u de eigenaar van de vingerafdruklezer opnieuw
instellen of wissen (alleen bepaalde modellen, standaard
uitgeschakeld).
Change Password (Wachtwoord wijzigen) Hiermee kunt u een BIOS-beheerderswachtwoord opgeven,
wijzigen of verwijderen.
HP SpareKey Enrollment (Inschrijving bij HP SpareKey) Hiermee kunt u zich bij HP SpareKey inschrijven of
HP SpareKey opnieuw instellen. Dit is een reeks
beveiligingsvragen en -antwoorden die worden gebruikt
wanneer u uw wachtwoord bent vergeten.
Anti Theft (Diefstalpreventie) Hiermee kunt u de Intel-ondersteuning van bescherming
tegen diefstal in- of uitschakelen.
DriveLock Password (DriveLock-wachtwoord)
Hiermee kunt u DriveLock in- of uitschakelen op een
vaste schijf van de computer (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u het gebruikers- of hoofdwachtwoord van
DriveLock wijzigen.
OPMERKING: De DriveLock-instellingen zijn uitsluitend
toegankelijk als u Computer Setup opent door de computer in
te schakelen (en niet door deze opnieuw op te starten).
Automatic DriveLock (Automatische DriveLock) Hiermee kunt u ondersteuning voor Automatische DriveLock
in- of uitschakelen.
136 Hoofdstuk 14 Computer Setup
Optie Actie
TPM Embedded Security (TPM geïntegreerde beveiliging) Hiermee schakelt u ondersteuning in of uit voor TPM (Trusted
Platform Module) geïntegreerde beveiliging, waarmee de
computer wordt beschermd tegen ongeautoriseerde toegang
tot de eigenaarsfuncties in Embedded Security for
ProtectTools. Raadpleeg de Help bij de ProtectTools-software
voor meer informatie.
OPMERKING: U moet een setupwachtwoord hebben om
deze instelling te kunnen wijzigen.
Disk Sanitizer Voer Disk Sanitizer uit om alle bestaande gegevens op de
primaire vaste schijf te vernietigen.
VOORZICHTIG: Als u Disk Sanitizer uitvoert, worden de
gegevens op de geselecteerde schijf permanent vernietigd.
System IDs (Systeemidentificatie) Hiermee kunt u een door de gebruiker gedefinieerd
inventarisnummer voor computer en eigenaar invoeren.
Menu System Configuration (Systeemconfiguratie)
OPMERKING: Sommige opties in System Configuration (Systeemconfiguratie) worden mogelijk niet
ondersteund door uw computer.
Optie Actie
Language (Taal) Hiermee kunt u de taal van Computer Setup wijzigen.
Boot Options (Opstartopties)
Hiermee kunt u de wachttijd (in seconden) voor de
weergave van het opstartmenu instellen.
Hiermee stelt u een wachttijd voor de MultiBoot Express-
pop-up in (in seconden).
Hiermee kunt u de weergave van een aangepast logo in-
of uitschakelen (standaard uitgeschakeld).
Hiermee kunt u de weergave van een URL voor meer
diagnose-informatie in- of uitschakelen (standaard
ingeschakeld).
Hiermee kunt u het opstarten vanaf een cd-rom-drive in-
of uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u het opstarten vanaf een SD-kaart in- of
uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u het opstarten vanaf een diskette in- of
uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u het opstarten vanaf een interne PXE-
netwerkadapter in- of uitschakelen (standaard
ingeschakeld).
Hiermee kunt u de UEFI-modus (Unified Extensible
Firmware Interface) in- of uitschakelen.
Hiermee kunt u de opstartvolgorde instellen.
Device Configurations (Apparaatconfiguraties)
Hiermee kunt u de ondersteuning van oudere USB-
systemen in- of uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Menu’s van Computer Setup 137
Optie Actie
Als ondersteuning van oudere USB-systemen is
ingeschakeld, kunt u het volgende doen:
Een USB-toetsenbord gebruiken in Computer
Setup, ook als er geen Windows®-
besturingssysteem actief is.
Opstarten vanaf opstartbare USB-apparaten, zoals
vaste schijven, diskettestations of optische schijven
die via een USB-poort met de computer zijn
verbonden.
Hiermee kunt u de functie Ventilator altijd aan bij
netvoeding in- of uitschakelen (standaard
ingeschakeld).
