GASGAS EC 350F de handleiding

Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

BEDIENINGSHANDLEIDING 2023
EC 250F
Artikelnr. 3215103nl
BESTE GASGAS KLANT,
*3215103nl*
3215103nl
14.04.2022
BESTE GASGAS KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw GASGAS-motorfiets. U bent nu in het bezit van een modern en sportief voer-
tuig dat, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken.
We wensen u te allen tijde een goede en veilige reis toe!
Vul hieronder de serienummers van uw voertuig in.
Voertuigidentificatiennummer ( pag. 12) Stempel dealer
Motornummer ( pag. 12)
Sleutelnummer ( pag. 12)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip van publicatie gaat overeen met de nieuwste stand van deze modelserie.
Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling van de motorfietsen kunnen echter niet worden
uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. GASGAS Motorcycles GmbH houdt zich het recht voor technische gegevens,
prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder vooraf-
gaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te annuleren, deze aan te passen
aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. GAS-
GAS Motorcycles is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van afbeeldingen en beschrijvingen, druk-
fouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien van speciale uitrustingen die niet standaard bij
de leveromvang horen.
© 2022 GASGAS Motorcycles GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met schriftelijke toe-
stemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061)
GASGAS Motorcycles past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanage-
mentsnorm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken.
Afgegeven door: TÜV Management Service
GASGAS Motorcycles GmbH
Stallhofnerstraße 3
5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen:
EC 250F EU (F0203W9)
EC 250F AR (F0242W9)
INHOUDSOPGAVE
2
INHOUDSOPGAVE
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN ............................... 5
1.1 Gebruikte pictogrammen.............................. 5
1.2 Gebruikte formatteringen............................. 5
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ....................................... 6
2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik .............. 6
2.2 Onjuist gebruik .............................................. 6
2.3 Veiligheidsaanwijzingen ................................ 6
2.4 Gevarenniveau en pictogrammen ................ 6
2.5 Waarschuwing voor manipulaties ................ 7
2.6 Veilig gebruik ................................................. 7
2.7 Beschermende kleding.................................. 7
2.8 Werkinstructies ............................................. 8
2.9 Milieu............................................................. 8
2.10 Bedieningshandleiding .................................. 8
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN..................................... 9
3.1 Fabrieksgarantie, garantie ............................ 9
3.2 Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ...................... 9
3.3 Reserveonderdelen, toebehoren.................. 9
3.4 Service ........................................................... 9
3.5 Afbeeldingen ................................................. 9
3.6 Klantenservice ............................................... 9
4 AFBEELDING VOERTUIG ............................................ 10
4.1 Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave).............................. 10
4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave).............................. 11
5 SERIENUMMERS ........................................................ 12
5.1 Voertuigidentificatiennummer ................... 12
5.2 Typeplaatje .................................................. 12
5.3 Sleutelnummer............................................ 12
5.4 Motornummer............................................. 12
5.5 Artikelnummer voorvork............................. 13
5.6 Artikelnummer schokdemper ..................... 13
6 BEDIENINGSELEMENTEN........................................... 14
6.1 Koppelingshendel........................................ 14
6.2 Remhendel .................................................. 14
6.3 Gashendel.................................................... 14
6.4 Uitschakelknop ............................................ 14
6.5 Claxonknop.................................................. 15
6.6 Lichtschakelaar............................................ 15
6.7 Richtingaanwijzerschakelaar....................... 15
6.8 Noodstopschakelaar.................................... 15
6.9 Startknop ..................................................... 16
6.10 Overzicht controlelampjes .......................... 16
6.11 Tankdop openen ......................................... 16
6.12 Tankdop sluiten ........................................... 17
6.13 Koude-startknop.......................................... 17
6.14 Regelschroef stationair toerental ............... 18
6.15 Versnellingshendel ...................................... 18
6.16 Rempedaal................................................... 19
6.17 Zijstandaard................................................. 19
6.18 Stuurslot ...................................................... 19
6.19 Stuur vergrendelen ..................................... 20
6.20 Stuur ontgrendelen ..................................... 20
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT................................. 21
7.1 Overzicht gecombineerd instrument.......... 21
7.2 Activering..................................................... 21
7.3 Melding op het gecombineerde
instrument................................................... 21
7.4 Gecombineerd instrument instellen........... 21
7.5 Kilometer of mijl instellen........................... 22
7.6 Tijd instellen ................................................ 23
7.7 Service-indicatie instellen ........................... 23
7.8 Snelheid, tijd en DST afstand 1 ................... 24
7.9 Snelheid, tijd en DST2 afstand 2 ................. 24
7.10 AVG gemiddelde snelheid, ART
bedrijfsuren en ODO totale afstand............ 25
8 INBEDRIJFSTELLING ................................................... 26
8.1 Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling............................................ 26
8.2 Motor inrijden ............................................. 27
8.3 Startvermogen van lithium-ion-accu's bij
lage temperaturen ...................................... 27
8.4 Voertuig voorbereiden op zwaardere
gebruiksomstandigheden............................ 28
8.5 Voertuig voor rijden op droog zand
voorbereiden............................................... 28
8.6 Voertuig voor rijden op nat zand
voorbereiden............................................... 29
8.7 Voertuig voor rijden op nat en modderig
circuit voorbereiden.................................... 29
8.8 Voertuig voor hoge temperaturen of
langzaam rijden voorbereiden.................... 30
8.9 Voertuig voor lage temperaturen of
sneeuw voorbereiden ................................. 30
9 RIJ-INSTRUCTIES ........................................................ 31
9.1 Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling............................................ 31
9.2 Voertuig starten .......................................... 31
9.3 Beginnen met rijden.................................... 32
9.4 Schakelen, rijden ......................................... 32
9.5 Afremmen.................................................... 33
9.6 Stoppen, parkeren....................................... 33
9.7 Transporteren.............................................. 34
9.8 Brandstof tanken......................................... 34
10 SERVICESCHEMA........................................................ 36
10.1 Extra informatie........................................... 36
10.2 Verplichte werkzaamheden ........................ 36
10.3 Aanbevolen werkzaamheden...................... 37
11 CHASSIS AFSTELLEN................................................... 38
11.1 Basisinstelling chassis voor
bestuurdersgewicht controleren ................ 38
11.2 Ingaande demping schokdemper ............... 38
11.3 Ingaande demping lowspeed van de
schokdemper instellen................................ 38
INHOUDSOPGAVE
3
11.4 Ingaande demping highspeed van de
schokdemper instellen................................ 39
11.5 Uitgaande demping van de
schokdemper instellen................................ 40
11.6 Maat achterwiel zonder belasting
bepalen........................................................ 40
11.7 Statische veerweg schokdemper
controleren.................................................. 41
11.8 Dynamische veerweg schokdemper
controleren.................................................. 41
11.9 Veervoorspanning schokdemper
instellen ................................................... 42
11.10 Dynamische veerweg instellen ............... 43
11.11 Basisinstelling voorvork controleren .......... 43
11.12 Ingaande demping voorvork instellen ........ 44
11.13 Uitgaande demping voorvork instellen ...... 44
11.14 Stuurpositie ................................................. 45
11.15 Stuurpositie instellen .............................. 45
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS........................ 47
12.1 Motorfiets met hefbok opkrikken............... 47
12.2 Motorfiets van hefbok nemen.................... 47
12.3 Vorkpoten ontluchten................................. 47
12.4 Vuilschrapers vorkpoten reinigen............... 48
12.5 Voorvorkprotector demonteren................. 48
12.6 Voorvorkprotector monteren ..................... 49
12.7 Vorkpoten demonteren .......................... 49
12.8 Vorkpoten monteren .............................. 50
12.9 Onderste kroonplaat demonteren ......... 50
12.10 Onderste kroonplaat monteren .............. 51
12.11 Speling balhoofdlager controleren ............. 53
12.12 Speling balhoofdlager instellen .............. 54
12.13 Balhoofdlager smeren ............................. 54
12.14 Spatbord voor demonteren ........................ 54
12.15 Spatbord voor monteren ............................ 55
12.16 Schokdemper demonteren ..................... 56
12.17 Schokdemper monteren ......................... 57
12.18 Zadel verwijderen........................................ 59
12.19 Zadel monteren........................................... 59
12.20 Deksel luchtfilterbak demonteren.............. 60
12.21 Deksel luchtfilterbak monteren .................. 61
12.22 Luchtfilter demonteren ........................... 61
12.23 Luchtfilter monteren ............................... 62
12.24 Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen ...... 62
12.25 Luchtfilterbak-deksel op borging
voorbereiden ........................................... 63
12.26 Einddemper demonteren............................ 63
12.27 Einddemper monteren................................ 64
12.28 Glasvezelvulling van de einddemper
vervangen ................................................ 64
12.29 Brandstoftank demonteren .................... 65
12.30 Brandstoftank monteren ........................ 67
12.31 Kettingvervuiling controleren ..................... 68
12.32 Ketting reinigen ........................................... 68
12.33 Kettingspanning controleren ...................... 69
12.34 Kettingspanning instellen............................ 70
12.35 Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel
en kettinggeleiding controleren ................. 71
12.36 Frame controleren .................................. 74
12.37 Achterbrug controleren .......................... 74
12.38 Gaskabellegging controleren ...................... 74
12.39 Rubberen stuurcovers controleren............. 75
12.40 Uitgangspositie koppelingshendel
instellen ....................................................... 75
12.41 Vloeistofpeil hydraulische koppeling
controleren/corrigeren ............................... 75
12.42 Vloeistof van de hydraulische koppeling
verversen ................................................. 76
13 REMSYSTEEM............................................................. 78
13.1 Uitgangspositie van de remhendel
instellen ....................................................... 78
13.2 Remschijven controleren ............................ 78
13.3 Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren.................................................. 79
13.4 Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen ................................................... 79
13.5 Remplaketten voorwielrem controleren .... 80
13.6 Remplaketten van de voorwielrem
vervangen ................................................ 81
13.7 Vrije slag rempedaal controleren ............... 83
13.8 Uitgangspositie van het rempedaal
instellen ................................................... 83
13.9 Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren.................................................. 84
13.10 Remvloeistof achterwielrem bijvullen .... 85
13.11 Remplaketten achterwielrem
controleren.................................................. 86
13.12 Remplaketten van de achterwielrem
vervangen ................................................ 86
14 WIELEN, BANDEN ...................................................... 89
14.1 Voorwiel demonteren ............................. 89
14.2 Voorwiel monteren ................................. 90
14.3 Achterwiel demonteren .......................... 90
14.4 Achterwiel monteren .............................. 91
14.5 Bandentoestand controleren...................... 93
14.6 Bandenspanning controleren...................... 93
14.7 Spaakspanning controleren ........................ 94
15 ELEKTRONICA............................................................. 95
15.1 12V-accu demonteren ............................ 95
15.2 12V-accu monteren ................................ 96
15.3 12V-accu laden ........................................ 97
15.4 Hoofdzekering vervangen ........................... 99
15.5 Zekeringen van de afzonderlijke
elektrische verbruikers vervangen........... 100
15.6 Koplampkap met koplamp
demonteren.............................................. 101
15.7 Koplampkap met koplamp monteren...... 102
15.8 Lamp koplamp vervangen........................ 102
15.9 Koplampstand controleren ...................... 103
15.10 Lichtbundelbreedte van de koplamp
instellen .................................................... 103
15.11 Knipperlichtlamp vervangen .................... 104
INHOUDSOPGAVE
4
15.12 Batterij gecombineerd instrument
vervangen ................................................. 105
15.13 Diagnosestekker ....................................... 105
16 KOELSYSTEEM......................................................... 106
16.1 Koelsysteem ............................................. 106
16.2 Antivries en koelmiddelpeil
controleren............................................... 106
16.3 Koelmiddelpeil controleren ..................... 107
16.4 Koelmiddel aftappen ............................ 107
16.5 Koelmiddel vullen ................................. 108
16.6 Koelmiddel verversen............................... 109
17 MOTOR AFSTELLEN ................................................ 110
17.1 Speling gaskabel controleren................... 110
17.2 Speling gaskabel instellen .................... 110
17.3 Eigenschappen van de gasrespons
instellen ................................................ 111
17.4 Stationair toerental instellen ............... 112
17.5 Smoorkleppositie programmeren............ 113
17.6 Uitgangspositie versnellingshendel
controleren............................................... 114
17.7 Uitgangspositie van de
versnellingshendel instellen ................. 114
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR...................... 115
18.1 Brandstofzeef vervangen ..................... 115
18.2 Motoroliepeil controleren ....................... 116
18.3 Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeef reinigen ............ 116
18.4 Motorolie bijvullen................................... 118
19 REINIGING, ONDERHOUD....................................... 120
19.1 Motorfiets reinigen .................................. 120
19.2 Controle en onderhoud voor rijden in
de winter .................................................. 121
20 STALLING................................................................. 122
20.1 Stalling ...................................................... 122
20.2 Inbedrijfname na stalling ......................... 123
21 OPSPOREN VAN FOUTEN ....................................... 124
22 KNIPPERCODE ......................................................... 126
23 TECHNISCHE GEGEVENS......................................... 128
23.1 Motor........................................................ 128
23.2 Aanhaalmomenten motor ....................... 129
23.3 Vulhoeveelheden ..................................... 131
23.3.1 motorolie............................................. 131
23.3.2 Koelmiddel........................................... 131
23.3.3 Brandstof............................................. 131
23.4 Chassis ...................................................... 131
23.5 Elektronica................................................ 132
23.6 Banden...................................................... 132
23.7 Voorvork ................................................... 132
23.8 Schokdemper............................................ 133
23.9 Aanhaalmomenten chassis ...................... 134
24 GEBRUIKSSTOFFEN ................................................. 137
25 HULPSTOFFEN......................................................... 139
26 NORMEN................................................................. 141
27 LIJST MET VAKBEGRIPPEN...................................... 142
28 LIJST MET AFKORTINGEN ....................................... 143
29 LIJST MET SYMBOLEN............................................. 144
29.1 Gele of oranje pictogrammen.................. 144
29.2 Groene en blauwe pictogrammen........... 144
INDEX ............................................................................... 145
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 1
5
1.1 Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt werkzaamheden die specialistische kennis en technisch inzicht vereisen. Laat de werkzaamhe-
den voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage. Daar wordt
uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het benodigde speciale gereed-
schap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.
1.2 Gebruikte formatteringen
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam Kenmerkt een eigennaam.
Naam®Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™ Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen die
in de begrippenlijst worden uitgelegd.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
6
2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
Dit voertuig is zodanig ontworpen en gebouwd dat het gangbare belastingen bij normale races kan weerstaan. Dit voertuig
voldoet aan het geldende reglement en de geldende categorieën van de hoogste internationale motorsportbonden.
Info
Dit voertuig is alleen in de gehomologeerde uitvoering (beperkt vermogen) toegelaten voor het rijden op de open-
bare weg.
In de niet-gehomologeerde uitvoering mag dit voertuig uitsluitend worden gebruikt op afgesloten trajecten buiten
het openbare wegennet.
Dit voertuig is speciaal ontworpen voor langeafstandsraces op het terrein en niet voor het overwegende gebruik in
de motocross.
2.2 Onjuist gebruik
Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze.
Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en milieu.
Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik.
Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfsen hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specificaties voor
het toepassingsgebied.
2.3 Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden genomen.
Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvuldig door. De veiligheids-
aanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de tekst.
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwingsstickers
aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken kunt u of andere
personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
2.4 Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg heeft als u
niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste
voorzorgsmaatregelen neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen
neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de juiste
voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen
neemt.
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
7
2.5 Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende maatregelen
of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1 Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluidsdemping
dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het voertuig voor
andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2 Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is
gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1 Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaatgassen
geleiden.
2 Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem.
3 Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand.
4 Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van het
inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
2.6 Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallenBestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en
voor anderen.
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingSommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer heet.
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze voertuig-
componenten zijn afgekoeld.
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
Storingen die de veiligheid beïnvloeden, moeten onmiddellijk door een geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage worden
verholpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
2.7 Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letselGeen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede broek en
jas met bescherming.
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschrif-
ten.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
8
Voor uw eigen veiligheid adviseert GASGAS Motorcycles om het voertuig uitsluitend met geschikte beschermende kleding
te gebruiken.
2.8 Werkinstructies
Voor zover niet anders aangegeven moet bij alle werkzaamheden het contact zijn uitgeschakeld (modellen met contactslot,
modellen met transpondersleutel) resp. de motor stilstaan (modellen zonder contactslot of transpondersleutel).
Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar kunnen
worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: lagertrekker (15112017000)
Tenzij anders vermeld gelden de normale voorwaarden voor alle werkzaamheden en beschrijvingen.
Omgevingstemperatuur 20 °C
Omgevingsluchtdruk 1.013 mbar
Relatieve luchtvochtigheid 60 ± 5 %
Onderdelen die niet kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, expansieschroeven,
afdichtingen, dichtringen, keerringen, splitpennen, borgplaten) tijdens de montage door nieuwe onderdelen vervangen.
Voor enkele schroefverbindingen is schroefborging (bijvoorbeeld Loctite®) vereist. Specifieke aanwijzingen van de fabrikant
bij het gebruik in acht nemen.
Als op een nieuw onderdeel reeds schroefborgmiddel (bijv. Precote®) is aangebracht, geen extra borgmiddel aanbrengen.
Onderdelen die na de demontage worden hergebruikt, reinigen en controleren op beschadiging en slijtage. Beschadigde of
versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie of servicebeurt controleren of het voertuig verkeersveilig is.
2.9 Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en conflic-
ten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebruiken, dient u mili-
eubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de geldende wet- en
regelgeving in het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen, bestaat er geen wettelijke
regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde GASGAS Motorcycles-dealer is u graag van dienst.
2.10 Bedieningshandleiding
Lees deze bedieningshandleiding zorgvuldig en volledig door, voordat u voor het eerst met de motorfiets gaat rijden. In de
bedieningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo komt
u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Tip
Bewaar deze bedieningshandleiding op uw eindapparaat, zodat deze altijd kan worden nagelezen.
Neem contact op met een geautoriseerde GASGAS Motorcycles-dealer als u meer over het voertuig wilt weten of als tijdens
het lezen iets niet duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk deel van het voertuig. Bij verkoop moet de bedieningshandleiding door de
nieuwe eigenaar opnieuw worden gedownload.
De bedieningshandleiding kan via de QR-code of de link op het leveringscertificaat meerdere keren worden gedownload.
De bedieningshandleiding is als download op uw geautoriseerde GASGAS Motorcycles-dealer en op de
GASGAS Motorcycles-website beschikbaar.
Internationale GASGAS Motorcycles-website: http://www.gasgas.com
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
9
3.1 Fabrieksgarantie, garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend door een geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage worden uitgevoerd en moeten in het GASGAS Motorcycles Dealer.net worden bevestigd,
omdat anders de garantie volledig vervalt. Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan het
voertuig is veroorzaakt, bestaat er geen aanspraak op fabrieksgarantie.
3.2 Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.
3.3 Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door GASGAS Motorcycles zijn vrijgegeven
en/of aanbevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage monteren. Voor andere producten
en daardoor veroorzaakte schade is GASGAS Motorcycles niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw geautori-
seerde GASGAS Motorcycles-dealer adviseert u graag.
De actuele GASGAS Technical Accessories voor uw voertuig vindt u op de GASGAS Motorcycles-website.
Internationale GASGAS Motorcycles-website: http://www.gasgas.com
3.4 Service
Voorwaarde voor een storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de bedie-
ningshandleiding genoemde service-, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis. Door een onjuist
afgesteld chassis kunnen chassiscomponenten beschadigen of afbreken.
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt, zoals op zand of op een nat, stoffig of modderig
traject/terrein, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen, luchtfilters of veringscomponenten duidelijk sneller
verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te controleren
of te vervangen.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming daarvan
draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
Bij de intervallen gebaseerd op tijd of kilometerstand is het interval dat als eerste komt doorslaggevend.
3.5 Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de betref-
fende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u zich aan de
aanwijzingen in de tekst.
3.6 Klantenservice
De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over GASGAS Motorcy-
cles.
De lijst met geautoriseerde GASGAS Motorcycles-dealers vindt u op de GASGAS Motorcycles-website.
