Dell 5130cdn Color Laser Printer de handleiding

Type
de handleiding
Gebruikershandleiding Dellâ„¢ 5130cdn Color Laser
Printer
Voordat u begint
Gebruikershandleiding Dellâ„¢ 5130cdn
Color Laser Printer
Informatie zoeken
Over de printer
De printer configureren (Printerconfiguratie)
Printerhardware voorbereiden
Optionele accessoires installeren (indien
van toepassing)
Printer aansluiten op computer of netwerk
Aanvankelijke instellingen uitvoeren
Printerstuurprogramma's installeren op
Windows-computers
Het PPD-bestand installeren op Macintosh-
computers
De printer gebruiken
Dell Printer Configuration Web Tool
Richtlijnen afdrukmedia
Afdrukmedia laden
Operatorpaneel
Afdrukken
Kennismaking met de printer
Printerinstellingen
Begrip van de Werkset-menu's
Begrip van de printermenu's
Begrip van de printersoftware
Afdrukken met gebruik van ColorTrack
(externe verificatie)
Digitale certificaten gebruiken
Lettertypen begrijpen
Begrip van printerberichten
Afdrukken met Web-services op Apparaten
(WSD)
Afdrukken met UX-filter (UNIX)
Afdrukken met CUPS (Linux)
Printerspecificaties
De printer onderhouden
De printer onderhouden
Opties verwijderen
Papierstoringen verhelpen
Problemen oplossen
Problemen oplossen
Appendix
Appendix
Opmerking, Voorzichtig en Opgelet
OPMERKING: Een OPMERKING geeft u belangrijke informatie voor het optimaal gebruik van uw printer.
VOORZICHTIG: VOORZICHTIG wijst op mogelijk verlies van gegevens of hardwareschade en adviseert u hoe u dit
probleem kunt voorkomen.
OPGELET: OPGELET attendeert u op het gevaar van schade en (dodelijk) persoonlijk letsel.
De informatie in dit document kan zonder kennisgeving worden gewijzigd.
© 2009 Dell Inc. Alle rechten voorbehouden.
Reproductie van deze materialen op welke wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van Dell Inc. is ten strengste
verboden.
Handelsmerken die in deze tekst voorkomen: Dell en het DELL-logo zijn handelsmerken van Dell Inc.; Microsoft, Windows,
Windows Server, Windows Vista, en Active Directory zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Microsoft
Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen; MAC OS is een gedeponeerd handelsmerk van Apple Inc.; Adobe is
een handelsmerk of een gedeponeerd handelsmerk van Adobe Systems Incorporated in de Verenigde Staten en/of andere
landen; Wi-Fi is een gedeponeerd handelsmerk van Wi-Fi Alliance.
Andere handelsmerken en handelsnamen kunnen worden gebruikt in dit document om te verwijzen naar de rechtspersonen die
de merken en namen opeisen, dan wel naar hun producten. Dell Inc. wijst hierbij elk eigendomsbelang af in de genoemde
handelsmerken en handelsnamen, anders dan de eigen merken en namen.
Onze printersoftware gebruikt enkele van de programmacodes die zijn gedefinieerd door de Independent JPEG Group.
Betreffende RSA BSAFE
RSA BSAFE-software, vervaardigd door RSA Security Inc., is geïnstalleerd op deze printer.
____________________
RECHTSBEPERKINGEN VOOR DE OVERHEID VAN DE VERENIGDE STATEN
Deze software en de bijbehorende documentatie worden geleverd met BEPERKTE RECHTEN. Het gebruik, de
vermenigvuldiging of openbaarmaking door de overheid valt onder de beperkingen die zijn vastgelegd in artikel (c)(1)(ii) van
de bepaling Rights in Technical Data and Computer Software van DFARS 252.227-7013 en van geldende FAR-bepalingen: Dell
Inc., One Dell Way, Round Rock, Texas, 78682, VS.
November 2009 Rev. A01
Terug naar inhoud pagina
Gebruikershandleiding Dellâ„¢ 5130cdn Color Laser
Printer
Klik op de koppelingen links voor informatie over de kenmerken, mogelijkheden en bediening van uw printer. Zie "Informatie
zoeken" voor nadere informatie over de andere documenten die bij uw printer geleverd zijn.
Voor het bestellen van tonercassettes of andere benodigdheden van Dell:
1. Dubbelklik op het pictogram op uw bureaublad.
Als u het pictogram niet op uw bureaublad kunt vinden, volgt u de procedure hieronder.
a. Klik op DLRMM.EXE vanuit "C:\Program Files\Dell Printers\Additional Color Laser
Software\Reorder".
OPMERKING: "C:\Program Files\" kan verschillen, afhankelijk van de doelbestemming van de map waar u de
Dell-software en -documentatie hebt geïnstalleerd.
b. Klik op Bestand op de werkbalk en daarna op Snelkoppeling maken op het vervolgkeuzemenu dat verschijnt.
c. Klik met de rechtermuisknop op het snelkoppelingpictogram dat wordt gemaakt.
d. Kies Kopiëren naar in het vervolgkeuzemenu, en klik dan op Bureaublad (snelkoppeling maken) in het
submenu dat verschijnt.
2. Ga naar de Dell-printerbenodigdheden website op www.dell.com/supplies of bestel uw Dell-printerbenodigdheden
per telefoon.
Houd voor de beste service de service-tag van uw Dell-printer bij de hand.
Voor het vinden van de Service-tag, zie "Expresservice-code en Service-tag
".
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Informatie zoeken
OPMERKING: De volgende items kunt u zelf apart aanschaffen.
USB-kabel
Ethernet-kabel
Parallele kabel
Draadloze adapter
550 Papierinvoer
1100 Papierinvoer
Harde schijf
Geheugenmodule met upgrade-optie
Extra uitvoerbak
Wat zoekt u? Hier vindt u het
Stuurprogramma's
voor mijn printer
Mijn
Gebruikershandleiding
Cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's
De cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's bevat de Installatievideo, Onderhoudsvideo,
documentatie en stuurprogramma's voor uw printer. U kunt de cd gebruiken voor het
verwijderen/herinstalleren van stuurprogramma's of het raadplegen van de Installatievideo en
de documentatie.
Er kunnen op uw cd ook "readme"-bestanden staan, voor het allerlaatste nieuws over
technische wijzigingen aan uw printer of geavanceerd technische referentiemateriaal voor
gevorderde gebruikers of technici.
Zo gebruik
ik mijn printer
Beknopte naslaggids
Productinformatiegids
Veiligheidsinformatie
Garantiebepalingen
OPGELET: Lees en volg alle veiligheidsvoorschriften in uw Productinformatiegids
voordat u uw printer installeert en in gebruik neemt.
Zo installeer ik mijn printer
Installatieschema
Problemen oplossen "Problemen oplossen"
Expresservice-code en
Service-tag
De Expresservice-code en Service-tag bevinden zich rechts van de tonercartridge aan de
binnenzijde van de voorklep en op de achterklep van de printer.
De nieuwste
stuurprogramma's
voor mijn printer
Antwoorden
op uw vragen over
technisch onderhoud
en ondersteuning
Documentatie
voor mijn printer
Zie de ondersteuningswebsite van Dell op support.dell.com
De Dell-ondersteuningswebsite, support.dell.com, biedt diverse online-hulpmiddelen, zoals:
Oplossingen - Nuttige tips voor het oplossen van problemen, artikelen van
technici en online-cursussen
Nieuwe versies - Upgrade-informatie voor componenten, zoals het
printerstuurprogramma
Klantendienst - Contactinformatie, status van uw bestelling, garantie en
reparatiegegevens
Downloads - Stuurprogramma's
Handleidingen - Printerdocumentatie en productgegevens
U vindt de Dell-ondersteuningswebsite op support.dell.com. Kies op de
ondersteuningspagina uw regio en vul de gevraagde gegevens in voor toegang tot de
hulpfuncties en informatie.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Over de printer
Voor-, zij- en achteraanzicht
Operatorpaneel
De printer beveiligen
Bestellen van benodigdheden
De volgende afbeeldingen tonen de standaard Dellâ„¢ 5130cdn Color Laser Printer en enkele optionele accessoires.
Voor-, zij- en achteraanzicht
Vooraanzicht
1 Middelste uitvoerlade 2 Klep aan rechterkant
3 Toneropvangbak 4 Binnenklep
5 550 documentinvoer (optioneel) 6 1100 papierinvoerlade (optioneel)
7 Lade 1 8 Voorklep
9 Riemeenheid
OPMERKING: Uw printer kan maximaal 6 laden bevatten (Lade 1, twee 550 documentinvoeren, 1100-vel papierlade en
MPF).
OPMERKING: De volgende ladecombinaties zijn beschikbaar:
Lade 1
Lade 1 + 550 veldocumentinvoer x 1
Lade 1 + 550 veldocumentinvoer x 2
Lade 1 + 550 veldocumentinvoer x 1 + 1100 papierinvoerlade
Lade 1 + 550 veldocumentinvoer x 2 + 1100 papierinvoerlade
Lade 1 + 1100 papierinvoerlade
U kunt echter niet twee 1100-vel papierinvoerladen met elkaar combineren.
Aanzicht van rechts
1 Duplexer 2 Handvat klep aan rechterkant
3 Multifunctionele Invoer (MPF) 4 Aan/uit-schakelaar
5 Overdraagrol 6 Fuser
Aanzicht van links
Extra uitvoerbak (optioneel)
1 Stapeleenheid 2 Horizontale transporteur
3 Draaiknop 4 Nietcassette
Achteraanzicht
1 Bedieningspaneelklep 2 Ethernet-aansluiting
3 Aansluiting draadloze adapter 4 USB-poort
5 Parallelle poort 6 Stroomaansluiting voor hoofdeenheid
7 Stroomaansluiting voor extra uitvoerbak 8 Bedieningspaneel
OPMERKING: Wanneer u de printer gebruikt met de MPF geopend, plaats de printer dan niet in direct zonlicht. Anders
kan er storing optreden of kunnen beelden onnatuurlijk op het scherm worden weergegeven.
Laat voldoende ruimte rondom de printer voor de papierlade, kleppen en optie. Het is ook belangrijk dat de printer rondom
voldoende ventilatie krijgt.
Operatorpaneel
Zie "Operatorpaneel" voor nadere inlichtingen over het operatorpaneel.
De printer beveiligen
U kunt uw printer beschermen tegen diefstal door middel van het als optie verkrijgbare Kensington-slot.
Bevestig het Kensington-slot aan de veiligheidssleuf van uw printer.
Raadpleeg voor nadere bijzonderheden de bedieningsinstructies die bij het Kensington-slot worden geleverd.
Bestellen van benodigdheden
U kunt via Internet bij Dell de verbruiksmaterialen bestellen bij gebruik van een netwerkprinter. Voer het IP-adres van uw
printer in uw web-browser in, start de functie Dell Printer Configuration Web Tool functie en klik op Bestel supplies op:
als u toner voor uw printer wilt bestellen.
U kunt ook tonercartridges bestellen op de volgende manier:
1. Klik op Start® Alle programma's® Dell Printers® Aanvullende kleurenlasersoftware® Dell Supplies
Management System.
Het venster Dell Supplies Management System verschijnt.
2. Kies uw printer uit de lijst Select Printer Model.
3. Bij bestellen via internet:
a. Wanneer u niet automatisch via twee-wegcommunicatie de informatie van de printer kunt achterhalen, verschijnt
er een venster waarin u wordt gevraagd de Service-tag in te typen. Typ de Dell service-tag in, in het daarvoor
bestemde vakje.
De Service-tag staat vermeld aan de binnenkant van de voorklep van de printer.
b. Kies een URL uit de lijst Nabestel URL selecteren.
c. Klik op Bezoek Dells bestelwebsite voor printersupplies.
Als u telefonisch wilt bestellen, belt u het nummer dat verschijnt onder de koptekst Telefonisch bestellen.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Printerhardware voorbereiden
Tape verwijderen
De drumlinten verwijderen
De tonercartridges installeren
Papier inleggen
Tape verwijderen
1. Verwijder de tape van de printer.
2. Neem het instructieblad van de printer.
Volg de aanwijzingen op dit blad voor het installeren van de drums en de tonercartridges.
De drumlinten verwijderen
1. Open de voorklep.
2. Trek de linten uit (8 stuks) en verwijder vervolgens het verpakkingsmateriaal uit de voorkant van de printer.
De tonercartridges installeren
OPGELET: Voordat u één van de volgende handelingen verricht, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in uw Productinformatiegids.
1. Open de voorklep.
2. Maak de tonercartridges gereed voor installatie.
3. Schud de gele cartridge 5 tot 6 keer heen en weer zodat de toner gelijkmatig wordt gedeeld.
OPMERKING: Raak de in de illustratie getoonde onderdelen niet aan tijdens het schudden van de cartridge.
4. Zet de pijl op de cartridge in lijn met de pijl op de printer en schuif de cartridge erin tot hij niet verder gaat.
5. Herhaal stap 2 t/m stap 4 voor het installeren van de cartridges met magenta, cyaan en zwart.
6. Sluit de voorklep.
Papier inleggen
OPMERKING: Ter voorkoming van papierstoringen de papierlade niet verwijderen tijdens het afdrukken.
OPMERKING: Gebruik alleen afdrukmedia die geschikt zijn voor laserprinters. Gebruik in deze printer geen papier voor
inkjetprinters.
OPMERKING: Zie "Afdrukmedia laden" voor aanwijzingen voor afdrukken vanuit de MPF of bedrukken van enveloppen.
In alle laden wordt het papier op dezelfde manier ingelegd:
1. Verwijder de papierlade uit de printer.
2. Stel de breedtegeleiders af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
3. Stel de lengtegeleider af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
4. Alvorens het papier in te leggen, buigt u de stapel vellen wat heen en weer en waaiert u de stapel uit. Tik met de stapel
op een egaal oppervlak om de vellen gelijk te leggen.
5. Leg het papier in de papierlade met de aanbevolen kant voor afdrukken boven.
OPMERKING: Zorg dat de stapel niet boven het maximumstreepje in de lade uit komt. Als de lade te vol zit, kan het
papier in de printer vastlopen.
6. Nadat u hebt gecontroleerd of de geleiders goed zijn afgesteld, plaatst u de papierlade weer in de printer.
7. Selecteer de papiersoort vanaf het operatorpaneel als u andere afdrukmedia inlegt dan de normale. Als u door de
gebruiker opgegeven afdrukmedia in de standaardlade voor 550 vel hebt gelegd, moet u op het operatorpaneel de
instelling voor het papierformaat opgeven.
OPMERKING: Voor papier van standaardformaat stelt u eerst de geleiders af en stelt u vervolgens het papier in.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Optionele accessoires installeren (indien van
toepassing)
Een 550 documentinvoer installeren
Een 1100 papierinvoerlade installeren
Zowel de 550 documentinvoeren als de 1100 papierinvoerlade installeren
Een extra uitvoerbak installeren
Een geheugenmodule installeren
Een harde schijf installeren
Een draadloze adapter installeren
Een draadloze adapter configureren
U kunt de printer functioneler maken door de optionele accessoires te installeren. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de
printeraccessoires installeert, zoals de 550 documentinvoer en de draadloze adapter.
Een 550 documentinvoer installeren
OPGELET: Als u na het installeren van de printer een 550 documentinvoer toevoegt, is het belangrijk dat u
de printer uitzet, de stekker uit het stopcontact trekt en alle kabels aan de achterzijde van de printer
loskoppelt, voordat u deze taken uitvoert.
OPGELET: Om de 550 veldocumentinvoer op te tillen, pakt u de printer vast en licht u hem op zoals
aangegeven op het etiket op de invoer.
1. Zet de printer uit en trek de stekker uit het stopcontact. Koppel daarna alle kabels aan de achterzijde van de printer
los.
2. Trek de lade zo ver mogelijk naar buiten. Licht de voorkant enigszins op en verwijder de lade.
3. Til de printer op en breng de drie geleidepennen van de 550 documentinvoer tegenover de gaten aan de onderzijde van
de printer. Laat de printer voorzichtig op de 550 documentinvoer zakken.
OPGELET: Er zijn drie personen nodig om de printer op te tillen.
OPGELET: Let goed op dat uw vingers niet klem komen te zitten tussen de printer en de documentinvoer.
4. Draai de twee met de invoer meegeleverde schroeven aan met een munt of schroevendraaier.
5. Zet de printer en de 550 veldocumentinvoer vast met een plastic borgklem en de lange schroef die met de invoer is
meegeleverd.
6. Schuif de papierlade in de printer en druk de lade zover mogelijk aan.
7. Verwijder de lade uit de 550 documentinvoer.
8. Stel de breedtegeleiders af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
9. Stel de lengtegeleider af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
10. Leg het papier in de papierlade met de aanbevolen kant voor afdrukken boven.
11. Plaats de lade weer in de 550 documentinvoer.
12. Sluit het netsnoer aan op de printer en vervolgens op het stopcontact.
13. Zet het netsnoer vast op de printer met de plastic sluiter.
14. Zet de printer aan.
OPMERKING: Als het bericht verschijnt dat u de aanvankelijke configuratie op het bedieningspaneel moet uitvoeren,
volgt u de aanwijzingen altijd op.
OPMERKING: De printer zal automatisch de bevestigde lade detecteren, maar niet welk soort papier erin zit.
15. Druk volgens de onderstaande instructies de pagina met de printerinstellingen af om te controleren of de 550
documentinvoer goed is geïnstalleerd. Zie "Printerinstellingenpagina afdrukken
".
Printerinstellingenpagina afdrukken
Bij gebruik van het operatorpaneel
a. Druk op de knop Menu.
b. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET). Printerinstelling wordt
weergegeven.
c. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
d. Controleer of 550 veldocumentinvoer in de lijst van printerinstellingen wordt vermeld onder Printeropties.
Als de documentinvoer niet in de lijst staat, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst
u de 550 documentinvoer opnieuw.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
a. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
1) Open de web-browser.
2) Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
b. Selecteer Printerinstellingen.
c. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
d. Selecteer Rapporten.
e. Klik op Start op de Printerinstellingen.
Het printerinstellingenrapport wordt afgedrukt.
f. Controleer of 550 veldocumentinvoer wordt vermeld in de printerinstellingen.
Als de invoer niet wordt vermeld, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst u de 550
documentinvoer opnieuw.
16. Nadat u papier in de geïnstalleerde lade hebt gelegd, geeft u de papiersoort op vanaf het operatorpaneel van de printer.
a. Druk op de knop Menu.
b. Druk op de knop totdat Lade-instelling is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
c. Druk op de knop totdat de geïnstalleerde lade is gemarkeerd, en druk dan op de knop (SET).
d. Zorg dat Papiersoort gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
e. Druk op de knop totdat de papiersoort van de geïnstalleerde lade is gemarkeerd en druk dan op de knop
(SET).
f. Kijk of de geselecteerde papiersoort is gemarkeerd met een opsommingsteken en druk daarna op de knop Menu.
OPMERKING: Als u de 550 documentinvoer installeert na het installeren van het printerstuurprogramma, moet u het
stuurprogramma daarna bijwerken volgens de aanwijzingen voor het besturingssysteem dat u gebruikt. Als de printer
zich op een netwerk bevindt, werkt u het stuurprogramma voor elke client bij.
Om de installatie van de accessoire te voltooien moet het printerstuurprogramma worden bijgewerkt om de accessoire
te kunnen herkennen.
Stuurprogramma bijwerken voor detectie van
de
550
veldocumentinvoer
Bij gebruik van het PCL/XPS-stuurprogramma
OPMERKING: Het XPS-stuurprogramma wordt ondersteund op de volgende besturingssystemen: Windows
®
7,
Windows 7 x64, Windows Vista
®
, Windows Vista x64, Windows Server
®
2008 R2 x64, Windows Server 2008 en
Windows Server 2008 x64.
Windows
®
7/Windows 7
x64/Windows Server
®
2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen van
printer.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista
®
/Vista
x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows
XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Ga als volgt te werk als de informatie over de printer niet automatisch wordt bijgewerkt wanneer u op Informatie ophalen
van de printer klikt:
1. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u vervolgens een van de
beschikbare laden onder Configuratie papierlade.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en schakelt u vervolgens het selectievakje Bi-
directionele communicatie inschakelen uit.
Selecteer een van de beschikbare laden onder Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het weergegeven actieve dialoogvenster.
Bij gebruik van het PS-stuurprogramma
Windows
7/Windows 7
x64/Server 2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen van printer in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Mac OS
®
X 10.5.x
1. Selecteer Afdrukken en faxen in Systeemvoorkeuren.
2. Selecteer de printer in de lijst Printers en klik op Opties en toebehoren.
3. Selecteer Besturingsbestand, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printers
en klik op OK.
Mac OS X 10.3.x/10.4.x 1. Selecteer de printer uit het scherm Printer-lijst in Afdruk-center (of
Printerinstallatiefunctie).
2. Klik op Printers op de menubalk Afdruk-center (of Printer-installatiefunctie) en
selecteer Info tonen.
3. Selecteer Installeerbare opties, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de
printer en klik op wijzigingen toepassen.
Mac OS 9 1. Selecteer een desktopprinter gerelateerd aan het model.
2. Klik op Printen in de menubalk Systeem en selecteer Configuratie wijzigen.
3. Selecteer Configuratie papierlade in het menu Wijzigen.
4. Selecteer de optie die op de printer is geïnstalleerd in het menu Naar en klik
vervolgens op OK.
Een 1100 papierinvoerlade installeren
1. Zet de printer uit en trek de stekker uit het stopcontact. Koppel daarna alle kabels aan de achterzijde van de printer
los.
2. Vergrendel de remmen van de twee zwenkwielen vooraan de optionele 1100 papierinvoerlade.
OPGELET: Als u de remmen niet vergrendelt, kan de printer onverwacht in beweging komen en persoonlijk
letsel veroorzaken.
OPMERKING: Om het vergrendelen gemakkelijker en veiliger uit te kunnen voeren, laat u de remmen van de twee
zwenkwielen naar voren wijzen door de 1100 papierinvoerlade naar achteren te duwen.
3. Trek de lade zo ver mogelijk naar buiten. Licht de voorkant van de lade enigszins op en verwijder hem.
4. Til de printer op en breng de drie geleidepennen van de optionele 1100 papierinvoerlade in lijn met de gaten aan de
onderzijde van de printer. Laat de printer voorzichtig op de 1100 papierinvoerlade zakken.
OPGELET: Er zijn drie personen nodig om de printer op te tillen.
OPGELET: Let goed op dat uw vingers niet klem komen te zitten tussen de printer en de documentinvoer.
5. Draai de twee met de invoer meegeleverde schroeven aan met een munt of schroevendraaier.
6. Zet de printer en de 1100 papierinvoerlade vast met een plastic borgklem en de lange schroef die met de invoer is
meegeleverd.
7. Schuif de papierlade in de printer en druk de lade zover mogelijk aan.
8. Verwijder de lade uit de 1100 papierinvoerlade.
9. Stel de breedtegeleiders af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
10. Stel de lengtegeleider af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
11. Leg het papier in de papierlade met de aanbevolen kant voor afdrukken boven.
12. Plaats de lade weer in de 1100 papierinvoerlade.
13. Sluit het netsnoer aan op de printer en vervolgens op het stopcontact.
14. Zet het netsnoer vast op de printer met de plastic sluiter.
15. Zet de printer aan.
OPMERKING: Als het bericht verschijnt dat u de aanvankelijke configuratie op het bedieningspaneel moet
uitvoeren, volgt u de aanwijzingen altijd op.
OPMERKING: De printer zal automatisch de bevestigde lade(n) detecteren, maar niet welk soort papier erin zit.
16. Druk volgens de instructies een pagina met printerinstellingen af om te controleren of de 1100 papierinvoerlade goed is
geïnstalleerd. Zie "Printerinstellingenpagina afdrukken
".
Printerinstellingenpagina afdrukken
Bij gebruik van het operatorpaneel
a. Druk op de knop Menu.
b. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET). Printerinstelling wordt
weergegeven.
c. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
d. Controleer of 1100 papierinvoerlade in de lijst van printerinstellingen wordt vermeld onder Printeropties.
Als de documentinvoer niet in de lijst staat, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst
u de 1100 papierinvoerlade opnieuw.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
a. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
1) Open de web-browser.
2) Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
b. Selecteer Printerinstellingen.
c. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
d. Selecteer Rapporten.
e. Klik op Start op de Printerinstellingen.
Het printerinstellingenrapport wordt afgedrukt.
f. Controleer of 1100 papierinvoerlade wordt vermeld in de printerinstellingen.
Als de invoer niet wordt vermeld, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst u de 1100
papierinvoerlade opnieuw.
17. Wanneer u papieren in de laatste lade hebt gelegd, geeft u de papiersoort op vanaf het operatorpaneel van de printer.
a. Druk op de knop Menu.
b. Druk op de knop totdat Lade-instelling is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
c. Druk op de knop totdat de geïnstalleerde lade is gemarkeerd, en druk dan op de knop (SET).
d. Zorg dat Papiersoort gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
e. Druk op de knop totdat de papiersoort voor de geïnstalleerde lade is gemarkeerd en druk dan op de knop
(SET).
f. Kijk of de geselecteerde papiersoort is gemarkeerd met een opsommingsteken en druk daarna op de knop Menu.
OPMERKING: Als u de 1100 papierinvoerlade installeert na het installeren van het printerstuurprogramma, moet
u het stuurprogramma daarna bijwerken volgens de aanwijzingen voor het besturingssysteem dat u gebruikt. Als
de printer zich op een netwerk bevindt, werkt u het stuurprogramma voor elke client bij.
Om de installatie van de accessoire te voltooien moet het printerstuurprogramma worden bijgewerkt om de
accessoire te kunnen herkennen.
Stuurprogramma bijwerken voor detectie van de 1100 papierinvoerlade
Bij gebruik van het PCL/XPS-stuurprogramma
OPMERKING: Het XPS-stuurprogramma wordt ondersteund op de volgende besturingssystemen: Windows 7, Windows
7 x64, Windows Vista, Windows Vista x64, Windows Server 2008 R2 x64, Windows Server 2008 en Windows Server
2008 x64.
Windows
®
7/Windows 7
x64/Windows Server
®
2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen van
printer.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista
®
/Vista
x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows
XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Ga als volgt te werk als de informatie over de printer niet automatisch wordt bijgewerkt wanneer u op Informatie ophalen
van de printer klikt:
1. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u vervolgens een van de
beschikbare laden onder Configuratie papierlade.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en schakelt u vervolgens het selectievakje Bi-
directionele communicatie inschakelen uit.
Selecteer een van de beschikbare laden onder Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het weergegeven actieve dialoogvenster.
Bij gebruik van het PS-stuurprogramma
Windows
7/Windows 7
x64/Server 2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen van printer in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Mac OS
®
X 10.5.x
1. Selecteer Afdrukken en faxen in Systeemvoorkeuren.
2. Selecteer de printer in de lijst Printers en klik op Opties en toebehoren.
3. Selecteer Besturingsbestand, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printers
en klik op OK.
Mac OS X 10.3.x/10.4.x 1. Selecteer de printer uit het scherm Printer-lijst in Afdruk-center (of
Printerinstallatiefunctie).
2. Klik op Printers op de menubalk Afdruk-center (of Printerinstallatiefunctie) en
selecteer Info tonen.
3. Selecteer Installeerbare opties, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de
printer en klik op wijzigingen toepassen.
Mac OS 9 1. Selecteer een desktopprinter gerelateerd aan het model.
2. Klik op Printen in de menubalk Systeem en selecteer Configuratie wijzigen.
3. Selecteer Configuratie papierlade in het menu Wijzigen.
4. Selecteer de optie die op de printer is geïnstalleerd in het menu Naar en klik
vervolgens op OK.
Zowel de 550 documentinvoeren als de 1100 papierinvoerlade
installeren
1. Zet de printer uit en trek de stekker uit het stopcontact. Koppel daarna alle kabels aan de achterzijde van de printer
los.
2. Vergrendel de remmen van de twee zwenkwielen vooraan de optionele 1100 papierinvoerlade.
OPGELET: Als u de remmen niet vergrendelt, kan de printer onverwacht in beweging komen en persoonlijk
letsel veroorzaken.
OPMERKING: Om het vergrendelen gemakkelijker en veiliger uit te kunnen voeren, laat u de remmen van de twee
zwenkwielen naar voren wijzen door de 1100 papierinvoerlade naar achteren te duwen.
3. Trek de lade zo ver mogelijk naar buiten. Licht de voorkant enigszins op en verwijder de lade.
4. Til de 550 papierinvoerlade op en breng de drie geleidepennen van de 1100 papierinvoerlade in lijn met de gaten aan
de onderzijde van de 550 veldocumentinvoer.
Om de 550 veldocumentinvoer op te tillen pakt u hem vast zoals getoond in de illustratie.
OPGELET: Pak de 550 veldocumentinvoer om hem te verplaatsen niet vast aan de gebieden die worden
getoond in de volgende illustratie:
5. Laat de 550 veldocumentinvoer voorzichtig op de 1100 papierinvoerlade zakken.
6. Draai de twee met de invoer meegeleverde schroeven aan met een munt of een dergelijk voorwerp.
7. Til de printer op en breng de drie geleidepennen van de 550 documentinvoer tegenover de gaten aan de onderzijde van
de printer. Laat de printer voorzichtig op de 550 documentinvoer zakken.
OPGELET: Er zijn drie personen nodig om de printer op te tillen.
OPGELET: Let goed op dat uw vingers niet klem komen te zitten tussen de printer en de 1100
papierinvoerlade.
8. Trek de lade zo ver mogelijk uit de printer. Licht de voorkant enigszins op en verwijder de lade.
9. Draai de twee met de invoer meegeleverde schroeven aan met een munt of een dergelijk voorwerp.
10. Zet de printer en de 550 veldocumentinvoer vast met een plastic borgklemmen en de langere schroeven die met de
invoer zijn meegeleverd.
OPMERKING: Als u twee 550 documentinvoeren hebt, herhaalt u stap 4 t/m stap 10.
11. Zet de lade in de printer.
12. Verwijder de laden uit de 550 veldocumentinvoer en de 1100 papierinvoerlade.
13. Stel de breedtegeleiders af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
14. Stel de lengtegeleider af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
15. Leg het papier in de laden met de aanbevolen kant voor afdrukken boven.
16. Plaats de laden met papier weer in de invoeren.
17. Sluit het netsnoer aan op de printer en vervolgens op het stopcontact.
18. Zet het netsnoer vast op de printer met de plastic sluiter.
19. Zet de printer aan.
OPMERKING: Als het bericht verschijnt dat u de aanvankelijke configuratie op het bedieningspaneel moet
uitvoeren, volgt u de aanwijzingen altijd op.
OPMERKING: De printer zal automatisch de bevestigde lade(n) detecteren, maar niet welk soort papier erin zit.
20. Druk volgens de onderstaande instructies een pagina met printerinstellingen af om te controleren of de 550
veldocumentinvoer en de 1100 papierinvoerlade goed zijn geïnstalleerd. Zie "Printerinstellingenpagina afdrukken
".
Printerinstellingenpagina afdrukken
Bij gebruik van het operatorpaneel
a. Druk op de knop Menu.
b. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET). Printerinstelling wordt
weergegeven.
c. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
d. Controleer of 550 veldocumentinvoer en de 1100 papierinvoerlade in de lijst van printerinstellingen worden
vermeld onder Printeropties.
Als de documentinvoer niet in de lijst staat, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst
u de 550 documentinvoer en de 1100 papierinvoerlade opnieuw.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
a. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
1) Open de web-browser.
2) Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
b. Selecteer Printerinstellingen.
c. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
d. Selecteer Rapporten.
e. Klik op Start op de Printerinstellingen.
Het printerinstellingenrapport wordt afgedrukt.
f. Controleer of 550 veldocumentinvoer en de 1100 papierinvoerlade worden vermeld in de printerinstellingen.
Als de invoeren niet worden vermeld, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst u de
550 documentinvoer en de 1100 papierinvoerlade opnieuw.
21. Wanneer u papieren in de laatste lade hebt gelegd, geeft u de papiersoort op vanaf het operatorpaneel van de printer.
a. Druk op de knop Menu.
b. Druk op de knop
totdat Lade-instelling is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
c. Druk op de knop totdat de geïnstalleerde lade is gemarkeerd, en druk dan op de knop (SET).
d. Zorg dat Papiersoort gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
e. Druk op de knop totdat de papiersoort voor de geïnstalleerde lade is gemarkeerd en druk dan op de knop
(SET).
f. Kijk of de geselecteerde papiersoort is gemarkeerd met een opsommingsteken en druk daarna op de knop Menu.
OPMERKING: Als u de 550 documentinvoer en de 1100 papierinvoerlade installeert na het installeren van het
printerstuurprogramma, moet u het stuurprogramma daarna bijwerken volgens de aanwijzingen voor het
besturingssysteem dat u gebruikt. Als de printer zich op een netwerk bevindt, werkt u het stuurprogramma voor elke
client bij.
Om de installatie van de accessoire te voltooien moet het printerstuurprogramma worden bijgewerkt om de accessoire
te kunnen herkennen.
Stuurprogramma bijwerken voor detectie van
de
550
veldocumentinvoeren en de 1100 papierinvoerlade
Bij gebruik van het PCL/XPS-stuurprogramma
OPMERKING: Het XPS-stuurprogramma wordt ondersteund op de volgende besturingssystemen: Windows 7, Windows
7 x64, Windows Vista, Windows Vista x64, Windows Server 2008 R2 x64, Windows Server 2008 en Windows Server
2008 x64.
Windows
®
7/Windows 7
x64/Windows Server
®
2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen van
printer.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista
®
/Vista
x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u vervolgens
of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is ingeschakeld. Schakel
het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows
XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Ga als volgt te werk als de informatie over de printer niet automatisch wordt bijgewerkt wanneer u op Informatie ophalen
van de printer klikt:
1. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u vervolgens een van de
beschikbare laden onder Configuratie papierlade.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en schakelt u vervolgens het selectievakje Bi-
directionele communicatie inschakelen uit.
Selecteer een van de beschikbare laden onder Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het weergegeven actieve dialoogvenster.
Bij gebruik van het PS-stuurprogramma
Windows
7/Windows 7
x64/Server 2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen van printer in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
papierladeconfiguratie onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens een van de
beschikbare lades in Configuratie papierlade.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Mac OS
®
X 10.5.x
1. Selecteer Afdrukken en faxen in Systeemvoorkeuren.
2. Selecteer de printer in de lijst Printers en klik op Opties en toebehoren.
3. Selecteer Besturingsbestand, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printers
en klik op OK.
Mac OS X 10.3.x/10.4.x 1. Selecteer de printer uit het scherm Printer-lijst in Afdruk-center (of
Printerinstallatiefunctie).
2. Klik op Printers op de menubalk Afdruk-center (of Printer-installatiefunctie) en
selecteer Info tonen.
3. Selecteer Installeerbare opties, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de
printer en klik op wijzigingen toepassen.
Mac OS 9 1. Selecteer een desktopprinter gerelateerd aan het model.
2. Klik op Printen in de menubalk Systeem en selecteer Configuratie wijzigen.
3. Selecteer Configuratie papierlade in het menu Wijzigen.
4. Selecteer de optie die op de printer is geïnstalleerd in het menu Naar en klik
vervolgens op OK.
Een extra uitvoerbak installeren
OPGELET: Als u na het installeren van de printer een extra uitvoerbak installeert, is het belangrijk dat u de
printer uitzet, de stekker uit het stopcontact trekt en alle kabels aan de achterzijde van de printer
loskoppelt, voordat u deze taken uitvoert.
OPGELET: Houd de extra uitvoerbak altijd vast volgens de instructies bij het verplaatsen van de
uitvoerbak. Als u dat niet doet, kan de extra uitvoerbak vallen en persoonlijk letsel veroorzaken.
OPGELET: Controleer na het installeren van de extra uitvoerbak op het oog of de uitvoerbak correct is
geïnstalleerd. Bij een onjuiste installatie kan de extra uitvoerbak losraken en vallen, met persoonlijk letsel
tot gevolg.
OPGELET: Koppel de extra uitvoerbak los van de printer als u de printer gaat verplaatsen. Als u dat niet
doet, kan de extra uitvoerbak losraken en vallen, met persoonlijk letsel als gevolg.
1. Zet de printer uit en trek de stekker uit het stopcontact. Koppel daarna alle kabels aan de achterzijde van de printer
los.
2. Verwijder al het verpakkingsmateriaal van de extra uitvoerbak, met uitzondering van de kartonnen afdekking. Verwijder
het beschermende stuk karton pas nadat de installatie is voltooid.
3. Plaats de extra uitvoerbak aan de linkerkant van de printer.
OPGELET: Pak de extra uitvoerbak voor het tillen altijd vast op de hieronder getoonde plekken.
4. Open lade 1 enigszins.
5. Open de voorklep.
6. Pak het klepje van het bovenpaneel om deze voorzichtig naar buiten te trekken en trek het paneel dan naar voren om
het van de printer af te halen. Herhaal de procedure voor het onderpaneel.
7. Sluit de voorklep van de printer.
8. Schuif de papierlade in de printer en druk de lade zover mogelijk aan.
9. Duw op de klauw om de middelste uitvoerlade te ontgrendelen en til de lade omhoog om deze uit te printer te halen.
10. Plaats de horizontale transporteur op de printer.
11. Bevestig de beugel zoals getoond in de onderstaande illustratie.
12. Eerst draait u de schroef rechts slechts losjes aan, zodat hij later kan worden bijgesteld.
Vervolgens draait u de andere schroef aan de linkerkant vast, waarna u de rechterschroef stevig aandraait.
13. Bevestig de plastic houder aan de printer om de kabels vast te zetten.
14. Licht de extra uitvoerbak op, zet het gat in de uitvoerbak in lijn met de beugelgeleider en haak de uitvoerbak
vervolgens vast op de beugelgeleider.
Om de uitvoerbak goed aan de printer te bevestigen zet u met uw handen druk op de uitvoerbak in de richting die in
de illustratie wordt getoond.
OPGELET: Pak de extra uitvoerbak voor het tillen altijd vast op de aangegeven plekken.
OPGELET: Controleer de ruimte tussen de printer en de extra uitvoerbak om te zien of de uitvoerbak goed
is aangesloten.
Als de extra uitvoerbak niet in de printer past, maakt u hem los en installeert u hem opnieuw.
15. Verwijder de kartonnen beschermer van de extra uitvoerbak en bevestig vervolgens de stapeleenheid aan de extra
uitvoerbak.
Eerst zet u de bevestigingszijde van de stapeleenheid in lijn met de printer. Vervolgens schuift u de stapeleenheid
omlaag tot de twee uitsteeksel in de gaten in het metalen paneel vallen, zoals getoond in de illustratie.
16. Bevestig de onderdelen zoals getoond in de onderstaande illustratie.
17. Verwijder het connectorkapje van de printer.
18. Steek de connector in de aansluiting en bevestig vervolgens de plastic sluiter aan de printer om de kabels vast te
zetten.
19. Breng het connectorkapje 2 aan.
VOORZICHTIG: Houd het stroomsnoer altijd uit de buurt van sluitende kleppen.
20. Steek de connector in de aansluiting en bevestig vervolgens de plastic sluiter aan de printer om de kabels vast te
zetten.
21. Breng het connectorkapje 1 aan.
Bevestig eerst de linkerkant van het connectorkapje 1 aan de printer. Sluit kapje 1 vervolgens zoals getoond in de
illustratie.
22. Sluit het stroomsnoer van de extra uitvoerbak aan op de printer zoals getoond in de illustratie.
23. Open de voorklep van de extra uitvoerbak.
24. Verwijder het verpakkingsmateriaal van de nietcassette.
OPMERKING: Zorg ervoor dat het metalen deel omlaag is zoals getoond in de onderstaande illustratie.
25. Breng de nietcassette aan in de extra uitvoerbak.
26. Sluit de voorklep van de extra uitvoerbak.
27. Zet de printer aan.
OPMERKING: Als het bericht verschijnt dat u de aanvankelijke configuratie op het bedieningspaneel moet uitvoeren,
volgt u de aanwijzingen altijd op.
28. Druk volgens de onderstaande instructies een pagina met printerinstellingen af om te controleren of de extra
uitvoerbak goed is geïnstalleerd. Zie "Printerinstellingenpagina afdrukken
".
Printerinstellingenpagina afdrukken
Bij gebruik van het operatorpaneel
a. Druk op de knop Menu.
b. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
c. Printerinstelling wordt weergegeven. Druk op de knop (SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
d. Controleer of de Extra uitvoerbak in de lijst van printerinstellingen staat onder Printeropties.
Als de extra uitvoerbak niet in de lijst staat, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst
u de extra uitvoerbak opnieuw.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
a. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
1) Open de web-browser.
2) Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
b. Selecteer Printerinstellingen.
c. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
d. Selecteer Rapporten.
e. Klik op de knop Start op de Printerinstellingen.
Het printerinstellingenrapport wordt afgedrukt.
f. Controleer of Extra uitvoerbak wordt vermeld in de printerinstellingen.
Als de extra uitvoerbak niet wordt vermeld, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst
u de extra uitvoerbak opnieuw.
OPMERKING: Als u de extra uitvoerbak hebt geïnstalleerd na het installeren van het PCL- of PS-
printerstuurprogramma, moet u het stuurprogramma daarna bijwerken volgens de aanwijzingen voor het
besturingssysteem dat u gebruikt. Als de printer zich op een netwerk bevindt, werkt u het stuurprogramma voor elke
client bij.
Om de installatie van de accessoire te voltooien moet het printerstuurprogramma worden bijgewerkt om de accessoire
te kunnen herkennen.
OPMERKING: Extra uitvoerbak kan alleen in het printerstuurprogramma worden gespecificeerd als de optionele vaste
schijf of RAM-schijf beschikbaar is in het printerstuurprogramma.
OPMERKING: Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, zijn de volgende instellingen niet vereist.
Stuurprogramma bijwerken voor detectie van de extra uitvoerbak
Bij gebruik van het PCL-stuurprogramma:
Windows
®
7/Windows 7 x64/Windows
Server
®
2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechter muisknop op dit printerpictogram en selecteer
Eigenschappen van printer.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer Informatie ophalen van de
printer.
4. Klik op Toepassen, en klik op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista
®
/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer
Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie
ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server 2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer
Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie
ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server 2003/Server
2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer
Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie
ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer
Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie
ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Ga als volgt te werk als de informatie over de printer niet automatisch wordt bijgewerkt wanneer u op Informatie ophalen
van de printer klikt:
1. Klik op het tabblad Opties en selecteer daarna Extra uitvoerbak in de keuzelijst Items.
2. Selecteer Aanwezig als instelling voor de extra uitvoerbak.
3. Sluit het weergegeven actieve dialoogvenster.
4. Sluit het Printers en Faxen, Printers of Apparaten en printers dialoogkader.
Bij gebruik van het PS-stuurprogramma
Windows
7/Windows
7
x64/Server 2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen van printer in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en controleer vervolgens of Extra
uitvoerbak beschikbaar is onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens Aanwezig voor de
Extra uitvoerbak, beschikbaar onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en controleer vervolgens of Extra
uitvoerbak beschikbaar is onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens Aanwezig voor de
Extra uitvoerbak, beschikbaar onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en controleer vervolgens of Extra
uitvoerbak beschikbaar is onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens Aanwezig voor de
Extra uitvoerbak, beschikbaar onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en controleer vervolgens of Extra
uitvoerbak beschikbaar is onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens Aanwezig voor de
Extra uitvoerbak, beschikbaar onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en controleer vervolgens of Extra
uitvoerbak beschikbaar is onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens Aanwezig voor de
Extra uitvoerbak, beschikbaar onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Mac OS
®
X 10.5.x
1. Selecteer Afdrukken en faxen in Systeemvoorkeuren.
2. Selecteer de printer in de lijst Printers en klik op Opties en toebehoren.
3. Selecteer Besturingsbestand, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printers
en klik op OK.
Mac OS X 10.3.x/10.4.x 1. Selecteer de printer uit het scherm Printer-lijst in Afdruk-center (of
Printerinstallatiefunctie).
2. Klik op Printers op de menubalk Afdruk-center (of Printerinstallatiefunctie) en
selecteer Info tonen.
3. Selecteer Installeerbare opties, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de
printer en klik op wijzigingen toepassen.
Mac OS 9 1. Selecteer een desktopprinter gerelateerd aan het model.
2. Klik op Printen in de menubalk Systeem en selecteer Configuratie wijzigen.
3. Selecteer Extra uitvoerbak in het menu Wijzigen.
4. Selecteer de optie die op de printer is geïnstalleerd in het menu Naar en klik
vervolgens op OK.
Een geheugenmodule installeren
De printer wordt geleverd met een geïnstalleerd geheugen van 256 MB. Om het geheugen te vergroten kunt u een optionele
geheugenmodule van 1024 MB installeren op het bedieningspaneel.
1. Kijk of de printer is uitgeschakeld.
2. Draai de schroef in het metalen omhulsel linksom om de klep te openen.
3. Verwijder de bedieningspaneelklep.
4. Let op de stand van de geheugenmodule; de inkepingen in de geheugenmodule moeten in lijn staan met de inkepingen
in de gleuf. Richt de connector van de geheugenmodule op de sleuf en steek de geheugenmodule verticaal in de sleuf.
Druk de geheugenmodule vervolgens met gelijkmatige druk aan beide zijden zover mogelijk in de sleuf.
5. Controleer of de lipjes zijn vastgeklikt.
6. Installeer de bedieningspaneelklep.
7. Sluit de bedieningspaneelklep en draai de schroef rechtsom.
8. Zet de printer aan.
9. Druk volgens de onderstaande instructies de pagina met printerinstellingen af om te controleren of de geheugenmodule
goed is geïnstalleerd. Zie "Printerinstellingenpagina afdrukken".
Printerinstellingenpagina afdrukken
Bij gebruik van het operatorpaneel
a. Druk op de knop Menu.
b. Zorg dat
Rapport/Lijst gemarkeerd is
en druk dan op de knop (SET).
c. Printerinstelling wordt weergegeven. Druk op de knop (SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
d. Controleer of Geheugencapaciteit in de lijst van printerinstellingen staat onder Algemeen.
Als de beschikbare hoeveelheid geheugen niet is toegenomen, schakelt u de printer uit, trekt u de stekker uit het
stopcontact en installeert u de geheugenmodule opnieuw.
Bij gebruik van de Dell Printer Configuration Web Tool
a. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
1) Open de web-browser.
2) Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
b. Selecteer Printerinstellingen.
c. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
d. Selecteer Rapporten.
e. Klik op de knop Start in de Printerinstellingen.
f. Het printerinstellingenrapport wordt afgedrukt.
g. Controleer of Geheugencapaciteit wordt vermeld in de printerinstellingen.
Als de beschikbare hoeveelheid geheugen niet is toegenomen, schakelt u de printer uit, trekt u de stekker uit het
stopcontact en installeert u de geheugenmodule opnieuw.
OPMERKING: Als u de geheugenmodule hebt geïnstalleerd na het installeren van het PCL- of PS-
printerstuurprogramma, moet u het stuurprogramma daarna bijwerken volgens de aanwijzingen voor het
besturingssysteem dat u gebruikt. Als de printer zich op een netwerk bevindt, werkt u het stuurprogramma voor elke
client bij.
Om de installatie van de accessoire te voltooien moet het printerstuurprogramma worden bijgewerkt om de accessoire
te kunnen herkennen.
OPMERKING: Geheugenmodule kan alleen in het printerstuurprogramma worden gespecificeerd als de vaste schijf of
RAM-schijf beschikbaar is in het printerstuurprogramma.
OPMERKING: Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, zijn de volgende instellingen niet vereist.
Stuurprogramma bijwerken voor detectie van de geheugenmodule
Bij gebruik van het PCL/XPS-stuurprogramma
OPMERKING: Het XPS-stuurprogramma wordt ondersteund op de volgende besturingssystemen: Windows 7, Windows
7 x64, Windows Vista, Windows Vista x64, Windows Server 2008 R2 x64, Windows Server 2008 en Windows Server
2008 x64.
Windows
7/Windows
7
x64/Server 2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen van
printer.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u
vervolgens of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is
ingeschakeld. Schakel het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u
vervolgens of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is
ingeschakeld. Schakel het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en schakelt u
vervolgens het selectievakje Informatie ophalen van de printer in.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en kijkt u
vervolgens of het selectievakje Bi-directionele communicatie inschakelen is
ingeschakeld. Schakel het selectievakje in als dat niet het geval is.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP
x64/Windows Server
2003/Windows Server
2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u
vervolgens Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Ga als volgt te werk als de informatie over de printer niet automatisch wordt bijgewerkt wanneer u op Informatie ophalen
van de printer klikt:
1. Als u het PCL-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Opties en selecteert u vervolgens de totale hoeveelheid
geïnstalleerd printergeheugen voor de geheugencapaciteitsinstelling in de keuzelijst Items.
Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad Optie en schakelt u vervolgens het selectievakje Bi-
directionele communicatie inschakelen uit.
Selecteer de totale hoeveelheid geïnstalleerd printergeheugen als instelling voor de geheugencapaciteit in de keuzelijst
Items.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het weergegeven actieve dialoogvenster.
Bij gebruik van het PS-stuurprogramma
Windows
7/Windows
7
x64/Server 2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen van printer in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer geheugenomvang uit
Geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer geheugenomvang uit
Geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer geheugenomvang uit
Geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer geheugenomvang uit
Geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens de
geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
6. Sluit het dialoogvenster Printers.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer geheugenomvang uit
Geheugencapaciteit onder Installeerbare opties.
2. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Mac OS
®
X 10.5.x
1. Selecteer Afdrukken en faxen in Systeemvoorkeuren.
2. Selecteer de printer in de lijst Printers en klik op Opties en toebehoren.
3. Selecteer Besturingsbestand, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printers
en klik op OK.
Mac OS X 10.3.x/10.4.x 1. Selecteer de printer uit het scherm Printer-lijst in Afdruk-center (of
Printerinstallatiefunctie).
2. Klik op Printers op de menubalk Afdruk-center (of Printerinstallatiefunctie) en
selecteer Info tonen.
3. Selecteer Installeerbare opties, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de
printer en klik op wijzigingen toepassen.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
Mac OS 9 1. Selecteer een desktopprinter gerelateerd aan het model.
2. Klik op Printen in de menubalk Systeem en selecteer Configuratie wijzigen.
3. Selecteer Geheugencapaciteit in het menu Wijzigen.
4. Selecteer de optie die op de printer is geïnstalleerd in het menu Naar en klik
vervolgens op OK.
Een harde schijf installeren
1. Kijk of de printer is uitgeschakeld.
2. Draai de schroef in het metalen omhulsel linksom om de klep te openen.
3. Verwijder de bedieningspaneelklep.
4. Steek de twee plastic pennen op de harde schijf in de gaten in het metalen omhulsel.
5. Bevestig het linker afstandsstuk aan het bedieningspaneel.
6. Sluit de kabels van de harde schijf aan op de contacten op het bedieningspaneel.
7. Plaats de bedieningspaneelklep terug.
8. Sluit de bedieningspaneelklep en draai vervolgens de schroef rechtsom.
9. Zet de printer aan.
OPMERKING: Als het bericht verschijnt dat u de aanvankelijke configuratie op het bedieningspaneel moet
uitvoeren, volgt u de aanwijzingen altijd op.
10. Druk volgens de instructies de pagina met de printerinstellingen af om te controleren of de optionele harde schijf goed
is geïnstalleerd. Zie "Printerinstellingenpagina afdrukken
".
Printerinstellingenpagina afdrukken
11. Bij gebruik van het operatorpaneel
a. Druk op de knop Menu.
b. Zorg dat
Rapport/Lijst gemarkeerd is
en druk dan op de knop (SET).
Printerinstelling
wordt
weergegeven.
c. Druk op de knop (SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
d. Controleer of de Harde schijf in de lijst van printerinstellingen staat onder Printeropties.
Als de harde schijf niet in de lijst staat, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst u de
harde schijf opnieuw.
Bij gebruik van de Dell Printer Configuration Web Tool
a. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
1) Open de web-browser.
2) Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
b. Selecteer Printerinstellingen.
c. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
d. Selecteer Rapporten.
e. Klik op de knop Start in de Printerinstellingen.
Het printerinstellingenrapport wordt afgedrukt.
f. Controleer of de Harde schijf in de lijst van printerinstellingen staat onder Printeropties.
Als de harde schijf niet in de lijst staat, zet u de printer uit, trekt u de stekker uit het stopcontact en plaatst u de
harde schijf opnieuw.
OPMERKING: Als u de harde schijf hebt geïnstalleerd na het installeren van het PCL- of PS-printerstuurprogramma,
moet u het stuurprogramma daarna bijwerken volgens de aanwijzingen voor het besturingssysteem dat u gebruikt. Als
de printer zich op een netwerk bevindt, werkt u het stuurprogramma voor elke client bij.
Om de installatie van de accessoire te voltooien moet het printerstuurprogramma worden bijgewerkt om de accessoire
te kunnen herkennen.
OPMERKING: Harde schijf kan alleen in het printerstuurprogramma worden gespecificeerd als de vaste schijf of RAM-
schijf beschikbaar is in het printerstuurprogramma.
OPMERKING: Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, zijn de volgende instellingen niet vereist.
Stuurprogramma bijwerken voor detectie van de harde schijf
Bij gebruik van het PCL/XPS-stuurprogramma
OPMERKING: Als u het XPS-stuurprogramma gebruikt, zijn de volgende instellingen niet vereist.
Windows
7/Windows
7 x64/Server 2008
R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechter muisknop op dit printerpictogram en selecteer
Eigenschappen van printer.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer Informatie ophalen van de
printer.
4. Klik op Toepassen, en klik op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer
Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie ophalen
van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server 2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechter muisknop op het printerpictogram en selecteer
Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie ophalen
van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie ophalen
van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer en selecteer Eigenschappen.
3. Klik op het tabblad Opties en selecteer vervolgens Informatie ophalen
van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Sluit het dialoogvenster Printers.
Ga als volgt te werk als de informatie over de printer niet automatisch wordt bijgewerkt wanneer u op Informatie ophalen
van de printer klikt:
1. Klik op het tabblad Opties en selecteer daarna Harde schijf in de keuzelijst Items.
2. Selecteer Aanwezig als instelling voor de harde schijf.
3. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
4. Sluit het weergegeven actieve dialoogvenster.
Bij gebruik van het PS-stuurprogramma
Windows
7/Windows
7
x64/Server 2008 R2 x64
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen van printer in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens het opslagapparaat
onder Installeerbare opties.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens het opslagapparaat
uit Opslagapparaat onder Installeerbare opties.
2. Klik op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Apparaten en printers.
Windows Vista/Vista x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm®
Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens het opslagapparaat
onder Installeerbare opties.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens het opslagapparaat
uit Opslagapparaat onder Installeerbare opties.
2. Klik op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows Server
2008/Server 2008 x64
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens het opslagapparaat
onder Installeerbare opties.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens het opslagapparaat
uit Opslagapparaat onder Installeerbare opties.
2. Klik op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Windows XP/XP x64/Server
2003/Server 2003 x64
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens het opslagapparaat
onder Installeerbare opties.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens het opslagapparaat
uit Opslagapparaat onder Installeerbare opties.
2. Klik op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers en faxapparaten.
Windows 2000
1. Klik op Start® Instellingen® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op de printer die het PS-stuurprogramma gebruikt en
selecteer Eigenschappen in de weergegeven lijst.
3. Klik op het tabblad Configuratie en selecteer Informatie ophalen van de printer.
4. Klik op Toepassen en klik vervolgens op OK.
5. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en bevestig vervolgens het opslagapparaat
onder Installeerbare opties.
Als u de printerinformatie niet automatisch kunt ophalen met behulp van de optie Informatie
ophalen van de printer, probeert u het met de volgende procedure:
1. Klik op het tabblad Instellingen apparaat en selecteer vervolgens het opslagapparaat
uit Opslagapparaat onder Installeerbare opties.
2. Klik op OK.
3. Sluit het dialoogvenster Printers.
Mac OS
®
X 10.5.x
1. Selecteer Afdrukken en faxen in Systeemvoorkeuren.
2. Selecteer de printer in de lijst Printers en klik op Opties en toebehoren.
3. Selecteer Besturingsbestand, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printers
en klik op OK.
Mac OS X 10.3.x/10.4.x 1. Selecteer de printer uit het scherm Printer-lijst in Afdruk-center (of
Printerinstallatiefunctie).
2. Klik op Printers op de menubalk Afdruk-center (of Printerinstallatiefunctie) en
selecteer Info tonen.
3. Selecteer Installeerbare opties, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de
printer en klik op wijzigingen toepassen.
Mac OS 9 1. Selecteer een desktopprinter gerelateerd aan het model.
2. Klik op Printen in de menubalk Systeem en selecteer Configuratie wijzigen.
3. Selecteer Opslagapparaat in het menu Wijzigen.
4. Selecteer de optie die op de printer is geïnstalleerd in het menu Naar en klik
vervolgens op OK.
Een draadloze adapter installeren
Met de draadloze adapter kunt u de printer gebruiken met een draadloze netwerkaansluiting.
De specificaties van de draadloze adapter worden hieronder beschreven:
Item Specificatie
Connectiviteit Draadloos
Connectiviteitsstandaard IEEE 802.11b/g/n compliant
Bandbreedte 2,4 GHz
Snelheid gegevensoverdracht IEEE 802.11b mode: 11; 5,5; 2; 1 Mbps
IEEE 802.11g mode: 54; 48; 36; 24; 18; 12; 9; 6 Mbps
IEEE 802.11n mode: 65 Mbps
Beveiliging 64 (40-bits sleutel)/128 (104-bits sleutel) WEP,
WPA-PSK (TKIP, AES), WPA2-PSK (AES),
WPA-Enterprise(TKIP, AES)
*1, *2
,
WPA2-Enterprise(AES)
*1, *2
*1
: Alleen PEAPV0 MS-CHAPV2.
*2
: Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd.
OPMERKING: Als de draadloze adapter is geïnstalleerd, kunt u niet de IEEE 802.1x-verificatie en/of de Ethernet-poort
gebruiken voor een niet-draadloze verbinding.
De inhoud van de doos controleren
OPMERKING: Voor het voltooien van de draadloze configuratie hebt u de bij uw printer geleverde cd
Stuurprogramma's en hulpprogramma's nodig. Het configuratiehulpprogramma en de stuurprogramma's kunnen ook
worden gedownload via support.dell.com
.
Voordat u een draadloze adapter installeert
Ga op een van de volgende manieren te werk als u de Dell draadloze adapter wilt installeren.
1. Video-instructies (aanbevolen)
a. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in uw computer. Het bestand Eenvoudige installatie
navigator wordt automatisch gestart.
b. Klik op de knop Draadloze configuratie in het venster Eenvoudige installatie navigator en volg de
instructies op het scherm tot het scherm Uw draadloze printer configureren wordt weergegeven.
OPMERKING: Zie "Een draadloze adapter configureren" voor nadere inlichtingen over het configureren van de
draadloze adapter.
2. Instructies op papier
Raadpleeg de bij de draadloze adapter geleverde Installatie- en configuratiegids draadloze adapter.
Een draadloze adapter installeren
1. Kijk of de printer is uitgeschakeld. Koppel vervolgens alle kabels, inclusief het netsnoer, los van de achterkant van de
printer.
2. Verwijder het kapje van de aansluiting voor de draadloze adapter.
3. Zet de connector en de drie uitsteeksels van de draadloze adapter in lijn met de vier gaten en steek de adapter erin.
OPMERKING: Let erop dat de adapter geheel wordt in- en vastgezet.
4. Sluit het netsnoer weer aan en zet de printer aan.
OPMERKING: Als het bericht verschijnt dat u de aanvankelijke configuratie op het bedieningspaneel moet
uitvoeren, volgt u de aanwijzingen altijd op.
5. Druk volgens de onderstaande instructies de pagina met printerinstellingen af om te controleren of de draadloze
adapter goed is geïnstalleerd. Zie "Printerinstellingenpagina afdrukken
".
Printerinstellingenpagina afdrukken
Bij gebruik van het operatorpaneel
a. Druk op de knop Menu.
b. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
c. Printerinstellingen wordt weergegeven. Druk op de knop (SET).
De pagina Printerinstellingen wordt afgedrukt.
6. Controleer of het gedeelte Netwerk (Draadloos) bestaat.
OPMERKING: Zie "Een draadloze adapter configureren" voor nadere inlichtingen over het configureren van de
draadloze adapter.
De instellingen voor het draadloze netwerk bepalen
U kunt de printer alleen als draadloos apparaat gebruiken als u de instellingen van het draadloze netwerk kent. Wend u tot de
netwerkbeheerder voor de instellingsgegevens.
Draadloze instellingen SSID Bepaalt de naam waarmee het
draadloze netwerk wordt aangeduid.
Tot 32 alfanumerieke tekens.
Netwerktype Bepaalt of het netwerktype Ad-hoc
of Infrastructuur is.
Veiligheidsinstellingen Beveiliging Maakt voor de beveiligingsmethode
een keus uit Geen beveiliging, WEP,
WPA-PSK TKIP en WPA2-PSK-
AES/WPA-PSK-AES.
Sleutel
verzenden
Bepaalt de verzendsleutel uit de lijst.
WEP-sleutel Geeft de WEP-sleutelset op die via
het draadloze netwerk wordt gebruikt,
maar alleen als WEP is geselecteerd
voor Beveiliging.
Woordgroep
doorlaten
Bepaalt de wachtwoordgroep
bestaande uit alfanumerieke tekens
van 8 tot 63 bytes lang, maar alleen
als WPA-PSK is geselecteerd voor
Codering.
Een draadloze adapter configureren
In deze paragraaf wordt beschreven hoe u een draadloze adapter configureert met behulp van de Eenvoudige installatie
navigator.
U kunt een configuratiemethode voor de draadloze adapter kiezen uit de volgende opties:
Wizard-configuratie via USB
-verbinding
Geavanceerde configuratie
via
Ethernet
-verbinding
Operatorpaneel of Dell Printer Configuration Web
Tool
WPS-PIN
*1
WPS-PBC
*2
USB
-verbinding
*1
WPS-PIN (Wi-Fi
®
Protected setup-Personal Identification Number) is een methode voor de verificatie en registratie van
apparaten vereist voor draadloze configuratie, door het invoeren van PIN-toewijzingen in de printer en computer. Deze via
een toegangspunt uitgevoerde instelling is alleen beschikbaar als de toegangspunten van uw draadloze router ondersteuning
bieden voor WPS.
*2
WPS-PBC (Wi-Fi Protected Setup-Push Button Configuration) is een methode voor de verificatie en registratie van
apparaten vereist voor draadloze configuratie, door te drukken op de knop op het toegangspunt via draadloze routers en
vervolgens de WPS-PBC-instelling uit te voeren op het operatorpaneel. Deze instelling is alleen beschikbaar als het
toegangspunt ondersteuning biedt voor WPS.
OPMERKING: De optionele draadloze adapter moet op de printer zijn geïnstalleerd.
OPMERKING: Zie "Een draadloze adapter installeren" voor informatie over het installeren van een draadloze adapter.
Wizard-setup gebruiken voor het configureren van een draadloze
adapter
1. Plaats de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in de computer. Het bestand Eenvoudige
installatie navigator wordt automatisch gestart.
2. Klik op de knop Draadloze configuratie in het venster Eenvoudige installatie navigator.
Het venster Draadloze configuratie wordt geopend.
3. Selecteer Wizard en klik vervolgens op Volgende.
De instructievideo start.
4. Volg de aanwijzingen op het scherm op tot de knop Draadloze instellingenhulp wordt weergegeven.
5. Klik op Draadloze instellingenhulp.
De Draadloze instellingenhulp start.
6. Er verschijnen opmerkingen over de connectiviteit. Klik op Volgende.
OPMERKING: Als de printer al is aangesloten wordt dit scherm niet weergegeven. Verder gaat dit scherm niet over op
het volgende scherm tot de printer is aangesloten.
7. Selecteer in de lijst op het scherm Printer selecteren de draadloze printer die u wilt configureren en klik vervolgens
op Volgende.
OPMERKING: Als slechts één printer is aangesloten via de USB wordt het scherm Printer selecteren niet
weergegeven.
8. Stel in het scherm Draadloze netwerkinstellingen invoeren de draadloze instellingen in en klik vervolgens op
Volgende.
9. Selecteer op het scherm IP-modus selecteren de IP-modus die u wilt configureren en klik vervolgens op Volgende.
Als alleen IPv4 is geselecteerd:
Kies alle instellingen op het scherm Voer de IPv4 adresinstellingen in en klik vervolgens op Verzenden om de
draadloze instellingen naar de printer te sturen.
Als alleen IPv6 is geselecteerd:
Kies alle instellingen op het scherm Voer de IPv6 adresinstellingen in en klik vervolgens op Verzenden om de
draadloze instellingen naar de printer te sturen.
Als Dual-stack (zowel IPv4 als IPv6) is geselecteerd:
a. Selecteer in het scherm Voer de IPv4 adresinstellingen in de verschillende instellingen een klik vervolgens op
Volgende.
b. Selecteer op het scherm Voer de IPv6 adresinstellingen in de verschillende instellingen en stuur daarna de
draadloze instellingen naar de printer door op Verzenden te klikken.
10. Klik in het scherm Voltooi de draadloze instellingen op Volgende om de draadloze configuratie te voltooien en sluit
de Draadloze instellingenhulp.
Eenvoudige installatie navigator wordt opnieuw gestart.
11. Volg de aanwijzingen op het scherm op om de configuratie van de draadloze adapter te voltooien.
Geavanceerde setup gebruiken voor het configureren van een draadloze
adapter
Selecteer Geavanceerde setup als u de draadloze adapter wilt configureren via een van de volgende methoden:
Ethernet
Operatorpaneel
Dell Printer Configuration Web Tool
WPS-PIN
WPS-PBC
USB
Ethernet
1. Plaats de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in de computer. Het bestand Eenvoudige
installatie navigator wordt automatisch gestart.
2. Klik op de knop Draadloze configuratie in het venster Eenvoudige installatie navigator.
Het venster Draadloze configuratie wordt geopend.
3. Selecteer Geavanceerd en klik vervolgens op Volgende.
4. Selecteer Ethernet en klik vervolgens op Volgende.
De instructievideo start.
5. Volg de aanwijzingen op het scherm op tot de knop Draadloze instellingenhulp wordt weergegeven.
6. Klik op Draadloze instellingenhulp om de draadloze configuratie te starten.
De Draadloze instellingenhulp start.
7. Als de printer niet wordt vermeld op het scherm Printer selecteren klikt u op Vernieuwen of IP-adres invoeren.
Voer op het scherm IP-adres invoeren het bestaande IP-adres voor de printer in.
8. Selecteer in de lijst op het scherm Printer selecteren de draadloze printer die u wilt configureren en klik vervolgens
op Volgende.
9. Stel in het scherm Draadloze netwerkinstellingen invoeren de verschillende instellingen voor de draadloze
verbinding in een klik vervolgens op Volgende.
10. Selecteer op het scherm IP-modus selecteren de gewenste IP-modus en klik vervolgens op Volgende.
Als alleen IPv4 is geselecteerd:
Kies alle instellingen op het scherm Voer de IPv4 adresinstellingen in en klik vervolgens op Verzenden om de
draadloze instellingen naar de printer te sturen.
Als alleen IPv6 is geselecteerd:
Kies alle instellingen op het scherm Voer de IPv6 adresinstellingen in en klik vervolgens op Verzenden om de
draadloze instellingen naar de printer te sturen.
Als Dual-stack (zowel IPv4 als IPv6) is geselecteerd:
a. Selecteer in het scherm Voer de IPv4 adresinstellingen in de verschillende instellingen een klik vervolgens op
Volgende.
b. Selecteer op het scherm Voer de IPv6 adresinstellingen in de verschillende instellingen en stuur daarna de
draadloze instellingen naar de printer door op Verzenden te klikken.
11. Klik in het scherm Voltooi de draadloze instellingen op Volgende om de draadloze configuratie te voltooien en sluit
de Draadloze instellingenhulp.
Eenvoudige installatie navigator wordt opnieuw gestart.
12. Volg de aanwijzingen op het scherm op om de configuratie van de draadloze adapter te voltooien.
Operatorpaneel of Dell Printer Configuration Web Tool
1. Plaats de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in de computer. Het bestand Eenvoudige
installatie navigator wordt automatisch gestart.
2. Klik op de knop Draadloze configuratie in het venster Eenvoudige installatie navigator.
Het venster Draadloze configuratie wordt geopend.
3. Selecteer Geavanceerd en klik vervolgens op Volgende.
4. Selecteer Operatorpaneel of Dell Printer Configuration Web Tool en klik vervolgens op Volgende.
De instructievideo start.
5. Volg de aanwijzingen op het scherm op om de configuratie van de draadloze adapter te voltooien.
WPS-PIN
OPMERKING: WPS-PIN (Wi-Fi Protected setup-Personal Identification Number) is een methode voor de verificatie en
registratie van apparaten vereist voor draadloze configuratie, door het invoeren van PIN-toewijzingen voor een printer
en computer. Deze via een toegangspunt uitgevoerde instelling is alleen beschikbaar als de toegangspunten van uw
draadloze router ondersteuning bieden voor WPS.
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Zorg dat Netwerk gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
4. Druk op de knop
totdat Draadloos instellen is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Druk op de knop
totdat WPS is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
6. Druk op de knop
totdat Pincode is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
7. Schrijf de pincode van 8 cijfers op de eerste regel van het paneeldisplay op of druk op de knop
tot Pincode
afdrukken is gemarkeerd en druk vervolgens op de knop
(SET).
De pincode wordt afgedrukt.
8. Zorg dat Start configuratie gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
9. Wacht tot het bericht Een ogenblik geduld Draadloze instelling wordt weergegeven en voer dan de in stap 7
weergegeven pincode in op het toegangspunt voor draadloze LAN (Registrar).
OPMERKING: Raadpleeg de bij het draadloze LAN-toegangspunt geleverde handleiding voor WPS-bewerkingen op het
draadloze LAN-toegangspunt.
10. Als de WPS-bewerking is geslaagd en de printer opnieuw is gestart, is de draadloze LAN-verbinding voltooid.
WPS-PBC
OPMERKING: WPS-PBC (Wi-Fi Protected Setup-Push Button Configuration) is een methode voor de verificatie en
registratie van apparaten vereist voor draadloze configuratie, door te drukken op de knop op het toegangspunt via
draadloze routers en vervolgens de WPS-PBC-instelling uit te voeren op het operatorpaneel. Deze instelling is alleen
beschikbaar als het toegangspunt ondersteuning biedt voor WPS.
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Zorg dat Netwerk gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
4. Druk op de knop
totdat Draadloos instellen is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Druk op de knop
totdat WPS is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
6. Zorg dat Drukknopbediening gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
7. Druk op de knop
totdat PBC-start is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
8. Druk op de knop
totdat Start is gemarkeerd en druk dan op de knop (Instellen).
9. Wacht tot het bericht Een ogenblik geduld Draadloze instelling wordt weergegeven en start vervolgens de WPS-
PBC op het toegangspunt voor draadloze LAN (Registrar), binnen twee minuten na de bewerking in stap 8.
OPMERKING: Raadpleeg de bij het draadloze LAN-toegangspunt geleverde handleiding voor WPS-bewerkingen op het
draadloze LAN-toegangspunt.
10. Als de WPS-bewerking is geslaagd en de printer opnieuw is gestart, is de draadloze LAN-verbinding voltooid.
USB
1. Plaats de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in de computer. Het bestand Eenvoudige
installatie navigator wordt automatisch gestart.
2. Klik op de knop Draadloze configuratie in het venster Eenvoudige installatie navigator.
Het venster Draadloze configuratie wordt geopend.
3. Selecteer Geavanceerd en klik vervolgens op Volgende.
4. Selecteer USB en klik vervolgens op Volgende.
De instructievideo start.
5. Volg de aanwijzingen op het scherm op tot de knop Draadloze instellingenhulp wordt weergegeven.
6. Klik op Draadloze instellingenhulp om de draadloze configuratie te starten.
De Draadloze instellingenhulp start.
7. Er verschijnen opmerkingen over de connectiviteit. Klik op Volgende.
OPMERKING: Als de printer al is aangesloten wordt dit scherm niet weergegeven. Verder gaat dit scherm niet
over op het volgende scherm tot de printer is aangesloten.
8. Selecteer in de lijst op het scherm Printer selecteren de draadloze printer die u wilt configureren en klik vervolgens
op Volgende.
OPMERKING: Als slechts één printer is aangesloten via de USB wordt het scherm Printer selecteren niet
weergegeven.
9. Stel in het scherm Draadloze netwerkinstellingen invoeren de verschillende instellingen voor de draadloze
verbinding in een klik vervolgens op Volgende.
10. Selecteer op het scherm IP-modus selecteren de gewenste IP-modus en klik vervolgens op Volgende.
Als alleen IPv4 is geselecteerd:
Kies alle instellingen op het scherm Voer de IPv4 adresinstellingen in en klik vervolgens op Verzenden om de
draadloze instellingen naar de printer te sturen.
Als alleen IPv6 is geselecteerd:
Kies alle instellingen op het scherm Voer de IPv6 adresinstellingen in en klik vervolgens op Verzenden om de
draadloze instellingen naar de printer te sturen.
Als Dual-stack (zowel IPv4 als IPv6) is geselecteerd:
a. Selecteer in het scherm Voer de IPv4 adresinstellingen in de verschillende instellingen een klik vervolgens op
Volgende.
b. Selecteer op het scherm Voer de IPv6 adresinstellingen in de verschillende instellingen en stuur daarna de
draadloze instellingen naar de printer door op Verzenden te klikken.
11. Klik in het scherm Voltooi de draadloze instellingen op Volgende om de draadloze configuratie te voltooien en sluit
de Draadloze instellingenhulp.
Eenvoudige installatie navigator wordt opnieuw gestart.
12. Volg de aanwijzingen op het scherm op om de configuratie van de draadloze adapter te voltooien.
Een nieuwe draadloze netwerkomgeving voor uw computer opzetten
(als u de draadloze connectiviteit met de computer moet configureren)
Voor een DHCP-netwerk:
1. De computer configureren voor draadloze connectiviteit:
OPMERKING: Als uw computer is voorzien van een tool voor de draadloze adapter, wijzigt u de draadloze instellingen
met behulp van deze tool. Of u kunt de draadloze instellingen wijzigen met behulp van de tool die onderdeel uitmaakt
van het besturingssysteem. Zie de onderstaande instructies.
Voor Windows XP en Windows Server 2003:
a. Selecteer in het configuratiescherm Netwerkverbindingen.
b. Klik met de rechtermuisknop op Draadloze netwerkverbinding en selecteer Eigenschappen.
c. Selecteer het tabblad Draadloze netwerken.
d. Controleer of het keuzevakje Draadloos netwerk automatisch configureren is ingeschakeld.
OPMERKING: Schrijf vooral de geldende draadloze instellingen van de computer op in stap e en stap g, u kunt
ze dan later herstellen.
e. Klik op de knop Geavanceerd.
f. Selecteer Alleen computer-tot-computer netwerken en sluit het dialoogvenster Geavanceerd.
g. Klik op de knop Toevoegen om de Eigenschappen voor draadloos netwerk weer te geven.
h. Voer in het tabblad Koppeling de volgende informatie in en klik op OK.
Netwerknaam (SSID): dell_device
Netwerkverificatie: Open
Gegevenscodering: Uit
Ad-hocnetwerk: Aangevinkt
i. Klik op de knop Omhoog om de pas toegevoegde SSID boven in de lijst te zetten.
j. Klik op OK om het dialoogvenster Eigenschappen te sluiten.
OPMERKING: Als u een besturingssysteem hebt van vóór Windows 2000, selecteer de instellingen dan volgens
de handleiding van de tool voor draadloze instellingen die door de fabrikant van de draadloze apparatuur is
geleverd.
Voor Windows Vista:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer dell_device bij de items die worden genoemd in Verbinding met een netwerk maken.
f. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
g. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerkcentrum.
c. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
d. Selecteer dell_device bij de items die worden genoemd in Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
f. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer dell_device uit de netwerkitems die staan vermeld in de beschikbare netwerklijst en klik op
Verbinding maken.
2. Controleer het IP-adres dat door AutoIP aan de printer is toegewezen.
a. Druk op Menu op het bedieningspaneel van de printer.
b. Blader omlaag en selecteer Beheermenu.
c. Blader omlaag en selecteer Netwerk.
d. Blader omlaag en selecteer TCP/IP.
e. Blader omlaag en selecteer IPv4.
f. Blader omlaag en selecteer IP-adres.
(Standaard IP-adresbereik: 169.254.xxx.yyy)
IP-adres
169.254.000.041*
3. Controleer of het IP-adres op uw computer wordt toegewezen door DHCP.
4. Open de Dell Printer Configuration Web Tool met de web-browser.
5. Maak de draadloze instelling van de printer aan in de Dell Printer Configuration Web Tool.
6. Start de printer opnieuw.
7. Herstel de draadloze instellingen op uw computer.
OPMERKING: Als uw computer is voorzien van een tool voor de draadloze adapter, wijzigt u de draadloze instellingen
met behulp van deze tool. Of u kunt de draadloze instellingen wijzigen met behulp van de tool die onderdeel uitmaakt
van het besturingssysteem. Zie de onderstaande instructies.
Voor Windows XP en Windows Server 2003:
a. Selecteer in het configuratiescherm Netwerkverbindingen.
b. Klik met de rechtermuisknop op Draadloze netwerkverbinding en selecteer Eigenschappen.
c. Selecteer het tabblad Draadloos netwerk.
d. Controleer of het keuzevakje Draadloos netwerk automatisch configureren is ingeschakeld.
e. Klik op Geavanceerd.
f. Kies een van de volgende werkwijzen:
Als de draadloze ad-hocmodus is ingesteld op de printer:
Selecteer Alleen computer-tot-computer netwerken en sluit het dialoogvenster Geavanceerd.
Als de draadloze infrastructuurmodus is ingesteld op de printer:
Selecteer Alleen netwerken met toegangspunten (vaste netwerken) en sluit het dialoogvenster
Geavanceerd.
g. Klik op Toevoegen om Eigenschappen voor draadloos netwerk weer te geven.
h. Voer de instelling in die u naar de printer gaat sturen en klik op OK.
i. Klik op Omhoog om de instelling boven in de lijst te zetten.
j. Klik op OK om het dialoogvenster Eigenschappen te sluiten.
OPMERKING: Als u een besturingssysteem hebt van vóór Windows 2000, selecteer de instellingen dan volgens
de handleiding van de tool voor draadloze instellingen die door de fabrikant van de draadloze apparatuur is
geleverd.
Voor Windows Vista:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer de instelling die u naar de printer stuurt uit de netwerkitems in de lijst in Verbinding met een
netwerk maken.
f. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
g. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerkcentrum.
c. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
d. Selecteer de instelling die u naar de printer stuurt uit de netwerkitems in de lijst in Verbinding met een
netwerk maken.
e. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
f. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer de instelling die u naar de printer hebt gestuurd vanaf de netwerkitems die staan vermeld in de
beschikbare netwerklijst en klik op Verbinding maken.
f. Voer de Beveiligingssleutel in en klik indien nodig op OK.
Voor vaste-IP-netwerken:
1. De computer configureren voor draadloze connectiviteit:
OPMERKING: Als uw computer is voorzien van een tool voor de draadloze adapter, wijzigt u de draadloze instellingen
met behulp van deze tool. Of u kunt de draadloze instellingen wijzigen met behulp van de tool die onderdeel uitmaakt
van het besturingssysteem. Zie de onderstaande instructies.
Voor Windows XP en Windows Server 2003:
a. Selecteer in het configuratiescherm Netwerkverbindingen.
b. Klik met de rechtermuisknop op Draadloze netwerkverbinding en selecteer Eigenschappen.
c. Selecteer het tabblad Draadloze netwerken.
d. Controleer of het keuzevakje Draadloos netwerk automatisch configureren is ingeschakeld.
OPMERKING: Schrijf vooral de geldende draadloze instellingen van de computer op in stap d en stap f, u kunt ze
dan later herstellen.
e. Klik op de knop Geavanceerd.
f. Selecteer Alleen computer-tot-computer netwerken en sluit het dialoogvenster Geavanceerd.
g. Klik op de knop Toevoegen om de Eigenschappen voor draadloos netwerk weer te geven.
h. Voer in het tabblad Koppeling de volgende informatie in en klik op OK.
Netwerknaam (SSID): dell_device
Netwerkverificatie: Open
Gegevenscodering: Uit
Ad-hocnetwerk: Aangevinkt
i. Klik op de knop Omhoog om de pas toegevoegde SSID boven in de lijst te zetten.
j. Klik op OK om het dialoogvenster Eigenschappen te sluiten.
OPMERKING: Als u een besturingssysteem hebt van vóór Windows 2000, selecteer de instellingen dan volgens
de handleiding van de tool voor draadloze instellingen die door de fabrikant van de draadloze apparatuur is
geleverd.
Voor Windows Vista:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer dell_device bij de items die worden genoemd in Verbinding met een netwerk maken.
f. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
g. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerkcentrum.
c. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
d. Selecteer dell_device bij de items die worden genoemd in Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
f. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer dell_device uit de netwerkitems die staan vermeld in de beschikbare netwerklijst en klik op
Verbinding maken.
2. Ga het IP-adres na op de computer.
3. Stel het IP-adres in op de printer.
a. Druk op de knop Menu.
b. Blader naar het Beheermenu.
c. Selecteer Netwerk.
d. Selecteer TCP/IP.
e. Selecteer IP-adres ophalen.
f. Selecteer Paneel.
g. Blader terug naar IP-adres.
h. Voer zelf het IP-adres in met de pijltoetsen op het bedieningspaneel en druk op de knop Enter.
IP-adres
172.031.000.041*
4. Open de Dell Printer Configuration Web Tool met de web-browser.
5. Wijzig de draadloze instelling van de printer in de Dell Printer Configuration Web Tool.
6. Start de printer opnieuw.
7. Herstel de draadloze instellingen op uw computer.
OPMERKING: Als uw computer is voorzien van een tool voor de draadloze adapter, wijzigt u de draadloze instellingen
met behulp van deze tool. Of u kunt de draadloze instellingen wijzigen met behulp van de tool die onderdeel uitmaakt
van het besturingssysteem. Zie de onderstaande instructies.
Voor Windows XP en Windows Server 2003:
a. Selecteer in het configuratiescherm Netwerkverbindingen.
b. Klik met de rechtermuisknop op Draadloze netwerkverbinding en selecteer Eigenschappen.
c. Selecteer het tabblad Draadloos netwerk.
d. Controleer of het keuzevakje Draadloos netwerk automatisch configureren is ingeschakeld.
e. Klik op Geavanceerd.
f. Kies een van de volgende werkwijzen:
Als de draadloze ad-hocmodus is ingesteld op de printer:
Selecteer Alleen computer-tot-computer netwerken en sluit het dialoogvenster Geavanceerd.
Als de draadloze infrastructuurmodus is ingesteld op de printer:
Selecteer Alleen netwerken met toegangspunten (vaste netwerken) en sluit het dialoogvenster
Geavanceerd.
g. Klik op Toevoegen om Eigenschappen voor draadloos netwerk weer te geven.
h. Voer de instelling in die u naar de printer gaat sturen en klik op OK.
i. Klik op Omhoog om de instelling boven in de lijst te zetten.
j. Klik op OK om het dialoogvenster Eigenschappen te sluiten.
OPMERKING: Als u een besturingssysteem hebt van vóór Windows 2000, selecteer de instellingen dan volgens
de handleiding van de tool voor draadloze instellingen die door de fabrikant van de draadloze apparatuur is
geleverd.
Voor Windows Vista:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer de instelling die u naar de printer stuurt uit de netwerkitems in de lijst in Verbinding met een
netwerk maken.
f. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
g. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerkcentrum.
c. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
d. Selecteer de instelling die u naar de printer stuurt uit de netwerkitems in de lijst in Verbinding met een
netwerk maken.
e. Selecteer Toch verbinding maken in het waarschuwingsvenster waarin u erop wordt gewezen dat u zich op
onbeveiligd terrein begeeft.
f. Klik op Sluiten in het dialoogvenster nadat u hebt gecontroleerd of de verbinding is gelukt.
Voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7:
a. Open het Configuratiescherm.
b. Selecteer Netwerk en internet.
c. Selecteer Netwerkcentrum.
d. Selecteer Verbinding met een netwerk maken.
e. Selecteer de instelling die u naar de printer hebt gestuurd vanaf de netwerkitems die staan vermeld in de
beschikbare netwerklijst en klik op Verbinding maken.
f. Voer de Beveiligingssleutel in en klik indien nodig op OK.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Printer aansluiten op computer of netwerk
Printer aansluiten op computer of netwerk
Druk de pagina met de printerinstellingen af en controleer deze
Een IP-adres toewijzen
De IP-instellingen controleren
De resetknop gebruiken
De aansluitkabel van uw Dellâ„¢ 5130cdn Color Laser Printer moet voldoen aan de volgende eisen:
Aansluitingstype Aansluitingsspecificaties
Ethernet 10 Base-T/100 Base-TX/1000 Base-T
Draadloos IEEE 802.11b/802.11g/802.11n
USB USB 2.0
Parallel IEEE 1284
1 Ethernet-aansluiting
2 Aansluiting draadloze adapter
3 USB-poort
4 Parallelle poort
Printer aansluiten op computer of netwerk
Directe verbinding
Een lokale printer is een printer die direct op uw computer is aangesloten door middel van een USB-kabel of parallelle kabel.
Als uw printer is aangesloten op een netwerk, in plaats van direct op uw computer, sla dan dit gedeelte over en ga door naar
"Netwerkverbinding
".
USB-kabel
Microsoft
®
Windows
®
2000, Windows XP, Windows XP 64-bit Edition, Windows Server
®
2003, Windows Server 2003 x64
Edition, Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition, Windows Vista
®
,
Windows Vista 64-bit Edition, Windows 7, Windows 7 64-bit Edition en Mac OS
®
X of recentere besturingssystemen
ondersteunen USB-aansluitingen. Sommigen UNIX
®
- en Linux-computers ondersteunen ook USB-aansluitingen. Lees de
documentatie van uw computerbesturingssysteem om te zien of het systeem geschikt is voor USB.
De printer aansluiten op een computer:
1. Zorg dat de printer, de computer en alle andere aangesloten apparaten zijn uitgeschakeld en dat alle stekkers uit het
stopcontact zijn gehaald.
2. Sluit de kleinere USB-connector aan op de USB-poort achter op de printer.
3. Zorg dat het USB-symbool op de kabel overeenkomt met het USB-symbool op de printer.
4. Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op een USB-poort op de computer.
VOORZICHTIG: Sluit een USB-kabel voor printers niet aan op het USB-toetsenbord.
Parallele kabel
Voor een parallelle poort hebt u een parallelle kabel nodig.
De printer aansluiten op een computer:
1. Zorg dat de printer, de computer en alle andere aangesloten apparaten zijn uitgeschakeld en dat alle stekkers uit het
stopcontact zijn gehaald.
2. Sluit de parallelle connector aan op de parallelle poort achter op de printer.
3. Zorg dat het parallel-symbool op de kabel overeenkomt met het parallel- symbool op de printer.
4. Zet de borgclips van de parallelle kabel vast.
5. Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op een parallelle poort achter op de computer.
Netwerkverbinding
De printer aansluiten op een netwerk:
1. Zorg dat de printer, de computer en alle andere aangesloten apparaten zijn uitgeschakeld en dat alle kabels zijn
losgekoppeld.
2. Sluit de netwerkkabel of de draadloze adapter aan.
1 Ethernet-aansluiting
2 Aansluiting draadloze adapter
OPMERKING: Als u de draadloze adapter wilt gebruiken, moet de netwerkkabel absoluut zijn losgekoppeld.
U sluit de printer aan op het netwerk door één uiteinde van een Ethernet-kabel aan te sluiten op de Ethernet-aansluiting
achter op de printer en het andere uiteinde op een LAN-drop of -hub. Steek voor een draadloze verbinding de draadloze
adapter in de aansluiting voor de draadloze adapter achter op de printer.
Raadpleeg "Een draadloze adapter installeren
" voor een draadloze verbinding.
Druk de pagina met de printerinstellingen af en controleer deze
Druk de pagina met de printerinstellingen af.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
3. Printerinstelling wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
4. Als het IP-adres anders is dan 0.0.0.0 (de instelling af-fabriek) of 169.254.xx.xx, is er een IP-adres aan de printer
toegewezen en is dat opgeslagen. Ga naar "De IP-instellingen controleren
".
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Voer het IP-adres van uw printer in de web-browser in.
Als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool moet starten, raadpleegt u "Dell Printer Configuration Web
Tool".
De Dell Printer Configuration Tool wordt geopend.