Hiermee kunt u de functie voor het voorkomen van de
uitvoering van gegevens in- of uitschakelen. Als deze
functie is ingeschakeld, kan de processor het uitvoeren
van bepaalde viruscodes uitschakelen, waardoor de
computer beter is beveiligd.
SATA apparaatmodus (Serial Advanced Technology
Attachment). De volgende opties zijn beschikbaar:
AHCI (Advanced Host Controller Interface)
IDE (Integrated Drive Electronics)
RAID (alleen bepaalde modellen)
OPMERKING: De aanwezigheid van deze opties is
afhankelijk van het model computer.
Hiermee kunt u HP QuickLook in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u de verificatie voorafgaand aan opstarten
met HP QuickLook in- of uitschakelen (standaard
ingeschakeld).
Hiermee kunt u HP QuickWeb in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u HP QuickWeb: schrijfbeveiliging in- of
uitschakelen.
Hiermee kunt u multicore-processor in- of uitschakelen
(alleen bepaalde modellen, standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u Intel HT Technology in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u Wake on USB (Via USB uit slaapstand
halen) in- of uitschakelen.
Hiermee stelt u de status van Num Lock bij het opstarten
in (in- of uitgeschakeld)
138 Hoofdstuk 14 Computer Setup
Optie Actie
Built-In Device Options (Opties voor geïntegreerde
apparaten)
Hiermee kunt u de knop voor draadloze communicatie in-
of uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u het geïntegreerde WLAN-apparaat in- of
uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u geïntegreerde radio van het WWAN-
apparaat in- of uitschakelen (alleen bepaalde modellen,
standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u de geïntegreerde Bluetooth®-radio in- of
uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u de netwerkadapter in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u het schakelen tussen LAN/WLAN in- of
uitschakelen (standaard uitgeschakeld).
Hiermee kunt u opgeven of de computer via het LAN uit
de slaapstand kan worden gehaald. De volgende opties
zijn beschikbaar:
Disabled (Gedeactiveerd)
Boot to Network (Opstarten via netwerk) (standaard
ingesteld)
Follow Boot Order (Opstartvolgorde volgen)
Hiermee kunt u de omgevingslichtsensor in- of
uitschakelen (standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u de apparaat-upgraderuimte van
notebookcomputers in- of uitschakelen (standaard
ingeschakeld).
Hiermee kunt u de vingerafdruklezer in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u de geïntegreerde camera in- of
uitschakelen (alleen bepaalde modellen, standaard
ingeschakeld).
Hiermee kunt u Power Monitor Circuit
(Voedingsbewaking) in- of uitschakelen.
Hiermee kunt u het audioapparaat in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u een modem in- of uitschakelen (standaard
ingeschakeld).
Hiermee kunt u de interne microfoons in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Hiermee kunt u interne luidsprekers in- of uitschakelen
(standaard ingeschakeld).
Menu’s van Computer Setup 139
Optie Actie
Port Options (Poortopties, alle zijn standaard ingeschakeld) OPMERKING: Alle poortopties zijn standaard ingeschakeld.
Hiermee kunt u de Flash-medialezer in- of uitschakelen.
Hiermee kunt u de USB-poort in- of uitschakelen.
VOORZICHTIG: Als u de USB-poort uitschakelt,
worden ook de MultiBay- en ExpressCard-apparaten op
de geavanceerde poortreplicator uitgeschakeld.
Hiermee kunt u de 1394-poort in- of uitschakelen.
Hiermee kunt u het ExpressCard-slot in- of
uitschakelen.
Hiermee kunt u het smartcardslot in- of uitschakelen.
Hiermee kunt u de eSATA-poort in- of uitschakelen.
Set Security Level (Beveiligingsniveau instellen) Hiermee kunt u het beveiligingsniveau voor alle items in het
BIOS-menu wijzigen, bekijken of verbergen.
Restore Security Defaults (Standaardbeveiligingsinstellingen
herstellen)
Hiermee kunt u de standaardbeveiligingsinstellingen
herstellen.
140 Hoofdstuk 14 Computer Setup
15 Back-up en herstel
Gebruik het hulpprogramma Windows Back-up (alleen bepaalde modellen) om een back-up te maken
van uw bestanden en mappen of om herstelpunten te maken. U kunt de back-upbestanden gebruiken
om uw computer te herstellen als het systeem niet meer werkt.
