KTM 1050 Adventure 2015 de handleiding

Merk
KTM
Model
1050 Adventure 2015
Type
de handleiding
BEDIENINGSHANDLEIDING 2015
1050 Adventure EU
1050 Adventure AU
Artikelnr. 3213269nl
BESTE KTM KLANT, 1
BESTE KTM KLANT,
We feliciteren u met uw keuze voor een KTM motorfiets. U bent nu in het bezit van een moderne sportieve motorfiets en we zijn er zeker
van dat u er veel plezier mee zult beleven, mits u de motorfiets goed onderhoudt.
We wensen u veel rijplezier!
Vul hieronder het serienummer van uw voertuig in.
Framenummer ( pag. 22) Stempel van de dealer
Motornummer ( pag. 23)
Sleutelnummer ( pag. 23)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het model. Kleine afwijkingen
die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische gegevens, prijzen, kleu-
ren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en dergelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder
opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van
een bepaald model zonder voorafgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen
van afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien van speciale uitrustin-
gen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
© 2015 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toestemming van de auteur.
BESTE KTM KLANT, 2
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past processen voor kwaliteitsbewaking toe, zoals bedoeld in de internationale norm voor kwaliteitsmanagement ISO
9001, die tot een zo hoog mogelijke productkwaliteit leiden.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH
5230 Mattighofen, Oostenrijk
INHOUDSOPGAVE 3
INHOUDSOPGAVE
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN................................... 8
1.1 Gebruikte pictogrammen....................................... 8
1.2 Gebruikte formatering........................................... 9
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ........................................ 10
2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik....................... 10
2.2 Veiligheidsaanwijzingen...................................... 10
2.3 Gevarenniveau en pictogrammen ......................... 11
2.4 Waarschuwing voor manipulaties ......................... 11
2.5 Veilig gebruik .................................................... 12
2.6 Beschermende kleding ....................................... 13
2.7 Werkinstructies.................................................. 13
2.8 Milieu............................................................... 13
2.9 Bedieningshandleiding ....................................... 14
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ..................................... 15
3.1 Garantie............................................................ 15
3.2 Verbruiksstoffen, hulpstoffen .............................. 15
3.3 Reserveonderdelen, toebehoren ........................... 15
3.4 Service ............................................................. 15
3.5 Afbeeldingen ..................................................... 16
3.6 Klantenservice................................................... 16
4 AFBEELDING VOERTUIG............................................... 18
4.1 Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische
weergave).......................................................... 18
4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische
weergave).......................................................... 20
5 SERIENUMMERS.......................................................... 22
5.1 Framenummer ................................................... 22
5.2 Typeplaatje ....................................................... 22
5.3 Sleutelnummer.................................................. 23
5.4 Motornummer.................................................... 23
5.5 Artikelnummer voorvork ...................................... 24
5.6 Artikelnummer schokdemper............................... 24
6 BEDIENINGSELEMENTEN............................................. 25
6.1 Koppelingshendel .............................................. 25
6.2 Remhendel........................................................ 25
6.3 Gashendel......................................................... 26
6.4 Schakelaars links aan stuur................................. 26
6.4.1 Combinatieschakelaar .................................... 26
6.4.2 Lichtschakelaar ............................................. 27
6.4.3 Noodknipperlichtschakelaar............................ 27
6.4.4 Menuschakelaar............................................. 28
6.4.5 Richtingaanwijzerschakelaar ........................... 28
6.4.6 Claxonknop ................................................... 29
6.5 Schakelaars rechts aan stuur............................... 30
6.5.1 Noodstopschakelaar ....................................... 30
6.5.2 E-starterknop................................................. 30
6.6 Contact-/stuurslot............................................... 31
6.7 Wegrijblokkering ................................................ 32
6.8 Stuur vergrendelen............................................. 32
6.9 Stuur ontgrendelen ............................................ 33
6.10 Tankdop openen ................................................ 34
6.11 Tankdop sluiten ................................................. 36
6.12 Brandstofkranen ................................................ 37
6.13 Opbergvak openen.............................................. 37
6.14 Opbergvak sluiten .............................................. 38
6.15 Zadelslot........................................................... 38
6.16 Boordgereedschap.............................................. 39
6.17 Grepen.............................................................. 39
INHOUDSOPGAVE 4
6.18 Bagagedrager..................................................... 40
6.19 Bijrijder-voetsteunen .......................................... 40
6.20 Versnellingshendel ............................................. 41
6.21 Rempedaal........................................................ 42
6.22 Zijstandaard ...................................................... 42
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT .................................... 43
7.1 Overzicht........................................................... 43
7.2 Activering en test............................................... 43
7.3 Matrixdisplay..................................................... 44
7.4 Segmentendisplay.............................................. 44
7.5 Controlelampjes................................................. 45
7.6 melding op matrixdisplay .................................... 46
7.7 schakellicht....................................................... 47
7.8 Service-indicatie................................................ 48
7.9 Matrixdisplay menu............................................ 48
7.9.1 "Favorites"..................................................... 48
7.9.2 "Trip 1"......................................................... 49
7.9.3 "Trip 2"......................................................... 49
7.9.4 "General Info" ................................................ 50
7.9.5 "Set Favorites" ............................................... 50
7.9.6 "Settings"...................................................... 51
7.9.7 "Warning"...................................................... 51
7.9.8 "Heating" (optioneel) ...................................... 52
7.9.9 "MTC/ABS".................................................... 52
7.9.10 "Drive Mod" ................................................... 53
7.9.11 Menu-overzicht.............................................. 54
7.9.12 "Language".................................................... 55
7.9.13 "Distance" ..................................................... 56
7.9.14 "Temp" ......................................................... 56
7.9.15 "Pressure" ..................................................... 57
7.9.16 "Fuel Cons" ................................................... 57
7.9.17 "Clock/Date" .................................................. 58
7.9.18 "Shift Light" .................................................. 58
7.9.19 "Heat Grip" (optioneel) ................................... 59
7.9.20 "DRL" ........................................................... 59
8 ERGONOMIE ................................................................ 60
8.1 Stuurstand ........................................................ 60
8.2 Stuurstand instellen ....................................... 60
8.3 Windscherm instellen ......................................... 61
8.4 Uitgangspositie koppelingshendel instellen........... 63
8.5 Uitgangspositie remhendel instellen .................... 63
8.6 Bestuurdersvoetsteunen...................................... 64
8.7 Voetsteunen instellen ...................................... 64
8.8 Uitgangspositie versnellingshendel controleren ..... 67
8.9 Uitgangspositie versnellingshendel instellen ...... 67
8.10 Uitgangspositie rempedaal instellen ................. 68
9 INBEDRIJFNAME.......................................................... 70
9.1 Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname................ 70
9.2 Motor inrijden.................................................... 71
9.3 Voertuig beladen................................................ 72
10 RIJ-INSTRUCTIES......................................................... 74
10.1 Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfname.................................................... 74
10.2 Starten ............................................................. 75
10.3 Optrekken ......................................................... 76
10.4 Schakelen, rijden............................................... 76
10.5 Afremmen ......................................................... 80
10.6 Stoppen, parkeren.............................................. 82
INHOUDSOPGAVE 5
10.7 Transport .......................................................... 84
10.8 Brandstof tanken ............................................... 85
11 SERVICESCHEMA......................................................... 87
11.1 Extra informatie ................................................. 87
11.2 Verplichte werkzaamheden.................................. 87
11.3 Aanbevolen werkzaamheden................................ 89
12 CHASSIS AFSTELLEN ................................................... 90
12.1 Uitgaande demping schokdemper instellen........... 90
12.2 Veervoorspanning schokdemper instellen.............. 90
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ........................... 92
13.1 Motorfiets met hefbok achter opkrikken................ 92
13.2 Motorfiets van hefbok achter nemen .................... 92
13.3 Motorfiets met hefbok voor opkrikken................... 93
13.4 Motorfiets van hefbok voor nemen ....................... 94
13.5 Motorfiets met montagestandaard (ingestoken)
opkrikken ...................................................... 95
13.6 Motorfiets van montagestandaard (ingestoken)
nemen ........................................................... 96
13.7 Zadel verwijderen............................................... 97
13.8 Zadel monteren.................................................. 97
13.9 Kettingvervuiling controleren............................... 98
13.10 Ketting reinigen ................................................. 98
13.11 Kettingspanning controleren ............................... 99
13.12 Kettingspanning instellen ................................. 100
13.13 Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel
controleren...................................................... 102
13.14 Vloeistofpeil hydraulische koppeling
controleren/corrigeren....................................... 105
13.15 Balhoofdlagerspeling controleren....................... 105
13.16 Kroonplaat onder demonteren ........................... 107
13.17 Kroonplaat onder monteren............................... 108
13.18 Zijbekleding voor demonteren............................ 109
13.19 Zijbekleding voor monteren ............................... 110
13.20 Maskerspoiler demonteren ............................. 111
13.21 Maskerspoiler monteren ................................ 114
13.22 Spatbord voor demonteren ................................ 116
13.23 Spatbord voor monteren.................................... 117
13.24 Tankafdekking demonteren ............................... 117
13.25 Tankafdekking monteren................................... 119
13.26 Windscherm demonteren .................................. 121
13.27 Windscherm monteren...................................... 121
13.28 Motorbescherming demonteren ......................... 122
13.29 Motorbescherming monteren............................. 122
14 REMSYSTEEM............................................................ 123
14.1 ABS / Anti Blokkeer Systeem............................. 123
14.2 Remschijven controleren................................... 124
14.3 Remvloeistofpeil voorwielrem controleren ........... 125
14.4 Remvloeistof voorwielrem bijvullen ................. 126
14.5 Remplaketten voorwielrem controleren ............... 128
14.6 Remvloeistofpeil achterwielrem controleren ........ 128
14.7 Remvloeistof achterwielrem bijvullen .............. 129
14.8 Remplaketten achterwielrem controleren............ 131
15 WIELEN, BANDEN ...................................................... 132
15.1 Voorwiel demonteren .................................... 132
15.2 Voorwiel monteren ........................................ 134
15.3 Achterwiel demonteren ................................. 137
15.4 Achterwiel monteren ..................................... 139
15.5 Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren .................................................. 142
INHOUDSOPGAVE 6
15.6 Toestand banden controleren ............................ 144
15.7 Bandenspanning controleren............................. 146
16 ELEKTRONICA............................................................ 147
16.1 Dagrijlicht ....................................................... 147
16.2 Accu demonteren ......................................... 147
16.3 Accu monteren ............................................. 149
16.4 Accu laden .................................................. 150
16.5 Hoofdzekering vervangen .................................. 154
16.6 Zekeringen in zekeringenblok vervangen............. 156
16.7 Koplampkap met koplamp demonteren .............. 158
16.8 Koplampkap met koplamp monteren.................. 159
16.9 Dimlichtlamp vervangen ................................... 160
16.10 Lamp groot licht vervangen ............................... 161
16.11 Knipperlichtlamp vervangen.............................. 163
16.12 Koplampstand controleren ................................ 164
16.13 Lichtbundelbreedte koplamp instellen................ 164
16.14 Contactsleutel activeren/deactiveren .................. 166
17 KOELSYSTEEM........................................................... 171
17.1 Koelmiddelpeil vast reservoir controleren............ 171
17.2 Koelmiddelpeil in vast reservoir corrigeren.......... 172
18 MOTOR AFSTELLEN ................................................... 175
18.1 "Drive Mod" ..................................................... 175
18.2 Motorfietstractiecontrole (MTC) ......................... 175
19 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ........................... 177
19.1 Motoroliepeil controleren .................................. 177
19.2 Motorolie verversen, oliefilter vervangen en
oliezeven reinigen ......................................... 178
19.3 Motorolie bijvullen ........................................... 182
20 REINIGING, ONDERHOUD........................................... 185
20.1 Motorfiets reinigen ........................................... 185
20.2 Controle en onderhoud voor rijden in de winter ... 187
21 STALLING .................................................................. 189
21.1 Stalling........................................................... 189
21.2 Inbedrijfname na stalling.................................. 190
22 FOUTEN OPSPOREN................................................... 191
23 TECHNISCHE GEGEVENS............................................ 193
23.1 Motor.............................................................. 193
23.2 aanhaalmomenten motor .................................. 194
23.3 Vulhoeveelheden.............................................. 198
23.3.1 Motorolie .................................................... 198
23.3.2 Koelmiddel ................................................. 198
23.3.3 Brandstof.................................................... 198
23.4 Chassis ........................................................... 198
23.5 Elektronica...................................................... 200
23.6 Banden........................................................... 201
23.7 Voorvork.......................................................... 201
23.8 Schokdemper .................................................. 201
23.9 Aanhaalmomenten chassis................................ 202
24 GEBRUIKSSTOFFEN ................................................... 206
25 HULPSTOFFEN........................................................... 209
26 NORMEN ................................................................... 211
27 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ........................................ 212
28 LIJST MET AFKORTINGEN .......................................... 213
29 LIJST MET SYMBOLEN ............................................... 214
29.1 Rode pictogrammen ......................................... 214
29.2 Gele pictogrammen .......................................... 214
29.3 Groene en blauwe pictogrammen....................... 214
INHOUDSOPGAVE 7
INDEX ............................................................................... 216
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 8
1.1 Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen verklaard.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een bepaalde handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch begrip. Laat de werk-
zaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTM-garage! Daar wordt uw motorfiets door spe-
ciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een taak met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 9
1.2 Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam Kenmerkt een eigennaam.
Naam
®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™ Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen die in de
begrippenlijst worden uitgelegd.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 10
2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
KTM-sportmotorfietsen zijn zodanig ontworpen en gebouwd, dat ze bestand zijn tegen de gangbare belastingen in het normale wegverkeer
en op eenvoudige terreinen (niet geasfalteerde wegen). Ze zijn echter niet geschikt voor het rijden op racecircuits.
