Micro Motion F-serie-sensor Installatie gids

Type
Installatie gids
Micro Motion
®
F-serie-sensor
Installatiehandleiding
Installatiehandleiding
P/N 20002302, Rev. C
September 2007
Installatie sensor: F-serie 1
Voordat u begint
Voordat u begint
Deze handleiding beschrijft de installatie van een Micro Motion
®
F-serie-sensor. Deze handleiding bevat
de volgende informatie:
Klantenservice
Bel voor technische assistentie de afdeling klantenservice van Micro Motion:
In de VS, tel. 800-522-MASS (800-522-6277) (gratis)
In Canada en Latijns-Amerika, tel. +1 303-527-5200 (VS)
•In Azië:
- In Japan, tel. 3 5769-6803
- In andere landen, tel. +65 6777-8211 (Singapore)
•In Europa:
- In het Verenigd Koninkrijk, tel. 0870 240 1978 (gratis)
- In andere landen, tel. +31 (0)31 84 95 555 (Nederland)
Klanten buiten de VS kunnen de klantenservice van Micro Motion ook e-mailen via
International.MMISupport@EmersonProcess.com.
Probleemoplossing
Raadpleeg de handleiding over configuratie en gebruik van de transmitter voor hulp bij het zoeken
naar storingen.
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 1
Definities. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 2
Installatie in Europa . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 2
Opties voor installatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 2
Installatiestappen
Kiezen van de montagelocatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 8
Montagestand van de sensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 12
Montage van de sensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 13
Bedrading . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 15
Aarding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 19
Aanvullende informatie
Drukspecificaties bij hoge temperaturen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 19
Spoelaansluitingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 20
Retourneringsbeleid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .pagina 22
©2007, Micro Motion, Inc. Alle rechten voorbehouden. ELITE en ProLink zijn gedeponeerde handelsmerken en MVD en
MVD Direct Connect zijn handelsmerken van Micro Motion, Inc., Boulder, Colorado, VS. Micro Motion is een gedeponeerd
handelsmerk van Micro Motion, Inc., Boulder, CO, VS. De logo’s Micro Motion en Emerson zijn handelsmerken en
servicemerken van Emerson Electric Co. Alle andere handelsmerken zijn het eigendom van hun betreffende eigenaars.
2 Installatie sensor: F-serie
Voordat u begint
Specificaties
De volledige productspecificaties zijn te vinden in het productspecificatieblad (product data sheet) van de
F-serie dat verkrijgbaar is via de Micro Motion-website op www.micromotion.com.
Definities
De term MVD
-transmitter heeft betrekking op de volgende transmittermodellen:
Model 1500, 1700, 2500 en 2700
Model 3500 en 3700
De term hoge-temperatuursensor heeft betrekking op de volgende F-seriemodellen:
F025A en F025B
F050A en F050B
F100A of F100B
De term extreem hoge-temperatuursensor heeft betrekking op de volgende F-seriemodellen:
F025C en F025E
F050C en F050E
F100C en F100E
Installatie in Europa
Dit Micro Motion-product voldoet aan alle van toepassing zijnde Europese richtlijnen indien het op de
juiste wijze, volgens de instructies in deze handleiding, wordt geïnstalleerd. In de EU-verklaring van
overeenstemming staat vermeld welke richtlijnen van toepassing zijn op dit product.
De EU-verklaring van overeenstemming, met alle van toepassing zijnde Europese richtlijnen plus de
volledige Tekeningen en instructies voor installatie volgens ATEX, zijn verkrijgbaar via internet
op www.micromotion.com/atex of via de klantenservice van uw plaatselijke Micro Motion-vestiging.
Informatie bevestigd aan apparatuur die voldoet aan de Pressure Equipment Directive (Richtlijn drukapparatuur)
is te vinden op internet op www.micromotion.com/library.
Opties voor installatie
De F-serie-sensor maakt deel uit van een Coriolis-flowmeter. Het andere deel van de flowmeter is een
transmitter. F-serie-sensoren zijn verkrijgbaar met de volgende elektronische aansluitingen:
Een integrale kernprocessor voor aansluiting naar een op afstand gemonteerde vieraderige transmitter
of door de gebruiker te leveren host (afbeelding 1).
Een integrale transmitter, model 1700 of 2700 (afbeelding 2).
Een 9-draads aansluitdoos voor aansluiting op een extern gemonteerde transmitter of kernprocessor
(zie afbeelding 3).
Een integraal gemonteerde IFT9701-transmitter (afbeelding 4).
De modellen voor hoge en extreem hoge temperatuur hebben een flexibele doorvoerbuis waarop
een transmitter van het model 1700/2700, een kernprocessor of een aansluitdoos gemonteerd kunnen
worden (afbeelding 5).