Windows biedt de volgende opties:
Back-ups maken van afzonderlijke bestanden en mappen
Back-ups maken van alle bestanden en mappen
Automatische back-ups plannen
Herstelpunten maken
Informatie herstellen
OPMERKING: Voor gedetailleerde instructies zoekt u in Help en ondersteuning naar deze
onderwerpen.
Als het systeem onstabiel is, raadt HP aan om de herstelprocedures af te drukken en ze te bewaren
voor het geval u ze later nodig hebt.
Back-up maken van gegevens
Als het systeem niet meer werkt, kunt u het systeem herstellen in de staat van de meest recente backup.
Maak daarom de eerste backup onmiddellijk nadat u de software heeft geïnstalleerd. Als u nieuwe
software en gegevensbestanden toevoegt, moet u periodiek backups van het systeem blijven maken
om altijd een redelijk actuele backup achter de hand te hebben.
U kunt backups van afzonderlijke mappen of bestanden maken op een optionele externe vaste schijf
of op een netwerkschijfeenheid.
Houd bij het maken van backups rekening met het volgende:
Sla persoonlijke bestanden op in de map Mijn documenten en maak periodiek een backup van
deze map.
Maak een backup van sjablonen die zijn opgeslagen bij de bijbehorende programma's.
Sla aangepaste instellingen in een venster, werkbalk of menubalk op door een schermopname van
uw instellingen te maken. Een schermopname kan veel tijd besparen als u voorkeuren opnieuw
moet instellen.
U kunt als volgt het scherm kopiëren en in een tekstverwerkingsdocument plakken:
a. Geef het scherm weer dat u wilt opslaan.
b. Kopieer de schermafbeelding:
Als u alleen het actieve venster wilt kopiëren, drukt u op alt+fn+prt sc
Als u het volledige scherm wilt kopiëren, drukt u op fn+prt sc.
c. Open een nieuw document in een tekstverwerkingsprogramma, klik op Bewerken >
Plakken.
Back-up maken van gegevens 141
De schermafbeelding wordt toegevoegd aan het document.
d. Sla het document op.
Om een backup te maken met het hulpprogramma Back-up van Windows (alleen bepaalde modellen),
gaat u als volgt te werk:
OPMERKING: Zorg dat de computer is aangesloten op een netvoedingsbron voordat u het
backupproces start.
OPMERKING: Het backupproces kan meer dan een uur in beslag nemen, afhankelijk van de
bestandsgrootte en de snelheid van de computer.
1. Selecteer Start > Alle programma’s > Bureau-accessoires > Systeemwerkset > Back-up.
2. Volg de instructies op het scherm.
Herstelactie uitvoeren
Als het systeem niet meer werkt of instabiel is geworden, biedt de computer de volgende hulpmiddelen
om uw bestanden te herstellen:
Windows-herstelprogramma's (alleen bepaalde modellen): Met het hulpprogramma Back-up van
Windows kunt u informatie herstellen waarvan u een backup heeft gemaakt.
Schijven Operating System (Besturingssysteem) en Driver Recovery (Herstel van
stuurprogramma's) (bij de computer geleverd): U kunt de schijven gebruiken om het
besturingssysteem en programma's die in de fabriek zijn geïnstalleerd te herstellen.
Informatie herstellen
U herstelt als volgt informatie waarvan u een eerder een backup heeft gemaakt:
1. Maak indien mogelijk een backup van al uw persoonlijke bestanden.
2. Selecteer Start > Alle programma’s > Bureau-accessoires > Systeemwerkset > Back-up.
De wizard Back-up verschijnt.
3. Klik op Bestanden en instellingen terugzetten en klik op Volgende.
4. Volg de instructies op het scherm.
OPMERKING: Voor aanvullende informatie over het uitvoeren van een herstelactie in Windows zoekt
u dit onderwerp op in Help en ondersteuning.
Besturingssysteem en programma's herstellen
VOORZICHTIG: Tijdens het herstelproces wordt de vaste schijf geformatteerd en wordt de inhoud
van de vaste schijf volledig gewist. Alle bestanden die u heeft gemaakt en alle software die u heeft
geïnstalleerd op de computer, worden definitief verwijderd. Tijdens het herstelproces worden het
oorspronkelijke besturingssysteem, de software en de stuurprogramma's opnieuw geïnstalleerd.
Software, stuurprogramma's en updates die niet door HP zijn geïnstalleerd, moeten handmatig opnieuw
worden geïnstalleerd.
