MULTIQUIP LT-12-series Handleiding

Categorie
Accessoires voor motorvoertuigen
Type
Handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

BEDIENINGSHANDLEIDING
Onderdeelnr.: 29543
Revisienr. 9 (23/06/08)
NIGHTHAWK-SERIE
MODELLEN LT-12D, LT-12P
MOBIELE LICHTMAST
(DEUTZ-/LOMBARDINI-DIESELMOTOR)
(PERKINS-DIESELMOTOR)
DEZE HANDLEIDING MOET ALTIJD BIJ DE APPARATUUR
WORDEN GEHOUDEN.
U vindt de laatste revisie van
deze publicatie op onze website:
www.multiquip.com
PAGINA 2 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
AANTEKENINGEN
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 3
INHOUD
MULMUL
MULMUL
MUL
TIQUIP NIGHTHATIQUIP NIGHTHA
TIQUIP NIGHTHATIQUIP NIGHTHA
TIQUIP NIGHTHA
WKWK
WKWK
WK
LL
LL
L
TT
TT
T
-12 SERIE LICHTMAST-12 SERIE LICHTMAST
-12 SERIE LICHTMAST-12 SERIE LICHTMAST
-12 SERIE LICHTMAST
Inhoud ........................................................................... 3
Veiligheidswaarschuwingssymbolen ........................... 4-5
Regels voor veilige bediening ..................................... 6-7
Specificaties (lichtmast) ................................................. 8
Specificaties (motoren) .................................................. 9
Afmetingen ...................................................................10
Algemene informatie ....................................................11
Onderdelen ............................................................ 12-13
Regelpaneel ........................................................... 14-15
Footcandleplots schijnwerpers .....................................16
Sleeprichtlijnen ....................................................... 17-18
Veiligheidsrichtlijnen aanhanger ............................. 19-20
Bedradingsschema aanhanger.....................................21
Inspectie ................................................................. 22-25
Opstartprocedure .........................................................26
Uitschakelprocedure .....................................................27
Mastbediening ..............................................................28
Bediening .....................................................................29
Onderhoud ............................................................. 30-34
Probleemoplossing (generator) ....................................35
Probleemoplossing (motor) .................................... 36-37
Probleemoplossing (lampen) .................................. 38-40
Schematisch diagram ...................................................41
Bedrading Deutz-motor ................................................42
Bedrading Perkins-motor ..............................................43
PAGINA 4 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
Veiligheidsvoorzorgsmaatregelen moeten
altijd worden genomen wanneer deze ap-
paratuur wordt gebruikt. Als de veiligheids-
berichten en bedieningsinstructies niet
worden gelezen en begrepen, kan dit lei-
den tot letsel bij uzelf en anderen.
VOOR UW EIGEN VEILIGHEID EN DIE VAN
ANDEREN!
Deze eigenaarshandleiding is opge-
steld om complete instructies te ge-
ven voor het veilig en efficiënt gebrui-
ken van de
LT-12 serie lichtmast.
Voordat deze lichtmast wordt gebruikt,
moet u zorgen dat de bediener alle
instructies in deze handleiding heeft
gelezen en begrepen.
De drie (3) veiligheidsberichten hieronder informeren u over moge-
lijke gevaren waardoor u of anderen letsel kunnen oplopen. De vei-
ligheidsberichten geven specifiek het blootstellingsniveau van de
bediener aan en worden voorafgegaan door een van de volgende
drie woorden: GEVAAR, WAARSCHUWING of VOORZICHTIG.
GEVAARSYMBOLEN
Mogelijke gevaren van het gebruiken van de
LT-12 serie lichtmast
worden aangegeven met gevaarsymbolen in deze handleiding en
hiernaar wordt verwezen samen met de veiligheidsberichtsymbo-
len.
LT-12 SERIE LICHTMAST – VEILIGHEIDSBERICHTSYMBOLEN
De motoruitlaatgassen bevatten giftige kool-
monoxide. Dit gas is kleur- en geurloos en
kan dodelijk letsel vooroorzaken bij inade-
ming. Gebruik deze apparatuur NOOIT in
een gesloten ruimte of in een constructie
waar onvoldoende luchtstroming is.
Dieselbrandstof is uiterst brandbaar en de
dampen ervan kunnen bij ontbranding een
explosie veroorzaken. Start de motor NIET in
de buurt van gemorste brandstof of andere
brandbare vloeistoffen.
Vul de brandstoftank NIET terwijl de motor draait of heet is. Vul
de tank NIET te vol, omdat gemorste brandstof vlam kan vatten
als deze in contact komt met hete motoronderdelen of vonken
van het ontstekingssysteem. Bewaar brandstof in goedgekeur-
de vaten, in goed geventileerde ruimten en uit de buurt van von-
ken en vlammen.
De motoronderdelen kunnen extreem heet
worden. Raak om brandwonden te voorkomen
deze onderdelen NIET aan terwijl de motor
draait of direct nadat deze heeft gedraaid. Laat
de motor nooit draaien als de hitteschermen
of -beschermingen zijn verwijderd.
WAARSCHUWING – Dodelijke uitlaatgassen
U LOOPT
DODELIJK
of
ERNSTIG
letsel op als u de instruc-
ties NIET opvolgt.
U KUNT
DODELIJK
of
ERNSTIG
letsel oplopen als u de in-
structies NIET opvolgt.
U KUNT
LETSEL
oplopen als u de instructies NIET opvolgt.
GEVAAR
WAARSCHUWING
VOORZICHTIG
WAARSCHUWING – Explosieve brandstof
WAARSCHUWING – Verbrandingsgevaar
Draag ALTIJD goedgekeurde
ademhalingsbe-
scherming
wanneer dit vereist is.
VOORZICHTIG – Inhaleringsgevaar
VEILIGHEIDSBERICHTSYMBOLEN
OPMERKING
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 5
Deze handleiding bevat ook andere belangrijke berichten om
schade aan de lichtmast, andere objecten of de omgeving te
helpen voorkomen.
Zet ALTIJD de voedingsbron, stroomverbre-
kers of de ON/OFF-schakelaar (aan/uit) in
de stand OFF (uit) wanneer u de generator
niet meer gebruikt, behalve wanneer deze is
verbonden met een overdrachtsschakelaar.
Wijzig NOOIT de fabrieksinstellingen van de
motorregelaar. Werkingssnelheden boven de
maximaal toegestane snelheid kunnen leiden
tot persoonlijk letsel of schade aan de motor of
uitrusting.
Draag ALTIJD goedgekeurde oog- en
gehoorbescherming.
LT-12 SERIE LICHTMAST – VEILIGHEIDSBERICHTSYMBOLEN
Deze lichtmast, andere objecten
of de omringende omgeving kun-
nen schade oplopen als u de in-
structies
niet
opvolgt.
Bedien de apparatuur NOOIT als de afdek-
kingen of beschermingen zijn verwijderd.
Houd ter voorkoming van letsel uw vingers,
haar en kleding uit de buurt van bewegende
onderdelen.
VOORZICHTIG – Draaiende onderdelen
VOORZICHTIG – Onbedoeld starten
VOORZICHTIG – Gevaar voor ogen en gehoor
VOORZICHTIG – Overtoeren
VOORZICHTIG – Apparatuurschadeberichten
OPMERKING
PAGINA 6 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – REGELS VOOR VEILIG GEBRUIK
WAARSCHUWING – LEES DEZE HANDLEIDING
Als de instructies in deze handleiding niet worden opgevolgd
kan dat leiden tot
ernstig
of zelfs
dodelijk letsel
. Deze appara-
tuur mag alleen worden bediend door getraind en gekwalificeerd
personeel! Deze apparatuur is alleen bestemd voor industrieel
gebruik.
De volgende veiligheidsrichtlijnen moeten altijd worden opge-
volgd bij het gebruiken van de LT-12 lichtmast.
Veiligheid
Bedien of onderhoud deze apparatuur NIET
voordat u deze handleiding helemaal hebt ge-
lezen.
Deze apparatuur mag niet worden bediend
door personen jonger dan 18 jaar.
NOOIT deze apparatuur bedienen zonder de juiste
beschermende kleding, een barstbestendige bril,
schoenen met stalen neuzen en andere beschermen-
de uitrusting die voor het werk is vereist.
NOOIT deze apparatuur bedienen wanneer u
zich niet goed voelt door vermoeidheid, ziekte
of het innemen van medicijnen.
NOOIT de zaag bedienen onder invloed van
drugs of alcohol.
NOOIT accessoires of aanzetstukken gebruiken die niet door
Multiquip voor deze apparatuur zijn aanbevolen. Dit kan leiden
tot beschadiging van de apparatuur en/of letsel bij de bediener.
De fabrikant is niet verantwoordelijk voor ongelukken als gevolg
van wijzigingen van de apparatuur. Als aan de apparatuur niet-
geautoriseerde wijzigingen worden aangebracht, vervallen alle
garanties.
Vervang indien nodig het naamplaatje en bedienings- en veilig-
heidsstickers wanneer ze moeilijk leesbaar worden.
ALTIJD controleren of alle bouten op de
lichtmast voldoende zijn aangehaald.
NOOIT het uitlaatspruitstuk, de geluiddem-
per of de cilinder aanraken terwijl deze heet
zijn. Laat deze onderdelen afkoelen voor-
dat u onderhoud uitvoert.
Hoge temperaturen – Laat de motor afkoelen voordat u brand-
stof bijvult of service en onderhoud uitvoert. Contact met
hete
onderdelen kan tot ernstige brandwonden leiden.
Voor de motor van deze lichtmast/generator is voldoende stro-
ming van koellucht vereist. NOOIT de generator gebruiken in een
omsloten of kleine ruimte waar de
stroming van lucht beperkt is. Als
de luchtstroom wordt beperkt, kan
dat leiden tot schade aan de ge-
neratormotor en letsel bij perso-
nen. De motor van de lichtmast/
generator genereert DODELIJK
koolmonoxidegas.
ALTIJD brandstof bijtanken in een
goed geventileerde ruimte, uit de
buurt van vonken en open vlam-
men.
ALTIJD uiterst voorzichtig zijn bij het werken
met ontvlambare vloeistoffen. Voordat u brand-
stof bijtankt, moet u de motor stopzetten en
laten afkoelen. NIET
roken in de buurt van de
machine. Brandstofdampen kunnen brand of
een explosie veroorzaken als er brandstof op
de motor wordt gemorst als deze heet is.
NOOIT de lichtmast/generator gebruiken in een explosieve at-
mosfeer of in de buurt van brandbare materialen. Een explosie of
brand kan leiden tot ernstig of zelfs dodelijk
lichamelijk letsel.
Het aftoppen van de vulpoort is gevaarlijk, omdat hierdoor brand-
stof kan worden gemorst.
ALTIJD ervoor zorgen dat de lichtmast/generator stevig op een
rechte ondergrond staat, zodat deze niet kan schuiven of bewe-
gen, anders kan personeel gevaar lopen. Houd bovendien de
directe omgeving vrij van omstanders.
ALTIJD een
getrainde technicus
schijnwerpers laten installe-
ren of verwijderen, of een beschadigde fittingbedrading laten
vervangen.
NOOIT vet- of olieresten achterlaten op een glasoppervlak wan-
neer u lampen vervangt of verwijdert. Hierdoor kunnen hete plek-
ken ontstaan, waardoor de levensduur van de lamp afneemt of
de buitenmantel barst.
ALTIJD ervoor zorgen dat de aanhanger met alle zijpoten uitge-
schoven horizontaal is geplaatst, alvorens de mast omhoog te
brengen. De zijpoten moeten uitgeschoven blijven zolang de mast
rechtop staat.
ALTIJD het gebied achter de aanhanger vrij houden van perso-
nen tijdens het omhoog brengen en laten zakken van de mast.
NOOIT de veiligheidspen verwijderen of de mastvergrendelings-
pen uittrekken terwijl de mast omhoog staat!
CONTROLEER de mast- en lierkabels op slijtage. Als zich een
probleem voordoet tijdens het laten zakken of omhoog brengen
van de mast, deze direct STOPZETTEN! Neem contact op met
een getrainde technicus voor assistentie.
NOOIT de mast draaien of intrekken terwijl de unit in bedrijf is.
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 7
LT-12 SERIE LICHTMAST – REGELS VOOR VEILIG GEBRUIK
De
5 GEVAAR
-items hieronder geven een
Groot GEVAAR
aan
en moeten worden opgevolgd. Als deze items niet worden be-
grepen, kan dat leiden tot
lichamelijk letsel, elektrische
schok-
ken
,
elektrocutie
en zelfs de
dood! Let goed op wanneer u
de lichtmast bedient.
De LT-12 lichtmast is voor uw bescherming
voorzien van een
aardklem
.
ALTIJD het
aardingspad
van de lichtmast
naar een externe aardingsbron voltooien.
ALTIJD ervoor zorgen dat de lichtmast goed
wordt geaard en stevig bevestigd aan een goede aardegrond
(aardingsstaaf). Als de lichtmast niet wordt geaard, leidt dat
mogelijk tot
elektrische schokken, elektrocutie en zelfs de
dood
.
Bedien NOOIT de LT-12 lichtmast of an-
dere elektrische apparatuur terwijl u in
water of op blote voeten staat, natte han-
den hebt of wanneer het regent. Er kan
zich een gevaarlijke
elektrische schok
voordoen die
ernstig of zelfs dodelijk lichamelijk letsel
tot
gevolg kan hebben.