Internationale GASGAS Motorcycles-website: http://www.gasgas.com
4 AFBEELDING VOERTUIG
10
4.1 Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
I00010-10
1Koppelingshendel ( pag. 14)
2Tankdop
3Deksel luchtfilterbak
4Zijstandaard ( pag. 19)
5Motornummer ( pag. 12)
6Versnellingshendel ( pag. 18)
AFBEELDING VOERTUIG 4
11
4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
I00011-10
1Uitschakelknop ( pag. 14)
1Claxonknop ( pag. 15)
1Lichtschakelaar ( pag. 15)
1Richtingaanwijzerschakelaar ( pag. 15)
2Startknop ( pag. 16)
2Noodstopschakelaar ( pag. 15)
3Gashendel ( pag. 14)
4Remhendel ( pag. 14)
5Artikelnummer voorvork ( pag. 13)
6Rempedaal ( pag. 19)
7Kijkglas voor motorolie
8Kijkglas remvloeistof achter
5 SERIENUMMERS
12
5.1 Voertuigidentificatiennummer
401945-10
Het voertuigidentificatienummer 1is aan de rechterkant van het bal-
hoofd gegraveerd.
5.2 Typeplaatje
V01808-10
(EC 250F EU)
Het typeplaatje Europa 1is op het balhoofd vooraan aangebracht.
Het typeplaatje Australië 2is op de borstbuis vooraan aange-
bracht.
5.3 Sleutelnummer
H02475-10
Het sleutelnummer 1voor het stuurslot is in een hanger aan de sleu-
telring gegraveerd.
5.4 Motornummer
H01047-10
Het motornummer 1in de linkerkant van de motor boven het ketting-
aandrijfwiel gegraveerd.
SERIENUMMERS 5
13
5.5 Artikelnummer voorvork
401947-10
Het artikelnummer van de voorvork 1is aan de binnenzijde van de
asopname gegraveerd.
5.6 Artikelnummer schokdemper
H02222-10
Het artikelnummer van de schokdemper 1is op het bovenste deel van
de schokdemper boven de stelring naar de motorzijde toe gegraveerd.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
14
6.1 Koppelingshendel
F03160-10
De koppelingshendel 1is aan de linkerkant van het stuur aangebracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.
6.2 Remhendel
F03161-10
De remhendel 1is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Met de remhendel wordt de voorwielrem bediend.
6.3 Gashendel
F03162-10
De gashendel 1is aan de rechterzijde van het stuur aangebracht.
6.4 Uitschakelknop
F03165-11
De uitschakelknop 1is links op het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Uitschakelknop in de uitgangspositie In deze stand is het ont-
stekingscircuit gesloten en kan de motor worden gestart.
Uitschakelknop ingedrukt In deze stand is het ontstekingscir-
cuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een stil-
staande motor schakelt niet in.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
15
6.5 Claxonknop
F03165-10
De claxonknop 1is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Claxonknop in de uitgangspositie
Claxonknop ingedrukt In deze stand wordt de claxon bediend.
6.6 Lichtschakelaar
F03164-10
De lichtschakelaar 1is links op het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan De lichtschakelaar bevindt zich in de mid-
delste stand. In deze stand zijn het dimlicht en het achter-
licht ingeschakeld.
Groot licht aan Lichtschakelaar naar links geschakeld. In
deze stand zijn het groot licht en het achterlicht ingescha-
keld.
6.7 Richtingaanwijzerschakelaar
F03164-11
De richtingaanwijzerschakelaar 1is links aan het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit Richtingaanwijzerschakelaar
bevindt zich in de middelste stand.
Richtingaanwijzer links aan Richtingaanwijzerschakelaar
is naar links geschakeld.
Richtingaanwijzer rechts aan Richtingaanwijzerschakelaar
is naar rechts geschakeld.
6.8 Noodstopschakelaar
F03163-10
De noodstopschakelaar 1is aan de rechterkant van het stuur aange-
bracht.
Mogelijke toestanden
Ontsteking uit In deze stand is het ontstekingscircuit
onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit en een
stilstaande motor schakelt niet in.
Ontsteking aan In deze stand is het ontstekingscircuit
gesloten en kan de motor worden gestart.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
16
6.9 Startknop
F03163-11
De startknop 1is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Startknop in de uitgangspositie
Startknop ingedrukt in deze stand wordt de startmotor geacti-
veerd.
6.10 Overzicht controlelampjes
F03166-10
Mogelijke toestanden
Controlelampje groot licht brandt blauw Groot licht is
ingeschakeld.
Controlelampje storing brandt/knippert geel De OBD
heeft een fout in de voertuigelektronica geconstateerd.
Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen
met een geautoriseerde GASGAS Motorcycles-dealer.
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt geel Brand-
stofpeil heeft de reservemarkering bereikt.
Controlelampje richtingaanwijzer knippert groen Rich-
tingaanwijzer is ingeschakeld.
6.11 Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als brandstof in
de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
17
F03167-10
Ontgrendelknop 1indrukken, tankdop tegen de klok in draaien en
naar boven toe verwijderen.
6.12 Tankdop sluiten
F03167-11
Tankdop plaatsen en met de klok mee draaien tot de ontgrendel-
knop 1vergrendelt.
Info
Slang van de brandstoftankontluchting 2zonder knikken
leggen.
6.13 Koude-startknop
E02821-10
De koude-startknop 1is onder aan het smoorklephuis aangebracht.
Bij koude motor en lage omgevingstemperatuur verlengt de elektro-
nische brandstofinspuiting de inspuittijd. Om de grotere hoeveelheid
brandstof te verbranden, wordt er extra zuurstof aan de motor toege-
voerd door het uittrekken van de koude-startknop.
Als kort gas wordt gegeven en de gashendel dan wordt losgelaten of de
gashendel naar voren wordt gedraaid, springt de koude-startknop terug
in de uitgangspositie.
Info
Controleer of de koude-startknop is teruggekeerd naar de uit-
gangspositie.
Mogelijke toestanden
Koude-startknop geactiveerd Koude-startknop is tot de aanslag
ingedrukt.
Koude-startknop gedeactiveerd Koude-startknop staat in de uit-
gangspositie.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
18
6.14 Regelschroef stationair toerental
E02819-10
De stationaire afstelling van de regelklep is van grote invloed op het
startgedrag, een stabiel stationair toerental en de response bij het gas
geven.
Een motor met een correct ingesteld stationair toerental start makkelij-
ker dan een motor met een verkeerd ingesteld stationair toerental.
Het stationaire toerental wordt met de regelschroef stationair toeren-
tal 1afgesteld.
Als de regelschroef stationair toerental met de klok mee wordt gedraaid,
wordt het stationaire toerental hoger.
Als de regelschroef stationair toerental tegen de klok in wordt gedraaid,
wordt het stationaire toerental lager.
6.15 Versnellingshendel
401950-10
De versnellingshendel 1is aan de linkerkant van de motor gemon-
teerd.
401950-11
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden van de afbeelding.
De neutrale of stationaire stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnel-
ling.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
19
6.16 Rempedaal
401956-10
Het rempedaal 1bevindt zich voor de rechter voetsteun.
Met het rempedaal wordt de achterwielrem bediend.
6.17 Zijstandaard
401943-10
De zijstandaard 1is aan de linker voertuigzijde aangebracht.
401944-10
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard 1worden opgeklapt
en met de rubberband 2zijn vastgezet.
6.18 Stuurslot
F03170-10
Het stuurslot 1is aan de linkerkant van het balhoofd aangebracht.
Met het stuurslot kan het stuur worden geblokkeerd. Sturen en rijden is
dan niet meer mogelijk.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
20
6.19 Stuur vergrendelen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
400732-01
Voertuig parkeren.
Het stuur volledig naar rechts draaien.
Stuurslot regelmatig smeren.
Universele oliespray ( pag. 140)
Sleutel voor het stuurslot in het stuurslot ( pag. 19) steken, naar
links draaien, indrukken en naar rechts draaien. Sleutel voor het
stuurslot verwijderen.
Het stuur kan niet meer worden bewogen.
Info
Sleutel voor het stuurslot nooit in het stuurslot laten zitten.
6.20 Stuur ontgrendelen
400731-01
Sleutel voor het stuurslot in het stuurslot ( pag. 19) steken, naar
links draaien, uittrekken en naar rechts draaien. Sleutel voor het
stuurslot verwijderen.
Het stuur kan weer worden bewogen.
Info
Sleutel voor het stuurslot nooit in het stuurslot laten zitten.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
21
7.1 Overzicht gecombineerd instrument
402819-10
1Overzicht controlelampjes ( pag. 16)
2Linker knop
3Display
4Rechter knop
7.2 Activering
402819-01
Gecombineerd instrument activeren
Het gecombineerde instrument wordt geactiveerd als u op een van de
knoppen drukt of als hij van de wieltoerentalsensor een impuls ontvangt.
7.3 Melding op het gecombineerde instrument
401901-01
Mogelijke toestanden
Batterijspanning van het gecombineerde instrument Bat-
terijspanning van het gecombineerde instrument is te laag.
Batterij gecombineerd instrument vervangen.
Service Er moet een servicebeurt worden
uitgevoerd. Contact opnemen met geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage.
7.4 Gecombineerd instrument instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
401909-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT knippert.
Eén van de knoppen indrukken om de eenheid UNIT voor de snel-
heid in kilometer KM/H of mijl M/H te selecteren.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
22
401911-01
5 seconden wachten.
Gecombineerd instrument gaat naar het volgende menupunt.
Het pictogram knippert.
Een van de knoppen indrukken om de 24-uursweergave of
12-uursweergave van de klok te selecteren.
401912-01
5 seconden wachten.
Gecombineerd instrument gaat naar het volgende menupunt.
Het pictogram knippert.
Tijd terugzetten
Linker knop indrukken.
De waarde verlaagt.
Tijd vooruit zetten
Rechter knop indrukken.
De waarde verhoogt.
401913-01
5 seconden wachten.
Gecombineerd instrument gaat naar het volgende menupunt.
Het pictogram knippert.
Service-interval verkorten
Linker knop indrukken.
De waarde verlaagt.
Service-interval verlengen
Rechter knop indrukken.
De waarde verhoogt.
401914-01
Service-indicatie uitschakelen
Linker knop ingedrukt houden.
Op het display verschijnt off.
7.5 Kilometer of mijl instellen
Info
Als de eenheid wordt gewijzigd, blijft de waarde ODO bewaard en wordt dienovereenkomstig omgerekend.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
23
401909-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT knippert.
Eén van de knoppen indrukken om de eenheid UNIT voor de snel-
heid in kilometer KM/H of mijl M/H te selecteren.
7.6 Tijd instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
401911-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT knippert.
Wachten totdat het menu voor de klok knippert.
Een van de knoppen indrukken om de 24-uursweergave of
12-uursweergave van de klok te selecteren.
401912-01
5 seconden wachten.
Gecombineerd instrument gaat naar het volgende menupunt.
Het pictogram knippert.
Tijd terugzetten
Linker knop indrukken.
De waarde verlaagt.
Tijd vooruit zetten
Rechter knop indrukken.
De waarde verhoogt.
7.7 Service-indicatie instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
401913-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT knippert.
Wachten totdat het menu voor de service-indicatie knippert.
Service-interval verkorten
Linker knop indrukken.
De waarde verlaagt.
Service-interval verlengen
Rechter knop indrukken.
De waarde verhoogt.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT
24
401914-01
Service-indicatie uitschakelen
Linker knop ingedrukt houden.
Op het display verschijnt off.
7.8 Snelheid, tijd en DST afstand 1
401901-01
Eén van de knoppen indrukken tot DST op het gecombineerde
instrument wordt weergegeven.
KM/H of M/H geeft de snelheid weer.
geeft de tijd weer.
DST geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld
tussen twee tankstops.
Info
Als de waarde 39999,9 wordt overschreden, wordt DST automa-
tisch gereset op 0,0.
Linker knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus
Linker knop 3
- 5 seconden
indrukken.
DST kan door het indrukken van de knoppen op een
waarde tussen 0,0 en 39999,9 worden ingesteld.
Rechter knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus
Rechter knop
3 - 5 seconden
indrukken.
DST wordt op 0,0 gereset.
7.9 Snelheid, tijd en DST2 afstand 2
401902-01
Eén van de knoppen indrukken tot DST2 op het gecombineerde
instrument wordt weergegeven.
KM/H of M/H geeft de snelheid weer.
geeft de tijd weer.
DST2 geeft de afstand 2 aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen
twee tankstops.
Info
Als de waarde 39999,9 wordt overschreden, wordt DST2 auto-
matisch gereset op 0,0.
Linker knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus
Linker knop 3
- 5 seconden
indrukken.
DST2 kan door het indrukken van de knoppen op
een waarde tussen 0,0 en 39999,9 worden inge-
steld.
Rechter knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus
GECOMBINEERD INSTRUMENT 7
25
Rechter knop
3 - 5 seconden
indrukken.
DST2 wordt op 0,0 gereset.
7.10 AVG gemiddelde snelheid, ART bedrijfsuren en ODO totale afstand
401903-01
Eén van de knoppen indrukken tot AVG,ART en ODO in het gecom-
bineerde instrument weergegeven worden.
AVG geeft de gemiddelde snelheid sinds de laatste reset aan.
ART geeft de bedrijfsuren weer.
ODO geeft de totale afstand weer.
Linker knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus
Linker knop 3
- 5 seconden
indrukken.
STEEKSLEUTELPICTOGRAM geeft de resterende
bedrijfsuren aan tot de volgende servicebeurt.
Rechter knop
kort indrukken.
Volgende weergavemodus
Rechter knop
3 - 5 seconden
indrukken.
AVG wordt op 0,0 gereset.
8 INBEDRIJFSTELLING
26
8.1 Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling
Gevaar
Gevaar voor ongevallenBestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zichzelf en
voor anderen.
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letselGeen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede broek en
jas met bescherming.
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschrif-
ten.
Waarschuwing
Gevaar voor vallenVerschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen niet-aangepaste rijwijze beïnvloedt het rijgedrag.
Pas de rijsnelheid aan de toestand van de rijweg en uw rijvaardigheden aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet voertuig is niet geschikt voor het meenemen van een bijrijder.
Neem geen bijrijder mee.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt afremmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTotaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor letselOnbevoegd handelende personen zijn eventueel niet met het voertuig vertrouwd.
Laat het voertuig nooit onbeheerd achter als de motor draait.
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Info
Denk er bij het gebruik van de motorfiets aan dat andere mensen last kunnen hebben van teveel lawaai.
Zorg ervoor dat de werkzaamheden van de controle voor de verkoop worden uitgevoerd door een geautoriseerde GAS-
GAS Motorcycles-dealer.
U ontvangt het leveringsdocument bij de overdracht van het voertuig.
Voordat u voor het eerst gaat rijden, moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. ( pag. 75)
Uitgangspositie van de remhendel instellen. ( pag. 78)
INBEDRIJFSTELLING 8
27
Uitgangspositie van het rempedaal instellen. ( pag. 83)
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen. ( pag. 114)
Wen eerst op een hiervoor geschikt terrein aan het rijgedrag van de motorfiets voordat u een veeleisende tocht onder-
neemt.
Info
Bij het rijden op het terrein is het raadzaam iemand met een tweede voertuig mee te nemen om elkaar te assis-
teren.
Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden en staand te rijden, zodat u meer gevoel voor de motorfiets krijgt.
Maak geen terreinritten die uw vaardigheden en ervaring te boven gaan.
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten.
Als u bagage meeneemt, moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig en het
gewicht moet gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
Info
Motorfietsen zijn gevoelig voor veranderingen in de gewichtsverdeling.
Het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximaal toegestane aslasten aanhouden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal toegestaan totaalgewicht 335 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor 145 kg
Maximale asbelasting achter 190 kg
Spaakspanning controleren. ( pag. 94)
Info
De spaakspanning moet na een half uur rijden worden gecontroleerd.
Motor inrijden. ( pag. 27)
8.2 Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental en motorvermogen niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
Tijdens het eerste rij-uur 7.000 1/min
Maximaal motorvermogen
Tijdens de eerste 3 rij-uren 75 %
Vol gas geven vermijden!
8.3 Startvermogen van lithium-ion-accu's bij lage temperaturen
402555-01
Lithium-ion-accu's zijn veel lichter dan lood-zuur-accu's, hebben een
lage zelfontlading en bij temperaturen boven 6 °C (43 °F) meer startver-
mogen.
Er kunnen meerdere startpogingen nodig zijn. Hiervoor 5 seconden lang
de startknop indrukken en tussen de startpogingen 15 seconden wach-
ten. Bij lage temperaturen een wachttijd van 30 seconden aanhouden.
De onderbrekingen zijn noodzakelijk zodat de ontstane warmte zich kan
verdelen over de lithium-ion-accu en de lithium-ion-accu niet bescha-
digd raakt.
Het startvermogen neemt toe met de opwarming.
8 INBEDRIJFSTELLING
28
Let er steeds op dat de lithium-ion-accu opgeladen is zodat bij lage tem-
peraturen voldoende reserves voor de eerste start voorhanden zijn.
Na 6 mislukte startpogingen niet meer verder starten, maar het voertuig
op andere fouten controleren.
8.4 Voertuig voorbereiden op zwaardere gebruiksomstandigheden
Info
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt, zoals op zand of op een nat of modde-
rig traject/terrein, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk sneller
verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te con-
troleren of te vervangen.
Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen. ( pag. 62)
Info
Luchtfilter om de ca. 30 minuten controleren.
Stekkers controleren op vocht en roest. Controleren of ze goed vastzitten.
» Als ze vochtig, verroest of beschadigd zijn:
Stekker reinigen en drogen, indien nodig vervangen.
Zwaardere gebruiksomstandigheden zijn:
Rijden op droog zand. ( pag. 28)
Rijden op nat zand. ( pag. 29)
Rijden op nat en modderig circuit. ( pag. 29)
Rijden bij hoge temperaturen of langzaam rijden. ( pag. 30)
Rijden bij lage temperaturen of sneeuw. ( pag. 30)
8.5 Voertuig voor rijden op droog zand voorbereiden
102136-01
Luchtfilter-stofbescherming monteren.
Luchtfilter-stofbescherming (79006920000)
Info
Montagehandleiding voor GASGAS Technical Accessories in
acht nemen.
102138-01
Luchtfilter-zandbescherming monteren.
Luchtfilter-zandbescherming (79006922000)
Info
Montagehandleiding voor GASGAS Technical Accessories in
acht nemen.
INBEDRIJFSTELLING 8
29
600868-01
Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 139)
Staalkettingwiel monteren.
Ketting smeren.
Universele oliespray ( pag. 140)
Radiateurlamellen reinigen.
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
8.6 Voertuig voor rijden op nat zand voorbereiden
102137-01
Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor GASGAS Technical Accessories in
acht nemen.
600868-01
Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 139)
Staalkettingwiel monteren.
Ketting smeren.
Universele oliespray ( pag. 140)
Radiateurlamellen reinigen.
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
8.7 Voertuig voor rijden op nat en modderig circuit voorbereiden
102137-01
Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor GASGAS Technical Accessories in
acht nemen.
600868-01
Staalkettingwiel monteren.
Motorfiets reinigen. ( pag. 120)
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
8 INBEDRIJFSTELLING
30
8.8 Voertuig voor hoge temperaturen of langzaam rijden voorbereiden
600868-01
Secundaire overbrenging aanpassen aan het circuit.
Info
De motorolie wordt snel heet als de koppeling wegens
een te lange secundaire overbrenging vaak moet worden
bediend.
Ketting reinigen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 139)
Radiateurlamellen reinigen.
Verbogen radiateurlamellen voorzichtig uitlijnen.
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 107)
8.9 Voertuig voor lage temperaturen of sneeuw voorbereiden
102137-01
Luchtfilter-waterbescherming monteren.
Luchtfilter-waterbescherming (79006921000)
Info
Montagehandleiding voor GASGAS Technical Accessories in
acht nemen.
RIJ-INSTRUCTIES 9
31
9.1 Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling
Info
Telkens voordat u gaat rijden controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gere-
den.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
Motoroliepeil controleren. ( pag. 116)
Elektrische installatie controleren.
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. ( pag. 79)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. ( pag. 84)
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 80)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 86)
Controleren of het remsysteem goed werkt.
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 107)
Vervuiling van de ketting controleren. ( pag. 68)
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding contro-
leren. ( pag. 71)
Kettingspanning controleren. ( pag. 69)
Bandentoestand controleren. ( pag. 93)
Bandenspanning controleren. ( pag. 93)
Spaakspanning controleren. ( pag. 94)
Info
De spaakspanning moet regelmatig worden gecontroleerd,
omdat bij verkeerde spaakspanning de rijveiligheid ernstig
nadelig wordt beïnvloed.
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen. ( pag. 48)
Vorkpoten ontluchten. ( pag. 47)
Luchtfilter controleren.
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en soe-
pel bewegen.
Alle schroeven, moeren en slangklemmen regelmatig op goed vast-
zitten controleren.
Brandstofvoorraad controleren.