Om het besturingssysteem en programma's te herstellen, gaat u als volgt te werk:
1. Maak indien mogelijk een backup van al uw persoonlijke bestanden.
2. Plaats de schijf Operating System in de optische-schijfeenheid.
3. Schakel de computer uit.
142 Hoofdstuk 15 Back-up en herstel
4. Zet de computer aan.
5. Volg de instructies op het scherm om het besturingssysteem te installeren.
6. Nadat het besturingssysteem is geïnstalleerd, verwijdert u de schijf Operating System en plaatst
u de schijf Driver Recovery.
7. Volg de instructies op het scherm om de stuurprogramma's en programma's te installeren.
Herstelactie uitvoeren 143
Index
Symbolen en getallen
1394-apparaten
aansluiten 81
verwijderen 81
1394-kabel, verbinden 81
1394-poort 8, 81
A
aan/uit-knop 5
aan/uit-knop van het touchpad 2
aan/uit-knop van touchpad 5
aan/uit-lampje 3, 7
aan/uit-lampje van het
touchpad 3
aansluiten, externe
netvoedingsbron 54
aanwijsapparaten, voorkeuren
instellen 32
accu
plaatsen 55
verwijderen 55
Accu
afvoeren 62
kalibreren 59
lage acculading 57
opbergen 61
opladen 56, 59
opnieuw opladen 61
vervangen 62
voeding besparen 61
accu, ontgrendelingen 10
Accu, temperatuur 61
Acculading, maximaliseren 57
acculampje 7
Acculampje 56, 58
accuontgrendelingen 10, 55
accuruimte 10, 14
accutest 135
Accuvoeding 54
Afsluiten 63
Altiris Deployment Solutions 127
Apparaatbeveiliging 113
Apparaatconfiguraties 137
Audioapparatuur, aansluiten van
externe 41
Audiofuncties controleren 42
audio-ingang (microfoon) 8, 39
audio-uitgang (hoofdtelefoon) 8,
39
Automatische DriveLock,
wachtwoord
invoeren 112
verwijderen 113
B
back-ups maken van bestanden en
mappen 141
bedrijfs-WLAN, verbinding 19
Beeldscherm, onderdelen 11
beeldschermontgrendeling 7
Beheerderswachtwoord 104
bekabelde verbindingen 26
Beschrijfbare media 50
Besparen, voeding 61
bestanden en mappen
back-ups maken 141
herstellen 142
Besturingssysteem
label met Microsoft certificaat
van echtheid 14
productcode 14
beveiliging
beschermen, computer 103
draadloze communicatie 18
Beveiligingsniveau instellen 140
bevestigingspunt voor
beveiligingskabel 8
BIOS-
beheerderswachtwoord 136
BIOS-update
downloaden 120
installeren 120
Bluetooth, label 14
C
caps lock-lampje 3
cd
plaatsen 44
Cd
plaatsen 83
verwijderen 46, 84
Cd-drive 82
Certificaat van echtheid, label 14
compartiment
draadloosbreedbandmodul
e11
geheugenmodule 10
WLAN 11
compartiment voor
draadloosbreedbandmodule 11
Computerinformatie 119
Computer Setup
apparaatbeveiliging 113
BIOS-
beheerderswachtwoord 105
DriveLock-wachtwoord 108
herstellen,
fabrieksinstellingen 134
instellen MultiBoot
Express 126
menu File (Bestand) 135
menu Security
(Beveiliging) 136
menu System Configuration
(Systeemconfiguratie) 137
navigeren en selecteren 133
opstartapparaten
inschakelen 123
opstartvolgorde instellen 125
Configureren, ExpressCards 87
connector, docking 8, 82
connector, netvoeding 9
Controleren, audiofuncties 42
D
digitale kaart
verwijderen 86
Digitale kaart
plaatsen 86
Diskettedrive 82
144 Index
Disk Sanitizer 137
DisplayPort 8, 43
Distributie, software 127
dockingconnector 8, 82
draadloos netwerk (WLAN)
aansluiten 19
bedrijfs-WLAN, verbinding 19
benodigde apparatuur 17
beveiliging 18
effectief bereik 19
openbaar WLAN,
verbinding 19
draadloze communicatie,
bedieningselementen