Installatie sensor: F-serie 3
Voordat u begint
Afbeelding 1 F-serie-sensor met kernprocessor
goedkeuringsplaatje
pijl stroomrichting
kernprocessorbehuizing
kalibratieplaatje
procesaansluiting
goedkeuringsplaatje
kalibratieplaatje
kernprocessorbehuizing
spoelaansluiting
spoelaansluiting
sensor met spoelaansluitingen
4 Installatie sensor: F-serie
Voordat u begint
Afbeelding 2 F-serie sensor met geïntegreerd gemonteerde Model 1700/2700 transmitter
Model 1700/2700 transmitter
goedkeuringsplaatje
pijl stroomrichting
kernprocessorbehuizing
kalibratieplaatje
procesaansluiting
kalibratieplaatje
goedkeuringsplaatje
spoelaansluiting
spoelaansluiting
Model 1700 of 2700 transmitter
sensor met spoelaansluitingen
Installatie sensor: F-serie 5
Voordat u begint
Afbeelding 3 F-serie-sensor met aansluitdoos
aansluitdoos
goedkeuringsplaatje
pijl stroomrichting
goedkeuringsplaatje
procesaansluiting
kalibratieplaatje
spoelaansluiting
spoelaansluiting
aansluitdoos
sensor met spoelaansluitingen
kalibratieplaatje
6 Installatie sensor: F-serie
Voordat u begint
Afbeelding 4 F-serie-sensor met geïntegreerd gemonteerde IFT9701-transmitter
kalibratieplaatje
pijl stroomrichting
Model IFT9701-transmitter
goedkeuringsplaatje
procesaansluiting
Model IFT9701-transmitter
goedkeuringsplaatje
kalibratieplaatje
spoelaansluiting
spoelaansluiting
sensor met spoelaansluitingen
Installatie sensor: F-serie 7
Voordat u begint
Afbeelding 5 F-serie-sensor voor hoge temperatuur of extreem hoge temperatuur met
buigzame doorvoerbuis
pijl stroomrichting
transmitter, kernprocessor of aansluitdoos
(kernprocessor afgebeeld)
kalibratieplaatje
procesaansluiting
flexibele doorvoerbuis
goedkeuringsplaatje
8 Installatie sensor: F-serie
Kiezen van de montagelocatie
Stap 1 Kiezen van de montagelocatie
Kies een locatie voor de sensor op basis van de eisen die zijn omschreven in dit hoofdstuk. De volgende
algemene richtlijnen kunnen u helpen bij het kiezen van een geschikte locatie voor de sensor.
Volle flowbuizen
Voor een optimale werking moeten de sensorbuizen met procesvloeistof gevuld blijven.
Installatie in explosiegevaarlijke omgevingen
Controleer of de explosiegevaarlijke omgeving die is aangegeven op het goedkeuringslabel op de sensor
overeenstemt met de omgeving waarin de sensor wordt geïnstalleerd (zie afbeelding 1–5). Raadpleeg de van
toepassing zijnde documentatie van Micro Motion over installatie in een omgeving waar intrinsieke veiligheid
vereist is. Deze documentatie wordt meegeleverd met de sensor of is verkrijgbaar via de Micro Motion
website op www.micromotion.com.
Onjuiste installatie in een explosiegevaarlijke omgeving kan een explosie veroorzaken. Raadpleeg bij
installatie in een explosiegevaarlijke omgeving de goedkeuringsinstructies van Micro Motion, die zijn
meegeleverd bij het product en tevens te vinden zijn op de website van Micro Motion. Voor installatie
in een explosiegevaarlijke omgeving in Europa dient u norm EN 60079-14 te raadplegen als er geen
landelijke normen van toepassing zijn.
Omgevingslimieten
De grenswaarden voor de omgevings- en procestemperatuur staan aangegeven in afbeelding 6 en 7:
Zie afbeelding 6 voor andere modellen van de F-serie-sensor dan die voor hoge temperatuur en
extreem hoge temperatuur.
Zie afbeelding 7 voor F-serie-sensoren voor hoge en extreem hoge temperatuur.
Installatie sensor: F-serie 9
Kiezen van de montagelocatie
Afbeelding 6 Grenswaarden voor omgevings- en procestemperatuur voor F-serie-sensoren
(alle modellen behalve de modellen voor hoge en extreem hoge temperatuur)
Maximale procestemperatuur in °C (°F)
Monteer elektronica op afstand; gebruik aansluitdoos
–100 (–148)
–80 (–112)
–60 (–76)
–40 (–40)
–20 (–4)
0 (32)
20 (68)
40 (104)
60 (140)
80 (176)
–100 (–148)
–60 (–76)
–20 (–4)
20 (68)
60 (140)
120 (248)
33 (91)
Monteer elektronica op afstand; gebruik aansluitdoos
Opmerkingen:
1. Wanneer de omgevingstemperatuur lager is dan –40°C (–40°F), moet een kernprocessor worden verwarmd om de lokale
omgevingstemperatuur te verhogen tot tussen –40°C (–40°F) en +60°C (+140°F). Langetermijnopslag van elektronica
bij omgevingstemperaturen beneden –40°C (–40°F) is niet raadzaam.
