HP Jetdirect 615n Print Server for Fast Ethernet Gebruikershandleiding

Type
Gebruikershandleiding
hp jetdirect
handleiding
voor beheerders
JDAG_frontNL.ai
black + PMS 660 + registration
610n
615n
680n
175x
310x
380x
en3700
200m
250m
280m
Handleiding voor beheerders
Deze gids wordt u aangeboden in PDF-formaat.
U kunt de gids openen in een programma dat
PDF-bestanden ondersteunt.
HP Jetdirect-printservers
Modellen: 175x
310x
380x
en3700
200m
250m
280m
610n
615n
680n
$OOHUHFKWHQYRRUEHKRXGHQ
9HUYHHOYXOGLJLQJEHZHUNLQJHQ
YHUWDOLQJ]RQGHUYRRUDIJDDQGH
VFKULIWHOLMNHWRHVWHPPLQJLVYHUERGHQ
EHKDOYH]RDOVWRHJHVWDDQGRRUKHW
DXWHXUVUHFKW
(GLWLRQ

'HLQIRUPDWLHLQGLWGRFXPHQWNDQ
]RQGHUDDQNRQGLJLQJYRRUDIZRUGHQ
JHZLM]LJG
+DQGHOVPHUNHQ
0LFURVRIW06'26HQ:LQGRZV
]LMQLQGH96JHGHSRQHHUGH
KDQGHOVPHUNHQYDQ0LFURVRIW
&RUSRUDWLRQ1HW:DUHHQ1RYHOO
]LMQ JHGHSRQHHUGHKDQGHOVPHUNHQYDQ
1RYHOO&RUSRUDWLRQ,%0,%0:DUS
6HUYHUHQ2SHUDWLQJ6\VWHP]LMQ
JHGHSRQHHUGHKDQGHOVPHUNHQYDQ
,QWHUQDWLRQDO%XVLQHVV0DFKLQHV&RUS
(WKHUQHWLVHHQJHGHSRQHHUG
KDQGHOVPHUNYDQ;HUR[&RUSRUDWLRQ
3RVW6FULSWLVHHQKDQGHOVPHUNYDQ
$GREH6\VWHPV,QFRUSRUDWHG81,;
LVHHQJHGHSRQHHUGKDQGHOVPHUNYDQ
2SHQ*URXS
2002-2003 Copyright Hewlett-Packard Development Company, LP
NLWW iv
Inhoudsopgave
1. Kennismaking met de
HP Jetdirect-printserver
Inleiding ................................................................................... 7
Ondersteunde printservers ..................................................... 8
Ondersteunde netwerkprotocollen........................................ 10
Beveiligingsprotocollen.......................................................... 12
Bijgeleverde handleidingen................................................... 16
HP-ondersteuning.................................................................. 16
Productregistratie.................................................................. 18
2. Overzicht van softwareoplossingen van HP
Inleiding ................................................................................. 19
Wizard HP Jetdirect Wireless Setup .................................... 22
Wizard HP Install Network Printer (Windows)................... 23
HP Jetdirect Printer Installer for UNIX .............................. 24
HP Web Jetadmin.................................................................. 25
Internet Printer Connection-software .................................. 28
HP IP/IPX Printer Gateway for NDPS................................. 32
HP Wireless Jetdirect Assistant for Mac OS ....................... 34
HP LaserJet-hulpprogramma's voor Mac OS ...................... 35
3. TCP/IP-configuratie
Inleiding ................................................................................. 42
Standaard-IP-adres ............................................................... 43
BOOTP/TFTP gebruiken....................................................... 50
DHCP gebruiken.................................................................... 73
RARP gebruiken .................................................................... 82
De opdrachten arp en ping gebruiken .................................. 84
Telnet gebruiken.................................................................... 86
De ingesloten webserver gebruiken.................................... 114
Het bedieningspaneel van de printer gebruiken................ 115
Verplaatsen naar een ander netwerk ................................. 116
4. De ingesloten webserver gebruiken
Inleiding ............................................................................... 117
Vereisten .............................................................................. 119
De ingesloten webserver bekijken ...................................... 121
Het tabblad Home van HP Jetdirect .................................. 125
Het tabblad Networking...................................................... 128
Overige koppelingen ............................................................ 177
NLWW v
5. Configuratie voor afdrukken via LPD
Inleiding ............................................................................... 178
Overzicht van LPD-setup .................................................... 181
LPD op UNIX-systemen ...................................................... 183
LPD op Windows NT/2000-systemen ................................. 187
LPD op Windows XP-systemen........................................... 194
LPD op Mac OS-systemen................................................... 196
6. Afdrukken via FTP
Inleiding ............................................................................... 199
Vereisten .............................................................................. 199
Afdrukbestanden ................................................................. 200
Afdrukken via FTP .............................................................. 200
Voorbeeld van een FTP-sessie............................................. 205
7. Beveiligingsfuncties
Inleiding ............................................................................... 206
Beveiligingsfuncties gebruiken........................................... 210
8. Problemen met de HP Jetdirect-
printserver oplossen
Inleiding ............................................................................... 212
Fabriekswaarden herstellen ............................................... 213
Algemene probleemoplossing .............................................. 215
Problemen met draadloze printservers oplossen .............. 223
Problemen met de LPD-configuratie voor
UNIX oplossen................................................................... 229
9. HP Jetdirect-configuratiepagina
Inleiding ............................................................................... 232
Opmaak van de configuratiepagina.................................... 233
Berichten op de configuratiepagina .................................... 235
Foutberichten....................................................................... 258
A. Overzicht van TCP/IP
Inleiding ............................................................................... 271
IP-adres ................................................................................ 272
IP-parameters configureren ................................................ 275
Subnetten ............................................................................. 276
Gateways.............................................................................. 277
Syslog-server........................................................................ 278
NLWW vi
B. Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers
Inleiding................................................................................280
Basisconcepten draadloze HP Jetdirect ..............................281
Overzicht van installatie......................................................293
C. Het menu van het
HP Jetdirect-bedieningspaneel
Inleiding................................................................................308
Traditioneel bedieningspaneel.............................................309
Grafisch bedieningspaneel...................................................316
D. OpenSSL-instructies
Index
NLWW 7
1
Kennismaking met de
HP Jetdirect-printserver
Inleiding
Met de HP Jetdirect-printserver kunt u printers en andere
apparaten rechtstreeks op een netwerk aansluiten. Als u een
apparaat rechtstreeks op een netwerk aansluit, kan het op
een praktische plaats worden geïnstalleerd en door meerdere
gebruikers gezamenlijk worden gebruikt. Verder zorgt een
netwerkverbinding dat de gegevensoverdracht van en naar
een apparaat plaatsvindt op netwerksnelheid.
Interne HP Jetdirect-printservers worden geïnstalleerd in
printers van HP die voorzien zijn van een compatibele I/O-sleuf
(Input/Output). Externe HP Jetdirect-printservers kunnen
printers met het netwerk verbinden door de USB-poort van
de printer als netwerkpoort te gebruiken.
Opmerking Tenzij anders aangegeven, verwijst de
term printserver in deze handleiding naar de
HP Jetdirect-printserver en niet naar een aparte
computer waarop printserversoftware wordt
uitgevoerd.
Wanneer een draadloze HP Jetdirect-printserver
op uw netwerk is aangesloten, biedt deze dezelfde
afdrukservices als Jetdirect-printservers die
met behulp van netwerkkabels zijn aangesloten.
Raadpleeg Bijlage B
voor meer informatie over
draadloze HP-printservers.
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 8
Ondersteunde printservers
De functies die in deze handleiding worden beschreven, worden
ondersteund door de volgende HP Jetdirect-printservers, waarvan
de firmware-versies zijn vermeld:
Tabel 1.1 Ondersteunde producten
Model Product-
nummer
Printer-
aanslui-
ting
Netwerk-
aanslui-
ting
Ondersteund
netwerkprotocol
Firmware-
versie
175x J6035C USB 1.1 10/100TX Beperkt* M.25.xx-serie***
310x J6038A USB 1.1 10/100TX Volledig** Q.25.xx-serie
en
3700
J7942A USB 2.0 10/100TX Volledig** A.25.xx-serie
380x J6061A USB 1.1 802.11b
draadloos
Volledig** S.25.xx-serie
200m J6039C LIO-sleuf 10/100TX Beperkt* P.25.xx-serie***
250m J6042B LIO-sleuf 10/100TX Volledig** N.25.xx-serie
280m J6044A LIO-sleuf 802.11b
draadloos
Volledig** T.25.xx-serie
610n J4167A EIO-sleuf Token
Ring
Volledig (met
uitzondering van
AppleTalk)**
L.25.xx-serie
615n J6057A EIO-sleuf 10/100TX Volledig** R.25.xx-serie
680n J6058A EIO-sleuf 802.11b
draadloos
Volledig** U.25.xx-serie
* Beperkte ondersteuning betreft TCP/IP, IPX Direct Mode, AppleTalk (EtherTalk)
en LPD/UNIX.
* Volledige ondersteuning betreft TCP/IP, IPX/SPX, AppleTalk (EtherTalk), LPR/LPD
en beveiliging. Zie Tabel 1.2
.
*** Geen upgrademogelijkheden. Voor het opwaarderen van functies dient u een
nieuw product aan te schaffen dat opgewaardeerde firmware bevat.
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 9
De geïnstalleerde firmware-versie kan op verschillende
manieren worden bepaald, onder andere met behulp van een
HP Jetdirect-configuratiepagina (zie Hoofdstuk 9
), Telnet
(zie Hoofdstuk 3
), de ingesloten webserver (zie Hoofdstuk 4)
en toepassingen voor netwerkbeheer. Zie Firmware-upgrades
voor firmware-updates.
Opmerking Wanneer u een ondersteunde printserver
opwaardeert, dient u de upgrade mogelijk
twee keer uit te voeren als het een lagere
firmware-versie dan X.24.00 betreft. Dit is nodig
als u wilt dat de printserver beheerprogramma's
(bijvoorbeeld de ingesloten webserver) ondersteunt
waarbij gebruik wordt gemaakt van andere talen
dan Engels.
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 10
Ondersteunde netwerkprotocollen
Opmerking Bij draadloze HP Jetdirect-printservers wordt
er in deze sectie van uitgegaan dat een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
De ondersteunde netwerkprotocollen en de meest gebruikte
netwerkprinteromgevingen waarin deze worden gebruikt,
zijn weergegeven in Tabel 1.2
.
Tabel 1.2 Ondersteunde netwerkprotocollen (1 van 2)
Ondersteunde
netwerkproto-
collen
Netwerkomgeving* Productondersteuning
TCP/IP Microsoft Windows
98/Me/NT4.0/2000/XP
(32- en 64-bits), directe modus
Novell NetWare 5 en 6 met NDPS
UNIX en Linux, inclusief:
Hewlett-Packard HP-UX, Sun
Microsystems Solaris (alleen
SPARC-systemen), IBM AIX**,
HP MPE-iX**, RedHat Linux,
SuSE Linux
LPR/LPD (Line Printer Daemon)
IPP (Internet Printing Protocol)
FTP (File Transfer Protocol)
J6035C (175x)***
J6038A (310x)
J7942A (en3700)
J6061A (380x)
J6039C (200m)***
J6042B (250m)
J6044A (280m)
J4167A (610n)
J6057A (615n)
J6058A (680n)
* Raadpleeg het huidige gegevensblad voor het HP Jetdirect-product
voor aanvullende netwerksystemen en versies. Voor werking met andere
netwerkomgevingen neemt u contact op met de fabrikant van uw systeem of een
erkend verkooppunt van HP-producten.
** Voor deze netwerksystemen neemt u contact op met de fabrikant van uw systeem
voor software, documentatie en ondersteuning.
*** Alleen afdrukken in directe modus via IP/IPX in Windows; NetWare wordt niet
ondersteund. IPP wordt niet ondersteund. LPD/UNIX wordt niet ondersteund.
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 11
IPX/SPX en
compatibele
protocollen
Novell NetWare
Microsoft Windows
98/Me/NT4.0/2000/XP (alleen
32-bits), directe modus
J6035C (175x)***
J6038A (310x)
J7942A (en3700)
J6061A (380x)
J6039C (200m)***
J6042B (250m)
J6044A (280m)
J4167A (610n)
J6057A (615n)
J6058A (680n)
AppleTalk
(Alleen
EtherTalk)
Apple Mac OS J6035C (175x)
J6038A (310x)
J7942A (en3700)
J6061A (380x)
J6039C (200m)
J6042B (250m)
J6044A (280m)
J6057A (615n)
J6058A (680n)
DLC/LLC Microsoft Windows NT**
Artisoft LANtastic**
J6038A (310x)
J7942A (en3700)
J6061A (380x)
J6042B (250m)
J6044A (280m)
J4167A (610n)
J6057A (615n)
J6058A (680n)
Tabel 1.2 Ondersteunde netwerkprotocollen (2 van 2)
Ondersteunde
netwerkproto-
collen
Netwerkomgeving* Productondersteuning
* Raadpleeg het huidige gegevensblad voor het HP Jetdirect-product
voor aanvullende netwerksystemen en versies. Voor werking met andere
netwerkomgevingen neemt u contact op met de fabrikant van uw systeem of een
erkend verkooppunt van HP-producten.
** Voor deze netwerksystemen neemt u contact op met de fabrikant van uw systeem
voor software, documentatie en ondersteuning.
*** Alleen afdrukken in directe modus via IP/IPX in Windows; NetWare wordt niet
ondersteund. IPP wordt niet ondersteund. LPD/UNIX wordt niet ondersteund.
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 12
Indien niet bij dit product geleverd, is HP-software voor
netwerkinstallatie en -beheer voor ondersteunde systemen
verkrijgbaar bij HP-ondersteuning op:
http://www.hp.com/support/net_printing
Voor software voor het instellen van het afdrukken over een
netwerk voor andere systemen raadpleegt u de fabrikant van het
systeem.
Beveiligingsprotocollen
SNMP (IP en IPX)
SNMP (Simple Network Management Protocol) wordt door
toepassingen voor netwerkbeheer gebruikt voor het beheer van
apparaten. HP Jetdirect-printservers ondersteunen SNMP en
standaard MIB-II-objecten (Management Information Base) in
IP- en in IPX-netwerken.
HP Jetdirect 175x- en 200m-printservers ondersteunen alleen
een SNMP v1/v2c-agent.
HP Jetdirect-printservers met alle functies ondersteunen een
SNMP v1/v2c-agent en een SNMP v3-agent voor verbeterde
beveiliging.
HTTPS
HP Jetdirect-printservers met alle functies ondersteunen HTTPS
(Secure Hyper Text Transfer Protocol) voor beveiligde, gecodeerde
beheercommunicatie tussen de ingesloten webserver en de
webbrowser.
HTTPS wordt niet ondersteund door op waarden gebaseerde
printservers (bijvoorbeeld HP Jetdirect 175x en 200m).
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 13
Verificatie (draadloze printservers)
Verificatie op serverbasis
Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers ondersteunen
veelgebruikte, op de server gebaseerde verificatiemethoden
voor netwerktoegang op basis van IEEE 802.1x EAP (Extensible
Authentication Protocol), waaronder:
LEAP (Lightweight Extensible Authentication Protocol).
LEAP is een eigen protocol van Cisco Systems, Inc. waarbij
wachtwoorden worden gebruikt voor de onderlinge verificatie
tussen een client en een netwerkverificatieserver.
Voor beveiligde communicatie worden dynamische
coderingssleutels gebruikt.
PEAP (Protected Extensible Authentication Protocol). PEAP
is een wederzijds verificatieprotocol waarbij gebruik wordt
gemaakt van digitale certificaten voor verificatie van de
netwerkserver en van wachtwoorden voor verificatie van clients.
Voor extra beveiliging zijn de uitgewisselde verificatiegegevens
ingekapseld in TLS (Transport Layer Security). Voor beveiligde
communicatie worden dynamische coderingssleutels gebruikt.
EAP-MD5 (EAP met gebruik van Message Digest-algoritme 5,
RFC 1321). EAP-MD5 is een eenrichtingsverificatieprotocol
waarmee de client wordt geverifieerd met behulp van een
wachtwoord dat is beschermd door het MD5-coderingsalgoritme.
EAP-TLS (EAP met gebruik van Transport Layer Security,
RFC 2716). EAP-TLS is een wederzijds verificatieprotocol dat
is gebaseerd op digitale certificaten die voldoen aan X.509 voor
de verificatie van de client en de netwerkverificatieserver. Voor
beveiligde communicatie worden dynamische coderingssleutels
gebruikt.
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 14
EAP-TTLS (EAP waarbij gebruik wordt gemaakt van Tunneled
Transport Layer Security). EAP-TTLS is een EAP-TLS-extensie
die het volgende ondersteunt:
wederzijdse verificatie met behulp van client-
en servercertificaten die voldoen aan X.509 of
eenrichtingsverificatie met behulp van serververificatie op
certificaatbasis, gevolgd door getunnelde clientverificatie op
wachtwoordbasis. Voor extra beveiliging zijn de uitgewisselde
verificatiegegevens ingekapseld in TLS (Transport Layer
Security).
Voor beveiligde communicatie worden bij TTLS dynamische
coderingssleutels gebruikt.
Zonder verificatieserver
Voor kleine kantoornetwerken die geen verificatieserver
hebben, ondersteunen draadloze HP Jetdirect-printservers
netwerkverificatie met behulp van het Extensible Authentication
Protocol met een vooraf gedeelde sleutel (EAP/PSK). Op basis van
een door de gebruiker ingevoerde wachtzin wordt een vooraf
gedeelde sleutel gegenereerd die voor netwerktoegang en
-communicatie wordt gebruikt.
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/PSK-verificatie, wordt gebruik gemaakt van dynamische
WPA-coderingsprotocollen (Wi-Fi Protected Access) voor draadloze
communicatie.
Codering
Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers ondersteunen
statische WEP-codering (Wired Equivalent Privacy). Voor statische
WEP-codering wordt een netwerk-WEP-sleutel met vaste lengte
(40/64-bits of 104/128-bits) gedeeld door elk apparaat op de netwerk.
Afhankelijk van het model van de draadloze printserver, worden de
volgende dynamische coderingsprotocollen ondersteund:
dynamisch WEP
Wi-Fi Protected Access (WPA)
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 15
Opmerking Als EAP/PSK-verificatie met zware codering niet
door de draadloze HP Jetdirect-printserver wordt
ondersteund, wordt dit niet als selecteerbare
configuratieoptie weergegeven.
Wanneer gebruik wordt gemaakt van dynamische codering,
worden de coderingssleutels periodiek gewijzigd. Dit biedt extra
beveiliging, omdat de coderingssleutels waarschijnlijk zullen zijn
veranderd voordat iemand de sleutels heeft kunnen decoderen.
Bij dynamische WEP-codering wordt aan elk apparaat in het
draadloze netwerk een andere coderingssleutel toegewezen die
na een vooraf ingestelde periode verloopt en vervolgens wordt
vervangen.
WPA-codering is een uitgebreide versie van dynamisch WEP
en biedt extra beveiliging. Er worden bijvoorbeeld nieuwe
coderingssleutels gemaakt voor vaste hoeveelheden gegevens
(10 kilobytes) die door een apparaat in het netwerk worden
verzonden.
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 16
Bijgeleverde handleidingen
De volgende handleidingen worden bij uw printserver geleverd
of bij uw printer als de printserver vooraf is geïnstalleerd.
Getting Started Guide, User Guide of vergelijkbare
printerdocumentatie (geleverd bij printers met vooraf
geïnstalleerde HP Jetdirect-printserver).
Deze handleiding, de HP Jetdirect-printserver - Handleiding
voor beheerders.
De HP Jetdirect Print Server Hardware Installation Guide
(alleen voor 610n/615n-printservers, op cd-rom geleverd bij
standaardprintservers).
De HP Jetdirect Wireless Print Server Setup Guides (alleen
voor 680n- en 380x-printservers, op cd-rom geleverd bij
standaardprintservers).
De HP Jetdirect Print Server User's Guides (voor
175x/310x/en3700- en 200m/250m/280m-printservers,
op cd-rom geleverd bij standaardprintservers).
HP-ondersteuning
On line HP-ondersteuning
Gebruik de muis om snel oplossingen te vinden! De website van HP
http://www.hp.com/support/net_printing
is de aangewezen plek om antwoord te vinden op al uw vragen over
de HP Jetdirect-printserver. De website is 24 uur per dag, 7 dagen
per week bereikbaar.
Firmware-upgrades
Hewlett-Packard biedt downloadbare firmware-upgrades voor
HP Jetdirect-printservers die zijn voorzien van geheugen dat kan
worden bijgewerkt (HP Jetdirect 175x- en 200m-producten kunnen
niet worden bijgewerkt). De upgrades zijn van het Internet te
downloaden op:
http://www.hp.com/go/webjetadmin_firmware
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 17
Installatieprogramma's voor firmware
Firmware-upgrades voor ondersteunde HP Jetdirect-printservers
kunnen met een van de volgende installatieprogramma's via een
netwerk worden geïnstalleerd:
HP Jetdirect Download Manager (Windows). HP Jetdirect
Download Manager kan worden gedownload van de website van
de on line ondersteuning van HP op:
http://www.hp.com/go/dlm_sw
HP Web Jetadmin kan worden gebruikt voor ondersteunde
systemen. Bezoek de volgende webpagina voor meer informatie
over HP Web Jetadmin:
http://www.hp.com/go/webjetadmin/
Voor firmware-versies x.24.00 en hoger biedt de ingesloten
webserver op de printserver een functie waarmee
firmware-upgrades kunnen worden uitgevoerd via een
webbrowser. Zie voor meer informatie Hoofdstuk 4
.
Voor firmware-versies x.22.00 en hoger kan met FTP (File
Transfer Protocol) een imagebestand van de firmware-upgrade
worden overgezet op de printserver. Als u een FTP-sessie wilt
starten, gebruikt u het IP-adres of de hostnaam van het
apparaat. Als er een wachtwoord is ingesteld, moet u dat
invoeren om u aan te melden bij het apparaat. Nadat u zich hebt
aangemeld, kunt u gangbare FTP-opdrachten gebruiken om het
apparaat bij te werken, zoals hierna wordt aangegeven:
ftp> bin
ftp> hash
ftp> cd /download
ftp> put <bestandsnaam firmware-image; geef volledige padnaam op>
ftp>######### <Wacht totdat de download is voltooid>
ftp> bye
NLWW Kennismaking met de HP Jetdirect-printserver 18
HP-ondersteuning via de telefoon
Goed opgeleide deskundigen staan klaar om u te helpen. Bezoek
voor actuele telefoonnummers voor ondersteuning en wereldwijd
beschikbare services van HP de volgende website:
http://www.hp.com/support/support_assistance
Opmerking Bel voor gratis ondersteuning in de VS en Canada
1-800-HPINVENT of 1-800-474-6836.
Opmerking De telefoonkosten worden in rekening gebracht bij
de persoon die belt. De tarieven kunnen verschillen.
Neem contact op met uw telefoonmaatschappij voor
actuele tarieven.
Productregistratie
Voor het registreren van uw HP Jetdirect-printserver kunt
u gebruikmaken van de volgende HP-webpagina:
http://www.hp.com/go/jetdirect_register
NLWW 19
2
Overzicht van softwareoplossingen
van HP
Inleiding
HP biedt een verscheidenheid aan softwareoplossingen voor het
instellen en beheren van netwerkapparatuur die met behulp van
HP Jetdirect is aangesloten. Zie Tabel 2.1
om te bepalen welke
software u het best kunt gebruiken.
Opmerking Bezoek voor meer informatie over deze en andere
oplossingen de website van de on line
ondersteuning van HP op:
http://www.hp.com/support/net_printing
Tabel 2.1 Softwareoplossingen (1 van 3)
Besturingssysteem Functie Opmerkingen
Wizard HP Jetdirect Wireless Setup (Windows)
Windows 98, Me, NT 4.0,
2000, XP (alleen 32-bits)
Eén draadloze HP
Jetdirect-printserver
configureren voor een
draadloze verbinding met
uw netwerk.
(Opmerking: deze wizard
installeert de printer niet op
uw systeem.)
Wordt vanaf cd-rom
uitgevoerd op een
draadloze computer.
Biedt de mogelijkheid
IP-adresparameters in
te stellen.
Er is ook een versie
verkrijgbaar die kan
worden uitgevoerd
vanaf de vaste schijf.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 20
Wizard HP Install Network Printer (Windows)
Windows 98, Me, NT 4.0,
2000, XP* (Direct Mode IP
en IPX)
NetWare 4.x, 5.x, 6.0
(alleen IPX/SPX)
*IPX/SPX wordt niet
ondersteund in de 64-bits
versie van Windows XP.
Eén netwerkprinter op het
systeem installeren voor
peer-to-peer-afdrukken
(directe modus) of
client-server-afdrukken
(gedeeld).
Eenvoudige
printerinstallatie,
normaal geïntegreerd
met de
systeemsoftware van
de printer.
Wordt uitgevoerd vanaf
cd-rom.
Er is ook een versie
verkrijgbaar die kan
worden uitgevoerd
vanaf de vaste schijf.
HP Jetdirect Printer Installer for UNIX
HP-UX 10.x-10.20, 11.x
Solaris 2.6, 7, 8 (alleen
SPARCsystems)
TCP/IP
Snelle en eenvoudige
installatie van op
HP Jetdirect aangesloten
printers.
Wordt meegeleverd op
de HP Jetdirect-cd-rom
en kan worden
gedownload van de
HP-website.
HP Web Jetadmin
(Raadpleeg de HP-website
voor updates van
ondersteunde systemen.)
Windows NT 4.0, 2000, XP
HP-UX*
Solaris*
Red Hat Linux, SuSE Linux
NetWare*
TCP/IP, IPX/SPX
*Ondersteunt het maken
van wachtrijen en het
beheer van
randapparatuur vanuit
HP Web Jetadmin dat op
Windows NT 4.0, 2000
of XP wordt uitgevoerd.
Installatie, configuratie en
beheer op afstand van op
HP Jetdirect aangesloten
printservers, niet door HP
vervaardigde printers die
de standaard-MIB's
ondersteunen, en printers
met ingesloten
webservers.
Beheer van
waarschuwingen en
verbruiksartikelen.
Firmware-upgrades op
afstand voor
HP Jetdirect-printservers.
Activaregistratie en
verbruiksanalyse.
Voorkeursoplossing
van HP voor continu
beheer en installatie
van meerdere printers
op willekeurige
plaatsen op het
intranet.
Beheer via de browser.
Tabel 2.1 Softwareoplossingen (2 van 3)
Besturingssysteem Functie Opmerkingen
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 21
Internet Printer Connection-software
Windows NT 4.0, 2000
(Intel)
alleen TCP/IP
Opmerking:
Internet-afdruksoftware
van Microsoft is eveneens
geïntegreerd in
Windows 2000.
Afdrukken via het Internet
naar via HP Jetdirect
aangesloten printers met
IPP (Internet Printing
Protocol).
Biedt economische
distributie van papieren
documenten met hoge
afdrukkwaliteit via het
Internet (dient als
vervanging van fax,
post- en
koeriersdiensten).
Vereist
HP Jetdirect-printserver
(firmware-versie
x.20.00 of hoger)
IPP wordt niet
ondersteund op op
waarden gebaseerde
producten, zoals de
175x en 200m.
HP IP/IPX Printer Gateway for NDPS
NetWare 5.x, 6.0
(alleen IPX)
Vereenvoudigde installatie,
afdrukken en bidirectioneel
beheer van via
HP Jetdirect aangesloten
printers onder NDPS
(Novell Distributed Print
Services).
Dient voor automatische
ontdekking en installatie
van via HP Jetdirect
aangesloten printers
naar NDPS.
Maakt
gebruikerslicenties vrij.
Biedt uitschakeling van
SAP's voor verminderd
netwerkverkeer.
Vereist
HP Jetdirect-firmware-
versie x.20.00 of hoger
HP Wireless Jetdirect Assistant for Mac OS
Mac OS 9.x, X 10.1 Configuratie van draadloze
HP Jetdirect-printservers
met een verbinding met het
netwerk.
Vereist draadloze HP
Jetdirect-printservers
met firmware-versie
x.24.00 of hoger.
Beschikbaar op de
cd-rom van HP
Jetdirect.
HP LaserJet-hulpprogramma's voor Mac OS
Mac OS 9.x Configuratie en beheer
van via HP Jetdirect
aangesloten printers.
Tabel 2.1 Softwareoplossingen (3 van 3)
Besturingssysteem Functie Opmerkingen
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 22
Wizard HP Jetdirect Wireless Setup
De wizard HP Wireless Setup is een hulpprogramma waarmee u de
draadloze HP Jetdirect-printserver configureert met een draadloze
verbinding met het netwerk.
Met de wizard HP Wireless Setup wordt de printer niet op het
systeem geïnstalleerd. Nadat een draadloze netwerkverbinding
tot stand is gebracht, dient u andere
HP-printerinstallatiehulpprogramma's of standaardhulpmiddelen
van het besturingssysteem te gebruiken om de printer op de
netwerksystemen te installeren. Wanneer u de draadloze printer
op een systeem installeert, moet deze op dezelfde manier op het
netwerk worden weergegeven als alle andere printers.
De wizard HP Wireless Setup staat op cd-rom die bij elke draadloze
HP Jetdirect-printserver wordt geleverd. De wizard moet worden
uitgevoerd op een ondersteunde draadloze computer die vooraf
is geconfigureerd om met de HP Jetdirect-printserver te
communiceren. Er is ook een versie van de wizard HP Wireless
Setup beschikbaar die vanaf de vaste schijf van de computer kan
worden uitgevoerd. Download deze versie vanaf de website van de
on line ondersteuning van HP op:
www.hp.com/go/jdwsw_software
Opmerking Hoewel de wizard HP Wireless Setup op de
eerste plaats is bedoeld voor het configureren van
parameters voor een draadloos netwerk, kunt u de
wizard ook gebruiken om vooraf een geldig IP-adres
op de printserver te configureren (bijvoorbeeld in
verband met speciale DHCP-eisen of
toegangslijstbeperkingen).
Vereisten
Draadloze computer, gewoonlijk een laptop.
Microsoft Windows XP (alleen 32-bits), Windows 2000,
Windows NT 4.0, Windows 98 of Windows Me.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 23
Wizard HP Install Network Printer
(Windows)
De wizard HP Install Network Printer is een softwaremodule voor
het snel en gemakkelijk installeren van printers in een TCP/IP- of
IP/IPX-netwerk. Met deze wizard kunt u de printer configureren
met IP-parameters voor een TCP/IP-netwerk of
NDS/Bindery-objecten in een Novell NetWare IPX/SPX-netwerk.
U kunt de wizard HP Install Network Printer vinden op de
HP Jetdirect-cd-rom die bij zelfstandige HP Jetdirect-producten
wordt geleverd. De wizard wordt gestart wanneer u in de interface
van de cd-rom de optie Install en vervolgens Wired kiest.
De wizard wordt uitgevoerd vanaf de cd-rom, hoewel het mogelijk
is dat sommige bestanden tijdelijk op de systeemschijf worden
opgeslagen en vervolgens na het opnieuw opstarten van het systeem
worden verwijderd.
Daarnaast omvat de printerinstallatiesoftware een versie van deze
wizard, die wordt uitgevoerd vanaf een cd-rom die wordt geleverd
bij HP-printers die klaar zijn voor gebruik in een netwerk. Het is
echter mogelijk dat die versie geen ondersteuning biedt voor
installatie in een Novell NetWare-netwerk.
Er is ook een versie beschikbaar die vanaf de vaste schijf van de
computer kan worden uitgevoerd. Download deze versie vanaf de
website van de on line ondersteuning van HP op:
http://www.hp.com/go/inpw_sw
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 24
Vereisten
Microsoft Windows XP, Windows 2000, Windows NT 4.0 of
Windows 98/Me
TCP/IP- of IPX/SPX-netwerkprotocol
Novell NetWare 4.x, 5.x of 6.0
Novell Client-software voor
Microsoft Windows 98/NT 4.0/2000/XP
Wachtrijserver-modus
IPX/SPX-netwerkprotocol
Het juiste printerstuurprogramma
Printerverbinding met het netwerk via een
HP Jetdirect-printserver
HP Jetdirect Printer Installer
for UNIX
De HP Jetdirect Printer Installer for UNIX is bestemd voor
HP-UX- en Solaris-systemen. De software biedt diagnostische
mogelijkheden en installeert en configureert HP-printers die via
HP Jetdirect-printservers met alle functies op een TCP/IP-netwerk
zijn aangesloten. Op waarden gebaseerde printservers, zoals de
175x en 200m, worden niet ondersteund.
De software wordt gedistribueerd via de volgende media:
Op de HP Jetdirect-cd-rom die bij zelfstandige
HP Jetdirect-printservers wordt geleverd
Op de anonieme FTP-site op: ftp.hp.com (directory:
/pub/networking/software)
Op de website van de on line ondersteuning van HP op:
http://www.hp.com/support/net_printing
Raadpleeg de bij de software geleverde documentatie voor
systeemvereisten en installatie-instructies.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 25
HP Web Jetadmin
HP Web Jetadmin is een programma waarmee in een
onderneming uiteenlopende, al dan niet door HP geleverde
netwerkafdrukapparaten op afstand kunnen worden geïnstalleerd,
geconfigureerd en beheerd via een standaardbrowser. HP Web
Jetadmin kan worden gebruikt om zowel afzonderlijke apparaten
als groepen apparaten proactief te beheren.
Hoewel HP Web Jetadmin ondersteuning biedt voor apparaten die
Standard Printer MIB-objecten (Management Information Base)
bevatten voor algemeen beheer, biedt het dankzij de nauwe
integratie met HP Jetdirect-printservers en HP-printers
uitgebreidere beheervoorzieningen.
Raadpleeg de on line Help en de documentatie bij de software voor
informatie over het gebruik van HP Web Jetadmin.
Systeemvereisten
De HP Web Jetadmin-software kan worden uitgevoerd op systemen
met Microsoft Windows NT 4.0, Windows 2000, Windows XP,
Red Hat Linux of SuSE Linux. Voor informatie over ondersteunde
besturingssystemen, ondersteunde clients en compatibele
browserversies bezoekt u de website van de on line ondersteuning
van HP op http://www.hp.com/go/webjetadmin
.
Opmerking Wanneer HP Web Jetadmin op een ondersteunde
hostserver is geïnstalleerd, kunt u met behulp
van een compatibele webbrowser vanaf elke client
toegang krijgen tot het programma door naar de
HP Web Jetadmin-host te bladeren. Dit maakt het
mogelijk printers te installeren en te beheren op
Novell NetWare-netwerken en andere netwerken.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 26
HP Web Jetadmin installeren
Als u de HP Web Jetadmin-software wilt installeren, hebt
u beheerders- of supergebruikersbevoegdheden op het lokale
systeem nodig:
1. Download de installatiebestanden vanaf de website van de
on line ondersteuning van HP op
http://www.hp.com/go/webjetadmin
.
2. Volg de aanwijzingen op het scherm om de HP Web
Jetadmin-software te installeren.
Opmerking U kunt de installatie-instructies ook vinden in het
installatiebestand van HP Web Jetadmin.
De installatie controleren en gebruikers toegang geven
Controleer of HP Web Jetadmin op de juiste manier is
geïnstalleerd door er met uw browser heen te gaan, zoals
weergegeven in het volgende voorbeeld:
http://systeemnaam.domein:poort/
waar
systeemnaam.domein
de hostnaam is van de webserver
en
poort
het poortnummer is dat tijdens de installatie is
toegewezen. Het poortnummer is standaard 8000.
Geef gebruikers toegang tot de HP Web Jetadmin-software door
een koppeling naar de introductiepagina van de webserver toe
te voegen die verwijst naar de URL van HP Web Jetadmin.
Bijvoorbeeld:
http://systeemnaam.domein:poort/
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 27
Een apparaat configureren en wijzigen
Ga met de browser naar de URL van HP Web Jetadmin.
Bijvoorbeeld:
http://systeemnaam.domein:poort/
Volg de aanwijzingen op de desbetreffende pagina voor het
configureren of wijzigen van uw printer.
Opmerking U kunt systeemnaam.domein
ook vervangen
door het TCP/IP-adres.
HP Web Jetadmin verwijderen
Als u de HP Web Jetadmin-software van de webserver wilt
verwijderen, gebruikt u het bij het softwarepakket geleverde
programma voor het verwijderen van de software.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 28
Internet Printer
Connection-software
HP Jetdirect-printservers met alle functies (firmware-versie
x.20.00 of hoger) ondersteunen het Internet Printing Protocol (IPP).
Op waarden gebaseerde printservers, zoals de 175x en 200m,
worden niet ondersteund.
Met de juiste software op het systeem kunt u een IPP-afdrukpad
van het systeem naar een ondersteunde via HP Jetdirect
aangesloten printer via het Internet maken.
Opmerking Voor binnenkomende afdrukpadaanvragen
moet de netwerkbeheerder de firewall zodanig
configureren dat binnenkomende IPP-verzoeken
worden geaccepteerd. Momenteel is het aantal
beveiligingsvoorzieningen dat in de software
beschikbaar is, beperkt.
Hier volgen enkele functies en voordelen van afdrukken via het
Internet:
Tijdgevoelige documenten van hoge kwaliteit kunnen op afstand
in full-color of zwart/wit worden afgedrukt
Documenten kunnen op afstand worden afgedrukt tegen een
fractie van de kosten van de op dit moment gangbare methoden
(zoals fax, post of koeriersdienst)
Het traditionele LAN-afdrukmodel kan worden uitgebreid naar
een Internet-afdrukmodel
Uitgaande IPP-verzoeken voor het verzenden van afdruktaken
kunnen firewalls passeren
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 29
Door HP geleverde software
Het softwareprogramma HP Internet Printer Connection dient
voor het instellen van het afdrukken via het Internet vanaf
computers waarop Windows NT 4.0 of Windows 2000 wordt
uitgevoerd.
1. De software is als volgt verkrijgbaar:
Download HP Internet Printer Connection vanaf de website van
de on line ondersteuning van HP op:
http://www.hp.com/support/net_printing
2. Volg de bij de software geleverde instructies voor het installeren
en instellen van het afdrukpad naar de printer. Vraag uw
netwerkbeheerder om het IP-adres of de URL van de printer
om het instellen te voltooien.
Systeemvereisten voor HP-software
Computer met Microsoft Windows NT 4.0 (op Intel gebaseerd)
of Windows 2000
HP Jetdirect-printserver met IPP (firmware-versie x.20.00
of hoger)
Ondersteunde proxy's voor HP-software
Webproxy met ondersteuning voor HTTP v1.1 of hoger (mogelijk
niet nodig als via een intranet wordt afgedrukt)
Door Microsoft geleverde software
Opmerking Neem contact op met Microsoft voor ondersteuning
voor Windows IPP-software.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 30
In Windows 2000/XP geïntegreerde software
Op systemen met Windows 2000 of XP kunt u in plaats van de
door HP geleverde software de IPP-clientsoftware gebruiken
die in Windows 2000/XP is geïntegreerd. De IPP-functie van de
HP Jetdirect-printserver is compatibel met de IPP-clientsoftware
van Windows 2000/XP.
Als u een afdrukpad naar een via HP Jetdirect
aangesloten Internet-printer wilt instellen met behulp van de
IPP-clientsoftware van Windows 2000/XP, gaat u als volgt te werk:
1. Open de map Printers (klik op Start, kies Instellingen en
klik vervolgens op Printers).
2. Open de wizard Printer toevoegen (dubbelklik op Printer
toevoegen) en klik vervolgens op Volgende.
3. Selecteer de optie voor een netwerkprinter en klik op Volgende.
4. Selecteer Verbinding maken met een printer op het
Internet en voer de URL van de printserver in:
http://IP_address
[/ipp/
port#
]
waarbij
IP_address
het IP-adres is dat geconfigureerd is op de
HP Jetdirect-printserver. [/ipp/port#] geeft het poortnummer
aan op een externe HP Jetdirect-printserver met meerdere
poorten (port1, port2 of port3) waarop de printer is aangesloten
(de standaardinstelling is /ipp/port1).
Klik vervolgens op Volgende.
Voorbeelden:
http://192.160.45.40 Een IPP-verbinding met de interne
HP Jetdirect-printserver 610N/615N
met IP-adres 192.160.45.40.
(/ipp/port1 wordt verondersteld en is
niet vereist.)
http://192.160.45.39/ipp/port2 Een IPP-verbinding naar de externe
HP Jetdirect-printserver met IP-adres
192.160.45.39 en de printer op poort 2.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 31
5. U wordt gevraagd een printerstuurprogramma op
te geven (de HP Jetdirect-printserver bevat geen
printerstuurprogramma, dus uw systeem kan het
stuurprogramma niet automatisch ophalen). Klik op OK om
het printerstuurprogramma op uw computer te installeren en
volg de aanwijzingen op het scherm. (Voor het installeren van
het stuurprogramma hebt u waarschijnlijk de cd-rom van de
printer nodig.)
6. Volg de aanwijzingen op het scherm om de installatie van
het afdrukpad te voltooien.
IPP-client van Windows ME
De IPP-functie van de HP Jetdirect-printserver is compatibel
met de IPP-clientsoftware van Windows ME. De IPP-client
wordt geïnstalleerd vanuit de map Add-Ons van de cd-rom van
Windows ME. Raadpleeg voor het installeren en instellen van de
IPP-client de bij de cd-rom van Windows ME geleverde instructies.
Door Novell geleverde software
De HP Jetdirect-printserver is compatibel met de IPP-functie
die wordt uitgevoerd op NetWare 5.1 met SP1 of hoger. Voor
ondersteuning voor NetWare-clients raadpleegt u de technische
documentatie van NetWare of neemt u contact op met Novell.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 32
HP IP/IPX Printer Gateway for NDPS
NDPS (Novell Distributed Print Services) is een afdrukarchitectuur
die door Novell is ontwikkeld in samenwerking met
Hewlett-Packard. NDPS dient voor het vereenvoudigen en
stroomlijnen van het beheer van het afdrukken via het netwerk.
Met gebruik van NDPS wordt het instellen en koppelen van
afdrukwachtrijen, printerobjecten en printservers overbodig.
Beheerders kunnen NDPS gebruiken voor het beheer van
netwerkprinters in ondersteunde NetWare-omgevingen.
De HP IP/IPX Printer Gateway is een NLM (NetWare Loadable
Module) die voor HP Jetdirect-printservers met alle functies door
HP is ontwikkeld voor gebruik en compatibiliteit met NDPS van
Novell. Op waarden gebaseerde printservers, zoals de 175x en
200m, worden niet ondersteund.
De HP-gateway zorgt voor een naadloze integratie van de printers
die via HP Jetdirect in de NDPS-omgeving zijn aangesloten.
Met behulp van de HP Gateway kan een beheerder statistische
gegevens raadplegen, gatewayinstellingen configureren en
afdrukparameters configureren voor printers die via HP Jetdirect
zijn aangesloten.
Functies
De HP-gateway en NDPS bieden onder andere de volgende functies
en mogelijkheden:
Slimme detectie van printers in NetWare 5.x- en 6.0-omgevingen
Automatische installatie van printers die IPX/SPX gebruiken
Nauwe integratie met NDS en NWAdmin van Novell
Status-updates vanaf printers
Vereenvoudigd automatisch downloaden van
printerstuurprogramma's
Minder SAP-verkeer
Beperking van het aantal vereiste gebruikerslicenties
voor NetWare
Rechtstreeks afdrukken via TCP/IP met NetWare 5.x of 6.0
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 33
De software verkrijgen
De HP IP/IPX Printer Gateway wordt geleverd bij alle actuele
versies van NDPS. NDPS is inbegrepen bij Novell NetWare 5.x en
6.0. Ga als volgt te werk om de meest recente softwareversie of de
bijbehorende documentatie te verkrijgen:
Ga naar http://www.hp.com/go/hpgate_sw
Kies de gewenste stuurprogramma's of software en volg de
downloadaanwijzingen.
De systeemvereisten en de Novell Client-ondersteuning zijn
opgenomen in de documentatie die bij de software wordt geleverd.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 34
HP Wireless Jetdirect Assistant for
Mac OS
Met dit hulpprogramma kunt u een draadloze
HP Jetdirect-printserver met een verbinding met uw
Mac OS-netwerk configureren.
Als u dit hulpprogramma wilt gebruiken, dient de draadloze
HP Jetdirect-printserver te zijn ingesteld op de fabriekswaarden.
Ga als volgt te werk:
1. Plaats de cd-rom in het Mac OS-systeem.
2. Selecteer en open het pictogram van de
HPJETDIRECT-cd-rom.
3. Lees de release-info voor bijgewerkte informatie als deze
beschikbaar is.
4. Selecteer en open de map HP Wireless Jetdirect Assistant
voor het besturingssysteem (Mac OS 9.x of X 10.1).
5. Kies de gewenste taal wanneer u hierom wordt gevraagd
(Mac OS 9.x).
6. Start het hulpprogramma HP WPS Assistant en volg de
aanwijzingen op het scherm.
Als er eenmaal een draadloze verbinding tot stand is gebracht, dient
u andere hulpprogramma's (zoals HP LaserJet Utility for Mac OS)
te gebruiken om de printer voor afdrukken te configureren en te
beheren.
Opmerking Ook kunt u de ingesloten webserver gebruiken
om een netwerkverbinding te configureren.
Zie Bijlage B
.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 35
HP LaserJet-hulpprogramma's voor
Mac OS
Met de HP LaserJet Utilities for Mac OS kunt u de op HP Jetdirect
aangesloten printers beheren in AppleTalk-netwerken. In dit
gedeelte worden de software-installatie en het gebruik van de
HP LaserJet Utilities beschreven. Tevens wordt in dit gedeelte
uitgelegd hoe u de Kiezer gebruikt voor het selecteren en instellen
van een Mac OS-computer zodat u naar uw HP printer kunt
afdrukken.
De printersoftware installeren
Als het HP LaserJet Utility is geleverd op de cd-rom van de
printer, raadpleegt u de documentatie bij de printer voor
installatie-instructies. Ga vervolgens naar de volgende sectie
om de printer te configureren.
Als u de installatie van HP LaserJet Utility uitvoert vanaf de
HP Jetdirect-CD-ROM, gebruik dan de volgende
installatie-instructies.
Opmerking Als u de installatie van HP LaserJet Utility uitvoert
vanaf een andere bron dan de cd-rom, raadpleegt u
de installatie-instructies in het LEESMIJ-bestand
dat bij het programma is geleverd.
Opmerking Programma's voor het opsporen van virussen
kunnen de installatie van deze software verstoren.
Schakel deze programma's uit voordat
uverdergaat.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 36
1. Plaats de cd-rom in het cd-rom-station.
2. Dubbelklik in het venster HP Installer op het
installatiepictogram voor de software in de gewenste taal.
3. Volg de aanwijzingen op het scherm.
Zie voor meer informatie over het configureren van het
printerstuurprogramma de on line documentatie op de bij de
printer geleverde CD-ROM.
De printer configureren
Met HP LaserJet Utility kunt u printerinstellingen, zoals de
naam van de printer en de gewenste zone, via de Mac OS-computer
configureren. Het wordt door Hewlett-Packard aangeraden de
configuratie van de printer met dit hulpprogramma uitsluitend door
een netwerkbeheerder te laten uitvoeren.
Als deze printer door een print-spooler moet worden bediend, stelt
u de naam en de zone voor de printer in voordat u de spooler instelt.
HP LaserJet Utility uitvoeren
1. Zorg ervoor dat de printer aan staat, on line is en dat de
printserver is aangesloten op de printer en het netwerk.
Dubbelklik vervolgens op het pictogram voor het
HP LaserJet Utility.
2. Als de naam van de printer niet wordt weergegeven als
doelprinter, klikt u op Printer selecteren. Het venster
Selecteer een doelprinter wordt weergegeven.
Indien nodig selecteert u in de lijst AppleTalk-zones de
zone waarin de printer zich bevindt. De zone van de printer
wordt aangegeven op de configuratiepagina. Raadpleeg de
hardware-installatiehandleiding voor de printserver of de
Getting Started Guide voor de printer voor instructies voor
het afdrukken van een configuratiepagina.
Selecteer de printer in de lijst Beschikbare printers en
klik op OK.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 37
De netwerkconfiguratie controleren
Controleer de huidige configuratie van het netwerk door een
Jetdirect-configuratiepagina af te drukken. Als u met de printer
nog geen configuratiepagina hebt afgedrukt, raadpleegt u de
hardware-installatiehandleiding voor de printserver of de
printerdocumentatie voor instructies (zie Hoofdstuk 9
voor meer
informatie). Als uw printer een bedieningspaneel heeft, zorgt
u dat gedurende minimaal 1 minuut
KLAAR
in het paneel wordt
weergegeven en drukt u vervolgens de pagina af. De huidige
configuratie staat vermeld in de sectie AppleTalk op de
configuratiepagina.
Opmerking Als er meerdere printers op het netwerk zijn
aangesloten, drukt u een configuratiepagina af om
de naam en de zone van de printer te controleren.
De naam van de printer wijzigen
In de fabriek krijgt de printer een standaardnaam.
Hewlett-Packard acht het ten sterkste aanbevolen dat u de
naam van de printer wijzigt, zodat er niet meerdere printers
met dezelfde naam actief zijn in het netwerk.
LET OP Nadat u de naam van de printer hebt gewijzigd
en afdrukwachtrijen hebt ingesteld, dient u
voorzichtig te zijn met het opnieuw wijzigen van de
naam van de printer. Als u de naam van de printer
opnieuw wijzigt, werken de wachtrijen voor die
printer niet meer.
Opmerking De naam kan maximaal 32 tekens bevatten. Als u
een pieptoon hoort, is er een teken gebruikt dat niet
geldig is. Raadpleeg het Help-systeem van de
software voor informatie over ongeldige tekens.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 38
U kunt de printer elke gewenste naam geven, bijvoorbeeld
"LaserJet 4000 van Bert". Met HP LaserJet Utility beschikt u over
de mogelijkheid om apparaten in verschillende zones en in de lokale
zone een nieuwe naam te geven (er hoeven geen zones te zijn om
HP LaserJet Utility te gebruiken).
1. Selecteer het symbool Instellingen in de lijst met symbolen.
Het dialoogvenster Selecteer een instelling: wordt
weergegeven.
2. Selecteer Printernaam in de lijst.
3. Klik op Bewerken. Het dialoogvenster Printernaam
instellen wordt weergegeven.
4. Typ de nieuwe naam.
5. Klik op OK.
Opmerking Als u de printer een reeds bestaande printernaam
geeft, wordt er een waarschuwingsdialoogvenster
weergegeven waarin u wordt gevraagd een andere
naam te kiezen. Selecteer een andere naam door
stap4en5 te herhalen.
6. Als de printer op een EtherTalk-netwerk is aangesloten,
gaat u door naar de volgende sectie, Een zone selecteren
.
7. U beëindigt de procedure door Stop te kiezen in het menu
Bestand.
Laat de andere gebruikers op het netwerk weten wat de naam van
de nieuwe printer is, zodat ze de printer in de Kiezer kunnen
selecteren.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 39
Een zone selecteren
Met HP Laserjet Utility kunt u een voorkeurszone voor de
printer instellen op een Phase 2 EtherTalk-netwerk. Met dit
hulpprogramma kunt u de zone waarin uw printer verschijnt,
selecteren en zo de standaardzone die door de router is ingesteld,
ongedaan maken. De zones waarvan de printer deel mag uitmaken,
zijn afhankelijk van de netwerkconfiguratie. Met HP LaserJet
Utility kan alleen een zone worden geselecteerd die reeds
voor het netwerk is geconfigureerd.
Zones zijn groepen computers, printers en andere
AppleTalk-apparaten. Deze apparaten kunnen per locatie worden
gegroepeerd (zone A bestaat bijvoorbeeld uit alle printers op het
netwerk in gebouw A). De apparatuur kan daarnaast ook logisch
worden gegroepeerd (bijvoorbeeld alle printers die op de afdeling
Accounting worden gebruikt).
1. Selecteer het symbool Instellingen in de lijst met symbolen.
Het dialoogvenster Selecteer een instelling: wordt
weergegeven.
2. Selecteer Printerzone in de lijst en klik op Bewerken.
Het dialoogvenster Selecteer een zone wordt weergegeven.
3. Selecteer de gewenste netwerkzone in de lijst Selecteer een
zone: en klik op Stel zone in.
4. U beëindigt de procedure door Stop te kiezen in het menu
Bestand.
Laat de andere gebruikers op het netwerk weten wat de naam
van de nieuwe printer is, zodat ze de printer in de Kiezer kunnen
selecteren.
De printer selecteren
1. Selecteer de Kiezer in het menu Apple.
2. Selecteer het printerpictogram voor gebruik met uw printer.
Als het gewenste printersymbool niet in de Kiezer wordt
weergegeven of als u niet zeker weet welk symbool u voor
uw printer moet kiezen, raadpleegt u De printersoftware
installeren in dit hoofdstuk.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 40
3. Als AppleTalk niet actief is, wordt er op uw scherm een
waarschuwingsdialoogvenster weergegeven. Selecteer OK.
De knop Actief wordt ingeschakeld.
Als uw netwerk op andere netwerken is aangesloten, wordt
de keuzelijst AppleTalk-zones weergegeven in de Kiezer.
4. Selecteer, indien nodig, de zone waarin de printer zich bevindt
in de lijst AppleTalk-zones.
5. Selecteer de gewenste printernaam in de lijst met printernamen
rechtsboven in de Kiezer. Als de naam van de printer niet in de
lijst wordt weergegeven, controleert u of:
de printer aan staat en on line is;
de printserver op de printer en op het netwerk is aangesloten;
de printerkabel goed is aangesloten.
Als de printer over een bedieningspaneel beschikt, moet het
bericht
KLAAR
verschijnen. Zie Hoofdstuk 8 voor meer informatie.
Opmerking Als uw printer de enige naam is die in het
dialoogvenster wordt weergegeven, moet
deze toch worden geselecteerd. De printer blijft
geselecteerd tot u met de Kiezer een andere printer
selecteert.
6. Klik op Setup of Maak in de Kiezer en selecteer vervolgens,
als u daarom wordt gevraagd, het gewenste PPD-bestand
(PostScript Printer Description) voor de printer. Zie de on line
documentatie voor meer informatie.
7. Stel Afdrukken in achtergrond in op AAN of UIT.
Als Afdrukken in achtergrond UIT staat wanneer u een
afdruktaak naar de printer stuurt, worden er op het scherm
statusberichten weergegeven en moet u wachten tot de
berichten zijn verdwenen tot u verder kunt werken.
Als Afdrukken in achtergrond AAN staat, worden de berichten
naar de PrintMonitor doorgestuurd, zodat u kunt doorwerken
terwijl de printer bezig is met het afdrukken van de taak.
NLWW Overzicht van softwareoplossingen van HP 41
8. Sluit de Kiezer.
Wanneer u uw gebruikersnaam op het netwerk wilt weergeven
tijdens het afdrukken van documenten, gaat u naar het
bedieningspaneel van uw Mac OS-computer en selecteert
u Samengebruik-configuratie. Typ vervolgens uw naam
(als eigenaar).
De configuratie controleren
1. Selecteer Print venster in het menu Bestand of, als er geen
venster is geopend, Print bureaublad.
Het dialoogvenster Print wordt weergegeven.
2. Klik op Print.
Als de afdruktaak door de printer wordt uitgevoerd, hebt u de
printer juist op het netwerk aangesloten. Als de printer niets
afdrukt, raadpleegt u Hoofdstuk 8
.
NLWW 42
3
TCP/IP-configuratie
Inleiding
Voor een juiste werking op een TCP/IP-netwerk moet de
HP Jetdirect-printserver worden geconfigureerd met geldige
TCP/IP-netwerkconfiguratieparameters, zoals een IP-adres dat
geldig is voor het netwerk. Raadpleeg Bijlage A
voor algemene
informatie over TCP/IP-netwerken.
Op server gebaseerde en handmatige
TCP/IP-configuratie
Wanneer de HP Jetdirect-printserver met de fabrieksinstellingen
wordt ingeschakeld, wordt automatisch geprobeerd de
TCP/IP-configuratie voor de printserver in te stellen aan de hand
van een op de server gebaseerde methode, zoals BOOTP/TFTP,
DHCP/TFTP of RARP. Deze servermethoden worden later in dit
hoofdstuk beschreven.
De printserver kan ook handmatig worden geconfigureerd.
Dit kan onder andere met Telnet, met een webbrowser,
via het bedieningspaneel van de printer, met de opdrachten
arp en ping (wanneer het standaard-IP-adres 192.0.0.192 is)
en met SNMP-beheersoftware. De TCP/IP-configuratiewaarden
die handmatig worden toegewezen, blijven bewaard wanneer de
printserver wordt uitgeschakeld en weer wordt ingeschakeld.
De printserver kan op elk gewenst moment worden ingesteld op
een serverconfiguratie of op een handmatige configuratie van de
TCP/IP-instellingen.
NLWW TCP/IP-configuratie 43
Standaard-IP-adres
Wanneer de fabrieksinstellingen van de HP Jetdirect-printserver
actief zijn (bijvoorbeeld bij levering of na een 'cold reset' van de
printserver), heeft de printserver geen IP-adres. Afhankelijk van de
netwerkomgeving kan een standaard-IP-adres zijn toegewezen.
Geen toewijzing van standaard-IP-adres
Er wordt geen standaard-IP-adres toegewezen als de
servermethode (zoals BOOTP of DHCP) heeft gewerkt.
Als de printserver wordt uitgeschakeld en weer wordt
ingeschakeld, wordt opnieuw dezelfde methode gebruikt om de
IP-configuratie-instellingen op te halen. Als het nu niet lukt om
de IP-configuratie-instellingen met deze methode op te halen
(bijvoorbeeld omdat de BOOTP- of DHCP-server niet meer
beschikbaar is), wordt geen standaard-IP-adres toegewezen.
In plaats daarvan blijft de printserver voor onbepaalde tijd
IP-configuratieverzoeken verzenden. U moet de fabriekswaarden
van de printserver activeren ('cold reset') om dit gedrag te
veranderen.
Er wordt ook geen standaard-IP-adres toegewezen als op een vaste
printserver geen netwerkkabel is aangesloten.
Toewijzing van standaard-IP-adres
Er wordt wel een standaard-IP-adres toegewezen als de methoden
met fabriekswaarden geen succes hebben, of als de beheerder de
printserver alleen heeft geconfigureerd voor gebruik van een
servermethode (zoals BOOTP of DHCP) die niet werkt.
NLWW TCP/IP-configuratie 44
Als een standaard-IP-adres wordt toegewezen, hangt het
adres af van het netwerk waarop de printserver is aangesloten.
De printserver tast broadcast-pakketten op het netwerk af
om de juiste standaard-IP-instellingen vast te stellen:
Op kleine particuliere netwerken waarin IP-adressen
automatisch op basis van standaarden worden toegewezen,
gebruikt de printserver een link-local adresseringstechniek
om een uniek IP-adres toe te wijzen. Link-local adressering
kan Auto IP worden genoemd. Het toegewezen IP-adres ligt
in het bereik van 169.254.1.0 tot 169.254.254.255 (meestal
"169.254/16" genoemd) en zou in principe geldig moeten zijn.
Het adres kan indien nodig echter voor het netwerk worden
aangepast met behulp van ondersteunde TCP/IP-
configuratieprogramma's.
Bij link-local adressen worden geen subnetten gebruikt.
Het subnetmasker is 255.255.0.0 en kan niet worden gewijzigd.
Link-local adressen reiken niet verder dan de lokale verbinding
en er is geen toegang tot of vanaf het Internet mogelijk.
Het standaard-gateway-adres is hetzelfde als het
link-local adres.
Als er een dubbel adres wordt gedetecteerd, wordt het adres van
de HP Jetdirect-printserver indien nodig automatisch opnieuw
toegewezen overeenkomstig de standaardtoewijzingsmethoden
voor link-local adressen.
Op omvangrijke netwerken of bedrijfsnetwerken wordt het
tijdelijke adres 192.0.0.192 toegewezen totdat met behulp
van ondersteunde TCP/IP-configuratieprogramma's een geldig
adres wordt ingesteld. Dit adres noemen we het legacy
standaard-IP-adres.
Op netwerken met diverse omgevingen is het automatisch
toegewezen standaard-IP-adres 169.254/16 of 192.0.0.192.
In dit geval dient u op de Jetdirect-configuratiepagina te
controleren of het toegewezen standaard-IP-adres het adres
is wat u verwachtte.
Het IP-adres dat op de printserver is geconfigureerd, is te vinden
op de Jetdirect-configuratiepagina voor de printserver.
Zie Hoofdstuk 9
.
NLWW TCP/IP-configuratie 45
Configuratie-opties voor het standaard-IP-adres
Parameter Default IP
Met de configuratieparameter Default IP op de printserver regelt
u de standaard-IP-methode.
Wanneer de fabrieksinstellingen van de printserver actief zijn,
is deze parameter niet gedefinieerd. Als de printserver in eerste
instantie wordt geconfigureerd met een standaard-IP-adres (hetzij
een link-local adres, hetzij het IP-adres 192.0.0.192), wordt de
parameter Default IP ingesteld op Auto IP dan wel Legacy Default
IP. Deze parameterinstelling bepaalt het IP-adres dat moet worden
gebruikt wanneer de printserver geen IP-adres van het netwerk kan
verkrijgen tijdens een gedwongen TCP/IP-herconfiguratie
(bijvoorbeeld wanneer handmatig is ingesteld dat BOOTP of DHCP
moet worden gebruikt).
De parameter Default IP kan worden gewijzigd met een
ondersteund configuratieprogramma, zoals Telnet, met een
webbrowser, via het bedieningspaneel van bepaalde printers
of met een SNMP-beheertoepassing.
DHCP-verzoeken inschakelen/uitschakelen
Wanneer een standaard-IP-adres is toegewezen, kunt u aangeven
of periodiek DHCP-verzoeken moeten worden verzonden.
DHCP-verzoeken worden gebruikt om IP-configuratie-instellingen
op te vragen van een DHCP-server op het netwerk. Deze parameter
is standaard ingeschakeld, zodat DHCP-verzoeken kunnen worden
verzonden. Deze parameter kan echter worden uitgeschakeld met
ondersteunde configuratieprogramma's, zoals Telnet, met een
webbrowser of met een SNMP-beheertoepassing.
Draadloze HP Jetdirect-printserver. Wanneer een draadloze
printserver voor de eerste keer met de fabrieksinstellingen wordt
ingeschakeld terwijl de printserver niet is verbonden met een
netwerk, wordt waarschijnlijk automatisch een link-local IP-adres
aan de printserver toegewezen. Als verbinding wordt gemaakt met
een netwerk dat op een DHCP-server is gebaseerd, wordt het
IP-adres waarschijnlijk opnieuw geconfigureerd omdat op de
printserver standaard DHCP-verzoeken zijn ingeschakeld.
NLWW TCP/IP-configuratie 46
Standaard-IP op draadloze en vaste printservers
De resultaten van een standaard-IP-configuratie kunnen op vaste
en draadloze printservers verschillen:
Wanneer een vaste printserver met de fabrieksinstellingen
wordt ingeschakeld, worden systematisch BOOTP, DHCP en
RARP gebruikt om de IP-instellingen voor de printserver op
te halen. Dit proces duurt maximaal twee minuten. Als de
configuratie mislukt, wordt een standaard-IP-adres toegewezen
op de wijze die hiervoor is beschreven.
Voor een draadloze printserver met fabrieksinstellingen moet
eerst een netwerkverbinding worden geconfigureerd voordat
er communicatie tussen de printserver en het netwerk kan
plaatsvinden. Daarom is de tijd voor het ophalen van de
IP-instellingen van een netwerk beperkt tot ongeveer vier
seconden. In die tijd wordt één BOOTP-verzoek verzonden
en worden broadcast-pakketten afgetast. Omdat het
niet waarschijnlijk is dat van een BOOTP-server op een
ad-hocnetwerk een antwoord wordt verkregen en het
aantal afgetaste broadcast-pakketten minimaal zal zijn,
zal hoogstwaarschijnlijk sprake zijn van een
standaard-IP-configuratie met behulp van link-local
adressering.
De IP-configuratie kan echter veranderen wanneer de draadloze
printserver wordt verbonden met een DHCP-netwerk, omdat
het verzenden van DHCP-verzoeken standaard zal zijn
ingeschakeld.
Configuratieprogramma's waarvoor een specifiek
standaard-IP-adres nodig is om voor het eerst te communiceren
met een printserver waarop de fabrieksinstellingen actief zijn, zijn
mogelijk niet zonder aanpassingen te gebruiken. Raadpleeg de
Jetdirect-configuratiepagina voor de instellingen van het
standaard-IP-adres op de printserver.
NLWW TCP/IP-configuratie 47
Hulpprogramma's voor TCP/IP-configuratie
Afhankelijk van de printer en het besturingssysteem kan
een HP Jetdirect-printserver met behulp van de volgende
hulpmiddelen worden geconfigureerd met geldige
TCP/IP-parameters voor het netwerk:
Software. U kunt op ondersteunde systemen gebruikmaken
van de printerinstallatiesoftware of de installatiesoftware voor
de HP Jetdirect-printserver. Zie Hoofdstuk 2
, "Overzicht van
softwareoplossingen van HP" voor meer informatie.
Als u een draadloze printserver wilt configureren met een geldig
IP-adres voordat een draadloze verbinding tot stand is gebracht,
gebruikt u de wizard HP Jetdirect Wireless Setup (Windows) of
de ingesloten webserver. Printerinstallatiesoftware kan alleen
worden gebruikt voor de IP-configuratie van printers die met
het netwerk zijn verbonden.
BOOTP/TFTP. U kunt de gegevens telkens wanneer de
printer wordt aangezet downloaden van een netwerkserver door
middel van BOOTP (Bootstrap Protocol) en TFTP (Trivial File
Transfer Protocol). Zie BOOTP/TFTP gebruiken
voor meer
informatie.
De BOOTP-daemon, bootpd, moet worden uitgevoerd op een
BOOTP-server die voor de printer toegankelijk is.
NLWW TCP/IP-configuratie 48
DHCP/TFTP. U kunt gebruikmaken van het Dynamic Host
Configuration Protocol (DHCP). Dit protocol wordt ondersteund
door systemen met HP-UX, Solaris, Red Hat Linux, SuSE
Linux, Windows NT/2000/XP, NetWare en Mac OS. (Raadpleeg
de handleiding bij het netwerkbesturingssysteem om na te gaan
of DHCP door het netwerkbesturingssysteem wordt
ondersteund.) Zie DHCP gebruiken
voor meer informatie.
Opmerking. Linux- en UNIX-systemen: voor meer informatie
raadpleegt u de pagina bootpd man.
Op HP-UX-systemen is het mogelijk dat zich een
voorbeeld van een DHCP-configuratiebestand
(dhcptab) in de directory
/etc
bevindt.
Aangezien HP-UX momenteel geen DDNS
(Dynamic Domain Name Services) voor de
eigen DHCP-implementaties biedt, wordt door
HP aanbevolen dat u de duur van alle leases instelt
op Onbeperkt. Op deze manier wordt verzekerd dat
de IP-adressen van de printserver hetzelfde blijven
tot Dynamic Domain Name Services beschikbaar
worden gesteld.
RARP. Een op een netwerk gebaseerde server kan met RARP
(Reverse Address Resolution Protocol) het RARP-verzoek van
de printserver beantwoorden en de printserver het IP-adres
geven. Met de RARP-methode kunt u alleen het IP-adres
configureren. Zie RARP gebruiken
voor meer informatie.
De opdrachten arp en ping. (Alleen voor printservers die zijn
geconfigureerd met het legacy standaard-IP-adres 192.0.0.192)
U kunt de opdrachten arp
en
ping
van het systeem gebruiken.
Zie De opdrachten arp en ping gebruiken
voor meer informatie.
NLWW TCP/IP-configuratie 49
Telnet. U kunt configuratieparameters instellen met Telnet.
Om de configuratieparameters in te kunnen stellen, moet
u een Telnet-verbinding opzetten vanuit uw systeem naar
de HP Jetdirect-printserver met gebruikmaking van het
standaard IP-adres. Wanneer de configuratie eenmaal is
opgegeven, wordt de configuratie opgeslagen wanneer de
printserver wordt uitgeschakeld en weer wordt ingeschakeld.
Zie Telnet gebruiken
voor meer informatie.
Ingesloten webserver. U kunt naar de ingesloten
webserver op de HP Jetdirect-printserver bladeren en de
configuratieparameters instellen. Raadpleeg Hoofdstuk 4
voor meer informatie.
Bedieningspaneel van de printer. (Alleen interne
Jetdirect-printservers) U kunt de configuratiegegevens
handmatig invoeren met de toetsen van het bedieningspaneel
van de printer. Via de bedieningspaneelmethode kunt u maar
een beperkte subset configuratieparameters instellen (het
IP-adres, het subnetmasker, het standaardgateway-adres en
de time-out bij inactief). Daarom wordt configuratie via het
bedieningspaneel alleen aanbevolen als u een probleem op wilt
lossen of voor eenvoudige installaties. Bij configuratie via het
bedieningspaneel blijft de configuratie van de printserver
bewaard wanneer de printserver wordt uitgeschakeld en weer
wordt ingeschakeld. Zie Het bedieningspaneel van de printer
gebruiken voor meer informatie.
NLWW TCP/IP-configuratie 50
BOOTP/TFTP gebruiken
Opmerking Voor draadloze HP Jetdirect-printservers wordt er
in dit gedeelte van uitgegaan dat er een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
Het BOOTP-protocol (Bootstrap Protocol) en het TFTP-protocol
(Trivial File Transfer Protocol) bieden een gemakkelijke methode
voor het automatisch configureren van de HP Jetdirect-printserver
voor werking over een TCP/IP-netwerk. Tijdens het opstarten wordt
door de HP Jetdirect-printserver een BOOTP-verzoek over het
netwerk uitgezonden. Een correct geconfigureerde BOOTP-server
op het netwerk zal reageren met een bericht met gegevens over
de basisnetwerkconfiguratie van de HP Jetdirect-printserver.
Het antwoord van de BOOTP-server kan tevens verwijzen naar een
bestand dat uitgebreidere configuratiegegevens voor de printserver
bevat. Dit bestand wordt door de Jetdirect-printserver door middel
van TFTP gedownload. Dit TFTP-configuratiebestand kan zijn
opgeslagen op de BOOTP-server of op een aparte TFTP-server.
BOOTP/TFTP-servers zijn over het algemeen UNIX- of
Linux-systemen. Windows NT/2000- en NetWare-servers kunnen
op BOOTP-verzoeken reageren. Windows NT/2000-servers worden
geconfigureerd via de DHCP-services van Microsoft (zie DHCP
gebruiken). Het is echter mogelijk dat voor Windows NT/2000-
systemen voor ondersteuning voor TFTP software van een andere
fabrikant nodig is. Raadpleeg voor het instellen van NetWare
BOOTP-servers de documentatie van NetWare.
Opmerking Als de Jetdirect-printserver en de
BOOTP/DHCP-server zich op verschillende
subnetten bevinden, is het mogelijk dat de
IP-configuratie mislukt, tenzij de router "BOOTP
Relay" ondersteunt (voor de overdracht van
BOOTP-verzoeken tussen subnetten).
NLWW TCP/IP-configuratie 51
De voordelen van BOOTP/TFTP
Het gebruik van BOOTP/TFTP voor het downloaden van
configuratie-informatie biedt de volgende voordelen:
Verbeterd configuratiebeheer van de HP Jetdirect-printserver.
Configuratie via andere methoden, zoals via het
bedieningspaneel van een printer, beperkt zich tot het
selecteren van parameters.
Eenvoudig configuratiebeheer. U kunt de
netwerkconfiguratieparameters voor het gehele netwerk
in één locatie instellen.
Eenvoudige configuratie van de HP Jetdirect-printserver.
De complete netwerkconfiguratie kan steeds automatisch
worden gedownload wanneer de printserver wordt
ingeschakeld.
Opmerking De werking van BOOTP is vergelijkbaar met
DHCP, behalve dat de resulterende IP-parameters
tijdens het uit- en opnieuw inschakelen hetzelfde
blijven. Bij DHCP zijn de parameters voor de
IP-configuratie geleast en kunnen ze na verloop
van tijd wijzigen.
In de fabrieksinstelling en indien ingeschakeld zal de
HP Jetdirect-printserver proberen om zichzelf automatisch te
configureren volgens diverse dynamische methoden, waarvan
BOOTP er één is.
BOOTP/TFTP op UNIX
Deze sectie beschrijft hoe u de printserver configureert met de
BOOTP-service (Bootstrap Protocol) en TFTP-service (Trivial File
Transfer Protocol) op UNIX-servers. BOOTP en TFTP worden
gebruikt om netwerkconfiguratie-informatie te downloaden van
een server naar de HP Jetdirect-printserver via het netwerk.
NLWW TCP/IP-configuratie 52
Systemen die Netwerk Informatie Services (NIS) gebruiken
Als uw systeem gebruik maakt van NIS, is het mogelijk dat u de
NIS-map opnieuw moet opbouwen met de BOOTP-service voordat
u de BOOTP configuratiestappen uitvoert. Raadpleeg de
documentatie van uw systeem.
De BOOTP-server configureren
Als de HP Jetdirect-printserver de configuratiedata via het netwerk
op wil halen, moeten de BOOTP/TFTP-servers zijn geïnstalleerd
met de juiste configuratiebestanden. BOOTP wordt gebruikt door
de printserver voor het ophalen van gegevens uit het bestand
/etc/bootptab
op een BOOTP-server, terwijl TFTP gebruikt
wordt voor het ophalen van aanvullende configuratie-informatie
vanuit een configuratiebestand op een TFTP-server.
Wanneer de HP Jetdirect-printserver wordt ingeschakeld,
wordt een BOOTP-verzoek uitgezonden dat het MAC-adres
(hardwareadres) bevat. Een BOOTP-serverdaemon zoekt in het
bestand
/etc/bootptab
een overeenkomstig MAC-adres en
verzendt vervolgens de bijbehorende configuratie-informatie naar
de Jetdirect-printserver in de vorm van een BOOTP-antwoord.