besturingssysteem 16
knop 16
draadloze communicatie,
lampje 3, 7, 16
draadloze communicatie,
pictogram 15
draadloze verbindingen 15
draadloze verbinding tot stand
brengen 15
DriveLock, automatisch 136
DriveLock-wachtwoord
beschrijving 108
instellen 109
invoeren 110
verwijderen 112
wijzigen 111
Driver Recovery (Herstel van
stuurprogramma's), schijf 142
dvd
plaatsen 44
Dvd
plaatsen 83
regio-instelling wijzigen 45
verwijderen 46, 84
Dvd, regio-instelling 45
Dvd-drive 82
E
EasyPoint-muisbesturing 2, 32
esc-toets 6
ExpressCard
beschermplaatje
verwijderen 88
configureren 87
definitie 87
plaatsen 87
verwijderen 88
ExpressCard-slot 8
Externe audioapparatuur
aansluiten 41
externe monitor, poort 8, 42
Externe schijfeenheid 82
F
Fabrieksinstellingen
herstellen 135
File (Bestand), menu 135
firewall 18
fn-toets 6, 33
foutenlogboek 135
functietoetsen 6, 33
G
Gebruikerswachtwoord 104
Geheugen, geheugenmodules
vervangen 91, 94
Geheugenmodule
plaatsen 98
upgraden, primair 94
vervangen 91, 94
verwijderen 92, 97
geheugenmodulecompartimen
t10
geheugenmodulecompartiment,
afdekplaatje
terugplaatsen 93
verwijderen 92
geheugentest 135
Geïntegreerd apparaat
Bluetooth®-radio 139
draadloze communicatie,
knop 139
geïntegreerde camera 139
geïntegreerd WLAN 139
modem 139
netwerkadapter 139
omgevingslichtsensor 139
radio van WWAN-
apparaat 139
schakelen tussen LAN/
WLAN 139
via LAN uit slaapstand
halen 139
vingerafdruklezer 139
geluid harder, knop 5, 39
Geluidsvolume aanpassen 40
geluid uit, knop 5
Geluid uit, knop 39
geluid uit, lampje 4
geluid zachter, knop 5, 39
H
Hardware, herkennen 1
Hibernationstand
activeren 51
beëindigen 51
geactiveerd bij kritiek lage
acculading 58
hoofdtelefoon 39
HP 3D DriveGuard 65
HP Client Configuration
Manager 128, 130
HP Client Manager voor
Altiris 128
HP mobiel breedband 20
HP QuickLook 3 138
HP System Software
Manager 128, 131
hubs 79
I
Image, computer 127
in-/uitgangen
audio-ingang (microfoon) 8,
39
audio-uitgang
(hoofdtelefoon) 8, 39
RJ-11 (modem) 9
RJ-45 (netwerk) 7
ingebouwd apparaat
audio 139
luidsprekers 139
microfoons 139
upgraderuimte van
notebookcomputer 139
Inschrijving bij HP SpareKey 136
Installatie, computer 1
installatie van draadloos
netwerk 17
Instellingen Computer Setup
herstellen,
fabrieksinstellingen 134
menu File (Bestand) 135
menu Security
(Beveiliging) 136
Index 145
menu System Configuration
(Systeemconfiguratie) 137
navigeren en selecteren 133
Intel Anti-Theft (Intel-
antidiefstal) 136
Intel Centrino Pro-
technologie 131
Intel HT-technologie 138
interferentie minimaliseren 25
interne microfoons 12, 39
internetverbinding instellen 17
J
Java Card
definitie 89
plaatsen 90
verwijderen 90
K
kabels
modem 13
Kabels
1394 81
USB 79
Kalibreren, accu 59
kennisgevingen
label met kennisgevingen 14
Kennisgevingen
labels met keurmerk voor
draadloze communicatie 14
Keurmerk voor draadloze
communicatie, label 14
knoppen
aan/uit-knop van touchpad 2,
5
beeldschermontgrendeling 7
draadloze communicatie 5
EasyPoint-muisbesturing 1
geluid harder 5, 39
geluid uit 5, 39
geluid zachter 5, 39
QuickLook 5
QuickWeb 5
toetsenbord 12
touchpad 1
voeding 5
knop voor draadloze
communicatie 5, 16
Kritiek lage acculading 58
L
label met Microsoft certificaat van
echtheid 14
labels
kennisgevingen 14
Labels
Bluetooth 14
certificaat van echtheid van