2. De temperatuurgrenswaarden kunnen verder beperkt worden door de goedkeuringen voor explosiegevaarlijke omgevingen.
3. Met het optionele temperatuurverlengstuk kan de sensorbehuizing worden geïsoleerd zonder dat de transmitter, kernprocessor
of aansluitdoos worden afgedekt; dit is niet van invloed op de temperatuurwaarden.
70 (158)
200 (392)
–80 (–112)
–40 (–40)
0 (32)
40 (104)
100 (212)
140 (284)
160 (320)
180 (356)
80 (176)
Omgevingstemperatuur van
kernprocessor of transmitter in °C (°F)
10 Installatie sensor: F-serie
Kiezen van de montagelocatie
Afbeelding 7 Grenswaarden voor omgevings- en procestemperatuur voor F-serie-sensor
(modellen voor hoge en extreem hoge temperaturen)
In goedkeuringen voor explosiegevaarlijke omgeving kunnen aanvullende beperkingen worden gesteld aan
de omgevings- en procestemperatuur. Zie voor de ATEX-classificatie “T” de ATEX-documentatie die
meegeleverd wordt met de sensor of beschikbaar is via de Micro Motion website op www.micromotion.com.
Ook de IECEx- en NEPSI-goedkeuringen gebruiken de ATEX-classificatie “T”. De UL en CSA grenswaarden
voor omgevingstemperatuur staan vermeld in Tabel 1.
Tabel 1 UL en CSA grenswaarden voor omgevingstemperatuur
Sensormodel Elektronica °C °F
UL F025, F050, F100, F200 Aansluitdoos of
IFT9701-transmitter
–20 tot +40 –4 tot +104
CSA Alle modellen, behalve die voor
hoge of extreem hoge temperatuur
Aansluitdoos
IFT9701-transmitter
+60 maximum +140 maximum
Kernprocessor of
Model 1700/2700-transmitter
–40 tot +60 –40 tot +140
Modellen voor hoge of extreem
hoge temperatuur
Alle opties –40 tot +60 –40 tot +140
–100 (–148)
–80 (–112)
–60 (–76)
–40 (–40)
–20 (–4)
0 (32)
20 (68)
40 (104)
60 (140)
80 (176)
–100 (–150)
0 (32)
200 (392)
400 (752)
500 (932)
300 (572)
427 (800)
Monteer elektronica op afstand; gebruik aansluitdoos
100 (212)
Modellen hoge temp.
Modellen extreem hoge temp.
Maximale procestemperatuur in °C (°F)
Omgevingstemperatuur van
kernprocessor of transmitter in °C (°F)
Opmerkingen:
1. Wanneer de omgevingstemperatuur lager is dan –40°C (–40°F), moet een kernprocessor worden verwarmd om de lokale
omgevingstemperatuur te verhogen tot tussen –40°C (–40°F) en +60°C (+140°F). Langetermijnopslag van elektronica
bij omgevingstemperaturen beneden –40°C (–40°F) is niet raadzaam.
2. De temperatuurgrenswaarden kunnen verder beperkt worden door de goedkeuringen voor explosiegevaarlijke omgevingen.
350 (662)
Installatie sensor: F-serie 11
Kiezen van de montagelocatie
Maximale lengten bedrading
Als de transmitter op afstand van de transmitter wordt gemonteerd, is de maximale afstand tussen de sensor
en de transmitter afhankelijk van de soort kabel. Zie Tabel 2.
Houd bij hoge-temperatuur en extreem-hoge-temperatuur sensoren van de F-serie rekening met het volgende:
Bij sensoren met een transmitter van het Model 1700/2700 wordt de transmitter geacht ingebouwd te
zijn in de sensor en geldt Tabel 2 daarom niet.
Bij sensoren met een aansluitdoos of kernprocessor gelden de grenswaarden in Tabel 2 alleen voor
de bedrading tussen de aansluitdoos of kernprocessor en een op afstand gemonteerde transmitter.
Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de lengte van de flexibele doorvoerbuis waarop de
aansluitdoos of kernprocessor is gemonteerd.
Pijpleiding
Voor Micro Motion-sensoren is stroomopwaarts of stroomafwaarts van de sensor geen rechte pijplengte vereist.
Kleppen
Nadat de sensor en de transmitter zijn geïnstalleerd, moet u de nulinstellingsprocedure uitvoeren. Tijdens het
instellen van het nulpunt moet de flow door de sensor gestopt zijn en moeten de sensormeetbuizen geheel gevuld
zijn met procesvloeistof. Aanbevolen wordt om een afsluitklep stroomafwaarts van de sensor te monteren
om de flow te stoppen tijdens de nulinstellingsprocedure. Zie voor meer informatie over de nulpuntsinstelling
de instructiehandleiding die met de transmitter is meegeleverd.
Tabel 2 Maximale kabellengten
Kabeltype Koperdoorsnede Maximale lengte
Micro Motion 9-aderig naar een MVD-transmitter of
kernprocessor
Niet van toepassing 20 meter (60 ft)
Micro Motion 9-aderig naar alle andere transmitters Niet van toepassing 300 meter (1000 ft)
Micro Motion 4-aderig Niet van toepassing 300 meter (1000 ft)
Door gebruiker geleverd, 4-aderig
Voedingsbedrading (V d.c.) 0,35 mm
2
(22 AWG) 90 meter (300 ft)
0,5 mm
2
(20 AWG) 150 meter (500 ft)
0,8 mm
2
(18 AWG) 300 meter (1000 ft)
Signaalbedrading (RS-485) 0,35 mm
2
(22 AWG) of groter 300 meter (1000 ft)
12 Installatie sensor: F-serie
Montagestand van de sensor
Stap 2 Montagestand van de sensor
De sensor functioneert goed in elke stand, mits de sensormeetbuizen met procesvloeistof gevuld blijven.
Micro Motion raadt aan om F-serie-sensoren te installeren zoals afgebeeld in afbeelding 8.
Afbeelding 8 Aanbevolen montagestanden sensor
Zelfdrainerende toepassingen
De F-serie-sensor is zelfdrainerend als hij in een verticale pijpleiding geïnstalleerd wordt (zie afbeelding 8).
Voor CIP-toepassingen wordt gebruik aanbevolen van de algemeen aanvaarde stroomsnelheid van ten minste
1,5 m/s voor het schoonmaken van de sensor.
Pijl stromingsrichting
Op de sensor is een stroomrichtingspijl aangebracht (zie afbeelding 1 en 5) om u te helpen de transmitter
voor de stromingsrichting te configureren. Installeer de sensor zo mogelijk in een stand waarbij de
stroomrichtingspijl op de sensor de werkelijke stroomrichting van de vloeistof aangeeft.
Verticale leiding
Als de sensor wordt geïnstalleerd in een verticale pijpleiding, moeten vloeistoffen en slurry’s omhoog
stromen door de sensor. Gassen kunnen omhoog of omlaag stromen.
vloeistoffen
buizen omlaag
horizontale leiding
gassen
buizen omhoog
horizontale leiding
slurry’s en zelf-afvloeiende
toepassingen
vlagtype-montage
verticale leiding
flow
Installatie sensor: F-serie 13
Montage van de sensor
Stap 3 Montage van de sensor
Gebruik beproefde werkmethoden om de torsie- en buigbelasting op procesaansluitingen tot een minimum
te beperken. In afbeelding 9 ziet u hoe de sensor gemonteerd wordt. Om de kans op condensatie of
overmatig vocht te verkleinen, is het beter de doorvoeropening (zo mogelijk) niet omhoog te richten.
De doorvoeropening van de aansluitdoos of kernprocessor kan vrijelijk worden gedraaid om het bedraden
te vergemakkelijken.
Afbeelding 9 Montage van een F-serie-sensor
14 Installatie sensor: F-serie
Montage van de sensor
Montage van de elektronica van sensoren voor hoge of extreem hoge temperatuur
F-serie-sensoren voor hoge of extreem hoge temperatuur worden geleverd met een vooraf geïnstalleerde flexibele
doorvoerbuis van 812 mm (32 in.). Deze doorvoerbuis is vereist voor certificering.
Een door de fabriek geleverde transmitter van Model 1700/2700, kernprocessor of aansluitdoos is aangesloten
op het uiteinde van de flexibele doorvoerbuis. Monteer de elektronica op een wand of instrumentstaaf met
de meegeleverde steun (afbeelding 10).
Afbeelding 10 Montage elektronica F-serie-sensor voor hoge temperatuur
Montagesteun
(wandmontage)
Gebruik vier 8 mm (5/16 in.)
bouten om de steun aan een
wand te bevestigen
Schuif de elektronica in
de gleuf in de steun.
Montagesteun
(instrumentstaaf)
Gebruik twee 8 mm (5/16 in.)
U-bouten om de steun aan een
instrumentstaaf te bevestigen
Bevestig de elektronica op de steun met
de vier meegeleverde nr. 10 schroeven.