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
4. Selecteer Rapporten.
5. Klik op de knop Start onder Printerinstellingen.
Het printerinstellingenrapport wordt afgedrukt.
Een IP-adres toewijzen
OPMERKING: Wanneer u zelf een IP-adres toewijst in IPv6-modus, gebruik dan de Dell Printer Configuration Web
Tool. Open de Dell Printer Configuration Web Tool met behulp van de Link lokaal adres. (Zie "Druk de pagina met
de printerinstellingen af en controleer deze" als u een Link lokaal adres wilt opzoeken.)
Een IP-adres is een unieke nummer dat bestaat uit vier delen, die onderling worden gescheiden door punten en die elk
kunnen bestaan uit maximaal drie cijfers, bijvoorbeeld 111.222.33.44.
Toewijzing van een IP-adres dat al in gebruik is kan leiden tot problemen met de netwerkfuncties.
OPMERKING: Het toewijzen van een IP-adres is een geavanceerde functie, die normaal wordt verricht door een
systeembeheerder.
OPMERKING: Het bereik van het toegewezen IP-adres kan verschillen, afhankelijk van de adresklasse. Zo wordt in
klasse A een IP-adres in het bereik 0.0.0.0 t/m 127.255.255.255 toegewezen. Neem contact op met uw
systeembeheerder voor de toewijzing van IP-adressen.
Bij gebruik van het operatorpaneel
Zie "Operatorpaneel" voor nadere aanwijzingen over het gebruik van uw operatorpaneel.
1. Zet de printer aan.
Afdrukgereed verschijnt.
2. Druk op de knop Menu.
3. Druk op de knop totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Zorg dat Netwerk gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
5. Druk op de knop
totdat TCP/IP verschijnt, en druk dan op de knop (SET).
6. Druk op de knop
totdat IPv4 is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
7. Zorg dat IP-adres ophalen gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
8. Druk op de knop
totdat Paneel is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
9. Druk op de knop
totdat IP-adres is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
10. Het eerste cijfer van het IP-adres wordt gemarkeerd. Druk op de knop
of om de cijfers van het IP-adres in te
voeren.
11. Druk op de knop
.
Het volgende cijfer wordt gemarkeerd.
12. Herhaal stap 8 en stap 9 totdat u alle cijfers van het IP-adres hebt ingevoerd, en druk dan op de knop (SET).
13. Druk op de knop
totdat Subnetmasker is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
14. Herhaal stap 8
t/m stap 9 voor instellen van het subnetmasker en druk dan op de knop (SET).
15. Druk op de knop
totdat Gateway-adres is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
16. Herhaal stap 8
t/m stap 9 voor instellen van het gateway-adres en druk dan op de knop (SET).
17. Zet de printer uit en daarna weer aan.
Bij gebruik van de Dell Printer Configuration Web Tool (voor IPv4-
modus)
1. Voer het IP-adres van uw printer in de web-browser in.
Als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool moet starten, raadpleegt u "Dell Printer Configuration
Web Tool".
De Dell Printer Configuration Web Tool wordt geopend.
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Afdrukserverrapporten.
De pagina TCP/IP-instellingen wordt geopend.
4. Selecteer een modus uit IP-modus.
5. Select IP-adresmodus.
6. Voer de adressen in IP-adres, Handmatig Subnetmasker en Handmatig Gateway-adres in.
Bij gebruik van de Dell Printer Configuration Web Tool (voor IPv6-
modus)
1. Voer het IP-adres van uw printer in de web-browser in.
Als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool moet starten, raadpleegt u "Dell Printer Configuration
Web Tool".
De Dell Printer Configuration Web Tool wordt geopend.
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Afdrukserverrapporten.
De pagina TCP/IP-instellingen wordt geopend.
4. Voer het IP-adres in.
Bij inschakeling van adressen zonder status:
Schakel het keuzevakje voor Stateless adres mog. in om de IP-adressen automatisch te laten
configureren.
Als u de adressen zelf invoert:
Schakel het keuzevakje voor Handmatig adres gebruiken in en voer vervolgens de adressen in respectievelijk
Handmatig adres en Handmatig Gateway-adres in.
U kunt ook het IP-adres aan de printer toewijzen wanneer u de printerstuurprogramma's installeert met het
installatieprogramma. Wanneer u de functie Netwerkinstallatie gebruikt en IP-adres ophalen staat ingesteld op AutoIP in
het operatorpaneelmenu, kunt u het IP-adres in het printerselectievenster wijzigen van 0.0.0.0 in het gewenste IP-adres.
De IP-instellingen controleren
1. Druk nogmaals de pagina printerinstellingen af.
2. Kijk onder de kopregel TCP/IP op de pagina printerinstellingen om te controleren of het IP-adres, het subnetmasker
en de gateway- instelling naar verwachting zijn.
of
Ping de printer en controleer of deze reageert. Doe dit bijvoorbeeld op een netwerkcomputer door op de
commandoregel het woord ping te tikken, gevolgd door het nieuw gekozen IP-adres van de printer (bijvoorbeeld
192.168.0.11):
ping 192.168.0.11
Als de printer actief is op het netwerk, krijgt u een respons.
De resetknop gebruiken
Uw printer is uitgerust met een detector voor lekstromen die door automatisch circuits binnen de printer af te sluiten voorkomt
dat iemand een schok krijgt dat er brand ontstaat als gevolg van dergelijke lekstromen.
Wanneer een lekstroom wordt gedetecteerd, slaat de RESET knop af. Druk in dat geval op de RESET knop om de printer
weer aan te zetten. Als de RESET knop weer omslaat nadat u op de RESET knop hebt gedrukt, neemt u contact op met Dell.
Controleer minstens één keer per maand of de detector voor lekstroom werkt door als volgt te werk te gaan:
1. Zet de printer aan en druk vervolgens op de TEST knop.
Als de RESET knop omslaat en de printer wordt uitgeschakeld, werkt de detector goed. U kunt met de RESET
knop de printer weer inschakelen.
Als de RESET knop niet omslaat, neemt u contact op met Dell. Gebruik de printer niet als de detector voor
lekstromen niet werkt.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Aanvankelijke instellingen uitvoeren
De printer aanzetten
Aanvankelijke instellingen instellen op het operatorpaneel
De printer aanzetten
De aansluiting voor het netsnoer bevindt zich linksonder op de achterkant van de printer.
1. Sluit het netsnoer aan op de printer. Zet het netsnoer vervolgens vast op de printer met de plastic sluiter.
OPGELET: Gebruik geen verlengsnoeren of losse contactdozen.
OPGELET: De printer mag niet worden aangesloten op een UPS-systeem.
2. Sluit het andere uiteinde van het snoer aan op het stopcontact.
3. Zet de printer aan.
4. Volg de instructies op het scherm van het operatorpaneel op om de aanvankelijke instellingen van de printer te
configureren.
Aanvankelijke instellingen instellen op het operatorpaneel
Wanneer u de printer voor het eerst aanzet, moet u de printertaal, klokdatum en tijd instellen.
Als u de printer aanzet wordt op het operatorpaneel het wizardscherm voor het uitvoeren van de aanvankelijke configuratie
weergegeven. Volg de onderstaande stappen voor de aanvankelijke instellingen.
OPMERKING: Als u niet begint met het configureren van de aanvankelijke instellingen, verschijnt na drie minuten
Afdrukgereed op het operatorpaneel. Vervolgens kunt u de volgende aanvankelijke configuratie instellen door
de Opstartwizard te activeren op het operatorpaneel of eventueel via de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool.
Zie "Begrip van de printermenu's
" voor nadere inlichtingen over het operatorpaneel.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
" voor nadere inlichtingen over de Dell Printer Configuration Web Tool.
1. Controleer of Paneeltaal gemarkeerd is en druk vervolgens op de knop
(SET). Bepaal de taal van de tekst op het
operatorpaneel en druk vervolgens op de knop
(SET).
English
Français
Italiano
Deutsch
Español
Dansk
Nederlands
Norsk
Svenska
2. Tijdzone instellen verschijnt. Geef de tijdzone op en druk vervolgens op de knop
(SET).
Selecteer een tijdzone uit de vervolgkeuzelijst:
UTC -
12:00
-
UTC -
11:00
VERENIGDE STATEN
UTC -
10:00
VERENIGDE STATEN
UTC -
09:00
VERENIGDE STATEN
UTC -
08:00
CANADA, VERENIGDE STATEN, MEXICO
UTC -
07:00
CANADA, VERENIGDE STATEN, MEXICO
UTC -
06:00
CANADA, VERENIGDE STATEN, MEXICO
UTC -
05:00
BRAZILIË, CANADA, VERENIGDE STATEN, COLOMBIA
UTC -
04:00
BRAZILIË, CANADA, PUERTO RICO, TRINIDAD EN TOBAGO
UTC -
03:30
BRAZILIË, CANADA
UTC -
03:00
BRAZILIË
UTC -
02:00
BRAZILIË
UTC -
01:00
ALGERIJE, OOSTENRIJK, BELGIË, DENEMARKEN
UTC
00:00
IJSLAND, IERLAND, MAROKKO, PORTUGAL, VERENIGD KONINKRIJK, IVOORKUST
UTC
+01:00
DENEMARKEN, TSJECHISCHE REPUBLIEK, FRANKRIJK, DUITSLAND, HONGARIJE,
ITALIË, LIECHTENSTEIN, LUXEMBURG, MALTA, NEDERLAND, NOORWEGEN, POLEN,
SLOWAKIJE, SLOVENIË, SPANJE, ZWEDEN, ZWITSERLAND, TUNESIË,
UTC
+02:00
BULGARIJE, CYPRUS, EGYPTE, ESTLAND, FINLAND, GRIEKENLAND, ISRAËL,
JORDANIË, LETLAND, LIBANON, LITOUWEN, ROEMENIË, ZUID-AFRIKA, TURKIJE,
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+03:00
KOEWEIT, KATAR, SAUDI-ARABIË, TURKIJE, BAHREIN, IRAK, RUSSICHE FEDERATIE
UTC
+03:30
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+04:00
RUSSISCHE FEDERATIE, OMAN, VERENIGDE ARABISCHE EMIRATEN
UTC
+04:30
RUSSISCHE FEDERATIE, AFGHANISTAN
UTC
+05:00
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+05:30
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+05:45
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+06:00
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+06:30
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+07:00
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+08:00
RUSSISCHE FEDERATIE, FILIPIJNEN, SINGAPORE, AUSTRALIË
UTC
+09:00
RUSSISCHE FEDERATIE, JAPAN, ZUID-KOREA
UTC
+09:30
RUSSISCHE FEDERATIE, AUSTRALIË
UTC
+10:00
RUSSISCHE FEDERATIE, AUSTRALIË
UTC
+11:00
RUSSISCHE FEDERATIE
UTC
+12:00
RUSSISCHE FEDERATIE, NIEUW-ZEELAND
UTC
+13:00
-
3. Datumnotatie verschijnt. Geef de datumnotatie op en druk vervolgens op de knop
(SET).
4. Tijdnotatie verschijnt. Geef de tijdnotatie op en druk vervolgens op de knop
(SET).
5. Datum instellen verschijnt. Geef de huidige datum op en druk vervolgens op de knop
(SET).
6. Tijd instellen verschijnt. Geef de huidige tijd op en druk vervolgens op de knop
(SET).
7. Menu verlaten verschijnt. Selecteer Start om het menu voor aanvankelijke instellingen af te sluiten.
De printer wordt automatisch opnieuw gestart nadat de regionale klok is bijgesteld.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Printerstuurprogramma's installeren op Windows-computers
Status vóór installatie Printerdriver bepalen
De cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's plaatsen
Configuratie directe verbinding
Configuratie netwerkverbinding
Configureren voor gedeeld afdrukken
Beveiliging configureren
Instructies voor oplossen van problemen
Status vóór installatie Printerdriver bepalen
Druk voordat u het printerstuurprogramma op uw computer installeert de printerinstellingenpagina af, zodat u het IP-adres van uw printer kunt nagaan.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
3. Printerinstellingen wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
4. Kijk onder de kopregel TCP/IP op de printerinstellingenpagina.
Als het IP-adres 0.0.0.0 is, wacht u een paar minuten totdat het juiste IP-adres automatisch wordt gevonden en druk de printerinstellingenpagina vervolgens
opnieuw af.
Raadpleeg "Een IP-adres toewijzen
" als het IP-adres niet automatisch wordt gevonden.
Firewall Microsoft
®
Windows
®
XP, Windows Server
®
2008, Windows Server R2, Windows Vista
®
of Windows 7 uitschakelen vóór installatie van de printersoftware
OPMERKING: Deze stap is vereist als u Windows XP Service Pack 2 of 3 hebt geïnstalleerd.
Als uw printer rechtstreeks is aangesloten op een netwerk en de Windows 7-, Windows Vista-, Windows Server 2008 R2, Windows Server 2008- of Windows XP firewall- is
ingeschakeld, zult u de printer(s) op het netwerk niet kunnen zien wanneer u de Dellâ„¢ printerinstallatiesoftware start. Als u dit wilt voorkomen, schakelt u de Windows 7-,
Windows Vista-, Windows Server 2008 R2, Windows Server 2008- of Windows XP-firewall uit voordat u de Dell-printersoftware gaat installeren. Ga als volgt te werk als u
Windows 7-, Windows Vista-, Windows Server 2008 R2, Windows Server 2008- of Windows XP-firewall wilt uitschakelen en weer inschakelen.
VOORZICHTIG: U wordt geadviseerd uw Windows 7-, Windows Vista-, Windows Server 2008 R2, Windows Server 2008- of Windows XP-firewall weer in te schakelen
na het installeren van de printersoftware. Het inschakelen van de Windows 7-, Windows Vista-, Windows Server 2008 R2, Windows Server 2008- of Windows XP-
firewall nadat de printer-software is geïnstalleerd, veroorzaakt geen beperkingen in het gebruik van uw printer.
1. Klik op de knop Start en klik op Help en ondersteuning.
OPMERKING: Voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7, schakelt u Online Help, naar Offline Help op het venster Windows Help en ondersteuning.
2. In het vak Zoeken typt u firewall en vervolgens drukt u op Enter.
Klik in de lijst op Windows Firewall in- of uitschakelen en volg de instructies op het scherm.
De cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's plaatsen
1. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in uw computer om de Eenvoudige installatie navigator te starten.
OPMERKING: Als de CD niet automatisch wordt gestart klikt u op Start® Alle Programma's (voor Windows Vista en Windows 7)® Accessoires (voor
Windows Vista en Windows 7)® Uitvoeren en daarna typt u D:\setup_assist.exe (waarbij D de letter is van uw CD-station) en daarna klikt u op OK.
Configuratie directe verbinding
Voor installatie PS- en PCL-printerstuurprogramma
1. Start de installatiesoftware door op Software-installatie te klikken.
2. Selecteer Persoonlijke installatie en klik dan op Volgende.
3. Volg de aanwijzingen op het scherm op om de computer en de printer met elkaar te verbinden via een USB-kabel en zet vervolgens de printer aan.
De Plug and Play-installatie start en de installatiesoftware gaat automatisch door naar de volgende pagina.
OPMERKING: Als de installatiesoftware niet automatisch doorgaat naar de volgende pagina klikt u op Installeren.
4. Selecteer naar keuze Typische installatie of Aangepaste installatie en klik dan op Installeren. Als u kiest voor Aangepaste installatie, kunt u zelf precies de
software kiezen die u wilt installeren.
5. Klik op Voltooien en sluit het wizard-hulpprogramma af wanneer het scherm Gefeliciteerd! verschijnt.
Klik zo nodig op Testpagina afdrukken om een testpagina af te drukken.
USB-afdrukken
Een personal printer is een printer die met een USB-kabel rechtstreeks is aangesloten op uw computer of op een afdrukserver. Zie "Configuratie netwerkverbinding" als uw
printer is aangesloten op een netwerk en niet op uw computer.
Voor installatie XPS-printerstuurprogramma
OPMERKING: Het XPS-stuurprogramma wordt ondersteund op de volgende besturingssystemen: Windows 7, Windows 7 x64, Windows Vista, Windows Vista x64,
Windows Server 2008 R2 x64, Windows Server 2008 en Windows Server 2008 x64.
1. Decomprimeer de volgende map op het bureaublad, enz.
D:\Drivers\XPS\Win_VistaXP2K\XPS_5130.zip (waarbij D de letter is van het station waarin u de cd hebt geplaatst)
2. Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden (alleen voor Windows Vista)® Printers.
3. Klik op Een printer toevoegen om de wizard Printer toevoegen te starten.
4. Klik op Een lokale printer toevoegen.
5. Selecteer de poort die is aangesloten op dit product en klik op Volgende.
6. Geef het printermodel op. Klik op Bladeren om het dialoogvenster Installeren vanaf schijf te openen.
7. Selecteer de map die in stap 1 is gedecomprimeerd.
8. Er wordt een dialoogvenster geopend waarin u de printernaam kunt opgeven. Als u de printernaam wilt wijzigen, typt u de printernaam in het vak Printernaam. Als
u deze printer wilt gebruiken als de standaardprinter, schakelt u het selectievakje onder Printernaam in.
9. Het installeren begint. Als halverwege de installatie het dialoogvenster Gebruikersaccount Doorgaan verschijnt, waarin u wordt gevraagd of u de installatie wilt
voortzetten, klikt u op Doorgaan.
OPMERKING: Afhankelijk van de rechten van de gebruiker waarmee u zich hebt aangemeld kunnen mogelijk een beheerdersnaam en -wachtwoord vereist zijn.
Voer in dat geval een beheerdersnaam en -wachtwoord in.
10. De installatie van het stuurprogramma is voltooid. Klik zo nodig op Testpagina afdrukken om een testpagina af te drukken.
Configuratie netwerkverbinding
OPMERKING: Als u deze printer in een UNIX- of Linux-omgeving wilt gebruiken, moet u een UX-filter of een Linux-stuurprogramma installeren. Zie "Afdrukken met
UX-filter (UNIX)" en "Afdrukken met CUPS (Linux)" voor nadere inlichtingen over het gebruik daarvan.
OPMERKING: Wanneer u een cd-station gebruikt in een Linux-omgeving, moet u de cd koppelen in overeenstemming met de systeemomgeving. De opdracht-strings
zijn mount/media/cdrom.
Configuratie netwerkprinter op een lokaal netwerk
Voor installatie PS- en PCL-printerstuurprogramma
1. Start de installatiesoftware door op Software-installatie te klikken.
2. Selecteer Netwerkinstallatie en klik op Volgende.
3. Selecteer Lokale installatie en klik op Volgende.
4. Selecteer de printer die u wilt installeren uit de printerlijst en klik op Volgende. Als de printer van uw keuze niet in de lijst staat vermeld, vernieuwt u de lijst door op
Vernieuwen te klikken of u klikt u op Printer toevoegen zodat u zelf een printer aan de lijst kunt toevoegen. Op dit punt kunt u het IP-adres en de poortnaam
invoeren.
Als u deze printer hebt geïnstalleerd op de servercomputer, markeert u het keuzevakje Ik ben deze printer aan het installeren op de server.
OPMERKING: Bij gebruik van AutoIP verschijnt 0.0.0.0 in het installatieprogramma. U kunt pas verder als u een geldig IP-adres hebt ingevoerd.
OPMERKING: In sommige gevallen wordt Windowsbeveiligingswaarschuwing in deze stap weergegeven wanneer u Windows Vista, Windows Vista 64-bit
Edition, Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition, Windows 7 of Windows 7 64-bit Edition gebruikt.
Selecteer in dat geval Blokkering opheffen (Toegang toestaan voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7) en vervolg daarna de procedure.
5. Kies de printerinstellingen en klik op Volgende.
a. Voer de printernaam in.
b. Als u wilt dat andere gebruikers van dit netwerk deze printer kunnen gebruiken, selecteert u Deel deze printer met andere computers op het netwerk en
voert u een voor iedereen eenvoudig te herkennen naam voor de printer in.
c. Als u een printer als standaardprinter wilt instellen, selecteert u het keuzevakje Stel deze printer in als de standaardprinter.
d. Als u het afdrukken in kleur wilt beperken, selecteert u de geschikte Dell ColorTrack-optie. Voer het wachtwoord in wanneer u Kleur - wachtwoord
ingesteld hebt geselecteerd voor Dell ColorTrack.
e. Als u het PostScript-stuurprogramma wilt installeren, vinkt u het keuzevakje PostScript-driver aan.
6. Selecteer de software en de documentatie die u wilt installeren en klik op Volgende. U kunt de mappen kiezen waarin u de Dell-software en -documentatie wilt
installeren. Klik op Bladeren als u de mappen wilt wijzigen.
7. Klik op Voltooien en sluit het wizard-hulpprogramma af wanneer het scherm Gefeliciteerd! verschijnt. Klik zo nodig op Testpagina afdrukken om een testpagina
af te drukken.
Voor installatie XPS-printerstuurprogramma
OPMERKING: Het XPS-stuurprogramma wordt ondersteund op de volgende besturingssystemen: Windows 7, Windows 7 x64, Windows Vista, Windows Vista x64,
Windows Server 2008 R2 x64, Windows Server 2008 en Windows Server 2008 x64.
1. Decomprimeer de volgende map op het bureaublad, enz.
D:\Drivers\XPS\Win_VistaXP2K\XPS_5130.zip (waarbij D de letter is van het station waarin u de cd hebt geplaatst)
2. Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden (alleen voor Windows Vista)® Printers.
3. Klik op Een printer toevoegen om de wizard Printer toevoegen te starten.
4. Klik op Netwerkprinter, draadloze printer of Bluetooth-printer toevoegen.
5. Geef de printernaam op. Selecteer de printer of klik op De gewenste printer komt niet voor in de lijst en voer de naam in van de printer die u wilt aansluiten.
6. Selecteer Een printer toevoegen met gebruik van een TCP/IP-adres of hostnaam en selecteer vervolgens Standaard TCP/IP-poort onder Een nieuwe
poort maken. Klik op Volgende.
7. Typ het IP-adres van de printer in Hostnaam of IP-adres en klik op Volgende.
8. Geef het printermodel op. Klik op Bladeren om het dialoogvenster Installeren vanaf schijf te openen.
9. Selecteer de map die in stap 1 is gedecomprimeerd.
10. Er wordt een dialoogvenster geopend waarin u de printernaam kunt opgeven. Als u de printernaam wilt wijzigen, typt u de printernaam in het vak Printernaam. Als
u deze printer wilt gebruiken als de standaardprinter, schakelt u het selectievakje onder Printernaam in.
11. Het installeren begint. Als halverwege de installatie het dialoogvenster Gebruikersaccount Doorgaan verschijnt, waarin u wordt gevraagd of u de installatie wilt
voortzetten, klikt u op Doorgaan.
OPMERKING: Afhankelijk van de rechten van de gebruiker waarmee u zich hebt aangemeld kunnen mogelijk een beheerdersnaam en -wachtwoord vereist zijn.
Voer in dat geval een beheerdersnaam en -wachtwoord in.
12. De installatie van het stuurprogramma is voltooid. Klik zo nodig op Testpagina afdrukken om een testpagina af te drukken.
U kunt met behulp van de functie Dell Printer Configuration Web Tool de toestand van uw netwerkprinter controleren, zonder dat u uw bureau hoeft te verlaten. U kunt
de instellingen voor de printerconfiguratie bekijken en/of wijzigen, de hoeveelheid toner controleren en wanneer het tijd is voor het bijbestellen van de verbruiksartikelen,
hoeft u maar op de Dell benodigdheden-koppeling in uw web-browser te klikken.
OPMERKING: De functie Dell Printer Configuration Web Tool is niet beschikbaar als de printer direct is aangesloten op een lokale computer of afdrukserver.
U kunt de functie Dell Printer Configuration Web Tool starten door het IP-adres van de printer in te toetsen in uw web-browser. De printerconfiguratie verschijnt dan op
uw scherm.
U kunt de functie Dell Printer Configuration Web Tool zo instellen dat u een e-mailbericht ontvangt als voor de printer materiaal of een ingreep nodig is.
Instellen van e-mailwaarschuwingen:
1. Start de functie Dell Printer Configuration Web Tool.
2. Klik op de koppeling E-mailwaarschuwing.
3. Onder E-maillijsten en -waarschuwingen instellen voert u de Primaire SMTP-gateway en het Antwoordadres in en voert u tevens uw e-mailadres of dat van
de hoofdbeheerder in de e-mailkeuzelijst in.
4. Klik op Nieuwe instellingen toepassen.
OPMERKING: De SMTP-server laat Verbinding is actief zien tot zich een fout voordoet.
Configuratie netwerkprinter op een extern netwerk
Vóór de installatie
Ga, voordat u begint met de externe installatie, als volgt te werk.
Toestaan dat de printerspooler clientverbindingen accepteert
OPMERKING: Deze stap is verplicht voor Windows Vista, Windows Vista 64-bit Edition, Windows XP, Windows XP 64-bit Edition, Windows Server
2003, Windows
Server 2003 x64 Edition, Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition, Windows 7 en Windows 7 64-bit
Edition.
Voor Windows XP, Windows Vista, Windows Server 2003 en Windows Server 2008:
1. Klik op Start® Alle programma's (alleen voor Windows Vista)® Bureau- accessoires (alleen voor Windows Vista)® Uitvoeren.
2. Typ gpedit.msc en klik vervolgens op OK.
3. Klik op Computerconfiguratie® Beheersjablonen® Printers.
4. Klik met de rechtermuisknop op Toestaan dat de printerspooler clientverbindingen accepteert en selecteer Eigenschappen.
5. Selecteer in het tabblad Instelling Ingeschakeld en klik vervolgens op OK.
6. Start de computer opnieuw op.
Voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7:
1. Klik op Starten® Alle programma's (alleen voor Windows 7)® Bureau- accessoires (alleen voor Windows 7)® Uitvoeren.
2. Typ gpedit.msc en klik vervolgens op OK.
3. Klik op Computerconfiguratie® beheersjablonen® Printers.
4. Klik met de rechtermuisknop op Toestaan dat de printerspooler clientverbindingen accepteert en selecteer Bewerken.
5. Selecteer Ingeschakeld, en klik dan op OK.
6. Start de computer opnieuw op.
Het Firewall-bestand en de printer delen
OPMERKING: Deze stap is verplicht in Windows Vista, Windows Vista 64-bit Edition, Windows XP, Windows XP 64-bit Edition, Windows XP, Windows Server 2008,
Windows Server 2008 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition, Windows 7 en Windows 7 64-bit Edition.
Voor Windows Vista:
1. Klik op Start® Configuratiescherm.
2. Selecteer Beveiliging.
3. Klik op Windows Firewall.
4. Klik op Instellingen wijzigen.
5. Klik op Doorgaan.
6. Selecteer op het tabblad Uitzonderingen het keuzevakje Bestands- en printerdeling en klik op OK.
Voor Windows Server 2008:
1. Klik op Start® Configuratiescherm.
2. Dubbelklik op Windows Firewall.
3. Klik op Instellingen wijzigen.
4. Selecteer op het tabblad Uitzonderingen het keuzevakje Bestands- en printerdeling en klik op OK.
Voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7:
1. Klik op Starten® Configuratiescherm.
2. Selecteer Systeem en beveiliging.
3. Klik op Windows Firewall.
4. Klik op Een programma of onderdeel toegang geven via Windows Firewall.
5. Als de keuzevakjes onder Toegestane programma's en onderdelen: grijs zijn, klikt u op Instellingen wijzigen.
6. Controleer het keuzevakje Bestands- en printerindeling. Thuis/werk (Particulier) of Openbaar keuzevakje wordt automatisch geselecteerd volgens uw
instellingen.
Als het dialoogvenster Bestands- en printerdeling-eigenschappen verschijnt, klikt u op OK.
7. Klik op OK.
Voor Windows XP:
1. Klik op Start® Configuratiescherm.
2. Selecteer Beveiligingscentrum.
3. Klik op Windows Firewall.
4. Selecteer op het tabblad Uitzonderingen het keuzevakje Bestands- en printerdeling en klik op OK.
Remote Registry starten
OPMERKING: Deze stap is verplicht in Windows Vista, Windows Vista 64-bits Edition, Windows 7 en Windows 7 64-bit Edition.
1. Klik op Start® Configuratiescherm.
2. Selecteer Systeem en onderhoud (Systeem en beveiliging voor Windows 7).
3. Klik op Systeembeheer.
4. Dubbelklik op Services.
5. Klik op Doorgaan (uitsluitend voor Windows Vista).
6. Klik met de rechtermuisknop op Remote Registry en selecteer Starten.
7. Klik met de rechtermuisknop op Remote Registry en selecteer Eigenschappen.
8. Wijzig Opstarttype: in Automatisch en klik dan op OK.
Gebruikersaccountbeheer uitschakelen
VOORZICHTIG: Als gebruikersaccountbeheer wordt uitgeschakeld, kan het systeem kwetsbaar worden voor virusaanvallen.
OPMERKING: Deze stap is verplicht in Windows Vista, Windows Vista 64-bit Edition, Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition, Windows Server
2008 R2 64-bit Edition, Windows 7 en Windows 7 64-bit Edition.
Voor Windows Vista:
1. Klik op Start® Configuratiescherm.
2. Selecteer Gebruikersaccounts en Ouderlijk toezicht.
3. Klik op Gebruikersaccounts.
4. Klik op Gebruikersaccountbeheer in- of uitschakelen.
5. Klik op Doorgaan.
6. Verwijder de selectie van het keuzevakje Gebruik Gebruikersaccountbeheer (UAC) om uw computer beter te beveiligen.
7. Start de computer opnieuw op.
Voor Windows Server 2008:
1. Klik op Start® Configuratiescherm.
2. Dubbelklik op Gebruikersaccounts.
3. Klik op Gebruikersaccountbeheer in- of uitschakelen.
4. Verwijder de selectie van het keuzevakje Gebruik Gebruikersaccountbeheer (UAC) om uw computer beter te beveiligen.
5. Klik op OK.
6. Start de computer opnieuw op.
Voor Windows Server 2008 R2:
1. Klik op Starten® Configuratiescherm.
2. Selecteer Gebruikersaccounts.
3. Klik op Gebruikersaccounts.
4. Klik op Instellingen voor Gebruikersaccountbeheer wijzigen.
5. Beweeg de schuifbalk onderaan en klik dan op OK.
6. Start de computer opnieuw op.
Voor Windows 7:
1. Klik op Starten® Configuratiescherm.
2. Selecteer Gebruikersaccounts en Ouderlijk toezicht.
3. Klik op Gebruikersaccounts.
4. Klik op Instellingen voor Gebruikersaccountbeheer wijzigen.
5. Beweeg de schuifbalk onderaan en klik dan op OK.
6. Klik op Ja in het dialoogvenster Gebruikersaccountbeheer.
7. Start de computer opnieuw op.
Netwerk ontdekken en bestand delen voor alle openbare netwerken inschakelen
U kunt voor deze procedure "Gebruikersaccountbeheer uitschakelen" overslaan.
OPMERKING: Deze stap is verplicht wanneer u Windows Vista, Windows Vista 64-bit Edition, Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition, Windows
Server 2008 R2 64-bit Edition, Windows 7 en Windows 7 64-bit Edition voor de server-computer gebruikt.
1. Klik op Starten®Netwerk (Starten®uw gebruikersnaam®Netwerk voor Windows 7).
2. Klik op Netwerkdetectie en delen van bestanden zijn uitgeschakeld. Netwerkcomputers en apparaten zijn niet detecteerbaar. Klik om dit te wijzigen.
3. Klik op Netwerkdetectie en bestanden delen inschakelen.
4. Klik op Ja, netwerk ontdekken en bestand delen inschakelen voor alle openbare netwerken.
Eenvoudige delen van bestanden uitschakelen
OPMERKING: Deze stap is vereist voor Windows XP 64-bits editie en Windows XP.
1. Klik op Start® Configuratiescherm.
2. Selecteer Vormgeving en Thema's.
3. Selecteer Mapopties.
4. Schakel op het tabblad Beeld het keuzevakje Eenvoudig delen van
bestanden
gebruiken (aanbevolen) in en klik op OK.
5. Klik op Start® Configuratiescherm.
6. Selecteer Prestaties en onderhoud.
7. Selecteer Systeembeheer.
8. Klik op Lokaal beveiligingsbeleid.
9. Klik op Lokaal beleid® Beveiligingsopties.
10. Klik met de rechtermuisknop op Netwerktoegang: model voor delen en
beveiliging
voor lokale accounts en selecteer Eigenschappen.
11. Controleer of Klassiek - lokale gebruikers als zichzelf verifiëren is
geselecteerd.
Printerdriver installeren
OPMERKING: Installatie op Windows XP Home Edition, Windows Vista Home Basic, Windows Vista Home Premium, Windows Vista x64 Home Basic, Windows Vista
x64 Home Premium, Windows 7 Starter, Windows 7 Home Basic, Windows 7 Home Premium, Windows 7 x64 Home Basic en Windows 7 x64 Home Premium wordt
niet ondersteund.
1. Start de installatiesoftware door op Software-installatie te drukken.
2. Selecteer Netwerkinstallatie en klik op Volgende.
3. Selecteer Externe installatie en klik dan op Volgende.
a. Voer de computernaam, de gebruikers-ID en het wachtwoord in. Klik daarna op Toevoegen.
b. Klik op Volgende.
OPMERKING: In sommige gevallen wordt Windowsbeveiligingswaarschuwing in deze stap weergegeven wanneer u Windows Vista, Windows Vista 64-bit
Edition, Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition, Windows 7 of Windows 7 64-bit Edition gebruikt.
Selecteer in dat geval Blokkering opheffen (Toegang toestaan voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7) en vervolg daarna de procedure.
4. Selecteer de printer die u wilt installeren uit de printerlijst en klik op Volgende. Als de printer van uw keuze niet in de lijst staat vermeld, vernieuwt u de lijst door op
Vernieuwen te klikken of u klikt u op Printer toevoegen zodat u zelf een printer aan de lijst kunt toevoegen. Op dit punt kunt u het IP-adres en de poortnaam
invoeren.
OPMERKING: Bij gebruik van AutoIP verschijnt 0.0.0.0 in het installatieprogramma. U kunt pas verder als u een geldig IP-adres hebt ingevoerd.
5. Kies de printerinstellingen en klik op Volgende.
a. Voer de printernaam in.
b. Als u wilt dat andere gebruikers van dit netwerk deze printer kunnen
gebruiken,
selecteert u Deel deze printer met andere computers op het netwerk en
voert u een voor iedereen eenvoudig te
herkennen
naam voor de printer in.
c. Als u een printer als standaardprinter wilt instellen, selecteert u
het keuzevakje Stel
deze printer in als de standaardprinter.
d. Als u het afdrukken in kleur wilt beperken, selecteert u de geschikte Dell
ColorTrack-
optie. Voer het wachtwoord in wanneer u Kleur - wachtwoord
ingesteld hebt geselecteerd voor Dell ColorTrack.
6. Selecteer de software en de documentatie die u wilt installeren en
klik op Volgende.
U kunt de mappen kiezen waarin u de Dell- software
en -
documentatie wilt
installeren. Om de mappen te wijzigen klikt
u
op Invoeren.
7. Klik op Voltooien en sluit het wizard-hulpprogramma af wanneer het scherm Gefeliciteerd! verschijnt.
U kunt met behulp van de functie Dell Printer Configuration Web Tool de toestand van uw netwerkprinter controleren, zonder dat u uw bureau hoeft
te
verlaten. U kunt
de instellingen voor de printerconfiguratie bekijken en/of wijzigen, de hoeveelheid toner controleren en wanneer het tijd is voor
het
bijbestellen van de verbruiksartikelen,
hoeft u maar op de Dell benodigdheden-koppeling in uw web-browser te klikken.
OPMERKING: De functie Dell Printer Configuration Web Tool is niet beschikbaar als de printer direct is aangesloten op een lokale computer of afdrukserver.
U kunt de functie Dell Printer Configuration Web Tool starten door het IP-adres van de printer in te toetsen in uw web-browser. De printerconfiguratie verschijnt dan op
uw scherm.
U kunt de functie Dell Printer Configuration Web Tool zo instellen dat u een e-mailbericht ontvangt als voor de printer materiaal of een ingreep nodig is.
Instellen van e-mailwaarschuwingen:
1. Start de functie Dell Printer Configuration Web Tool.
2. Klik op de koppeling E-mailwaarschuwing.
3. Onder Instellingen e-mailserver voert u de Primaire SMTP-gateway en
het
Antwoordadres in en voert u tevens uw e-mailadres of dat van de
hoofdbeheerder
in
de e-mailkeuzelijst in.
4. Klik op Nieuwe instellingen toepassen.
OPMERKING: De SMTP-server toont de aanduiding Verbinding uitgesteld totdat printer een waarschuwing stuurt totdat er een fout optreedt.
Configureren voor gedeeld afdrukken
U kunt uw nieuwe printer met anderen delen op een netwerk, gebruik daarvoor de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's die bij uw printer is geleverd, of anders de
methoden aanwijzen-en-afdrukken of "peer-to-peer" van Microsoft
®
. Als u echter een van de Microsoft-methoden gebruikt, zult u niet alle mogelijkheden kunnen benutten,
zoals de statusmonitor en de andere printerhulpprogramma's die worden geïnstalleerd met de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
Als u een lokaal aangesloten printer wilt delen op een netwerk, zult u de printer op gedeeld gebruik moeten instellen en dan de gedeelde printer op netwerkclients moeten
installeren:
OPMERKING: De volgende accessoires moet u apart aanschaffen als u de printer wilt delen.
Ethernet-kabel
Windows
®
XP, Windows XP 64-bit Edition, Windows Server
®
2003, Windows Server 2003 x64 Edition, Windows 2000
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten (Printers voor Windows 2000).
2. Klik met de rechter muisknop op dit printerpictogram en selecteer Eigenschappen.
3. Op het tabblad Delen schakelt u het selectievakje Deze printer delen (Delen als voor Windows 2000) in en typt u vervolgens een naam in het tekstvak
Sharenaam (Delen als voor Windows 2000).
4. Klik op Extra stuurprogramma's en selecteer de besturingssystemen van alle netwerkclients die afdrukken naar deze printer.
5. Klik op OK.
Als er bestanden ontbreken, verschijnt het verzoek de cd van het serverbesturingssysteem te plaatsen.
Windows Vista
®
, Windows Vista 64-bit Edition
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op dit printerpictogram en selecteer Delen.
3. Klik op de knop Opties voor delen wijzigen.
4. Het dialoogvenster "Uw toestemming is nodig om te kunnen doorgaan" verschijnt.
5. Klik op de knop Doorgaan.
6. Selecteer het keuzevakje Deze printer delen en geef een naam op in het testvakje Sharenaam.
7. Klik op Extra stuurprogramma's en selecteer de besturingssystemen van alle netwerkclients die afdrukken naar deze printer.
8. Klik op OK.
Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op dit printerpictogram en selecteer Delen.
3. Klik op de toets Opties voor delen wijzigen als deze bestaat.
Selecteer het keuzevakje Deze printer delen en geef een naam op in het testvakje Sharenaam.
4. Klik op Extra stuurprogramma's en selecteer de besturingssystemen van alle netwerk-clients die afdrukken naar deze printer.
5. Klik op OK.
Windows 7, Windows 7 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik met de rechtermuisknop op het printerpictogram en selecteer Eigenschappen van printer.
3. Klik op het tabblad Delen, op de toets Opties voor delen wijzigen als deze bestaat.
Vink het keuzevakje Deze printer delen aan, en typ dan een naam in, in het tekstvakje Sharenaam.
4. Klik op Extra stuurprogramma's en selecteer de besturingssystemen van alle netwerk-cliënten die afdrukken met deze printer.
5. Klik op Toepassen, en klik dan op OK.
Controleer of de printer naar behoren wordt gedeeld:
Controleer of het printer-object in de mapPrinters, Printers en faxapparaten of Apparaten en printers aangeeft dat deze printer wordt gedeeld. Een pictogram
van gedeeld gebruik wordt onder het printerpictogram weergegeven.
Blader door het Netwerk of Mijn netwerklocaties. Zoek naar de hostnaam van de server en kijk of de gedeelde naam die u voor de printer hebt gekozen, wordt
weergegeven.
Nu de printer wordt gedeeld, kunt u de printer installeren op de netwerkclients met behulp van de methode aanwijzen-en-afdrukken of "peer-to-peer".
Aanwijzen en afdrukken
Deze methode biedt gewoonlijk het meest doeltreffend gebruik van de systeembronnen. De server zorgt voor de stuurprogramma-aanpassingen en het afhandelen van de
afdruktaken. Zo kunnen de netwerkclients veel sneller terugkeren naar hun eigen programma's.
Als u de methode aanwijzen-en-afdrukken gebruikt, wordt een gedeelte van de stuurprogramma-informatie van de server gekopieerd naar de clientcomputer. Dit biedt
precies genoeg informatie om een afdruktaak naar de printer te sturen.
Windows XP, Windows XP 64-bit Edition, Windows Server 2003, Windows Server 2003 x64 Edition, Windows 2000
1. Op het Windows-werkblad van de clientcomputer dubbelklikt u op Mijn netwerklocaties.
2. Zoek de hostnaam van de servercomputer op en dubbelklik op de hostnaam.
3. Klik met de rechtermuisknop op de naam van de gedeelde printer en klik dan op Verbinden.
Wacht tot de stuurprogramma-informatie is gekopieerd van de servercomputer naar de clientcomputer, en tot er een nieuw printerobject is toegevoegd aan de map
Printers en faxapparaten (Printers voor Windows 2000). De kopieertijd die dit kan vergen varieert, afhankelijk van de drukte op het netwerk en andere factoren.
Sluit tenslotte Mijn netwerklocaties.
4. Druk een testpagina af om te zien of de installatie is gelukt.
a. Klik op Start® Printers en faxapparaten (Printers voor Windows 2000).
b. Selecteer de printer die u zojuist hebt aangemaakt.
c. Klik op Bestand® Eigenschappen.
d. Klik op het tabblad Algemeen op Testpagina afdrukken.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van de printer voltooid.
Windows Vista, Windows Vista 64-bit Edition
1. Klik op het Windows-bureaublad van de client-computer op Start® Netwerk.
2. Zoek de hostnaam van de servercomputer op en dubbelklik op de hostnaam.
3. Klik met de rechtermuisknop op de naam van de gedeelde printer en klik dan op Verbinden.
4. Klik op Stuurprogramma installeren.
5. Klik op Doorgaan in het dialoogvenster Gebruikersaccountbeheer.
6. Wacht tot de stuurprogramma-informatie is gekopieerd van de
servercomputer
naar de clientcomputer en tot er een nieuw printerobject is toegevoegd aan de map
Printers. De tijd die dit kan vergen varieert, afhankelijk van de drukte op het netwerk en andere factoren.
7. Druk een testpagina af om te zien of de installatie is gelukt.
a. Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden.
b. Selecteer Printers.
c. Klik met de rechtermuisknop op de printer die u zojuist hebt aangemaakt en selecteer Eigenschappen.
d. Klik op het tabblad Algemeen op Testpagina afdrukken.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van de printer voltooid.
Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition
1. Klik op het Windows-bureaublad van de client-computer op Start® Netwerk.
2. Zoek de hostnaam van de servercomputer op en dubbelklik op de hostnaam.
3. Klik met de rechtermuisknop op de naam van de gedeelde printer en klik dan op Verbinden.
4. Klik op Stuurprogramma installeren.
5. Wacht tot de stuurprogramma-informatie is gekopieerd van de
servercomputer
naar de clientcomputer en tot er een nieuw printerobject is toegevoegd aan de map
Printers. De tijd die dit kan vergen varieert, afhankelijk van de drukte op het netwerk en andere factoren.
6. Druk een testpagina af om te zien of de installatie is gelukt.
a. Klik op Start® Configuratiescherm.
b. Selecteer Printers.
c. Klik met de rechtermuisknop op de printer die u zojuist hebt aangemaakt en selecteer Eigenschappen.
d. Klik op het tabblad Algemeen op Testpagina afdrukken.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van de printer voltooid.
Windows 7, Windows 7 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition
1. Klik op het Windows bureaublad van de clientcomputer op Starten® uw gebruikersnaam® Netwerk (Starten® Netwerk voor Windows Server 2008 R2).
2. Zoek de hostnaam van de server-computer op en dubbelklik op de hostnaam.
3. Klik met de rechtermuisknop op de gedeelde printernaam, en klik dan op Verbinding maken.
4. Klik op Stuurprogramma installeren.
5. Wacht tot de stuurprogramma-informatie is gekopieerd van de servercomputer naar de client-computer, en tot er een nieuw printer-object is toegevoegd aan de map
Apparaten en printers. De tijd die dit kan vergen is uiteenlopend, afhankelijk van de drukte op het netwerk en andere factoren.
6. Druk een testpagina af om te zien of de installatie is gelukt.
a. Klik op Starten® Apparaten en printers.
b. Klik met de rechtermuisknop op de printer die u zojuist hebt aangemaakt en selecteer Eigenschappen van printer.
c. In het Algemeen tabblad, klikt u op Testpagina afdrukken.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van het apparaat voltooid.
Peer-to-peer
Bij gebruik van de "peer-to-peer"-methode wordt het printerstuurprogramma in zijn geheel geïnstalleerd op elke clientcomputer. De netwerkclients behouden de controle
over de wijzigingen van het stuurprogramma. De cliëntcomputer zorgt voor het afhandelen van de afdruktaak.
Windows XP, Windows XP 64-bit Edition, Windows Server 2003, Windows Server 2003 x64 Edition, Windows 2000
1. Klik op Start® Printers en faxapparaten (Printers voor Windows 2000).
2. Start de wizard Printer toevoegen door op Een printer toevoegen te klikken.
3. Klik op Volgende.
4. Selecteer Netwerkprinter, of een printer die met een andere computer is
verbonden
en klik dan op Volgende (Bij Windows 2000 selecteert
u
de netwerkprinter
uit de lijst Gedeelde printers). Als de printer niet in
de
lijst voorkomt, typt u het pad van de printer in in het tekstvak.
De hostnaam server is de naam van de servercomputer waaronder die is geregistreerd op het netwerk. De naam gedeelde printer is de naam die is toegewezen tijdens
het server-installatieproces.
5. Klik op Een printer zoeken en klik op Volgende (bij Windows 2000 klikt u op OK).
Als dit een nieuwe printer is, wordt u misschien gevraagd een printerstuurprogramma te installeren. Als er geen printerstuurprogramma beschikbaar is, zult u een pad
moeten opgeven naar beschikbare stuurprogramma's.
6. Kies of u deze printer wilt instellen als de standaardprinter voor de client, klik op Volgende en klik dan op Voltooien (Bij Windows 2000, klikt u op Voltooien).
7. Druk een testpagina af om te zien of de installatie is gelukt:
a. Klik op Start® Instellingen® Printers en faxapparaten (Printers
voor
Windows 2000).
b. Selecteer de printer die u zojuist hebt aangemaakt.
c. Klik op Bestand® Eigenschappen.
d. Klik op het tabblad Algemeen op Testpagina afdrukken.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van de printer voltooid.
Windows Vista, Windows Vista 64-bit Edition
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden® Printers.
2. Start de wizard Printer toevoegen door op Een printer toevoegen te klikken.
3. Selecteer Netwerkprinter, draadloze printer of Bluetooth-printer toevoegen en klik vervolgens op Volgende. Als de printer in de lijst voorkomt, selecteert u de
printer en klikt u op Volgende of u selecteert De printer die ik wil gebruiken, staat niet in de lijst. en typt het pad van de printer in het tekstvak Een gedeelde
printer op naam selecteren en klikt op Volgende.
De hostnaam server is de naam van de servercomputer waaronder die is geregistreerd op het netwerk. De naam gedeelde printer is de naam die is toegewezen tijdens
het server-installatieproces.
4. Als dit een nieuwe printer is, wordt u misschien gevraagd een printerstuurprogramma te installeren. Als er geen printerstuurprogramma beschikbaar is, zult u een pad
moeten opgeven naar beschikbare stuurprogramma's.
5. Selecteer of u wilt dat deze printer de standaardprinter is voor de client, klik op Volgende.
6. Als u de installatie wil controleren, klikt u op Testpagina afdrukken.
7. Klik op Voltooien.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van de printer voltooid.
Windows Server 2008, Windows Server 2008 64-bit Edition
1. Klik op Start® Configuratiescherm® Printers.
2. Start de wizard Printer toevoegen door op Een printer toevoegen te klikken.
3. Selecteer Netwerkprinter, draadloze printer of Bluetooth-printer toevoegen en klik vervolgens op Volgende. Als de printer in de lijst voorkomt, selecteert u de
printer en klikt u op Volgende of u selecteert De printer die ik wil gebruiken, staat niet in de lijst. en typt het pad van de printer in het tekstvak Een gedeelde
printer op naam selecteren en klikt op Volgende.
Bijvoorbeeld: \\<hostnaam server>\<naam gedeelde printer>
De hostnaam server is de naam van de servercomputer waaronder die is geregistreerd op het netwerk. De naam gedeelde printer is de naam die is toegewezen tijdens
het server-installatieproces.
4. Als dit een nieuwe printer is, wordt u misschien gevraagd een printerstuurprogramma te installeren. Als er geen printerstuurprogramma beschikbaar is, zult u een pad
moeten opgeven naar beschikbare stuurprogramma's.
5. Selecteer of u wilt dat deze printer de standaardprinter is voor de client, klik op Volgende.
6. Als u de installatie wil controleren, klikt u op Testpagina afdrukken.
7. Klik op Voltooien.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van de printer voltooid.
Windows 7, Windows 7 64-bit Edition, Windows Server 2008 R2 64-bit Edition
1. Klik op Starten® Apparaten en printers.
2. Klik op Een printer toevoegen om het Printer toevoegen hulpprogramma te starten.
3. Selecteer Netwerkprinter, draadloze printer of Bluetooth-printer toevoegen. Indien de printer staat vermeld, selecteer de printer dan en klik op Volgende, of
selecteer De printer die ik wil gebruiken, staat niet in de lijst. Klik op Een gedeelde printer op naam selecteren en typ het pad van de printer in het
tekstvakje, klik vervolgens op Volgende.
Bijvoorbeeld: \\<server host-naam>\<gedeelde printer-naam>
De server host-naam is de naam van de server-computer waaronder die is geregistreerd op het netwerk. De gedeelde printer-naam is de naam die is toegewezen
tijdens het server-installatieproces.
4. Als dit een nieuwe printer is, kunt u gevraagd worden een printerstuurprogramma te installeren. Als er geen printer-stuurprogramma beschikbaar is, zult u het pad
moeten opgeven waar wel stuurprogramma's te vinden zijn.
5. Bevestig de naam van de printer en klik op Volgende.
6. Selecteer of u deze printer als standaard printer wenst voor de client.
7. Indien u de installatie wilt verifiëren klikt u op Testpagina afdrukken.
8. Klik op Voltooien.
Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het installeren van het apparaat voltooid.
Beveiliging configureren
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat Paneelinstel is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Paneelvergrend wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
5. Druk op de knop
totdat Aan is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
6. Voer het nieuwe wachtwoord in en druk op daarna op de knop
(SET).
7. Voer ter bevestiging van het wachtwoord dat u hebt ingevoerd, het wachtwoord opnieuw in en druk dan op de knop
(SET).
Het wachtwoord is gewijzigd.
OPMERKING: Als u uw wachtwoord niet meer weet, schakelt u de printer uit. Vervolgens houdt u de knop Menu ingedrukt en schakelt u de printer in. Voer stap 2
t/m 7 uit om het wachtwoord te resetten. Dit brengt de oorspronkelijke fabrieksinstelling voor het paneelwachtwoord terug.
OPMERKING: Als u het wachtwoord wijzigt terwijl de paneelvergrendeling aan staat, voert u de volgende stappen uit. Voer stap 1 en 2 uit. Druk op de knop totdat
Wijzig wachtwrd is gemarkeerd en druk dan op de knop
(SET). Voer stap 6 en 7 uit om het wachtwoord te wijzigen. Hierdoor wordt het wachtwoord gewijzigd.
OPMERKING: Als de paneelvergrendeling aan is, is de fabrieksinstelling voor het paneelwachtwoord 0000.
Paneelvergrend
Uitschakelen
*
Vergrendelt het Beheermenu niet met een wachtwoord.
Aan Vergrendelt het Beheermenu met een wachtwoord.
Wijzig wachtwrd
0000
*
Stelt het wachtwoord in dat vereist is om het Beheermenu te openen of wijzigt dit.
0000-9999
Instructies voor oplossen van problemen
Terugzetten op standaardinstellingen
Na het uitvoeren van deze functie en opnieuw opstarten van de printer zijn alle menuparameters, behalve de netwerkparameters, teruggezet op de standaardwaarde.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat Onderhoud is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Druk op de knop
totdat Stndwaard reset is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Druk op de knop
totdat Start is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
6. Activeer de instellingen door de printer uit te zetten.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Terugstellen in de lijst links op de pagina.
De pagina Terugstellen verschijnt.
5. Klik op Starten.
De printer wordt automatisch uitgeschakeld en de instellingen worden toegepast.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Het PPD-bestand installeren op Macintosh-computers
Het PPD-bestand installeren
Het PPD-bestand (PostScript Printer Description) beschrijft de afdrukkenmerken en -functies (zoals papierinvoeren,
papierformaten en de duplexfunctie) van een bepaalde printer. Om gegevens op Macintosh-computers af te drukken gebruikt
het PostScript-stuurprogramma deze gegevens om de printer goed te kunnen aansturen.
Het PPD-bestand installeren
1. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in uw computer.
2. Start de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
3. Dubbelklik op de map Mac OS X en vervolgens op het pictogram Dell 5130cdn Installer.
4. Tup de naam en het wachtwoord van de beheerder en klik op OK.
5. Lees de softwarelicentieovereenkomst van Dell en klik vervolgens op Doorgaan.
6. Klik op Ik ga akkoord.
7. Selecteer Eenvoudige installatie en klik vervolgens op Installeren.
8. Klik op Afsluiten.
De installatie is voltooid.
9. Ga naar de volgende paragraaf om door te gaan.
Een printer toevoegen onder Mac OS X 10.5 of latere versie(s)
Bij gebruik USB-verbinding
1. Zet de printer aan.
2. Sluit de USB-kabel aan tussen de printer en de Macintosh-computer.
3. Start Systeemvoorkeuren.
4. Klik op Printen en faxen en klik vervolgens op +.
5. Klik op Standaard en selecteer de printer die via een USB-aansluiting is aangesloten. Klik daarna op Toevoegen.
Bij gebruik IP-afdrukken
OPMERKING: Er moet een netwerkprinteradapter zijn geïnstalleerd om IP te kunnen selecteren. Zie de
Gebruikershandleiding op de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's of op support.dell.com voor installatie-
instructies.
1. Zet de printer aan.
2. Sluit de LAN-kabel aan tussen de printer en het netwerk.
OPMERKING: De Macintosh-computer moet reeds op het netwerk zijn aangesloten.
3. Start Systeemvoorkeuren.
4. Klik op Printen en faxen en klik vervolgens op +.
5. Selecteer IP in het menu.
6. Typ het IP-adres van de gebruikte printer in het vak Adres en selecteer Line Printer Daemon - LPD onder Protocol.
7. Selecteer Selecteer te gebruiken stuurprogramma... uit Printen met gebruik van en selecteer Dell 5130cdn
Color Laser uit de lijst.
OPMERKING: Als afdrukken met gebruik van IP-printing is geconfigureerd, wordt de wachtrijnaam leeg
weergegeven. U hoeft deze niet te specificeren.
8. Klik op Toevoegen.
9. Selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printer en klik op Doorgaan.
10. Ga na of de printer wordt weergegeven in het dialoogvenster Afdrukken en faxen.
Bij gebruik van Bonjour
OPMERKING: Er moet een netwerkprotocoladapter zijn geïnstalleerd en het IP-adres van de Macintosh-computer en
dat van de printer moeten hetzelfde segment bevatten om Bonjour te kunnen gebruiken.
1. Zet de printer aan.
2. Sluit de LAN-kabel aan tussen de printer en het netwerk.
OPMERKING: De Macintosh-computer moet reeds op het netwerk zijn aangesloten.
3. Start Systeemvoorkeuren.
4. Klik op Printen en faxen en klik vervolgens op +.
5. Klik op Standaard en selecteer de printer die via de Bonjour-aansluiting is aangesloten. Klik daarna op Toevoegen.
6. Selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printer en klik op Doorgaan.
7. Ga na of de printer wordt weergegeven in het dialoogvenster Afdrukken en faxen.
Een printer toevoegen onder Mac OS X 10.4
Bij gebruik USB-verbinding
1. Zet de printer aan.
2. Sluit de USB-kabel aan tussen de printer en de Macintosh-computer.
3. Start de Printer-installatiefunctie en klik vervolgens op Toevoegen in het dialoogvenster Printer-lijst.
4. Klik op Standaardbrowser en selecteer uw printer in de Printer-lijst.
5. Voor Printermodel wordt automatisch het model van uw printer geselecteerd.
6. Selecteer USB uit het menu en selecteer uw printer uit de lijst.
7. Klik op Toevoegen.
Bij gebruik IP-afdrukken
1. Klik op IP-printer in het dialoogvenster Printer-browser en selecteer Line Printer Daemon - LPD in het menu
Protocol.
2. Typ het IP-adres voor de gebruikte printer in Adres in het menu Protocol.
3. Selecteer Dell onder Printen met gebruik van en controleer of Dell 5130cdn Color Laser is geselecteerd als
Modelnaam.
OPMERKING: Als afdrukken met gebruik van IP-printing is geconfigureerd, wordt de wachtrijnaam leeg
weergegeven. U hoeft deze niet te specificeren.
4. Klik op Toevoegen.
Bij gebruik van Bonjour
OPMERKING: Er moet een netwerkprotocoladapter zijn geïnstalleerd en het IP-adres van de Macintosh-computer en
dat van de printer moeten hetzelfde segment bevatten om Bonjour te kunnen gebruiken.
1. Zet de printer aan.
2. Sluit de LAN-kabel aan tussen de printer en het netwerk.
OPMERKING: De Macintosh-computer moet reeds op het netwerk zijn aangesloten.
3. Start de Printer-installatiefunctie en klik op Toevoegen in het dialoogvenster Printer-lijst.
4. Klik op Standaardbrowser in het dialoogvenster Printer-browser en selecteer de printer die via de Bonjour-
aansluiting is aangesloten. Klik daarna op Toevoegen.
5. Selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printer en klik dan op Doorgaan.
6. Ga na of de printer wordt weergegeven in het dialoogvenster Printer-lijst.
Een printer toevoegen onder Mac OS X 10.3 of eerdere versie(s)
1. Zet de printer aan.
2. Als u de USB-poort gebruikt, sluit u de USB-kabel aan tussen de printer en de Macintosh-computer.
3. Start de Printer-installatiefunctie. Het scherm Printer-lijst wordt weergegeven.
OPMERKING: Als u Mac OS X 10.3 of later gebruikt, vindt u de Printer-installatiefunctie in de map
Hulpprogramma's in Applicaties.
4. Klik op Toevoegen.
Bij gebruik USB
1. Selecteer USB uit het menu en selecteer uw printer uit de lijst.
2. Bij Mac OS X 10.3 of later wordt als Printermodel automatisch het model van uw printer geselecteerd.
3. Klik op Toevoegen.
Bij gebruik IP-afdrukken
1. Selecteer IP-afdrukken in het menu en typ het IP-adres voor de gebruikte printer in Printeradres.
2. Selecteer Printertype uit het menu en selecteer LPD/LPR.
3. Selecteer Dell onder Printermodel en controleer of Dell 5130cdn Color Laser is geselecteerd als Modelnaam. Zo
nee, selecteert u dit model.
OPMERKING: Als afdrukken met gebruik van IP-printing is geconfigureerd, wordt de wachtrijnaam leeg
weergegeven. U hoeft deze niet te specificeren.
4. Klik op Toevoegen.
Bij gebruik Rendezvous
OPMERKING: Er moet een netwerkprotocoladapter zijn geïnstalleerd en het IP-adres van de Macintosh-computer en
dat van de printer moeten hetzelfde segment bevatten om Rendezvous te kunnen gebruiken.
1. Zet de printer aan.
2. Sluit de LAN-kabel aan tussen de printer en het netwerk.
OPMERKING: De Macintosh-computer moet reeds op het netwerk zijn aangesloten.
3. Start de Printer-installatiefunctie en klik op Toevoegen in het dialoogvenster Printer-lijst.
4. Selecteer Rendezvous uit het menu en selecteer uw printer uit de lijst.
5. Selecteer Dell onder Printermodel en selecteer Dell 5130cdn Color Laser.
Klik daarna op Toevoegen.
6. Ga na of de printer wordt weergegeven in het dialoogvenster Printer-lijst.
Instellingen configureren
De installatie van alle optionele accessoires wordt geverifieerd.
Mac OS X 10.5 of latere versie(s)
1. Selecteer Afdrukken en faxen in Systeemvoorkeuren.
2. Selecteer de printer in de lijst Printers en klik op Opties en toebehoren.
3. Selecteer Besturingsbestand, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printers en klik op OK.
Mac OS X 10.3 of 10.4
1. Start de Printer-installatiefunctie.
2. Selecteer in het dialoogvenster Printer-lijst de te configureren printer.
3. Klik op Info tonen.
4. Selecteer Installeerbare opties, selecteer de opties die zijn geïnstalleerd op de printer en klik vervolgens op
Wijzigingen toepassen.
OPMERKING: Een wachtrij die automatisch op een niet-Engelse versie van Mac OS X 10.3 is aangemaakt bij
aansluiting van een USB-kabel moet u configureren.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Dell Printer Configuration Web Tool
Overzicht
Gebruik van de Dell Printer Configuration Web Tool
De Dell Printer Configuration Web Tool configureren
Pagina-weergaveformaat
De instellingen van menu-items wijzigen
Overzicht
OPMERKING: Deze web-tool is alleen beschikbaar als de printer op het netwerk is aangesloten met behulp van een
netwerkkabel of de draadloze adapter.
Een van de kenmerken van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool is de Instelling e-mailwaarschuwing, die u of degene
die de printer bedient een e-mail zendt wanneer de verbruiksartikelen van de printer moeten worden vervangen of er een
andere ingreep nodig is.
Voor het invullen van printer-inventarisrapporten waarvoor u het asset-tagnummer van alle printers in uw gebied nodig hebt,
gebruikt u de functie Informatie over de printer van de Dell Printer Configuration Web Tool. Voer gewoon het IP-adres
van elke printer in het netwerk in en het asset-tagnummer wordt weergegeven.
Via de functie Dell Printer Configuration Web Tool kunt u ook de printerinstellingen aanpassen en bijhouden hoeveel er
wordt afgedrukt. Als u de netwerkbeheerder bent, kunt u eenvoudigweg de printerinstellingen kopiëren naar één of alle
apparaten op het netwerk, direct vanuit uw web-browser.
Voor het starten van de Dell Printer Configuration Web Tool typt u het IP-adres van uw printer in in uw web-browser.
Als u het IP-adres van uw printer niet weet, drukt u de printerinstellingenpagina af of geeft u de pagina TCP/IP-instellingen
weer, waarop het IP-adres wordt vermeld.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
3. Printerinstellingen wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
Als voor het IP-adres 0.0.0.0 wordt aangegeven (de fabrieksinstelling), dan is er nog geen IP-adres toegewezen. Zie
"Een IP-adres toewijzen
" als u een adres aan uw printer wilt toewijzen.
Gebruik van de Dell Printer Configuration Web Tool
Gebruik de Dell Printer Configuration Web Tool voor:
Printerstatus
Gebruik het menu Printerstatus om direct inzicht te krijgen in de toestand van de verbruiksmaterialen van de printer.
Wanneer een tonercartridge bijna leeg is, klikt u op de koppeling Benodigdheden bestellen in het eerste scherm en kunt u in
een tonercartridge bijbestellen.
Printertaken
Het menu Printertaken biedt informatie over de pagina Taaklijst en de pagina Voltooide taken.
Deze pagina's tonen in detail de toestand met betrekking tot ieder protocol of iedere taak.
Printerinstellingen
Gebruik het menu Printerinstellingen voor het wijzigen van de printerinstellingen en om de instellingen in het
operatorpaneel op afstand te bekijken.
Afdrukserverinstellingen
Stel in het menu Afdrukserverinstellingen het type printer-interface en de vereisten voor communicatie in.
Printerinstellingen kopiëren
Gebruik het menu Printerinstellingen kopiëren om de instellingen van de printer over te brengen naar een ander printer of
andere printers op het netwerk, eenvoudig door het IP-adres van die printers in te toetsen.
OPMERKING: Voor het gebruik van deze functie moet u zich aanmelden als beheerder.
Afdrukvolume
Gebruik de optie Afdrukvolume voor het inzien van de afdrukgeschiedenis, zoals papiergebruik en het soort taken dat wordt
afgedrukt, om het aantal gebruikers te beperken met toegang tot kleurendruk en om het maximaal aantal pagina's te bepalen
dat kan worden afgedrukt.
Informatie over de printer
Gebruik het menu Informatie over de printer voor het oproepen van de informatie die u nodig hebt voor een
onderhoudsverzoek, inventarisrapporten, controle van het geheugen en de engine-codeniveaus.
Lade-instellingen
Gebruik het menu Lade-instellingen voor het oproepen van informatie over de papiersoort en het papierformaat voor de
verschillende papierladen.
E-mailwaarschuwing
Gebruik het menu E-mailwaarschuwing om een waarschuwing per e-mail te ontvangen wanneer de printer extra
benodigdheden of een ingreep nodig heeft. Typ uw naam of de naam van de hoofdbeheerder in het
e-mailkeuzevak om een verwittiging te ontvangen.
Wachtwoord instellen
Gebruik het menu Wachtwoord instellen om Dell Printer Configuration Web Tool te vergrendelen met een wachtwoord,
zodat andere gebruikers niet per ongeluk uw printerinstellingen kunnen wijzigen.
OPMERKING: Voor het gebruik van deze functie moet u zich aanmelden als beheerder.
Online Help
Klik op Online Help als u de ondersteuningswebsite van Dell wilt bezoeken.
Bestel supplies op:
www.dell.com/supplies
Neem contact op met Dell Ondersteuning op:
support.dell.com
De Dell Printer Configuration Web Tool configureren
Zorg ervoor dat JavaScript in uw browser is geactiveerd voordat u de Dell Printer Configuration Web Tool gebruikt.
Het is aan te bevelen eerst de werkomgeving voor uw web-browser optimaal in te stellen voordat u gebruik maakt van de
Dell Printer Configuration Web Tool.
OPMERKING: De Dell Printer Configuration Web Tool-pagina's kunnen onleesbaar zijn als de pagina's zijn
geconfigureerd met een andere taal dan die van uw browser.
Configuratie vanuit web-browser
Het is aan te bevelen eerst zowel de werkomgeving voor uw web-browser als het operatorpaneel optimaal in te stellen
voordat u gebruik maakt van de Dell Printer Configuration Web Tool.
Voor Internet Explorer
®
6.0, Internet Explorer 7.0, Internet Explorer 8.0
De weergavetaal configureren
1. Kies Internet-opties onder Extra op de menubalk.
2. Kies Talen in het tabblad Algemeen.
3. Selecteer de gewenste weergavetaal in volgorde van uw voorkeur in de lijst Taal.
Bijvoorbeeld:
Italiaans (Italië) [it-IT]
Spaans (traditioneel gesorteer) [es-ES tradnl]
Duits (Duitsland) [de-DE]
Frans (Frankrijk) [fr-FR]
Engels (Verenigde Staten) [en-us]
Deens [da-DK]
Nederlands (Nederland) [nl-NL]
Noors (Bokmal) [no]
Zweeds [sv-SE]
Het IP-adres van de printer instellen op Non-proxy
1. Selecteer Internet-opties in het menu Extra.
2. Klik op LAN-instellingen onder LAN-instellingen in het tabblad Verbindingen.
3. Kies een van de volgende werkwijzen:
Verwijder het vinkje uit het keuzevakje Een proxyserver voor het LAN-netwerk gebruiken onder
Proxyserver.
Klik op Geavanceerd, en tik dan het IP-adres van de printer in in het veld Proxyserver niet gebruiken voor
adressen die beginnen met onder Uitzonderingen.
Wanneer u klaar bent met het instellen van de taal en de proxy, typt u <http://nnn.nnn.nnn.nnn/> (het IP-adres van de
printer) in het URL-adresinvoerveld van uw browser en schakelt zo Dell Printer Configuration Web Tool in.
Voor Firefox 2.0 of later
De weergavetaal configureren
1. Selecteer Opties in het menu Extra.
2. Klik op Geavanceerd.
3. Als u Firefox 2.0 gebruikt, klikt u op Kiezen in het tabblad Algemeen. Als u Firefox 3.0 gebruikt, klikt u op Kiezen in
het tabblad Inhoud.
4. Selecteer de gewenste talen voor de aanduidingen in de volgorde van uw voorkeur in de lijst Talen op volgorde van
voorkeur.
Bijvoorbeeld:
Engels [en] of Engels/Verenigde Staten [en-us]
Italiaans [it]
Spaans [es]
Duits [de]
Frans [fr]
Nederlands [nl]
Noors [no]
Zweeds [sv]
Deens [da]
Het IP-adres van de printer instellen op Non-proxy
1. Selecteer Opties in het menu Extra.
2. Klik op het tabblad Geavanceerd.
3. Klik op Netwerk in het dialoogvenster Opties.
4. Klik op Aansluiting ® Instellingen.
5. Als u Firefox 2.0 gebruikt, gaat u op een van de volgende wijzen te werk:
Selecteer het keuzevakje Directe verbinding met het internet.
Selecteer het keuzevakje Proxyinstellingen voor dit netwerk automatisch detecteren.
Selecteer het keuzevakje Handmatige proxyconfiguratie en typ dan het IP-adres van de printer in het
tekstvak Geen proxy voor.
Selecteer het keuzevakje URL voor automatische proxyconfiguratie.
Als u Firefox 3.0 gebruikt, gaat u als volgt te werk:
Schakel het selectievakje Geen proxy in als u geen proxy wilt gebruiken.
Selecteer het keuzevakje Proxyinstellingen voor dit netwerk automatisch detecteren.
Schakel het selectievakje Handmatige proxyconfiguratie in en voer vervolgens een hostnaam en
poortnummer in als u een lijst met een of meer proxyservers hebt. Als u een IP-adres hebt dat niet via een
proxy bereikbaar is, voert u het IP-adres van de printer in het tekstvak Geen proxy voor in.
Selecteer het keuzevakje URL voor automatische proxyconfiguratie.
Wanneer u klaar bent met het instellen van de taal en de proxy, typt u <http://nnn.nnn.nnn.nnn/> (het IP-adres van de
printer) in het URL-adresinvoerveld van uw browser en schakelt zo Dell Printer Configuration Web Tool in.
Configuratie vanaf operatorpaneel
U kunt de Dell Printer Configuration Web Tool alleen starten als EWS is ingesteld op Aan (de standaardfabrieksinstelling)
op het operatorpaneel. Controleer de instelling op het operatorpaneel als u de Dell Printer Configuration Web Tool niet
kunt starten. Zie "Begrip van de printermenu's
" voor nadere inlichtingen.
Pagina-weergaveformaat
De opmaak van de pagina is verdeeld in drie delen, zoals hieronder beschreven:
Bovenkader
Bovenin alle pagina's staat het bovenkader. Wanneer de Dell Printer Configuration Web Tool wordt ingeschakeld, worden
de huidige status en de specificaties van de printer in het bovenkader van elke pagina weergegeven.
De volgende punten staan vermeld in het bovenkader.
1
Dell 5130cdn
Color Laser
Hier staat de productnaam van de printer.
2 IP-adres Toont het IP-adres van de printer.
3 Locatie
Hier staat de plaats van opstelling van de printer. De locatie kan worden gewijzigd onder
Basisinformatie op de pagina Afdrukserverinstellingen.
4 Contactpersoon
Hier staat de naam van de beheerder van de printer. Deze naam kan worden gewijzigd onder
Basisinformatie op de pagina Afdrukserverinstellingen.
5 Gebeurtenissenpaneel
Toont de toestand van de printer. Als zich een fout voordoet, wordt het bericht vermeld als
"foutcode" + ":" + "bericht". Bijvoorbeeld: 077-090:Papierstoring. Open...
6 Printer-bitmap
Laat de bitmap-afbeelding van de printer zien. Het menu Printerstatus verschijnt in het
rechterkader wanneer u op de afbeelding klikt.
Linkerkader
Links op alle pagina's staat het linkerkader. De titels van de menu's die staan vermeld in het linkerkader, zijn gekoppeld aan
de bijbehorende menu's en pagina's. U kunt naar de betreffende pagina gaan door op de tekens te klikken.
De volgende menu's worden in het linkerkader weergegeven.
1 Printerstatus Koppeling naar het menu Printerstatus.
2 Printertaken Koppeling naar het menu Printertaken.
3 Printerinstellingen Koppeling naar het menu Printerinstellingenrapport.
4 Afdrukserverinstellingen Koppeling naar het menu Afdrukserverrapporten.
5 Printerinstellingen kopiëren Koppeling naar het menu Printerinstellingen kopiëren.
6 Afdrukvolume Koppeling naar het menu Afdrukvolume.
7 Informatie over de printer Koppeling naar het menu Printerstatus.
8 Lade-instellingen Koppeling naar het menu Lade-instellingen.
9 E-mailwaarschuwing Koppeling naar het menu Afdrukserverinstellingen.
10 Wachtwoord instellen Koppeling naar het menu Beveiliging.
11 Online Help Koppeling naar de Dell-ondersteuningspagina.
12 Bestel supplies op: Koppeling naar de Dell-webpagina.
13
Neem contact op met Dell Ondersteuning
op:
Koppeling naar de Dell-ondersteuningspagina op internet:
support.dell.com/
Rechterkader
Rechts op alle pagina's staat het rechterkader. De inhoud van het rechterkader hangt af van het menu dat u kiest in het
linkerkader. Nadere details over de punten die staan aangegeven in het rechterkader vindt u onder "Details van de menu-
onderdelen".
Knoppen in het rechterkader
1 Knop Vernieuwen Ontvangt de huidige printerconfiguratie en toont de meest recente informatie in het rechterkader.
2
Knop Nieuwe
instellingen
toepassen
Stuurt nieuwe instellingen, gemaakt via de Dell Printer Configuration Web Tool, naar de
printer. De oude printerinstellingen worden vervangen door de nieuwe instellingen.
3
Knop Instellingen
herstellen
Herstelt de oude instellingen van voor de wijzigingen. De nieuwe instellingen worden niet naar de
printer gezonden.
De instellingen van menu-items wijzigen
Met sommige menu's kunt u de printerinstellingen wijzigen via de Dell Printer Configuration Web Tool. Wanneer u deze
menu's opent, verschijnt er een verificatiedialoogvenster op het scherm. Typ een gebruikersnaam en wachtwoord voor de
beheerder van de printer aan de hand van de aanwijzingen in het dialoogvenster.
De standaard gebruikersnaam is admin, en het standaard wachtwoord is blanco (NULL). U kunt alleen het wachtwoord
wijzigen via de pagina Wachtwoord instellen in het menu Beveiliging. De gebruikersnaam kan niet gewijzigd worden. Zie
"Wachtwoord instellen
" voor nadere inlichtingen.
Details van de menu-onderdelen
"Printerstatus"
"Printerstatus"
"Printergebeurtenissen"
"Informatie over de printer"
"Printertaken"
"Taaklijst"
"Voltooide taken"
"Printerinstellingenrapport"
"Menu-instellingen"
"Rapporten"
"Systeeminstellingen"
"Parallel-instellingen"
"Netwerkinstellingen"
"Printerinstellingen"
"Printerinstellingen" "USB-instellingen"
"PCL-instellingen"
"PS-instellingen"
"Beveiliging"
"Printeronderhoud
"
"Papierzwarting
"
"BTR instellen"
"Fuser instellen"
"Automatische registratie-instelling"
"Instellingen kleurregistratie"
"Hoogte instellen"
"Terugstellen"
"Bewaren
"
*1
"Geen Dell-toner"
"Afdrukmeter initialiseren"
"Klokinstellingen"
"Weblink-aanpassing"
"Afdrukserverinstellingen
"
"Afdrukserverrapporten
"
"Instellingenpagina afdrukserver"
"NetWare instellingenpagina"
"Instellingenpagina e-mailwaarschuwing"
"Afdrukserverinstellingen
"
"Basisinformatie
"
"Poortinstellingen"
"TCP/IP"
"NetWare"
"E-mailwaarschuwing"
"Bonjour (mDNS)"
"SNMP"
"Draadloze LAN
"
*2
"Afdrukserver resetten"
"Beveiliging
"
"Wachtwoord instellen
"
"Verificatiesysteem"
"Kerberos-server"
"LDAP-server"
"LDAP-verificatie"
"SSL/TLS"
"IPsec"
"802.1x
"
*3
"IP-filter"
"Printerinstellingen kopiëren"
"Printerinstellingen kopiëren"
"Rapport Printerinstellingen kopiëren"
"Afdrukvolume"
"Afdrukvolume"
"Dell ColorTrack"
"Lade-instellingen"
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de RAM-schijf is aangezet of de als optie verkrijgbare harde schijf is
geïnstalleerd.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de printer via een draadloos netwerk is aangesloten.
*3
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de printer via een kabelnetwerk is aangesloten.
Printerstatus
Controleer met behulp van het menu Printerstatus de toestand van de verbruiksmaterialen, de apparatuur en de
specificaties van de printer.
De volgende pagina's worden weergegeven in het menu Printerstatus.
Printerstatus
Toepassing:
Controleren van de toestand van de verbruiksmaterialen en papierladen.
Waarden:
Niveau cassette voor cyaan
Niveau cassette voor magenta
Niveau cassette voor geel
Niveau cassette voor zwart
Toont het percentage toner dat resteert in elk van de tonercartridges. Wanneer een
cartridge leeg is, verschijnt er een bericht. De tekst Bel of bestel is een link naar de
printerartikelenwebsite van Dell.
Status
verbruiksmaterialen
OK
Geeft aan dat de drumcartridge, nietcassette en/of toneropvangbak in orde voor
gebruik is.
Binnenkort
vervangen
Geeft aan dat de drumcartridge, nietcassette en/of toneropvangbak binnenkort moet
worden vervangen. De tekst Bel of bestel is een link naar de printerartikelenwebsite
van Dell.
Nu
vervangen
Geeft aan dat de drumcartridge, nietcassette en/of toneropvangbak nu moet worden
vervangen. De tekst Bel of bestel is een link naar de printerartikelenwebsite van Dell.
??? Geeft aan dat tonercartridges van een ander merk dan Dell zijn geïnstalleerd.
- Geeft aan dat de drumcartridge of nietcassette niet is geïnstalleerd.
Papierladen
Status
OK Geeft aan dat er nog wel papier in de lade ligt, maar de hoeveelheid is niet bekend.
Papier
bijna op
Geeft aan dat er weinig papier meer in de lade ligt.
Papier
aanvullen
Geeft aan dat er geen papier meer in de lade ligt.
Capaciteit Toont de maximale capaciteit van de papierlade.
Formaat Toont het formaat van het papier in de lade.
Uitvoerlade
Status
OK Geeft aan dat de lade beschikbaar is.
Vol Geeft aan dat de lade niet beschikbaar is.
Capaciteit Toont de maximale capaciteit van de papierlade.
Voorkant Status
Gesloten Geeft aan dat de klep gesloten is.
Open Geeft aan dat de klep geopend is.
Printersoort Toont het type printer. Gewoonlijk wordt hier Kleurlaser vermeld.
Afdruksnelheid Toont de afdruksnelheid van de printer.
Printergebeurtenissen
Toepassing:
Als er fouten optreden zoals Papier is op of Voorklep is open, worden de details voor alle waarschuwingen of foutmeldingen
aangegeven op de pagina Printergebeurtenissen.
Waarden:
Locatie Geeft de plaats aan waar de fout is opgetreden.
Details Toont de details van de fout.
Informatie over de printer
Toepassing:
Ter controle van de details van de printer, zoals de hardwareconfiguratie en de softwareversie. Deze pagina kan ook worden
weergegeven door te klikken op Informatie over de printer in het linkerkader.
Waarden:
Dell servicetag-nummer Toont het Dell servicetag-nummer.
Asset-tagnummer Toont het asset-tagnummer van de printer.
Serienummer printer Toont het serienummer van de printer.
Geheugencapaciteit Toont de geheugencapaciteit.
Harde schijf
*1
Toont informatie over de harde schijf van de printer.
Processorsnelheid Toont de verwerkingssnelheid.
Revisieniveaus printer
Firmware-versie Toont de revisiedatum (revisieniveau).
Network Firmware-versie Toont de revisiedatum (revisieniveau).
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd.
Printertaken
Het menu Printertaken bevat informatie over de pagina's Taaklijst en Voltooide taken. Deze pagina's tonen in detail de
status van de protocols of de afdruktaken.
Taaklijst
Toepassing:
Ter bevestiging van de afdruktaken die worden verwerkt. Klik op de knop Vernieuwen als u het scherm wilt bijwerken.
Waarden:
ID Toont de taak-ID.
Taaknaam Toont de bestandsnaam van de taak die wordt afgedrukt.
Eigenaar Toont de naam van de eigenaar van de taak.
Hostnaam Toont de naam van de hostcomputer.
Taakstatus Toont de status van de taak die wordt afgedrukt.
Host I/F Toont de status van de host-interface.
Tijd taak verzonden Toont de datum waarop de afdruktaak naar de printer werd gezonden.
Voltooide taken
Toepassing:
Ter controle van de voltooide taken. Maximaal de laatste 22 taken worden weergegeven. Klik op de knop Vernieuwen als u
het scherm wilt bijwerken.
Waarden:
ID Toont de taak-ID.
Taaknaam Toont de bestandsnaam van de taak.
Eigenaar Toont de naam van de eigenaar van de taak.
Hostnaam Toont de naam van de hostcomputer.
Uitvoerresultaat Toont de status van de taak.
Indruknummer Toont het totaal aantal pagina's van de taak.
Aantal vellen Toont het totaal aantal vellen papier van de taak.
Host I/F Toont de status van de host-interface.
Tijd taak verzonden Toont de datum waarop de taak naar de printer werd gezonden.
Printerinstellingen
Gebruik het menu Printerinstellingen als u het printerinstellingenrapport wilt weergeven of de printerinstellingen
configureren.
De volgende tabbladpagina's worden weergegeven boven in het rechterkader.
Printerinstellingenrapport
Het tabblad Printerinstellingenrapport bevat ook de pagina's Menu-instellingen en Rapporten.
Menu-instellingen
Toepassing:
Weergeven van de huidige instellingen van de menu's van het operatorpaneel.
Waarden:
Energiebesparing -
slaapstand
Toont de tijd voor het inschakelen van de spaarstandmodus
(Slaapstand).
Energiebesparing -
versterkte slaapstand
Toont de tijd voor het inschakelen van de spaarstandmodus
(Versterkte slaapstand).
Toont of een toon moet klinken als de invoer van het operatorpaneel juist
Systeeminstellingen
Bedieningspaneeltoon
is. Uit duidt aan dat de toon is uitgeschakeld.
Waarschuwingstoon
ongeldige toets
Toont of een toon moet klinken als de invoer van het operatorpaneel
onjuist is. Uit duidt aan dat de toon is uitgeschakeld.
Gereedtoon apparaat
Toont of een toon moet klinken als de printer eenmaal gereed is. Uit
duidt aan dat de toon is uitgeschakeld.
Taak voltooid-toon
Toont of een toon moet klinken als een afdruktaak is voltooid. Uit duidt
aan dat de toon is uitgeschakeld.
Fouttoon
Toont of een toon moet klinken als een afdruktaak op abnormale wijze
wordt beëindigd. Uit duidt aan dat de toon is uitgeschakeld.
Waarsch.toon
Toont of een toon moet klinken als er een probleem optreedt. Uit duidt
aan dat de toon is uitgeschakeld.
Papier op-toon
Toont of een toon moet klinken als het papier in de printer opraakt. Uit
duidt aan dat de toon is uitgeschakeld.
Toner laag-toon
Toont of een toon moet klinken als de toner of een ander
verbruiksmateriaal op raakt. Uit duidt aan dat de toon is uitgeschakeld.
Basistoon
Toont of een toon moet klinken als het scherm van het operatorpaneel
terugkeert in de uitgangsstand nadat alle menu's zijn doorlopen. Uit
duidt aan dat de toon is uitgeschakeld.
Tijdfout
Toont hoe lang verstrijkt voordat de printer een taak die niet goed wordt
afgerond, beëindigt.
Time-out Toont hoe lang de printer wacht op gegevens uit de computer.
Paneeltaal Toont de taal die wordt gebruikt op het scherm van het operatorpaneel.
Auto logafdruk Toont of automatisch een log van voltooide taken wordt uitgevoerd.
ID afdrukken
Toont op welke plaats een gebruikers-ID op het afgedrukte papier wordt
gezet.
Tekst afdrukken
Toont of de printer PDL-gegevens (Page Description Language), die de
printer niet ondersteunt, als tekst afdrukt als de printer die ontvangt.
Invoegpositie
scheidingspagina
Laat zien waar een scheidingspagina wordt ingevoegd.
Lade voor
scheidingspagina
Laat zien welke invoerlade moet worden gebruikt voor het invoegen van
een scheidingspagina.
RAM-schijf
*1
Toont de hoeveelheid geheugen die is toegewezen voor het
bestandssysteem en voor de functies Veilige afdruk en Proefafdruk.
Lade vervangen
Toont of een ander papierformaat mag worden gebruikt als het papier in
de opgegeven lade niet overeenkomt met de papierformaatinstellingen
voor de huidige taak.
mm/inch
Toont de maateenheid die wordt gebruikt op het scherm van het
operatorpaneel.
Dubbelzijdige modus
voor briefhoofd
Toont of dubbelzijdig moet worden afgedrukt bij papier met briefhoofd.
Waarschuwingsbericht
bij toner bijna op
Toont of een bericht wordt weergegeven als de toner bijna op is.
Taakscheiding
*2
Toont of de positie van het uitvoerpapier moet worden gescheiden.
Scheidingsbladen
scheiden*
2
Toont of het scheidingsblad moet worden ingevoegd bij elk gescheiden
uitvoerpapier.
Taakscheiding
bij nieten
*2
Toont of moet worden geniet bij elk gescheiden uitvoerpapier.
Nietcassette is leeg
*2
Toont of de afdruktaak moet worden voorgezet als de nietcassette leeg
is.
Parallel-instellingen
Parallelle poort Toont of de parallelle interface is ingeschakeld.
ECP Toont de ECP-communicatiemodus van de parallelle interface.
Adobeâ„¢ Protocol Toont voor elke interface het PostScript-communicatieprotocol.
Netwerkinstellingen Adobe Protocol Toont voor elke interface het PostScript-communicatieprotocol.
USB-instellingen
USB-poort Toont of de USB-interface is ingeschakeld.
Adobe Protocol Toont voor elke interface het PostScript-communicatieprotocol.
PCL-instellingen
Papierlade Toont de papierlade-instelling.
Papierformaat Toont de papierformaatinstelling.
Aangepast formaat - Y Toont de lengte van het aangepaste papierformaat.
Aangepast formaat - X Toont de breedte van het aangepaste papierformaat.
Richting
Laat zien in welke richting de tekst en afbeeldingen op de pagina worden
afgedrukt.
2-zijdig Toont of dubbelzijdig afdrukken standaard is voor alle afdruktaken.
Lettertype
Toont het geselecteerde lettertype uit de lijst van geregistreerde
lettertypen.
Tekenset Toont een tekenset voor het opgegeven lettertype.
Lettergrootte Toont de lettergrootte bij schaalbare typografische lettertypen.
Tekenbreedte Toont de tekenbreedte bij schaalbare typografische lettertypen.
Formulierregel Toont het aantal tekens op een regel.
Aantal Toont het aantal af te drukken kopieën.
Afbeeldingverbetering Toont of de functie Afbeeldingverbetering is ingeschakeld.
Hex Dump Toont of de functie Hex Dump is ingeschakeld.
Conceptmodus Toont of moet worden afgedrukt in conceptmodus.
Regelterminatie Toont of de regelterminatie moet worden ingesteld.
Standaardkleur Toont de kleurmodusinstelling.
PS-instellingen
PS-foutrapport
Toont of de printer de inhoud van een fout afdrukt bij een PostScript-
fout.
PS-Taak timeout Toont de uitvoeringstijd voor één PostScript-taak.
Papierselectiemodus Toont de lade die is geselecteerd bij PostScript-afdrukken.
Standaardkleur Toont de kleurmodusinstelling.
Beveiligingsinstell.
Paneelslot inst.
Toont of het Beheermenu moet worden vergrendeld
met een wachtwoord.
Aanmeldingsfout -
pogingen
Toont het maximum aantal keren dat de beheerder kan proberen zich
aan te melden.