Info
De motorfiets is alleen in de gehomologeerde versie toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
2.2 Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het voertuig dient u zich te houden aan enkele veiligheidsaanwijzingen. Lees deze handleiding daarom zorg-
vuldig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de tekst.
Info
Op het voertuig zijn op goed zichtbare plaatsen verschillende stickers met aanwijzingen en waarschuwingen aangebracht. Deze stic-
kers met aanwijzingen en waarschuwingen nooit verwijderen. Als deze ontbreken kunt u of andere personen de gevaren niet herken-
nen en daardoor letsel oplopen.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 11
2.3 Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste
voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen
neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatrege-
len neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
2.4 Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende maatregelen of de realisatie
van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1 Verwijderen of buiten werking zetten van systemen of componenten die de geluidsdemping dienen bij een nieuw voertuig, voordat het
wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruikdsduur van het voertuig voor andere doeleinden dan voor onderhoud,
reparatie of vervanging, evenals
2 het gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten werking is gezet.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 12
1 Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten, die uitlaatgassen geleiden.
2 Verwijderen of doorboren van onderdelen van het inlaatluchtsysteem.
3 Gebruik in niet correcte onderhoudstoestand.
4 Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van het inlaatluchtsysteem
door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
2.5 Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallenGevaar door onvoldoende rijvaardigheid.
Het voertuig niet gebruiken, wanneer u door consumptie van alcohol, medicijnen of drugs of door lichamelijke of psychische
beperkingen niet in staat bent veilig aan het verkeer deel te nemen.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten
draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingSommige onderdelen van het voertuig worden tijdens het rijden zeer heet.
Hete onderdelen zoals uitlaatsysteem, radiateur, motor, schokdempers en remsysteem niet aanraken. De onderdelen eerst laten
afkoelen voordat u met werkzaamheden aan deze onderdelen begint.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Het voertuig mag uitsluitend door geïnstrueerde personen worden gebruikt. Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 13
2.6 Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letselGeen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
Tijdens het rijden altijd beschermende kleding (helm, laarzen, handschoenen, broek en jack met bescherming) dragen. Draag
altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende kleding.
2.7 Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden is speciaal gereedschap vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar kunnen worden besteld
onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: klepveerheffer (59029019000)
Bij de montage moeten onderdelen die niet meer kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
pakkingen, keerringen, splitpennen of borgplaten) door nieuwe onderdelen worden vervangen.
Als er bij schroefverbindingen gebruik wordt gemaakt van een schroevenlijm (bijv. Loctite
®
) moeten de specifieke aanwijzingen van de
fabrikant in acht worden genomen.
Onderdelen die na de demontage weer worden gebruikt, moeten worden gereinigd en gecontroleerd op beschadiging en slijtage. Bescha-
digde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie en/of onderhoudsbeurt moet worden gecontroleerd of het voertuig verkeersveilig is.
2.8 Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en conflicten ontstaan. Om de
toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebruiken, dient u milieubewust te handelen en de rechten
van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de geldende wet- en regelgeving in
het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wettelijke regeling voor het
afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 14
2.9 Bedieningshandleiding
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedieningshandleiding vindt u veel
informatie en tips die bediening, gebruik en onderhoud eenvoudiger maken. Alleen zo komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt
op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt raadplegen wanneer dat
nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer tijdens het lezen iets niet
duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eigenaar worden gegeven.
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 15
3.1 Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage worden uitgevoerd en
moeten in het service- en garantieboekje en op KTM Dealer.net worden bevestigd, aangezien anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij
schade of gevolgschade, die door manipulaties en/of wijzigingen aan het voertuig zijn veroorzaakt bestaat er geen aanspraak op garantie.
Meer informatie over de garantie en de afwikkeling ervan vindt u in het service- en garantieboekje.
3.2 Verbruiksstoffen, hulpstoffen
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
U moet de in de bedieningshandleiding gespecificeerde verbruiks- en hulpstoffen (bijvoorbeeld brand- en smeerstoffen) gebruiken.
3.3 Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aanbevolen en laat deze
alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor veroorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw geautoriseerde KTM-dealer
adviseert u graag.
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4 Service
Voorwaarde voor storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de bedieningshandleiding
genoemde service- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis. Slechte afstelling van het chassis kan leiden tot beschadiging en
breken van de chassiscomponenten.
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 16
Het gebruik van de motorfietsen onder extreme omstandigheden zoals op modderige en vochtige wegen of in stoffige en droge omgevingen
kan leiden tot verhoogde belasting van componenten zoals de aandrijving, remmen of luchtfilter. Daarom kan het nodig zijn een service uit
te voeren of slijtageonderdelen te vervangen al voordat het interval volgens het serviceschema is bereikt.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming daarvan draagt in
belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
3.5 Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de betreffende beschrijving
is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u zich aan de aanwijzingen in de tekst.
3.6 Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
17
4 AFBEELDING VOERTUIG 18
4.1 Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
M00872-10
4 AFBEELDING VOERTUIG 19
1 Koppelingshendel ( pag. 25)
2 Zadelslot ( pag. 38)
3 Boordgereedschap ( pag. 39)
4 Grepen ( pag. 39)
5 Bagagedrager ( pag. 40)
6 Bijrijder-voetsteunen ( pag. 40)
7 Bestuurdersvoetsteunen ( pag. 64)
8 Versnellingshendel ( pag. 41)
9 Zijstandaard ( pag. 42)
10 Kijkglas motorolie
11 Brandstofkranen ( pag. 37)
4 AFBEELDING VOERTUIG 20
4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
M00873-10
4 AFBEELDING VOERTUIG 21
1 Schokdemper instelling veervoorspanning
2 Combinatieschakelaar ( pag. 26)
3 Tankdop
4 E-starterknop ( pag. 30)
4 Noodstopschakelaar ( pag. 30)
5 Gashendel ( pag. 26)
6 Contact-/stuurslot ( pag. 31)
7 Remhendel ( pag. 25)
8 Opbergvak
9 Vast reservoir koelsysteem
10 Rempedaal ( pag. 42)
11 Schokdemper instelling uitgaande demping
5 SERIENUMMERS 22
5.1 Framenummer
402294-10
Het framenummer
is rechtsonder achter het balhoofd in het frame gegraveerd.
Het framenummer staat ook op het typeplaatje.
5.2 Typeplaatje
0
0
11
402174-10
Het typeplaatje
is rechtsboven achter balhoofd op het frame aangebracht.
5 SERIENUMMERS 23
5.3 Sleutelnummer
402240-10
Het sleutelnummer Code number
staat op de KEYCODECARD.
Info
U hebt het sleutelnummer nodig om een reservesleutel te bestellen. Bewaar
de KEYCODECARD op een veilig plek.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de contactsleutel. De
oranje programmeersleutel op een veilige plek bewaren. Hij mag alleen worden
gebruikt voor leer- en programmeerfuncties.
5.4 Motornummer
402296-10
Het motornummer
is aan rechterkant van de motor gegraveerd.
5 SERIENUMMERS 24
5.5 Artikelnummer voorvork
402295-10
Het artikelnummer van de voorvork
is aan de binnenzijde van de asopname gegraveerd.
5.6 Artikelnummer schokdemper
402298-10
Het artikelnummer van de schokdemper
is in het bovenste deel van de schokdemper
gegraveerd.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 25
6.1 Koppelingshendel
S00756-10
De koppelingshendel
is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijgesteld.
6.2 Remhendel
S00757-10
De remhendel
is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
De voorwielrem wordt geschakeld met de remhendel.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 26
6.3 Gashendel
S00758-10
De gashendel
is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
6.4 Schakelaars links aan stuur
6.4.1 Combinatieschakelaar
De combinatieschakelaar is aan de linkerkant van het stuur aangebracht.
S00759-10
Overzicht combinatieschakelaar links
1 Lichtschakelaar ( pag. 27)
2 Noodknipperlichtschakelaar ( pag. 27)
3 Menuschakelaar ( pag. 28)
4 Richtingaanwijzerschakelaar ( pag. 28)
5 Claxonknop ( pag. 29)
6 BEDIENINGSELEMENTEN 27
6.4.2 Lichtschakelaar
S00760-10
De lichtschakelaar
is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan Lichtschakelaar in stand
. In deze stand zijn het dim-
licht en achterlicht ingeschakeld.
Groot licht aan Lichtschakelaar in stand
geduwd. In deze stand zijn
het groot licht en het achterlicht ingeschakeld.
Seinlicht Lichtschakelaar naar stand
trekken.
6.4.3 Noodknipperlichtschakelaar
S00761-10
De noodknipperlichtschakelaar
is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aan-
gebracht.
De noodknipperlichten worden gebruikt voor het aangeven van noodsituaties.
Info
De noodknipperlichten kunnen bij ingeschakelde ontsteking of tot 60 seconden na
het uitschakelen van de ontsteking worden in- of uitgeschakeld.
Noodknipperlichten slechts zo lang gebruiken als beslist nodig is, aangezien de accu
zo leegraakt.
Mogelijke toestanden
Noodknipperlichten aan Alle vier richtingaanwijzers en de groene contro-
lelampjes op het gecombineerde instrument knipperen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 28
6.4.4 Menuschakelaar
S00224-11
De menuschakelaar is links in het midden van de combinatieschakelaar aangebracht.
Met de menutoetsen wordt het matrixdisplay op het gecombineerde instrument bestuurd.
Toets
is de UPtoets.
Toets
is de DOWNtoets.
Toets
is de SETtoets.
Toets
is de BACKtoets.
6.4.5 Richtingaanwijzerschakelaar
S00217-10
De richtingaanwijzerschakelaar
is aan de combinatieschakelaar links aangebracht.
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit Richtingaanwijzerschakelaar naar het schakelaar-
huis duwen.
Richtingaanwijzer links aan Richtingaanwijzerschakelaar naar links
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
Richtingaanwijzer rechts aan Richtingaanwijzerschakelaar naar rechts
geschakeld. De richtingaanwijzerschakelaar springt na het schakelen terug
in de middelste stand.
Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richtingaanwijzerschakelaar rich-
ting het schakelaarhuis duwen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 29
Info
Als optionele softwarefunctie is een automatische richtingaanwijzer-uitschakelaar
(ATIR) beschikbaar.
De ATIR-functie gebruikt een tijdklok en een rijafstandsmeter.
Als de richtingaanwijzer gedurende minimaal 10 seconden en 150 meter rijafstand
ingeschakeld is geweest, wordt de richtingaanwijzer uitgeschakeld.
Als het voertuig stilstaat, worden de beide meters gestopt.
Als de richtingaanwijzerschakelaar opnieuw wordt bediend, worden beide meters
gereset.
6.4.6 Claxonknop
S00218-10
De claxonknop
is aan de linkerkant van de combinatieschakelaar aangebracht.
Mogelijke toestanden
Claxonknop in de uitgangspositie.
Claxonknop ingedrukt In deze stand wordt de claxon geactiveerd.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 30
6.5 Schakelaars rechts aan stuur
6.5.1 Noodstopschakelaar
S00762-10
De noodstopschakelaar
is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar uit In deze stand is het ontstekingscircuit onderbro-
ken. Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor kan niet
worden gestart. Er verschijnt een melding in het matrixdisplay.
Noodstopschakelaar aan Deze stand is noodzakelijk bij het rijden, het
ontstekingscircuit is gesloten.
6.5.2 E-starterknop
S00763-10
De e-starterknop
is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
E-starterknop in de uitgangspositie.
E-starterknop ingedrukt In deze stand wordt de e-starter geactiveerd.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 31
6.6 Contact-/stuurslot
S00764-10
Het contact-/stuurslot
bevindt zich voor de bovenste kroonplaat.
Info
Voor het inschakelen van de ontsteking mag uitsluitend een zwarte contactsleutel
worden gebruikt.
Met de oranje programmeersleutel activeert of deactiveert u de zwarte contactsleu-
tel.
Mogelijke toestanden
Ontsteking uit OFF In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken.
Een draaiende motor schakelt uit en een stilstaande motor schakelt niet in.
De zwarte contactsleutel kan eruit worden getrokken.
Contact ingeschakeld ON In deze stand is het ontstekingscircuit gesloten
en kan de motor worden gestart.
Stuur geblokkeerd In deze stand is het ontstekingscircuit onderbroken en
het stuur geblokkeerd. De zwarte contactsleutel kan eruit worden getrok-
ken.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 32
6.7 Wegrijblokkering
402436-10
De elektronische wegrijblokkering beveiligt het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Door het eruit trekken van de contactsleutel wordt de wegrijblokkering automatisch geacti-
veerd en de motorelektronica geblokkeerd.
Het controlelampje wegrijblokkering
kan door te knipperen fouten aangeven.
Als de optionele alarminstallatie ingebouwd is, knippert het controlelampje van de wegrij-
blokkering
bij ingeschakelde alarminstallatie.
Info
De contactsleutels zijn uitgerust met elektronische componenten. Nooit meerdere
contactsleutels in één sleutelbos dragen, aangezien ze elkaar dan kunnen storen.
Een verloren zwarte contactsleutel moet worden gedeactiveerd om te voorkomen dat onbe-
voegden met het voertuig gaan rijden.
De zwarte contactsleutels zijn in de leveringstoestand geactiveerd.
Bij een geautoriseerde KTM-garage kunnen nog twee extra sleutels (sleutelnummer op
de KEYCODECARD) worden besteld; deze moeten echter voor gebruik worden geactiveerd.
6.8 Stuur vergrendelen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 33
400732-01
Voertuig parkeren.
Het stuur helemaal naar links draaien.