Installatie sensor: F-serie 15
Bedrading
Stap 4 Bedrading
Onjuist verzegelde behuizingen kunnen de elektronica blootstellen aan vocht, wat kan leiden tot
meetfouten of een storing in de flowmeter. Inspecteer alle pakkingen en O-ringen en vet ze in. Sluit alle
behuizingsdeksels en openingen van de doorvoerbuis volledig en draai ze aan.
Opties voor installatie
De sensor wordt in één van onderstaande elektronicaconfiguraties geleverd:
Een integrale transmitter van Model 1700/2700 of IFT9701. Tussen de sensor en de transmitter hoeft
geen bedrading te worden gelegd. Ga direct door naar Aarding op pagina 19.
Een kernprocessor naar een 4-aderige transmitter op afstand (4-aderige kabel vereist); zie Kernprocessor
naar een 4-aderige transmitter op afstand hieronder.
Een kernprocessor naar een externe host (4-aderige kabel vereist); raadpleeg de Installatiehandleiding
voor de Micro Motion MVD
Direct Connect
Flowmeter.
Een aansluitdoos naar een 9-aderige externe transmitter (9-aderige kabel vereist); zie Aansluitdoos
naar een op afstand gemonteerde 9-aderige transmitter of kernprocessor op pagina 18.
Kernprocessor naar een 4-aderige transmitter op afstand
Voer onderstaande stappen uit voor het aansluiten van de 4-aderige kabel tussen de kernprocessor en de transmitter.
1. Hanteer één van de onderstaande methodes voor het afschermen van de bedrading van de kernprocessor
naar de transmitter:
Als u onafgeschermde bedrading installeert in een ononderbroken metalen leiding die de ingesloten
bedrading over 360° afschermt, gaat u verder op pagina 17 (stap 6 van de bedradingsprocedure).
Als u een door de gebruiker geleverde kabelwartel installeert met afgeschermde of gewapende
kabel, sluit u de afschermingen aan in de kabelwartel. Sluit zowel de gevlochten bewapening als de
aarddraden aan in de kabelwartel. Sluit de aarddraden nooit aan op de inwendige massaschroef
van de kernprocessor. Ga naar pagina 17 (stap 6 van de bedradingsprocedure).
Als u een door Micro Motion geleverde kabelwartel installeert op de behuizing van de kernprocessor:
- maak de kabel gereed en breng de afgeschermde krimpkous aan zoals hieronder omschreven.
De afgeschermde krimpkous vormt een eindaansluiting van de afscherming, geschikt voor
gebruik in de wartel als de afscherming van uw kabel bestaat uit folie en niet uit een vlechtwerk.
Ga verder naar stap 2 van de bedradingsprocedure, hieronder.
- Bij gewapende kabels met gevlochten afscherming maakt u de kabel gereed zoals hieronder
omschreven, echter zonder krimpkous aan te brengen. Ga verder naar stap 2 van de
bedradingsprocedure, hieronder.
2. Haal het deksel van de behuizing van de kernprocessor.
3. Schuif de wartelmoer en het klemstuk over de kabel.
16 Installatie sensor: F-serie
Bedrading
Afbeelding 11 Micro Motion-kabelwartel en krimpkous
4. Voor aansluiting op de kernprocessorbehuizing maakt u afgeschermde kabel als volgt gereed
(voor gewapende kabel slaat u stap d, e, f en g over):
a. Strip 114 mm (4 1/2 in) van de kabelmantel.
b. Verwijder de transparante omhulling in de kabelmantel en het vulmateriaal tussen de draden.
c. Verwijder de folieafscherming rond de geïsoleerde draden tot er nog 19 mm (3/4 in) folie of
vlechtwerk en aarddraden zichtbaar is en scheid de draden.
d. Wikkel de afgeschermde aarddraad/-draden twee keer rond de blootliggende folie. Knip de
overtollige draad af.
Afbeelding 12 Omwikkelen van de aarddraden van de afscherming
e. Schuif de afgeschermde krimpkous over de blanke aarddraad/-draden. De kous moet de
aarddraden helemaal bedekken.
f. Verhit de kous (120°C [250°F]) om deze te laten krimpen maar verbrand de kabel niet.
114 mm
(4 1/2 in.)
19 mm
(3/4 in.)
22 mm
(7/8 in.)
22 mm
(7/8 in.)
afgeschermde krimpkous
wartelhuis
wartelmoer
wartelklemstuk
Installatie sensor: F-serie 17
Bedrading
Afbeelding 13 Aanbrengen krimpkous
g. Breng het klemstuk zodanig aan dat het binnenste uiteinde gelijk ligt met de krimpkous.
h. Vouw de afscherming van textiel of de gevlochten afscherming met aarddraden over het klemstuk,
ongeveer 3 mm (1/8 in.) voorbij de O-ring.
Afbeelding 14 Vouwen textielafscherming
i. Breng het wartelhuis aan in de doorvoeropening van de kernprocessorbehuizing.
Afbeelding 15 Wartelhuis en kernprocessorbehuizing
5. Steek de draden door het wartelhuis en zet de wartel in elkaar door de wartelmoer vast te draaien.
Laat desgewenst voldoende kabel binnenin de kernprocessorbehuizing zitten om de behuizing
te kunnen draaien zonder de draden te beschadigen.
6. Ga na welke draden de 4-aderige kabel bevat. De 4-aderige kabel die door Micro Motion wordt
geleverd, bestaat uit één paar draden van 0,80 mm
2
(18 AWG) (rood en zwart), die moeten
worden gebruikt voor de gelijkspanningsaansluiting, en één paar draden van 0,35 mm
2
(22 AWG)
(groen en wit), voor de RS-485-aansluiting. Sluit de vier draden aan op de genummerde sleuven
op de kernprocessor (afbeelding 16).
18 Installatie sensor: F-serie
Bedrading
Afbeelding 16 Draden aansluiten op de kernprocessor
7. Breng het deksel op de behuizing van de kernprocessor aan en zet het vast.
8. Aanvullende bedradingsinstructies voor de transmitter zijn te vinden in de handleiding van de transmitter.
NB: Aard de 4-aderige kabelafscherming en de aarddraad/-draden van de afscherming nooit af bij
de transmitter.
Aansluitdoos naar een op afstand gemonteerde 9-aderige transmitter of kernprocessor
Volg onderstaande stappen voor het aansluiten van de 9-aderige kabel tussen de sensor en de transmitter of
kernprocessor.
1. Maak de kabel gereed en installeer deze volgens de instructies in de Installatiegids voor voorbereiding
en installatie van de 9-aderige flowmeterkabel van Micro Motion.
2. Steek de gestripte uiteinden van elk van de draden in de klemmenblokken. Er mogen geen blanke
draden bloot blijven liggen.
3. Zorg dat de kleuren van de draden overeenkomen. Zie de transmitterdocumentatie voor het bedraden
bij de transmitter of kernprocessor op afstand.
4. Draai de schroeven aan om de aders op hun plaats te houden.
5. Controleer of de pakkingen goed aansluiten en draai dan het deksel van de aansluitdoos en alle deksels
van de transmitter- en kernprocessorbehuizing stevig vast en dicht ze af.
Inwendige massaschroef kernprocessorbehuizing
Voor verbinding met de massa (Als de kernprocessor niet via de sensorleiding kan worden geaard
en massaverbindingen volgens plaatselijke voorschriften inwendig moeten worden gemaakt.)
Sluit geen massadraden van de afscherming aan op deze klem
Aansluitpunt 1
Voeding + (rode draad)
Aansluitpunt 2
Voeding – (zwarte draad)
Aansluitpunt 3
RS-485A (witte draad)
Aansluitpunt 4
RS-485B (groene draad)
Installatie sensor: F-serie 19
Aarding
Stap 5 Aarding
De sensor kan via de pijpleiding geaard worden als de naden van de leiding met aarde verbonden zijn.
Als de sensor niet via de pijpleiding wordt geaard, sluit u een aarddraad aan op de inwendige of uitwendige
aardschroef op de kernprocessorbehuizing of aansluitdoos.
Een ondeugdelijke aarding kan leiden tot meetfouten. Verbind de flowmeter met massa of houd u aan
de vereisten voor het aardnet van de locatie.
Als er geen landelijke normen van kracht zijn, houdt u zich aan onderstaande richtlijnen bij de aarding van
de sensor:
Gebruik voor het aarden koperdraad van 2,0 mm² (14 AWG) of dikker.
Houd alle aarddraden zo kort mogelijk; minder dan 1 ohm weerstand.
Verbind de aarddraden rechtstreeks met de aarde of houd u aan de normen van de fabriek.
Drukspecificaties bij hoge temperaturen
Tabel 3 vermeldt de drukspecificaties voor F-serie-sensoren bij hoge temperaturen.