De configuratie-informatie in het bestand
/etc/bootptab
moet
correct worden ingevoerd. Zie "Bootptab-bestandsvermeldingen
"
voor een beschrijving van wat u kunt invoeren.
Het BOOTP-antwoord kan de naam van een configuratiebestand
bevatten met uitgebreide configuratieparameters. Als de
HP Jetdirect-printserver een dergelijk bestand aantreft,
wordt TFTP gebruikt voor het downloaden van het bestand en
wordt de printserver geconfigureerd met deze parameters.
Zie "TFTP-configuratiebestandsvermeldingen
" voor een
beschrijving van wat u kunt invoeren. De configuratieparameters
die via TFTP worden opgehaald, zijn optioneel.
Opmerking Het wordt door HP aanbevolen de BOOTP-server
op hetzelfde subnet te plaatsen als de bijbehorende
printers. BOOTP-broadcast-pakketten mogen
alleen door routers worden doorgestuurd als
de routers hiervoor geconfigureerd zijn.
NLWW TCP/IP-configuratie 53
Bootptab-bestandsvermeldingen
Hieronder ziet u een voorbeeld van een bestandsvermelding van het
betand
/etc/bootptab
voor een HP Jetdirect-printserver:
Merk op dat de configuratie-informatie "labels" bevat waarmee
de verschillende HP Jetdirect-parameters en de instellingen
worden aangeduid. Vermeldingen en labels die door de
HP Jetdirect-printserver (firmware-versie x.24.00 of hoger)
worden ondersteund, staan genoemd in Tabel 3.1
.
picasso:\
:hn:\
:ht=ether:\
:vm=rfc1048:\
:ha=0001E6123456:\
:ip=192.168.40.39:\
:sm=255.255.255.0:\
:gw=192.168.40.1:\
:lg=192.168.40.3:\
:T144="hpnp/picasso.cfg":
Tabel 3.1 Labels die worden ondersteund in een
BOOTP/DHCP-opstartbestand (1 van 5)
Item RFC
2132
optie
Beschrijving
nodename -- De naam van het randapparaat. Aan de hand van deze
naam wordt een vermeldingspunt aangeduid ten behoeve
van een lijst met parameters voor een specifiek
randapparaat.
nodename
moet het eerste
vermeldingsveld zijn. (In het bovenstaande voorbeeld
is de
nodename
"picasso".)
ht -- Het label van het hardwaretype. Voor de HP Jetdirect-
printserver stelt u dit in op ether (voor Ethernet) of token
(voor Token Ring). Dit label moet voorafgaan aan het
ha-label.
vm -- Het label van de BOOTP-rapportindeling (verplicht).
Stel deze parameter in op rfc1048.
NLWW TCP/IP-configuratie 54
ha
-- Het label van het hardwareadres. Het hardwareadres
(MAC) is het koppelingsniveau- of stationadres
van de HP Jetdirect-printserver. U vindt het op de
HP Jetdirect-configuratiepagina als het
HARDWARE
ADDRESS
. Op externe HP Jetdirect-printservers, staat
het op een kaartje dat aan de printserver is bevestigd.
ip
-- Het label van het IP-adres (verplicht). Dit adres wordt het
IP-adres van de HP Jetdirect-printserver.
sm
1 Het label van het subnetmasker. Het subnetmasker wordt
gebruikt door de HP Jetdirect-printserver om de delen
van een IP-adres mee aan te duiden die het
netwerk-/subnetwerknummer en het hostadres bevatten.
gw
3 Het label van het gateway-IP-adres. Dit adres duidt het
IP-adres aan ten behoeve van de standaardgateway
(router) die de HP Jetdirect-printserver gebruikt om te
communiceren met andere subnetten.
ds
6 IP-adreslabel van de DNS-server (Domain Name
System). Uitsluitend een server met een enkele naam
kan worden opgegeven.
lg
7 Het label van het IP-adres van de syslog-server. Dit label
duidt de server aan waarheen de HP Jetdirect-printserver
syslog-berichten stuurt. Zie voor meer informatie Bijlage A
.
hn
12 Het label van de hostnaam. Dit label krijgt geen waarde
maar zorgt ervoor dat de BOOTP-daemon de hostnaam
downloadt naar de HP Jetdirect-printserver. De hostnaam
wordt afgedrukt op de Jetdirect-configuratiepagina of
geretourneerd bij een SNMP-sysName-verzoek van een
netwerktoepassing.
dn
15 Domeinnaamlabel. Bepaalt de domeinnaam van de
HP Jetdirect-printserver (bijvoorbeeld support.hp.com).
De hostnaam maakt hiervan geen deel uit; het is niet de
zogenaamde volledig correcte domeinnaam, zoals
printer1.support.hp.com.
Tabel 3.1 Labels die worden ondersteund in een
BOOTP/DHCP-opstartbestand (2 van 5)
Item RFC
2132
optie
Beschrijving
NLWW TCP/IP-configuratie 55
ef
18 Een leverancierspecifiek label dat de relatieve padnaam
aanduidt van het TFTP-configuratiebestand.
Opmerking:
dit label is vergelijkbaar met het
fabrikant-specifieke label T144 dat hieronder wordt
beschreven.
na
44 Label voor IP-adressen van de NBNS-server
(NetBIOS-via-TCP/IP Name Server). Er kan een primaire
en een secundaire server worden opgegeven in de
gewenste volgorde.
leasetijd
51 Leasetijd voor DHCP IP-adressen (in seconden).
tr
58 DHCP T1-time-out ter aanduiding van de vernieuwingstijd
voor de DHCP-lease (in seconden).
tv
59 DHCP T2-time-out ter aanduiding van de tijd voor het
opnieuw binden van de DHCP-lease (in seconden).
T69
69 Het IP-adres (hexadecimaal) van de gewenste
SMTP-server (Simple Mail Transport Protocol)
voor uitgaande e-mail voor gebruik met ondersteunde
scanapparaten.
T144
-- Een eigen label van HP dat de relatieve padnaam aanduidt
van het TFTP-configuratiebestand. Langere padnamen
kunnen worden ingekort. De padnaam moet tussen
dubbele aanhalingstekens staan (bijvoorbeeld
"padnaam"
). Raadpleeg voor informatie over de
bestandsopmaak
"TFTP-configuratiebestandsvermeldingen
".
Opmerking:
de standaard-BOOTP-optie voor
extensiebestandspad (18) kan tevens het standaardlabel
(
ef
) krijgen om de relatieve padnaam van het
TFTP-configuratiebestand aan te geven.
T145
-- Optie voor inactieve time-out. Een eigen label van HP voor
het instellen van de inactieve time-out (in seconden) wat
duidt op de tijd dat een verbinding voor afdrukgegevens
inactief mag blijven alvorens te worden gesloten.
Het bereik varieert van 1 tot 3600 seconden.
Tabel 3.1 Labels die worden ondersteund in een
BOOTP/DHCP-opstartbestand (3 van 5)
Item RFC
2132
optie
Beschrijving
NLWW TCP/IP-configuratie 56
T146
-- Optie voor "buffer packing". Een eigen label van HP voor
het instellen van de functie voor "buffer packing" voor
TCP/IP-pakketten.
0 (standaardinstelling): normaal gesproken worden
gegevensbuffers samengepakt alvorens ze naar de printer
worden verzonden.
1: "Buffer packing" uitschakelen. De gegevens worden
naar de printer verzonden wanneer ze worden ontvangen.
T147
-- Optie voor de schrijfmodus. Een eigen label van HP voor
regeling van de TCP PSH-markeringsinstelling voor
gegevensoverdrachten van het apparaat naar
clientcomputers.
0 (standaardinstelling): dient voor het uitschakelen van
deze optie: markering niet ingesteld.
1: "all-push"-optie. De push-bit wordt in alle
gegevenspakketten ingesteld.
2: "eoi-push"-optie. De push-bit wordt alleen ingesteld
voor gegevenspakketten waarvoor de markering
"End-of-Information" is ingesteld.
T148
-- De optie voor IP-gateway uitschakelen. Een eigen label
van HP waarmee configuratie van een gateway-IP-adres
wordt voorkomen.
0 (standaardinstelling): staat IP-adressen toe.
1: voorkomt dat een gateway-IP-adres wordt
geconfigureerd.
Tabel 3.1 Labels die worden ondersteund in een
BOOTP/DHCP-opstartbestand (4 van 5)
Item RFC
2132
optie
Beschrijving
NLWW TCP/IP-configuratie 57
T149
-- De optie voor de interlock-modus. Een eigen label van
HP dat aangeeft of een bevestiging (ACK) voor alle
TCP-pakketten vereist is alvorens de printer de
afdrukverbinding via Port 9100 mag sluiten. Ten behoeve
van printservers met meerdere poorten wordt een waarde
voor het poortnummer en de optie opgegeven. Hiervoor
wordt de volgende vorm gebruikt:
<
De optie voor
><
het poortnummers
>
<
Poortnummer
>: Het poortnummer kan 1
(standaardinstelling), 2 of 3 zijn.
<
Optie
>: met de optiewaarde 0 (standaardinstelling) wordt
de interlock uitgeschakeld; met 1 wordt het interlock
ingeschakeld.
Voorbeeld: 2 1 duidt op <poort 2> met de <interlock
ingeschakeld>.
T150
-- De optie IP-adres van de TFTP-server. Een eigen label
van HP voor het opgeven van het IP-adres van de
TFTP-server waarop het TFTP-configuratiebestand is
opgeslagen.
T151
-- De optie voor netwerkconfiguratie. Een eigen label van HP
voor het opgeven dat ofwel "BOOTP-ONLY"- of
"DHCP-ONLY"-verzoeken moeten worden verzonden.
Tabel 3.1 Labels die worden ondersteund in een
BOOTP/DHCP-opstartbestand (5 van 5)
Item RFC
2132
optie
Beschrijving
NLWW TCP/IP-configuratie 58
Een dubbele punt (:) geeft het einde van een veld aan en een
achterwaartse schuine streep (\) betekent dat de invoer wordt
vervolgd op de volgende regel. U kunt geen spaties opnemen tussen
de tekens op een regel. Namen, zoals hostnamen, moeten beginnen
met een letter en kunnen verder alleen letters, cijfers, punten
(alleen voor namen van domeinen) of koppeltekens bevatten.
Het onderstrepingsteken (_) mag niet worden gebruikt. Raadpleeg
uw systeemdocumentatie of de on line Help voor meer informatie.
TFTP-configuratiebestandsvermeldingen
Als u extra configuratieparameters wilt gebruiken voor uw
HP Jetdirect-printserver, zoals SNMP (Simple Network
Management Protocol) of niet-standaardinstellingen, kunt u een
aanvullend configuratiebestand dowloaden via TFTP. De relatieve
padnaam van dit TFTP-configuratiebestand kunt u opgeven in
het BOOTP-antwoord met behulp van de vermelding van het
leverancierspecifieke T144-label van het bestand
/etc/bootptab
(of het standaard-BOOTP-label "ef"). Hieronder ziet u een
voorbeeld van een TFTP-configuratiebestand. Het hekje (#) geeft
een opmerking aan en maakt geen deel uit van het bestand.
NLWW TCP/IP-configuratie 59
#
# Example of an HP Jetdirect TFTP Configuration File
#
# Allow only Subnet
192.168.10
access to peripheral.
# Up to 10 'allow' entries can be written through TFTP.
# Up to 10 'allow' entries can be written through Telnet
# or embedded Web server.
# 'allow' may include single IP addresses.
#
allow:
192.168.10.0
255.255.255.0
#
#
# Disable Telnet
#
telnet-config: 0
#
# Enable the embedded Web server
#
ews-config: 1
#
# Detect SNMP unauthorized usage
#
auth-trap: on
#
# Send Traps to
192.168.10.1
#
trap-dest:
192.168.10.1
#
# Specify the Set Community Name
#
set-cmnty-name: 1homer2
#
# End of file
NLWW TCP/IP-configuratie 60
Tabel 3.2 biedt een overzicht van de ondersteunde
TFTP-parameters (HP Jetdirect-firmware-versie x.25.00 of hoger).
Tabel 3.3
beschrijft de TFTP-parameters.
Tabel 3.2 Lijst van ondersteunde TFTP-parameters (1 van 2)
Algemeen
passwd
sys-location:
sys-contact:
ssl-state:
tftp-parameter-attribute:
Basisparameters voor TCP/IP
host-name:
domain-name:
dns-svr:
pri-wins-svr:
pri-wins-svr:
smtp-svr:
Afdrukopties voor TCP/IP
9100-printing:
ftp-printing:
ipp-printing:
lpd-printing:
banner:
interlock:
buffer-packing:
write-mode:
mult-tcp-conn:
"Raw" afdrukpoorten voor TCP/IP
raw-port:
Toegangsregeling voor TCP/IP
allow: netnum [mask]
Overige TCP/IP-instellingen
syslog-config:
syslog-svr:
syslog-max:
syslog-priority:
syslog-facility:
slp-config:
ttl-slp:
mdns-config:
mdns-service-name:
mdns-pri-svc:
ipv4-multicast:
idle-timeout:
user-timeout:
ews-config:
tcp-mss:
tcp-msl:
telnet-config:
default-ip:
default-ip-dhcp:
web-refresh:
NLWW TCP/IP-configuratie 61
SNMP
snmp-config:
get-cmnty-name:
set-cmnty-name:
auth-trap:
trap-dest:
IPX/SPX
ipx-config:
ipx-unit-name:
ipx-frametype:
ipx-sapinterval:
ipx-nds-tree:
ipx-nds-context:
ipx-job-poll:
ipx-banner:
ipx-eoj:
ipx-toner-low:
AppleTalk
appletalk:
name-override:
DLC/LLC
dlc/llc:
Overige instellingen
link-type:
webscan-config:
scan-idle-timeout:
scan-email-config:
MFP-config:
usb-mode:
status-page-lang:
Ondersteuning
support-name:
support-number:
support-url:
tech-support-url:
Tabel 3.2 Lijst van ondersteunde TFTP-parameters (2 van 2)
NLWW TCP/IP-configuratie 62
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (1 van 11)
Algemeen
passwd
Een wachtwoord (van maximaal zestien alfanumerieke tekens)
waarmee beheerders wijzigingen van de configuratieparameters van de
HP Jetdirect-printserver via Telnet, HP Web Jetadmin of de ingesloten webserver
kunnen regelen. U kunt het wachtwoord wissen door de fabriekswaarden te
herstellen.
sys-location:
Identificeert de fysieke locatie van de printer (SNMP sysLocation-object). Alleen
afdrukbare ASCII-tekens zijn toegestaan. De maximumlengte is 64 tekens.
De standaardlocatie is niet gedefinieerd. (Voorbeeld:
1st floor, south wall
)
sys-contact:
ASCII-tekenreeks (maximaal 64 tekens) die de persoon aanduidt die de
printer beheert of onderhoudt (SNMP sysContact-object). Hier kan ook worden
aangegeven hoe die persoon te bereiken is. De standaardcontactpersoon is niet
gedefinieerd.
ssl-state:
Hiermee wordt het beveiligingsniveau voor webcommunicatie van de printserver
ingesteld:
1 (standaardinstelling): gedwongen omleiding naar de HTTPS-poort.
Alleen HTTPS-communicatie (beveiligd HTTP) kan worden gebruikt.
2: gedwongen omleiding naar HTTPS uitschakelen. HTTP- en
HTTPS-communicatie kunnen worden gebruikt.
tftp-parameter-attribute:
Hiermee geeft u aan of de TFTP-parameters op de printserver handmatig kunnen
worden overschreven (bijvoorbeeld via Telnet) nadat de printserver met TFTP is
geconfigureerd.
tft-ro (standaardinstelling): het is niet toegestaan TFTP-parameters handmatig te
overschrijven. Handmatige configuraties worden altijd overschreven.
tft-rw: het is toegestaan TFTP-parameters handmatig te overschrijven.
Handmatige configuraties worden altijd overschreven.
manual-ro: handmatig geconfigureerde parameters worden niet overschreven
door TFTP-parameters.
Basisparameters voor TCP/IP
host-name:
Bepaalt de knooppuntnaam die op de Jetdirect-configuratiepagina wordt
weergegeven. De standaardinstelling is NPIxxxxxx, waarbij de laatste zes cijfers
duiden op het LAN-hardwareadres.
NLWW TCP/IP-configuratie 63
domain-name:
De domeinnaam van het apparaat (bijvoorbeeld support.hp.com). De hostnaam
maakt hiervan geen deel uit; het is niet de zogenaamde volledig correcte
domeinnaam, zoals printer1.support.hp.com.
dns-svr:
Het IP-adres van de DNS-server (Domain Name System).
pri-wins-svr:
Het IP-adres van de primaire WINS-server (Windows Internet Name Service).
pri-wins-svr:
Het IP-adres van de secundaire WINS-server (Windows Internet Name Service).
smtp-svr:
Het IP-adres van de SMTP-server (Simple Mail Transport Protocol) voor uitgaande
e-mail voor gebruik met ondersteunde scanapparaten.
Afdrukopties voor TCP/IP
9100-printing:
Dient voor het in- of uitschakelen van afdrukken via TCP-poort 9100 van de
printserver. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
ftp-printing:
Activeert of deactiveert de mogelijkheid voor afdrukken via FTP: 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
ipp-printing:
Activeert of deactiveert de mogelijkheid voor afdrukken via IPP: 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
lpd-printing:
Dient voor het in- of uitschakelen van de LPD-afdrukservice (Line Printer Daemon)
van de Jetdirect-printserver. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
banner:
Een poortspecifieke parameter waarmee het afdrukken van een LPD-voorblad al
dan niet wordt ingeschakeld. 0 schakelt voorbladen uit. 1 (standaardinstelling)
schakelt voorbladen in.
interlock:
Dient voor het aangeven of een bevestiging (ACK) voor alle TCP-pakketten vereist
is alvorens de printer de afdrukverbinding via Port 9100 mag sluiten. Om rekening
te houden met printservers met meerdere poorten wordt een waarde voor
het poortnummer en een optie opgegeven. Het poortnummer kan 1
(standaardinstelling), 2 of 3 zijn. De optiewaarde 0 (standaardinstelling) dient voor
het uitschakelen van de interlock; 1 dient voor het inschakelen. Bijvoorbeeld:
"interlock 2 1" duidt op Poort 2 met de interlock ingeschakeld.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (2 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 64
buffer-packing:
Dient voor het in- of uitschakelen van "buffer packing" voor TCP/IP-pakketten.
0 (standaardinstelling) is gebruikelijk; de gegevensbuffer wordt vóór verzending
naar de printer ingepakt.
1 schakelt buffer packing uit; de gegevens worden naar de printer verzonden zoals
ze ontvangen zijn.
write-mode:
Regelt instelling van de TCP PSH-markering voor gegevensoverdrachten van
apparaat naar clientcomputers.
0 (standaardinstelling): dient voor het uitschakelen van deze optie: markering is
niet ingesteld.
1: "all-push"-optie. De push-bit wordt in alle gegevenspakketten ingesteld.
2: "eoi-push"-optie. De push-bit wordt alleen ingesteld voor gegevenspakketten
waarvoor de markering "End-of-Information" is ingesteld.
mult-tcp-conn:
Dient voor het in- en uitschakelen van meerdere TCP-verbindingen.
0 (standaardinstelling) staat meerdere verbindingen toe.
1 schakelt meerdere verbindingen uit.
"Raw" afdrukpoorten voor TCP/IP
raw-port:
Bepaalt extra poorten voor het afdrukken naar TCP-poort 9100. Geldige poorten
zijn 3000 tot 9000, afhankelijk van het toepassingsprogramma.
Toegangsregeling voor TCP/IP
allow: netnum [mask]
Maakt een vermelding in de hosttoegangslijst die is opgeslagen op de
HP Jetdirect-printserver. Elke vermelding duidt een host of netwerk met hosts aan
die verbinding mogen maken met de printer. De opmaak is "allow: netnum [mask]"
waarbij "netnum" een netwerknummer of het IP-adres van een host is en "mask"
een adresmasker van bits is dat op het netwerknummer en het hostadres wordt
toegepast ter controle van de toegang. Er zijn op de toegangslijst maximaal 10
hosts toegestaan. Als hier geen vermeldingen zijn, krijgen alle hosts toegang.
Bijvoorbeeld:
allow: 192.0.0.0 255.0.0.0 staat hosts op netwerk 192 toe.
allow: 192.168.1.2 staat een enkele host toe. In dit geval wordt uitgegaan van
het standaardmasker, 255.255.255.255; dit is dan niet verplicht.
allow: 0 Deze vermelding wist de hosttoegangslijst.
Zie voor meer informatie Hoofdstuk 7
.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (3 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 65
Overige TCP/IP-instellingen
syslog-config:
Activeert of deactiveert werking van de syslog-server op de printserver:
0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
syslog-svr:
Het label van het IP-adres van de syslog-server. Dit label duidt de server aan
waarheen de HP Jetdirect-printserver syslog-berichten stuurt. Zie voor meer
informatie Bijlage A
.
syslog-max:
Duidt op het maximale aantal syslog-berichten dat per minuut door de
HP Jetdirect-printserver kan worden verzonden. Met deze instelling kan de
beheerder de grootte van het logbestand regelen. De standaardinstelling is 10 per
minuut. Als dit op nul wordt ingesteld, is het aantal syslog-berichten niet beperkt.
syslog-priority:
Werkt als een filter voor de syslog-berichten die naar de syslog-server worden
verzonden. Het filterbereik is 0 tot 8, waarbij 0 het meest specifiek is en 8 het meest
algemeen. Alleen de berichten die lager zijn dan het aangegeven filterniveau
(of hoger in prioriteit), worden gerapporteerd. De standaardinstelling is 8: berichten
van alle prioriteiten worden verzonden. Indien nul, zijn alle syslog-berichten
uitgeschakeld.
syslog-facility:
Een code die gebruikt wordt voor het aangeven van de bronfaciliteit van een
bericht (bijvoorbeeld voor het bepalen van de bron van bepaalde berichten
tijdens het oplossen van problemen). Als standaardinstelling wordt door de
HP Jetdirect-printserver LPR als de bronfaciliteitcode gebruikt, maar plaatselijke
gebruikerswaarden van local0 tot en met local7 kunnen worden gebruikt om aparte
printservers of groepen van printservers te identificeren.
slp-config:
Activeert of deactiveert SLP-werking (Service Location Protocol) op de printserver:
0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
ttl-slp:
Bepaalt de TTL-instelling (Time To Live) voor IP-multicasts voor de SLP-pakketten
(Service Location Protocol). De standaardwaarde is vier sprongen (het aantal
routers vanaf het lokale netwerk). Het bereik is 1 tot 15. Bij instelling van –1 wordt
de multicast-functie uitgeschakeld.
mdns-config:
Dient voor het in- of uitschakelen van mDNS-services (Multicast Domain Name
System). Met 0 worden ze uitgeschakeld; met 1 (standaardinstelling) worden
ze ingeschakeld. mDNS wordt meestal in kleine netwerken gebruikt voor het
omzetten van IP-adressen en namen (via UDP-poort 5353) wanneer geen
conventionele DNS-server wordt gebruikt of beschikbaar is.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (4 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 66
mdns-service-name:
Een alfanumerieke tekenreeks van maximaal 64 ASCII-tekens die aan dit apparaat
of deze service is toegewezen. Dit is een vaste naam en wordt gebruikt om de
naam van een bepaald apparaat of een bepaalde service om te zetten als de
socketgegevens (zoals het IP-adres) per sessie veranderen. Apple Rendezvous
geeft deze service weer. De standaardservicenaam bestaat uit het printermodel
en het LAN-hardwareadres (MAC-adres).
mdns-pri-svc:
De mDNS-service met de hoogste prioriteit die moet worden gebruikt voor
afdrukken. Als u deze parameter wilt instellen, kiest u een van de volgende
afdrukopties:
1
: afdrukken naar poort 9100
2
: afdrukken naar IPP-poort
3
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'raw'
4
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'text'
5
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'auto'
6
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'binps' (binair PostScript)
7
tot en met
12
: door de gebruiker opgegeven LPD-wachtrijen 5 tot en met 10
(voor zover die zijn gedefinieerd).
De standaardinstelling hangt af van de printer, maar is doorgaans "9100 printing"
of "LPD binps".
ipv4-multicast:
Dient voor het in- of uitschakelen van de ontvangst en verzending van
multicast-pakketten van IP-versie 4 door de printserver. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
idle-timeout:
Het aantal seconden dat een inactieve afdrukgegevensverbinding open mag
blijven. Omdat de kaart slechts één enkele TCP-verbinding ondersteunt, weegt
idle-timeout (time-out bij inactief) de mogelijkheid van een host om een afdruktaak
te herstellen of te voltooien af tegen de mogelijkheid van andere hosts om de
printer te gebruiken. De aanvaardbare waarden variëren van 0 tot 3600 (1 uur).
Als de waarde 0 wordt opgegeven, wordt het time-outmechanisme uitgeschakeld.
De standaardinstelling is 270 seconden.
user-timeout:
Een getal (1...3600) voor het aangeven van het aantal seconden dat de Telnet-
of FTP-sessie niet-actief mag zijn alvorens de verbinding automatisch wordt
verbroken. De standaardinstelling is 900 seconden. 0 dient voor het uitschakelen
van de time-out.
LET OP:
het resultaat van kleine waarden, zoals 1 tot 5, kan zijn dat Telnet in feite
wordt uitgeschakeld. Telnet-sessies kunnen worden afgesloten alvorens
wijzigingen kunnen worden aangebracht.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (5 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 67
ews-config:
Activeert of deactiveert de ingesloten webserver van de printserver voor het
wijzigen van configuratiewaarden: 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
tcp-mss:
Hiermee wordt de maximale segmentgrootte (MSS) aangeduid die de
HP Jetdirect-printserver bij voorkeur gebruikt wanneer er wordt gecommuniceerd
met lokale subnetten (Ethernet MSS=1460 bytes of meer) of externe subnetten
(MSS=536 bytes):
0 (standaardinstelling): alle netwerken worden verondersteld lokaal te zijn
(Ethernet MSS=1460 bytes of meer).
1: Gebruik MSS=1460 bytes (of meer) voor subnetten en MSS=536 bytes voor
externe netwerken.
2: Alle netwerken worden verondersteld extern te zijn (MSS=536 bytes), behalve
het lokale subnet.
Gebruik van MSS is van invloed op de prestaties doordat het IP-fragmentatie helpt
te voorkomen. Als gevolg van IP-fragmentatie moeten gegevens mogelijk opnieuw
moeten worden verzonden.
tcp-msl:
Bepaalt de maximale levensduur van een segment (MSL) in seconden. Het bereik
varieert van 5 tot 120 seconden. De standaardinstelling is 15 seconden.
telnet-config:
Als deze parameter op 0 is ingesteld, staat de printserver geen binnenkomende
Telnet-verbindingen toe. Als u opnieuw toegang wilt krijgen, moet u de instelling
wijzigen in het TFTP-configuratiebestand en de printserver uit en weer aanzetten,
of de printserver terugzetten op de fabrieksinstellingen. Als deze parameter op
1 is ingesteld, zijn binnenkomende Telnet-verbindingen wel toegestaan.
default-ip:
Het IP-adres dat moet worden gebruikt wanneer de printserver geen IP-adres
kan verkrijgen van het netwerk tijdens een gedwongen TCP/IP-herconfiguratie
(bijvoorbeeld wanneer de printserver wordt uitgeschakeld en weer wordt
ingeschakeld of wanneer de printserver handmatig is ingesteld op het gebruik
van BOOTP/DHCP).
DEFAULT_IP: hiermee wordt het legacy standaard-IP-adres ingesteld op
192.0.0.192.
AUTO_IP: hiermee wordt het link-local IP-adres 169.254.x.x ingesteld.
De eerste instelling wordt bepaald door het IP-adres dat wordt verkregen wanneer
de printserver voor het eerst wordt ingeschakeld.
default-ip-dhcp:
Geeft aan of periodiek DHCP-verzoeken worden verzonden wanneer het legacy
standaard-IP-adres 192.0.0.192 of het link-local IP-adres 169.254.x.x automatisch
is toegewezen.
0: DHCP-verzoeken zijn uitgeschakeld.
1 (standaardinstelling): DHCP-verzoeken zijn ingeschakeld.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (6 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 68
web-refresh:
Bepaalt de tijd (1-99999 seconden) voor het bijwerken van pagina's met
diagnostische gegevens van de ingesloten webserver. Als de instelling 0 is,
is de vernieuwingsfrequentie uitgeschakeld.
SNMP
snmp-config:
Activeert of deactiveert werking van SNMP op de printserver. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert SNMP.
LET OP:
als SNMP wordt gedeactiveerd, worden alle SNMP-agents (SNMP v1,
v2 en v3) en de communicatie met HP Web Jetadmin gedeactiveerd. Tevens
worden firmware-upgrades via de huidige HP-downloadhulpprogramma's
gedeactiveerd.
get-cmnty-name:
Geeft een wachtwoord aan dat bepaalt op welke SNMP GetRequests de
HP Jetdirect-printserver reageert. Dit is optioneel. Als er een door de gebruiker
bepaalde gebruiksgroepnaam is ingesteld, zal de printserver reageren op deze
naam of op de fabrieksinstelling. De gebruikersgroepnaam moet uit ASCII-tekens
bestaan. De maximumlengte is 255 tekens.
set-cmnty-name:
Geeft een wachtwoord dat bepaalt op welke SNMP SetRequests (beheerfuncties)
de HP Jetdirect-printserver reageert. De gebruikersgroepnaam van
een binnenkomend SNMP SetRequest moet overeenkomen met de
gebruikersgroepnaam van de printserver, anders reageert de printserver
niet. (Voor extra beveiliging kunt u configuratietoegang beperken via de
hosttoegangslijst van de printserver.) Gebruikersgroepnamen moeten in
ASCII-tekens worden weergegeven. De maximumlengte is 255 tekens.
auth-trap:
Configureert de printserver om wel (aan) of geen (uit) SNMP-verificatie-traps
te versturen. Verificatie-traps geven aan dat een SNMP-verzoek is ontvangen,
maar de controle van de gebruikersgroepnaam mislukt is. De standaardinstelling
is "aan".
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (7 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 69
trap-dest:
Hiermee wordt het IP-adres van een host ingevoerd in de lijst met
SNMP-trap-bestemmingen van de HP Jetdirect-printserver. De opmaak van
de opdracht is:
trap-dest:
ip-address
[gebruikersgroepnaam] [poortnummer]
De standaardgebruikersgroepnaam is "public";
het standaard-SNMP-poortnummer is 162. Het poortnummer kan niet worden
opgegeven zonder gebruikersgroepnaam.
Als de opdracht "trap-community-name" wordt gevolgd door de opdracht
"trap-dest", wordt de trap-gebruikersgroepnaam aan de desbetreffende
vermeldingen toegewezen tenzij in elke "trap-dest"-opdracht een andere
gebruikersgroepnaam is opgegeven.
Als u de tabel wilt verwijderen, gebruikt u "trap-dest: 0".
Als de lijst leeg is, verstuurt de printserver geen SNMP-traps. De lijst kan maximaal
drie items bevatten. De standaard-SNMP-trap-bestemmingslijst is leeg.
Voor ontvangst van SNMP-traps moeten systemen die op de
SNMP-trap-bestemmingslijst staan, een trap-daemon hebben om naar de traps
te luisteren.
IPX/SPX
ipx-config:
Activeert of deactiveert de werking van het IPX/SPX-protocol op de printserver:
0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
ipx-unit-name:
Een door de gebruiker toegewezen alfanumerieke naam voor de printserver
(maximaal 31 tekens). Als standaardinstelling is de naam NPIxxxxxx, waarbij
xxxxxx duidt op de laatste zes cijfers van het LAN-hardwareadres).
ipx-frametype:
Bepaalt de instelling voor het IPX-frametype die beschikbaar is voor uw
printservermodel: AUTO (standaardinstelling), EN_SNAP, EN_8022, EN_8023,
EN_II, TR_8022, TR_SNAP.
ipx-sapinterval:
Duidt op de tijd (van 1 tot 3600 seconden) dat de HP Jetdirect-printserver wacht
tussen broadcasts van het SAP-protocol (Service Advertising Protocol) op het
netwerk. De standaardinstelling is 60 seconden. 0 dient voor het uitschakelen van
SAP-broadcasts.
ipx-nds-tree:
Bepaalt de naam van de NDS-tree (Novell Directory Services) voor deze printer.
ipx-nds-context:
Een alfanumerieke reeks van maximaal 256 tekens voor het aanduiden van de
NDS-context van de HP Jetdirect-printserver.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (8 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 70
ipx-job-poll:
Bepaalt de tijd (in seconden) dat de HP Jetdirect-printserver wacht alvorens de
afdrukwachtrij te controleren op afdruktaken.
ipx-banner:
Dient voor het in- of uitschakelen van een IPX-voorblad. 0 schakelt voorbladen uit.
1 (standaardinstelling) schakelt voorbladen in.
ipx-eoj:
Dient voor het in- of uitschakelen van taakeindemeldingen voor IPX. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
ipx-toner-low:
Dient voor het in- of uitschakelen van waarschuwingen voor wanneer de toner
bijna op is voor IPX. 0 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
AppleTalk
appletalk:
Activeert of deactiveert de werking van het AppleTalk-protocol (EtherTalk) op de
printserver: 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
name-override:
(Alleen externe printservers) Hiermee wordt de naam van het AppleTalk-netwerk
opgegeven. Er mogen maximaal 32 alfanumerieke tekens worden gebruikt.
DLC/LLC
dlc/llc:
Activeert of deactiveert de werking van het DLC/LLC-protocol op de printserver:
0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
Overige instellingen
link-type:
(10/100 Fast Ethernet) Stelt de afdruksnelheid (10 of 100 Mbps) en de
communicatiemodus (Full- of Half-Duplex) in. De keuzemogelijkheden zijn AUTO,
100FULL, 100HALF, 10FULL, 10HALF.
Bij AUTO (standaardinstelling) maakt de printer gebruik van automatische
onderhandeling om de verbindingssnelheid en -modus te bepalen.
Als automatische onderhandeling mislukt, wordt 100HALF ingesteld.
webscan-config:
Dient voor het in- of uitschakelen van de functie Webscan van de printserver
als deze op een ondersteund apparaat is aangesloten. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (9 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 71
scan-idle-timeout:
Bepaalt het aantal seconden (1 – 3600) dat een niet-actieve scanverbinding open
mag blijven. 0 dient voor het uitschakelen van de time-out. De standaardinstelling
is 300 seconden.
scan-email-config:
Dient voor het in- of uitschakelen van de functie scannen-naar-e-mail van de
Webscan-server. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
MFP-config:
Dient voor het in- of uitschakelen van printserver-ondersteuning voor de
clientsoftware die bij uw multifunctie- of alles-in-één-apparaat geleverd is.
0 (standaardinstelling) schakelt de ondersteuning voor clientsoftware uit
(alleen afdrukken is mogelijk).
1 schakelt de ondersteuning voor de clientsoftware in (maakt afdrukken en
scannen mogelijk).
usb-mode:
Bepaalt de communicatiemodus via de USB-poort van de HP Jetdirect-printserver.
Auto (standaardinstelling): Dient voor het automatisch onderhandelen en
instellen van de hoogst mogelijke communicatiemodus voor de aangesloten
printer of het aangesloten apparaat.
MLC: (Multiple Logical Channels) Een eigen communicatiemodus van HP
waarmee meerdere kanalen voor gelijktijdige afdruk-, scan- en
statuscommunicatie mogelijk zijn.
BIDIR: Een standaardverbinding voor ondersteuning van bidirectionele
communicatie tussen de printer en de printserver. De printserver verzendt
afdrukgegevens en ontvangt de status van de printer.
UNIDIR: Een standaardverbinding waarin gegevens slechts in één richting
worden overgedragen (naar de printer).
status-page-lang:
Bepaalt de PDL-taal (Page Description Language) die door de printserver gebruikt
wordt om de Jetdirect-configuratie/statuspagina naar de printer te verzenden.
Auto (standaardinstelling): de PDL wordt automatisch gedetecteerd wanneer
de printserver wordt ingeschakeld of nadat de fabriekswaarden zijn hersteld.
PCL: Hewlett-Packard Printer Control Language
ASCII: Standaard-ascii-tekens
HPGL2: Hewlett-Packard Graphics Language (v2)
PS: Postscript-taal
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (10 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 72
Ondersteuning
support-name:
Wordt over het algemeen gebruikt voor het opgeven van de contactpersoon voor
ondersteuning voor dit apparaat.
support-number:
Wordt over het algemeen gebruikt voor het opgeven van een telefoon- of
toestelnummer dat kan worden gebeld voor ondersteuning voor dit apparaat.
support-url:
Een webadres (URL) voor productinformatie voor dit apparaat via het Internet
of een intranet.
tech-support-url:
Een webadres (URL) voor technische ondersteuning via het Internet of een
intranet.
Tabel 3.3 TFTP-configuratiebestandsparameters (11 van 11)
NLWW TCP/IP-configuratie 73
DHCP gebruiken
Opmerking Voor draadloze HP Jetdirect-printservers wordt er
in dit gedeelte van uitgegaan dat er een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
Dynamic Host Configuration Protocol (DHCP, RFC 2131/2132)
is een van verscheidene automatische configuratiemechanismen
die door HP Jetdirect-printserver worden gebruikt. Als u
een DHCP-server op uw netwerk hebt, haalt de
HP Jetdirect-printserver automatisch het IP-adres vanuit die
server op en registreert zijn naam bij elke dynamische naamservice
die voldoet aan RFC 1001 en 1002 zolang voor de WINS-server
(Windows Internet Naming Service) een IP-adres is aangegeven.
Tevens kan een TFTP-configuratiebestand (Trivial File Transfer
Protocol) met DHCP worden gebruikt voor het configureren van
extra parameters. Raadpleeg "BOOTP/TFTP gebruiken
" voor meer
informatie over TFTP-parameters.
Opmerking DHCP-services moeten beschikbaar zijn op de
server. Raadpleeg de systeemdocumentatie of de
on line Help bij het installeren of inschakelen van
de DHCP-services.
Opmerking Als de Jetdirect-printserver en de
BOOTP/DHCP-server zich op verschillende
subnetten bevinden, is het mogelijk dat de
IP-configuratie mislukt, tenzij de router de
overdracht mogelijk maakt van DHCP-verzoeken
tussen subnetten.
NLWW TCP/IP-configuratie 74
UNIX-systemen
Voor meer informatie over het instellen van DHCP op
UNIX-systemen raadpleegt u de pagina bootpd man.
Op HP-UX-systemen is het mogelijk dat zich een voorbeeld van een
DHCP-configuratiebestand (dhcptab) in de directory
/etc
bevindt.
Aangezien HP-UX momenteel geen DDNS (Dynamic Domain
Name Services) voor de eigen DHCP-implementaties biedt, wordt
u aangeraden de duur van alle leases in te stellen op Onbeperkt.
Op deze manier wordt verzekerd dat de IP-adressen van de
printserver hetzelfde blijven tot Dynamic Domain Name Services
beschikbaar worden gesteld.
Windows-systemen
HP Jetdirect printservers ondersteunen IP-configuratie vanaf
een Windows NT DHCP-server. In dit gedeelte wordt beschreven
hoe een pool met IP-adressen (een zogenaamd "bereik") moet
worden ingesteld die de Windows NT-server aan elke verzoeker kan
toekennen of leasen. Indien geconfigureerd voor BOOTP- of
DHCP-werking en indien ingeschakeld, zal de
HP Jetdirect-printserver automatisch een BOOTP- of
DHCP-verzoek voor de eigen IP-configuratie verzenden. Indien
correct ingesteld, zal een Windows DHCP-server reageren met
de gegevens voor de IP-configuratie van de printserver.
Opmerking Deze informatie wordt gegeven ter overzicht.
Voor specifieke informatie of voor extra
ondersteuning raadpleegt u de documentatie bij
uw DHCP-server-software.
Opmerking Ter voorkoming van problemen voortvloeiende
uit gewijzigde IP-adressen, beveelt HP aan dat aan
alle printers IP-adressen met oneindige leases of
gereserveerde IP-adressen worden toegewezen.
NLWW TCP/IP-configuratie 75
Windows NT 4.0 Server
Als u een DHCP-bereik wilt instellen op een Windows NT 4.0 server,
moet u de volgende stappen uitvoeren:
1. Open op de Windows NT server het venster Programmabeheer
en dubbelklik op het pictogram Netwerkbeheerder.
2. Dubbelklik op het pictogram DHCP-beheer in dit venster.
3. Selecteer Server en selecteer Server toevoegen.
4. Typ het IP-adres van de server, klik dan op OK om terug te gaan
naar het venster DHCP-beheer.
5. Klik in de lijst van DHCP-servers op de server die u zojuist hebt
toegevoegd, selecteer dan Bereik en selecteer Maken.
6. Selecteer De IP-adrespool instellen. In de sectie IP-adrespool
moet u het IP-adresbereik instellen door het eerste IP-adres in
te typen in het vak Beginadres en het laatste IP-adres in het
vak Eindadres. Typ ook het subnetmasker voor het subnet
waarop de IP-adrespool van toepassing is.
De begin- en eind- IP-adressen definiëren de eindpunten van de
aan dit bereik toegekende adrespool.
Opmerking Desgewenst kunt u groepen IP-adressen in een
bereik uitsluiten.
7. Selecteer in de sectie Duur lease de optie Onbeperkt en
selecteer vervolgens OK.
HP raadt aan om aan alle printers leases voor onbepaalde
tijd toe te kennen om problemen die voortkomen uit gewijzigde
IP-adressen te voorkomen. Denk er wel aan dat het toekennen
van een lease voor onbepaalde tijd ertoe leidt dat alle clients in
dat bereik leases voor onbepaalde tijd hebben.
Als u wilt dat clients op uw netwerk leases voor bepaalde tijd
hebben, kunt u de duur op een bepaalde tijd instellen, maar
u moet dan alle printers configureren als gereserveerde clients
voor het bereik.
NLWW TCP/IP-configuratie 76
8. Sla deze stap over als u bij de vorige stap leases voor onbepaalde
tijd hebt toegekend. Selecteer anders Bereik en selecteer
Reserveringen toevoegen om uw printers te installeren
als gereserveerde clients. Voer voor elke printer de volgende
stappen uit in het venster Gereserveerde clients toevoegen
om een reservering voor die printer in te stellen:
a. Typ het geselecteerde IP-adres.
b. Haal het MAC-adres of hardwareadres op van de
configuratiepagina en typ dit adres in het venster Unieke id.
c. Typ de clientnaam (elke naam is acceptabel).
d. Selecteer Toevoegen om de gereserveerde client toe te
voegen. Als u een reservering wilt verwijderen, selecteert
u in het venster DHCP-beheerder de optie Bereik en
selecteert u Actieve leases. Klik in het venster Actieve
leases op de reservering die u wilt verwijderen en selecteer
Verwijderen.
9. Selecteer Afsluiten om terug te gaan naar het venster
DHCP-beheer.
10. Sla deze stap over als u niet van plan bent gebruik te maken
van WINS (Windows Internet Naming Service). Voer anders
de volgende stappen uit voor het configureren van uw
DHCP-server:
a. Selecteer vanuit het venster DHCP-beheer DHCP-opties
en selecteer een van de volgende opties:
Bereik als u alleen naamservices wenst voor het
geselecteerde bereik.
Globaal als u naamservices voor alle bereiken wilt.
b. Voeg de server toe aan de lijst Actieve opties. Selecteer
vanuit het venster DHCP-opties WINS/NBNS-servers
(044) in de lijst Niet-gebruikte opties. Selecteer
Toevoegen, selecteer dan OK.
Er kan een waarschuwing worden afgebeeld met het
verzoek het knooppunttype in te stellen. U doet dat in
stap 10d.
NLWW TCP/IP-configuratie 77
c. U moet nu het IP-adres van de WINS-server opgeven.
U doet dit als volgt:
Selecteer Waarde, dan Matrix bewerken.
Selecteer vanuit de Matrixeditor voor IP-adres
Verwijderen om alle ongewenste adressen die eerder
zijn ingesteld, te verwijderen. Typ dan het IP-adres van
de WINS-server in en selecteer Toevoegen.
Zodra het adres verschijnt in de lijst van IP-adressen,
selecteert u OK. U keert dan terug naar het venster
DHCP-opties. Als het adres dat u zojuist hebt
toegevoegd in de lijst van IP-adressen (onder aan het
venster) verschijnt, gaat u terug naar stap 10d. Herhaal
anders stap 10c.
d. Selecteer in het venster DHCP-opties WINS/NBT
Knooppunttype (046) in de lijst Niet-gebruikte opties.
Selecteer Toevoegen om het knooppunttype toe te voegen
aan de lijst Actieve opties. Typ in het vak Byte
0x4
om
een gemengde knooppunt aan te geven en selecteer OK.
11. Klik op Afsluiten om terug te gaan naar Programmabeheer.
Windows 2000-server
Als u een DHCP-bereik wilt instellen op een Windows 2000-server,
moet u de volgende stappen uitvoeren:
1. Start het hulpprogramma DHCP-beheer van Windows 2000.
Klik op Start en selecteer vervolgens Instellingen en
Configuratiescherm. Open de map Systeembeheer en start
het DHCP-hulpprogramma.
2. Zoek in het venster DHCP de Windows 2000-server in de
DHCP-structuur en selecteer deze.
Als uw server niet in de structuur wordt vermeld, selecteert u
DHCP en klikt u in het menu Actie om de server toe te voegen.
3. Na selectie van de server in de DHCP-structuur klikt u op het
menu Actie en selecteert u Nieuwe scope. Hierdoor wordt
de wizard Nieuwe scope toevoegen gestart.
4. Klik in de wizard Nieuwe scope toevoegen op Volgende.
5. Voer een naam en een beschrijving voor deze scope in en klik
vervolgens op Volgende.
NLWW TCP/IP-configuratie 78
6. Voer het IP-adressenbereik voor deze scope in (begin-IP-adres
en eind-IP-adres). Voer ook het subnetmasker in en klik op
Volgende.
Opmerking Wanneer wordt gewerkt met subnetten, definieert
het subnetmasker welk gedeelte van een IP-adres
het subnet aanduidt en welk gedeelte het
clientapparaat. Zie voor meer informatie Bijlage A
.
7. Voer indien van toepassing het IP-adressenbereik in dat door
de server moet worden uitgesloten. Klik vervolgens op
Volgende.
8. Stel de duur in van de IP-adreslease voor uw DHCP-clients.
Klik vervolgens op Volgende.
HP raadt aan dat aan alle printers gereserveerde IP-adressen
worden toegewezen. Dit kunt u bewerkstelligen nadat u het
bereik hebt ingesteld (zie stap 11
).
9. Selecteer Nee om de DHCP-opties voor dit bereik later te
selecteren. Klik vervolgens op Volgende.
Selecteer Ja om de DHCP-opties nu te configureren en klik op
Volgende.
a. Geef indien gewenst het IP-adres op van de router (of de
standaardgateway) die clients moeten gebruiken. Klik
vervolgens op Volgende.
b. Geef indien gewenst de domeinnaam op en de DNS-servers
(Domain Name System) voor clients. Klik op Volgende.
c. Geef indien gewenst de WINS-servernamen en
IP-adressen op. Klik op Volgende.
d. Selecteer Ja om de DHCP-opties nu te activeren en klik op
Volgende.
10. U hebt nu het DHCP-bereik ingesteld op deze server. Klik op
Voltooien om de wizard te sluiten.
NLWW TCP/IP-configuratie 79
11. Configureer uw printer met een gereserveerd IP-adres binnen
het DHCP-bereik:
a. Open in de DHCP-structuur de map voor uw bereik en
selecteer Reserveringen.
b. Klik in het menu Actie en selecteer Nieuwe reservering.
c. Voe r in de v elden de corr e cte ge gevens in, met inbegr ip van
het gereserveerde IP-adres voor uw printer. (Opmerking:
het MAC-adres voor uw op HP Jetdirect aangesloten
printer is beschikbaar op de
HP Jetdirect-configuratiepagina.)
d. Selecteer Alleen DHCP bij "Ondersteunde typen" en klik
vervolgens op Toevoegen. (Opmerking: wanneer u Beide
of Alleen BOOTP selecteert, leidt dit tot een
BOOTP-configuratie, vanwege de volgorde waarin
configuratieprotocolverzoeken worden gestart op
HP Jetdirect-printservers.)
e. Geef een andere gereserveerde client op of klik op Sluiten.
De toegevoegde gereserveerde clients worden weergegeven
in de map Reserveringen voor dit bereik.
12. Sluit DHCP-beheer.
NLWW TCP/IP-configuratie 80
NetWare-systemen
NetWare 5.x-servers bieden DHCP-configuratieservices
voor clientcomputers in het netwerk, inclusief de
HP Jetdirect-printserver. Voor instelling van de DHCP-services
op een NetWare-server raadpleegt u de documentatie en
ondersteuning van Novell.
Als u de DHCP-configuratie wilt stoppen
LET OP Wijziging van een IP-adres van uw
HP Jetdirect-printserver kan het bijwerken van
de afdrukconfiguratie van de printer of het systeem
voor clients of server nodig maken.
Als u niet wilt dat de HP Jetdirect-printserver wordt
geconfigureerd via DHCP, dient u voor de printserver een andere
configuratiemethode in te stellen.
1. (Voor interne printservers) Als u via het bedieningspaneel
van de printer een handmatige configuratie of een
BOOTP-configuratie instelt, wordt DHCP niet gebruikt.
2. U kunt voor het instellen van handmatige (de status geeft
"User Specified" te zien) of BOOTP-configuratie Telnet
gebruiken; in dit geval wordt DHCP niet gebruikt.
3. U kunt de TCP/IP-parameters handmatig via een ondersteunde
webbrowser wijzigen met behulp van de ingesloten
Jetdirect-webserver of met HP Web Jetadmin.
Wanneer u naar BOOTP-configuratie overstapt, worden de door
DHCP geconfigureerde parameters vrijgegeven en wordt het
TCP/IP-protocol geïnitialiseerd.
Als u overstapt naar handmatige configuratie, wordt het door
DHCP geconfigureerde IP-adres vrijgegeven en worden door de
gebruiker opgegeven IP-parameters gebruikt. Daarom moet u,
als u het IP-adres handmatig opgeeft, ook handmatig alle
configuratieparameters instellen, zoals het subnetmasker,
de standaardgateway en de time-out bij inactief.
NLWW TCP/IP-configuratie 81
Opmerking Als u een configuratie via DHCP opnieuw
wilt inschakelen, haalt de printserver de
configuratie-informatie op bij een DHCP-server.
Dat houdt in dat als u DHCP kiest en u de
configuratiesessie (bijvoorbeeld door middel van
Telnet) beëindigt, het TCP/IP-protocol voor de
printserver opnieuw wordt geïnitialiseerd en
alle huidige configuratie-informatie wordt
gewist. De printserver probeert dan nieuwe
configuratie-informatie te verkrijgen door
DHCP-verzoeken op het netwerk naar een
DHCP-server te sturen.
Voor configuratie van DHCP via Telnet raadpleegt u "Telnet
gebruiken" in dit hoofdstuk.
NLWW TCP/IP-configuratie 82
RARP gebruiken
Opmerking Voor draadloze HP Jetdirect-printservers wordt er
in dit gedeelte van uitgegaan dat er een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
In dit gedeelte wordt beschreven hoe de printserver door middel
van het RARP-protocol (Reverse Address Resolution Protocol)
wordt geconfigureerd op UNIX- en Linux-systemen.
Door deze installatieprocedure kan de RARP-daemon die op uw
systeem wordt uitgevoerd, reageren op een RARP-verzoek vanuit
de HP Jetdirect-printserver en het IP-adres doorgeven aan de
printserver.
1. Zet de printer uit.
2. U dient zich als "superuser" aan te melden bij het UNIX- of
Linux-systeem.
3. Zorg ervoor dat de RARP-daemon op uw systeem wordt
uitgevoerd door de volgende opdracht in te typen achter
de systeemprompt:
ps -ef | grep rarpd
(Unix)
ps ax | grep rarpd
(BSD of Linux)
4. De respons van het systeem moet er ongeveer zo uitzien:
861 0.00.2 24 72 5 14:03 0:00 rarpd -a
860 0.00.5 36 140 5 14:03 0:00 rarpd -a
5. Als het systeem geen procesnummer voor de RARP-daemon
weergeeft, raadpleegt u de pagina rarpd man voor aanwijzingen
over het opstarten van de RARP-daemon.
6. Voeg het toegekende IP-adres en knooppuntnaam voor de
HP Jetdirect-printserver toe door het bestand
/etc/hosts
te
bewerken. Bijvoorbeeld:
192.168.45.39 laserjet1
NLWW TCP/IP-configuratie 83
7. Bewerk het bestand
/etc/ethers
(bestand
/etc/rarpd.conf
voor HP-UX 10.20) om het
LAN-hardwareadres/stationadres voor de LAN
(van de configuratiepagina) en de knooppuntnaam voor
de HP Jetdirect-printserver toe te voegen. Bijvoorbeeld:
00:01:E6:a8:b0:00 laserjet1
Opmerking Als uw systeem gebruik maakt van Netwerk
Informatie Services (NIS), moet u wijzigingen
aanbrengen in de NIS-host en ethers-databases.
8. Zet de printer aan.
9. Gebruik het ping-hulpprogramma om te controleren of de kaart
geconfigureerd is met het juiste IP-adres. Typ achter de cursor:
ping <IP address>
waar
<IP address>
het adres is dat vanuit RARP wordt
toegewezen.
10. Als de ping niet reageert, raadpleegt u Hoofdstuk 8
.
NLWW TCP/IP-configuratie 84
De opdrachten arp en ping gebruiken
Opmerking Voor draadloze HP Jetdirect-printservers wordt er
in dit gedeelte van uitgegaan dat er een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
De HP Jetdirect-printserver kan met een IP-adres worden
geconfigureerd door middel van een ARP-opdracht (Address
Resolution Protocol) dat vanaf een ondersteund systeem wordt
verstrekt. Het protocol kan niet worden gerouteerd, dat wil zeggen
het werkstation vanwaar de configuratie wordt uitgevoerd, moet op
hetzelfde netwerksegment zijn als de HP Jetdirect-printserver.
Voor gebruik van de arp- of ping-opdracht met
HP Jetdirect-printservers is het volgende nodig:
Windows NT/2000/XP- of UNIX-systeem geconfigureerd voor
werking met TCP/IP
HP Jetdirect-firmware-versie x.20.00 of hoger
instelling van het legacy standaard-IP-adres 192.0.0.192 op
de printserver
het LAN-hardwareadres (MAC) van de
HP Jetdirect-printserver (aangegeven op de
HP Jetdirect-configuratiepagina of op het etiket op externe
HP Jetdirect-printservers).
Opmerking Op sommige systemen zijn de bevoegdheden van
een "superuser" vereist voor gebruik van de
opdracht
arp
.
Nadat een IP-adres is toegewezen door middel van de opdracht
arp
of
ping
, configureert u de overige IP-parameters met andere
hulpprogramma's (bijvoorbeeld Telnet, de ingesloten webserver
of de HP Web Jetadmin-software).
NLWW TCP/IP-configuratie 85
Voor het configureren van een HP Jetdirect-printserver gebruikt
u de volgende opdrachten:
arp -s <IP address> <LAN hardware address>
ping <IP address>
waarbij
<IP address>
het gewenste IP-adres is dat aan de
printserver moet worden toegewezen. De
arp
-opdracht schrijft
de informatie naar de arp-cache op het werkstation en de
ping
-opdracht configureert het IP-adres op de printserver.
Afhankelijk van het systeem is het mogelijk dat voor het
LAN-hardwareadres een specifieke opmaak vereist is.
Bijvoorbeeld:
Voor Windows NT 4.0, 2000 of XP
arp -s 192.168.45.39 00-01-E6-a2-31-98
ping 192.168.45.39
Voor UNIX
arp -s 192.168.45.39 00:01:E6:a2:31:98
ping 192.168.45.39
Opmerking Wanneer het IP-adres eenmaal op de printserver is
ingesteld, worden verdere
arp
- en
ping
-opdrachten
genegeerd. Wanneer het IP-adres geconfigureerd is,
kunnen
arp
en
ping
alleen worden gebruikt nadat
de printserver op de fabriekswaarden zijn
teruggesteld (zie Hoofdstuk 8
).
Op UNIX-systemen is het mogelijk dat de opdracht
arp -s
van systeem tot systeem varieert.
Op sommige BSD-gebaseerde systemen wordt het
IP-adres (of de naam van de host) in omgekeerde
volgorde verwacht. Op andere systemen kunnen
extra parameters nodig zijn. Zie de documentatie
van uw systeem voor de specifieke opmaak voor
opdrachten.
NLWW TCP/IP-configuratie 86
Telnet gebruiken
Opmerking Voor draadloze HP Jetdirect-printservers wordt er
in dit gedeelte van uitgegaan dat er een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
In dit gedeelte wordt beschreven hoe printservers (firmware-
versie x.25.01 of hoger) kunnen worden geconfigureerd door middel
van Telnet.
Hoewel een Telnet-verbinding beschermd kan zijn met een
beheerderswachtwoord, zijn Telnet-verbindingen niet veilig.
Voor netwerken met een hoog beveiligingsniveau kunnen
Telnet-verbindingen op de printserver worden uitgeschakeld
met andere hulpmiddelen (zoals TFTP, de ingesloten webserver
of HP Web Jetadmin-software).
Telnet-verbinding maken
Voor gebruik van Telnet-opdrachten met de
HP Jetdirect-printserver moet een route beschikbaar zijn van het
werkstation naar de printserver. Als de printserver en de computer
een vergelijkbaar IP-adres moeten hebben (dat wil zeggen dat de
netwerkgedeelten van beide IP-adressen overeen moeten komen),
bestaat de kans dat er een route bestaat. Zie Bijlage A
voor
informatie over de structuur van IP-adressen.
Als de IP-adressen niet met elkaar overeenkomen, kunt u het
IP-adres van het werkstation aanpassen, of u kunt proberen om
met een opdracht van het besturingssysteem een route naar de
printserver te maken. (Als de printserver bijvoorbeeld met het
legacy standaard-IP-adres 192.0.0.192 is geconfigureerd, is het
waarschijnlijk dat er geen route bestaat.)
Op Windows-systemen kunt u een route-opdracht op een
Windows-opdrachtprompt (DOS) invoeren om een route naar
de printserver te maken.
NLWW TCP/IP-configuratie 87
Raadpleeg de on line Help van Windows voor informatie over
systeemopdrachtprompts. Op Windows NT-systemen vindt u het
programma voor de opdrachtprompt in de map Programma's
(klik op Start, Programma's, Opdrachtprompt). Op systemen
met Windows 2000/XP bevindt het zich in de map
Bureau-accessoires in de map Programma's.
Als u de opdracht route wilt gebruiken, hebt u ook het IP-adres van
het werkstation nodig. U kunt dit weergeven door de van toepassing
zijnde opdracht in te voeren op de opdrachtprompt:
C:\> ipconfig
(op Windows NT/2000/XP)
C:\> winipconfig
(op Windows 98)
Als u een route wilt maken vanaf de systeemopdrachtprompt,
typt u de volgende opdracht:
waarbij
<Jetdirect IP address>
het IP-adres is dat op de
HP Jetdirect-printserver geconfigureerd is, en waarbij
<system
IP address>
het IP-adres van de netwerkkaart is, die op hetzelfde
fysieke LAN is aangesloten als de printserver.
Als u bijvoorbeeld een route wilt maken van een werkstation
met IP-adres 169.254.2.1 naar een printserver met het
standaard-IP-adres 192.0.0.192, typt u de volgende opdracht:
LET OP Gebruik van Telnet voor het handmatig
instellen van een IP-adres doet de dynamische
IP-configuratie (zoals BOOTP, DHCP of RARP)
teniet, wat resulteert in een statische configuratie.
Bij een statische configuratie zijn de IP-waarden
vast en is het mogelijk dat BOOTP, DHCP, RARP
en andere methoden voor dynamische configuratie
niet meer werken.
Tijdens het handmatig wijzigen van een IP-adres
dient u tevens tegelijk het subnetmasker en de
standaardgateway opnieuw te configureren.
route add <Jetdirect IP Address> <system IP Address>
route add 192.0.0.192 169.254.2.1
NLWW TCP/IP-configuratie 88
Een gebruikelijke Telnet-sessie
Hieronder ziet u een afbeelding van de gebruikelijke manier om een
Telnet-sessie te starten.
Voor het instellen van configuratieparameters moet een
Telnet-sessie worden ingesteld van uw systeem naar de
HP Jetdirect-printserver.
1. Typ het volgende achter de systeemprompt:
telnet <IP address>
waar
<IP address>
het IP-adres is dat wordt weergegeven
op de Jetdirect-configuratiepagina. Zie Hoofdstuk 9
.
2. Er wordt een verbinding naar de HP Jetdirect-printserver
weergegeven. Als de server reageert met
connected to IP
address
, drukt u tweemaal op Enter om te controleren of de
Telnet-verbinding is geïnitialiseerd.
NLWW TCP/IP-configuratie 89
3. Als u om een gebruikersnaam en een wachtwoord wordt
gevraagd, typt u de gewenste waarden.
Als standaardinstelling is voor de Telnet-interface geen
gebruikersnaam of wachtwoord vereist. Als er een
beheerderswachtwoord is ingesteld, wordt u om een
gebruikersnaam en wachtwoord gevraagd alvorens u
instellingen voor Telnet-opdrachten kunt invoeren en opslaan.
4. Als standaardinstelling wordt een opdrachtregel-interface
geboden. Als u parameters wilt configureren met behulp van
een menu-interface typt u Menu. Zie Opties van de
gebruikersinterface voor meer informatie.
Raadpleeg voor een lijst van ondersteunde opdrachten en
parameters "Telnet-opdrachten en parameters
".
Opties van de gebruikersinterface
De HP Jetdirect-printserver biedt twee interface-opties voor het
invoeren van Telnet-opdrachten: een Opdrachtregel-interface
(standaardinstelling) en een Menu-interface.
Opdrachtregel-interface (standaardinstelling)
Met behulp van de opdrachtregel-interface voor Telnet kunt u de
configuratieparameters met behulp van de volgende procedures
instellen:
Opmerking Typ tijdens een Telnet-sessie ?
om de beschikbare
configuratieparameters, de juiste opmaak voor
opdrachten en een lijst van opdrachten te bekijken.
Als u verdere (of geavanceerde) opdrachten wilt
weergeven, typt u de opdracht
advanced
voordat
u
?
typt.
Als u de huidige configuratiegegevens wilt
weergeven, typt u
/
.
NLWW TCP/IP-configuratie 90
1. Typ achter de Telnet-prompt "
>
":
<parameter>: <waarde>
en druk vervolgens op Enter. Hierbij verwijst <
parameter>
naar de configuratieparameter die u definieert, en <
waarde>
naar de definities die u aan die parameter toekent.
Elk parameteritem wordt gevolgd door een return.
Zie Tabel 3.4
voor configuratieparameters (firmware-
versie x.25.00 of hoger).
2. Herhaal de vorige stap om extra configuratieparameters in
te stellen.
3. Nadat u de configuratieparameters hebt ingetypt, typt
u
exit
of
quit
(afhankelijk van het systeem).
Wanneer u wordt gevraagd of u de gewijzigde instellingen
wilt opslaan, typt u
Y
(standaard) voor Ja of
N
voor Nee.
Als u
save
typt in plaats van
exit
of
quit
, wordt u niet
gevraagd of u de instellingen wilt opslaan.
Telnet-opdrachten en parameters. Tabel 3.4
biedt een
overzicht van de beschikbare Telnet-opdrachten en parameters.
Opmerking Als een parameter dynamisch wordt geleverd
(bijvoorbeeld door middel van een BOOTP- of
DHCP-server), kan de waarde niet worden
gewijzigd met Telnet zonder eerst de handmatige
configuratie in te stellen. Zie de opdracht
ip-config
voor het instellen van de handmatige
configuratie.
Tijdens het handmatig wijzigen van een IP-adres
dient u tevens tegelijk het subnetmasker en de
standaardgateway opnieuw te configureren.
NLWW TCP/IP-configuratie 91
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (1 van 22)
User Control Commands
Opdracht Beschrijving
? Toont de Help en Telnet-opdrachten.
/ Toont de huidige waarden.
menu Toont de Menu-interface
voor toegang tot
configuratieparameters.
advanced Activeert de geavanceerde opdrachten. De Help (?) omvat
tevens de geavanceerde opdrachten op de lijst.
general Deactiveert de geavanceerde opdrachten. De Help (?)
omvat niet de geavanceerde opdrachten
(standaardinstelling).
save Dient voor het opslaan van de configuratiewaarden en het
afsluiten van de sessie.
exit Beëindigt de sessie.
export Exporteert de instellingen naar een bestand zodat ze
kunnen bewerkt en kunnen worden geïmporteerd via Telnet
of TFTP (deze opdracht wordt alleen ondersteund door
systemen, zoals UNIX, die ondersteuning bieden voor het
omleiden van invoer en uitvoer).
Algemene instellingen
Opdracht Beschrijving
passwd Stelt het beheerderswachtwoord in (wordt gedeeld met
de ingesloten webserver en HP Web Jetadmin).
passwd jd1234 jd1234 stelt het wachtwoord bijvoorbeeld
in op jd1234. jd1234 wordt tweemaal ingevoerd ter
bevestiging.
Er mogen maximaal 16 alfanumerieke tekens worden
gebruikt. Tijdens het starten van de volgende Telnet-sessie
wordt u naar een gebruikersnaam en dit wachtwoord
gevraagd.
Als u het wachtwoord wilt wissen, typt u de opdracht zonder
het wachtwoord en zonder de bevestiging.
U kunt wachtwoorden wissen door de fabriekswaarden te
herstellen.
sys-location Alfanumerieke reeks (maximaal 255 tekens) die over het
algemeen gebruikt wordt ter aanduiding van een locatie.
NLWW TCP/IP-configuratie 92
sys-contact Alfanumerieke reeks (maximaal 255 tekens) die over het
algemeen gebruikt wordt ter aanduiding van de naam van
een beheerder van het netwerk of een apparaat.
ssl-state Hiermee wordt het beveiligingsniveau voor
webcommunicatie van de printserver ingesteld:
1 (standaardinstelling): gedwongen omleiding naar de
HTTPS-poort. Alleen HTTPS-communicatie (beveiligd
HTTP) kan worden gebruikt.
2: gedwongen omleiding naar HTTPS uitschakelen.
HTTP- en HTTPS-communicatie kunnen worden gebruikt.
security-reset Beveiligingsinstellingen op de printserver terugzetten op
fabriekswaarden. Bij 0 (standaardinstelling) worden de
beveiligingsinstellingen niet hersteld, bij 1 worden
beveiligingsinstellingen hersteld.
Hoofdinstellingen draadloos 802.11
Opdracht Beschrijving
network-type De topologie van het draadloze 802.11-netwerk opgeven:
Infrastructure
: de printserver communiceert via een
toegangspunt met andere vaste of draadloze
netwerkapparaten in het netwerk.
Ad hoc
: (standaardinstelling) de printserver communiceert
rechtstreeks met andere draadloze apparaten, zonder
gebruik van een toegangspunt.
desired-ssid De gewenste SSID (Service Set Identifier) of netwerknaam
voor de printserver. Er mogen maximaal 32 alfanumerieke
tekens worden gebruikt.
De fabriekswaarde voor SSID is
hpsetup
in de
Ad-hocmodus. Maak geen gebruik van de
Infrastructuur-netwerk-SSID
hpsetup
.
Als de opdracht ssid wordt gebruikt zonder ingang (een
blanco SSID), wordt de gewenste SSID <AUTO>
toegewezen, waarbij de SSID wordt verbonden met het
eerste netwerk dat overeenkomt met de
verificatie-instellingen.
encryption Het gebruik van codering. 0 (standaardinstelling)
deactiveert, 1 activeert.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (2 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 93
wep-key-method De indeling voor het invoeren van WEP-sleutels.
Ingevoerde WEP-sleutels moeten de juiste lengte hebben.
ASCII
: (standaardinstelling) gebruik alfanumerieke
ASCII-tekens (0 - 9, a - z en A - Z). Voer 5 tekens in voor
40/64-bits codering. Voer 13 tekens in voor 104/128-bits
codering. Bij ingevoerde ASCII-tekens wordt onderscheid
gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters.
HEX
: gebruik hexadecimale getallen (0 - 9, a - f en A - F).
Voer 5 hexadecimale getallen in voor 40/64-bits codering.
Voer 26 hexadecimale getallen in voor 104/128-bits
codering. Bij ingevoerde HEX-tekens wordt geen
onderscheid gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters.
wep-key Hiermee geeft u een statische WEP-coderingssleutel (Wired
Equivalent Privacy) op. De printserver kan maximaal vier
WEP-sleutels opslaan met vier sleutelposities (sleutel 1, 2,
3, 4). Als u een WEP-sleutel wilt invoeren, geeft u de
sleutelpositie op, gevolgd door de coderingssleutelwaarde.
Bijvoorbeeld:
wep-key 1 0123456789net
hiermee wordt sleutel 1 toegewezen met een 128-bits
WEP-sleutel die wordt aangegeven met de waarde
0123456789net.
U kunt de opdracht
wep-key-method
gebruiken om de
indeling van de sleutelwaarde op te geven (hexadecimale
getallen of alfanumerieke ASCII-tekens). Tevens kunt u een
optionele parameter invoeren (ASCII of HEX) na de
sleutelpositie. Bijvoorbeeld:
wep-key 1 ASCII 0123456789net
hiermee wordt sleutel 1 toegewezen met een 128-bits
WEP-sleutel die wordt aangegeven met de alfanumerieke
ASCII-tekens 0123456789net.
Zorg ervoor dat sleutelposities en sleutelwaarden
overeenkomen met andere draadloze apparaten op het
netwerk wanneer u statische WEP-sleutels toewijst. Zorg
ervoor dat alle ingevoerde sleutelwaarden dezelfde lengte
hebben en dat het juiste aantal tekens of cijfers wordt
gebruikt voor de lengte van de WEP-sleutels.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (3 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 94
transmit-key De WEP-sleutelpositie (1, 2, 3 of 4) die de printserver voor
gecodeerde communicatie zal gebruiken. Bijvoorbeeld:
transmit-key 2
geeft aan dat sleutel 2 voor gecodeerde communicatie zal
worden gebruikt.
desired-channel (Ad-hoc) Het gewenste kanaal dat de printserver moet
gebruiken voor ad-hocnetwerkverbindingsaanvragen.
10
: (standaardinstelling) gebruik kanaal 10 (2457 MHz).
11
: gebruik kanaal (2462 MHz).
De printserver gebruikt dit kanaal om de beschikbaarheid
uit te zenden als het ontdekken van en verbinden met het
opgegeven ad-hocnetwerk via een van de kanalen mislukt.
auth-type Een verificatiemethode op koppelingsbasis voor de
printserver voordat toegang tot het netwerk is toegestaan.
Open
: (standaardinstelling) gebruik Open
System-verificatie als geen verificatie vereist is voor
toegang tot het draadloze netwerk. In het netwerk kan echter
wel gebruik worden gemaakt van coderingssleutels voor
gegevensbeveiliging.
Shared_Key
: gebruik Shared Key-verificatie als voor
netwerktoegang elk apparaat moet zijn geconfigureerd
met dezelfde geheime WEP-sleutel.
De optie Shared_Key kan niet worden gebruikt bij de
instellingen van de opdracht
wpa-auth-type
(802.1x of PSK).
server-auth Bij deze opdracht moet u een optie voor dynamische
codering (de opdracht
dynamic-encrypt
) en EAP
802.1x-verificatie (de opdracht
wpa-auth-type
) opgeven.
Gebruik deze opdracht om verificatiemethoden op
serverbasis op te geven die op het netwerk worden gebruikt.
Zie Hoofdstuk 1
voor een korte beschrijving van
ondersteunde verificatieprotocollen.
None
: (standaardinstelling) er wordt geen gebruik gemaakt
van netwerkverificatie op serverbasis.
EAP_MD5
: een verificatiemethode waarbij gebruik wordt
gemaakt van 802.1x EAP en MD5
(Message-Digest-algoritme 5, RFC 1321). Hiervoor dienen
een gebruikersnaam en wachtwoord te worden
geconfigureerd op het apparaat. Gebruik de opdrachten
svr-auth-user
en
svr-auth-pass
om respectievelijk
een gebruikersnaam en een wachtwoord op te geven.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (4 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 95
server-auth
(vervolg)
EAP_TLS
: een verificatiemethode waarbij gebruik wordt
gemaakt van 802.1x EAP-TLS (Extensible Authentication
Protocol - Transport Layer Security, RFC 2716). Hiervoor
zijn een wachtwoord en een geïnstalleerd digitaal certificaat
dat voldoet aan X.509 vereist voor apparaatverificatie.
Tevens dient er een CA-certificaat (Certificate Authority)
te zijn geïnstalleerd voor validatie van de verificatieserver.
Gebruik de opdracht
svr-auth-user
om een
gebruikersnaam op te geven. Gebruik de ingesloten
webserver om certificaten te installeren. Zie Hoofdstuk 4
.
LEAP
: een verificatiemethode waarbij gebruik wordt
gemaakt van LEAP (Lightweight Extensible Authentication
Protocol). LEAP is een protocol dat eigendom is van Cisco
Systems, Inc. Voor LEAP zijn een gebruikersnaam en een
wachtwoord vereist. Gebruik de opdrachten
svr-auth-user
en
svr-auth-pass
om respectievelijk
een gebruikersnaam en een wachtwoord op te geven.
PEAP
: een verificatiemethode waarbij gebruik wordt
gemaakt van PEAP (Protected Extensible Authentication
Protocol). Voor PEAP zijn een gebruikersnaam en een
wachtwoord vereist voor clientvalidatie. Tevens dient er een
CA-certificaat (Certificate Authority) te zijn geïnstalleerd
voor validatie van de verificatieserver. Gebruik de
opdrachten
svr-auth-user
en
svr-auth-pass
om
respectievelijk een gebruikersnaam en een wachtwoord op
te geven. Gebruik de ingesloten webserver om certificaten
te installeren. Zie Hoofdstuk 4
.