9.2 Voertuig starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Aanwijzing
MotorschadeHoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
9 RIJ-INSTRUCTIES
32
401944-10
Motorfiets van de zijstandaard 1nemen en zijstandaard met de
rubberband 2borgen.
Versnelling in stationair schakelen.
Noodstopschakelaar in stand schakelen.
Voorwaarde
Omgevingstemperatuur: < 20 °C
Koude-startknop tot de aanslag indrukken.
400733-01
Startknop indrukken.
Info
Startknop maximaal 5 seconden indrukken. Tot de volgende
startpoging 15 seconden wachten.
Bij lage temperaturen een wachttijd van 30 seconden aan-
houden.
Bij temperaturen onder 6 °C (43 °F) kunnen er verschillende
startpogingen nodig zijn om de lithium-ion-accu op te war-
men, waardoor het startvermogen wordt verhoogd.
Na 6 mislukte startpogingen niet meer verder starten, maar
het voertuig op andere fouten controleren.
Tijdens het starten brandt het controlelampje storing.
9.3 Beginnen met rijden
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard worden opgeklapt en met de rubberband zijn vastgezet.
Aan de koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam op laten komen en gelijktijdig
voorzichtig gas geven.
9.4 Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTerugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbelast de
motor.
Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Info
Als u tijdens het rijden ongewone geluiden hoort, meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen met
een geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage.
De 1e versnelling is de start- of bergversnelling.
Als de verhoudingen het toestaan (helling, rijsituatie) kunt u naar een hogere versnelling schakelen. Daarvoor gas losla-
ten, tegelijkertijd koppelingshendel trekken, naar de volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en gas
geven.
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, deze tot ¾ gas terugdraaien. Pas
uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie aan. De snelheid verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk
minder brandstof verbruikt.
Geef slechts zoveel gas als de motor op dat moment aan kan - het abrupt opentrekken van de gashendel verhoogt het
verbruik.
Voordat u terugschakelt, remmen en tegelijkertijd gas terugnemen.
RIJ-INSTRUCTIES 9
33
Aan de koppelingshendel trekken en naar een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas
geven resp. nog een keer schakelen.
Zet de motor uit als het voertuig langere tijd met stationair toerental draait of stilstaat.
Voorgeschreven waarde
2 min
Regelmatig of langdurig slippen van de koppeling vermijden. Daardoor verhit de motorolie, de motor en het koelsys-
teem.
Rijd met een lager toerental in plaats van met een hoger toerental en een slippende koppeling.
9.5 Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDoor te sterk afremmen blokkeren de wielen.
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Op zandige, natte of gladde ondergrond moet overwegend de achterwielrem worden gebruikt.
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Schakel daarbij afhankelijk van de snelheid naar een
lagere versnelling.
Gebruik bij langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor. Schakel daarvoor een of twee versnellingen terug en
hierbij de motor niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder af te remmen en raakt het remsys-
teem niet oververhit.
9.6 Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor letselOnbevoegd handelende personen zijn eventueel niet met het voertuig vertrouwd.
Laat het voertuig nooit onbeheerd achter als de motor draait.
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingSommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer heet.
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze voertuig-
componenten zijn afgekoeld.
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
Gevaar voor brandHete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
9 RIJ-INSTRUCTIES
34
Aanwijzing
MateriaalschadeEen onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
Motorfiets afremmen.
Versnelling in stationair schakelen.
Uitschakelknop bij stationair toerental van de motor indrukken totdat de motor stilstaat.
Motorfiets op vaste ondergrond parkeren.
9.7 Transporteren
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brandHete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
401475-01
Motor uitzetten.
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmidde-
len beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
9.8 Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
RIJ-INSTRUCTIES 9
35
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als brandstof in
de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
MateriaalschadeDoor een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt tot pro-
blemen in het brandstofsysteem.
Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-
garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Motor uitzetten.
Tankdop openen. ( pag. 16)
F03269-10
Brandstoftank maximaal tot maat Amet brandstof vullen.
Voorgeschreven waarde
Maat A35 mm
Brandstoftankinhoud
totaal ca.
8,5 l Brandstof super
loodvrij (ROZ 95)
( pag. 137)
Tankdop sluiten. ( pag. 17)
10 SERVICESCHEMA
36
10.1 Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen werkzaam-
heden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden.
In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten
veranderen. Het meest recente serviceschema is altijd te vinden op GASGAS Motorcycles Dealer.net. Uw geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-dealer adviseert u graag.
10.2 Verplichte werkzaamheden
om de 10 bedrijfsuren bij gebruik voor sportdoeleinden
om de 45 bedrijfsuren
om de 30 bedrijfsuren
om de 15 bedrijfsuren
na 1 bedrijfsuur
Foutgeheugen uitlezen met GASGAS Motorcycles-diagnosetool. ○●●●●
Werking van de elektrische installatie controleren. ○●●●●
12V-accu controleren en opladen. ●●●●
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 80) ●●●●
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 86) ●●●●
Remschijven controleren. ( pag. 78) ●●●●
Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid. ●●●●
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. ( pag. 84) ●●●●
Vrije slag van het rempedaal controleren. ( pag. 83) ●●●●
Frame controleren. ( pag. 74) ●●●●
Achterbrug controleren. ( pag. 74) ●●●●
Achterbruglager op speling controleren.
Schokdemper-zwenklager op speling controleren. ●●●
Schokdemperbevestiging controleren. ●●●
Bandentoestand controleren. ( pag. 93) ○●●●●
Bandenspanning controleren. ( pag. 93) ○●●●●
Wiellager op speling controleren. ●●●●
Wielnaven controleren. ●●●●
Velgslag controleren. ○●●●
Spaakspanning controleren. ( pag. 94) ○●●●●
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren. ( pag. 71) ●●●●
Kettingspanning controleren. ( pag. 69) ○●●●●
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze
gemakkelijk bewegen.
●●●●
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. ( pag. 75) ●●●●
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. ( pag. 79) ●●●●
Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 53) ○●●●
Klepspeling controleren. ○ ●
Koppeling controleren. ● ●
Dekselpakking en radiale keerringen van de waterpomp vervangen.
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeef reinigen. ( pag. 116) ○●●●●
Alle slangen (bijv. brandstof-, radiateur-, ontluchting-, aftapslangen, ...) en manchetten controle-
ren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
○●●●●
Antivries en koelmiddelpeil controleren. ( pag. 106) ○●●●●
SERVICESCHEMA 10
37
om de 10 bedrijfsuren bij gebruik voor sportdoeleinden
om de 45 bedrijfsuren
om de 30 bedrijfsuren
om de 15 bedrijfsuren
na 1 bedrijfsuur
Kabels controleren op beschadiging en leggen zonder knikken. ●●●●
Bowdenkabels controleren op beschadiging, knikken en instelling. ○●●●●
Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen. ( pag. 62) ●●●●
Glasvezelvulling van de einddemper vervangen. ( pag. 64) ● ●
Voorvorkservice uitvoeren.
Schokdemperservice uitvoeren.
Controleren of makkelijk toegankelijke, veiligheidsrelevante schroeven en moeren goed vastzit-
ten.
○●●●●
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103) ○●●●●
Brandstofzeef vervangen. ( pag. 115) ○●●●●
Brandstofdruk controleren. ●●●●
Stationair toerental controleren. ○●●●●
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken. ○●●●●
Foutgeheugen met diagnostisch hulpmiddel van GASGAS Motorcycles na de proefrit uitlezen. ○●●●●
Service in het GASGAS Motorcycles Dealer.net noteren. ○●●●●
Eenmalig interval
Periodiek interval
10.3 Aanbevolen werkzaamheden
om de 48 maanden
om de 12 maanden
om de 135 bedrijfsuren
om de 70 bedrijfsuren bij gebruik voor sportdoeleinden
na 20 bedrijfsuren
na 10 bedrijfsuren
Remvloeistof van de voorwielrem verversen. ● ●
Remvloeistof van de achterwielrem verversen. ● ●
Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen. ( pag. 76) ● ●
Balhoofdlager smeren. ( pag. 54) ● ●
Voorvorkservice uitvoeren.
Schokdemperservice uitvoeren.
Brandstoffilter vervangen.
Koelmiddel verversen. ( pag. 109)
Motoronderhoud uitvoeren, inclusief demontage en montage van de motor. (Bougie en
bougiedop vervangen. Zuigers vervangen. Cilinder controleren/opmeten. Cilinderkop con-
troleren. Kleppen, klepveren en klepveersteunen vervangen. Nokkenas en nokvolger con-
troleren. Drijfstang, drijfstanglager en kruktap vervangen. Radiale keerringen van de water-
pomp vervangen. Transmissie en versnelling controleren. Oliedrukregelklep controleren.
Zuigpomp vervangen. Drukpomp en smeersysteem controleren. Distributie controleren.
Distributieketting vervangen. Alle motorlagers vervangen. Vrijloop vervangen.)
● ●
Eenmalig interval
Periodiek interval
11 CHASSIS AFSTELLEN
38
11.1 Basisinstelling chassis voor bestuurdersgewicht controleren
Info
Voor de basisinstelling van het chassis eerst de schokdemper en daarna de voorvork instellen.
401030-01
Om optimale rijeigenschappen van de motorfiets te bereiken en om
beschadiging aan voorvork, schokdemper, achterbrug en frame te
voorkomen moeten de basisinstelling en veringscomponenten bij
het gewicht van de bestuurder passen.
GASGAS offroad-motorfietsen zijn in de leveringstoestand ingesteld
op een bestuurder met standaard gewicht (met beschermende kle-
ding).
Voorgeschreven waarde
Standaard rijgewicht 75 … 85 kg
Als het gewicht van de bestuurder buiten dit bereik ligt moet de
basisinstelling van de veringscomponenten worden aangepast.
Kleine afwijkingen van het gewicht kunnen door het wijzigen van de
veervoorspanning worden gecompenseerd, bij grotere afwijkingen
moet een aangepaste vering worden gemonteerd.
11.2 Ingaande demping schokdemper
De ingaande demping van de schokdemper is verdeeld in twee bereiken: highspeed en lowspeed.
High- en lowspeed hebben betrekking op de snelheid waarmee het achterwiel inveert en niet op de rijsnelheid.
De highspeed instelling voor ingaande demping is bijvoorbeeld van invloed op de landing na een sprong. Het achterwiel
veert daarbij snel in.
De lowspeed instelling voor ingaande demping is bijvoorbeeld van invloed bij het rijden over lange hobbels op de onder-
grond. Het achterwiel veert daarbij langzaam in.
Beide bereiken kunnen apart worden ingesteld, de overgang tussen high- en lowspeed is echter vloeiend. Daarom zijn wijzi-
gingen in het highspeedbereik van de ingaande demping ook van invloed op het lowspeedbereik en omgekeerd.
11.3 Ingaande demping lowspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letselDelen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig uit
elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Info
De lowspeed instelling voor ingaande demping toont zijn effect wanneer de schokdemper langzaam tot normaal
inveert.
CHASSIS AFSTELLEN 11
39
F03171-10
Stelschroef 1met een schroevendraaier met de klok mee draaien
tot de laatste voelbare klik.
Info
Schroef 2niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping lowspeed
Comfort 17 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 13 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
11.4 Ingaande demping highspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letselDelen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig uit
elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Info
De highspeed instelling voor ingaande demping toont zijn effect wanneer de schokdemper snel inveert.
F03172-10
Stelschroef 1met een steeksleutel tot de aanslag met de klok mee
draaien.
Info
Schroef 2niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping highspeed
Comfort 2,5 omw
Standaard 2 omw
Sport 1,5 omw
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
11 CHASSIS AFSTELLEN
40
11.5 Uitgaande demping van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letselDelen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig uit
elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
F03173-10
Stelschroef 1met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort 17 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 13 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
11.6 Maat achterwiel zonder belasting bepalen
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
F03178-10
Hoofdwerk
Veerwegmal in de achterwielas positioneren en de afstand tot de
markering op het achterspatbord meten.
Veerwegmal (00029090100)
Bout veerwegmeter (00029990010)
Waarde als maat Anoteren.
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
CHASSIS AFSTELLEN 11
41
11.7 Statische veerweg schokdemper controleren
402416-10
Maat Aachterwiel zonder belasting bepalen. ( pag. 40)
De motorfiets met behulp van iemand die assisteert rechtop hou-
den.
Opnieuw met de veerwegmal de afstand tussen de achterwielas en
de markering op het achterspatbord meten.
Waarde als maat Bnoteren.
Info
De statische veerweg is het verschil tussen maat Aen B.
Statische veerweg controleren.
Statische veerweg 37 mm
» Als de statische veerweg kleiner of groter is dan de aangegeven
maat:
Veervoorspanning van de schokdemper instellen.
( pag. 42)
11.8 Dynamische veerweg schokdemper controleren
402417-10
Maat Aachterwiel zonder belasting bepalen. ( pag. 40)
Met behulp van een persoon, die de motorfiets vasthoudt, gaat de
bestuurder met volledige beschermende kleding in een normale
zitpositie (voeten op de voetsteunen) op de motorfiets zitten en
beweegt enkele keren op en neer.
De achterwielophanging slingert zo in de juiste positie.
Een tweede persoon meet nu opnieuw met de veerwegmal
de afstand tussen de achterwielas en de markering op het
achterspatbord.
Waarde als maat Cnoteren.
Info
De dynamische veerweg is het verschil tussen maat A
en C.
Dynamische veerweg controleren.
Dynamische veerweg 110 mm
» Als de dynamische veerweg afwijkt van de aangegeven maat:
Dynamische veerweg instellen. ( pag. 43)
11 CHASSIS AFSTELLEN
42
11.9 Veervoorspanning schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letselDelen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig uit
elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Info
Voordat u de veervoorspanning verandert, moet u de huidige instelling noteren - bijv. de veerlengte opmeten.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
Schokdemper demonteren. ( pag. 56)
Schokdemper in gedemonteerde toestand grondig reinigen.
402659-10
Hoofdwerk
Schroef 1losdraaien.
Stelring 2draaien tot de veer volledig ontspannen is.
Haaksleutel (90129051000)
Info
Als de veer niet geheel kan worden ontspannen, moet de
veer worden gedemonteerd voor een nauwkeurige meting
van de veerlengte.
Totale veerlengte in ontspannen toestand meten.
Veer door het draaien van de stelring 2op de aangegeven
maat Aspannen.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning 10 mm
Info
Afhankelijk van de statische of dynamische veerweg kan een
hogere of lagere veervoorspanning nodig zijn.
Schroef 1vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stelring schok-
demper
M5 5 Nm
Nawerk
Schokdemper monteren. ( pag. 57)
Vrije slag van het rempedaal controleren. ( pag. 83)
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
CHASSIS AFSTELLEN 11
43
11.10 Dynamische veerweg instellen
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
Schokdemper demonteren. ( pag. 56)
Schokdemper in gedemonteerde toestand grondig reinigen.
B00292-10
Hoofdwerk
Een passende veer kiezen en monteren.
Voorgeschreven waarde
Veerconstante
Gewicht bestuurder: 65 …
75 kg
39 N/mm
Gewicht bestuurder: 75 …
85 kg
42 N/mm
Gewicht bestuurder: 85 …
95 kg
45 N/mm
Info
De veerconstante staat vermeld op de buitenkant van de
veer.
Kleine afwijkingen in gewicht kunnen worden gecompen-
seerd door het wijzigen van de veervoorspanning.
Nawerk
Schokdemper monteren. ( pag. 57)
Vrije slag van het rempedaal controleren. ( pag. 83)
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
Statische veerweg van de schokdemper controleren. ( pag. 41)
Dynamische veerweg van de schokdemper controleren. ( pag. 41)
Uitgaande demping van de schokdemper instellen. ( pag. 40)
11.11 Basisinstelling voorvork controleren
Info
Bij de voorvork kan om verschillende redenen geen exacte dynamische veerweg worden vastgelegd.
401000-01
Kleinere afwijkingen van het bestuurdersgewicht kunnen net als
bij de schokdemper door de veervoorspanning worden gecompen-
seerd.
Als de voorvork echter vaker doorslaat (harde eindaanslag bij het
inveren) moeten beslist hardere vorkveren worden gemonteerd om
beschadiging aan voorvork en frame te voorkomen.
Als de voorvork na langdurig gebruik hard aanvoelt, moeten de vork-
poten worden ontlucht.
11 CHASSIS AFSTELLEN
44
11.12 Ingaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
F03174-10
Wit stelelement 1tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
Het stelelement 1bevindt zich aan het bovenste uiteinde
van de linker vorkpoot.
De ingaande demping bevindt zich in de linker
vorkpoot COMP (wit stelelement). De uitgaande demping
bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rood stelelement).
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in
draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping
Comfort 18 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 12 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
11.13 Uitgaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
F03175-10
Rood stelelement 1tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
Het stelelement 1bevindt zich aan het bovenste uiteinde
van de rechter vorkpoot.
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter
vorkpoot REB (rood stelelement). De ingaande demping
bevindt zich in de linker vorkpoot COMP (wit stelelement).
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de klok in
draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort 18 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 12 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
CHASSIS AFSTELLEN 11
45
11.14 Stuurpositie
F03176-10
Op de bovenste kroonplaat bevinden zich 2 boringen op een afstand A
van elkaar.
Afstand boringen A15 mm
De boringen op de stuuradapters zijn op een afstand Bvan het mid-
den geplaatst.
Afstand boringen B3,5 mm
De stuuradapters kunnen in 4 verschillende standen worden gemon-
teerd.
11.15 Stuurpositie instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen gerepareerd stuur vormt een veiligheidsrisico.
Als het stuur werd verbogen of uitgelijnd, treedt materiaalmoeheid op. Hierdoor kan het stuur breken.
Vervang het stuur, als het stuur is verbogen of beschadigd.
Voorwerk
Stuurbescherming verwijderen.
F03177-10
Hoofdwerk
Schroeven 1verwijderen. Stuurklemmen verwijderen. Stuur ver-
wijderen en opzij leggen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging bescher-
men.
Kabels en leidingen niet knikken.
Schroeven 2verwijderen. Stuuradapters verwijderen.
Stuuradapters in de gewenste positie zetten. Schroeven 2monte-
ren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuur-
adapter
M10 40 Nm
Loctite®243™
Info
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positioneren.
Stuur positioneren.
11 CHASSIS AFSTELLEN
46
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen correct worden
gelegd.
Stuurklemmen positioneren. Schroeven 1monteren en gelijkma-
tig vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurklemmen M8 20 Nm
Info
Op gelijkmatige spleetmaten letten.
Nawerk
Stuurbescherming monteren.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
47
12.1 Motorfiets met hefbok opkrikken
401942-01
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrol-
len of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Motorfiets aan het frame onder de motor opkrikken.
Hefbok (A54029955100)
Beide wielen hebben geen contact met de grond.
Motorfiets borgen tegen omvallen.
12.2 Motorfiets van hefbok nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
401943-10
Motorfiets van hefbok nemen.
Hefbok verwijderen.
Voor het parkeren van de motorfiets de zijstandaard 1met de
voet tot de bodem uitklappen en belasten met de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard worden opgeklapt
en met de rubberband zijn vastgezet.
12.3 Vorkpoten ontluchten
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
402556-10
Hoofdwerk
Ontluchtingsschroeven 1losdraaien.
Als de druk te hoog is, dan verdwijnt de overtollige druk uit de
binnenruimte van de voorvork.
Ontluchtingsschroeven vastdraaien.
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
48
12.4 Vuilschrapers vorkpoten reinigen
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
Voorvorkprotector demonteren. ( pag. 48)
H03152-10
Hoofdwerk
Vuilschrapers 1van beide vorkpoten naar beneden schuiven.
Info
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de binnen-
poot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te vuilschra-
pers terechtkomen. Als deze vervuiling niet wordt verwij-
derd, kunnen de daarachter liggende oliekeerringen gaan
lekken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigings-
middel.
Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen en
smeren met olie.
Universele oliespray ( pag. 140)
Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie.
Overtollige olie verwijderen.
Nawerk
Voorvorkprotector monteren. ( pag. 49)
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12.5 Voorvorkprotector demonteren
F03179-10
Schroeven 1verwijderen en klem verwijderen.
Schroeven 2aan linker vorkpoot verwijderen en linker voorvork-
protector eraf halen.
Schroeven 3aan rechter vorkpoot verwijderen en rechter voor-
vorkprotector eraf halen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
49
12.6 Voorvorkprotector monteren
F03179-11
Voorvorkprotector op linker vorkpoot positioneren. Schroeven 1
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven
chassis
M6 10 Nm
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven 2monte-
ren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remleidinghou-
der
EJOT 1,7 Nm
Voorvorkprotector op rechter vorkpoot positioneren. Schroeven 3
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven
chassis
M6 10 Nm
12.7 Vorkpoten demonteren
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 101)
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
Voorwiel demonteren. ( pag. 89)
F03180-10
Hoofdwerk
Schroeven 1verwijderen en klem verwijderen.