1. Drukspecificatie beperkt door flens (voor 316 sensorbuizen).
2. Drukspecificatie beperkt door sensorbuis voor sensortype F025S, F050S, F050A, F050C.
3. Drukspecificatie beperkt door flens voor sensortype F025A, F025C, F025P, F050P.
4. Drukspecificatie beperkt door flens (voor sensorbuizen van C-22 legering).
Tabel 3 Drukspecificaties bij hoge temperaturen voor de F-serie
EN-1092 flens Drukspecificatie (bar)
Opmer-
king
PN Type Facing Omschrijving ASTM-
materiaal
<50°C 100°C 150°C 200°C 250°C 300°C 350°C 400°C 427°C
40 11
gelaste
nek
B1 & D Flens, EN 1092-1
PN40
vorm B1 & D (316)
316
40,0 40,0 36,3 33,7 31,8 29,7 28,5 27,4 26,9 1
100 11
gelaste
nek
B2 & D Flens, EN 1092-1
PN100
vorm B2 & D (316)
316
100,0 100,0 90,9 84,2 79,5 74,2 71,4 68,5 67,3 1
100/
160
11
gelaste
nek
B2 Flens, EN 1092-1
PN100/160
vorm B2 (316)
316
100,0 100,0 90,9 84,2 79,5 74,2 71,4 68,5 67,3 2
160,0 160,0 145,5 134,8 127,2 118,8 114,2 109,7 107,8 3
40 32/02
overlap-
verbinding
B1 Flens, EN 1092-1
PN40 vorm B1
(overlapverbinding)
C-22
kraag/304
flens
40,0 34,4 30,8 28,0 26,0 24,1 23,0 22,0 21,4 4
20 Installatie sensor: F-serie
Spoelaansluitingen
Spoelaansluitingen
Als de sensor is uitgevoerd met spoelaansluitingen, moeten deze altijd afgesloten blijven. Nadat een spoelplug is
verwijderd, moet de sensorbehuizing worden doorgeblazen met argon of stikstof en opnieuw worden afgedicht.
Het doorblazen van de behuizing beschermt de inwendige onderdelen. In de fabriek is alle zuurstof uit de sensor
verwijderd en werd deze luchtdicht afgesloten. Als de spoelpluggen nooit zijn verwijderd, is doorblazen of opnieuw
afdichten van de sensor niet nodig. Neem voor nadere informatie contact op met de afdeling klantenservice van
Micro Motion.
Een spoelplug verwijderen
Als een spoelplug uit de sensorbehuizing wordt verwijderd, zal de behuizing opnieuw moeten worden
doorgeblazen.
Als u een spoelplug verwijdert, heeft dat gevolgen voor de secundaire behuizing van de sensor en
kan de gebruiker in contact komen met procesvloeistof. Tref bij het verwijderen van spoelpluggen alle
noodzakelijke voorzorgsmaatregelen.
Wanneer de sensorbehuizing verkeerd op druk gebracht wordt, kan dit leiden tot persoonlijk letsel.
Na het verwijderen van een spoelplug moet de sensorbehuizing worden doorgeblazen met een droog
inert gas. Houd u aan alle instructies van de doorblaasprocedure voor de behuizing.
Doorblaasprocedure behuizing
Neem eerst alle instructies door voordat u de doorblaasprocedure voor de behuizing uitvoert. U hoeft deze
procedure alleen uit te voeren nadat een spoelplug is verwijderd.
1. Schakel het proces uit, of zet de regelapparatuur op handmatige bediening.
Als u de doorblaasprocedure uitvoert terwijl de flowmeter in werking is, kan dit de meetprecisie
beïnvloeden en wordt het flowsignaal mogelijk negatief beïnvloed. Schakel het proces uit voordat
u de doorblaasprocedure uitvoert of zet de regelapparatuur op handmatige bediening.
2. Verwijderen beide spoelpluggen uit de sensorbehuizing. Als de doorblaasleidingen in gebruik zijn,
opent u de klep in de leidingen.
3. Maak de spoelpluggen gereed voor herplaatsing door ze te omwikkelen met 3 tot 5 wikkelingen
Teflon
®
-tape.
4. Sluit de stikstof- of argongastoevoer aan op de ingaande doorblaasaansluiting of open de inlaat van
de doorblaasleiding. Laat de afvoeraansluiting open.
Pas op dat er geen vuil, vocht, roestdeeltjes of andere verontreinigingen in de sensorbehuizing
terecht kunnen komen.
Als het doorblaasgas zwaarder is dan lucht (bijvoorbeeld argon), plaats de toevoer dan lager dan
de afvoer, zodat het doorblaasgas de lucht van onderen naar boven verplaatst.
Als het doorblaasgas lichter is dan lucht (zoals stikstof), plaats de toevoer dan hoger dan de afvoer,
zodat het doorblaasgas de lucht van boven naar beneden verplaatst.
5. Zorg dat er een gasdichte afdichting is tussen de toevoeraansluiting en de sensorbehuizing, zodat er
geen lucht naar de behuizing of doorblaasleiding wordt aangezogen tijdens het doorblaasproces.