EAP_TTLS
: een verificatiemethode waarbij gebruik wordt
gemaakt van TTLS (Tunneled Transport Layer Security).
EAP-TTLS is een EAP-TLS-extensie waarbij ook gebruik
wordt gemaakt van digitale certificaten die voldoen aan
X.509. Voor TTLS zijn een gebruikersnaam en een
wachtwoord vereist voor clientvalidatie. Tevens dient er een
CA-certificaat (Certificate Authority) te zijn geïnstalleerd
voor validatie van de verificatieserver. Gebruik de
opdrachten
svr-auth-user
en
svr-auth-pass
om
respectievelijk een gebruikersnaam en een wachtwoord op
te geven. Gebruik de ingesloten webserver om certificaten
te installeren. Zie Hoofdstuk 4
.
svr-auth-user Een gebruikersnaam voor verificatie op serverbasis.
Er mogen maximaal 128 alfanumerieke tekens worden
gebruikt.
svr-auth-pass Een wachtwoord voor verificatie op serverbasis. Er mogen
maximaal 128 alfanumerieke tekens worden gebruikt.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (5 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 96
svr-auth-id De tekenreeks van het CA-certificaat die zal worden gebruikt
om de verificatieserver te identificeren en te valideren.
De tekenreeks wordt vergeleken met een identificatiereeks
die is ontvangen van de verificatieserver. Voor het
vergelijken van de tekenreeksen kunt u opgeven of
een exacte overeenkomst vereist is.
RIGHT_MOST
(standaardinstelling): de ingevoerde
tekenreeks wordt vergeleken met de meest rechtse
tekens in de tekenreeks van het CA-certificaat.
USE_EXACT
: de ingevoerde tekenreeks moet exact
overeenkomen met de tekenreeks van de verificatieserver.
wpa-auth-type Deze opdracht is niet compatibel met de optie Shared
Key-verificatie in de opdracht
auth-type
. Gebruik deze
opdracht om een ondersteund EAP-verificatietype op
te geven:
802.1x
: Selecteer deze optie op een EAP-netwerk waarop
een verificatieserver wordt gebruikt. Gebruik de opdracht
server-auth
om de EAP/802.1x-protocollen op te geven
die op het netwerk worden gebruikt. Gebruik de opdracht
dynamic-encrypt
om een optie voor dynamische
codering op te geven.
PSK
: Selecteer deze optie op een EAP-netwerk waarop
geen verificatieserver wordt gebruikt. In plaats daarvan
vindt op basis van een vooraf gedeelde sleutel verificatie
van apparaten plaats. Een vooraf gedeelde sleutel wordt
gegenereerd wanneer u een netwerkwachtzin opgeeft
met de opdracht
psk-passphrase
. De opdracht
dynamic-encrypt
moet worden ingesteld op
Robust
.
psk-passphrase Een wachtzin op basis waarvan een vooraf gedeelde sleutel
voor het netwerk wordt gegenereerd. Een wachtzin moet
bestaan uit 8 tot 63 ASCII-tekens in het hexadecimale bereik
van 21 tot en met 7E (de tekens 0-9, a-z, A-Z en diverse
speciale tekens, zoals !, @, #, $, %, ^, &, (, ), _, +, =, -, {, },
[, ], \, /, ", <, >, ?, ", ', ~).
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (6 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 97
dynamic-encrypt Selecteer een ondersteunde optie voor dynamische
codering:
Basic
: dynamische WEP-codering wordt ondersteund.
Robust
: dynamische WPA- (Wi-Fi Protected Access)
en WEP-coderingsprotocollen worden ondersteund.
Gebruik de opdracht
wpa-auth-type
om een compatibel
EAP-verificatietype te selecteren:
Voor EAP/PSK-verificatie moet de printserver
gebruikmaken van Robust Encryption
(WPA-coderingsprotocollen).
Voor EAP/802.1x-verificatie (alleen LEAP) moet de
printserver gebruikmaken van Basic Encryption.
Voor EAP/802.1x-verificatie (alleen PEAP, TLS en TTLS)
kan de printserver, afhankelijk van het netwerk,
gebruikmaken van Basic Encryption of Robust
Encryption.
Dynamische coderingsprotocollen vallen onder het toezicht
van de verificatieserver en moeten ook worden ondersteund
door het toegangspunt.
Diagnostische gegevens voor 802.11 draadloos
Opdracht Beschrijving
Current SSID (Alleen-lezen-parameter) De naam van het netwerk (SSID)
waarmee de draadloze printserver is verbonden.
Current Channel (Alleen-lezen-parameter) Het kanaal dat op dat moment
door de draadloze printserver wordt gebruikt.
Signal Strength (Alleen-lezen-parameter) De sterkte van het radiosignaal
dat door de printserver wordt ontvangen.
<leeg>
: geen radiosignaal gevonden tijdens het scannen.
No Signal
: geen radiosignaal gevonden op de kanalen.
Poor/Marginal/Good/Excellent
: geeft het niveau van de
gevonden signaalsterkte weer.
Access Point Mac (Alleen-lezen-parameter) Het MAC-adres (Media Access
Control) van het toegangspunt dat wordt gebruikt voor
Infrastructuur-moduscommunicatie. Bijvoorbeeld:
00:a0:f8:38:7a:f7
geeft aan dat het toegangspunt met MAC-adres
00a0f8387af7 is gebruikt voor communicatie in het netwerk.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (7 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 98
Basisinstellingen van TCP/IP
Opdracht Beschrijving
host-name Alfanumerieke reeks (maximaal 32 tekens) voor het
toewijzen of wijzigen van de naam van het netwerkapparaat.
Bijvoorbeeld:
"host-name printer1" geeft de naam "printer1" aan het
apparaat.
ip-config Geef de configuratiemethode op:
manual
: De printserver wacht op IP-parameters die
handmatig worden opgegeven (bijvoorbeeld met Telnet,
met een ingesloten webserver, via het bedieningspaneel
of met installatie-/beheersoftware). De status wordt
aangegeven als
User Specified
(door gebruiker
bepaald).
bootp
: de printserver verzendt BOOTP-verzoeken over
het netwerk voor dynamische IP-configuratie.
dhcp
: de printserver verzendt DHCP-verzoeken over het
netwerk voor dynamische IP-configuratie.
ip IP-adres voor de printserver, met gestippelde letters.
Bijvoorbeeld:
ip-config manual
ip 192.168.45.39
waarbij
ip-config
duidt op handmatige configuratie
en
ip
handmatig het IP-adres op de printserver instelt
op 192.168.45.39.
Als u 0.0.0.0 opgeeft, wordt het IP-adres gewist.
Als u afsluit en een nieuw IP-adres opslaat, moet dit tijdens
de volgende Telnet-verbinding worden opgegeven.
subnet-mask Een waarde (in gestippelde tekst) ter identificatie van het
netwerk- en het hostgedeelte van een IP-adres in ontvangen
berichten. Bijvoorbeeld:
subnet-mask 255.255.255.0
slaat de waarde 255.255.255.0 voor het subnetmasker op
op de printserver. Door de waarde 0.0.0.0 wordt het
subnetmasker uitgeschakeld. Zie voor meer informatie
Bijlage A
.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (8 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 99
default-gw Het IP-adres van de standaardgateway, in gestippelde tekst.
Bijvoorbeeld:
default-gw 192.168.40.1
wijst 192.168.40.1 toe als het IP-adres van de
standaardgateway voor de printserver.
Opmerking:
als de HP Jetdirect-printserver door
DHCP wordt geconfigureerd en u het subnetmasker en de
standaard-gateway handmatig wijzigt, dient u het IP-adres
van de printserver handmatig te wijzigen. Op deze manier
wordt het door DHCP toegewezen adres opnieuw aan de
DHCP-pool met IP-adressen toegewezen.
Config Server (Alleen-lezen-parameter) Het IP-adres van de server
(bijvoorbeeld een BOOTP- of DHCP-server) waardoor de
vorige keer het IP-adres van de HP Jetdirect-printserver is
geconfigureerd.
TFTP Server (Alleen-lezen-parameter) Het IP-adres van de TFTP-server
die TFTP-parameters aan de HP Jetdirect-printserver
geleverd heeft.
TFTP Filename (Alleen-lezen-parameter) Het pad en de
TFTP-bestandsnaam op de TFTP-server. Bijvoorbeeld:
hpnp/printer1.cfg
domain-name De domeinnaam voor het apparaat. Bijvoorbeeld:
domain-name support.hp.com
wijst
support.hp.com
toe als de naam van het domein.
De domeinnaam bevat niet de naam van de host; dit is niet
een zogenaamde volledig correcte domeinnaam, zoals
printer1.support.hp.com.
dns-svr IP-adres van de DNS-server (Domain Name System).
pri-wins-svr Het IP-adres van de primaire WINS-server (Windows
Internet Name Service) server, in gestippelde tekst.
sec-wins-svr Het IP-adres van de secundaire WINS-server (Windows
Internet Name Service) server, in gestippelde tekst.
smtp-svr (SMTP-mailserver) Het IP-adres van de SMTP-server
(Simple Mail Transport Protocol) voor uitgaande e-mail
voor gebruik met ondersteunde scanapparaten.
Afdrukopties voor TCP/IP
Opdracht Beschrijving
9100-printing Dient voor het in- of uitschakelen van afdrukken via
TCP-poort 9100 van de printserver. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
ftp-printing Activeert of deactiveert de mogelijkheid voor afdrukken
via FTP. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
(TCP-poorten 20, 21)
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (9 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 100
ipp-printing Activeert of deactiveert de mogelijkheid voor afdrukken via
IPP. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
(TCP-poort 631)
lpd-printing Activeert of de\activeert de mogelijkheid voor afdrukken via
LPD. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
(TCP-poort 515)
banner Dient voor het in- of uitschakelen van een LPD-voorblad.
0 schakelt voorbladen uit. 1 (standaardinstelling) schakelt
voorbladen in.
interlock Dient voor het aangeven of een bevestiging (ACK) voor
alle TCP-pakketten vereist is alvorens de printer de
afdrukverbinding via Port 9100 mag sluiten. Om rekening te
houden met printservers met meerdere poorten wordt een
waarde voor het poortnummer en een optie opgegeven.
Het poortnummer kan 1 (standaardinstelling), 2 of 3 zijn.
De optiewaarde 0 (standaardinstelling) dient voor het
uitschakelen van de interlock; 1 dient voor het inschakelen.
Bijvoorbeeld:
interlock 2 1
duidt op Poort 2 met de interlock
ingeschakeld.
mult-tcp-conn (Restrict Mult Prt) Dient voor het in- en uitschakelen van
meerdere TCP-verbindingen.
0 (standaardinstelling): staat meerdere verbindingen toe.
1: dient voor het uitschakelen van meerdere verbindingen.
buffer-packing Dient voor het in- of uitschakelen van "buffer packing"
voor TCP/IP-pakketten.
0 (standaardinstelling): is gebruikelijk; de gegevensbuffer
wordt vóór verzending naar de printer ingepakt.
1: schakelt buffer packing uit; de gegevens worden naar
de printer verzonden zoals ze ontvangen zijn.
write-mode Regelt instelling van de TCP PSH-markering voor
gegevensoverdrachten van apparaat naar clientcomputers.
0 (standaardinstelling): dient voor het uitschakelen van deze
optie: markering is niet ingesteld.
1: "all-push"-optie. De push-bit wordt in alle
gegevenspakketten ingesteld.
2: "eoi-push"-optie. De push-bit wordt alleen ingesteld voor
gegevenspakketten waarvoor de markering
"End-of-Information" is ingesteld.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (10 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 101
TCP/IP LPD-wachtrijen
Opdracht Beschrijving
addq
Voegt een door de gebruiker gedefinieerde wachtrij toe.
De naam van de wachtrij (maximaal 32 ASCII-tekens
die kunnen worden weergegeven), de naam van de
prepend-tekenreeks, de naam van de append-tekenreeks
en de verwerkingswachtrij (over het algemeen RAW)
moeten in de opdrachtregel worden opgegeven. Er mogen
maximaal zes door de gebruiker gedefinieerde wachtrijen
worden toegevoegd.
deleteq Verwijdert een door de gebruiker gedefinieerde wachtrij.
De naam van de wachtrij moet worden opgegeven in de
opdrachtregel deleteq.
defaultq De naam van de wachtrij die moet worden gebruikt als de
opgegeven wachtrij voor een afdruktaak onbekend is.
De standaardwachtrij is AUTO.
addstring Voegt een door de gebruiker gedefinieerde tekenreeks toe
die vóór of na afdrukgegevens kan worden toegevoegd.
Er mogen maximaal acht alfanumerieke tekens worden
opgegeven. De naam van de tekenreeks en de inhoud
van de tekenreeks worden opgegeven in de opdrachtregel
addstring.
deletestring Verwijdert een door de gebruiker gedefinieerde string.
De naam van de string wordt opgegeven in de opdrachtregel
deletestring.
"Raw" afdrukpoorten voor TCP/IP
Opdracht Beschrijving
raw-port Bepaalt extra poorten voor het afdrukken naar TCP-poort
9100. Geldige poorten zijn 3000 tot 9000, afhankelijk van
het toepassingsprogramma. Er kunnen maximaal twee
poorten worden opgegeven.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (11 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 102
Toegangsregeling voor TCP/IP
Opdracht Beschrijving
allow Maakt een vermelding in de hosttoegangslijst die is
opgeslagen op de HP Jetdirect-printserver.
Elke vermelding duidt een host of netwerk met hosts aan
die verbinding mogen maken met de printer. De opmaak
is "allow: netnum [mask]" waarbij "netnum" een
netwerknummer of het IP-adres van een host is en "mask"
een adresmasker van bits is dat op het netwerknummer en
het hostadres wordt toegepast ter controle van de toegang.
Er zijn op de toegangslijst maximaal 10 hosts toegestaan.
Als hier geen vermeldingen zijn, krijgen alle hosts toegang.
Bijvoorbeeld:
allow 192.0.0.0 255.0.0.0
staat hosts op
netwerk 192 toe.
allow 192.168.1.2
staat één host toe. In dit geval
wordt uitgegaan van het standaardmasker,
255.255.255.255; dit is dan niet verplicht.
allow 0
wist de hosttoegangslijst.
Zie voor meer informatie Hoofdstuk 7
.
Overige TCP/IP-instellingen
Opdracht Beschrijving
syslog-config Activeert of deactiveert werking van de syslog-server op de
printserver: 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
(UDP-poort 514)
syslog-svr Het label van het IP-adres van de syslog-server,
in gestippelde tekst. Dit label duidt de server aan waarheen
de HP Jetdirect-printserver syslog-berichten stuurt.
Bijvoorbeeld:
syslog-svr: 192.168.40.1
wijst 192.168.40.1 toe als het IP-adres van de
betreffende server.
Zie Bijlage A
voor meer informatie.
syslog-max Duidt op het maximale aantal syslog-berichten dat per
minuut door de HP Jetdirect-printserver kan worden
verzonden. Met deze instelling kan de beheerder de
grootte van het logbestand regelen. De standaardinstelling
is 10 per minuut. Als dit op nul wordt ingesteld, is het aantal
syslog-berichten niet beperkt.
syslog-priority Werkt als een filter voor de syslog-berichten die naar de
syslog-server worden verzonden. Het filterbereik is 0 tot
en met 8, waarbij 0 het meest specifiek is en 8 het meest
algemeen. Alleen de berichten die lager zijn dan het
aangegeven filterniveau (of hoger in prioriteit), worden
gerapporteerd. De standaardinstelling is 8, waarbij
berichten van alle prioriteiten worden verzonden.
Indien nul, zijn alle syslog-berichten uitgeschakeld.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (12 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 103
syslog-facility Een code die gebruikt wordt voor het aangeven van de
bronfaciliteit van een bericht (bijvoorbeeld voor het bepalen
van de bron van bepaalde berichten tijdens het oplossen
van problemen). Als standaardinstelling wordt door de
HP Jetdirect-printserver LPR als de bronfaciliteitcode
gebruikt, maar plaatselijke gebruikerswaarden van
local0 tot en met local7 kunnen worden gebruikt om aparte
printservers of groepen van printservers te identificeren.
slp-config Activeert of deactiveert SLP-werking (Service
Location Protocol) op de printserver: 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert. SLP wordt door bepaalde
softwareprogramma's van HP gebruikt (via UDP-poort 427)
voor de automatische detectie van apparaten.
mdns-config Dient voor het in- of uitschakelen van mDNS-services
(Multicast Domain Name System). Met 0 worden ze
uitgeschakeld; met 1 (standaardinstelling) worden ze
ingeschakeld. mDNS wordt meestal in kleine netwerken
gebruikt voor het omzetten van IP-adressen en namen (via
UDP-poort 5353) wanneer geen conventionele DNS-server
beschikbaar is.
mdns-service-name Een alfanumerieke tekenreeks van maximaal
64 ASCII-tekens die aan dit apparaat of deze service is
toegewezen. Dit is een vaste naam en wordt gebruikt om
de naam van een bepaald apparaat of een bepaalde service
om te zetten als de socketgegevens (zoals het IP-adres)
per sessie veranderen. Apple Rendezvous geeft deze
service weer. De standaardservicenaam bestaat uit het
printermodel en het LAN-hardwareadres (MAC-adres).
mDNS Domain
Name
(Alleen-lezen-parameter) De mDNS-domeinnaam die aan
het apparaat is toegewezen, in de vorm <hostnaam>.local.
Als er geen door de gebruiker opgegeven hostnaam is
toegewezen, wordt de standaardhostnaam NPIxxxxxx
gebruikt, waarbij xxxxxx de laatste zes cijfers van het
LAN-hardwareadres (MAC) zijn.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (13 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 104
mdns-pri-svc De mDNS-service met de hoogste prioriteit die moet worden
gebruikt voor afdrukken. Als u deze parameter wilt instellen,
kiest u een van de volgende afdrukopties:
1
: afdrukken naar poort 9100
2
: afdrukken naar IPP-poort
3
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'raw'
4
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'text'
5
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'auto'
6
: de standaard-LPD-wachtrij van het type 'binps' (binair
PostScript)
7
tot en met
12
: door de gebruiker opgegeven
LPD-wachtrijen 5 tot en met 10 (voor zover die zijn
gedefinieerd).
De standaardinstelling hangt af van de printer, maar is
doorgaans "9100 printing" of "LPD binps".
ttl-slp Bepaalt de TTL-instelling (Time To Live) voor IP-multicasts
voor de SLP-pakketten (Service Location Protocol).
De standaardwaarde is vier sprongen (het aantal routers
vanaf het lokale netwerk). Het bereik is 1 tot 15. Bij instelling
van –1 wordt de multicast-functie uitgeschakeld.
ipv4-multicast Dient voor het in- of uitschakelen van de ontvangst en
verzending van multicast-pakketten van IP-versie 4 door de
printserver. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
idle-timeout Een getal (1 tot 3600) ter aanduiding van het aantal
seconden dat een inactieve afdrukgegevensverbinding
open mag blijven. Bijvoorbeeld:
idle-timeout 120
bepaalt 120 seconden als de gewenste waarde voor de
inactieve time-out.
De standaardinstelling is 270 seconden. Indien de waarde
is ingesteld op 0, wordt de verbinding niet beëindigd en zijn
andere hosts niet in staat om een verbinding tot stand te
brengen.
user-timeout Een getal (1...3600) voor het aangeven van het aantal
seconden dat de Telnet- of FTP-sessie niet-actief mag zijn
alvorens de verbinding automatisch wordt verbroken.
De standaardinstelling is 900 seconden. 0 dient voor het
uitschakelen van de time-out.
LET OP:
het resultaat van kleine waarden, zoals 1 tot 5,
kan zijn dat Telnet in feite wordt uitgeschakeld.
Telnet-sessies kunnen worden afgesloten alvorens
wijzigingen kunnen worden aangebracht.
cold-reset Stelt de fabriekswaarden voor TCP/IP in. Na activering van
de fabriekswaarden dient u de printserver uit- en weer in te
schakelen. Parameters voor andere subsystemen, zoals
IPX/SPX of AppleTalk, worden niet gewijzigd.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (14 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 105
ews-config Dient voor het in- of uitschakelen van de ingesloten
webserver van de printserver. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
Zie Hoofdstuk 4
voor meer informatie.
tcp-mss Hiermee wordt de maximale segmentgrootte (MSS)
aangeduid die de HP Jetdirect-printserver bij voorkeur
gebruikt wanneer er wordt gecommuniceerd met lokale
subnetten (Ethernet MSS=1460 bytes of meer) of externe
subnetten (MSS=536 bytes):
0
: (Standaardinstelling) Alle netwerken worden
verondersteld lokaal te zijn (Ethernet MSS=1460 bytes
of meer).
1
: Gebruik MSS=1460 bytes (of meer) voor subnetten
en MSS=536 bytes voor externe netwerken.
2
: Alle netwerken worden verondersteld extern te zijn
(MSS=536 bytes), behalve het lokale subnet.
Gebruik van MSS leidt tot betere prestaties omdat
IP-fragmentatie voorkomen wordt waarvoor het opnieuw
verzenden van gegevens nodig kan zijn.
tcp-msl Bepaalt de maximale levensduur van een segment (MSL)
in seconden. Het bereik varieert van 5 tot 120 seconden.
De standaardinstelling is 15 seconden.
default-ip Het IP-adres dat moet worden gebruikt wanneer
de printserver geen IP-adres kan verkrijgen van het
netwerk tijdens een gedwongen TCP/IP-herconfiguratie
(bijvoorbeeld wanneer de printserver wordt uitgeschakeld
en weer wordt ingeschakeld of wanneer de printserver
handmatig is ingesteld op het gebruik van BOOTP/DHCP).
DEFAULT_IP: hiermee wordt het legacy
standaard-IP-adres ingesteld op 192.0.0.192.
AUTO_IP: hiermee wordt het link-local IP-adres 169.254.x.x
ingesteld.
De eerste instelling wordt bepaald door het IP-adres dat
wordt verkregen wanneer de printserver voor het eerst wordt
ingeschakeld.
default-ip-dhcp Geeft aan of periodiek DHCP-verzoeken worden verzonden
wanneer het legacy standaard-IP-adres 192.0.0.192 of het
link-local IP-adres 169.254.x.x automatisch is toegewezen.
0: DHCP-verzoeken zijn uitgeschakeld.
1 (standaardinstelling): DHCP-verzoeken zijn ingeschakeld.
Diagnostische gegevens voor TCP/IP
Opdracht Beschrijving
Last Config IP (Alleen-lezen-parameter) Het IP-adres van het systeem
van waaruit het IP-adres van de HP Jetdirect-printserver
is geconfigureerd.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (15 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 106
TCP Conns Refused (Alleen-lezen-parameter) Het aantal TCP-verbindingen met
clientcomputers dat door de printserver geweigerd is.
TCP Access Denied (Alleen-lezen-parameter) Het aantal keren dat aan
clientcomputers toegang tot de printserver is geweigerd
omdat er in de hosttoegangslijst van de printserver geen
toegestane vermelding was.
DHCP Lease Time (Alleen-lezen-parameter) Leasetijd voor DHCP IP-adressen
(in seconden).
DHCP Renew Time (Alleen-lezen-parameter) DHCP T1-time-out ter aanduiding
van de vernieuwingstijd voor de DHCP-lease (in seconden).
DHCP Rebind Time (Alleen-lezen-parameter) DHCP T2-time-out ter aanduiding
van de tijd voor het opnieuw binden van de DHCP-lease
(in seconden).
Hoofdinstellingen voor SNMP
Opdracht Beschrijving
snmp-config
Activeert of deactiveert werking van SNMP op de
printserver. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling)
activeert SNMP.
LET OP:
als SNMP wordt gedeactiveerd, worden alle
SNMP-agents (SNMP v1, v2 en v3) en de communicatie
met beheertoepassingen, zoals HP WebJetadmin,
gedeactiveerd. Tevens worden firmware-upgrades via de
huidige HP-downloadhulpprogramma's gedeactiveerd.
get-cmnty-name Geeft een wachtwoord aan dat bepaalt op welke SNMP
GetRequests de HP Jetdirect-printserver reageert.
Dit is optioneel. Als er een door de gebruiker bepaalde
gebruiksgroepnaam is ingesteld, zal de printserver
reageren op deze naam of op de fabrieksinstelling.
De gebruikersgroepnaam moet uit ASCII-tekens bestaan.
De maximumlengte is 255 tekens.
set-cmnty-name Geeft een wachtwoord dat bepaalt op welke SNMP
SetRequests (beheerfuncties) de HP Jetdirect-printserver
reageert. De gebruikersgroepnaam van een binnenkomend
SNMP SetRequest moet overeenkomen met de
gebruikersgroepnaam van de printserver, anders
reageert de printserver niet. (Voor extra beveiliging kunt
u configuratietoegang beperken via de hosttoegangslijst
van de printserver.) Gebruikersgroepnamen moeten in
ASCII-tekens worden weergegeven. De maximumlengte
is 255 tekens.
default-get-cmnty Hiermee schakelt u de standaardgebruikersgroepnaam
voor Get in of uit.
0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
Als u deze parameter uitschakelt, kan communicatie met
SNMP-beheertoepassingen worden verhinderd.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (16 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 107
SNMP-traps
Opdracht Beschrijving
auth-trap Configureert de printserver om wel (aan) of geen (uit)
SNMP-verificatie-traps te versturen. Verificatie-traps geven
aan dat een SNMP-verzoek is ontvangen, maar de controle
van de gebruikersgroepnaam mislukt is. 0 is uit,
1 (standaardinstelling) is aan.
trap-dest Hiermee wordt het IP-adres van een host ingevoerd
in de lijst met SNMP-trap-bestemmingen van de
HP Jetdirect-printserver. De opmaak van de opdracht is:
trap-dest:
ip-address
[gebruikersgroepnaam]
[poortnummer]
De standaardgebruikersgroepnaam is "public",
het standaard-SNMP-poortnummer is 162. Het
poortnummer kan niet worden opgegeven zonder
gebruikersgroepnaam.
Als u de tabel wilt verwijderen, gebruikt u "trap-dest: 0".
Als de lijst leeg is, verstuurt de printserver geen
SNMP-traps. De lijst kan maximaal drie items bevatten.
De standaard-SNMP-trap-bestemmingslijst is leeg. Voor
ontvangst van SNMP-traps moeten systemen die op de
SNMP-trap-bestemmingslijst staan, een trap-daemon
hebben om naar de traps te luisteren.
IPX/SPX-instellingen
Opdracht Beschrijving
ipx-config Activeert of deactiveert de werking van het
IPX/SPX-protocol op de printserver. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert. Bijvoorbeeld:
ipx-config 0
schakelt de werking van IPX/SPX uit.
ipx-unitname (Naam printserver) Een door de gebruiker toegewezen
alfanumerieke naam voor de printserver (maximaal 31
tekens). Als standaardinstelling is de naam NPIxxxxxx,
waarbij xxxxxx duidt op de laatste zes cijfers van het
LAN-hardwareadres).
Address (Alleen-lezen-parameter) Identificeert het IPX-netwerk en
de knooppuntnummers die in het netwerk gedetecteerd zijn,
in de vorm NNNNNNN:hhhhhhhh (hexadecimaal), waarbij
NNNNNNNN het netwerknummer is en hhhhhhhh het
LAN-hardwareadres van de printserver is.
ipx-frametype Bepaalt de instellingen voor het IPX-frametype die
beschikbaar zijn voor het printservermodel: AUTO
(standaardinstelling), EN_SNAP, EN_8022, EN_8023,
EN_II, TR_8022, TR_SNAP. Zie Hoofdstuk 9
voor meer
informatie.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (17 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 108
ipx-sapinterval Duidt op de tijd (van 1 tot 3600 seconden) dat de
HP Jetdirect-printserver wacht tussen broadcasts van het
SAP-protocol (Service Advertising Protocol) op het netwerk.
De standaardinstelling is 60 seconden. 0 dient voor het
uitschakelen van SAP-broadcasts.
ipx-nds-tree Een alfanumerieke reeks van maximaal 31 tekens voor het
aanduiden van de NDS-structuurnaam van de printserver.
ipx-nds-context Een alfanumerieke reeks van maximaal 256 tekens voor
het aanduiden van de NDS-context van de
HP Jetdirect-printserver.
ipx-job-poll Bepaalt de tijd (1 tot 255 seconden) dat de
HP Jetdirect-printserver wacht alvorens de afdrukwachtrij
te controleren op afdruktaken. De standaardinstelling is
2 seconden.
ipx-banner Dient voor het in- of uitschakelen van een IPX-voorblad via
PJL (Printer Job Language). 0 schakelt voorbladen uit.
1 (standaardinstelling) schakelt voorbladen in.
ipx-eoj Dient voor het in- of uitschakelen van
taakeindewaarschuwingen via PJL. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
ipx-toner-low Dient voor het in- of uitschakelen van waarschuwingen via
PJL voor wanneer de toner bijna op is. 0 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert.
source-route (Alleen voor Token Ring) Configureert de
HP Jetdirect-printserver met de IPX/SPX-bronroute die in
het netwerk gebruikt is.
auto (standaardinstelling): De bronroute wordt automatisch
van het netwerk overgenomen.
uit: pakketten worden verzonden zonder bronroutes.
De printserver reageert uitsluitend op stations in
dezelfde ring.
single r: alle pakketten worden verzonden met bronroutes.
Voor broadcasts waarbij de route onbekend is, wordt de
methode Enkele route gebruikt.
all rt: alle pakketten worden verzonden met bronroutes.
Voor broadcasts waarbij de route onbekend is, wordt de
methode Alle routes gebruikt.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (18 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 109
Instellingen voor AppleTalk
Opdracht Beschrijving
appletalk Activeert of deactiveert de werking van het
AppleTalk-protocol (EtherTalk) op de printserver.
0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
Bijvoorbeeld:
at-config 0
dient voor het uitschakelen van de
AppleTalk-werking
name-override (Alleen externe printservers) Hiermee wordt de naam van
het AppleTalk-netwerk opgegeven. Er mogen maximaal
32 alfanumerieke tekens worden gebruikt.
Naam (Alleen-lezen-parameter) De naam van de printer op het
AppleTalk-netwerk. Een nummer achter de naam geeft aan
dat er meerdere apparaten met deze naam zijn en dat dit de
N-de keer is dat de naam voorkomt.
Print Type (Alleen-lezen-parameter) Bepaalt voor het
AppleTalk-netwerk het printertype dat aan de
HP Jetdirect-printserver wordt gerapporteerd. Er kunnen
maximaal drie printertypes worden gerapporteerd.
Zone (Alleen-lezen-parameter) De naam van de
AppleTalk-netwerkzone waarop de printer zich bevindt.
Phase (Alleen-lezen-parameter) De parameter voor AppleTalk
fase 2 (P2) is vooraf geconfigureerd op de
HP Jetdirect-printserver.
Status (Alleen-lezen-parameter) Duidt op de huidige status van de
AppleTalk-configuratie.
KLAAR: duidt erop dat de HP Jetdirect-printserver wacht op
gegevens.
UITGESCHAKELD: duidt erop dat AppleTalk handmatig is
uitgeschakeld.
INITIALISATIE: duidt erop dat de printserver bezig is met
het registreren van het knooppuntadres of de naam. Het is
mogelijk dat tevens een verder statusbericht wordt
weergegeven.
Instellingen voor DLC/LLC
Opdracht Beschrijving
dlc/llc-config Activeert of deactiveert de werking van het
DLC/LLC-protocol op de printserver. 0 deactiveert,
1 (standaardinstelling) activeert. Bijvoorbeeld:
dlc/llc-config 0
dient voor het uitschakelen van
de DLC/LLC-werking.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (19 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 110
strict-8022 Regelt de interpretatie van het DLC/LLC-protocol:
0 (standaardinstelling): deactiveert, dat wil zeggen, zorgt
voor een vrije interpretatie.
1: activeert, dat wil zeggen, zorgt voor een strikte
interpretatie.
Overige instellingen
Opdracht Beschrijving
link-type (10/100 Fast Ethernet) Stelt de afdruksnelheid (10 of 100
Mbps) en de communicatiemodus (Full- of Half-Duplex) in.
De keuzemogelijkheden zijn AUTO, 100FULL, 100HALF,
10FULL, 10HALF.
Bij AUTO (standaardinstelling) maakt de printer gebruik van
automatische onderhandeling om de verbindingssnelheid
en -modus te bepalen. Als automatische onderhandeling
mislukt, wordt 100HALF ingesteld.
laa Een Locally Administered Address (LAA) dat het in de
fabriek toegewezen LAN-hardwareadres (MAC-adres)
vervangt. Als LAA wordt gebruikt, moet een door de
gebruiker op te geven tekenreeks van exact
12 hexadecimale cijfers worden ingevoerd.
Voor Token Ring-printservers moet het LAA-adres beginnen
met een hexadecimale waarde van 40 tot en met 7F.
Voor Ethernet-printservers moet het LAA-adres beginnen
met de hexadecimale waarde X2, X6, XA of XE, waar X
een hexadecimaal teken tussen 0 en F is.
Het standaardadres is het in de fabriek toegewezen adres.
webscan-config Dient voor het in- of uitschakelen van de functie Webscan
van de printserver als deze op een ondersteund apparaat is
aangesloten. 0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
scan-idle-timeout Bepaalt het aantal seconden (1 3600) dat een niet-actieve
scanverbinding open mag blijven. 0 dient voor het
uitschakelen van de time-out. De standaardinstelling is
300 seconden.
scan-email-config (Email-scan-config) Dient voor het in- of uitschakelen van
de functie scannen-naar-e-mail van de Webscan-server.
0 deactiveert, 1 (standaardinstelling) activeert.
MFP-config (MFP-config) Dient voor het in- of uitschakelen van
printserver-ondersteuning voor de clientsoftware die bij
uw multifunctie- of alles-in-één-apparaat geleverd is.
0 (standaardinstelling): schakelt de ondersteuning voor
clientsoftware uit (alleen afdrukken is mogelijk).
1: schakelt de ondersteuning voor de clientsoftware in
(maakt afdrukken en scannen mogelijk).
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (20 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 111
usb-mode Bepaalt de communicatiemodus via de USB-poort van de
HP Jetdirect-printserver.
Auto (standaardinstelling): dient voor het automatisch
onderhandelen en instellen van de hoogst mogelijke
communicatiemodus voor de aangesloten printer of
het aangesloten apparaat.
MLC: (Multiple Logical Channels) Een eigen
communicatiemodus van HP waarmee meerdere
kanalen voor gelijktijdige afdruk-, scan- en
statuscommunicatie mogelijk zijn.
BIDIR: Een standaardverbinding voor ondersteuning
van bidirectionele communicatie tussen de printer en de
printserver. De printserver verzendt afdrukgegevens en
ontvangt de status van de printer.
UNIDIR: Een standaardverbinding waarin gegevens
slechts in één richting worden overgedragen (naar
de printer).
usb-speed (Alleen-lezen-parameter, alleen voor USB 2.0-producten)
De automatisch onderhandelde communicatiesnelheid via
de USB-verbinding tussen de HP Jetdirect-printserver en
het apparaat.
Full Speed: 12 Mbits/sec zoals aangegeven in de
USB v2.0-specificaties, compatibel met
USB v1.1-specificaties.
Hi-Speed: 480 Mbits/sec, alleen voor
USB v2.0-apparaten.
Disconnected: De USB-poort is niet aangesloten.
status-page-lang Bepaalt de PJL-taal (Printer Job Language) die door de
printserver wordt gebruikt om de
Jetdirect-configuratiepagina naar de printer te verzenden.
Auto (standaardinstelling): de PDL wordt automatisch
gedetecteerd wanneer de printserver wordt
ingeschakeld of nadat de fabriekswaarden zijn hersteld.
PCL: Hewlett-Packard Printer Control Language
ASCII: Standaard-ascii-tekens
HPGL2: Hewlett-Packard Graphics Language (v2)
PS: Postscript-taal
Instellingen voor ondersteuning
Opdracht Beschrijving
Web Jetadmin URL (Alleen-lezen-parameter) Wanneer dit apparaat door
HP Web Jetadmin wordt gevonden, wordt de URL voor
toegang tot de HP Web Jetadmin weergegeven.
Web Jetadmin
Name
(Alleen-lezen-parameter) Wanneer dit apparaat door
HP Web Jetadmin wordt gevonden, wordt de naam van
de HP Web Jetadmin weergegeven.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (21 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 112
Menu-interface
Een optionele menu-interface wordt weergegeven wanneer u
achter de Telnet-prompt
menu
typt. De menu-interface maakt het
overbodig om opdrachten te onthouden en biedt gestructureerde
menulijsten voor gemakkelijke toegang tot de
configuratieparameters.
Afbeelding 3.1
toont een menu-interface met de TCP/IP-menu's als
voorbeeld.
Vanuit het Main Menu (Hoofdmenu) selecteert u een
menunummer en voert u dit in. Als er submenu's zijn,
selecteert u een nummer van een submenu en voert u dit in.
Als u de instelling voor een parameter wilt wijzigen, typt u Y
(voor Ja) wanneer gevraagd.
De wijzigingen in de parameters worden aangebracht door de
instelling te bewerken met behulp van de toets Backspace.
Als er een niet-herkende waarde wordt ingevoerd, worden de
beschikbare opties weergegeven.
Opmerking De wijzigingen worden op de HP
Jetdirect-printserver opgeslagen wanneer u het
menu verlaat en u, wanneer daar om wordt
gevraagd, de wijzigingen opslaat.
support-name Wordt over het algemeen gebruikt voor het opgeven van de
contactpersoon voor ondersteuning voor dit apparaat.
support-number Wordt over het algemeen gebruikt voor het opgeven van een
telefoon- of toestelnummer dat kan worden gebeld voor
ondersteuning voor dit apparaat.
support-url Een webadres (URL) voor productinformatie voor dit
apparaat via het Internet of een intranet.
tech-support-url Een webadres (URL) voor technische ondersteuning via het
Internet of een intranet.
Tabel 3.4 Telnet-opdrachten en parameters (22 van 22)
NLWW TCP/IP-configuratie 113
Afbeelding 3.1 Voorbeeld: De menu-interface gebruiken
Main Menu
-------------------------------
1. General Menu
2. TCP/IP Menu...
3. SNMP Menu...
4. IPX/SPX Menu
5. AppleTalk Menu
6. DLC/LLC Menu
7. Other Settings
8. Support Settings
9. Wireless Settings
?. Help
e. Exit Menu
0. Exit Telnet
Enter Selection => 2
TCP/IP - Main Settings
-------------------------------
IP Config Method : USER SPECIFIED
IP Address : 192.168.45.39
Subnet Mask : 255.255.0.0
Default Gateway : 192.168.40.1
Config Server : 192.168.2.21
TFTP Server : 192.168.2.21
TFTP File Name : hpnp/print.cfg
Domain Name : Not Specified
DNS Server : Not Specified
Pri WINS Server : Not Specified
Sec WINS Server : Not Specified
SMTP Mail Server : Not Specified
Would you like to change any of the settings? (Y/[N]):Y
Host Name : printer1
TCP/IP Menu
-------------------------------
1. TCP/IP - Main Settings
2. TCP/IP - Print Options
3. TCP/IP - Raw Print Ports
4. TCP/IP - Access Control
5. TCP/IP - Other Settings
6. TCP/IP - Diagnostics
0. Return to Main Menu
Enter Selection => 1
Kies 2 voor het TCP/IP Menu.
Kies 1 voor parameters
die in TCP/IP Main
Settings staan vermeld.
Als u deze parameters wilt bewerken, typt u Y. Gebruik de
backspace-toets voor het bewerken van de parameters.
De wijzigingen worden pas opgeslagen wanneer u opslaat tijdens het
afsluiten van de sessie.
NLWW TCP/IP-configuratie 114
Telnet gebruiken voor het verwijderen van
de bestaande IP-instellingen
Als u tijdens een Telnet-sessie het IP-adres wilt verwijderen,
gebruikt u de volgende opdrachten op de opdrachtregel:
1. Typ
cold-reset
en druk vervolgens op Enter.
2. Typ
quit
en druk vervolgens op Enter om Telnet af te sluiten.
3. Zet de printserver uit en weer aan.
Opmerking Met deze procedure worden alle
TCP/IP-parameters opnieuw ingesteld, maar
de procedure heeft alleen betrekking op het
TCP/IP-subsysteem. Parameters voor andere
subsystemen, zoals IPX/SPX of AppleTalk, worden
niet gewijzigd.
Als u alle parameters op de fabrieksinstellingen
terug wilt zetten, raadpleegt u Hoofdstuk 8
.
De ingesloten webserver gebruiken
U kunt de IP-parameters instellen op HP Jetdirect-printservers die
de ingesloten webserver ondersteunen. Zie voor meer informatie
Hoofdstuk 4
.
NLWW TCP/IP-configuratie 115
Het bedieningspaneel van de printer
gebruiken
Indien ondersteund door de printer, biedt de interne
HP Jetdirect-printserver een configuratiemenu dat toegankelijk
is via het bedieningspaneel van de printer. Met behulp van
dit menu kunt u netwerkprotocollen in- en uitschakelen en
eenvoudige netwerkparameters instellen. Voor draadloze
HP Jetdirect-printservers kunt u tevens basisparameters voor
draadloze netwerkverbindingen instellen. Raadpleeg voor een
samenvatting van de beschikbare menuopties Bijlage C
.
Opmerking Raadpleeg de documentatie bij de printer
voor informatie over het gebruik van het
bedieningspaneel van de printer.
Tijdens toegang tot het HP Jetdirect-menu via het
bedieningspaneel van de printer kunt u de volgende
TCP/IP-netwerkconfiguratieparameters instellen:
IP-hostnaam
DHCP-leasegedrag (vrijgeven of verlengen)
IP-adres van de printserver
Subnetmasker
Standaardgateway-adres
Syslog-serveradres
Time-out bij inactiviteit
Als u meer TCP/IP-parameters wilt configureren dan via
het bedieningspaneel is toegestaan, gebruikt u een ander
configuratieprogramma (bijvoorbeeld Telnet of de ingesloten
webserver), zoals in dit hoofdstuk wordt beschreven.
Als voor de HP Jetdirect-printserver is ingesteld dat de
TCP/IP-configuratie via het bedieningspaneel wordt verkregen,
wordt de configuratie opgeslagen op de printserver en blijft deze,
ook wanneer de stroom uit en weer in wordt geschakeld, bewaard.
NLWW TCP/IP-configuratie 116
Verplaatsen naar een ander netwerk
Opmerking Voor draadloze HP Jetdirect-printservers wordt er
in dit gedeelte van uitgegaan dat er een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
Als een draadloze HP Jetdirect-printserver naar
een ander netwerk wordt verplaatst, is een nieuwe
draadloze verbinding met dat netwerk
noodzakelijk.
Bij het verplaatsen van een met een IP-adres geconfigureerde
HP Jetdirect-printserver naar een nieuw netwerk moet u ervoor
zorgen dat het IP-adres niet in conflict is met adressen in het nieuwe
netwerk. U kunt het IP-adres van de printserver wijzigen in een
adres dat in het nieuwe netwerk kan worden gebruikt, of het
huidige IP-adres wissen en een ander adres configureren nadat
u in het nieuwe netwerk bent geïnstalleerd. Zie Hoofdstuk 8
,
Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen
voor
instructies voor het opnieuw instellen van de printserver op de
fabrieksinstellingen.
Als de huidige BOOTP-server niet bereikbaar is, is het mogelijk dat
u een andere BOOTP-server moet zoeken en de printer voor die
server moet configureren.
Als de printserver is geconfigureerd door middel van BOOTP,
DHCP of RARP, moet u de instellingen in de betrokken
systeembestanden bijwerken. Als het IP-adres handmatig is
ingesteld (bijvoorbeeld via het bedieningspaneel van de printer
of via Telnet), moeten de IP-parameters opnieuw worden
geconfigureerd zoals beschreven in dit hoofdstuk.
NLWW 117
4
De ingesloten webserver gebruiken
Inleiding
Elke HP Jetdirect-printserver bevat een ingesloten webserver die
door middel van een compatibele webbrowser via een intranet kan
worden aangeroepen. De ingesloten webserver biedt toegang tot
configuratie- en beheerpagina's voor de HP Jetdirect-printserver
en het aangesloten netwerkapparaat (zoals een printer of een
alles-in-één-apparaat).
Tabbladen langs de bovenzijde van het browservenster bieden
toegang tot apparaat- en netwerkpagina's. De weergegeven
tabbladen en functies zijn afhankelijk van het apparaat dat
op de Jetdirect-printserver is aangesloten.
Als er webpagina's beschikbaar zijn voor het aangesloten
apparaat, worden de beschikbare tabbladen en functies van
het apparaat weergegeven naast het tabblad Networking van
de Jetdirect-printserver.
Als er geen webpagina's beschikbaar zijn voor het aangesloten
apparaat, worden er twee tabbladen weergegeven voor de
Jetdirect-printserver: Home en Networking.
Voorbeelden van de tabbladen Home en Networking voor de
HP Jetdirect-printserver worden afgebeeld in Afbeelding 4.1
en
Afbeelding 4.2
. Zie Het tabblad Home van HP Jetdirect en Het
tabblad Networking voor meer informatie.
Zoals in dit gedeelte wordt beschreven, hangen de beschikbare
functies van Home en Networking af van de versie van de
Jetdirect-firmware (op dit moment x.25.00 of later).
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 118
Afbeelding 4.1 Het tabblad Home van HP Jetdirect
Afbeelding 4.2 Het tabblad Networking van HP Jetdirect
Raadpleeg Het tabblad Networking voor beschrijvingen van de
netwerkparameters.
Het tabblad Home
van HP Jetdirect
Het tabblad
Networking
Menu-items in
de linkermarge
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 119
Vereisten
Compatibele webbrowsers
Als u toegang wilt krijgen tot de ingesloten webserver, hebt
u een compatibele webbrowser nodig. Over het algemeen kan
de ingesloten webserver worden gebruikt met webbrowsers die
HTML 4.01 en trapsgewijze opmaakmodellen ondersteunen.
Hewlett-Packard test een aantal actuele en oudere browsers met
diverse systemen. In het algemeen wordt u aangeraden een van de
volgende browsers te gebruiken:
Microsoft Internet Explorer 5.0 of hoger
Netscape Navigator 6.0 of hoger
Incompatibele browsers
Als gevolg van problemen die zich tijdens tests hebben voorgedaan,
wordt u aangeraden geen gebruik te maken van de volgende
browsers:
Netscape Navigator 6.2.x met SSL
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 120
Ondersteunde versie van HP Web Jetadmin
HP Web Jetadmin is een programma waarmee netwerkapparaten
in een onderneming via een browser kunnen worden beheerd.
Dit programma is verkrijgbaar bij de on line ondersteuning van
HP op de volgende URL:
http://www.hp.com/go/webjetadmin
Als u gebruik wilt maken van verbeterde beveiligingsfuncties,
wordt HP Web Jetadmin versie 7.0 of hoger aanbevolen voor
gebruik met de ingesloten HP Jetdirect-webserver.
Met HP Web Jetadmin 7.0 kunt u de SNMP v3-agent inschakelen
en probleemloos een SNMP v3-account creëren op de printserver.
Op de ingesloten webserver wordt een verbinding met HP Web
Jetadmin weergegeven als dit apparaat via een integratie-URL
in HP Web Jetadmin is ontdekt.
Op dit moment kan de ondersteuning van browsers tussen
HP Web Jetadmin en de ingesloten webserver verschillen.
Bezoek http://www.hp.com/go/webjetadmin
voor browsers die
worden ondersteund door HP Web Jetadmin.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 121
De ingesloten webserver bekijken
Opmerking Voor draadloze HP Jetdirect-printservers wordt er
in dit gedeelte van uitgegaan dat er een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
Als er nog geen draadloze netwerkverbinding
tot stand is gebracht, kunt u de ingesloten
webserver gebruiken om de draadloze
HP Jetdirect-printserver te configureren met
instellingen voor het netwerk. Zie Bijlage B
.
Voordat u de ingesloten webserver kunt gebruiken, moet
u de HP Jetdirect-printserver configureren met een IP-adres.
Zie voor een beschrijving van een IP-adres en een overzicht
van TCP/IP-netwerken Bijlage A
.
Er zijn verschillende manieren om een IP-adres op de printserver
te configureren. U kunt bijvoorbeeld automatisch IP-parameters
via het netwerk configureren via BootP (Bootstrap Protocol) of
DHCP (Dynamic Host Configuration Protocol) elke keer dat de
printserver wordt aangezet. U kunt IP-parameters ook handmatig
configureren via het bedieningspaneel van de printer (voor
bepaalde printers met interne printservers), of met Telnet,
de opdrachten arp en ping, HP Web Jetadmin of andere
beheersoftware. Zie voor meer informatie over opties voor
het configureren van TCP/IP Hoofdstuk 3
.
Wanneer een nieuwe HP Jetdirect-printserver na het inschakelen
geen geldig IP-adres bij het netwerk kan verkrijgen, wordt
automatisch een IP-adres aan de printserver toegekend.
Dit IP-adres is hetzij het legacy standaard-IP-adres 192.0.0.192,
hetzij een link-local adres in het bereik 169.254.1.0 tot
169.254.254.255. Het IP-adres dat op de printserver is
geconfigureerd, is te vinden op de Jetdirect-configuratiepagina
voor de printserver. Zie Hoofdstuk 3
voor meer informatie.
Als het legacy standaard-IP-adres 192.0.0.192 is toegekend,
moet u de computer tijdelijk configureren met hetzelfde
IP-netwerknummer of een route naar de printserver instellen
voordat u toegang tot de ingesloten webserver kunt krijgen.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 122
Nadat er een IP-adres is ingesteld op de printserver, voert u de
volgende stappen uit:
1. Start een ondersteunde webbrowser.
2. Voer het IP-adres van de printserver in als de URL.
Afbeelding 4.3 Het IP-adres invoeren
3. Als er beveiligingswaarschuwingen verschijnen, klikt u op
Ja om door te gaan.
Voor vaste printservers met alle functies wordt voor de eerste
toegangsessie standaard-HTTP gebruikt. Deze printservers
kunnen echter als beveiligde locatie worden geconfigureerd
met een geïnstalleerd certificaat dat voldoet aan X.509 voor
apparaatverificatie. Bij een correcte configuratie kan beveiligde
toegang tot stand worden gebracht met gecodeerde
browsercommunicatie via HTTPS (beveiligd HTTP).
Voor draadloze printservers met alle functies wordt
de ingesloten webserver voor de eerste toegangssessie
weergegeven als beveiligde locatie. Standaard is in eerste
instantie gecodeerde browsercommunicatie via HTTPS vereist.
Een vooraf geïnstalleerd, zelf-ondertekend certificaat (dat
voldoet aan X.509) wordt gebruikt voor de identificatie van
apparaten.
Hoewel deze werkwijze niet wordt aangeraden, kunt u de
browser via het menu Internet-opties zodanig instellen
dat beveiligingswaarschuwingen worden genegeerd als de
printserver is ingesteld om via HTTPS te werken. Zie Mgmt.
Protocols.
Een beveiligde ingesloten webserver wordt niet ondersteund
door op waarden gebaseerde HP Jetdirect-printservers
zonder upgrademogelijkheden (bijvoorbeeld HP Jetdirect
175x en 200m).
4. Er wordt een pagina van de ingesloten webserver
weergegeven. Dit is hetzij de introductiepagina van de
HP Jetdirect-printserver, hetzij een apparaatpagina van
een webserver op het apparaat.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 123
Opmerkingen bij het gebruik
Als u een waarde voor een configuratieparameter opgeeft of
wijzigt, klikt u op Apply om de wijziging te activeren of op
Cancel om de wijziging ongedaan te maken.
Als het IP-adres wordt gewijzigd, wordt de verbinding met de
ingesloten webserver verbroken. Gebruik het nieuwe IP-adres
om de verbinding opnieuw tot stand te brengen.
LET OP Het wijzigen van het IP-adres van de
HP Jetdirect-printserver kan resulteren in
afdrukfouten voor clientcomputers die zijn
geconfigureerd voor afdrukken via deze printer
met behulp van het vorige IP-adres.
De ingesloten webserver biedt toegang tot parameters
voor draadloze netwerkverbindingen op draadloze
HP Jetdirect-printservers.
LET OP Als u de instellingen van het draadloze netwerk
wijzigt, kan de verbinding verloren gaan. Mogelijk
dient u het systeem aan de nieuwe instellingen aan
te passen om de verbinding opnieuw tot stand te
brengen.
Als de netwerkverbinding van de printserver
verloren gaat, dient u mogelijk de printserver in
te stellen op de fabriekswaarden en opnieuw te
installeren.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 124
Functies en configuratieparameters die niet worden ondersteund
door op waarden gebaseerde printservers, zoals de HP 175x en
200m, worden niet weergegeven.
Novell NetWare-netwerken: gebruik het tabblad IPX/SPX op
de pagina Network Settings om de parameters van de
wachtrijserver-modus van Novell Directory Services (NDS)
te configureren. Met de ingesloten webserver kunnen geen
NDS-objecten (printserver-, printer- en afdrukwachtrijobjecten)
op de Novell-server worden gemaakt. Om deze objecten te maken,
gebruikt u een Novell NetWare-hulpprogramma, zoals
NWAdmin, of configureert u de IPX/SPX-stack voor NDS via
HP-hulpprogramma's, zoals de wizard HP Install Network
Printer of HP Web Jetadmin.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 125
Het tabblad Home van HP Jetdirect
Op het tabblad Home wordt de introductiepagina van HP Jetdirect
weergegeven als geen toegang kan worden verkregen tot een
webserver in het aangesloten apparaat of als die webserver niet
bestaat. De introductiepagina van HP Jetdirect bevat een
afbeelding van een algemene printer waarmee het aangesloten
apparaat wordt aangeduid. Ook worden het productmodel,
de firmware-versie en het netwerkadres van de
HP Jetdirect-printserver weergegeven, samen met eventuele
informatie over het apparaat die kan worden opgehaald. Tabel 4.1
geeft een samenvatting van de items die op de introductiepagina
van de HP Jetdirect worden weergegeven.
Tabel 4.1 Items op de introductiepagina van HP Jetdirect (1 van 3)
Item Beschrijving
Home tab Toont de introductiepagina van de HP Jetdirect of de
introductiepagina van het aangesloten apparaat, indien
beschikbaar.
<Device Tabs> Verschillende tabbladen voor apparaten kunnen worden
weergegeven als het aangesloten netwerkapparaat
(bijvoorbeeld een printer of een alles-in-één-apparaat) een
ondersteunde ingesloten webserver bevat. Tabbladen van
apparaten bieden toegang tot de webpagina's van deze
apparaten.
Networking tab Biedt toegang tot de parameters voor de
netwerkconfiguratie, beveiliging en diagnostiek. Zie voor
meer informatie Het tabblad Networking
.
Device Info Informatie over het apparaat (zoals de modelnaam
van de printer of het alles-in-één-apparaat) dat via de
HP Jetdirect-printserver op het netwerk is aangesloten.
Tevens wordt overige informatie weergegeven die van het
apparaat kan worden opgehaald (bijvoorbeeld het aantal
afgedrukte pagina's en de status van het
bedieningspaneel). De weergegeven informatie hangt
af van de functies van het aangesloten apparaat.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 126
Select Language Wordt weergegeven als de webpagina's van de
HP Jetdirect ondersteuning bieden voor meerdere talen.
De ondersteunde talen kunnen ook worden geselecteerd
via de instellingen voor de voorkeurstaal in uw browser.
Om ondersteunde niet-Engelse talen weer te geven, moet
het gebruik van cookies zijn ingeschakeld in de instellingen
van de browser.
Scan Voert de Web Scan-server uit op de
HP Jetdirect-printserver als deze ondersteuning biedt voor
het aangesloten netwerkapparaat en is ingeschakeld.
Met Web Scan kunt u met behulp van de webbrowser een
eenvoudige scan uitvoeren vanaf het apparaat. Tevens
wordt een optie voor het configureren van
scannen-naar-e-mail geboden.
Host Name Geeft de IP-hostnaam aan die aan het apparaat is
toegewezen en die op de HP Jetdirect-printserver is
opgeslagen. Zie TCP/IP op het Het tabblad Networking.
System Up Time De tijd die is verstreken sinds de HP Jetdirect-printserver
of het netwerkapparaat de laatste keer is uitgezet en
aangezet.
System Contact Een tekstreeks (opgeslagen op de
HP Jetdirect-printserver) voor de naam van de
contactpersoon voor dit apparaat. Zie TCP/IP op het Het
tabblad Networking.
System Location Een tekstreeks (opgeslagen op de
HP Jetdirect-printserver) waarmee de locatie van dit
apparaat wordt aangegeven. Zie de pagina's over
configuratie van het netwerk-TCP/IP.
HP Jetdirect Het productnummer van de HP Jetdirect-printserver
(bijvoorbeeld HP J4169A).
Firmware Version De versie van de besturingsinstructies die op de
HP Jetdirect-printserver zijn geïnstalleerd.
Tabel 4.1 Items op de introductiepagina van HP Jetdirect (2 van 3)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 127
IP Address Het IP-adres dat op de HP Jetdirect-printserver is
geconfigureerd. Raadpleeg Bijlage A
voor algemene
informatie over IP-adressen.
Hardware Address Het LAN-hardwareadres of MAC-adres (Media Access
Control) van de HP Jetdirect-printserver. Dit unieke adres
wordt door Hewlett-Packard toegewezen, maar kan lokaal
worden beheerd.
LAA Een Locally Administered Address (LAA) dat het
LAN-hardwareadres (MAC-adres) vervangt. Het LAA kan
lokaal onder leiding van een netwerkbeheerder worden
geconfigureerd. Het LAA is standaard het in de fabriek
toegewezen LAN-hardwareadres.
Admin Password Bepaalt of er een beheerderswachtwoord is ingesteld.
Dit wachtwoord kan eveneens worden geconfigureerd
met behulp van een Telnet-sessie met de
HP Jetdirect-printserver of via HP Web Jetadmin.
Gebruik de pagina
Admin Password
voor het instellen of
verwijderen van beheerderswachtwoorden. Als er een
beheerderswachtwoord is ingesteld, wordt u voor toegang
tot de netwerkparameters om een gebruikersnaam en
wachtwoord gevraagd. Klik voor meer informatie op Help
of raadpleeg het gedeelte Admin. Account
in deze
handleiding.
Tabel 4.1 Items op de introductiepagina van HP Jetdirect (3 van 3)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 128
Het tabblad Networking
Het tabblad Networking biedt toegang tot de
netwerkconfiguratieparameters en status van de
HP Jetdirect-printserver. De menu-items in de linkermarge
bieden toegang tot de configuratie- en statuspagina's.
Productinformatie verzenden naar HP
De eerste keer dat u het tabblad Networking op de ingesloten
webserver opent, wordt u gevraagd of er via het Internet
productinformatie mag worden verzonden naar HP.
Identificatie- en gebruiksgegevens die door HP over het product
worden verzameld, worden gebruikt om de functies en services van
het product te verbeteren. Overeenkomstig het privacybeleid van
HP worden geen persoonlijke gegevens verzameld. Zie de on line
privacyverklaring van Hewlett-Packard.
U kunt deze functie op elk gewenst moment in- of uitschakelen op
de pagina Privacy Settings van het tabblad Networking.
Tabel 4.2 Menu-items op het tabblad Networking
Het gedeelte CONFIGURATION
Network Settings
Other Settings
Privacy Settings
Select language
Het gedeelte SECURITY
Settings
Authorization
Mgmt. Protocols
Wireless
Het gedeelte DIAGNOSTICS
Network Statistics
Protocol Info
Configuration Page
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 129
Network Settings
Op de pagina's van Network Settings kunt u
configuratieparameters instellen of wijzigen voor de protocollen
802.11b (Wireless Ethernet), TCP/IP, IPX/SPX, AppleTalk,
DLC/LLC
en SNMP. Als u een parameterinstelling wilt toewijzen,
geeft u de gewenste waarde op en klikt u op Apply.
802.11b (Wireless Ethernet)
Op de 802.11b-pagina's kunt u de draadloze
netwerkconfiguratieparameters voor de draadloze 802.11b
Ethernet-verbinding maken of wijzigen. Een overzicht van
de configuratieparameters vindt u in Tabel 4.3
. Raadpleeg
Bijlage B
voor meer informatie over het instellen van de
draadloze HP Jetdirect-printserver.
Het tabblad 802.11b bevat één statische pagina met alle
draadloze-configuratieparameters die nodig zijn om een
draadloze verbinding met het netwerk tot stand te brengen.
Klik op Apply om de instellingen toe te passen of op Cancel
om de configuratie-instellingen te annuleren. Klik op Reset to
defaults om de fabriekswaarden te herstellen.
U kunt ook op de knop Use Wizard boven aan de pagina 802.11b
klikken om de draadloze netwerkverbinding te configureren.
Met deze knop start u een configuratiewizard die u door de vereiste
draadloze-configuratieparameters voor 802.11b zal leiden en die,
afhankelijk van uw keuzen, onnodige parameters zal overslaan.
Opmerking Als u de wizard niet op de juiste wijze afsluit
(bijvoorbeeld zonder de knop Cancel te gebruiken),
kan het venster Operation Failed verschijnen.
Wanneer dit gebeurt, dient u twee minuten te
wachten voordat u de wizard opnieuw start.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 130
Opmerking Onbevoegde clients krijgen gemakkelijk toegang
tot een draadloze HP Jetdirect-printserver met
fabriekswaarden (Ad-hocmodus). De draadloze
HP Jetdirect-printserver dient daarom niet
langer dan nodig ingesteld te blijven op de
fabriekswaarden, en alle configuratiewijzigingen
die u aanbrengt, dienen te worden gecontroleerd.
Tabel 4.3 Configuratieparameters voor 802.11B (1 van 7)
Item Beschrijving
Ad Hoc
(peer-to-peer)
Ad hoc (of peer-to-peer) is een draadloze communicatietopologie
waarbij de draadloze apparaten in een netwerk rechtstreeks met
elkaar communiceren. Er worden geen toegangspunten gebruikt.
Andere namen die voor de Ad-hocmodus worden gebruikt,
zijn IBSS (Independent Basic Service Set) en
'computer-to-computer-modus'.
De fabriekswaarde die op de HP Jetdirect-printserver is
geconfigureerd, is ad hoc. Voor de eerste communicatie met
de printserver dient uw draadloze computer te zijn ingesteld
op Ad-hocmodus.
Channel (Alleen Ad-hocmodus) De kanaalkeuze geeft de radiofrequentie
aan die de printserver gebruikt om de beschikbaarheid uit te
zenden als op geen van de kanalen een verbinding met het
opgegeven ad-hocnetwerk tot stand kan worden gebracht.
De fabriekswaarde is kanaal 10 (2457 MHz). Kanaal 11
(2462 MHz) is echter ook beschikbaar.
Infrastructure "Infrastructuur" is een draadloze communicatietopologie waarbij
de communicatie naar en van elk draadloos netwerkapparaat
plaatsvindt via een toegangspunt. Een toegangspunt is een
apparaat, zoals een gateway of een hub, dat draadloze
communicatie ontvangt en doorgeeft aan andere
netwerkapparaten. Gewoonlijk verbindt een toegangspunt
draadloze apparaten met een kabelnetwerk. Voor grote
netwerken is de Infrastructuur-modus de aanbevolen topologie.
Andere namen die voor Infrastructuur-modus worden gebruikt,
zijn BSS (Basic Service Set), 'star topology' en 'enterprise mode'.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 131
Network Name De naam van het draadloze netwerk waarmee de
HP Jetdirect-printserver wordt verbonden. Netwerknaam wordt
ook SSID (Service Set Identifier) genoemd en geeft de ESS
(Extended Service Set) aan die normaal gesproken met
grotere Infrastructuur-modusnetwerken is verbonden.
Een leeg SSID-veld wordt bijvoorbeeld geaccepteerd in
netwerken die voor de controle van de netwerktoegang afhankelijk
zijn van signaalsterkte, codering en verificatiemethoden.
De SSID-fabriekswaarde die op de HP Jetdirect-printserver is
geconfigureerd, is "hpsetup". Voor de eerste communicatie met
de printserver dient de SSID van de draadloze computer ook
"hpsetup" te zijn. (Opmerking: bij SSID-tekens wordt onderscheid
gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters. Zorg ervoor dat u de
correcte hoofdletters en kleine letters gebruikt.)
Open System (Geen verificatie) Selecteer deze verificatiemethode als voor
toegang tot het draadloze netwerk geen apparaatverificatie of
beveiliging nodig is. In het netwerk kan echter wel gebruik worden
gemaakt van codeersleutels voor gegevensprivacy.
Shared Key (Hiervoor is een WEP-sleutel vereist) Selecteer deze
verificatiemethode als elk apparaat op het draadloze netwerk
gebruikmaakt van een gedeelde codeersleutel (d.w.z., een
gedeelde wachtwoordwaarde) voor toegang tot het netwerk en
communicatie. Voor elk apparaat in het netwerk dient dezelfde
sleutel te worden gebruikt. De HP Jetdirect-printserver
ondersteunt IEEE 802.11 WEP-sleutels (Wired Equivalent
Privacy) voor gecodeerde netwerkcommunicatie. Als u Shared
Key-verificatie kiest, dient u WEP-sleutels te configureren.
EAP/802.1x (Alleen Infrastructuur-modus) Selecteer 802.1x Extensible
Authentication Protocol (EAP) voor geavanceerde verificatie.
EAP/802.1x wordt gebruikt met een verificatieserver, zoals een
RADIUS-server (Remote Authentication Dial In User Service,
RFC 2138), voor draadloze netwerktoegang.
Als EAP/802.1x-verificatie is geselecteerd, dient u extra
parameters te configureren. Sommige parameters zijn afhankelijk
van de EAP/802.1x-protocollen die u inschakelt voor gebruik in
het netwerk.
Tabel 4.3 Configuratieparameters voor 802.11B (2 van 7)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 132
Enable Protocols Schakel de EAP-protocollen in of uit die door de printserver
worden ondersteund.
LEAP
: (Lightweight Extensible Authentication Protocol). LEAP is
een protocol dat eigendom is van Cisco Systems, Inc. Voor LEAP
is een EAP-gebruikersnaam en een EAP-wachtwoord vereist.
Tevens worden dynamische coderingssleutels gebruikt.
PEAP
: (Protected Extensible Authentication Protocol).
Bij PEAP wordt gebruikgemaakt van digitale certificaten voor
netwerkserververificatie en wachtwoorden voor clientverificatie.
Voor PEAP is een EAP-gebruikersnaam, een EAP-wachtwoord
en een CA-certificaat vereist. Tevens worden dynamische
coderingssleutels gebruikt.
MD5
: (EAP met gebruik van Message Digest-algoritme 5, RFC
1321). Bij EAP-MD5 wordt gebruikgemaakt van een wachtwoord
dat is beschermd door het MD5-coderingsalgoritme. Voor MD5
voert u een EAP-gebruikersnaam en EAP-wachtwoord in. Tevens
worden statische coderingssleutels gebruikt.
TLS
: (EAP met gebruik van Transport Layer Security, RFC 2716).
Bij EAP-TLS wordt voor client- en netwerkserververificatie
gebruikgemaakt van digitale certificaten die voldoen aan X.509.
Voor TLS is een EAP-gebruikersnaam, een Jetdirect-certificaat
en een CA-certificaat vereist. Tevens worden dynamische
coderingssleutels gebruikt.
TTLS
: (EAP waarbij gebruik wordt gemaakt van Tunneled
Transport Layer Security). EAP-TTLS is een EAP-TLS-extensie
waarbij ook gebruik wordt gemaakt van digitale certificaten die
voldoen aan X.509. Voor TTLS is een EAP-gebruikersnaam,
een EAP-wachtwoord en een CA-certificaat vereist. Tevens
worden dynamische coderingssleutels gebruikt.
<Custom>
: als er geen specifieke configuratie vereist is, kan een
unieke combinatie van gebruikersnaam, wachtwoord en digitale
certificaten voor EAP-verificatie worden opgegeven.
User Name Geef een EAP/802.1.x-gebruikersnaam (maximaal 128 tekens)
voor dit apparaat op. De standaardgebruikersnaam is de
standaardhostnaam van de printserver, NPIxxxxxx, waarbij
xxxxxx de laatste zes cijfers van het LAN-hardwareadres
(MAC) zijn.
Password,
Confirm
Password
Geef een EAP/802.1.x-wachtwoord (maximaal 128 tekens) voor
dit apparaat op. Voer het wachtwoord opnieuw in het veld Confirm
Password in om er zeker van te zijn dat het correct is ingevoerd.
Tabel 4.3 Configuratieparameters voor 802.11B (3 van 7)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 133
Server ID (Alleen EAP-TLS, EAP-TTLS) Geef de server-ID-validatiereeks
op waarmee de verificatieserver wordt geïdentificeerd.
De server-ID-reeks is opgegeven in het digitale certificaat
dat door een vertrouwde certificeringsinstantie (CA) voor de
verificatieserver is uitgegeven. Als
Require Exact Match
niet
is ingeschakeld, kan dit een gedeeltelijke tekenreeks zijn.
Require Exact
Match
(Alleen EAP-TLS, EAP-TTLS) Geef aan of de server-ID-reeks
exact moet overeenkomen met de tekenreeks die tijdens de
802.1.x EAP-verificatie van de verificatieserver wordt ontvangen
door het selectievakje in- of uit te schakelen.
Encryption
Strength
Geef het coderingsniveau op dat tijdens de communicatie met
de verificatieserver moet worden gebruikt. U kunt
Low
(Laag)
Medium
(Gemiddeld) of
High
(Hoog) als coderingsniveau kiezen.
Voor elk coderingsniveau worden codes weergegeven om de
zwakste toegestane code aan te geven.
Oudere browsers ondersteunen mogelijk alleen 40-bits (lage)
coderingsniveaus.
Jetdirect
Certificate
(Alleen EAP-TLS) Er moet een digitaal certificaat dat voldoet aan
X.509 voor validatie van de identiteit van de Jetdirect-printserver
zijn geïnstalleerd. Over het algemeen kan een Jetdirect-certificaat
zelf-ondertekend zijn of zijn geleverd door een onafhankelijke
vertrouwde bron, zoals een certificeringsinstantie. Standaard is
een zelf-ondertekend Jetdirect-certificaat geïnstalleerd. Hoewel
zelf-ondertekende certificaten soms worden toegestaan, bieden
deze geen werkelijke clientvalidatie. Voor
EAP-verificatiemethoden waarbij een Jetdirect-certificaat vereist
is, dient dit te zijn geleverd door een vertrouwde instelling of
certificeringsinstantie.
Als u een bestaand certificaat wilt bijwerken of een nieuw
certificaat wilt installeren, klikt u op
Configure
. Als u een nieuw
certificaat installeert, wordt het bestaande certificaat
overschreven.
Als u een certificaat van een onafhankelijke certificeringsinstantie
aanvraagt, kunt u de EAP/802.1x-configuratie niet voltooien tot
u het digitale certificaat hebt ontvangen en geïnstalleerd.
Tabel 4.3 Configuratieparameters voor 802.11B (4 van 7)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 134
CA Certificate (Alleen PEAP, EAP-TLS, EAP-TTLS) Om de identiteit van
de verificatieserver te valideren, moet een CA-certificaat
(of basiscertificaat) op de printserver zijn geïnstalleerd.
Dit CA-certificaat dient te zijn uitgegeven door de
certificeringsinstantie die het certificaat van de verificatieserver
heeft ondertekend.
Klik op
Configure
als u een CA-certificaat wilt configureren of
installeren.
Authentication
Behavior:
Reauthenticate
on Apply
Schakel dit selectievakje in of uit om de verificatie te bepalen
wanneer u op deze pagina op
Apply
klikt, aangenomen dat
er geldige configuratiewaarden zijn ingevoerd.
Opmerking:
deze parameter geldt niet voor
configuratiewizards voor beveiliging of draadloze
verbindingen. Bij wijzigingen in parameters van draadloze
verbindingen zal de printserver altijd opnieuw worden
geverifieerd.
Als deze optie is uitgeschakeld (standaardinstelling), wordt de
printserver pas opnieuw geverifieerd als de verbinding van de
printserver met het netwerk door configuratiewijzigingen wordt
verbroken en wordt hersteld.
Als de optie is ingeschakeld, wordt de printserver altijd opnieuw
geverifieerd met de ingestelde configuratiewaarden.
EAP/PSK Selecteer EAP/PSK (Extensible Authentication Protocol
Pre-Shared Key) voor geavanceerde verificatie. EAP/PSK wordt
doorgaans gebruikt voor kleine netwerken waarin geen
verificatieservers worden gebruikt. Als EAP/PSK-verificatie is
geselecteerd, moet u een netwerkwachtzin invoeren waarmee de
vooraf gedeelde sleutel voor het netwerk wordt gegenereerd.
Pass-phrase Voer een netwerkwachtzin in. Deze wordt gebruikt om de vooraf
gedeelde sleutel voor EAP/PSK-verificatie op het netwerk te
genereren.
Een wachtzin moet bestaan uit 8 tot 63 ASCII-tekens in het
hexadecimale bereik van 21 tot en met 7E (de tekens 0-9, a-z,
A-Z en diverse speciale tekens, zoals !, @, #, $, %, ^, &, (, ), _, +,
=, -, {, }, [, ], \, /, ", <, >, ?, ", ', ~).
Disabled (No
encryption)
Selecteer
Disabled (No encryption)
als er in het draadloze
netwerk geen gebruik wordt gemaakt van codeersleutels voor
netwerktoegang of communicatie.
Enabled Selecteer
Enabled
om de hierna aangegeven
coderingsinstellingen te gebruiken voor netwerktoegang
en -communicatie.
Tabel 4.3 Configuratieparameters voor 802.11B (5 van 7)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 135
Static (WEP) Selecteer
Static (WEP)
als in het draadloze netwerk gebruik
wordt gemaakt van WEP (Wired Equivalent Privacy) voor
basistoegangscontrole en gegevensprivacy. Onder leiding van de
netwerkbeheerder moet elk draadloos apparaat in het netwerk
met dezelfde sleutel worden geconfigureerd.
Encrypt transmit data using (Verzendgegevens coderen):
selecteer de huidige actieve sleutel.