Kabelbinder verwijderen.
Schroeven 2verwijderen en remzadels verwijderen.
Remzadel met remkabel spanningsvrij opzij hangen.
F03182-10
Schroeven 3losdraaien. Vorkpoot links verwijderen.
Schroeven 4losdraaien. Vorkpoot rechts verwijderen.
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
50
12.8 Vorkpoten monteren
402556-10
Hoofdwerk
Vorkpoten positioneren.
De ontluchtingsschroeven 1zijn naar voren gepositioneerd.
Info
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter
vorkpoot REB (rood stelelement). De ingaande demping
bevindt zich in de linker vorkpoot COM (wit stelelement).
Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groeven in de
zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde groef (van boven)
moet door de bovenkant van de bovenste kroonplaat wor-
den afgesloten.
F03182-11
Schroeven 2vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
M8 20 Nm
Schroeven 3vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
kroonplaat
M8 15 Nm
F03181-10
Remzadel positioneren, schroeven 4monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel
voor
M8 25 Nm
Loctite®243™
Kabelbinders monteren.
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven 5monte-
ren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remleidinghou-
der
EJOT 1,7 Nm
Nawerk
Voorwiel monteren. ( pag. 90)
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 102)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
12.9 Onderste kroonplaat demonteren
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 101)
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
Voorwiel demonteren. ( pag. 89)
Vorkpoten demonteren. ( pag. 49)
Spatbord voor demonteren. ( pag. 54)
Stuurbescherming verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
51
F03183-10
Hoofdwerk
Kabelhouder voor de linker radiateur openen en kabelboom losma-
ken.
Schroef 1verwijderen.
Schroef 2verwijderen.
Bovenste kroonplaat met stuur verwijderen en opzij hangen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging bescher-
men.
Kabels en leidingen niet knikken.
F03184-10
Keerring 3en beschermring 4verwijderen.
Onderste kroonplaat met vorkbuis verwijderen.
Bovenste balhoofdlager verwijderen.
12.10 Onderste kroonplaat monteren
B01605-10
Hoofdwerk
Lagers en afdichtelementen reinigen, op beschadiging controleren
en invetten.
Smeervet met hoge viscositeit ( pag. 139)
Onderste kroonplaat met vorkbuis plaatsen. Bovenste balhoofdlager
monteren.
Controleren of de balhoofdafdichting boven 1correct is gepositio-
neerd.
Beschermingsring 2en O-ring 3erop schuiven.
F03183-11
Bovenste kroonplaat met stuur positioneren.
Schroef 4monteren, maar nog niet vastdraaien.
Kabelboom en koppelingskabel vastzetten met kabelhouder.
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
52
V01791-10
Vorkpoten positioneren.
De ontluchtingsschroeven 5zijn naar voren gepositioneerd.
Info
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter
vorkpoot REB (rood stelelement).
De ingaande demping bevindt zich in de linker
vorkpoot COMP (wit stelelement).
Aan het bovenste einde van de vorkpoten zijn groeven in de
zijkant gefreesd. De tweede ingefreesde groef (van boven)
moet door de bovenkant van de bovenste kroonplaat wor-
den afgesloten.
F03185-10
Schroeven 6vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
kroonplaat
M8 15 Nm
F03186-10
Schroef 4vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd
boven
M20x1,5 12 Nm
Schroef 7monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis
boven
M8 20 Nm
Loctite®243™
F03185-11
Schroeven 8vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
M8 20 Nm
F03181-11
Remzadel positioneren, schroeven 9monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remzadel
voor
M8 25 Nm
Loctite®243™
Kabelbinders monteren.
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven bk monte-
ren en vastdraaien.
Nawerk
Stuurbescherming monteren.
Spatbord voor monteren. ( pag. 55)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
53
Voorwiel monteren. ( pag. 90)
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 102)
Controleren of kabelboom, bowdenkabels, rem- en koppelingslei-
ding vrij kunnen bewegen en of ze goed zijn gelegd.
Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 53)
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
12.11 Speling balhoofdlager controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerkeerde speling van het balhoofdlager beïnvloedt het rijgedrag negatief en beschadigt
componenten.
Corrigeer verkeerde speling van het balhoofdlager onmiddellijk. (De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-
garage is u graag van dienst.)
Info
Als er gedurende langere tijd wordt gereden met speling in de balhoofdlagers, beschadigen de lagers en daardoor
ook de lagerzittingen in het frame.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
H01167-01
Hoofdwerk
Stuur in de rechtuitstand zetten. Vorkpoten in rijrichting voor- en
achteruit bewegen.
Er mag geen speling in de balhoofdlager te voelen zijn.
» Als er speling voelbaar is:
Speling balhoofdlager instellen. ( pag. 54)
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stuur moet eenvoudig kunnen worden bewogen over het
gehele stuurbereik. Er mogen geen blokkeringen te voelen zijn.
» Als er blokkeringen voelbaar zijn:
Speling balhoofdlager instellen. ( pag. 54)
Balhoofdlager controleren en indien nodig vervangen.
Stuuraanslagschroeven op correcte instelling en borging controle-
ren.
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
54
12.12 Speling balhoofdlager instellen
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
F03189-10
Hoofdwerk
Schroeven 1losdraaien.
Schroef 2verwijderen.
Schroef 3losdraaien en weer vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef balhoofd
boven
M20x1,5 12 Nm
Met een kunststofhamer zacht op de bovenste kroonplaat kloppen
om spanning te voorkomen.
Schroef 2monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef vorkbuis
boven
M8 20 Nm
Loctite®243™
Schroeven 1vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bovenste
kroonplaat
M8 20 Nm
Nawerk
Speling balhoofdlager controleren. ( pag. 53)
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12.13 Balhoofdlager smeren
H02387-01
Onderste kroonplaat demonteren. ( pag. 50)
Onderste kroonplaat monteren. ( pag. 51)
Info
Het balhoofdlager wordt bij montage en demontage van de
onderste kroonplaat gereinigd en gesmeerd.
12.14 Spatbord voor demonteren
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 101)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
55
F03187-10
Hoofdwerk
Schroeven 1verwijderen.
F03188-10
Schroeven 2verwijderen. Spatbord voor verwijderen.
12.15 Spatbord voor monteren
F03187-10
Hoofdwerk
Spatbord voor positioneren. Schroeven 1monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven
chassis
M6 10 Nm
F03188-10
Schroeven 2monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven
chassis
M6 10 Nm
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 102)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
56
12.16 Schokdemper demonteren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
F03190-10
Hoofdwerk
Kabelbinders verwijderen.
Schroeven 1met ringen verwijderen.
Framebescherming in het bereik Alosmaken en verwijderen.
F03191-10
Schroef 2verwijderen.
Schroefverbinding 3verwijderen.
Info
Achterbrug iets optillen zodat de schroeven gemakkelijker
kunnen worden verwijderd.
F03192-10
Haakse hendel 4naar achteren duwen.
Verbindingshendel 5omlaag duwen.
F03193-10
Stekkerverbinding van de remlichtschakelaar lostrekken.
F03194-10
Schroeven 6verwijderen.
Voetremcilinder van de drukstang trekken.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
57
F03196-01
Verbindingsschakel van de ketting verwijderen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging bescher-
men.
Ketting verwijderen.
F03197-10
Moer 7verwijderen en achterbrugbout eruit trekken.
Achterbrug naar achteren schuiven en tegen omvallen beveiligen.
F03199-10
Schokdemper vasthouden en schroef 8verwijderen.
Schokdemper voorzichtig naar onder toe verwijderen.
12.17 Schokdemper monteren
F03200-10
Hoofdwerk
Schokdemper voorzichtig van beneden af in het voertuig positione-
ren.
Schroef 1monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef schok-
demper boven
M10 60 Nm
Loctite®2701™
F03198-10
Achterbrug positioneren en achterbrugbout monteren.
Info
Op het vlakke punt Aletten.
Moer 2monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer achterbrugbout M16x1,5 100 Nm
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
58
F03196-10
Ketting monteren.
Ketting met schakel verbinden.
Voorgeschreven waarde
De gesloten zijde van de kettingslotborging moet in de looprich-
ting wijzen.
F03193-10
Stekkerverbinding van de remlichtschakelaar aansluiten.
F03195-10
Voetremcilinder positioneren.
De drukstang 3grijpt in de voetremcilinder.
De vuilschraper is correct gepositioneerd.
Schroeven 4monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven
chassis
M6 10 Nm
F03191-11
Haakse hendel en verbindingshendel positioneren.
Schroefverbinding 5monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer verbindingshen-
del aan haakse hendel
M14x1,5 60 Nm
Info
Op het vlakke punt Bletten.
Schroef 6monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef schok-
demper onder
M10 60 Nm
Loctite®2701™
Info
Achterbrug iets optillen zodat de schroef gemakkelijker kan
worden gemonteerd.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
59
F03190-11
Framebescherming in het bereik Cvasthaken en positioneren.
Schroeven 7met ringen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef framebescher-
ming
M5 3 Nm
Nieuwe kabelbinders monteren.
Nawerk
Vrije slag van het rempedaal controleren. ( pag. 83)
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12.18 Zadel verwijderen
F03201-10
Schroef 1verwijderen.
H02218-10
Zadel achteraan optillen, naar achteren trekken en naar boven toe
verwijderen.
12.19 Zadel monteren
H02218-11
Zadel vooraan aan de flensbussen van de brandstoftank haken, ach-
teraan neerlaten en naar voren schuiven.
Ervoor zorgen dat het zadel goed vergrendeld is.
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
60
F03201-10
Schroef 1monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef zadelbevesti-
ging achter
M6 6 Nm
12.20 Deksel luchtfilterbak demonteren
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak vastgezet.
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
F03202-10
Schroef 1verwijderen.
F03202-11
Deksel luchtfilterbak in bereik Anaar de zijkant toe eraf trek-
ken en naar voren toe verwijderen.
F03203-10
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak niet vastgezet.
Deksel luchtfilterbak in bereik Anaar de zijkant toe eraf trek-
ken en naar voren toe verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
61
12.21 Deksel luchtfilterbak monteren
F03202-12
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak vastgezet.
Deksel luchtfilterbak in bereik Avasthaken en in bereik B
vergrendelen.
F03202-10
Schroef 1monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef deksel lucht-
filterbak
EJOT PT®
K60x20-Z
3 Nm
Zadel monteren. ( pag. 59)
F03203-11
Voorwaarde
Deksel luchtfilterbak niet vastgezet.
Deksel luchtfilterbak in bereik Avasthaken en in bereik B
vergrendelen.
12.22 Luchtfilter demonteren
Aanwijzing
MotorschadeOngefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
Gebruik het voertuig altijd met luchtfilter.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Voorwerk
Deksel luchtfilterbak demonteren. ( pag. 60)
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
62
F03204-10
Hoofdwerk
Bevestigingslip 1losmaken. Luchtfilter met luchtfilterhouder ver-
wijderen.
Luchtfilter van luchtfilterhouder verwijderen.
12.23 Luchtfilter monteren
H02459-01
Hoofdwerk
Schoon luchtfilter op de luchtfilterhouder monteren.
Luchtfilter in het bereik Ainvetten.
Duurzaam vet ( pag. 139)
F03205-10
Luchtfilter plaatsen en borgpen 1in bus Bpositioneren.
Het luchtfilter is correct gepositioneerd.
Bevestigingslip 2inhaken.
Borgpen 3wordt door bevestigingslip 2op zijn plaats
gehouden.
Info
Wanneer het luchtfilter niet correct gemonteerd is, kunnen
stof en vuil in de motor dringen en schade veroorzaken.
Nawerk
Deksel luchtfilterbak monteren. ( pag. 61)
12.24 Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Luchtfilter niet reinigen met brandstof of petroleum aangezien deze middelen de schuimstof aanvreten.
Voorwerk
Deksel luchtfilterbak demonteren. ( pag. 60)
Luchtfilter demonteren. ( pag. 61)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
63
102191-01
Hoofdwerk
Luchtfilter in een speciale reinigingsvloeistof grondig wassen en
goed laten drogen.
Reinigingsmiddel voor luchtfilter ( pag. 139)
Info
Luchtfilter alleen uitdrukken, in geen geval uitwringen.
Droog luchtfilter smeren met een hoogwaardige luchtfilterolie.
Olie voor luchtfilters van schuimstof ( pag. 139)
Luchtfilterbak reinigen.
Controleren of de luchtinlaataansluiting stevig vastzit en niet is
beschadigd.
Nawerk
Luchtfilter monteren. ( pag. 62)
Deksel luchtfilterbak monteren. ( pag. 61)
12.25 Luchtfilterbak-deksel op borging voorbereiden
Voorwerk
Deksel luchtfilterbak demonteren. ( pag. 60)
F03206-10
Hoofdwerk
Bij de markering Aeen gat boren.
Voorgeschreven waarde
Diameter 6 mm
Nawerk
Deksel luchtfilterbak monteren. ( pag. 61)
12.26 Einddemper demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingHet uitlaatsysteem wordt bij gebruik van het voertuig zeer heet.
Laat het uitlaatsysteem afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
F03207-10
Veer 1losmaken.
Veerhaak (50305017000C1)
Schroeven 2met ringen verwijderen en einddemper met katalysa-
tor verwijderen.
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
64
12.27 Einddemper monteren
S02101-10
Katalysator in de einddemper positioneren.
F03207-11
Einddemper plaatsen. Schroeven 1met ringen monteren, maar
nog niet vastdraaien.
Veer 2vasthaken.
Veerhaak (50305017000C1)
Schroeven 1vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven
chassis
M6 10 Nm
12.28 Glasvezelvulling van de einddemper vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingHet uitlaatsysteem wordt bij gebruik van het voertuig zeer heet.
Laat het uitlaatsysteem afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Info
Na enige tijd vervluchtigen de vezels van de glasvezelvulling naar buiten, de demper "brandt" uit.
Naast een hoger geluidsniveau verandert daardoor ook de vermogenskarakteristiek.
Voorwerk
Einddemper demonteren. ( pag. 63)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
65
V01734-10
Hoofdwerk
Schroeven 1verwijderen.
Eindkap 2met keerring 3verwijderen.
Oude glasvezelvulling verwijderen.
Onderdelen die weer worden gemonteerd reinigen en controleren
of deze beschadigd zijn.
Nieuwe glasvezelvulling 4in de einddemper monteren.
Keerring op de eindkap monteren.
Eindkap positioneren.
Alle schroeven monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroeven van eind-
demper
M5 7 Nm
Nawerk
Einddemper monteren. ( pag. 64)
12.29 Brandstoftank demonteren
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als brandstof in
de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
66
F03208-10
Hoofdwerk
Stekker 1van brandstofpomp loskoppelen.
Snelsluitkoppeling 2grondig met perslucht reinigen.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding terechtko-
men. Binnengedrongen vuil verstopt de inspuitklep!
F03209-10
Snelsluitkoppeling loskoppelen.
Info
Uit de brandstofleiding kan nog wat resterende brandstof
stromen.
Wasdopset 3monteren.
Waskappenset (81212016100)
F03210-10
Schroeven 4verwijderen.
Claxon met claxonhouder opzij hangen.
F03211-10
Schroef 5met rubberbus verwijderen.
Slang van de brandstoftankontluchting trekken.
F03212-10
Beide spoilers naar de zijkant van de radiateur trekken en brandstof-
tank naar boven toe verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
67
12.30 Brandstoftank monteren
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als brandstof in
de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Hoofdwerk
Controleren of gaskabel correct is gelegd. ( pag. 74)
F03212-11
Brandstoftank positioneren en beide spoilers aan de zijkant vóór de
radiateur vasthaken.
Erop letten dat er geen kabels of bowdenkabels klem raken of wor-
den beschadigd.
F03211-11
Slang voor brandstoftankontluchting erop steken.
Schroef 1met rubberbus monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroeven
chassis
M6 10 Nm
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
68
F03210-11
Claxon met claxonhouder positioneren.
Schroeven 2met flensbussen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef brandstoftank-
spoiler aan radiateur
M6 6 Nm
F03208-11
Stekker 3van de brandstofpomp verbinden.
Waskappenset verwijderen.
Snelsluitkoppeling grondig met perslucht reinigen.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding terechtko-
men. Binnengedrongen vuil verstopt de inspuitklep!
Siliconenspray op een pluisvrije doek sproeien en O-ring van de snel-
sluitkoppeling licht smeren.
Siliconenspray ( pag. 139)
Snelsluitkoppeling 4in elkaar steken.
Info
Kabels en brandstofleiding op een veilige afstand van het
uitlaatsysteem leggen.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 59)
12.31 Kettingvervuiling controleren
400678-01
Ketting controleren op grove vervuiling.
» Als de ketting erg vuil is:
Ketting reinigen. ( pag. 68)
12.32 Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenSmeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
69
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
400725-01
Hoofdwerk
Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 139)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray offroad ( pag. 139)
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12.33 Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor blokkeert
het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
Controleer de kettingspanning regelmatig.
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
70
F03213-10
Hoofdwerk
Ketting aan het einde van het onderste glijblok omhoog trekken en
de kettingspanning Abepalen.
Info
Het onderste deel van de ketting 1moet daarbij gespan-
nen zijn.
Als de kettingbescherming gemonteerd is moet de ketting
minimaal tot de aanslag aan de kettingbescherming B
omhoog kunnen worden getrokken.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet de
meting op verschillende plekken van de ketting worden her-
haald.
Kettingspanning 55 … 58 mm
» Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschre-
ven waarde:
Kettingspanning instellen. ( pag. 70)
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12.34 Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor blokkeert
het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
Controleer de kettingspanning regelmatig.
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
Kettingspanning controleren. ( pag. 69)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
71
F03214-10
Hoofdwerk
Moer 1losdraaien.
Moeren 2losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven 3links en
rechts instellen.
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning 55 … 58 mm
Stelschroeven 3links en rechts zodanig draaien dat de marke-
ringen aan de linker en rechter kettingspanner in dezelfde positie
staan t.o.v. de referentiemarkeringen A. Zo is het achterwiel
correct uitgelijnd.
Moeren 2vastdraaien.
Controleren of de kettingspanners 4tegen de stelschroeven 3
liggen.
Moer 1vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter M20x1,5 80 Nm
Info
Door het grote instelbereik van de kettingspanner (32 mm)
kunnen bij gelijke kettinglengte verschillende secundaire
overbrengingen worden gereden.
De kettingspanners 4kunnen 180° worden gedraaid.
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12.35 Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
400227-01
Hoofdwerk
Versnelling in stationair schakelen.
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controleren.
» Als ketting, kettingwiel of ketting-aandrijfwiel versleten zijn:
Aandrijfset vervangen.
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten
altijd samen worden vervangen.
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
72
400987-10
Aan het bovenste deel van de ketting met het aangegeven
gewicht Atrekken.
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor het meten van de
kettingslijtage
10 … 15 kg
De afstand Bvan 18 kettingschakels aan het onderste deel van de
ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet de
meting op verschillende plekken van de ketting worden her-
haald.
Maximale afstand Bvan 18
kettingschakels op het langste
stuk van de ketting
272 mm
»Als de afstand Bgroter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd, moeten
ook het kettingwiel en het ketting-aandrijfwiel wor-
den vervangen.
Nieuwe kettingen slijten op een oud, versleten ket-
tingwiel resp. ketting-aandrijfwiel sneller.
F03215-10
Glijblok op slijtage controleren.
» Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op dezelfde
hoogte of onder het bovenste glijblok bevindt:
Bovenste glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
» Als het glijblok loszit:
Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef glijblok M6 6 Nm
Loctite®243™
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
73
F03216-10
Onderste glijblok op slijtage controleren.
» Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op dezelfde
hoogte of onder onderste glijblok bevindt:
Onderste glijblok vervangen.
Controleren of het onderste glijblok goed vastzit.
» Als het onderste glijblok loszit:
Schroef van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
glijblok
M8 15 Nm
401760-01
Kettinggeleiding controleren op slijtage.
Info
De slijtage is herkenbaar aan de voorkant van de kettingge-
leiding.
» Wanneer het lichtgekleurde deel van de kettinggeleiding is ver-
sleten:
Kettinggeleiding vervangen.
F03217-01
Controleren of de kettinggeleiding goed vastzit.
» Als de kettinggeleiding loszit:
Schroeven van de kettinggeleiding vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
ven chassis
M6 10 Nm
Resterende moeren
chassis
M6 10 Nm
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
74
12.36 Frame controleren
F03218-01
Frame op beschadiging, scheurvorming en vervorming controleren.