6. De doorblaasperiode is de tijd die nodig is voor een volledige vervanging van lucht door inert gas.
Deze periode is voor elke sensormaat anders. Zie Tabel 4. Als er doorblaasleidingen worden gebruikt,
verleng dan de doorblaasperiode om ook het bijkomende volume van de leiding te vullen.
Installatie sensor: F-serie 21
Spoelaansluitingen
7. Breng de sensorbehuizing niet onder druk. Sluit na de juiste tijd de gastoevoer af en dicht dan direct de
doorblaasafvoer- en toevoerverbindingen met de spoelpluggen af. Als de druk binnenin de behuizing
tijdens de bewerking hoger wordt dan de atmosferische druk, dan zal de kalibratie voor soortelijke
massa van de flowmeter niet langer accuraat zijn.
8. Zorg dat de afdichtingen van de spoelaansluiting gasdicht zijn, zodat er geen lucht wordt aangezogen
in de sensorbehuizing.
Tabel 4 Tijd voor het legen van de F-serie-sensorkasten
Sensormodel
Doorblaassnelheid
l/uur (ft
3
/hr)
Tijd
(1)
minuten
(1) Als er afvoerleidingen gebruikt worden, moet u de leegtijd verlengen om het extra volume te vullen.
F025 566 (20) 4 1/2
F050 566 (20) 4 1/2
F100 566 (20) 6
F200 566 (20) 15
F300 566 (20) 25
22 Installatie sensor: F-serie
Retourneringsbeleid
Retourneringsbeleid
Bij het retourneren van apparatuur moeten de procedures van Micro Motion worden aangehouden. Deze procedures
garanderen dat aan de eisen van de transportsector wordt voldaan en helpen een veilige werkomgeving te
creëren voor medewerkers van Micro Motion. Als de procedures van Micro Motion niet in acht worden genomen,
zal uw apparatuur niet in ontvangst worden genomen.
Informatie over de procedures en formulieren voor retournering zijn beschikbaar via onze website voor
klantondersteuning op www.micromotion.com of telefonisch bij de klantenservice van Micro Motion.
Nieuwe en ongebruikte apparatuur
Alleen apparatuur die niet is verwijderd uit de oorspronkelijke transportverpakking wordt beschouwd als
nieuw en ongebruikt. Voor nieuwe en ongebruikte apparatuur is een ingevuld Return Materials Authorization
formulier (toestemming tot retourneren van materiaal) nodig.
Gebruikte apparatuur
Alle apparatuur die niet geldt als nieuw en ongebruikt wordt beschouwd als zijnde gebruikt. Dergelijke
apparatuur moet volkomen worden ontsmet en gereinigd voor de retournering.
Bij gebruikte apparatuur moeten een ingevuld Return Materials Authorization formulier en een Decontamination
Statement (verklaring van ontsmetting) worden ingesloten voor alle procesvloeistoffen die met de apparatuur
in aanraking zijn geweest. Als er geen Decontamination Statement kan worden ingevuld (bijv. voor met
levensmiddelen gelijkgestelde vloeistoffen) moet er een verklaring worden bijgesloten waarin ontsmetting officieel
wordt bevestigd en alle stoffen worden gedocumenteerd die met de apparatuur in aanraking zijn geweest.
©2007, Micro Motion, Inc. Alle rechten voorbehouden. P/N 20002302, Rev. C
*20002302*
De meest recente productspecificaties van Micro Motion
kunt u vinden onder PRODUCT op onze website
WWW.MICROMOTION.COM
Emerson Process Management BV
Nederland
Patrijsweg 140
2289 EZ Rijswijk
T +31 (0) 70 413 6607
F +31 (0) 70 413 6603
www.emersonprocess.nl
Emerson Process Management nv/sa
België
De Kleetlaan
1831 Diegem
België
T +32 (0) 2 716 77 11
F +32 (0) 2 725 83 00
gratis nummer klantendienst debietmetingen
T 0800 75 345
www.emersonprocess.be
Emerson Process Management
Micro Motion Europa
Neonstraat 1
6718 WX Ede
Nederland
T +31 (0) 318 495 555
F +31 (0) 318 495 556
Emerson Process Management
Micro Motion Azië
1 Pandan Crescent
Singapore 128461
Republiek Singapore
T +65 6777-8211
F +65 6770-8003
Micro Motion Inc. USA
Wereldwijd hoofdkantoor
7070 Winchester Circle
Boulder, Colorado 80301, VS
T +1 303-527-5200
+1 800-522-6277
F +1 303-530-8459
Emerson Process Management
Micro Motion Japan
1-2-5, Higashi Shinagawa
Shinagawa-ku
Tokyo 140-0002 Japan
T +81 3 5769-6803
F +81 3 5769-6844
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26

Micro Motion F-serie-sensor Installatie gids

Type
Installatie gids