Microsoft 14
keurmerk voor draadloze
communicatie 14
Servicelabel 13
WLAN 14
Lage acculading 57
Lampje, schijfeenheid 66
lampje en knop van
toetsenbord 12, 33
lampjes
aan/uit-knop van touchpad 3
accu 7
caps lock 3
draadloze communicatie 3, 7
geluid uit 4
num lock 3, 35
QuickLook 3
QuickWeb 3
schijfeenheid 7
toetsenbord 12
voeding 3, 7
webcam 12
LAN, aansluiten 26
Leesbare media 50
Logische
stationsaanduidingen 124
lokaal netwerk (LAN) 3
Luchthavenbeveiliging 64
luidsprekers 7, 10, 39
M
McAfee Total Protection 115
microfooningang (audio-in) 39
microfooningang (audio-
ingang) 8
microfoons, interne 12, 39
minimaliseren, interferentie 25
modemadapter 13
modem gebruiken 26
modemkabel 13
modems
locatie-instelling selecteren 28
modemkabel aansluiten 27
modemkabeladapter
aansluiten 27
monitor, aansluiten 42
Muis, extern
aansluiten 32
voorkeuren instellen 32
muisbesturingsknoppen 1
MultiBoot Express 123, 126
multicore-processor 138
MultiMediaCard 86
multimediacomponenten 38
Multimediasoftware,
installeren 39
N
netsnoer 13
netvoedingsadapter 13
netvoedingsadapter,
aansluiten 54
netvoedingsconnector 9
netwerkbeveiligingscodes
netwerksleutel 24
SSID 24
Netwerkkaart als
opstartapparaat 123
netwerksleutel 24
netwerkstatus, pictogram 15
Network Service Boot (Opstarten
via netwerkservice) 124
Niet-reagerend systeem 63
Num Lock, extern toetsenblok 36
num lock-lampje 3, 35
O
omgevingslichtsensor 12
onderdelen
achterkant 7
Onderdelen
aanvullende hardware 13
beeldscherm 11
bovenkant 1
linkerkant 9
onderkant 10
rechterkant 8
voorkant 6
Onderhoud
schijfdefragmentatie 65
schijfopruiming 65
ontgrendelingen, accu 10
146 Index
oortelefoon 39
Opbergen, accu 61
openbaar WLAN, verbinding 19
Operating System
(Besturingssysteem),
schijf 142
Opladen, accu 56, 59
Opstartapparaat, netwerkkaart
(NIC) 123
Opstartapparaten,
inschakelen 123
Opstartopties 137
opstarttest 135
Opstartvolgorde 137
Opstartvolgorde wijzigen 125
Opties voor geïntegreerde
apparaten 139
optische schijf
plaatsen 44
Optische schijf
plaatsen 83
verwijderen 46, 84
Optischeschijfeenheid 82
optische-schijfeenheid 9
P
pictogrammen
draadloze communicatie 15
netwerkstatus 15
poorten
1394 8
DisplayPort 8
externe monitor 8, 42
USB 7, 9, 79
Poorten
1394 81
poortopties
eSATA-poort 140
Poortopties
1394-poort 140
ExpressCard-slot 140
flash-medialezer 140
smartcardslot 140
USB-poort 140
Power Monitor Circuit
(Voedingsbewaking) 139
problemen met draadloos netwerk
oplossen 23
problemen oplossen met draadloos
netwerk 23
Productcode 14
Productnaam en productnummer,
van computer 13
Projector, aansluiten 42
PXE-server 124
Q
QuickLook-knop 5
QuickLook-lampje 3
QuickWeb-knop 5
QuickWeb-lampje 3
R
RAID-apparaten (Redundant Array
of Independent Disks) 138
Regiocode, dvd 45
Reizen met computer 14
Reizen met de computer 61
RJ-11-connector (modem) 9
RJ-45-netwerkconnector 7
ruimten
accu 14
optische-schijfeenheid 11
vaste schijf 9, 10, 11, 67
ruimte voor optische schijf 11
run-in-test 135
S
SATA-apparaten (Serial Advanced
Technology Attachment)
AHCI (Advanced Host Controller
Interface) 138
IDE (Integrated Drive
Electronics) 138
Schijfdefragmentatie, software 65
schijfeenheden
opstartvolgorde 123
vaste 70
Schijfeenheden
diskette 82
externe 82
optische 82
vaste 82
Schijfeenheden,
opstartvolgorde 137
schijfeenheidlampje 7