Houd stroomsnoeren ALTIJD in goede conditie. Versleten, bloot-
liggende of gerafelde bedrading kan een elektrische schok ver-
oorzaken, wat kan leiden tot
lichamelijk
letsel of zelfs de dood
.
U mag een stroomsnoer dat onder
stroom staat NOOIT met natte handen
vastpakken of aanraken. Het gevaar be-
staat dat u een
elektrische schok
krijgt, geëlektrocuteerd wordt of zelfs
overlijdt!
STROOMSNOER
(ONDER SPANNING)
NATTE
HANDEN
Zorg er ALTIJD voor dat de
ruimte boven de lichtmast vrij is
van bovengrondse elektriciteits-
leidingen en andere obstructies.
De mast kan verder dan 9 m
(30 ft) worden uitgeschoven.
Contact met bovengrondse
elektriciteitsleidingen of an-
dere obstructies boven het
hoofd kan resulteren in appara-
tuurschade,
ernstig of dodelijk
letsel
.
NOOIT de lampen aanraken terwijl ze branden. De lampen wor-
den zeer heet wanneer ze branden! Laat lampen en fittingen
minimaal 10 tot 15 minuten afkoelen voordat u ze vastpakt.
ALTIJD de mast inschuiven voordat u deze naar de transport-
stand laat zakken.
Veilig onderhoud uitvoeren
NOOIT onderdelen smeren of service uitvoeren op een werken-
de lichtmast/generator.
ALTIJD de lichtmast/generator voldoende laten afkoelen alvo-
rens service uit te voeren.
Houd de lichtmast/generator in een goede werkingstoestand.
Repareer schade aan de lichtmast/generator onmiddellijk en ver-
vang kapotte onderdelen altijd.
Noodsituaties
ALTIJD moet u de locatie weten van de
dichtstbijzijnde
brandblusser
.
ALTIJD moet u de locatie weten van de
dichtstbijzijnde
EHBO-set
.
In noodgevallen moet u
altijd
de locatie weten
van de dichtstbijzijnde telefoon of een telefoon
bij u hebben op de werklocatie
. Zorg ook dat
u de telefoonnummers kent van de dichtstbijzijnde
ambulance
,
dokter
en
brandweer
. Deze gegevens zijn van onschatbare
waarde bij een noodsituatie.
NOOIT de lichtmast als kraan gebruiken. NOOIT iets optillen met
de mast.
NOOIT proberen iets aan de lichtmast te bevestigen.
ALTIJD de directe omgeving rond de lichtmast schoon, netjes
en vrij van rommel houden.
ALTIJD de lichtmast neerlaten wanneer u deze niet gaat gebrui-
ken of als er harde wind of onweer wordt voorspeld.
NOOIT de mast draaien of intrekken terwijl de unit in bedrijf is.
GEVAAR – Grote gevaren
GEVAAR – Kans op elektrische schokken
GEVAAR – Gevaar door obstructies boven
het hoofd
GEVAAR – De LT-12 aarden alvorens
deze te gebruiken
PAGINA 8 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – SPECIFICATIES (LICHTMAST)
TABEL 1. SPECIFICATIES
Lichtmastmodel LT-12D LT-12P
Motormodel
Gewicht (droog) 700 kg (1550 lb)
Afmetingen Zie Tabel 3
Ondersteuningspunten 5
Windstabiliteit met generator 80,46 km/h (65 mph)
Schijnwerpers 4-1000 W metaalhalide
Lumens 440.000
Verlichtingsoppervlak 20.000 tot 28.000 m
3
(5 tot 7 acre)
Lampafsluiting 4 x 3-pins QD-stekker
Generatorspecificaties
Uitvoer GFCI-aansluiting 120 VAC bij 15 A (alleen VS)
Uitvoer twistlockaansluiting 240 VAC bij 25 A (alleen VS)
GFCI-stroomverbreker (ampËre) 15 A
Twistlockstroomverbreker (ampËre) 25 A
Continue uitvoer (watt) 6000 W
Geluidsniveau op 7 m (23 ft) afstand 73 dB
Aanhangerspecificaties
Draagvermogen vijzelpoten 907 kg (2000 lb)
Koppelingstype 51 mm (2 in) kogel (optionele boutenset verkrijgbaar)
Bandenmaat 330 mm (13 in)
Wielvelgmaat 330 x 114 mm (13 x 4,5 in)
Draagvermogen as 907 kg (2000 lb)
Wielnaaftype met 5 wielmoeren
Ophangingstype met 3 bladen
Elektrische connector achterlichten met 4 draden
Liercapaciteit 680 kg (1500 lb)
Lierdraadkabel 5 mm (3/16 in)
Perkins 103-10
Dieselmotor
Deutz F3m1008F/
Lombardini LDW 1003
Dieselmotor
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 9
LT-12 SERIE LICHTMAST – SPECIFICATIES (MOTOREN)
TABEL 2. MOTORSPECIFICATIES
Motortype Aangeblazen 4-slag, 3-cilinder, 1 L dieselmotor
Boring X slag 75 x 72 mm (2,95 x 2,83 in)
Verplaatsing 954 cm
3
(58,21 in
3
)
Max. uitvoer stand-by 12 pk bij 1800 omw/min
Max. uitvoer primair 10,5 pk bij 1800 omw/min
Brandstoftankcapaciteit Ca. 113 L (30 gal VS)
Werkingsduur met 4 lampen 64 uur
Standaard stationair toerental 1800 omw/min
Brandstoftype Nr. 2 dieselbrandstof
Smeeroliecapaciteit 3,5 L (7,4 pint VS)
Koelsysteem Watergekoeld
Koelmiddelcapaciteit 3,8 L (8 pint VS)
Startmethode Elektrische start
Accutype Groep 12
Totaalgewicht (droog) 127 kg (280 lb)
Totaalgewicht (nat) 130 kg (287 lb)
Motortype 3-cilinder dieselmotor
Verplaatsing 1028 cm
3
(62,73 in
3
)
Max. uitvoer stand-by 12 pk bij 1800 omw/min
Brandstoftankcapaciteit Ca. 113 L (30 gal VS)
Werkingsduur met 4 lampen 64 uur
Standaard stationair toerental 1800 omw/min
Brandstoftype Nr. 2 dieselbrandstof
Capaciteit oliebak 2,5 L (2,36 qt VS)
Koelsysteem Vloeistofgekoeld
Startmethode Elektrische start
Accutype Groep 24
Totaalgewicht (droog) 85 kg (187,3 lb)
Perkins-model
103-10 Diesel-
motor
Lombardini-
model LDW
1003 Diesel-
motor
of
Deutz-model
F3M1008F
Dieselmotor
PAGINA 10 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – AFMETINGEN
Afbeelding 2. Afmetingen
TABEL 3. AFMETINGEN
Referentieletter Beschrijving Afmetingen
A Lengte (met mast neergelaten) 431 cm (170 in)
B Lengte (met mast omhooggebracht) 256 cm (101 in)
C Max. hoogte (met mast omhooggebracht) 9,6 m (31,5 ft)
D Hoogte (met mast neergelaten) 187 cm (74 in)
E Afstand tot grond (vanaf as) 20 cm (8 in)
F Breedte (gereed om te slepen) 129 cm (51 in)
G Breedte (met zijpoten uitgeschoven) 276 cm (109 in)
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 11
LT-12 SERIE LICHTMAST – ALGEMENE INFORMATIE
De Multiquip LT-12 serie lichtmast is een mobiele schijnwerpermast
voor algemeen gebruik voor noodverlichting en externe verlichting.
De lichtmast kan verticaal tot boven 9,6 m (31,5 ft) worden ver-
hoogd door middel van een handlier. Het mastspansysteem is ont-
worpen om voor de benodigde spanning te zorgen om de mast
veilig te kunnen draaien. De zijpoten en de achterste steunpoten
moeten worden uitgeschoven voordat de mast omhoog kan wor-
den gebracht.
Het verlichtingssysteem van de LT-12 serie lichtmast van Multiquip
bestaat uit 4 'metaalhalidelampen' van 1000 W. Elke lamp heeft een
lichtopbrengst van 110.000 lumen, dus alle vier de lampen samen
440.000 lumen. Standaard is het verlichtingsoppervlak 20.000 tot
28.000 m² (5 tot 7 acre).
Elke schijnwerper heeft een ballast nodig om te kunnen opstarten.
Op het regelpaneel van de generator bevindt zich een weerbesten-
dig ballastkastje waarin de ballast voor elke schijnwerper zit. Het
regelpaneel bevat vier ON/OFF (aan/uit)-stroomverbrekers, één voor
elke schijnwerper.
Voor gemakkelijker onderhoud of transport is elke schijnwerper voor-
zien van een snelkoppelingsaansluiting, waarmee de lampfitting snel
kan worden verwijderd. Dit is zeer handig voor het vervoeren van
de lichtmast over ruw terrein. U kunt altijd het beste de schijnwer-
pers verwijderen en veilig inpakken om te voorkomen dat ze be-
schadigd raken.
Optioneel is de LT-12 beschikbaar met twee extra uitgangsaanslui-
tingen. De bovenste aansluiting (twistlock) op de voorkant van de
lichtmast kan 240 VAC bij 25 A leveren. De onderste aansluiting is
een GFCI-aansluiting die 120 VAC bij 15 A kan leveren. Deze aan-
sluitingen kunnen worden gebruikt voor licht elektrisch gereedschap
of vergelijkbare zaken.
OPMERKING
Sommige LT-12 lichtmasten zijn
voorzien van een Lombardini-die-
selmotor. Alle procedures en refe-
renties met betrekking tot Deutz-
motoren in deze handleiding kun-
nen worden gebruikt voor Lombar-
dini-motoren, tenzij specifiek an-
ders wordt aangegeven.
Zorg er ALTIJD voor dat de
ruimte boven de lichtmast vrij is
van bovengrondse elektriciteits-
leidingen en andere obstructies.
De mast kan verder dan 9 m
(30 ft) worden uitgeschoven.
Contact met bovengrondse
elektriciteitsleidingen of andere
obstructies boven het hoofd kan
resulteren in apparatuurschade,
ernstig of dodelijk letsel
.
GEVAAR – Gevaar door obstructies boven
het hoofd
PAGINA 12 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – ONDERDELEN
Afbeeldingen 3 en 4 tonen de locaties van de bedieningselemen-
ten en onderdelen voor de LT-12 serie lichtmast. Hieronder worden
de functies van elk bedieningselement beschreven:
1. Vergrendelingsknop mastdraaiing – Schroef deze knop los
om de mast vrij te geven voor draaiing.
2. Verticale mastuitschuiflier – Gebruik deze lier om de mast
naar de gewenste hoogte omhoog te schuiven. De maximale
hoogte is ongeveer 9,6 m (31,5 ft).
3. Mastdraaihandgreep – Pak deze handgreep vast om de mast
naar de gewenste positie te draaien. U vergrendelt de mast
door de mastdraaivergrendelingsknop vast te draaien.
4. Hijselement – Wanneer de lichtmast met een kraan moet wor-
den opgehesen, moet dit hijselement worden gebruikt. Opmer-
king: Dit hijselement is gebalanceerd voor een
volledig ge-
configureerde
lichtmast; door het verwijderen van een onder-
deel van de lichtmast, wordt het hijselement uit balans gebracht.
5. Vorkheftruckpockets – Gebruik deze vorkheftruckpockets als
de lichtmast met een vorkheftruck moet worden geheven. De
vorken van de vorkheftruck moeten minimaal 610 mm (24 in)
in de vorkheftruckpockets worden gestoken.
6. Maststeun – Wanneer de lichtmast moet worden gesleept,
moet de mast in de steun worden geplaatst. Zorg dat de ont-
grendelingspen van de mast is ingestoken en de mast is ver-
grendeld.
7. T-balk – Hiermee kunnen de schijnwerpers verticaal of hori-
zontaal worden gemonteerd.
8. Schijnwerper – 1000 W 'metaalhalidelamp' met een lichtop-
brengst van 110.000 lumen. Standaard is het verlichtingsop-
pervlak 20.000 tot 28.000 m² (5 tot 7 acre).
Afbeelding 3. Belangrijke onderdelen (regelpaneelzijde)
9. Vergrendelings-/ontgrendelingspen – Trek aan deze pen om
de mast los te maken van de steun.
10. Vijzelpoten – Er zijn twee aanhangervijzelpoten, die zich aan
de voor- en achterkant van de aanhanger bevinden. Gebruik
deze 2 vijzelpoten om de lichtmast horizontaal te zetten en te
ondersteunen.
11. Stopblokken – Plaats deze blokken (niet opgenomen in het
lichtmastpakket) onder elk aanhangerwiel om wegrollen te voor-
komen.
12. Zijvijzelpoten – Gebruik deze 2 zijvijzelpoten om de lichtmast
horizontaal te zetten en te ondersteunen.
13. Regelpaneel/ballastcompartiment – Dit paneel bevat de ON/
OFF (aan/uit)-stroomverbrekers voor elke schijnwerper. Boven-
dien bevinden zich achter het regelpaneel de ballasten en elek-
trische onderdelen voor elke schijnwerper.