Codering Toont of de gegevens moeten worden gecodeerd.
Gebruikstijd instellen Toont of de periode moet worden ingesteld waarin afdrukken mogelijk is.
Begintijd Toont de begintijd van de periode waarin afdrukken mogelijk is.
Eindtijd Toont de eindtijd van de periode waarin afdrukken mogelijk is.
Herhaling Toont de dag van de week waarop de instelling moet worden herhaald.
Overschrijfmodus
voor vaste schijf
*3
Toont of de vaste schijf moet worden overgeschreven.
Vervalmodus
*4
Toont of de datum moet worden ingesteld voor het verwijderen van de
bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf.
Vervaltijd
*4
Toont de tijd vóór het verwijderen van de bestanden die als Veilige
afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de vaste schijf.
Herhaling
*4
Toont de periode waarna de instelling moet worden herhaald.
Weekinstellingen
*4
Toont de dag van de week waarop de instelling moet worden herhaald.
Maandinstellingen
*4
Toont de dag van de maand waarop de instelling moet worden herhaald.
Papierzwarting
Normaal Toont de papierzwarting van normaal papier.
Label Toont de papierzwarting van etiketten.
BTR instellen
Normaal
(60 tot 90 g/m
2
)
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
normaal papier.
Normaal dik
(80/90 tot 105 g/m
2
)
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor dik
normaal papier.
Transparant
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
transparanten.
Voorbladen
(106 tot 163 g/m
2
)
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
voorbladen.
Voorbladen dik
(164 tot 216 g/m
2
)
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
dikke voorbladen.
Label
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
etiketten.
Gecoat
(106 tot 163 g/m
2
)
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
gecoat papier.
Gecoat dik
(164 tot 216 g/m
2
)
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor dik
gecoat papier.
Envelop
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
enveloppen.
Gerecycled
Toont de spanningsinstelling van de overdraagrol (van -6 tot -6) voor
gerecycled papier.
Fuser instellen
Normaal
(60 tot 90 g/m
2
)
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor gewoon
papier.
Normaal dik
(80/90 tot 105 g/m
2
)
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor
dik gewoon papier.
Transparant
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor
transparanten.
Voorbladen
(106 tot 163 g/m
2
)
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor
voorbladen.
Voorbladen dik
(164 tot 216 g/m
2
)
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor dikke
voorbladen.
Label
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor
etiketten.
Gecoat
(106 tot 163 g/m
2
)
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor gecoat
papier.
Gecoat dik
(164 tot 216 g/m
2
)
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor
dik gecoat papier.
Envelop
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor
enveloppen.
Gerecycled
Toont de temperatuursinstelling van de fuser (van -6 tot 6) voor
gerecycled papier.
Automatische registratie-instelling
Toont of de instelling van de kleurregistratie automatisch
wordt uitgevoerd.
Hoogte instellen Toont de hoogte van de locatie waar de printer zich bevindt.
Geen Dell-toner
Toont of er een tonercartridge van een andere fabrikant gebruikt moet
worden.
Klokinstellingen
Datumnotatie Toont de standaarddatumnotatie.
Tijdnotatie Toont de standaardtijdnotatie; 12-uurs klok of 24-uurs klok.
Tijdzone Toont de standaardtijdzone.
Datum instellen Toont de datuminstelling.
Tijd instellen Toont de tijdinstelling.
Weblink-
aanpassing
Nabestel URL
selecteren
Toont een koppeling voor het bestellen van verbruiksmaterialen, die
geopend kan worden via Bestel supplies op: in het linkerkader.
Standaard
Toont de standaard URL (http://accessories.us.dell.com/sna
) die
kan worden gekoppeld aan Bestel supplies op:.
Premier
Toont de premier URL (http://premier.dell.com
) die kan worden
gekoppeld aan Bestel supplies op:.
Dell ColorTrack
ColorTrack-modus Toont of ColorTrack moet worden ingeschakeld.
Anoniem afdrukken
Toont of het afdrukken van gegevens zonder verificatie-informatie moet
worden toegelaten.
ColorTrack-
foutenrapport
Toont of het foutenrapport over de ColorTrack-modus moet worden
afgedrukt.
Lade-instellingen
Papiersoort lade 1 Toont de papiersoortinstelling voor de eerste lade van boven.
Papierformaat lade 1 Toont de papierformaatinstelling voor de eerste lade van boven.
Lade 1 Aangepast
formaat - Y
Toont de lengte van papier met aangepast formaat in de eerste lade van
boven.
Lade 1 Aangepast
formaat - X
Toont de breedte van papier met aangepast formaat in de eerste
lade van boven.
Papiersoort lade 2
*5
Toont de papiersoortinstelling voor de tweede lade van boven.
Papierformaat lade
2
*5
Toont de papierformaatinstelling voor de tweede lade van boven.
Lade 2 Aangepast
formaat - Y
*5
Toont de lengte van papier met aangepast formaat in de tweede lade van
boven.
Lade 2 Aangepast
formaat - X
*5
Toont de breedte van papier met aangepast formaat in de tweede
lade van boven.
Papiersoort lade 3
*5
Toont de papiersoortinstelling voor de derde lade van boven.
Papierformaat lade
3
*5
Toont de papierformaatinstelling voor de derde lade van boven.
Lade 3 Aangepast
formaat - Y
*5
Toont de lengte van papier met aangepast formaat in de derde lade van
boven.
Lade 3 Aangepast
formaat - X
*5
Toont de breedte van papier met aangepast formaat in de derde lade van
boven.
Papiersoort lade 4
*6
Toont de papiersoortinstelling voor de vierde lade van boven.
Papierformaat lade
4
*6
Toont de papierformaatinstelling voor de vierde lade van boven.
Lade 4 Aangepast
formaat - Y
*6
Toont de lengte van papier met aangepast formaat in de vierde lade van
boven.
Lade 4 Aangepast
formaat - X
*6
Toont de breedte van papier met aangepast formaat in de vierde
lade van boven.
Lade-instellingen
Papiersoort lade 5
*6
Toont de papiersoortinstelling voor de vijfde lade van boven.
Papierformaat lade
5
*6
Toont de papierformaatinstelling voor de vijfde lade van boven.
Lade 5 Aangepast
formaat - Y
*6
Toont de lengte van papier met aangepast formaat in de vijfde lade van
boven.
Lade 5 Aangepast
formaat - X
*6
Toont de breedte van papier met aangepast formaat in de vijfde lade van
boven.
MPF-modus
Toont papierformaat en papiersoort als papier in de multifunctionele
invoer (MPF) is gelegd.
Popup weergeven
*7
Toont een pop-upmenu waarin u wordt gevraagd papierformaat en -
soort in te stellen als papier in de MPF wordt gelegd.
MPF Papiersoort
*7
Toont de papiersoortinstelling van de MPF.
MPF-papierformaat
*7
Toont de papierformaatinstelling van de MPF.
MPF Aangepast
formaat - Y
*7
Toont de lengte van papier met aangepast formaat dat in de MPF
is gelegd.
MPF Aangepast
formaat - X
*7
Toont de breedte van papier met aangepast formaat dat in de MPF
is gelegd.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele geheugenmodule is geïnstalleerd, en ook als de optionele harde schijf
niet is geïnstalleerd.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
*3
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd.
*4
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de RAM-schijf is aangezet of de als optie verkrijgbare harde schijf is
geïnstalleerd.
*5
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele 550 documentinvoer of 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd.
*6
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd.
*7
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als Paneel gespec is geselecteerd als MPF-modus.
Rapporten
Toepassing:
Voor het afdrukken van allerlei rapporten en lijsten.
Waarden:
Printerinstellingen Klik op de knop Start als u de pagina met printerinstellingen wilt afdrukken.
Paneelinstellingen Klik op de knop Start als u de pagina met paneelinstellingen wilt afdrukken.
PCL-letterlijst
Klik op de knop Start als u de PCL-lettertypenlijst (Hewlett-Packard Printer Control Language) wilt
afdrukken.
PCL-macrolijst Klik op de knop Start als u de PCL-macrolijst wilt afdrukken.
Taakgeschiedenis Klik op de knop Start als u het rapport taakgeschiedenis wilt afdrukken.
Foutengeschiedenis Klik op de knop Start als u het foutengeschiedenisrapport wilt afdrukken.
PS-lettertypenlijst Klik op de knop Start als u de PS-lettertypenlijst wilt afdrukken.
Afdrukmeter Klik op de knop Start als u het rapport Afdrukmeter wilt afdrukken.
Kleurtestpagina Klik op de knop Start als u de kleurtestpagina wilt afdrukken.
Opgeslagen doc
*1
Klik op de knop Start als u de lijst Opgeslagen document wilt afdrukken.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de RAM-schijf is aangezet of de als optie verkrijgbare harde schijf is
geïnstalleerd.
Printerinstellingen
Op het tabblad Printerinstellingen vindt u de pagina's Systeeminstellingen, Parallel-instellingen,
Netwerkinstellingen, USB-instellingen, PCL-instellingen, PS-instellingen en Beveiligingsinstell.
Systeeminstellingen
Toepassing:
Het configureren van de basisinstellingen van de printer.
Waarden:
Energiebesparing -
slaapstand
Stelt de tijd in voor het inschakelen van de spaarstandmodus (Slaapstand).
Energiebesparing -
versterkte slaapstand
Stelt de tijd in voor het inschakelen van de spaarstandmodus (Versterkte slaapstand).
Bedieningspaneeltoon
Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als de invoer vanaf het operatorpaneel
juist is.
Waarschuwingstoon
ongeldige toets
Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als de invoer vanaf het operatorpaneel
onjuist is.
Gereedtoon apparaat
Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als de printer eenmaal gereed is voor
gebruik.
Taak voltooid-toon Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als een afdruktaak is voltooid.
Fouttoon
Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als een afdruktaak op abnormale wijze
wordt beëindigd.
Waarsch.toon Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als een probleem optreedt.
Papier op-toon Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als het papier in de printer opraakt.
Toner laag-toon
Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als de toner of een ander
verbruiksmateriaal op raakt.
Basistoon
Bepaalt of de toon moet worden ingeschakeld die klinkt als het scherm van het operatorpaneel
na het doorlopen van alle menu's terugkeert in de uitgangsstand.
Tijdfout
Bepaalt in seconden hoe lang verstrijkt voordat de printer een taak die niet goed wordt afgerond,
moet beëindigen. De afdruktaak wordt geannuleerd als de time-outtijd wordt overschreden.
Time-out
Bepaalt in seconden hoe lang de printer moet wachten op gegevens die afkomstig zijn van de
computer. De afdruktaak wordt geannuleerd als de time-outtijd wordt overschreden.
Paneeltaal Stelt in welke taal moet worden gebruikt op het operatorpaneel.
Auto logafdruk Bepaalt of na iedere 20 taken automatisch een log van voltooide taken moet worden afgedrukt.
ID afdrukken Bepaalt op welke plaats de gebruikers-ID op het afdrukpapier wordt afgedrukt.
Tekst afdrukken
Bepaalt of de printer PDL-gegevens, die de printer niet ondersteunt, als tekst afdrukt wanneer de
printer die ontvangt.
Invoegpositie
scheidingspagina
Bepaalt waar een scheidingspagina moet worden ingevoegd.
Lade voor
scheidingspagina
Bepaalt welke invoerlade moet worden gebruikt voor het invoegen van een scheidingspagina.
RAM-schijf
*1
Bepaalt hoeveel geheugen is toegewezen voor het bestandssysteem en voor de functies Veilige
afdruk en Proefafdruk.
Lade vervangen
Bepaalt of er al dan niet een ander papierformaat mag worden gebruikt als het papier in de
opgegeven lade niet overeenkomt met de papierformaatinstellingen voor de huidige afdruktaak.
mm/inch
Bepaalt welke maateenheid op het scherm van het operatorpaneel moet worden gebruikt, mm of
inch.
Dubbelzijdige modus
voor briefhoofd
Bepaalt dat dubbelzijdig afdrukken wordt geselecteerd voor tweezijdige briefhoofdmedia.
Waarschuwingsbericht
bij toner bijna op
Bepaalt of een bericht wordt weergegeven als de toner bijna op is.
Taakscheiding
*2
Bepaalt of de positie van het uitvoerpapier moet worden gescheiden.
Scheidingsbladen
scheiden
*2
Bepaalt of het scheidingsblad moet worden geplaatst bij elke gescheiden afdruk.
Taakscheiding
bij nieten
*2
Bepaalt of de gescheiden afdruk moet worden geniet.
Nietcassette is leeg
*2
Bepaalt of de afdruktaak moet worden voorgezet als de nietcassette leeg is.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele geheugenmodule is geïnstalleerd, en ook als de optionele harde schijf
niet is geïnstalleerd.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
Parallel-instellingen
Toepassing:
Voor het configureren van de parallelle interface.
Waarden:
Parallelle poort Bepaalt of de parallelle interface moet worden ingeschakeld.
ECP Bepaalt of de ECP-communicatiemodus van de parallelle interface moet worden ingeschakeld.
Adobe Protocol Bepaalt voor elke interface het PostScript-communicatieprotocol.
Netwerkinstellingen
Toepassing:
Voor het bepalen van het PostScript-communicatieprotocol voor deze printer.
Waarden:
Adobe Protocol Bepaalt voor elke interface het PostScript-communicatieprotocol.
USB-instellingen
Toepassing:
Voor het wijzigen van printerinstellingen die van invloed zijn op de USB-poort.
Waarden:
USB-poort Bepaalt of de USB-interface moet worden ingeschakeld.
Adobe Protocol Bepaalt voor elke interface het PostScript-communicatieprotocol.
PCL-instellingen
Toepassing:
Voor het wijzigen van de printerinstellingen die alleen van invloed zijn op taken waarin de PCL-emulatieprintertaal wordt
gebruikt.
Waarden:
Papierlade Bepaalt de invoerlade.
Papierformaat Bepaalt het papierformaat.
Aangepast formaat -
Y
Bepaalt de lengte van papier met aangepast formaat.
Aangepast formaat -
X
Bepaalt de breedte van papier met aangepast formaat.
Richting Bepaalt in welke richting de tekst en afbeeldingen op de pagina worden afgedrukt.
2-zijdig
Stelt dubbelzijdig afdrukken in als standaard voor alle afdruktaken. Dit onderdeel is alleen
beschikbaar als de duplexer is geïnstalleerd.
Lettertype Bepaalt welk lettertype wordt gekozen uit de lijst van geregistreerde lettertypen.
Tekenset Bepaalt een tekenset voor het gekozen lettertype.
Lettergrootte Bepaalt de lettergrootte bij schaalbare typografische lettertypen.
Tekenbreedte Bepaalt de tekenbreedte bij schaalbare lettertypen met vaste tekenafstand.
Formulierregel Bepaalt het aantal tekens op een regel.
Aantal Stelt in hoeveel exemplaren moeten worden afgedrukt.
Afbeeldingverbetering Bepaalt of de functie Afbeeldingverbetering wordt ingeschakeld.
Hex Dump
Bepaalt of er hulp nodig is bij het opsporen van de oorzaak van een afdrukprobleem. Als de
functie Hex Dump is ingeschakeld, worden alle gegevens die naar de printer zijn gestuurd,
afgedrukt in de vorm van hexadecimale waarden en tekens. De besturingscodes worden niet
uitgevoerd.
Conceptmodus Bepaalt of er moet worden afgedrukt in de conceptmodus.
Regelterminatie Bepaalt hoe regeleinden worden behandeld.
Standaardkleur
Bepaalt of de afdrukkleurmodus Kleur of Zwart is. Deze instelling wordt gebruikt voor
afdruktaken waarvoor geen afdrukkleurmodus is opgegeven.
PS-instellingen
Toepassing:
Voor het wijzigen van de printerinstellingen die alleen van invloed zijn op afdruktaken die gebruikmaken van de PostScript-
emulatie-printertaal.
Waarden:
PS-foutrapport Bepaalt of de printer de inhoud van fouten afdrukt bij een PostScript-fout.
PS-Taak timeout Bepaalt de uitvoeringstijd voor één PostScript-taak.
Papierselectiemodus Bepaalt hoe de lade voor de PostScript-modus moet worden geselecteerd.
Standaardkleur Bepaalt de standaardkleur voor de PostScript-modus.
Beveiligingsinstell.
Paneelvergrendeling
Toepassing:
Om in te stellen of het Beheermenu met een wachtwoord wordt vergrendeld en om het wachtwoord in te stellen of te wijzigen.
Waarden:
Paneelslot inst. Stelt in of het Beheermenu met een wachtwoord wordt vergrendeld.
Nieuw wachtwoord Stelt het wachtwoord in voor toegang tot het Beheermenu.
Wachtwoord bevestigen Voer het nieuwe wachtwoord ter bevestiging nogmaals in.
Aanmeldingsfout - pogingen Stelt het maximum aantal keren in dat de beheerder kan proberen zich aan te melden.
OPMERKING: In dit menu wordt een wachtwoord ingesteld ter vergrendeling van het operatorpaneel. Als u het
wachtwoord voor de Dell Printer Configuration Web Tool wilt wijzigen, klikt u op Wachtwoord instellen in het
linkerkader en stelt u het wachtwoord in.
Gegevenscodering
Toepassing:
Stelt in of de gegevens moeten worden gecodeerd.
Waarden:
Gegevenscodering
Codering Stelt in of de gegevens moeten worden gecodeerd.
Coderingssleutel Stelt een sleutel in die vereist voor de codering.
Coderingssleutel bevestigen Voer de nieuwe sleutel ter bevestiging nogmaals in.
OPMERKING: Voor de coderingssleutels kunt u uitsluitend de tekens 0 t/m 9, a t/m z, A t/m Z en NULL-waarden
invoeren.
Gebruikstijd instellen
Toepassing:
Om de tijd in stellen waarna de veilige instelling wordt ingeschakeld.
Waarden:
Gebruikstijd instellen Stelt in of de periode moet worden ingesteld waarin afdrukken mogelijk is.
Begintijd Stelt de begintijd van de periode in waarin afdrukken mogelijk is.
Eindtijd Stelt de eindtijd van de periode in waarin afdrukken mogelijk is.
Herhaling Stelt de dag van de week in waarop de instelling moet worden herhaald.
Overschrijfmodus voor vaste schijf
Toepassing:
Stelt in of de vaste schijf moet worden overgeschreven.
Waarden:
Overschrijfmodus voor vaste schijf Stelt in of de vaste schijf moet worden overgeschreven.
Vervaltijd veilige taak
Toepassing:
Om de datum en tijd in te stellen vóór het verwijderen van de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-
schijf of de vaste schijf.
Waarden:
Vervalmodus
Stelt in of de datum moet worden ingesteld voor het verwijderen van de bestanden die als Veilige
afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de vaste schijf.
Vervaltijd
Stelt de tijd in vóór het verwijderen van de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de
RAM-schijf of de vaste schijf.
Herhaling Stelt de periode in waarna de instelling moet worden herhaald.
Weekinstellingen Stelt de dag van de week in waarop de instelling moet worden herhaald.
Maandinstellingen Stelt de dag van de maand in waarop de instelling moet worden herhaald.
Printeronderhoud
Op het tabblad Printeronderhoud vindt u de pagina's Papierzwarting, BTR instellen, Fuser instellen, Automatische
registratie-instelling, Instellingen Kleurregistratie, Hoogte instellen, Terugstellen, Opslag, Geen Dell-toner,
Afdrukmeter initialiseren, Klokinstellingen en Weblink-aanpassing.
Papierzwarting
Toepassing:
De papierzwarting opgeven.
Waarden:
Normaal Stelt de zwarting in van gewoon papier op Licht of Normaal.
Label Stelt de zwarting van etiketten in op Licht of Normaal.
BTR instellen
Toepassing:
Het opgeven van de optimale spanningsinstellingen voor afdrukken voor de overdraagrol (BTR). Als u de spanning wilt
verlagen, stelt u negatieve waarden in. Om te verhogen positieve waarden instellen.
De standaardinstellingen geven mogelijk niet het beste resultaat op alle papiertypen. Als u donkere vlekken ziet op de
afdrukken, probeert u het met een hogere spanning. Als u witte vlekken ziet op de afdrukken, probeert u het met een lagere
spanning.
VOORZICHTIG: De afdrukkwaliteit verandert afhankelijk van de instelwaarden die u kiest voor dit onderdeel.
Waarden:
Normaal
(60 tot 90 g/m
2
)
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor normaal papier in het bereik
van -6 tot 6.
Normaal dik
(80/90 tot 105
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor dik normaal papier in het bereik
van -6 tot 6.
g/m
2
)
Transparant
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor transparanten in het bereik van
-6 tot 6.
Voorbladen
(106 tot 163
g/m
2
)
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor voorbladen in het bereik van -6
tot 6.
Voorbladen dik
(164 tot 216
g/m
2
)
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor dikke voorbladen in het bereik
van -6 tot 6.
Label
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor etiketten in het bereik van -6
tot 6.
Gecoat
(106 tot 163
g/m
2
)
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor gecoat papier in het bereik van
-6 tot 6.
Gecoat dik
(164 tot 216
g/m
2
)
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor dik gecoat papier in het bereik
van -6 tot 6.
Envelop
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor enveloppen in het bereik van -6
tot 6.
Gerecycled
Stelt de referentiespanningsinstellingen in voor de overdraagrol voor gerecycled papier in het bereik
van -6 tot 6.
Fuser instellen
Toepassing:
Voor opgave van de optimale temperatuursinstellingen voor afdrukken voor de fuser. Als u de temperatuur wilt verlagen, stelt
u negatieve waarden in. Om te verhogen positieve waarden instellen.
De standaardinstellingen geven mogelijk niet het beste resultaat op alle papiertypen. Als het bedrukte papier is omgekruld,
probeert u het met een lagere temperatuur. Als de toner niet goed aan het papier hecht, probeert u een hogere temperatuur.
OPMERKING: De afdrukkwaliteit verandert afhankelijk van de instelwaarden die u kiest voor dit onderdeel.
Waarden:
Normaal
(60 tot 90 g/m
2
)
Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor normaal papier in het bereik van -6 tot 6.
Normaal dik
(80/90 tot 105
g/m
2
)
Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor dik normaal papier in het bereik van -6 tot
6.
Transparant Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor Transparanten in het bereik van -6 tot 6.
Voorbladen
(106 tot 163 g/m
2
)
Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor voorbladen in het bereik van -6 tot 6.
Voorbladen dik
(164 tot 216 g/m
2
)
Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor dikke voorbladen in het bereik van -6 tot 6.
Label Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor etiketten in het bereik van -6 tot 6.
Gecoat
(106 tot 163 g/m
2
)
Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor gecoat papier in het bereik van -6 tot 6.
Gecoat dik
(164 tot 216 g/m
2
)
Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor dik gecoat papier in het bereik van -6 tot 6.
Envelop Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor enveloppen in het bereik van -6 tot 6.
Gerecycled Stelt de temperatuurinstellingen voor de fuser in voor gerecycled papier in het bereik van -6 tot 6.
Automatische registratie-instelling
Toepassing:
Opgeven of de instelling van de kleurregistratie automatisch wordt uitgevoerd.
Instellingen kleurregistratie
Toepassing:
Opgeven of u de instelling van de kleurregistratie zelf wilt uitvoeren.
U moet zelf de kleurregistratie instellen bij de aanvankelijke installatie van de printer en als de printer is verplaatst.
OPMERKING: De functie Instellingen kleurregistratie kan worden geconfigureerd als Automatische registratie-
instelling op Uit staat.
Waarden:
Automatische
correctie
Klik op Start als u de correctie van de kleurregistratie automatisch wilt laten uitvoeren.
Kleurregistergrafiek
Klik op Starten als u een kleurregistratiegrafiek wilt afdrukken. De kleurregistratiegrafiek drukt een
rasterpatroon af van regels in geel, magenta en cyaan. Op de grafiek staan aan de rechterkant de
waarden die naast de meest rechte regels voor ieder van de drie kleuren staan. Als de waarde voor
de meest rechte regel 0 is, is aanpassing van de kleurregistratie niet nodig. Als de waarde voor de
meest rechte regel niet 0 is, geeft u de aanpassingwaarden op onder Instellingen
kleurregistratie.
Nummer invoeren
Geeft de waarden op voor laterale (loodrecht op de richting van papierinvoer) kleuraanpassing,
afzonderlijk voor LinksGeel, LinksMagenta, LinksCyaan, RechtsGeel, RechtsMagenta en
RechtsCyaan.
Hoogte instellen
Toepassing:
Om de hoogte op te geven van de locatie waar de printer zich bevindt, want dit heeft gevolgen voor de afdrukkwaliteit.
Het ontladingsverschijnsel voor het opladen van de fotogeleider verschilt bij verschillende waarden van de barometerdruk.
Aanpassingen worden uitgevoerd door het opgeven van de hoogte van de locatie waar de printer wordt gebruikt.
Terugstellen
Toepassing:
Het initialiseren van het NV-geheugen (non-volatile). Na het uitvoeren van deze functie voor het opnieuw automatisch
opstarten en rebooten van de printer worden alle menuparameters teruggezet op hun standaardwaarden.
Waarden:
Terugstellen en printer
herstarten
Klik op Start om de instellingen op de standaardwaarde terug te zetten en de printer
opnieuw te starten.
Wizard inschakelen
Klik op Start om de opstartwizard te starten en de aanvankelijke configuratie uit te
voeren.
Bewaren
Toepassing:
Alle bestanden die zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de optionele harde schijf wissen of de optionele harde schijf
formatteren.
Waarden:
Opslag
wissen
*1
Alles wissen
Klik op Start als u alle bestanden wilt wissen die als Veilige afdruk of Proefafdruk op de RAM-
schijf of de optionele harde schijf zijn opgeslagen.
Beveiligd
document
Klik op Start als u alle bestanden wilt wissen die als Veilige afdruk op de RAM-schijf of op de
optionele harde schijf zijn opgeslagen.
Opgeslagen
document
Klik op Start als u alle bestanden wilt wissen die op de RAM-schijf of op de optionele harde
schijf zijn opgeslagen.
V schijf
format
*2
Klikt op Start als u de optionele harde schijf wilt formatteren. Alle lettertypen, formulieren en bestanden voor
Veilige afdruk en Proefafdruk die op de optionele harde schijf zijn opgeslagen, worden gewist.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de RAM-schijf is aangezet of de als optie verkrijgbare harde schijf is
geïnstalleerd.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd.
Geen Dell-toner
Toepassing:
Bepalen of er een tonercartridge van een andere fabrikant kan worden gebruikt.
OPMERKING: Zorg dat u de printer opnieuw start voordat u een tonercartridge van een ander merk gaat gebruiken.
VOORZICHTIG: Het gebruik van een andere tonercartridge dan van Dell kan tot gevolg hebben dat enkele functies van
de printer niet meer beschikbaar zijn, de afdrukkwaliteit afneemt en de printer minder betrouwbaar wordt. Wij raden
het gebruik van een nieuwe Dell-tonercassette aan voor uw printer. Onder de garantie van Dell vallen niet problemen
die veroorzaakt worden door het gebruik van accessoires, onderdelen of componenten die niet door Dell worden
geleverd.
Afdrukmeter initialiseren
Toepassing:
De afdrukmeter van de printer initialiseren. Wanneer de afdrukmeter wordt geïnitialiseerd, wordt de telling van de meter
teruggezet op 0.
Klokinstellingen
De klokinstellingen opgeven.
Waarden:
Datumnotatie Bepaalt de datumnotatie; jj/mm/dd, mm/dd/jj, of dd/mm/jj.
Tijdnotatie Bepaalt de standaardtijdnotatie; 12-uurs klok of 24-uurs klok.
Tijdzone Bepaalt de standaardtijdzone.
Datum instellen Bepaalt de huidige datum.
Tijd instellen Bepaalt de huidige tijd.
Weblink-aanpassing
Toepassing:
Specificeert een koppeling voor het bestellen van verbruiksmaterialen, die geopend kan worden via Bestel supplies op: in
het linkerkader.
Waarden:
Nabestel URL
selecteren
Selecteer de een standaard- of premier-URL die moet worden gekoppeld aan Bestel supplies op:.
Standaard
Toont de standaard URL (http://accessories.us.dell.com/sna
) die kan worden gekoppeld aan
Bestel supplies op:.
Premier
Toont de premier URL (http://premier.dell.com
) die kan worden gekoppeld aan Bestel supplies
op:.
Afdrukserverinstellingen
Stel in het menu Afdrukserverinstellingen het type printer-interface en de vereiste voorwaarden voor communicatie in.
De volgende tabbladpagina's worden boven in rechterkader getoond.
Afdrukserverrapporten
Op het tabblad Afdrukserverrapporten vindt u de Instellingenpagina afdrukserver, de NetWare instellingenpagina
en de Instellingenpagina e-mailwaarschuwing.
Instellingenpagina afdrukserver
Toepassing:
Ter controle van de huidige instellingen voor TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol) en de afdrukpoorten. Op
deze pagina kunt u de instelling van onderdelen alleen controleren. Als u de instellingen wilt wijzigen, gaat u naar de pagina's
op het tabblad Afdrukserverinstellingen.
Waarden:
Ethernet
*1
Ethernet-instellingen
Toont de huidige instellingen voor de Ethernet-overdrachtsnelheid en
de duplex-instellingen.
Huidige Ethernet-
instellingen
Toont de huidige Ethernet-instellingen.
MAC-adres Toont het MAC-adres van de printer.
Draadloze
instellingen
*2
SSID Toont de naam waarmee het netwerk wordt aangeduid.
Netwerktype Toont het netwerktype vanuit de modus Ad-hoc of Infrastructuur.
MAC-adres Toont het MAC-adres van de draadloze adapter.
Link kanaal Toont het kanaalnummer van de verbinding.
Link kwaliteit Toont de kwaliteit van de verbinding.
IP-modus Toont de IP-modus.
Hostnaam Toont de hostnaam.
IP-adresmodus Toont de IP-adresmodus.
IP-adres Toont het IP-adres.
TCP/IP-
instellingen
IPv4
*3
Subnetmasker Toont het subnetmasker.
Gateway-adres Toont het gateway-adres.
IPv6
*4
Stateless
adres mog.
Toont of het adres zonder status moet worden
ingeschakeld.
Handmatig
adres
gebruiken
Toont of u zelf het IP-adres moet instellen.
Handmatig
adres
*5
Toont het IP-adres.
Adres 1-3
zonder status
*6
Toont de adressen zonder status.
Link lokaal
adres
*6
Toont het link lokaal adres.
Handmatig
Gateway-
adres
*5
Toont het gateway-adres.
Gateway-adres
automatisch
configureren
*6
Toont het gateway-adres.
DNS
IPv4
*3
DNS-
serveradres
ophalen
van DHCP
Toont of automatisch een DNS-serveradres (Domain
Name System) moet worden opgehaald uit de DHCP-
server (Dynamic Host Configuration Protocol).
Huidig DNS-
serveradres
Toont het DNS-serveradres.
IPv6
*4
DNS-
serveradres
ophalen van
DHCPv6-lite
Toont of automatisch een DNS-serveradres wordt
opgehaald uit de DHCPv6-lite-server.
Huidig DNS-
serveradres
Toont het DNS-serveradres.
DNS-dynamische
update (IPv4)
Toont de status van de functie DNS-dynamische update.
DNS-dynamische
update (IPv6)
Toont de status van de functie DNS-dynamische update.
Zoeklijst
automatisch
genereren
Laat zien of automatisch een zoeklijst moet worden gegenereerd.
Domeinnaam zoeken Toont de naam van het zoekdomein.
Time-out Toont de time-outperiode.
Voorrang aan IPv6
DNS-
naamresolutie
*7
Toont of de functie DNS-naamresolutie moet worden gebruikt.
LPD
Poortstatus Toont de poortstatus.
Time-out verbinding Toont de time-outperiode voor de verbinding.
Port9100
Poortstatus Toont de poortstatus.
Poortnummer Toont het poortnummer.
Time-out verbinding Toont de time-outperiode voor de verbinding.
Poortstatus Toont de poortstatus.
IPP
Printer URI Toont de Printer URI.
Time-out verbinding Toont de time-outperiode voor de verbinding.
Poortnummer Toont het poortnummer.
Maximum sessies
Toont het hoogste aantal verbindingen dat tegelijkertijd wordt ontvangen
door de client.
WSD
Poortstatus Toont de status van de WSD-poort.
Poortnummer Toont het nummer van de WSD-poort.
Time-out ontvangen Toont de time-outperiode voor ontvangen.
Wachttijdbericht Toont de time-outperiode voor meldingen.
Maximaal aantal TTL Toont het maximale aantal TTL's.
Maximaal aantal
berichtgeving
Toont het maximale aantal meldingen.
FTP
Poortstatus Toont de poortstatus.
Time-out verbinding Toont de time-outperiode voor de verbinding.
HTTP
Poortstatus Toont de poortstatus.
Poortnummer Toont het poortnummer.
Gelijktijdige
verbindingen
Toont het aantal verbindingen dat tegelijkertijd wordt ontvangen door
de client.
Time-out verbinding Toont de time-outperiode voor de verbinding.
Bonjour (mDNS)
Poortstatus Toont de poortstatus.
Hostnaam Toont de hostnaam.
Printernaam Toont de naam van de printer.
Telnet
Poortstatus Toont de poortstatus.
Time-out verbinding Toont de time-outperiode voor de verbinding.
SNMP
Poortstatus Toont de poortstatus.
Activeer SNMP
v1/v2c Protocol
Toont de status van de functie SNMP v1/v2c.
Activeer SNMP v3
Protocol
Toont de status van de functie SNMP v3.
Verificatiesysteem
Instellingen
verificatiesysteem
Toont de verificatiemethode.
SSL/TLS
Communicatie
tussen HTTP -
SSL/TLS
Toont de status van de functie Communicatie tussen HTTP - SSL/TLS.
Poortnummer voor
communicatie tussen
HTTP - SSL/TLS
Toont poortnummer voor communicatie tussen HTTP - SSL/TLS
Communicatie
tussen LDAP -
SSL/TLS
*8
Toont de status van de functie Communicatie tussen LDAP - SSL/TLS.
Certificaat van
externe server
controleren
*8
Toont de status van het Certificaat van externe server controleren.
IPsec-instellingen
Protocol Toont de protocolstatus.
IKE Toont de IKE-verificatie.
*1
Activeer IEEE 802.1x Toont de status van IEEE 802.1x.
802.1x
Verificatiemethode Toont de instelling van de verificatiemethode voor IEEE 802.1x.
IP-filter (IPv4)
*9
Adres Toont de lijst van IP-adressen die wel of geen toegang tot de printer krijgen.
Adresmasker
Toont de lijst van subnetmasker die wel of geen toegang tot de printer
krijgen.
Actieve modus Toont of toegang tot de printer wordt toegelaten of geweigerd.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de printer via een kabelnetwerk is aangesloten.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de printer via een draadloos netwerk is aangesloten.
*3
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als IPv4-modus is geselecteerd.
*4
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als IPv6-modus is geselecteerd.
*5
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als Handmatig adres gebruiken is ingesteld op Aan.
*6
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als een IP-adres is toegewezen.
*7
Dit onderdeel is alleen beschikbaar bij gebruik van de modus IPv6 dual.
*8
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan voor codering.
*9
Dit onderdeel is alleen beschikbaar voor LPD of Port9100.
NetWare instellingenpagina
Toepassing:
De huidige instellingen van NetWare controleren. Op deze pagina kunt u de instelling van onderdelen alleen controleren. Als u
de instellingen wilt wijzigen, gaat u naar de pagina's op het tabblad Afdrukserverinstellingen.
Waarden:
NetWare
Poortstatus
Toont de poortstatus. Wanneer NetWare is geïmplementeerd, wordt de status van TCP/IP
ook weergegeven.
Apparaatnaam Toont de naam van de printer.
Actieve modus Toont de huidige modus voor Actieve modus.
Structuurnaam Toont de structuurnaam.
Contextnaam Toont de contextnaam van het afdrukserverobject.
Afroepinterval
Toont de tijdsinterval in vanaf het moment dat afdrukgegevens de afdrukwachtrij bereiken
totdat het afdrukken begint.
Statusinformatie Toont berichten afhankelijk van de toestand van de printer.
SLP Active Discovery Toont of Active Discovery is ingeschakeld.
Instellingenpagina e-mailwaarschuwing
Toepassing:
De huidige instellingen voor SMTP/POP (Simple Mail Transfer Protocol/Post Office Protocol) controleren die gebruikt worden
voor de e-mailfunctie en de functie e-mailwaarschuwing. Op deze pagina kunt u de instelling van onderdelen alleen
controleren. Als u de instellingen wilt wijzigen, gaat u naar de pagina's op het tabblad Afdrukserverinstellingen.
Waarden:
Poortstatus Toont de poortstatus.
Instellingen e-
mailserver
Primaire SMTP-
gateway
Toont de primaire SMTP-gateway (Simple Mail Transfer Protocol).
SMTP-poortnummer Toont het SMTP-poortnummer.
Verzendverificatie e-
mail
Toont de verificatiemethode voor uitgaande e-mail.
POP3-serveradres Toont het adres van de POP3-server (Post Office Protocol 3).
POP3-poortnummer Toont het POP3-poortnummer.
Antwoordadres
Bepaalt het e-mailantwoordadres dat wordt verzonden met elke e-
mailwaarschuwing.
SMTP-
serververbinding
Toont de status van de SMTP-serververbinding.
Instellingen e-
mailwaarschuwing
E-Maillijst 1
Toont de acceptabele e-mailadressen voor de e-mailwaarschuwingsfunctie
die is gekozen in E-Maillijst 1.
Selecteer
waarschuwingen
voor lijst 1
Supplieswaarschuwingen
Toont de status en of een e-mailwaarschuwing
voor de verbruiksmaterialen wordt ontvangen.
Waarschuwingen
papierverwerking
Toont de status en of een e-mailwaarschuwing
voor de papierverwerking wordt ontvangen.
Servicebezoek
Toont de status en of een e-mailwaarschuwing
voor onderhoudsoproepen wordt ontvangen.
E-Maillijst 2
Toont de acceptabele e-mailadressen voor de e-mailwaarschuwingsfunctie
die is gekozen in E-Maillijst 2.
Selecteer
waarschuwingen
voor lijst 2
Supplieswaarschuwingen
Toont de status en of een e-mailwaarschuwing
voor de verbruiksmaterialen wordt ontvangen.
Waarschuwingen
papierverwerking
Toont de status en of een e-mailwaarschuwing
voor de papierverwerking wordt ontvangen.
Servicebezoek
Toont de status en of een e-mailwaarschuwing
voor onderhoudsoproepen wordt ontvangen.
Afdrukserverinstellingen
Op het tabblad Afdrukserverinstellingen vindt u de pagina's Basisinformatie, Poortinstellingen, TCP/IP, NetWare, E-
mailwaarschuwing, Bonjour (mDNS), SNMP, Draadloze LAN en Afdrukserver resetten.
Basisinformatie
Toepassing:
Het configureren van de basisgegevens voor de printer.
Waarden:
Systeeminstellingen
Printernaam Bepaalt de naam van de printer in maximaal 31 alfanumerieke tekens.
Locatie Bepaalt de plaats van de printer in maximaal 63 alfanumerieke tekens.
Contactpersoon
Bepaalt de contactnaam, het nummer en andere informatie over de
printerbeheerder en de onderhoudsdienst in maximaal 63 alfanumerieke
tekens.
E-mailadres
beheerder
Bepaalt het contactadres van de printerbeheerder en de onderhoudsdienst
in maximaal 64 alfanumerieke tekens.
Asset-tagnummer Voer het asset-tagnummer in voor de printer.
Auto-vernieuwen
Stelt in of de inhoud van de statusweergavepagina's wel of
niet automatisch ververst wordt.
EWS-instellingen
Auto-
vernieuwingsinterval
Bepaalt het tijdsinterval voor het automatisch vernieuwen van de inhoud
van de statusweergavepagina's, van 15 tot 600 seconden.
OPMERKING: De functie Auto-vernieuwen is van toepassing op de inhoud van het bovenkader, de pagina
Printerstatus, de pagina Taaklijst en de pagina Voltooide taken.
Poortinstellingen
Toepassing:
Voor het activeren of uitschakelen van de afdrukpoorten en de beheerprotocolfuncties.
Waarden:
Ethernet
*1
Ethernet-
instellingen
Auto
Voor automatische detectie van de Ethernet-overdrachtsnelheid
en de duplex-instellingen.
10Base-T
Half-Duplex
Stelt 10Base-T Half-Duplex in als de standaardwaarde.
10Base-T
Full-Duplex
Stelt 10Base-T Full-Duplex in als de standaardwaarde.
100Base-TX Half-
Duplex
Stelt 100Base-T Half-Duplex in als de standaardwaarde.
100Base-TX Full-
Duplex
Stelt 100Base-T Full-Duplex in als de standaardwaarde.
1000Base-T Full-
Duplex
Stelt 1000Base-T Full-Duplex in als de standaardwaarde.
Huidige Ethernet-instellingen Toont de huidige instellingen voor Ethernet.
MAC-adres Toont het MAC-adres van de printer.
Poortstatus
LPD Selecteer het aankruisvakje als u LPD wilt inschakelen.
Port9100 Selecteer het aankruisvakje als u Port9100 wilt inschakelen.
IPP Selecteer het aankruisvakje als u de IPP-poort wilt inschakelen.
WSD Selecteer het aankruisvakje als u de WSD-poort wilt inschakelen.
FTP Selecteer het aankruisvakje als u FTP wilt inschakelen.
NetWare
Selecteer het aankruisvakje als u de NetWare-poort wilt inschakelen. U kunt ook het te
gebruiken overdrachtprotocol configureren. U kunt TCP/IP tegelijk kiezen als
overdrachtprotocol.
Bonjour (mDNS) Selecteer het aankruisvakje als u de functie Bonjour (mDNS) wilt inschakelen.
E-
mailwaarschuwing
Selecteer het aankruisvakje als u de functie E-mailwaarschuwing wilt inschakelen.
Telnet Schakel het selectievakje in om Telnet in te schakelen.
SNMP
Selecteer het aankruisvakje als u SNMP (Simple Network Management Protocol)
wilt inschakelen.
U kunt ook het te gebruiken overdrachtprotocol configureren. UDP en IPX kunnen
tegelijk worden geselecteerd als overdrachtprotocol.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar wanneer de printer via een kabelnetwerk is aangesloten.
OPMERKING: De instellingen op de pagina Poortinstellingen gaan pas gelden nadat u de printer opnieuw hebt
gestart. Als u de instellingen wijzigt of configureert, klikt u op de knop Nieuwe instellingen toepassen als u de
nieuwe instellingen wilt toepassen.
TCP/IP
Toepassing:
Het configureren van het IP-adres, het subnetmasker en het gateway-adres van de printer.
Waarden:
TCP/IP-
instellingen
IP-modus Bepaalt de IP-modus.
Hostnaam Bepaalt de hostnaam.
IPv4
IP-adresmodus Selecteert de IP-adresmodus.
Handmatig IP-
adres
Stelt het IP-adres in.
Handmatig
Subnetmasker
Stelt het subnetmasker in.
Handmatig
Gateway-adres
Stelt het gateway-adres in.
IPv6
Stateless adres
mog.
Selecteer het aankruisvakje als u het adres zonder status wilt
inschakelen.
Handmatig
adres
gebruiken
Selecteer het keuzevakje als u het IP-adres zelf wilt instellen.
Handmatig
adres
Stelt het IP-adres in. Voer als u een IPv6-adres wilt opgeven, het
adres in gevolgd door een slash (/) en daarna "64". Wend u tot uw
systeembeheerder voor nadere inlichtingen.
Handmatig
Gateway-adres
Stelt het gateway-adres in.
DNS
DNS-
Domeinnaam
Bepaalt de domeinnaam van de domeinnaamserver. U kunt maximaal 255 alfanumerieke
tekens, punten en koppelstreepjes gebruiken. Als u meer dan één domeinnaam moet
opgeven, plaats er dan een komma of puntkomma tussen.
IPv4
DNS-
serveradres
ophalen van
DHCP
Selecteer het keuzevakje als u het DNS-serveradres automatisch van
de DHCP-server wilt ophalen.
Handmatig
DNS-
serveradres
Stelt het DNS-serveradres in.
IPv6
DNS-
serveradres
ophalen van
DHCPv6-lite
Selecteer het keuzevakje als u het DNS-serveradres automatisch van
de DHCPv6-lite-server wilt ophalen.
Handmatig
DNS-
serveradres
Stelt het DNS-serveradres in.
DNS-
dynamische
update (IPv4)
Selecteer het keuzevakje als u dynamische updates op DNS wilt inschakelen.
DNS-
dynamische
update (IPv6)
Selecteer het keuzevakje als u dynamische updates op DNS wilt inschakelen.
Zoeklijst
automatisch
genereren
Selecteer het selectievakje als u de zoeklijst automatisch wilt laten genereren.
Domeinnaam
zoeken
Bepaalt de naam van het zoekdomein. U kunt maximaal 255 alfanumerieke tekens,
punten en koppelstreepjes gebruiken. Als u meer dan één domeinnaam moet opgeven,
plaats er dan een komma of puntkomma tussen.
Time-out Bepaalt het aantal seconden voor de time-out, tussen 1 en 60.
Voorrang aan
IPv6 DNS-
naamresolutie
Selecteer het aankruisvakje als u de functie DNS-naamresolutie wilt inschakelen.
LPD
Time-out
verbinding
Stelt de time-outperiode voor verbinding in van 1 tot 1000 seconden.
IP-filter (IPv4)
Als u de IP-filterinstellingen wilt instellen, klikt u op IP-filter (IPv4). De pagina IP-filter
(IPv4) wordt weergegeven.
Port9100
Poortnummer Stelt het poortnummer in van 9000 tot 9999.
Time-out
verbinding
Stelt de time-outperiode voor verbinding in, tussen 1 en 1000 seconden.
IP-filter (IPv4)
Als u de IP-filterinstellingen wilt instellen, klikt u op IP-filter (IPv4). De pagina IP-filter
(IPv4) wordt weergegeven.
IPP
Printer URI Toont de Printer URI.
Time-out
verbinding
Stelt de time-outperiode voor verbinding in van 1 tot 1000 seconden.
Poortnummer Toont het poortnummer voor het ontvangen van verzoeken van de client.
Maximum
sessies
Toont het hoogste aantal verbindingen dat tegelijkertijd wordt ontvangen door de client.
WSD
Poortnummer Stelt het poortnummer in op 80, of van 8000 tot 9999.
Time-out
ontvangen
Stelt de time-outperiode voor ontvangen in, van 1 tot 65.535 seconden.
Wachttijdbericht Stelt de time-outperiode voor meldingen in, van 1 tot 60 seconden.
Maximaal aantal
TTL
Stelt het maximum aantal TTL in, van 1 tot 10.
Maximaal aantal
berichtgeving
Stelt het maximum aantal meldingen in, van 10 tot 20.
FTP
Wachtwoord Stelt het wachtwoord in voor FTP.
Wachtwoord
bevestigen
Bevestig door het wachtwoord nogmaals in te voeren.
Time-out
verbinding
Stelt de time-outperiode voor verbinding in van 1 tot 1000 seconden.
HTTP
Poortnummer Stelt het poortnummer in op 80, of van 8000 tot 9999.
Gelijktijdige
verbindingen
Toont het hoogste aantal verbindingen dat tegelijkertijd wordt ontvangen door de client.
Time-out
verbinding
Stelt de time-outperiode voor verbinding in van 1 tot 255 seconden.
Telnet
Wachtwoord Stelt het wachtwoord in voor Telnet.
Wachtwoord
bevestigen
Bevestig door het wachtwoord nogmaals in te voeren.
Time-out
verbinding
Stelt de time-outperiode voor verbinding in van 1 tot 1000 seconden.
NetWare
Toepassing:
Gedetailleerde instellingen voor NetWare configureren.
Waarden:
NetWare
Apparaatnaam
Bepaalt de printernaam van maximaal 47 alfanumerieke tekens.
Stel Servernaam afdrukken (naam afdrukserverobject) in voor de PServer-modus. De
oorspronkelijke instelling blijft gelden als u niets invoert.
Actieve modus
Directory: PServer-
modus
Selecteert deze optie bij gebruik in Directory: PServer-
modus.
Binderij PServer-modus Selecteert deze optie bij gebruik in Binderij: PServer-modus.
Structuurnaam
Bepaalt de structuurnaam van maximaal 32 alfanumerieke tekens. Configureer dit item
alleen als Directory: PServer-modus is geselecteerd.
Contextnaam
Bepaalt de contextnaam van het Afdrukserverobject in maximaal 255 alfanumerieke tekens.
Configureer dit item alleen als Directory: PServer-modus is geselecteerd.
Afroepinterval
Stelt het tijdsinterval in van het moment dat afdrukgegevens de afdrukwachtrij bereiken
totdat het afdrukken begint. Het instelbereik is van 1 tot 1000 seconden. De oorspronkelijke
instelling blijft gelden als u niets invoert. Configureer dit item alleen als Binderij: PServer-
modus of Directory: PServer-modus is geselecteerd.
Wachtwoord
Stelt het wachtwoord voor de afdrukserver in, van maximaal 32 alfanumerieke tekens.
Configureer dit item alleen als Binderij: PServer-modus of Directory: PServer-modus is
geselecteerd.
Wachtwoord
bevestigen
Voer het wachtwoord opnieuw in.
Statusinformatie Toont de status van NetWare.
SLP Active Discovery Selecteer het keuzevakje als u Active Discovery wilt inschakelen.
OPMERKING: De instellingen op de pagina NetWare zullen pas gelden wanneer u NetWare of de printer opnieuw hebt
gestart. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen als u de nieuwe instellingen wilt toepassen.
E-mailwaarschuwing
Toepassing:
Het configureren van gedetailleerde instellingen voor de e-mailwaarschuwing. U kunt deze pagina ook weergegeven door te
klikken op E-mailwaarschuwing in het linkerkader.
Waarden:
Instellingen e-
mailserver
Primaire SMTP-gateway Stelt de primaire SMTP-gateway in.
SMTP-poortnummer
Bepaalt het nummer van de SMTP-poort. Dit moet 25, 587 of een getal
tussen 5000 en 65.535 zijn.
Verzendverificatie e-
mail
Bepaalt de verificatiemethode voor uitgaande e-mail.
SMTP-gebruikerslogin
Bepaalt de SMTP-gebruikerslogin. U kunt tot 63 letters en cijfers,
punten en koppelstreepjes, onderstrepingen en apenstaartjes (@)
gebruiken. Als u meer dan één adres opgeeft, plaatst u komma's tussen
de adressen.
SMTP-loginwachtwoord
Bepaalt het wachtwoord voor de SMTP-account, van maximaal 31
alfanumerieke tekens.
SMTP-loginwachtwoord
opnieuw invoeren
Voer het wachtwoord voor de SMTP-account ter bevestiging nogmaals in.
POP3-serveradres
*1
Bepaalt het POP3-serveradres in een IP-adresformaat van
"aaa.bbb.ccc.ddd" of als DNS-hostnaam van maximaal 63 tekens.
POP3-poortnummer
*1
Bepaalt het POP3-serverpoortnummer. Dit moet 110 of een getal tussen
5000 en 65.535 zijn.
*1
Bepaalt de gebruikersnaam voor de POP3-account.
U kunt tot 63 letters en cijfers, punten en koppelstreepjes,
POP-gebruikersnaam
onderstrepingen en apenstaartjes (@) gebruiken. Als u meer dan één
adres opgeeft, plaatst u komma's tussen de adressen.
POP-
gebruikerswachtwoord
*1
Bepaalt het wachtwoord voor de POP3-account, van maximaal 31
alfanumerieke tekens.
POP-
gebruikerswachtwoord
opnieuw invoeren
*1
Voer het wachtwoord voor de POP3-account ter bevestiging nogmaals in.
Antwoordadres
Bepaalt het e-mailantwoordadres dat wordt verzonden met elke e-
mailwaarschuwing.
SMTP-serververbinding Toont de status van de SMTP-serververbinding.
Instellingen e-
mailwaarschuwing
E-Maillijst 1
Stelt de acceptabele e-mailadressen voor de e-
mailwaarschuwingsfunctie in op maximaal 255 alfanumerieke tekens.
Selecteer
waarschuwingen voor
lijst 1
Supplieswaarschuwingen
Markeer het keuzevakje als u de e-
mailwaarschuwing voor
verbruiksmaterialen wilt inschakelen.
Waarschuwingen
papierverwerking
Markeer het keuzevakje als u de e-
mailwaarschuwing voor papierverwerking
wilt inschakelen.
Servicebezoek
Markeer het keuzevakje als u de e-
mailwaarschuwing voor
onderhoudsoproepen wilt inschakelen.
E-Maillijst 2
Stelt de acceptabele e-mailadressen voor de e-
mailwaarschuwingsfunctie in op maximaal 255 alfanumerieke tekens.
Selecteer
waarschuwingen voor
lijst 2
Supplieswaarschuwingen
Markeer het keuzevakje als u de e-
mailwaarschuwing voor
verbruiksmaterialen wilt inschakelen.
Waarschuwingen
papierverwerking
Markeer het keuzevakje als u de e-
mailwaarschuwing voor papierverwerking
wilt inschakelen.
Servicebezoek
Markeer het keuzevakje als u de e-
mailwaarschuwing voor
onderhoudsoproepen wilt inschakelen.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als POP before SMTP voor de Verzendverificatie e-mail is geselecteerd.
Bonjour (mDNS)
Toepassing:
Gedetailleerde instellingen voor Bonjour configureren.
Waarden:
Hostnaam
Bepaalt de hostnaam op maximaal 63 alfanumerieke tekens en "-" (koppelstreepje). De oorspronkelijke
instelling blijft gelden als u niets invoert.
Printernaam
Bepaalt de printernaam van maximaal 63 alfanumerieke tekens en tekens uit de tekensets. De
oorspronkelijke instelling blijft gelden als u niets invoert.
SNMP
Toepassing:
Het configureren van gedetailleerde instellingen voor SNMP.
Waarden:
Activeer SNMP v1/v2c
Protocol
Selecteer het keuzevakje als u het SNMP v1/v2c-protocol wilt inschakelen.
Eigenschappen
SNMP v1/v2c aanpassen
Klik als u de pagina SNMP v1/v2c wilt weergeven en de instelling van het SNMP v1/v2c-
protocol vanaf die pagina wilt bewerken.
Activeer SNMP v3 Protocol Selecteer het keuzevakje als u het SNMP v3-protocol wilt inschakelen.
Eigenschappen SNMP v3
aanpassen
Klik als u de pagina SNMP v3 wilt weergeven en de instelling van het SNMP v3-protocol
vanaf die pagina wilt bewerken.
Als SSL-communicatie niet is ingeschakeld, kunt u dit item niet aanklikken.
SNMP v1/v2c
Toepassing:
De gedetailleerde instellingen van het SNMP v1/v2c-protocol bewerken.
U komt op deze pagina als u klikt op Eigenschappen SNMP v1/v2c aanpassen op de pagina SNMP.
Waarden:
Gebruikersgroepnaam
(Alleen lezen)
*1
Bepaalt de gebruikersgroepnaam voor toegang (alleen lezen) tot de gegevens, van maximaal 31
alfanumerieke tekens.
De oorspronkelijke instelling blijft gelden als u niets invoert. De tekens die voor de
gebruikersgroepnaam zijn ingevoerd in de vorige instellingen worden niet op het scherm getoond.
De standaardgebruikersgroep Lezen is openbaar.
Gebruikersgroepnaam
opnieuw invoeren
(Alleen lezen)
*1
Voer de gebruikersgroepnaam (alleen lezen) voor toegang tot gegevens nogmaals ter bevestiging
in.
Gebruikersgroepnaam
(Lezen/schrijven)
*1
Bepaalt de gebruikersgroepnaam voor toegang (lezen en schreven) tot de gegevens, van
maximaal 31 alfanumerieke tekens.
De oorspronkelijke instelling blijft gelden als u niets invoert. De tekens die voor de
gebruikersgroepnaam zijn ingevoerd in de vorige instellingen worden niet op het scherm getoond.
De standaardgebruikersgroep lezen/schrijven is persoonlijk.
Gebruikersgroepnaam
opnieuw invoeren
(Lezen/schrijven)
*1
Voer de gebruikersgroepnaam (lezen en schrijven) voor toegang tot gegevens nogmaals ter
bevestiging in.
Gebruikersgroepnaam
(Trap)
*1
Bepaalt de gebruikersgroepnaam voor trap, van maximaal 31 alfanumerieke tekens.
De oorspronkelijke instelling blijft gelden als u niets invoert. De tekens die voor de
gebruikersgroepnaam (Trap) zijn ingevoerd bij de vorige instellingen worden niet op het scherm
getoond. De standaard trap-gebruikersgroep is "" (NULL).
Gebruikersgroepnaam
opnieuw invoeren
(Trap)
*1
Voer de gebruikersgroepnaam die wordt gebruikt voor trap nogmaals ter bevestiging in.
Trap-bericht 1-4
Selecteer het keuzevakjes om melding te maken van het voorkomen van traps. Geef in dat geval
het IP-adres en de IP-socket op in de volgende indeling:
IPv4
Geef het IP-adres en de IP-socket op in de indeling nnn.nnn.nnn.nnn:mmmmm. Elke groep van
"nnn" is een waarde van 0 tot 255. N.B.: de waarden 127 en 224 t/m 254 zijn niet te gebruiken
voor de eerste drie cijfers. IP-socket mmmmm is een waarde tussen 0 en 65.535.
IPv6
Geef het IP-adres en de IP-socket op in de indeling
xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:mmmmm. Ieder gedeelte "xxxx" is een hexadecimale
variabele waarde tussen 0 en ffff. IP-socket mmmmm is een waarde tussen 0 en 65.535.
Fouttrap bevestigen Markeer het keuzevakje als u melding wilt geven van Fouttrap bevestigen.
*1
U kunt de standaardwaarde van elk van de items wijzigen met behulp van Dell Printer Configuration Web Tool.
SNMP v3
Toepassing:
De gedetailleerde instellingen van het SNMP v3-protocol bewerken.
U komt op deze pagina als u klikt op Activeer SNMP v3 Protocol op de pagina SNMP.
Waarden:
Beheerders-account
Account geactiveerd Selecteer het keuzevakje als u de beheerdersaccount wilt inschakelen.
Gebruikersnaam Voer de gebruikersnaam van de beheerdersaccount in.
Verificatiewachtwoord
Bepaalt het verificatiewachtwoord van de beheerdersaccount, van 8
tot 32 alfanumerieke tekens.
Verificatiewachtwoord
opnieuw invoeren
Bevestig het verificatiewachtwoord van de beheerdersaccount door
het opnieuw in te voeren.
Prive-wachtwoord
Bepaalt het privacywachtwoord van de beheerder-account, van
8 tot 32 alfanumerieke tekens.
Prive-wachtwoord
opnieuw invoeren
Bevestig het privacywachtwoord van de beheerdersaccount door
het opnieuw in te voeren.
Printerdrivers/Externe
clienten-account
Account geactiveerd
Selecteer het keuzevak als u de printerstuurprogramma's
en de remote client-account wilt inschakelen.
Terugstellen op
oorspronkelijk
wachtwoord
Klik als u het wachtwoord voor de printerstuurprogramma's en de
remote client-account wilt terugzetten op de standaardinstelling.
Draadloze LAN
Toepassing:
De gedetailleerde instellingen voor het draadloze netwerk configureren.
Als u de draadloze adapter wilt gebruiken, moet de netwerkkabel absoluut zijn losgekoppeld.
OPMERKING: Op het moment dat het draadloze LAN wordt geactiveerd, wordt het protocol voor bekabelde LAN
uitgeschakeld.
Waarden:
Draadloze
instellingen
SSID
Bepaalt de naam waarmee het draadloze netwerk wordt aangeduid. Tot 32
alfanumerieke tekens.
Netwerktype Bepaalt of het netwerktype Ad-Hoc of Infrastructuur is.
MAC-adres Toont het MAC-adres van de draadloze netwerkadapter van de printer.
Link kanaal Toont het kanaalnummer van de draadloze verbinding van de printer.
Link kwaliteit Toont de kwaliteit van de draadloze netwerkverbinding van de printer.
Selecteer de beveiligingsmethode uit de lijst.
Geen beveiliging
Geef Geen beveiliging op als u de draadloze instelling wilt
configureren zonder een beveiligingsmethode te kiezen uit WEP,
WPA-PSK en WPA-Enterprise.
Bepaalt de WEP die via het draadloze netwerk moet worden
Veiligheids
instellingen
Codering
WEP
gebruikt.
WPA-PSK
(WPA2-PSK)
*1, 2
Bepaalt de WPA-PSK die via het draadloze netwerk moet worden
gebruikt.
WPA-Enterprise
(WPA2-
Enterprise)
*2, 3,
4
Bepaalt de WPA-Enterprise die via het draadloze netwerk moet
worden gebruikt.
WEP
Codering Maak voor de WEP-sleutelcode een keuze uit Hex en Ascii.
WEP-sleutel 1
Bepaalt alleen de WEP-sleutelset die wordt gebruikt via het draadloze netwerk als
WEP 128bit of WEP 64bit is geselecteerd voor Codering.
WEP-code 1
opnieuw invoeren
Voer ter bevestiging de WEP-code 1 opnieuw in.
WEP-sleutel 2
Bepaalt alleen de WEP-sleutelset die wordt gebruikt via het draadloze netwerk als
WEP 128bit of WEP 64bit is geselecteerd voor Codering.
WEP-code 2
opnieuw invoeren
Voer ter bevestiging de WEP-sleutel 2 opnieuw in.
WEP-sleutel 3
Bepaalt alleen de WEP-sleutelset die wordt gebruikt via het draadloze netwerk als
WEP 128bit of WEP 64bit is geselecteerd voor Codering.
WEP-code 3
opnieuw invoeren
Voer ter bevestiging de WEP-sleutel 3 opnieuw in.
WEP-sleutel 4
Bepaalt alleen de WEP-sleutelset die wordt gebruikt via het draadloze netwerk als
WEP 128bit of WEP 64bit is geselecteerd voor Codering.
WEP-code 4
opnieuw invoeren
Voer ter bevestiging de WEP-sleutel 4 opnieuw in.
Sleutel verzenden Bepaalt het type verzendsleutel uit de lijst.
WPA-PSK
Woordgroep
doorlaten
Bepaalt de woordgroep voor doorlaten.
Woordgroep
doorlaten
opnieuw invoeren
Voer ter bevestiging de Woordgroep doorlaten opnieuw in.
WPA-
Enterprise
*4,
5
Coderingsmethode Toont de coderingsmethode.
Aanmeldingsnaam Bepaalt de aanmeldingsnaam voor de verificatie.
EAP-Identity Bepaalt de EAP-Identity voor de verificatie.
Wachtwoord Bepaalt het wachtwoord.
Wachtwoord
bevestigen
Bevestig door het wachtwoord nogmaals in te voeren.
*1
Voor codering wordt de methode AES of TKIP gebruikt.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als voor Netwerktype de modus Infrastructuur is geselecteerd.
*3
Voor verificatie en codering door middel van een digitaal certificaat wordt de methode AES of TKIP gebruikt.
*4
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan voor codering.
*5
Om de instelling te activeren importeert u een certificaat met ondersteuning voor draadloze LAN (server) op de pagina's
SSL/TLS en schakelt u het betreffende certificaat van tevoren in.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar wanneer de printer via een draadloos netwerk wordt aangesloten.
OPMERKING: De optionele draadloze adapter biedt ondersteuning voor WEP, WPA-PSK-TKIP, WPA-PSK-AES en WPA-
PSK-AES.
Afdrukserver resetten
Toepassing:
Het initialiseren van non-volatile RAM (NVRAM) voor de netwerkfunctie en voor het herstarten van de printer. U kunt het
NVRAM van de printer ook initialiseren via Terugstellen in het menu Printerinstellingen.
Waarden:
Initialiseer NIC NVRAM-
geheugen en start printer
opnieuw op
Klik op Start als u het NVRAM-geheugen wilt initialiseren. De netwerkinstellingen worden
teruggezet op de oorspronkelijke fabrieksinstellingen en de netwerkfunctie wordt opnieuw
gestart.
Herstart printer Klik op Start als u de printer wilt herstarten.
Beveiliging
Het tabblad Beveiliging bevat Wachtwoord instellen, Verificatiesysteem, Kerberos-server, LDAP-server, LDAP-
verificatie, SSL/TLS, IPsec, 802.1x en IP-filter (IPv4).
Wachtwoord instellen
Toepassing:
Instellen of wijzigen van het wachtwoord dat nodig is voor de toegang tot de printerconfiguratieparameters vanuit de Dell
Printer Configuration Web Tool.
Stel het wachtwoord voor het operatorpaneel in via Paneelvergrendeling onder de Printerinstellingen. Deze pagina kan
ook worden weergegeven door te klikken op Wachtwoord instellen in het linkerkader.
OPMERKING: U kunt het wachtwoord terugzetten op de standaardinstelling (NULL) door het NVM-geheugen te
initialiseren.
Waarden:
Beheerderwachtwoord
Stelt het wachtwoord in, van maximaal 10 alfanumerieke tekens. In plaats van het wachtwoord
verschijnen er sterretjes (*) in het veld wanneer u het invoert.
Beheerderwachtwoord
bevestigen
Bevestig het wachtwoord door het nogmaals in te voeren.
Toegangsweigering
door het mislukken van
de verificatie van de
Beheerder
Bepaalt hoe lang de beheerder moet wachten op toegang tot de printerconfiguratie vanuit de
Dell Printer Configuration Web Tool. Stelt de wachttijd in van 5 tot 255 seconden. De toegang
wordt geweigerd als de time-outtijd wordt overschreden. Als u 0 instelt, wordt deze modus
uitgeschakeld.
Verificatiesysteem
Toepassing:
Opgeven van het verificatietype van de server, de time-out bij serverrespons of de time-out bij zoeken.
Waarden:
Instellingen
verificatiesysteem
Selecteer het verificatiesysteem uit de lijst.
Time-out bij
serverrespons
Specificeert hoe lang de printer moet wachten op een respons van de server. Stelt de wachttijd
in van 1 tot 75 seconden.
Time-out bij zoeken
Specificeert hoe lang de printer moet wachten op zoeken naar de server. Stelt de wachttijd in
van 5 tot 120 seconden.
Kerberos-server
Toepassing:
Het opgeven van de instellingen voor de Kerberos-server.
Waarden:
Naam/IP-adres van
primaire server & Poort
Stelt de naam of het IP-adres van de primaire server in en vervolgens het
poortadres. Het poortadres moet 88 of een getal tussen 5000 en 65.535 zijn.
Naam/IP-adres van
secundaire server & Poort
Stelt de naam of het IP-adres van de secundaire server in en vervolgens het
poortadres. Het poortadres moet 88 of een getal tussen 5000 en 65.535 zijn.
Domeinnaam Voer de domeinnaam in.
LDAP-server
Toepassing:
Het opgeven van de instellingen voor de LDAP-server.
Waarden:
Servergegevens
IP-
adres/hostnaam
back-upserver &
Poort
Stelt het IP-adres of de hostnaam in en vervolgens het poortadres. Het
poortadres moet 389, 636 of een getal tussen 5000 en 65.535 zijn.
IP-
adres/hostnaam
back-upserver &
Poort
Stelt het IP-adres of de hostnaam van de back-upserver in en vervolgens
het poortadres. Het poortadres moet 389, 636 of een getal tussen 5000 en
65.535 zijn.
LDAP-server Toont de huidige softwaregegevens van de LDAP-server.
Bewerkingsgegevens
Zoeken in
hoofdmap
van adreslijst
Voer de hoofdzoekmap in.
Aanmeldingsnaam Voer de aanmeldingsnaam van de beheerder in.
Wachtwoord
Voer het beheerderswachtwoord in, van 1 tot 127 alfanumerieke tekens. Als
het wachtwoord leeg wordt gelaten (NULL) kunt u zich niet aanmelden bij
een server.
Voer het
wachtwoord
opnieuw in
Bevestig door het beheerderswachtwoord nogmaals in te voeren.
Time-out bij
zoeken
Selecteer Wachtlimiet voor LDAP-server en de opgegeven wachttijd. De
opgegeven wachttijd moet tussen 5 en 120 seconden liggen.
LDAP-verificatie
Toepassing:
Het opgeven van de verificatiemethode van de LDAP-server.
Waarden:
Verificatiemethode Toont de verificatiemethode.
Toegevoegde tekenreeks gebruiken
Selecteer of de toegevoegde tekenreeks uit de lijst moet worden
gebruikt.
Tekenreeks toegevoegd aan
gebruikersnaam
Voer de toegevoegde tekenreeks in.
SSL/TLS
Toepassing:
Het opgeven van de instellingen voor de SSL-coderingscommunicatie met de printer, en het instellen/verwijderen van het
gebruikte certificaat voor IPsec, LDAPS of Draadloze LAN.
Waarden:
Communicatie tussen
HTTP- SSL/TLS
*1
Schakel het selectievakje in om de functie Communicatie tussen HTTP - SSL/TLS in te
schakelen.
Poortnummer voor
communicatie tussen
HTTP - SSL/TLS
Bepaalt het poortnummer, dat niet hetzelfde is als dat van HTTP voor SSL/TLS. Dit moet of 443
zijn of een getal tussen 8000 en 9999.
Communicatie tussen
LDAP - SSL/TLS
*1, 2
Selecteer het keuzevakje als u de LDAP wilt inschakelen en de toegang wordt tot stand gebracht
met behulp van SSL/TLS-communicatie.
Certificaat van
externe server
controleren
*2
Selecteer het keuzevak als u de functie Certificaat van externe server controleren wilt
inschakelen.
Zelfondertekend
certificaat
genereren
*3
Klikken om de pagina Zelfondertekend certificaat genereren te tonen en vanaf de pagina een
veiligheidscertificaat aan te maken. De knop Zelfondertekend certificaat genereren is alleen
beschikbaar als het zelfondertekende certificaat nog niet is gegenereerd.
Grootte van
openbare code
Selecteer de grootte van de openbare code.
Uitgever Bepaalt de uitgever van het zelfondertekende SSL-certificaat.
Getekend
certificaat
genereren
Klik om het zelfondertekende SSL-certificaat te genereren.
Ondertekend
certificaat
uploaden
*3, 4
Klikken om de pagina Ondertekend certificaat uploaden te tonen en vanaf de pagina het
certificaatbestand te uploaden.
Wachtwoord Voer het wachtwoord voor het uploaden van het certificaatbestand in.
Wachtwoord
bevestigen
Bevestig het wachtwoord door het nogmaals in te voeren.
Zoeken in
hoofdmap
van adreslijst
Klik op de knop Bladeren, zoek de bestandsnaam op om het apparaat
te uploaden.
Importeren
Klik op de knop Importeren om het cerficaatbestand te uploaden naar
het apparaat.
Certificaatbeheer
*3, 4
Klikken om de pagina Certificaatbeheer te tonen en een beveiligingscertificering te beheren
vanaf die pagina.
Categorie Selecteer het te certificeren apparaat.
Doeleinden
certificaat
Selecteer de te certificeren verbinding.
Certificaatvolgorde Selecteer de te certificeren volgorde.
Lijst weergeven Klikken om de pagina Certificaatlijst te tonen.
Categorie
Toont het te certificeren apparaat dat is geselecteerd op de pagina
Certificaatbeheer.
Certificaatlijst
*3
Doeleinden
certificaat
Selecteert de te certificeren verbinding die is geselecteerd op de
pagina Certificaatbeheer.
Uitgegeven aan Toont de lijst met certificaatvolgorde.
Geldigheid Toont of het certificaat al dan niet geldig is.
Certificaatgegevens
Geef de pagina Certificaatgegevens weer. De pagina Certificaatbeheer
wordt weergegeven als geen item uit de kolom Uitgegeven aan is
geselecteerd.
Certificaatgegevens
*3
Categorie
Toont het te certificeren apparaat dat is geselecteerd op de pagina
Certificaatbeheer of de pagina SSL/TLS.
Uitgegeven aan Toont het te certificeren apparaat.
Uitgever Toont de te certificeren uitgever.
Serienummer Toont het serienummer van het apparaat.
Grootte van
openbare code
Grootte van openbare code tonen.
Geldig van Toont de tijd waarvoor het certificaat geldig is.
Geldig tot Toont de tijd waarna het certificaat ongeldig wordt.
Status Toont of het certificaat al dan niet geldig is.
Doeleinden
certificaat
Toont de doeleinden van het certificaat.
Status
certificaatselectie
Toont het type apparaatcertificaat dat u hebt geselecteerd.
E-mailadres
Wordt alleen weergegeven als een e-mailadres is opgegeven in het
certificaat.
Dit certificaat
gebruiken
*2
Klikken om dit certificaat op het apparaat toe te passen.
Verwijderen Klikken om dit certificaat te verwijderen.
Dit certificaat
exporteren
*2
Klikken om dit certificaat te exporteren naar het andere apparaat.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als het zelfondertekende certificaat is gegenereerd.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan voor codering.
*3
Dit onderdeel is alleen van kracht bij een verbinding via SSL/TLS (https). Alleen de beheerder mag de pagina's
weergeven.
*4
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan voor codering. Als
dat niet het geval is, wordt "Certificaatgegevens" weergegeven.
IPsec
Toepassing:
Het opgeven van de instellingen van de veiligheidsarchitectuur voor Internet Protocol (IPsec) voor gecodeerde communicatie
naar de printer.
Waarden:
Protocol Selecteer het aankruisvakje als u het protocol wilt inschakelen.
IKE
Selecteer IKE-verificatie. Digitale handtekening wordt alleen in de lijst vermeld als een effectieve
digitale handtekening is geconfigureerd.
Vooraf-gedeelde
Geeft een gedeelde sleutel op als Vooraf-gedeelde sleutel is geselecteerd als IKE-instelling. U
sleutel
*1
kunt maximaal 255 alfanumerieke tekens, punten en koppelstreepjes gebruiken.
Vooraf-gedeelde
sleutel opnieuw
invoeren
Bevestig de gedeelde code door deze opnieuw in te voeren.
Apparaatcertificaat
*1
Toont het apparaatcertificaat.
IKE SA-levensduur Stelt de levensduur voor IKE SA in van 5 tot 28.800 minuten.
IPsec SA-levensduur Stelt de levensduur voor IPsec SA in van 5 tot 2880 minuten.
DH-groep Selecteert de DH-groep.
PFS Selecteert het keuzevakje voor het inschakelen van de PFS-instelling.
IPv4-adres
externe peers
Bepaalt het IP-adres waarmee verbinding moet worden gemaakt.
IPv6-adres
externe peers
Bepaalt het IP-adres waarmee verbinding moet worden gemaakt.
Geen IPsec-
communicatiebeleid
Selecteert of met een apparaat dat IPsec niet ondersteunt, mag worden gecommuniceerd of niet.
*1
Dit onderdeel is alleen van kracht als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan voor codering.
OPMERKING: Als IPsec is ingeschakeld met onjuiste instellingen, moet u de functie uitschakelen met het menu IPsec
resetten op het Operatorpaneel.
802.1x
Toepassing:
De instellingen opgeven voor IEEE 802.1x-verificatie voor gecodeerde communicatie naar de printer.
Waarden:
Activeer IEEE 802.1x Selecteer het keuzevakje als u IEEE 802.1x-verificatie wilt inschakelen.
Verificatiemethode
EAP-MD5
Selecteer de verificatiemethode die moet worden gebruikt voor IEEE
802.1x-verificatie.
EAP-MS-
CHAPv2
PEAP/MS-
CHAPv2
Aanmeldingsnaam:
(Apparaatnaam)
Bepaalt de aanmeldingsnaam (apparaatnaam) voor IEEE 802.1x-verificatie, met maximaal
128 alfanumerieke tekens.
Wachtwoord
Bepaalt het wachtwoord voor aanmelding voor IEEE 802.1x-verificatie, met maximaal 128
alfanumerieke tekens.
Wachtwoord bevestigen Bevestig het wachtwoord voor aanmelding door het nogmaals in te voeren.
IP-filter
Toepassing:
Het opgeven van het IP-adres en subnetmasker dat wel of geen toegang tot de printer krijgt.
Waarden:
Adres
Bepaalt de IP-adressen die wel of geen toegang tot de printer krijgen. Voer een numerieke waarde tussen 0
en 255 in voor elk veld.
Adresmasker
Bepaalt het subnetmasker dat wel of geen toegang tot de printer krijgt. Voer een numerieke waarde tussen
0 en 255 in voor elk veld.
Actieve
modus
Weigeren Weigert het afdrukken vanaf een opgegeven netwerkadres.
Toestaan Staat het afdrukken vanaf een opgegeven netwerkadres toe.
Uit Schakelt de functie IP-filter uit voor het opgegeven IP-adres.
Printerinstellingen kopiëren
In het menu Printerinstellingen kopiëren vindt u de pagina's Printerinstellingen kopiëren en Rapport
Printerinstellingen kopiëren.
Printerinstellingen kopiëren
Toepassing:
Het kopiëren van de printerinstellingen en ColorTrack (Interne instellingen) naar een of meer printers van hetzelfde model.
Als u de instellingen naar een andere printer wilt kopiëren, geeft u het IP-adres en het wachtwoord van de printer waarnaar u
de instellingen kopieert op in het tekstvak IP-adres en het tekstvak Wachtwoord. Klik vervolgens op de knop Kopieer de
instellingen naar de host in bovenstaande lijst. Hiermee is het kopiëren van de instellingen voltooid. De wachttijd voor
verbinding is 60 seconden. Daarna kunt u controleren of de instellingen naar deze pagina zijn gekopieerd. En u moet klikken
op de knop Kopieer de instellingen naar de host in bovenstaande lijst en start het apparaat opnieuw op van Dell
Printer Configuration Web Tool op de printer van bestemming om te zien of de instellingen wel zijn gekopieerd.
Als de instellingen kunnen worden gekopieerd, maar de printerconfiguratie is verschillend, worden alleen de instellingen van
de items die hetzelfde zijn, gekopieerd. Printerinstellingen worden tegelijk gekopieerd naar maximaal 10 IP-adressen van
printers.
Rapport Printerinstellingen kopiëren
Toepassing:
Het controleren van de kopieergeschiedenis.
OPMERKING: De afdrukgeschiedenis wordt gewist als u de printer uitzet.
Afdrukvolume
In het menu Afdrukvolume vindt u de pagina's Afdrukvolume en Dell ColorTrack.
Afdrukvolume
Toepassing:
Het controleren van het aantal afgedrukte pagina's. U kunt deze pagina ook weergeven door te klikken op Afdrukvolume in
het linkerkader.
Waarden:
Paginateller printer Toont het aantal pagina's dat is afgedrukt sinds de printer werd verstuurd uit de fabriek.
Papier gebruikt Toont het aantal afgedrukte pagina's voor elk papierformaat.
Dell ColorTrack
Toepassing:
Bepalen welke gebruikers toegang hebben tot kleurendruk en het afdrukvolume per gebruiker beperken.
Waarden:
ColorTrack-modus
Uit
Maakt het mogelijk om de gegevens af te drukken zonder verificatie-
informatie.
Interne modus
Beperkt het afdrukken op basis van de gegevens van de
printergebruiker die zijn geregistreerd op de interne server.
Externe modus
Beperkt het afdrukken op basis van de gegevens van de
printergebruiker die zijn geregistreerd op de externe server.
Anoniem afdrukken
Bepaalt of het afdrukken van gegevens zonder verificatie-informatie moet worden toegelaten. Als
u afdrukken voor gebruikers zonder account wilt toestaan, stelt u dit in op Aan.
ColorTrack-
foutenrapport
Bepaalt of informatie in verband met fouten automatisch wordt afgedrukt als het afdrukken met
gebruik van ColorTrack in een fout resulteert.
Wachtwoord voor
gebruiker zonder
account
*1
Bepaalt het wachtwoord dat moet worden gebruikt voor gebruikers zonder account, bestaande uit
1 tot 127 alfanumerieke tekens. Als het wachtwoord leeg wordt gelaten (NULL) kunt u zich niet
aanmelden bij een server.
Bevestig wachtwoord
voor gebruiker zonder
account
*1
Bevestig door het wachtwoord nogmaals in te voeren.
Gebruikerregistratie
*2
Klik op Gebruikerregistratie bewerken om de pagina Gebruikerregistratie bewerken weer
te geven.
Als u een gebruiker wilt registreren klikt u op Aanmaken. De pagina Instellingen
printergebruiker wordt geopend.
Als u een gebruiker wilt verwijderen klikt u op Verwijderen. De pagina Gebruiker
verwijderen wordt geopend. Als u op de knop Terug klikt, gaat het scherm terug naar de
toestand voordat de gebruiker werd verwijderd.
Als u de geregistreerde gebruiker wilt bevestigen of wijzigen klikt u op
Bevestigen/Wijzigen. De pagina Instellingen printergebruiker wordt geopend.
Nummer
gebruikerregistratie
Toont het gebruikersregistratienummer. De knop Gebruiker
verwijderen wordt weergegeven als de gebruiker al geregistreerd is.
Gebruikersnaam Bepaalt de gebruikersnaam.
Wachtwoord Bepaalt het gebruikerswachtwoord, van 4 tot 12 alfanumerieke tekens.
Wachtwoord
bevestigen
Bevestig door het wachtwoord nogmaals in te voeren.
Beperking
kleurmodus
Bepaalt of kleurafdrukken moeten worden beperkt.
Bovengrens voor
kleurafdrukken
Bepaalt het maximale aantal pagina's dat is toegestaan voor
kleurafdrukken.
Cumulatieve
kleurenpaginateller
Toont het cumulatieve aantal pagina's dat met kleur is afgedrukt.
Bovengrens voor
zwart/wit afdrukken
Bepaalt het maximale aantal pagina's dat is toegestaan voor zwart-
witafdrukken.
Cumulatieve
zwart/witpaginateller
Toont het cumulatieve aantal pagina's dat in zwart-wit is afgedrukt.
Externe verificatie
instellen
*3
Klikken om de pagina Verificatiesysteem te tonen.
*1
Het wachtwoord moet worden ingesteld als Externe modus is geselecteerd voor ColorTrack-modus en Anoniem afdrukken
is ingesteld op Aan.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als ColorTrack-modus is ingesteld op Interne modus.
*3
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als ColorTrack-modus is ingesteld op Externe modus.
Lade-instellingen
Stel in menu Lade-instellingen in welk papierformaat en welk soort papier in de laden wordt gelegd.
Waarden:
Papiersoort lade 1 Bepaalt de papiersoort die in de eerste lade van boven wordt gelegd.
Papierformaat lade
1
Bepaalt het formaat van het papier dat in de eerste lade van boven wordt gelegd.
Lade 1 Aangepast
formaat - Y
Bepaalt de lengte van papier met aangepast formaat in de eerste lade van boven.
Lade 1 Aangepast
formaat - X
Bepaalt de breedte van papier met aangepast formaat in de eerste lade van boven.
Papiersoort lade
2
*1
Bepaalt de papiersoort die in de tweede lade van boven wordt gelegd.
Papierformaat lade
2
*1
Bepaalt het formaat van het papier dat in de tweede lade van boven wordt gelegd.
Lade 2 Aangepast
formaat - Y
*1
Bepaalt de lengte van papier met aangepast formaat in de tweede lade van boven.
Lade 2 Aangepast
formaat - X
*1
Bepaalt de breedte van papier met aangepast formaat in de tweede lade van boven.
Papiersoort lade
3
*1
Bepaalt de papiersoort die in de derde lade van boven wordt gelegd.
Papierformaat lade
3
*1
Bepaalt het formaat van het papier dat in de derde lade van boven wordt gelegd.
Lade 3 Aangepast
formaat - Y
*1
Bepaalt de lengte van papier met aangepast formaat in de derde lade van boven.
Lade 3 Aangepast
formaat - X
*1
Bepaalt de breedte van papier met aangepast formaat in de derde lade van boven.
Papiersoort lade
4
*2
Bepaalt de papiersoort die in de vierde lade van boven wordt gelegd.
Papierformaat lade
4
*2
Bepaalt het formaat van het papier dat in de vierde lade van boven wordt gelegd.
Lade 4 Aangepast
formaat - Y
*2
Bepaalt de lengte van papier met aangepast formaat in de vierde lade van boven.
Lade 4 Aangepast
formaat - X
*2
Bepaalt de breedte van papier met aangepast formaat in de vierde lade van boven.
Papiersoort lade
5
*2
Bepaalt de papiersoort die in de vijfde lade van boven wordt gelegd.
Papierformaat lade
5
*2
Bepaalt het formaat van het papier dat in de vijfde lade van boven wordt gelegd.
Lade 5 Aangepast
formaat - Y
*2
Bepaalt de lengte van papier met aangepast formaat in de vijfde lade van boven.
Lade 5 Aangepast
formaat - X
*2
Bepaalt de breedte van papier met aangepast formaat in de vijfde lade van boven.
MPF-modus
Stelt het papierformaat en papiersoort in wanneer papier in de multifunctionele invoer (MPF) is
gelegd.
Popup weergeven
*3
Stelt in of een pop-upbericht wordt getoond waarin wordt gevraagd het papierformaat en de
papiersoort in te stellen wanneer papier in lade 1 wordt gelegd.
MPF Papiersoort
*3
Stelt in welk soort papier in de MPF wordt gelegd.
MPF-
papierformaat
*3
Stelt in welk formaat papier in de MPF wordt gelegd.
MPF Aangepast
formaat - Y
*3
Stelt de lengte in van papier met aangepast formaat dat in de MPF wordt gelegd.
MPF Aangepast
formaat - X
*3
Stelt de breedte in van papier met aangepast formaat dat in de MPF wordt gelegd.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele 550 documentinvoer of 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd.
*3
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als Paneel gespec is geselecteerd als MPF-modus.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Richtlijnen afdrukmedia
Papier
Transparanten
Enveloppen
Etiketten
Opslag van afdrukmedia
Identificatie van afdrukmedia en specificaties
Afdrukmedia zijn papier, etiketten, enveloppen, gecoat papier en andere materialen. Uw printer biedt afdrukken van hoge kwaliteit op een ruime keuze aan
afdrukmedia. De keuze van de juiste afdrukmedia voor uw printer is belangrijk voor het vermijden van afdrukproblemen. Dit hoofdstuk gaat over de selectie
van afdrukmedia, het behandelen van afdrukmedia en de media in lade 1 of de als optie verkrijgbare 550 documentinvoer leggen.
Papier
Voor de beste afdrukkwaliteit in kleur gebruikt u 75 g/m
2
(20 lb) xerografisch lengte-grein kopieerpapier. Voor de beste afdrukkwaliteit in zwart-wit gebruikt
u 90 g/m
2
(24 lb) xerografisch lengte-grein kopieerpapier. U wordt geadviseerd een monster van printmedia te proberen voordat u er grote hoeveelheden
van aanschaft.
Kijk bij het inleggen van papier op de verpakking, controleer welke de aanbevolen afdrukzijde is en bepaal aan de hand daarvan hoe u het papier moet
inleggen. Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen en
optionele laden
" en "Afdrukmedia inleggen in de MPF" voor gedetailleerde aanwijzingen voor het
inleggen van het papier.
Papierkenmerken
De volgende eigenschappen van papier zijn van invloed op de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de afdruk. U wordt geadviseerd deze richtlijnen te volgen
bij het beoordelen van nieuw afdrukpapier.
Gewicht
De lade voert automatisch papier in van het gewicht 60 tot 216 g/m
2
(16 tot 80 lb bond) lengte-grein. De Multifunctionele Invoerlade (MPF)
voert
automatisch
papier in van het gewicht 60 tot 216 g/m
2
(16 to 80 lb bond) lengte-grein. Papier dat lichter is dan 60 g/m
2
(16 lb) wordt misschien niet
goed ingevoerd en kan papierstoringen veroorzaken. Voor de beste prestaties gebruikt u 75 g/m
2
(20 lb bond) lengte-grein papier.
Omkrullen
Omkrullen is de neiging van afdrukmedia langs de randen krom te trekken. Overmatig omkrullend papier kan in de printer vastlopen. Gewoonlijk krult het
papier om nadat het door de printer is gegaan en aan de hoge temperaturen binnenin is blootgesteld. Het onverpakt bewaren van papier, ook al ligt het in de
papierlade, kan de vellen doen omkrullen vóór het
afdrukken,
hetgeen doorvoerproblemen kan geven, ongeacht de luchtvochtigheid. Als het afdrukpapier
omgekruld is, strijkt u het glad en
legt u
het in de MPF.
Gladheid
De gladheid van het papier heeft een directe invloed op de afdrukkwaliteit. Als het papier te ruw is, kan de toner niet gelijkmatig aan het papier hechten, wat
een lagere afdrukkwaliteit tot gevolg heeft. Als het papier echter te glad is, kan dat problemen geven met de papierdoorvoer. Een gladheid tussen 150 en 250
Sheffield-punten geeft de beste afdrukresultaten.