Schijflampje 66
Schijfmedia 50
Schijfopruiming, software 65
Schijven
Driver Recovery (Herstel van
stuurprogramma's) 142
Operating System
(Besturingssysteem) 142
schuifvlakken, van touchpad 2
SD Card 86
SD Card-lezer 8, 86
Security (Beveiliging), menu
Always Prompt for HP SpareKey
Enrollment (Altijd vragen om
inschrijving bij
HP SpareKey) 136
Automatic DriveLock
(Automatische
DriveLock) 136
Disk Sanitizer 137
DriveLock 136
gebruikersbeheer 136
HP SpareKey 136
HP SpareKey,
inschrijving 136
instellen, BIOS-
beheerderswachtwoord 136
systeemidentificatie 137
vingerafdruklezer
herstellen 136
wachtwoordbeleid 136
wachtwoord wijzigen 136
Serienummer, van computer 13
Servicelabel 13
SIM-kaart (subscriber identity
module)
plaatsen 21
verwijderen 22
SIM-slot (Subscriber Indentity
Module) 10
slots
beveiligingskabel 8
ExpressCard 8
geheugenmodule 91
SIM-kaart 10
visitekaartje 7
slot voor visitekaartjes 7
Smart Card
definitie 89
plaatsen 90
verwijderen 90
Smart Card-lezer 9
Index 147
sneltoetsen
beschrijving 33
gebruiken 34
sneltoetsen op toetsenbord 33
SoftPaqs, downloaden 121
SoftPaqs downloaden 121
Software
applicaties en
stuurprogramma's
bijwerken 121
BIOS-update 120
distributie 127
herstel 127
schijfdefragmentatie 65
schijfopruiming 65
updates 128
Standaardbeveiligingsinstellingen
herstellen 140
Standbystand
activeren 50
beëindigen 50
systeemdatum en -tijd
instellen 135
systeemdiagnose 135
Systeemidentificatie 137
Systeeminformatie 135
Systeemventilator 138
System Configuration
(Systeemconfiguratie),
menu 137
T
Taal, wijzigen in Computer
Setup 137
Temperatuur 61
toets, Windows-toepassing 6
toetsen
esc 6
fn 6
functie 6
toetsenblok 6
Windows-logo 6
Windows-toepassingen 6
Toetsenblok, extern
gebruiken 36
num lock 36
toetsenblok, geïntegreerd 35
Toetsenblok, geïntegreerd
gebruiken 36
in- en uitschakelen 36
schakelen tussen functies van
toetsen 36
toetsenbordschroeven
terugplaatsen 101
verwijderen 95
toetsen van geïntegreerde
numerieke toetsenblok 6
touchpad
knoppen 1
schuifvlakken 2
Touchpad
gebruiken 32
TPM Embedded Security (TPM
geïntegreerde beveiliging) 137
U
Uitschakelen, computer 63
Uitvoering uitschakelen 138
Updates, software 128
USB, ondersteuning voor oudere
systemen 80, 133, 138
USB-apparaten
beschrijving 79
stopzetten 80
verwijderen 80
USB-apparatuur
aansluiten 79
USB-hubs 79
USB-kabel, aansluiten 79
USB-poort, met eigen
voeding 82, 83
USB-poorten 7, 9, 79
V
vaste schijf
installeren 70
Vaste schijf
externe 82
HP 3D DriveGuard 65
Vasteschijfeenheid
externe 82
HP 3D DriveGuard 65
vaste-schijfruimte 9, 10, 11
vaste-schijftest 135
ventilatieopeningen 8, 10
verbinding maken met een
LAN 26
verbinding maken met een
WLAN 19
versleuteling 18
video, opnemen 12
vingerafdruklezer 5
voeding
aansluiten 54
Voeding
besparen 61
W
Wachtwoorden
beheerder 104
BIOS-beheerder 105
DriveLock 108
gebruiker 104
webcam 12, 39, 47
Webcameigenschappen
aanpassen 47
webcamlampje 12
Websites
HP System Software
Manager 131
Intel Pro-technologie voor
AMT 131
Windows, herstel 142
Windows Back-up,
hulpprogramma 142
Windows-logotoets 6
Windows-toepassingstoets 6
WLAN, label 14
WLAN-antennes 12
WLAN-apparaat 14, 17
WWAN-antennes 12
148 Index
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161

HP EliteBook 2540p Notebook PC Handleiding

Type
Handleiding