Sleutel in het contact-/stuurslot steken, indrukken en naar links draaien. Sleutel eruit
trekken.
Het stuur kan niet meer worden bewogen.
6.9 Stuur ontgrendelen
400731-01
Sleutel in het contact-/stuurslot steken, indrukken en rechts links draaien. Sleutel eruit
trekken.
Het stuur kan weer worden bewogen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 34
6.10 Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er
vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.
Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Aanwijzingen voor het
tanken van brandstof in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met
de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Verontreinigde huid meteen reinigen met water en zeep. Als brand-
stof is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Met brandstof verontreinigde kleding wisselen. Brandstof volgens de voorschriften
bewaren in een jerrycan en uit de buurt van kinderen houden.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 35
S00748-10
Afdekking
op de tankdop omhoog klappen en contactsleutel
in het tankslot ste-
ken.
S00749-10
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingBreken van de contactsleutel.
Voor de ontlasting van de contactsleutel op de tankdop duwen. Beschadigde con-
tactsleutels moeten worden vervangen.
Contactsleutel
met de klok mee draaien.
Tankdop
omhoog klappen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 36
6.11 Tankdop sluiten
S00750-10
Tankdop
omlaag klappen.
Contactsleutel
met de klok mee draaien.
S00751-10
Tankdop indrukken en contactsleutel
tegen de klok in totdat het tankslot sluit.
Waarschuwing
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar, giftig en schadelijk voor de
gezondheid.
Tankdop na het sluiten controleren op correcte vergrendeling. Met brandstof
verontreinigde kleding wisselen. Huid bij contact meteen reinigen met water
en zeep.
Contactsleutel
eruit trekken en afdekking
omlaag klappen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 37
6.12 Brandstofkranen
S00774-10
Er bevindt zich een brandstofkraan
aan iedere kant van de brandstoftank.
Info
De brandstofkranen moeten tijdens het rijden altijd zijn geopend.
De brandstofkranen worden alleen gesloten voor het verwijderen van de brandstof-
tank.
Mogelijke toestanden
Brandstofkranen gesloten Er kan geen niveaucompensatie plaatsvinden en er kan
geen brandstof uit de brandstoftank stromen.
Brandstofkranen geopend Er kan niveaucompensatie plaatsvinden en brandstof uit
de brandstoftank stromen.
6.13 Opbergvak openen
S00766-10
Vergrendeling
in pijlrichting duwen en tegelijkertijd het deksel optillen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 38
6.14 Opbergvak sluiten
S00766-11
Deksel
omlaag duwen.
Vergrendeling klikt hoorbaar vast.
6.15 Zadelslot
M00876-10
Het zadelslot
bevindt zich aan de linkerkant van het voertuig.
Hij kan met de contactsleutel ontgrendeld worden.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 39
6.16 Boordgereedschap
S00768-10
Het boordgereedschap
bevindt zich onder het zadel.
6.17 Grepen
S00769-10
De bijrijder kan zich tijdens het rijden aan de grepen
vasthouden.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 40
6.18 Bagagedrager
S00770-10
De bagagedragerplaat
bevindt zich achter het zadel.
Op de bagagedragerplaat kan de basisplaat van een koffersysteem (optioneel) worden
bevestigd.
De bagagedragerplaat mag maximaal met het aangegeven gewicht worden belast.
Maximaal toegestane belas-
ting van de bagagedrager-
plaat
8 kg
Info
Opletten op de aanwijzingen van de kofferfabrikant.
6.19 Bijrijder-voetsteunen
M00879-01
De bijrijder-voetsteunen zijn inklapbaar uitgevoerd.
Mogelijke toestanden
Bijrijder-voetsteunen ingeklapt Voor het rijden zonder bijrijder.
Bijrijder-voetsteunen uitgeklapt Voor het rijden met bijrijder.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 41
6.20 Versnellingshendel
402299-10
De versnellingshendel
is aan de linkerkant van de motor aangebracht.
402299-11
De positie van de versnellingen kunnen afgelezen worden op de afbeelding.
De stationair bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling.
6 BEDIENINGSELEMENTEN 42
6.21 Rempedaal
402301-10
Het rempedaal
bevindt zich voor de rechter voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
6.22 Zijstandaard
402029-10
De zijstandaard
bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motorfiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard opgeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsysteem. Lees de aanwijzingen
in het hoofdstuk Stoppen, parkeren.
Mogelijke toestanden
Zijstandaard uitgeklapt Het voertuig kan op de zijstandaard worden neergezet. Het
veiligheidsstartsysteem is actief.
Zijstandaard ingeklapt Deze stand is altijd nodig als u gaat rijden. Het veiligheids-
startsysteem is niet actief.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 43
7.1 Overzicht
M00920-10
1 Matrixdisplay ( pag. 44)
2 Toerenteller
3 schakellicht ( pag. 47)
4 Segmentendisplay
5 Controlelampjes ( pag. 45)
7.2 Activering en test
M00921-10
Activering
Het gecombineerde instrument wordt ingeschakeld met het contact.
Info
De helderheid van de weergave wordt geregeld door een helderheidssensor in het
gecombineerde instrument.
Test
Het segmentendisplay, de controlelampjes en de toerenteller worden kort aangestuurd voor
een functietest.
Op het matrixdisplay verschijnt een welkomsttekst en een aanwijzing over de
volgende servicebeurt ( pag. 48).
Info
Als de accu losgekoppeld was, moeten tijd en datum opnieuw worden ingesteld.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 44
7.3 Matrixdisplay
402429-01
De weergave op het matrixdisplay wordt bestuurd met de menuschakelaar ( pag. 28).
Na het inschakelen van het contact, wordt aangegeven wanneer de volgende servicebeurt
( pag. 48) moet worden uitgevoerd.
Als bij de controlelampjes ( pag. 45) het waarschuwingslampje-algemeen gaat bran-
den, wordt de bijbehorende melding op het matrixdisplay weergegeven. Met de SETtoets
wordt de ontvangst van de informatie bevestigd en de melding verdwijnt.
Meldingen verschijnen 10 s
7.4 Segmentendisplay
M00865-10
1 Brandstofpeil
2 Tijd
3 Eenheid voor snelheidsindicatie
4 Versnellingsindicatie
5 Snelheid
6 "Drive Mod" ( pag. 175)
7 Koelmiddeltemperatuur
8 Waarschuwing voor glad wegdek
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 45
7.5 Controlelampjes
M00922-10
Mogelijke toestanden
Controlelampje groot licht brandt blauw Groot licht is ingeschakeld.
Controlelampje wegrijblokkering brandt/knippert rood Status- of foutmel-
ding bij de wegrijblokkering/alarminstallatie.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood Motoroliedruk is te laag .
Waarschuwingslampje algemeen brandt geel Een aanwij-
zing/waarschuwing voor de rijveiligheid is gedetecteerd. Dit wordt ook op
het matrixdisplay weergegeven.
Linker knipperlichtlamp knippert groen in het knipperritme Richtingaan-
wijzer links is ingeschakeld.
Controlelampje stationair brandt groen Versnelling is in vrij geschakeld.
Rechter knipperlichtlamp knippert groen in het knipperritme Richtingaan-
wijzer rechts is ingeschakeld.
Motorwaarschuwingslampje brandt/knippert geel De motorbesturingsunit
heeft een fout herkend.
ABSlampje brandt/knippert geel Het ABS is niet actief. Het ABS-lampje
brandt ook als er een fout herkend is.
TClampje brandt/knippert geel De tractiecontrole is niet actief of is bezig
met regelen. Het TC-lampje brandt ook als er een fout herkend is.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 46
7.6 melding op matrixdisplay
401850-01
Mogelijke toestanden
Motorstoring De motorbesturingsunit heeft een fout herkend. Naar een
geautoriseerde KTM-garage gaan.
Algemene melding Algemene melding over de rijveiligheid. Naar een
geautoriseerde KTM-garage gaan.
ABS-waarschuwing ABS-functie is niet beschikbaar. Naar een geautori-
seerde KTM-garage gaan.
Motorfietstractiecontrole De motorfietstractiecontrole is niet beschikbaar.
Naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
Motoroliedruk Motoroliedruk is te laag . De motor meteen uitzetten. Con-
tact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
Motoroliepeil Motoroliepeil is te laag. Motoroliepeil controleren en corri-
geren.
Lichtsysteem Een element van het lichtsysteem is uitgevallen. Defecte
lamp vervangen of naar een geautoriseerde KTM-garage gaan.
Koelwatertemperatuur Koelwatertemperatuur is te hoog. Motor uitzetten.
Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
Brandstofreserve Brandstoftank bijna leeg. Bij de volgende gelegenheid
brandstof tanken.
Pictogram glad wegdek Glad wegdek is mogelijk. De snelheid aanpassen
aan de gewijzigde rijwegsituatie.
Accuspanning Accuspanning is te laag. Accu met geschikte acculader
laden.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 47
Service Er moet een servicebeurt worden uitgevoerd. Contact opnemen
met geautoriseerde KTM-garage.
Noodstopschakelaar De noodstopschakelaar is uit.
De meldingen worden in het menu "Warning" weergegeven.
7.7 schakellicht
401855-01
Het schakellicht knippert of brandt wanneer een schakeling moet worden uitgevoerd.
In het menu "Shift Light" kan het toerental voor het schakellicht worden ingesteld. Bij
"RMP1" knippert het schakellicht en bij "RPM2" brandt het.
Info
In de 6de versnelling is het schakellicht bij warme motor na de eerste service gede-
activeerd.
Het schakellicht kan ´in het menu "Settings" in- en uitgeschakeld worden.
Motorolietemperatuur > 35 °C
"ODO" > 1.000 km
Schakellicht knippert > "RPM1"
Schakellicht brandt > "RPM2"
Motorolietemperatuur 35 °C
"ODO" < 1.000 km
Schakellicht brandt altijd bij 6.500 1/min
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 48
7.8 Service-indicatie
402429-01
Na het inschakelen van het contact wordt kort de service-indicatie weergegeven.
De service-intervallen zijn afhankelijk van afstand en tijd. De gebeurtenis die als eerste
optreedt heeft voorrang.
De precieze service-intervallen staan in het serviceschema.
7.9 Matrixdisplay menu
7.9.1 "Favorites"
401988-01
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Favorites" op het matrixdisplay
verschijnt. Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
Met de UP of DOWNtoets menupunt selecteren en met de SETtoets aansturen.
Door twee keer op de BACKtoets te drukken gaat u weer naar het menu "Favorites".
In het menu "Favorites" kunnen vijf menu's direct worden aangestuurd.
In het menu "Set Favorites" wordt het menu "Favorites" geconfigureerd.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 49
7.9.2 "Trip 1"
L02906-01
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Trip 1" op het matrixdisplay verschijnt.
"Trip 1" geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee
tankstops. "Trip 1" loopt mee en telt tot 9999.
Speed 1" geeft de gemiddelde snelheid aan op basis van "Trip 1" en "Trip Time 1".
Cons 1" geeft het gemiddelde verbruik aan op basis van "Trip 1" en "Trip Time 1".
"Trip Time 1" geeft de rijtijd op basis van "Trip 1" aan en begint te lopen op het moment dat
een snelheidssignaal wordt ontvangen.
"Fuel Range" geeft de mogelijke reikwijdte van de brandstofreserve aan.
Toets 3-5 secon-
den ingedrukt hou-
den.
Alle items in het menu "Trip 1" worden gewist.
7.9.3 "Trip 2"
L02907-01
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Trip 2" op het matrixdisplay verschijnt.
"Trip 2" geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld tussen twee
tankstops. "Trip 2" loopt mee en telt tot 9999.
Speed 2" geeft de gemiddelde snelheid aan op basis van "Trip 2" en "Trip Time 2".
Cons 2" geeft het gemiddelde verbruik aan op basis van "Trip 2" en "Trip Time 2".
"Trip Time 2" geeft de rijtijd op basis van "Trip 2" aan en begint te lopen op het moment dat
een snelheidssignaal wordt ontvangen.
"Fuel Range" geeft de mogelijke reikwijdte van de brandstofreserve aan.
Toets 3-5 secon-
den ingedrukt hou-
den.
Alle items in het menu "Trip 2" worden gewist.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 50
7.9.4 "General Info"
401824-01
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "General Info " op het matrixdisplay ver-
schijnt.
"Air Temp " geeft de omgevingsluchttemperatuur aan.
"Date" geeft de datum aan.
"ODO" geeft het totaal gereden traject aan.
"Battery" geeft de accuspanning aan.
"Oil Temp" geeft de motorolietemperatuur aan.
7.9.5 "Set Favorites"
401991-01
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Set Favorites " op het matrixdisplay ver-
schijnt. Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
Met de UP of DOWNtoets menu selecteren. Met de SETtoets het menu voor de snel-
keuze instellen.
In het menu "Set Favorites" wordt het menu "Favorites" geconfigureerd.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 51
7.9.6 "Settings"
402431-10
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
In het menu "Settings" worden instellingen voor eenheden of verschillende waarden uitge-
voerd. Enkele functies kunnen worden geactiveerd of gedeactiveerd.
7.9.7 "Warning"
L01435-10
Voorwaarden
Melding of waarschuwing
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Warning" op het matrixdisplay
verschijnt. Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
Met de UP- of DOWNtoets door de waarschuwingen navigeren.
In het menu "Warning" worden de opgetreden waarschuwingen weergegeven en opgeslagen,
totdat ze niet meer actief zijn.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 52
7.9.8 "Heating" (optioneel)
M00924-01
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Heating" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
Met de SETtoets kunt u een verwarmingsstand selecteren of de handgreepverwarming
uitschakelen.
7.9.9 "MTC/ABS"
M00864-01
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "MTC"/"ABS" op het matrixdisplay ver-
schijnt.