Vochtgehalte
De hoeveelheid vocht in het papier heeft ook invloed op de afdrukkwaliteit en op het vermogen van de printer het papier gelijkmatig te verwerken. Laat het
papier in de oorspronkelijke verpakking totdat u het gaat gebruiken. Zo voorkomt u dat het papier wordt blootgesteld aan wisselingen van de luchtvochtigheid
die de prestaties nadelig kunnen beïnvloeden.
Vezelrichting
Grein of vezelrichting geeft aan hoe de vezels in een vel papier lopen. De vezelrichting wordt aangeduid als lengte-grein, met de vezels in de lengterichting,
of breedte-grein, met de vezels in de breedte van het vel. Bij
papier
van 60 tot 135 g/m
2
(16 to 36 lb bond) wordt het gebruik van de lengte-grein
vezelrichting aanbevolen. Bij papier dat zwaarder is dan 135
g/m
2
(36 lb bond) papier heeft de breedte-grein vezelrichting de voorkeur.
Houtvezelgehalte
Het meeste xerografische kwaliteitspapier is gemaakt van 100% chemische houtpulp. Papier met andere vezels, zoals katoen, heeft eigenschappen die
kunnen leiden tot minder goede papierdoorvoer.
Aanbevolen papier
Voor de beste afdrukkwaliteit en betrouwbare doorvoer gebruikt u 75 g/m
2
(20 lb) xerografisch papier. Kantoorpapier voor algemeen zakelijk gebruik biedt
ook een acceptabele afdrukkwaliteit. Gebruik alleen papier dat bestand
is
tegen hoge temperaturen, zonder verkleuren, uitlopende inkt of
vrijkomende
schadelijke
gassen of dampen. Bij het laserdrukproces wordt het papier verhit tot hoge temperaturen. Vraag na bij de fabrikant of verkoper of het door u
gekozen papier geschikt is voor laserprinters.
Maak altijd een serie proefafdrukken voordat u van enig soort afdrukmedia een grote hoeveelheid inslaat. Bij de keuze van uw afdrukmedia dient u te letten
op het gewicht, het vezelgehalte en de kleur.
Ongeschikt papier
De volgende papiersoorten zijn niet geschikt voor gebruik in de printer:
Chemisch geprepareerd papier dat bestemd is voor het maken van doordrukkopieën zonder carbonvellen er tussen, ook bekend als
doordrukkopieerpapier, carbonvrij kopieerpapier (CCP), of NCR-papier (No Carbon Required - geen-carbon-vereist)
Voorgedrukt papier met chemicaliën die de printer kunnen aantasten
Voorgedrukt papier dat niet bestand is tegen de hoge temperatuur in de fuser
Voorgedrukte formulieren die een registratie (het precieze afdrukpunt op de pagina) vereisen van meer dan ±0,09 inch, zoals formulieren voor optische
tekenherkenning (OCR)
In bepaalde gevallen kunt u de registratie met uw softwareprogramma aanpassen, zodat u toch succesvol kunt afdrukken op dergelijke formulieren.
Gecoat papier (erasable bond), synthetisch papier, thermisch papier
Papier met ruwe randen, gestructureerde of grove papiersoorten of krullend papier
Kringlooppapier met meer dan 25% post-consument afval dat niet voldoet aan DIN 19 309
Meerdelige formulieren of documenten
De afdrukkwaliteit kan teruglopen (met vlekken of hiaten in de tekst) bij afdrukken op talkpapier of zuurhoudend papier.
Papier kiezen
De juiste papierkeuze is belangrijk voor storingsvrij afdrukken, zonder dat het papier vastloopt.
Ter voorkoming van vastlopen of lage afdrukkwaliteit:
Gebruik altijd nieuw, onbeschadigd papier.
Alvorens het papier in te leggen, controleert u de aanbevolen afdrukkant van het papier. Deze informatie staat gewoonlijk vermeld op de verpakking
van het papier.
Gebruik geen papier dat u zelf hebt bijgeknipt of afgesneden.
Gebruik niet verschillende afdrukmedia, papiersoorten of -gewichten in één invoer. Dit kan leiden tot vastlopen van het papier.
Verwijder de lade niet tijdens het afdrukken.
Let op dat het papier juist in de papierlade wordt gelegd.
Buig de stapel papier heen en weer en waaier het papier los. Tik met de stapel op een egaal oppervlak om de vellen gelijk te leggen.
Keuze van voorgedrukte media en papier met briefhoofd
Wanneer u voorgedrukte media en briefhoofdpapier selecteert voor de printer:
Gebruik papier met vezels in de lengterichting voor de beste resultaten.
Gebruik alleen media en papiersoorten met briefhoofd die met een lithografische offsetpers of een gravuredrukproces zijn vervaardigd.
Kies papier dat de inkt absorbeert, maar waarop de inkt niet uitloopt.
Vermijd papier met structuur of een ruw oppervlak.
Gebruik papier dat is voorgedrukt met warmtebestendige inkt, geschikt voor gebruik in xerografische kopieerapparaten. De inkt moet temperaturen
van 225 °C kunnen doorstaan zonder te smelten en zonder dat gevaarlijke stoffen vrijkomen.
Gebruik inktsoorten die niet worden aangetast door de hars in de toner of de siliconen in de fuser. Inktsoorten op oliebasis of met oxidatie-fixering
voldoen meestal wel aan deze eisen; latex inktsoorten mogelijk niet. Als u
twijfelt,
vraag dan uw papierleverancier om advies.
Afdrukken op papier met briefhoofd
Raadpleeg de fabrikant of leverancier als u wilt weten of het voorgedrukt briefhoofdpapier dat u hebt gekozen daadwerkelijk geschikt is voor laserprinters.
De richting van de pagina is belangrijk bij het afdrukken of briefhoofdpapier. Gebruik de volgende tabel voor advies bij het laden van briefhoofdpapier in de
afdrukmedia-laden.
Invoer van de afdrukmedia Afdrukkant Paginarichting
Lade 1
550 Papierinvoer
1100 Papierinvoer
Afdrukkant omhoog
Briefhoofd gaat als eerste de printer in
MPF
Afdrukkant onder
Briefhoofd gaat als eerste de printer in
Keuze van voorgeperforeerd papier
Voorgeperforeerde papiersoorten kunnen verschillen wat betreft aantal en plaats van de perforaties en wat betreft de productiemethode. Afhankelijk van de
plaats van de perforaties in het papier kunnen sommige papiersoorten mogelijk niet worden bedrukt.
Keuze en gebruik van voorgeperforeerd papier:
Test het papier van diverse merken voordat u overgaat tot bestellen en gebruiken van grote partijen voorgeperforeerd papier.
Papier moet geperforeerd zijn door de fabriek en mag niet na verpakking per riem tegelijk doorboord worden. Doorboord papier kan vastlopen wanneer
er meerdere vellen tegelijk door de printer gaan. Dit kan leiden tot vastlopen van het papier.
Voorgeperforeerd papier kan meer papierstof bevatten dan standaard papier. Uw printer kan daarom meer onderhoud vereisen en de
doorvoerprestaties kunnen minder zijn dan met standaard papier.
De gewichtsrichtlijnen voor voorgeperforeerd papier zijn dezelfde als voor gewoon papier.
Transparanten
U kunt maximaal 75 transparanten in de MPF of lade 1 leggen voor één afdruktaak. U wordt geadviseerd een monster van printmedia te proberen voordat u
er grote hoeveelheden van aanschaft.
Voor het afdrukken op transparanten:
Stel de papiersoort in op Transparant in het printerstuurprogramma om te voorkomen dat de printer beschadigd raakt.
Gebruik transparanten die speciaal zijn bedoeld voor gebruik in laserprinters. Gebruik geen gewone transparanten. Transparanten moeten
temperaturen van 205 °C kunnen doorstaan zonder dat ze smelten, verkleuren, vervormen of gevaarlijke stoffen vrijgeven.
Zet geen vingerafdrukken op de transparanten. Dit zou kunnen leiden tot een lage afdrukkwaliteit.
Voorkom dat de bladen aan elkaar plakken door de stapel uit te waaieren voordat u de transparanten inlegt.
U kunt geen transparanten in de printer gebruiken die niet wit zijn.
Transparanten kiezen
De printer kan direct afdrukken op transparanten die bedoeld zijn voor gebruik in laserprinters. De afdrukkwaliteit en de houdbaarheid hangen af van de
kwaliteit van de transparanten. U wordt geadviseerd een monster van printmedia te proberen voordat u er grote hoeveelheden van aanschaft.
De papiersoort voor de MPF moet worden ingesteld op Transparant, zodat papierstoringen worden voorkomen. (Zie "Lade-instellingen
" voor gedetailleerde
informatie over deze instelling.) Neem contact op met de fabrikant of leverancier om te bepalen of de transparanten geschikt zijn voor laserprinters waarin
temperaturen tot 205 °C kunnen voorkomen. Gebruik alleen transparanten die deze temperaturen kunnen doorstaan zonder te smelten, verkleuren,
vervormen of gevaarlijke stoffen vrij te geven.
OPMERKING: Voor lade 1 is het niet nodig het papierformaat in te stellen. Lade 1 detecteert het papierformaat automatisch. Zie "Ondersteunde
papierformaten" voor nadere inlichtingen over de ondersteunde papierformaten voor de standaardladen en de optionele laden.
Enveloppen
Bij bepaalde soorten enveloppen is het mogelijk dat ze wel eens wat kreukelen. U wordt geadviseerd een monster van printmedia te proberen voordat u er
grote hoeveelheden van aanschaft. Zie "Afdrukmedia laden
" voor aanwijzingen voor het inleggen van een envelop.
Voor het afdrukken op enveloppen:
Gebruik alleen kwaliteitsenveloppen die geschikt zijn voor laserprinters.
Stel de afdrukmediabron in op de MPF of op lade 1. Stel de papiersoort in op Envelop en selecteer het juiste formaat envelop in het
printerstuurprogramma.
Voor de beste prestaties gebruikt u enveloppen van 75 g/m
2
(20 lb bond) papier. U kunt als maximaal gewicht 105 g/m
2
(28 lb bond) gebruiken
voor
de
enveloppeninvoer, zolang het katoengehalte niet meer dan 25% bedraagt. Enveloppen met een 100% katoengehalte mogen niet zwaarder zijn
dan 90 g/m
2
(24 lb bond).
Gebruik alleen onbeschadigde enveloppen die u net hebt uitgepakt.
Gebruik enveloppen die bestand zijn tegen temperaturen van 205 °C zonder dat ze gaan plakken, sterk omkrullen, rimpelen en zonder dat
er
gevaarlijke
stoffen vrijkomen. Als u twijfels hebt over de enveloppen die
u
wilt gebruiken, raadpleegt u de leverancier van de enveloppen.
Stel de geleider in op de breedte van de enveloppen.
Voor het laden van enveloppen in de MPF plaatst u de enveloppen met de flappen gesloten en de korte kant van de enveloppen naar het binnenste van
de printer gericht. De kant voor het afdrukken moet omlaag gericht zijn.
Zie "Afdrukmedia inleggen in de MPF" voor aanwijzingen voor het inleggen van een envelop.
Gebruik tijdens een afdruktaak slechts één formaat envelop.
Zorg dat de luchtvochtigheid niet te hoog is, want door een hoge luchtvochtigheid (meer dan 60%) en de hoge temperatuur bij het afdrukken kunnen
de enveloppen worden dichtgeplakt.
Voor de beste resultaten gebruikt u geen enveloppen die:
sterk gekruld of kromgetrokken zijn
samenkleven of beschadigd zijn
vensters, openingen, perforaties, inkepingen of opdruk hebben
metalen clips, koordsluitingen of metalen vouwranden hebben
ineengrijpende flappen hebben
van postzegels zijn voorzien
een kleefrand aan de buitenzijde hebben wanneer de flap open of gesloten is
ingekeepte randen of gebogen hoeken hebben
een ruw, gerimpeld, of geplooid oppervlak hebben
OPMERKING: U kunt enveloppen ook in lade 1 leggen. Zie "Een envelop inleggen in een standaardlade" voor nadere inlichtingen.
Etiketten
Uw printer kan afdrukken op veel van de etiketten die bedoeld zijn voor laserprinters. De kleeflaag, het papier (voor afdrukken) en de beschermlaag moeten
alle bestand zijn tegen temperaturen van 205 °C en een druk van 1,76
kg/cm²
(25 psi). U wordt geadviseerd een monster van printmedia te proberen voordat
u er grote hoeveelheden van aanschaft.
Voor het afdrukken op etiketten:
Stel de papiersoort in op Label via het printerstuurprogramma.
Leg nooit etiketten en gewoon papier tegelijk in dezelfde papierlade. Dit kan leiden tot vastlopen van het papier.
Gebruik geen etiketten met een rug van glad materiaal.
Druk niet af binnen 1 mm (0,04 inch) van de rand van de etiketten.
Gebruik complete etiketvellen. Bij deels gebruikte vellen zouden er etiketten kunnen loslaten tijdens het afdrukken, hetgeen kan leiden
een
papierstoring.
Deels gebruikte vellen kunnen ook kleefmiddel in uw
apparaat
en printcassette achterlaten en zou tot gevolg kunnen hebben dat de
garantie van uw printer en printercassette ongeldig kan maken.
Gebruik etiketten die bestand zijn tegen temperaturen van 205 °C zonder dat ze gaan plakken, omkrullen, rimpelen en zonder dat er gevaarlijke
stoffen vrijkomen.
Druk niet af binnen 1 mm (0,04 inch) van de rand van de etiketten, de perforatielijnen of tussen de snijlijnen van het etiket.
Gebruik geen etiketvellen met kleefmiddel langs de randen van het vel. U wordt geadviseerd alleen vellen te gebruiken waarbij het kleefmiddel
minstens 1 mm (0,04 inch) van de randen verwijderd is. Kleefmiddel kan
schadelijk
zijn voor uw printer en kan uw garantie ongeldig maken.
Als gezoneerde coating van het kleefmiddel niet mogelijk is, moet er een rand van 3 mm (0,125 inch) van de voorste rand en de doorvoerrand
verwijderd worden en moet er een niet-lekkende kleefstof worden gebruikt.
Verwijder een rand van 3 mm (0,125 inch) van de voorste rand van het vel, om te voorkomen dat de etiketten binnenin het apparaat losraken.
Een staande richting wordt aanbevolen, met name voor het afdrukken van streepjescodes.
Gebruik geen etiketten waarbij het kleefmiddel vrij ligt.
Opslag van afdrukmedia
Voorkom problemen met de papierdoorvoer en een ongelijkmatige afdrukkwaliteit door u aan de volgende richtlijnen voor de juiste opslag van afdrukmedia te
houden.
Voor de beste resultaten bergt u de afdrukmedia op in een omgeving met een temperatuur van ongeveer 21 °C en een relatieve luchtvochtigheid van
40%.
Plaats uw dozen met afdrukmedia op een plank, een rek of pallet, dus niet rechtstreeks op de vloer.
Als u afzonderlijke pakken met afdrukmedia buiten de oorspronkelijke doos bewaart, zorg dan dat ze op een egale ondergrond rusten, zodat de randen
niet kromtrekken.
Plaats geen voorwerpen boven op een pak afdrukmedia.
Identificatie van afdrukmedia en specificaties
De volgende tabellen bieden informatie over de vaste en als optie verkrijgbare afdrukmedia.
Ondersteunde papierformaten
MPF Standaardlade Optionele lade Duplexer
Extra uitvoerbak (Vel
*1
) Extra uitvoerbak (Set
*2
)
A4
(210 x 297 mm)
J J J J N J
A5
(148 x 210 mm)
J J J J J N
B5
(182 x 257 mm)
J J J J N J
Letter
(8,5 x 11 in.)
J J J J N J
Folio
(8,5 x 13 in.)
J J J J N J
Legal
(8,5 x 14 in.)
J J J J N J
Executive
(7,25 x 10,5 in.)
J J J J N J
Envelop #10 (4,125 x 9,5 in.) J
J
*3
N N J N
Monarch
(3,875 x 7,5 in.)
J
J
*3
N N J N
DL
(4,25 x 8,75 in.)
J
J
*3
N N J N
C5
(9 x 6,5 in.)
J
J
*3
N N J N
Aangepast J J J J J J
*1
: In deze modus wordt elke pagina apart uitgevoerd naar de stapeleenheid.
*2
: In deze modus wordt het document in sets gesorteerd en uitgevoerd naar de stapeleenheid.
*3
: Als u enveloppen wilt afdrukken met gebruik van de standaardlade, moet u de soort envelop selecteren in de instellingen van Lade 1. Zie "Begrip van
de printermenu's" voor nadere inlichtingen.
Ondersteunde papiersoorten
MPF Standaardlade Optionele lade Duplexer
Extra uitvoerbak
(Vel
*1
)
Extra uitvoerbak
(Set
*2
)
Eenzijdig Tweezijdig Eenzijdig Tweezijdig Eenzijdig Tweezijdig Eenzijdig Tweezijdig Eenzijdig Tweezijdig Eenzijdig Tweezijdig
Normaal
Normaal J J J N J N J N N N J N
Dik J J J N J N J N N N J N
Voorbladen
Normaal J J J N J N J N N N J N
Dik J J J N J N N N N N J N
Gecoat
Normaal J J J N N N J N J N N N
Dik J J J N N N N N J N N N
Label Normaal J N J N N N N N J N N N
Envelop J N J N N N N N J N N N
Gerecycled J J J N J N J N N N J N
Transparant J N J N N N N N J N N N
*1
: In deze modus wordt elke pagina apart uitgevoerd naar de stapeleenheid.
*2
: In deze modus wordt het document in sets gesorteerd en uitgevoerd naar de stapeleenheid.
Papiersoortspecificaties
Papiersoort
Gewicht (g/m
2
)
Opmerkingen
Normaal papier 60-80 -
Normaal dik papier 81-105 -
Voorbladen 106-162 -
Voorbladen dik 163-216 -
Gecoat normaal 106-162 Papier voor inkjetprinters kan niet worden gebruikt.
Gecoat dik 163-216 Papier voor inkjetprinters kan niet worden gebruikt.
Transparant - Papier voor inkjetprinters kan niet worden gebruikt.
Standaardetiket - Papier voor inkjetprinters kan niet worden gebruikt.
Etiket dik - Papier voor inkjetprinters kan niet worden gebruikt.
Enveloppen - -
Gerecycled - -
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Afdrukmedia laden
Capaciteit
Afmetingen afdrukmedia
Afdrukmedia inleggen in de standaardladen en optionele laden
Afdrukmedia inleggen in de MPF
Laden koppelen
De dubbelzijdige functie gebruiken
De middelste uitvoerlade gebruiken
De stapeleenheid gebruiken
Het juist inleggen van de afdrukmedia zorgt voor storingsvrij afdrukken, zonder dat het papier vastloopt.
Alvorens de afdrukmedia in te leggen, controleert u de aanbevolen afdrukkant van de afdrukmedia. Deze informatie staat
gewoonlijk vermeld op de verpakking van de afdrukmedia.
OPMERKING: Nadat u papier in de lade hebt gelegd, geeft u dezelfde papiersoort op vanaf het operatorpaneel.
Capaciteit
Maximumlading voor lade 1:
550 vel standaardpapier.
De optionele 550 documentinvoer kan bevatten:
550 vel standaardpapier.
De optionele 1100 papierinvoerlade kan bevatten:
1100 vel standaardpapier.
De MPF kan bevatten:
150 vel standaardpapier.
Afmetingen afdrukmedia
De standaardladen en optionele laden zijn geschikt voor afdrukmedia van de volgende afmetingen:
Breedte - 98,4 mm (Monarch) tot 215,9 mm (8,5 inch)
Lengte - 190,5 mm (Monarch) tot 355,6 mm (14,00 inch)
De MPF accepteert afdrukmedia van de volgende afmetingen:
Breedte - 76,2 mm (3,00 inch) tot 215,9 mm (8,5 inch)
Lengte - 127 mm (5,00 inch) tot 355,6 mm (14,00 inch)
Afdrukmedia inleggen in de standaardladen en optionele laden
OPMERKING: Ter voorkoming van papierstoringen de papierlade niet verwijderen tijdens het afdrukken.
OPMERKING: Gebruik alleen afdrukmedia die geschikt zijn voor laserprinters. Gebruik in deze printer geen papier voor
inkjetprinters.
In alle laden wordt het papier op dezelfde manier ingelegd:
1. Verwijder de papierlade uit de printer.
2. Stel de breedtegeleiders af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
3. Stel de lengtegeleider af op het formaat van het papier dat u gaat inleggen.
4. Alvorens het papier in te leggen, buigt u de stapel vellen wat heen en weer en waaiert u de stapel uit.
Tik met de stapel op een egaal oppervlak om de vellen gelijk te leggen.
5. Leg het papier in de papierlade met de aanbevolen kant voor afdrukken boven.
OPMERKING: Zorg dat de stapel niet boven het maximumstreepje in de lade uit komt. Als de lade te vol zit, kan het
papier in de printer vastlopen.
6. Nadat u hebt gecontroleerd of de geleiders goed zijn afgesteld, plaatst u de papierlade weer in de printer.
7. Selecteer de papiersoort vanaf het operatorpaneel als u andere afdrukmedia inlegt dan de normale. Als u door de
gebruiker opgegeven afdrukmedia in de standaardlade voor 550 vel hebt gelegd, moet u op het operatorpaneel de
instelling voor het papierformaat opgeven.
OPMERKING: Voor papier van standaardformaat stelt u eerst de geleiders af en stelt u vervolgens het papier in.
Een envelop inleggen in een standaardlade
1. Zet de grendel op het handvat van de klep aan de rechterkant omhoog om de klep te openen.
2. Druk de hendel omlaag om de envelopmodus in te schakelen.
OPMERKING: Als u andere media dan enveloppen inlegt, moet u de hendel omhoog zetten.
OPMERKING: Als u de optionele extra uitvoerbak gebruikt, zet u de hendel omhoog zoals getoond in de illustratie.
OPMERKING: Als u gewoon papier bedrukt met gebruik van de optionele extra uitvoerbak gebruikt, controleert u of de
hendel omlaag is getrokken zoals getoond in de illustratie.
3. Leg de envelop in de lade.
Wanneer u Envelop#10, Monarch of DL inlegt
Wanneer u C5 inlegt
VOORZICHTIG: Gebruik nooit enveloppen met vensters, een binnenbekleding of zelfklevende lijmstoffen. Dergelijke
enveloppen kunnen vastlopen en schade aan de printer veroorzaken.
OPMERKING: Let bij het inleggen van een envelop op dat de flap goed gesloten is.
OPMERKING: Als u enveloppen niet direct uit de verpakking in de MPF legt, kunnen ze kromtrekken. Om te
voorkomen dat ze vastlopen in de printer, maakt u ze vlak, zoals hieronder wordt getoond, wanneer u ze in de MPF
legt.
OPMERKING: Als enveloppen nog steeds niet goed worden ingevoerd, buig de voorrand van de enveloppen dan
lichtjes bij zoals getoond in de volgende illustratie.
De buiging mag hoogstens 5 mm bedragen.
Papier met briefhoofd inleggen
Het briefhoofd moet aan de bovenzijde van de standaardlade of de optionele documentinvoer liggen met de af te drukken
zijde omhoog. Als u papier met briefhoofd inlegt in de multifunctionele invoer (MPF) moet de bovenrand eerst worden
ingevoerd en de af te drukken zijde omlaag.
Invoer van de afdrukmedia Afdrukkant Paginarichting
Lade 1
550 Papierinvoer
1100 Papierinvoer
Afdrukkant omhoog
Briefhoofd gaat als eerste de printer in
MPF
Afdrukkant onder
Briefhoofd gaat als eerste de printer in
Afdrukmedia inleggen in de MPF
1. Trek voorzichtig de klep van de MPF open.
2. Klap de uitvoerlade uit.
3. Schuif de breedtegeleiders naar de rand van de lade. De breedtegeleiders moeten volledig uitgeschoven zijn.
4. Leg alle media met de afdrukkant naar beneden en de bovenste rand vóór in de MPF.
OPMERKING: Forceer de afdrukmedia niet in de MPF.
5. Schuif beide breedtegeleiders totdat zij licht tegen de rand van de stapel afdrukmedia drukken.
OPMERKING: Forceer de afdrukmedia niet in de MPF.
6. Het is belangrijk dat de instelling van de papiersoort voor de MPF overeenkomt met de waarde van de afdrukmedia die
u hebt ingelegd.
7. Selecteer de invoer, het formaat en de soort van de afdrukmedia in uw softwareprogramma en selecteer het formaat en
de soort van de afdrukmedia op het operatorpaneel van de printer.
Een envelop inleggen in de MPF
1. Open de klep aan de rechterkant.
2. Druk de hendel omlaag om de envelopmodus in te schakelen.
OPMERKING: Als u gewoon papier in de andere lade legt, moet u de hendel omhoog zetten.
3. Plaats de enveloppen met de flappen gesloten en de korte kant van de enveloppen naar het binnenste van de printer
gericht.
Houd de envelop met de af te drukken kant omlaag gericht en schuif hem in de insteekgleuf.
U kunt in één keer enveloppen inleggen tot de lijn die het maximumaantaal in de lade aangeeft.
Wanneer u Envelop#10, Monarch of DL inlegt
Wanneer u C5 inlegt
VOORZICHTIG: Gebruik nooit enveloppen met vensters, een binnenbekleding of zelfklevende lijmstoffen. Dergelijke
enveloppen kunnen vastlopen en schade aan de printer veroorzaken.
OPMERKING: Let bij het inleggen van een envelop op dat de flap goed gesloten is.
OPMERKING: Als u enveloppen niet direct uit de verpakking in de MPF legt, kunnen ze kromtrekken. Om te
voorkomen dat ze vastlopen in de printer, maakt u ze vlak, zoals hieronder wordt getoond, wanneer u ze in de MPF
legt.
OPMERKING: Als enveloppen nog steeds niet goed worden ingevoerd, buig de voorrand van de enveloppen dan
lichtjes bij zoals getoond in de volgende illustratie.
De buiging mag hoogstens 5 mm bedragen.
De MPF gebruiken
Leg voor één afdruktaak afdrukmedia van slechts één formaat en soort in.
U bereikt een zo goed mogelijke afdrukkwaliteit als u uitsluitend afdrukmedia gebruikt van hoge kwaliteit die zijn
bedoeld voor gebruik in laserprinters. Zie "Richtlijnen afdrukmedia
" voor meer richtlijnen voor de afdrukmedia.
Plaats geen afdrukmedia toe en neem geen afdrukmedia uit wanneer de MPF nog afdrukmedia bevat of wanneer de
printer bezig is af te drukken vanuit de MPF. Dit kan leiden tot vastlopen van het papier.
Afdrukmedia moeten in de MPF worden gelegd met de aanbevolen afdrukzijde omlaag en de bovenste rand van de
afdrukmedia eerst.
Plaats geen voorwerpen op de MPF. Druk er ook niet op en oefen er geen overmatige kracht op uit.
De pictogrammen op de MPF laten zien hoe u papier in de MPF moet leggen en hoe u een envelop moet draaien zodat deze
kan worden bedrukt.
Laden koppelen
De printer verbindt automatisch de laden als u hetzelfde formaat en type afdrukmedia erin laadt. De eerste lade wordt
gebruikt tot de media opraakt waarna de tweede lade zal worden gebruikt.
OPMERKING: De afdrukmedia dient in elke lade van hetzelfde formaat en type te zijn.
De Multipurpose Feeder (MPF) kan niet worden verbonden aan een van de ladebronnen.
Na het laden van de geselecteerde lades met hetzelfde formaat en type afdrukmedia, selecteert u de instelling Papiersoort in
het onderdeel Lade-instelling voor elke bron (lade).
Om het verbinden van de lades uit te schakelen, wijzigt u Papiersoort in een van de bronnen (lades) naar een unieke
waarde.
OPMERKING: Indien verschillende type afdrukmedia van hetzelfde formaat in elke lade worden geladen, zal de printer
deze automatisch verbinden als het papiersoort niet staat gespecificeerd in de printerstuureigenschappen/voorkeuren.
De dubbelzijdige functie gebruiken
Dubbelzijdig afdrukken (ook de wel tweezijdig afdrukken genoemd) biedt u de mogelijkheid af te drukken op beide zijden van
het vel papier. Zie "Ondersteunde papierformaten
" voor formaten die geschikt zijn voor dubbelzijdig afdrukken.
Boekje afdrukken gebruiken
U kunt de functie Boekje afdrukken gebruiken door Naar korte zijde of Naar lange zijde te selecteren uit het menu
Dubbelzijdig in het dialoogvenster voor de eigenschappen van de printer en vervolgens Boekje maken te selecteren in het
dialoogvenster Boekje/Poster/Gemengd document dat verschijnt wanneer u klikt op de knop Boekje/Poster/Gemengd
document. In het menu Dubbelzijdig kunt u opgeven hoe de dubbelzijdig afgedrukte pagina's worden gebonden en kiezen
in welke richting op de achterzijde van het vel wordt afgedrukt (even pagina's) ten opzichte van de afdrukken op de voorzijde
(oneven pagina's).
OPMERKING: Bij gebruik van het XPS-stuurprogramma is boekje afdrukken niet beschikbaar.
Naar
lange
zijde
Dit staat voor het binden en omslaan langs de lange kant van de pagina (de linkerkant bij een staande richting en
de bovenrand bij een liggende richting). De volgende afbeelding toont de lange-kantbinding voor staande en
liggende pagina's:
Naar
korte
zijde
Dit staat voor het binden en omslaan langs de korte kant van de pagina (de bovenrand bij een staande richting en
de linkerkant bij een liggende richting). De volgende afbeelding toont de korte-kantbinding voor staande en
liggende pagina's:
De middelste uitvoerlade gebruiken
De middelste uitvoerlade kan bevatten:
500 vel normaal papier (20 lb (75 g/m
2
))
De stapeleenheid gebruiken
De stapeleenheid kan bevatten:
Uitvoermodus Niet
geniet
Geniet Papierformaat
In grote
hoeveelheid
1000
vel
set
van
50 of
750
vel
(SFP)
A4: P: 64 g/m
2
A4: C2: 70 g/m
2
Letter: Business 4200: 20 lb
Letter: Color Xpressions+: 24 lb
(MPF)
A4: Premier: 80 g/m
2
A4: Premier: met 4 gaten geperforeerd: 80 g/m
2
A4: Business: 80 g/m
2
A4: Colotech+: 90 g/m
2
Letter: Business 4200: 75 g/m
2
Letter: Digital Color Xpressions+: 90 g/m
2
/ 24 lb
750
vel
set
van
50 of
500
Legal: Business 4200: 20 lb
Legal: Color Xpressions+: 24 lb
vel
Legal: Digital Color Xpressions+: 24 lb
Eén voor één 300
vel
- B5, A6, B6, A5, Briefkaart (VS; 5 x 7; 3 x 5; 3,5 x 5; 3,5 x 5,5;
6 x 9), Verklaring, Gecoat (106 tot 163 g/m
2
), Gecoat - dik
(164 tot 216 g/m
2
), Label, Tabpapier
*1
, Transparant, Briefkaart
(134 tot 190 g/m
2
)
OPMERKING: Het links aangegeven aantal bladen is mogelijk
niet realiseerbaar, afhankelijk van het type en het formaat van
het papier.
100
vel
- Legal
OPMERKING: Het links aangegeven aantal bladen is mogelijk
niet realiseerbaar, afhankelijk van het type en het formaat van
het papier.
50 vel - Envelop (Com-10, Monarch, DL, C5)
OPMERKING: Het links aangegeven aantal bladen is mogelijk
niet realiseerbaar, afhankelijk van het type en het formaat van
het papier.
*1
: Alleen tabpapier met de tab aan de korte zijde is beschikbaar.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Operatorpaneel
Gebruik van de operatorpaneelknoppen
Een pagina met paneelinstellingen afdrukken
Gebruik van de operatorpaneelknoppen
Het operatorpaneel heeft een LCD-scherm (Liquid Crystal Display), acht knoppen en een indicatielampje dat knippert als de
printer gereed is voor gebruik en als zich een fout voordoet.
1. Indicatielampje gereed/fout
Gaat groen branden als de printer gereed is of in de slaapstand staat en knippert wanneer gegevens worden
ontvangen.
Gaat geel branden als zich een fout voordoet en knippert als zich een onherstelbare afdrukfout voordoet.
2. Knoppen
In de menumodus kiest u hiermee submenu's of instellingen.
3. Knoppen
In de menumodus doorloopt u hiermee menu's of items. U kunt met deze knoppen cijfers of wachtwoorden voor
veilige afdruktaken invoeren.
4. Knop Annuleren
Annuleert de huidige afdruktaak.
In het topmenu van de menumodus schakelt u hiermee over naar de afdrukmodus.
In het submenu van de menumodus schakelt u hiermee naar een menu op het topniveau.
5. Knop Menu
In de afdrukmodus schakelt u hiermee over naar de menumodus.
In de menumodus schakelt u hiermee over naar de afdrukmodus.
6. Knop
(SET)
In de menumodus wordt het geselecteerde menu of onderdeel getoond en wordt de geselecteerde waarde
bepaald.
7. Knop Informatie
Als het informatieteken op het scherm wordt weergegeven, kunt u met deze knop de informatie bekijken,
bijvoorbeeld voor het verhelpen van een fout.
8. LCD-scherm
Een pagina met paneelinstellingen afdrukken
De pagina Paneelinstellingen toont de huidige instellingen voor de menu's van het operatorpaneel.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
3. Druk op de knop
totdat Paneelinstel is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
De pagina Paneelinstellingen wordt afgedrukt.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
4. Selecteer Rapporten.
5. Klik op de knop Start onder Paneelinstel.
Het rapport Paneelinstellingen wordt afgedrukt.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Afdrukken
Tips voor succesvol afdrukken
Taak naar afdrukken verzenden
Een afdruktaak annuleren
Een rapportpagina afdrukken
De nietfunctie gebruiken
De scheidingsfunctie gebruiken
De functie voor opgeslagen afdruktaken gebruiken
Dit hoofdstuk bevat tips voor afdrukken, het afdrukken van bepaalde lijsten met informatie over uw printer en het annuleren
van een afdruktaak.
Tips voor succesvol afdrukken
Tips voor de opslag van afdrukmedia
Berg uw afdrukmedia goed op. Zie "Opslag van afdrukmedia" voor nadere inlichtingen.
Papierstoringen voorkomen
OPMERKING: U wordt geadviseerd van de printmedia die u denkt te gaan gebruiken eerst een beperkte hoeveelheid
voor de printer te proberen, voordat u een grotere partij aanschaft.
Door de geschikte afdrukmedia te kiezen en die juist in te leggen kunt u papierstoringen voorkomen. Lees de volgende
aanwijzingen voor het inleggen van afdrukmedia:
"Afdrukmedia inleggen in de standaardladen en optionele laden" (voor lade 1, de optionele 550 documentinvoer en de
optionele 1100 papierinvoerlade)
"Afdrukmedia inleggen in de MPF"
"Papierstoringen voorkomen"
Als het papier vastloopt, zie dan "Papierstoringen verhelpen
" voor aanwijzingen.
Taak naar afdrukken verzenden
Gebruik het printerstuurprogramma om alle functies van de printer te kunnen benutten. Als u klikt op Afdrukken in een
softwareprogramma, verschijnt er een venster voor het printerstuurprogramma. Kies de juiste instellingen voor de specifieke
taak die u wilt afdrukken. De afdrukinstellingen die u kiest in het printerstuurprogramma krijgen voorrang boven de standaard
menu-instellingen die zijn gekozen via het operatorpaneel.
Mogelijk moet u op Voorkeuren in het eerste scherm Afdrukken klikken om alle beschikbare systeeminstellingen te zien die
u kunt wijzigen. Als u een functie in het venster van het printerstuurprogramma niet kent, opent u de online Help voor nadere
informatie.
Afdrukken van een taak vanuit een typische Windows
®
-toepassing:
1. Open het bestand dat u wilt afdrukken.
2. In het menu Bestand selecteert u Afdrukken.
3. Controleer of de juiste printer is geselecteerd in het dialoogvenster. Wijzig de printerinstellingen voor de taak (zoals de
pagina's die u wilt afdrukken en het aantal exemplaren).
4. Klik op Voorkeuren als u systeeminstellingen wilt instellen die niet beschikbaar zijn op het eerste scherm, en klik op
OK.
5. Klik op OK of Afdrukken om de taak naar de geselecteerde printer te verzenden.
Een afdruktaak annuleren
U kunt een afdruktaak op verschillende manieren annuleren.
Annuleren via het operatorpaneel
Een taak annuleren waarvan het afdrukken al begonnen is:
Druk op Cancel (Annuleren).
Het afdrukken wordt geannuleerd, maar alleen voor de huidige taak. Alle volgende taken worden gewoon afgedrukt.
Annuleren van een taak vanaf een computer die draait onder Windows
Annuleren van een taak vanaf de taakbalk
Wanneer u een taak voor afdrukken verzendt, verschijnt er een klein printerpictogram in de rechterhoek van de taakbalk.
1. Dubbelklik op het printerpictogram.
Er verschijnt een lijst met afdruktaken in het printervenster.
2. Selecteer de taak die u wilt annuleren.
3. Druk op Delete op uw toetsenbord.
Een taak annuleren vanaf het bureaublad
1. Minimaliseer alle programma's, zodat het bureaublad verschijnt.
Klik op Start® Printers en faxapparaten.
Klik op Starten® Apparaten en printers (voor Windows 7 en Windows Server
®
2008 R2).
Klik op Start® Configuratiescherm® Hardware en geluiden® Printers (voor Windows Vista
®
).
Klik op Start® Configuratiescherm® Printers (voor Windows Server 2008).
Klik op Start® Instellingen® Printers (voor Windows 2000).
Er verschijnt een lijst van beschikbare printers.
2. Dubbelklik op de printer die u hebt gekozen bij het versturen van de taak.
Er verschijnt een lijst met afdruktaken in het printervenster.
3. Selecteer de taak die u wilt annuleren.
4. Druk op Delete op uw toetsenbord.
Een rapportpagina afdrukken
U kunt via het menu Rapport verscheidene instellingen afdrukken voor uw printer, waaronder printerinstellingen,
paneelinstellingen en een lettertypenlijst. Hieronder vindt u twee voorbeelden van het afdrukken via het menu Rapport.
Een pagina met printerinstellingen afdrukken
U kunt de printerinstellingen controleren door een printerinstellingenpagina af te drukken. Als u een printerinstellingenpagina
afdrukt, kunt u ook zien of de opties naar behoren zijn geïnstalleerd.
Zie "Begrip van de printermenu's
" voor een overzicht van de aanduidingen en de knoppen op het operatorpaneel als u hulp
nodig hebt.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
3. Printerinstellingen wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
4. Selecteer Rapporten.
5. Klik op de knop Start onder Printerinstellingen.
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
Het bericht Bezig met afdrukken Printerinstellingen verschijnt terwijl de pagina wordt afgedrukt. De printer keert terug
naar de standbymodus nadat de printerinstellingenpagina is afgedrukt.
Als er een ander bericht verschijnt tijdens het afdrukken van deze pagina, zie dan de online Help voor nadere informatie.
Een lettertypenlijst afdrukken
U kunt voorbeelden afdrukken van alle lettertypen die op dat moment voor uw printer beschikbaar zijn:
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
3. Druk op de knop
totdat PCL-letterlijst of PS-letterlijst is gemarkeerd.
Selecteer PCL-letterlijst als u een lijst wilt afdrukken van lettertypen die beschikbaar zijn voor de PCL.
Selecteer PS-letterlijst als u een lijst wilt afdrukken van lettertypen die beschikbaar zijn voor PostScript
®
3â„¢.
4. Druk op de knop
(SET).
De melding Bezig met afdrukken PCL-letterlijst of Bezig met afdrukken PS-letterlijst verschijnt en blijft op het
operatorpaneel staan totdat de pagina is afgedrukt. De printer keert terug naar de status Afdruk gereed nadat de
lettertypenlijst is afgedrukt.
De nietfunctie gebruiken
Bij gebruik van de nietfunctie kunt u elk exemplaar nieten. Het nietje wordt in de linker linker bovenhoek van het papier
aangebracht.
B5, A4, Letter, Executive, Folio (8.5), Legal, Normaal, Normaal-dik, Voorbladen, Dikke voorbladen en Gerecycled papier
kunnen worden gebruikt in combinatie met de nietfunctie.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als het PCL- of PS-stuurprogramma wordt gebruikt.
De scheidingsfunctie gebruiken
Als u de scheidingsfunctie gebruikt, kunt u de ene papierset onderscheiden van de andere papierset. Als u "Scheiding per set"
selecteert, wordt elke kopie gescheiden voordat de volgende kopie wordt afgedrukt. Als u "Scheiding per taak" selecteert,
wordt elke kopie gescheiden per door u opgegeven papiertaak. U kunt ook opgeven dat elk exemplaar moet worden geniet
of dat een scheidingspagina moet worden ingevoegd na elk exemplaar.
B5, A4, Letter, Executive, Folio (8.5), Legal, Normaal, Normaal-dik, Voorbladen, Dikke voorbladen en Gerecycled papier
kunnen worden gebruikt in combinatie met de scheidingsfunctie.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als het PCL- of PS-stuurprogramma wordt gebruikt.
Voorbeelden van twee taken voor het afdrukken van twee exemplaren van een document van drie pagina's:
De functie voor opgeslagen afdruktaken gebruiken
Wanneer u een taak naar de printer stuurt, kunt u in het stuurprogramma opgeven dat u wilt dat de printer de taak in het
geheugen opslaat. Wanneer u later de taak wilt afdrukken, gaat u naar de printer en kiest u via het menu van het
operatorpaneel welke taak in het geheugen of op de harde schijf u wilt afdrukken. Deze functie kunt u gebruiken voor Veilige
afdruk, Openbaar postvak afdrukken, Persoonlijk postvak afdrukken en Proefafdruk.
OPMERKING: De gegevens worden uit het geheugen gewist wanneer u de printer uitschakelt. De gegevens op de
optionele harde schijf worden niet gewist, ook niet als u de printer uitzet.
OPMERKING: Functies voor opgeslagen afdruktaken zijn beschikbaar als:
u de RAM-schijf inschakelt in het operatorpaneelmenu en "RAM-schijf" instelt op "Aanwezig" in het
printerstuurprogramma
of
als u een harde schijf installeert in uw printer en "Harde schijf" instelt op "Aanwezig" in het printerstuurprogramma.
De functie voor opgeslagen afdruktaken heeft betrekking op de volgende taaksoorten.
Veilige afdruk
U kunt afdruktaken tijdelijk opslaan in het printergeheugen, zodat ze op een opgegeven tijdstip kunnen worden uitgevoerd. U
kunt deze functie gebruiken voor het afdrukken van vertrouwelijke documenten. Een opgeslagen taak wordt verwijderd nadat
hij is afgedrukt, of na een opgegeven tijdsverloop.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als het PCL- of PS-stuurprogramma wordt gebruikt.
Persoonlijk postvak afdrukken
U kunt afdruktaken tijdelijk opslaan in het printergeheugen, zodat ze op een geschikter tijdstip kunnen worden uitgevoerd. U
kunt deze functie gebruiken voor het afdrukken van vertrouwelijke documenten. De opgeslagen taken blijven in het
printergeheugen staan totdat u ze verwijdert via het bedieningspaneel.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als het PCL- of PS-stuurprogramma wordt gebruikt.
Openbaar postvak afdrukken
U kunt afdruktaken tijdelijk opslaan in het printergeheugen, zodat ze op een geschikter tijdstip kunnen worden uitgevoerd.
Een afdruktaak wordt bewaard tot u hem uit het printergeheugen verwijdert via het operatorpaneel van de printer. U kunt
deze functie niet gebruiken in combinatie met een wachtwoord. Bij deze functie wordt niet om een wachtwoord gevraagd
voor het afdrukken van een opgeslagen taak.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als het PCL- of PS-stuurprogramma wordt gebruikt.
Proefafdruk
Als u meerdere kopieën opgeeft voor een gesorteerde taak, kunt u met deze functie alleen de eerste set op de printer
afdrukken ter controle voordat u de overige kopieën afdrukt.
OPMERKING: Afhankelijk van de documenten kan een afdruktaak wel eens te groot zijn voor het beschikbare
geheugen. In dat geval volgt er een foutmelding.
OPMERKING: Als u geen specifieke documentnaam kiest voor een afdruktaak via het printerstuurprogramma, zal de
taak worden aangeduid met de datum en tijd waarop u de taak vanaf de pc verzendt, zodat u de taak kunt
onderscheiden van andere afdruktaken die onder uw naam zijn opgeslagen.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als het PCL- of PS-stuurprogramma wordt gebruikt.
Afdruktaken opslaan
Als u op het tabblad "Papier/uitvoer" van het printerstuurprogramma een andere taaksoort selecteert dan "Normale afdruk",
wordt de taak opgeslagen in het tijdelijke geheugen of op de harde schijf totdat u via het operatorpaneel opdracht geeft om
de taak uit te voeren.
OPMERKING: Bij Veilige afdruk en Persoonlijk postvak afdrukken moet u een wachtwoord opgeven om de
vertrouwelijkheid te beschermen.
De opgeslagen afdruktaken afdrukken
Nadat taken zijn opgeslagen, kunt u via het operatorpaneel opdracht geven om ze af te drukken. Selecteer de gebruikte
taaksoort: Veilige afdruk, Persoonlijk postvak afdrukken, Openbaar postvak afdrukken of Proefafdruk. Vervolgens kiest u uw
gebruikersnaam uit een lijst. Voor Veilige afdruk en Persoonlijk postvak afdrukken moet u het wachtwoord invoeren dat u hebt
ingesteld in het printerstuurprogramma toen u de afdruktaak verzond.
Volg de onderstaande procedure om de opgeslagen documenten af te drukken.
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Menu Afdrukken is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat de gewenste taaksoort is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
Het opgeslagen document wordt afgedrukt.
Uw wachtwoord opgeven op het operatorpaneel
(Veilige
afdruk/Persoonlijk postvak afdrukken)
Wanneer u kiest voor Veilige afdruk of Persoonlijk postvak afdrukken vanuit het Menu Afdrukken na het kiezen van uw
gebruikersnaam, verschijnt de volgende prompt:
[************]
Voer met de knoppen op het operatorpaneel het numerieke wachtwoord in dat u in het printerstuurprogramma hebt
opgegeven. Het door u ingevoerde wachtwoord wordt zodanig weergegeven dat de vertrouwelijkheid bewaard blijft.
Als u een ongeldig wachtwoord invoert, verschijnt het bericht Onjuist wachtw. Wacht drie seconden, of druk op de knop
(SET) of Cancel en u keert terug naar het scherm voor gebruikersselectie.
Als u een geldig wachtwoord invoert, krijgt u toegang tot alle afdruktaken die overeenkomen met de gebruikersnaam en het
wachtwoord die u hebt ingevoerd. De afdruktaken die zijn beveiligd met het gekozen wachtwoord verschijnen op het scherm.
Dan kunt u kiezen voor afdrukken of verwijderen van de afdruktaken behorend bij het door u gekozen wachtwoord.
(Zie "De opgeslagen afdruktaken afdrukken
" voor nadere informatie.)
Opgeslagen taken verwijderen
Bij Veilige afdruk wordt een opgeslagen taak verwijderd nadat hij is afgedrukt, of op een opgegeven tijdstip verwijderd als dit
op het operatorpaneel is ingevoerd.
Overige taken blijven opgeslagen totdat u ze verwijdert via het operatorpaneel.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Printerinstellingen
Een pagina met printerinstellingen afdrukken
Het operatorpaneel gebruiken voor het wijzigen van printerinstellingen
De Dell Printer Configuration Web Tool gebruiken voor het wijzigen van printerinstellingen
Terugzetten op standaardinstellingen
U kunt de meeste systeeminstellingen wijzigen vanuit uw softwareprogramma. Als uw printer is aangesloten op het netwerk,
kunt u de instellingen wijzigen met de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool. Als u de Dell Printer Configuration Web
Tool wilt opstarten, typt u het IP-adres van de printer in in uw web-browser. Voor het IP-adres van uw printer, zie "Een
pagina met printerinstellingen afdrukken".
Instellingen in het softwareprogramma werken de standaardprinterinstellingen bij voor de printer. Instellingen in het
printerstuurprogramma zijn alleen van toepassing op de taak die u op dat moment verzendt naar de printer.
Als u een bepaalde instelling niet kunt wijzigen in uw softwareprogramma, gebruik dan het operatorpaneel of de Dell Printer
Configuration Web Tool. Als u een printerinstelling wijzigt vanaf het operatorpaneel of via de Dell Printer Configuration
Web Tool, wordt deze instelling automatisch de standaardgebruikersinstelling.
Een pagina met printerinstellingen afdrukken
U kunt de gedetailleerde printerinstellingen controleren door een pagina met printerinstellingen af te drukken.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
3. Printerinstellingen wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printerinstellingenrapport.
4. Selecteer Rapporten.
5. Klik op de knop Start onder Printerinstellingen.
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
Het operatorpaneel gebruiken voor het wijzigen van
printerinstellingen
U kunt de menu-onderdelen en bijbehorende waarden kiezen via het operatorpaneel.
Wanneer u voor het eerst de menu's opent via het operatorpaneel, ziet u een opsommingsteken naast een waarde in de
menu's.
Dit opsommingsteken markeert de oorspronkelijke fabrieksinstelling van het menu. Deze instellingen gelden als de
uitgangsinstellingen voor de printer.
Overigens kunnen de fabrieksinstellingen van land to land verschillen.
Wanneer u een nieuwe instelling kiest in het operatorpaneel, verschijnt een sterretje naast de instelling, waarmee die wordt
gemarkeerd als de huidige standaardgebruikersinstelling.
Deze instellingen blijven gelden totdat er nieuwe worden gekozen of de oorspronkelijke fabrieksinstellingen worden hersteld.
Als u een nieuwe waarde wilt instellen:
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
of totdat het gewenste menu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
of totdat het menu of menu-onderdeel van uw keuze is gemarkeerd, en druk dan op de knop
(SET).
Als uw keuze een menu is, wordt dat menu geopend en verschijnt de eerste printerinstelling in dat menu.
Als uw keuze een menu-onderdeel is, verschijnt nu de standaardinstelling voor dat menu-onderdeel. (De huidige
gebruikersstandaardinstelling is gemarkeerd met een opsommingsteken.)
Elk menu-onderdeel heeft een lijst van waarden die u voor dat menu-onderdeel kunt kiezen. Een waarde kan zijn:
Een woord of uitdrukking die de instelling beschrijft
Een numerieke waarde die te wijzigen is
Een Aan- of Uit-instelling
OPMERKING: Als u tegelijk op de knoppen en drukt, worden de fabrieksstandaardinstellingen voor het
menu hersteld. Druk op de knop
(SET) als u de instellingen wil terugzetten op
de fabrieksstandaardinstellingen voor het menu.
4. Druk op
of tot de gewenste keuze is gemarkeerd.
5. Druk op de knop
(SET).
Zo schakelt u de instelwaarde in en dat wordt aangeduid door een opsommingsteken naast de instelwaarde.
6. Druk op Cancel of op de knop
als u wilt terugkeren naar het vorige menu.
Kies het menu van uw keuze als u wilt doorgaan met het instellen van andere onderdelen. Druk op de knop Cancel als
u wilt stoppen met het instellen van nieuwe waarden.
Stuurprogramma-instellingen kunnen voorrang krijgen boven eerder gemaakte instellingen en kunnen het nodig maken de
standaardinstellingen van het operatorpaneel te wijzigen.
De Dell Printer Configuration Web Tool gebruiken
voor het wijzigen van printerinstellingen
Als uw printer is aangesloten op het netwerk, kunt u de apparaatinstellingen wijzigen vanuit uw web-browser. Als u
netwerkbeheerder bent, kunt u de printerinstellingen van de ene printer overbrengen naar een andere of naar alle printers op
het netwerk.
Typ het IP-adres van uw printer in uw web-browser. Kies Printerinstellingen uit de lijst met onderwerpen en selecteer de
Printerinstellingen die u wilt wijzigen. Als u de papiersoort en het formaat wilt wijzigen, kiest u Lade-instellingen in de
lijst met onderwerpen. Als u de ColorTrack-instellingen wilt wijzigen, kiest u Afdrukvolume in de lijst met onderwerpen en
selecteert u het tabblad Dell ColorTrack.
Als u uw printerinstellingen wilt overbrengen naar een andere printen op het netwerk kiest u Printerinstellingen kopiëren
uit de lijst met onderwerpen, en typt u het IP-adres van de andere printer.
Als u het IP-adres van de printer niet weet, zie dan de pagina met printerinstellingen. De pagina met printerinstellingen
afdrukken via het operatorpaneel:
1. Druk op de knop Menu.
2. Zorg dat Rapport/Lijst gemarkeerd is en druk dan op de knop
(SET).
3. Printerinstellingen wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
De pagina met printerinstellingen wordt afgedrukt.
Terugzetten op standaardinstellingen
Na het uitvoeren van deze functie en opnieuw opstarten van de printer zijn alle menuparameters, behalve de
netwerkparameters, teruggezet op de standaardwaarde.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop totdat Onderhoud is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Druk op de knop totdat Stndwaard reset is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Het bericht Start of Annuleren verschijnt op het operatorpaneel. Druk op de knop (SET).
6. Zet de printer uit en vervolgens weer aan zodat de instellingen geldig worden.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Terugstellen in de lijst links op de pagina.
De pagina Terugstellen verschijnt.
5. Klik op Start naast Terugstellen en printer herstarten om de standaardwaarden te herstellen.
De printer wordt automatisch uitgeschakeld en de instellingen worden toegepast.
NVRAM initialiseren voor netwerkinstellingen
U kunt het IP-adres en de netwerkgerelateerde instellingen initialiseren door NVRAM voor netwerkinstellingen te initialiseren.
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Zorg dat Netwerk gemarkeerd is en druk dan op de knop (SET).
4. Druk op de knop totdat Drdloos reset of LAN reset is gemarkeerd, en druk dan op de knop (SET).
5. Het bericht Start of Annuleren verschijnt op het operatorpaneel. Druk op de knop (SET).
6. Zet de printer uit en vervolgens weer aan zodat de instellingen geldig worden.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Begrip van de Werkset-menu's
U kunt de Werkset gebruiken voor het diagnosticeren van de printerinstellingen.
OPMERKING: De eerste keer dat u de instellingen op de Werkset probeert te wijzigen, verschijnt er een
dialoogvenster Wachtwoord als Paneelvergrend op de printer is ingesteld. Voer in dit geval het wachtwoord in dat u
hebt opgegeven en pas de instellingen toe door op OK te klikken.
OPMERKING: In "Begrip van de printersoftware" vindt u hoe u Werkset start.
Grafiekafdruk
Toepassing:
Verschillende schema's produceren die gebruikt kunnen worden voor diagnose van de printer.
Waarden:
Configuratiegrafiek
tekenbreedte
Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte en er worden volledige halftoonpagina's
uitgevoerd voor geel, magenta, cyaan en zwart. Ook worden pagina's uitgevoerd om de tekenbreedte
te controleren. Het uitvoerrapport bevat vijf pagina's en het papierformaat is A4 of Letter.
Configuratiegrafiek
ghost
Klik op de knop Configuratiegrafiek ghost en er wordt een grafiek gegenereerd voor het
controleren van ghost-afdrukken. Het uitvoerrapport bevat één pagina en het papierformaat is A4 of
Letter.
Configuratiegrafiek
4 kleuren
Klik op de knop Configuratiegrafiek 4 kleuren en er worden stroken van geel, magenta, cyaan
en zwart afgedrukt van een wisselende dichtheid. Het uitvoerrapport bevat één pagina en het
papierformaat is A4 of Letter.
MQ-schema
Klikt u op de knop MQ-schema en er wordt een grafiek getoond waarin u de stroken kunt
controleren. Het uitvoerrapport bevat twee pagina's en het papierformaat is A4 of Letter.
Uitlijngrafiek
Druk op de knop Uitlijngrafiek en er wordt een grafiek afgedrukt om de juiste uitlijning te
controleren van het afdrukbeeld op het papier. Het uitvoerrapport bevat één pagina en het
papierformaat is A4 of Letter.
Configuratiegrafiek
Drum vernieuwen
Klik op de knop Configuratiegrafiek Drum vernieuwen en er wordt een grafiek afgedrukt
ter controle van de lichtzwakte van de drum. Het uitvoerrapport bevat één pagina en het
papierformaat is A4 of Letter.
Info omgevingssensor
Toepassing:
De informatie van de interne omgevingssensor van de printer naar Resultaat sturen als u drukt op de knop Info
omgevingssensor ophalen.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Begrip van de printermenu's
Rapport/Lijst
Beheermenu
Lade-instellingen
Menu Afdrukken
Paneelvergrend
Als uw printer is geconfigureerd als een netwerkprinter die beschikbaar is voor een aantal gebruikers, kan de toegang tot het
Beheermenu worden beperkt. Dit voorkomt dat andere gebruikers via het operatorpaneel onbedoeld een
gebruikersstandaardinstelling van de printer wijzigen die is ingesteld door de beheerder. In dat geval hebt u alleen toegang tot
de menu's Opgeslagen doc en Lade-instelling.
U kunt echter nog wel door middel van uw printerstuurprogramma standaardinstellingen van een gebruiker van de printer
overschrijven en instellingen selecteren voor individuele afdruktaken.
Misschien moet u om afdruktaken te kunnen voltooien ook lade-instellingen wijzigen.
Rapport/Lijst
Gebruik het menu Rapport/Lijst voor het afdrukken van diverse soorten rapporten en lijsten.
Printerinstellingen
Toepassing:
Afdrukken van een lijst met de huidige gebruikersinstellingen, de geïnstalleerde opties, de hoeveelheid geïnstalleerd
printergeheugen, en de toestand van de printerbenodigdheden.
Paneelinstel
Toepassing:
Afdrukken van een gedetailleerde lijst met alle instellingen in de operatorpaneelmenu's.
PCL-letterlijst
Toepassing:
Afdrukken van een voorbeeld van de beschikbare PCL-lettertypen.
Zie ook:
"Lettertypen begrijpen
", "Een lettertypenlijst afdrukken."
PCL-macrolijst
Toepassing:
Afdrukken van de informatie over de gedownloade PCL-macro.
PS-lettertypenlijst
Toepassing:
Afdrukken van een voorbeeld van de beschikbare PostScript-lettertypen.
Zie ook:
"Lettertypen begrijpen
", "Een lettertypenlijst afdrukken."
Taakgeschiedenis
Toepassing:
Afdrukken van een gedetailleerde lijst van de afdruktaken die verwerkt zijn. Deze lijst bevat de laatste 20 taken.
Foutengeschied
Toepassing:
Afdrukken van een gedetailleerde lijst van papierstoringen en fatale fouten.
Afdrukmeter
Toepassing:
Afdrukken van rapporten over het totaal aantal afgedrukte pagina's. Als u het afdrukt via het bedieningspaneel van de printer
of via de Dell Printer Configuration Web Tool, is de titel van het rapport Afdrukvolumerapport.
Kleurtestpagina
Toepassing:
Afdrukken van een pagina voor het testen van de kleuren.
Opgeslagen doc
Toepassing:
Afdrukken van een lijst van alle bestanden die zijn opgeslagen als Veilige afdruk en Proefafdruk op de RAM-schijf.
OPMERKING: Het Opgeslagen doc wordt alleen weergegeven als de optionele harde schijf of de geheugenmodule is
geïnstalleerd op de printer en als RAM-schijf is ingeschakeld onder Systeeminstell.
Beheermenu
Gebruik het Beheermenu voor de configuratie van diverse printerfuncties.
Netwerk
Pas in het menu Netwerk de printerinstellingen aan die van invloed zijn op de taken die naar de printer worden gestuurd via
het al dan niet draadloze netwerk.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
Ethernet
Toepassing:
Het opgeven van de communicatiesnelheid en de duplexinstellingen voor Ethernet. De wijziging wordt van kracht nadat u de
printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Auto
*
Voor automatische detectie van de Ethernet-instellingen.
10Base Half Voor gebruik van 10 base-T half-duplex.
10Base Full Voor gebruik van 10 base-T full-duplex.
100Base Half Voor gebruik van 100 base-TX half-duplex.
100Base Full Voor gebruik van 100 base-TX full-duplex.
1000Base Full Voor gebruik van 1000 base-T full-duplex.
Status
Toepassing:
Het weergeven van informatie over de sterkte van het draadloze signaal. Op het operatorpaneel kan geen enkele wijziging
worden uitgevoerd ter verbetering van de status van de draadloze verbinding.
Waarden:
Goed Duidt op een goede sterkte van het signaal.
Acceptabel Duidt op een marginale sterkte van het signaal.
Laag Duidt op een onvoldoende sterkte van het signaal.
Geen ontvangst Duidt erop dat er geen signaal wordt ontvangen.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar wanneer de printer via een bekabeld netwerk wordt aangesloten.
Draadloos instellen
Toepassing:
Voor het configureren van de draadloze netwerkinterface.
Waarden:
Handmatig
instellen
Voer netw
in (SSID)
Geef een naam op waarmee het draadloze netwerk wordt aangeduid. U kunt maximaal
32 alfanumerieke tekens invoeren.
Infrastructuur
Selecteer deze optie als u de draadloze instelling configureert via het toegangspunt,
bijvoorbeeld een draadloze router.
Geen
beveiliging
Geef Geen beveiliging op als u de draadloze instelling wilt configureren
zonder een beveiligingsmethode te kiezen uit WEP, WPA-PSK-TKIP en
WPA-PSK-AES.
WEP-
sleutel
invoeren
Bepaal welke WEP 64bit-sleutel via het draadloze netwerk moet worden
gebruikt. U kunt maximaal 10 hexadecimale tekens invoeren.
Sleutel Kies de verzendsleutel WEP-sleutel 1, WEP-sleutel 2,
(64Bit)
verzenden WEP-sleutel 3 of WEP-sleutel 4.
WEP-
sleutel
invoeren
(128Bit)
Bepaal welke WEP 128bit-sleutel via het draadloze netwerk moet
worden gebruikt. U kunt maximaal 26 hexadecimale tekens invoeren.
Sleutel
verzenden
Kies de verzendsleutel WEP-sleutel 1, WEP-sleutel 2,
WEP-sleutel 3 of WEP-sleutel 4.
Handmatig
instellen
Infrastructuur
WPA-PSK-
TKIP
Selecteer om de draadloze instelling te configureren met de
beveiligingsmethode WPA-PSK-TKIP.
Woordgroep
doorlaten
Bepaal de wachtwoordgroep bestaande uit 8 tot 63
alfanumerieke tekens alleen als WPA-PSK-TKIP is
geselecteerd voor Codering.
WPA2-PSK-
AES
Selecteer om de draadloze instelling te configureren met de
beveiligingsmethode WPA2-PSK-AES.
Woordgroep
doorlaten
Bepaal de wachtwoordgroep bestaande uit 8 tot 63
alfanumerieke tekens alleen als WPA-PSK-AES is
geselecteerd voor Codering.
Ad-hoc
Selecteer deze optie als u de draadloze instelling wilt configureren zonder het
toegangspunt, zoals een draadloze router.
Geen
beveiliging
Selecteer om de draadloze instelling te configureren zonder de
beveiligingsmethode op te geven uit WEP.
WEP-
sleutel
invoeren
(64Bit)
Bepaal welke WEP 64bit-sleutel via het draadloze netwerk moet worden
gebruikt. U kunt maximaal 10 hexadecimale tekens invoeren.
Sleutel
verzenden
Kies de verzendsleutel WEP-sleutel 1, WEP-sleutel 2,
WEP-sleutel 3 of WEP-sleutel 4.
WEP-
sleutel
invoeren
(128Bit)
Bepaal welke WEP 128bit-sleutel via het draadloze netwerk moet
worden gebruikt. U kunt maximaal 26 hexadecimale tekens invoeren.
Sleutel
verzenden
Kies de verzendsleutel WEP-sleutel 1, WEP-sleutel 2,
WEP-sleutel 3 of WEP-sleutel 4.
WPS
Drukknopbediening PBC-start
Cancel
*
De beveiligingsmethode van WPS-PBC wordt
uitgeschakeld.
Start
De draadloze instelling wordt geconfigureerd met de
beveiligingsmethode van WPS-PBC.
Pincode
Start
configuratie
De draadloze instelling wordt geconfigureerd met gebruik van de
pincode die automatisch door de printer wordt toegewezen.
Pincode
afdrukken
De pincode wordt afgedrukt. Controleer deze als u de aan de printer
toegewezen pincode in de computer invoert.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar wanneer de printer via een draadloos netwerk wordt aangesloten.
Draadloos resetten
Toepassing:
Het initialiseren van de instellingen van het draadloze netwerk. Nadat u deze functie hebt uitgevoerd en de printer opnieuw
hebt gestart, zijn alle instellingen van het draadloze netwerk teruggezet op hun oorspronkelijke waarde.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar wanneer de printer via een draadloos netwerk wordt aangesloten.
TCP/IP
Toepassing:
Het configureren van TCP/IP-instellingen. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
IP-
modus
Dual-stack
*
Stelt het IP-adres in met behulp van zowel IPv4 als IPv6.
IPv4-modus Stelt het IP-adres in met behulp van IPv4.
IPv6-modus Stelt het IP-adres in met behulp van IPv6.
IPv4
IP-adres
ophalen
AutoIP
*
Stelt het IP-adres automatisch in.
BOOTP Stelt het IP-adres in met behulp van BOOTP.
RARP Stelt het IP-adres in met behulp van RARP.
DHCP Stelt het IP-adres in met behulp van DHCP.
Paneel Schakelt het via het operatorpaneel ingevoerde IP-adres in.
IP-adres
Stelt het IP-adres dat aan de printer wordt toegewezen in met behulp van de toetsen
van het operatorpaneel.
Subnetmasker Stelt het subnetmasker in.
Gateway-adres Stelt het gateway-adres in.
IPsec
*1
Schakelt IPsec uit.
*1
Wordt alleen weergegeven wanneer een als optie verkrijgbare Netwerkprotocol-adapter is geïnstalleerd en IPsec is
ingeschakeld.
Protocol
Toepassing:
Het in- of uitschakelen van de protocols. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
LPD
Inschakelen
*
Schakelt de LPD-poort in.
Uitschakelen Schakelt de LPD-poort uit.
Port9100
Inschakelen
*
Schakelt de Port9100-poort in.
Uitschakelen Schakelt de Port9100-poort uit.
IPP
Inschakelen
*
Schakelt de IPP-poort in.
Uitschakelen Schakelt de IPP-poort uit.
FTP
Inschakelen
*
Schakelt FTP in.
Uitschakelen Schakelt FTP uit.
NetWare
Inschakelen
*
Gebruikt IP voor NetWare.
Uitschakelen Gebruikt niet IP voor NetWare.
WSD
Inschakelen
*
Schakelt de WSD-poort in.
Uitschakelen Schakelt de WSD-poort uit.
SNMP
Inschakelen
*
Schakelt de UDP in.
Uitschakelen Schakelt de UDP uit.
E-
mailwaarschuwing
Inschakelen
*
Schakelt de functie E-mailwaarschuwing in.
Uitschakelen Schakelt de functie E-mailwaarschuwing uit.
*
Geeft toegang tot Dell Printer Configuration Web Tool die in de printer is
EWS
Inschakelen
ingebouwd.
Uitschakelen
Schakelt de toegang uit tot Dell Printer Configuration Web Tool die in de printer
is ingebouwd.
Bonjour (mDNS)
Inschakelen
*
Schakelt de Bonjour (mDNS) in.
Uitschakelen Schakelt de Bonjour(mDNS) uit.
Telnet
Inschakelen
*
Schakelt de Telnet in.
Uitschakelen Schakelt de Telnet uit.
HTTP-SSL/TLS
*1
Inschakelen
*
Schakelt de HTTP-SSL/TLS in.
Uitschakelen Schakelt de HTTP-SSL/TLS uit.
*1
Dit onderdeel wordt alleen weergegeven als het zelfondertekende certificaat is gegenereerd.
IP-filter
Toepassing:
Het blokkeren van gegevens die van bepaalde IP-adressen over het bekabelde of draadloze netwerk worden ontvangen. U
kunt maximaal vijf IP-adressen configureren. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Nr. n/Adres (n is 1-5.)
*1
Stelt het IP-adres in voor Filter n.
Nr. n/Masker (n is 1-5.)
*1
Stelt het adresmasker in voor Filter n.
Nr. n/Modus (n is 1-5.)
*1
Uit
*
Uitschakelen van de functie IP-filter voor Filter n.
Accepteren Accepteert toegang vanaf het gespecificeerde IP-adres.
Weigeren Blokkeert de toegang vanaf het gespecificeerde IP-adres.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar voor LPD of Port9100.
IEEE 802.1x
Toepassing:
De IEEE 802.1x-verificatie uitschakelen. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
OPMERKING: Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de IEEE 802.1x-verificatie is ingeschakeld.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar wanneer de printer via een bekabeld netwerk wordt aangesloten.
LAN reset
Toepassing:
Het initialiseren van de gegevens van het bekabelde netwerk die zijn opgeslagen in het NV-geheugen (non-volatile). Nadat u
deze functie hebt uitgevoerd en de printer opnieuw hebt gestart, zijn alle instellingen van het bekabelde netwerk teruggezet
op hun oorspronkelijke waarde.
Adobe Protocol
Toepassing:
Als u het PostScript-communicatieprotocol voor een parallelle interface wilt specificeren, kunt u de Adobe Protocol-
instellingen voor het bekabelde netwerk configureren. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt
geschakeld.
Waarden:
Auto Wordt gebruikt bij automatische detectie van het PostScript-communicatieprotocol.
Standaard Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol in ASCII-interface is.
BCP Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol in binaire indeling is.
TBCP
*
Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol zowel ASCII als binaire gegevens ondersteunt, voor het
heen en weer schakelen volgens de opgegeven stuurcode.
Binary Wordt gebruikt wanneer de gegevens geen speciale verwerking vereisen.
Parallel
Gebruik het menu Parallel om de parallelle interface te wijzigen.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
Parallelle poort
Toepassing:
De parallelle interface in- of uitschakelen. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Uitschakelen De parallelle interface wordt uitgeschakeld.
Inschakelen
*
De parallelle interface wordt ingeschakeld.
ECP
Toepassing:
Het bepalen van de ECP-communicatiemodus van de parallelle interface. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit
en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Uitschakelen De ECP-communicatiemodus wordt uitgeschakeld.
Inschakelen
*
De ECP-communicatiemodus wordt ingeschakeld.
Adobe Protocol
Toepassing:
Het bepalen van het PostScript-communicatieprotocol voor de parallelle interface. U kunt de instellingen van het Adobe
Protocol configureren voor de parallelle poort. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt
geschakeld.
Waarden:
Auto Wordt gebruikt bij automatische detectie van het PostScript-communicatieprotocol.
Standaard Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol in ASCII-interface is.
BCP Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol in binaire indeling is.
TBCP
*
Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol zowel ASCII als binaire gegevens ondersteunt, voor het
heen en weer schakelen volgens de opgegeven stuurcode.
Binary Wordt gebruikt wanneer de gegevens geen speciale verwerking vereisen.
USB-instellingen
Wijzig met behulp van het menu USB-instelling de printerinstellingen die van invloed zijn op een USB-poort.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
USB-poort
Toepassing:
De USB-interface in- of uitschakelen. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Uitschakelen De USB-interface wordt uitgeschakeld.
Inschakelen
*
De USB-interface wordt ingeschakeld.
Adobe Protocol
Toepassing:
Het bepalen van het PostScript-communicatieprotocol voor de USB-interface. U kunt de instellingen van het Adobe Protocol
configureren voor USB. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Auto Wordt gebruikt bij automatische detectie van het PostScript-communicatieprotocol.
Standaard Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol in ASCII-interface is.
BCP Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol in binaire indeling is.
TBCP
*
Wordt gebruikt wanneer het communicatieprotocol zowel ASCII als binaire gegevens ondersteunt, voor het
heen en weer schakelen volgens de opgegeven stuurcode.
Binary Wordt gebruikt wanneer de gegevens geen speciale verwerking vereisen.
Systeeminstellingen
Gebruik het menu Systeeminstell. voor de configuratie van diverse printerfuncties.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
Energiebesptijd
Toepassing:
Het specificeren van de tijd voor het overgaan naar spaarstand.
Waarden:
Slaapstand
15 min.
*
Bepaalt de tijd voor het inschakelen van de spaarstandmodus (Slaapstand) in minuten.
5-30
min.
Versterkte
slaapstand
15 min.
*
Bepaalt de tijd voor het inschakelen van de spaarstandmodus (Versterkte slaapstand) in
minuten.1-29
min.
Kies 5 als u de printer vijf minuten na de laatste taak wilt laten overschakelen naar de spaarstandmodus. Zo wordt veel
energie bespaard, maar het opwarmen van de printer zal iets langer duren. Voer 5 in als uw printer een elektrisch circuit deelt
met de kantoor- of kamerverlichting en u merkt dat de lichten knipperen.
Selecteer een hoge waarde als uw printer voortdurend in gebruik is. In de meeste gevallen zal de printer dan steeds klaar zijn
voor gebruik, met een minimale opwarmtijd. Kies een waarde tussen 5 en 30 minuten voor de energiebesparingstijd als u een
compromis zoekt tussen energiebesparing en een vlotte opwarmtijd.
De printer keert automatisch terug uit de spaarstand terug naar stand-by wanneer er gegevens doorkomen van de computer
of van een externe faxprinter. U kunt de printer ook zelf in stand-by zetten, met een druk op een willekeurige knop op het
operatorpaneel.
Audiotonen
Toepassing:
Het configureren van de instellingen voor tonen die klinken wanneer de printer wordt bediend of wanneer een
waarschuwingsmelding verschijnt.
Waarden:
Bedieningspaneel
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer de invoer van het operatorpaneel juist is.
Aan Er klinkt een toon wanneer de invoer van het operatorpaneel juist is.
Onjuiste toets
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer de invoer van het operatorpaneel onjuist is.
Aan Er klinkt een toon wanneer de invoer van het operatorpaneel onjuist is.
Apparaat gereed
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer de printer gereed is voor gebruik.
Aan Er klinkt een toon wanneer de printer gereed is voor gebruik.
Taak voltooid
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer een taak voltooid is.
Aan Er klinkt een toon wanneer een taak voltooid is.
Fouttoon
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer een taak op abnormale wijze wordt beëindigd.
Aan Er klinkt een toon wanneer een taak op abnormale wijze wordt beëindigd.
Waarsch.toon
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer een probleem optreedt.
Aan Er klinkt een toon wanneer een probleem optreedt.
Papier is op
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer het papier van de printer op is.
Aan Er klinkt een toon wanneer het papier van de printer op is.
Toner bijna op
Uit
*
Er klinkt geen toon wanneer toner of een ander verbruiksmateriaal bijna op is.
Aan Er klinkt een toon af wanneer toner of een ander verbruiksmateriaal bijna op is.
Basistoon
Uit
*
Er klinkt geen waarschuwingstoon wanneer een operatorpaneeldisplay terugkeert naar
de aanvangsinstelling doordat het hele menu is doorlopen.
Aan
Er klinkt een toon wanneer een operatorpaneeldisplay terugkeert naar de aanvangsinstelling
doordat het hele menu is doorlopen.
Tijdfout
Toepassing:
Om in seconden op te geven hoe lang verstrijkt voordat de printer een taak die niet goed wordt afgerond, moet beëindigen.
De afdruktaak wordt geannuleerd als de time-outtijd wordt overschreden.
Waarden:
Uit Schakelt de time-out voor fouten uit.
Aan
60 sec
*
Bepaalt hoe lang verstrijkt voordat de printer een taak annuleert die op abnormale wijze wordt
beëindigd.6-300
sec.
Time-out
Toepassing:
In seconden specificeren hoe lang de printer moet wachten op gegevens die afkomstig zijn van de computer. De afdruktaak
wordt geannuleerd als de time-outtijd wordt overschreden.
Waarden:
Uit Schakelt de time-out voor taken uit.
Aan
30 sec
*
Specificeert hoe lang de printer moet wachten op gegevens die afkomstig zijn van de computer.
5-300 sec.
Paneeltaal
Toepassing:
Het bepalen van taal van de tekst op het operatorpaneelscherm.
Waarden:
English
*
Français
Italiano Deutsch
Español Dansk
Nederlands Norsk
Svenska
Auto logafdruk
Toepassing:
Het automatisch afdrukken van een log van voltooide taken na iedere 20 taken.
Waarden:
*
Uit
Genereert niet automatisch een log van voltooide taken.
Aan Genereert automatisch een log van voltooide taken.
U kunt een logboek van de afgewerkte taken ook laten afdrukken via het menu Rapport/Lijst.
OPMERKING: Start uw printer opnieuw op wanneer u de instellingen voor het menu RAM-schijf hebt gewijzigd.
ID afdrukken
Toepassing:
Het bepalen van een plaats waar het gebruikers-ID wordt afgedrukt.
Waarden:
Uit
*
Drukt geen gebruikers-ID af.
Links boven Drukt het gebruikers-ID links boven op de pagina af.
Rechts boven Drukt het gebruikers-ID rechts boven op de pagina af.
Links onder Drukt het gebruikers-ID links onder op de pagina af.
Rechts onder Drukt het gebruikers-ID rechts onder op de pagina af.
OPMERKING: Bij afdrukken op papier van DL-formaat kan een deel van het gebruikers-ID mogelijk niet goed worden
afgedrukt.
Tekst afdrukken
Toepassing:
Het bepalen of de printer PDL-gegevens, die de printer niet ondersteunt, als tekst afdrukt wanneer de printer die ontvangt. De
tekstgegevens worden afgedrukt op papier van het formaat A4 of Letter.
Waarden:
Aan
*
Drukt de ontvangen gegevens af als tekstgegevens.
Uit Drukt de ontvangen gegevens niet af.
Scheidingsvel
Toepassing:
Het bepalen van de positie van het scheidingsvel en ook van de lade waarin de scheidingsvellen worden gelegd. Deze functie
is beschikbaar voor het PCL-stuurprogramma, maar niet voor het PS-stuurprogramma.
Waarden:
Invoegpositie
Uit
*
Het scheidingsvel wordt niet afgedrukt.
Voor Ingevoegd vóór de eerste pagina van elk exemplaar.
Achter Ingevoegd na de laatste pagina van elk exemplaar.
Voor &
achter
Ingevoegd vóór de eerst pagina van elk exemplaar en na de laatste pagina van elk
exemplaar.
Lade 1
*
Het scheidingsvel wordt in de eerste lade van boven gelegd.
Lade 2
*1
Het scheidingsvel wordt in de tweede lade van boven gelegd.
Lade
opgeven
Lade 3
*1
Het scheidingsvel wordt in de derde lade van boven gelegd.
Lade 4
*2
Het scheidingsvel wordt in de vierde lade van boven gelegd.
Lade 5
*2
Het scheidingsvel wordt in de vijfde lade van boven gelegd.
MPF Het scheidingsvel wordt in de multifunctionele invoer (MPF) gelegd.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele 550 documentinvoer of 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd op de
printer.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als een 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd op de printer.
RAM-schijf
Toepassing:
Het toewijzen van geheugen aan het RAM-schijfbestandssysteem voor de functies Veilige afdruk, Proefafdruk en Postvak
afdrukken. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Inschakelen Wijst geheugen toe aan het RAM-schijfbestandssysteem.
Uitschakelen
Wijst geen geheugen toe aan het RAM-schijfbestandssysteem. De taken Veilige afdruk en Proefafdruk
worden afgebroken en als zodanig geregistreerd in het taaklogboek.
500MB
*
Bepaalt de hoeveelheid geheugen die moet worden toegewezen aan het RAM-schijfbestandssysteem.
(stappen van 50 MB)
50-1000MB
OPMERKING: Het menu RAM-schijf wordt alleen weergegeven als de geheugenmodule in de printer is geïnstalleerd.
OPMERKING: Start uw printer opnieuw op wanneer u de instellingen voor het menu RAM-schijf hebt gewijzigd.
Datum & tijd
Toepassing:
De datum, tijd en regionale tijdzonde van de printer instellen.
Waarden:
Datum
instellen
Bepaalt de datum van de printer in de datumnotatie jj/mm/dd,
mm/dd/jj of dd/mm/jj.
Tijd instellen Bepaalt de tijd van de printer op de 12-uurs klok of de 24-
uurs klok.
Datumnotatie
dd/mm/jj
*
Bepaalt de datumnotatie; dd/mm/jj.
jj/mm/dd Bepaalt de datumnotatie; jj/mm/dd.
mm/dd/jj Bepaalt de datumnotatie; mm/dd/jj.
Tijdnotatie 12-uurs klok Bepaalt de tijdnotatie; 12-uurs klok
24-uurs
*
klok
Bepaalt de tijdnotatie; 24-uurs klok
Tijdzone UTC -12:00 UTC -03:30 UTC +04:00 UTC +09:00
UTC -11:00 UTC -03:00 UTC +04:30 UTC +09:30
UTC -10:00 UTC -02:00 UTC +05:00 UTC +10:00
UTC -09:00 UTC -01:00 UTC +05:30 UTC +11:00
UTC -08:00
UTC 00:00
*
UTC +05:45 UTC +12:00
UTC -07:00 UTC +01:00 UTC +06:00 UTC +13:00
UTC -06:00 UTC +02:00 UTC +06:30
UTC -05:00 UTC +03:00 UTC +07:00
UTC -04:00 UTC +03:30 UTC +08:00
Lade vervangen
Toepassing:
Bepalen of er al dan niet een ander papierformaat mag worden gebruikt als het papier in de opgegeven lade niet overeenkomt
met de papierformaatinstellingen voor de huidige afdruktaak.
Waarden:
Uit Er mag geen papier van een ander formaat worden gebruikt.
Groter
formaat
Kiest ter vervanging het eerstvolgende grotere formaat. Als er geen groter papierformaat beschikbaar is,
kiest de printer het dichtstbijzijnde formaat.
Meest nabije
form
*
Kiest ter vervanging het dichtstbijzijnde formaat.
MPF-invoer Gebruikt ter vervanging papier uit de MPF.
mm/inch
Toepassing:
De maateenheid bepalen die wordt aangegeven achter de numerieke waarde op het operatorpaneel.
Waarden:
millimeter (mm) Selecteert millimeter als de standaard maateenheid.
inch (") Selecteert de inch als de standaard maateenheid.
OPMERKING: De standaard voor mm/inch varieert, afhankelijk van andere instellingen zoals Land en
Documentgrootte.
Gebruikstijd instellen
Toepassing:
De periode instellen waarin afdrukken mogelijk is.
Waarden:
Uit
*
Niet de periode instellen waarin afdrukken mogelijk is.
Aan
Stelt de periode in waarin afdrukken mogelijk is.
Begintijd Stelt de begintijd van de periode in waarin afdrukken mogelijk is.
Eindtijd Stelt de eindtijd van de periode in waarin afdrukken mogelijk is.
Herhaling Stelt de dag van de week in waarop de instelling moet worden herhaald.
Gegevenscodering
Toepassing:
Gegevenscodering bij gebruik van de printer in- of uitschakelen.
Waarden:
Codering
Uit
*
Schakelt codering van de gegevens uit.
Aan Schakelt codering van de gegevens in.
Coderingssleutel Stelt een sleutel in die vereist voor de codering.
OPMERKING: Voor de coderingssleutels kunt u uitsluitend de tekens 0 t/m 9, a t/m z, A t/m Z en NULL-waarden
invoeren.
Overschrijfmodus voor vaste schijf
Toepassing:
Selecteren dat de harde schrijf mag worden overgeschreven en hoe vaak de schijf mag worden overgeschreven.
Waarden:
Uit
*
Schakelt overschrijven van de vaste schijf uit.
1 keer Schrijft de vaste schijf één keer over.
3 keer Schrijft de vaste schijf 3 keer over.
OPMERKING: Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd.
Vervaltijd veilige taak
Toepassing:
Om de datum en tijd op te geven vóór het verwijderen van de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-
schijf of de vaste schijf.
Waarden:
Vervalmodus
Uit
*
Geeft niet de datum en tijd op vóór het verwijderen van de bestanden die als Veilige
afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de vaste schijf.
Aan
Bepaalt de datum en tijd vóór het verwijderen van de bestanden die als Veilige afdruk
zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de vaste schijf.
Vervaltijd
Bepaalt de tijd vóór het verwijderen van de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de
RAM-schijf of de vaste schijf.
Herhaling
Dagelijks
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf dagelijks worden verwijderd.
Wekelijks
*
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf wekelijks worden verwijderd.
Maandelijks
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf maandelijks worden verwijderd.
maandag
*
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf elke maandag worden verwijderd.
dinsdag
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf elke dinsdag worden verwijderd.
Weekinstellingen
woensdag
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf elke woensdag worden verwijderd.
donderdag
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf elke donderdag worden verwijderd.
vrijdag
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf elke vrijdag worden verwijderd.
zaterdag
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf elke zaterdag worden verwijderd.
zondag
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf elke zondag worden verwijderd.
Maandinstellingen
Dag 1
*
Bepaalt dat de bestanden die als Veilige afdruk zijn opgeslagen op de RAM-schijf of de
vaste schijf de eerste dag van de maand worden verwijderd.
Dag 2-28
Bepaalt op welke dag van de maand de bestanden die als Veilige afdruk zijn
opgeslagen op de RAM-schijf of de vaste schijf worden verwijderd.
VOORZICHTIG: Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de RAM-schijf is aangezet of de optionele harde schijf is
geïnstalleerd.
ColorTrack-modus
Toepassing:
Bepalen welke gebruikers toegang hebben tot kleurendruk en het afdrukvolume per gebruiker beperken.
Waarden:
Uit
*
Maakt het mogelijk om de gegevens af te drukken zonder verificatie-informatie.
Interne
modus
Beperkt het afdrukken op basis van de gegevens van de printergebruiker die zijn geregistreerd op de
interne server.
Externe
modus
Beperkt het afdrukken op basis van de gegevens van de printergebruiker die zijn geregistreerd op de
externe server.
Anoniem afdrukken
Toepassing:
Bepalen of het afdrukken van gegevens zonder verificatie-informatie moet worden toegelaten.
Waarden:
Uit
*
Maakt het onmogelijk om de gegevens af te drukken zonder verificatie.
Aan
*1
Maakt het mogelijk om de gegevens af te drukken zonder verificatie.
*1
Stel Wachtwoord voor gebruiker zonder account in met de Dell Printer Configuration Web Tool.
ColorTrack-foutenrapport
Toepassing:
Opgeven of het foutenrapport over de ColorTrack-modus moet worden afgedrukt.
Waarden:
Uit
*
Niet de inhoud van een printeruitvoerfout afdrukken voor een ColorTrack.
Aan De inhoud van een printeruitvoerfout afdrukken voor een ColorTrack.
Dubbelzijdige modus voor briefhoofd
Toepassing:
Dubbelzijdig afdrukken bij gebruik van papier met briefhoofd in- of uitschakelen.
Waarden:
Uitschakelen
*
Schakelt dubbelzijdig afdrukken voor papier met briefhoofd uit.
Aan Schakelt dubbelzijdig afdrukken voor papier met briefhoofd in.
Waarschuwingsbericht bij toner bijna op
Toepassing:
Het waarschuwingsbericht als de toner bijna op is Uit of Aan zetten.
Waarden:
Uit Toont geen waarschuwingsbericht als de toner bijna op is.
Aan
*
Toont een waarschuwingsbericht als de toner bijna op is.
Taakscheiding
Toepassing:
Een afgedrukte set onderscheiden van een andere set door scheiding van het uitgevoerde papier.
Waarden:
Uit
*
Schakelt scheiding van het uitgevoerde papier uit.
Scheiding per set Elke kopie wordt gescheiden voordat de volgende kopie wordt afgedrukt.
Scheiding per taak Elke kopie wordt gescheiden voor de door u opgegeven papiertaken.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
Scheidingsbladen scheiden
Toepassing:
Opgeven of de afdrukken moeten worden gescheiden en of een scheidingsvel moet ingevoegd voor de eerste pagina van elk
exemplaar.
Waarden:
Uit
*
Schakelt invoegen van het scheidingsblad na het scheiden van het uitgevoerde papier uit.
Aan Schakelt invoegen van het scheidingsblad na het scheiden van het uitgevoerde papier in.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
Taakscheiding bij nieten
Toepassing:
Het uitgevoerde papier scheiden en opgeven of elk exemplaar moet worden geniet.
Waarden:
Uit Schakelt nieten van elk exemplaar na het scheiden van het uitgevoerde papier uit.
Scheiding per set
*
Schakelt nieten van elk exemplaar na het scheiden van het uitgevoerde papier in.
Scheiding per taak Schakelt nieten van elke papiertaak na het scheiden van het uitgevoerde papier in.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
Nietcassette is leeg
Toepassing:
Bepalen of een afdruktaak moet worden voorgezet als de nietcassette leeg is.
Waarden:
Niet doorgaan
*
Stopt de afdruktaak als de nietcassette leeg is.