» Als het frame beschadigd, gescheurd of vervormd is:
Frame vervangen.
Voorgeschreven waarde
Reparaties aan het frame zijn niet toegestaan.
12.37 Achterbrug controleren
F03219-01
Achterbrug op beschadiging, scheurvorming en vervorming contro-
leren.
» Als de achterbrug beschadigd, gescheurd of vervormd is:
Achterbrug vervangen.
Voorgeschreven waarde
Reparaties van de achterbrug zijn niet toegestaan.
12.38 Gaskabellegging controleren
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
Brandstoftank demonteren. ( pag. 65)
F03220-01
Hoofdwerk
Controleren of gaskabel correct is gelegd.
Beide gaskabels moeten naast elkaar aan de achterkant van het
stuur, boven het brandstoftanklager, naar het smoorklephuis
gelegd zijn. Beide gasbowdenkabels moeten achter de rubber-
band van de brandstoftankhouder geborgd zijn.
» Als de gaskabel niet op de voorgeschreven wijze is gelegd:
Gaskabel correct leggen.
Nawerk
Brandstoftank monteren. ( pag. 67)
Zadel monteren. ( pag. 59)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
75
12.39 Rubberen stuurcovers controleren
401197-01
Rubberen stuurcovers aan stuur controleren op beschadiging en
slijtage. Controleren of de stuurcovers goed vastzitten.
Info
De rubberen stuurcovers zijn links op een huls en rechts op
de handgreep van de gashendel gevulkaniseerd. De linker
huls is op het stuur vastgeklemd.
De rubberen stuurcover kan alleen worden vervangen met
de huls of de gasbuis.
» Als een rubberen stuurcover is beschadigd, versleten of loszit:
Rubberen stuurcover vervangen.
F03221-10
Schroef 1op goede bevestiging controleren.
Voorgeschreven waarde
Schroef vaste
handgreep
M4 5 Nm
Loctite®243™
De ruit Amoet zoals op de afbeelding zijn gepositioneerd.
12.40 Uitgangspositie koppelingshendel instellen
F03160-11
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de stelschroef 1
aanpassen aan de grootte van de hand.
Info
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid, komt de
koppelingshendel verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid, komt de
koppelingshendel dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
Draai de stelschroef alleen met de hand en gebruik geen
geweld.
Niet instellen tijdens het rijden.
12.41 Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de ogen zijn
gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
12 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
76
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingplaten zijn versleten.
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en kop-
pelingskabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
F03222-10
Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische kop-
peling in een horizontale positie zetten.
Schroeven 1verwijderen.
Deksel 2met membraan 3verwijderen.
Vloeistofpeil controleren.
Vloeistofpeil lager dan boven-
kant van reservoir
4 mm
» Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 137)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vast-
draaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water
afspoelen.
12.42 Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de ogen zijn
gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 12
77
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en kop-
pelingskabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
F03222-10
Het aan het stuur gemonteerde voorraadreservoir van de hydrauli-
sche koppeling in een horizontale positie zetten.
Schroeven 1verwijderen.
Deksel 2met membraan 3verwijderen.
F03224-10
Ontluchtingsspuit 4met de juiste vloeistof vullen.
Spuit (50329050000)
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 137)
Van de koppelingsnemercilinder de beschermkap verwijderen, ont-
luchtingsschroef 5verwijderen en ontluchtingsspuit 4monte-
ren.
F03223-10
Vervolgens zoveel vloeistof in het systeem spuiten totdat deze er
door de openingen 6van de koppelingscilinder weer zonder lucht-
bellen uitkomt.
Tussendoor vloeistof uit het reservoir van de koppelingscilinder
afzuigen om overstromen te voorkomen.
Ontluchtingsspuit verwijderen. Ontluchtingsschroef monteren en
vastdraaien. Beschermkap monteren.
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Voorgeschreven waarde
Vloeistofpeil lager dan boven-
kant van reservoir
4 mm
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vast-
draaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water
afspoelen.
13 REMSYSTEEM
78
13.1 Uitgangspositie van de remhendel instellen
F03161-11
Uitgangspositie van de remhendel met de stelschroef 1aan de
grootte van de hand aanpassen.
Info
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid, komt de
remhendel verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid, komt de
remhendel dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
Draai de stelschroef alleen met de hand en gebruik geen
geweld.
Niet instellen tijdens het rijden.
13.2 Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVersleten remschijven verminderen de remwerking.
Zorg ervoor dat versleten remschijven onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
400257-10
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken van
de remschijf op de maat Acontroleren.
Info
Door slijtage kan de dikte van de remschijf in het bereik van
het raakvlak van de remplaketten verminderen.
Remschijven - slijtagegrens
voor 2,5 mm
achter 3,5 mm
» Als de dikte van de remschijf minder is dan de voorgeschreven
waarde:
Remschijf van voorwielrem vervangen.
Remschijf van achterwielrem vervangen.
Remschijven voor en achter op beschadiging, scheuren en vervor-
ming controleren.
» Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
Remschijf van voorwielrem vervangen.
Remschijf van achterwielrem vervangen.
REMSYSTEEM 13
79
13.3 Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versle-
ten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst.
(De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
F03262-10
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal
zetten.
Remvloeistofpeil controleren op het kijkglas 1.
»Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering Ais gedaald:
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen. ( pag. 79)
13.4 Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem
ondicht of zijn de remplaketten versleten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de ogen zijn
gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst.
(De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
13 REMSYSTEEM
80
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en rem-
kabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 80)
F03226-10
Hoofdwerk
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal
zetten.
Schroeven 1verwijderen.
Deksel 2met membraan 3verwijderen.
Remvloeistof tot maat Abijvullen.
Voorgeschreven waarde
Maat A(remvloeistofpeil
lager dan bovenkant reservoir)
5 mm
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 137)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vast-
draaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water
afspoelen.
13.5 Remplaketten voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVersleten remvoeringen verminderen de remwerking.
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
F03227-10
Remplaketten op minimale plaketdikte Acontroleren.
Minimale plaketdikte A1 mm
» Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
( pag. 81)
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
» Als er beschadigingen of scheuren te zien zijn:
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
( pag. 81)
REMSYSTEEM 13
81
13.6 Remplaketten van de voorwielrem vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDoor ondeskundig onderhoud valt het remsysteem uit.
Zorg ervoor dat servicewerkzaamheden en reparaties vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde GAS-
GAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de ogen zijn
gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst.
(De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNiet-toegestane remplaketten veranderen de remwerking.
Niet alle remplaketten zijn voor GASGASmotorfietsen goedgekeurd en toegelaten. Opbouw en wrijvingscoëffici-
ënt van de remplaketten en daarmee ook het remvermogen kunnen sterk afwijken van de originele remplaketten.
Als remplaketten worden gebruikt die afwijken van de eerste uitrusting, is overeenstemming met de originele
toelating niet gegarandeerd. Het voertuig komt in dit geval niet meer overeen met de afleveringstoestand; de
fabrieksgarantie vervalt.
Gebruik uitsluitend remplaketten en toebehoren die door GASGAS zijn vrijgegeven en/of aanbevolen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en rem-
kabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
13 REMSYSTEEM
82
F03228-10
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal
zetten.
Schroeven 1verwijderen.
Deksel 2met membraan 3verwijderen.
S05112-10
Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuigers
naar achteren te drukken. Erop letten dat er geen remvloeistof uit
het remvloeistofreservoir stroomt, indien nodig afzuigen.
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van de rem-
zuigers het remzadel tegen de spaken wordt geduwd.
Splitpennen 4verwijderen.
Bout 5eruit trekken.
Remplaketten verwijderen.
Remzadel en remzadeldrager reinigen.
S04465-10
Controleren of het veerblad 6in het remzadel en de remplaket-
glijplaat 7in de remzadeldrager correct gemonteerd zijn.
S05113-10
Nieuwe remplaketten inzetten.
Bout 5monteren.
Het veerblad 6grijpt in de groef van de bout.
Info
Remplaketten altijd per set vervangen.
Splitpennen 4monteren.
Voorgeschreven waarde
Buitenste veerstekker van voren naar achteren monteren.
Binnenste veerstekker van achteren naar voren monteren.
Remhendel meerdere keren bedienen tot de remplaketten tegen de
remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
REMSYSTEEM 13
83
F03226-10
Remvloeistofpeil corrigeren op maat A.
Voorgeschreven waarde
Maat A(remvloeistofpeil
lager dan bovenkant reservoir)
5 mm
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 137)
Deksel 2met membraan 3positioneren.
Schroeven 1monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water
afspoelen.
13.7 Vrije slag rempedaal controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk
op de achterwielrem op.
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
402026-10
Veer 1losmaken.
Rempedaal tussen eindaanslag en voetremcilinderzuiger heen en
weer bewegen en vrije slag Acontroleren.
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal 3 … 5 mm
» Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
Uitgangspositie van het rempedaal instellen. ( pag. 83)
Veer 1vasthaken.
13.8 Uitgangspositie van het rempedaal instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsysteem druk
op de achterwielrem op.
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
13 REMSYSTEEM
84
F03229-10
Veer 1losmaken.
Moer 4losdraaien en met drukstang 5terugdraaien totdat de
maximale vrije slag is bereikt.
Voor de individuele aanpassing van de uitgangspositie van het rem-
pedaal moer 2losdraaien en schroef 3draaien.
Info
Het instelbereik is beperkt.
Drukstang 5zoveel draaien tot de vrije slag Abereikt is. Eventu-
eel uitgangspositie van het rempedaal aanpassen.
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal 3 … 5 mm
Schroef 3tegenhouden en moer 2vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer voetremhende-
laanslag
M8 20 Nm
Drukstang 5tegenhouden en moer 4vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende moeren
chassis
M6 10 Nm
Veer 1vasthaken.
13.9 Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaketten versle-
ten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst.
(De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
F03230-10
Voertuig rechtop zetten.
Remvloeistofpeil controleren op het kijkglas 1.
»Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering Ais gedaald:
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen. ( pag. 85)
REMSYSTEEM 13
85
13.10 Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsysteem
ondicht of zijn de remplaketten versleten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de ogen zijn
gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst.
(De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en rem-
kabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 86)
F03231-10
Hoofdwerk
Voertuig rechtop zetten.
Schroefdop 1met membraan 2en keerring verwijderen.
Remvloeistof tot de markering Avullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 137)
Schroefdop met membraan en keerring monteren.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water
afspoelen.
13 REMSYSTEEM
86
13.11 Remplaketten achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVersleten remvoeringen verminderen de remwerking.
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
F03232-10
Remplaketten op minimale plaketdikte Acontroleren.
Minimale plaketdikte A1 mm
» Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
( pag. 86)
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
» Als er beschadigingen of scheuren te zien zijn:
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
( pag. 86)
13.12 Remplaketten van de achterwielrem vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDoor ondeskundig onderhoud valt het remsysteem uit.
Zorg ervoor dat servicewerkzaamheden en reparaties vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde GAS-
GAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de ogen zijn
gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ververst.
(De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
REMSYSTEEM 13
87
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNiet-toegestane remplaketten veranderen de remwerking.
Niet alle remplaketten zijn voor GASGASmotorfietsen goedgekeurd en toegelaten. Opbouw en wrijvingscoëffici-
ënt van de remplaketten en daarmee ook het remvermogen kunnen sterk afwijken van de originele remplaketten.
Als remplaketten worden gebruikt die afwijken van de eerste uitrusting, is overeenstemming met de originele
toelating niet gegarandeerd. Het voertuig komt in dit geval niet meer overeen met de afleveringstoestand; de
fabrieksgarantie vervalt.
Gebruik uitsluitend remplaketten en toebehoren die door GASGAS zijn vrijgegeven en/of aanbevolen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en rem-
kabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
F03233-10
Voertuig rechtop zetten.
Schroefdop 1met membraan 2en keerring verwijderen.
Remzuiger terug in de uitgangspositie duwen en ervoor zorgen dat
er geen remvloeistof uit het remvloeistofreservoir stroomt, indien
nodig afzuigen.
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van de rem-
zuiger het remzadel tegen de spaken wordt geduwd.
F03234-10
Splitpennen 3verwijderen, bouten 4eruit trekken en rempla-
ketten verwijderen.
Remzadel en remzadeldrager reinigen.
F03235-10
Controleren of het veerblad 5in het remzadel en de remplaket-
glijplaat 6in de remzadeldrager correct gemonteerd zijn.
13 REMSYSTEEM
88
F03236-01
Nieuwe remplaketten plaatsen, bouten erin steken en splitpennen
monteren.
Info
Remplaketten altijd per set vervangen.
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten tegen de
remschijf zitten en er een drukpunt aanwezig is.
F03231-10
Remvloeistofpeil tot markering Acorrigeren.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 137)
Schroefdop 1met membraan 2en keerring monteren.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water
afspoelen.
WIELEN, BANDEN 14
89
14.1 Voorwiel demonteren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
S04473-01
Hoofdwerk
Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuigers
naar achteren te drukken.
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van de rem-
zuigers het remzadel tegen de spaken wordt geduwd.
S04474-10
Schroef 1enkele slagen losdraaien.
Schroeven 2losdraaien.
Op de schroef 1drukken om de steekas uit de asopname te schui-
ven.
Schroef 1verwijderen.
S04475-01
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBeschadigde remschijven ver-
minderen de remwerking.
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf niet
wordt beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas verwijderen. Voorwiel uit de voor-
vork nemen.
Info
Remhendel niet bedienen als het voorwiel is gedemonteerd.
H00934-10
Afstandsbussen 3verwijderen.
14 WIELEN, BANDEN
90
14.2 Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
H00935-10
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
» Als het wiellager beschadigd of versleten is:
Wiellager voor vervangen.
Radiale keerringen 1en loopvlakken Avan de afstandsbussen
reinigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 139)
Afstandsbussen erin zetten.
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet ( pag. 139)
Voorwiel positioneren en steekas erin zetten.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
S04474-11
Schroef 2monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor M20x1,5 35 Nm
Remhendel meerdere keren indrukken tot remplaketten tegen de
remschijf liggen.
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inveren.
De vorkpoten worden uitgelijnd.
Schroeven 3vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname M8 15 Nm
14.3 Achterwiel demonteren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
WIELEN, BANDEN 14
91
F03238-10
Hoofdwerk
Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de remzuiger
naar achteren te drukken.
Info
Voorkomen dat bij het naar achteren drukken van de rem-
zuiger het remzadel tegen de spaken wordt geduwd.
Moer 1verwijderen.
Kettingspanner 2verwijderen. Steekas 3slechts zo ver eruit
trekken, dat het achterwiel naar voren kan worden geschoven.
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven. Ketting van het ket-
tingwiel nemen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging bescher-
men.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBeschadigde remschijven ver-
minderen de remwerking.
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf niet
wordt beschadigd.
Achterwiel vasthouden en steekas verwijderen. Achterwiel uit de
achterbrug nemen.
Info
Rempedaal niet indrukken als het achterwiel is gedemon-
teerd.
H03002-10
Afstandsbussen 4verwijderen.
14.4 Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
14 WIELEN, BANDEN
92
H03001-10
Hoofdwerk
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
» Als het wiellager beschadigd of versleten is:
Wiellager achter vervangen.
Radiale keerringen 1en loopvlakken Avan de afstandsbussen
reinigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 139)
Afstandsbussen erin zetten.
F03237-10
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet ( pag. 139)
Achterwiel positioneren en steekas 2erin zetten.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
Ketting erop leggen.
F03214-11
Kettingspanner 3positioneren. Moer 4monteren, maar nog
niet vastdraaien.
Controleren of de kettingspanners 3tegen de stelschroeven 5
liggen.
Kettingspanning controleren. ( pag. 69)
Moer 4vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter M20x1,5 80 Nm
Info
Door het grote instelbereik van de kettingspanner (32 mm)
kunnen bij gelijke kettinglengte verschillende secundaire
overbrengingen worden gereden.
De kettingspanners 3kunnen 180° worden gedraaid.
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten tegen de
remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
WIELEN, BANDEN 14
93
14.5 Bandentoestand controleren
Info
Alleen door GASGAS Motorcycles vrijgegeven en/of aanbevolen banden monteren.
Andere banden kunnen het rijgedrag negatief beïnvloeden.
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.
Het profiel van de banden voor het voor- en achterwiel moet altijd gelijk zijn.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
400602-10
Voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen die
tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en beschadigingen.
» Als er insnijdingen of beschadigingen zijn of als er voorwerpen
tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten:
Banden vervangen.
Profieldiepte controleren.
Info
Neem de minimale profieldiepte volgens de nationale wet-
geving in acht.
Minimale profieldiepte 2 mm
» Als de profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
Banden vervangen.
H01144-01
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het
opschrift van de banden en wordt met de laatste vier cijfers
van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste twee cijfers
wijzen op de week van de productie en de laatste twee cij-
fers op het productiejaar.
GASGAS Motorcycles adviseert de banden te wisselen, onaf-
hankelijk van de daadwerkelijke slijtage van de banden, ech-
ter uiterlijk na 5 jaar.
» Als de band ouder is dan vijf jaar:
Banden vervangen.
14.6 Bandenspanning controleren
Info
Te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en een maximale levensduur van de band.
400695-01
Beschermkap verwijderen.
Bandenspanning controleren als de banden koud zijn.
Bandenspanning terrein
voor 1,0 bar
achter 1,0 bar
Bandenspanning weg
voor 2,0 bar
14 WIELEN, BANDEN
94
achter 2,0 bar
» Als de bandenspanning niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt:
Bandenspanning corrigeren.
Beschermkap monteren.
14.7 Spaakspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerkeerd gespannen spaken beïnvloeden het rijgedrag nadelig en leiden tot gevolg-
schade.
Als de spaken te vast zijn gespannen, barsten de spaken door overbelasting. Als de spaken te los zijn gespannen,
ontstaat een zij- of hoogteslag in het wiel. Hierdoor komen andere spaken ook los te zitten.
Controleer de spaakspanning regelmatig, in het bijzonder bij een nieuw voertuig. (De geautoriseerde GAS-
GAS Motorcycles-garage is u graag van dienst.)
400694-01
Kort met het handvat van een schroevendraaier op elke spaak slaan.
Info
De toonfrequentie is afhankelijk van de spaaklengte en van
de spaakdiameter.
Als er verschillende toonfrequenties op de afzonderlijke spa-
ken met gelijke lengte en diameter te horen zijn, wijst dat op
verschillen in de spaakspanning.
De toon moet helder zijn.
» Wanneer de spaakspanning verschillend is:
Spaakspanning corrigeren.
Aanhaalmoment van de spaken controleren.
Voorgeschreven waarde
Spaaknippel voorwiel M4,5 6 Nm
Spaaknippel achterwiel M4,5 6 Nm
Momentsleutelset (58429094000)
ELEKTRONICA 15
95
15.1 12V-accu demonteren
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
F03239-10
Hoofdwerk
Waarschuwing
Gevaar voor letsel12V-accu’s bevatten schadelijke stof-
fen.
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
Houd vonken of open vuur uit de buurt van 12V-accu’s.
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde
ruimtes.
Houd een minimale afstand tot ontvlambare stoffen als
u 12V-accu’s oplaadt.
Minimale afstand 1 m
Laad volledig lege 12V-accu’s niet op als de minimum-
spanning al is onderschreden.
Minimumspanning voor
laden
9 V
Voer 12V-accu’s waarvan de minimumspanning werd
onderschreden volgens de voorschriften af.
Minkabel 1van de 12V-accu loskoppelen.
Pluspoolafdekking 2naar achteren trekken en pluskabel van de
12V-accu loskoppelen.
F03240-10
Startrelais 3en zekeringenblok 4van het accuvak trekken en
opzij hangen.
15 ELEKTRONICA
96
F03242-10
Kabelboom 5losmaken, de relais 6loskoppelen en opzij han-
gen.
F03243-10
Schroef 7verwijderen en accuvak losmaken.
12V-accu naar boven toe verwijderen.
15.2 12V-accu monteren
F03243-11
Hoofdwerk
12V-accu met de polen naar voren in het accuvak plaatsen en met
de bevestigingsbeugel 1vastzetten.
12V-accu (HJTZ5S-FP-C) ( pag. 132)
Schroef 2monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef accuhouder-
beugel
M6 6 Nm
F03242-11
De relais 3monteren en kabelboom 4vasthaken.
F03240-11
Startrelais 5en zekeringenblok 6monteren.
ELEKTRONICA 15
97
F03241-10
Pluskabel met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool M5 2,5 Nm
Info
De contactring Amoet onder de schroef 7en de
kabelschoen 8met de klauwen naar de accupool worden
gemonteerd.