14. Veiligheidsketting – Bevestig altijd de veiligheidsketting aan
het sleepvoertuig. Sleep de lichtmast nooit zonder dat de vei-
ligheidsketting is bevestigd.
15. Kogeltrekhaakkoppeling – Bevestig deze koppeling aan het
sleepvoertuig. Gebruik alleen de kogeldiameter die op de kop-
peling wordt aangegeven. Als u een andere kogeldiameter ge-
bruikt, ontstaat er een extreem gevaarlijk situatie waardoor de
koppeling los kan raken of de kogel defect kan gaan.
16. Verticale mastlier – Gebruik deze lier om de mast overeind te
zetten. Zodra de mast overeind staat, wordt deze automatisch
door de vergrendelingspen vergrendeld.
17. Vergrendelings-/ontgrendelingspen mast – Trek aan deze
pen om te beginnen met het overeind zetten van de mast. De
vergrendelingspen vergrendelt de mast automatisch zodra deze
volledig overeind staat.
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 13
LT-12 SERIE LICHTMAST – ONDERDELEN
18. Motoruitlaatpijp – Leidt de uitlaatgassen van de motor naar
de achterkant van de lichtmast. Blokkeer deze uitlaatpijp NOOIT
met obstructies. Plaats de generator ALTIJD in een omgeving
die vrij is van obstructies.
Afbeelding 4. Belangrijke onderdelen (voor/achter)
19. Kentekenplaatverlichting – Deze verlichting verlicht de ken-
tekenplaat. Wanneer de lichtmast moet worden gesleept, moet
u controleren of deze verlichting werkt.
20. Remlichten – Voordat de lichtmast wordt gesleept, moet u
controleren of deze lichten goed werken. Sleep de lichtmast
NOOIT als deze lampen niet werken.
De uitlaatpijp wordt extreem heet wanneer de
motor draait. Raak NOOIT de uitlaatpijp aan
terwijl de motor draait. U kunt dan ernstige
brandwonden oplopen. Laat de uitlaatpijp
af-
koelen
voordat u deze aanraakt.
21. Banden – Deze lichtmast gebruikt bandenmaat ST175-13C.
Vervang ze alleen door banden met de aanbevolen maat.
NOOIT de lichtmast slepen wanneer de banden in slechte con-
ditie of versleten zijn.
22. Documentatiedoos – Bevat informatie over de lichtmast.
23. 240 VAC twistlockaansluiting Deze twistlockaansluiting le-
vert 240 VAC bij 25 A.
24. 120 VAC GFCI-aansluiting Deze GFCI-aansluiting levert
120 VAC bij 15 A.
VOORZICHTIG – Verbrandingsgevaar
PAGINA 14 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – REGELPANEEL
Afbeelding 5. Onderdelen en indicatielampjes regelpaneel
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 15
1. Schakelaar inwendige kastverlichting – Met deze schake-
laar wordt de inwendige verlichting in de kast met het regelpa-
neel van de lichtmast geregeld. Wanneer de kastdeur omhoog
wordt gezet, gaat de verlichting automatisch branden. Wan-
neer de kastdeur wordt gesloten, wordt de schakelaar inge-
drukt en gaat de verlichting uit.
2. Inwendige kastverlichting – Verlicht het regelpaneel van de
LT-12 gedurende gebruik ’s nachts. De verlichting gaat bran-
den wanneer de kastdeur omhoog wordt gezet.
3. Urenteller – Deze digitale urenteller geeft het aantal uren aan
dat de machine in gebruik is geweest.
4. Hoofdstroomverbreker – Een tweepolige 25 A ON/OFF (aan/
uit)-stroomverbreker die de 240 VAC twistlockaansluiting be-
schermt tegen overbelasting. Bovendient levert deze spanning
aan de GFCI-aansluiting en de 15 A onderbrekers (4).
5. Stroomverbreker GFCI-aansluiting – Een eenpolige 15 A ON/
OFF (aan/uit)-stroomverbreker die de GFCI-aansluiting be-
schermt tegen overbelasting.
6. Stroomverbrekers schijnwerpers – Een eenpolige 15 A ON/
OFF (aan/uit)-stroomverbreker voor elke schijnwerper (4).
Afbeelding 5 toont de locatie van de elementaire regelpaneelon-
derdelen voor de LT-12 lichtmast. Hieronder vindt u een beknopte
beschrijving van elk bedieningselement of onderdeel.
Items 7 t/m 11 hebben alleen
betrekking op het regelpaneel
van Perkins-motoren. Zie Af-
beelding 5.
7. Alarmindicatielampje luchtfilter – Dit alarmlampje gaat knip-
peren wanneer een probleem met het luchtfilter is gedetec-
teerd. Voer de vereiste service uit.
8. Alarmlampje watertemperatuur – Dit alarmlampje knippert
wanneer het water te heet is geworden voor een normale wer-
king van de motor. Voer de vereiste service uit.
9. Alarmlampje oliedruk – Dit alarmlampje gaat knipperen wan-
neer het oliepeil te laag is voor een normale werking van de
motor. Voer de vereiste service uit.
LT-12 SERIE LICHTMAST – REGELPANEEL
10. Voorverwarmingsindicatielampje/acculaadlampje – Geeft
aan wanneer de bougies voldoende zijn opgewarmd om de
motor te kunnen starten. Als het lampje knippert, is de accu
bijna leeg.
11. Contactschakelaar – Steek de sleutel in de contactschake-
laar en draai deze rechtsom naar de ON-stand (aan) om de
bougies op te warmen. Wanneer het bougie-indicatielampje
DOOFT, draait u de sleutel naar de START-stand. Laat de sleu-
tel los wanneer de motor start.
Items 12 t/m 18 hebben
alleen betrekking op het
regelpaneel van Lombar-
dini-motoren. Zie Afbeel-
ding 5.
12. Indicatielampje normale werking – Dit indicatie-
lampje brandt wanneer de motor normaal werkt.
13. Indicatielampje afslag door lage oliedruk – Dit
indicatielampje brandt wanneer de motor is afge-
slagen door een te lage oliedruk. Voer de vereiste
service uit.
14. Indicatielampje hoge temperatuur – Dit indicatie-
lampje brandt wanneer de motor is afgeslagen door
een te hoge watertemperatuur. Voer de vereiste servi-
ce uit.
15. Indicatielampje dynamo – Dit indicatielampje
brandt wanneer de motor is afgeslagen door een te
hoge watertemperatuur. Voer de vereiste service uit.
16. Indicatielampje gloeibougies – Dit indicatielamp-
je brandt wanneer de bougies voldoende zijn opge-
warmd om de motor te kunnen starten.
17. Indicatielampje luchtfilterbeperking – Dit indica-
tielampje brandt wanneer de motor is afgeslagen
door een verstopping in het luchtfilter. Voer de ver-
eiste service uit.
18. Contactschakelaar – Steek de sleutel in de con-
tactschakelaar en draai deze rechtsom naar de ON-
stand om de bougies op te warmen. Wanneer het
bougie-indicatielampje DOOFT, draait u de sleutel
naar de START-stand. Laat de sleutel los wanneer
de motor start.
OK
PAGINA 16 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – FOOTCANDLEPLOTS SCHIJNWERPERS
Afbeelding 6. Footcandleplots schijnwerpers (verlichtingsoppervlak)
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 17
OPMERKING
LT-12 SERIE LICHTMAST – SLEEPRICHTLIJNEN
Om de kans op een ongeval tijdens het vervoeren van de lichtmast
over de openbare weg te verkleinen, moet u altijd controleren of de
aanhanger en het sleepvoertuig goed werken en mechanisch in orde
zijn.
De volgende lijst met suggesties moet worden gebruikt wanneer de
lichtmast gesleept gaat worden:
Voorzorgsmaatregelen voor slepen
Ga na welke regels in uw land voor slepen gelden, voordat u de
lichtmast
gaat slepen.
Zorg dat de trekhaak en koppeling op het sleepvoertuig een ge-
wicht aankunnen dat gelijk aan of groter is dan het 'bruto voer-
tuiggewicht' (GVWR). Zie Tabel 1 voor het gewicht van de licht-
mast.
Inspecteer ALTIJD de trekhaak en koppeling op slijtage. Sleep
het aanhangergedeelte van de lichtmast NOOIT met een defec-
te trekhaak, koppeling, ketting, enz.
CONTROLEER de bandenspanning bij zowel het sleepvoertuig
als de aanhanger. Controleer ook de bandenprofielslijtage bij
beide voertuigen.
Zorg ALTIJD dat het aanhangergedeelte van de lichtmast is voor-
zien van een 'veiligheidsketting'.
Bevestig ALTIJD de veiligheidsketting aan het chassis van het
sleepvoertuig.
Controleer ALTIJD of de richtingaanwijzer-, achteruitrij-, rem- en
achterlichten van het voertuig en de aanhanger goed zijn aange-
sloten en goed werken.
In de meeste gevallen, tenzij de bebording anders aangeeft, is
de maximumsnelheid voor slepen op de snelweg 89 km/h
(55 mph). Voordat u echter de lichtmast gaat slepen, moet u na-
gaan welke regels in uw landen gelden voor het slepen met voer-
tuigen. Voor slepen op onverhard terrein wordt aanbevolen niet
harder te rijden dan 24 km/h (15 mph) of nog langzamer afhan-
kelijk van het terreintype.
Plaats
stopblokken
onder de wielen van de lichtmast om te voor-
komen dat deze gaat
rollen
als deze geparkeerd staat.
Afhankelijk van de grondomstandigheden en de locatie is het
mogelijk noodzakelijk om de
steunblokken
onder de bumper van
de aanhanger te plaatsen, om te voorkomen dat deze
omkan-
telt
terwijl deze geparkeerd staat.
Voertuigaansluiting lichtmastaanhanger
1. Controleer de koppelingskogel van het voertuig en de aanhan-
gerkoppeling voor tekenen van slijtage en schade. Vervang alle
onderdelen die versleten of beschadigd zijn, voordat u gaat
slepen.
2. Gebruik alleen de kogeldiameter van 51 mm (2 in), zoals is
aangegeven op de aanhangerkoppeling. Als u een andere ko-
geldiameter gebruikt, ontstaat er een extreem gevaarlijk situa-
tie waardoor de koppeling los kan raken of de kogel defect kan
gaan.
3. Zorg ervoor dat de koppelingskogel aan de kogelbal is beves-
tigd en dat de vergrendelingshendel omlaag staat (vergrendeld).
4. Bevestig de veiligheidskettingen zoals aangegeven in Afbeel-
ding 7. Vergeet niet de veiligheidskettingen te
kruisen
.
5. Nadat u ongeveer 80 km (50 mi) hebt gesleept, moet u het
hele sleepsysteem nogmaals controleren op stevigheid.
Aanbevolen onderhoud
1. Smeer de kogelpen en de voorkant van de klem in met chas-
sisvet. De scharnierpunten en slijtageoppervlakken van de kop-
peling moeten regelmatig geolied worden met SAE 30 W-mo-
torolie.
2. Wanneer u de lichtmast parkeert of opslaat, moet u de koppe-
ling van de grond houden, zodat er zich geen vuil en afval in de
kogelpen kan ophopen.
Als de aanhangerkoppeling vervormd is, moet u de hele koppe-
ling vervangen. U mag de lichtmast NOOIT met een defecte
traileraanhanger slepen. De kans bestaat dat de aanhanger van
het sleepvoertuig losraakt.
Tijdens het vervoeren van de lichtmast
moet u
altijd
de schijnwerpers verwij-
deren
en deze veilig inpakken, zodat ze
niet beschadigd raken.
Pomp de banden op tot de juiste spanning, controleer de banden
op insnijdingen en overmatige slijtage. Zie Tabel 3, Probleemop-
lossing (bandslijtage).
Controleer de wielmoeren met een momentsleutel. Draai de
wielmoeren aan, zoals is beschreven in Tabel 5: '
Vereisten
aan-
haalmoment wielmoeren
'.
Controleer de stevigheid van de hangerbout, sluitingbout, de U-
boutmoeren en de aangehaalde ophangingsonderdelen volgens
Tabel 4.
Voorkom abrupt stoppen en starten. Dit kan aquaplanning en
scharen veroorzaken. Vloeiend starten en stoppen brengt het
brandstofverbruik omlaag.
Vermijd scherpe bochten om rollen te voorkomen.
Draai alle vijzelpoten parallel aan de grond voordat u gaat rijden.
U mag de lichtmast NIET vervoeren terwijl er brandstof in de
brandstoftank van de generator zit.
VOORZICHTIG – Plaatselijke sleepregels
VOORZICHTIG – Defecte/beschadigde
aanhangerkoppelingen
PAGINA 18 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
Afbeelding 7. Bevestiging veiligheidskettingen/aanhangerkoppeling
LT-12 SERIE LICHTMAST – SLEEPRICHTLIJNEN
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 19
Banden/wielen/wielmoeren
Banden en wielen zijn zeer belangrijke en essentiële onderdelen
van de aanhanger. Bij het specificeren of vervangen van de aan-
hangerwielen is het belangrijk dat de wielen, banden en de as goed
bij elkaar passen.