Doorgaan. Laat de afdruktaak doorgaan als de nietcassette leeg is.
OPMERKING: Dit item is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
Wizard inschakelen
Toepassing:
De aanvankelijke configuratie van de printer uitvoeren.
Onderhoud
Gebruik het menu Onderhoud voor het initialiseren van het NV-geheugen (non-volatile), het configureren van de
kwaliteitsinstellingen voor normaal papier en de beveiligingsinstellingen.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
Firmware-versie
Toepassing:
Het weergeven van de firmwareversie van de printer.
Service-tag
Toepassing:
Het weergeven van de service-tag van de printer.
Papierzwarting
Toepassing:
Het specificeren van de instellingen van papierzwarting.
Waarden:
Normaal
Normaal
*
Licht
Label
Normaal
*
Licht
BTR instellen
VOORZICHTIG: De afdrukkwaliteit verandert afhankelijk van de instelwaarden die u kiest voor dit onderdeel.
Toepassing:
Het opgeven van de optimale spanningsinstellingen voor afdrukken voor de overdraagrol (BTR). Als u de spanning wilt
verlagen, stelt u negatieve waarden in. Om te verhogen positieve waarden instellen.
De standaardinstellingen geven mogelijk niet het beste resultaat op alle papiertypen. Als u donkere vlekken ziet op de
afdrukken, probeert u het met een hogere spanning. Als u witte vlekken ziet op de afdrukken, probeert u het met een lagere
spanning.
Waarden:
Normaal
(60 tot 90 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Normaal dik
(80/90 tot 105 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Transparant
0
*
-6 - +6
Voorbladen
(106 tot 163 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Voorbladen dik
(164 tot 216 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Label
0
*
-6 - +6
Gecoat
(106 tot 163 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Gecoat dik
(164 tot 216 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Envelop
0
*
-6 - +6
*
Gerecycled
0
-6 - +6
Fuser instellen
Toepassing:
Voor opgave van de optimale temperatuursinstellingen voor afdrukken voor de fuser. Als u de temperatuur wilt verlagen, stelt
u negatieve waarden in. Om te verhogen positieve waarden instellen.
De standaardinstellingen geven mogelijk niet het beste resultaat op alle papiertypen. Als het bedrukte papier is omgekruld,
probeert u het met een lagere temperatuur. Als de toner niet goed aan het papier hecht, probeert u een hogere temperatuur.
Waarden:
Normaal
(60 tot 90 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Normaal dik
(80/90 tot 105 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Transparant
0
*
-6 - +6
Voorbladen
(106 tot 163 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Voorbladen dik
(164 tot 216 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Label
0
*
-6 - +6
Gecoat
(106 tot 163 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Gecoat dik
(164 tot 216 g/m
2
)
0
*
-6 - +6
Envelop
0
*
-6 - +6
Gerecycled
0
*
-6 - +6
Automatische registratie-instelling
Toepassing:
Opgeven of de instelling van de kleurregistratie automatisch wordt uitgevoerd.
Waarden:
Aan
*
Voert automatisch kleurregistratie-instelling uit.
Uit Voert niet automatisch kleurregistratie-instelling uit.
Kleurregistratie-instelling
Toepassing:
Opgeven of u de instelling van de kleurregistratie zelf wilt uitvoeren. U moet zelf de kleurregistratie instellen bij de
aanvankelijke installatie van de printer en als de printer is verplaatst.
OPMERKING: De functie Kleurregistratie-instelling kan worden geconfigureerd als Automatische registratie-instelling op
Uit staat.
Waarden:
Automatische
correctie
Voert automatisch kleurregistratie-correctie uit.
Kleurreg
schema
Drukt een kleurregistratieschema af. De kleurregistratiegrafiek drukt een rasterpatroon af van regels in
geel, magenta en cyaan. Op de grafiek staan aan de rechterkant de waarden die naast de meest rechte
regels voor ieder van de drie kleuren staan. Als de waarde voor de meest rechte regel 0 is, is aanpassing
van de kleurregistratie niet nodig. Geef, als de waarde voor de meest rechte regel niet 0 is, de
aanpassingwaarden op onder Nummer invoeren.
Nummer
invoeren
LinksGeel
0
*
Bepaalt de waarden die worden aangetroffen in het kleurregistratieschema voor
LinksGeel.-5 -
+5
LinksMagenta
0
*
Bepaalt de waarden die worden aangetroffen in het kleurregistratieschema voor
LinksMagenta.-5 -
+5
LinksCyaan
0
*
Bepaalt de waarden die worden aangetroffen in het kleurregistratieschema voor
LinksCyaan.-5 -
+5
RechtsGeel
0
*
Bepaalt de waarden die worden aangetroffen in het kleurregistratieschema voor
RechtsGeel.-5 -
+5
RechtsMagenta
0
*
Bepaalt de waarden die worden aangetroffen in het kleurregistratieschema voor
RechtsMagenta.-5 -
+5
RechtsCyaan
0
*
Bepaalt de waarden die worden aangetroffen in het kleurregistratieschema voor
RechtsCyaan.-5 -
+5
Hoogte instellen
Toepassing:
Het opgeven van de hoogte van de locatie waar de printer is geplaatst.
Het ontladingsverschijnsel voor het opladen van de fotogeleider verschilt bij verschillende waarden van de barometerdruk.
Aanpassingen worden uitgevoerd door het opgeven van de hoogte van de locatie waar de printer wordt gebruikt.
VOORZICHTIG: Een onjuiste instelling voor hoogte-aanpassing leidt tot slechte afdrukkwaliteit, onjuiste indicatie van
resterende toner, enz.
Waarden:
0m
*
Specificeert de hoogte van de locatie waar de printer is geplaatst.
1000 m
2000 m
3000 m
4000 m
Afdrukmeter initialiseren
Toepassing:
De afdrukmeter van de printer initialiseren. Wanneer de afdrukmeter wordt geïnitialiseerd, wordt de telling van de meter
teruggezet op 0.
Terugstellen
Toepassing:
Het initialiseren van het NV-geheugen (non-volatile). Na het uitvoeren van deze functie en opnieuw opstarten van de printer
zijn alle menuparameters, behalve de netwerkparameters, teruggezet op de standaardwaarde.
Opslag wissen
Toepassing:
Alle bestanden wissen die als Veilige afdruk, Postvak afdrukken, Proefafdruk of Opslag afdruk op de RAM-schijf of de optionele
harde schijf zijn opgeslagen.
Waarden:
Alles wissen
Alle bestanden verwijderen die als Veilige afdruk, Postvak afdrukken of Proefafdruk op de RAM-schijf of
de optionele harde schijf zijn opgeslagen.
Beveiligd
document
Alle bestanden verwijderen die als Veilige afdruk of Postvak afdrukken op de RAM-schijf of de optionele
harde schijf zijn opgeslagen.
Opgeslagen
document
Alle bestanden wissen die als Opslag afdruk op de RAM-schijf of de optionele harde schijf zijn
opgeslagen.
OPMERKING: Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de RAM-schijf is aangezet of de optionele harde schijf is
geïnstalleerd.
Vaste schijf formatteren
Toepassing:
De optionele harde schijf initialiseren.
OPMERKING: Het menu V schijf format wordt alleen weergegeven als de optionele harde schijf in uw printer is
geïnstalleerd.
Geen Dell-toner
Toepassing:
Bepalen of er een tonercartridge van een andere fabrikant kan worden gebruikt.
OPMERKING: Zorg dat u de printer opnieuw start voordat u een tonercartridge van een ander merk gaat gebruiken.
VOORZICHTIG: Het gebruik van een andere tonercartridge dan van Dell kan tot gevolg hebben dat enkele functies van
de printer niet meer beschikbaar zijn, de afdrukkwaliteit afneemt en de printer minder betrouwbaar wordt. Wij raden
het gebruik van een nieuwe Dell-tonercassette aan voor uw printer. Onder de garantie van Dell vallen niet problemen
die veroorzaakt worden door het gebruik van accessoires, onderdelen of componenten die niet door Dell worden
geleverd.
Waarden:
Uit
*
Gebruik niet een tonercartridge van een andere fabrikant.
Aan Gebruik een tonercartridge van een andere fabrikant.
PCL
Gebruik het menu PCL voor het aanpassen van printerinstellingen die alleen van invloed zijn op afdruktaken waarin de
emulatieprintertaal PCL wordt gebruikt.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
Papierlade
Toepassing:
Het opgeven van de invoerlade.
Waarden:
Auto
*
Er wordt automatisch een lade geselecteerd op basis van de instellingen voor het papierformaat en papiersoort
van de afdruktaak.
Lade 1 Het papier wordt ingevoerd uit de eerste lade van boven.
Lade
2
*1
Het papier wordt ingevoerd uit de tweede lade van boven.
Lade
3
*1
Het papier wordt ingevoerd uit de derde lade van boven.
Lade
4
*2
Het papier wordt ingevoerd uit de vierde lade van boven.
Lade
5
*2
Het papier wordt ingevoerd uit de vijfde lade van boven.
MPF Het papier wordt ingevoerd uit de MPF.
*1
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als de optionele 550 documentinvoer of 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd op de
printer.
*2
Dit onderdeel is alleen beschikbaar als een 1100 papierinvoerlade is geïnstalleerd op de printer.
Papierformaat
Toepassing:
Voor keuze van het standaardpapierformaat.
Waarden:
A4
*1
B5
8,5 x 13"
Executive
DL
Envelop #10
A5
Letter
*1
Legal
Monarch
C5
Aangepast
formaat
X-
grootte
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast
formaat.
77-215 mm/3,0-8,5 inch
Y-
grootte
297 mm
*
/11,7 inch
*
Bepaalt de lengte van het papier met aangepast formaat.
127-355 mm/5,0-14,0
inch
*1
Dit zijn specifieke, per land verschillende fabrieksinstellingen.
OPMERKING: Na keuze van aangepast papierformaat wordt u verzocht de gewenste lengte en breedte in te voeren.
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast formaat.
77-215 mm/3,0-8,5 inch
Richting
Toepassing:
Om te bepalen in welke richting de tekst en afbeeldingen op de pagina worden afgedrukt.
Waarden:
Staand
*
Voor afdrukken van afbeeldingen en tekstregels parallel aan de korte kant van het papier.
Liggend Voor afdrukken van afbeeldingen en tekstregels parallel aan de lange kant van het papier.
2-zijdig
Toepassing:
Het instellen van dubbelzijdig afdrukken als standaard voor alle afdruktaken. (Selecteer Dubbelzijdig vanuit het
printerstuurprogramma als u bepaalde taken dubbelzijdig wilt afdrukken.)
Waarden:
2-zijdig
afdrukken
Uit
*
Er wordt op één zijde van het papier afgedrukt.
Aan Er wordt op beide zijden van het papier afgedrukt.
Lange
rand
Er wordt uitgegaan van het inbinden langs de lange rand van de pagina. (Linker rand voor
staande richting en bovenste rand voor liggende richting.)
Bindrand
omsl
*
Korte rand
omsl
Er wordt uitgegaan van het inbinden langs de korte rand van de pagina. (Bovenrand voor
staande richting en linker rand voor liggende richting.)
Lettertype
Toepassing:
Het opgeven van het standaard lettertype uit de in de printer geregistreerde lettertypen.
Waarden:
CG Times CG Times It CG Times Bd
CG Times BdIt Univers Md Univers MdIt
Univers Bd Univers BdIt Univers MdCd
Univers MdCdIt Univers BdCd Univers BdCdIt
AntiqueOlv AntiqueOlv It AntiqueOlv Bd
CG Omega CG Omega It CG Omega Bd
CG Omega BdIt GaramondAntiqua Garamond Krsv
Garamond Hlb GaramondKrsvHlb
Courier
*
Courier It Courier Bd Courier BdIt
LetterGothic LetterGothic It LetterGothic Bd
Albertus Md Albertus XBd Clarendon Cd
Coronet Marigold Arial
Arial It Arial Bd Arial BdIt
Times New Times New It Times New Bd
Times New BdIt Symbol Wingdings
Line Printer Times Roman Times It
Times Bd Times BdIt Helvetica
Helvetica Ob Helvetica Bd Helvetica BdOb
CourierPS CourierPS Ob CourierPS Bd
CourierPS BdOb SymbolPS Palatino Roman
Palatino It Palatino Bd Palatino BdIt
ITCBookman Lt ITCBookman LtIt ITCBookmanDm
ITCBookmanDm It HelveticaNr HelveticaNr Ob
HelveticaNr Bd HelveticaNrBdOb N C Schbk Roman
N C Schbk It N C Schbk Bd N C Schbk BdIt
ITC A G Go Bk ITC A G Go BkOb ITC A G Go Dm
ITC A G Go DmOb ZapfC MdIt ZapfDingbats
Tekenset
Toepassing:
Voor keuze van een tekenset voor het gekozen lettertype.
Waarden:
ROMAN-8
*
ISO L1 ISO L2
ISO L5 ISO L6 PC-8
PC-8 DN PC-775 PC-850
PC-852 PC-1004 PC-8 TK
WIN L1 WIN L2 WIN L5
DESKTOP PS TEXT MC TEXT
MS PUB MATH-8 PS MATH
PI FONT LEGAL ISO-4
ISO-6 ISO-11 ISO-15
ISO-17 ISO-21 ISO-60
ISO-69 WIN 3.0 WINBALT
SYMBOL WINGDINGS DNGBTSMS
Lettergrootte
Toepassing:
Voor keuze van de lettergrootte bij schaalbare typografische lettertypen.
Waarden:
12.00
*
Specificeer de waarden in stappen van 0,25.
4.00-50.00
De waarde van de lettergrootte verwijst naar de hoogte van de lettertekens in het lettertype. Een punt komt ongeveer
overeen met 0,35 mm (1/72 inch).
OPMERKING: Het menu Lettergrootte wordt alleen weergegeven voor typografische lettertypen.
Zie ook:
"Tekenbreedte en tekenhoogte
."
Tekenbreedte
Toepassing:
Voor keuze van de letterbreedte bij schaalbare lettertypen met vaste tekenafstand.
Waarden:
10.00
*
Specificeer de waarden in stappen van 0,01.
6.00-24.00
Tekenbreedte geeft het aantal lettertekens met vaste afstand ertussen in een horizontale inch (2,54 cm) aan tekst. Voor niet-
schaalbare lettertekens met vaste afstand wordt de tekenbreedte wel aangegeven, maar die kan niet worden gewijzigd.
OPMERKING: Het menu Tekenbreedte wordt alleen weergegeven voor vaste lettertypen met vaste tekenafstand.
Zie ook:
"Tekenbreedte en tekenhoogte
."
Formulierregel
Toepassing:
Voor instellen van het aantal regels op een pagina.
Waarden:
64
*1
Specificeer de waarden in stappen van 1.
5-128
*1
Dit zijn specifieke, per land verschillende fabrieksinstellingen.
De printer stelt de afstand tussen de regels (de verticale regelafstand) in op basis van de menu-onderdelen Formulierregel
en Richting. Kies eerst de juiste Formulierregel en Richting instellingen voordat u Formulierregel wijzigt.
Zie ook:
"Richting
."
Aantal
Toepassing:
Voor het instellen van de standaard afdrukkwaliteit. (Voor instellen van het aantal exemplaren voor een specifieke afdruktaak
gebruikt u het printerstuurprogramma. De waarden die u kiest in het printerstuurprogramma krijgen altijd voorrang boven de
waarden gekozen via het operatorpaneel.)
Waarden:
1
*
Specificeer de waarden in stappen van 1.
1-999
Afbeeldingverbetering
Toepassing:
Opgeven of de functie Afbeeldingverbetering moet worden uitgevoerd. Afbeeldingverbetering is een functie die het
grensgebied tussen zwart en wit gelijkmatiger maakt zodat de randen minder ruw zijn en de aanblik verbetert.
Waarden:
Uit Schakelt de functie Afbeeldingverbetering uit.
Aan
*
Schakelt de functie Afbeeldingverbetering in.
Hex Dump
Toepassing:
Om de oorzaak van een afdrukprobleem op te sporen. Als de functie Hex Dump is ingeschakeld, worden alle gegevens die
naar de printer zijn gestuurd, afgedrukt in de vorm van hexadecimale waarden en tekens. De besturingscodes worden niet
uitgevoerd.
Waarden:
Uitschakelen
*
Schakelt de functie Hex Dump uit.
Aan Schakelt de functie Hex Dump in.
Conceptmodus
Toepassing:
Om toner te besparen door vlot afdrukken in een conceptkwaliteit. De afdrukkwaliteit zal minder zijn wanneer u afdrukt met
de conceptkwaliteit.
Waarden:
Uitschakelen
*
Om niet af te drukken in de conceptmodus.
Aan Om af te drukken in de conceptmodus.
Regelterminatie
Toepassing:
Voor toevoegen van de regelterminatie-commando's.
Waarden:
Uit
*
Er wordt geen regelterminatie-commando toegevoegd.
CR=CR, LF=LF, FF=FF
Toevoegen-LF
Het commando LF wordt toegevoegd.
CR=LF, LF=LF, FF=FF
Toevoegen-CR
Het commando CR wordt toegevoegd.
CR=CR, LF=CR-LF, FF=CR-FF
CR-XX
De commando's CR en LF worden toegevoegd.
CR=CR-LF, LF=CR-LF, FF=CR-FF
Standaardkleur
Toepassing:
Stelt de kleurkeuze in op Kleur of Zwart. Deze instelling wordt gebruikt voor een afdruktaak waarvoor geen afdrukmodus is
gespecificeerd.
Waarde:
Zwart
*
Voor afdrukken in zwart-witmodus.
Kleur Voor afdrukken in kleurmodus.
PostScript
Gebruik het menu PostScript voor het aanpassen van printerinstellingen die alleen van invloed zijn op afdruktaken waarin de
emulatieprintertaal PCL wordt gebruikt.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
PS-foutrapport
Toepassing:
Het bepalen of de printer de inhoud van fouten afdrukt voor een PostScript-fout. De wijziging wordt van kracht nadat u de
printer uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Uit De afdruktaak wordt beëindigd zonder dat een foutbericht wordt afgedrukt.
Aan
*
Er wordt foutbericht afgedrukt voordat de taak wordt beëindigd.
OPMERKING: Deze instructies uit het PS-stuurprogramma hebben prioriteit boven de instellingen die worden
opgegeven op het operatorpaneel.
PS-Taak timeout
Toepassing:
Het bepalen van de uitvoeringstijd voor één PostScript-taak. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in
hebt geschakeld.
Waarden:
Uit
*
Time-out taak vindt niet plaats.
Aan 1-900 min. Er treedt een PostScript-fout op als verwerking niet wordt voltooid na de opgegeven tijd.
Papierselectmod
Toepassing:
Bepalen hoe de lade voor de PostScript-modus moet worden geselecteerd. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer
uit en weer in hebt geschakeld.
Waarden:
Auto
*
De lade wordt geselecteerd als dezelfde instelling als in de PCL-modus.
Van de lade selecteren De lade wordt geselecteerd op een wijze die geschikt is voor gewone PostScript-printers.
Standaardkleur
Toepassing:
Stelt de kleurkeuze in op Kleur of Zwart. Deze instelling wordt gebruikt voor een afdruktaak waarvoor geen afdrukmodus is
gespecificeerd.
Waarde:
Zwart Voor afdrukken in zwart-witmodus.
Kleur
*
Voor afdrukken in kleurmodus.
Paneelinstellingen
Gebruik het menu
Paneelinstel
voor het instellen van een wachtwoord zodat niet iedereen toegang heeft tot de menu's. Zo
wordt voorkomen dat instellingen per ongeluk worden gewijzigd.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
Zie ook:
"Paneelvergrend
."
Paneelvergrendeling
Toepassing:
Het beperken van de toegang tot de menu's.
Waarden:
Uitschakelen
*
Iedereen heeft toegang tot de menu's.
Aan De toegang tot de menu's is beperkt.
Nieuw wachtwoord
Toepassing:
Een wachtwoord instellen zodat niet iedereen toegang heeft tot de menu's.
Waarden:
0000
*
Stelt het wachtwoord in dat vereist is om het Beheermenu en Rapport/Lijst te openen of wijzigt dit.
0000-9999
Wachtwoord bevestigen
Toepassing:
Het wachtwoord nogmaals invoeren ter bevestiging.
Aanmeldingsfout
Toepassing:
Het aantal mislukte aanmeldingspogingen opgeven dat is toegestaan wanneer de beheerder zich aanmeldt bij het Beheermenu
en Rapport/Lijst.
Waarden:
Uit De beheerder kan het Beheermenu en Rapport/Lijst niet openen als het aanmelden mislukt.
Aan
5 keer
*
Stelt de fouttijd in wanneer de beheerder zich aanmeldt bij het Beheermenu en Rapport/Lijst.
1-10 keer
Lade-instellingen
Definieer met het menu
Lade-instelling
welke afdrukmedia er in de laden is gelegd.
OPMERKING: De waarden die zijn gemarkeerd met een asterisk (*) zijn de oorspronkelijke menu-instellingen af-
fabriek.
MPF
Toepassing:
Het specificeren van het papier dat in de MPF is gelegd.
Waarden:
Papiersoort
Normaal (60 tot 90 g/m
2
)
*
Normaal dik (80/90 tot 105 g/m
2
)
Transparant
Voorbladen (106 tot 163 g/m
2
)
Voorbladen dik (164 tot 216 g/m
2
)
Label
Gecoat (106 tot 163 g/m
2
)
Gecoat dik (164 tot 216 g/m
2
)
Envelop
Gerecycled
Briefhoofd
Normaal zijde2 (60 tot 90 g/m
2
)
*1
Normaal dik zijde2 (80/90 tot 105 g/m
2
)
*1
Voorbladen z2 (106 tot 163 g/m
2
)
*1
Voorblad dik z2 (164 tot 216 g/m
2
)
*1
Gecoat z2 (106 tot 163 g/m
2
)
*1
Gecoat dik z2 (164 tot 216 g/m
2
)
*1
Gerecycled z2
*1
Papierformaat
Inst. stuurpr. gebr.
*
A4
A5
B5
Letter
8,5 x 13"
Legal
Executive
Monarch
DL
C5
Envelop #10
Aangepast
formaat
X-
grootte
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast
formaat.77-215 mm/3,0-8,5
inch
Y-
grootte
297 mm
*
/11,7 inch
*
Bepaalt de lengte van het papier met aangepast
formaat.127-355 mm/5,0-14,0
inch
MPF-modus
Paneel
gespec
Stop met afdrukken en laat een foutmelding zien op het operatorpaneel als het papier dat is
opgegeven in het printerstuurprogramma niet overeenkomt met het papier dat voor de MPF
is geconfigureerd vanaf het operatorpaneel.
Driver
gespec
*
Doorgaan met afdrukken, ook als het papier dat is opgegeven in het printerstuurprogramma
niet overeenkomt met het papier dat vanaf het operatorpaneel is geconfigureerd voor de
MPF.
Popup
weergeven
Aan
*
Bepaalt het formaat en de soort van het papier dat in de MPF is gelegd. Dit onderdeel is
alleen beschikbaar wanneer Paneel gespec is geselecteerd voor MPF-modus.
Uit
Formaat en soort van het papier dat in de MPF ligt, wordt niet opgegeven. Dit onderdeel is
alleen beschikbaar wanneer Paneel gespec is geselecteerd voor MPF-modus.
*1
z2 verwijst naar papier waarvan één zijde reeds bedrukt is.
OPMERKING: Voor lade 1, de optionele 550 veldocumentinvoer en de optionele 1100 papierinvoerlade is het niet nodig
het papierformaat in te stellen. Deze laden detecteren het papierformaat automatisch. Zie "Ondersteunde
papierformaten" voor nadere inlichtingen over de ondersteunde papierformaten voor de standaardladen en de optionele
laden.
Gebruik dit onderdeel om:
De afdrukkwaliteit voor het opgegeven papier te optimaliseren.
De papierbron te selecteren via uw softwareprogramma door soort en formaat te selecteren.
Laden automatisch te koppelen. De printer koppelt automatisch laden die papier van hetzelfde soort en formaat
bevatten, als u Papiersoort instelt op de juiste waarden.
Lade 1
Toepassing:
Voor het specificeren van het papier dat in de bovenste lade geladen moet worden.
Waarden:
Papiersoort
Normaal (60 tot 90 g/m
2
)
*
Normaal dik (80/90 tot 105 g/m
2
)
Transparant
Voorbladen (106 tot 163 g/m
2
)
Voorbladen dik (164 tot 216 g/m
2
)
Label
Gecoat (106 tot 163 g/m
2
)
Gecoat dik (164 tot 216 g/m
2
)
Envelop
Gerecycled
Briefhoofd
Papierformaat
Auto
*
Monarch
DL
C5
Envelop #10
Aangepast
formaat
X-
grootte
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast
formaat.77-215 mm/3,0-8,5
inch
Y-
grootte
297 mm
*
/11,7 inch
*
Bepaalt de lengte van het papier met aangepast
formaat.127-355 mm/5,0-14,0
inch
Lade 2
Toepassing:
Voor het specificeren van het papier dat in de tweede lade van boven geladen moet worden.
Waarden:
Papiersoort
Normaal (60 tot 90 g/m
2
)
*
Normaal dik (80/90 tot 105 g/m
2
)
Voorbladen (106 tot 163 g/m
2
)
Voorbladen dik (164 tot 216 g/m
2
)
Gerecycled
Briefhoofd
Papierformaat
Auto
*
Monarch
DL
C5
Envelop #10
Aangepast
formaat
X-
grootte
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast
formaat.77-215 mm/3,0-8,5
inch
Y-
grootte
297 mm
*
/11,7 inch
*
Bepaalt de lengte van het papier met aangepast
formaat.127-355 mm/5,0-14,0
inch
Lade 3
Toepassing:
Voor het specificeren van het papier dat in de derde lade van boven geladen moet worden.
Waarden:
Papiersoort
Normaal (60 tot 90 g/m
2
)
*
Normaal dik (80/90 tot 105 g/m
2
)
Voorbladen (106 tot 163 g/m
2
)
Voorbladen dik (164 tot 216 g/m
2
)
Gerecycled
Briefhoofd
Papierformaat
Auto
*
Monarch
DL
C5
Envelop #10
Aangepast
formaat
X-
grootte
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast
formaat.77-215 mm/3,0-8,5
inch
Y-
grootte
297 mm
*
/11,7 inch
*
Bepaalt de lengte van het papier met aangepast
formaat.127-355 mm/5,0-14,0
inch
Lade 4
Toepassing:
Voor het specificeren van het papier dat in de vierde lade van boven geladen moet worden.
Waarden:
Papiersoort
Normaal (60 tot 90 g/m
2
)
*
Normaal dik (80/90 tot 105 g/m
2
)
Voorbladen (106 tot 163 g/m
2
)
Voorbladen dik (164 tot 216 g/m
2
)
Gerecycled
Briefhoofd
Papierformaat
Auto
*
Monarch
DL
C5
Envelop #10
Aangepast
X-
grootte
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast
formaat.77-215 mm/3,0-8,5
inch
formaat
Y-
grootte
297 mm
*
/11,7 inch
*
Bepaalt de lengte van het papier met aangepast
formaat.127-355 mm/5,0-14,0
inch
Lade 5
Toepassing:
Voor het specificeren van het papier dat in de vijfde lade van boven geladen moet worden.
Waarden:
Papiersoort
Normaal (60 tot 90 g/m
2
)
*
Normaal dik (80/90 tot 105 g/m
2
)
Voorbladen (106 tot 163 g/m
2
)
Voorbladen dik (164 tot 216 g/m
2
)
Gerecycled
Briefhoofd
Papierformaat
Auto
*
Monarch
DL
C5
Envelop #10
Aangepast
formaat
X-
grootte
210 mm
*
/8,3 inch
*
Bepaalt de breedte van het papier met aangepast
formaat.77-215 mm/3,0-8,5
inch
Y-
grootte
297 mm
*
/11,7 inch
*
Bepaalt de lengte van het papier met aangepast
formaat.127-355 mm/5,0-14,0
inch
Menu Afdrukken
Het Menu Afdrukken biedt services voor het opslaan van documenten met Veilige afdruk, Persoonlijk postvak afdrukken,
Openbaar postvak afdrukken en Proefafdruk.
OPMERKING: Het menu Afdrukken wordt alleen weergegeven als de RAM-schijf is aangezet of de optionele harde
schijf is geïnstalleerd.
Veilige afdruk
Toepassing:
Om op te geven dat het opgeslagen document moet worden afgedrukt en gewist.
Waarden:
Voer het wachtwoord in dat u in het printerstuurprogramma hebt ingesteld.
Verwijderen na Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen nadat ze zijn
Sel. gebruik
ID
Alle
documenten
afdruk afgedrukt.
Verwijderen Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen.
document n
(n is het
nummer)
Verwijderen na
afdruk
Verwijdert het opgegeven document na het afdrukken uit het
afdrukgeheugen.
Verwijderen Verwijdert het opgegeven document uit het afdrukgeheugen.
Persoonlijk postvak
Toepassing:
Om op te geven dat het opgeslagen document moet worden afgedrukt en gewist.
Waarden:
Sel.
gebruik ID
Voer het wachtwoord in dat u in het printerstuurprogramma hebt ingesteld.
Alle
documenten
Verwijderen na
afdruk
Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen nadat ze zijn
afgedrukt.
Afdrukken Drukt alle documenten af en slaat ze op in het geheugen.
Verwijderen Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen.
document n
(n is het
nummer)
Verwijderen na
afdruk
Verwijdert het opgegeven document na het afdrukken uit het
afdrukgeheugen.
Afdrukken Drukt het opgegeven document af en slaat het op in het geheugen.
Verwijderen Verwijdert het opgegeven document uit het afdrukgeheugen.
Openbaar postvak
Toepassing:
Om op te geven dat het opgeslagen document moet worden afgedrukt en gewist.
Waarden:
Sel.
gebruik ID
Voer het wachtwoord in dat u in het printerstuurprogramma hebt ingesteld.
Alle
documenten
Verwijderen na
afdruk
Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen nadat ze zijn
afgedrukt.
Afdrukken Drukt alle documenten af en slaat ze op in het geheugen.
Verwijderen Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen.
document n
(n is het
nummer)
Verwijderen na
afdruk
Verwijdert het opgegeven document na het afdrukken uit het
afdrukgeheugen.
Afdrukken Drukt het opgegeven document af en slaat het op in het geheugen.
Verwijderen Verwijdert het opgegeven document uit het afdrukgeheugen.
Proefafdruk
Toepassing:
Om op te geven dat het opgeslagen document moet worden afgedrukt en gewist.
Waarden:
Voer het wachtwoord in dat u in het printerstuurprogramma hebt ingesteld.
Verwijderen na Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen nadat ze zijn
Sel.
gebruik ID
Alle
documenten
afdruk afgedrukt.
Afdrukken Drukt alle documenten af en slaat ze op in het geheugen.
Verwijderen Verwijdert alle documenten uit het afdrukgeheugen.
document n
(n is het
nummer)
Verwijderen na
afdruk
Verwijdert het opgegeven document na het afdrukken uit het
afdrukgeheugen.
Afdrukken Drukt het opgegeven document af en slaat het op in het geheugen.
Verwijderen Verwijdert het opgegeven document uit het afdrukgeheugen.
Paneelvergrend
Deze functie dient om te voorkomen dat onbevoegden de instellingen van de beheerder kunnen veranderen. Voor normaal
afdrukken kunnen de onderdelen worden gekozen uit een menu en blijven de printerinstellingen ongewijzigd. Voor normaal
afdrukken kunnen de onderdelen worden ingesteld via het printerstuurprogramma.
OPMERKING: Wanneer de menu's van het operatorpaneel worden uitgeschakeld, wordt niet de toegang tot de menu's
Opslag afdruk en Lade-instelling voorkomen.
Paneelvergrendeling inschakelen
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat Paneelinstel is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Paneelvergrend wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
5. Druk op de knop
totdat Inschakelen is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
6. Voer het nieuwe wachtwoord in en druk op daarna op de knop
(SET).
7. Voer ter bevestiging van het wachtwoord dat u hebt ingevoerd, het wachtwoord opnieuw in en druk dan op de knop
(SET).
Het wachtwoord is gewijzigd.
OPMERKING: Als u uw wachtwoord niet meer weet, schakelt u de printer uit. Vervolgens houdt u de knop Menu
ingedrukt en schakelt u de printer in. Voer stap 6 en 7 uit om het wachtwoord te resetten. Dit brengt de oorspronkelijke
fabrieksinstelling voor het paneelwachtwoord terug.
OPMERKING: Als u het wachtwoord wijzigt terwijl de paneelvergrendeling aan staat, voert u de volgende stappen uit.
Voer stap 1 en 2 uit. Druk op de knop
totdat Wijzig wachtwrd is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
Voer stap 6 en 7 uit om het wachtwoord te wijzigen. Hierdoor wordt het wachtwoord gewijzigd.
OPMERKING: Als de paneelvergrendeling aan is, is de fabrieksinstelling voor het paneelwachtwoord 0000.
Zie ook:
"Wijzig wachtwrd
."
De paneelvergrendeling uitschakelen
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Voer het wachtwoord in en druk op daarna op de knop
(SET).
4. Druk op de knop
totdat Paneelinstel is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Paneelvergrend wordt weergegeven. Druk op de knop
(SET).
6. Druk op de knop
totdat Uitschakelen is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
7. Voer het huidige wachtwoord in en druk daarna op de knop
(SET).
8. Voer ter bevestiging van het wachtwoord dat u hebt ingevoerd, het wachtwoord opnieuw in en druk dan op de knop
(SET).
De instelling is gewijzigd.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Begrip van de printersoftware
Hulpprogramma Printerinstellingen
Werkset
Installeer met behulp van de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's die bij uw printer is geleverd een combinatie van
softwareprogramma's die past bij uw besturingssysteem.
De volgende softwareprogramma's werken alleen onder Windows. Zij werken niet onder Macintosh, UNIX of Linux.
Statusvenster
Het Statusvenster waarschuwt u wanneer er een fout optreedt of er iets uw aandacht vergt, zoals wanneer het papier is
vastgelopen of de toner bijna op is.
In het dialoogvenster Eigenschappen voor afdrukstatusvenster kunt u aangeven wanneer en of het Statusvenster wordt
geopend. Open dit dialoogvenster vanuit het menu Start of door met de rechter muisknop te klikken op het pictogram
Statusmonitor-console.
De beschikbare selecties zijn hieronder vermeld.
Waarde Functie
Venster
activeren
tijdens
afdrukken
Het Statusvenster wordt altijd geactiveerd tijdens het afdrukken. Het
venster wordt automatisch gesloten als alle afdruktaken zijn voltooid dan
wel geannuleerd.
Venster alleen
activeren bij
fouten
*
Het Statusvenster wordt alleen geactiveerd als een fout optreedt tijdens
het afdrukken. Het venster wordt automatisch opgelost nadat de fout is
verholpen.
Niet
automatisch
activeren
Het Statusvenster wordt niet automatisch geactiveerd.
*
Standaard fabrieksinstelling
Hier kunt u ook controleren hoeveel toner en papier er nog over zijn, en de status van andere verbruiksmaterialen voor de
lokale printer en de netwerkprinter.
Statusmonitor-console
Beheer met behulp van de Statusmonitor-console meerdere Statusvensters.
Selecteer een printer uit de lijstweergave (of Printerselectie) door op de naam te klikken en een Statusvenster voor
een bepaalde printer te openen.
De Statusmonitor-console toont het Statusvenster voor lokale verbindingen en netwerkverbindingen.
Dell Supplies Management Systemâ„¢
U kunt het dialoogvenster Dell Supplies Management System openen vanuit het afdrukstatusvenster (alleen voor de lokale
printer), het menu Alle programma's of via het bureaubladpictogram. U kunt het ook starten vanuit het Statusvenster
wanneer er een probleem is met de toner.
U kunt de verbruiksmaterialen telefonisch bijbestellen of via internet.
1. Klik op Start® Alle programma's® Dell Printers® Aanvullende kleurenlasersoftware® Dell Supplies
Management System.
Het venster Dell Supplies Management System verschijnt.
2. Kies uw printer uit de lijst Select Printer Model.
3. Als u bestelt via internet:
a. Wanneer u niet automatisch via twee-wegcommunicatie de informatie van de printer kunt achterhalen, verschijnt
er een venster waarin u wordt gevraagd de Service-tag in te typen. Typ de Dell service-tag in, in het daarvoor
bestemde vakje.
De Service-tag staat vermeld aan de binnenkant van de voorklep van de printer.
b. Kies een URL uit de lijst Nabestel URL selecteren.
c. Klik op Bezoek Dells bestelwebsite voor printersupplies..
4. Als u telefonisch wilt bestellen, belt u het nummer dat verschijnt onder de koptekst Telefonisch bestellen.
User Setup Disk Creating Tool
Het programma User Setup Disk Creating Tool dat u vindt in de map MakeDisk van de map Utilities op de cd
Stuurprogramma's en hulpprogramma's en de printerstuurprogramma's op de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's
worden gebruikt voor het aanmaken van speciale stuurprogramma-installatiepakketten die aangepaste stuurprogramma-
instellingen bevatten. Een stuurprogramma-installatiepakket kan een groep vastgelegde stuurprogramma-instellingen
bevatten en andere gegevens voor zaken zoals:
Afdrukrichting en Meervoudig omhoog (documentinstellingen)
Watermerken
Lettertypereferenties
Als u het printerstuurprogramma op meerdere computers met hetzelfde besturingssysteem wilt installeren, maakt u een
configuratiedisk met behulp van een floppy disk of op een server op het netwerk. Gebruik van een dergelijke zelfgemaakte
configuratiedisk kan u heel wat werk besparen bij het installeren van het printerstuurprogramma.
Installeer van tevoren het printerstuurprogramma voor de Dellâ„¢ 5130cdn Color Laser Printer op de computer waarop u
de configuratiedisk gaat aanmaken.
De configuratiedisk kan alleen gebruikt worden met het besturingssysteem waaronder de disk is aangemaakt of met
computers die werken met datzelfde besturingssysteem. Maak afzonderlijke configuratiedisks voor verschillende soorten
besturingssystemen.
Software bijwerken
De updates van de firmware en/of stuurprogramma's kunt u downloaden van de Dell ondersteuningswebsite op
support.dell.com
.
Hulpprogramma Printerinstellingen
In het venster Snelstartprogramma kunt u Statusvenster, Updater en Problemen oplossen openen.
Wanneer u de Dell-software installeert, wordt het Snelstartprogramma ook geïnstalleerd.
Nadere informatie over het installeren van de software vindt u onder "Configureren voor gedeeld afdrukken".
Zo opent u het venster Snelstartprogramma:
1. Klik op Start® Alle programma's® Dell Printers® Aanvullende kleurenlasersoftware® Snelstartprogramma.
Het dialoogvenster Snelstartprogramma opent.
2. In het venster Snelstartprogramma vindt u drie knoppen: Statusvenster, Updater en Problemen oplossen.
Klik op de knop X in de rechterbovenhoek van het venster als u het wilt sluiten.
Voor nadere details klikt u op de knop Help voor elk van de toepassingen.
Statusvenster
De knop Statusvenster opent het Statusvenster. Zie "Statusvenster".
Updater
Met de knop Updater kunt u de instellingen voor het printerstuurprogramma, de firmware en de servicesoftware bijwerken.
Problemen oplossen
De knop Problemen oplossen opent de handleiding Problemen oplossen, waarmee u zelf problemen kunt oplossen.
Werkset
U kunt met de Werkset de printerinstellingen diagnosticeren. Zie "Begrip van de Werkset-menu's" voor nadere inlichtingen
over de instellingen.
OPMERKING: De Werkset is alleen beschikbaar als de printer via USB of een netwerkverbinding is aangesloten.
De Werkset starten.
1. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in de computer.
Als het venster Easy Setup Navigator verschijnt, klikt u op de knop Afsluiten om het venster te sluiten.
2. Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\Utilities\Tool Box\DLT12DZ.exe (waarbij D de letter van het cd-station
is). Klik vervolgens op OK.
Het dialoogvenster wordt geopend waarin u wordt gevraagd het type verbinding te selecteren.
3. Selecteer het type verbinding tussen uw computer en de printer.
Voor een netwerkverbinding
a. Selecteer Netwerkverbinding.
b. Voer het IP-adres of de hostnaam van de printer in.
OPMERKING: De scope-ID is vereist als u het IPv6-adres invoert.
Voor een USB-verbinding
a. Selecteer USB-verbinding.
b. Selecteer in de lijst op het scherm Printer selecteren de doelprinter waarvan u de printerinstellingen wilt
diagnosticeren.
4. Klik op OK.
De Werkset start.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Afdrukken met gebruik van ColorTrack (externe
verificatie)
ColorTrack-instellingen
De Printerdriver instellen
Bij ColorTrack kunt u het aantal pagina's dat per gebruiker kan worden afgedrukt beperken, specificeren welke gebruikers in
kleur kunnen afdrukken, en de toegang van gebruikers tot de printer beperken, op basis van de gebruikersgegevens
geregistreerd op de externe verificatieserver of op de printer.
Om af te drukken met gebruik van ColorTrack moet u de ColorTrack-instellingen en het printerstuurprogramma instellen. Ook
moet u de externe server instellen voor ColorTrack als u een externe verificatieserver wilt gebruiken. Vraag uw
systeembeheerder om de externe server in te stellen.
ColorTrack-instellingen
Als u wilt afdrukken met gebruik van ColorTrack, moet u de volgende instellingen configureren.
"Dell ColorTrack"
"Verificatiesysteem"
"Kerberos-server"
"LDAP-server"
"LDAP-verificatie"
Dell ColorTrack
Geef de verificatiemethode op.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukvolume.
3. Klik op het tabblad Dell ColorTrack.
Selecteer Externe modus als ColorTrack-modus.
Schakel het selectievakje Anoniem afdrukken in als u wilt toelaten dat gegevens worden afgedrukt zonder
verificatie-informatie. Als u dat niet wilt, schakelt u het selectievakje Anoniem afdrukken uit.
Voer het wachtwoord in als het selectievakje Anoniem afdrukken is ingeschakeld en Externe modus is
geselecteerd. Vervolgens voert u het wachtwoord ter bevestiging nogmaals in.
Schakel zo nodig het selectievakje ColorTrack-foutenrapport in.
4. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen en schakel de printer vervolgens uit om de nieuwe instellingen toe te
passen.
Bij gebruik van het operatorpaneel
Met het operatorpaneel kunt u alleen de instellingen van ColorTrack-modus, Anoniem afdrukken en ColorTrack-
foutenrapport opgeven.
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat Systeeminstell. is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Druk op de knop
totdat ColorTrack-modus is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Druk op de knop
totdat Externe modus is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
6. Druk op Cancel of op de knop
als u wilt terugkeren naar het vorige menu.
7. Druk op de knop
totdat Anoniem afdrukken is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
8. Druk op de knop
totdat Uit of Aan is geselecteerd en druk dan op de knop (SET).
9. Druk op Cancel of op de knop
als u wilt terugkeren naar het vorige menu.
10. Druk op de knop
totdat ColorTrack-foutenrapport is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
11. Druk op de knop
totdat Uit of Aan is geselecteerd en druk dan op de knop (SET).
12. Activeer de instellingen door de printer uit te zetten.
ColorTrack-modus
De volgende twee verificatiemodi zijn beschikbaar: de interne modus, waarbij in de printer geregistreerde gebruikersgegevens
worden gebruikt, en de externe modus, waarbij op een externe server geregistreerde gebruikersgegevens worden gebruikt.
Als de verificatie op de externe verificatieserver wordt uitgevoerd met Externe modus hoeft u geen gebruikersgegevens te
registreren op de printer. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Anoniem afdrukken
Bepaal of het afdrukken van gegevens zonder verificatie-informatie moet worden toegelaten. De instelling is ingeschakeld als
de printer opnieuw wordt gestart. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Wachtwoord voor gebruiker zonder account
Bepaal het wachtwoord dat moet worden gebruikt voor gebruikers zonder account, bestaande uit 1 tot 127 alfanumerieke
tekens. Als het wachtwoord leeg wordt gelaten (NULL) kunt u zich niet aanmelden bij een server. De wijziging wordt van
kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
OPMERKING: Als Externe modus is ingesteld en Anoniem afdrukken staat op Aan, moet u een wachtwoord
instellen.
OPMERKING: Als u een LDAP-server gebruikt, moet u ditzelfde wachtwoord ook op de server instellen.
Bevestig wachtwoord voor gebruiker zonder account
Voer het Wachtwoord voor gebruiker zonder account ter bevestiging nogmaals in.
ColorTrack-foutenrapport
Bepaal of informatie in verband met fouten automatisch wordt afgedrukt als het afdrukken met gebruik van ColorTrack in een
fout resulteert.
Externe verificatie instellen
Klik op Pagina voor instellen van externe verificatie. De pagina Verificatiesysteem wordt weergegeven.
OPMERKING: Dit onderdeel is alleen beschikbaar als Externe modus is ingesteld.
Verificatiesysteem
Geef het verificatietype van de server, de time-out bij serverrespons of de time-out bij zoeken op.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer Verificatiesysteem.
De pagina Verificatiesysteem verschijnt.
Selecteer het verificatiesysteem voor Instellingen verificatiesysteem.
Bepaal de tijd voor Time-out bij serverrespons.
Bepaal de tijd voor Time-out bij zoeken.
5. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen en schakel de printer vervolgens uit om de nieuwe instellingen toe te
passen.
Instellingen verificatiesysteem
Selecteer het verificatiesysteem uit de lijst. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Time-out bij serverrespons
Specificeer hoe lang de printer moet wachten op een respons van de server. Stel de wachttijd in van 1 tot 75 seconden. De
wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Time-out bij zoeken
Specificeer hoe lang de printer moet wachten op zoeken naar de server. Stel de wachttijd in van 5 tot 120 seconden. De
wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Kerberos-server
Geef de instellingen voor de Kerberos-server op.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer Kerberos-server.
5. Voer de naam of het IP-adres van de primaire server en het poortadres in in Naam/IP-adres van primaire server &
Poort.
6. Voer zo nodig de naam of het IP-adres van de secundaire server en het poortadres in in Naam/IP-adres van
secundaire server & Poort.
7. Voer de domeinnaam in in Domeinnaam.
8. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen en schakel de printer vervolgens uit om de nieuwe instellingen toe te
passen.
Naam/IP-adres van primaire server & Poort
Stel de naam of het IP-adres van de primaire server in en vervolgens het poortadres. De wijziging wordt van kracht nadat u
de printer uit en weer in hebt geschakeld.
VOORZICHTIG: Gebruik niet hetzelfde poortadres als dat van een andere poort.
OPMERKING: Het poortadres moet 88 of een getal tussen 5000 en 65.535 zijn. De standaardwaarde is 88.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de notatie nnn.nnn.nnn.nnn voor IPv4. Ieder gedeelte "nnn" is een variabele
waarde tussen 0 en 255.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de indeling xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx voor IPv6. Ieder
gedeelte "xxxx" is een hexadecimale variabele waarde.
Naam/IP-adres van secundaire server & Poort
Stel zo nodig de naam of het IP-adres van de secundaire server in en vervolgens het poortadres. De wijziging wordt van
kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
VOORZICHTIG: Gebruik niet hetzelfde poortadres als dat van een andere poort.
VOORZICHTIG: Stel de secundaire server in nadat u de primaire server hebt ingesteld.
OPMERKING: Het poortadres moet 88 of een getal tussen 5000 en 65.535 zijn. De standaardwaarde is 88.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de notatie nnn.nnn.nnn.nnn voor IPv4. Ieder gedeelte "nnn" is een variabele
waarde tussen 0 en 255.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de indeling xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx voor IPv6. Ieder
gedeelte "xxxx" is een hexadecimale variabele waarde.
Domeinnaam
Geef de domeinnaam van de Active Directory
®
op in Domeinnaam (Realm-naam). De wijziging wordt van kracht nadat u de
printer uit en weer in hebt geschakeld.
OPMERKING: Geef de domeinnaam op in hoofdletters. Afhankelijk van de gebruikte server kan zich mogelijk een fout
voordoen als u kleine letters gebruikt in de domeinnaam.
LDAP-server
Geef de directoryserver op en de verificatiemethode voor het uitvoeren van LDAP-verificatie of voor het ophalen van
informatie met gebruik van LDAP, en geef het bereik en de attributen voor zoeken op.
OPMERKING: Als u LDAPS of certificaatverificatie gebruikt, moet u de LDAP-server instellen of een extern certificaat
importeren. Zie "Digitale certificaten gebruiken
" voor nadere inlichtingen.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer LDAP-server.
Voer het IP-adres of de hostnaam en het poortadres in in IP-adres/hostnaam & Poort.
Voer het IP-adres of de hostnaam van de back-upserver, en het poortadres in in IP-adres/hostnaam back-
upserver & Poort.
Bevestig de softwaregegevens voor LDAP-server.
Voer een tekenreeks in in Zoeken in hoofdmap van adreslijst.
Voer de aanmeldingsnaam in in Aanmeldingsnaam.
Voer het wachtwoord in in Wachtwoord. Vervolgens voert u het wachtwoord ter bevestiging nogmaals in.
Bepaal de tijd voor Time-out bij zoeken.
5. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen en schakel de printer vervolgens uit om de nieuwe instellingen toe te
passen.
Servergegevens
IP-adres/hostnaam back-upserver & Poort
Geef het IP-adres of de hostnaam op en vervolgens het poortadres. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en
weer in hebt geschakeld.
VOORZICHTIG: Gebruik niet hetzelfde poortadres als dat van een andere poort.
OPMERKING: Het poortadres moet 389 of 636 zijn, dan wel een getal tussen 5000 en 65.535. De standaardwaarde is
389. Bij gebruik van LDAPS zult u gewoonlijk 636 opgeven.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de notatie nnn.nnn.nnn.nnn voor IPv4. Ieder gedeelte "nnn" is een variabele
waarde tussen 0 en 255.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de indeling xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx voor IPv6. Ieder
gedeelte "xxxx" is een hexadecimale variabele waarde.
IP-adres/hostnaam back-upserver & Poort
Geef zo nodig het IP-adres of de hostnaam van de back-upserver op en vervolgens het poortadres. Geef het IP-adres of de
hostnaam van de back-upserver op nadat u de IP-adres/hostnaam & Poort hebt opgegeven. De wijziging wordt van kracht
nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
VOORZICHTIG: Gebruik niet hetzelfde poortadres als dat van een andere poort.
VOORZICHTIG: Stel de back-upserver in nadat u de hoofdserver hebt ingesteld.
OPMERKING: Het poortadres moet 389 of 636 zijn, dan wel een getal tussen 5000 en 65.535. De standaardwaarde is
389. Bij gebruik van LDAPS zult u gewoonlijk 636 opgeven.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de notatie nnn.nnn.nnn.nnn voor IPv4. Ieder gedeelte "nnn" is een variabele
waarde tussen 0 en 255.
OPMERKING: Geef het IP-adres op in de indeling xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx:xxxx voor IPv6. Ieder
gedeelte "xxxx" is een hexadecimale variabele waarde.
LDAP-server
Toont de huidige softwaregegevens van de LDAP-server.
Bewerkingsgegevens
Zoeken in hoofdmap van adreslijst
Geef een tekststring op als de origin van de zoekopdracht bij gebruik van LDAP-communicatie. De wijziging wordt van kracht
nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
Bijvoorbeeld: ou=colortrackv3,dc=win2003ad,dc=colortrack.dc=net
Aanmeldingsnaam
Geef de aanmeldingsnaam op voor toegang tot de directoryserver met LDAP-verificatie. Geef de naam op van een gebruiker
met de bevoegdheid om de LDAP-server bij te werken. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt
geschakeld.
Wachtwoord
Geef het wachtwoord op voor toegang tot de directoryserver met LDAP-verificatie. Geef het wachtwoord op van een gebruiker
met de bevoegdheid om de LDAP-server bij te werken, met gebruik van 1 tot 127 alfanumerieke tekens. Als het wachtwoord
leeg wordt gelaten (NULL) kunt u zich niet aanmelden bij een server. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en
weer in hebt geschakeld.
Voer het wachtwoord opnieuw in
Bevestig door het wachtwoord nogmaals in te voeren.
Time-out bij zoeken
Specificeer hoe lang de printer moet wachten op zoeken naar de server. Als u een time-outperiode wilt opgeven voor zoeken,
selecteert u Wachten en stelt u een tijd in tussen de 5 en 120 seconden. Als u geen time-outperiode wilt instellen, selecteert
u de Wachtlimiet voor LDAP-server. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
LDAP-verificatie
Geef de verificatiemethode van de LDAP-server op.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer LDAP-verificatie.
Bevestig de verificatiemethode.
Als u een tekststring toevoegt aan de UserID stelt u Inschakelen in voor Toegevoegde tekenreeks
gebruiken.
Als u Inschakelen instelt voor Toegevoegde tekenreeks gebruiken, voert u de toegevoegde tekststring in in
Tekenreeks toegevoegd aan gebruikersnaam.
5. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen en schakel de printer vervolgens uit om de nieuwe instellingen toe te
passen.
Verificatiemethode
Toont de huidige LDAP-verificatiemethode. Bij Directe verificatie wordt de serververificatie uitgevoerd met de ingevoerde
UserID en het ingevoerde wachtwoord.
Toegevoegde tekenreeks gebruiken
Geef op of een tekststring aan de UserID moet worden toegevoegd. De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en
weer in hebt geschakeld.
Tekenreeks toegevoegd aan gebruikersnaam
Bij gebruik van een toegevoegde tekenreeks voor de gebruikersnaam, geeft u de toe te voegen tekststring op.
Bijvoorbeeld: als de gebruikersnaam "[email protected]" is, moet u gewoonlijk
"[email protected]" invoeren.
Als Toegevoegde tekenreeks gebruiken echter is ingesteld op Inschakelen en "@mijnhost.voorbeeld.com" is opgegeven in
Tekenreeks toegevoegd aan gebruikersnaam, hoeven alleen de gegevens "abcde" te worden ingevoerd met het
printerstuurprogramma, zodat de invoertaak wordt vereenvoudigd.
De wijziging wordt van kracht nadat u de printer uit en weer in hebt geschakeld.
De Printerdriver instellen
Om af te drukken met gebruik van ColorTrack moet u het printerstuurprogramma instellen. Eenmaal ingesteld blijven de
instellingen van het printerstuurprogramma net zo lang van kracht tot ze worden gewijzigd.
1. Open de Eigenschappen van het printerstuurprogramma.
2. Configurereer de volgende instellingen vanaf het tabblad Configuratie.
Dell ColorTrackmodus
Geef op dat u wilt toestaan dat algemene gebruikers instellingen in verband met verificatie wijzigen, dan wel dat algemene
gebruikers gedwongen zijn de door de beheerder geconfigureerde instellingen te gebruiken.
Groepsnaam opgeven
Geef de naam op van de bijbehorende groep die moet worden gebruikt bij verificatie. Als u een groep opgeeft die er niet
bijhoort, mislukt de verificatie en worden de gegevens niet afgedrukt. Verder wordt de standaardgroep ingesteld als
Groepsnaam opgeven niet is opgegeven.
Taakeigenaar specificeren
Selecteer Loginnaam gebruiken om de gebruikersgegevens te gebruiken waarmee u bent aangemeld bij de pc. Selecteer ID
invoeren als u de gebruikersnaam zelf wilt invoeren.
Naam van taakeigenaar
Geef op welke gebruikersnaam moet worden gebruikt bij verificatie met een externe server. U kunt dit alleen invoeren als u
ID invoeren hebt geselecteerd voor Taakeigenaar specificeren.
Wachtwoord
Geef op welk gebruikerswachtwoord moet worden gebruikt bij verificatie met een externe server.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Digitale certificaten gebruiken
Beheer van certificaten
De kenmerken instellen
De verificatiefunctie die gebruikmaakt van digitale certificaten versterkt de beveiliging bij het verzenden van afdrukgegevens
of het instellen van gegevens.
In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de onderstaande punten behandeld hoe u digitale certificaten beheert.
"Een digitaal certificaat importeren"
"Een digitaal certificaat instellen"
"De instellingen van een digitaal certificaat bevestigen"
"Een digitaal certificaat verwijderen"
"Een digitaal certificaat exporteren"
OPMERKING: Het hierboven beschreven externe certificaatbeheer is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is
geïnstalleerd en is ingesteld op Aan voor Codering.
OPMERKING: Nadere inlichtingen over fouten in verband met het digitale certificaat vindt u onder "Begrip van
printerberichten" en "Probleem met digitaal certificaat".
Beheer van certificaten
Voorbereiden
Coderingsinstelling wijzigen
Sommige onderdelen zijn alleen van kracht als Aan is geselecteerd voor Codering. Wijzig de coderingsinstelling in Aan en stel
een sleutel in die vereist is voor het coderen, indien nodig.
VOORZICHTIG: Alle op de optionele harde schijf opgeslagen bestanden worden gewist als de coderingsinstelling wordt
gewijzigd.
OPMERKING: Voor de coderingssleutels kunt u uitsluitend de tekens 0 t/m 9, a t/m z, A t/m Z en NULL-waarden
invoeren.
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat Systeeminstell. is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Druk op de knop
totdat Gegevenscodering is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5.
Codering
wordt weergegeven. Druk op de knop (SET).
6. Druk op de knop totdat Aan is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
7. De cursor komt te staan op het eerste cijfer van de coderingssleutel. Druk op de knop
of om de cijfers van de
coderingssleutel in te voeren.
8. Druk op de knop (SET). De cursor verspringt naar het volgende cijfer.
9. Herhaal stap 7 en 8 totdat u alle cijfers hebt ingevoerd, en druk dan op de knop
(SET).
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printerinstellingen.
4. Selecteer Beveiligingsinstell..
5. Klik op Gegevenscodering.
De pagina Gegevenscodering verschijnt.
6. Schakel het selectievakje Codering in.
7. Voer een sleutel in die vereist is voor de codering.
8. Bevestig de sleutel door deze opnieuw in te voeren.
9. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen.
HTTPS-communicatie instellen
Voordat u certificaten gaat beheren moet u de HTTPS-communicatie instellen met een zelfondertekend certificaat.
OPMERKING: Stel de HTTPS-communicatie in nadat u de instelling van Codering hebt gewijzigd in Aan.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer SSL/TLS.
5. Klik op de knop Zelfondertekend certificaat genereren van Digitaal certificaat apparaat. De pagina
Zelfondertekend certificaat genereren verschijnt.
6. Selecteer de grootte van de openbare sleutel uit de lijst Grootte van openbare code.
7. Bepaalt de uitgever van het zelfondertekende SSL-certificaat.
8. Klik op de knop Getekend certificaat genereren.
9. De knop Herstart printer wordt weergegeven nadat het zelfondertekende certificaat is gegenereerd. Klik vervolgens
op de knop Herstart printer.
10. Herhaal stap 2 t/m 4 om de pagina SSL/TLS weer te geven nadat de printer opnieuw is gestart.
11. Als het zelfondertekende certificaat correct is ingesteld, selecteert u aangezien de kolom Communicatie tussen HTTP
- SL/TLS is ingesteld op Inschakelen en een selectievakje wordt weergegeven, de optie Inschakelen.
Een digitaal certificaat importeren
VOORZICHTIG: Voordat u een certificaatbestand importeert, maakt u een back-up van het certificaatbestand.
OPMERKING: Zorg dat u het certificaat importeert met Internet Explorer.
OPMERKING: Nadat u een certificaat in de PKCS#12-indeling importeert, wordt de geheime sleutel niet geëxporteerd,
al voert u een export uit.
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer SSL/TLS.
5. Klik op de knop Ondertekend certificaat uploaden van Digitaal certificaat apparaat.
De pagina Ondertekend certificaat uploaden verschijnt.
OPMERKING: De knop Ondertekend certificaat uploaden is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is
geïnstalleerd en is ingesteld op Aan voor Codering.
6. Voer een wachtwoord in.
7. Bevestig het wachtwoord door het opnieuw in te voeren.
8. Druk op de knop Bladeren van Bestandsnaam en selecteer het te importeren bestand.
9. Druk op de knop Importeren om het certificaat te importeren.
Een digitaal certificaat instellen
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer SSL/TLS.
5. Klik op de knop Certificaatbeheer. De pagina Certificaatbeheer wordt weergegeven.
OPMERKING: De knop Certificaatbeheer is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en
is ingesteld op Aan voor Codering.
6. Als u een Draadloos LAN (server)-certificaat instelt, selecteert u Vertrouwde certificeringsinstanties binnen
Categorie.
Als u een certificaat van of SSL Server, SSL Client of IPsec instelt, selecteert u Lokaal apparaat.
7. Selecteer het doel van het gebruik uit de lijst Doeleinden certificaat.
8. Klik op de knop Lijst weergeven. De pagina Certificatenlijst wordt weergegeven.
OPMERKING: Als de lijst meer dan 20 certificaten bevat, drukt u op de knop Volgende om de volgende pagina
weer te geven.
9. Selecteer het te koppelen certificaat. Op dit moment controleert u of Geldigheid van het geselecteerde certificaat is
ingesteld op Geldig.
10. Klik op de knop Certificaatgegevens. De pagina Certificaatgegevens wordt weergegeven.
11. Controleer de inhoud en druk op de knop Dit certificaat gebruiken in de rechter bovenhoek.
De instellingen van een digitaal certificaat bevestigen
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer SSL/TLS.
5. Klik op de knop Certificaatbeheer. De pagina Certificaatbeheer wordt weergegeven.
OPMERKING: De knop Certificaatbeheer is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en
is ingesteld op Aan voor Codering.
6. Selecteer de categorie in de lijst Categorie.
7. Selecteer het doel van het gebruik uit de lijst Doeleinden certificaat.
8. Klik op de knop Lijst weergeven. De pagina Certificatenlijst wordt weergegeven.
OPMERKING: Als de lijst meer dan 20 certificaten bevat, drukt u op de knop Volgende om de volgende pagina
weer te geven.
9. Het certificaat weergegeven met een sterretje als "*Geldig" in de kolom Geldigheid is het certificaat dat is gekoppeld
aan het gebruiksdoel en dat daadwerkelijk wordt gebruikt.
Een digitaal certificaat verwijderen
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer SSL/TLS.
5. Klik op de knop Certificaatbeheer. De pagina Certificaatbeheer wordt weergegeven.
OPMERKING: De knop Certificaatbeheer is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en
is ingesteld op Aan voor Codering.
6. Selecteer de categorie in de lijst Categorie.
7. Selecteer het doel van het gebruik uit de lijst Doeleinden certificaat.
8. Klik op de knop Lijst weergeven. De pagina Certificatenlijst wordt weergegeven.
OPMERKING: Als de lijst meer dan 20 certificaten bevat, drukt u op de knop Volgende om de volgende pagina
weer te geven.
9. Selecteer het te verwijderen certificaat.
10. Klik op de knop Certificaatgegevens. De pagina Certificaatgegevens wordt weergegeven.
11. Om het geselecteerde certificaat te verwijderen drukt u op de knop Verwijderen in de rechter bovenhoek.
OPMERKING: Als een certificaat wordt verwijderd, worden de functies gekoppeld aan het verwijderde certificaat
uitgeschakeld. Als u een certificaat dat in gebruik is gaat verwijderen, zet u de functie van tevoren UIT of u zet
de koppeling over op een ander certificaat en schakelt vervolgens zo mogelijk over naar een andere
werkingsmodus voordat u het certificaat verwijdert.
Bij een SSL-server schakelt u over naar een ander certificaat, bijvoorbeeld een zelfondertekend certificaat.
Bij een SSL-client stelt u de instelling LDAP-SSL/TLS in op Uit.
Bij IPsec wijzigt u de IKE-instelling in Vooraf-gedeelde sleutel of zet u de functie Uit.
Bij Draadloos LAN stelt u de beveiligingsinstelling Draadloos in op iets anders dan WPA-Enterprise voordat u het
certificaat verwijdert.
Een digitaal certificaat exporteren
OPMERKING: Aangezien de geheime sleutel niet wordt geëxporteerd, kan een in de PKCS#12-indeling geïmporteerd
certificaat alleen als een PKCS#7-certificaat worden geëxporteerd.
1. Start Dell Printer Configuration Web Tool.
a. Open de web-browser.
b. Voer het IP-adres van de printer in de web-browser in.
Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
".
2. Selecteer Afdrukserverinstellingen.
3. Klik op het tabblad Beveiliging.
4. Selecteer SSL/TLS.
5. Klik op de knop Certificaatbeheer. De pagina Certificaatbeheer wordt weergegeven.
OPMERKING: De knop Certificaatbeheer is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en
is ingesteld op Aan voor Codering.
6. Selecteer de categorie in de lijst Categorie.
7. Selecteer het doel van het gebruik uit de lijst Doeleinden certificaat.
Klik op de knop Lijst weergeven. De pagina Certificatenlijst wordt weergegeven.
OPMERKING: Als de lijst meer dan 20 certificaten bevat, drukt u op de knop Volgende om de volgende pagina
weer te geven.
8. Selecteer het te exporteren certificaat.
9. Klik op de knop Certificaatgegevens. De pagina Certificaatgegevens wordt weergegeven.
10. Om het geselecteerde certificaat te exporteren drukt u op de knop Dit certificaat exporteren.
De kenmerken instellen
Het certificaat instellen op de digitale handtekeningmodus IPsec
1. Importeer het certificaat dat met IPsec moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat importeren" voor nadere
inlichtingen.
2. Stel het certificaat in dat met IPsec moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat instellen" voor nadere
inlichtingen.
3. Controleer of het certificaat correct is ingesteld in IPsec. Zie "De instellingen van een digitaal certificaat bevestigen"
voor nadere inlichtingen.
4. Selecteer Afdrukserverinstellingen links op de pagina.
5. Klik op het tabblad Beveiliging.
6. Selecteer IPsec.
7. Selecteer Inschakelen voor Protocol.
8. Selecteer Digitale handtekening uit de IKE-lijst.
9. Stel de diverse onderdelen naar vereist in.
10. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen.
11. Nadat de printer opnieuw is gestart, is IPsec-communicatie met gebruik van digitale handtekeningen ingeschakeld. U
kunt IPsec- communicatie (modus Digitale handtekening) uitvoeren tussen de printer en het netwerkapparaat (zoals de
pc) waarop het certificaat en IPsec net zo zijn ingesteld als op dit apparaat.
Het servercertificaat voor SSL-gebruik (HTTP/IPP) instellen
1. Importeer het certificaat dat met de server voor SSL-gebruik moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat
importeren" voor nadere inlichtingen.
2. Stel het certificaat in dat met de server voor SSL-gebruik moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat instellen
"
voor nadere inlichtingen.
3. Controleer of het certificaat correct is ingesteld. Zie "De instellingen van een digitaal certificaat bevestigen" voor nadere
inlichtingen.
OPMERKING: Controleer of het zojuist ingestelde certificaat en niet het zelfondertekende certificaat gekoppeld
is.
4. Nadat de printer opnieuw is gestart, wordt het certificaat dat volgens de bovenstaande aanwijzingen is ingesteld
gebruikt als het servercertificaat bij uitvoering van communicatie met HTTP/IPP-SSL/TLS.
Communicatie tussen LDAP - SSL/TLS instellen
1. Geeft de pagina SSL/TLS weer.
2. Selecteer Inschakelen voor Communicatie tussen LDAP-SSL/TLS.
3. Nadat de printer opnieuw is gestart, is Communicatie tussen LDAP- SSL/TLS ingeschakeld.
OPMERKING: Deze instelling is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan
voor codering.
OPMERKING: Zie "Verificatie servercertificaat instellen voor communicatie tussen LDAP-SSL/TLS" en "Clientcertificaat
instellen voor communicatie tussen LDAP-SSL/TLS" voor het uitvoeren van de certificaatgeldigheid van de server
en de presentatie van het clientcertificaat.
Verificatie servercertificaat instellen voor communicatie tussen LDAP-
SSL/TLS
1. Importeer het rootcertificaat (inclusief het tussenliggende certificaat) voor het LDAP-servercertificaat. Zie "Een digitaal
certificaat importeren" voor nadere inlichtingen.
OPMERKING: Bij de verificatie van een certificaat van de aangesloten server hoeft, voor automatisch zoeken
naar een geïmporteerd certificaat en verificatie van het pad, het certificaat niet gekoppeld te zijn.
2. Controleer of het rootcertificaat correct is geïmporteerd op de LDAP- server. Zie "De instellingen van een digitaal
certificaat bevestigen" voor nadere inlichtingen.
3. Selecteer SSL/TLS.
4. Selecteer Inschakelen van Certificaat van externe server controleren.
5. Nadat de printer opnieuw is gestart, wordt het certificaat dat door de LDAP-server wordt gepresenteerd geverifieerd als
de LDAP-SSL/TLS- communicatie met de LDAP-server start.
OPMERKING: Deze instelling is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan
voor codering.
OPMERKING: Deze functies is alleen actief als Inschakelen is ingesteld voor Communicatie tussen LDAP-
SSL/TLS.
OPMERKING: Als het resultaat van de verificatie NG is, wordt geen communicatie tot stand gebracht en ontstaat een
foutmelding.
Clientcertificaat instellen voor communicatie tussen LDAP-SSL/TLS
1. Importeer een certificaat dat met SSL Client moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat importeren" voor
nadere inlichtingen.
2. Stel een certificaat in dat met SSL Client moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat instellen" voor nadere
inlichtingen.
3. Controleer of het certificaat correct is ingesteld. Zie "De instellingen van een digitaal certificaat bevestigen" voor nadere
inlichtingen.
4. Nadat de printer opnieuw is gestart, wordt LDAP-clientcertificaat gepresenteerd als de LDAP-SSL/TLS-communicatie
met de LDAP- server start. Als de LDAP-server zo is ingesteld dat een clientcertificaat vereist is, wordt het door de
printer voorgelegde clientcertificaat geverifieerd door de LDAP-server.
OPMERKING: Deze instelling is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan
voor codering.
OPMERKING: Deze functies is alleen actief als Inschakelen is ingesteld voor Communicatie tussen LDAP-
SSL/TLS.
Instellen voor draadloze LAN WPA-Enterprise
1. Importeer het certificaat dat met Draadloze LAN moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat importeren" voor
nadere inlichtingen.
2. Stel het certificaat in dat met Draadloze LAN moet worden gebruikt. Zie "Een digitaal certificaat instellen" voor nadere
inlichtingen.
3. Controleer of het certificaat correct is ingesteld. Zie "De instellingen van een digitaal certificaat bevestigen" voor nadere
inlichtingen.
4. Klik op het tabblad Afdrukserverinstellingen.
5. Selecteer Draadloze LAN.
6. Selecteer een van de volgende onderdelen uit de lijst van Codering van Beveiligingsinstell..
WPA-Enterprise-AES/WPA2-Enterprise-AES
WPA-Enterprise-TKIP
7. Stel Aanmeldingsnaam, EAP-Identity en Wachtwoord van WPA- Enterprise in.
OPMERKING: Deze instelling is alleen beschikbaar als de optionele harde schijf is geïnstalleerd en is ingesteld op Aan
voor codering.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Lettertypen begrijpen
Letterontwerpen en lettertypen
Bitmap-lettertypen en schaalbare lettertypen
Residente lettertypen
Tekensets
Letterontwerpen en lettertypen
Een lettertype is een set van lettertekens en symbolen die zijn gebaseerd op een bepaald ontwerp. Het specifieke ontwerp
noemen we een letterontwerp. De letterontwerpen die u kiest verlenen een zekere individualiteit aan een document.
Zorgvuldig gekozen letterontwerpen maken een document beter leesbaar.
De printer heeft tal van residente lettertypen in PCL 5/PCL 6 en PostScript 3. Zie "Residente lettertypen
" voor een lijst met
alle residente lettertypen.
Gewicht en stijl
Letterontwerpen zijn vaak uitgevoerd in verschillende gewichten en stijlen. Deze variaties zijn aanpassingen van hetzelfde
ontwerp, zodat u bijvoorbeeld belangrijke woorden in een tekst nadruk kunt geven of boektitels opvallend kunt weergeven. De
verschillende gewichten en stijlen zijn ontwikkeld als een aanvulling op het oorspronkelijke ontwerp.
Gewicht duidt op de dikte van de lijnen die de tekens vormen. Dikkere lijnen geven donkerder letters. Het gewicht van een
letterontwerp wordt gewoonlijk beschreven in termen als vet, gemiddeld, mager, zwart of zwaar.
Stijl verwijst naar andere aanpassingen van een letterontwerp, zoals de scheefstand of de breedte van de letters. Cursief en
oblique of schuin zijn stijlen waarbij de letters overhellen. Smal, condensed en verbreed zijn drie gangbare stijlen die de
breedte van de lettertekens aanpassen.
Sommige lettertypen vormen een combinatie van verschillende gewicht- en stijlmodificaties; bijvoorbeeld, Helvetica Narrow
Bold Oblique. Een groep van diverse gewicht- en stijlvarianten van een enkel letterontwerp staat bekend als een
letterontwerp-familie. De meeste letterontwerp-families omvatten vier varianten: normaal, cursief (schuin), vet, en vet cursief
(vet schuin). Sommige families omvatten meer varianten, zoals het volgende overzicht van de Helvetica letterontwerp-familie
toont:
Tekenbreedte en tekenhoogte
Het formaat van een lettertype wordt aangeduid met de tekenbreedte of de tekenhoogte, afhankelijk van of het een lettertype
met vaste tekenafstand is of een proportioneel lettertype.
Bij een lettertype met vaste tekenafstand zijn alle lettertekens even breed. Tekenbreedte wordt gebruikt om het formaat van
lettertypen met vaste tekenafstand aan te geven. Het is een maat die uitdrukt hoeveel lettertekens er in een horizontale inch
(25,4 mm) aan tekst passen. Zo passen van lettertypen met tekenbreedte 10 altijd 10 tekens in één inch (10 cpi) en van alle
letterttypen met tekenbreedte 12 passen er 12 tekens in één inch (12 cpi).
Bij proportionele (of typografische) lettertypen kan elk letterteken zijn eigen specifieke breedte hebben. En aangezien bij
proportionele lettertypen de breedte dus uiteenloopt, wordt de grootte van het lettertype hier uitgedrukt in de tekenhoogte in
punten, en niet in tekenbreedte. De tekenhoogte geeft de hoogte in punten van de tekens in het lettertype aan. Een punt is
gedefinieerd als 1/72 inch. De tekens van een lettertype in 24-punts formaat zijn tweemaal zo groot als de lettertekens van
hetzelfde lettertype dat wordt gedrukt in 12-punts formaat.
De volgende afbeelding toont enkele voorbeelden van een lettertype afgedrukt in verschillende punt-formaten:
De tekenhoogte of het punt-formaat van een lettertype is gedefinieerd als de afstand van de top van het hoogste letterteken
tot de onderkant van het laagste teken in het lettertype. Vanwege deze definitie van de lettergrootte kunnen verschillende
lettertypen die zijn afgedrukt in hetzelfde punt-formaat voor het oog aanzienlijk verschillen in grootte. Dat komt omdat er
nog andere lettertype-parameters zijn die bepalen hoe het lettertype er uit ziet. Desondanks is het punt-formaat een
uitstekende maatstaf voor de relatieve grootte van een lettertype. Het volgende voorbeeld toont twee sterk verschillende
proportionele lettertypen, afgedrukt in 14-punts formaat.
Bitmap-lettertypen en schaalbare lettertypen
De printer gebruikt zowel bitmap-lettertypen als schaalbare lettertypen.
Bitmap-lettertypen worden in het geheugen van de printer opgeslagen als vast gedefinieerde patronen van beeldpunten die
een letterontwerp vormen in een bepaalde grootte, stijl en resolutie. De volgende afbeelding toont een voorbeeld van een
teken uit een bitmap-lettertype.
Bitmap-lettertypen zijn beschikbaar in verschillende letterstijlen en tekenhoogte-formaten, via downloaden te verkrijgen.
Schaalbare lettertypen (ook wel outline-lettertypen genoemd) worden vastgelegd als computerprogramma's waarin de
contouren van de tekens in het lettertype als formule zijn beschrijven. Telkens wanneer u letters uit een schaalbaar lettertype
afdrukt, maakt de printer een bitmap van de tekens in de door u gekozen puntgrootte en slaat deze tijdelijk in het
afdrukgeheugen op.
Deze tijdelijke bitmap-lettertypen worden gewist wanneer u de printer uitschakelt of reset. Schaalbare lettertypen bieden de
flexibiliteit bij het afdrukken in talloze verschillende puntgrootten.
De printer gebruikt verschillende schaalbare lettertype-indelingen voor het downloaden van lettertypen naar de printer. PCL
5/PCL 6 werkt met schaalbare Intellifont- en TrueType-lettertypen. PostScript 3 gebruikt schaalbare Type 1- en TrueType-
lettertypen. Er zijn duizenden verschillende schaalbare lettertypen in die verschillende lettertype-indelingen verkrijgbaar
bij talloze leveranciers.
Als u van plan bent veel downloadbare bitmap-lettertypen of schaalbare lettertypen te gebruiken of als u de schaalbare
lettertypen wilt gebruiken in veel verschillende formaten, moet u misschien extra geheugen voor printer aanschaffen.
Residente lettertypen
De printer is vooorzien van een aantal residente lettertypen, die permanent in het afdrukgeheugen worden bewaard. Er zijn
verschillende lettertypes beschikbaar in PCL 5/PCL 6 en PostScript 3. Enkele van de meest populaire letterontwerpen zoals
Courier en TimesNew (PCL 5/PCL 6)/Times New Roman (PostScript 3), zijn beschikbaar voor alle printertalen.
De volgende tabel geeft een overzicht van alle residente lettertypen in uw printer. Zie "Een lettertypenlijst afdrukken
" voor
aanwijzingen voor het afdrukken van voorbeelden van de lettertypen. U kunt de residente lettertypen selecteren vanuit uw
softwareprogramma. Als u PCL 5 gebruikt kunt u de lettertypen ook selecteren vanaf het bedieningspaneel.
Residente bitmap-lettertypen en schaalbare lettertypen
PCL 5/PCL 6 PostScript 3
CG Times Albertus
CG Times It Albertus Italic
CG Times Bd Albertus Light
CG Times BdIt
Antique Olive Roman
Univers Md Antique Olive Italic
Univers MdIt Antique Olive Bold
Univers Bd Antique Olive Compact
Univers BdIt Apple Chancery
Univers MdCd Arial
Univers MdCdIt Arial Italic
Univers BdCd Arial Bold
Univers BdCdIt Arial Bold Italic
ITC Avant Garde Gothic Book
AntiqueOlv ITC Avant Garde Gothic Book Oblique
AntiqueOlv It ITC Avant Garde Gothic Demi
AntiqueOlv Bd ITC AvantGarde Gothic Demi Oblique
Bodoni Roman
CG Omega Bodoni Italic
CG Omega It Bodoni Bold
CG Omega Bd Bodoni Bold Italic
CG Omega BdIt Bodoni Poster
Bodoni Poster Compressed
Garamond Antiqua ITC Bookman Light
Garamond Krsv ITC Bookman Light Italic
Garamond Hlb ITC Bookman Demi
Garamond KrsvHlb ITC Bookman Demi Italic
Carta
Courier Chicago
Courier It Clarendon Roman
Courier Bd Clarendon Bold
Courier BdIt Clarendon Light
Cooper Black
LetterGothic Cooper Black Italic
LetterGothic It Cooper Gothic 32BC
LetterGothic Bd Cooper Gothic 33BC
Coronet
Albertus Md Courier
Albertus XBd Courier Oblique
Courier Bold
Clarendon Cd Courier Bold Oblique
Eurostile Medium
Coronet Eurostile Bold
Eurostile Extended No. 2
Marigold Eurostile Bold Extended No. 2
Geneva
Arial Gill Sans
Arial It Gill Sans Italic
Arial Bd Gill Sans Bold
Arial BdIt Gill Sans Bold Italic
Gill Sans Light
TimesNew Gill Sans Light Italic
TimesNew It Gill Sans Extra Bold
TimesNew Bd Gill Sans Condensed
TimesNew BdIt Gill Sans Condensed Bold
Goudy Oldstyle
Symbol Goudy Oldstyle Italic
Goudy Bold
Wingdings Goudy Bold Italic
Goudy Extra Bold
Line Printer Helvetica
Helvetica Oblique
Times Roman Helvetica Bold
Times It Helvetica Bold Oblique
Times Bd Helvetica Narrow
Times BdIt Helvetica Narrow Oblique
Helvetica Narrow Bold
Helvetica Helvetica Narrow Bold Oblique
Helvetica Ob Helvetica Condensed
Helvetica Bd Helvetica Condensed Oblique
Helvetica BdOb Helvetica Condensed Bold
Helvetica Condensed Bold Oblique
CourierPS Hoefler Text
CourierPS Ob Hoefler Text Italic
CourierPS Bd Hoefler Text Black
CourierPS BdOb Hoefler Text Black Italic
Hoefler Ornaments
SymbolPS Joanna
Joanna Italic
Palatino Roman Joanna Bold
Palatino It Joanna Bold Italic
Palatino Bd Letter Gothic
Palatino BdIt Letter Gothic Slanted
Letter Gothic Bold
ITCBookman Lt Letter Gothic Bold Slanted
ITCBookman LtIt ITC Lubalin Graph Book
ITCBookmanDm ITC Lubalin Graph Book Oblique
ITCBookmanDm It ITC Lubalin Graph Demi
ITC Lubalin Graph Demi Oblique
HelveticaNr Marigold
HelveticaNr Ob Monaco
HelveticaNr Bd ITC Mona Lisa Recut
HelveticaNr BdOb New Century Schoolbook Roman
New Century Schoolbook Italic
N C Schbk Roman New Century Schoolbook Bold
N C Schbk It New Century Schoolbook Bold Italic
N C Schbk Bd NewYork
N C Schbk BdIt Optima Roman
Optima Italic
ITC A G Go Bk Optima Bold
ITC A G Go BkOb Optima Bold Italic
ITC A G Go Dm Oxford
ITC A G Go DmOb Palatino Roman
Palatino Italic
ZapfC MdIt Palatino Bold
Palatino Bold Italic
ZapfDingbats Stempel Garamond Roman
Stempel Garamond Italic
Stempel Garamond Bold
Stempel Garamond Bold Italic
Symbol
Tekton Regular
Times Roman
Times Italic
Times Bold
Times Bold Italic
Times New Roman
Times New Roman Italic
Times New Roman Bold
Times New Roman Bold Italic
Univers 45 Light
Univers 45 Light Oblique
Univers 55
Univers 55 Oblique
Univers 65 Bold
Univers 65 Bold Oblique
Univers 57 Condensed
Univers 57 Condensed Oblique
Univers 67 Condensed Bold
Univers 67 Condensed Bold Oblique
Univers 53 Extended
Univers 53 Extended Oblique
Univers 63 Extended Bold
Univers 63 Extended Bold Oblique
Wingdings
ITC Zapf Chancery Medium Italic
Tekensets
Een tekenset is de verzameling van alfabetische en numerieke tekens, leestekens en speciale symbolen die deel uitmaken van
het lettertype dat u hebt gekozen. Tekensets ondersteunen bijvoorbeeld het schrift van diverse talen en speciale
toepassingen, zoals de wiskundige symbolen die in de wetenschap gebruikt worden.
Bij PCL 5/PCL 6 definieert een tekenset bovendien welke letter wordt afgedrukt voor elke toets op het toetsenbord (of
specifieker, voor elk codepunt). Sommige toepassingen vereisen verschillende lettertekens op bepaalde codepunten. Voor de
ondersteuning van diverse toepassingen en talen beschikt uw printer over 36 tekensets voor de ingebouwde PCL 5/PCL 6-
lettertypen.
Tekensets voor PCL 5/PCL 6
Niet alle lettertype-namen ondersteunen alle genoemde tekensets.
Roman 8 (standaardinstelling) ISO 8859-1 Latin 1 ISO 8859-2 Latin 2
ISO 8859-9 Latin 5 ISO 8859-10 Latin 6 PC-8
PC-8 DN PC-775 Baltic PC-850 Multilingual
PC-852 Latin 2 PC-1004 OS/2 PC Turkish
Windows 3.1 Latin 1 Windows 3.1 Latin 2 Windows 3.1 Latin 5
DeskTop PS Text MC Text
Microsoft Publishing Math 8 PS Math
Pi Font Legal ISO 4 United Kingdom
ISO 6 ASCII ISO 11 Swedish:names ISO 15 Italian
ISO 17 Spanish ISO 21 German ISO 60 Norwegian v1
ISO 69 French Windows 3.0 Latin 1 Windows Baltic
Symbol Wingdings ITC ZapfDingbats MS
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Begrip van printerberichten
Het operatorpaneel van de printer laat meldingen zien die de actuele staat van de printer beschrijven en geeft een aanduiding
van mogelijke printerproblemen die u moet oplossen. In dit onderdeel wordt een lijst van alle printermeldingen gegeven,
wordt uitgelegd wat zij betekenen en wordt vermeld hoe u de meldingen kunt wissen.
VOORZICHTIG: Als een foutcode wordt weergegeven, zijn de afdrukgegevens die nog in de printer zitten en de in het
geheugen van de printer opgenomen informatie niet beveiligd.
1
Indicatielampje gereed/fout
*1
5 Knop Menu
2
Knoppen
6
Knop (SET)
3
Knoppen
7
Knop Informatie
*2
4 Knop Annuleren 8 LCD-scherm
*1
Gaat groen branden wanneer de printer gereed is of in de slaapstand staat en knippert wanneer gegevens worden
ontvangen. Gaat geel branden wanneer er zich een fout voordoet en knippert wanneer er zich een onherstelbare afdrukfout
voordoet.
*2
Als het symbool wordt weergegeven aan het begin van het bericht, kunt u door een druk op de knop Informatie
nadere inlichtingen krijgen.
Melding
(De eerste en de tweede
regel worden samen
weergegeven. De derde
en vierde regel knipperen
iedere seconde.)
Wat deze melding betekent Wat u kunt doen
NNN-NNN
Herstart printer
Raadpleeg een hulpdienst
Als bericht terugkeert
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
Zet de printer uit en daarna weer aan. Neemt
contact op met Dell als dit het probleem niet
verhelpt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
NNN-NNN
Herstart printer
Opnieuw plaatsen XXX
Raadpleeg een hulpdienst
XXX is niet volledig en goed geplaatst.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
Controleer of de unit goed en volledig is geplaatst.
Neem, als het probleem nog niet is verholpen,
contact op met Dell.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
XXX Fout
NNN-NNN
Plaats XXX.
XXX ontbreekt of is niet goed in de
printer geplaatst.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
Controleer of de unit goed en volledig is geplaatst.
Opgebruikt
NNN-NNN
Nu vervangen XXX
XXX is aan het einde van zijn
levensduur.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
XXX duidt een verbruiksmateriaal aan.
Vervang XXX.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De printer onderhouden
".
CRUM ID
NNN-NNN
Opnieuw plaatsen XXX
Er is een niet-ondersteund
verbruiksmateriaal geïnstalleerd.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
XXX duidt een verbruiksmateriaal aan.
Vervang het verbruiksmateriaal door een materiaal
dat wel wordt ondersteund.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De printer onderhouden
".
CRUM DATA
NNN-NNN
Opnieuw plaatsen XXX
Er is een niet-ondersteund
verbruiksmateriaal geïnstalleerd.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
XXX duidt een verbruiksmateriaal aan.
Vervang het verbruiksmateriaal door een materiaal
dat wel wordt ondersteund.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De printer onderhouden
".
Klep geopend
NNN-NNN
Sluit XXX
Er staat een klep open.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
XXX duidt een klep aan.
Sluit de klep.
Papierstoring
NNN-NNN
XXXXXX
De printer detecteert
een papierstoring.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
XXXXX duidt een instructie voor het
oplossen van de papierstoring aan.
Controleer het papierpad en maak het vrij.
Zie "Papierstoringen verhelpen
".
CRUM ID
009-NNN
Opnieuw plaatsen XXX
Er is een niet-ondersteunde unit
geïnstalleerd.
XXX duidt een unit aan.
Verwijder de niet-ondersteunde unit en plaats er een
die wel wordt ondersteund.
Zie "De printer onderhouden
".
010-360
Herstart printer
Plaats fuser opnieuw
Raadpleeg een hulpdienst
De buitenste hendels aan beide zijden
van de fuser zijn niet goed vastgezet.
Controleer of de buitenste hendels aan beide zijden
van de fuser goed zijn vastgezet. Neemt contact op
met Dell als dit het probleem niet verhelpt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Afdrukgereed
010-420
Prepareer een nieuwe fuser.
Fuser
Afdrukgereed voorbereiden
De fuser moet binnenkort worden
vervangen.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De fuser vervangen
".
Cassette controleren
010-421
Vervang de Fuser
Cassette controleren
Raadpleeg een hulpdienst
De fuser moet worden vervangen.
Vervang de fuser.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De fuser vervangen
".