De HP Jetdirect-printserver kan maximaal vier WEP-sleutels
opslaan met vier sleutelposities (sleutel 1, 2, 3, 4). Er kan echter
slechts één actieve sleutel voor een bepaald netwerk (of SSID)
tegelijk zijn. Sleutel 1 is de actieve standaardsleutel.
Opmerking:
wanneer u WEP-sleutels invoert, dient u ervoor
te zorgen dat u deze invoert in de sleutelposities (of velden)
die overeenkomen met andere draadloze apparaten in het
netwerk. Als voor andere apparaten in het netwerk
bijvoorbeeld een WEP-sleutel in de positie van sleutel 2 als
actieve sleutel wordt gebruikt, dient u deze WEP-sleutel ook
in het veld van sleutel 2 op de Jetdirect-printserver in te voeren
en dient u sleutel 2 als de actieve sleutel te selecteren.
De verschillende sleutelposities geven verschillende
coderings- en decoderingsresultaten.
De draadloze HP Jetdirect-printserver ondersteunt WEP-sleutels
voor 40/64-bits en 104/128-bits codering. Ga als volgt te werk om
een of meer WEP-sleutels in te voeren:
Input keys in:
kies of u alfanumerieke tekens of hexadecimale
cijfers wilt gebruiken om WEP-sleutels op te geven.
Selecteer
Alphanumeric
om de WEP-sleutels in te voeren met
alfanumerieke ASCII-tekens (8-bits). Alfanumerieke tekens zijn
beperkt tot de reeksen 0 - 9, a - z en A - Z. (Opmerking: bij
alfanumerieke tekens wordt onderscheid gemaakt tussen
hoofdletters en kleine letters. Het invoeren van kleine letters of
hoofdletters, "a - z" of "A - Z", resulteert in verschillende
WEP-sleutelwaarden.)
Selecteer
Hexadecimal
als u hexadecimale cijfers (4-bits) wilt
invoeren. Hexadecimale cijfers zijn cijfers uit de reeksen 0 - 9,
a - f en A - F. (Opmerking: bij hexadecimale cijfers wordt geen
onderscheid gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters.
Het invoeren van kleine letters of hoofdletters, "a - z" of "A - Z",
resulteert in dezelfde WEP-sleutelwaarde.)
In elk sleutelveld voert u 5 alfanumerieke tekens of 10
hexadecimale cijfers in (40 bits) voor 64-bits-codering of 13
alfanumerieke tekens of 26 hexadecimale cijfers (104 bits) voor
128-bits-codering. (Opmerking: in beide gevallen worden
automatisch 24 "initialisatievectorbits" toegevoegd.)
Tabel 4.3 Configuratieparameters voor 802.11B (6 van 7)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 136
TCP/IP
De pagina TCP/IP bevat configuratieparameters die worden
beschreven in Tabel 4.4.
Dynamic Voor dynamische codering kunt u een van de volgende opties
selecteren:
Basic Encryption: dynamische WEP-codering wordt
ondersteund.
Robust Encryption: dynamische WPA- (Wi-Fi Protected
Access) en WEP-coderingsprotocollen worden ondersteund.
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/PSK-verificatie, wordt gebruik gemaakt van
Robust Encryption (WPA-coderingsprotocollen).
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/802.1x-verificatie (alleen LEAP), moet de printserver
worden ingesteld op Basic Encryption.
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/802.1x-verificatie (alleen PEAP, TLS en TTLS ), kan de
printserver, afhankelijk van het netwerk, worden ingesteld
op Basic Encryption of Robust Encryption. Dynamische
coderingsprotocollen vallen onder het toezicht van de
verificatieserver en moeten ook worden ondersteund
door het toegangspunt.
Tabel 4.4 TCP/IP-instellingen (1 van 4)
Item Beschrijving
IP Configuration
Method
De methode die de HP Jetdirect-printserver gebruikt voor
de IP-configuratieparameters: BOOTP (standaardinstelling),
DHCP, Manual of Auto IP.
Voor BOOTP en DHCP worden de IP-parameters automatisch
door een BOOTP- of DHCP-server geconfigureerd elke keer
dat de printserver wordt aangezet.
Als u Manual kiest, kunnen basis-IP-parameters handmatig
worden ingevoerd met behulp van deze webpagina of met
andere hulpmiddelen.
Als u Auto IP selecteert, wordt een uniek link-local adres
(169.254.x.x) toegewezen.
Zie Hoofdstuk 3
voor meer informatie.
Tabel 4.3 Configuratieparameters voor 802.11B (7 van 7)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 137
Default IP Het IP-adres dat moet worden gebruikt wanneer de printserver
geen IP-adres kan verkrijgen van het netwerk tijdens een
gedwongen TCP/IP-herconfiguratie (bijvoorbeeld wanneer
handmatig is ingesteld dat BOOTP/DHCP moet worden
gebruikt).
DEFAULT_IP: hiermee wordt het legacy standaard-IP-adres
ingesteld op 192.0.0.192.
AUTO_IP: hiermee wordt het link-local IP-adres 169.254.x.x
ingesteld.
De eerste instelling wordt bepaald door het IP-adres dat
wordt verkregen wanneer de printserver voor het eerst
wordt ingeschakeld.
Send DHCP
requests
Met het selectievakje geeft u aan of periodiek DHCP-verzoeken
worden verzonden wanneer het legacy standaard-IP-adres
192.0.0.192 of het link-local IP-adres 169.254.x.x automatisch
is toegewezen.
Schakel het selectievakje uit om DHCP-verzoeken uit te
schakelen.
Schakel het selectievakje in (standaardinstelling) om
DHCP-verzoeken in te schakelen.
Host Name Een leesbare IP-naam (het SNMP SysName-object) voor het
netwerkapparaat. De naam moet met een letter beginnen,
mag met een letter of een getal eindigen en kan maximaal
32 ASCII-tekens lang zijn.
IP Address Dit veld wordt gebruikt voor het handmatig toewijzen van
het Internet Protocol-adres van de HP Jetdirect-printserver.
Het IP-adres is een uit vier bytes (32-bits) bestaand adres met
de notatie n.n.n.n. Hierbij is 'n' een getal tussen 0 en 255.
Het IP-adres dient ter identificatie van een knooppunt in
een TCP/IP-netwerk. Dubbele IP-adressen zijn in een
TCP/IP-netwerk niet toegestaan. Zie Bijlage A
voor meer
informatie over IP-adressen.
Subnet Mask Als er een subnet wordt gebruikt, wordt dit veld gebruikt voor het
handmatig opgeven van een subnetmasker. Een subnetmasker
is een 32-bits-getal dat, bij toepassing op een IP-adres, bepaalt
welke bits het netwerk en subnet aanduiden en welke bits ter
identificatie van het knooppunt dienen.
Zie Bijlage A
voor meer informatie over subnetmaskers.
Default Gateway Geeft het IP-adres van een router of een computer aan die wordt
gebruikt voor verbinding met andere netwerken of subnetwerken.
Tabel 4.4 TCP/IP-instellingen (2 van 4)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 138
Domain Name De naam van het DNS-domein (Domain Name System)
waarin de HP Jetdirect-printserver zich bevindt (bijvoorbeeld
support.hp.com). De hostnaam maakt hiervan geen deel uit;
het is niet de zogenaamde volledig correcte domeinnaam, zoals
printer1.support.hp.com.
Primary
WINS Server
Het IP-adres van de primaire WINS-server (Windows Internet
Naming Service). De WINS-server biedt oplossingen voor
IP-adressen en -namen voor netwerkcomputers en -apparaten.
Secondary
WINS Server
Het IP-adres dat moet worden gebruikt als de primaire
WINS-server niet beschikbaar is.
Syslog Server Het IP-adres van een hostcomputer die is geconfigureerd
voor de ontvangst van syslog-berichten van de
HP Jetdirect-printserver. Als er geen syslog-server is
opgegeven, zijn de syslog-berichten uitgeschakeld.
Zie Bijlage A
voor meer informatie.
Syslog Maximum
Messages
Duidt op het maximale aantal syslog-berichten dat per minuut
door de HP Jetdirect-printserver kan worden verzonden.
Met deze instelling kan de beheerder de grootte van het
logbestand regelen. De standaardinstelling is 10 per minuut.
Als de instelling 0 (nul) is, is er geen maximum aantal opgegeven.
Syslog Priority Werkt als een filter voor de syslog-berichten die naar de
syslog-server worden verzonden. Het filterbereik is 0 tot en
met 8, waarbij 0 het meest specifiek is en 8 het meest algemeen.
Alleen de berichten die lager zijn dan het aangegeven filterniveau
(dat wil zeggen hoger in prioriteit), worden gerapporteerd.
De standaardwaarde is 8, zodat alle syslog-berichten worden
gerapporteerd. Als de waarde 0 (nul) is, is de rapportage van
syslog-berichten uitgeschakeld.
Idle Timeout Het aantal seconden dat een inactieve verbinding open
mag blijven. De maximale waarde is 3600 seconden.
De standaardwaarde is 270. Als de waarde 0 (nul) is, is de
time-out uitgeschakeld en blijven de TCP/IP-verbindingen open
tot deze verbindingen door het apparaat aan het andere einde
van het netwerk (bijvoorbeeld een werkstation) worden gesloten.
Tabel 4.4 TCP/IP-instellingen (3 van 4)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 139
IPX/SPX
Het tabblad IPX/SPX dient voor de configuratie van de
IPX/SPX-parameters (Internet Packet Exchange/Sequenced
Packet Exchange) van de HP Jetdirect-printserver voor gebruik in
een Novell NetWare-netwerk of een IPX/SPX-compatibel netwerk
(zoals een Microsoft-netwerk). Zie Tabel 4.5
voor een beschrijving
van de items op deze pagina.
LET OP Als u gebruikmaakt van afdrukken via de
directe modus met behulp van IPX/SPX in een
Microsoft-netwerk, mag IPX/SPX niet worden
uitgeschakeld.
TTL/SLP De instelling voor TTL-detectie (Time To Live) voor
IP-multicasts voor SLP-pakketten (Service Location Protocol).
De standaardwaarde is vier sprongen (het aantal routers vanaf
het lokale netwerk). Het bereik is 1 tot 15. Bij de waarde -1 is de
multicast-functie uitgeschakeld.
Voor printservers die zijn geconfigureerd voor Auto IP-adressen
(link-local) wordt dit veld genegeerd. De TTL op uitgaande
pakketten wordt altijd ingesteld op 255 en is altijd beperkt tot
het link-local netwerk.
System Contact De persoon die de zorg draagt voor het beheer of onderhoud
van dit apparaat. Dit veld kan een telefoonnummer of een naam
bevatten.
Indien geconfigureerd, wordt deze parameter weergegeven
op de introductiepagina van de HP Jetdirect-printserver.
System Location De fysieke locatie van het apparaat of verwante informatie.
Alleen afdrukbare ASCII-tekens mogen worden gebruikt
(maximaal 64 tekens).
Indien geconfigureerd, wordt deze parameter weergegeven
op de introductiepagina van de HP Jetdirect-printserver.
Banner Page Bepaalt of er een LPD-voorblad voor afdruktaken moet worden
afgedrukt. Voor externe HP Jetdirect-printservers met meerdere
poorten kunnen alle poorten worden geconfigureerd. Voor
interne printservers is er slechts één poort beschikbaar (Poort 1).
Tabel 4.4 TCP/IP-instellingen (4 van 4)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 140
Voor Novell NetWare-netwerken:
De ingesloten webserver kan worden gebruikt om parameters
voor de wachtrijserver-modus te selecteren in een NDS-omgeving
(Novell Directory Services).
Het is niet mogelijk om met de ingesloten webserver de objecten
van de NDS-printserver, de printer en de wachtrij aan te maken.
Voor het aanmaken van deze objecten moet u een ander
beschikbaar hulpmiddel of hulpprogramma gebruiken.
Tabel 4.5 IPX/SPX-instellingen (1 van 2)
Item Beschrijving
IPX/SPX Enable Activeert of deactiveert de werking van het IPX/SPX-protocol op
de HP Jetdirect-printserver. Als het vakje niet is aangekruist,
is IPX/SPX uitgeschakeld.
IPX/SPX
Frame Type
Geef het IPX/SPX-frametype op dat door de
HP Jetdirect-printserver in uw netwerk moet worden gebruikt.
Na configuratie van het frametype worden alle overige typen
geteld en verwijderd.
AUTO (standaardinstelling) detecteert alle frametypen
en configureert het eerste type dat wordt gevonden.
EN_8023 beperkt het frametype tot IPX via IEEE
802.3-frames.
EN_II beperkt het frametype tot IPX via Ethernet-frames.
EN_8022 beperkt het frametype tot IPX via IEEE 802.2 met
IEEE 802.3-frames.
EN_SNAP beperkt het frametype tot IPX via SNAP met
IEEE 802.3-frames.
TR_8022 beperkt het frametype tot IPX via IEEE 802.2 LLC
met IEEE 802.5-frames.
TR_SNAP beperkt het frametype tot IPX via SNAP met
IEEE 802.5-frames.
SAP-interval De tijd (in seconden) dat de HP Jetdirect-printserver wacht
alvorens SAP-berichten (Service Advertising Protocol) te
verzenden die worden gebruikt voor het uitzenden van berichten
om de servicemogelijkheden van de printserver bekend te maken
op een Novell NetWare-netwerk. Als u SAP-berichten wilt
uitschakelen, gebruikt u de waarde 0 (nul).
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 141
Print Server Name Een NetWare-printernaam voor de HP Jetdirect-printserver
(uitsluitend alfanumerieke tekens). De standaardnaam is
NPIxxxxxx, waarbij xxxxxx de laatste zes cijfers zijn van het
LAN-hardwareadres (MAC-adres) van de
HP Jetdirect-printserver.
NDS Tree Name De naam van de NDS-structuur (Novell Directory Services) van
dit apparaat. De NDS-structuurnaam verwijst naar de naam
van de organisatorische structuur die door het netwerk wordt
gebruikt. Als u ondersteuning voor NDS wilt uitschakelen, laat
u dit veld leeg.
NDS Context De NDS-context van de printserver verwijst naar de
NDS-container of de organisatorische eenheid waarin
het printserverobject zich bevindt. Afdrukwachtrij- en
apparaatobjecten kunnen zich op willekeurige plaatsen in de
NDS-structuur bevinden, maar de HP Jetdirect-printserver
moet zijn geconfigureerd met een volledige correcte
printserverobjectnaam.
Als bijvoorbeeld de printserver in de container
marketing.mytown.lj wordt gevonden, is de volledig correcte
contextnaam (CN) van de printserver:
OU=marketing.OU=mytown.O=lj
(waarbij 'OU' een Organization Unit-container en 'O' een
Organization-container is in de NDS-structuur). De printserver
accepteert ook marketing.mytown.lj.
Als u ondersteuning voor NDS wilt uitschakelen, laat u dit
veld leeg.
Opmerking:
NDS-objecten kunnen niet worden gemaakt door
de ingesloten webserver.
Job Poll Interval Bepaalt de tijd (in seconden) dat de HP Jetdirect-printserver
wacht alvorens de afdrukwachtrij te controleren op afdruktaken.
PJL Configuration Activeer of deactiveer voor PJL-taken (Printer Job Language)
de geboden parameters:
Voorbladen - voor het afdrukken van scheidingsbladen
tussen afdruktaken
Melding voor taakeinde – indien ontvangen door de printer
wordt er een taakeindemelding doorgestuurd naar een
clienttoepassing
Waarschuwing voor toner bijna op - indien ontvangen door
de printer wordt er door de HP Jetdirect-printserver het
bericht toner bijna op doorgestuurd naar een clienttoepassing
Tabel 4.5 IPX/SPX-instellingen (2 van 2)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 142
AppleTalk
Met het tabblad AppleTalk kunt u geselecteerde
AppleTalk-instellingen op de HP Jetdirect-printserver
configureren. Zie Tabel 4.6
voor een beschrijving van de items
op deze pagina.
Opmerking De weergegeven AppleTalk-parameters tonen
onder andere de AppleTalk-printertypen die in
het netwerk bekend zijn.
De HP Jetdirect-printserver biedt uitsluitend
ondersteuning voor AppleTalk Phase 2.
Tabel 4.6 Instellingen voor AppleTalk
Item Beschrijving
Selectievakje
AppleTalk Enable
Schakel het AppleTalk-protocol op de printserver in of uit.
Als AppleTalk is ingeschakeld, worden de op de printserver
opgeslagen parameters voor AppleTalk weergegeven.
Device
(AppleTalk) Name
Geef de naam van de printer in het AppleTalk-netwerk op. Als u
een naam opgeeft die al in het netwerk is toegewezen, wordt
de AppleTalk-naam die op de Jetdirect-configuratiepagina is
opgegeven, gevolgd door een nummer om aan te geven dat
dit een dubbele naam is.
Print Type Geef het type printer op dat in het netwerk wordt aanbevolen.
Er kunnen maximaal twee typen worden weergegeven
(bijvoorbeeld HP LaserJet en LaserWriter).
Zone Selecteer een beschikbare AppleTalk-netwerkzone voor de
printer. Standaard wordt de huidige geselecteerde zone
weergegeven.
Klik op Refresh selected zone Info om de lijst met beschikbare
zones te vernieuwen.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 143
DLC/LLC
Met behulp van dit selectievakje kunt u op de
HP Jetdirect-printserver het DLC/LLC-protocol (Data Link
Control/Logical Link Control) in- of uitschakelen. Als het vakje niet
is aangekruist, is het DLC/LLC-protocol uitgeschakeld.
SNMP
De standaard SNMP-parameters (Simple Network Management
Protocol) kunnen door de gebruiker worden gewijzigd. Zie Tabel 4.7
.
LET OP Als u HP Web Jetadmin gebruikt om apparaten te
beheren, gebruikt u HP Web Jetadmin om SNMP
v3 en andere beveiligingsinstellingen op de printer
naadloos te configureren.
Als u de ingesloten webserver gebruikt om de
SNMP v3-a ccount t e make n, worden all e bestaande
SNMP v3-accounts verwijderd. Tevens dienen de
SNMP v3-accountgegevens te worden
geïmplementeerd op de SNMP-beheertoepassing.
Zie SNMP v3
voor meer informatie.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 144
Tabel 4.7 SNMP-instellingen (1 van 2)
Item Beschrijving
Enable SNMPv1/v2
read-write access
Met deze optie schakelt u de SNMP v1/v2c-agents op de
printserver in. U kunt aangepaste gebruikersgroepnamen
configureren om de beheerstoegang tot de printserver
te bepalen.
De SNMP-opdracht Set Community Name fungeert als
wachtwoord voor het configureren (of schrijven) van
SNMP-gegevens op de HP Jetdirect-printserver.
De SNMP-opdracht Get Community Name fungeert
als wachtwoord voor het ophalen (of lezen) van
SNMP-gegevens op de HP Jetdirect-printserver.
Een binnenkomende SNMP SetRequest- of
GetRequest-opdracht dient de juiste
gebruikersgroepnaam voor Set of Get te bevatten voordat
antwoord van de printserver kan worden verkregen.
Een gebruikersgroepnaam moet uit ASCII-tekens bestaan
en mag maximaal 255 tekens lang zijn.
De standaardgebruikersgroepnaam voor Get is 'public'.
Deze gebruikersgroepnaam kan worden uitgeschakeld
om de toegang te beperken. Als 'public' is uitgeschakeld,
bestaat de mogelijkheid dat bepaalde poortmonitoren of
controlehulpprogramma's niet correct functioneren.
Enable SNMPv1/v2
read-only access
Met deze optie schakelt u de SNMP v1/v2c-agents op
de printserver in, maar wordt de toegang beperkt tot
alleen-lezen. Schrijftoegang is uitgeschakeld.
De standaardgebruikersgroepnaam voor Get,
'public', wordt automatisch ingeschakeld.
Disable SNMPv1/v2 Met deze optie schakelt u de SNMP v1/v2c-agents op de
printserver uit, hetgeen wordt aanbevolen voor veilige
omgevingen. Als SNMP v1/v2c is uitgeschakeld, bestaat
de mogelijkheid dat bepaalde poortmonitoren of
controlehulpprogramma's niet correct functioneren.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 145
Other Settings
Dit item biedt toegang tot een groot aantal beheer- en
afdrukconfiguratieopties. De volgende tabbladen worden
weergegeven:
Misc. Settings: voor het instellen van diverse geavanceerde
protocollen en functies.
Firmware Upgrade: (voor printservers die firmware-upgrades
ondersteunen) voor het opwaarderen van de HP
Jetdirect-printserver met nieuwe functies en verbeteringen.
LPD Queues: voor het instellen van afdrukwachtrijen die worden
gebruikt voor afdrukken via de LPD-afdrukservice (Line Printer
Daemon).
USB-instellingen: (alleen externe printservers) voor het
configureren van USB-verbindingsparameters.
Support info: voor het instellen van de koppeling Support onder
Other Links in de linkermarge.
Vernieuwingssnelheid: voor het instellen van de tijdinterval
(in seconden) voor het bijwerken van de ingesloten
diagnostische pagina's.
Enable SNMPv3 (Alleen HP Jetdirect-printservers met alle functies)
Met deze optie schakelt u de SNMP v3-agent op de
printserver in of uit.
Wanneer deze optie is ingeschakeld, moet er een SNMP
v3-account op de printserver worden gemaakt en moeten
de accountgegevens worden geïmplementeerd op de
SNMP v3-beheertoepassing. U kunt een account maken
door de volgende gegevens op te geven:
User Name: de gebruikersnaam voor de SNMP
v3-account.
Authentication Key: een hexadecimale waarde van
16 bytes voor verificatie van de inhoud van het
SNMP-pakket met behulp van het MD5-algoritme.
Privacy Key: een hexadecimale waarde van 16 bytes voor
codering van het gegevensgedeelte van het SNMP-pakket
met behulp van het DES-algoritme.
Context Name: de weergavecontext waarin deze gebruiker
toegang heeft tot SNMP-objecten. Dit is altijd Jetdirect.
Tabel 4.7 SNMP-instellingen (2 van 2)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 146
Misc. Settings
Met de parameters op de pagina Misc. Settings kunt u een aantal
verschillende geavanceerde protocollen en functies instellen, zoals
hieronder beschreven. Zie Tabel 4.8
.
Tabel 4.8 Miscellaneous Settings (1 van 5)
Item Beschrijving
SLP Config Dient voor het in- en uitschakelen van SLP (Service Location
Protocol), wat door sommige clienttoepassingen wordt gebruikt
voor het automatisch detecteren en identificeren van de
HP Jetdirect-printserver.
Telnet Config Dient voor het in- en uitschakelen van toegang tot
HP Jetdirect-configuratieparameters via Telnet. Zie Hoofdstuk 3
voor meer informatie.
mDNS Dient voor het in- of uitschakelen van mDNS-services
(Multicast Domain Name System). mDNS wordt meestal in kleine
netwerken gebruikt voor het omzetten van IP-adressen en namen
(via UDP-poort 5353) wanneer geen conventionele DNS-server
wordt gebruikt.
Multicast IPv4 Dient voor het in- of uitschakelen van de ontvangst en verzending
van multicast-pakketten van IP-versie 4 door de printserver.
9100 Config Poort 9100-services in- of uitschakelen. Dient voor het in- en
uitschakelen van services via poort 9100. Poort 9100 is een eigen
'raw' TCP/IP-poort van HP op de HP Jetdirect-printserver en is
de standaardpoort voor het afdrukken. De poort biedt toegang
voor software van HP (bijvoorbeeld HP Standard Port).
Afdrukken via FTP Dient voor het in- en uitschakelen van de FTP-services (File
Transfer Protocol) voor afdrukken op de HP Jetdirect-printserver.
Zie Hoofdstuk 6
voor meer informatie.
LPD Printing Dient voor het in- en uitschakelen van de LPD-services
(Line Printer Daemon) op de HP Jetdirect-printserver. LPD op de
HP Jetdirect-printserver biedt services voor lineprinter-spooling
voor TCP/IP-systemen. Zie Hoofdstuk 5
voor meer informatie.
IPP Printing Dient voor het in- en uitschakelen van de IPP-services (Internet
Printing Protocol) op de HP Jetdirect-printserver. Als de printer
juist is aangesloten en is ingeschakeld, biedt IPP de mogelijkheid
om af te drukken via het Internet (of een intranet). Tevens is een
geconfigureerd IPP-clientsysteem vereist. Zie Hoofdstuk 2
voor
informatie over IPP-clientsoftware.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 147
Link settings (Alleen voor vaste 10/100TX-netwerken) Stel de snelheid van de
netwerkverbinding (10 of 100 Mbps) en de communicatiemodus
(full- of half-duplex) in voor HP Jetdirect 10/100TX-printservers.
De beschikbare instellingen worden hieronder weergegeven.
VOORZICHTIG
: als u de instelling van de verbinding wijzigt,
kan netwerkcommunicatie met de printserver en het
netwerkapparaat verloren gaan.
AUTO: (standaardinstelling) er wordt automatisch
onderhandeld om ervoor te zorgen dat de
verbindingssnelheid en de communicatiemodus van
de printserver gelijk zijn aan die van het netwerk.
Als automatische onderhandeling mislukt, wordt 100TXHALF
ingesteld.
10TXFULL: 10 Mbps, werking met full-duplex
10TXHALF: 10 Mbps, werking met half-duplex.
100TXFULL: 100 Mbps, werking met full-duplex
100TXHALF: 100 Mbps, werking met half-duplex.
DNS Server Dient voor het opgeven van het IP-adres van de DNS-server
(Domain Name System).
Email (SMTP)
Server
Dient voor het opgeven van het IP-adres van de gewenste
SMTP-server (Simple Mail Transport Protocol) voor uitgaande
e-mail voor gebruik met ondersteunde scanapparaten.
Scan Idle Timeout Geef het aantal seconden op dat een inactieve verbinding
voor scannen open mag blijven. Het maximum is 3600 en de
standaardinstelling is 300. Als de instelling 0 is, wordt de time-out
uitgeschakeld en blijft de verbinding open totdat deze wordt
afgesloten door het netwerksysteem dat toegang tot het
apparaat heeft.
Locally
Administered
Address
Een Locally Administered Address (LAA) dat het in de fabriek
toegewezen LAN-hardwareadres (MAC-adres) vervangt. Als
LAA wordt gebruikt, moet een door de gebruiker op te geven
tekenreeks van exact 12 hexadecimale cijfers worden ingevoerd.
Voor Token Ring-printservers moet het LAA-adres beginnen met
een hexadecimale waarde van 40 tot en met 7F.
Voor Ethernet-printservers moet het LAA-adres beginnen
met de hexadecimale waarde X2, X6, XA of XE, waar X een
hexadecimaal teken tussen 0 en F is.
Het standaardadres is het in de fabriek toegewezen adres.
Tabel 4.8 Miscellaneous Settings (2 van 5)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 148
Syslog-faciliteit Geef de gecodeerde bronfaciliteit van een bericht op
(bijvoorbeeld voor het bepalen van de bron van bepaalde
berichten tijdens het oplossen van problemen).
Als standaardinstelling wordt door de HP Jetdirect-printserver
LPR als de bronfaciliteitcode gebruikt, maar plaatselijke
gebruikerswaarden van local0 tot en met local7 kunnen worden
gebruikt om aparte printservers of groepen van printservers te
identificeren.
On fatal error (Alleen ondersteunde externe printservers) De handeling van de
printserver wanneer tijdens de werking met het aangesloten
apparaat een onherstelbare fout wordt ontdekt.
Halt (standaardinstelling): de netwerkwerking van de
printserver wordt uitgesteld. Interventie van de gebruiker
is nodig.
Reboot: De printserver wordt opnieuw gestart, te vergelijken
met wanneer de printer wordt uitgezet en weer wordt
aangezet.
Error page type (Alleen ondersteunde externe printservers) Geef het type pagina
met diagnostische gegevens op dat automatisch wordt afgedrukt
bij een onherstelbare fout.
Basic (standaardinstelling): er wordt een standaardpagina
met diagnostische gegevens afgedrukt. Dit is één pagina
met een samenvatting van de fout in een vorm die door de
gebruiker kan worden gelezen.
Full: er worden maximaal vijf pagina's met volledige
diagnostische gegevens afgedrukt. Deze pagina's bevatten
de gedetailleerde status van de printserver op het moment
dat de fout werd ontdekt. Het kan nodig zijn ondersteunend
personeel van HP in te schakelen om deze pagina's te
interpreteren.
None: er wordt geen pagina met diagnostische gegevens
afgedrukt.
Dynamic Raw
Port Setting
Hiermee kunnen extra poorten voor het afdrukken naar
TCP-poort 9100 worden opgegeven. Geldige poorten zijn
3000 tot 9000, afhankelijk van de toepassing.
Tabel 4.8 Miscellaneous Settings (3 van 5)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 149
Disable listening
on these ports
Voor beveiligingsdoeleinden zijn er twee velden beschikbaar
waarmee u van het netwerk gebruik makende services op de
printer kunt uitschakelen. In elk veld moet u de poortnummers
opgeven die voor netwerkcommunicatie met die services worden
gebruikt. U kunt in elk veld maximaal vijf poorten opgeven
(bijvoorbeeld [5, 10, 40, 20, 50]). Het geldige bereik voor
poortnummers is 1 tot en met 65535.
Streams: voer in dit veld de poortnummers in van services die
gegevensstromen doorgeven. Gegevensstromen maken gebruik
van TCP (Transport Control Protocol) om de levering van
gegevens te garanderen.
Datagrams: voer in dit veld de poortnummers in van services die
datagrammen doorgeven. Datagrammen, die meestal worden
gebruikt voor uit te zenden berichten, maken gebruik van UDP
(User Datagram Protocol), een protocol zonder verbindingen
waarbij levering en foutenherstel niet worden gegarandeerd.
Enable MFP and
AIO software
support
Dient voor het in- of uitschakelen van de ondersteuning van de
printserver voor de volledig functionele scanfaciliteit die op
clientcomputers is geïnstalleerd via software die bij het
alles-in-één-apparaat van HP wordt geleverd.
Als deze optie is uitgeschakeld, is op de printserver geen andere
apparaatfunctie met clientsoftware toegestaan dan afdrukken via
het netwerk.
Ondersteuning van de Web Scan-functie van de printserver wordt
afzonderlijk beheerd.
Enable Web Scan Dient voor het in- of uitschakelen van basisscannen via de
ingesloten Web Scan-functie van de printserver. Het gebruik van
Web Scan is onafhankelijk van de instelling voor het inschakelen
van softwareondersteuning voor het alles-in-één-apparaat, zoals
hierboven beschreven.
Enable
Scan-to-email
Dient voor het in- of uitschakelen van de ondersteuning van
scannen-naar-e-mail. Wanneer deze parameter is ingeschakeld,
kunt u naar e-mail scannen en gescande bestanden downloaden
of weergeven.
De functie scannen-naar-e-mail is alleen beschikbaar wanneer
er een mailserver is opgegeven. De e-mailserver geeft u op met
de Email (SMTP) Server-parameter die hierboven is beschreven.
Tabel 4.8 Miscellaneous Settings (4 van 5)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 150
mDNS Service
Name
Een alfanumerieke tekenreeks van maximaal 64 ASCII-tekens
die aan dit apparaat of deze service wordt toegewezen. Dit is een
vaste naam en wordt gebruikt om de naam van een bepaald
apparaat of een bepaalde service om te zetten als de
socketgegevens (zoals het IP-adres) per sessie veranderen.
Apple Rendezvous geeft deze service weer.
De standaardservicenaam bestaat uit het printermodel en het
LAN-hardwareadres (MAC-adres).
mDNS Domain
Name
(Alleen-lezen-parameter) De mDNS-domeinnaam die aan het
apparaat is toegewezen, in de vorm <hostnaam>.local. Als er
geen door de gebruiker opgegeven hostnaam is toegewezen,
wordt de standaardhostnaam NPIxxxxxx gebruikt, waarbij xxxxxx
de laatste zes cijfers van het LAN-hardwareadres (MAC) zijn.
mDNS Highest
Priority Service
De mDNS-service met de hoogste prioriteit die moet worden
gebruikt voor afdrukken. Als u deze parameter wilt instellen,
kiest u een van de volgende afdrukopties:
9100 Printing: 'Raw' IP afdrukken via eigen HP-port 9100.
IPP Printing: Afdrukken met Internet Printing Protocol.
LPD Printing (RAW): Afdrukken met standaard-LPD-wachtrij van
het type 'raw'.
LPD Printing (TEXT): Afdrukken met standaard-LPD-wachtrij van
het type 'text'.
LPD Printing (AUTO): Afdrukken met standaard-LPD-wachtrij
van het type 'auto'.
LPD Printing (BINPS): Afdrukken met standaard-LPD-wachtrij
van het type 'Binair PostScript'.
LPD Printing (<gedefinieerd door gebruiker>): Er worden
maximaal vijf door de gebruiker opgegeven LPD-wachtrijen
weergegeven indien die zijn geconfigureerd, waarbij
<gedefinieerd door gebruiker> de naam is van de door de
gebruiker opgegeven LPD-afdrukwachtrij.
De standaardinstelling hangt af van de printer, maar is doorgaans
9100 Printing of LPD Printing (BINPS).
Tabel 4.8 Miscellaneous Settings (5 van 5)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 151
Firmware Upgrade
Bij printservers die firmware-upgrades ondersteunen, kunt u
deze pagina gebruiken om de printserver op te waarderen met
nieuwe functies.
Het bestand voor de firmware-upgrade van de printserver moet
beschikbaar zijn op het systeem. Om het juiste upgrade-bestand te
vinden en op te halen, bezoekt u de on line ondersteuning van HP:
http://www.hp.com/go/webjetadmin
_firmware
Op deze pagina gaat u als volgt te werk:
1. Zoek het printservermodel en het upgrade-bestand op.
2. Controleer de versie van het upgrade-bestand en ga na of het
recenter is dan de versie die op de printserver is geïnstalleerd.
Als dit het geval is, downloadt u het bestand. Als dit niet het
geval is, is de upgrade niet nodig.
Ga als volgt te werk om de printserver op te waarderen via de
ingesloten webserver:
1. Voer het pad van het upgrade-bestand in of klik op Browse
om het op te zoeken.
2. Klik vervolgens op Upgrade Firmware.
Opmerking Als u een eerdere versie dan de X.24.00-serie
opwaardeert, dient u de upgrade opnieuw uit
te voeren als ondersteunde niet-Engelse talen
gewenst zijn.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 152
LPD Queues
Op de pagina LPD Queues kunt u LPD-afdrukwachtrijen (Line
Printer Daemon) opgeven op de Jetdirect-printserver. Voor meer
informatie over afdrukken via LPD en wachtrijen raadpleegt u
Hoofdstuk 5, Configuratie voor afdrukken via LPD
.
Afdrukken via LPD moet zijn ingeschakeld op de printserver
voordat u LPD-wachtrijen kunt instellen. Als LPD is uitgeschakeld,
gaat u naar het tabblad Misc. Settings
om LPD in te schakelen.
Als afdrukken via LPD is ingeschakeld, zijn er tien
afdrukwachtrijen met verschillende namen beschikbaar. Vier van
deze wachtrijen zijn automatisch geconfigureerd. De parameters
van deze wachtrijen kunnen niet worden gewijzigd. De overige zes
wachtrijen kunnen worden gedefinieerd door de gebruiker.
De zes door de gebruiker gedefinieerde wachtrijen kunnen worden
ingesteld met tekenreeksen (zoals taakbeheeropdrachten) die
automatisch vóór of na de afdruktaak worden toegevoegd. U kunt
maximaal acht tekenreeksen met verschillende namen definiëren
en u kunt elke wachtrij zo instellen dat een van deze benoemde
reeksen voorafgaat aan de afdrukgegevens (prepend-tekenreeks)
of volgt op de afdrukgegevens (append-tekenreeks).
LPD-wachtrijparameters voor het instellen van LPD-wachtrijen
worden hieronder beschreven. Zie Tabel 4.9
.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 153
Tabel 4.9 LPD-wachtrijparameters (1 van 3)
Item Beschrijving
Queue Name De naam van de door de gebruiker gedefinieerde wachtrij.
Deze naam kan maximaal 32 tekens lang zijn en mag uit alle
ASCII-tekens bestaan die kunnen worden weergegeven. U kunt
maximaal zes wachtrijen definiëren.
Prepend String
Name
Voer de naam in van een of meer tekenreeksen die vóór de
afdrukgegevens moeten worden toegevoegd. U geeft de
namen en waarden voor tekenreeksen op in de tabel onder
aan de pagina.
Als u een lange tekenreeks vóór de afdrukgegevens wilt
toevoegen, kunt u de namen van meerdere tekenreeksen
samenvoegen, dat wil zeggen invoeren en scheiden met een
plusteken ("+"). Als u bijvoorbeeld vóór de afdrukgegevens
een lange tekenreeks wilt toevoegen die uit twee afzonderlijke
tekenreeksen bestaat, voert u het volgende in:
<tekenreeksnaam1>+<tekenreeksnaam2>
waar tekenreeksnaam1 en tekenreeksnaam2 zijn opgegeven
als twee afzonderlijke tekenreeksnamen met verschillende
waarden.
Append String
Name
Voer de naam in van een of meer tekenreeksen die na de
afdrukgegevens moeten worden toegevoegd. U geeft de
namen en waarden voor tekenreeksen op in de tabel onder
aan de pagina.
Als u een lange tekenreeks na de afdrukgegevens wilt
toevoegen, kunt u de namen van meerdere tekenreeksen
samenvoegen, dat wil zeggen invoeren en scheiden met een
plusteken ("+"). Als u bijvoorbeeld na de afdrukgegevens een
lange tekenreeks wilt toevoegen die uit twee afzonderlijke
tekenreeksen bestaat, voert u het volgende in:
<tekenreeksnaam1>+<tekenreeksnaam2>
waar tekenreeksnaam1 en tekenreeksnaam2 zijn opgegeven
als twee afzonderlijke tekenreeksnamen met verschillende
waarden.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 154
Queue Type De verwerkingsinstructie voor de wachtrij. Kies uit de volgende
vier wachtrijtypen:
RAW - geen verwerking. De LDP (Line Printer Daemon)
behandelt gegevens in een
raw
-wachtrij als een afdruktaak
die al is opgemaakt in de PCL-, PostScript- of HP
GL/2-printertaal en stuurt de gegevens zonder wijziging naar
de printer. (Een door de gebruiker gedefinieerde prepend-
of append-tekenreeks wordt op de juiste plaats aan de
afdruktaak toegevoegd.)
TEXT - regeleinde toegevoegd. De LPD (Line Printer
Daemon) behandelt gegevens in de
text
-wachtrij als
ongeformatteerde tekst of ASCII-tekst en voegt een return toe
aan elke regel voordat deze naar de printer wordt gestuurd.
AUTO - automatisch. De LPD (Line Printer Daemon) stelt
automatisch vast of de afdrukgegevens als
raw
of als
text
moeten worden verzonden.
BINPS - binair PostScript. Hiermee wordt aan de
PostScript-interpreter meegedeeld dat de afdruktaak moet
worden geïnterpreteerd als binaire PostScript-gegevens.
Default Queue
Name
De naam van de wachtrij die moet worden gebruikt als
de opgegeven wachtrij voor een afdruktaak onbekend is.
De standaardwaarde voor Standaardwachtrijnaam is AUTO.
String Name De naam van een tekenreeks. U kunt maximaal acht
tekenreeksen definiëren voor gebruik in LPD-wachtrijen.
Met deze parameter wordt de naam van de tekenreeks bepaald
en met de parameter
Waarde
wordt de inhoud van de tekenreeks
gedefinieerd. De namen voor
prepend
- en
append
-tekenreeksen
(die boven aan het browservenster worden opgegeven) moeten
worden gekozen uit de hier opgegeven namen. De naam van de
tekenreeks kan maximaal 32 tekens lang zijn en mag uit alle
ASCII-tekens bestaan die kunnen worden weergegeven.
Tabel 4.9 LPD-wachtrijparameters (2 van 3)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 155
Als u een door de gebruiker gedefinieerde afdrukwachtrij wilt
opgeven, definieert u eerst de tekenreeksen, wijst u deze toe als
prepend of append en definieert u vervolgens het wachtrijtype.
Als u een LPD-wachtrij hebt gedefinieerd, kunt u het gebruik
daarvan opgeven door een LPD-printer in te stellen die deze
wachtrij gebruikt. Als u tekenreeks 'a' bijvoorbeeld instelt met
de waarde 'abc' en tekenreeks 'z' met de waarde 'xyz', kunt u
afdrukwachtrij az_wachtrij definiëren met de prepend-tekenreeks
'a', de append-tekenreeks 'z' en het wachtrijtype 'raw'. Als u
vervolgens een afdruktaak die uit <opgemaakte_tekst> bestaat,
verzendt via wachtrij az_wachtrij, is de taak die naar de printer
wordt gezonden 'abc<opgemaakte_tekst>xyz'.
De instructies voor het instellen van een LPD-printer verschillen
per besturingssysteem. Zie Hoofdstuk 5, Configuratie voor
afdrukken via LPD voor meer informatie.
Value De inhoud van de tekenreeks. Met de parameter
String Name
wordt de naam van de tekenreeks bepaald, met de parameter
Value
wordt de inhoud gedefinieerd. Wanneer er een
tekenreeksnaam voor een prepend- of append-tekenreeks wordt
opgegeven (in de tabel boven aan het browservenster), stuurt de
LPD (Line Printer Daemon) de waarde van die tekenreeks vóór
of na de afdrukgegevens naar de printer.
Tekenwaarden kunnen alles in het uitgebreide ASCII-bereik van
0 t/m 255 (hex 00 t/m FF) zijn. U kunt een niet-afdrukbaar teken
opgeven met behulp van de hexadecimale waarde door een
backslash gevolgd door twee hexadecimale tekens in te voeren.
Om het escape-teken (hex 1B) in te voeren, typt u bijvoorbeeld
\1B. Als uw tekenreeks het backslash-teken zelf bevat, geeft u
dit op als \5C. Het maximumaantal tekens dat u in dit veld kunt
typen, is 240. De tekens in het veld worden gecontroleerd op
hexadecimale waarden, indien nodig geconverteerd en intern
opgeslagen. Het maximumaantal tekens dat intern in de
tekenreeks wordt opgeslagen, is 80. Tekens die deze
grens overschrijden, worden genegeerd.
Tabel 4.9 LPD-wachtrijparameters (3 van 3)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 156
Voorbeeld. Als u een LPD-printer hebt en deze aan het begin
van elke afdruktaak opnieuw wilt instellen, kunt u een wachtrij
instellen met de naam clear_printer die aan het begin van elke
taak de opdracht PCL reset (Escape-E) geeft. Dit kunt u als volgt
instellen:
Stel eerst de afdrukwachtrij in:
a. Geef een naam aan een tekenreeks: typ 'reset_string' in het
veld String Name in rij 1.
b. Geef de waarde van de tekenreeks op: typ '\1BE'
(Escape-E) in het veld Value in rij 1.
(U kunt ook '\1B\45' typen.)
c. Geef een naam aan de wachtrij: typ 'clear_printer' in het
veld Queue Name in rij 5.
d. Stel de prepend-tekenreeks in. typ 'reset_string' in het
veld Prepend String in rij 5.
e. Laat het veld Append String in rij 5 leeg.
f. Stel het wachtrijtype in: stel het veld Queue Type in rij
5 met behulp van de vervolgkeuzelijst in op RAW.
Stel de printer vervolgens in om de wachtrij te gebruiken en geef
'clear_printer' op wanneer er om een wachtrijnaam wordt gevraagd.
(Zie Hoofdstuk 5, Configuratie voor afdrukken via LPD
voor meer
informatie over het instellen van de printer.) Hierna bevatten alle
afdruktaken die naar de printer worden gestuurd (vanaf de server
of vanaf een clientcomputer die deze printer heeft ingesteld) een
reset-opdracht aan het begin van de afdruktaak.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 157
USB-instellingen
Als de HP Jetdirect-printserver over een USB-aansluiting voor een
netwerkapparaat beschikt (bijvoorbeeld voor een USB-printer),
wordt er een koppeling naar de USB-configuratieparameters
weergegeven. Zie Tabel 4.10
.
Tabel 4.10 USB-instellingen (1 van 2)
USB-item Beschrijving
USB Speed (Alleen-lezen-parameter, alleen voor
USB 2.0-printservers). De automatisch onderhandelde
communicatiesnelheid via de USB-verbinding tussen de
printserver en het apparaat.
Full Speed: 12 Mbits/sec zoals aangegeven in de
USB v2.0-specificaties, compatibel met
USB v1.1-specificaties.
Hi-Speed: 480 Mbits/sec, alleen voor
USB v2.0-apparaten.
Disconnected: De USB-poort is niet aangesloten.
Desired
Communication
Mode
Selecteer het hoogste niveau van de
USB-communicatiemogelijkheden wanneer de printserver
een communicatieniveau met de printer tot stand probeert
te brengen. Als u de huidige instelling wijzigt, verwijdert u
de USB-kabel en sluit u deze opnieuw aan of zet u de
printserver uit en weer aan om de instelling te activeren.
Automatic (standaardinstelling): de printserver probeert
het hoogst mogelijke beschikbare niveau in te stellen,
beginnend bij IEEE 1284.4. Als dit niet lukt, worden de
volgende niveaus geprobeerd.
IEEE 1284.4: dit niveau is het hoogste
communicatieniveau en hierbij zijn meerdere kanalen
voor gelijktijdige afdruk-, scan- en statuscommunicatie
mogelijk.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 158
Support info
Gebruik deze informatie voor het configureren van koppelingen
voor ondersteuningsassistentie. U kunt een naam en een
telefoonnummer van een beheerder voor dit apparaat opgeven,
alsmede URL-adressen voor technische ondersteuning en
productondersteuning.
Vernieuwingssnelheid
De vernieuwingssnelheid is de tijd (in seconden) waarna de pagina's
met diagnostische gegevens automatisch worden bijgewerkt.
Met de waarde 0 (nul) wordt de vernieuwingssnelheid
uitgeschakeld.
Desired
Communication
Mode
(vervolg)
MLC: (Multiple Logical Channels) Het volgende niveau
is MLC, een eigen protocol van HP waarbij meerdere
kanalen voor gelijktijdige afdruk-, scan- en
statuscommunicatie mogelijk zijn.
Bidirectioneel: dit niveau biedt
basisprintercommunicatie in twee richtingen.
Afdrukgegevens worden naar het afdrukapparaat
gezonden en statusgegevens worden teruggezonden
vanaf het afdrukapparaat.
Unidirectioneel: dit is het laagste communicatieniveau
en biedt communicatie in één richting van de printserver
naar het afdrukapparaat.
Het communicatieniveau dat door de printserver is
ingesteld, wordt weergegeven op de
Jetdirect-configuratiepagina.
Status Page
Language
Selecteer de PDL (Page Description Language) van de
gegevens van de Jetdirect-configuratiepagina die naar
de printer worden gezonden. Beschikbare opties zijn PCL,
ASCII, PostScript en HPGL2.
Tabel 4.10 USB-instellingen (2 van 2)
USB-item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 159
Privacy Settings
Op de pagina Privacy Settings kunt u aangeven dat op de
ingesloten webserver identificatie- en gebruiksgegevens met
betrekking tot het product mogen worden verzameld en naar
HP mogen worden verzonden (toegang tot het Internet is vereist).
HP kan mede aan de hand van gegevens over productgebruik de
productfuncties en services verbeteren. Deze functie is standaard
uitgeschakeld.
Als u deze functie wilt inschakelen, schakelt u het selectievakje in
en klikt u op Apply.
Als u deze functie wilt uitschakelen, schakelt u het selectievakje uit
en klikt u op Apply.
Select language
Deze koppeling wordt weergegeven als de webpagina's van de
HP Jetdirect ondersteuning bieden voor meerdere talen.
De ondersteunde talen kunnen ook worden geselecteerd via
de instellingen voor voorkeurstaal in uw browser (zie de Help van
de browser).
Om ondersteunde niet-Engelse talen weer te geven, moet het
gebruik van cookies zijn ingeschakeld in de instellingen van
de browser.
Settings
In het gedeelte SECURITY geeft het menu Settings toegang tot
de volgende tabbladen: Status (standaardpagina), Wizard en
Restore Defaults. De beschikbare instellingen zijn afhankelijk
van het printservermodel. Een beveiligde ingesloten webserver
wordt niet ondersteund door op waarden gebaseerde
HP Jetdirect-printservers zonder upgrademogelijkheden
(bijvoorbeeld HP Jetdirect 175x een 200m).
Status
De pagina Status bevat de huidige
beveiligingsconfiguratie-instellingen van de printserver.
De instellingen die worden weergegeven, zijn afhankelijk van
de functies die door de printserver worden ondersteund.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 160
Wizard
Opmerking Gebruik deze wizard niet als u HP Web Jetadmin
gebruikt om apparaten te beheren. Gebruik
in plaats daarvan HP Web Jetadmin om de
netwerkbeveiligingsinstellingen te configureren
om ervoor te zorgen dat deze correct zijn ingesteld
voor het netwerk.
Via de pagina Wizard kunt u de wizard HP Jetdirect
Security Configuration uitvoeren. Deze wizard leidt u door de
beveiligingsconfiguratie van de printserver die nodig is voor
het netwerk. Klik op Start Wizard om de wizard uit te voeren.
Hiermee wordt de pagina Security Level geopend.
De optionele configuratieparameters die in de wizard worden
weergegeven, zijn afhankelijk van het beveiligingsniveau dat
ukiest. Zie Tabel 4.11
voor een overzicht.
Opmerking Als u de wizard niet op de juiste wijze afsluit
(bijvoorbeeld zonder de knop Cancel te gebruiken),
kan het venster Operation Failed verschijnen.
Wanneer dit gebeurt, dient u twee minuten te
wachten voordat u de wizard opnieuw start.
Restore Defaults
Deze pagina gebruikt u om de beveiligingsconfiguratie-instellingen
weer in te stellen op de fabriekswaarden. De standaardinstellingen
die worden weergegeven, zijn afhankelijk van de functies die door
de printserver worden ondersteund.
Alleen de beveiligingsinstellingen die hier worden weergegeven,
worden weer ingesteld op de fabriekswaarden. Andere
configuratie-instellingen worden niet gewijzigd.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 161
Tabel 4.11 Wizard Security Levels (1 van 2)
Beveiligingsniveau Beschrijving
Basic Security Voor deze optie dient u een beheerderswachtwoord
voor configuratiebeheer in te stellen.
Het beheerderswachtwoord wordt ook gebruikt voor
andere beheersprogramma's, zoals Telnet en
SNMP-toepassingen. Bepaalde beheersprogramma's,
zoals Telnet, maken echter gebruik van niet-gecodeerde
communicatie en zijn niet veilig.
U gebruikt de pagina Administrator Account om
het beheerderswachtwoord in te voeren.
Het beheerderswachtwoord wordt ook gebruikt
als de SNMP v1/v2-gebruiksgroepnaam voor
SNMP-beheertoepassingen.
De pagina Configuration Review bevat alle huidige
instellingen die gevolgen kunnen hebben voor de
beveiliging. Klik op Finish om de basisbeveiligingskeuzen
in te stellen.
Enhanced Security
(aanbevolen)
Met deze optie wordt de basisbeveiliging uitgebreid doordat
beheerprotocollen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
van veilige, gecodeerde communicatie (zoals Telnet- en
FTP-firmware-updates, RCFG en SNMP v1/v2c),
automatisch worden uitgeschakeld. Zie Mgmt. Protocols
als
u de instellingen van afzonderlijke protocollen wilt wijzigen.
U gebruikt de pagina Administrator Account om het
beheerderswachtwoord in te voeren.
U gebruikt de pagina's van SNMP Configuration om
specifieke SNMP-instellingen te configureren.
Enable SNMPv3: (alleen printservers met alle functies)
Schakel SNMP v3 in en maak SNMP v3-account.
Het verdient geen aanbeveling een SNMP v3-account
te maken als u apparaten beheert met HP Web
Jetadmin. Zie SNMP
.
Enable SNMPv1/v2 read-only access: schakel deze
optie in om de ondersteuning toe te staan van de
huidige programma's die voor de detectie en status
van apparaten afhankelijk zijn van SNMP v1/v2.
De pagina Configuration Review bevat alle huidige
instellingen die gevolgen kunnen hebben voor de
beveiliging. Klik op Finish om de basisbeveiligingskeuzen
in te stellen.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 162
Custom Security Deze optie wordt verwerkt in alle beschikbare
beveiligingsinstellingen die door de printserver worden
ondersteund. Zie de tabbladen op de menupagina's
Mgmt.
Protocols
en
Authorization
onder
SECURITY
voor meer
informatie.
U gebruikt de pagina
Administrator Account
om het
beheerderswachtwoord in te voeren.
U gebruikt de pagina
Web Mgmt.
(alleen voor printservers
met alle functies) voor de configuratie van HTTPS (beveiligd
HTTP), met inbegrip van certificaten en coderingsniveaus.
Op de pagina
Management Tools
kunt u
beheerprotocollen configureren die niet beveiligd
zijn (zoals RCFG, Telnet en FTP-firmware-updates).
U gebruikt de pagina's van
SNMP Configuration
om
specifieke SNMP-instellingen te configureren.
Enable SNMPv1/v2: schakel deze optie in om
beheersoftware toe te staan waarbij gebruik
wordt gemaakt van SNMP v1/v2. Als deze optie
is geselecteerd, wordt de pagina SNMPv1/v2
Configuration weergegeven voor configuratie
van SNMP-gebruikersgroepnamen.
Enable SNMPv3: (alleen printservers met alle functies)
schakel deze optie in om een SNMP v3-account te
maken. Het verdient geen aanbeveling een SNMP
v3-account te maken als u apparaten beheert met
HP Web Jetadmin. Zie SNMP
.
U gebruikt de pagina
Authorization
om, indien gewenst,
een toegangscontrolelijst te maken om de hosttoegang
tot het apparaat te bepalen.
De pagina
Print Protocols and Services
gebruikt u voor
het in- of uitschakelen van afdrukken via het netwerk,
printservices en apparaatdetectieprotocollen, die gevolgen
voor de beveiliging kunnen hebben.
De pagina
Configuration Review
bevat alle huidige
instellingen die gevolgen kunnen hebben voor de
beveiliging. Klik op
Finish
om de basisbeveiligingskeuzen
in te stellen.
Tabel 4.11 Wizard Security Levels (2 van 2)
Beveiligingsniveau Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 163
Authorization
De pagina Authorization bevat tabbladen waarmee u de toegang
tot het apparaat en configuratie- en beheersfuncties van het
apparaat kunt bepalen. Daarnaast kunt u certificaten voor
client- en serververificatie configureren.
Admin. Account
Op deze pagina kunt u een beheerderswachtwoord instellen
voor het regelen van toegang tot Jetdirect-configuratie- en
statusinformatie. Het beheerderswachtwoord wordt ook
gebruikt door Jetdirect-configuratieprogramma's, zoals de
ingesloten webserver, Telnet en HP Web Jetadmin. Als er een
wachtwoord is ingesteld en u via deze programma's toegang
probeert te krijgen tot de Jetdirect-printserver, wordt u om
een gebruikersnaam en dit wachtwoord gevraagd voordat
u toegang krijgt.
Opmerking U kunt het beheerderswachtwoord wissen door
een 'cold reset' van de printserver uit te voeren.
Hierdoor worden de fabriekswaarden hersteld.
Door het selectievakje in te schakelen, kunt u de
gebruikersgroepnaam in HP Web Jetadmin synchroniseren
met die voor SNMP v1/v2c. Als u deze functie inschakelt
(het selectievakje inschakelt), wordt het beheerderswachtwoord
ook gebruikt als de SNMP-gebruikersgroepnaam voor
SNMP v1/v2c-beheertoepassingen.
Opmerking Als u de gebruikersgroepnaam voor SNMP
vervolgens wijzigt (bijvoorbeeld op het tabblad
SNMP op de pagina Network Settings of vanuit
Web Jetadmin) zijn de twee instellingen niet langer
gesynchroniseerd.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 164
Certificates
(Alleen HP Jetdirect-printservers met alle functies) Dit tabblad
biedt toegang tot installatie-, configuratie- en beheerservices
voor digitale X.509-certificaten. Een digitaal certificaat is een
elektronisch bericht dat meestal onder meer een sleutel (een
korte tekenreeks die wordt gebruikt voor codering en decodering)
en een digitale handtekening bevat. Certificaten kunnen worden
uitgegeven en ondertekend door een vertrouwde instantie
(meestal certificeringsinstantie of CA genoemd) binnen of buiten
de organisatie. Tevens kunnen certificaten zelf-ondertekend zijn,
hetgeen vergelijkbaar is met het valideren van uw eigen identiteit.
Opmerking Zelf-ondertekende certificaten zijn toegestaan en
bieden de mogelijkheid tot gegevenscodering,
maar garanderen geen geldige validatie.
De pagina Certificates bevat de status van de certificaten die op
de HP Jetdirect-printserver zijn geïnstalleerd.
Jetdirect-certificaat. Het Jetdirect-certificaat wordt gebruikt
om de identiteit van het Jetdirect-apparaat te valideren voor
clients en netwerkverificatieservers.
Standaard is een zelf-ondertekend Jetdirect-certificaat
geïnstalleerd. Voor draadloze printservers kan hiermee
HTTPS worden gebruikt voor de ingesloten webserver en kan
de webserver worden weergegeven als een beveiligde locatie
wanneer met de webbrowser voor het eerst toegang tot de
webserver wordt verkregen.
Klik op View om de inhoud van een geïnstalleerd
Jetdirect-certificaat weer te geven of klik op Configure om een
certificaat bij te werken of een nieuw certificaat te installeren.
Zie Certificaten configureren
.
Wanneer een Jetdirect-certificaat is geïnstalleerd, blijft dit
opgeslagen wanneer de fabriekswaarden van de printer worden
hersteld.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 165
CA Certificate. (Alleen draadloze printservers) Een certificaat
van een vertrouwde instantie, of certificeringsinstantie (CA),
wordt gebruikt om de identiteit van een netwerkverificatieserver
te valideren tijdens geselecteerde verificatiemethoden waarbij
gebruik wordt gemaakt van EAP (Extensible Authentication
Protocol). De identiteit van de verificatieserver wordt
gevalideerd wanneer informatie op het CA-certificaat
overeenkomt met de informatie op een certificaat dat
is ontvangen van de verificatieserver.
Een CA-certificaat voor de printserver is een certificaat
dat is gebruikt om het certificaat van de verificatieserver te
ondertekenen. De certificeringsinstantie voor het certificaat van
de verificatieserver moet daarom ook worden gebruikt voor het
CA-certificaat.
Klik op View om de inhoud van een geïnstalleerd
Jetdirect-certificaat weer te geven of klik op Configure om een
certificaat bij te werken of een nieuw certificaat te installeren.
Zie Certificaten configureren
.
Een CA-certificaat wordt niet opgeslagen wanneer de
fabriekswaarden van de printserver worden hersteld.
De maximumgrootte van een certificaat dat op de HP
Jetdirect-printserver kan worden opgeslagen, is 3072 bytes.
Certificaten configureren
Wanneer u op Configure klikt, biedt een wizard voor
certificaatbeheer hulp bij het bijwerken of installeren van een
certificaat. De vensters die worden weergegeven, zijn afhankelijk
van het type certificaat (Jetdirect of CA) en uw keuzen. Tabel 4.12
bevat een beschrijving van de vensters en configuratieparameters
die kunnen worden weergegeven.
Opmerking Als u de configuratie van certificaten niet op de
juiste wijze afsluit (bijvoorbeeld zonder de knop
Cancel te gebruiken), kan het venster Operation
Failed verschijnen. Wanneer dit gebeurt, dient
u twee minuten te wachten voordat u de wizard
opnieuw start.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 166
Tabel 4.12 Vensters voor het configureren van certificaten (1 van 4)
Certificaatopties
Maak een keuze uit de weergegeven opties.
Update Pre-Installed Certificate. Gebruik deze optie om het vooraf
geïnstalleerde, zelf-ondertekende certificaat bij te werken. Wanneer het vooraf
geïnstalleerde certificaat wordt bijgewerkt, wordt het overschreven. U kunt het
volgende item bijwerken:
Certificate Validity Period
Bij zelf-ondertekende certificaten identificeert de browser het certificaat
bij elke nieuw websessie als zelf-ondertekend. Hierdoor kan een
beveiligingswaarschuwing worden weergegeven. Dit bericht kan worden
overgeslagen als de gebruiker het toevoegt aan het certificaatarchief van de
browser of als de browserwaarschuwingen worden uitgeschakeld (dit wordt niet
aanbevolen).
Zelf-ondertekende certificaten zijn niet noodzakelijkerwijs veilig, omdat de
eigenaar van het certificaat niet meer doet dan zijn of haar identiteit bevestigen,
in plaats van dat dit door een vertrouwde instantie wordt gedaan. Certificaten van
vertrouwde instanties worden als veiliger beschouwd.
Create Certificate Request. Met deze optie wordt u op het volgende scherm
gevraagd specifieke informatie over het apparaat en de organisatie op te geven:
Certificate Information
Deze optie kan worden gebruikt wanneer bijvoorbeeld voor een draadloos
verificatieprotocol vereist is dat er een Jetdirect-certificaat is geïnstalleerd
dat uitgegeven door een vertrouwde instelling of certificeringsinstantie.
Install Certificate. Deze optie wordt alleen weergegeven als er een
Jetdirect-certificaataanvraag (bij een vertrouwde instantie) in behandeling is.
Als het certificaat is ontvangen, wordt het met deze optie geïnstalleerd. Als het
certificaat is geïnstalleerd, is het vooraf geïnstalleerde certificaat overschreven.
Met deze optie wordt u in het volgende scherm gevraagd informatie op te geven:
Install Certificate
Het te installeren certificaat moet zijn gekoppeld aan een eerdere
certificaataanvraag die is gegenereerd door de ingesloten webserver.
Install CA Certificate. (Alleen draadloze printservers) Deze optie wordt
weergegeven wanneer u op Configure klikt voor een CA-certificaat, dat moet zijn
geïnstalleerd voor geselecteerde draadloze verificatieprotocollen. Met deze optie
wordt u in het volgende scherm gevraagd informatie op te geven:
Install Certificate
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 167
Import Certificate and Private Key
. Met deze optie kunt u een eerder verkregen
en bekend certificaat importeren als Jetdirect-certificaat. Als u een certificaat
importeert, wordt het certificaat dat op dat moment is geïnstalleerd, overschreven.
Wanneer u deze optie gebruikt, wordt het volgende scherm weergegeven:
Import Certificate and Private Key
Export Certificate and Private Key
. Met deze optie kunt u het
Jetdirect-certificaat dat op dat moment op de printserver is geïnstalleerd
exporteren voor gebruik op andere printservers. Wanneer u deze optie gebruikt,
wordt het volgende scherm weergegeven:
Export the Jetdirect certificate and private key.
Delete CA Certificate.
(Alleen draadloze printservers) Deze optie wordt
gebruikt om het CA-certificaat dat op de Jetdirect-printserver is geïnstalleerd,
te verwijderen. Deze optie wordt weergegeven wanneer er een CA-certificaat
voor EAP-verificatie is geïnstalleerd.
LET OP:
als het CA-certificaat is verwijderd, wordt EAP-verificatie uitgeschakeld
en wordt toegang tot het netwerk geweigerd.
Het CA-certificaat wordt ook verwijderd wanneer de fabriekswaarden van de
printserver opnieuw worden ingesteld.
Certificate Validity
Gebruik dit scherm om op te geven hoe lang het zelf-ondertekende Jetdirect-certificaat
geldig blijft.
Dit scherm wordt alleen weergegeven wanneer er vooraf een zelf-ondertekend
certificaat is geïnstalleerd en u op
Edit Settings
klikt om de geldigheidsperiode
bij te werken. Het scherm bevat de huidige UTC-tijd (Coordinated Universal
Time). UTC is een tijdschaal die wordt bijgehouden door het International Bureau
of Weights and Measures. UTC past verschillen tussen Greenwich Mean Time
en atoomtijd aan. UTC is ingesteld op 0 graden lengte op de eerste meridiaan.
De
Validity Start Date
(ingangsdatum van de geldigheid) wordt berekend op
basis van de instellingen van de pc-klok.
De
Validity Period
(geldigheidsduur) geeft het aantal dagen (1 tot 3650) aan
dat het certificaat geldig is, beginnend met de ingangsdatum van de geldigheid.
Een geldige waarde (1 - 3650) is vereist. De standaardinstelling is 5 jaar.
Tabel 4.12 Vensters voor het configureren van certificaten (2 van 4)
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 168
Certificate Information
Gebruik deze pagina om informatie in te voeren voor het aanvragen van een certificaat
bij een certificeringsinstantie.
Common Name.
(Vereist)
Voor HP Jetdirect-printservers dient u de volledige correcte domeinnaam of een
geldig IP-adres op te geven.
Voorbeelden:
Domeinnaam:
mijnprinter.mijnafdeling.mijnbedrijf.nl
IP-adres:
192.168.2.116
De algemene naam wordt als unieke id van het apparaat gebruikt. Voor draadloze
HP Jetdirect-printservers waarbij gebruik wordt gemaakt van EAP-verificatie,
dienen bepaalde verificatieservers mogelijk te worden geconfigureerd met de
algemene naam die op het certificaat is opgegeven.
Als het standaard-IP-adres 192.0.0.192 is geconfigureerd op de
Jetdirect-printserver, is dat waarschijnlijk niet geldig voor het netwerk.
Gebruik dit standaardadres niet als id van het apparaat.
Organization.
(Vereist) Geef de volledige wettige naam van uw bedrijf op.
Organizational Unit.
(Optioneel) Geef de afdeling, divisie of andere subeenheid
van uw organisatie op.
City/Locality.
(Vereist) Voer de plaats in waar uw bedrijf is gevestigd.
State/Province.
(Vereist voor alle landen/regio's) Moet ten minste uit drie tekens
bestaan. (vereist)
Country/Region.
Uit twee tekens bestaande ISO 3166-land-/regiocode. Gebruik
bijvoorbeeld 'gb' voor Groot-Brittannië of 'us' voor Verenigde Staten (vereist).
Tabel 4.12 Vensters voor het configureren van certificaten (3 van 4)
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 169
Install Certificate of
Install CA Certificate
Gebruik het scherm "Install Certificate" om een Jetdirect-certificaat te installeren.
Gebruik het scherm Install CA Certificate om een certificaat van een vertrouwde
certificeringsinstantie (CA) te installeren voor gebruik tijdens EAP/TLS-verificatie.
(Alleen draadloze printservers.)
Een gecodeerd PEM/Base64-certificaat (Privacy Enhanced Mail) installeren.
Als u een certificaat wilt installeren, geeft u de naam en het pad op van het bestand
dat het certificaat bevat. U kunt ook op
Browse
klikken om op het systeem naar
het bestand te zoeken.
Klik op Finish om de installatie te voltooien.
Als u een certificaat wilt installeren, moet het zijn gekoppeld aan een in
behandeling zijnde certificaataanvraag van de ingesloten webserver. De optie
Install Certificate (Certificaat installeren) wordt niet weergegeven als er geen
aanvraag in behandeling is.
De grootte van een Jetdirect- of CA-certificaat is beperkt tot 3 kilobytes.
Import Certificate and Private Key
Gebruik dit scherm om een Jetdirect-certificaat en persoonlijke sleutel te importeren.
Een Jetdirect-certificaat en persoonlijke sleutel importeren. Nadat deze zijn
geïmporteerd, zijn het bestaande certificaat en de bestaande persoonlijke sleutel
overschreven.
Het bestand moet een gecodeerd PKCS-nr.12-bestand zijn (.pfx) en kan niet
groter zijn dan 4 kB.
Als u een certificaat en persoonlijke sleutel wilt importeren, geeft u de naam en
het pad op van het bestand dat het certificaat en de persoonlijke sleutel bevat.
U kunt ook op
Browse
klikken om op het systeem naar het bestand te zoeken.
Voer vervolgens het wachtwoord in waarmee de persoonlijke sleutel is
gecodeerd.
Klik op
Finish
om de installatie te voltooien.
Export the Jetdirect certificate and private key.
Gebruik dit scherm om het geïnstalleerde Jetdirect-certificaat en de geïnstalleerde
persoonlijke sleutel te exporteren naar een bestand.
Als u een certificaat en persoonlijke sleutel wilt exporteren, voert u een
wachtwoord in dat wordt gebruikt om de persoonlijke sleutel te coderen. U moet
het wachtwoord opnieuw invoeren om het te bevestigen. Klik vervolgens op
Save
As
om het certificaat en de persoonlijke sleutel op te slaan in een bestand op het
systeem. Het bestand is een gecodeerd PKCS-nr.12-bestand (.pfx).
Tabel 4.12 Vensters voor het configureren van certificaten (4 van 4)
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 170
Access Control
Gebruik dit tabblad om de toegangscontrolelijst op de
HP Jetdirect-printserver weer te geven. Een toegangscontrolelijst
(of hosttoegangslijst) bepaalt welke hostsystemen (of netwerken
van hostsystemen) toestemming krijgen voor toegang tot de
printserver en het aangesloten netwerkapparaat. De lijst kan
maximaal 10 vermeldingen bevatten. Als de lijst leeg is
(er worden geen hosts vermeld), beschikken alle ondersteunde
systemen over toegang tot de printserver.
LET OP Wees voorzichtig bij het gebruik van deze functie.
Als het systeem niet goed is opgegeven in de lijst
of als toegang via HTTP is uitgeschakeld, is het
mogelijk dat u niet meer met de
HP Jetdirect-printserver kunt communiceren.
Raadpleeg voor gebruik van de hosttoegangslijst
als beveiligingsfunctie Hoofdstuk 7
.
Opmerking Standaard hebben hosts met HTTP-verbindingen
(bijvoorbeeld via de ingesloten webserver of IPP,
het Internet Printing Protocol) toegang tot de
printserver, ongeacht de vermeldingen in de
toegangscontrolelijst. Om toegang van HTTP-hosts
uit te schakelen, schakelt u het selectievakje onder
in de lijst uit.
Hostsystemen worden opgegeven door middel van het IP-adres of
het netwerknummer. Als het netwerk over subnetten beschikt,
kan wellicht een adresmasker worden gebruikt om aan te geven
of een IP-adres een individueel hostsysteem of een groep
hostsystemen aanduidt.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 171
Voorbeelden. Raadpleeg de onderstaande tabel met
voorbeeldinformatie:
Als u een vermelding aan de toegangscontrolelijst wilt toevoegen,
gebruikt u de velden IP Address en Mask om de host op te geven
en schakelt u vervolgens het selectievakje Save voor deze
vermelding in. Klik vervolgens op Apply.
Als u een vermelding uit de lijst wilt verwijderen, schakelt u het
selectievakje Save voor die vermelding uit. Klik vervolgens
op Apply.
Als u de gehele toegangscontrolelijst wilt wissen, schakelt u alle
Save-selectievakjes uit en klikt u op Apply.
Mgmt. Protocols
Deze koppeling biedt toegang tot beheercommunicatieprotocollen
en andere protocollen die gevolgen hebben voor de beveiliging.
IP-adres Masker Beschrijving
192.0.0.0 255.0.0.0 Dient voor toegang voor alle hosts met
netwerknummer 192.
192.1.0.0 255.1.0.0 Dient voor toegang voor alle hosts op netwerk
192, subnet 1.
192.168.1.2 Dient voor toegang voor de host met IP-adres
192.168.1.2. Het masker 255.255.255.255
wordt verondersteld en is niet vereist.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 172
Web Mgmt.
Gebruik dit tabblad om communicatie met de ingesloten webserver
vanaf webbrowsers te beheren. Dit tabblad wordt alleen
weergegeven voor printservers met alle functies.
Standaard biedt de ingesloten webserver gecodeerde communicatie
via poort 443, de bekende poort voor HTTPS-verkeer (beveiligd
HTTP). Hoewel de poorten 80, 280 of 631 doorgaan met IPP-gebruik
(Internet Printing Protocol), wordt andere onbeveiligde
communicatie genegeerd.
Hoewel dit niet wordt aanbevolen, kunt u niet-beveiligde HTTPS-
en HTTP-communicatie accepteren door het selectievakje Encrypt
All Web Communication uit te schakelen.
Om het gebruik van HTTPS-communicatie te ondersteunen, moet
een Jetdirect-certificaat zijn geïnstalleerd. Een zelf-ondertekend
certificaat met fabriekswaarden is vooraf geïnstalleerd voor
aanvankelijk gebruik. Klik op de knop Configure om het vooraf
geïnstalleerde certificaat bij te werken of om een nieuw certificaat
te installeren. Zie Certificaten configureren
voor meer informatie.
Wanneer u een Jetdirect-certificaat gebruikt, dient u
het coderingsniveau op te geven. U kunt Low (Laag,
standaardinstelling) Medium (Gemiddeld) of High (Hoog)
als coderingsniveau kiezen.
Voor elk coderingsniveau worden codes weergegeven om de zwakste
toegestane code aan te geven. Oudere browsers ondersteunen
mogelijk alleen 40-bits (lage) coderingsniveaus.
Opmerking Coderingspakketten ondersteunen verschillende
coderingsniveaus. De coderingspakketten die op
dit moment worden ondersteund voor codering en
decodering, zijn DES (Data Encryption Standard,
56-bits), RC4 (40-bits of 128-bits) en 3DES
(168-bits).
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 173
SNMP
Gebruik dit tabblad om afhankelijk van het printservermodel,
SNMP v1-, v2c- en v3-agents op de printserver uit te schakelen.
SNMP v3-agents worden niet ondersteund door op waarden
gebaseerde printservers. Zie Tabel 4.7
voor een beschrijving van
SNMP-keuzen.
SNMP v3. De HP Jetdirect-printserver bevat een SNMP v3-agent
(Simple Network Management Protocol, versie 3) voor uitgebreide
SNMP-beveiliging. De SNMPv3-agent maakt gebruik van een op de
gebruiker gebaseerd beveiligingsmodel voor SNMP v3 (RFC 2574)
dat zorgt voor gebruikersverificatie en gegevensprivacy door
codering.
De SNMP v3-agent wordt ingeschakeld wanneer er een eerste
SNMP v3-account op de printserver wordt gemaakt. Als de account
is gemaakt, kan elke SNMP-beheertoepassing, indien correct
geconfigureerd, toegang krijgen tot de account of deze uitschakelen.