In het menu "MTC/ABS" kunnen "MTC" en "ABS" worden uitgeschakeld.
Info
Na het inschakelen van het contact zijn de motorfietstractiecontrole en het ABS
weer actief.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 53
7.9.10 "Drive Mod"
402432-01
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Drive Mod" op het matrixdisplay ver-
schijnt. Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
Met de UP- of DOWNtoets door het menu navigeren. Met de SETtoets kunnen op elkaar
afgestemde instellingen van motor en tractiecontrole worden geselecteerd.
SPORT gehomologeerd vermogen met zeer directe respons, de tractiecontrole laat
een hogere slip aan het achterwiel toe
STREET gehomologeerd vermogen met evenwichtige respons, de tractiecontrole
laat een normale slip aan het achterwiel toe
RAIN gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere rijbaarheid, de tractie-
controle laat een normale slip aan het achterwiel toe
OFFROAD (optioneel) gereduceerd, gehomologeerd vermogen voor betere rijbaar-
heid, de tractiecontrole laat een hogere slip aan het achterwiel toe
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 54
7.9.11 Menu-overzicht
402482-01
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 55
"KTM"-startscherm
Menutoetsen
"Favorites"
"Trip 1"
"Trip 2"
"General Info"
"Set Favorites"
"Settings"
"Warning" (alleen actief, als er meldingen zijn)
"Heating" (optioneel)
"MTC/ABS"
"Drive Mod"
7.9.12 "Language"
402431-10
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
Door de SETtoets nog een keer in te drukken de taal selecteren.
De menutalen zijn Engels US, Engels UK, Duits, Italiaans, Frans en Spaans.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 56
7.9.13 "Distance"
402431-11
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "Distance" het matrixdisplay met een zwarte ach-
tergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt de
eenheid ingesteld.
De eenheid kilometer "km" of mijl "mi" voor de afstand selecteren.
7.9.14 "Temp"
402431-12
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "Temp" het matrixdisplay met een zwarte achter-
grond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt de een-
heid ingesteld.
De eenheid "°C" of "°F" voor de temperatuurindicatie selecteren.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 57
7.9.15 "Pressure"
402431-13
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "Pressure" het matrixdisplay met een zwarte ach-
tergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt de
eenheid ingesteld.
De eenheid "bar" of "psi" selecteren.
7.9.16 "Fuel Cons"
402431-14
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "Fuel Cons" op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt
de eenheid ingesteld.
Eén van de mogelijke verbruiksindicaties selecteren.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 58
7.9.17 "Clock/Date"
M00925-01
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "Clock/Date" op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt
het menu geopend.
Met de UP- of DOWNtoets door het menu navigeren. Met de SETtoets wordt de tijd of
de datum ingesteld.
Als de accu gedemonteerd was, moeten tijd en datum op het matrixdisplay opnieuw worden
ingesteld.
7.9.18 "Shift Light"
M00926-01
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "Shift Light" op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt
het menu geopend.
Met de UP of DOWNtoets functie selecteren. Met de SETtoets wordt het toerental voor
het schakellicht ingesteld.
Als het motortoerental "RPM 1" bereikt, knippert het schakellicht.
Als het motortoerental "RPM 2" bereikt, brandt het schakellicht.
Functie "Shift Light" in- of uitschakelen.
7 GECOMBINEERD INSTRUMENT 59
7.9.19 "Heat Grip" (optioneel)
L01439-15
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "Heat Grip" op het matrixdisplay met een zwarte
achtergrond wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt
het Heat Grips-menu in- of uitgeschakeld.
heat Grips-menu in- of uitschakelen.
7.9.20 "DRL"
L01439-16
Voorwaarden
Voertuig staat stil.
UP- of DOWNtoets indrukken, totdat het menu "Settings" op het matrixdisplay verschijnt.
Door het indrukken van de SETtoets wordt het menu geopend.
UP- of DOWNtoets indrukken totdat "DRL" het matrixdisplay met een zwarte achtergrond
wordt weergegeven. Door nog een keer op de SETtoets te drukken wordt het dagrijlicht
in- of uitgeschakeld.
Dagrijlicht in- of uitschakelen.
Info
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het dagrijlicht.
8 ERGONOMIE 60
8.1 Stuurstand
401666-11
De boringen op de stuuradapter zijn op een afstand
van het midden geplaatst.
Afstand boringen
3,5 mm
Het stuur kan in verschillende twee standen worden gemonteerd. Daardoor kan het stuur in
de voor de bestuurder meest aangename stand worden gezet.
8.2 Stuurstand instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenGebroken stuur.
Als het stuur wordt gebogen of uitgelijnd, treedt er materiaalmoeheid op en kan het stuur breken. Stuur altijd vervangen.
308080-01
Schroeven
verwijderen. Stuurplaten verwijderen. Stuur verwijderen en opzij leggen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
Schroeven
verwijderen. Stuuradapters verwijderen.
Stuuradapters in de gewenste stand zetten. Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuuradapter M10 40 Nm Loctite
®
243™
8 ERGONOMIE 61
Info
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positioneren.
Stuur positioneren.
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen correct worden gelegd.
Stuurplaten positioneren. Schroeven
monteren en gelijkmatig vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurklemmen M8 20 Nm
Info
Op gelijkmatige spleetmaten letten.
8.3 Windscherm instellen
S00344-10
De spanhendel
in richting van de pijl trekken.
Het windscherm is ontgrendeld.
8 ERGONOMIE 62
S00345-01
Windscherm in de gewenste stand zetten.
S00344-11
De spanhendel
in richting van de pijl duwen.
Het windscherm is vergrendeld.
8 ERGONOMIE 63
8.4 Uitgangspositie koppelingshendel instellen
S00771-10
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de stelschroef
aan de grootte van de
hand aanpassen.
Info
Als de stelschroef met de klok mee wordt gedraaid komt de koppelingshendel
verder van het stuur af te staan.
Als de stelschroef tegen de klok in wordt gedraaid komt de koppelingshendel
dichter bij het stuur te staan.
Het instelbereik is beperkt.
De stelschroef alleen met de hand draaien en geen geweld gebruiken.
Niet instellen tijdens het rijden.
8.5 Uitgangspositie remhendel instellen
S00772-10
Uitgangspositie van de remhendel met het stelwiel
aan de grootte van de hand aan-
passen.
Info
Remhendel naar voren duwen en stelwiel draaien.
Niet instellen tijdens het rijden.
8 ERGONOMIE 64
8.6 Bestuurdersvoetsteunen
M00880-10
De bestuurdersvoetsteunen kunnen in twee standen worden gemonteerd.
Mogelijke toestanden
Bestuurdersvoetsteunen laag
Bestuurdersvoetsteunen hoog
8.7 Voetsteunen instellen
Info
De werkstappen aan de voetsteunhouders zijn links en rechts gelijk.
M00881-10
Schroef
verwijderen.
Rempedaal zwenkt tot de aanslag naar boven.
8 ERGONOMIE 65
M00882-10
Splitpen
met ring
verwijderen.
Pen
voorzichtig van de bestuurdersvoetsteun verwijderen.
Info
De veer staat onder hoge spanning en kan bij het verwijderen van de pen eruit
springen.
Bestuurdersvoetsteun met veer
eraf halen.
M00883-10
Schroeven
verwijderen.
M00884-10
Voetsteunhouder op de gewenste stand instellen.
8 ERGONOMIE 66
M00883-10
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef voetsteunhouder
voor
M8 25 Nm Loctite
®
243™
M00882-10
Bestuurdersvoetsteun met veer
en bout
monteren.
Tang voor voetsteunveer (58429083000)
Ring
en splitpen
monteren.
M00881-10
Rempedaal positioneren.
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kogelscharnier
drukstang op rempedaal-
cilinder
M6 10 Nm Loctite
®
243™
8 ERGONOMIE 67
8.8 Uitgangspositie versnellingshendel controleren
00
0
AA
400692-10
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand
meten tussen de boven-
kant van de laars en versnellingshendel.
Afstand versnellingshendel tot bovenkant
laars
10… 20 mm
» Als de afstand niet met de voorgeschreven waarde overeenkomt:
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen. ( pag. 67)
8.9 Uitgangspositie versnellingshendel instellen
402299-12
Schroef
verwijderen en versnellingshendel
verwijderen.
8 ERGONOMIE 68
0
0
AA
402300-10
Tanden
van versnellingshendel en schakelas reinigen.
Versnellingshendel in de gewenste stand op de schakelas steken en de tanden laten
grijpen.
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voertuigcomponenten niet
raken.
Schroef monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef versnellingshendel M6 18 Nm Loctite
®
243™
8.10 Uitgangspositie rempedaal instellen
M00885-10
Veer
losmaken.
Moer
losdraaien.
Schroef
verwijderen.
Voor de individuele aanpassing van de uitgangspositie van het rempedaal kogelschar-
nier
draaien.
Info
Het instelbereik is beperkt.
Minimaal 5 schroefgangen moeten in het kogelscharnier ingeschroefd zijn.
Kogelscharnier
tegenhouden en moer
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige moeren chassis M6 10 Nm
8 ERGONOMIE 69
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kogelscharnier
drukstang op rempedaal-
cilinder
M6 10 Nm Loctite
®
243™
Veer
vasthaken.
9 INBEDRIJFNAME 70
9.1 Aanwijzingen voor eerste inbedrijfname
Gevaar
Gevaar voor ongevallenGevaar door onvoldoende rijvaardigheid.
Het voertuig niet gebruiken, wanneer u door consumptie van alcohol, medicijnen of drugs of door lichamelijke of psychische
beperkingen niet in staat bent veilig aan het verkeer deel te nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor letselGeen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
Tijdens het rijden altijd beschermende kleding (helm, laarzen, handschoenen, broek en jack met bescherming) dragen. Draag
altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallenBeperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOngecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde wegligging bij nieuwe banden.
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingere-
den wordt de volledige wegligging bereikt.
9 INBEDRIJFNAME 71
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenUitvallen van het remsysteem.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uit-
vallen. De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee, dat andere mensen last kunnen hebben van overmatig lawaai.
Verzeker u ervan dat de afleveringsinspectie is uitgevoerd door een geautoriseerde KTM-garage.
U ontvangt het leveringsdocument en het service- en garantieboekje bij de overdracht van het voertuig.
Voordat u voor het eerst gaat rijden moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
Stel de motorfiets op de in het hoofdstuk Ergonomie beschreven wijze in op uw behoeften.
Oefen voordat u een lange rit gaat maken eerst op een geschikt terrein, zodat u gewend raakt aan het besturen van de motorfiets. Pro-
beer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden en staand te rijden zodat u meer gevoel voor de motorfiets krijgt.
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten.
Motor inrijden.
9.2 Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode het aangegeven motortoerental niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Maximaal motortoerental
Tijdens de eerste: 1.000 km 6.500 1/min
Na de eerste: 1.000 km 8.500 1/min
Vol gas geven vermijden!
9 INBEDRIJFNAME 72
Info
Als het maximale motortoerental voor de eerste servicebeurt wordt overschreden, gaat het schakellicht knipperen.
9.3 Voertuig beladen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenInstabiel rijgedrag.
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenInstabiel rijgedrag door ondeskundige montage van een bagagedrager of tanktas.
Bagagedrager en tanktas volgens de aanwijzingen van de producent monteren en borgen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenInstabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
De snelheid aanpassen aan de extra belasting. Rijd langzamer als uw motorfiets is beladen met koffers of andere bagage.
Maximumsnelheid met bagage 150 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenGevaar voor breken van het bagagesysteem.
Als u een bagagedrager op uw motorfiets hebt gemonteerd, moet u rekening houden met de gegevens van de producent over de
maximale belasting.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDoor verschoven bagage bent u slecht zichtbaar voor andere verkeersdeelnemers.
Als het achterlicht bedekt is, bent u moeilijk te zien voor de verkeersdeelnemers achter u, vooral als het donker is. Controleer
regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
9 INBEDRIJFNAME 73
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerschillend rijgedrag en langere remweg bij hoge extra belasting door bagage.
De snelheid aanpassen aan de extra belasting.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenInstabiel rijgedrag door verschoven bagage.
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingEen heet uitlaatsysteem kan de bagage verbranden.
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig en het gewicht moet gelijk-
matig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
Rekening houden met het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.
Voorgeschreven waarde
Maximaal toegestaan totaalgewicht 440 kg
Maximaal toegestane asbelasting voor 159 kg
Maximaal toegestane asbelasting achter 281 kg
10 RIJ-INSTRUCTIES 74
10.1 Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfname
Info
Voordat u gaat rijden controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gereden.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
Motoroliepeil controleren. ( pag. 177)
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. ( pag. 125)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. ( pag. 128)
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 128)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 131)
Controleren of het remsysteem goed werkt.
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. ( pag. 171)
Vervuiling van de ketting controleren. ( pag. 98)
Kettingspanning controleren. ( pag. 99)
Toestand van de banden controleren. ( pag. 144)
Bandenspanning controleren. ( pag. 146)
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en soepel bewegen.
Werking van de elektrische installatie controleren.
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
Instelling achteruitkijkspiegel controleren.
Brandstofvoorraad controleren.
10 RIJ-INSTRUCTIES 75
10.2 Starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg hebben.
Als u de motor laat draaien moet u altijd voor voldoende ventilatie zorgen, de motor niet in een gesloten ruimte starten of laten
draaien zonder een geschikte afzuiginstallatie.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallenAls de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en vei-
ligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
Aanwijzing
Beschadiging aan de motorHoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
Motor altijd met een laag toerental warmrijden.
M00887-01
Noodstopschakelaar in stand ON schakelen.
Ontsteking inschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de stand ON draaien.