Env. modus fout
010-910
Open klep aan rechterkant
en zet envelophendel in de
normale stand.
Sluit klep aan rechterkant
De printer staat in de envelopmodus
terwijl u op gewoon papier afdrukt.
Open de klep aan de rechterkant en licht de
envelophendel op om de envelopmodus uit te
schakelen.
Zie "Een envelop inleggen in de MPF
".
016-XXX
Certificaat mislukt
Init certificaat
Bent u zeker?
Er is een certificatiefout opgetreden.
Vraag uw systeembeheerder om de
beveiligingsinstellingen opnieuw te configureren.
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
016-316
Herstart printer
Geheugen opnieuw plaatsen
Raadpleeg een hulpdienst
De printer heeft in de geheugengleuf
een geheugenmodule ontdekt die niet
wordt ondersteund.
Verwijder de niet-ondersteunde geheugenmodule.
Neemt contact op met Dell als dit het probleem niet
verhelpt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
016-318
Herstart printer
Geheugen opnieuw plaatsen
Raadpleeg een hulpdienst
De geheugenmodule is niet geheel in
de gleuf gestoken.
Neem de geheugenmodule uit de gleuf en steek hem
er dan weer in. Neemt contact op met Dell als dit
het probleem niet verhelpt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
016-338
Herstart printer
Draadloos opnieuw plaatsen
Raadpleeg een hulpdienst
Er is een fout opgetreden
in de draadloze adapter.
Zet de printer uit en weer aan. Controleer het
volgende:
Is de draadloze adapter stevig in de gleuf op het
bedieningspaneel gestoken?
Worden er geen niet-goedgekeurde USB-apparaten
gebruikt?
Neemt contact op met Dell als dit het probleem niet
verhelpt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Ongeldige ID
016-383
Dataschending
Er is een fout opgetreden omdat
ongeldige firmware is geïnstalleerd.
Druk op de knop
(SET).
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Druk op
Zie "Contact opnemen met Dell".
Bereikcntrlefout
016-384
Dataschending
Druk op
Bij het downloaden van de firmware is
het adres van de schrijfbestemming
onjuist.
Druk op de knop
(SET).
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Kopfout
016-385
Dataschending
Druk op
Bij het downloaden van de firmware is
de koptekstinformatie van een
downloadbestand onjuist.
Druk op de knop
(SET).
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Controlesomfout
016-386
Dataschending
Druk op
Bij het downloaden van de firmware is
de controlesom van een
downloadbestand onjuist.
Druk op de knop
(SET).
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Formaatfout
016-387
Dataschending
Druk op
Bij het downloaden van de firmware is
de indeling van een downloadbestand
onjuist.
Druk op de knop
(SET).
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Protectiefout
016-391
Dataschending
Druk op
Er is een firmwaredownload uitgevoerd
terwijl dat verboden was.
Druk op de knop
(SET).
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Wis flashfout.
016-392
Raadpleeg een hulpdienst
Als bericht terugkeert
Er is een ROM-wisfout opgetreden
tijdens het downloaden van de
firmware.
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
SchrijfFlashfout
016-393
Raadpleeg een hulpdienst
Als bericht terugkeert
Er is een ROM-schrijffout opgetreden
tijdens het downloaden van de
firmware.
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Verifieer fout
016-394
Raadpleeg een hulpdienst
Als bericht terugkeert
Er is een verificatiefout opgetreden
tijdens het downloaden van de
firmware.
Neem contact op met Dell als dit bericht
herhaaldelijk verschijnt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
016-522
Herstart printer
Certificaat mislukt
Neem contact op met
Er is een SSL-verificatiefout van de
LDAP-server opgetreden. Het SSL-
clientcertificaat kan niet worden
opgehaald.
Het SSL-clientcertificaat is vereist van de LDAP-
server.
Vraag uw systeembeheerder om het SSL-
clientcertificaat in te stellen op de printer.
beheerder
016-523
Herstart printer
Certificaat mislukt
Neem contact op met
beheerder
Er is een SSL-verificatiefout van de
LDAP-server opgetreden. De
servercertificaatgegevens zijn ongeldig.
De printer kan het SSL-certificaat van de LDAP-
server niet vertrouwen. Vraag uw systeembeheerder
om het rootcertificaat van het SSL-certificaat van de
LDAP-server te registreren op de printer.
016-524
Herstart printer
Certificaat mislukt
Neem contact op met
beheerder
Er is een SSL-verificatiefout van de
LDAP-server opgetreden.
Het servercertificaat is ongeldig of het
adres van de LDAP-server dat op de
printer is ingesteld komt niet overeen
met het adres dat in het SSL-
certificaat is beschreven.
Vraag uw systeembeheerder om een geldig SSL-
certificaat van de LDAP-server te gebruiken.
Controleer of het of het adres van de LDAP-server
dat op de printer is ingesteld overeenkomt met het
adres dat in het SSL-certificaat van de LDAP-server
is beschreven.
Deze fout kan worden gewist door Communicatie
tussen LDAP-SSL/TLS uit te schakelen onder
SSL/TLS in het printermenu. Wees u ervan bewust
dat de geldigheid van de aangesloten LDAP-server in
dit geval niet gewaarborgd is.
016-527
Herstart printer
Certificaat mislukt
Neem contact op met
beheerder
Er is een SSL-verificatiefout van de
Kerberos-server of de LDAP-server
opgetreden.
Vraag uw systeembeheerder om te controleren of de
Kerberos-server dan wel de LDAP-server correct is
ingesteld op de printer.
Neemt contact op met Dell als dit het probleem niet
verhelpt.
Taak mislukt
016-531
Aanmeldingsfout
Druk op
Er is een verificatiefout van de LDAP-
server of de Kerberos-server
opgetreden.
Druk op de knop
(SET).
Vraag uw systeembeheerder om te controleren of de
Kerberos-server en de LDAP-server correct zijn
ingesteld op de printer.
Neemt contact op met Dell als dit het probleem niet
verhelpt.
Zie "Contact opnemen met Dell
".
Taak mislukt
016-532
Onjuist attribuut
Druk op
De gebruikersinformatie van de LDAP-
server is ongeldig.
Druk op de knop
(SET).
Vraag uw systeembeheerder om te controleren of de
gebruikersinformatie correct is ingesteld op de LDAP-
server.
Controleer ook of de LDAP-server correct is ingesteld
op de printer.
Taak mislukt
016-533
Klokafwijkingsfout
Druk op
Er is een verificatieprotocolfout van de
Kerberos-server opgetreden.
Het tijdverschil tussen de klok van de
printer en die van de Kerberos-server
is groter dan de grenswaarde voor
klokafwijking van de Kerberos-server.
Druk op de knop
(SET).
Controleer of de klok van de printer en die van de
Kerberos-server gelijkstaan.
Controleer ook of de zomertijd en de tijdzone op de
printer en de Kerberos-server hetzelfde zijn
ingesteld.
Zie "Klokinstellingen
".
Zie "Datum & tijd
".
Taak mislukt
016-534
De instellingsinformatie van
Druk op de knop
(SET).
Verkeerde server
Druk op
de Kerberos-server of van de LDAP-
server is ongeldig.
Vraag uw systeembeheerder om te controleren of de
Kerberos-server en de LDAP-server correct zijn
ingesteld op de printer.
Taak mislukt
016-535
Beheerderfout
Druk op
De accountinstelwaarden voor de
LDAP-beheerder zijn ongeldig.
Druk op de knop
(SET).
Vraag uw systeembeheerder om te controleren of de
accountwaarden voor de beheerder van de LDAP-
server correct zijn ingesteld op de printer.
Taak mislukt
016-536
Toegangsfout
Druk op
Er is een interne fout van de LDAP-
server of de Kerberos-server
opgetreden.
Deze fout kan optreden als een
secundaire server is ingesteld, maar
geen primaire server.
Druk op de knop
(SET).
Vraag uw systeembeheerder om te controleren of de
LDAP-server dan wel de Kerberos-server correct is
ingesteld op de printer.
016-541
Herstart printer
Certificaat mislukt
Neem contact op met
beheerder
Een draadloos certificaat kan niet
correct worden nageslagen tijdens het
gebruik van Wireless WPA Enterprise of
WPA2-Enterprise.
Vraag uw systeembeheerder om de printer aan te
sluiten via een bekabeld netwerk, de draadloze
instellingen te initialiseren, het draadloze certificaat
te importeren en WPA Enterprise of WPA2-Enterprise
opnieuw in te stellen.
016-542
Herstart printer
Certificaat mislukt
Neem contact op met
beheerder
Er is een servercertificaatfout
opgetreden bij het verwerven van het
certificaat met de werking van WPA-
Enterprise of WPA2-Enterprise.
Dit is een probleem in het
servercertificaat, bijvoorbeeld dat de
geldigheidsperiode is verlopen voor het
servercertificaat dat wordt gebruikt bij
de Radius-server.
Vraag uw systeembeheerder om het certificaat te
controleren dat met de Radius-server wordt
gebruikt.
016-543
Herstart printer
Certificaat mislukt
Neem contact op met
beheerder
Er is een certificaatvernietigingsfout
opgetreden tijdens het gebruik van
Wireless WPA Enterprise of WPA2-
Enterprise.
Vraag uw systeembeheerder om de printer aan te
sluiten via een bekabeld netwerk, de draadloze
instellingen te initialiseren, het draadloze certificaat
te importeren en WPA-Enterprise of WPA2-Enterprise
opnieuw in te stellen.
Geen geheugen meer
016-700
Taak te groot
Druk op
Het printergeheugen is vol en kan de
huidige afdruktaak niet verder
verwerken.
Annuleer de huidige afdruktaak door eerst op de
knop
(SET) en vervolgens op de knop Cancel te
drukken.
Verwijder onnodig opgeslagen taken.
Zie "Opgeslagen taken verwijderen
".
U kunt deze fout in de toekomst vermijden door:
Lettertypen, macro's en andere gegevens die u niet
meer nodig hebt, uit het geheugen van de printer te
verwijderen.
Aanvullend printergeheugen te plaatsen.
Zie "Een geheugenmodule installeren
".
PDL-verzoek
016-720
Annuleer de huidige afdruktaak door eerst op de
Dataschending
Druk op
Er is een fout opgetreden in verband
met PDL-emulatieproblemen.
knop
(SET) en vervolgens op de knop Cancel te
drukken.
Taak mislukt
016-756
Gebruik nu niet mogelijk
Druk op
Er is een afdrukpoging gedaan tijdens
de verboden periode.
Druk op de knop
(SET).
Vraag uw systeembeheerder naar de toegestane
periode.
Ongeld gebruiker
016-757
Account geweig
Druk op
De instelwaarden van de gebruikers- of
groepsaccount zijn ongeldig. Het kon
niet worden nagegaan of de gebruiker
een lidgebruiker is, dan wel of de
groep een lidgroep is.
Druk op de knop
(SET).
Controleer of het gebruikersaccount of
het groepsaccount correct is ingesteld met het
printerstuurprogramma voor het afdrukken.
Zie "Afdrukserverinstellingen
".
Als de account correct is ingesteld met het
printerstuurprogramma, vraagt u de
systeembeheerder om de instelling op de LDAP-
server (externe modus) of het Afdrukvolume (interne
modus) te controleren.
Uitgesch functie
016-758
Geen kleurendruk
Druk op
het gebruik van de afdrukfunctie of het
gebruik van kleurendruk is niet
toegestaan voor de gebruiker.
Druk op de knop
(SET).
Vraag uw systeembeheerder om de instellingen te
wijzigen zodat u toestemming hebt tot gebruik van
de afdrukfunctie of in kleur afdrukken.
Limiet bereikt
016-759
Over uw limiets
Druk op
Het totaal aantal afgedrukte pagina's is
gelijk aan het aantal dat mag worden
afgedrukt.
Druk op de knop
(SET).
Vraag uw systeembeheerder om het maximum
aantal pagina's dat u mag afdrukken te wijzigen.
Ongeldige taak
016-799
Dataschending
Druk op
De configuratie van
de printer ingesteld in het
printerstuurprogramma komt niet
overeen met de configuratie van de
printer.
Annuleer de huidige afdruktaak door eerst op de
knop
(SET) en vervolgens op de knop Cancel te
drukken.
Zorg dat de printerconfiguratie in het
printerstuurprogramma overeenkomt met de
configuratie van de printer.
Draadloos-fout
016-920
Time-outfout
Druk op
WPS kon geen verbinding maken.
Er is een time-out opgetreden tijdens
de verbinding met het draadloze LAN-
toegangspunt (Registrar).
Druk op de knop
(SET).
Voer de bewerking opnieuw uit volgens de
gebruiksaanwijzing.
Downloadfout
016-921
Time-outfout
Druk op
WPS kon geen verbinding maken.
Er is een downloadfout opgetreden
tijdens de verbinding met het
draadloze LAN-toegangspunt
(Registrar).
Druk op de knop
(SET).
Voer de bewerking opnieuw uit volgens de
gebruiksaanwijzing.
Draadloos-fout
016-922
Er worden meerdere draadloze LAN-
toegangspunten (Registrar) bediend
Druk op de knop (SET).
Stel het enige draadloze LAN-toegangspunt
Fout overlap. sessies
Druk op
met WPS-PBC.
(Registrar) in dat met WPS-PBC moet worden
bediend en voer de bewerking opnieuw uit volgens
de gebruiksaanwijzing.
Disk vol
016-980
Taak te groot
Druk op
Het RAM-diskgeheugen is vol en kan
de huidige afdruktaak niet verder
verwerken.
Annuleer de huidige afdruktaak door eerst op de
knop
(SET) en vervolgens op de knop Cancel te
drukken.
Verwijder onnodig opgeslagen taken.
Zie "Opgeslagen taken verwijderen
".
U kunt deze fout in de toekomst vermijden door:
Het aantal af te drukken pagina's te verminderen
door de afdrukgegevens op te splitsen.
Meer vrije geheugenruimte te creëren door
overbodige gegevens op de RAM-disk of de harde
schijf te verwijderen.
Zie "Een harde schijf installeren
".
Verzamelen vol
016-981
Taak te groot
Druk op
De opgegeven afdruktaak was te groot
voor de geheugencapaciteit van de
printer.
Druk op de knop
(SET) en vervolgens op de knop
Cancel.
Probeer opnieuw af te drukken met een kleinere
taak.
Lade is los
024-9XX
Druk Lade N naar binnen
Een papierlade is losgeraakt.
N duidt het nummer van de lade aan.
Controleer of de lade goed is geplaatst.
Geen geschikt papier
024-9XX
Laad Lade N
XXXXXXXX
YYYYYYYY
Een van de volgende dingen heeft zich
voorgedaan.
Het papier in lade N is op.
Het formaat of de soort van het papier
dat in lade N is gelegd komt niet
overeen met wat is opgegeven.
N duidt het nummer van de lade aan.
XXXXXXXX duidt een papierformaat
aan.
YYYYYYYY duidt een papiertype aan.
Leg het opgegeven papier in lade N.
Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen
en optionele laden".
Papierform. onjuist
024-91X
Laad Lade N
XXXXXXXX YYYYYYYY
Het formaat van het papier dat in een
lade is gelegd komt niet overeen met
het op de printer opgegeven formaat.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
N duidt het nummer van de lade aan.
XXXXXXXX duidt een papierformaat
aan.
YYYYYYYY duidt een papiertype aan.
Laad papier van het opgegeven formaat.
Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen
en optionele laden".
Wijzig de papierformaatinstellingen zodat ze
overeenkomen met het formaat van het ingelegde
papier.
Zie "Lade-instellingen
" op "Dell Printer Configuration
Web Tool".
Zie "Lade-instellingen
" op "Begrip van de
printermenu's".
Laad papier van het opgegeven formaat.
Papierform. onjuist
024-914
Laad Lade MPF
XXXXXXXX YYYYYYYY
Het formaat van het papier dat in de
MPF is gelegd komt niet overeen met
het op de printer opgegeven formaat.
Fout NNN-NNN heeft te maken met
printerproblemen.
XXXXXXXX duidt een papierformaat
aan.
YYYYYYYY duidt een papiertype aan.
Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen
en optionele laden".
Wijzig de papierformaatinstellingen zodat ze
overeenkomen met het formaat van het ingelegde
papier.
Zie "Lade-instellingen
" op "Dell Printer Configuration
Web Tool".
Zie "Lade-instellingen
" op "Begrip van de
printermenu's".
Stapeleenheid vol
024-916
Verwijder papier
Stapeleenheid
De stapeleenheid van
de extra uitvoerbak zit
vol met afdrukken.
Verwijder de afdrukken uit de stapeleenheid.
Aant. Overschr
024-917
Verwijder papier
Stapeleenheid
De stapeleenheid van
de extra uitvoerbak zit vol met geniete
afdrukken.
Verwijder de afdrukken uit de stapeleenheid.
Uitv.lade vol
024-920
Verwijder papier
Middelste uitvoerlade
De middelste uitvoerlade zit vol met
afdrukken.
Verwijder de afdrukken uit de middelste uitvoerlade.
Geen geschikt papier
024-969
Laad MPF
XXXXXXXX
YYYYYYYY
Een van de volgende dingen heeft zich
voorgedaan.
Het papier in de MPF is op.
Het formaat of de soort van het papier
dat in de MPF is gelegd komt niet
overeen met wat is opgegeven.
XXXXXXXX duidt een papierformaat
aan.
YYYYYYYY duidt een papiertype aan.
Leg het opgegeven papier in de MPF.
Zie "Afdrukmedia laden
".
Nietfout
024-976
1.Open de voorklep van de
extra uitvoerbak
en verwijder het papier.
2.Sluit de voorklep van de
extra uitvoerbak.
Papier is vastgelopen
in de extra uitvoerbak.
Verwijder het vastgelopen papier volgens de
instructies die worden weergegeven
op het bedieningspaneel.
Zie "Papierstoringen verhelpen
".
Nietfout
024-977
Vervang nu de nietcassette.
Doorgaan zonder nieten?
De nietcassette of de extra uitvoerbak
moet nu worden vervangen.
Vervang de nietcassette.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De nietcassette vervangen
".
Bent u zeker?
Lege nietcas.
024-979
Vervang nu de nietcassette.
Doorgaan zonder nieten?
Bent u zeker?
De nietcassette van de extra
uitvoerbak is leeg.
Vervang de nietcassette.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De nietcassette vervangen
".
Stapeleenheid vol
024-980
Verwijder papier
Stapeleenheid
De stapeleenheid van de extra
uitvoerbak is vol met afdrukken.
Verwijder de afdrukken uit de stapeleenheid.
Fout afw.eenh.
024-982
Verwijder papier
Stapeleenheid
Er is een fout opgetreden in de extra
uitvoerbak.
Verwijder de afdrukken uit de stapeleenheid.
Oververhit
042-700
Herstart printer
Raadpleeg een hulpdienst
Als bericht terugkeert
Het afdrukken wordt onderbroken
omdat het binnenin de printer
uitzonderlijk heet is.
Laat de printer aanstaan en wacht tot de melding
verdwijnt.
050-152
1.Open de voorklep van de
extra uitvoerbak.
2.Draai zonodig aan een
knop en verwijder het
papier.
3.Sluit de voorklep van de
extra uitvoerbak.
Papier is vastgelopen in de extra
uitvoerbak.
Verwijder het vastgelopen papier volgens de
instructies die worden weergegeven
op het bedieningspaneel.
Zie "Papierstoringen verhelpen
".
050-153
1.Open de voorklep van de
extra uitvoerbak
en verwijder het papier.
2.Sluit de voorklep van de
extra uitvoerbak.
Papier is vastgelopen
in de extra uitvoerbak.
Verwijder het vastgelopen papier volgens de
instructies die worden weergegeven
op het bedieningspaneel.
Zie "Papierstoringen verhelpen
".
Cassettefout
091-NNN
Tape blijft
Drum voor XXX
Sommige stukken lint blijven achter in
de drumcartridge.
XXX duidt de kleur van de betreffende
drumcartridge aan.
Verwijder het achtergebleven lint uit de
drumcartridge.
Afdrukgereed
091-400
Toneropvangbak
De toneropvangbak moet binnenkort
worden vervangen.
Vervang binnenkort de toneropvangbak.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Afdrukgereed
Is bijna opgebruikt
Zie "De toneropvangbak vervangen".
Afdrukgereed
091-4XX
Drum voor N
Is bijna opgebruikt
Een drumcartridge moet binnenkort
worden vervangen.
N duidt de kleur van de betreffende
drumcartridge aan.
Vervang de drumcartridge met de betreffende kleur
binnenkort.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De drumcartridges vervangen
".
Afdrukgereed
091-41X
Drum voor N
voorbereiden
Een drumcartridge moet binnenkort
worden vervangen.
N duidt de kleur van de betreffende
drumcartridge aan.
Prepareer een nieuwe drumcartridge met de
betreffende kleur.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De drumcartridges vervangen
".
Cassettefout
091-92N
Plaats drum voor XXX
De drum voor X ontbreekt of is niet
volledig in de printer geplaatst.
X duidt de kleur van de betreffende
tonercartridge aan.
Schuif de X drumcartridge in de sleuf voor de
betreffende kleur.
Als het bericht niet verwijnt, stelt u de X
drumcartridge opnieuw in en drukt u hem stevig
aan.
Controleer of de X drumcartridge volledig is
geïnstalleerd.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
092-651
CTD-Sensor vuil
CTD-Sensor reinigen
De CTD-sensor is vuil.
Reinig de CTD-sensor.
Zie "De CTD-sensor (Conductivity Temperature
Depth) reinigen".
Afdrukgereed
093-42X
Cassette voor N
Is bijna opgebruikt
Een tonercartridge moet binnenkort
worden vervangen.
N duidt de kleur van de betreffende
tonercartridge aan.
Vervang de tonercartridge met de betreffende kleur
binnenkort.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De tonercartridges vervangen
".
Afdrukgereed
094-419
Riemeenheid
voorbereiden
De riem moet binnenkort worden
vervangen.
Prepareer een nieuwe riemeenheid.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De riemeenheid vervangen
".
Afdrukgereed
094-422
Riemeenheid
Is bijna opgebruikt
De riem moet binnenkort worden
vervangen.
Vervang de riemeenheid binnenkort.
Bestel een nieuw verbruiksmateriaal op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De riemeenheid vervangen
".
Riemfout
De riemeenheid ontbreekt of is niet
Volg de aanwijzingen op het operatorpaneel op en
controleer of de riemeenheid goed is geïnstalleerd.
094-910
Plaats riemeenheid
goed in de printer geïnstalleerd.
Zie "De riemeenheid vervangen
".
Riemeenheid
094-911
Vervang riem
Raadpleeg een hulpdienst
De riem moet nu worden vervangen.
Verwijder de riemeenheid en plaats een nieuwe.
Bestel een nieuwe riemeenheid op de website
(www.dell.com/supplies
).
Zie "De riemeenheid vervangen
".
Transfer fout
094-913
Plaats transfer-rol
De overdraagrol ontbreekt of is niet
goed in de printer geïnstalleerd.
Volg de aanwijzingen op het operatorpaneel op en
controleer of de overdraagrol goed is geïnstalleerd.
Zie "De overdraagrol vervangen
".
Afdrukgereed
142-700
Lage afdruksnelheden
De afdruksnelheid neemt af omdat het
binnen in de printer uitzonderlijk heet
of koud is.
U kunt de printer nog gebruiken, maar de
afdrukkwaliteit is minder.
Als u enige tijd wacht, wordt de temperatuur in de
printer weer normaal.
Afdrukgereed
193-700
Geen Dell-toner
geïnstalleerd
De printer staat in de aangepaste
tonercartridgemodus.
Sommige van de tonercartridges zijn leeg, maar u
kunt doorgaan met afdrukken.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Afdrukken met Web-services op Apparaten (WSD)
Rollen van Afdrukservices toevoegen
Printerconfiguratie
Dit hoofdstuk geeft informatie over het afdrukken over een netwerk met WSD, het nieuwe Windows Vista
®
, Windows Server
®
2008, Windows Server 2008 R2 en Windows
®
7-protocol van Microsoft
®
.
Rollen van Afdrukservices toevoegen
Wanneer u Windows Server 2008 of Windows Server 2008 R2 gebruikt moet u de rollen van afdrukservices aan de Windows
Server 2008 of Windows Server 2008 R2 client toevoegen.
Voor Windows Server 2008:
1. Klik op Start® Administratieve taken® Server Manager.
2. Selecteer Rollen toevoegen in het menu Actie.
3. Controleer het aankruisvakje Afdrukservices in het venster Server-rollen in de Wizard Rollen toevoegen en klik
daarna op Volgende.
4. Schakel het aankruisvakje Printserver in en klik daarna opVolgende.
5. Klik op Installeren.
Voor Windows Server 2008 R2:
1. Klik op Starten® Systeembeheer® Serverbeheer.
2. Selecteer Functies toevoegen in het menu Actie.
3. Controleer het aankruisvakje Afdruk- en documentservices in het venster Serverfuncties in de Wizard Functies
toevoegen en klik daarna op Volgende.
4. Klik op Volgende.
5. Schakel het aankruisvakje Afdrukserver in en klik daarna op Volgende.
6. Klik op Installeren.
Printerconfiguratie
U kunt uw nieuwe printer op het netwerk installeren met behulp van de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's die bij uw
printer is geleverd, of met de wizard Printer toevoegen van Microsoft Windows.
Een printerstuurprogramma installeren met behulp van de wizard
Printer
Toevoegen
1. Klik op Starten® Configuratiescherm® Hardware en geluiden® Printers (Starten® Apparaten en printers voor
Windows Server 2008 R2 en Windows 7).
2. Klik op Een printer toevoegen om de wizard Printer toevoegen te starten.
3. Selecteer Netwerkprinter, draadloze printer of Bluetooth-printer.
4. Selecteer uit de lijst met beschikbare printers degene die u wilt gebruiken en klik daarna op Volgende.
OPMERKING: In de lijst met beschikbare printers wordt de WSD-printer weergegeven in de vorm http://IP
address/ws/.
OPMERKING: Als er geen WSD-printer wordt weergegeven in de lijst dient u het IP-adres van de printer
handmatig in te voeren om een WSD-printer te creëren. Volg de instructies hieronder om het IP-adres van de
printer handmatig in te voeren.
Om een WSD-printer te creëren voor Windows Server 2008 R2, dient u lid te zijn van een beheerdersgroep.
1. Klik op De printer die ik wil gebruiken, staat niet in de lijst.
2. Selecteer Een printer met behulp van een TCP/IP-adres of hostnaam toevoegen en klik op Volgende.
3. Selecteer Apparaat voor webservices in Type apparaat:.
4. Voer het IP-adres van de printer in, in het tekstvak Hostnaam of IP-adres: en klik op Volgende.
5. Installeer het printerstuurprogramma op uw computer als u daarom wordt gevraagd. Als u wordt gevraagd om een
wachtwoord van beheerder of een bevestiging, toets dan het wachtwoord in of geef de bevestiging.
6. Doorloop de overige stappen in de wizard en klik daarna op Voltooien.
7. Druk een testpagina af om te zien of de installatie van de printer is gelukt.
a. Klik op Starten® Configuratiescherm® Hardware en geluiden® Printers (Starten® Apparaten en
printers voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7).
b. Klik met de rechtermuisknop op de printer die u zojuist hebt aangemaakt en selecteer Eigenschappen
(Eigenschappen van printer voor Windows Server 2008 R2 en Windows 7).
Voor het PCL-stuurprogramma:
Stel op het tabblad Opties de verschillende items in en klik op Toepassen.
Voor het PS-stuurprogramma:
Stel op het tabblad Apparaatinstellingen de verschillende items in en klik op Toepassen.
c. Klik op het tabblad Algemeen op Testpagina afdrukken. Als de testpagina goed wordt afgedrukt, is het
installeren van de printer voltooid.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Afdrukken met UX-filter (UNIX)
Overzicht
Het UX-filter installeren
Het UX-filter verwijderen
Afdrukken en gebruik van de hulpprogramma's
Voorzorgsmaatregelen en beperkingen
Overzicht
Het UX-filter
Dit hoofdstuk beschrijft de kenmerken van het UX-filter en de werkomgeving ervan.
Kenmerken
Het UX filter is een hulpprogramma dat de bestanden die zijn aangemaakt door een UNIX werkstation omzet in een indeling
die overeenkomt met de PostScript afdruktaal die in de printer is geladen. Het hulpprogramma voorziet in software die
tekstbestanden, SunRaster beeldbestanden (alleen voor Sun/Solaris), TIFF beeldbestanden en XWD beeldbestanden omzet
in een PostScript afdruktaal-programma. Bovendien maakt het gebruik van de printermogelijkheden voor uitvoer op de
volgende manieren.
Keuze van ingevoerd papier
Dubbelzijdig afdrukken
Keuze van uitvoerpapier
VOORZICHTIG: Afhankelijk van de configuraties voor de printer, kunnen sommige typen het UX filter niet gebruiken.
Werkomgeving
Tekstbestanden, SunRaster beeldbestanden (alleen voor Solaris), TIFF beeldbestanden en XWD beeldbestanden die worden
ontvangen vanaf een werkstation dat op de printer is aangesloten via een USB-kabel of parallel-kabel (hierna het lokale
werkstation genoemd), of van een werkstation dat is aangesloten op een netwerk (hierna het werkstation elders genoemd),
kunnen worden omgezet in een PostScript afdruktaal-programma en als zodanig doorgegeven aan de printer.
Bovendien is het te gebruiken in een omgeving waar een printer, voorzien van een interfacekaart, direct is aangesloten op het
netwerk.
Vóór gebruik van het UX-filter
Controleer de volgende punten alvorens u het UX filter gaat gebruiken.
Voordat u het werkstation instelt, dient u eerst de printer te installeren, als volgt.
1. Zorg dat de lpd-aansluiting goed werkt, wanneer u de netwerk-omgeving gebruikt. Als de lpd-aansluiting niet werkt,
zet u LPD op Aan via het bedieningspaneel. (Verplicht) Zie "Protocol
" voor nadere informatie.
Zorg, als u gebruik wilt gaan maken van een parallelle aansluiting of een USB-aansluiting, ervoor dat deze goed
werken. (Verplicht)
2. Stel een IP-adres en een subnetmasker in wanneer u de printer gaat gebruiken in een netwerk-omgeving. (Verplicht)
3. Maak de TBCPFilter functie beschikbaar, als de TBCPFilter functie is geinstalleerd in de printer. Zie "Adobe Protocol"
voor nadere informatie.
Het UX-filter installeren
Vóór de installatie
De volgende punten zijn vereist voor de installlatie.
Geschikte besturingssystemen worden beschreven onder "Page Description Language (PDL)/Emulatie,
besturingssysteem en interface".
Disk-opslagcapaciteit: 20 MB vrije ruimte vereist, inclusief tijdelijke werkruimte voor de installatie.
Voor de hier beschreven procedure is aanmelden als "root account" nodig. Als u geen "root" privileges hebt, raadpleegt
u dan uw systeembeheerder.
De uitvoerprinter moet zijn geregistreerd in het werkstation voordat u het UX filter gaat gebruiken. (HP-UX)
Gebruik het sam-commando voor registratie van de uitvoerprinter.
Zie de handleiding in verband met HP-UX voor nadere inlichtingen.
Bestanden toegevoegd bij installatie
De volgende bestanden worden toegevoegd bij installatie van het UX filter.
Solaris
Directory
Bestandsnaam Inhoud
/usr/local/dellbin5130
txt2ps2
Tekstconversie-hulpprogramma
sunras2ps2
SunRaster conversie-hulpprogramma
tiff2ps2
TIFF conversie-hulpprogramma
xwd2ps2
XWD conversie-hulpprogramma
dellpsif
Invoerfilter
/usr/lib/lp/postscript
dellposttxt5130cdn
Symbolisch koppelingsbestand voor het oproepen van txt2ps2
dellpostps5130cdn
Symbolisch koppelingsbestand voor het oproepen van dellpsif
dellbinpath5130
Directory-beschrijvingsbestand voor de UX filter afdrukfunctie
/usr/lib/lp/model
Model-
interfaceprogramma
Bronbestand van het model interface programma (opgeslagen onder de
printernaam tijdens registratie)
/etc/lp/interfaces
Model-
interfaceprogramma
Interface programma voor de PRINTER (opgeslagen onder de
printernaam tijdens registratie)
/etc/lp/fd
posttxt5130cdn.fd
Filter-beschrijvingsbestand voor txt2ps2
dell5130cdn.fd
Dell5130cdn filter-beschrijvingsbestand voor Dell 5130cdn Color Laser
Printer
postio5130.fd
Dellpostio filter-beschrijvingsbestand
download5130cdn.fd
Delldownload filter-beschrijvingsbestand
/usr/share/man/man1
txt2ps25130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor txt2ps2
sunras2ps25130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor sunras2ps2
tiff2ps25130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor tiff2ps2
xwd2ps25130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor xwd2ps2
dellpsif5130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor dellpsif
OPMERKING: De genoemde directories zijn de standaard-directories.
HP-UX
Directory Bestandsnaam Inhoud
/usr/local/dellbin5130
txt2ps2
Tekstconversie-hulpprogramma
xwd2ps2
XWD conversie-hulpprogramma
tiff2ps2
TIFF conversie-hulpprogramma
/usr/lib/lp/postscript dellbinpath5130
Directory-beschrijvingsbestand voor de UX filter afdrukfunctie
/usr/spool/lp/interface
Model-
interfaceprogramma
Interface programma voor de PRINTER (opgeslagen onder de
printernaam tijdens registratie)
/usr/share/man/man1
txt2ps25130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor txt2ps2
tiff2ps25130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor tiff2ps2
xwd2ps25130cdn.1
Handleiding-paginabestand voor xwd2ps2
OPMERKING: De genoemde directories zijn de standaard-directories.
Overzicht van de installatieprocedure
Dit hoofdstuk biedt informatie betreffende de installatie van het UX filter met een UNIX werkstation.
Solaris
1. Installeer de printer en het netwerk.
2. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in het lokale werkstation.
3. Start het installatieprogramma om de installatie te beginnen.
4. Afdrukken om de printer te testen.
HP-UX
1. Installeer de printer en het netwerk.
2. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in het lokale werkstation.
3. Start het installatieprogramma om de installatie te beginnen.
4. Afdrukken om de printer te testen.
Uitvoering op Solaris
Installatie/Printer-instelling
1. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in het CD-ROM- station van het lokale werkstation.
Als uw werkstation niet beschikt over een CD-ROM-station, brengt u de bestanden vanaf een ander werkstation met
een CD-ROM-station over naar uw eigen werkstation.
2. Meld u aan als "root account" en neem het installatiescript over van de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
VOORZICHTIG: Als u geen "root" privileges hebt, raadpleegt u dan uw systeembeheerder.
# cd /tmp
# cp /cdrom/cdrom0/UXFILTER.tar /tmp
# tar xvf ./UXFILTER.tar
3. Typ ./install.sh en start het installatieprogramma.
# ./install.sh
4. Kies het model printer om te installeren.
Printer Model ?
1. Dell 5130cdn Color Laser Printer
2. Exit
Enter Process No (1/2)? : 1
5. Het volgende menu verschijnt. Selecteer <1> en installeer de lokale printer.
Solaris Installation for Dell 5130cdn Color Laser Printer Type Printer
1. Set Local Printer
2. Set Remote Printer
Enter Process No (1/2)? : 1
6. Tik de apparaatnaam voor de aansluiting.
Enter port-device-name? [/dev/ecpp0] : /dev/bpp0
VOORZICHTIG: Kies het apparaatbestand in de beschikbare communicatieverbinding.
7. Als er Set Remote Printer is gekozen, tikt u de hostnaam voor de server in of de hostnaam voor de printer.
Enter server-hostname? : server
server-hostname is 'server' (y/n)[y] : y
VOORZICHTIG: De hostnaam van de server moet van tevoren zijn geregistreerd met DNS, NIS, NIS+ of /etc/hosts.
8. Als er Set Remote Printer is gekozen, tikt u de netwerk- printernaam in.
Enter server-printer-name? : ps
server-printer-name is 'ps' (y/n)[y] : y
VOORZICHTIG: Typ ps als de printer een netwerk-aangesloten printer is.
9. Typ de printernaam die u wilt registreren voor het systeem.
Enter printer-name? [dell5130cdn] : dell5130cdn
Printer-name is 'dell5130cdn' (y/n)[y] : y
10. Kies de directory voor installatie van het hulpprogramma. Voor installatie in /usr/local/dellbin5130, drukt u op de
<Enter> toets. Om een andere directory te gebruiken, kiest u er een.
Enter Binary directory name? [/usr/local/dellbin5130] :
11. Als dit hulpprogramma reeds eerder geïnstalleerd was, wordt de gebruiker gevraagd of de eerdere versie overschreven
moet worden.
directory is '/usr/local/dellbin5130' (y/n)[n] : y
12. Als de server gekozen in stap 5 en de printer zijn aangesloten via een netwerk, typt u <y>. Als de server en de printer
lokaal zijn aangesloten, typt u <n>.
'dell5130cdn'is network printer?:(y/n)[y] : y
De software-installatie is voltooid.
VOORZICHTIG: Als de afdruk-instellingen worden gewijzigd of aangepast via de beheerfunctie (admintool) na de
installatie, kan het afdrukken niet altijd lukken.
Uitvoering op HP-UX
Installatieprocedure
OPMERKING: De hostnaam van de uitvoerprinter die u wilt kiezen in stap 6 moet van tevoren zijn geregistreerd met
een sam commando.
1. Plaats de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in het CD-ROM- station van het locale werkstation.
2. Meld u aan als "root account" en neem het installatiescript over van de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
VOORZICHTIG: Als u geen "root" privileges hebt, raadpleegt u dan uw systeembeheerder.
# mount -F cdfs -o cdcase /dev/dsk/c1t2d0 /cdrom
# cd /tmp
# cp /cdrom/uxfilter.tar /tmp
# tar xvf UXFILTER.tar
OPMERKING: /dev/ds/clt2d0 is een voorbeeld. Kies het CD-ROM apparaatbestand voor alle werkstations.
3. Typ ./install.sh en start het installatieprogramma.
# ./install.sh
4. Kies het model printer om te installeren.
Printer Model ?
1. Dell 5130cdn Color Laser Printer
2. Exit
Enter Process No (1/2)? : 1
5. Kies de directory voor installatie van het hulpprogramma.
Enter install directory name [/usr/local/dellbin5130] :
directory is '/usr/local/dellbin5130' (y/n)[n] : y
6. Typ de naam van de uitvoerprinter. Typ delllp5130cdn. Typ de printernaam die u wilt registreren voor het systeem.
Enter output-printer-name? : delllp5130cdn
output-printer-name is 'delllp5130cdn' (y/n)[y] : y
OPMERKING: De geregistreerde printernaam is te verifiëren met het commando lpstat -v.
7. Typ de logische printernaam. Registreer dell5130cdn. Typ een printernaam die nog niet is geregistreerd in het
systeem.
Enter logical-printer-name? : dell5130cdn
Printer-name is 'dell5130cdn' (y/n)[y] : y
8. Het hulpprogramma wordt geïnstalleerd in de in stap 5 opgegeven directory. De registratie wordt daar uitgevoerd zodat
de logische printer geregistreerd in stap 7 toegang krijgt tot het hulpprogramma. Aangezien dit proces automatisch
verloopt, hoeft u niets in te voeren. Met de bovenstaande stappen is de installatie voltooid.
Het UX-filter verwijderen
Het UX-filter is niet voorzien van een verwijderprogramma. Om het UX-filter te verwijderen, gaat u als volgt te werk.
VOORZICHTIG: Voor de hier beschreven procedure is aanmelden als "root account" nodig. Als u geen "root" privileges
hebt, raadpleegt u dan uw systeembeheerder.
Solaris
1. Verwijder de printer die is geregistreerd in het systeem. Gebruik de printernaam die was gecreëerd tijdens de
installatie, in het lpadmin commando.
# lpadmin -x printernaam
2. Verwijder de filters die zijn geregistreerd in het systeem. Verwijder de filters die zijn geregistreerd tijdens de installatie,
met het lpfilter commando.
# lpfilter -f dell5130cdn -x (voor Dell 5130cdn Color Laser Printer)
# lpfilter -f download5130 -x
# lpfilter -f postio5130cdn -x
# lpfilter -f posttxt5130cdn -x
3. Verwijder de symbolische bestanden die nodig zijn om het filter op te roepen.
Verwijder de volgende bestanden uit /usr/lib/lp/postscript.
dellposttxt5130cdn
dellpostps5130cdn
dellbinpath5130
4. Verwijder de interface-programmabestanden van Gekozen printertypenaam uit /usr/lib/lp/model.
Verwijder tevens de interface-programmabestanden van Gekozen printernaam uit /etc/lp/interfaces.
5. Verwijder alle directories of folders die UX-filters bevatten en de bestanden in deze directories of folders die tijdens het
installeren zijn aangemaakt. De volgende directories moeten verwijderd worden.
/usr/local/dellbin5130
6. Verwijder de filterbeschrijvingsbestanden. Verwijder de volgende bestanden uit /etc/lp/fd.
Filterbeschrijvingsbestanden voor diverse printers:
dell5130cdn.fd (voor Dell 5130cdn Color Laser Printer)
download5130.fd
postio5130cdn.fd
posttxt5130cdn.fd
HP-UX
1. Verwijder de printer die is geregistreerd in het systeem. Gebruik het sam commando voor het verwijderen van de
printer die is ingesteld tijdens de installatie.
# sam
2. Verwijder alle directories of folders die UX-filters bevatten en de bestanden in deze directories of folders die tijdens het
installeren zijn aangemaakt. De volgende directories moeten verwijderd worden.
/usr/local/dellbin5130 (directory gekozen tijdens de installatie)
Afdrukken en gebruik van de hulpprogramma's
Afdrukken (Solaris)
Dit gedeelte biedt informatie voor afdrukken met gebruik van het filter. Voor afdrukken met Solaris, kiest u de printer die is
geregistreerd tijdens het installeren van de filters als de uitvoerbestemming.
VOORZICHTIG: Voor gebruik van het lp commando, dient u te zorgen dat de werkomgeving van de spooler naar
behoren is ingesteld (ingeschakeld, beschikbaar) met behulp van het lpstat commando (lpstat-p all). Voor nadere
details over de mogelijkheden van het lp commando en het lpstat commando of hoe u deze gebruikt, verwijzen we u
naar de betreffende handleidingen van Solaris.
Afdrukken in Solaris
Afdrukken met de standaard printer:
Als de printer is geregistreerd als de standaard printer, kan de naam van de printer worden afgekort en gespecificeerd
zoals getoond in het volgende voorbeeld.
% lp bestandsnaam
Afdrukken met andere printers:
Voor afdrukken met een printer genaamd dell5130cdn, tikt u het volgende.
% lp -d dell5130cdn bestandsnaam
OPMERKING: De naam van de printer kan worden bevestigd door uitvoeren van lpstat -v.
Om tijdelijk van standaard printer te wisselen voor het afdrukken:
Voor het wisselen van de standaard printer, stelt u de printernaam in in een omgevingsvariabele genaamd LPDEST.
Voor het instellen van een printer genaamd dell5130cdn als de standaard printer voor afdrukken, tikt u het volgende.
% setenv LPDEST dell5130cdn
% lp bestandsnaam
OPMERKING: Met deze methode kunt u een standaard printer instellen voor elke gebruiker.
OPMERKING: Het bovenstaande voorbeeld beschrijft de instelmethode die u volgt bij gebruik van cache.
Keuze van een papierlade voor het afdrukken:
Voor keuze van een papierlade voor het afdrukken, specificeert u de papierlade na de -y optie van het lp commando.
OPMERKING: Afhankelijk van de geïnstalleerde opties, kunnen de beschikbare papierladen verschillen.
Voor keuze van en afdrukken op "letter" formaat papier in een printer genaamd dell5130cdn in liggende richting, kiest u het
volgende.
% lp -d dell5130cdn -y landscape -y letter bestandsnaam
De volgende opties zijn te specificeren via het
lp
commando.
Tekstbestanden afdrukken:
OPMERKING: Er wordt afgedrukt volgens de lengte en breedte ingesteld via het lpadmin commando.
-y double
Stelt in op 2-koloms afdrukken.
-y landscape
Draait de pagina 90° en gebruikt het papier in liggende richting.
-y size=n
Stelt de lettergrootte in op n punten.
-y outcolumn=n
Deze optie converteert alle tekst naar enkel-byte tekst en stelt in op afdrukken vanaf de n-de kolom.
-y outline=n
Stelt in op beginnen met afdrukken vanaf de n-de regel.
-y font=lettertype
Kiest het lettertype voor afdrukken van enkel-byte alfanumerieke tekens. Als het gekozen lettertype niet
beschikbaar is voor de printer, wordt een standaard lettertype gebruikt.
OPMERKING: Voor keuze van een lettertype, tikt u de lettertypenaam als zodanig direct na de optie -y font=.
% lp -y font=Courier-Oblique bestandsnaam
OPMERKING: Nadere informatie over de beschikbare lettertypen vindt u in de PS lettertypenlijst.
-y margin=b:o:r:l
Hiermee kiest u de kantlijn van de pagina in inch. De b (bovenkantlijn), o (onderkantlijn), r (rechter kantlijn), en
l (linker kantlijn) zijn positieve reële getallen (tot twee cijfers achter de decimale punt). De uitgangswaarde is 0.
-y ps
Het inkomende bestand wordt behandeld als een PostScript bestand. Als het bestand niet begint met "%!", wordt
er "%!" afgedrukt op de beginregel. Of het bestand verder "%!" bevat, wordt genegeerd.
Voor afdrukken van tekst/PostScript bestanden:
-y DuplexBook
Hiermee stelt u de lange-kant bindfunctie in. Wanneer deze inbindfunctie is gekozen, wordt de afdrukrichting en
-plaats bijgesteld en wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de lange kant van de pagina
geschikt is voor inbinden.
-y DuplexList
Hiermee stelt u de korte-kant bindfunctie in. Wanneer deze is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats
bijgesteld en wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de korte kant van de pagina
geschikt is voor inbinden.
-y lade-invoer
De parameters voor de papierlade die gekozen kunnen worden via het lp commando zijn als volgt.
tray1
Voer papier in vanuit lade 1 (bovenste lade).
tray2
Voer papier in vanuit lade 2 (de tweede lade van boven).
tray3
Voer papier in vanuit lade 3 (de derde lade van boven).
tray4
Voer papier in vanuit lade 4 (de vierde lade van boven).
tray5
Voer papier in vanuit lade 5 (de vijfde lade van boven).
a4
Voer papier in vanuit de lade met A4 papier (210 x 297 mm).
a5
Voer papier in vanuit de lade met A5 papier (148 x 210 mm).
b5
Voer papier in vanuit de lade met B5 papier (182 x 257 mm).
letter
Voer papier in vanuit de lade met Letter papier (8,5 x 11 in).
folio
Voer papier in vanuit de lade met Folio papier (8,5 x 13 in).
legal
Voer papier in vanuit de lade met Legal papier (8,5 x 14 in).
executive
Voer papier in vanuit de lade met Executive papier (7,25 x 10,5 in).
monarch
Voer papier in vanuit de lade met Monarch papier (3,875 x 7,5 in).
com10
Voer papier in vanuit de lade met Envelop #10 (4,125 x 9,5 in).
dl
Voer papier in vanuit de lade met DL papier (110 x 220 mm).
c5
Voer papier in vanuit de lade met C5 papier (162 x 229 mm).
MxNmm
Voer papier in vanuit de lade met MxN mm, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 76,2 tot 215,9 mm
Lengte: 127,0 tot 355,6 mm
MxNin
Voer papier in vanuit de lade met MxN inch, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 3,00 tot 8,5 inch
Lengte: 5,00 tot 14,0 inch
Als deze optie niet gespecificeerd is of de gekozen papierlade is niet beschikbaar, voert u papier toe vanuit de
standaardlade.
-y toner_save
Schakelt de functie toner besparen voor het afdrukken in. De afdruk zal er iets vager uitzien dan bij het normale
afdrukken.
-y nc=n
Kiest het aantal af te drukken exemplaren (de waarde voor het aantal exemplaren moet altijd een positief geheel
getal zijn). Als deze optie niet gespecificeerd is, wordt er ingesteld op 1.
-y cl
Specificeert dat de afdrukken moeten worden gesorteerd. Als de optie copies niet is ingesteld, zal deze optie
genegeerd worden.
-y ps
Het inkomende bestand wordt behandeld als een PostScript bestand. Als het bestand niet begint met %!, wordt er
%! afgedrukt op de beginregel. Als een bestand %! bevat, wordt deze optie genegeerd.
-y msi
Specificeert de multifunctionele invoerlade.
-y m=type
Specificeert de multi-invoerlade papiersoort.
Beschikbare papiersoorten voor de multi-invoerlade zijn als volgt:
B
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2
BB
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2 - zijde 2
P
Briefpapier/Gewoon/Gewoon papier 1
PB
Briefpapier achter/Gewoon/Gewoon papier 1 - zijde 2
R
Gerecycled papier
RB
Gerecycled papier achter/Gerecycled papier - zijde 2
H1
Dik papier/Zwaar papier 1/Voorblad 1
H1B
Dik papier achter/Zwaar papier 1/Voorblad 1 - zijde 2
H2
Dik papier 2/Zwaar papier 2/Voorblad 2
H2B
Dik papier 2 achter/Zwaar papier 2/Voorblad 2 - zijde 2
OHP
Transparant
L
Etiketvellen/Etiketten
C2
Gecoat/Gecoat 2/Gecoat papier 2
C2B
Gecoat achter/Gecoat 2/Gecoat papier 2 - zijde 2
C3
Dikker gecoat/Gecoat 3/Gecoat papier 3
C3B
Dikker gecoat achter/Gecoat 3/Gecoat papier 3 - zijde 2
LH
Briefhoofd
E
Envelop
Als deze optie niet gespecificeerd is, kan de multi-invoerlade papiersoort worden gebruikt voor het afdrukken.
-y mfo=modus
Bepaalt de richting voor de multi-invoerlade.
Beschikbare richtingen voor de multi-invoerlade zijn als volgt:
le
Liggend
ler
Liggend (gedraaid)
se
Staand
ser
Staand (gedraaid)
-y po=n
Keuze van alternatieve papierlade.
De beschikbare alternatieve papierladen zijn als volgt:
0
Printerinstellingen gebruiken
1
Bericht weergeven
2
Toevoer via multi-invoerlade
3
Gebruik eerstvolgende formaat (aanpassen)
4
Gebruik groter formaat (aanpassen)
5
Gebruik eerstvolgende formaat (niet zoomen)
6
Gebruik groter formaat (niet zoomen)
-y st=modus
Kiest de toevoer van scheidingsvellen vanaf:
De toevoermogelijkheden voor scheidingsvellen zijn als volgt.
auto
Auto-lade/Auto
1
1ste lade/Lade 1 (standaard 550-vel invoerlade)
2
2de lade/Lade 2 (optionele 550-vel papierlade)
3
3e lade/Lade 3 (optionele 550-vel papierlade)
4
4e lade/Lade 4 (optionele 1100-vel papierlade)
5
5e lade/Lade 5 (optionele 1100-vel papierlade)
msi
Multifunctionele Invoer
off
Uit
-y sp
Kiest het afdrukken van scheidingsvellen.
-y sb
Blanco pagina's overslaan
-y cm=modus
Kiest uitvoerkleur.
De beschikbare uitvoerkleuren zijn als volgt:
c
Kleur (CMYK)
k
Zwart
-y pr=modus
Kiest de afdrukmodus.
De beschikbare afdrukmodi zijn als volgt:
hs
Hoge snelheid
hq
Hoge kwaliteit
hr
Hoge resolutie
-y cc=modus
Bepaalt het soort beelden.
De beschikbare afbeeldingsoorten zijn als volgt:
0
Uit
1
Foto
2
Schermweergave
3
Standaard/Normaal
4
Zakelijke grafieken
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-y gc=modus
Bepaalt de RGB reekscorrectie.
De beschikbare RGB-reekscorrecties zijn als volgt:
1.0
1.0
1.4
1.4
1.8
1.8
2.2
2.2
2.6
2.6
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-y sc=modus
Kiest het raster.
De beschikbare rasters zijn als volgt:
0
Fijnheid
1
Standaard
2
Auto
3
Gradatie
-y gg=modus
Kiest grijs gegarandeerd.
De keuzes voor grijs gegarandeerd zijn als volgt.
on
Aan
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-y ct
Kiest de kleurtransformatie.
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-y br=modus
Bepaalt de helderheidsbijregeling.
De beschikbare helderheidsbijregelingswaarden zijn als volgt:
+5
Helder 5
+4
Helder 4
+3
Helder 3
+2
Helder 2
+1
Helder 1
+0
Normaal
-1
Donker 1
-2
Donker 2
-3
Donker 3
-4
Donker 4
-5
Donker 5
-y rgbc=modus
Bepaalt de RGB kleurcorrectie.
De beschikbare RGB kleurcorrectiewaarden zijn als volgt:
10
Perceptueel
11
Verzadiging
12
RelatieveC
13
AbsoluteC
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-y rgbpr=modus
Bepaalt het RGB invoerprofiel.
De beschikbare waarden voor het RGB invoerprofiel zijn als volgt:
0
sRGB
1
AdobeRGB
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-y rgbtp=modus
Bepaalt de RGB kleurtemperatuur.
De beschikbare waarden voor de RGB kleurtemperatuur zijn als volgt:
5000
5000 K
6000
6000 K
9300
9300 K
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-y cb=cyan-low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low:yellow-
middle:yellow-high:black-low:black-middle:black-high
Bepaalt de bijstelwaarde voor de kleurbalans voor elke kleur/zwarting.
De beschikbare waarden voor de bijstelling zijn als volgt:
+3
Donker 3
+2
Donker 2
+1
Donker 1
0
Normaal
-1
Licht 1
-2
Licht 2
-3
Licht 3
-Cb
De optiewaarde moet worden bepaald in de volgende volgorde:
Cyaan lage dekking, Cyaan gemiddelde dekking, Cyaan hoge dekking, Magenta lage dekking, Magenta
gemiddelde dekking, Magenta hoge dekking, Geel lage dekking, Geel gemiddelde dekking, Geel hoge dekking,
Zwart lage zwarting, Zwart gemiddelde zwarting, Zwart hoge zwarting
Waar geen waarde is gekozen, wordt er ingesteld op "0" (Normaal).
Als u bijvoorbeeld wilt kiezen voor "Licht 2" voor cyaan gemiddelde dekking, "Donker 3" voor geel hoge dekking
en "Donker 2" voor zwart lage zwarting, kunt u dat bepalen op een van de volgende manieren:
-Cb=0:-2:0:0:0:0:0:0:+3:+2:0:0
-Cb=:-2:::::::+3:+2::
-y sl=modus
Specificeert de instellingen voor nieten.
De beschikbare nietoptiewaarden zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-y os=modus
Specificeert de scheidingsinstellingen.
De beschikbare scheidingsoptiewaarden zijn als volgt:
0
Auto
1
Scheiding per set (elke kopie wordt gescheiden voordat de volgende kopie wordt afgedrukt)
2
Scheiding per taak (elke kopie wordt gescheiden voor de door u opgegeven papiertaken)
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-y lh=modus
Specificeert instellingen voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd.
Als de dubbelzijdige modus voor briefhoofd is ingeschakeld, wordt een afdrukvel altijd via het dubbelzijdige
invoerpad een printer in gevoerd. Als gevolg daarvan kan een gebruikers vellen in een invoersleuf invoeren
zonder acht te hoeven slaan op de richting van de vellen.
De beschikbare waarden voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
2
Auto
-y tr=modus
Specificeert de instellingen voor trappen.
De beschikbare optiewaarden voor trappen zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
-y -hld=Afdruksoort:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
Bepaalt de afdruksoort.
De beschikbare instellingen zijn als volgt:
Voor Veilige afdruk
secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Voor Persoonlijk postvak afdrukken
private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
private:Gebruikers-ID: Wachtwoord:
Voor Openbaar postvak afdrukken
public:Gebruikers-ID:Documentnaam
public:Gebruikers-ID::
Voor Proefafdruk
proof:Gebruikers-ID:Documentnaam
proof:Gebruikers-ID::
Voor Gebruikers-ID voert u een ID in van maximaal acht tekens van één byte, tussen 0x20 en 0x7E, met
uitzondering van 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Voor Wachtwoord voert u een wachtwoord van maximaal 12 tekens van één byte in, van 0x30 tot 0x39
(numerieke tekens).
Voor Documentnaam voert u een documentnaam in van maximaal 12 tekens van één byte, tussen 0x20 en
0x7E, met uitzondering van 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
OPMERKING: Als documentnaam niet is opgegeven, wordt de oorspronkelijke documentnaam gebruikt.
-y -Jown= taakeigenaar-naam: Wachtwoord: taakgroep-naam
Bepaalt de naam van de taakeigenaar, het wachtwoord en de taakgroepnaam voor verificatie.
De beschikbare instellingen zijn als volgt:
taakeigenaar-naam:wachtwoord:taakgroep-naam
taakeigenaar-naam:wachtwoord
taakeigenaar-naam::
:wachtwoord:
::
Voor taakeigenaar-naam voert u een taakeigenaar-naam in van maximaal 32 tekens.
Voor wachtwoord voert u een alfanumeriek wachtwoord in dat uit 4 tot 12 tekens bestaat.
Voor taakgroep-naam geeft voert u een taakgroep-naam in van maximaal 32 tekens.
OPMERKING: Alfanumerieke tekens, waaronder spaties en dubbele punten, en symbolen kunnen worden ingevoerd
voor een taakeigenaarnaam.
OPMERKING: Als geen taakeigenaar-naam is gekozen, wordt de gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als
taakeigenaar-naam.
OPMERKING: Als de taakeigenaar-naam langer is dan het toegestane aantal tekens, worden de overtollige tekens
genegeerd.
OPMERKING: Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakeigenaarnaam, wordt "Onbekende gebruiker" de
taakeigenaarnaam.
OPMERKING: Als een ontoelaatbaar teken wordt ingevoerd voor het wachtwoord, of als het opgegeven wachtwoord het
toegestane aantal tekens overschrijdt, wordt het verificatiewachtwoord beschouwd als niet opgegeven.
OPMERKING: Een incomplete vorm van de optie -Jown wordt beschouwd alsof er geen verificatie-instelling is gemaakt.
Als er in dat geval een verificatie-instelling wordt gemaakt via een omgevingsvariabele, wordt die gebruikt als
instelinformatie.
Afdrukken (HP-UX)
Dit gedeelte biedt informatie voor afdrukken met de logische printer die is geregistreerd tijdens de installatie.
Afdrukken vanuit HP-UX
Afdrukken met de standaard printer:
Als de printer is geregistreerd als de standaard printer, kan de naam van de printer worden afgekort en gespecificeerd
zoals getoond in het volgende voorbeeld.
% lp bestandsnaam
Afdrukken met andere printers:
Voor afdrukken met een printer genaamd dell5130cdn, tikt u het volgende.
% lp -d dell5130cdn bestandsnaam
Om tijdelijk van standaard printer te wisselen voor het afdrukken:
Voor het wisselen van de standaard printer, stelt u de printernaam in in een omgevingsvariabele genaamd PRINTER.
Voor het instellen van een printer genaamd
dell5130cdn
als de standaard printer voor afdrukken, tikt u het volgende.
% setenv PRINTER dell5130cdn
% lp bestandsnaam
Voor afdrukken met toegevoegde opties:
Voor afdrukken met de opties, kiest u de optie voor het lp commando met -o als volgt.
De beschikbare opties zijn dezelfde als voor txt2ps2/tiff2ps/xwd2ps2.
Afhankelijk van de geïnstalleerde opties, kunnen de beschikbare papierladen verschillen.
%lp -d dell5130cdn -o r -o ILT bestandsnaam
Voor afdrukken met bestandsformaat:
Voor afdrukken van tekstbestanden:
% lp -d dell5130cdn bestandsnaam
Voor afdrukken van XWD bestanden:
% lp -d dell5130cdn -o XWD bestandsnaam
Voor afdrukken van TIFF-formaat bestanden:
% lp -d dell5130cdn -o TIF bestandsnaam
Voor afdrukken van PostScript bestanden:
% lp -d dell5130cdn bestandsnaam
Voor afdrukken van PostScript bestanden als tekstbestanden:
% lp -d dell5130cdn -o TX bestandsnaam
Als echter voor PostScript bestanden met bepaalde opties ingesteld, zoals papierkeuze e.d. de zelfde optie is gekozen,
zal die genegeerd worden.
Afdrukken met verificatie
Dit hoofdstuk biedt informatie over hoe u de gebruikersnaam kiest voor de verificatie van het afdrukken, in de
omgevingsvariabele.
Keuze van de groepsnaam
Kiezen van de groepsnaam voor de verificatie van het afdrukken:
U kunt een unieke groepsnaam in de omgevingsvariabele instellen, als volgt.
% setenv JOWN5130G "taakgroep-naam"
OPMERKING: U kunt tot 32 lettertekens kiezen voor de groepsnaam. Als de groepsnaam langer is dan het toegestane
aantal tekens, worden de overtollige tekens genegeerd.
OPMERKING: Als u de filteroptie kiest terwijl er al is gekozen voor afdrukken met verificatie, krijgt de filteroptie
voorrang boven het afdrukken met verificatie.
Keuze van de gebruikersnaam
Kiezen van de gebruikersnaam voor de verificatie van het afdrukken:
U kunt een unieke gebruikersnaam in de omgevingsvariabele instellen, als volgt.
% setenv JOWN5130U "taakeigenaar-naam"
U kunt de aanmeldingsnaam gebruiken als de gebruikersnaam, als volgt.
% setenv JOWN5130U ""
OPMERKING: U kunt maximaal 32 tekens opgegeven voor de gebruikersnaam. Als de gebruikersnaam langer is dan
het toegestane aantal tekens, worden de overtollige tekens genegeerd.
OPMERKING: Als u de filteroptie kiest terwijl er al is gekozen voor afdrukken met verificatie, krijgt de filteroptie
voorrang boven het afdrukken met verificatie.
Vaststellen van het wachtwoord
Keuze van een wachtwoord voor het verificatie-afdrukken:
Als u een wachtwoord moet vaststellen voor het verificatie-afdrukken, kunt u het wachtwoord als volgt vastleggen in de
omgevingsvariabele.
% setenv JOWN5130P "wachtwoord"
Als u geen specifiek wachtwoord wilt instellen, typt u het volgende.
% setenv JOWN5130P ""
OPMERKING: De toegestane lengte van het wachtwoord is van 4 tot 12 tekens. Als er een ontoelaatbaar teken wordt
ingevoerd in een wachtwoord, of als het opgegeven wachtwoord het toegestane aantal tekens overschrijdt, worden de
extra tekens genegeerd.
OPMERKING: Als u de filteroptie kiest terwijl er al is gekozen voor afdrukken met verificatie, krijgt de filteroptie
voorrang boven het afdrukken met verificatie.
OPMERKING: Als u alleen een wachtwoord vaststelt zonder de gebruikersnaam vast te leggen in de
omgevingsvariabele, wordt de aanmeldingsnaam beschouwd als de gebruikersnaam.
VOORZICHTIG: Als u het wachtwoord invoert in het aanmeldingsbestand voor automatische toewijzing van de
omgevingsvariabele wanneer u zich aanmeldt, krijgt u de aanbeveling het geschikte toestemmingsniveau voor toegang
te kiezen, om te voorkomen dat onbevoegden het aanmeldingsbestand kunnen lezen.
txt2ps2 (Solaris/HP-UX)
Formaat
/usr/local/dellbin5130/txt2ps2 [-d] [-D] [-Ilade-invoer] [-t] [-2] [-r] [-F] [-lregels] [-wkolommen]
[-uitkolommen] [-Loutlines] [-en] [-slettergrootte] [-E] [-flettertype] [-Nc=exemplaren] [-cl] [-ps] [-
mg==boven:onder:rechts:links] [-Hd=positie:formaat:pagina] [-Hflettertype] [-MSI] [-M=type] [-Mfo=waarde]
[-Pon] [-St=modus] [-Sp] [-Sb] [-Cm=modus] [-Pr=modus] [-Cc=modus] [-Gc=modus] [-Sc=waarde] [-
Gg=modus] [-Cb=cyan-low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low;yellow-
middle:yellow-high:black-low:black-middle:black-high] [-Sl=modus] [-Os=modus] [-Lh=modus] [-Tr=modus] [-
Hld=Afdruksoort:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam] [-Jown= taakeigenaar-naam:wachtwoord]
[bestandsnaam...]
Functie
Leest tekst, zet die om in een programma in de PostScript printertaal en schrijft het bestand naar de standaard uitvoer. Als de
bestandsnaam niet gespecificeerd is, zal de standaard invoer worden gebruikt voor de commando-invoer.
Door tekenreeksen te typen in de omgevingsvariabele TXT2PS2OPTION kan het invoeren van optie in de commandoregel
worden weggelaten.
Als in de omgevingsvariabele TXT2PS2OPTION en de commandoregel geen optie wordt opgegeven, drukt de printer af in 10-
punts lettergrootte in de staande richting.
Met de omgevingsvariabele TXT2PS2OPTION en op de commandoregel dezelfde optie gekozen, krijgt de keuze op de
commandoregel de voorrang.
txt2ps2 geeft het PostScript printertaal-programma dat de regel/kolom aanpast aan het papierformaat. Op deze manier hoeft
de gebruiker zich niet te bekommeren om het papierformaat. Als er een optie is voor het specificeren van de regel/kolom, zal
er geen automatisch regeldoorvoer afgesteld op het papierformaat volgen. Het afdrukken wordt uitgevoerd aan de hand van
de gekozen regel/kolom.
txt2ps2 interpreteert de volgende besturingscodes. Andere besturingscodes/ongedefinieerde codes worden omgezet in octale
getallen en als zodanig doorgegeven.
LF
Regeldoorvoer
FF
Pagina-doorvoer (aan te passen via optie)
TAB
8-kolommen tab-stops (aan te passen via optie)
BS
1 letterteken terugwaarts wissen
Optie
-d
Hiermee stelt u de korte-kant bindfunctie in. Wanneer deze is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats bijgesteld en
wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de korte kant van de pagina geschikt is voor inbinden.
-D
Hiermee stelt u de lange-kant bindfunctie in. Wanneer deze inbindfunctie is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats
bijgesteld en wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de lange kant van de pagina geschikt is
voor inbinden. Deze optie is alleen beschikbaar als de duplexer op de printer is geïnstalleerd.
-Ilade-invoer
Kiest de papierlade. De papierlade is rechtstreeks te kiezen door de gewenste lade te specificeren, of indirect door
keuze van een papierformaat.
Wanneer u een papierformaat kiest, wordt de papierlade waarin het betreffende papier ligt, automatisch opgezocht en
geselecteerd.
De parameters voor het kiezen van een papierlade zijn als volgt:
1
Voer papier in vanuit lade 1 (bovenste lade).
2
Voer papier in vanuit lade 2 (de tweede lade van boven).
3
Voer papier in vanuit lade 3 (de derde lade van boven).
4
Voer papier in vanuit lade 4 (de vierde lade van boven).
5
Voer papier in vanuit lade 5 (de vijfde lade van boven).
A4
Voer papier in vanuit de lade met A4 papier (210 x 297 mm).
A5
Voer papier in vanuit de lade met A5 papier (148 x 210 mm).
B5
Voer papier in vanuit de lade met B5 papier (182 x 257 mm).
LT
Voer papier in vanuit de lade met Letter papier (8,5 x 11 in).
FL
Voer papier in vanuit de lade met Folio papier (8,5 x 13 in).
LG
Voer papier in vanuit de lade met Legal papier (8,5 x 14 in).
EX
Voer papier in vanuit de lade met Executive papier (7,25 x 10,5 in).
MO
Voer papier in vanuit de lade met Monarch papier (3,875 x 7,5 in).
COM10
Voer papier in vanuit de lade met Envelop #10 (4,125 x 9,5 in).
DL
Voer papier in vanuit de lade met DL papier (110 x 220 mm).
C5
Voer papier in vanuit de lade met C5 papier (162 x 229 mm).
MxNmm
Voer papier in vanuit de lade met MxN mm, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 76,2 tot 215,9 mm
Lengte: 127,0 tot 355,6 mm
MxNin
Voer papier in vanuit de lade met MxN inch, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 3,00 tot 8,5 inch
Lengte: 5,00 tot 14,0 inch
Als deze optie niet gespecificeerd is of de gekozen papierlade is niet beschikbaar, voert u dan papier toe vanuit de
standaard lade.
-t
Schakelt de functie toner besparen voor het afdrukken in. De afdruk zal er iets vager uitzien dan bij het normale
afdrukken. In sommige gevallen kan deze optie genegeerd worden.
-2
Stelt in op 2-koloms afdrukken.
-r
Draait de pagina 90° en gebruikt het papier in liggende richting.
-F
Negeert de pagina-doorvoercode (FF).
-lregels
Kiest het aantal regels per pagina.
-wkolommen
Kiest het aantal kolommen per regel.
-ouitkolommen
Converteert de afdrukgegevens in enkel-byte tekst en begint met afdrukken vanuit de buitenste kolommen.
-Loutlines
Drukt tekst af vanaf de outline-kolommen.
-en
Zet de horizontale tabs om in n kolommen (spaties). De uitgangswaarde is 8.
-slettergrootte
Specificeert de lettergrootte als punts-formaat. De uitgangswaarde is 10.
-E
Deze functie schakelt de beeldverbeteringsfunctie in. Bij modellen zonder beeldverbeteringsfunctie zal deze optie
genegeerd worden.
-flettertype
Voor keuze van het lettertype.
OPMERKING: De beschikbare lettertypen zijn beperkt tot de lettertypen in de printer. Zie "Lettertypen begrijpen" voor
nadere inlichtingen.
-Nc=exemplaren
Kiest het aantal af te drukken exemplaren (de waarde voor het aantal exemplaren moet altijd een positief geheel getal
zijn).
-Cl
Specificeert dat de afdrukken moeten worden gesorteerd. Als de optie copies niet is ingesteld, zal deze optie genegeerd
worden.
-ps
Het inkomende bestand wordt behandeld als een PostScript bestand. Als het bestand niet begint met %!, wordt er %!
afgedrukt op de beginregel. Als een bestand wel %!, bevat, wordt het verwerkt op dezelfde manier als dellpsif.
-mg=boven:onder:rechts:links
Hiermee kiest u de kantlijn van de pagina in inch. De bovenkantlijn, onderkantlijn, rechter kantlijn, en linker kantlijn
zijn positieve reële getallen (tot twee cijfers achter de decimale punt). De uitgangswaarde is 0.
-mg=0:0:0:3
Stelt de linker kantlijn in op 3 inch.
-mg=3:3:0:5
Stelt de bovenkantlijn in op 3 inch; de onderkantlijn ook 3 inch; en de linker kantlijn 5 inch. Als de waarde voor
een kantlijn 0 is, kunt u die weglaten.
-mg=:::3
Stelt de linker kantlijn in op 3 inch.
-Hd=positie:formaat:pagina
Specificeert de plaats waar de gebruikersinformatie voor de koptekst of voettekst geplaatst moet worden.
positie bepaalt de uitvoerpositie. Deze optie is echter alleen beschikbaar voor de conversie van tekstbestanden.
ul
Drukt af in de linker bovenhoek van het papier.
ur
Drukt af in de rechter bovenhoek van het papier.
dl
Drukt af in de linker benedenhoek van het papier.
dr
Drukt af in de rechter benedenhoek van het papier.
formaat specificeert de inhoud en de volgorde voor afdrukken. Deze optie kan worden weggelaten.
Als u deze optie weglaat, wordt uh aangehouden als de standaardwaarde.
u
Gebruikersnaam
h
Hostnaam
t
Datum en tijd
Als u voor de af te drukken gegevens de waarde tuh kiest, worden de gegevens afgedrukt als volgt:
Datum en tijd gebruiker: gebruikersnaam Host: hostnaam
pagina specificeert de pagina waarop de gegevens afgedrukt moeten worden. Deze optie kunt u weglaten.
f
Drukt alleen de bovenste pagina af.
(standaard in het geval van PostScript-bestandconversie)
a
Drukt alle pagina's af.
(standaard in het geval van de conversie van tekstbestanden)
Geef deze opties als volgt op.
Bij de conversie van tekstbestanden drukt u de gebruikersnaam, dan de hostnaam in de rechter bovenhoek van het
papier af en drukt u alle pagina's af.
(Gebruikersnaam, hostnaam, alle pagina's afdrukken zijn standaard)
-Hd=ur
-Hd=ur:uh
-Hd=ur:uh:a
Bij de conversie van PostScript bestanden, drukt u de hostnaam af na de datum en tijd in de linker benedenhoek van de
pagina en drukt u alle pagina's af (de a optie-waarde is nodig omdat alleen de bovenste pagina afdrukken de standaard
instelling is bij de conversie van PostScript bestanden).
-Hd=dl:th:a
VOORZICHTIG: Als het papierformaat niet gekozen is, worden de koptekst en voettekst oorspronkelijk op de juiste
plaats voor een A4 pagina afgedrukt. Als het papierformaat wel is gekozen met een lp commando, wordt de
afdrukpositie van de koptekst en voettekst niet veranderd van de positie die past bij het papierformaat gekozen met
txt2ps2. Specificeer het papierformaat tegelijk met het gebruik van de header en footer opties. Soms worden niet alle
pagina's afgedrukt, ook al kiest u wel voor het afdrukken van alle pagina's, bij de conversie van PostScript bestanden.
In zo'n geval kiest u voor alleen de bovenste pagina afdrukken. Met behulp van de TZ omgevingsvariabele kunt u de
tijdzone (GMT enz.) instellen.
-Hflettertype
Kiest het lettertype voor afdrukken van de koptekst en voettekst. Europese lettertypen die gelijk zijn aan half-formaat
alfanumerieke lettertypen zijn te specificeren. Helvetica wordt gebruikt als standaard lettertype. Als het verkeerde
lettertype is gekozen, kan het standaard Europese lettertype van de printer worden gebruikt. Als de afdrukoptie
koptekst/voettekst is gekozen, wordt de lettertype-specificatie voor de koptekst/voettekst genegeerd.
-MSI
Specificeert de multifunctionele invoerlade.
-M=type
Specificeert de papiersoort in de multifunctionele invoerlade.
Beschikbare papiersoorten voor de multifunctionele invoerlade zijn als volgt:
B
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2
BB
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2 - zijde 2
P
Briefpapier/Gewoon/Gewoon papier 1
PB
Briefpapier achter/Gewoon/Gewoon papier 1 - zijde 2
R
Gerecycled papier
RB
Gerecycled papier achter/Gerecycled papier - zijde 2
H1
Dik papier/Zwaar papier 1/Voorblad 1
H1B
Dik papier achter/Zwaar papier 1/Voorblad 1 - zijde 2
H2
Dik papier 2/Zwaar papier 2/Voorblad 2
H2B
Dik papier 2 achter/Zwaar papier 2/Voorblad 2 - zijde 2
OHP
Transparant
L
Etiketvellen/Etiketten
C2
Gecoat/Gecoat 2/Gecoat papier 2
C2B
Gecoat achter/Gecoat 2/Gecoat papier 2 - zijde 2
C3
Dikker gecoat/Gecoat 3/Gecoat papier 3
C3B
Dikker gecoat achter/Gecoat 3/Gecoat papier 3 - zijde 2
LH
Briefhoofd
E
Envelop
Als deze optie niet gespecificeerd is, kan de multi-invoerlade papiersoort worden gebruikt voor het afdrukken.
-Mfo=modus
Specificeert de richting voor de multifunctionele invoerlade.
Beschikbare richtingen voor de multifunctionele invoerlade zijn als volgt:
le
Liggend
ler
Liggend (gedraaid)
se
Staand
ser
Staand (gedraaid)
-Pon
Specificeert de alternatieve lade.
De beschikbare alternatieve laden zijn als volgt:
0
Printerinstellingen gebruiken
1
Bericht weergeven
2
Toevoer via multi-invoerlade
3
Gebruik eerstvolgende formaat (aanpassen)
4
Gebruik groter formaat (aanpassen)
5
Gebruik eerstvolgende formaat (niet zoomen)
6
Gebruik groter formaat (niet zoomen)
-St=modus
Specificeert de toevoer van scheidingsvellen.
De toevoermogelijkheden voor scheidingsvellen zijn als volgt:
auto
Auto-lade/Auto
1
1e lade/Lade 1 (standaard 550-vel invoerlade)
2
2de lade/Lade 2 (optionele 550-vel papierlade)
3
3e lade/Lade 3 (optionele 550-vel papierlade)
4
4e lade/Lade 4 (optionele 1100-vel papierlade)
5
5e lade/Lade 5 (optionele 1100-vel papierlade)
msi
Multifunctionele Invoer
off
Uit
-Sp
Specificeert bedrukte scheidingsvellen.
Alleen mogelijk als de papierlade voor scheidingsvellen is opgegeven.
-Sb
Blanco pagina's overslaan
-Cm=modus
Specificeert de uitvoerkleur.
De beschikbare uitvoerkleuren zijn als volgt:
c
Kleur (CMYK)
k
Zwart
-Pr=modus
Specificeert de afdrukmodus.
De beschikbare afdrukmodi zijn als volgt:
hs
Hoge snelheid
hq
Hoge kwaliteit
hr
Hoge resolutie
-Cc=modus
Specificeert de RGB-kleurcorrectie.
De beschikbare RGB-kleurcorrecties zijn als volgt:
0
Uit
1
Foto
2
Schermweergave
3
Standaard/Normaal
4
Zakelijke grafieken
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Gc=modus
Specificeert de RGB-gammacorrectie.
De beschikbare RGB-gammacorrecties zijn als volgt:
1.0
1.0
1.4
1.4
1.8
1.8
2.2
2.2
2.6
2.6
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Sc=modus
Specificeert het raster.
De beschikbare rasters zijn als volgt:
0
Fijnheid
1
Standaard
2
Auto
3
Gradatie
-Gg=modus
Specificeert gegarandeerd grijs.
De beschikbare opties voor gegarandeerd grijs zijn als volgt:
on
Aan
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Ct
Specificeert kleurtransformatie.
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Br=modus
Bepaalt de helderheidsbijregeling.
De beschikbare helderheidsbijregelingswaarden zijn als volgt:
+5
Helder 5
+4
Helder 4
+3
Helder 3
+2
Helder 2
+1
Helder 1
+0
Normaal
-1
Donker 1
-2
Donker 2
-3
Donker 3
-4
Donker 4
-5
Donker 5
-RGBc=modus
Bepaalt de RGB kleurcorrectie.
De beschikbare RGB kleurcorrectiewaarden zijn als volgt:
10
Perceptueel
11
Verzadiging
12
RelatieveC
13
AbsoluteC
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBPr=modus
Bepaalt het RGB invoerprofiel.
De beschikbare waarden voor het RGB invoerprofiel zijn als volgt:
0
sRGB
1
AdobeRGB
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBTp=modus
Bepaalt de RGB kleurtemperatuur.
De beschikbare waarden voor de RGB kleurtemperatuur zijn als volgt:
5000
5000 K
6000
6000 K
9300
9300 K
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Cb=cyan-low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low:yellow-
middle:yellow-high:black-low:black-middle:black-high
Bepaalt de bijstelwaarde voor de kleurbalans voor elke kleur/zwarting.
De beschikbare waarden voor de bijstelling zijn als volgt:
+3
Donker 3
+2
Donker 2
+1
Donker 1
0
Normaal
-1
Licht 1
-2
Licht 2
-3
Licht 3
-Cb
De optionele waarde moet worden bepaald in de volgende volgorde:
Cyaan lage dekking, Cyaan gemiddelde dekking, Cyaan hoge dekking, Magenta lage dekking, Magenta
gemiddelde dekking, Magenta hoge dekking, Geel lage dekking, Geel gemiddelde dekking, Geel hoge dekking,
Zwart lage zwarting, Zwart gemiddelde zwarting, Zwart hoge zwarting
Waar geen waarde is gekozen, wordt er ingesteld op "0" (Normaal).
Als u bijvoorbeeld wilt kiezen voor "Licht 2" voor cyaan gemiddelde dekking, "Donker 3" voor geel hoge dekking
en "Donker 2" voor zwart lage zwarting, kunt u dat bepalen op een van de volgende manieren:
-Cb=0:-2:0:0:0:0:0:0:+3:+2:0:0
-Cb=:-2:::::::+3:+2::
-Sl=modus
Specificeert de instellingen voor nieten.
De beschikbare nietoptiewaarden zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Os=modus
Specificeert de scheidingsinstellingen.
De beschikbare scheidingsoptiewaarden zijn als volgt:
0
Auto
1
Scheiding per set (elke kopie wordt gescheiden voordat de volgende kopie wordt afgedrukt)
2
Scheiding per taak (elke kopie wordt gescheiden voor de door u opgegeven papiertaken)
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Lh=modus
Specificeert instellingen voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd.
Als de dubbelzijdige modus voor briefhoofd is ingeschakeld, wordt een afdrukvel altijd via het dubbelzijdige invoerpad
een printer in gevoerd. Als gevolg daarvan kan een gebruikers vellen in een invoersleuf invoeren zonder acht te hoeven
slaan op de richting van de vellen.
De beschikbare waarden voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
2
Auto
-Tr=modus
Specificeert de instellingen voor trappen.
De beschikbare optiewaarden voor trappen zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
-Hld=Afdruktype:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
Veilige afdruk
Afdruksoort
secure
Veilige afdruk
private
Persoonlijk postvak afdrukken
public
Openbaar postvak afdrukken
proof
Proefafdruk
Gebruikers-ID
Tot acht tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Wachtwoord
Tot twaalf tekens van één byte van 0x30 tot 0x39 (numerieke tekens).
Documentnaam
Tot twaalf tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Veilige afdruk
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Persoonlijk postvak afdrukken
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Openbaar postvak afdrukken
-Hld=public:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=public:Gebruikers-ID::
Proefafdruk
-Hld=proof:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=proof:Gebruikers-ID::
VOORZICHTIG: Zorg dat u alleen de Veilige afdruk kiest wanneer u gegevens direct naar de printer stuurt. De Veilige
afdruk kan niet altijd beschikbaar zijn, ook als u er voor kiest, als de gegevens moeten worden afgedrukt via een
andere server of als de gegevens moeten worden verwerkt door een ander programma, zoals voor het afdrukken van
PostScript bestanden. Het Sorteren wordt automatisch gekozen wanneer u kiest voor Proefafdruk.
-Jown= taakeigenaar-naam: Wachtwoord: taakgroepnaam Verificatie-instelling
Bepaalt de naam van de taakeigenaar, het wachtwoord en de taakgroepnaam voor verificatie.
Als alleen taakeigenaar-naam is opgegeven (-Jown=taakeigenaar-naam:) (geen wachtwoord opgegeven),
verificatiewachtwoord wordt behandeld als niet opgegeven.
Wanneer alleen het wachtwoord is gekozen (-Jown=:wachtwoord) (geen taakeigenaar-naam gekozen),
wordt de gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam. Het ingevoerde wachtwoord
gaat gelden als wachtwoord voor verificatie.
Wanneer noch de naam van de taakeigenaar, noch een wachtwoord is gekozen (-Jown=:), wordt de
gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam, en het verificatie-wachtwoord wordt
beschouwd als niet vastgelegd.
Als de taakeigenaar-naam langer is dan het toegestane aantal tekens, worden de overtollige tekens
genegeerd.
Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakeigenaarnaam, wordt "Onbekende gebruiker"
de taakeigenaarnaam.
OPMERKING: Toegestane tekens voor de taakeigenaar-naam zijn letters, cijfers en symbolen, behalve de spatie en de
dubbele punt.
OPMERKING: Maximaal de eerste 32 tekens worden de taakeigenaarnaam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakgroepnaam, wordt de taakeigenaarnaam
behandeld als niet opgegeven.
OPMERKING: Alfanumerieke tekens, waaronder spaties en dubbele punten, en symbolen kunnen worden ingevoerd
voor een taakeigenaarnaam.
OPMERKING: U kunt maximaal 32 tekens opgegeven voor de groepsnaam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt ingevoerd voor het wachtwoord, of als het opgegeven wachtwoord het
toegestane aantal tekens overschrijdt, wordt het verificatiewachtwoord beschouwd als niet opgegeven.
OPMERKING: De toegestane lengte van het wachtwoord is van 4 tot 12 tekens.
Een incomplete vorm van de optie -Jown wordt beschouwd alsof er geen verificatie-instelling is gemaakt. Als er in dat
geval een verificatie-instelling wordt gemaakt via een omgevingsvariabele, wordt die gebruikt als instelinformatie.
Voorbeeld
Om een programmalijst van het bestand bestand.txt te converteren naar een PostScript printertaal-programma dat het
papier in de liggende richting plaatst en vervolgens afdrukt in een 2-kolommen formaat, tikt u het volgende:
% txt2ps2 -r -2 bestand.txt | lp
Voor de conversie van bestand.txt naar een PostScript printertaal-programma dat wordt uitgestuurd naar het bestand
bestand.ps, tikt u het volgende:
% txt2ps2 bestand.txt > bestand.ps
% lp bestand.ps
Voor conversie van het uitgestuurde resultaat van het commando naar een PostScript printertaal-programma met behulp van
txt2ps2 en het afdrukken ervan op de printer, tikt u het volgende:
% ls -alF | txt2ps2 | lp
Omgevingsvariabele
TXT2PS2OPTION
Optionele instellingen gebaseerd op de omgevingsvariabele. Voor afdrukken in een 2-kolommen formaat, in 8-punts
lettergrootte en liggende richting, tikt u het volgende:
% setenv TXT2PS2OPTION "-2 -s8 -r"
Voor gebruik van dezelfde opties als die van het dellpsif filter gespecificeerd met printcap, tikt u als volgt:
% setenv TXT2PS2OPTION "<dellpsif>"
Bestand
/usr/local/dellbin5130/.dellpsdefault5130
Dit is de standaard commando-optie voor bestandsinstelling voor individuele gebruikers.
Belangrijk
Wanneer de zelfde optie tweemaal wordt gespecificeerd, zal de latere keuze gelden. Aangezien TXT2PS2OPTION wordt
geanalyseerd vóór de opties van de commandoregel, verkrijgt u hiermee de mogelijkheid om tijdelijk de opties die al
waren ingesteld in TXT2PS2OPTION aan te passen door iets anders in te tikken op de commandoregel.
De commentaar-aanduiding (%%page:m n) van het paginanummer kan niet worden uitgestuurd naar het PostScript
programmabestand dat wordt verkregen met de standaard opties van txt2ps2. Dus wanneer de uitvoer van txt2ps2
moet worden toegepast als de uitvoer van een andere applicatie (psrev van TRANSCRIPT, enz.), zult u de aanduiding
van het paginanummer alleen kunnen toevoegen door invoegen van het regelcommando (-Iregels).
Als er een BS code wordt gevonden aan het begin van een regel, zal de afdrukpositie van het volgende letterteken naar
links opschuiven aan het begin van de regel.
Wanneer er meerdere tab-codes in een regel zijn opgenomen, kan de tabpositie wel eens verschuiven als gevolg van
een automatische regeldoorvoer. In dat geval gebruikt u de -I of -w optie.
Het aantal kolommen dat wordt bepaald door de -w optie hoeft niet overeen te komen met het daadwerkelijk aantal
afgedrukte lettertekens. Het werkelijk aantal enkel-byte lettertekens dat moet worden afgedrukt wordt afgeleid door de
uitvoerkolom-positie (de uitkolom) gespecificeerd met de o optie af te trekken van het aantal kolommen dat wordt
bepaald door de -w optie.
De -mg optie kan niet worden gekozen wanneer de -w, -l, -o, en -L opties al zijn gespecificeerd.
De uitgangsposities voor de marges in het kantlijncommando (-mg=b:o:r:l) vallen niet samen met de randen van het
vel papier. De kantlijnen worden gemeten vanaf de rand van het afdrukgebied voor het vel papier, zoals toegestaan
door de printer.
Gebruik de -ps optie alleen wanneer een PostScript bestand dat geen %! aan het begin van het bestand heeft, wordt
gebruikt als PostScript bestand. Wanneer er een normaal tekstbestand wordt ingevoerd, zal het daarmee niet goed
werken.
In HP-UX beschouwt de txt2ps2 functie alle bestanden die geschreven zijn door PostScript en %! aan het begin van het
bestand bevatten als PostScript bestanden. Om PostScript bestanden af te drukken als tekstbestanden, kiest u de TX
optie. Met die optie zullen PostScript bestanden worden verwerkt als tekstbestanden.
sunras2ps2 (Solaris)
Formaat
/usr/local/dellbin5130/sunras2ps2 [-d] [-D] [-Ilade-invoer] [-t] [-r] [-n] [-l=links,onder] [-
s=breedte,hoogte] [-S=breedte] [-E] [-Nc=kopieën] [-Cl] [-Hd=positie: formaat] [-Hflettertype] [-MSI] [-
M=type] [-Mfo=modus] [-Pon] [-St=modus] [-Sp] [-Sb] [-Cm=modus] [-Pr=modus] [-Cc=modus] [-Gc=modus] [-
Sc=modus] [-Gg=modus] [-Ct] [-Br= modus] [-RGBc= modus] [-RGBPr= modus] [-RGBTp= modus] [-Cb=cyan-
low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low;yellow-middle:yellow-
high:black-low:black-middle:black-high] [-Sl=modus] [-Os=modus] [-Lh=modus] [-Tr=modus] [-
Hld=PrintType:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam] [-Jown= taakeigenaar-naam:wachtwoord:taakgroep-naam]
[bestandsnaam...]
Functie
Leest SunRaster tekst, zet die om in een programma in de PostScript printertaal en schrijft het bestand naar de standaard
uitvoer. Als de bestandsnaam niet gespecificeerd is, zal de standaard invoer worden gebruikt voor de commando-invoer.
SunRaster bestanden met een pixeldiepte van 1, 8, 24, en 32 bits kunnen worden gekozen.
sunran2ps2 neemt de bestandsnaam aan als gecreëerd in 72dpi en berekent het uitvoerformaat. Daarom zult u, om
SunRaster bestanden om te zetten naar een andere resolutie, expliciet de formaat optie (-s, -S) moeten kiezen.
Optie
-d
Hiermee stelt u de korte-kant bindfunctie in. Wanneer deze is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats bijgesteld en
wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de korte kant van de pagina geschikt is voor inbinden.
-D
Hiermee stelt u de lange-kant bindfunctie in. Wanneer deze inbindfunctie is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats
bijgesteld en wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de lange kant van de pagina geschikt is
voor inbinden. Deze optie is alleen beschikbaar als de duplexer op de printer is geïnstalleerd.
-Ilade-invoer
Kiest de papierlade.
De papierlade is rechtstreeks te kiezen door de gewenste lade te specificeren, of indirect door keuze van een
papierformaat.
Wanneer u een papierformaat kiest, wordt de papierlade waarin het betreffende papier ligt, automatisch opgezocht en
geselecteerd.
De parameters voor het kiezen van een papierlade zijn als volgt:
1
Voer papier in vanuit lade 1 (bovenste lade).
2
Voer papier in vanuit lade 2 (de tweede lade van boven).
3
Voer papier in vanuit lade 3 (de derde lade van boven).
4
Voer papier in vanuit lade 4 (de vierde lade van boven).
5
Voer papier in vanuit lade 5 (de vijfde lade van boven).
A4
Voer papier in vanuit de lade met A4 papier (210 x 297 mm).
A5
Voer papier in vanuit de lade met A5 papier (148 x 210 mm).
B5
Voer papier in vanuit de lade met B5 papier (182 x 257 mm).
LT
Voer papier in vanuit de lade met Letter papier (8,5 x 11 in).
FL
Voer papier in vanuit de lade met Folio papier (8,5 x 13 in).
LG
Voer papier in vanuit de lade met Legal papier (8,5 x 14 in).
EX
Voer papier in vanuit de lade met Executive papier (7,25 x 10,5 in).
MO
Voer papier in vanuit de lade met Monarch papier (3,875 x 7,5 in).
COM10
Voer papier in vanuit de lade met Envelop #10 (4,125 x 9,5 in).
DL
Voer papier in vanuit de lade met DL papier (110 x 220 mm).
C5
Voer papier in vanuit de lade met C5 papier (162 x 229 mm).
MxNmm
Voer papier in vanuit de lade met MxN mm, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 76,2 tot 215,9 mm
Lengte: 127,0 tot 355,6 mm
MxNin
Voer papier in vanuit de lade met MxN inch, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 3,00 tot 8,5 inch
Lengte: 5,00 tot 14,0 inch
Als deze optie niet gespecificeerd is of de gekozen papierlade is niet beschikbaar, voert u dan papier toe vanuit de standaard
lade.
-t
Schakelt de functie toner besparen voor het afdrukken in. De afdruk zal er iets vager uitzien dan bij het normale
afdrukken. In sommige gevallen kan deze optie genegeerd worden.
-r
Draait de pagina 90° en gebruikt het papier in liggende richting.
-n
Voorkomt de toevoeging van een vertoonpagina. Deze wordt gebruikt wanneer de bestanden die zijn omgezet in een
PostScript printertaal-programma worden samengevoegd met bestanden die met andere applicaties gecreëerd zijn.
-l=links,onder
Bepaalt de afdrukpositie. Het afdrukken wordt uitgevoerd vanaf de linker onderkant van de pagina. De standaard
afstand is 0,25 inch van links en van onderen.
-s=breedte,hoogte
Bepaalt het afdrukformaat. Het afdrukken wordt verricht met de breedte en de hoogte in inch.
-S=breedte
Stelt de breedte van het afdrukformaat vast, in inch. De hoogte wordt automatisch berekend op basis van de breedte.
-E
Deze functie schakelt de beeldverbeteringsfunctie in. In sommige gevallen kan deze optie genegeerd worden.
-Nc=exemplaren
Kiest het aantal af te drukken exemplaren (de waarde voor het aantal exemplaren moet altijd een positief geheel getal
zijn).
-Cl
Specificeert dat de afdrukken moeten worden gesorteerd. Als de optie copies niet is ingesteld, zal deze optie genegeerd
worden.
-Hd=positie:formaat
Specificeert de plaats waar de gebruikersinformatie voor de koptekst of voettekst geplaatst moet worden.
positie bepaalt de uitvoerpositie. Deze optie is echter alleen beschikbaar voor de conversie van tekstbestanden.
ul
Drukt af in de linker bovenhoek van het papier.
ur
Drukt af in de rechter bovenhoek van het papier.
dl
Drukt af in de linker benedenhoek van het papier.
dr
Drukt af in de rechter benedenhoek van het papier.
formaat specificeert de inhoud en de volgorde voor afdrukken. Deze optie kunt u weglaten.
Als u deze optie weglaat, wordt er uh aangehouden als de standaardwaarde.
u
Gebruikersnaam
h
Hostnaam
t
Datum en tijd
Als u voor de af te drukken gegevens de waarde tuh kiest, worden de gegevens afgedrukt als volgt:
Datum en tijd Gebruiker: gebruikersnaam Host: hostnaam.
Deze opties gebruikt u als volgt.
Bij de conversie van tekstbestanden, drukt u de gebruikersnaam, dan de hostnaam in de rechter bovenhoek van het
papier af en drukt u alle pagina's af.
(Gebruikersnaam, hostnaam en alle pagina's afdrukken is de standaard instelling.)
-Hd=ur
-Hd=ur:uh
-Hflettertype
Kiest het lettertype voor afdrukken van de koptekst en voettekst. Europese lettertypen die gelijk zijn aan half-formaat
alfanumerieke lettertypen zijn te specificeren. Helvetica wordt gebruikt als standaard lettertype.
Als het verkeerde lettertype is gekozen, kan het standaard Europese lettertype van de printer worden gebruikt.
Als de koptekst/voettekst afdrukoptie is gekozen, wordt de lettertype-specificatie voor de koptekst/voettekst
genegeerd.
-MSI
Specificeert de multifunctionele invoerlade.
-M=type
Specificeert de multi-invoerlade papiersoort.
Beschikbare papiersoorten voor de multi-invoerlade zijn als volgt:
B
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2
BB
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2 - zijde 2
P
Briefpapier/Gewoon/Gewoon papier 1
PB
Briefpapier achter/Gewoon/Gewoon papier 1 - zijde 2
R
Gerecycled papier
RB
Gerecycled papier achter/Gerecycled papier - zijde 2
H1
Dik papier/Zwaar papier 1/Voorblad 1
H1B
Dik papier achter/Zwaar papier 1/Voorblad 1 - zijde 2
H2
Dik papier 2/Zwaar papier 2/Voorblad 2
H2B
Dik papier 2 achter/Zwaar papier 2/Voorblad 2 - zijde 2
OHP
Transparant
L
Etiketvellen/Etiketten
C2
Gecoat/Gecoat 2/Gecoat papier 2
C2B
Gecoat achter/Gecoat 2/Gecoat papier 2 - zijde 2
C3
Dikker gecoat/Gecoat 3/Gecoat papier 3
C3B
Dikker gecoat achter/Gecoat 3/Gecoat papier 3 - zijde 2
LH
Briefhoofd
E
Envelop
Als deze optie niet gespecificeerd is, kan de multi-invoerlade papiersoort worden gebruikt voor het afdrukken.
-Mfo=modus
Specificeert de richting voor de multifunctionele invoerlade.
Beschikbare richtingen voor de multifunctionele invoerlade zijn als volgt:
le
Liggend
ler
Liggend (gedraaid)
se
Staand
ser
Staand (gedraaid)
-Pon
Specificeert de alternatieve lade.
De beschikbare alternatieve laden zijn als volgt:
0
Printerinstellingen gebruiken
1
Bericht weergeven
2
Toevoer via multi-invoerlade
3
Gebruik eerstvolgende formaat (aanpassen)
4
Gebruik groter formaat (aanpassen)
5
Gebruik eerstvolgende formaat (niet zoomen)
6
Gebruik groter formaat (niet zoomen)
-St=modus
Specificeert de toevoer van scheidingsvellen.
De toevoermogelijkheden voor scheidingsvellen zijn als volgt.
auto
Auto-lade/Auto
1
1e lade/Lade 1 (standaard 550-vel invoerlade)
2
2de lade/Lade 2 (optionele 550-vel papierlade)
3
3e lade/Lade 3 (optionele 550-vel papierlade)
4
4e lade/Lade 4 (optionele 1100-vel papierlade)
5
5e lade/Lade 5 (optionele 1100-vel papierlade)
msi
Multifunctionele Invoer
off
Uit
-Sp
Specificeert bedrukte scheidingsvellen.
Alleen mogelijk als de papierlade voor scheidingsvellen is opgegeven.
-Sb
Blanco pagina's overslaan
-Cm=modus
Specificeert de uitvoerkleur.
De beschikbare uitvoerkleuren zijn als volgt:
c
Kleur (CMYK)
k
Zwart
-Pr=modus
Specificeert de afdrukmodus.
De beschikbare afdrukmodi zijn als volgt:
hs
Hoge snelheid
hq
Hoge kwaliteit
hr
Hoge resolutie
-Cc=modus
Specificeert de afbeeldingsoorten.
De beschikbare afbeeldingsoorten zijn als volgt:
0
Uit
1
Foto
2
Schermweergave
3
Standaard/Normaal
4
Zakelijke grafieken
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Gc=modus
Specificeert de RGB-gammacorrectie.
De beschikbare RGB-gammacorrecties zijn als volgt:
1.0
1.0
1.4
1.4
1.8
1.8
2.2
2.2
2.6
2.6
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Sc=modus
Specificeert het raster.
De beschikbare rasters zijn als volgt:
0
Fijnheid
1
Standaard
2
Auto
3
Gradatie
-Gg=modus
Specificeert gegarandeerd grijs.
De beschikbare opties voor gegarandeerd grijs zijn als volgt:
on
Aan
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Ct
Kiest de kleurtransformatie.
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Br=modus
Bepaalt de helderheidsbijregeling.
De beschikbare helderheidsbijregelingswaarden zijn als volgt:
+5
Helder 5
+4
Helder 4
+3
Helder 3
+2
Helder 2
+1
Helder 1
+0
Normaal
-1
Donker 1
-2
Donker 2
-3
Donker 3
-4
Donker 4
-5
Donker 5
-RGBc=modus
Bepaalt de RGB kleurcorrectie.
De beschikbare RGB kleurcorrectiewaarden zijn als volgt:
10
Perceptueel
11
Verzadiging
12
RelatieveC
13
AbsoluteC
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBPr=modus
Bepaalt het RGB invoerprofiel.
De beschikbare waarden voor het RGB invoerprofiel zijn als volgt:
0
sRGB
1
AdobeRGB
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBTp=modus
Bepaalt de RGB kleurtemperatuur.
De beschikbare waarden voor de RGB kleurtemperatuur zijn als volgt:
5000
5000 K
6000
6000 K
9300
9300 K
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Cb=cyan-low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low:yellow-
middle:yellow-high:black-low:black-middle:black-high
Bepaalt de bijstelwaarde voor de kleurbalans voor elke kleur/zwarting.
De beschikbare waarden voor de bijstelling zijn als volgt:
+3
Donker 3
+2
Donker 2
+1
Donker 1
0
Normaal
-1
Licht 1
-2
Licht 2
-3
Licht 3
-Cb
De optionele waarde moet worden bepaald in de volgende volgorde:
Cyaan lage dekking, Cyaan gemiddelde dekking, Cyaan hoge dekking, Magenta lage dekking, Magenta
gemiddelde dekking, Magenta hoge dekking, Geel lage dekking, Geel gemiddelde dekking, Geel hoge dekking,
Zwart lage zwarting, Zwart gemiddelde zwarting, Zwart hoge zwarting
Waar geen waarde is gekozen, wordt er ingesteld op "0" (Normaal).
Als u bijvoorbeeld wilt kiezen voor "Licht 2" voor cyaan gemiddelde dekking, "Donker 3" voor geel hoge dekking
en "Donker 2" voor zwart lage zwarting, kunt u dat bepalen op een van de volgende manieren:
-Cb=0:-2:0:0:0:0:0:0:+3:+2:0:0
-Cb=:-2:::::::+3:+2::
-Sl=modus
Specificeert de instellingen voor nieten.
De beschikbare nietoptiewaarden zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Os=modus
Specificeert de scheidingsinstellingen.
De beschikbare scheidingsoptiewaarden zijn als volgt:
0
Auto
1
Scheiding per set (elke kopie wordt gescheiden voordat de volgende kopie wordt afgedrukt)
2
Scheiding per taak (elke kopie wordt gescheiden voor de door u opgegeven papiertaken)
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Lh=modus
Specificeert instellingen voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd.
Als de dubbelzijdige modus voor briefhoofd is ingeschakeld, wordt een afdrukvel altijd via het dubbelzijdige invoerpad
een printer in gevoerd. Als gevolg daarvan kan een gebruikers vellen in een invoersleuf invoeren zonder acht te hoeven
slaan op de richting van de vellen.
De beschikbare waarden voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
2
Auto
-Tr=modus
Specificeert de instellingen voor trappen.
De beschikbare optiewaarden voor trappen zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
-Hld=Afdruktype:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
Veilige afdruk
Afdruksoort
secure
Veilige afdruk
private
Persoonlijk postvak afdrukken
public
Openbaar postvak afdrukken
proof
Proefafdruk
Gebruikers-ID
Tot acht tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Wachtwoord
Tot twaalf tekens van één byte van 0x30 tot 0x39 (numerieke tekens).
Documentnaam
Tot twaalf tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Veilige afdruk
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Persoonlijk postvak afdrukken
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Openbaar postvak afdrukken
-Hld=public:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=public:Gebruikers-ID::
Proefafdruk
-Hld=proof:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=proof:Gebruikers-ID::
VOORZICHTIG: Zorg dat u alleen de Veilige afdruk kiest wanneer u gegevens direct naar de printer stuurt. De Veilige
afdruk kan niet altijd beschikbaar zijn, ook als u er voor kiest, als de gegevens moeten worden afgedrukt via een
andere server of als de gegevens moeten worden verwerkt door een ander programma, zoals voor het afdrukken van
PostScript bestanden. Het Sorteren wordt automatisch gekozen wanneer u kiest voor Proefafdruk.
-Jown= taakeigenaar-naam: Wachtwoord: taakgroepnaam Verificatie-instelling
Bepaalt de naam van de taakeigenaar, het wachtwoord en de taakgroepnaam voor verificatie.
Als alleen taakeigenaar-naam is opgegeven (-Jown=taakeigenaar-naam:) (geen wachtwoord opgegeven),
verificatiewachtwoord wordt behandeld als niet opgegeven.
Wanneer alleen het wachtwoord is gekozen (-Jown=:wachtwoord) (geen taakeigenaar-naam gekozen),
wordt de gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam. Het ingevoerde wachtwoord
gaat gelden als wachtwoord voor verificatie.
Wanneer noch de naam van de taakeigenaar, noch een wachtwoord is gekozen (-Jown=:), wordt de
gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam, en het verificatie-wachtwoord wordt
beschouwd als niet vastgelegd.
Als de taakeigenaar-naam langer is dan het toegestane aantal tekens, worden de overtollige tekens
genegeerd.
Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakeigenaarnaam, wordt "Onbekende gebruiker" de
taakeigenaarnaam.
OPMERKING: Alfanumerieke tekens, waaronder spaties en dubbele punten, en symbolen kunnen worden ingevoerd
voor een taakeigenaarnaam.
OPMERKING: Maximaal de eerste 32 tekens worden de taakeigenaarnaam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakgroepnaam, wordt de taakeigenaarnaam
behandeld als niet opgegeven.
OPMERKING: Alfanumerieke tekens, waaronder spaties en dubbele punten, en symbolen kunnen worden ingevoerd
voor een taakeigenaarnaam.
OPMERKING: U kunt maximaal 32 tekens opgegeven voor de groepsnaam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt ingevoerd voor het wachtwoord, of als het opgegeven wachtwoord het
toegestane aantal tekens overschrijdt, wordt het verificatiewachtwoord beschouwd als niet opgegeven.
OPMERKING: De toegestane lengte van het wachtwoord is van 4 tot 12 tekens.
Een incomplete vorm van de optie -Jown wordt beschouwd alsof er geen verificatie-instelling is gemaakt. Als er
in dat geval een verificatie-instelling wordt gemaakt via een omgevingsvariabele, wordt die gebruikt als
instelinformatie.
Voorbeeld
Om het weergegeven beeld op het scherm vast te leggen in een bestand met behulp van het "snapshot" commando en om
het bestand vervolgens te converteren naar een PostScript printertaal-programma met het sunras2ps2 commando, tikt u het
volgende.
% sunras2ps2 bestand.rs > bestand.ps
Om het weergegeven beeld op het scherm vast te leggen in een bestand met behulp van het "snapshot" commando, om het
bestand dan te converteren naar een PostScript printertaal-programma met het sunras2ps2 commando en om het vervolgens
met de printer af te drukken, tikt u het volgende.
% sunras2ps2 bestand.rs | lp
Belangrijk
Wanneer -s en -S allebei tegelijk zijn gespecificeerd of wanneer de zelfde optie tweemaal is gekozen, zal de latere
instelling worden aangehouden.
Als de uitvoerformaat-optie (-s, -S) niet is gekozen, zorgt de schaalaanpassing dat elk beeldpunt van de
rastergegevens overeenkomt met één rasterpunt voor de printer.
Als de afdrukpositie-optie een punt aangeeft buiten het afdrukgebied van de printer, zullen de gegevens buiten het
afdrukgebied niet worden afgedrukt.
tiff2ps2 (Solaris/HP-UX)
Formaat
/usr/local/dellbin5130/tiff2ps2 [-d] [-D] [-Ilade-invoer] [-t] [-r] [-n] [-l=links,onder] [-
s=breedte,hoogte] [-S=breedte] [-E] [-Nc=exemplaren] [-Cl] [-Hd=positie:formaat] [-Hflettertype] [-MSI]
[-M=type] [-Mfo=waarde] [-Pon] [-St=waarde] [-Sp] [-Sb] [-Cm=waarde] [-Pr=waarde] [-Cc=waarde] [-
Gc=waarde] [-Sc=waarde] [-Gg=waarde] [-Ct] [-Br= waarde] [-RGBc= waarde] [-RGBPr= waarde] [-RGBTp=
waarde] [-Cb=cyan-low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low;yellow-
middle:yellow high:black-low:black-middle:black-high] [-Sl=modus] [-Os=modus] [-Lh=modus] [-Tr=modus] [-
Hld=Afdruksoort:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam] [-Jown= taak-eigenaarnaam:wachtwoord:taakgroep-
naam] [bestandsnaam...]
Functie
Leest TIFF gegevens, zet die om in een programma in de PostScript printertaal en schrijft het bestand naar de standaard
uitvoer. Als de bestandsnaam niet gespecificeerd is, zal de standaard invoer worden gebruikt voor de commando-invoer. TIFF-
bestanden met een pixeldiepte van 1, 4, 8, 24 en 32 bits kunnen worden uitgevoerd.
Vier verschillende compressie-formaten worden ondersteund.
Huffman compressie (CCITT Groep 3 getransformeerde Huffman runlengte-codering)
Fax-CCITT3 compressie (facsimile-geschikt CCITT Groep 3)
PackBits compressie
Niet-compressie
Ook in de genoemde compressieformaten echter zal een TIFF-bestand met meerdere beelden in één bestand niet worden
ondersteund.
Tiff2ps2 neemt de bestandsnaam aan als gecreëerd in 72dpi en berekent het uitvoerformaat. Daarom zult u, om TIFF-
bestanden om te zetten naar een andere resolutie, expliciet de formaat-optie (-s, -S) voor conversie moeten kiezen.
Optie
-d
Hiermee stelt u de korte-kant bindfunctie in. Wanneer deze is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats bijgesteld en
wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de korte kant van de pagina geschikt is voor inbinden.
-D
Hiermee stelt u de lange-kant bindfunctie in. Wanneer deze inbindfunctie is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats
bijgesteld en wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de lange kant van de pagina geschikt is
voor inbinden. Deze optie is alleen beschikbaar als de duplexer op de printer is geïnstalleerd.
-Ilade-invoer
Kiest de papierlade.
De papierlade is rechtstreeks te kiezen door de gewenste lade te specificeren, of indirect door keuze van een
papierformaat.
Wanneer u een papierformaat kiest, wordt de papierlade waarin het betreffende papier ligt, automatisch opgezocht en
geselecteerd.
De parameters voor het kiezen van een papierlade zijn als volgt:
1
Voer papier in vanuit lade 1 (bovenste lade).
2
Voer papier in vanuit lade 2 (de tweede lade van boven).
3
Voer papier in vanuit lade 3 (de derde lade van boven).
4
Voer papier in vanuit lade 4 (de vierde lade van boven).
5
Voer papier in vanuit lade 5 (de vijfde lade van boven).
A4
Voer papier in vanuit de lade met A4 papier (210 x 297 mm).
A5
Voer papier in vanuit de lade met A5 papier (148 x 210 mm).
B5
Voer papier in vanuit de lade met B5 papier (182 x 257 mm).
LT
Voer papier in vanuit de lade met Letter papier (8,5 x 11 in).
FL
Voer papier in vanuit de lade met Folio papier (8,5 x 13 in).
LG
Voer papier in vanuit de lade met Legal papier (8,5 x 14 in).
EX
Voer papier in vanuit de lade met Executive papier (7,25 x 10,5 in).
MO
Voer papier in vanuit de lade met Monarch papier (3,875 x 7,5 in).
COM10
Voer papier in vanuit de lade met Envelop #10 (4,125 x 9,5 in).
DL
Voer papier in vanuit de lade met DL papier (110 x 220 mm).
C5
Voer papier in vanuit de lade met C5 papier (162 x 229 mm).
MxNmm
Voer papier in vanuit de lade met MxN mm, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 76,2 tot 215,9 mm
Lengte: 127,0 tot 355,6 mm
MxNin
Voer papier in vanuit de lade met MxN inch, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 3,00 tot 8,5 inch
Lengte: 5,00 tot 14,0 inch
Als deze optie niet gespecificeerd is of de gekozen papierlade is niet beschikbaar, voert u dan papier toe vanuit de standaard
lade.
-t
Schakelt de functie toner besparen voor het afdrukken in. De afdruk zal er iets vager uitzien dan bij het normale
afdrukken. In sommige gevallen kan deze optie genegeerd worden.
-r
Draait de pagina 90° en gebruikt het papier in liggende richting.
-n
Voorkomt de toevoeging van een vertoonpagina. Deze wordt gebruikt wanneer de bestanden die zijn omgezet in een
PostScript printertaal-programma worden samengevoegd met bestanden die met andere applicaties gecreëerd zijn.
-l=links,onder
Bepaalt de afdrukpositie. Het afdrukken wordt uitgevoerd vanaf de linker onderkant van de pagina. De standaard
afstand is 0,25 inch van links en van onderen.
-s=breedte,hoogte
Bepaalt het afdrukformaat. Het afdrukken wordt verricht met de breedte en de hoogte in inch.
-S=breedte
Stelt de breedte van het afdrukformaat vast, in inch. De hoogte wordt automatisch berekend op basis van de breedte.
-E
Deze functie schakelt de beeldverbeteringsfunctie in. In sommige gevallen kan deze optie genegeerd worden.
-Nc=exemplaren
Kiest het aantal af te drukken exemplaren (de waarde voor het aantal exemplaren moet altijd een positief geheel getal
zijn).
-Cl
Specificeert dat de afdrukken moeten worden gesorteerd. Als de optie copies niet is ingesteld, zal deze optie genegeerd
worden.
-Hd=positie:formaat
Specificeert de plaats waar de gebruikersinformatie voor de koptekst of voettekst geplaatst moet worden.
positie bepaalt de uitvoerpositie. Deze optie is echter alleen beschikbaar voor de conversie van tekstbestanden.
ul
Drukt af in de linker bovenhoek van het papier.
ur
Drukt af in de rechter bovenhoek van het papier.
dl
Drukt af in de linker benedenhoek van het papier.
dr
Drukt af in de rechter benedenhoek van het papier.
formaat specificeert de inhoud en de volgorde voor afdrukken. Deze optie kan worden weggelaten.
Als u deze optie weglaat, wordt uh aangehouden als de standaardwaarde.
u
Gebruikersnaam
h
Hostnaam
t
Datum & tijd
Als u voor de af te drukken gegevens de waarde tuh kiest, worden de gegevens afgedrukt als volgt:
Datum en tijd gebruiker: gebruikersnaam Host: hostnaam.
Geef deze opties als volgt op.
Bij de conversie van tekstbestanden drukt u de gebruikersnaam, dan de hostnaam in de rechter bovenhoek van het
papier af en drukt u alle pagina's af.
(Gebruikersnaam, hostnaam, alle pagina's afdrukken zijn standaard)
-Hd=ur
-Hd=ur:uh
-Hflettertype
Kiest het lettertype voor afdrukken van de koptekst en voettekst. Europese lettertypen die gelijk zijn aan half-formaat
alfanumerieke lettertypen zijn te specificeren. Helvetica is de standaardinstelling.
Als het verkeerde lettertype is opgegeven, kan het Europese standaardlettertype van de printer worden gebruikt.
Als de uitvoeroptie voor koptekst/voettekst is opgegeven, wordt de lettertypespecificatie voor koptekst/voettekst
genegeerd.
-MSI
Specificeert de multifunctionele invoerlade.
-M=type
Specificeert de papiersoort in de multifunctionele invoerlade.
Beschikbare papiersoorten voor de multifunctionele invoerlade zijn als volgt:
B
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2
BB
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2 - zijde 2
P
Briefpapier/Gewoon/Gewoon papier 1
PB
Briefpapier achter/Gewoon/Gewoon papier 1 - zijde 2
R
Gerecycled papier
RB
Gerecycled papier achter/Gerecycled papier - zijde 2
H1
Dik papier/Zwaar papier 1/Voorblad 1
H1B
Dik papier achter/Zwaar papier 1/Voorblad 1 - zijde 2
H2
Dik papier 2/Zwaar papier 2/Voorblad 2
H2B
Dik papier 2 achter/Zwaar papier 2/Voorblad 2 - zijde 2
OHP
Transparant
L
Etiketvellen/Etiketten
C2
Gecoat/Gecoat 2/Gecoat papier 2
C2B
Gecoat achter/Gecoat 2/Gecoat papier 2 - zijde 2
C3
Dikker gecoat/Gecoat 3/Gecoat papier 3
C3B
Dikker gecoat achter/Gecoat 3/Gecoat papier 3 - zijde 2
LH
Briefhoofd
E
Envelop
Als deze optie niet gespecificeerd is, kan de multi-invoerlade papiersoort worden gebruikt voor het afdrukken.
-Mfo=modus
Specificeert de richting voor de multifunctionele invoerlade.
Beschikbare richtingen voor de multifunctionele invoerlade zijn als volgt:
le
Liggend
ler
Liggend (gedraaid)
se
Staand
ser
Staand (gedraaid)
-Pon
Specificeert de alternatieve lade.
De beschikbare alternatieve laden zijn als volgt.
0
Printerinstellingen gebruiken
1
Bericht weergeven
2
Toevoer via multi-invoerlade
3
Gebruik eerstvolgende formaat (aanpassen)
4
Gebruik groter formaat (aanpassen)
5
Gebruik eerstvolgende formaat (niet zoomen)
6
Gebruik groter formaat (niet zoomen)
-St=modus
Specificeert de toevoer van scheidingsvellen.
De toevoermogelijkheden voor scheidingsvellen zijn als volgt.
auto
Auto-lade/Auto
1
1e lade/Lade 1 (standaard 550-vel invoerlade)
2
2de lade/Lade 2 (optionele 550-vel papierlade)
3
3e lade/Lade 3 (optionele 550-vel papierlade)
4
4e lade/Lade 4 (optionele 1100-vel papierlade)
5
5e lade/Lade 5 (optionele 1100-vel papierlade)
msi
Multifunctionele Invoer
off
Uit
-Sp
Specificeert bedrukte scheidingsvellen.
Alleen mogelijk als de papierlade voor scheidingsvellen is opgegeven.
-Sb
Blanco pagina's overslaan
-Cm=modus
Specificeert de uitvoerkleur.
De beschikbare uitvoerkleuren zijn als volgt:
c
Kleur (CMYK)
k
Zwart
-Pr=modus
Specificeert de afdrukmodus.
De beschikbare afdrukmodi zijn als volgt:
hs
Hoge snelheid
hq
Hoge kwaliteit
hr
Hoge resolutie
-Cc=modus
Specificeert de afbeeldingsoorten.
De beschikbare afbeeldingsoorten zijn als volgt:
0
Uit
1
Foto
2
Schermweergave
3
Standaard/Normaal
4
Zakelijke grafieken
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Gc=modus
Specificeert de RGB-gammacorrectie.
De beschikbare RGB-gammacorrecties zijn als volgt:
1.0
1.0
1.4
1.4
1.8
1.8
2.2
2.2
2.6
2.6
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Sc=modus
Specificeert het raster.
De beschikbare rasters zijn als volgt:
0
Fijnheid
1
Standaard
2
Auto
3
Gradatie
-Gg=modus
Specificeert gegarandeerd grijs.
De beschikbare opties voor gegarandeerd grijs zijn als volgt:
on
Aan
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Ct
Specificeert kleurtransformatie.
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Br=modus
Bepaalt de helderheidsbijregeling.
De beschikbare helderheidsbijregelingswaarden zijn als volgt:
+5
Helder 5
+4
Helder 4
+3
Helder 3
+2
Helder 2
+1
Helder 1
+0
Normaal
-1
Donker 1
-2
Donker 2
-3
Donker 3
-4
Donker 4
-5
Donker 5
-RGBc=modus
Bepaalt de RGB kleurcorrectie.
De beschikbare RGB kleurcorrectiewaarden zijn als volgt:
10
Perceptueel
11
Verzadiging
12
RelatieveC
13
AbsoluteC
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBPr=modus
Bepaalt het RGB invoerprofiel.
De beschikbare waarden voor het RGB invoerprofiel zijn als volgt:
0
sRGB
1
AdobeRGB
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBTp=modus
Bepaalt de RGB kleurtemperatuur.
De beschikbare waarden voor de RGB kleurtemperatuur zijn als volgt:
5000
5000 K
6000
6000 K
9300
9300 K
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Cb=cyan-low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low:yellow-
middle:yellow-high:black-low:black-middle:black-high
Bepaalt de bijstelwaarde voor de kleurbalans voor elke kleur/zwarting.
De beschikbare waarden voor de bijstelling zijn als volgt:
+3
Donker 3
+2
Donker 2
+1
Donker 1
0
Normaal
-1
Licht 1
-2
Licht 2
-3
Licht 3
-Cb
De optionele waarde moet worden bepaald in de volgende volgorde:
Cyaan lage dekking, Cyaan gemiddelde dekking, Cyaan hoge dekking, Magenta lage dekking, Magenta
gemiddelde dekking, Magenta hoge dekking, Geel lage dekking, Geel gemiddelde dekking, Geel hoge dekking,
Zwart lage zwarting, Zwart gemiddelde zwarting, Zwart hoge zwarting
Waar geen waarde is gekozen, wordt er ingesteld op "0" (Normaal).
Als u bijvoorbeeld wilt kiezen voor "Licht 2" voor cyaan gemiddelde dekking, "Donker 3" voor geel hoge dekking
en "Donker 2" voor zwart lage zwarting, kunt u dat bepalen op een van de volgende manieren:
-Cb=0:-2:0:0:0:0:0:0:+3:+2:0:0
-Cb=:-2:::::::+3:+2::
-Sl=modus
Specificeert de instellingen voor nieten.
De beschikbare nietoptiewaarden zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Os=
modus
Specificeert de scheidingsinstellingen.
De beschikbare scheidingsoptiewaarden zijn als volgt:
0
Auto
1
Scheiding per set (elke kopie wordt gescheiden voordat de volgende kopie wordt afgedrukt)
2
Scheiding per taak (elke kopie wordt gescheiden voor de door u opgegeven papiertaken)
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Lh=modus
Specificeert instellingen voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd.
Als de dubbelzijdige modus voor briefhoofd is ingeschakeld, wordt een afdrukvel altijd via het dubbelzijdige invoerpad
een printer in gevoerd. Als gevolg daarvan kan een gebruikers vellen in een invoersleuf invoeren zonder acht te hoeven
slaan op de richting van de vellen.
De beschikbare waarden voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
2
Auto
-Tr=modus
Specificeert de instellingen voor trappen.
De beschikbare optiewaarden voor trappen zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
-Hld=Afdruktype:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
Veilige afdruk
Afdruksoort
secure
Veilige afdruk
private
Persoonlijk postvak afdrukken
public
Openbaar postvak afdrukken
proof
Proefafdruk
Gebruikers-ID
Tot acht tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Wachtwoord
Tot twaalf tekens van één byte van 0x30 tot 0x39 (numerieke tekens).
Documentnaam
Tot twaalf tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Veilige afdruk
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Persoonlijk postvak afdrukken
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Openbaar postvak afdrukken
-Hld=public:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=public:Gebruikers-ID::
Proefafdruk
-Hld=proof:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=proof:Gebruikers-ID::
VOORZICHTIG: Zorg dat u alleen de Veilige afdruk kiest wanneer u gegevens direct naar de printer stuurt. De Veilige
afdruk kan niet altijd beschikbaar zijn, ook als u er voor kiest, als de gegevens moeten worden afgedrukt via een
andere server of als de gegevens moeten worden verwerkt door een ander programma, zoals voor het afdrukken van
PostScript bestanden. Het Sorteren wordt automatisch gekozen wanneer u kiest voor Proefafdruk.
-Jown= taakeigenaar-naam: Wachtwoord: taakgroepnaam Verificatie-instelling
Bepaalt de naam van de taakeigenaar, het wachtwoord en de taakgroepnaam voor verificatie.
Als alleen taakeigenaar-naam is opgegeven (-Jown=taakeigenaar-naam:) (geen wachtwoord opgegeven),
verificatiewachtwoord wordt behandeld als niet opgegeven.
Wanneer alleen het wachtwoord is gekozen (-Jown=:wachtwoord) (geen taakeigenaar-naam gekozen),
wordt de gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam. Het ingevoerde wachtwoord
gaat gelden als wachtwoord voor verificatie.
Wanneer noch de naam van de taakeigenaar, noch een wachtwoord is gekozen (-Jown=:), wordt de
gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam, en het verificatie-wachtwoord wordt
beschouwd als niet vastgelegd.
Als de taakeigenaar-naam langer is dan het toegestane aantal tekens, worden de overtollige tekens
genegeerd.
Als een ontoelaatbaar teken wordt ingevoerd voor de taakeigenaarnaam, wordt "Onbekende gebruiker" de
taakeigenaarnaam.
OPMERKING: Alfanumerieke tekens, waaronder spaties en dubbele punten, en symbolen kunnen worden ingevoerd
voor een taakeigenaarnaam.
OPMERKING: U kunt maximaal 32 tekens opgegeven voor de taakeigenaar-naam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakgroepnaam, wordt de taakeigenaarnaam
behandeld als niet opgegeven.
OPMERKING: Alfanumerieke tekens, waaronder spaties en dubbele punten, en symbolen kunnen worden ingevoerd
voor een taakeigenaarnaam.
OPMERKING: U kunt maximaal 32 tekens opgegeven voor de groepsnaam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt ingevoerd voor het wachtwoord, of als het opgegeven wachtwoord het
toegestane aantal tekens overschrijdt, wordt het verificatiewachtwoord beschouwd als niet opgegeven.
OPMERKING: De toegestane lengte van het wachtwoord is van 4 tot 12 tekens.
Een incomplete vorm van de optie -Jown wordt beschouwd alsof er geen verificatie-instelling is gemaakt. Als er in dat
geval een verificatie-instelling wordt gemaakt via een omgevingsvariabele, wordt die gebruikt als instelinformatie.
Voorbeeld
Voor conversie van een TIFF-afbeelding naar een PostScript printertaal-programma voor opslag in een bestand, tikt u het
volgende.
% tiff2ps2 bestand.tiff > bestand1.ps
Voor afdrukken van een TIFF-beeld met de printer, tikt u het volgende.
% tiff2ps2 bestand.tiff | lp
Belangrijk
Wanneer -s en -S allebei tegelijk zijn gespecificeerd of wanneer de zelfde optie tweemaal is gekozen, zal de latere
instelling worden aangehouden.
Als de uitvoerformaat-optie (-s, -S) niet is gekozen, zorgt de schaalaanpassing dat elk beeldpunt van de TIFF-
gegevens overeenkomt met één rasterpunt voor de printer.
Als de afdrukpositie-optie (-llinks onder) een punt aangeeft buiten het afdrukgebied van de printer, zullen de
gegevens buiten het afdrukgebied niet worden afgedrukt.
xwd2ps2 (Solaris/HP-UX)
Formaat
/usr/local/dellbin5130/xwd2ps2 [-d] [-D] [-Ilade-invoer] [-t] [-r] [-n] [-l=links,onder] [-
s=breedte,hoogte] [-S=breedte] [-E] [-Nc=kopieën] [-Cl] [-Hd=positie:formaat] [-Hflettertype] [-MSI] [-
M=type] [-Mfo=modus] [-Pon] [-St=modus] [-Sp] [-Sb] [-Cm=modus] [-Pr=modus] [-Cc=modus] [-Gc=modus] [-
Sc=modus] [-Gg=modus] [-Ct] [-Br= modus] [-RGBc= modus] [-RGBPr= modus] [-RGBTp= modus] [-Cb=cyan-
low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low;yellow-middle:yellow-
high:black-low:black-middle:black-high] [-Sl=modus] [-Os=modus] [-Lh=modus] [-Tr=modus][-
Hld=Afdruksoort:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam] [-Jown= taakeigenaar-naam:wachtwoord:taakgroep-
naam] [bestandsnaam...]
Functie
Leest XWD gegevens, zet die om in een programma in de PostScript printertaal en schrijft het bestand naar de standaard
uitvoer. Als de bestandsnaam niet gespecificeerd is, zal de standaard invoer worden gebruikt voor de commando-invoer.
XWD-bestanden met een pixeldiepte van 1, 4, 8, 24 en 32 bit kunnen worden gespecificeerd.
Er zijn drie soorten ondersteunde compressie-indelingen.
De visuele klasse is Static Gray en de pixel is 1 bit.
De visuele klasse is Pseudo Color en de pixel is 4 bits of 8 bits. De beeldindeling is Zpixmap.
De visuele klasse is True Color en de pixel is 24 bits of 32 bits. De beeldindeling is Zpixmap.
xwd2ps2 neemt de bestandsnaam aan als gecreëerd in 72 dpi en berekent het uitvoerformaat. Daarom zult u, om XWD-
bestanden om te zetten naar een andere resolutie, expliciet de formaat-optie (-s, -S) voor conversie moeten kiezen.
Optie
-d
Hiermee stelt u de korte-kant bindfunctie in. Wanneer deze is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats bijgesteld en
wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de korte kant van de pagina geschikt is voor inbinden.
-D
Hiermee stelt u de lange-kant bindfunctie in. Wanneer deze inbindfunctie is gekozen, wordt de afdrukrichting en -plaats
bijgesteld en wordt er afgedrukt op beide zijden van het papier, zodanig dat de lange kant van de pagina geschikt is
voor inbinden.
-Ilade-invoer
Kiest de papierlade.
De papierlade is rechtstreeks te kiezen door de gewenste lade te specificeren, of indirect door keuze van een
papierformaat.
Wanneer u een papierformaat kiest, wordt de papierlade waarin het betreffende papier ligt, automatisch opgezocht en
geselecteerd.
De parameters voor het kiezen van een papierlade zijn als volgt:
1
Voer papier in vanuit lade 1 (bovenste lade).
2
Voer papier in vanuit lade 2 (de tweede lade van boven).
3
Voer papier in vanuit lade 3 (de derde lade van boven).
4
Voer papier in vanuit lade 4 (de vierde lade van boven).
5
Voer papier in vanuit lade 5 (de vijfde lade van boven).
A4
Voer papier in vanuit de lade met A4 papier (210 x 297 mm).
A5
Voer papier in vanuit de lade met A5 papier (148 x 210 mm).
B5
Voer papier in vanuit de lade met B5 papier (182 x 257 mm).
LT
Voer papier in vanuit de lade met Letter papier (8,5 x 11 in).
FL
Voer papier in vanuit de lade met Folio papier (8,5 x 13 in).
LG
Voer papier in vanuit de lade met Legal papier (8,5 x 14 in).
EX
Voer papier in vanuit de lade met Executive papier (7,25 x 10,5 in).
MO
Voer papier in vanuit de lade met Monarch papier (3,875 x 7,5 in).
COM10
Voer papier in vanuit de lade met Envelop #10 (4,125 x 9,5 in).
DL
Voer papier in vanuit de lade met DL papier (110 x 220 mm).
C5
Voer papier in vanuit de lade met C5 papier (162 x 229 mm).
MxNmm
Voer papier in vanuit de lade met MxN mm, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 76,2 tot 215,9 mm
Lengte: 127,0 tot 355,6 mm
MxNin
Voer papier in vanuit de lade met MxN inch, gedefinieerd door de gebruiker.
Mogelijk instelbereik:
Breedte: 3,00 tot 8,5 inch
Lengte: 5,00 tot 14,0 inch
Als deze optie niet gespecificeerd is of de gekozen papierlade is niet beschikbaar, voert u dan papier toe vanuit de
standaard lade.
-t
Schakelt de functie toner besparen voor het afdrukken in. De afdruk zal er iets vager uitzien dan bij het normale
afdrukken. In sommige gevallen kan deze optie genegeerd worden.
-r
Draait de pagina 90° en gebruikt het papier in liggende richting.
-n
Voorkomt de toevoeging van een vertoonpagina. Deze wordt gebruikt wanneer de bestanden die zijn omgezet in een
PostScript printertaal-programma worden samengevoegd met bestanden die met andere applicaties gecreëerd zijn.
-l=links,onder
Bepaalt de afdrukpositie. Het afdrukken wordt uitgevoerd vanaf de linker onderkant van de pagina. De standaard
afstand is 0,25 inch van links en van onderen.
-s=breedte,hoogte
Bepaalt het afdrukformaat. Het afdrukken wordt verricht met de breedte en de hoogte in inch.
-S=breedte
Stelt de breedte van het afdrukformaat vast, in inch. De hoogte wordt automatisch berekend op basis van de breedte.
-E
Deze functie schakelt de beeldverbeteringsfunctie in. In sommige gevallen kan deze optie genegeerd worden.
-Nc=exemplaren
Kiest het aantal af te drukken exemplaren (de waarde voor het aantal exemplaren moet altijd een positief geheel getal
zijn).
-Cl
Specificeert dat de afdrukken moeten worden gesorteerd. Als de optie copies niet is ingesteld, zal deze optie genegeerd
worden.
-Hd=positie:formaat
Specificeert de plaats waar de gebruikersinformatie voor de koptekst of voettekst geplaatst moet worden.
positie bepaalt de uitvoerpositie. Deze optie is echter alleen beschikbaar voor de conversie van tekstbestanden.
ul
Drukt af in de linker bovenhoek van het papier.
ur
Drukt af in de rechter bovenhoek van het papier.
dl
Drukt af in de linker benedenhoek van het papier.
dr
Drukt af in de rechter benedenhoek van het papier.
formaat specificeert de inhoud en de volgorde voor afdrukken. Deze optie kan worden weggelaten.
Als u deze optie weglaat, wordt uh aangehouden als de standaardwaarde.
u
Gebruikersnaam
h
Hostnaam
t
Datum & tijd
Als u voor de af te drukken gegevens de waarde tuh kiest, worden de gegevens afgedrukt als volgt:
Datum en tijd gebruiker: gebruikersnaam Host: hostnaam.
-Hflettertype
Kiest het lettertype voor afdrukken van de koptekst en voettekst. Europese lettertypen die gelijk zijn aan half-formaat
alfanumerieke lettertypen zijn te specificeren. Helvetica is de standaardinstelling.
Als het verkeerde lettertype is opgegeven, kan het Europese standaardlettertype van de printer worden gebruikt.
Als de uitvoeroptie voor koptekst/voettekst is opgegeven, wordt de lettertypespecificatie voor koptekst/voettekst
genegeerd.
-MSI
Specificeert de multifunctionele invoerlade.
-M=type
Specificeert de papiersoort in de multifunctionele invoerlade.
Beschikbare papiersoorten voor de multifunctionele invoerlade zijn als volgt:
B
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2
BB
Fijn Papier/Bondpapier/Gewoon papier 2 - zijde 2
P
Briefpapier/Gewoon/Gewoon papier 1
PB
Briefpapier achter/Gewoon/Gewoon papier 1 - zijde 2
R
Gerecycled papier
RB
Gerecycled papier achter/Gerecycled papier - zijde 2
H1
Dik papier/Zwaar papier 1/Voorblad 1
H1B
Dik papier achter/Zwaar papier 1/Voorblad 1 - zijde 2
H2
Dik papier 2/Zwaar papier 2/Voorblad 2
H2B
Dik papier 2 achter/Zwaar papier 2/Voorblad 2 - zijde 2
OHP
Transparant
L
Etiketvellen/Etiketten
C2
Gecoat/Gecoat 2/Gecoat papier 2
C2B
Gecoat achter/Gecoat 2/Gecoat papier 2 - zijde 2
C3
Dikker gecoat/Gecoat 3/Gecoat papier 3
C3B
Dikker gecoat achter/Gecoat 3/Gecoat papier 3 - zijde 2
LH
Briefhoofd
E
Envelop
Als deze optie niet gespecificeerd is, kan de multi-invoerlade papiersoort worden gebruikt voor het afdrukken.
-Mfo=modus
Specificeert de richting voor de multifunctionele invoerlade.
Beschikbare richtingen voor de multifunctionele invoerlade zijn als volgt:
le
Liggend
ler
Liggend (gedraaid)
se
Staand
ser
Staand (gedraaid)
-Pon
Specificeert de alternatieve lade.
De beschikbare alternatieve laden zijn als volgt:
0
Printerinstellingen gebruiken
1
Bericht weergeven
2
Toevoer via multi-invoerlade
3
Gebruik eerstvolgende formaat (aanpassen)
4
Gebruik groter formaat (aanpassen)
5
Gebruik eerstvolgende formaat (niet zoomen)
6
Gebruik groter formaat (niet zoomen)
-St=modus
Specificeert de toevoer van scheidingsvellen.
De toevoermogelijkheden voor scheidingsvellen zijn als volgt.
auto
Auto-lade/Auto
1
1e lade/Lade 1 (standaard 550-vel invoerlade)
2
2de lade/Lade 2 (optionele 550-vel papierlade)
3
3e lade/Lade 3 (optionele 550-vel papierlade)
4
4e lade/Lade 4 (optionele 1100-vel papierlade)
5
5e lade/Lade 5 (optionele 1100-vel papierlade)
msi
Multifunctionele Invoer
off
Uit
-Sp
Specificeert bedrukte scheidingsvellen.
Alleen mogelijk als de papierlade voor scheidingsvellen is opgegeven.
-Sb
Blanco pagina's overslaan
-Cm=modus
Specificeert de uitvoerkleur.
De beschikbare uitvoerkleuren zijn als volgt:
c
Kleur (CMYK)
k
Zwart
-Pr=modus
Specificeert de afdrukmodus.
De beschikbare afdrukmodi zijn als volgt:
hs
Hoge snelheid
hq
Hoge kwaliteit
hr
Hoge resolutie
-Cc=modus
Specificeert de afbeeldingsoorten.
De beschikbare afbeeldingsoorten zijn als volgt:
0
Uit
1
Foto
2
Schermweergave
3
Standaard/Normaal
4
Zakelijke grafieken
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Gc=modus
Specificeert de RGB-gammacorrectie.
De beschikbare RGB-gammacorrecties zijn als volgt:
1.0
1.0
1.4
1.4
1.8
1.8
2.2
2.2
2.6
2.6
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Sc=modus
Specificeert het raster.
De beschikbare rasters zijn als volgt:
0
Fijnheid
1
Standaard
2
Auto
3
Gradatie
-Gg=modus
Specificeert gegarandeerd grijs.
De beschikbare opties voor gegarandeerd grijs zijn als volgt:
on
Aan
off
Uit
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Ct
Specificeert kleurtransformatie.
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk.
-Br=modus
Bepaalt de helderheidsbijregeling.
De beschikbare helderheidsbijregelingswaarden zijn als volgt:
+5
Helder 5
+4
Helder 4
+3
Helder 3
+2
Helder 2
+1
Helder 1
+0
Normaal
-1
Donker 1
-2
Donker 2
-3
Donker 3
-4
Donker 4
-5
Donker 5
-RGBc=modus
Bepaalt de RGB kleurcorrectie.
De beschikbare RGB kleurcorrectiewaarden zijn als volgt:
10
Perceptueel
11
Verzadiging
12
RelatieveC
13
AbsoluteC
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBPr=modus
Bepaalt het RGB invoerprofiel.
De beschikbare waarden voor het RGB invoerprofiel zijn als volgt:
0
sRGB
1
AdobeRGB
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-RGBTp=modus
Bepaalt de RGB kleurtemperatuur.
De beschikbare waarden voor de RGB kleurtemperatuur zijn als volgt:
5000
5000 K
6000
6000 K
9300
9300 K
Deze optie is alleen beschikbaar voor kleurendruk en wanneer de inkomende gegevens RGB gegevens zijn.
-Cb=cyan-low:cyan-middle:cyan-high:magenta-low:magenta-middle:magenta-high:yellow-low:yellow-
middle:yellow-high:black-low:black-middle:black-high
Bepaalt de bijstelwaarde voor de kleurbalans voor elke kleur/zwarting.
De beschikbare waarden voor de bijstelling zijn als volgt:
+3
Donker 3
+2
Donker 2
+1
Donker 1
0
Normaal
-1
Licht 1
-2
Licht 2
-3
Licht 3
-Cb
De optionele waarde moet worden bepaald in de volgende volgorde:
Cyaan lage dekking, Cyaan gemiddelde dekking, Cyaan hoge dekking, Magenta lage dekking, Magenta
gemiddelde dekking, Magenta hoge dekking, Geel lage dekking, Geel gemiddelde dekking, Geel hoge dekking,
Zwart lage zwarting, Zwart gemiddelde zwarting, Zwart hoge zwarting
Waar geen waarde is gekozen, wordt er ingesteld op "0" (Normaal).
Als u bijvoorbeeld wilt kiezen voor "Licht 2" voor cyaan gemiddelde dekking, "Donker 3" voor geel hoge dekking
en "Donker 2" voor zwart lage zwarting, kunt u dat bepalen op een van de volgende manieren:
-Cb=0:-2:0:0:0:0:0:0:+3:+2:0:0
-Cb=:-2:::::::+3:+2::
-Sl=modus
Specificeert de instellingen voor nieten.
De beschikbare nietoptiewaarden zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Os=modus
Specificeert de scheidingsinstellingen.
De beschikbare scheidingsoptiewaarden zijn als volgt:
0
Auto
1
Scheiding per set (elke kopie wordt gescheiden voordat de volgende kopie wordt afgedrukt)
2
Scheiding per taak (elke kopie wordt gescheiden voor de door u opgegeven papiertaken)
Deze optie is alleen beschikbaar als de optionele extra uitvoerbak is geïnstalleerd.
-Lh=modus
Specificeert instellingen voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd.
Als de dubbelzijdige modus voor briefhoofd is ingeschakeld, wordt een afdrukvel altijd via het dubbelzijdige invoerpad
een printer in gevoerd. Als gevolg daarvan kan een gebruikers vellen in een invoersleuf invoeren zonder acht te hoeven
slaan op de richting van de vellen.
De beschikbare waarden voor de dubbelzijdige modus voor briefhoofd zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
2
Auto
-Tr=modus
Specificeert de instellingen voor trappen.
De beschikbare optiewaarden voor trappen zijn als volgt:
0
Uit
1
Aan
-Hld=Afdruktype:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
Veilige afdruk
Afdruksoort
secure
Veilige afdruk
private
Persoonlijk postvak afdrukken
public
Openbaar postvak afdrukken
proof
Proefafdruk
Gebruikers-ID
Tot acht tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Wachtwoord
Tot twaalf tekens van één byte van 0x30 tot 0x39 (numerieke tekens).
Documentnaam
Tot twaalf tekens van één byte van 0x20 tot 0x7E, uitgezonderd 0x20 " " (blanco) en 0x3A ":" (dubbele punt).
Veilige afdruk
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=secure:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Persoonlijk postvak afdrukken
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:Documentnaam
-Hld=private:Gebruikers-ID:Wachtwoord:
Openbaar postvak afdrukken
-Hld=public:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=public:Gebruikers-ID::
Proefafdruk
-Hld=proof:Gebruikers-ID::Documentnaam
-Hld=proof:Gebruikers-ID::
VOORZICHTIG: Zorg dat u alleen de Veilige afdruk kiest wanneer u gegevens direct naar de printer stuurt. De Veilige
afdruk kan niet altijd beschikbaar zijn, ook als u er voor kiest, als de gegevens moeten worden afgedrukt via een
andere server of als de gegevens moeten worden verwerkt door een ander programma, zoals voor het afdrukken van
PostScript bestanden. Het Sorteren wordt automatisch gekozen wanneer u kiest voor Proefafdruk.
-Jown= taakeigenaar-naam: Wachtwoord: taakgroepnaam Verificatie-instelling
Bepaalt de naam van de taakeigenaar, het wachtwoord en de taakgroepnaam voor verificatie.
Als alleen taakeigenaar-naam is opgegeven (-Jown=taakeigenaar-naam:) (geen wachtwoord opgegeven),
verificatiewachtwoord wordt behandeld als niet opgegeven.
Wanneer alleen het wachtwoord is gekozen (-Jown=:wachtwoord) (geen taakeigenaar-naam gekozen),
wordt de gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam. Het ingevoerde wachtwoord
gaat gelden als wachtwoord voor verificatie.
Wanneer noch de naam van de taakeigenaar, noch een wachtwoord is gekozen (-Jown=:), wordt de
gebruikersnaam van de aanmelding gebruikt als taakeigenaar-naam, en het verificatie-wachtwoord wordt
beschouwd als niet vastgelegd.
Als de taakeigenaar-naam langer is dan het toegestane aantal tekens, worden de overtollige tekens
genegeerd.
Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakeigenaarnaam, wordt "Onbekende gebruiker" de
taakeigenaarnaam.
OPMERKING: Toegestane tekens voor de taakeigenaar-naam zijn letters, cijfers en symbolen, behalve de spatie en de
dubbele punt.
OPMERKING: Maximaal de eerste 32 tekens worden de taakeigenaarnaam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt gekozen voor de taakgroepnaam, wordt de taakeigenaarnaam
behandeld als niet opgegeven.
OPMERKING: Alfanumerieke tekens, waaronder spaties en dubbele punten, en symbolen kunnen worden ingevoerd
voor een taakeigenaarnaam.
OPMERKING: U kunt maximaal 32 tekens opgegeven voor de groepsnaam.
Als een ontoelaatbaar teken wordt ingevoerd voor het wachtwoord, of als het opgegeven wachtwoord het
toegestane aantal tekens overschrijdt, wordt het verificatiewachtwoord beschouwd als niet opgegeven.
OPMERKING: De toegestane lengte van het wachtwoord is van 4 tot 12 tekens.
Een incomplete vorm van de optie -Jown wordt beschouwd alsof er geen verificatie-instelling is gemaakt. Als er in dat
geval een verificatie-instelling wordt gemaakt via een omgevingsvariabele, wordt die gebruikt als instelinformatie.
Voorbeeld
Voor conversie van een XWD-afbeelding naar een PostScript printertaal-programma voor opslag in een bestand, tikt u het
volgende.
% xwd2ps2 bestand.xwd > bestand.ps
Voor afdrukken van een XWD-beeld met de printer, tikt u het volgende.
% xwd2ps2 bestand.xwd | lp
Belangrijk
Wanneer -s en -S allebei tegelijk zijn gespecificeerd of wanneer de zelfde optie tweemaal is gekozen, zal de latere
instelling worden aangehouden.
Als de uitvoerformaat-optie (-s, -S) niet is gekozen, zorgt de schaalaanpassing dat elk beeldpunt van de TIFF-
gegevens overeenkomt met één rasterpunt voor de printer.
Als de afdrukpositie-optie (-llinks onder) een punt aangeeft buiten het afdrukgebied van de printer, zullen de
gegevens buiten het afdrukgebied niet worden afgedrukt.
Voorzorgsmaatregelen en beperkingen
Tijdens installatie
Besteed aandacht aan de volgende punten tijdens het installeren.
Solaris
Gebruik het lpadmin commando voor de registratie van de standaard printer.
# lpadmin -d printernaam
Om het afdrukken van scheidingsvellen te voorkomen, verandert u de waarde van nobanner=no in nobanner=yes voor
het bestand dat overeenkomt met de printernaam in /etc/lp/interfaces/.
Een printer die is geregistreerd via het UX-filter mag niet worden gewijzigd met admintool.
Indien Content types: postscript verschijnt wanneer u intikt lpstat -p printernaam -l, zal het nodig zijn de
printer te verwijderen en opnieuw te installeren.
Voor het installeren van het UX-filter in de standaard directory (/usr/local/dellbin5130), zal het nodig zijn van
tevoren eerst de directory /usr/local te creëren.
HP-UX
De printer die u voor afdrukken wilt gebruiken, moet in uw systeem zijn geregistreerd. Voor het registreren van de
printer voor het afdrukken, gebruikt u het sam commando en dergelijke. Zie voor nadere bijzonderheden de HP-UX
gebruiksaanwijzing.
Voor het installeren van het UX-filter in de standaard directory (/usr/local/dellbin5130), zal het nodig zijn van
tevoren eerst de directory /usr/local te creëren.
Tijdens het afdrukken
Besteed aandacht aan de volgende punten tijdens het afdrukken.
Gebruik van het lp/lpr commando (Solaris/HP-UX)
Als een optie niet juist wordt ingevoerd, zal er geen foutbericht volgen. Als het afdrukken niet begint nadat u het lp
commando hebt gegeven, kunt u elk van de hulpprogramma's afzonderlijk starten om te zien welk foutbericht er wordt
aangegeven.
(Bij gebruik van Solaris wordt het foutbericht op het scherm weergegeven.)
Bij het afdrukken van tekst zal de omgevingsvariabele TXT2PS2OPTION genegeerd worden.
Als er bij het afdrukken van tekst een BS code wordt gevonden aan het begin van een regel, zal de afdrukpositie van
het volgende letterteken naar links opschuiven aan het begin van de regel.
Wanneer er bij het afdrukken van tekst meerdere tab-codes in een regel zijn opgenomen, kan de tabpositie wel eens
verschuiven als gevolg van een automatische regeldoorvoer. Als dit zich voordoet, specificeert u de l of w optie.
Bij het afdrukken van tekst hoeft het aantal kolommen dat is gekozen met de w optie geen verband te houden met het
aantal feitelijk afgedrukte lettertekens. Het feitelijk aantal tekens van één byte dat afgedrukt moet worden is af te
leiden door de positie van de uitvoerkolom (de uitkolomwaarde) gespecificeerd met de o optie af te trekken van het
aantal kolommen dat is bepaald met de w optie.
Als dezelfde optie is gespecificeerd, of als s, S beide zijn gekozen, zal de laatst gekozen optie blijven gelden.
Als bij het afdrukken van beelden de afdrukpositie-optie (l) een punt aangeeft buiten het afdrukgebied van de printer,
zullen de gegevens buiten het afdrukgebied niet worden afgedrukt. (Bij gebruik van Solaris is het niet mogelijk beelden
af te drukken met het lp commando.)
txt2ps2 (Solaris/HP-UX) gebruiken
Wanneer de zelfde optie tweemaal wordt gespecificeerd, zal de latere keuze gelden. Aangezien TXT2PS2OPTION wordt
geanalyseerd vóór de opties van de commandoregel, verkrijgt u hiermee de mogelijkheid om tijdelijk de opties die al
waren ingesteld in TXT2PS2OPTION aan te passen door iets anders in te tikken op de commandoregel.
De standaard uitvoer van txt2ps2 kan niet de commentaar-aanduiding (%%page:m n) van het paginanummer
afdrukken. Dit komt omdat het geconverteerde PostScript printertaal-programma de regeldoorvoer en paginadoorvoer
regelt. Dus wanneer de uitvoer van txt2ps2 moet worden toegepast als de uitvoer van een andere applicatie (psrev van
TRANSCRIPT, enz.), zult u de aanduiding van het paginanummer alleen kunnen toevoegen door invoegen van het
regelcommando (-Iregels).
Als er een BS code wordt gevonden aan het begin van een regel, zal de afdrukpositie van het volgende letterteken naar
links opschuiven aan het begin van de regel.
Wanneer er meerdere tab-codes in een regel zijn opgenomen, kan de tabpositie wel eens verschuiven als gevolg van
een automatische regeldoorvoer. Als dit zich voordoet, specificeert u de -l of -w optie.
Het aantal kolommen dat wordt bepaald door de -w optie hoeft niet overeen te komen met het daadwerkelijk aantal
afgedrukte tekens. Het feitelijk aantal tekens van één byte dat afgedrukt moet worden is af te leiden door de positie
van de uitvoerkolom (de uitkolomwaarde) gespecificeerd met de o optie af te trekken van het aantal kolommen
dat is bepaald met de w optie.
De -mg optie kan niet worden gekozen wanneer de -w, -l, -o, en -L opties al zijn gespecificeerd.
De uitgangsposities voor de marges in het kantlijncommando (-mg=u:b:r:l) vallen niet samen met de randen van het
vel papier. De kantlijnen worden gemeten vanaf de rand van het afdrukgebied voor het vel papier, zoals toegestaan
door de printer.
Gebruik de -ps optie alleen wanneer een PostScript bestand dat geen %! aan het begin van het bestand heeft, wordt
gebruikt als PostScript bestand. Wanneer er een normaal tekstbestand wordt ingevoerd, zal het daarmee niet goed
werken.
Om dezelfde opties te gebruiken als die van het dellpsif filter, met TXT2PS2OPTION, stelt u de hoofd-directory van de
gebruiker in de omgevingsvariabele in op HOME. Als de omgevingsvariabele HOME niet wordt ingesteld, zijn dezelfde
opties als die van het dellpsif filter niet te gebruiken. (Linux)
Gebruik van sunras2ps2/tiff2ps2/xwd2ps2 (sunras2ps2 geldt alleen voor Solaris)
Als dezelfde optie is gespecificeerd, of als s, S beide zijn gekozen, zal de laatst gekozen optie blijven gelden.
Als de formaat-optie (s, S) niet is gekozen, zorgt de schaalaanpassing dat elk beeldpunt van de rastergegevens
overeenkomt met één rasterpunt voor de printer.
Als de afdrukpositie-optie (-l links onder) een punt aangeeft buiten het afdrukgebied van de printer, zullen de
gegevens buiten het afdrukgebied niet worden afgedrukt.
tiff2ps2 (Solaris/HP-UX) gebruiken
Er zijn vier typen ondersteunde compressie-indelingen.
Huffman-compressie (CCITT Groep 3 getransformeerde Huffman runlengte-codering)
Fax-CCITT3-compressie (facsimile-compatibele CCITT Group 3)
PackBits-compressie
Geen compressie
Ook in de genoemde compressieformaten echter zal een TIFF-bestand met meerdere beelden in één bestand niet worden
ondersteund.
xwd2ps2 (Solaris/ HP-UX) gebruiken
Er zijn drie soorten ondersteunde compressie-indelingen.
De visuele klasse is Static Gray en de pixel is 1 bit.
De visuele klasse is Pseudo Color en de pixel is 4 bits of 8 bits. De beeldindeling is Zpixmap.
De visuele klasse is True Color en de pixel is 24 bits. Het beeldformaat is Zpixmap.
Afdrukken van PostScript-bestanden (Solaris/HP-UX)
Als een optie, zoals het papierformaat, wordt gekozen voor een PostScript bestand waarvoor dezelfde optie al was
gespecificeerd via dellpsif (Linux) of het lp commando (Solaris/HP-UX), zal een dergelijke overbodige optie worden
genegeerd.
Afdrukken van beeldbestanden (Solaris)
Om beeldbestanden af te drukken onder Solaris kan de gebruiker niet rechtstreeks het beeldbestand kiezen met het lp
commando voor afdrukken. Gebruik in plaats daarvan sunras2ps2, tiff2ps2, xwd2ps2 en converteer het bestand naar
een PostScript bestand. Druk het af met het lp commando na de conversie.
% xwd2ps2 bestand.xwd | lp
Koptekst/voettekst optie (-Hd=positie:formaat:pagina, -Hfheaderfont)
(txt2ps2,sunras2ps2,tiff2ps2,xwd2ps2)
Als het papierformaat niet gekozen is via de opties, worden de koptekst en voettekst op de juiste plaats voor een A4
pagina afgedrukt. U kunt het papierformaat kiezen op dezelfde tijd dat u de koptekst/voettekst optie gebruikt. (Als het
papierformaat voor het PostScript bestand dat is geconverteerd met een of meer opties ook is gekozen via de optie van
het lp commando bijvoorbeeld, kan de plaats van de koptekst en voettekst niet gewijzigd worden.)
De kantlijn wordt automatisch ingesteld wanneer u deze optie gebruikt. Als de optie voor het specificeren van een
kantlijn tegelijk wordt gebruikt, zal elke waarde die kleiner is dan de als volgt automatisch ingestelde waarden
genegeerd worden.
Bij tekstbestanden
Bovenkantlijn: 0,23 inch
Onderkantlijn: 0,06 inch
Rechter kantlijn: 0,03 inch
Linker kantlijn: 0,09 inch
Voor beeldbestanden:
Onderkantlijn: 0,3 inch
Bij gebruik van deze optie zal het gekozen aantal regels en het gekozen aantal kolommen worden genegeerd.
Bovendien kunt u in dit geval niet kiezen voor liggend afdrukken of voor 2 kolommen.
In het geval van een PostScript bestand kan het soms gebeuren dat de printer niet alle pagina's afdrukt, ook al is er
gekozen voor alle pagina's afdrukken. In dergelijke gevallen, kiest u alleen de bovenste pagina afdrukken.
Gebruik van het lp commando is niet mogelijk onder Solaris.
TBCPFilter (Solaris/HP-UX)
Zorg dat het TBCP-Filter beschikbaar is, zodat de printer de beschikbaarheid van het TBCP-Filter kan doorgeven.
Als voor libtiff
Copyright © 1988-1997 Sam Leffler
Copyright © 1991-1997 Silicon Graphics, Inc.
DEZE SOFTWARE WORDT VERSTREKT "AS-IS", D.W.Z. ZONDER ENIGE GARANTIE, EXPLICIET, IMPLICIET OF ANDERSZINS,
INCLUSIEF ZONDER BEPERKINGEN, ENIGE GARANTIE VAN VERKOOPBAARHEID OF GESCHIKTHEID VOOR BEPAALDE
DOELEINDEN.
IN GEEN GEVAL KUNNEN SAM LEFFLER OF SILICON GRAPHICS AANSPRAKELIJK WORDEN GESTELD VOOR ENIGE SCHADE,
SPECIALE, INCIDENTELE, INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE VAN ENIGE AARD, OF INKOMSTENDERVING VOORTVLOEIENDE UIT
HET GEBRUIK, VERLIES VAN GEBRUIK, GEGEVENS OF PRODUCTEN, AL DAN NIET NA VERWITTIGING VAN DE MOGELIJKHEID
VAN SCHADE, OF ENIGE THEORETISCHE VERANTWOORDELIJKHEID, VOORTVLOEIENDE UIT OF IN BETROKKENHEID MET HET
GEBRUIK OF DE PRESTATIES VAN DEZE SOFTWARE.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Afdrukken met CUPS (Linux)
Uitvoering op Turbolinux FUJI of RedHat Enterprise Linux ES 4.0/RedHat Enterprise Linux 5.0 Desktop
Uitvoering op SUSE Linux Enterprise Desktop 10
Dit hoofdstuk biedt aanwijzingen voor het afdrukken en het installeren van het printerstuurprogramma met CUPS (Common
UNIX Printing System) op Turbolinux FUJI, RedHat Enterprise Linux ES 4.0/RedHat Enterprise Linux 5.0 Desktop of SUSE
Linux Enterprise Desktop 10.
Uitvoering op Turbolinux FUJI of RedHat Enterprise
Linux ES 4.0/RedHat Enterprise Linux 5.0 Desktop
Overzicht configuratie
Turbolinux FUJI of RedHat Enterprise Linux ES 4.0/RedHat Enterprise Linux 5.0 Desktop:
1. Installeer het printerstuurprogramma.
2. Configureer de afdrukwachtrij.
3. Bepaal de standaardwachtrij.
4. Kies de afdrukopties.
Printerdriver installeren
1. Dubbelklik op Dell-5130cdn-Color-Laser-x.x-x.noarch.rpm op de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
2. Typ het beheerderswachtwoord.
3. Klik op Doorgaan in het venster Systeem-voorbereiding compleet.
Het installeren begint. Wanneer de installatie voltooid is, zal het venster automatisch sluiten.
De wachtrij configureren
Om te gaan afdrukken, moet u eerst de printer-wachtrij configureren op uw werkstation.
1. Open de URL "http://localhost:631" met een web-browser.
2. Klik op Beheer.
3. Typ root als de gebruikersnaam, en typ ROOT als wachtwoord.
4. Klik op Printer toevoegen.
5. Typ de naam van de printer in het Naam vakje in het Nieuwe printer toevoegen venster, en klik dan op Doorgaan.
De Locatie en Beschrijving hoeven niet ingevoerd te worden.
6. Selecteer LPD/LPR Host of Printer uit het Apparaat menu, en klik dan op Doorgaan.
7. Typ het IP-adres van de printer in URI apparaat.
Notatie: lpd://xxx.xxx.xxx.xxx (IP-adres van de printer)
8. Selecteer Dell uit het Maken menu, en klik dan op Doorgaan.
9. Selecteer Dell 5130cdn Color Laser... uit het Model menu, en klik dan op Doorgaan.
De mededeling Printer xxx is met succes toegevoegd. verschijnt.
Hiermee is de configuratie compleet.
Wanneer u klaar bent met het configureren van de wachtrij, kunt u taken afdrukken vanuit het softwareprogramma. Start de
afdruktaak in het softwareprogramma en kies dan de wachtrij in het afdrukdialoogvenster.
Soms zult u echter alleen kunnen afdrukken via de standaard wachtrij, afhankelijk van het softwareprogramma (dit geldt
bijvoorbeeld voor Mozilla). In een dergelijk geval zult u voor het beginnen met afdrukken eerst de wachtrij waarvanuit u wilt
afdrukken moeten instellen als de standaard wachtrij. Nadere informatie over de keuze van de standaard wachtrij vindt u
onder "De standaardwachtrij instellen
".
De standaardwachtrij instellen
1. Selecteer Hoofdmenu® Systeem-gereedschappen® Terminal.
2. Typ het volgende commando in het terminal-venster.
su
(Typ het beheerderswachtwoord)
lpadmin -d (Naam van de wachtrij)
Afdrukopties opgeven
U kunt de gewenste afdrukfuncties kiezen, zoals kleurendruk of tweezijdig afdrukken.
1. Open de URL "http://localhost:631" met een web-browser.
2. Klik op Beheer printers.
3. Klik op Configuratie printer voor de wachtrij waarvoor u de afdruk- instellingen wilt kiezen.
4. Typ root als de gebruikersnaam, en typ vervolgens het beheerderswachtwoord.
5. Kies de gewenste instellingen, en klik dan op Doorgaan.
De mededeling Printer xxx is met succes toegevoegd. verschijnt.
Het instellen is voltooid. Nu kunt u gaan afdrukken vanuit het softwareprogramma.
De Printerdriver verwijderen
1. Selecteer Hoofdmenu® Systeem-gereedschappen® Terminal.
2. Typ het volgende commando in het terminal-venster.
su
(Typ het beheerderswachtwoord)
rpm -e Dell-5130cdn-Color-Laser
Het printer-stuurprogramma wordt verwijderd.
Uitvoering op SUSE Linux Enterprise Desktop 10
Printerdriver installeren
1. Dubbelklik op Dell-5130cdn-Color-Laser-x.x-x.noarch.rpm op de cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
2. Typ het beheerderswachtwoord en klik op Installeren.
Het installeren begint. Wanneer de installatie voltooid is, zal het venster automatisch sluiten.
De wachtrij configureren
Om te gaan afdrukken, moet u eerst de printer-wachtrij configureren op uw werkstation.
1. Selecteer Computer® Meer Applicaties... en selecteer YaST in de Applicatie-browser.
2. Typ het beheerderswachtwoord.
YaST Control Center wordt gestart.
3. Selecteer Hardware in het YaST Control Center en selecteer Printer.
4. Printerconfiguratie: Automatisch gedetecteerde printers wordt geactiveerd.
Voor USB-aansluitingen:
a. Selecteer Dell 5130cdn Color Laser op USB (//Dell/5130cdn%20Color%20Laser of /dev/usblp*)
als Beschikbaar zijn en klik dan op Configuratie....
b. Bevestig de instellingen onder Configuratie bijwerken, en klik dan op OK.
Voor parallelle aansluitingen:
a. Klik op Toevoegen.
b. Selecteer Direct Aangesloten Printers als Printer-type en klik dan op Volgende.
c. Selecteer Parallelle printer als Printer-type, en klik dan op Volgende.
d. Klik op Volgende.
e. Kies de naam voor de printer-wachtrij in Naam wachtrij, en tik de naam van de wachtrij voor afdrukken in
Naam voor afdrukken.
De Beschrijving van de printer en Plaats van de printer hoeven niet ingevuld te worden.
f. Markeer het Plaatselijk filteren markeervakje, en klik dan op Volgende.
g. Selecteer DELL onder Kies het merk. Selecteer 5130cdn Color Laser voor Selecteer model en klik dan op
Volgende.
h. Bevestig de instellingen onder Configuratie bijwerken, en klik dan op OK.
Voor netwerkverbindingen:
a. Klik op Toevoegen.
b. Selecteer Netwerk-printers als Printersoort en klik dan op Volgende.
c. Selecteer Afdrukken via LPD-type Netwerk-server als Printersoort en klik dan op Volgende.
d. Typ het IP-adres van de printer in Host-naam van de print-server. En typ de naam van de printer-wachtrij in
Naam van de wachtrij elders, en klik dan op Volgende.
e. Typ de naam van de printer in in Naam voor afdrukken.
De Beschrijving van de printer en Plaats van de printer hoeven niet ingevuld te worden.
f. Markeer het Plaatselijk filteren markeervakje, en klik dan op Volgende.
g. Selecteer DELL onder Kies het merk. Selecteer 5130cdn Color Laser als Selecteer model en klik dan op
Volgende.
h. Bevestig de instellingen onder Configuratie bijwerken, en klik dan op OK.
5. Klik op Voltooien.
Afdrukken vanuit het applicatieprogramma
Wanneer u klaar bent met het opzetten van de wachtrij, kunt u taken afdrukken vanuit het applicatieprogramma. Start de
afdruktaak in het applicatieprogramma en kies dan de wachtrij in het afdruk-dialoogvenster.
Soms zult u echter alleen kunnen afdrukken via de standaard wachtrij, afhankelijk van het applicatieprogramma (dit geldt
bijvoorbeeld voor Mozilla). In een dergelijk geval zult u voor het beginnen met afdrukken eerst de wachtrij waarvanuit u wilt
afdrukken moeten instellen als de standaard wachtrij. Nadere informatie over de keuze van de standaard wachtrij vindt u
onder "De standaardwachtrij instellen
".
De standaardwachtrij instellen
1. Activeren van de Printerconfiguratie: Voor automatisch gedetecteerde printers doet u het volgende.
a. Selecteer Computer® Meer Applicaties... en selecteer YaST in de Applicatie-browser.
b. Typ het beheerderswachtwoord.
YaST Control Center wordt gestart.
c. Selecteer Hardware in het YaST Control Center en selecteer Printer.
2. Selecteer de printer die u als standaardprinter wilt instellen in Printer- configuratie en selecteer Standaard
instellen in Menu andere knop.
3. Klik op Voltooien.
Keuze van de afdrukopties
U kunt de gewenste afdrukfuncties kiezen, zoals kleurendruk of tweezijdig afdrukken.
1. Open een web-browser.
2. Typ
http://localhost:631/admin
in Locatie en druk vervolgens op de toets <Enter>.
3. Typ root als de gebruikersnaam, en typ vervolgens het beheerderswachtwoord.
Dan verschijnt het CUPS venster.
OPMERKING: Stel het wachtwoord in voor privileges als printer-beheerder voordat u de printer-wachtrij opzet.
Als u het nog niet hebt ingesteld, gaat u naar "Het wachtwoord instellen voor bevoegdheid als de printer-
beheerder".
4. Klik op Beheer printers.
5. Kies de gewenste instellingen, en klik dan op Doorgaan.
De mededeling Printer xxx is met succes toegevoegd. verschijnt.
Het instellen is voltooid. Nu kunt u gaan afdrukken vanuit het applicatieprogramma.
Het wachtwoord instellen voor bevoegdheid als de printer-beheerder
U moet het wachtwoord voor uw bevoegdheid als printer-beheerder instellen voordat u enige handeling als printer-beheerder
kunt verrichten.
1. Selecteer Computer® Meer Applicaties... en selecteer Konsole in de Applicatie-browser.
2. Typ het volgende commando in het terminal-venster.
su
(Typ het beheerderswachtwoord.)
lppasswd -g sys -a root
(Typ het wachtwoord voor bevoegdheid als de printerbeheerder na de prompt die om het wachtwoord vraagt.)
(Typ opnieuw het wachtwoord voor bevoegdheid als de printerbeheerder na de prompt die opnieuw om het
wachtwoord vraagt.)
De Printerdriver verwijderen
1. Selecteer Computer® Meer Applicaties... en selecteer Konsole in de Applicatie-browser.
2. Typ het volgende commando in het terminal-venster.
su
(Typ het beheerderswachtwoord)
rpm -e Dell-5130cdn-Color-Laser
Het printer-stuurprogramma wordt verwijderd.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Printerspecificaties
Compatibiliteit besturingssysteem
Voeding
Afmetingen
Geheugen
Page Description Language (PDL)/Emulatie, besturingssysteem en interface
Omgeving
Kabels
Compatibiliteit besturingssysteem
De Dellâ„¢ 5130cdn Color Laser Printer is compatibel met Windows
®
(2000, XP, XP x64, Vista, Vista x64, 7, 7 x64, Server
2003, Server 2003 x64, Server 2008, Server 2008 x64, Server 2008 R2 x64); Mac OS X (10.2.8/10.3.9/10.4.x/10.5.x);
Novell
®
(3.12, 3.2, 4.1, 4.11, 4.2, 5, 5.1, 6, 6.5 (SP1.1 of hoger)) maar niet ondersteund
1
; Linux (Turbolinux FUJI (Engels),
SUSE Linux Enterprise Desktop 10 (Engels), RedHat Enterprise Linux ES 4.0/5.0 (Engels)) maar niet ondersteund
2
; Unix (HP-
UX 11.i (Engels), Solaris 9/10 (Engels)) maar niet ondersteund.
1
De telefonische technische ondersteuning van Dell ondersteunt alleen besturingssystemen (Microsoft) die in de fabriek zijn
geïnstalleerd, gratis voor de eerste 30 dagen. Zie http://www1.us.dell.com/content/products/compare.aspx/laser?
c=us&cs=555&l=en&s=biz voor nadere details. De klant zal technische ondersteuning moeten aanschaffen bij de fabrikant
van het besturingssysteem als na de eerste 30 dagen technische hulp nodig is.
2
Als de klant werkt met een ander besturingssysteem en als de klant de Gold Technical Support ondersteuning heeft gekocht
(nadere informatie over Gold Technical Support vindt u onder
http://www1.us.dell.com/content/topics/global.aspx/services/en/gts?c=us&cs=555&l=en&s=biz
), zal de
telefonische ondersteuning een "beste poging" zijn om het probleem met het besturingssysteem te verhelpen. Als het nodig
blijkt de fabrikant of distributeur te raadplegen, zal de klant voor die hulp een aanvullend bedrag moeten betalen. Het enige
geval waarin Dell zal betalen voor hulp door derden is als Dell verantwoordelijk is voor het probleem. In gevallen waar het
gaat om het installeren en activeren van printers, geldt dat als configuratie, waarvoor de klant zelf zal moeten betalen.
Voeding
Nominale spanning
220-240 VAC 110-127 VAC
Frequentie
50/60 Hz 50/60 Hz
Stroomsterkte
4 A 8 A
Afmetingen
Hoogte: 431 mm (17 in) Breedte: 560 mm (22 in) Diepte: 505 mm (20 in)
Gewicht (zonder cartridge): 41,5 kg (91,5 lb)
Geheugen
Basisgeheugen 256 MB
Maximaal geheugen 1280 MB (256 MB + 1024 MB)
DIMM-connector 144 pens DDR2 SO-DIMM
DIMM-formaat 1024 MB
DIMM-snelheid EP2-2100
Page Description Language (PDL)/Emulatie, besturingssysteem
en interface
PDL/emulaties PostScript 3, PCL 6, PCL5e, XPS
Besturingssystemen
Microsoft
®
Windows 7/7 x64/Server 2008 R2 x64/Vista/Vista x64/Server 2008/Server 2008 x64/XP/XP
x64/Server 2003/Server 2003 x64/2000 (SP3 of later), Mac OS X (10.2.8, 10.3.9, 10.4.x, 10.5.x)
Interfaces
Standaard lokaal:
Standaard netwerk:
Optioneel netwerk:
USB2.0, IEEE 1284
10Base-T/100Base-TX/1000Base-T Ethernet
IEEE 802.11b/802.11g/802.11n (draadloos)
MIB-compatibiliteit
Een Management Information Base (MIB) is een database die gegevens bevat over de netwerk-apparatuur (zoals adapters,
bruggen, routers, of computers). Deze informatie helpt de netwerkbeheerder bij diens taak het netwerkverkeer te regelen
(analyse van de werking, verkeersstromen, foutanalyse, enz.). Dell 5130cdn Color Laser Printer is geschikt voor de MIB-
specificaties van de standaard-industrieuitvoering, waardoor de printer wordt herkend en bestuurd door verschillende printer-
en netwerkbeheersoftwaresystemen.
Omgeving
Werking
Temperatuur 10-32 °C
Relatieve luchtvochtigheid
15-85% RL (geen condensatie)
(Temperatuur moet 28 °C zijn of lager bij RL 85%.)
Garantie afdrukkwaliteit
Temperatuur 15-28 °C
Relatieve luchtvochtigheid 20-70% RL (zonder condensatie)
Bewaren
Temperatuurbereik 0-35 °C
Toegestane vochtigheid bij opslag 15-80% RL (zonder condensatie)
Hoogte
Bedrijf Tot 3100 m (10.000 ft)
Bewaren 70,9275 Kpa
Kabels
De aansluitkabel moeten voldoen aan de volgende vereisten:
Aansluitingstype Aansluitingsspecificaties en symbolen
1 Ethernet 10 Base-T/100 Base-TX/1000 Base-T
2 Draadloos IEEE 802.11b/802.11g/802.11n
3 USB USB2.0
4 Parallel IEEE1284
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
De printer onderhouden
De status van verbruiksartikelen bepalen
Artikelverbruik besparen
Opslag van afdrukmedia
Verbruiksmaterialen bewaren
De tonercartridges vervangen
De drumcartridges vervangen
De fuser vervangen
De scheidingsrollen vervangen
De riemeenheid vervangen
De overdraagrol vervangen
De nietcassette vervangen
De toneropvangbak vervangen
De binnenkant van de printer reinigen
De CTD-sensor (Conductivity Temperature Depth) reinigen
Kleurregistratie instellen
Als u een optimale afdrukkwaliteit wilt handhaven, zult u regelmatig bepaalde onderhoudstaken aan uw printer moeten
verrichten. Als u de printer met een aantal anderen deelt, kan het een goed idee zijn iemand aan te wijzen
die verantwoordelijk is voor het onderhoud. Als er afdrukproblemen zijn of er onderhoud verricht moet worden, kunt
u dat overlaten aan de verantwoordelijke persoon.
De status van verbruiksartikelen bepalen
Als de printer is aangesloten op een netwerk, kan de functie Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool onmiddellijk uitsluitsel
geven over de resterende hoeveelheid toner. Voer het IP-adres van uw printer in in uw web-browser en u kunt deze
informatie aflezen. Voor gebruik van de Instelling e-mailwaarschuwing, die u een waarschuwing geeft wanneer er in uw
printer iets aangevuld, ververst of vernieuwd moet worden, kunt u uw naam, of de naam van degene die verantwoordelijk is
voor het onderhoud, invullen in het e-maillijstvakje.
Via het operatorpaneel kunt u ook de volgende punten controleren:
Alle onderhoudspunten die uw aandacht verdienen of zaken die ververst, aangevuld of vernieuwd moeten worden (de
printer kan echter informatie over maar één punt tegelijk verstrekken).
Hoeveelheid toner die resteert in elk van de tonercartridge.
Artikelverbruik besparen
U kunt verscheidene instellingen in uw printerstuurprogramma zo wijzigen dat tonercartridges en papier worden gespaard.
Materiaal Instelling Functie
Tonercartridge
Tonerspaarmodus op
het tabblad
Geavanceerd van het
printerstuurprogramma.
Dit aankruisvakje dient voor keuze van een afdrukkwaliteit waarbij minder toner
wordt gebruikt. Bij gebruik van deze functie zal de afdrukkwaliteit minder zijn dan
normaal.
Afdrukmedia
Meervoudig omhoog
op het tabblad Layout
van het
printerstuurprogramma
De printer drukt twee of meer pagina's af op één kant van een vel papier. De
waarden die u kunt kiezen voor deze functie Meervoudig omhoog zijn 2
Omhoog, 4 Omhoog, 8 Omhoog, 16 Omhoog en 32 Omhoog. In combinatie met
het tweezijdig afdrukken kunt u met de functie Meervoudig omhoog tot 64
pagina's afdrukken op één vel papier. (32 afbeeldingen aan de voorkant en 32
aan de achterkant)
Opslag van afdrukmedia
Voorkom mogelijk problemen met de papiertoevoer en een ongelijkmatige afdrukkwaliteit door u aan de volgende
aanwijzingen te houden.
Sla de afdrukmedia op in een omgeving met een temperatuur van ongeveer 21 °C en een relatieve luchtvochtigheid van
40%, zodat een zo goed mogelijke afdrukkwaliteit wordt bereikt.
Plaats uw dozen met afdrukmedia op een plank, een rek of pallet, dus niet rechtstreeks op de vloer.
Als u afzonderlijke pakken met afdrukmedia buiten de oorspronkelijke doos bewaart, zorg dan dat ze op een egale
ondergrond rusten, zodat de randen niet kromtrekken.
Plaats geen voorwerpen boven op een pak afdrukmedia.
Verbruiksmaterialen bewaren
Bewaar verbruiksmaterialen in de oorspronkelijke verpakking, totdat u ze nodig hebt. Bewaar verbruiksmaterialen niet:
Bij temperaturen hoger dan 40 °C.
In een omgeving met sterk wisselende temperatuur en luchtvochtigheid.
In direct zonlicht.
In stoffige ruimten.
Gedurende lange tijd in een auto.
In een omgeving met bijtende gassen of dampen.
In een omgeving met zilte lucht.
De tonercartridges vervangen
VOORZICHTIG: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de veiligheidsvoorschriften
in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
VOORZICHTIG: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
Dell-tonercartridges zijn alleen verkrijgbaar via Dell. U kunt online cassettes bijbestellen op
http://www.dell.com/supplies
, maar telefonisch bestellen is ook mogelijk. Zie "Contact opnemen met Dell" voor de
telefonische bestelgegevens.
U wordt geadviseerd Dell-tonercartridges voor uw printer te gebruiken. Dell biedt geen garantiedekking voor problemen die
veroorzaakt zijn door accessoires, onderdelen of materialen die niet door Dell zijn geleverd.
De tonercartridges verwijderen
1. Zet de printer uit.
2. Open de voorklep.
3. Trek de tonercartridge die u wilt vervangen uit de printer.
OPGELET: Trek de cartridge altijd langzaam uit, zodat u geen toner morst.
VOORZICHTIG: Raak de in de illustratie getoonde onderdelen niet aan. U kunt vlekken op uw handen krijgen van
toner.
OPMERKING: Wees voorzichtig dat u geen toner morst bij het hanteren van de tonercartridge.
Een tonercartridge installeren
1. Pake een nieuwe tonercartridge met de gewenste kleur uit.
2. Schud de tonercartridge 5 tot 6 keer heen en weer zodat de toner gelijkmatig wordt gedeeld.
OPMERKING: Raak de in de illustratie getoonde onderdelen niet aan tijdens het schudden van de cartridge.
OPMERKING: Wees voorzichtig dat u geen toner morst bij het hanteren van de tonercartridge.
3. Zet de pijl op de cartridge in lijn met de pijl op de printer en schuif de cartridge erin tot hij niet verder gaat.
4. Sluit de voorklep.
De drumcartridges vervangen
OPGELET: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
VOORZICHTIG: Bescherm de drumcartridges tegen fel licht; sluit de binnenklep binnen vijf minuten. Als de voorklep
langer dan vijf minuten open blijft staan, kan dat gevolgen hebben voor de afdrukkwaliteit.
OPMERKING: Er zijn ook video-instructies beschikbaar, in de Onderhoudsgids.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's. Plaats de
cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's in de printer.
Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\MaintenanceGuide\MaintenanceGuide.exe (waarbij met D uw
cd-station wordt aangeduid) en klik vervolgens op OK.
De drumcartridges verwijderen
1. Zet de printer uit.
2. Open de voorklep.
3. Draai de vergrendelhendels van de binnenklep om hem te openen.
4. Pak de handvaten van de drumcartridge die u wilt vervangen vast en trek de cartridge half uit de printer.
5. Pak één zijde van de drumcartridge vast met de andere hand en trek de cartridge uit de printer.
VOORZICHTIG: Raak de in de illustratie getoonde onderdelen niet aan. U kunt vlekken op uw handen krijgen van
toner.
OPMERKING: Wees voorzichtig dat u geen toner morst bij het hanteren van de drumcartridge.
Een drumcartridge installeren
1. Pak een nieuwe drumcartridge uit.
VOORZICHTIG: Bescherm de drum tegen overmatige blootstelling aan fel licht, verwijder de oranje afdekking pas
nadat u de cartridge in de printer hebt aangebracht.
OPMERKING: Wees voorzichtig dat u geen toner morst bij het hanteren van de drumcartridge.
2. Trek de twee linten eruit.
3. Schuif de cartridge in de juiste sleuf.
4. Verwijder de oranje afdekking van de geplaatste drumcartridge en gooi de afdekking weg.
5. Sluit de binnenklep.
6. Draai de borghendels om de binnenklep vast te zetten, terwijl u met de andere hand op de klep drukt.
7. Neem de reinigingsstaaf uit de achterzijde van de voorklep.
8. Verwijder het reinigingskussentje door de witte lippen samen te drukken tussen duim en wijsvinger.
9. Haal een nieuw reinigingskussentje uit de verpakking.
10. Bevestig het nieuwe reinigingskussentje op de reinigingsstaaf.
11. Steek de reinigingsstaaf in een van de vier gaten tot hij binnen in de printer vast klikt, zoals hieronder geïllustreerd, en
trek hem er weer uit.
12. Herhaal stap 11 bij de andere drie gaten. Eén keer insteken in elk gat is voldoende.
13. Berg de reinigingsstaaf weer op zijn vaste plek op.
14. Sluit de voorklep.
OPMERKING: Als u de drumcartridges vervangt, ook altijd de binnenkant van de printer reinigen om een hoge
beeldkwaliteit te handhaven. Zie "De binnenkant van de printer reinigen
".
De fuser vervangen
OPGELET: OPGELET attendeert u op het gevaar van schade en (dodelijk) persoonlijk letsel.
OPGELET: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPMERKING: Er zijn ook video-instructies beschikbaar, in de Onderhoudsgids.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\MaintenanceGuide\MaintenanceGuide.exe (waarbij D
de letter van het cd-station is). Klik vervolgens op OK.
De Dell-fuser is alleen verkrijgbaar via Dell. Zie "Contact opnemen met Dell
" voor de telefonische bestelgegevens.
U wordt geadviseerd een Dell-fuser voor uw printer te gebruiken. Dell biedt geen garantiedekking voor problemen die
veroorzaakt zijn door accessoires, onderdelen of materialen die niet door Dell zijn geleverd.
De fuser verwijderen
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPGELET: Voorkom brandwonden. Vervang de fuser niet direct nadat u hebt afgedrukt. De fuser wordt
bijzonder heet tijdens gebruik.
1. Zet de printer uit en wacht 30 minuten voordat u de fuser verwijdert.
2. Zet de grendel op het handvat van de klep aan de rechterkant omhoog om de klep te openen.
OPMERKING: Ga bij het vervangen van de fuser recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
3. Pak beide handgrepen van de geïnstalleerde fuser met de handen vast en trek de fuser eruit.
Een fuser installeren
1. Pak een nieuwe fuser uit.
2. Pak beide handgrepen van de fuser met de handen vast en installeer de fuser in de printer.
3. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
De scheidingsrollen vervangen
Er zijn drie scheidingsrollen in de printer die van tijd tot tijd moeten worden vervangen. Er zit er één in de lade en de andere
zitten binnenin in de printer. Alle scheidingsrollen worden op dezelfde manier vervangen, zoals beschreven in deze paragraaf.
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPGELET: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
OPMERKING: Er zijn ook video-instructies beschikbaar, in de Onderhoudsgids.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\MaintenanceGuide\MaintenanceGuide.exe (waarbij D
de letter van het cd-station is). Klik vervolgens op OK.
De scheidingsrol uit een lade verwijderen
OPMERKING: Verwijder alle papier of media uit de lade en trek de lade uit de printer.
1. Verwijder de lade uit de printer.
2. Draai het scheidingsroldeksel linksom om het te openen en houd het deksel vervolgens vast.
3. Draai de scheidingsrolcartridge rechtsom.
4. Trek de achterste as en vervolgens de voorste as uit de gaten in de lade en verwijder de scheidingsrolcartridge.
Een scheidingsrol in een lade installeren
1. Draai het scheidingsroldeksel linksom om het te openen en houd het deksel vervolgens vast.
2. Schuif de voorste as en vervolgens de achterste as van de scheidingsrolcartridge in de gaten in de lade.
3. Draai de scheidingsrolcartridge linksom om hem vast te zetten.
4. Draai het scheidingsroldeksel rechtsom om het te sluiten.
5. Leg papier in de lade en plaats de lade weer in de printer.
De scheidingsrollen uit de printer verwijderen
1. Verwijder de lade uit de printer.
2. Draai de scheidingsrol totdat de rolhaak zichtbaar is.
OPMERKING: De rol bevindt zich ongeveer op 165 mm (6,5 inch) aan de binnenzijde van de printer, gemeten
vanaf de voorzijde van de opening van de papierlade.
3. Trek de haak van de scheidingsrol uit de groef in de as en schuif de scheidingsrol vervolgens naar voren.
4. Herhaal stap 2 en stap 3 om de andere scheidingsrollen uit de printer te verwijderen.
Scheidingsrollen binnen in de printer installeren
1. Zet het gat van de nieuwe scheidingsrol in lijn met de as.
2. Schuif de scheidingsrol langs de as zodat de uitsteeksels volledig in de sleuven vallen en de rolhaak weer in de groef
van de as terechtkomt.
3. Plaats de lade weer in de printer.
De riemeenheid vervangen
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPGELET: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
OPMERKING: Er zijn ook video-instructies beschikbaar, in de Onderhoudsgids.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\MaintenanceGuide\MaintenanceGuide.exe (waarbij D
de letter van het cd-station is). Klik vervolgens op OK.
VOORZICHTIG: Zorg dat er niets in aanraking komt met of krassen maakt op het oppervlak (de zwarte folie) van de
riemeenheid. Krassen, vuil of vettige vingerafdrukken op de folie van de riemeenheid kunnen de afdrukkwaliteit
aantasten.
VOORZICHTIG: Bescherm de drumcartridges tegen overmatige blootstelling aan fel licht; sluit de binnenklep binnen
vijf minuten. Als de voorklep langer dan vijf minuten open blijft staan, kan dat de afdrukkwaliteit aantasten.
Dell-riemeenheden zijn alleen via Dell verkrijgbaar. Zie "Contact opnemen met Dell
" voor de telefonische bestelgegevens. U
wordt geadviseerd een Dell-riemeenheid voor uw printer te gebruiken. Dell biedt geen garantiedekking voor problemen die
veroorzaakt zijn door accessoires, onderdelen of materialen die niet door Dell zijn geleverd.
De riemeenheid verwijderen
OPGELET: Raak het binnenste van de printer niet aan. Sommige onderdelen kunnen heet zijn. Laat de
printer afkoelen voordat u probeert onderdelen te verwijderen.
OPMERKING: Neem al het papier uit de middelste uitvoerlade en sluit de klep van de MPF voordat u de voorklep
opent.
1. Zet de printer uit en wacht 30 minuten voordat u de riemeenheid verwijdert.
2. Zet de grendel van de klep aan de rechterkant omhoog en open de klep.
OPMERKING: De riemeenheid kan alleen worden vervangen als de klep aan de rechterkant open staat.
OPMERKING: Ga bij het openen van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de
voorklep.
3. Open de voorklep.
4. Draai de vergrendelhendels van de binnenklep om hem te openen.
5. Pak de handgreep aan de voorkant van de riemeenheid vast.
6. Trek de riemeenheid eruit tot de lijn op de eenheid volledig in het zicht is.
7. Pak de handgrepen aan de bovenkant van de riemeenheid vast. Trek aan de eenheid tot ze uit de printer komt.
VOORZICHTIG: Houd de in de illustratie getoonde onderdelen niet vast.
8. Schuif het blauwe lipje vijf keer heen en weer om de CTD-sensor te reinigen.
OPGELET: Wees voorzichtig dat u de fuser niet aanraakt. U kunt er uw vingers aan branden.
Een riemeenheid installeren
1. Pak een nieuwe riemeenheid uit en plaats de eenheid op een effen oppervlak.
2. Verwijder de in de illustratie getoonde afdekkingen.
3. Pak de handgrepen aan de bovenkant van de riemeenheid vast.
VOORZICHTIG: Houd de riemeenheid niet aan de zijkanten vast. Hierdoor kan de afdrukkwaliteit worden aangetast.
4. Zet de pijlen op de riemeenheid in lijn met de pijlen op de printer.
5. Schuif de eenheid in de printer en stop als de zichtbare lijn bij de printer aankomt.
6. Laat de handgrepen zakken.
7. Druk op de voorkant van de riemeenheid om de riemeenheid in de printer aan te brengen, tot hij niet verder gaat.
8. Sluit de binnenklep.
9. Draai de borghendels om de binnenklep vast te zetten, terwijl u met de andere hand op de klep drukt.
10. Sluit de voorklep.
11. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
De overdraagrol vervangen
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPGELET: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
OPMERKING: Er zijn ook video-instructies beschikbaar, in de Onderhoudsgids.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\MaintenanceGuide\MaintenanceGuide.exe (waarbij D
de letter van het cd-station is). Klik vervolgens op OK.
De overdraagrol verwijderen
1. Zet de printer uit.
2. Zet de grendel van de klep aan de rechterkant omhoog en open de klep.
OPMERKING: Ga bij het openen van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de
voorklep.
3. Zet de twee grendels op de overdraagrol los en licht de rol op om hem te verwijderen.
Een overdraagrol installeren
1. Pak de handgrepen aan weerszijden van de nieuwe overdraagrol vast en zet de pijlen op de overdraagrol in lijn met de
pijlen binnen in de printer.
2. Laat de voorkant van de overdraagrol zakken tot de rol vast klikt.
3. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
De nietcassette vervangen
OPGELET: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPMERKING: Er zijn ook video-instructies beschikbaar, in de Onderhoudsgids.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\MaintenanceGuide\MaintenanceGuide.exe (waarbij D
de letter van het cd-station is). Klik vervolgens op OK.
De nietcassette verwijderen
1. Controleer of de printer niet actief is en open de voorklep van de extra uitvoerbak.
2. Druk op de oranje hendel van de nietcassettehouder en trek de cassette eruit.
3. Knijp de zijkanten van de lege nietjeshouder in en neem deze uit de cassette.
Een nietcassette installeren
1. Schuif de punt van de nieuwe nietjeshouder in de cassette en druk het uiteinde op zijn plaats.
2. Houd de oranje hendel vast en druk de nietcassette terug in de houder tot hij vastklikt.
3. Sluit de voorklep van de extra uitvoerbak.
De toneropvangbak vervangen
OPGELET: Voordat u een van de volgende procedures uitvoert, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in de bij het product geleverde Productinformatiegids.
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPMERKING: Er zijn ook video-instructies beschikbaar, in de Onderhoudsgids.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
Klik op Start® Uitvoeren en typ vervolgens D:\MaintenanceGuide\MaintenanceGuide.exe (waarbij D
de letter van het cd-station is). Klik vervolgens op OK.
Een toneropvangbak verwijderen
1. Controleer of de printer niet actief is en open de voorklep.
2. Haak een vinger over de top van de toneropvangbak en trek hem naar u toe.
3. Pak de toneropvangbak met de andere hand vast zoals getoond in de illustratie en trek hem uit de printer.
VOORZICHTIG: Let op dat u de toneropvangbak niet laat vallen tijdens het verwijderen.
VOORZICHTIG: Raak na het verwijderen van de toneropvangbak de in de illustratie getoonde onderdelen niet aan. U
kunt vlekken op uw handen krijgen van toner.
OPMERKING: Wees voorzichtig dat u geen toner morst bij het hanteren van de toneropvangbak.
4. Plaats de gebruikte toneropvangbak in het plastic zakje dat bij de nieuwe toneropvangbak zat en sluit het zakje af.
Een toneropvangbak installeren
1. Plaats de nieuwe toneropvangbak in de sleuf en druk erop tot hij niet verder kan.
2. Sluit de voorklep.
De binnenkant van de printer reinigen
Om aantasting van de afdrukkwaliteit als gevolg van vlekken aan de binnenkant van de printer te voorkomen, moet u de
printer regelmatig met de reinigingsstaaf reinigen, telkens als u een drumcartridge vervangt.
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
1. Controleer of de printer niet actief is en open de voorklep.
2. Neem de reinigingsstaaf uit de achterzijde van de voorklep.
3. Steek de reinigingsstaaf in een van de vier gaten tot hij binnen in de printer vast klikt, zoals hieronder geïllustreerd, en
trek hem er weer uit.
4. Herhaal stap 3 bij de andere drie gaten.
5. Berg de reinigingsstaaf weer op zijn vaste plek op.
6. Sluit de voorklep.
De CTD-sensor (Conductivity Temperature Depth) reinigen
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
VOORZICHTIG: Zorg dat er niets in aanraking komt met of krassen maakt op het oppervlak (de zwarte folie) van de
riemeenheid. Krassen, vuil of vettige vingerafdrukken op de folie van de riemeenheid kunnen de afdrukkwaliteit
aantasten.
VOORZICHTIG: Bescherm de drumcartridges tegen overmatige blootstelling aan fel licht; sluit de binnenklep binnen
vijf minuten. Als de voorklep langer dan vijf minuten open blijft staan, kan dat de afdrukkwaliteit aantasten.
1. Zet de printer uit.
2. Zet de grendel van de klep aan de rechterkant omhoog en open de klep.
OPMERKING: De riemeenheid kan alleen worden vervangen als de klep aan de rechterkant open staat.
OPMERKING: Ga bij het openen van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de
voorklep.
3. Open de voorklep.
4. Draai de vergrendelhendels van de binnenklep om hem te openen.
5. Pak de handgreep aan de voorkant van de riemeenheid vast.
6. Trek de riemeenheid eruit tot de lijn op de eenheid volledig in het zicht is.
7. Pak de handgrepen aan de bovenkant van de riemeenheid vast. Trek aan de eenheid tot ze uit de printer komt.
VOORZICHTIG: Houd de in de illustratie getoonde onderdelen niet vast.
8. Schuif de blauwe lip vijf keer heen en weer.
9. Pak de handgrepen aan de bovenkant van de riemeenheid vast.
10. Zet de pijlen op de riemeenheid in lijn met de pijlen op de printer.
11. Schuif de eenheid in de printer en stop als de zichtbare lijn bij de printer aankomt.
12. Laat de handgrepen zakken.
13. Druk op de voorkant van de riemeenheid om de riemeenheid in de printer aan te brengen, tot hij niet verder gaat.
14. Sluit de binnenklep.
15. Draai de borghendels om de binnenklep vast te zetten, terwijl u met de andere hand op de klep drukt.
16. Sluit de voorklep.
17. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
Kleurregistratie instellen
Ga als volgt te werk om de kleurregistratie in te stellen wanneer u de printer voor het eerst installeert of wanneer u de printer
hebt verplaatst.
Het Kleurregistratieschema afdrukken
Bij gebruik van het operatorpaneel
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop
totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat Onderhoud is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Druk op de knop
totdat Kleurreg-instel is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Druk op de knop
totdat Kleurreg schema is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
Het kleurregistratieschema wordt afgedrukt.
Bij gebruik van de Dell Printer Configuration Web Tool
1. Voer het IP-adres van uw printer in de web-browser in.
Als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool moet starten, raadpleegt u "Dell Printer Configuration Web
Tool".
De Dell Printer Configuration Tool wordt geopend.
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Kleurregistratie-instelling.
De pagina Kleurregistratie-instelling verschijnt.
5. Klik op de knop Starten op Kleurreg schema.
Het kleurregistratieschema wordt afgedrukt.
6. Stel alle rechte lijnen in op 0. Het afdrukvoorbeeld van vóór en na de aanpassing helpt.
OPGELET: Na het afdrukken van het kleurregistratieschema mag u de printer pas uitschakelen als de
printermotor is gestopt.
OPMERKING: Als de rechtste lijn niet perfect uitlijnt met 0, bepaalt u een waarde en stelt u de kleur opnieuw bij.
Waarden bepalen
Aan de hand van de strepen rechts van het patroon Y (Geel), M (Magenta) en C (Cyaan) kunt u de waarden van de rechtste
lijnen aflezen.
OPMERKING: U kunt ook de meest verzadigde kleuren van het strepenpatroon gebruiken om de rechtste lijnen te
vinden. De meest verzadigde kleuren zijn die naast de rechtste lijnen. Als 0 de waarde is die het dichtst bij de rechtste
lijn komt, hoeft u de kleurregistratie niet bij te stellen. Als de waarde niet 0 is, volgt u de aanwijzingen onder "Waarden
invoeren".
Waarden invoeren
Bij gebruik van het operatorpaneel
Via het operatorpaneel voert u de waarden in die u hebt gevonden in het kleurregistratieschema voor bijstelling.
1. Druk op de knop Menu.
2. Druk op de knop totdat het Beheermenu is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
3. Druk op de knop
totdat Onderhoud is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
4. Druk op de knop
totdat Kleurreg-instel is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
5. Druk op de knop
totdat Nummer invoeren is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
Het eerste cijfer van Nummer invoeren (voor LY, LM en LC) wordt gemarkeerd.
6. Druk op
of totdat u de waarde bereikt (bijvoorbeeld +3) die wordt aangegeven in het schema.
7. Druk eenmaal op de knop
tot de volgende waarde wordt gemarkeerd.
Nadat alle waarden zijn ingevoerd, drukt u op de knop
(SET).
Het eerste cijfer van Nummer invoeren (voor RY, RM en RC) wordt gemarkeerd.
8. Herhaal stap 6
en druk vervolgens eenmaal op de knop tot de volgende waarde wordt gemarkeerd.
Na invoering van alle waarden drukt u op de knop
(SET).
9. Druk op de knop
totdat Kleurreg schema is gemarkeerd en druk dan op de knop (SET).
Het kleurregistratieschema wordt afgedrukt met de nieuwe waarden.
10. De kleurregistratie-instelling is voltooid wanneer de rechtste Y (Geel), M (Magenta) en C (Cyaan) lijnen naast de 0-lijn
staan.
Bij gebruik van de Dellâ„¢ Printer Configuration Web Tool
1. Voer het IP-adres van uw printer in de web-browser in.
Als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool moet starten, raadpleegt u "Dell Printer Configuration Web
Tool".
De Dell Printer Configuration Tool wordt geopend.
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Kleurregistratie-instelling.
De pagina Kleurregistratie-instelling verschijnt.
5. Selecteer respectievelijk de waarde met de rechte lijn en klik vervolgens op de knop Nieuwe instellingen toepassen.
6. Klik op de knop Starten op Kleurreg schema.
Het kleurregistratieschema wordt afgedrukt.
7. Stel alle rechte lijnen in op 0. Het afdrukvoorbeeld van vóór en na de aanpassing helpt.
OPGELET: Na het afdrukken van het kleurregistratieschema mag u de printer pas uitschakelen als de
printermotor is gestopt.
OPMERKING: Als de rechtste lijn niet perfect uitlijnt met 0, bepaalt u een waarde en stelt u de kleur opnieuw bij.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Opties verwijderen
De 550 veldocumentinvoer verwijderen
De 1100 papierinvoerlade verwijderen
Een extra uitvoerbak verwijderen
Een geheugen verwijderen
Een harde schijf verwijderen
De draadloze adapter verwijderen
Als de printer moet worden verplaatst of de printer en de optionele accessoires voor het verwerken van afdrukmedia moeten
worden vervoerd naar een nieuwe locatie, moeten alle optionele accessoires voor de verwerking van afdrukmedia van de
printer worden verwijderd. Pak voor het vervoeren de printer en de optionele accessoires voor de verwerking van afdrukmedia
goed in, zodat ze niet beschadigen.
De 550 veldocumentinvoer verwijderen
OPGELET: Als u de 550 documentinvoer verwijdert, is het belangrijk dat u de printer uitzet, de stekker uit
het stopcontact trekt en alle kabels aan de achterzijde van de printer loskoppelt, voordat u deze taken
uitvoert.
1. Zet de printer uit en trek de stekker uit het stopcontact. Koppel daarna alle kabels aan de achterzijde van de printer
los.
2. Trek de lade zo ver mogelijk uit de printer. Houd de papierlade met beide handen vast, til de voorkant wat omhoog, en
trek de lade uit de printer.
3. Verwijder het plastic gedeelte en de twee schroeven die bij de invoerlade horen met behulp van een munt of een
soortgelijk voorwerp.
4. Draai de twee schroeven waarmee de printer en de documentinvoeren aan elkaar zitten uit met behulp van een
muntstuk of een soortgelijk voorwerp.
5. Til de printer voorzichtig van de lademodule af en plaats hem op een vlak oppervlak.
OPGELET: Ga voorzichtig te werk, til de printer met drie mensen op.
6. Schuif de papierlade in de printer en druk de lade zover mogelijk aan.
7. Sluit alle kabels, ook het netsnoer, weer aan op de achterzijde van de printer en zet de printer aan.
De 1100 papierinvoerlade verwijderen
OPGELET: Als u de 1100 papierinvoerlade verwijdert, is het belangrijk dat u de printer uitzet, de stekker
uit het stopcontact trekt en alle kabels aan de achterzijde van de printer loskoppelt, voordat u deze taken
uitvoert.
1. Zet de printer uit en trek de stekker uit het stopcontact. Koppel daarna alle kabels aan de achterzijde van de printer
los.
2. Vergrendel de remmen van de twee zwenkwielen vooraan de optionele 1100 papierinvoerlade.
OPGELET: Als u de remmen niet vergrendelt, kan de printer onverwacht in beweging komen en letsel
veroorzaken.
OPMERKING: Om het vergrendelen gemakkelijker en veiliger uit te kunnen voeren, laat u de remmen van de twee
zwenkwielen naar voren wijzen door de 1100 papierinvoerlade naar achteren te duwen.
3. Trek de lade zo ver mogelijk uit de printer. Houd de papierlade met beide handen vast, til de voorkant van de lade wat
omhoog, en trek de lade uit de printer.
4. Verwijder het plastic gedeelte en de langere schroeven die bij de invoerlade horen met behulp van een munt of een
soortgelijk voorwerp.
5. Draai de twee schroeven waarmee de printer en de documentinvoeren aan elkaar zitten uit met behulp van een
muntstuk of een soortgelijk voorwerp.
6. Til de printer voorzichtig van de lademodule af en plaats hem op een vlak oppervlak.
OPGELET: Ga voorzichtig te werk, til de printer met drie mensen op.
7. Schuif de papierlade in de printer en druk de lade zover mogelijk aan.
8. Sluit alle kabels, ook het netsnoer, weer aan op de achterzijde van de printer en zet de printer aan.
Een extra uitvoerbak verwijderen
1. Zet de printer uit.
2. Verwijder lade 1.
3. Open de voorklep.
4. Koppel de kabels en de connector los van het contact.
5. Verwijder connectorkapje 1.
6. Verwijder connectorkapje 2.
7. Koppel de kabels en de connector los van het contact.
8. Koppel het netsnoer los zoals getoond in de illustratie.
9. Verwijder de stapeleenheid.
10. Til de extra uitvoerbak voorzichtig van de printer af.
11. Koppel de kabels los.
12. Verwijder de twee schroeven.
13. Verwijder de beugel.
14. Verwijder de horizontale transporteur van de printer.
15. Breng de middelste uitvoerlade aan.
16. Bevestig de twee onderdelen aan de printer.
17. Sluit de voorklep.
18. Zet lade 1 weer in de oorspronkelijke stand.
Een geheugen verwijderen
1. Kijk of de printer is uitgeschakeld.
2. Draai de schroef in het metalen omhulsel linksom om de klep te openen.
3. Verwijder de bedieningspaneelklep.
4. Druk de twee vergrendelingen aan beide randen van de aansluiting tegelijkertijd in en haal het geheugen omhoog.
5. Houd het geheugen vast en trek het eruit.
6. Plaats de bedieningspaneelklep terug.
7. Sluit de bedieningspaneelklep en draai de schroef rechtsom.
Een harde schijf verwijderen
1. Kijk of de printer is uitgeschakeld.
2. Draai de schroef in het metalen omhulsel linksom om de klep te openen.
3. Verwijder de bedieningspaneelklep.
4. Koppel de kabels van de harde schijf los van de contacten op het bedieningspaneel.
5. Verwijder de linker connector van het bedieningspaneel.
6. Verwijder de harde schijf uit de printer door de haak van de harde schijf los te zetten.
7. Plaats de bedieningspaneelklep terug.
8. Sluit de bedieningspaneelklep en draai de schroef rechtsom.
De draadloze adapter verwijderen
1. Zet de printer uit en trek de stekker uit het stopcontact. Koppel daarna alle kabels aan de achterzijde van de printer
los.
2. Draai de schroef in het metalen omhulsel linksom om de klep te openen.
3. Verwijder de bedieningspaneelklep.
4. Verwijder de draadloze adapter uit de printer door de haak van de adapter los te maken uit de onderzijde van de
aansluiting.
5. Steek het kapje in de aansluiting van de draadloze adapter.
6. Plaats de bedieningspaneelklep terug.
7. Sluit de bedieningspaneelklep en draai de schroef rechtsom.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Papierstoringen verhelpen
Papierstoringen voorkomen
De plaats van een papierstoring bepalen
Vastgelopen papier verwijderen uit de MPF
Vastgelopen papier verwijderen uit de standaardlade
Vastgelopen papier verwijderen uit de fuser
Vastgelopen papier verwijderen uit de duplexer
Vastgelopen papier verwijderen uit de optionele invoer
Vastgelopen papier verwijderen uit de extra uitvoerbak
Vastlopen van het papier is meestal te voorkomen door keuze van de juiste afdrukmedia en zorgvuldig inleggen daarvan. Zie
"Richtlijnen afdrukmedia
" voor nadere informatie.
OPMERKING: U wordt geadviseerd een monster van printmedia te proberen voordat u er grote hoeveelheden van
aanschaft.
Papierstoringen voorkomen
Gebruik alleen de aanbevolen afdrukmedia. Zie "Richtlijnen afdrukmedia" voor nadere inlichtingen.
Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen en optionele laden" en "Afdrukmedia inleggen in de MPF" voor de
juiste wijze van papierinleg.
Leg niet te veel afdrukmedia in de laden. Het is belangrijk dat de stapel afdrukmedia niet hoger komt dan de
maximumhoogte die wordt aangeduid door de labels en streepjes in de laden.
Leg geen gekreukelde, gevouwen, vochtige of omgekrulde afdrukmedia in de laden.
Buig en waaier de afdrukmedia los en maak een nette stapel voordat u deze inlegt. Als de afdrukmedia vastlopen,
probeer ze dan vel voor vel in te voeren via de multifunctionele invoer (MPF).
Gebruik geen afdrukmedia die u zelf hebt bijgeknipt of afgesneden.
Gebruik niet afdrukmedia van verschillende formaten, gewichten of soorten in dezelfde papierstapel.
Let er bij het inleggen van de afdrukmedia op dat de aanbevolen afdrukkant boven ligt. Bij de MPF moeten de vellen
met de aanbevolen afdrukkant omlaag liggen.
Bewaar uw afdrukmedia op een plaats waar ze in goede staat blijven. Zie "Opslag van afdrukmedia" voor nadere
inlichtingen.
Verwijder de invoerlade niet tijdens het afdrukken.
Duw alle laden na het vullen stevig op hun plaats.
Controleer of alle kabels voor de printeraansluitingen juist en stevig zijn aangesloten.
Als de geleiders te stevig zijn aangedrukt, kan het papier vastlopen.
Veeg de invoerrollen in de papierladen of MPF schoon met een doek die u wat vochtig hebt gemaakt met water, als er
vaak papier vastloopt.
De plaats van een papierstoring bepalen
De volgende afbeelding laat zien waar in de printer afdrukmedia kan vastlopen.
OPGELET: Gebruik geen gereedschap of instrumenten om vastgelopen papier te verwijderen. De printer zou
daardoor permanent beschadigd kunnen worden.
1 Fuser
2 Duplexer
3 Voorklep
4 MPF
5 550 documentinvoer (optioneel)
6 Lade 1
Vastgelopen papier verwijderen uit de MPF
OPMERKING: Het foutbericht dat verschijnt in het operatorpaneel, verdwijnt als u alle vastgelopen afdrukmedia uit de
printer hebt verwijderd.
1. Verwijder eventueel op de MPF gelegd of in de MPF vastgelopen papier.
2. Sluit de MPF.
3. Zet de grendel op het handvat van de klep aan de rechterkant omhoog om de klep te openen.
4. Verwijder eventuele stukken papier die in de MPF zijn vastgelopen.
5. Licht de duplexer op aan het handvat.
6. Verwijder eventuele achtergebleven stukken papier.
7. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
Vastgelopen papier verwijderen uit de standaardlade
OPMERKING: Het foutbericht dat verschijnt in het operatorpaneel, verdwijnt als u alle vastgelopen afdrukmedia uit de
printer hebt verwijderd.
1. Zet de grendel op het handvat van de klep aan de rechterkant omhoog om de klep te openen.
2. Verwijder het vastgelopen papier.
3. Licht de duplexer op aan het handvat.
4. Verwijder eventuele achtergebleven stukken papier.
5. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
6. Verwijder lade 1 uit de printer.
7. Verwijder alle het gekreukte en/of vastzittende papier uit lade 1.
8. Plaats lade 1 weer in de printer.
Vastgelopen papier verwijderen uit de fuser
OPGELET: Voordat u één van de volgende handelingen verricht, leest en volgt u eerst de
veiligheidsvoorschriften in uw Productinformatiegids.
OPGELET: Vermijd elektrische schokken: schakel eerst de printer uit en trek de stekker uit het geaarde
stopcontact alvorens u enig onderhoud gaat verrichten.
OPMERKING: De Onderhoudsgids bevat tevens video-instructies.
De Onderhoudsgids is opgenomen op de bij de printer geleverde cd Stuurprogramma's en hulpprogramma's.
OPGELET: Voorkom brandwonden. Verwijder vastgelopen papier niet direct nadat u hebt afgedrukt. De
fuser wordt bijzonder heet tijdens gebruik.
OPMERKING: Het foutbericht dat verschijnt in het operatorpaneel, verdwijnt als u alle vastgelopen afdrukmedia uit de
printer hebt verwijderd.
1. Zet de grendel op het handvat van de klep aan de rechterkant omhoog om de klep te openen.
2. Houd de lip vast en druk hem omlaag om het binnengedeelte te openen.
OPGELET: Wees voorzichtig dat u de fuser niet aanraakt. U kunt er uw vingers aan branden.
3. Verwijder het vastgelopen papier.
4. Breng het binnengedeelte weer aan.
5. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
Vastgelopen papier verwijderen uit de duplexer
OPMERKING: Het foutbericht dat verschijnt in het operatorpaneel, verdwijnt als u alle vastgelopen afdrukmedia uit de
printer hebt verwijderd.
1. Open de klep aan de rechterkant.
2. Licht de duplexer op aan het handvat.
3. Verwijder eventueel aanwezig papier uit de duplexer.
4. Sluit de klep aan de rechterkant.
OPMERKING: Voor het sluiten van de klep aan de rechterkant zet u uw hand in de buurt van de handgreep, zoals
getoond in de illustratie, waarna u het deksel stevig richting de printer drukt.
OPMERKING: Ga bij het sluiten van de rechterklep recht voor de klep aan de rechterkant staan, niet voor de voorklep.
Vastgelopen papier verwijderen uit de optionele invoer
OPMERKING: Het foutbericht dat verschijnt in het operatorpaneel, verdwijnt als u alle vastgelopen afdrukmedia uit de
printer hebt verwijderd.
1. Open de rechterklep van de optionele invoerlade waarin het papier is vastgelopen.
2. Verwijder het vastgelopen papier.
3. Sluit de klep aan de rechterkant van de optionele invoer.
4. Verwijder de lade uit dezelfde invoer.
5. Verwijder alle het gekreukte en/of vastzittende papier uit de invoer.
6. Plaats de invoer weer in de printer.
Vastgelopen papier verwijderen uit de extra uitvoerbak
Vastgelopen papier verwijderen uit de binnenkant van de extra
uitvoerbak
OPMERKING: Het foutbericht dat verschijnt in het operatorpaneel, verdwijnt als u alle vastgelopen afdrukmedia uit de
printer hebt verwijderd.
1. Controleer of de printer niet actief is en open de voorklep van de extra uitvoerbak.
2. Draai de draaiknop rechtsom en verwijder het vastgelopen papier uit de papieruitvoer van de extra uitvoerbak.
VOORZICHTIG: Als de papierstoringsmelding niet verdwijnt, doet u nogmaals hetzelfde.
3. Sluit de voorklep van de extra uitvoerbak.
4. Als de papierstoringsmelding niet verdwijnt, voert u stap 1 en stap 2 nogmaals uit.
5. Sluit de voorklep van de extra uitvoerbak.
Vastgelopen papier verwijderen uit de horizontale transporteur
OPMERKING: Het foutbericht dat verschijnt in het operatorpaneel, verdwijnt als u alle vastgelopen afdrukmedia uit de
printer hebt verwijderd.
1. Pak de handgreep van de bovenklep van de extra uitvoerbak vast en open de klep.
2. Verwijder het vastgelopen papier.
3. Sluit de bovenklep van de extra uitvoerbak.
Vastgelopen nietjes verwijderen uit de extra uitvoerbak
1. Controleer of de printer niet actief is en open de voorklep van de extra uitvoerbak.
2. Pak de oranje hendel op de nietcassette vast en trek de cassette eruit.
3. Kijk of er nog nietjes in de extra uitvoerbak zitten.
4. Licht het metalen gedeelte van de nietcassette op.
5. Verwijder eventueel in de nietcassette vastgelopen nietjes.
6. Sluit het metalen gedeelte.
7. Pak de oranje hendel op de nietcassette vast en druk de cassette in de printer tot hij vastklikt.
8. Sluit de voorklep van de extra uitvoerbak.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Problemen oplossen
Simpele problemen met de printer
Weergaveproblemen
Afdrukproblemen
Problemen met afdrukkwaliteit
Papier loopt vast of lijnt niet goed uit
Ongewoon geluid
Probleem met digitaal certificaat
Problemen met geïnstalleerde optionele accessoires
Overige problemen
Contact opnemen met klantenservice
Simpele problemen met de printer
Sommige problemen met de printer kunt u zelf vrij eenvoudig verhelpen. Als zich een probleem voordoet met uw printer,
controleer dan de volgende punten:
Is het netsnoer stevig aangesloten op de printer en op een goed geaard stopcontact?
Is de printer aangezet?
Is de stroomvoorziening niet onderbroken door een schakelaar of een gesprongen zekering?
Werkt andere elektrische apparatuur die is aangesloten op hetzelfde stopcontact wel naar behoren?
Zijn alle opties goed geïnstalleerd?
Als na controle van alle bovenstaande punten het probleem nog steeds bestaat, schakelt u de printer uit, wacht u 10
seconden en schakelt u de printer weer in. Daarmee wordt het probleem vaak verholpen.
Weergaveproblemen
Probleem Oplossing
Nadat de printer is aangezet, verschijnt niets op het
operatorpaneel, blijft Even geduld... op de display,
of gaat de schermverlichting niet branden.
Zet de printer uit, wacht 10 seconden en zet de printer
weer aan.
Een zelftestbericht verschijnt op het operatorpaneel.
Wanneer de test is voltooid, wordt Afdrukgereed
aangegeven.
De menu-instellingen die zijn gewijzigd via het
operatorpaneel werken niet.
Instellingen in uw softwareprogramma, het printerstuurprogramma
of de printerhulpprogramma's krijgen voorrang boven de
instellingen die worden gemaakt via het operatorpaneel.
Wijzig de menu-instellingen vanuit het
printerstuurprogramma, de printerhulpprogramma's of het
softwareprogramma, in plaats van op het operatorpaneel.
Afdrukproblemen
Probleem Oplossing
Er wordt niets afgedrukt, of
onjuiste tekens.
Kijk of Afdrukgereed verschijnt in het operatorpaneel voordat u een afdruktaak naar de
printer stuurt. Druk op de knop Menu als u wilt terugkeren naar Afdrukgereed.
Kijk of er wel afdrukmedia in de printer is geplaatst. Druk op de knop Menu als u wilt
terugkeren naar Afdrukgereed.
Controleer of de printer staat ingesteld op de juiste pagina-beschrijvingstaal (PDL).
Controleer of u het juiste printerstuurprogramma gebruikt.
Controleer of u de juiste Ethernet- of USB-kabel, parallelle kabel of draadloze adapter
gebruikt en of die stevig is aangesloten op de printer.
Controleer of het juiste afdrukmediaformaat is geselecteerd.
Controleer, als u een printerspooler gebruikt, of de spooler niet is vastgelopen.
Controleer de printer-interface via het Beheermenu.
Bepaal welk host-interface u gebruikt. Druk een paneel-instellingenpagina af om te zien of
de huidige interface-instellingen juist zijn. Raadpleeg "Een pagina met paneelinstellingen
afdrukken" voor nadere bijzonderheden over hoe u een pagina voor paneelinstellingen kunt
afdrukken.
Afdrukmedia worden niet
goed ingevoerd of een aantal
enveloppen worden tegelijk
ingevoerd.
Controleer of de gebruikte afdrukmedia voldoen aan de specificaties voor uw printer. Zie
"Identificatie van afdrukmedia en specificaties
" voor nadere informatie.
Buig een stapel afdrukmedia heen en weer voor dat u deze in één van de papierbronnen
legt.
Kijk of de afdrukmedia goed zijn ingelegd.
Kijk of de breedte- en lengtegeleiders in de afdrukmediabronnen juist zijn afgesteld.
Kijk of de laden goed zijn aangebracht.
Plaats niet te veel papier in de invoeren.
Forceer bij het inleggen de afdrukmedia niet in multifunctionele invoer (MPF); anders kunnen
er vellen scheef of dubbelgevouwen worden ingevoerd.
Verwijder gekrulde afdrukmedia uit de papierbronnen.
Let op dat de afdrukmedia in de juiste richting en met de juiste kant boven zijn ingelegd.
Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen en optionele laden
" voor nadere informatie.
Leg de afdrukmedia andersom of ondersteboven en druk nogmaals af, om te zien of de
invoer dan beter gaat.
Gebruik niet verschillende afdrukmedia door elkaar.
Gebruik niet afdrukmedia uit verschillende pakken door elkaar.
Verwijder het bovenste en het onderste gekrulde vel van een pak afdrukmedia, vóór u het
papier inlegt.
Leg alleen afdrukmedia in een lade wanneer deze leeg is.
Veeg de scheidingsrollen in de papierladen of MPF schoon met een zachte doek, die u
vochtig hebt gemaakt met water.
Een envelop wordt niet
goed ingevoerd of een aantal
enveloppen worden tegelijk
ingevoerd.
Verminder het aantal enveloppen op de stapel.
De pagina's worden beëindigd
op onverwachte plaatsen.
Verhoog de instelling voor Time-out in het menu Printerinstellingen in de Dell Printer
Configuration Web Tool.
De taak wordt afgedrukt uit
Controleer de
Papiersoort
in het menu
Lade-instellingen
op het operatorpaneel van de
de verkeerde papierbron of
op de verkeerde afdrukmedia.
printer en in het printerstuurprogramma.
De afdrukmedia worden niet
netjes opgestapeld in de
uitvoerbak.
Leg de stapel afdrukmedia andersom in de papierlade of de MPF.
De printer drukt
niet tweezijdig af.
Kijk of 2-zijdig wel is geselecteerd, zowel in het menu PCL (Printer Control Language) op
het operatorpaneel van de printer als in het printerstuurprogramma.
Controleer of er voldoende afdrukgeheugen is geïnstalleerd.
Papier is gekruld in de laden. Voer het papier in via de MPF.
Problemen met afdrukkwaliteit
OPMERKING: Zie "Begrip van de printermenu's" en "Dell Printer Configuration Web Tool" voor informatie over het
gebruik van het operatorpaneel en Dell Printer Configuration Web Tool.
De uitvoer is te licht.
Oplossing Ja Nee
1 Kijk of de hele pagina te licht is gedrukt.
Ga naar
bewerking
2.
Ga naar
bewerking
8.
2
Misschien zijn de tonercassettes bijna leeg of aan vervanging toe. Controleer hoeveel
toner er nog in de tonercassettes zit.
1. Controleer het tonerniveau in het tabblad Status in de Statusmonitor.
2. Vervang de tonercassettes als dat nodig is.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
3
Als u tonercassettes gebruikt die niet van het merk Dell zijn, schakelt u de optie Geen Dell-
toner in.
1. Start de Dell Printer Configuration Web Tool door het IP-adres van de printer in uw
web-browser in te voeren. (Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
" als u niet weet
hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool moet starten.)
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Geen Dell-toner.
5. Zorg dat het keuzevakje Aan niet is geselecteerd.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking
4.
4
Zet de Tonerspaarmodus uit in het printerstuurprogramma.
1. Op het tabblad Geavanceerd dient u te zorgen dat het Tonerspaarmodus niet is
geselecteerd.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking
5.
5
Het afdrukmediaoppervlak kan ongelijkmatig zijn. Probeer of het helpt de instelling Papiersoort
in het printerstuurprogramma te wijzigen. Wijzig bijvoorbeeld normaal papier in normaal dik
papier.
1. Wijzig de instelling Papiersoort op het tabblad Papier/uitvoer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking
6.
6
Controleer of de juiste afdrukmedia worden gebruikt. Zie "Ondersteunde papierformaten
". Als het
niet het geval is, gebruik dan de afdrukmedia die worden aanbevolen voor de printer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking
7.
7
Controleer of de acht gele linten goed uit de drumcartridges zijn verwijderd.
Zie "De drumcartridges vervangen
". Verwijder de linten als dat niet geval is.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking
9.
8
Reing de binnenkant van de printer met de reinigingsstaaf. Zie "De binnenkant van de printer
reinigen".
1. Nadat het reinigen is voltooid start u de Werkset. In "Begrip van de printersoftware
"
vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte. Het Configuratiegrafiek
tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking
9.
9
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt. Zie "De drumcartridges vervangen
".
1. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de Werkset. In "Begrip van de
printersoftware" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte. Het Configuratiegrafiek
tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem
contact
op met
Dell.
De toner vlekt of de afdruk laat los.
Oplossing Ja Nee
1
Kijk of de envelophendel van de printer omhoog staat, terwijl u op gewoon
papier afdrukt.
Als dat het geval is, zet u hem om naar de stand voor gewoon papier.
Zie "Een envelop inleggen in de MPF
" voor nadere inlichtingen over het
wijzigen van de stand.
Vervolgens verhoogt u de fixeertemperatuur door de waarde van Fuser
instellen van de Dell Configuration Web Tool te verhogen.
OPMERKING: Als u de optionele extra uitvoerbak gebruikt, kijk dan of de
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
hendel van de extra uitvoerbak omlaag is getrokken (normale stand).
Zie "Afdrukmedia laden" voor nadere inlichtingen over het wijzigen van de
stand.
Is het probleem hiermee opgelost?
2
Het afdrukmediaoppervlak kan ongelijkmatig zijn. Probeer of het helpt de
instelling Papiersoort in het printerstuurprogramma te wijzigen. Wijzig
bijvoorbeeld normaal papier in normaal dik papier.
1. Wijzig de instelling Papiersoort op het tabblad Papier/uitvoer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
3
Controleer of de juiste afdrukmedia worden gebruikt. Zie "Ondersteunde
papierformaten". Als het niet het geval is, gebruik dan de afdrukmedia die
worden aanbevolen voor de printer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
4.
4
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de Werkset. In
"Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek 4 kleuren. Het
Configuratiegrafiek 4 kleuren wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
(De gebruikte drumcartridge is
beschadigd. Vervang hem.)
Ga naar
bewerking
5.
5
Vervang de fuser als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de fuser. Zie "De fuser vervangen
".
2. Nadat u de fuser hebt vervangen start u de Werkset. In "Begrip van
de printersoftware" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
(De gebruikte fuser is
beschadigd. Vervang hem.)
Neem
contact
op met
Dell.
Her en der vlekken/onscherpe afbeeldingen
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of de tonercartridges correct zijn geplaatst. Zie
"Printerhardware voorbereiden
".
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
2
Controleer of de drumcartridges correct zijn geplaatst. Zie "Een
drumcartridge installeren".
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
Is het probleem hiermee opgelost?
3
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
De gehele uitvoer is blanco.
Oplossing Ja Nee
1
Misschien zijn de tonercassettes bijna leeg of aan vervanging toe. Controleer
hoeveel toner er nog in de tonercassettes zit.
1. Controleer het tonerniveau in het tabblad Status in de Statusmonitor.
2. Vervang de tonercassettes als dat nodig is.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
2
Als u tonercassettes gebruikt die niet van het merk Dell zijn, schakelt u de optie
Geen Dell-toner in.
1. Start de Dell Printer Configuration Web Tool door het IP-adres van de
printer in uw web-browser in te voeren. (Zie "Dell Printer Configuration
Web Tool" als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool
moet starten.)
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Geen Dell-toner.
5. Zorg dat het keuzevakje Aan niet is geselecteerd.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
3
Zet de Tonerspaarmodus uit in het printerstuurprogramma.
1. Op het tabblad Geavanceerd dient u te zorgen dat het
Tonerspaarmodus niet is geselecteerd.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
4.
4
Het afdrukmediaoppervlak kan ongelijkmatig zijn. Probeer of het helpt de
instelling Papiersoort in het printerstuurprogramma te wijzigen. Wijzig
bijvoorbeeld normaal papier in normaal dik papier.
1. Wijzig de instelling Papiersoort op het tabblad Papier/uitvoer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
5.
5
Controleer of de juiste afdrukmedia worden gebruikt. Zie "Ondersteunde
papierformaten". Als het niet het geval is, gebruik dan de afdrukmedia die
worden aanbevolen voor de printer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
6.
6
Controleer of de acht gele linten goed uit de drumcartridge zijn verwijderd.
Zie "De drumcartridges vervangen
". Verwijder de linten als dat niet geval is.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
7.
7
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de Werkset. In "Begrip
van de printersoftware" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratieschema 4 kleuren.
Het configuratieschema 4 kleuren wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
(De gebruikte
drumcartridge is
beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact
op met
Dell.
Er lopen strepen over de uitvoer.
Oplossing Ja Nee
1
Misschien zijn de tonercassettes bijna leeg of aan vervanging toe. Controleer
hoeveel toner er nog in de tonercassettes zit.
1. Controleer het tonerniveau in het tabblad Status in de Statusmonitor.
2. Vervang de tonercassettes als dat nodig is.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
2
Als u tonercassettes gebruikt die niet van het merk Dell zijn, schakelt u de optie
Geen Dell-toner in.
1. Start de Dell Printer Configuration Web Tool door het IP-adres van de
printer in uw web-browser in te voeren. (Zie "Dell Printer Configuration
Web Tool" als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool
moet starten.)
2. Selecteer Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Geen Dell-toner.
5. Zorg dat het keuzevakje Aan niet is geselecteerd.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
3
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de Werkset. In "Begrip
van de printersoftware" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
De taak is voltooid.
(De gebruikte
drumcartridge is
Neem
contact
op met
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratieschema 4 kleuren.
Het configuratieschema 4 kleuren wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
beschadigd. Vervang
hem.)
Dell.
Een deel of de gehele uitvoer is zwart.
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of de tonercartridges correct zijn geplaatst. Zie
"Printerhardware voorbereiden
".
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
2
Zorg dat de Uitvoerkleur is ingesteld op Kleur (Auto) in het
printerstuurprogramma.
1. Op het tabblad Grafieken dient u ervoor te zorgen dat het
Uitvoerkleur is ingesteld op Kleur (Auto).
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
3
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratieschema 4 kleuren.
Het configuratieschema 4 kleuren wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Gekleurde stippen
Oplossing Ja Nee
1
Probeer de oorzaak van het probleem te vinden met behulp van het
Configuratiegrafiek tekenbreedte.
1. Start Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start. De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
4. Vergelijk de kleurstippen op uw uitvoer met die op het
Configuratieschema tekenbreedte en probeer de oorzaak
van het probleem op te sporen.
Is de oorzaak van het probleem gevonden?
Ga verder met de oplossing die
overeenkomt met de locatie van
het probleem:
Drumcartridge - 2
Fuser - 3
Riemeenheid - 4
Neem
contact op
met Dell.
2
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de Werkset.
In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd.
Vervang hem.)
Neem
contact op
met Dell.
3
Vervang de fuser als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de fuser. Zie "De fuser vervangen
".
2. Nadat u de fuser hebt vervangen start u de Werkset. In "Begrip
van de printersoftware" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
fuser is beschadigd. Vervang hem.)
Neem
contact op
met Dell.
4
Vervang de riemeenheid als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de riemeenheid. Zie "De riemeenheid vervangen
".
2. Nadat u de riemeenheid hebt vervangen start u de Werkset. In
"Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
riemeenheid is beschadigd.
Vervang hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Verticale blanco strepen
Oplossing Ja Nee
1
Reing de binnenkant van de printer met de reinigingsstaaf.
1. Nadat het reinigen is voltooid start u de Werkset. In
"Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset
start.
De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
8.
2
Controleer of het lichtpad niet is afgedekt.
1. Verwijder de drumcartridge en bewaar deze op een donkere
plaats. Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Controleer het lichtpad en verwijder de afdekking.
3. Plaats de drumcartridge weer.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
4. Start Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u
hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
5. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
6. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
3
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Ghosting
Oplossing Ja Nee
1
Probeer de oorzaak van het probleem te vinden met behulp van
het Configuratiegrafiek ghost.
1. Start Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u
hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop Configuratiegrafiek ghost.
Het Configuratiegrafiek ghost wordt afgedrukt.
Is het type ghosting vastgesteld?
Ga verder met de oplossing die
overeenkomt met het type ghosting.
Positieve ghost - 2a
Negatieve ghost - 2b
Neem
contact op
met Dell.
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u De taak is voltooid. (De gebruikte Neem
2a Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratieschema ghost.
Het configuratieschema ghost wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
contact op
met Dell.
2b
Als u niet afdrukmedia gebruikt die voor de printer worden
aanbevolen, stap dan over op de afdrukmedia die worden
aanbevolen.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
actie 2a.
Lichtzwakte
Oplossing Ja Nee
1
Ga na of het afdrukprobleem onder de categorie lichtzwakte valt.
1. Start Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u
hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Valt het afdrukprobleem onder de categorie lichtzwakte?
Ga naar bewerking 2.
Neem
contact op
met Dell.
2
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Mist
Oplossing Ja Nee
1
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratieschema 4 kleuren.
Het configuratieschema 4 kleuren wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Bead-Carry-Out (BCO)
Oplossing Ja Nee
1
Stel de hoogte van de locatie in, als de printer op grote hoogte is geïnstalleerd.
1. Start de Dell Printer Configuration Web Tool door het IP-adres van de
printer in uw web-browser in te voeren. (Zie "Dell Printer Configuration
Web Tool" als u niet weet hoe u de Dell Printer Configuration Web Tool
moet starten.)
2. Als de Dell Printer Configuration Web Tool is gestart, selecteert u
Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Klik op Hoogte instellen op het tabblad Printeronderhoud.
5. Selecteer de waarde die ongeveer de hoogte aanduidt van de locatie waar
de printer is geïnstalleerd.
Is het probleem opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
2
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de Werkset. In "Begrip
van de printersoftware" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratieschema 4 kleuren.
De taak is voltooid.
(De gebruikte
drumcartridge is
beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact
op met
Dell.
Het configuratieschema 4 kleuren wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
Hoekige tekens
Oplossing Ja Nee
1
Zet de Afdrukmodus op Hoge kwaliteit in het printerstuurprogramma.
1. Selecteer op het tabblad Grafieken Hoge kwaliteit bij Afdrukmodus.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak
is
voltooid.
Ga naar
bewerking 2.
2
Stel Bitmaptekst bijwerken in in het printerstuurprogramma.
1. Stel op het tabblad Geavanceerd Bitmaptekst bijwerken bij Items in op Aan.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak
is
voltooid.
Ga naar
bewerking 3.
3
Bij gebruik van een gedownload lettertype is het belangrijk dat het lettertype een aanbevolen
lettertype is voor de printer, het besturingssysteem en de toepassing die wordt gebruikt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak
is
voltooid.
Neem
contact op
met Dell.
Banden
Oplossing Ja Nee
1
Probeer de oorzaak van het probleem te vinden met behulp van
het MQ-schema.
1. Start Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u
hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop MQ-schema.
Het MQ-schema wordt afgedrukt.
Is de oorzaak van het probleem gevonden?
Ga verder met de oplossing die
overeenkomt met de locatie van het
probleem:
Drumcartridge - 2
Fuser - 3
Riemeenheid - 4
-
2
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop MQ-schema.
Het MQ-schema wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
3
Vervang de fuser als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de fuser. Zie "De fuser vervangen
".
2. Nadat u de fuser hebt vervangen start u de Werkset. In
"Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset
start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop MQ-schema.
Het MQ-schema wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
fuser is beschadigd. Vervang hem.)
Neem
contact op
met Dell.
4
Vervang de riemeenheid als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de riemeenheid. Zie "De riemeenheid vervangen
".
2. Nadat u de riemeenheid hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Neem
contact op
met Dell.
'Auger'-markering
Oplossing Ja Nee
1
Ga na of het afdrukprobleem onder de categorie auger-markering
valt.
1. Start Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u
hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
2. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
3. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Ga naar bewerking 2.
Neem
contact op
met Dell.
Valt het afdrukprobleem onder de categorie auger-markering?
2
Misschien zijn de tonercassettes bijna leeg of aan vervanging toe.
Controleer hoeveel toner er nog in de tonercassettes zit.
1. Controleer het tonerniveau in het tabblad Status in de
Statusmonitor.
2. Vervang de tonercassettes als dat nodig is.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
3.
3
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de drumcartridge.
Zie "De drumcartridges vervangen
".
2. Nadat u de drumcartridge hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Gekreukt/gevlekt papier
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of de juiste afdrukmedia worden gebruikt. Zie
"Ondersteunde papierformaten
". Als het niet het geval is,
gebruik dan de afdrukmedia die worden aanbevolen voor
de printer, en voer nog een proefafdruk uit van
het document.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga verder met de oplossing die
overeenkomt met de soort
afdrukmedia.
Normaal papier - 2
Envelop - 4
2
Kijk of de envelophendel van de printer omhoog staat
terwijl u op gewoon papier afdrukt, en voer nog een
proefafdruk van het document uit.
OPMERKING: Als u de optionele extra uitvoerbak
gebruikt, kijk dan of de hendel van de extra uitvoerbak
omlaag is getrokken (normale stand).
Zie "Afdrukmedia laden
" voor nadere inlichtingen over het
wijzigen van de stand.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. Ga naar bewerking 3.
3
Als u niet afdrukmedia gebruikt die voor de printer worden
aanbevolen, stap dan over op de afdrukmedia die worden
aanbevolen en voer nog een proefafdruk van het document
uit.
Is het probleem hiermee opgelost?
De door u gebruikte
afdrukmedia worden
niet ondersteund.
Gebruik andere.
Neem contact op met Dell.
4
Kijk of de envelophendel van de printer omlaag staat
terwijl u op enveloppen afdrukt, en voer nog een
proefafdruk van het document uit.
OPMERKING: Als u de optionele extra uitvoerbak
gebruikt, kijk dan of de hendel van de extra uitvoerbak
omhoog is getrokken (enveloppenstand).
Zie "Afdrukmedia laden
" voor nadere inlichtingen over het
wijzigen van de stand.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. Ga naar bewerking 5.
5
Als u een niet-aanbevolen envelop gebruikt, probeer het
dan nogmaals, ditmaal met een aanbevolen envelop.
Is het probleem hiermee opgelost?
De door u gebruikte
enveloppen worden niet
ondersteund. Gebruik
andere.
Ga naar bewerking 6.
6
Kijk of de kreuk zich voordeed binnen het vierkant met een
rand die 30 mm binnen de vier zijden van de envelop ligt.
De kreuk deed zich
voor binnen het
toegestane gebied. U
kunt dezelfde envelop
blijven gebruiken.
Ga naar bewerking 7.
7
Vervang de envelop en probeer het opnieuw.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. Neem contact op met Dell.
8
Als de kreuk zich voordeed in de flap van de envelop, ga
dan na in welke soort lade de envelop aanvankelijk wordt
gelegd. Is het de MPF?
Ga naar bewerking 9.
(Lade 1)
Ga naar bewerking 11.
9
Druk op de envelop om achtergebleven lucht eruit te
drukken.
Is het probleem nu minder of helemaal verholpen?
De taak is voltooid. Ga naar bewerking 10.
10
Voer de envelop in via lade 1.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. Ga naar bewerking 11.
11
Vervang de envelop en probeer het vervolgens opnieuw.
Is het probleem nu minder of helemaal verholpen?
De taak is voltooid.
Het verschijnen van kreukels
in de flap van enveloppen wijst
niet op een printerdefect. U kunt
de printer zonder problemen
gebruiken.
Schade aan de voorrand van het papier
Oplossing Ja Nee
1
Als u de MPF gebruikt, keer het papier dan om en probeer het opnieuw.
Als u een van de laden 1 t/m 5 gebruikt, verwissel het papier dan en probeer
het opnieuw.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
(MPF)
Ga naar bewerking 2.
(Lade 1 t/m 5)
Neem contact op met
Dell.
2
Vervang het papier en probeer het vervolgens opnieuw.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 3.
3
Gebruik een van de laden 1 t/m 5 in plaats van de MPF.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met
Dell.
Papier loopt vast of lijnt niet goed uit
OPMERKING: Enkele van de volgende Werkset-procedures kunt u uitvoeren op het operatorpaneel of met Dell Printer
Configuration Web Tool. Zie "Begrip van de printermenu's
" en "Dell Printer Configuration Web Tool" voor informatie
over het gebruik van het operatorpaneel en Dell Printer Configuration Web Tool.
De bovenmarge is incorrect
Oplossing Ja Nee
1
Zorg dat de marge goed is ingesteld op de toepassing die wordt
gebruikt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 2.
2
Corrigeer in de Klant modus de parameter S-S-richting KtoP.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met
Dell.
De zijmarge is incorrect
Oplossing Ja Nee
1
Zorg dat de marge goed is ingesteld op de toepassing die
wordt gebruikt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
De lade waar het probleem zich
voordeed was:
MPF: Ga naar actie 2a.
Andere: Ga naar actie 2b.
2a
Controleer of de papiergeleiders correct zijn geplaatst.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
2b
Controleer of de papiergeleiders correct zijn geplaatst.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3b.
3a
Corrigeer in de Klant modus de parameter F-S-richting van
de MPF.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met Dell.
3b
Corrigeer in de Klant modus de parameter F-S-richting van
de lade.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met Dell.
De kleurregistratie is verschoven
Oplossing Ja Nee
1
Stel de instellingen van de papiersoort in het printerstuurprogramma af op het papier in de lade.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak
is
voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
2
Voer automatische kleurregistratie-instelling uit.
1. Start de Dell Printer Configuration Web Tool door het IP-adres van de printer in uw
web-browser in te voeren. (Zie "Dell Printer Configuration Web Tool
" als u niet weet hoe u
de Dell Printer Configuration Web Tool moet starten.)
2. Als de Dell Printer Configuration Web Tool is gestart, selecteert u Printerinstellingen.
3. Klik op het tabblad Printeronderhoud.
4. Selecteer Instellingen kleurregistratie.
5. Selecteer Automatische correctie en klik vervolgens op Starten.
6. Bekijk het door de printer uitgevoerde rapport.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak
is
voltooid.
Ga naar
actie 3a.
3a
Vervang de drumcassette als u een reserve-exemplaar hebt. Zie "Printerhardware voorbereiden
".
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak
is
voltooid.
Neem
contact
op met
Dell.
3b
Druk het kleurregistratieconfiguratiegrafiek af en corrigeer handmatig de kleurregistratie.
1. Klik op de pagina Registratie-instelling op de knop Kleurreg schema.
Het kleurregistratieconfiguratiegrafiek wordt afgedrukt.
2. Kijk naar de offset-waarden in de grafiek en voer deze in in Nummer invoeren.
Zie "De binnenkant van de printer reinigen
" voor nadere gegevens.
3. Klik op de knop Nieuwe instellingen toepassen.
4. Klik op de knop Kleurreg schema als u het kleurregistratieconfiguratiegrafiek opnieuw
wilt afdrukken.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak
is
voltooid.
Neem
contact
op met
Dell.
Afbeeldingen staan scheef
Oplossing Ja Nee
1
Stel de papiergeleiders correct af.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 2.
2
Installeer de riemeenheid volgens de voorgeschreven procedure. Zie "Een
riemeenheid installeren".
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met
Dell.
Vastgelopen papier door verkeerde invoer lade 1
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of lade 1 goed is ingebracht.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga verder met de actie die overeenkomt met het type
afdrukmedia dat wordt gebruikt:
Dik - 2a
Dun - 2b
Gecoat - 2c
Envelop - 2d
Etiketpapier - 2e
Transparanten - 2f
Handmatig Dup - 2g
Andere - 2h
2a
Gebruik dik papier van 216 g/m
2
of minder.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
2b
Gebruik dun papier van 60 g/m
2
of meer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
2c
Plaats één vel gecoat papier tegelijk op de MPF.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3b.
2d
Corrigeer de positie van de flap van de envelop.
Zie "Afdrukmedia laden
".
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3c.
2e
Maak de stapel etiketpapier 49 mm dik of dunner.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 2g.
2f
Maak de stapel transparanten 12 mm dik
of dunner.
De taak is
Ga naar actie 3a.
Is het probleem hiermee opgelost?
voltooid.
2g
Controleer of de afdrukmedia niet zijn opgekruld.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
2h
Zijn de afdrukmedia vochtig?
Zo ja, keert u de media om en probeert u het
opnieuw.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4a.
3a
Waaier de afdrukmedia uit.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3b.
3b
Veeg de scheidingsrollen in lade 1 schoon met
een met water bevochtigde doek.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met Dell.
3c
Druk op de envelop om achtergebleven lucht eruit
te drukken.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3d.
3d
Strijk de envelop glad als er oneffenheden
in zitten.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4b.
4a
Gebruik afdrukmedia die niet vochtig zijn.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
4b
Verminder het aantal ingelegde enveloppen.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4c.
4c
Vervang de envelop en probeer het vervolgens
opnieuw.
Is het probleem nu minder of helemaal
verholpen?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3b.
Vastgelopen papier door verkeerde invoer MPF
Oplossing Ja Nee
1
Ga verder met de actie die overeenkomt met het type afdrukmedia dat
wordt gebruikt:
Dik - 2a
Dun - 2b
Gecoat - 2c
Envelop - 2d
handmatig Dup - 2e
Andere - 2f
- -
2a
Gebruik dik papier van 216 g/m
2
of minder.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
2b
Gebruik dun papier van 60 g/m
2
of meer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
2c
Plaats één vel gecoat papier tegelijk.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3b.
2d
Corrigeer de positie van de flap van de envelop. Zie "Afdrukmedia laden
".
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3c.
2e
Controleer of de afdrukmedia niet zijn opgekruld.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
2f
Zijn de afdrukmedia vochtig?
Zo ja, keert u de media om en probeert u het opnieuw.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4a.
3a
Waaier de afdrukmedia uit.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3b.
3b
Veeg de scheidingsrollen in de MPF schoon met een met water bevochtigde
doek.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met
Dell.
3c
Druk op de envelop om achtergebleven lucht eruit te drukken.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3d.
3d
Strijk de envelop glad als er oneffenheden in zitten.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4b.
4a
Gebruik afdrukmedia die niet vochtig zijn.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3a.
4b
Verminder het aantal ingelegde enveloppen.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4c.
4c
Vervang de envelop en probeer het vervolgens opnieuw.
Is het probleem nu minder of helemaal verholpen?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 3b.
Vastgelopen papier door verkeerde invoer optionele lade
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of de lade goed is ingebracht.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 2.
2
Controleer of de klep aan de rechterkant gesloten
is.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga verder met de actie die overeenkomt met het type
afdrukmedia dat wordt gebruikt:
Dik - 3a
Dun - 3b
Handmatig Dup - 3c
Andere - 3d
3a
Gebruik dik papier van 216 g/m
2
of minder.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4a.
3b
Gebruik dun papier van 60 g/m
2
of meer.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4a.
3c
Controleer of de afdrukmedia niet zijn opgekruld.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4a.
3d Zijn de afdrukmedia vochtig?
Ga naar
actie 4c.
Ga naar bewerking 5.
4a
Waaier de afdrukmedia uit.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4b.
4b
Veeg de scheidingsrollen in de lade schoon
met een met water bevochtigde doek.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met Dell.
4c
Draai de afdrukmedia om.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4a.
5
Gebruik afdrukmedia die niet vochtig zijn.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 4a.
Registerstoring (storing met uitgangssensor aan)
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of de fuser goed is ingesteld.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking 2.
2
Vervang de fuser als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de fuser. Zie "De fuser vervangen
".
2. Nadat u de fuser hebt vervangen start u de Werkset. In
"Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset
start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
fuser is beschadigd. Vervang hem.)
Ga naar
bewerking 3.
3
Controleer of de overdraagrol correct is geplaatst.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking 4.
4
Vervang de overdraagrol als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de overdraagrol. Zie "De overdraagrol vervangen
".
2. Nadat u de overdraagrol hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
overdraagrol is beschadigd. Vervang
hem.)
Ga naar
bewerking 5.
5
Controleer of de riemeenheid correct is geplaatst.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking 6.
Vervang de riemeenheid als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de riemeenheid.
6
Zie "De riemeenheid vervangen".
2. Nadat u de riemeenheid hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u
Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
riemeenheid is beschadigd. Vervang
hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Uitgangsstoring (storing met uitgangssensor uit)
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of de fuser juist is geïnstalleerd.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid.
Ga naar
bewerking
2.
2
Vervang de fuser als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de fuser. Zie "De fuser vervangen
".
2. Nadat u de fuser hebt vervangen start u de Werkset. In
"Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
fuser is beschadigd. Vervang hem.)
Ga naar
bewerking
3.
Vastgelopen papier door invoer meerdere bladen lade 1/optionele lade
Oplossing Ja Nee
1
Controleer of de lade waar de invoer van meerdere bladen zich
voordeed correct is geplaatst.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar actie 2 bij gebruik van gecoat
papier.
Bij gebruik van een ander type
afdrukmedia gaat u naar actie 3.
2
Plaats één vel gecoat papier tegelijk op de MPF.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 4.
3
Gebruik afdrukmedia die niet vochtig zijn.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 4.
4
Waaier de afdrukmedia uit.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 5.
5
Veeg de scheidingsrollen in de lade waar de fout zich voordeed
schoon met een met water bevochtigde doek.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 6.
6
Vervang de scheidingsrollen in de lade waar de fout zich voordeed
als u over een reserve-exemplaar beschikt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met Dell.
Vastgelopen papier door invoer meerdere bladen MPF
Oplossing Ja Nee
1
Kijk welke mediasoort u gebruikt.
Ga naar actie 2 bij gebruik van gecoat papier.
Bij gebruik van een ander type afdrukmedia gaat u naar actie 3.
- -
2
Gebruik afdrukmedia die niet vochtig zijn.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 3.
3
Waaier de afdrukmedia uit.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 4.
4
Veeg de scheidingsrollen in de MPF schoon met een met water bevochtigde
doek.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 5.
5
Vervang de scheidingsrollen in de MPF als u een reserve-exemplaar hebt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met
Dell.
Ongewoon geluid
Oplossing Ja Nee
1
Voer de automatische registratie-instelling uit om te bepalen
wat de oorzaak is van het ongewone geluid.
Blijft het ongewone geluid aanwezig?
Ga naar bewerking 2.
Ga naar
bewerking
3.
2
Vervang de riemeenheid als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de riemeenheid.
Zie "De riemeenheid vervangen
".
2. Nadat u de riemeenheid hebt vervangen start u de
Werkset. In "Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe
u Werkset start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het Configuratiegrafiek tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
riemeenheid is beschadigd. Vervang
hem.)
Ga naar
bewerking
4.
3
Vervang de fuser als u een reserve-exemplaar hebt.
1. Vervang de fuser. Zie "De fuser vervangen
".
2. Nadat u de fuser hebt vervangen, start u de Werkset. In
"Begrip van de printersoftware
" vindt u hoe u Werkset
start.
De Werkset wordt geopend.
3. Selecteer Grafiekafdruk in de lijst links.
4. Klik op de knop Configuratiegrafiek tekenbreedte.
Het configuratieschema tekenbreedte wordt afgedrukt.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte fuser
is beschadigd. Vervang hem.)
Ga naar
actie 7.
4
Vervang de opvangbak.
De taak is voltooid. (De gebruikte
Ga naar
bewerking
Is het probleem hiermee opgelost?
opvangbak is beschadigd. Vervang hem.)
5.
5
Vervang de drumcartridge (K).
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge (K) is beschadigd.
Vervang hem.)
Ga naar
bewerking
6.
6
Vervang de drumcartridge (YMC).
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is voltooid. (De gebruikte
drumcartridge (YMC) is beschadigd.
Vervang hem.)
Neem
contact op
met Dell.
7
Vervang de tonercartridge (K).
Zie "De tonercartridges vervangen
".
De taak is voltooid. (De gebruikte
tonercartridge (K) is beschadigd.
Vervang hem.)
Ga naar
bewerking
8.
8
Vervang de tonercartridge (Y).
Zie "De tonercartridges vervangen
".
De taak is voltooid. (De gebruikte
tonercartridge (Y) is beschadigd.
Vervang hem.)
Ga naar
bewerking
9.
9
Vervang de tonercartridge (M).
Zie "De tonercartridges vervangen
".
De taak is voltooid. (De gebruikte
tonercartridge (M) is beschadigd.
Vervang hem.)
Ga naar
bewerking
10.
10
Vervang de tonercartridge (C).
Zie "De tonercartridges vervangen
".
De taak is voltooid. (De gebruikte
tonercartridge (C) is beschadigd.
Vervang hem.)
Neem
contact op
met Dell.
Probleem met digitaal certificaat
Symptoom Oorzaak Oplossing
De instelling
Communicatie tussen
LDAP - SSL/TLS en de
knop Ondertekend
certificaat uploaden
worden niet
weergegeven.
Er is geen gecodeerde harde schijf aangesloten.
Controleer of de harde schijf goed is
aangesloten en ga
na of Gegevenscodering
is ingeschakeld via het
operatorpaneel of EWS.
De importeerknop
voor certificaten is
niet bruikbaar.
De SSL-communicatie is uitgeschakeld.
Maak een zelfondertekend certificaat
aan en schakel SSL in.
De knop
Certificaatgegevens
is niet bruikbaar.
Het certificaat kan
niet worden
geïmporteerd.
De tijdinstelling is onjuist.
Controleer de geldigheidsperiode van
het certificaat en de tijdinstelling van
het apparaat.
Het certificaatbestand is onjuist.
Controleer of het wachtwoord correct
is.
Ga na of het bestandstype
PKCS#7/#12 is of x509CACert
(extensie: p7b/p12/pfx/cer/crt).
Ga na of de attribuutgegevens
(sleutelgebruik/uitgebreid
sleutelgebruik) van het te importeren
certificaat correct is ingesteld.
De browser is onjuist. Gebruik Internet Explorer.
016-404 wordt
weergegeven als u de
codering van de
harde schijf op UIT
zet.
De harde schijf wordt geformatteerd en de
certificaatgegevens worden verwijderd als u de codering van
de harde schijf op UIT zet. Aangezien een certificaat vereist
is en de beveiligingsfunctie niet kan worden uitgeschakeld als
het apparaat daarna opnieuw wordt gestart, wordt 016-404
weergegeven en moet de beveiligingsinstelling worden
geïnitialiseerd. De oorzaak is hetzelfde als u de harde schijf
formatteert of verwijdert.
Na het initialiseren importeert u het
certificaat en schakelt u de
beveiligingsinstellingen weer in. De
bewerking is hetzelfde wanneer u de
harde schijf formatteert.
016-404 wordt
weergegeven
wanneer u de harde
schijf formatteert.
Beveiliging wordt op
UIT gezet als u de
codering van de
harde schijf op UIT
zet.
Beveiliging wordt op
UIT gezet wanneer
u de harde schijf
formatteert.
Een certificaat wordt
verwijderd als u de
codering van de
harde schijf op UIT
zet.
Een certificaat wordt
verwijderd wanneer
u de harde schijf
formatteert.
Een certificaat kan
neit worden ingesteld
met
"Certificaatgegevens".
De geldigheidsperiode is ongeldig.
De geldigheidsperiode van het
certificaat is ongeldig. Ga na of de
tijdsinstelling van het apparaat
correct is, en of de geldigheidsperiode
van het certificaat is verlopen.
Het geldigheidspad is ongeldig.
De certificaatketen (padverificatie)
van het geïmporteerde certificaat
wordt mogelijk niet correct
gevalideerd. Ga na of alle certificaten
met hoog niveau
(Vertrouwd/Tussenliggend)
zijn geïmporteerd en niet
zijn verwijderd, en of de
geldigheidsperiode niet is verlopen.
Er is wel een
certificaat
geïmporteerd, maar
het wordt niet
weergegeven als ik
het selecteer met
"Lokaal apparaat".
Het certificaat is van het verkeerde type.
Als u een certificaat wilt importeren
voor gebruik met het apparaat (eigen
apparaat), importeert u de geheime
sleutel en een certificaat in de
indeling PKCS#12 (p12/pfx) als één
stel.
De servervalidatie
werkt niet naar
behoren.
De certificaatketen is onjuist bij het importeren.
Al wordt een rootcertificaat
(Vertrouwd) geïmporteerd ten
behoeve van de serververificatie, er
kan een Tussenliggend certificaat
vereist zijn bij het valideren van het
pad.
Maak bij het uitvoeren van
een certificaatbestand bij de
certificeringsinstantie het certificaat
aan met een indeling waarin alle
paden zijn opgenomen en importeer
vervolgens dat certificaat.
Digitale handtekening
kan niet worden
geselecteerd met de
Het certificaat kan niet worden gekoppeld.
Het certificaat is niet geïmporteerd of
het certificaat is niet gekoppeld voor
gebruik met Digitale handtekening
van IPsec. Zie "Het certificaat
instellen op de digitale
instelling IPsec. handtekeningmodus IPsec" voor het
instellen van een certificaat van
Ipsec.
Problemen met geïnstalleerde optionele accessoires
Als een optionele accessoire na het installeren niet goed werkt of stopt met werken:
Zet de printer uit, wacht 10 seconden en zet dan de printer weer aan. Als het probleem daarmee niet verholpen is,
trekt u de stekker uit het stopcontact en controleert u de aansluiting tussen de optie en de printer.
Druk de pagina met printerinstellingen af om te zien of de optie wordt vermeld in de lijst van geïnstalleerde opties. Een
als optie niet wordt vermeld, moet deze opnieuw worden geïnstalleerd. Zie "Een pagina met printerinstellingen
afdrukken".
Zorg dat het printerstuurprogramma is bijgewerkt met de optie die u wilt gebruiken.
Zorg dat de optie is geselecteerd in het printerstuurprogramma dat u gebruikt.
De volgende tabel geeft een overzicht van de als optie verkrijgbare accessoires voor de printer en de oplossingen voor
problemen die zich kunnen voordoen. Bel onze klantenservice als de gegeven oplossing niet het gewenste effect heeft.
Probleem Oplossing
550
Papierinvoer
Controleer of de 550 documentinvoer goed op de printer is aangesloten. Installeer de documentinvoer
opnieuw. Zie "De 550 veldocumentinvoer verwijderen
" en "Een 550 documentinvoer installeren".
Kijk of de afdrukmedia goed zijn ingelegd. Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen
en optionele laden" voor nadere informatie.
1100
Papierinvoer
Controleer of de 1100 papierinvoerlade goed op de printer is aangesloten. Installeer de documentinvoer
opnieuw. Zie "De 1100 papierinvoerlade verwijderen
" en "Een 1100 papierinvoerlade installeren".
Kijk of de afdrukmedia goed zijn ingelegd. Zie "Afdrukmedia inleggen in de standaardladen
en optionele laden" voor nadere informatie.
Geheugen Controleer of het geheugen stevig is aangesloten op de geheugenconnector.
Harde schijf Controleer of de harde schijf stevig in de juiste gleuf is bevestigd.
Draadloze
adapter
Controleer of de draadloze adapter stevig in de juiste gleuf is bevestigd.
Extra
uitvoerbak
Controleer of de extra uitvoerbak stevig in de juiste gleuf is bevestigd.
Als zich een probleem voordoet met de extra uitvoerbak, loopt u de volgende oplossingen na:
Storing samenvoeging bij uitgang SENSOR AAN
Oplossing Ja Nee
1
Let op dat het papier op de juiste wijze in de papierlade wordt gelegd.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 2.
2
Kijk of de afdrukmedia vervormd zijn.
Als ze vervormd zijn, vervangt u ze door niet vervormde afdrukmedia.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 3.
Kijk of de afdrukmedia gekruld zijn.
3 Strijk de afdrukmedia glad en leg ze weer in.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 4.
4
Verwijder de afdrukmedia die zijn achtergebleven in de horizontale
transporteur.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar bewerking 5.
5
Veeg de scheidingsrollen in lade 1 schoon met een met water bevochtigde
doek.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met
Dell.
Storing samenvoeging bij uitgang SENSOR UIT
Oplossing Ja Nee
1
Verwijder de afdrukmedia die zijn achtergebleven in de horizontale
transporteur.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op met
Dell.
Storing setuitvoer
Oplossing Ja Nee
1
Als u niet afdrukmedia gebruikt die voor de printer worden aanbevolen, stap dan over
op de afdrukmedia die worden aanbevolen.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking 2.
2
Controleer of de afdrukmedia op de bak de uitvoersleuf versperren.
Verwijder de afdrukmedia van de bak.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking 3.
3
Kijk of de afdrukmedia gekruld zijn.
Strijk de afdrukmedia glad en leg ze weer in.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Ga naar
bewerking 4.
4
Veeg de scheidingsrollen in lade 1 schoon met een met water bevochtigde doek.
Is het probleem hiermee opgelost?
De taak is
voltooid.
Neem contact op
met Dell.
Overige problemen
Probleem Oplossing
Er is vocht in
de printer
gecondenseerd.
Dit kan zich in de winter voordoen binnen enkele uren nadat u de ruimte gaat verwarmen. Dit komt
ook voor wanneer u de printer gebruikt op een plaats met een relatieve luchtvochtigheid van 85% of
hoger. Verminder de luchtvochtigheid of verplaats de printer naar een minder vochtige omgeving.
Contact opnemen met klantenservice
Wanneer u telefonische hulp inroept, is het belangrijk dat u precies het probleem kunt beschrijven of de foutmelding kunt
doorgeven die op het scherm verschijnt.
Bovendien zult u het modelnummer en het serienummer van uw printer moeten kunnen doorgeven. Zie het etiket dat zich aan
de binnenkant van de zijklep van uw printer bevindt.
Terug naar inhoud pagina
Terug naar inhoud pagina
Appendix
Dell-beleid technische ondersteuning
Garantie en retourzendingsbeleid
Contact opnemen met Dell
Dell-beleid technische ondersteuning
Technische ondersteuning door onderhoudstechnici vereist de medewerking en participatie van de klant in het proces van
probleemoplossing, en bestaat uit het herstellen van het besturingssysteem, software-programma en hardware-
stuurprogramma's in hun oorspronkelijke configuratie zoals bij aflevering door Dell, en ook de verificatie van de juiste werking
van de printer en alle door Dell geïnstalleerde apparatuur. Naast deze technische hulp door onderhoudstechnici is er online-
ondersteuning beschikbaar via Dell Support. Aanvullende opties voor technische ondersteuning kunnen tegen betaling
verkrijgbaar zijn.
Dell biedt beperkte technische ondersteuning voor de printer en alle door Dell geïnstalleerde software en randapparatuur. Voor
ondersteuning van software en randapparatuur van andere merken kunt u terecht bij de fabrikant daarvan. Dit geldt tevens
voor onderdelen die zijn aangeschaft bij en/of geïnstalleerd door Software & Peripherals (DellWare), ReadyWare en Custom
Factory Integration (CFI/DellPlus).
Online-diensten
U kunt meer te weten komen over Dell-producten en -diensten op de volgende websites:
www.dell.com
www.dell.com/ap (alleen voor landen in Azië/Pacifisch gebied)
www.dell.com/jp
(alleen Japan)
www.euro.dell.com
(alleen Europa)
www.dell.com/la
(landen in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied)
www.dell.ca
(alleen Canada)
U krijgt via de volgende websites en e-mailadressen toegang tot Dell-ondersteuning:
Dell-ondersteuningswebsites
support.dell.com
E-mailadressen Dell-ondersteuning
la-[email protected] (alleen landen in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied)
[email protected] (alleen voor landen in Azië/Pacifisch gebied)
E-mailadressen Dell-marketing en -verkoop
[email protected] (alleen voor landen in Azië/Pacifisch gebied)
[email protected] (alleen Canada)
Anoniem bestandsoverdrachtsprotocol (FTP)
ftp.dell.com
Meld u aan als gebruiker: anonymous, en gebruik uw e-mailadres als uw wachtwoord.
Garantie en retourzendingsbeleid
Dell Computer Corporation ("Dell") vervaardigd alle apparatuur uit onderdelen en componenten die nieuw zijn of equivalent
aan nieuw, in overeenstemming met de industriële standaardpraktijk. Nadere informatie over de Dell-garantie voor uw printer
vindt u op support.dell.com
.
Kringloopinformatie
Klanten wordt geadviseerd hun gebruikte computerhardware, monitors, printers en andere randapparatuur op een
milieuvriendelijke manier af te voeren. Mogelijke methoden zijn onder andere hergebruik van producten of delen hiervan en
het recyclen van producten, componenten en/of materialen.
Specifieke informatie over de wereldwijde recyclingprogramma's van Dell vindt u op www.dell.com/recyclingworldwide
.
Contact opnemen met Dell
Klanten in de Verenigde Staten bellen 800-WWW-Dell (800-999-3355).
OPMERKING: Als u niet over een werkende internetverbinding beschikt, kunt u contactgegevens vinden op uw
aankoopbewijs, pakbon, factuur of in de Dell-catalogus.
Dell biedt diverse opties voor ondersteuning en service online en via de telefoon. Beschikbaarheid varieert per land en product
en sommige diensten zijn mogelijk niet beschikbaar in uw regio. Als u contact wilt opnemen met Dell voor zaken als verkoop,
technische ondersteuning of klantenservice:
1. Ga naar support.dell.com.
2. Kies uw land of regio in het vervolgkeuzemenu Choose A Country/Region onderaan de pagina.
3. Klik op Contact opnemen links op de pagina.
4. Selecteer de service of ondersteuning die u nodig hebt.
5. Kies de methode om contact op te nemen met Dell die u het best uitkomt.
Terug naar inhoud pagina
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298
  • Page 299 299
  • Page 300 300
  • Page 301 301
  • Page 302 302
  • Page 303 303
  • Page 304 304
  • Page 305 305
  • Page 306 306
  • Page 307 307
  • Page 308 308
  • Page 309 309
  • Page 310 310
  • Page 311 311
  • Page 312 312
  • Page 313 313
  • Page 314 314
  • Page 315 315
  • Page 316 316
  • Page 317 317
  • Page 318 318
  • Page 319 319
  • Page 320 320
  • Page 321 321
  • Page 322 322
  • Page 323 323
  • Page 324 324
  • Page 325 325
  • Page 326 326
  • Page 327 327
  • Page 328 328
  • Page 329 329
  • Page 330 330
  • Page 331 331
  • Page 332 332
  • Page 333 333
  • Page 334 334
  • Page 335 335
  • Page 336 336
  • Page 337 337
  • Page 338 338
  • Page 339 339
  • Page 340 340
  • Page 341 341
  • Page 342 342
  • Page 343 343
  • Page 344 344
  • Page 345 345
  • Page 346 346
  • Page 347 347
  • Page 348 348
  • Page 349 349
  • Page 350 350
  • Page 351 351
  • Page 352 352
  • Page 353 353
  • Page 354 354
  • Page 355 355
  • Page 356 356
  • Page 357 357
  • Page 358 358
  • Page 359 359
  • Page 360 360
  • Page 361 361
  • Page 362 362
  • Page 363 363
  • Page 364 364
  • Page 365 365
  • Page 366 366
  • Page 367 367
  • Page 368 368
  • Page 369 369
  • Page 370 370
  • Page 371 371
  • Page 372 372
  • Page 373 373
  • Page 374 374
  • Page 375 375
  • Page 376 376
  • Page 377 377
  • Page 378 378
  • Page 379 379
  • Page 380 380
  • Page 381 381
  • Page 382 382
  • Page 383 383
  • Page 384 384
  • Page 385 385
  • Page 386 386
  • Page 387 387
  • Page 388 388
  • Page 389 389
  • Page 390 390
  • Page 391 391
  • Page 392 392
  • Page 393 393
  • Page 394 394
  • Page 395 395
  • Page 396 396
  • Page 397 397
  • Page 398 398
  • Page 399 399
  • Page 400 400
  • Page 401 401
  • Page 402 402
  • Page 403 403
  • Page 404 404
  • Page 405 405
  • Page 406 406
  • Page 407 407
  • Page 408 408
  • Page 409 409
  • Page 410 410
  • Page 411 411
  • Page 412 412
  • Page 413 413
  • Page 414 414
  • Page 415 415
  • Page 416 416
  • Page 417 417
  • Page 418 418
  • Page 419 419
  • Page 420 420
  • Page 421 421
  • Page 422 422
  • Page 423 423
  • Page 424 424
  • Page 425 425
  • Page 426 426
  • Page 427 427
  • Page 428 428
  • Page 429 429
  • Page 430 430
  • Page 431 431
  • Page 432 432
  • Page 433 433
  • Page 434 434
  • Page 435 435
  • Page 436 436
  • Page 437 437
  • Page 438 438
  • Page 439 439
  • Page 440 440
  • Page 441 441
  • Page 442 442
  • Page 443 443
  • Page 444 444
  • Page 445 445
  • Page 446 446
  • Page 447 447
  • Page 448 448
  • Page 449 449

Dell 5130cdn Color Laser Printer de handleiding

Type
de handleiding