LET OP Als u HP Web Jetadmin gebruikt om apparaten te
beheren, gebruikt u HP Web Jetadmin om SNMP
v3 en andere beveiligingsinstellingen op de printer
naadloos te configureren.
Als u de ingesloten webserver gebruikt om de
SNMP v3-a ccount t e make n, worden all e bestaande
SNMP v3-accounts verwijderd. Tevens dienen
de SNMP v3-accountgegevens te worden
geïmplementeerd op de SNMP-beheertoepassing.
U kunt de eerste account maken door de HMAC-MD5-verificatie en
CBC-DES-coderingssleutels voor gegevensprivacy op te geven die
in de SNMP v3-beheertoepassing worden gebruikt.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 174
LET OP U dient Telnet uit te schakelen en beveiligde
ingesloten webcommunicatie via HTTPS in te
schakelen voordat u de eerste SNMP v3-account
maakt. Hiermee voorkomt u toegang tot of
onderschepping van accountgegevens via een
onveilige verbinding.
SNMP v1- en v2c-agents kunnen naast de
SNMP v3-agent bestaan. Als u SNMP-toegang
echter volledig wilt beveiligen, dient u SNMP v1
en v2c uit te schakelen.
Other
Gebruik dit tabblad om verschillende protocollen in- of uit te
schakelen die door de printserver worden ondersteund voor
afdrukken, afdrukservices en beheer. Zie Tabel 4.13
.
Tabel 4.13 Overige protocollen (1 van 2)
Item Beschrijving
Enable Print
Protocols
Netwerkprotocollen die door de printserver worden
ondersteund, in- of uitschakelen: IPX/SPX, AppleTalk,
DLC/LLC. U dient bijvoorbeeld niet-gebruikte protocollen
uit te schakelen om printertoegang met deze protocollen
te voorkomen.
Zie Hoofdstuk 1
voor netwerkomgevingen waarin gebruik
wordt gemaakt van deze protocollen.
Omdat de ingesloten webserver gebruik maakt van
TCP/IP, kan TCP/IP niet worden uitgeschakeld.
Enable Print Services Verschillende afdrukservices die door de printserver
worden ondersteund, in- of uitschakelen: port 9100,
LPD (Line Printer Daemon), IPP (Internet Printing
Protocol), FTP (File Transfer Protocol). Schakel
niet-gebruikte services uit om toegang via deze services
te voorkomen.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 175
Enable Device
Discovery
Apparaatdetectieprotocollen die door de printserver
worden ondersteund, in- of uitschakelen:
SLP (Service Location Protocol).
Indien deze optie is ingeschakeld, verzendt de
HP Jetdirect-printserver SLP-pakketten, die door
systeemtoepassingen voor automatische detectie
en installatie worden gebruikt.
Als deze optie is uitgeschakeld, worden er geen
SLP-pakketten verzonden.
mDNS (multicast Domain Name System).
Als dit selectievakje is ingeschakeld, worden
mDNS-services (Multicast Domain Name System)
verstrekt. mDNS wordt meestal in kleine netwerken
gebruikt voor het omzetten van IP-adressen en namen
(via UDP-poort 5353) wanneer geen conventionele
DNS-server wordt gebruikt.
Multicast IPv4.
Als dit selectievakje is ingeschakeld, worden
multicast-pakketten van IP-versie 4 verzonden vanaf
en ontvangen op de printserver.
Enable Management
Protocols
Telnet-toegang en het gebruik van FTP voor het upgraden
van firmware op de printserver in- of uitschakelen. Telnet
en FTP zijn geen beveiligde protocollen en
apparaatwachtwoorden kunnen worden onderschept.
RCFG in- of uitschakelen: een extern
IPX-configuratieprotocol dat door oudere
beheertoepassingen wordt gebruikt voor de configuratie
van Novell NetWare-parameters. Als RCFG is
uitgeschakeld, heeft dit geen gevolgen voor het afdrukken
via de directe modus met behulp van IPX/SPX.
Het verdient aanbeveling Telnet, firmware-upgrades via
FTP, en RCFG uit te schakelen.
Tabel 4.13 Overige protocollen (2 van 2)
Item Beschrijving
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 176
Wireless
Gebruik deze koppeling om beveiligde draadloze
configuratie-instellingen te beheren. Zie Tabel 4.3
voor de functies
en parameterinstellingen op deze pagina.
Network Statistics
Deze pagina wordt gebruikt voor het weergeven van telwaarden
en andere statusinformatie die op het betreffende moment op de
HP Jetdirect-printserver is opgeslagen. Deze informatie is vaak
nuttig tijdens het evalueren van de prestaties en eventuele
problemen die zich met het netwerk of het netwerkapparaat
voordoen.
Protocol Info
Deze pagina toont een lijst van diverse instellingen voor
netwerkconfiguratie op de HP Jetdirect-printserver voor elk
protocol. Gebruik deze lijsten voor het bevestigen van de door
u gewenste instellingen.
Configuration Page
Deze pagina biedt een weergave van de
HP Jetdirect-configuratiepagina met een samenvatting
van de status en de configuratie-informatie van de
HP Jetdirect-printserver. De inhoud van deze pagina
wordt beschreven in Hoofdstuk 9
.
NLWW De ingesloten webserver gebruiken 177
Overige koppelingen
Support
De informatie die wordt weergegeven op de pagina Support
is afhankelijk van de waarden die zijn geconfigureerd op het
tabblad Support info
in het menu Other Settings.
De ondersteuningsinformatie kan onder andere bestaan uit
de naam en het telefoonnummer van een medewerker, of uit
webkoppelingen naar de productpagina of de pagina's voor
technische ondersteuning. De standaardwebkoppelingen zijn onder
andere de webpagina's voor de on line klantenondersteuning van
HP en productinformatie (toegang tot het Internet is vereist om
deze pagina's te kunnen bekijken).
HP Web Jetadmin
HP Web Jetadmin is het belangrijkste hulpprogramma van
HP voor het beheer van netwerkrandapparatuur.
De koppeling naar HP Web Jetadmin wordt alleen weergegeven
als dit apparaat via een integratie-URL wordt waargenomen in
HP Web Jetadmin. HP Web Jetadmin kan worden gebruikt voor
betere beheermogelijkheden voor dit apparaat en voor andere
via HP Jetdirect verbonden apparaten in het netwerk.
HP Home
HP Home biedt een koppeling naar de introductiepagina van
Hewlett-Packard op de webpagina van HP (toegang tot het Internet
is vereist). U kunt deze koppeling ook activeren door op het logo van
HP te klikken.
Help
De pagina Help op het tabblad Networking geeft een overzicht
van de functies van de ingesloten HP Jetdirect-webserver.
De Help-pagina bevat een koppeling naar de meest recente
informatie over de ingesloten webserver (toegang tot het Internet
is vereist).
NLWW 178
5
Configuratie voor afdrukken via LPD
Inleiding
De HP Jetdirect-printserver bevat een LPD-servermodule
(Line Printer Daemon) voor de ondersteuning van afdrukken
via LPD. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de
HP Jetdirect-printserver moet configureren voor gebruik met
de diverse systemen die afdrukken via LPD ondersteunen.
Deze instructies bestaan uit de volgende onderwerpen:
LPD op UNIX-systemen
De configuratie van op BSD gebaseerde UNIX-systemen
met LPD
De configuratie van afdrukwachtrijen met het
SAM-hulpprogramma (HP-UX-systemen)
LPD op Windows NT/2000-systemen
LPD op Mac OS-systemen
Opmerking Raadpleeg de documentatie en on line Help bij uw
besturingssysteem voor informatie over systemen
die hier niet zijn vermeld.
Recente versies van Novell NetWare
(NetWare 5.x met NDPS 2.1 of hoger) bieden
ondersteuning voor afdrukken via LPD. Voor
instellingsinstructies en ondersteuning raadpleegt
u de bij NetWare geleverde documentatie.
Daarnaast kunt u ook de TID (Technical
Information Documentation) op de
ondersteuningswebsite van Novell raadplegen.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 179
Informatie over LPD
Line Printer Daemon (LPD) verwijst naar het protocol en de
programma's voor spooling-services voor de line-printer die op
verschillende TCP/IP-systemen kunnen worden geïnstalleerd.
Veelgebruikte systemen die de LPD-functionaliteit van de
HP Jetdirect-printserver ondersteunen, zijn onder andere:
Op Berkeley gebaseerde (BSD) UNIX-systemen
HP-UX
Solaris
IBM AIX
Linux
Windows NT/2000
Mac OS
De configuratievoorbeelden voor UNIX in deze sectie tonen de
syntaxis voor op BSD gebaseerde UNIX-systemen. De syntaxis
voor uw besturingssysteem kan variëren. Zie de documentatie
bij uw besturingssysteem voor de juiste syntaxis.
Opmerking De LPD-functionaliteit kan worden gebruikt
met elke hostimplementatie van LPD die in
overeenstemming is met het document RFC 1179.
Het proces voor de configuratie van printerspoolers
kan echter verschillen. Zie de documentatie bij uw
besturingssysteem voor informatie over de
configuratie van dit systeem.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 180
LPD-programma's en protocollen zijn:
Vereisten voor de configuratie van LPD
Vóór u afdrukken via LPD kunt gebruiken, moet de printer correct
via de HP Jetdirect-printserver op het netwerk zijn aangesloten
en moet u over statusinformatie over de printserver beschikken.
Deze informatie wordt weergegeven op de
HP Jetdirect-configuratiepagina. Als u met de printer nog geen
configuratiepagina hebt afgedrukt, raadpleegt u de Print Server
Hardware Installation Guide of de printerdocumentatie voor
instructies. U moet ook beschikken over:
een besturingssysteem dat afdrukken via LPD ondersteunt en
bevoegdheden als supergebruiker of beheerder voor uw systeem.
het LAN-hardwareadres (of stationadres) van de printserver. Dit
adres wordt afgedrukt met de statusinformatie voor de
printserver op de HP Jetdirect-configuratiepagina en heeft
de volgende opmaak:
HARDWAREADRES: xxxxxxxxxxxx
waarbij x een hexadecimaal getal is (bijvoorbeeld
0001E6123ABC).
een IP-adres dat op de HP Jetdirect-printserver is
geconfigureerd.
Tabel 5.1 LPD-programma's en protocollen
Programmanaam Doel van het programma
lpr Maakt wachtrijen voor afdruktaken.
lpq Geeft afdrukwachtrijen weer.
lprm Verwijdert taken uit afdrukwachtrijen.
lpc Beheert afdrukwachtrijen.
lpd Scant de bestanden en drukt ze af als de
aangegeven printer op het systeem is aangesloten.
Als de aangegeven printer op een ander systeem
is aangesloten, stuurt dit proces de bestanden naar
een lpd-proces op het externe systeem waarnaar
de bestanden moeten worden afgedrukt.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 181
Overzicht van LPD-setup
De volgende stappen zijn noodzakelijk voor het configureren van
de HP Jetdirect-printserver voor het afdrukken via LPD:
1. IP-parameters instellen.
2. Afdrukwachtrijen opzetten.
3. Een testbestand afdrukken.
De volgende secties bevatten uitgebreide beschrijvingen voor
elke stap.
Stap 1. IP-parameters instellen
Raadpleeg Hoofdstuk 3 voor het instellen van IP-parameters
op de HP Jetdirect-printserver. Raadpleeg Bijlage A
voor meer
informatie over TCP/IP-netwerken.
Stap 2. Afdrukwachtrijen instellen
U moet een afdrukwachtrij instellen voor elke printer of
printerfunctie (PCL of PostScript) die u op uw systeem gebruikt.
Ook zijn verschillende wachtrijen vereist voor opgemaakte en
niet-opgemaakte bestanden. De wachtrijnamen
text
en
raw
in de
volgende voorbeelden (zie
rp
-code) hebben een speciale betekenis.
Tabel 5.2 Ondersteunde wachtrijnamen
raw, raw1, raw2, raw3
geen verwerking
text, text1, text2, text3
regeleinde toegevoegd
auto, auto1, auto2, auto3
automatisch
binps, binps1, binps2, binps3
binair PostScript
(gedefinieerd door gebruiker)
gedefinieerd door gebruiker, optioneel met
opdrachttekenreeks vóór en na de
afdrukgegevens
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 182
De LPD (Line Printer Daemon) op de HP Jetdirect-printserver
behandelt gegevens in de wachtrij
text
als ongeformatteerde tekst
of ASCII en voegt een return toe aan elke regel voordat deze naar
de printer wordt verstuurd. (Het werkelijk waargenomen gedrag
is dat een PCL-regelbeëindigingsopdracht (met waarde 2) wordt
gegeven aan het begin van de taak.)
De LPD behandelt gegevens in de wachtrij
raw
als opgemaakte
bestanden in de PCL-, PostScript- of HP-GL/2-printertaal en stuurt
de gegevens zonder wijziging naar de printer.
Gegevens in de wachtrij
auto
worden automatisch als 'text' of als
'raw' verwerkt.
Voor de
binps
-wachtrij wordt de afdruktaak door de
PostScript-interpreter geïnterpreteerd als binaire
PostScript-gegevens.
Voor door de gebruiker gedefinieerde wachtrijnamen voegt de LPD
door de gebruiker gedefinieerde tekenreeksen toe vóór of na de
afdrukgegevens (door de gebruiker gedefinieerde afdrukwachtrijen
kunnen worden ingesteld via Telnet, Hoofdstuk 3
, of de ingesloten
webserver, Hoofdstuk 4
).
Als de naam van de wachtrij niet een van de hierboven aangegeven
namen is, gaat de HP Jetdirect-printserver ervan uit dat het
raw1
is.
Stap 3. Een testbestand afdrukken
Met de LPD-opdrachten kunt u een testbestand afdrukken. Zie voor
instructies de documentatie bij uw besturingssysteem.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 183
LPD op UNIX-systemen
Configuratie van afdrukwachtrijen voor op BSD gebaseerde
systemen
Bewerk het bestand
/etc/printcap
zodat het de volgende
regels bevat:
printer_name|short_printer_name:\
:lp=:\
:rm=node_name:\
:rp=remote_printer_name_argument:\
(dit moet
text
,
raw
,
binps
,
auto
of door de gebruiker zijn gedefinieerd).
:lf=/usr/spool/lpd/error_log_filename:\
:sd=/usr/spool/lpd/printer_name:
waarbij
printer_name
dient ter identificatie van de printer voor
de gebruiker,
node_name
de printer in het netwerk identificeert en
remote_printer_name_argument
de aanduiding voor de
afdrukwachtrij is.
Zie de pagina printcap voor meer informatie over printcap.
Voorbeeld: printcap-gegevens voor ASCII- of tekstprinters
lj1_text|text1:\
:lp=:\
:rm=laserjet1:\
:rp=text:\
:lf=/usr/spool/lpd/lj1_text.log:\
:sd=/usr/spool/lpd/lj1_text:
Voorbeeld: printcap-gegevens voor PostScript-, PCL- of
HP-GL/2-printers
lj1_raw|raw1:\
:lp=:\
:rm=laserjet1:\
:rp=raw:\
:lf=/usr/spool/lpd/lj1_raw.log:\
:sd=/usr/spool/lpd/lj1_raw:
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 184
Als uw printer geen ondersteuning biedt voor automatisch
schakelen tussen de PostScript-, PCL- en HP-GL/2-printertaal,
gebruikt u het bedieningspaneel van de printer (indien aanwezig)
om een printertaal te selecteren of laat u selectie van de printertaal
over aan de toepassing via in de afdrukgegevens ingesloten
opdrachten.
Zorg ervoor dat uw gebruikers de namen van de printers kennen,
omdat zij die namen moeten invoeren op de opdrachtregel voor het
afdrukken.
Maak de spooling-directory door het volgende in te voeren. Typ in
de hoofddirectory:
mkdir /usr/spool/lpd
cd /usr/spool/lpd
mkdir printer_name_1 printer_name_2
chown daemon printer_name_1 printer_name_2
chgrp daemon printer_name_1 printer_name_2
chmod g+w printernaam_1 printernaam_2
waarbij
printer_name_1
en
printer_name_2
verwijzen naar de
te spoolen printers. U kunt verscheidene printers spoolen. In het
volgende voorbeeld ziet u de opdracht voor het maken van de
spooling-directory's voor printers die worden gebruikt voor het
afdrukken van tekst-bestanden (of ASCII-bestanden) en PCL- of
PostScript-bestanden.
Voorbeeld: spooling-map maken voor tekst- en
PCL/PostScript-printers
mkdir /usr/spool/lpd
cd /usr/spool/lpd
mkdir lj1_text lj1_raw
chown daemon lj1_text lj1_raw
chgrp daemon lj1_text lj1_raw
chmod g+w lj1_text lj1_raw
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 185
Configuratie van afdrukwachtrijen met het
SAM-hulpprogramma (HP-UX-systemen)
Op HP-UX-systemen kunt u het SAM-hulpprogramma gebruiken
voor de configuratie van externe afdrukwachtrijen voor het
afdrukken van tekst-bestanden (ASCII) of 'raw'-bestanden (PCL,
PostScript of andere printertaal).
Selecteer, voordat u het SAM-hulpprogramma uitvoert, een
IP-adres voor de HP Jetdirect-printserver en voeg dit toe aan
het bestand
/etc/hosts
op het systeem waarop HP-UX wordt
uitgevoerd.
1. Start het SAM-hulpprogramma als supergebruiker.
2. Kies Randapparatuur in het hoofdmenu.
3. Kies Printers/plotters in het menu Randapparatuur.
4. Kies Printers/plotters in het menu Printers/plotters.
5. Selecteer Een afstandsprinter toevoegen in de lijst
Acties en selecteer een printernaam.
Voorbeelden:
mijn_printer of printer1
6. Selecteer een naam voor het systeem op afstand.
Voorbeeld:
jetdirect1
(knooppuntnaam van de
HP Jetdirect-printserver).
7. Selecteer een naam voor de printer op afstand.
Typ
text
voor ASCII of
raw
voor PostScript, PCL of HP-GL/2.
Typ
auto
als u de LPD (Line Printer Daemon) automatisch wilt
laten selecteren.
Typ
binps
om aan de PostScript-interpreter door te geven
dat de afdruktaak moet worden geïnterpreteerd als binaire
PostScript-gegevens.
Typ de naam van een door de gebruiker gedefinieerde
wachtrij als u vooraf gedefinieerde tekenreeksen vóór of na de
afdrukgegevens wilt toevoegen (door de gebruiker gedefinieerde
afdrukwachtrijen kunnen worden ingesteld via Telnet,
Hoofdstuk 2
, of de ingesloten webserver, Hoofdstuk 4).
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 186
8. Zoek naar een afstandsprinter op een BSD-systeem. U moet
Y
typen.
9. Klik op OK onder aan het menu. Als de configuratie slaagt,
drukt het programma het volgende bericht af:
The printer has been added and is ready to accept
print requests
.
10. Klik op OK en kies Afsluiten in het menu Lijst.
11. Kies Sam afsluiten.
Opmerking Standaard wordt de lpsched niet uitgevoerd. Zet de
planner aan wanneer u uw afdrukwachtrijen
instelt.
Een testbestand afdrukken
Druk een testbestand af om te controleren of de printer- en
printserververbindingen juist zijn.
1. Typ achter de UNIX-systeemprompt:
lpr -Pprinter_name file_name
waarbij
printer_name
naar de geselecteerde printer verwijst
en
file_name
naar het af te drukken bestand.
Voorbeelden (voor op BSD gebaseerde systemen):
Tekstbestand:
lpr -Ptext1 textfile
PCL-bestand:
lpr -Praw1 pclfile.pcl
PostScript-bestand:
lpr -Praw1 psfile.ps
HP-GL/2-bestand:
lpr -Praw1 hpglfile.hpg
Vervang voor HP-UX-systemen
lp -P
door
lpr -d.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 187
2. Typ het volgende achter de UNIX-prompt om de afdrukstatus
weer te geven:
lpq -Pprinter_name
waarbij
printer_name
de aangewezen printer is.
Voorbeelden (voor op BSD gebaseerde systemen):
lpq -Ptext1
lpq -Praw1
Vervang voor HP-UX-systemen
lpq -P
door
lpstat
om de
afdrukstatus weer te geven.
Het proces voor de configuratie van de HP Jetdirect-printserver
voor het gebruik van LPD is nu voltooid.
LPD op Windows NT/2000-systemen
In deze sectie wordt beschreven hoe Windows NT/2000-netwerken
geconfigureerd worden voor gebruik van HP Jetdirect LPD-services
(Line Printer Daemon).
Het proces bestaat uit twee delen:
De installatie van TCP/IP-software (indien nog
niet geïnstalleerd)
De configuratie van een LPD-netwerkprinter
De installatie van TCP/IP-software (Windows NT)
Met deze procedure kunt u controleren of TCP/IP op uw
Windows NT-systeem is geïnstalleerd en kunt u de software, indien
nodig, installeren.
Opmerking Mogelijk hebt u de Windows-systeemdistributie-
bestanden of cd-rom's nodig om de
TCP/IP-onderdelen te installeren.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 188
1. Ga als volgt te werk om te controleren of het
Microsoft TCP/IP-afdrukprotocol is geïnstalleerd en of
u TCP/IP-afdrukondersteuning hebt:
Windows 2000 Klik op Start, Instellingen,
Configuratiescherm. Dubbelklik vervolgens op de map
Netwerk- en inbelverbindingen. Dubbelklik op de
LAN-verbinding voor uw netwerk en klik op
Eigenschappen.
Als Internet Protocol (TCP/IP) staat vermeld en is
geselecteerd in de lijst met onderdelen die deze verbinding
gebruikt, is de benodigde software al geïnstalleerd. (Ga verder
naar Configuratie van een netwerkprinter voor computers
met Windows 2000.) Als dit niet het geval is, gaat u naar stap 2.
NT 4.0 Klik op Start, Instellingen,
Configuratiescherm. Dubbelklik vervolgens op Netwerk
om het dialoogvenster Netwerk weer te geven.
Als het TCP/IP-protocol vermeld staat op het tabblad
Protocollen en Microsoft TCP/IP-afdrukken vermeld staat
op het tabblad Services, is de noodzakelijke software
reeds geïnstalleerd. (Ga verder naar Configuratie van een
netwerkprinter voor computers met Windows NT 4.0.)
Als dit niet het geval is, gaat u naar stap 2.
2. Als u de software nog niet hebt geïnstalleerd:
Windows 2000 Klik in het venster Eigenschappen voor de
verbinding op Installeren. Kies Protocol in het venster Type
netwerkonderdeel selecteren en klik op Toevoegen om
het Internet Protocol (TCP/IP) toe te voegen.
Volg de aanwijzingen op het scherm.
NT 4.0 Klik op de knop Toevoegen voor elk tabblad
en installeer het TCP/IP-protocol en de service
Microsoft TCP/IP afdrukken.
Volg de aanwijzingen op het scherm.
Typ desgevraagd de volledige padnaam naar de
Windows NT-distributiebestanden in (u hebt hierbij mogelijk
de cd-rom van Windows NT-werkstation of -server nodig).
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 189
3. Geef de TCP/IP-configuratiewaarden op voor de computer:
Windows 2000 Selecteer Internet Protocol (TCP/IP) op
het tabblad Algemeen in het venster Eigenschappen voor
verbinding en klik op Eigenschappen.
NT 4.0 Waarschijnlijk wordt u automatisch gevraagd om
TCP/IP-configuratiewaarden. Als dit niet het geval is, klik
u op het tabblad Protocollen in het venster Netwerken en
selecteert u TCP/IP-protocol. Klik vervolgens op
Eigenschappen.
Als u een Windows-server configureert, typt u het IP-adres,
het standaard-gateway-adres en het subnetmasker in de
daarvoor bestemde vakken.
Als u een client configureert, vraagt u uw netwerkbeheerder
of de automatische TCP/IP-configuratie moet worden
ingeschakeld en of u een statisch IP-adres,
standaard-gateway-adres en subnetmasker moet opgeven in
de daarvoor bestemde vakken.
4. Klik op OK om af te sluiten.
5. Sluit, wanneer u hierom wordt gevraagd, Windows af en start
de computer opnieuw op om de wijzigingen in werking te
laten treden.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 190
Configuratie van een netwerkprinter voor
computers met Windows 2000
Stel de standaardprinter in door de volgende stappen uit te voeren.
1. Controleer of Afdrukservices voor Unix is geïnstalleerd (vereist
voor de beschikbaarheid van de LPR-poort):
a. Klik op Start, Instellingen en Configuratiescherm.
Dubbelklik op de map Netwerk- en inbelverbindingen.
b. Klik in het menu Geavanceerd op Optionele
netwerkonderdelen.
c. Selecteer Andere bestands- en afdrukservices en
schakel deze optie in.
d. Klik op Details en controleer of Afdrukservices voor
Unix is ingeschakeld. Schakel deze optie zonodig alsnog in.
e. Klik op OK en op Volgende.
2. Open de map Printers (klik vanaf het bureaublad op Start,
Instellingen en Printers).
3. Dubbelklik op Printer toevoegen. Klik op Volgende in het
welkomstscherm van de wizard Printer toevoegen.
4. Klik op Lokale printer en schakel het automatisch opsporen
voor de Plug en Play-printerinstallatie uit. Klik op Volgende.
5. Kies Een nieuwe poort maken en selecteer LPR-poort.
Klik op Volgende.
6. Ga als volgt te werk in het venster LPR-compatibele printer
toevoegen:
a. Voer de DNS-naam of het IP-adres in van de
HP Jetdirect-printserver.
b. Voor de naam van de printer of afdrukwachtrij op de
HP Jetdirect-printserver voert u (in kleine letters) raw,
text, auto, binps of de naam van een door de gebruiker
gedefinieerde wachtrij in (door de gebruiker gedefinieerde
afdrukwachtrijen kunnen worden ingesteld via de
ingesloten webserver, zie Hoofdstuk 4
).
c. Klik vervolgens op OK.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 191
Opmerking De HP Jetdirect-printserver beschouwt bestanden
van het type 'text' als ongeformatteerde tekst of
ASCII-bestanden. Bestanden van het type 'raw' zijn
geformatteerde bestanden in de PCL-, PostScript-
of HP-GL/2-printertaal.
Als het wachtrijtype binps is, wordt aan de
PostScript-interpreter doorgegeven dat de
afdruktaak moet worden geïnterpreteerd als
binaire PostScript-gegevens.
Voor een externe HP Jetdirect-printserver met
drie poorten koppelt u een poortnummer aan de
wachtrijnaam (bijvoorbeeld
raw1
,
raw2
of
raw3
).
7. Selecteer de fabrikant en het printermodel. (Klik indien nodig
op Diskette en volg de aanwijzingen om het
printerstuurprogramma te installeren.) Klik op Volgende.
8. Geef wanneer u hierom wordt gevraagd aan dat u het bestaande
stuurprogramma wilt behouden. Klik op Volgende.
9. Voer de printernaam in en geef aan of u deze printer wilt
instellen als standaardprinter. Klik op Volgende.
10. Geef op of u deze printer beschikbaar wilt maken voor andere
computers. Indien u deze printer wil delen, moet u een
sharenaam opgeven waaraan andere gebruikers deze printer
kunnen herkennen. Klik op Volgende.
11. Geef indien nodig een locatie en andere informatie op voor deze
printer. Klik op Volgende.
12. Geef op of u een testpagina wilt afdrukken en klik op Volgende.
13. Klik op Voltooien om de wizard te sluiten.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 192
Configuratie van een netwerkprinter voor
computers met Windows NT 4.0
Installeer de standaardprinter op het Windows NT 4.0-systeem
door de volgende stappen uit te voeren.
1. Klik op Start, Instellingen en Printers. Het dialoogvenster
Printers wordt weergegeven.
2. Dubbelklik op Printer toevoegen.
3. Selecteer Deze computer en klik op Volgende.
4. Klik op Poort toevoegen.
5. Selecteer LPR-poort en klik op Nieuwe poort.
6. Typ in het vak Naam of adres van server die lpd levert het
IP-adres of de naam van de HP Jetdirect-printserver.
Opmerking NT-clients kunnen het IP-adres of de naam opgeven
van de NT-server die voor afdrukken via LPD is
geconfigureerd.
7. In het vak Naam van de printer of afdrukwachtrij op die server
typt u (in kleine letters)
raw
,
text
,
binps
,
auto
of de naam van
een door de gebruiker gedefinieerde wachtrij (door de gebruiker
gedefinieerde afdrukwachtrijen kunnen worden ingesteld via de
ingesloten webserver, zie Hoofdstuk 4
). Klik vervolgens op OK.
De HP Jetdirect-printserver beschouwt bestanden van het type
text als ongeformatteerde tekst of ASCII-bestanden. Bestanden
van het type raw zijn geformatteerde bestanden in de PCL-,
PostScript- of HP-GL/2-printertaal. Als het wachtrijtype binps
is, wordt aan de PostScript-interpreter doorgegeven dat de
afdruktaak moet worden geïnterpreteerd als binaire
PostScript-gegevens.
Opmerking Voor een externe HP Jetdirect-printserver met
drie poorten koppelt u een poortnummer aan de
wachtrijnaam (bijvoorbeeld
raw1
,
raw2
of
raw3
).
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 193
8. Controleer of de printer is geselecteerd onder Printer toevoegen
in de lijst met beschikbare poorten. Klik vervolgens op
Volgende.
9. Volg de resterende aanwijzingen op het scherm op om de
configuratie te voltooien.
De configuratie controleren
Druk vanuit Windows NT een bestand af vanuit een willekeurige
toepassing. Als het bestand op de juiste wijze wordt afgedrukt,
was de configuratie succesvol.
Als de afdruktaak niet wordt uitgevoerd, probeert u rechtstreeks
vanuit DOS af te drukken. Gebruik hiervoor de volgende syntaxis:
lpr -S<ipaddress> -P<queuename> filename
waarbij
ipaddress
het IP-adres van de printserver is,
queuename
de naam raw of text is en
filename
het bestand dat u wilt
afdrukken. Als het bestand juist wordt afgedrukt, is de configuratie
gelukt. Als het bestand niet of niet correct wordt afgedrukt,
raadpleegt u Hoofdstuk 8
.
Afdrukken vanuit Windows-clients
Als de LPD-printer op de NT/2000-server wordt gedeeld, kunnen
Windows-clients een verbinding maken met de printer op de
NT/2000-server met behulp van het Windows-hulpprogramma
Printer toevoegen in de map Printers.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 194
LPD op Windows XP-systemen
In deze sectie wordt beschreven hoe Windows XP-netwerken
moeten worden geconfigureerd voor HP Jetdirect LPD-services
(Line Printer Daemon).
Het proces bestaat uit twee delen:
Optionele Windows-netwerkonderdelen toevoegen
Het configureren van een LPD-netwerkprinter
Optionele Windows-netwerkonderdelen
toevoegen
1. Klik op Start.
2. Klik op Configuratiescherm.
3. Klik op Netwerk- en inbelverbindingen.
4. Klik op het pictogram Netwerkverbindingen.
5. Selecteer Geavanceerd in de bovenste menubalk. Selecteer
Optionele netwerkonderdelen in de vervolgkeuzelijst.
6. Selecteer Andere netwerkservices voor bestanden en
printers en kies Volgende. (Als u Details selecteert voordat
u Volgende selecteert, ziet u "Print Services for UNIX (R)"
als onderdeel van Andere netwerkservices voor bestanden
en printers.) De bestanden die worden geladen, worden
weergegeven.
7. Sluit het venster Netwerkverbindingen. LPR-poort is nu een
optie in de Eigenschappen van een printer onder Poorten,
Poort toevoegen.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 195
Het configureren van een LPD-netwerkprinter
Een nieuwe LPD-printer toevoegen
1. Open de map Printers (klik vanaf het bureaublad op Start,
Printers en faxen).
2. Klik op Printer toevoegen. Klik op Volgende in het
welkomstscherm van de wizard Printer toevoegen.
3. Klik op Lokale printer en schakel het automatisch opsporen
voor de Plug en Play-printerinstallatie uit. Klik op Volgende.
4. Kies Een nieuwe poort maken en selecteer LPR-poort in de
vervolgkeuzelijst. Klik op Volgende.
5. Ga als volgt te werk in het venster LPR-compatibele printer
toevoegen:
a. Type de DNS-naam (Domain Name System of het IP-adres
(Internet Protocol) van de HP Jetdirect-printserver.
b. Typ (in kleine letters) de naam van de afdrukwachtrij voor
de HP Jetdirect-printserver (bijvoorbeeld:
raw
,
text
,
auto
of
binps
.)
c. Klik op OK.
6. Selecteer de fabrikant en het printermodel. (Klik indien
nodig op Diskette en volg de aanwijzingen om het
printerstuurprogramma te installeren.) Klik op Volgende.
7. Klik op Ja als u wordt gevraagd of u het bestaande
stuurprogramma wilt behouden. Klik op Volgende.
8. Typ een printernaam en klik op deze printer als
standaardprinter (indien gewenst). Klik op Volgende.
9. Selecteer of u deze printer wilt delen met andere
netwerkcomputers (als uw systeem bijvoorbeeld een printserver
is). Indien u deze printer wil delen, moet u een sharenaam
opgeven waaraan andere gebruikers deze printer kunnen
herkennen. Klik op Volgende.
10. Geef indien nodig een locatie en andere informatie op voor deze
printer. Klik op Volgende.
11. Klik op Ja om een testpagina af te drukken en klik vervolgens
op Volgende.
12. Klik op Voltooien om de wizard te sluiten.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 196
Een LPR-poort maken voor een geïnstalleerde printer
1. Klik op Start, Printers en faxen.
2. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Printer en
selecteer Eigenschappen.
3. Selecteer het tabblad Poorten en vervolgens Poort
toevoegen.
4. Selecteer LPR-poort in het dialoogvenster Printerpoorten
en selecteer vervolgens Nieuwe poort.
5. Typ in het vak Naam of adres van server die lpd levert de
DNS-naam of het IP-adres van de HP Jetdirect-printserver.
6. Typ in het dialoogvenster Naam van printer of afdrukwachtrij
op die computer (in kleine letters) de naam van de
afdrukwachtrij voor de HP Jetdirect-printserver (bijvoorbeeld:
raw
,
text
,
auto
,
binps
of door de gebruiker gedefinieerde
wachtrij).
7. Selecteer OK.
8. Selecteer Sluiten en vervolgens OK om het venster
Eigenschappen te sluiten.
LPD op Mac OS-systemen
LaserWriter 8 versie 8.5.1 of hoger is vereist voor ondersteuning
van IP-afdrukken op computers waarop het volgende wordt
uitgevoerd:
Mac OS 8.1 of hoger
Mac OS 7.5 t/m Mac OS 7.6.1
Desktop Printer Utility 1.0 of hoger
Opmerking IP-afdrukken in LaserWriter 8 is niet beschikbaar
in Mac OS 8.0.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 197
Een IP-adres toewijzen
Voordat u een printer kunt instellen voor afdrukken via LPD, moet
er een IP-adres worden toegewezen aan de printer of de printserver.
Gebruik het HP LaserJet-hulpprogramma om het IP-adres als volgt
te configureren:
1. Dubbelklik op het HP LaserJet-hulpprogramma in de map
HP LaserJet.
2. Klik op Instellingen.
3. Selecteer TCP/IP in de keuzelijst en klik op Wijzig.
4. Selecteer de gewenste optie. U kunt de TCP/IP-configuratie
automatisch ophalen bij de DHCP-server of de BOOTP-server
of u kunt de TCP/IP-configuratie handmatig opgeven.
Mac OS instellen
Ga als volgt te werk om een computer te configureren voor
afdrukken via LPD:
1. Start de toepassing Desktop Printer Utility.
2. Selecteer Printer (LPR) en klik op OK.
3. Klik in het gedeelte PPD-bestand op Wijzig en selecteer het
PPD-bestand voor uw printer.
4. In het gedeelte Internet-printer of LPR-printer, afhankelijk van
uw versie van Desktop Printer Utility, klikt u op Wijzig.
5. Geef het IP-adres van de printer of de domeinnaam op in het
vak Printeradres.
NLWW Configuratie voor afdrukken via LPD 198
6. Geef de naam van de wachtrij op, indien van toepassing. Zo niet,
laat u dit vak leeg.
Opmerking De naam van de wachtrij is meestal raw
. Andere
geldige wachtrijnamen zijn
text
,
binps
,
auto
of
de naam van een door de gebruiker gedefinieerde
wachtrij (door de gebruiker gedefinieerde
afdrukwachtrijen kunnen worden ingesteld via
Telnet of de ingesloten webserver, zie Hoofdstuk 4
).
Voor een externe HP Jetdirect-printserver met
drie poorten koppelt u een poortnummer aan de
wachtrijnaam (bijvoorbeeld
raw1
,
raw2
of
raw3
).
7. Klik op Controleer om te controleren of de printer is gevonden.
8. Klik op OK of Maak, afhankelijk van uw versie van Desktop
Printer Utility.
9. Ga naar het menu Bestand en klik op Bewaar of gebruik
het geopende dialoogvenster voor opslaan, afhankelijk van
uw versie van Desktop Printer Utility.
10. Geef een naam en een locatie op voor het bureaubladpictogram
van de printer en klik op OK. De standaardnaam is het IP-adres
van de printer en de standaardlocatie is op het Bureaublad.
11. Sluit het programma af.
Voor de recentste informatie over het gebruik van de HP Jetdirect
LPD-services op Mac OS-systemen zoekt u naar LPR printing op
de website van de Tech Info Library van Apple Computer op
http://til.info.apple.com.
NLWW 199
6
Afdrukken via FTP
Inleiding
FTP (File Transfer Protocol) is een elementair
TCP/IP-connectiviteitsprogramma voor de overdracht van
gegevens tussen systemen. Het FTP-protocol wordt gebruikt om
af te drukken bestanden van een clientsysteem naar een printer
te sturen die via HP Jetdirect is aangesloten. Tijdens een
FTP-afdruksessie maakt de client verbinding met de HP Jetdirect
FTP-server en stuurt de client een af te drukken bestand naar
de server, die dit bestand vervolgens naar de printer stuurt.
De HP Jetdirect FTP-server kan worden in- of uitgeschakeld via
een configuratieprogramma, zoals Telnet (zie Hoofdstuk 3
) of de
ingesloten webserver (zie Hoofdstuk 4
).
Vereisten
Voor het afdrukken via FTP dat hier wordt beschreven, is het
volgende vereist:
HP Jetdirect-printservers met firmware-versie x.24.01 of hoger.
TCP/IP-clientsystemen met een FTP-protocol dat voldoet aan de
norm RFC 959.
Opmerking Bezoek de on line ondersteuning van HP op
www.hp.com/support/net_printing voor de meest
recente lijst met geteste systemen.
NLWW Afdrukken via FTP 200
Afdrukbestanden
De HP Jetdirect FTP-server stuurt af te drukken bestanden door
naar de printer, maar interpreteert deze niet. Om bestanden
correct af te drukken moeten deze in een taal zijn die door de printer
herkend kan worden (zoals PostScript, PCL of niet-opgemaakte
tekst). Voor opgemaakte afdruktaken moet u eerst afdrukken
naar een bestand vanuit uw toepassing met behulp van het
stuurprogramma voor de geselecteerde printer en het
afdrukbestand vervolgens via een FTP-sessie naar de printer
sturen. Voor opgemaakte afdrukbestanden hebt u binaire (beeld-)
bestandsoverdrachtstypen nodig.
Afdrukken via FTP
FTP-verbindingen
Zoals dat ook voor standaard FTP-bestandsoverdrachten het geval
is, worden er bij het afdrukken via FTP twee TCP-verbindingen
gebruikt: een controleverbinding en een gegevensverbinding.
Zodra er een FTP-sessie is geopend, blijft deze poort actief totdat
de client de verbinding verbreekt of totdat de ingestelde time-out
is bereikt (de standaardinstelling is 270 seconden). Deze time-out
instelling kan met behulp van diverse
TCP/IP-configuratieprogramma's worden ingesteld, zoals
BOOTP/TFTP, Telnet, het bedieningspaneel van de printer
(zie Hoofdstuk 3
), de ingesloten webserver (zie Hoofdstuk 4)
of beheersoftware.
NLWW Afdrukken via FTP 201
Controleverbinding
Met behulp van het standaard FTP-protocol wordt er door de
client een verbinding tot stand gebracht met de FTP-server op
de HP Jetdirect-printserver. FTP-controleverbindingen worden
gebruikt om opdrachten uit te wisselen tussen de client en
de FTP-server. De HP Jetdirect-printserver kan tot vier
controleverbindingen (of FTP-sessies) tegelijk ondersteunen.
Als het aantal toegestane verbindingen wordt overschreden,
verschijnt er een bericht om aan te geven dat de betreffende
service niet beschikbaar is.
FTP-controleverbindingen gebruiken TCP-poort 21.
Gegevensverbinding
Er wordt een tweede verbinding (de gegevensverbinding) tot
stand gebracht telkens wanneer er een bestand wordt overgedragen
tussen de client en de FTP-server. De client regelt het maken van
een gegevensverbinding door opdrachten te geven waarvoor een
gegevensverbinding nodig is (zoals de FTP-opdrachten
ls
,
dir
of
put
).
Hoewel de opdrachten
ls
en
dir
altijd geaccepteerd
worden, ondersteunt de HP Jetdirect FTP-server slechts één
gegevensverbinding tegelijk voor het afdrukken van bestanden.
De overdrachtsmodus voor een FTP-gegevensverbinding met de
HP Jetdirect-printserver is altijd de stromingsmodus, waarbij
de detectie van het einde van het bestand tot het sluiten van de
gegevensverbinding leidt.
Zodra er een gegevensverbinding tot stand is gebracht, kunt
u het bestandsoverdrachtstype aangeven (ASCII of binair).
Clientcomputers kunnen proberen om het type van de
overdracht automatisch opnieuw te onderhandelen.
Het standaardoverdrachtstype is afhankelijk van het
clientsysteem (Windows NT valt als standaard bijvoorbeeld terug
op ASCII, terwijl UNIX als standaard terugvalt op binair). Om het
overdrachtstype aan te geven, voert u de opdracht
bin
of
ascii
in op de FTP-prompt.
NLWW Afdrukken via FTP 202
FTP-aanmelding
Als u een FTP-sessie wilt starten, voert u de volgende opdracht in
vanaf een MS-DOS- of UNIX-prompt:
ftp <IP address>
waarbij
<IP address>
het geldige IP-adres is of de
knooppuntnaam die voor de HP Jetdirect-printserver is
geconfigureerd. Zie Afbeelding 6.1
.
Afbeelding 6.1 Voorbeeld van aanmelden via FTP
Als de verbinding met succes tot stand is gebracht, wordt het bericht
Klaar weergegeven.
Nadat de verbinding tot stand is gebracht, wordt de gebruiker
gevraagd een aanmeldingsnaam en een wachtwoord in te voeren.
Standaard is dit de aanmeldingsnaam voor de clientcomputer.
De Jetdirect FTP-server accepteert echter elke willekeurige
gebruikersnaam. Wachtwoorden worden genegeerd.
Nadat de gebruiker zich heeft aangemeld, verschijnt het bericht
"230" op de clientcomputer. Tevens worden de HP Jetdirect-poorten
weergegeven die voor het afdrukken beschikbaar zijn. De interne
HP Jetdirect-printservers bieden een enkele poort (Poort 1). Voor
externe HP Jetdirect-printservers met meerdere poorten worden
alle beschikbare poorten weergegeven met Poort1 als
standaardpoort. Als u een andere poort wilt kiezen, gebruikt u
de FTP-opdracht
cd
(directory wijzigen). Zie "Voorbeeld van een
FTP-sessie" voor een gewone FTP-afdruksessie.
NLWW Afdrukken via FTP 203
De FTP-sessie beëindigen
Om een FTP-sessie te beëindigen typt u
quit
of
bye
.
Opmerking Alvorens een FTP-sessie te beëindigen, wordt
gebruik van de opdracht Ctrl C aanbevolen
om ervoor te zorgen dat de gegevensverbinding
gesloten is.
Opdrachten
Tabel 6.1 geeft een overzicht van de opdrachten waarover de
gebruiker tijdens een FTP-afdruksessie beschikt.
Tabel 6.1 Opdrachten voor gebruikers van de HP Jetdirect FTP-server
(1 van 2)
Opdracht Beschrijving
user
<gebruikersnaam>
<gebruikersnaam>
geeft de gebruiker aan.
Elke gebruiker wordt geaccepteerd en kan afdrukken
naar de geselecteerde poort.
cd <poort#> <poort#>
is het poortnummer voor het afdrukken. Voor
HP Jetdirect-printservers met één enkele poort is alleen
port1 beschikbaar. Voor printservers met meerdere
poorten kunt u port1 (de standaardwaarde), port2 of port3
opgeven.
cd / /
geeft de hoofddirectory van de HP Jetdirect
FTP server aan.
quit quit
of
bye
beëindigt de FTP-sessie met de
HP Jetdirect-printserver.
bye
dir dir
of
ls
geeft de inhoud weer van de huidige directory.
Als deze opdracht in de hoofddirectory wordt getypt,
wordt er een lijst weergegeven van de poorten die
beschikbaar zijn voor afdrukken. Voor printservers met
meerdere poorten zijn de poorten die beschikbaar zijn
voor afdrukken PORT1 (standaardwaarde), PORT2 en
PORT3.
ls
pwd
Hiermee geeft u de huidige directory of de huidige
Jetdirect-afdrukpoort weer.
NLWW Afdrukken via FTP 204
put
<bestandsnaam>
<bestandsnaam>
duidt het bestand aan dat naar de
geselecteerde poort van de HP Jetdirect-printserver zal
worden gestuurd. Voor printservers met meerdere
poorten kunt u een andere poort opgeven met de
opdracht:
put <bestandsnaam> <poort#>
bin
Hiermee configureert u een binaire (beeld)
bestandsoverdracht via FTP.
ascii
Hiermee configureert u een ASCII
FTP-bestandsoverdracht. HP Jetdirect-printservers
ondersteunen enkel controle op overdrachten van tekens
zonder afdrukopmaak (er worden standaardwaarden
gebruikt voor spatiëring en marges).
Ctrl C
Druk tegelijkertijd de toetsen
Ctrl
en
C
in om
de geactiveerde FTP-service en daarmee
alle gegevensoverdrachten af te breken.
De gegevensverbinding wordt gesloten.
rhelp
remotehelp
Deze opdracht is afhankelijk van uw clientsysteem
(gebruik rhelp voor UNIX of remotehelp voor Windows
NT/2000). De opdracht toont een lijst met
FTP-systeemopdrachten die door de printserver worden
ondersteund. (Opmerking: De weergegeven opdrachten
zijn
geen
gebruikersopdrachten. De voor de gebruiker
toegankelijke opdrachten zijn afhankelijk van het
FTP-systeem van de clientcomputer.)
Tabel 6.1 Opdrachten voor gebruikers van de HP Jetdirect FTP-server
(2 van 2)
Opdracht Beschrijving
NLWW Afdrukken via FTP 205
Voorbeeld van een FTP-sessie
Dit is een voorbeeld van het gebruikelijke verloop van een
FTP-afdruksessie:
C:\> ftp 192.168.45.39
Connected to 192.168.45.39.
220 JD FTP Server Ready
User <192.168.45.39:<none>>: susan_g
001 Username Ok, send identity <email address> as password
Password:
230- Hewlett-Packard FTP Print Server Version 2.0
Directory: Description:
-----------------------------------------------------
PORT1 Print to port 1 HP color LaserJet 4500
To print a file, use the command: put <filename> [portx]
or cd to a desired port and use: put <filename>.
Ready to print to PORT1
230 User logged in.
ftp> pwd
257 "/" is current directory. <"default port is : /PORT1>
HP Color LaserJet 4500"
ftp> cd port1
250 Changed directory to "/PORT1"
ftp> pwd
257 "/PORT1" is current directory. "HP Color LaserJet 4500"
ftp> bin
200 Type set to I. Using binary mode to transfer files.
ftp> put d:\atlas\temp\ftp_test.ps
200 PORT command successful.
150 Opening BINARY mode data connection
226- Ready
226- Processing job
226 Transfer complete
31534 bytes sent in 0.04 seconds <788.35 Kbytes/sec>
ftp> quit
221 Goodbye
C:\>
NLWW 206
7
Beveiligingsfuncties
Inleiding
De beveiligingsfuncties worden geleverd om onbevoegde toegang tot
de netwerkconfiguratieparameters en andere gegevens opgeslagen
op HP Jetdirect-printservers zoveel mogelijk te beperken.
De functies kunnen verschillen afhankelijk van de versie
van de firmware op de printserver.
LET OP Hoewel deze functies bijdragen aan het
beperken van onbevoegde toegang tot opgeslagen
gegevens en de configuratieparameters op
HP Jetdirect-printservers kan het voorkomen van
onbevoegde toegang niet worden gegarandeerd.
Als u informatie wilt over geavanceerde beveiliging,
neemt u contact op met de technische
ondersteuning van HP.
Tabel 7.1 bevat een overzicht van de basisbeveiligingsfuncties die
bij HP Jetdirect-printservers worden geleverd.
NLWW Beveiligingsfuncties 207
Tabel 7.1 Samenvatting van de beveiligingsfuncties voor
HP Jetdirect (1 van 4)
Beveiligd beheer van de ingesloten webserver
(Alleen voor printservers met alle functies)
Een vooraf geïnstalleerd, zelf-ondertekend digitaal certificaat biedt via uw
webbrowser HTTPS-toegang (beveiligd HTTP) tot de ingesloten webserver.
HTTPS (beveiligd HTTP) biedt veilige, gecodeerde communicatie met
uw browser.
Digitale certificaten die zijn uitgegeven door een vertrouwde instantie, kunnen
op de printserver worden geïnstalleerd, waardoor deze als betrouwbare locatie
kan worden geconfigureerd.
Met HTTPS biedt de ingesloten webserver configuratie en beheer van
netwerkparameters en protocollen via een beveiligd kanaal.
De wizard HP Jetdirect Security Configuration zorgt voor een gemakkelijke
interface waarmee u beveiligingsinstellingen kunt configureren.
De draadloze configuratiewizard biedt een gemakkelijke interface voor het
configureren van draadloze coderings- en verificatie-instellingen.
Regeling van netwerkprotocollen
U kunt afdrukken via het netwerk, afdrukservices, apparaatdetectie en
beheerprotocollen op de HP Jetdirect-printserver in- of uitschakelen. Door
niet-gebruikte netwerkprotocollen uit te schakelen, voorkomt u onbevoegde
toegang via toepassingen die van deze protocollen gebruikmaken.
U kunt protocollen in- of uitschakelen met Telnet, de ingesloten webserver
en HP Web Jetadmin.
Beheerderswachtwoord voor IP
Wordt door Telnet, HP Web Jetadmin en de ingesloten webserver gebruikt voor
het regelen van toegang tot de configuratieparameters van
HP Jetdirect-printservers.
Er mogen maximaal 16 alfanumerieke tekens worden gebruikt.
Wordt geconfigureerd op de HP Jetdirect-printserver met behulp van TFTP
(Hoofdstuk 3
), Telnet (Hoofdstuk 3), services van de ingesloten webserver
(Hoofdstuk 4
) of HP Web Jetadmin. Er mogen maximaal zijn 16 alfanumerieke
tekens worden gebruikt.
Mag, indien geconfigureerd via de ingesloten webserver, worden
gesynchroniseerd als SNMP-gebruikersgroepnaam voor HP Web Jetadmin
SNMP v1/v2c Set-opdrachten.
Wordt gewist door de printer in te stellen op de fabriekswaarden.
NLWW Beveiligingsfuncties 208
IP-toegangscontrolelijst
Bevat maximaal tien hostsystemen, of netwerken van hostsystemen,
die toegang hebben tot de HP Jetdirect-printserver en het aangesloten
netwerkapparaat.
Toegang blijft over het algemeen beperkt tot de hostsystemen die in de
lijst staan.
Standaard worden hostsystemen die van HTTP gebruikmaken
(die bijvoorbeeld de ingesloten webserver of IPP gebruiken) niet aan de hand
van de toegangslijst geverifieerd en wordt aan die systemen toegang verleend.
De HTTP-hosttoegang kan echter worden uitgeschakeld via de ingesloten
webserver.
Als de lijst leeg is, is toegang toegestaan voor alle hosts.
Wordt geconfigureerd op de HP Jetdirect-printserver met behulp van TFTP
(Hoofdstuk 3
), Telnet (Hoofdstuk 3), de ingesloten webserver (Hoofdstuk 4)
of beheersoftware.
Regelen van Telnet
Telnet kan worden uitgeschakeld via de ingesloten webserver
(zie Hoofdstuk 4
). Telnet-toegang is niet beveiligd.
Verificatie en codering
(Alleen voor printservers met alle functies)
Certificaatbeheer voor digitale X.509-certificaten vindt plaats via de ingesloten
webserver, zowel voor client-gebaseerde als server-gebaseerde verificatie.
(Geïnstalleerde certificaten mogen niet groter zijn dan 3 kB. Er mag één
certificaat van een certificeringsinstantie (CA) worden geïnstalleerd.)
Voor draadloze printservers worden verbeterde verificatiemethoden en
draadloze coderingsmethoden ondersteund. Zo worden onder andere
802.1x EAP (Extensible Authentication Protocol) en dynamische
coderingsprotocollen, waaronder het WPA-protocol (Wi-Fi Protected Access),
ondersteund.
Tabel 7.1 Samenvatting van de beveiligingsfuncties voor
HP Jetdirect (2 van 4)
NLWW Beveiligingsfuncties 209
SNMP v1/v2c-gebruikersgroepnaam instellen (IP/IPX)
(Alleen SNMP v1/v2c)
Een wachtwoord op de HP Jetdirect-printserver voor het toestaan van
binnenkomende SNMP Set-opdrachten (bijvoorbeeld van beheersoftware)
voor het schrijven (of
instellen (set)
) van HP Jetdirect-configuratieparameters.
Voor een door de gebruiker toegewezen gebruikersgroepnaam moeten de
SNMP Set-opdrachten de door de gebruiker toegewezen naam bevatten.
Deze naam wordt door de printserver geverifieerd voordat de opdracht wordt
uitgevoerd.
In IP-netwerken kan de verificatie van SNMP Set-opdrachten verder worden
beperkt tot systemen die in de toegangscontrolelijst staan.
Wordt geconfigureerd op de HP Jetdirect-printserver met behulp van TFTP
(Hoofdstuk 3
), Telnet (Hoofdstuk 3), de ingesloten webserver (Hoofdstuk 4)
of beheerprogrammaservices.
SNMP v1/v2c maakt gebruik van onbewerkte tekst en kan worden
uitgeschakeld.
SNMP v3
(Alleen voor printservers met alle functies)
Een SNMP v3-agent op de HP Jetdirect-printserver zorgt voor veilige,
gecodeerde communicatie met een SNMP v3-beheertoepassing, zoals
HP Web Jetadmin.
De printserver ondersteunt het maken van een SNMP v3-account wanneer
deze is ingeschakeld via de ingesloten webserver. De accountgegevens
kunnen in SNMP v3-beheertoepassingen worden geïntegreerd.
Het maken en beheren van de SNMP v3-account vanuit HP Web Jetadmin
wordt probleemloos ondersteund door de printserver.
Wachtwoorden en profielen van HP Web Jetadmin
Het regelen van toegang tot de Jetdirect-configuratieparameters via het
beheerderswachtwoord voor Jetdirect IP, dat geconfigureerd kan zijn via
HP Web Jetadmin, Telnet of de ingesloten webserver. Raadpleeg voor
instructies de on line Help van HP Web Jetadmin.
HP Web Jetadmin regelt de toegang met behulp van gebruikersprofielen.
Gebruikersprofielen bieden wachtwoordbeveiliging voor individuele profielen
en toegangsregeling tot functies van HP Jetdirect en de printer. Raadpleeg
voor meer informatie de on line Help van HP Web Jetadmin.
(Alleen voor printservers met alle functies) Met HP Web Jetadmin kan de
SNMP v3-agent probleemloos op de printserver worden ingeschakeld en
kan een SNMP v3-account worden gemaakt voor veilig, gecodeerd beheer.
Tabel 7.1 Samenvatting van de beveiligingsfuncties voor
HP Jetdirect (3 van 4)
NLWW Beveiligingsfuncties 210
Beveiligingsfuncties gebruiken
Toegang tot de HP Jetdirect-configuratieparameters kan
worden geregeld via gecombineerd gebruik van de beschikbare
beveiligingsfuncties. Tabel 7.2
biedt voorbeelden van diverse
instellingen en het verwante niveau van de toegangsregeling.
Vergrendeling van het printerbedieningspaneel
Sommige HP-printers bieden vergrendeling van het bedieningspaneel, zodat
toegang tot de configuratieparameters van de interne HP Jetdirect-printserver
wordt voorkomen. In veel gevallen kan deze vergrendeling door
beheerprogramma's (zoals HP Web Jetadmin) op afstand worden ingesteld.
Als u wilt controleren of het bedieningspaneel van uw printer vergrendeld kan
worden, raadpleegt u de documentatie bij de printer.
Tabel 7.2 Instellingen voor de toegangsregeling (1 van 2)
Instellingen Niveau van toegangsregeling
Toegankelijk via HTTP
(ingesloten webserver),
SNMP v1/v2c-toepassingen
of Telnet.
Beheerderswachtwoord
niet ingesteld
Standaard SNMP
v1/v2c-gebruikersgroepname
n gebruikt
Geen verificatie of codering
Toegangscontrolelijst leeg
Laag.
Meest geschikt voor vertrouwde omgevingen.
Elk systeem heeft toegang tot de
HP Jetdirect-configuratieparameters via
de ingesloten webserver, Telnet of
SNMP-beheersoftware. Wachtwoorden
zijn niet vereist.
Beheerderswachtwoord
ingesteld
Door de gebruiker ingestelde
SNMP
v1/v2-gebruikersgroepnaam
De toegangscontrolelijst bevat
hostvermeldingen en
controleert
HTTP-verbindingen
Telnet en andere onveilige
protocollen uitgeschakeld.
Gemiddeld.
Beperkte beveiliging voor niet-vertrouwde
omgeving.
Als het beheerderswachtwoord en de SNMP
v1/v2c-gebruikersgroepnaam bekend zijn, is de
toegang beperkt tot:
systemen die in de toegangscontrolelijst
staan en
SNMP v1/v2c-beheertoepassingen
Tabel 7.1 Samenvatting van de beveiligingsfuncties voor
HP Jetdirect (4 van 4)
NLWW Beveiligingsfuncties 211
Niet-gebruikte protocollen
uitgeschakeld
HTTPS-toegang ingeschakeld
met gebruik van certificaten
uitgegeven door vertrouwde
instanties
Draadloze
Jetdirect-printservers
geconfigureerd voor
802.1x EAP-verificatie die
gebruikmaken van
dynamische codering
SNMP v3 ingeschakeld,
SNMP v1/v2c uitgeschakeld
Telnet uitgeschakeld
Wachtwoorden ingesteld
De toegangscontrolelijst bevat
opgegeven vermeldingen en
HTTP-verbindingen zijn
gecontroleerd
Vergrendeling van het
printerbedieningspaneel
Hoog.
Hoge beveiliging voor niet-vertrouwde,
professioneel beheerde omgevingen.
Toegang is beperkt tot geverifieerde hosts die in
de toegangscontrolelijst zijn vermeld. Codering
zorgt voor gegevensprivacy. Er wordt geen
gebruik gemaakt van netwerkcommunicatie in
onbewerkte tekst.
VOORZICHTIG:
Bij power-on-instellingen
(bijvoorbeeld configuraties vanaf een
BootP/TFTP- of DHCP/TFTP-server) kunnen de
instellingen van de printserver wijzigen wanneer
de printer wordt uitgezet en weer wordt aangezet.
Zorg ervoor dat u de gewenste
power-on-instellingen bevestigt.
Tabel 7.2 Instellingen voor de toegangsregeling (2 van 2)
Instellingen Niveau van toegangsregeling
NLWW 212
8
Problemen met de
HP Jetdirect-printserver oplossen
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe problemen met de
HP Jetdirect-printserver kunnen worden opgespoord en
gecorrigeerd.
Een stroomdiagram geeft u een overzicht van de procedures die
u moet volgen voor het oplossen van de volgende problemen:
Problemen met de printer
Problemen met het installeren en aansluiten van de
HP Jetdirect-hardware
Problemen die met het netwerk te maken hebben
Om problemen met de HP Jetdirect-printserver op te kunnen
lossen, hebt u mogelijk de volgende items nodig:
Een Jetdirect-configuratiepagina (zie Hoofdstuk 9)
Een configuratiepagina of pagina met diagnostische gegevens
van de printer
De bij de printer geleverde documentatie
De bij de HP Jetdirect-printserver geleverde documentatie
De bij de netwerksoftware geleverde diagnostische
hulpprogramma's (bijvoorbeeld hulpprogramma's voor
Novell NetWare en TCP/IP en toepassingen voor printerbeheer,
zoals HP Web Jetadmin)
Opmerking Veelgestelde vragen over het installeren en
configureren van HP Jetdirect-printservers vindt
u door uw HP Jetdirect-product op te zoeken op
http://www.hp.com/support/net_printing
.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 213
Fabriekswaarden herstellen
U kunt de parameters op de HP Jetdirect-printserver (bijvoorbeeld
het IP-adres) terugzetten op de fabriekswaarden met behulp van de
volgende procedures:
LET OP Wanneer u bij draadloze HP Jetdirect-printservers
de fabriekswaarden hersteld, kan de printserver de
draadloze verbinding met het netwerk verliezen.
Mogelijk dient u de instellingen van het draadloze
netwerk opnieuw te configureren en de printserver
opnieuw te installeren.
Een Jetdirect X.509-certificaat, dat is geïnstalleerd
voor beveiligde SSL/TLS-webservices, blijft
opgeslagen tijdens een cold-reset naar
fabriekswaarden. Een certificaat van een
certificeringsinstantie (CA) dat is geïnstalleerd om
een netwerkverificatieserver te valideren, blijft
echter niet opgeslagen.
HP LaserJet-printer met interne EIO-printserver
In de meeste gevallen kan de interne HP Jetdirect-printserver
worden teruggezet op de fabriekswaarden tijdens het opnieuw
activeren van de uitgangswaarden (cold-reset) van de printer.
Op sommige HP LaserJet-printers worden de uitgangswaarden
geactiveerd door de printer uit en weer aan te zetten terwijl u
de knop Go ingedrukt houdt. Raadpleeg voor andere printers
de desbetreffende printerhandleiding. Ook kunt u
http://www.hp.com/go/support
bezoeken en het document
bpj02300.html opzoeken.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 214
Opmerking Sommige printers bieden een reset-optie
voor de fabriekswaarden via het
printerbedieningspaneel. Het is echter mogelijk dat
met deze reset-optie de HP Jetdirect-printserver
niet op de uitgangswaarden wordt teruggesteld.
Tijdens het herstellen van de fabriekswaarden
verdient het aanbeveling om een
Jetdirect-configuratiepagina af te drukken om
te bevestigen dat de fabriekswaarden weer zijn
geactiveerd.
LET OP Als u de printer terugzet op de fabriekwaarden
worden alle printerinstellingen teruggezet op de
standaardwaarden. Nadat u de instellingen van
de printer hebt hersteld, kan het nodig zijn om
bepaalde door gebruikers vereiste instellingen
opnieuw te configureren met behulp van het
bedieningspaneel van de printer.
Interne HP Jetdirect-LIO-printservers
U kunt HP Jetdirect-LIO-printservers opnieuw instellen door
de knop Test op de printserver ingedrukt te houden terwijl
u de printserver in de LIO-sleuf plaatst. Omdat de stroom van
de LIO-printserver afkomstig is van de printer, dient de printer
ingeschakeld te zijn.
Externe HP Jetdirect-printservers
U kunt de fabriekswaarden van de externe
HP Jetdirect-printserver herstellen door de knop Test op de
printserver ingedrukt te houden terwijl u de voedingskabel
aansluit.
Na een cold-reset kan de verbinding tussen de netwerksystemen
en de printer verloren gaan.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 215
Algemene probleemoplossing
Overzicht probleemoplossing -
Het probleem bepalen
Afbeelding 8.1 Het probleem bepalen
Is de
printer aan
en on line?
JA
NEE
Zie procedure 1
Zie procedure 2
NEE
JA
Kunt u een
configuratiepagina
afdrukken?
Geeft het
bedieningspaneel
van de printer het
"Klaar"-bericht
te zien?
Zie procedure 3
NEE
JA
Wordt
het bericht
"I/O-kaart klaar" op de
configuratiepagina
weergegeven?
Zie hoofdstuk 9
NEE
NEE
Zie procedure 4
JA
JA
Als het probleem aanhoudt, raadpleegt
u de netwerkdocumentatie.
Is er
communicatie
tussen de printer
en het
netwerk?
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 216
Procedure 1: controleren of de printer aan staat
en on line is
Controleer aan de hand van de volgende items of de printer gereed
is om af te drukken.
1. Krijgt de printer stroom en staat de printer aan?
Controleer of de printer is aangesloten op de stroomvoorziening
en is ingeschakeld. Als het probleem blijft voortduren, is het
netsnoer, de voedingsbron of de printer mogelijk defect.
2. Is de printer on line?
Het lichtje voor on line moet aan zijn. Als dit niet het geval is,
drukt u op de desbetreffende toets (bijvoorbeeld On Line of Go)
om de printer on line te zetten.
3. Is het display van het bedieningspaneel van de printer leeg
(op printers met een display)?
Controleer of de printer aan staat.
Controleer of de HP Jetdirect-printserver juist is
geïnstalleerd.
4. Is het doorvoerlichtje aan (indien van toepassing)?
Als het doorvoerlichtje aan is, kan dat betekenen dat er
geen opdracht voor papierdoorvoer is verzonden met de
afdrukgegevens en dat de gegevens wachten op deze opdracht
om af te drukken. Zet de printer off line, druk op Form Feed
en zet de printer weer on line.
5. Verschijnt er een ander bericht dan KLAAR op het display van
het bedieningspaneel van de printer?
Zie procedure 3 in deze sectie voor een lijst met foutberichten
die betrekking hebben op het netwerk en voor corrigerende
maatregelen.
Raadpleeg de documentatie bij de printer voor een volledige
lijst met berichten voor het bedieningspaneel en corrigerende
maatregelen.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 217
Procedure 2: een
HP Jetdirect-configuratiepagina afdrukken
De HP Jetdirect-configuratiepagina is een belangrijk hulpmiddel
bij het oplossen van problemen. De informatie op deze pagina
geeft aan wat de status is van het netwerk en de
HP Jetdirect-printserver. De mogelijkheid om een
configuratiepagina af te drukken geeft aan dat de printer
goed functioneert. Zie Hoofdstuk 9
voor informatie over de
HP Jetdirect-configuratiepagina.
Opmerking Als u over een TCP/IP-netwerk beschikt, kunt u de
Jetdirect-configuratiepagina ook met een browser
bekijken door naar de ingesloten
Jetdirect-webserver te gaan. Zie Hoofdstuk 4
voor
meer informatie.
Controleer de volgende items als de configuratiepagina niet wordt
afgedrukt.
1. Hebt u de juiste stappen uitgevoerd om de printer de
configuratiepagina te laten afdrukken?
De stappen die vereist zijn voor het afdrukken van een
configuratiepagina, verschillen per printer. Zie de
printerhandleiding of de HP Jetdirect Print Server Hardware
Installation Guide voor specifieke instructies over het
afdrukken van een configuratiepagina.
2. Is er een afdruktaak bezig?
Het is niet mogelijk om een HP Jetdirect-configuratiepagina
naar de printer af te drukken terwijl er een afdruktaak bezig is.
Wacht tot de taak klaar is en druk de configuratiepagina
vervolgens af.
3. Verschijnt er een foutbericht op het display van het
bedieningspaneel van de printer?
Zie procedure 3 in deze sectie voor een lijst met foutberichten
die betrekking hebben op het netwerk en voor corrigerende
maatregelen.
Raadpleeg de documentatie bij de printer voor een volledige
lijst met berichten voor het bedieningspaneel en corrigerende
maatregelen.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 218
Procedure 3: foutberichten op het display van het
printerbedieningspaneel oplossen
Bekijk de volgende informatie om netwerkfoutberichten op te lossen
die worden weergegeven op het display van het bedieningspaneel
van de printer. Bij deze informatie wordt ervan uitgegaan dat u al
een configuratiepagina hebt afgedrukt.
1. Toont het bedieningspaneel van de printer het volgende (of een
vergelijkbaar) bericht?
EIO X NIET FUNCTIONEEL
8X.YYYY EIO-FOUT
(waarbij X het EIO-sleufnummer is en YYYY een foutcode).
Raadpleeg de printerhandleiding voor de betekenis van het
foutbericht.
Als u onlangs een upgrade van de Jetdirect-firmware hebt
uitgevoerd, schakelt u de printserver uit en weer in. Voor
interne Jetdirect-kaarten zet u de printer uit en opnieuw aan.
Installeer de HP Jetdirect-printserver opnieuw om ervoor te
zorgen dat deze juist geïnstalleerd is en controleer of alle
aansluitingen stevig aangebracht zijn.
Druk, indien mogelijk, een HP Jetdirect-configuratiepagina
af en controleer alle parameters van de configuratie.
Zie Hoofdstuk 9
voor berichten op de
HP Jetdirect-configuratiepagina.
Als de printer over meerdere EIO-sleuven beschikt,
kunt u proberen om een andere sleuf te gebruiken.
Zet de printer uit, verwijder de HP Jetdirect-printserver en
zet de printer weer aan. Als het foutbericht verdwijnt wanneer
de printserver is verwijderd, wordt de fout waarschijnlijk door
de printserver veroorzaakt. Vervang de printserver.
Noteer alle foutcodes en neem contact op met uw
serviceleverancier. Als de HP Jetdirect-printserver gedurende
de garantieperiode vervangen moet worden, stuurt u alle
configuratiepagina's en pagina's met diagnostische gegevens
samen in met de defecte printserver.
2. Verschijnt het bericht EIOX-INITIALISATIE/NIET UITZETTEN op
het display?
Wacht tien minuten om te zien of dit bericht verdwijnt. Als dit
niet gebeurt, kan het zijn dat u de HP Jetdirect-printserver
moet vervangen.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 219
3. Verschijnt het bericht 40 FOUT op het display van de printer?
De HP Jetdirect-printserver heeft een onderbreking in de
gegevenscommunicatie ontdekt. Wanneer deze fout optreedt,
gaat de printer off line.
Een onderbreking in de communicatie kan het gevolg zijn van
het verstoren van een fysieke netwerkverbinding of van een
server die niet meer werkt. Als de printer een functie voor
automatisch doorgaan (Auto Continue) heeft die gedeactiveerd
of uitgeschakeld is, moet u, nadat het communicatieprobleem is
opgelost, op de printer de juiste toets indrukken (bijvoorbeeld
Continue of Go) om de printer weer on line te zetten.
Wanneer u de functie Auto Continue inschakelt, wordt de
printerverbinding zonder tussenkomst van de gebruiker
hersteld. Hiermee is het probleem van de verbroken
verbinding echter niet opgelost.
4. Verschijnt er een initialisatiebericht (INIT) op het display?
Dit is een normaal bericht. Wacht ongeveer 3 minuten tot het
bericht verdwijnt of een ander bericht verschijnt. Raadpleeg
de documentatie bij de printer of de configuratiepagina voor
aanvullende informatie als er een ander bericht wordt
weergegeven.
5. Verschijnt er een ander bericht dan KLAAR of verschijnen de
berichten die in deze sectie worden vermeld?
Raadpleeg de documentatie bij de printer voor een volledige lijst
met berichten voor het bedieningspaneel en corrigerende
maatregelen.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 220
Procedure 4: printercommunicatieproblemen
met het netwerk oplossen
Controleer de volgende items om na te gaan of de printer met het
netwerk communiceert. In deze informatie wordt ervan uitgegaan
dat u al een configuratiepagina hebt afgedrukt.
1. Zijn er fysieke verbindingsproblemen tussen het werkstation
of de bestandsserver en de HP Jetdirect-printserver?
Controleer de netwerkbekabeling, aansluitingen en
routerconfiguraties. Controleer of de lengte van de
netwerkkabel voldoet aan de specificaties van het netwerk.
Controleer of de instellingen van het draadloze netwerk correct
zijn geconfigureerd.
2. Zijn de netwerkkabels goed aangesloten?
Controleer of de printer met de juiste
HP Jetdirect-printserverpoort en kabel is aangesloten op het
netwerk. Controleer of alle kabelverbindingen goed vastzitten
en op de juiste plaats zitten. Probeer een andere kabel of poort
op de hub of transceiver als het probleem voortduurt.
3. Is voor 10/100Base-TX-printservers de functie voor
automatische onderhandeling (autonegotiation) uitgeschakeld?
De snelheid en communicatiemodus van de printserver moet
voor correcte werking overeenkomen met het netwerk.
De automatische onderhandeling wordt geconfigureerd
via het EIO-menu in het bedieningspaneel van de printer.
4. Zijn er programma's aan het netwerk toegevoegd?
Controleer of deze programma's compatibel zijn en juist
zijn geïnstalleerd met de juiste printerstuurprogramma's.
5. Kunnen andere gebruikers wel afdrukken?
Het probleem kan worden veroorzaakt door het werkstation.
Controleer de netwerkstuurprogramma's,
printerstuurprogramma's en omleiding (in Novell NetWare)
van het werkstation.
6. Als andere gebruikers wel kunnen afdrukken, gebruiken ze dan
hetzelfde netwerkbesturingssysteem?
Controleer het systeem en zorg ervoor dat de instellingen van
het besturingssysteem correct zijn.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 221
7. Is uw protocol ingeschakeld op de HP Jetdirect-printserver?
Controleer de status van het protocol op de
Jetdirect-configuratiepagina. Zie Hoofdstuk 9
voor informatie
over de configuratiepagina. (Op TCP/IP-netwerken kunt u
tevens de ingesloten Webserver gebruiken om de status van
andere protocollen te controleren. Zie Hoofdstuk 4.
)
8. Is er een foutbericht in de sectie over protocollen op de
Jetdirect-configuratiepagina?
Zie Hoofdstuk 9
HP Jetdirect-configuratiepagina voor een lijst
met foutberichten.
9. Als u Token Ring gebruikt, is de snelheid van de gegevens correct?
Controleer de huidige instellingen op de
Jetdirect-configuratiepagina. Als de instellingen niet juist
zijn, raadpleegt u de instellingen voor Token Ring in de
installatiehandleiding van de printserver.
10. Als u gebruikmaakt van Apple EtherTalk, verschijnt de printer
dan in de Kiezer?
Controleer de netwerk- en HP Jetdirect-instellingen op de
Jetdirect-configuratiepagina. Zie Hoofdstuk 9
voor informatie
over de configuratiepagina.
Controleer de netwerkinstellingen voor de printer met behulp
van het bedieningspaneel van de printer (voor printers met
bedieningspanelen).
Zie de sectie over het oplossen van problemen in de on line
Help van het HP LaserJet-hulpprogramma.
Controleer of de PostScript-optie op de printer is geïnstalleerd.
11. Als u over een TCP/IP-netwerk beschikt, kunt u dan Telnet
gebruiken om rechtstreeks naar de printer af te drukken?
Gebruik de volgende Telnet-opdracht:
telnet <IP address> <port>
waarbij
<IP address>
het IP-adres is dat aan de
HP Jetdirect-printserver is toegewezen en
<port>
9100 is.
(Voor een externe Jetdirect-printserver met meerdere poorten
kan eveneens HP Jetdirect-gegevenspoort 9101 of 9102 worden
gebruikt voor respectievelijk poort 2 of 3.)
Typ gegevens in de Telnet-sessie en druk op Enter. De gegevens
moeten naar de printer worden gestuurd om te worden afgedrukt
(wellicht is een handmatige opdracht voor papierdoorvoer nodig).
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 222
12. Wordt de printer weergegeven in HP Web Jetadmin of een ander
beheerprogramma?
Controleer de netwerk- en HP Jetdirect-instellingen op de
Jetdirect-configuratiepagina. Zie Hoofdstuk 9
voor informatie
over de configuratiepagina.
Controleer de netwerkinstellingen voor de printer met behulp
van het bedieningspaneel van de printer (voor printers met
bedieningspanelen).
Zie de sectie over het oplossen van problemen in de on line
Help van de HP Web Jetadmin-software.
13. Als u gebruikmaakt van Microsoft Windows NT 4.0 (DLC/LLC),
verschijnt de printer dan in het dialoogvenster Externe
Hewlett-Packard-netwerkpoort toevoegen?
Controleer de netwerk- en HP Jetdirect-instellingen op de
Jetdirect-configuratiepagina. Zie Hoofdstuk 9
voor informatie
over de configuratiepagina.
Controleer de netwerkinstellingen voor de printer met behulp
van het bedieningspaneel van de printer (voor printers met
bedieningspanelen).
Controleer of de printer zich in hetzelfde fysieke subnet
bevindt en of deze niet is verbonden via een router.
14. Reageert de printer op ondersteunde systemen op
HP Web Jetadmin?
Controleer de netwerk- en HP Jetdirect-instellingen op de
Jetdirect-configuratiepagina. Zie Hoofdstuk 9
voor informatie
over de configuratiepagina.
Controleer de netwerkinstellingen voor de printer met behulp
van het bedieningspaneel van de printer (voor printers met
bedieningspanelen).
Zie de sectie over het oplossen van problemen in de on line
Help van de HP Web Jetadmin-software.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 223
Problemen met draadloze
printservers oplossen
Geen communicatie mogelijk tijdens eerste setup
Controleer het volgende:
De draadloze computer is geconfigureerd om overeen te stemmen
met de standaardinstellingen van het draadloze netwerk op de
HP Jetdirect-printserver:
Communicatiemodus: Ad hoc
Netwerknaam (SSID): hpsetup
Codering (WEP): <uitgeschakeld:>
Opmerking In de netwerknaam (SSID) wordt onderscheid
gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters.
Zorg ervoor dat u "hpsetup" opgeeft in
kleine letters.
De HP Jetdirect-printserver is ingeschakeld en werkt correct
(druk een Jetdirect-configuratiepagina af).
U bevindt zich binnen het bereik van de HP
Jetdirect-printserver.
Er zijn in totaal minder dan zes apparaten in het ad-hocnetwerk
(met SSID hpsetup).
Er is geen toegangspunt in de nabijheid dat is geconfigureerd met
de SSID hpsetup.
Zorg ervoor dat er niet meerdere printservers tegelijkertijd
worden geconfigureerd. Als er meerdere printservers zijn,
schakelt u alle printservers uit, met uitzondering van de
printserver die u wilt configureren.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 224
Geen communicatie mogelijk na eerste setup
Als u de draadloze HP Jetdirect-printserver succesvol hebt
geconfigureerd met een netwerkverbinding met het netwerk, maar
de netwerkcomputers niet met de printer kunnen communiceren
(ook niet met de opdracht ping), kunt u het volgende proberen:
Druk een Jetdirect-configuratiepagina af en controleer alle
configuratie-instellingen voor het netwerk. Veel voorkomende
fouten zijn onjuiste instellingen voor de volgende items:
Communicatiemodus (Ad hoc of Infrastructuur)
De netwerknaam (SSID), waarin onderscheid wordt gemaakt
tussen hoofdletters en kleine letters.
Verificatiemethode
Coderingsniveau, coderingssleutelinstellingen of de
opgegeven zendsleutel
IP-adres
BSSID (Basic Service Set Identifier), waarbij onderscheid
wordt gemaakt tussen LAN's, ook wanneer deze dezelfde
SSID hebben.
Controleer of de printer zich binnen het bereik van het netwerk
bevindt. Zie Ontvangst en prestaties verbeteren in dit hoofdstuk.
Gebruik een draadloze pc en de bijbehorende hulpprogramma's
om de signaalsterkte bij de locatie van de printer te controleren.
De gemeten signaalsterkte moet gelijk zijn voor de printserver,
zoals aangegeven op de HP Jetdirect-configuratiepagina.
Mijn geconfigureerde kanaal komt niet overeen
met de configuratiepagina
(Alleen Ad-hocmodus) Met de HP-configuratieprogramma's
kunt u kanaal 10 (standaardinstelling) of 11 op de draadloze
HP Jetdirect-printserver kiezen. Dit kanaal wordt alleen door de
printserver gebruikt om de netwerknaam (SSID) te verzenden als
de printserver geen bestaand draadloos netwerk heeft kunnen
vinden om zich op aan te sluiten. Als de printserver zich niet op een
netwerk kan aansluiten, wordt het kanaal opnieuw geconfigureerd
als het kanaal dat door het netwerk wordt gebruikt.
De Jetdirect-configuratiepagina bevat het netwerkkanaal dat
feitelijk door een netwerk wordt gebruikt. Het zendkanaal dat is
gebruikt wanneer er geen netwerk is ontdekt, wordt niet op de
configuratiepagina weergegeven.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 225
Kan wizard HP Jetdirect Wireless Setup Wizard
niet gebruiken
De wizard HP Jetdirect Wireless Setup Wizard wordt gebruikt
om de draadloze HP Jetdirect-printserver te configureren met
draadloze netwerkinstellingen voor toegang tot het netwerk.
Als u deze wizard niet kunt gebruiken, raadpleegt u andere opties
die worden beschreven in HP Jetdirect-printserver - Handleiding
voor beheerders voor dit printservermodel. Deze vindt u op de
HP Jetdirect cd-rom. Andere beschikbare hulpmiddelen zijn:
de ingesloten webserver (zie Hoofdstuk 4 en Bijlage B)
Telnet (zie Hoofdstuk 3)
het bedieningspaneel van bepaalde printers (zie Bijlage C)
Opmerking De configureerbare parameters die beschikbaar
zijn via deze optionele hulpmiddelen, kunnen
beperkt zijn.
Ontvangst en prestaties verbeteren
Draadloze LAN-radiosignalen kunnen door veel interne
constructies dringen en kunnen om obstakels heen reflecteren.
Het bereik en de prestaties van de draadloze communicatie zijn
echter afhankelijk van een aantal factoren, waaronder het aantal
gebruikers, de kwaliteit en de plaatsing van de draadloze hardware
en de bronnen van radiosignaalstoringen (bijvoorbeeld magnetrons
en draadloze telefoons die dezelfde frequenties gebruiken). Over
het algemeen neemt de overdrachtssnelheid van gegevens van de
draadloze HP Jetdirect-printserver af bij een grotere afstand,
meer belemmeringen en storingen.
Symptomen
Status-LED voor draadloze verbinding is geel.
De signaalsterkte (zie de HP Jetdirect-configuratiepagina
of ingesloten webserver) is slecht of zwak.
Afdruktaken worden zeer langzaam uitgevoerd.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 226
Corrigerende maatregelen
Verplaats de printer of de draadloze HP Jetdirect-printserver.
Als de printserver in de richting van het toegangspunt of de
draadloze pc is geplaatst, zullen de ontvangst en prestaties over
het algemeen verbeteren.
Beperk of verwijder storingsbronnen. Metalen objecten kunnen
radiosignalen opnemen of verzwakken en apparaten zoals
magnetrons en draadloze telefoons maken gebruik van dezelfde
radiofrequenties.
Verklein de afstand tussen de printer en het toegangspunt of de
draadloze pc. Dit kan op de volgende manieren worden gedaan:
de printer verplaatsen
het toegangspunt of de draadloze pc verplaatsen
een extra toegangspunt toevoegen (alleen
Infrastructuur-modus)
Verhoog de antenne van het toegangspunt. In de meeste
kantoren zal het verhogen van de antenne van het toegangspunt
het bereik en de prestaties van alle draadloze apparaten
verbeteren.
Voeg een externe antenne toe aan de draadloze
HP Jetdirect-printserver (als deze een externe antenne
ondersteunt). In de meeste kantoren zal het verhogen van de
externe antenne van de printserver het bereik en de prestaties
van de printserver verbeteren.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 227
Downloaden van firmware is mislukt
Draadloze HP Jetdirect-printservers ondersteunen de
netwerkinstallatie, of het downloaden, van firmware-upgrades
voor nieuwe of verbeterde functies. Net als bij andere
HP Jetdirect-printservers, kunnen firmware-upgrades worden
gedownload met hulpmiddelen zoals HP Download Manager
(Windows), HP Web Jetadmin of FTP (File Transfer Protocol).
Als de firmware-download niet kan worden voltooid, dient u het
downloaden opnieuw te starten zonder de printserver
uit- en opnieuw in te schakelen.
Als de stroom tijdens het downloaden wordt uitgeschakeld en
de printserver opnieuw moet worden ingeschakeld, hangt de
volgende stap af van de vraag of de printserver is geconfigureerd
voor verificatie op serverbasis.
Als geen gebruik wordt gemaakt van verificatie op
serverbasis
Als er tijdens het downloaden van firmware een storing optreedt op
een draadloze HP Jetdirect-printserver die niet is geconfigureerd
voor verificatie op serverbasis, start u het downloadproces
eenvoudigweg opnieuw en probeert u het nogmaals. Als de
printserver uit en weer aan wordt gezet, wordt de configuratie
die de printer vóór de mislukte download had, hersteld.
Als gebruik wordt gemaakt van verificatie op serverbasis
LET OP Schakel de printer niet uit en weer in en initialiseer
de printer niet opnieuw, voor zover dat mogelijk is.
Start het downloadproces opnieuw en probeer
het nogmaals. Wanneer de printserver uit en
weer in wordt geschakeld, gaan de
verificatieparameterinstellingen verloren en kan
de printserver geen toegang tot het netwerk krijgen.
Zie de onderstaande procedures als de printer
uit- en weer ingeschakeld is of opnieuw is
geïnitialiseerd.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 228
Draadloze HP Jetdirect-printservers ondersteunen
802.1x EAP-verificatiemethoden.
Als de printserver uit- en weer ingeschakeld is en de draadloze
netwerkverbinding is verbroken, voert u de volgende stappen uit:
1. Installeer een downloadhulpmiddel (zoals HP Download
Manager of HP Web Jetadmin) op een ondersteunde draadloze
computer.
2. Kopieer de firmware-upgradebestanden naar de draadloze
computer.
3. Configureer de instellingen van het draadloze netwerk
op de computer zodat deze overeenkomen met de
standaardinstellingen op de draadloze
HP Jetdirect-printserver.
Communicatiemodus: Ad hoc
Netwerknaam (SSID): hpsetup
Codering (WEP): <uitgeschakeld>
Opmerking Door de status die de draadloze
HP Jetdirect-printserver heeft na een mislukte
download en het uit- en weer inschakelen, kan de
wizard HP Wireless Setup niet worden gebruikt
om de printserver te configureren.
4. Maak op de draadloze computer een IP-pad naar het
standaard-IP-adres op de draadloze HP Jetdirect-printserver.
Als het standaardadres bijvoorbeeld 192.0.0.192 is, gebruikt
u een van de volgende methoden:
Gebruik de opdracht route add vanaf de systeemprompt, of
Configureer het IP-adres van de computer opnieuw zodat
dit overeenkomt met het standaard-IP-netwerk van de
Jetdirect-printserver (gebruik bijvoorbeeld 192.0.0.193).
5. Voer het HP-downloadhulpmiddel uit en voltooi het downloaden
van de firmware.
6. Als het downloaden van de firmware is geslaagd, start u de
printserver opnieuw. De configuratie-instellingen van vóór
de mislukte firmware-download worden hersteld.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 229
Problemen met de LPD-configuratie
voor UNIX oplossen
Opmerking Bij draadloze HP Jetdirect-printservers wordt
er in deze sectie van uitgegaan dat een draadloze
verbinding met het netwerk tot stand is gebracht.
De onderstaande stappen beschrijven hoe u problemen met het
afdrukken met de HP Jetdirect-printserver kunt oplossen.
1. Druk een Jetdirect-configuratiepagina af.
2. Controleer of de IP-configuratiewaarden correct zijn. Als dit niet
het geval is, moet u de HP Jetdirect-printserver opnieuw
configureren.
3. Meld u aan bij het hostsysteem en typ:
ping <IP address>
waarbij
<IP address>
het IP-adres is dat is toegekend aan
de printer.
4. Als ping mislukt, moet u controleren of het IP-adres op de
configuratiepagina correct is. Als het adres correct is, is er een
probleem met het netwerk.
5. Als de ping-test slaagt, moet u een testbestand afdrukken.
Typ achter de UNIX-prompt:
lpr -Pprinter_name test_file
(voor op BSD gebaseerde
systemen en Linux-systemen)
waarbij
printer_name
de naam van uw printer is en
test_file
een bestand (ASCII, PCL, PostScript, HP-GL/2
of tekst) voor de printer, gedefinieerd in de
:rp
-code in het
printcap-bestand.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 230
6. Ga als volgt te werk als het testbestand niet wordt afgedrukt:
Controleer de printcap-gegevens.
Controleer de printerstatus (met behulp van LPC of een
soortgelijk proces).
Controleer de inhoud van het logbestand voor deze printer;
bijvoorbeeld
/usr/spool/lpd/error_log_filename
Controleer andere logbestanden, zoals
HP-UX:
/usr/adm/syslog
7. Als het testbestand wordt afgedrukt maar niet juist is
geformatteerd, gaat u als volgt te werk:
Controleer de :rp-code in het printcap-bestand.
Voorbeeld 1 (voorgestelde naam voor een ASCII-
of tekstprinter):
text | lj1_text:\
:lp=:\
:rm=laserjet1:\
:rp=text:\
:lf=/usr/spool/lpd/ERRORLOG:\
:sd=/usr/spool/lpd/lj1_text:
Voorbeeld 2 (voorgestelde naam voor PostScript-,
PCL- of HP-GL/2-printers):
raw | lj1_raw:\
:lp=:\
:rm=laserjet:\
:rp=raw:\
:lf=/usr/spool/lpd/ERRORLOG:\
:sd=/usr/spool/lpd/lj1_raw:
8. Controleer of de printer is ingesteld voor het afdrukken van
het type testbestand dat u hebt opgegeven: PCL, PostScript,
HP-GL/2 of ASCII.
NLWW Problemen met de HP Jetdirect-printserver oplossen 231
9. Controleer of de printer is uitgezet of dat de LAN-verbinding
is verbroken tijdens een afdruktaak. LPD-wachtrijen kunnen
worden uitgeschakeld of stoppen mogelijk met het verzenden
van gegevens als de printer wordt uitgezet of als de
LAN-verbinding wordt verbroken terwijl de printer bezig is met
het uitvoeren van een afdruktaak. (Voorbeeld: de printer wordt
uitgezet om een papierstoring te verhelpen.)
Gebruik de HP-UX-opdracht
lpstat-Pqname
om te
controleren of de wachtrij is uitgeschakeld nadat de printer
opnieuw is aangezet of de verbinding weer is hersteld.
De uitgeschakelde wachtrij kan opnieuw worden gestart met
de volgende opdracht:
HP-UX:
enable qname
NLWW 232
9
HP Jetdirect-configuratiepagina
Inleiding
De HP Jetdirect-configuratiepagina vormt een belangrijk
hulpmiddel voor het beheren van HP Jetdirect-printservers en het
oplossen van problemen. Deze pagina biedt identificatie-informatie
(zoals het HP Jetdirect-model, de versie van de firmware en het
LAN-hardwareadres) en status- en configuratieparameters van
ondersteunde netwerkprotocollen. Tevens vindt u op deze pagina
statistische gegevens over het netwerk die zijn verzameld door de
printserver.
De HP Jetdirect-configuratiepagina kan rechtstreeks naar de
aangesloten printer worden afgedrukt. De opmaak van de
Jetdirect-configuratiepagina is afhankelijk van:
het printermodel
het HP Jetdirect-model en de versie van de firmware
Voor HP EIO-printers (Enhanced I/O) waarop een HP Jetdirect
EIO-printserver is geïnstalleerd, wordt een
Jetdirect-configuratiepagina automatisch afgedrukt na het
afdrukken van een printerconfiguratiepagina. Zie voor instructies
de handleidingen bij de printer.
De HP Jetdirect-configuratiepagina kan tevens over het netwerk
worden bekeken met behulp van een beheerhulpprogramma (zoals
HP Web Jetadmin) of door naar de ingesloten webserver op de
HP Jetdirect-printserver te gaan (zie Hoofdstuk 4
).
Statusveldfoutberichten
De HP Jetdirect-configuratiepagina bevat diverse statusvelden
voor de printserver en de ondersteunde protocollen. In een
statusveld kunnen een of meer foutcodes en verwante foutberichten
worden weergegeven. Voor informatie over alle foutberichten
raadpleegt u Tabel 9.12
.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 233
Opmaak van de configuratiepagina
Een voorbeeld van een Jetdirect-configuratiepagina wordt
weergegeven in Afbeelding 9.1
. De configuratiepagina die
wordt weergegeven, is afhankelijk van de printserver.
Afbeelding 9.1 Voorbeeld van een Jetdirect-configuratiepagina
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 234
De Jetdirect-configuratiepagina is onderverdeeld in gedeelten,
zoals aangegeven in de volgende tabel. In de rest van dit hoofdstuk
vindt u voor elk gedeelte gedetailleerde beschrijvingen en
instellingen van de parameters, alsook foutberichten.
Naam van
gedeelte
Beschrijving
HP Jetdirect-con
figuratie of alge-
mene informatie
Geeft de HP Jetdirect-printserver aan en bevat de algemene
status. Zie Tabel 9.1
voor informatie over items in dit gedeelte.
(Zie Tabel 9.12
voor foutberichten.)
Informatie over
USB-printer
(Alleen externe HP Jetdirect-printservers) Bevat de huidige status
van de USB-verbinding met de printer. Zie Tabel 9.2
.
(Zie Tabel 9.12
voor foutberichten.)
802.11b
draadloos
(Alleen draadloze HP Jetdirect-printservers) Bevat de huidige
status van de draadloze verbinding en geeft de huidige
geconfigureerde parameters voor het draadloze netwerk aan.
Zie Tabel 9.3
. (Ook foutberichten zijn in de tabel opgenomen.)
Beveiligingsin-
stellingen:
Biedt de huidige status van beveiligingsparameters voor
configuratie en toegang. Zie Tabel 9.4
.
Diagnostische
gegevens
netwerk
(Alleen draadloze HP Jetdirect-printservers) Bevat de huidige
waarden van verschillende netwerkparameters die door de
HP Jetdirect-printserver worden bewaakt. Zie Tabel 9.5
.
TCP/IP Biedt de huidige status en waarden voor de
TCP/IP-netwerkprotocollen. Zie Tabel 9.6
. (Zie Tabel 9.12 voor
foutberichten.)
IPX/SPX Biedt de huidige status en parameterwaarden voor de
IPX/SPX-netwerkprotocollen. Zie Tabel 9.7
. (Zie Tabel 9.12 voor
foutberichten.)
Novell/NetWare Biedt de huidige status en parameterwaarden voor een
Novell Netware-netwerk. Zie Tabel 9.8
. (Zie Tabel 9.12 voor
foutberichten.)
AppleTalk Biedt de huidige status en parameterwaarden voor de
AppleTalk-netwerkprotocollen. Zie Tabel 9.9
. (Zie Tabel 9.12 v oo r
foutberichten.)
DLC/LLC Biedt de huidige status en parameterwaarden voor de
DLC/LLC-netwerkprotocollen. Zie Tabel 9.10
. (Zie Tabel 9.12
voor foutberichten.)
Diagnostische
gegevens
Token Ring
(Alleen Token Ring) Bevat aanvullende diagnostische status
die wordt geregistreerd door Token Ring-printservers.
Zie Tabel 9.11
. (Zie Tabel 9.12 voor foutberichten.)
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 235
Berichten op de configuratiepagina
HP Jetdirect-configuratie/algemene informatie
De informatie in dit gedeelte bevat de algemene
HP Jetdirect-printserverconfiguratie zoals beschreven
in Tabel 9.1
. Raadpleeg voor foutberichten Tabel 9.12.
Tabel 9.1 Configuratie HP Jetdirect (1 van 3)
Bericht Beschrijving
STATUS: Huidige status van de HP Jetdirect-printserver.
I/O-KAART KLAAR: de HP Jetdirect-printserver is correct
aangesloten en wacht op gegevens.
INITIALISATIE I/O-KAART: de HP Jetdirect-printserver
is bezig met het initialiseren van de netwerkprotocollen.
Zie voor meer informatie de statusregel van het
netwerkbesturingssysteem op de configuratiepagina.
I/O-KAART NIET KLAAR: er is een probleem met de
printserver of de configuratie.
Als de printserver niet klaar is, worden een foutcode
en -bericht weergegeven. Zie voor meer informatie
Tabel 9.12
.
MODELNUMMER: Het modelnummer van de HP Jetdirect-printserver
(bijvoorbeeld J6057A)
HARDWAREADRES: Het twaalfcijferige hexadecimale netwerkhardwareadres
(MAC) van de HP Jetdirect-printserver die in de printer
of het apparaat is geïnstalleerd. Dit adres wordt door de
fabrikant toegewezen.
FIRMWARE-VERSIE: Het firmware-revisienummer van de
HP Jetdirect-printserver die momenteel in de printer is
geïnstalleerd. De notatie is als volgt: X.NN.NN, waarbij
X een letter is die afhangt van het model van de
HP Jetdirect-printserver.
SELECTIE POORT: (Alleen voor Ethernet) Geeft de poort aan de
HP Jetdirect-printserver aan die voor gebruik is gevonden:
GEEN: de printserver is niet op het netwerk aangesloten.
RJ-45: de RJ-45-netwerkpoort is aangesloten.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 236
GEGEVENSSNELHEID: Bepaalt de gegevenssnelheid voor Token Ring waarvoor
de HP Jetdirect-printserver is geconfigureerd: 4 Mbps of
16 Mbps.
De instelling moet overeenkomen met de
gegevenssnelheid van het netwerk.
De snelheid van de gegevens wordt geconfigureerd met
behulp van een schakelaar op de printserver. Zie de
Print Server Hardware Installation Guide.
LAA Met het Locally Administered Address (LAA) wordt het
door de gebruiker opgegeven LAN-hardwareadres van
een printserver aangeduid. Sommige netwerkbeheerders
kunnen dit adres nodig hebben. Het standaardadres is
het in de fabriek ingestelde LAN-hardwareadres van de
printserver.
POORTCONFIG: Geeft de configuratie aan van de koppeling van de
RJ-45-poort op de HP Jetdirect
10/100Base-TX-printserver:
10BASE-T HALF: 10 Mbps, half-duplex
10BASE-T FULL: 10 Mbps, full-duplex
100TX HALF: 100Mbps, half-duplex
100TX-FULL: 100Mbps, full-duplex
ONBEKEND: de printserver is bezig met initialiseren.
VERBROKEN: er is geen netwerkverbinding gevonden.
Controleer de netwerkkabels.
AUTONEGOTIATION Geeft aan of de IEEE 802.3u Autonegotiation op de
HP Jetdirect 10/100TX-poort is ingeschakeld (AAN) of
uitgeschakeld (UIT).
AAN (standaardinstelling): de HP Jetdirect-printserver
probeert zichzelf automatisch op de juiste snelheid (10
of 100 Mbps) en met de juiste modus (half- of full-duplex)
op het netwerk te configureren. Autonegotiation is na het
herstellen van de fabriekswaarden ingeschakeld.
UIT: u moet de snelheid en de modus handmatig
configureren via het EIO-menu in het bedieningspaneel
van de printer. Als Autonegotiation is uitgeschakeld,
moeten de instellingen voor juiste werking overeenkomen
met de instellingen van het netwerk.
FABRICAGE-ID: De fabricage-identificatiecode voor gebruik door de
medewerkers van de on line ondersteuning van HP.
VERVAARDIGD OP: De datum waarop de HP Jetdirect-printserver is gemaakt.
Totaal verzonden (Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers) Totaal
aantal frames (pakketten) dat zonder fouten is verzonden.
Tabel 9.1 Configuratie HP Jetdirect (2 van 3)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 237
Instellingen voor een USB-printer
Dit gedeelte heeft alleen betrekking op externe
HP Jetdirect-printservers met USB-printeraansluitingen.
USB-informatie op de HP Jetdirect-configuratiepagina wordt
beschreven in Tabel 9.2
. Voor niet-HP-apparaten is mogelijk niet
alle informatie beschikbaar.
Totaal ontvangen (Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers)
Totaal aantal foutloze frames (pakketten) dat door
de HP Jetdirect-printserver is ontvangen. Dit zijn
broadcast-pakketten, multicast-pakketten en pakketten
die speciaal voor de printserver zijn bestemd. Hierbij zijn
niet inbegrepen de pakketten die specifiek voor andere
knooppunten zijn bestemd.
Tabel 9.2 USB-instellingen (1 van 2)
Bericht Beschrijving
Apparaatnaam Naam van het aangesloten USB-afdrukapparaat,
opgegeven door de fabrikant.
Fabrikant Fabrikant van het aangesloten afdrukapparaat.
Serienummer Het serienummer van de fabrikant voor het aangesloten
afdrukapparaat.
Tabel 9.1 Configuratie HP Jetdirect (3 van 3)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 238
Communicatiemodus Huidige USB-communicatiemodus:
1284.4: IEEE-standaardprotocol, een modus voor
printers en alles-in-één-apparaten waarbij meerdere
kanalen voor gelijktijdige afdruk-, scan- en
statuscommunicatie mogelijk zijn.
MLC: (Multiple Logical Channels) een propriëtaire
communicatiemodus van HP, een modus voor printers
en alles-in-één-apparaten waarbij meerdere kanalen
voor gelijktijdige afdruk-, scan- en statuscommunicatie
mogelijk zijn.
Bidirectioneel: printercommunicatie in twee richtingen
waarbij afdrukgegevens naar het afdrukapparaat wordt
gezonden en statusgegevens worden teruggezonden
vanaf het afdrukapparaat.
Unidirectioneel: communicatie in één richting naar het
afdrukapparaat.
Apparaat onvindbaar: er is geen verbinding met een
afdrukapparaat gevonden. Controleer het apparaat en
de kabel.
Apparaat niet ondersteund: het aangesloten apparaat is
geen printer (bijvoorbeeld een camera).
USB-SNELHEID (Alleen voor USB 2.0-printservers) De automatisch
onderhandelde communicatiesnelheid via de
USB-verbinding tussen de printserver en het apparaat.
Volledige snelheid: 12 Mbits/sec zoals aangegeven
in de USB v2.0-specificaties, compatibel met
USB v1.1-specificaties.
Hoge snelheid: 480 Mbits/sec, alleen voor
USB v2.0-apparaten.
Geen verbinding: de USB-poort is niet aangesloten.
Tabel 9.2 USB-instellingen (2 van 2)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 239
Instellingen draadloze 802.11b
Draadloze status, configuratieparameters en foutberichten worden
weergegeven in Tabel 9.3
.
Tabel 9.3 Instellingen draadloze 802.11b (1 van 4)
Bericht Beschrijving
Status Huidige configuratiestatus van draadloze 802.11b.
Klaar: er is een draadloze verbinding met het netwerk tot
stand gebracht.
Infrastructuurmodus: verbonden met een toegangspunt
en geverifieerd in het netwerk.
Ad-hocmodus: rechtstreekse draadloze communicatie
met andere netwerkapparaten (in Ad-hocmodus worden
geen toegangspunten gebruikt).
Initialisatie: de printserver start, voert zelftesten uit en
controleert de interne communicatie.
Scannen: de printserver scant naar het opgegeven netwerk.
Status- of foutberichten die ook kunnen worden
weergegeven, ziet u hieronder.
Infrastructuurmodus: de printserver scant op alle
kanalen naar een netwerk (toegangspunt) met de
opgegeven SSID.
Ad-hocmodus: de printserver scant op alle kanalen naar
een netwerk (toegangspunt) met de opgegeven SSID
of heeft een werkgroep gemaakt waarbij niemand is
aangesloten.
Fout: er is een fout in een draadloze verbinding opgetreden
waardoor verbinding of verficatie met een toegangspunt niet
mogelijk is (Infrastructuur-modus) of waardoor verbinding
met een ad-hocnetwerk niet mogelijk is. Status- of
foutberichten die ook kunnen worden weergegeven,
ziet u hieronder.
Statusberichten/foutberichten
GEEN SIGNAAL GEDETECTEERD: (alleen
Infrastructuur-modus) De printserver heeft geen
toegangspunt en geen radiosignaal gevonden.
BEZIG MET SCANNEN NAAR SSID: de printer scant
op alle kanalen naar apparaten op de opgegeven SSID.
Controleer de opgegeven SSID of controleer de status
van het toegangspunt (Infrastructuur-modus) of andere
draadloze apparaten.
De printer gaat door met scannen naar de
opgegeven SSID.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 240
VERIFICATIE IN VOORTGANG: de verificatie
op koppelingsniveau wordt uitgevoerd.
In Infrastructuur-modus kan ook verificatie
op serverbasis worden uitgevoerd.
VERIFICATIE MISLUKT: de HP Jetdirect-printserver
kreeg geen toegang tot het netwerk wegens een
verificatiefout. De fout is afhankelijk van de gebruikte
verificatiemethode. Controleer de verificatiemethode
met het veld Verificatietype.
CODERING VEREIST: codering is vereist op
dit netwerk, maar is niet ingeschakeld op de
HP Jetdirect-printserver. Controleer de configuratie
van de codering.
Communicatiemodus Bepaalt de topologie van het draadloze netwerk die
op de Jetdirect-printserver wordt geconfigureerd.
Infrastructuur: draadloze verbinding met een toegangspunt
(gateway, brug, basisstation) dat netwerkverkeer tussen alle
netwerkknooppunten ontvangt en doorzendt.
Ad hoc: een directe draadloze peer-to-peer-verbinding
met alle netwerkknooppunten zonder routering via een
toegangspunt.
Netwerknaam (SSID) De naam van het netwerk (SSID) waarop de printserver is
aangesloten.
Signaalsterkte (1-5) De sterkte van het radiosignaal dat door de printserver
wordt ontvangen. De volgende items kunnen worden
weergegeven:
1, 2, 3, 4, 5: geeft de signaalsterkte aan. Niveau 1 (slecht),
niveaus 2 en 3 (zwak), niveau 4 (goed), niveau 5
(uitstekend).
Geen signaal: geen radiosignaal gevonden op de kanalen.
<leeg>: geen radiosignaal gevonden tijdens het scannen.
Niet van toepassing: signaalsterkte is niet van toepassing
wanneer de printserver zich in Ad-hocmodus bevindt.
Toegangspunt / BSSID Basic Service Set Identifier (BSSID) is een 6-bytes getal dat
twee draadloze LAN's (WLAN's) van elkaar onderscheidt,
ook wanneer ze beiden dezelfde netwerknaam (SSID)
bezitten.
Infrastructuurmodus: het MAC-adres of de naam van het
toegangspunt waarmee de draadloze Jetdirect-printserver
is verbonden.
Ad-hocmodus: een willekeurig getal of naam gegenereerd
door de initiator van het ad-hocnetwerk.
Tabel 9.3 Instellingen draadloze 802.11b (2 van 4)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 241
Kanaal Het radiofrequentiekanaal dat de printserver heeft
gevonden en voor communicatie in het netwerk heeft
geconfigureerd. Omdat dit automatisch op basis van het
netwerk is ontdekt, is het mogelijk dat dit kanaal verschilt
van het kanaal dat door de gebruiker is geconfigureerd
(dit wordt alleen voor broadcasts gebruikt als het
opgegeven netwerk/de opgegeven SSID niet wordt
gevonden).
Kanaalnummer 1 t/m 14 kunnen worden weergegeven.
De toegestane kanalen zijn afhankelijk van het/de
land/regio.
Verificatietype Geeft de verificatiemethode weer die op de
Jetdirect-printserver is geconfigureerd. Deze moet
overeenkomen met de methode die wordt gebruikt in
het netwerk waarmee de printserver wordt verbonden.
Open System: Voor netwerktoegang is geen positieve
validatie van de id van een apparaat vereist, tenzij voor
het netwerk EAP-verificatie nodig is. Een verificatiefout
kan aangeven dat de EAP-verificatieserver
netwerktoegang heeft geweigerd.
Shared Key: elk apparaat in het netwerk moet met een
gedeelde geheime WEP-sleutel zijn geconfigureerd
om toegang tot het netwerk te krijgen. Er kunnen
verificatiefouten ontstaan voor de Jetdirect-printserver
als de geïnstalleerde sleutel onjuist is of als de verkeerde
sleutel actief is (wanneer er meerdere sleutels op de
printserver zijn geconfigureerd en opgeslagen).
EAP: (Alleen Infrastructuur-modus) IEEE 802.1x EEG
(Extensible Authentication Protocol) maakt gebruik van
netwerkverificatieservers voor clienttoegang. HP Jetdirect
EAP ondersteunt LEAP-, PEAP-, EAP-MD5-, EAP-TLS-en
EAP-TTLS-verificatieprotocollen. Een verificatiefout
kan erop duiden dat de EAP-verificatieserver het
verificatieverzoek van de printserver heeft afgewezen.
PSK: Wanneer in een netwerk geen verificatieserver
beschikbaar is, wordt EAP (Extensible Authentication
Protocol) gebruikt voor verificatie door middel van een
vooraf gedeelde sleutel. De vooraf gedeelde sleutel wordt
door de printserver gegenereerd op basis van een door de
gebruiker opgegeven netwerkwachtzin die op de printserver
is geconfigureerd.
Tabel 9.3 Instellingen draadloze 802.11b (3 van 4)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 242
Beveiligingsinstellingen:
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
wordt beschreven in Tabel 9.4
.
Coderingstype Het coderingsniveau dat op de Jetdirect-printserver is
geconfigureerd.
64-bit WEP: een door de gebruiker opgegeven statische
40/64-bits WEP-coderingssleutel is geconfigureerd
op basis van vijf alfanumerieke ASCII-tekens of tien
hexadecimale cijfers.
128-bit WEP: een door de gebruiker opgegeven statische
104/128-bits WEP-coderingssleutel is geconfigureerd
op basis van 13 alfanumerieke ASCII-tekens of
26 hexadecimale cijfers.
Dynamisch (WEP/WPA): er wordt dynamische codering
gebruikt met WEP, WPA of beide.
None: er zijn geen coderingssleutels geconfigureerd.
Tabel 9.4 Beveiligingsinstellingen: (1 van 3)
Bericht Beschrijving
Beheerderswachtwoord: Geeft aan of er een IP-beheerderswachtwoord is
geconfigureerd op de printserver. Dit wachtwoord
wordt ook gebruikt voor Telnet, de ingesloten webserver
en HP Web Jetadmin om de toegang tot
configuratieparameters van de printserver te regelen.
Er mogen maximaal 16 alfanumerieke tekens worden
gebruikt.
Niet ingest.: er is geen beheerderswachtwoord ingesteld.
Ingesteld: er is een beheerderswachtwoord ingesteld.
(U kunt het wachtwoord wissen door de fabriekswaarden
te herstellen.)
Secure Web: Het gebruik van gecodeerde communicatie tussen een
browser en de ingesloten HP Jetdirect-webserver.
Optioneel (HTTPS/HTTP): niet-gecodeerde
communicatie via standaard-HTTP-poorten en
gecodeerde communicatie via HTTPS (beveiligde HTTP)
is toegestaan.
HTTPS vereist: alleen gecodeerde communicatie via
HTTPS is toegestaan.
Tabel 9.3 Instellingen draadloze 802.11b (4 van 4)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 243
Cert. verloopt: Geeft de vervaldatum aan van het digitale certificaat
voor gecodeerde SSL/TLS-beveiliging. De datum wordt
weergegeven in UTC-notatie (bijvoorbeeld 2002-10-02
12:45 UTC).
Niet van toepassing: wordt weergegeven als er geen
digitaal certificaat is geïnstalleerd.
SNMP-versies: Geeft de SNMP-versies aan die zijn ingeschakeld op de
printserver.
Uitgeschakeld: alle SNMP-versies op de printserver zijn
uitgeschakeld. Er is geen SNMP-toegang toegestaan.
1;2: SNMP v.1 en SNMP v.2c worden ondersteund en
SNMP v.3 is uitgeschakeld of wordt niet ondersteund.
1;2;3-na/np: SNMP v.1, v.2c en v.3 zijn ingeschakeld.
SNMP v.3 is ingeschakeld met de minimumbeveiliging
"no authentication" ("na") en "no privacy" ("np").
1;2;3-a/np: SNMP v.1, v.2c en v.3 zijn ingeschakeld.
SNMP v.3 is ingeschakeld met de minimumbeveiliging
"authentication" ("a") en "no privacy" ("np").
1;2;3-a/p: SNMP v.1, v.2c en v.3 zijn ingeschakeld. v.3 is
ingeschakeld met de minimumbeveiliging "authentication"
("a") en "privacy" ("p").
3-na/np: SNMP v.1 en v.2c zijn uitgeschakeld. SNMP v.3
is ingeschakeld met de minimumbeveiliging "no
authentication" ("na") en "no privacy" ("np").
3-a/np: SNMP v.1 en v.2c zijn uitgeschakeld. SNMP v.3 is
ingeschakeld met de minimumbeveiliging "authentication"
("a") en "no privacy" ("np").
3-a/p: SNMP v.1 en v.2c zijn uitgeschakeld. SNMP v.3 is
ingeschakeld met de minimumbeveiliging "authentication"
("a") en "privacy" ("p").
SNMP-gebr.groepnaam
ingest.:
Geeft aan of er een SNMP-gebruikersgroepnaam is
geconfigureerd op de HP Jetdirect-printserver.
Een SNMP-gebruikersgroepnaam is een wachtwoord
voor schrijftoegang tot de functies voor het regelen
van de SNMP (SNMP SetRequests) op de
HP Jetdirect-printserver.
Niet opgegeven: er is geen SNMP-gebruikersgroepnaam
opgegeven.
Opgegeven: er is een door de gebruiker opgegeven
SNMP-gebruikersgroepnaam ingesteld.
Tabel 9.4 Beveiligingsinstellingen: (2 van 3)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 244
Diagnostische gegevens netwerk
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
wordt beschreven in Tabel 9.5
.
Toegangslijst: Geeft aan of er op de HP Jetdirect-printserver
een controlelijst voor hosttoegang geconfigureerd is.
De controlelijst voor hosttoegang geeft het IP-adres van
aparte systemen of een IP-netwerk van systemen aan die
toestemming hebben voor toegang tot de printserver en
het apparaat.
Opgegeven: er is op de HP Jetdirect-printserver een
controlelijst voor hosttoegang geconfigureerd.
Niet opgegeven: er is op de printserver geen controlelijst
voor hosttoegang geconfigureerd. Alle systemen
hebben toegang.
Tabel 9.5 Diagnostische gegevens netwerk (1 van 2)
Bericht Beschrijving
TOTAAL
ONTVANGEN:
Totaalaantal foutloze frames (pakketten) dat door
de HP Jetdirect-printserver is ontvangen. Dit zijn
broadcast-pakketten, multicast-pakketten en pakketten die
speciaal voor de printserver zijn bestemd. Hierbij zijn niet
inbegrepen de pakketten die specifiek voor andere
knooppunten zijn bestemd.
ONTV UNICAST: Aantal frames dat speciaal is gericht aan deze
HP Jetdirect-printserver. Broadcast- of multicast-pakketten
vallen hier niet onder.
ONTV FOUTIEF: Totaal aantal frames (pakketten) dat met fouten door de
HP Jetdirect-printserver is ontvangen.
ONTV
FRAME-FOUTEN:
Maximum aantal CRC-fouten (Cyclic Redundancy Check)
en frame-fouten. CRC-fouten zijn frames die zijn ontvangen
met CRC-fouten. Frame-fouten zijn frames die zijn
ontvangen met uitlijnfouten. Een groot aantal frame-fouten
kan betekenen dat er een bekabelingsprobleem is met
uw netwerk.
TOTAAL
VERZONDEN:
Totaal aantal frames (pakketten) dat zonder fouten is
verzonden.
ONVERZENDBARE
PAKKETTEN:
Het totaal aantal frames (pakketten) dat niet correct
verzonden is vanwege fouten.
Tabel 9.4 Beveiligingsinstellingen: (3 van 3)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 245
ZEND-COLLISIES: Aantal frames dat niet is verzonden vanwege herhaalde
collisies.
LATE COLLISIES: Totaal aantal frames dat niet is verzonden omdat er een late
collisie optrad. Late collisies doen zich vaak voor wanneer
de lengte van de kabels langer is dan in de
netwerkspecificaties is voorgeschreven. Een hoog
aantal kan erop wijzen dat er sprake is van een
bekabelingsprobleem in het netwerk.
ONTV LIJNFOUTEN: Het totaal aantal Token Ring-frames dat door de
HP Jetdirect-printserver is ontvangen met code- of
CRC-fouten (Cyclic Redundancy Check). Een groot
aantal fouten kan erop wijzen dat er sprake is van een
bekabelingsprobleem in het netwerk.
ONTV
BURST-FOUTEN:
Aantal keer dat de HP Jetdirect Token Ring-printserver
geen overgangen gedurende een periode van vijf half-bits
gedetecteerd heeft tussen de SD (Start Delimiter) en de
ED (End Delimiter).
ONTV FRAMEKOPIE: Totaal aantal ontvangen Token Ring-frames waarvoor een
framekopie-fout is aangegeven in het veld Framestatus.
ONTV LENGTEFOUT: Het aantal Token Ring-frames dat ontvangen is met
lengtefouten.
VERLOREN FRAMES: Het aantal Token Ring-frames dat verloren is gegaan.
TOKEN-FOUTEN: Het aantal keer dat overtredingen van het
token-doorgeefprotocol is gedetecteerd.
Tabel 9.5 Diagnostische gegevens netwerk (2 van 2)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 246
TCP/IP-protocolinformatie:
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
wordt beschreven in Tabel 9.6
. Raadpleeg voor foutberichten
Tabel 9.12
.
Tabel 9.6 TCP/IP-configuratie-informatie (1 van 4)
Bericht Beschrijving
STATUS: Huidige TCP-status.
KLAAR: duidt erop dat de HP Jetdirect-printserver op
gegevens wacht via TCP/IP.
UITGESCHAKELD: duidt erop dat TCP/IP handmatig
is uitgeschakeld.
INITIALISATIE: duidt erop dat de printserver naar de
BOOTP-server zoekt of het configuratiebestand
probeert op te halen via TFTP. Het is mogelijk dat
tevens een verder statusbericht wordt weergegeven.
Als de printserver niet klaar is, worden een foutcode
en -bericht weergegeven. Zie voor meer informatie
Tabel 9.12
.
HOSTNAAM: De hostnaam die op de printserver is geconfigureerd.
De naam kan worden afgekort.
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat er geen
hostnaam is aangegeven in een BOOTP-antwoord of
een TFTP-configuratiebestand.
NPIxxxxxx: de standaardnaam is NPIxxxxxx, waarbij
xxxxxx duidt op de laatste zes cijfers van het
LAN-hardwareadres (MAC).
IP-ADRES: Het IP-adres (Internet Protocol) dat is toegewezen
aan de HP Jetdirect-printserver. Dit is een verplichte
invoer voor de bediening van de printserver op een
TCP/IP-netwerk. Tijdens het initialiseren wordt een
tijdelijke waarde weergegeven (0.0.0.0). Na twee
minuten wordt het standaard-IP-adres 169.254/16
of 192.0.0.192 toegewezen.
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat er geen IP-adres
is toegewezen of dat de waarde nul is.
SUBNETMASKER: Het IP-subnetmasker wordt geconfigureerd op de
HP Jetdirect-printserver. Tijdens het initialiseren
wordt een tijdelijke waarde weergegeven (0.0.0.0).
Afhankelijk van de configuratieparameters is het
mogelijk dat door de printserver automatisch een
bruikbare standaardwaarde wordt toegewezen.
NIET OPGEGEVEN: geeft aan dat er geen
subnetmasker is geconfigureerd.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 247
STANDRD GATEWAY: Het IP-adres van de gateway die wordt gebruikt
als pakketten buiten het lokale netwerk worden
verzonden. Er mag maar één standaardgateway
worden geconfigureerd. Tijdens het initialiseren
wordt een tijdelijke waarde weergegeven (0.0.0.0).
Indien niet opgegeven, wordt het IP-adres van de
Jetdirect-printserver gebruikt.
NIET OPGEGEVEN: geeft aan dat er geen
standaardgateway is geconfigureerd.
CONFIG DOOR: Geeft aan hoe de HP Jetdirect-printserver de
IP configuratie heeft verkregen:
BOOTP: automatische configuratie via een
BOOTP-server.
BOOTP/TFTP: automatische configuratie via een
BOOTP-server en een TFTP-configuratiebestand.
DHCP: automatische configuratie via een
DHCP-server.
DHCP/TFTP: automatische configuratie via een
DHCP-server en een TFTP-configuratiebestand.
RARP: automatische configuratie via het RARP
(Reverse Address Resolution Protocol).
DOOR GEBRUIKER: handmatige configuratie via
Telnet, het bedieningspaneel van de printer,
HP Web Jetadmin, de ingesloten webserver of
een andere methode.
STANDAARD-IP: het standaard-IP-adres is
toegewezen. Dit adres is wellicht geen geldig adres
voor uw netwerk.
AUTOM. IP: er is een link-local IP-adres (169.254.x.x)
is toegewezen. Als het netwerk een link-local netwerk
is, moet dit in principe een geldig adres zijn.
NIET GECONFIGUREERD: de printserver is niet
geconfigureerd met IP-parameters. Zorg ervoor dat
TCP/IP is ingeschakeld of controleer op fouten.
BOOTP-SERVER:
of
DHCP-SERVER:
of
RARP-SERVER:
Wordt weergegeven als BOOTP, DHCP of RARP
wordt gebruikt voor de TCP/IP-configuratie. Dit geeft
het IP-adres aan van het systeem dat reageert op
de aanvraag van de HP Jetdirect-printserver voor
automatische TCP/IP-configuratie over het netwerk.
NIET OPGEGEVEN: geeft aan dat het IP-adres van
de configuratieserver niet kan worden bepaald of op
nul is ingesteld in het antwoordpakket.
Tabel 9.6 TCP/IP-configuratie-informatie (2 van 4)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 248
BOOTP/DHCP-SERVER: Wordt weergegeven tijdens de initialisatie zolang
de HP Jetdirect-printserver probeert de
TCP/IP-configuratie op te halen bij een BOOTP- of
DHCP-server. Het tijdelijke adres dat wordt
weergegeven, is 0.0.0.0.
TFTP-SERVER: Het IP-adres van het systeem waar het
TFTP-configuratiebestand zich bevindt. Tijdens
het initialiseren wordt het tijdelijke adres 0.0.0.0
weergegeven.
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat er geen
TFTP-server is ingesteld.
CONFIG-BESTAND: De naam van het HP Jetdirect-configuratiebestand.
De padnaam van het bestand kan zo worden afgekort
dat deze op twee regels past.
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat een bestand niet
is opgegeven in het BOOTP-antwoord vanuit de host.
DOMEINNAAM: De DNS-naam (Domain Name System) van het
domein waarin de HP Jetdirect-printserver zich
bevindt (bijvoorbeeld ondersteuning.firma.com).
Dit is niet een volledig correcte DNS-naam
(bijvoorbeeld printer1.ondersteuning.firma.com),
omdat de naam van de hostprinter niet wordt vermeld.
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat op de printserver
geen domeinnaam is geconfigureerd.
DNS-SERVER: Het IP-adres van de DNS-server
(Domain Name System).
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat op de printserver
geen IP-adres voor de DNS-server is geconfigureerd.
WINS-SERVER: Het IP-adres van de WINS-server (Windows Internet
Name Service).
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat op de printserver
geen IP-adres voor de WINS-server is
geconfigureerd.
SYSLOG-SERVER: Het IP-adres van de syslog-server dat op
de printserver is geconfigureerd.
NIET OPGEGEVEN: geeft aan dat er geen
syslog-server is geconfigureerd.
Tabel 9.6 TCP/IP-configuratie-informatie (3 van 4)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 249
INACTIV-TIMEOUT: De waarde voor de time-out uitgedrukt in seconden
nadat de printserver een inactieve verbinding voor
TCP-afdrukgegevens heeft afgesloten. Acceptabele
waarden zijn gehele getallen tussen 0 en 3600. Een
waarde van nul schakelt het timeout-mechanisme uit.
De standaardwaarde is 270 seconden.
SLP: Geeft aan of de HP Jetdirect-printserver
SLP-pakketten (Service Location Protocol) verzendt
die door toepassingsprogramma's worden gebruikt
voor geautomatiseerde installatie.
INGESCHAKELD: de printserver verzendt
SLP-pakketten.
UITGESCHAKELD: de printserver verzendt geen
SLP-pakketten.
WEB JETADMIN URL: Wanneer de HP Jetdirect-printserver op het netwerk
door HP Web Jetadmin wordt gevonden, wordt de
URL weergegeven van het hostsysteem dat voor
de services van HP Web Jetadmin wordt gebruikt.
De URL is beperkt tot twee regels en kan worden
afgekort.
NIET OPGEGEVEN: duidt erop dat de URL van de
hostcomputer voor Web Jetadmin niet kon worden
vastgesteld of niet is geconfigureerd.
Tabel 9.6 TCP/IP-configuratie-informatie (4 van 4)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 250
IPX/SPX-protocolinformatie:
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
wordt beschreven in Tabel 9.7
. Raadpleeg voor foutberichten
Tabel 9.12
.
Tabel 9.7 IPX/SPX-configuratie-informatie: (1 van 2)
Bericht Beschrijving
STATUS: Geeft de huidige status van het IPX/SPX-protocol aan.
KLAAR: duidt erop dat de HP Jetdirect-printserver op
gegevens wacht via IPX/SPX.
UITGESCHAKELD: duidt erop dat IPX/SPX handmatig is
uitgeschakeld.
INITIALISATIE: duidt erop dat de printserver bezig is met
het registreren van het knooppuntadres of de naam.
Het is mogelijk dat tevens een verder statusbericht wordt
weergegeven.
Als de printserver niet klaar is, worden een foutcode en
-bericht weergegeven. Zie voor meer informatie Tabel 9.12
.
PRIMAIR
FRAMETYPE:
Duidt op de selectie van het frametype op de
Jetdirect-printserver.
AUTOSELECT: de printserver zoekt automatisch het
frametype en beperkt het type tot het type dat het eerst
wordt gevonden.
EN_8023: beperkt het frametype tot IPX op frames die
voldoen aan IEEE 802.3. Alle andere worden geteld en
verwijderd.
EN_II: beperkt het frametype tot IPX op Ethernet-frames.
Alle andere worden geteld en verwijderd.
EN_8022: beperkt het frametype tot IPX op IEEE 802.3
met IEEE 802.5-frames. Alle andere worden geteld en
verwijderd.
EN_SNAP: beperkt het frametype tot IPX op SNAP met
IEEE 802.3-frames. Alle andere worden geteld en
verwijderd.
TR_8022: beperkt het frametype tot IPX op IEEE 802.2
met IEEE 802.5-frames. Alle andere worden geteld en
verwijderd.
TR_SNAP: beperkt het frametype tot IPX op SNAP met
IEEE 803.5-frames. Alle andere worden geteld en
verwijderd.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 251
NETWERK
XXXXXX
XXXXXX
XXXXXX
XXXXXX
De eerste kolom (Netwerk) duidt op het netwerknummer
dat gekoppeld is aan een protocol-frametype voor de
communicatie tussen de printer en de
HP Jetdirect-printserver.
ONBEKEND: duidt erop dat de HP Jetdirect-printserver
nog steeds probeert te bepalen welk netwerknummer
moet worden gebruikt.
FRAMETYPE
XXXXX
XXXXX
XXXXX
XXXXX
De tweede kolom (Frametype) geeft het frametype aan dat
wordt gebruikt met het bijbehorende netwerknummer:
EN_8023, EN_8022, EN_II, EN_SNAP, TR_8022,
TR_SNAP. Tenzij een specifiek frametype handmatig is
geconfigureerd, wordt het protocol-frametype door de
printserver automatisch bepaald door te luisteren naar de
netwerkgegevens die over het netwerk worden verzonden.
UITGESCHAKELD: duidt erop dat een specifiek frametype
voor het desbetreffende netwerk handmatig is
geconfigureerd.
ONTV
XXXX
XXXX
XXXX
XXXX
De derde kolom (Ontv) geeft aan hoeveel pakketten er voor
elk frametype zijn ontvangen.
Tabel 9.7 IPX/SPX-configuratie-informatie: (2 van 2)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 252
Novell NetWare-parameters
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
wordt beschreven in Tabel 9.8
. Raadpleeg voor foutberichten
Tabel 9.12
.
Tabel 9.8 Novell NetWare-configuratie-informatie (1 van 2)
Bericht Beschrijving
STATUS: Geeft de huidige status van de Novell
NetWare-configuratie aan.
KLAAR: duidt erop dat de HP Jetdirect-printserver wacht
op gegevens.
UITGESCHAKELD: duidt erop dat IPX/SPX handmatig is
uitgeschakeld.
INITIALISATIE: duidt erop dat de printserver bezig is met
het registreren van het knooppuntadres of de naam.
Het is mogelijk dat tevens een verder statusbericht wordt
weergegeven.
Als de printserver niet klaar is, worden een foutcode en
-bericht weergegeven. Zie voor meer informatie
Tabel 9.12
.
KNOOPPUNTNAAM: Wachtrijserver-modus: de naam van de printserver. Deze
naam moet overeenkomen met een geldige printserver
op de desbetreffende NetWare- bestandsserver.
De standaardnaam is NPIXXXXXX, waarbij XXXXXX de
laatste zes cijfers is van het LAN-hardwareadres (MAC).
Afstandsprinter-modus: de naam die u aan de printer
hebt toegewezen tijdens het configureren van de
netwerkprinter. De standaardnaam is NPIXXXXXX.
NETWARE-MODUS: De modus die door de HP Jetdirect-printserver wordt
gebruikt.
WACHTRIJSERVER: geeft aan dat de printserver
rechtstreeks vanuit de wachtrij gegevens ontvangt.
AFSTANDSPRINTER (gevolgd door het printernummer):
duidt erop dat de printserver een Novell
NetWare-afstandsprinter emuleert.
Als de printer niet is geconfigureerd, wordt in dit veld
WACHTRIJSERVER weergegeven.
NAAM
NDS-STRUCTUUR:
De naam van de NDS-structuur (Novell Directory Services)
voor deze printer. NDS is een database met objecten die
op een NetWare-netwerk in een boomstructuur is
georganiseerd.
NIET OPGEGEVEN of leeg: NDS is uitgeschakeld.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 253
NDS-CONTEXT: De volledig correcte NDS-naam waar het object van de
HP Jetdirect-printserver zich bevindt in de NDS-structuur.
Bijvoorbeeld:
CN=lj_pserver.OU=support.OU=mycity.OU=mycompany
NIET OPGEGEVEN of leeg: NDS is uitgeschakeld.
VERBONDEN
SERVER:
Het veld Verbonden server geeft de
Jetdirect-detectiemethode [NSQ] (Nearest Service Query)
of [GSQ] (General Service Query) aan en de naam van de
proxy-bestandsserver die is gebruikt om geconfigureerde
bindingsservers te vinden.
NIET OPGEGEVEN of leeg: er is geen NetWare-server
geconfigureerd.
WACHTRIJPOLL-
INTERVAL:
(Taakpoll-interval) Duidt op de tijd (in seconden) dat de
HP Jetdirect-printserver wacht om te controleren of er
afdruktaken in een afdrukwachtrij staan.
De standaardinstelling is 2 seconden.
SAP-INTERVAL: Duidt op de tijd (in seconden) dat de
HP Jetdirect-printserver wacht tussen uitzendingen van
het SAP-protocol (Service Advertising Protocol) op het
netwerk. De standaardinstelling is 60 seconden.
SERVER x: Duidt op een NetWare-bestandsserver waarop de
HP Jetdirect-printserver is aangesloten.
Tabel 9.8 Novell NetWare-configuratie-informatie (2 van 2)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 254
AppleTalk-protocolinformatie
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
(alleen voor Ethernet) wordt beschreven in Tabel 9.9
. Raadpleeg
voor foutberichten Tabel 9.12
.
Tabel 9.9 AppleTalk-configuratie-informatie
Bericht Beschrijving
STATUS: Geeft de huidige status van de AppleTalk-configuratie aan.
KLAAR: duidt erop dat de HP Jetdirect-printserver wacht
op gegevens.
UITGESCHAKELD: duidt erop dat AppleTalk handmatig is
uitgeschakeld.
INITIALISATIE: duidt erop dat de printserver bezig is met
het registreren van het knooppuntadres of de naam.
Het is mogelijk dat tevens een verder statusbericht
wordt weergegeven.
Als de printserver niet klaar is, worden een foutcode en
-bericht weergegeven. Zie voor meer informatie
Tabel 9.12
.
NAAM: De naam van de printer in het AppleTalk-netwerk.
Een nummer achter de naam geeft aan dat er meerdere
apparaten met deze naam zijn en dat dit het N-de
voorkomen van de naam is.
ZONE: De naam van de AppleTalk-netwerkzone waarin de printer
zich bevindt.
TYPE: Het type printer dat op het netwerk wordt aanbevolen.
Er kunnen twee typen worden weergegeven.
NETWERKNUMMER:
KNOOP-
PUNTNUMMER:
NETWERKNUMMER: identificeert het
AppleTalk-netwerknummer waarop de
HP Jetdirect-printserver momenteel werkt.
KNOOPPUNTNUMMER: identificeert het
AppleTalk-knooppuntnummer dat de printserver voor
zichzelf heeft gekozen als onderdeel van zijn initialisatie.
Opmerking: de parameter voor AppleTalk fase 2 (P2) is
vooraf geconfigureerd op de HP Jetdirect-printserver.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 255
DLC/LLC-protocolinformatie
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
wordt beschreven in Tabel 9.10
.
Diagnostische gegevens Token Ring
De informatie in dit gedeelte van de Jetdirect-configuratiepagina
(alleen voor Token Ring) wordt beschreven in Tabel 9.11.
Tabel 9.10 DLC/LLC-configuratie-informatie
Bericht Beschrijving
STATUS: Geeft de huidige status van het DLC/LLC-protocol aan.
KLAAR: duidt erop dat de HP Jetdirect-printserver wacht op
gegevens.
UITGESCHAKELD: duidt erop dat DLC/LLC handmatig is
uitgeschakeld.
INITIALISATIE: duidt erop dat de printserver bezig is met
het registreren van het knooppuntadres of de naam. Het is
mogelijk dat tevens een verder statusbericht wordt
weergegeven.
Als de printserver niet klaar is, worden een foutcode en
-bericht weergegeven. Zie voor meer informatie Tabel 9.12
.
Tabel 9.11 Diagnostische gegevens Token Ring (1 van 3)
Bericht Beschrijving
Status: Geeft de status aan.
Klaar: duidt op correcte toegang tot het Token Ring-netwerk.
Fout: duidt op een fout. Raadpleeg de foutcodes en
ringstatusberichten voor meer informatie.
Code: Voor de openen-opdracht kunnen de volgende foutcodes
worden gedetecteerd:
Functiefout: de HP Jetdirect-printserver is niet in staat om
naar zichzelf uit te zenden terwijl de printserver door zijn
lus gestoken is in de draad-concentrator van Token Ring.
Dit bericht kan tevens aangeven dat er gegevensframes
zijn ontvangen vóór daadwerkelijke installatie.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 256
Code:
(vervolg)
Voor de openen-opdracht kunnen de volgende foutcodes
worden gedetecteerd:
Functiefout: de HP Jetdirect-printserver is niet in staat om
naar zichzelf uit te zenden terwijl de printserver door zijn
lus gestoken is in de draad-concentrator van Token Ring.
Dit bericht kan tevens aangeven dat er gegevensframes
zijn ontvangen vóór daadwerkelijke installatie.
Signaalverlies: duidt op één van het volgende:
De HP Jetdirect-printserver heeft verlies van het signaal
in de ring gedetecteerd. Controleer de kabel van de
HP Jetdirect-printserver naar het netwerk en controleer
de draad-concentrator.
Tijdens het openingsproces is verlies van het signaal
gedetecteerd door de ontvanger van de
HP Jetdirect-printserver (ofwel in de lus ofwel in de ring).
Time-out: de HP Jetdirect-printserver is niet in staat om zich
in de ring aan te brengen alvorens de tijd voor het
aanbrengen verstrijkt. Iedere fase van het aanbrengproces
moet voltooid worden voor de tijd van 18 seconden van de
timer verloopt.
Ring-fout: de HP Jetdirect-printserver ervaart een time-out
tijdens het activeren van een ring purge nadat de printserver
de actieve monitor geworden is; d.w.z. de
HP Jetdirect-printserver is niet in staat om de
gegevensframes van zijn eigen ring purge te ontvangen.
Ring beaconing: de HP Jetdirect-printserver ontvangt een
waarschuwingsgegevensframe na het daadwerkelijk
aanbrengen in de ring. Dit duidt op een onderbreking
in de ring.
Knooppuntadres uniek: de HP Jetdirect-printserver heeft
een ander station in de ring gevonden dat reeds het adres
heeft dat de HP Jetdirect-printserver wilt gebruiken.
Zorg ervoor dat er geen dubbele adressen zijn.
Param.verzoek: de HP Jetdirect-printserver bepaalt dat er
een RPS (Ring Parameter Server) in de ring aanwezig is,
maar reageert niet op een gegevensframe met een
initialisatieverzoek.
Verwijdering ontv: de HP Jetdirect-printserver heeft een
gegevensframe voor adapterverwijdering ontvangen tijdens
het installatieproces van Token Ring of heeft een verzoek
voor verwijdering van een ringstation ontvangen en heeft
zichzelf uit de ring verwijderd.
Tabel 9.11 Diagnostische gegevens Token Ring (2 van 3)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 257
Ring-status: De volgende ring-status kan worden gedetecteerd:
Ring-herstel: de HP Jetdirect-printserver heeft
claim-token-gegevensframes ontvangen in de ring.
De HP Jetdirect-printserver verzendt wellicht
claim-token-frames.
Eén station: de HP Jetdirect-printserver heeft bemerkt dat
hij het enige station in de ring is.
Verwijdering ontv: de HP Jetdirect-printserver heeft een
gegevensframe voor adapterverwijdering ontvangen tijdens
het installatieproces van Token Ring of heeft een verzoek
voor verwijdering van een ringstation ontvangen en heeft
zichzelf uit de ring verwijderd.
Zelfverwijderingsfout: de HP Jetdirect-printserver heeft een
interne hardwarefout gedetecteerd na de waarschuwing
voor de zelfverwijderingsprocedure en heeft zichzelf uit de
ring verwijderd.
Kabelfout lus: de HP Jetdirect-printserver heeft een
opening of een kortsluiting gedetecteerd in de kabel tussen
de HP Jetdirect-printserver en de draad-concentrator van
Token Ring. Controleer of deze kabel naar behoren werkt
en vervang indien noodzakelijk.
Transmit-beacon: de HP Jetdirect-printserver is bezig met
het uitzenden van waarschuwingsframes naar de ring.
Permanente fout: de HP Jetdirect-printserver is bezig met
het uitzenden of ontvangen van waarschuwingsframes naar
of van de ring.
Signaalverlies: duidt op één van het volgende:
De HP Jetdirect-printserver heeft verlies van het signaal
in de ring gedetecteerd. Controleer de kabel van de
HP Jetdirect-printserver naar het netwerk en controleer
de draad-concentrator.
Tijdens het openingsproces is verlies van het
signaal gedetecteerd door de ontvanger van de
HP Jetdirect-printserver (ofwel in de lus ofwel in de ring).
Tabel 9.11 Diagnostische gegevens Token Ring (3 van 3)
Bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 258
Foutberichten
Foutcodes en berichten die in het statusgedeelte van de
Jetdirect-configuratiepagina kunnen worden weergegeven,
zijn beschreven in Tabel 9.12
.
Tabel 9.12 Foutberichten (1 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
02 LAN-FOUT-INT. -
RONDKOPPEL TEST
Tijdens de zelftest heeft de HP Jetdirect-printserver tijdens
de interne rondkoppeltest een fout gevonden. Wellicht is
de printserver defect. Als de fout aanhoudt, vervangt u de
HP Jetdirect-printserver.
03 LAN-FOUT-EXT. -
RONDKOPPEL TEST
De HP Jetdirect-printserver is verkeerd op het
netwerk aangesloten of is defect. Zorg ervoor dat de
HP Jetdirect-printserver naar behoren op het netwerk is
aangesloten. Controleer verder de bekabeling en de
aansluitingen.
05 GEEN SIGNAAL
GEDETECTEERD
(Draadloze 802.11b, alleen Infrastructuur-modus)
De printserver heeft geen toegangspunt en geen
radiosignaal gevonden.
Ga na of er storingsbronnen voor de radiosignalen zijn.
Verplaats de printserver of de externe antenne (indien van
toepassing) indien mogelijk naar een hoger gelegen locatie.
Ga na of andere draadloze apparaten zijn ingeschakeld en
zich in het signaalbereik van de printserver bevinden.
06 CODERING
VEREIST
(Draadloze 802.11b) Op dit netwerk is codering vereist,
maar als gevolg van onjuiste coderingsinstellingen kan er
geen communicatie tussen de printserver en het netwerk
plaatsvinden. Controleer de coderingsinstellingen voor
draadloze communicatie die op de printserver zijn
geconfigureerd.
07 LAN-FOUT -
CONTROLLER-CHIP
(Vast Ethernet) Controleer de netwerkverbindingen. Als de
verbindingen intact zijn, voert u de power-on zelftest uit:
zet de printer uit en vervolgens weer aan. Als de fout
aanhoudt, vervangt u de HP Jetdirect-printserver.
07 VERIFICATIE
MISLUKT
(Draadloze 802.11b) De Jetdirect-printserver kreeg geen
toegang tot het netwerk wegens een verificatiefout. De fout
is afhankelijk van de gebruikte verificatiemethode.
Controleer de verificatiemethode en -instellingen die op
de printserver zijn geconfigureerd. Als de printserver is
geconfigureerd voor Open System-verificatie terwijl voor het
netwerktoegangspunt EAP vereist is, resulteert dit in een
verificatiefout, ook al werkt de printserver goed.
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 259
08 LAN-FOUT -
ONEINDIG UITSTEL
Blokkering op het netwerk.
Opmerking:
als de printserver niet op het netwerk is
aangesloten, kan deze fout niet optreden.
08 VERIFICATIE IN
VOORTGANG
(Draadloze 802.11b) De verificatie op koppelingsniveau
wordt uitgevoerd. Als de printserver in de
Infrastructuur-modus staat, kan ook verificatie op
serverbasis worden uitgevoerd.
09 LAN-FOUT -
OVERSPRAAK
Controleer de netwerkverbindingen. Als de verbindingen
intact zijn, voert u de power-on zelftest uit: zet de printer
uit en vervolgens weer aan. Als de fout aanhoudt, vervangt
u de HP Jetdirect-printserver. Zie voor informatie over het
vervangen de Print Server Hardware Installation Guide.
09 BEZIG MET
SCANNEN NAAR SSID
(Draadloze 802.11b) De printer scant op alle kanalen naar
apparaten op de opgegeven SSID (netwerknaam).
Controleer de opgegeven SSID of controleer de status van
het toegangspunt (Infrastructuur-modus) of andere
draadloze apparaten.
De printer gaat door met scannen naar de opgegeven SSID.
0A LAN-FOUT -
GEEN SQE
(Vast Ethernet) Controleer de netwerkverbindingen. Als de
verbindingen intact zijn, voert u de power-on zelftest uit:
zet de printer uit en vervolgens weer aan. Als de fout
aanhoudt, vervangt u de HP Jetdirect-printserver.
0A LAN-FOUT - OPEN (Token Ring) De HP Jetdirect-printserver heeft zichzelf niet
in de ring kunnen aanbrengen en zich niet aan het netwerk
kunnen toevoegen. Controleer of op de
HP Jetdirect-printserver de schakelaar voor de
gegevenssnelheid juist is ingesteld.
Raadpleeg voor informatie over de schakelaar voor de
gegevenssnelheid de installatiehandleiding voor de
apparatuur van de interne HP Jetdirect-printserver.
Controleer verder de bekabeling, de externe
zender/ontvanger, de draad-concentrator en de taps.
0C LAN-FOUT -
ONTVANGER UIT
Er kan een probleem zijn met uw netwerkbekabeling of de
HP Jetdirect-printserver. Controleer de bekabeling en de
connectors op uw Ethernet-netwerk. Als u geen probleem
kunt vinden met uw netwerkbekabeling, voert u de power-on
zelftest uit: zet de printer uit en vervolgens weer aan. Als de
fout niet verdwijnt nadat de printer weer is aangezet, is er
een probleem met de HP Jetdirect-printserver.
Tabel 9.12 Foutberichten (2 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 260
0D LAN-FOUT -
ZENDER UIT
Er kan een probleem zijn met uw netwerkbekabeling of de
HP Jetdirect-printserver. Controleer de bekabeling en de
connectors op uw Ethernet-netwerk. Als u geen probleem
kunt vinden met uw netwerkbekabeling, voert u de power-on
zelftest uit: zet de printer uit en vervolgens weer aan. Als de
fout niet verdwijnt, is er een probleem met de
HP Jetdirect-printserver.
0E LAN-FOUT -GEEN
DRAAGGOLF
Controleer de netwerkverbindingen. Als de verbindingen
intact zijn, voert u de power-on zelftest uit: zet de printer uit
en vervolgens weer aan. Als de fout aanhoudt, vervangt
u de HP Jetdirect-printserver.
0F LAN-FOUT -
KABELFOUT
(Token Ring) De HP Jetdirect-printserver heeft een opening
of een kortsluiting gedetecteerd in de kabel tussen de
HP Jetdirect-printserver en de draad-concentrator van
Token Ring. Controleer of deze kabel naar behoren werkt
en vervang indien noodzakelijk.
10 LAN-FOUT -
ONDERLOOP
(Vast Ethernet) Er kan een probleem zijn met uw
netwerkbekabeling of de HP Jetdirect-printserver.
Controleer de bekabeling en de connectors op uw netwerk.
Als u geen probleem kunt vinden met uw
netwerkbekabeling, voert u de power-on zelftest uit: zet de
printer uit en vervolgens weer aan. Als de fout niet verdwijnt,
is er een probleem met de HP Jetdirect-printserver.
10 LAN-FOUT -ZELF-
VERWIJDERING
(Token Ring) De HP Jetdirect-printserver heeft na de
waarschuwing voor de zelfverwijderingsprocedure van
Token Ring een interne hardwarefout gedetecteerd en heeft
zichzelf uit de ring verwijderd.
11 LAN-FOUT -
HERHALINGSFOUT
(Vast Ethernet) Er is een probleem met de
netwerkbekabeling of de externe netwerkconfiguratie.
Controleer de werking van de hub of de schakelaarpoort.
11 LAN-FOUT - VER-
WIJDERING ONTV.
(Token Ring) De HP Jetdirect-printserver heeft een
gegevensframe voor adapterverwijdering ontvangen
tijdens het aanbrengingsproces van Token Ring of heeft een
verzoek voor verwijdering van een ringstation ontvangen en
heeft zichzelf uit de ring verwijderd.
12 LAN-FOUT -
GEEN LINKBEAT
Met een 10/100 Base-TX-poortverbinding wordt dit bericht
weergegeven als LinkBeat niet wordt gevonden. Controleer
de netwerkkabel en controleer of de concentrator/hub
LinkBeat geeft.
13 HERCONFIG.
NETWERK -
HERSTART
Zet de HP Jetdirect-printserver uit en weer aan of gebruik
de reset-functie om de nieuwe configuratiewaarden te
activeren.
14 VERBINDING
VERBROKEN
De verbinding met het Novell NetWare-protocol is
verbroken. Controleer de server en de printserver.
Tabel 9.12 Foutberichten (3 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 261
15 CON-
FIGURATIE-FOUT
(Ethernet) De configuratie-informatie voor de
NetWare-functies zijn niet op de juiste wijze opgeslagen op
de HP Jetdirect-printserver. Gebruik de installatiesoftware,
de ingesloten webserver of een ander hulpprogramma om
de printserver opnieuw te configureren. Als deze fout niet
verdwijnt, is er wellicht een probleem met de
HP Jetdirect-printserver.
16 NIET
GECONFIGUREERD
(Ethernet) De HP Jetdirect-printserver is niet
geconfigureerd voor NetWare. Gebruik de
installatiesoftware, de ingesloten webserver of een
ander hulpprogramma om de printserver voor een
NetWare-netwerk te configureren.
17 GEEN SERVER
GEVONDEN
(Ethernet) De HP Jetdirect-printserver kon de NetWare
printserver (afstandsprinter-modus) of de bestandsserver
(wachtrijserver-modus) niet vinden. (Er was geen reactie
op servicevragen voor het aanbevelen van printservers
of bestandsservers die pasten bij de geconfigureerde
printserver- of bestandsservernaam.)
Controleer of de printserver of bestandsserver wordt
uitgevoerd en of de printserver- of bestandsservernaam die
geconfigureerd is op de HP Jetdirect-printserver
overeenkomt met de werkelijke naam van de printserver of
de bestandsserver. Controleer ook of alle kabels en routers
op de juiste wijze functioneren.
18 WACHT-
WOORD-FOUT
De HP Jetdirect-printserver heeft ontdekt dat het
wachtwoord voor het NetWare printserverobject fout is.
Gebruik een NetWare-hulpprogramma (zoals PCONSOLE)
om het wachtwoord voor het printserverobject te
verwijderen. Als de HP Jetdirect-printserver zich weer
aanmeldt, stelt deze een nieuw wachtwoord in.
Opmerking: als meerdere bestandsservers geconfigureerd
zijn, wordt de fout alleen op de configuratiepagina
weergegeven als geen van de bestandsservers is
aangesloten.
19 GEEN WACHTRIJ
TOEGEWEZEN
De HP Jetdirect-printserver heeft ontdekt dat er voor
het printserverobject geen wachtrijen toegewezen zijn.
Ken wachtrijen toe aan het printserverobject met de
hulpprogramma's voor printerinstallatie of voor NetWare.
Opmerking: als meerdere bestandsservers geconfigureerd
zijn, wordt de fout alleen weergegeven op de
configuratiepagina als geen van de bestandsservers met
succes is aangesloten.
Tabel 9.12 Foutberichten (4 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 262
1A PRINTERNUMMER
NIET GEDEF.
Er is voor deze printer geen NetWare-printernummer
geconfigureerd. Ken een geldig printernummer
aan de HP Jetdirect-printserver toe. Gebruik een
NetWare-hulpprogramma (zoals PCONSOLE), de Jetdirect
ingesloten webserver of een ander hulpprogramma om een
printernummer toe te wijzen.
1B PRINTERNUMMER
IN GEBRUIK
Het NetWare-printernummer dat is toegewezen aan de
printer, is al in gebruik door een andere printer. Ken een
ongebruikt printernummer toe. Dit kan ook gebeuren als
een printer wordt uitgezet en weer wordt aangezet, in welk
geval de fout verdwijnt nadat de printserver een time-out
geeft en de verbroken verbinding ontdekt.
1C PRINTSERVER
NIET GEDEF.
De bestandsserver heeft geen printserverobject
dat overeenkomt met de gespecificeerde NetWare
knooppuntnaam. Gebruik de printerinstallatiesoftware,
een NetWare-hulpprogramma (zoals PCONSOLE) of
een ander hulpprogramma om het printserverobject aan
te maken.
Als de HP Jetdirect-printserver geconfigureerd is
voor meerdere bestandsservers, wordt de fout alleen
weergegeven op de configuratiepagina als geen van de
bestandsservers de verbinding heeft gemaakt.
1D GEEN
VERBINDING
MET SERVER
Fout bij afstandsprinter-modus:
de
HP Jetdirect-printserver kon geen SPX-verbinding tot stand
brengen met de NetWare-printserver. Controleer of de
NetWare-printserver wordt uitgevoerd en of alle kabels en
routers op de juiste wijze functioneren.
1E
PRINTER-RESERVER
ING MISLUKT
De SPX-verbinding naar de printserver is verloren gegaan
toen de HP Jetdirect-printserver probeerde het
printernummer te reserveren. Dit duidt op een mogelijk
netwerkprobleem of een probleem met de printserver.
Controleer of alle kabels en routers op de juiste wijze
functioneren. Probeer de printserver opnieuw te starten.
1F FOUT ONDERH.
BUFFERGROOTTE
Een fout werd ontdekt bij het selecteren van de buffergrootte
die gebruikt moest worden bij het lezen van afdrukgegevens
uit de bestandsserver. Dit kan een indicatie zijn van een
netwerkprobleem.
Als de HP Jetdirect-printserver geconfigureerd is voor
meerdere bestandsservers, wordt de fout alleen op de
configuratiepagina afgebeeld als geen van de
bestandsservers met succes verbonden is.
Tabel 9.12 Foutberichten (5 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 263
20 AANMELDEN
MISLUKT
Er werd een fout ontdekt toen de HP Jetdirect-printserver
zich probeerde aan te melden bij de bestandsserver. Dit kan
veroorzaakt worden doordat het printserverobject niet op de
bestandsserver bestaat of vanwege een veiligheidscontrole
voorkomt dat de printserver zich kan aanmelden.
U moet controleren of de bestandsservernaam en
printserverobjectnaam correct zijn. Gebruik PCONSOLE
om het wachtwoord voor het printserverobject te
verwijderen. Maak een nieuw printserverobject.
Als de HP Jetdirect-printserver geconfigureerd is
voor meerdere bestandsservers, wordt de fout alleen
weergegeven op de configuratiepagina als geen van de
bestandsservers de verbinding heeft gemaakt.
21 GEEN
WACHTWOORD
INGESTELD
Een fout werd ontdekt toen de HP Jetdirect-printserver
probeerde om het wachtwoord voor het printserverobject in
te stellen. (Iedere keer wanneer de HP Jetdirect-printserver
zich zonder wachtwoord kan aanmelden, stelt deze het
wachtwoord automatisch in.) Dit duidt op een netwerk- of
beveiligingsprobleem. Maak een nieuw printserverobject.
Als meerdere bestandsservers zijn geconfigureerd, wordt
de fout alleen weergegeven op de configuratiepagina als
geen van de bestandsservers met succes is aangesloten.
22 GEEN
VERBINDING
MET SERVER
Fout bij wachtrijserver-modus:
de
HP Jetdirect-printserver kon geen NCP-verbinding met de
bestandsserver tot stand brengen. Controleer of de juiste
bestandsservers zijn aangesloten.
Als meerdere bestandsservers zijn geconfigureerd, wordt
de fout alleen weergegeven op de configuratiepagina als
geen van de bestandsservers met succes is aangesloten.
23 GEEN
WACHTRIJVERBINDI
NG MOGELIJK
Een fout werd ontdekt toen de HP Jetdirect-printserver
probeerde te verbinden met één van de wachtrijen die zijn
toegewezen aan het printserverobject. Dit kan zijn omdat
geen servers met die wachtrij mogen verbinden. Er kan ook
sprake zijn van een netwerk- of een beveiligingsprobleem.
Gebruik PCONSOLE om te controleren of het is toegestaan
dat servers verbinden met de wachtrij, om het
printserverobject te verwijderen uit de lijst van
wachtrijservers als u wilt dat de HP Jetdirect-printserver
andere wachtrijen bedient of om de wachtrij te verwijderen
en een nieuwe te maken (het printserverobject moet worden
toegevoegd aan de lijst van wachtrijservers).
Als de HP Jetdirect-printserver geconfigureerd is voor
meerdere bestandsservers, wordt de fout alleen
weergegeven op de configuratiepagina als geen van de
bestandsservers de verbinding heeft gemaakt.
Tabel 9.12 Foutberichten (6 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 264
24 VERBINDING
PSERVER
VERBROKEN
De NetWare-printserver heeft verzocht om beëindiging van
de verbinding met de HP Jetdirect-printserver. Er is geen
fout en er is ook geen fout aangegeven. Controleer of de
NetWare-printserver wordt uitgevoerd en start deze indien
nodig opnieuw.
25 VERBREKING -
SPX-TIMEOUT
De SPX-verbinding naar de printserver is verloren gegaan
nadat de verbinding was gemaakt. Dit duidt op een mogelijk
netwerkprobleem of een probleem met de printserver.
Controleer of alle kabels en routers op de juiste wijze
functioneren. Probeer de printserver opnieuw te starten.
26 ONBEKENDE
NCP-TERUGKEER-
CODE
De HP Jetdirect-printserver is een onverwachte
onherstelbare fout tegengekomen nadat deze met succes
de verbinding naar de bestandsserver had gemaakt. Allerlei
fouten kunnen dit foutbericht genereren, waaronder een
uitgeschakelde bestandsserver of een netwerkrouterfout.
27 ONVERW
PSERVER-DATA
ONTV
De printserver heeft bepaalde gegevens verzonden terwijl
de HP Jetdirect-printserver daarvoor geen toestemming
gegeven had. Dit duidt op een mogelijk
printserverprobleem, mogelijk een softwareprobleem.
28 NIET GENOEG
BUFFERS
De HP Jetdirect-printserver kon vanuit het interne
geheugen geen buffer toekennen. Dit geeft aan dat alle
buffers bezet zijn door bijvoorbeeld zwaar radioverkeer of
grote hoeveelheden netwerkverkeer naar de printserver.
29 GEEN
NETNUMMER
GEVONDEN
De HP Jetdirect-printserver heeft meer dan drie minuten
geprobeerd het op het netwerk gebruikte NetWare-protocol
te bepalen. Controleer of alle bestandsservers en routers
op de juiste wijze werken. Controleer of de instellingen voor
het frametype en de bron-routing voor NetWare juist zijn.
2A NDS FOUT:
TE VEEL SERVERS
Er zijn meer wachtrijen toegekend dan door de
HP Jetdirect-printserver kunnen worden verwerkt.
Verwijder één of meer afdrukwachtrijen uit de lijst die
door de wachtrijserver-modus wordt bediend.
2B NDS FOUT:
AANMELDEN
MISLUKT
Niet in staat om aan te melden bij de
NetWare-directorystructuur. Controleer of het
printserverobject is gedefinieerd in de directory in de juiste
context. Wis het printserverwachtwoord met behulp van
NWAdmin of vergelijkbaar hulpmiddel voor NetWare.
2C NDS-VERIFI-
CATIEFOUT
Niet in staat om aan te melden bij de
NetWare-directorystructuur. Controleer of het
printserverobject is gedefinieerd in de directory in de
juiste context.
2D NDS-FT: VERAND.
WACHTW. MISL
Kan het printserverwachtwoord niet wijzigen in de waarde
die door de HP Jetdirect-printserver wordt verwacht.
Tabel 9.12 Foutberichten (7 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 265
2E NDS-PRNTSRVR
PUBLIEK TOETSFT
Printserverobjectnaam komt niet overeen. Openbare sleutel
van de bestandsserver kan niet worden gelezen. Controleer
de namen van de objecten of neem contact op met de
NDS-beheerder.
2F NDS-FT:
SRVR.NAAM
ONOPGELOST
De bestandsserver op het netwerk is onvindbaar. Het kan
zijn dat de server op dit moment niet wordt uitgevoerd of dat
er een communicatieprobleem bestaat.
30 NDS PRINT
SERVERNAAM FOUT
Het HP Jetdirect-printserverobject is onvindbaar in de
opgegeven NDS-context.
31 NDS PS
PRINTERLIJST-FOUT
Kan een lijst van printerobjecten niet vinden die moeten zijn
toegewezen aan het printserverobject.
32 NDS PRNT OBJ
AANKOND. FOUT
De lijst met notificatieobjecten die aan het printerobject zijn
toegekend, is onvindbaar.
33 NDS PRNT OBJ
WACHTRIJLST-FT
De lijst van afdrukwachtrijen die zijn toegewezen aan de
printerobjecten, is onvindbaar.
34 NDS-FOUT
ONOPGELOST
PRNTR OBJ
Het printerobject is onvindbaar in de NDS-directory.
35 NDS-FOUT
ONGELD. SRVR.
VERS
De huidige versie van de NetWare-bestandsserver wordt
niet ondersteund.
36 NDS-FOUT GEEN
PRNTR-OBJECTEN
Er zijn geen printerobjecten toegekend aan het
printserverobject dat geconfigureerd is voor deze
HP Jetdirect-printserver.
37 NDS-FOUT MAX
PRINTOBJECTEN
Er zijn te veel printerobjecten aan het printserverobject
toegekend. Gebruik een NetWare-hulpprogramma (zoals
NWADMIN) en verminder het aantal printerobjecten dat
aan de printserver is toegekend.
38
NDS-FOUT GEEN
WACHTRIJ-OBJ
Er zijn geen afdrukwachtrij-objecten toegekend aan de
printerobjecten in de NDS-directory.
39 NDS-FOUT MAX.
WACHTRIJ-OBJ
Er zijn te veel printerwachtrij-objecten aan de printer
toegekend. Verminder het aantal printerwachtrijen dat is
toegekend.
3A NDS FOUT:
STRUCT.
ONVINDBAAR
De NDS-tree is onvindbaar. Het bericht kan verschijnen
wanneer de bestandsserver niet wordt uitgevoerd of
wanneer er een netwerkcommunicatieprobleem bestaat.
3B NDS VERBIN-
DINGSSTATUS FOUT
De HP Jetdirect-printserver kan de NDS-verbindingsstatus
niet wijzigen. Controleer de licenties op de spoolingserver.
3C NDS-FT:
ONOPGELOSTE
WACHTRIJ
Het afdrukwachtrij-object is onvindbaar in de opgegeven
NDS-context.
Tabel 9.12 Foutberichten (8 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 266
3D NDS FOUT: Q
HOST ONLEESBAAR
De bestandsserver op het netwerk is onvindbaar. Het kan
zijn dat de server op dit moment niet wordt uitgevoerd of dat
er een communicatieprobleem bestaat.
3E NDS PRNTSRVR
PUBLIEK TOETSFT
Printserverobjectnaam komt niet overeen. Openbare sleutel
van de printserver kan niet worden gelezen. Controleer
namen van objecten. Zorg ervoor dat de objectsleutel
die aan de HP Jetdirect-printserver is toegewezen,
een printserverobject is en niet een printer of een
ander object.
3F ADR NDS-SERV
ONBEREIKBAAR
Het adres van de NDS-server is onvindbaar of niet
toegankelijk.
40 ARP DUBBEL
IP-ADRES
De ARP-laag heeft een andere knooppunt op het netwerk
ontdekt die hetzelfde IP-adres gebruikt als de HP Jetdirect-
printserver. Uitgebreide foutinformatie onder dit bericht
toont het hardwareadres van de andere knooppunt.
41 NOVRAM-FOUT De HP Jetdirect-printserver kan de inhoud van zijn
NOVRAM niet lezen.
42 ONGELDIG
IP-ADRES
Het IP-adres dat is opgegeven voor de
HP Jetdirect-printserver (via BOOTP) is een ongeldig
IP-adres voor het specificeren van een enkel knooppunt.
Zie het bestand Bootptab voor de juiste informatie.
43 ONGELDIG
SUBNETMASKER
Het IP-subnetmasker dat is opgegeven voor de
HP Jetdirect- printserver (via BOOTP) is een ongeldig
subnetmasker. Zie het bestand Bootptab voor de juiste
informatie.
44 ONGELDIG
GATEWAY-ADRES
Het IP-adres voor de standaardgateway dat is opgegeven
voor de HP Jetdirect-printserver (via BOOTP), is een
ongeldig IP-adres voor het specificeren van een enkel
knooppunt. Zie het bestand Bootptab voor de juiste
informatie.
45 ONGELDIG
SYSLOG-ADRES
Het syslog-server IP-adres dat is opgegeven voor de
HP Jetdirect-printserver (via BOOTP) is een ongeldig
IP-adres voor het specificeren van een enkel knooppunt.
Zie het bestand Bootptab voor de juiste informatie.
46 ONGELDIG
SERVERADRES
Het TFTP-server IP-adres dat is opgegeven voor de
HP Jetdirect-printserver (via BOOTP) is een ongeldig
IP-adres voor het specificeren van een enkel knooppunt.
Zie het bestand Bootptab voor de juiste informatie.
47 ONGELDIG
TRAP-BEST.-ADRES
Een van de SNMP-trap (Trap PDU) doel-IP-adressen die
zijn opgegeven voor de HP Jetdirect-printserver (via TFTP)
is een ongeldig IP-adres voor het specificeren van een enkel
knooppunt. Controleer het configuratiebestand voor TFTP.
Tabel 9.12 Foutberichten (9 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 267
48 CONF.FOUT -
FOUT BEST.
ONVOLLEDIG Het TFTP-configuratiebestand bevatte een
onvolledige laatste regel die niet eindigde met het teken voor
een nieuwe regel.
49 CONF. FOUT -
REGEL TE LANG
Een regel die in het TFTP-configuratiebestand verwerkt
werd, was langer dan de HP Jetdirect-printserver kon
accepteren.
4A CONF. FOUT - ONB.
SLEUTELWOORD
Een regel in het TFTP-configuratiebestand bevatte een
onbekend sleutelwoord.
4B CONF. FOUT -
PARAM ONTBREEKT
Er ontbreekt een vereiste parameter in een regel in het
TFTP-configuratiebestand.
4C CONF. FOUT -
ONGELDIGE PARAM.
Een regel in het TFTP-configuratiebestand bevatte een
ongeldige waarde voor één van de parameters op die regel.
4D CONF. FOUT -
TOEG.LIJST TE LANG
Het TFTP-configuratiebestand gaf te veel
toegangslijstvermeldingen met het trefwoord "allow:" aan.
4E CONF. FOUT -
TRAP-LIJST TE LANG
Het TFTP-configuratiebestand gaf te veel
trap-bestemmingslijstvermeldingen met het trefwoord
"trap-destination:" aan.
4F TFTP-FOUT: OP
AFSTAND
De TFTP-overdracht van het configuratiebestand vanuit
de host naar de HP Jetdirect-printserver is mislukt en de
remote host heeft een TFTP-FOUT-pakket naar de
printserver verstuurd.
50 TFTP-FOUT:
LOKAAL
De TFTP-overdracht van het configuratiebestand vanuit de
host naar de HP Jetdirect-printserver is mislukt; de lokale
printserver heeft een time-out wegens inactiviteit of te veel
herverzendingen geconstateerd.
51 TE VEEL
TFTP-HERHALINGEN
Het opnieuw proberen van de TFTP-overdracht van het
configuratiebestand vanuit de host naar de HP Jetdirect-
printserver heeft de grens voor het aantal nieuwe pogingen
overschreden.
52 ONGELDIG
BOOTP-/DHCP-ANT-
WOORD
Er is een fout gevonden in het BOOTP- of DHCP-antwoord
dat de HP Jetdirect-printserver heeft ontvangen.
Het antwoord had of onvoldoende data in het
UDP-datagram voor de minimum BOOTP/DHCP-kop
van 236 byte, had een besturingsveld dat niet
BOOTP-ANTWOORD (0X02) was, had een kopveld dat niet
overeenkwam met het hardwareadres van de printserver of
had een UDP-bronpoort die niet de
BOOTP/DHCP-serverpoort (67/udp) was.
53 ONGELDIGE
BOOTP-TAG-
GROOTTE
De tag-grootte in een leverancier-specifiek veld in
het BOOTP-antwoord is 0 of groter dan het resterende
aantal onverwerkte bytes in het door de leverancier
opgegeven gebied.
Tabel 9.12 Foutberichten (10 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 268
54 BOOTP/RARP
IN UITVOERING
De HP Jetdirect-printserver is momenteel bezig met het
ophalen van zijn basis-IP-configuratie-informatie via
BOOTP/RARP.
55 BOOTP/DHCP
IN UITVOERING
De HP Jetdirect-printserver is bezig met het ophalen van
zijn basis-IP-configuratie-informatie via BOOTP/DHCP en
heeft geen fouten gevonden.
56 DHCP NAK De HP Jetdirect-printserver heeft een bericht met een
negatieve bevestiging ontvangen van de DHCP-server
in antwoord op een configuratieverzoek.
57 GEEN VERBIND
MET DHCP-SVR
De HP Jetdirect-printserver heeft IP-parameters van een
DHCP-server ontvangen maar de communicatie met de
DHCP-server is verloren gegaan. Controleer de status van
de DHCP-server.
Als er een oneindige lease was toegewezen, gebruikt de
printserver het IP-adres van de meest recent gebruikte
DHCP-server maar werking kan minder zijn dan normaal tot
een DHCP-server antwoord geeft.
58
POSTSCRIPT-MODUS
NIET GESEL.
De printer biedt geen ondersteuning voor AppleTalk of voor
AppleTalk-extensies.
59 ONVOLL.F.W.:
DOWNL. VERPLICHT
Downloadbericht voor de firmware. Momenteel bezig met
downloaden van firmware naar de HP Jetdirect-printserver
of de download is niet correct beëindigd.
5A ZET PRINTER
UIT / AAN
Downloadbericht voor de firmware. Downloaden van de
firmware is beëindigd. Zet de HP Jetdirect-printserver uit
en weer aan.
5C ONGELDIG
DHCP-ANTWOORD
Er is een ongeldig antwoord ontvangen van de
DHCP-server. Controleer de DHCP-serverinstellingen voor
deze printserver.
5D DHCP-LEASE
TE KORT
De DHCP-leasetijden voor de
TCP/IP-configuratie-instellingen van deze printserver zijn
te kort. Wijzig de DHCP-leasetijden op de DHCP-server.
5E DHCP-LEASE
VRIJGEGEVEN
De lease voor de door DHCP geconfigureerde parameters,
waaronder het IP-adres, zijn handmatig (bijvoorbeeld via
het bedieningspaneel van de printer) vrijgegeven.
5F
WINS-REGISTRATIE
MISLUKT
Pogingen om de naam van de printserver te registreren bij
de WINS-server zijn mislukt. Ga na of er dubbele namen
zijn of controleer de configuratie van de WINS-server.
Tabel 9.12 Foutberichten (11 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 269
61 AUTOM. IP
GECONFIGUREERD
Er kon geen IP-adres via het netwerk worden opgehaald.
De printserver wijst op basis van de link-local
adresseringstechniek het standaard-IP-adres in de vorm
169.254.x.x toe.
62 STANDAARD-IP
GECONFIGUREERD
Er kon geen IP-adres via het netwerk worden opgehaald.
De printserver gebruikt het legacy
standaard-IP-adres 192.0.0.192.
63 AUTOM. IP IN
VOORTGANG
Er wordt automatisch, op basis van de link-local
adresseringstechniek, een IP-adres toegewezen in de
vorm 169.254.x.x.
64 ONGELDIG
WACHTWOORD
Er is via TFTP een ongeldig wachtwoord opgegeven.
Controleer of het wachtwoord uit maximaal 16 afdrukbare
tekens bestaat.
83 VERBREKING
VAN SERVER
De server is uitgeschakeld vanwege een
configuratiewijziging of reset-verzoek. Dit bericht verdwijnt
automatisch na een paar seconden, tenzij de printer off line
is, in een foutstatus is of een andere I/O-poort of een ander
netwerkprotocol bedient.
84
DHCP-LEASETIJDEN
AANGEPAST
De printserver heeft een DHCP-lease-fout ontdekt met een
van de volgende oorzaken:
Vernieuwingstijd is minder dan 30 seconden.
Tijd voor het opnieuw binden is minder dan
52 seconden.
Tijd voor het opnieuw binden is minder dan of gelijk
aan de vernieuwingstijd.
De duur van de lease is minder dan of gelijk aan de
tijd voor het opnieuw binden.
86 OPNIEUW
UPGRADEN VOOR
EXTRA TALEN
Wanneer u een upgrade uitvoert voor een ondersteunde
printserver die een lagere firmware-versie dan X.24.00
heeft, moet u de upgrade mogelijk opnieuw uitvoeren als
u wilt dat de printserver beheerprogramma's (bijvoorbeeld
de ingesloten webserver) ondersteunt waarbij wordt
gebruikgemaakt van andere talen dan Engels.
F1
POGING
VERBINDING
MET SERVER
De HP Jetdirect-printserver probeert een verbinding tot
stand te brengen met de NetWare server(s). Dit is een
normaal bericht. Wacht tot de verbinding tot stand is
gebracht of een ander statusbericht verschijnt.
Tabel 9.12 Foutberichten (12 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW HP Jetdirect-configuratiepagina 270
F2 TFTP IN
UITVOERING
De printserver probeert om met behulp van TFTP de
TCP/IP-configuratie-instellingen via het netwerk te
verkrijgen.
F3 BOOTP/RARP IN
UITVOERING
De printserver probeert om met behulp van BootP of RARP
de TCP/IP-configuratie-instellingen via het netwerk te
verkrijgen.
F4 BOOTP/DHCP IN
UITVOERING
De printserver probeert om met behulp van BootP of
DHCP de TCP/IP-configuratie-instellingen via het netwerk
te verkrijgen.
Tabel 9.12 Foutberichten (13 van 13)
Foutcode en bericht Beschrijving
NLWW 271
A
Overzicht van TCP/IP
Inleiding
Deze bijlage bevat informatie die is bedoeld om u een basisinzicht
in TCP/IP te geven.
Net als een gemeenschappelijke taal die mensen gebruiken om met
elkaar te communiceren, bestaat TCP/IP (Transmission Control
Protocol/Internet Protocol) uit een reeks protocollen die zijn
ontworpen om de manier te definiëren waarop computers en
andere apparaten via een netwerk met elkaar communiceren.
TCP/IP is snel bezig de meest gebruikte set protocollen te worden.
De belangrijkste reden hiervoor is dat het Internet is gebaseerd
op TCP/IP. Als u een netwerk bezit dat u op het Internet wilt
aansluiten, dient u TCP/IP te gebruiken voor communicatie.
Internet Protocol (IP)
Wanneer gegevens over het netwerk worden verzonden, worden
deze in kleine pakketten verdeeld. Elk pakket wordt afzonderlijk
verzonden. Elk pakket wordt gecodeerd met IP-gegevens, zoals het
IP-adres van de verzender en de ontvanger. IP-pakketten kunnen
over routers en gateways, apparaten die een netwerk met een ander
netwerk verbinden, worden geleid.
Bij IP-communicatie zijn er geen verbindingen. Wanneer
IP-pakketten worden verzonden, is er geen garantie dat deze in de
juiste volgorde op de bestemming zullen aankomen. Deze taak kan
door protocollen en toepassingen op een hoger niveau worden
uitgevoerd, waardoor IP-communicatie efficiënt kan zijn.
Voor elk knooppunt of apparaat dat rechtstreeks in het netwerk
communiceert, is een IP-adres nodig, met inbegrip van op
HP Jetdirect aangesloten apparaten.
NLWW Overzicht van TCP/IP 272
Transmission Control Protocol (TCP)
Met TCP worden de gegevens in pakketten verdeeld en worden
de pakketten bij ontvangst weer gecombineerd, hetgeen een op
de verbinding gerichte, betrouwbare en gegarandeerde levering
aan een ander knooppunt in het netwerk biedt. Wanneer
gegevenspakketten op de bestemming zijn ontvangen, wordt met
TCP een checksum voor elk pakket berekend om te controleren
of de gegevens niet beschadigd zijn. Als de gegevens tijdens de
overdracht zijn beschadigd, wordt het pakket door TCP genegeerd
en wordt het pakket opnieuw opgevraagd.
User Datagram Protocol (UDP)
UDP biedt services die vergelijkbaar zijn met die van TCP.
UDP geeft echter geen bevestiging van de ontvangst van gegevens
en ondersteunt aanvraag-/antwoordtransacties zonder toegevoegde
betrouwbaarheid of garantie van levering. UDP wordt gebruikt
wanneer bevestiging en betrouwbaarheid niet vereist zijn,
bijvoorbeeld tijdens een discovery broadcast.
IP-adres
Elke host (werkstation of knooppunt) in een IP-netwerk heeft een
uniek IP-adres nodig voor elke netwerkinterface. Dit adres is een
softwareadres dat wordt gebruikt om het netwerk en de specifieke
hosts in dat netwerk te identificeren. Elk IP-adres kan in twee
afzonderlijke delen worden verdeeld: het netwerkgedeelte en het
hostgedeelte. Telkens wanneer het apparaat start, kan een host een
server om een dynamisch IP-adres vragen (bijvoorbeeld met DHCP
en BootP).
Opmerking Neem altijd contact op met de beheerder van
IP-adressen wanneer u IP-adressen toewijst. Als u
een foutief adres instelt, kan andere apparatuur in
het netwerk worden uitgeschakeld of kan de
communicatie worden verstoord.
NLWW Overzicht van TCP/IP 273
IP-adres: (netwerkgedeelte)
Netwerkadressen worden beheerd door een organisatie in Norfolk,
Virginia in de Verenigde Staten met de naam InterNIC. InterNIC
is door de National Science Foundation aangenomen om de
Internet-adressen en -domeinen te beheren. Netwerkadressen
worden verspreid over organisaties, die er op hun beurt
verantwoordelijk voor zijn dat alle aangesloten apparaten of hosts
in het netwerk correct zijn genummerd. Zie Structuur en klasse van
IP-adressen en Subnetten verderop in deze bijlage voor meer
informatie over het netwerkgedeelte van een IP-adres.
IP-adres: (hostgedeelte)
Hostadressen vormen de numerieke identificatie van specifieke
netwerkinterfaces in een IP-netwerk. Meestal heeft een host slechts
één netwerkinterface en dus slechts één IP-adres. Omdat hetzelfde
nummer niet op hetzelfde moment door twee apparaten kan worden
gebruikt, houden beheerders meestal adressentabellen bij om voor
een correcte toewijzing van adressen in het hostnetwerk te zorgen.
NLWW Overzicht van TCP/IP 274
Structuur en klasse van IP-adressen
Een IP-adres bestaat uit 32-bits met gegevens en is onderverdeeld
in 4 gedeelten die elk 1 byte of in totaal 4 bytes bevatten.
xxx.xxx.xxx.xxx
Voor efficiënte routing werden netwerken onderverdeeld in drie
klassen, zodat de routing eenvoudigweg kan beginnen met het
identificeren van de eerste byte met informatie in het IP-adres.
De drie IP-adressen die door InterNIC worden toegewezen, zijn
klasse A, B en C. De netwerkklasse bepaalt wat met elk van de
vier gedeelten van het IP-adres wordt geïdentificeerd, zoals
weergegeven in Tabel A.1
:
Zoals weergegeven in Tabel A.2
, verschillen de netwerkklassen van
elkaar door de ID van de eerste bit, het adresbereik, het beschikbare
aantal van elk type en het maximumaantal hosts dat in elke klasse
is toegestaan.
Tabel A.1 Klasse-indeling van IP-adressen
Klasse Eerste byte
van adres xxx.
Tweede byte
van adres xxx.
Derde byte van
adres xxx.
Vierde byte
van
adres xxx.
A Netwerk. Host. Host. Host
B Netwerk. Netwerk. Host. Host
C Netwerk. Netwerk. Netwerk. Host
Tabel A.2 Kenmerken van netwerkklassen
Klasse ID van
eerste bit
Adresbereik Maximum aantal
netwerken in de
klasse
Maximum
aantal hosts in
het netwerk
A 0 0.0.0.0 -
127.255.255.255
126 Meer dan 16
miljoen
B 10 128.0.0.0 -
191.255.255.255
16.382 65.534
C 110 192.0.0.0 -
223.255.255.255
Meer dan 2
miljoen
254
NLWW Overzicht van TCP/IP 275
IP-parameters configureren
Op de HP Jetdirect-printserver kunnen
TCP/IP-configuratieparameters (zoals IP-adres, subnetmasker en
standaardgateway) worden geconfigureerd. De waarden kunnen
handmatig worden geconfigureerd (bijvoorbeeld via Telnet,
de ingesloten webserver, de opdrachten 'arp' en 'ping' en
beheersoftware van HP), of ze kunnen steeds automatisch worden
gedownload met DHCP of BOOTP wanneer de printserver wordt
ingeschakeld. Zie Hoofdstuk 3
voor configuratiemethoden.
Wanneer een nieuwe HP Jetdirect-printserver na het inschakelen
geen geldig IP-adres bij het netwerk kan verkrijgen, wordt
automatisch een standaard-IP-adres aan de printserver
toegewezen. Het standaard-IP-adres hangt af van het type netwerk
waarop de printserver is aangesloten. Op een klein particulier
netwerk wordt de zogenoemde link-local adresseringstechniek
gebruikt om een uniek IP-adres toe te wijzen. Dit adres ligt in het
bereik van 169.254.1.0 tot 169.254.254.255 en zou geldig moeten
zijn. Op een omvangrijk netwerk of een bedrijfsnetwerk wordt het
tijdelijke adres 192.0.0.192 toegewezen totdat een specifiek
adres voor het netwerk is geconfigureerd. Het IP-adres dat op
de printserver is geconfigureerd, is te vinden op de
Jetdirect-configuratiepagina voor de printserver.
Dynamic Host Configuration Protocol (DHCP)
Met DHCP kan een groep apparaten gebruikmaken van een
aantal IP-adressen die worden beheerd door een DHCP-server.
Het apparaat of de host verstuurt een verzoek naar de server.
Wanneer er een IP-adres beschikbaar is, wijst de server dit adres
toe aan dat apparaat.
BOOTP
BOOTP is een bootstrap-protocol dat wordt gebruikt voor het
downloaden van configuratieparameters en hostgegevens van een
netwerkserver. BOOTP maakt voor transport gebruik van UDP.
Apparaten moeten als client via het bootstrap-protocol BOOTP
met hun server communiceren om te kunnen opstarten en
configuratie-informatie in het RAM te laden.
NLWW Overzicht van TCP/IP 276
Om het apparaat te configureren, verzendt de client een
boot-aanvraagpakket dat ten minste het hardwareadres van het
apparaat bevat (hardwareadres van HP Jetdirect-printserver).
De server antwoordt met een boot-antwoordpakket met de
informatie die het apparaat nodig heeft voor de configuratie.
Subnetten
Wanneer er een IP-netwerkadres voor een bepaalde
netwerkklasse aan een organisatie wordt toegewezen, worden
er geen voorbereidingen getroffen voor meer dan één netwerk op
die locatie. Lokale netwerkbeheerders gebruiken subnetten om
een netwerk onder te verdelen in een aantal verschillende
subnetwerken. Wanneer een netwerk in subnetten wordt verdeeld,
kan dit leiden tot betere prestaties en een beter gebruik van de
beperkte netwerkadresruimte.
Subnetmasker
Het subnetmasker is een techniek die wordt gebruikt om één
IP-netwerk onder te verdelen in verschillende subnetwerken.
Voor een bepaalde netwerkklasse wordt het gedeelte van het
IP-adres dat anders zou worden gebruikt om een knooppunt
aan te duiden, gebruikt om een subnetwerk aan te duiden.
Een subnetmasker wordt op elk IP-adres toegepast om het gedeelte
dat voor subnetwerken wordt gebruikt en het gedeelte dat wordt
gebruikt om het knooppunt aan te duiden, aan te geven.
Zie bijvoorbeeld Tabel A.3
.
Tabel A.3 Voorbeeld: subnetmasker 255.255.0.0 toegepast op
klasse A-netwerk
Klasse A-netwerkadres 15 xxx xxx xxx
Subnet Mask 255 255 0 0
IP-adresvelden met toegepast
subnetmasker
Netwerk
Subnet Host Host
Voorbeeld van het IP-adres van
een knooppunt in subnet 1
15
1 25 7
Voorbeeld van het IP-adres van
een knooppunt in subnet 254
15
254 64 2
NLWW Overzicht van TCP/IP 277
Zoals weergegeven in Tabel A.3, is het klasse A-netwerkadres
15 toegewezen aan bedrijf ABC. Om extra netwerken mogelijk
te maken op de locatie van bedrijf ABC, wordt het subnetmasker
255.255.0.0 gebruikt. Dit subnetmasker geeft aan dat de tweede
byte van het IP-adres wordt gebruikt om tot 254 subnetten te
identificeren. Met deze aanduiding is elk apparaat afzonderlijk
aangegeven in het eigen subnet, maar kan bedrijf ABC
maximaal 254 subnetwerken opnemen zonder dat dit in strijd is
met de aan het bedrijf toegewezen adresruimte.
Gateways
Gateways (routers) worden gebruikt om netwerken met elkaar te
verbinden. Gateways zijn apparaten die als 'vertalers' functioneren
tussen systemen die gebruikmaken van verschillende
communicatieprotocollen, gegevensindelingen, structuren, talen of
architecturen. Gateways voegen de gegevenspakketten opnieuw
samen tot pakketten en wijzigen de syntax zodat deze overeenkomt
met die van het systeem van bestemming. Wanneer netwerken in
subnetten worden verdeeld, zijn gateways nodig om de subnetten
met elkaar te verbinden.
Standaardgateway
De standaardgateway is de gateway of router die, indien niet
opgegeven, wordt gebruikt om pakketten tussen netwerken te
verplaatsen. De standaardgateway wordt aangegeven met een
IP-adres.
Als er meerdere gateways of routers zijn, is de standaardgateway
meestal het adres van de eerste, of dichtstbijzijnde gateway of
router. Als er geen gateways of routers zijn, krijgt de
standaardgateway meestal het IP-adres van het netwerkknooppunt
(zoals het werkstation of de HP Jetdirect-printserver).
NLWW Overzicht van TCP/IP 278
Syslog-server
Een syslog-server is een systeem in het netwerk (meestal een
UNIX-systeem) dat syslog-berichten van andere apparaten in
het netwerk kan ontvangen en in een logbestand kan vastleggen.
Beheerders kunnen syslog-berichten gebruiken om de status te
controleren en problemen met netwerkapparaten op te lossen.
Voor een syslog-server is software nodig waarmee
syslog-mogelijkheden worden uitgevoerd op de server.
UNIX-systemen bevatten een daemon, syslogd, waarmee de
UDP-poort (User Datagram Protocol) 514 wordt gecontroleerd op
inkomende berichten. De berichten worden verwerkt op basis van
hun prioriteit en de instellingen van syslogd.
U kunt de HP Jetdirect-printserver configureren met het IP-adres
van de syslog-server. Wanneer er een syslog-server is
geconfigureerd, kunnen de HP Jetdirect-printserver en het
aangesloten apparaat syslog-berichten verzenden met UDP.
Het is mogelijk dat de syslog-server niet alle syslog-gebeurtenissen
ontvangt van de HP Jetdirect-printserver.
Bij UDP is de ontvangst van berichten niet gegarandeerd.
De HP Jetdirect-printserver probeert dubbele berichten te
verwijderen (om onnodig netwerkverkeer tot een minimum te
beperken).
De hoeveelheid berichten die door de HP Jetdirect-printserver
wordt verzonden, kan worden geconfigureerd.
De HP Jetdirect-syslog-parameters kunnen onder andere worden
geconfigureerd met BOOTP, DHCP, Telnet, de ingesloten
webserver en beheersoftware. Bij bepaalde printers biedt een
EIO-menu dat kan worden geopend via het bedieningspaneel
van de printer, beperkte mogelijkheden voor syslog-configuratie.
De opdracht of parameters voor syslog-configuratie kunnen
verschillen, afhankelijk van de gebruikte methode. Zie het
betreffende gedeelte in deze handleiding voor meer informatie.
NLWW Overzicht van TCP/IP 279
Een aantal syslog-parameters voor de HP Jetdirect-printserver zijn
weergegeven in Tabel A.4
.
Typische logbestandsingangen van syslog-berichten worden
hieronder weergegeven.
Tabel A.4 HP Jetdirect-syslog-parameters
Item Beschrijving
IP -adres van
syslog-server
IP-adres van een syslog-server voor het verzenden van
syslog-berichten. Als dit nul (0.0.0.0) is of niet is opgegeven,
zijn de syslog-berichten uitgeschakeld.
Syslog Maximum
Messages
Het aantal syslog-berichten (van 0 tot 10000) dat per minuut
door de HP Jetdirect-printserver kan worden verzonden.
Met deze parameter wordt de omvang van het syslog-bestand
beheerd. De standaardinstelling is 10 berichten per minuut.
Als de instelling 0 is, is het aantal syslog-berichten onbeperkt.
Syslog Priority Werkt als een filter voor de syslog-berichten die naar de
syslog-server worden verzonden. Het filterbereik is 0 t/m 8,
waarbij 0 het meest specifiek is en 8 het meest algemeen.
Alleen de berichten die lager zijn dan het aangegeven
filterniveau (of hoger in prioriteit), worden gerapporteerd.
De standaardinstelling is 8: berichten van alle prioriteiten
worden verzonden. Indien nul, zijn alle syslog-berichten
uitgeschakeld.
Syslog-faciliteit Een code die gebruikt wordt voor het aangeven van de
bronfaciliteit van een bericht (bijvoorbeeld voor het bepalen
van de bron van bepaalde berichten tijdens het oplossen
van problemen). Als standaardinstelling wordt door de
HP Jetdirect-printserver LPR als de bronfaciliteitcode gebruikt,
maar plaatselijke gebruikerswaarden van local0 tot en met
local7 kunnen worden gebruikt om aparte printservers of
groepen van printservers te identificeren.
Oct 22 08:10:33 jd08 printer: error cleared
Oct 22 15:06:07 jd04 printer: powered up
Oct 22 15:07:56 jd04 printer: offline or intervention needed
Oct 22 15:08:58 jd04 printer: error cleared
Oct 24 17:52:27 jd37 printer: powered up
Oct 24 18:28:13 jd37 printer: printer is disconnected
Oct 24 18:37:46 jd07 printer: error cleared
Oct 24 18:38:42 jd37 printer: powered up
Oct 25 07:50:16 jd04 printer: toner/ink low
NLWW 280
B
Draadloze HP Jetdirect
802.11b-printservers
Inleiding
Draadloze HP Jetdirect-printservers zijn printeraccessoires die
de IEEE 802.11b-norm voor een draadloos Ethernet Local Area
Network (WLAN) ondersteunen. Hierbij worden radiosignalen
gebruikt om met andere WLAN-apparaten of -computers te
communiceren. De IEEE 802.11b-standaard bevat de definitie
van de radiofrequenties, de communicatieprotocollen en de
gegevensindeling die nodig is voor de communicatie tussen
apparaten. Wanneer u een draadloze HP Jetdirect-printserver
gebruikt om een printer op het netwerk aan te sluiten, is de
printer gemakkelijker verplaatsbaar (vergeleken met een
netwerkverbinding met kabels) en bespaart u op kabelkosten.
Wanneer het signaalpad geen belemmeringen en storing bevat,
kunnen draadloze HP Jetdirect-printservers over het algemeen
op een maximumafstand van 100 meter of meer worden gebruikt.
WLAN-radiosignalen kunnen door veel interne constructies
dringen en kunnen om obstakels heen reflecteren. De prestaties
van de draadloze communicatie zijn afhankelijk van een aantal
factoren, waaronder het aantal gebruikers, de kwaliteit en de
plaatsing van de draadloze hardware en de bronnen van
radiosignaalstoringen (bijvoorbeeld magnetrons en draadloze
telefoons die dezelfde frequenties gebruiken). Over het algemeen
neemt de overdrachtssnelheid van gegevens af bij een grotere
afstand, meer belemmeringen en storingen. In de meeste gevallen
worden de kwaliteit en prestaties van draadloze communicatie
verbeterd door het gebruik van antennes.
Opmerking Omdat de draadloze HP Jetdirect 380X-printserver
flexibel kan worden geplaatst en een interne
antenne bevat, kan hierop geen externe antenne
worden aangesloten.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 281
Basisconcepten draadloze
HP Jetdirect
Om u behulpzaam te zijn bij het installeren van de
HP etdirect-printservers op een draadloos IEEE 802.11b-LAN,
bevat dit gedeelte een overzicht van enkele basisconcepten die
nuttig kunnen zijn. Raadpleeg voor meer informatie de
documentatie bij de draadloze netwerkinterfacekaart van de
computer of bij het toegangspunt, en de IEEE 802.11b-standaard
en verwante bronnen.
Topologieën WLAN-communicatiemodus
Er zijn twee basistopologieën voor draadloze netwerken:
Infrastructuur-modus
en Ad-hocmodus (peer-to-peer).
Infrastructuur-modus
In Infrastructuur-modus vindt alle draadloze communicatie vanaf
een netwerkapparaat plaats via een toegangspunt. Zie Afbeelding
B.1. Infrastructuur-modus wordt een Basic Service Set (BSS)
genoemd. Soms wordt het een 'star topologie' en ook 'enterprise
mode' genoemd, omdat het de voorkeurstopologie voor grote
netwerken is.
Een toegangspunt is een netwerkonderdeel dat functioneert als
netwerkhub, brug of gateway voor de verbinding van draadloze
apparaten met een netwerk met kabels. In sommige gevallen wordt
een toegangspunt als eenvoudige repeater gebruikt om het bereik
tussen draadloze netwerkapparaten te vergroten. Omdat al het
draadloze verkeer in Infrastructuur-modus via een toegangspunt
moet verlopen, is de mogelijkheid om verkeer naar alle apparaten
op een netwerk te routeren een belangrijke functie.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 282
Afbeelding B.1 Voorbeelden van Infrastructuur-modus
Sommige apparaten worden genoemd vanwege hun basisfunctie,
maar kunnen ook toegangspuntservices bieden. Een residential
gateway kan bijvoorbeeld draadloze toegangspuntfuncties bieden
terwijl apparaten via een telefoon- of breedbandverbinding met
een bedrijfsintranet of het Internet worden verbonden. Om als
toegangspunt op een Infrastructuur-modusnetwerk te kunnen
worden gebruikt, moet een apparaat echter netwerkverkeer naar
alle draadloze apparaten in het netwerk kunnen ontvangen en
verzenden. Raadpleeg de documentatie van uw leverancier voor
informatie over toegangspuntfuncties.
Een toegangspunt heeft een vaste doorvoercapaciteit. De prestaties
van een draadloos netwerk hangt af van het aantal draadloze
apparaten dat is aangesloten en de gegevensoverdrachttypen.
Misschien wilt u bijvoorbeeld dat er 10 of 20 hoofdgebruikers
zijn aangesloten die grote gegevensbestanden overdragen,
of maximaal 50 gebruikers die slechts af en toe behoefte aan
netwerkcommunicatie hebben. Daarnaast heeft de afstand tussen
en draadloos apparaat en het toegangspunt invloed op de prestaties;
bij langere afstanden neemt de overdrachtsnelheid van gegevens af.
Toegangspunt in
ondernemingswerkgroep
Residential gateway als toegangspunt
Toegangspunt als draadloze repeater
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 283
U kunt meerdere toegangspunten gebruiken in een netwerk.
U kunt de toegangspunten strategisch plaatsen en configureren om
subgroepen met draadloze gebruikers en apparaten te maken en
mobiele gebruikers (en apparaten) de mogelijkheid te geven te
'zwerven' en verbindingen te maken met verschillende
toegangspunten zonder de verbinding met het netwerk te verliezen.
Ad-hocmodus (peer-to-peer)
In Ad-hocmodus (peer-to-peer) communiceren de draadloze
apparaten in een netwerk rechtstreeks met elkaar en worden er
geen toegangspunten gebruikt. Ad-hocmodus wordt Independent
Basic Service Set (IBSS) genoemd. Ook kunt u de naam
computer-to-computer-modus horen. Zie Afbeelding B.2
.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 284
Afbeelding B.2 Voorbeeld Ad-hocmodus
Opmerking U dient onderscheid te maken tussen de draadloze
peer-to-peer-modus en peer-to-peer-afdrukken van
HP Jetdirect om het gebruik van vergelijkbare
terminologie te begrijpen. Met draadloze
peer-to-peer-modus wordt een topologie bedoeld
waarbij draadloze apparaten rechtstreeks
communiceren, zonder routing via een
toegangspunt. Met HP Jetdirect
peer-to-peer-afdrukken wordt een rechtstreeks
afdrukpad van een client naar een printer bedoeld,
zonder routing via een netwerkserver naar een
gedeelde printer.
HP Jetdirect peer-to-peer-afdrukken kan zowel in
infrastructuur- als in Ad-hocmodustopologie
(peer-to-peer) worden gebruikt.
Hoewel netwerkprestaties afhankelijk zijn van de soorten
gebruikers en apparaten, wordt de Ad-hocmodus meestal gebruikt
in zeer kleine netwerken (bijvoorbeeld met maximaal zes draadloze
gebruikers en apparaten).
In Ad-hocmodus worden geen
toegangspunten gebruikt. Alle draadloze
apparaten kunnen rechtstreeks met elkaar
communiceren.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 285
Kanalen
De frequentieband van radiosignalen die voor draadloze
IEEE 802.11b-netwerken worden gebruikt, zijn gesegmenteerd
in bepaalde frequenties of kanalen.
Voor draadloze IEEE 802.11b-netwerken zijn 14 kanalen
beschikbaar. Elk(e) land/regio bepaalt echter welke kanalen
gebruikt mogen worden. In Noord-Amerika mogen bijvoorbeeld
alleen de kanalen 1 t/m 11 worden gebruikt. In Japan mogen de
kanalen 1 t/m 14 worden gebruikt. In Europa, met uitzondering
van Frankrijk, mogen de kanalen 1 t/m 13 worden gebruikt. Omdat
bestaande normen vaak worden gewijzigd, dient u bij uw lokale
regelgevende instantie te informeren naar het toegestane gebruik
van kanalen. In de meeste landen/regio's mogen kanaal 10 en 11
zonder beperkingen worden gebruikt.
De kanaalkeuze op de HP Jetdirect-printserver is afhankelijk van
de communicatiemodus (of topologie) van het netwerk.
In Ad-hocmodus (peer-to-peer) scant de HP
Jetdirect-printserver eerst alle kanalen voor het netwerk dat is
opgegeven met de netwerknaam (SSID), bijvoorbeeld
hpsetup
.
Als het opgegeven ad-hocnetwerk is ontdekt, configureert en
gebruikt de printserver het kanaal dat door het netwerk wordt
gebruikt.
Als het opgegeven ad-hocnetwerk niet is ontdekt, zal de
printserver actief uitzenden en zich bekendmaken via een
geselecteerd kanaal. De fabriekswaarde is kanaal 10 (2457
MHz). Kanaal 11 (2462 MHz) is echter ook beschikbaar.
Als de printserver geen verbinding met een netwerk krijgt,
zal de printserver herhaaldelijk op alle kanalen scannen en
vervolgens actief uitzenden op het geselecteerde kanaal (kanaal
10 of 11) tot er verbinding met het opgegeven netwerk is.
In Infrastructuur-modus wordt het kanaal bepaald door
het toegangspunt waarmee de printserver verbinding maakt.
Net als andere clients, past de HP Jetdirect-printserver het
kanaal aan het vereiste kanaal aan.
De kanalen die beschikbaar zijn op de draadloze
HP Jetdirect-printserver, zijn afhankelijk van het model.
Raadpleeg de documentatie bij de draadloze
HP Jetdirect-printserver voor de ondersteunde kanalen.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 286
Netwerktoegang en gegevensbeveiliging
In tegenstelling tot een netwerk met kabels, waarbij een fysieke
verbinding nodig is, kunnen apparaten en computers binnen het
bereik van de radiosignalen van het netwerk toegang krijgen tot
een draadloos netwerk. Het is niet moeilijk voor een indringer om
draadloos netwerkverkeer af te luisteren om toegang te krijgen tot
het netwerk of netwerkgegevens te registeren.
Er zijn verificatie- en gegevenscoderingsopties beschikbaar voor
draadloze netwerken om ongeoorloofde toegang te voorkomen.
Verificatie is een proces waarbij de identiteit van alle draadloze
clientapparaten of servers wordt gevalideerd voordat deze
toegang krijgen tot of gegevens kunnen uitwisselen in
het netwerk.
Codering biedt gegevensprivacy doordat gegevensframebits
vóór verzending worden gewijzigd en bij ontvangst worden
hersteld. De draadloze HP Jetdirect-printserver biedt
verschillende verificatiemogelijkheden en codering.
Netwerknaam (SSID)
Draadloze apparaten zijn geconfigureerd met de naam van het
netwerk waarmee ze worden verbonden. Netwerknaam wordt ook
SSID (Service Set Identifier) genoemd en geeft de ESS (Extended
Service Set) aan die normaal gesproken met grotere
Infrastructuur-modusnetwerken is verbonden.
De netwerknaam/SSID mag niet als beveiligingsfunctie worden
beschouwd, want deze is meestal gemakkelijk herkenbaar.
Als functie voor netwerkbeheer biedt het echter een basiscontrole
voor de netwerktoegang.
HP Jetdirect-printservers ondersteunen een broadcast-SSID,
ook wel een SSID met lengte nul of blanco SSID genoemd. Als in
Infrastructuur-modus een blanco SSID is geconfigureerd, zal de
printserver proberen verbinding te maken met de gevonden
netwerk-SSID's, beginnend bij het sterkste signaal. Een geslaagde
verbinding zal gebaseerd worden op coderings- en
verificatie-instellingen.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 287
Verificatie
Verificatie wordt gebruikt om de identificatie te valideren van
alle apparaten of computers die proberen te communiceren.
De verificatiemethode die in een draadloos netwerk wordt gebruikt,
wordt bepaald tijdens het ontwerp van het netwerk en is in de eerste
plaats gebaseerd op de beveiligingseisen van het netwerk.
Als gevolg daarvan is de verificatiemethode nauw verbonden met
de coderingsmethoden die ook in het netwerk worden gebruikt.
De verificatiemethoden die door de draadloze HP
Jetdirect-printservers worden ondersteund, zijn onder meer: Open
System, Shared Key en EAP/802.1x.
Open System. Open System-verificatie wordt gebruikt wanneer
er geen positieve validatie van de id van een apparaat vereist is
voor netwerktoegang. Als een apparaat is geconfigureerd voor
Open-system-verificatie, kan elk ander apparaat of toegangspunt
zich daarbij verifiëren. Open System-verificatie is de
verificatiemethode die als fabriekswaarde op
HP Jetdirect-printservers is geconfigureerd.
Hoewel bij Open System-verificatie vrijwel open toegang tot
een apparaat mogelijk is, kan door middel van codering toch
gegevensbeveiliging voor het apparaat worden geïmplementeerd.
Zie voor meer informatie Codering
.
Opmerking Als de printserver is geconfigureerd met Open
System-verificatie terwijl voor het netwerk
EAP-verificatie vereist is, wordt op de
Jetdirect-configuratiepagina de status Klaar
aangegeven met het bericht dat de verificatie
is mislukt.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 288
Shared Key. Shared Key-verificatie wordt gebruikt wanneer een
standaardvalidatieniveau voor de id van een apparaat is vereist
voordat toegang tot het netwerk is toegestaan. Voor Shared
Key-verificatie dient de WEP-beveiliging op alle draadloze
netwerkapparaten te worden geïmplementeerd. Bij Shared
Key-verificatie moet op elk afzonderlijk draadloos apparaat een
geheime WEP-sleutel worden geconfigureerd (dat wil zeggen,
dezelfde sleutel wordt door de apparaten op het netwerk gedeeld).
Tijdens het verificatieproces wordt een vergelijking gemaakt tussen
een verzonden test en een gecodeerd en gedecodeerd antwoord.
De juiste overeenstemming moet worden bereikt voordat toegang
wordt verkregen. Raadpleeg WEP-beveiliging voor informatie over
WEP-sleutels.
EAP/802.1x. IEEE 802.1x EAP (Extensible Authentication
Protocol) wordt gebruikt in netwerken waarin de clients in het
netwerk worden geverifieerd met verificatieservers, zoals een
RADIUS-server (Remote Authentication Dial In User Service,
RFC 2138). Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers
ondersteunen veelgebruikte verificatiemethoden op basis van EAP,
met inbegrip van:
LEAP (Lightweight Extensible Authentication Protocol). LEAP
is een eigen protocol van Cisco Systems, Inc. Voor LEAP is een
EAP-gebruikersnaam en een EAP-wachtwoord vereist. Tevens
worden dynamische coderingssleutels gebruikt.
PEAP (Protected Extensible Authentication Protocol).
Bij PEAP wordt gebruikgemaakt van digitale certificaten
voor netwerkserververificatie en wachtwoorden voor
clientverificatie. Voor PEAP is een EAP-gebruikersnaam,
een EAP-wachtwoord en een CA-certificaat vereist. Tevens
worden dynamische coderingssleutels gebruikt.
EAP-MD5 (EAP met gebruik van Message Digest-algoritme 5,
RFC 1321). Bij EAP-MD5 wordt gebruikgemaakt van een
wachtwoord dat is beschermd door het
MD5-coderingsalgoritme. Voor MD5 voert u een
EAP-gebruikersnaam en EAP-wachtwoord in. Tevens worden
statische coderingssleutels gebruikt.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 289
EAP-TLS (EAP met gebruik van Transport Layer Security,
RFC 2716). Bij EAP-TLS wordt voor client- en
netwerkserververificatie gebruikgemaakt van digitale
certificaten die voldoen aan X.509. Voor TLS is een
EAP-gebruikersnaam, een Jetdirect-certificaat en een
CA-certificaat vereist. Tevens worden dynamische
coderingssleutels gebruikt.
EAP-TTLS (EAP waarbij gebruik wordt gemaakt van Tunneled
Transport Layer Security). EAP-TTLS is een EAP-TLS-extensie
waarbij ook gebruik wordt gemaakt van digitale certificaten die
voldoen aan X.509. Voor TTLS is een EAP-gebruikersnaam,
een EAP-wachtwoord en een CA-certificaat vereist. Tevens
worden dynamische coderingssleutels gebruikt.
Zoals aangegeven voor elke EAP/802.1x-verificatiemethode,
kan het nodig zijn extra parameters te configureren.
EAP/PSK. Voor kleine kantoornetwerken die geen
verificatieserver hebben, ondersteunen draadloze HP
Jetdirect-printservers netwerkverificatie met behulp van het
Extensible Authentication Protocol met een vooraf gedeelde
sleutel (EAP/PSK). Op basis van een door de gebruiker ingevoerde
wachtzin wordt een vooraf gedeelde sleutel gegenereerd die voor
netwerktoegang en -communicatie wordt gebruikt.
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/PSK-verificatie, wordt gebruik gemaakt van dynamische
WPA-coderingsprotocollen (Wi-Fi Protected Access) voor draadloze
communicatie.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 290
Certificaten
Digitale certificaten worden gebruikt om de identiteit van
netwerkclients en -servers te valideren en gecodeerde
communicatie toe te staan. Een digitaal certificaat is een
elektronisch bericht dat meestal onder meer een sleutel (een
korte tekenreeks die wordt gebruikt voor codering en decodering)
en een digitale handtekening bevat. Certificaten kunnen worden
uitgegeven en ondertekend door een vertrouwde instantie (meestal
certificeringsinstantie of CA genoemd) binnen of buiten de
organisatie. Tevens kunnen certificaten zelf-ondertekend zijn,
hetgeen vergelijkbaar is met het valideren van uw eigen identiteit.
Om EAP/PSK-verificatiemethoden en bepaalde
EAP/802.1x-verificatiemethoden te ondersteunen, dient een
HP Jetdirect-printserver mogelijk een van de volgende certificaten
of beide te bevatten:
CA-certificaat. Een certificaat van een vertrouwde
certificeringsinstantie (CA) wordt gebruikt om
certificaatgegevens te valideren die zijn ontvangen van een
verificatieserver. De CA moet dezelfde zijn als de CA die voor
de verificatieserver is gebruikt.
Jetdirect-certificaat. Er moet een certificaat zijn
geïnstalleerd dat het Jetdirect-apparaat valideert bij de
verificatieserver. Het Jetdirect-certificaat kan zijn
uitgegeven door een vertrouwde certificeringsinstantie of
kan zelf-ondertekend zijn, afhankelijk van de eisen die worden
gesteld door de beheerder van de verificatieserver.
Codering
Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers ondersteunen
statische en dynamische coderingsprotocollen.
Static WEP. De IEEE 802.11b-standaard bevat standaard een
WEP-protocol (Wired Equivalent Privacy) voor beveiliging. Met een
geheime sleutel zorgt een WEP-algoritme direct vóór de draadloze
verzending voor gegevenscodering en na de ontvangst voor
gegevensdecodering. Hoewel absolute beveiliging niet kan worden
gegarandeerd, wordt WEP-beveiliging beschouwd als de eerste
substantiële verdediging tegen afluisteraars.
Voor WEP-beveiliging moeten de WEP-protocollen op elk draadloos
apparaat in het netwerk worden geïmplementeerd. Draadloze
HP Jetdirect-printservers ondersteunen WEP-protocollen.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 291
Bij WEP-beveiliging wordt zowel op het verzendende als op het
ontvangende apparaat een geheime sleutel gebruikt voor verificatie
of gegevenscodering. Als een geheime WEP-sleutel (analoog aan een
wachtwoordwaarde) voor verificatie wordt gebruikt, moet deze
beschikbaar zijn op alle draadloze netwerkapparaten.
De noodzaak van een statische WEP-sleutel is afhankelijk van de
gebruikte verificatiemethode. Voor Open System-verificatie (de
standaardconfiguratie) kan er een statische WEP-sleutel worden
geconfigureerd maar is dit niet nodig. Voor Shared Key of EAP-MD5
moet er een statische WEP-sleutel zijn geconfigureerd en dient deze
overeen te komen met de actieve sleutel op de andere
netwerkapparaten.
Op de HP Jetdirect-printserver kunnen maximaal vier statische
WEP-sleutels worden opgeslagen. Er is er echter slechts één tegelijk
actief. Deze WEP-sleutels blijven hetzelfde (daarom worden ze
statisch genoemd) tot de netwerkbeheerder ze wijzigt.
De draadloze HP Jetdirect-printservers ondersteunen 40/64-bits
en 104/128-bits codering. Wanneer u een statische 64-bits
WEP-coderingssleutel configureert, voert u 40 bits van de
WEP-sleutel in. Wanneer u een statische 128-bits
WEP-coderingssleutel configureert, voert u 104 bits van de
WEP-sleutel in. In beide gevallen worden automatisch 24 IV-bits
(initialisatievectorbits) toegevoegd.
De HP Jetdirect-printserver ondersteunt het invoeren van
WEP-sleutels met alfanumerieke 8-bits ASCII-tekens (0 t/m 9,
a t/m z en A t/m Z) of hexadecimale 4-bits cijfers (0 t/m 9, a t/m f
en A t/m F). Bij alfanumerieke ASCII-tekens wordt onderscheid
gemaakt tussen hoofdletters en kleine letters. Wanneer u een
hoofdletter of een kleine letter invoert, heeft dit verschillende
WEP-sleutelwaarden tot gevolg. Als u hexadecimale tekens
gebruikt, dient u ervoor te zorgen dat de resulterende bitwaarden
kunnen worden geconverteerd naar de toegestane reeks
alfanumerieke ASCII-tekens. Hierdoor kunt u WEP-sleutels
invoeren op apparaten waarop het invoeren van WEP-sleutels is
beperkt tot alfanumerieke ASCII-tekens.
Neem contact op met de Wireless Ethernet Compatibility Alliance
(WECA) voor meer informatie over WEP-beveiliging. Draadloze
HP Jetdirect IEEE 802.11b-printservers zijn producten met het
WECA Wi-Fi-certificaat. Wi-Fi, de standaard voor wireless fidelity
is een handelsmerk van WECA.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 292
Dynamische codering. Afhankelijk van het model van de
draadloze printserver, worden de volgende dynamische
coderingsprotocollen ondersteund:
dynamisch WEP
Wi-Fi Protected Access (WPA)
Wanneer gebruik wordt gemaakt van dynamische codering, worden
de coderingssleutels periodiek gewijzigd. Dit biedt extra
beveiliging.
Bij dynamische WEP-codering wordt aan elk apparaat in het
draadloze netwerk een andere coderingssleutel toegewezen die
na een vooraf ingestelde periode verloopt en vervolgens wordt
vervangen.
WPA-codering is een uitgebreide versie van dynamisch WEP
en biedt extra beveiliging. Er worden bijvoorbeeld nieuwe
coderingssleutels gemaakt voor vaste hoeveelheden gegevens
(10 kilobytes) die door een apparaat in het netwerk worden
verzonden.
Wanneer HP Jetdirect-printservers worden geconfigureerd
voor dynamische codering, kunnen de volgende opties worden
opgegeven, voor zover die door de printserver worden ondersteund:
Basic Encryption. Deze optie zorgt voor dynamische
WEP-codering en kan worden gebruikt bij gebruik van de
EAP/802.1x-verificatiemethoden LEAP, PEAP, EAP-TLS
en EAP-TTLS.
Robust Encryption. Deze optie biedt ondersteuning voor
dynamische WPA- en WEP-codering. Deze optie wordt gebruikt
bij EAP/PSK-verificatie en bij de
EAP/802.1x-verificatiemethoden LEAP, PEAP, EAP-TLS en
EAP-TTLS. Robust Encryption maakt dynamische WPA- en
WEP-coderingsprotocollen mogelijk.
Als dynamische WPA-codering niet door de draadloze HP
Jetdirect-printserver wordt ondersteund, zijn de opties voor
EAP/PSK-verificatie en Robust Encryption niet beschikbaar.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 293
Overzicht van installatie
Om een netwerkprinter aan te sluiten en te installeren met behulp
van een draadloze HP Jetdirect-printserver dient u de volgende
taken uit te voeren:
De printserverhardware aansluiten op de printer.
Een draadloze verbinding met het netwerk configureren
De printer op de netwerksystemen installeren
De printserverhardware aansluiten op de printer.
1. Volg de aanwijzingen in de documentatie bij de printserver om
de hardware aan te sluiten.
Zet de printer uit en plaats interne printservers in een
compatibele I/O-sleuf van de printer. Wanneer u de printer
aanzet, zorgt de printer voor stroom naar de printserver.
Sluit externe printservers op de printer aan met een
USB-kabel (Universal Serial Bus). Voor stroom sluit u de
stroomadapter van de server aan op een stopcontact.
2. Druk een Jetdirect-configuratiepagina af en kijk deze na om te
controleren of de printserver goed functioneert. Zoek het bericht
I/O-kaart klaar op. Verder wordt de status van elk protocol
weergegeven.
Voor interne printservers wordt doorgaans een
Jetdirect-configuratiepagina afgedrukt bij de
configuratiepagina van de printer. Raadpleeg de
documentatie bij de printer voor informatie over het
bedieningspaneel of andere instructies voor het afdrukken
van configuratiepagina's.
Bij externe printservers drukt u op de knop Test (
) op de
achterzijde van de printserver.
Opmerking De berichten op de configuratiepagina's worden
beschreven in Hoofdstuk 9
.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 294
Een draadloze verbinding met het netwerk
configureren
De HP Jetdirect-printserver dient een draadloze verbinding met het
netwerk te hebben om hiermee te kunnen communiceren. Als u een
draadloze verbinding voor de printserver wilt instellen, moet u
eerst instellingen voor draadloze communicatie voor het netwerk
opgeven. Voordat u een nieuwe printserver kunt configureren, moet
u met de printserver kunnen communiceren. Hiervoor hebt u een
draadloze computer nodig (bijvoorbeeld een laptop met een
geschikte draadloze netwerkinterfacekaart) die op de juiste wijze is
geconfigureerd. Het is mogelijk dat met de door HP geleverde
configuratieprogramma's voor de printserver wordt geprobeerd de
draadloze computer automatisch opnieuw te configureren voor de
eerste communicatie. Als dit niet met behulp van de
hulpprogramma's lukt, dient u de computer handmatig te
configureren.
Voordat u begint...
Voordat u een draadloze verbinding configureert, dient u het
volgende te doen:
Controleer of de hardware voor de HP Jetdirect-printserver is
geïnstalleerd en correct werkt.
Controleer of de printer en de HP Jetdirect-printserver zijn
ingeschakeld.
Druk een Jetdirect-configuratiepagina af en controleer of de
printer gereed is. Sommige netwerkconfiguratiewaarden die op
deze pagina worden weergegeven, kunt u later nodig hebben.
Vraag indien nodig de netwerkbeheerder om de draadloze
configuratieparameters.
Opmerking Onbevoegde clients krijgen gemakkelijk toegang
tot een draadloze HP Jetdirect-printserver met
fabriekswaarden (Ad-hocmodus). De draadloze
HP Jetdirect-printserver dient daarom niet
langer dan nodig ingesteld te blijven op de
fabriekswaarden, en alle configuratiewijzigingen
die u aanbrengt, dienen te worden gecontroleerd.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 295
Draadloze computer instellen voor Jetdirect-communicatie
Voor de eerste communicatie met de nieuwe draadloze
HP Jetdirect-printserver dient u mogelijk het volgende te doen:
1. Start het draadloze-clientbeheerprogramma of
draadloze-NIC-configuratiehulpprogramma.
2. Wijzig de instellingen voor het draadloze netwerk op de
computer als volgt, zodat deze overeenstemmen met de
fabrieksinstellingen op de Jetdirect-printserver:
Communicatiemodus: Ad hoc (peer-to-peer)
Netwerknaam (SSID): hpsetup
Codering: <uitgeschakeld>
Opmerking Meestal hoeft het kanaal voor draadloze
communicatie op de computer niet te worden
gewijzigd. Nadat u de opgegeven instellingen
voor draadloze communicatie op de computer
hebt gewijzigd, wordt het kanaal van de
printserver automatisch aangepast aan het
kanaal dat door de computer wordt gebruikt.
3. Ga verder naar De Jetdirect-printserver configureren voor het
netwerk.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 296
De Jetdirect-printserver configureren voor het netwerk
Gebruik een van de volgende methoden om de instellingen
voor draadloze communicatie van de Jetdirect-printserver te
configureren voor het netwerk:
Met behulp van de wizard HP Jetdirect Wireless Setup
(Windows)
HP Wireless Jetdirect Assistant (Mac OS)
Met behulp van een webbrowser (Windows en Mac OS)
Met behulp van de wizard HP Jetdirect Wireless Setup
(Windows). Om de wizard HP Jetdirect Wireless Setup te kunnen
gebruiken, moet een van de volgende besturingssystemen op de
draadloze computer worden gebruikt: Microsoft Windows 98, Me,
NT 4.0, 2000 of XP.
Opmerking U vindt de wizard HP Jetdirect Wireless Setup
op de HP Jetdirect cd-rom, die bij zelfstandige
draadloze HP Jetdirect-printservers wordt
geleverd. Ook kunt u de wizard downloaden
van de on line ondersteuning van HP op:
http://www.hp.com/support/net_printing
1. Start de wizard en volg de aanwijzingen op het scherm.
Nadat de draadloze computer is geconfigureerd voor
overeenstemming met de fabrieksinstellingen op de printserver,
zoekt de wizard naar beschikbare printers. De communicatie
met de printserver wordt tot stand gebracht wanneer de wizard
de printers kan vinden en weergeven.
2. Kies de printer en ga verder.
Op een serie schermen vraagt de wizard HP Jetdirect Wireless
Setup u systematisch om de volgende draadloze instellingen:
Communicatiemodus (of topologie van draadloos netwerk)
Kanaal (alleen Ad-hocmodus)
Netwerknaam (SSID)
Verificatiemethode
Keuze van statische of dynamische codering voor het netwerk
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 297
3. In het scherm Confirm Wireless Settings controleert u de
instellingen. Klik indien nodig op TCP/IP Settings om uw
IP-adres in te stellen. Bij sommige netwerken kan het nodig zijn
vooraf TCP/IP-parameters in te stellen voor netwerktoegang
(bijvoorbeeld door speciale DHCP-eisen of
toegangslijstbeperkingen).
4. Wanneer de HP Jetdirect-printserver is geconfigureerd met de
instellingen van het draadloze netwerk, klikt u op Finish.
5. Controleer of de printer binnen het netwerk kan communiceren.
Zie De draadloze netwerkverbinding controleren
.
Configureer de draadloze computer opnieuw zodat de computer
weer toegang tot het netwerk krijgt. Zie De printer op de
netwerksystemen installeren om de printer op de draadloze
computer aan te sluiten.
HP Wireless Jetdirect Assistant (Mac OS). Met dit
hulpprogramma kunt u een draadloze HP Jetdirect-printserver
met een verbinding met uw Mac OS-netwerk configureren.
Als u dit hulpprogramma wilt gebruiken, dient de draadloze
HP Jetdirect-printserver te zijn ingesteld op de fabriekswaarden.
Ga als volgt te werk:
1. Plaats de cd-rom in het Mac OS-systeem.
2. Selecteer en open het pictogram van de
HPJETDIRECT-cd-rom.
3. Lees de release-info voor bijgewerkte informatie als deze
beschikbaar is.
4. Selecteer en open de map HP Wireless Jetdirect Assistant
voor het besturingssysteem (Mac OS 9.x of X 10.1).
5. Kies de gewenste taal wanneer u hierom wordt gevraagd
(Mac OS 9.x).
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 298
6. Start het hulpprogramma HP WPS Assistant en volg de
aanwijzingen op het scherm.
Als er eenmaal een draadloze verbinding tot stand is gebracht, dient
u andere hulpprogramma's (zoals HP LaserJet Utility for Mac OS)
te gebruiken om de printer voor afdrukken te configureren en
te beheren.
Opmerking Ook kunt u de ingesloten webserver gebruiken
om een netwerkverbinding te configureren.
Zie Hoofdstuk 4
.
Met behulp van een webbrowser (Windows en Mac OS).
Als u de draadloze Jetdirect-printserver via een webbrowser wilt
configureren met een draadloze verbinding, dient het systeem te
worden ingesteld voor gebruik in een TCP/IP-netwerk.
Voor de volgende systemen worden instructies voor draadloze
webbrowserverbindingen verstrekt: Microsoft Windows en
Apple Macintosh (zie pagina 301
).
Microsoft Windows. Om de webbrowser te gebruiken in een
Windows-systeem, voert u de volgende stappen uit:
1. Controleer of de instellingen voor een draadloos netwerk op de
computer overeenkomen met de fabrieksinstellingen op de
HP Jetdirect-printserver.
2. Open een DOS-promptvenster.
3. Typ
ipconfig
achter de prompt. Met de opdracht
ipconfig
wordt het IP-adres van de computer weergegeven. Noteer
dit adres.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 299
4. Gebruik de opdracht
route add
om een IP-pad (of route) van
de draadloze computer naar de printer tot stand te brengen.
(Dit wil zeggen dat de netwerkidentificatie van uw systeem
moet overeenkomen met die van de HP Jetdirect-printserver.
Als de printserver met het standaard-IP-adres, zoals 169.254/16
of 192.0.0.192, is geconfigureerd, is het mogelijk dat er geen
route bestaat.)
Opmerking De opdracht route add
wordt meestal op de
volgende manier ingevoerd:
waarbij
<Jetdirect IP-adres>
het IP-adres op
de HP Jetdirect-printserver is en
<systeem-IP-adres>
het IP-adres is dat is
ingesteld op de netwerkkaart van de computer.
Voorbeeld:
5. Open de webbrowser en voer het IP-adres dat op de
HP Jetdirect-printserver is ingesteld in als de URL.
De communicatie met de printserver is tot stand gebracht
wanneer de ingesloten webpagina's van de Jetdirect-printserver
worden weergegeven.
Opmerking Als de ingesloten Jetdirect-webpagina's niet
worden weergegeven, kunt u proberen de
webproxyserver uit te schakelen als het gebruik
daarvan in de webbrowser op de computer is
ingeschakeld.
route add <Jetdirect IP Address> <system IP Address>
route add 192.0.0.192 192.170.1.2
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 300
6. Als er speciale IP-configuratieparameters nodig zijn
voor toegang tot het netwerk (bijvoorbeeld wegens
IP-adresbeperkingen voor DHCP of de hosttoegangslijst),
dient u deze parameters nu in te stellen. Selecteer het tabblad
TCP/IP en stel de benodigde parameters in. Klik vervolgens
op Apply.
Omdat u het IP-adres hebt gewijzigd, is de communicatie met
de printserver mogelijk verloren gegaan. Om de verbinding
opnieuw tot stand te brengen, gebruikt u het nieuwe IP-adres.
7. Selecteer het tabblad Networking op de ingesloten
Jetdirect-webpagina's. Selecteer het tabblad 802.11b op
de pagina Network Settings.
8. Stel de juiste draadloze 802.11b-instellingen voor uw netwerk
in op basis van de weergegeven keuzen of door op de knop
Wizard te klikken:
Communicatiemodus (of topologie van draadloos netwerk)
Kanaal (alleen Ad-hocmodus)
Netwerknaam (SSID)
Verificatiemethode
Keuze van statische of dynamische codering voor het netwerk
9. Wanneer de HP Jetdirect-printserver is geconfigureerd met de
instellingen van het draadloze netwerk, klikt u op Apply.
Omdat u de instellingen voor draadloze communicatie van de
printserver hebt gewijzigd, is de communicatie met de
printserver mogelijk verbroken.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 301
10. Controleer of de printer binnen het netwerk kan communiceren.
Zie De draadloze netwerkverbinding controleren
.
Configureer de draadloze computer opnieuw zodat de computer
weer toegang tot het netwerk krijgt. Herstel indien nodig het
proxygebruik van de webbrowser.
Zie De printer op de netwerksystemen installeren
om de printer
op de draadloze computer aan te sluiten.
Apple Macintosh U kunt de webbrowser op een Apple
Macintosh-systeem (Mac OS 9, Mac OS X 10.1) gebruiken om
de draadloze Jetdirect-printserver te configureren voor een
draadloze verbinding met het netwerk. Voer de volgende
stappen uit:
Opmerking Lees eerst Voordat u begint...
Opmerking Om via een webbrowser met de Jetdirect-printer
te kunnen communiceren, zijn tijdelijke
TCP/IP-netwerkinstellingen (zoals een IP-adres)
nodig voor het systeem. Voor informatie over
TCP/IP-netwerken raadpleegt u Bijlage A
.
1. Bekijk de HP Jetdirect-configuratiepagina (zie pagina 293)
en controleer of de computerinstellingen voor het draadloze
netwerk overeenkomen met de fabrieksinstellingen voor
draadloze communicatie op de HP Jetdirect-printserver.
2. Selecteer het netwerk
hpsetup
in het Apple AirPort-menu.
a. Controleer of Apple AirPort is ingeschakeld.
b. Selecteer het Apple Airport-symbool op de regelbalk
(Mac OS 9) of op de menubalk (Mac OS X 10.1) om het
menu weer te geven.
c. Selecteer het netwerk
hpsetup
dat wordt weergegeven
onder computer-to-computer (ad-hoc) netwerken.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 302
Opmerking Aanbeveling: noteer voor alle zekerheid de
huidige TCP/IP-instellingen van het systeem
voordat u doorgaat met de volgende stap. Als het
netwerk gebruikmaakt van TCP/IP en de
instellingen per ongeluk verloren gaan, dient u
de TCP/IP-configuratie te herstellen nadat u de
HP Jetdirect-printserver hebt ingesteld.
3. Wijzig indien nodig het IP-adres van de computer zodat dit zich
in hetzelfde IP-subnet bevindt als de HP Jetdirect-printserver.
Als het standaard-IP-adres van de printserver bijvoorbeeld
192.0.0.192 is, zou u 192.0.0.193 op de computer kunnen
gebruiken.
Mac OS 9:
a. Selecteer in het Apple-menu Regelpanelen en
vervolgens TCP/IP.
Voer de volgende stappen uit om de huidige
TCP/IP-configuratie vast te leggen en vanuit een dubbele
configuratie te werken:
Selecteer in het menu Bestand Configuraties en
vervolgens Dupliceer. Noteer de naam van de huidige
configuratie.
Voer een naam voor de nieuwe tweede configuratie in.
Selecteer Maak actief.
b. Geef aan dat u TCP/IP Handmatig wilt configureren en
voer een IP-adres in dat overeenkomt met het IP-subnet
van de printserver. Als het standaard-IP-adres van de
printserver bijvoorbeeld 192.0.0.192 is, zou u de computer
kunnen configureren met het IP-adres 192.0.0.193 en het
subnetmasker 255.255.0.0.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 303
c. Schakel het gebruik van webproxyservers uit.
Ga als volgt te werk om een nieuwe webproxyconfiguratie
met uitgeschakelde proxy's te maken en de huidige
configuratie op te slaan:
Selecteer in het Apple-menu Regelpanelen en
vervolgens Internet.
Selecteer in het menu Bestand Dupliceer set en
vervolgens Dupliceer. Noteer de naam van de huidige
configuratie.
Voer een nieuwe naam voor een nieuwe
proxyconfiguratie in.
Selecteer het tabblad Geavanceerd en het vervolgens
Firewalls-symbool. Schakel alle proxyaankruisvakjes
uit, zodat de proxy's zijn uitgeschakeld.
Pas de nieuwe proxyserverconfiguratie toe.
Mac OS X 10.1:
a. Selecteer in het Apple-menu Locatie en vervolgens
Netwerkinstellingen.
b. Gebruik de locatie-selector om Nieuwe locatie te
selecteren. Voer een naam in voor de nieuwe locatie,
bijvoorbeeld HP Setup. Klik vervolgens op OK.
c. Selecteer AirPort als voorkeursnetwerk wanneer u
daarom wordt gevraagd. Zorg ervoor dat AirPort het
enige geselecteerde netwerk is.
Om er zeker van te zijn dat AirPort is geselecteerd,
schakelt u andere netwerkpoorten uit of zorgt u ervoor
dat AirPort de eerste interface is die voor deze locatie is
geactiveerd.
Selecteer Actieve netwerkpoorten en vervolgens
Dupliceer. Noteer de naam van de huidige configuratie.
Schakel de selectievakjes voor configuratiepoorten van
andere netwerken uit of plaats AirPort bovenin de lijst
met behulp van slepen en neerzetten.
Klik op Pas nu toe.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 304
d. Klik op het tabblad TCP/IP. Selecteer TCP/IP handmatig
configureren. Voer een IP-adres in dat overeenkomt
met het IP-subnet van de printserver. Als het
standaard-IP-adres van de printserver bijvoorbeeld
192.0.0.192 is, zou u de computer kunnen configureren
met het IP-adres 192.0.0.193, het subnetmasker
255.255.0.0 en het routeradres 192.0.0.193. Klik
vervolgens op Pas nu toe.
e. Klik op het tabblad Proxy's en schakel alle selectievakjes
van proxy's uit om er zeker van te zijn dat er geen proxy's
worden gebruikt. Klik vervolgens op Pas nu toe.
f. Klik op het tabblad AirPort en voer
hpsetup
in als
Voorkeursnetwerk, zodat deze overeenkomt met de
netwerknaam (SSID) van de Jetdirect-printserver.
Klik vervolgens op Pas nu toe.
4. Open de webbrowser en voer het IP-adres van de
HP Jetdirect-printserver in als de URL. De communicatie
met de printserver is tot stand gebracht wanneer de ingesloten
webpagina's van de Jetdirect-printserver worden weergegeven.
Opmerking Als de ingesloten Jetdirect-webpagina's niet
worden weergegeven, controleert u of het gebruik
van een webproxyserver is uitgeschakeld.
Raadpleeg de Help van de webbrowser voor
instructies.
5. Selecteer het tabblad Networking op de ingesloten
Jetdirect-webpagina's. Selecteer het tabblad 802.11b
op de pagina Network Settings.
6. Stel de juiste draadloze 802.11b-instellingen in voor
uw netwerk:
Communicatiemodus (of topologie van draadloos netwerk)
Kanaal (alleen Ad-hocmodus)
Netwerknaam (SSID)
Verificatiemethode
Keuze van statische of dynamische codering voor het netwerk
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 305
7. Wanneer de HP Jetdirect-printserver is geconfigureerd met de
instellingen van het draadloze netwerk, klikt u op Apply.
Opmerking Standaard dient AppleTalk te zijn ingeschakeld
(klik op het tabblad AppleTalk om dit te
controleren).
Als er speciale IP-configuratieparameters nodig
zijn voor toegang tot het netwerk (bijvoorbeeld
wegens IP-adresbeperkingen voor DHCP of de
hosttoegangslijst), dient u deze parameters nu in
te stellen. Selecteer het tabblad TCP/IP en stel de
benodigde parameters in.
8. Controleer of de printer binnen het netwerk kan communiceren.
Zie De draadloze netwerkverbinding controleren
.
Opmerking Configureer de draadloze computer weer met de
oorspronkelijke instellingen, zodat de computer
weer toegang tot het netwerk krijgt. Zorg ervoor
dat u indien nodig de oorspronkelijke
netwerkpoortinstellingen, de TCP/IP-parameters
en het proxygebruik van de webbrowser herstelt.
Zie De printer op de netwerksystemen installeren om de printer op
de draadloze computer aan te sluiten.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 306
De draadloze netwerkverbinding controleren
Wanneer u de HP Jetdirect-printserver hebt geconfigureerd
met een draadloze verbinding met het netwerk, moeten de
netwerkcomputers met de printer kunnen communiceren.
Als dit het geval is, kunt u de printer installeren op elk systeem
dat afdruktaken rechtstreeks naar de printer zal verzenden.
Opmerking Als u de printer wilt installeren op de draadloze
computer die u hebt gebruikt om de draadloze
Jetdirect-printserver te configureren, dient u de
netwerkinstellingen van de computer te herstellen
om weer toegang tot het netwerk te krijgen.
Als de computer speciale instellingen van het
netwerk nodig heeft (bijvoorbeeld van een
DHCP-configuratieserver) dient u mogelijk een
paar minuten te wachten voordat de computer
toegang tot het netwerk heeft.
Om te controleren of de netwerksystemen met de printer kunnen
communiceren, kunt u het volgende proberen:
Druk een Jetdirect-configuratiepagina af en controleer de status
van de printserver. In Infrastructuur-modus geeft het bericht
Klaar aan dat de printserver een toegangspunt heeft gevonden
en in het netwerk is geverifieerd. Daarnaast geven de
signaalsterkte en andere parameters aan dat de printer in het
netwerk communiceert.
Verzend een ping-opdracht naar het IP-adres (Internet Protocol)
van de HP Jetdirect-printserver. Het IP-adres wordt
weergegeven op de Jetdirect-configuratiepagina. Als het
standaard-IP-adres 192.0.0.192 is ingesteld, is dit mogelijk geen
geldig adres voor het netwerk. In dit geval dient u mogelijk een
IP-pad van de computer naar de printserver te maken
(bijvoorbeeld met de opdracht route add van uw systeem)
voordat u de ping-opdracht kunt gebruiken.
Voer in de webbrowser als URL het IP-adres in dat op de
Jetdirect-printserver is geconfigureerd. Als het
standaard-IP-adres 192.0.0.192 is ingesteld, dient u mogelijk
eerst een IP-pad naar de printer te maken. De communicatie is
gecontroleerd als de ingesloten Jetdirect-webpagina's worden
weergegeven.
NLWW Draadloze HP Jetdirect 802.11b-printservers 307
Voer een installatieprogramma voor printers uit op uw systeem
en installeer de printer. De wizard HP Netwerkprinter
installeren (voor Windows-systemen) zal de printer bijvoorbeeld
vinden wanneer deze wizard met de printer kan communiceren.
De printer op de netwerksystemen installeren
Om de printer te installeren op netwerksystemen die rechtstreeks
naar de printer afdrukken, gebruikt u systeemtools (bijvoorbeeld
Printer toevoegen in Windows of de Kiezer van Macintosh) of door
HP geleverde hulpprogramma's.
De HP-hulpprogramma's zijn onder meer: de wizard
HP Netwerkprinter installeren voor Microsoft Windows-systemen
en het HP LaserJet Utility voor Mac OS voor Apple
Macintosh-systemen. Deze hulpprogramma's vindt u op de
HP Jetdirect cd-rom en opgenomen in
afdruksysteemhulpprogramma's die bij veel HP-printers
worden geleverd.
Zie Hoofdstuk 2
voor aanvullende HP-hulpprogramma's.
NLWW 308
C
Het menu van het
HP Jetdirect-bedieningspaneel
Inleiding
Indien ondersteund door de printer, biedt de interne
HP Jetdirect-printserver een configuratiemenu dat toegankelijk
is via het bedieningspaneel van de printer. De toetscombinaties
waarmee u via het bedieningspaneel toegang tot dit menu krijgt,
zijn afhankelijk van de printer. Raadpleeg de handleidingen van
de printer voor meer informatie.
De interne HP Jetdirect-printservers ondersteunen de volgende
printerbedieningspanelen:
Traditioneel bedieningspaneel scherm met knoppen voor het
selecteren van menu's en parameters.
Grafisch bedieningspaneel scherm met toetsenblok voor
navigatie en numeriek toetsenblok (beschikbaar op nieuwere
HP LaserJet-printermodellen.
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 309
Traditioneel bedieningspaneel
Op traditionele bedieningspanelen kunnen
meestal twee regels van elk 16 tekens
worden weergegeven.
Zoals beschreven in Tabel C.1
, kunt u via het
menu van het
HP Jetdirect-bedieningspaneel
netwerkprotocollen in- en uitschakelen en
bepaalde netwerkparameters configureren.
Op het bedieningspaneel wordt een sterretje
(*) gebruikt om de geselecteerde waarde aan te duiden.
Tabel C.1 Menu van het traditionele HP Jetdirect-bedieningspaneel
(1 van 7)
Menu-item Beschrijving
CFG NETWERK= Hiermee geeft u aan of u al dan niet toegang wenst tot het
Jetdirect-menu.
NEE (standaardinstelling): het HP Jetdirect-menu wordt
overgeslagen.
JA: biedt toegang tot het HP Jetdirect-menu. Wijzig deze optie
in JA* elke keer dat u naar het menu wilt gaan.
CFG 802.11B= (Alleen draadloze 802.11b-printservers) Hiermee geeft u aan of
u al dan niet toegang wenst tot het 802.11b-configuratiemenu.
NEE (standaardinstelling): het menu wordt overgeslagen.
JA: het menu wordt geopend. Wijzig deze optie in JA* elke keer
dat u naar het menu wilt gaan.
Als JA* is geselecteerd, kunnen de volgende items worden
geconfigureerd:
Opmerking: de meeste traditionele bedieningspanelen
bevatten alleen hoofdletters. Om aan te geven of iets in
hoofdletters of kleine letters is, wordt tijdens het invoeren van
tekens na elk teken het symbool '+' (hoofdletters) of '-' (kleine
letters) weergegeven.
MODUS: kies een van de volgende draadloze topologieën:
AD HOC (standaardinstelling)
INFRA. (Infrastructuur-modus)
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 310
CFG 802.11B=
(vervolg)
SSID: kies een van de volgende opties:
hpsetup (standaardinstelling): dit is de fabrieksinstelling.
Dit kan op de meeste bedieningspanelen in hoofdletters
worden weergegeven, maar is in feite in kleine letters.
<Lijst met SSID's>: kies uit een lijst met SSID's die door
de printserver zijn gevonden.
<AUTO>: de printserver vindt SSID's automatisch en
probeert automatisch verbinding te maken en te verifiëren
op een netwerk, beginnend bij het SSID-netwerk met de
beste signaalsterkte.
<AANGEPST> voor het invoeren van een nieuwe SSID.
CFG SSID: dit item wordt weergegeven als
SSID=<AANGEPST> is ingesteld. Typ op de prompt SSID=
een aangepaste SSID (één teken tegelijk). Deze SSID wordt
aan de SSID-lijst toegevoegd. Als u vervolgens een nieuwe
SSID invoert, wordt de bestaande aangepaste SSID
overschreven.
CFG 802.11B=
(vervolg)
VERIF.: kies een van de volgende verificatiemethoden voor het
netwerk:
OPEN (standaardinstelling) om Open System te kiezen
GEDEELD om Shared Key te kiezen
EAP om te kiezen uit ondersteunde IEEE
802.1x-EAP-opties (Extensible Authentication Protocol)
waarbij gebruik wordt gemaakt van een verificatieserver.
Zie het menu CFG EAP.
PSK voor de selectie van EAP (Extensible Authentication
Protocol) met een Pre-Shared Key ("PSK", vooraf
gedeelde sleutel) op netwerken waarop geen
verificatieserver wordt gebruikt. Zie het menu CFG PSK.
CFG PSK: dit item wordt weergegeven als VERIF.=PSK is
ingesteld. Kies en selecteer een van de volgende opties:
NEE (standaardinstelling): PSK-configuratie wordt
overgeslagen.
JA: doorgaan met PSK-configuratie. Voer een
netwerkwachtzin in. Deze wordt gebruikt om de vooraf
gedeelde sleutel voor EAP-verificatie op het netwerk te
genereren.
Typ op de prompt WACHTZIN= een wachtzin (één teken
tegelijk). Een wachtzin moet bestaan uit 8 tot 63 ASCII-tekens
in het hexadecimale bereik van 21 tot en met 7E (de tekens
0-9, a-z, A-Z en diverse speciale tekens, zoals !, @, #, $, %, ^,
&, (, ), _, +, =, -, {, }, [, ], \, /, ", <, >, ?, ", ', ~).
Tabel C.1 Menu van het traditionele HP Jetdirect-bedieningspaneel
(2 van 7)
Menu-item Beschrijving
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 311
CFG 802.11B=
(vervolg)
CFG EAP: dit item wordt weergegeven als VERIF.=EAP
is ingesteld. Kies een van de volgende opties:
NEE (standaardinstelling): EAP-configuratie wordt
overgeslagen.
JA: het EAP-protocol dat op het netwerk wordt gebruikt,
inschakelen (AAN) of uitschakelen (UIT).
Als een EAP-protocol vereisten bevat die nog niet op de
printserver zijn geconfigureerd (zoals een gebruikersnaam,
wachtwoord, Jetdirect-certificaat voor het apparaat of
CA-certificaat voor de verificatieserver), wordt het
EAP-protocol niet weergegeven.
De volgende EAP-protocollen kunnen worden ingeschakeld:
LEAP
PEAP
EAP-MD5
EAP-TLS
EAP-TTLS
Indien dit voor het netwerk vereist is, kunt u meerdere
protocollen tegelijk inschakelen. Voor elk ingeschakeld
protocol kan echter aanvullende configuratie nodig zijn.
CFG 802.11B=
(vervolg)
DYNAMISCH: dit item wordt weergegeven als u een
verificatiemethode hebt geselecteerd voor een draadloze
printserver die dynamische codering ondersteunt. Kies een
beschikbare optie:
STANDAARD: dynamische WEP-codering wordt
ondersteund.
ZWAAR: dynamische WPA- (Wi-Fi Protected Access)
en WEP-coderingsprotocollen worden ondersteund.
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/PSK-verificatie, wordt gebruikgemaakt van zware
codering (WPA-coderingsprotocollen).
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/802.1x-verificatie (alleen LEAP), moet de printserver
worden ingesteld op standaardcodering.
Wanneer de printserver is geconfigureerd voor
EAP/802.1x-verificatie (alleen PEAP, TLS en TTLS ), kan de
printserver, afhankelijk van het netwerk, worden ingesteld
op standaardcodering of zware codering. Dynamische
coderingsprotocollen vallen onder het toezicht van de
verificatieserver en moeten ook worden ondersteund door
het toegangspunt.
Tabel C.1 Menu van het traditionele HP Jetdirect-bedieningspaneel
(3 van 7)
Menu-item Beschrijving
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 312
CFG 802.11B=
(vervolg)
CODEREN: voor statische WEP-codering wordt dit item
weergegeven bij VERIF.=OPEN (Open System),
AUTH.=GEDEELD (Shared Key) of EAP-MD5=AAN.
Kies een coderingsniveau:
128 voor 104/128-bits codering
64 voor 40/64-bits codering
n.v.t. (standaardinstelling).
TK.SLT: dit item wordt weergegeven als u 128- of 64-bits
codering hebt geselecteerd en wordt gebruikt om de actieve
zendsleutel op te geven. Kies een van de posities voor de
zendcoderingssleutel (sleutel 1, 2, 3 of 4). Er moet een geldige
WEP-sleutelwaarde aan de geselecteerde zendsleutel zijn
toegewezen. Als er geen geldige WEP-sleutel is toegewezen,
wordt de eerste gevonden sleutel met een geldige
sleutelwaarde toegewezen.
CFG-SL nr.: gebruik dit menu om sleutelwaarden voor maximaal
vier sleutelposities te configureren (waarbij NR. de sleutel
aangeeft).
NEE (standaardinstelling): de configuratie van deze sleutel
wordt overgeslagen:
JA: er wordt een sleutelwaarde voor deze sleutel
geconfigureerd.
De indeling voor het invoeren van sleutelwaarden is
hexadecimaal met alfanumerieke hulp. Hexadecimale cijfers
(0 - 9, A - F) worden met een byte (twee cijfers) tegelijk
ingevoerd. Voor deze waarde wordt een alfanumeriek teken
weergegeven.
Voer 5 bytes (10 cijfers) in voor 40/64-bits codering.
Voer 13 bytes (26 cijfers) in voor 104/128-bits codering.
802.11B: hiermee geeft u aan of u de draadloze
802.11b-parameters op de printserver wilt behouden of
opnieuw wilt instellen.
BEHOUDEN: de geconfigureerde parameters blijven
behouden.
HERSTELLEN: de parameters worden weer ingesteld op
de fabriekswaarden. Parameterwaarden voor andere
netwerkprotocollen worden niet hersteld. Als u de herstelde
waarden wilt bekijken, dient u het menu van het
bedieningspaneel te sluiten en opnieuw te openen.
Tabel C.1 Menu van het traditionele HP Jetdirect-bedieningspaneel
(4 van 7)
Menu-item Beschrijving
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 313
TCP/IP=
IPX/SPX=
DLC/LLC=
ATALK=
Hiermee geeft u aan of de protocolstack is in- of uitgeschakeld.
AAN (standaardinstelling): het protocol is ingeschakeld.
UIT: het protocol is uitgeschakeld.
CFG TCP/IP= Hiermee geeft u aan of u toegang wenst tot het TCP/IP-menu en
de parameters voor het TCP/IP-protocol wilt instellen.
NEE (standaardinstelling): het TCP/IP-menu wordt
overgeslagen.
JA: biedt toegang tot het TCP/IP-menu.
In het menu TCP/IP kunt u aangeven BOOTP=JA* of DHCP=JA*
zodat TCP/IP-parameters automatisch worden geconfigureerd
door een BootP- of een DHCP-server wanneer de printer wordt
ingeschakeld.
Als de printserver een DHCP-lease bevat en u DHCP=JA*
opgeeft, kunt u DHCP-instellingen configureren. Geef CFG
DHCP=JA* op als u de volgende parameters wilt configureren:
UITGAVE: kies JA om de huidige DHCP-lease uit te geven
of NEE om de DHCP-lease op te slaan.
VERNIEUWEN: kies JA om de huidige DHCP-lease te
vernieuwen of NEE om de DHCP-lease niet te vernieuwen.
Als u BOOTP=NEE* en DHCP=NEE* opgeeft, kunt u AUTOM.
IP=JA* kiezen om automatisch het link-local adres 169.254.x.x
toe te laten wijzen.
Als u BOOTP=NEE*, DHCP=NEE* en AUTOM. IP=NEE*
opgeeft, kunt u via het bedieningspaneel handmatig de volgende
TCP/IP-parameters instellen:
Elke byte van het IP-adres (IP)
Subnetmasker (SM)
Syslog-server (LG)
Standaard-gateway (GW)
Time-out voor inactief (de standaardinstelling is
270 seconden, 0 schakelt de time-out uit)
Druk een Jetdirect-configuratiepagina af om uw instellingen te
controleren. Houd er echter rekening mee dat de printserver
bepaalde parameters door andere kan vervangen om juiste
werking te verzekeren.
Tabel C.1 Menu van het traditionele HP Jetdirect-bedieningspaneel
(5 van 7)
Menu-item Beschrijving
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 314
CFG IPX/SPX= Hiermee geeft u aan of u toegang wenst tot het IPX/SPX-menu
en de parameters voor het IPX/SPX-protocol wilt instellen.
NEE (standaardinstelling): het IPX/SPX-menu wordt
overgeslagen.
JA: hiedt toegang tot het IPX/SPX-menu.
In het menu IPX/SPX kunt u de parameter
Frame Type
specificeren voor uw netwerk.
AUTO (standaardinstelling) dient voor het automatisch
instellen op en beperken van het frametype tot het eerste
frametype dat wordt gevonden.
Voor Ethernet-kaarten zijn de keuzemogelijkheden voor
frametype onder andere EN_8023, EN_II, EN_8022 en
EN_SNAP.
Voor Token Ring-kaarten zijn de keuzemogelijkheden voor
frametype onder andere TR_8022 en TR_SNAP.
In het menu IPX/SPX voor Token Ring-kaarten kunt u tevens
parameters voor
NetWare-bronrouting
specificeren, zoals BRON
RT=AUTO (standaardinstelling), UIT, ENKELE R of ALLE RT.
CFG VERB.= (Alleen 10/100Base-TX-printservers) Hiermee geeft u aan of u
de netwerkverbinding van de HP Jetdirect-printserver handmatig
wilt configureren.
NEE (standaardinstelling): het menu voor configuratie van de
verbinding wordt overgeslagen.
JA: dient voor toegang tot het menu voor configuratie van de
verbinding.
Voor 10/100Base-TX-netwerken moeten de verbindingssnelheid
en communicatiemodus overeenkomen met die van het netwerk.
Een van de volgende verbindingsconfiguraties kan worden
ingesteld:
AUTO (standaardinstelling): de verbindingssnelheid en de
communicatiemodus van de printserver worden automatisch
aangepast aan die van het netwerk. Als dit mislukt, wordt
100TX Half ingesteld.
10T HALF: 10 Mbps, werking met half-duplex
10T FULL: 10 Mbps, werking met full-duplex
100TX HALF: 100 Mbps, werking met half-duplex.
100TX FULL: 100 Mbps, werking met full-duplex
Tabel C.1 Menu van het traditionele HP Jetdirect-bedieningspaneel
(6 van 7)
Menu-item Beschrijving
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 315
WEB= Hiermee geeft u voor configuratiebeheer op of de ingesloten
webserver alleen communicatie met HTTPS (beveiligd HTTP)
of communicatie met zowel HTTP als HTTPS accepteert.
HTTPS: voor veilige, gecodeerde communicatie wordt alleen
HTTPS geaccepteerd. De printserver wordt weergegeven als
beveiligde locatie.
HTTP/HTTPS: toegang met HTTP of met HTTPS is toegestaan.
BEVEILIGING= Hiermee geeft u aan of de huidige beveiligingsinstellingen op
de printserver worden opgeslagen of dat de fabriekswaarden
worden hersteld.
BEHOUDEN (standaardinstelling): de huidige
beveiligingstellingen blijven behouden.
HERSTELLEN: de fabriekswaarden van de
beveiligingsinstellingen worden hersteld.
Tabel C.1 Menu van het traditionele HP Jetdirect-bedieningspaneel
(7 van 7)
Menu-item Beschrijving
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 316
Grafisch bedieningspaneel
Op grafische
bedieningspanelen worden
meestal 18 tekens per regel en
maximaal vier regels tegelijk
weergegeven. Ook kan
schuiven mogelijk zijn, zodat
extra regels kunnen worden
weergegeven.
Op grafische bedieningspanelen kan door middel van een numeriek
toetsenblok en navigatieknoppen toegang worden verkregen tot de
items van het HP Jetdirect-menu. Zie Tabel C.2
voor een
beschrijving van menu-items en opties.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(1 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
802.11b MODUS Kies een van de volgende draadloze
topologieën:
AD HOC (standaardinstelling)
INFRASTRUCTUUR
NETWERKNAAM Geef een netwerknaam (SSID) op. Maak een
keuze uit onderstaande opties:
hpsetup (standaardinstelling): de
standaard-SSID die meestal voor de eerste
configuratie wordt gebruikt.
<AUTO>: SSID's worden automatisch door
de printserver gedetecteerd en er wordt
automatisch geprobeerd verbinding te
maken en de printserver te verifiëren op
een netwerk, beginnend bij het
SSID-netwerk met de beste signaalsterkte.
<lijst met netwerknamen>: de beschikbare
SSID's die door de printserver zijn
gevonden.
<AANGEPAST>: gebruik het menu
AANGEPASTE NAAM om een aangepaste
SSID in te voeren.
?
MENUS
+ XXXXXXXXXX
+ XXXXXXXXXX
+ XXXXXXXXXXXX
+ XXXXXXXXXXXX
+ XXXXXXXX
+ XXXXXXXX
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 317
802.11b
(vervolg)
AANGEPASTE
NAAM
Voer maximaal 32 tekens in voor een
aangepaste netwerknaam (SSID). Als u
vervolgens een nieuwe aangepaste SSID
invoert, wordt de bestaande aangepaste
SSID overschreven.
VERIFICATIE kies een van de volgende
verificatiemethoden voor het netwerk:
OPEN SYSTEEM: er wordt geen
netwerkverificatie vereist of gebruikt.
GEDEELDE SLEUTEL: hiervoor is een
WEP-coderingssleutel vereist op elk
apparaat in het draadloze netwerk. Gebruik
het menu SLEUTL CONFIGUR. om
WEP-coderingssleutels te configureren.
EAP/802.1x: Vereist configuratie van EAP's
(Extensible Authentication Protocols) in
combinatie met een verificatieserver die in
het netwerk wordt gebruikt. Gebruik het
menu EAP CONFIGUR. om
EAP-protocollen te configureren. Voor
EAP/802.1x-configuratieopties kan een
wachtwoord vereist zijn, dat kan worden
ingesteld in het menu Beveiliging.
EAP/PSK: Vereist configuratie van een
vooraf gedeelde sleutel wanneer EAP's
(Extensible Authentication Protocols)
zonder verificatieserver op het netwerk
worden gebruikt. Gebruik het menu PSK
CONFIGUR. om een vooraf gedeelde
sleutel te genereren.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(2 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 318
802.11b
(vervolg)
EAP CONFIGUR. Dit menu is beschikbaar als EAP-verificatie is
geselecteerd. De volgende
verificatieprotocollen kunnen worden
ingeschakeld:
LEAP
PEAP
EAP-MD5
EAP-TLS
EAP-TTLS
Indien dit voor het netwerk vereist is, kunt u
meerdere protocollen tegelijk inschakelen.
Voor elk ingeschakeld protocol kan echter
aanvullende configuratie nodig zijn.
Voor elk verificatieprotocol zijn de volgende
opties beschikbaar:
UIT (standaardinstelling): uitgeschakeld:
AAN: ingeschakeld
Voor PEAP, EAP-TLS en EAP-TTLS kan
CERT. VEREIST worden weergegeven.
Dit geeft aan dat digitale certificaatinformatie
vooraf op de printserver moet zijn
geïnstalleerd.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(3 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 319
802.11b
(vervolg)
BEVEILIGING Dit menu wordt alleen weergegeven als
EAP-verificatie is geselecteerd. Stel de
volgende parameters in:
GEBRUIKERSNAAM: voer een
gebruikersnaam in voor het apparaat.
Er kunnen maximaal 64 tekens worden
ingevoerd.
WACHTWOORD: voer een wachtwoord in
voor het apparaat. Er kunnen maximaal
64 tekens worden ingevoerd.
DYNAMISCHE SLEUTELS: dit item wordt
weergegeven als u een verificatiemethode
hebt geselecteerd voor een draadloze
printserver die dynamische codering
ondersteunt. Kies een beschikbare optie:
STANDAARD: dynamische WEP-codering
wordt ondersteund.
ZWAAR: dynamische WPA- (Wi-Fi
Protected Access) en
WEP-coderingsprotocollen worden
ondersteund.
Wanneer de printserver is geconfigureerd
voor EAP/PSK-verificatie, wordt
gebruikgemaakt van zware codering
(WPA-coderingsprotocollen).
Wanneer de printserver is geconfigureerd
voor EAP/802.1x-verificatie (alleen LEAP),
moet de printserver worden ingesteld op
standaardcodering.
Wanneer de printserver is geconfigureerd
voor EAP/802.1x-verificatie (alleen PEAP,
TLS en TTLS ), kan de printserver,
afhankelijk van het netwerk, worden
ingesteld op standaardcodering of zware
codering. Dynamische
coderingsprotocollen vallen onder het
toezicht van de verificatieserver en moeten
ook worden ondersteund door het
toegangspunt.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(4 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 320
802.11b
(vervolg)
PSK CONFIGUR. WACHTZIN: Voer een netwerkwachtzin in.
Deze wordt gebruikt om de vooraf gedeelde
sleutel voor EAP-verificatie op het netwerk
te genereren.
Een wachtzin moet bestaan uit 8 tot 63
ASCII-tekens in het hexadecimale bereik
van 21 tot en met 7E (de tekens 0-9, a-z,
A-Z en diverse speciale tekens, zoals !, @,
#, $, %, ^, &, (, ), _, +, =, -, {, }, [, ], \, /, ", <,
>, ?, ", ', ~).
CODERING Dit menu wordt weergegeven als u open
systeem, gedeelde sleutel of
EAP-MD5-verificatie hebt geselecteerd.
Kies het coderingsniveau van de statische
WEP-sleutel:
128-BITS WEP Hiermee kiest u
104/128-bits WEP.
64-BITS WEP Hiermee kiest u 40/64-bits
WEP.
GEEN: (standaardinstelling) geeft aan dat
codering niet is geconfigureerd.
U configureert WEP-coderingssleutels met
het menu SLEUTL CONFIGUR.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(5 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 321
802.11b
(vervolg)
SLEUTL
CONFIGUR.
Dit menu wordt alleen weergegeven als
128-bits of 64-bits WEP is geselecteerd.
Gebruik dit menu om de zendsleutelpositie
en WEP-sleutelwaarden toe te wijzen. Er zijn
vier sleutelposities (sleutel 1, 2, 3 of 4)
beschikbaar, maar de geselecteerde sleutel
dient een geldige WEP-sleutelwaarde te
bevatten. Als er geen geldige WEP-sleutel is
toegewezen, wordt de eerste gevonden
sleutel met een geldige sleutelwaarde
toegewezen.
ZENDSLEUTEL: kies de positie van de
actieve zendsleutel (sleutel 1, 2, 3, 4)
INGAVEMETHODE: kies de indeling voor het
invoeren van WEP-sleutelwaarden.
HEX.: waarden invoeren met
hexadecimale getallen (0 - 9, a - f of
A-F).
ALFANUMERIEK: waarden invoeren
met de toegestane alfanumerieke
ASCII-tekens (0 - 9, a - z en A - Z).
SLTL 1 t/m SLTL 4: voer een geldige
WEP-sleutelwaarde in voor elke
sleutelpositie.
Voor hexadecimale ingangen dient u 10
cijfers (voor 40/64-bits codering) of 26
cijfers (voor 104/128-bits codering) in te
voeren. Bij hexadecimale cijfers wordt
geen onderscheid gemaakt tussen
hoofdletters en kleine letters.
Voor alfanumerieke ingangen dient u 5
tekens (voor 40/64-bits codering) of 13
tekens (voor 104/128-bits codering) in
te voeren. Bij alfanumerieke tekens
wordt onderscheid gemaakt tussen
hoofdletters en kleine letters.
802.11b
HERSTELLEN
JA: de draadloze 802.11b-parameters op
de printserver worden ingesteld op de
fabriekswaarden. Parameterwaarden voor
andere netwerkprotocollen worden niet
hersteld.
Als u herstelde waarden wilt bekijken, dient
u het menu van het bedieningspaneel te
sluiten en opnieuw te openen.
NEE (standaardinstelling): de draadloze
802.11b-parameters worden niet hersteld.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(6 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 322
TCP/IP INSCHAKELEN AAN: het TCP/IP-protocol inschakelen
UIT: het TCP/IP-protocol uitschakelen
HOSTNAAM Een alfanumerieke tekenreeks van maximaal
32 tekens die wordt gebruikt om het apparaat
te identificeren. De naam wordt weergegeven
op de Jetdirect-configuratiepagina.
De standaardhostnaam is NPIxxxxxx,
waarbij xxxxxx duidt op de laatste zes
cijfers van het LAN-hardwareadres (MAC).
CONFIG. METHODE Hiermee geeft u aan met welke methode
TCP/IP-parameters worden geconfigureerd
op de Jetdirect-printserver.
BOOTP: BootP (Bootstrap Protocol)
gebruiken voor automatische configuratie
vanaf een BootP-server)
DHCP: DHCP (Dynamic Host Configuration
Protocol) gebruiken voor automatische
configuratie vanaf een DHCP-server)
Als deze optie is geselecteerd en er een
DHCP-lease bestaat, zijn de menu's
DHCP-UITGAVE en DHCP
VERNIEUWEN beschikbaar voor het
instellen van DHCP-leaseopties.
AUTOM. IP: automatische link-local
IP-adressering gebruiken. Er wordt
automatisch een adres in de vorm
169.254.x.x toegewezen.
HANDMATIG: het menu HANDM. INSTELL.
gebruiken om TCP/IP-parameters te
configureren.
DHCP-UITGAVE Dit menu wordt weergegeven als CONFIG.
METHODE is ingesteld op DHCP en er een
DHCP-lease bestaat voor de printserver.
NEE (standaardinstelling): de huidige
DHCP-lease wordt opgeslagen.
JA: de huidige DHCP en de geleasde
IP-adressen worden vrijgegeven.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(7 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 323
TCP/IP
(vervolg)
DHCP
VERNIEUWEN
Dit menu wordt weergegeven als CONFIG.
METHODE is ingesteld op DHCP en er een
DHCP-lease bestaat voor de printserver.
NEE (standaardinstelling): de
printserver vraagt niet om vernieuwing
van de DHCP-lease.
JA: de printserver vraagt om
vernieuwing van de huidige
DHCP-lease.
HANDM. INSTELL. (Alleen beschikbaar als CONFIG. METHODE
is ingesteld op HANDMATIG) Parameters
rechtstreeks via het bedieningspaneel van de
printer configureren:
IP-ADRES n.n.n.n: het unieke IP-adres van
de printer, waarbij n een waarde van
0 t/m 255 is.
SUBNET-MASKER m.m.m.m: het
subnetmasker voor de printer, waarbij
m een waarde van 0 t/m 255 is.
SYSLOG-SERVER n.n.n.n: het IP-adres van
de syslog-server die wordt gebruikt voor het
ontvangen en bewaren van
syslog-berichten.
STANDRD GATEWAY n.n.n.n: het IP-adres
van de gateway of router die voor
communicatie met andere netwerken wordt
gebruikt.
INACTIV-TIMEOUT: de tijd in seconden
waarna een inactieve
TCP-printdataverbinding wordt gesloten
(de standaardwaarde is 270 seconden,
bij 0 is de time-out uitgeschakeld).
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(8 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 324
IPX/SPX INSCHAKELEN AAN: het IPX/SPX-protocol inschakelen
UIT: het IPX/SPX-protocol uitschakelen
FRAMETYPE Hiermee geeft u de instellingen voor het
frametype voor het netwerk op.
AUTO (standaardinstelling): de printserver
zoekt automatisch het frametype en
beperkt het tot het type dat het eerst
wordt gevonden.
EN_8023, EN_II, EN_8022, EN_SNAP:
frametypekeuzen voor
Ethernet-netwerken.
TR_8022, TR_SNAP: frametypekeuzen voor
Token Ring-netwerken.
BRON-ROUTING (Alleen Token Ring) Hiermee geeft u de
parameter voor
NetWare Source-routing
op.
AUTO (standaardinstelling): het type
bronrouting dat op het netwerk is vereist,
wordt automatisch overgenomen.
UIT: alle pakketten worden zonder
bronrouting verzonden en alleen pakketten
van dezelfde ring worden ontvangen.
ALLE ROUTES en ENKELE ROUTE: alle
pakketten worden met bronrouting
verzonden (broadcasts, en wanneer
de route onbekend is).
ATALK INSCHAKELEN (Alleen Ethernet/Fast Ethernet).
AAN: het AppleTalk-protocol inschakelen
UIT: het AppleTalk-protocol uitschakelen
DLC/LLC INSCHAKELEN AAN: het DLC/LLC-protocol inschakelen
UIT: het DLC/LLC-protocol uitschakelen
BEVEILIGD
WEB
Hiermee geeft u voor configuratiebeheer op
of de ingesloten webserver alleen
communicatie met HTTPS (beveiligd HTTP)
of communicatie met zowel HTTP als HTTPS
accepteert.
HTTPS VEREIST: voor veilige, gecodeerde
communicatie wordt alleen HTTPS
geaccepteerd. De printserver wordt
weergegeven als beveiligde locatie.
HTTPS OPTIONEEL: toegang met HTTP
of met HTTPS is toegestaan.
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(9 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW Het menu van het HP Jetdirect-bedieningspaneel 325
BEVEILI-
GING HER-
STELLEN
Hiermee geeft u aan of de huidige
beveiligingsinstellingen op de printserver
worden opgeslagen of dat de
fabriekswaarden worden hersteld.
NEE (standaardinstelling): de huidige
beveiligingstellingen blijven behouden.
JA: de fabriekswaarden van de
beveiligingsinstellingen worden hersteld.
LINK-
SNELHEID
(Alleen 10/100Base-TX-printservers)
Hiermee geeft u de snelheid van
de netwerkverbinding en de
communicatiemodus op voor de
10/100TX-printserver. Voor correcte
communicatie moeten de instellingen
van Jetdirect overeenkomen met die
van het netwerk.
AUTO: (standaardinstelling) de
verbindingssnelheid en de
communicatiemodus van de printserver
worden automatisch aangepast aan die
van het netwerk. Als dit mislukt, wordt
100TXHALF ingesteld.
10T HALF: 10Mbps, werking met half-duplex.
10T FULL: 10 Mbps, werking met full-duplex.
100TX HALF: 100 Mbps, werking met
half-duplex.
100TX FULL: 100 Mbps, werking met
full-duplex
Tabel C.2 Menu van het grafische HP Jetdirect-bedieningspaneel
(10 van 10)
Menu-item Opties Beschrijving van instellingen
NLWW 326
D
OpenSSL-instructies
Licentie OpenSSL
Copyright © 1998-2000 The OpenSSL Project. Alle rechten voorbehouden.
Herdistributie en gebruik in bronvorm en binaire vorm, met of zonder aanpassing,
is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1. Herdistributie van broncode dient bovenstaande copyrightinformatie, deze lijst
met voorwaarden en de volgende vrijwaring te bevatten.
2. Bij herdistributie in binaire vorm dient bovenstaande copyrightinformatie, deze
lijst met voorwaarden en de volgende vrijwaring te worden gereproduceerd in de
documentatie en/of andere materialen die bij de distributie worden geleverd.
3. Reclamemateriaal waarin functies of gebruik van deze software wordt genoemd,
dient de volgende bevestiging te bevatten:
"Dit product bevat software die door het OpenSSL Project is ontwikkeld voor gebruik
in de OpenSSL Toolkit. (http://www.openssl.org/)"
4. De namen 'OpenSSL Toolkit' en 'OpenSSL Project' mogen niet worden gebruikt
om producten te ondersteunen of propageren die zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming aan deze software zijn ontleend. Voor schriftelijke toestemming kunt
u contact opnemen met openssl-core@openssl.org.
5. Producten die van deze software zijn afgeleid, mogen geen 'OpenSSL' worden
genoemd en 'OpenSSL' mag niet in hun naam worden opgenomen zonder
voorafgaande toestemming van het OpenSSL Project.
6. Herdistributie in enige vorm dient de volgende bevestiging te bevatten:
"Dit product bevat software die door het OpenSSL Project is ontwikkeld voor gebruik
in de OpenSSL Toolkit (http://www.openssl.org/)"
DEZE SOFTWARE WORDT DOOR HET OpenSSL PROJECT GELEVERD IN
DE HUIDIGE STAAT EN ELKE WAARBORG, EXPLICIET OF IMPLICIET,
INCLUSIEF, ZONDER BEPERKING, WAARBORGEN VAN
VERKOOPBAARHEID OF GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL,
WORDT AFGEWEZEN. IN GEEN GEVAL ZULLEN HET OpenSSL PROJECT
OF DEGENEN DIE DAAR EEN BIJDRAGE AAN HEBBEN GELEVERD,
AANSPRAKELIJK ZIJN VOOR ENIGE DIRECTE, INDIRECTE, INCIDENTELE,
SPECIALE, MORELE OF RESULTERENDE SCHADE (INCLUSIEF, ZONDER
BEPERKING, VERWERVING VAN VERVANGENDE GOEDEREN OF
DIENSTEN, VERLIES VAN GEBRUIK, GEGEVENS OF WINST OF
ONDERBREKING VAN BEDRIJFSVOERING), ONGEACHT DE WIJZE
WAAROP DEZE SCHADE IS VEROORZAAKT EN ONGEACHT WELKE
AANSPRAKELIJKHEIDSGROND, VOLGENS HET VERBINTENISSENRECHT,
BIJ STRIKTE AANSPRAKELIJKHEID, ALS ONRECHTMATIGE DAAD (MET
INBEGRIP VAN NALATIGHEID OF OP ANDERE WIJZE) DIE OP ENIGE WIJZE
VOORTKOMT UIT HET GEBRUIK VAN DEZE SOFTWARE, ZELFS WANNEER
MEN OP DE HOOGTE IS GEBRACHT VAN DE MOGELIJKHEID VAN
DERGELIJKE SCHADE.
Dit product bevat coderingssoftware die is ontwikkeld door Eric Young
([email protected]). Dit product bevat software die is ontwikkeld door Tim Hudson
NLWW OpenSSL-instructies 327
Oorspronkelijke licentie SSLeay
Copyright © 1995-1998 Eric Young (eay@cryptsoft.com). Alle rechten
voorbehouden.
Dit pakket is een SSL-implementatie die is ontwikkeld door Eric Young
(eay@cryptsoft.com). De implementatie is geschreven overeenkomstig de SSL
van Netscape.
Deze bibliotheek mag voor commerciële en niet-commerciële doelen worden gebruikt
indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. De volgende voorwaarden
gelden voor alle code die in deze distributie wordt aangetroffen, niet alleen de
SSL-code, maar ook de RC4-, RSA-, lhash-, DES- en andere code. Voor de
SSL-documentatie die bij deze distributie wordt geleverd, gelden dezelfde
auteursrechtelijke voorwaarden, alleen is de houder hiervan Tim Hudson
Het auteursrecht blijft in het bezit van Eric Young en kennisgevingen van
auteursrecht in de code mogen niet worden verwijderd.
Als dit pakket in een product wordt gebruikt, dienen de gebruikte delen van de
bibliotheek aan Eric Young te worden toegeschreven.
Dit kan gebeuren in de vorm van een tekstbericht bij het starten van het programma
of in de documentatie (on line of in tekstvorm) die bij het pakket wordt geleverd.
Herdistributie en gebruik in bronvorm en binaire vorm, met of zonder aanpassing,
is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1. Herdistributie van broncode dient de copyrightinformatie, deze lijst met
voorwaarden en de volgende vrijwaring te bevatten.
2. Bij herdistributie in binaire vorm dient bovenstaande copyrightinformatie,
deze lijst met voorwaarden en de volgende vrijwaring te worden gereproduceerd
in de documentatie en/of andere materialen die bij de distributie worden geleverd.
3. Elk reclamemateriaal waarin functies of gebruik van deze software wordt
genoemd, dient de volgende bevestiging te bevatten:
"Dit product bevat coderingssoftware die is ontwikkeld door Eric Young
(eay@cryptsoft.com)"
Het woord 'codering' mag worden weggelaten als de routines uit de bibliotheek geen
verband met codering hebben.
NLWW OpenSSL-instructies 328
4. Als u enige code die specifiek is voor Windows (of een afgeleide daarvan), opneemt
uit de map met toepassingscode, dient u een bevestiging in te voegen:
"Dit product bevat software die is ontwikkeld door Tim Hudson ([email protected])"
DEZE SOFTWARE WORDT DOOR ERIC YOUNG GELEVERD IN DE HUIDIGE
STAAT EN ELKE WAARBORG, EXPLICIET OF IMPLICIET, INCLUSIEF, MAAR
NIET BEPERKT TOT, WAARBORGEN VAN VERKOOPBAARHEID OF
GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL, WORDT AFGEWEZEN. IN GEEN
GEVAL ZULLEN DE AUTEUR OF DEGENEN DIE EEN BIJDRAGE HEBBEN
GELEVERD, AANSPRAKELIJK ZIJN VOOR ENIGE DIRECTE, INDIRECTE,
INCIDENTELE, SPECIALE, MORELE OF RESULTERENDE SCHADE
(INCLUSIEF, ZONDER BEPERKING, VERWERVING VAN VERVANGENDE
GOEDEREN OF DIENSTEN, VERLIES VAN GEBRUIK, GEGEVENS OF WINST
OF ONDERBREKING VAN BEDRIJFSVOERING), ONGEACHT DE WIJZE
WAAROP DEZE SCHADE IS VEROORZAAKT EN ONGEACHT WELKE
AANSPRAKELIJKHEIDSGROND, VOLGENS HET VERBINTENISSENRECHT,
BIJ STRIKTE AANSPRAKELIJKHEID, ALS ONRECHTMATIGE DAAD (MET
INBEGRIP VAN NALATIGHEID OF OP ANDERE WIJZE) DIE OP ENIGE WIJZE
VOORTKOMT UIT HET GEBRUIK VAN DEZE SOFTWARE, ZELFS WANNEER
MEN OP DE HOOGTE IS GEBRACHT VAN DE MOGELIJKHEID VAN
DERGELIJKE SCHADE.
De licentie en distributievoorwaarden voor een openbaar beschikbare versie of
afgeleide van deze code mag niet worden gewijzigd. Dit wil zeggen dat deze code niet
kan worden gekopieerd en onder een andere distributielicentie kan worden geplaatst
[met inbegrip van de GNU Public Licence].
NLWW 329
A
Ad-hocmodus 281, 283
draadloos kanaal 285
ingesloten webserver 130
Telnet 92
Afdrukken via FTP
afsluiten 203
inleiding 199
opdrachten 203
TFTP-configuratie 63
voorbeeld 205
Afdrukken via LPD
Mac OS 196
setup, overzicht 181
TFTP-configuratie 63
UNIX 183
problemen oplossen 229
Windows NT/2000 187
afdrukwachtrij
BSD-systemen 183
LPD 101, 181
SAM-systemen (HP-UX) 185
Apple Kiezer 39, 221
Apple Macintosh, draadloze
setup 301
AppleTalk
configuratie controleren 37
Configuratie van het
bedieningspaneel 313, 324
Knooppuntnummer 254
Naam 37, 254
Netwerknummer 254
software installeren 35
softwareconfiguratie 36
STATUS 254
Telnet-configuratie 109
TFTP-configuratie 70
TYPE 142, 254
Zone 142, 254
ARP DUBBEL IP-ADRES 266
arp-opdracht 84
Auto IP
ingesloten webserver 136
automatische IP
Zie ook standaard-IP-adres
AUTONEGOTIATION 236
B
banner page (voorblad)
ingesloten webserver 139
Telnet-configuratie 100
TFTP-configuratie 63
Basic Service Set (BSS) 281
bedieningspaneelconfiguratie
115, 308
Beheerderswachtwoord 242
beveiligingsfuncties 207
ingesloten webserver 127, 163
Telnet-configuratie 91
TFTP-configuratiebestand 62
berichten
Algemeen 235
AppleTalk 254
DLC/LLC 255
draadloze 802.11b 239
fout- 258
HP Jetdirect-
configuratiepagina 232
IPX/SPX 250
TCP/IP 246
beveiliging herstellen
grafisch bedieningspaneel 325
ingesloten webserver 160
Telnet 92
traditioneel
bedieningspaneel 315
beveiligingsfuncties 206
BEZIG MET SCANNEN NAAR
SSID 259
Index
NLWW 330
Index
BOOTP
gebruiken 50
ingesloten webserver 136
overzicht 275
Telnet-configuratie 98
BOOTP/DHCP IN
UITVOERING 268
BOOTP/RARP IN
UITVOERING 268
BOOTP-server 52
configuratie 52
identificeren 247
browsers
HP Web Jetadmin 25
ingesloten webserver 119
BSD-systemen
Afdrukken via LPD 183
C
CA-certificaat 165, 290
ingesloten webserver 134
Cert. verloopt 243
Certificaten 164, 290
geldigheidsduur 167
ingesloten webserver 133
certificeringsinstantie, zie
CA-certificaat
clientcomputers, ondersteunde
HP IP/IPX Printer Gateway 33
Internet Printer Connection 29
softwareoplossingen 19
Codering 292
dynamisch 14
grafisch bedieningspaneel 320
ingesloten webserver 135
ondersteunde coderingen 172
SNMP v3 173
traditioneel
bedieningspaneel 312
cold-reset 213
Communicatiemodus
draadloos 281
grafisch bedieningspaneel 316
ingesloten webserver 130
Telnet 92
traditioneel
bedieningspaneel 309
concepten draadloos netwerk 281
CONF. FOUT
FOUT BEST. 267
ONB. SLEUTELWOORD 267
ONGELDIGE PARAM. 267
PARAM ONTBREEKT 267
REGEL TE LANG 267
TOEG.LIJST TE LANG 267
TRAP-LIJST TE LANG 267
CONFIG DOOR 247
CONFIG-BESTAND 248
configuratie
Afdrukken via LPD 178
draadloos 129, 294
HP Web Jetadmin 27
softwareoplossingen 19
TCP/IP-netwerken 43
Telnet-opdrachten 90
TFTP-parameters 62
configuratie van verbindingen
grafisch bedieningspaneel 325
ingesloten webserver 147
Telnet 110
TFTP 70
traditioneel
bedieningspaneel 314
CONFIGURATIE-FOUT 261
configuratiepagina
afdrukken 217
ingesloten webserver 176
configuratiepaginaberichten
Algemene berichten 235
AppleTalk 254
DLC/LLC 255
draadloze 802.11b 239
Foutberichten 258
IPX/SPX 250
Novell NetWare 252
TCP/IP 246
USB 237
NLWW 331
Index
D
DHCP
bedieningspaneel 313, 322
gebruiken 73
in- of uitschakelen 80
IP-adressen 275
Telnet-configuratie 98
UNIX-systemen 74
Windows-servers 74
DHCP NAK 268
DHCP-server, identificatie 247
DLC/LLC
Configuratie van het
bedieningspaneel 313, 324
configuratieberichten 255
ingesloten webserver 143
Telnet-configuratie 109
TFTP-configuratie 70
DNS-server 74, 248
ingesloten webserver 147
Opstartbestandslabel 54
Telnet-configuratie 99
TFTP-configuratie 63
Domeinnaam 248
ingesloten webserver 138
Opstartbestandslabel 54
Telnet-configuratie 99
TFTP-configuratie 63
draadloos herstellen
grafisch bedieningspaneel 321
traditioneel
bedieningspaneel 312
draadloze printservers 280
configuratiepaginaberichten
239
ingesloten webserver 129
overzicht van installatie 293
problemen oplossen 223
standaard-IP-configuratie 46
Telnet 92
dynamische codering 14, 292
grafisch bedieningspaneel 319
ingesloten webserver 136
Telnet 97
traditioneel
bedieningspaneel 311
E
EAP 13, 288
CA-certificaten 165
grafisch bedieningspaneel
317, 318
ingesloten webserver 131
Telnet 94, 95
traditioneel
bedieningspaneel 310
EAP-MD5 13, 132, 288
EAP-TLS 13, 132, 289
EAP-TTLS 14, 95, 132, 289
EEN STATION 257
EIO-menu van het
bedieningspaneel 309
Extensible Authentication
Protocol, zie EAP
F
Fabricage-ID 236
fabrieksinstellingen, opnieuw
instellen 213
beveiligingsparameters 92,
160, 315, 325
cold-reset 213
draadloze verbinding,
parameters 129, 312, 321
TCP/IP van Telnet 114
FIRMWARE-REVISIE 235
firmware-upgrades 16
ingesloten webserver 151
verkrijgen 16
FOUT ONDERH.
BUFFERGROOTTE 262
foutberichten 258
draadloze 802.11b 239
HP Jetdirect-
configuratiepagina 232
printerbedieningspaneel 218
FRAMETYPE 251
FUNCTIEFOUT 255, 256
NLWW 332
Index
G
gateway
beschrijving 277
bootptab-bestand 54
ingesloten webserver 137
NDPS 32
printerbedieningspaneel 115
Gebruikersgroepnaam
beveiligingsfuncties 209
configuratiepagina 243
ingesloten webserver 144
Telnet 106
TFTP-configuratie 68
GEEN
AANMELDEN
MOGELIJK 263
ADR NDS-SERV 266
NETNUMMER
GEVONDEN 264
SERVER GEVONDEN 261
VERBIND MET
DHCP-SVR 268
VERBINDING MET SERVER
MOGELIJK 262, 263
WACHTRIJVERBINDING
MOGELIJK 263
WACHTWOORD
INGESTELD 263
GEEN WACHTRIJ
TOEGEWEZEN 261
GEGEVENSSNELHEID 236
H
hardwareadres
Afdrukken via LPD 180
arp-opdracht 84
Bootptab-bestand 54
identificeren 235
in standaardgebruikersnaam
132
ingesloten webserver 127
RARP 83
standaard-NetWare-printerna
am 141
herstellen, fabriekswaarden 213
HOSTNAAM 246
BOOTP-label 54
ingesloten webserver 137
Telnet 98
TFTP-bestand 62
Hosttoegangslijst, zie
Toegangslijst
HP IP/IPX Printer Gateway for
NDPS 32
HP Jetdirect
algemene
configuratieberichten 235
cold-reset 213
configuratiepagina,
afdrukken 217
configuratiepaginaberichten
232
foutberichten 258
gebruiken, bedieningspaneel
van de printer 115, 308
instellingen draadloos 239
ondersteunde printservers 8
statistische gegevens over het
netwerk 242, 244
HP LaserJet Utility
naam wijzigen, van printer 37
uitvoeren 36
HP Web Jetadmin 25
installeren 26
met ingesloten webserver 120
verwijderen 27
HP-ondersteuning, on line 16
HTTPS
configuratiepagina 242
ingesloten webserver 122, 172
omleiding van Telnet 92
omleiding van TFTP 62
omleiding vanaf
bedieningspaneel 315
NLWW 333
Index
I
I/O-kaart, STATUS-bericht 235
Infrastructuur-modus 281
bedieningspaneel 309, 316
draadloos kanaal 285
ingesloten webserver 130
Telnet 92
ingesloten webserver
bekijken 121
firmware opwaarderen 151
gebruiken 117
HP Web Jetadmin 120
HTTPS-beveiliging 172, 207
LPD-setup 152
NetWare-objecten 124
TFTP-configuratiebestand 67
webbrowsers 119
INIT-bericht 219
INITIALISATIE POGING
VERBINDING MET
SERVER 269
installeren
AppleTalk-software 35
draadloze printservers 293
HP Web Jetadmin-software 26
Internet Printer
Connection-software
inleiding 28
ondersteunde proxy's 29
systeemvereisten 29
Internet Printing Protocol, zie IPP
IP, zie TCP/IP
IP/IPX Printer Gateway 32
IP-adres 246
Bootptab-bestand 54
configureren 275
ingesloten webserver 121, 137
opnieuw instellen 213
overzicht van TCP/IP 272
printerbedieningspaneel 115
standaard 43
verwijderen via Telnet 114
IPP
Internet Printer Connection
21, 28
TFTP-configuratie 63
ipv4-multicast
ingesloten webserver 146, 175
Telnet 104
TFTP-configuratiebestand 66
IPX/SPX
Configuratie van het
bedieningspaneel 313, 324
STATUS-bericht 250
Telnet-configuratie 107
TFTP-configuratie 69
J
Jetdirect-certificaat 164, 290
ingesloten webserver 133
K
KABELFOUT LUS 257
kanaal
draadloze communicatie 94,
130, 283, 285
Kiezer, Apple 39, 221
KNOOPPUNTADRES NT
UNIEK 256
KNOOPPUNTNAAM 252
L
LAN-FOUT-
CONTROLLER-CHIP 258
EXT. RONDKOPPEL
TEST 258
GEEN DRAAGGOLF 260
GEEN LINKBEAT 260
GEEN SQE 259
HERHALINGSFOUT 260
INT. RONDKOPPEL
TEST 258
KABELFOUT 260
ONDERLOOP 260
ONEINDIG UITSTEL 259
ONTVANGER UIT 259
OPEN 259
OVERSPRAAK 259
VERWIJDERING ONTV 260
ZELFVERWIJDERING 260
ZENDER UIT 260
NLWW 334
Index
LATE COLLISIES 245
LEAP 13, 95, 132, 288
Locally Administered Address
(LAA) 110, 127, 147, 236
LPD (Line Printer Daemon),
zie Afdrukken met LPD
LPD-wachtrijen
gedefinieerd door gebruiker
152, 181
ingesloten webserver 152
Telnet 101
M
MAC-adres, zie hardwareadres
Macintosh
draadloos, setup 301
Zie ook AppleTalk
MD5 (Message-Digest-algoritme)
13, 132, 288
MD-5, zie MD5, EAP-MD5
Modelnummer
configuratiepagina 235
productenlijst 8
Multicast Domain Name System
(mDNS)
ingesloten webserver 146, 175
Telnet 103
TFTP 65
N
naam wijzigen, van printer,
AppleTalk-netwerken 37, 142
NDPS, zie HP IP/IPX Printer
Gateway for NDPS
NDS
AFDRSRVR PUBLIEK
TOETSFT 265
Context 253
NDS-STRUCTUUR 252
PRINT SERVERNAAM
FOUT 265
PRNT OBJ AANKOND.
FOUT 265
PRNT OBJ
WACHTRIJLST-FT 265
PRNTSRVR PUBLIEK
TOETSFT 266
PS PRINTERLIJST-FOUT 265
VERBINDINGSSTATUS
FOUT 265
VERIFICATIEFOUT 264
NDS-FOUT
AANMELDEN MISLUKT 264
GEEN PRNTR-
OBJECTEN 265
GEEN WACHTRIJ-OBJ 265
MAX PRINTOBJECTEN 265
MAX. WACHTRIJ-OBJ 265
ONGELD. SRVR. VERS 265
ONOPGELOST
PRNTR OBJ 265
ONOPGELOSTE
WACHTRIJ 265
Q HOST ONLEESBAAR 266
SRVR.NAAM
ONOPGELOST 265
STRUCT. ONVINDBAAR 265
TE VEEL SERVERS 264
VERAND. WACHTW.
MISL 264
NETWARE-MODUS 252
netwerk
AppleTalk (voor Mac OS) 35
beveiligingsparameters 242
configuratiepagina 232
foutberichten 258
ondersteunde protocollen 10
overzicht van TCP/IP 271
softwareoplossingen van HP 19
statistische parameters 244
NLWW 335
Index
NETWERKFRAMETYPE
ONTV 251
Netwerknaam (SSID)
bedieningspaneel 310, 316
draadloos netwerk 286
ingesloten webserver 131
Telnet-configuratie 92
NIET GECONFIGUREERD 261
NIET GENOEG BUFFERS 264
NIS (Network Information
Service) 52
Novell NetWare
Configuratiepagina 252
foutberichten 258
ingesloten webserver 124
STATUS 252
NOVRAM-FOUT 266
O
ONBEKENDE
NCP-TERUGKEERCODE 264
ondersteunde
netwerkprotocollen 10
ONGELDIG
GATEWAY-ADRES 266
IP-ADRES 266
SERVERADRES 266
SUBNETMASKER 266
SYSLOG-ADRES 266
TRAP-BEST.-ADRES 266
WACHTWOORD 269
ONGELDIG BOOTP
ANTWOORD 267
ONGELDIGE
BOOTP-TAG-GROOTTE 267
ONTV BURST-FOUTEN 245
ONTV FOUTIEF 244
ONTV FRAME-FOUTEN 244
ONTV FRAMEKOPIE 245
ONTV LIJNFOUTEN 245
ONTV UNICAST 244
ONVERW PSERVER-DATA
ONTV 264
ONVERZENDBARE
PAKKETTEN 244
Open System-verificatie 287
bedieningspaneel 310, 317
ingesloten webserver 131
Telnet 94
P
PARAM.VERZOEK 256
PEAP 13, 95, 132, 288
peer-to-peer
zie ook Ad-hocmodus
afdruktopologie 284
draadloze topologie 283
PEM (Privacy Enhanced Mail) 169
PERMANENTE FOUT 257
ping-opdracht 84
POORTCONFIG 236
POSTSCRIPT-MODUS NIET
GESEL. 268
Primair frametype 250
printcap-bestand 183
printer, selecteren met de Apple
Kiezer 39
printerbedieningspaneel 115, 308
printergateway, zie HP IP/IPX
Printer Gateway for NDPS
PRINTERNUMMER IN
GEBRUIK 262
PRINTERNUMMER NIET
GEDEF. 262
PRINTERRESERVERING
MISLUKT 262
PRINTSERVER NIET
GEDEF. 262
printservers
EIO-menu van het
bedieningspaneel 309, 316
ondersteunde 8
problemen oplossen 212
configuratiepaginafout-
berichten 258
draadloze printservers 223
LPD UNIX 229
stroomdiagram 215
NLWW 336
Index
protocollen
bedieningspaneelconfiguratie
308
ingesloten webserver 145, 171
Telnet-configuratie 90
TFTP-configuratie 69
proxy's, Internet Printer
Connection-software 29
R
RARP, gebruiken 82
RARP-server, identificatie 247
RCFG (NetWare) 162, 175
RING
BEACONING 256
FOUT 256
HERSTEL 257
S
SAM-afdrukwachtrijen
(HP-UX) 185
SAP-interval 253
Secure Web
ingang op
configuratiepagina 242
ingesloten webserver 172
Telnet-configuratie 92
TFTP-configuratie 62
SELECTIE POORT 235
SERVER x 253
Service Location Protocol (SLP)
ingang op
configuratiepagina 249
ingesloten webserver 175
Telnet 103
TFTP-configuratie 65
setup, draadloze verbinding
bedieningspaneel 309, 316
ingesloten webserver 129
Macintosh 301
Telnet 92
Windows 22, 298
Shared Key-verificatie 131, 288
SIGNAALVERLIES 256, 257
SMTP-server
ingesloten webserver 147
Telnet 99
TFTP 63
snelheid, USB 111, 157
SNMP 12
ingang op
configuratiepagina 243
ingesloten webserver 173
Telnet-configuratie 106
TFTP-configuratie 61, 68
versie 3 173
SNMP v3 209
ingesloten webserver 145
SNMP-gebruikersgroepnaam
ingesteld
beveiligingsfuncties 209
configuratiepagina 243
ingesloten webserver 144
Telnet-configuratie 107
TFTP-configuratie 68, 69
SNMP-gebruikersgroepnaam
instellen
zie ook gebruikersgroepnaam
SNMP-gebruikersgroepnaam
ophalen
zie ook gebruikersgroepnaam
ingesloten webserver 144
TFTP-configuratie 68
software-installatie
AppleTalk (voor Mac OS) 35
HP Web Jetadmin 26
SSID (Service Set Identifier)
131, 286
zie ook netwerknaam
bedieningspaneel 310, 316
ingesloten webserver 131
Telnet-configuratie 92
standaardcodering
dynamische codering 97, 136
standaardgateway
zie ook gateway
configuratiepagina 247
standaard-IP-adres 43
standaardwaarden, zie
fabriekswaarden
NLWW 337
Index
Status
Algemeen 235
AppleTalk 254
draadloze 802.11b 239
IPX/SPX 250
TCP/IP 246
subnetmasker 246
bootptab-
bestandsparameter 54
Hosttoegangslijst voor
TFTP 64
overzicht 276
printerbedieningspaneel 115
Windows-configuratie 78
subnetten 276
syslog-parameters 279
ingesloten webserver 138
Telnet-configuratie 102
TFTP-configuratie 65
syslog-server
Bootptab-
bestandsparameter 54
identificeren 248
printerbedieningspaneel 115
T
TCP/IP 42
Configuratie van het
bedieningspaneel 313, 322
configuratiemethoden 42
configuratiepagina 246
ingesloten webserver 136
LPD-setup 181
overzicht 271
STATUS-bericht 239, 246
Telnet-configuratie 98
TFTP-configuratie 62
Telnet
gebruiken 86
opdrachtregelconfiguratie 90
regelen van beveiliging 208
verwijderen, het IP-adres 114
testbestand, afdrukken
UNIX LPD 186
TFTP
BOOTP 50
configuratie bepalen 62
configuratiebestand 58
DHCP 73
foutberichten 267
Server 52, 248
TFTP (Trivial File Transfer
Protocol), zie TFTP
TIME-OUT 256
time-out (sec)
huidige instelling 249
ingesloten webserver 138
printerbedieningspaneel 115
Telnet 104
TFTP-configuratiebestand 66
TLS, zie EAP-TLS
Toegangslijst
beveiligingsfuncties 208
ingang op
configuratiepagina 244
ingesloten webserver 170
Telnet-configuratie 102
TFTP-configuratiebestand 64
Toegangspunt 281
TOKEN-FOUTEN 245
topologieën, draadloos 281
TOTAAL ONTVANGEN 244
TOTAAL VERZONDEN 244
TRANSMIT-BEACON 257
traps, TFTP-configuratie 69
TTLS, zie EAP-TTLS
U
UDP, zie User Datagram Protocol
UNIX-netwerken (HP-UX en
Solaris), afdrukken via LPD 178
upgrades (software-,
stuurprogramma- en
flash-image-) 16
USB
configuratiepagina 237
ingesloten webserver 157
Telnet-configuratie 111
TFTP-configuratie 71
USB-snelheid 111, 157
NLWW 338
Index
User Datagram Protocol
(UDP) 272
mDNS-configuratie 146, 175
poortcontrole voor
datagrammen 149
V
Validity Period
certificaten 167
VERBINDING PSERVER
VERBROKEN 264
VERBINDING VERBROKEN 260
VERBONDEN SERVER 253
VERBREKING
SPX-TIMEOUT 264
VAN SERVER 269
vereisten
ingesloten webserver 119
Internet Printer
Connection-software 29
LPD-configuratie 180
Verificatie 13, 287, 288
ingesloten webserver 131
Telnet 94
traditioneel
bedieningspaneel 310
VERIFICATIE MISLUKT 258
vernieuwingssnelheid
ingesloten webserver 158
Telnet web-refresh 68
VERVAARDIGD OP 236
VERWIJDERING ONTV 256, 257
vooraf gedeelde sleutel
grafisch bedieningspaneel
317, 320
ingesloten webserver 134
Telnet 96
traditioneel
bedieningspaneel 310
W
wachtrijnamen
Afdrukken via LPD
101, 153, 181
Wachtrijpoll-interval 253
Telnet 108
TFTP 70
WACHTWOORD-FOUT 261
wachtzin 96, 134, 310, 320
Web Jetadmin URL
ingang op
configuratiepagina 249
koppeling naar ingesloten
webserver 177
Web Jetadmin, URL
Zie ook HP Web Jetadmin
WEP 290
bedieningspaneel 312, 320
ingesloten webserver 135
Telnet-configuratie 93
Wi-Fi Protected Access (WPA) 14
WINS-server 248
DHCP en 73
Wired Equivalent Privacy,
zie WEP
Z
zelftestpagina, zie
configuratiepagina
ZELFVERWIJDERINGSFOUT
257
ZEND-COLLISIES 245
zone, AppleTalk
HP LaserJet Utility 39
ingesloten webserver 142
Telnet 109
zware codering
dynamische codering
97, 136, 292
Nederlands
JDAG_backNL.ai
black + registration
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298
  • Page 299 299
  • Page 300 300
  • Page 301 301
  • Page 302 302
  • Page 303 303
  • Page 304 304
  • Page 305 305
  • Page 306 306
  • Page 307 307
  • Page 308 308
  • Page 309 309
  • Page 310 310
  • Page 311 311
  • Page 312 312
  • Page 313 313
  • Page 314 314
  • Page 315 315
  • Page 316 316
  • Page 317 317
  • Page 318 318
  • Page 319 319
  • Page 320 320
  • Page 321 321
  • Page 322 322
  • Page 323 323
  • Page 324 324
  • Page 325 325
  • Page 326 326
  • Page 327 327
  • Page 328 328
  • Page 329 329
  • Page 330 330
  • Page 331 331
  • Page 332 332
  • Page 333 333
  • Page 334 334
  • Page 335 335
  • Page 336 336
  • Page 337 337
  • Page 338 338
  • Page 339 339
  • Page 340 340

HP Jetdirect 615n Print Server for Fast Ethernet Gebruikershandleiding

Type
Gebruikershandleiding