Na het inschakelen van het contact is gedurende ongeveer 2 seconden het geluid
van de werkende brandstofpomp te horen. Tegelijkertijd wordt de functiecontrole
van het gecombineerde instrument uitgevoerd.
Het ABS-lampje gaat branden en gaat weer uit als het voertuig gaat rijden.
Overbrengingssysteem in stationair schakelen.
Het groene controlelampje stationair brandt.
10 RIJ-INSTRUCTIES 76
M00886-01
E-starterknop indrukken.
Info
E-starterknop pas indrukken als de functiecontrole van het gecombineerde
instrument is afgerond.
Tijdens het starten GEEN gas geven. Als er tijdens het starten wordt gasgegeven,
wordt geen brandstof ingespoten door het motormanagement en de motor slaat
dan niet aan.
Maximaal 5 seconden de e-starterknop indrukken. Ten minste 5 seconden
wachten tot de volgende startpoging.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstartsysteem. De motor
kan alleen worden gestart, als de versnelling in vrij is geschakeld of als bij
geschakelde versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met uitgeklapte
zijstandaard naar een versnelling schakelt en de koppelingshendel loslaat blijft
de motor stilstaan.
Motorfiets van de zijstandaard nemen.
10.3 Optrekken
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en tegelijkertijd voorzichtig gas geven.
10.4 Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motorfiets verliezen.
Abrupte veranderingen in belasting en hard remmen vermijden en de snelheid aanpassen aan de rijwegsituatie.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTerugschakelen bij hoog motortoerental leidt tot blokkeren van het achterwiel.
Niet bij hoog motortoerental terugschakelen naar een lagere versnelling. De motor wordt overbelast en het achterwiel kan blok-
keren.
10 RIJ-INSTRUCTIES 77
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenStoringen veroorzaken door een verkeerde stand van de contactsleutel.
De contactsleutel niet in een andere stand zetten tijdens het rijden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenAfleiding van het verkeer door het instellen van de motorfiets tijdens het rijden.
Instellingen mogen alleen worden gewijzigd als de motorfiets stilstaat.
Waarschuwing
Gevaar voor letselEraf vallen van de bijrijder.
De bijrijder moet goed op het bijrijderzadel gaan zitten en zich vasthouden aan de bestuurder of aan de grepen. De voeten op
de bijrijdervoetsteunen zetten. De voorschriften over de minimumleeftijd voor bijrijders in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenGevaar voor ongevallen door gevaarlijk rijgedrag.
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde wegligging bij koude banden.
Iedere keer dat u gaat rijden moeten de eerste kilometers voorzichtig en met gematigde snelheid worden gereden, totdat de
banden hun rijtemperatuur hebben bereikt en zo een optimale wegligging garandeerd is.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde wegligging bij nieuwe banden.
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingere-
den wordt de volledige wegligging bereikt.
10 RIJ-INSTRUCTIES 78
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenInstabiel rijgedrag.
Het maximale totaalgewicht en asbelasting nooit overschrijden. Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de
gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de bestuurder en bijrijder met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenInstabiel rijgedrag door verschoven bagage.
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOntbrekende verkeersveiligheid.
Als u met het voertuig bent gevallen moet hij daarna worden gecontroleerd, zoals altijd voordat u gaat rijden.
Aanwijzing
Beschadiging van de motorOngefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Voertuig nooit zonder luchtfilter gaan rijden, omdat stof en vuil in de motor terecht kunnen komen en tot een hogere slijtage kunnen
veroorzaken.
Aanwijzing
Beschadiging aan de motorOververhitting van de motor.
Als het waarschuwingslampje voor de koelmiddeltemperatuur gaat branden, moet de motorfiets worden gestopt en de motor uitgezet.
De motor laten afkoelen en het koelmiddelpeil in de radiateur controleren en indien nodig corrigeren. Als u toch doorrijdt terwijl het
waarschuwingslampje voor de koelmiddeltemperatuur brandt beschadigt de motor.
Info
Als u tijdens het rijden ongewone geluiden hoort, moet u meteen stoppen, de motor uitzetten en contact opnemen met een geauto-
riseerde KTM-garage.
10 RIJ-INSTRUCTIES 79
402299-11
Als de verhoudingen het toestaan (helling, rijsituatie e.d.) kunt u naar hogere versnellin-
gen schakelen.
Gas terugnemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar volgende versnelling scha-
kelen, koppelingshendel vrijgeven en gas geven.
Info
De posities van de 6 voorwaartse versnellingen zijn weergegeven op de afbeel-
ding. De vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e versnel-
ling is de start- of bergversnelling.
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale snelheid is bereikt, moet
u deze op ¾ gas terugdraaien. Pas uw snelheid aan de weggesteldheid en weersituatie
aan.De snelheid verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brandstof ver-
bruikt.
Slechts zo veel gasgeven als de rijbaan en de weersomstandigheden toestaan. Vooral in
bochten mag niet geschakeld en slechts voorzichtig gasgegeven worden.
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afremmen en tegelijkertijd gas
terugnemen.
Koppelingshendel trekken en in een lagere versnelling schakelen, koppelingshendel
langzaam vrijgeven en gas geven of nog een keer schakelen.
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruising hoeft u alleen de koppelingshendel te
trekken en de e-starterknop in te drukken. De versnelling hoeft niet stationair te worden
geschakeld.
Zet de motor uit als het voertuig langere tijd stationair draait of stilstaat.
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje voor oliedruk begint te branden moet
u meteen stoppen en de motor afzetten. Contact opnemen met geautoriseerde KTM-
garage.
Als tijdens het rijden het motorwaarschuwingslampje gaat branden, moet u meteen
stoppen, de motor afzetten en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
10 RIJ-INSTRUCTIES 80
Info
Via het knipperritme kan een tweecijferig getal ontcijferd worden. Dit wordt de
knippercode genoemd. De knippercode geeft aan, welke component een storing
heeft.
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje algemeen gaat branden, geeft het
matrixdisplay gedurende 10 seconden een melding weer.
Info
Bijzonder belangrijke meldingen worden in het menu "Warning" opgeslagen.
Als het pictogram glad wegdek op het gecombineerde instrument verschijnt, is een
glad wegdek mogelijk. De snelheid aanpassen aan de gewijzigde rijwegsituatie.
10.5 Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door nat of vervuild remsysteem.
Vervuild of nat remsysteem voorzichtig schoon- resp. droogremmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door poreus drukpunt van de voor- en/of achterwielrem.
Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenUitvallen van het remsysteem.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken. De achterwielrem kan door oververhitting uit-
vallen. De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
10 RIJ-INSTRUCTIES 81
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenLangere remweg door hoger totaalgewicht.
Houd rekening met een langere remweg, als u met een bijrijder of bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVertraagde remwerking op wegen met strooizout.
Strooizout kan zich afzetten op de remschijven. Om de normale remwerking weer te herstellen moeten de remschijven eerst
schoon geremd worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenLangere remweg door ABS.
De remwijze moet worden aangepast aan de rijsituatie en de wegtoestand.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe sterk remmen leidt tot blokkering van de wielen.
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, wanneer deze ook is ingeschakeld.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVoertuig slaat om
In extreme rijsituaties (bijvoorbeeld bagage met hoog zwaartepunt, wisselend wegdek, steil bergaf rijden, vol remmen zonder
uitkoppelen) kan niet altijd worden voorkomen dat het voertuig omslaat. Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw
rijvaardigheden aan.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
Info
Met ABS kunt u zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op zandige, natte of gladde
ondergrond de volledige remkracht gebruiken, zonder het risico te lopen dat de wielen blokkeren.
10 RIJ-INSTRUCTIES 82
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBlokkeren van het wiel door de remwerking van de motor.
Bij het remmen in geval van nood, volledig remmen en bij remmen op gladde ondergrond moet u altijd de koppeling trek-
ken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderd wegcontact door remmen in schuine stand of remmen op een ondergrond die aan de zij-
kanten afloopt.
Remmen afsluiten voordat u een bocht inrijdt.
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Schakel daarbij afhankelijk van de snelheid naar een lagere versnel-
ling.
Gebruik bij langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor. Schakel daarvoor een of twee versnellingen terug en hierbij de motor
niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder te remmen en raken de remmen niet oververhit.
10.6 Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor diefstalGebruik door onbevoegde personen.
Voertuig nooit onbeheerd laten staan als de motor draait. Het voertuig tegen onbevoegd gebruik beveiligen. Bij het verlaten van
het voertuig het stuur op slot zetten en contactsleutel eruit trekken.
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingSommige onderdelen van het voertuig worden tijdens het rijden zeer heet.
Hete onderdelen zoals uitlaatsysteem, radiateur, motor, schokdempers en remsysteem niet aanraken. De onderdelen eerst laten
afkoelen voordat u met werkzaamheden aan deze onderdelen begint.
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
10 RIJ-INSTRUCTIES 83
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
Aanwijzing
Gevaar voor brandSommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
Voertuig niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het warme voertuig leg-
gen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
Aanwijzing
Schade aan materiaalBeschadiging en vernietiging van componenten door overmatige belasting.
De zijstandaard is alleen geschikt voor het gewicht van de motorfiets. Ga niet op de motorfiets zitten wanneer deze op de zijstandaard
staat. De zijstandaard of het frame kunnen beschadigen en de motorfiets kan omvallen.
Motorfiets afremmen.
Overbrengingssysteem in stationair schakelen.
Ontsteking uitschakelen. Daarvoor de zwarte contactsleutel in de stand OFF draaien.
Info
Als de motor met de noodstopschakelaar is uitgeschakeld en op het contactslot de ontsteking ingeschakeld blijft, wordt de
stroomvoeding van de meeste stroomverbruikers niet onderbroken. Daardoor wordt de accu ontladen. Motor daarom altijd met
het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is alleen bestemd voor noodgevallen.
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
Het stuur blokkeren; daarvoor het stuur naar links zetten, zwarte contactsleutel in de stand OFF indrukken en in de stand LOCK
draaien. Om het vergrendelen in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur iets heen en weer bewegen. Zwarte contactsleu-
tel eruit trekken.
10 RIJ-INSTRUCTIES 84
10.7 Transport
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
Aanwijzing
Gevaar voor brandSommige onderdelen van de motorfiets worden bij gebruik van de motorfiets zeer heet.
Voertuig niet op plaatsen laten staan met licht brandbare en/of ontvlambare materialen. Geen voorwerpen over het warme voertuig leg-
gen. Het voertuig altijd eerst laten afkoelen.
401475-01
Motor uitzetten.
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigingsmiddelen beveiligen tegen
omvallen en wegrollen.
10 RIJ-INSTRUCTIES 85
10.8 Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
Tank het voertuig nooit in de buurt van open vuur of brandende sigaretten en schakel de motor bij het tanken altijd uit. Let er
vooral op dat er geen brandstof wordt gemorst op de hete onderdelen van het voertuig. Gemorste brandstof meteen afvegen.
Als de brandstof wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uitstromen als de tank te vol zit. Aanwijzingen voor het
tanken van brandstof in acht nemen.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Erop letten dat brandstof niet in aanraking komt met de huid, ogen en kleding. Adem brandstofdampen niet in. Bij contact met
de ogen meteen met water spoelen en een arts raadplegen. Verontreinigde huid meteen reinigen met water en zeep. Als brand-
stof is ingeslikt meteen een arts raadplegen. Met brandstof verontreinigde kleding wisselen.
Aanwijzing
Schade aan materiaalVoortijdige slijtage van het brandstoffilter.
In enkele landen en regio's kan het voorkomen, dat de beschikbare brandstof niet voldoende kwaliteit of zuiverheid heeft. Dit leidt tot
problemen in het brandstofsysteem. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Alleen zuivere brandstof tanken, die voldoet aan de aangegeven norm.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
10 RIJ-INSTRUCTIES 86
S00753-10
Motor uitzetten.
Tankdop openen. ( pag. 34)
Brandstoftank tot maximaal aan de onderkant
van de vulopening met brandstof vul-
len.
Brandstoftankvo-
lume totaal ca.
23 l Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 206)
Tankdop sluiten. ( pag. 36)
11 SERVICESCHEMA 87
11.1 Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden of uit de aanbevolen werkzaamheden, moet een
extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
11.2 Verplichte werkzaamheden
om de twee jaar
ieder jaar
om de 30.000 km
om de 15.000 km
na 1.000 km
Foutengeheugen met KTMdiagnosetool uitlezen.
Brandstofdruk controleren.
Werking van de elektrische installatie controleren.
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen. ( pag. 178)
Remschijven controleren. ( pag. 124)
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 128)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 131)
Toestand van de banden controleren. ( pag. 144)
Bandenspanning controleren. ( pag. 146)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. ( pag. 128)
Schokdemper en voorvork controleren op dichtheid. Voorvorkservice en schokdemperservice afhankelijk van
behoefte en gebruiksdoel.
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen.
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren. ( pag. 102)
Kettingspanning controleren. ( pag. 99)
11 SERVICESCHEMA 88
om de twee jaar
ieder jaar
om de 30.000 km
om de 15.000 km
na 1.000 km
Remkabels controleren op beschadiging en lekkage.
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. ( pag. 125)
Koelmiddelpeil in het vaste reservoir controleren. ( pag. 171)
Werking van de radiateurventilator controleren.
Luchtfilter vervangen. Luchtfilterbak reinigen.
Kabels controleren op beschadiging en legging zonder knikken. (brandstoftank gedemonteerd)
Bougies vervangen. (luchtfilter gedemonteerd)
Klepspeling controleren. (luchtfilter en bougie gedemonteerd)
Membranen van secundair-luchtsysteem vervangen.
Remvloeistof voorwielrem verversen.
Remvloeistof achterwielrem verversen.