LT-12 SERIE LICHTMAST – VEILIGHEIDSMAATREGELEN AANHANGER
Probeer GEEN wielen te repareren of
aan te passen. Installeer GEEN tussen-
band om een lek via de velg te repare-
ren. Als de velg gebarsten is, kan de
luchtdruk in de tussenband ervoor zor-
gen dat er stukjes van de velg met grote
kracht exploderen (afbreken) wat ernstig
oogletsel of lichamelijk letsel kan veroorzaken.
Draag
ALTIJD
een veiligheidsbril bij
het verwijderen of installeren van
onderdelen met persverbinding. Indien
u deze instructie niet opvolgt, kunt u
ernstig letsel oplopen.
Afbeelding 8. Belangrijkste ophangingsonderdelen
Ophanging
De ophanging van de bladveren en de bijbehorende onderdelen
(Afbeelding 8) dienen om de 9656 km (6000 mi) te worden gecon-
troleerd op tekenen van slijtage, wijder worden van boutgaten en
het losser gaan zitten van bevestigingsmiddelen. Vervang direct alle
beschadigde onderdelen (ophanging). Aangehaalde ophangings-
onderdelen, zoals weergegeven in Tabel 4.
WAARSCHUWING – Wielreparatie/-aanpassing
Slijtage/oppompen banden
De bandenspanning speelt de grootste rol bij de levensduur van de
band. Spanning moet koud worden gemeten voordat u gaat rijden.
Ontlucht de banden NIET wanneer ze warm zijn. Controleer de
bandenspanning wekelijks tijdens gebruik om de maximale levens-
duur te garanderen en slijtage tegen te gaan
Tabel 3 (Problemen met bandslijtage oplossen) helpt u de oorza-
ken en oplossingen vast te stellen bij bandslijtage.
WAARSCHUWING – Veiligheidsbril vereist
TABEL 3. PROBLEEMOPLOSSING
(BANDSLIJTAGE)
SLIJTAGEPATROON
Slijtage in het
midden
Randslijtage
Slijtage aan
zijkant
Spoorslijtage
Deuken
Vlakke
stukken
Te veel
opgeblazen.
Te weinig
opgeblazen.
Chamberverlies
of overbelasting.
Onjuist toespoor.
Uit balans.
Blokkerende
wielen en
slippende banden.
De druk aanpassen aan
de door de bandenfabrikant
opgegeven druk.
De druk aanpassen aan
de door de bandenfabrikant
opgegeven druk.
Zorg dat de belasting de
maximaal toegestane asdruk
niet overschrijdt.
Wielen uitlijnen.
Lagerafstelling controleren
en banden balanceren.
Plotseling afremmen zoveel
mogelijk vermijden en remmen
opnieuw afstellen.
OORZAAK OPLOSSING
PAGINA 20 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
Vereisten aanhaalmoment wielmoeren
Het is heel belangrijk dat u het exacte aanhaalmoment van de wiel-
montage op de aanhanger toepast en behoudt. Gebruik alleen de be-
vestigingsmiddelen die overeenkomen met de kegelhoek van het wiel.
Hier volgt de juiste procedure voor het bevestigen van de wielen:
1. Draai alle wielmoeren eerst met de hand vast.
2. Draai alle wielmoeren vervolgens aan tot het voorgeschreven
aanhaalmoment. Zie Afbeelding 9. Draai de wielmoeren NIET
helemaal tot onderaan vast. Draai elke wielmoer in drie afzon-
derlijke stappen aan, zoals in Tabel 5 is gedefinieerd.
LT-12 SERIE LICHTMAST – VEILIGHEIDSMAATREGELEN AANHANGER
Draai de wielmoeren
NOOIT
met een
pneumatisch luchtpistool vast.
Afbeelding 9. Aandraaivolgorde wielmoeren
OPMERKING: De waarden zijn volgens SAE-normen, omdat de
aanhanger is geproduceerd in de VS. Vervang materiaal alleen door
onderdelen met SAE-maten.
3. Haal alle wielmoeren na uw eerste rit nogmaals in dezelfde
volgorde aan. Controleer alle wielmoeren regelmatig.
OPMERKING
TABEL 4. AANHAALVEREISTEN OPHANGING
Item Aanhaalmoment N·m (ft-lb)
9,5 mm (3/8 in)
U-BOUT
min. 41-max. 47 (min. 30-max. 35)
11 mm (7/16 in)
U-BOUT
min. 61-max. 81 (min. 45-max. 60)
12,7 mm (1/2 in)
U-BOUT
min. 61-max. 68 (min. 45-max. 50)
SLUITINGBOUT
VEEROOGBOUT
ALLEEN NAUWSLUITENDE PASSING. ONDER-
DELEN MOETEN VRIJ DRAAIEN. BORGMOEREN
OF SPIEBOUTEN ZIJN MEEGELEVERD OM DE
MOER-BOUTMONTAGE VAST TE ZETTEN.
KRAAGTYPE
SLUITINGBOUT
min. 41-max. 68 (min. 30-max. 50)
TABEL 5. AANHAALVEREISTEN WIELEN
12 inch 27-34 (20-25) 47-54 (35-40) 68-88 (50-65)
13 inch 27-34 (20-25) 47-54 (35-40) 68-88 (50-65)
14 inch 27-34 (20-25) 68-81 (50-60) 122-163 (90-120)
15 inch 27-34 (20-25) 68-81 (50-60) 122-163 (90-120)
16 inch 27-34 (20-25) 68-81 (50-60) 122-163 (90-120)
Wielmaat
Eerste
aanhaling
N·m (ft-lb)
Tweede
aanhaling
N·m (ft-lb)
Derde
aanhaling
N·m (ft-lb)
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 21
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDRADINGSSCHEMA AANHANGER
Afbeelding 10. Standaard bedradingsschema aanhanger
PAGINA 22 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – CONTROLE
Voordat u begint
1. Neem
alle veiligheidsinstructies
aan het
begin van de handleiding door.
2. Reinig de lichtmast door vuil en stof te verwij-
deren, vooral uit de koelluchtinlaat en het lucht-
zuiveringsfilter van de motor.
3. Controleer het luchtfilter op vuil en stof. Als het filter vuil is,
vervangt u het door een nieuwe.
4. Controleer of alle bevestigingsmoeren en -bouten goed zijn
vastgedraaid.
API-serviceclassificatie CH-4
API-serviceclassificatie CG-4
API-serviceclassificatie CF-4
ACEA-specificatie E3
ACEA-specificatie E2
Er kunnen andere typen motorolie worden gebruikt als ze aan de
volgende eisen voldoen:
Afbeelding 11. Peilstok
5. Ga bij de controle van de motorolie ook na of de olie schoon is.
Als de olie niet schoon is, moet u deze laten weglopen door de
olieaftapplug te verwijderen en weer bijvullen met de hoeveel-
heid die is aangegeven in de eigenaarshandleidingen van
de Perkins- of Lombardini/Deutz-motor. Olie dient warmt te
zijn voordat u deze aftapt.
Zorg voor voldoende ventilatie wanneer u aan
de lichtmast werkt in een afgesloten ruimte. De
motoruitlaat bevat schadelijke elementen.
Installatie in afgesloten ruimte
Uitlaatgassen van dieselmotoren zijn zeer giftig. Wanneer een mo-
tor in een afgesloten ruimte wordt geïnstalleerd, moeten de uitlaat-
gassen naar buiten worden afgevoerd. De motor moet op minimaal
0,6 m (2 ft) afstand van een buitenmuur worden geïnstalleerd. Het
gebruik van een uitlaatpijp die te lang is of te klein, kan overmatige
tegendruk veroorzaken waardoor de motor oververhit kan raken en
de kleppen kunnen verbranden.
Voorkom het gevaar van het dodelijke koolmonoxidegas. Uitlaatgas-
sen van benzine- of dieselmotoren zijn zeer giftig als ze in een afge-
sloten ruimte vrijkomen. Als de lichtmast binnen wordt geïnstalleerd,
moet u maatregelen treffen om de gassen naar buiten te leiden.
Motoroliecontrole
1. U controleert het motoroliepeil door de lichtmast op een vlakke
ondergrond te plaatsen terwijl de motor is uitgeschakeld.
2. Verwijder de
vuldop/peilstok
uit de houder en veeg deze
schoon.
3. Plaats de peilstok in de houder en haal deze er weer uit. Con-
troleer het oliepeil dat wordt aangegeven op de peilstok.
4. Als het oliepeil te laag is, vult u olie bij tot aan het olievulgat.
Zorg dat u hem NIET te vol gooit. Vul bij tot het normale olie-
peil, zoals aangegeven op de peilstok (Afbeelding 28). Contro-
leer of het oliepeil tussen de markeringen behouden blijft, zo-
als wordt aangegeven in Afbeelding 11. Vul altijd bij met het
aanbevolen olietype dat te vinden is in Tabel 6. Zie Tabel 2 voor
motoroliecapaciteit.
WAARSCHUWING – Ventilatievereisten
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 23
3. Verwijder de brandstofdop van de brandstoftank, zoals wordt
aangegeven in Afbeelding 12.
LT-12 SERIE LICHTMAST – INSPECTIE
Afbeelding 13. Accu
Wanneer er service op de accu moet worden uitgevoerd, doet u het
volgende:
U dient gezichtsbescherming en rubberen handschoenen te
dragen tijdens het werken met en onderhouden van de elektro-
lyt van de accu.
Koppel de accuklemmen los en haal de accu uit de generator-
kast, indien onderhoud is vereist.
Zorg dat de accu NIET te vol raakt.
Elektrolyt is een zuur waarmee u voorzichtig moet
omgaan. Onderhoudsinstructies van de elektro-
lytfabrikant dienen ALTIJD te worden opgevolgd
om de veiligheid te garanderen. Wanneer u on-
voorzichtig te werk gaat en u zich niet houdt aan
de veiligheidsinstructies, kunt u ernstig letsel op-
lopen.
Als de accu te vol is, kan er elektrolyt worden gemorst, waar-
door er corrosie ontstaat op de omringende onderdelen. Ge-
morste elektrolyt (accuzuur) dient onmiddellijk te worden opge-
ruimd.
Bovendien moet u er bij het aansluiten van de
positieve (+) kabel op de positieve (+) accu-
klem voor zorgen dat de sleutel of een wille-
keurig metalen onderdeel NIET in contact komt
met de negatieve (-) accuklem. Dit kan resulte-
ren in kortsluiting of kan een ontploffing veroorzaken.
Gebruik alleen
gedistilleerd
water in
de accu. Kraanwater kan de levens-
duur van de accu verkorten.
OPMERKING
Accucontrole
De bestuurder MOET de juiste beschermen-
de kleding en uitrusting dragen wanneer hij
aan de accu werkt.
Indien de bestuurder geen beschermende kle-
ding of uitrusting draagt, kan hij ERNSTIG LET-
SEL oplopen.
Brandstofcontrole
Dieselbrandstof
en de bijbehorende dam-
pen zijn gevaarlijk voor uw gezondheid en
uw omgeving. Vermijd contact met de huid
en/of inhalatie van de gassen. U mag NIET
roken tijdens het bijvullen. U mag de licht-
mast NIET bijvullen als de motor
heet! is
of
draait
.
1. U controleert het brandstofpeil door de lichtmast op een vlak-
ke ondergrond te plaatsen terwijl de motor is uitgeschakeld.
2. Til het toegangsdeurtje van de lichtmast tegenover het regel-
paneel op (Afbeelding 12). Gebruik de deurvergrendeling om
het deurtje vast (omhoog) te zetten.
Afbeelding 12. Brandstof bijvullen
VOORZICHTIG – Veilig omgaan met
dieselbrandstof
Vul de brandstoftank
ALTIJD
bij met schone, verse
nr. 2 diesel-
brandstof.
U mag de brandstofcapaciteit NIET overschrijden.
TANK DE TANK NIET VOLLEDIG VOL.
4. Ga de brandstofcapaciteit na bij het bijvullen van brandstof. De
brandstoftankdop moet na het bijvullen stevig worden vastge-
draaid. Bewaar brandstof in een veiligheidsvat. Als het vat geen
tuit heeft, gebruikt u een trechter. Ruim alle gemorste brand-
stof direct op.
5. Ruim alle gemorste brandstof
direct op!
VOORZICHTIG – Veilig omgaan met
dieselbrandstof
WAARSCHUWING – Veilig omgaan met accu
WAARSCHUWING – Accu veilig onderhouden
Accu – De 12 V-gelijkstroomaccu (Afbeelding
13) wordt droog geleverd en vereist een juist
elektrolytniveau om mee te werken.
PAGINA 24 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
Koelmiddel (ethyleenglycol [groen]/water – 50/50 mix)
Gebruik alleen drinkbaar kraanwater. Als u hard water of onzuiver
water gebruikt, wordt de binnenkant van de motor en radiator be-
dekt met bezinksels en neemt de koelfunctie af.
Door een antiroestmiddel aan het water toe te voegen voorkomt u
afzetting van bezinksels en corrosie van het koelsysteem. Zie de
motorhandleiding voor meer informatie.
Als u een mix van koel-/antivriesmiddel aan
de radiator toevoegt, mag u de radiatordop
ALLEEN verwijderen wanneer de unit vol-
ledig is afgekoeld. Het koelmiddel kan heet
zijn, wat ernstige brandwonden kan veroor-
zaken.
Het dagelijks bijvullen van koelmiddel gebeurt via de terugwintank.
Als u een mix van koel-/antivriesmiddel aan de radiator toevoegt,
mag u de radiatordop ALLEEN verwijderen wanneer de unit volle-
dig is afgekoeld. Zie Tabel 7 voor de koelcapaciteiten van de motor
en de radiator. Zorg dat het koelmiddelpeil in de terugwintank altijd
tussen de markeringen 'H' en de 'L' ligt.
Werken bij een temperatuur onder het vriespunt
Wanneer u in de vrieskou moet werken, moet u nagaan of de juiste
hoeveelheid antivriesmiddel (Tabel 8) is toegevoegd.
De radiator reinigen
De motor kan oververhit raken als er te veel stof of vuil in de radia-
torkoelvinnen zit. Maak de koelvinnen regelmatig schoon met pers-
lucht. Het reinigen van de binnenkant van de machine is gevaarlijk
werk. Doe dit dus alleen als de motor is uitgeschakeld en de nega-
tieve accuklem is losgekoppeld.
Luchtzuiveringsfilter
Regelmatig reinigen/vervangen is noodzakelijk. Controleer het filter
volgens de instructies in de eigenaarshandleidingen van de Per-
kins-, Lombardini- of Deutz-motoren.
Ventilatorriemspanning
Een slappe ventilatorriem kan een van de oorzaken zijn van over-
verhitting of van het onvoldoende laden van de accu. Controleer de
ventilatorriem op schade en stel deze af volgens de instructies in de
eigenaarshandleidingen van de Perkins-, Lombardini- of Deutz-
motoren.
De ventilatorriemspanning is goed wanneer u de riem 10 tot 15 mm
kunt buigen (Afbeelding 14) als u er met uw duim op drukt, zoals
hieronder te zien is.
Afbeelding 14. Ventilatorriemspanning
Wanneer u het antivriesmiddel met
water aanlegt,
moet
het percenta-
ge antivriesmiddel lager zijn dan
50%.
OPMERKING
Plaats uw handen NOOIT
in de buurt van de riemen of de ven-
tilator wanneer de motor draait.
LT-12 SERIE LICHTMAST – INSPECTIE
WAARSCHUWING – Verbrandingsgevaar
radiator
WAARSCHUWING – Gevaar van draaiende
onderdelen
TABEL 7. KOELMIDDELCAPACITEIT
Motortype Koelmiddelcapaciteit
Perkins 103-10 4,7 L (5 qt)
Lombardini LDW 1003 4,9 L (5,18 qt)
DEUTZ F3M1008F 4,9 L (5,18 qt)
TABEL 8. WERKINGSTEMPERATUREN
ANTIVRIES
Vriespunt
°C
-24
-37
40
50
°F
-12
-34
°C
106
108
°F
222
226
Kookpunt
Vol %
antivries
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 25
LT-12 SERIE LICHTMAST – INSPECTIE
De uitlaatpijp van de motor stoot schadelijke
stoffen uit. Leid de stoffen ALTIJD naar buiten
wanneer u in een tunnel, afgraving of gebouw
werkt. Leid de gassen weg van personeel in
de buurt.
Het volgende moet het geval zijn voordat u de motor
inschakelt:
1. Zorg dat de elektrische lading is losgekoppeld en dat de
hoofdstroomverbreker en alle stroomverbrekers van de lam-
pen (4) op de OFF-stand (uit) staan voordat u de motor start.
2. Start de motor NOOIT als één van de stroomverbrekers in de
ON-stand (aan) staat.
3. Zorg dat de lichtmast op een veilig, vlak oppervlak staat met
onder elk wiel een stopblok om te voorkomen dat de lichtmast
wegrolt.
4. De zijpoten zijn volledig uitgeschoven om te voorkomen dat de
aanhanger omkantelt.
5. Alle mastsecties zijn tot de gewenste hoogte omhoog gebracht.
6. De onderste mast is op zijn plaats vergrendeld.
7. De steunpoten van de lichtmastaanhanger zijn correct geplaatst
en de aanhanger staat waterpas.
8. De schijnwerpers zijn op de juiste stand ingesteld.
9. Onder elk wiel is een stopblok geplaatst om te voorkomen dat
de aanhanger wegrolt.
10. Er bevinden zich GEEN obstructies voor de schijnwerpers.
11. De stroomkabels van de schijnwerpers zijn aangesloten op de
juiste aansluitingen (J1-J4) op de T-balk.
12. Het chassis van de lichtmastaanhanger is correct geaard.
Start de motor ALLEEN als aan alle
voorwaarden in stap 1 t/m 12 is vol-
daan.
OPMERKING
WAARSCHUWING – Inhaleringsgevaar
Zorg er ALTIJD voor dat de
ruimte boven de lichtmast vrij
is van bovengrondse elektrici-
teitsleidingen en andere ob-
structies. De mast kan verder
dan 9 m (30 ft) worden uitge-
schoven. Contact met boven-
grondse elektriciteitsleidingen
of andere obstructies boven het
hoofd kan resulteren in appa-
ratuurschade,
ernstig of dode-
lijk letsel
.
GEVAAR – Gevaar door obstructies boven
het hoofd
PAGINA 26 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – OPSTARTPROCEDURES
De motor starten
De Nighthawk LT-12 serie lichtmast is beschikbaar met twee typen
motoren (Perkins of Lombardini/Deutz). De startprocedure voor
motoren in deze handleiding heeft toepassing op beide typen mo-
toren.
De motor starten (Perkins-motoren)
1. Open het toegangsdeurtje aan de rechterkant van de licht-
mast (tegenover de brandstoftank). Gebruik de deurvergren-
deling om het deurtje vast (omhoog) te zetten.
2. Plaats de contactsleutel in de contactschakelaar (Afbeelding
15). Draai de contactsleutel naar rechts om deze in de ON-
stand (aan) te zetten. Het indicatielampje van de voorverwar-
ming wordt ingeschakeld. Wacht tot het lampje wordt UITGE-
SCHAKELD. Wanneer het lampje UITGAAT, betekent dit dat
de bougies zijn voorverwarmd en dat de motor nu gestart kan
worden.
Afbeelding 15. Perkins-contactschakelaar
3. Draai de contactsleutel verder naar rechts naar de START-
stand. Laat de sleutel los, wanneer de motor is gestart.
4. Laat de motor ongeveer 3 tot 5 minuten draaien, voordat u met
de lichtmast aan de slag gaat. Let op of u abnormale geluiden
hoort of geuren opmerkt, die erop kunnen duiden dat de licht-
mast kapot is. Als er iets niet in orde is, schakelt u de lichtmast
uit en lost u het probleem op.
De motor starten (Lombardini/Deutz-motoren)
1. Open het toegangsdeurtje aan de rechterkant van de lichtmast
(tegenover de brandstoftank). Gebruik de deurvergrendeling
om het deurtje vast (omhoog) te zetten.
2. Plaats de contactsleutel in de contactschakelaar (Afbeelding
16). Draai de contactsleutel één klik naar rechts om deze in de
ON-stand (aan) te zetten. Het indicatielampje van de voorver-
warming wordt ingeschakeld. Wacht tot het lampje wordt UIT-
GESCHAKELD. Wanneer het lampje UITGAAT, betekent dit
dat de bougies zijn voorverwarmd en dat de motor nu gestart
kan worden.
Afbeelding 16. Lombardini/Deutz-contactschakelaar
3. Draai de contactsleutel volledig naar rechts. Laat de sleutel los
wanneer de motor is gestart.
4. Laat de motor ongeveer 3 tot 5 minuten draaien, voordat u met
de lichtmast aan de slag gaat. Let op of u abnormale geluiden
hoort of geuren opmerkt, die erop kunnen duiden dat de licht-
mast kapot is. Als er iets niet in orde is, schakelt u de lichtmast
uit en lost u het probleem op.
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 27
LT-12 SERIE LICHTMAST – UITSCHAKELPROCEDURES
Normaal uitschakelen
1. Als er een lading is bevestigd met de aggregaat van de licht-
mast, moet u de lading verwijderen.
2. Zet CB-1 t/m CB-4 op het regelpaneel in de OFF-stand (uit).
3. Plaats de HOOFDSTROOMVERBREKER (Afbeelding 5, item
4) op het regelpaneel in de OFF-stand (uit).
4. Wacht een aantal seconden en controleer dat alle schijnwer-
pers zijn UITGESCHAKELD.
5. Laat de motor enkele minuten stationair draaien zonder lading.
6. Zet de contactsleutel in de OFF-stand (uit). Bewaar de sleutel
op een veilige locatie.
7. Laat de lichtmast zakken tot de neergelaten stand, zoals is
uitgelegd in het hoofdstuk in deze handleiding over de proce-
dures voorafgaand aan de installatie.
8. Plaats de zijpoten in de sleepstand en verwijder de stopblok-
ken.
9. Sla de lichtmast op in een schone, droge locatie buiten bereik
van kinderen en omstanders.
Laat de schijnwerpers afkoelen (15
minuten) als er onderhoud nodig is
of als er een lamp moet worden ver-
wijderd.
OPMERKING
Uitschakelen in noodgevallen
1. Zet de contactsleutel in de OFF-stand (uit).
PAGINA 28 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – MASTBEDIENING
Mast omhoog brengen (bovenste en middelste
mastsecties)
Nadat de lichtmast in de verticale stand is vergrendeld, kunnen de
bovenste en middelste secties omhoog worden gebracht. Met deze
twee mastsecties kunnen de schijnwerpers omhoog worden ge-
bracht tot meer dan 9 m (30 ft). Voer de volgende stappen uit bij het
omhoog brengen van de schijnwerpers:
1. Zoek de handlier van het verticale mastverlengstuk (zie Afbeel-
ding 3, item 2).
2. Draai de handlierhendel van het verticale mastverlengstuk naar
rechts. De schijnwerpers gaan dan omhoog.
3. Draai de handlierhendel verder naar rechts totdat de gewenste
hoogte is bereikt.
4. Laat de handlier los. Deze lier is zelfvergrendelend. De span-
ning op de kabel zorgt ervoor dat de mastsecties op hun plaats
blijven.
De mast laten zakken (bovenste en middelste
mastsecties)
1. Draai de handlierhendel van het verticale mastverlengstuk naar
links. De schijnwerpers worden nu neergelaten.
2. Draai de hendel van de handlier verder naar links totdat de
bovenste en onderste mastsecties volledig zijn neergelaten
(slappe kabel).
De mast laten zakken (onderste mastsectie)
1. Verwijder de snelvergrendelingspen om de sectie te laten zak-
ken tot de horizontale sectie. Houd de vergrendelingspen geo-
pend totdat het zwenkvoetlipje wordt vrijgegeven.
2. Draai de handlierhendel van de verticale mast naar links. De
onderste torenmast beweegt nu naar de horizontale stand.
3. Draai de handlierhendel van de verticale mast verder naar links.
Naarmate de onderste mastsectie dichter bij de vergrendelings-
steun komt, trekt u aan de ontgrendelingspen om de mast in
de steun te plaatsen.
4. Nadat de onderste mast in de steun van de steunpoot is ge-
plaatst, lijnt u het gat in de mast uit met het gat in de steun en
plaatst u de vergrendelingspen.
Zijpoten en steunpoten
1. Zorg dat beide zijpoten zijn uitgeschoven. U verlengt de zijpo-
ten door de vergrendelingspen op de zijpoot uit te trekken en
vast te houden, terwijl u de zijpoot uitschuift.
2. Zodra u de pen uit het rijstandgat haalt, laat u deze los en schuift
u de zijpoot verder uit. De pen moet zich in de uitgeschoven
stand in het vergrendelingsgat van de zijpoot vastgrijpen.
3. Nadat alle zijpoten zijn uitgeschoven, draait u alle vijzelpoten
naar de voet-omlaagstand en draait u de krukgreep op de vij-
zelpoten naar rechts om de lichtmast te laten zakken en wa-
terpas te zetten.
4. Controleer of er geen personeel en objecten achter de mast
staan.
De mast omhoog brengen (onderste mastsectie)
Volg de onderstaande stappen om de onderste mast omhoog te
brengen:
1. U koppelt de mast los van de vergrendelingssteun door aan de
grote steunvergrendelingspen te TREKKEN (zie Afbeelding 3,
item 9). Hiermee ontgrendelt u de mast van de horizontale stand.
2. Verwijder de onderste snelvergrendelingspen (zie Afbeelding
3, item 17) voordat u de mast in de verticale stand plaatst.
3. U plaatst de mast in de verticale stand door de hendel van de
verticale handlier naar rechts te DRAAIEN (Afbeelding 3, item
16) totdat de mast met 90 graden omhoog wijst.
4. Wanneer u de mast in de verticale stand hebt gezet en de
mastvergrendeling het zwenkvoetlipje heeft bevestigd, plaatst
u de snelvergrendelingspen om te voorkomen dat de mast valt.
Zorg er ALTIJD voor dat de ruimte boven de lichtmast vrij is van
bovengrondse elektriciteitsleidingen en andere obstructies. De
mast kan verder dan 9 m (30 ft) worden uitgeschoven. Contact
met bovengrondse elektriciteitsleidingen of andere obstructies
boven het hoofd kan resulteren in apparatuurschade,
ernstig
of dodelijk letsel!
Ga NIET achter de aanhanger staan als de mast omhoog
wordt gebracht of neergelaten. U kunt ernstig letsel oplopen
als de mast zou omvallen.
GEVAAR – Gevaar door obstructies boven
het hoofd
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 29
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENING
De schijnwerpers inschakelen
De hoofdstroomverbreker (25 A) en de 4 stroomverbrekers van
de schijnwerpers (elk 10 A) zijn te vinden op het bovenste regel-
paneel (Afbeelding 20). Voor elke schijnwerper is er één stroomver-
breker van 10 A.
1. Zet de hoofdstroomverbreker (Afbeelding 17) op het regel-
paneel in de ON-stand (aan).
2. Zet CB-1 op het regelpaneel in de ON-stand (aan).
3. Wacht een aantal minuten tot de ballast wordt geactiveerd.
Schijnwerper 1 staat nu op ON (aan).
5. Herhaal stappen 2 en 3 voor schijnwerpers 2 t/m 4 (CB-2 t/m 4).
6. Als alle stroomverbrekers van de schijnwerpers in de ON-
stand (aan) (omhoog) staan, zijn alle lichten ingeschakeld.
7. Als sommige schijnwerpers niet in de ON-stand (aan) staan,
moet u de sectie over probleemoplossing in deze handleiding
raadplegen.
8. SLUIT alle kastdeurtjes.
Afbeelding 17. Stroomverbrekers regelpaneel
Bedien de lichtmast NOOIT terwijl de
deurtjes van de motorruimte geo-
pend zijn. Hierdoor kan de unit on-
voldoende gekoeld worden, waar-
door er schade kan ontstaan.
OPMERKING
Een externe lading toepassen
De Nighthawk LT-12 serie lichtmast is beschikbaar met twee hulp-
uitgangsaansluitingen (Afbeelding 18). De bovenste aansluiting
(twistlock) op de voorkant van de lichtmast kan 240 VAC bij 25 A
leveren. De onderste aansluiting is een GFCI-aansluiting die 120
VAC bij 15 A kan leveren.
Afbeelding 18. 120/240 VAC-uitgangsaansluitingen
De 120 VAC GFCI-aansluiting testen
Wanneer u op de
resetknop
drukt, wordt de GFCI-aansluiting na
activering opnieuw ingesteld. Drukt u op de
Testknop
(zie Afbeel-
ding 19) in het midden van de aansluiting, dan wordt de GFCI-
functie gecontroleerd. Beide aansluitingen moeten minstens eens
per maand worden getest.
U mag een stroomsnoer die onder
stroom staat NOOIT met natte han-
den vastpakken of aanraken. Het
gevaar bestaat dat u een elektrische
schok krijgt, geëlektrocuteerd wordt
of zelfs overlijdt!
STROOMSNOER
(ONDER SPANNING)
NATTE
HANDEN
Afbeelding 19.
GFCI-testknop
GEVAAR – Kans op elektrische schokken
PAGINA 30 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
Gebruik Tabel 9 hieronder als een algemene checklist die u dage-
lijks moet doornemen. Zie de onderhoudshandleidingen voor de
Perkins- of Lombardini/Deutz-motoren voor meer informatie over
onderhoud.
LT-12 SERIE LICHTMAST – ONDERHOUD
Vloeistofpeilen motor controleren X
Brandstoffilter controleren X
Stofindicator luchtzuiveringsfilter controleren
X
(indien aanwezig)
Controleren op lekken op zicht X
Controleren op loszittende onderdelen X
Motorolie verversen en oliefilter vervangen *
1
X
Onderhoud plegen op accu X
Unit aan binnen- en buitenkant schoonmaken X
Brandstoffilter vervangen *
2
X
Radiator schoonmaken en beschermingspeil
X
koelmiddel controleren
Luchtfilterelement vervangen X
Thermostaten testen X
Alle slangen en klemmen controleren/radiator
X
doorspoelen
Binnenkant van brandstoftank schoonmaken X
Isolatieweerstand boven 3 MOhm meten X
*
1
Motorolie verversen en oliefilter vervangen na 100 uur, alleen de eerste keer.
*
2
Brandstoffilter vervangen na 250 uur, alleen de eerste keer.
TABEL 9. INSPECTIE/ONDERHOUD
10 uur
DAGELIJKS
200 uur 500 uur 1000 uur
GENERATOR
MOTOR
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 31
LT-12 SERIE LICHTMAST – ONDERHOUD
Kabelslijtage controleren
De draadkabel waarmee de mast omhoog wordt gebracht en uitge-
schoven, is een zeer belangrijk onderdeel van de lichtmast. Eén
van de kabel-/handliersystemen waarmee de lichtmast omhoog
wordt gebracht en uitgeschoven, bevindt zich op de aanhangerdis-
sel. Een ander kabel-/handliersysteem vindt u op de mast. Hiermee
kunt u de twee uitschuifbare secties van de mast omhoog brengen
en laten zakken.
Het kabelsysteem voor mastverlenging onderhouden
Wanneer u de kabel in het kabelsysteem voor mastverlenging wilt
vervangen, voert u de volgende stappen uit (zie Afbeelding 21):
1. Laat de mast zakken tot de horizontale stand.
2. Controleer de kabelklemmen, de aandrijfrollen en andere on-
derdelen op versleten of beschadigde onderdelen. Als een van
de kabels op de mast vervangen moet worden, moet u ze alle-
bei tegelijkertijd vervangen.
3. Demonteer de mast door de kabels los te koppelen van de
mast en de secties uit elkaar te schuiven. De onderste kabel
kan van de lier worden losgekoppeld.
Afbeelding 21. Kabelsysteem voor mastverlenging
AANDRIJFROLL
MIDDELSTE
MASTSECTIE
AANDRIJFROLL
ONDERSTE
MASTSECTIE
SLUITING
ONDERSTE
MASTSECTIE
ROUTE NAAR
HANDLIER
BOVENSTE
MASTSECTIE
MIDDELSTE
MASTSECTIE
ONDERSTE
MASTSECTIE
De draadkabel gaat kapot als deze versleten, rafelig, verkeerd
gebruikt, geplet, geknikt of beschadigd is. CONTROLEER DE
KABELS EN AANDRIJFROLLEN VOOR GEBRUIK ALTIJD op
eventuele afwijkingen.
GEBRUIK ZE NIET als u ook maar het geringste idee hebt dat
ze niet in orde zijn, en vervang beschadigde kabels of aandrijf-
rollen
onmiddellijk.
GEVAAR – Veiligheid kabelsysteem lichtmast
WAARSCHUWING – Veiligheid tijdens
mastonderhoud
4. Het kabelsysteem voor het omhoog brengen/neerlaten van de
mast bevat twee aandrijfrollen. De aandrijfrollen moeten wor-
den verwijderd en vervangen als ze versleten of beschadigd
zijn, omdat ze het dan vroegtijdig kunnen begeven.
5. Zet het kabelsysteem voor mastverlenging weer in elkaar door
de kabel aan te sluiten op de onderkant van de bovenste mast-
sectie en deze sectie in de opening van de middelste sectie te
schuiven. Sluit de tweede kabel aan op de onderkant van de
middelste mastsectie en pas een goede heftechniek toe om
deze sectie in de opening van de onderste mastsectie te schui-
ven.
6. Leid de bovenste mastkabel door de aandrijfrol van de middel-
ste mastsectie en sluit het vrije uiteinde van de kabel aan op
de enkelsluiting van de onderste mastsectie. Leid de kabel van
de middelste mastsectie door de aandrijfrol van de onderste
mastsectie en verbind het vrije uiteinde van de kabel met de
handlier onder aan de onderste mastsectie.
7. Controleer of de mast goed te bedienen is door deze een aan-
tal keer omhoog te brengen, uit te schuiven, in te trekken en
neer te halen.
Het kabelsysteem voor omhoog brengen/neerlaten
onderhouden
Gebruik de volgende stappen om een of meer onderdelen in het
kabelsysteem voor omhoog brengen/neerlaten te vervangen (zie
Afbeelding 20):
1. Laat de mast zakken tot de horizontale ruststand.
2. Controleer de kabelklemmen, de aandrijfrollen en andere on-
derdelen op slijtage of beschadiging.
3. Koppel de kabel los van de kogelpanpen en verwijder deze van
de mastaandrijfrol en kabelschijf. Koppel de kabel indien nodig
ook los van de handlier.
4. Vervang de aandrijfrol en de kabel indien nodig.
5. Leid de kabel weer door de aandrijfrol en sluit de kabel weer
aan op de kogelpanpen.
6. Controleer of de mast goed te bedienen is door deze een aan-
tal keer omhoog te brengen en neer te halen.
Afbeelding 20. Kabelsysteem voor omhoog brengen/
neerlaten mast
De mastsecties zijn zwaar en onhandig om mee te werken.
Gebruik goed werkende heftoestellen en -procedures bij het
onderhouden van de mast en de onderdelen ervan.
PAGINA 32 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
Algemene inspectie
De aggregaat dient voor elk gebruik te worden gereinigd en gecon-
troleerd op gebreken. Controleer op losse, ontbrekende of bescha-
digde moeren, bouten of andere bevestigingsmiddelen. Controleer
ook op brandstof- of olielekken.
Luchtzuiveringsfilter
Om de
50 uur
: Controleer de stofindicatielampjes op het regelpa-
neel. Als het lampje BRANDT, reinigt u het luchtzuiveringsfilterele-
ment.
1. Ontgrendel de bevestigingsklemmen en verwijder het luchtzui-
veringsfilterelement.
2. Gebruik een vochtige doek om de binnenkant van de behui-
zing en kap te reinigen.
3. Blaas het element droog met perslucht (maximaal 0,69 mPa
[7 kgf.cm
2
, 99,4 psi]) tegen de zijkant langs de vouwen. Blaas
het element vervolgens droog langs de vouwen en vervolgens
weer aan de binnenkant.
4. Verwijder één afdichtring telkens wanneer het element is
gereinigd.
5. Vervang het buitenste element nadat u deze 6 keer hebt gerei-
nigd of na een jaar. Vervang het buitenste element als het indi-
catielampje rood is, zelfs nadat u het hebt gereinigd.
6. Als de afdichtring of de bedrading van de vleugelmoer zijn be-
schadigd, moet u deze vervangen.
7. Verwijder de afzuigklep en reinig deze met perslucht. Plaats
deze weer terug.
Brandstof bijvullen
Vul dieselbrandstof bij (de kwaliteit hangt af van het seizoen en de
locaties). Vul altijd bij via het maasfilter.
Water uit de tank verwijderen
Na lang gebruik hoopt er zich water en andere onzuiverheden on-
der in de tank op. Verwijder de aftapkraan regelmatig en laat de
inhoud weglopen. Bij koud weer geldt dat hoe leger de tank, hoe
eenvoudiger water kan condenseren. Dit kan worden geminimali-
seerd door de tank altijd zo vol mogelijk te houden.
Lucht verwijderen
Als er lucht in het brandstofinjectiesysteem van een dieselmotor
komt, wordt het onmogelijk om deze te starten. Wanneer de brand-
stof is opgeraakt of als u het brandstofsysteem hebt gedemonteerd,
moet u het systeem volgens de onderstaande procedure ontluch-
ten.
U krijgt de motor opnieuw opgestart nadat de brandstof was opge-
raakt, door in de brandstofpompknijpbal te knijpen om brandstof in
de motor te pompen. Deze unit is uitgerust met een automatisch
ontluchtingssysteem.
Dagelijks onderhoud
Als de motor in zeer stoffige en droge omgevingen wordt gebruikt,
zal een verstopt luchtzuiveringsfilter resulteren in een hoog brand-
stofverbruik, vermogensverlies en een overmatige ophoping van
koolstof in de verbrandingskamer.
De brandstofzeef reinigen
Reinig de brandstofzeef als deze stof of water bevat. Verwijder stof
of water uit de brandstofzeefdop en was deze met diesel. Draai de
dop van de zeefkap stevig vast, zodat er geen brandstof uit kan
lekken. Controleer de brandstofzeef om de 200 uur of eens per
maand.
Het oliepeil controleren
Controleer het oliepeil van de krukkast voor elk gebruik of wanneer
de brandstoftank wordt gevuld. Onvoldoende olie kan resulteren in
schade aan de motor. Zorg dat de generator waterpas staat. Het
oliepeil moet uitkomen tussen de twee markeringen op de peilstok,
zoals wordt aangegeven in Afbeelding 14.
LT-12 SERIE LICHTMAST – ONDERHOUD
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 33
Laat de motor
afkoelen
wanneer u de ra-
diator doorspoelt. Wanneer u de radiator
doorspoelt terwijl deze nog
heet!
is, zult u
deze beschadigen. Het koelmiddel kan ook
heet!
zijn, wat ernstige brandwonden kan
veroorzaken.
Radiator doorspoelen en koelmiddel verversen
1. Stop de motor en laat deze afkoelen. Draai de klep van de
roestweerder (indien aanwezig) vast.
2. Draai de watervuldop langzaam open en verwijder deze.
3. Plaats een vat om het koelmiddel in op te vangen en open de
aftapplug van de radiator of warmtewisselaar en de aftapplug
van de motor om het koelmiddel af te tappen.
4. Na het aftappen van het koelmiddel moet u de aftappluggen
sluiten en vullen met kraanwater.
5. Wanneer het waterniveau bijna tot aan de opening van de wa-
tervulinrichting komt, draait u de aftappluggen open en start u
de motor, die u heel zachtjes laat draaien. Houd de motor
draaiende met een laag toerental en spoel de radiator onge-
veer 10 minuten door.
6. Pas de in- en uitgaande waterstroom zodanig aan dat de ra-
diator tijdens het doorspoelen altijd vol met water zit. Wanneer
u water door het systeem spoelt, moet u goed opletten dat de
watertoevoerslang niet uit de radiatorvulpoort steekt.
7. Zet de motor na het doorspoelen stil, open de aftapplug en laat
het water weglopen. Ten slotte sluit u de plug weer af.
8. Nadat u het water hebt laten weglopen, spoelt u het systeem
door met een spoelmiddel. Zie de instructies op het label van
het spoelmiddel.
9. Draai de aftappluggen na het doorspoelen open en laat al het
water weglopen. Vervolgens draait u de pluggen weer dicht en
vult u kraanwater bij totdat het waterniveau bijna tot aan de
opening van de watervulinrichting komt.
10. Wanneer het waterniveau bijna tot aan de opening van de wa-
tervulinrichting is gekomen, draait u de aftappluggen open en
start u de motor die u met een laag toerental laat draaien, en
gaat u door met spoelen totdat het water naar buiten komt. Pas
de in- en uitgaande waterstroom zodanig aan dat de radiator
tijdens het doorspoelen altijd vol met water zit.
11. Wanneer er schoon water uitkomt, zet u de motor stil, laat u al
het water weglopen en draait u de aftappluggen dicht.
12. Verwijder de roestweerder (indien aanwezig) en geopende klep.
13. Vul water bij totdat de watervulinrichting overstroomt.
14. Laat het water in de reservetank weglopen, reinig de binnen-
kant van de reservetank en vul deze met een mengsel van
koelmiddel en water bij tot het niveau tussen de streepjes ligt
die vol en leeg aangeven.
15. Zet de motor stil, wacht 3 minuten, vul bij met kraanwater tot-
dat het waterniveau de poort van de watervulinrichting heeft
bereikt en draai de radiatordop vast.
Olie verversen
1. Zorg dat de olie is afgekoeld voordat u deze ververst.
2. Zet een vat direct onder de aftapplug van de oliebak. Draai de
aftapplug langzaam los.
3. Controleer de afgetapte olie op overmatige metaaldeeltjes of
vreemd materiaal. Neem contact op met de dealer als u me-
taaldeeltjes of vreemd materiaal in de olie vindt.
4. Gebruik een speciale filtersleutel om de filterpatroon naar links
te draaien en te verwijderen. Als de filterpatroon is gevuld met
een grote hoeveelheid olie, wacht u ongeveer 10 minuten voor-
dat u het verwijdert. Ga na of er geen oude pakking op de filter-
houder vastzit.
5. Draai de aftapplug dicht. Reinig de filterhouder, vul de nieuwe
filterpatroon bij met schone motorolie, smeer de pakking en
schroefdraad van de nieuwe filterpatroon in met motorolie en
installeer deze op de filterhouder. Draai vast totdat het pak-
kingoppervlak in contact komt met het afdichtoppervlak van de
filterhouder en draai deze nog een 3/4 tot 1 slag verder.
6. Vul motorolie bij via de olievulinrichting totdat het oliepeil tus-
sen de markeringen H en L op de peilstok komt.
7. Laat de motor korte tijd stationair draaien en zet de motor ver-
volgens stil. Controleer het oliepeil opnieuw en vul bij indien
nodig.
LT-12 SERIE LICHTMAST – ONDERHOUD
WAARSCHUWING – Verbrandingsgevaar
radiator
PAGINA 34 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
Opslag lichtmast
Wanneer de generator langer dan 30 dagen wordt opgeslagen, moet
u het volgende doen:
Vul de brandstoftank bij totdat deze helemaal vol is. Indien no-
dig behandelt u deze met brandstofstabilisator.
Verwijder alle olie uit de krukkast en vul deze bij met verse olie,
indien nodig.
Reinig de hele lichtmast, zowel van binnen als van buiten.
Koppel de negatieve accuklemmen los en bedek ze, of verwij-
der ze van de generator en bewaar ze afzonderlijk.
Als verwacht wordt dat de omgevingstemperatuur daalt tot on-
der 0
o
C, moet u antivriesmiddel aan de radiator toevoegen.
Bedek de lichtmast en sla deze op in een schone, droge plaats,
uit de buurt van kinderen en onbevoegd personeel.
Na lange opslagtijd
Pas olie toe op de motorklep en de schommelstukken en con-
troleer de werking van de kleppen.
Ververs de olie in de motoroliebak.
Vervang alle filters.
Spoel de binnenkant van het koelsysteem door.
Laat het water uit de brandstoftank lopen en ontlucht het brand-
stofsysteem.
Als de motor al een jaar niet meer is gestart, neemt u contact
op met uw Perkins- of Lombardini/Deutz-dealer om de motor
een onderhoudsbeurt te geven.
LT-12 SERIE LICHTMAST – ONDERHOUD
Brandstoffilter vervangen
1. Zet het vat onder de filterpatroon om brandstof op te vangen.
2. Gebruik een speciale filtersleutel om de filterpatroon naar links
te draaien en te verwijderen.
3. Reinig de filterhouder, vul de nieuwe patroon bij met brandstof,
smeer het pakkingoppervlak van de filterpatroon in met motor-
olie en installeer de patroon op de filterhouder.
4. Draai het pakkingoppervlak tijdens de installatie vast totdat het
oppervlak het afdichtingsoppervlak van de filterhouder raakt
en draai het vervolgens nog een 2/3 slag verder vast. Als de
filterpatroon te stevig is vastgedraaid, raakt de pakking bescha-
digd, wat resulteert in een brandstoflekkage. Een brandstof-
lekkage zal ook optreden als de filterpatroon niet strak genoeg
is vastgedraaid. Draai altijd naar de juiste hoek.
5. Knijp in de brandstofpompknijpbal om de brandstof terug in de
motor te pompen.
6. Vervang de patroon van de roestweerder (indien nodig).
7. Schroef de kleppen aan de bovenkant van de roestweerder in.
8. Gebruik een speciale filtersleutel om de filterpatroon naar links
te draaien en te verwijderen.
9. Smeer het afdichtingsoppervlak van de nieuwe patroon met
motorolie in en installeer deze op de filterhouder.
10. Draai het pakkingoppervlak tijdens de installatie vast totdat het
oppervlak het afdichtingsoppervlak van de filterhouder raakt
en draai het vervolgens nog een 2/3 slag verder vast.
11. Open de kleppen.
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 35
LT-12 SERIE LICHTMAST – PROBLEEMOPLOSSING (GENERATOR)
Bijna alle defecten kunnen worden voorkomen door een correcte omgang en de juiste onderhoudscontroles. Mocht er toch iets kapot
gaan, moet u dit direct herstellen volgens de instructies in Probleemoplossing (generator) (Tabel 10) hieronder en op de volgende pagina.
Als u het probleem niet kunt oplossen, doet u niets totdat u het bedrijf of de fabriek hebt geraadpleegd.
TABEL 10. PROBLEEMOPLOSSING (GENERATOR)
SYMPTOOM MOGELIJK PROBLEEM OPLOSSING
Zitten er draden los?
Geen spanningsuitvoer
Bedrading controleren en herstellen.
Is de spanningsregelaar defect?
Lage spanningsuitvoer
Hoge spanningsuitvoer
Stroomverbreker geactiveerd
Motor start niet en starter draait niet
Motor start niet, maar starter
draait wel
Indien nodig vervangen.
Defecte gelijkrichter? Controleren en vervangen.
Is het motortoerental correct? Draai gashendel van motor naar 'High' (hoog).
Zitten er draden los? Bedrading controleren en herstellen.
Is de spanningsregelaar defect? Indien nodig vervangen.
Zitten er draden los? Bedrading controleren en herstellen.
Is de spanningsregelaar defect? Indien nodig vervangen.
Kortsluiting in lading? Lading controleren en herstellen.
Te hoge stroom? Ladingsvereisten controleren en lading verminderen.
Defecte stroomverbreker? Controleren en vervangen.
Lege accu? Accu vervangen.
Defecte contactschakelaar? Contactschakelaar vervangen.
Defecte starter? Starter vervangen.
Doorgebrande zekering? Zekering vervangen.
Verbroken voorverwarmingscircuit? Voorverwarmingscircuit controleren.
Geen brandstof? Brandstof bijvullen (nr. 2 dieselbrandstof).
Defecte bedrading? Bedrading controleren.
PAGINA 36 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – PROBLEEMOPLOSSING (MOTOR)
Bijna alle defecten kunnen worden voorkomen door een correcte omgang en de juiste onderhoudscontroles. Mocht er toch iets kapot
gaan, moet u dit direct herstellen volgens de instructies in Probleemoplossing (motor) (Tabel 11) hieronder en op de volgende pagina. Als
u het probleem niet kunt oplossen, doet u niets totdat u het bedrijf of de fabriek hebt geraadpleegd.
TABEL 11. PROBLEEMOPLOSSING (MOTOR)
SYMPTOOM MOGELIJK PROBLEEM OPLOSSING
Geen brandstof?
Motor start niet
Starter werkt niet
Brandstof bijvullen.
Lucht in het brandstofsysteem? Systeem ontluchten.
Water in het brandstofsysteem? Water uit brandstoftank verwijderen.
Brandstofleiding verstopt? Brandstofleiding schoonmaken.
Brandstoffilter verstopt? Brandstoffilter schoonmaken of vervangen.
Bovenmatig hoge viscositeit van
brandstof of motorolie bij lage
temperatuur?
De gespecificeerde brandstof of motorolie gebruiken.
Brandstof met laag cetaannummer? De gespecificeerde brandstof gebruiken.
Lekkende brandstof door loszittende
borgmoer van de injectieleiding?
De moer aanhalen.
Onjuiste timing van de injectie? Aanpassen.
Brandstofnokkenas versleten? Vervangen.
Injectiemondstuk verstopt? Injectiemondstuk schoonmaken.
Injectiepomp werkt niet goed? Repareren of vervangen.
Compressielek uit cilinder? Koppakking vervangen, en cilinderkopbout, gloeibougie en
mondstukhouder aanhalen.
Onjuiste timing van de klep? Timingtandwiel verstellen of vervangen.
Zuigerring en -voering versleten? Vervangen.
Bovenmatige klepspeling? Aanpassen.
Accu leeg? Accu opladen.
Starter werkt niet goed? Repareren of vervangen.
Contactschakelaar werkt niet goed? Repareren of vervangen.
Bedrading losgeraakt? Bedrading vastmaken.
Krukas, nokkenas, zuiger,
cilindervoering of lager loopt vast?
Repareren of vervangen.
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 37
LT-12 SERIE LICHTMAST – PROBLEEMOPLOSSING (MOTOR)
TABEL 11. PROBLEEMOPLOSSING (MOTOR) (VERVOLG)
SYMPTOOM MOGELIJK PROBLEEM OPLOSSING
Brandstoffilter verstopt of vuil?
Motortoerental is niet vloeiend
Het uitlaatgas is wit of blauw
Het uitlaatgas is zwart of donkergrijs
Onvoldoende uitvoer
Schoonmaken of vervangen.
Luchtfilter verstopt? Schoonmaken of vervangen.
Lekkende brandstof door loszittende
borgmoer van de injectieleiding?
De moer aanhalen.
Injectiepomp werkt niet goed? Repareren of vervangen.
Onjuiste openingsdruk mondstuk? Aanpassen.
Injectiemondstuk zit vast of is
verstopt?
Repareren of vervangen.
Brandstofoverloopleiding verstopt? Schoonmaken.
Regelaar werkt niet goed? Repareren.
Te veel motorolie? Verminderen tot het gespecificeerde niveau.
Zuigerring en -voering zijn versleten of
zitten vast?
Repareren of vervangen.
Onjuiste timing van de injectie? Aanpassen.
Onvoldoende compressie? Speling aan bovenkant aanpassen.
Overbelasting? Verlaag de belasting.
Slechte kwaliteit brandstof gebruikt? De gespecificeerde brandstof gebruiken.
Brandstoffilter verstopt? Schoonmaken of vervangen.
Luchtfilter verstopt? Schoonmaken of vervangen.
Onvoldoende injectie uit mondstuk? Mondstuk repareren of vervangen.
Onjuiste timing van de injectie? Aanpassen.
Ongelijkmatige brandstofinjectie? De injectiepomp repareren of vervangen.
Onvoldoende injectie uit mondstuk? Mondstuk repareren of vervangen.
Compressielek? Koppakking vervangen, en cilinderkopbout, gloeibougie en
mondstukhouder aanhalen.
Bewegende delen van de motor lopen
vast?
Repareren of vervangen.
PAGINA 38 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – PROBLEEMOPLOSSING (LAMPEN)
Bijna alle defecten kunnen worden voorkomen door een correcte omgang en de juiste onderhoudscontroles. Mocht er toch iets kapot
gaan, gebruikt u Tabel 12 hieronder en de probleemoplossingsgids als een basisrichtlijn om problemen met lampen op te lossen. Als u het
probleem niet kunt oplossen, raadpleegt u ons bedrijf of onze fabriek.
TABEL 12. PROBLEEMOPLOSSING (LAMPEN)
SYMPTOOM MOGELIJK PROBLEEM OPLOSSING
Lamp doorgebrand? Test de lamp in een goed werkende fitting. Indien nodig vervangen.
Lamp zit los in fitting? De onderkant van de lamp inspecteren op afbranding bij de
middelste contactknop. Lamp strak vastdraaien. De fitting op
beschadiging controleren. Vervangen indien beschadigd.
Schijnwerperstekkers niet goed
ingestoken?
Stekkers en aansluitingen controleren. Stekkers goed insteken als
ze loszitten.
Defecte ballast? De ballaststekkers in de generatorbehuizing verwisselen. Als de
lamp opstart, de ballast vervangen. De ballastbedrading met het
schema vergelijken. Controleren op een opgezwollen condensator,
een verkoolde bedrading, kern of spoel, of andere signalen van
bovenmatige warmte.
Lage spanning? Lijnspanning bij ballastingang controleren. De spanning moet onder
nominale belasting binnen 10% van de waarde op het naamplaatje
liggen. Verhoog de toevoerspanning of hef de externe belasting op.
Onjuiste ballast? Goed werkende lampen branden niet goed of starten niet op met
een onjuiste ballast. De gegevens op het ballastnaamplaatje moeten
overeenkomen met de lijnspanning en de gebruikte lamp. Met een
verkeerde ballast raakt de lamp defect. Opmerking: Kwiklampen met
dezelfde wattage werken goed met metaalhalideballasten.
Onjuiste lampwerkstand (alleen
metaalhalidelampen)?
De werkstand moet passen bij de lamptechnologie. Een BU-HOR-
lamp kan met de onderkant boven verticaal en horizontaal worden
gedraaid; een BD-lamp kan met de onderkant onder verticaal en
bijna, maar niet helemaal, horizontaal worden gedraaid. Een lamp
die verder dan de gespecificeerde stand is gedraaid, start mogelijk
niet op.
De lamp heeft gebrand: onvoldoende
afkoelingstijd?
HID-lampen (hogedruk sodium-, metaalhalide- en kwikdamplampen)
moeten 4 tot 8 minuten afkoelen voordat ze opnieuw kunnen
worden ingeschakeld. Schakel de onderbreker uit en laat de lamp
afkoelen.
Onjuiste ballast? Door onjuiste ballasten kunnen de lampen flikkeren of niet goed
werken. Tijdens de opstartperiode kan de lamp gaan branden,
opwarmen en daarna weer uitgaan (cycleren).
Nieuwe lamp?
Onder bepaalde omstandigheden kunnen nieuwe lampen 'cycleren'.
Meestal na 3 pogingen om op te starten met intervallen van 30 tot 60
seconden, stabiliseren de lampen zich en werken ze naar behoren.
Defecte lamp?
De lamp flikkert en gaat met
tussenpozen of in een cyclus uit en
aan
Lamp start niet op
Lamp vervangen.
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 39
LT-12 SERIE LICHTMAST – PROBLEEMOPLOSSING (LAMPEN)
TABEL 12. PROBLEEMOPLOSSING (LAMPEN) (VERVOLG)
SYMPTOOM MOGELIJK PROBLEEM OPLOSSING
Defecte lamp? De lamp kan lange tijd gloeien. Na controle van spanning en ballast
vervangen.
Kortsluiting of sluiting met massa? De bedrading met het schema vergelijken. Controleren op kortslui-
ting of sluiting met massa.
Normale lamplichtafname? Lamp vervangen.
Vuile lamp of fitting? Lamp en fitting schoonmaken.
Defecte ballast? De ballaststekkers in de generatorbehuizing verwisselen. Als de
lamp weer de normale lichtsterkte heeft, de ballast vervangen.
Controleren op opgezwollen condensators, een verkoolde bedra-
ding, kern of spoel of andere signalen van bovenmatige warmte.
Verkeerde spanning?
Spanning bij ballastingang controleren. De spanning moet binnen
10% van de waarde op het naamplaatje liggen. De draadverbindin-
gen op spanningsverlies controleren. Contactpunt fitting controleren.
Onjuiste ballast? De gegevens op het ballastnaamplaatje vergelijken met de
lampgegevens.
Normale lamplichtafname?
De lichtopbrengst en de helderheid van de lamp neemt af en de kleur
verandert iets naarmate de lamp ouder wordt. Als de lampen stuk
voor stuk worden vervangen, nemen de verschillen in lampkleur af.
Ook als alle lampen worden vervangen, is er minder kleurverschil.
Vuile fitting? Door vuile fittingen krijgen de lampen een andere kleur. Fitting
schoonmaken.
Verkeerde lamp? Controleer bij lampen met een andere kleur de lampgegevens.
Vervangen door een lamp met de juiste kleur.
Te hoge spanning van voeding? Spanning bij ballast controleren. Op stroom- of spanningspieken
controleren. Controleren op kortgesloten condensators en vervan-
gen indien defect.
Onjuiste ballast? Lamp heeft gebrand op een ballast ontworpen voor een lamp met
een hoger wattage. De gegevens op het ballastnaamplaatje
vergelijken met de lampgegevens.
Onjuiste ballast? De gegevens op het ballastnaamplaatje moeten overeenkomen met
de lijnspanning van de lamp en de lamp die wordt gebruikt. Als een
verkeerde ballast wordt gebruikt, heeft de lamp een kortere
levensduur. Bovendien kan de ballast defect raken.
Lamp beschadigd?
Controleren op barsten in het buitenste lampglas. Als er lucht het
buitenste lampglas binnenkomt, kan de boogbuis nog 100 uur
branden voordat deze defect raakt. Controleer het lampglas op
barsten in de buurt van de basis, die het gevolg kunnen zijn van het
te strak vastdraaien van de lamp in de fitting of van schroeien doordat
de fitting onbedoeld in aanraking is gekomen met het lampglas.
Kijken naar gebroken boogbuis of losse metaaldeeltjes. Lamp
vervangen. (Gloeidraden veroorzaken oxidatie van metaaldeeltjes.)
Lamp start langzaam op (er vormt
zich geen LICHTBOOG wanneer de
schakelaar wordt omgezet)
De stroomverbreker wordt geacti-
veerd terwijl de lamp opstart
Lamp geeft weinig licht
Lampkleuren verschillen
Boogbuis kleurloos of opgezwollen
Korte levensduur lamp
PAGINA 40 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – PROBLEEMOPLOSSING (LAMPEN)
PROBLEEMOPLOSSINGSGIDS
Gebruik de onderstaande procedure en het bedradingsschema op de volgende pagina om te bepalen welke van de vier schijnwerpers niet
functioneert:
Aansluitingen:
1. Zorg ervoor dat de stroomkabel van schijnwerper 1 op de J1-connector op de T-balk is aangesloten.
2. Zorg ervoor dat de stroomkabel van schijnwerper 2 op de J2-connector op de T-balk is aangesloten.
3. Zorg ervoor dat de stroomkabel van schijnwerper 3 op de J3-connector op de T-balk is aangesloten.
4. Zorg ervoor dat de stroomkabel van schijnwerper 4 op de J4-connector op de T-balk is aangesloten.
5. Sluit de negatieve kabel van de wisselspanningsmeter aan op een willekeurige (neutrale) witte kabel op het aansluitblok van het
knooppunt, terwijl de spanningsmeter is ingesteld op de netpositie. Via deze blokken worden alle neutrale kabels (wit) in het systeem
aangesloten.
6. Sluit de positieve kabel van de spanningsmeter aan op de uitgangszijde van CB-1. Er is nu 120 VAC aanwezig. Zorg dat de stroom-
verbreker op ON (aan) staat.
7. Herhaal stap 1-6 voor CB-2 t/m CB-4.
8. Als de juiste uitvoerspanningen aanwezig zijn voor CB-1 t/m CB-4, is het zeer waarschijnlijk dat de generator correct werkt en de
ballast de juiste spanning (120 VAC) ontvangt.
Starten:
1. Start de generator en controleer of u geen afwijkende geluiden hoort.
2. Draai stroomverbrekers CB-1 t/m CB-4 naar de ON-stand (aan).
3. Wacht een aantal minuten en bepaal welke schijnwerper niet aanslaat.
4. Als een van de schijnwerpers UIT is, koppelt u de stroomkabel los en steekt u deze in een aansluiting waarvan u weet dat deze werkt.
Koppel een stroomkabel NIET los van de T-balk terwijl deze stroom krijgt van de generator. Zet de stroomverbreker altijd UIT voordat
u een stroomkabel verwijdert.
5. Als de schijnwerper nog steeds niet aanslaat nadat u deze op een werkende aansluiting (120 VAC aanwezig) hebt aangesloten, is de
ballast voor die schijnwerper waarschijnlijk kapot. Vervang de ballast.
Ballast verwijderen:
1. Koppel de stroomkabel van de generator of het lasapparaat los en zorg ervoor dat het ballastcompartiment geen stroom krijgt.
2. Verwijder de vier schroeven waarmee de ballastkap is bevestigd en verwijder de kap.
3. Zorg ervoor dat de ballastcondensator leeg is.
3. Verwijder de defecte ballast, waarbij u moet oppassen voor elektrische schokken wanneer u de ballast en de condensator raakt. De
condensator kan een elektrische lading bevatten die bij ontlading kan resulteren in schadelijke schokken. Zorg ervoor dat de conden-
sator leeg is.
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 41
LT-12 SERIE LICHTMAST – SCHEMATISCH DIAGRAM
SCHEMATISCH DIAGRAM LICHTMAST
OPMERKING
Condensators C1 t/m C4 zijn 480 VAC,
24µf. Bovendien wordt een 47 kW
(1/2 W) weerstand op de condensator-
aansluitingen geïnstalleerd (kan intern
of extern worden geïnstalleerd).
PAGINA 42 – LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08)
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDRADING DEUTZ-MOTOR
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDIENINGSHANDLEIDING – REV. NR. 9 (23/06/08) – PAGINA 43
LT-12 SERIE LICHTMAST – BEDRADING PERKINS-MOTOR
BEDIENINGSHANDLEIDING
Onderdeelnr.: 29543
VERENIGDE STATEN
Hoofdkantoor Multiquip Onderdelenafdeling MQ
18910 Wilmington Ave. Tel: +1 800 421-1244 +1 800 427-1244 Fax: +1 800 672-7877
Carson, CA 90746 VS Fax: +1 800 537-3927 +1 310 537-3700 Fax: +1 310 637-3284
Mayco-onderdelen Garantieafdeling
+1 800 306-2926 Fax: +1 800 672-7877 +1 800 421-1244, ext. 279 Fax: +1 310 537-1173
+1 310 537-3700 Fax: +1 310 637-3284 + 1 310 537-3700, ext. 279
Serviceafdeling Technische assistentie
+1 800 421-1244 Fax: +1 310 537-4259 +1 800 478-1244 Fax: +1 310 631-5032
+1 310 537-3700
MEXICO VERENIGD KONINKRIJK
MQ Cipsa Hoofdkantoor Multiquip (UK) Limited
Carr. Fed. Mexico-Puebla KM 126.5 Tel: +52 222 225-9900 Hanover Mill, Fitzroy Street, Tel: +44 161 339 2223
Momoxpan, Cholula, Puebla 72760 Mexico Fax: +52 222 285-0420 Ashton-under-Lyne, Fax: +44 161 339 3226
Contact: [email protected] Lancashire OL7 0TL
Contact: sales@multiquip.co.uk
CANADA BRAZILIË
Multiquip Multiquip
4110 Industriel Boul. Tel: +1 450 625-2244 Av. Evandro Lins e Silva, 840 – grupo 505 Tel: 011-55-21-3433-9055
Laval, Quebec, Canada H7L 6V3 Fax: +1 450 625-8664 Barra de Tijuca – Rio de Janeiro Fax: 011-55-21-3433-9055
Contact: jmar[email protected] Contact: cnavarro@multiquip.com.br, [email protected]
Uw lokale dealer is:
© COPYRIGHT 2008, MULTIQUIP INC.
Multiquip Inc, het MQ-logo en het Nighthawk-logo zijn gedeponeerde handelsmerken van Multiquip Inc. en mogen niet worden gebruikt, gereproduceerd of
gewijzigd zonder schriftelijke toestemming. Alle andere handelsmerken zijn het eigendom van hun respectievelijke eigenaren en worden met hun toestemming
gebruikt.
Deze handleiding
MOET altijd bij de apparatuur worden gehouden. Deze handleiding wordt beschouwd als een permanent onderdeel van de apparatuur en
moet bij de unit blijven als deze wordt verkocht.
De informatie en specificaties in deze publicatie waren correct ten tijde van de goedkeuring voor het drukken. De illustraties, beschrijvingen, referenties en
technische gegevens in deze handleiding dienen alleen als richtlijn en kunnen niet als bindend worden beschouwd. Multiquip Inc. behoudt zich het recht voor de
specificaties, het ontwerp of de informatie in deze publicatie te allen tijde zonder kennisgeving en zonder verplichtingen te beëindigen of te wijzigen.
ZO KUNT U HULP KRIJGEN
HOUD HET MODEL- EN SERIENUMMER
BIJ DE HAND
WANNEER U BELT
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44

MULTIQUIP LT-12-series Handleiding

Categorie
Accessoires voor motorvoertuigen
Type
Handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor