Miller Big Blue 400P de handleiding

Type
de handleiding
Processen
Beschrijving
TIG−lassen (GTAW)
Beklede−elektrodelassen
(SMAW)
MIG (GMAW)−lassen
Met motor aangedreven lasaggregaat
OM−4421/dut 215 075AA
2010−05
www.MillerWelds.com
Lassen met gevulde draad
(met of zonder gasbescherming)
Luchtkoolboog (CAC−A)
snijden en gutsen
Big Blue 400P
Big Blue 500 X
CE
(Perkins−aangedreven)
HANDLEIDING VOOR DE GEBRUIKER
Miller Electric maakt een complete lijn
lasapparaten en aanverwante
lasproducten. Wilt u meer informatie
over de andere kwaliteitsproducten van Miller, neem dan contact op met uw
Miller-leverancier. Hij heeft de nieuwste overzichtscatalogus en afzonderlijke
productleaflets voor u.
Bedankt en gefeliciteerd dat u voor Miller hebt gekozen. Nu kunt u aan de
slag en alles meteen goed doen. Wij weten dat u geen tijd heeft om het an-
ders dan meteen goed te doen.
Om die reden zorgde Niels Miller, toen hij in 1929 voor het eerst met het
bouwen van booglasapparatuur begon, er dan ook voor dat zijn producten
lang meegingen en van superieure kwaliteit waren. Net als u nu konden
zijn klanten toen zich geen mindere kwaliteit veroorloven. De producten
van Miller moesten het beste van het beste zijn. Zij moesten gewoon het
allerbeste zijn dat er te koop was.
Tegenwoordig zetten de mensen die Miller-producten bouwen en verkopen
die traditie voort. Ook zij zijn vastbesloten om apparatuur en service te
bieden die voldoet aan de hoge kwaliteits- en prestatiestandaards die in
1929 zijn vastgelegd.
Deze handleiding voor de eigenaar is gemaakt om u optimaal gebruik te
kunnen laten maken van uw Miller-producten. Neem even de tijd om de
veiligheidsvoorschriften door te lezen. Ze helpen u om uzelf te beschermen
tegen mogelijke gevaren op de werkplek. We hebben ervoor gezorgd, dat u
de apparatuur snel en gemakkelijk kunt installeren. Bij Miller kunt u reke-
nen op jarenlange betrouwbare service en goed
onderhoud. En mocht uw apparatuur om wat
voor reden dan ook ooit moeten worden gerepa-
reerd, dan kunt u in het hoofdstuk Onderhoud &
Storingen precies nagaan wat het probleem is.
Aan de hand van de onderdelenlijst kunt u bepa-
len welk onderdeel u precies nodig hebt om het
probleem te verhelpen. Ook vindt u de garantie
en de onderhoudsinformatie voor uw specifieke
model bijgesloten.
Miller was de allereerste
fabrikant van lasapparatuur in
de VS die het ISO 9001
kwaliteitscertificaat behaal-
de.
Elke krachtbron van Miller
gaat vergezeld de meest
probleemloze garantie in
onze bedrijfstak − u werkt er
hard genoeg voor.
Van Miller voor u
INHOUDSOPGAVE
SECTIE 1 − VEILIGHEIDSMAATREGELEN - LEES DIT VÓÓR GEBRUIK 1............................
1-1. De betekenis van de symbolen 1..........................................................
1-2. De risico’s van het booglassen 1..........................................................
1-3. Risico’s m.b.t. motor 3...................................................................
1-4. Gevaren van hydraulische systemen 4.....................................................
1-5. De gevaren van perslucht 5..............................................................
1-6. Aanvullende symbolen voor installatie, bediening en onderhoud 6..............................
1-7. Californië-voorstel 65, waarschuwingen 7...................................................
1-8. Belangrijkste Veiligheidsvoorschriften 7....................................................
1-9. Informatie over elektrische en magnetische velden (EMV −informatie) 8.........................
SECTIE 2 − DEFINITIES 9.......................................................................
2-1. Definities waarschuwingslabel (voor labels zonder tekst) 9....................................
2-2. Symbolen en definities 10.................................................................
SECTIE 3 − TECHNISCHE GEGEVENS 11.........................................................
3-1. Belangrijke informatie betreffende CE-producten (voor verkoop binnen de EU) 11..................
3-2. Lasvermogen, voedings− en motorgegevens 11..............................................
3-3. Afmetingen, massa’s en toegelaten hellingshoeken 12.........................................
3-4. Stroom−spanning grafieklijnen voor CC−modellen 12..........................................
3-5. Stroom−spanning grafieklijnen voor CC/CV−modellen 13.......................................
3-6. Brandstofverbruik 14.....................................................................
3-7. Inschakelduur en oververhitting 14.........................................................
3-8. Vermogenkarakteristiek AC aggregaat 15....................................................
3-9. Karakteristieken van optionele driefasenaggregaat 15.........................................
SECTIE 4 − INSTALLATIE 16.....................................................................
4-1. Locatie van typeplaatje met serienummer en aansluitgegevens 16...............................
4-2. Het installeren van het lasaggregaat 16.....................................................
4-3. De lasaggregaat monteren 17.............................................................
4-4. Het aggregaat aarden op het chassis van een vrachtwagen of aanhanger 18......................
4-5. Het hefoog gebruiken 18..................................................................
4-6. De uitlaatpijp installeren 19................................................................
4-7. Het opladen van de lege accu (indien van toepassing) 20......................................
4-8. De accu aansluiten 20....................................................................
4-9. Controlelijst voor het starten van de motor 21.................................................
4-10. Aansluiten op de lasuitgangen 22...........................................................
4-11. Het formaat van de laskabel kiezen* 23.....................................................
4-12. Aansluiten op afstandsbedieningstekker RC13 op CC-modellen 24..............................
4-13. Aansluiten op de 14-pin stekker RC14 op CC/CV-modellen 24..................................
SECTIE 5 − DE LASGENERATOR BEDIENEN − CC-MODELLEN 26...................................
5-1. Bedieningsfuncties op voorpaneel CC-modellen (zie Sectie 5-2) 26..............................
5-2. Beschrijving van bedieningsfuncties op voorpaneel CC−modellen (zie Sectie 5-1) 27...............
5-3. Afstandsgestuurde stroomsterkteregeling op CC−modellen (optie) 28............................
5-4. Informatielabel lasparameters/lasboog 28....................................................
SECTIE 6 − HET LASAGGREGAAT BEDIENEN − CC/CV−MODELLEN 30..............................
6-1. Bedieningsfuncties op voorpaneel CC/CV−modellen (zie Sectie 6-2) 30...........................
6-2. Beschrijving van bedieningsfuncties op voorpaneel CC/CV−modellen (zie Sectie 6-1) 31............
6-3. Proces/Contactorschakelaar op CC/CV−modellen 32..........................................
6-4. Afstandsbediende spannings/stroomregeling op CC/CV−modellen (optie) 33......................
6-5. Beschrijving brandstof/uur−meter 34........................................................
SECTIE 7 − HULPVERMOGEN 35.................................................................
7-1. Standaard-hulpstroomcontactdozen 35......................................................
7-2. Aansluiten op het optionele driefasenaggregaat (alleen CC/CV−modellen) 36......................
7-3. Uitgaande hulpstroomcontactdozen. 37.....................................................
INHOUDSOPGAVE
SECTIE 8 − ONDERHOUD & PROBLEMEN VERHELPEN 38.........................................
8-1. Onderhoudslabel 38......................................................................
8-2. Routineonderhoud 39....................................................................
8-3. De borstels van het aggregaat controleren 40................................................
8-4. Onderhoud van het luchtfilter 41............................................................
8-5. De vonkenvanger controleren/schoonmaken 42..............................................
8-6. Het motortoerental afstellen 43.............................................................
8-7. Onderhoud van het brandstof− en het smeringssysteem 44.....................................
8-8. Overbelastingsbeveiliging 45..............................................................
8-9. Storingen 46............................................................................
SECTIE 9 − ELECTRISCH SCHEMA 50............................................................
SECTIE 10 − HOOFDSTUK − INLOOPPROCEDURE 54..............................................
10-1. Wetstacking 54..........................................................................
10-2. Inloopprocedure met gebruik van een belastingsbank 55.......................................
10-3. Warmloopprocedure met gebruik van een weerstandsinstrument (grid) 56.........................
SECTIE 11 − HOOFDSTUK − RICHTLIJNEN VOOR STROOMAGGREGATEN 57........................
SECTIE 12 − ONDERDELENLIJST 64.............................................................
GARANTIE
DECLARATION OF CONFORMITY
for European Community (CE marked) products.
MILLER Electric Mfg. Co., 1635 Spencer Street, Appleton, WI 54914 U.S.A. declares that the
product(s) identified in this declaration conform to the essential requirements and provisions of
the stated Council Directive(s) and Standard(s).
Product/Apparatus Identification:
Product Stock Number
Big Blue 500X CC CE 907187
Big Blue 500X CC/CV CE 907186
Council Directives:
2006/95/EC Low Voltage
2004/108/EC Electromagnetic Compatibility
2000/14/EC Noise Level of Welding Generators
Standards:
IEC 609741:2005 Arc welding equipment – Part 1: Welding power sources
IEC 6097410:2007 Arc Welding Equipment – Part 10: Electromagnetic compatibility (EMC) requirements
EN 50445:2008 Product family standard to demonstrate compliance of equipment for resistance welding, arc
welding and allied processes with the basic restrictions related to human exposure to electromagnetic fields
(0 Hz – 300Hz)
US Signatory:
August 31, 2009
________________________________________________________________
David A. Werba Date of Declaration
MANAGER, PRODUCT DESIGN COMPLIANCE
245811A
OM-4421 Pagina 1
HOOFDSTUK 1 − VEILIGHEIDSMAATREGELEN - LEES DIT
VÓÓR GEBRUIK
dut_rom_2010−03
Bescherm uzelf en anderen tegen letsel — Lees deze belangrijke veiligheidsvoorzorgsmaatregelen en bedieningsinstructies, volg ze
op en bewaar ze.
1-1. De betekenis van de symbolen
GEVAAR! − Duidt op een gevaarlijke situatie die moet
worden vermeden omdat hij anders leidt tot ernstig of
dodelijk letsel. De mogelijke gevaren worden getoond
met bijbehorende symbolen of uitgelegd in de tekst.
Duidt op een gevaarlijke situatie die moet worden ver-
meden omdat hij anders kan leiden tot ernstig of dode-
lijk letsel. De mogelijke gevaren worden getoond met
bijbehorende symbolen of uitgelegd in de tekst.
OPGELET − Aanduiding voor mededelingen die niet zijn gerelateerd
aan persoonlijk letsel.
Aanduiding voor speciale instructies.
Deze groep symbolen duidt op Waarschuwing! Kijk uit! Gevaar voor/
van mogelijke ELEKTRISCHE SCHOK, BEWEGENDE ONDERDE-
LEN en HETE ONDERDELEN. Raadpleeg de symbolen en de bijbe-
horende instructies om deze risico’s te vermijden.
1-2. De risico’s van het booglassen
Onderstaande symbolen worden in de hele handleiding ge-
bruikt om u ergens op te attenderen en om mogelijke risico s
aan te geven. Als u een dergelijk symbool ziet, wees dan voor-
zichtig en volg de bijbehorende instructies op om problemen
te voorkomen. De veiligheidsinformatie hieronder is slechts
een samenvatting van de veiligheidsvoorschriften in Sectie
1-8. Lees en volg alle veiligheidsvoorschriften.
Alleen bevoegde personen moeten dit onderdeel installeren,
bedienen, onderhouden en repareren.
Zorg dat iedereen, en vooral kinderen, uit de buurt blijven tij-
dens het gebruik van dit apparaat.
Elektrische schokken kunne
n
dodelijk zijn.
Het aanraken van onderdelen onder stroom ka
n
fatale schokken en ernstige brandwonden veroo
r-
zaken. De elektrode en het werkstuk staan onde
r
stroom als de uitgangsspanning aanstaat. De in
-
voerspanning en de interne circuits van de machin
e
staan eveneens onder stroom als het apparaa
t
aanstaat. Bij semi- automatisch of automatisc
h
draadlassen staan het draad, de spoel, de ruimt
e
waar de lasdraad zich in de machine bevindt en all
e
metalen onderdelen die in aanraking zijn met d
e
lasdraad onder stroom. Verkeerd geïnstalleerde o
f
onvoldoende randgeaarde installaties kunnen geva
-
ren opleveren.
Raak onderdelen onder stroom niet aan.
Draag droge, geïsoleerde handschoenen en lichaams- bescher-
ming zonder gaten.
Isoleer uzelf van het werkstuk en de grond door droge isolatiema-
tjes of kleden te gebruiken die groot genoeg zijn om elk contact met
de grond of het werkstuk te voorkomen.
Gebruik geen wissel- (AC) uitgangsspanning in een vochtige om-
geving als u beperkte bewegingsvrijheid hebt of als het gevaar
bestaat dat u kunt vallen.
Gebruik ALLEEN wissel- (AC) uitgangsspanning als het laspro-
ces dit vereist.
Als er wissel- (AC) uitgangsspanning is vereist, gebruik dan de af-
standsbediening als die op het apparaat aanwezig is.
Bijkomende veiligheidsmaatregelen dienen getroffen te worden in-
dien gewerkt wordt in situaties met verhoogd electrisch risico
zoals: in vochtige omgevingen of als natte kleren gedragen wor-
den; op metaalstrukturen op de vloer, tralies of weringen; in
moeilijke posities zoals zittend, geknield of liggend; of als er een
groot risico bestaat voor accidenteel of onvermijdelijk kontakt met
het werkstuk of de grond. In deze gevallen gebruik de volgende ap-
paratuur in voorkeursorde: 1) een DC halfautomaat van het type
CV (MIG/MAG), 2) een DC gelijkrichter voor het lassen met bekle-
de electroden, 3) een AC lasapparaat met verlaagde open
spanning voor het lassen met beklede electroden. In de meeste
gevallen de voorkeur geven aan een DC lasmachine van het type
CV met draad. En, nooit alleen werken!
Zet de hoofdstroom uit of stop de motor voordat u deze installatie
installeert of nakijkt. Zet de stroom uit volgens OSHA 29 CFR
1910.147 (zie de Veiligheidsvoorschriften).
Installeer en aard deze installatie volgens de Handleiding voor ge-
bruikers en nationale of locale codes.
Controleer altijd de randgeaarde aanvoer en zorg ervoor dat de
randgeaarde invoerspanningskabel goed aangesloten is op de
randgeaarde aansluitklem van het apparaat of dat de stekker van
de kabel aangesloten is op een correct randgeaarde contactdoos.
Als u ingangspanningsaansluitingen maakt, verbind dan eerst de
randgeaarde geleider en controleer de aansluitingen grondig.
Houd snoeren droog, vrij van olie en vet en bescherm deze tegen
heet metaal en vonken.
Controleer de kabel regelmatig op beschadigingen of openliggen-
de bedrading en vervang de kabel onmiddellijk als deze
beschadigd is − openliggende bedrading kan dodelijk zijn.
Zet alles af als het apparaat niet gebruikt wordt.
Gebruik geen versleten, beschadigde, te korte of slecht verbon-
den kabels.
Draag de kabels niet op uw lichaam.
Als het werkstuk geaard moet worden, doe dit dan met een aparte
kabel. Gebruik hiervoor niet de massaklem of de massakabel.
Raak de elektrode niet aan als u in contact staat met het werkstuk,
de grond of een andere elektrode van een ander apparaat.
Gebruik alleen goed onderhouden installaties. Repareer of ver-
vang beschadigde onderdelen onmiddellijk. Onderhoud het
apparaat zoals beschreven staat in de handleiding.
Draag een lasoverall als u boven grondniveau werkt.
Houd alle panelen en afdekplaten veilig op hun plaats.
Klem de werkkabel zo dicht mogelijk bij de las met een goed me-
taal-op-metaal contact op het werkstuk of de werktafel.
Isoleer de massaklem wanneer deze niet is aangesloten op het
werkstuk om contact met een metalen object te voorkomen.
Sluit niet meer dan één elektrode of massakabel aan op één enke-
le lasbron.
OM-4421 Pagina 2
Er staat ook NA het uitschakelen van de machine
nog een AANZIENLIJKE GELIJKSPANNING op het
voedingsgedeelte van de inverter lasstroombron-
nen.
Schakel de voeding van de inverter uit en ontlaad de invoercon-
densatoren overeenkomstig de aanwijzingen in de Sectie
Onderhoud voordat u enig onderdeel aanraakt.
Door HETE ONDERDELEN kunnen
brandwonden ontstaan.
Laat onderdelen eerst afkoelen voordat u aan
onderhoud begint.
Draag beschermende handschoenen en kleding als u aan een
hete machine werkt.
Raak geen hete machineonderdelen of zojuist gelaste onderde-
len met de blote handen aan.
RONDVLIEGEND METAAL of STOF
kan de ogen verwonden.
Door lassen, bikken, het gebruik van draadbor-
stels en slijpen kunnen vonken en rodvliegen-
de metaal-schilfers ontstaan. Als lasrupsen af-
koelen, kunnen er slakresten rondvliegen.
Draag een goedgekeurde veiligheidsbril met zijschermen, zelfs
onder uw lashelm.
ROOK EN GASSEN kunnen gevaarlijk
zijn.
Tijdens het lassen komen rook en gassen vrij. Het
inademen hiervan kan gevaarlijk zijn voor uw
gezondheid.
Zorg ervoor dat u niet in de rook staat. Adem de rook niet in.
Als u binnen last, ventileer de ruimte dan goed en/of zorg ervoor
dat de lasrook en gassen afgezogen worden.
Als er slechte ventilatie is, gebruik dan een goedgekeurd gasmas-
ker.
Lees de Materiaalveiligheid Informatiebladen en de instructies van
de fabrikant voor metalen, elektroden, elektrodebekledingen,
schoonmaakmiddelen en ontvetters.
Werk alleen in een gesloten ruimte als deze goed geventileerd
wordt of als u een gasmasker draagt. Zorg ervoor dat er altijd een
ervaren persoon toekijkt. Lasrook en gassen kunnen lucht verdrin-
gen en het zuurstofgehalte verlagen, hetgeen schadelijke invloed
heeft op uw lichaam en zelfs dodelijk kan zijn.
Las niet in ruimtes waarin dingen worden ontvet, schoongemaakt
of waarin wordt gesproeid. De hitte en stralen van de boog kunnen
reageren met dampen en op deze manier zwaar vergiftigde en irri-
terende gassen vormen.
Las geen beklede metalen zoals gegalvaniseerd of met lood of
cadmium bedekt staal, tenzij de bekleding verwijderd wordt van
het gedeelte dat gelast moet worden, de ruimte goed geventileerd
wordt en u, indien nodig, een gasmasker draagt. De bekledingen
en metalen die deze elementen bevatten kunnen giftige dampen
produceren als ze gelast worden.
GASVORMING kan schadelijk voor
de gezondheid of zelfs dodelijk zijn.
Draai de gastoevoer dicht, wanneer u geen gas
gebruikt.
Zorg altijd voor ventilatie in enge ruimtes of ge-
bruik goedgekeurde beademingsapparatuur.
De STRALEN UIT DE BOOG kunnen
ogen en huid verbranden.
Boogstralen van het lasproces produceren zicht-
bare en onzichtbare (ultraviolette en infrarood)
stralen die uw ogen en huid kunnen verbranden. Tijdens het lassen
vliegen vonken in het rond.
Draag tijdens het lassen of toekijken tijdens het lassen een las-
helm voorzien van een lasglas met de juiste tint om uw gezicht en
ogen tegen boogstralen en vonken te beschermen. (zie ANSI
Z49.1 en Z87.1 in de Veiligheidsvoorschriften).
Draag een goedgekeurde veiligheidsbril met zijschermen onder
uw helm.
Gebruik beschermende lasgordijnen of schermen om anderen te-
gen flitsen en verblindend licht te beschermen; waarschuw
anderen niet in de boog te kijken.
Draag beschermende kleding gemaakt van duurzaam, brandwe-
rend materiaal (wol en leer) en beschermend schoeisel.
LASSEN kan brand of explosies ver
-
oorzaken.
Als er gelast wordt in gesloten ruimtes zoals tanks
,
trommels of pijpen, kunnen deze opgeblazen wor
-
den. Er kunnen vonken van de lasboog vliegen. De rondvliegende
vonken, de temperatuur van het werkstuk en het gereedschap
kunnen brand en brandwonden veroorzaken. Toevallig contact van
een elektrode met metalen voor- werpen kan vonken, explosies
,
oververhitting of brand veroorzaken. Controleer eerst of de omgeving
veilig is voordat u begint met lassen.
Bescherm uzelf en anderen tegen rondvliegende vonken en heet
metaal.
Las niet op plaatsen waar rondvliegende vonken brandbaar mate-
riaal kunnen raken.
Verwijder alle brandbare materialen in een straal van 10,7 m van
de lasboog. Als dit niet mogelijk is, dek ze dan goed af met brand-
werende materialen.
Wees erop attent dat vonken en hete materialen van het lassen ge-
makkelijk door kleine hoeken en gaten naar naastliggende ruimtes
kunnen vliegen.
Kijk goed uit voor brand en houd een brandblusser in de buurt.
Wees erop bedacht dat bij het lassen van plafonds, vloeren, schei-
dingswanden of tussenschotten brand kan ontstaan aan de
tegenovergestelde kant.
Las niet in gesloten ruimtes zoals tanks, trommels of pijpen, tenzij
ze voldoende voorbereid zijn volgens AWS F4.1 (zie Veiligheids-
voorschriften).
Niet lassen op plaatsen waar de omgevingslucht brandbaar stof,
gas of vloeistofdampen (bijv. van benzine) kan bevatten.
Verbind de werkkabel met het werkstuk zo dicht mogelijk bij de
plaats waar gelast moet worden, zodat de lasstroom zo direct mo-
gelijk verplaatst kan worden en elektrische schokken en
brandrisico’s vermeden kunnen worden.
Gebruik een lasapparaat niet om bevroren pijpen te ontdooien.
Haal de elektrode uit de elektrodehouder of snij de lasdraad los bij
het uiteinde als ze niet gebruikt worden.
Draag olievrije, beschermende kledingstukken zoals leren hand-
schoenen, leren schort, broek zonder omslagen, hoge schoenen
en een helm.
Zorg ervoor dat u geen brandbare voorwerpen zoals aanstekers of
lucifers bij u draagt als u gaat lassen.
Inspecteer de omgeving als u klaar bent met uw werk om er zeker
van te zijn dat er geen vonken, gloeiende sintels en vlammen zijn.
Alleen de juiste zekeringen of contactverbrekers gebruiken; geen
zwaardere nemen of deze doorverbinden.
Volg de richtlijnen van OSHA 1910.252(a) (2) (iv) en NFPA 51B
voor het “warme” werk en een brandblusapparaat in de nabijheid
hebben.
OM-4421 Pagina 3
LAWAAI kan het gehoor aantasten.
Lawaai van bepaalde werkwijzen of apparatuur kan
uw gehoor aantasten.
Draag goedgekeurde gehoorbescherming als
het geluidsniveau te hoog is.
ELEKTRISCHE EN MAGNETISCHE VELDEN
kunnen van invloed zijn op geïmplanteerde
medische apparatuur.
Mensen die een pacemaker of een ander
geïmplanteerd medisch apparaat dragen,
moeten uit de buurt blijven.
Mensen die een geïmplanteerd medisch apparaat dragen,
moeten hun arts en de fabrikant van het apparaat raadplegen
voordat ze in de buurt komen van werkzaamheden
met booglassen, puntlassen, gutsen, plasmaboogsnijden
of inductieverwarmen.
GASFLESSEN kunnen exploderen
als ze beschadigd raken.
Gasflessen met beschermend gas bevatten gas
onder hoge druk. Als een gasfles beschadigd raakt,
kan deze exploderen. Aangezien gasflessen normaal gesproken een
onderdeel zijn van de lasprocedure, moet u er voorzichtig mee
omgaan.
Bescherm gasflessen tegen hoge temperaturen, mechanische
schokken, slak, open vuur, vonken en vlambogen.
Plaats de gasflessen rechtop in een rek of in de laskar zodat ze niet
kunnen vallen of omkantelen.
Houd de flessen uit buurt van alle las- of andere stroomkringen.
Hang nooit een elektrodehouder boven een gasfles.
Laat een laselektrode nooit in aanraking komen met een gasfles.
Las nooit op een gasfles onder druk. − een explosie zal het gevolg zijn.
Gebruik alleen flessen met beschermd gas, reduceerventielen,
slangen en hulpstukken die speciaal bedoeld zijn voor een bepaal-
de toepassing; onderhoud deze en de bijbehorende onderdelen
goed.
Draai bij het openen van de gasfles uw hoofd weg van het redu-
ceerventiel van de gasfles.
Laat de beschermende dop over het ventiel zitten, behalve als de
fles gebruikt wordt of aangesloten is voor gebruik.
Lees en volg de instructies op de flessen met gecomprimeerd gas,
bijbehorend materiaal en de CGA publicatie P-1 die in de Veilig-
heidsvoorschriften staat.
1-3. Risico’s m.b.t. motor
ONTPLOFFEN VAN DE ACCU kan
letsel veroorzaken.
Draag altijd een gezichtsbescherming, rubbe-
ren handschoenen en beschermende kleding
als u aan een accu werkt.
Zet eerst de motor af voordat u accukabels of oplaadkabels (indien
van toepassing) aansluit of verwijdert en onderhoud gaat plegen
aan de accu.
Zorg ervoor dat uw gereedschap geen vonken produceert als u
aan een accu werkt.
Gebruik het lasapparaat alleen om accu’s op te laden of om
voertuigen te starten als het apparaat een acculaadvoorziening
heeft die hiervoor speciaal bedoeld is.
Let goed op de polariteit (+ en −) op accu’s.
Verwijder de negatieve (−) kabel als eerste en sluit hem als laatste
aan.
Houd vonken, vuur, sigaretten en andere ontstekingbronnen uit de
buurt van accu’s. Accu’s produceren ontplofbare gassen bij nor-
maal gebruik en wanneer ze worden opgeladen.
Volg de aanwijzingen op van de fabrikant van de accu als u aan of
in de buurt van een accu werkt.
De UITGANGS SPANNING VAN DE ACCULADER kan
letsel veroorzaken.
(Een acculaadvoorziening is niet op alle
modellen aanwezig.)
Laat alleen bevoegd personeel de accu laden.
Alleen loodaccu’s laden. De acculader niet gebruiken om een
elektrisch systeem met een extra lage spanning van stroom te
voorzien of om droge−celaccu’s te laden.
Geen bevroren accu’s laden.
Geen beschadigde laadkabels gebruiken.
Een accu met losse accuklemmen of aan behuizing of kap niet
laden.
Kies vóór u gaat laden de juiste spanning op de lader, zodat deze
overeenkomt met de accuspanning.
Zet de acculader uit voor u deze op de accu aansluit. De klemmen
van de acculader mogen elkaar niet raken.
Houd de kabels van de acculader weg van de kap, de deur en van
bewegende onderdelen van het voertuig.
De BRANDSTOF kan brand of explo-
sie veroorzaken.
Stop de motor en laat deze afkoelen voordat u
de brandstof controleert of brandstof toevoegt.
Rook niet als u brandstof toevoegt en zorg ervoor dat er geen von-
ken of open vuur in de buurt van het apparaat komen.
Doe de tank niet te vol− laat wat ruimte over zodat de brandstof kan
uitzetten.
Mors geen brandstof. Als u wel brandstof heeft gemorst, ruim dit
dan eerst op voordat u de machine aanzet.
Werp gebruikte doeken weg in een brandwerende container.
Zorg altijd voor contact tussen spuitmond en tank tijdens het vullen
met brandstof.
BEWEGENDE ONDERDELEN kunnen
letsel veroorzaken.
Blijf uit de buurt van bewegende delen zoals
ventilatoren, aandrijfriemen, V−snaren en rotors.
Houd alle deuren, panelen, afdekplaten en beschermingsplaten
op hun plaats.
Zet de machine af voordat u een onderdeel installeert of aansluit.
Laat alleen bevoegde personen panelen, afdekplaten
of beschermplaten verwijderen voor onderhoud of storingen.
Om te voorkomen dat de motor tijdens het onderhoud per ongeluk
gestart wordt, moet u de negatieve (−) accukabel losmaken van de
accu.
Houd handen, haar, loshangende kleding en gereedschappen
weg van bewegende onderdelen.
Zet deuren, panelen of beschermplaten weer op hun plaats als het
onderhoud klaar is en voordat u de machine aanzet.
Voordat u aan het aggregaat werkt, moet u alle
ontstekingsbougies of injectors verwijderen om te voorkomen dat
de motor schokt of start.
Blokkeer het vliegwiel zodat het niet kan draaien terwijl u werkt aan
onderdelen van het aggregaat.
OM-4421 Pagina 4
VONKEN UIT DE UITLAAT kunnen
brand veroorzaken.
Zorg ervoor dat vonken die vrijkomen uit de
motor geen brand kunnen veroorzaken.
Gebruik een goedgekeurde uitlaatvonkafleider in de vereiste
plaatsenzie de toepassingscodes.
Door HETE ONDERDELEN kunnen
brandwonden ontstaan.
Laat onderdelen eerst afkoelen voordat u aan
onderhoud begint.
Draag beschermende handschoenen en kleding als u aan een
hete machine werkt.
Raak geen hete machineonderdelen of zojuist gelaste onderde-
len met de blote handen aan.
STOOM EN HETE KOELVLOEISTOF
kunnen brandwonden veroorzaken.
Controleer, indien mogelijk, het koelvloeistofpeil
als de motor koud is om brandwonden te voorko-
men.
Controleer het koelvloeistofpeil altijd bij het overloopvat (indien aanwe-
zig) i.p.v. bij de radiator (tenzij anders staat vermeld in de Sectie
Onderhoud of de handleiding van de motor).
Controle is noodzakelijk als de motor warm is. Als er geen over-
loopvat aanwezig is, moet u de volgende twee instructies volgen.
Draag een veiligheidsbril en handschoenen en bedek de radiator-
dop met een doek.
Draai de dop iets open en laat de druk langzaam ontsnappen voor-
dat u de dop helemaal opendraait.
Als u een generator binnenshuis ge-
bruikt, KUNT U HIERDOOR BINNEN
ENKELE MINUTEN OVERLIJDEN.
Uitlaatgas van een generator bevat koolmono-
xide. Dit is een gif dat u niet ziet of ruikt.
NOOIT binnenshuis of in een garage gebruiken, OOK NIET als
de deuren en ramen open staan.
Alleen BUITEN gebruiken en ver uit de buurt van ramen, deuren
en ventilatiepunten.
ACCUZUUR kan OGEN EN HUID VER-
BRANDEN.
Kantel de accu niet.
Vervang de beschadigde accu.
Spoel ogen en huid goed uit met water.
HEET METAAL van het plasmasnij-
den of gutsen kan brand en exposie
veroorzaken.
Niet snijden of gutsen in de nabijheid van ont-
vlambare stoffen.
Kijk goed uit voor brand en houd een brandblusser in de buurt.
1-4. Gevaren van hydraulische systemen
HYDRAULISCHE APPARATUUR kan
(dodelijk) letsel veroorzaken.
Onjuiste installatie of bediening van dit systeem
kan resulteren in defecten aan de apparatuur en
persoonlijk letsel. Dit systeem mag alleen worden
geïnstalleerd, bediend en onderhouden door
bevoegde hydraulische technici en alleen
conform de handleiding voor de eigenaar
,
de industriële normen en de landelijke en ter
plekke geldende regelgeving.
De nominale opbrengst of capaciteit van de hydraulische pomp of
enig ander onderdeel van het hydraulisch systeem niet
overschrijden. Construeer het hydraulische systeem zodanig
zodat mensen of zaken geen risico lopen als een hydraulisch
onderdeel kapot mocht gaan.
Voordat u gaat werken aan het hydraulisch systeem, moet u het
apparaat uitzetten en op de vergrendeling zetten, de druk
ontlasten en u ervan verzekeren dat er niet per ongeluk
hydraulische druk op kan komen staan.
Niet aan een werkend hydraulisch systeem werken, tenzij u
een bevoegd hydraulisch technicus bent en de instructies van
de fabrikant opvolgt.
Geen wijzigingen aanbrengen aan de hydraulische pomp of
de apparatuur die door de fabrikant is geleverd.
Veiligheidsvoorzieningen in het hydraulisch systeem niet
uitschakelen, onklaar maken of overbruggen.
Alleen onderdelen/toebehoren gebruiken die zijn goedgekeurd
door de fabrikant.
Blijf uit de buurt van mogelijke beknellings− of afknellingsplekken
in de apparatuur die is aangesloten op het hydraulisch systeem.
Niet onder of rond apparatuur werken dat onder hydraulische druk
staat. Ondersteun de apparatuur goed met behulp van
mechanische middelen.
HYDRAULISCHE VLOEISTOF kan (dodelijk
)
letsel veroorzaken.
Voordat u gaat werken aan het hydraulisch
systeem, moet u het apparaat uitzetten en op de
vergrendeling zetten, de druk ontlasten en u
ervan verzekeren dat er niet per ongeluk
hydraulische druk op kan komen staan.
Ontlast de druk voordat u hydraulische leidingen
aansluit of loskoppelt.
Kijk de onderdelen van het hydraulisch systeem
en alle aansluitingen en slangen na op beschadi-
gingen, lekken en slijtage voordat u de appara-
tuur gaat bedienen.
Draag persoonlijke beschermingsmiddelen zoals een
veiligheidsbril, leren handschoenen, zware kleding (hemd en
broek), hoge schoenen en een veiligheidshelm wanneer u aan een
hydraulisch systeem werkt.
Zoek lekken op met een stuk papier of karton − nooit met de blote
hand. Het systeem niet gebruiken als er lekken worden
aangetroffen.
HYDRAULISCHE VLOEISTOF is BRANDBAAR−niet aan
hydraulische apparatuur werken in de buurt van vuur of vonken;
niet roken bij hydraulische vloeistof.
Breng eerst deuren, panelen, deksels en beschermplaten weer
aan na afloop van het onderhoud en voordat u het systeem weer
start.
Als er vloeistof doordringt in de huid, zelfs al is het maar
een BEETJE, dan moet deze binnen een paar uur medisch
OM-4421 Pagina 5
worden verwijderd door een arts die bekend is met dit type letsel,
anders kan het gangreen (koudvuur) veroorzaken.
BEWEGENDE ONDERDELEN kunnen
letsel veroorzaken.
Blijf uit de buurt van bewegende delen zoals
ventilatoren, aandrijfriemen, V−snaren en
rotors.
Houd alle deuren, panelen, afdekplaten en
beschermingsplaten op hun plaats.
Houd handen, haar, loshangende kleding en gereedschappen
weg van bewegende onderdelen.
Voordat u gaat werken aan het hydraulisch systeem, moet u het
apparaat uitzetten en op de vergrendeling zetten, de druk
ontlasten en u ervan verzekeren dat er niet per ongeluk
hydraulische druk op kan komen staan.
Laat alleen bevoegde personen beschermplaten of afdekplaten
verwijderen voor onderhoud of bij het verhelpen van storingen.
Zet deuren, panelen of beschermplaten weer op hun plaats als
het onderhoud klaar is en voordat u de machine aanzet.
Door HETE ONDERDELEN EN HETE
VLOEISTOFFEN kunnen brandwonden
ontstaan.
Hete onderdelen niet met de blote hand
aanraken en voorkom dat hete vloeistof op de
huid terecht kan komen.
Laat apparatuur altijd afkoelen, voor u eraan gaat werken.
Gebruik de juiste gereedschappen om hete onderdelen beet
te pakken en/of draag zware geïsoleerde lashandschoenen
en −kleding om brandwonden te voorkomen.
LEES DE INSTRUCTIES.
Lees nauwkeurig de gebruikershandleiding
en alle waarschuwingslabels, voordat u de
machine installeert, gebruikt of er onderhoud
aan pleegt, en volg de aanwijzingen steeds op.
Lees de veiligheidsinformatie aan het begin
van de handleiding en in elk hoofdstuk.
Gebruik alleen originele vervangingsonderdelen van de
fabrikant.
Voer onderhoud en service uit conform de Handleidingen voor
de Eigenaar, de industriële normen en de landelijke en ter plekke
geldende regelgeving.
1-5. De gevaren van perslucht
PERSLUCHTAPPARATUUR kan
(dodelijk) letsel veroorzaken.
Onjuiste installatie of bediening van dit systeem
kan resulteren in defecten aan de apparatuur en
persoonlijk letsel. Dit systeem mag alleen
worden geïnstalleerd, bediend en onderhouden
door bevoegde pneumatische technici en alleen
conform de handleiding voor de eigenaar, de
industriële normen en de landelijke en ter plekke
geldende regelgeving.
De nominale opbrengst of capaciteit van de compressor of enig
ander onderdeel van het persluchtsysteem niet overschrijden.
Zet het persluchtsysteem zodanig op dat mensen of zaken geen
risico lopen als een hydraulisch onderdeel kapot mocht gaan.
Voordat u gaat werken aan het persluchtsysteem, moet u het
apparaat uitzetten en op de vergrendeling zetten, de druk
ontlasten en u ervan verzekeren dat er niet per ongeluk
persluchtdruk op kan komen staan.
Niet aan een werkend persluchtsysteem werken, tenzij u een
bevoegd pneumatisch technicus bent en de instructies van de
fabrikant opvolgt.
Geen wijzigingen aanbrengen aan de compressor of de
apparatuur die door de fabrikant is geleverd.
Veiligheidsvoorzieningen in het persluchtsysteem niet
uitschakelen, onklaar maken of overbruggen.
Alleen onderdelen en toebehoren gebruiken die zijn
goedgekeurd door de fabrikant.
Blijf uit de buurt van mogelijke beknellings− of afknellingsplekken
in de apparatuur die is aangesloten op het persluchtsysteem.
Niet onder of rond apparatuur werken dat onder perslucht staat.
Ondersteun de apparatuur goed met behulp van mechanische
middelen.
PERSLUCHT kan (dodelijk) letsel
veroorzaken.
Voordat u gaat werken aan het
persluchtsysteem, moet u het apparaat
uitzetten en op de vergrendeling zetten, de druk
ontlasten en u ervan verzekeren dat er niet per
ongeluk persluchtdruk op kan komen staan.
Ontlast de druk voordat u luchtleidingen
aansluit of loskoppelt.
Kijk de onderdelen van het persluchtsysteem en alle aansluitingen
en slangen na op beschadigingen, lekken en slijtage voordat u de
apparatuur gaat bedienen.
De luchtstroom niet op uzelf of op anderen richten.
Draag persoonlijke beschermingsmiddelen zoals een
veiligheidsbril, gehoorbescherming, leren handschoenen, zware
kleding (hemd en broek), hoge schoenen en een veiligheidshelm
wanneer u aan een persluchtsysteem werkt.
Zoek lekken op met zeepwater of een ultrasone detector − nooit
met de blote hand. Het systeem niet gebruiken als er lekken
worden aangetroffen.
Breng eerst deuren, panelen, deksels en beschermplaten weer
aan na afloop van het onderhoud en voordat u het systeem weer
start.
Ga onmiddellijk naar een arts als er lucht doordringt in de huid
of het lichaam.
Het INADEMEN VAN PERSLUCHT kan
(dodelijk) letsel veroorzaken.
Geen perslucht gebruiken voor ademhalen.
Alleen gebruiken om te snijden, te gutsen
of voor gereedschap.
INGESLOTEN LUCHT ONDER DRUK
EN ZWIEPENDE SLANGEN kunnen letse
l
veroorzaken.
Ontlast de luchtdruk van gereedschappen en
het systeem voordat u onderhoud pleegt,
hulpstukken aanbrengt of verwisselt en
voordat u de olieafvoer van de compressor
of de vuldop voor de olie opent.
BEWEGENDE ONDERDELEN kunnen
letsel veroorzaken.
Blijf uit de buurt van bewegende delen zoals
ventilatoren, aandrijfriemen, V−snaren en
rotors.
Houd alle deuren, panelen, afdekplaten
en beschermingsplaten op hun plaats.
Houd handen, haar, loshangende kleding en gereedschappen
weg van bewegende onderdelen.
Voordat u gaat werken aan het persluchtsysteem, moet u het
apparaat uitzetten en op de vergrendeling zetten, de druk
OM-4421 Pagina 6
ontlasten en u ervan verzekeren dat er niet per ongeluk
persluchtdruk op kan komen staan.
Laat alleen bevoegde personen beschermplaten of afdekplaten
verwijderen voor onderhoud of bij het verhelpen van storingen.
Zet deuren, panelen of beschermplaten weer op hun plaats als
het onderhoud klaar is en voordat u de machine aanzet.
HETE ONDERDELEN kunnen ernstige
brandwonden veroorzaken.
Een hete compressor of hete onderdelen van
het luchtsysteem niet aanraken.
Laat het systeem afkoelen voor u het aanraakt
of onderhoud gaat plegen.
Gebruik de juiste gereedschappen om hete onderdelen beet
te pakken en/of draag zware geïsoleerde lashandschoenen
en −kleding om brandwonden te voorkomen.
LEES DE INSTRUCTIES.
Lees nauwkeurig de gebruikershandleiding
en alle waarschuwingslabels, voordat u de
machine installeert, gebruikt of er onderhoud
aan pleegt, en volg de aanwijzingen steeds op.
Lees de veiligheidsinformatie aan het begin
van de handleiding en in elk hoofdstuk.
De motor stoppen en de luchtdruk aflaten vooraleer onderhoud
te verrichten.
Gebruik alleen originele vervangingsonderdelen van de fabri-
kant.
1-6. Aanvullende symbolen voor installatie, bediening en onderhoud
BRAND- EN EXPLOSIEGEVAAR
Installeer of plaats het apparaat niet op, boven
of vlakbij ontbrandbare oppervlakken.
Het apparaat niet in de buurt van brandbare
stoffen installeren.
Overbelast de bedrading van het gebouw niet- controleer of het
voedingsnet sterk genoeg is, goed beschermd is en dit apparaat
aan kan.
VALLENDE APPARATUUR kan letsel
veroorzaken.
Til het systeem alleen aan het hijsoog en aan
goed geïnstalleerde toebehoren op, NIET aan
de gascilinders. Het maximale hefvermogen
van het hijsoog niet overschrijden (zie: Techni-
sche gegevens).
Hijs en verplaats het apparaat alleen met de daarvoor geschikte
werktuigen en/of middelen en de daarvoor geldende procedures.
Als u hefvorken gebruikt om het apparaat te verplaatsen, zorg er
dan voor dat de vorken zo lang zijn, dat ze aan de andere kant on-
der het apparaat uitsteken.
Let er bij het werken in de open lucht op dat kabels en snoeren niet
in aanraking kunnen komen met rijdende voertuigen.
Volg bij het handmatig optillen van zware onderdelen of apparatuur
de Amerikaanse ARBO−richtlijn getiteld Applications Manual for
the Revised NIOSH Lifting Equation (Publication No. 94–110).
OVERVERHITTING kan schade aan
de motor veroorzaken.
Zet de installatie uit of koppel hem los voordat u
de machine aan- of uitzet.
Pas op: een laag voltage en lage frequentie veroorzaakt door la-
ge snelheid van de motor kunnen elektrische motoren beschadi-
gen.
Sluit geen 50 of 60 Hertz motoren aan op een 100 Hertz contact-
doos.
RONDVLIEGENDE LASSPATTEN
kunnen letsel veroorzaken.
Draag gezichtsbescherming voor ogen en ge-
zicht te beschermen.
Slijp de wolfraam elektrode alleen met een slijper die voorzien is
van de juiste beschermkast en die op een veilige locatie staat.
Draag tijdens het slijpen de nodige gezichts-, hand- en lichaams-
bescherming.
Vonken kunnen brand veroorzaken − brandbare stoffen uit de
buurt houden.
BEWEGENDE ONDERDELEN kunnen
letsel veroorzaken.
Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen
Blijf uit de buurt van afknijppunten zoals aan-
drijfrollen.
LASDRAAD kan letsel veroorzaken.
Bedien de toortsschakelaar pas als u de aan-
wijzing krijgt om dat te doen.
Richt het pistool niet op enig lichaamsdeel, an-
dere mensen of op enig materiaal als de draad
wordt ingevoerd.
TE LANGDURIG GEBRUIK kan leiden
tot OVERVERHITTING.
Laat het apparaat goed afkoelen; houd u aan
de nominale inschakelduur.
Verminder de stroomsterkte of de inschakel-
duur voordat u opnieuw begint met lassen.
Blokkeer of filter de luchtaanvoer naar het apparaat niet.
STATISCHE ELEKTRICITEIT (ESD) kan
PC-printplaten beschadigen.
Doe een geaarde polsband om VOORDAT u
printplaten of onderdelen aanraakt.
Gebruik goede, antistatische zakken of dozen
voor het opslaan, verplaatsen of verschepen
van PC-printplaten.
OM-4421 Pagina 7
HET SCHUIN ZETTEN VAN DE
TRAILER kan verwondingen
veroorzaken.
Gebruik stutten of blokken om het gewicht te
ondersteunen.
Installeer het lasaggregaat goed op de trailer
volgens de bijbehorende instructies.
LEES DE INSTRUCTIES.
Lees nauwkeurig de gebruikershandleiding en
alle waarschuwingslabels, voordat u de
machine installeert, gebruikt of er onderhoud
aan pleegt, en volg de aanwijzingen steeds op.
Lees de veiligheidsinformatie aan het begin
van de handleiding en in elk hoofdstuk.
De motor stoppen en de luchtdruk aflaten vooraleer onderhoud
te verrichten.
Gebruik alleen originele vervangingsonderdelen van de fabri-
kant.
H.F.-straling kan interferentie veroor-
zaken.
Hoogfrequente (H.F.) straling kan interferentie
veroorzaken bij radionavigatie, veiligheids-
diensten, computers en communicatie appara-
tuur.
Laat alleen bevoegde personen die bekend zijn met elektronische
apparatuur deze installatie uitvoeren.
De gebruiker is verantwoordelijk voor onmiddellijk herstel door
een bevoegd elektricien bij interferentieproblemen als gevolg van
de installatie.
Als u van overheidswege klachten krijgt over interferentie, stop
dan onmiddellijk met het gebruik van de apparatuur.
Laat de installatie regelmatig nakijken en onderhouden.
Houd deuren en panelen van hoogfrequentiebronnen stevig dicht,
houd de elektrodeafstand op de juiste instelling en zorg voor aar-
ding en afscherming om de mogelijkheid van interferentie tot een
minimum te beperken.
BOOGLASSEN kan interferentie ver-
oorzaken.
Elektromagnetische energie kan interferentie
veroorzaken bij gevoelige elektronische appa-
ratuur zoals microprocessors computers en
computer- gestuurde apparatuur zoals robots.
Zorg ervoor dat alle apparatuur in het lasgebied elektromagnetisch
compatibel is.
Om mogelijke interferentie te verminderen moet u de laskabels zo
kort mogelijk houden, dicht bij elkaar en laag, bijvoorbeeld op de
vloer.
Voer de laswerkzaamheden uit op 100 meter afstand van gevoeli-
ge elektronische apparatuur.
Zorg ervoor dat dit lasapparaat conform de aanwijzingen in deze
handleiding wordt geïnstalleerd en geaard.
Als er dan nog steeds interferentie optreedt, dient de gebruiker ex-
tra maatregelen te nemen, zoals verplaatsing van het lasapparaat,
gebruik van afgeschermde kabels, gebruik van lijnfilters of af-
scherming van het werkterrein.
1-7. Californië-voorstel 65, waarschuwingen
Las- en snijapparatuur produceert dampen of gassen die che-
micaliën bevatten waarvan het de Staat Californië bekend is
dat ze geboorteafwijkingen en, in sommige gevallen, kanker
veroorzaken. (California Health & Safety Code, sectie 25249.5
en volgend.)
Accupolen, -klemmen en soortgelijke accessoires bevatten
lood en loodverbindingen, chemicaliën waarvan het de Staat
Califorrnië bekend is dat ze kanker en geboorteafwijkingen of
andere voortplantingsproblemen veroorzaken. Was uw
handen na aanraking.
Dit product bevat chemicaliën, waaronder lood waarvan het
de Staat Californië bekend is dat het kanker, geboorteafwi-
jkingen of andere voortplantingsproblemen veroorzaakt.
Was na gebruik uw handen.
Benzinemotoren:
Uitlaatgassen van motoren bevatten chemicaliën waarvan
het de Staat Califorrnië bekend is dat ze kanker, geboorteaf-
wijkingen of andere voortplantingsproblemen veroorzaken.
Dieselmotoren:
Van uitlaatgassen van dieselmotoren en bepaalde bestand-
delen ervan is het de Staat Califorrnië bekend dat ze kanker,
geboorteafwijkingen en andere voortplantings problemen
veroorzaken.
OM-4421 Pagina 8
1-8. Belangrijkste Veiligheidsvoorschriften
Safety in Welding, Cutting, and Allied Processes, ANSI Standard Z49.1,
from Global Engineering Documents (phone: 1-877-413-5184, website:
www.global.ihs.com).
Safe Practices for the Preparation of Containers and Piping for Welding
and Cutting, American Welding Society Standard AWS F4.1, from Glob-
al Engineering Documents (phone: 1-877-413-5184, website:
www.global.ihs.com).
National Electrical Code, NFPA Standard 70, from National Fire Protec-
tion Association, Quincy, MA 02269 (phone: 1-800-344-3555, website:
www.nfpa.org and www. sparky.org).
Safe Handling of Compressed Gases in Cylinders, CGA Pamphlet P-1,
from Compressed Gas Association, 4221 Walney Road, 5th Floor,
Chantilly, VA 20151 (phone: 703-788-2700, website:www.cganet.com).
Safety in Welding, Cutting, and Allied Processes, CSA Standard
W117.2, from Canadian Standards Association, Standards Sales, 5060
Spectrum Way, Suite 100, Ontario, Canada L4W 5NS (phone:
800-463-6727, website: www.csa-international.org).
Battery Chargers, CSA Standard C22.2 NO 107.2−01, from Canadian
Standards Association, Standards Sales, 5060 Spectrum Way, Suite
100, Ontario, Canada L4W 5NS (phone: 800-463-6727, website:
www.csa-international.org).
Safe Practice For Occupational And Educational Eye And Face Protec-
tion, ANSI Standard Z87.1, from American National Standards Institute,
25 West 43rd Street, New York, NY 10036 (phone: 212-642-4900, web-
site: www.ansi.org).
Standard for Fire Prevention During Welding, Cutting, and Other Hot
Work, NFPA Standard 51B, from National Fire Protection Association,
Quincy, MA 02269 (phone: 1-800-344-3555, website: www.nfpa.org.
For Standards about hydraulic systems, contact the National Fluid
Power Association, Publications Department, 3333 North Mayfair
Road, Suite 211, Milwaukee, WI 53222-3219 (phone: (414) 778-3344,
website: www.nfpa.com).
OSHA, Occupational Safety and Health Standards for General Indus-
try, Title 29, Code of Federal Regulations (CFR), Part 1910, Subpart Q,
and Part 1926, Subpart J, from U.S. Government Printing Office, Super-
intendent of Documents, P.O. Box 371954, Pittsburgh, PA 15250-7954
(phone: 1-866-512-1800) (there are 10 OSHA Regional Offices—
phone for Region 5, Chicago, is 312-353-2220, website:
www.osha.gov).
U.S. Consumer Product Safety Commission (CPSC), 4330 East West
Highway, Bethesda, MD 20814 (phone: 301-504-7923, website:
www.cpsc.gov).
Applications Manual for the Revised NIOSH Lifting Equation, The Na-
tional Institute for Occupational Safety and Health (NIOSH), 1600
Clifton Rd, Atlanta, GA 30333 (phone: 1-800-232-4636, website:
www.cdc.gov/NIOSH).
1-9. Informatie over elektrische en magnetische velden (EMV −informatie)
Elektrische stroom die door een draad stroomt veroorzaakt plaatselijk
elektrische en magnetische velden (EMV). Lasstroom veroorzaakt een
elektromagnetischveld rond de lasstroomkring en de lasapparatuur.
Elektromagnetischevelden kunnen interferentie veroorzaken bij
bepaalde medische implantaten zoals pacemakers. Voor personen die
medische implantaten hebben moeten beschermende maatregelen
worden genomen, bijv. toegangsbeperking voor passanten of een
risicoanalyse voor iedere afzonderlijke lasser. Alle lassers moeten de
volgende procedures naleven om zo blootstelling aan
elektro−magnetischevelden van de lasstroomkring tot een minimum te
beperken:
1. Houd kabels dicht bij elkaar door ze in elkaar te twisten of vast te
plakken of gebruik kabelbescherming.
2. Kom niet met uw lichaam tussen de laskabels. Leg de kabel aan
één kant en weg van de gebruiker.
3. Rol of hang de kabels niet rond of op uw lichaam.
4. Houd hoofd en romp zo ver mogelijk verwijderd van de
apparatuur in de lasstroomkring.
5. Monteer de massaklem aan het werkstuk zo dicht mogelijk bij de
las.
6. Niet direct naast de lasstroombron werken, er niet op gaan zitten
en er niet op leunen.
7. Niet lassen terwijl u de lasstroombron of het
draadaanvoersysteem draagt.
Over geïmplanteerde medische apparatuur:
Mensen die een geïmplanteerd medisch apparaat dragen, moeten hun
arts en de fabrikant van het apparaat raadplegen voordat ze in de buurt
komen van werkzaamheden met booglassen, puntlassen, gutsen, pla-
smaboogsnijden of inductieverhitting. Bij toestemming van de arts
wordt geadviseerd om bovenstaande procedures te volgen.
OM−4421 Pagina 9
SECTIE 2 − DEFINITIES
2-1. Definities waarschuwingslabel (voor labels zonder tekst)
3/96
1 De lasgroep uit de verpakking
halen. De handleiding uit
de lasgroep halen. Lees de
instructies voor het plaatsen
van de uitlaatdemper.
2 Lees de handleiding en
de labels op de lasgroep.
3 Alleen diesel brandstof
gebruiken voor het vullen
van het brandstofreservoir.
Laat voldoende ruimte voor
uitzetting van de brandstof.
4 Waarschuwing! Pas op! Kans
op gevaar (zie de symbolen).
Lees de handleiding. Volg de
instructies voor het in gebruik
nemen van de accu.
5 Het oliepeil nakijken.
Olie bijvoegen indien nodig.
6 Gedurende de eerste 50 uren
het lasaggregaat belasten met
meer dan 200A. Niet lassen
onder 200A.
7 Na de eerste 50 werkuren,
de olie en oliefilter vervangen.
+
2
1
+
4
DIESEL
API CD−MIL L 2104D,
CD/SE, CD/SF
3
S-177 571
0 − 50 u std.
0 − 200A
200A
5
50 u std.
200A 0 − 200A
Aantekeningen
Werk als een
professional!
Professionals
lassen en
snijden veilig.
Lees de
veiligheidsreg
els aan het
begin van deze
handleiding.
OM−4421 Pagina 10
2-2. Symbolen en definities
Bepaalde symbolen worden alleen aangetroffen op exportproducten.
Stop de motor
Snel (draaien,
lassen/
ingeschakeld)
Langzaam
(stationair)
Start de motor
Starthulp Accu (motor) Motoroliedruk Olie
Controleer
injectoren/pomp
Controleer
de klepspeling
Brandstof
Beschermende
aarde (massa)
Positief Negatief Bevoegde monteur Lasboog
A
Ampère
V
Volt Paneel/ter plekke Van op afstand
Motor
Luchttemperatuur
of
motortemperatuur
Uitgangsspanning Wisselstroom
Beklede−elektrodel
assen (SMAW)
Constante stroom
(CC)
MIG
(GMAW)−lassen
TIG
Tijd
h
Uren
s
Seconden
1
Monofase
3
Driefasen Lees de instructies Circuitbeveiliging
Niet veranderen
tijdens het lassen
Elektrodeaan-
sluiting
Werkaansluiting
3
G
Motoraangedreven,
driefasenwissel-
stroomdynamo
met gelijkrichter
Hz
Hertz
X
Inschakelduur
U
0
Nominale
nullastspanning
(gemiddeld)
U
2
Conventionele
belastingsspanning
n
Nominale
belastingsnelheid
n
1
Nominaal stationair
n
0
Nominale
nullastsnelheid
I
Stroom
I
2
Nominale
lasstroom
Contactor aan
OM−4421 Pagina 11
SECTIE 3 − TECHNISCHE GEGEVENS
3-1. Belangrijke informatie betreffende CE-producten (voor verkoop binnen de EU)
! Deze apparatuur mag niet worden gebruikt door het algemene publiek aangezien de EMV-grenzen voor het algemene publiek
mogelijk kunnen worden overschreden tijdens het lassen.
Deze apparatuur is gebouwd conform EN 60974−1 en is louter bedoeld voor beroepsmatig gebruik (waar het algemene publiek geen toegang
heeft of waar toegang zodanig is geregeld dat deze gelijk is aan beroepsmatig gebruik) en alleen door een deskundig gebruiker of iemand die
hiertoe is opgeleid.
Draadaanvoersystemen en aanvullende apparatuur (zoals toortsen, vloeistofkoelsystemen en lasboog− en stabilisatieapparatuur) die onderdeel
uitmaken van het lascircuit mogen geen belangrijke bijdrage leveren aan het EMV. Zie de gebruikershandleidingen van alle onderdelen van de
lasstroomkring voor meer informatie over EMV-blootstelling.
De meting van de EMV voor deze apparatuur vond plaats op een afstand van 0,5 meter.
Op een afstand van 1 meter waren de waarden van de EMV-blootstelling minder dan 20% van de toegestane waarden.
3-2. Lasvermogen, voedings− en motorgegevens
Las-
procédé
Bereik van de
lasuitgangs-
spanning
Nominale
uitgangsspanning
Maximale
open
spanning
Nominaal
uitgangsvermogen
aggregaat
Motor
Inhoud
brand-
stoftank
CC/DC
55 − 500 A
(CC−modellen)
15 − 500 A
(CC/CV−modellen)
Exportmodellen:
300 A, 32 Volt DC,
100% inschakelduur
430A, 37 Volt DC, 60%
inschakelduur
300 A, 29 Volt DC
(CV), 100%
inschakelduur
430 A, 36 Volt DC
(CV), 60%
inschakelduur
Overige modellen:
400 A, 36 Volt DC,
100% inschakelduur
450A, 38 Volt DC, 60%
inschakelduur
500 A, 30 Volt DC
(CC), 34 Volt DC (CV)
,
40% inschakelduur
95
Standaard
Monofase, 4 kVA/kW, 34/17
A, 120/240 V AC, 50/60 Hz
Driefasenaggregaat, optie
*
Monofase/driefasen,
12/15 kVA/kW, 50/36A,
120/240 V/AC, 60 Hz
*Extra, naast het standaard
4VA/kW
aggregaatvermogen
Watergekoelde
viercilinder Perkins
404D−22, 32,6 pk
dieselmotor
Perkins
25 gal
(95 liter)
CV/DC
(alleen
CC/CV−
modellen)
14 − 40 V
56
OM−4421 Pagina 12
3-3. Afmetingen, massa’s en toegelaten hellingshoeken
Afmetingen
D
B
A
F
E
H
G
C
20°
20°
30°
30°
! Overschrijd de hoeken niet als
het aggregaat aanstaat met het oog
op motorbeschadigingen en omvallen.
! Verplaats het apparaat niet naar
en gebruik het niet op plaatsen waar
het kan omvallen.
802 161−A
Hoogte
60 in (1524 mm)
(tot de bovenzijde van
de geluiddemper)
Breedte
28−1/2 in (724 mm)
(montagesteunen
ingeklapt)
30−3/4 in (781 mm)
(montagesteunen
uitgeklapt)
Lengte 65−1/8 in (1654 mm)
A 65−1/8 in (1654 mm)
B* 56 in (1422 mm)
C* 46−1/2 in (1181)
D* 9−5/8 in (244 mm)
E 27−1/2 in (699 mm)
F 1 in (25 mm)
G 29−13/16 in (757 mm)
H
9/16 in (14 mm) diameter
4 gaten
* Als de montagesteunen in de
middelste stand staan verschillen
de afmetingen afhankelijk van de
locatie van de montagesteunen.
Gewicht
met
Perkins
404−22
Zonder brandstof:
1600 lb (726 kg)
Met brandstof:
1775 lb (805 kg)
Gewichtsbelasting hijsoog:
Maximaal 2500 lb (1134 kg)
3-4. Stroom−spanning grafieklijnen voor CC−modellen
215 081−A
De stroom−spanning grafieklijn
geeft de minimaal en de maximaal
mogelijke uitgangsspanning en
−stroom aan van het lasapparaat.
De grafieklijnen van alle andere
instellingen vallen tussen de
aangegeven krommen.
100
80
60
40
20
0
0 100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
Bereik:
230 − Max
170 − 365
110 − 225
70 − 130
55 − 85
DC VOLT
DC AMPERES
OM−4421 Pagina 13
3-5. Stroom−spanning grafieklijnen voor CC/CV−modellen
215 080−A / 215 083−A / 215 079−A
De stroom−spanning grafieklijnen
geven de minimaal en de maximaal
mogelijke uitgangsspanning en
−stroom aan van het lasapparaat.
De grafieklijnen van alle andere
instellingen vallen tussen de
aangegeven krommen.
A. Beklede Elektrodelassen
B. MIG
C. TIG
DC VOLT
DC AMPERES
DC VOLT
DC AMPERES
DC VOLT
DC AMPERES
100
80
60
40
20
0
0 100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
100
80
60
40
20
0
0 100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
MAX
MIN
100
80
60
40
20
0
0 100 200 300 400 500
BEREIK:
MAX
155 − 450
115 − 320
75 − 195
40 − 90
BEREIK:
60 − 365
35 − 250
25 − 155
15 − 75
OM−4421 Pagina 14
3-6. Brandstofverbruik
De kromme laat het karakteristieke
brandstofverbruik onder las− of
stroombelasting zien.
199 032−A
DC LASAMPERES BIJ EEN 100% INSCHAKELDUUR
V.S. GAL./UUR
0 50 100 150 200 250 300 350 400 450 500
0.00
0.25
0.50
0.75
1.00
1.25
1.50
1.75
2.00
2.25
2.50
STATIONAIR
Ononderbroken lassen
3-7. Inschakelduur en oververhitting
De inschakelduur is het percentage
van 10 minuten dat het apparaat
kan lassen op nominale belasting
zonder oververhit te raken.
OPGELET − Het overschrijden van
de inschakelduur kan het apparaat
beschadigen en de garantie vervalt
dan.
100% Inschakelduur bij 400 ampère
215 084−A
LASAMPERES
% INSCHAKELDUUR
OM−4421 Pagina 15
3-8. Vermogenkarakteristiek AC aggregaat
193 018
De AC vermogenkarakteristiek geeft
het beschikbare aggregaatvermogen
in Ampères aan bij de 120− of 240−volt
aansluitingen.
0
50
100
150
200
250
300
0 5 10 15 20 25 30
AC AMPERE IN 240V STAND
AC VOLT
0
25
50
75
100
150
125
0102030405060
AC AMPERE IN 120V STAND
3-9. Karakteristieken van optionele driefasenaggregaat
215 086−A / 215 087−A
De AC−stroominstallatiekarakteristieken
geven het beschikbare aggregaatvermogen
in ampères aan bij de monofase
120/240−volt aansluiting of de driefasen
240−volt klemmen.
A. 12 kVA/kW monofase AC uitgangsvermogen
(geen lasbelasting)
B. 15 kVA/kW driefasen AC uitgangsvermogen (geen lasbelasting)
AC VOLTAC VOLT
AC AMPERES
AC AMPERES
280
260
240
220
200
180
0102030405060708090100
010203040506070
280
260
240
220
200
180
OM−4421 Pagina 16
SECTIE 4 − INSTALLATIE
4-1. Locatie van typeplaatje met serienummer en aansluitgegevens
Het serienummer en de aansluitgegevens zijn bij dit product aan de voorzijde te vinden. Op het typeplaatje kunt u de elektrische spanning en het
vermogen aflezen dat de apparatuur nodig heeft, en welk vermogen het kan leveren. Wij raden aan het serienummer te noteren op de achterzijde van
deze handleiding, in het daarvoor bestemde vak, zodat u dit nummer altijd bij de hand hebt als u het in de toekomst nodig hebt.
! Verplaats het apparaat niet
naar en gebruik het niet op
plaatsen waar het kan
omvallen.
! Bevestig de lasaggregaat
altijd stevig op het
transportvoertuig of de trailer
en voldoe aan alle veiligheids−
en andere ter plekke geldende
voorschriften.
OPGELET − Het systeem niet
installeren op plaatsen waar de
luchtstroming beperkt is of de motor
kan oververhitten.
Zie Hoofdstuk 3-3 voor
de maximale belasting van
het hijsoog.
Zie Hoofdstuk 4-3 voor
montage−informatie.
Installeer 3 2008−01 − Ref. 800 652 / Ref. 800 477−A / 803 274 / 804 712
18 inch
(460 mm)
18 inch
(460 mm)
18 inch
(460 mm)
18 inch
(460 mm)
18 inch
(460 mm)
Verplaatsing
4-2. Het installeren van het lasaggregaat
OF OF
OF
Locatie/luchtstroomruimte
OF
OM−4421 Pagina 17
4-3. De lasaggregaat monteren
Benodigde gereedschappen:
9/16 inch
2
2
4
Lasapparaat op zijn plaats
Bouteenheid op zijn plaats
! Niet op het onderstel lassen.
Wanneer u op het onderstel
last, kan de brandstoftank
gaan branden of exploderen.
Alleen op de vier steunen
lassen of de lasgroep met
bouten vastzetten.
OPGELET − Het systeem niet
zodanig monteren dat de onderkant
alleen steunt op de vier
montagesteunen. Maak gebruik
van dwars steunen om het systeem
adequaat te ondersteunen
en schade aan de onderkant
te voorkomen.
Montageoppervlak:
1 Dwars steunen
2 Montagesteunen
(meegeleverd)
Installeer het systeem op een
vlakke ondergrond met
dwarssteunen om de onderkant
te ondersteunen. Zet het systeem
vast met de montagesteunen.
3 12 mm bout en ring
(minimum − niet meegeleverd)
4 3/8−16 x 1 inch schroeven
(meegeleverd)
De lasgroep met bouten
vastzetten:
Verwijder het bevestigingsmateriaal
waarmee de vier steunen op het
onderstel vastzitten. Draai de
steunen om en zet ze weer vast aan
het onderstel met het oorspronkelijke
bevestigingsmateriaal.
Zet de lasgroep op de truck of
op de aanhangwagen met bevesti-
gingsmateriaal van 1/2 inch
(12 mm) of groter (niet meegeleverd).
De lasgroep op zijn plaats
vastlassen:
Las de lasgroep alleen bij de vier
steunen op de truck of de trailer
vast.
1
2
Het systeem ondersteunen
Met behulp van montagesteunen
instaleer l3 2008−−01 803 274 / 200 864−A / 803 231
1
OF
3
OM−4421 Pagina 18
! Het frame van het lasaggregaa
t
altijd aarden op het frame van de
wagen om elektrische schokken en
gevaren van statische elektricitei
t
te voorkomen.
! Zie ook informatiefolder 29 van
de AWS betreffende veiligheid
en gezondheid: het aarden van
draagbare en op wagens geïnstal
-
leerde lasaggregaten.
! Ondervoeringen, transportblokken
en bepaalde wielonderstellen
isoleren het lasaggregaat van he
t
chassis van de wagen. Sluit altijd
een massadraad aan vanaf massa−
aansluiting van het aggregaat naar
blootgemaakt metaal van het chassis
van de wagen zoals op de afbeelding
te zien is.
! Als de lasgroep niet uitgerust is me
t
een lekstroomschakelaar (GFCI)
,
gebruik dan een lekstroombeveiligde
verlengkabel.
1 Massaklem voor aarding van
apparatuur (op voorpaneel)
2 Massakabel (niet meegeleverd)
3 Metalen frame van wagen
Sluit de massakabel van de apparatuu
r
aan op het metalen chassis van de wagen
.
Gebruik hiervoor een geïsoleerde koperen
draad van 10 mm
2
of dikker.
Aard het frame van het lasaggregaa
t
met het onderstel of de wagen
via metaal−op−metaal contact.
4
-4. Het aggregaat aarden op het chassis van een vrachtwagen of aanhanger
rot_grnd 2008−01 − 800 652−D
1
3
2
GND/ PE
4-5. Het hefoog gebruiken
Lift1 2008−01 804 712
1 Hefoog
2 Stelmoer
3 Draagbout
Zet het hefoog omhoog tot het op
zijn plaats vast klikt. Zet het hefoog
omlaag als u het niet nodig hebt.
Om het hefoog in de opstaande
stand vast te zetten moet u een
3/8−16 x 1−1/2 inch draagbout door
de gleuf in de steun steken en hem
vastzetten met een bout (bout en
moer niet meegeleverd).
Benodigde gereedschappen:
2
1
3
OM−4421 Pagina 19
4-6. De uitlaatpijp installeren
1/2 inch
Benodigde gereedschappen:
Uitlaat1 2008−01 Ref. 803 604 / Ref. 236 972
! Stop motor en laat deze
afkoelen.
Richt de uitlaatpijp in de gewenste
richting, maar altijd weg van het
voorpaneel en de rijrichting.
Aantekeningen
Meer dan 80.000
opgeleid sinds 1930!
400 Trade Square East, Troy, Ohio 45373
1−800−332−9448 www.welding.org
Begin nu een carrière als
professioneel lasser!
OM−4421 Pagina 20
4-7. Het opladen van de lege accu (indien van toepassing)
! Draag altijd gezichtsbescherming,
rubberen handschoenen en
beschermende kleding als u aan
een accu werkt.
Haal de accu uit het apparaat.
1 Ventilatiekappen
2 Zwavelzuur−elektrolyt
(soortelijk gewicht 1,265)
3 Opvangbak
Vul elke cel met elektrolyt tot aan de
bodem van de vulopening (maximum).
! Doe niet te veel elektrolyt in de
accucellen.
Wacht tien minuten en controleer het
elektrolytpeil. Voeg eventueel elektrolyt
toe als de juiste hoogte nog niet bereikt
is. Doe de afsluitplaatjes weer op de
vulopeningen.
4 Acculader
! Lees en volg alle veiligheidsin-
structies die bij de acculader
worden geleverd.
5 5 Ampère voor een oplaadtijd van
30 minuten
6 30 Ampère voor een oplaadtijd
van 12 minuten
Laad de accu op. Ontkoppel de
oplaadkabels en installeer de accu.
Als er weinig elektrolyt in de accu
zit, voeg dan gedistilleerd water toe
aan de cellen om het juiste peil
te handhaven.
1
Benodigde
gereedschappen:
2
4
+
3
drybatt1 2008−01 − S−0886
5
6
30 A
5 A
4-8. De accu aansluiten
1/2 inch
+
Benodigde
gereedschappen:
! Sluit de negatieve (−) accukabel
als laatste aan.
Plaats het deksel weer nadat
de accu is aangesloten.
Conn_batt1 2008−02 802 168−E / Ref. 202 705 / 802 313 / S−0756−C
OM−4421 Pagina 21
4-9. Controlelijst voor het starten van de motor
Controleer alle motorvloeistoffen
elke dag.
De motor moet koud zijn en op een vlakke
ondergrond staan.
Het automatische afsluitsysteem stopt
de motor als de oliedruk te laag wordt of als
de temperatuur van de koelvloeistof te hoog is.
Deze lasgroep heeft een
afsluitschakelaar voor lage oliedruk.
Sommige omstandigheden kunnen
echter motorschade veroorzaken voordat
de motor afslaat. Controleer het oliepeil
vaak en gebruik het afsluitsysteem voor
de oliedruk niet om het oliepeil
te controleren.
Volg de opwarmloopprocedure zoals
aangegeven in de handleiding van de motor.
Als er zich onverbrande brandstof en olie
verzamelt in de uitlaatpijp tijdens het inlopen,
zie dan Sectie 10.
Brandstof
OPGELET − Gebruik geen benzine, de motor
zou beschadigd worden.
De machine wordt geleverd af fabriek met
voldoende brandstof om te voorkomen dat
er lucht in het brandstofsysteem komt. Vul
de tank met diesel voordat u het apparaat start
(zie het motoronderhoudslabel voor de
brandstofspecificaties). Laat de vulbuis vrij om
ruimte over te laten voor uitzetting.
De motor slaat af als het brandstofpeil laag is.
Olie
Kijk na het vullen van de brandstoftank het
oliepeil na met de lasgroep op een vlakke
ondergrond. Als het oliepeil niet overeenstemt
met de maximale merkstip, vul dan bij (zie het
onderhoudslabel).
Koelvloeistof
Controleer het peil van de koelvloeistof in de
radiator voordat u de lasgroep voor het eerst
start. Zonodig koelvloeistof bijvullen in de
radiator tot de koelvloeistof tot onder in de hals
van de vuller staat.
Controleer het peil van de koelvloeistof in de
tank dagelijks. Zonodig koelvloeistof bijvullen
in de tank tot de koelvloeistof tussen de
peilstrepen Cold Full en Hot Full staat. Als het
peil in de tank laag was, controleer dan ook het
peil van de koelvloeistof in de radiator.
Koelvloeistof bijvullen als het peil onder
de hals van de radiatorvuller staat.
De machine wordt geleverd af fabriek met
motorkoelvloeistof, dit is een mengsel van
water en een antivriesmiddel op basis van
ethyleenglycol die geschikt is voor
temperaturen tot −34° F (37° C). Voeg
antivries toe aan het mengsel als de machine
wordt gebruikt bij temperaturen onder −34° F
(−37° C).
Houd de radiator en de luchtinlaat schoon en
vrij van vuil.
OPGELET Een verkeerde motortempera-
tuur kan de motor beschadigen. Laat de motor
niet draaien zonder een goed functionerende
thermostaat en radiatordop.
Voor het makkelijker starten bij koud
weer:
Gebruik de starthulpschakelaar (zie
Sectie 5-1 of 6-1).
De accu in goede staat in een warme
ruimte opslaan.
Gebruik brandstof bestemd voor koud
weer (diesel kan verdikken onder koude
temperatuur). Neem contact met uw
lokale brandstofleverancier voor meer
informatie.
Gebruik de juiste motorolie voor koud
weer (zie Sectie 8-1).
Vol
803 603
Full
Inhoud: 404.22
Motor: 9.5 qt (9,01L)
Diesel
Vol
Hot Full
Cold Full
Controleer het peil van de
koelvloeistof in de radiator
als het peil in de tank laag.
is.
Koelvloeistoftank
OM−4421 Pagina 22
4-10. Aansluiten op de lasuitgangen
803 602 / 803 778−B
Benodigde
gereedschappen:
2
3/4 inch
1
MIG−lassen en lassen met gevulde draad
Voor MIG en gevulde draad gelijkstroomlassen
met Elektrode Positief (DCEP) op
CC/CV−modellen moet u de draadaanvoerkabel
aansluiten op de positieve (+) klem links en de
werkkabel op de negatieve (−) klem rechts.
Gebruik de Proces/Contactor−schakelaar om
het type lasuitgangsspanning te kiezen
(zie Sectie 6-3).
Voor het gelijkstroomlassen met Elektrode
Negatief (DCEN), de aansluitklemmen
omwisselen.
Als het apparaat is uitgerust met een optionele
polariteitschakelaar of een optionele
polariteit−/AC−schakelaar, moet u de kabel
van de draadaanvoerunit (+) aansluiten op
de elektrodeklem links en de werkstukkabel
op de werkstukklem (−) rechts.
6
4
5
3
! Stop de motor.
! Als u de laskabels niet goed aansluit,
kan dat uitzonderlijk sterke verhitting
en brand veroorzaken of uw machine
beschadigen.
Niets tussen de laskabelklem en het
kopergedeelte plaatsen. Zorg dat het
oppervlak van zowel de laskabelklem als
het kopergedeelte schoon is.
1 Correcte aansluiting laskabel
2 Onjuiste aansluiting laskabel
3 Klem lasuitgangsspanning
4 Meegeleverde moer voor de
aansluitklem voor de laskabel
5 Laskabelklem
6 Koperen staaf
Verwijder de meegeleverde moer van de
lasuitgangsklem. Schuif de laskabelschoen
op de lasuitgangsklem en zet hem vast met de
moer zodat de laskabelschoen strak tegen het
kopergedeelte aanzit.
7 Positieve (+) lasuitgang
8 Negatieve (−) lasuitgang
Beklede elektrodelassen en TIG−lassen
Voor beklede elektrodelassen en TIG−
gelijkstroomlassen met Elektrode Positief
(DCEP) moet u de elektrodekabel aansluiten
op de positieve (+) klem links en de werkkabel
op de negatieve (−) klem rechts.
Voor het gelijkstroomlassen met Elektrode
Negatief (DCEN), de aansluitklemmen
omwisselen.
Als het apparaat is uitgerust met een optionele
polariteitschakelaar of een optionele
polariteit−/AC−schakelaar, moet u de kabel
van de draadaanvoerunit (+) aansluiten op
de elektrodeklem links en de werkstukkabel
op de werkstukklem (−) rechts.
7
8
OM−4421 Pagina 23
4-11. Het formaat van de laskabel kiezen*
OPGELET − De totale kabellengte in de lasstroomkring (zie onderstaande tabel) is de lengte van beide laskabels tezamen. Als bijvoorbeeld de
stroombron 30 meter van het laswerkstuk is, dan is de totale kabellengte in de lasstroomkring 60 meter (2 kabels x 30 meter). Neem de 60m−kolom
voor het bepalen van de kabelafmetingen.
Laskabelformaat** en maximale totale lengte van de kabel (koper)
in de lasstroomkring net groter dan***
30 m of minder
150 ft
(45 m)
200 ft
(60 m)
250 ft
(70 m)
300 ft
(90 m)
350 ft
(105 m)
400 ft
(120 m)
Aansluitklemmen van
lasuitgangsspanning
! Zet de motor uit voor-
aleer de lasaansluitk-
lemmen aan te sluiten.
! Gebruik geen versleten,
beschadigde, te korte
of slecht verbonden
kabels.
Lasstroom
10 − 60%
insch-
akelduur
60 − 100%
insch-
akelduur
10 − 100% inschakelduur
100 4 (20) 4 (20) 4 (20) 3 (30) 2 (35) 1 (50) 1/0 (60) 1/0 (60)
150 3 (30) 3 (30) 2 (35) 1 (50) 1/0 (60) 2/0 (70) 3/0 (95) 3/0 (95)
200 3 (30) 2 (35) 1 (50) 1/0 (60) 2/0 (70) 3/0 (95) 4/0 (120) 4/0 (120)
250 2 (35) 1 (50) 1/0 (60) 2/0 (70) 3/0 (95) 4/0 (120)
2 stuks
2/0
(2x70)
2 stuks
2/0
(2x70)
300 1 (50) 1/0 (60) 2/0 (70) 3/0 (95) 4/0 (120)
2 stuks
2/0
(2x70)
2 stuks
3/0
(2x95)
2 stuks
3/0
(2x95)
350 1/0 (60) 2/0 (70) 3/0 (95) 4/0 (120)
2 stuks
2/0
(2x70)
2 stuks
3/0
(2x95)
2 stuks
3/0
(2x95)
2 stuks
4/0
(2x120)
400 1/0 (60) 2/0 (70) 3/0 (95) 4/0 (120)
2 stuks
2/0
(2x70)
2 stuks
3/0
(2x95)
2 stuks
4/0
(2x120)
2 stuks
4/0
(2x120)
500 2/0 (70) 3/0 (95) 4/0 (120)
2 stuks
2/0
(2x70)
2 stuks
3/0
(2x95)
2 stuks
4/0
(2x120)
3 stuks
3/0
(3x95)
3 stuks
3/0
(3x95)
*Dit schema is een algemene richtlijn en is mogelijk niet geschikt voor alle toepassingen. Als de kabels oververhit raken, gebruik dan een kabel
die één maat groter is.
**Het laskabelformaat (AWG) is gebaseerd op een spanningsval van 4 volt of minder of een stroomdichtheid van minimaal 300 mils/A.
( ) = mm
2
voor metrisch gebruik S−0007−F
***Voor afstanden die langer zijn dan de afstanden in deze gids moet u een vertegenwoordiger van de fabriek raadplegen
op telefoonnr. 920−735−4505.
OM−4421 Pagina 24
4-12. Aansluiten op afstandsbedieningstekker RC13 op CC-modellen
Ref. 154 862−A / 048 720−K / 803 602
1 Afstandsbedieningsstekker RC13.
Sluit de optionele afstandsbediening
aan op RC13 (zie Sectie 5-3).
1
4-13. Aansluiten op de 14-pin stekker RC14 op CC/CV-modellen
Ref. 803 602
OR
OP AFSTAND
14
Contact
doos*
Contactdoosinformatie
24 VOLT AC
UITGANGSVERMOGEN
(CONTACT-
SCHAKELAAR)
A 24 Volt AC, beschermd door
extra beveiliging CB5.
B Het sluiten van het contact
naar A sluit het 24 V/AC
contactorstuurcircuit.
AFSTANDSBEDIENDE
UITGANGSSPANNING
C Uitgangsspanning naar
afstandsbediening: +10 V/DC
in MIG of Beklede Elektrode;
0 tot +10 V/DC in TIG.
D Gemeenschappelijke van het
afstandsbedieningscircuit.
E Ingaand DC stuursignaal: 0 tot
+10 volt van minimum tot
maximum van de
afstandsbediening met
spanning/stroomafstelling
op maximaal.
115 VOLT AC
UITGANGSVERMOGEN
(CONTACT-
SCHAKELAAR
I
115 Volt, 10 ampère, 60 Hz AC.
Beschermd door extra
beveiliging CB6.
J
Contact maken met I geeft
spanning op het 115 volt AC
besturingscircuit.
K Gemeenschappelijk chassis.
NULLEIDER G Gemeenschappelijke aansluiting
voor 24V en 115V AC circuits.
*De overige contactdozen worden niet gebruikt.
OM−4421 Pagina 25
Aantekeningen
OM−4421 Pagina 26
SECTIE 5 − DE LASGENERATOR BEDIENEN −
CC-MODELLEN
5-1. Bedieningsfuncties op voorpaneel CC-modellen (zie Sectie 5-2)
12
236 970 / 803 602
11
2
18
9
7
6
4
5
3
10
13
OM−4421 Pagina 27
5-2. Beschrijving van bedieningsfuncties op voorpaneel CC−modellen (zie Sectie 5-1)
Bedieningsfuncties voor het starten van
de motor
1 Starthulpschakelaar
Gebruik deze schakelaar om de starthulp in
te schakelen voor het opstarten in koud weer
(zie de startinstructies hierna).
2 Motorbedieningsschakelaar
Start en stop de motor met deze schakelaar.
Starten:
OPGELET − Geen ether gebruiken.
Bij gebruik van ether vervalt de garantie.
Als de motor niet start, laat de motor dan
eerst volledig tot stilstand komen voordat
u hem weer probeert te starten.
Boven 325 F (05 C): Verdraai de
motorbesturingsschakelaar naar startstand.
Laat de motorbesturingsschakelaar los als de
motor loopt.
Onder 325 F (05 C): Druk de
starthulpschakelaar 60 seconden in. Blijf de
starthulpschakelaar ingedrukt houden en
verdraai de motorbesturingsschakelaar naar
startstand. Laat de motorbesturingsschakelaar
en de starthulpschakelaar los als de motor
loopt.
Stoppen: Draai de motorbesturingsschakelaar
op Off.
Meters en motorgegevens
3 Meter voor brandstofgebruik/uur
Gebruik de meter om de bedrijfstijd van
de motor af te lezen, voor het bepalen van
het onderhoudsmoment en de oorzaak
te bepalen wanneer de motor afslaat.
Gebruik de meter om het brandstofpeil
te controleren. De motor stopt als
het brandstofpeil laag is.
Om het brandstofpeil te controleren als de
motor niet draait, moet u de motorbesturings-
schakelaar op de bedrijfsstand zetten.
Zie Hoofdstuk NO TAG voor volledige
informatie over de brandstof/uur−meter.
4 Oliedrukmeter met motorstop (optie)
De normale druk is 30 − 60 psi (207 −
414 kPa). De motor stopt als de druk onder
10 psi (69 kPa) komt.
5 Meter voor de temperatuur van
de motorkoelvloeistof (optie)
De normale temperatuur is 180 − 203° F
(82 − 95° C). Wanneer de temperatuur boven
220° F (104° C)komt, dan stopt de motor.
Lasregelfuncties
Max. OCV−stuurcircuit: Deze lasgroep
heeft een max. OCV−stuurcircuit dat de
stroomsterkteregeling R1 weer op
maximum zet als de lasboog breekt. Als er
een boog wordt ontstoken, dan gaat de
lasuitgangsspanning weer naar de
R1−instelling op het voorpaneel of die op de
combinatie voorpaneel/afstandsbediening.
De stroomsterkteregeling past de
stroomsterkte alleen aan tijdens het lassen
en past de open spanning niet aan.
Het max. OCV−besturingscircuit wordt
uitgeschakeld als de keuzeschakelaar
Beklede Elektrode / TIG in de Start
TIG−stand staat (zie onderdeel 8).
6 Stroombereikschakelaar
OPGELET − Niet schakelen tijdens belasting.
Gebruik de schakelaar om het
lasstroombereik te kiezen. Voor de meeste
lastoepassingen moet u het laagst mogelijke
stroombereik gebruiken mede om
boogonderbreking te voorkomen.
7 Stroomsterkteregeling
Regelt de stroomsterkte binnen het bereik dat
is gekozen met de stroombereikschakelaar.
De lasuitgangsspanning is ongeveer 168
A/DC als de instellingen zijn als op de
afbeelding (50% van 110 tot 225 A).
De getallen rondom de regeling zijn
alleen ter indicatie en geven geen
werkelijk percentage weer.
8 Keuzeschakelaar Beklede Elektrode / TIG
Gebruik deze schakelaar om het max.
OCV−besturingscircuit en het Arc
Force−circuit (dig) voor Start TIG−lassen uit
te schakelen (zie de opmerking over max.
OCV−stuurcircuit onder Lasregelfuncties).
Als de schakelaar op de Beklede
Elektrode−stand staat, dan zet het max.
OCV−stuurcircuit de stroomsterkteregeling
R1 weer op maximum zet als de lasboog
breekt.
Ook in de Beklede Elektrode−stand geeft het
Arc Force−circuit (dig) voldoende stroom
tijdens lage spanningen (korte
booglengte−omstandigheden) om te
voorkomen dat elektrodes blijven “plakken”.
Als de schakelaar op de Start TIG−lassen−
stand staat, dan zijn het max.
OCV−stuurcircuit en het Arc Force−circuit
(dig) uitgeschakeld en de OCV verandert als
de regeling wordt aangepast.
9 Stroomregelingschakelaar en afstands-
bedieningsstekker
Sluit de optionele afstandsbediening aan op
RC13 (zie Sectie 4-12). Met deze schakelaar
kiest u het voorpaneel of de
afstandsgestuurde stroomregeling. Zet voor
de afstandsbediening de schakelaar op de
afstandsbedieningsstand en sluit de
afstandsbediening aan op de contactdoos
voor afstandsgestuurde stroomregeling
RC13 (zie Secties 4-12 en 5-3).
10 Polariteitschakelaar (optie)
OPGELET − Niet schakelen tijdens belasting.
Met deze schakelaar verandert u de
lasuitgangsspanning. Kies DC Elektrode
Positief (DCEP) of DC Elektrode Negatief
(DCEN).
Lasmeters
11 AC/DC voltmeter (optie)
De voltmeter toont de spanning bij de
klemmen voor de lasuitgangsspanning, maar
niet noodzakelijkerwijze die van de lasboog
vanwege de weerstand van de kabel en de
aansluitingen.
12 AC/DC ampèremeter (optie)
De ampèremeter toont de stroomsterkte
bij de uitgang van de lasgroep.
13 Accuspanningsmeter (optie)
Gebruik deze meter om de accuspanning en
het oplaadsysteem van de motor
te controleren. De motor moet ongeveer
14 V/DC aangeven als de motor draait en
ongeveer 12 V/DC als de motor wordt
uitgezet.
OM−4421 Pagina 28
5-3. Afstandsgestuurde stroomsterkteregeling op CC−modellen (optie)
1 Afstandsbedieningsstekker RC13
Sluit de optionele afstandsbediening
aan op RC13 (zie Sectie 4-12).
Een voorbeeld van een combinatie van afstandsbediening
van de stroomsterkteregeling (beklede elektrode)
De optionele
afstandsbediening afstellen
De schakelaars
instellen
Het bereik
instellen
De regeling instellen
Ref. 154 862−A / Ref. 181 711−A / 803 602
In het voorbeeld:
Bereik = 110 tot 225 A DC
Percentage van het bereik = 50%
Max = Circa 168 A DC
(50% van 110 tot 225)
Max (168 A DC)
Min (90 A DC)
1
5-4. Informatielabel lasparameters/lasboog
Stel de lasparameters in zoals
aangegeven om een zachtere
of hardere boog te krijgen
bij verschillende toepassingen.
212 944−B
OM−4421 Pagina 29
Aantekeningen
DWARDNAAD
DWARDNAAD
DWARDNAAD
DWARDNAAD
HOEKLAS
HOEKLAS
HOEKLAS
HOEKLAS
STROOK
GROEF
VERTICAALHORIZONTAAL BOVEN HET HOOFD
LASSTAND: AFVLAKKING
SOORTEN
LASSEN
Ref. AWS/ANSI D1.1
1G
1F
2G
2F
3G
3F
4G
4F
Ref. 804 248−A
OM−4421 Pagina 30
SECTIE 6 − HET LASAGGREGAAT BEDIENEN − CC/CV−MODELLEN
6-1. Bedieningsfuncties op voorpaneel CC/CV−modellen (zie Sectie 6-2)
236 971 / 803 602
2
1
9
14
7
6
4
5
8
13
OF
12
3
1011
OM−4421 Pagina 31
6-2. Beschrijving van bedieningsfuncties op voorpaneel CC/CV−modellen
(zie Sectie 6-1)
Bedieningsfuncties voor het starten van
de motor
1 Starthulpschakelaar
Gebruik deze schakelaar om de starthulp in
te schakelen voor het opstarten in koud weer
(zie de startinstructies hierna).
2 Motorbedieningsschakelaar
Gebruik deze schakelaar om de motor
te starten, het motortoerental te kiezen (als
de lasgroep een automatische stationairoptie
heeft) en de motor uit te zetten.
In de werktoerentalstand loopt de motor
op las/stroomsnelheid. In de werktoerental/
stationairstand (optie) loopt de motor
op stationairsnelheid bij nullast en
op lassnelheid bij belasting.
Starten:
OPGELET − Geen ether gebruiken.
Bij gebruik van ether vervalt de garantie.
Als de motor niet start, laat de motor dan
eerst volledig tot stilstand komen voordat
u hem weer probeert te starten.
Boven 325 F (05 C): Verdraai de
motorbesturingsschakelaar naar startstand.
Laat de motorbesturingsschakelaar los als de
motor loopt.
Onder 325 F (05 C): Druk de
starthulpschakelaar 60 seconden in. Blijf de
starthulpschakelaar ingedrukt houden en
verdraai de motorbesturingsschakelaar naar
startstand. Laat de motorbesturingsschakelaar
en de starthulpschakelaar los als de motor
loopt.
Stoppen: Draai de motorbesturingsschakelaar
op Off.
Meters en motorgegevens
3 Meter voor brandstofgebruik/uur
Gebruik de meter om de bedrijfstijd van
de motor af te lezen, voor het bepalen van
het onderhoudsmoment en de oorzaak
te bepalen wanneer de motor afslaat.
Gebruik de meter om het brandstofpeil
te controleren. De motor stopt als het
brandstofpeil laag is.
Om het brandstofpeil te controleren als
de motor niet draait, moet u de
motorbesturingsschakelaar op de werkstand
of op de werk/stationairstand zetten.
Zie Hoofdstuk NO TAG voor volledige
informatie over de brandstof/uur−meter.
4 Meter voor de temperatuur van de
motorkoelvloeistof (optie)
De normale temperatuur is 180 − 203° F
(82 − 95° C). Wanneer de temperatuur boven
220° F (104° C)komt, dan stopt de motor.
5 Oliedrukmeter met motorstop (optie)
De normale druk is 30 − 60 psi (207 −
414 kPa). De motor stopt als de druk onder
10 psi (69 kPa) komt.
Lasregelfuncties
6 Proces/contactor−schakelaar
Zie Sectie 6-3 voor informatie over
de proces/contactor−schakelaar.
7 Stroombereikschakelaar
OPGELET − Niet schakelen tijdens belasting.
Gebruik de schakelaar om het
lasstroombereik te kiezen.
Gebruik de laagste vier standen voor Beklede
Elektrode− en TIG−lassen. Lees de bovenste
set getallen bij elk bereik af voor Beklede
Elektrode−lassen en de onderste set bij elk
bereik af voor TIG−lassen.
Gebruik het hoogste bereik voor MIG−lassen
en voor snijden en gutsen (CAC−A).
Voor de meeste lastoepassingen moet u het
laagst mogelijke stroombereik gebruiken
mede om boogonderbreking te voorkomen.
8 Spanning/stroomsterkteregeling
Als de proces/contactorschakelaar op enige
stand voor Beklede Elektrode− of TIG−lassen
staat, moet u deze bedieningsfunctie gebruiken
om de stroomsterkte te regelen binnen het
bereik dat is gekozen met de
stroombereikschakelaar. Als de
proces/contactorschakelaar op enige stand
voor MIGlassen staat, moet u deze
bedieningsfunctie gebruiken om de spanning te
regelen. Als de proces/contactorschakelaar op
afstandsbedieningsstand staat, dan beperkt
deze bedieningsfunctie de stroomsterkte in de
TIG−stand, maar heeft hij geen effect in de
Beklede Elektrode− of MIG−stand.
De lasuitgangsspanning is ongeveer 218 A
DC als de instellingen zijn als op de
afbeelding (50% van 115 tot 320 A).
De getallen rondom de regeling zijn
alleen ter indicatie en geven geen
werkelijk percentage weer.
9 Spannings/stroomregelingschakelaar
en 14−pin afstandsbedieningsstekker
Met deze schakelaar kiest u het voorpaneel
of de afstandsbediening. Zet voor de
afstandsbediening de schakelaar op de
afstandsbedieningsstand en sluit de
afstandsbediening aan op RC14 (zie Secties
4-13 en 6-4).
10 Polariteitschakelaar (optie)
OPGELET − Niet schakelen tijdens belasting.
Met de polariteitsschakelaar verandert u de
lasuitgangsspanning. Kies DC Elektrode
Positief (DCEP) of DC Elektrode Negatief
(DCEN).
11 Polariteit−/AC−schakelaar (optie)
! Een elektrische schok kan dodelijk
zijn.
! Gebruik geen wissel− (AC)
uitgangsspanning in een vochtige
omgeving als u beperkte
bewegingsvrijheid hebt of als het
gevaar bestaat dat u kunt vallen.
! ALLEEN wissel− (AC)
uitgangsspanning gebruiken als deze
nodig is voor het lasproces. Als er
wisselstroom nodig is, gebruik dan de
afstandsbediening als deze op de
machine zit.
OPGELET − Niet schakelen tijdens belasting.
Kies met de polariteit−/AC−schakelaar wissel−
(AC) gelijkstroom (DC) uitgangsspanning
voor het lassen. Verdraai de schakelaar voor
DC Elektrode Negatief (DCEN) naar de
negatieve (−) stand; verdraai de schakelaar
voor DC Elektrode Positief (DCEP) naar de
positieve (+) stand. Gebruik de AC stand voor
lasprocessen waarvoor wisselstroom (AC)
nodig is.
Lasmeters
12 AC/DC voltmeter (optie)
De voltmeter toont de spanning bij de
klemmen voor de lasuitgangsspanning, maar
niet noodzakelijkerwijze die van de lasboog
vanwege de weerstand van de kabel en de
aansluitingen.
13 AC/DC ampèremeter (optie)
De ampèremeter toont de stroomsterkte
bij de uitgang van de lasgroep.
14 Accuspanningsmeter (optie)
Gebruik deze meter om de accuspanning en
het oplaadsysteem van de motor
te controleren. De motor moet ongeveer
14 V/DC aangeven als de motor draait en
ongeveer 12 V/DC als de motor wordt
uitgezet.
OM−4421 Pagina 32
6-3. Proces/Contactorschakelaar op CC/CV−modellen
1 Proces/contactor−schakelaar
! De aansluitklemmen komen
onder spanning te staan als de
Proces/Contactorschakelaar op
de stand Lasklemmen altijd Aan
staat en de motor loopt.
! Er staat nog steeds DC−spanning
op de lasklemmen als de proces/
contactorschakelaar op
de− beklede elektrode
staat en de motor loopt.
Gebruik deze schakelaar om het
lasproces en de aan/uit−regeling van de
lasuitgangsspanning te kiezen
(zie onderstaande tabel en Sectie 6-4).
Zet de schakelaar in de stand
afstandsbediening Aan/Uit−schakelaar
vereist om de lasuitgangsspanning aan
en uit te zetten met een
afstandsbediening aangesloten op de
14−pin stekker.
Zet de schakelaar in de stand
Lasklemmen altijd Aan om steeds
lasuitgangsspanning te krijgen als
de motor draait.
Gebruik de Beklede Elektrode−stand
voor CAC−A snijden en gutsen.
Wanneer de schakelaar in een
Beklede Elektrode−stand staat, dan
geeft het Arc Force−circuit (dig) extra
stroom bij lage spanning (bij korte
booglengtes) om te voorkomen dat de
elektrodes gaan “vastzitten”.
Het Arc Force−circuit (dig) is
uitgeschakeld als de schakelaar in een
MIG− of TIG−stand staat.
Zet de schakelaar in de stand
Lasklemmen altijd Aan − beklede
elektrode, wanneer u het optionele
driefasenaggregaat gebruikt
(zie Sectie 7-2).
De automatische stationairoptie
voor de motor werkt niet in de
stand afstandsbediening Aan/Uit−
schakelaar vereist − TIG.
1
Instellingen van de Proces/Contactorschakelaar
Instellingen van
de schakelaar
Proces Uitgangsspanning aan/uit
Automatisch stationair
van de motor (optie)
Afstandsbediening Aan/Uit−
schakelaar vereist − TIG,
HF vereist of strijkstart TIG
TIG met HF−unit, pulsapparaat
of afstandsbediening
14−pin stekker Niet actief
Afstandsbediening Aan/Uit−
schakelaar vereist −
Beklede elektrode
Vu draad (beklede elektrode)
met afstandsbediening aan/uit
14−pin stekker Actief
Afstandsbediening
Aan/Uit−schakelaar vereist
− CV draadaanvoerunit
met behulp van
afstandsbediening
MIG 14−pin stekker Actief
Lasklemmen altijd Aan −
Draad
MIG Elektrode Hot Actief
Lasklemmen altijd Aan −
Beklede elektrode
Beklede Elektrode, luchtkoolboog
(CAC) snijden en gutsen
Elektrode Hot Actief
Lasklemmen altijd Aan −
TIG, strijkstart
TIG strijkstart (GTAW) Elektrode Hot Actief
OM−4421 Pagina 33
6-4. Afstandsbediende spannings/stroomregeling op CC/CV−modellen (optie)
1 14−pins afstandsstekker RC14
Sluit optionele afstandsbediening
aan op RC14 (zie Sectie 4-13).
0774 / Ref. 215 158 / Ref. 803 602
Een voorbeeld van een combinatie van afstandsbediening
van de stroomsterkteregeling (beklede elektrode)
De optionele afstandsbediening
afstellen
De
spannings/
stroomregelings-
schakelaar
instellen
Het bereik instellen
Deze regeling wordt
niet gebruikt in de
afstandsbediende
Beklede
Elektrode−stand
Het
afstandsbediende
proces instellen
Een voorbeeld van een combinatie van afstandsbediening
van het stroomsterktebereik (TIG)
De optionele afstandsbediening
afstellen
De
spannings/
stroomregelings-
schakelaar
instellen
Het bereik instellen De regeling
instellen
Het
afstandsbediende
proces instellen
1
In het voorbeeld:
Proces = Beklede Elektrode (met behulp
van afstandsbediende aan/uit)
Bereik = 115 tot 320 A DC
Min = 115 A DC
Max = 320 A DC
Max (320 A DC)
Min (115 A DC)
In het voorbeeld:
Proces = TIG (met behulp van
afstandsbediende aan/uit)
Bereik = 35 tot 250 A DC
Percentage van het bereik = 50%
Min = 35 A DC
Max = Circa 143 A DC (50% van 35 tot 250)
Max (143 A DC)
Min (35 A DC)
OM−4421 Pagina 34
6-5. Beschrijving brandstof/uur−meter
OM−4421 Pagina 35
SECTIE 7 − HULPVERMOGEN
7-1. Standaard-hulpstroomcontactdozen
191 624−A
2
1 120 V 20 A AC GFCI
stekker GFCI1
2 240 V 30 A AC Twistlock
stekker RC1
De contrastekkers leveren 60 Hz
monofasestroom bij
las/stroomsnelheid.
Als een aardingsfout ontdekt wordt,
komt de GFCI Resetknop
naar buiten en de contactdoos
werkt dan niet langer. Controleer of
er defecte gereedschappen
aangesloten zijn op de stekker.
Druk op de knop om GFCI1
opnieuw in werking te stellen.
Ten minste een maal per
maand de knop indrukken (met
een hoge motorsnelheid als
onder lasbelasting) om
te controleren of de GFCI goed
werkt.
3 Extra beveiliging CB1
4 Extra beveiliging CB2
CB1 beschermt RC1 en de spoel
van het aggregaat tegen
overbelasting. Als CB1 open gaat,
dan werken RC1 en GFCI1 niet.
Zet de schakelaar op ON om
te resetten.
CB2 beschermt GFCI1 tegen
overbelasting. Als CB2 open gaat,
dan werkt GFCI1 niet. Druk op de
knop om te resetten.
Als de extra beveiliging steeds
wordt aangesproken, neem
dan contact op met een door de
fabrikant geautoriseerde
onderhoudsmonteur.
Het aggregaatstroom wordt
niet beïnvloed door de
lasuitgangsspanning.
De maximum uitgangsspanning
is 2,4 kVA/kW vanuit GFCI1 en
4 kVA/kW vanuit RC1. De
maximum uitgangsspanning van
alle contactdozen is 4 kVA/kW.
VOORBEELD: als 13 A wordt
onttrokken van RC1, dan is er
slechts 7 A is beschikbaar bij
GFCI1:
(240 V x 13 A) + (120 V x 7 A) =
4.0 kVA/kW
1
3
4
120 V 20A
240 V 20A
OM−4421 Pagina 36
7-2. Aansluiten op het optionele driefasenaggregaat (alleen CC/CV−modellen)
Ref. 197 399 / 802 332−E / 803 655
Zet de Proces/Contactorschakelaa
r
op de stand Lasklemmen altijd Aan
− Beklede elektrode als u he
t
driefasenaggregaat gebruik
t
(zie Sectie 6-3).
Vermogen monofase−aggregaat
1 120/240 V 50 A contactdoos RC5
RC5 wordt aangesloten op het
optionele driefasenaggregaat en biedt
60 Hz monofase−hulpstroom op
las/stroomsnelheid. De maximum
uitgangsspanning van RC5 is
12 kVA/kW. Het vermogen bij RC5
wordt minder tijdens het lassen.
2 Extra beveiliging CB7
Extra beveiliging CB7 beschermt de
monofase contactdoos RC5 en de
belaste draden tegen overbelasting.
Als CB7 open gaat, dan valt de
uitgangsspanning van het aggregaat
weg en kan men de contactdoos niet
gebruiken.
Vermogen driefasenaggregaat
! Stop de motor.
! Hulpvermogen− en lasuitgangen
zijn gelijktijdig onder spanning.
Ongebruikte kabels verwijderen
of isoleren.
Vraag een bevoegd elektricien om
de installatie te maken volgens
het elektrisch schema en de
Richtlijnen voor aggregaten
(zie Sectie 11).
Verwijder de montageschroeven van
het paneel van het aggregaat. Kante
l
het paneel naar voren.
3 Geleider 93
4 Geleider 92
5 Geleider 91
6 Geleider 42 (aarding)
7 Geleider 90 (nulleider)
8 Geïsoleerde nulleiderklem
9 Shuntgeleider 42
10 Aardingsklem
Shuntgeleider 42 is in het fabriek
verbonden met geleider 90.
Shuntgeleider 42 mag ontdaan
worden van de nulleider om te voldoen
aan de toepasbare elektrische codes.
Geleider 42 verbinden met de
aardingsklem van het voorste paneel.
11 Geleiders door gebruiker
aangebracht
12 Gebruikersklemmen van extra
beveiliging CB7
Sluit de geleiders aan op de klemmen
op CB7 en op de geïsoleerde
nulleiderklem en zo nodig op de
aardingsklem.
Extra beveiliging CB7 bescherm
t
de monofase contactdoos RC5 en
de belaste draden tegen
overbelasting. Als CB7 open gaat
,
dan valt de uitgangsspanning van
het aggregaat weg en kan men de
contactdoos niet gebruiken.
Breng het paneel van het aggregaat
weer aan.
Benodigde
gereedschappen:
Volts
Amps
KVA/KW
Single
120/240
50
12
Three
240
36
15
60 HzFrequency
Engine Speed 1850 RPM
AC
Phase
1
Phase
3
Output
Geleider 42 met de AARDINGsbout op
de voorkant van de lasgroep verbinden.
Geleider 42 is in de fabriek verbonden
met geleider 90.
12
91 92 93
240V
120V
120V
240V
240V
monofase
3−fasen
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Achterkant van paneel
Driefasen stroomaansluiting
2
Monofase stroomaansluiting
92
90
91
93
! Sluit het paneel als er
geen aansluitingen
worden gemaakt met
het aggregaat.
! Sluit het paneel
als er geen
aansluitingen
worden gemaakt
met het
aggregaat.
240V
Verwijder de plug voordat
u de draden inbrengt.
Breng de
trekontlasting
weer aan.
OM−4421 Pagina 37
7-3. Uitgaande hulpstroomcontactdozen.
1 120V 15/20A AC contactdoos GFCI1
De contrastekkers leveren 60 Hz
monofasestroom bij las/stroomsnelheid.
Als een aardingsfout optreed, komt
de GFCI1 Resetknop naar buiten en de
contactdoos is spanningsloos. Controleer
of er defecte gereedschappen aangesloten
zijn op de contactdoos. Druk op de knop om
GFCI1 opnieuw in werking te stellen.
Ten minste een maal per maand de
knop indrukken (met een hoge
motorsnelheid als onder lasbelasting)
om te controleren of de GFCI goed
werkt.
De maximale uitgangsspanning is
2,4 kVA/kW van GFCI1 en 4 kVa/kW
van RC1.
De maximale gecombineerde
uitgangsspanning van alle contactdozen is
4 kVA/kW.
VOORBEELD: als 13 A wordt onttrokken
van RC1, dan is er slechts 7 A
is beschikbaar bij GFCI1:
(240 V x 13 A) + (120 V x 7 A) =
4.0 kVA/kW
2 Automatische zekering CB2
CB2 beschermt GFCI1 tegen
overbelasting. Als er een automatische
zekering wordt aangesproken, is de
contactdoos spanningsloos. Druk op CB2
om de zekering te resetten.
3 Aardlekzekering
ELCB1
ELCB1 beschermt RC1 tegen een
aardlekfout. Als er een automatische
zekering wordt aangesproken, is de
contactdoos spanningsloos. Zet de
schakelaar van de automatische zekering
op de stand On om de zekering te resetten.
Druk minimaal eenmaal per maand op
de testknop. Als de ELCB goed werkt,
wordt de stroom uitgeschakeld. Reset
de automatische zekering.
4 220 V 16 A AC Europese
contactdoos RC1
5 240 V 15 A AC
Australische contactdoos RC1
6 240 V 15 A AC
Zuid−Afrikaanse contactdoos RC1
Als de automatische zekering steeds
springt, neem dan contact op met een
door de fabrikant geautoriseerde
onderhoudsmonteur.
4
2
3
1
Europese contactdoos
Australische contactdoos
Zuid−Afrikaanse contactdoos
5
6
238 127−A / 805 259−A
OM−4421 Pagina 38
SECTIE 8 − ONDERHOUD & PROBLEMEN VERHELPEN
8-1. Onderhoudslabel
OM−4421 Pagina 39
8-2. Routineonderhoud
! Zet de motor af, voordat u met
het onderhoud begint.
Zie de Handleiding voor de motor en het
Onderhoudslabel voor belangrijke informatie
over opstarten, service en opslag. Pleeg
vaker onderhoud aan de motor als hij wordt
gebruikt in zware omstandigheden.
Recycle
motorvloeistoffen.
= Controleren = Verversen = Reinigen = Vervangen
* Moet worden verricht door een door de fabriek geautoriseerd servicebedrijf
Referentie
Om de
8 uur
BRANDSTOF
WATER
Hoofdstuk
4-9, 8-7
Brandstof/waterscheider Brandstofpeil Oliepeil Lekkende olie, brandstof
Peil koelmiddel
Om de
50 uur
Lasklemmen
Om de
100 uur
Sectie 8-4
Accuklemmen Slangen luchtfilter Luchtfilterelement
Om de
250 uur
1/2 in.
(13 mm)
Handleiding
voor de
motor,
Hoofdstuk
NO TAG
Onleesbare labels Spanning ventilatorriem Vonkenvanger
Om de
500 uur
OPGELET Ververs de motorolie en verwissel het oliefilter
na de eerste 50-75 uur dat het apparaat gebruikt is (Inloop-
periode).
Sectie 8-7
 Laskabels Olie Oliefilter
Om de
1000
uur
OF
BEZINKSEL
BRANDSTOF
Hoofdstuk
8-7, 8-3 en
Handleiding
voor de
motor
Peil radiatorvloeistof
en thermostaat
Binnenkant van
het apparaat
Brandstoffilter Het bezinksel aftappen
 Slipringen*
 Borstels*
Klepspeling*
Om de
2000
uur
Injectoren*
OM−4421 Pagina 40
8-3. De borstels van het aggregaat controleren
Ref. 215 158
! Stop motor en laat deze afkoelen.
1 Aggregaatborstel
Markeer de draden bij de kap van de
borstelhouder en ontkoppel ze. Verwijder
de borstels.
Vervang de borstels als ze beschadigd
zijn of als de borstel te kort is geworden.
1
Nieuwe lengte: 1−1/4 inch (32 mm)
Minimumlengte:
5/8 inch (16 mm)
Vervang beschadigde borstels
Aantekeningen
Werk als een
professional!
Professionals
lassen en
snijden veilig.
Lees de
veiligheidsregels
aan het begin
van deze
handleiding.
OM−4421 Pagina 41
8-4. Onderhoud van het luchtfilter
! Stop de motor.
OPGELET − Laat de motor niet zonder
luchtreiniger of met een vuil element
draaien. Motorschade die ontstaat als
gevolg van een vervuild element valt niet
onder de garantie.
De primaire filter kan worden
gereinigd, maar het
vuilabsorberende vermogen van de
filter neemt met elke reinigingsbeurt
af. Reinigen houdt een risico in,
omdat er kans bestaat dat er vuil aan
de schone kant van de filter terecht
komt tijdens het reinigen en omdat de
filter kan beschadigen. Maak voor
uzelf de afweging of u het risico wilt
lopen dat de garantie op de
apparatuur vervalt als u besluit om
te gaan reinigen of de primaire filter
te vervangen.
Als u besluit om de primaire filter te
gaan reinigen, dan raden wij u ten
sterkste aan om een optionele
veiligheidsfilter in te bouwen om
extra bescherming te bieden voor de
motor. Nooit een veiligheidsfilter
reinigen. Vervang de veiligheidsfilter
nadat u de primaire filter driemaal
heeft onderhouden.
Reinig de primaire filter als hij vuil is, of
vervang hem (zie de opmerking
hierboven voordat u gaat reinigen).
Vervang de primaire filter als het
beschadigd is. Vervang de filter jaarlijks
of na zes keer reinigen.
1 Houder
2 Veiligheidselement (optie)
3 Primaire filter
4 Stofkap
5 Stofverwijderaar
Het filter reinigen:
Veeg de kap en de houder schoon.
Verwijder de kap en haal het stof eruit.
Verwijder de filter(s). Veeg het stof met
een klamme doek uit de binnenzijde van
de kap en de houder. Breng de
veiligheidsfilter weer aan (indien
aanwezig). Breng de kap weer aan.
OPGELET − Maak het filter niet schoon
met een luchtslang.
Maak de primaire filter alleen met
perslucht schoon.
De luchtdruk mag niet hoger zijn dan
100 psi (690 kPa). Gebruik een mondstuk
van 1/8 inch (3 mm) mm en houd het ten
minste 2 inch (51 mm) mm verwijderd van
het binnenste van het filter. Vervang het filter
als er gaten in zitten of als de pakkingen
beschadigd zijn.
Breng de primaire filter en de kap weer
aan (met de stofverwijderaar omlaag).
Blow Inspect
41 3
5
Houd de spuitmond
op 2 inch (51 mm)
afstand van het
element.
2
luchtreiniger1 9/00 − ST−153 929−B / ST−153 585 / Ref. S−0698−B / Ref. 215 158
Optie
OM−4421 Pagina 42
8-5. De vonkenvanger controleren/schoonmaken
803 656 / Ref. 236 972
! Stop motor en laat deze
afkoelen.
1 Vonkenvanger
2 Reinigingsplug
Verwijder de plug en verwijder het
vuil dat op het reiningsgat zit.
Start de motor en laat deze stationair
lopen om het reinigingsgat door te
blazen. Als er niets uit komt, sluit dan
het eind van de uitlaat even af met
brandbestendig materiaal.
! Stop motor en laat deze
afkoelen.
Installeer de reinigingsplug opnieuw.
Benodigde gereedschappen:
3/8”
1
2
OM−4421 Pagina 43
8-6. Het motortoerental afstellen
803 563
Het motortoerental afstellen
Controleer het toerental na het
tunen van de motor met een
toerenteller of een frequentiemeter.
Zie de tabel voor het juiste
nullasttoerental. Stel, indien nodig,
het toerental als volgt af:
Start de motor en laat hem
warmdraaien.
Zet de proces/contactor−schake-
laar op de stand Beklede elektrode
Lasklemmen altijd Aan.
Afstelling stationair toerental
standaard model
1 Stelschroef
2 Borgmoer
Draai de borgmoer los. Verdraai de
schroef totdat de motor stationair
loopt. Draai de moer weer aan.
Modellen met automatische
stationairstandoptie
3 Smoorklepstang/plunjer
4 Borgmoer
5 Rubber hoes
De stelschroef wordt niet gebruikt
om de motorsnelheid (toerental) af
te stellen als de optionele
automatische stationairstand is
geïnstalleerd.
Om te voorkomen dat de
magneetklep beschadigt moet
er een ruimte zijn van 1/8 inch
(3 mm) tussen de laag−
toerentalschroef van de
motor en de smoorklephefboom
als de magneetklep in de
geactiveerde stand (er staat
stroom op) staat.
Maak de rubberen hoes los van de
behuizing van de magneetklep,
maar laat het zitten op de plunjer.
Draai de borgmoer los. Zet de
motorbedieningsschakelaar in de
automatische stand.
Draai de smoorklepstang en de
plunjer tot de motor stationair loopt.
Draai de borgmoer weer vast.
Bevestig de rubberen hoes weer
op de magneetklep.
Zorg ervoor dat de
relaisplunjer volledig intrekt
(“gaat zitten”) als er stroom op
komt.
De las/stroomsnelheid afstellen
Het afstellen van de
las/stroomsnelheid dient
te geschieden door een
onderhoudsmonteur die door
de fabrikant van de motor
daartoe is geautoriseerd.
Wanneer er op een andere dan
aangegeven manier met de
afstellingen wordt geknoeid,
kan dit van invloed zijn op de
motorgarantie.
! Stop de motor.
1
2
3
4
5
1850 tpm max
(61,6 Hz)
1250 tpm
(41,6 Hz)
Toerental van de
motor (nullast)
OM−4421 Pagina 44
8-7. Onderhoud van het brandstof− en het smeringssysteem
803 605−D
! Stop motor en laat deze afkoelen.
! Start de motor na de servicebeurt
en kijk of er brandstoflekkage is.
Zet de motor stil, draai
de verbindingen aan, waar nodig,
en ruim gemorst materiaal op.
1 Oliefilter
2 Olie−aftapkraan enslang
3 Olievuldop
4 Brandstofleiding
5 Primaire brandstoffilter
6 Snuifkraantje
7 Secundaire brandstoffilter
8 Aftapkraan voor neerslag
in de brandstoftank
Olie− en oliefiltervervanging:
Leid de olieaftapslang en de kraan door
het gat in het voetstuk. Zie de
motorhandleiding en de onderhoudstabel
voor de motor voor informatie over het
verversen van de olie en het vervangen
van het oliefilter.
Water uit het brandstofsysteem
purgeren:
Het snuifkraantje van de primaire
brandstoffilter open draaien en het water
opvangen in een metalen opvangbak.
Als de brandstof watervrij uitloopt,
het snuifkraantje weer dicht draaien.
Het primaire brandstoffilter
vervangen:
Draai de filter linksom. Verwijder het filter.
Vul een nieuw filter met verse brandstof.
Een dun laagje brandstof op de dichting
van het nieuwe filter aanbrengen.
De nieuwe dichting plaatsen en het
filterhuis rechtsom dichtdraaien. De
brandstofafsluiter opendraaien. De lucht
van het brandstofcircuit purgeren
volgens de handleiding van de motor.
Controleer alle brandstofleidingen en
vervang ze als ze beschadigd of
versleten zijn.
Het secondaire brandstoffilter
vervangen:
Zie de Motorhandleiding.
Het bezinksel uit de brandstoftank
afvoeren:
! Let op, brandgevaar! Niet roken
en houd vonken en vlammen uit
de buurt van de afgetapte
brandstof. Ontdoe u van
de brandstof op een
milieuvriendelijke wijze. De
lasgroep nooit onbeheerd laten
tijdens het aftappen van de
brandstoftank
! Til de lasgroep op de juiste wijze
op en zet hem waterpas. Gebruik
geschikte blokken of steunen om
de lasgroep te ondersteunen
tijdens het aftappen van
de brandstoftank.
Bevestig een slang met een
binnendoorsnee van 1/2 inch aan
de aftapkraan. Plaats een metalen
opvangbak onder de kraan en open de
afsluiter voor het bezinksel met een
schroevendraaier. Sluit hem weer als
al het bezinksel is afgetapt. Verwijder
de slang.
Sluit de deur.
5
6
3
Benodigde gereedschappen:
1
4
8
2
7
OM−4421 Pagina 45
8-8. Overbelastingsbeveiliging
803 605
2
1
9
8
7
4
! Stop de motor.
Als er een extra beveiliging,
automatische zekering of zekering wordt
aangesproken, duidt dat meestal op een
ernstig probleem. Neem contact op met
een door de fabriek geautoriseerde
onderhoudsmonteur.
1 Zekering F1
2 Zekering F2
F1 en F2 beschermen de statorspoel tegen
overbelasting. Als F1 open gaat, is er een
lage las− en aggregaatstroom of stopt
volledig. Als F2 open gaat, is de
lasuitgangsspanning laag of stopt volledig.
Er is nog steeds 4 kVA/kW
aggregaatvermogen beschikbaar.
3 Automatische zekering CB4
(niet afgebeeld)
4 Extra beveiliging CB5
(alleen CC/CV−modellen)
5 Extra beveiliging CB6
(alleen CC/CV−modellen)
6 Automatische zekering CB10
(niet afgebeeld)
7 Extra beveiliging CB11
8 Extra beveiliging CB12
9 Extra beveiliging CB13
10 Automatische zekering CB14
(niet afgebeeld)
CB4 beschermt het Arc Force−circuit (dig).
Als CB4 opengaat, kan de elektrode vaker
aan het werkobject blijven plakken bij lage
spanning (korte booglengte). CB4 reset
automatisch als de fout is hersteld.
CB5 beschermt de 24−volt AC
uitgangsspanning naar de afstandsbediende
contactdoos RC14 en de 24 V
uitgangsspanning naar de regelprint PC1 voor
de veldstroom (alleen op CC/CV−modellen).
Als CB5 wordt aangesproken, valt de 24 V
uitgangsspanning op RC14 weg. Bij
lasmachines met optionele driefasenaggregaat
valt de spanning op contactdoos RC5 ook weg,
als CB5 opengaat.
CB6 beschermt de 115−volt AC
uitgangsspanning naar de afstandsbediende
contactdoos RC14 (alleen CC/CV−modellen).
Als CB6 wordt aangesproken, valt de 115 V
uitgangsspanning op RC14 weg.
CB10 beschermt het accucircuit van de
motor. Als CB10 opengaat, slaat de motor niet
aan bij het starten. CB10 reset automatisch
als de fout is hersteld.
CB11 beschermt het lasregelingscircuit. Als
CB11 bij CC−modellen wordt aangesproken,
dan werkt het max. OCV−circuit niet en is de
open−circuitspanning altijd variabel (zie de
opmerking over max. OCV−circuit onder
Lasregelfuncties in Sectie 5-2). Als CB11
bij CV−modellen wordt aangesproken,
dan valt de lasuitgangsspanning weg
(aggregaatvermogen blijft beschikbaar).
CB12 beschermt het veldflitscircuit. Als CB12
wordt aangesproken, dan slaat het aggregaat
mogelijk niet aan bij het opstarten en is er
mogelijk geen las− of aggregaatuit-
gangsspanning beschikbaar.
CB13 beschermt het besturingscircuit van de
motor. Als CB13 wordt aangesproken, dan
slaat de motor niet aan.
CB14 beschermt de magneetklep van de
smoorklep TS1 op lasgroepen met optioneel
automatisch stationair. Als CB14 wordt
aangesproken, draait de motor niet stationair.
CB14 reset automatisch als de fout is
hersteld.
Druk op de knop om de extra beveiliging weer
5
OM−4421 Pagina 46
8-9. Storingen
A. Lassen − CC−modellen
Probleem Oplossing
Geen lasuitgangsvermogen,
uitgangsspanning aggregaat OK bij de
AC contactdozen.
Controleer de stand van de stroombereikschakelaar.
Controleer de stand van de optionele polariteitsschakelaar.
Zet de stroomsterkteschakelaar in de Paneel−stand of zet de schakelaar in de
afstandsbedieningsstand en sluit de afstandsbediening aan op de afstandsbediende contactdoos
voor de stroomsterkte RC13 (zie Secties 4-12 en 5-1).
Controleer de verbindingen met de afstandsbediende contactdoos voor de stroomsterkte RC13 en
zet ze stevig vast (zie Sectie 4-12).
Controleer zekering F2 en vervang hem als hij open staat (zie Sectie 8-8). Laat een door de fabriek
geautoriseerde onderhoudsmonteur de geïntegreerde gelijkrichter SR2 en de rotor nakijken.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels, sleepringen en
het lasbekrachtigingscircuit nakijken.
Geen lasuitgangsvermogen en geen
uitgangsspanning van het aggregaat b
ij
de AC contactdozen.
Haal de apparatuur los van de contactdozen tijdens het opstarten.
Controleer zekeringen F1 en F2 en vervang ze als ze open staan (zie Sectie 8-8). Laat een door
de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de geïntegreerde gelijkrichter SR1, de condensator
C9, de geïntegreerde gelijkrichter SR2 en de rotor nakijken.
Reset de extra beveiliging CB12. Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de
diode D1 nakijken (zie Sectie 8-8).
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels, sleepringen en het
bekrachtigingscircuit nakijken.
Afwijkende uitgangsspanning. Controleer en zet de aansluitklemmen aan de binnen− en buitenkant van het apparaat vast.
Zorg ervoor dat de verbinding met het werkstuk schoon is en strak aangedraaid zit.
Gebruik droge, op de juiste manier bewaarde elektrodes.
Verwijder de overmatige wikkelingen van de laskabels.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels en sleepringen nakijken.
Hoge lasuitgangsspanning. Controleer de stand van de stroombereikschakelaar en van de spanning/stroomregeling.
Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur het OCV−circuit nakijken.
Lage lasuitgangsspanning. Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Controleer zekeringen F1 en F2 en vervang ze als ze open staan (zie Sectie 8-8). Laat een door
de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de geïntegreerde gelijkrichter SR1, de condensator
C9, de geïntegreerde gelijkrichter SR2 en de rotor nakijken.
De elektrode blijft vaker aan het
werkobject plakken bij lage spanning
(korte booglengte).
De automatische zekering CB4 kan open zijn. CB4 reset automatisch als de fout is hersteld (zie
Sectie 8-8). Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur transformator T1 en de
geïntegreerde gelijkrichters SR4 en SR5 nakijken.
Lage leegloopspanning. Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Zet de Beklede Elektrode/TIG−schakelaar op de Beklede Elektrode−stand.
Maximum lasuitgangsspanning alleen
in elk stroombereik (met de Beklede
Elektrode/TIG−keuzeschakelaar in de
Beklede Elektrode−stand).
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur relais CR7 nakijken.
Geen fijne stroomregeling in de
afstandsbediening.
Zet de stroomsterkteschakelaar in de afstandsbedieningstand.
Controleer de verbindingen met de afstandsbediende contactdoos voor de stroomsterkte RC13 en
zet ze stevig vast (zie Sectie 4-12).
Reset de extra beveiliging CB11 (zie Sectie 8-8). Laat een door de fabriek geautoriseerde
onderhoudsmonteur het relais CR7 nakijken.
OM−4421 Pagina 47
Probleem Oplossing
Geen fijne stroomregeling in de
afstandsbediening.
Repareer de afstandsbediening of vervang hem.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur het OCV−circuit nakijken.
B. Lassen − CC/CV−modellen
Probleem Oplossing
Geen lasuitgangsvermogen,
uitgangsspanning aggregaat OK
bij de AC contactdozen.
Zet de proces/contactor−schakelaar in een Lasklemmen altijd Aan−stand of zet de schakelaar in de
afstandsbediening Aan/Uit−schakelaar vereist−stand en sluit de afstandsbediende contactor aan op
de afstandsbediende 14 contactdoos RC14 (zie Secties 4-13 en 6-1).
Controleer de stand van de stroombereikschakelaar.
Controleer de stand van de optionele polariteitsschakelaar of de Polariteit/AC−schakelaar.
Extra beveiliging CB11 resetten (zie Hoofdstuk 8-8).
Reset de extra beveiliging CB5 (zie Sectie 8-8). Kijk of de afstandsbediening die op RC14 is
aangesloten defect is.
Controleer de verbindingen met de afstandsbediende contactdoos RC14 en zet ze stevig vast (zie
Sectie 4-13).
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur connectorkaart PC6 en de aansluitingen
nakijken.
Controleer zekering F2 en vervang hem als hij open staat (zie Sectie 8-8). Laat een door de fabriek
geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels, sleepringen, het lasbekrachtigingscircuit, de
veldstroomkaart PC1 en de rotor nakijken.
Geen lasuitgangsvermogen en geen
uitgangsspanning van het aggregaat b
ij
de AC contactdozen.
Haal de apparatuur los van de contactdozen tijdens het opstarten.
Controleer zekeringen F1 en F2 en vervang ze als ze open staan (zie Sectie 8-8). Laat een door de
fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de geïntegreerde gelijkrichter SR1, de condensator C9,
de veldstroomkaart PC1 en de rotor nakijken.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels, sleepringen en het
bekrachtigingscircuit nakijken.
Afwijkende uitgangsspanning. Controleer en zet de aansluitklemmen aan de binnen− en buitenkant van het apparaat vast.
Zorg ervoor dat de verbinding met het werkstuk schoon is en strak aangedraaid zit.
Gebruik droge, op de juiste manier bewaarde elektrodes.
Verwijder de overmatige wikkelingen van de laskabels.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels en sleepringen nakijken.
Hoge lasuitgangsspanning. Controleer de stand van de stroombereikschakelaar en van de spanning/stroomregeling.
Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de veldstroomprint PC1 en het PC1
spanningsterugkoppelingscircuit nakijken.
De spanning/stroomregeling werk niet
bij lassen in de Beklede
Elektrode−stand.
Zet de spanning/stroomregelingsschakelaar op het lage bereik. De spanning/stroomregeling werk niet
met de schakelaar in het hoge bereik.
Lage lasuitgangsspanning. Controleer de stand van de stroombereikschakelaar en van de spanning/stroomregeling.
Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Controleer zekeringen F1 en F2 en vervang ze als ze open staan (zie Sectie 8-8). Laat een door de
fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de geïntegreerde gelijkrichter SR1, de condensator C9,
de veldstroomkaart PC1 en de rotor nakijken.
De elektrode blijft vaker aan het
werkobject plakken bij lage spanning
(korte booglengte).
De automatische zekering CB4 kan open zijn. CB4 reset automatisch als de fout is hersteld (zie
Sectie 8-8). Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur transformator T1 en de
geïntegreerde gelijkrichters SR4 en SR5 nakijken.
Lage leegloopspanning. Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Controleer de stand van de proces/contactor−schakelaar.
Geen fijne stroom− of
spanningsregeling in de
afstandsbediening.
Zet de spanning/stroomsterkteschakelaar in de afstandsbedieningstand.
Controleer de verbindingen met de afstandsbediende contactdoos RC14 en zet ze stevig vast (zie
Sectie 4-13).
OM−4421 Pagina 48
Probleem Oplossing
Geen fijne stroom− of
spanningsregeling in de
afstandsbediening.
Repareer de afstandsbediening of vervang hem.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de sensordraden van PC1 (36 en 37)
en de aansluitingen nakijken.
De draadaanvoerkast werkt niet. Extra beveiliging CB5 of CB6 resetten (zie Sectie 8-8).
Controleer de verbindingen met de afstandsbediende contactdoos RC14 en zet ze stevig vast (zie
Sectie 4-13).
Repareer de draadaanvoerkast of vervang hem.
Lage CV−lasuitgangsspanning. Zet de spanningsbereikschakelaar op het hoogste bereik.
Verhoog de instelling van de spanning/stroomregeling.
Alleen minimum of maximum
CV−lasuitgangsspanning.
Controleer de stand van de spanning/stroomregeling en de spanning/stroomschakelaar.
Repareer de afstandsbediening of vervang hem.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de spanning/stroomregeling R1 en de
veldstroomprint PC1 nakijken.
C. Standaard aggregaatvermogen
Probleem Oplossing
Geen aggregaatuitgangsvermogen bij
AC contactdozen, lasuitgangsspanning
OK.
Reset de extra beveiligingen van de contactdozen.
Reset GFCI contactdoos.
Geen aggregaatuitgangsvermogen en
geen lasuitgangsspanning.
Haal de apparatuur los van de contactdozen tijdens het opstarten.
Controleer zekeringen F1 en F2 en vervang ze als ze zijn aangesproken (zie Hoofdstuk 8-8). Laat
een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de geïntegreerde gelijkrichter SR1, de
condensator C9, de diode/condensatorprint D1/C1 en de rotor nakijken.
Reset de extra beveiliging CB12. Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de
diode D1 nakijken.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels, sleepringen en het
bekrachtigingscircuit nakijken.
Hoge uitgangsspanning bij AC
contactdozen van aggregaat.
Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur weerstand R3 voor de veldstroom van
het aggregaat afstellen.
Lage uitgangsspanning bij AC
contactdozen van aggregaat.
Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Controleer zekering F1 en vervang hem als hij open staat (zie Sectie 8-8). Laat een door de fabriek
geautoriseerde onderhoudsmonteur de geïntegreerde gelijkrichter SR1, weerstand R3 en
condensator C9 nakijken.
D. Optionele driefasenaggregaat (alleen op CC/CV−modellen)
Probleem Oplossing
Geen of weinig uitgangsspanning
op de optionele driefasenaggregaat
/contactdoos RC5.
Zet de proces/contactor−schakelaar in de stand Lasklemmen altijd Aan (zie Hoofdstuk 6-3).
Reset extra beveiliging CB7 (zie Sectie 7-2).
Reset extra beveiliging CB5 (zie Sectie 8-8).
Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels, sleepringen en de
veldstroomkaart PC1 nakijken.
Hoge uitgangsspanning op optionele
driefasenaggregaat /contactdoos RC5.
Controleer het toerental van de motor en laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur
het bijstellen, indien nodig. Zie Hoofdstuk 8-6 voor de afstelling van het stationair toerental.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de veldstroomprint PC1 en het PC1
spanningsterugkoppelingscircuit nakijken.
Onregelmatige uitgangsspanning
op optionele driefasenaggregaat
/contactdoos RC5.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de koolborstels, sleepringen en de
veldstroomkaart PC1 nakijken.
OM−4421 Pagina 49
E. Motor
Probleem Oplossing
Motor start niet. Controleer accu en vervang deze zonodig.
Controleer de accuaansluitingen en draai ze vast, indien nodig.
De automatische zekering CB10 kan open zijn. CB10 reset automatisch als de fout is hersteld (zie
Sectie 8-8). Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de motorbedrading en de
−componenten nakijken.
Controleer de plugaansluitingen van de motorbedrading.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur het regelrelais CR1 en de
motorbedieningsschakelaar S1 nakijken.
Motor slaat aan, maar start niet. Controleer het brandstofpeil.
Controleer de accu en vervang hem indien nodig. Controleer het oplaadopsysteem van de motor
conform de motorhandleiding.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de kabelboom van de motor,
de brandstofmeter/urenmeter, het regelrelais CR5, de brandstofpomp, de brandstofmagneetklep
FS1 en de diode/condensatorprint D10/C10 nakijken.
Lucht in het brandstofcircuit. Zie de handleiding van de motor.
De motor start, maar slaat weer af als
de motorbedieningsschakelaar wordt
losgelaten.
Controleer het peil van de olie en de koelvloeistof. Het automatische uitschakelsysteem stopt de
motor als de oliedruk te laag wordt of als de temperatuur van de koelvloeistof te hoog is (zie Sectie
4-9) Het automatische uitschakelsysteem wordt 30 seconden na de start uitgezet.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de brandstofmeter/urenmeter en relais
CR5 nakijken.
De motor start moeilijk in koud weer. Gebruik de starthulpschakelaar (zie Sectie 5-1 of 6-1).
De accu in goede staat houden. Bewaar hem in een warme plaats en niet op een koude vloer.
Gebruik brandstof bestemd voor koud weer (diesel kan verdikken in koud weer). Neem contact met
uw lokale brandstofleverancier voor meer informatie.
Gebruik de juiste motorolie voor koud weer (zie Sectie 8-1).
De motor stopt opeens. Controleer het peil van de olie en de koelvloeistof. Het automatische uitschakelsysteem stopt de
motor als de oliedruk te laag wordt of als de temperatuur van de koelvloeistof te hoog is (zie Sectie
4-9) Het automatische uitschakelsysteem wordt 30 seconden na de start uitgezet.
Zie de Motorhandleiding.
Motor sloeg langzaam af en kan niet
opnieuw gestart worden.
Controleer het brandstofpeil.
Controleer de lucht− en brandstoffilters van de motor (zie Secties 8-4 en 8-7).
Zie de Motorhandleiding.
Accu ontlaadt zich tussen gebruik. Draai de motorbesturingsschakelaar op uit (OFF) als de lasgroep niet draait.
Maak de bovenkant van de accu schoon met een oplossing van zuiveringszout en water; afspoelen
met schoon water.
Laad de accu opnieuw op of vervang hem, indien noodzakelijk.
De accu regelmatig opladen (ongeveer elke 3 maanden).
De motor loopt stationair, maar bereikt
de lassnelheid niet (alleen modellen
met de stationairoptie).
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de stationairmodule PC7 en de
stroomtransformator CT1 nakijken.
Controleer of het smoorkleprelais verstopt is.
De motor loopt niet stationair (alleen bij
modellen met stationairoptie).
CC−modellen: Zet de Beklede Elektrode/TIG−keuzeschakelaar op de Beklede Elektrode−stand.
CC/CV −modellen: Zet de proces/contactor−schakelaar op de stand Afstandsbedieningschakelaar
Aan/Uit vereist − TIG.
Controleer of het smoorkleprelais verstopt is.
Laat een door de fabriek geautoriseerde onderhoudsmonteur de stationairmodule PC7 en de
smoorkleprelais CR3 en CR6 nakijken.
Motor gebruikt olie tijdens de
warmloopperiode; er treedt wetstacking
op.
Droog de motor conform de inloopprocedure (zie Sectie 10).
OM-4421 Pagina 50
HOOFDSTUK 9 − ELECTRICAL DIAGRAMS
Figuur 9-1. Stroomkringdiagram voor lasaggregaat-CC
OM-4421 Pagina 51
240 152-B
Waarschuwing
Gevaar voor
electrische schok
Raak onderdelen die onder stroom staan niet aan.
Zet de hoofdstroom uit of stop de motor voordat u
deze installatie installeert of nakijkt.
Niet doen werken met het plaatwerk verwijderd.
Enkel bevoegde personen de installatie, het gebruik
en het onderhoud laten doen.
OM-4421 Pagina 52
Figuur 9-2. Stroomkringdiagram voor lasaggregaat-CC/CV
OM-4421 Pagina 53
240 153-B
Waarschuwing
Gevaar voor
electrische schok
Raak onderdelen die onder stroom staan niet aan.
Zet de hoofdstroom uit of stop de motor voordat u
deze installatie installeert of nakijkt.
Niet doen werken met het plaatwerk verwijderd.
Enkel bevoegde personen de installatie, het gebruik
en het onderhoud laten doen.
OM−4421 Pagina 54
SECTIE 10 − HOOFDSTUK − INLOOPPROCEDURE
run_in1 2007−0
4
10-1. Wetstacking
1 Lasaggregaat
Laat dieselmotoren tijdens
de inloopprocedure draaien
op ongeveer nominale spanning en
stroom om te zorgen dat de
zuigerveren zich goed plaatsen om
wetstacking te voorkomen. Zie het
naamplaatje, het vermogensplaatje
of de sectie met de technische
gegevens in deze handleiding voor
de nominale spanning en stroom.
OPGELET − Laat de motor niet
langer stationair lopen dan
noodzakelijk. De zuigerveren
worden sneller gerodeerd als de
motor loopt op las/stroomtoeren en
het lasaggregaat belast blijft
gedurende de inloopperiode.
2 Uitlaatpijp van motor
Wetstacking is het verzamelen van
onverbrande brandstof en olie in de
uitlaatpijp en treedt op tijdens
de warmloopperiode als de motor te
lang op lichte belasting of stationair
toerental loopt.
Als de uitlaatpijp bedekt is met een
natte, zwarte, teerachtige stof, droog
de motor dan door middel van de
volgende warmloopprocedures.
Zie de motorhandleiding voor
aanvullende informatie over het
warmlopen van de motor.
2
1
OPGELET − De inloopprocedure
niet uitvoeren met een
las−uitgangsspanning van minder
dan 20 V en de inschakelduur niet
overschrijden, anders kan de
apparatuur beschadigd raken.
OM−4421 Pagina 55
10-2. Inloopprocedure met gebruik van een belastingsbank
S−0683
1 Belastingsbank
Zet alle hendels op af. Verbind, indien
noodzakelijk, met een 115 Volt
wisselstroomwandcontactdoos of
met een hulpstroomcontactdoos van
het aggregaat.
2 Lasaggregaat
Zet de A/V−bereikschakelaar in
de maximum positie, A/V
controleknop in de minimum positie
en de keuzeschakelaar voor de
uitgangsstroom (indien aanwezig)
in een van de gelijkstroomstanden
(DC).
3 Laskabels
Verbind de bank met de aansluit-
klemmen van de uitgangsspanning
van het aggregaat door middel van
laskabels met de juiste afmetingen
en aansluitklemmen. Let op het
gebruik van de juiste polariteit.
Start de motor en laat deze enkele
minuten lopen.
Stel de schakelaars van de
belastingsbank in en regel
vervolgens de A/Vregeling van
het aggregaat zo in dat de
belasting gelijk is aan de nominale
spanning en stroom van het
aggregaat (zie het naamplaatje,
het vermogensplaatje of
hoofdstuk met de technische
gegevens in deze handleiding).
Controleer de meters van het
aggregaat en de bank na de eerste
vijf minuten en vervolgens elke
vijftien minuten, om te kijken of het
aggregaat op de juiste wijze wordt
belast.
OPGELET − Controleer het oliepeil
regelmatig tijdens de
warmloopperiode; voeg eventueel
olie toe.
Het wordt aangeraden om het
lasaggregaat minimaal twee tot vier
uur onder belasting te laten draaien
op. Zet de A/V−regeling op de
laagste stand en schakel dan de
belastingsbank uit om de belasting
weg te halen. Laat de motor enkele
minuten zonder belasting draaien.
2
3
1
4
Stop de motor.
Vermijd aanraking met hete
uitlaatpijp, motoronderdelen of
oplader/weerstandsinstrument.
Houd de uitlaat en pijp weg van
brandbare voorwerpen.
OPGELET − De inloopprocedure
niet uitvoeren met een
lasuitgangsspanning van minder
dan 20 V en de inschakelduur
niet overschrijden, anders kan de
apparatuur beschadigd raken.
Stop motor en laat deze afkoelen.
4 Uitlaatpijp van motor
Herhaal de procedure indien er
nog steeds wetstacking optreedt.
OM−4421 Pagina 56
10-3. Warmloopprocedure met gebruik van een weerstandsinstrument (grid)
S−0684
1 Weerstandsinstrument
Gebruik het juiste instrument voor
de nominale uitgangsstroom van
het aggregaat.
Zet het instrument af.
2 Lasaggregaat
Zet de A/V−bereikschakelaar in
de maximum positie, A/V
controleknop in de minimum positie
en de keuzeschakelaar voor de
uitgangsstroom (indien aanwezig)
in een van de gelijkstroomstanden
(DC).
3 Laskabels
Verbind het instrument met
de aansluitklemmen van de
uitgangsspanning van het
aggregaat en gebruik hiervoor
laskabels met de juiste afmetingen
en aansluitklemmen (polariteit is
niet belangrijk).
4 Voltmeter
5 Vastklem−stroommeter
Als er geen voltmeter en
ampèremeter op het aggregaat
aanwezig zijn, sluit ze dan aan
zoals op de tekening is aangeven.
Start de motor en laat deze enkele
minuten lopen.
Stel de schakelaars van de bank
in en regel vervolgens de
A/V−regeling van het aggregaat
zo in dat de belasting gelijk is aan
de nominale spanning en stroom
van het aggregaat (zie
het naamplaatje, het
vermogensplaatje of de sectie
met de technische gegevens in
deze handleiding).
Controleer het aggregaat en de
meters na de eerste vijf minuten en
vervolgens elke vijftien minuten,
om te kijken of het aggregaat
correct wordt belast.
OPGELET − Controleer het oliepeil
regelmatig tijdens de warmloop-
periode; voeg eventueel olie toe.
Het wordt aangeraden om het
lasaggregaat minimaal twee tot vier
uur onder belasting te laten draaien
op. Zet de A/V−regeling op
de laagste stand en schakel dan
de bank uit om de belasting weg te
halen. Laat de motor enkele
minuten zonder belasting draaien.
1
3
5
+
4
2
6
Stop de motor.
Vermijd aanraking met hete
uitlaatpijp, motoronderdelen o
f
oplader/weerstandsinstrument
.
Houd de uitlaat en pijp weg van
brandbare voorwerpen.
OPGELET − De inloopprocedure
niet uitvoeren met een
lasuitgangsspanning van minder
dan 20 V en de inschakelduur niet
overschrijden, anders kan de
apparatuur beschadigd raken.
Stop motor en laat
deze afkoelen.
6 Uitlaatpijp van motor
Herhaal de procedure indien er nog
steeds wetstacking optreedt.
OM−4421 Pagina 57
HOOFDSTUK 11 − HOOFDSTUK − RICHTLIJNEN
VOOR STROOMAGGREGATEN
De opvattingen in dit Hoofdstuk worden beschouwd als representatief voor alle lasaggregaten die door een motor worden aangedreven.
Uw systeem kan afwijken van de afgebeelde systemen.
11-1. Selectie van apparaten
gen_pwr 2010−04dut − ST−800 577
1 Stekker aansluitingen van
het aggregaat − Nulleider
verbonden met chassis
2 Stekker met 3 pinnen en
geaard apparaat
3 Stekker met 2 pinnen en
dubbel geïsoleerd apparaat
Controleer goed of de
apparatuur is voorzien van het
symbool voor dubbele isolatie
en/of dat dit er op wordt
vermeld.
! Geen stekker met 2 pinnen
gebruiken, tenzij de
apparatuur dubbel geïsoleerd
is.
OR
2
3
1
120V
HOOFDZEKERING
! Het frame van het lasaggregaat
altijd aarden op het frame van de
wagen om elektrische schokken
en gevaren van statische
elektriciteit te voorkomen.
! Zie ook informatiefolder 29 van
de AWS betreffende veiligheid
en gezondheid: het aarden van
draagbare en op wagens
geïnstalleerde lasaggregaten.
1 Massaklem voor aarding van
apparatuur (op voorpaneel)
2 Massakabel (niet meegeleverd)
3 Metalen frame van wagen
Sluit de massakabel van de apparatuur
aan op het metalen chassis van de
wagen. Gebruik hiervoor een
geïsoleerde koperen draad van
10 mm
2
of dikker.
Aard het frame van het
lasaggregaat met het onderstel of
de wagen via metaal−op−metaal
contact.
! Ondervoeringen, transport-
blokken en bepaalde wielonder-
stellen isoleren het lasaggregaat
van het chassis van de wagen.
Sluit altijd een massadraad aan
vanaf massa−aansluiting van het
aggregaat naar blootgemaakt
metaal van het chassis van
de wagen zoals op de afbeelding
te zien is.
! Als de lasgroep niet uitgerust is
met een lekstroomschakelaar
(GFCI), gebruik dan
een lekstroombeveiligde
verlengkabel.
1
1-2. Het aggregaat aarden op het chassis van een vrachtwagen of aanhanger
800 652−D
1
3
2
GND/ PE
OM-4421 Pagina 58
11-3. Het aarden met een bouwinstallatie
ST−800 576−B
1 Geaarde aansluitklem voor
installatie
2 Aardkabel
Gebruik geïsoleerd koperdraad
(10 mm
2
of dikker).
3 Aarding
Gebruik de aarding zoals
aangegeven in de elektrische
richtlijnen.
! Het lasaggregaat verbinden
met de aarding van de
bouwinstallatie (woonhuis,
werkplaats, enz.) indien
energie geleverd wordt aan
de elektrische installatie.
! Zie ook informatiefolder 29
van de AWS betreffende
veiligheid en gezondheid:
het aarden van draagbare en
op wagens geïnstalleerde
lasaggregaten.
GND/PE
1 2
2
3
11-4. Hoeveel vermogen hebben de apparaten nodig?
S−0623
1 Weerstandsbelasting
(resistieve belasting)
Een gloeilamp is een
weerstandsbelasting en heeft een
konstant vermogen nodig.
2 Niet−resistieve belasting
Apparaten met een motor zijn
niet−resistieve belastingen en
hebben ongeveer zes maal meer
vermogen nodig om te starten dan
om te blijven draaien (zie Sectie
11-8).
3 Kenplaatgegevens
De kenplaat geeft de benodigde
spanning, stroom en vermogen aan.
Ampère x Volt = Watt
Voorbeeld 1: Als een boor 4,5 A
en 115 V nodig heeft, bereken dan
het nodige vermogen in Watt.
4.5 A x 115 V = 520 W
Het getrokken vermogen van de
boor is 520 W.
Voorbeeld 2: Als er drie gloeilampen
van 200 Watt gebruikt worden
samen met de boor uit voorbeeld 1,
tel dan de individuele verbruiken op
om het totaalverbruik te berekenen.
(3 x 200W) + 520 W = 1120 W
Het totale verbruik van de drie
lampen en de boor samen is
1120 Watt.
VOLT 115
4.5
60
AMPS
Hz
1
2
3
3
OM−4421 Pagina 59
11-5. Voedingsvereisten voor industriële motoren (bij benadering)
Industriële motoren Nominaal Startvermogen Bedrijfsvermogen
Gescheiden fase 1/8 pk 800 300
1/6 pk 1225 500
1/4 pk 1600 600
1/3 pk 2100 700
1/2 pk 3175 875
Aanloop Condensator − Inductie loop 1/3 pk 2020 720
1/2 pk 3075 975
3/4 pk 4500 1400
1 pk 6100 1600
1−1/2 pk 8200 2200
2 pk 10550 2850
3 pk 15900 3900
5 pk 23300 6800
Aanloopcondensator − Condensator loop 1−1/2 pk 8100 2000
5 pk 23300 6000
7−1/2 pk 35000 8000
10 pk 46700 10700
Ventilatoren 1/8 pk 1000 400
1/6 pk 1400 550
1/4 pk 1850 650
1/3 pk 2400 800
1/2 pk 3500 1100
11-6. Voedingsvereisten voor agrarische en thuisapparatuur (bij benadering)
Agrarische en thuisapparatuur Nominaal Startvermogen Bedrijfsvermogen
ijsontdooier voor voorraadtank 1000 1000
Graanreiniger 1/4 pk 1650 650
Draagbare transportband 1/2 pk 3400 1000
Graanlift 3/4 pk 4400 1400
Melkkoeler 2900 1100
Melkapparaat(vacuümpomp) 2 pk 10500 2800
MOTOREN VOOR AGRARISCH GEBRUIK 1/3 pk 1720 720
Standaard (bijv. transportbanden, 1/2 pk 2575 975
voeraggers, lucht− 3/4 pk 4500 1400
compressoren) 1 pk 6100 1600
1−1/2 pk 8200 2200
2 pk 10550 2850
3 pk 15900 3900
5 pk 23300 6800
Hoog koppel (bijv. schuurreinigers, 1−1/2 pk 8100 2000
silolossers, hijstoestellen voor 5 pk 23300 6000
silo’s, bunkervullers) 7−1/2 pk 35000 8000
10 pk 46700 10700
3−1/2 cu. ft. mixer 1/2 pk 3300 1000
Hoge druk 1,8 gal/min 500 PSI 3150 950
Wasapparaat 2 gal/min 550 PSI 4500 1400
2 gal/min 700 PSI 6100 1600
Koelkast of diepvries 3100 800
Pomp voor ondiepe put 1/3 pk 2150 750
1/2 pk 3100 1000
Beerputpomp 1/3 pk 2100 800
1/2 pk 3200 1050
OM-4421 Pagina 60
11-7. Voedingsvereisten voor apparatuur gebruikt door aannemers (bij benadering)
Aannemer Nominaal Startvermogen Bedrijfsvermogen
Handboor 1/4 inch 350 350
3/8” 400 400
1/2 inch 600 600
Cirkelzaag 6−1/2 inch 500 500
7−1/4 inch 900 900
8−1/4 inch 1400 1400
Tafelzaag 9 inch 4500 1500
10 inch 6300 1800
Bandzaag 14 inch 2500 1100
Tafelslijpmachine 6 inch 1720 720
8 inch 3900 1400
10 inch 5200 1600
Luchtcompressor 1/2 pk 3000 1000
1 pk 6000 1500
1−1/2 pk 8200 2200
2 pk 10500 2800
Elektrische kettingzaag 1−1/2 pk, 12 inch 1100 1100
2 pk, 14 inch 1100 1100
Elektrische snoeischaar Standaard 9 inch 350 350
Heavy−duty 12 inch 500 500
Elektrische cultivator 1/3 pk 2100 700
Elektrische heggenschaar 18 inch 400 400
Schijnwerpers HID 125 100
Metaalhalogeen 313 250
Kwik 1000
Natrium 1400
Damp 1250 1000
Dompelpomp 400 gal/u 600 200
Centrifugaalpomp 900 gal/u 900 500
Vloerpoetsmachine 3/4 pk, 16 inch 4500 1400
1 pk, 20 inch 6100 1600
Hogedrukreiniger 1/2 pk 3150 950
3/4 pk 4500 1400
1 pk 6100 1600
55 gal vatmixer 1/4 pk 1900 700
Nat & Droog zuiger 1,7 pk 900 900
2−1/2 pk 1300 1300
OM−4421 Pagina 61
11-8. Vereist startvermogen
Startrichtlijnen voor monofase inductiemotoren
Startcode
van motor
G H J K L M N P
KVA/PK 6,3 7,1 8,0 9,0 10,0 11,2 12,5 14,0
S−0624
1 Startcode van motor
2 Stroomsterkte tijdens het draaien
3 Motor pk
4 Motorspanning
Hoe het startamperage vinden:
Stap 1: Zoek de motorcode en aan de
hand van onderstaande tabel vinden
we een waarde in KVA/PK. Als de
code ontbreekt of niet overeenkomt
met de tabelcodes vermenigvuldig dan
de werkingsamperage met zes om de
startamperage te vinden.
Stap 2: Noteer de spanning (Volt)
en paardekracht (PK).
Stap 3: Bereken de startamperage
(zie voorbeeld).
De beschikbare uitgangsstroom op
het lasaggregaat moet minstens
dubbel zo groot zijn als de normale
werkingsstroom van de motor.
(kVA/HP x pk x 1000) /
Volt = startamperage
Voorbeeld: Bereken de startamperage
voor een 230 V motor van 1/4 pk en M
als startcode.
Volt = 230, pk = 1/4, kVA/pk = 11,2
(11,2 x 1/4 x 1000) / 230 = 12,2A
De motor heeft 12,2 A nodig
om te starten.
VOLTS AMPS
HP
230 2.5
1/4
Hz
PHASE
CODE 60
1
M
AC MOTOR
1
2
3
4
11-9. Hoeveel vermogen kan het lasaggregaat leveren?
Ref. ST−800 396−A / S−0625
1 Beperk de belasting tot 90%
van het maximaal vermogen
van het lasaggregaat
Steeds de niet−resistieve
apparaten (motoren) eerst starten,
in orde van grootte, de grootste
eerst. De resistieve apparaten als
laatste inschakelen.
2 5 seconden regel
Indien de motor niet start binnen de
5 seconden, het apparaat
uitschakelen om motorbeschadiging
te voorkomen. De motor vereist meer
vermogen dan wat het lasaggregaat
kan leveren.
1
2
OM-4421 Pagina 62
11-10. Typische installatie voor het leveren van stand-by vermogen
Omzetschakelaar
Belangrijke−
belastingen
Schakelaar met
smeltzekering
(indien vereist)
Elektriciteits-
voorziening
voor andere
apparaten
123
4
5
Vermogen
lasaggregaat
! Deze aansluitingen mogen
alleen worden verricht door
bevoegde personen en alleen
conform de van toepassing
zijnde regelgeving en
veiligheidspraktijken.
! Installeer en aard deze installatie
volgens de Handleiding voor
gebruikers en landelijke of lokale
voorschriften.
Door de klant voorziene installatie
is nodig als het lasaggregaat als
noodstroom generator moet
worden gebruikt bij stroom uitval.
1 Elektriciteitsvoorziening
voor andere apparaten
2 Net−omschakelaar
(dubbelpolige schakelaar)
De schakelaar zet de
elektriciteitsvoorziening om van het
openbare net naar het aggregaat.
De belasting gaat weer terug naar
het net als er weer stroom is.
De correcte netscheiding aanbrengen
(te leveren door de klant).
Het netscheidingsvermogen moet
minstens even groot zijn als de
netoverbelastingsbeveiliging.
3 Stroomonderbreker
met smeltzekering
De correcte schakelaar aanbrengen
(te leveren door de klant) indien vereist
door de regelgeving betreffende
elektrische installaties.
4 Uitgangsvermogen lasaggregaat
De uitgangsspanning van het
aggregaat en de bedrading moeten
overeen komen met de normale
spanning en bedrading van het
(net)spanningssysteem.
Sluit het aggregaat aan met tijdelijke
of permanente bedrading die geschikt
is voor de installatie.
De aangekoppelde apparaten
uitschakelen of afkoppelen van het
lasaggragaat voor het starten of
stoppen van de motor. Tijdens het
starten en stoppen van de motor is de
motorsnelheid niet voldoende hoog
om de nodige spanning en frequentie
te leveren.
5 Essentiële belastingen
Het uitgangsvermogen van het
aggregaat voldoet mogelijk niet aan de
elektrische vereisten van het pand.
Als het aggregaat niet voldoende
uitgangsvermogen levert voor alle
vereisten, sluit dan alleen essentiële
belastingen aan (pompen,
diepvrieskasten, verwarmings-
apparaten e.d. − zie Sectie 11-4).
OM−4421 Pagina 63
11-11. Keuze van de verlengkabel (zo kort mogelijk kiezen)
Kabellengte voor 120 Volt gebruik
Als de lasgroep niet uitgerust is met een lekstroomschakelaar (GFCI), gebruik dan een lekstroombeveiligde verlengkabel.
Maximaal toegelaten kabellengte in ft(m) voor geleidersectie (AWG)*
Stroom (Ampère) Belasting (Watt) 4 6 8 10 12 14
5 600 350 (106) 225 (68) 137 (42) 100 (30)
7 840 400 (122) 250 (76) 150 (46) 100 (30) 62 (19)
10 1200 400 (122) 275 (84) 175 (53) 112 (34) 62 (19) 50 (15)
15 1800 300 (91) 175 (53) 112 (34) 75 (23) 37 (11) 30 (9)
20 2400 225 (68) 137 (42) 87 (26) 50 (15) 30 (9)
25 3000 175 (53) 112 (34) 62 (19) 37 (11)
30 3600 150 (46) 87 (26) 50 (15) 37 (11)
35 4200 125 (38) 75 (23) 50 (15)
40 4800 112 (34) 62 (19) 37 (11)
45 5400 100 (30) 62 (19)
50 6000 87 (26) 50 (15)
*Kabelsectie is gebaseerd op een spanningsval van maximaal 2%.
Kabellengte voor 240 Volt gebruik
Als de lasgroep niet uitgerust is met een lekstroomschakelaar (GFCI), gebruik dan een lekstroombeveiligde verlengkabel.
Maximaal toegelaten kabellengte in ft(m) voor geleidersectie (AWG)*
Stroom (Ampère) Belasting (Watt) 4 6 8 10 12 14
5 1200 700 (213) 450 (137) 225 (84) 200 (61)
7 1680 800 (244) 500 (152) 300 (91) 200 (61) 125 (38)
10 2400 800 (244) 550 (168) 350 (107) 225 (69) 125 (38) 100 (31)
15 3600 600 (183) 350 (107) 225 (69) 150 (46) 75 (23) 60 (18)
20 4800 450 (137) 275 (84) 175 (53) 100 (31) 60 (18)
25 6000 350 (107) 225 (69) 125 (38) 75 (23)
30 7000 300 (91) 175 (53) 100 (31) 75 (23)
35 8400 250 (76) 150 (46) 100 (31)
40 9600 225 (69) 125 (38) 75 (23)
45 10,800 200 (61) 125 (38)
50 12,000 175 (53) 100 (31)
*Kabelsectie is gebaseerd op een spanningsval van maximaal 2%.
OM-4421 Pagina 64
SECTIE 12 − ONDERDELENLIJST
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
13
14
15
12
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
106
107
108
109
110
111
112
113
115
116 (CC ONLY)
117 (Fig. 12-8)
118 (CV)
119 (CV)
120
121
122
123
124
125 (Fig. 12-4 of 12-5)
126
127
128
129
Figuur 12-1. Hoofdassemblage (Exportmodellen)
OM-4421 Page 65
803 646-J
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
61
62
63
64
65
66
6768
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
85
84
86
87
88
89
90
91
93 (Fig. 12-7)
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105 94
128
92
60
OM-4421 Pagina 66
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-1. Hoofdassemblage
Quanti
ty
1 189 824 PANEL, gen LH 1... ............. .. .................................................
1 199 294 PANEL, gen LH ss 1... ............ .. ...............................................
2 191 626 BUMPER, door engine access 2... ............. .. ....................................
3 189 975 HINGE, door access 180deg 2... ............. .. ......................................
4 +200 989 DOOR, engine access 1... ............ .. ...........................................
4 +210 736 DOOR, engine access ss 1... ........... .. .........................................
5 199 592 LATCH, paddle series 20 (black) 1... ............. .. ..................................
6 190 076 CHANNEL, stiffener engine access 1... ............. .. ................................
6 202 635 CHANNEL, stiffener engine access e−coat 1... ............ .. ..........................
7 190 992 KEEPER, latch engine access door 1... ............. .. ................................
8 220539 LABEL, diesel engine maintenance (required on rh door only) 1... .............. .. .........
9 208 141 STOP, door 1... ............. .. .....................................................
10 189 826 PANEL, rocker 1... ............. .. ..................................................
10 199 298 PANEL, rocker ss 1... ............ .. ...............................................
11 Z1
C
C
214 972 REACTOR, ac 1... ..... ... .. ..................................................
11 Z1
C
V
214 964 REACTOR, ac 1... ..... ... .. ..................................................
12 206 352 BRACE, front to center upright 2... ............. .. ....................................
13 1T 038 621 BLOCK, term 30A 4 pole frict term str 1... ..... .... .. ..............................
038 620 LINK, jumper term blk 30A 2................... .... ......................................
14 081 499 BRACKET, mtg strip terminal 1... ............. .. .....................................
15 SR4, SR5 035 704 RECTIFIER, integ bridge 40. amp 800v 2... .. . .. ............................
16 CB4 045 061 CIRCUIT BREAKER, auto reset 24vdc 7 amp 1... .... ... .. .......................
17 T1 201 613 TRANSFORMER w/bracket 1... ..... .... .. ......................................
17 T1 205 636 TRANSFORMER w/bracket (environmental coating) 1... ..... ... .. .................
18 173 352 EXTRUSION, rubber clamp/bulb (order by ft) 3ft... ............. .. .......................
19 189 708 FIREWALL, top 1... ............. .. .................................................
20 191 307 COVER, plate 1... ............. .. ..................................................
21 189 763 BRACKET, mtg air cleaner 1... ............. .. ........................................
22 189 618 HOSE, air cleaner 1... ............. .. ...............................................
23 198 457 TUBE, air intake 1... ............. .. ................................................
24 173 036 HOSE, elbow air cleaner 1... ............. .. .........................................
010 863 CLAMP, hose 1.125 − 3.000 clp dia 4................... .... ..............................
25 189 764 AIR CLEANER, intake 1... ............. .. ...........................................
*192 938 FILTER, air element primary 1................... .... ....................................
*192 939 FILTER, air element safety 1................. .... ......................................
26 189 464 SEAL, weather lift eye 1... ............. .. ...........................................
173 909 HOSE, sae .312 id x .560 od x 24.000 (order by ft) 2................... .. ..................
27 191 819 HOSE, sae .312 id x .560 od x 14.000 (order by ft) 2... ............. .. ..................
198 584 HOSE, sae .312 id x .560 od x 5.000 (order by ft) 1................... .. ....................
28 095 636 HOSE, sae .187 id x .41 od x 30.000 (order by ft) 1... ............. .. ...................
29 206 297 BASE, fuel filter w/fittings 1... ............. .. .........................................
192 741 BLOCK, spacer mtg filter base 1................... .... ..................................
30 *192 744 FILTER, fuel spin−on 1... ............. .. ............................................
31 201 658 UPRIGHT, center assembly 1... ............. .. .......................................
32 201 697 PAN, reactor and rectifier 1... ............. .. .........................................
203 260 LABEL, caution do not use ether 1................... .... .................................
33 +201 934 COVER, top 1... ............ .. ....................................................
33 +202 640 COVER, top ss 1... ........... .. .................................................
34 189 052 GROMMET, plastic neck filler fuel 1... ............. .. .................................
35 190 198 CAP, tank screw−on 3.500 in w/vent 1... ............. .. ...............................
36 192 041 LABEL, use diesel fuel only 1... ............. .. .......................................
37 222 513 LABEL, warning falling equipment can cause serious 1... ............. .. .................
38 224 265 LABEL, warning hot exhaust parts do not touch 1... ............. .. .....................
39 105 734 PIPE, muffler extension elbow 1.750 od 1... ............. .. ............................
40 201 851 COVER, radiator access 1... ............. .. .........................................
OM-4421 Page 67
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-1. Hoofdassemblage (vervolg)
Quanti
ty
40 202 629 COVER, radiator access ss 1... ............ .. .......................................
41 191 354 SUPPORT, cover 1... ............. .. ................................................
41 202 633 SUPPORT, cover e−coat 1... ............ .. .........................................
42 010 875 CLAMP, muffler 2.000 dia 1... ............. .. ........................................
43 203 180 MANIFOLD, exhaust muffler 1... ............. .. .....................................
203 179 BRACKET, support muffler 2................... .... ......................................
43 195 012 SPARK ARRESTOR KIT (Horizontal) (export models only) 1... ............. .. ..........
44 237 010 ENGINE, Perkins dsl elec 404D−22 1... ............. .. ...............................
*214 931 SENDER, Coolant Temp & 110c N.o. Switch 1................... .... ......................
*215 094 SWITCH, oil pressure 1................... .... ..........................................
023 562 CLAMP, hose .312 − .875 clp dia 1................... .... ................................
*197 899 FILTER, oil 1................... .... ...................................................
*192 744 FILTER, fuel spin−on 1................... .... ...........................................
*197 997 FILTER, fuel secondary 1................... .... ........................................
45 214 658 HOSE, radiator upper 1... ............. .. ...........................................
46 *197 944 BELT, fan 1... ............. .. ......................................................
47 217 775 GUARD, belt (export models only) 1... ............. .. ...............................
47 202 017 GUARD, belt 1... ............. .. ...................................................
48 220 280 RADIATOR, w/shroud (includes) 1... ............. .. ...................................
220 281 SHROUD, radiator 1................... .... .............................................
214 884 RADIATOR, w/14# cap 4 row core 3 pass 1................... .... .........................
187 120 CAP, radiator pressure 14 lb 1................... .... ....................................
49 225 120 LABEL, warning moving parts can cause injury 1... ............. .. ......................
50 201 749 UPRIGHT, rear 1... ............. .. ..................................................
50 207 188 UPRIGHT, rear ss 1... ............ .. ...............................................
50 207 005 GRILL, rear panel ss 1... ............ .. .............................................
51 108 081 TERMINAL PROTECTOR, battery post mtg 2... ............. .. ........................
52 190 206 CABLE, bat neg 42 in lg No. 2 awg w/clamp and .375rng 1... ............. .. .............
53 190 207 CABLE, bat pos 45 in lg No. 1 awg w/clamp and .406rng 1... ............. .. .............
54 203 430 BRACKET, battery holddown 1... ............. .. ......................................
55 190 897 BATTERY, stor 12V 650crk 110rsv gp 24 1... ............. .. ...........................
56 168 385 LABEL, warning battery explosion can blind 1... ............. .. .........................
57 +225 120 LABEL, warning moving parts can cause injury 1... ............ .. ......................
58 +201 183 COVER, battery access 1... ............ .. ..........................................
58 +202 639 COVER, battery access ss 1... ........... .. .......................................
59 201 006 BOLT, j stl .312−18 x 8.500 pld 2... ............. .. ....................................
60 +215 006 GUARD, fan 1... ............ .. ....................................................
61 197 496 HOSE, radiator lower 1... ............. .. ...........................................
199 505 HOSE, oil drain assy 32 in (consisting of) 1................... .. ...........................
62 165 271 VALVE, oil drain 3/8−18NPTF 1... ............. .... ...................................
63 176 529 FITTING, hose brs barbed fem 1/2tbg x 3/8NPT 1... ............. .... ...................
64 113 854 HOSE, SAE .500 ID x .780 OD xc oil (order by ft) 3ft... .............. .... ..................
65 197 448 FITTING, hose brs barbed elbow m 1/2 tbg x 3/8 npt 1... ............. .. .................
66 WASHER, oil drain (available through engine manufacturer) 1... ........................ ...........
67 197 196 FITTING, adapter oil drain 12mm male x 3/8 npt female 1... ............. .. ..............
68 199 849 SCREW, 625−11 x 4.00hexhd pln gr 5 pld 4... ............. .. ..........................
69 071 731 WASHER, flat .656 ID x 2.250 OD x .187T stl pld 4... ............. .. ....................
70 197 488 BRACKET, mtg LH Perkins 1... ............. .. .......................................
70 236 752 BRACKET, mtg RH 1... ............. .. .............................................
71 071 890 RETAINER, mount eng/gen 4... ............. .. .......................................
72 071 730 TUBING, stl .875 OD x 12ga wall x 2.500 4... ............. .. ...........................
73 083 476 MOUNT, eng/gen nprn .875 ID x 2.500 OD x 2.000 4... ............. .. ..................
74 135 205 NUT, 625−11 .94hex .76H stl pld elastic stop nut 4... ............. .. .....................
75 190 992 KEEPER, latch engine access door 2... ............. .. ................................
76 190 076 CHANNEL, stiffener engine access 2... ............. .. ................................
76 202 635 CHANNEL, stiffener engine access e−coat 1... ............ .. ..........................
OM-4421 Pagina 68
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-1. Hoofdassemblage (vervolg)
Quanti
ty
77 191 626 BUMPER, door engine access 4... ............. .. ....................................
78 199 592 LATCH, paddle series 20 (black) 1... ............. .. ..................................
79 220 539 LABEL, diesel engine maintenance 1... ............. .. ................................
80 +200 989 DOOR, engine access 1... ............ .. ...........................................
81 +210 736 DOOR, engine access ss 1... ........... .. .........................................
81 Not Applicable for Perkins powered machines... ........................
82 189 975 HINGE, door access 180deg 2... ............. .. ......................................
+199 301 PANEL, engine side ss 1................. .. ...........................................
83 190 190 TANK, coolant recovery 1... ............. .. ..........................................
84 189 826 PANEL, rocker 1... ............. .. ..................................................
85 199 298 PANEL, rocker ss 1... ............ .. ...............................................
85 208 141 STOP, door 1... ............. .. .....................................................
86 189 827 PANEL, gen RH 1... ............. .. .................................................
87 199 300 PANEL, gen RH ss 1... ............ .. ..............................................
87 *197 997 FILTER, fuel secondary 1... ............. .. ..........................................
88 173 909 HOSE, sae .312 id x .560 od (order by ft) 1... ............. .. ...........................
89 PUMP, fuel (available through engine manufacturer) 1... ........................ .................
90 218 222 BRACKET, mtg fuel filter/pump 1... ............. .. ....................................
91 230 636 IDLE SOLENOID ASSEMBLY (consisting of) 1... ............ .. ........................
230 634 SOLENOID, throttle w/4−8.4 lb spring 1................... .... ............................
230 829 BRACKET, mtg solenoid 1................... .... ........................................
198 018 LINKAGE, throttle solenoid 1................... .... .....................................
230 830 ARM, Throttle 1................... .... .................................................
198 109 SCREW, shld stl sch .250−20 x .437 x .500 shld 1................... .... .................
92 225 120 LABEL, warning moving parts can cause injury 2... ............. .. ......................
93 Figuur12-6 GENERATOR 1... ........... .. ...................................................
94 218 087 TANK, fuel (consisting of) 1... ............. .. .........................................
95 189 909 FITTING, stand pipe hose .250 x 9.260 lg 90deg zinc 1... ............. .... ...............
96 095 636 HOSE, sae .187 id x .410 od x 30.000 (order by ft) 1... ............. .... .................
97 201 025 CAP, fuel fitting 1... ............. .... ................................................
98 189 913 FITTING, stl barbed elbow zinc pld 1... ............. .... ...............................
99 190 142 SENDER, fuel gauge 9.7500 deep tank 1... ............. .... ...........................
100 189 910 FITTING, stand pipe hose .3125 x 9.260 lg 90deg zinc 1.. ............ .... .............
101 181 572 BUSHING, tank fuel 1.. ............ .... ............................................
102 189 908 VALVE, drain fuel 180deg 1.. ............ .... .......................................
103 191 446 EXTRUSION, rubber w/adhesive 1.000 x 1.000 D (order by ft) 6ft.. ............ .... .......
104 124 253 BUSHING, tank fuel 4.. ............ .... ............................................
084 173 CLAMP, hose .460 − .545clp dia slfttng 2................... .... ...........................
105 189 912 FITTING, stl barbed elbow w/.047 in orf zinc pld 1.. ............ .... ...................
106 224 266 LABEL, warning do not weld on base 2.. ............ .. ..............................
107 191 897 BRACKET, mtg unit 4.. ............ .. ..............................................
108 192 362 BRACKET, mtg nyl 1/2 conduit 1.. ............ .. ....................................
109 196 220 BRACKET, hold down fuel tank rear 1.. ............ .. ...............................
110 +200 999 BASE 1.. ........... .. ..........................................................
110 +203 382 BASE e−coat 1.. .......... .. ...................................................
111 218 086 BRACKET, hold down fuel tank 1.. ............ .. ....................................
112 173 352 EXTRUSION, rubber clamp/bulb (order by ft) 3ft.. ............ .. .......................
113 189 731 FIREWALL, lower 1.. ............ .. ...............................................
114 Figuur 12-2, 12-3 CONTROL BOX ASSEMBLY 1.. ..... .....................................
115 R3 189 699 RESISTOR, WW tap 375W 10 ohm w/mtg bkt 1.. .... .... .. ......................
116 R2
C
C
189 699 RESISTOR, WW tap 375W 10 ohm w/mtg bkt 1.. .... ... .. ......................
117 Figuur 12-7 MAIN RECTIFIER ASSEMBLY 1.. ......... .. ....................................
118 PC1
C
V
189 143 MODULE, field current regulator 1.. ... .. .. ...................................
119
C
V
193 453 BRACKET, mtg box fcr 1.. ........... .. ...........................................
120 191 448 TOP, cover front upright 1.. ............ .. ..........................................
OM-4421 Page 69
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-1. Hoofdassemblage (vervolg)
Quanti
ty
120 199 305 TOP, cover front upright ss 1.. ........... .. .......................................
121 212 944 LABEL, cc stick overlap weld ranges 1.. ............ .. ...............................
122 Not Applicable.. ....................... ...................................................
123 +201 750 UPRIGHT, front 1.. ........... .. .................................................
123 +202 637 UPRIGHT, front ss 1.. .......... .. ...............................................
223 103 LABEL, ce sound power level 97db (CC export models only) 1................... .. ........
173 216 LABEL, ce european community mark (CC export models only) 1................... .. ......
124 233 953 LABEL, warning general precautionary CSA 1.. ............ .. ........................
125 Figuur 12-4, 12-5 PANEL, front w/components 1.. ..... . ......................................
126 CT1 202 130 XFMR, current sensing 1.. ... .. .. ..........................................
127 +189 828 PANEL, engine side (400P Models) 1.. ........... .. ................................
127 +199 301 PANEL, engine side ss 1.. .......... .. ...........................................
128 233 088 LABEL, danger using a generator indoors can kill you in minutes (unit) 1.. ............ .. .
190 058 NUT, .250−20 u−nut multi−thread 19................... .. ..................................
049 525 NUT, 312−18 u−nut multi−thread 32................... .. ..................................
237 013 LABEL, hour/fuel meter usage 1................... .. ....................................
215 052 KIT, label (includes safety & informational labels) CC models 1................... .. ..........
215 212 KIT, label (includes safety & informational labels) CC/CV models 1................... .. .......
216 989 KIT, label (includes safety & informational labels) (CC export models) 1................... .. .
216 988 KIT, label (includes safety & informational labels) (CC/CV export models)1................... ..
+ When ordering a component originally displaying a precautionary label, the label should also be ordered.
*Recommended Spare Parts.
C
C
CC models only.
C
V
CC/CV models only.
Optional
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturer’s Suggested Replacement
Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Pagina 70
803 647-G
2
1
23
22
5
4
3
6
14
20
18
21
19
16
15
17
8
11
7
10
12
9
13
Figuur 12-2. Control Box Assembly − CC Models
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-2. Control Box Assembly − CC Models (Figuur 12-1 Item 114)
Quanti
ty
1 F1, F2 *085 874 FUSE, mintr cer slo-blo 10A 250V 2... ... .. .. .................................
2 046 432 HOLDER, fuse mintr .250 x 1.250 2... ............. .. .................................
3 CR7 188 636 RELAY, OCV control 1... .... ... .. .............................................
4 201 077 CONTROL BOX, lh 1... ............. .. ..............................................
5 C12 191 944 CAPACITOR, polyp met film 10. uf 250 vac 10% 1... .... ... .. ....................
6 R6 141 424 RESISTOR, ww fxd 30 w 25 ohm faston te 1... ..... .... .. .........................
7 201 078 CONTROL BOX, rh 1... ............. .. ..............................................
8 CR3 090 104 RELAY, encl 12VDC SPST 30A/15VDC spin flange mtg 1... ..... ... .. ..............
9 CR8 197 325 RELAY, encl 12vdc spst 70a 4pin flange mtg 1... .... ... .. ........................
10 CR1 090 104 RELAY, Encl 12vdc Spst 30a/15vdc 5pin Flange Mtg 1... .... ... .. .................
11 CR6 090104 RELAY, encl 12vdc spst 30a/15vdc 5pin flange mtg 1... .... .. .. ..................
12 D10/C10, D11/C11, D12 189 701 DIODE/CAPACITOR BOARD 3... .. .....................................
13 CB14 230 635 CIRCUIT BREAKER, auto reset 12vdc 8 amp 1... .... .. .. .......................
14 CB10 190 374 CIRCUIT BREAKER, auto reset 12VDC 40A 1... .... ... .. ........................
15 CR5 223 710 RELAY, Encl 12vdc Dpst−no 25a 6pin Flange 1... .... ... .. ......................
16 PC7 195 706 MODULE, pull to idle, two output, 7 pin 1... .... .. .. ............................
17 SR1, SR2 035 704 RECTIFIER, integ 40A 800V 2... .. . .. ......................................
18 CR4 113 247 RELAY, encl 12vdc dpdt 20a/120vac 8pin flange mtg 1... .... .. .. ................
OM-4421 Page 71
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-2. Control Box Assembly − CC Models Continued
Quanti
ty
19 201 079 COVER, control box 1... ............. .. .............................................
20 C9 087 110 CAPACITOR, elctlt 240uf 200VDC 1... ..... ..... .. .................................
21 177 136 CLAMP, capacitor 1.375dia 1... ............. .. .......................................
22 D1/C1 189 701 DIODE/CAPACITOR BOARD 1... ... .. .. .....................................
23 CB11, 12, 13 139 266 SUPPLEMENTARY PROTECTOR, man reset 1p 15a 250vac 3... .. ........
Optional
*Recommended Spare Parts.
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturers Suggested
Replacement Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Pagina 72
803 648-G
1
2
3
16
20
18
19
17
15
14
5
11
8
4
7
9
6
12
22
21
10
13
Figuur 12-3. Control Box Assembly − CC/CV Models
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-3. Control Box Assembly − CC/CV Models (Figuur 12-1 Item 114)
Quanti
ty
1 F1, F2 *085 874 FUSE, mintr cer slo-blo 10A 250V 2... ... .. .. .................................
2 046 432 HOLDER, fuse mintr .250 x 1.250 2... ............. .. .................................
3 201 077 CONTROL BOX, lh 1... ............. .. ..............................................
4 201 078 CONTROL BOX, rh 1... ............. .. ..............................................
5 CR3 090 104 RELAY, encl 12VDC SPST 30A/15VDC spin flange mtg 1... .... .. .. ..............
6 CR8 197 325 RELAY, encl 12vdc spst 70a 4pin flange mtg 1... .... ... .. ........................
7 CR1 090 104 RELAY, Encl 12vdc Spst 30a/15vdc 5pin Flange Mtg 1... .... ... .. .................
8 CR6 090 104 RELAY, encl 12vdc spst 30a/15vdc 5pin flange mtg 1... .... .. .. ..................
9 D10/C10, D11/C11, D12 189 701 DIODE/CAPACITOR BOARD 3... .. .....................................
10 CB14 230 635 CIRCUIT BREAKER, auto reset 12vdc 8 amp 1... .... .. .. .......................
11 CB10 190 374 CIRCUIT BREAKER, auto reset 12VDC 40A 1... .... ... .. ........................
12 CR5 223 710 RELAY, encl 12VDC dpst−no 25A 6pin flange 1... .... ... .. .......................
13 201 079 COVER, control box 1... ............. .. .............................................
14 PC7 195 706 MODULE, pull to idle, two output, 7 pin 1... .... .. .. ............................
15 SR1 035 704 RECTIFIER, integ 40A 800V 1... .... ... .. ......................................
16 CR4 113 247 RELAY, encl 12vdc dpdt 20a/120vac 8pin flange mtg 1... .... .. .. ................
17 PC9 192 224 CIRCUIT CARD ASSY, display 1... .... ... .. ....................................
18 134 201 STAND-OFF, support pc card 3... ............. .. .....................................
19 177 136 CLAMP, capacitor 1.375dia 1... ............. .. .......................................
20 C9 087 110 CAPACITOR, elctlt 240uf 200VDC 1... ..... ..... .. .................................
OM-4421 Page 73
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-3. Control Box Assembly − CC/CV Models (Continued)
Quanti
ty
21 D1/C1 189 701 DIODE/CAPACITOR BOARD 1... ... .. .. .....................................
22 CB11, 12, 13 139 266 SUPPLEMENTARY PROTECTOR, man reset 1p 15a 250vac 3... .. ........
Optional
*Recommended Spare Parts.
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturers Suggested
Replacement Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Pagina 74
803 649-D
1
2
3
4
5
6
7
8
9
11
10
12
13
14
15
16
18
19
22
23
24
25
26
27
29
30
20
21
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
17
28
Figuur 12-4. Panel, Front w/Components − CC Models
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturers Suggested
Replacement Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Page 75
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-4. Panel, Front w/Components − CC Models (Figuur 12-1 Item 125)
Quanti
ty
1 PLATE SCREENED, ident control rating (order by model and serial number)... ........................
(when ordering this item, the nameplate should also be ordered) 1.............................. .......
2 NAMEPLATE, screened (order by model and serial number) 1... ........................ ..........
3 238 616 PANEL, engine/weld control 1... ............. .. ......................................
4 S3 208 278 SWITCH, range/changeover 1... ..... .... .. ......................................
5 R1 188 635 RHEOSTAT, WW 300W 34 ohm 1... ..... .... .. ...................................
6 202 209 SPACER, nylon 3... ............. .. .................................................
7 S6 011 622 SWITCH, tgl DPDT 15A 125VAC 1... ..... ..... .. .................................
8 S5 011 609 SWITCH, tgl SPDT 15A 125VAC on-none-on spd term chr 1... ..... ..... .. ...........
9 RC13 032 897 RECEPTACLE, twlk grd 2P3W 15A 125V 1... .... ... .. ...........................
10 S1 217 680 SWITCH, ignition 4 position w/out handle 1... ..... .... .. ...........................
207 073 LEVER, ignition switch 1................... .. ..........................................
201 244 WASHER, tooth.728idx1.166odx.050t stl pld int.688 1................... .. .................
11 S2 021 467 SWITCH, tgl spst 3a 250v off−none−(on) spd term 1... ..... .... .. ...................
Figuur 12-6 AUXILIARY POWER GROUP , Export................ ..
215 437 AUXILIARY POWER GROUP, Domestic (Includes)................... ..
201 553 CLIP, circuit breaker retaining 1................... .... ...................................
12 CB1 201 083 SUPPLEMENTARY PROTECTOR, man reset 2p 20a 250vac 1... .... ... .... ......
13 CB2 093 996 SUPPLEMENTARY PRO, man reset 1p 20a 250vac frict 1... .... ... .... ...........
14 GFCI1 151 981 RECEPTACLE, str dx grd 2P3W 15/20A 125V GFCI 1... ... .. .... ...............
15 RC1 147 632 RECEPTACLE, tw lk grd 2P3W 30A 250V L6-30R 1... .... ... .... .................
16 190 861 LABEL, warning electric shock and moving parts etc 1... ............. .... ...............
17 +215 347 PANEL, gen pwr 1... ............ .... ...............................................
17 +215 405 PANEL, gen pwr ss 1... ........... .... ............................................
18 083 030 STUD, brs .250−20 x 1.750 w/hex collar 1... ............. .... ..........................
19 601 836 NUT, 250−20 .50hex .19h brs 3... ............. .... ...................................
20 209 056 COVER, receptacle w/gasket 2... ............. .... ...................................
21 206 795 BOOT, circuit breaker clear hex nut 1... ............. .... ..............................
22 196 073 LABEL, do not switch while welding 1... ............ .. ................................
23 S12 195 825 SWITCH, polarity 1... ..... .. .. ...............................................
23 S12 220 491 SWITCH, polarity/ac 1... ..... .. .. .............................................
24 201 125 PANEL, mtg terminal pwr output 1... ............. .. ...................................
24 199 303 PANEL, mtg terminal pwr output ss 1... ............ .. ................................
25 241 433 TERMINAL, pwr output black 1... ............. .. .....................................
180 735 WASHER, output stud 2................... .. ...........................................
26 181 169 SPACER, output stud 2... ............. .. ............................................
27 186 621 BOOT, generic output stud 2... ............. .. .......................................
28 059 773 HANDLE, switch 1... ............ .. ................................................
29 010 647 PIN, spring cs .156 x 1.250 1... ............ .. .......................................
30 241 432 TERMINAL, pwr output red 1... ............. .. .......................................
31 021 385 BOOT, toggle switch lever 2... ............. .. ........................................
32 201 045 COVER, receptacle twistlock 1... ............. .. ......................................
33 193 228 METER, Volt Dc 8− 18 Scale 2.250 In Black Face 1
... ............ .. ...................
34 FUEL/HM 232 112 GAUGE, fuel elec/hour meter 1... .. .. .. ....................................
35 217 084 GAUGE, Coolant Temp 0− 300 Deg F Electric 1... ............. .. .......................
197 798 SENDER, Coolant Temp 300 Deg F M16 X 1.5 1................... .. ......................
36 217 083 GAUGE, Pressure Oil 0−100 Psi Electric 1... ............. .. ...........................
193 230 SENDER, Pressure Oil 0− 100 Psi 1................... .. ................................
37 164 873 VOLT METER, W/Leads 1... ............ .. .........................................
38 164 874 AMMETER, W/Leads 1... ............ .. ...........................................
39 189 161 HANDLE, switch range 1... ............. .. ...........................................
40 010 647 PIN, spring CS .156 x 1.250 1... ............. .. ......................................
41 019 602 KNOB, pointer 1... ............. .. ..................................................
024 103 BLANK, snap−in nyl .750 mtg hole black 1................... .. ............................
Optional
+ When ordering a component originally displaying a precautionary label, the label should also be ordered.
OM-4421 Pagina 76
803 650-E
11
31
14
30
27
53
42
52
51
50
46
47
49
48
44
3940
41
38
37
36
35
43
34
29
28
33
2
55
54
56
57
1
7
6
8
10
9
3
5
4
19
24
20
25
26
22
23
21
17
16
15
18
13
12
32
45
Figuur 12-5. Panel, Front w/Components − CC/CV Models
OM-4421 Page 77
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-5. Panel, Front w/Components − CC/CV Models (Figuur 12-1 Item 125)
Quanti
ty
1 PLATE SCREENED, ident control (order by model and serial number)... ........................
(when ordering this item, the nameplate should also be ordered) 1.............................. .......
2 NAMEPLATE, screened (order by model and serial number) 1... ........................ ..........
3 238 616 PANEL, engine/weld control 1... ............. .. ......................................
4 S3 208 278 SWITCH, range/changeover 1... ..... .... .. ......................................
5 R1 193 118 POT, cp flat 1t 2w 1k ohm linear 1... ..... ..... .. ...................................
6 S6 193 234 SWITCH, rotary 6 position gold contacts 1... ..... .... .. ...........................
197527 Guard, Circuit Breaker (For S6 - Not Included w/Harness) 1.................... .. ............
7 S5 011 609 SWITCH, tgl SPDT 15A 125VAC on-none-on spd term chr 1... ..... ..... .. ...........
8 202 209 SPACER, nylon 2... ............. .. .................................................
9 PC6 192 995 CIRCUIT CARD ASSY, connector/receptacle 1... .... ... .. .......................
10, 11 CB5, CB6 093 995 SUPPLEMENTARY PRO, man reset 1p 15a 250vac frict 2. . .. .............
12 S2 021 467 SWITCH, tgl spst 3a 250v off−none−(on) spd term 1... ..... .... .. ...................
13 S1 217 680 SWITCH, ignition 4posn w/o handle 1... ..... .... .. ................................
207 073 LEVER, ignition switch 1................... .. ..........................................
201 244 WASHER, tooth.728idx1.166odx.050t stl pld int.688 1................... .. .................
Figuur 12-6 AUXILIARY POWER GROUP , Export................ ..
215 437 AUXILIARY POWER GROUP, Domestic (Includes)................... ..
14 CB1 201 083 SUPPLEMENTARY PROTECTOR, man reset 2p 20a 250vac 1... .... ... .... ......
201 553 CLIP, circuit breaker retaining 1................... .... ...................................
15 CB2 093 996 SUPPLEMENTARY PRO, man reset 1p 20a 250vac frict 1... .... ... .... ...........
16 GFCI1 151 981 RECEPTACLE, str dx grd 2P3W 15/20A 125V GFCI 1... ... .. .... ...............
17 RC1 147 632 RECEPTACLE, tw lk grd 2P3W 30A 250V L6-30R 1... .... ... .... .................
18 RC5 182 954 RCPT, str 3P4W 50A 125/250V 1... .... .. .... ..................................
19 025 248 STAND-OFF, insul .250-20 x 1.2 1... ............ .... .................................
20 604 102 CONNECTOR, clamp cable 1.000 1... ............ .... ...............................
21 197 527 GUARD, circuit breaker 1... ............ .... ........................................
22 197 363 TERMINAL, ring tng screw clamp 3... ............ .... ................................
23 CB7 214 926 SUPPLEMENTARY PROTECTOR, man reset 3p 50a 250vac 1... .... .. .... ......
24 +215 347 PANEL, generator power 1... ............ .... .......................................
24 215 406 PANEL, generator power ss 1... ............ .... .....................................
24 +215 363 PANEL, generator power (full kVA option) 1... ........... .... .........................
25 214 927 BOOT, circuit breaker 1 pole 1... ............ .... ....................................
26 197 508 PLUG, protective 1... ............ .... ..............................................
27 077 440 BUSHING, conduit 1 in 1... ............ .... .........................................
28 601 836 NUT, 250−20 .50hex .19h brs 3... ............. .... ...................................
29 209 056 COVER, receptacle w/gasket 1... ............. .... ...................................
30 083 030 STUD, brs .250−20 x 1.750 w/hex collar 1... ............. .... ..........................
CT2 197 433 TRANSFORMER, current sensing 1
.......... .. .... ...............................
31 190 861 LABEL, warning electric shock and moving parts etc 1... ............. .... ...............
31 197 399 LABEL, warning 3 ph generator power 1... ............ .... ............................
32 209 056 COVER, receptacle w/gasket 2... ............. .... ...................................
33 206 795 BOOT, circuit breaker clear hex nut 1... ............. .... ..............................
34 S12 195 825 SWITCH, polarity 1... ..... .. .. ...............................................
S12 220 491 SWITCH, polarity/AC 1........... .. .. ............................................
35 201 125 PANEL, mtg terminal pwr output 1... ............. .. ...................................
35 199 303 PANEL, mtg terminal pwr output ss 1... ............. .. ................................
36 PC4, PC5 189 744 CIRCUIT CARD ASSEMBLY, filter hf 2... .. . .. ...............................
37 241 432 TERMINAL, pwr output black 1... ............. .. .....................................
180 735 WASHER, output stud 2................... .. ...........................................
OM-4421 Pagina 78
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-5. Panel, Front w/Components − CC/CV Models (Continued)
Quanti
ty
38 134 201 STAND-OFF, support 12... ............. .. ............................................
39 181 169 SPACER, output stud 2... ............. .. ............................................
40 186 621 BOOT, generic output stud 2... ............. .. .......................................
41 059 773 HANDLE, switch 1... ............ .. ................................................
42 010 647 PIN, spring cs .156 x 1.250 1... ............ .. .......................................
43 241 432 TERMINAL, pwr output red 1... ............. .. .......................................
44 196 073 LABEL, do not switch while welding 1... ............ .. ................................
45 021 385 BOOT, toggle switch lever 1... ............. .. ........................................
46 190 323 BOOT, circuit breaker clear hex nut 2... ............. .. ................................
47 170 391 CONN, circ ms protective cap size 20 1... ............. .. .............................
48 FUEL/HM 232 112 GAUGE, fuel elec/hour meter 1... .. .. .. ....................................
49 193 228 METER, Volt Dc 8− 18 Scale 2.250 In Black Face 1... ............ .. ...................
50 217 084 GAUGE, Coolant Temp 0− 300 Deg F Electric 1... ............ .. ......................
197 798 SENDER, Coolant Temp 300 Deg F M16 X 1.5 1................... .. ......................
51 217 083 GAUGE, Pressure Oil 0−100 Psi Electric 1... ............. .. ...........................
193 230 SENDER, Pressure Oil 0− 100 Psi 1................... .. ................................
52 164 873 METER, amp ac/dc 0− 500 0−600 dc scale 2.5 in 1... ............ .. ...................
53 164 874 METER, volt ac/dc 0− 100 scale 2.5 in 1... ............ .. .............................
54 097 922 KNOB, pointer .875 dia x .250 ID w/set screws plstc 1... ............. .. .................
55 189 161 HANDLE, switch range 1... ............. .. ...........................................
56 010 647 PIN, spring CS .156 x 1.250 1... ............. .. ......................................
57 097 924 KNOB, pointer 1.625 dia x .250 ID w/set scrws plstc 1... ............. .. .................
024 103 BLANK, snap-in nyl .750 mtg hole blk 1................... .. ..............................
120 304 BLANK, snap−in nyl .250 mtg hole black 2................... .. ............................
Optional
+ When ordering a component originally displaying a precautionary label, the label should also be ordered.
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturers Suggested
Replacement Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Page 79
805 259-A
1
2
3
4
5
8
9
10
7
6
Figuur 12-6. Auxiliary Power Group, Export
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No. Quanti
ty
Figuur 12-6. Auxiliary Power Group, Export
1 +223121 Panel, Aux Power (Export) 1... ............ .. .......................................
2 144844 Stand−off, No 6−32 X .875 Lg .250 Hex Al Fem 2... ............. .. .....................
3 ELCB1 222991 Circuit Breaker, Elcb 20a 220v 0.030a Trip 1... ... .. .. .........................
4 200910 Label, Warning Electric Shock And Moving Parts Ce 1... ............. .. .................
5 GFCI1 151981 Rcpt, Str Dx Grd 2p3w 15/20a 125v *5−20r Gfi 1... ... .. .. .....................
6 CB2 093996 Circuit Breaker, Man Reset 1p 20a 250vac Frict 1... .... ... .. .....................
7 083030 Stud, Brs .250−20 X 1.750 W/Hex Collar 1... ............. .. ...........................
601836 Nut, 250−20 .50hex .19h Brs 3................... .. .....................................
8 190323 Boot, Circuit Breaker Clear Hex Nut 1... ............. .. ...............................
9 209056 Cover, Receptacle W/Gasket 2... ............. .. .....................................
10 RC1 176355 Rcpt, Str 2p3w 16a 220v Flange Mtg 1... .... ... .. ..............................
+When ordering a component originally displaying a precautionary label, the label should also be ordered.
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturers Suggested
Replacement Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Pagina 80
802 552-B
5
6
8
9
24
28
30
31
32
33
1
2
7
25
26
35
36
4
3
10
27
21
29
34
20
17
18
11
15
16
12
13
14
19
22
23
Figuur 12-7. Generator
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-7. Generator (Figuur 12-1 Item 93)
Quanti
ty
1 132 053 SCREW, .375−16x1.50 hex hd−pln gr5 pld 6... ............. .. .........................
2 183 387 WASHER, conical spring .406 ID x .875 OD pltd 6... ............. .. .....................
3 195 911 ENDBELL, gen (consisting of) 1... .............. .. .....................................
4 143 220 O-RING, 2.859 ID x .139CS 1... ............. .... .....................................
5 201 099 STATOR, exciter/gen pwr 1... ............. .. .........................................
6 +215 011 STATOR, weld assembly complete 1... ............ .. ................................
6+216 318 STATOR, weld assembly complete (full kVA option) 1... ........... .. ..................
7 225 120 LABEL, warning moving parts can cause injury 2... ............. .. ......................
8 190 197 GUARD, generator wire mesh 1... ............. .. .....................................
9 172 674 SPRING, ext .240 OD x .041 wire x 3.500pld 2... ............. .. ........................
10 039 207 BAFFLE, air 1... ............. .. ....................................................
11 ROTOR 212 996 ROTOR, Generator Segmented Assy (Includes) 1... ... .. .. ....................
12 210 824 ROTOR, Generator (Includes) 1... ............. .... ...................................
13 024 617 RING, Rtng Ext 1.375 Shaft X .050 Thk 1... ............. ...... ........................
14 053 390 BEARING, Ball Rdl Sgl Row 1.370 X 2.830 X .6 1... ............. ...... ................
HUB, Drive (Not Sold Separately) 1.................................. ..............................
210 447 FAN, Rotor Assy Generator (Segmented) (includes) 1................... .... ...............
15 210 332 PLATE, Flex Hubmount 1... ............. ...... ......................................
16 206 242 FAN, Rotor Segmented Assy Gen 4... ............. ...... .............................
17 049 026 SCREW, M10−1.5x 25 Hex Hd−pln 8.8 Pln 10... ............. ...... ......................
18 083 883 WASHER, Lock .402idx0.709odx.087t Stl Split10mm 10... ............. ...... .............
19 080 389 SCREW, 312−18x1.00 Hexwhd.66d Stl Pld Slffmg Tap−rw 8... ............. ...... ........
20 197 487 FLYWHEEL 1... ............. .... ..................................................
OM-4421 Page 81
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-7. Generator (Continued)
Quanti
ty
21 197 486 ADAPTER, Engine 1... ............. .. ..............................................
22 083 883 WASHER, Lock .402idx0.709odx.087t Stl Split10mm 4... ............. .. ................
23 049 026 SCREW, M10−1.5x 25 Hex Hd−pln 8.8 Pln 4... ............. .. .........................
24 191 579 COVER, starter hole /Continental 1... ............. .. ..................................
195 560 GUARD, starter hole deutz 912 1................... .. ...................................
25 083 883 WASHER, Lock .402idx0.709odx.087t Stl Split10mm 6... ............. .. ................
26 172 555 SCREW, M10-1.5 x 50hexhd pln 8.8pld 6... ............. .. ............................
27 602 159 SCREW, .312−18x .75 hexwhd.66d stl pld slffmg tap−rw 6... ............. .. .............
28 601 961 SCREW, .312-18 x 2.25hexhd pln gr 5pld 4... ............. .. ...........................
29 602 211 WASHER, lock .318 ID x 0.586 6... .............. .. ....................................
30 139 341 WASHER, exciter 4... ............. .. ...............................................
31 *190 823 BRUSH, contact 3... ............. .. ................................................
32 208 469 CLIP, spring 3... ............. .. ....................................................
33 189 142 BRUSHHOLDER ASSEMBLY, gen 1... ............. .. ................................
34 602 242 WASHER, flat .375IDx0.875odx.083t stl pld 2... ............. .. .........................
35 602 211 WASHER, Lock .318idx0.586odx.078t Stl Pld Split.312 2... .............. .. ...............
36 604 534 SCREW, .312−18x1.25 hex hd−pln gr5 pld 2... ............. .. .........................
+ When ordering a component originally displaying a precautionary label, the label should also be ordered.
*Recommended Spare Parts.
Optional
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturers Suggested
Replacement Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Pagina 82
802 279-A
1
2
3
4
6
5
7
8
9
Figuur 12-8. Main Rectifier Assembly
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Figuur 12-8. Main Rectifier Assembly (Figuur 12-1 Item 117)
Quanti
ty
SR3 239 784 RECTIFIER, environmental high power (consisting of) 1.......... ... .. ................
1 188 137 CONNECTION BOARD, rectifier AC 1... ............. .... .............................
2 188 517 BUS BAR, connection board 3... ............. .... ....................................
3 188 135 ENCLOSURE, rectifier 2... ............. .... .........................................
4 134 201 STAND-OFF, support 3... ............. .... ..........................................
5 PC3 215 755 CIRCUIT CARD ASSEMBLY, protection 1... .... ... .... ..........................
6 188 136 INSULATOR, heat sink 8... ............. .... .........................................
7 188 493 HEAT SINK, rectifier al 2... ............. .... .........................................
8 D3, D5, D7 245 097 DIODE, rect 300 a 500v do−9 (straight) modified 3... . .... ..................
9 D2, D4, D6 245 096 DIODE, rect 300 a 500v do−9 (reversed) modified 3... . .... .................
To maintain the factory original performance of your equipment, use only Manufacturers Suggested
Replacement Parts. Model and serial number required when ordering parts from your local distributor.
OM-4421 Page 83
Some wiring harness components (switches, relays, circuit breakers) are also referenced elsewhere in this parts list. Purchase components sepa-
rately or as part of the associated wiring harness.
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Wiring Harnesses
Quanti
ty
238763 Harness, control box, CC weld control (includes) 1.................... .. .................
SR1, SR2 035704 Rectifier, Integ Bridge 40. Amp 800v 2........ .. .. ...............................
D1/C1 189701 Diode/Capacitor Board, 1......... ... .. ..........................................
RC4 047483 Conn, Rect Univ 084 15p/S 3row Rcpt Cable/Panel Lkg 1.......... .... .. ..............
CB11, CB12, CB13 139266 Supplementary Protector, Man Reset 1p 15a 250vac 3.. .. ................
CR7 188636 Relay, Ocv Control 1.......... .... .. ..............................................
148850 Socket, Relay 5 Pin 1.................... .. .............................................
S6 011622 Switch, Tgl 3pdt 15a 125vac On−none−on Spd Term 1........... ..... .. ................
S5 011609 Switch, Tgl Spdt 15a 125vac On−none−on Spd Term Chr 1........... ..... .. ............
211292 Conn, Pack 4p 1row Female 1.................... .. .....................................
211293 Conn, Pack Terminal Position Assurance(Lock) 1.................... .. .....................
164617 Clip, Wiring Straight 3.................... .. .............................................
S2 021467 Switch, Tgl Spst 3a 250v Off−none−(On) Spd Term 1........... ..... .. ..................
150316 Conn, Rect Univ 039 6p/S 3row Plug Cable Lkg 5.................... .. .....................
RC3 158466 Conn, Rect Univ 084 12p/S 3row Rcpt Cable/Panel Lkg 1.......... .... .. ..............
RC1 135133 Conn, Rect Univ 084 9p/S 3row Rcpt Cable/Panel Lkg 1.......... .... .. ...............
092670 Conn, Rect Univ 084 3p/S 1row Plug Cable Lkg 1.................... .. ....................
214932 Conn, Rect Univ 039 8p/S 2row Plug Cable Lkg Seal 1.................... .. ...............
214933 Seal, Wire Univ 039 6.................... .. .............................................
238683 Harness, control box, CV weld control (includes) 1.................... .. .................
CB11, CB12, CB13 139266 Supplementary Protector, Man Reset 1p 15a 250vac 3.. .. ................
SR1 035704 Rectifier, Integ Bridge 40. Amp 800v 1.......... .... .. ...............................
148850 Socket, Relay 5 Pin 1.................... .. .............................................
RC4 047483 Conn, Rect Univ 084 15p/S 3row Rcpt Cable/Panel Lkg 1.......... .... .. ..............
RC3 158466 Conn, Rect Univ 084 12p/S 3row Rcpt Cable/Panel Lkg 1.......... .... .. ..............
RC1 135133 Conn, Rect Univ 084 9p/S 3row Rcpt Cable/Panel Lkg 1.......... .... .. ...............
150316 Conn, Rect Univ 039 6p/S 3row Plug Cable Lkg 6.................... .. .....................
S6 193234 Switch, Rotary 6 Posn Gold Contacts 1........... ..... .. ..............................
021467 Switch, Tgl Spst 3a 250v Off−none−(On) Spd Term 1.................... .. ..................
S5 011609 Switch, Tgl Spdt 15a 125vac On−none−on Spd Term Chr 1........... ..... .. ............
D1/C1 189701 Diode/Capacitor Board, 1......... ... .. ..........................................
193183 Conn, Rect Cinch 18 Pin 1.................... .. .........................................
196602 Plug, Cavity 18,30 Position Cinch Connector 4.................... .. .......................
196603 Seal, Switch 6 Position Rotary .250 Shaft 1.................... .. ..........................
141450 Conn, Rect Metrmate 10skt 1row Plug Cable Lkg 1.................... .. ...................
CB5, CB6 093995 Supplementary Pro, Man Reset 1p 15a 250vac Frict 2........ .. .. .................
211292 Conn, Pack 4p 1row Female 1.................... .. .....................................
211293 Conn, Pack Terminal Position Assurance(Lock) 1.................... .. .....................
214932 Conn, Rect Univ 039 8p/S 2row Plug Cable Lkg Seal 1.................... .. ...............
214933 Seal, Wire Univ 039 6.................... .. .............................................
215013 Harness, weld control CC (includes) 1.................... .. .............................
PLG3 158465 Conn, Rect Univ 084 12p/S 3row Plug Cable Lkg 1.......... .... .. ...................
187654 Seal, Wire Univ 12p/S 3row 1.................... .. ......................................
PLG6 114063 Conn, Rect Univ 084 4p/S 1row Plug Cable Lkg 1.......... .... .. .....................
215207 Harness, weld control CV (includes) 1.................... .. .............................
PLG6 114063 Conn, Rect Univ 084 4p/S 1row Plug Cable Lkg 1.......... .... .. .....................
PLG8 193184 Conn, Rect Cinch 30 Pin 1.......... .... .. .........................................
PLG13 147992 Conn, Rect Univ 039 10p/S 2row Plug Cable Lkg 1......... ... .. ...................
PLG3 158465 Conn, Rect Univ 084 12p/S 3row Plug Cable Lkg 1.......... .... .. ...................
187654 Seal, Wire Univ 12p/S 3row 1.................... .. ......................................
196602 Plug, Cavity 18,30 Position Cinch Connector 6.................... .. .......................
OM-4421 Pagina 84
Description
Part
No.
Dia.
Mkgs.
Item
No.
Wiring Harnesses (Continued)
Quanti
ty
232068 Harness, engine control (includes) 1.................... .. ..............................
D10/C10, D11/C11,D12 189701 Diode/Capacitor Board, 2... .. ..........................................
CB10 190374 Circuit Breaker, Auto Reset 12vdc 40 Amp 1.......... .... .. .........................
CR1 090104 Relay, Encl 12vdc Spst 30a/15vdc 5pin Flange Mtg 1.......... .... .. ..................
148850 Socket, Relay 5 Pin 1.................... .. .............................................
PLG4 114062 Conn, Rect Univ 084 15p/S 3row Plug Cable Lkg 1.......... .... .. ...................
212116 Conn, Deutsch 2p 1row Female Plug 3.................... .. ..............................
212117 Conn, Deutsch Wedge Lock 2 Position 3.................... .. ............................
CR8 197325 Relay, Encl 12vdc Spst 70a 4pin Flange Mtg 1.......... .... .. .......................
192558 Harness, range switch (includes) 1.................... .. ................................
RC6 148389 Conn,Rect Univ 084 4p/S 1row Rcpt Cable/Panel Lkg 1.......... .... .. ...............
201109 Harness, receptacle auxiliary power (domestic models) (includes) 1.................... .. .
RC1 147632 Rcpt, Tw Lk Grd 2p3w 30a 250v *L6−30r 1.......... .... .. ...........................
GFCI1 151981 Rcpt, Str Dx Grd 2p3w 15/20a 125v *5−20r Gfi 1......... ... .. .....................
CB2 093996 Supplementary Pro, Man Reset 1p 20a 250vac Frict 1.......... .... .. .................
223132 Harness, receptacle auxiliary power (export models) (includes) 1.................... .. ...
GFCI1 151981 Rcpt, Str Dx Grd 2p3w 15/20a 125v *5−20r Gfi 1......... ... .. .....................
CB2 093996 Supplementary Pro, Man Reset 1p 20a 250vac Frict 1.......... .... .. .................
190259 Harness, brushholder (includes) 1.................... .. ................................
PLG1 135134 Conn, Rect Univ 084 9p/S 3row Plug Cable Lkg 1.......... .... .. .....................
187651 Seal, Wire Univ 9p/S 3row 1.................... .. .......................................
Geldig vanaf 1 januari 2010
(Installaties waarvan het serienummer begint met “MA” of nieuwer)
Deze beperkte garantie vervangt alle vorige Miller garanties en is exclusief zonder andere expliciete of impliciete
waarborgen of garanties.
BEPERKTE GARANTIE − Afhankelijk van de onderstaande bepa-
lingen en voorwaarden garandeert Miller Electric Mfg. Co., Apple-
ton, Wisconsin, zijn erkende verdeler dat nieuwe Miller installaties
die verkocht zijn na de geldende datum van deze beperkte garantie
geen materiaal- en/of fabricagefouten hebben. DEZE GARANTIE
VERVANGT UITDRUKKELIJK ALLE ANDERE GARANTIES, EX-
PLICIET OF IMPLICIET, VAN VERKOOPBAARHEID EN
GESCHIKTHEID.
Binnen de onderstaande garantieperioden zal Miller alle onderde-
len of componenten die niet meer functioneren door dergelijke fa-
bricage- en materiaalfouten met garantie repareren of vervangen.
Miller moet binnen dertig (30) dagen schriftelijk op de hoogte wor-
den gebracht van een dergelijke fout of storing, waarop Miller in-
structies zal geven over de garantieclaim-procedure die hierop
volgt.
In het geval van een dergelijke storing binnen de garantieperiode
zal Miller garantieclaims toestaan op installaties met garantie die
hieronder zijn vermeld. Alle garantieperioden gelden vanaf de dag
dat de installatie geleverd werd aan de erkende verdeler, of acht-
tien maanden nadat de installatie naar een internationale distribu-
teur gezonden is.
1. 5 jaar op onderdelen — 3 jaar op arbeidsloon
* Bij originele hoofdstroomgelijkrichters alleen de thyristo-
ren (SCR’s), de diodes en de afzonderlijke gelijkrichter-
modules
2. 3 jaar — op onderdelen en arbeidsloon
* Lasaggregaten met aandrijfmotor
(OPMERKING: Motoren vallen onder een aparte
garantie, bij de fabrikant van de motor.)
* Inverter stroombronnen (tenzij anders aangegeven)
* Stroombronnen plasmasnijders
* Procesbeheersingsapparatuur
* Semiautomatische en automatische draadaanvoereen-
heden
* De Flowregelaar en Flowmeter uit de Smith 30 Serie (geen
arbeidsloon)
* Transformator/gelijkrichter stroombronnen
* Waterkoelingsystemen (geïntegreerd)
3. 2 jaar — op onderdelen
* Automatisch verduisterende helmlenzen
(geen arbeidsloon)
4. 1 jaar — op onderdelen en arbeidsloon tenzij anders
aangegeven
* Automatisch bewegende apparatuur
* CoolBelt− en CoolBand−ventilatorunit (geen arbeidsloon)
* Externe controleapparatuur en −sensoren
* Opties van onderdelen achteraf ingebouwd
(OPMERKING: Opties van onderdelen die achteraf zijn in-
gebouwd zijn gedekt voor de resterende garantieperiode
van het product waarin ze in zijn geïnstalleerd of voor een
minimum van één jaar — afhankelijk van welke van de
twee het langste duurt.)
* Flowregelaars− en Flowmeters (geen arbeidsloon)
* RFCS voetbedieningen (m.u.v. RFCS−RJ45)
* Rookgasafzuigers
* HF Units
* ICE plasmasnijtoortsen (geen arbeidsloon)
* Stroombronnen voor inductieverwarming, koelers en
elektronische regelapparatuur/recorders
* Elektrische belastingsbanken
* Motoraangedreven laspistolen
(m.u.v. de Spoolmate −laspistolen)
* PAPR−ventilatorunit (geen arbeidsloon)
* Positionerings− en regelapparatuur
* Rekken
* Laskarren/trailers
* Puntlasapparaten
* Onderpoederdek−draadaanvoersystemen
* Waterkoelsystemen (niet−geïntegreerd)
* Weldcraft TIG toortsen (geen arbeidsloon)
* Werkstations/Lastafels (geen arbeidsloon)
5. 6 maanden — op onderdelen
* Accu’s
* Bernard pistolen (geen arbeidsloon)
* Tregaskiss pistolen (geen arbeidsloon)
6. 90 dagen — op onderdelen
* Toebehoren (sets)
* Beschermzeilen
* Inductieverwarmingsspoelen en dekens, kabels en niet
elektronische regelapparatuur
* M−pistolen
* MIG pistolen en onderpoederdek (SAW) pistolen
* Afstandsbedieningen en RFCS−RJ45
* Vervangende onderdelen (geen arbeidsloon)
* Roughneck−pistolen
* Spoolmate pistolen
Millers True Blue® beperkte garantie geldt niet voor:
1. Slijtonderdelen zoals contacttips, snijmondstukken,
magneetschakelaars, koolborstels, relais, bovenbladen
van werkstations en lasgordijnen of andere onderdelen
die niet meer goed werken als gevolg van normale
slijtage. (Uitzondering: borstels en relais zijn wel gedekt
bij alle motoraangedreven producten.)
2. Onderdelen geleverd door Miller maar geproduceerd door an-
deren, zoals motoren of handelsaccessoires. Deze onderde-
len vallen onder de eventuele garanties door de fabrikanten.
3. Installaties die veranderingen hebben ondergaan door andere
partijen dan Miller, of installaties die onjuist geïnstalleerd of
verkeerd gebruikt zijn volgens industrierichtlijnen, of installa-
ties die geen redelijk en noodzakelijk onderhoud hebben ge-
had, of installaties die gebruikt zijn voor andere dan de
aangegeven toepassingen voor de installatie.
MILLER PRODUKTEN ZIJN BEDOELD VOOR VERKOOP EN
GEBRUIK DOOR COMMERCIËLE/INDUSTRIËLE GEBRUI-
KERS EN PERSONEN DIE OPGELEID ZIJN EN ERVARING
HEBBEN MET HET GEBRUIK EN ONDERHOUD VAN LASIN-
STALLATIES.
In het geval van een garantieclaim gedekt door deze garantie,
zullen de exclusieve Miller-oplossingen zijn: (1) repareren; of (2)
vervangen; of, als dit schriftelijk door Miller is toegestaan in
bepaalde gevallen, (3) de redelijke kosten van repareren of
vervangen bij een goedgekeurd Miller onderhoudsbedrijf; of (4)
krediet of betaling van de aankoopprijs (redelijke
waardevermindering op basis van het eigenlijke gebruik) bij het
retourneren van de goederen op risico en kosten van de klant.
Miller’s optie van repareren of vervangen zal f.o.b. zijn (met
inbegrip van vervoerskosten tot in de boot), naar de fabriek in
Appleton, Wisconsin of f.o.b. naar een door Miller goedgekeurd
onderhoudsbedrijf zoals bepaald is door Miller. Daarom zal er geen
compensatie of terugbetaling voor transportkosten worden
toegestaan.
VOOR ZOVER DE WET DIT TOESTAAT, STAAN ER GEEN AN-
DERE VERHAALSMOGELIJKHEDEN OPEN DAN DEGENE DIE
HIER VOORZIEN ZIJN. IN GEEN GEVAL ZAL MILLER CON-
TRACTUEEL, UIT ONRECHTMATIGE DAAD, OF ANDERSZINS,
AANSPRAKELIJK ZIJN VOOR RECHTSTREEKSE, ON-
RECHTSTREEKSE, BIJZONDERE, INCIDENTELE, OF GE-
VOLGSCHADE (HIERIN BEGREPEN GEDERFDE WINST).
MILLER VERWERPT EN SLUIT, M.B.T. ALLE GEREEDSCHAP
DAT DOOR HAAR GELEVERD WORDT, ELKE
UITDRUKKELIJKE GARANTIE DIE HIER NIET VOORZIEN IS,
EN ELKE GEÏMPLICEERDE GARANTIE OF VERKLARING
M.B.T. PRESTATIE, EN ELK VERHAAL OP GROND VAN
CONTRACTUELE WANPRESTATIE, UIT ONRECHTMATIGE
DAAD, OF DAT, WARE DEZE BEPALING NIET OPGENOMEN,
IMPLICIET, VAN RECHTSWEGE, NAAR HANDELSGEWOONTE
OF NAAR AANLEIDING VAN DE CONCRETE
OMSTANDIGHEDEN VAN DE TRANSACTIE ZOU
VOORTVLOEIEN UIT GELIJK WELKE ANDERE
RECHTSTHEORIE, HIERIN BEGREPEN ELKE
GEÏMPLICEERDE GARANTIE M.B.T. VERKOOPBAARHEID OF
GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD GEBRUIK, UIT.
Sommige staten in de V.S. staan geen beperkingen toe met betrek-
king tot de duur van de garantie, noch uitsluiting van bijkomende
schade, indirecte schade, speciale schade of gevolgschade, dus
bovenstaande beperking kan mogelijk niet van toepassing zijn
voor u. Deze garantie biedt specifieke wettelijke rechten en er kun-
nen eventueel ook andere rechten van toepassing zijn; deze kun-
nen echter per staat verschillen.
In Canada biedt de wetgeving in enkele provincies bepaalde extra
garanties of oplossingen die afwijken van de bepalingen die hierin
zijn opgenomen, en bovenstaande beperkingen en uitsluitingen
zijn mogelijk niet van toepassing, voorzover er niet van mag wor-
den afgezien. Deze Beperkte Garantie biedt specifieke wettelijke
rechten en er kunnen eventueel ook andere rechten zijn; deze kun-
nen echter per provincie verschillen.
miller warr_dut 2010−01
Vertaling van de originele instructies − UITGEGEVEN IN DE VS. © 2010 Miller Electric Mfg. Co 2010-01
Miller Electric Mfg. Co.
An Illinois Tool Works Company
1635 West Spencer Street
Appleton, WI 54914 USA
International Headquarters−USA
USA Phone: 920-735-4505 Auto-attended
USA & Canada FAX: 920-735-4134
International FAX: 920-735-4125
Voor internationale vestigingen bezoek
website: www.MillerWelds.com
Naam van het model Serie-/typenumber
Aankoopdatum (datum waarop de apparatuur bij de oorspronkelijke klant werd bezorgd.)
Leverancier
Adres
Plaats
Staat Postcode
S.v.p. volledig invullen en goed bewaren.
Vermeld altijd de naam van het model en het serie-/typenummer
Ga naar uw leverancier voor: Toebehoren en elektroden
Optionele apparatuur en accessoires
Persoonlijke beschermingsmiddelen
Service en reparaties
Vervangende onderdelen
Trainingen en opleidingen (scholen, videos,
boeken)
Technische handboeken (onderhoudsinformatie
en onderdelen)
Stroomkringschema’s
Handboeken over lasprocessen
Neem contact op met het
vervoersbedrijf:
Neem contact op met de transportafdeling van uw
distributeur en/of de fabrikant van de apparatuur
voor hulp bij het indienen en afhandelen van scha-
declaims.
Service
Papieren van de eigenaar
Om een schadeclaim in te dienen bij verlies of
beschadiging tijdens verscheping,
Contacteer een verdeler of een service bureau
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92

Miller Big Blue 400P de handleiding

Type
de handleiding