Balhoofdlagerspeling controleren. ( pag. 105)
Koplampstand controleren. ( pag. 164)
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
Na proefrit foutengeheugen uitlezen met KTM-diagnosetool.
CO-aanpassing controleren met KTM-diagnosetool.
Service-indicatie resetten.
Service op KTM Dealer.net invoeren en noteren in het service- en garantieboekje.
Eenmalig interval
11 SERVICESCHEMA 89
Periodiek interval
11.3 Aanbevolen werkzaamheden
om de vier jaren
om de twee jaar
ieder jaar
om de 15.000 km
na 1.000 km
Olievernevelaars voor koppelingsmering controleren/reinigen.
Achterbrugophanging controleren.
Wiellagers op speling controleren.
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting, ...) smeren en controleren of ze gemakkelijk
bewegen.
Alle slangen (bijv. brandstof, radiateur, ontluchting, aftapslangen, ...) en manchetten controleren op
scheuren, dichtheid en correcte legging.
Antivries controleren.
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. ( pag. 105)
Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen.
Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten.
Koelmiddel verversen.
Eenmalig interval
Periodiek interval
12 CHASSIS AFSTELLEN 90
12.1 Uitgaande demping schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallenHet demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
M00888-10
Stelschroef
met de klok mee draaien tot de laatste voelbare klik.
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Standaard 12 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien tegen de klok in verlaagt
de demping bij het uitveren.
12.2 Veervoorspanning schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallenHet demonteren van onder druk staande onderdelen kan letsel veroorzaken.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof. Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
12 CHASSIS AFSTELLEN 91
M00889-10
Stelschroef
tot de aanslag tegen de klok in draaien.
Afhankelijk van het schokdempertype en het gebruik een aantal slagen met de klok mee
draaien.
Voorgeschreven waarde
Veervoorspanning
Standaard 2 omw
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de veervoorspanning, draaien tegen de klok in
verlaagt de veervoorspanning.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 92
13.1 Motorfiets met hefbok achter opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
C00888-01
Hefbokbevestigingen op de achterbrug monteren.
Bevestiging achter in de hefbok plaatsen.
Adapter (61029055120)
Hefbok achter (61029055400)
Motorfiets rechtop zetten, hefbok aan de achterbrug met de adapters uitlijnen. Motor-
fiets opkrikken.
13.2 Motorfiets van hefbok achter nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 93
402029-10
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
Hefbok achter verwijderen en motorfiets op de zijstandaard
zetten.
Hefbokbevestigingen van achterbrug verwijderen.
13.3 Motorfiets met hefbok voor opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
Kroonplaat onder demonteren. ( pag. 107)
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 94
C00889-01
Hoofdwerk
Stuur in rechtuitstand zetten.
Hefbok vooraan met de adapters bij de vorkbuis aanbrengen.
Bevestiging (61029955620)
Hefbok vooraan (61029055500)
Hefbok voor naar de vorkpoten uitlijnen.
Info
Motorfiets altijd eerst achter opkrikken.
Motorfiets voor opkrikken.
13.4 Motorfiets van hefbok voor nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
M00951-01
Hoofdwerk
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
Hefbok voor verwijderen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 95
Nawerk
Kroonplaat onder monteren. ( pag. 108)
13.5 Motorfiets met montagestandaard (ingestoken) opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
M00927-10
Bestuurdersvoetsteunen omhoog klappen en vastzetten.
Montagestandaard
met kunststofbus in de opening van de achterbrugbout laten grij-
pen.
Montagedeksel (62529055000)
Info
Passende hoogte en breedte van de montagestandaard instellen.
Motorfiets opkrikken.
Controleren of de montagestandaard goed zit.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 96
13.6 Motorfiets van montagestandaard (ingestoken) nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen en/of omvallen.
Het voertuig altijd op een vaste en egale ondergrond plaatsen.
M00928-10
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
Hulpgereedschap
verwijderen.
Montagedeksel (62529055000)
Info
Om geen componenten te beschadigen, de motorfiets langzaam van de montage-
standaard nemen.
De hulp van een tweede persoon kan handig zijn.
Motorfiets op zijstandaard zetten.
Vastzetting bestuurdersvoetsteunen verwijderen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 97
13.7 Zadel verwijderen
S00745-10
De contactsleutel in het zadelslot
steken en 45° met de klok mee draaien.
Zadel achter optillen, naar achteren trekken en naar boven toe verwijderen.
De contactsleutel eruit trekken.
13.8 Zadel monteren
0
0
22 0
0
11
401677-10
Zadel met uitsteeksel
aan de brandstoftank vasthaken, naar achteren neerlaten en
tegelijkertijd naar voren schuiven.
De vergrendelbout
in de slotbehuizing voeren en het zadel achter omlaag duwen,
totdat u hoort dat de vergrendelbout vergrendelt.
Vervolgens controleren of het zadel correct is gemonteerd.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 98
13.9 Kettingvervuiling controleren
400678-01
Ketting controleren op grove vervuiling.
» Als de ketting erg vuil is:
Ketting reinigen. ( pag. 98)
13.10 Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenSmeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
Smeermiddel verwijderen met een geschikt reinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een remmenreiniger.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 99
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
400725-01
Hoofdwerk
Ketting regelmatig reinigen.
Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 209)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray onroad ( pag. 209)
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 92)
13.11 Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenGevaar door verkeerde kettingspanning.
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de versnellingsbak en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige
slijtage en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de versnelling breken. Als de ketting echter te los
zit kan deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op
een correcte kettingspanning letten en indien nodig instellen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 100
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
401664-10
Hoofdwerk
Overbrengingssysteem in stationair schakelen.
In het bereik vóór de kettinggeleiding de ketting omhoog duwen en de kettingspan-
ning
bepalen.
Info
Het bovenste deel van de ketting
moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet de meting op verschillende
plekken van de ketting worden herhaald.
Kettingspanning 40… 45 mm
» Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
Kettingspanning instellen. ( pag. 100)
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 92)
13.12 Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenGevaar door verkeerde kettingspanning.
Als de ketting te strak is gespannen worden de componenten van de secundaire krachtoverbrenging (ketting,
ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en lager in de versnellingsbak en het achterwiel) extra belast. Dit kan leiden tot vroegtijdige
slijtage en in het uiterste geval kunnen ook de ketting of de uitgaande as van de versnelling breken. Als de ketting echter te los
zit kan deze van het ketting-aandrijfwiel resp. het kettingwiel vallen en het achterwiel blokkeren of de motor beschadigen. Op
een correcte kettingspanning letten en indien nodig instellen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 101
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
Kettingspanning controleren. ( pag. 99)
M00890-10
Hoofdwerk
Moer
losdraaien.
Moeren
losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven
links en rechts instellen.
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning 40… 45 mm
Stelschroeven
links en rechts zo draaien, dat de markeringen aan de linker en
rechter kettingspanner
in dezelfde positie staan t.o.v. referentiemarkeringen
.
Zo is het achterwiel correct is uitgelijnd.
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespannen zijn.
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet de instelling op verschil-
lende plekken van de ketting worden gecontroleerd.
Moeren
vastdraaien.
Controleren of de kettingspanners
tegen de stelschroeven
liggen.
Moer
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter M25x1,5 90 Nm Schroefdraad inge-
vet
Info
De kettingspanners
kunnen 180° worden gedraaid.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 102
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 92)
13.13 Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
100132-10
Hoofdwerk
Kettingwiel en ketting-aandrijfwiel controleren op slijtage.
» Als kettingwiel of ketting-aandrijfwiel versleten zijn:
Aandrijfset vervangen.
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moeten altijd samen worden
vervangen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 103
00
0
402479-10
Overbrengingssysteem in stationair schakelen.
Aan het onderste deel van de ketting trekken met het aangegeven gewicht
.
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de kettingslij-
tage
15 kg
De afstand
van 18 kettingschakels aan het bovenste deel van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet de meting op verschillende
plekken van de ketting worden herhaald.
Maximale afstand
op het langste stuk
van de ketting
272 mm
»
Als de afstand
groter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
Info
Als er een nieuwe ketting wordt gemonteerd, moeten ook het kettingwiel
en het ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten sneller op een oud versleten kettingwiel en/of
ketting-aandrijfwiel.
De ketting heeft om veiligheidsredenen geen sluitschakel.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 104
M00891-10
Glijblok aan de uitsparing controleren op slijtage.
Info
In de nieuwe toestand van het glijblok zijn de klinknagels
tot de helft aan de
onderkant
van de uitsparingen zichtbaar.
» Als de klinknagels van de ketting niet meer aan de onderkant van de uitsparing te
zien zijn:
Glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
» Als het glijblok loszit:
Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef glijblok M5 5 Nm
401670-01
Kettinggeleiding controleren op slijtage.
» Als de kettinggeleiding is ingesleten:
Kettinggeleiding vervangen.
Controleren of de kettinggeleiding goed vastzit.
» Als de kettinggeleiding loszit:
Schroeven van de kettinggeleiding vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kettinggeleiding M6 5 Nm
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 92)
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 105
13.14 Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingsplaten zijn versleten.
Geen remvloeistof gebruiken.
S00270-10
Het aan het stuur gemonteerde reservoir van de hydraulische koppeling in horizontale
positie zetten.
Schroeven
verwijderen.
Deksel
met membraan
verwijderen.
Vloeistofpeil controleren.
Vloeistofpeil lager dan bovenkant van
reservoir
4 mm
» Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Hydraulische olie (15) ( pag. 206)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en vastdraaien.
13.15 Balhoofdlagerspeling controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOnveilig rijgedrag door een niet correcte balhoofdspeling.
Balhoofdspeling meteen instellen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 106
Info
Als er gedurende langere tijd wordt gereden met speling in de balhoofdlagers, beschadigen de lagers en daardoor ook de lagerzittin-
gen in het frames.
Voorwerk
Motorfiets met montagestandaard (ingestoken) opkrikken. ( pag. 95)
400738-11
Hoofdwerk
Voertuig aan de achterkant belasten.
Het voorwiel heeft geen contact met de bodem.
Stuur in rechtuitstand zetten. Vorkpoten in rijrichting heen en weer bewegen.
Er mag geen speling in de balhoofdlager te voelen zijn.
» Als er speling voelbaar is:
Balhoofdspeling instellen.
Stuur over het gehele stuurbereik heen en weer bewegen.
Het stuur moet eenvoudig kunnen worden bewogen over het gehele stuurbereik. Er
mogen geen blokkeringen te voelen zijn.
» Als er blokkeringen voelbaar zijn:
Balhoofdspeling instellen.
Balhoofdlager controleren en indien nodig vervangen.
Nawerk
Motorfiets van montagestandaard (ingestoken) nemen. ( pag. 96)
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 107
13.16 Kroonplaat onder demonteren
M00952-11
Schroeven
verwijderen.
Kroonplaatafdekking
iets neerlaten.
M00953-10
De stekkers
van de claxon loskoppelen.
Temperatuursensor
losmaken.
Kroonplaat verwijderen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 108
13.17 Kroonplaat onder monteren
M00953-11
De stekkers
van de claxon koppelen.
Temperatuursensor
vasthaken.
M00952-10
Kroonplaat
positioneren.
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis M6 10 Nm
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 109
13.18 Zijbekleding voor demonteren
M00892-10
Schroef
verwijderen.
M00893-10
Schroeven
verwijderen.
Zijbekleding
verwijderen.
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 110
13.19 Zijbekleding voor monteren
M00894-10
Zijbekleding bij
onder tankafdekking positioneren.
M00895-10
Zijbekleding met het uitsteeksel
in de houder
vastzetten en aan de brandstof-
tank positioneren.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 111
M00892-11
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M5 3,5 Nm
M00893-11
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M5 3,5 Nm
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
13.20 Maskerspoiler demonteren
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
Zijbekleding voor demonteren. ( pag. 109)
Tankafdekking demonteren. ( pag. 117)
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 112
M00896-10
Hoofdwerk
Schroef
verwijderen.
M00897-10
Schroef
verwijderen.
M00898-10
Uitsteeksel
van de binnenbekleding losmaken.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 113
M00899-01
Maskerspoiler naar de zijkant tot uit de bevestigingen trekken.
M00900-10
Uitsteeksel
naar boven toe uit de houder
verwijderen.
Info
Op de kabel van de richtingaanwijzer letten.
M00901-10
Stekkerverbinding
loskoppelen.
Maskerspoiler met richtingaanwijzer verwijderen.
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 114
13.21 Maskerspoiler monteren
M00901-11
Hoofdwerk
Stekkerverbinding
verbinden.
M00900-11
Uitsteeksel
in de houder
positioneren.
Info
Erop letten dat de kabel van de richtingaanwijzer correct wordt gelegd.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 115
M00899-02
Maskerspoiler vanaf de zijkant in de bevestigingen duwen.
M00898-11
Uitsteeksel
in boring positioneren.
M00897-11
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef maskerspoiler M5x17 3,5 Nm
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 116
M00896-11
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef maskerspoiler M5x17 3,5 Nm
Werkstappen aan de andere kant herhalen.
Nawerk
Tankafdekking monteren. ( pag. 119)
Zijbekleding voor monteren. ( pag. 110)
Zadel monteren. ( pag. 97)
13.22 Spatbord voor demonteren
K00024-11
Houder
openen en remkabels losmaken.
Schroeven
verwijderen.
Spatbord naar voren verwijderen.
Info
Op de remkabels letten.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 117
13.23 Spatbord voor monteren
K00024-10
Spatbord positioneren.
Info
Erop letten dat de remkabels correct worden gelegd.
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef spatbord M5x12 3,5 Nm
Remkabels in houders
hangen en houders sluiten.
13.24 Tankafdekking demonteren
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
Zijbekleding voor demonteren. ( pag. 109)
M00902-10
Hoofdwerk
Schroef
verwijderen.
Schroef
verwijderen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 118
M00903-10
Schroef
verwijderen.
Schroef
verwijderen.
M00904-10
Schroef
verwijderen.
M00905-01
Tankafdekking achter optillen voorzichtig naar voren toe verwijderen.
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 119
13.25 Tankafdekking monteren
M00923-10
Hoofdwerk
Tankafdekking positioneren.
Het uitsteeksel
grijpt onder de tank
.
Info
Op de afdichtlip en de ontluchtingsslangen letten.
M00904-11
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M5 3,5 Nm
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 120
M00902-11
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M6 6 Nm
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M5 3,5 Nm
M00903-11
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M6 6 Nm
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M5 3,5 Nm
Nawerk
Zijbekleding voor monteren. ( pag. 110)
Zadel monteren. ( pag. 97)
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 121
13.26 Windscherm demonteren
M00906-10
Schroeven
verwijderen en windscherm
eraf halen.
13.27 Windscherm monteren
M00906-11
Windscherm
positioneren.
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef windscherm M5 3,5 Nm
13 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 122
13.28 Motorbescherming demonteren
M00907-10
Schroeven
verwijderen en motorbescherming
eraf halen.
13.29 Motorbescherming monteren
M00907-11
Motorbescherming
positioneren. Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef motorbescherming M6 10 Nm
14 REMSYSTEEM 123
14.1 ABS / Anti Blokkeer Systeem
0
0
33
0
0
22
0
0
11
0
0
22
401662-01
De ABSunit
is onder het zadel gebouwd en bestaat uit de hydraulische unit, bestu-
ringsunit voor de remelektronica en de retourpomp. Er bevindt zich een wieltoerentalsen-
sor
aan het voor- en achterwiel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBeperkte werking ABS
Het spinnen van het achterwiel met vastgehouden voorwielrem (burn out) is uit-
sluitend toegestaan als het ABS uitgeschakeld is.
Bij wijzigingen zoals kortere en langere veerafstanden, andere velgdiameters,
andere banden, verkeerde bandenspanning, andere remplaketten en dergelijke
kan het ABS niet meer optimaal werken. De optimale werking van het ABS is
enkel gegarandeerd, wanneer voor het remsysteem uitsluitend door KTM vrijge-
geven en/of aanbevolen reserveonderdelen en banden worden gebruikt.
Servicewerkzaamheden en reparaties moeten vakkundig worden uitgevoerd. (De
geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Het ABS is een veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen bij het rechtuit rijden
zonder inwerking van zijwaartse krachten voorkomt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVoertuig slaat om
In extreme rijsituaties (bijvoorbeeld bagage met hoog zwaartepunt, wisselend
wegdek, steil bergaf rijden, vol remmen zonder uitkoppelen) kan niet altijd wor-
den voorkomen dat het voertuig omslaat. Pas het rijgedrag aan de toestand van
de rijweg en uw rijvaardigheden aan.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van elkaar werkende remcircuits (voorwiel- en ach-
terwielrem). Als de besturingsunit voor de remelektronica de blokkeerneiging van het wiel
kent, begint het ABS door het regelen van de remdruk te werken. De regeling is merkbaar
aan een licht pulserende remhendel resp. licht pulserend rempedaal.
14 REMSYSTEEM 124
Het ABSlampje
moet na het inschakelen van de ontsteking gaan branden en uitgaan
wanneer het voertuig rijdt. Als het lampje na het optrekken niet uitgaat of tijdens het rijden
brandt, duidt dit op een fout in het ABS-systeem. Het ABS is dan niet meer actief en de
wielen kunnen bij het remmen blokkeren. Het remsysteem zelf blijft gewoon werken, alleen
de ABS-regeling valt uit.
Het ABSlampje kan ook gaan branden, als in extreme rijsituaties het toerental van het
voor- of achterwiel sterk van elkaar afwijken, bijvoorbeeld bij een wheelie of als het ach-
terwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden gestopt en de ontsteking uitge-
schakeld. Als u weer met het voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het
ABSlampje gaat uit als het voertuig rijdt.
In het menu "MTC/ABS" kan het ABS met de hand uitgeschakeld worden.
Info
Na het inschakelen van het contact is het ABS weer actief.
14.2 Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door versleten remschijf/remschijven.
Versleten remschijf/remschijven meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
14 REMSYSTEEM 125
400618-10
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken controleren op afme-
ting
.
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in het bereik van het raak-
vlak
van de remplaketten.
Remschijven - slijtagegrens
voor 4 mm
achter 4,5 mm
» Als de dikte van de remschijven onder de voorgeschreven waarde ligt.
Remschijf vervangen.
Remschijven voor en achter controleren op beschadiging, scheuren en vervorming.
» Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
Remschijf vervangen.
14.3 Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenUitvallen van het remsysteem.
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle-
ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door te oude remvloeistof.
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
14 REMSYSTEEM 126
M00908-10
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
Remvloeistofpeil van het remvloeistof-reservoir
controleren.
»
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering
is gedaald:
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen. ( pag. 126)
14.4 Remvloeistof voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenUitvallen van het remsysteem.
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle-
ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.
Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door te oude remvloeistof.
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
14 REMSYSTEEM 127
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels
zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Gebruik alleen schone remvloeistof uit een gesloten verpakking!
Voorwerk
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 128)
M00909-10
Hoofdwerk
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizontaal zetten.
Schroeven
verwijderen.
Dop
met membraan
verwijderen.
Remvloeistof tot de MAX-markering
vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 208)
Dop
met membraan
positioneren.
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afspoelen.
14 REMSYSTEEM 128
14.5 Remplaketten voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door versleten remplaketten.
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door beschadigde remschijven.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
M00910-10
Controleren of alle remplaketten aan beide remklauwen de minimale plaketdikte
hebben.
Minimale plaketdikte 1 mm
» Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
Alle remplaketten aan beide remklauwen controleren op beschadiging en scheuren.
» Als er beschadigingen of scheuren zijn:
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
14.6 Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenUitvallen van het remsysteem.
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle-
ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
14 REMSYSTEEM 129
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door te oude remvloeistof.
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
M00911-10
Remvloeistofpeil van het remvloeistof-reservoir
controleren.
»
Als het vloeistofpeil de MIN-markering
heeft bereikt:
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen. ( pag. 129)
14.7 Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenUitvallen van het remsysteem.
Als het remvloeistofpeil daalt tot onder de markering MIN dan duidt dit op een lekkage in het remsysteem en/of volledig versle-
ten remplaketten. Remsysteem controleren, niet doorrijden. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof kan bij aanraking leiden tot huidirritaties.
Erop letten dat remvloeistof niet in aanraking komt met de huid of ogen en houd deze buiten bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Als er remvloeistof in de ogen komt, moet u de ogen grondig met water spoelen en meteen een arts raadplegen.
14 REMSYSTEEM 130
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door te oude remvloeistof.
Remvloeistof van voor- en achterwielrem volgens serviceschema verversen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
In geen geval remvloeistof DOT 5 gebruiken! Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtingen en remkabels
zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Zorg ervoor dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen. Remvloeistof vreet lak aan!
Gebruik alleen schone remvloeistof uit een gesloten verpakking!
Voorwerk
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 131)
M00912-10
Hoofdwerk
Schroefdop
met membraan
verwijderen.
Remvloeistof tot de MAX-markering
vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 208)
Schroefdop
met en membraan
monteren en vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met water afspoelen.
14 REMSYSTEEM 131
14.8 Remplaketten achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door versleten remplaketten.
Versleten remplaketten meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door beschadigde remschijven.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Daardoor vermindert de remwerking
aanmerkelijk en de remschijven beschadigen onherstelbaar. Remplaketten regelmatig controleren.
M00913-10
Controleren of de remplaketten de minimale plaketdikte
hebben.
Minimale plaketdikte
1 mm
» Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
» Als er beschadigingen of scheuren te herkennen zijn:
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
15 WIELEN, BANDEN 132
15.1 Voorwiel demonteren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
Kroonplaat onder demonteren. ( pag. 107)
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. ( pag. 93)
M00914-10
Hoofdwerk
Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
uit de boring trekken.
M00915-10
Schroeven
aan beide remklauwen verwijderen.
Remplaketten terugduwen op de remschijf door de remklauwen licht naar de zijkant te
kantelen.
Remklauwen voorzichtig naar achteren van de remschijven trekken en spanningsvrij
opzij hangen.
Info
Remhendel niet bedienen als de remklauwen verwijderd zijn.
15 WIELEN, BANDEN 133
M00916-10
Schroef
enkele slagen losdraaien.
Schroeven
losdraaien.
Op de schroef
drukken om de steekas uit de asopname te schuiven.
Schroef
verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenMinder remwerking door beschadigde remschijven.
Het wiel altijd zeer neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de voorvork nemen.
Info
Remhendel niet gebruiken wanneer het voorwiel is gedemonteerd.
M00930-10
Afstandsbussen
verwijderen.
15 WIELEN, BANDEN 134
15.2 Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een remmenreiniger.
M00930-11
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
» Als het wiellager beschadigd of versleten is:
Wiellager vervangen.
Keerringen
en loopvlakken
van de afstandsbussen reinigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 209)
S00776-10
De brede afstandsbus
in looprichting links plaatsen.
Info
Het ABSsensorwiel bevindt zich in de looprichting links.
De smalle afstandsbus
in looprichting rechts plaatsen.
15 WIELEN, BANDEN 135
S00775-10
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door olie of vet op de rem-
schijven.
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een
remmenreiniger.
Schroef
en steekas
reinigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 209)
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin zetten.
Info
Het ABSsensorwiel bevindt zich in de looprichting links.
De pijl
moet in dezelfde looprichting wijzen.
De positie van de looprichtingindicatie op de banden kan variëren.
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor M25x1,5 45 Nm Schroefdraad inge-
vet
15 WIELEN, BANDEN 136
M00915-12
Remklauwen positioneren.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
Schroeven
aan beide remklauwen monteren, maar nog niet vastdraaien.
Remhendel meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
een drukpunt aanwezig is. Remhendel ingedrukt vastzetten.
Remklauwen worden uitgelijnd.
Schroeven
aan beide remklauwen vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remklauw voor M10 45 Nm Loctite
®
243™
Vastzetting remhendel verwijderen.
M00914-12
Wieltoerentalsensor
in boring positioneren.
Schroef
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis M6 10 Nm
Motorfiets van hefbok voor nemen. ( pag. 94)
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 92)
15 WIELEN, BANDEN 137
M00916-12
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inveren.
Vorkpoten worden uitgelijnd.
Schroeven
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname M8 15 Nm
15.3 Achterwiel demonteren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
M00917-01
Hoofdwerk
Remklauw met de hand naar de remschijf duwen, om de remzuigers dicht te drukken.
15 WIELEN, BANDEN 138
M00917-10
Schroef
verwijderen en wieltoerentalsensor
uit de boring trekken.
M00918-10
Moer
verwijderen. Kettingspanner
verwijderen.
15 WIELEN, BANDEN 139
M00933-10
Steekas
slechts zo ver eruit trekken, dat het achterwiel naar voren kan worden
geschoven.
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven. Ketting van kettingwiel nemen en ket-
tingkast
wegleggen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door beschadigde remschijven.
Het wiel altijd zo neerleggen, dat de remschijven niet worden beschadigd.
Achterwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Achterwiel uit de achterbrug halen.
Info
Rempedaal niet intrappen als het achterwiel is gedemonteerd.
Afstandsbus
en pakking
verwijderen.
Afstandsbus
verwijderen.
15.4 Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde remwerking door olie of vet op de remschijven.
Remschijven beslist olie- en vetvrij houden en indien nodig reinigen met een remmenreiniger.
15 WIELEN, BANDEN 140
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenGeen remwerking bij het intrappen van de achterwielrem.
Na het monteren van het achterwiel altijd het rempedaal intrappen totdat er een drukpunt aanwezig is.
Hoofdwerk
Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren. ( pag. 142)
M00934-10
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
» Wanneer de wiellager beschadigd of versleten is:
Wiellager vervangen.
Keerringen
en loopvlakken
van de afstandsbussen reinigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 209)
Steekas en schroefdraad van steekas en moer reinigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 209)
M00935-10
Ervoor zorgen dat de demperpakkingen en de kettingwieldrager correct gepositioneerd
zijn.
Pakking
positioneren en afstandsbus
in looprichting links erin zetten.
Afstandsbus
in looprichting rechts erin zetten.
Achterwiel in de achterbrug opheffen en de remschijf in de remklauw haken.
15 WIELEN, BANDEN 141
M00936-10
Steekas
monteren, maar niet tot de aanslag erin schuiven.
Achterwiel zover mogelijk naar voren schuiven en ketting op het kettingwiel leggen.
M00919-10
Steekas tot de aanslag erin schuiven, kettingspanner
en moer
monteren.
Info
Kettingspanners
en
in dezelfde stand monteren.
Controleren of de kettingspanners tegen de stelschroeven liggen.
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en rechts in dezelfde stand ten
opzichte van de referentiemarkeringen
staan, zodat het achterwiel correct is uit-
gelijnd.
Moer
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter M25x1,5 90 Nm Schroefdraad inge-
vet
15 WIELEN, BANDEN 142
M00917-11
Wieltoerentalsensor
in boring positioneren.
Schroef

monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis M6 10 Nm
Rempedaal meerdere keren indrukken tot de remplaketten tegen de remschijf liggen en
er een drukpunt aanwezig is.
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 92)
15.5 Demperpakkingen achterwielnaaf controleren
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel overgebracht via 6 demperpakkingen op het achterwiel. De demperpakkingen
slijten tijdens het gebruik. Als de demperpakkingen niet op tijd worden vervangen, beschadigen de kettingwieldrager en de achter-
wielnaaf.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 92)
Achterwiel demonteren. ( pag. 137)
15 WIELEN, BANDEN 143
M00937-10
Hoofdwerk
Demperpakkingen
van de achterwielnaaf controleren op beschadiging en slijtage.
» Als de demperpakkingen van de achterwielnaaf zijn beschadigd of versleten:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
M00938-10
Achterwiel met het kettingwiel naar boven toe op een werkbank leggen en de steekas in
de naaf steken.
Kettingwielspeling
controleren.
Info
De speling wordt gemeten aan de buitenkant van het kettingwiel.
Speling schokdemperpakkingen achter-
wiel
5 mm
»
Als de speling
groter is dan de voorgeschreven waarde:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervangen.
Nawerk
Achterwiel monteren. ( pag. 139)
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 92)
15 WIELEN, BANDEN 144
15.6 Toestand banden controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOncontroleerbaar rijgedrag door klappen van een band.
Beschadigde of versleten banden voor uw eigen veiligheid meteen vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van
dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor vallenBeperking van het rijgedrag door verschillende bandprofielen aan voor- en achterwiel.
Voor- en achterwiel moeten altijd zijn uitgerust met banden met een gelijksoortig profiel, anders kan de motor oncontroleerbaar
worden.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOngecontroleerd rijgedrag door niet vrijgegeven en/of aanbevolen banden/wielen.
Alleen door KTM vrijgegeven en/of aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerminderde wegligging bij nieuwe banden.
Nieuwe banden hebben een glad contactvlak, waardoor het wegcontact niet volledig is. Het volledige contactvlak moet de eerste
200 kilometers bij een gematigde rijstijl en in verschillende schuine standen worden geruwd. Pas nadat de banden zijn ingere-
den wordt de volledige wegligging bereikt.
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rem- en rijgedrag van het voertuig.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed.
15 WIELEN, BANDEN 145
400602-10
De voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden
in de band zijn gaan zitten en andere beschadigingen.
» Als er insnijdingen, voorwerpen die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en
andere beschadigingen aan de banden te zien zijn:
Banden wisselen.
Profieldiepte controleren.
Info
De minimale profieldiepte volgens de nationale wetgeving in acht nemen.
Minimale profieldiepte 2 mm
» Als de minimale profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
Banden wisselen.
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het opschrift van de banden
en wordt met de laatste vier cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eer-
ste twee cijfers wijzen op de week van productie en de laatste twee cijfers op het
jaar van productie.
KTM adviseert de banden te wisselen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slij-
tage van de banden, uiterlijk echter na 5 jaar.
» Als de band ouder is dan vijf jaar:
Banden wisselen.
15 WIELEN, BANDEN 146
15.7 Bandenspanning controleren
Info
Een te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en maximale levensduur van de band.
400695-01
Ventieldopje verwijderen.
Bandenspanning controleren bij koude banden.
Bandenspanning solo / met bijrijder / volledige nuttige last
voor: Bij koude band 2,4 bar
achter: Bij koude band 2,9 bar
» Als de bandenspanning niet overeenkomt met de voorgeschreven waarde:
Bandenspanning corrigeren.
Ventieldopje monteren.
16 ELEKTRONICA 147
16.1 Dagrijlicht
M00939-01
Het dagrijlicht/zijlicht is geïntegreerd in de hoofdkoplamp.
Het dagrijlicht (DRL) kan bij goede zichtverhoudingen worden ingeschakeld. Activeer het
dagrijlicht in het gecombineerde instrument. De helderheidssensor in het gecombineerde
instrument zorgt voor de besturing. Als er goede zichtverhoudingen zijn, wordt het dimlicht
uitgeschakeld en het dagrijlicht ingeschakeld. Deze brandt vier keer helderder dan het zij-
licht. Als het dagrijlicht uitgeschakeld is, neemt het de functie van zijlicht over.
Info
Houdt u zich aan de wettelijke vereisten voor het dagrijlicht.
16.2 Accu demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor letselAccuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
Vonken of open vlammen uit de buurt van de accu houden. De accu alleen in goed geventileerde ruimtes laden.
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallenAls de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en vei-
ligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
16 ELEKTRONICA 148
Voorwerk
Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
S00746-10
Hoofdwerk
Vergrendeling
in pijlrichting trekken.
Afdekking
openklappen.
S00773-10
Minkabel
van de accu loskoppelen.
Pluskabel
van accu loskoppelen.
Accu met accumantel
uit accuvak halen.
16 ELEKTRONICA 149
16.3 Accu monteren
Waarschuwing
Gevaar voor letselAccuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
Vonken of open vlammen uit de buurt van de accu houden. De accu alleen in goed geventileerde ruimtes laden.
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallenAls de motorfiets met een lege of zonder accu wordt gebruikt, kunnen elektronische componenten en vei-
ligheidsvoorzieningen worden beschadigd.
Motorfiets nooit met een lege of zonder accu gebruiken.
S00773-11
Hoofdwerk
Accu in de accuhouder
positioneren.
Voorgeschreven waarde
De vlakke zijde van de accumantel moet tegenover de polen liggen.
Accu met accumantel in het accuvak positioneren.
Beide pluskabels
positioneren, schroef monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool M6 4,5 Nm
Beide minkabels
positioneren, schroef monteren en vastdraaien.
16 ELEKTRONICA 150
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool M6 4,5 Nm
S00747-10
Afdekking
dichtklappen en iets naar onderen drukken.
Afdekking klikt hoorbaar vast.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 97)
Tijd en datum instellen.
16.4 Accu laden
Waarschuwing
Gevaar voor letselAccuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
Houd accu's buiten bereik van kinderen.
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
Voorkom contact met accuzuur en accugassen.
Vonken of open vlammen uit de buurt van de accu houden. De accu alleen in goed geventileerde ruimtes laden.
Bij aanraking met de huid met veel water spoelen. Als er accuzuur in de ogen komt, ten minste 15 minuten met water spoelen
en een arts opzoeken.
16 ELEKTRONICA 151
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuOnderdelen en componenten van de accu belasten het milieu.
Accu niet bij het huisvuil gooien. Een defecte accu op milieuvriendelijke wijze afdanken. Geef de accu af bij uw geautoriseerde
KTM-dealer of bij een verzamelpunt voor oude accu's.
Waarschuwing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel e.d. op de in de voorschriften voorgeschreven wijze afvoeren.
Info
Ook als de accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden is erg belangrijk voor de levensduur van de accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden ontsnapt er elektrolyt via de veiligheidskleppen. Daardoor verliest
de accu aan capaciteit.
Als de accu leeg is gestart moet hij meteen weer worden geladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treedt er diepteontlading en sulftatie op en dat kan leiden tot vernietiging van de accu.
De accu is onderhoudsvrij, dat betekent dat het zuurniveau niet hoeft te worden gecontroleerd.
Als de accu niet met een acculader van KTM wordt opgeladen, moet de accu voor het laden worden gedemonteerd. Anders kunnen
componenten worden beschadigd door overspanning. De accu laden volgens de gegevens op het accuhuis.
Voorwerk
Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
16 ELEKTRONICA 152
S00746-10
Hoofdwerk
Vergrendeling
in pijlrichting trekken.
Afdekking
openklappen.
S00754-10
Minkabel
van de accu loskoppelen om beschadiging van de boordelektronica te
voorkomen.
M00775-01
Acculader met accu verbinden. Acculader inschakelen.
Acculader (58429074000)
Info
Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het startvermogen van de
accu en dynamo testen. Bovendien kan met deze lader de accu niet worden
overladen.
Accu laden met maximaal 10% van de capaciteit, die op het accuhuis is aange-
geven.
16 ELEKTRONICA 153
Acculader na het laden uitschakelen en van de accu loskoppelen.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden overschreden.
Accu regelmatig bijladen als de motor-
fiets niet wordt gebruikt
3 maanden
S00754-10
Beide minkabels
met accu verbinden.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool M6 4,5 Nm
S00747-10
Afdekking
dichtklappen en iets naar onderen drukken.
Afdekking klikt hoorbaar vast.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 97)
Tijd en datum instellen.
16 ELEKTRONICA 154
16.5 Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brandDoor het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
Voorwerk
Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
M00940-10
Hoofdwerk
Schroeven
verwijderen.
Achterbekleding
iets optillen.
M00941-10
Beschermkapjes
verwijderen.
16 ELEKTRONICA 155
M00942-10
Defecte hoofdzekering
verwijderen.
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad
.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering
.
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig beveiligd.
Nieuwe hoofdzekering erin zetten.
Zekering (58011109130) ( pag. 200)
Werking van de elektrische installatie controleren.
Beschermkapjes monteren.
Tip
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen, zodat u er een bij u hebt als
het nodig is.
M00940-10
Achterbekleding
positioneren.
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef bekledingsdeel M5 3,5 Nm
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 97)
Tijd en datum instellen.
16 ELEKTRONICA 156
16.6 Zekeringen in zekeringenblok vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brandDoor het gebruik van verkeerde zekeringen kan het elektrisch systeem overbelast raken.
Alleen zekeringen gebruiken met het voorgeschreven aantal ampères. Zekeringen nooit overbruggen of repareren.
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het zadel.
Voorwerk
Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor afzetten.
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
C00886-10
Hoofdwerk
Zekeringenblokdeksel
openen.
16 ELEKTRONICA 157
C00887-10
Zekeringen controleren.
Info
Een defecte zekering herkent u aan de gebroken smeltdraad
.
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekeringen res - 10 A - reservezekeringen
Zekering 1 - 10 A - voedingsspanning besturingsunits en componenten
Zekering 2 - 10 A - optionele extra apparatuur
Zekering 3 - 15 A - hydraulische ABSunit
Zekering 4 - 25 A - ABSretourpomp
Zekering 5 - geen functie
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (58011109110) ( pag. 200)
Zekering (58011109115) ( pag. 200)
Zekering (58011109125) ( pag. 200)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen, zodat u er een bij u
heeft als het nodig is.
De werking van de stroomverbruikers controleren.
Zekeringenblokdeksel sluiten.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 97)
16 ELEKTRONICA 158
16.7 Koplampkap met koplamp demonteren
Voorwerk
Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
Zijbekleding voor demonteren. ( pag. 109)
Tankafdekking demonteren. ( pag. 117)
Maskerspoiler demonteren. ( pag. 111)
Windscherm demonteren. ( pag. 121)
S00368-10
Hoofdwerk
Schroeven
verwijderen.
Koplampkap naar voren toe verwijderen.
602645-10
Stekkerverbinding
loskoppelen.
Koplampkap op een zachte doek leggen, zodat de koplamp niet beschadigt.
16 ELEKTRONICA 159
16.8 Koplampkap met koplamp monteren
602645-11
Hoofdwerk
Stekkerverbinding
van koplamp verbinden.
Controleren of de lampen werken.
Koplampkap positioneren.
S00368-11
Schroeven
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Overige schroeven chassis M6 10 Nm
Nawerk
Windscherm monteren. ( pag. 121)
Maskerspoiler monteren. ( pag. 114)
Tankafdekking monteren. ( pag. 119)
Zijbekleding voor monteren. ( pag. 110)
Zadel monteren. ( pag. 97)
Koplampstand controleren. ( pag. 164)
16 ELEKTRONICA 160
16.9 Dimlichtlamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflectorLagere lichtsterkte.
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
Voorwerk
Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
Zijbekleding voor demonteren. ( pag. 109)
Tankafdekking demonteren. ( pag. 117)
Maskerspoiler demonteren. ( pag. 111)
Windscherm demonteren. ( pag. 121)
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 158)
S00297-10
Hoofdwerk
Lamp van de koplamp
licht in de lampfitting duwen tot de aanslag tegen de klok in
draaien en eruit trekken.
Stekker
loskoppelen.
16 ELEKTRONICA 161
S00298-10
Stekker
op de nieuwe lamp van de koplamp aansluiten.
Dimlicht (H11 / sokkel PGJ19-2) ( pag. 200)
Lamp van de koplamp
in de lampfitting positioneren en tot de aanslag met de klok
mee draaien.
Lamp van koplamp vergrendeld in de lampfitting.
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 159)
Windscherm monteren. ( pag. 121)
Maskerspoiler monteren. ( pag. 114)
Tankafdekking monteren. ( pag. 119)
Zijbekleding voor monteren. ( pag. 110)
Zadel monteren. ( pag. 97)
Koplampstand controleren. ( pag. 164)
16.10 Lamp groot licht vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflectorLagere lichtsterkte.
Vet op deze lampbuisjes verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector. De buisjes voor de montage reinigen en vetvrij houden.
Voorwerk
Alle stroomverbruikers uitschakelen en motor uitzetten.
Zadel verwijderen. ( pag. 97)
16 ELEKTRONICA 162
Zijbekleding voor demonteren. ( pag. 109)
Tankafdekking demonteren. ( pag. 117)
Maskerspoiler demonteren. ( pag. 111)
Windscherm demonteren. ( pag. 121)
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 158)
S00295-10
Hoofdwerk
Lamp van de koplamp
licht in de lampfitting duwen tot de aanslag tegen de klok in
draaien en eruit trekken.
Stekker
loskoppelen.
S00296-10
Stekker
op de nieuwe lamp van de koplamp aansluiten.
Groot licht (H11 / sokkel PGJ19-2) ( pag. 200)
Lamp van de koplamp
in de lampfitting positioneren en tot de aanslag met de klok
mee draaien.
Lamp van koplamp vergrendeld in de lampfitting.
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 159)
Windscherm monteren. ( pag. 121)
Maskerspoiler monteren. ( pag. 114)
16 ELEKTRONICA