Pluspoolafdekking 9over pluspool schuiven.
Minkabel bk met de 12V-accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool M5 2,5 Nm
Info
De contactring Amoet onder de schroef 7en de
kabelschoen 8met de klauwen naar de accupool worden
gemonteerd.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 59)
15.3 12V-accu laden
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Ook als de 12V-accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden zijn erg belangrijk voor de levensduur van de 12V-accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de 12V-accu leeg is gestart, de 12V-accu meteen opladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diepteontlading en capaciteitsverlies op, waardoor de 12V-accu
wordt vernield.
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
12V-accu demonteren. ( pag. 95)
15 ELEKTRONICA
98
F01568-10
Hoofdwerk
Waarschuwing
Gevaar voor letsel12V-accu’s bevatten schadelijke stof-
fen.
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
Houd vonken of open vuur uit de buurt van 12V-accu’s.
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde
ruimtes.
Houd een minimale afstand tot ontvlambare stoffen als
u 12V-accu’s oplaadt.
Minimale afstand 1 m
Laad volledig lege 12V-accu’s niet op als de minimum-
spanning al is onderschreden.
Minimumspanning voor
laden
9 V
Voer 12V-accu’s waarvan de minimumspanning werd
onderschreden volgens de voorschriften af.
Accuspanning controleren.
» Accuspanning: < 9 V
12V-accu niet opladen.
12V-accu vervangen en oude 12V-accu op de juiste manier
afvoeren.
» Als de voorgeschreven waarde is bereikt:
Accuspanning: 9 V
Acculader met 12V-accu verbinden. Acculader inschakelen.
Voorgeschreven waarde
Maximale laadspanning 14,4 V
Maximale laadstroom 3,0 A
Maximale laadduur 12 h
12V-accu regelmatig bijla-
den als de motorfiets niet
wordt gebruikt
6 maanden
Optimale laad- en
opslagtemperatuur van de
lithium-ion-accu
10 … 20 °C
Acculader (79629974000)
Deze acculader test of de 12V-accu de spanning vasthoudt.
Bovendien kan met deze acculader de 12-V-accu niet wor-
den overladen. De oplaadtijd kan bij lage temperaturen lan-
ger zijn.
Deze acculader is uitsluitend geschikt voor lithium-ijzer-
fosfaat-accu’s. De bijgevoegde GASGAS Technical Accesso-
ries-handleiding in acht nemen.
ELEKTRONICA 15
99
Info
Als laadstroom, laadspanning of laadduur worden
overschreden, dan vernielt dit de 12V-accu.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diep-
teontlading en capaciteitsverlies op, waardoor de
12V-accu wordt vernield.
De 12V-accu is onderhoudsvrij.
Deksel 1nooit verwijderen.
Acculader na het laden uitschakelen en van de 12V-accu loskoppe-
len.
Nawerk
12V-accu monteren. ( pag. 96)
Zadel monteren. ( pag. 59)
15.4 Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brandVerkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Met de hoofdzekering worden alle elektrische verbruikers van het voertuig gezekerd.
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
F03244-10
Hoofdwerk
Startrelais 1uit houder trekken.
15 ELEKTRONICA
100
F03245-10
Beschermkappen 2verwijderen.
Defecte hoofdzekering 3verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad A.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering 4.
Nieuwe hoofdzekering plaatsen.
Zekering (58011109120) ( pag. 132)
Werking van de elektrische installatie controleren.
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen,
zodat u er een bij u heeft als het nodig is.
Beschermkappen erop steken.
Startrelais op de houder steken en kabels leggen.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 59)
15.5 Zekeringen van de afzonderlijke elektrische verbruikers vervangen
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke elektrische verbruikers bevindt zich onder het zadel.
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
F03246-10
Hoofdwerk
Zekeringenblokdeksel 1openen.
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekering 110 A - EFI-besturingsapparaat, lambdasonde, gecom-
bineerd instrument, combinatieschakelaar (optioneel), elektro-
nische brandstofinspuiting, diagnosestekker, brandstofdamp-
terughoudsysteem, zekering 4
Zekering 2- 10 A - groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht, num-
merplaatverlichting
Zekering 3- 10 A - radiateurventilator (optioneel), claxon, rem-
licht, richtingaanwijzer
Zekering 4- 5 A - brandstofpomp
Zekeringen res - 10 A - reservezekering
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken smeltdraad A.
ELEKTRONICA 15
101
Waarschuwing
Gevaar voor brandVerkeerde zekeringen overbelasten
de elektrische installatie.
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven
ampère-waarde.
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088010) ( pag. 132)
Zekering (75011088005) ( pag. 132)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
Werking van de elektrische verbruikers controleren.
Zekeringenblokdeksel sluiten.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 59)
15.6 Koplampkap met koplamp demonteren
F03247-10
Remleiding en kabelstreng op de koplampkap losmaken.
Rubberbanden 1losmaken. Koplampkap naar boven schuiven en
naar voren zwenken.
F03248-10
Stekkerverbindingen 2loskoppelen en koplampkap met koplamp
verwijderen.
15 ELEKTRONICA
102
15.7 Koplampkap met koplamp monteren
F03248-11
Hoofdwerk
Stekkerverbindingen 1verbinden.
F03247-11
Koplampkap positioneren en met rubberband 2vastzetten.
De uitsteeksels grijpen in het spatbord.
Remkabel en kabelboom in de remkabelgeleiding positioneren.
Nawerk
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
15.8 Lamp koplamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflectorVet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 101)
F03249-10
Hoofdwerk
Beschermkap 1met de daaronder liggende lampfitting tot de aan-
slag tegen de klok in draaien en optillen.
Lampfitting 2van het positielicht uit de reflector trekken.
ELEKTRONICA 15
103
F03250-10
Lamp koplamp 3eruit draaien.
Nieuwe lamp in de koplamp zetten.
Koplamp (S2 / sokkel BA20d) ( pag. 132)
Beschermkap met de lampfitting in de reflector plaatsen en tot de
aanslag met de klok mee draaien.
Info
Controleren of de afdichtlip 4van de beschermkap correct
zit.
Lampfitting van het positielicht in de reflector steken.
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 102)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
15.9 Koplampstand controleren
400726-10
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur zet-
ten en in de hoogte van het midden van de koplamp een markering
aanbrengen.
Nog een markering aanbrengen op een afstand Bonder de eerste
markering.
Voorgeschreven waarde
Afstand B5 cm
Voertuig op afstand Arechtop voor de muur zetten.
Voorgeschreven waarde
Afstand A5 m
Nu gaat de bestuurder op de motorfiets zitten.
Dimlicht inschakelen.
Koplampinstelling controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een motorfiets met
bestuurder die gereed is om te rijden precies op de onderste mar-
kering liggen.
» Als deze grens tussen licht en donker niet overeenkomt met de
voorgeschreven waarde:
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen. ( pag. 103)
15.10 Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen
Voorwerk
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 101)
15 ELEKTRONICA
104
S04493-10
Hoofdwerk
Schroef 1met de klok mee draaien.
De lichtbundelbreedte stijgt.
Schroef 1tegen de klok in draaien.
De lichtbundelbreedte neemt af.
Door zwenken van de koplamp de lichtbundelbreedte instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij een motorfiets met
bestuurder die gereed is om te rijden precies op de onderste mar-
kering liggen (aangebracht bij: Koplampinstelling controleren).
Info
Extra belasting kan mogelijk een correctie van de koplamp-
lichtbundelbreedte vereisen.
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 102)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
15.11 Knipperlichtlamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflectorVet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
E00360-10
Hoofdwerk
Schroef aan de achterzijde van het knipperlichthuis verwijderen.
Knipperlichtglas 1voorzichtig verwijderen.
De oranje kap 2in de buurt van de uitsteeksels samenduwen en
verwijderen.
Knipperlichtlamp licht in de fitting duwen, ca. 30° tegen de klok in
draaien en uit de fitting trekken.
Info
Reflector niet met de vingers aanraken en vetvrij houden.
Nieuwe knipperlichtlamp zachtjes in de fitting duwen en met de klok
mee draaien tot de aanslag.
Richtingaanwijzer (R10W / sokkel BA15s) ( pag. 132)
Oranje kap monteren.
Knipperlichtglas positioneren.
Schroef erin steken en eerst tegen de klok in draaien, tot de schroef
met een kleine ruk vergrendelt in schroefgang. Schroef licht vast-
draaien.
Nawerk
Controleren of de richtingsaanwijzers werken.
ELEKTRONICA 15
105
15.12 Batterij gecombineerd instrument vervangen
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 101)
F03251-10
Hoofdwerk
Schroeven 1met ringen verwijderen.
Gecombineerd instrument omhoog uit de houder trekken.
F03252-10
Beschermkap 2met een munt tot de aanslag tegen de klok in
draaien en verwijderen.
Batterij gecombineerd instrument 3verwijderen.
Nieuwe batterij gecombineerd instrument plaatsen met het
opschrift naar boven.
Accu gecombineerde instrument (CR 2032) ( pag. 132)
Controleren of de keerring van de beschermkap correct zit.
F03253-10
Beschermkap 2positioneren en met een munt tot de aanslag met
de klok mee draaien.
Een willekeurige knop op het gecombineerde instrument indrukken.
Het gecombineerde instrument wordt geactiveerd.
Gecombineerd instrument in houder positioneren.
Schroeven met ringen monteren en vastdraaien.
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 102)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 103)
Gecombineerd instrument instellen. ( pag. 21)
15.13 Diagnosestekker
V02745-10
De diagnosestekker 1bevindt zicht onder het zadel.
16 KOELSYSTEEM
106
16.1 Koelsysteem
F03254-10
Door de waterpomp 1in de motor vindt er een gedwongen circulatie
van het koelmiddel plaats.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt geregeld
door een klep in de radiateurdop 2. Daardoor is de aangegeven koel-
middeltemperatuur toegestaan zonder dat er met functiestoringen reke-
ning moet worden gehouden.
120 °C
De koeling vindt plaats via de rijwind.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde koelrib-
ben verlagen de koelwerking.
16.2 Antivries en koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor of het
koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van
het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is gevaarlijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof
in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
400243-10
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
Radiateurdop verwijderen.
Antivries van het koelmiddel controleren.
25…45 °C
» Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met de
voorgeschreven waarde:
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
Koelmiddelpeil Aboven de
radiateurlamellen
10 mm
» Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschre-
ven waarde:
Koelmiddelpeil corrigeren.
Koelmiddel ( pag. 137)
Radiateurdop monteren.
KOELSYSTEEM 16
107
16.3 Koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor of het
koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van
het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is gevaarlijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof
in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
400243-10
Motorfiets rechtop zetten op een horizontaal oppervlak.
Radiateurdop verwijderen.
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
Koelmiddelpeil Aboven de
radiateurlamellen
10 mm
» Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorgeschre-
ven waarde:
Koelmiddelpeil corrigeren.
Koelmiddel ( pag. 137)
Radiateurdop monteren.
16.4 Koelmiddel aftappen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor of het
koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van
het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
16 KOELSYSTEEM
108
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is gevaarlijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof
in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
F03254-11
Motorfiets rechtop zetten.
Geschikt reservoir onder de waterpompdeksel plaatsen.
Schroef 1verwijderen. Radiateurdop 2verwijderen.
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
Schroef 1met nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef waterpomp-
deksel
M6 10 Nm
16.5 Koelmiddel vullen
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is gevaarlijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof
in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
F03255-10
Hoofdwerk
Controleren of schroef 1met het juiste moment is vastgedraaid.
Motorfiets rechtop zetten.
Koelmiddel tot maat Avia de radiateurlamellen vullen.
Voorgeschreven waarde
10 mm
Koelmiddel 1,2 l Koelmiddel
( pag. 137)
Radiateurdop monteren.
Nawerk
Korte proefrit maken.
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 107)
KOELSYSTEEM 16
109
16.6 Koelmiddel verversen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor of het
koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componenten van
het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is gevaarlijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koelvloeistof
in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
F03254-11
Hoofdwerk
Motorfiets rechtop zetten.
Geschikt reservoir onder de waterpompdeksel plaatsen.
Schroef 1verwijderen. Radiateurdop 2verwijderen.
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
F03255-10
Schroef 1met nieuwe pakkingring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef waterpomp-
deksel
M6 10 Nm
Koelmiddel tot maat Aboven de radiateurlamellen bijvullen.
Voorgeschreven waarde
10 mm
Koelmiddel 1,2 l Koelmiddel
( pag. 137)
Radiateurdop 2monteren.
Nawerk
Korte proefrit maken.
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 107)
17 MOTOR AFSTELLEN
110
17.1 Speling gaskabel controleren
400192-11
Controleren of de gashendel soepel beweegt.
Stuur in de rechtuitstand zetten. Gashendel licht heen en weer
bewegen en de speling gaskabel Abepalen.
Speling gaskabel 3 … 5 mm
» Als de speling gaskabel niet overeenkomt met de voorgeschre-
ven waarde:
Speling gaskabel instellen. ( pag. 110)
Koude-startknop tot de aanslag indrukken.
Als de gashendel naar voren wordt gedraaid, springt de koude-
startknop terug in de uitgangspositie.
» Als de koude-startknop niet in de uitgangspositie terugspringt:
Speling gaskabel instellen. ( pag. 110)
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kun-
nen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende
ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en met stationair toerental laten draaien. Stuur over
het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stationair toerental mag niet veranderen.
» Wanneer het stationaire toerental verandert:
Speling gaskabel instellen. ( pag. 110)
17.2 Speling gaskabel instellen
Info
Als de gasbowdenkabels correct zijn gelegd, hoeft de brandstoftank niet te worden gedemonteerd.
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 59)
Brandstoftank demonteren. ( pag. 65)
Controleren of gaskabel correct is gelegd. ( pag. 74)
MOTOR AFSTELLEN 17
111
F03600-10
Hoofdwerk
Stuur in de rechtuitstand zetten.
Manchet 1terugschuiven.
Moer 2losdraaien.
Stelschroef 3helemaal indraaien.
Moer 4losdraaien.
Koude-startknop 6tot aan de aanslag indrukken.
Stelschroef 5zo draaien dat de koude-startknop terug naar de
uitgangspositie beweegt wanneer de gashendel naar voren wordt
gedraaid.
Moer 4vastdraaien.
Stelschroef 3zo draaien, dat bij de gashendel speling gaskabel
aanwezig is.
Voorgeschreven waarde
Speling gaskabel 3 … 5 mm
Moer 2vastdraaien.
Manchet 1erop schuiven.
Controleren of de gashendel soepel beweegt.
Nawerk
Speling gaskabel controleren. ( pag. 110)
17.3 Eigenschappen van de gasrespons instellen
Info
Op de gashendel kunnen de eigenschappen van de gasrespons door de vervanging van de gaskabelschijf worden
veranderd.
Een gaskabelschijf met een andere karakteristiek is inbegrepen.
F03257-10
Hoofdwerk
Manchet 1terugschuiven.
Schroeven 2en halve schalen 3verwijderen.
Gaskabels losmaken en handgreep verwijderen.
17 MOTOR AFSTELLEN
112
102246-10
Gaskabelschijf 4van de handgreep 5verwijderen.
Gewenste gaskabelschijf op de handgreep positioneren.
Voorgeschreven waarde
De aanduiding OUTSIDE moet zichtbaar zijn. De markering A
moet bij de markering Bgepositioneerd zijn.
Gaskabelschijf grijs (79002014000)
Alternatief 1
Gaskabelschijf zwart (79002014100)
Info
De grijze gaskabelschijf opent de smoorklep langzaam.
De grijze gaskabelschijf opent de smoorklep snel.
De grijze gaskabelschijf is bij levering gemonteerd.
F03258-10
Stuur aan buitenzijde en handgreep aan binnenzijde reinigen. Hand-
greep op het stuur schuiven.
Gaskabels in de gaskabelschijf bevestigen en op hun plaats brengen.
Halve schalen 3positioneren, schroeven 2monteren en vast-
draaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef gashendel M6 5 Nm
Manchet 1erop schuiven en gashendel controleren op soepele
werking.
Nawerk
Speling gaskabel controleren. ( pag. 110)
17.4 Stationair toerental instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDe motor kan bij een te laag stationair toerental plotseling uitvallen.
Stel het stationair toerental op de aangegeven waarde in. (De geautoriseerde GASGAS Motorcycles-garage is u
graag van dienst.)
MOTOR AFSTELLEN 17
113
E02819-10
Motor warmrijden.
Koude-startknop gedeactiveerd Koude-startknop staat in de
uitgangspositie. ( pag. 17)
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kun-
nen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende
ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Door het verdraaien van de regelschroef stationair toerental 1het
stationaire toerental instellen.
Voorgeschreven waarde
Stationair toerental 2.050 … 2.150 1/min
Toerenteller (45129075000)
Info
Draaien tegen de klok in verlaagt het stationaire toerental.
Draaien met de klok mee verhoogt het stationaire toerental.
17.5 Smoorkleppositie programmeren
Info
Als de besturingsunit herkent dat de smoorkleppositie bij stationair toerental opnieuw moet worden geprogram-
meerd, knippert het controlelampje storing 2x per seconde.
H02263-10
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kun-
nen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende
ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Voertuig met stationair toerental laten draaien.
Het controlelampje storing knippert niet meer zodra het pro-
grammeren is afgesloten.
Info
Als de motor te warm wordt, een afkoelrit bij gemiddeld
toerental maken.
De motor vervolgens niet uitschakelen, maar stationair ver-
der laten draaien tot het programmeren afgesloten is.
17 MOTOR AFSTELLEN
114
17.6 Uitgangspositie versnellingshendel controleren
Info
De versnellingshendel mag bij het rijden in de uitgangspositie niet tegen de laars liggen.
Als de versnellingshendel steeds tegen de laars ligt, wordt de versnelling teveel belast.
400692-10
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand Atussen
de bovenkant van de laars en de versnellingshendel meten.
Afstand versnellingshendel tot
bovenkant laars
10 … 20 mm
» Als de afstand niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
( pag. 114)
17.7 Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen
401950-12
Schroef 1met ringen verwijderen en versnellingshendel 2eraf
halen.
401951-10
Vertanding Avan versnellingshendel en schakelas reinigen.
Versnellingshendel in de gewenste positie op de schakelas steken en
de tanden laten grijpen.
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuig-
componenten niet raken.
Schroef met ringen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef versnel-
lingshendel
M6 14 Nm
Loctite®243™
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 18
115
18.1 Brandstofzeef vervangen
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als brandstof in
de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
F03259-10
Snelsluitkoppeling 1grondig met perslucht reinigen.
Info
Er mag in geen geval vuil in de brandstofleiding terechtko-
men. Binnengedrongen vuil verstopt de inspuitklep!
Snelsluitkoppeling loskoppelen.
Info
Uit de brandstofslang kan nog wat resterende brandstof
stromen.
Brandstofzeef 2uit het aansluitstuk trekken.
Nieuwe brandstofzeef tot de aanslag in het aansluitstuk schuiven.
Siliconenspray op een pluisvrije doek sproeien en O-ring van de snel-
sluitkoppeling licht smeren.
Siliconenspray ( pag. 139)
Snelsluitkoppeling in elkaar steken.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kun-
nen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende
ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
116
Motor starten en respons controleren.
18.2 Motoroliepeil controleren
Voorwerk
Motorfiets rechtop zetten op een horizontale ondergrond.
F03260-10
Voorwaarde
Motor is warm.
Motoroliepeil controleren.
Info
Na het afzetten van de motor eerst een minuut wachten
en dan pas controleren.
De motorolie ligt tussen de onderkant Aen midden Bvan
het kijkglas.
»Als de motorolie niet tot de onderkant Avan het kijk-
glas komt:
Motorolie bijvullen. ( pag. 118)
18.3 Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeef reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenMotor- en cardanolie wordt tijdens bedrijf van de motorfiets zeer heet.
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Motorolie bij warme motor aftappen.
Voorwerk
Motorfiets op horizontaal oppervlak zetten.
F03263-10
Hoofdwerk
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
Olieaftapschroef 1met magneet en afdichtring verwijderen.
Info
Schroeven 2niet verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 18
117
F03264-10
Sluitschroef 3met oliezeef 4en keerringen verwijderen.
Motorolie volledig laten uitlopen.
Onderdelen en afdichtvlakken grondig reinigen.
F03265-10
Oliezeef 4met keerringen op een pijpsleutel positioneren.
Pijpsleutel door de boring van de sluitschroef in de tegenoverlig-
gende motorhuishelft positioneren.
Oliezeef tot de aanslag in het motorhuis schuiven.
F03264-11
Sluitschroef 3met keerring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef M20x1,5 15 Nm
Olieaftapschroef 1met magneet en nieuwe afdichtring monteren
en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef met
magneet
M12x1,5 20 Nm
F03266-10
Schroeven 5verwijderen. Oliefilterdeksel met keerring verwijde-
ren.
F03267-10
Oliefilter 6uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang (51012011000)
Motorolie volledig laten uitlopen.
Onderdelen en afdichtvlak grondig reinigen.
18 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
118
F03268-10
Motorfiets op rechter zijkant leggen en oliefilterhuis ongeveer
vullen met motorolie.
Oliefilter in oliefilterhuis positioneren.
Keerring van het oliefilterdeksel insmeren met olie en met oliefilter-
deksel 7monteren.
Schroeven monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef oliefilterdeksel M6 10 Nm
Motorfiets opstellen.
401955-12
Olievulschroef 8met keerring van het koppelingsdeksel verwijde-
ren en motorolie vullen.
Motorolie 1,0 l Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 137)
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt
tot voortijdige slijtage van de motor.
Olievulschroef met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kun-
nen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende
ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
Motoroliepeil controleren. ( pag. 116)
18.4 Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 18
119
F03261-10
Hoofdwerk
Olievulschroef 1met keerring van het koppelingsdeksel verwijde-
ren.
Motorolie tot midden Avan kijkglas vullen.
Motorolie (SAE 10W/50) ( pag. 137)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aange-
raden geen verschillende motoroliesoorten te mengen.
GASGAS Motorcycles adviseert de motorolie te verversen als
dat nodig is.
Olievulschroef met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kun-
nen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende
ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
Nawerk
Motoroliepeil controleren. ( pag. 116)
19 REINIGING, ONDERHOUD
120
19.1 Motorfiets reinigen
Aanwijzing
MateriaalschadeDoor verkeerd gebruik van een hogedrukreiniger worden componenten beschadigd of onbruikbaar.
Het water dringt door de hoge druk in de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc.
Te hoge druk veroorzaakt storingen en maakt componenten onbruikbaar.
Richt de waterstraal niet direct op elektrische componenten, stekkers, bowenkabels of lagers.
Een minimale afstand tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden.
Minimale afstand 60 cm
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven wijze af.
Info
Reinig de motorfiets regelmatig, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
401061-01
Om het indringen van water te voorkomen, het uitlaatsysteem
afsluiten.
Grof vuil met een zachte waterstraal verwijderen.
Sterk vervuilde plekken met een normale, in de handel verkrijgbare
motorfietsreiniger inspuiten en met een penseel bewerken.
Motorfietsreiniger ( pag. 139)
Info
Warm water met een in de handel verkrijgbare motorfiets-
reiniger en een zachte spons gebruiken.
Motorfietsreiniger nooit op het droge voertuig aanbrengen,
altijd eerst met water afspoelen.
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is afge-
spoeld moet hij goed worden gedroogd.
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVocht en vuil beïnvloeden het
remsysteem nadelig.
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten
en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtempera-
tuur heeft bereikt.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toegan-
kelijke plaatsen van de motor en het remsysteem.
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten smeren.
Ketting reinigen. ( pag. 68)
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschijven en
het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
REINIGING, ONDERHOUD 19
121
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber ( pag. 139)
Alle kunststof onderdelen en geëloxeerde onderdelen behandelen
met een mild reinigings- en verzorgingsmiddel.
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en
kunststofvlakken ( pag. 140)
19.2 Controle en onderhoud voor rijden in de winter
Info
Als het voertuig ook in de winter wordt gebruikt, moet er rekening worden gehouden met strooizout op de wegen.
Daarom moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden, moet hij na het einde van de rit met koud water worden gerei-
nigd. Warm water versterkt de zoutwerking.
401060-01
Motorfiets reinigen. ( pag. 120)
Remsysteem reinigen.
Info
Na IEDERE rit op wegen met strooizout de remzadels en
remplaketten, in afgekoelde en gemonteerde toestand,
grondig met koud water reinigen en goed laten drogen.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet het voer-
tuig grondig met koud water worden gereinigd en goed wor-
den gedroogd.
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderdelen
(m.u.v. de remschijven) worden behandeld met een antiroestmiddel
op wasbasis.
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven terechtko-
men omdat daardoor de remwerking sterk wordt vermin-
derd.
Ketting reinigen. ( pag. 68)
20 STALLING
122
20.1 Stalling
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als brandstof in
de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken, moet u volgende maatregelen nemen of laten nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten. Als er
servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn, kunt u dat het beste doen tijdens de overwintering
(minder drukte bij de werkplaatsen). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het seizoen.
401058-01
Bij het laatste tanken voor het stilleggen van de motorfiets, brand-
stofadditief bijmengen.
Brandstofadditief ( pag. 139)
Brandstof tanken. ( pag. 34)
Motorfiets reinigen. ( pag. 120)
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeef reinigen.
( pag. 116)
Antivries en koelmiddelpeil controleren. ( pag. 106)
Bandenspanning controleren. ( pag. 93)
12V-accu demonteren. ( pag. 95)
12V-accu laden. ( pag. 97)
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de
12V-accu zonder blootstelling
aan directe zonnestralen
0 … 35 °C
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan grote
temperatuurschommelingen.
Info
GASGAS Motorcycles adviseert de motorfiets op te krikken.
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 47)
De motorfiets het beste afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil
of een deken. In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen
worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnappen en er
roest ontstaat.
STALLING 20
123
Info
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets voor
korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor daarbij niet
voldoende warm wordt, condenseert de waterdamp die bij
de verbranding ontstaat en dit leidt ertoe dat de ventielen
en uitlaatsysteem gaan roesten.
20.2 Inbedrijfname na stalling
401059-01
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 47)
12V-accu monteren. ( pag. 96)
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling uitvoeren.
( pag. 31)
Een proefrit maken.
21 OPSPOREN VAN FOUTEN
124
Fout Mogelijke oorzaak Maatregel
Motor draait niet door (startmo-
tor)
Bedieningsfouten Werkstappen voor het starten uitvoeren.
( pag. 31)
12V-accu ontladen 12V-accu laden. ( pag. 97)
Laadspanning controleren.
Ruststroom controleren.
Statorwikkeling van dynamo controle-
ren.
Hoofdzekering doorgesmolten Hoofdzekering vervangen. ( pag. 99)
Startrelais defect Startrelais controleren.
Startmotor defect Startmotor controleren.
Motor draait door, maar springt
niet aan
Bedieningsfouten Werkstappen voor het starten uitvoeren.
( pag. 31)
Snelsluitkoppeling niet in elkaar
gestoken
Snelsluitkoppeling in elkaar steken.
Zekering 1doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke elektri-
sche verbruikers vervangen. ( pag. 100)
Zekering 4doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke elektri-
sche verbruikers vervangen. ( pag. 100)
Stationaire toerental verkeerd
ingesteld
Stationair toerental instellen.
( pag. 112)
Bougie verroest of nat Bougie en bougiedop reinigen en drogen,
indien nodig vervangen.
Elektrodenafstand van de bougie
te groot
Elektrodenafstand instellen.
Voorgeschreven waarde
Elektrodenafstand bougie
1,0 mm
Ontstekingssysteem defect Ontstekingssysteem controleren.
Ontstekingskabel in de kabelboom
versleten, uitschakelknop of nood-
stopschakelaar defect
Kabelboom controleren. (visuele controle).
Elektrische installatie controleren.
Fout in elektronische brandstofin-
spuiting
Foutgeheugen uitlezen met
GASGAS Motorcycles-diagnosetool.
Motor start niet Fout in elektronische brandstofin-
spuiting
Foutgeheugen uitlezen met
GASGAS Motorcycles-diagnosetool.
Ontstekingssysteem defect Bobine secundaire wikkeling controle-
ren.
Bougiedop controleren.
Statorwikkeling van dynamo controle-
ren.
Motorvermogen te laag Luchtfilter sterk vervuild Luchtfilter en luchtfilterbak reinigen.
( pag. 62)
Brandstoffilter sterk vervuild Brandstoffilter vervangen.
Brandstofzeef sterk vervuild Brandstofzeef vervangen. ( pag. 115)
Fout in elektronische brandstofin-
spuiting
Foutgeheugen uitlezen met
GASGAS Motorcycles-diagnosetool.
Uitlaatsysteem lekt, is vervormd
of heeft te weinig glasvezelvulling
in de einddemper
Controleren of het uitlaatsysteem bescha-
digd is.
Glasvezelvulling van de einddemper ver-
vangen. ( pag. 64)
Te weinig klepspeling Klepspeling instellen.
OPSPOREN VAN FOUTEN 21
125
Fout Mogelijke oorzaak Maatregel
Motorvermogen te laag Ontstekingssysteem defect Bobine secundaire wikkeling controle-
ren.
Bougiedop controleren.
Statorwikkeling van dynamo controle-
ren.
Motor slaat tijdens het rijden af Te weinig brandstof Brandstof tanken. ( pag. 34)
Zekering 1doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke elektri-
sche verbruikers vervangen. ( pag. 100)
Zekering 4doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke elektri-
sche verbruikers vervangen. ( pag. 100)
Motor wordt overmatig heet Te weinig koelmiddel in koelsys-
teem
Koelsysteem controleren op lekkage.
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 107)
Te weinig rijwind Motor afzetten als hij stilstaat.
Koelerlamellen sterk vervuild Koelerlamellen reinigen.
Schuimvorming in het koelsys-
teem
Koelmiddel aftappen. ( pag. 107)
Koelmiddel vullen. ( pag. 108)
Radiateurslang geknikt Radiateurslang vervangen.
Thermostaat defect Thermostaat controleren.
Voorgeschreven waarde
Openingstemperatuur: 70 °C
Controlelampje storing brandt
resp. knippert
Fout in elektronische brandstofin-
spuiting
Bedrading op beschadiging controleren en
elektrische stekkerverbindingen op roest-
vorming en beschadiging controleren.
Foutgeheugen uitlezen met
GASGAS Motorcycles-diagnosetool.
Hoog olieverbruik Slang van de motorontluchting
geknikt
Ontluchtingsslang knikvrij leggen en indien
nodig vervangen.
Motoroliepeil te hoog Motoroliepeil controleren. ( pag. 116)
Vloeibaarheid motorolie te dun
(viscositeit)
Motorolie verversen, oliefilter vervangen
en oliezeef reinigen. ( pag. 116)
Zuigers resp. cilinders versleten Zuiger/cilinder - inbouwspeling bepalen.
12V-accu ontladen 12V-accu wordt niet opgeladen
door de dynamo
Laadspanning controleren.
Statorwikkeling van dynamo controle-
ren.
Ongewilde elektrische verbruiker Ruststroom controleren.
Waarden in het gecombineerde
instrument gewist (tijd, chrono-
meter, rondetijden)
De batterij gecombineerd instru-
ment is leeg
Batterij gecombineerd instrument vervan-
gen. ( pag. 105)
Groot licht, dimlicht, achterlicht,
positielicht en nummerplaatver-
lichting werken niet
Zekering 2doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke elektri-
sche verbruikers vervangen. ( pag. 100)
Claxon, remlicht, richtingaanwijzer
en radiateurventilator (optioneel)
werken niet
Zekering 3doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke elektri-
sche verbruikers vervangen. ( pag. 100)
22 KNIPPERCODE
126
Info
De knippercodes worden alleen door de niet-gehomologeerde versie van het voertuig weergegeven.
Knippercode controle-
lampje storing
02a Controlelampje storing knippert 2x per seconde
Voorwaarde voor fout Smoorkleppositie programmeren vereist
Knippercode controle-
lampje storing
02 Controlelampje storing knippert 2x kort
Voorwaarde voor fout Toerentalsensor krukas storing in schakelcircuit
Knippercode controle-
lampje storing
06 Controlelampje storing knippert 6x kort
Voorwaarde voor fout Smoorklep-positiesensor circuit A - ingangssignaal te laag
Smoorklep-positiesensor circuit A - ingangssignaal te hoog
Knippercode controle-
lampje storing
09 Controlelampje storing knippert 9x kort
Voorwaarde voor fout Druksensor inlaatluchtbuis cilinder 1 - ingangssignaal te laag
Druksensor inlaatluchtbuis cilinder 1 - ingangsignaal te hoog
Knippercode controle-
lampje storing
12 Controlelampje storing knippert 1x lang, 2x kort
Voorwaarde voor fout Koelmiddeltemperatuursensor - ingangssignaal te laag
Koelmiddeltemperatuursensor - ingangssignaal te hoog
Knippercode controle-
lampje storing
13 Controlelampje storing knippert 1x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout Temperatuursensor inlaatlucht ingangssignaal te laag
Temperatuursensor inlaatlucht - ingangssignaal te hoog
Knippercode controle-
lampje storing
15 Controlelampje storing knippert 1x lang, 5x kort
Voorwaarde voor fout Kantelsensor ingangssignaal te laag
Kantelsensor ingangssignaal te hoog
Knippercode controle-
lampje storing
21 Controlelampje storing knippert 2x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout Accuspanning°-°ingangsspanning te hoog
KNIPPERCODE 22
127
Knippercode controle-
lampje storing
22 Controlelampje storing knippert 2x lang, 2x kort
Voorwaarde voor fout Versnellingsherkenningssensor - ingangsspanning te hoog
Versnellingsherkenningssensor - ingangsspanning te laag
Knippercode controle-
lampje storing
33 Controlelampje storing knippert 3x lang, 3x kort
Voorwaarde voor fout Inspuitklep cilinder 1 - storing in schakelcircuit
Knippercode controle-
lampje storing
37 Controlelampje storing knippert 3x lang, 7x kort
Voorwaarde voor fout Bobine 1, cilinder 1 - storing in schakelcircuit
Knippercode controle-
lampje storing
41 Controlelampje storing knippert 4x lang, 1x kort
Voorwaarde voor fout Brandstofpompregeling - onderbreking/kortsluiting met massa
Brandstofpompregeling - ingangsignaal te laag
23 TECHNISCHE GEGEVENS
128
23.1 Motor
Bouwwijze 1-cilinder 4-takt bezinemotor, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud 249,91 cm³
Slag 52,3 mm
Boring 78 mm
Compressieverhouding 13,8:1
Stationair toerental 2.050 … 2.150 1/min
Distributie DOHC, 4 kleppen aangestuurd met nokvolger, aandrijving
met distributieketting
Klepdiameter inlaat 32,5 mm
Klepdiameter uitlaat 26,5 mm
Klepspeling
Inlaat bij: 20 °C 0,08 … 0,15 mm
Uitlaat bij: 20 °C 0,12 … 0,19 mm
Krukaslagers 2 cilinderrollager
Drijfstanglager Glijlager
Zuigerboutlager Lagerbus
Zuigers Lichtmetaal gesmeed
Zuigerveren 1 compressiering, 1 olieschraapveer
Motorsmering Drukcirculatiesmering met 2 trochoïde pompen
Primaire overbrenging 24:73
Koppeling Meerplaats koppeling in oliebad / hydraulisch bediend
Versnelling 6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
1e versnelling 13:32
2e versnelling 16:30
3e versnelling 16:24
4e versnelling 23:28
5e versnelling 23:23
6e versnelling 26:20
Dynamo 12 V, 200 W
Ontstekingssysteem Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontstekings-
systeem met digitale ontstekingsvertraging
Bougie NGK LMAR9AI-10
Elektrodenafstand bougie 1,0 mm
Radiateur Vloeistofkoeling, permanente circulatie van het koelmiddel
door waterpomp
Starthulp Startmotor
TECHNISCHE GEGEVENS 23
129
23.2 Aanhaalmomenten motor
Olievernevelaar voor de hoofdla-
gersmering
M4 2 Nm
Loctite®243™
Olievernevelaars naar drijfstangla-
gersmering controleren
M4 2 Nm
Loctite®243™
Olievernevelaars voor koppelingsme-
ring
M4 2 Nm
Loctite®243™
Schroef olievernevelaar voor zuiger-
koeling
M4 2,5 Nm
Loctite®243™
Schroef slangklem inlaatmanchet M4 3 Nm
Sproeier luchttoevoer krukhuis M4 2 Nm
Loctite®243™
Olievernevelaar voor nokvolgersme-
ring
M5 3 Nm
Loctite®243™
Olievernevelaar voor zuigerkoeling M5 2 Nm
Loctite®243™
Schroef krukas-toerentalsensor M5 6 Nm
Loctite®243™
Schroef lagerborging M5 6 Nm
Loctite®243™
Schroef lagerbout oliepomptussen-
wiel
M5 6 Nm
Loctite®243™
Schroef oliepompdeksel M5 6 Nm
Loctite®243™
Schroef stator M5 6 Nm
Loctite®2701™
Schroef vastzethendel M5 6 Nm
Loctite®243™
Schroef veerschotel koppeling M5 6 Nm
Schroef versnellingssensor M5 5 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef oliekanaal in dynamodek-
sel
M5 2 Nm
Loctite®243™
Moer cilinderkop M6 10 Nm
Geolied met motorolie
Moer waterpompwiel M6 6 Nm
Loctite®243™
Penschroef cilinderkop M6 10 Nm
Schroef aansluiting brandstofdamp-
terughoudsysteem
M6 5 Nm
Loctite®2701™
Schroef distributieketting-
uitvalbescherming
M6 10 Nm
Loctite®243™
Schroef dynamodeksel M6 10 Nm
Schroef geleiderail M6 10 Nm
Loctite®243™
Schroef klepdeksel M6 8 Nm
Schroef koppelingscilinder M6 10 Nm
Schroef koppelingsdeksel M6 10 Nm
Schroef motorhuis M6 10 Nm
Schroef oliefilterdeksel M6 10 Nm
23 TECHNISCHE GEGEVENS
130
Schroef startmotor M6 10 Nm
Schroef startmotor - tussentandwiel M6 10 Nm
Loctite®243™
Schroef uitlaatflens M6 10 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingshendel M6 14 Nm
Loctite®243™
Schroef versnellingsvastzetting M6 10 Nm
Loctite®243™
Schroef waterpompdeksel M6 10 Nm
Schroef nokkenas-lagerbrug M7x1 Draaivolgorde:
Diagonaal vastschroeven.
1e aanhaalniveau
5 Nm
2e aanhaalniveau
14 Nm
Geolied met motorolie
Afsluitschroef krukasborgschroef M8 10 Nm
Schroef spanrail M8 15 Nm
Loctite®243™
Schroef ketting-aandrijfwiel M10 60 Nm
Loctite®243™
Bougie M10x1 12 Nm
Schroef ontgrendeling voor distribu-
tiekettingspanner
M10x1 8 Nm
Schroef rotor M10x1 70 Nm
Kraag en schroefdraad geolied / conus
ontvet
Sluitschroef nokvolgeras M10x1 10 Nm
Sluitschroef oliekanaal M10x1 15 Nm
Loctite®243™
Koelmiddeltemperatuursensor M10x1,25 12 Nm
Moer cilinderkop M10x1,25 Draaivolgorde:
Diagonaal vastschroeven.
1e aanhaalniveau
10 Nm
2e aanhaalniveau
30 Nm
3e aanhaalniveau
180°
Tapeind cilinderkop M10x1,25 20 Nm
Loctite®243™
Olieaftapschroef met magneet M12x1,5 20 Nm
Sluitschroef oliedrukregelklep M12x1,5 20 Nm
Olieaftapschroef M14x1,5 15 Nm
Moer koppelingmeenemer M18x1,5 100 Nm
Loctite®243™
Moer primair tandwiel M18LHx1,5 120 Nm
Loctite®243™
Sluitschroef oliezeef M20x1,5 15 Nm
Schroef dynamodeksel M24x1,5 18 Nm
Sluitschroef distributiekettingspanner M24x1,5 40 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 23
131
23.3 Vulhoeveelheden
23.3.1 motorolie
Motorolie 1,0 l Motorolie (SAE 10W/50) ( pag. 137)
23.3.2 Koelmiddel
Koelmiddel 1,2 l Koelmiddel ( pag. 137)
23.3.3 Brandstof
A00420-10
Op markering op EU-brandstofpompen letten.
Brandstoftankinhoud totaal ca. 8,5 l Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 137)
Brandstofreserve ca. 1,5 l
23.4 Chassis
Frame Brugframe van chroommolybdeen stalen buizen
Voorvork WP XPLOR
Veerweg
voor 300 mm
achter 300 mm
Vorksprong 22 mm
Schokdemper WPXACT 5750
Remsysteem Schijfremmen, remzadels vlottend gelagerd
Remschijven - diameter
voor 260 mm
achter 220 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor 2,5 mm
achter 3,5 mm
Bandenspanning terrein
voor 1,0 bar
achter 1,0 bar
Bandenspanning weg
voor 2,0 bar
achter 2,0 bar
Secundaire overbrenging 14:52 (13:52)
Ketting 5/8 x 1/4"
Leverbare kettingwielen 48, 50, 52
23 TECHNISCHE GEGEVENS
132
Balhoofdhoek 63,5°
Wielstand 1.487 ± 10 mm
Zadelhoogte onbelast 960 mm
Los van de bodem, onbelast 360 mm
Gewicht zonder brandstof ca. 105,6 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor 145 kg
Maximale asbelasting achter 190 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht 335 kg
23.5 Elektronica
12V-accu HJTZ5S-FP-C Lithium-ion-accu
Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 2,0 Ah
onderhoudsvrij
Accu gecombineerde instrument CR 2032 Accuspanning: 3 V
Zekering 75011088005 5 A
Zekering 75011088010 10 A
Zekering 58011109120 20 A
Koplamp S2 / sokkel BA20d 12 V
35/35 W
Zijlicht W5W / sokkel W2,1x9,5d 12 V
5 W
Controlelampjes W2,3W / sokkel W2x4,6d 12 V
2,3 W
Richtingaanwijzer R10W / sokkel BA15s 12 V
10 W
Rem- / achterlicht LED
Nummerplaatverlichting LED
23.6 Banden
Band voor Band achter
90/90 - 21 M/C 54R TT
MAXXIS MaxxEnduro
140/80 - 18 M/C 70R TT
MAXXIS MaxxEnduro
De aangegeven banden zijn één van de mogelijke standaardbanden. Contacteer over mogelijke alternatieve fabrikanten
een erkende dealer of een gekwalificeerde bandenhandelaar. De van toepassing zijnde plaatselijke goedkeuringsvoor-
schriften en de respectieve technische specificaties moeten in acht worden genomen. Meer informatie vindt u in het
servicegedeelte onder:
http://www.gasgas.com
23.7 Voorvork
Artikelnummer voorvork A540C163U401000
Voorvork WP XPLOR
Ingaande demping
Comfort 18 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 12 klikken
Uitgaande demping
Comfort 18 klikken
TECHNISCHE GEGEVENS 23
133
Standaard 15 klikken
Sport 12 klikken
Veerlengte met voorspanbus(sen) 474 mm
Veerconstante
Gewicht bestuurder: 65 … 75 kg 4,0 N/mm
Gewicht bestuurder: 75 … 85 kg 4,2 N/mm
Gewicht bestuurder: 85 … 95 kg 4,4 N/mm
Lengte voorvork 928 mm
Voorvorkolie per vorkpoot 615 ± 10 ml Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
( pag. 138)
23.8 Schokdemper
Artikelnummer schokdemper 18.15.7T.69
Schokdemper WPXACT 5750
Ingaande demping lowspeed
Comfort 17 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 13 klikken
Ingaande demping highspeed
Comfort 2,5 omw
Standaard 2 omw
Sport 1,5 omw
Uitgaande demping
Comfort 17 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 13 klikken
Veervoorspanning 10 mm
Veerconstante
Gewicht bestuurder: 65 … 75 kg 39 N/mm
Gewicht bestuurder: 75 … 85 kg 42 N/mm
Gewicht bestuurder: 85 … 95 kg 45 N/mm
Veerlengte 260 mm
Gasdruk 10 bar
Statische veerweg 37 mm
Dynamische veerweg 110 mm
Inbouwlengte 477 mm
Stootdemperolie Stootdemperolie (SAE 2,5)
(50180751S1) ( pag. 138)
23 TECHNISCHE GEGEVENS
134
23.9 Aanhaalmomenten chassis
Resterende schroeven chassis EJOT PT®K60x25Z 2 Nm
Schroef aanzuiglucht-
temperatuursensor
EJOT PT®K50x18 0,7 Nm
Schroef remleidinghouder EJOT 1,7 Nm
Schroef spoilerbevestiging EJOT PT®K60x23/18 2,5 Nm
Schroef zadelbevestiging voor EJOT PT®K60x23/18 2,5 Nm
Slangaansluiting actievekoolfilter - 5 Nm
Slangklem radiateur - 2,4 Nm
Schroefverbinding uitschakelknop M3 0,4 Nm
Schroef vaste handgreep M4 5 Nm
Loctite®243™
Schroefverbinding inlaatmanchet naar
smoorklephuis
M4 2,8 Nm
Spaaknippel achterwiel M4,5 6 Nm
Spaaknippel voorwiel M4,5 6 Nm
Resterende moeren chassis M5 5 Nm
Resterende schroeven chassis M5 5 Nm
Schroef accupool M5 2,5 Nm
Schroef framebescherming M5 3 Nm
Schroef lichtschakelaar M5 1 Nm
Schroef massakabel in het achterdeel M5 5 Nm
Schroef remkabelgeleiding aan ach-
terbrug
M5 5 Nm
Schroef richtingaanwijzerschakelaar M5 1 Nm
Schroef smoorklepdeksel M5 2,6 Nm
Schroef stelring schokdemper M5 5 Nm
Schroeven van einddemper M5 7 Nm
Moer gaskabel aan smoorklep M6 3 Nm
Moer startmotor M6 4 Nm
Resterende moeren chassis M6 10 Nm
Resterende schroeven chassis M6 10 Nm
Schroef accuhouderbeugel M6 6 Nm
Schroef brandstoftankspoiler aan radi-
ateur
M6 6 Nm
Schroef gashendel M6 5 Nm
Schroef glijblok M6 6 Nm
Loctite®243™
Schroef kabel aan startrelais M6 6 Nm
Schroef kettinggeleiding aan achter-
brug achter
M6 10 Nm
Loctite®243™
Schroef kettinggeleiding aan achter-
brug voor
M6 10 Nm
Schroef kogelgewricht drukstang aan
rempedaalcilinder
M6 10 Nm
Loctite®243™
Schroef koppelingshendel M6 5 Nm
Schroef remhendel M6 5 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 23
135
Schroef remschijf achter M6 14 Nm
Loctite®243™
Schroef remschijf voor M6 14 Nm
Loctite®243™
Schroef zadelbevestiging achter M6 6 Nm
Brandstofaansluiting aan brandstof-
pomp
M8 15 Nm
Moer bandenhouder M8 12 Nm
Moer kettingwielschroef M8 35 Nm
Loctite®2701™
Moer voetremhendelaanslag M8 20 Nm
Resterende moeren chassis M8 25 Nm
Resterende schroeven chassis M8 25 Nm
Schroef afdekking ketting-aandrijfwiel M8 15 Nm
Schroef asopname M8 15 Nm
Schroef bochtstuk op motorstang M8 15 Nm
Schroef bovenste kroonplaat M8 20 Nm
Schroef console boven M8 35 Nm
Loctite®2701™
Schroef console onder M8 30 Nm
Loctite®2701™
Schroef motorsteun aan frame M8x15 25 Nm
Loctite®2701™
Schroef motorsteun aan motor M8x20 25 Nm
Loctite®243™
Schroef onderste glijblok M8 15 Nm
Schroef onderste kroonplaat M8 15 Nm
Schroef remzadel voor M8 25 Nm
Loctite®243™
Schroef stuurklemmen M8 20 Nm
Schroef vorkbuis boven M8 20 Nm
Loctite®243™
Schroef wieltoerentalsensor aan asop-
name
M8 4,5 Nm
Schroef zijstandaardbevestiging M8 33 Nm
Loctite®2701™
Motorschroef M10 60 Nm
Resterende moeren chassis M10 45 Nm
Resterende schroeven chassis M10 45 Nm
Schroef schokdemper boven M10 60 Nm
Loctite®2701™
Schroef schokdemper onder M10 60 Nm
Loctite®2701™
Schroef stuuradapter M10 40 Nm
Loctite®243™
Moer haakse hendel aan achterbrug M14x1,5 60 Nm
Moer verbindingshendel aan haakse
hendel
M14x1,5 60 Nm
Moer achterbrugbout M16x1,5 100 Nm
Moer steekas achter M20x1,5 80 Nm
23 TECHNISCHE GEGEVENS
136
Schroef balhoofd boven M20x1,5 12 Nm
Schroef steekas voor M20x1,5 35 Nm
Schroefkoppelingen koelsysteem M24x1,5 18 Nm
Loctite®243™
GEBRUIKSSTOFFEN 24
137
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Norm / classificatie
DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
Alleen Super ongelood gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm of gelijkwaardig is.
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan 10 % ethanol (bijv.
E15, E25, E85, E100) gebruiken.
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
Alleen hoogwaardig, silicaatvrij koelmiddel met antiroestadditief voor aluminiummotoren gebruiken. Minderwaardige
en ongeschikte antivriesmiddelen veroorzaken corrosie, afzettingen en schuimvorming.
Geen zuiver water gebruiken omdat de eisen met betrekking tot corrosiebescherming en smeereigenschappen alleen
door koelmiddel vervuld kunnen worden.
Uitsluitend koelmiddel gebruiken dat voldoet aan de aangegeven voorwaarden (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Vorstbescherming minstens tot 25 °C
De mengverhouding moet aan de vereiste vorstbescherming aangepast worden. Gedistilleerd water gebruiken, als het koel-
middel verdund moet worden.
Het gebruik van voorgemengd koelmiddel wordt aanbevolen.
Gegevens van de koelmiddelfabrikant met betrekking tot vorstbescherming, verdunning en mengbaarheid (verdraagbaar-
heid) met andere koelmiddelen in acht nemen.
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
COOLANT M3.0
Motorolie (SAE 10W/50)
Norm / classificatie
JASO T903 MA2 ( pag. 141)
SAE ( pag. 141) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de juiste
eigenschappen heeft.
Volledig synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Cross Power 4T
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Norm / classificatie
DOT
Voorgeschreven waarde
Alleen remvloeistof gebruiken die voldoet aan de aangegeven norm (zie informatie op de verpakking) en die de juiste
eigenschappen heeft.
Aanbevolen leverancier
Castrol
REACT PERFORMANCE DOT 4
24 GEBRUIKSSTOFFEN
138
MOTOREX®
Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180751S1)
Norm / classificatie
SAE ( pag. 141) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over de
geschikte eigenschappen beschikken.
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Norm / classificatie
SAE ( pag. 141) (SAE 4)
Voorgeschreven waarde
Alleen olie gebruiken die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de juiste eigenschap-
pen heeft.
HULPSTOFFEN 25
139
Brandstofadditief
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Fuel Stabilizer
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Moto Protect
Duurzaam vet
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Bike Grease 2000
Kettingreinigingsmiddel
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Chain Clean
Kettingspray offroad
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Chainlube Offroad
Motorfietsreiniger
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Moto Clean
Olie voor luchtfilters van schuimstof
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Racing Bio Liquid Power
Reinigingsmiddel voor luchtfilter
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Racing Bio Dirt Remover
Siliconenspray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Silicone Spray
Smeervet met hoge viscositeit
Aanbevolen leverancier
SKF®
LGHB 2
25 HULPSTOFFEN
140
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en kunststofvlakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Quick Cleaner
Universele oliespray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX®
Joker 440 Synthetic
NORMEN 26
141
JASO T903 MA2
Meerdere technische ontwikkelingsrichtingen vereisten een eigen specificatie voor motorfietsen - de norm
JASO T903 MA2.
Vroeger werd voor motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie bestond.
Voor motoren van auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermogensren-
dement bij hoge toerentallen op de voorgrond.
Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden versnelling en koppeling met dezelfde olie gesmeerd.
De norm JASO T903 MA2 voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op basis van
hun viscositeit. De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de kwaliteit.
27 LIJST MET VAKBEGRIPPEN
142
OBD Boorddiagnose Voertuigsysteem dat ingestelde parameters van de voertui-
gelektronica bewaakt
LIJST MET AFKORTINGEN 28
143
Artikelnr. Artikelnummer
bijv. bijvoorbeeld
ca. circa
e.d. en dergelijke
enz. enzovoort
etc. et cetera
evt. eventueel
evt. eventueel
Nr. Nummer
o.a. onder andere
resp. respectievelijk
vgl. vergelijk
29 LIJST MET SYMBOLEN
144
29.1 Gele of oranje pictogrammen
Gele of oranje pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij binnen korte tijd moet worden ingegrepen. Actieve
rijhulpen worden eveneens met gele of oranje pictogrammen aangegeven.
Controlelampje storing brandt/knippert geel De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica
geconstateerd. Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
GASGAS Motorcycles-dealer.
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt geel Brandstofpeil heeft de reservemarkering bereikt.
29.2 Groene en blauwe pictogrammen
Groene en blauwe pictogrammen geven informatie weer.
Controlelampje groot licht brandt blauw Groot licht is ingeschakeld.
Controlelampje richtingaanwijzer knippert groen Richtingaanwijzer is ingeschakeld.
INDEX
145
INDEX
1
12V-accu
demonteren ........................ 95
laden ............................ 97
monteren .......................... 96
startvermogen ....................... 27
A
Achterbrug
controleren ......................... 74
Achterwiel
demonteren ........................ 90
monteren .......................... 91
Afbeelding voertuig
linksvoor .......................... 10
rechtsachter ........................ 11
Afbeeldingen ........................... 9
Antivries
controleren .........................106
B
Balhoofdlager
smeren ........................... 54
Bandenspanning
controleren ......................... 93
Basisinstelling van het chassis
voor bestuurdersgewicht controleren . . . . . . . . 38
Bedieningshandleiding ..................... 8
Bedrijfsmiddelen ........................ 9
Beoogd gebruik ......................... 6
Beschermende kleding ..................... 7
Brandstoftank
demonteren ........................ 65
monteren .......................... 67
Brandstofzeef
vervangen .........................115
C
Claxonknop ........................... 15
D
Deksel luchtfilterbak
demonteren ........................ 60
monteren .......................... 61
voor borging voorbereiden . . . . . . . . . . . . . . . 63
Diagnosestekker ........................105
Dynamische veerweg
instellen ........................... 43
E
Eigenschappen van de gasrespons
instellen ...........................111
Einddemper
demonteren ........................ 63
glasvezelvulling vervangen . . . . . . . . . . . . . . . 64
monteren .......................... 64
F
Fabrieksgarantie ......................... 9
Frame
controleren ......................... 74
G
Garantie .............................. 9
Gashendel ............................ 14
Gaskabellegging
controleren ......................... 74
Gebruiksdefinitie ........................ 6
Gecombineerd instrument
batterij gecombineerd instrument vervangen . . . 105
instellen ........................... 21
kilometer of mijl instellen . . . . . . . . . . . . . . . . 22
melding ........................... 21
overzicht .......................... 21
service-indicatie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . 23
tijdinstellen ........................ 23
H
Hoofdzekering
vervangen ......................... 99
Hulpstoffen ............................ 9
I
Inbedrijfname
nadestalling ........................123
Inbedrijfstelling
aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling . . . . . . 26
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling 31
Ingaande demping
van de voorvork instellen . . . . . . . . . . . . . . . . 44
Ingaande demping highspeed
van schokdemper instellen . . . . . . . . . . . . . . . 39
Ingaande demping lowspeed
van schokdemper instellen . . . . . . . . . . . . . . . 38
K
Ketting
controleren ......................... 71
reinigen ........................... 68
Ketting-aandrijfwiel
controleren ......................... 71
Kettinggeleiding
controleren ......................... 71
Kettingspanning
controleren ......................... 69
instellen ........................... 70
Kettingwiel
controleren ......................... 71
Klantenservice .......................... 9
INDEX
146
Knippercode .......................126-127
Knipperlichtlamp
vervangen .........................104
Koelmiddel
aftappen ..........................107
antivries en koelmiddelpeil controleren . . . . . . . 106
peilcontroleren ......................107
verversen ..........................109
vullen ............................108
Koelsysteem ..........................106
Koplamp
lichtbundelbreedte instellen . . . . . . . . . . . . . . 103
Koplampinstelling
controleren .........................103
Koplampkap met koplamp
demonteren ........................101
monteren ..........................102
Koppeling
vloeistof verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . . . 75
Koppelingshendel ....................... 14
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
Koude-startknop ....................... 17
L
Lamp koplamp
vervangen .........................102
Lichtschakelaar ........................ 15
Luchtfilter
demonteren ........................ 61
monteren .......................... 62
reinigen ........................... 62
Luchtfilterbak
reinigen ........................... 62
M
Milieu ............................... 8
Motor
inrijden ........................... 27
Motorfiets
met hefbok opkrikken . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
reinigen ...........................120
vanhefboknemen .................... 47
Motornummer ......................... 12
Motorolie
bijvullen ...........................118
verversen ..........................116
Motoroliepeil
controleren .........................116
N
Noodstopschakelaar ..................... 15
O
Oliefilter
verversen ..........................116
Oliezeef
reinigen ...........................116
Onderste kroonplaat
demonteren ........................ 50
monteren .......................... 51
Onjuist gebruik ......................... 6
Opsporen van fouten ..................124-125
Overzicht controlelampjes ................. 16
R
Regelschroef stationair toerental ............. 18
Remhendel ........................... 14
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
Rempedaal ........................... 19
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 83
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 86
van de achterwielrem vervangen . . . . . . . . . . . 86
van de voorwielrem vervangen . . . . . . . . . . . . 81
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . 80
Remschijven
controleren ......................... 78
Remsysteem ........................ 78-88
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 85
van de voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . . . 79
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 84
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . . . 79
Reserveonderdelen ....................... 9
Richtingaanwijzerschakelaar ................ 15
Rijden in de winter
controle en onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Rubberen stuurcovers
controleren ......................... 75
S
Schokdemper
demonteren ........................ 56
dynamische veerweg controleren . . . . . . . . . . . 41
monteren .......................... 57
statische veerweg controleren . . . . . . . . . . . . . 41
veervoorspanning instellen . . . . . . . . . . . . . . . 42
Service ............................... 9
Serviceschema ....................... 36-37
Sleutelnummer ........................ 12
Smoorkleppositie
programmeren ......................113
INDEX
147
Spaakspanning
controleren ......................... 94
Spatbord voor
demonteren ........................ 54
monteren .......................... 55
Speling balhoofdlager
controleren ......................... 53
instellen ........................... 54
Speling gaskabel
controleren .........................110
instellen ...........................110
Stalling ...........................122-123
Starten .............................. 31
Startknop ............................ 16
Startvermogen van lithium-ion-accu's bij lage tempe-
raturen .............................. 27
Stationair toerental
instellen ...........................112
Stuur
ontgrendelen ....................... 20
vergrendelen ........................ 20
Stuurpositie ........................... 45
instellen ........................... 45
T
Tankdop
openen ........................... 16
sluiten ............................ 17
Tanken
brandstof .......................... 34
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis . . . . . . . . . . . . . . . 134
aanhaalmomenten motor . . . . . . . . . . . . . . . . 129
banden ...........................132
chassis ............................131
elektronica .........................132
motor ............................128
schokdemper .......................133
voorvork ..........................132
vulhoeveelheden .....................131
Toebehoren ............................ 9
Toestand van de banden
controleren ......................... 93
Transporteren ......................... 34
Typeplaatje ........................... 12
U
Uitgaande demping
van de voorvork instellen . . . . . . . . . . . . . . . . 44
van schokdemper instellen . . . . . . . . . . . . . . . 40
Uitschakelknop ........................ 14
V
Veilig gebruik ........................... 7
Versnellingshendel ...................... 18
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . . . . 114
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 114
Voertuigidentificatiennummer .............. 12
Voorvorkprotector
demonteren ........................ 48
Voorvork-protector
monteren .......................... 49
Voorwiel
demonteren ........................ 89
monteren .......................... 90
Vorkpoten
basisinstelling controleren . . . . . . . . . . . . . . . 43
demonteren ........................ 49
monteren .......................... 50
ontluchten ......................... 47
vuilschrapers reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
Vulhoeveelheid
brandstof ....................... 35,131
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108-109, 131
motorolie ...................... 118,131
W
Werkinstructies ......................... 8
Z
Zadel
monteren .......................... 59
verwijderen ........................ 59
Zekering
hoofdzekering vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . 99
van de afzonderlijke elektrische verbruikers
vervangen .........................100
Zijstandaard .......................... 19
Zwaardere gebruiksomstandigheden .......... 28
droogzand ......................... 28
hoge temperaturen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
lage temperaturen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
langzaamrijden ...................... 30
modderigcircuit ...................... 29
natcircuit .......................... 29
natzand ........................... 29
sneeuw ........................... 30
*3215103nl*
3215103nl
14.04.2022
Stallhofnerstraße 3 /5230 Mattighofen /Oostenrijk /http://www.gasgas.com
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150

GASGAS EC 350F de handleiding

Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor