Renault Alaskan Handleiding

Type
Handleiding
Renault ALASKAN
Instructieboekje
Castrol, exclusieve partner van Renault
Profiteer van de geavanceerde technologie uit de autosport dankzij het speciaal door Renault en Castrol
ontwikkelde assortiment motoroliën dat garant staat voor optimale prestaties en een lange levensduur
van uw Renault.
Aanbevolen door Renault
renault.com
Castrol, exclusieve partner van Renault
Profiteer van de geavanceerde technologie uit de autosport dankzij het speciaal door Renault en Castrol
ontwikkelde assortiment motoroliën dat garant staat voor optimale prestaties en een lange levensduur
van uw Renault.
Aanbevolen door Renault
renault.com
Voorwoord
Deze Gebruiksaanwijzing maakt u wegwijs in het gebruik en onderhoud van uw voertuig, zodat u vele kilometers (mijlen) plezier zult hebben van uw nieuwe aan-
winst. Lees deze Gebruiksaanwijzing zorgvuldig door voordat u met het voertuig gaat rijden.
In het afzonderlijk meegeleverde Service- en Garantieboekje kunt u alle informatie vinden die betrekking heeft op de garantiedekking die van toepassing is op uw
voertuig.
Uw erkende dealer kent uw voertuig het best. Wanneer uw voertuig toe is aan een onderhoudsbeurt of als u vragen heeft, is uw erkende dealer altijd bereid ute
helpen met de meest uitgebreide, beschikbare middelen.
BELANGRIJKE VEILIGHEIDSINFORMATIE!
Houd u aan de volgende belangrijke regels om uzelf en uw passagiers een vei-
lige en verantwoorde rit te garanderen!
Gebruik NOOIT alcohol of drugs in het verkeer.
Houd u ALTIJD aan de aangegeven maximumsnelheid en pas uw snel-
heid aan de verkeersomstandigheden aan.
Houd ALTIJD uw volledige aandacht bij het rijden en vermijd het gebruik
van functies en apparaten die u zouden kunnen afleiden.
Gebruik ALTIJD uw veiligheidsgordel en een geschikt kinderzitje of veilig-
heidssysteem voor kinderen. Laat kinderen altijd op de achterbank zit-
ten.
Licht ALTIJD alle inzittenden in over het juiste gebruik van de veiligheids-
voorzieningen in het voertuig.
Neem ALTIJD deze Gebruiksaanwijzing aandachtig door voor belangrijke
veiligheidsinformatie.
BIJ HET LEZEN VAN DEZE GEBRUIKSAANWIJZING
Deze Gebruiksaanwijzing bevat informatie over alle opties die voor dit model
leverbaar zijn. U kunt dan ook informatie tegenkomen die niet van toepassing is
op uw voertuig.
In deze Gebruiksaanwijzing kan het voorkomen dat sommige afbeeldingen al-
leen de indeling voor modellen met linkse besturing (LHD) tonen. Bij modellen
met rechtse besturing (RHD) kunnen de afgebeelde vorm en plaats van de on-
derdelen mogelijk verschillen.
Alle informatie, specificaties en afbeeldingen in deze Gebruiksaanwijzing zijn
van kracht op het moment van publicatie. RENAULT behoudt zich het recht voor
om op elk moment, zonder kennisgeving vooraf en zonder enige verplichting
wijzigingen door te voeren in specificaties of uitvoering.
WIJZIGINGEN AAN HET VOERTUIG
Er kunnen geen wijzigingen worden doorgevoerd aan dit voertuig zonder reke-
ning te houden met de richtlijnen van RENAULT beschreven in “Bodybuilders
Standards for Assembly, Equipment and Conversion”, speciaal opgesteld voor
dit doel. Alle aangebrachte wijzigingen die de instructies in dat document niet
navolgen kunnen van invloed zijn op het functioneren en de levensduur van het
voertuig. Het niet naleven van deze normen kan bovendien leiden tot veilig-
heidsproblemen en uiteindelijk uitlopen op gerechtelijke vervolging. Schade of
defecten aan het voertuig die het gevolg zijn van wijzigingen worden mogelijk
niet gedekt door de garantie van RENAULT.
EERST LEZEN VOOR VEILIG RIJDEN
Lees deze Gebruiksaanwijzing zorgvuldig door voordat u met de auto gaat rij-
den. Zo leert u eerst de bedieningselementen en de onderhoudsvoorschriften
kennen en zult u het voertuig veilig kunnen besturen.
In deze Gebruiksaanwijzing komen de volgende symbolen en woorden voor:
WAARSCHUWING
Wordt gebruikt om de aanwezigheid van gevaar aan te duiden dat ernstige
persoonlijke, of zelfs dodelijke verwondingen kan veroorzaken. Om dit risico
te vermijden of te verminderen moeten de aangegeven instructies nauw-
keurig worden opgevolgd.
LET OP
Wordt gebruikt om de aanwezigheid van gevaar aan te duiden dat lichte of
matige verwondingen, of beschadigingen aan uw voertuig kan veroorza-
ken. Om dit risico te vermijden of te verminderen moeten de aangegeven
instructies zorgvuldig worden opgevolgd.
OPMERKING
Geeft nuttige aanvullende informatie aan.
Dit symbool betekent “Niet doen” of “Zorg ervoor dat dit niet gebeurt”.
In afbeeldingen geven pijlen zoals hier getoond de voorkant van het voertuig
aan.
In afbeeldingen geven pijlen zoals hier getoond een beweging of een actie aan.
In afbeeldingen geven pijlen zoals hier getoond een specifiek onderdeel in de
afbeelding aan.
[]:
Rechte haakjes worden gebruikt om berichten, toetsen of opties aan te geven
die op het scherm worden weergegeven.
<>:
Punthaakjes worden gebruikt om teksten op bedieningen, zoals knoppen of
schakelaars in of op het voertuig aan te geven.
Airbag waarschuwingsstickers:
“Plaats NOOIT een achterwaarts gericht kinderzitje op een stoel die is beveiligd
met een INGESCHAKELDE AIRBAG, aangezien het KIND hierdoor ERNSTIG of DO-
DELIJK LETSEL kan oplopen.”
Neem de paragraaf “Airbag waarschuwingsstickers” in het hoofdstuk over Vei-
ligheid goed door, als ook de tekst onder “Airbagsticker” aan het einde van deze
Gebruiksaanwijzing.
RIJDEN OP ASFALT EN TERREINRIJDEN (4WD-modellen)
Dit voertuig heeft een ander weggedrag en moet anders worden bestuurd dan
een gewone personenauto, omdat het zwaartepunt hoger ligt. Zoals ook bij
andere voertuigen met dezelfde kenmerken kan een onjuiste bediening ervan
mogelijk leiden tot verlies van controle of een ongeval.
Lees paragraaf Voorzorgsmaatregelen bij het rijden op asfalt en terreinrijden”
en Vierwielaandrijving (4WD)” in hoofdstuk “5. Starten en rijden” in deze Ge-
bruiksaanwijzing.
ACCU/BATTERIJEN AFVOEREN
LET OP
Onjuist afgevoerde accu's en batterijen kunnen schade toebrengen aan het
milieu. Houdt u aan de plaatselijke regelgeving inzake het afvoeren van
accu’s/batterijen.
Voorbeelden van batterijen/accu die in het voertuig aanwezig zijn:
Voertuigaccu
Batterij voor de afstandsbediening (voor afstandsbedieningsleutel- en/of
sleutelloos portieropeningssysteem)
Batterij voor de sensor van het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)
Batterij voor de afstandsbediening (voor het Mobile Entertainment System)
Neem bij twijfel of advies over het afvoeren contact op met de plaatselijke auto-
riteiten of erkende dealer, of met een gekwalificeerd garagebedrijf.
m
Het handelsmerk Bluetooth® is eigendom van Bluetooth
SIG, Inc en in licentie gegeven aan Visteon Corporation.
m
iPod® is een handelsmerk van Apple Inc.
m
Gracenote® en CDDB zijn geregistreerde handelsmerken
van Gracenote, Inc. Het logo en logotype Gracenote,
alsmede het logo “Powered by Gracenote” zijn
handelsmerken van Gracenote.
Inhouds-
opgave
Geïllustreerde inhoudsopgave
0
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend
veiligheidssysteem
1
Instrumenten en bedieningen
2
Alvorens te gaan rijden
3
Display, verwarming en airconditioning, en
audiosysteem
4
Starten en rijden
5
In geval van nood
6
Verzorging van koetswerk en interieur
7
Onderhoud en doe-het-zelf
8
Technische informatie
9
Index
10
0 Geïllustreerde inhoudsopgaveGeïllustreerde inhoudsopgave
Stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend
veiligheidssysteem (SRS)........................................................................ 2
Buitenzijde voor ............................................................................................ 3
Buitenzijde achter ....................................................................................... 4
Passagiersruimte......................................................................................... 5
Bestuurdersplaats....................................................................................... 6
Model met linkse besturing ......................................................... 6
Model met rechtse besturing ..................................................... 7
Dashboard......................................................................................................... 8
Model met linkse besturing ......................................................... 8
Model met rechtse besturing ..................................................... 9
Meters en tellers ........................................................................................... 10
Motorruimte..................................................................................................... 11
M9T 2,3DCI-motor ............................................................................... 11
1. Voorairbags* (P. 1-42)
2. Voorpassagiersairbagschakelaar* (P. 1-51)
3. Raamairbagsysteem* (P. 1-43)
4. Veiligheidsgordels (P. 1-20)
5. Hoofdsteunen (P. 1-18)
6. Bevestigingspunt voor kinderzitjes* (voor
kinderzitjes met top tether-bevestigingsband)
(P. 1-34)
7. Achterbank* (P. 1-17)
8. Zij-airbags* (P. 1-42)
9. Gordelspannersysteem* (P. 1-47)
10. Voorstoelen (P. 1-14)
11. Knie-airbag voor de bestuurder* (P. 1-42)
*: indien aanwezig
NIC2797
STOELEN, VEILIGHEIDSGORDELS EN AANVULLEND VEILIGHEIDS-
SYSTEEM (SRS)
2 Geïllustreerde inhoudsopgave
1. Motorkap (P. 3-113)
2. Ruitenwissers en ruitensproeiers
Schakelaarbediening (P. 2-84)
Wisserblad vervangen (P. 8-285)
Ruitensproeiervloeistof (P. 8-280)
3. Schuifdak*1 (P. 2-92)
4. Ramen (P. 2-87)
5. Dakrail*1 (P. 2-91)
6. Kinderslot op achterportieren*1 (P. 3-101)
7. Portieren
Sleutels (P. 3-98)
Portiersloten (P. 3-100)
Sleutelloos portieropeningssysteem*1
(P. 3-101)
Afstandsbedieningsleutelsysteem*1
(P. 3-103)
Veiligheidssysteem*1 (P. 3-111)
8. Buitenspiegels (P. 3-121)
9. Zijrichtingaanwijzers
Lamp vervangen (P. 8-293)
10. Banden
Banden en wielen (P. 8-296)
Lekke band (P. 6-248)
Specificaties (P. 9-302)
Vierwielaandrijving (4WD)*1 (P. 5-225)
11. Koplampen en richtingaanwijzers
Schakelaarbediening (P. 2-81)
Lamp vervangen (P. 8-290)
12. Koplampreiniger*1
Bediening (P. 2-86)
13. Mistvoorlampen*1 of Dagrijverlichting*1
Schakelaarbediening (P. 2-83, P. 2-82)
Lamp vervangen (P. 8-293)
14. Sleepoog*2 (P. 6-260)
*1: indien aanwezig
*2: De afgebeelde indeling betreft modellen met
rechtse besturing. Bij een model met linkse
besturing zit het sleepoog aan de andere kant.
NIC3080
BUITENZIJDE VOOR
Geïllustreerde inhoudsopgave 3
1. Achterruitverwarming* (P. 2-85)
2. Hooggeplaatst derde remlicht* (P. 5-243)
3. Antenne* (P. 4-152)
4. AdBlue-vulklep (P. 3-115)
5. Achteruitrijcamera*
Achteruitrijcamera* (P. 4-127)
6. Laadbak* (P. 3-116)
7. Combinatielichten achter (lamp vervangen)
(P. 8-293)
8. Kentekenverlichting (lamp vervangen)
(P. 8-293)
9. Parkeersensor (sonar)* (P. 5-239)
*: indien aanwezig
NIC3081
BUITENZIJDE ACHTER
4 Geïllustreerde inhoudsopgave
1. Binnenspiegel (P. 3-120)
2. Zonnebrilhouder (P. 2-90)
3. Microfoon*
Bluetooth® Handsfree telefoonsysteem*
(P. 4-188)
4. Schuifdakschakelaar* (P. 2-92)
5. Kaartleeslampjes (P. 2-94)
6. Zonnekleppen (P. 2-92)
7. Interieurverlichting* (P. 2-95)
8. Leeslampje achterin* (P. 2-96)
9. Consolebox* (P. 2-90)
Aansluitcontact (P. 2-89)
10. Bekerhouders* (P. 2-91)
11. Armsteun op portier
Bedieningen voor elektrische ramen*
(P. 2-87)
Schakelaar centrale portiervergrendeling
(bestuurdersportier)* (P. 3-100)
Schakelaar afstandsbediening elektrische
buitenspiegels (bestuurdersportier)* (P. 3-121)
*: indien aanwezig
NIC2792
PASSAGIERSRUIMTE
Geïllustreerde inhoudsopgave 5
MODEL MET LINKSE BESTURING
1. Schakelaar voor helderheidsregeling
dashboard (P. 2-58)
2. <TRIP RESET>-schakelaar voor dubbele
dagteller (P. 2-72)
3. Schakelaar voor helderheidsregeling
dashboard (P. 2-58)
4. Schakelaar koplampen, mistlampen en
richtingaanwijzers
Koplamp (P. 2-81)
Mistlamp* (P. 2-83)
Richtingaanwijzers (P. 2-83)
5. Dubbele dagteller (P. 2-83)
6. Bedieningen op het stuurwiel* (linkerzijde)
Stuurwielschakelaar voor audiobediening*
(P. 4-186)
Bedieningsschakelaar
voertuiginformatiedisplay* (P. 2-68)
7. Wis-/wasschakelaar (P. 2-84)
8. Bedieningen op het stuurwiel* (rechterzijde)
Cruise controlsysteem* (P. 5-233)
Snelheidsbegrenzersysteem* (P. 5-235)
Schakelaar voor handsfree
telefoonsysteem* (P. 4-188)
9. Schakelhendel
Automatische versnellingsbak (AT) (P. 5-212)
Handgeschakelde versnellingsbak (MT)
(P. 5-215)
10. Hendel verstelbaar stuurwiel* (P. 3-119)
11. Schakelaar openen brandstofvulklep (P. 3-114)
12. Parkeersensorsysteem (sonar) OFF-
schakelaar* (P. 5-239)
Active Emergency Braking-systeem OFF-
schakelaar* (P. 5-229)
Electronic Stability Programme (ESP) OFF-
schakelaar (P. 5-227)
Schakelaar koplampsproeier* (P. 2-86)
Stop/Start OFF-schakelaar* (P. 5-216)
Bediening koplampafstelling* (P. 2-82)
*: indien aanwezig
NIC3089
BESTUURDERSPLAATS
6 Geïllustreerde inhoudsopgave
MODEL MET RECHTSE BESTURING
1. Schakelhendel
Automatische versnellingsbak (AT) (P. 5-212)
Handgeschakelde versnellingsbak (MT)
(P. 5-215)
2. Bedieningen op het stuurwiel* (linkerzijde)
Stuurwielschakelaar voor audiobediening*
(P. 4-186)
Bedieningsschakelaar
voertuiginformatiedisplay* (P. 2-68)
3. Wis-/wasschakelaar (P. 2-84)
4. Bedieningen op het stuurwiel* (rechterzijde)
Cruise controlsysteem* (P. 5-233)
Snelheidsbegrenzersysteem* (P. 5-235)
Schakelaar voor handsfree
telefoonsysteem* (P. 4-188)
5. Schakelaar voor helderheidsregeling
dashboard (P. 2-58)
6. Schakelaar koplampen, mistlampen en
richtingaanwijzers
Koplamp (P. 2-81)
Mistlamp* (P. 2-83)
Richtingaanwijzers (P. 2-83)
7. Dubbele dagteller (P. 2-72)
8. <TRIP RESET>-schakelaar voor dubbele
dagteller (P. 2-72)
9. Schakelaar voor helderheidsregeling
dashboard (P. 2-58)
10. Bediening koplampafstelling* (P. 2-82)
Stop/Start OFF-schakelaar* (P. 5-216)
11. Electronic Stability Programme (ESP) OFF-
schakelaar* (P. 5-227)
12. Parkeersensorsysteem (sonar) OFF-
schakelaar* (P. 5-239)
Active Emergency Braking-systeem OFF-
schakelaar* (P. 5-229)
13. Schakelaar openen brandstofvulklep (P. 3-114)
14. Hendel verstelbaar stuurwiel* (P. 3-119)
*: indien aanwezig
NIC3090
Geïllustreerde inhoudsopgave 7
MODEL MET LINKSE BESTURING
1. Meters en tellers (P. 2-56)
Voertuiginformatiedisplay (P. 2-67)
2. Contactdrukknop (modellen met
afstandsbedieningsleutelsysteem) (P. 5-208)
3. Audiosysteem* (P. 4-149) of Navigatiesysteem**
Achteruitrijcamera* (P. 4-127)
360 graden camera* (P. 4-131)
4. Aansluitcontact (P. 2-89)
5. Schakelaar waarschuwingsknipperlichten
(P. 6-248)
6. Middenventilatierooster (P. 4-139)
7. Voorpassagiersairbag* (P. 1-42)
8. Handschoenenkastje (P. 2-90)
9. Verwarming- en airconditioningbediening
(P. 4-140)
10. USB-verbindingspoort (Universal Serial Bus)
(P. 4-153)/iPod-verbindingspoort (P. 4-162)
AUX-stekkeringang (hulpingang) (P. 4-153)
11. Schakelaar centrale portiervergrendeling*
(P. 3-100)
12. Hill Descent Control-schakelaar* (P. 5-231)
13. Parkeerrem
Bediening (P. 3-122)
Controle (P. 8-277)
14. Schakelaar differentieelblokkering* (P. 5-226)
15. Vierwielaandrijfmodusschakelaar (4WD)*
(P. 5-219)
16. Contactschakelaar (modellen zonder
afstandsbedieningsleutelsysteem) (P. 5-206)
17. Stuurwiel
Claxon (P. 2-87)
Bestuurdersairbag* (P. 1-42)
Stuurbekrachtiging (P. 5-243)
18. Brandstofvulklepontgrendeling (P. 3-114)
19. Motorkapontgrendelhendel (P. 3-113)
j
A : Modellen met vierwielaandrijving (4WD)
j
B : Modellen met tweewielaandrijving (2WD)
*: indien aanwezig
**: Raadpleeg het apart meegeleverde
Instructieboekje van het navigatiesysteem
met touchscreen (indien aanwezig).
NIC3679
DASHBOARD
8 Geïllustreerde inhoudsopgave
MODEL MET RECHTSE BESTURING
1. Voorpassagiersairbag* (P. 1-42)
2. Middenventilatierooster (P. 4-139)
3. Schakelaar waarschuwingsknipperlichten
(P. 6-248)
4. Aansluitcontact (P. 2-89)
5. Audiosysteem* (P. 4-149) of Navigatiesysteem**
Achteruitrijcamera* (P. 4-127)
360 graden camera* (P. 4-131)
6. Contactdrukknop (modellen met
afstandsbedieningsleutelsysteem) (P. 5-208)
7. Meters en tellers (P. 2-56)
Voertuiginformatiedisplay (P. 2-67)
8. Motorkapontgrendelhendel (P. 3-113)
9. Contactschakelaar (modellen zonder
afstandsbedieningsleutelsysteem) (P. 5-206)
10. Stuurwiel
Claxon (P. 2-87)
Bestuurdersairbag* (P. 1-42)
Stuurbekrachtiging (P. 5-243)
11. USB-verbindingspoort (Universal Serial Bus)
(P. 4-153)/iPod-verbindingspoort (P. 4-162)
AUX-stekkeringang (hulpingang) (P. 4-153)
12. Parkeerrem
Bediening (P. 3-122)
Controle (P. 8-277)
13. Schakelaar centrale portiervergrendeling
(P. 3-100)
14. Hill Descent Control-schakelaar* (P. 5-231)
15. Schakelaar differentieelblokkering* (P. 5-226)
16. Vierwielaandrijfmodusschakelaar (4WD)*
(P. 5-219)
17. Verwarming- en airconditioningbediening
(P. 4-140)
18. Handschoenenkastje (P. 2-90)
Zekeringkast (P. 8-288)
j
A : Modellen met vierwielaandrijving (4WD)
j
B : Modellen met tweewielaandrijving (2WD)
*: indien aanwezig
**: Raadpleeg het apart meegeleverde
Instructieboekje van het navigatiesysteem
met touchscreen (indien aanwezig).
NIC3681
Geïllustreerde inhoudsopgave 9
1. Toerenteller (P. 2-57)
2. Waarschuwings- en controlelampjes (P. 2-57)
3. Voertuiginformatiedisplay (P. 2-67)
Controlelampje voerwielaandrijvingsmodus
(4WD)* (P. 5-224)
Oliecontrolesysteem* (P. 2-80)
Kilometerteller/dubbele dagteller (P. 2-57)
Boordcomputer (P. 2-72)
Helderheidsregeling dashboard (P. 2-58)
Schakelstandindicator automatische
versnellingsbak (AT) (model met automatische
versnellingsbak) (P. 2-79, P. 5-212)
4. Snelheidsmeter (P. 2-56)
5. Brandstofmeter (P. 2-56)
6. Temperatuurmeter motorkoelvloeistof (P. 2-57)
*: indien aanwezig
NIC2681
METERS EN TELLERS
10 Geïllustreerde inhoudsopgave
M9T 2,3DCI-MOTOR
1. Ruitensproeiervloeistofreservoir (P. 8-280)
2. Oliepeilstok (P. 8-275)
3. Olievuldop (P. 8-275)
4. Rem- en koppelingsvloeistofreservoir*1,*2
(P. 8-278)
5. Zekering- en hoofdzekeringkastje (P. 8-287)
6. Accu (P. 8-281)
— Starten met startkabels (P. 6-257)
7. Luchtfilter (P. 8-284)
8. Koelvloeistofreservoir (P. 8-273)
9. Locatie motoraandrijfriem (P. 8-276)
10. Radiatordop (P. 8-273)
— Oververhitte motor (P. 6-259)
11. Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging (P. 8-277)
*1: Voor modellen met handgeschakelde versnel-
lingsbak (MT)
*2: De afbeelding is van toepassing op het model
met linkse besturing. Bij modellen met rechtse
besturing (RHD) zit het vloeistofreservoir voor
rem (en koppeling) aan de andere kant.
NIC3082
MOTORRUIMTE
Geïllustreerde inhoudsopgave 11
NOTITIES
12 Geïllustreerde inhoudsopgave
1 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels
en aanvullend veiligheidssysteem
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels
en aanvullend veiligheidssysteem
Stoelen................................................................................................................. 14
Voorstoelen.............................................................................................. 14
Stoelen achterin (Double Cab-model) ................................. 17
Hoofdsteunen................................................................................................. 18
Verstelbare hoofdsteun.................................................................. 18
Vaste hoofdsteun................................................................................ 19
Verwijderen .............................................................................................. 19
Installeren.................................................................................................. 19
Afstellen ...................................................................................................... 19
Veiligheidsgordels ....................................................................................... 20
Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van
veiligheidsgordels................................................................................ 20
Veiligheid van kinderen................................................................... 22
Zwangere vrouwen ............................................................................ 23
Gewonden................................................................................................. 23
Centre-markering op veiligheidsgordels
(indien aanwezig)................................................................................. 23
Driepuntsveiligheidsgordels........................................................ 24
Tweepuntsveiligheidsgordels (indien
aanwezig) .................................................................................................. 25
Onderhoud van veiligheidsgordels........................................ 25
Kinderzitjes....................................................................................................... 26
Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van
kinderzitjes ............................................................................................... 26
Universele kinderzitjes voor voorpassagiers-
stoel en achterbank (voor Europa) ........................................ 27
ISOFIX- en i-Size-kinderzitje (voor stoelen op
de tweede rij)........................................................................................... 32
Bevestiging kinderzitjes (indien aanwezig)...................... 33
Installatie van een kinderzitje met behulp van
ISOFIX............................................................................................................ 34
Installatie kinderzitje met
driepuntsveiligheidsgordel........................................................... 37
Aanvullend veiligheidssysteem (SRS) (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 42
Voorzorgsmaatregelen bij aanvullend
veiligheidssysteem (SRS)................................................................ 42
Airbagsystemen.................................................................................... 49
Veiligheidsgordels met gordelspannersysteem
(indien aanwezig)................................................................................. 52
Procedure voor reparatie en vervanging .......................... 52
WAARSCHUWING
Bestuur de auto nooit en rijd er nooit mee als
de rugleuning van de stoel achterover staat.
Dit kan gevaarlijk zijn. De schoudergordel
loopt dan niet op de juiste wijze over uw
lichaam. Bij een ongeval kunnen u en uw pas-
sagiers tegen de schoudergordel gegooid
worden en nekletsel of ander ernstig letsel op-
lopen. U en uw passagiers kunnen ook onder
de heupgordel door glijden en dan ernstig let-
sel oplopen.
U bent in een rijdende auto het meest effectief
beschermd wanneer de stoel rechtop staat. Zit
altijd rechtop en met uw rug tegen de rugleu-
ning en stel de stoel correct af. (Zie “Stoelen
handmatig verstellen (indien aanwezig)” ver-
derop in dit hoofdstuk.)
Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto
achter. Zij zouden per ongeluk schakelaars of
bedieningen kunnen activeren, of de auto in
beweging brengen. Kinderen zonder toezicht
kunnen betrokken raken bij een ernstig onge-
val.
Om het risico op ernstig of dodelijk letsel door
het onbedoeld bedienen van de auto en/of de
bijbehorende systemen te voorkomen, mag u
kinderen, hulpbehoevende volwassenen of
huisdieren niet zonder toezicht in uw auto
achterlaten. Bovendien kan de temperatuur in
een afgesloten auto op een warme dag zo snel
oplopen dat er een aanzienlijk risico bestaat
op ernstig of dodelijk letsel aan mensen en
huisdieren.
LET OP
Wanneer u de stand van de stoelen verstelt, zorg
dan dat u niet in contact komt met bewegende
delen om letsel en/of schade te voorkomen.
VOORSTOELEN
WAARSCHUWING
Verstel de bestuurdersstoel niet terwijl u rijdt; an-
ders kunt u niet al uw aandacht schenken aan het
rijden.
Stoelen handmatig verstellen (indien
aanwezig)
WAARSCHUWING
Beweeg de stoel na verstellen zacht heen en weer
om te controleren of deze stevig is vergrendeld.
De stoel zou plotseling naar voren of achteren
kunnen schuiven als hij niet goed is vergrendeld,
waardoor u de controle over de auto kunt
verliezen.
SSS0133AZ
STOELEN
14 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Naar voren en naar achteren:
1. Trek de verstelhendel
omhoog.
2. Schuif de stoel naar de gewenste stand.
3. U vergrendelt de stoel in de gewenste stand door
de verstelhendel los te laten.
De rugleuning verstellen:
LET OP
Wanneer u de stoelen naar voren of naar achte-
ren schuift of een achteroverhellende rugleuning
in de verticale stand terugzet, zorg er dan voor
dat u de rugleuning tijdens het verstellen vast-
houdt. Als de rugleuning niet vastgehouden
wordt, kan de stoel of rugleuning plotseling in be-
weging komen of terugklappen en letsel
veroorzaken.
1. Trek de verstelhendel
omhoog.
2. Kantel de rugleuning naar de gewenste stand.
3. U vergrendelt de rugleuning in de gewenste
stand door de verstelhendel los te laten.
Met de verstelfunctie kan de stand van de rugleu-
ning worden aangepast aan inzittenden van ver-
schillende lichaamsgrootte, zodat de veiligheids-
gordel beter past. (Zie Veiligheidsgordels
vastmaken” verderop in dit hoofdstuk.)
U kunt de rugleuning achterover zetten als de auto
geparkeerd staat, zodat inzittenden kunnen rusten.
Hoogteverstelling (indien aanwezig):
Trek of druk de verstelhendel
omhoog of omlaag
totdat de zitting in de gewenste hoogte staat.
Elektrische stoelen verstellen (indien
aanwezig)
WAARSCHUWING
Laat kinderen en hulpbehoevende volwassenen
nooit alleen in de auto achter. Laat ook geen huis-
dieren onbewaakt achter. Zij kunnen zonder het
te weten schakelaars of bedieningen activeren,
of de auto verplaatsen en onbedoeld betrokken
raken in een ongeval waarbij ze letsel kunnen
oplopen.
Bedieningswenken:
De motor voor stoelverstelling heeft een auto-
matische beveiliging tegen overbelasting. Als de
motor tijdens de stoelverstelling stopt, wacht
dan 30 seconden en gebruik de schakelaar op-
nieuw.
Verstel de stoelen niet lange tijd aaneen terwijl
de motor is afgezet, om ontladen van de accu te
voorkomen.
JVR0392XZ
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 15
Naar voren en naar achteren:
Beweeg de verstelschakelaar
naar voren of naar
achteren naar de gewenste stand.
De rugleuning verstellen:
Beweeg de verstelschakelaar
naar voren of naar
achteren naar de gewenste stand.
Met de verstelfunctie kan de stand van de rugleu-
ning worden aangepast aan inzittenden van ver-
schillende lichaamsgrootte, zodat de veiligheids-
gordel beter past. (Zie Veiligheidsgordels
vastmaken” verderop in dit hoofdstuk.)
U kunt de rugleuning achterover zetten als de auto
geparkeerd staat, zodat inzittenden kunnen rusten.
WAARSCHUWING
De rugleuning mag niet meer achterover hellen
dan nodig is om gemakkelijk te zitten.
Veiligheidsgordels bieden de beste bescherming
wanneer de passagier tegen de rugleuning leunt
en rechtop zit. Door de rugleuning te ver achter-
over te hellen vergroot u het risico onder de vei-
ligheidsgordel door te glijden, waardoor de kans
op verwondingen toeneemt.
Verstellen van zithoogte:
1. Trek zoals afgebeeld de verstelschakelaar om-
hoog of duw omlaag om de stoelhoogte af te
stellen, totdat de juiste stand is bereikt.
2. Kantel de verstelknop omhoog of omlaag zoals
afgebeeld totdat de voorste hoek van de zitting
in de gewenste stand is versteld.
Lendensteun:
De lendensteunfunctie ondersteunt het onderste
gedeelte van de rug van de bestuurder.
Druk op beide zijden van de verstelknop
en
om de lendensteun in de gewenste stand te ver-
stellen.
JVR0054XZ
JVR0055XZ
JVR0056XZ
16 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Stoelverwarming (indien aanwezig)
De voorstoelen kunnen worden verwarmd door
middel van ingebouwde stoelverwarming. De scha-
kelaars op het middenconsole kunnen onafhanke-
lijk van elkaar worden bediend.
1. De motor starten.
2. Kies de warmteafstelling.
Druk voor intensieve verwarming op de <HI>-
zijde (hoog) van de schakelaar
.
Druk voor matige verwarming op de <LO>-
zijde (laag) van de schakelaar
.
Het controlelampje
gaat branden wanneer
de verwarming is ingeschakeld.
3. Schakel de verwarming uit door de schakelaar in
de horizontale stand terug te zetten. Kijk of het
controlelampje uit gaat.
De verwarming heeft een thermostaatregeling
die het verwarmingselement automatisch in- en
uitschakelt. Het controlelampje blijft aan zolang
de schakelaar ingeschakeld is.
Wanneer het interieur van de auto is opgewarmd,
zet u de schakelaar uit.
LET OP
Als u de stoelverwarming gebruikt terwijl de
motor niet draait, kan de accu leeg raken.
Gebruik de stoelverwarming niet voor langere
tijd of wanneer niemand de zitplaats gebruikt.
Leg geen isolerend materiaal op de stoel, zo-
als een deken, een kussen, een stoelhoes e.d.
De stoel kan anders oververhit raken.
Leg geen zware of harde voorwerpen op de
stoel en steek niet met scherpe voorwerpen in
de zitting. U kunt zo schade toebrengen aan
het verwarmingselement.
Op de verwarmde stoel gemorste vloeistoffen
moet u onmiddellijk met een droge doek
droog deppen.
Reinig de stoel nooit met wasbenzine, verdun-
ner of soortgelijke oplosmiddelen.
Zet de schakelaar uit als er storingen mochten
optreden of als de stoelverwarming niet
werkt, en laat het systeem nakijken door een
erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf.
STOELEN ACHTERIN (Double
Cab-model)
Inklappen
De krik en gereedschappen zijn opgeborgen in het
opbergvak voor gereedschap onder de achterbank.
Om bij het opbergvak voor gereedschap te kunnen,
moet u de achterbank als volgt neerklappen.
1. Verwijder de haak
j
a.
2. Trek de zitting omhoog
.
3. Zet de zitting vast met de band
.
Raadpleeg voor het pakken van de krik en gereed-
schappen “Gereedschap voorbereiden” in hoofd-
stuk “6. In geval van nood”.
Ga niet rijden met het voertuig terwijl de achter-
bank neergeklapt is.
Zorg er bij het terugklappen van de achterbank voor
dat de veiligheidsgordels en gespen weer op
de goede plaats zitten. Zet de zitting vast met de
haak
j
a.
JVR0322XZ
NIC2816
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 17
WAARSCHUWING
Laat nooit iemand meerijden terwijl de ach-
terbank neergeklapt is. Als passagiers deze
plaatsen gebruiken zonder op een geschikte
manier te zijn vastgemaakt, kan bij een onge-
val of noodstop ernstig letsel of de dood het
gevolg zijn.
Zorg er bij het neerklappen of terugklappen
van de achterbank voor dat uw vinger niet
bekneld raakt tussen de zitting en de
carrosserie.
WAARSCHUWING
Hoofdsteunen zijn een aanvulling op de andere
veiligheidssystemen van de auto. Ze bieden extra
bescherming tegen letsel bij bepaalde botsingen
aan de achterkant. Verstelbare hoofdsteunen
moeten goed afgesteld worden, zoals aangege-
ven in dit hoofdstuk. Controleer de afstelling als
er iemand anders op de stoel heeft gezeten.Maak
niets vast aan de hoofdsteunen en verwijder ze
ook niet. Gebruik de stoel niet als de hoofdsteun
verwijderd is. Als de hoofdsteun verwijderd is,
deze opnieuw installeren en goed afstellen voor-
dat iemand de desbetreffende stoel gaat gebrui-
ken. Als u deze aanwijzingen niet opvolgt, kan de
effectiviteit van de hoofdsteun verminderen. Dit
verhoogt het risico van ernstig letsel of de dood
bij een botsing.
Uw auto is uitgerust met hoofdsteunen die geïn-
tegreerd, verstelbaar of vast (niet verstelbaar)
kunnen zijn.
Verstelbare hoofdsteunen hebben meerdere in-
kepingen in de stangen zodat ze op de gewenste
hoogte vastgezet kunnen worden.
Niet verstelbare hoofdsteunen hebben één en-
kele vergrendelingsinkeping om ze vast te zet-
ten aan het frame van de stoel.
Juiste afstelling:
Lijn hoofdsteunen van het verstelbare soort
uit met uw oren, zodat het midden van de
hoofdsteun op oorhoogte is.
Mocht het niveau van uw oren nog steeds
hoger liggen dan de aanbevolen uitlijnings-
stand, plaats de hoofdsteun dan in de hoog-
ste stand.
Als een hoofdsteun verwijderd is, moet deze op-
nieuw geïnstalleerd en vergrendeld worden
voordat er iemand op die stoel mag zitten.
VERSTELBARE HOOFDSTEUN
1. Verwijderbare hoofdsteun
2. Meerdere inkepingen
3. Vergrendelknop
4. Stangen
SSS0992Z
HOOFDSTEUNEN
18 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
VASTE HOOFDSTEUN
1. Verwijderbare hoofdsteun
2. Enkele inkeping
3. Vergrendelknop
4. Stangen
VERWIJDEREN
Gebruik de volgende procedure om een hoofdsteun
te verwijderen.
1. Trek de hoofdsteun naar de hoogste stand.
2. Druk de vergrendelknop in en houd ingedrukt.
3. Verwijder de hoofdsteun van de stoel.
4. Berg de hoofdsteun op een veilige plek op zodat
deze niet los in de auto ligt.
5. Herinstalleer en verstel de hoofdsteun voordat
een inzittende de stoel gaat gebruiken.
INSTALLEREN
1. Houd de stangen van de hoofdsteun boven de
gaten in de stoel. Zorg dat de hoofdsteun niet
verkeerd om staat. De stang met de verstelinke-
ping
moet in het gat met de vergrendelknop
gestoken worden.
2. Houd de vergrendelknop ingedrukt en duw de
hoofdsteun omlaag.
3. Verstel de hoofdsteun voordat een inzittende de
stoel gaat gebruiken.
AFSTELLEN
Voor verstelbare hoofdsteun
Verstel de hoofdsteun zo dat het midden op de-
zelfde hoogte ligt als het midden van uw oren.
Mocht het niveau van uw oren nog steeds hoger
liggen dan de aanbevolen uitlijningsstand, plaats de
hoofdsteun dan in de hoogste stand.
JVR0203XZ
SSS1037Z
SSS1038Z
SSS0997Z
JVR0259XZ
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 19
Voor vaste hoofdsteun
Zorg ervoor dat de hoofdsteun niet in de basisstand
of een andere niet-geblokkeerde stand staat en dat
de vergrendelknop is geblokkeerd in een inkeping
voordat er iemand meerijdt op de betreffende stoel.
Omhoog zetten
Om de hoofdsteun omhoog te zetten, trekt u deze
naar boven.
Om de hoofdsteun omhoog te zetten, houdt u de
vergrendelknop ingedrukt. Vervolgens trekt u de
hoofdsteun omhoog.
Zorg ervoor dat de hoofdsteun niet in de basisstand
of een andere niet-geblokkeerde stand staat en dat
de vergrendelknop is geblokkeerd in een inkeping
voordat er iemand meerijdt op de betreffende stoel.
Omlaag zetten
Om de hoofdsteun omlaag te zetten, houdt u de
vergrendelknop ingedrukt en duwt u de hoofdsteun
omlaag.
Zorg dat de hoofdsteun zo geplaatst wordt dat de
vergrendelknop geblokkeerd is in de inkeping voor-
dat er iemand meerijdt op de betreffende stoel.
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ HET
GEBRUIK VAN
VEILIGHEIDSGORDELS
Door uw veiligheidsgordel op de juiste manier te ge-
bruiken, rechtop en tegen de leuning aan zittend,
kunt u de kans op ernstig of dodelijk letsel door een
ongeluk sterk verkleinen. RENAULT adviseert u en
uw passagiers dringend om altijd als u rijdt de vei-
ligheidsgordels om te doen, ook als uw zitplaats is
voorzien van airbag.
SSS1035Z
Type A
SSS1037Z
Type B
SSS1036Z
VEILIGHEIDSGORDELS
20 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
WAARSCHUWING
Veiligheidsgordels zijn zodanig ontworpen
dat ze op het beendergestel gedragen dienen
te worden, over het bekken, de borst en de
schouder; draag de heupgordel niet over het
onderlijf. Het verkeerd omdoen van de gordels
kan ernstig letsel veroorzaken.
SSS0134AZ
SSS0136AZ
SSS0014Z
SSS0016Z
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 21
Draag de heupgordel zo laag en strak moge-
lijk over uw heupen, niet om uw middel. Als
het heupgedeelte van een veiligheidsgordel te
hoog wordt gedragen, is er bij een ongeval
meer kans op inwendig letsel.
Sta niet toe dat meerdere personen gebruik
maken van dezelfde gordel. Er mag maar één
inzittende gebruik maken van eenzelfde gor-
del; het is gevaarlijk om een gordel voor uzelf
en een kind op uw schoot te gebruiken.
Vervoer nooit meer personen in het voertuig
dan het aantal beschikbare veiligheidsgor-
dels.
Doe de gordelband nooit binnenstebuiten om.
De gordelband mag niet gedraaid zit ten na-
dat de veiligheidsgordel is omgedaan. Dit kan
nadelig zijn voor de beschermende werking.
Doe veiligheidsgordels zo strak mogelijk doch
comfortabel om, zodat ze de bescherming
bieden waarvoor ze ontworpen zijn. Een
slappe veiligheidsgordel biedt de drager
slechts weinig bescherming.
De bestuurder en alle inzittenden moeten tij-
dens het rijden altijd hun veiligheidsgordel om
hebben. Kinderen moeten op de achterbank
plaats nemen zo nodig in een geschikt kinder-
zitje.
Laat de veiligheidsgordel niet achter uw rug of
onder uw arm doorlopen. Draag de schouder-
gordel altijd over de schouder en diagonaal
over de borstkas. De gordelband moet van uw
gezicht en hals vandaan blijven, maar mag
niet van uw schouder glijden. Het verkeerd
omdoen van de gordels kan ernstig letsel ver-
oorzaken.
Gordels mogen niet zodanig door de gebrui-
ker worden aangepast dat de werking van de
oprolautomaten wordt belemmerd of de vei-
ligheidsgordels op andere wijze niet worden
aangespannen.
Voorkom dat de gordelband wordt aangetast
door polijstmiddelen, oliën, chemicaliën en in
het bijzonder door accuzuur. Maak de veilig-
heidsgordel indien nodig schoon met zachte
zeep en water. De gordel moet worden vervan-
gen als de band aangetast, gerafeld of be-
schadigd is.
Het is van groot belang de veiligheidsgordel in
zijn geheel te vervangen als deze is gedragen
tijdens een ernstige aanrijding, ook al is er
geen zichtbare schade aan de veiligheidsgor-
dels.
Alle veiligheidsgordelsystemen, inclusief op-
rolautomaten en bevestigingspunten, moe-
ten na een aanrijding gecontroleerd worden
door een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf. RENAULT raadt aan om alle veilig-
heidsgordels die tijdens de aanrijding werden
gedragen te vervangen, tenzij het ging om een
lichte aanrijding en de gordels geen schade
vertonen en goed functioneren. Veiligheids-
gordels die tijdens de botsing niet werden ge-
dragen, moeten eveneens worden geïnspec-
teerd en eventueel worden vervangen als ze
schade vertonen of niet goed werken.
Veiligheidsgordels met gordelspanner (indien
aanwezig) kunnen na activering niet opnieuw
worden gebruikt. Ze moeten, samen met de
oprolautomaat, als compleet systeem worden
vervangen. Neem contact op met een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Het verwijderen en installeren van onderdelen
van het gordelspannersysteem (indien aan-
wezig) moet worden uitgevoerd door een er-
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
VEILIGHEID VAN KINDEREN
WAARSCHUWING
Baby’s en kinderen hebben speciale bescher-
ming nodig. De veiligheidsgordels van de auto
passen mogelijk niet goed. De schoudergordel
komt mogelijk te dicht bij het gezicht of de nek
van het kind. Het heupgedeelte past
waarschijnlijk niet over hun smalle heupen. Bij
een ongeval kan een slecht passende veilig-
heidsgordel ernstig of dodelijk letsel toebren-
gen.
Gebruik altijd een geschikt kinderzitje.
Kinderen hebben volwassenen nodig om ze te hel-
pen beschermen. Kinderen moeten een passend
kinderzitje gebruiken. De juiste maat van het zitje
hangt af van de lichaamsgrootte van het kind.
22 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Baby's en kleine kinderen
RENAULT raadt aan om baby’s en peuters in een
kinderzitje te plaatsen. Kies een kinderzitje dat in
uw auto en bij het kind past en volg altijd de instruc-
ties op van de fabrikant voor installatie en gebruik.
Grotere kinderen
WAARSCHUWING
Laat een kind nooit op een zitting staan of
knielen.
Laat een kind nooit in de bagageruimte zo-
lang de auto rijdt. Bij een ongeval of noodstop
zou het kind ernstig letsel kunnen oplopen.
Voor kinderen die te groot zijn voor kinderzitjes kan
gebruik worden gemaakt van de bestaande gor-
dels.
Het gebruik van een zittingverhoger (in de handel
verkrijgbaar) kan helpen voorkomen dat de schou-
dergordel over het gezicht of de nek van een kind
loopt. De stoelverhoger dient het kind zover om-
hoog te brengen dat de schoudergordel correct
over de schouder valt. De heupgordel moet dan laag
over de heupen vallen. De stoelverhoger moet ook
goed op de autostoel passen. Zodra het kind zover
is gegroeid dat de schoudergordel niet meer te
dicht langs het gezicht of de hals loopt, kan de vei-
ligheidsgordel gebruikt worden zonder de stoelver-
hoger. Verder zijn er allerlei soorten kinderzitjes ver-
krijgbaar om grotere kinderen maximale bescher-
ming te bieden.
ZWANGERE VROUWEN
RENAULT adviseert zwangere vrouwen om een vei-
ligheidsgordel te dragen. De heupgordel dient
nauwsluitend en zo laag mogelijk rond de heupen
te worden gedragen, niet rond het middel. Draag de
schoudergordel steeds over de schouder en diago-
naal over de borstkas. Draag de heup-/schouder-
gordel nooit over de buik. Neem contact op met uw
huisarts voor specifiek advies.
GEWONDEN
RENAULT adviseert gewonde mensen om veilig-
heidsgordels te dragen. Neem contact op met uw
huisarts voor specifiek advies.
CENTRE-MARKERING OP
VEILIGHEIDSGORDELS (indien
aanwezig)
De juiste gordel kiezen
De gesp voor de middelste zitting (en/of gesptong,
indien aanwezig) wordt aangeduid met de marke-
ting <CENTER>. De tong van de middelste veilig-
heidsgordel past alleen in de gesp van de middelste
veiligheidsgordel.
SSS0099Z
SSS0703Z
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 23
DRIEPUNTSVEILIGHEIDSGORDELS
Veiligheidsgordels vastmaken
WAARSCHUWING
De rugleuning mag niet verder naar achter ge-
leund staan dan nodig is om comfortabel te zit-
ten. Veiligheidsgordels bieden de beste bescher-
ming wanneer de passagier tegen de rugleuning
leunt en rechtop zit.
1. Stel de stoel correct in. (Zie “Stoelen handmatig
verstellen (indien aanwezig)” eerder in dit hoofd-
stuk.)
2. Trek de veiligheidsgordel langzaam uit de oprol-
automaat en steek de tong in de gesp totdat
deze voelbaar en hoorbaar vastklikt.
Bij een plotselinge ruk tengevolge van een
noodstop of botsing blokkeert de gordel.
Door langzaam te trekken kan de gordel
nog bewegen; u krijgt hierdoor ook wat be-
wegingsvrijheid in uw stoel.
Als de veiligheidsgordel niet uitgerold kan
worden vanuit de volledig opgerolde stand,
hard aan de gordel trekken en loslaten. Trek
de gordel vervolgens geleidelijk uit de op-
rolautomaat.
3. Plaats het heupgedeelte van de gordel nauwslui-
tend en zo laag mogelijk over de heupen zoals in
de afbeelding.
4. Trek het schoudergordeldeel strak in de richting
van de oprolautomaat om overtollige speling te
verwijderen. Draag de schoudergordel steeds
over de schouder en diagonaal en strak over de
borstkas.
Hoogte van ankerpunt verstellen (voor
voorstoelen)
WAARSCHUWING
De hoogte van het ankerpunt van de schou-
dergordel kan worden aangepast aan uw pos-
tuur. Als u dit nalaat, kan dit de effectieve wer-
king van het hele gordelsysteem nadelig beïn-
vloeden en loopt u bij een ongeval meer risico
op mogelijk ernstig letsel.
De veiligheidsgordel moet over het midden
van de schouder lopen. Hij mag niet tegen de
hals rusten.
Controleer of de gordel nergens gedraaid zit.
Controleer of het ankerpunt van de schouder-
gordel stevig vastzit door te proberen of het
ankerpunt na de verstelling op en neer kan
worden bewogen.
Om dit te verstellen trekt u aan de ontgrendelknop
en verplaatst u het ankerpunt van de schouder-
gordel naar de correcte positie
, zodat de gordel
SSS0292Z
SSS0467Z
SSS0351AZ
24 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
over het midden van de schouder aanligt. De gor-
delband moet van uw gezicht en hals vandaan blij-
ven, maar mag niet van uw schouder glijden. Laat
de knop los om het schoudergordelankerpunt in
deze positie te blokkeren.
Veiligheidsgordels losmaken
Druk op de knop op de gesp. De gordel trekt auto-
matisch terug in de oprolautomaat.
De werking van de gordels controleren
De oprolautomaten zijn ontworpen om de gordel te
blokkeren:
Wanneer de veiligheidsgordel snel uit de oprol-
automaat wordt getrokken.
Wanneer de auto snel afremt.
Controleer om uw vertrouwen in de veiligheidsgor-
del te vergroten de werking ervan door een ruk te
geven aan de schoudergordel. De oprolautomaat
moet de veiligheidsgordel nu blokkeren. Als de op-
rolautomaat tijdens deze controle niet blokkeert,
neem dan contact op met een erkende dealer of
gekwalificeerd garagebedrijf.
TWEEPUNTSVEILIGHEIDSGORDELS
(indien aanwezig)
Veiligheidsgordels vastmaken
WAARSCHUWING
De bestuurder en alle inzittenden moeten tijdens
het rijden altijd hun veiligheidsgordel om hebben.
1. Steek de gesptong in de gesp waar <CENTER> op
staat aangegeven (indien aanwezig) totdat u
deze hoort en voelt vastklikken.
2. De lengte van de veiligheidsgordel instellen. Om
korter te maken,de tongplaat vasthouden en het
bovenste deel van de gordel aantrekken zoals
aangegeven in de afbeelding
. Om langer te
maken, de tongplaat vasthouden en het onder-
ste deel van de gordel uittrekken zoals aangege-
ven in de afbeelding
.
3. Plaats het heupgedeelte van de gordel nauwslui-
tend en zo laag mogelijk over de heupen zoals in
de afbeelding.
Veiligheidsgordels losmaken
Druk op de knop op de gesp.
ONDERHOUD VAN
VEILIGHEIDSGORDELS
Controleer van tijd tot tijd of de veiligheidsgordel en
alle metalen onderdelen zoals gespen, gesptongen,
oprolautomaten, ankers en elastische bevestigin-
gen naar behoren functioneren. Merkt u slijtage of
losse onderdelen op, of insnijdingen of schade aan
de veiligheidsgordelband, vervang de veiligheids-
gordel dan in zijn geheel.
Door vervuiling in de schoudergordelgeleider van
de veiligheidsgordelverankeringen zullen gordels
soms moeilijk terugrollen. Maak de riemgeleider van
de veiligheidsgordel schoon met een schone, droge
doek.
SSS0448Z
SSS0541Z
SSS0450Z
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 25
Gordelbanden maakt u schoon met een zacht zeep-
sopje of een ander reinigingsmiddel voor het
schoonmaken van bekleding of vloerbedekking.
Veeg de veiligheidsgordelband vervolgens af met
een droge doek en laat hem uit de zon drogen. Laat
de veiligheidsgordels pas oprollen als ze helemaal
droog zijn.
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ HET
GEBRUIK VAN KINDERZITJES
WAARSCHUWING
Baby’s en peuters mogen nooit op schoot
worden vervoerd. Zelfs de sterkste volwas-
sene is niet bestand tegen de krachten die vrij-
komen tijdens een ernstig ongeval. Het kind
kan bekneld raken tussen de volwassene en
delen van het voertuig. Bovendien is het ge-
vaarlijk om dezelfde gordel te gebruiken voor
uzelf en een kind op uw schoot.
Baby’s en kinderen hebben speciale bescher-
ming nodig. De veiligheidsgordels van de auto
passen mogelijk niet goed. De schoudergordel
komt mogelijk te dicht bij het gezicht of de nek
van het kind. De heupgordel past waarschijn-
lijk niet over de smalle heupen van het kind.
Tijdens een ongeval kan een slecht passende
veiligheidsgordel ernstig letsel of de dood tot
gevolg hebben.
Zet baby’s en peuters die in een auto meerij-
den altijd in een geschikt kinderzitje. Als u
geen kinderzitje gebruikt, kan dit leiden tot
ernstig of dodelijk letsel.
Verschillende fabrikanten hebben kinder-
zitjes op de markt gebracht die speciaal zijn
ontworpen voor baby’s en peuters. Zet bij de
aanschaf van een kinderzitje uw kind in het
kinderzitje en probeer de verschillende instel-
lingen uit, zodat u zeker weet dat het kinder-
zitje geschikt is voor uw kind. Houdt u bij het
installeren van een kinderzitje nauwgezet aan
de instructies van de fabrikant ten aanzien
van gebruik en installatie.
RENAULT raadt aan om het kinderzitje op de
achterbank te installeren. Uit statistieken
blijkt dat kinderen op de achterbank veiliger
zitten dan op de voorstoel.
Houdt u zich bij het aanbrengen van een kin-
derzitje nauwgezet aan de instructies van de
fabrikant van de kinderzitjes ten aanzien van
gebruik en installatie. Controleer bij de aan-
schaf van een kinderzitje altijd of het kinder-
zitje passend is voor uw kind en uw auto. Som-
mige typen kinderzitjes kunt u misschien niet
in uw auto bevestigen.
De installatierichting van het kinderzitje, voor-
waarts of achterwaarts gericht, is afhankelijk
van het soor t zitje en de grootte van het kind.
Zie voor meer informatie de instructies van de
fabrikant van het kinderzitje.
Controleer bij een voorwaarts gericht kinder-
zitje of de schoudergordel niet te dicht langs
de hals of het gezicht van het kind loopt. Als u
SSS0099Z
KINDERZITJES
26 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
een voorwaarts gericht kinderzitje op de voor-
stoel moet installeren, raadpleeg dan “Instal-
latie op de voorpassagiersstoel” verderop in
dit hoofdstuk.
Installeer nooit een achterwaarts gericht kin-
derzitje op de voorpassagiersstoel als de
voorpassagiersairbag ingeschakeld is. Voor-
airbags worden zeer snel en met kracht opge-
blazen. Een naar achteren gericht kinderzitje
kan bij een botsing geraakt worden door de
voorairbag, en uw kind ernstig of dodelijk let-
sel toebrengen.
Zet een verstelbare rugleuning zodanig dat
het kinderzitje past, maar wel altijd zo rechtop
mogelijk. Zie “Installeren op de buitenste zit-
plaatsen van de achterbank” verderop in dit
hoofdstuk en “Installatie kinderzitje met
driepuntsveiligheidsgordel” verderop in dit
hoofdstuk.
Als de veiligheidsgordel in de positie waarin
het kinderzitje is gemonteerd een borgclip
vereist, moet u die ook altijd gebruiken; het
kinderzitje kan anders tijdens het remmen of
het nemen van een bocht gaan kantelen zo-
dat het kind verwondingen kan oplopen.
Gesp het kinderzitje vast en test de bevesti-
ging voordat u uw kind erin zet. Kantel het kin-
derzitje van links naar rechts. Probeer het kin-
derzitje naar voren te trekken om te controle-
ren of het stevig op zijn plaats wordt
gehouden. Het kinderzitje mag niet meer dan
25 mm (1 inch) meebewegen. Als het kinder-
zitje niet stevig vastzit, kunt u de gordel wat
aantrekken of het kinderzitje op een andere
stoel zetten en opnieuw testen.
Probeer het kinderzitje uit in uw auto, zodat u
zeker weet dat het past op de stoelen van uw
auto en geschikt is voor uw veiligheidsgordels.
Een kind in een niet goed bevestigd kinder-
zitje loopt bij een botsing of een noodstop
extra risico op letsel.
Het verkeerd gebruik van een kinderzitje kan
de kans op of de ernst van letsel vergroten zo-
wel voor het kind als voor de andere inzitten-
den van de auto.
Gebruik altijd een geschikt kinderzitje. Een
verkeerd vastgemaakt kinderzitje kan bij een
aanrijding ernstig letsel veroorzaken.
Zet het kinderzitje, wanneer het niet gebruikt
wordt, goed vast met het ISOFIX- en i-Size-
bevestigingssysteem of met een veiligheids-
gordel, zodat het niet rondgeslingerd wordt in
geval van een noodstop of ongeval.
RENAULT raadt aan om baby’s en peuters in een
kinderzitje te plaatsen. Kies een kinderzitje dat in
uw auto past en volg altijd de instructies op van de
fabrikant voor installatie en gebruik. Verder zijn er
allerlei soorten kinderzitjes verkrijgbaar om grotere
kinderen maximale bescherming te bieden.
LET OP
Vergeet niet dat een kinderzitje in een in de zon
geparkeerde auto heet kan worden. Voel eerst
aan de zitting en de gespen voordat u uw kind in
het kinderzitje zet.
UNIVERSELE KINDERZITJES VOOR
VOORPASSAGIERSSTOEL EN
ACHTERBANK (voor Europa)
OPMERKING
Kinderzitjes goedgekeurd volgens de Europese
richtlijn UN Nr. 44 of Nr. 129 zijn duidelijk herken-
baar aan de aanduiding Universeel, Semi-univer-
seel of ISOFIX.
Houd bij het uitkiezen van een kinderzitje rekening
met het volgende:
Kies een kinderzitje dat voldoet aan de laatste
Europese veiligheidsnorm, richtlijn UN Nr. 44 of
Nr. 129.
Zet uw kind in het kinderzitje en probeer de ver-
schillende instellingen uit, zodat u zeker weet
dat het kinderzitje geschikt is voor uw kind. Volg
altijd alle aanwijzingen van de fabrikant.
Probeer het kinderzitje uit in uw auto, zodat u
zeker weet dat het verenigbaar is met het aan-
wezige beveiligingssysteem.
Raadpleeg de tabellen verderop in dit hoofdstuk
voor een lijst met aanbevolen installatieposities
voor de kinderzitjes in uw auto.
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 27
Gewichtsgroep kinderzitje
Gewichtsgroep Gewicht van het kind
Groep 0 tot 10 kg
Groep 0+ tot 13 kg
Groep I 9 tot 18 kg
Groep II 15 tot 25 kg
Groep III 22 tot 36 kg
Voorbeelden van soorten kinderzitjes:
JVR0371XZ
Kinderzitjecategorieën 0 en 0+
JVR0372XZ
Kinderzitjecategorieën 0+ en I
JVR0373XZ
Kinderzitjecategorieën II en III
28 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Kinderzitje installeren met behulp van de veiligheidsgordel van de auto
De volgende beperking is van toepassing bij het gebruik van kinderzitjes, gebaseerd op het gewicht van het kind en de installatiepositie in de auto.
Gewichtsgroep
Zitplaats
Voorpassagiersstoel
(Airbag AAN)
Voorpassagiersstoel
(Airbag UIT)
Buitenste zitplaats tweede
rij
Middelste zitplaats tweede rij
*4
0 <10 kg X L*3 U/L*2 U*2
0+ <13 kg X L*3 U/L*2 U*2
I 9 - 18 kg X L*1,*3 U/L*1,*2 U*1,*2
II 15 - 25 kg X L*1,*3 U/L*1,*2 U*1,*2
III 22 - 36 kg X L*1,*3 U/L*1,*2 U*1,*2
U: Geschikt voor voorwaarts en achterwaarts gerichte kinderzitjes in de categorie “Universeel”, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep.
UF: Alleen geschikt voor voorwaarts gerichte kinderzitjes in de categorie “Universeel”, goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep.
L: Geschikt voor bijzondere kinderzitjes (CRS) in de categorieën Voertuigspecifiek”, “Beperkt”, of “Semi-universeel”, goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
X: Zitplaats niet geschikt voor kinderzitjes in deze gewichtsgroep.
*1: Zet de hoofdsteun in de hoogste stand of, indien nodig, verwijder de hoofdsteun als deze de installatie van het kinderzitje belemmert. Verwijder de hoofd-
steun niet als er alleen een verhogingskussen gebruikt wordt.
*2: Schuif de voorstoel(en) voldoende naar voren en/of verstel de stoelhoogte (indien van toepassing) in de hoogste stand om ervoor te zorgen dat er geen
contact bestaat tussen het kinderzitje en de achterkant van de voorstoel.
*3: Schuif de voorpassagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren.
*4: Alleen geschikt voor kinderzitjes in de categorie "Universeel". Installeer geen kinderzitjes met steunpoot.
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 29
Installatie van een kinderzitje met behulp van ISOFIX
De volgende beperking is van toepassing bij het gebruik van kinderzitjes, gebaseerd op het gewicht van het kind en de installatiepositie in de auto.
Gewichtsgroep
Zitplaats
Voorpassagiersstoel
(Airbag AAN)
Voorpassagiersstoel
(Airbag UIT)
Buitenste zitplaats tweede
rij
Middelste zitplaats
tweede rij
Reiswieg
F ISO/L1 X X X X
G ISO/L2 X X X X
0+ (<10 kg) E ISO/R1 X X IL*2 X
0+ (<13 kg)
E ISO/R1 X X IL*2 X
D ISO/R2 X X IL*2 X
C ISO/R3 X X IL*2 X
I(9-18kg)
D ISO/R2 X X IL*2 X
C ISO/R3 X X IL*2 X
B ISO/F2 X X IUF/IL*1,*2 X
B1 ISO/F2X X X IUF/IL*1,*2 X
A ISO/F3 X X IUF/IL*1,*2 X
II (15 - 25 kg) X X IL*1,*2 X
III (22 - 36 kg) X X IL*1,*2 X
X: Deze zitplaatsen zijn niet geschikt voor het installeren van ISOFIX-kinderzitjes (CRS).
IUF: Geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX-kinderzitjes (CRS) in de universele categorie goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep.
IL: Geschikt voor bijzondere ISOFIX-kinderzitjes in de categorieën Voertuigspecifiek”, “Beperkt”, of “Semi-universeel”, goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
*1: Zet de hoofdsteun in de hoogste stand of, indien nodig, verwijder de hoofdsteun als deze de installatie van het kinderzitje belemmert. Verwijder de hoofd-
steun niet als er alleen een verhogingskussen gebruikt wordt.
*2: Schuif de voorstoel(en) voldoende naar voren en/of verstel de stoelhoogte (indien van toepassing) in de hoogste stand om ervoor te zorgen dat er geen
contact bestaat tussen het kinderzitje en de achterkant van de voorstoel.
30 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Kinderzitje installeren met behulp van i-Size ISOFIX
De volgende beperking is van toepassing bij het gebruik van kinderzitjes, gebaseerd op het gewicht van het kind en de installatiepositie in de auto.
Zitplaats
Voorpassagiersstoel
(Airbag AAN)
Voorpassagiersstoel
(Airbag UIT)
Buitenste zitplaats tweede rij Middelste zitplaats tweede rij
i-Size kinderzitjes X X i-U *1,*2 X
X: Zitplaats niet geschikt voor het installeren van i-Size “Universele” kinderzitjes.
i-U: Geschikt voor i-Size “Universele” kinderzitjes, voorwaarts en achterwaarts gericht.
*1: Zet de hoofdsteun in de hoogste stand of, indien nodig, verwijder de hoofdsteun als deze de installatie van het kinderzitje belemmert. Verwijder de hoofd-
steun niet als er alleen een verhogingskussen gebruikt wordt.
*2: Schuif de voorstoel(en) voldoende naar voren en/of verstel de stoelhoogte (indien van toepassing) in de hoogste stand om ervoor te zorgen dat er geen
contact bestaat tussen het kinderzitje en de achterkant van de voorstoel.
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 31
ISOFIX- EN I-SIZE-KINDERZITJE (voor
stoelen op de tweede rij)
Uw auto is uitgerust met speciale bevestigingspun-
ten die gebruikt kunnen worden met ISOFIX- en i-
Size-kinderzitjes.
PLAATS VAN DE ONDERSTE
ISOFIX-BEVESTIGINGSPUNTEN (type A)
(indien aanwezig)
De ISOFIX-bevestigingspunten voor het installeren
van ISOFIX- en i-Size-kinderzitjes zijn alleen voor-
zien op de buitenste zitplaatsen van de tweede rij.
Probeer niet het kinderzitje met behulp van de
ISOFIX-bevestigingen op de middelste zitplaats
te installeren.
De ISOFIX-bevestigingen bevinden zich tussen de
rugleuning en de zitting van de achterbank. De
ISOFIX-bevestigingspunten zijn te vinden onder de
klepjes, aangeduid zoals afgebeeld.
Om toegang te krijgen tot een ISOFIX-bevestigings-
punt steekt u uw vinger in het klepje en trekt het
eraf.
LET OP
Berg de ISOFIX-klepjes op om ze niet kwijt te ra-
ken of te beschadigen. Bijvoorbeeld, in de conso-
lebox (zie “Bergruimte” in hoofdstuk “2. Instru-
menten en bedieningen”).
PLAATS VAN DE ONDERSTE
ISOFIX-BEVESTIGINGSPUNTEN (type B)
(indien aanwezig)
De ISOFIX-bevestigingspunten voor het installeren
van ISOFIX- en i-Size-kinderzitjes zijn alleen voor-
zien op de buitenste zitplaatsen van de tweede rij.
Probeer niet het kinderzitje met behulp van de
ISOFIX-bevestigingen op de middelste zitplaats
te installeren.
De ISOFIX-bevestigingen bevinden zich tussen de
rugleuning en de zitting van de achterbank. De i-
Size-symbolen naast de ritssluitingen geven duide-
lijk de plaats van de ISOFIX-bevestigingen aan.
NPA1524
Plaats van de i-Size ISOFIX-bevestigingspunten (type A)
NPA1526
Klepje van i-Size ISOFIX-bevestiginspunten verwijderen
NPA1537
Plaats van de i-Size ISOFIX-bevestigingspunten (type B)
32 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Om toegang te krijgen tot een ISOFIX-bevestigings-
punt ritst u de bekleding open.
LET OP
Als de ritssluitingen niet gebruikt worden moe-
ten ze gesloten worden om te voorkomen dat
voorwerpen in de ISOFIX-opening terecht komen.
ISOFIX-bevestigingsconnectoren op
het kinderzitje
ISOFIX- en i-Size-kinderzitjes zijn uitgevoerd met
twee onbuigzame bevestigselementen die kunnen
worden vastgemaakt aan de twee verankeringen in
de stoel. Met dit systeem hoeft u geen veiligheids-
gordel te gebruiken om het kinderzitje vast te zet-
ten. Controleer of uw kinderzitje is voorzien van een
sticker waarop aangegeven wordt dat het gebruikt
kan worden met het ISOFIX- of i-Size-systeem. Deze
informatie is mogelijk ook te vinden in de gebruiks-
aanwijzing van het kinderzitje.
ISOFIX- en i-Size-kinderzitjes maken in het
algemeen gebruik van een top tether-bevestigings-
band of andere antikantelsystemen, zoals steunpo-
ten. Wanneer u een ISOFIX- of i-Size-kinderzitje in-
stalleert, volg dan zorgvuldig de instructies in deze
handleiding en de instructies die bij het kinderzitje
worden geleverd. (Zie “Bevestiging kinderzitjes (in-
dien aanwezig)” verderop in dit hoofdstuk.)
BEVESTIGING KINDERZITJES (indien
aanwezig)
Uw auto is zo ontworpen dat u een kinderzitje kunt
installeren op de achterbank. Wanneer u een kin-
derzitje installeert, volg dan zorgvuldig de instruc-
ties in deze handleiding en die bij het kinderzitje.
WAARSCHUWING
De bevestigingen voor het kinderzitje zijn alleen
bestand tegen de belasting die uitgeoefend
wordt door een correct aangebracht kinderzitje.
In geen geval mogen ze worden gebruikt voor
veiligheidsgordels voor volwassenen, voor tuig-
jes of voor de bevestiging van andere zaken of
uitrustingen aan de auto. In dat geval zouden de
connectoren van het kinderzitje beschadigd kun-
nen worden. Wanneer een beschadigde connec-
tor wordt gebruikt zal het kinderzitje niet goed
geïnstalleerd worden, waardoor het kind ernstig
of dodelijk letsel kan oplopen bij een botsing.
NPA1538
i-Size ISOFIX-bekleding opengeritst
SSS0644Z
Bevestigingsconnectoren
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 33
ISOFIX Top Tether-bevestigingspunt
Het bevestigingspunt bestaat uit een lus aan de bo-
venkant van de rugleuning van de middelste stoel
op de tweede rij
. Er zijn twee gelijksoortige lus-
sen aan de achterkant van de buitenste stoelen op
de tweede rij die alleen bedoeld zijn als geleiders
.
Als de fabrikant van uw kinderzitje aanraadt om de
top tether-bevestigingsband vast te maken, maak
dan de top tether-bevestigingsband vast aan het
bevestigingspunt hiervoor (lus). Raadpleeg de in-
structies bij het kinderzitje en de volgende stappen.
1. Buitenste zitplaats rechts achterin:
1) Verwijder de hoofdsteun van de buitenste zit-
plaats rechts op de achterbank.
2) Leid de top tether-bevestigingsband
door
de rechter top tether-geleider (lus)
en on-
der de schoudergordel van de middelste zit-
plaats
.
3) Maak de top tether-bevestigingsband
vast
aan het bevestigingspunt (lus)
bijdemid-
delste zitplaats.
2. Buitenste zitplaats links achterin:
1) Verwijder de hoofdsteun van de buitenste zit-
plaats links op de achterbank.
2) Leid de top tether-bevestigingsband
door
de linker top tether-geleider (lus)
.
3) Maak de top tether-bevestigingsband
vast
aan het bevestigingspunt (lus)
bijdemid-
delste zitplaats.
3. Gelijktijdig gebruik op de linker- en rechter-
stoel achterin:
1) Volg stappen 1 tot 3 voor het apart installeren
op de stoelen maar zet de banden niet vast
voordat beide stoelen bevestigd zijn.
2) Zet vervolgens elke stoel beurtelings vast met
dezelfde spanning.
Maak de top tether-bevestigingsband vast volgens
de instructies van de fabrikant van het kinderzitje.
LET OP
Zorg er na het installeren van het gewenste kin-
derzitje voor dat alle delen van de bevestigings-
banden goed gespannen zijn.
Wanneer de top tether-bevestigingsband goed is
vastgemaakt, kan het bevestigingspunt (lus) bui-
gen. Dit is normaal en zal de auto niet beschadigen.
INSTALLATIE VAN EEN KINDERZITJE
MET BEHULP VAN ISOFIX
WAARSCHUWING
Bevestig ISOFIX- en i-Size-kinderzitjes alleen
op de aangegeven plaatsen. Zie voor de loca-
ties van de onderste ISOFIX-bevestigingspun-
ten, “Plaats van de onderste ISOFIX-bevesti-
gingspunten (type A) (indien aanwezig)” eer-
der in dit hoofdstuk. Verkeerd gemonteerde
kinderzitjes kunnen bij een aanrijding ernstig
letsel veroorzaken.
Installeer geen kinderzitjes die bevestigd
moeten worden met een top tether-bevesti-
gingsband op zitplaatsen die niet voorzien
zijn van een top tether-bevestigingspunt.
Zet een kinderzitje niet vast op de middelste
zitplaats op de achterbank met behulp van de
onderste ISOFIX-bevestigingspunten. Het kin-
derzitje is dan niet goed bevestigd.
NIC2805
JVR0422XZ
Buitenste zitplaats rechts achterin
34 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Controleer de onderste bevestigingen door
uw vingers in het onderste montagegebied te
steken en te voelen of de bevestigingspunten
van het ISOFIX-systeem niet belemmerd wor-
den, door bijvoorbeeld een gordelband of ma-
teriaal van het stoelkussen. Het kinderzitje zit
niet stevig vast als de bevestigingspunten van
het ISOFIX-systeem belemmerd worden.
De bevestigingen voor het kinderzitje zijn al-
leen bestand tegen de belasting die uitgeoe-
fend wordt door een correct aangebracht kin-
derzitje. Ze mogen beslist niet worden
gebruikt voor veiligheidsgordels voor volwas-
senen of voor de bevestiging van andere za-
ken of uitrustingen aan de auto. In dat geval
zouden de connectoren van het kinderzitje
beschadigd kunnen worden. Wanneer een be-
schadigde connector wordt gebruikt zal het
kinderzitje niet goed geïnstalleerd worden,
waardoor het kind ernstig of dodelijk letsel
kan oplopen bij een botsing.
Installeren op de buitenste zitplaatsen
van de achterbank
Voorwaarts gerichte kinderzitjes:
Volg de instructies van de fabrikant met betrekking
tot het juiste gebruik van het kinderzitje. Volg de
volgende stappen op om een voorwaarts gericht
kinderzitje op de buitenste zitplaatsen van de
tweede rij met behulp van het ISOFIX-systeem te
installeren:
1. Plaats het kinderzitje op de stoel
.
2. Verwijder de hoofdsteun
zodat het kinderzitje
op de juiste manier bevestigd kan worden.
Berg de hoofdsteun na deze verwijderd te heb-
ben op een veilige plek op.
Zet na het verwijderen van het kinderzitje de
hoofdsteun weer terug (zie “Hoofdsteunen” eer-
der in dit hoofdstuk).
3. Zorg dat de achterzijde van het kinderzitje stevig
tegen de rugleuning van de stoel
in de auto
geplaatst wordt.
4. Klik de connectoren van het kinderzitje vast aan
de onderste ISOFIX-bevestigingen
.
5. Maak de onbuigzame connector korter om zo
het kinderzitje stevig vast te trekken; druk met
uw knie op het midden van het kinderzitje
en
duw deze naar achteren
zodat de zitting en
de rugleuning van de stoel platgedrukt worden.
NPA1406
Stappen 1 en 2
NIC2807
Stappen 3 en 4
NIC2808
Stap 5
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 35
De verstelbare rugleuning van de stoel dient zo
geplaatst te worden dat er een volledig contact
plaatsvindt tussen het kinderzitje en de rugleu-
ning.
6. Indien het kinderzitje is uitgevoerd met een top
tether-bevestigingsband, leid de top tether-
band dan naar het specifieke bevestigingspunt.
(Zie “Bevestiging kinderzitjes (indien aanwezig)”
eerder in dit hoofdstuk.)
Indien het kinderzitje is voorzien van andere an-
tikantelinrichtingen, zoals steunpoten, gebruik
deze systemen dan in plaats van (of samen met)
de top tether-bevestigingsband, zoals aangege-
ven in de instructies van de fabrikant van het kin-
derzitje.
7. Test de bevestiging van het kinderzitje voordat u
het kind erin zet
. Trek het zitje heen en weer en
naar voren om zeker te zijn dat het goed is beves-
tigd.
8. Controleer bij elk gebruik van het kinderzitje al-
tijd eerst of het stevig is bevestigd. Indien het kin-
derzitje niet goed bevestigd is, dient u stappen
1 tot en met 7 te herhalen.
Achterwaarts gerichte kinderzitjes:
Volg de instructies van de fabrikant met betrekking
tot het juiste gebruik van het kinderzitje. Volg de
volgende stappen op om een achterwaarts gericht
kinderzitje op de buitenste zitplaatsen van de
tweede rij met behulp van het ISOFIX-systeem te
installeren:
1. Verwijder de hoofdsteun van de stoel.
2. Plaats het kinderzitje op de stoel
.
3. Klik de connectoren van het kinderzitje vast aan
de onderste ISOFIX-bevestigingen
.
4. Maak de starre bevestiging korter om zo het kin-
derzitje stevig vast te trekken. Druk met uw hand
het midden van het kinderzitje naar beneden
en naar achteren
j
4a zodat de zitting en de rug-
leuning van de stoel worden samengeperst.
Indien het kinderzitje de voorstoel raakt, schuif
de voorstoel dan naar voren totdat er geen con-
tact meer is.
Indien het kinderzitje is voorzien van andere an-
tikantelinrichtingen, zoals steunpoten, gebruik
deze systemen dan zoals aangegeven in de in-
structies van de fabrikant van het kinderzitje.
NIC2413
Stap 7
NPA1525
Stap2en3
NPA1409
Stap 4
36 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
5. Test de bevestiging van het kinderzitje voordat u
het kind erin zet
. Trek het zitje heen en weer
en naar voren om zeker te zijn dat het goed is
bevestigd.
6. Controleer bij elk gebruik van het kinderzitje al-
tijd eerst of het stevig is bevestigd. Indien het kin-
derzitje niet goed bevestigd is, dient u stappen
1 tot en met 5 te herhalen.
INSTALLATIE KINDERZITJE MET
DRIEPUNTSVEILIGHEIDSGORDEL
Installeren op de achterstoelen
Voorwaarts gericht kinderzitje:
Volg de instructies van de fabrikant over het juiste
gebruik van uw kinderzitje. Volg de volgende stap-
pen voor het installeren van een voorwaarts gericht
kinderzitje op de zitplaatsen van de achterbank met
behulp van een driepuntsveiligheidsgordel zonder
automatische vergrendelmodus:
1. Plaats het kinderzitje op de stoel
. Indien het
kinderzitje de voorstoel raakt, schuif de voorstoel
dan naar voren totdat er geen contact meer is.
Verwijder de hoofdsteun zodat het kinderzitje op
de juiste manier bevestigd kan worden.
Berg de hoofdsteun na deze verwijderd te heb-
ben op een veilige plek op.
2. Haal de gesptong door het kinderzitje en steek
deze in de gesp
tot u deze hoort en voelt
vastklikken.
3. Om te voorkomen dat de gordel slap hangt, moet
u de veiligheidsgordel op zijn plaats houden met
de vergrendelmechanismen die aan het kinder-
zitje zijn bevestigd.
NPA1410
Stap 5
SSS0758AZ
Voorwaarts gericht: stap 1
SSS0493AZ
Voorwaarts gericht: stap 2
SSS0647AZ
Voorwaarts gericht: stap 4
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 37
4. Trek de veiligheidsgordel verder vast indien deze
nog slap hangt; druk met uw knie in het midden
van het kinderzitje
en duw naar achteren
om zo de zitting en de rugleuning van de auto
samen te persen terwijl u de veiligheidsgordel
strak trekt.
5. Test de bevestiging van het kinderzitje voordat u
het kind erin zet
. Trek het zitje heen en weer
en naar voren om zeker te zijn dat het goed is
bevestigd.
6. Controleer bij elk gebruik van het kinderzitje al-
tijd eerst of het stevig is bevestigd. Indien het kin-
derzitje los zit, herhaal dan stap 3 tot en met 5.
Achterwaarts gericht kinderzitje:
Volg de instructies van de fabrikant over het juiste
gebruik van uw kinderzitje. Volg de volgende stap-
pen voor het installeren van een achterwaarts ge-
richt kinderzitje op de zitplaatsen van de achter-
bank met behulp van een driepuntsveiligheidsgor-
del zonder automatische vergrendelmodus:
1. Plaats het kinderzitje op de stoel
.
2. Haal de gesptong door het kinderzitje en steek
deze in de gesp
tot u deze hoort en voelt
vastklikken.
3. Om te voorkomen dat de gordel slap hangt, moet
u de veiligheidsgordel op zijn plaats houden met
de vergrendelmechanismen die aan het kinder-
zitje zijn bevestigd.
4. Trek de veiligheidsgordel verder vast indien die
nog slap hangt; druk met uw hand het midden
van het kinderzitje in
en duw naar achteren
om zo de zitting en de rugleuning van de auto in
te drukken terwijl u de veiligheidsgordel strak
trekt.
SSS0638AZ
Voorwaarts gericht: stap 5
SSS0759AZ
Achterwaarts gericht: stap 1
SSS0654AZ
Achterwaarts gericht: stap 2
SSS0639AZ
Achterwaarts gericht: stap 4
38 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
5. Test de bevestiging van het kinderzitje voordat u
het kind erin zet
. Trek het zitje heen en weer
en naar voren om zeker te zijn dat het goed is
bevestigd.
6. Controleer bij elk gebruik van het kinderzitje al-
tijd eerst of het stevig is bevestigd. Indien het kin-
derzitje los zit, herhaal dan stap 3 tot en met 5.
Installatie op de voorpassagiersstoel
WAARSCHUWING
Plaats nooit een achterwaarts gericht kinder-
zitje op de voorstoel als de passagiersairbag
ingeschakeld is.Voorairbags worden zeer snel
en met kracht opgeblazen. Een achterwaarts
gericht kinderzitje kan bij een botsing geraakt
worden door de voorairbag, en uw kind kan
hierdoor ernstig of dodelijk letsel oplopen.
Installeer een kinderzitje met een top tether-
bevestigingsband nooit op de voorstoel.
RENAULT raadt aan om het kinderzitje op de
achterbank te installeren (modellen met dub-
bele cabine). Wanneer u echter toch een kin-
derzitje op de voorstoel moet gebruiken,
schuif de stoel dan eerst zover mogelijk naar
achteren.
Babyzitjes moeten achterstevoren worden
bevestigd en mogen daarom niet worden ge-
bruikt op de voorstoel als de voorpassa-
giersairbag in werking is.
SSS0658AZ
Achterwaarts gericht: stap 5
SSS0300AZ
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 39
Voorwaarts gericht kinderzitje:
Volg de instructies van de fabrikant met betrekking
tot het juiste gebruik van het kinderzitje. Volg de
volgende stappen voor het installeren van een voor-
waarts gericht kinderzitje op de voorpassagiers-
stoel met behulp van een driepuntsveiligheidsgor-
del zonder automatische vergrendelmodus:
Als u een voorwaarts gericht kinderzitje op de voor-
stoel wilt installeren, gaat u als volgt te werk:
j
A Airbagschakelaar
j
B Modellen met linkse besturing
j
C Modellen met rechtse besturing
De voorpassagiersairbag kan worden uitgescha-
keld met de schakelaar voor de voorpassagiersair-
bag
j
A die in het handschoenenkastje te vinden is.
1. Schakel de voorpassagiersairbag uit door de
nood-/mechanische sleutel in de schakelaar van
de voorpassagiersairbag
j
A te steken en naar de
OFF-stand te draaien, zie “Mechanische sleutel” in
hoofdstuk “3. Alvorens te gaan rijden” en “Status-
lampje voorpassagiersairbag (indien aanwezig)”
verderop in dit hoofdstuk. Plaats de contactscha-
kelaar in de ON-stand en controleer of het status-
lampje voor de voorpassagiersairbag
op het
middenconsole brandt.
2. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren
.
3. Verwijder de hoofdsteun
wanneer het te in-
stalleren kinderzitje voorwaarts gericht wordt.
Berg de hoofdsteun op een veilige plek op.
Zet na het verwijderen van het kinderzitje de
hoofdsteun weer terug (zie “Hoofdsteunen” eer-
der in dit hoofdstuk).
4. Plaats het kinderzitje op de stoel
.
5. Haal de gesptong door het kinderzitje en steek
deze in de gesp
tot u deze hoort en voelt
vastklikken.
Om te voorkomen dat de gordel slap hangt, moet
u de veiligheidsgordel op zijn plaats houden met
de vergrendelmechanismen die aan het kinder-
zitje zijn bevestigd.
NPA1411
NPA1412
NIC2428
Stappen 2 en 3
NIC2429
Voorwaarts gericht: Stappen 4 en 5
40 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
6. Trek de veiligheidsgordel verder vast indien deze
nog slap hangt; druk met uw knie in het midden
van het kinderzitje
en duw naar achteren
j
6a om zo de zitting en de rugleuning van de auto
samen te persen terwijl u de veiligheidsgordel
strak trekt.
7. Test de bevestiging van het kinderzitje voordat u
het kind erin zet
. Trek het zitje heen en weer en
naar voren om zeker te zijn dat het goed is beves-
tigd.
8. Controleer bij elk gebruik van het kinderzitje al-
tijd eerst of het stevig is bevestigd. Indien het kin-
derzitje niet goed bevestigd is, dient u stappen
1 tot en met 7 te herhalen.
Achterwaarts gericht kinderzitje:
Volg de instructies van de fabrikant met betrekking
tot het juiste gebruik van het kinderzitje. Volg de
volgende stappen voor het installeren van een voor-
waarts gericht kinderzitje op de voorpassagiers-
stoel met behulp van een driepuntsveiligheidsgor-
del zonder automatische vergrendelmodus:
Als u een achterwaarts gericht kinderzitje op de
voorstoel wilt installeren, ga dan als volgt te werk:
j
A Airbagschakelaar
j
B Modellen met linkse besturing
j
C Modellen met rechtse besturing
De voorpassagiersairbag kan worden uitgescha-
keld met de schakelaar voor de voorpassagiersair-
bag
j
A die in het handschoenenkastje te vinden is.
1. Schakel de voorpassagiersairbag uit door de
nood-/mechanische sleutel in de voorpassa-
giersairbagschakelaar
j
A te steken, zie “Mechani-
sche sleutel” in hoofdstuk “3. Alvorens te gaan rij-
den” en “Statuslampje voorpassagiersairbag (in-
dien aanwezig)” verderop in dit hoofdstuk. Plaats
de contactschakelaar in de ON-stand en contro-
leer of het statuslampje voor de voorpassa-
giersairbag
op het middenconsole brandt.
NIC2430
Stap 6
NIC2431
Stap 7
NPA1411
NPA1412
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 41
2. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren
.
3. Stel de hoofdsteun af op de hoogste positie
.
Verwijder de hoofdsteun als deze in de weg zit bij
de montage van het kinderzitje. Berg in dat geval
de hoofdsteun goed op zodat het geen gevaar-
lijk projectiel wordt tijdens een noodstop of on-
geval.
4. Plaats het kinderzitje op de voorpassagiersstoel.
Volg altijd de instructies van de fabrikant van het
kinderzitje wat betreft installatie en gebruik.
5. Haal de gesptong van de veiligheidsgordel door
het kinderzitje en steek deze in de gesp totdat u
hoort dat deze vastklikt. Om te voorkomen dat
de heupgordel slap hangt, moet u de schouder-
gordel op zijn plaats houden met een borgclip
j
A . Gebruik de borgclip die aan het kinderzitje
vastzit of één met dezelfde afmetingen en
sterkte.
Volg de instructies van de fabrikant van het
kinderzitje voor het bevestigen van de gordel.
6. Controleer of het kinderzitje goed is bevestigd
voordat u het kind erin zet. Trek het zitje heen en
weer en naar voren om zeker te zijn dat het goed
is bevestigd.
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ
AANVULLEND VEILIGHEIDSSYSTEEM
(SRS)
Dit hoofdstuk over het aanvullend veiligheidssys-
teem (SRS) bevat belangrijke informatie over de
voorairbags voor de bestuurder en voorpassagier,
de knie-airbag voor de bestuurder (indien aanwe-
zig), zijairbags (indien aanwezig), gordijnairbags (in-
dien aanwezig) en gordelspanners (indien aanwe-
zig).
Voorairbagsysteem
Dit systeem beschermt bij bepaalde frontale aanrij-
dingen de bestuurder en/of voorpassagier op
hoofd- en borsthoogte. De voorairbag is ontwor-
pen om geactiveerd te worden aan de zijde van het
voertuig waar de aanrijding plaatsvindt.
Knie-airbagssysteem voor bestuurder
(indien aanwezig)
Dit systeem kan helpen om de klap op de knieën
van de bestuurder op te vangen bij bepaalde fron-
tale botsingen. De knie-airbag is ontworpen om ge-
activeerd te worden aan de zijde van het voertuig
waar de aanrijding plaatsvindt.
Zijairbagsysteem (indien aanwezig)
Dit systeem beschermt bij bepaalde zijdelingse aan-
rijdingen de bestuurder en de voorpassagier op
borsthoogte en bekkenhoogte. De zijairbag aan de
zijde van de auto waar de aanrijding plaatsvindt
wordt dan geactiveerd.
NIC2428
Stappen 2 en 3
SSS0513Z
AANVULLEND VEILIGHEIDS-
SYSTEEM (SRS) (indien
aanwezig)
42 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Gordijnairbagsysteem (indien
aanwezig)
Dit systeem kan helpen om de impact op het hoofd
van de bestuurder en passagiers voorin en op de
buitenste zitplaatsen achterin (indien aanwezig) te
absorberen bij bepaalde aanrijdingen aan de zij-
kant. De gordijnairbag aan de zijde van de auto waar
de aanrijding plaatsvindt wordt dan geactiveerd.
Het airbagsysteem is bedoeld als aanvulling op de
ongevalbescherming geboden door de veiligheids-
gordels voor de bestuurder en passagiers en is niet
bedoeld als vervanging voor de veiligheidsgordels.
De airbags (SRS) kunnen de kans op dodelijk of ern-
stig letsel verkleinen. Het opblazen van de airbag
kan echter ook schaafwonden of ander letsel ver-
oorzaken. Airbags beschermen het onderlichaam
niet. De veiligheidsgordels horen daarom steeds op
de juiste wijze te worden omgedaan, en inzittenden
moeten op gepaste afstand zitten van het stuur-
wiel, het dashboard en portierbekleding. (Zie
Veiligheidsgordels” eerder in dit hoofdstuk.) De air-
bags worden snel en met kracht opgeblazen, ter
bescherming van de inzittenden. Door de kracht
waarmee de airbags worden opgeblazen kan een
inzittende juist meer risico op letsel lopen als hij of
zij te dichtbij of tegen de airbagmodules leunt. De
airbags lopen na opblazen snel weer leeg.
Het airbagsysteem (SRS) werkt alleen wanneer de
contactschakelaar in de ON-stand staat.
Als de contactschakelaar in de ON-stand wordt
gezet, gaat het waarschuwingslampje SRS-air-
bag gedurende ongeveer 7 seconden branden
om vervolgens weer te doven. Dit betekent dat
het systeem correct werkt. (Zie Waarschuwings-
lampjes, controlelampjes en geluidssignalen” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.)
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 43
WAARSCHUWING
De voorairbags worden over het algemeen
niet opgeblazen bij een zijdelingse botsing,
een botsing van achteren, bij het over de kop
slaan of bij een lichte frontale botsing. Draag
daarom altijd een veiligheidsgordel, zodat u
de kans op ernstig letsel bij verschillende
soorten ongevallen verkleint.
De veiligheidsgordels en de voorairbags wer-
ken het best als u rechtop zit met uw rug te-
gen de rugleuning. De voorairbags worden
zeer snel en met grote kracht opgeblazen. U
en uw passagiers kunnen ernstig of zelfs do-
delijk letsel oplopen als u of een passagier tij-
dens een ongeval geen veiligheidsgordel
draagt, naar voren of opzij leunt of een andere
ongewone zitpositie inneemt. U en uw passa-
giers kunnen ook ernstige of zelfs fatale ver-
wondingen oplopen als u tegen het voorair-
bagpaneel steunt op het moment dat de air-
bag wordt opgeblazen. Zit daarom altijd
rechtop met uw rug tegen de rugleuning en zo
ver van het stuurwiel of het dashboard van-
daan als praktisch is. Maak altijd uw gordel
vast.
Houd uw handen aan de buitenkant van het
stuurwiel. Door ze aan de binnenkant van de
stuurwielrand te plaatsen kan de kans op ver-
wonding groter worden als de voorairbag
wordt opgeblazen.
SSS0131AZ
SSS0132AZ
44 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
SSS0006Z
SSS0007Z
SSS0008Z
SSS0009Z
SSS0099Z
SSS0100Z
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 45
WAARSCHUWING
Laat kinderen altijd een gordel of zitje gebrui-
ken en voorkom dat ze hun handen of gezicht
buiten het raam houden. Houd kinderen niet
op uw schoot vast of in uw armen. In de af-
beeldingen ziet u enkele voorbeelden van ge-
vaarlijke zithoudingen tijdens het rijden.
Kinderen kunnen ernstig of dodelijk letsel op-
lopen wanneer de airbags worden opgebla-
zen terwijl ze niet correct vastgemaakt zijn in
een zitje.
Installeer nooit een achterwaarts gericht kin-
derzitje op de voorpassagiersstoel. Uw kind
kan ernstig of dodelijk letsel oplopen als de
voorairbag dan wordt opgeblazen. (Zie
“Kinderzitjes” eerder in dit hoofdstuk.)
SSS0059AZ
SSS0140Z
SSS0159Z
SSS0162Z
46 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
WAARSCHUWING
De zijairbags (indien aanwezig) en gordijnair-
bags (indien aanwezig) zullen normaliter niet
opgeblazen worden bij een frontale botsing,
botsing van achter, kantelen of minder sterke
aanrijding aan de zijkant. Doe steeds een vei-
ligheidsgordel om, zodat u bij een ongeval
geen of minder ernstig letsel oploopt.
De veiligheidsgordels en de zijairbags en gor-
dijnairbags werken het best als u rechtop zit
met uw rug tegen de rugleuning. De zijairbags
en gordijnairbags worden zeer snel en met
grote kracht opgeblazen. U en uw passagiers
kunnen ernstig of zelfs dodelijk letsel oplopen
als u of een passagier tijdens een ongeval
geen veiligheidsgordel draagt, naar voren of
opzij leunt of een andere ongewone zitpositie
inneemt.
Vertel inzittenden dat hun handen, benen of
gezicht niet tegen de bekleding voor de zijair-
bags en gordijnairbags mogen rusten, en
evenmin tegen de zijkant van de rugleuning
van de voorstoelen of nabij de zijdakbalken.
Laat niemand op de voorstoelen of de buiten-
ste zitplaatsen achterin de handen of armen
uit het raam steken of tegen de portieren leu-
nen. In de afbeeldingen ziet u enkele voorbeel-
den van gevaarlijke zithoudingen tijdens het
rijden.
Leun of hang niet aan de rugleuningen van de
voorstoelen als u op de achterbank zit. Als de
zijairbags en gordijnairbags zich opblazen
kunt u ernstig letsel oplopen. Wees in het bij-
zonder voorzichtig met kinderen, waarvoor u
altijd een kinderzitje moet gebruiken.
Gebruik geen stoelhoezen op de rugleuningen
van de voorstoelen. Deze kunnen tijdens het
opblazen de werking van de zijairbags hinde-
ren.
Hang geen zware voorwerpen, harde voor-
werpen of voorwerpen met scherpe randen
aan de sleutel. Dit kan letsel veroorzaken als
de knie-airbag wordt opgeblazen.
Veiligheidsgordels met
gordelspannersysteem (indien
aanwezig)
Het gordelspannersysteem kan samen met de air-
bags in werking treden bij bepaalde botsingen. De
spanners werken samen met de oprolautomaten
om de gordels aan te spannen op het moment dat
de auto bij bepaalde typen botsingen betrokken
raakt, waardoor inzittenden voorin steviger vast ko-
men te zitten. (Zie Veiligheidsgordels” eerder in dit
hoofdstuk.)
Waarschuwingsstickers voor airbags
Waarschuwingssticker voor airbags: De
waarschuwingssticker vindt u op de zon-
neklep voor de voorpassagier.
Waarschuwingssticker voor de
voorpassagiersairbag: Deze
waarschuwingssticker vindt u aan de
buitenkant van het dashboard (aan de
passagierszijde).
Waarschuwingssticker voor zijairbags: De
waarschuwingssticker vindt u op de middelste
portierstijl aan de passagierszijde. Tevens zijn
labels ingenaaid in de bekleding van de
voorstoelen.
SRS-voorpassagiersairbag:
De waarschuwingssticker
zit op de zonneklep.
“Plaats NOOIT een achterwaarts gericht kinder-
zitje op een stoel die is beveiligd met een INGE-
SCHAKELDE AIRBAG, aangezien het kind hierdoor
ERNSTIG of DODELIJK LETSEL kan oplopen.”
NPA1155
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 47
De ACHTERBANK is de VEILIGISTE plek voor kinde-
ren van 12 en jonger. Gebruik altijd de veiligheids-
gordels en kinderzitjes. Voor maximale bescher-
ming van uw veiligheid bij ongevallen moet u al-
tijd uw veiligheidsgordel dragen. Zit en leun niet
onnodig dichtbij een airbag. Plaats geen voor-
werpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
Als het waarschuwingslampje voor de airbags
blijft branden of knippert wanneer de contact-
schakelaar op ON is gezet, neem dan contact op
met een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf. Airbags mogen alleen verwijderd of af-
gevoerd worden door een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
Lees de tekst onder “AIRBAGSTICKER” aan het einde
van dit boekje.
In auto’s met een airbag voor de voorpassagier mag
een naar achteren gericht kinderzitje alleen op de
achterbank worden gebruikt.
Volg bij het installeren van een kinderzitje in uw auto
zorgvuldig de instructies op die de fabrikant bij het
kinderzitje heeft meegeleverd. Zie voor meer infor-
matie “Kinderzitjes” eerder in dit hoofdstuk.
Waarschuwingslampje SRS-airbag
Het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem
met de weergave op het dashboard, contro-
leert de circuits van de airbagsystemen, het gordel-
spannersysteem (indien aanwezig) en alle bijbeho-
rende bedradingen.
Als de contactschakelaar in de “ON”-stand wordt
gedraaid,gaat het airbagwaarschuwingslampje ge-
durende ca. 7 seconden branden om vervolgens
weer te doven. Dit geeft aan dat de SRS-airbagsys-
temen naar behoren functioneren.
Als een van de volgende omstandigheden zich
voordoet, laat dan onderhoud uitvoeren aan de air-
bagsystemen en/of gordelspannersystemen door
de dichtstbijzijnde erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf:
Het waarschuwingslampje SRS-airbag blijft na
ongeveer 7 seconden branden.
Het airbagwaarschuwingslampje knippert onre-
gelmatig.
Het airbagwaarschuwingslampje gaat niet
branden.
Onder deze omstandigheden werken het airbag-
systeem en/of het veiligheidsgordelsysteem met
gordelspanners niet correct. Laat deze systemen
nakijken en zo nodig repareren. Neem direct con-
tact op met een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
SPA1097Z
48 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
AIRBAGSYSTEMEN
1. Kreukelzonesensor
2. Knie-airbagmodule voor bestuurder (indien
aanwezig)
3. Voorairbagmodules
4. Opblaasmechanismen gordijnairbagsysteem
(indien aanwezig)
5. Gordijnairbagmodules (indien aanwezig)
6. Airbag regeleenheid (ACU)
7. Satellietsensors (indien aanwezig)
8. Oprolautomaat met gordelspanner (indien
aanwezig)
9. Zij-airbagmodules (indien aanwezig)
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op het midden van het
stuur, op het dashboard, onder de stuurkolom
of nabij de voorportierbekleding en de voor-
stoelen. Plaats geen voorwerpen tussen inzit-
tenden en het stuurwiel, op het dashboard of
nabij de voorportierbekleding en de voorstoe-
len. Zulke voorwerpen kunnen bij een botsing
gevaarlijke projectielen worden en letsel toe-
brengen als een airbag wordt opgeblazen.
Direct na het opblazen van de airbags zullen
sommige onderdelen van het airbagsysteem
erg heet zijn. Raak ze niet aan, om brandwon-
den te voorkomen.
Aan onderdelen of bedrading van de airbag-
systemen mogen geen wijzigingen worden
aangebracht zonder toestemming. Dit om te
voorkomen dat airbags onbedoeld worden
opgeblazen of worden beschadigd.
Verander zonder toestemming ook niets aan
het elektrisch systeem van uw auto, de wie-
lophanging, de framestructuur aan de voor-
kant en de zijpanelen. U kunt zo de deugde-
lijke werking van de airbagsystemen nadelig
beïnvloeden.
Onoordeelkundig ingrijpen aan de airbagsys-
temen kan ernstige lichamelijke ver wondin-
gen tot gevolg hebben. Manipulatie houdt in
veranderingen aan het stuurwiel en het dash-
board door het plaatsen van materialen op het
stuurwielkussen en daarboven, op het dash-
board of eromheen, of door het aanbrengen
van extra bekledingsmateriaal rond de
airbagsystemen.
NPA1527
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 49
Werkzaamheden aan en rondom de airbag-
systemen moeten worden uitgevoerd door
een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf. De bedrading van het airbagsysteem
mag niet worden gewijzigd of losgekoppeld.
Ongeoorloofde elektrische test- en meetap-
paratuur en sondes mogen niet gebruikt wor-
den op de airbagsystemen.
De bedradingsstekkers van de airbags zijn
geel, zodat ze gemakkelijk herkenbaar zijn.
Plaats nooit een achterwaarts gericht kinder-
zitje op de voorpassagiersstoel zonder eerst
de passagiersairbag uitgeschakeld te hebben
met de schakelaar voor de voorpassagiersair-
bag. Bij een frontale aanrijding zullen de voor-
airbags met grote kracht opgeblazen worden.
Uw kind kan ernstig of dodelijk letsel oplopen
als de voorairbag dan wordt opgeblazen.
Wanneer de airbag wordt opgeblazen, hoort u een
tamelijk hard geluid dat wordt gevolgd door enige
rookontwikkeling. Deze rook is ongevaarlijk en is
geen aanwijzing voor brand. Toch moet u vermijden
deze rook in te ademen, omdat hij kan irriteren en
kortademigheid kan veroorzaken. Personen met
ademhalingsstoornissen moeten onmiddellijk
frisse lucht inademen.
Voorairbagsysteem
De bestuurdersairbag zit middenin het stuurwiel. De
voorairbag voor de voorpassagier zit in het dash-
board boven het handschoenenkastje.
Het voorairbagsysteem is zo ontworpen dat de air-
bag alleen wordt opgeblazen bij middelzware en
zware frontale botsingen, al komen bij andere soor-
ten botsingen soms soortgelijke krachten vrij die de
airbags dan toch in werking kunnen stellen en op-
blazen. Bij bepaalde frontale botsingen wordt de
airbag soms niet opgeblazen. Schade aan de auto
(of het ontbreken ervan) is niet altijd een goede in-
dicatie voor het juist functioneren van de voorair-
bags.
WAARSCHUWING
Plaats nooit een naar achteren gericht kinderzitje
op de voorpassagiersstoel zonder eerst de pas-
sagiersairbag uit te schakelen met de schakelaar
voor de voorpassagiersairbag (indien aanwezig),
zie “Schakelaar voorpassagiersairbag (indien
aanwezig)” verderop in dit hoofdstuk. Bij een
frontale aanrijding zullen de voorairbags met
grote kracht opgeblazen worden. Uw kind kan
ernstig of dodelijk letsel oplopen als de voorair-
bag dan wordt opgeblazen.
Statuslampje voorpassagiersairbag (indien
aanwezig):
WAARSCHUWING
Aangezien uw auto is uitgerust met een airbag
voor de voorpassagier, is het niet toegestaan
om op deze stoel een achterwaarts gericht
kinderzitje te plaatsen, tenzij de airbag eerst
wordt uitgeschakeld.
Plaats geen achterwaarts gericht kinderzitje
op de voorpassagiersstoel als de in-/uitscha-
kelfunctie (indien aanwezig) voor de airbag
niet correct werkt. Breng in zo'n situatie uw
auto onmiddellijk naar een erkende dealer of
gekwalificeerd garagebedrijf.
De statuslampjes voor de voorpassagiersairbag
en zitten op het dashboard tussen de
middelste ventilatieroosters.
Wanneer de contactschakelaar op ON wordt gezet,
gaan het OFF-lampje en het ON-lampje van de voor-
passagiersairbagstatus branden, en zullen vervol-
gens weer uit gaan of blijven branden, afhankelijk
van de status van de voorpassagiersairbag.
NPA1531
JVR0264XZ
50 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
Wanneer de contactschakelaar in de ON-stand
wordt gezet en de voorpassagiersairbag inge-
schakeld is, zullen zowel het OFF-lampje van de
voorpassagiersairbagstatus
, als het air-
bagwaarschuwingslampje van het aanvullend
veiligheidssysteem (SRS)
op het dashboard
na ongeveer 7 seconden uit gaan.
Het ON-lampje van de voorpassagiersairbagsta-
tus
gaat branden en dooft vervolgens na
een bepaalde tijd wanneer de voorpassa-
giersairbagschakelaar in de ON-stand staat.
Wanneer de contactschakelaar in de ON-stand
wordt gezet en de voorpassagiersairbag niet in-
geschakeld is, zullen zowel het ON-statuslampje
van de voorpassagiersairbag
, als het (SRS)
airbagwaarschuwingslampje
op het dash-
board
na ongeveer 7 seconden uit gaan.
Het statuslampje OFF voor de voorpassa-
giersairbag
zal gaan branden en blijven
branden zolang als de schakelaar voor de voor-
passagiersairbag in de OFF-stand staat.
Als het statuslampje voor de voorpassagiersairbag
anders werkt dan hierboven beschreven, werkt de
voorpassagiersairbag wellicht niet goed. Laat het
systeem meteen nakijken en indien nodig repare-
ren door een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf.
Schakelaar voorpassagiersairbag (indien
aanwezig):
De voorpassagiersairbag kan worden uitgescha-
keld met de schakelaar voor de voorpassagiersair-
bag
j
A die in het handschoenenkastje te vinden is.
j
A Airbagschakelaar (indien aanwezig)
j
B Modellen met linkse besturing
j
C Modellen met rechtse besturing
Om de voorpassagiersairbag uit te schakelen:
1. Zet de contactschakelaar in de OFF-stand.
2. Open het handschoenenkastje en steek de sleu-
tel in de schakelaar voor de voorpassagiersair-
bag. Zie voor modellen met afstandsbedienings-
leutel, “Sleutels” in hoofdstuk “3. Alvorens te gaan
rijden” voor het gebruik van de mechanische
sleutel.
3. Druk de sleutel in en draai hem in de <OFF>-
stand.
4. Zet de contactschakelaar in de ON-stand. Het
statuslampje OFF voor de voorpassagiersairbag
zal gaan branden en blijft branden.
Om de voorpassagiersairbag in te schakelen:
1. Zet de contactschakelaar in de OFF-stand.
2. Open het handschoenenkastje en steek de sleu-
tel in de schakelaar voor de voorpassagiersair-
bag.
3. Druk de sleutel in en draai hem in de <ON>-stand.
4. Zet de contactschakelaar in de ON-stand. Het
statuslampje voorpassagiersairbag ON
gaat branden en gaat na een tijdje weer uit.
Knie-airbagssysteem voor bestuurder
(indien aanwezig)
De knie-airbag voor de bestuurder zit onder de
stuurkolom.
Het knie-airbagsysteem is zo ontworpen dat de air-
bag alleen wordt opgeblazen bij middelzware en
zware frontale botsingen, al komen bij andere soor-
ten botsingen soms soortgelijke krachten vrij die de
airbags dan toch in werking kunnen stellen en op-
blazen. Bij bepaalde aanrijdingen zal deze airbag
soms niet in werking worden gesteld.
Schade aan de auto (of het ontbreken ervan) is niet
altijd een goede indicatie voor het juist functione-
ren van de knie-airbag.
NPA1296
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 51
Zijairbagsysteem (indien aanwezig)
De zijairbag zit aan de buitenkant van de rugleunin-
gen van de voorstoelen.
Het zijairbagsysteem is zo ontworpen dat zijairbags
alleen worden opgeblazen bij middelzware en
zware botsingen van opzij, al komen bij andere soor-
ten botsingen soms soortgelijke krachten vrij die de
airbags dan toch opblazen. Bij bepaalde aanrijdin-
gen van opzij kunnen de airbags soms niet in wer-
king worden gesteld. Schade aan de auto (of het
ontbreken ervan) is niet altijd een goede indicatie
voor het juist functioneren van de zijairbags.
Gordijnairbagsysteem (indien
aanwezig)
De gordijnairbag zit onder de dakbalken.
Het gordijnairbagsysteem is zo ontworpen dat gor-
dijnairbags alleen worden opgeblazen bij middel-
zware en zware botsingen van opzij, al komen bij
andere soorten botsingen soms soortgelijke krach-
ten vrij die de gordijnairbags dan toch opblazen. Bij
bepaalde aanrijdingen van opzij kunnen de airbags
soms niet in werking worden gesteld. Schade aan
de auto (of het ontbreken ervan) is niet altijd een
goede indicatie voor het juist functioneren van de
gordijnairbags.
VEILIGHEIDSGORDELS MET
GORDELSPANNERSYSTEEM (indien
aanwezig)
WAARSCHUWING
Veiligheidsgordels met gordelspannersys-
teem kunnen niet opnieuw gebruikt worden
nadat deze eenmaal in werking zijn getreden.
Ze worden samen met de oprolautomaat en
de gordelgesp als compleet systeem vervan-
gen.
Als de auto betrokken raakt bij een aanrijding
maar de gordelspanner is niet geactiveerd,
laat het gordelspannersysteem dan controle-
ren en zo nodig vervangen door een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Aan onderdelen of bedrading van de veilig-
heidsgordels met gordelspannersysteem mo-
gen zonder toestemming geen wijzigingen
worden aangebracht. Dit is om te voorkomen
dat de gordelspanners onbedoeld in werking
treden of worden beschadigd.
Werkzaamheden aan en rondom het gordel-
spannersysteem moeten worden uitgevoerd
door een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf. De bedrading van het airbagsys-
teem mag niet worden gewijzigd of losgekop-
peld. Veiligheidsgordelsystemen met gordel-
spanners mogen alleen worden doorgemeten
en getest met goedgekeurde elektrische
meet- en testapparatuur.
Als u het gordelspannersysteem wilt afvoeren
of het voertuig wilt laten slopen, neem dan
contact op met een erkende dealer of gekwa-
lificeerd garagebedrijf. De correcte afvoerpro-
cedures voor gordelspanners worden be-
schreven in het aangewezen Werkplaats-
handboek. Onjuist uitgevoerde afvoerpro-
cedures kunnen lichamelijk letsel tot gevolg
hebben.
De gordelspanner zit met de oprolautomaat en het
anker in dezelfde behuizing. Dit type veiligheidsgor-
del wordt op dezelfde wijze gebruikt als gewone vei-
ligheidsgordels.
Wanneer de gordelspanner wordt geactiveerd,
hoort u mogelijk een vrij hard geluid en komt er
enige rook vrij. Deze rook is ongevaarlijk en is geen
aanwijzing voor brand. Toch moet u vermijden deze
rook in te ademen, omdat hij kan irriteren en korta-
demigheid kan veroorzaken. Personen met adem-
halingsstoornissen moeten onmiddellijk frisse lucht
inademen.
PROCEDURE VOOR REPARATIE EN
VERVANGING
WAARSCHUWING
Nadat de voorairbag eenmaal is opgeblazen,
werken de airbagmodules niet meer en moe-
ten deze worden vervangen. De airbagmodu-
les moeten worden vervangen door een er-
SSS1092Z
52 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
De opgeblazen airbagmodule kan niet worden
gerepareerd.
De airbagsystemen moeten worden gecon-
troleerd door een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf als er schade is aan het
voertuig.
Als u het SRS-airbagsysteem wilt afvoeren of
het voertuig wilt laten slopen, neem dan con-
tact op met een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf. De correcte afvoerproce-
dures worden beschreven in het aangewezen
Werkplaatshandboek. Onjuist uitgevoerde af-
voerprocedures kunnen lichamelijk letsel tot
gevolg hebben.
De voorairbags en gordelspanners (indien aanwe-
zig) zijn ontworpen om slechts één keer te kunnen
werken. Om u hieraan te herinneren zal het airbag-
waarschuwingslampje blijven branden nadat de air-
bags zijn opgeblazen, tenzij het waarschuwings-
lampje zelf beschadigd is. Reparatie en vervanging
van het SRS-airbagsysteem dient uitsluitend te
worden uitgevoerd door een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
Wanneer er onderhoud wordt verricht aan het voer-
tuig, wijs de persoon die het werk uitvoert dan op
de aanwezigheid van de airbags met bijbehorende
onderdelen en de veiligheidsgordels met gordel-
spanners. Als in het interieur of onder de motorkap
werkzaamheden worden verricht, moet de contact-
sleutel altijd in de “LOCK”-stand staan.
Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem 53
NOTITIES
54 Veiligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem
2 Instrumenten en bedieningenInstrumenten en bedieningen
Meters en tellers ........................................................................................... 56
Snelheidsmeter en brandstofmeter...................................... 56
Toerenteller en
Motorkoelvloeistoftemperatuurmeter................................ 57
Helderheidsregeling dashboard............................................... 58
Waarschuwingslampjes, controlelampjes en
geluidssignalen ............................................................................................. 59
Lampjes controleren......................................................................... 60
Waarschuwingslampjes.................................................................. 60
Controlelampjes................................................................................... 65
Geluidssignalen..................................................................................... 67
Voertuiginformatiedisplay.................................................................... 67
Het voertuiginformatiedisplay gebruiken......................... 68
Instellingen ............................................................................................... 68
Boordcomputer .................................................................................... 72
Werkingsindicators............................................................................. 76
Oliecontrolesysteem (indien aanwezig) ............................. 80
Klok en buitenluchttemperatuur (indien
aanwezig) .................................................................................................. 81
Schakelaar koplampverlichting en
richtingaanwijzers....................................................................................... 81
Koplampschakelaar........................................................................... 81
Knop voor koplamphoogteverstelling (indien
aanwezig) .................................................................................................. 82
Accuspaarfunctie (indien aanwezig) .................................... 82
Schakelaar richtingaanwijzers .................................................. 83
Mistlampschakelaar (indien aanwezig)....................................... 83
Mistvoorlampen (indien aanwezig)........................................ 83
Mistachterlicht (indien aanwezig)........................................... 84
Wis-/wasschakelaar .................................................................................. 84
Wis-/wasschakelaar voorruit...................................................... 84
Ontwasemschakelaar (indien aanwezig) .................................. 85
Koplampsproeier (indien aanwezig).............................................. 86
Koplampsproeierschakelaar (indien aanwezig) ........... 86
Claxon................................................................................................................... 87
Ramen .................................................................................................................. 87
Handmatig bediende ramen (indien aanwezig)........... 87
Elektrisch bediende ramen (indien aanwezig) .............. 87
Elektrische aansluitingen ...................................................................... 89
Bergruimte........................................................................................................ 90
Handschoenenkastje........................................................................ 90
Consolevak............................................................................................... 90
Zonnebrilhouder................................................................................... 90
Zijvakjes in de console...................................................................... 90
Bekerhouders (indien aanwezig)............................................. 91
Dakrails (indien aanwezig)............................................................ 91
Kaarthouder (indien aanwezig) ................................................ 92
Zonnekleppen................................................................................................. 92
Schuifdak (indien aanwezig) ............................................................... 92
Elektrisch schuifdak........................................................................... 92
Interieurverlichting..................................................................................... 94
Bedieningsschakelaars binnenverlichting ....................... 94
Consoleverlichting (indien aanwezig).................................. 94
Kaartleeslampjes ................................................................................. 94
Regelschakelaar kaartleeslampje (indien
aanwezig) .................................................................................................. 95
Binnenverlichting (indien aanwezig)..................................... 95
Leeslampje achterin (indien aanwezig) .............................. 96
Lampje make-up spiegel (indien aanwezig).................... 96
Accubesparingsfunctie................................................................... 96
OPMERKING
Zie voor een overzicht “Meters en tellers” in
hoofdstuk “0. Geïllustreerde inhoudsopgave” en
zie “Dashboard” in hoofdstuk “0. Geïllustreerde
inhoudsopgave”.
De meternaalden kunnen lichtelijk bewegen na-
dat de contactschakelaar in de OFF-stand is ge-
zet. Dit is geen storing.
SNELHEIDSMETER EN
BRANDSTOFMETER
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de rijsnelheid aan.
Brandstofmeter
De brandstofmeter geeft het brandstofniveau in de
tank bij benadering aan wanneer de contactscha-
kelaar in de ON-stand staat.
De meternaald kan tijdens remmen, het nemen van
een bocht, optrekken of bij het op- en afrijden van
heuvels iets bewegen, als gevolg van de beweging
van de brandstof in de tank.
De waarschuwing voor laag brandstofniveau wordt
op het voertuiginformatiedisplay weergegeven als
het brandstofniveau in de tank laag wordt. Vul
brandstof bij zodra dat goed uitkomt, bij voorkeur al
voordat de meternaald de leegstand (0) aangeeft.
De pijl, , geeft aan dat de brandstofvulklep aan
de linkerzijde van de auto zit.
LET OP
Vul brandstof bij voordat de meternaald de leeg-
stand (0) aangeeft.
Als de meternaald de leegstand (0) aangeeft, is er
nog een kleine reservehoeveelheid brandstof aan-
wezig in de tank.
Kilometerteller
Actieradius (dte km of mijl):
De actieradius (dte - distance to empty)
geeft u
een schatting van de afstand die nog kan worden
gereden voordat moet worden bijgetankt. De actie-
NIC2704
JVI0602XZ
JVI1041XZ
NIC3094
Model met linkse besturing (LHD)
METERS EN TELLERS
56 Instrumenten en bedieningen
radius wordt voortdurend berekend aan de hand
van de hoeveelheid brandstof in de brandstoftank
en het werkelijke brandstofverbruik.
De weergave wordt elke 30 seconden bijgewerkt.
De actieradiusfunctie geeft een waarschuwing bij
laag brandstofniveau. Wanneer het brandstofni-
veau laag is, wordt de waarschuwing op het scherm
weergegeven.
Als het brandstofniveau nog verder zakt, verandert
de weergave van de actieradius in “———”.
Indien een kleine hoeveelheid brandstof wordt
toegevoegd, kan de weergave van de actiera-
dius vlak voordat de contactschakelaar op “OFF”
wordt gezet nog steeds zichtbaar zijn.
Wanneer u bergopwaarts rijdt of op een weg met
scherpe bochten, golft de brandstof in de tank
heen en weer en kan de weergave tijdelijk ver-
anderen.
Kilometerteller/dubbele dagteller:
De kilometerteller/dubbele dagteller wordt ge-
toond op het voertuiginformatiedisplay wanneer de
contactschakelaar op ON staat.
De kilometerteller
toont de totale afstand die de
auto heeft afgelegd.
De dubbele dagteller
toont de afstand van af-
zonderlijke ritten.
De weergave van de dubbele dagteller wijzigen:
Druk op de <TRIP RESET>-schakelaar
(op het
dashboard) om de weergave als volgt te wijzigen:
TRIP A ̔ TRIP B ̔ KILOMETERTELLER ̔ TRIP A
Dubbele dagteller resetten:
Druk de <TRIP RESET>-schakelaar
langer dan
1 seconde in om de dagteller te resetten.
Kilometerteller (modellen zonder
kleurendisplay)
Kilometerteller/dubbele dagteller:
De kilometerteller/dubbele dagteller wordt weerge-
geven wanneer de contactschakelaar in de
ON-stand staat.
De kilometerteller
toont de totale afstand die de
auto heeft afgelegd.
De dubbele dagteller
toont de afstand van af-
zonderlijke ritten.
De weergave van de dagteller wijzigen:
Druk op de dagtellerschakelaar
om de weergave
als volgt te wijzigen:
TRIP A ̔ TRIP B ̔ Boordcomputermodus ̔ TRIP A
Raadpleeg voor informatie over de boordcomputer
“Boordcomputer” verderop in dit hoofdstuk.
De dagteller op nul zetten:
Houd terwijl TRIP A of TRIP B wordt weergegeven de
terugstelknop van de dagteller
gedurende onge-
veer 1 seconde ingedrukt om de dagteller op nul te
zetten.
Raadpleeg voor meer informatie “Boordcomputer”
verderop in dit hoofdstuk.
TOERENTELLER EN MOTORKOEL-
VLOEISTOFTEMPERATUURMETER
De toerenteller geeft het motortoerental aan in
aantal omwentelingen per minuut (omw/min). Voer
het motortoerental niet op tot in het rode ge-
deelte
j
A.
Het rode gedeelte verschilt per model.
Motorkoelvloeistoftemperatuurmeter
De temperatuurmeter motorkoelvloeistof geeft de
temperatuur van de motorkoelvloeistof aan.
De temperatuur van de motorkoelvloeistof is nor-
maal als de meternaald zich binnen de in de afbeel-
ding aangegeven zone bevindt
.
De temperatuur van de motorkoelvloeistof varieert,
afhankelijk van de buitenluchttemperatuur en de
rijomstandigheden.
NIC2705
Instrumenten en bedieningen 57
HELDERHEIDSREGELING
DASHBOARD
Knop voor helderheidsregeling
dashboard (modellen met
kleurendisplay)
De schakelaar voor de helderheidsregeling van het
dashboard
kan worden bediend als de contact-
schakelaar in de ON-stand staat. Wanneer de scha-
kelaar wordt bediend, schakelt het voertuiginfor-
matiedisplay over op de helderheidsregelingmo-
dus.
Druk op de +-zijde van de schakelaar om de dash-
boardverlichting helderder te maken. De balk
be-
weegt naar de+zijde.
Druk op de --zijde van de schakelaar om de verlich-
ting te dimmen. De balk
beweegt naar de - zijde.
Wanneer het helderheidsniveau de maximum- of
minimuminstelling bereikt, klinkt een piepsignaal.
Het voertuiginformatiedisplay keert terug naar de
normale weergave wanneer de schakelaar voor de
helderheidsregeling van het dashboard langer dan
5 seconden niet bediend wordt.
NIC3095
Model met linkse besturing (LHD)
JVI0661MZ
58 Instrumenten en bedieningen
Waarschuwingslampje
antiblokkeerremsysteem (ABS)*
Waarschuwingslampje
vierwielaandrijving (4WD) (4WD-model-
len)
Statuslampje voorpassagiersairbag
Waarschuwingslampje Active
Emergency Braking-systeem*
Waarschuwingslampje laag
brandstofniveau
Waarschuwingslampje CHECK voor de
automatische versnellingsbak (AT)
(model met automatische versnel-
lingsbak)
Waarschuwingslampje laag
ruitensproeiervloeistofniveau*
Controlelampje gloeibougies*
Waarschuwingslampje olietemperatuur
automatische versnellingsbak (model
met automatische versnellingsbak)
Waarschuwingslampje motorstoring
(rood)*
Controlelampje grootlicht
Waarschuwingslampje parkeren
automatische versnellingsbak (model
met automatische versnellingsbak)
Hoofdwaarschuwingslampje*
Controlelampje Hill Descent Control-
systeem AAN*
Waarschuwingslampje remsysteem
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordels*
Controlelampje motorstoring (MIL)
Waarschuwingslampje
laadstroomcircuit
Waarschuwingslampje airbagsysteem
(SRS)*
Controlelampje mistachterlicht*
Waarschuwingslampje roetfilter (DPF)*
Waarschuwingslampje water in
brandstoffilter*
Controlelampje antidiefstalsysteem*
Waarschuwingslampje geopend
portier
Controlelampje differentieelslot* Controlelampje stadslicht*
Waarschuwingslampje Electronic
Stability Programme (ESP)*
Controlelampje dimlicht
Controlelampje richtingaanwijzers
aanhangwagen*
Waarschuwingslampje motoroliedruk
Controlelampje Electronic Stability
Programme (ESP) OFF*
Controlelampjes richtingaanwijzers/
waarschuwingsknipperlichten
Waarschuwingslampje
motortemperatuur (rood of blauw)*
Controlelampje mistvoorlampen* *: indien aanwezig
WAARSCHUWINGSLAMPJES, CONTROLELAMPJES EN GELUIDSSIGNALEN
Instrumenten en bedieningen 59
LAMPJES CONTROLEREN
Sluit alle portieren, activeer de parkeerrem, maak
de veiligheidsgordels vast en zet de contactschake-
laar in de ON-stand zonder de motor te starten. De
volgende lampjes (indien aanwezig) gaan branden:
, , , , .
De volgende lampjes (indien aanwezig) lichten kort
op en gaan dan uit:
, , , , ,
, , , , , , (rood en
blauw)
Als een lampje niet gaat branden of op een andere
manier dan aangegegeven werkt, is het gloeilampje
mogelijk doorgebrand en/of is er een storing in het
systeem. Laat het systeem meteen nakijken en in-
dien nodig repareren door een erkende dealer of
gekwalificeerd garagebedrijf.
Modellen met kleurendisplay:
Sommige controlelampjes en waarschuwingen
worden ook weergegeven op het voertuiginforma-
tiedisplay tussen de snelheidsmeter en de toeren-
teller. (Zie Werkingsindicators” verderop in dit
hoofdstuk.)
WAARSCHUWINGSLAMPJES
Waarschuwingslampje
antiblokkeersysteem (ABS)
(indien aanwezig)
Wanneer de contactschakelaar in de ON-stand
staat, gaat het waarschuwingslampje voor het an-
tiblokkeerremsysteem (ABS) branden en dooft ver-
volgens. Dit geeft aan dat het ABS-systeem opera-
tioneel is.
Wanneer het ABS-waarschuwingslampje brandt
terwijl de motor draait of onder het rijden, kan dit
betekenen dat het ABS-systeem niet goed functio-
neert. Laat het systeem meteen nakijken door een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Wanneer er een storing is in het ABS-systeem, wordt
de antiblokkeerfunctie uitgeschakeld. Het remsys-
teem blijft normaal werken, echter zonder de anti-
blokkeerondersteuning. (Zie “Antiblokkeerremsys-
teem (ABS)” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”.)
Terwijl het differentieelslot (indien aanwezig) is
ingeschakeld, brandt het ABS-waarschuwings-
lampje. Dit geeft aan dat de antiblokkeerfunctie
niet volledig operationeel is. (Zie “Blokkeersysteem
achterdifferentieel (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden” voor de functie van het achter-
differentieelslot.)
Waarschuwingslampje Active
Emergency Braking-systeem
(indien aanwezig)
Dit lampje gaat branden wanneer het Active Emer-
gency Braking-systeem (actief noodremsysteem)
wordt uitgeschakeld op het onderdisplay.
Als dit lampje brandt wanneer het Active Emergency
Braking-systeem is ingeschakeld, kan dat erop wij-
zen dat het systeem niet beschikbaar is. Zie “Active
Emergency Braking-systeem (indien aanwezig)” in
hoofdstuk “5. Starten en rijden” voor meer details.
Door het ESP-systeem uit te schakelen met de Elec-
tronic Stability Programme (ESP) OFF-schakelaar,
zal het Active Emergency Braking-systeem niet
meer beschikbaar zijn. Dit is geen storing.
Voor modellen zonder kleurendisplay:
Het waarschuwingslampje knippert wanneer het
Active Emergency Braking-systeem in werking is.
Waarschuwingslampje CHECK
voor de automatische
versnellingsbak (AT) (model
met automatische
versnellingsbak)
Wanneer de contactschakelaar in de ON-stand
staat, zal het waarschuwingslampje CHECK voor de
automatische versnellingsbak (AT) oplichten en ver-
volgens weer uit gaan. Dit geeft aan dat de AT (au-
tomatische versnellingsbak) operationeel is.
Als het waarschuwingslampje CHECK voor de auto-
matische versnellingsbak gaat branden terwijl de
motor draait of tijdens het rijden, functioneert de
automatische versnellingsbak mogelijk niet correct
en is misschien onderhoud nodig. Laat het systeem
meteen nakijken en indien nodig repareren door
een erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Waarschuwingslampje
olietemperatuur automatische
versnellingsbak (model met
automatische versnellingsbak)
Dit lampje gaat branden wanneer de olietempera-
tuur in de automatische versnellingsbak (AT) te
hoog is. Wanneer het lampje gaat branden tijdens
het rijden, vermindert u zo snel als veilig mogelijk is
de snelheid van de auto totdat het lampje uitgaat.
60 Instrumenten en bedieningen
LET OP
Wanneer u blijft rijden met de auto wanneer het
waarschuwingslampje voor olietemperatuur au-
tomatische versnellingsbak brandt,kan dit de au-
tomatische versnellingsbak beschadigen.
Waarschuwingslampje
parkeren automatische
versnellingsbak (model met
automatische versnellingsbak)
Dit lampje wijst erop dat de parkeerfunctie van de
automatische versnellingsbak (AT) niet is ingescha-
keld.Wanneer de overbrengingsregeling niet is vast-
gezet in een rijstand terwijl de schakelhendel van
de automatische versnellingsbak in de P-stand
(parkeren) staat, zal de versnellingsbak loskoppelen
en worden de wielen niet vergrendeld.
Voor model met vierwielaandrijving: Als het ATP-
waarschuwingslampje gaat branden terwijl de
schakelhendel in de P-stand (parkeren) staat,
moet u de aandrijving van vierwielaandrijving
(4WD) weer naar 2WD, 4H, of 4LO schakelen met
de schakelhendel in de N-stand (vrij). (Zie “Bedie-
ning van de 4WD-modusschakelaar” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden”.)
WAARSCHUWING
Als het controlelampje 4WD-modus (zie Waar-
schuwingslampje vierwielaandrijving (4WD)
(4WD-modellen)” verderop in dit hoofdstuk) uit-
staat of het ATP-waarschuwingslampje aanstaat,
geeft dit aan dat de P-stand (parkeren) van de
automatische versnellingsbak niet zal werken,
waardoor de auto onverwacht in beweging kan
komen, hetgeen tot ernstig letsel of schade aan
bezittingen kan leiden. Zet de auto altijd op de
parkeerrem.
Waarschuwingslampje
remsysteem
WAARSCHUWING
Als het remvloeistofniveau in het reservoir on-
der het minimum is gedaald, rijd dan niet ver-
der maar laat het remsysteem controleren
door een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf.
Ook al acht u het veilig om te rijden, laat uw
auto toch slepen omdat rijden gevaarlijk kan
zijn.
Als u bij afgezette motor en/of bij laag rem-
vloeistofniveau het rempedaal intrapt, is uw
remafstand misschien langer dan normaal,
bovendien is er meer kracht nodig om het
rempedaal in te trappen en is de pedaalslag
langer.
Het waarschuwingslampje voor het remsysteem
geeft een aanduiding voor activering van de par-
keerrem, voor een laag vloeistofniveau in het rem-
systeem en voor storingen in het ABS-systeem.
Waarschuwingslampje parkeerrem:
Het waarschuwingslampje voor het remsysteem
gaat branden als de contactschakelaar in de stand
ON wordt gezet. Wanneer u de motor start en de
parkeerrem vrijgeeft, gaat het waarschuwings-
lampje uit.
Indien de parkeerrem niet volledig is vrijgeven, blijft
het waarschuwingslampje voor het remsysteem
branden. Controleer voordat u gaat rijden of het
waarschuwingslampje voor het remsysteem uit is.
(Zie “Parkeerrem” in hoofdstuk “3. Alvorens te gaan
rijden”.)
Controlelampje laag remvloeistofniveau:
Als het waarschuwingslampje voor het remsysteem
gaat branden terwijl de motor draait of tijdens het
rijden en de parkeerrem staat vrij, kan dit beteke-
nen dat het remvloeistofniveau te laag is.
Wanneer het waarschuwingslampje voor het rem-
systeem tijdens het rijden gaat branden, zet de auto
dan stil zodra dat veilig kan. Zet de motor af en con-
troleer het remvloeistofniveau. Als het remvloeistof-
niveau rond het minimumstreepje ligt, vul dan de
nodige remvloeistof bij. (Zie “Remvloeistof” in hoofd-
stuk “8. Onderhoud en doe-het-zelf”.)
Als het remvloeistofniveau correct is, laat het rem-
systeem dan direct nakijken door een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Waarschuwingslampje antiblokkeerremsysteem
(ABS) (indien aanwezig):
Wanneer de parkeerrem is vrijgegeven, het rem-
vloeistofniveau voldoende is en zowel het waar-
schuwingslampje voor het remsysteem als het
waarschuwingslampje voor het ABS-systeem bran-
den, kan dit erop wijzen dat het ABS-systeem niet
goed functioneert. Laat het remsysteem meteen
nakijken en zo nodig repareren door een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf. (Zie
“Remsysteem” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”.)
Instrumenten en bedieningen 61
Waarschuwingslampje
laadstroomcircuit
Het laadstroomwaarschuwingslampje gaat bran-
den zodra de contactschakelaar in de ON-stand
staat. Nadat de motor is gestart, gaat het laad-
stroomwaarschuwingslampje uit. Dit geeft aan dat
het laadsysteem in werking is.
Als het laadstroomwaarschuwingslampje gaat
branden terwijl de motor draait of tijdens het rijden,
functioneert het laadstroomsysteem mogelijk niet
correct en is misschien onderhoud nodig.
Wanneer het laadstroomwaarschuwingslampje tij-
dens het rijden gaat branden, zet de auto dan stil
zodra dat veilig kan. Zet de motor uit en controleer
de dynamoriem. Als de dynamoriem loszit of ont-
breekt, neem dan meteen contact op met een er-
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf. (Zie
“Aandrijfriem” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-
het-zelf”.)
Als de dynamoriem in orde lijkt maar het
laadstroomwaarschuwingslampje blijft branden,
laat het laadstroomsysteem dan direct nakijken
door een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf.
LET OP
Rijd niet door als de dynamoriem ontbreekt of ge-
broken is, of onvoldoende strak staat.
Waarschuwingslampje roetfilter
(DPF) (indien aanwezig)
Wanneer het waarschuwingslampje van het roetfil-
ter gaat branden geeft dit aan dat de hoeveelheid
afgevangen roetdeeltjes de voorgeschreven limiet
van het roetfilter heeft bereikt en dat het nodig is
de regeneratie van het filter uit te voeren. Zie voor
meer informatie over het regenereren van het filter,
“Roetfilter (DPF - Diesel Particulate Filter) (indien
aanwezig)” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”.
LET OP
Als u blijft rijden terwijl het waarschuwings-
lampje voor het roetfilter brandt, zonder het filter
te regenereren, zal er een ophoping van roetdeel-
tjes ontstaan in het filter.
Als dat gebeurt, gaat het controlelampje motor-
storing (MIL) branden. Het vermogen van de mo-
tor wordt dan wellicht beperkt om het roetfilter-
systeem te beschermen. Ga bij een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf langs om
de serviceregeneratie te laten uitvoeren.
Waarschuwingslampje
geopend portier
Het waarschuwingslampje voor geopend portier
gaat branden wanneer een portier niet goed is af-
gesloten, terwijl de contactschakelaar in de
ON-stand staat.
Waarschuwingslampje
Electronic Stability Programme
(ESP) (indien aanwezig)
Wanneer de contactschakelaar op ON staat, gaat
het waarschuwingslampje voor het Electronic Sta-
bility Programme (ESP) branden om vervolgens
weer te doven.
Het waarschuwingslampje knippert wanneer het
ESP-systeem in werking is.
Wanneer het waarschuwingslampje tijdens het rij-
den gaat knipperen, wijst dit op een glad wegdek en
het feit dat de auto grip verliest.
Als het ESP-waarschuwingslampje gaat branden
terwijl de motor draait of tijdens het rijden, kan dit
duiden op een storing in het ESP-systeem en de
noodzaak onderhoud te laten verrichten. Laat het
systeem meteen nakijken en indien nodig repare-
ren door een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf. In geval van een storing wordt de ESP-
functie uitgeschakeld, er kan echter nog steeds met
de auto gereden worden. (Zie “Electronic Stability
Programme (ESP) (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden”.)
Waarschuwingslampje
motoroliedruk
Het waarschuwingslampje motoroliedruk gaat
branden zodra de contactschakelaar in de
ON-stand staat. Nadat de motor is gestart, gaat het
waarschuwingslampje voor de motoroliedruk uit.
Hiermee wordt aangegeven dat de oliedruksensors
in de motor operationeel zijn.
62 Instrumenten en bedieningen
Als het waarschuwingslampje voor de motorolie-
druk gaat branden of knippert terwijl de motor
draait, is de motoroliedruk mogelijk te laag.
Zet de auto stil zodra dit veilig kan. Zet de motor
meteen af en neem contact op met een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
LET OP
Als het waarschuwingslampje motoroliedruk
brandt bij draaiende motor, kan de motor ern-
stig beschadigd raken.
Het waarschuwingslampje motoroliedruk is
niet bedoeld om een laag oliepeil aan te dui-
den. Controleer het oliepeil met de peilstok.
(Zie “Motoroliepeil controleren” in hoofdstuk
“8. Onderhoud en doe-het-zelf”.)
Waarschuwingslampje
motortemperatuur
(rood/blauw) (indien aanwezig)
Controlelampje hoge temperatuur (rood):
Het rode waarschuwingslampje gaat branden in ge-
val van oververhitting van de motor.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje hoge temperatuur
gaat branden terwijl de motor draait, kan dat wij-
zen op extreem hoge temperatuur van de motor.
Zet de auto stil zodra dit veilig kan. Als het voer-
tuig oververhit raakt, kan doorgaan met rijden de
motor ernstig beschadigen.
Als het waarschuwingslampje koelvloeistof-
temperatuur (rood) gaat branden tijdens het
rijden, stop het voertuig dan zo snel mogelijk
en neem contact op met een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
Wanneer u een aanhanger trekt of bergop-
waarts rijdt, verminder dan uw rijsnelheid zo-
dra dat veilig mogelijk is om zo de koelvloei-
stoftemperatuur te verlagen.
Verder rijden met een oververhitte motor kan
ernstige schade aan de motor veroorzaken.
Zie “Als uw auto oververhit raakt” in hoofdstuk
“6. In geval van nood” voor de maatregelen die
u direct moet nemen.
Controlelampje lage temperatuur (blauw):
Als de contactschakelaar in de ON-stand gezet
wordt, gaat het waarschuwingslampje voor de mo-
tortemperatuur (blauw) branden. Na enkele secon-
den moet het lampje weer uit gaan en uit blijven
terwijl de motor draait.
Waarschuwingslampje
vierwielaandrijving (4WD)
(4WD-modellen)
Het waarschuwingslampje voor vierwielaandrijving
(4WD) gaat branden zodra de contactschakelaar in
de ON-stand staat. Nadat de motor is gestart, gaat
het 4WD-waarschuwingslampje uit.
Als er een storing is in het 4WD-systeem of er zijn
verschillen in de draaisnelheid of de afmetingen van
de voor- en achterwielen, gaat het waarschuwings-
lampje knipperen of blijft continu branden. (Zie
Vierwielaandrijving (4WD) (indien aanwezig)” in
hoofdstuk “5. Starten en rijden”.)
LET OP
Als het 4WD-waarschuwingslampje gaat
branden of knippert tijdens het rijden, matig
dan uw snelheid en laat uw auto zo snel mo-
gelijk nakijken door een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
Als het waarschuwingslampje voor vierwie-
laandrijving (4WD) gaat branden tijdens het
rijden op een droog, hard wegdek:
in de 4H-stand, zet de 4WD-modusschake-
laar op 2WD.
in de 4LO-stand, stop de auto en zet de
schakelhendel in de N-stand (vrij) met het
rempedaal ingetrapt en zet de 4WD-mo-
dusschakelaar op 2WD.
Als na bovenstaande procedure het waarschu-
wingslampje nog steeds brandt, laat uw auto dan
zo snel mogelijk nakijken door een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
Waarschuwingslampje laag
brandstofniveau
Het controlelampje voor laag brandstofniveau gaat
branden zodra het brandstofniveau in de tank sterk
daalt. Vul brandstof bij zodra dat uitkomt, bij voor-
keur voordat de meternaald de leegstand (0) aan-
geeft.
Als de brandstofmeter de leegstand (0) bereikt, is
er nog een kleine reservehoeveelheid brandstof
aanwezig in de tank.
Instrumenten en bedieningen 63
Waarschuwingslampje laag
sproeiervloeistofniveau (indien
aanwezig)
Het waarschuwingslampje voor laag sproeiervloei-
stofniveau gaat branden zodra het vloeistofniveau
in het reservoir laag is. Vul zo nodig sproeivloeistof
bij. (Zie “Ruitensproeiervloeistof” in hoofdstuk “8. On-
derhoud en doe-het-zelf”.)
Waarschuwingslampje
motorstoring (rood) (indien
aanwezig)
Het waarschuwingslampje voor motorstoring licht
rood op wanneer de contactschakelaar in de ON-
stand wordt gezet. Dit betekent dat het systeem
operationeel is. Nadat de motor is gestart, gaat het
waarschuwingslampje uit.
Zie voor het oranje controlelampje motorstoring
(MIL), “Controlelampje motorstoring (MIL)” verderop
in dit hoofdstuk voor details.
Als het waarschuwingslampje (rood) voor motor-
storing blijft branden terwijl de motor draait, func-
tioneert het motorregelsysteem waarschijnlijk niet
naar behoren. Laat uw auto nakijken door een er-
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf. Het is
niet nodig de auto naar de dealer te laten slepen.
LET OP
Als u de auto blijft gebruiken zonder het motor-
regelsysteem te laten inspecteren en zo nodig re-
pareren, kan dit leiden tot slechte rijeigenschap-
pen, hoger brandstofverbruik en eventuele
schade aan het motorregelsysteem, waardoor
uw garantie kan komen te vervallen.
Hoofdwaarschuwingslampje
(indien aanwezig)
Wanneer de contactschakelaar in de ON-stand
staat, gaat het hoofdwaarschuwingslampje bran-
den als een van de volgende zaken op het voertui-
ginformatiedisplay wordt getoond.
Waarschuwing Geen sleutel gedetecteerd
(indien aanwezig)
Waarschuwing Schakel P (modellen met auto-
matische versnellingsbak)
Waarschuwing Sleutel ID onjuist (indien aanwe-
zig)
Waarschuwing Parkeerrem deactiveren
Waarschuwing Laag brandstofniveau (Bereik)
Waarschuwing open portier
Waarschuwing laag ruitensproeierpeil (indien
aanwezig)
Waarschuwing Sleutel systeem fout (indien aan-
wezig)
Waarschuwing lage oliedruk (indien aanwezig)
Waarschuwing AdBlue® (indien aanwezig)
4WD-storing (indien aanwezig)
Waarschuwing Verzendstand aan Druk opslag
zekering (indien aanwezig)
Waarschuwing Koplampen systeem fout (indien
aanwezig)
Waarschuwing storing in automatische versnel-
lingsbak (AT) (modellen met automatische ver-
snellingsbak)
Storing parkeersensor (indien aanwezig)
Zie Voertuiginformatiedisplay” verderop in dit
hoofdstuk.
Waarschuwingslampje
veiligheidsgordels (indien
aanwezig)
Veiligheidsgordels voorin:
Het waarschuwingslampje voor de veiligheidsgor-
dels gaat branden wanneer de contactschakelaar
in de ON-stand staat. Het lampje blijft de branden
totdat de bestuurder zijn veiligheidsgordel heeft
vastgemaakt.
Waarschuwingslampje
airbagsysteem (SRS) (indien
aanwezig)
Als de contactschakelaar in de ON-stand staat, gaat
het SRS-airbagwaarschuwingslampje gedurende
ongeveer 7 seconden branden om vervolgens weer
te doven. Dit geeft aan dat het SRS-airbagsysteem
operationeel is.
Als één van de volgende omstandigheden zich
voordoet, is onderhoud vereist aan het SRS-airbag-
of gordelspannersysteem (indien aanwezig). Laat
het systeem meteen nakijken en indien nodig repa-
reren door een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf.
Het waarschuwingslampje voor het airbagsys-
teem (SRS) blijft na ongeveer 7 seconden bran-
den.
64 Instrumenten en bedieningen
Het airbagwaarschuwingslampje knippert onre-
gelmatig.
Het waarschuwingslampje voor het airbagsys-
teem (SRS) gaat helemaal niet branden.
Tenzij ze worden nagekeken en eventueel gerepa-
reerd, kan het zijn dat het airbagsysteem (SRS) en/
of de veiligheidsgordelspanners niet goed werken.
(Zie “Aanvullend veiligheidssysteem (SRS) (indien
aanwezig)” in hoofdstuk “1. Veiligheid stoelen, vei-
ligheidsgordels en aanvullend veiligheidssysteem”.)
Waarschuwingslampje water in
brandstoffilter (indien
aanwezig)
Als het waarschuwingslampje water in brandstof-
filter gaat branden terwijl de motor draait,neem dan
zo snel mogelijk contact op met een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
LET OP
Als u de auto blijft gebruiken zonder het water af
te tappen, kan de motor ernstig beschadigd
raken.
CONTROLELAMPJES
Controlelampje differentieelslot
(indien aanwezig)
Als de differentieelslotmodusschakelaar in de ON-
stand staat, zal het controlelampje voor het diffe-
rentieelslot knipperen en vervolgens blijven bran-
den nadat het differentieel volledig is vergrendeld.
Zie “Blokkeersysteem achterdifferentieel (indien
aanwezig)” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”.
Controlelampje dimlicht (indien
van toepassing)
Het controlelampje voor dimlicht gaat branden
wanneer het dimlicht is ingeschakeld. (Zie “Schake-
laar koplampverlichting en richtingaanwijzers” ver-
derop in dit hoofdstuk.)
Controlelampje Electronic
Stability Programme (ESP) OFF
Het controlelampje Electronic Stability Programme
(ESP) OFF gaat branden als de ESP OFF-schakelaar
in de OFF-stand wordt gedrukt.
Als de ESP OFF-schakelaar in de OFF-stand wordt
gezet, wordt het ESP-systeem uitgeschakeld.
Wanneer het achterdifferentieelslot wordt inge-
schakeld met de differentieelslotmodusschakelaar,
of de <4LO>-stand wordt geselecteerd met de mo-
dusschakelaar voor vierwielaandrijving (4WD), zal
het ESP-systeem worden uitgeschakeld en gaat het
ESP OFF-lampje branden. (Zie “Electronic Stability
Programme (ESP) (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden” en “Blokkeersysteem achterdif-
ferentieel (indien aanwezig)” in hoofdstuk “5. Star-
ten en rijden”.)
Controlelampje
mistvoorlampen (indien
aanwezig)
Het controlelampje van de mistvoorlamp gaat bran-
den wanneer de mistvoorlampen aanstaan. (Zie
“Mistlampschakelaar (indien aanwezig)” verderop in
dit hoofdstuk.)
/
Statuslampje
voorpassagiersairbag
Het statuslampje voor de voorpassagiersairbag
(
) gaat branden op het dashboard zodra de
voorpassagiersairbag wordt uitgeschakeld via de
schakelaar voor de voorpassagiersairbag. Wanneer
de voorpassagiersairbag wordt ingeschakeld gaat
het statuslampje voor de voorpassagiersairbag
(
) branden.
Zie voor meer informatie “Statuslampje voorpassa-
giersairbag (indien aanwezig)” in hoofdstuk “1. Vei-
ligheid stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend
veiligheidssysteem”.
Controlelampje gloeibougies
(indien aanwezig)
Wanneer de contactschakelaar in de ON-stand
staat, gaat het gloeibougiescontrolelampje bran-
den en dooft zodra de gloeibougies opgewarmd
zijn.
Als de gloeibougies al opgewarmd zijn, knippert het
gloeibougiescontrolelampje kort en dooft vervol-
gens weer.
Controlelampje grootlicht
Het controlelampje grootlicht gaat branden wan-
neer het grootlicht is ingeschakeld. Het controle-
lampje gaat uit zodra het dimlicht wordt geselec-
teerd. (Zie “Schakelaar koplampverlichting en
richtingaanwijzers” verderop in dit hoofdstuk.)
Instrumenten en bedieningen 65
Controlelampje Hill Descent
Control-systeem ON (indien
aanwezig)
Als de contactschakelaar in de ON-stand gezet
wordt, licht het controlelampje voor het Hill Descent
Control-systeem kort op en dooft vervolgens weer.
Dit geeft aan dat het Hill Descent Control-systeem
operationeel is.
Het lampje gaat branden wanneer het Hill Descent
Control-systeem wordt geactiveerd.
Als de schakelaar voor Hill Descent Control inge-
schakeld is en het controlelampje knippert, is het
systeem niet geactiveerd.
Als het controlelampje niet brandt of knippert wan-
neer de schakelaar voor Hill Descent Control inge-
schakeld is, kan het zijn dat het systeem niet goed
functioneert. Laat het systeem nakijken door een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Zie voor meer informatie “Hill Descent Control (in-
dien aanwezig)” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”.
Controlelampje motorstoring
(MIL)
LET OP
Als u de auto blijft gebruiken zonder het mo-
torregelsysteem te laten inspecteren en zo
nodig repareren, kan dit leiden tot slechte rijei-
genschappen, hoger brandstofverbruik en
eventuele schade aan het motorregelsys-
teem, waardoor uw garantie kan komen te
vervallen.
Een foutieve afstelling van het motorregelsys-
teem kan ertoe leiden dat uw auto niet meer
voldoet aan de plaatselijk en landelijk
geldende emissienormen en wetgeving.
Het motorstoringlampje (MIL) gaat branden wan-
neer de contactschakelaar in de ON-stand staat.
Nadat de motor is gestart, gaat het MIL-lampje uit.
Dit geeft aan dat het motorregelsysteem operatio-
neel is.
Als het controlelampje motorstoring gaat branden
of knippert terwijl de motor draait, functioneert het
motorregelsysteem mogelijk niet correct en is mis-
schien onderhoud nodig. Laat het systeem meteen
nakijken en indien nodig repareren door een er-
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Voorzorgsmaatregelen:
Om mogelijke schade aan het motorregelsysteem
te beperken of voorkomen wanneer het MIL-lampje
knippert:
Rijd niet sneller dan 70 km/u (43 mph).
Trek niet snel op en rem niet abrupt af.
Rijd niet op steile opwaartse hellingen.
Rijd niet met onnodig veel bagage en sleep geen
aanhanger.
Controlelampje mistachterlicht
(indien aanwezig)
Het controlelampje mistachterlicht gaat branden
wanneer het mistachterlicht aanstaat. (Zie “Mist-
lampschakelaar (indien aanwezig)” verderop in dit
hoofdstuk.)
Controlelampje
antidiefstalsysteem (indien
aanwezig)
Het controlelampje van het antidiefstalsysteem
knippert wanneer de contactschakelaar in de ACC-,
OFF- of LOCK-stand staat. Deze functie geeft aan
dat het beveiligingssysteem, waarmee de auto is
uitgerust operationeel is.
Als het beveiligingssysteem niet goed werkt, blijft
dit lampje branden zolang de contactschakelaar in
de ON-stand staat. (Zie “Beveiligingssysteem (indien
aanwezig)” in hoofdstuk “3. Alvorens te gaan rijden”
voor meer informatie.)
Controlelampje stadslicht
(indien van toepassing)
Het controlelampje gaat branden wanneer de kop-
lampschakelaar in de stand
wordt gezet.
Richtingaanwijzers
aanhangwagen (indien
aanwezig)
Dit lampje gaat branden wanneer er een extra elek-
trische belasting wordt waargenomen door het
richtingaanwijzersysteem.
Zie voor meer informatie “Rijden met aan-
hangwagen” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”.
Waarschuwingslampjes
richtingaanwijzers/
waarschuwingsknipperlichten
De waarschuwingslampjes voor de richtingaan-
wijzers/waarschuwingsknipperlichten knipperen
wanneer de hendel voor de richtingaanwijzers of
de schakelaar voor de waarschuwingsknipperlich-
66 Instrumenten en bedieningen
ten wordt bediend. (Zie “Schakelaar richtin-
gaanwijzers” verderop in dit hoofdstuk of “Schake-
laar waarschuwingsknipperlichten” in hoofdstuk
“6. In geval van nood”.)
GELUIDSSIGNALEN
Waarschuwing remblokslijtage
De schijfremblokken geven een waarschuwingssig-
naal in geval van slijtage. Als een remblok vervan-
gen dient te worden, zal het een hoog schurend
geluid produceren tijdens het rijden van de auto.
Het schurend geluid zal aanvankelijk alleen hoor-
baar zijn wanneer het rempedaal wordt ingetrapt.
Nadat het remblok verder is versleten, zult u het ge-
luid altijd horen, ook wanneer u het rempedaal niet
intrapt. Laat de remmen zo snel mogelijk nakijken
als u de remblokslijtagewaarschuwing hoort.
Laat het systeem meteen nakijken en indien nodig
repareren door een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf. (Zie “Remmen” in hoofdstuk
“8. Onderhoud en doe-het-zelf”.)
Herinneringssignaal voor sleutel
Het geluidssignaal zal klinken als één van de vol-
gende handelingen wordt opgemerkt:
Modellen met afstandsbedieningsleutelsys-
teem:
Het geluidssignaal zal klinken wanneer het bestuur-
dersportier geopend wordt terwijl de contactscha-
kelaar nog op ACC staat.
Modellen zonder afstandsbedieningsleutelsys-
teem:
Het geluidssignaal zal klinken wanneer het bestuur-
dersportier geopend wordt terwijl de sleutel nog in
de contactschakelaar zit en deze op ACC, OFF of
LOCK staat. Neem de sleutel mee bij het verlaten
van uw voertuig.
Waarschuwingssignaal voor verlichting
Het herinneringssignaal voor de verlichting klinkt
wanneer het bestuurdersportier wordt geopend
terwijl de koplampschakelaar in de stand
of
en de startknop op ACC, OFF of LOCK staat.
Zet de koplampschakelaar in de <OFF>-stand of de
<AUTO>-stand (indien aanwezig) als u de auto ver-
laat.
Herinneringssignaal voor parkeerrem
Het herinneringssignaal voor de parkeerrem klinkt
zodra de auto harder rijdt dan 7 km/u (4 mph) ter-
wijl de parkeerremnog is geactiveerd.Breng de auto
tot stilstand en geef de parkeerrem vrij.
Waarschuwingssignaal
veiligheidsgordels (indien aanwezig)
Als de auto sneller rijdt dan 15 km/u (10 MPH) zal het
geluidssignaal klinken wanneer de veiligheidsgor-
dels van de bestuurder en/of de voorpassagier niet
goed zijn vastgemaakt. Het geluidssignaal blijft on-
geveer 95 seconden klinken totdat de veiligheids-
gordel is vastgemaakt.
Het voertuiginformatiedisplay
bevindt zich tus-
sen de toerenteller en de snelheidsmeter en toont
waarschuwingen en informatie. De volgende items
worden ook weergegeven:
Automatische versnellingsbakvloeistof (AT) (in-
dien aanwezig)
“Rijden met automatische versnellingsbak
(AT)” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”
Vierwielaandrijving (4WD) (indien aanwezig)
Vierwielaandrijving (4WD) (indien aanwezig)”
in hoofdstuk “5. Starten en rijden”
Klok
“[Klok]” verderop in dit hoofdstuk
Boordcomputer
“Boordcomputer” verderop in dit hoofdstuk
Cruise control (indien aanwezig)
“Cruise control (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden”
JVI0899XZ
VOERTUIGINFORMATIEDISPLAY
Instrumenten en bedieningen 67
Afstandsbedieningsleutelsysteem (indien aan-
wezig)
“Afstandsbedieningsleutelsysteem (indien
aanwezig)” in hoofdstuk “3. Alvorens te gaan rij-
den”
Oliecontrolesysteem (indien aanwezig)
“Oliecontrolesysteem (indien aanwezig)” ver-
derop in dit hoofdstuk
HET VOERTUIGINFORMATIEDISPLAY
GEBRUIKEN
Het voertuiginformatiedisplay kan worden veran-
derd met de <ENTER>-knop en de TERUG-knop links
op het stuurwiel.
m
Terug-knop
j
A
Druk op de TERUG-knop om terug te keren naar het
vorige scherm of menuniveau, of om een selectie
die nog niet is voltooid te annuleren.
Displaybladerschakelaar
j
B
Druk op om omhoog te bladeren of op om
omlaag te bladeren door items op het voertuigin-
formatiedisplay. Druk op <ENTER>
j
B om een item
op het display te selecteren en druk vervolgens op
of om door de bijbehorende menuopties te
bladeren.
INSTELLINGEN
De instellingenmodus stelt u in staat om te bepalen
welke informatie op het voertuiginformatiedisplay
getoond wordt:
[Bestuurdersmodus] (indien aanwezig)
[Klok]
[Weergave-instellingen]
[Voertuiginstellingen]
[Onderhoud]
[Alarm]
[Eenheden]
[Taal]
[Fabrieksinstellingen]
OPMERKING
Het instellingenmenu kan niet bediend worden
tijdens het rijden.
[Bestuurdersmodus] (indien aanwezig)
Gebruik de -of -schakelaar en de <ENTER>-
knop om de status te wijzigen, of om systemen
weergegeven in het menu [Bestuurdersmodus] aan
of uit te zetten. De volgende menuopties zijn be-
schikbaar:
[Rijhulp] (indien aanwezig):
De [Rijhulp]-optie heeft een sub-menu waar u kunt
kiezen om de volgende optie op AAN of UIT te zet-
ten:
[Nood remsyst.]
Selecteer dit item om het Active Emergency Bra-
king-systeem in of uit te schakelen. Zie voor
meer informatie “Active Emergency Braking-sys-
teem (indien aanwezig)” in hoofdstuk “5. Starten
en rijden”.
[Parkeerassistentie] (indien aanwezig):
De [Parkeerassistentie]-optie heeft een sub-menu
waar u het volgende kunt regelen:
[Sensor]
Selecteer deze optie om de parkeersensor (so-
nar) aan of uit te zetten.
[Volume]
Selecteer dit sub-menu om het volume van de
zoemer van de parkeersensor (sonar) in te stel-
len op één van de volgende waarden:
[Hoog]
Hoogst beschikbare volume.
NIC3083
Type A
NIC3124
Type B
68 Instrumenten en bedieningen
–[Mid.]
Middenniveau voor volume. (Standaard)
[Laag]
Laagst beschikbare volume.
[Bereik]
Selecteer dit sub-menu om het detectiebereik
van de parkeersensor (sonar) in te stellen op één
van de volgende waarden:
[Ver]
Het parkeersensorsysteem zal eerder wijzen
op voorwerpen die verder weg zijn.
[Gem.]
Het parkeersensorsysteem staat op de stan-
daard afstand.
[Dichtbij]
Het parkeersensorsysteem zal alleen wijzen
op voorwerpen die dichtbij zijn.
[Klok]
De volgende sub-menu's zijn beschikbaar in het
klokmenu, afhankelijk van de apparatuur die aan-
wezig is in elke auto.
[Stel klok in NAVI] (indien aanwezig)
De klok moet ingesteld worden in het navigatie-
systeem en de klok van het voertuiginformatie-
display wordt daar dan automatisch aan aan-
gepast.
Raadpleeg het apart meegeleverde Instructie-
boekje van het Navigatiesysteem met touchscr-
een.
[Stel klok in Audio] (indien aanwezig)
De klok moet ingesteld worden in het audiosys-
teem en de klok van het voertuiginformatiedis-
play wordt daar dan automatisch aan aange-
past.
Zie “De klok instellen” in hoofdstuk “4. Display,
verwarming en airconditioning, en audiosys-
teem”.
[Klok instellen] (indien aanwezig)
Selecteer dit sub-menu om de klok in te stellen.
[12H/24H] (indien aanwezig)
Selecteer dit sub-menu om het formaat voor de
tijdsweergave te kiezen tussen 12 Uur en 24 Uur.
[Weergave-instellingen]
De volgende sub-menu's zijn beschikbaar onder het
[Beeldscherm instell.]-menu.
[Keuze hoofdmenu]
[Hoofdkleur]
[Stop/Start] (indien aanwezig)
[ECO rapport] (indien aanwezig)
[Welkomsteffect]
[Keuze hoofdmenu]:
Selecteer dit sub-menu om de getoonde opties te
activeren of uit te schakelen.
[Huisadres]
[Gemiddelde snelheid]
[Rit]
[Brandstofverbruik]
[Navigatie] (indien aanwezig)
[Audio]
[Rijhulp] (indien aanwezig)
[Hoofdkleur]:
In dit sub-menu kunt u de kleur waarin de auto
wordt weergegeven op het voertuiginformatiedis-
play wijzigen.
[Stop/Start]:
In dit sub-menu kunt u het Stop/Start-systeem in-
of uitschakelen.
[ECO rapport] (indien aanwezig):
Er zijn 2 opties in het [ECO rapport]-menu.
[Display]
Selecteer deze opties om weergave van het
ECO-rapport op het voertuiginformatiedisplay
aan of uit te zetten.
[ECO historie]
Selecteer dit sub-menu om historisch brand-
stofverbruik, huidig brandstofverbruik en het
zuinigste brandstofverbruik te bekijken. Zie
“ECO-rapport” in hoofdstuk “5. Starten en rijden”.
Met [Terug] keert u terug naar het [ECO rap-
port]-menu.
Met [Reset] zet u het historische brandstof-
verbruik weer op nul.
[Welkomsteffect]:
Selecteer dit sub-menu om de onderstaande opties
op AAN of UIT te zetten.
[Wijzer-effect]
De naalden van de meters slaan uit als de motor
wordt gestart.
Instrumenten en bedieningen 69
[Display-effect]
Het welkomstscherm verschijnt zodra de con-
tactschakelaar op ON wordt gezet.
[Voertuiginstellingen]
De volgende sub-menu's zijn beschikbaar onder het
[Voertuiginstellingen]-menu.
[Verlichting]
[Richtingaanwijzers]
[Vergrendeling]
[Ruitenwissers]
[Verlichting] (indien aanwezig):
Het Verlichting-menu biedt 2 opties.
[Binnen- verlichting]
Selecteer deze optie om de timer voor de bin-
nenverlichting aan of uit te zetten.
Als de timer voor de binnenverlichting aanstaat,
gaat de binnenverlichting AAN als een portier
wordt ontgrendeld.
[Lichtgevoeligheid]
Het automatische verlichtingssysteem kan in-
gesteld worden om eerder of later aan te gaan
op basis van hoe donker het is buiten de auto.
Zie “Schakelaar koplampverlichting en
richtingaanwijzers” in hoofdstuk “2. Instrumen-
ten en bedieningen”.
[Vroegst]
[Vroeger]
[Standaard]
[Later]
[Richtingaanwijzers]:
Selecteer dit sub-menu om de onderstaande opties
op AAN of UIT te zetten.
[3 keer knipperen]
Selecteer dit sub-menu om de optie [3 keer knip-
peren] aam of uit te zetten als signaal bij het ver-
anderen van rijstrook. Zie “Schakelaar
richtingaanwijzers” in hoofdstuk “2. Instrumen-
ten en bedieningen”.
[Ontgrendelen] (indien aanwezig):
Selecteer dit sub-menu om de onderstaande opties
op AAN of UIT te zetten.
[I-key vergr.]
Selecteer deze optie om de portierschakelaars
aan of uit te zetten. Zie “Portieren” in hoofdstuk
“3. Alvorens te gaan rijden”.
[Ruitenwissers]:
Selecteer dit sub-menu om de onderstaande opties
op AAN of UIT te zetten.
[Snelheid wissers]
Selecteer deze optie om de regeling van de snel-
heid van de ruitenwissers aan of uit te zetten.
Zie Wis-/wasschakelaar” in hoofdstuk “2. Instru-
menten en bedieningen”.
[Onderhoud]
De volgende sub-menu's zijn beschikbaar onder het
[Onderhoud]-menu.
[Onderhoud]
[Filter]
[Band]
[Overig]
[AdBlue Status]
[Onderhoudsbeurt] (indien aanwezig):
Selecteer deze optie om de resterende afstand te
zien totdat een onderhoudsbeurt noodzakelijk is.
Druk om de indicator voor de onderhoudsbeurt te
herstellen op <ENTER> en selecteer [Ja].
U kunt de afstand tot de onderhoudsbeurt niet
handmatig instellen. Deze afstand wordt automa-
tisch ingesteld.
OPMERKING
Zorg dat de afstand tot de volgende onder-
houdsbeurt wordt hersteld na de onder-
houdsbeurt. Anders wordt de indicator voor on-
derhoudsbeurt nog steeds weergegeven.
[Filter] (indien aanwezig):
Selecteer deze optie om de afstand tot vervangen
van het oliefilter in te stellen of te herstellen.
De afstand kan ingesteld worden tussen [ ———]
(uit) en 30.000 km in stappen van 500 km.
[Band]:
Selecteer deze optie om de afstand tot vervangen
van de banden in te stellen of te herstellen.
De afstand kan ingesteld worden tussen [ ———]
(uit) en 30.000 km in stappen van 500 km.
[Overig]:
Selecteer deze optie om een herinnering in te stel-
len of te herstellen voor het vervangen van iets an-
ders dan olie, oliefilter of banden.
De afstand kan ingesteld worden tussen [ ———]
(uit) en 30.000 km in stappen van 500 km.
70 Instrumenten en bedieningen
3[AdBlue Status]:
U kunt deze optie gebruiken om het vloeistofniveau
in de AdBlue®-tank te controleren.
Zie voor meer informatie “AdBlue® Selectief Kataly-
tisch Reductiesysteem (SCR)” in hoofdstuk “5. Star-
ten en rijden”
[Alarm]
Onder het [Alarm]-menu zijn de volgende opties be-
schikbaar.
[Timer]
[Navigatie] (indien aanwezig)
[Telefoon] (indien aanwezig)
[E-Mail] (indien aanwezig)
[Timer]:
Selecteer dit sub-menu om te bepalen wanneer het
bericht [Tijd voor een pauze?] moet verschijnen.
Deze tijd kan ingesteld worden tussen [ ] (uit)
en 6 uur in stappen van 30 minuten.
[Navigatie] (indien aanwezig):
Selecteer deze optie om weergave van informatie
van het navigatiesysteem op het voertuiginforma-
tiedisplay aan of uit te zetten.
[Telefoon] (indien aanwezig):
Selecteer deze optie om weergave van informatie
over inkomende gesprekken op het voertuiginfor-
matiedisplay aan of uit te zetten.
[E-Mail] (indien aanwezig):
Selecteer deze optie om weergave van informatie
over inkomende emails op het voertuiginformatie-
display aan of uit te zetten.
[Eenheden]
Onder het [Eenheden]-menu zijn de volgende op-
ties beschikbaar.
[Afgelegde km]
[Temperatuur]
[Afstand/Brandstof]:
De eenheid waarin de afstand en het brandstofver-
bruik op het voertuiginformatiedisplay wordt weer-
gegeven kan gewijzigd worden in:
[km, l/100km]
[km, km/l]
[mijl, MPG]
[Temperatuur]:
De temperatuur op het voertuiginformatiedisplay
kan worden weergegeven in:
°C (Celsius)
°F (Fahrenheit)
[Taal]
De taal van het voertuiginformatiedisplay kan inge-
steld worden op:
Engels
Frans
Duits
Italiaans
Portugees
Nederlands
Spaans
Turks
Russisch
Arabisch
Gebruik de
-of - en <ENTER>-knoppen om de
taal die wordt gebruikt op het voertuiginformatie-
display te selecteren en wijzigen.
[Fabrieksinstellingen]
De instellingen van het voertuiginformatiedisplay
kunnen teruggezet worden naar de standaard fa-
brieksinstellingen. Het voertuiginformatiedisplay
resetten:
1. Gebruik de -of -knop om [Instellingen] te se-
lecteren, en druk dan op de <ENTER>-knop
2. Selecteer [Fabrieksinstellingen] met de
-of
-knop en druk dan op de <ENTER>-knop
3. Selecteer [Ja] en druk op de <ENTER>-knop om
alle instellingen terug te brengen naar de stan-
daardinstellingen
Selecteer [Nee] om de resetprocedure te annuleren
of druk op de TERUG-knop links op het stuurwiel.
Instrumenten en bedieningen 71
BOORDCOMPUTER
NIC3682
NIC3083
Type A
NIC3124
Type B
72 Instrumenten en bedieningen
De schakelaars voor de boordcomputer (indien aan-
wezig) zijn te vinden op het dashboard aan de lin-
ker- of rechterzijde van de stuurkolom
.Omde
boordcomputer te bedienen drukt u op de schake-
laars zoals hierboven getoond.
Elke keer dat de -knop of de -knop
j
Bwordt
ingedrukt, zal het display als volgt veranderen:
Voertuigweergave (Home) ̔ Gemiddelde snelheid
̔ Verstreken tijd en dagteller ̔ Huidig en gemid-
deld brandstofverbruik ̔ Navigatie (indien aanwe-
zig) ̔ Kompas (indien aanwezig) ̔ Audio (indien
aanwezig) ̔ Rijhulp (indien aanwezig) ̔ Waarschu-
wingscontrole ̔ Instellingen ̔ Voertuigweergave
(Home)
Als de <ENTER>-schakelaar
j
B gedurende meer dan
3 seconden wordt vastgehouden kunnen de gemid-
delde snelheid, verstreken tijd, dagteller en huidig
en gemiddeld brandstofverbruik weer op nul gezet
worden.
1. Voertuigweergave [Home]
Het scherm met de Voertuigweergave [Home] kan
geselecteerd worden als de bestuurder geen infor-
matie wil zien op het scherm van de boordcompu-
ter.
2. [Snelheid] en [Gemiddeld]
De (digitale) snelheid
j
A toont de huidige snelheid
waarmee de auto rijdt.
Deze optie geeft de gemiddelde snelheid
j
B weer
sinds de laatste reset. Druk kort op de <ENTER>-
knop om te schakelen tussen dagteller 1 en 2. Als de
<ENTER>-knop langer dan 1 seconde wordt inge-
drukt, wordt het menu Resetten geopend.
De weergave wordt elke 30 seconden bijgewerkt.
Tijdens de eerste 30 seconden na een reset toont
het display [——].
3. [Rit]
Afgelegde [Afstand]
j
A:
In de dagtellermodus wordt de totale afstand ge-
toond die de auto heeft gereden sinds de laatste
reset. Druk kort op de <ENTER>-knop om te schake-
len tussen dagteller 1 en 2. Als de <ENTER>-knop
langer dan 1 seconde wordt ingedrukt, wordt het
menu Resetten geopend. (Tegelijkertijd wordt ook
de verstreken tijd gereset.)
Verstreken [Tijd]
j
B:
In de modus verstreken tijd wordt aangegeven hoe-
veel tijd er is verstreken sinds de laatste reset. Druk
kort op de <ENTER>-knop om te schakelen tussen
dagteller 1 en 2. Als de <ENTER>-knop langer dan
1 seconde wordt ingedrukt, wordt het menu Reset-
ten geopend. (Tegelijkertijd wordt ook de dagteller
gereset.)
NIC3093
Model met linkse besturing (LHD)
NIC3667
NIC3666
Instrumenten en bedieningen 73
4. [Brandstofverbruik]
[Gemiddeld] brandstofverbruik
j
A:
In de modus gemiddeld brandstofverbruik wordt
het gemiddelde brandstofverbruik getoond sinds
de laatste reset. Druk langer dan 1 seconde op de
<ENTER>-schakelaar om het menu Resetten te ope-
nen.
De weergave wordt elke 30 seconden bijgewerkt.
Tijdens de eerste 500 m (1/3 mijl) na het resetten
toont het display [——].
Druk kort op <ENTER> om de tweede pagina van
Brandstofverbruik te tonen.
De meeteenheid (l/100km, km/l of MPG) kan gese-
lecteerd worden in het instellingenmenu. Zie
“[Eenheden]” in hoofdstuk “2. Instrumenten en be-
dieningen”.
Huidig brandstofverbruik
j
B:
De schaal toont het huidige brandstofverbruik.
5. [Navigatie] (indien aanwezig)
Wanneer de routebegeleiding is ingesteld in het na-
vigatiesysteem toont deze optie informatie over de
navigatieroute.
6. Kompas (indien aanwezig)
Dit display toont de rijrichting van de auto
j
A als-
mede een kompas
j
B rondom de voertuigweer-
gave.
7. [Audio] (indien aanwezig)
j
A Huidige bron
j
B Huidige frequentie
j
C Naam van huidige radiozender
De audiomodus toont de status van audio-informa-
tie.
Zie voor meer informatie “FM AM-radio met CD-spe-
ler (type A)” in hoofdstuk “4. Display, verwarming en
airconditioning, en audiosysteem” of het apart mee-
geleverde Instructieboekje van het Navigatiesys-
teem met touchscreen.
8. [Rijhulp] (indien aanwezig)
De rijhulpmodus toont de bedrijfstoestand van de
rijhulp.
Active Emergency Braking
Druk op <ENTER> om het menu [Rijhulp]-instellin-
gen te openen.
Zie voor meer informatie “Active Emergency Bra-
king-systeem (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden”.
NIC2758
NIC2732
NIC3105
NIC3654
74 Instrumenten en bedieningen
9. Waarschuwingen
De huidige waarschuwingen worden getoond. Als
er geen waarschuwingen zijn, wordt [Geen waar-
schuwingen] getoond.
10. [Instellingen]
Druk op <ENTER> om het instellingenmenu te ope-
nen.
Zie voor meer informatie “Instellingen” eerder in dit
hoofdstuk.
Actieradius (dte km of mijl)
De actieradiusfunctie (distance to empty - dte)
j
A
geeft u een schatting van de afstand die nog kan
worden gereden voordat moet worden bijgetankt.
De actieradius wordt voortdurend berekend aan de
hand van de hoeveelheid brandstof in de brandstof-
tank en het werkelijke brandstofverbruik.
De weergave wordt elke 30 seconden bijgewerkt.
De actieradiusfunctie geeft een waarschuwing bij
laag brandstofniveau. Wanneer het brandstofni-
veau laag is, wordt de waarschuwing op het scherm
weergegeven.
Als het brandstofniveau nog verder zakt, verandert
de weergave van de actieradius in [----].
Indien een kleine hoeveelheid brandstof wordt
toegevoegd, kan de weergave vlak voordat de
contactschakelaar op OFF wordt gezet nog
steeds zichtbaar zijn.
Wanneer u bergopwaarts rijdt of op een weg met
scherpe bochten, golft de brandstof in de tank
heen en weer en kan de weergave tijdelijk ver-
anderen.
NIC3665
NIC2738
Instrumenten en bedieningen 75
WERKINGSINDICATORS
1. Indicator voor startende motor
(indien aanwezig voor modellen met
automatische versnellingsbak (AT))
Deze indicator verschijnt wanneer de schakelhen-
del in de P-stand (parkeren) staat.
Deze indicator geeft aan dat de motor zal starten
wanneer de contactschakelaar wordt ingedrukt en
het rempedaal tegelijkertijd wordt ingetrapt. U kunt
de motor direct starten met de contactschakelaar
in een willekeurige stand.
2. Indicator voor startende motor
(indien aanwezig voor modellen met
handgeschakelde versnellingsbak (MT))
Deze indicator geeft aan dat de motor zal starten
wanneer de contactschakelaar wordt ingedrukt en
het koppelingspedaal tegelijkertijd wordt ingetrapt.
U kunt de motor direct starten met de contactscha-
kelaar in een willekeurige stand.
U kunt de motor ook starten door de contactscha-
kelaar in te drukken terwijl het rempedaal ingetrapt
wordt en de schakelhendel in de N-stand (vrij) staat.
3. Indicator voor storing in het
ontgrendelen van het stuurslot (indien
aanwezig)
Deze indicator verschijnt wanneer het stuurwiel niet
kan worden ontgrendeld uit de LOCK-stand.
Als deze indicator verschijnt, draai dan de contact-
schakelaar of druk de contactschakelaar in terwijl u
het stuur licht naar rechts en links draait.
NIC3659
76 Instrumenten en bedieningen
Zie “Lege batterij van de afstandsbedieningsleutel”
in hoofdstuk “5. Starten en rijden” “Batterij van af-
standsbediening vervangen” in hoofdstuk “5. On-
derhoud en doe-het-zelf”.
4. Waarschuwing Geen sleutel
gedetecteerd (indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer het portier
wordt gesloten terwijl de afstandsbedieningsleutel
niet in de auto ligt en de contactschakelaar in de
ON-stand staat. Zorg ervoor dat de afstandsbedie-
ningsleutel in de auto ligt.
Zie “Afstandsbedieningsleutelsysteem (indien aan-
wezig)” in hoofdstuk “3. Alvorens te gaan rijden” voor
meer details.
5. Herinnering sleutel (indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer het
bestuurdersportier geopend wordt terwijl de sleu-
tel nog in de contactschakelaar zit en deze op ACC,
OFF of LOCK staat. Neem de sleutel mee bij het ver-
laten van uw voertuig.
6. Waarschuwing Schakel naar
parkeerstand (indien aanwezig voor
modellen met automatische
versnellingsbak)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de
contactschakelaar wordt ingedrukt om de motor af
te zetten, terwijl de schakelhendel in een andere
stand staat dan de P-stand (parkeren).
Wanneer deze waarschuwing verschijnt, zet u de
schakelpook in de P-stand (parkeren) of drukt u de
contactschakelaar in de ON-stand.
Er zal in de auto ook een waarschuwingssignaal
klinken. (Zie “Schakelen” in hoofdstuk “5. Starten en
rijden”.)
7. Waarschuwing Contact uitzetten
(indien aanwezig voor modellen met
automatische versnellingsbak)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de scha-
kelhendel in de P-stand (parkeren) wordt gezet, ter-
wijl de contactschakelaar in de ACC-stand staat na-
dat de waarschuwing [Schakel naar parkeerstand]
is verschenen.
Om de contactschakelaar in de OFF-stand te zet-
ten, volgt u de volgende procedure:
Waarschuwing Schakel naar parkeerstand ̔ (Zet
de schakelhendel op P) ̔ Waarschuwing Druk op
̔ (Druk op de contactschakelaar ̔ contactscha-
kelaar in ON-stand) ̔ Waarschuwing Druk op ̔
(Druk op de contactschakelaar ̔ contactschake-
laar in OFF-stand)
8. Waarschuwing Spanning
sleutelbatterij laag (indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de batterij
van de afstandsbedieningsleutel bijna leeg is.
Als deze waarschuwing verschijnt, moet u de batte-
rij vervangen door een nieuwe. (Zie “Batterij van de
afstandsbedieningsleutel vervangen” in hoofdstuk
“8. Onderhoud en doe-het-zelf”.)
9. Indicator voor Starten motor met
afstandsbedieningsleutelsysteem
(indien aanwezig)
Deze indicator verschijnt wanneer de batterij van
de afstandsbedieningsleutel bijna leeg is en de
communicatie tussen het afstandsbedieningsleu-
telsysteem en de auto niet meer normaal verloopt.
Als deze indicator verschijnt, moet u de contact-
schakelaar aanraken met de afstandsbedienings-
leutel terwijl u het rempedaal intrapt. (Zie “Lege bat-
terij van de afstandsbedieningsleutel” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden”.)
10. Waarschuwing Sleutel ID onjuist
(indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de LOCK-
stand van de contactschakelaar wordt veranderd
en de afstandsbedieningsleutel niet wordt herkend
door het systeem. U kunt de auto niet starten met
een ongeregistreerde sleutel. Gebruik de geregi-
streerde afstandsbedieningsleutel.
Zie “Afstandsbedieningsleutelsysteem (indien
aanwezig)” in hoofdstuk “3. Alvorens te gaan rijden”.
11. Waarschuwing Parkeerrem
deactiveren
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de snelheid
van de auto boven de 7 km/u (4 mph) ligt en de par-
keerrem nog geactiveerd is. Breng de auto tot stil-
stand en geef de parkeerrem vrij.
Instrumenten en bedieningen 77
12. Waarschuwing Laag
brandstofniveau (Bereik)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de brand-
stof in de tank bijna op is. Vul brandstof bij zodra dat
uitkomt, bij voorkeur voordat de meternaald de
leegstand (0) aangeeft.
Als de brandstofmeter de leegstand (0) bereikt, is
er nog een kleine reservehoeveelheid brandstof
aanwezig in de tank.
13. Waarschuwing open portier
Deze waarschuwing verschijnt als een portier open
staat of niet goed gesloten is. Het autosymbool op
de display geeft aan welke van de portieren (of de
achterdeur) open staat. Zorg dat alle portieren dicht
zijn.
14. Waarschuwing veiligheidsgordels
tweede rij (indien aanwezig)
Deze waarschuwing betreffende de veiligheidsgor-
dels van de stoelen op de tweede rij verschijnt na-
dat de contactschakelaar in de ON-stand is gezet.
Als een van de veiligheidsgordels van de passagiers
op de tweede rij niet is vastgemaakt, klinkt er een
geluidssignaal en licht het stoelpictogram rood op
om aan te geven welke van de veiligheidsgordels
niet is vastgemaakt. Het stoelpictogram licht rood
op totdat de betreffende veiligheidsgordel van de
passagier op de tweede rij is vastgemaakt. De waar-
schuwing gaat automatisch uit na ongeveer 35 se-
conden.
Zie voor meer details en voorzorgsmaatrege-
len over het gebruik van de veiligheidsgordels,
Veiligheidsgordels” in hoofdstuk “1. Veiligheid
stoelen, veiligheidsgordels en aanvullend veilig-
heidssysteem”.
15. Controlelampje 4WD-modus (indien
aanwezig)
Dit controlelampje toont de geselecteerde modus
van het 4WD-systeem.
Zie Vierwielaandrijving (4WD) (indien aanwezig)” in
hoofdstuk “5. Starten en rijden” voor details.
16. Waarschuwing Reinigingsmiddel
(indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt als het vloeistofni-
veau in het reservoir laag is. Vul zo nodig sproeier-
vloeistof bij. (Zie “Ruitensproeiervloeistof” in hoofd-
stuk “8. Onderhoud en doe-het-zelf”.)
17. Waarschuwing Sleutel systeem fout
(indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt als er een storing is
in het afstandsbedieningsleutelsysteem.
Als deze waarschuwing verschijnt terwijl de motor
uit staat, kan de motor niet meer gestart worden.
Als deze waarschuwing verschijnt wanneer de mo-
tor draait, kan er met de auto gereden worden.
Neem echter wel zo snel mogelijk contact op met
een erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
18. Indicator Laag oliepeil (indien
aanwezig)
Als de indicator laag oliepeil wordt weergegeven, is
het motoroliepeil laag. Zodra de indicator laag olie-
peil wordt weergegeven, moet u het oliepeil contro-
leren met de motoroliepeilstok. (Zie “Motoroliepeil
controleren” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-
het-zelf”.)
LET OP
Controleer het oliepeil regelmatig met de
motoroliepeilstok. Als de motor met een te laag
oliepeil draait, kan er motorschade optreden die
niet door de garantie wordt gedekt.
19. Waarschuwing Oliepeil Sensor fout
(indien aanwezig)
Als de oliesensorwaarschuwing wordt weergege-
ven, is er mogelijk een storing in de sensor. Neem
direct contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
20. Waarschuwing Lage oliedruk
Voertuig stoppen (indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer een lage
oliedruk wordt gesignaleerd. Als de waarschuwing
verschijnt tijdens normaal rijden, ga dan naar de
kant van de weg en stop op een veilige plek, zet
onmiddellijk de motor af en bel een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
De waarschuwing lage oliedruk is niet bedoeld om
een laag oliepeil aan te geven. Gebruik de peilstok
om het oliepeil te controleren. (Zie “Motoroliepeil
controleren” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-
het-zelf”.)
LET OP
De motor kan ernstige schade oplopen als deze
draait terwijl de waarschuwing lage motorolie-
druk wordt weergegeven.
78 Instrumenten en bedieningen
21. Waarschuwing 4WD systeem fout
(indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer het vier-
wielaandrijfsysteem (4WD) niet goed functioneert
wanneer de motor draait. Matig uw snelheid en laat
uw auto nakijken door een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf. Zie Vierwielaandrijving
(4WD) (indien aanwezig)” in hoofdstuk “5. Starten en
rijden”.
22. Waarschuwing Verzendstand aan
Druk opslag zekering (indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt mogelijk als de zeke-
ringschakelaar voor langdurige opslag niet inge-
drukt is (ingeschakeld is). Wanneer deze waarschu-
wing verschijnt moet u de zekeringschakelaar voor
langdurige opslag indrukken (inschakelen) om de
waarschuwing uit te zetten. Zie voor meer informa-
tie “Zekeringen” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-
het-zelf”.
23. Waarschuwing Koplampen systeem
fout (indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de
LED-koplampen niet goed functioneren. Laat het
systeem nakijken door een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
24. Waarschuwing Koplampen
uitzetten
Deze waarschuwing verschijnt wanneer het
bestuurdersportier wordt geopend terwijl de kop-
lampschakelaar nog op ON staat en de contact-
schakelaar in de OFF-stand, ACC-stand of LOCK-
stand wordt gezet. Zet de koplampschakelaar in de
<OFF>- of <AUTO>-stand (indien aanwezig). Zie voor
meer informatie “Schakelaar koplampverlichting en
richtingaanwijzers” in hoofdstuk “2. Instrumenten
en bedieningen”.
25. Indicator Tijd voor een pauze ?
Deze indicator verschijnt wanneer de ingestelde
[Tijd] voor het nemen van een pauze is bereikt. U
kunt de tijdsduur instellen tot maximaal 6 uur. (Zie
“Instellingen” eerder in dit hoofdstuk.)
26. Cruise controlindicator (indien van
toepassing)
Deze indicator toont de status van de cruise control.
De status wordt aangegeven door middel van de
kleur.
Zie “Cruise control (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden” voor details.
27. Schakelstandindicator van de
automatische versnellingsbak
(Modellen met automatische
versnellingsbak)
Deze indicator toont de schakelstand van de auto-
matische versnellingsbak.
Als in de handmatige schakelmodus de versnel-
lingsbak niet schakelt naar de geselecteerde ver-
snelling vanwege een beveiligingsfunctie van de
versnellingsbak, dan gaat het AT-stand controle-
lampje knipperen en zal er een akoestisch signaal
klinken.
Zie voor meer informatie “Rijden met automatische
versnellingsbak (AT)” in hoofdstuk “5. Starten en rij-
den”.
28. Waarschuwing AT systeem fout
(modellen met automatische
versnellingsbak)
Als de waarschuwing wegens een fout in de auto-
matische versnellingsbak gaat branden terwijl de
motor draait of tijdens het rijden, functioneert de
automatische versnellingsbak mogelijk niet correct
en is misschien onderhoud nodig. Laat het systeem
meteen nakijken en indien nodig repareren door
een erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
29. Waarschuwing Parkeersensor
systeem fout (indien aanwezig)
Deze waarschuwing verschijnt wanneer het par-
keersensorsysteem (sonar) niet goed functioneert.
Als de waarschuwing verschijnt, laat het systeem
dan nakijken door een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf.
30. Waarschuwing Laag brandstofpeil
De waarschuwing voor laag brandstofniveau wordt
op het voertuiginformatiedisplay weergegeven als
het brandstofniveau in de tank laag wordt. Vul
brandstof bij zodra dat goed uitkomt, bij voorkeur al
voordat de meternaald de leegstand ((A)) aangeeft.
Zie voor meer informatie “Brandstofmeter” eerder
in dit hoofdstuk.
Instrumenten en bedieningen 79
OLIECONTROLESYSTEEM (indien
aanwezig)
Wanneer de contactschakelaar op ON staat, wordt
motorolieinformatie weergegeven.
Deze informatie deelt mee hoeveel kilometers er
nog gereden kunnen worden tot het verversen van
de olie, wat het oliepeil is en of er een storing is in de
oliepeilsensor.
1. Afstand tot olie verversen
De afstand tot olie verversen wordt weergegeven
als deze minder dan 1.500 km (930 mijl) bedraagt.
2. Indicator olie verversen
Wanneer de ingestelde kilometerstand nadert, zal
de indicator olie verversen op het scherm verschij-
nen. Na het verversen van de olie, moet de afstand
tot olie verversen gereset worden. De indicator olie
verversen wordt niet automatisch gereset. Zie voor
het resetten van deze indicator, “Instellingen” eer-
der in dit hoofdstuk.
U kunt de afstand tot olie verversen niet handmatig
instellen. De afstand tot olie verversen wordt auto-
matisch ingesteld.
LET OP
Als de indicator olie verversen verschijnt, dient
u de motorolie zo snel mogelijk te verversen.
De auto gebruiken met gedegenereerde olie
kan de motor beschadigen.
Reset de indicator nooit als de olie niet ver-
verst is. Neem voor het verversen van de mo-
torolie, het vervangen van het oliefilter en het
resetten contact op met een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
OPMERKING
Het is niet mogelijk om een reset ongedaan te
maken.
De afstand tot vereiste olieverversing kan al-
leen gereset worden wanneer:
De afstand tot olieverversing op het voer-
tuiginformatiedisplay wordt weergege-
ven.
De indicator voor olieverversing op het
voertuiginformatiedisplay wordt weerge-
geven.
De motorolie dient ververst te worden voor-
dat de afstand tot olieverversing gedaald is
naar 0 km (0 mijl). Als er met het voertuig door-
gereden wordt nadat de afstand tot oliever-
versing de 0 km (0 mijl) bereikt heeft, kunnen
de motorprestaties aanzienlijk verminderen.
Het roetfilter kan dat ook verzadigd raken om-
dat regeneratie wordt beperkt zodra d e af-
stand tot de vereiste olieverversing 0 km
(0 mijl) heeft bereikt.
Als bovenstaande toestand zich voordoet, laat
de auto dan nakijken door een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
Het onderhoudsinterval wordt sneller kleiner
bij bepaalde rijomstandigheden, vooral bij rij-
den met lage snelheid in stedelijke omgeving.
3. Herinnering laag oliepeil
Als de indicator laag oliepeil wordt weergegeven, is
het motoroliepeil laag. Zodra de herinnering laag
oliepeil wordt weergegeven,moet u het oliepeil con-
troleren met de motoroliepeilstok. (Zie “Motorolie-
peil controleren” in hoofdstuk “8. Onderhoud en
doe-het-zelf”.)
JVI1244X
80 Instrumenten en bedieningen
LET OP
Controleer het oliepeil regelmatig met de
motoroliepeilstok. Als de motor met een te laag
oliepeil draait, kan er motorschade optreden die
niet door de garantie wordt gedekt.
4. Waarschuwing oliepeilsensor
Als de oliesensorwaarschuwing wordt weergege-
ven, is er mogelijk een storing in de sensor. Neem
direct contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
KLOK EN
BUITENLUCHTTEMPERATUUR
(indien aanwezig)
De klok
en de buitenluchttemperatuur
wor-
den weergegeven aan de bovenzijde van het voer-
tuiginformatiedisplay.
[Klok]
Voor informatie over het instellen van de klok, zie
“Instellingen” eerder in dit hoofdstuk of het apart
meegeleverde Instructieboekje van het Navigatie-
systeem met touchscreen.
[Buitentemp.] (°C of °F)
De buitentemperatuur wordt weergegeven in °C of
°F, binnen een bereik van −40 tot 60 °C (−40 tot
140 °F).
De buitenluchttemperatuurmodus kent een waar-
schuwingsfunctie voor lage temperatuur. Wanneer
de buitentemperatuur lager is dan 3°C (37°F), wordt
de waarschuwing
weergegeven op het scherm
(indien aanwezig).
De buitentemperatuursensor bevindt zich voor de
radiator. De werking van de sensor kan beïnvloed
worden door de hitte van het wegdek of van de
motor, de windrichting en door andere rijomstan-
digheden. De weergave op het display kan verschil-
len van de werkelijke buitentemperatuur of van de
temperatuur die weergegeven wordt op reclame-
borden of wijzers langs de weg.
KOPLAMPSCHAKELAAR
RENAULT raadt aan de plaatselijke wetgeving te
raadplegen inzake het gebruik van de verlichting.
AUTO-stand
Wanneer de contactschakelaar op ON staat en de
koplampschakelaar in de <AUTO>-stand staat, gaan
de koplampen, de stadslichten, de instrumenten-
verlichting, de achterlichtgroepen en overige ver-
lichting automatisch branden, al naar gelang de
helderheid van de omgeving.
De koplampen gaan automatisch aan wanneer het
gaat schemeren of in regenachtig weer (wanneer
de ruitenwissers voortdurend in werking zijn).
De verlichting dooft automatisch wanneer u de
contactschakelaar in de OFF-stand zet.
LET OP
Bedek de helderheidssensor niet. De sensor meet
de lichtsterkte en regelt de automatische verlich-
tingsfunctie. Als de sensor is bedekt, reageert
deze alsof het donker is, en zullen de koplampen
gaan branden.
JVI0932XZ
NIC2765
SCHAKELAAR KOPLAMPVER-
LICHTING EN
RICHTINGAANWIJZERS
Instrumenten en bedieningen 81
m
-stand
De -stand schakelt de stadsverlichting vóór in
alsmede de dashboardverlichting, de achterlichten
en de kentekenplaatverlichting.
m
-stand
In de stand zullen ook de koplampen en de
overige lichten gaan branden.
Grootlicht
Om het grootlicht in te schakelen duwt u de hendel
naar voren
.
Om het grootlicht uit te schakelen zet u de hendel
terug in de neutrale stand
.
U geeft met de koplampen een lichtsignaal door de
hendel zoveel mogelijk naar achteren te trekken
.
U kunt ook een lichtsignaal geven als de koplampen
uitstaan.
Friendly Lighting (indien aanwezig):
Wanneer de hendel naar de achterste stand
wordt getrokken nadat de contactschakelaar op
OFF of LOCK wordt gezet, zullen de koplampen aan-
gaan en aanblijven gedurende 30 seconden. Tel-
kens wanneer de hendel naar de achterste stand
wordt gedrukt, worden er 30 seconden toegevoegd
aan de timer.
De hendel kan maximaal 4 keer omhoog getrokken
worden voor verlichting gedurende 2 minuten.
Dagrijverlichting (indien aanwezig)
Ook als de koplampschakelaar op OFF staat, gaat
de dagrijverlichting branden zodra de motor wordt
gestart.
Wanneer de koplampschakelaar op
of
gezet wordt, zal de dagrijverlichting uit gaan.
KNOP VOOR KOPLAMPHOOG-
TEVERSTELLING (indien aanwezig)
Type met handmatige bediening
De koplamphoogteverstelling werkt als de contact-
schakelaar op ON staat en de koplampschakelaar
in de
-stand staat om de lichtbundel van de
koplamp aan te passen aan rijomstandigheden.
Als de auto zonder zware belasting/bagage rijdt of
op een vlakke weg rijdt, dient u de normale stand
<0> te kiezen.
Indien het aantal inzittenden en de lading van de
auto veranderen, kan de lichtbundel van de kop-
lampen hoger gericht zijn dan normaal.
Als u op een heuvelachtige weg rijdt, kunnen de
koplampen direct in de achteruitkijkspiegels van de
auto voor u of op de voorruit van een tegenligger
schijnen, waardoor u het zicht van andere bestuur-
ders zou kunnen belemmeren.
Draai aan de schakelaar om de juiste hoogte van de
lichtbundel in te stellen. Hoe hoger het cijfer op de
schakelaar, des te lager de lichtbundel schijnt.
Type met automatische bediening
Bij auto's met een automatische hoogteverstelling
wordt de hoogte van de lichtbundel automatisch
geregeld.
ACCUSPAARFUNCTIE (indien
aanwezig)
Het akoestisch signaal voor de lichten zal klinken
wanneer de koplampschakelaar in de
-stand
of de
-stand staat en wanneer het bestuurder-
sportier geopend wordt terwijl de contactschake-
laar op ACC, OFF of LOCK staat.
NIC2914
JVI0477XZ
82 Instrumenten en bedieningen
Als de contactschakelaar op OFF of LOCK wordt ge-
zet terwijl de koplampschakelaar in de
-stand
of de -stand staat, zal de accuspaarfunctie de
lichten na een bepaalde tijd uitschakelen om te
voorkomen dat de accu leegraakt.
LET OP
Laat de lichten niet aan wanneer de motor lan-
gere tijd uitstaat, om te voorkomen dat de accu
ontladen raakt.
SCHAKELAAR
RICHTINGAANWIJZERS
LET OP
De richtingaanwijzers worden niet automatisch
uitgeschakeld als het stuurwiel niet de vooraf in-
gestelde hoek wordt rondgedraaid. Na het
afslaan of na het veranderen van rijstrook moet u
zelf controleren of de richtingaanwijzerschake-
laar is teruggekeerd in de oude stand.
Richtingaanwijzer
U zet de richtingaanwijzer aan door de hendel om-
hoog
of omlaag
te bewegen, tot waar de hen-
del niet verder kan. Het richtingssignaal stopt auto-
matisch nadat u van richting bent veranderd.
Signaal voor veranderen van rijstrook
U geeft wisselen van rijstrook aan door de hendel
omhoog
of omlaag
te bewegen, tot waar het
lampje begint te knipperen.
Als de hendel vlak na het omhoog- of omlaag be-
wegen in de oorspronkelijke stand wordt gezet, zal
de lamp 3 keer knipperen.
Duw de hendel in de tegengestelde richting om het
knipperen te stoppen.
Zie “Instellingen” eerder in dit hoofdstuk om het sig-
naal voor het veranderen van rijstrook aan of uit te
zetten.
MISTVOORLAMPEN (indien
aanwezig)
De mistvoorlampen dienen slechts gebruikt te wor-
den als het zicht aanzienlijk beperkt is - in het alge-
meen tot minder dan 100 m (328 ft).
Zet om de mistvoorlampen aan te zetten de kop-
lampschakelaar op <AUTO>, ,of en draai
de mistlampschakelaar naar de
-stand. De mist-
voorlampen en het controlelampje gaan branden.
Zie voor meer informatie Waarschuwingslampjes,
controlelampjes en geluidssignalen” eerder in dit
hoofdstuk.
Zet de mistvoorlampen uit door de schakelaar van
de mistlampen in de <AUTO>-stand te zetten. De
mistvoorlampen en het controlelampje gaan uit.
OPMERKING
Als de koplampschakelaar op <AUTO> staat (en
de mistvoorlampen aanstaan) zullen de mist-
voorlampen automatisch aan-/uitgaan samen
met de koplampen.
NIC2915
SIC3811Z
MISTLAMPSCHAKELAAR (indien
aanwezig)
Instrumenten en bedieningen 83
Mistachterlicht (INDIEN AANWEZIG)
Het mistachterlicht dient slechts gebruikt te wor-
den als het zicht aanzienlijk beperkt is - in het alge-
meen tot minder dan 100 m (328 ft).
Zet om de mistvoorlampen aan te zetten de kop-
lampschakelaar op ,of en draai de mist-
voorlampschakelaar naar de -stand. Het
mistachterlicht en het controlelampje gaan aan. De
schakelaar van de mistlampen keert terug naar de
-stand. Zie voor meer informatie Waarschu-
wingslampjes, controlelampjes en geluidssignalen”
eerder in dit hoofdstuk.
Als de mistvoorlampen (indien aanwezig) al aan
staan met de koplampschakelaar in de -stand,
kunt u het mistachterlicht aanzetten zonder eerst
de koplampschakelaar in de
-stand of in de
<AUTO>-stand te zetten.
Zet het mistachterlicht uit door de mistlampscha-
kelaar weer in de -stand te zetten.
OPMERKING
Als u de koplampschakelaar naar de <AUTO>-
stand draait, gaat het mistachterlicht automa-
tisch uit.
WAARSCHUWING
Bij temperaturen onder nul kan de sproeivloeistof
op de voorruit aanvriezen en het zicht belemme-
ren. Verwarm de voorruit met de ontwasemings-
functie voordat u de voorruitsproeier gebruikt.
LET OP
Gebruik de ruitensproeier nooit langer dan
30 seconden aaneen.
Gebruik de ruitensproeier niet als het sproei-
vloeistofreservoir leeg is.
Als de werking van de ruitenwissers wordt be-
lemmerd door sneeuw of ijs op de voorruit,
dan kan het gebeuren dat de ruitenwissers
stoppen met wissen ter bescherming van de
ruitenwissermotor. Als dit gebeurt, draai dan
de ruitenwisserschakelaar naar de OFF-stand
en verwijder sneeuw of ijs van de wisserbla-
den of van het gedeelte rond de wisserbladen.
Zet de ruitenwissers na ongeveer 1 minuut
nogmaals aan.
WIS-/WASSCHAKELAAR VOORRUIT
De ruitenwisser en ruitensproeier werken als de
contactschakelaar in de ON-stand staat.
Ruitenwisserbediening
In de hendelstand
werkt de wisser in de interval-
stand.
De werking met intervallen kan ingesteld worden
door de instelknop te draaien, (korter)
j
A of (lan-
ger)
j
B.
In de hendelstand
werken de wissers met lage
snelheid.
In de hendelstand
werken de wissers met hoge
snelheid.
U stopt de werking van de wissers door de hendel
omhoog in de <OFF>-stand te zetten.
Duw de hendel omhoog
voor één keer wissen. De
hendel keert automatisch terug naar de oorspron-
kelijke stand.
NIC3085
WIS-/WASSCHAKELAAR
84 Instrumenten en bedieningen
Sproeierbediening
Trek de hendel naar u toe
om de ruitensproeier
in te schakelen. De koplampreiniger (indien aanwe-
zig) wordt geactiveerd elke vijfde keer dat de wis-/
wasschakelaar wordt gebruikt. De koplampreiniger
wordt alleen geactiveerd wanneer de contactscha-
kelaar in de
-stand staat. Zie “Koplampsproeier
(indien aanwezig)” verderop in dit hoofdstuk.
De achterruitverwarmingschakelaar kan gebruikt
worden wanneer de contactschakelaar in de ON-
stand staat.
De ontwaseminrichting wordt gebruikt om vocht,
wasem, of aanvriezend ijs op de achterruit en de
buitenspiegels (indien aanwezig) te verwijderen, om
zo het zicht naar achteren te verbeteren.
Wanneer u de knop voor achterruit- en buitenspie-
gelverwarming indrukt, gaat het controlelampje
j
A branden en werkt de achterruit- en buitenspie-
SIC3537Z
Type A
JVI0853XZ
Type B
NIC3102
TypeC-Linksebesturing
JVI1022XZ
TypeC-Rechtse besturing
ONTWASEMSCHAKELAAR
(indien aanwezig)
Instrumenten en bedieningen 85
gelverwarming gedurende ca. 15 minuten. Nadat de
ingestelde tijd is verstreken, gaat de achterruitver-
warming automatisch uit.
Druk om de achterruitverwarming handmatig uit te
zetten wederom op de knop voor achterruitverwar-
ming te drukken.
LET OP
Wanneer u de achterruitverwarming voortdu-
rend gebruikt, is het raadzaam de motor te
starten. De accu kan anders leeg raken.
Wanneer u de binnenzijde van het raam rei-
nigt, moet u oppassen dat u de elektrische ge-
leiders niet krast of beschadigt.
Trek om de koplampen te reinigen de ruiten-
sproeierschakelaar naar u toe wanneer de
koplampschakelaar in de stand
staat en de
contactschakelaar in de stand ON staat.
OPMERKING
De koplampsproeier wordt automatisch geacti-
veerd elke vijfde keer dat de ruitensproeier be-
diend wordt.
KOPLAMPSPROEIERSCHAKELAAR
(indien aanwezig)
De koplampsproeier werkt wanneer de schakelaar
koplampverlichting en richtingaanwijzers in de
-stand en de contactschakelaar in de
ON-stand staat.
Om de koplampsproeier te activeren drukt u op de
koplampsproeierschakelaar linksonder op het
dashboard.
LET OP
Gebruik de koplampsproeier niet langer dan
15 seconden achter elkaar.
Gebruik de koplampsproeier niet als het rui-
tensproeierreservoir leeg of bevroren is.
Zie “Ruitensproeiervloeistof” in hoofdstuk “8. Onder-
houd en doe-het-zelf” voor meer informatie over het
bijvullen van het reservoir.
SIC2255Z
Koplampsproeierschakelaar (indien aanwezig)
KOPLAMPSPROEIER (indien
aanwezig)
86 Instrumenten en bedieningen
De claxon werkt wanneer de contactschakelaar in
willekeurig welke stand staat, behalve wanneer de
accu leeg is.
U hoort de claxon wanneer u deze ingedrukt houdt.
Het geluid van de claxon zal niet meer klinken als u
de schakelaar loslaat.
HANDMATIG BEDIENDE RAMEN
(indien aanwezig)
De zijramen kunnen met de raambediening op elk
portier worden geopend
of gesloten
.
ELEKTRISCH BEDIENDE RAMEN
(indien aanwezig)
WAARSCHUWING
Controleer eerst of alle inzittenden hun han-
den e.d. binnen boord hebben voordat u de
elektrische raambediening gebruikt.
Om het risico op ernstig of dodelijk letsel door
het onbedoeld bedienen van de auto en/of de
bijbehorende systemen te voorkomen, mag u
kinderen, hulpbehoevende volwassenen of
huisdieren niet zonder toezicht in uw auto
achterlaten. Bovendien kan de temperatuur in
een afgesloten auto op een warme dag zo snel
oplopen dat er een aanzienlijk risico bestaat
op ernstig of dodelijk letsel aan mensen en
huisdieren.
De elektrische raambediening werkt als de contact-
schakelaar in de “ON”-stand staat.
U opent een raam door de raambedieningsschake-
laar naar beneden te drukken.
U sluit een raam door de raambedieningsschake-
laar omhoog te trekken.
Hoofdraamschakelaar bestuurder
Met de schakelaar aan bestuurderszijde, oftewel de
hoofdschakelaar, kunnen alle ramen worden
bediend.
Vergrendeling raambediening passagiers:
Wanneer u de blokkeerknop
indrukt, kunnen de
passagiersramen niet meer worden bediend.
Druk nogmaals op de knop
om de blokkeerfunc-
tie van de passagiersramen uit te schakelen.
NIC3084
SIC4435Z
NIC2132
CLAXON RAMEN
Instrumenten en bedieningen 87
Schakelaar passagiersraam
Met de passagiersschakelaar kunt u het bijbeho-
rende raam bedienen.
Wanneer de raamblokkeerknop voor passagiers
aan bestuurderszijde wordt ingedrukt, kan de pas-
sagierschakelaar niet worden bediend.
Automatische functie
De automatische functie is beschikbaar voor de
schakelaar met een -markering.
Met de automatische functie kunt u een raam volle-
dig openen of sluiten zonder de knop te hoeven
vasthouden.
Om een raam helemaal te openen drukt u de scha-
kelaar van de elektrische raambediening omlaag
naar de tweede klikstand en laat u de schakelaar
los. Om een raam helemaal te sluiten trekt u de
schakelaar van de elektrische raambediening om-
hoog naar de tweede klikstand en laat u de schake-
laar los. U hoeft de knop niet vast te houden tijdens
het openen of sluiten van het raam.
Om een raam te stoppen dat automatisch open of
dicht gaat, drukt of trekt u de knop omhoog of om-
laag in de andere richting.
Als het raam niet automatisch sluit
Wanneer de automatische functie van de elektri-
sche raambediening niet goed werkt (alleen sluiten),
voer dan de volgende handelingen uit om het elek-
trisch raambedieningssysteem te initialiseren.
1. Bij draaiende motor.
2. Sluit het portier.
3. Open het raam volledig met de schakelaar van
de elektrische raambediening.
4. Trek de schakelaar van de elektrische raambe-
diening omhoog en houd vast om het raam te
sluiten; houd de schakelaar nog 3 seconden vast
nadat het raam volledig is gesloten.
5. Laat de schakelaar van de elektrische raambe-
diening los. Bedien het raam door middel van de
automatische functie om te bevestigen dat de
initialisatie voltooid is.
Als de automatische functie van de elektrische
raambediening niet goed werkt na bovenstaande
procedure te hebben uitgevoerd, laat dan uw auto
nakijken door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
SIC4523Z
NIC2134
88 Instrumenten en bedieningen
Het aansluitcontact wordt gebruikt om elektrische
apparatuur van stroom te voorzien.
Gebruik de opening
j
A tussen het deksel en de con-
solebox om de aangesloten voedingskabel door te
voeren wanneer het consoledeksel gesloten is.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op het dashboard. Voor-
werpen op het dashboard kunnen bij een botsing
gevaarlijke projectielen worden en letsel toe-
brengen als een airbag (indien aanwezig) wordt
opgeblazen.
LET OP
Laat nooit een kabel op het dashboard in de
zon liggen. Het oppervlak van het dashboard
kan erg heeft worden en de kabel beschadi-
gen.
Plaats geen bekers of flessen met vloeistof
erin in de buurt van het aansluitcontact. Ge-
morste vloeistof zou in het aansluitcontact te-
recht kunnen komen en een storing kunnen
veroorzaken.
Het aansluitcontact en de stekker kunnen
warm zijn tijdens en direct na gebruik.
Dit aansluitcontact is niet bedoeld om te wor-
den gebruikt met een sigarettenaansteker.
Gebruik geen apparaten die samen meer dan
12 volt, 120W (10A) verbruiken.
Gebruik geen dubbele adapters en sluit niet
meerdere elektrische apparaten aan.
Gebruik dit aansluitcontact bij draaiende mo-
tor om te voorkomen dat de accu leeg raakt.
Gebruik het aansluitcontact niet als de aircon-
ditioning, koplampen of achterruitverwar-
ming ingeschakeld zijn (indien aanwezig).
Druk de stekker zo ver mogelijk in. Als de stek-
ker onvoldoende contact maakt, kan deze
oververhit raken of kan de inwendige thermi-
sche zekering doorbranden.
Voordat u een stekker in de elektrische aan-
sluiting steekt of eruit haalt, moet u er zeker
van zijn dat het betreffende apparaat uit staat.
Sluit het klepje wanneer het aansluitcontact
niet gebruikt wordt. Zorg ervoor dat er geen
water of andere vloeistoffen in het aansluit-
contact komt.
JVI1023XZ
Dashboard (boven)
NIC3668
Dashboard (onder)
JVI1025XZ
Consolevak (indien aanwezig)
ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN
Instrumenten en bedieningen 89
WAARSCHUWING
Gebruik de bergruimtes niet tijdens het rijden
om uw volledige aandacht bij het besturen van
de auto te houden.
Laat de deksels van de bergruimtes gesloten
tijdens het rijden om letsel te voorkomen tij-
dens een ongeval of plotseling remmen.
HANDSCHOENENKASTJE
Om het handschoenenkastje te openen, trekt u aan
de handgreep
.
Om te sluiten drukt u het deksel aan totdat het slot
vergrendelt.
CONSOLEVAK
Om het deksel van het consolevak te openen, duwt
u de knop
j
A naar boven en trekt u het deksel om-
hoog.
Om te sluiten drukt u het deksel omlaag totdat het
slot vergrendelt.
ZONNEBRILHOUDER
WAARSCHUWING
Houd de zonnebrilhouder gesloten tijdens het rij-
den om het zicht van de bestuurder niet te be-
lemmeren en zo eventuele ongelukken te
voorkomen.
LET OP
Gebruik de zonnebrilhouder uitsluitend voor
zonnebrillen.
Laat uw zonnebril niet in de zonnebrilhouder
liggen terwijl de auto in het volle zonlicht staat
geparkeerd. Door de hitte kan de zonnebril
beschadigd raken.
U opent de zonnebrilhouder door er kort op te druk-
ken.Berg maar één zonnebril op in de zonnebrilhou-
der.
ZIJVAKJES IN DE CONSOLE
Om het deksel van het consolevak te openen, duwt
u de knop
j
A naar boven en trekt u het deksel om-
hoog.
JVI1102XZ
JVI1026XZ
JVI0619XZ
NIC3099
BERGRUIMTE
90 Instrumenten en bedieningen
Om te sluiten drukt u het deksel omlaag totdat het
slot vergrendelt.
BEKERHOUDERS (indien aanwezig)
WAARSCHUWING
Gebruik als bestuurder de bekerhouder niet ter-
wijl u rijdt, om al uw aandacht bij de auto te
houden.
LET OP
Vermijd bruusk wegrijden of afremmen,
vooral als u de bekerhouder gebruikt, om het
morsen van de inhoud te voorkomen. Als de
inhoud heet is, kunnen u of uw passagiers zich
branden.
Gebruik alleen bekers van zacht materiaal in
de bekerhouder. Harde voorwerpen kunnen u
verwonden bij een ongeluk.
Middenconsole (modellen met
gescheiden stoelen voorin)
Zachte fleshouder
De zachte flessenhouders voorin en achterin (indien
aanwezig) zitten in de portieren.
LET OP
Gebruik de fleshouder niet voor andere voor-
werpen die door de auto kunnen gaan slinge-
ren en mogelijk inzittenden kunnen verwon-
den tijdens plotseling remmen of een ongeluk.
Gebruik de fleshouder niet voor open blikjes.
DAKRAILS (indien aanwezig)
Breng de lading niet direct op de dakrails aan. Voor-
dat er lading/goederen/bagage op het dak van de
auto wordt geplaatst, moeten de dwarsbalken geïn-
stalleerd worden.
Het nuttig laadvermogen van de dakrails bedraagt
100 kg (221 lb) gelijkmatig verdeeld, overschrijd ech-
ter het laadvermogen van de aanvullende dwars-
balken niet.
WAARSCHUWING
Installeer altijd eerst de dwarsbalken op de
dakrails voordat u goederen van welke aard
ook inlaadt. Door de lading direct op de dak-
rails of op het dak van de auto te plaatsen, kan
er schade aan de auto veroorzaakt worden.
Rijd extra voorzichtig wanneer de auto gela-
den is tot of nabij het maximale draagvermo-
gen, vooral als een groot deel van die lading
door de dwarsbalken wordt gedragen.
NIC3100
JVI1241XZ
Voorbeeld
JVI1103XZ
Instrumenten en bedieningen 91
Een zware belasting van de dwarsbalken kan
mogelijk de stabiliteit en bestuurbaarheid van
de auto beïnvloeden tijdens plotselinge of on-
gewone stuurmanoeuvres.
De lading op de dwarsbalken dient gelijkma-
tig verdeeld te worden.
Overschrijd het maximale draagvermogen
van de dakrails niet.
Zet alle lading goed vast met touwen of rie-
men om schuiven en glijden te voorkomen. Bij
plotseling remmen of bij een ongeval kan
losse lading lichamelijk letsel veroorzaken.
LET OP
Wees voorzichtig wanneer u objecten op de dak-
rails plaatst of van de dakrails verwijdert. Als u
niet met gemak voorwerpen op de dakrails kunt
plaatsen of van de dakrails kunt halen, gebruik
dan een trapje of een kruk.
KAARTHOUDER (indien aanwezig)
Steek een kaart in de kaarthouder
j
A.
1. Om fel zonlicht via de voorruit af te schermen
klapt u de zonneklep omlaag
.
2. Om fel zonlicht te blokkeren dat via de zijramen
binnenvalt, maakt u de zonneklep los van de mid-
densteun en draait u deze naar de zijkant
.
WAARSCHUWING
Bij een ongeval kunt u uit de auto worden ge-
slingerd als het schuifdak open staat. Volwas-
senen horen altijd een veiligheidsgordel om te
doen en kinderen moeten gebruik maken van
veiligheidsgordels of een kinderzitje.
Sta passagiers nooit toe om rechtop te staan
of ledematen door de dakopening te steken
terwijl de auto rijdt of het schuifdak wordt
gesloten.
LET OP
Verwijder waterdruppels, sneeuw, ijs of zand
van het schuifdak vóór het te openen.
Plaats geen zware spullen op het schuifdak of
in de directe omgeving.
ELEKTRISCH SCHUIFDAK
SLUITEN/OMHOOG KANTELEN
OPENEN/OMLAAG KANTELEN
NPA1569
SIC2872
NIC2733
ZONNEKLEPPEN SCHUIFDAK (indien aanwezig)
92 Instrumenten en bedieningen
De schuifdakbediening werkt wanneer de contact-
schakelaar in de ON-stand staat.
Zonwering
Verschuif de zonwering met de hand om deze te
openen of te sluiten.
De zonwering opent automatisch als u het schuif-
dak opent. De zonwering moet met de hand wor-
den gesloten door dicht te schuiven.
Schuifdak
Schuiven:
Om het schuifdak helemaal te openen of sluiten, de
schakelaar naar de OPENEN-zijde
of SLUITEN-
zijde
drukken en loslaten; de schakelaar hoeft
niet ingedrukt gehouden te worden. Het dak gaat
automatisch helemaal open of dicht. Om het schuif-
dak tegen te houden drukt u nogmaals op de scha-
kelaar terwijl het dak zich opent of sluit.
Kantelen:
Om omhoog te kantelen, het schuifdak eerst slui-
ten, en dan de schakelaar in de stand voor OMHOOG
KANTELEN
drukken en dan loslaten; de schake-
laar hoeft niet ingedrukt gehouden te worden. Om
het schuifdak omlaag te kantelen naar de gesloten
stand, drukt u de knop naar de stand voor OMLAAG
KANTELEN
.
Anti-knelfunctie
WAARSCHUWING
Er is een smalle zone vlak voordat een raam vol-
komen gesloten is waarin beknelling niet kan
worden gedetecteerd. Zorg dat alle inzittenden
hun handen e.d. binnenboord hebben voordat u
het schuifdak sluit.
De antiknelfunctie zorgt dat het schuifdak automa-
tisch weer open gaat als er bij het sluiten van het
dak iets of iemand bekneld raakt. Wanneer de rege-
leenheid een obstakel constateert, gaat het schuif-
dak onmiddellijk weer open.
Als het schuifdak niet automatisch gesloten kan
worden wanneer de antiknelfunctie in werking
treedt door een storing, de schuifdakschakelaar in-
drukken en ingedrukt houden naar de SLUITEN-
zijde
.
Afhankelijk van de omgeving of rijomstandigheden
kan de antiknelfunctie geactiveerd worden wan-
neer er zich een klap of belasting voordoet waarbij
het lijkt alsof er iets vastzit in het schuifdak.
Als het schuifdak niet werkt
Wanneer het schuifdak niet goed werkt, verricht dan
de volgende handelingen om het schuifdaksysteem
te initialiseren.
1. Als het schuifdak open is, deze helemaal sluiten
door herhaaldelijk op de sluiten-zijde van de
schuifdakschakelaar
te drukken om het schuif-
dak omhoog te kantelen.
2. De sluiten-zijde van de schakelaar indrukken en
ingedrukt houden
.
3. Laat de schuifdakschakelaar los als het schuif-
dak enigszins omhoog en omlaag beweegt.
4. De open-zijde van de schakelaar
indrukken en
ingedrukt houden om het schuifdak helemaal
omlaag te kantelen.
5. Controleer of de schuifdakschakelaar normaal
werkt.
Als het systeem niet goed werkt na bovenstaande
procedure te hebben uitgevoerd, laat uw voertuig
dan nakijken door een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf.
Instrumenten en bedieningen 93
LET OP
Gebruik de verlichting niet gedurende langere tijd
bij afgezette of stationair draaiende motor. Dit
kan leiden tot ontlading van de accu.
OPMERKING
De interieurverlichting wordt na een bepaalde tijd
uitgeschakeld, tenzij de contactschakelaar in de
ON-stand staat.
BEDIENINGSSCHAKELAARS
BINNENVERLICHTING
De bedieningsschakelaars voor de binnenverlich-
ting hebben drie standen: ON, DOOR en OFF.
ON/OFF-schakelaar
Wanneer de ON/OFF-schakelaar
wordt inge-
drukt, gaat de binnenverlichting branden, ongeacht
de stand van de DOOR/OFF-schakelaar
.
Wanneer de ON/OFF-schakelaar wordt losgelaten
(OFF-stand), gaat de binnenverlichting uit, tenzij de
DOOR/OFF-schakelaar wordt losgelaten en een
portier open staat.
DOOR/OFF-schakelaar
Wanneer de DOOR/OFF-schakelaar
wordt losge-
laten, gaat de binnenverlichting branden bij het
openen van een portier terwijl de schakelaar
in
de OFF-stand staat.
Wanneer de DOOR/OFF-schakelaar wordt inge-
drukt (OFF-stand), blijft de binnenverlichting uit.
OFF-stand
Wanneer beide knoppen in de OFF-stand staan,
gaat de binnenverlichting niet branden, ongeacht
of er een portier wordt geopend of niet
TIMER BINNENVERLICHTING (indien
aanwezig)
De binnenverlichting blijft gedurende een bepaalde
tijd branden wanneer:
Het contact wordt uitgeschakeld.
De portieren worden ontgrendeld.
Een van de portieren wordt geopend en daarna
gesloten.
De timer wordt in de volgende gevallen geannuleerd
waarbij ook de interieurverlichting wordt uitge-
schakeld:
De portieren worden vergrendeld.
De contactschakelaar wordt in de ON-stand ge-
zet.
CONSOLEVERLICHTING (indien
aanwezig)
De consoleverlichting gaat aan wanneer de stads-
lichten of koplampen branden.
KAARTLEESLAMPJES
Bedien de knop voor de kaartleeslampjes om deze
aan of uit te zetten.
: Knop voor linker kaartleeslampje
: Knop voor rechter kaartleeslampje
NIC2502
JVI1038XZ
NIC2501
INTERIEURVERLICHTING
94 Instrumenten en bedieningen
REGELSCHAKELAAR
KAARTLEESLAMPJE (indien
aanwezig)
De regelschakelaar van het kaartleeslampje heeft
drie standen: ON
, OFF
en midden.
ON-stand
Wanneer de schakelaar in de ON-stand
staat,
gaan de kaartleeslampjes branden.
OFF-stand
Wanneer de schakelaar in de OFF-stand staat
gaan de kaartleeslampjes niet aan, ongeacht de si-
tuatie.
Middelste stand
Wanneer de schakelaar in de middelste stand staat,
gaan de kaartleeslampjes branden onder de vol-
gende omstandigheden:
De sleutel wordt uit de contactschakelaar ge-
haald
blijven lange tijd aan.
portieren worden ontgrendeld met de ONT-
GRENDEL
-knop (model met afstandsbe-
dieningsysteem portieren) met de contactscha-
kelaar op LOCK
blijven lange tijd aan.
er wordt een portier geopend
blijft branden zolang het portier open staat.
De lampjes gaan uit wanneer het portier
wordt gesloten.
BINNENVERLICHTING (indien
aanwezig)
De interieurverlichting is voorzien van een driestan-
denschakelaar.
Als de schakelaar in de ON-stand
staat, gaat de
interieurverlichting aan.
Met de schakelaar in de <ӧ>-stand (portier)
gaat
de interieurverlichting aan wanneer een portier
wordt geopend.
De timer voor de interieurverlichting zorgt ervoor
dat de binnenverlichting gedurende een bepaalde
tijd blijft branden wanneer:
De sleutel uit de contactschakelaar wordt ge-
haald terwijl alle portieren gesloten zijn (model-
len zonder afstandsbedieningsleutel).
De contactschakelaar op OFF wordt gezet ter-
wijl alle portieren gesloten zijn (modellen met
afstandsbedieningsleutel).
Het bestuurdersportier wordt ontgrendeld zon-
der dat de sleutel in de contactschakelaar zit
(modellen zonder afstandsbedieningsleutel).
Het bestuurdersportier wordt ontgrendeld ter-
wijl de contactschakelaar in de LOCK-stand
staat (modellen met afstandsbedieningsleutel).
De portieren worden ontgrendeld met de ont-
grendelknop
(model met sleutelloos por-
tieropeningssysteem).
Het laatste portier wordt gesloten zonder dat
de sleutel in de contactschakelaar zit (modellen
zonder afstandsbedieningsleutel).
De timer voor de interieurverlichting wordt gean-
nuleerd wanneer:
Het bestuurdersportier wordt vergrendeld.
De contactschakelaar in de ON-stand wordt ge-
zet.
Wanneer de schakelaar in de OFF-stand
staat,
gaat de interieurverlichting niet aan, ongeacht de
omstandigheden.
SIC4573Z
SIC2489Z
Instrumenten en bedieningen 95
LEESLAMPJE ACHTERIN (indien
aanwezig)
Om de leeslampjes achterin aan te zetten, drukt u
op de schakelaar. Druk de schakelaar nogmaals in
om de lampjes uit te zetten.
LAMPJE MAKE-UP SPIEGEL (indien
aanwezig)
Om de make-up spiegel voorin te gebruiken, klapt u
de zonneklep omlaag en doet u het dekseltje open.
Het lampje op de make-up spiegel gaat aan wan-
neer u het dekseltje van de spiegel opent. Het lampje
gaat uit wanneer u het dekseltje sluit.
ACCUBESPARINGSFUNCTIE
De lampjes die aan blijven staan gaan automatisch
na een bepaalde periode uit, om te voorkomen dat
de accu volledig ontladen wordt.
SIC3250Z
SIC3869Z
96 Instrumenten en bedieningen
3 Alvorens te gaan rijdenAlvorens te gaan rijden
Sleutels ................................................................................................................ 98
Sleutel (indien aanwezig)............................................................... 98
Sleutel van antidiefstalsysteem (ATS*) (indien
aanwezig) .................................................................................................. 98
Afstandsbedieningsleutel (indien aanwezig) ................. 98
Portieren............................................................................................................. 100
Vergrendelen met de sleutel....................................................... 100
Openen met portierhandgreep binnen in de
auto................................................................................................................ 100
Vergrendelen met de schakelaar voor centrale
portiervergrendeling......................................................................... 100
Kindersloten op de achterportieren (Double
Cab-modellen) ....................................................................................... 101
Sleutelloos portieropeningssysteem met
afstandsbediening (indien aanwezig).......................................... 101
Het sleutelloze portieropeningssysteem
gebruiken................................................................................................... 102
Afstandsbedieningsleutelsysteem (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 103
Werkingsbereik van de
afstandsbedieningsleutel.............................................................. 104
Het afstandsbedieningsleutelsysteem
gebruiken................................................................................................... 105
Accubesparingsfunctie................................................................... 106
Waarschuwing en geluidssignalen......................................... 106
Gids voor het opsporen en verhelpen van
storingen.................................................................................................... 108
Het sleutelloze portieropeningssysteem
gebruiken................................................................................................... 110
Werking waarschuwingsknipperlichten en
claxon ........................................................................................................... 110
Beveiligingssysteem (indien aanwezig)...................................... 111
Diefstalwaarschuwingssysteem (indien
aanwezig) .................................................................................................. 111
Antidiefstalsysteem (ATS).............................................................. 112
Motorkap............................................................................................................ 113
De motorkap openen ....................................................................... 113
De motorkap sluiten.......................................................................... 113
Brandstofvulklep* of -dop..................................................................... 114
Brandstofvulklep openen.............................................................. 114
Brandstofvuldop .................................................................................. 114
AdBlue®-vulklep en -dop........................................................................ 115
De AdBlue®-vulklep openen ........................................................ 115
De AdBlue®-vulklep vergrendelen........................................... 115
AdBlue®-vuldop..................................................................................... 115
Laadbak (indien aanwezig) .................................................................. 116
Achterklep................................................................................................. 116
Sjorhaken (indien aanwezig)....................................................... 116
C-Channel bevestigingssysteem (indien
aanwezig) .................................................................................................. 117
Stuurwiel ............................................................................................................ 119
Het stuurwiel verstellen.................................................................. 119
Buitenspiegels................................................................................................ 120
Binnenspiegel......................................................................................... 120
Buitenspiegels........................................................................................ 121
Make-upspiegel (indien aanwezig)......................................... 122
Parkeerrem....................................................................................................... 122
Bij uw autosleutel is een sleutelnummerplaatje
meegeleverd. Noteer het sleutelnummer dat op het
metalen plaatje aangegeven wordt en bewaar het
op een veilige plek (zoals in uw portemonnee), NIET
IN DE AUTO. RENAULT registreert de nummers van
sleutels niet; het is daarom erg belangrijk om te we-
ten waar het nummerplaatje van uw sleutel is.
Het sleutelnummer is alleen nodig als u al uw sleu-
tels verloren hebt en er geen sleutel meer beschik-
baar is voor het maken van duplicaat sleutels. Als u
nog een sleutel hebt, kan deze sleutel worden ge-
kopieerd door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
SLEUTEL (indien aanwezig)
1. Autosleutel (met geïntegreerde
afstandsbediening) (2)
2. Sleutelnummerplaatje (1)
Er kunnen maximaal 5 autosleutels met geïnte-
greerde afstandsbediening geregistreerd en ge-
bruikt worden voor één auto.
SLEUTEL VAN
ANTIDIEFSTALSYSTEEM (ATS*)
(indien aanwezig)
1. ATS-sleutel (met geïntegreerde
afstandsbediening) (2)
2. Sleutelnummerplaatje (1)
U kunt uw auto alleen bedienen met de ATS-sleu-
tels die in de componenten van het ATS-systeem
van uw auto zijn geregistreerd. U kunt maximaal
5 ATS-sleutels registreren en gebruiken met één
auto. De nieuwe sleutels moeten worden geregis-
treerd door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf voordat ze met het ATS-systeem van
uw auto kunnen worden gebruikt. Omdat tijdens
het registreren van de nieuwe sleutels het complete
geheugen van de ATS-componenten wordt gewist,
moet u alle ATS-sleutels die u in uw bezit heeft mee-
nemen naar uw erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
LET OP
De ATS-sleutel bevat een elektrische transponder
en mag daarom niet in contact komen met zoet
of zout water. Hierdoor kan het systeem defect
raken.
*: Startonderbreker
AFSTANDSBEDIENINGSLEUTEL
(indien aanwezig)
1. Afstandsbedieningsleutel (2)
2. Mechanische sleutel (in de
afstandsbedieningsleutel) (2)
3. Sleutelnummerplaatje (1)
WAARSCHUWING
De afstandsbedieningsleutel zendt radiogol-
ven uit die medische elektrische apparatuur
negatief kunnen beïnvloeden.
JVP0324XZ
JVP0324XZ
SPA2502Z
SLEUTELS
98 Alvorens te gaan rijden
Als u een pacemaker heeft, is het raadzaam
om contact op te nemen met de fabrikant van
de medische apparatuur om te vragen of het
signaal van de afstandsbedieningsleutel hier
effect op zou kunnen hebben.
U kunt uw auto alleen bedienen met de afstandsbe-
dieningsleutels die in de componenten van het af-
standsbedieningssysteem en van het antidiefstal-
systeem (ATS*) van uw auto zijn geregistreerd. U
kunt maximaal 4 afstandsbedieningsleutels regis-
treren en gebruiken met één auto. De nieuwe sleu-
tels moeten worden geregistreerd door een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf
voordat ze met het afstandsbedieningsleutelsys-
teem en ATS van uw auto kunnen worden gebruikt.
Omdat tijdens het registreren van de nieuwe sleu-
tels het complete geheugen van de componenten
van het afstandsbedieningsleutelsysteem wordt
gewist, moet u alle afstandsbedieningsleutels die u
in uw bezit heeft meenemen naar uw erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
*: Startonderbreker
LET OP
Zorg dat u de afstandsbedieningsleutel bij u
draagt. Verlaat de auto niet zonder de
afstandsbedieningsleutel mee te nemen.
Zorg dat u de afstandsbedieningsleutel bij u
heeft wanneer u met de auto rijdt. De
afstandsbedieningsleutel is een precisie-
instrument met een ingebouwde zender. Om
eventuele schade te voorkomen, moet u op
het volgende letten.
De afstandsbedieningsleutel is waterbes-
tendig; wanneer de afstandsbedienings-
leutel echter nat wordt, kan dat schade ver-
oorzaken. Als de afstandsbedieningsleutel
nat wordt, veeg deze dan onmiddellijk
goed droog.
Laat de Intelligent Key niet vallen en ver-
mijd buigen en stoten tegen andere voor-
werpen.
Bij een buitentemperatuur lager dan -10°C
(14°F) werkt de batterij van de afstandsbe-
dieningsleutel mogelijk niet goed.
Leg de afstandsbedieningsleutel niet ge-
durende langere tijd op een plek waar de
temperatuur tot boven de 60°C (140°F)
stijgt.
Pas de afstandsbedieningsleutel niet aan
en breng geen wijzigingen aan.
Gebruik geen magneet als sleutelhanger.
Leg de afstandsbedieningsleutel niet in de
buurt van apparatuur die magnetisch vel-
den produceert, zoals een TV, geluidsappa-
ratuur en computers.
De afstandsbedieningsleutel mag niet in
contact komen met zoet of zout water en
mag niet worden gewassen in een wasma-
chine. Hierdoor kan het systeem defect ra-
ken.
Als één van de afstandsbedieningsleutels
kwijtraakt of gestolen wordt, raadt RENAULT
aan om de identificatiecode van die afstands-
bedieningsleutel te wissen. Op deze wijze
wordt voorkomen dat de afstandsbediening-
sleutel door onbevoegden wordt gebruikt om
de auto te ontgrendelen. Voor informatie over
het wissen kunt u contact opnemen met een
erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf.
Mechanische sleutel
Geef het vergrendelknopje aan de achterkant van
de afstandsbedieningsleutel vrij om de mechani-
sche sleutel te verwijderen.
Om de mechanische sleutel terug te plaatsen steekt
u deze stevig in de afstandsbedieningsleutel totdat
het vergrendelknopje terugkeert naar de vergren-
delstand.
Gebruik de mechanische sleutel om de portieren en
de laadklep (indien aanwezig) te vergrendelen of te
ontgrendelen. (Zie “Portieren” verderop in dit hoofd-
stuk en “Achterklep” verderop in dit hoofdstuk.)
SPA2033Z
Alvorens te gaan rijden 99
WAARSCHUWING
Kijk altijd om u heen voordat u een portier
opent, om een ongeval met tegemoet- of ach-
teropkomend verkeer te vermijden.
Om het risico op ernstig of dodelijk letsel door
het onbedoeld bedienen van de auto en/of de
bijbehorende systemen te voorkomen, mag u
kinderen, hulpbehoevende volwassenen of
huisdieren niet zonder toezicht in uw auto
achterlaten. Bovendien kan de temperatuur in
een afgesloten auto op een warme dag zo snel
oplopen dat er een aanzienlijk risico bestaat
op ernstig of dodelijk letsel aan mensen en
huisdieren.
VERGRENDELEN MET DE SLEUTEL
Om het portier te vergrendelen steekt u de mecha-
nische sleutel in de slotcilinder en draait u deze naar
de voorkant van de auto
.
Ontgrendel het portier door de sleutel naar de ach-
terkant van de auto te draaien
.
OPENEN MET PORTIERHANDGREEP
BINNEN IN DE AUTO
U ontgrendelt en opent het portier door aan de bin-
nenhandgreep te trekken zoals in de afbeelding.
Voor modellen met Superlocksysteem:
De portieren kunnen niet via de binnenhandgreep
worden geopend wanneer het Superlocksysteem
actief is.
VERGRENDELEN MET DE
SCHAKELAAR VOOR CENTRALE
PORTIERVERGRENDELING
Met de schakelaar voor centrale portiervergrende-
ling (op het bestuurdersportier) kunt u alle portie-
ren vergrendelen en ontgrendelen.
SPA2588Z
SPA2791Z
SPA2803Z
SPA2390Z
PORTIEREN
100 Alvorens te gaan rijden
U vergrendelt de portieren door de schakelaar voor
centrale portiervergrendeling in de vergrendel-
stand
te drukken terwijl het bestuurdersportier
open staat. Sluit vervolgens het portier. Alle portie-
ren worden vergrendeld.
LET OP
Laat de contactsleutel niet in de auto achter
als u de portieren vergrendelt met de schake-
laar voor centrale portiervergrendeling.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel (indien
aanwezig) in de auto is achtergelaten en u
probeert het portier te vergrendelen met de
schakelaar voor de centrale portiervergrende-
ling nadat u uit de auto bent gestapt, zullen
alle portieren automatisch ontgrendeld wor-
den nadat het portier gesloten is.
Ontgrendelen doet u door de schakelaar voor cen-
trale portiervergrendeling naar de ontgrendelstand
te drukken.
KINDERSLOTEN OP DE
ACHTERPORTIEREN (Double
Cab-modellen)
Het kinderslot op de achterportieren voorkomt dat
de portieren per ongeluk geopend worden, vooral
als er kleine kinderen in de auto zitten.
Met de schakelaars in de vergrendelstand
is het
kinderslot op de achterportieren ingeschakeld en
kunnen de achterportieren alleen worden geopend
via de portierhandgrepen aan de buitenkant van de
auto.
Om het systeem uit te schakelen zet u de schake-
laars in de ontgrendelstand
.
Het sleutelloos portieropeningssysteem kan alle
portieren bedienen met behulp van de geïnte-
greerde afstandsbediening. De sleutel met geïnte-
greerde afstandsbediening werkt op een afstand
van ongeveer 1 meter (3,3 ft) vanaf de auto. Het
werkingsbereik hangt af van de omstandigheden
die zich voordoen rond de auto.
Maximaal 5 sleutels met geïntegreerde afstandsbe-
diening kunnen met een auto worden gebruikt.
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf voor informatie over de
aanschaf en het gebruik van extra sleutels met geïn-
tegreerde afstandsbediening.
De sleutel met geïntegreerde afstandsbediening
werkt niet onder de volgende omstandigheden:
Als de afstand tussen de geïntegreerde
afstandsbediening en de auto groter is dan on-
geveer 1 meter (3,3 ft).
Als de batterij in de sleutel met geïntegreerde
afstandsbediening leeg is.
Als de sleutel in de contactschakelaar zit.
LET OP
Laat de contactsleutel niet in de auto achter
als u de portieren vergrendelt met de sleutel
met geïntegreerde afstandsbediening.
De sleutel met geïntegreerde afstandsbedie-
ning bevat elektronische componenten en
mag daarom niet in contact komen met zoet
of zout water. Hierdoor kan het systeem de-
fect raken.
Lat de sleutel met geïntegreerde afstandsbe-
diening niet vallen.
JVP0279XZ
SLEUTELLOOS PORTIEROPENINGS-
SYSTEEM MET AFSTANDSBE-
DIENING (indien aanwezig)
Alvorens te gaan rijden 101
Stoot met de afstandsbediening niet tegen
een voorwerp.
Laat de sleutel met geïntegreerde afstands-
bediening niet lange tijd liggen in een ruimte
waar de temperatuur hoger is dan 60°C
(140°F).
Als u uw sleutel met geïntegreerde afstandsbedie-
ning verliest of als deze wordt gestolen, adviseert
RENAULT om de identificatiecode van de betref-
fende geïntegreerde afstandsbediening te wissen
uit de auto. U voorkomt zo dat onbevoegden de
sleutel met afstandsbediening gebruiken om de
auto te ontgrendelen. Voor informatie over het wis-
sen kunt u contact opnemen met een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Voor meer informatie over het vervangen van een
batterij, zie “Batterij van afstandsbediening
vervangen” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-het-
zelf”.
HET SLEUTELLOZE
PORTIEROPENINGSSYSTEEM
GEBRUIKEN
WAARSCHUWING
Volg bij modellen die uitgerust zijn met het Super-
locksysteem de volgende voorzorgsmaatrege-
len, anders kunnen er gevaarlijke situaties ont-
staan. Zorg dat het Superlocksysteem altijd op
een veilige manier wordt geactiveerd.
Vergrendel de portieren nooit van buitenaf
met de geïntegreerde afstandsbediening als
er inzittenden in de auto aanwezig zijn. U sluit
de inzittenden zo op, want bij het Superlock-
systeem kunnen de portieren niet van binnen-
uit worden geopend.
Gebruik de vergrendelknop op de geïnte-
greerde afstandsbediening alleen wanneer u
de auto duidelijk kunt zien. U voorkomt zo dat
u door activering van het Superlocksysteem
iemand in de auto opsluit.
Vergrendelknop
Ontgrendelknop
Controlelampje voor de accu
Portieren vergrendelen
1. Neem de contactsleutel uit.
2. Sluit alle portieren.
3. Druk op de vergrendelknop
op de sleutel
met geïntegreerde afstandsbediening.
4. Alle portieren en de AdBlue®-vulklep worden ver-
grendeld.
5. Controleer door middel van de handgrepen of
alle portieren goed zijn vergrendeld.
LET OP
Controleer nadat u de portieren heeft afgesloten
met de sleutel met afstandsbediening of deze
goed zijn vergrendeld door aan de handgrepen
te trekken.
Portieren ontgrendelen
1. Druk op de ontgrendelknop
op de sleutel
met geïntegreerde afstandsbediening.
2. Alle portieren en de AdBlue®-vulklep worden ont-
grendeld.
Alle portieren worden automatisch vergrendeld,
tenzij één van de volgende handelingen wordt uit-
gevoerd binnen 30 seconden nadat op de
ontgrendelknop
wordt gedrukt.
Een portier openen.
De sleutel in de contactschakelaar steken.
Controlelampje voor de accu
Het controlelampje voor de accu
gaat branden
wanneer u op een knop drukt. Als het lampje niet
gaat branden is de accu bijna leeg of moet de accu
vervangen worden. Zie voor informatie over het ver-
vangen van een batterij, “Batterij van afstandsbe-
diening vervangen” in hoofdstuk “8. Onderhoud en
doe-het-zelf”.
JVP0222XZ
102 Alvorens te gaan rijden
Werking van de
waarschuwingsknipperlichten
Wanneer u de portieren vergrendelt of ontgrendelt,
knipperen de waarschuwingsknipperlichten ter be-
vestiging.
VERGRENDELEN: De waarschuwingsknipperlich-
ten knipperen eenmaal.
ONTGRENDELEN: De waarschuwingsknipper-
lichten knipperen tweemaal.
WAARSCHUWING
Radiogolven kunnen een negatief effect heb-
ben op elektrische medische apparatuur.
Mensen met een pacemaker moeten daarom
vóór gebruik contact opnemen met de fabri-
kant van hun elektrische medische apparaat
voor informatie over de mogelijke effecten.
De afstandsbedieningsleutel zendt radiogol-
ven uit wanneer de knoppen worden
ingedrukt. De radiogolven kunnen navigatie-
en communicatiesystemen beïnvloeden. Ge-
bruik de afstandsbedieningsleutel niet wan-
neer u in een vliegtuig zit. Zorg ervoor dat de
knoppen niet per ongeluk kunnen worden in-
gedrukt wanneer het apparaat is opgeborgen
tijdens een vlucht.
Het afstandsbedieningsleutelsysteem kan de slo-
ten van alle portieren bedienen door middel van de
geïntegreerde afstandsbedieningsfunctie of door
te drukken op de verzoekschakelaar op de portier-
handgreep van de auto, zonder dat de sleutel uit
tas of broekzak gehaald hoeft te worden. De ge-
bruiksomgeving en/of -omstandigheden kunnen
de werking van het afstandsbedieningsleutelsys-
teem beïnvloeden.
Zorg ervoor dat u het volgende doorgelezen heeft
voordat u het afstandsbedieningsleutelsysteem
gebruikt.
LET OP
Zorg ervoor dat u de afstandsbedieningsleutel
bij u heeft wanneer u de auto gebruikt.
Laat de afstandsbedieningsleutel nooit in de
auto achter wanneer u de auto verlaat.
De afstandsbedieningsleutel communiceert altijd
met de auto via radiogolven. Het afstandsbedie-
ningsleutelsysteem zendt zwakke radiogolven uit.
Omgevingsomstandigheden kunnen de werking
van het afstandsbedieningsleutelsysteem beïn-
vloeden in de volgende gevallen.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel gebruikt
wordt op een plaats waar sterke radiogolven uit-
gezonden worden, zoals bij een TV zendmast,
een elektriciteitscentrale en een zendstation.
Wanneer u draadloze apparatuur bij u heeft, zo-
als een mobiele telefoon, zendontvanger en CB-
radiozendapparatuur.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel in contact
komt met, of bedekt wordt door, metalen mate-
rialen.
Wanneer een radiografische afstandsbediening
in de directe omgeving gebruikt wordt.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel zich in de
buurt van een elektrisch apparaat bevindt, zoals
een computer.
Pas in die gevallen de bedieningsomstandigheden
aan voordat u de afstandsbedieningsleutel
gebruikt, of gebruik de mechanische sleutel.
Hoewel de levensduur van de batterij afhangt van
de bedieningsomstandigheden, zal het ongeveer
2 jaar duren voordat de batterij leeg is. Als de batte-
rij leeg is, dient u deze te vervangen door een
nieuwe.
AFSTANDSBEDIENINGSLEUTEL-
SYSTEEM (indien aanwezig)
Alvorens te gaan rijden 103
Zie voor informatie over het vervangen van een bat-
terij, “Batterij van de afstandsbedieningsleutel
vervangen” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-het-
zelf”.
Aangezien de afstandsbedieningsleutel voortdu-
rend radiogolven ontvangt, kan de levensduur van
de batterij verkorten wanneer de sleutel zich in de
buurt van apparatuur bevindt die sterke radiogol-
ven uitzendt, zoals signalen van een TV of een com-
puter.
Omdat het stuurwiel elektrisch is vergrendeld, is het
onmogelijk om bij een lege accu het stuurwiel te
ontgrendelen met de contactschakelaar in de
LOCK-stand. Let er goed op dat de accu niet hele-
maal leeg raakt.
U kunt maximaal 4 afstandsbedieningsleutels regis-
treren en gebruiken met één auto. Neem contact
op met een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf voor informatie over de aanschaf en het
gebruik van extra afstandsbedieningsleutels.
LET OP
De afstandsbedieningsleutel bevat elektri-
sche onderdelen en mag daarom niet in con-
tact komen met zoet of zout water. Hierdoor
kan het systeem defect raken.
Laat de afstandsbedieningsleutel niet vallen.
Stoot niet met de afstandsbedieningsleutel
tegen een ander voorwerp.
Pas de afstandsbedieningsleutel niet aan en
breng geen wijzigingen aan.
De afstandsbedieningsleutel kan beschadigd
raken als hij nat wordt. Als de afstandsbedie-
ningsleutel nat wordt, veeg deze dan onmid-
dellijk goed droog.
Bij een buitentemperatuur lager dan −10°C
(14°F) werkt de batterij van de afstandsbedie-
ningsleutel mogelijk niet goed.
Leg de afstandsbedieningsleutel niet voor
langere tijd op een plek waar de temperatuur
hoger is dan 60°C (140°F).
Hang de afstandsbedieningsleutel niet aan
een sleutelhanger die een magneet bevat.
Leg de afstandsbedieningsleutel niet in de
buurt van apparatuur die magnetisch velden
produceert, zoals een TV, geluidsapparatuur
en computers.
Als één van de afstandsbedieningsleutels kwijtraakt
of gestolen wordt, raadt RENAULT aan om de iden-
tificatiecode van die afstandsbedieningsleutel uit
de auto te wissen. U voorkomt zo dat onbevoegden
de afstandsbedieningsleutel misschien gebruiken
om de auto te ontgrendelen. Voor informatie over
het wissen kunt u contact opnemen met een er-
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
De functie van de afstandsbedieningsleutel kan
worden uitgeschakeld. Voor informatie over het uit-
schakelen van de functie van de afstandsbediening-
sleutel kunt u contact opnemen met een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
WERKINGSBEREIK VAN DE
AFSTANDSBEDIENINGSLEUTEL
De functies van de afstandsbedieningsleutel kun-
nen alleen gebruikt worden als de afstandsbedie-
ningsleutel zich binnen het aangegeven werkings-
bereik vanaf de verzoekschakelaar bevindt
.
Wanneer de batterij van de afstandsbedieningsleu-
tel leeg is of als er sprake is van sterke radiogolven
in de nabijheid van de werkingslocatie, dan wordt
het werkingsbereik van de afstandsbedieningsleu-
tel kleiner en werkt de afstandsbedieningsleutel
mogelijk niet meer goed.
Het werkingsbereik ligt binnen 80 cm (31,50 in) vanaf
elke verzoekschakelaar
.
Als de afstandsbedieningsleutel te dicht bij de por-
tierruit of portierhandgreep wordt gehouden, wer-
ken de verzoekschakelaars mogelijk niet.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel zich binnen
het werkingsbereik bevindt, kan iedereen, zelfs ie-
JVP0312XZ
104 Alvorens te gaan rijden
mand die de afstandsbedieningsleutel niet bij zich
heeft, op de verzoekschakelaar drukken om de por-
tieren te vergrendelen/ontgrendelen.
HET AFSTANDSBEDIENINGS-
LEUTELSYSTEEM GEBRUIKEN
De verzoekschakelaar zal onder de volgende om-
standigheden niet werken:
Wanneer een andere afstandsbedieningsleutel
in de auto is achtergelaten
Wanneer de afstandsbedieningsleutel zich niet
binnen het werkingsbereik bevindt
Wanneer een van de portieren open is of niet
goed is gesloten
Wanneer de batterij van de afstandsbedienings-
leutel leeg is
Wanneer de contactschakelaar op ACC of ON
staat
Het afstandsbedieningsleutelsysteem (portieren
openen/sluiten met de verzoekschakelaar op de
portierhandgreep) kan op inactief worden inge-
steld. (Zie “[Voertuiginstellingen]” in hoofdstuk “2. In-
strumenten en bedieningen”.)
Druk niet op de verzoekschakelaar op de portier-
handgreep met de afstandsbedieningsleutel in
uw hand, zoals afgebeeld. Door de korte afstand
tot de portierhandgreep heeft het afstandsbe-
dieningsleutelsysteem er moeite mee om te her-
kennen dat de sleutelafstandsbediening zich
buiten de auto bevindt.
Nadat u de portieren vergrendeld heeft met de
verzoekschakelaar op de portierhandgreep,
dient u te controleren of de portieren goed op
slot zitten door aan de handgrepen te trekken.
Wanneer u de portieren vergrendelt met de ver-
zoekschakelaar op de portierhandgreep, moet u
er zeker van zijn dat u de afstandsbedieningsleu-
tel bij u heeft voordat u de verzoekschakelaar
bedient, om te voorkomen dat de afstandsbe-
dieningsleutel in de auto achtergelaten wordt.
De verzoekschakelaar op de portierhandgreep
is alleen werkzaam als de afstandsbedienings-
leutel gedetecteerd is door het afstandsbedie-
ningsleutelsysteem.
Trek niet aan de portierhandgreep voordat u de
verzoekschakelaar op de portierhandgreep
heeft ingedrukt. Het portier wordt ontgrendeld
maar gaat niet open. Laat de portierhandgreep
los en trek er dan nogmaals aan om het portier
te openen.
Wanneer u de afstandsbedieningsleutel bij u draagt,
kunt u alle portieren vergrendelen en ontgrendelen
door binnen het werkingsbereik op de verzoekscha-
kelaar op de portierhandgreep (bestuurdersportier
of voorpassagiersportier) te drukken.
Wanneer u de portieren vergrendelt of ontgrendelt,
knipperen de waarschuwingsknipperlichten ter be-
vestiging.
NIC3086
SPA2407Z
NIC3087
Alvorens te gaan rijden 105
Portieren vergrendelen
1. Druk de contactschakelaar in de OFF-stand.
2. Draag de afstandsbedieningsleutel bij u.
3. Sluit alle portieren.
4. Druk op de verzoekschakelaar op de portier-
handgreep (bestuurdersportier of voorpassa-
giersportier).
5. Alle portieren en de AdBlue®-vulklep worden ver-
grendeld.
6. Controleer door middel van de handgrepen of
alle portieren goed zijn vergrendeld.
Bescherming tegen buitensluiten:
Om te voorkomen dat de afstandsbedieningsleutel
per ongeluk in een vergrendelde auto blijft liggen, is
het afstandsbedieningsleutelsysteem voorzien van
een speciale bescherming tegen het buitensluiten.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel in de auto
is achtergelaten en u probeert het portier te ver-
grendelen met de schakelaar van de centrale
portiervergrendeling nadat u uit de auto bent
gestapt, zullen alle portieren automatisch ont-
grendelen en zal er een geluidssignaal klinken
nadat het portier gesloten is.
LET OP
De bescherming tegen buitensluiten zal mogelijk
niet werken onder de volgende omstandigheden:
Wanneer de afstandsbedieningsleutel op het
dashboard ligt.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel in het
handschoenenkastje ligt.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel in de
portierzakken ligt.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel in of
dichtbij metalen materialen ligt.
De bescherming tegen buitensluiten zal echter
mogelijk wel werken wanneer de afstandsbedie-
ningsleutel zich buiten, maar dichtbij de auto
bevindt.
Portieren ontgrendelen
1. Draag de afstandsbedieningsleutel bij u.
2. Druk op de schakelaar op de portierhandgreep
.
3. Alle portieren en de AdBlue®-vulklep worden ont-
grendeld.
Als aan de handgreep getrokken wordt wanneer de
portieren ontgrendeld worden, kan het zijn dat dit
portier niet ontgrendeld wordt. Door de handgreep
weer in zijn oorspronkelijke stand terug te brengen,
wordt het portier ontgrendeld. Als na het loslaten
van de handgreep het portier niet ontgrendeld
wordt, dient u de verzoekschakelaar op de portier-
handgreep in te drukken om het portier te ontgren-
delen.
Automatische hervergrendeling:
Alle portieren zullen automatisch vergrendeld wor-
den, tenzij een van de volgende handelingen wordt
uitgevoerd binnen 30 seconden na het indrukken
van de verzoekschakelaar op de portierhandgreep
terwijl de portieren vergrendeld zijn.
Een portier openen.
De contactschakelaar indrukken.
Indien gedurende de vooringestelde tijdsduur de
ontgrendelknop
op de afstandsbedienings-
leutel wordt ingedrukt, worden alle portieren auto-
matisch vergrendeld na de volgende vooringe-
stelde tijd.
ACCUBESPARINGSFUNCTIE
Als er sprake is van alle volgende condities gedu-
rende een bepaalde periode, dan zal de accuspaar-
functie de elektrische voeding onderbreken om te
voorkomen dat de accu ontlaadt.
De contactschakelaar staat in de ACC-ofON-
stand.
Alle portieren zijn gesloten.
De schakelhendel staat in de P-stand (parkeren)
(modellen met automatische versnellingsbak).
WAARSCHUWING EN
GELUIDSSIGNALEN
Het afstandsbedieningsleutelsysteem is uitgerust
met een functie die onjuiste bediening van de af-
standsbedieningsleutel moet beperken en die helpt
bij het voorkomen van diefstal van de auto. Er zal
een geluidssignaal of pieptoon klinken binnenin en
buiten de auto en een waarschuwingsbericht ver-
schijnen op het voertuiginformatiedisplay.
Zie Storingen opsporen en verhelpen op de vol-
gende pagina en Voertuiginformatiedisplay” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.
106 Alvorens te gaan rijden
LET OP
Als een geluidssignaal of pieptoon klinkt of het
waarschuwingsbericht verschijnt, moet u zowel
de auto als de afstandsbedieningsleutel
controleren.
Alvorens te gaan rijden 107
GIDS VOOR HET OPSPOREN EN VERHELPEN VAN STORINGEN
Symptoom Mogelijke oorzaak Te nemen maatregelen
Wanneer u de contactschakelaar
indrukt om de motor te stoppen
De waarschuwing Schakel naar
parkeerstand verschijnt op het
voertuiginformatiedisplay en het
waarschuwingssignaal in de auto
klinkt continu of gedurende enkele
seconden. (Modellen met
automatische versnellingsbak)
De schakelhendel staat niet in de
P-stand (parkeren).
Zet de schakelhendel in de P-stand
(parkeren).
Wanneer u de schakelhendel in de
P-stand (parkeren) zet.
Het waarschuwingssignaal in de auto
klinkt aanhoudend. (Modellen met
automatische versnellingsbak)
De contactschakelaar staat in de
ACC-ofON-stand.
Druk de contactschakelaar in de OFF-
stand.
Wanneer u het bestuurdersportier
bedient om de auto te verlaten
Het waarschuwingssignaal in de auto
klinkt aanhoudend.
De contactschakelaar staat in de
ACC-stand
Druk de contactschakelaar in de OFF-
stand.
Wanneer u het portier sluit nadat u uit
de auto bent gestapt
De waarschuwing Geen sleutel
gedetecteerd verschijnt op het
display, het geluidssignaal buiten de
auto klinkt 3 keer en het
waarschuwingssignaal in de auto
klinkt gedurende enkele seconden.
De contactschakelaar staat in de
ACC-ofON-stand.
Druk de contactschakelaar in de OFF-
stand.
De waarschuwing Schakel naar
parkeerstand verschijnt op het
voertuiginformatiedisplay en het
geluidssignaal buiten de auto klinkt
continu. (Modellen met automatische
versnellingsbak)
De contactschakelaar staat in de
ACC-stand of de OFF-stand en de
schakelhendel staat niet in de
P-stand (parkeren).
Zet de schakelhendel in de P-stand
(parkeren) en druk de
contactschakelaar in de OFF-stand.
Wanneer u op de verzoekschakelaar
op de portierhandgreep of op de
vergrendelknop
m
op de
afstandsbedieningsleutel drukt om
het portier te sluiten
Het geluidssignaal buiten de auto
klinkt gedurende enkele seconden en
alle portieren ontgrendelen.
De afstandsbedieningsleutel ligt in de
auto.
Draag de afstandsbedieningsleutel bij
u.
108 Alvorens te gaan rijden
Symptoom Mogelijke oorzaak Te nemen maatregelen
Wanneer u het portier sluit met de
binnenste vergrendelknop in de
vergrendelstand
Het geluidssignaal buiten de auto
klinkt gedurende enkele seconden en
alle portieren ontgrendelen.
De afstandsbedieningsleutel ligt in de
auto.
Draag de afstandsbedieningsleutel bij
u.
Wanneer u op de verzoekschakelaar
op de portierhandgreep drukt om het
portier te vergrendelen
Het geluidssignaal buiten de auto
klinkt gedurende enkele seconden.
De afstandsbedieningsleutel ligt in de
auto.
Draag de afstandsbedieningsleutel bij
u.
Een portier is niet goed afgesloten. Sluit het portier goed.
De verzoekschakelaar op de
portierhandgreep wordt ingedrukt
voordat het portier gesloten is.
Druk op de verzoekschakelaar op de
portierhandgreep nadat het portier is
gesloten.
Wanneer u de contactschakelaar
indrukt om de motor te starten
De waarschuwing Spanning
sleutelbatterij laag verschijnt op het
voertuiginformatiedisplay.
De accu is zwak.
Vervang de batterij door een nieuwe.
(Zie “Batterij van de
afstandsbedieningsleutel vervangen”
in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-
het-zelf”.)
De waarschuwing Geen sleutel
gedetecteerd verschijnt op het
display en het waarschuwingssignaal
in de auto klinkt gedurende enkele
seconden.
De afstandsbedieningsleutel ligt niet
in de auto.
Draag de afstandsbedieningsleutel bij
u.
Bij het indrukken van de startknop
De waarschuwing Sleutel systeem
fout verschijnt op het
voertuiginformatiedisplay.
Het waarschuwt voor een storing in
het elektrische stuurslotsysteem
(indien aanwezig) of in het
afstandsbedieningsleutelsysteem.
Neem contact op met een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Alvorens te gaan rijden 109
HET SLEUTELLOZE
PORTIEROPENINGSSYSTEEM
GEBRUIKEN
j
A LOCK-knop
j
B UNLOCK-knop
Werkingsbereik
Met het afstandsbedieningsysteem voor de portie-
ren kunt u alle portieren vergrendelen/ontgrende-
len. Het werkingsbereik hangt af van de omstandig-
heden die zich voordoen rond de auto. Om de ver-
grendel- en ontgrendelknop goed te bedienen,
dient u de auto tot ongeveer 1m (3,3 ft) vanaf het
portier te benaderen.
Het sleutelloze portieropeningssysteem werkt niet
onder de volgende omstandigheden:
Wanneer de afstandsbedieningsleutel zich niet
binnen het werkingsbereik bevindt.
Wanneer de batterij van de afstandsbedienings-
leutel leeg is.
Voor meer informatie over het vervangen van een
batterij, zie “Batterij van de afstandsbedieningsleu-
tel vervangen” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-
het-zelf”.
Portieren vergrendelen
1. Zet de contactschakelaar in de OFF-stand.
2. Draag de afstandsbedieningsleutel bij u.
3. Sluit alle portieren.
4. Druk op de vergrendelknop
j
A opdeaf-
standsbedieningsleutel.
5. Alle portieren worden vergrendeld.
6. Trek aan de portierhandgrepen om er zeker van
te zijn dat de portieren goed zijn vergrendeld.
LET OP
Controleer nadat u de portieren vergrendelt
met de afstandsbedieningsleutel of ze goed
op slot zitten door aan de handgrepen te trek-
ken.
Laat de sleutel niet in de auto achter als u de
portieren vergrendelt met de afstandsbe-
dieningsleutel.
Portieren ontgrendelen
1. Druk op de ontgrendelknop
j
B opdeaf-
standsbedieningsleutel.
2. Alle portieren worden ontgrendeld.
Automatische hervergrendeling:
Alle portieren worden automatisch vergrendeld
tenzij een van de volgende handelingen wordt uit-
gevoerd binnen 30 seconden na het indrukken van
de ontgrendelknop
j
B op de afstandsbedie-
ningsleutel terwijl de portieren vergrendeld zijn.
Een portier openen.
De contactschakelaar indrukken.
Indien gedurende de vooringestelde tijdsduur de
ontgrendelknop
j
B op de afstandsbedienings-
leutel wordt ingedrukt, worden alle portieren auto-
matisch vergrendeld na de volgende vooringe-
stelde tijd.
WERKING
WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN
EN CLAXON
Wanneer u de portieren of het kofferdeksel vergren-
delt of ontgrendelt, zullen de waarschuwingsknip-
perlichten knipperen en zal de claxon (of akoestisch
waarschuwingssignaal buiten) klinken ter bevesti-
ging.
De volgende beschrijvingen geven aan hoe de waar-
schuwingsknipperlichten en de claxon of het ge-
luidssignaal buiten de auto zullen werken bij het
vergrendelen of ontgrendelen van de portieren.
SPA2349Z
110 Alvorens te gaan rijden
Uw auto is uitgerust met een van de of beide vol-
gende beveiligingssystemen:
Diefstalwaarschuwingssysteem
Antidiefstalsysteem (ATS*)
*: Startonderbreker
Het controlelampje voor het antidiefstalsysteem
geeft aan of het systeem in werking is.
DIEFSTALWAARSCHUWINGS-
SYSTEEM (indien aanwezig)
Het diefstalwaarschuwingssysteem geeft visuele
en hoorbare alarmsignalen als delen van de auto
worden verstoord.
Beveiligingscontrolelampje
Het controlelampje voor het antidiefstalsysteem op
het dashboard knippert als de contactschakelaar in
de stand LOCK, OFF of ACC staat. Dit is normaal.
Bediening PORTIERVERGRENDELING PORTIERONTGRENDELING
Afstandsbedieningsleutelsysteem
(met de verzoekschakelaar)
WAARSCHUWINGSKNIP-
PERLICHTEN - eenmaal
GELUIDSSIGNAAL BUITEN -
eenmaal
WAARSCHUWINGSKNIP-
PERLICHTEN - tweemaal
GELUIDSSIGNAAL BUITEN -
tweemaal
Sleutelloos portieropeningssysteem
(met de
m
-of
m
-knop)
WAARSCHUWINGSKNIP-
PERLICHTEN - eenmaal
CLAXON - eenmaal
WAARSCHUWINGSKNIP-
PERLICHTEN - tweemaal
CLAXON - tweemaal
SIC2045Z
BEVEILIGINGSSYSTEEM (indien
aanwezig)
Alvorens te gaan rijden 111
Het systeem activeren (indien
aanwezig)
1. Sluit alle ramen.
U kunt het alarmsysteem ook inschakelen als
de ramen open zijn.
2. Zet de contactschakelaar in de OFF-stand.
3. Draag de geïntegreerde afstandsbediening of de
afstandsbedieningsleutel bij u en stap uit de
auto.
4. Sluit en vergrendel alle portieren. De portieren
kunnen vergrendeld worden met de geïnte-
greerde afstandsbediening, de afstandsbedie-
ningsleutel, de verzoekschakelaar op de portier-
handgreep (indien aanwezig), de schakelaar voor
centrale portiervergrendeling of de mechani-
sche sleutel.
5. Controleer of het beveiligingscontrolelampje
gaat branden. Het controlelampje antidiefstal-
systeem brandt ongeveer 30 seconden en gaat
dan knipperen. Het systeem is nu geactiveerd. Als
tijdens deze 30 seconden het portier wordt ont-
grendeld of de contactschakelaar op ACC of ON
gezet wordt, zal het systeem niet geactiveerd
worden.
Zelfs als de bestuurder en/of passagiers zich in
de auto bevinden, zal het systeem actief worden
als alle portieren vergrendeld zijn en de contact-
schakelaar in de LOCK-stand staat. Het systeem
wordt vrijgegeven door de contactschakelaar
naar ACC of ON te drukken.
Werking van het
diefstalwaarschuwingssysteem
Het voertuigbeveiligingssysteem zal het volgende
alarm afgeven:
De waarschuwingsknipperlichten knipperen en
declaxon klinkt met tussenpozen.
Het alarm wordt na ongeveer 30 seconden au-
tomatisch uitgeschakeld. Het alarm wordt ech-
ter opnieuw actief als er weer met de auto ge-
knoeid wordt.
Het alarm wordt geactiveerd:
Door het portier te ontgrendelen zonder gebruik
te maken van de geïntegreerde afstandsbedie-
ning, de afstandsbedieningsleutel, de verzoek-
schakelaar op de portierhandgreep (indien aan-
wezig) of de mechanische sleutel. (Zelfs als het
portier wordt geopend door aan de portier-
handgreep aan de binnenkant te trekken zal het
alarm geactiveerd worden.)
Het alarm stoppen
Het alarm stopt alleen als een portier ontgren-
deld wordt met de ontgrendelknop op de af-
standsbedieningsleutel.
Het alarm stopt niet als de contactschakelaar
op ACC of ON gezet wordt.
ANTIDIEFSTALSYSTEEM (ATS)
Het antidiefstalsysteem (ATS)* zorgt ervoor dat de
motor niet gestart kan worden zonder een geregi-
streerde ATS-sleutel.
Als de motor niet wil starten met de geregistreerde
ATS-sleutel, ligt dit misschien aan een storing ver-
oorzaakt door:
Een andere ATS-sleutel.
Een elektronisch tolwegpasje.
Een elektronische betaalpas.
Andere apparaten of pasjes die soortgelijke sig-
nalen uitzenden.
Start de motor als volgt:
1. Verwijder alle voorwerpen die storing zouden
kunnen veroorzaken uit de buurt van de ATS-
sleutel.
2. Laat de contactschakelaar ongeveer 5 seconden
in de ON-stand staan.
3. Zet de contactschakelaar in de OFF- of LOCK-
stand en wacht ongeveer 10 seconden.
4. Herhaal nogmaals stappen 2 en 3.
5. De motor starten.
6. Herhaal bovenstaande stappen tot alle mogelijke
storingen zijn opgeheven.
Als het op deze manier lukt om de motor te starten,
raadt RENAULT aan om de geregistreerde ATS-sleu-
tel apart te houden om eventuele storingen te voor-
komen.
Als ATS niet goed werkt, zal dit lampje blijven bran-
den terwijl de contactschakelaar in de ON-stand
staat.
Als het lampje aan blijft en/of de motor niet start,
neem dan zo snel mogelijk contact op met een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf
voor onderhoud aan het ATS-systeem. Neem alle
afstandsbedieningsleutels die u bezit met u mee
wanneer u naar een erkende dealer gaat voor on-
derhoud.
112 Alvorens te gaan rijden
WAARSCHUWING
Ga pas rijden als de motorkap goed gesloten
en vergrendeld is. Doet u dit niet, dan kan deze
tijdens het rijden onverwacht openwaaien en
riskeert u een ongeval.
Open de motorkap nooit als u stoom of rook
uit de motorruimte ziet komen, om letsel te
vermijden.
DE MOTORKAP OPENEN
1. Trek aan de hendel voor de motorkapontgrende-
ling
, deze zit onder het dashboard, om de mo-
torkap iets omhoog te laten springen.
2. Zoek de hendel
tussen de motorkap en de
grille met uw vingers en druk op de hendel met
uw vingers.
3. Til de motorkap op.
4. Haal de steun eruit en steek deze in de groef
.
Wanneer u de steun verwijdert en plaatst, moet u
deze vasthouden bij de bedekte delen
j
A . Vermijd
direct contact met metalen delen, aangezien
deze heet kunnen zijn direct nadat de motor is
afgezet.
DE MOTORKAP SLUITEN
1. Terwijl u de motorkap ondersteunt steekt u de
steun terug in de klem.
2. Laat de motorkap langzaam zakken tot onge-
veer 20 tot 30 cm (8 tot 12 in) boven de motor-
kapvergrendeling, en laat de kap vervolgens val-
len.
3. Controleer of de motorkap goed vergrendeld is.
NIC3101
MOTORKAP
Alvorens te gaan rijden 113
WAARSCHUWING
Brandstof ontbrandt gemakkelijk en is onder
bepaalde omstandigheden zeer explosief. U
kunt ernstige brandwonden of ander letsel
oplopen als u niet oppast met benzine. Zet de
motor altijd af terwijl u tankt. Rook niet en ver-
mijd open vuur of vonken nabij de auto.
De brandstof kan onder druk staan. Draai de
dop een halve slag open en wacht totdat een
mogelijk “sissend” geluid stopt, om te voorko-
men dat er brandstof naar buiten spuit wat
persoonlijk letsel kan veroorzaken. Verwijder
daarna de dop.
Gebruik alleen een originele vuldop als deze
vervangen moet worden. Deze bevat een vei-
ligheidsventiel dat onmisbaar is voor het cor-
rect functioneren van het brandstof- en emis-
siesysteem. Een verkeerd model vuldop kan
leiden tot een slecht werkende motor en mo-
gelijk tot letsel.
BRANDSTOFVULKLEP OPENEN
Schakelaar openen brandstofvulklep
Druk op de brandstofvulklep te openen op de scha-
kelaar voor het openen van de brandstofvulklep on-
derop het dashboard.
Om te vergrendelen sluit u de brandstofvulklep tot
hij stevig vergrendelt.
OPMERKING
Als de schakelaar voor het openen van de brand-
stofvulklep herhaaldelijk wordt ingedrukt (meer
dan 2 keer met tussenpozen van minder dan
1 seconde), zal een thermoschakelaar (PTC) wor-
den geactiveerd en de brandstofvulklepactuator
blokkeren. Dit is geen storing. Om de actuator te
deblokkeren, wacht 30 seconden voordat u de
schakelaar opnieuw indrukt.
BRANDSTOFVULDOP
Type A (indien aanwezig)
De brandstofvuldop is uitgevoerd met een palwiel.
Draai de dop linksom
om te verwijderen. Draai na
het tanken de vuldop rechtsom
vast totdat u
meer dan twee klikken hoort.
Zet de vuldop in de vuldophouder
j
A terwijl u tankt.
LET OP
Als u brandstof morst op de lak van de auto, spoel
het er dan zorgvuldig met water af om lakschade
te voorkomen.
NIC2736 JVP0211XZ
BRANDSTOFVULKLEP* OF -DOP
114 Alvorens te gaan rijden
Type B (indien aanwezig)
Draai de sleutel linksom om de brandstofvuldop te
openen
.
Draai de vuldop linksom
na het losdraaien ervan.
De brandstofvuldop is uitgevoerd met een palwiel.
Draai na het tanken de vuldop rechtsom vast totdat
u minstens 2 klikken hoort. De brandstofvuldop
wordt vanzelf vergrendeld wanneer deze wordt
aangedraaid.
De AdBlue®-vulklep
bevindt zich aan de rechter-
zijde van het voertuig.
DE AdBlue®-VULKLEP OPENEN
Om de AdBlue®-vulklep te openen, drukt u er licht
op en laat vervolgens los.
Om de AdBlue®-vulklep te sluiten, sluit u de klep tot-
dat deze stevig dicht zit.
DE AdBlue®-VULKLEP
VERGRENDELEN
De AdBlue®-vulklep kan worden vergrendeld en ont-
grendeld met behulp van het sleutelloos portiero-
peningssysteem, zie “Afstandsbedieningsleutelsys-
teem (indien aanwezig)” eerder in dit hoofdstukvoor
aanvullende details.
AdBlue®-VULDOP
De AdBlue®-vuldop is van het type zonder ratelme-
chanisme. Draai de dop linksom
om te verwijde-
ren. Draai de dop rechtsom
om vast te zetten.
LET OP
Als u AdBlue® morst op de lak van de auto, spoel
het er dan af met water om lakschade te
voorkomen.
JVP0370XZ
NDI1684
NDI1646
NDI1647
AdBlue®-VULKLEP EN -DOP
Alvorens te gaan rijden 115
WAARSCHUWING
Zorg dat tijdens het rijden niemand in de laad-
ruimte aanwezig is. Plotseling remmen of een
noodstop kan in zo’n geval persoonlijk letsel
of de dood tot gevolg hebben.
Ga niet rijden met neergeklapte laadklep.
Zet alle lading goed vast met touwen of rie-
men om schuiven en glijden te voorkomen. Bij
plotseling remmen of bij een ongeval kan
losse lading lichamelijk letsel veroorzaken.
ACHTERKLEP
Laadklep vergrendelen of ontgrendelen
(indien aanwezig)
Steek om de laadklep te vergrendelen de sleutel in
het sleutelcilinder van de laadklep en draai
rechtsom
.
Draai de sleutel linksom om de laadklep te ontgren-
delen
.
Zie voor modellen met afstandsbedieningsleutel,
“Mechanische sleutel” eerder in dit hoofdstuk voor
het verwijderen van de mechanische sleutel.
Laadklep openen
Om de laadklep te openen trekt u aan de handgreep
en laat u de laadklep zakken. De steunkabels zor-
gen ervoor dat de klep open blijft.
Het gewicht van de lading moet gelijkmatig ver-
deeld worden over de voor- en achteras.
Zet alle lading goed vast met touwen of riemen
om schuiven of glijden in het voertuig te voorko-
men.
WAARSCHUWING
Ga niet rijden met neergeklapte laadklep.
Zorg dat tijdens het rijden niemand in de laad-
ruimte aanwezig is. Plotseling remmen of een
noodstop kan in zo’n geval persoonlijk letsel
of de dood tot gevolg hebben.
Laadklep sluiten
Zorg er bij het sluiten van de laadklep voor dat de
vergrendelingen of hendels goed geblokkeerd zijn.
SJORHAKEN (indien aanwezig)
Voor uw gemak zijn er sjorhaken aangebracht aan
de binnenkant van de laadbak. Deze kunnen ge-
bruikt worden om lading in de laadbak te bevesti-
gen.
NPA1564
NPA1529
NPA1566
NPA1567
(1) en (2) voor Double Cab-modellen
LAADBAK (indien aanwezig)
116 Alvorens te gaan rijden
Het gewicht van de lading moet gelijkmatig ver-
deeld worden over de voor- en achteras.
Zet alle lading goed vast met touwen of riemen
om schuiven of glijden in het voertuig te voorko-
men.
LET OP
Het bevestigen van ladingen op de sjorhaken on-
der een hoek van meer dan 60°, of het bevestigen
van ladingen die zwaarder zijn dan 400 kg
(880 lb) kan mogelijk schade veroorzaken aan de
sjorhaken of de laadbak.
C-CHANNEL
BEVESTIGINGSSYSTEEM (indien
aanwezig)
WAARSCHUWING
Installeer de sjorklampen in het C-Channel be-
vestigingssysteem en maak ze goed vast. Be-
vestig geen touwen of riemen rechtstreeks
aan het U-profiel. Als u de sjorklampen niet
goed installeert of touwen of riemen recht-
streeks aan het U-profiel bevestigt, kan de la-
ding loskomen. Bij plotseling remmen of bij
een ongeval kan losse lading lichamelijk letsel
veroorzaken.
Zet alle lading goed vast met touwen of rie-
men om schuiven en glijden te voorkomen. Bij
plotseling remmen of bij een ongeval kan
losse lading lichamelijk letsel veroorzaken.
Zorg ervoor dat de lading niet boven de rug-
leuningen uitsteekt. Bij plotseling remmen of
bij een ongeval kan losse lading lichamelijk
letsel veroorzaken.
Overbelasting kan niet alleen de levensduur
van het voertuig en de banden verkorten,
maar kan ook leiden tot onveilige rijeigen-
schappen en een langere remweg. Hierdoor
kunnen er vroegtijdig problemen met de ban-
den optreden, hetgeen kan leiden tot een ern-
stig ongeval en persoonlijk letsel. Defecten
door overbelasting worden niet gedekt door
de voertuiggarantie.
Monteer geen accessoires boven de uitspa-
ring tussen de zijprofielen aan voor- en ach-
terkant. Dit kan bij bepaalde aanrijdingen van
achteren van invloed zijn op de achterkant van
de voertuigconstructie, hetgeen kan leiden tot
ernstig letsel.
Met het C-Channel bevestigingssysteem kunt u
sjorklampen in de laadbak naar het meest geschikte
punt verplaatsen om een lading te bevestigen.
De sjorklampen moeten zodanig worden geïnstal-
leerd dat ze stevig in de gleuven van het profiel be-
vestigd worden. Als de sjorklamp niet in de gleuf
bevestigd wordt, zal deze niet goed vastzitten. De
bout in het midden van de sjorklamp moet stevig
worden vastgedraaid.
Controleer regelmatig tijdens een rit of de sjorklam-
pen nog vastzitten om er zeker van te zijn dat de
middelste bout niet is losgeraakt.
U-profiel aan de zijkant
Installeer de sjorklamp op de volgende manier:
1. Draai de middelste bout volledig los.
NPA1570
JVP0357XZ
Alvorens te gaan rijden 117
2. Steek de sjorklamp loodrecht in het U-profiel, zo-
als afgebeeld. Draai de sjorklamp vervolgens 90º
en schuif in de gewenste positie.
3. Plaats de sjorklamp zodanig dat de noppen aan
de onderkant volledig in de nokjes van het profiel
vast komen te zitten.
JVP0358XZ
JVP0359XZ JVP0360XZ
118 Alvorens te gaan rijden
4. Er mag geen ruimte zitten tussen de onderkant
van de klamp en de bovenkant van het profiel.
Draai de middelste bout stevig vast.
LET OP
Installeer maar één klamp per profielsectie.
Het bevestigen van ladingen op de klampen
onder een hoek van meer dan 45°, of het be-
vestigen van ladingen die zwaarder zijn dan
90 kg (200 lb) kan mogelijk schade veroorza-
ken aan het U-profiel of de laadbak.
HET STUURWIEL VERSTELLEN
WAARSCHUWING
Verstel het stuurwiel nooit terwijl u rijdt, zodat u
al uw aandacht kunt schenken aan het bedienen
van de auto.
Trek aan de vergrendeling
en stel het stuurwiel
naar boven of beneden
af tot de gewenste stand.
Duw de vergrendelhendel
stevig terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand vast te zetten.
JVP0362XZ JVP0361XZ
SPA2225Z
STUURWIEL
Alvorens te gaan rijden 119
WAARSCHUWING
Stel de stand van alle spiegels in voordat u gaat
rijden. Stel de stand van de spiegels niet in tijdens
het rijden, omdat uw volledige aandacht gericht
moet zijn op het besturen van de auto.
BINNENSPIEGEL
Houd de binnenspiegel vast en zet deze in de ge-
wenste stand.
Anti-verblindingstype met handmatige
bediening
Gebruik de afstelhendel
als u ’s nachts verblind
wordt door het licht van de koplampen van een auto
achter u.
Duw overdag op de afstelhendel
voor het beste
zicht naar achteren.
Automatische anti-verblindingsspiegel
Door het ontwerp van de binnenspiegel past deze
automatisch de lichtweerkaatsing aan, afhankelijk
van de lichtsterkte van de koplampverlichting van
de auto achter u.
Het anti-verblindingssysteem wordt automatisch
ingeschakeld zodra u de contactschakelaar in de
ON-stand drukt.
Wanneer het systeem is ingeschakeld, gaat het con-
trolelampje
j
B branden en wordt het eventuele ver-
blindende licht van de koplampen van de achterop-
komende auto verminderd.
Druk gedurende 3 seconden op de -knop
j
Aom
de binnenspiegel normaal te laten functioneren en
het controlelampje gaat uit. Druk nogmaals gedu-
rende 3 seconden op de
-schakelaar om het
systeem in te schakelen.
Hang geen voorwerpen aan de spiegel en gebruik
geen ruitenreiniger. Hierdoor vermindert de ge-
voeligheid van de sensor
j
C , waardoor de spiegel
niet meer goed zal werken.
SPA2447Z
SPA2143Z
SPA2162Z
BUITENSPIEGELS
120 Alvorens te gaan rijden
Automatische anti-verblindingsspiegel
met achteruitrijcamera (indien
aanwezig)
Voor meer informatie over de achteruitrijcamera
j
A , zie “Achteruitrijcamera (indien aanwezig)” in
hoofdstuk “4. Display, verwarming en airconditio-
ning, en audiosysteem”.
Door het ontwerp van de binnenspiegel past deze
automatisch de lichtweerkaatsing aan, afhankelijk
van de lichtsterkte van de koplampverlichting van
de auto achter u.
Het anti-verblindingssysteem wordt automatisch
ingeschakeld zodra u de contactschakelaar in de
ON-stand drukt.
Wanneer het systeem is ingeschakeld, gaat het con-
trolelampje
j
B branden en wordt het eventuele ver-
blindende licht van de koplampen van de achterop-
komende auto verminderd.
Druk op de -knop
j
C om het systeem aan of uit
te zetten
Hang geen voorwerpen aan de spiegel en gebruik
geen ruitenreiniger. Hierdoor vermindert de ge-
voeligheid van de sensor
j
C , waardoor de spiegel
niet meer goed zal werken.
BUITENSPIEGELS
WAARSCHUWING
Blijf met uw handen van de buitenspiegels af
terwijl deze in beweging zijn. U kunt anders
met uw vingers bekneld raken of de spiegel
beschadigen.
Ga nooit met de auto rijden terwijl de buiten-
spiegels zijn ingeklapt. Het zicht naar achte-
ren is dan beperkt en u riskeert zo een onge-
val.
Objecten lijken in de buitenspiegel verder weg
dan ze in werkelijkheid zijn (indien aanwezig).
Afmetingen en afstanden zoals weergegeven
in de buitenspiegels komen niet overeen met
de werkelijkheid.
Afstellen
Elektrisch verstelbare spiegel:
De elektrische bediening van de buitenspiegels
werkt wanneer de contactschakelaar in de ACC-of
ON-stand staat.
1. Draai aan de schakelaar om de linker <L> of rech-
ter <R> spiegel te selecteren
.
2. Stel de stand van elke spiegel naar wens in door
de schakelaar in te drukken
.
Ontwasemen (indien aanwezig)
U ontwasemt de buitenspiegels door op de knop
voor de achterruitverwarming te drukken.
NPA1097
JVP0326XZ
Alvorens te gaan rijden 121
Inklappen
Handbediend type:
Druk de buitenspiegel naar binnen om deze in te
klappen.
Elektrisch verstelbare spiegel:
De elektrische bediening van de buitenspiegels
werkt wanneer de contactschakelaar in de ACC-of
ON-stand staat.
De buitenspiegels klappen automatisch in wanneer
de schakelaar voor het inklappen van de buiten-
spiegels wordt ingedrukt. Druk de schakelaar nog-
maals in om de spiegels uit te klappen.
LET OP
Wanneer u voortdurend de buitenspiegels in-/
uitklapt, kan de schakelaar mogelijk buiten wer-
king gesteld worden.
MAKE-UPSPIEGEL (indien aanwezig)
U gebruikt de make-up spiegel voorin
door de
zonneklep
omlaag en het dekseltje omhoog te
klappen
.
WAARSCHUWING
Ga nooit rijden terwijl de auto op de parkeer-
rem staat. De remmen raken zo oververhit en
de remwerking gaat achteruit, wat kan leiden
tot een ongeval.
Geef de parkeerrem nooit vrij terwijl u zich bui-
ten de auto bevindt. Als de auto in beweging
komt, kunt u het rempedaal niet intrappen en
veroorzaakt u mogelijk een ongeval.
Gebruik nooit de schakelhendel in plaats van
de parkeerrem. Controleer als u parkeert of de
parkeerrem stevig blokkeert.
Om het risico op ernstig of dodelijk letsel door
het onbedoeld bedienen van de auto en/of de
bijbehorende systemen te voorkomen, mag u
kinderen, hulpbehoevende volwassenen of
huisdieren niet zonder toezicht in uw auto
achterlaten. Bovendien kan de temperatuur in
een afgesloten auto op een warme dag zo snel
oplopen dat er een aanzienlijk risico bestaat
op ernstig of dodelijk letsel aan mensen en
huisdieren.
SPA1829Z
JVP0327XZ
NPA1568
PARKEERREM
122 Alvorens te gaan rijden
Om de parkeerrem te activeren, trekt u de parkeer-
remhendel omhoog
.
Om de parkeerrem vrij te geven, trapt u het rempe-
daal in en houdt u hem ingetrapt. Trek de parkeer-
remhendel iets omhoog, druk op de knop
en
breng de hendel vervolgens helemaal omlaag
.
Controleer voordat u gaat rijden of het controle-
lampje voor het remsysteem uit is.
SPA2110Z
Alvorens te gaan rijden 123
NOTITIES
124 Alvorens te gaan rijden
4 Display, verwarming en
airconditioning, en audiosysteem
Display, verwarming en
airconditioning, en audiosysteem
Veiligheidsmaatregelen .......................................................................... 127
Achteruitrijcamera (indien aanwezig) .......................................... 127
Lezen van de weergegeven lijnen........................................... 128
Verschil tussen geschatte en werkelijke
afstanden .................................................................................................. 128
Instelling achteruitrijmonitor...................................................... 130
Bedieningswenken............................................................................. 130
Intelligent Around-View Monitor (indien aanwezig).......... 131
Bediening................................................................................................... 133
Richtlijnen.................................................................................................. 134
Verschil tussen geschatte en werkelijke
afstanden .................................................................................................. 136
De schermweergave aanpassen ............................................. 139
Bedieningswenken............................................................................. 139
Ventilatieroosters ........................................................................................ 139
Middenventilatieroosters............................................................... 139
Zijventilatieroosters ........................................................................... 140
Ventilatieroosters achterin (indien aanwezig)............... 140
Verwarming en airconditioning........................................................ 140
Bedieningstips (modellen met automatische
airconditioning)..................................................................................... 141
Handbediende verwarming en airconditioning
(type A) ......................................................................................................... 142
Handbediende verwarming en airconditioning
(type B)......................................................................................................... 144
Automatische airconditioning................................................... 146
Onderhoud van airconditioningsysteem.......................... 148
Audiosysteem (indien aanwezig)..................................................... 149
Voorzorgsmaatregelen bij de bediening van
het audiosysteem................................................................................ 149
Antenne....................................................................................................... 152
USB-verbindingspoort (Universal Serial Bus) ................. 153
AUX-ingangsaansluiting (hulpingang)................................. 153
CD/USB-geheugen onderhouden en reinigen.............. 154
FM AM-radio met CD-speler (type A)............................................. 155
Hoofdbediening van het audiosysteem............................. 156
Radiobediening..................................................................................... 156
SETUP-knop............................................................................................. 157
De CD-speler bedienen.................................................................... 159
AUX-ingang (hulpingang) .............................................................. 160
USB-verbindingspoort (Universal Serial Bus)
(indien aanwezig)................................................................................. 161
Bediening van de iPod (indien aanwezig) ......................... 162
Bediening van Bluetooth® ............................................................ 163
FM-AM-radio met CD-speler (Compact Disc) type
B ................................................................................................................................ 170
Hoofdbediening van het audiosysteem............................. 171
Radiobediening..................................................................................... 171
SETUP-knop............................................................................................. 173
De CD-speler bedienen.................................................................... 174
AUX-ingang .............................................................................................. 176
USB-verbindingspoort (Universal Serial Bus) ................. 177
Een iPod® gebruiken (indien aanwezig).............................. 178
Bediening van Bluetooth® ............................................................ 179
Navigatiesysteem met touchscreen (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 186
Apple CarPlay en Android Auto (indien aanwezig)............. 186
Stuurwielschakelaar voor audiobediening (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 186
Audiobediening..................................................................................... 186
Knoppen voor telefoonbediening........................................... 187
Bluetooth® Handsfree telefoonsysteem (zonder
navigatiesysteem en kleurendisplay)........................................... 188
Bluetooth® mobiele telefoonfunctie..................................... 188
Handsfree bediening van de telefoon.................................. 190
Stuurwielschakelaars (indien van toepassing).............. 193
WAARSCHUWING
Gebruik de bedieningen van de verwarming
en airconditioning of de audiobedieningen
niet terwijl u rijdt, omdat u al uw aandacht aan
de bediening van uw voertuig moet schenken.
Wanneer u heeft gemerkt dat vreemde voor-
werpen de hardware van het systeem zijn bin-
nengedrongen, vloeistof is gemorst op het
systeem, of rook of dampen uit het systeem
heeft zien komen, of wanneer u een andere
abnormale werking heeft geconstateerd, ge-
bruik het systeem dan niet meer en neem con-
tact op met de dichtstbijzijnde erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf. Het negeren
van dergelijke omstandigheden kan leiden tot
ongelukken, brand of een elektrische schok.
Haal het systeem niet uit elkaar en breng geen
wijzigingen aan. Als u dit wel doet kan dit lei-
den tot een ongeluk, brand of elektrische
schok.
LET OP
Gebruik het systeem niet wanneer de motor lan-
gere tijd uit staat, om te voorkomen dat de accu
ontlaadt.
j
A Camera
Wanneer de schakelhendel in de R-stand (achteruit)
wordt gezet, toont de monitor het zicht achter het
voertuig.
Dit systeem is ontworpen om de bestuurder te hel-
pen bij het waarnemen van grote stilstaande voor-
werpen, teneinde eventuele schade aan het voer-
tuig te voorkomen. Het systeem is mogelijk niet in
staat om kleine objecten onder de bumper of ob-
jecten dichtbij de bumper of op de grond te detec-
teren.
WAARSCHUWING
Nalatigheid in het opvolgen van de waarschuwin-
gen en aanwijzingen voor correct gebruik van de
achteruitrijcamera kan leiden tot ernstig letsel of
de dood.
De achteruitrijcamera is een handig hulpmid-
del, maar is geen vervanging voor de gebrui-
kelijke handelingen die nodig zijn om correct
achteruit te rijden. Draai voordat u de auto
manoeuvreert altijd uw hoofd om en kijk uit
de raampjes en in de spiegels om er zeker van
te zijn dat het veilig is om verder te gaan. Rijd
altijd langzaam achteruit.
Dit systeem is ontworpen om de bestuurder
te helpen bij het waarnemen van grote stil-
staande voorwerpen direct achter de auto,
teneinde eventuele schade aan het voertuig
te voorkomen.
Het systeem kan dode hoeken niet helemaal
zichtbaar maken en toont wellicht niet elk
voorwerp.
De gebieden onder de bumper en rondde hoe-
ken van de bumper kunt u niet zien met be-
hulp van de achteruitrijcamera, omdat het
controlebereik beperkt is. Het systeem is niet
in staat om kleine objecten onder de bumper
te tonen en toont mogelijk ook geen objecten
die zich vlakbij de bumper bevinden of op de
grond liggen.
NAA1992
Achteruitrijmonitordisplay
VEILIGHEIDSMAATREGELEN ACHTERUITRIJCAMERA (indien
aanwezig)
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 127
De afstand tot objecten die weergegeven wor-
den met behulp van de achteruitrijcamera ver-
schilt van de werkelijke afstand, omdat een
groothoeklens wordt gebruikt.
Objecten die met behulp van de achteruitrijca-
mera worden getoond verschijnen tegenover-
gesteld ten opzichte van het beeld dat gezien
wordt in de achteruitkijkspiegel en de buiten-
spiegels.
Zorg dat de achterklep goed dicht is wanneer
u achteruit rijdt.
Bedek de achteruitrijcamera niet. De achter-
uitrijcamera is aan de bovenkant van de laad-
klep geïnstalleerd.
Wanneer u de auto wast met een hogedrukrei-
niger, spuit dan niet rond de camera.Water zou
de camera kunnen binnendringen en con-
densvorming op de lens, storingen, brand of
elektrische schokken kunnen veroorzaken.
Stoot niet tegen de camera. Het is een preci-
sie-instrument. U zou anders storing of
schade kunnen veroorzaken met brand of een
elektrische schok tot gevolg.
LET OP
Kras de cameralens niet wanneer u vuil of sneeuw
verwijdert.
LEZEN VAN DE WEERGEGEVEN
LIJNEN
Richtlijnen die de voertuigbreedte en de afstand van
objecten tot de bumperlijn
j
A aangeven, worden op
de monitor weergegeven.
Afstandsrichtlijnen:
Geven de afstand aan vanaf de voertuigcarrosserie.
Rode lijn
: ong. 0,5 m (1,5 ft)
Gele lijn
: ong. 1 m (3 ft)
Groene lijn
: ong. 2 m (7 ft)
Groene lijn
: ong. 3 m (10 ft)
Voertuigbreedtelijnen
:
Geven de voertuigbreedte aan wanneer u achter-
uitrijdt.
Koerslijnen instellen (indien aanwezig)
Wanneer beelden van de achteruitrijcamera worden
getoond, kunt u de breedtelijnen en afstandslijnen
aan-/uitzetten door op de <CAMERA>-knop te
drukken.
VERSCHIL TUSSEN GESCHATTE EN
WERKELIJKE AFSTANDEN
U mag de afstandsrichtlijn en de voertuigbreedtelijn
alleen volgen wanneer het voertuig zich op een vlak,
verhard wegdek bevindt. De afstand weergegeven
op de monitor dient alleen als richtlijn en kan afwij-
ken van de werkelijke afstand tussen het voertuig
en weergegeven objecten.
SAA2776Z
128 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Achteruit een steile helling oprijden
Wanneer u achteruit een helling oprijdt, worden de
afstandsrichtlijnen en de voertuigbreedtelijnen
dichterbij weergegeven dan de werkelijke afstand
eigenlijk is. Bijvoorbeeld, het beeldscherm toont 1 m
(3 ft) ter hoogte van punt
j
A , terwijl de werkelijke
afstand van 1 m (3 ft) op de heuvel zich ter hoogte
van punt
j
B bevindt. Let erop dat in dit geval elk
object op de heuvel op de monitor dichterbij lijkt
dan het in werkelijkheid is.
Achteruit een steile helling afrijden
Wanneer u achteruit een helling afrijdt, worden de
afstandsrichtlijnen en de voertuigbreedtelijnen ver-
der weg weergegeven dan de werkelijke afstand ei-
genlijk is. Bijvoorbeeld, het beeldscherm toont 1 m
(3 ft) ter hoogte van punt
j
A , terwijl de werkelijke
afstand van 1 m (3 ft) op de heuvel zich ter hoogte
van punt
j
B bevindt. Let erop dat in dit geval elk
object op de heuvel op de monitor verder weg lijkt
dan het in werkelijkheid is.
Achteruit rijden in de buurt van een
uitstekend object
Op het display kan het lijken alsof het voertuig zich
niet dicht bij het voorwerp bevindt. Echter, het voer-
tuig kan met het voorwerp in aanraking komen als
deze over de werkelijke rijkoers uitsteekt.
JVH0893XZ JVH0894XZ
JVH0896XZ
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 129
Achteruitrijden achter een uitstekend
object
Punt
j
C wordt verder weg getoond dan punt
j
Bop
het beeldscherm. Echter, punt
j
C ligt in werkelijk-
heid even ver als punt
j
A . Als het voertuig achteruit-
rijdt richting punt
j
A kan het met het voorwerp in
aanraking komen, als het voorwerp over de werke-
lijke rijkoers uitsteekt.
INSTELLING
ACHTERUITRIJMONITOR
Zie voor informatie het apart meegeleverde Instruc-
tieboekje van het Navigatiesysteem met touchscr-
een.
BEDIENINGSWENKEN
Wanneer de schakelhendel in de R-stand (ach-
teruit) wordt gezet, schakelt het monitorscherm
automatisch over op de achteruitrijmodus. U
kunt wel naar de radio blijven luisteren.
Het kan even duren voordat het normale scherm
of beelden van de achteruitrijcamera worden
weergegeven nadat de schakelhendel vanuit
een willekeurige stand in de R-stand (achteruit)
is gezet, of vanuit de R-stand (achteruit) in een
willekeurige stand is gezet. Objecten op het
scherm worden mogelijk tijdelijk vervormd, tot-
dat het scherm van de achteruitrijcamera volle-
dig wordt getoond.
Bij zeer hoge of lage temperaturen komen de
beelden op het scherm mogelijk niet duidelijk
over. Dit is geen storing.
Wanneer een sterke lichtbron rechtstreeks in de
camera schijnt, kunnen beelden mogelijk niet
duidelijk worden weergegeven. Dit is geen sto-
ring.
U kunt soms verticale lijnen waarnemen in de
beelden op het scherm. Deze worden veroor-
zaakt door een sterke weerkaatsing van licht op
de bumper. Dit is geen storing.
Het scherm kan in de nabijheid van neonverlich-
ting soms flikkeren. Dit is geen storing.
De kleuren van objecten weergegeven door de
achteruitrijcamera kunnen mogelijk iets afwij-
ken van de werkelijke kleuren.
Beelden op de monitor kunnen op een donkere
plek of ’s nachts mogelijk niet duidelijk overko-
men. Dit is geen storing.
Als er vuil, regen of sneeuw op de camera zit, zal
de achteruitrijcamera objecten mogelijk niet
duidelijk weergeven. Reinig de camera.
Gebruik geen alcohol, benzine of verdunner om
de camera te reinigen. Dit veroorzaakt verkleu-
ring. Veeg de camera om te reinigen af met een
doek die is bevochtigd met een mild reinigings-
middel opgelost in water en veeg daarna af met
een droge doek.
Beschadig de camera niet, want dit kan het mo-
nitorscherm nadelig beïnvloeden.
Gebruik geen was op het cameravenster. Veeg
eventuele wasresten af met een schone doek
die is bevochtigd met een mild reinigingsmiddel
opgelost in water.
JVH0895XZ
130 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Gedeelte bestemd voor berichten
Bovenweergave of zijweergave
Parkeersensoren
Hoekweergave
Bovenweergave of voor-zijweergave
Indicator voorweergave of achterweergave
De op het scherm weergegeven ontwerpen en
items kunnen variëren afhankelijk van het land en
het model.
Met het contact in de ON-stand, drukt u op de
<CAMERA>-knop of zet u de schakelhendel in de
R-stand (achteruit) om de Intelligent Around-View
Monitor te gebruiken. De monitor toont verschil-
lende weergaven rond de auto.
OPMERKING
Bij het eerste gebruik zullen de hoeklijnen onge-
veer 3 seconden in het geel knipperen. Dit is geen
storing maar een herinnering om voorzichtig te
zijn.
Beschikbare weergaven:
Bovenweergave
Zicht rondom de auto in vogelperspectief.
Voor-zijweergave
Zicht op de omgeving rond en vóór het wiel aan
voorpassagierszijde.
Voorweergave
Zicht op het gebied vóór de auto.
Achterweergave
Zicht op het gebied achter de auto.
Achterweergave op hele scherm
Het zicht achter de auto (welke iets breder is dan
de normale achterweergave)
Het systeem is ontworpen om de bestuurder te hel-
pen in verschillende situaties, zoals bij het vakpar-
keren of het fileparkeren.
NAA1993
<CAMERA>-knop
NAA1999
Linkse besturing
NAA2000
Rechtse besturing
INTELLIGENT AROUND-VIEW
MONITOR (indien aanwezig)
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 131
Er zijn bepaalde gebieden rond de auto waar het
systeem niet in staat is objecten te signaleren. Wan-
neer de voorweergave of de achterweergave ge-
toond wordt, kan een voorwerp dat zich onder de
bumper of op de grond bevindt mogelijk niet waar-
genomen worden
. Wanneer de bovenweergave
getoond wordt, zal een groot object dichtbij de
grens
van de verschillende waarnemingsgebie-
den van de camera niet op de monitor verschijnen.
WAARSCHUWING
De Intelligent Around-View Monitor is bedoeld
om overdag gebruikt te worden. Gebruik het
systeem niet bij slechte lichtomstandigheden.
De Intelligent Around-View Monitor is een ge-
maksvoorziening. Het is echter geen vervan-
ging voor een correcte bediening van de auto,
aangezien er nog steeds gebieden zijn waar
objecten niet gedetecteerd kunnen worden.
Vooral de vier hoeken van de auto geven dode
hoeken weer waar objecten niet zichtbaar zijn
in de bovenweergave, voorweergave of ach-
terweergave. Kijk altijd naar buiten en contro-
leer of het veilig is om de manoeuvres uit te
voeren. De bestuurder is te allen tijde verant-
woordelijk voor de veiligheid van zichzelf en
van anderen tijdens het parkeren en manoeu-
vreren.
Gebruik de Intelligent Around-View Monitor
niet als de buitenspiegel zich in de opgesla-
gen stand bevindt en controleer of de achter-
klep goed gesloten is wanneer u de auto be-
dient met behulp van de Intelligent Around-
View Monitor.
De afstand tussen objecten die weergegeven
worden op de Intelligent Around-View Moni-
tor verschilt van de werkelijke afstand.
De camera's zijn geïnstalleerd op de voorgrille,
op de buitenspiegels en boven het nummer-
bord aan achterzijde. Bedek de camera's niet.
Wanneer u de auto wast met een hogedrukrei-
niger, spuit dan niet rond de camera's. Water
zou de camera kunnen binnendringen en con-
densvorming op de lens, storingen, brand of
elektrische schokken kunnen veroorzaken.
Stoot niet tegen de camera's. Het zijn preci-
sie-instrumenten. U kunt een storing of
schade veroorzaken die kan leiden tot brand
of een elektrische schok.
LET OP
Maak geen krassen op de lens wanneer u vuil of
sneeuw van de voorkant van de camera
verwijdert.
NAA1864
132 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
BEDIENING
Het display van de Intelligent Around-View Monitor
is opgebouwd uit het voorweergavescherm, linker-
weergavescherm,rechterweergavescherm en ach-
terweergavescherm. Het is mogelijk gecombi-
neerde beelden te zien van verschillende weerga-
ven.
j
A : Audio- of navigatiescherm voordat de Intelligent
Around-View Monitor wordt bediend.
: Voorweergave en bovenweergave
: Achterweergave en bovenweergave
: Voorweergave en voor-zijweergave
: Achterweergave en voor-zijweergave
: Schakelhendel in de R-stand (achteruit)
: Schakelhendel uit de R-stand (achteruit)
: Druk op de <CAMERA>-knop
De Intelligent Around-View Monitor start als:
De R-stand (achteruit) wordt geselecteerd.
–De<CAMERA>-knop wordt ingedrukt.
Voorweergave
Toont het vooraanzicht van de auto.
Achterweergave
Toont het achteraanzicht van de auto.
NAA2001
Voorbeeld voor modellen met linkse besturing (LHD), in modellen met rechtse besturing (RHD) zal de indeling van het
scherm tegengesteld zijn.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 133
Starten door middel van de
schakelhendel
Wanneer de schakelhendel in de R-stand (ach-
teruit) wordt gezet, zal de Intelligent Around-
View Monitor automatisch in werking treden en
de achterweergave en bovenweergave tonen
.
Wanneer de schakelhendel uit de R-stand (ach-
teruit) wordt gehaald, wordt van het scherm van
de Intelligent Around-View Monitor overgescha-
keld naar het audio- of navigatiescherm
j
A.
In de R-stand (achteruit) worden de achterweer-
gave en de bovenweergave
getoond. Het
beeld aan passagierszijde schakelt over naar de
voor-zijweergave
wanneer de <CAMERA>-
knop wordt ingedrukt.
Wanneer de schakelhendel uit de R-stand (ach-
teruit) wordt gehaald, schakelt het scherm te-
rug naar het scherm dat werd getoond voordat
de auto in zijn achteruit werd gezet.
Starten door middel van de
<CAMERA>-knop
Wanneer de <CAMERA>-knop wordt ingedrukt,
zal de Intelligent Around-View Monitor in wer-
king treden en de voorweergave en bovenweer-
gave tonen
.
De voorweergave en bovenweergave worden
getoond
. Wanneer de <CAMERA>-knop nog-
maals wordt ingedrukt, verandert de weergave
op het scherm aan passagierszijde in de voor-
zijweergave
. Als er nogmaals op de
<CAMERA>-knop gedrukt wordt, zal de Intelli-
gent Around-View Monitor uitgeschakeld wor-
den.
Gebruik de schakelhendel om het scherm aan
bestuurderszijde te schakelen tussen de voor-
weergave en de achterweergave.
Wanneer de schakelhendel niet in de R-stand
(achteruit) staat en de rijsnelheid toeneemt tot
boven ongeveer 10 km/u (6 MPH), dan zullen de
camerabeelden worden opgeschort. Wanneer
de rijsnelheid toeneemt tot boven ongeveer
30 km/u (18 mph), zal van het scherm van de
Intelligent Around-View Monitor worden overge-
schakeld naar het audio- of navigatiescherm.
Automatisch annuleren
Wanneer de schakelhendel niet in de R-stand (ach-
teruit) staat en de rijsnelheid toeneemt tot boven
ongeveer 10 km/u (6 mph), zullen de camerabeelden
van de Intelligent Around-View Monitor worden op-
geschort om te voorkomen dat de bestuurder vide-
obeelden te zien krijgt tijdens het rijden. Dit is geen
storing.
Wanneer de rijsnelheid toeneemt tot boven onge-
veer 30 km/u (18 MPH), zullen de camerabeelden
van de Intelligent Around-View Monitor geannu-
leerd worden en zal het systeem terugkeren naar
de eerder geselecteerde bron.
RICHTLIJNEN
WAARSCHUWING
U mag de afstandsrichtlijnen en de voertuig-
breedtelijnen alleen als referentie gebruiken
wanneer het voertuig op een vlak, verhard
wegdek rijdt. De afstand weergegeven op de
monitor dient alleen als richtlijn en kan afwij-
ken van de werkelijke afstand tussen het voer-
tuig en weergegeven objecten.
Gebruik de weergegeven lijnen en de boven-
weergave als referentie. De lijnen en de boven-
weergave worden sterk beïnvloed door het
aantal inzittenden, brandstofniveau, huidige
voertuigpositie, de staat van het wegdek en
het hellingspercentage.
Als de banden vervangen zijn door banden
met andere afmetingen, dan worden de ge-
schatte koerslijnen en de bovenweergave mo-
gelijk onjuist weergegeven.
Wanneer u een heuvel oprijdt zijn de objecten
verder weg dan ze op de monitor lijken. Wan-
neer u een heuvel afrijdt zijn de objecten dich-
terbij dan ze op de monitor lijken. Gebruik de
spiegels of kijk naar buiten om de afstand tot
andere objecten correct in te schatten.
De voertuigbreedtelijnen en de geschatte koers-
lijnen worden in verhouding breder op het scherm
weergegeven dan de werkelijke breedte en koers
eigenlijk zijn.
134 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Richtlijnen
Richtlijnen, die de voertuigbreedte aangeven en de
afstand tot objecten ten opzichte van de carros-
serielijn van de auto
j
A , worden op de monitor weer-
gegeven.
Afstandsrichtlijnen:
Geven de afstand aan vanaf de voertuigcarrosserie.
Rode lijn
: ong. 0,5 m (1,5 ft)
Gele lijn
: ong. 1 m (3 ft)
Groene lijn
: ong. 2 m (7 ft)
Groene lijn
: ong. 3 m (10 ft)
Voertuigbreedtelijnen en statische geschatte
koerslijnen
:
Geven de voertuigbreedte aan wanneer u achter-
uitrijdt.
Dynamische geschatte koerslijnen
:
De dynamische geschatte koerslijnen worden weer-
gegeven op de monitor wanneer er aan het stuur-
wiel wordt gedraaid. De geschatte koerslijnen zul-
len zich verplaatsen naarmate er aan het stuurwiel
wordt gedraaid, maar worden niet weergegeven als
het stuurwiel zich in de rechtuitstand bevindt.
De voorweergave wordt niet getoond wanneer de
rijsnelheid hoger is dan ongeveer 30 km/u (20 mph).
WAARSCHUWING
Objecten die op de monitor worden getoond
verschijnen tegenovergesteld ten opzichte
van het beeld dat gezien wordt in de achter-
uitkijkspiegel en de buitenspiegels.
Op besneeuwde of gladde wegen kunnen de
geschatte koerslijnenmogelijk verschillen van
de werkelijke koerslijnen.
De lijnen die worden weergegeven in de ach-
terweergave zijn ietwat naar rechts georiën-
teerd, omdat de achteruitrijcamera aan de
achterzijde van de auto niet precies in het mid-
den is geïnstalleerd.
OPMERKING
Wanneer de monitor de voorweergave toont en
het stuurwiel ongeveer 90 graden of minder van-
uit de neutrale stand wordt gedraaid, dan worden
de geschatte koerslijnen zowel aan de linker- als
aan de rechterkant
weergegeven. Wanneer u
het stuurwiel ongeveer 90° of meer draait, wordt
er alleen een lijn weergegeven aan de tegenover-
liggende zijde van de bocht.
Bovenweergave
WAARSCHUWING
Voorwerpen in de bovenweergave (bird-eye)
lijken verder weg dan de werkelijke afstand,
omdat de bovenweergave een pseudoweer-
gave is die voortkomt uit een combinatie van
de weergaven van de camera's op de buiten-
spiegels, op de voorkant en op de achterkant
van de auto.
Grote objecten, zoals een stoeprand of een
voertuig, worden mogelijk onjuist uitgelijnd of
niet weergegeven op de grens tussen de ge-
combineerde beelden.
Objecten die zich boven de camera's bevin-
den kunnen niet worden weergegeven.
De bovenweergave kan mogelijk onjuist wor-
den uitgelijnd wanneer de positie van de ca-
mera verandert.
Een lijn op de grond wordt mogelijk onjuist uit-
gelijnd of niet herkend als recht als deze op de
overgang tussen de verschillende weergaven
komt te liggen.De onjuiste uitlijning neemt toe
naarmate de afstand tot de auto groter wordt.
NAA1452
Voorbeeld
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 135
De bovenweergave (bird-eye) geeft een panora-
misch beeld van de situatie rondom de auto, het-
geen helpt de positie van de auto te bevestigen, als-
mede de geschatte koers tot een parkeerplek.
Het voertuigpictogram
geeft de voertuigpositie
weer.
OPMERKING
De grootte van het voertuigpictogram in de bird-
eye weergave in verhouding tot de omgeving kan
ietwat verschillen van de werkelijke situatie.
Bij het eerste gebruik zullen de hoeklijnen
in alle
vier de hoeken van het voertuigpictogram onge-
veer 3 seconden in het geel knipperen. De vier hoe-
ken
van de auto worden in het rood weergege-
ven als de parkeersensor niet gemonteerd of uitge-
schakeld is.
OPMERKING
De gebieden die de camera's niet kunnen be-
strijken worden zwart aangegeven.
Hoeklijnen van de dode hoeken
knipperen
(geel) op alle vier de hoeken van de auto als
herinnering om voorzichtig te zijn. Dit is geen
storing.
Voor-zijweergave
*: Bij modellen met rechtse besturing is de opmaak
van het beeldscherm tegenovergesteld.
Richtlijnen:
LET OP
De werkelijke afstand tot voorwerpen kan ver-
schillen van de getoonde afstand.
Richtlijnen die de breedte en de voorkant van het
voertuig aangeven, worden op de monitor weerge-
geven.
De voertuigfrontlijn
toont de voorkant van het
voertuig.
De zijlijn van de auto
toont de breedte van de
auto, inclusief de buitenspiegel.
De verlengingen
van zowel de front-
alsdezij-
lijnen
worden aangegeven door middel van een
groene stippellijn.
VERSCHIL TUSSEN GESCHATTE EN
WERKELIJKE AFSTANDEN
WAARSCHUWING
De afstandsrichtlijn en de voertuigbreedtelijn in
de voor- en achterweergave dienen alleen als re-
ferentie gebruikt te worden wanneer het voertuig
zich op een vlak, verhard wegdek bevindt. De af-
stand weergegeven op de monitor dient alleen
als richtlijn en kan afwijken van de werkelijke af-
stand tussen het voertuig en weergegeven
objecten.
NAA1694
NAA1348
Voor-zijweergave, modellen met linkse besturing (LHD)*
NAA1325
Voor-zijweergave, modellen met linkse besturing (LHD)*
136 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Een steile helling oprijden
Wanneer u een helling oprijdt, worden de afstands-
richtlijnen en de voertuigbreedtelijnen dichterbij
weergegeven dan de werkelijke afstand eigenlijk is.
Bijvoorbeeld, het beeldscherm toont 1 m (3 ft) ter
hoogte van punt
j
A , terwijl de werkelijke afstand
van 1 m (3 ft) op de heuvel zich ter hoogte van punt
j
B bevindt. Let erop dat in dit geval elk object op de
heuvel op de monitor dichterbij lijkt dan het in wer-
kelijkheid is.
Een steile helling afrijden
Wanneer u een helling afrijdt, worden de afstands-
richtlijnen en de voertuigbreedtelijnen verder weg
weergegeven dan de werkelijke afstand eigenlijk is.
Bijvoorbeeld, het beeldscherm toont 1 m (3 ft) ter
hoogte van punt
j
A , terwijl de werkelijke afstand
van 1 m (3 ft) op de heuvel zich ter hoogte van punt
j
B bevindt. Let erop dat in dit geval elk object op de
heuvel op de monitor verder weg lijkt dan het in
werkelijkheid is.
Rijden in de buurt van een uitstekend
voorwerp
De dynamische geschatte koerslijnen
j
A tonen mo-
gelijk dat het voertuig het object niet raakt. Echter,
het voertuig kan het object raken als het over de
werkelijke rijkoers uitsteekt.
WAARSCHUWING
De afstand weergegeven op de monitor dient al-
leen als richtlijn en kan afwijken van de werke-
lijke afstand tussen het voertuig en weergegeven
objecten.
JVH0893XZ
JVH0894XZ
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 137
De geschatte koerslijnen
j
A raken het object in het
beeldscherm niet. Echter, het voertuig kan het ob-
ject raken als het over de werkelijke rijkoers uit-
steekt.
Er kan wellicht een kleine afstand zichtbaar zijn tus-
sen de auto en het voorwerp in de bovenweergave
j
B op de monitor.
Een uitstekend voorwerp naderen
Punt
j
C wordt verder weg getoond dan punt
j
Bop
het beeldscherm. Echter, punt
j
C ligt in werkelijk-
heid even ver als punt
j
A . De auto zou het object
kunnen raken als het in die richting rijdt
j
Aenals
het voorwerp uitsteekt over de werkelijke koers.
NAA1695 NAA1696 NAA1169
138 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
DE SCHERMWEERGAVE AANPASSEN
Om de helderheid van het scherm van de Intelligent
Around View Monitor aan te passen, gebruikt u de
instellingen zoals beschreven in het apart meegele-
verde Instructieboekje van het Navigatiesysteem
met touchscreen.
Maak geen instellingen terwijl de auto rijdt. Zorg dat
de handrem stevig is aangetrokken.
BEDIENINGSWENKEN
Bij het schakelen van de weergave kunnen de
beelden op het scherm met enige vertraging
weergegeven worden.
Bij zeer hoge of lage temperaturen zullen de ob-
jecten op het scherm mogelijk niet duidelijk
weergegeven worden. Dit is geen storing.
Wanneer fel licht direct in de camera schijnt, wor-
den de beelden mogelijk niet duidelijk weerge-
geven. Dit is geen storing.
Het scherm kan in de nabijheid van neonverlich-
ting soms flikkeren. Dit is geen storing.
De kleuren van objecten op de Intelligent
Around-View Monitor kunnen enigszins verschil-
len van de werkelijke kleuren. Dit is geen storing.
Objecten op de monitor zijn mogelijk niet duide-
lijk en de kleur van het object kan mogelijk ver-
schillen in een donkere omgeving. Dit is geen
storing.
Er kunnen verschillen in scherpte voorkomen
tussen de beelden van de bovenweergave die
afkomstig zijn van de verschillende camera's.
Als er vuil, regen of sneeuw op de camera komt,
zal de Intelligent Around-View Monitor objecten
mogelijk niet duidelijk weergeven. Reinig de ca-
mera.
Gebruik geen alcohol, benzine of verdunner om
de camera te reinigen. Dit veroorzaakt verkleu-
ring. Veeg om te reinigen de camera af met een
met zeepsop bevochtigde doek en veeg daarna
droog met een droge doek.
Beschadig de camera niet, aangezien dit van in-
vloed kan zijn op het monitorscherm.
Gebruik geen carrosseriewas op de cameralens.
Verwijder eventuele wasresten met een schone
doek bevochtigd met een mild in water opge-
lost reinigingsmiddel.
MIDDENVENTILATIEROOSTERS
Pas de luchtstroomrichting van de ventilatieroos-
ters aan met de middelste hendel (omhoog/om-
laag, links/rechts).
m
:
Dit symbool
geeft
aan dat de
ventilatieroosters gesloten zijn. U sluit
de ventilatieroosters door de
draaiknop naar deze richting te
draaien.
m
:
Dit symbool
geeft
aan dat de
ventilatieroosters geopend zijn. U
opent de ventilatieroosters door de
draaiknop naar deze richting te
draaien.
JVH0887XZ
VENTILATIEROOSTERS
Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem 139
ZIJVENTILATIEROOSTERS
Stel de luchtstroomrichting van de ventilatieroos-
ters in door deze te openen, sluiten, of draaien.
De zijventilatieroosters kunnen gebruikt worden om
de zijramen te ontdooien of ontwasemen.
VENTILATIEROOSTERS ACHTERIN
(indien aanwezig)
Open/sluit de ventilatieroosters door de bedie-
ningsknop naar links of rechts te bewegen.
m
:
Dit symbool
geeft aan dat de
ventilatieroosters gesloten zijn. U sluit
de ventilatieroosters door de
draaiknop naar deze richting te
draaien.
m
:
Dit symbool
geeft aan dat de
ventilatieroosters geopend zijn. U
opent de ventilatieroosters door de
draaiknop naar deze richting te
draaien.
Pas de luchtstroomrichting van de ventilatieroos-
ters aan met de middelste hendel (omhoog/om-
laag, links/rechts).
WAARSCHUWING
De verwarming en airconditioning werken al-
leen als de motor draait.
Laat kinderen en hulpbehoevende volwasse-
nen nooit alleen in de auto achter. Laat ook
geen huisdieren onbewaakt achter.Zij kunnen
zonder het te weten schakelaars of bedienin-
gen activeren, of de auto verplaatsen en on-
bedoeld betrokken rakenin een ongeval waar-
bij ze letsel kunnen oplopen. Bij warm en zon-
nig weer kan de temperatuur in een
afgesloten voertuig al snel zo hoog oplopen
dat mensen of huisdieren ernstig of zelfs do-
delijk letsel kunnen oplopen.
Gebruik de recirculatiemodus niet gedurende
langere tijd. De lucht in het interieur kan dan
muf worden en de ramen kunnen beslaan.
Gebruik de bediening voor de verwarming en
airconditioning niet terwijl u rijdt, zodat uw
aandacht niet wordt afgeleid van het verkeer.
De verwarming en de airconditioning werken terwijl
de motor draait. De aanjager werkt ook als de mo-
tor is afgezet en de contactschakelaar in de ON-
stand staat.
OPMERKING
Bij ingeschakelde airconditioning (indien aan-
wezig) vindt condensvorming plaats in het
systeem en het daaruit voortvloeiende con-
denswater wordt veilig afgevoerd onder de
auto.
Het is dus normaal als u plasjes water terug-
vindt onder het voertuig.
SAA3126Z
JVH0879XZ
VERWARMING EN
AIRCONDITIONING
140 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Luchtjes van binnen en buiten het voertuig
kunnen zich ophopen in de airconditionereen-
heid. Deze luchtjes kunnen vervolgens het in-
terieur binnendringen via de ventilatieroos-
ters.
Gebruik tijdens het parkeren de bedieningen
van ver warming en airconditioning om de
luchtrecirculatiemodus uit te zetten zodat er
frisse lucht het interieur binnenstroomt. Op
deze manier vermindert u de luchtjes in het
voertuig.
BEDIENINGSTIPS (modellen met
automatische airconditioning)
Bij een lage koelvloeistoftemperatuur en lage bui-
tentemperatuur kan de luchtstroom via de openin-
gen in de voetenruimte niet werken. Dit duidt ech-
ter niet op een storing. Nadat de koelvloeistof van
de motor is opgewarmd, zal er weer normaal lucht
uit de vloerroosters komen.
De sensoren
j
Aen
j
B , op het dashboard helpen een
constante temperatuur te handhaven. Leg niets op
of direct rondom deze sensoren.
SAA2324Z
NAA1865
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 141
Handbediende verwarming en
airconditioning (TYPE A)
1. Luchtrecirculatieknop
2. Achterruitontwasemingknop (zie
“Ontwasemschakelaar (indien aanwezig)” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.)
(indien aanwezig)
3. Temperatuurregelknop
4. A/C-knop (Airconditioning)
5. Aanjagerknop
6. Luchtstroomknop
Bedieningen
Het systeem aan- en uitzetten:
Om het systeem aan te zetten, draait u de aanjager-
snelheidsknop
uit de <0>-stand. Draai de knop
linksom naar de <0>-stand om het systeem uit te
zetten.
Aanjagersnelheidsregeling:
Draai de aanjagerknop
naar rechts om de aan-
jagersnelheid te verhogen.
Draai de aanjagerknop
naar links om de aan-
jagersnelheid te verlagen.
Temperatuurregeling:
Draai de temperatuurregelknop om de gewenste
stand in te stellen. Draai de knop in de gewenste
stand tussen midden en rechts om de hoge tempe-
ratuur te selecteren. Draai de knop in de gewenste
stand tussen midden en links om de lage tempera-
tuur te selecteren.
Luchtstroombediening:
Met deze draaiknop kiest u de ventilatieroosters
waaruit de lucht moet stromen.
m
Lucht
stroomt
uit de midden- en
zijventilatieroosters.
m
Lucht stroomt uit de midden- en
zijventilatieroosters en uit de
vloerroosters.
m
Lucht
stroomt
voornamelijk uit de
vloerroosters.
m
Lucht
stroomt
uit de
ruitontwasemroosters en de
vloerroosters.
m
Lucht
stroomt
voornamelijk uit de
ontwasemroosters.
Buitenluchtcirculatie:
Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het waar-
schuwingslampje gaat uit.) De lucht wordt van bui-
tenaf de auto ingevoerd.
Selecteer de buitenluchtcirculatiemodus voor een
normale werking van verwarming of airconditio-
ning.
Luchtrecirculatie:
Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het contro-
lelampje gaat branden.)
De lucht recirculeert in de auto.
Bediening van de A/C (airconditioning):
Druk op de A/C-knop om de airconditioning aan of
uit te zetten. Wanneer de airconditioning aan staat,
gaat het A/C-controlelampje in de knop branden.
JVH0928XZ
142 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Bediening van de verwarming
Verwarmen:
Deze modus wordt gebruikt om warme lucht uit de
vloerroosters te laten stromen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
voor nor-
male verwarming. (Het controlelampje gaat uit.)
2. Draai de luchtstroomknop naar de stand
.
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en hoog (rechts).
Ventilatie:
In deze modus stroomt er buitenlucht via de zij- en
middenroosters in het interieur.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Draai de luchtstroomknop naar de stand
.
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop naar de
gewenste stand.
Ontdooien of ontwasemen:
In deze stand stroomt de lucht door de ontwasem-
roosters om de ramen te ontdooien of te ontwase-
men.
1. Draai de luchtstroomknop naar de stand
.
2. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en hoog (rechts).
Om ijzel aan de buitenkant van de ramen snel te
ontdooien, draait u de temperatuurregelknop en
de aanjagerknop
naar de maximumstand.
Als het ontwasemen van de voorruit moeilijk
gaat, druk dan A/C-toets in.
Gemengd verwarmen:
In deze stand stroomt er koele lucht uit de midden-
en zijroosters en warme lucht uit de vloerroosters.
Wanneer de temperatuurregelknop naar de maxi-
mum warm- of koudstand wordt gedraaid, heeft de
lucht tussen de ventilatieroosters en de vloerroos-
ters dezelfde temperatuur.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Draai de luchtstroomknop naar de stand
.
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop naar de
gewenste stand.
Verwarmen en ontwasemen:
In deze modus verwarmt u het interieur en ontwa-
semt u de ramen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Draai de luchtstroomknop naar de stand
.
3. Draai de aanjagerknop naar de gewenste stand.
4. Draai de temperatuurregelknop naar de warm-
ste stand (rechts).
Werking van de airconditioning
De airconditioning moet minstens eenmaal per
maand ongeveer 10 minuten worden aangezet. Op
deze manier wordt schade aan het airconditioning-
systeem door onvoldoende smering voorkomen.
Koelen:
Deze modus wordt gebruikt om de lucht te koelen
en te ontvochtigen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Draai de luchtstroomknop naar de stand
.
3. Draai de aanjagerknop naar de gewenste stand.
4. Druk de A/C-knop in. Het A/C-controlelampje
gaat aan.
5. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en koel (links).
Bij hete en vochtige omstandigheden kunt u damp
uit de ventilatieroosters zien komen als gevolg van
de snelle afkoeling van de lucht. Dit duidt niet op
een storing.
Als het buiten erg warm is, druk u om snel te
koelen op de luchtrecirculatieknop
. (Het
controlelampje gaat branden.) Vergeet niet om
de luchtrecirculatieknop
weer uit te zetten
voor normale koeling.
Verwarmen en ontvochtigen:
Deze modus wordt gebruikt om lucht te verwar-
men en te ontvochtigen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Draai de luchtstroomknop naar de stand .
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 143
3. Draai de aanjagerknop naar de gewenste
stand.
4. Druk de A/C-knop in. Het A/C-controlelampje
gaat aan.
5. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en hoog (rechts).
Ontwasemen en ontvochtigen:
Deze modus wordt gebruikt om de ramen te ontwa-
semen en de lucht te ontvochtigen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop . (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Draai de luchtstroomknop naar de stand
.
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Druk de A/C-knop in. Het A/C-controlelampje
gaat aan.
5. Draai de temperatuurregelknop naar de ge-
wenste stand.
Handbediende verwarming en
airconditioning (TYPE B)
1. A/C-knop/aanjagersnelheidsknop
2. Luchtstroomregelknoppen
3. Temperatuurregelknop
4. Voorruitontwasemknop
5. Achterruitontwasemingknop (zie
“Ontwasemschakelaar (indien aanwezig)” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.)
(indien aanwezig)
6. Luchtrecirculatieknop
Bedieningen
Het systeem aan- en uitzetten:
Om het systeem aan te zetten, draait u de aanjager-
snelheidsknop uit de <OFF>-stand. Draai de
knop naar links naar de <OFF>-stand om het sys-
teem uit te zetten.
Aanjagersnelheidsregeling:
Draai de aanjagerknop
naar rechts om de aan-
jagersnelheid te verhogen.
Draai de aanjagerknop
naar links om de aan-
jagersnelheid te verlagen.
Ventilatie:
In deze modus stroomt er buitenlucht via de zij- en
middenroosters in het interieur.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Druk op de
-knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop naar de
gewenste stand.
Temperatuurregeling:
Draai de temperatuurregelknop om de gewenste
stand in te stellen. Draai de knop in de gewenste
stand tussen midden en rechts om de hoge tempe-
JVH0888XZ
144 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
ratuur te selecteren. Draai de knop in de gewenste
stand tussen midden en links om de lage tempera-
tuur te selecteren.
Luchtstroombediening:
Druk een van de luchtstroombedieningsknoppen in
om de ventilatieroosters te selecteren.
m
Lucht
stroomt
voornamelijk uit de
midden- en zijventilatieroosters.
m
Lucht
stroomt
voornamelijk uit de
midden- en zijventilatieroosters en uit
de vloerroosters.
m
Lucht
stroomt
voornamelijk uit de
vloerroosters en gedeeltelijk uit de
voorruitontwasemroosters.
m
Lucht stroomt voornamelijk uit de
ontwasemroosters en uit de
vloerroosters.
Buitenluchtcirculatie:
Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het waar-
schuwingslampje gaat uit.) De lucht wordt van bui-
tenaf de auto ingevoerd.
Selecteer de buitenluchtcirculatiemodus voor een
normale werking van verwarming of airconditio-
ning.
Luchtrecirculatie:
Druk de luchtrecirculatieknop
aan. (Het con-
trolelampje gaat branden.)
De lucht zal in het interieur recirculeren.
Bediening van de A/C (airconditioning):
Druk op de A/C-knop om de airconditioning aan of
uit te zetten. Wanneer de airconditioning aan staat,
gaat het A/C-controlelampje in de knop branden.
Bediening van de verwarming
Verwarmen:
Deze modus wordt gebruikt om warme lucht uit de
vloerroosters te laten stromen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
voor nor-
male verwarming. (Het controlelampje gaat uit.)
2. Druk op de
-knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en hoog (rechts).
Ontdooien of ontwasemen:
In deze stand stroomt de lucht door de ontwasem-
roosters om de ramen te ontdooien of te ontwase-
men.
1. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
2. Druk op de voorruitontwasemknop
.(De
controlelampjes op de voorruitontwasemknop
en de A/C-knop gaan branden.) Het con-
trolelampje voor de luchtrecirculatie gaat uit.
3. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en hoog (rechts).
Om ijzel aan de buitenkant van de ramen snel te
ontdooien, draait u de temperatuurregelknop en
de aanjagerknop
naar de stand voor maxi-
male warmte (rechts). Voor optimaal gemengd
verwarmen, niet de luchtrecirculatiemodus se-
lecteren. Voor optimale ontwaseming, niet de
luchtrecirculatiemodus selecteren.
Gemengd verwarmen:
In deze stand stroomt er koele lucht uit de midden-/
zijroosters en warme lucht uit de vloerroosters. (Als
de temperatuurregelaar naar de stand voor maxi-
male warmte (rechts) of maximale koeling (links) ge-
draaid wordt, zal de temperatuur uit de zij-/mid-
denroosters en vloerroosters hetzelfde zijn.)
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Druk op de
-knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop naar de
gewenste stand.
Verwarmen en ontwasemen:
In deze modus verwarmt u het interieur en ontwa-
semt u de ramen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Druk op de -knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Draai de temperatuurregelknop naar de warm-
ste stand (rechts).
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 145
Werking van de airconditioning
De airconditioning moet minstens eenmaal per
maand ongeveer 10 minuten worden aangezet. Op
deze manier wordt schade aan het airconditioning-
systeem door onvoldoende smering voorkomen.
Koelen:
Deze modus wordt gebruikt om de lucht te koelen
en te ontvochtigen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Druk op de
-knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Druk op de A/C-knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
5. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en koel (links).
Bij hete en vochtige omstandigheden kunt u damp
uit de ventilatieroosters zien komen als gevolg van
de snelle afkoeling van de lucht. Dit duidt niet op
een storing.
Als het buiten erg warm is, druk u om snel te
koelen op de luchtrecirculatieknop
. (Het
controlelampje gaat branden.) Vergeet niet om
de luchtrecirculatieknop
weer uit te zetten
voor normale koeling.
Verwarmen en ontvochtigen:
Deze modus wordt gebruikt om lucht te verwar-
men en te ontvochtigen.
1. Druk op de luchtrecirculatieknop
. (Het con-
trolelampje gaat uit.)
2. Druk op de
-knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
3. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
4. Druk op de A/C-knop. (Het controlelampje gaat
branden.)
5. Draai de temperatuurregelknop in de gewenste
stand tussen midden en hoog (rechts).
Ontwasemen en ontvochtigen:
Deze modus wordt gebruikt om de ramen te ontwa-
semen en de lucht te ontvochtigen.
1. Druk op de voorruitontwasemknop .(De
controlelampjes op de voorruitontwasemknop
en de A/C-knop gaan aan.) Het controle-
lampje voor de luchtrecirculatie gaat uit.
2. Draai de aanjagerknop
naar de gewenste
stand.
3. Draai de temperatuurregelknop naar de ge-
wenste stand.
AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING
1. Temperatuurregelknoppen
2. Buitenluchtcirculatieknop
3. Luchtrecirculatieknop
4. Displayscherm
5. Voorruitontwasemknop
6. Achterruitontwasemingknop (zie
“Ontwasemschakelaar (indien aanwezig)” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.)
7. Temperatuurregelknoppen
8. <DUAL>-knop (gescheiden klimaatregeling
AAN/UIT)
9. A/C-knop (airconditioning)
10. Aanjagersnelheidsregelknop
11. <MODE>-knop
12. <AUTO>-knop
13. <ON·OFF>-knop
NAA1868
Linkse besturing
NAA1877
Rechtse besturing
146 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Automatische bediening (AUTO)
De <AUTO>-modus kan in elk jaargetijde worden
gebruikt omdat het systeem, nadat de gewenste
temperatuur handmatig is ingesteld, automatisch
een constante temperatuur, luchtstroomverdeling
en aanjagersnelheid handhaaft.
Druk om de verwarming en airconditioning aan of
uit te zetten op de <ON·OFF>-knop.
Koelen, verwarmen en ontvochtigen:
1. Druk op de <AUTO>-knop (het <AUTO>-controle-
lampje gaat branden).
2. Wanneer het controlelampje voor de A/C niet
gaat branden, druk dan op de A/C-knop (het con-
trolelampje voor de A/C gaat branden.)
3. Druk op de temperatuurregelknoppen (
en
) om de gewenste temperatuur in te stellen.
Als het <DUAL>-controlelampje niet brandt,
kan de gebruikt door op de <DUAL>-knop te
drukken (het <DUAL>-controlelampje gaat
branden) de temperatuur aan de bestuur-
derszijde en de passagierszijde onafhankelijk
van elkaar regelen met de betreffende tem-
peratuurregelknoppen (
en ).
Om de gescheiden temperatuurinstelling te
annuleren drukt u de <DUAL>-knop in (het
<DUAL>-controlelampje gaat uit), de tempe-
ratuur die is ingesteld aan bestuurderszijde
wordt ook toegepast aan passagierszijde.
4. Druk ongeveer 2 seconden op de buitenluchtcir-
culatieknop
of de luchtrecirculatieknop
(de knop met brandend controlelampje) om
over te schakelen op automatische luchtstroom-
regeling (controlelampje knippert twee keer).
Bij hete en vochtige omstandigheden kunt u damp
uit de ventilatieroosters zien komen als gevolg van
de snelle afkoeling van de lucht. Dit duidt niet op
een storing.
Verwarming (A/C uit):
1. Druk op de <AUTO>-knop (het <AUTO>-controle-
lampje gaat branden).
2. Als het controlelampje voor de A/C brandt, druk
dan op de A/C-knop (het controlelampje voor de
A/C gaat uit.)
3. Druk op de temperatuurregelknoppen (
en
) om de gewenste temperatuur in te stellen.
Als het <DUAL>-controlelampje niet brandt,
kan de gebruikt door op de <DUAL>-knop te
drukken (het <DUAL>-controlelampje gaat
branden) de temperatuur aan de bestuur-
derszijde en de passagierszijde onafhankelijk
van elkaar regelen met de betreffende tem-
peratuurregelknoppen (
en ).
Om de gescheiden temperatuurinstelling te
annuleren drukt u de <DUAL>-knop in (het
<DUAL>-controlelampje gaat uit), de tempe-
ratuur die is ingesteld aan bestuurderszijde
wordt ook toegepast aan passagierszijde.
Stel de temperatuur niet lager in dan de buiten-
temperatuur. Dit kan ervoor zorgen dat de tem-
peratuur niet goed wordt geregeld.
Als de ramen beslaan, ga dan over op verwar-
men met droge lucht in plaats van verwarmen
met uitgeschakelde A/C.
Ontdooien/ontwasemen en ontvochtigen:
1. Druk op de voorruitontwasemknop
(het
-controlelampje gaat branden).
2. Druk op de temperatuurregelknoppen (
en
) om de gewenste temperatuur in te stellen.
Om snel ijzel van de voorruit te verwijderen, kunt
u het beste de temperatuur en aanjager op de
maximale stand zetten.
Druk zodra de voorruit weer schoon is op de
<AUTO>-knop om terug te keren naar de
<AUTO>-modus.
Als de voorruitontwasemknop wordt inge-
drukt, gaat de airconditioning automatisch aan,
en zal het systeem de voorruit ontwasemen op
basis van de buitentemperatuur. Voor optimale
ontwaseming, niet de luchtrecirculatiemodus
selecteren.
Stel de temperatuur niet te laag in wanneer de
voorruitontwasemmodus is ingeschakeld (het
-controlelampje brandt), omdat de voorruit
anders kan beslaan.
Handmatige bediening
U kunt de handmatige modus gebruiken om de ver-
warming en airconditioning volgens uw eigen voor-
keur in te stellen.
Aanjagersnelheidsregeling:
Druk op de aanjagersnelheidregelknop
( +-zijde of −-zijde) om de aanjagersnelheid hand-
matig te regelen.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 147
Luchtstroombediening:
Druk op de <MODE>-knop om de gewenste stand
te kiezen:
m
Lucht
stroomt
uit de midden- en
zijventilatieroosters.
m
Lucht
stroomt
uit de midden- en
zijventilatieroosters en de
vloerroosters.
m
Lucht
stroomt
voornamelijk uit via de
vloerroosters
m
Lucht stroomt uit de
voorruitontwasemroosters en uit de
vloerroosters.
Temperatuurregeling:
Druk op de temperatuurregelknoppen (
en )
om de gewenste temperatuur in te stellen.
Als het <DUAL>-controlelampje niet brandt, kan
de gebruikt door op de <DUAL>-knop te druk-
ken (het <DUAL>-controlelampje gaat branden)
de temperatuur aan de bestuurderszijde en de
passagierszijde onafhankelijk van elkaar regelen
met de betreffende temperatuurregelknoppen
(
en ).
Om de gescheiden temperatuurinstelling te an-
nuleren drukt u de <DUAL>-knop in (het <DUAL>-
controlelampje gaat uit), de temperatuur die is
ingesteld aan bestuurderszijde wordt ook toe-
gepast aan passagierszijde.
Buitenluchtcirculatie:
Druk op de buitenluchtcirculatieknop om lucht van
buiten de auto in te zuigen. (Het controlelampje
gaat branden.)
Luchtrecirculatie:
Druk op de luchtrecirculatieknop
om de lucht
in de auto te laten circuleren. (Het controlelampje
gaat branden.)
Automatische luchtinlaatregeling:
Druk ongeveer 2 seconden op de buitenluchtcircu-
latieknop
of de luchtrecirculatieknop (de
knop met een brandend controlelampje). Het
-controlelampje of het -controlelampje
knippert twee keer, en luchtinlaat wordt dan auto-
matisch geregeld. In de automatische stand scha-
kelt het systeem automatisch tussen buitenlucht-
circulatie
en luchtrecirculatie (controle-
lampje van de actieve stand brandt).
Het systeem in-/uitschakelen
U kunt de verwarming en de airconditioning uit-
schakelen met de <ON·OFF>-knop.
ONDERHOUD VAN
AIRCONDITIONINGSYSTEEM
WAARSCHUWING
Het airconditioningsysteem bevat koelmiddel
onder hoge druk. Voorkom lichamelijk letsel door
onderhoud aan de airconditioning altijd door een
ervaren monteur te laten uitvoeren die over het
juiste gereedschap beschikt.
Het airconditioningsysteem in uw auto is afgevuld
met een milieuvriendelijk koelmiddel.
Dit koelmiddel tast de ozonlaag van de aarde niet
aan. Wel kan het in geringe mate bijdragen aan het
broeikaseffect.
Voor het onderhoud van de airconditioner in uw
auto zijn speciale smeermiddelen en vulapparatuur
vereist.Het gebruik van een verkeerd koel- of smeer-
middel kan de airconditioner ernstig beschadigen.
(Zie “Aanbevolen vloeistoffen/smeermiddelen en
inhoudsmaten” in hoofdstuk “9. Technische infor-
matie”.)
Neem voor onderhoud aan uw milieuvriendelijke
airconditioning contact op met een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
Airconditioningfilter
Het airconditioningsysteem is uitgerust met een air-
conditioningfilter dat vuil, pollen, stof, enz. opvangt
en neutraliseert. Om er zeker van te zijn dat de air-
conditioning efficiënt opwarmt, ontwasemt en ven-
tileert, het filter vervangen volgens de gespecifi-
ceerde onderhoudsintervallen in het aparte onder-
houdsboekje. Neem voor het vervangen van het
filter contact op met een erkende dealer of gekwa-
lificeerd garagebedrijf.
Het filter dient te worden vervangen als de lucht-
stroom sterk is afgenomen, of als de ruiten snel be-
slaan wanneer de verwarming of airconditioning in
werking is.
148 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ DE
BEDIENING VAN HET
AUDIOSYSTEEM
WAARSCHUWING
Stel het audiosysteem niet in tijdens het rijden,
zodat u alle aandacht aan het verkeer kunt
schenken.
Radio
De kwaliteit van de ontvangst is afhankelijk van
de sterkte van het zendersignaal, de afstand tot
de zender, de aanwezigheid van gebouwen,
bruggen, bergen en andere omgevingsfactoren.
Veranderingen in de ontvangstkwaliteit die zich
met tussenpozen voordoen worden gewoonlijk
door deze externe factoren veroorzaakt.
Het gebruik van een mobiele telefoon in of nabij
het voertuig kan de kwaliteit van de radio-ont-
vangst beïnvloeden.
CD-speler (Compact Disc)
Tijdens koud of regenachtig weer kan het zijn
dat de speler vanwege de hogere vochtigheid
minder goed werkt. Verwijder in zo’n geval de
CD uit de CD-speler en laat de speler goed dro-
gen of ventileren.
De speler kan overslaan tijdens het rijden over
slechte wegen.
De CD-speler zal soms niet functioneren wan-
neer de interieurtemperatuur extreem hoog is.
Zorg ervoor dat de temperatuur daalt vóór het
gebruik.
Stel de CD niet bloot aan direct zonlicht.
CD's van slechte kwaliteit of vervuilde, bekraste
of met vingerafdrukken of putjes bedekte CD's
zullen mogelijk niet goed afspelen.
De volgende CD's werken mogelijk niet goed:
CD's met kopieerbeveiliging (CCCD)
CD-Recordables (CD-R)
CD-Rewritables (CD-RW)
Gebruik de volgende CD's niet omdat de CD-
speler dan mogelijk slecht zal werken.
Discsvan8cm(3,1in)
CD's die niet rond zijn
CD’s met een papieren etiket
CD's die vervormd of gekrast zijn of onge-
bruikelijke randen hebben.
Dit audiosysteem kan alleen van tevoren opge-
nomen CD's afspelen. Het kan geen CD's opne-
men of branden.
SAA0480
AUDIOSYSTEEM (indien
aanwezig)
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 149
USB-verbindingspoort (Universal Serial
Bus)
WAARSCHUWING
Sluit het USB-apparaat niet aan, koppel het ap-
paraat niet los en gebruik het USB-apparaat niet
tijdens het rijden. Dit kan afleiding veroorzaken.
In geval van afleiding kunt u de controle over het
voertuig verliezen en een ongeval of ernstig let-
sel veroorzaken.
LET OP
Steek het USB-apparaat niet met geweld in de
USB-poort. Als u het USB-apparaat scheef of
ondersteboven in de USB-poort steekt kan de
poort beschadigd raken. Zorg dat het USB-ap-
paraat correct wordt aangesloten op de USB-
poort.
Houd het dekseltje van de USB-poort (indien
aanwezig) niet vast terwijl u het USB-apparaat
uit de USB-poort trekt. De poort en het deksel-
tje kunnen hierdoor beschadigd raken.
Laat de USB-kabel niet slingeren op een plek
waar er per ongeluk aan getrokken kan wor-
den. Door aan de kabel te trekken kan de poort
beschadigd raken.
Het voertuig is niet voorzien van een USB-apparaat.
USB-apparaten moeten indien nodig apart aange-
schaft worden.
Dit systeem kan niet gebruikt worden voor het for-
matteren van USB-apparaten. Gebruik voor het for-
matteren van een USB-apparaat een computer.
In sommige landen zal het USB-apparaat voor de
voorstoelen om beleidsmatige redenen alleen ge-
luidsbestanden afspelen zonder beelden, zelfs als
het voertuig geparkeerd is.
Dit systeem is compatibel met verscheidene USB-
geheugensticks, USB-harde schijven en iPod's.
Sommige USB-apparaten worden wellicht niet on-
dersteund door dit systeem.
Gesegmenteerde USB-apparaten worden wel-
licht niet goed afgespeeld.
Sommige tekens die worden gebruikt in andere
talen (Chinees, Japans, enz.) worden mogelijk
niet correct weergegeven op het display. Het
wordt aanbevolen om Nederlandse taaltekens
toe te passen wanneer een USB-apparaat wordt
gebruikt.
Algemene opmerkingen betreffende het gebruik
van USB-apparatuur:
Raadpleeg de informatie die door de fabrikant ter
beschikking is gesteld met betrekking tot het juiste
gebruik en onderhoud van het apparaat.
Opmerkingen betreffende het gebruik van een
iPod:
iPod is een handelsmerk van Apple Inc., geregis-
treerd in de Verenigde Staten en in andere landen.
Onjuist aansluiten van de iPod kan leiden tot
aan- en uitgaan van het vinkje (knipperen). Zorg
altijd dat de iPod goed aangesloten is.
De iPod nano (1e generatie) kan snel vooruit of
achteruit blijven spoelen wanneer het apparaat
tijdens het automatisch afstemmen wordt aan-
gesloten. Reset de iPod in dat geval handmatig.
De iPod nano (2e generatie) zal doorgaan met
vooruitspoelen of terugspoelen als hij wordt
ontkoppeld tijdens het automatisch afstemmen.
Er kan een onjuiste titel verschijnen wanneer de
afspeelmodus wordt veranderd bij gebruik van
de iPod nano (2e generatie).
Audioboeken worden wellicht niet in dezelfde
volgorde afgespeeld als waarin ze op de iPod
staan.
Grote videopodcasts kunnen ertoe leiden dat de
iPod langzamer reageert. Het middenscherm
van het voertuig kan tijdelijk uitvallen, maar zal
snel weer herstellen.
Als de iPod automatisch grote videobestanden
selecteert in de shuffle-stand, kan het midden-
display van het voertuig tijdelijk uitvallen, maar
dit zal snel hersteld worden.
Bluetooth®-audioapparaat (indien
aanwezig)
Sommige Bluetooth®-audioapparaten kunnen
wellicht niet gebruikt worden met dit systeem.
Neem voor gedetailleerde informatie over be-
schikbare Bluetooth®-audioapparaten die ge-
bruikt kunnen worden met dit systeem contact
op met een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf.
Voordat u Bluetooth®-audio gaat gebruiken,
moet een initieel registratieproces voor het au-
dioapparaat doorlopen worden.
Bediening van Bluetooth®-audio kan verschillen
afhankelijk van het audioapparaat dat is aange-
sloten. Vergewis u van de bedieningsprocedure
voordat u het gaat gebruiken.
150 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Het afspelen van Bluetooth®-audio zal in de vol-
gende gevallen gepauzeerd worden. Afspelen
wordt hervat nadat de volgende omstandighe-
den niet meer bestaan.
tijdens gebruik van een handsfree telefoon
tijdens het controleren van de verbinding
met een mobiele telefoon
De antenne in het voertuig voor Bluetooth®-
communicatie is in het systeem ingebouwd.
Plaats de Bluetooth®-audiospeler niet op een
plek waar het omringd wordt door metaal, en
ook niet ver van het systeem of in een krappe
ruimte waar het in contact komt met het
lichaam of de stoel. Anders kan het geluid ver-
slechteren of ruis ontstaan.
Terwijl een Bluetooth®-audiospeler is aangeslo-
ten via een Bluetooth® draadloze verbinding kan
de batterij van het apparaat sneller dan normaal
leeg raken.
Dit systeem is compatibel met het Bluetooth®
AV-profiel (A2DP en AVRCP).
m
Bluetooth® is een handels-
merk van Bluetooth SIG, Inc. en
is in licentie gegeven aan Vis-
teon Corporation en Robert
Bosch GmbH.
Compact Disc (CD)/USB-apparaat met
MP3/WMA/AAC (indien aanwezig)
Begrippen:
MP3 MP3 staat voor Moving Pictures Experts
Group Audio Layer 3. MP3 is het bekendste be-
standsformaat voor gecomprimeerd digitaal
geluid. Met dit formaat wordt geluid met bijna
“CD-kwaliteit” bereikt, maar dan in slechts een
fractie van de grootte van normale geluidsbe-
standen. Het omzetten naar MP3 van een ge-
luidsopname vanaf een CD kan de bestands-
grootte ongeveer 10 keer verkleinen (sampling:
44,1 kHz, bitsnelheid: 128 kbps) zonder enig hoor-
baar kwaliteitsverlies. Bij MP3-compressie wor-
den overbodige en onnodige delen van een ge-
luidssignaal verwijderd die voor het menselijk
oor niet waarneembaar zijn.
WMA Windows Media Audio (WMA) is een ge-
comprimeerd geluidsformaat dat ontworpen is
door Microsoft als alternatief voor MP3. De WMA-
codec biedt betere bestandscompressie dan de
MP3-codec, omdat er meer digitale geluidsop-
names mee kunnen worden opgeslagen op de-
zelfde hoeveelheid ruimte in vergelijking met
MP3's, met hetzelfde kwaliteitsniveau.
AAC (indien aanwezig) Advanced Audio Co-
ding (AAC) is een gecomprimeerd audioformaat.
AAC biedt grotere compressie dan MP3 en
maakt creatie en opslag van muziekbestanden
met dezelfde kwaliteit als MP3 mogelijk.
Bitsnelheid Bitsnelheid verwijst naar het aan-
tal bits per seconde dat digitale muziekbestan-
den gebruiken. De grootte en kwaliteit van een
gecomprimeerd digitaal geluidsbestand wor-
den bepaald door de gehaalde bitsnelheid bij het
coderen ervan.
Samplingfrequentie Samplingfrequentie is de
snelheid per seconde waarmee signaalsamples
worden omgezet van analoog naar digitaal
(A/D-conversie).
Multisessie Multisessie is een methode om ge-
gevens naar media weg te schrijven. Het een-
malig wegschrijven van gegevens wordt een en-
kelvoudige sessie genoemd, en wegschrijven in
meerdere sessies heet multisessie.
ID3/WMA-label Het ID3/WMA-label is het deel
van het gecodeerde MP3-bestand of WMA-be-
stand dat informatie bevat over het digitale mu-
ziekbestand, zoals de titel, artiest, albumnaam,
bitsnelheid, duur van het nummer, etc. De infor-
matie van het ID3-label wordt op het
beeldscherm weergegeven op de regel Album/
Artiest/Nummertitel.
* Windows® en Windows Media® zijn
gedeponeerde handelsmerken en/of
handelsmerken van Microsoft Corporation in
de VS en/of andere landen.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 151
j
A Hoofdmap
j
B Map
j
C MP3/WMA
Afspeelvolgorde:
De afspeelvolgorde voor muziek van een CD met
MP3/WMA/AAC (indien aanwezig) is zoals hierbo-
ven weergegeven.
De mapnamen of mappen waarin geen MP3/
WMA-bestanden voorkomen worden niet op het
beeldscherm weergegeven.
Als een bestand zich op het hoogste niveau van
de CD bevindt, verschijnt MAP op het
beeldscherm.
De afspeelvolgorde is de volgorde waarin de be-
standen door de schrijfsoftware zijn wegge-
schreven. Hierdoor worden de bestanden wel-
licht niet in de gewenste volgorde afgespeeld.
ANTENNE
Dakantenne
De antenne kan indien nodig worden verwijderd.
Pak de voet van de antenne beet en verwijder de
antenne door deze linksom te draaien.
Om de antenne te installeren draait u deze
rechtsom vast.
NAA984
JVH0666X
152 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
LET OP
Verwijder de antenne in de volgende omstandig-
heden om beschadiging of vervorming te voor-
komen.
Wanneer de auto door een automatische
wasinrichting rijdt.
Wanneer de auto een garage met laag plafond
binnenrijdt.
Wanneer de auto wordt bedekt met een
afdekhoes.
USB-verbindingspoort (Universal
Serial Bus)
WAARSCHUWING
Sluit het USB-apparaat niet aan, koppel het ap-
paraat niet los en gebruik het USB-apparaat niet
tijdens het rijden. Dit kan afleiding veroorzaken.
In geval van afleiding kunt u de controle over het
voertuig verliezen en een ongeval of ernstig let-
sel veroorzaken.
LET OP
Steek het USB-apparaat niet met geweld in de
USB-poort. Als u het USB-apparaat scheef of
ondersteboven in de USB-poort steekt kan de
poort beschadigd raken. Zorg dat het USB-ap-
paraat correct wordt aangesloten op de USB-
poort.
Houd het dekseltje van de USB-poort (indien
aanwezig) niet vast terwijl u het USB-apparaat
uit de USB-poort trekt. De poort en het deksel-
tje kunnen hierdoor beschadigd raken.
Laat de USB-kabel niet slingeren op een plek
waar er per ongeluk aan getrokken kan wor-
den. Door aan de kabel te trekken kan de poort
beschadigd raken.
Raadpleeg de informatie die door de fabrikant ter
beschikking is gesteld met betrekking tot het juiste
gebruik en onderhoud van het apparaat.
De USB-poort zit aan de onderkant van het dash-
board. USB-apparaten of iPod-stekkers kunnen op
deze poort aangesloten worden.
AUX-ingangsaansluiting
(HULPINGANG)
De AUX-ingangsaansluiting zit aan de onderkant
van het dashboard. Compatible audioapparaten,
zoals sommige MP3-spelers, kunnen op het sys-
teem worden aangesloten via de AUX-ingangsaan-
sluiting.
Voordat u een apparaat aansluit op de ingang, moet
u het eerst uitschakelen.
Druk, wanneer het compatibele apparaat is aange-
sloten op de ingang, herhaaldelijk op de betreffende
knop (afhankelijk van het audiosysteem) totdat het
display schakelt naar de AUX-modus.
RENAULT raadt ten zeerste aan om een stereo mi-
nistekkerkabel te gebruiken wanneer u uw muziek-
apparaat aansluit op het audiosysteem. Muziek
wordt wellicht niet goed afgespeeld wanneer u een
mono-kabel gebruikt.
JVH1109XZ
NAA1997
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 153
CD/USB-GEHEUGEN
ONDERHOUDEN EN REINIGEN
CD
Pak een schijf altijd vast bij de randen. Raak nooit
het oppervlak van de schijf aan. Buig de schijf
niet.
Bewaar schijven altijd in het opbergdoosje als ze
niet gebruikt worden.
Om een schijf te reinigen veegt u het oppervlak
vanuit het midden naar de rand schoon met een
schone, zachte doek. Veeg de schijf niet schoon
met een ronddraaiende beweging.
Gebruik geen traditioneel reinigingsmiddel voor
grammofoonplaten of alcohol voor industrieel
gebruik.
Een nieuwe schijf kan ruw zijn aan de binnen- en
buitenranden. Verwijder de ruwe randen door
eroverheen te wrijven met de zijkant van een pen
of potlood, zoals afgebeeld.
USB-geheugen
Plaats geen zware voorwerpen op het USB-ge-
heugen.
Bewaar het USB-geheugen niet op een plaats
met een zeer hoge luchtvochtigheid.
Stel het USB-geheugen niet bloot aan direct
zonlicht.
Mors geen vloeistoffen op het USB-geheugen.
Raadpleeg de handleiding van het USB-geheugen
voor details.
SAA0451Z
154 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
1. (Dag/Nacht) knop
(Knop voor helderheid van het display (Dag-/
Nachtstand)) Draai aan de MENU-knop om de
helderheid van het display in te stellen
Het helderheidsniveau van de verlichting is
gekoppeld aan de koplampschakelaar. Wan-
neer de koplampen aanstaan, wordt de
helderheid automatisch gedimd. Druk op deze
knop om de helderheid te schakelen tussen de
daginstelling en de nachtinstelling,
onafhankelijk van de stand van de
koplampschakelaar.
2. CD-sleuf
3. Beeldscherm
4. CD-uitwerpknop
5. MEDIA-knop
Hiermee kunt u schakelen tussen de
audiobronnen (CD, USB, AUX, BT-audio) (indien
aangesloten)
6. Telefoonknop
7. Radiomodus: Afstemmen-knop
Audiosysteemmodus: MENU-knop
Bevestigingsknop (ENTER)
8. Terug-knop
9. Radiomodus: Voorkeuzeknop
USB/MP3-, CD/iPod- of Telefoonmodus:
Snelzoekknop
10. SETUP-knop
11. Radiomodus: Voorkeuzeknoppen
12. Knoppen voor Vooruitspoelen/Volgend num-
mer en Terugspoelen/Vorig nummer
13. Radiomodus: Voorkeuzeknop
CD/iPod/USB/Bluetooth audiomodus: MIX-
knop
14. Verkeersinformatieknop (TA)
15. Radiomodus: Voorkeuzeknop
CD/iPod/USB/Bluetooth audiomodus:
Herhaal-knop (RPT)
16. AAN·UIT-knop/Volume-knop (VOL)
17. DISP-knop (display)
Zorgt voor informatie op het scherm, indien
beschikbaar (muziektags, RDS, enz.)
18. RADIO-knop
NAA1575
FM AM-RADIO MET CD-SPELER (type A)
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 155
HOOFDBEDIENING VAN HET
AUDIOSYSTEEM
Het audiosysteem werkt wanneer de contactscha-
kelaar in de ACC-stand of ON-stand staat.
m
AAN/UIT-knop
Druk de -knop in om het audiosysteem in te
schakelen. Als het audiosysteem eerder is uitge-
schakeld via de contactschakelaar kunt u het toe-
stel ook weer via de contactschakelaar inschake-
len. De geluidsbron die in gebruik was voordat het
systeem werd uitgeschakeld, wordt weer hervat en
het volume wordt ingesteld op het voorgaande ni-
veau.
Het audiosysteem kan worden uitgeschakeld door
op
, te drukken of door de contactschakelaar in
de “OFF”-stand of de LOCK-stand te zetten.
Volumeregeling (VOL)
Draai de <VOL>-knop naar rechts of links om het
geluidsniveau aan te passen.
Het audiosysteem is uitgerust met een volumere-
gelfunctie die gekoppeld is aan de snelheid van het
voertuig, wat inhoudt dat het volume overeenkom-
stig de snelheid van de auto toe- of afneemt. Zie
voor meer informatie “Menu [Volume afh. v.
snelheid]” verderop in dit hoofdstuk.
RADIOBEDIENING
Wanneer de -knop (AAN/UIT) wordt ingedrukt,
schakelt de radio in op de laatst ontvangen radio-
zender indien de radio werd uitgeschakeld in de
radiomodus.
De radio kan verschillende soorten auto-uitzendin-
gen ontvangen:
–FM
–AM
Keuzeknoppen radiofrequentieband
Druk op de <RADIO>-knop om de audiobron als
volgt te wijzen:
FM1 ̔ FM2 ̔ AM ̔ FM1
Wanneer de <RADIO>-knop wordt ingedrukt, scha-
kelt de radio in op de laatst ontvangen radiozender.
Als er al audio wordt afgespeeld vanaf een andere
audiobron (iPod, Bluetooth, CD, USB, AUX-in) zal een
druk op de <RADIO>-knop deze audiobron uitscha-
kelen en de laatst ontvangen radiozender selecte-
ren.
Voorkeuzezenders instellen
Automatisch aanvullen van de [FM-lijst]:
Wanneer de <RADIO>-knop langer dan 1,5 secon-
den wordt ingedrukt, worden de zes zenders met
de beste ontvangst opgeslagen onder de voorkeu-
zeknoppen (1 tot 6) van de frequentieband. Tijdens
het zoeken verschijnt het bericht [Bijwerken] op het
display en wordt het geluid gedempt totdat de han-
deling is voltooid. Zodra het zoeken voltooid is, zal
de radio weer overschakelen op de eerder geselec-
teerde radiozender.
Handmatig afstemmen
Wanneer u handmatig wilt afstemmen op een zen-
derfrequentie, opent u de [FM lijst] en draait u aan
de <MENU>-knop totdat u heeft afgestemd op de
gewenste radiozender.
De frequentie neemt toe of af in stappen van
100 kHz op de FM-band, en 9 kHz op de AM-band.
WAARSCHUWING
Stem de radio niet af tijdens het rijden zodat u al
uw aandacht aan het verkeer kunt schenken.
Knoppen voor
automatisch
afstemmen (SEEK)
FM-modus:
Door op de
-of -knop te drukken, begint u
met afstemmen. Een korte druk op de knop zal de
frequentie één stap omhoog of omlaag verande-
ren. Langer indrukken van deze knop zal de zoek-
modus activeren. De radiotuner zoekt van lage naar
hoge frequenties of van hoge naar lage frequenties
en stopt bij iedere volgende zender. Tijdens het au-
tomatisch afstemmen wordt het geluid onderdrukt.
Indien op de gehele frequentieband geen radiosta-
tion kan worden gevonden, keert de radio terug
naar de oorspronkelijke frequentie.
Voorkeuzezenderknoppen
➁➂➃➄➅
Wanneer u een voorkeuzeknop korter dan 2 secon-
den indrukt, wordt de opgeslagen radiozender ge-
selecteerd.
Wanneer u in het scherm [FM-lijst] of in het radio-
hoofdscherm langer dan 2 seconden op een voor-
keuzeknop drukt, dan wordt de zender waar u op
dat moment naar luistert opgeslagen onder die
knop.
156 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Er kunnen twaalf zenders (indien aanwezig) op-
geslagen worden op de FM-frequentiebanden.
(Zes voor elk van de banden FM1 en FM2)
Er kunnen zes zenders (indien aanwezig) opge-
slagen worden op de AM-band.
Als de accu wordt losgekoppeld of als de zekering
doorbrandt, wordt het geheugen van de radio ge-
wist. In zo'n geval moet u de gewenste zenders op-
nieuw instellen nadat de accu weer is aangesloten
of nadat er een nieuwe zekering is aangebracht.
Werking van het Radio Data Systeem
(RDS) (indien aanwezig)
Het RDS is een systeem waarmee gecodeerde digi-
tale informatie wordt verzonden door een FM-ra-
diostation naast de normale FM-radiouitzending.
Het RDS biedt informatiediensten zoals de naam
van de zender, verkeersinformatie of het nieuws.
OPMERKING
Niet alle diensten zijn in alle landen of regio's be-
schikbaar.
Alternatieve frequentiemodus (AF):
De AF-modus is werkzaam in de FM (radio)-modus.
De AF-modus werkt in de FM-modus (radio), de
AUX-modus of de CD-modus (als bij de radio-
functie FM was geselecteerd).
De AF-functie vergelijkt de signaalsterkte en se-
lecteert de zender met de beste ontvangstvoor-
waarden voor de op het moment afgestemde
zender.
RDS-functies
Programme Service-functie (PS) (weergavefunc-
tie van de zendernaam):
FM:
Wanneer via zoekafstemmen of handmatig af-
stemmen wordt afgestemd op een RDS-zender,
worden RDS-gegevens ontvangen en wordt de
PS-naam getoond.
Verkeersinformatie TA
Deze functie is werkzaam in de FM-modus (radio).
Deze functie blijft op de achtergrond werkzaam
wanneer één van de audiobronnen wordt geselec-
teerd (CD-, USB- of MEDIA-modus).
Met een druk op de <TA>-knop selecteert u de
TA-modus. Het TA-lampje wordt weergegeven
als de TA-modus ingeschakeld is.
Wanneer <TA> opnieuw wordt ingedrukt, wordt
de modus uitgeschakeld en de TA-indicator ver-
dwijnt van het display.
Onderbrekingsfunctie voor verkeersinformatie:
In geval van verkeersinformatie wordt hierop afge-
stemd en toont het display een bericht met de naam
van het radiostation, bijv. [TA: Radio 1].
Wanneer de verkeersinformatie is afgelopen, keert
het systeem terug naar de geluidsbron die actief
was voor het binnenkomen van de verkeersinfor-
matie.
Als <TA> wordt ingedrukt tijdens een verkeersinfor-
matie, wordt de verkeersinformatiemodus uitge-
schakeld. De TA-modus keert terug naar standby
en het audiosysteem geeft de vorige geluidsbron
weer.
SETUP-KNOP
Voer de volgende procedure uit om [Audio], [Klok],
[Radio], en [Taal] in te stellen:
1. Druk op de <SETUP>-knop.
2. Draai de <MENU>-knop rechtsom of linksom
waarop het display het volgende weergeeft:
[Audio] ̥ [Klok] ̥ [Radio] ̥ [Taal]
Druk nadat de gewenste niveaus zijn ingesteld her-
haaldelijk op de
-knop (terug) of druk op de
<SETUP>-knop.
Audio-instellingen
1. Druk op de <SETUP>-knop om het instelmenu
binnen te gaan en selecteer vervolgens [Audio].
2. Draai de <MENU>-knop rechtsom of linksom
waarop het display het volgende weergeeft:
[Geluid] ̔ [AUX-ingang] ̔ [Volume afh. v. snel-
heid] ̔ [Bas verst.] ̔ [Audio std.]
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 157
Menu [Geluid]:
Submenu's in het geluidsmenu:
[Bass] Gebruik deze optie om de lage tonen
te versterken of verzachten.
Draai de <MENU>-knop rechtsom of
linksom om de lage tonen in te stellen
en druk dan op <ENTER> om te
bevestigen.
[Hoog] Gebruik deze optie om de hoge tonen
te versterken of verzachten.
Draai de <MENU>-knop rechtsom of
linksom om de hoge tonen in te stel-
len en druk dan op <ENTER> om te
bevestigen.
[Balans] Gebruik deze optie om de balans van
het volume te regelen tussen de
luidsprekers aan de linker- en de
rechterkant.
Draai de <MENU>-knop linksom of
rechtsom om de balans naar links/
rechts bij te stellen en druk dan op
<ENTER> om te bevestigen.
[Fader] Gebruik deze optie om de balans van
het volume te regelen tussen de
luidsprekers voorin en achterin.
Draai de <MENU>-knop linksom of
rechtsom om de balans naar voren/
achteren bij te stellen en druk dan op
<ENTER> om te bevestigen.
Menu [AUX-ingang]:
Gebruik deze bediening om het volume van de ex-
terne audiobron te regelen.
Draai de <MENU>-knop linksom of rechtsom om
[Laag], [Medium], of [Hoog] te selecteren en druk dan
op <ENTER> om te bevestigen.
Menu [Volume afh. v. snelheid]:
Deze modus regelt automatisch het volume van de
luidsprekers in verhouding tot de rijsnelheid.
Draai wanneer [Snelheid vol.] wordt getoond de
<MENU>-knop rechtsom of linksom om het volume
in te stellen.
Als u deze functie op 0 (nul) zet wordt de snelheids-
gerelateerde volumeregeling uitgeschakeld. Wan-
neer u de instellingen voor de snelheidsafhankelijke
volumeregeling verhoogt, zal het volume sneller
toenemen met de rijsnelheid. Nadat u uw keuze
heeft bepaald, drukt u op <ENTER> om de instelling
op te slaan.
Menu [Bas verst.]:
Zet [Bas verst.] [AAN] of [UIT]
Menu [Audio std.]:
Het audiosysteem heeft opgeslagen standaard fa-
brieksinstellingen. Selecteer [Ja] om de instellingen
terug te zetten op de fabrieksinstellingen. Selecteer
[Nee] om het menu te verlaten en de huidige instel-
lingen te behouden.
De klok instellen
Het instelscherm voor de klok verschijnt wanneer u
[Klok] selecteert in het instelmenu.
[Tijd inst.]:
Selecteer [Tijd inst.] en stel de klok als volgt in:
1. De urenweergave begint te knipperen. Draai aan
de <MENU>-knop om de uren in te stellen.
2. Druk op de <ENTER>-knop. De minutenweergave
begint te knipperen.
3. Draai aan de <MENU>-knop om de minuten in te
stellen.
4. Druk op <ENTER> om de klokinstelling te vol-
tooien.
[AAN/UIT]:
Schakel de tijdweergave aan of uit wanneer het
audiosysteem is uitgeschakeld.
In de [AAN]-stand wordt de klok weergegeven wan-
neer de audio is uitgeschakeld door het indrukken
van de
-knop of wanneer de contactschakelaar
in de stand “OFF” wordt gezet.
[Formaat]:
Hiermee stelt u de tijdweergave in op de 24-uurs
modus of 12-uurs modus.
Menu [Radio]
Zie voor informatie over in- en uitschakelen
“SETUP-knop” eerder in dit hoofdstuk.
Taalinstellingen
Selecteer de juiste taal en druk op de <ENTER>-
knop. Na voltooiing zal het scherm zich automa-
tisch aanpassen aan de gekozen taal.
[Chinese]
[Chinese Simplified]
[Deutsch]
[Español]
[Français]
[Korean]
[Italiano]
[Nederlands]
[Polski]
[Português]
158 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
[Türkçe]
[UK English]
[Русский]
DE CD-SPELER BEDIENEN
De CD-speler kan muziek afspelen van een muziek-
CD of een MP3/WMA-CD en terwijl dergelijke CD's
worden afgespeeld kunnen muziekinformatietags
(informatie over nummer en artiest) getoond wor-
den (wanneer de CD tekstinformatie bevat).
Druk op de <MEDIA>-knop en de CD (indien gela-
den) zal gaan afspelen.
Wanneer <MEDIA> wordt ingedrukt terwijl de radio
of een andere audiobron is ingeschakeld, wordt
deze bron automatisch uitgeschakeld en begint de
CD af te spelen.
LET OP
Forceer de CD niet in de CD-speler. U zou de
speler kunnen beschadigen.
Gebruik geen schijven met een diameter van
8cm(3,1in).
Invoeren van een CD (CD-speler)
Plaats de CD-schijf in de sleuf met de kant van het
etiket naar boven. De schijf wordt automatisch in
de sleuf geleid en vanzelf afgespeeld. Na het laden
van de schijf wordt informatie over de nummers
weergegeven.
OPMERKING
De CD-speler accepteert normale audio-CD's
of een CD met MP3/WMA-bestanden.
Bij het invoeren van een CD met MP3/WMA-
bestanden zal het audiosysteem deze direct
herkennen en [MP3-CD] weergeven.
Bij het invoeren van een ongeschikt soort
schijf (bijv. DVD) wordt een foutmelding weer-
gegeven of de speler kan de CD-schijf niet af-
lezen. Verwijder de schijf en voer een andere
in.
MEDIA-knop
Voer een CD-schijf in. Na een korte laadperiode zal
de CD gaan afspelen.
Als er al een schijf is geladen:
Druk op de <MEDIA>-knop (afhankelijk van of er an-
dere audiobronnen aangesloten zijn, moet u wel-
licht meerdere malen op deze knop drukken) om
CD te selecteren. Het afspelen begint vanaf het
nummer dat werd afgespeeld toen de CD-afspeel-
modus werd uitgeschakeld.
Hoofdbediening van het audiosysteem
Lijstweergave:
Druk tijdens het afspelen van het nummer op de
<ENTER>-knop of draai aan de <MENU>-knop om
de beschikbare nummers in een lijst te zien. Om een
nummer van de lijst te selecteren, of een nummer
om het afspelen bij te beginnen, draait u de
<MENU>-knop en druk u op <ENTER>.
Druk de
-knop in om terug te keren naar het
lied.
Knoppen voor snel vooruit-
spoelen, snel terugspoelen:
Wanneer de
-knop (vooruitspoelen) of de
-knop (terugspoelen) wordt ingedrukt, begint
het nummer op hoge snelheid af te spelen. Wan-
neer de knop losgelaten wordt, wordt het nummer
weer op normale snelheid afgespeeld.
Knoppen volgend/vorig
nummer:
Door eenmaal op
of te drukken, springt de
speler naar het volgende nummer of terug naar het
begin van het nummer dat wordt afgespeeld. Druk
meerdere malen op
of om nummers over
te slaan.
Door mappen bladeren:
Als het opgenomen medium mappen met muziek-
bestanden bevat, zullen door het indrukken van
of de nummers van elke map in volgorde
worden afgespeeld.
De gewenste map selecteren:
1. Druk op de <ENTER>-knop of draai aan de
<MENU>-knop om een lijst met nummers uit de
huidige map weer te geven.
2. Draai aan de <MENU>-knop om de gewenste
map te selecteren.
3. Druk op <ENTER> om de map te openen. Druk
opnieuw op <ENTER> om het eerste nummer af
te spelen of draai aan de <MENU>-knop en druk
op <ENTER> om een ander nummer te selecte-
ren.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 159
Als de huidige geselecteerde map submappen be-
vat, druk dan op <ENTER> om een nieuw scherm
met een lijst van submappen weer te geven. Draai
aan de <MENU>-knop en druk vervolgens op
<ENTER> om de submap te selecteren. Selecteer de
[Root]-map wanneer er ook extra nummers in de
hoofdmap zijn opgenomen.
Druk op
om naar het voorgaande mapscherm
terug te keren.
Herhaalknop:
Druk op de
-knop om het huidige nummer
continu af te spelen.
-knop:
Druk op de
-knop en alle nummers in de
huidige map (MP3 CD/USB) of afspeellijst (iPod) zul-
len in willekeurige volgorde afgespeeld worden.
Zodra de hele map/afspeellijst afgespeeld is, zal het
systeem verder gaan bij de volgende map/afspeel-
lijst.
-knop:
Wanneer een CD wordt afgespeeld met geregi-
streerde muziekinformatietags (CD-tekst-/ID3–
teksttags), wordt de titel van het afgespeelde num-
mer weergegeven. Indien er geen titelinformatie is,
wordt [Nummer] weergegeven.
Druk herhaaldelijk op de
-knop om meer
informatie over het nummer en de titel van het
nummer als volgt weer te geven:
CD:
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔ Duur
nummer
CD met MP3/WMA
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔
Naam map ̔ Duur nummer
De naam van het nummer wordt altijd weergege-
ven.
Gedetailleerd overzicht van nummers:
Druk langere tijd op de
-knop om een
gedetailleerd overzicht op het display weer te ge-
ven, om na een paar seconden weer naar het hoofd-
display terug te keren, of druk kort op
.
Snelzoeken:
Wanneer een MP3 CD met geregistreerde muziekin-
formatietags (ID3–teksttags) wordt afgespeeld in de
lijstweergavemodus, kan er via de snelzoekfunctie
een nummer op de lijst gezocht worden.
Druk op de <A-Z>
-knop en draai dan aan de
<MENU>-knop om het eerste alfanumerieke teken
van de titel te selecteren, druk vervolgens op
<ENTER>. Wanneer de letter is gevonden, wordt een
lijst met beschikbare nummers weergegeven. Wan-
neer er geen nummer gevonden is (op het scherm
wordt [Geen resultaat] weergegeven) wordt het vol-
gende item getoond. Selecteer het nummer en druk
op <ENTER> om het af te spelen.
CD-uitwerpknop
CD-speler:
Druk op de
-knop (uitwerpen) en de CD wordt
uitgeworpen.
Een CD uitwerpen (met contactschakelaar in
“OFF”-stand of LOCK-stand):
Als de contactschakelaar in de “OFF”-stand of LOCK-
stand staat, is het mogelijk de huidig afgespeelde
CD uit te werpen. Het audiosysteem wordt dan ech-
ter niet ingeschakeld.
Druk op de
-knop en de CD wordt uitgeworpen.
OPMERKING
Wanneer de CD is uitgeworpen en niet binnen
8 seconden wordt verwijderd, wordt deze au-
tomatisch teruggetrokken in de sleuf om be-
schadiging te voorkomen.
Wanneer er een foutmelding op het display
wordt weergegeven, druk dan op de
-knop
om de defecte CD uit te werpen en plaats een
andere CD, of controleer of de uitgeworpen CD
met de juiste kant naar boven was geplaatst.
AUX-ingang (HULPINGANG)
Hoofdbediening van het audiosysteem
De AUX IN-ingang is te vinden op de middenconsole.
Op de AUX IN-audioingang kan elk willekeurig stan-
daard analoog audio-apparaat aangesloten wor-
den, zoals bijvoorbeeld een draagbare cassettespe-
ler/CD-speler, MP3-speler of laptop computer.
RENAULT raadt ten zeerste aan om een stereo mi-
nistekkerkabel te gebruiken wanneer u uw muziek-
apparaat aansluit op het audiosysteem. Muziek
wordt mogelijk niet goed afgespeeld wanneer een
mono kabel wordt gebruikt.
Druk op de <MEDIA>-knop om de AUX-modus te
selecteren.
Gebruik de afspeelmodus van het apparaat om au-
dio af te spelen.
160 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
USB-VERBINDINGSPOORT
(Universal Serial Bus) (indien
aanwezig)
Zie “Audiosysteem (indien aanwezig)” eerder in dit
hoofdstuk voor de plaats van de USB-poort: Als het
systeem is uitgeschakeld tijdens het afspelen van
het USB-apparaat, kunt u het afspelen van het USB-
apparaat weer hervatten door op de AAN/UIT-knop
te drukken.
WAARSCHUWING
Sluit het USB-apparaat niet aan, koppel het ap-
paraat niet los en gebruik het USB-apparaat niet
tijdens het rijden. Dit kan afleiding veroorzaken.
In geval van afleiding kunt u de controle over het
voertuig verliezen en een ongeval of ernstig let-
sel veroorzaken.
Een USB-geheugen aansluiten
Sluit een USB-geheugenstick of een ander USB-ap-
paraat aan. Het display zal de melding [USB gevon-
den Even wachten a.u.b....] enkele seconden tonen
terwijl het de gegevens inleest.
Als het audiosysteem werd uitgeschakeld terwijl het
USB-geheugen werd afgespeeld, wordt het USB-
apparaat ingeschakeld door
in te drukken.
LET OP
Steek het USB-apparaat niet met geweld in de
USB-poort. Als u het USB-apparaat scheef of
ondersteboven in de USB-poort steekt kan de
poort beschadigd raken. Zorg dat het USB-ap-
paraat correct wordt aangesloten op de USB-
poort.
Houd het dekseltje van de USB-poort (indien
aanwezig) niet vast terwijl u het USB-apparaat
uit de USB-poort trekt. De poort en het deksel-
tje kunnen hierdoor beschadigd raken.
Laat de USB-kabel niet slingeren op een plek
waar er per ongeluk aan getrokken kan wor-
den. Door aan de kabel te trekken kan de poort
beschadigd raken.
Plaats geen voorwerpen dichtbij het USB-ap-
paraat om te voorkomen dat deze op het USB-
apparaat en de poort gaan steunen. Eventuele
druk die door deze voorwerpen wordt uitge-
oefend kan het USB-apparaat en de USB-
poort beschadigen.
Het voertuig is niet voorzien van een USB-apparaat.
USB-apparaten moeten indien nodig apart aange-
schaft worden.
Dit systeem kan niet gebruikt worden voor het for-
matteren van USB-apparaten. Gebruik voor het for-
matteren van een USB-apparaat een computer.
In sommige landen zal het USB-apparaat voor de
voorstoelen om beleidsmatige redenen alleen ge-
luidsbestanden afspelen zonder beelden, zelfs als
het voertuig geparkeerd is.
Dit systeem ondersteunt verschillende apparaten
met USB-aansluiting, USB harde schijven en iPod's.
Sommige USB-apparaten worden wellicht niet on-
dersteund door dit systeem.
Gesegmenteerde USB-apparaten worden wel-
licht niet goed afgespeeld.
Sommige tekens die worden gebruikt in andere
talen (Chinees, Japans, enz.) worden mogelijk
niet correct weergegeven op het display. Het
wordt aanbevolen om Nederlandse taaltekens
toe te passen wanneer een USB-apparaat wordt
gebruikt.
Algemene opmerkingen betreffende het gebruik
van USB-apparatuur:
Raadpleeg de informatie die door de fabrikant ter
beschikking is gesteld met betrekking tot het juiste
gebruik en onderhoud van het apparaat.
MEDIA-knop
Druk om het USB-apparaat te bedienen eenmaal of
herhaaldelijk op <MEDIA> totdat [USB] beschikbaar
is.
Hoofdbediening van het audiosysteem
De volgende handelingen komen overeen met de
belangrijkste audiobedieningen van de CD-speler.
Zie voor meer informatie “De CD-speler bedienen”
eerder in dit hoofdstuk.
Lijstweergave
Snelzoeken
,
MIX (willekeurig afspelen)
RPT (nummer herhalen)
Door mappen bladeren
Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem 161
Snelzoeken:
Wanneer een USB-apparaat met geregistreerde
muziekinformatietags (ID3–teksttags) wordt afge-
speeld uit de lijstweergave,kan er een snelzoekactie
uitgevoerd worden om een nummer op de lijst te
vinden.
Druk op de <A-Z>
-knop en draai dan aan de
<MENU>-knop om het eerste alfanumerieke teken
van de titel te selecteren, druk vervolgens op
<ENTER>. Wanneer de letter is gevonden, wordt een
lijst met beschikbare nummers weergegeven. Wan-
neer er geen nummer gevonden is (op het scherm
wordt [Geen resultaat] weergegeven) wordt het vol-
gende item getoond. Selecteer het nummer en druk
op <ENTER> om het af te spelen.
-knop
Wanneer een nummer wordt afgespeeld met mu-
ziekinformatietags (ID3-tags), wordt de titel van het
afgespeelde nummer weergegeven. Als er geen
tags aanwezig zijn, verschijnt er een bericht op het
display.
Druk herhaaldelijk op de
-knop om meer
informatie over het nummer en de titel van het
nummer als volgt weer te geven:
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔ Duur
nummer
Gedetailleerd overzicht van nummers:
Druk langere tijd op de
-knop om een
gedetailleerd overzicht op het display weer te ge-
ven, om na een paar seconden weer naar het hoofd-
display terug te keren, of druk kort op
.
BEDIENING VAN DE iPod (indien
aanwezig)
Een iPod aansluiten
Open het deksel van de console en sluit de iPod-ka-
bel aan op de USB-connector. De batterij van uw
iPod wordt opgeladen terwijl de iPod is aangeslo-
ten op het voertuig. Op het display verschijnt gedu-
rende enkele seconden het bericht [iPod <Naam>
gedetecteerd...] terwijl de gegevens worden ingele-
zen.
Als het audiosysteem is uitgeschakeld tijdens het
afspelen van de iPod, dan wordt de iPod weer inge-
schakeld door op
te drukken. Wanneer de iPod
is aangesloten kan deze alleen gebruikt worden via
de bedieningen op het audiosysteem.
* iPod en iPhone zijn handelsmerken van Apple Inc.,
gedeponeerd in de Verenigde Staten en in andere
landen.
WAARSCHUWING
Sluit het USB-apparaat niet aan, koppel het ap-
paraat niet los en gebruik het USB-apparaat niet
tijdens het rijden. Dit kan afleiding veroorzaken.
In geval van afleiding kunt u de controle over het
voertuig verliezen en een ongeval of ernstig let-
sel veroorzaken.
LET OP
Forceer de iPod-kabel niet in de USB-poort. Als
u de iPod-kabel scheef of ondersteboven in
de USB-poort wordt gestoken kan de poort
beschadigd raken. Zorg ervoor dat de iPod-
kabel op de juiste wijze op de USB-poort wordt
aangesloten.
Plaats geen voorwerpen dichtbij de iPod-ka-
bel om te voorkomen dat deze op de iPod-ka-
bel en de poort steunen. Druk die uitgeoefend
wordt door deze voorwerpen kan de iPod-ka-
bel en de poort mogelijk beschadigen.
Raadpleeg het instructieboekje dat door de fabri-
kant van het apparaat ter beschikking is gesteld
met betrekking tot het juiste gebruik en onderhoud.
Compatibiliteit:
OPMERKING
Ten tijde van publicatie is dit audiosysteem
getest met de nieuwste ter beschikking
staande iPod's/iPhone's. Wegens het regel-
matig updaten van verbruiksapparaten zoals
MP3-spelers, kan RENAULT niet garanderen
dat alle onlangs op de markt gebrachte
nieuwe iPod's/iPhone's compatibel zullen zijn
met het hier beschreven audiosysteem.
Sommige functies van de iPod zijn niet be-
schikbaar in combinatie met dit systeem.
Zorg ervoor dat de iPod/iPhone is bijgewerkt
naar de laatste firmware.
iPod Shuffle en iPod mini kunnen niet met dit
systeem worden gebruikt.
162 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
De gebruiker heeft wellicht geen beschikking
over de volledige functionaliteit van de iPhone
via USB en Bluetooth-audio is wellicht niet be-
schikbaar als hetzelfde apparaat tegelijkertijd
is aangesloten via USB en Bluetooth.
MEDIA-knop
Druk eenmaal of herhaaldelijk op <MEDIA> totdat
[iPod <naam>] getoond wordt om van een iPod af
te spelen.
Hoofdbediening van het audiosysteem
Interface:
De interface voor iPod-bediening op het display van
het audiosysteem is vergelijkbaar met dat van de
iPod zelf. Gebruik de <MENU>-knop en de <ENTER>-
knop om een nummer op de iPod af te spelen.
De volgende items zijn beschikbaar op het scherm
met de menulijst.
[Afspeellijsten]
[Artiesten]
[Albums]
[Nummers]
[Meer...]
[Componisten]
[Genre]
[Podcasts]
Zie voor meer informatie over elk item de handlei-
ding van de iPod.
De volgende handelingen komen overeen met de
belangrijkste audiobedieningen van de CD-speler.
Zie voor meer informatie “De CD-speler bedienen”
eerder in dit hoofdstuk.
Lijstweergave
,
MIX (willekeurig afspelen)
RPT (nummer herhalen)
Door mappen bladeren
-knop
Wanneer een nummer wordt afgespeeld met mu-
ziekinformatietags (ID3-tags), wordt de titel van het
afgespeelde nummer weergegeven. Als er geen
tags aanwezig zijn, verschijnt er een bericht op het
display.
Druk herhaaldelijk op de
-knop om meer
informatie over het nummer en de titel van het
nummer als volgt weer te geven:
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔ Duur
nummer
Gedetailleerd overzicht van nummers:
Door langere tijd de
-knop in te drukken,
worden de titel van het nummer, de naam van de
artiest en de titel van het album weergegeven. Na
enkele seconden keert het scherm terug naar het
hoofddisplay, of als u kort op
drukt.
BEDIENING VAN BLUETOOTH®
Wettelijk verplichte informatie
m
Bluetooth® is een handels-
merk van Bluetooth SIG, Inc.
BLUETOOTH®-instellingen
Om verbinding te maken met een apparaat moet u
ervoor zorgen dat Bluetooth aan staat en de toets
[Scan app.] of [App. koppelen] gebruiken. Voor meer
informatie, zie “[Scan app.]” verderop in dit hoofd-
stuk.
Er kunnen maximaal 5 verschillende Bluetooth-ap-
paraten aangesloten worden. U kunt echter maar
afspelen van één apparaat tegelijk. Alsu5verschil-
lende Bluetooth-apparaten heeft geregistreerd,
kan een nieuw apparaat alleen geregistreerd wor-
den ter vervanging van één van de 5 bestaande ge-
koppelde apparaten. Gebruik de toets [App. verwijd.]
om één van de bestaande gekoppelde apparaten
te wissen. Zie voor meer informatie “[App. koppelen]”
verderop in dit hoofdstuk.
NAA1392
*: een apparaat met Bluetooth-voorziening
Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem 163
Wanneer de koppeling met succes tot stand is ge-
bracht, verschijnt een melding en keert het display
van het audiosysteem terug naar het display van de
huidige audiobron. Tijdens het tot stand brengen
van de verbinding worden de volgende statussym-
bolen op het scherm getoond (linksboven op het
display): Ontvangstkwaliteit (
), Batterijstatus*
( ) en Bluetooth “AAN” ( ).
*: Als de melding van een bijna lege batterij ver-
schijnt, moet het Bluetooth®-apparaat spoedig op-
geladen worden.
De procedure voor het maken van een verbinding
en de bediening kan verschillen afhankelijk van het
type apparaat en de compatibiliteit. Raadpleeg voor
meer informatie de handleiding van het Bluetooth®-
apparaat.
OPMERKING
Raadpleeg voor meer informatie over het ap-
paraat de handleiding van uw audio/mobiele
telefoon.
Neem voor hulp bij de integratie van uw
Bluetooth®-audio/mobiele telefoon contact
op met uw plaatselijke erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
Om het Bluetooth-systeem in te stellen met een
apparaat kunt u de volgende opties gebruiken:
[Scan app.]
Bluetooth-apparaten kunnen aan het sys-
teem gekoppeld worden. U kunt maximaal
5 Bluetooth-apparaten registreren.
[App. koppelen]
Bluetooth-apparaten kunnen aan het sys-
teem gekoppeld worden. U kunt maximaal
5 Bluetooth-apparaten registreren.
[App. select.]
Er is een lijst beschikbaar van Bluetooth-appa-
raten die gekoppeld kunnen worden en waaruit
u een selectie kunt maken.
[App. verwijd.]
Een geregistreerd Bluetooth-apparaat kan wor-
den gewist.
[Bluetooth]
Als deze instelling uitgeschakeld is, zal de ver-
binding tussen de Bluetooth-apparaten en de
Bluetooth-module in het voertuig verbroken
worden.
[Scan app.]:
1) Druk op de
-knop. Selecteer [Scan app.]
Het audiosysteem zoekt naar Bluetooth-appa-
raten en toont alle gevonden apparaten.
Zorg dat uw Bluetooth-apparaat zichtbaar is op
dat moment.
2) Selecteer het apparaat waarmee u verbinding
wilt maken.
Gebruik de <MENU>-knop en druk erop om te
selecteren.
3) De koppelprocedure hangt mogelijk af van het
apparaat dat moet worden verbonden:
1) Apparaat zonder PIN-code:
De Bluetooth-verbinding wordt automatisch
tot stand gebracht zonder verdere invoer.
2) Apparaat met PIN-code:
Verbinding met dit apparaat kan op twee
manieren gemaakt worden:
Type A:
Het bericht [Voor kopp.] [Voer pin XXXX
in] zal worden getoond.
Bevestig de PIN-code op het apparaat.
De Bluetooth-verbinding zal tot stand
worden gebracht.
Type B:
Het bericht [Koppelingsaanvraag]
[Wachtw. XXXXXX bevestigen] wordt ge-
toond samen met een code van 6 num-
mers. De unieke en identieke code moet
op het apparaat weergegeven worden.
Als de code identiek is, kunt u het op het
apparaat bevestigen.
De Bluetooth-verbinding wordt nu tot
stand gebracht.
[App. koppelen]:
Zet Bluetooth® aan op het audiosysteem. Zie de
[Bluetooth] beschrijving.
Gebruik het audiosysteem om verbinding te ma-
ken:
Druk op de
-knop. Selecteer de toets [App.
koppelen].
164 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
De koppelingsprocedure is afhankelijk van het
Bluetooth®-apparaat waarmee verbinding
wordt gemaakt:
1) Apparaat zonder PIN-code:
De Bluetooth®-verbinding zal automatisch
tot stand worden gebracht zonder verdere
invoer.
2) Apparaat met PIN-code:
Verbinding met dit apparaat kan op twee
manieren gemaakt worden, afhankelijk van
het apparaat. Voor de correcte procedure,
raadpleeg “[App. koppelen]” eerder in dit
hoofdstuk.
Gebruik het audio-apparaat/mobiele telefoon
met Bluetooth® om verbinding te maken:
1) Volg de aanwijzingen in de handleiding van
het apparaat met Bluetooth® om het audio-
systeem te zoeken.
Als de zoekmodus het audiosysteem heeft
gevonden, wordt deze getoond op het dis-
play van het apparaat.
2) Selecteer het audiosysteem dat wordt aan-
gegeven als [My Car].
3) Volg de aanwijzingen in de handleiding voor
het apparaat met Bluetooth® om verbinding
te maken met het audiosysteem in de auto.
4) Voer de PIN-code die op het apparaat ge-
toond wordt in met het toetsenbord van het
apparaat en druk dan op de bevesti-
gingstoets op het apparaat zelf.
Raadpleeg de relevante handleiding van het
apparaat met Bluetooth® voor meer infor-
matie.
[App. select.]:
De lijst met gekoppelde apparaten toont welk
Bluetooth®-audioapparaat of mobiele telefoon ge-
koppeld is met of geregistreerd is in het Bluetooth®-
audiosysteem. Als in de lijst apparaten worden ver-
meld, kies dan het gewenste apparaat om te verbin-
den met het Bluetooth®-audiosysteem.
De volgende symbolen (indien aanwezig) geven de
mogelijkheden van het geregistreerde apparaat
aan:
: Integratie mobiele telefoon
: Audio streaming (A2DP- Advanced Audio
Distribution Profile)
[App. verwijd.]:
Een geregistreerd apparaat kan uit het Bluetooth®-
audiosysteem worden verwijderd. Selecteer een ge-
registreerd apparaat en druk vervolgens ter beves-
tiging op <ENTER>.
[Bluetooth]:
Als Bluetooth® is uitgeschakeld, zal er een melding
[AAN/UIT] verschijnen wanneer u [Bluetooth] selec-
teert in het telefoonmenu (druk op
). Druk, om
het Bluetooth®-signaal in te schakelen, op <ENTER>
waarna een vervolgscherm verschijnt. Selecteer
vervolgens [AAN] en druk op <ENTER> om het instel-
scherm van Bluetooth® weer te geven.
Belangrijkste bedieningen van
Bluetooth
®
audio streaming
Draai de contactschakelaar naar de stand ACC of
ON. Als het audiosysteem is uitgeschakeld tijdens
het afspelen van de Bluetooth® audio, dan zal de
Bluetooth® audio streaming weer beginnen te spe-
len door te drukken op de <
>-knop.
MEDIA-knop:
Gebruik de volgende methode om Bluetooth®-au-
dio streaming te gebruiken:
Druk herhaaldelijk op <MEDIA> totdat [BT audio]
getoond wordt.
Het type display,
j
Aof
j
B , dat het audiosysteem
weergeeft, is afhankelijk van de Bluetooth®-versie
van het apparaat.
NAA1583
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 165
Knoppen voor snel vooruit-
spoelen, snel terugspoelen:
Wanneer de
-knop (vooruitspoelen) of de
-knop (terugspoelen) wordt ingedrukt, begint
het nummer op hoge snelheid af te spelen. Wan-
neer de knop losgelaten wordt, wordt het nummer
weer op normale snelheid afgespeeld.
Knoppen volgend/vorig
nummer:
Door eenmaal op
of te drukken, springt de
speler naar het volgende nummer of terug naar het
begin van het nummer dat wordt afgespeeld. Druk
meerdere malen op
of om nummers over
te slaan.
-knop
Als het nummer muziekinformatietags bevat (ID3–
tags), wordt de titel van het afgespeelde nummer
weergegeven. Indien er geen tags zijn, worden geen
berichten weergegeven.
Wanneer de
-knop herhaaldelijk wordt in-
gedrukt, kan meer informatie over het nummer en
de titel van het nummer worden weergegeven.
Door de
-knop langere tijd ingedrukt te
houden, geeft het display een gedetailleerd over-
zicht, om na een paar seconden weer naar het
hoofddisplay terug te keren, of druk kort op
.
Bluetooth
®
mobiele telefoonfunctie
Dit systeem biedt u de mogelijkheid uw mobiele te-
lefoon met Bluetooth® handsfree te gebruiken om
zo het comfort en de veiligheid tijdens het rijden te
verhogen. Zie voor meer informatie “Bluetooth®
Handsfree telefoonsysteem (zonder navigatiesys-
teem en kleurendisplay)” verderop in dit hoofdstuk.
166 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 167
Specificatieschema
Ondersteunde media CD-R, CD-ROM, CD-RW, USB 2,0 MSC
CD-omvang 12 cm diameter. tot 1,9 mm dikte
Ondersteunde bestandssystemen voor CD ISO9660 LEVEL1, ISO9660 LEVEL2, Romeo, Joliet
* ISO9660 Level 3 (pakket schrijven) wordt niet ondersteund.
* Bestanden die zijn opgeslagen met het Live File systeemcomponent (op een
computer met Windows Vista besturingssysteem) worden niet ondersteund.
Ondersteunde bestandssystemen voor USB FAT-16, FAT-32
Ondersteunde versies
*1
MP3 Versie MPEG1, Layer 3
Sampling frequentie 32 KHz - 44,1 KHz - 48 KHz
Bitsnelheid 32, 40, 48, 56, 64, 80, 96, 112, 128, 144, 160, 192, 224, 256, 288, 320, Kbps, VBR *4
WMA *3 Versie WMA7, WMA8, WMA9
Sampling frequentie 16 KHz, 22,05 KHz, 32 KHz, 44,1 KHz, 48 KHz
Bitsnelheid 48, 64, 80, 96, 128, 160, 192, 256, 320 Kbps, VBR *4
AAC Versie MPEG-4, AAC
Sampling frequentie 8, 11,025, 16, 22,05, 32, 44,1, 48 kHz
Bitsnelheid 32, 48, 64, 80, 96, 128, 160, 192 Kbps, VBR *4
Taginformatie (Titel van nummer en
naam van artiest en album)
CD CDDA
MP3 ID3-tag ver. 1.0, 1.1, 2.2, 2.4
WMA WMA-tag
AAC AAC-tag
Ondersteuning aantal nummers/bestanden CDDA 99 nummers
MP3/WMA/AAC in CD 999 bestanden
USB 30000 bestanden
Ondersteuning aantal mappen 100 mappen op CD
2500 mappen op USB
Diepte Maximaal 8, Diepere mappen zullen onder de 8 zijn, onderhevig aan het
maximum.
168 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Ondersteuning van afspeellijsten in USB M3U, WPL, PLS 1000 afspeellijsten
Ondersteuning van teksttekens Instelbare tekenhoogte,
afhankelijk van de inhoud van de
media.
Bestandsnaam: Min. 11 tekens (Max. 30 tekens) ID3-TAG: Min. 24 tekens. (Max. 60
tekens) *5
Weergegeven tekencodes *2 Unicode, ISO8859–15(Frans),
ISO8859–5(Russisch Cyrillisch),
GB18030–2000(Chinees), BIG-
5(Taiwanees), KSX1001–
2002(Koreaans)
01:ASCll, 02: ISO-8859-1, ISO8859–15(Frans), ISO8859–5(Russisch Cyrillisch), 03:
UNICODE(UTF-16 BOM Big Endian), 04: UNICODE (UTF-16 Ncn-BOM Big Endian), 05:
UNICODE(UTF-8), 06:UNICODE(Non-UTF-16 BOM Little Endian), 07: SHIFT-JIS,
GB18030–2000(Chinees), BIG-5(Taiwanees), KSX1001–2002(Koreaans)
Zoeken Zoeken naar bestand/map in CD/MP3, USB
*1 Bestanden die zijn gecreëerd met een combinatie van 48 kHz sampling frequentie en 64 kbps bitsnelheid kunnen niet worden afgespeeld.
*2 De beschikbare codes hangen af van de soort media, versies en de informatie die zal worden weergegeven.
*3 Beschermde WMA-bestanden (DRM) kunnen niet worden afgespeeld.
*4 Wanneer VBR-bestanden worden afgespeeld, kan het zijn dat de speeltijd niet correct wordt weergegeven. WMA7 en WMA8 zijn niet van toepassing op VBR.
*5 Ondersteunt 128 bit maar dit is afhankelijk van het formaat display en soort tekens.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 169
1. Dag/Nacht-modusknop (knop
helderheidsregeling display)
Draai aan de <MENU>-knop om de helderheid
van het display in te stellen. Het
helderheidsniveau van de verlichting is gekop-
peld aan de koplampschakelaar. Wanneer de
koplampen op ON staan, wordt de helderheid
automatisch gedimd. Druk op deze knop om
de helderheid te schakelen tussen de
daginstelling en de nachtinstelling,
onafhankelijk van de stand van de
koplampschakelaar.
2. CD-sleuf
3. Beeldscherm
4. CD-uitwerpknop
5. <MEDIA>-knop
Omschakelen tussen de audiobronnen (CD,
USB, AUX, BT-audio)(indien aangesloten)
6. Afhankelijk van model:
Telefoonknop
<MUTE>-knop
7. Bevestiging <ENTER>-knop/ <MENU>-regelaar
8. Terug-knop
9. Radiomodus: Voorkeuzeknop
USB/MP3-, CD- of Telefoonmodus:
Snelzoekknop
10. <SETUP>-knop
11. Voorkeuzeknoppen
12. Knoppen voor Vooruitspoelen/Volgend num-
mer en Terugspoelen/Vorig nummer
13. Afhankelijk van het model:
Verkeersinformatieknop <TA>
<MIX>-knop
14. Radiomodus: Voorkeuzeknop
CD/iPod/USB/Bluetooth audiomodus:
Herhaal-knop <RPT>
15. AAN·UIT-knop/Volumeregelknop <VOL>
16. <DISP>-knop
Geeft informatie op het scherm indien
beschikbaar (muziektags, RDS, enz.)
17. <RADIO>-knop
NAA1668
FM-AM-RADIO MET CD-SPELER (COMPACT DISC) TYPE B
170 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
HOOFDBEDIENING VAN HET
AUDIOSYSTEEM
Het audiosysteem werkt wanneer de contactscha-
kelaar in de Acc-stand of ON-stand staat.
m
AAN/UIT-knop
Druk de -knop in om het audiosysteem in te
schakelen. Als het audiosysteem eerder is uitge-
schakeld via de contactschakelaar kunt u het toe-
stel ook weer via de contactschakelaar inschake-
len. De geluidsbron die in gebruik was voordat het
systeem werd uitgeschakeld, wordt weer hervat en
het volume wordt ingesteld op het voorgaande ni-
veau.
Het audiosysteem kan worden uitgeschakeld door
op
te drukken of door de contactschakelaar in
de OFF-stand of de LOCK-stand te zetten.
Volumeregeling (VOL)
Draai de <VOL>-knop naar rechts of links om het
geluidsniveau aan te passen.
Het audiosysteem is uitgerust met een volumere-
gelfunctie die gekoppeld is aan de snelheid van het
voertuig, wat inhoudt dat het volume overeenkom-
stig de snelheid van de auto toe- of afneemt. Zie
voor meer informatie “Menu [Volume afh. v.
snelheid]” verderop in dit hoofdstuk.
RADIOBEDIENING
Wanneer de -knop (AAN/UIT) wordt ingedrukt,
schakelt de radio in op de laatst ontvangen radio-
zender indien de radio werd uitgeschakeld in de
radiomodus.
De radio kan verschillende soorten auto-uitzendin-
gen ontvangen:
–FM
DAB (Digital Audio Broadcasting) aangegeven
als DR (indien aanwezig)
–AM
Keuzeknoppen radiofrequentieband
Druk op de <RADIO>-knop om de audiobron als
volgt te wijzen:
FM1 ̔ FM2 ̔ DR1 ̔ DR2 ̔ AM ̔ FM1
Wanneer de <RADIO>-knop wordt ingedrukt, scha-
kelt de radio in op de laatst ontvangen radiozender.
Als er al audio wordt afgespeeld vanaf een andere
audiobron (iPod, Bluetooth, CD, USB, AUX-in) zal een
druk op de <RADIO>-knop deze audiobron uitscha-
kelen en de laatst ontvangen radiozender selecte-
ren.
Voorkeuzezenders instellen
Automatisch aanvullen van de [FM-lijst]:
Wanneer de <RADIO>-knop langer dan 1,5 secon-
den wordt ingedrukt, worden de zes zenders met
de beste ontvangst opgeslagen onder de voorkeu-
zeknoppen (1 tot 6) van de frequentieband. Tijdens
het zoeken verschijnt het bericht [Bijwerken] op het
display en wordt het geluid gedempt totdat de han-
deling is voltooid. Zodra het zoeken voltooid is, zal
de radio weer overschakelen op de eerder geselec-
teerde radiozender.
Handmatig afstemmen
Wanneer u handmatig wilt afstemmen op een zen-
derfrequentie, opent u de [FM lijst] en draait u aan
de <MENU>-knop totdat u heeft afgestemd op de
gewenste radiozender.
De frequentie neemt toe of af in stappen van
100 kHz op de FM-band, en 9 kHz op de AM-band.
WAARSCHUWING
Stem de radio niet af tijdens het rijden zodat u al
uw aandacht aan het verkeer kunt schenken.
Knoppen voor
automatisch
afstemmen (SEEK)
FM-modus:
Door op de
-of -knop te drukken, begint u
met afstemmen. Een korte druk op de knop zal de
frequentie één stap omhoog of omlaag verande-
ren. Langer indrukken van deze knop zal de zoek-
modus activeren. De radiotuner zoekt van lage naar
hoge frequenties of van hoge naar lage frequenties
en stopt bij iedere volgende zender. Tijdens het au-
tomatisch afstemmen wordt het geluid onderdrukt.
Indien op de gehele frequentieband geen radiosta-
tion kan worden gevonden, keert de radio terug
naar de oorspronkelijke frequentie.
DR-modus:
Druk op
of om de volgende of vorige ra-
diozender te selecteren
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 171
Voorkeuzezenderknoppen
➁➂➃➄➅
Wanneer u een voorkeuzeknop korter dan 2 secon-
den indrukt, wordt de opgeslagen radiozender ge-
selecteerd.
Wanneer u in het scherm [FM-lijst] of in het radio-
hoofdscherm langer dan 2 seconden op een voor-
keuzeknop drukt, dan wordt de zender waar u op
dat moment naar luistert opgeslagen onder die
knop.
Er kunnen twaalf zenders (indien aanwezig) op-
geslagen worden op de FM-frequentiebanden.
(Zes voor elk van de banden FM1 en FM2)
Er kunnen twaalf zenders (indien aanwezig) op-
geslagen worden op de DR-frequentiebanden.
(Zes voor elk van de banden DR1 en DR2) (indien
aanwezig)
Er kunnen zes zenders (indien aanwezig) opge-
slagen worden op de AM-band.
Als de accu wordt losgekoppeld of als de zekering
doorbrandt, wordt het geheugen van de radio ge-
wist. In zo'n geval moet u de gewenste zenders op-
nieuw instellen nadat de accu weer is aangesloten
of nadat er een nieuwe zekering is aangebracht.
Bediening van DAB en
Radiodatasysteem (RDS) (indien
aanwezig)
Het RDS is een systeem waarmee gecodeerde digi-
tale informatie wordt verzonden door een FM-ra-
diostation naast de normale FM-radiouitzending.
Het RDS biedt informatiediensten zoals de naam
van de zender, verkeersinformatie of het nieuws.
DAB (Digitale Radio)
OPMERKING
Bediening in DR-modus lijkt op bediening in
FM-modus, maar kan enigszins verschillen.
Niet alle diensten zijn in alle landen of regio's
beschikbaar.
Alternatieve frequentiemodus (AF):
De AF-modus is werkzaam in de FM (radio)-modus.
De AF-modus werkt in de FM-modus (radio), de
AUX-modus of de CD-modus (als bij de radio-
functie FM was geselecteerd).
De AF-functie vergelijkt de signaalsterkte en se-
lecteert de zender met de beste ontvangstvoor-
waarden voor de op het moment afgestemde
zender.
DAB- en RDS-functies
Programme Service-functie (PS) (weergavefunc-
tie van de zendernaam):
FM:
Wanneer via zoekafstemmen of handmatig af-
stemmen wordt afgestemd op een RDS-zender,
worden RDS-gegevens ontvangen en wordt de
PS-naam getoond.
DR:
Wanneer via zoekafstemmen of handmatig af-
stemmen wordt afgestemd op een zender, wor-
den gegevens ontvangen en wordt de PS-naam
getoond.
Verkeersinformatie TA
Deze functie is werkzaam in de FM/DR-modus (ra-
dio). Deze functie blijft op de achtergrond werkzaam
wanneer één van de audiobronnen wordt geselec-
teerd (CD-, USB- of MEDIA-modus).
Met een druk op de <TA>-knop selecteert u de
TA-modus. Het TA-lampje wordt weergegeven
als de TA-modus ingeschakeld is.
Wanneer <TA> opnieuw wordt ingedrukt, wordt
de modus uitgeschakeld en de TA-indicator ver-
dwijnt van het display.
Onderbrekingsfunctie voor verkeersinformatie:
In geval van verkeersinformatie wordt hierop afge-
stemd en toont het display een bericht met de naam
van het radiostation, bijv. [TA: Radio 1].
Wanneer de verkeersinformatie is afgelopen, keert
het systeem terug naar de geluidsbron die actief
was voor het binnenkomen van de verkeersinfor-
matie.
Als <TA> wordt ingedrukt tijdens een verkeersinfor-
matie, wordt de verkeersinformatiemodus uitge-
schakeld. De TA-modus keert terug naar standby
en het audiosysteem geeft de vorige geluidsbron
weer.
172 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
SETUP-KNOP
Voer de volgende procedure uit om [Audio], [Klok],
[Radio], en [Taal] in te stellen:
1. Druk op de <SETUP>-knop.
2. Draai de <MENU>-knop rechtsom of linksom
waarop het display het volgende weergeeft:
[Audio] ̥ [Klok] ̥ [Radio] ̥ [Taal]
Druk nadat de gewenste niveaus zijn ingesteld her-
haaldelijk op de
-knop (terug) of druk op de
<SETUP>-knop.
Audio-instellingen
1. Druk op de <SETUP>-knop om het instelmenu
binnen te gaan en selecteer vervolgens [Audio].
2. Draai de <MENU>-knop rechtsom of linksom
waarop het display het volgende weergeeft:
[Geluid] ̔ [AUX-ingang] ̔ [Volume afh. v. snel-
heid] ̔ [Bas verst.] ̔ [Audio std.]
Menu [Geluid]:
Submenu's in het geluidsmenu:
[Bass] Gebruik deze optie om de lage tonen
te versterken of verzachten.
Draai de <MENU>-knop rechtsom of
linksom om de lage tonen in te stellen
en druk dan op <ENTER> om te
bevestigen.
[Hoog] Gebruik deze optie om de hoge tonen
te versterken of verzachten.
Draai de <MENU>-knop rechtsom of
linksom om de hoge tonen in te stel-
lenendrukdanop<ENTER> om te
bevestigen.
[Balans] Gebruik deze optie om de balans van
het volume te regelen tussen de
luidsprekers aan de linker- en de
rechterkant.
Draai de <MENU>-knop linksom of
rechtsom om de balans naar links/
rechts bij te stellen en druk dan op
<ENTER> om te bevestigen.
[Fader] Gebruik deze optie om de balans van
het volume te regelen tussen de
luidsprekers voorin en achterin.
Draai de <MENU>-knop linksom of
rechtsom om de balans naar voren/
achteren bij te stellen en druk dan op
<ENTER> om te bevestigen.
Menu [AUX-ingang]:
Hiermee stelt u het volume van de aux-audiobron
in.
Draai de <MENU>-knop linksom of rechtsom om
[LO], [MID], of [HI] te selecteren en druk op <ENTER>
om te bevestigen.
Menu [Volume afh. v. snelheid]:
In deze modus wordt het volume van de speakers
automatisch aangepast aan de snelheid van de
auto.
Wanneer [Snelheid vol.] wordt weergegeven, draait
ude<MENU>-knop rechtsom of linksom om het
volume aan te passen.
Wanneer u de instelling op 0 (nul) zet, wordt de
snelheidsafhankelijke volumeregeling uitgescha-
keld. Wanneer u de instellingen voor de snelheidsaf-
hankelijke volumeregeling verhoogt, zal het volume
sneller toenemen met de rijsnelheid. Nadat u uw
keuze heeft bepaald, drukt u op <ENTER> om de
instelling op te slaan.
Menu [Bas verst.]:
Zet [Bas verst.] [AAN] of [UIT]
Menu [Audio std.]:
Het audiosysteem heeft opgeslagen standaard fa-
brieksinstellingen. Selecteer [Ja] om de instellingen
terug te zetten op de fabrieksinstellingen. Selecteer
[Nee] om het menu te verlaten en de huidige instel-
lingen te behouden.
De klok instellen
Het instelscherm voor de klok verschijnt wanneer u
[Klok] selecteert in het instelmenu.
[Tijd inst.]:
Selecteer [Tijd inst.] en stel de klok als volgt in:
1. De urenweergave begint te knipperen. Draai aan
de <MENU>-knop om de uren in te stellen.
2. Druk op de <ENTER>-knop. De minutenweergave
begint te knipperen.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 173
3. Draai aan de <MENU>-knop om de minuten in te
stellen.
4. Druk op <ENTER> om de klokinstelling te vol-
tooien.
[AAN/UIT]:
Schakel de tijdweergave aan of uit wanneer het
audiosysteem is uitgeschakeld.
In de [AAN]-stand wordt de klok weergegeven wan-
neer de audio is uitgeschakeld door het indrukken
van de
-knop of wanneer de contactschakelaar
in de stand “OFF” wordt gezet.
[Formaat]:
Hiermee stelt u de tijdweergave in op de 24-uurs
modus of 12-uurs modus.
Menu [Radio]
Zie voor informatie over in- en uitschakelen Ver-
keersinformatie TA” eerder in dit hoofdstuk.
[TA] Gebruik deze optie om Verkeersin-
formatie aan of uit te zetten wanneer
het systeem opgestart wordt.
Draai de <MENU>-knop linksom of
rechtsom om te selecteren en druk
dan op <ENTER> om te bevestigen.
[Dig.
onderbr.]
Alleen voor modellen met DAB-
functie.
Zet specifieke Digitale onderbrekingen
aan of uit. Wanneer deze optie aan
staat, zullen DAB-radiozenders
onderbroken worden wanneer een
specifiek bericht beschikbaar is.
Draai de <MENU>-knop rechtsom of
linksom om in te stellen en druk op
<ENTER> om te selecteren.
[Ref. FM-
lijst]
Werk de lijst met FM-zenders
handmatig bij
Druk op de <ENTER>-knop om
zenders te zoeken. De melding
[Bijwerken...] verschijnt. Na korte tijd
zullen de zenders bijgewerkt zijn en
wordt de laatst geselecteerde zender
(indien mogelijk) geselecteerd.
Taalinstellingen
Selecteer de juiste taal en druk op de <ENTER>-
knop. Na voltooiing zal het scherm zich automa-
tisch aanpassen aan de gekozen taal.
[AUTO]
(Fabrieksinstelling van de taal voor de meters)
[Chinese]
[Chinese Simplified]
[Deutsch]
[Español]
[Français]
[Italiano]
[Nederlands]
[Polski]
[Português]
[Türkçe]
[UK English]
[Русский]
DE CD-SPELER BEDIENEN
De CD-speler kan muziek afspelen van een muziek-
CD of een MP3/WMA-CD en terwijl dergelijke CD's
worden afgespeeld kunnen muziekinformatietags
(informatie over nummer en artiest) getoond wor-
den (wanneer de CD tekstinformatie bevat).
Druk op de <MEDIA>-knop en de CD (indien gela-
den) zal gaan afspelen.
Wanneer <MEDIA> wordt ingedrukt terwijl de radio
of een andere audiobron is ingeschakeld, wordt
deze bron automatisch uitgeschakeld en begint de
CD af te spelen.
LET OP
Forceer de CD niet in de CD-speler. U zou de
speler kunnen beschadigen.
174 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Gebruik geen schijven met een diameter van
8cm(3,1in).
Invoeren van een CD (CD-speler)
Plaats de CD-schijf in de sleuf met de kant van het
etiket naar boven. De schijf wordt automatisch in
de sleuf geleid en vanzelf afgespeeld. Na het laden
van de schijf wordt informatie over de nummers
weergegeven.
OPMERKING
De CD-speler accepteert normale audio-CD's
of een CD met MP3/WMA-bestanden.
Bij het invoeren van een CD met MP3/WMA-
bestanden zal het audiosysteem deze direct
herkennen en [MP3-CD] weergeven.
Bij het invoeren van een ongeschikt soort
schijf (bijv. DVD) wordt een foutmelding weer-
gegeven of de speler kan de CD-schijf niet af-
lezen. Verwijder de schijf en voer een andere
in.
MEDIA-knop
Voer een CD-schijf in. Na een korte laadperiode zal
de CD gaan afspelen.
Als er al een schijf is geladen:
Druk op de <MEDIA>-knop (afhankelijk van of er an-
dere audiobronnen aangesloten zijn, moet u wel-
licht meerdere malen op deze knop drukken) om
CD te selecteren. Het afspelen begint vanaf het
nummer dat werd afgespeeld toen de CD-afspeel-
modus werd uitgeschakeld.
Hoofdbediening van het audiosysteem
Lijstweergave:
Druk terwijl het nummer wordt afgespeeld op de
<ENTER>-knop of draai de MENU-knop om de be-
schikbare nummers op een lijst te zien. Om een
nummer van de lijst te selecteren, of een nummer
om het afspelen bij te beginnen, draait u de
<MENU>-knop en druk u op <ENTER>.
Druk de
-knop in om terug te keren naar het
lied.
Knoppen voor snel vooruit-
spoelen, snel terugspoelen:
Wanneer de
-knop (vooruitspoelen) of de
-knop (terugspoelen) wordt ingedrukt, begint
het nummer op hoge snelheid af te spelen. Wan-
neer de knop losgelaten wordt, wordt het nummer
weer op normale snelheid afgespeeld.
Knoppen volgend/vorig
nummer:
Door eenmaal op
of te drukken, springt de
speler naar het volgende nummer of terug naar het
begin van het nummer dat wordt afgespeeld. Druk
meerdere malen op
of om nummers over
te slaan.
Door mappen bladeren:
Als het opgenomen medium mappen met muziek-
bestanden bevat, zullen door het indrukken van
of de nummers van elke map in volgorde
worden afgespeeld.
De gewenste map selecteren:
1. Druk op de <ENTER>-knop of draai aan de
<MENU>-knop om een lijst met nummers uit de
huidige map weer te geven.
2. Draai aan de <MENU>-knop om de gewenste
map te selecteren.
3. Druk op <ENTER> om de map te openen. Druk
opnieuw op <ENTER> om het eerste nummer af
te spelen of draai aan de <MENU>-knop en druk
op <ENTER> om een ander nummer te selecte-
ren.
Als de huidige geselecteerde map submappen be-
vat, druk dan op <ENTER> om een nieuw scherm
met een lijst van submappen weer te geven. Draai
aan de <MENU>-knop en druk vervolgens op
<ENTER> om de submap te selecteren. Selecteer de
Hoofdmap wanneer er ook extra nummers in de
hoofdmap zijn opgenomen.
Druk op
om naar het voorgaande mapscherm
terug te keren.
Herhaalknop:
Druk op de -knop om het huidige nummer
continu af te spelen.
-knop:
Druk op de -knop en alle nummers in de hui-
dige map (MP3 CD/USB) of afspeellijst (iPod) zullen
in willekeurige volgorde afgespeeld worden.
Zodra de hele map/afspeellijst afgespeeld is, zal het
systeem verder gaan bij de volgende map/afspeel-
lijst.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 175
-knop:
Wanneer een CD wordt afgespeeld met geregi-
streerde muziekinformatietags (CD-tekst-/ID3–
teksttags), wordt de titel van het afgespeelde num-
mer weergegeven. Indien er geen titelinformatie is,
wordt [Nummer] weergegeven.
Druk herhaaldelijk op de
-knop om meer
informatie over het nummer en de titel van het
nummer als volgt weer te geven:
CD:
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔ Duur
nummer
CD met MP3/WMA
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔
Naam map ̔ Duur nummer
De naam van het nummer wordt altijd weergege-
ven.
Gedetailleerd overzicht van nummers:
Door de
-knop lang in te drukken zal het
display overgaan in een gedetailleerd overzicht, ver-
volgens keert het na enkele seconden weer terug
naar het hoofddisplay, of druk kort op de
-knop.
Snelzoeken:
Wanneer een MP3 CD met geregistreerde muziekin-
formatietags (ID3–teksttags) wordt afgespeeld in de
lijstweergavemodus, kan er via de snelzoekfunctie
een nummer op de lijst gezocht worden.
Druk op de <A-Z>-knop en draai dan aan de
<MENU>-knop om het eerste alfanumerieke teken
van de titel van het nummer te selecteren, druk ver-
volgens op <ENTER>. Wanneer de letter is gevon-
den, wordt een lijst met beschikbare nummers
weergegeven. Wanneer er geen nummer gevonden
is (op het scherm wordt [Geen resultaat] weergege-
ven) wordt het volgende item getoond. Selecteer
het nummer en druk op <ENTER> om het af te spe-
len.
CD-uitwerpknop
CD-speler:
Druk op de -knop (uitwerpen) en de CD wordt
uitgeworpen.
Een CD uitwerpen (met contactschakelaar in
“OFF”-stand of LOCK-stand):
Als de contactschakelaar in de “OFF”-stand of LOCK-
stand staat, is het mogelijk de huidig afgespeelde
CD uit te werpen. Het audiosysteem wordt dan ech-
ter niet ingeschakeld.
Druk op de
-knop en de CD wordt uitgeworpen.
OPMERKING
Wanneer de CD is uitgeworpen en niet binnen
8 seconden wordt verwijderd, wordt deze au-
tomatisch teruggetrokken in de sleuf om be-
schadiging te voorkomen.
Wanneer er een foutmelding op het display
wordt weergegeven, druk dan op de
-knop
om de defecte CD uit te werpen en plaats een
andere CD, of controleer of de uitgeworpen CD
met de juiste kant naar boven was geplaatst.
AUX-INGANG
Hoofdbediening van het audiosysteem
De AUX-ingangsaansluiting zit aan de onderkant
van het dashboard. Zie “AUX-ingangsaansluiting
(hulpingang)” eerder in dit hoofdstuk. Op de AUX-in-
gang ( jack) kan elk standaard analoog audio-appa-
raat aangesloten worden, zoals een draagbare cas-
settespeler/CD-speler, MP3-speler of laptop com-
puter.
Druk op de
-knop om een compatibel appa-
raat af te spelen wanneer het aangesloten is op de
AUX-ingang.
Renault raadt ten zeerste aan om een stereo minis-
tekkerkabel te gebruiken wanneer u uw muziekap-
paraat aansluit op het audiosysteem. Muziek wordt
wellicht niet goed afgespeeld wanneer u een mono-
kabel gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg ervoor dat de kabel of het externe apparaat
dat aangesloten is op de AUX-ingang het rijden
van de auto niet belemmert.
OPMERKING
Afhankelijke van het externe apparaat kan het
volume mogelijk harder of zachter zijn dan dat
van het externe apparaat zelf.
Wanneer de stekker of de aansluitkabel voor
het eerst in contact komt met de AUX-ingang
hoort u mogelijk geluid.
176 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Het aangesloten externe apparaat kan niet
gebruikt worden met het hoofdaudiosysteem.
Het volume en de geluidskwaliteit kunnen
aangepast worden.
De nummertitel die aanwezig is in het externe
apparaat kan niet weergegeven worden op
het display van het audiosysteem.
Gebruik een geschikte batterij om het externe
apparaat van stroom te voorzien. Het externe
apparaat kan niet opgeladen worden via de
AUX-ingang. U kunt mogelijk geluid horen als
een extern apparaat gebruikt wordt terwijl de
batterij opgeladen wordt via het aansluitcon-
tact in de auto.
USB-verbindingspoort (UNIVERSAL
SERIAL BUS)
WAARSCHUWING
Sluit het USB-apparaat niet aan, koppel het ap-
paraat niet los en gebruik het USB-apparaat niet
tijdens het rijden. Dit kan afleiding veroorzaken.
In geval van afleiding kunt u de controle over het
voertuig verliezen en een ongeval of ernstig let-
sel veroorzaken.
LET OP
Steek het USB-apparaat niet met geweld in de
USB-poort. Als u het USB-apparaat scheef of
ondersteboven in de USB-poort steekt kan de
poort beschadigd raken. Zorg dat het USB-ap-
paraat correct wordt aangesloten op de USB-
poort.
Houd het dekseltje van de USB-poort (indien
aanwezig) niet vast terwijl u het USB-apparaat
uit de USB-poort trekt. De poort en het deksel-
tje kunnen hierdoor beschadigd raken.
Laat de USB-kabel niet slingeren op een plek
waar er per ongeluk aan getrokken kan wor-
den. Door aan de kabel te trekken kan de poort
beschadigd raken.
Algemene opmerkingen betreffende het gebruik
van USB-apparatuur:
Raadpleeg de informatie die door de fabrikant ter
beschikking is gesteld met betrekking tot het juiste
gebruik en onderhoud van het apparaat.
Een USB-apparaat aansluiten
Open het deksel van het console en sluit een USB-
geheugen of ander USB-apparaat aan. Het display
toont de melding [USB gedetecteerd. Even geduld...]
gedurende enkele seconden terwijl het gegevens
inleest.
Als het audiosysteem is uitgeschakeld terwijl er van
een USB-geheugen werd afgespeeld, kan bediening
van het USB-apparaat hervat worden door op
te drukken.
MEDIA-knop
Druk om het USB-apparaat te bedienen eenmaal of
herhaaldelijk op <MEDIA> totdat [USB] beschikbaar
is.
Hoofdbediening van het audiosysteem
De volgende handelingen komen overeen met de
belangrijkste audiobedieningen van de CD-speler.
Zie voor meer informatie “De CD-speler bedienen”
eerder in dit hoofdstuk.
Lijstweergave
Snelzoeken
,
MIX (willekeurig afspelen)
RPT (nummer herhalen)
Door mappen bladeren
Snelzoeken:
Wanneer een USB-apparaat met geregistreerde
muziekinformatietags (ID3–teksttags) wordt afge-
speeld uit de lijstweergave, kan er een snelzoekactie
uitgevoerd worden om een nummer op de lijst te
vinden.
Druk op de <A-Z>-knop en draai dan aan de
<MENU>-knop om het eerste alfanumerieke teken
van de titel van het nummer te selecteren, druk ver-
volgens op <ENTER>. Wanneer de letter is gevon-
den, wordt een lijst met beschikbare nummers
weergegeven. Wanneer er geen nummer gevonden
is (op het scherm wordt [Geen resultaat] weergege-
ven) wordt het volgende item getoond. Selecteer
het nummer en druk op <ENTER> om het af te spe-
len.
Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem 177
-knop
Wanneer een nummer wordt afgespeeld met mu-
ziekinformatietags (ID3-tags), wordt de titel van het
afgespeelde nummer weergegeven. Als er geen
tags aanwezig zijn, verschijnt er een bericht op het
display.
Druk herhaaldelijk op de
-knop om meer
informatie over het nummer en de titel van het
nummer als volgt weer te geven:
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔ Duur
nummer
Gedetailleerd overzicht van nummers:
Door de
-knop lang in te drukken zal het
display overgaan in een gedetailleerd overzicht, ver-
volgens keert het na enkele seconden weer terug
naar het hoofddisplay, of druk kort op de
-knop.
Een iPod® GEBRUIKEN (indien
aanwezig)
Een iPod® aansluiten
Sluit de iPod aan op de USB-poort in de auto met de
USB-kabel die is meegeleverd met uw iPod.
De USB-poort zit aan de onderkant van het dash-
board. Zie “USB-verbindingspoort (Universal Serial
Bus)” eerder in dit hoofdstuk.
Wanneer de iPod is aangesloten op het audiosys-
teem van de auto kan de muziekbibliotheek op de
iPod alleen bediend worden met de bedieningen
van het audiosysteem van de auto.
* iPod® en iPhone® zijn een handelsmerk van Apple
Inc., geregistreerd in de Verenigde Staten en in an-
dere landen.
WAARSCHUWING
Sluit het USB-apparaat niet aan, koppel het ap-
paraat niet los en gebruik het USB-apparaat niet
tijdens het rijden. Dit kan afleiding veroorzaken.
In geval van afleiding kunt u de controle over het
voertuig verliezen en een ongeval of ernstig let-
sel veroorzaken.
LET OP
Forceer de iPod-kabel niet in de USB-poort.
Door de iPod-kabel scheef of ondersteboven
op de poort aan te sluiten kan zowel de iPod-
kabel als de poort beschadigd raken. Zorg er-
voor dat de iPod-kabel op de juiste wijze op de
USB-poort wordt aangesloten. (Sommige
iPod-kabels zijn voorzien van een merkteken
dat dient als richtlijn. Zorg dat dit merkte-
ken in de juiste richting wijst voordat u de
iPod-kabel aansluit.)
Plaats geen voorwerpen dichtbij de iPod-ka-
bel om te voorkomen dat deze op de iPod-ka-
bel en de poort steunen. Druk die uitgeoefend
wordt door deze voorwerpen kan de iPod-ka-
bel en de poort mogelijk beschadigen.
Laat de USB-kabel niet slingeren op een plek
waar er per ongeluk aan getrokken kan wor-
den. Door aan de kabel te trekken kan de poort
beschadigd raken.
Raadpleeg de informatie die door de fabrikant ter
beschikking is gesteld met betrekking tot het juiste
gebruik en onderhoud van het apparaat.
Opmerkingen betreffende het gebruik van een
iPod:
“Made for iPod”, “Made for iPhone” en “Made for iPad
betekenen dat een elektronisch accessoire speciaal
ontworpen is voor aansluiting op respectievelijk een
iPod, iPhone of Ipad en dat de ontwikkelaar garan-
deert dat het voldoet aan de prestatienormen van
Apple.
Apple is niet verantwoordelijk voor de werking van
dit apparaat of naleving van veiligheidsnormen en
regelgeving.
Let wel dat door gebruik van dit accessoire met iPod,
iPhone of iPad de draadloze prestaties kunnen af-
nemen.
iPad, iPhone, iPod, iPod classic, iPod nano, iPod Shuf-
fle en iPod touch zijn handelsmerken van Apple Inc.
die zijn geregistreerd in de Verenigde Staten en in
andere landen. Lightning is een handelsmerk van
Apple Inc.
Het Renault-audiosysteem ondersteunt alleen door
Apple gecertificeerde accessoires die zijn voorzien
van het logo "Made for iPod/iPhone/iPad".
Compatibiliteit:
OPMERKING
Ten tijde van het ter perse gaan is dit audiosys-
teem getest met de nieuwste ter beschikking
staande iPod®-spelers/iPhone®. Wegens het
regelmatig vernieuwen van consumentenap-
paratuur zoals MP3-spelers, kan Renault niet
garanderen dat alle recentelijk op de markt
gebrachte iPods®/iPhones® compatibel zullen
zijn met dit audiosysteem.
178 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Sommige func ties van de iPod® zijn niet be-
schikbaar in combinatie met dit systeem.
Het Renault-audiosysteem ondersteunt al-
leen door Apple gecertificeerde accessoires
die zijn voorzien van het logo "Made for iPod/
iPhone/iPad".
Zorg ervoor dat de meest recente firmware is
geïnstalleerd op uw iPod®/iPhone®.
iPod® Shuffle en iPod® mini kunnen niet met
dit systeem worden gebruikt.
De gebruiker heeft wellicht geen beschikking
over de volledige functionaliteit van de iPhone
via USB en Bluetooth-audio is wellicht niet be-
schikbaar als hetzelfde apparaat tegelijkertijd
is aangesloten via USB en Bluetooth.
MEDIA-knop
Druk eenmaal of herhaaldelijk op <MEDIA> totdat
[iPod <naam>] getoond wordt om van een iPod af
te spelen.
Hoofdbediening van het audiosysteem
Interface:
De interface voor bediening van de iPod® op het
display van het audiosysteem lijkt op de
bedieningsinterface van de iPod® zelf. Gebruik de
<MENU>-knop en de <ENTER>-knop om een num-
mer op de iPod® af te spelen.
De volgende items zijn beschikbaar op het scherm
met de menulijst.
[Afspeellijsten]
[Artiesten]
[Albums]
[Nummers]
[Componisten]
[Genre]
[Podcasts]
Raadpleeg de handleiding van de iPod® voor meer
informatie.
De volgende handelingen komen overeen met de
belangrijkste audiobedieningen van de CD-speler.
Zie voor meer informatie “Hoofdbediening van het
audiosysteem” eerder in dit hoofdstuk.
Lijstweergave
,
MIX (willekeurig afspelen)
RPT (nummer herhalen)
Door mappen bladeren
-knop
Wanneer een nummer wordt afgespeeld met mu-
ziekinformatietags (ID3-tags), wordt de titel van het
afgespeelde nummer weergegeven. Als er geen
tags aanwezig zijn, verschijnt er een bericht op het
display.
Druk herhaaldelijk op de
-knop om meer
informatie over het nummer en de titel van het
nummer als volgt weer te geven:
Duur nummer ̔ Naam artiest ̔ Titel album ̔ Duur
nummer
Gedetailleerd overzicht van nummers:
Door lang op de
-knop te drukken, worden
de titel van het nummer, de naam van de artiest en
de titel van het album weergegeven. Na enkele se-
conden keert het terug naar het hoofddisplay, of
druk kort op de
-knop.
BEDIENING VAN BLUETOOTH®
Wettelijk verplichte informatie
m
Bluetooth® is een handels-
merk van Bluetooth SIG, Inc.
BLUETOOTH®-instellingen
Om verbinding te maken met een apparaat moet u
ervoor zorgen dat Bluetooth aan staat en de toets
[Scan app.] of [App. koppelen] gebruiken. Zie voor
meer informatie “[Scan app.]” verderop in dit hoofd-
stuk.
Er kunnen maximaal 5 verschillende Bluetooth-ap-
paraten aangesloten worden. U kunt echter maar
afspelen van één apparaat tegelijk. Alsu5verschil-
lende Bluetooth-apparaten heeft geregistreerd,
NAA1392
*: een apparaat met Bluetooth-voorziening
Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem 179
kan een nieuw apparaat alleen geregistreerd wor-
den ter vervanging van één van de 5 bestaande ge-
koppelde apparaten. Gebruik de toets [App. verwijd.]
om één van de bestaande gekoppelde apparaten
te wissen. Zie voor meer informatie “[App. verwijd.]”
verderop in dit hoofdstuk.
Wanneer de koppeling met succes tot stand is ge-
bracht, verschijnt een melding en keert het display
van het audiosysteem terug naar het display van de
huidige audiobron. Tijdens het tot stand brengen
van de verbinding worden de volgende statussym-
bolen op het scherm getoond (linksboven op het
display): Ontvangstkwaliteit (
), Batterijstatus*
( ) en Bluetooth “AAN” ( ).
*: Als de melding van een bijna lege batterij ver-
schijnt, moet het Bluetooth®-apparaat spoedig op-
geladen worden.
De procedure voor het maken van een verbinding
en de bediening kan verschillen afhankelijk van het
type apparaat en de compatibiliteit. Raadpleeg voor
meer informatie de handleiding van het Bluetooth®-
apparaat.
OPMERKING
Raadpleeg voor meer informatie over het ap-
paraat de handleiding van uw audio/mobiele
telefoon.
Neem voor hulp bij de integratie van uw
Bluetooth®-audio/mobiele telefoon contact
op met uw plaatselijke Renault-dealer.
Om het Bluetooth-systeem in te stellen met een
apparaat kunt u de volgende opties gebruiken:
[Scan app.]
Bluetooth-apparaten kunnen aan het sys-
teem gekoppeld worden. U kunt maximaal
5 Bluetooth-apparaten registreren.
[App. koppelen]
Bluetooth-apparaten kunnen aan het sys-
teem gekoppeld worden. U kunt maximaal
5 Bluetooth-apparaten registreren.
[App. verwijd.]
Er is een lijst beschikbaar van Bluetooth-appa-
raten die gekoppeld kunnen worden en waaruit
u een selectie kunt maken.
[App. verwijd.]
Een geregistreerd Bluetooth-apparaat kan wor-
den gewist.
[Bluetooth]
Als deze instelling uitgeschakeld is, zal de ver-
binding tussen de Bluetooth-apparaten en de
Bluetooth-module in het voertuig verbroken
worden.
[Scan app.]:
1) Druk op de
-knop. Selecteer [Scan app.]
Het audiosysteem zoekt naar Bluetooth-appa-
raten en toont alle gevonden apparaten.
Zorg dat uw Bluetooth-apparaat zichtbaar is op
dat moment.
2) Selecteer het apparaat waarmee u verbinding
wilt maken.
Gebruik de <MENU>-knop en druk erop om te
selecteren.
3) De koppelprocedure hangt mogelijk af van het
apparaat dat moet worden verbonden:
a. Apparaat zonder PIN-code:
De Bluetooth-verbinding wordt automatisch
tot stand gebracht zonder verdere invoer.
b. Apparaat met PIN-code:
Twee verschillende koppelmethodes zijn
mogelijk afhankelijk van het apparaat:
Type A:
Het bericht [Voor kopp.] [Voer pin XXXX in] zal
worden getoond.
Bevestig de PIN-code op het apparaat.
De Bluetooth-verbinding zal tot stand wor-
den gebracht.
Type B:
Het bericht [Koppelingsaanvraag] [Wachtw.
XXXXXX bevestigen] wordt getoond samen
met een code van 6 nummers. De unieke en
identieke code moet op het apparaat weer-
gegeven worden. Als de code identiek is, kunt
u het op het apparaat bevestigen.
De Bluetooth-verbinding wordt nu tot stand
gebracht.
[App. koppelen]:
Zet Bluetooth® aan op het audiosysteem. Zie de
[Bluetooth] beschrijving.
180 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Gebruik het audiosysteem om verbinding te ma-
ken:
Druk op de
-knop. Selecteer de toets [App.
koppelen].
De koppelingsprocedure is afhankelijk van het
Bluetooth®-apparaat waarmee verbinding
wordt gemaakt:
1) Apparaat zonder PIN-code:
De Bluetooth®-verbinding zal automatisch
tot stand worden gebracht zonder verdere
invoer.
2) Apparaat met PIN-code:
Verbinding met dit apparaat kan op twee
manieren gemaakt worden, afhankelijk van
het apparaat. Voor de correcte procedure,
raadpleeg “[Scan app.]” eerder in dit hoofd-
stuk.
Gebruik het audio-apparaat/mobiele telefoon
met Bluetooth® om verbinding te maken:
1) Volg de aanwijzingen in de handleiding van
het apparaat met Bluetooth® om het audio-
systeem te zoeken.
Als de zoekmodus het audiosysteem heeft
gevonden, wordt deze getoond op het dis-
play van het apparaat.
2) Selecteer het audiosysteem dat wordt aan-
gegeven als [My Car].
3) Volg de aanwijzingen in de handleiding voor
het apparaat met Bluetooth® om verbinding
te maken met het audiosysteem in de auto.
4) Voer de PIN-code die op het apparaat ge-
toond wordt in met het toetsenbord van het
apparaat en druk dan op de bevesti-
gingstoets op het apparaat zelf.
Raadpleeg de relevante handleiding van het
apparaat met Bluetooth® voor meer infor-
matie.
[App. verwijd.]:
De lijst met gekoppelde apparaten toont welk
Bluetooth®-audioapparaat of mobiele telefoon ge-
koppeld is met of geregistreerd is in het Bluetooth®-
audiosysteem. Als in de lijst apparaten worden ver-
meld, kies dan het gewenste apparaat om te verbin-
den met het Bluetooth®-audiosysteem.
De volgende symbolen (indien aanwezig) geven de
mogelijkheden van het geregistreerde apparaat
aan:
: Integratie mobiele telefoon
: Audio streaming (A2DP- Advanced Audio
Distribution Profile)
[App. verwijd.]:
Een geregistreerd apparaat kan uit het Bluetooth®-
audiosysteem worden verwijderd. Selecteer een ge-
registreerd apparaat en druk vervolgens ter beves-
tiging op <ENTER>.
[Bluetooth]:
Als Bluetooth® is uitgeschakeld, zal er een melding
[AAN/UIT] verschijnen wanneer u [Bluetooth] selec-
teert in het telefoonmenu (druk op
). Druk, om
het Bluetooth®-signaal in te schakelen, op <ENTER>
waarna een vervolgscherm verschijnt. Selecteer
vervolgens [AAN] en druk op <ENTER> om het instel-
scherm van Bluetooth® weer te geven.
Belangrijkste bedieningen van
Bluetooth
®
audio streaming
Draai de contactschakelaar naar de stand Acc of
ON. Als het audiosysteem is uitgeschakeld tijdens
het afspelen van de Bluetooth® audio, dan zal de
Bluetooth® audio streaming weer beginnen te spe-
len door te drukken op de <
>-knop.
MEDIA-knop:
Gebruik de volgende methode om Bluetooth®-au-
dio streaming te gebruiken:
Druk herhaaldelijk op <MEDIA> totdat [BT audio]
getoond wordt.
Het type display,
j
Aof
j
B , dat het audiosysteem
weergeeft, is afhankelijk van de Bluetooth®-versie
van het apparaat.
NAA1203
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 181
Knoppen voor snel vooruit-
spoelen, snel terugspoelen:
Wanneer de
-knop (vooruitspoelen) of de
-knop (terugspoelen) wordt ingedrukt, begint
het nummer op hoge snelheid af te spelen. Wan-
neer de knop losgelaten wordt, wordt het nummer
weer op normale snelheid afgespeeld.
Knoppen volgend/vorig
nummer:
Door eenmaal op
of te drukken, springt de
speler naar het volgende nummer of terug naar het
begin van het nummer dat wordt afgespeeld. Druk
meerdere malen op
of om nummers over
te slaan.
-knop
Als het nummer muziekinformatietags bevat (ID3–
tags), wordt de titel van het afgespeelde nummer
weergegeven. Indien er geen tags zijn, worden geen
berichten weergegeven.
Wanneer de
-knop herhaaldelijk wordt in-
gedrukt, kan meer informatie over het nummer en
de titel van het nummer worden weergegeven.
Door de
-knop langere tijd ingedrukt te
houden, geeft het display een gedetailleerd over-
zicht, om na een paar seconden weer naar het
hoofddisplay terug te keren, of druk kort op
.
Bluetooth
®
mobiele telefoonfunctie
Dit systeem biedt u de mogelijkheid uw mobiele te-
lefoon met Bluetooth® handsfree te gebruiken om
zo het comfort en de veiligheid tijdens het rijden te
verhogen.
Voor meer informatie, raadpleeg “Bediening van
Bluetooth®” verderop in dit hoofdstuk.
182 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 183
Specificatieschema
Ondersteunde media CD-R, CD-ROM, CD-RW, USB 2,0 MSC
CD-omvang 12 cm diameter. tot 1,9 mm dikte
Ondersteunde bestandssystemen voor CD ISO9660 LEVEL1, ISO9660 LEVEL2, Romeo, Joliet
* ISO9660 Level 3 (pakket schrijven) wordt niet ondersteund.
* Bestanden die zijn opgeslagen met het Live File systeemcomponent (op een
computer met Windows Vista besturingssysteem) worden niet ondersteund.
Ondersteunde bestandssystemen voor USB FAT-16, FAT-32
Ondersteunde versies
*1
MP3 Versie MPEG1, Layer 3
Sampling frequentie 32 KHz - 44,1 KHz - 48 KHz
Bitsnelheid 32, 40, 48, 56, 64, 80, 96, 112, 128, 144, 160, 192, 224, 256, 288, 320, Kbps, VBR *4
WMA *3 Versie WMA7, WMA8, WMA9
Sampling frequentie 16 KHz, 22,05 KHz, 32 KHz, 44,1KHz, 48 KHz
Bitsnelheid 48, 64, 80, 96, 128, 160, 192, 256, 320 Kbps, VBR *4
AAC Versie MPEG-4, AAC
Sampling frequentie 8, 11,025, 16, 22,05, 32, 44,1, 48 kHz
Bitsnelheid 32, 48, 64, 80, 96, 128, 160, 192 Kbps, VBR *4
Taginformatie (Titel van nummer en
naam van artiest en album)
CD CDDA
MP3 ID3-tag ver. 1.0, 1.1, 2.2, 2.4
WMA WMA-tag
AAC AAC-tag
Ondersteuning aantal nummers/bestanden CDDA 99 nummers
MP3/WMA/AAC in CD 999 bestanden
USB 30000 bestanden
Ondersteuning aantal mappen 1024 mappen op CD
2500 mappen op USB
Diepte Maximaal 8, Diepere mappen zullen onder de 8 zijn, onderhevig aan het
maximum.
184 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Ondersteuning van afspeellijsten in USB M3U, WPL, PLS 1000 afspeellijsten
Ondersteuning van teksttekens Instelbare tekenhoogte,
afhankelijk van de inhoud van de
media.
Bestandsnaam: Min 11 tekens ( Max 30 tekens) ID3-TAG: Min 24 tekens. (Max. 60
tekens) *5
Weergegeven tekencodes *2 Unicode, ISO8859–15(Frans),
ISO8859–5(Russisch Cyrillisch),
GB18030–2000(Chinees), BIG-
5(Taiwanees), KSX1001–
2002(Koreaans)
01:ASCll, 02: ISO-8859-1, ISO8859–15(Frans), ISO8859–5(Russisch Cyrillisch), 03:
UNICODE(UTF-16 BOM Big Endian), 04: UNICODE (UTF-16 Ncn-BOM Big Endian), 05:
UNICODE(UTF-8), 06:UNICODE(Non-UTF-16 BOM Little Endian), 07: SHIFT-JIS,
GB18030–2000(Chinees), BIG-5(Taiwanees), KSX1001–2002(Koreaans)
Zoeken Zoeken naar bestand/map in CD/MP3, USB
*1 Bestanden die zijn gecreëerd met een combinatie van 48 kHz sampling frequentie en 64 kbps bitsnelheid kunnen niet worden afgespeeld.
*2 De beschikbare codes hangen af van de soort media, versies en de informatie die zal worden weergegeven.
*3 Beschermde WMA-bestanden (DRM) kunnen niet worden afgespeeld.
*4 Wanneer VBR-bestanden worden afgespeeld, kan het zijn dat de speeltijd niet correct wordt weergegeven. WMA7 en WMA8 zijn niet van toepassing op VBR.
*5 Ondersteunt 128 bit maar dit is afhankelijk van het formaat display en soort tekens.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 185
Zie voor informatie het apart meegeleverde Instruc-
tieboekje van het Navigatiesysteem met touchscr-
een.
WAARSCHUWING
Stop uw auto op een veilige plaats en activeer
de parkeerrem voordat u uw mobiele telefoon
verbindt met de auto of uw verbonden mo-
biele telefoon configureert.
De wetgeving in sommige rechtsgebieden kan
mogelijk het gebruik van sommige applicaties
en functies beperken, zoals sociale netwerken
en SMS’en. Controleer de plaatselijke regelge-
ving inzake eventuele vereisten.
Apple CarPlay:
Met Apple CarPlay kan het systeem in uw auto ge-
bruikt worden als display voor sommige functies
van de iPhone. Apple CarPlay introduceert Siri waar-
mee handelingen via spraakbediening uitgevoerd
kunnen worden. Raadpleeg het Instructieboekje
van het navigatiesysteem en ga naar de website
van Apple voor informatie over de beschikbare
functies en overige details.
Android Auto:
Met Android Auto kan het systeem in uw auto ge-
bruikt worden als display en controller voor som-
mige functies van uw Android-telefoon. Android
Auto ondersteunt Talk to Google waarmee hande-
lingen via spraakopdrachten uitgevoerd kunnen
worden. Raadpleeg het Instructieboekje van het na-
vigatiesysteem en ga naar de website van Android
Auto voor informatie over de beschikbare functies
en overige details.
AUDIOBEDIENING
Afstemknoppen (type A)/ Afstemschakelaar
(type B)
Volumeknoppen
NAA1998
NAA1533
Type A
NIC3125
Type B
NAVIGATIESYSTEEM MET
TOUCHSCREEN (indien
aanwezig)
APPLE CARPLAY EN ANDROID
AUTO (indien aanwezig)
STUURWIELSCHAKELAAR VOOR
AUDIOBEDIENING (indien
aanwezig)
186 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Afstemschakelaar/
nummerkeuzeschakelaar
Druk op de schakelaar om een kanaal of nummer te
selecteren.
Voorkeuzezender wijzigen (radiomodus)
Druk de bladerknop omhoog/omlaag (
,
of ) korter dan 1,5 seconde in om een
van de voorkeuzezenders te kiezen.
Automatisch zoekafstemmen (radiomodus)
indien aanwezig
Druk de bladerknop omhoog/omlaag (
,
of ) langer dan 1,5 seconde in om te
zoeken naar de volgende of vorige radiozender.
Volgende/vorige nummer (CD-, iPod-, USB-ge-
heugen- of Bluetooth-audiomodus*) *: indien
aanwezig
Druk de bladerknop omhoog/omlaag (
,
of ) korter dan 1,5 seconde in om
het volgende nummer te selecteren of om
terug te keren naar het begin van het hui-
dige nummer. Druk meerdere malen op (om-
hoog/omlaag) om vooruit of terug nummers
over te slaan.
Druk de bladerknop omhoog/omlaag (
,
of ) langer dan 1,5 seconde in om
de volgende of vorige map te selecteren.
Volumeregelknoppen
Druk op de volumeknop (+ of ) om het volume ho-
ger of lager te zetten.
KNOPPEN VOOR
TELEFOONBEDIENING
Volume omlaag-knop
Volume omhoog-knop
Knop voor accepteren oproep
Knop voor weigeren oproep
Knoppen voor telefoonbediening op
het stuurwiel
De handsfree-functie kan worden gebruikt door
middel van de bedieningsknoppen op het stuurwiel.
Volumeregelknoppen:
Met de volumeregelknoppen kunt u het volume van
de luidsprekers aanpassen door op de knoppen <+>
of <−>
en
te drukken.
Telefoonknoppen:
Met de knoppen <
>,of< >
en
kunt u:
Een inkomend gesprek accepteren door op de
<
>-knop te drukken.
Een inkomend gesprek weigeren door tijdens
het binnenkomen van de oproep op de
<
>-knop te drukken.
Een huidig gesprek beëindigen door eenmaal op
de <
>-knop te drukken.
Het laatste uitgaande nummer opnieuw bellen
door de <
>-knop langer dan 2 seconden in
te drukken.
NIC3126
Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem 187
BLUETOOTH
®
MOBIELE
TELEFOONFUNCTIE
WAARSCHUWING
Het gebruik van een mobiele telefoon tijdens het
rijden is uiterst gevaarlijk, omdat het uw concen-
tratie aanzienlijk beïnvloedt en uw reactievermo-
gen ten aanzien van plotselinge veranderingen
in de verkeersomstandigheden vermindert,
waardoor fatale ongevallen het gevolg kunnen
zijn. Dit geldt voor alle telefonische handelingen,
zoals het ontvangen van een oproep, een gesprek
voeren, het telefoonboek doorzoeken, enz.
LET OP
In sommige landen is het gebruik van een mo-
biele telefoon in het voertuig zonder handsfree
systeem verboden.
Dit hoofdstuk geeft u informatie over het handsfree
telefoonsysteem dat gebruik maakt van een
Bluetooth
®
-verbinding.
Bluetooth
®
is een standaard voor draadloze radio-
communicatie. Dit systeem biedt u de mogelijkheid
uw telefoon handsfree te gebruiken om zo het rij-
comfort te verhogen.
Om uw mobiele telefoon te kunnen gebruiken op
de Bluetooth
®
-functie van het audiosysteem, dient
de mobiele telefoon eerst ingesteld te worden. Zie
voor meer informatie “BLUETOOTH®-instellingen”
verderop in dit hoofdstuk. Nadat deze instelling uit-
gevoerd is, zal de handsfree functie (via Bluetooth
®
)
automatisch geactiveerd worden zodra de aange-
melde telefoon binnen het bereik komt.
Er wordt een bericht op het audiodisplay weerge-
geven wanneer de telefoon verbonden is, bij een
inkomend gesprek alsmede wanneer een uitgaand
gesprek wordt gestart.
Bij het voeren van een gesprek ondersteunen de
audio-installatie, de microfoon (geplaatst tegen het
dak vóór de achteruitkijkspiegel) en de schakelaars
op het stuurwiel de handsfree communicatie.
Als op dat moment het audiosysteem in gebruik is,
wordt het geluid van de radio, CD, iPod, USB,
Bluetooth-audio of AUX onderdrukt en blijft onder-
drukt tot het gesprek beëindigd is.
Het is mogelijk dat het Bluetooth
®
-systeem geen
verbinding met uw mobiele telefoon tot stand kan
brengen, en wel om de volgende redenen:
De mobiele telefoon is te ver verwijderd van de
auto.
De Bluetooth
®
functie op uw mobiele telefoon is
niet geactiveerd.
Uw mobiele telefoon is niet gekoppeld aan het
Bluetooth
®
-systeem van de audio-eenheid.
De mobiele telefoon ondersteunt de Bluetooth
®
-
technologie (BT Core v2.0) niet.
OPMERKING
Raadpleeg bij modellen voorzien van Geïnte-
greerd systeem voor navigatie en audio, het
apart meegeleverde Instructieboekje.
Zie voor meer informatie het instructieboekje
van uw mobiele telefoon.
Neem voor hulp bij de integratie van uw mo-
biele telefoon contact op met uw plaatselijke
erkende dealer.
Telefoonknop
<MENU>-of<ENTER>-knop (draaien en
indrukken om te selecteren)
(Terug)-knop
Snelzoekknop voor telefoonboek A-Z
BLUETOOTH®-instellingen
Open het menu voor telefooninstellingen door op
de -knop (telefoon) te drukken en dan de
[Bluetooth]-toets te selecteren. Controleer vervol-
gens of Bluetooth aan staat (standaardinstelling is
aan, druk op de <ENTER>-knop als het niet aan
staat).
Om het Bluetooth-systeem in te stellen voor het
koppelen (verbinding maken of registreren) van uw
gewenste mobiele telefoon voert u de volgende
procedure uit.
Gebruik om een apparaat te koppelen de [Scan
app.]-toets of de [App. koppelen]-toets.
NAA1582
BLUETOOTH® HANDSFREE TELEFOONSYSTEEM (zonder navigatie-
systeem en kleurendisplay)
188 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Er kunnen maximaal 5 verschillende Bluetooth-ap-
paraten gekoppeld worden. U kunt echter maar af-
spelen van één apparaat tegelijk. Alsu5verschil-
lende Bluetooth-apparaten heeft geregistreerd,
kan een nieuw apparaat alleen geregistreerd wor-
den ter vervanging van één van de 5 bestaande ge-
koppelde apparaten. Gebruik de toets [App. verwijd.]
om één van de bestaande gekoppelde apparaten
te wissen. Zie voor meer informatie “[App. verwijd.]”
verderop in dit hoofdstuk.
Wanneer de koppeling met succes tot stand is ge-
bracht, verschijnt een melding en keert het display
van het audiosysteem terug naar het display van de
huidige audiobron. Tijdens het tot stand brengen
van de verbinding worden de volgende statussym-
bolen op het scherm getoond (linksboven op het
display): Ontvangstkwaliteit (
), Batterijstatus*
(
) en Bluetooth “AAN” ( ).
*: Als de melding van een bijna lege batterij ver-
schijnt, moet het Bluetooth®-apparaat spoedig op-
geladen worden.
De procedure voor het maken van een verbinding
en de bediening kan verschillen afhankelijk van het
type apparaat en de compatibiliteit. Raadpleeg voor
meer informatie de handleiding van het Bluetooth®-
apparaat.
OPMERKING
Raadpleeg voor meer informatie over het ap-
paraat de handleiding van uw audio/mobiele
telefoon.
Neem voor hulp bij de integratie van uw
Bluetooth®-audio/mobiele telefoon contact
op met uw plaatselijke erkende dealer.
Er kunnen maximaal 5 Bluetooth-apparaten
met het systeem worden gekoppeld.
Om het Bluetooth-systeem in te stellen met een
apparaat kunt u de volgende opties gebruiken:
[Scan app.]
Toont alle beschikbare zichtbare Bluetooth-ap-
paraten en initialiseert de Bluetooth-verbinding
vanaf het audiosysteem.
[App. koppelen]
Initialiseert de Bluetooth-verbinding vanaf het
mobiele apparaat.
[App. verwijd.]
Er is een lijst beschikbaar van Bluetooth-appa-
raten die gekoppeld kunnen worden en waaruit
u een selectie kunt maken.
[App. verwijd.]
Een geregistreerd Bluetooth-apparaat kan wor-
den gewist.
[Bluetooth]
Als deze instelling uitgeschakeld is, zal de ver-
binding tussen de Bluetooth-apparaten en de
Bluetooth-module in het voertuig verbroken
worden.
[Scan app.]:
1) Druk op de
-knop. Selecteer [Scan app.]
Het audiosysteem zoekt naar Bluetooth-appa-
raten en toont alle gevonden apparaten.
Door te drukken op de
-knop wordt het
zoeken gestopt.
2) Selecteer het apparaat waarmee u verbinding
wilt maken.
Gebruik de <MENU>-knop en druk erop om te
selecteren.
3) De koppelingsprocedure is afhankelijk van het
apparaat waarmee u verbinding wilt maken:
1) Apparaat zonder PIN-code:
De Bluetooth-verbinding wordt automatisch
tot stand gebracht zonder verdere invoer.
2) Apparaat met PIN-code:
Verbinding met dit apparaat kan op twee
manieren gemaakt worden:
Type A:
Het bericht [Voor kopp.] [Voer Pin in] 0000
en een afteltimer worden weergegeven.
Bevestig de PIN-code op het apparaat.
De Bluetooth-verbinding wordt tot stand
gebracht.
Als de afteltimer 0 bereikt wordt de po-
ging om de apparaten te koppelen gean-
nuleerd.
Type B:
Het bericht [Koppelingsaanvraag]
[Wachtw. XXXXXX bevestigen] wordt ge-
toond samen met een code van 6 num-
mers. De unieke en identieke code moet
op het apparaat weergegeven worden.
Als de code identiek is, kunt u het op het
apparaat bevestigen.
De Bluetooth-verbinding wordt nu tot
stand gebracht.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 189
[App. koppelen]:
Zet Bluetooth aan op het audiosysteem. Zie de
[Bluetooth] beschrijving.
Gebruik het audiosysteem om verbinding te ma-
ken:
Druk op de
-knop. Selecteer de [App. kop-
pelen]-toets. Het audiosysteem wacht op een
verzoek tot verbinding van het mobiele appa-
raat.
De koppelingsprocedure hangt af van het
Bluetooth-apparaat:
1) Apparaat zonder PIN-code:
De Bluetooth-verbinding wordt automatisch
tot stand gebracht zonder verdere invoer.
2) Apparaat met PIN-code:
Er zijn twee mogelijke koppelingsprocedures
afhankelijk van het apparaat, zie de
paragraaf [Scan app.] voor een beschrijving.
Gebruik het audio-apparaat/mobiele telefoon
met Bluetooth® om verbinding te maken:
1) Zet de zoekmodus van Bluetooth®-appara-
ten op het mobiele apparaat AAN.
Indien via de zoekmodus het audiosysteem
wordt gevonden, dan wordt dit weergege-
ven op het display van het apparaat.
2) Selecteer het audiosysteem dat wordt aan-
gegeven als [My Car].
3) Voer het nummer dat op het apparaat ge-
toond wordt in met het toetsenbord van het
apparaat en druk dan op de bevesti-
gingstoets op het apparaat zelf.
Raadpleeg de relevante handleiding van het
apparaat met Bluetooth® voor meer infor-
matie.
[App. verwijd.]:
De lijst met gekoppelde apparaten toont welk
Bluetooth®-audioapparaat of mobiele telefoon ge-
koppeld is met of geregistreerd is in het Bluetooth®-
audiosysteem. Als in de lijst apparaten worden ver-
meld, kies dan het gewenste apparaat om te verbin-
den met het Bluetooth®-audiosysteem.
De volgende symbolen (indien aanwezig) geven de
mogelijkheden van het geregistreerde apparaat
aan:
: Integratie mobiele telefoon
: Audio streaming (A2DP- Advanced Audio
Distribution Profile)
[App. verwijd.]:
Een geregistreerd apparaat kan uit het Bluetooth®-
audiosysteem worden verwijderd. Selecteer een ge-
registreerd apparaat en druk vervolgens ter beves-
tiging op <ENTER>.
[Bluetooth]:
Als Bluetooth® is uitgeschakeld, zal er een melding
[AAN/UIT] verschijnen wanneer u [Bluetooth] selec-
teert in het telefoonmenu (druk op
). Druk, om
het Bluetooth®-signaal in te schakelen, op <ENTER>
waarna een vervolgscherm verschijnt. Selecteer
vervolgens [AAN] en druk op <ENTER> om het instel-
scherm van Bluetooth® weer te geven.
HANDSFREE BEDIENING VAN DE
TELEFOON
De handsfree-modus kan worden bediend met de
-knop op het audiosysteem of (indien van
toepassing) op het stuurwiel.
Een oproep ontvangen
Bij een inkomend gesprek toont het display het te-
lefoonnummer van de beller (of het bericht dat het
nummer onbekend is) en drie bedieningsiconen.
1. Opnemen en tijdens een gesprek:
Neem op door op <ENTER> te drukken (de
wordt gemarkeerd).
Door op <ENTER> te drukken kunt u de volgende
opties selecteren:
Gesprek beëindigen door te selecteren en
op <ENTER> te drukken.
Gesprek in de wacht zetten door te selecte-
renenop<ENTER> te drukken.
[ ]
Gebruik deze optie (het overdrachtcommando)
om het gesprek over te zetten van het audiosys-
teem naar uw mobiele telefoon.
Selecteer [
] om het gesprek weer handsfree
te voeren via het audiosysteem.
190 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
[#123]
Gebruik deze optie om tijdens een gesprek cij-
fers in te voeren. Als bijvoorbeeld een automa-
tisch systeem verwijst naar een ander toestel-
nummer stuurt het systeem de toon die met het
geselecteerde nummer gepaard gaat.
2. Een gesprek in de wacht zetten:
Draai aan de <MENU>-knop totdat
is geselec-
teerd en druk vervolgens op <ENTER>. Het gesprek
staat nu in de wacht. Druk op <ENTER> om het ge-
sprek te beantwoorden, draai de <MENU>-knop
rechtsom en druk op <ENTER> om het gesprek te
weigeren.
3. Een gesprek weigeren:
Draai aan de <MENU>-knop totdat
is geselec-
teerd en druk vervolgens op <ENTER>. De oproep is
nu geweigerd.
Een telefoongesprek beginnen
U kunt op één van de volgende manieren een tele-
foongesprek beginnen:
Bellen vanuit het telefoonboek
Handmatig een telefoonnummer kiezen
Oproep herhalen
Oproephistorie gebruiken (Bellijstenmenu)
Gekozen
Ontv.
Gemist
Bellen vanuit het telefoonboek:
Nadat de Bluetooth
®
-verbinding tussen de geregi-
streerde mobiele telefoon en het audiosysteem tot
stand is gebracht, worden de gegevens van het te-
lefoonboek automatisch overgebracht naar het au-
diosysteem. De overdracht kan enige tijd in beslag
nemen.
OPMERKING
De gegevens van het telefoonboek worden ge-
wist wanneer:
Naar een andere geregistreerde mobiele tele-
foon wordt overgeschakeld.
De mobiele telefoon wordt losgekoppeld.
De geregistreerde mobiele telefoon uit het au-
diosysteem wordt gewist.
1. Druk op <
>.
2. Draai aan de <MENU>-knop, blader omlaag naar
[Tel.boek] en druk vervolgens op <ENTER>.
3. Blader naar beneden door de lijst, selecteer de
juiste contactnaam (gemarkeerd) en druk op
<ENTER>.
4. Een daaropvolgend scherm toont het nummer
dan wordt gebeld. Indien dit correct is, druk dan
opnieuw op <ENTER> om het nummer te bellen.
Als de contactpersoon meerdere nummers toe-
gewezen heeft gekregen
(thuis), (mobiel),
of
(kantoor), scroll dan naar het juiste num-
mer dat gebeld moet worden.
U kunt ook de snelzoekmodus gebruiken, dit ge-
schiedt als volgt:
1. Druk in het telefoonboekscherm op <A-Z/
>.
2. Draai aan de <MENU>-knop voor het eerste alfa-
numerieke teken van de contactnaam. Wanneer
deze is gemarkeerd, drukt u op <ENTER> om de
letter te selecteren.
3. Het display toont de bijbehorende contactnaam-
(namen). Gebruik indien nodig nogmaals de
<MENU>-knop om verder te bladeren naar de
juiste contactpersoon die gebeld moet worden.
4. Een daaropvolgend scherm toont het nummer
dan wordt gebeld. Indien dit correct is, druk dan
opnieuw op <ENTER> om het nummer te bellen.
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 191
Handmatig een telefoonnummer kiezen:
WAARSCHUWING
Parkeer de auto op een veilige plek en trek de par-
keerrem aan voordat u gaat bellen.
Om een telefoonnummer handmatig te bellen met
gebruik van het audiosysteem (virtueel toetsen-
bord) gaat u als volgt te werk:
1. Druk op
, en draai aan de <MENU>-knop om
[Kies nummer] te selecteren.
2. Druk op <ENTER> om [Kies nummer] te selecte-
ren.
3. Draai aan de <MENU>-knop om verder te blade-
ren en selecteer elk cijfer van het telefoonnum-
mer. Druk op <ENTER> na elk cijfer van uw keuze.
Om het laatste ingevoerde nummer te wissen,
scrollt u naar het [̒] (Backspace)-symbool wan-
neer dit is gemarkeerd en drukt u op <ENTER>.
Het laatste nummer wordt gewist. Door herhaal-
delijk op <ENTER> te drukken wordt elk daarop-
volgend cijfer gewist.
4. Scroll na het invoeren van het laatste cijfer naar
het
-symbool en druk op <ENTER> om het
nummer te bellen.
Kies Opnieuw:
Om het laatst gekozen nummer opnieuw te bellen,
drukt u langer dan 2 seconden op de
-toets.
Oproephistorie gebruiken (Bellijstenmenu):
Om te bellen kunt u ook een nummer gebruiken uit
de lijst van gekozen, ontvangen of gemiste oproe-
pen.
[Gekozen]
Gebruik de modus gekozen nummers om een
nummer te bellen uit de lijst van uitgaande (uit-
gevoerde) oproepen.
[Ontv.]
Gebruik de modus ontvangen oproepen om een
nummer te bellen uit de lijst van ontvangen op-
roepen.
[Gemist]
Gebruik de modus gemiste gesprekken om een
nummer te bellen uit de lijst van gemiste oproe-
pen.
1. Druk op
, en selecteer [Oproep lijst].
2. Draai aan de <MENU>-knop om naar een optie te
bladeren, en druk vervolgens op <ENTER> om
deze te selecteren.
3. Scroll naar het gewenste telefoonnummer en
druk vervolgens op <ENTER>, of druk op
om het nummer te bellen.
Tweede inkomende oproep
Wanneer er een tweede oproep binnenkomt wordt
dat op het display aangegeven. Selecteer het picto-
gram
om het gesprek aan te nemen en het hui-
dige gesprek in de wacht te zetten.
Selecteer
door aan <MENU> te draaien en op
<ENTER> te drukken om de tweede inkomende op-
roep te weigeren. Als u dit doet tijdens het gesprek
wordt het gesprek beëindigd.
Selecteer de
-toets door de <MENU>-knop te
gebruiken en op <ENTER> te drukken om te scha-
kelen tussen de twee telefoongesprekken.
(Voor de andere opties, zie Bellen uit het telefoon-
boek, eerder in dit hoofdstuk)
192 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
Algemene instellingen
Selecteer in het telefoonmenu [Telefoon sett.]
Via dit menu is het mogelijk het volume in te stellen
en handmatig het telefoonboek te downloaden.
Menubediening:
Druk op <ENTER> om te selecteren en draai de
<MENU>-knop om het volume te verhogen of verla-
gen.
Druk op <ENTER> om te bevestigen.
Menuopties:
[Volume]
[Beltoon]
Stel het volume van de beltoon in
[Oproep]
Stel het volume van het gesprek in tijdens
een gesprek.
[Beltoon]
[Auto]
Kies de beltoon voor de auto.
[Telefoon]
Kies de beltoon voor de telefoon.
[PB downl.]
Download het telefoonboek handmatig van het
mobiele apparaat naar het audiosysteem.
STUURWIELSCHAKELAARS (indien
van toepassing)
Knop volume omlaag
Knop volume omhoog
Telefoonknop
Knop voor beëindigen/weigeren oproep
De handsfree modus kan worden bediend met de
schakelaars op het stuurwiel.
Knop volume omlaag
Druk op de knop volume omlaag om het volume uit
de luidsprekers lager te zetten.
Knop volume omhoog
Druk op de knop volume omhoog om het volume
uit de luidsprekers hoger te zetten.
Telefoonknop
Met de -telefoonknop kunt u:
Een inkomend gesprek accepteren door een-
maal in te drukken.
Het laatst uitgaande nummer opnieuw bellen
door de knop langer dan 2 seconden ingedrukt
te houden.
Knop voor beëindigen oproep
Weiger een inkomend gesprek door op te
drukken wanneer er gebeld wordt.
Beëindig een telefoongesprek door eenmaal op
te drukken.
NAA1436
Display, ver warming en airconditioning, en audiosysteem 193
NOTITIES
194 Display, verwarming en airconditioning, en audiosysteem
5 Starten en rijdenStarten en rijden
Inrijden ................................................................................................................. 197
Voordat u de motor start ...................................................................... 197
Voorzorgsmaatregelen bij starten en rijden........................... 197
Uitlaatgas (koolmonoxide)............................................................ 198
AdBlue® Selectief Katalytisch Reductiesysteem
(SCR)............................................................................................................... 198
Roetfilter (DPF - Diesel Particulate Filter) (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 202
Automatische regeneratie............................................................ 203
Voorzorgsmaatregelen bij rijden op de weg en
terreinrijden...................................................................................................... 203
Voorzorgsmaatregelen voor veilig rijden.......................... 203
Turbocompressorsysteem ................................................................... 205
Tips voor het rijden met uw auto .................................................... 206
Opwarmfase van de motor.......................................................... 206
Bagage laden.......................................................................................... 206
Rijden in regenachtig weer .......................................................... 206
Rijden in winterweer.......................................................................... 206
Contactschakelaar (modellen zonder
afstandsbedieningsleutelsysteem)................................................ 206
Handgeschakelde versnellingsbak (MT)............................. 206
Automatische versnellingsbak (AT)........................................ 207
Sleutelstanden....................................................................................... 207
Stuurslot..................................................................................................... 207
Contactdrukknop (modellen met
afstandsbedieningsleutelsysteem)................................................ 208
Voorzorgsmaatregelen bij bediening van de
contactdrukknop................................................................................. 208
Afstandsbedieningsleutelsysteem......................................... 208
Automatische versnellingsbak (AT)........................................ 208
Stuurslot..................................................................................................... 209
Contactschakelaarstanden......................................................... 209
Lege batterij van de afstandsbedieningsleutel ............ 210
De motor starten (modellen zonder
afstandsbedieningsleutelsysteem)................................................ 211
De motor starten (modellen met
afstandsbedieningsleutelsysteem)................................................ 211
Rijden met het voertuig .......................................................................... 212
Rijden met automatische versnellingsbak (AT)............. 212
Rijden met handgeschakelde versnellingsbak
(MT)................................................................................................................. 215
Stop/Start-systeem (indien aanwezig)....................................... 216
Weergave van Stop/Start-systeem ....................................... 217
OFF-schakelaar voor Stop/Start-systeem....................... 219
Vierwielaandrijving (4WD) (indien aanwezig).......................... 219
Part-time 4WD-systeem ................................................................. 220
Bediening van de 4WD-modusschakelaar ....................... 223
Controlelampje 4WD-modus ...................................................... 224
4WD-waarschuwing .......................................................................... 224
Aanbevolen banden voor vierwielaandrijving............... 225
Blokkeersysteem achterdifferentieel (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 226
Electronic Stability Programme (ESP) (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 227
Trailer Sway Assist (TSA) (indien aanwezig)..................... 228
Electronic Stability Programme (ESP)
OFF-schakelaar..................................................................................... 228
Active Emergency Braking-systeem (indien
aanwezig) .......................................................................................................... 229
Werking van het systeem .............................................................. 229
Hill Descent Control (indien aanwezig)........................................ 231
Hill Descent Control-schakelaar............................................... 232
Hill Start Assist-systeem (indien aanwezig)............................. 232
Cruise control (indien aanwezig) ..................................................... 233
Voorzorgsmaatregelen bij cruise control.......................... 233
Cruise control bedienen ................................................................. 234
Snelheidsbegrenzer (indien aanwezig) ....................................... 235
De snelheidsbegrenzer bedienen ........................................... 236
ECO-rapport .................................................................................................... 237
Parkeren.............................................................................................................. 238
Parkeersensorsysteem (sonar) (indien aanwezig).............. 239
Parkeersensorsysteem (sonar) UIT-schakelaar............ 240
Instellingen parkeersensorsysteem (sonar).................... 241
Rijden met aanhangwagen.................................................................. 241
Voorzorgsmaatregelen voor het rijden met
een aanhangwagen .......................................................................... 241
Bandenspanning ................................................................................. 242
Veiligheidskettingen.......................................................................... 242
Remmen van de aanhangwagen............................................ 242
Aanhangwagendetectie (indien aanwezig) .................... 242
Beveiliging van het voertuig................................................................ 242
Stuurbekrachtiging .................................................................................... 243
Remsysteem.................................................................................................... 243
Voorzorgsmaatregelen tijdens het remmen.................. 243
Antiblokkeerremsysteem (ABS) ................................................ 244
Rijden in winterweer.................................................................................. 245
Accu ............................................................................................................... 245
Motorkoelvloeistof.............................................................................. 245
Banden ........................................................................................................ 245
Speciale winteruitrusting .............................................................. 245
Parkeerrem............................................................................................... 245
Roestpreventie ...................................................................................... 246
Neem gedurende de eerste 1.600 km (1.000 mijl) de
volgende adviezen in acht om een lange levensduur
en een laag brandstofverbruik van de auto te ga-
randeren. Volgt u deze aanbevelingen niet dan kan
dit de levensduur van uw motor bekorten en de
prestaties van de motor verminderen.
Rijd niet te lang op dezelfde snelheid (langzaam
of snel), maar varieer de snelheid.
Laat de motor niet draaien boven 4.000 omw/
min.
Accelereer niet op volle kracht, in welke versnel-
ling dan ook.
Trek niet te snel op.
Vermijd bruusk remmen zo veel mogelijk.
Sleep geen aanhangwagen, tenminste niet ge-
durende de eerste 800 km (500 mijl).
WAARSCHUWING
De rijeigenschappen van uw auto kunnen sterk
beïnvloed worden door eventuele extra lading en
de verdeling daarvan en door sommige extra
voorzieningen (trekhaak voor aanhangwagen,
dakrail, e.d.). U moet uw rijstijl en snelheid aan-
passen aan de omstandigheden. Beperk uw snel-
heid vooral tijdens het vervoeren van een zware
lading.
Controleer of het terrein rond de auto vrij is van
obstakels.
Controleer het vloeistofpeil van motorolie, koel-
vloeistof, remvloeistof (en koppelingsvloeistof),
ruitensproeiervloeistof e.d. zo regelmatig moge-
lijk, tenminste iedere keer dat u tankt.
Controleer de buitenkant en de staat van de
banden. Controleer en meet ook de banden-
spanning.
Controleer of alle ruiten en lampen voldoende
schoon zijn.
Verstel de stoel en stel de hoofdsteun goed in.
Zet de buitenspiegels en de achteruitkijkspiegel
in de goede stand.
Maak uw veiligheidsgordel vast en verzoek alle
passagiers hetzelfde te doen.
Controleer of alle portieren gesloten zijn.
Controleer de werking van de waarschuwings-
lampjes wanneer de contactschakelaar op “ON”
wordt gezet.
De onderhoudspunten uit hoofdstuk “8. Onder-
houd en doe-het-zelf moeten regelmatig wor-
den gecontroleerd.
WAARSCHUWING
Laat kinderen en hulpbehoevende volwasse-
nen nooit alleen in uw auto achter. Laat ook
geen huisdieren onbewaakt achter.Zij kunnen
zonder het te weten schakelaars of bedienin-
gen activeren, of de auto verplaatsen en on-
bedoeld betrokken rakenin een ongeval waar-
bij ze letsel kunnen oplopen. Bij warm en zon-
nig weer kan de temperatuur in een
afgesloten voertuig al snel zo hoog oplopen
dat mensen of huisdieren ernstig of zelfs do-
delijk letsel kunnen oplopen.
Maak de bagage goed vast om te voorkomen
dat deze heen en weer glijdt of schuift. Zorg
ervoor dat de lading niet boven de rugleunin-
gen uitsteekt. Bij plotseling remmen of bij een
ongeval kan losse lading lichamelijk letsel
veroorzaken.
OPMERKING
Als u tijdens de eerste paar maanden na de aan-
schaf van een nieuwe auto de sterke geur ruikt
van vluchtige organische stoffen (VOC, Volatile
Organic Compounds) in de auto, moet u het inte-
rieur grondig ventileren. Open alle ramen voordat
u in de auto stapt of als u al in de auto zit. Wan-
neer bovendien de temperatuur in het interieur
stijgt, of de auto staat gedurende een bepaalde
tijd geparkeerd in direct zonlicht, zet de luchtre-
circulatiefunctie van de airconditioning dan uit
en/of open de ramen om ervoor te zorgen dat er
voldoende frisse lucht het interieur binnenkomt.
INRIJDEN VOORDAT U DE MOTOR START VOORZORGSMAATREGELEN BIJ
STARTEN EN RIJDEN
Starten en rijden 197
UITLAATGAS (koolmonoxide)
WAARSCHUWING
Vermijd het inademen van uitlaatgassen;deze
bevatten koolmonoxide, een kleur- en reuk-
loos gas. Koolmonoxide is gevaarlijk. Het kan
bewusteloosheid en zelfs de dood veroorza-
ken.
Als u vermoedt dat uitlaatgassen het interieur
binnendringen, moet u met alle ramen open
gaan rijden en de auto zo snel mogelijk na la-
ten kijken.
Laat de motor niet in afgesloten ruimten
draaien, zoals in een garage.
Parkeer de auto nooit voor langere tijd met
draaiende motor.
Wanneer elektrische bedrading of andere ka-
belaansluitingen naar een aanhangwagen
moeten lopen via de carrosserie, volgt u de
aanwijzingen van de fabrikant om te voorko-
men dat koolmonoxide de auto binnenkomt.
Indien een speciale carrosserie of een andere
uitrusting is toegevoegd, volg dan de aanwij-
zingen van de fabrikant om te voorkomen dat
er koolmonoxide in het interieur komt. (Som-
mige voertuigsystemen zoals verwarmings-
elementen, koelkasten, kookgerei,e.d. kunnen
ook koolmonoxide genereren.)
Het uitlaatsysteem en de carrosserie moeten
worden nagekeken door een erkend monteur
telkens wanneer:
De auto voor onderhoud op de hefbrug
staat.
Als u vermoedt dat uitlaatgassen in het in-
terieur worden gezogen;
Als u een abnormaal geluid hoort in het
uitlaatsysteem;
U een aanrijding hebt gehad waarbij het
uitlaatsysteem, onderstel of achterste van
de auto werd beschadigd.
AdBlue® SELECTIEF KATALYTISCH
REDUCTIESYSTEEM (SCR)
AdBlue®, of Diesel Exhaust Fluid (DEF) is een niet gif-
tige en veilige hoogzuivere ureumoplossing van
32,5% in gedemineraliseerd water. Deze vloeistof
wordt in het uitlaatsysteem van dieselvoertuigen
ingespoten om zo een chemische reactie te veroor-
zaken waardoor de bij de verbranding gevormde
schadelijke NOx-uitstoot (stikstofoxiden) wordt om-
gezet in elementair stikstof en water. Dit systeem
wordt ook wel selectieve katalytische reductie (SCR,
Selective Catalytic Reduction) genoemd. AdBlue®
vloeistof is geen additief voor brandstof en wordt
nooit gemengd met dieselbrandstof. Het wordt al-
tijd opgeslagen in een aparte tank op het voertuig.
Het gebruik van AdBlue® is verplicht om het voer-
tuig te laten voldoen aan het afgegeven certificaat
van overeenstemming.
Het vriespunt van AdBlue® ligt onder -11°C (12°F). Als
u vaak in gebieden rijdt waar de temperatuur lager
is dan -11°C (12°F), dient de AdBlue®-tank altijd aan
het begin van het koude seizoen te worden bijge-
vuld met AdBlue®-vloeistof om er zeker van te zijn
dat er genoeg ontdooiingscapaciteit is tijdens het
verwarmen.
AdBlue®-status
U kunt het niveau van de AdBlue®-vloeistof in de
tank of de status van een systeemstoring controle-
ren via de optie [Onderhoud] in het menu [Instellin-
gen] op het voertuiginformatiedisplay, zie
“Instellingen” in hoofdstuk “2. Instrumenten en be-
dieningen”.
Als u in geval van een systeemstoring de optie [Ad-
Blue Status] selecteert, zal de waarschuwing [Ad-
Blue storing] getoond worden, zie “AdBlue®-storing”
verderop in dit hoofdstuk.
Als er geen storingen zijn, zal een van de volgende
meldingen getoond worden, afhankelijk van het
vloeistofniveau in de tank en of uw display is inge-
steld op km/u of MPH:
NIC3530
198 Starten en rijden
Als het resterende bereik minder is dan 800 km
(500 mijl) zal het statusbericht een schatting geven
van het resterende aantal kilometers (mijl).
AdBlue®-waarschuwingsdisplay
Als het niveau van de AdBlue®-vloeistof in de tank
laag is of als er een storing is in het AdBlue® SCR-
systeem, zal een waarschuwingsbericht op het
voertuiginformatiedisplay verschijnen.
AdBlue® bijvullen:
Zie voor informatie over het bijvullen van de Ad-
Blue®-tank, “AdBlue®-vulklep en -dop” in hoofdstuk
“3. Alvorens te gaan rijden” en “AdBlue®-tank (indien
aanwezig voor model met dieselmotor)” in hoofd-
stuk “8. Onderhoud en doe-het-zelf”.
Zie voor de capaciteit van de AdBlue®-tank, “Aanbe-
volen vloeistoffen/smeermiddelen en inhouds-
maten” in hoofdstuk “9. Technische informatie”.
OPMERKING
AdBlue® bevriest bij zeer lage temperaturen (–11°C
(12°F)). Onder zeer koude omstandigheden signa-
leert het systeem mogelijk niet dat het is bijge-
vuld en zal daarom de waarschuwing [AdBlue
nivo laag] blijven tonen. Het waarschuwingsbe-
richt zal verdwijnen wanneer de inhoud van de
AdBlue®-tank ontdooid is.
Deze waarschuwing verschijnt en een geluidssig-
naal klinkt wanneer het niveau van de AdBlue®-
vloeistof in de tank laag is. Het bericht wordt weer-
gegeven telkens als de motor gestart wordt, wan-
neer de resterende afstand die kan worden
afgelegd voordat de AdBlue®-tank leeg is geschat
wordt tussen 1200 en 800 km (750 en 500 mijl). Het
bericht kan van het display gewist worden tot de
eerstvolgende keer dat de motor gestart wordt,
NIC3532 NIC3532
Situatie A
Starten en rijden 199
waarna het opnieuw zal verschijnen zonder
geluidssignaal en gedurende 6 seconden weerge-
geven zal blijven.
Vul de AdBlue®-tank zo snel mogelijk bij.
Deze waarschuwing geeft u een schatting van de
resterende afstand (0 tot 800 km (0 tot 500 mijl))
die kan worden afgelegd voordat de AdBlue®-tank
leeg is. Het bericht kan van het display gewist wor-
den tot de eerstvolgende keer dat de motor op-
nieuw gestart wordt, waarna het opnieuw zal ver-
schijnen en gedurende 6 seconden weergegeven
zal blijven.De waarschuwing verschijnt ook met tus-
senpozen van 100 km (62 miijl) (of 50 km (31 mijl) na
200 km (124 mijl) te hebben gereden) volgend op de
eerste waarschuwing (700/600/500/400/300/
200/150/100/50 km) (435/373/311/249/186/124/
93/62/31 mijl). Het AdBlue®-waarschuwingslampje
zal ook oplichten.
OPMERKING
Als de waarschuwing [AdBlue nivo laag] wordt
weergegeven, moet de AdBlue®-tank bij de
eerstvolgende gelegenheid volledig worden
bijgevuld. Hier kan wel 17,5 liter voor nodig zijn.
Het toevoegen van kleine hoeveelheden Ad-
Blue® is waarschijnlijk niet voldoende om alle
waarschuwingen van het display te laten ver-
dwijnen.
Het niet bijvullen van AdBlue® wanneer de
waarschuwing wordt weergegeven zal uitein-
delijk leiden tot een situatie waarin de motor
niet meer gestart kan worden. Vul in dit geval
de AdBlue®-tank volledig bij. Waarschuwingen
op het voertuiginformatiedisplay zullen u op
de hoogte brengen om deze situatie te ver-
mijden.
Rijomstandigheden (aanhangwagen slepen,
rijstijl, enz.) beïnvloeden het verbruik van Ad-
blue®.
Zie voor informatie over het bijvullen van de Ad-
Blue®-tank, “AdBlue®-vulklep en -dop” in hoofdstuk
“3. Alvorens te gaan rijden” en “AdBlue®-tank (indien
aanwezig voor model met dieselmotor)” in hoofd-
stuk “8. Onderhoud en doe-het-zelf”.
Het AdBlue®-waarschuwingslampje
zal ook
constant aan en uit knipperen en een geluidssig-
naal zal klinken.
Deze waarschuwing verschijnt wanneer de
AdBlue®-tank bijna leeg is. Vul de AdBlue®-tank zo
snel mogelijk bij.
OPMERKING
Als deze waarschuwing verschijnt terwijl de
motor draait, kan de auto nog wel naar de
dichtstbijzijnde erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf gereden worden.
Als langer dan 3 minuten na weergave van
deze waarschuwing de contactschakelaar in
de OFF-stand wordt gezet (de motor is afge-
zet), zal de motor niet opnieuw gestart kun-
nen worden totdat AdBlue® is bijgevuld. Neem
indien nodig contact op met een erkende
dealer, een gekwalificeerd garagebedrijf of de
wegenwacht.
NIC3534
Situatie B
NIC3535
Situatie C
200 Starten en rijden
Zet na het bijvullen van de AdBlue®-tank met de
contactschakelaar op OFF de contactschakelaar in
de ON-stand en controleer of de waarschuwing is
uitgegaan. Start vervolgens de motor.
AdBlue®-storing:
Wanneer de waarschuwing [AdBlue storing]
verschijnt, zullen het AdBlue®-waarschuwings-
lampje
en/of het motorstoringslampje (MIL)
wellicht ook gaan branden afhankelijk van de
omstandigheden.
De waarschuwingen [AdBlue storing] kunnen ook
worden bekeken via de optie [AdBlue Status] van
het menu [Instellingen] > [Onderhoud]. Zie
“Instellingen” in hoofdstuk “2. Instrumenten en be-
dieningen”.
Deze waarschuwing verschijnt en een geluidssig-
naal klinkt in geval van een storing in het AdBlue®
SCR-systeem. Het bericht wordt weergegeven tel-
kens als de motor gestart wordt, wanneer de reste-
rende afstand die kan worden afgelegd voordat het
AdBlue® SCR-systeem geïnspecteerd en/of gerepa-
reerd moet worden geschat wordt tussen 850 en
800 km (530 en 500 mijl). Het bericht kan van het
display gewist worden tot de eerstvolgende keer
dat de motor gestart wordt, waarna het opnieuw
zal verschijnen zonder geluidssignaal en gedurende
6 seconden weergegeven zal blijven.
Laat het systeem zo snel mogelijk nakijken door een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Deze waarschuwing geeft u een schatting van de
afstand (0 tot 800 km (0 tot 500 mijl)) die kan wor-
den afgelegd voordat het AdBlue® SCR-systeem
geïnspecteerd en/of gerepareerd moet worden. Dit
NIC3841
Situatie A
NIC3537
Situatie B
Starten en rijden 201
bericht kan van het display worden gewist totdat
de motor weer gestart wordt, waarbij het opnieuw
zal verschijnen. De waarschuwing verschijnt ook
met tussenpozen van 100 km (62 miijl) (of 50 km
(31 mijl) na 200 km (124 mijl) te hebben gereden) vol-
gend op de eerste waarschuwing (700/600/500/
400/300/200/150/100/50 km) (435/373/311/249/
186/124/93/62/31 mijl). Het AdBlue®-waarschu-
wingslampje
en het motorstoringslampje (MIL)
zullen ook oplichten.
Het AdBlue®-waarschuwingslampje
zal ook
constant aan en uit knipperen, het motorstorings-
lampje (MIL)
zal oplichten en een geluidssig-
naal zal klinken.
OPMERKING
Als deze waarschuwing verschijnt terwijl de
motor draait, kan de auto nog wel naar de
dichtstbijzijnde erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf gereden worden.
Als langer dan 3 minuten na weergave van
deze waarschuwing de contactschakelaar in
de OFF-stand wordt gezet (de motor is afge-
zet), zal de motor niet opnieuw gestart kun-
nen worden. Neem indien nodig contact op
met een erkende dealer, een gekwalificeerd
garagebedrijf of de wegenwacht.
Laat het AdBlue® SCR-systeem zo snel mogelijk
controleren en/of repareren door een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
WAARSCHUWING
Zorg dat u zich niet brandt aan de uitlaatgas-
sen.
Parkeer het voertuig nooit boven brandbaar
materiaal zoals droog gras, oud papier of vod-
den, aangezien deze makkelijk vlamvatten.
LET OP
Om een optimale werking van het roetfilter (DPF)
te behouden moet u de volgende voorzorgs-
maatregelen in acht nemen:
Gebruik brandstof met laag zwavelgehalte.
Gebruik een door RENAULT voorgeschreven
motorolie. (Raadpleeg het Onderhoudsboekje
van uw voertuig.) Het gebruik van een niet
door RENAULT voorgeschreven motorolie kan
een storing in het roetfilter of verhoogd
brandstofverbruik veroorzaken.
Breng geen wijzigingen aan in het roetfilter,
de uitlaatdemper of de uitlaatpijp. Dit zou an-
ders de werking van het roetfilter (DPF) kun-
nen beïnvloeden en een storing veroorzaken.
Trap of stoot niet tegen het roetfilter. Het roet-
filter heeft een ingebouwd katalysatorsys-
teem in de uitlaatdemper. Een dergelijke
schok kan het roetfilter beschadigen.
Het roetfilter (DPF) vermindert de hoeveelheid mi-
lieuvervuilende stoffen doordat het roetdeeltjes in
de uitlaatgassen opvangt. Roetdeeltjes die in het
roetfilter zijn opgevangen worden normaliter
tijdens het rijden automatisch verbrand en omge-
NIC3538
Situatie C
ROETFILTER (DPF - DIESEL
PARTICULATE FILTER) (indien
aanwezig)
202 Starten en rijden
zet in ongevaarlijke stoffen. Echter, onder de vol-
gende omstandigheden kan roet in het roetfilter
niet verbrand worden:
Als de snelheid lange tijd onder 15 km/u (10 MPH)
blijft.
Als de motor regelmatig afgezet en weer gestart
wordt binnen 10 minuten.
Als de auto regelmatig gebruikt wordt voor korte
ritten van 10 minuten of korter.
Als de motor regelmatig wordt afgezet voordat
hij is opgewarmd.
In deze gevallen wordt het moeilijk om roetdeeltjes
die zich in het roetfilter hebben opgehoopt auto-
matisch te verbranden. Daardoor zal het waarschu-
wingslampje voor het roetfilter gaan branden op
het dashboard, terwijl het controlelampje op de
schakelaar voor regeneratie van het roetfilter zal
gaan knipperen. Dit is geen storing.
Als het waarschuwingslampje voor het roetfilter
gaat branden, moet u het regeneratieproces voor
het roetfilter uitvoeren.
LET OP
Als er doorgereden wordt met het waarschu-
wingslampje voor het roetfilter aan en zonder re-
generatie uit te voeren, zal de noodloopfunctie
het motortoerental en/of -koppel beperken. In dit
geval moet de motorolie worden ververst en
moet de serviceregeneratie worden uitgevoerd
door een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf.
De serviceregeneratie wordt niet gedekt door de
garantie.
AUTOMATISCHE REGENERATIE
Wanneer het waarschuwingslampje voor het DPF
gaat branden, betekent dit dat er in het DPF deeltjes
zijn opgevangen tot de opgegeven limiet. De deel-
tjes die in het DPF worden opgevangen, kunnen niet
worden verbrand wanneer de auto langzaam rijdt.
Rijd wanneer dit veilig is zo snel mogelijk met een
hogere snelheid (sneller dan ongeveer 80 km/u
(50 MPH)) totdat het roetfilterwaarschuwings-
lampje uitgaat. Neem altijd de lokale voorschriften
in acht.
Wanneer de opgevangen roetdeeltjes volledig zijn
verbrand, gaat het waarschuwingslampje voor het
roetfilter weer uit.
Voertuigen van het type pickup kantelen
aanzienlijk sneller dan andere soorten voertui-
gen.
Ze beschikken over een grotere bodemvrijheid dan
personenauto's, waardoor ze gebruikt kunnen wor-
den in uiteenlopende toepassingen op de weg en in
open terrein. Hierdoor krijgen ze een hoger zwaar-
tepunt dan gewone auto's. Een direct voordeel van
deze hogere bodemvrijheid is een beter zicht op de
omgeving, waardoor de bestuurder problemen kan
voorzien. De auto is er echter niet op gebouwd om
bochten te nemen met dezelfde snelheid als een
gewone personenauto, net zoals een laag
gebouwde sportwagen ook niet geschikt is voor
terreinrijden. Vermijd plotselinge stuurmanoeuvres
en scherpe bochten zoveel mogelijk, vooral bij hoge
snelheden. Net als bij andere auto's van dit soort
kan het verkeerd bedienen controleverlies of om-
slaan tot gevolg hebben.
Raadpleeg voor informatie over het rijden met vier-
wielaandrijving (4WD) (indien aanwezig) “Vierwie-
laandrijving (4WD) (indien aanwezig)” verderop in dit
hoofdstuk.
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR
VEILIG RIJDEN
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
WAARSCHUWING
Rijd voorzichtig op open terrein en vermijd ge-
vaarlijke plekken. De bestuurder of elke an-
dere inzittende moet tijdens het rijden altijd
de veiligheidsgordel vastgemaakt hebben.
Hierdoor zal iedereen goed blijven zitten tij-
dens het rijden door een ruig gebied.
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ
RIJDEN OP DE WEG EN
TERREINRIJDEN
Starten en rijden 203
Rijd niet overdwars langs steile hellingen. Het
is beter om in een rechte lijn een helling op of
af te rijden. Terreinwagens kantelen namelijk
gemakkelijker dan dat ze over de kop slaan.
Veel hellingen zijn voor de meeste auto's te
steil. Als u zo'n helling oprijdt, komt de auto
mogelijk stil te staan. Rijdt u zo'n helling af,
dan kan het gebeuren dat u geen controle over
de snelheid kunt houden. Als u overdwars over
zo'n helling rijdt, kan de auto kantelen.
Schakel niet naar een andere versnelling wan-
neer u van een steile helling naar beneden
rijdt. U kunt dan de macht over het stuur ver-
liezen.
Let goed op tijdens het rijden naar de top van
de helling. Aangekomen bij de top kan er een
ravijn zijn of een andere gevaarlijke situatie
waardoor u een ongeluk kunt krijgen.
Als de motor stopt of als u de top van een steile
helling niet kunt halen, probeer dan nooit om
te draaien. Uw auto zou dan kunnen kantelen
of over de kop slaan. Rijd altijd achteruit en
recht naar beneden in de achteruitversnelling
(R). Rijd nooit achteruit in N (vrij) of met de kop-
peling ingetrapt (model met handgescha-
kelde versnellingsbak) door alleen de rem te
gebruiken, want dan kan u de macht over de
auto verliezen.
Door continu hard te remmen bij het afdalen
van een helling kunnen de remmen oververhit
en versleten raken waardoor u de macht over
het stuur kunt verliezen en een ongeluk kunt
veroorzaken.Trap het rempedaal licht in en zet
de keuzehendel in een lage versnelling om de
snelheid onder controle te houden.
Bagage die niet is bevestigd, kan door de auto
geslingerd worden tijdens het rijden over on-
begaanbaar terrein. Bevestig de bagage goed
zodat deze niet naar voren kan worden geslin-
gerd en letsel kan veroorzaken aan uzelf of uw
passagiers.
Om te voorkomen dat het zwaartepunt te
hoog komt te liggen dient u ervoor te zorgen
dat de aangegeven capaciteit van de dakrail
(indien aanwezig) niet wordt overschreden en
de bagage gelijk verdeeld wordt. Zet zware
bagage zo ver mogelijk naar voren en zo laag
mogelijk vast in de bagageruimte. Monteer
geen banden groter dan gespecificeerd in
deze handleiding. Dit kan ertoe leiden dat de
auto over de kop slaat.
Bij terreinrijden is het onverstandig het stuur-
wiel aan de binnenzijde of aan de spaken vast
te houden. Als via de wielen een plotselinge
ruk naar het stuurwiel wordt overgebracht,
kunt u uw handen verwonden. Leg vingers en
duim daarom tegen de buitenrand van het
stuurwiel.
Maak voor het rijden uw veiligheidsgordel vast
en vraag eventuele passagiers hetzelfde te
doen.
Zorg dat de vloermatten tijdens het rijden op
hun plaats blijven liggen omdat de vloer heet
kan worden.
Verminder de snelheid bij sterke zijwind. Door
het hoge zwaartepunt, is uw voertuig gevoeli-
ger voor sterke zijwinden. Bij een lage snel-
heid behoudt u gemakkelijker de macht over
het stuur.
Rijd volgens de bandenspecificatie, zelfs met
de vierwielaandrijving ingeschakeld.
Probeer niet twee wielen van de grond te hef-
fen en de versnellingsbak in een voor- of ach-
teruitrijstand te zetten met een draaiende
motor. Dit kan schade aan de aandrijflijn toe-
brengen of een onver wachte beweging ver-
oorzaken wat kan leiden tot ernstige schade
aan de auto of personen.
Probeer een 4WD-auto niet op een tweewiel-
vermogenstestbank of vergelijkbare uitrus-
ting te testen, ook al zijn de andere twee wie-
len van de grond gelicht. Breng de medewer-
kers op de hoogte van het feit dat uw auto is
uitgerust met 4WD, voordat het wordt
geplaatst op een vermogenstestbank. Het ge-
bruik van de verkeerde testuitrusting kan
schade aan de aandrijflijn toebrengen of een
onverwachte beweging veroorzaken wat kan
leiden tot ernstige schade aan de auto of per-
sonen.
Laat een wiel dat van de grond is gelicht van-
wege een oneffen oppervlak niet overmatig
draaien.
Als u plotseling snel accelereert, scherpe
stuurmanoeuvres uitvoert of abrupt remt
kunt u de macht over het stuur verliezen.
Vermijd indien mogelijk manoeuvres in
scherpe bochten, vooral bij hoge snelheden.
Uw auto heeft een hoger zwaartepunt dan een
gewone personenauto. De auto is niet bedoeld
204 Starten en rijden
voor bochtenwerk met dezelfde snelheden als
gewone personenauto's. Wanneer u deze auto
niet op de juiste wijze bedient, kunt u de con-
trole verliezen en/of een aanrijding veroorza-
ken.
Zorg ervoor dat alle vier de banden dezelfde
maat hebben, van hetzelfde merk zijn en de-
zelfde constructie (diagonaal, diagonaalgor-
del of radiaal) en hetzelfde profiel hebben.
Monteer sneeuwkettingen op de achterwielen
wanneer u op gladde wegen rijdt. Rijd voor-
zichtig onder deze omstandigheden.
Vergeet nooit de remmen onmiddellijk te con-
troleren nadat u door modder of water bent
gereden. Zie “Remsysteem” verderop in dit
hoofdstuk voor natte remmen.
Parkeer uw auto niet op een steile helling. Als
bij het uitstappen de auto kantelt, zou u ge-
wond kunnen raken.
Wanneer er tijdens het terreinrijden zand,
modder of water tot aan de wielnaaf komt, kan
het nodig zijn vaker onderhoud te verrichten.
Raadpleeg de onderhoudsinformatie die be-
schreven staat in het aparte Onder-
houdsboekje.
Spoel de onderkant van de auto af met schoon
water nadat u door zand of modder heeft ge-
reden. Verwijder alle takken of planten die
vastzitten.
De turbocompressor gebruikt motorolie als smeer-
en koelmiddel voor de roterende onderdelen. De
turbine van de turbocompressor draait met
extreem hoge snelheden en kan uiterst hoge tem-
peraturen bereiken. Het is dan ook zeer belangrijk
dat er continu schone olie naar de turbocompres-
sor wordt geleid. Door een plotselinge onderbreking
van de olietoevoer zou de turbocompressor defect
kunnen raken.
Om de prestaties en de levensduur van de turbo-
compressor te waarborgen, is het hoofdzaak om de
volgende onderhoudsprocedure op te volgen:
LET OP
Ververs de motorolie van de turbodieselmotor
zoals wordt voorgeschreven. Raadpleeg het
apart meegeleverde Onderhoudsboekje voor
meer informatie.
Gebruik alleen de aanbevolen motorolie.
Raadpleeg voor informatie het Onder-
houdsboekje van uw voertuig.
Wanneer de motor gedurende een langere pe-
riode met een hoog toerental heeft gedraaid,
laat de motor dan eerst enkele minuten sta-
tionair draaien voordat u hem uitschakelt.
Laat de motor meteen na het starten niet met
een te hoog toerental draaien.
Wanneer de motor gestart wordt bij een bui-
tentemperatuur van onder de -5°C (23°F), kan
de beschermingsmodus van de motor geacti-
veerd worden. Zolang deze modus geacti-
veerd is zal het vermogen van de motor ver-
minderd zijn. De beschermingsmodus van de
motor wordt automatisch uitgeschakeld na
maximaal 3 minuten (mits het gaspedaal vol-
ledig losgelaten is).
TURBOCOMPRESSORSYSTEEM
Starten en rijden 205
Veiligheid en rijcomfort zijn afhankelijk van de wijze
waarop de automobilist zich aanpast aan de om-
standigheden op de weg. Als bestuurder moet u
weten hoe u optimaal op de gegeven omstandig-
heden kunt reageren.
OPWARMFASE VAN DE MOTOR
Het toerental ligt bij een koude motor hoger waar-
door u tijdens de opwarmfase na het starten extra
voorzichtig moet zijn wanneer u een versnelling se-
lecteert.
BAGAGE LADEN
De belading en diens verdeling en de bevestiging
van de uitrusting (zoals daktransportsystemen,
enz.) hebben veel invloed op de rij-eigenschappen
van de auto. U moet uw rijstijl en snelheid aanpas-
sen aan de omstandigheden.
RIJDEN IN REGENACHTIG WEER
Vermijd snel accelereren of plots stoppen.
Vermijd het nemen van scherpe bochten en het
plotseling wisselen van rijstrook.
Rijd niet te dicht achter de auto voor u.
Wees vooral voorzichtig wanneer zich een zichtbaar
laagje water op de weg heeft gevormd, zoals plas-
sen, stroompjes water e.d. Verminder dan snelheid
om aquaplaning te voorkomen. Aquaplaning is een
verschijnsel waarbij de auto kan gaan slippen en
volkomen onbestuurbaar worden. Versleten ban-
den verhogen dit risico.
RIJDEN IN WINTERWEER
Rijd voorzichtig.
Vermijd snel accelereren of plots stoppen.
Vermijd het nemen van scherpe bochten en het
plotseling wisselen van rijstrook.
Vermijd plotselinge stuurmanoeuvres.
Rijd niet te dicht achter de auto voor u.
WAARSCHUWING
Haal de sleutel nooit uit de contactschakelaar en
draai de contactschakelaar nooit naar de
<LOCK>-stand tijdens het rijden. Het stuurwiel zal
dan blokkeren. Ernstige schade aan de auto of
persoonlijk letsel kan hiervan het gevolg zijn.
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK (MT)
De schakelaar bevat een antidiefstal stuurvergren-
delingsinrichting.
De contactsleutel kan alleen uit de contactschake-
laar worden gehaald wanneer de schakelaar in de
<LOCK> gewone parkeerstand (0) is gedraaid.
Er bevindt zich een “OFF”-stand
tussen de
<LOCK>-stand en de <ACC>-stand, hoewel deze
niet is aangegeven op de slotcilinder.
Haal de sleutel uit de contactschakelaar om het
stuurwiel te vergrendelen. Draai de sleutel voor-
zichtig in het contactslot terwijl u het stuur rustig
heen en weer beweegt om het te ontgrendelen.
SSD0392Z
TIPS VOOR HET RIJDEN MET UW
AUTO
CONTACTSCHAKELAAR
(modellen zonder afstandsbe-
dieningsleutelsysteem)
206 Starten en rijden
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
(AT)
Er is een “OFF”-stand
tussen de <LOCK>-stand
en de <ACC>-stand, ook al wordt deze niet aange-
geven op de contactschakelaar.
Het contactslot is zodanig ontworpen dat de con-
tactschakelaar alleen in de <LOCK>-stand kan wor-
den gezet nadat de schakelhendel in de P-stand
(parkeren) is gezet. Wanneer u de contactschake-
laar naar de <LOCK>-stand draait om de sleutel er-
uit te halen, zorg er dan voor dat de schakelhendel
in de P-stand (parkeren) staat.
Wanneer de contactschakelaar niet naar de
<LOCK>-stand kan worden gedraaid:
1. Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
2. Draai de contactschakelaar lichtjes naar de
<ON>-stand.
3. Zet de contactschakelaar in de <LOCK>-stand.
4. Verwijder de contactsleutel.
Indien de contactschakelaar in de <LOCK>-stand is
gezet, kan de schakelhendel niet uit de P-stand (par-
keren) worden gehaald. De schakelhendel kan in
een andere stand worden gezet als de contactscha-
kelaar in de <ON>-stand staat en het rempedaal is
ingetrapt.
SLEUTELSTANDEN
LOCK (Gewone parkeerstand) (0):
De contactsleutel kan alleen in deze stand verwij-
derd worden.
OFF (1):
De motor kan worden afgezet zonder het stuurwiel
te vergrendelen.
ACC (accessoires) (2):
In deze stand activeert u de elektrische accessoires,
zoals de radio, wanneer de motor niet draait.
ON (gewone bedrijfsstand) (3):
In deze stand worden het contact en de elektrische
accessoires ingeschakeld.
START (4):
In deze stand wordt de motor gestart. Laat de con-
tactsleutel onmiddellijk los zodra de motor aan-
slaat. De sleutel gaat automatisch terug naar de
<ON>-stand.
STUURSLOT
Het stuurwiel blokkeren
1) Zet de contactschakelaar in de <LOCK>-stand.
2) Haal de sleutel uit de contactschakelaar.
3) Draai het stuurwiel 1/6 slag rechtsom vanuit de
rechtuitstand.
Het stuurwiel vrijgeven
1) Steek de sleutel in de contactschakelaar
2) Draai de sleutel voorzichtig in de contactschake-
laar terwijl u het stuur rustig naar links en naar
rechts beweegt.
SSD0392Z
Starten en rijden 207
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ
BEDIENING VAN DE
CONTACTDRUKKNOP
WAARSCHUWING
Gebruik de contactdrukknop niet terwijl u rijdt,
behalve in een noodsituatie. (De motor slaat af
wanneer de contactschakelaar 3 keer achter el-
kaar wordt ingedrukt of langer dan 2 seconden
ingedrukt blijft.) Het stuurwiel kan vergrendelen
en er voor zorgen dat de bestuurder de controle
over het stuur verliest. Ernstige schade aan de
auto of lichamelijk letsel kan hiervan het gevolg
zijn.
AFSTANDSBEDIENINGSLEUTEL-
SYSTEEM
Met het afstandsbedieningsleutelsysteem kuntu de
contactschakelaar bedienen zonder dat u de sleu-
tel uit uw zak of tas hoeft te halen. De gebruiksom-
geving en/of -omstandigheden kunnen de werking
van het afstandsbedieningsleutelsysteem beïn-
vloeden.
Sommige aanduidingen en waarschuwingen die
betrekking hebben op de werking worden weerge-
geven op het voertuiginformatiedisplay en/of op
het dashboard. (Zie Waarschuwingslampjes, con-
trolelampjes en geluidssignalen” in hoofdstuk “2. In-
strumenten en bedieningen” en Voertuigin-
formatiedisplay” in hoofdstuk “2. Instrumenten en
bedieningen”.)
LET OP
Zorg ervoor dat u de afstandsbedieningsleutel
bij u heeft wanneer u de auto gebruikt.
Laat de afstandsbedieningsleutel nooit in de
auto achter wanneer u de auto verlaat.
Indien de accu leeg raakt, kan de contactscha-
kelaar niet uit de LOCK-stand gehaald worden
en als het stuurslot vergrendeld is, kan er niet
aan het stuurwiel gedraaid worden. Laad de
accu zo snel mogelijk op. (Zie “Batterij van de
afstandsbedieningsleutel vervangen” in
hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-het-zelf”.)
Werkingsbereik
Alleen als de afstandsbedieningsleutel zich binnen
het aangegeven werkingsbereik
bevindt, zoals
afgebeeld, kan deze gebruikt worden om de motor
te starten.
Wanneer de batterij van de afstandsbedieningsleu-
tel bijna leeg is of als er sprake is van sterke radio-
golven in de nabijheid van de werkingslocatie, dan
wordt het werkingsbereik van de afstandsbedie-
ningsleutel kleiner en werkt de afstandsbediening-
sleutel mogelijk niet meer goed.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel zich binnen
het werkingsbereik bevindt, kan iedereen, zelfs ie-
mand die de afstandsbedieningsleutel niet bij zich
heeft, op de contactschakelaar drukken om de mo-
tor te starten.
Het gebied van de laadbak valt niet binnen het
werkingsbereik van de motorstartfunctie.
Als de afstandsbedieningsleutel op het dash-
board, in het handschoenenkastje, in de portier-
zak of in een hoek van het interieur wordt ge-
legd, werkt de afstandsbedieningsleutel moge-
lijk niet.
Als de afstandsbedieningsleutel buiten de auto
vlakbij een portier of raam wordt gehouden,
werkt de afstandsbedieningsleutel mogelijk wel.
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
(AT)
Het contactslot is zo ontworpen dat de contact-
schakelaar alleen in de “LOCK”-stand kan worden
gezet nadat de schakelhendel in de P-stand (parke-
ren) is gezet. Wanneer u de contactschakelaar in de
“OFF”-stand zet, zorg er dan voor dat de schakel-
hendel in de P-stand (parkeren) staat.
Wanneer de contactschakelaar niet naar de “LOCK”-
stand kan worden geschakeld:
1. De waarschuwing [Schakel naar parkeerstand]
verschijnt op het voertuiginformatiedisplay en
een geluidssignaal klinkt.
JVS0442XZ
CONTACTDRUKKNOP (modellen
met afstandsbedieningsleutel-
systeem)
208 Starten en rijden
2. Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
3. Als de contactschakelaar in de “ACC”-stand staat,
verschijnt de waarschuwing [DUWEN] op het
voertuiginformatiedisplay.
4. Druk op de contactschakelaar. De contactscha-
kelaar wordt in de “OFF”-stand gezet.
5. Open het portier. De contactschakelaar schakelt
over naar de “LOCK”-stand.
Zie voor waarschuwingen en aanduidingen op het
voertuiginformatiedisplay, Werkingsindicators” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.
Indien de contactschakelaar in de “LOCK”-stand is
gezet, kan de schakelpook niet uit de P-stand (par-
keren) worden gezet. De schakelhendel kan worden
bewogen als de contactschakelaar in de “ON”-stand
staat en het rempedaal is ingetrapt.
STUURSLOT
De contactschakelaar is voorzien van een antidief-
stal stuurslot.
Het stuurwiel vergrendelen
1. Plaats de contactschakelaar in de “OFF”-stand
waarin de standindicator van de contactschake-
laar niet gaat branden.
2. Open of sluit het portier. De contactschakelaar
schakelt over naar de “LOCK”-stand.
3. Draai het stuurwiel 1/6 slag rechtsom of linksom
vanuit de stand recht vooruit.
Het stuurwiel ontgrendelen
Druk op de contactschakelaar en het stuurwiel
wordt automatisch ontgrendeld.
LET OP
Indien de accu leeg raakt, kan de contactdruk-
knop niet uit de “LOCK”-stand gehaald wor-
den.
Als de storingsindicator van de ontgrendeling
van het stuurslot (indien aanwezig) op het
voertuiginformatiedisplay verschijnt, druk
dan nogmaals op de contactschakelaar ter-
wijl u het stuurwiel iets naar links en rechts
draait. (Zie Voertuiginformatiedisplay” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.)
CONTACTSCHAKELAARSTANDEN
WAARSCHUWING
Zet de contactschakelaar nooit in de “OFF”-stand
tijdens het rijden. Hierdoor kan het stuurwiel ver-
grendelen en kan de bestuurder de controle over
het stuur verliezen, wat kan leiden tot ernstige
schade aan de auto of lichamelijk letsel.
LET OP
Laat de auto niet voor langere tijd met de con-
tactschakelaar in de “ON”-stand zonder dat de
motor draait. Dit kan leiden tot ontlading van
de accu.
Gebruik elektrische accessoires bij draaiende
motor om te voorkomen dat de accu leeg
raakt. Indien u accessoires wenst te gebruiken
terwijl de motor uit staat, gebruik deze dan
niet gedurende langere tijd en gebruik niet
meerdere accessoires tegelijkertijd.
Wanneer de contactschakelaar wordt ingedrukt
zonder dat het rempedaal (modellen met automa-
tische versnellingsbak) of de koppeling (modellen
met handgeschakelde versnellingsbak) wordt inge-
trapt, zal de stand van de contactschakelaar als
volgt veranderen:
Druk eenmaal in om op “ACC” te zetten.
Druk tweemaal om op “ON” te zetten.
Druk driemaal in om in de “OFF”-stand te zetten.
Druk viermaal in om terug te gaan naar “ACC”.
Open of sluit een portier om terug te keren van
de “LOCK”-stand naar de “OFF”-stand.
JVS0241XZ
Starten en rijden 209
LOCK-stand
De contactschakelaar en het stuurslot kunnen al-
leen in deze stand worden vergrendeld.
De contactschakelaar wordt ontgrendeld wanneer
deze in de “ACC”-stand wordt gedrukt, terwijl u de
afstandsbedieningsleutel bij u heeft.
ACC-stand
In deze stand activeert u de elektrische accessoires
zonder dat de motor draait.
ON-stand
In deze stand worden het ontstekingssysteem en
de elektrische accessoires ingeschakeld, zonder dat
de motor draait.
OFF-stand
De motor wordt uitgeschakeld als het stuurwiel ont-
grendeld is.
LEGE BATTERIJ VAN DE
AFSTANDSBEDIENINGSLEUTEL
Als de batterij van de afstandsbedieningsleutel leeg
is, of als omgevingsomstandigheden de werking
van de afstandsbedieningsleutel beïnvloeden, start
de motor dan als volgt:
1. Model met automatische versnellingsbak (AT):
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
Model met handgeschakelde versnellingsbak
(MT):
Zet de schakelpook in de N-stand (vrij).
2. Trap het rempedaal stevig in.
3. Raak de contactschakelaar aan met de afstands-
bedieningsleutel, zoals afgebeeld. (Er klinkt een
geluidssignaal.)
4. Druk op de contactschakelaar terwijl u het rem-
pedaal (model met automatische versnellings-
bak) of de koppeling (model met handgescha-
kelde versnellingsbak) intrapt binnen 10 secon-
den na het klinken van het geluidssignaal. De
motor wordt gestart.
Wanneer na het uitvoeren van stap 3 de contact-
schakelaar wordt ingedrukt zonder dat het rempe-
daal (model met automatische versnellingsbak) of
de koppeling (model met handgeschakelde versnel-
lingsbak) wordt ingetrapt, zal de stand van de con-
tactschakelaar veranderen naar “ACC”.
OPMERKING
Wanneer de contactschakelaar in de “ACC”-
stand of “ON”-stand wordt gedrukt of de mo-
tor wordt gestart door middel van boven-
staande procedures, verschijnt de waarschu-
wing Spanning sleutelbatterij laag op het
voertuiginformatiedisplay, ook al ligt de af-
standsbedieningsleutel in de auto. Dit is geen
storing. Om de waarschuwing uit te zetten
raakt u de contactschakelaar nogmaals aan
met de afstandsbedieningsleutel.
Als de waarschuwing Spanning sleutelbatterij
laag op het voertuiginformatiedisplay ver-
schijnt, vervang de bat terij dan zo snel moge-
lijk. (Zie “Batterij van de afstandsbedienings-
leutel vervangen” in hoofdstuk “8. Onderhoud
en doe-het-zelf”.)
SSD0944Z
210 Starten en rijden
1. Activeer de parkeerrem.
2. Trap het rempedaal in.
3. Model met automatische versnellingsbak (AT):
Zet de schakelhendel in de stand P (parkeren) of
N (vrij).
De startmotor kan niet geactiveerd worden als
de schakelhendel niet in de juiste stand staat.
Model met handgeschakelde versnellingsbak
(MT):
Zet de schakelhendel in de N-stand (vrij) en trap
het koppelingspedaal volledig in terwijl u de mo-
tor start.
4. Start de motor met uw voet van het gaspedaal
door de contactschakelaar in de <START>-stand
te zetten.
Zet de contactschakelaar in de <ON>-stand en
wacht totdat het controlelampje van de gloei-
bougies
uit gaat.
5. Laat de contactschakelaar onmiddellijk los zo-
dra de motor aanslaat. Als de motor wel start
maar niet aanslaat, herhaalt u bovenstaande
handelingen.
6. Laat de motor na het starten minstens 30 se-
conden lang stationair draaien om hem zo te la-
ten warmdraaien. Rijd het eerste stuk rustig,
vooral bij koud weer.
LET OP
Laat het voertuig nooit onbeheerd achter tijdens
het opwarmen van de motor.
1. Activeer de parkeerrem.
2. Model met automatische versnellingsbak (AT):
Zet de schakelhendel in de stand P (parkeren) of
N (vrij).
De startmotor kan niet geactiveerd worden als
de schakelhendel niet in de juiste stand staat.
Model met handgeschakelde versnellingsbak
(MT):
Zet de schakelpook in de N-stand (vrij).
U moet de afstandsbedieningsleutel bij u dra-
gen wanneer u de contactschakelaar bedient.
3. Zet de contactschakelaar in de “ON”-stand. Trap
het rempedaal (model met automatische ver-
snellingsbak) of de koppeling (model met hand-
geschakelde versnellingsbak) in, en druk op de
contactschakelaar om de motor te starten.
Voor modellen met dieselmotor: Wacht totdat
het controlelampje van de gloeibougies
uit
gaat.
Om de motor direct te starten, drukt u kort op de
contactschakelaar terwijl u het rempedaal of
koppelingspedaal ingedrukt houdt met de con-
tactschakelaar in een willekeurig stand.
4. Laat de contactschakelaar onmiddellijk los zo-
dra de motor aanslaat. Als de motor wel start
maar niet aanslaat, herhaalt u bovenstaande
handelingen.
5. Laat de motor na het starten minstens 30 se-
conden lang stationair draaien om hem zo te la-
ten warmdraaien. Rijd het eerste stuk rustig,
vooral bij koud weer.
LET OP
Laat het voertuig nooit onbeheerd achter tij-
dens het opwarmen van de motor.
6. Zet om de motor af te zetten de schakelhendel in
de P-stand (parkeren) of N-stand (vrij) (modellen
met handgeschakelde versnellingsbak), activeer
de parkeerrem en zet de contactschakelaar in de
“OFF”-stand.
DE MOTOR STARTEN (modellen
zonder afstandsbedieningsleu-
telsysteem)
DE MOTOR STARTEN (modellen
met afstandsbedieningsleutel-
systeem)
Starten en rijden 211
RIJDEN MET AUTOMATISCHE
VERSNELLINGSBAK (AT)
De automatische versnellingsbak (AT) in uw auto
wordt elektronisch bestuurd om te zorgen voor
maximaal vermogen en soepele bediening.
De aanbevolen bedieningsprocedures voor deze
versnellingsbak worden beschreven op de volgende
pagina's. Volg deze procedures voor optimale wer-
king van uw auto en maximaal rijgenot.
WAARSCHUWING
Schakel niet abrupt terug op gladde wegen. Hier-
door kunt u de macht over het stuur verliezen.
LET OP
De stationaire snelheid van de koude motor is
hoog, wees dus voorzichtig wanneer u in een
vooruit- of achteruitversnelling schakelt wan-
neer de motor nog niet is opgewarmd.
Geef geen gas wanneer de auto stilstaat. Hier-
door kan de auto plotseling in beweging ko-
men.
Schakel nooit naar de P- (parkeren) of R-stand
(achteruit) wanneer de auto naar voren rijdt
en nooit naar de P- (parkeren) of D-stand (rij-
den) wanneer de auto naar achteren rijdt. Dit
kan een ongeluk veroorzaken of schade aan
de versnellingsbak.
Schakel niet naar de N-stand (vrij) tijdens het
rijden, tenzij u zich in een noodsituatie be-
vindt. Rijden met de versnellingsbak in de N-
stand (vrij) kan ernstige schade veroorzaken
aan de transmissie.
Start de motor in de P-stand (parkeren) of N-
stand (vrij). De motor kan in geen enkele an-
dere stand gestart worden. Is dit echter wel
mogelijk, laat uw voertuig dan nakijken door
een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf.
Schakel naar de P-stand (parkeren) en zet de
auto op de parkeerrem wanneer u langer dan
een korte periode stilstaat.
Laat de motor stationair draaien wanneer u
van de N-stand (vrij) naar een rijstand scha-
kelt.
Om schade aan uw auto te voorkomen wan-
neer u stopt op een opwaartse helling, moet u
de auto niet stil houden door op het gaspe-
daal te drukken.Gebruik daar de voetrem voor.
De auto starten
1. Nadat u de auto gestart heeft trapt u het rempe-
daal volledig in voordat u probeert de schakel-
hendel uit de P-stand (parkeren) te halen.
2. Houd het rempedaal ingetrapt en zet de schakel-
hendel in een rijstand.
3. Geef de parkeerrem vrij, laat het rempedaal los
en laat vervolgens de auto langzaam in bewe-
ging komen.
Deze automatische versnellingsbak is zo ontwor-
pen dat u het rempedaal MOET intrappen voordat
u vanuit P (parkeren) naar een andere rijstand
schakelt terwijl de contactschakelaar op “ON”
staat.
U kunt de schakelhendel niet vanuit de P-stand
(parkeren) in een andere stand zetten als de con-
tactschakelaar in de “LOCK”-, “OFF”- of “ACC”-
stand staat.
LET OP
TRAP HET REMPEDAAL IN - De auto zal lang-
zaam in beweging komen als u bij draaiende
motor de schakelhendel in de D-stand (rijden),
R-stand (achteruit) of in de handmatige scha-
kelstand zet zonder het rempedaal in te trap-
pen. Zorg daarom dat het rempedaal volledig
is ingetrapt en de auto stilstaat voordat u de
schakelhendel in een rijstand zet.
LET OP DE STAND VAN DE SCHAKELHENDEL -
Let erop dat u de schakelhendel in de juiste
stand zet. D (rijden) en de handmatige scha-
kelmodus worden gebruikt om weg te rijden
en R (achteruit) om achteruit te rijden. Trap het
gaspedaal in om weg te rijden en voeg u in het
verkeer (vermijd plotseling starten en slippen
van de wielen).
LAAT DE MOTOR WARMDRAAIEN - Gedurende
de opwarmfase draait de motor met een ver-
hoogd toerental. Wees daarom direct na het
starten van de motor extra voorzichtig met
het kiezen van een rijstand.
PARKEREN VAN DE AUTO - Trap het rempedaal
in en zet de keuzehendel in de P-stand (parke-
ren) nadat de auto tot stilstand is gekomen,
trek de handrem aan en laat het rempedaal
los.
RIJDEN MET HET VOERTUIG
212 Starten en rijden
Schakelen
m
:
Druk op
de knop
j
A terwijl u het
rempedaal intrapt
m
:
Druk op
de
j
A -knop
m
:
Beweeg simpelweg
de schak
elhendel
WAARSCHUWING
Zet de auto op de parkeerrem wanneer de
schakelhendel in een willekeurige stand staat
terwijl de motor niet draait. Indien u dit niet
doet, kan de auto onverwachts in beweging
komen en ernstig persoonlijk letsel of schade
veroorzaken.
Als de schakelhendel niet uit de P-stand (par-
keren) kan worden gehaald terwijl de motor
draait en het rempedaal is ingetrapt, werken
de remlichten mogelijk niet. Door rijden met
defecte remlichten kunnen ongelukken wor-
den veroorzaakt.
Trap na het starten van de auto het rempedaal vol-
ledig in, druk op de knop op de schakelhendel en
haal de hendel uit de P-stand (parkeren).
Indien de contactschakelaar om welke reden dan
ook in de “OFF”-stand of “ACC”-stand wordt gezet
terwijl de schakelhendel in een andere stand staat
dan de P-stand (parkeren), dan kan de contactscha-
kelaar niet in de “LOCK”-stand worden gezet.
Handel als volgt als de contactschakelaar niet in de
“LOCK”-stand kan worden gezet:
1. Activeer de parkeerrem.
2. Zet de contactschakelaar in de “ON”-stand terwijl
u het rempedaal intrapt.
3. Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
4. Zet de contactschakelaar in de “LOCK”-stand.
P (parkeren):
Gebruik deze stand bij het parkeren van de auto en
bij het starten van de motor. Zorg ervoor dat de
auto volledig stilstaat en zet de schakelhendel in
de P-stand (parkeren). Activeer de parkeerrem.
Wanneer u op een helling parkeert trapt u eerst het
rempedaal in, vervolgens trekt u de handrem aan
en zet u de schakelhendel op P (parkeren).
R (achteruit):
Gebruik deze stand voor achteruitrijden. Zorg er-
voor dat de auto volledig stilstaat voordat u in de
R-stand (achteruit) schakelt.
N (vrij):
Geen rijstand of achteruitrijstand is ingeschakeld.
De motor kan in deze stand gestart worden. Als de
motor onder het rijden afslaat, kunt u veilig de N-
stand (vrij) kiezen en de motor opnieuw starten ter-
wijl de auto in beweging is.
D (rijden):
Gebruik deze stand voor normaal vooruit rijden.
Handmatige schakelstand
Wanneer de schakelhendel in de sleuf voor hand-
matig schakelen wordt gezet en naar boven en naar
beneden wordt bewogen tijdens het rijden, acti-
veert de versnellingsbak de handmatige schakel-
modus. De schakelreeks kan handmatig geselec-
teerd worden.
Beweeg de schakelhendel naar de + (omhoog) zijde
om op te schakelen. De versnelling schakelt naar
een hogere stand.
Beweeg de schakelhendel naar de (omlaag) zijde
om terug te schakelen. De versnelling schakelt naar
een lagere stand.
Bij het annuleren van de handmatige schakelmodus
brengt u de schakelhendel terug naar de “D”-stand
(rijden). De versnellingsbak keert terug naar de nor-
male rijmodus.
In de handmatige schakelmodus wordt de schakel-
reeks weergegeven op het voertuiginformatiedis-
play tussen de snelheidsmeter en de toerenteller.
JVS0443X
Starten en rijden 213
De schakelreeks gaat als volgt omhoog of omlaag:
M
1
̔
̒
M
2
̔
̒
M
3
̔
̒
M
4
̔
̒
M
5
̔
̒
M
6
̔
̒
M
7
M
7 (7e):
Gebruik deze stand voor normaal vooruit rijden op
hoge snelheden.
M
6 (6e) en
M
5 (5e):
Gebruik deze standen wanneer u tegen lange hel-
lingen oprijdt, of voor het remmen op de motor
wanneer u lange hellingen afrijdt.
M
4 (4e),
M
3 (3e) en
M
2 (2e):
Gebruik deze standen voor bergop rijden of op de
motor remmen wanneer u bergaf rijdt.
M
1 (1e):
Gebruik deze stand voor het langzaam bestijgen
van steile hellingen of voor langzaam rijden door
diepe sneeuw, of om maximaal op de motor te rem-
men tijdens steile afdalingen.
Onthoud dat u niet gedurende lange tijd op hoge
snelheden mag rijden in een lagere versnelling
dan de 7e. U verbruikt zo onnodig veel brand-
stof.
Door de schakelhendel tweemaal naar dezelfde
kant te bewegen, worden de versnellingen ach-
ter elkaar geschakeld. Let wel op want als u dit
erg snel doet, wordt soms niet geheel gescha-
keld naar de volgende versnelling.
In de handgeschakelde modus kan het voor-
komen dat de versnellingsbak niet naar de ge-
selecteerde versnelling schakelt of mogelijk
automatisch naar een andere versnelling
schakelt. Hierdoor worden de rijkwaliteiten
van het voertuig behouden en wordt de kans
op autoschade en controleverlies beperkt.
Wanneer de versnellingsbak niet naar de ge-
selecteerde versnelling schakelt, zal de scha-
kelstandindicator van de automatische ver-
snellingsbak (AT) gaan knipperen (op het voer-
tuiginformatiedisplay) en zal een zoemer
klinken.
De versnellingsbak schakelt in de handmatige
schakelfunctie automatisch terug naar de 1e
versnelling voordat de auto tot stilstand komt.
Bij het accelereren is het dan nodig om op te
schakelen naar de gewenste versnelling.
Terugschakelen met het gaspedaal - in
D-stand (rijden)
Bij het rijden door heuvelachtig gebied of bestijgen
van heuvels, trapt u het gaspedaal volledig in. De
versnellingsbak schakelt dan automatisch terug, af-
hankelijk van de rijsnelheid.
Ontgrendeling schakelblokkering
Als de accu leeg is, kan de schakelhendel niet uit de
P-stand (parkeren) gehaald worden, zelfs niet als
het rempedaal is ingetrapt.
Volg de volgende procedure om de schakelblokke-
ring te ontgrendelen:
1. Zet de contactschakelaar in de “OFF”-stand of
“LOCK”-stand.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Verwijder het kapje van de schakelblokkering
j
A en druk de ontgrendelknop van de schakel-
blokkering in.
4. Houd de knop op de schakelhendel ingedrukt en
beweeg de schakelhendel naar de N-stand (vrij)
terwijl u de ontgrendelknop van de schakelblok-
kering ingedrukt houdt
j
A.
Zet de contactschakelaar in de “ON”-stand om het
stuurslot vrij te geven.
De auto kan door aanduwen naar de gewenste lo-
catie verplaatst worden.
Als de schakelhendel niet uit de P-stand (parkeren)
gehaald kan worden, laat het systeem van de auto-
matische versnellingsbak dan zo snel mogelijk na-
kijken door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
Noodloopfunctie
Wanneer de noodloopfunctie wordt ingeschakeld,
wordt de automatische versnellingsbak (AT) geblok-
keerd in een van de voorwaartse versnellingen, af-
hankelijk van de omstandigheden.
Als de auto met extreme rijomstandigheden te
maken krijgt, zoals sterke wielslip en direct
daarop hard remmen, kan de noodloopfunctie
JVS0444X
214 Starten en rijden
worden geactiveerd. Dit gebeurt zelfs als alle
elektrische circuits naar behoren functioneren.
Zet de contac tschakelaar in dit geval in de “OFF”-
stand en wacht 3 seconden. Zet de contactscha-
kelaar vervolgens weer in de “ON”-stand. De auto
zou nu moeten terugkeren naar de normale be-
drijfsomstandigheden. Als de auto niet terug-
keert naar de normale bedrijfsconditie, laat de
versnellingsbak dan nakijken en eventueel repa-
reren door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
RIJDEN MET HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK (MT)
WAARSCHUWING
Schakel niet abrupt terug op gladde wegen.
Hierdoor kunt u de macht over het stuur ver-
liezen.
Laat de motor niet met een hoog toerental
draaien bij het schakelen naar een lagere ver-
snelling. Hierdoor kunt u de macht over het
stuur verliezen of kan de motor beschadigd
raken.
LET OP
Laat uw voet tijdens het rijden niet op het kop-
pelingspedaal rusten. Hierdoor kan het kop-
pelingssysteem beschadigd raken.
Trap het koppelingspedaal volledig in voordat
u schakelt. U kunt anders schade aan de ver-
snellingsbak veroorzaken.
Laat de auto volledig tot stilstand komenvoor-
dat u hem in zijn achteruit (R) zet.
Zet de versnelling in vrij (N) wanneer de auto
voor een bepaalde tijd stilstaat, bijvoorbeeld
wanneer u voor een stoplicht wacht, laat de
koppeling los met het rempedaal ingetrapt.
De auto starten
1. Trap nadat u de motor hebt gestart de koppeling
tot de bodem in en zet de schakelhendel in stand
1 (1e), 2 (2e) of R (achteruit). RENAULT raadt aan
om de auto in de 2e versnelling te starten op een
vlakke ondergrond en in onbeladen toestand.
2. Trap het gaspedaal langzaam in terwijl u tegelij-
kertijd het koppelingspedaal langzaam laat op-
komen en de parkeerrem vrijgeeft.
Schakelen
Om van versnelling te veranderen, of wanneer u
door- of terugschakelt, het koppelingspedaal hele-
maal intrappen, de geschikte versnelling kiezen, en
vervolgens het koppelingspedaal langzaam en ge-
leidelijk op laten komen.
Start de auto in de eerste (1e) of tweede (2e) ver-
snelling en schakel naar de derde (3e), vierde (4e),
vijfde (5e) en zesde (6e) in die volgorde naargelang
de snelheid van de auto dit noodzakelijk maakt.
Om achteruit te rijden brengt u het voertuig tot stil-
stand, trapt u de koppeling volledig in, trekt u de
schakelhendelring omhoog en houdt u deze om-
hoog
en zet u vervolgens de schakelhendel in de
R-stand (achteruit).
Als u moeite hebt om de schakelhendel in stand R
(achteruit) of de eerste (1e) versnelling te zetten,
schakel dan naar de N-stand (vrij) en laat dan de
koppeling één keer los. Trap het koppelingspedaal
nogmaals volledig in en volg opnieuw de bovenge-
noemde procedures.
NSD525
(A) voor rechtse besturing en (B) voor linkse besturing
Starten en rijden 215
Het Stop/Start-systeem is ontworpen om een te
hoog brandstofverbruik, onnodige uitlaatgassen en
geluidsoverlast te voorkomen tijdens het rijden:
Wanneer u het voertuig stopt met de schakel-
hendel in de N-stand (vrij) en losgelaten koppe-
lingspedaal, wordt de motor automatisch afge-
zet.
Wanneer u het koppelingspedaal indrukt, wordt
de motor automatisch aangezet.
LET OP
Na de rit moet de motor worden afgezet en het
contact worden uitgezet. U vergrendelt de auto
zoals normaal. Wanneer u het contact uitzet wor-
den alle elektrische systemen uitgeschakeld. Als
u dit nalaat kan de accu leeglopen.
OPMERKING
Gebruik bij het model met Stop/Start-systeem
een speciale accu die een hogere opladings-/ont-
ladingscapaciteit en betere prestaties gedurende
de totale levensduur kan leveren. Gebruik geen
normale accu voor het Stop/Start-systeem aan-
gezien deze accu mogelijk voortijdig verslechtert
en er storingen in het Stop/Start-systeem kun-
nen optreden. Wat betreft de accu wordt aange-
raden om originele RENAULT-onderdelen te ge-
bruiken. Neem voor meer informatie contact op
met een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf.
OPMERKING
Het Stop/Start-systeem wordt niet ingeschakeld
onder de volgende omstandigheden:
Wanneer de motor na het opnieuw starten
stationair blijft draaien zonder dat er gereden
wordt.
Wanneer de temperatuur van de motorkoel-
vloeistof laag is.
Wanneer de accucapaciteit laag is.
Wanneer de accutemperatuur laag is.
Wanneer de auto in beweging is.
Wanneer het vacuüm in de rembekrachtiger
afneemt.
Wanneer de motorkap wordt geopend terwijl
de motor loopt.
Wanneer de motor gestart wordt terwijl de
motorkap open is.
Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuur-
der niet vastgemaakt is.
Wanneer het bestuurdersportier open staat.
Wanneer het controlelampje voor het Stop/
Start-systeem langzaam knippert.
Wanneer de aanjagersnelheidsregelaar in een
andere stand dan OFF (0) staat terwijl de lucht-
stroomregelaar in de voorruitontwasemstand
staat.
Wanneer de schakelaar voor de voorruitont-
waseming ingeschakeld is.
Wanneer de temperatuur in de auto te hoog of
te laag is. (Wanneer de automatische aircon-
ditioning uit staat, zal het Stop/Start-systeem
werken.)
Wanneer de aanjagersnelheid van de aircon-
ditioning op de maximumsnelheid staat.
Wanneer de OFF-schakelaar voor het Stop/
Start-systeem ingeschakeld is.
Wanneer het energieverbruik hoog is.
Wanneer de auto op hoogtes van meer dan
2.000 m (6.562 ft) rijdt (MT-model).
Voor modellen met handgeschakelde versnel-
lingsbak (MT).
Wanneer de schakelhendel in een willekeurige
stand behalve N (vrij) staat.
Wanneer de koppeling wordt ingetrapt.
Wanneer de afstandsbedieningsleutel niet in
de auto ligt.
Wanneer het stuurwiel meer dan 45 graden
wordt gedraaid of is gedraaid.
OPMERKING
De motor zal niet opnieuw worden gestart zelfs
niet met ingedrukt koppelingspedaal wanneer
het Stop/Start-systeem wordt geactiveerd onder
de volgende omstandigheden:
Wanneer de motorkap wordt geopend.
Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuur-
der niet is vastgemaakt en het bestuurder-
sportier wordt geopend.
Wanneer de schakelhendel niet in de vrijstand
(N) staat.
STOP/START-SYSTEEM (indien
aanwezig)
216 Starten en rijden
OPMERKING
Het kan even duren voordat het Stop/Start-sys-
teem ingeschakeld wordt onder de volgende om-
standigheden:
Wanneer de accu ontladen is.
Wanneer de buitentemperatuur te laag of te
hoog is.
Wanneer de accu vervangen is of de accupool
gedurende langere tijd losgekoppeld is
geweest en vervolgens weer is aangesloten.
OPMERKING
Wanneer het controlelampje voor het Stop/Start-
systeem gaat branden zal de motor automatisch
beginnen te draaien onder tenminste een van de
volgende omstandigheden:
De accuspanning daalt (ten gevolge van
stroomconsumptie door andere voertuigsys-
temen, zoals koplampen, verwarming, enz., of
door externe apparaten die zijn aangesloten
op het 12 volt-aansluitpunt in de auto).
De auto rijdt sneller dan 2 km/u (1 mph).
De voorruitontwaseming staat aan.
Wanneer de temperatuur in de auto te hoog of
te laag is. (Wanneer de airconditioning uit
staat, zal het Stop/Start-systeem werken.)
Wanneer de schakelaar voor de voorruitont-
waseming ingeschakeld is. (De motor start
wellicht niet, afhankelijk van de buitentempe-
ratuur.)
Wanneer de accucapaciteit laag is.
Wanneer energieverbruik hoog is.
Wanneer de koppeling wordt ingetrapt.
LET OP
Schakel alleen in een versnelling wanneer het
koppelingspedaal volledig is ingetrapt.
OPMERKING
De volgende situaties zorgen ervoor dat het Stop/
Start-systeem de motor niet automatisch start.
De auto moet dan gestart worden met de con-
tactschakelaar:
De veiligheidsgordel van de bestuurder is niet
vastgemaakt en het bestuurdersportier staat
open.
De motorkap staat open.
Gebruik het systeem bij het wachten voor een stop-
licht, enz. Wanneer de auto gedurende langere tijd
stil wordt gezet, verdient het aanbeveling de motor
af te zetten.
Wanneer de motor wordt afgezet door het Stop/
Start-systeem, worden de functies voor verwarmen,
koelen en ontvochtigen uitgeschakeld. Om te voor-
komen dat functies van de airconditioning worden
uitgeschakeld, kunt u het Stop/Start-systeem uit-
zetten door op de OFF-schakelaar van het systeem
te drukken.
WEERGAVE VAN
STOP/START-SYSTEEM
Afzetten motor
Wanneer de motor is afgezet, wordt gedurende en-
kele seconden de volgende informatie getoond.
Stop/Start-systeem AAN of UIT
Als het Stop/Start-systeem uitgeschakeld of inge-
schakeld wordt met gebruik van de OFF-schakelaar
van het systeem, zal dit bericht getoond worden.
JVS0341XZ
JVS0638XZ
Starten en rijden 217
Bespaarde CO2-uitstoot of brandstof
en motorstoptijd
De modus bespaarde CO2 of brandstof en motor-
stoptijd toont het volgende:
De modus bespaarde CO2 toont de geschatte
hoeveelheid CO2-uitstoot die door het Stop/
Start-systeem is voorkomen elke keer dat de
motor automatisch afgezet is.
De modus motorstoptijd toont de tijd
gedurende welke de motor uitstond dankzij het
Stop/Start-systeem.
Zie voor meer informatie “Stop/Start-systeem (in-
dien aanwezig)” eerder in dit hoofdstuk.
Automatisch starten niet beschikbaar
Als de motor afgezet wordt bij ingeschakeld Stop/
Start-systeem, en niet automatisch weer gestart
wordt, wordt dit bericht getoond
Draai de contactsleutel naar LOCK
Deze informatie wordt getoond en een zoemer
klinkt om de bestuurder eraan te herinneren om het
contact op OFF te zetten, zodat het leeglopen van
de accu wordt voorkomen
Het bericht kan alleen gewist worden door het con-
tact naar OFF te draaien of te drukken (of door de
motor opnieuw te starten).
Systeem fout
Dit bericht wordt getoond wanneer er een storing
is in het Stop/Start-systeem.
Laat het systeem nakijken door een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
JVS0430XZ
JVS0344XZ
JVS0345XZ
JVS0346XZ
218 Starten en rijden
OFF-SCHAKELAAR VOOR
STOP/START-SYSTEEM
Het systeem kan tijdelijk uitgeschakeld worden
door middel van een druk op de OFF-schakelaar van
het Stop/Start-systeem. Door een tweede keer op
de schakelaar te drukken of door de motor opnieuw
te starten met de contactschakelaar wordt het
Stop/Start-systeem weer ingeschakeld.
Wanneer het Stop/Start-systeem uitgeschakeld
wordt terwijl de motor draait, zal de motor niet
meer automatisch afslaan.
Wanneer het Stop/Start-systeem wordt uitge-
schakeld nadat de motor automatisch is afge-
zet door het Stop/Start-systeem, zal de motor
direct weer starten als de geschikte omstandig-
heden aanwezig zijn. De motor zal dan niet meer
automatisch afslaan tijdens de rest van de reis.
Wanneer het Stop/Start-systeem uitgeschakeld
wordt, zal het lampje in de OFF-schakelaar
van het Stop/Start-systeem gaan branden. In
deze toestand kan het Stop/Start-systeem de
brandstofbesparing niet meer bevorderen, de
schadelijke uitstoot van CO2 niet meer beper-
ken en niet meer zorgen voor een vermindering
van de geluidsoverlast.
Wanneer het Stop/Start-systeem een storing
heeft, zal het lampje in de OFF-schakelaar
van
het Stop/Start-systeem gaan branden.
OPMERKING
Het bericht dat aangeeft dat het Stop/Start-sys-
teem AAN of UIT staat wordt enkele seconden ge-
toond op het voertuiginformatiedisplay wanneer
de OFF-schakelaar voor het Stop/Start-systeem
wordt ingedrukt. Zie Weergave van Stop/
Start-systeem” eerder in dit hoofdstuk.
WAARSCHUWING
Probeer niet twee wielen van de grond te hef-
fen en de versnellingsbak in een voor- of ach-
teruitrijstand te zetten met een draaiende
motor. Dit kan schade aan de aandrijflijn toe-
brengen of een onver wachte beweging ver-
oorzaken wat kan leiden tot ernstige schade
aan de auto of personen.
Probeer een 4WD-auto niet op een tweewiel-
vermogenstestbank of vergelijkbare uitrus-
ting te testen, ook al zijn de andere twee wie-
len van de grond gelicht. Breng de medewer-
kers op de hoogte van het feit dat uw auto is
uitgerust met 4WD, voordat het wordt
geplaatst op een vermogenstestbank. Het ge-
bruik van de verkeerde testuitrusting kan
schade aan de aandrijflijn toebrengen of een
onverwachte beweging veroorzaken wat kan
leiden tot ernstige schade aan de auto of
personen.
LET OP
Rijd niet met de auto op een droog, hard weg-
dek in de <4H>-stand of de <4LO>-stand.Wan-
neer u met de auto in de <4H>-stand of de
<4LO>-stand op een droog, hard wegdek rijdt
kan dit overbodig lawaai, bandenslijtage en
een toename van het brandstofverbruik ver-
oorzaken.
NSD710
VIERWIELAANDRIJVING (4WD)
(indien aanwezig)
Starten en rijden 219
Als het waarschuwingslampje voor vierwie-
laandrijving (4WD) gaat branden tijdens het
rijden op een droog, hard wegdek:
in de <4H>-stand, zet de 4WD-modusscha-
kelaar op <2WD>.
in de <4LO>-stand, stop de auto en zet de
schakelhendel in de N-stand (vrij) met het
rempedaal ingetrapt en zet de 4WD-mo-
dusschakelaar op <2WD>.
Als na bovenstaande procedure het 4WD-
waarschuwingslampje nog steeds brandt,
laat uw auto dan zo snel mogelijk nakijken
door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
De tussenbak kan beschadigd raken als u blijft
rijden terwijl het 4WD-waarschuwingslampje
snel knippert.
Zie Voorzorgsmaatregelen bij rijden op de weg en
terreinrijden” eerder in dit hoofdstuk voor andere
voorzorgsmaatregelen.
PART-TIME 4WD-SYSTEEM
Het part-time 4WD-systeem biedt drie rijmodi:
<2WD>, <4H> en <4LO>. Met de 4WD-modusschake-
laar kunt u de gewenste rijmodus selecteren naar-
gelang de rijomstandigheden.
JVS0445X
4WD-modusschakelaar
JVS0447X
Controlelampje 4WD-modus
220 Starten en rijden
4WD-
modusschakelaar
Aangedreven wielen
Indicator
Gebruiksomstan-
digheden
Bediening van de 4WD-modusschakelaar
(Zie “Bediening van de 4WD-modusschakelaar”
verderop in dit hoofdstuk.)
4WD-modus <4LO>
<2WD> Achterwielen
m
-
Voor het rijden op
droge, geasfalteerde
wegen
Het omschakelen tussen de <2WD>- en de <4H>-
stand kan tijdens het rijden plaatsvinden.
Het controlelampje verandert wanneer de
rijmodus gewijzigd wordt.
Het omschakelen tussen de <2WD>- en de <4H>-
stand moet uitgevoerd worden bij een snelheid
onder de 100 km/u (60 mph).<4H>
Vier wielen
m
-
Voor het rijden op
wegen met keien,
zand of sneeuw
<4LO>
Vrij
m
Knippert
Het 4LO-
controlelampje knip-
pert bij het
schakelen tussen
<4H> en <4LO>.
Omschakelen tussen de <4H>-stand en <4LO>-
stand:
Stop het voertuig, trap de koppeling (modellen
met handgeschakelde versnellingsbak) en het
rempedaal in en zet de schakelhendel in de
N-stand (vrij).
Druk in en draai de 4WD-modusschakelaar. De
4WD-modusschakelaar zal niet omschakelen
tussen <4H> en <4LO> als de versnelling niet in
de N-stand (vrij) staat of als de auto in
beweging is.
Wacht totdat het 4LO-controlelampje niet
meer knippert en blijft branden/dooft alvorens
u de hendel in een versnelling zet of het
koppelingspedaal vrijgeeft (modellen met
handgeschakelde versnellingsbak).
Vier wielen
m
Blijft branden*
Te gebruiken wan-
neer maximaal
vermogen en grip
vereist zijn
(bijvoorbeeld op
steile hellingen of
wegen met keien,
zand of modder).
*: Als de <4LO>-stand wordt geselecteerd, wordt
het ESP-systeem uitgeschakeld en gaat het
ESP OFF-controlelampje branden. Zie
Waarschuwingslampjes, controlelampjes en
geluidssignalen” in hoofdstuk “2. Instrumenten
en bedieningen”.
Starten en rijden 221
WAARSCHUWING
Modellen met automatische versnellingsbak: Als
het 4WD-moduscontrolelampje niet brandt of het
ATP-waarschuwingslampje (indien aanwezig)
wel brandt, zal de P-stand (parkeren) van de au-
tomatische versnellingsbak niet functioneren
hetgeen kan leiden tot het onverwacht in bewe-
ging komen van de auto, met als gevolg ernstig
persoonlijk letsel of materiële schade. Zet de auto
altijd op de parkeerrem.
LET OP
Om schade aan de auto te voorkomen:
Gebruik de 4WD-modusschakelaar niet wan-
neer u een bocht maakt, achteruitrijdt of wan-
neer de achterwielen slippen. De auto moet
recht vooruit rijden.
Gebruik de schakelhendel niet (modellen met
automatische versnellingsbak) of laat het
koppelingspedaal niet los (modellen met
handgeschakelde versnellingsbak) als het
4LO-controlelampje knippert. Als u dit niet
doet kunnen de tandwielen mogelijk knarsen
en de aandrijflijn beschadigd raken.
Modellen met handgeschakelde versnellings-
bak: Trek niet snel op vanuit stilstand als het
4LO-controlelampje knippert. Rijd op lage
snelheid recht vooruit totdat het 4LO-contro-
lelampje gaat branden. Het 4LO-controle-
lampje knippert bij het schakelen tussen
<4LO> en <4H>.
Als het 4WD-waarschuwingslampje gaat
branden, voer dan de volgende procedure uit:
1) Zet de motor uit.
2) De motor starten.
3) Controleer of het 4WD-waarschuwings-
lampje gaat branden.
Als na bovenstaande procedure het 4WD-waar-
schuwingslampje nog steeds brandt,laat uw auto
dan direct nakijken en eventueel repareren door
een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf.
De 4WD-modusschakelaar van de hulpversnellings-
bak wordt gebruikt om de tweewielaandrijving
(2WD) of de vierwielaandrijving (4WD) te selecteren,
al naargelang de rijomstandigheden. Draai de 4WD-
modusschakelaar om een rijmodus te selecteren
(<2WD>, <4H> of <4LO>).
Om in of uit de 4LO-stand te schakelen:
1. De auto MOET stilstaan.
2. Trap het koppelingspedaal (modellen met hand-
geschakelde versnellingsbak) en het rempedaal
in en zet de schakelhendel in de N-stand (vrij)
(modellen met handgeschakelde versnellings-
bak) of de P-stand (parkeren) (modellen met au-
tomatische versnellingsbak).
3. Druk in en draai aan de 4WD-modusschakelaar
om in of uit de <4LO>-stand te schakelen.
WAARSCHUWING
Zet bij het parkeren de auto op de parkeerrem
voordat u de motor afzet en controleer of de
4WD-modusschakelaar brandt en dat het
ATP-waarschuwingslampje of ATP-waarschu-
wingsbericht uitstaat, anders zou de auto on-
verwacht kunnen bewegen, zelfs als de auto-
matische versnellingsbak in de P-stand (par-
keren) staat.
Wacht totdat het 4LO-controlelampje niet
meer knippert en continu brandt of uitgaat
voordat u naar een andere versnelling scha-
kelt. De auto kan onverwacht in beweging ko-
men wanneer de schakelhendel uit stand N
(vrij) in een andere stand gezet wordt terwijl
het 4LO-controlelampje knippert.
LET OP
Schakel de 4WD-modusschakelaar nooit tus-
sen <4LO> en <4H> tijdens het rijden.
De <4H>-rijmodus biedt meer grip.Vermijd ex-
treme snelheden, aangezien het een toename
van het brandstofverbruik en hogere olietem-
peraturen kan veroorzaken en bovendien de
onderdelen van de aandrijflijn kan beschadi-
gen. Snelheden boven de 100 km/u (60 mph)
zijn niet aanbevolen in de <4H>-stand.
De <4LO>-rijmodus biedt maximale grip en
vermogen. Vermijd het extreem opvoeren van
de snelheid. De maximumsnelheid is ongeveer
50 km/u (30 MPH).
Wanneer u recht vooruit rijdt, kan de 4WD-
modusschakelaar gedraaid worden tussen
<2WD> en <4H>. Gebruik de 4WD-modusscha-
kelaar niet wanneer u een bocht maakt of ach-
teruitrijdt.
222 Starten en rijden
Draai de 4WD-modusschakelaar niet tussen
<2WD> en <4H> wanneer u van een steile hel-
ling naar beneden rijdt. Rem op de motor door
een lagere versnelling te selecteren.
Draai de 4WD-modusschakelaar niet tussen
<2WD> en <4H> wanneer de achterwielen slip-
pen.
Rijd niet met de auto in de <4H>-stand of
<4LO>-stand op een droog, hard wegdek. Dit
kan overbodig lawaai en bandenslijtage tot
gevolg hebben. RENAULT raadt aan om onder
deze omstandigheden in de 2WD-stand te rij-
den.
Het is niet mogelijk de 4WD-hulpversnellings-
bak te schakelen tussen de <4H>-stand en de
<4LO>-stand bij lage omgevingstemperatu-
ren en wanneer de motor koud is. Als u dit wel
doet kan het 4LO-controlelampje gaan knip-
peren.Wacht totdat de 4WD-hulpversnellings-
bak de bedrijfstemperatuur bereikt heeft (na-
dat u een tijdje gereden hebt) voordat u de
4WD-modusschakelaar gebruikt om te scha-
kelen tussen <4H> en <4LO>.
Handel als volgt als u op ruw wegdek
rijdt
Stel de 4WD-modusschakelaar in op <4H> of
<4LO>.
Rijd voorzichtig en pas uw rijstijl aan de omstan-
digheden van het wegdek aan.
Als de auto vast komt te zitten
Plaats stenen of houten blokken onder de ban-
den om de auto vrij te krijgen.
Stel de 4WD-modusschakelaar in op <4H> of
<4LO>.
Als het moeilijk is om de auto vrij te krijgen, rijdt
u de auto vooruit en achteruit om de aandrijf-
kracht te verhogen. Als de auto diep in de mod-
der vastzit, kunnen bandenkettingen van pas
komen.
LET OP
Laat de banden niet overmatig ronddraaien.
De wielen kunnen diep in de modder zinken
waardoor het moeilijk zal zijn de auto vrij te
krijgen.
Vermijd het schakelen van versnellingen ter-
wijl de motor bij hoge snelheden draait, aan-
gezien dit een defect kan veroorzaken.
BEDIENING VAN DE
4WD-MODUSSCHAKELAAR
Zet de 4WD-modusschakelaar in de <2WD>-
stand, <4H>-stand of <4LO>-stand, al naarge-
lang de rijomstandigheden.
U kunt een lichte beweging van de auto bemer-
ken wanneer u de 4WD-modusschakelaar be-
dient tijdens het maken van een bocht, het ac-
celereren of het afremmen, of wanneer de con-
tactschakelaar naar de “OFF”-stand wordt
gedraaid terwijl de 4WD-modusschakelaar in de
<4H>-stand of <4LO>-stand staat. Dit is normaal.
LET OP
Wanneer u recht vooruit rijdt, kan de 4WD-
modusschakelaar gedraaid worden tussen
<2WD> en <4H>. Gebruik de 4WD-modusscha-
kelaar niet wanneer u een bocht maakt of ach-
teruitrijdt.
Gebruik de 4WD-modusschakelaar niet wan-
neer u van een steile helling naar beneden
rijdt. Rem op de motor door een lagere ver-
snelling te kiezen.
Gebruik de 4WD-modusschakelaar niet wan-
neer de achterwielen slippen.
Alvorens de 4WD-modusschakelaar vanuit
<2WD> in de <4H>-stand te zetten, moet u er-
voor zorgen dat de snelheid van de auto min-
der dan 100 km/u (60 MPH) bedraagt. Anders
kan het 4WD-systeem beschadigd raken.
Schakel de 4WD-modusschakelaar nooit tus-
sen <4LO> en <4H> tijdens het rijden.
JVS0445X
Starten en rijden 223
CONTROLELAMPJE 4WD-MODUS
Het controlelampje voor de 4WD-modus wordt
weergegeven op het voertuiginformatiedisplay.
Als de motor draait, brandt het controlelampje van
de 4WD-modus in de stand die door de 4WD-mo-
dusschakelaar is geselecteerd.
Het is mogelijk dat het 4WD-moduscontrole-
lampje gaat knipperen wanneer u van de ene
rijmodus op de andere overschakelt. Na het
schakelen gaat het controlelampje van de
4WD-modus aan. Als het controlelampje niet
direct gaat branden, moet u zorgen dat het
veilig is om de auto en dan rechtuit rijden met
de auto, gas geven en afremmen of achteruit
rijden, en dan de 4WD-modusschakelaar ver-
zetten.
Als het 4WD-waarschuwingslampje gaat bran-
den of de foutmelding voor 4WD (indien aanwe-
zig) verdwijnt, gaat het controlelampje voor de
4WD-modus uit.
4WD-WAARSCHUWING
Waarschuwingslampje
Waarschuwingslampje
Brandt of knip-
pertinde
volgende
situaties:
m
Gaat branden
Als er een storing
is in het vierwie-
laandrijvings-
systeem
m
Knippert
Het verschil in
draaisnelheid van
de wielen is groot
Als het 4WD-waarschuwingslampje gaat branden,
gaat het controlelampje voor de 4WD-modus uit.
Een groot verschil tussen de diameters van de voor-
en achterwielen zal ertoe leiden dat het 4WD-waar-
schuwingslampje gaat branden. Zet de 4WD-mo-
dusschakelaar op <2WD> en rijd langzaam.
LET OP
Als het 4WD-waarschuwingslampje tijdens
het rijden enige tijd gaat branden of knippe-
ren, laat uw auto dan zo snel mogelijk nakij-
ken door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
Het schakelen tussen <4H> en <4LO> wordt
niet aangeraden wanneer het 4WD-waar-
schuwingslampje brandt.
Wanneer het 4WD-waarschuwingslampje
gaat branden, kan de 2WD-modus ingescha-
keld zijn, zelfs wanneer de 4WD-modus zich in
de <4H>-stand staat. Rijd extra voorzichtig.
Wanneer de overeenkomstige delen defect
zijn, wordt de 4WD-modus niet ingeschakeld
zelfs niet als de 4WD-modusschakelaar wordt
geschakeld.
Rijd niet met de auto op een droog, hard weg-
dek in de <4H>-stand of de <4LO>-stand.Wan-
neer u met de auto in de <4H>-stand of de
<4LO>-stand op een droog, hard wegdek rijdt
kan dit overbodig lawaai, bandenslijtage en
een toename van het brandstofverbruik ver-
oorzaken.
Als het waarschuwingslampje voor vierwie-
laandrijving (4WD) gaat branden tijdens het
rijden op een droog, hard wegdek:
in de <4H>-stand, zet de 4WD-modusscha-
kelaar op <2WD>.
in de <4LO>-stand, stop de auto en zet de
schakelhendel in de N-stand (vrij) met het
rempedaal ingetrapt en zet de 4WD-mo-
dusschakelaar op <2WD>.
Als na bovenstaande procedure het 4WD-
waarschuwingslampje nog steeds brandt,
laat uw auto dan zo snel mogelijk nakijken
door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
De tussenbak kan beschadigd raken als u blijft
rijden terwijl het waarschuwingslampje snel
knippert.
JVS0447X
224 Starten en rijden
Waarschuwing
Als er een storing optreedt in het vierwielaandrij-
vingsysteem (4WD) terwijl de motor draait, zal er een
waarschuwingsbericht verschijnen op het voertui-
ginformatiedisplay.
Als de waarschuwing [4WD systeem fout] verschijnt,
is er wellicht een storing in het 4WD-systeem. Matig
uw snelheid en laat uw auto zo snel mogelijk nakij-
ken door een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf.
LET OP
Start de motor niet als de auto op een rollen-
bank staat met een wiel van de grond.
Als de waarschuwing [4WD systeem fout] ver-
schijnt tijdens het rijden, is er wellicht een sto-
ring in het 4WD-systeem. Matig uw snelheid
en laat uw auto zo snel mogelijk nakijken door
een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf. Rijd extra voorzichtig.
De aandrijflijn kan beschadigd worden als u
doorrijdt terwijl de waarschuwing [4WD sys-
teem fout] is verschenen.
AANBEVOLEN BANDEN VOOR
VIERWIELAANDRIJVING
LET OP
Zorg ervoor dat alle vier de banden dezelfde
maat, hetzelfde merk, dezelfde constructie
(diagonaal, diagonaalgordel of radiaal) en het-
zelfde profiel hebben. Als dat niet zo is, kan er
een verschil in omtreklengte ontstaan tussen
de banden op de vooras en die op de achteras,
waardoor de banden snel slijten en de versnel-
lingsbak, de tussenbak en de differentiaal-
tandwielen beschadigd raken.
Gebruik UITSLUITEND reservebanden die
voorgeschreven zijn voor het desbetreffende
model met vierwielaandrijving (4WD).
Bemerkt u ernstige slijtage aan de banden, dan is
het raadzaam om alle vier de banden te vervangen
door nieuwe banden van dezelfde maat en con-
structie. Controleer ook de bandenspanning en wie-
luitlijning en corrigeer deze indien nodig. Neem con-
tact op met een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
Sneeuwbanden
Als u sneeuwbanden gebruikt, moeten ook deze op
alle vier de wielen van dezelfde maat, merk, con-
structie en profiel zijn.
Bandenspanning
Controleer regelmatig de bandenspanning in alle
banden, inclusief in de reserveband, met een ban-
denspanningsmeter in een tankstation. Indien no-
dig, breng ze op de juiste spanning. De bandenspan-
ningen zijn aangegeven op het plaatje op de portier-
stijl aan de bestuurderszijde of op het achterportier.
Banden wisselen
RENAULT raadt aan de banden om de 5.000 km
(3.000 mijl) te wisselen.
Sneeuwkettingen
Monteer sneeuwkettingen uitsluitend op de ach-
terwielen, niet op de voorwielen.
Rijd niet met sneeuwkettingen op geasfalteerde
wegen die sneeuwvrij zijn. Wanneer u onder derge-
lijke omstandigheden met sneeuwkettingen rijdt,
kan dit de verschillende mechanismen van de auto
beschadigen als gevolg van overbelasting. Schakel
altijd over op tweewielaandrijving (2WD) wanneer u
op een normaal verhard wegdek rijdt.
Starten en rijden 225
Het blokkeersysteem achterdifferentieel is bedoel
om het motorvermogen gelijkmatig te verspreiden
over het linkerachterwiel en het rechterachterwiel.
Als uw auto vastzit in zand, sneeuw, modder, etc. of
één van de wielen is los van de grond en de dif-
ferentieelblokkering staat uit, dan wordt er motor-
vermogen naar het wiel die het minste weerstand
ondervindt gestuurd waardoor dit gaat tollen en er
onvoldoende trekkracht overblijft voor het andere
wiel. De blokkering van het achterdifferentieel zorgt
ervoor dat het linker- en rechterwielen als een een-
heid draaien, waardoor de auto zich kan lostrekken.
Om het achterdifferentieel te blokkeren:
1) Stop de auto onmiddellijk.
2) Zet de 4WD-modusschakelaar in de 4LO-stand.
Voor aanwijzingen over de bediening van de
4WD-modusschakelaar, raadpleeg Vierwie-
laandrijving (4WD) (indien aanwezig)” eerder in
dit hoofdstuk.
3) Zet de schakelaar voor de blokkering van het dif-
ferentieel op ON.
Het controlelampje voor de differentieelblokke-
ring
zal gaan branden op het dashboard
en dat blijven branden zolang as het differen-
tieel helemaal geblokkeerd is.
Druk na het gebruiken van de blokkering van het
achterdifferentieel,of wanneer u weer normaal gaat
rijden, op de schakelaar voor blokkering van het dif-
ferentieel om deze in de OFF-stand te zetten. Het
controlelampje voor de blokkering van het differen-
tieel zal doven nadat de het blokkeersysteem vrij-
gegeven is.
OPMERKING
De blokkering van het achterdifferentieel
werkt alleen terwijl de motor draait.
De blokkering van het achterdifferentieel
werkt niet in de 4H-stand als de schakelaar
voor de differentieelblokkering op “ON” staat.
(Het controlelampje van de differentieelblok-
kering zal knipperen.)
WAARSCHUWING
Gebruik de blokkering van het achterdifferen-
tieel alleen in noodgevallen wanneer het zelfs
niet mogelijk is de vastgeraakte auto met be-
hulp van de 4LO-stand.
Wanneer de blokkering van het differentieel
actief is, wordt keren met de auto moeilijker
en, zeker bij hoge snelheden, gevaarlijk.
Wanneer de differentieelblokkering aan staat
zullen het ABS-waarschuwingslampje (anti-
blokkeerremsysteem) en het controlelampje
voor de elektronische stabiliteitsregeling
(ESP) gaan branden. Dit geeft aan dat de anti-
blokkering misschien niet goed werkt.
Gebruik de blokkering van het differentieel
niet wanneer de auto een bocht maakt of er
één wiel ronddraait. Anders kunnen de aan-
drijfonderdelen beschadigd worden.
Vermijd snel starten wanneer de differentieel-
blokkering actief is. Anders kunnen de aan-
drijfonderdelen beschadigd worden.
Neem de bovenstaande voorzorgsmaatregelen
in acht. Anders kan dit leiden tot verlies van
stuurkracht.
JVS0533XZ
BLOKKEERSYSTEEM ACHTERDIFFERENTIEEL (indien aanwezig)
226 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Het ESP-systeem is bedoeld om de bestuur-
der te helpen de rijstabiliteit te behouden,
maar het voorkomt geen ongelukken als ge-
volg van plotselinge stuurmanoeuvres bij
hoge snelheden of een onzorgvuldige of ge-
vaarlijke rijstijl. Matig uw snelheid, rijd voor-
zichtig en let vooral op wanneer u rijdt en
bochten neemt op glad wegdek.
Breng geen wijzigingen aan in de wielophan-
ging van de auto. Als onderdelen van de wie-
lophanging, zoals schokdempers, veerpoten,
veren, stabilisatorstangen, moffen en wielen
niet door RENAULT zijn aanbevolen voor uw
voertuig of extreem versleten zijn, werkt het
ESP-systeem mogelijk niet goed. Dit kan een
negatief effect hebben op het besturen van
het voertuig, en het ESP-waarschuwings-
lampje
kan wellicht gaan branden.
Als onderdelen van het remsysteem, zoals
remblokken, remschijven en remblokhouders
niet door RENAULT zijn aanbevolen of extreem
versleten zijn, werkt het ESP-systeem moge-
lijk niet goed, en kan het ESP-waarschuwings-
lampje
wellicht gaan branden.
Als onderdelen gerelateerd aan de motorre-
geling niet door RENAULT zijn aanbevolen of
extreem versleten zijn, kan het ESP-waar-
schuwingslampje
wellicht gaan branden.
Wanneer u op extreme hellingen rijdt, zoals
steile bochten, werkt het ESP-systeem wel-
licht niet correct en kan het ESP-waarschu-
wingslampje
gaan branden. Ga niet rijden
op dit soort wegen.
Wanneer u op een instabiele ondergrond rijdt,
zoals een draaitafel, veerboot, lift, of schans,
zal het ESP-waarschuwingslampje
wel-
licht oplichten. Dit is geen storing. Start de mo-
tor opnieuw nadat u zich weer op een stabiele
ondergrond bevindt.
Als wielen of banden gebruikt worden die niet
door RENAULT zijn aanbevolen, werkt het ESP-
systeem mogelijk niet goed, en kan het ESP-
waarschuwingslampje
wellicht gaan
branden.
Het ESP-systeem is op een besneeuwde weg
geen ver vanger voor winterbanden of
sneeuwkettingen.
Het Electronic Stability Programme (ESP) maakt ge-
bruik van verschillende sensoren om toezicht te
houden op de handelingen van de bestuurder en
de bewegingen van het voertuig. Onder bepaalde
rijomstandigheden voert het ESP-systeem de vol-
gende functies uit:
Regelt de remkracht om wielslip op één slippend
aangedreven wiel te verminderen en de kracht
te verplaatsen naar het wiel op dezelfde as dat
niet slipt.
Regelt de remkracht en het motorvermogen om
wielslip te verminderen op de aangedreven wie-
len op basis van de rijsnelheid (tractieregelings-
functie).
Regelt de remkracht op de afzonderlijke wielen,
alsmede het motorvermogen, om de bestuur-
der te helpen het voertuig onder controle te
houden onder de volgende omstandigheden:
onderstuur (voertuig heeft de neiging van de
stuurrichting af te wijken ondanks dat er
sterker gestuurd wordt)
overstuur (voertuig heeft de neiging tot
wielspin bij bepaalde wegomstandigheden
of rijomstandigheden).
Het ESP-systeem kan de bestuurder helpen het
voertuig onder controle te houden, maar het kan
niet in alle gevallen voorkomen dat de bestuurder
de macht over het stuur verliest.
Wanneer ESP-systeem in werking treedt, zal het
ESP-waarschuwingslampje op het dashboard
gaan knipperen, en moet u op het volgende letten:
De weg kan glad zijn of het systeem kan opmer-
ken dat een ingreep vereist is om de auto op zijn
koers te houden.
U voelt dan wellicht een trilling in het rempedaal
en hoort een geluid of vibratie van onder de mo-
torkap vandaan komen. Dit is normaal en geeft
aan dat het ESP-systeem correct werkt.
Pas uw snelheid aan de omstandigheden aan.
Als er zich een storing voordoet, zal het ESP-waar-
schuwingslampje
op het dashboard gaan
branden. Het ESP-systeem gaat automatisch uit.
Met de ESP OFF-schakelaar kunt u het ESP-systeem
uitschakelen. Het ESP OFF-controlelampje gaat
branden om aan te geven dat het EPS-systeem uit-
geschakeld is. Wanneer de ESP OFF-schakelaar ge-
bruikt wordt om het systeem uit te schakelen, werkt
ELECTRONIC STABILITY PROGRAMME (ESP) (indien aanwezig)
Starten en rijden 227
het ESP-systeem nog steeds om wielslip te voorko-
men door vermogen over te brengen op een aan-
gedreven wiel dat niet slipt. Het ESP-waarschu-
wingslampje
knippert als dit gebeurt. Alle an-
dere ESP-functies zijn uitgeschakeld en het ESP-
waarschuwingslampje
gaat niet knipperen. Het
ESP-systeem wordt automatisch weer ingescha-
keld wanneer de contactschakelaar in de
OFF-stand en vervolgens terug in de ON-stand
wordt gezet.
Als de <4LO>-stand geselecteerd wordt met de mo-
dusschakelaar voor vierwielaandrijving (4WD),
wordt het ESP-systeem uitgeschakeld en gaat het
ESP OFF-controlelampje branden.
Zie Waarschuwingslampjes, controlelampjes en
geluidssignalen” in hoofdstuk “2. Instrumenten en
bedieningen” en Vierwielaandrijving (4WD) (indien
aanwezig)” eerder in dit hoofdstuk.
De computer heeft een ingebouwde zelfdiagnose-
functie die het systeem test telkens wanneer u de
motor start en op lage snelheid voor- of achteruit
rijdt. Tijdens deze zelfdiagnose hoort u soms een
soort gebonk of voelt u trillingen in het rempedaal.
Dit is normaal en duidt niet op een storing.
TRAILER SWAY ASSIST (TSA) (indien
aanwezig)
Als uw voertuig-aanhangercombinatie begint te
slingeren, zal het Trailer Sway Assist-systeem (TSA)
u in deze situatie helpen. Het TSA-systeem zorgt er-
voor dat het voertuig vaart mindert door te rem-
men en het motorvermogen te beperken totdat de
voertuig/aanhangercombinatie weer gestabili-
seerd is.
WAARSCHUWING
Bij slechte weg- of weersomstandigheden kan de
aanhangerstabilisatie niet voorkomen dat de
combinatie van de auto en de aanhanger gaan
zwenken. Aanhangers met een hoog zwaarte-
punt kunnen kantelen voordat het TSA-systeem
dit kan waarnemen. Er bestaat een kans op een
ongeval.
Pas uw rijstijl altijd aan de weg- en weersomstan-
digheden aan.
Als uw auto met aanhangwagen begint te slinge-
ren, kunt u de auto met aanhangwagen alleen sta-
biliseren door de rem in te trappen.
Het systeem is actief boven snelheden van onge-
veer 65 km/u.
Het systeem werkt niet als ESP gedeactiveerd is of
uitgeschakeld is vanwege een storing.
ELECTRONIC STABILITY
PROGRAMME (ESP)
OFF-SCHAKELAAR
Onder de meeste rijomstandigheden moet de auto
worden gereden met ingeschakeld Electronic Stabi-
lity Programme (ESP).
Wanneer het voertuig vastzit in modder of sneeuw,
zorgt het ESP-systeem ervoor dat het motorvermo-
gen wordt verminderd om zo het doorslippen van
de wielen te verminderen. Het motortoerental
wordt beperkt ook al is het gaspedaal tot op de vloer
ingetrapt. Als maximaal motorvermogen nodig is
om een vastzittend voertuig los te trekken, schakel
het ESP-systeem dan uit.
Druk op de ESP OFF-schakelaar om het Electronic
Stability Programme (ESP) uit te schakelen. Het ESP
OFF-controlelampje
gaat branden.
Druk nogmaals op de ESP OFF-schakelaar of start
de motor opnieuw om het Electronic Stability Pro-
gramme (ESP) weer in te schakelen.
SSD1149Z
228 Starten en rijden
Het Active Emergency Braking-systeem kan de be-
stuurder helpen wanneer er een risico bestaat op
een frontale botsing met een voorligger in dezelfde
rijstrook.
Het Active Emergency Braking-systeem (Actief
noodremsysteem) maakt gebruik van een radar-
sensor
die op de voorkant van de auto is geïn-
stalleerd om de afstand tot de voorligger op de-
zelfde rijstrook te meten.
WAARSCHUWING
Het Active Emergency Braking-systeem is een
extra hulpmiddel voor de bestuurder. Het be-
tekent niet dat de bestuurder niet meer op de
verkeersomstandigheden hoeft te letten en is
ook geen vervanging voor de verantwoorde-
lijkheid om veilig te rijden. Het systeem kan
geen ongelukken voorkomen die veroorzaakt
worden door onvoorzichtig of gevaarlijk rijge-
drag.
Het Active Emergency Braking-systeem werkt
niet onder alle rij-, verkeers-, weers- en
wegomstandigheden.
WERKING VAN HET SYSTEEM
Het Active Emergency Braking-systeem treedt in
werking bij rijsnelheden boven ongeveer 5 km/u
(3 mph).
Wanneer het risico bestaat op een aanrijding met
een voorligger, geeft het Active Emergency Braking-
systeem een eerste waarschuwing aan de bestuur-
der door middel van het knipperen van het waar-
schuwingslampje van het systeem (oranje) en een
akoestische waarschuwing.
Als de bestuurder na deze waarschuwing snel en
krachtig de remmen bedient en het Active Emer-
gency Braking-systeem desondanks waarneemt
dat de kans op een aanrijding nog steeds aanwezig
is, zal het systeem automatisch de auto nog krach-
tiger afremmen.
Als de bestuurder hierop geen actie onderneemt,
zal het Active Emergency Braking-systeem een
tweede visuele (rood) en akoestische waarschu-
wing geven. Als de bestuurder vervolgens het gas-
pedaal loslaat, zal het systeem de remmen gedeel-
telijk activeren.
Als het risico op een aanrijding onvermijdelijk lijkt,
zal het Active Emergency Braking-systeem auto-
matisch nog krachtiger afremmen.
Waarschuwing Zichtbaar Hoorbaar
Eerste
m
Geluidssignaal
Tweede
m
Hoog geluids-
signaal
Overzicht van waarschuwingen
OPMERKING
De remlichten van de auto gaan branden wan-
neer er geremd wordt door het Active Emergency
Braking-systeem.
Afhankelijk van de rijsnelheid en de afstand tot de
voorligger, alsmede van de rijomstandigheden en
de wegomstandigheden, kan het systeem de be-
stuurder helpen om een aanrijding met een voorlig-
ger te voorkomen of in ieder geval de gevolgen van
een aanrijding te beperken wanneer deze onvermij-
delijk is.
Als de bestuurder het stuurwiel bedient, gas geeft
of remt, zal het Active Emergency Braking-systeem
later of helemaal niet in werking treden.
Automatisch afremmen zal onder de volgende om-
standigheden onderbroken worden:
Wanneer er aan het stuurwiel wordt gedraaid,
en wel zodanig dat een aanrijding voorkomen
wordt.
Wanneer het gaspedaal wordt ingedrukt.
NIC3103
ACTIVE EMERGENCY BRAKING-
SYSTEEM (indien aanwezig)
Starten en rijden 229
Wanneer er geen voorligger meer wordt waar-
genomen.
Als het Active Emergency Braking-systeem de auto
heeft stopgezet, zal de auto gedurende ongeveer
2 seconden stil blijven staan voordat de remmen
door het systeem gelost worden.
WAARSCHUWING
De radarsensor is niet in staat om de volgende
objecten te detecteren:
Voetgangers, dieren of obstakels op de
weg
Tegenliggers
Kruisende voertuigen
De radarsensor heeft enkele werkingsbeper-
kingen. Wanneer een stilstaand voertuig zich
in de route van het voertuig bevindt, zal het
Active Braking-systeem niet werken wanneer
de eigen rijsnelheid hoger is dan ongeveer
70 km/u (44 mph).
De radarsensor detecteert een voorligger wel-
licht niet onder de volgende omstandigheden:
Als vuil, ijs, sneeuw of ander materiaal de
radarsensor bedekt.
Bij storing die veroorzaakt wordt door an-
dere radarbronnen.
Door sneeuw of opspattend water van an-
dere weggebruikers.
Als de voorligger smal is (zoals een motor).
Op steile afdalingen of wegen met scherpe
bochten.
Als er een aanhangwagen getrokken
wordt.
In sommige weg- of verkeersomstandighe-
den kan het Active Emergency Braking-sys-
teem mogelijk onverwacht de remmen
gedeeltelijk activeren. Wanneer er gas gege-
ven moet worden, blijf dan het gaspedaal in-
drukken om het systeem te omzeilen.
De remweg is langer op glad wegdek.
Overmatig lawaai kan het geluid van het waar-
schuwingssignaal overstemmen waardoor
het mogelijk niet gehoord wordt.
Het systeem is ontworpen om de functionali-
teit van de sensor automatisch te controleren,
binnen bepaalde beperkingen. Het systeem
kan sommige belemmeringen van het sensor-
gedeelte van de voorbumper niet waarnemen,
zoals bijvoorbeeld ijs, sneeuw, stickers. In
zulke gevallen kan het systeem de bestuurder
mogelijk niet goed waarschuwen. Zorg ervoor
dat u het sensorgedeelte van de voorbumper
regelmatig controleert, reinigt en vrijhoudt.
Het Active Emergency Braking-systeem
AAN/UIT zetten
Voer de volgende stappen uit om het Active Emer-
gency Braking-systeem aan of uit te zetten.
Modellen met kleurendisplay:
1. Gebruik de schakelaars
of en de <ENTER>-
knop links op het stuurwiel om het Instellingen-
menu te selecteren op het voertuiginformatiedis-
play. (Zie Voertuiginformatiedisplay” in hoofd-
stuk “2. Instrumenten en bedieningen”
2. Gebruik de schakelaars
of en de <ENTER>-
knop, ga naar het menu [Bestuurdersmodus], ge-
volgd door het menu [Rijhulp].
3. Markeer [Nood remsyst.] in het menu [Rijhulp] en
gebruik de <ENTER>-knop om te schakelen tus-
sen AAN (ingeschakeld) of UIT (uitgeschakeld).
Wanneer het Active Emergency Braking-systeem
uitgeschakeld wordt, gaat het waarschuwings-
lampje van het Active Emergency Barking-systeem
(oranje) branden.
OPMERKING
Door het ESP-systeem uit te schakelen met de
Electronic Stability Programme (ESP) OFF-
schakelaar, zal het Active Emergency Braking-
systeem niet meer beschikbaar zijn, ongeacht
de instellingen die op het voertuiginformatie-
display geselecteerd zijn.
NSD556
230 Starten en rijden
Systeem tijdelijk niet beschikbaar
Situatie A:
Wanneer de radar storing oppikt van een andere
radarbron waardoor een voorligger niet gedetec-
teerd kan worden, wordt het Active Emergency Bra-
king-systeem automatisch uitgeschakeld. Het
waarschuwingslampje van het Active Emergency
Braking-systeem (oranje) gaat branden.
Te nemen maatregelen:
Wanneer bovenstaande omstandigheden niet
meer aanwezig zijn, zal het Active Emergency Bra-
king-systeem automatisch weer gaan werken.
Situatie B:
Wanneer het sensoroppervlak van de voorbumper
bedekt is met vuil of op andere wijze belemmerd
wordt waardoor eventuele voorliggers niet gede-
tecteerd kunnen worden, wordt het Active Emer-
gency Braking-systeem automatisch uitgescha-
keld. Het waarschuwingslampje van het Active
Emergency Braking-systeem (oranje) gaat branden
en de waarschuwing Voorradar bedekt” zal op het
voertuiginformatiedisplay verschijnen.
Te nemen maatregelen:
Als het waarschuwingslampje (oranje) gaat bran-
den, parkeer de auto dan op een veilige plek en zet
de motor af. Controleer of het sensorgedeelte van
de voorbumper bedekt is. Indien dit het geval is, ver-
wijder dan het materiaal dat hiervan de oorzaak is.
Start de motor opnieuw. Als het waarschuwings-
lampje blijft branden, laat het Active Emergency
Braking-systeem dan nakijken door een erkende
dealer of een gekwalificeerd garagebedrijf.
Systeemstoring
Indien er een storing optreedt in het Active Emer-
gency Braking-systeem, wordt het systeem auto-
matisch uitgeschakeld, klinkt er een geluidssignaal,
gaat het waarschuwingslampje van het Active
Emergency Braking-systeem (oranje) branden en
verschijnt de waarschuwing [Systeem fout] op het
voertuiginformatiedisplay.
Te nemen maatregelen:
Als het waarschuwingslampje (oranje) gaat bran-
den, parkeer de auto dan op een veilige plek, zet de
motor af en start de motor vervolgens opnieuw. Als
het waarschuwingslampje blijft branden, laat het
Active Emergency Braking-systeem dan nakijken
door een erkende dealer of een gekwalificeerd ga-
ragebedrijf.
WAARSCHUWING
Vertrouw nooit alleen op de Hill Descent Con-
trol (afdalingsassistent) om de snelheid vande
auto onder controle te houden op steile afda-
lingen. Rijd altijd voorzichtig en let goed op
wanneer u de Hill Descent Control gebruikt en
rem de auto eventueel af door het rempedaal
in te trappen. Wees vooral zeer voorzichtig
wanneer u op bevroren,modderige of extreem
steile wegen rijdt. Wanneer u de rijsnelheid
niet onder controle kunt houden, kunt u de
controle over de auto verliezen met mogelijk
ernstig of dodelijk letsel tot gevolg.
De Hill Descent Control kan de snelheid van de
auto op een afdaling mogelijk niet onder alle
weg- of laadomstandigheden onder controle
houden. Wees er altijd op voorbereid dat u het
rempedaal misschien moet indrukken om de
snelheid van de auto te regelen. Wanneer u dit
niet doet, kan dit tot een aanrijding of ernstig
persoonlijk letsel leiden.
Wanneer de Hill Descent Control ingeschakeld is,
worden de remmen automatisch en zonder schok-
ken toegepast om een constante snelheid te hand-
haven tijdens steile afdalingen op glad wegdek of
op open terrein, zonder dat het rem- of gaspedaal
gebruikt hoeft te worden. Het Hill Descent Control-
systeem helpt de bestuurder om de snelheid van de
auto constant te houden wanneer er op minder dan
25 km/u (16 MPH) van een helling wordt gereden,
waarbij remmen op de motor in de <4H>-stand of
<4LO>-stand alleen niet genoeg is om de snelheid
onder controle te houden.
HILL DESCENT CONTROL (indien
aanwezig)
Starten en rijden 231
OPMERKING
Wanneer de Hill Descent Control gedurende lan-
gere tijd voortdurend in werking is, kan de tem-
peratuur van de actuator van het elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP) mogelijk toenemen
waardoor de Hill Descent Control tijdelijk uitge-
schakeld wordt. Het controlelampje voor het Hill
Descent Control-systeem zal uitgaan. Het Hill De-
scent Control-systeem treedt automatisch in
werking en het controlelampje zal weer gaan
branden wanneer de temperatuur van de actu-
ator van het ESP-systeem gedaald is. Als het con-
trolelampje niet gaat branden, moet u het sys-
teem uitzet ten.
HILL DESCENT
CONTROL-SCHAKELAAR
Als aanvullend remmen noodzakelijk is op een steile
afdaling, activeer dan de Hill Descent Control door
de schakelaar van het systeem in te drukken.
Wanneer de Hill Descent Control ingeschakeld is,
gaat het controlelampje voor ingeschakelde Hill De-
scent Control branden. (Zie Waarschuwings-
lampjes, controlelampjes en geluidssignalen” in
hoofdstuk “2. Instrumenten en bedieningen”.) Bo-
vendien worden achterliggers gewaarschuwd voor
de werking van de Hill Descent Control door de au-
tomatisch inschakelende rem/achterlichten.
Om de Hill Descent Control te kunnen activeren,
moet aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan:
Selecteer een vooruitversnelling (bij modellen
met handgeschakelde versnellingsbak alleen 1e
versnelling) of de achteruitversnelling.
Zet de 4WD-modusschakelaar op de <4H>-stand
of <4LO>-stand en rijd op een snelheid van min-
der dan 25 km/u (16 MPH).
Zie Waarschuwingslampjes, controlelampjes en
geluidssignalen” in hoofdstuk “2. Instrumenten
en bedieningen”.
Druk de Hill Descent Control-schakelaar in de
“AAN”-stand.
Wanneer het gas- of rempedaal wordt ingedrukt
terwijl de Hill Descent Control in werking is, zal het
systeem tijdelijk worden uitgeschakeld. Zodra het
gas- of rempedaal wordt losgelaten, wordt de Hill
Descent Control weer ingeschakeld als aan alle bo-
vengenoemde voorwaarden is voldaan.
Het controlelampje voor ingeschakelde Hill Descent
Control knippert als de schakelaar geactiveerd is en
niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, of als het
systeem om een of andere reden wordt uitgescha-
keld.
U kunt de Hill Descent Control uitschakelen door de
schakelaar in de “UIT”-stand te zetten.
WAARSCHUWING
Vertrouw nooit alleen op Hill Start Assist om te
voorkomen dat de auto op een heuvel naar
achteren rolt. Rijd altijd voorzichtig en oplet-
tend. Trap het rempedaal in als u stopt op een
steile helling. Wees vooral voorzichtig als u
stopt op bevroren of modderige hellingen. Als
u niet kunt voorkomen dat het voertuig naar
achteren rolt, kunt u de macht over het voer-
tuig verliezen en ernstig of zelfs dodelijk letsel
oplopen.
De Hill Start Assist is niet bedoeld om de auto
stil te laten staan op een helling. Trap het rem-
pedaal in als u stopt op een steile helling. Wan-
neer u dit niet doet, kan de auto naar achteren
rollen, met een aanrijding of ernstig lichame-
lijk letsel tot gevolg.
De Hill Start Assist kan mogelijk niet onder alle
beladings- of wegomstandigheden voorko-
men dat de auto op een heuvel naar achteren
rijdt. Wees er altijd op voorbereid om het rem-
pedaal in te trappen om te voorkomen dat het
voertuig naar achteren rolt. Wanneer u dit niet
doet, kan dit tot een aanrijding of ernstig per-
soonlijk letsel leiden.
De Hill Start Assist activeert automatisch de rem-
men om te voorkomen dat de auto naar achteren
rolt zodra de bestuurder het rempedaal loslaat om
het gaspedaal in te trappen terwijl de auto op een
helling gestopt is.
JVS0402XZ
HILL START ASSIST-SYSTEEM
(indien aanwezig)
232 Starten en rijden
De Hill Start Assist zal automatisch in werking tre-
den onder de volgende omstandigheden:
De versnellingsbak wordt in een vooruitversnel-
ling of in de achteruitversnelling gezet.
De auto wordt volledig gestopt op een heuvel
door de rem in te schakelen.
De maximale blokkeertijd is 2 seconden. Na 2 se-
conden begint de auto naar achteren te rollen en
stopt de werking van de Hill Start Assist volledig.
De Hill Start Assist zal niet werken wanneer de ver-
snelling op N (vrij) of P (parkeren) staat, en ook niet
op een vlakke weg.
Wanneer het waarschuwingslampje voor het elek-
tronische stabiliteitsprogramma (ESP) op het dash-
board gaat branden, zal de hellingoprijhulp niet
werken. (Zie “Electronic Stability Programme (ESP)
(indien aanwezig)” eerder in dit hoofdstuk.)
De cruise control maakt het u mogelijk met een con-
stante snelheid te rijden zonder uw voet op het gas-
pedaal te hoeven houden:
WAARSCHUWING
De cruise control is ALLEEN bedoeld om een
constante rijsnelheid aan te houden, maar is
geen vervanging voor de bestuurder.
Houd u altijd aan de aangegeven snelheids-
beperkingen en overschrijd ze niet.
Gebruik de cruise control niet onder de vol-
gende omstandigheden. U kunt anders de
controle over de auto verliezen en een onge-
val veroorzaken.
Wanneer het niet mogelijk is een constante
snelheid te handhaven
Bij druk verkeer
In verkeer met steeds wisselende rijsnel-
heden
In zeer winderige gebieden
Op bochtige of heuvelachtige wegen
Op gladde wegen (regen, sneeuw, ijs, enz.)
LET OP
Schakel bij modellen met handgeschakelde ver-
snellingsbak (MT) niet naar de vrijstand (N) zon-
der de koppeling in te trappen wanneer de cruise
control aan staat. Mocht dit toch gebeuren, trap
het koppelingspedaal dan onmiddellijk in en zet
de hoofdschakelaar direct uit. Als u dat niet doet,
kan de motor beschadigd raken.
Als de cruise control is ingeschakeld, kan de snel-
heidsbegrenzer niet worden bediend.
De bedieningsschakelaars voor de cruise control
bevinden zich op het stuurwiel (rechterzijde).
De bedrijfstoestand van de cruise control wordt
weergegeven op het voertuiginformatiedisplay.
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ
CRUISE CONTROL
Als het cruise controlsysteem niet goed functio-
neert, zal het automatisch geannuleerd worden.
De
-indicator of de -indicator (in-
dien aanwezig) op het voertuiginformatiedis-
play zal dan gaan knipperen om de bestuurder
te waarschuwen.
Als de -of -indicator knippert, zet
de hoofdschakelaar van de cruise control dan
uit en laat het systeem nakijken door een er-
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
De -of -indicator knippert wellicht
wanneer de hoofdschakelaar voor de cruise
control aan staat en op <RES/+>, <SET/—>, of
<CANCEL> gedrukt wordt. Stel het cruise con-
trolsysteem in door de volgende stappen uit te
voeren.
CRUISE CONTROL (indien
aanwezig)
Starten en rijden 233
CRUISE CONTROL BEDIENEN
<CANCEL>-schakelaar
j
A <RES/+>-schakelaar (Resume)
j
B <SET/—>-schakelaar
Hoofdschakelaar cruise control AAN/UIT
Hoofdschakelaar snelheidsbegrenzer AAN/UIT
(Voor details, zie “Snelheidsbegrenzer (indien
aanwezig)” verderop in dit hoofdstuk) (indien
aanwezig)
Cruise controlsymbool
Ingestelde snelheid
Met cruise control is het mogelijk met snelheden
boven 40 km/u (25 MPH) te rijden zonder uw voet
op het gaspedaal te hoeven houden.
De cruise control zal automatisch geannuleerd wor-
den als de snelheid daalt tot onder ongeveer
33 km/u (21 MPH).
Zet de schakelhendel op N (vrij) (modellen met au-
tomatische versnellingsbak) of trap de koppeling in
(modellen met handgeschakelde versnellingsbak)
om de cruise control te annuleren.
De cruise control inschakelen
Druk op de hoofdschakelaar van de cruise control
. Het cruise controlsymbool
wordt met de laat-
ste ingestelde snelheid (of———)
bovenaan het
voertuiginformatiedisplay weergegeven.
De kruissnelheid instellen
1. Accelereer tot de gewenste snelheid.
2. Druk op de <SET/—>-schakelaar
j
B en laat ver-
volgens los.
3. Het cruise controlsymbool
wordt met de inge-
stelde snelheid (de gewenste kruissnelheid)
bovenaan het voertuiginformatiedisplay weer-
gegeven.
4. Haal uw voet van het gaspedaal.
De auto zal nu de ingestelde snelheid aanhouden.
Als de auto langzamer rijdt dan de minimum in-
stelbare snelheid, dan kan de cruise control niet
worden ingesteld.
De vooringestelde snelheid hervatten:
Druk op de <RES/+>-schakelaar en laat weer
los
j
A.
De auto hervat de laatst ingestelde kruissnelheid
wanneer de rijsnelheid hoger is dan 40 km/u
(25 MPH).
De kruissnelheid wijzigen
Volg een van de volgende methodes om de kruis-
snelheid te wijzigen.
Een lagere snelheid instellen:
Volg één van de volgende methodes om een lagere
snelheid in te stellen.
Rem op normale wijze af met behulp van het
rempedaal.
Druk wanneer de auto de gewenste kruissnel-
heid bereikt de <SET/—>-schakelaar
j
B omlaag
en laat los.
De nieuwe ingestelde snelheid wordt nu aan de
bovenkant van het voertuiginformatiedisplay
weergegeven.
Houd de <SET/—>-schakelaar
j
B ingedrukt om
de ingestelde snelheid in stappen van 5 km/u
(3 MPH) te verlagen.
Wanneer de gewenste snelheid op het voertui-
ginformatiedisplay wordt bereikt, laat u de
<SET/—>-schakelaar los zodat de instelling in
werking treedt.
Druk dan de schakelaar <SET/—>
j
B heel even in.
Dit zal de snelheid verlagen met ongeveer 1 km/u
(1 MPH).
De nieuwe ingestelde snelheid wordt bovenaan
op het voertuiginformatiedisplay getoond.
NAA1866
Modellen met snelheidsbegrenzer (indien aanwezig)
NAA1667
234 Starten en rijden
Een hogere snelheid instellen:
Volg één van de volgende methodes om een ho-
gere snelheid in te stellen.
Trap het gaspedaal in. Zodra de auto de ge-
wenste rijsnelheid heeft, drukt u de schakelaar
<SET/—>
j
B inenlaatudezelos.
Houd de <RES/+>-schakelaar
j
A ingedrukt om
de ingestelde snelheid in stappen van 5 km/u
(3 MPH) te verhogen.
Wanneer de gewenste snelheid op het voertui-
ginformatiedisplay wordt bereikt, laat u de
<RES/+>-schakelaar los zodat de instelling in
werking treedt.
Druk op de <RES/+>-schakelaar en laat meteen
weer los
j
A . Dit zal de snelheid verhogen met
ongeveer 1 km/u (1 MPH).
De nieuwe ingestelde snelheid wordt bovenaan
op het voertuiginformatiedisplay getoond.
De vooringestelde snelheid hervatten:
Druk op de <RES/+>-schakelaar en laat weer
los
j
A.
De auto hervat de laatst ingestelde kruissnelheid
wanneer de rijsnelheid hoger is dan 40 km/u
(25 MPH).
Een andere auto inhalen
Trap het gaspedaal in om te accelereren. Zodra het
gaspedaal losgelaten wordt, zal de auto weer op de
eerder ingestelde snelheid gaan rijden.
De aangegeven ingestelde snelheid
gaat knippe-
ren totdat de auto de eerder ingestelde snelheid
bereikt heeft.
De kruissnelheid annuleren
Volg een van de volgende methodes om de inge-
stelde snelheid te annuleren.
Druk op de <CANCEL>-schakelaar
.
Tik met uw voet licht op het rempedaal.
Druk op de hoofdschakelaar van de cruise con-
trol
. De indicator
zal uitgaan.
Met de snelheidsbegrenzer kunt u de gewenste
maximum rijsnelheid instellen. Als de snelheidsbe-
grenzer in werking is, kunt u normaal remmen en
accelereren, maar de auto zal de ingestelde snel-
heid niet overschrijden.
Wanneer de auto de ingestelde snelheidslimiet be-
reikt, of wanneer de ingestelde snelheidslimiet la-
ger is dan de werkelijke rijsnelheid, dan zal het gas-
pedaal niet meer werken totdat de rijsnelheid daalt
onder de ingestelde snelheidslimiet.
Wanneer de werkelijke rijsnelheid de ingestelde
snelheid overschrijdt zonder dat de bestuurder in-
grijpt, klinkt er een waarschuwingssignaal kort na
het overschrijden van de ingestelde snelheid.
Als de snelheidsbegrenzer in werking is, kan de
cruise control niet worden gebruikt.
WAARSCHUWING
De snelheidsbegrenzer remt de auto niet au-
tomatisch af tot de ingestelde snelheidslimiet.
Houd u altijd aan de aangegeven maximum-
snelheid. Stel geen snelheid in boven deze li-
miet.
Kijk altijd op het voertuiginformatiedisplay
om te zien op welke snelheid de snelheidsbe-
grenzer is ingesteld.
Als de snelheidsbegrenzer is ingesteld, ver-
mijd dan snel accelereren om de ingestelde li-
miet te bereiken, zodat het systeem de snel-
heid van de auto goed onder controle kan hou-
den.
SNELHEIDSBEGRENZER (indien
aanwezig)
Starten en rijden 235
Als er extravloermatten worden gebruikt, zorg
er dan voor dat ze goed bevestigd zijn en dat
ze de bediening van het gaspedaal niet kun-
nen belemmeren. Matten die niet geschikt zijn
voor de auto kunnen een juiste werking van
de snelheidsbegrenzer verhinderen.
De bedieningsschakelaars van de snelheidsbegren-
zer zijn te vinden op het stuurwiel (rechterkant).
De bedrijfsconditie van de snelbeidsbegrenzer
wordt aan de bovenkant van het voertuiginforma-
tiedisplay getoond. Zie voor meer informatie
Voertuiginformatiedisplay” in hoofdstuk “2. Instru-
menten en bedieningen”.
DE SNELHEIDSBEGRENZER
BEDIENEN
<CANCEL>-schakelaar
j
A <RES/+>-schakelaar (Resume)
j
B <SET/–>-schakelaar (Set)
Hoofdschakelaar snelheidsbegrenzer “AAN/
UIT
Hoofdschakelaar cruise control “AAN/UIT”. (Zie
voor meer informatie “Cruise control (indien
aanwezig)” eerder in dit hoofdstuk)
Snelheidsbegrenzersymbool
Ingestelde snelheid
De snelheidsbegrenzer inschakelen
De snelheidsbegrenzer kan worden ingeschakeld
na het starten van de motor of tijdens het rijden.
Druk op de “AAN/UIT”-hoofdschakelaar van de snel-
heidsbegrenzer
.
De snelheidslimiet instellen
Druk op de <SET/–>-schakelaar
j
B (omlaag).
Afhankelijk van het model:
De snelheidslimiet wordt ingesteld op de huidige
snelheid.
Wanneer u langzamer dan 30 km/u (20 mph)
rijdt, wordt de snelheidsbegrenzer ingesteld op
de minimum instelbare snelheid van 30 km/u
(20 mph).
Stel de snelheidsbegrenzer in wanneer u harder
rijdt dan 30 km/u (20 mph).
Wanneer de snelheidslimiet is ingesteld, zullen het
snelheidsbegrenzersymbool
en de ingestelde
snelheid
gaan branden op het voertuiginforma-
tiedisplay. Het snelheidsbegrenzersymbool wordt
groen.
Een snelheidslimiet wijzigen
Voer één van de volgende handelingen uit om een
snelheidslimiet te wijzigen.
Druk de <RES/+>-schakelaar (Resume)
j
A om-
hoog of de <SET/–>-schakelaar
j
B omlaag en
laat los. Telkens wanneer u dit doet neemt de
ingestelde snelheid toe of af met 1 km/u (1 mph).
Druk de <RES/+>-schakelaar (Resume)
j
A om-
hoog of de <SET/–>-schakelaar
j
B omlaag en
houd vast. De ingestelde snelheid neemt toe of
af tot het volgende veelvoud van 5 km/u (5 mph)
en vervolgens in stappen van 5 km/u (5 mph).
De nieuwe ingestelde snelheidslimiet
wordt
weergegeven op het voertuiginformatiedisplay.
Wanneer de werkelijke rijsnelheid de ingestelde
snelheid overschrijdt zonder dat de bestuurder in-
grijpt, klinkt er een waarschuwingssignaal kort na
het overschrijden van de ingestelde snelheid.
Een snelheidslimiet annuleren
Druk om een ingestelde snelheidslimiet te annule-
ren op de <CANCEL>-schakelaar
. Het snelheids-
begrenzersymbool
en de ingestelde snelheid
op het voertuiginformatiedisplay gaan uit.
Het is ook mogelijk de werking van de snelheidsbe-
grenzer te annuleren door het gaspedaal verder
dan het weerstandspunt in te drukken.
NAA1866
NAA1666
236 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Het kan zijn dat de auto accelereert wanneer
de snelheidsbegrenzer wordt geannuleerd.
Als er extravloermatten worden gebruikt, zorg
er dan voor dat ze goed bevestigd zijn en dat
ze de bediening van het gaspedaal niet kun-
nen belemmeren. Matten die niet geschikt zijn
voor de auto kunnen een juiste werking van
de snelheidsbegrenzer verhinderen.
Trap het gaspedaal verder in dan het weerstands-
punt. De snelheidsbegrenzer wordt opgeheven zo-
dat u harder kunt rijden dan de ingestelde snel-
heidslimiet. De ingestelde snelheid
gaat knippe-
ren en een waarschuwingssignaal klinkt. De
snelheidsbegrenzer hervat automatisch zijn wer-
king wanneer de snelheid onder de ingestelde snel-
heidslimiet daalt.
Terugkeren naar een vorige ingestelde
snelheid
Als een ingestelde snelheidslimiet is geannuleerd,
wordt deze opgeslagen in het geheugen van de
snelheidsbegrenzer.
De snelheidslimiet kan opnieuw worden geacti-
veerd door de <RES/+>-schakelaar (Resume)
j
A om-
hoog te drukken.
Als de huidige rijsnelheid hoger is dan de eerder in-
gestelde snelheid, zal het gaspedaal niet werken en
gaat de weergegeven ingestelde snelheid
knip-
peren totdat de snelheid onder de ingestelde snel-
heid daalt.
Wanneer de werkelijke rijsnelheid de ingestelde
snelheid overschrijdt zonder dat de bestuurder in-
grijpt, klinkt er een waarschuwingssignaal kort na
het overschrijden van de ingestelde snelheid.
De snelheidsbegrenzer uitschakelen
De snelheidsbegrenzer wordt uitgeschakeld door
het uitvoeren van één van de volgende handelin-
gen:
Druk op de “AAN/UIT”-hoofdschakelaar van de
snelheidsbegrenzer
. Het snelheidsbegrenzer-
symbool
en de ingestelde snelheid
op het
voertuiginformatiedisplay gaan uit.
Druk op de cruise control “AAN/UIT”-hoofdscha-
kelaar
. De informatie van de snelheidsbegren-
zer op het voertuiginformatiedisplay wordt ver-
vangen door informatie over de cruise control.
Zie voor meer informatie “Cruise control (indien
aanwezig)” eerder in dit hoofdstuk.
Wanneer de auto stopt en de contactschakelaar
in de OFF-stand wordt gezet.
Door de snelheidsbegrenzer uit te zetten, wordt
het geheugen van de snelheidsbegrenzer met de
ingestelde snelheidslimieten gewist.
Storing in de snelheidsbegrenzer
In geval van een storing in de snelheidsbegrenzer,
gaat het snelheidsbegrenzersymbool
op het
voertuiginformatiedisplay knipperen.
Zet de snelheidsbegrenzer uit door de “AAN/UIT”-
hoofdschakelaar
van de snelheidsbegrenzer in
te drukken en laat het systeem nakijken door een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Wanneer de contactschakelaar in de OFF-stand
staat, verschijnt het ECO-beheerdisplay.
Vorige 5 ritten (historie)
Huidige brandstofbesparing
Beste brandstofbesparing
Het resultaat van de ECO-evaluatie wordt getoond
30 seconden nadat de contactschakelaar in de ON-
stand is gezet en de auto tenminste 500 meter
(1/3 mijl) heeft gereden.
: Het gemiddelde brandstofverbruik over de vo-
rige 5 ritten wordt weergegeven.
: Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laat-
ste reset wordt weergegeven.
: Het beste brandstofverbruik over de afgelopen
historie wordt weergegeven.
Het ECO-rapport kan op AAN of UIT gezet worden.
Zie “[ECO rapport] (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“2. Instrumenten en bedieningen”.
JVS0451XZ
ECO-RAPPORT
Starten en rijden 237
WAARSCHUWING
Parkeer of breng de auto nooit tot stilstand
boven brandbaar materiaal, zoals droog gras,
oud papier of vodden. Deze vatten gemakke-
lijk vlam.
Om veilig te parkeren moet bij modellen met
automatische versnellingsbak (AT) zowel de
parkeerrem geactiveerd worden als de scha-
kelhendel in de P-stand (parkeren) gezet wor-
den, terwijl bij modellen met handgescha-
kelde versnellingsbak (MT) de schakelhendel
in een geschikte versnelling gezet moet wor-
den. Doet u dit niet, dan kan het voertuig on-
verwacht in beweging komen of wegrollen en
een ongeluk veroorzaken.
Controleer bij het parkeren of de schakelhen-
del in de P-stand (parkeren) is gezet. De scha-
kelhendel kan niet uit de P-stand (parkeren)
worden gehaald als het rempedaal niet wordt
ingedrukt (AT-model).
Laat het voertuig nooit onbeheerd achter met
draaiende motor.
Om het risico op ernstig of dodelijk letsel door
het onbedoeld bedienen van de auto en/of de
bijbehorende systemen te voorkomen, mag u
kinderen, hulpbehoevende volwassenen of
huisdieren niet zonder toezicht in uw auto
achterlaten. Bovendien kan de temperatuur in
een afgesloten auto op een warme dag zo snel
oplopen dat er een aanzienlijk risico bestaat
op ernstig of dodelijk letsel aan mensen en
huisdieren.
1. Activeer stevig de parkeerrem.
2. Model met automatische versnellingsbak (AT):
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
Model met handgeschakelde versnellingsbak
(MT): Zet de schakelhendel in de R-stand (achter-
uit). Wanneer u tegen een helling op parkeert,
moet u de schakelhendel in de 1e versnelling zet-
ten.
3. Om te voorkomen dat de auto gaat rollen wan-
neer deze op een helling is geparkeerd, is het een
goede gewoonte om de wielen zoals afgebeeld
te draaien.
HEUVELAF MET STOEPRAND
Draai de wielen naar de stoeprand toe en laat de
auto iets naar voren komen tot één wiel zacht de
stoeprand raakt. Zet de auto dan op de parkeer-
rem.
SSD0488Z
Model met linkse besturing
SSD0489Z
Model met rechtse besturing
PARKEREN
238 Starten en rijden
HEUVELOP MET STOEPRAND
Draai de wielen van de stoeprand weg en laat
het voertuig zover achteruit rijden tot één wiel
zacht de stoeprand raakt. Zet de auto dan op de
parkeerrem.
HEUVELOP OF HEUVELAF, ZONDER STOEPRAND
Draai de wielen naar de berm van de weg, zodat
de auto naar de berm rolt als hij in beweging
komt. Zet de auto dan op de parkeerrem.
4. Model met afstandsbedieningsleutel:
Zet de contactschakelaar in de “OFF”-stand.
Model zonder afstandsbedieningsleutel:
Zet de contactschakelaar in de “LOCK”-stand en
verwijder de sleutel.
Het parkeersensorsysteem (sonar) produceert een
geluidssignaal om de bestuurder erop te wijzen dat
er obstakels vlakbij de bumper zijn.
Wanneer de “Display”-knop op AAN is gezet, ver-
schijnt de sensorweergave automatisch op het
voertuiginformatiedisplay.
WAARSCHUWING
Hoewel het parkeersensorsysteem een han-
dig hulpmiddel is, kan het de gebruikelijke
handelingen die nodig zijn om correct te par-
keren niet vervangen. De bestuurder is altijd
verantwoordelijk voor de veiligheid van zich-
zelf en van anderen tijdens het parkeren en
manoeuvreren. Kijk altijd goed om u heen om
te zien of alles veilig is voordat u gaat parke-
ren.
Lees dit hoofdstuk goed door om de beper-
kingen van het parkeersensorsysteem te be-
grijpen. De kleuren van de hoeksensorindica-
tor en de afstandsrichtlijnen in de achterweer-
gave geven verschillende afstanden tot het
object weer. Slecht weer of de nabijheid van
ultrasoon bronnen, zoals een automatische
wasstraat, het luchtdrukremsysteem van een
vrachtwagen of een luchtdrukboor kunnen
mogelijk de werking van het systeem beïn-
vloeden; dit houdt ook in verminderde presta-
ties of onbedoelde activering.
Deze functie is ontworpen ter ondersteuning
van de bestuurder bij het detecteren van grote
stilstaande objecten, om zo schade aan het
voertuig te voorkomen. Dit systeem is niet
ontworpen om botsingen te voorkomen met
kleine of bewegende objecten. Verplaats u al-
tijd langzaam.
Het systeem is mogelijk niet in staat om kleine
objecten onder de bumper of objecten dicht-
bij de bumper of op de grond te detecteren.
Het systeem detecteert mogelijk de volgende
objecten niet:
Pluizige objecten, zoals sneeuw, stof, ka-
toen, glas of wol, enz.
JVS0532XZ
PARKEERSENSORSYSTEEM (SONAR) (indien aanwezig)
Starten en rijden 239
Dunne voorwerpen zoals touw, draad, ket-
tingen, enz.
Wigvormige objecten
Als de bumper van uw auto beschadigingen
oploopt en daardoor onjuist uitgelijnd of ge-
bogen blijft, kan het detectiegebied veranderd
zijn waardoor onnauwkeurige metingen van
obstakels of onjuiste activeringen veroor-
zaakt kunnen worden.
LET OP
Houd de passagiersruimte van de auto zo stil
mogelijk om het geluidssignaal goed te kun-
nen horen.
Houd de sensoren (op de voor- en achterbum-
per) vrij van sneeuw, ijs en vuilophoping. Maak
de sensoren niet schoon met scherpe voor-
werpen. Als de sensoren bedekt zijn zal de
nauwkeurigheid van de sensorfunctie ver-
minderen.
Het systeem informeert de bestuurder met behulp
van visuele en geluidssignalen over de aanwezig-
heid van obstakels aan de achterzijde wanneer de
schakelhendel in de R-stand (achteruit) staat.
Het systeem wordt uitgeschakeld bij snelheden bo-
ven de 10 km/u (6 mph). Het wordt opnieuw inge-
schakeld bij lagere snelheden.
De onderbroken toon stopt na 3 seconden wan-
neer een obstakel alleen door een hoeksensor
wordt waargenomen en de afstand niet verandert.
Het geluidssignaal stopt wanneer het obstakel zich
van de auto verwijdert.
Wanneer de hoek van de auto een object nadert,
verschijnen de indicatoren van de hoeksensor
.
Wanneer het midden van de auto een object na-
dert, verschijnt de indicator van de middensen-
sor
.
Als het object wordt waargenomen, verschijnt de
(groene) indicator en klinkt de toon met tussenpo-
zen. Naarmate de auto dichterbij het voorwerp
komt, zal de kleur van de indicator geel worden.
Wanneer de auto het voorwerp nog verder nadert,
wordt de indicator rood en klinkt de toon onafge-
broken.
PARKEERSENSORSYSTEEM (SONAR)
UIT-SCHAKELAAR
De OFF-schakelaar van het parkeersensorsysteem
(sonar) op het dashboard stelt de bestuurder in
staat om het parkeersensorsysteem (sonar) aan of
uit te zetten. Om het parkeersensorsysteem (sonar)
aan en uit te zetten, moet de contactschakelaar op
ON staan.
Het controlelampje in de schakelaar gaat branden
wanneer het systeem wordt aangezet.
Als het controlelampje gaat knipperen wanneer het
parkeersensorsysteem (sonar) niet is uitgescha-
keld, kan dit betekenen dat er een storing is in het
parkeersensorsysteem (sonar).
De parkeersensor (sonar) wordt in de volgende ge-
vallen automatisch aangezet:
Wanneer de contactschakelaar van de OFF-
stand naar de ON-stand wordt geschakeld.
Wanneer de schakelhendel in de R-stand (ach-
teruit) wordt geschakeld.
JVS0539XZ
NIC2804
240 Starten en rijden
Wanneer de snelheid tenminste 10 km/u (6 MPH)
bereikt en afneemt.
De functie voor het automatisch aanzetten van het
systeem kan aan- of uitgezet worden met de [Sen-
sor]-toets in het [Parkeerassistentie]-menu. Zie
Voertuiginformatiedisplay” in hoofdstuk “2. Instru-
menten en bedieningen”.
INSTELLINGEN
PARKEERSENSORSYSTEEM (SONAR)
De volgende instellingen voor het parkeersensor-
systeem (sonar) kunnen gewijzigd worden met de
schakelaars op het stuur. Zie voor meer informatie
Voertuiginformatiedisplay” in hoofdstuk “2. Instru-
menten en bedieningen”.
[Sensor]
Parkeersensorsysteem activeren of deactiveren.
AAN (standaard) - UIT
[Volume]
Past het volume van het geluidssignaal aan.
[Hoog] - [Gem.] (standaard) - [Laag]
[Bereik]
Past het detectiebereik van de sensor aan.
[Ver] - [Gem.] (standaard) - [Dichtbij]
Uw nieuwe auto is vooral bedoeld om passagiers en
bagage te vervoeren.
Door het trekken van een aanhangwagen worden
de motor, de versnellingsbak en de stuur-, rem- en
andere systemen extra zwaar belast. Rijden met een
aanhangwagen zal bepaalde omstandigheden ver-
sterken, zoals het effect van zijwinden, slechte weg-
oppervlakken of passerende vrachtwagens.
U moet uw rijstijl en snelheid aanpassen aan de om-
standigheden. Ga voordat u met een aanhangwa-
gen gaat rijden eerst bij een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf langs voor uitleg over het
correcte gebruik van sleepapparatuur.
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR
HET RIJDEN MET EEN
AANHANGWAGEN
Ga niet met een aanhangwagen rijden tijdens
de inrijperiode van de auto.
Zorg er voordat u gaat rijden voor dat de lichten
op de aanhangwagen correct functioneren.
Houd u aan de maximum snelheid voor het rij-
den met aanhangwagen.
Vermijd snel optrekken, hard accelereren en
plotseling remmen.
Vermijd scherpe bochten en blijf zoveel mogelijk
op dezelfde rijstrook.
Rijd altijd met gematigde snelheid.
Volg de instructies van de fabrikant van de aan-
hanger op.
Kies geschikte koppelstukken (trekinrichting,
veiligheidsketting, dakdrager, enz.) voor uw auto
en aanhangwagen. Deze apparatuur is verkrijg-
baar bij een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf waar u ook verdere informatie kunt
krijgen over het rijden met een aanhangwagen.
Zorg dat het totale gewicht van de aanhangwa-
gen (gewicht van de aanhangwagen plus ge-
wicht van de belading) de maximale waarde
aangegeven voor de auto en de koppelinrichting
niet overschrijdt. Neem voor meer informatie
contact op met een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf.
Belaad de aanhangwagen zodanig dat zware
voorwerpen boven de as liggen. De maximaal
toegestane verticale belasting op de koppeling
van de aanhangwagen mag niet overschreden
worden.
Laat uw auto vaker onderhouden dan de inter-
vallen uit het apart meegeleverde onder-
houdsboekje.
Het rijden met een aanhangwagen kost meer
brandstof dan het rijden onder normale
omstandigheden omdat de trekkracht en weer-
stand aanzienlijk toenemen.
Kijk tijdens het rijden met een aanhangwagen op
de temperatuurmeter voor motorkoelvloeistof
om te zorgen dat de motor niet oververhit raakt.
RIJDEN MET AANHANGWAGEN
Starten en rijden 241
BANDENSPANNING
Wanneer u met een aanhangwagen gaat rijden
moet u de banden van de auto oppompen tot de
maximaal aangeraden koude bandenspanning
(voor volledige belading) aangegeven op de ban-
densticker.
Ga niet met een aanhangwagen rijden als er een tij-
delijke reserveband of een compacte reserveband
op de auto is gemonteerd.
VEILIGHEIDSKETTINGEN
Gebruik altijd een geschikte ketting tussen auto en
aanhangwagen. De ketting moet gekruist worden
en aan de koppeling vastgemaakt worden, niet aan
de bumper of de as van de auto. Zorg dat er genoeg
speling in de ketting zit zodat u door bochten kunt
rijden.
REMMEN VAN DE AANHANGWAGEN
Zorg dat er remmen op de aanhangwagen aanwe-
zig zijn zoals vereist door plaatselijke wetgeving.
Controleer ook of alle andere aanhangwagenon-
derdelen voldoen aan plaatselijke wetgeving.
Blokkeer altijd zowel de wielen van de auto als de
wielen van de aanhangwagen wanneer u parkeert.
Trek de handrem op de aanhangwagen aan als deze
aanwezig is. Parkeren op een steile helling wordt
afgeraden.
Als u echt niet anders kan dan parkeren op een steile
helling, zet u de schakelhendel in de P-stand (parke-
ren) (modellen met automatische versnellingsbak)
of in een geschikte stand (modellen met handge-
schakelde versnellingsbak) en draait u de voorwie-
len richting stoeprand.
AANHANGWAGENDETECTIE (indien
aanwezig)
Wanneer u een aanhangwagen sleept met een ori-
ginele elektrische aanhangwagendissel van
RENAULT en de richtingsaanwijzers gebruikt, detec-
teert het elektrische systeem van de auto de extra
elektrische belasting van de aanhangwagenverlich-
ting. Het geluid van de richtingaanwijzers zal
daarom anders klinken.
Neem de volgende raadgevingen in acht als u uw
auto onbeheerd achterlaat:
Haal de contactsleutel uit de contactschakelaar
en neem de sleutel altijd mee bij het verlaten van
de auto.
Sluit altijd alle ramen en vergrendel de portieren.
Parkeer uw auto altijd in het zicht. Parkeer ’s
nachts bij voorkeur op een goed verlichte plek.
Indien de auto is uitgerust met het beveiligings-
systeem, gebruik het dan - zelfs voor een korte
periode.
Laat kinderen en huisdieren niet zonder toezicht
achter in de auto.
Laat geen dure spullen in de auto liggen. Neem
deze altijd mee.
Laat uw autopapieren nooit in de auto achter.
Laat nooit voorwerpen achter op een dakdrager.
Haal ze van de drager en berg ze op in de baga-
geruimte of in de auto.
Bewaar de reservesleutel nooit in de auto.
BEVEILIGING VAN HET VOERTUIG
242 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Als de motor uitstaat of wordt uitgezet tijdens het
rijden, zal de stuurbekrachtiging niet werken. De
besturing van de auto wordt dan veel zwaarder.
Stuurbekrachtiging ondersteunt de besturing via
een hydraulische pomp die wordt aangedreven
door de motor.
Stopt de motor of breekt de aandrijfriem, dan kunt
u de auto nog steeds sturen. Er is dan echter meer
kracht vereist om te sturen, met name bij lage snel-
heden en in scherpe bochten.
Het remsysteem heeft twee afzonderlijke hydrauli-
sche circuits. Als er in één van de circuits een sto-
ring is, heeft de auto nog steeds remvermogen op
twee wielen.
VOORZORGSMAATREGELEN
TIJDENS HET REMMEN
Remmen met vacuümbekrachtiging
De rembekrachtiging ondersteunt het remmen met
behulp van de onderdruk in de motor. Als de motor
afslaat, kunt u de auto tot stilstand brengen door
het rempedaal in te trappen. Er is echter meer
kracht nodig op het rempedaal om de auto tot stil-
stand te brengen. De remweg zal langer zijn.
Indien de motor uitstaat of wordt uitgezet tijdens
het rijden, zal de rembekrachtiging niet werken.
Remmen wordt daardoor moeilijker.
WAARSCHUWING
Laat de auto nooit vrij rollen met afgezette motor.
Remmen gebruiken
Laat uw voet niet op het rempedaal rusten tijdens
het rijden. De remmen zullen zo oververhit raken, de
remvoeringen of remblokken slijten sneller en het
brandstofverbruik zal toenemen.
Spaar uw remmen en voorkom oververhitting door
vóór een afdaling al snelheid te minderen en terug
te schakelen naar een lagere versnelling. Door over-
verhitte remmen wordt het remvermogen vermin-
derd, waardoor u de controle over het voertuig kunt
verliezen.
Wees op een glad wegdek extra voorzichtig met
remmen, accelereren en terugschakelen. Abrupt
remmen of fel accelereren kan leiden tot slippartijen
en een ongeluk veroorzaken.
Natte remmen
Na wassen van het voertuig of rijden over natte we-
gen kunnen de remmen nat zijn. De remweg is hier-
door langer en het voertuig kan tijdens het remmen
naar één kant trekken.
De remmen kunnen gedroogd worden door bij een
veilige snelheid het rempedaal een tijd lang licht in-
getrapt te houden. Doe dit totdat de remmen weer
normaal functioneren. Wacht tot de remmen weer
normaal werken voordat u uw snelheid verhoogt.
Inrijden parkeerrem
Laat, om de beste remwerking te krijgen, de par-
keerremschoenen inlopen wanneer het remvermo-
gen van de parkeerrem zwakker wordt of wanneer
de parkeerremschoenen en/of de trommels/schij-
ven worden vervangen.
Deze procedure wordt beschreven in het
Werkplaatshandboek van het voertuig en kan wor-
den uitgevoerd door een erkende dealer of gekwa-
lificeerd garagebedrijf.
STUURBEKRACHTIGING REMSYSTEEM
Starten en rijden 243
ANTIBLOKKEERREMSYSTEEM (ABS)
WAARSCHUWING
Het antiblokkeerremsysteem (ABS) is een
geavanceerde voorziening, maar het systeem
voorkomt geen ongevallen die ontstaan door een
roekeloze of gevaarlijke rijstijl. Dit systeem zorgt
dat u het voertuig beter onder controle kunt hou-
den wanneer u op een glad wegdek moet rem-
men. Houd er rekening mee dat de remweg op
een glad wegdek langer zal zijn dan op een nor-
maal wegdek, ook al is de auto uitgerust met ABS.
De remweg kan ook langer zijn op slechte of be-
sneeuwde wegen of op grintwegen, of bij het ge-
bruik van sneeuwkettingen. Houd altijd een vei-
lige afstand tot eventuele voorliggers. De
bestuurder is uiteindelijk verantwoordelijk voor
de veiligheid.
Het soort banden en de staat van de banden zijn
ook van invloed op de remwerking.
Monteer bij het vervangen van de banden de
aangegeven maat banden op alle vier de wie-
len.
Wanneer u een reservewiel installeert, zorg er
dan voor dat het type en het formaat overeen-
komen met de aanwijzingen op de banden-
spanningssticker. (Zie Voertuigidentificatie”
in hoofdstuk “9. Technische informatie”.)
Zie voor meer informatie “Banden en wielen”
in hoofdstuk “9. Technische informatie”.
Het antiblokkeerremsysteem (ABS) regelt de rem-
kracht voor elk wiel, zodat de wielen niet blokkeren
als u plotseling moet remmen of als u remt op een
glad wegdek. Het systeem meet de draaisnelheid
van elk wiel en varieert de remvloeistofdruk om zo
te voorkomen dat de wielen blokkeren en slippen.
Door te voorkomen dat de wielen geblokkeerd wor-
den, behoudt de bestuurder met dit systeem ge-
makkelijker de macht over het stuur en op gladde
wegen is er zo minder kans op zwenken en slippen.
Het systeem gebruiken
Trap het rempedaal in en houd het ingetrapt. Trap
het rempedaal in met een gelijkmatige druk. Het is
niet nodig om pompend te remmen. Het ABS-sys-
teem treedt in werking om te voorkomen dat de
wielen blokkeren. Vermijd obstakels.
WAARSCHUWING
Vermijd pompend remmen. Dat kan zelfs een lan-
gere remweg tot gevolg hebben.
Zelfdiagnosefunctie
Het ABS-systeem heeft elektronische sensoren,
elektrische pompen, hydraulische magneetkleppen
en een computer. Deze computer is uitgerust met
een diagnosefunctie: het antiblokkeerremsysteem
voert een zelfdiagnose uit telkens wanneer de mo-
tor wordt gestart en de auto langzaam voor- of
achteruit beweegt. Tijdens deze zelfdiagnose hoort
u soms een soort gebonk of voelt u trillingen in het
rempedaal. Dit is normaal en betekent niet dat er
een storing in het systeem is. Als de computer een
fout in het systeem waarneemt, wordt het ABS-sys-
teem uitgeschakeld en gaat het ABS-waarschu-
wingslampje op het dashboard branden. Het rem-
systeem blijft normaal werken, echter zonder de
antiblokkeerondersteuning. Wanneer het ABS-
waarschuwingslampje tijdens de zelfdiagnose of tij-
dens het rijden gaat branden, laat het voertuig dan
nakijken door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
Normale werking
Het ABS-systeem werkt bij snelheden boven 5 tot
10 km/u (3 tot 6 MPH). De snelheid is afhankelijk van
de staat van het wegdek.
Als het ABS-systeem meet dat één of meer wielen
op het punt staan te blokkeren, wordt er door de
stuureenheid in snelle wisselingen hydraulische
druk toe- en afgevoerd. Dit is vergelijkbaar met snel
pompend remmen. U kunt trillingen in het rempe-
daal voelen en een geluid onder de motorkap horen
of trillingen in de regeleenheid voelen terwijl deze in
werking is. Dit is normaal en betekent dat het ABS-
systeem goed werkt. Dit kan er wel op wijzen dat de
rijomstandigheden gevaarlijk zijn en dat er met
meer zorgvuldigheid moet worden gereden.
Als het differentieelslot (indien aanwezig) ingescha-
keld is, zal het ABS-waarschuwingslampje gaan
branden. Dit geeft aan dat de antiblokkeerfunctie
niet volledig operationeel is. (Zie “Blokkeersysteem
achterdifferentieel (indien aanwezig)” eerder in dit
hoofdstukvoor de functie van het achterdifferen-
tieelslot.)
244 Starten en rijden
WAARSCHUWING
Rijd onder alle omstandigheden altijd voor-
zichtig. Wees voorzichtig bij het optrekken en
gas minderen. Als u te snel gas geeft of gas
mindert, gaan de aandrijfwielen slippen,
waardoor de auto nog minder grip op de weg
heeft.
Vergeet niet dat uw remweg bij lage tempera-
turen langer is. U zult eerder moeten remmen
dan op een droog wegdek.
Bewaar op gladde wegen dus meer afstand
tot uw voorligger.
Nat ijs (0°C, 32°F en ijzel), sneeuw en hard ijs
zijn meestal erg glad en moeilijk berijdbaar.
Uw auto heeft dan veel minder grip. Rijden op
ijzel is niet aan te bevelen; wacht liever tot er
zand of pekel is gestrooid.
Pas op voor gladde plekken (ijslaag op de
weg). Door schaduwwerking kunnen op goed
berijdbare wegen soms onverwacht derge-
lijke plekken voorkomen. Merkt u een derge-
lijke ijslaag in de verte op, rem dan af voordat
u eroverheen rijdt. Ga niet remmen als u een-
maal op ijs rijdt en vermijd op dat moment ook
plotselinge stuurmanoeuvres.
Gebruik de cruise control niet op gladde we-
gen.
Door sneeuw kunnen gevaarlijke uitlaatgas-
sen onder de auto blijven hangen. Houd de uit-
laatpijp en de omgeving rond de auto vrij van
sneeuw.
ACCU
Als de accu onder zeer koude weersomstandighe-
den niet volledig is opgeladen, bestaat het risico dat
de accuvloeistof bevriest en de accu beschadigd
raakt. Houd de accu in optimale staat door hem re-
gelmatig te controleren. Zie voor meer informatie
“Accu” in hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-het-zelf”
in dit boekje.
MOTORKOELVLOEISTOF
Tap het koelsysteem af als de auto bij koud weer
buiten moet worden geparkeerd terwijl het koelsys-
teem geen antivries bevat. Vul het koelsysteem
weer bij voordat u gaat rijden. Zie voor meer infor-
matie “Motorkoelsysteem” in hoofdstuk “8. Onder-
houd en doe-het-zelf” in dit boekje.
BANDEN
1. Als u sneeuwbanden hebt geïnstalleerd op de
voor-/achterwielen van uw auto, dan moeten zij
dezelfde maat en beladingsgraad hebben en van
dezelfde constructie en soort (diagonaal, diago-
naalgordel en radiaal) zijn als de achter-/voor-
banden.
2. Als de auto regelmatig onder strenge winterse
omstandigheden wordt gebruikt, moeten
sneeuwbanden op alle vier de wielen gemon-
teerd worden.
3. Voor extra grip op gladde wegen is het raadzaam
spijkerbanden te gebruiken. In sommige landen
mag u dit soort banden echter niet gebruiken.
Informeer daarom eerst of u dergelijke banden
wel mag monteren.
Sneeuwbanden met spikes hebben op natte of
droge wegen mogelijk minder grip dan
sneeuwbanden zonder spikes.
4. Indien gewenst kunnen sneeuwkettingen wor-
den gebruikt. Controleer eerst wel of de sneeuw-
kettingen de bij de band passende maat hebben
en houd u bij het aanbrengen aan de aanwijzin-
gen van de fabrikant. Gebruik kettingspanners
als dit door de fabrikant wordt aanbevolen. Losse
kettingeinden moeten worden vastgemaakt of
verwijderd, om schade aan de zijkant of carros-
serie te voorkomen.Rijd niet te hard met sneeuw-
kettingen. Dit kan de auto beschadigen en/of de
rijeigenschappen en prestaties van de auto na-
delig beïnvloeden.
SPECIALE WINTERUITRUSTING
Aanbevolen wordt om 's winters de volgende voor-
zieningen in de auto te hebben:
Een ijskrabber en een harde borstel om sneeuw
en ijs van de ruiten te verwijderen.
Een stevige, harde grondplaat om eventueel on-
der de krik te leggen.
Een sneeuwschop om de auto sneeuwvrij te ma-
ken.
PARKEERREM
Bij het parkeren van de auto bij een buitentempera-
tuur onder de 0°C (32°F), is het raadzaam de par-
keerrem niet te gebruiken om te voorkomen dat
deze bevriest. Doe het volgende om veilig te parke-
ren:
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren)
(model met automatische versnellingsbak).
RIJDEN IN WINTERWEER
Starten en rijden 245
Zet de versnellingshendel in de 1 (1e) of R (ach-
teruit) (model met handgeschakelde versnel-
lingsbak).
Blokkeer de wielen goed.
ROESTPREVENTIE
Chemicaliën die gebruikt worden voor het ijsvrij ma-
ken van wegen zijn zeer corrosief en versnellen
roestvorming in onderdelen van de voertuigbodem,
de uitlaat, de brandstof- en remleidingen, de rem-
kabels, de bodemplaat en carrosseriepanelen.
In de winter moet de onderkant regelmatig wor-
den gereinigd. Zie “Reinigen van koetswerk” in
hoofdstuk “7. Verzorging van koetswerk en interi-
eur” in deze handleiding voor meer informatie.
In sommige gebieden kan extra bescherming te-
gen roestvorming en corrosie nodig zijn; raadpleeg
hiervoor een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf.
246 Starten en rijden
6 In geval van noodIn geval van nood
Schakelaar waarschuwingsknipperlichten.............................. 248
Lekke band ....................................................................................................... 248
De auto stilzetten ................................................................................ 248
Een lekke band verwisselen (voor modellen
met een reservewiel)......................................................................... 248
Een lekke band repareren (voor modellen met
een reparatieset voor lekke banden).................................... 253
Starten met startkabels ......................................................................... 257
Starten door aanduwen......................................................................... 259
Als uw auto oververhit raakt............................................................... 259
Uw voertuig slepen .................................................................................... 260
Voorzorgsmaatregelen bij het slepen ................................. 260
Sleepwijze aanbevolen door RENAULT................................ 260
De schakelaar voor de waarschuwingsknipperlich-
ten werkt ongeacht de stand van de contactscha-
kelaar, behalve wanneer de accu leeg is.
Gebruik de waarschuwingsknipperlichten om an-
dere weggebruikers te waarschuwen wanneer u in
een noodgeval moet stoppen of parkeren.
Wanneer u de schakelaar voor de waarschuwings-
knipperlichten indrukt, gaan alle richtingaanwijzers
knipperen.Om de waarschuwingsknipperlichten uit
te zetten, drukt u de schakelaar nogmaals in.
Volg bij een lekke band de instructies in dit hoofd-
stuk.
DE AUTO STILZETTEN
WAARSCHUWING
Zet de auto op de parkeerrem.
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren)
(model met automatische versnellingsbak).
Zet de schakelhendel in de R-stand (model
met handgeschakelde versnellingsbak).
Verwissel nooit een band als de auto op een
helling of op een gladde ondergrond staat. Dit
is zeer gevaarlijk.
Verwissel nooit een band vlakbij voorbijrij-
dend verkeer.Vraag assistentie van de wegen-
wacht of een garagebedrijf.
1. Zet de auto stil op een veilige plek, uit de buurt
van overig verkeer.
2. Zet de waarschuwingsknipperlichten aan.
3. Parkeer het voertuig op een vlakke ondergrond.
4. Activeer de parkeerrem.
5. Model met automatische versnellingsbak:
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
Model met handgeschakelde versnellingsbak:
Zet de schakelhendel in de R-stand (achteruit).
6. Zet de motor uit.
7. Open de motorkap:
Om het andere verkeer te waarschuwen.
Om wegenwachtpersoneel erop te wijzen dat
u assistentie nodig hebt.
8. Laat alle inzittenden uitstappen en zorg dat ze
op een veilige plek, buiten bereik van het verkeer
en van de auto, blijven.
EEN LEKKE BAND VERWISSELEN
(voor modellen met een
reservewiel)
Gereedschap voorbereiden
Voor Double Cab-model
Het opbergvak voor gereedschap zit onder de ach-
terbank.
SIC2574Z
JVE0201XZ
SCHAKELAAR WAARSCHU-
WINGSKNIPPERLICHTEN
LEKKE BAND
248 In geval van nood
1. Klap de achterbank omhoog
en verwijder de
deksels van het gereedschapopbergvak
.
2. Pak de krik en benodigde gereedschappen.
Reservewiel verwijderen
Zoek de ovale opening onder het midden van de
achterklep (indien aanwezig) of onder de kenteken-
plaat. Steek het T-vormig uiteinde van de krikstang
door de opening en richt het naar de reservewiel-
lier, pal boven het reservewiel.
Plaats het T-vormig uiteinde van de krikstang in de
T-vormige opening van de reservewiellier en draai
de krikstang linksom
zodat het reservewiel om-
laag komt.
Reik zodra het reservewiel helemaal is gezakt onder
de auto
om de borgketting te verwijderen. Schuif
vervolgens het reservewiel onder de achterzijde van
de auto vandaan.
JVE0202XZ
SCE0514
In geval van nood 249
LET OP
Zorg dat u het wiel bij het opbergen horizontaal
plaatst. Als het wiel wordt vastgezet in schuine
stand kan het los gaan zitten en eruit vallen tij-
dens het rijden. Laat het wiel weer zakken tot op
de grond en zorg dat de ophangplaat goed ge-
monteerd is. Hang het wiel weer op en zorg dat
het horizontaal is, en berg het wiel dan op.
De wielen blokkeren
WAARSCHUWING
Controleer of u het juiste wiel blokkeert om te
voorkomen dat de auto in beweging komt, an-
ders kunt u letsel oplopen.
Plaats geschikte wielblokken
, zowel voor als ach-
ter het wiel diagonaal tegenover het wiel met de
lekke band
j
A om te voorkomen dat de auto in be-
weging komt terwijl deze op de krik staat.
Wiel verwijderen
WAARSCHUWING
Volg beslist de instructies beschreven in dit
hoofdstuk.
BLIJF ONDER DE AUTO VANDAAN ZOLANG DEZE
ALLEEN OP EEN KRIK STEUNT.
Gebruik nooit een krik uit een andere auto.
De krik in uw auto is alleen bestemd om uw
auto op te tillen tijdens het verwisselen van
een wiel.
Krik nooit een auto omhoog met gebruik van
een andere plaats dan het aangegeven krik-
punt.
Krik het voertuig nooit hoger op dan noodza-
kelijk is.
Plaats geen wielblokken op of onder de krik.
Start nooit de motor en laat deze ook nooit
draaien terwijl de auto op de krik steunt. De
auto zou onverwacht in beweging kunnen ko-
men en daardoor een ongeval kunnen veroor-
zaken.
Laat geen passagiers in de auto achter zolang
het wiel van de grond is.
Lees aandachtig de waarschuwingssticker op
de krik voordat u deze gebruikt.
SCE0982Z
MCE0001DZ
250 In geval van nood
De wieldop verwijderen (indien aanwezig):
Verwijder de wieldop
zoals getoond in de afbeel-
ding.
Het voertuig omhoogkrikken:
SCE0139HZ
NCE492
Voor modellen met bladvering
In geval van nood 251
Voor voorwiel
Voor achterwiel
1. Plaats de krik pal onder de krikpunten
➀➁
zoals
afgebeeld.
Plaats de krik op een vlakke en harde onder-
grond.
2. Draai elke wielmoer één of twee slagen los door
de wielmoersleutel linksom te draaien.
Verwijder de wielmoeren niet voordat de band
is losgekomen van de grond.
3. Monteer de gemonteerde krikstang zoals afge-
beeld in de krik.
4. Krik de auto voorzichtig op totdat de band los-
komt van de grond.
5. U brengt de auto veilig omhoog door de
krikstang en de hendel met beide handen vast te
houden en de hendel te draaien.
Wiel verwijderen:
1. Verwijder de wielmoeren.
2. Verwijder de beschadigde band.
LET OP
Het wiel is zwaar. Blijf met uw voeten op gepaste
afstand van het wiel en gebruik eventueel hand-
schoenen om letsel te voorkomen.
NCE501
Voor modellen met spiraalveerophanging
NCE130Z
252 In geval van nood
Een reservewiel installeren
WAARSCHUWING
Gebruik nooit wielmoeren die niet met uw
auto zijn meegeleverd. Door verkeerde wiel-
moeren of verkeerd vastgezette wielmoeren
kan het wiel loskomen. Dit kan een ongeluk
veroorzaken.
Gebruik nooit olie of vet op de wieltappen of
wielmoeren. De wielmoeren kunnen zo
gemakkelijker loskomen.
1. Verwijder eventueel aanwezig vuil of modder van
de pasvakken van wielflens en wiel.
2. Hang het reservewiel voorzichtig op zijn plaats
en draai de moeren met uw vingers vast. Contro-
leer of alle wielmoeren horizontaal contact ma-
ken met het wieloppervlak.
3. Draai de wielmoeren om de beurt en gelijkmatig
meer dan 2 keer met de wielmoersleutel aan, in
de volgorde zoals afgebeeld (
-
), tot ze vast-
zitten.
4. Laat de auto voorzichtig zakken totdat de band
op de grond rust.
5. Zet de wielmoeren stevig met de wielmoersleutel
in de aangegeven volgorde vast.
6. Laat het voertuig helemaal zakken.
Draai de wielmoeren zo snel mogelijk met het
voorgeschreven aanhaalmoment vast met een
momentsleutel.
Aanhaalmoment van de wielmoeren:
133 N·m (13,6 kg-m, 98 ft-lb)
De wielmoeren moeten altijd vastzitten met het
voorgeschreven aanhaalmoment. Het is raad-
zaam om de wielmoeren bij elke onder-
houdsbeurt vast te laten zetten met het voorge-
schreven aanhaalmoment.
WAARSCHUWING
Haal de wielmoeren opnieuw aan nadat de auto
1.000 km (600 mijl) heeft afgelegd (ook in geval
van een lekke band, enz.).
Opbergen van de beschadigde band en
het gereedschap
WAARSCHUWING
Berg het wiel, de krik en het gereedschap altijd na
gebruik correct op.Bij een aanrijding of een nood-
stop kunnen deze voorwerpen veranderen in ge-
vaarlijke projectielen.
Berg de beschadigde band, krik en gereedschap op
in het opbergvak in omgekeerde volgorde van ver-
wijdering. (Zie “Gereedschap voorbereiden” eerder
in dit hoofdstuk.)
EEN LEKKE BAND REPAREREN (voor
modellen met een reparatieset
voor lekke banden)
De reparatieset voor lekke banden wordt in plaats
van een reservewiel bij het voertuig meegeleverd.
Deze reparatieset voor lekke banden moet worden
gebruikt om tijdelijk een klein lek in de band te repa-
reren. Neem na gebruik van de reparatieset zo snel
mogelijk contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf om de band te laten con-
troleren en, indien nodig, te laten repareren of ver-
vangen.
LET OP
RENAULT raadt aan om uitsluitend het origi-
nele RENAULT-bandenafdichtmiddel te ge-
bruiken dat met de auto is meegeleverd. An-
dere afdichtmiddelen kunnen de afdichtring
van de ventielstift beschadigen, waardoor de
band luchtdruk kan verliezen.
Gebruik de reparatieset voor lekke banden die
geleverd is met uw voertuig niet op andere
voertuigen.
Gebruik de reparatieset voor lekke banden al-
leen om de banden op te pompen en de ban-
denspanning te controleren.
Gebruik de reparatieset voor lekke banden al-
leen op 12V gelijkstroom.
Zorg dat er geen water en stof op de repara-
tieset voor lekke banden terechtkomt.
Haal de reparatieset voor lekke banden niet
uit elkaar en breng ook geen wijzigingen aan.
JVE0208XZ
In geval van nood 253
Verzink de reparatieset voor lekke banden
niet.
Gebruik de reparatieset voor lekke banden
niet onder de volgende omstandigheden.
Neem contact op met een erkende dealer of
gekwalificeerd garagebedrijf, of met een pro-
fessionele pechhulpdienst.
wanneer de houdbaarheidsdatum van het
afdichtmiddel is verlopen (aangegeven op
de sticker aan de onderkant van de fles)
als de scheur of het gaatje ongeveer 6 mm
(0,25 in) of groter is
als de zijkant van de band beschadigd is
als u met het voertuig hebt gereden met
een aanzienlijk lege band
als de band volledig verschoven is binnen
of buiten de velg
als de velg van de band is beschadigd
als twee of meer banden lek zijn
De reparatieset voor lekke banden
tevoorschijn halen
Haal de reparatieset voor lekke banden uit de daar-
voor bestemde ruimte onder de linker achterstoel.
De reparatieset voor lekke banden bestaat uit de
volgende onderdelen:
Fles met bandenafdichtmiddel
Luchtcompressor
Snelheidsbeperkingssticker
OPMERKING
Voor modellen met een reparatieset voor lekke
banden wordt standaard geen reservewiel, krik
en stang meegeleverd. Deze onderdelen zijn op-
tioneel. Neem contact op met een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf voor informatie
over de aanschaf van deze onderdelen. Zie “Een
lekke band verwisselen (voor modellen met een
reservewiel) eerderin dit hoofdstuk voor gebruik
van krikgereedschap en het verwisselen van een
wiel.
Voordat u de reparatieset voor lekke
banden gebruikt
Indien er een vreemd voorwerp (bijvoorbeeld
een schroef of spijker) in de band zit, haal die er
dan niet uit.
Controleer de houdbaarheidsdatum van het af-
dichtmiddel (aangegeven op de sticker aan de
onderkant van de fles). Gebruik nooit afdicht-
middel waarvan de houdbaarheidsdatum is ver-
lopen.
Band repareren
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen bij het
gebruiken van de reparatieset voor lekke banden.
Inslikken van het mengsel is gevaarlijk. Drink
direct zo veel mogelijk water en wend u tot
een arts.
Goed afspoelen met ruim water als het meng-
sel in contact komt met de huid of de ogen. Als
irritatie voortduurt, de hulp van een arts in-
roepen.
Houd het reparatiemengsel buiten bereik van
kinderen.
Het reparatiemiddel kan een storing in de ban-
denspanningsensoren (indien aanwezig) ver-
oorzaken, waardoor het waarschuwings-
lampje voor lage bandenspanning (indien
aanwezig) kan gaan branden.Laat de banden-
spanningsensor zo snel mogelijk vervangen.
NCE483
SCE0867Z
254 In geval van nood
1. Verwijder de snelheidsbeperkingssticker uit de
compressor* en plaats deze op een plek die goed
zichtbaar is voor de bestuurder tijdens het rijden.
*: De uitvoering van de compressor kan mogelijk
verschillen afhankelijk van het model.
LET OP
Plak de snelheidbeperkingssticker niet op het
stuurwielkussen, de snelheidsmeter of in de
buurt van waarschuwingslampjes.
2. Haal de slang
en de stekker
uit de luchtcom-
pressor. Verwijder de dop van de fleshouder van
de luchtcompressor.
3. Verwijder de dop van de fles afdichtmiddel.
OPMERKING
Laat de verzegeling van de fles intact. Zodra u
de fles op de houder schroef t zal de verzege-
ling van de fles doorgeprikt worden.
4. Schroef de fles rechtsom op de fleshouder van
de luchtcompressor.
5. Verwijder de dop van het ventiel van de lekke
band.
6. Verwijder de beschermdop van de slang en
schroef de luchtslang
j
A van de compressor ste-
vig op het bandventiel. Zorg dat de compressor-
schakelaar in de “OFF”-stand (0) staat en de ont-
lastklep
j
B goed gesloten is, steek vervolgens de
stekker in de elektrische aansluiting van de auto.
SCE0868
SCE0870Z
In geval van nood 255
OPMERKING
Gebruik de elektrische aansluiting op het on-
derste gedeelte van het dashboard
.
7. Controleer de voorgeschreven bandenspanning
op de bandenspanningssticker die op de middel-
ste deurstijl aan bestuurderszijde is aangebracht.
8. Zet de contactschakelaar in de ACC-stand. Zet
de compressorschakelaar vervolgens in stand
ON (−) en blaas de band indien mogelijk op tot de
spanning die wordt aangegeven op de banden-
sticker op de middenstijl aan bestuurderszijde, of
tot een minimumspanning van 180 kPa (1,8 bar,
26 psi), voor een band van het type 205R16 tot
250 kPa (2,5 bar, 36 psi). Zet de luchtcompressor
kort uit om de spanning te controleren met de
bandenspanningsmeter.
Als de band is opgepompt tot boven de voorge-
schreven spanning, dient u deze aan te passen
door lucht uit de band te laten lopen via de over-
drukklep. De bandenspanning in koude toestand
staat vermeld op de bandenspanningssticker op
de middenstijl aan bestuurderszijde.
WAARSCHUWING
Om ernstig lichamelijk letsel tijdens het ge-
bruik van de reparatieset voor lekke banden
te voorkomen.
Maak de compressorslang goed vast aan
het ventiel van de band. Als u dit niet doet
kan er afdichtmiddel de lucht in spuiten en
in uw ogen of op uw huid terechtkomen.
Sta niet vlak naast de beschadigde band
terwijl deze wordt opgepompt, omdat de
kans bestaat dat deze barst. Als u barsten
of bobbels opmerkt, moet u de compres-
sor direct uitzetten.
LET OP
Laat de compressor niet langer dan 10 mi-
nuten in werking. Als de bandenspanning
binnen 10 minuten de voorgeschreven
spanning niet bereikt, is de band mogelijk
ernstig beschadigd en kan deze niet gere-
pareerd worden met de bandenreparatie-
set. Neem contact op met een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
9. Sluit de overdrukklep en schakel de luchtcom-
pressor uit wanneer de bandenspanning de
voorgeschreven waarde bereikt heeft. Als de
band niet tot de voorgeschreven waarde opge-
blazen kan worden, kan de luchtcompressor uit-
geschakeld worden zodra een minimumspan-
ning van 180 kPa (1,8 bar, 26 psi), voor een band
van het type 205R16 van 250 kPa (2,5 bar, 36 psi)
bereikt wordt. Haal de stekker uit de elektrische
aansluiting en trek de slang snel van het band-
ventiel. Plaats het beschermkapje op de slang en
het dopje op het ventiel van de band. Berg de
reparatieset voor lekke banden goed op in de
daarvoor bestemde ruimte.
WAARSCHUWING
Om ernstig persoonlijk letsel bij het opbergen van
de reparatieset voor lekke banden te voorkomen,
moet u ervoor zorgen dat de fles met afdichtmid-
del vastgeschroefd blijft op de compressor. Als u
dit niet doet kan er afdichtmiddel de lucht in ge-
spoten worden en in uw ogen of op uw huid
terechtkomen.
10. Ga direct 10 minuten of 3–10 km (2–6 mijl) met
de auto rijden, met een snelheid van maximaal
80 km/u (50 mph).
11. Na 10 km (6 mijl) of 10 minuten gereden te heb-
ben, schroeft u de luchtslang van de compres-
sor stevig op het bandventiel. Controleer de ban-
denspanning met de bandenspanningsmeter.
De tijdelijke reparatie is voltooid als de banden-
spanning niet is gedaald.
Zorg dat de bandenspanning de waarde heeft
die wordt aangegeven op de bandenspan-
ningsticker voordat u gaat rijden.
Als de bandenspanning daalt tot onder 130 kPa
(19 psi):
De band kan niet worden gerepareerd met deze
reparatieset voor lekke banden. Neem contact op
met een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf.
NIC3668
256 In geval van nood
Als de bandenspanning gelijk is aan of hoger is
dan 130 kPa (19 psi) maar lager dan de voorge-
schreven spanning:
Zet de compressorschakelaar in de Aan-stand (−) en
pomp de band op tot de voorgeschreven spanning.
Herhaal vervolgens de procedure vanaf stap 8.
Als de bandenspanning weer daalt kan de band
niet met deze reparatieset worden gerepareerd.
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
Wanneer de bandenspanning gelijk is aan de
voorgeschreven spanning:
De tijdelijke reparatie is voltooid.
Neem zo snel mogelijk contact op met een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf voor repara-
tie/vervanging van de band.
Na bandenreparatie
Ga zo snel mogelijk langs bij een erkende dealer of
gekwalificeerd garagebedrijf voor de reparatie of
vervanging van de band, of voor de aanschaf van
een nieuwe slang en fles met afdichtmiddel.
LET OP
Zorg voordat u gaat rijden dat de spanning van
de band is aangepast aan de voorgeschreven
waarde zoals aangegeven op het voertuig-
plaatje. Houd de bandenspanning onder con-
trole totdat de afgedichte band is vervangen.
Rijd niet met snelheden boven de 80 km/u
(50 mph) en laat de beschadigde band zo snel
mogelijk vervangen (binnen een maximum rij-
afstand van 200 km (120 mijl)). Rijd niet verder
als u zware trillingen, onstabiel stuurgedrag
of geluiden mocht opmerken tijdens het rij-
den.
Breng uw auto direct na het herstellen van een
klein lek met de reparatieset, naar een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebe-
drijf om de band te laten controleren en repa-
reren, of vervangen. Het bandenafdichtmiddel
kan een lekke band niet permanent repare-
ren. Wanneer u met de auto blijft rijden zon-
der dat de band is gerepareerd of vervangen,
kan dit leiden tot een aanrijding.
RENAULT raadt aan om uitsluitend het origi-
nele RENAULT-bandenafdichtmiddel te ge-
bruiken dat met de auto is meegeleverd. An-
dere afdichtmiddelen kunnen de afdichtring
van de ventielstift beschadigen, waardoor de
band luchtdruk kan verliezen.
WAARSCHUWING
Door verkeerd starten met startkabels kan de
accu exploderen. Een exploderende accu kan
ernstig of dodelijk letsel veroorzaken. Ook
kunt u zo schade toebrengen aan het voer-
tuig. Volg nauwgezet de instructies in dit
hoofdstuk.
Er bevindt zich altijd explosief waterstofgas in
de nabijheid van de accu. Houd open vuur en
vonken dan ook altijd uit de buurt van de accu.
Draag altijd een geschikte veiligheidsbril en
verwijder ringen, armbanden en andere siera-
den wanneer u aan of in de nabijheid van een
accu werkt.
Buig nooit over de accu terwijl de auto wordt
gestart met de startkabels.
Laat accuvloeistof niet in contact komen met
de huid, ogen, kleding of het lakwerk van de
auto. Accuvloeistof is een corrosief zwavel-
zuur dat ernstige brandwonden kan veroor-
zaken. Als accuvloeistof ergens mee in aanra-
king komt, spoel dan onmiddellijk met veel
water.
Houd de accu buiten bereik van kinderen.
Gebruik altijd een accu van 12 volt als hulpaccu.
Door gebruik van een hulpaccu met een on-
juiste nominale spanning zal de auto schade
oplopen.
Probeer nooit een bevroren accu te starten
met startkabels. De accu kan dan ontploffen
en ernstig letsel veroorzaken.
STARTEN MET STARTKABELS
In geval van nood 257
1. Als de hulpaccu in een andere auto zit
j
A , plaats
de twee auto's dan in positie
j
Aen
j
B omdeac-
cu's dicht bij elkaar te brengen.
LET OP
De twee auto's mogen elkaar niet raken.
Als de accu van een auto
j
B met afstands-
bedieningsleutel leeg is, wordt het stuurs-
lot vergrendeld en kan er niet aan het stuur
gedraaid worden met de contactschake-
laar in de OFF-stand. Laad de accu door
middel van startkabels voordat u de con-
tactschakelaar in een andere stand zet dan
OFF en u het stuurslot ontgrendelt.
2. Activeer de parkeerrem.
3. Model met automatische versnellingsbak (AT):
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
Model met handgeschakelde versnellingsbak
(MT):
Zet de schakelpook in de N-stand (vrij).
4. Zet alle overbodige elektrische systemen uit
(koplampen, verwarming, airconditioning, etc.).
5. Zet de contactschakelaar in de OFF-stand.
6. Verwijder de ontluchtingsdoppen op de accu, in-
dien aanwezig.
7. Leg een uitgewrongen vochtige doek over de
accu zodat er minder explosiegevaar is.
8. Sluit de startkabels aan in de afgebeelde volg-
orde (
,
,
,
).
LET OP
Sluit altijd positief
j
+ aan op positief
j
+en
negatief
j
- aan op carrosseriemassa, NIET
op de negatieve accupool
j
-.
Zorg dat de startkabels geen bewegende
onderdelen van de motor kunnen raken.
Zorg dat de klemmen aan de startkabels
niet in aanraking komen met metaal.
9. Start de motor van de hulpauto
j
A en laat deze
enkele minuten draaien.
10. Trap het gaspedaal van de hulpauto
j
A in tot
ongever 2.000 toeren.
11. Start de motor van auto
j
B op de gewone ma-
nier.
NCE477
Modellen met M9T 2,3DCI-motor
258 In geval van nood
LET OP
Gebruik de startmotor nooit langer dan 10 se-
conden achter elkaar. Als de motor niet met-
een wil aanslaan, zet de contactschakelaar
dan in de “LOCK”-stand en wacht minstens
10 seconden voordat u opnieuw probeert te
starten.
12. Verwijder nadat de motor van uw auto is aan-
geslagen de startkabels zorgvuldig in de omge-
keerde volgorde als in de afbeelding (
,
,
,
).
13. Verwijder de doek waarmee de accu werd afge-
dekt, deze is mogelijk vervuild door giftig accu-
zuur.
14. Breng de eventueel losgehaalde ontluch-
tingsdoppen weer aan.
Probeer niet uw auto te starten door deze aan te
duwen.
LET OP
Modellen met automatische versnellingsbak
kunt u niet starten door aanduwen. Als u dat
wel probeert, kan de motor beschadigd raken.
Een model met driewegkatalysator mag niet
door aanduwen gestart worden. Als u dat wel
probeert, kan de driewegkatalysator bescha-
digd raken.
Een model met diesel oxidatie-katalysator
mag niet door aanduwen gestart worden. Als
u dat wel probeert, kan de katalysator bescha-
digd raken.
Probeer nooit de motor te starten door de
auto te slepen. Als de motor aanslaat, kan de
gesleepte auto het sleepvoertuig rammen.
WAARSCHUWING
Blijft nooit rijden als uw motor oververhit
raakt. Er kan dan brand of schade aan de auto
ontstaan.
Open de motorkap nooit als u stoom naar bui-
ten ziet komen.
Verwijder de dop van de radiateur of van het
koelvloeistofreservoir nooit terwijl de motor
heet is. Wanneer u de dop van de radiateur of
van het motorkoelvloeistofreservoir verwij-
dert terwijl de motor heet is, kan er stoom uit-
spuiten waardoor u brandwonden of ander
ernstig letsel kunt oplopen.
Als u stoom of koelvloeistof uit de motor ziet
komen, moet u op veilige afstand van de auto
blijven om te voorkomen dat u brandwonden
oploopt.
De koelventilator van de motor kan elk mo-
ment aanslaan als de temperatuur van de
koelvloeistof hoger is dan een vooraf inge-
stelde temperatuur.
Zorg dat uw handen, haar, sieraden of kleding
niet in aanraking kunnen komen met of ge-
grepen kunnen worden door de koelventilator
of de aandrijfriemen.
Als de motor oververhit raakt of als u merkt dat de
motor onvoldoende vermogen levert, als u vreemde
geluiden hoort, enz., handel dan als volgt:
1. Zet het voertuig stil op een veilige plek, op afstand
van het verkeer.
2. Zet de waarschuwingsknipperlichten aan.
3. Activeer de parkeerrem.
STARTEN DOOR AANDUWEN ALS UW AUTO OVERVERHIT
RAAKT
In geval van nood 259
4. Model met automatische versnellingsbak:
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
Model met handgeschakelde versnellingsbak:
Zet de schakelpook in de N-stand (vrij).
ZET DE MOTOR NIET AF.
5. Open alle ramen.
6. Zet de airconditioning uit. Zet de temperatuur-
knop naar de hoogste stand en zet de aanjager-
snelheidregelaar op hoge snelheid.
7. Stap uit de auto.
8. Kijk en luister voordat u de motorkap opent of u
stoom of koelvloeistof ziet of hoort ontsnappen
uit de radiator. Wacht tot u geen stoom of koel-
vloeistof meer ziet voordat u verder gaat.
9. Open de motorkap.
10. Kijk of de ventilator van de motor draait.
11. Kijk of u water ziet lekken uit de radiator en de
radiatorslangen. Zet de motor af als de koelven-
tilator niet draait of als er koelvloeistof weglekt.
12. Laat de motor afkoelen en controleer dan het
vloeistofniveau in het reservoir terwijl de motor
draait. Maak de dop van de radiator of koel-
vloeistoftank niet open.
13. Voeg zo nodig koelvloeistof toe aan het reser-
voir.
Laat uw auto nakijken/repareren door een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Bij het laten slepen van uw voertuig moet u zich
houden aan de plaatselijk geldende voorschriften.
Slepen met slecht materiaal kan uw voertuig be-
schadigen. Om schade aan uw voertuig te voorko-
men en een juiste sleepprocedure te garanderen,
raadt RENAULT aan om uw voertuig te laten slepen
door een professionele pechhulpdienst. Het is ver-
standig om de medewerkers van de professionele
pechhulpinstantie de volgende voorzorgsmaatre-
gelen zorgvuldig te laten lezen.
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ HET
SLEPEN
Controleer of de versnellingsbak, stuurbekrach-
tigingssysteem en aandrijflijn in goede staat zijn
vóór het slepen. Als een van deze onderdelen is
beschadigd, moet uw voertuig met een dolly of
dieplader worden gesleept. (Model met twee-
wielaandrijving (2WD))
RENAULT adviseert om uw voertuig te laten sle-
pen met de aandrijfwielen van de grond. (Model
met tweewielaandrijving (2WD))
Om een voertuig met automatische versnel-
lingsbak te slepen, MOET er gebruik gemaakt
worden van een dolly die onder de aandrijfwie-
len van het te slepen voertuig wordt geplaatst.
Volg bij gebruik altijd de aanbevelingen van de
fabrikant van de dolly.
Gebruik bij het slepen altijd veiligheidskettingen.
Laat een model met vierwielaandrijving (4WD)
nooit slepen met een van de wielen op de grond,
aangezien dit ernstige en dure schade kan ver-
oorzaken aan de versnellingsbak.
SLEEPWIJZE AANBEVOLEN DOOR
RENAULT
Modellen met tweewielaandrijving
(2WD) slepen
Voorwielen op de grond:
1. Zet de contactschakelaar in the ON-stand en zet
alle accessoires uit.
NCE482
UW VOERTUIG SLEPEN
260 In geval van nood
2. Zet het stuurwiel vast in de rechtuitstand met
een touw of iets dergelijks.
3. Zet de schakelpook in de N-stand (vrij).
4. Geef de parkeerrem vrij.
5. Maak de veiligheidskettingen vast voor het sle-
pen.
Achterwielen op de grond:
RENAULT adviseert om bij het slepen van uw voer-
tuig gebruik te maken van dolly's die onder de ach-
terwielen worden geplaatst, of zet uw voertuig op
een dieplader, zoals afgebeeld.
LET OP
Sleep modellen met automatische versnellings-
bak NOOIT met alle vier de wielen of alleen de
achterwielen op de grond. Als u zich hier niet aan
houdt, veroorzaakt u ernstige en kostbare schade
aan de versnellingsbak.
Model met handgeschakelde versnellingsbak (MT):
Als u een voertuig moet slepen met de achterwie-
len op de grond, voer dan de volgende procedures
uit.
LET OP
Houd u zich aan de hieronder aangegeven snel-
heid en afstand.
Snelheid: lager dan 50 km/u (30 mph)
Afstand: maximaal 65 km (40 mijl)
1. Zet de contactschakelaar in the ON-stand en zet
alle accessoires uit.
2. Zet de schakelpook in de N-stand (vrij).
3. Geef de parkeerrem vrij.
4. Maak tijdens het slepen altijd veiligheidskettin-
gen vast.
Slepen met alle wielen op de grond:
RENAULT adviseert om het voertuig op een diep-
lader te plaatsen, zoals afgebeeld.
LET OP
Sleep modellen met automatische versnellings-
bak (AT) nooit met alle vier de wielen op de grond.
Als u dit wel doet, veroorzaakt u ernstige en kost-
bare schade aan de aandrijflijn.
Model met handgeschakelde versnellingsbak (MT):
Als u een voertuig moet slepen met alle vier de wie-
len op de grond, voer dan de volgende procedures
uit:
LET OP
Sleep een voertuig met handgeschakelde ver-
snellingsbak (MT) nooit achterwaarts met alle
vier de wielen op de grond.
Houd u zich aan de hieronder aangegeven
snelheid en afstand.
Snelheid: lager dan 50 km/u (30 mph)
Afstand: maximaal 65 km (40 mijl)
1. Zet de contactschakelaar in the ON-stand en zet
alle accessoires uit.
2. Zet de schakelpook in de N-stand (vrij).
3. Geef de parkeerrem vrij.
Modellen met vierwielaandrijving (4WD)
slepen
ACE0705
In geval van nood 261
RENAULT adviseert om uw voertuig te laten slepen
met alle wielen van de grond, zoals afgebeeld, of zet
uw voertuig op een dieplader.
LET OP
Sleep modellen met 4WD altijd met alle wielen van
de grond. Als u dit wel doet, veroorzaakt u ern-
stige en kostbare schade aan de aandrijflijn.
Een vastzittend voertuig lostrekken
WAARSCHUWING
Laat omstanders uit de buurt van de sleepka-
bel blijven als het voertuig wordt losgetrok-
ken.
Laat de wielen nooit snel ronddraaien. De ban-
den zouden kunnen exploderen en ernstig let-
sel veroorzaken. Onderdelen van het voertuig
zouden bovendien oververhit kunnen raken
en schade oplopen.
Gebruik het sleepoog als de banden van uw voer-
tuig vast komen te zitten in zand, sneeuw of mod-
der en het voertuig moet worden losgetrokken.
Gebruik uitsluitend het sleepoog. Bevestig de
trekinrichting nooit aan andere delen van het
voertuig. U kunt anders de carrosserie bescha-
digen.
Gebruik het sleepoog uitsluitend om een voer-
tuig mee los te trekken. U mag nooit een voer-
tuig slepen met gebruik van alleen het sleepoog.
Het sleepoog wordt onderworpen aan een
enorme belasting wanneer het gebruikt wordt
om een vastzittend voertuig los te trekken. Trek
de trekinrichting altijd recht vanuit het voertuig.
Trek nooit aan het sleepoog vanuit een hoek.
LET OP
Zorg dat de sleepkabel langzaam aangespannen
wordt zodat deze niet breekt.
JVE0209XZ
NCE476
262 In geval van nood
7 Verzorging van koetswerk en interieurVerzorging van koetswerk en interieur
Reinigen van koetswerk ......................................................................... 264
Wassen......................................................................................................... 264
Vlekken verwijderen .......................................................................... 264
In de was zetten ................................................................................... 265
Ruiten............................................................................................................ 265
Onderzijde................................................................................................. 265
Wielen............................................................................................................ 265
Aluminium lichtmetalen velgen................................................ 265
Treeplanken ............................................................................................. 265
Verchroomde onderdelen............................................................. 265
Reinigen van het interieur..................................................................... 266
Luchtverfrissers .................................................................................... 266
Vloermatten............................................................................................. 266
Ruiten............................................................................................................ 266
Veiligheidsgordels ............................................................................... 267
Roestpreventie............................................................................................... 267
De belangrijkste oorzaken van roestvorming................ 267
Klimatologische factoren die bijdragen aan
roestvorming .......................................................................................... 267
Bescherming tegen roestvorming ......................................... 267
Zorg goed voor uw auto als u de fraaie aanblik van
uw auto wilt behouden.
Parkeer de auto steeds zoveel mogelijk in een ga-
rage of onder een afdak om kans op lakschade te
verkleinen.
Moet u toch in de open lucht parkeren, kies dan een
plekje in de schaduw of gebruik een afdekhoes om
de auto te beschermen. Leteropdatudelakniet
beschadigt wanneer u de overtrek aanbrengt of
verwijdert.
WASSEN
Was uw auto in onderstaande gevallen altijd zo snel
mogelijk om de carrosserielak te beschermen.
Na een regenbui, waardoor de verflaag kan wor-
den aangetast door zure regen.
Na het rijden over wegen aan de kust, waardoor
er roest kan ontstaan door de zeewind.
Wanneer roetdeeltjes, uitwerpselen van vogels,
boomsappen, metaaldeeltjes of insecten op de
lak zijn terechtgekomen.
Als de lak is bedekt met stof of modder.
1. Gebruik voor het wassen een natte spons en veel
water.
2. Maak de auto zorgvuldig schoon met een milde
zeepoplossing of een speciaal autowasmiddel of
gewoon afwasmiddel gemengd met schoon,
lauw (nooit heet) water.
LET OP
Gebruik geen agressief huishoudzeep,
sterke chemische reinigingsmiddelen,
wasbenzine of oplosmiddelen.
Was uw auto niet in direct zonlicht of wan-
neer de carrosserie warm is. Dit kan vlek-
ken op de lak veroorzaken.
Gebruik geen grove poetsmaterialen, zoals
poetswanten. Wees voorzichtig bij het ver-
wijderen van aangekoekt vuil en andere
aanslag om te voorkomen dat de lak wordt
bekrast of beschadigd.
Vergrendel alle por tieren voordat u een au-
tomatische wasstraat in gaat. Vergrende-
ling van de portieren zorgt dat het brand-
stofvulklep niet open kan gaan en bescha-
digd kan worden.
3. Spoel de auto grondig af en gebruik hierbij volop
schoon water.
4. Gebruik een vochtige zeemlap om het oppervlak
te drogen en zorg dat er geen watervlekken ach-
terblijven.
Houd rekening met het volgende bij het wassen van
de auto:
Felsranden, naden en randen langs portieren,
achterklep en motorkap zijn extra kwetsbaar
voor de inwerking van pekel.Deze plaatsen moe-
ten dan ook regelmatig worden schoonge-
maakt.
Zorg dat de waterafvoergaatjes onder in het
portier open blijven.
Spuit de onderzijde en de wielkasten met water
af om modder en vuil los te maken en/of pekel-
resten te verwijderen.
STICKERS, EMBLEMEN, STREPEN OF
GRAFISCHE VOORSTELLINGEN (indien
aanwezig)
Om de hoogwaardige geanodiseerde afwerking
van de gepersonaliseerde stickers, strepen en grafi-
sche voorstellingen op uw auto te behouden, dient
u de volgende aandachtspunten in acht te nemen:
Was het oppervlak uitsluitend met de hand, met
behulp van ph-neutrale schoonmaakmiddelen.
Maak geen gebruik van een wasstraat.
Gebruik geen chemische middelen (schuurmid-
delen, polijstmiddelen, benzine, was, bescher-
mende producten, bijtende oplosmiddelen, enz).
Was uw auto zo snel mogelijk als u insekten,
vogeluitwerpselen, roet of metaaldeeltjes op de
laklaag opmerkt.
De geanodiseerde afwerking kan wellicht ver-
slechteren als deze met blote handen wordt
aangeraakt of geschonden wordt door olie van
de weg (teer, enz.). Was eventueel vuil van de
auto met een natte microvezeldoek en ruim wa-
ter.
Parkeer uw auto niet onder bomen en verwijder
eventuele boomsappen zo snel mogelijk.
Was de stickers voorzichtig met een schone
spons. Gebruik geen hogedrukreiniger.
VLEKKEN VERWIJDEREN
Verwijder teer- en olievlekken, industriële aanslag,
insecten en boomvocht zo snel mogelijk van de lak
om blijvende schade of vlekken te voorkomen. Spe-
ciale reinigingsmiddelen zijn verkrijgbaar bij een er-
kende dealer of autospeciaalzaken.
REINIGEN VAN KOETSWERK
264 Verzorging van koetswerk en interieur
IN DE WAS ZETTEN
Wanneer u uw auto regelmatig in de was zet, be-
schermt u de laklaag en blijft de auto er langer als
nieuw uitzien.
Poetsen van de waslaag wordt aanbevolen om was-
resten te verwijderen en het aanzien te verbeteren.
Een erkende dealer kan u helpen bij het kiezen van
de geschikte wasproducten.
LET OP
Was de auto grondig en volledig voordat u was
op het lakoppervlak aanbrengt.
Volg hierbij de gebruiksinstructies voor het
type was dat u gebruikt.
Gebruik geen was waarin schuur-, polijst- of
reinigingsmiddelen zijn verwerkt die de car-
rosserielak kunnen aantasten.
Als u met een polijstmachine werkt of ruw over de
lak-/vernislaag wrijft, kan de lak dof worden of kun-
nen er wrijfplekken ontstaan.
RUITEN
Gebruik een speciaal glasreinigingsmiddel om stof-
en rookaanslag van de ruiten te verwijderen. Het is
normaal dat er aanslag op de ruiten ontstaat als
het voertuig langere tijd in direct zonlicht gepar-
keerd heeft gestaan. Deze aanslag laat zich gemak-
kelijk verwijderen met een reinigingsmiddel en een
zachte doek.
ONDERZIJDE
In gebieden waar wegenzout wordt gestrooid, moet
de onderzijde van de auto regelmatig worden
schoongemaakt. Dit voorkomt vuil- en zoutaanslag
waardoor de onderzijde en de ophanging sneller
kunnen gaan roesten.
Controleer de onderzijde voor en na de winter en
behandel deze eventueel opnieuw.
WIELEN
Als u de auto reinigt, was dan ook de wielen om
ervoor te zorgen dat ze er goed uit blijven zien.
Reinig de binnenkant van de wielen bij het ver-
vangen ervan of het wassen van de onderkant
van de auto.
Gebruik voor het wassen van de wielen geen
schuurmiddelen.
Controleer de velgen regelmatig op deuken of
roest. Door deze gebreken kan de bandenspan-
ning plotseling wegvallen of kan het bandprofiel
worden beschadigd.
RENAULT raadt aan om de wielen in de was te
zetten om ze te beschermen tegen strooizout in
gebieden waar dit 's winters gebruikt wordt.
ALUMINIUM LICHTMETALEN VELGEN
Was de velgen regelmatig, vooral tijdens de winter-
maanden in gebieden waar men gewoon is met pe-
kel te strooien. Zout dat niet wordt verwijderd kan
ervoor zorgen dat de wielen verkleuren.
LET OP
Volg onderstaande instructies om te voorkomen
dat de wielen bevlekt raken of verkleuren:
Gebruik voor het reinigen van de wielen geen
zuurhoudende reinigingsmiddelen of midde-
len die alkali bevatten.
Gebruik geen reinigingsmiddelen wanneer de
wielen nog heet zijn. De temperatuur van de
wielen moet hetzelfde zijn als de buitentem-
peratuur.
Spuit de wielen schoon met water binnen
15 minuten na gebruik van het reini-
gingsproduct.
TREEPLANKEN
LET OP
Volg bij het reinigen van de treeplanken de vol-
gende aanwijzingen:
Gebruik voor het reinigen van de treeplanken
geen reinigingsmiddel met een hoge zuur-
graad of met een hoog alkaligehalte. Door een
product met een hoge zuurgraad of met een
hoog alkaligehalte te gebruiken, kan het op-
pervlak van de treeplanken beschadigd raken.
Spoel binnen 15 minuten na het aanbrengen
van het reinigingsmiddel de treeplanken goed
af om het product volledig te verwijderen.
VERCHROOMDE ONDERDELEN
Verchroomde delen behouden hun glans wanneer
u ze regelmatig reinigt met een niet-schurend
chroompoetsmiddel.
Verzorging van koetswerk en interieur 265
Verwijder regelmatig los vuil en stof van de interieu-
rafwerking, kunststofdelen en stoelen met een stof-
zuiger of een zachte borstel. Neem vinyl en leer af
met een schone en zachte, in sop gedrenkte lap en
droog de onderdelen vervolgens met een droge
doek.
Door het leer regelmatig te reinigen en te verzorgen
blijft het mooi.
Lees eerst de gebruiksaanwijzing voordat u een tex-
tielbeschermer gebruikt. Sommige textielbescher-
mers bevatten chemicaliën die het materiaal van
de stoelen doen verbleken.
Gebruik uitsluitend een met water natgemaakte
doek om de transparante afdekking van instrumen-
ten en indicatoren te reinigen.
LET OP
Gebruik nooit benzeen, verdunner of vergelijk-
bare middelen.
Kleine vuildeeltjes hebben een schurende
werking op leren bekleding, dus verwijder ze
meteen. Gebruik geen zadelzeep, autowas,
polijstmiddel, oliën, schoonmaakmiddelen,
verdunners, afwasmiddel of agressieve
schoonmaakproducten, aangezien deze het
leer aantasten.
Gebruik nooit textielbeschermers, tenzij dit
uitdrukkelijk door de fabrikant wordt aanbe-
volen.
Gebruik geen glas- of kunststofreiniger om de
transparante afdekking van instrumenten en
indicatoren te reinigen.Deze kan de afdekking
aantasten.
LUCHTVERFRISSERS
De meeste luchtverfrissers gebruiken een oplos-
middel dat het interieur van het voertuig zou kun-
nen aantasten. Neem de volgende voorzorgsmaat-
regelen als u een luchtverfrisser gebruikt:
Hangende luchtverfrissers kunnen leiden tot
permanente verkleuring wanneer ze in contact
komen met oppervlakken in het interieur. Plaats
de luchtverfrisser daar waar het vrij kan hangen
en niet in contact komt met oppervlakken van
het interieur.
Vloeibare luchtverfrissers worden normaliter op
luchtroosters geklemd. Deze producten kunnen
directe schade en verkleuring veroorzaken als
ze op oppervlakken in het interieur gemorst
worden.
Lees de aanwijzingen van de fabrikant zorgvuldig
door voordat u luchtverfrissers gebruikt.
VLOERMATTEN
Het gebruik van vloermatten (indien aanwezig) kan
de levensduur van de vloerbedekking in uw voer-
tuig verlengen en het reinigen van het interieur ver-
gemakkelijken. Zorg dat de vloermatten, welk soort
u ook gebruikt, goed passen en op de juiste wijze in
de voetenruimte liggen. De bediening van de peda-
len mag niet belemmerd worden. Reinig de matten
regelmatig en vervang ze zodra ze zijn versleten.
Hulp bij het plaatsen van de vloermat
Deze auto is uitgerust met bevestigingen voor de
vloermatten, die dienen om de vloermat op zijn
plaats te houden.
Breng de mat aan met de vloermatbevestiging door
de doorvoertule heen, terwijl u de mat midden in de
voetruimte legt.
Controleer van tijd tot tijd of de matten nog op hun
plaats liggen.
RUITEN
Gebruik een speciaal glasreinigingsmiddel om stof-
en rookaanslag van de ruiten te verwijderen. Het is
normaal dat er aanslag op de ruiten ontstaat als
het voertuig langere tijd in direct zonlicht gepar-
keerd heeft gestaan. Deze aanslag laat zich gemak-
kelijk verwijderen met een reinigingsmiddel en een
zachte doek.
JVA0022XZ
Voorbeeld
REINIGEN VAN HET INTERIEUR
266 Verzorging van koetswerk en interieur
LET OP
Reinig de binnenzijde van de ruiten nooit met
scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmid-
delen of ontsmettingsmiddelen op chloorbasis.
Met deze middelen kunt u de elektrische gelei-
dingsdraden, zoals de elementen van de radioan-
tenne of van de achterruitverwarming, bes-
chadigen.
VEILIGHEIDSGORDELS
WAARSCHUWING
Laat natte veiligheidsgordels nooit terugrol-
len in de oprolautomaat.
Gebruik nooit bleekmiddel, kleurmiddelen of
chemische oplosmiddelen om de veiligheids-
gordels te reinigen. Deze kunnen de gordel-
band in ernstige mate verzwakken.
U kunt de gordels reinigen door ze af te nemen met
een in een mild sopje gedrenkte spons.
Laat de gordels in de schaduw volledig opdrogen
voordat u ze weer gebruikt. (Zie Veiligheidsgordels”
in hoofdstuk “1. Veiligheid stoelen, veiligheidsgor-
dels en aanvullend veiligheidssysteem”.)
DE BELANGRIJKSTE OORZAKEN
VAN ROESTVORMING
Vuil dat zich verzamelt aan de binnenkant van
het plaatwerk en in holle carrosseriedelen. Dit
vuil houdt vocht vast.
Beschadigingen van de lak en andere bescherm-
lagen als gevolg van steenslag of kleine aanrij-
dingen.
KLIMATOLOGISCHE FACTOREN DIE
BIJDRAGEN AAN ROESTVORMING
Vocht
Daar waar zich op de vloer binnenin de auto zand,
vuil en water ophoopt, verloopt de roestvorming
sneller. Natte afdekkingen/vloermatten zullen in de
auto niet volledig drogen. Verwijder ze en laat ze
drogen om roestvorming aan de bodem te voorko-
men.
Vochtigheidsgraad
In gebieden met een hoge relatieve vochtigheids-
graad verloopt roestvorming sneller.
Temperatuur
Hoge temperaturen versnellen roestvorming bij on-
derdelen die niet goed worden geventileerd.
Roestvorming zal ook worden versneld in gebieden
waar de temperatuur niet beneden het vriespunt
komt.
Luchtvervuiling
Industriële vervuiling, zilte lucht in kuststreken en
het veelvuldig strooien met pekel zullen roestvor-
ming versnellen. Door pekel zal bovendien de lak
sneller afbladderen.
BESCHERMING TEGEN
ROESTVORMING
Was uw auto regelmatig en zet hem geregeld in
de was.
Controleer regelmatig op kleine lakbeschadigin-
gen en werk deze zo spoedig mogelijk bij.
Houd de waterafvoergaatjes onder in de portie-
ren en in de achterklep open zodat het water
weg kan lopen.
Controleer de onderzijde van de auto regelma-
tig op zand, vuil of zout. Spoel dit zo snel moge-
lijk weg met water.
LET OP
Gebruik nooit een tuinslang om vuil, zand of
modder uit het interieur te verwijderen. Ver-
wijder vuil met een stofzuiger.
Laat water en andere vloeistoffen nooit in con-
tact komen met elektrische onderdelen in de
auto. Deze raken anders beschadigd.
De chemicaliën die worden gebruikt voor het ijsvrij
maken van wegen zijn uiterst agressief. Ze versnel-
len roestvorming en aantasting van onderdelen aan
de onderzijde van de auto,zoals de uitlaat, de brand-
stof- en remleidingen, de remkabels, de bodemplaat
en de zijkanten.
In de winter moet de onderkant regelmatig wor-
den gereinigd.
In sommige gebieden kan extra bescherming te-
gen roestvorming en corrosie nodig zijn; raadpleeg
hiervoor een erkende dealer of gekwalificeerd gara-
gebedrijf.
ROESTPREVENTIE
Verzorging van koetswerk en interieur 267
NOTITIES
268 Verzorging van koetswerk en interieur
8 Onderhoud en doe-het-zelfOnderhoud en doe-het-zelf
Onderhoudsvereisten .............................................................................. 270
Periodiek onderhoud ........................................................................ 270
Algemeen onderhoud ...................................................................... 270
Waar u naartoe kunt voor onderhoud ................................ 270
Algemeen onderhoud .............................................................................. 270
Uitleg van algemene onderhoudspunten ........................ 270
Voorzorgsmaatregelen tijdens onderhoud..................... 272
Inspectiepunten motorruimte........................................................... 273
Motorkoelsysteem...................................................................................... 273
Motorkoelvloeistofniveau controleren ................................ 274
Motorkoelvloeistof vervangen................................................... 274
Motorolie ............................................................................................................ 274
Motoroliepeil controleren .............................................................. 274
De motorolie verversen en het oliefilter
vervangen ................................................................................................. 275
Bescherm het milieu ......................................................................... 275
AdBlue®-tank (indien aanwezig voor model met
dieselmotor)..................................................................................................... 275
De AdBlue®-tank bijvullen ............................................................. 275
Aandrijfriem...................................................................................................... 276
Automatische versnellingsbakvloeistof (ATF)
(indien aanwezig)......................................................................................... 276
Model met automatische versnellingsbak met
7 versnellingen (AT)............................................................................. 276
Stuurbekrachtigingsvloeistof............................................................. 277
Remmen ............................................................................................................. 277
Parkeerrem controleren ................................................................. 277
Rempedaal controleren.................................................................. 277
Rembekrachtiging .............................................................................. 278
Remvloeistof.................................................................................................... 278
Koppelingsvloeistof (indien aanwezig)........................................ 279
Ruitensproeiervloeistof........................................................................... 280
Accu........................................................................................................................ 281
Voertuigaccu........................................................................................... 281
Batterij afstandsbediening (indien aanwezig)............... 282
Batterij van de afstandsbedieningsleutel
(indien aanwezig)................................................................................. 283
Luchtfilter........................................................................................................... 284
Ruitenwisserbladen ................................................................................... 285
Wisserbladen voorruit ...................................................................... 285
Variabele spanningsregeling (indien aanwezig) .................. 286
Zekeringen ........................................................................................................ 287
Motorruimte ............................................................................................ 287
Passagiersruimte................................................................................. 288
Lichten ................................................................................................................. 290
Koplampen ............................................................................................... 290
Buitenverlichting.................................................................................. 291
Interieurverlichting............................................................................. 291
Plaats van lampen............................................................................... 292
Banden en wielen ........................................................................................ 296
Bandenspanning ................................................................................. 296
Type banden............................................................................................ 296
Sneeuwkettingen ................................................................................ 297
Banden wisselen .................................................................................. 297
Slijtage en schade aan de banden ......................................... 297
Leeftijd van de band.......................................................................... 298
Vervangen van banden en wielen .......................................... 298
Wielbalans ................................................................................................. 298
Reservewiel .............................................................................................. 298
Enig dagelijks en regelmatig onderhoud is nodig om
de goede mechanische conditie van uw auto te be-
houden, zoals ook de emissie- en motorprestaties.
Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar om
ervoor te zorgen dat zowel het voorgeschreven als
het algemene onderhoud worden uitgevoerd.
Als eigenaar van het voertuig bent u de enige die
ervoor kan zorgen dat deze goed wordt onderhou-
den.
PERIODIEK ONDERHOUD
De vereiste periodieke onderhoudspunten staan
beschreven in een afzonderlijk meegeleverd Garan-
tie- en onderhoudsboekje. Gebruik dit boekje om
ervoor te zorgen dat uw auto op regelmatige tijd-
stippen het vereiste onderhoud krijgt.
ALGEMEEN ONDERHOUD
Het algemene onderhoud omvat punten die u dient
te controleren tijdens het dagelijkse en normale ge-
bruik van het voertuig. Deze zijn essentieel voor een
blijvende goede werking van het voertuig. Het is uw
verantwoordelijkheid om deze procedures regel-
matig zoals voorgeschreven uit te voeren.
Voor het uitvoeren van algemene onderhoudscon-
troles is alleen een minimale technische kennis en
eenvoudig gereedschap nodig.
Deze controles of inspecties kunt u zelf uitvoeren of
laten uitvoeren door een bevoegde monteur of, als
u daar de voorkeur aan geeft, door uw erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
WAAR U NAARTOE KUNT VOOR
ONDERHOUD
Als er onderhoud moet worden uitgevoerd of als er
mogelijk een storing is in de auto, laat de systemen
dan controleren en afstellen door een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Het algemeen onderhoud dient tijdens het dage-
lijkse normale gebruik van de auto regelmatig te
worden uitgevoerd zoals in dit hoofdstuk staat be-
schreven. Als u vreemde geluiden, trillingen of geu-
ren waarneemt, zoek dan naar de oorzaak of laat
dit doen door een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf. Bovendien dient u een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf te waarschuwen als
u denkt dat er reparaties nodig zijn.
Bij alle controles en onderhoudswerkzaamheden
moet u nauwgezet het volgende in acht nemen
Voorzorgsmaatregelen tijdens onderhoud” ver-
derop in dit hoofdstuk.
UITLEG VAN ALGEMENE
ONDERHOUDSPUNTEN
Aanvullende informatie over de volgende met “*”
gemarkeerde punten vindt u verderop in dit
hoofdstuk.
Aan de buitenkant van de auto
De onderstaande onderhoudspunten moeten re-
gelmatig worden uitgevoerd, tenzij anders is aan-
gegeven.
Portieren en motorkap:
Controleer of alle portieren en de motorkap, als-
mede de achterklep goed werken. Controleer ook
of alle sloten goed vergrendelen. Indien nodig sme-
ren.Zorg dat de secundaire vergrendeling voorkomt
dat de motorkap omhoogkomt wanneer de hoofd-
vergrendeling wordt vrijgegeven. Wanneer u rijdt
door gebieden waar strooizout of andere corrosieve
materialen worden gebruikt, moet u de smering re-
gelmatig controleren.
ONDERHOUDSVEREISTEN ALGEMEEN ONDERHOUD
270 Onderhoud en doe-het-zelf
Verlichting*:
Maak de koplampen regelmatig schoon. Controleer
of de koplampen, remlichten, achterlichten, richtin-
gaanwijzers en andere lichten allemaal goed wer-
ken en correct zijn gemonteerd. Controleer tevens
de afstelling van de koplampen.
Banden*:
Controleer de bandenspanning vaak met een ban-
denspanningsmeter en altijd voordat u een lange
reis maakt. Pas de spanning van alle banden, ook
die van het reservewiel, aan tot de gespecificeerde
spanning. Controleer de banden zorgvuldig op be-
schadigingen, inkepingen en overmatige slijtage.
Banden wisselen*:
Wanneer de voor- en achterbanden van een auto
met tweewielaandrijving (2WD) dezelfde maat heb-
ben, is het nodig de banden elke 10.000 km
(6.000 mijl) te wisselen. Indien de banden voorzien
zijn van indicatoren van de draairichting, is het al-
leen mogelijk de voor- en achterwielen met elkaar
te wisselen. Zorg ervoor dat de indicatoren van de
draairichting na het omwisselen van de wielen in de
rijrichting wijzen.
Als de voor- en achterbanden van een auto met
vierwielaandrijving (4WD/AWD) dezelfde maat heb-
ben, is het nodig de banden elke 5.000 km
(3.000 mijl) te wisselen. Indien de banden voorzien
zijn van indicatoren van de draairichting, is het al-
leen mogelijk de voor- en achterwielen met elkaar
te wisselen. Zorg ervoor dat de indicatoren van de
draairichting na het omwisselen van de wielen in de
rijrichting wijzen.
Wanneer de voorbanden een andere maat hebben
dan de achterbanden, is het niet mogelijk de ban-
den te wisselen.
Het juiste tijdstip voor het wisselen van de banden
is afhankelijk van uw rijgewoonten en de conditie
van het wegdek.
Uitlijning en balans van wielen:
Indien de auto naar één van beide zijden trekt ter-
wijl u over een rechte en vlakke weg rijdt, of als u
ongelijkmatige en overmatige bandslijtage consta-
teert, kan uitlijning van de wielen nodig zijn. Indien
het stuurwiel of de stoelen trillen bij normale hoge
snelheden, kan wielbalancering nodig zijn.
Voorruit:
Maak de voorruit regelmatig schoon. Controleer de
voorruit in ieder geval om de zes maanden op barst-
jes of andere schade. Zo nodig repareren.
Ruitenwisserbladen*:
Controleer op scheuren of slijtage als ze niet cor-
rect functioneren. Vervang indien nodig.
In de auto
De onderstaande onderhoudspunten moeten re-
gelmatig worden gecontroleerd, bijvoorbeeld
tijdens het uitvoeren van periodiek onderhoud, het
wassen van de auto, etc.
Gaspedaal:
Controleer of het pedaal soepel werkt en zorg er-
voor dat pedaal niet vast gaat zitten of een onge-
lijke krachtsinspanning vergt. Houd de matten uit
de buurt van het pedaal.
Rempedaal*:
Controleer of het pedaal regelmatig werkt en of de
afstand tot de vloermat juist is als het pedaal volle-
dig is ingetrapt. Controleer de rembekrachtiging.
Houd de vloermatten uit de buurt van het pedaal.
Parkeerrem*:
Controleer de werking van de parkeerrem regelma-
tig. Controleer of de hendel (indien aanwezig) of het
pedaal (indien aanwezig) de juiste speling heeft.
Controleer op een steile helling of de auto
voldoende geblokkeerd wordt door enkel de par-
keerrem.
Veiligheidsgordels:
Controleer of alle onderdelen van het veiligheids-
gordelsysteem (bijv. gespen, ankers, afstelmecha-
nismen en rolautomaten) goed en soepel werken
en correct geïnstalleerd zijn. Controleer de gordel-
banden op inkepingen, rafels, slijtage en beschadi-
ging.
Stuurwiel:
Controleer de stuurinrichting op afwijkingen, zoals
te veel speling, zwaar sturen en abnormale gelui-
den.
Waarschuwingslampjes en akoestische
signalen:
Controleer of alle waarschuwingslampjes en akoes-
tische signalen goed werken.
Voorruitontwasemer:
Controleer of er voldoende lucht komt uit de venti-
latieroosters als u de verwarming of de airconditio-
ning gebruikt.
Onderhoud en doe-het-zelf 271
Wis-/wassysteem voorruit*:
Controleer of de wissers en sproeiers goed werken
en de wissers geen strepen trekken.
Onder de motorkap en onder de auto
De onderstaande onderhoudspunten moeten pe-
riodiek worden uitgevoerd (bijvoorbeeld elke keer
als u het oliepeil controleert of gaat tanken).
Accu (behalve onderhoudsvrije accu's)*:
Controleer het vloeistofniveau in elke accucel. Het
moet tussen de streepjes <UPPER> en <LOWER> lig-
gen. Als het voertuig bij hoge temperaturen of on-
der extreme omstandigheden gebruikt wordt, moet
het accuvloeistofniveau regelmatig gecontroleerd
worden.
Vloeistofniveau(s) rem (en koppeling)*:
Voor modellen met handgeschakelde versnellings-
bak (MT): zorg ervoor dat het niveau van de rem- en
koppelingsvloeistof tussen de streepjes <MAX> en
<MIN> op de reservoirs liggen.
Behalve modellen met handgeschakelde versnel-
lingsbak (MT): zorg dat het niveau van de remvloei-
stof tussen de streepjes <MAX> en <MIN> op het
reservoir ligt.
Koelvloeistofniveau*:
Controleer het koelvloeistofniveau als de motor
koud is. Zorg dat het koelvloeistofniveau tussen de
streepjes <MAX> en <MIN> op het reservoir ligt.
Aandrijfriem(en) van de motor*:
Zorg ervoor dat de aandrijfriem(en) niet gerafeld,
versleten, gebarsten of vettig is/zijn.
Motoroliepeil*:
Controleer het peil nadat u de auto (op een vlakke
ondergrond) heeft geparkeerd en de motor heeft
afgezet.
Vloeistoflekken:
Controleer onder de auto op brandstof-, olie- of
waterlekkage of lekkage van andere vloeistoffen
nadat de auto een tijdje heeft stilgestaan. Het is nor-
maal dat er water van de airconditioner druipt na
gebruik. Mocht u lekkages opmerken of benzine-
dampen ruiken, zoek dan de oorzaak op en laat het
onmiddellijk herstellen.
Stuurbekrachtigingsvloeistofniveau en
-streepjes*:
Controleer het niveau wanneer de vloeistof koud is
en bij afgezette motor. Controleer dat de leidingen
goed zijn aangebracht en er geen lekkages of
scheuren etc., aanwezig zijn.
Ruitensproeiervloeistof*:
Controleer of er voldoende vloeistof in het reservoir
zit.
VOORZORGSMAATREGELEN
TIJDENS ONDERHOUD
Voorkom materiële schade en ernstig lichamelijk
letsel tijdens inspectie of onderhoud door de juiste
voorzorgsmaatregelen in acht te nemen. Houd u
steeds nauwgezet aan de volgende algemene voor-
zorgsmaatregelen.
WAARSCHUWING
Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
activeer de parkeerrem en blokkeer de wielen
om wegrollen van de auto te voorkomen. Zet
de schakelhendel in de P-stand (parkeren)
(model met automatische versnellingsbak) of
zet de schakelhendel in de N-stand (vrij) (mo-
del met handgeschakelde versnellingsbak).
Zorg dat de contactschakelaar steeds in de
LOCK-stand staat bij vervanging of reparatie.
Voer geen werkzaamheden uit aan de motor
zolang deze nog heet is. Zet altijd de motor af
en wacht tot deze is afgekoeld.
Als u toch aan de motor moet werken terwijl
deze draait, zorg dan dat lichaamsdelen, kle-
dingstukken of gereedschappen niet in con-
tact kunnen komen met ventilators, aandrij-
friemen of andere bewegende delen.
Het is verstandig om uw stropdas en sieraden,
zoals ringen en horloge, af te doen voordat u
aan de auto gaat werken.
Als de motor in een afgesloten ruimte moet
draaien, zoals een garage, zorg dan steeds
voor voldoende ventilatie in verband met de
vrijkomende uitlaatgassen.
BLIJF ONDER DE AUTO VANDAAN ZOLANG DEZE
ALLEEN OP EEN KRIK STEUNT.
Houd rookartikelen, open vuur en vonken al-
tijd uit de buurt van het brandstofsysteem en
de accu.
Aansluiten of losmaken van de accu of van on-
derdelen die transistoren bevatten mag nooit
gebeuren met de contactschakelaar in de ON-
stand.
Uw auto is uitgerust met een automatische
koelventilator voor de motor. De koelventila-
tor kan op elk moment zonder waarschuwing
272 Onderhoud en doe-het-zelf
beginnen te werken, ook als de contactscha-
kelaar in de OFF-stand staat en de motor niet
draait. Om letsel te voorkomen moet u altijd
de massakabel van de accu losmaken voordat
u in de buurt van de ventilator werkt.
Draag altijd een beschermende bril wanneer u
aan de auto werkt.
Laat nooit de kabelboomstekker loshangen
van onderdelen die te maken hebben met de
motor of met de versnellingsbak ter wijl de
contactschakelaar in de ON-stand staat.
Vermijd direct contact met gebruikte motoro-
lie en motorkoelvloeistof. Motorolie, koelvloei-
stof en/of andere voertuigvloeistoffen die niet
op de juiste wijze worden afgevoerd, kunnen
het milieu verontreinigen. Houd u altijd aan de
plaatselijke regelgeving wanneer u voertuig-
vloeistoffen afvoert.
Dit hoofdstuk “8. Onderhoud en doe-het-zelf bevat
alleen instructies voor het uitvoeren van relatief
eenvoudige vormen van onderhoud en reparatie.
Houd er rekening mee dat onjuist of niet volledig
uitgevoerd onderhoud kan leiden tot defecten of
overmatige uitstoot van uitlaatgassen, hetgeen van
invloed kan zijn op de garantiebepalingen. Laat on-
derhoud in geval van twijfel altijd uitvoeren door
een erkende dealer of gekwalificeerd garagebe-
drijf.
Voor een overzicht van de motorruimte, zie
“Motorruimte” in hoofdstuk “0. Geïllustreerde in-
houdsopgave”.
WAARSCHUWING
Verwijder de dop van de radiator of van het
koelvloeistofreservoir nooit terwijl de motor
heet is. De koelvloeistof kan door de hoge druk
uit de radiator ontsnappen en ernstige brand-
wonden veroorzaken. Wacht tot de radiator en
de motor zijn afgekoeld.
Koelvloeistof is giftig en moet zorgvuldig bui-
ten het bereik van kinderen worden bewaard
in containers met een duidelijk opschrift.
Het motorkoelsysteem is in de fabriek gevuld met
een hoogwaardige antivrieskoelvloeistof die ge-
schikt is voor alle seizoenen. Deze antivriesvloeistof
bevat roestwerende middelen, waardoor extra toe-
voegingen niet nodig zijn.
LET OP
Gebruik nooit additieven in het koelsysteem,
zoals radiateurafdichtmiddel. Door additieven
kan het koelsysteem verstopt raken, waar-
door de motor, de versnellingsbak en/of het
koelsysteem beschadigd kunnen raken.
Wanneer er koelvloeistof wordt toegevoegd of
ververst, zorg er dan voor de juiste mengver-
houding te gebruiken.De volgende tabel toont
voorbeelden van de mengverhouding van
koelvloeistof en water:
Bij een minimale
buitentempera-
tuur tot
Motorkoelv-
loeistof
(geconcent-
reerd)
Gedeminerali-
seerd of
gedestilleerd
water
°C °F
−35 −30 50% 50%
INSPECTIEPUNTEN
MOTORRUIMTE
MOTORKOELSYSTEEM
Onderhoud en doe-het-zelf 273
De radiator is afgesloten met een dop met een over-
drukventiel. Gebruik alleen een originele radia-
tordop van RENAULT of een gelijkwaardig product
wanneer u deze moet vervangen, om schade aan
de motor te voorkomen.
MOTORKOELVLOEISTOFNIVEAU
CONTROLEREN
Controleer het koelvloeistofniveau in het expansie-
tankje wanneer de motor koud is. Als het koelvloei-
stofniveau is gedaald tot onder het <MIN>-niveau
, vul dan koelvloeistof bij tot aan het <MAX>-ni-
veau
. Als het reservoir leeg is, controleer dan het
koelvloeistofniveau in de radiator nadat de motor
is afgekoeld. Wanneer er te weinig koelvloeistof in
de radiator aanwezig is, vul de radiator dan bij tot
aan de rand van de vulopening en vul bovendien
het reservoir bij tot het <MAX>-niveau
. Draai de
dop stevig vast na het bijvullen van motorkoelvloei-
stof.
Als regelmatig koelvloeistof bijgevuld moet wor-
den, laat het koelsysteem dan nakijken door een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
MOTORKOELVLOEISTOF
VERVANGEN
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf als verversen noodzake-
lijk is.
Het verdient aanbeveling om grotere reparatie-
werkzaamheden aan het motorkoelsysteem te la-
ten uitvoeren door een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf. De onderhoudsprocedures zijn
te vinden in het aangewezen Werkplaatshandboek.
Onjuist uitgevoerd onderhoud kan leiden tot een
slechte werking van het verwarmingssysteem en
oververhitting van de motor.
WAARSCHUWING
Ververs de koelvloeistof nooit als de motor
nog heet is, omdat u anders brandwonden
kunt oplopen.
Verwijder de dop van de radiator of van het
koelvloeistofreservoir nooit terwijl de motor
heet is. De koelvloeistof kan door de hoge druk
uit de radiator ontsnappen en ernstige brand-
wonden veroorzaken.
Voorkom direct huidcontact met afgewerkte
koelvloeistof. Was bij huidcontact de huid zo
snel mogelijk grondig schoon met water en
zeep.
Houd koelvloeistof buiten het bereik van kin-
deren en huisdieren.
Afgewerkte koelvloeistof dient op correcte wijze af-
gevoerd te worden. Informeer naar de plaatselijke
regelgeving.
MOTOROLIEPEIL CONTROLEREN
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en ge-
bruik de parkeerrem.
2. Start de motor en warm deze op tot de normale
bedrijfstemperatuur bereikt is (ongeveer 5 minu-
ten).
3. Zet de motor af.
4. Wacht minstens 10 minuten, zodat alle olie naar
het carter kan terugvloeien.
5. Verwijder de peilstok en veeg schoon.
6. Steek de peilstok weer helemaal in.
7. Trek de peilstok opnieuw uit en controleer het
oliepeil. Het zou moeten liggen in het bereik
.
8. Als het oliepeil beneden
ligt, verwijder dan de
motorolievuldop en giet olie van het aanbevolen
type in de opening. Vul niet te veel bij
.
Verwijder de peilstok niet wanneer u de motoro-
lie bijvult.
9. Controleer het oliepeil opnieuw met de peilstok.
JVM0528XZ
M9T 2,3DCI-motor
JVM0535XZ
M9T 2,3DCI-motor
MOTOROLIE
274 Onderhoud en doe-het-zelf
LET OP
Controleer het oliepeil regelmatig. Als de mo-
tor met een te laag oliepeil draait, kan er mo-
torschade optreden die niet gedekt wordt
door de garantie.
Het is normaal als wat olie moet worden bijge-
vuld tussen twee verversingsbeurten in. Dit is
afhankelijk van de omstandigheden waaron-
der het voertuig wordt gebruikt en de eigen-
schappen van de gebruikte motorolie. Er
wordt meer motorolie verbruikt wanneer er
vaak wordt geremd en geaccelereerd, vooral
bij een hoog motortoerental. Het olieverbruik
is bij een nieuwe motor hoger. Als het motoro-
lieverbruik na 5.000 km (3.000 mijl) gereden
te hebben hoger is dan 0,5 liter per 1.000 km
(621 mijl), raadpleeg dan een erkende dealer
of een gekwalificeerd garagebedrijf.
DE MOTOROLIE VERVERSEN EN HET
OLIEFILTER VERVANGEN
Neem voor het verversen van de motorolie en het
vervangen van het oliefilter contact op met een er-
kende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
BESCHERM HET MILIEU
Het is verboden om olie af te voeren via de riolering,
open water of via de grond. Maak gebruik van offi-
ciële afvalverzamelpunten, zoals garages die voor-
zieningen hebben voor de afvoer van afgewerkte
olie en gebruikte oliefilters. Laat u bij twijfel advise-
ren door de plaatselijke autoriteiten.
De milieuwetgeving verschilt per land.
DE AdBlue®-TANK BIJVULLEN
Wanneer de waarschuwing [AdBlue bijvullen] op het
voertuiginformatiedisplay verschijnt, vul de Ad-
Blue®-tank dan bij voordat de tank leeg is (zie “Ad-
Blue® Selectief Katalytisch Reductiesysteem (SCR)”
in hoofdstuk “5. Starten en rijden” voor het AdBlue®-
waarschuwingsdisplay.) Vul de AdBlue®-tank bij vol-
gens de procedure die in dit hoofdstuk beschreven
wordt.
LET OP
Gebruik uitsluitend AdBlue®. Het gebruik van
andere vloeistoffen kan leiden tot schade aan
het AdBlue® selectieve katalytische reductie-
systeem (SCR).
Wees voorzichtig dat u geen AdBlue® morst.
Als AdBlue® wordt gemorst op de voertuigcar-
rosserie, veeg het dan direct af met een voch-
tige doek om lakschade te voorkomen.
AdBlue®-overblijfselen kristalliseren na enige
tijd en vervuilen de laklaag. Als de gemorste
AdBlue® gekristalliseerd is, gebruik dan een
spons en koud water om het oppervlak te rei-
nigen.
Wanneer de tank volledig wordt bijgevuld,
voeg de AdBlue® dan langzaam toe om de
kans op morsen tot een minimum te beper-
ken.
Zorg ervoor dat u geen ammoniakdampen in-
ademt die vrij kunnen komen. Vul de AdBlue®-
tank in goed geventileerde ruimtes.
Rijomstandigheden (aanhangwagen slepen,
rijstijl, enz.) beïnvloeden het verbruik van Ad-
blue®. Het verbruik kan variëren van 0,5 l/
100 km (125 mijl/l) bij gebruik onder extreme
omstandigheden tot 0,1 l/100 km (625 mijl/l)
bij gebruik onder gematigde omstan-
digheden.
De AdBlue®-tank bevindt zich onder het voertuig.
(zie “AdBlue®-vulklep en -dop” in hoofdstuk “3. Alvo-
rens te gaan rijden” voor de plaats van de AdBlue®-
vulklep.)
1. Activeer de parkeerrem.
2. Model met automatische versnellingsbak (AT):
Zet de schakelhendel in de P-stand (parkeren).
Model met handgeschakelde versnellingsbak
(MT): zet de schakelhendel in de N-stand (vrij).
3. Zet de contactschakelaar in de OFF-stand.
4. Open de AdBlue®-vulklep.
5. Verwijder de dop van de AdBlue®-tank door deze
linksom te draaien.
6. Vul de AdBlue®-tank bij.
7. Installeer de dop stevig op de AdBlue®-tank.
8. Sluit de AdBlue®-vulklep.
9. Zet de contactschakelaar in de ON-stand en
wacht ongeveer 1 minuut totdat de waarschu-
wing (AdBlue nivo laag) uit gaat.
10. De motor starten.
OPMERKING
Indien de waarschuwing [Motor start niet
Vul AdBlue] wordt weergegeven, zet de
contactschakelaar dan in de ON-stand en
controleer of de waarschuwing uit staat.
Start vervolgens de motor.
AdBlue®-TANK (indien aanwezig voor model met dieselmotor)
Onderhoud en doe-het-zelf 275
AdBlue® bevriest bij temperaturen onder
-11°C (12°F). Onder zeer koude omstandig-
heden is het systeem mogelijk niet in staat
om te herkennen dat het is bijgevuld en zal
daarom de waarschuwing [Vul AdBlue] blij-
ven tonen. Het waarschuwingsbericht zal
verdwijnen wanneer de inhoud van de Ad-
Blue®-tank ontdooid is.
1. Compressor airconditioning
2. Krukaspoelie
3. Geleiderol
4. Waterpomp
5. Dynamo
6. Automatische riemspanner
7. Oliepomp stuurbekrachtiging
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf als controle of vervan-
ging nodig is.
MODEL MET AUTOMATISCHE
VERSNELLINGSBAK MET 7
VERSNELLINGEN (AT)
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf als controle of vervan-
ging nodig is.
LET OP
Gebruik uitsluitend ATF die wordt aanbevolen
in het Onderhoudsboekje. Meng niet met an-
dere vloeistoffen.
Het gebruik van een andere automatische ver-
snellingsbakvloeistof dan de ATF die wordt
aanbevolen in het Onderhoudsboekje kan
mogelijk leiden tot een verslechtering van de
rijeigenschappen, een verkorting van de le-
vensduur van de automatische versnellings-
bak en schade aan de automatische versnel-
lingsbak. Dergelijke schade wordt niet gedekt
door de garantie.
JVM0534XZ
M9T 2,3DCI-motor
AANDRIJFRIEM AUTOMATISCHE VERSNELLINGS-
BAKVLOEISTOF (ATF) (indien
aanwezig)
276 Onderhoud en doe-het-zelf
WAARSCHUWING
Stuurbekrachtigingsvloeistof is giftig. Bewaar de
vloeistof in duidelijk gemarkeerde flessen of re-
servoirs en houd deze buiten het bereik van
kinderen.
Controleer het vloeistofniveau in het reservoir. Het
vloeistofniveau moet worden afgelezen aan de
hand van het HOT-niveau (
: HOT MAX.,
:HOT
MIN.) als de vloeistoftemperatuur tussen 50 en 80°C
(122 tot 176°F) ligt en aan de hand van het COLD-ni-
veau (
: COLD MAX.,
: COLD MIN.) als de tempera-
tuur tussen 0 en 30°C (32 tot 86°F) ligt.
Gebruik alleen de gespecificeerde vloeistof als er
vloeistof moet worden bijgevuld. Vul niet te veel bij.
(Raadpleeg het Onderhoudsboekje van uw voertuig
voor de aanbevolen soorten vloeistof.)
PARKEERREM CONTROLEREN
Trek de parkeerrem langzaam maar zeker aan van-
uit de onderste stand. Valt het aantal klikken buiten
het opgegeven bereik, neem dan contact op met
een erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
7 tot 9 klikken onder een trekkracht van 196 N
(20 kg, 44 lb)
REMPEDAAL CONTROLEREN
WAARSCHUWING
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf om het remsysteem te
laten controleren als het rempedaal niet meer te-
rugkeert naar de normale stand.
Controleer met draaiende motor de afstand tussen
de bovenkant van het pedaal en de metalen vloer.
Valt die afstand buiten het opgegeven bereik, neem
dan contact op met een erkende dealer of gekwali-
ficeerd garagebedrijf.
Drukkracht
490 N (50 kg, 110 lb)
Model met
linkse
besturing
Model met
rechtse
besturing
Model met
dieselmotor
110mm(4,3in)
of meer
100 mm (3,9 in)
of meer
SDI1718AZ
SDI1447AZ DI1020MMZ
STUURBEKRACHTIGINGSVLOEIS-
TOF
REMMEN
Onderhoud en doe-het-zelf 277
Waarschuwing remblokslijtage
De schijfremblokken geven een waarschuwingssig-
naal in geval van slijtage. Als een remblok vervan-
gen dient te worden, zal het een hoog schurend
geluid produceren tijdens het rijden van de auto.
Het schurend geluid zal aanvankelijk alleen hoor-
baar zijn wanneer het rempedaal wordt ingetrapt.
Nadat het remblok verder is versleten, zult u het ge-
luid altijd horen, ook wanneer u het rempedaal niet
intrapt. Laat de remmen zo snel mogelijk nakijken
als u de remblokslijtagewaarschuwing hoort.
Bij bepaald rijgedrag of onder bepaalde weersom-
standigheden kunt u af en toe de remmen horen
piepen of knarsen of een ander geluid horen ma-
ken. Af en toe een bijgeluid tijdens licht of gematigd
remmen is normaal en tast de werking of de pres-
taties van het remsysteem niet aan.
De trommelremmen achter zijn niet voorzien van
akoestische slijtage-indicatoren. Mocht u ooit een
ongewoon luid geluid horen afkomstig van de trom-
melremmen achter, dan moet u deze zo snel moge-
lijk laten nakijken door een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
Laat het remsysteem op gezette tijden controleren.
Zie voor meer informatie het afzonderlijke onder-
houdsboekje.
REMBEKRACHTIGING
Controleer de rembekrachtiging op de volgende
manier:
1. Zet de motor uit, trap het rempedaal een paar
keer in en laat het rempedaal weer opkomen.
Voer de volgende stap uit als de beweging van
het rempedaal (pedaalslag) bij iedere intrapbe-
weging hetzelfde blijft.
2. Houd het rempedaal ingetrapt en start de motor.
Het pedaal moet iets zakken.
3. Houd het rempedaal ingetrapt en zet de motor
af. Houd het pedaal ongeveer 30 seconden inge-
trapt. De pedaalstand mag niet veranderen.
4. Laat de motor 1 minuut lang draaien zonder het
rempedaal in te trappen en zet de motor dan uit.
Trap het rempedaal een paar keer in. De pedaal-
slag moet telkens wanneer u het pedaal intrapt
iets korter worden, naarmate het vacuüm in de
rembekrachtiging wordt vrijgegeven.
Als de remmen niet goed werken, laat ze dan nakij-
ken door een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf.
WAARSCHUWING
Gebruik uitsluitend nieuwe vloeistof uit een
verzegelde container. Oude, slechte of
vervuilde vloeistof kan het remsysteem be-
schadigen. Door het gebruik van verkeerde
vloeistoffen kan het remsysteem beschadigd
worden, met een nadelig effect op het remver-
mogen.
Reinig de vuldop voordat u deze verwijdert.
Remvloeistof is giftig en moet worden
bewaard in duidelijk herkenbare flessen of re-
servoirs. Houd deze steeds buiten bereik van
kinderen.
LET OP
Bijvullen en controleren van het remsysteem
moet worden uitgevoerd door een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf alwaar
men beschikt over de voorgeschreven rem-
vloeistof en de nodige technische kennis.
Mors geen vloeistof op gelakte onderdelen. De
lak kan anders aangetast worden. Als u vloei-
stof morst, spoel deze dan weg met water.
Raadpleeg voor informatie over de aanbevolen
vloeistoffen het Onderhoudsboekje van uw voer-
tuig.
REMVLOEISTOF
278 Onderhoud en doe-het-zelf
Controleer het vloeistofniveau in het reservoir. Als
het vloeistofniveau beneden het MIN-streepje
staat, gaat het waarschuwingslampje voor het rem-
systeem branden. Vul vloeistof bij tot aan het MAX-
streepje
.
Als vaak vloeistof moet worden bijgevuld, laat het
systeem dan grondig controleren door uw erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
WAARSCHUWING
Gebruik uitsluitend nieuwe vloeistof uit een
verzegelde container. Oude, slechte of
vervuilde remvloeistof kan het koppelingssys-
teem beschadigen.
Reinig de vuldop voordat u deze verwijdert.
Koppelingsvloeistof is giftig en moet worden
bewaard in duidelijk herkenbare flessen of
bakken buiten het bereik van kinderen.
LET OP
Bijvullen en controleren van het koppelings-
systeem moet worden uitgevoerd door een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebe-
drijf alwaar men beschikt over de voorge-
schreven koppelingsvloeistof en de nodige
technische kennis.
Mors geen vloeistof op gelakte onderdelen. De
lak kan anders aangetast worden. Als u vloei-
stof morst, spoel deze dan weg met water.
Raadpleeg voor informatie over de aanbevolen
vloeistoffen het Onderhoudsboekje van uw voer-
tuig.
Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Wan-
neer het vloeistofniveau lager staat dan het MIN-
streepje
, voeg dan vloeistof bij tot het
MAX-streepje
.
Als vaak vloeistof moet worden bijgevuld, laat het
koppelingssysteem dan grondig controleren door
een erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
JVM0450XZ JVM0450XZ
KOPPELINGSVLOEISTOF (indien
aanwezig)
Onderhoud en doe-het-zelf 279
WAARSCHUWING
Antivries is giftig en moet worden bewaard in dui-
delijk gemarkeerde containers, buiten het bereik
van kinderen.
Controleerhet niveau in het sproeivloeistofreservoir
en vul zo nodig vloeistof bij.
Als de auto is uitgerust met een waarschuwing bij
laag ruitensproeierpeil verschijnt (op het voertui-
ginformatiedisplay) of het waarschuwingslampje
voor laag ruitensproeierpeil (op het dashboard), zal
de waarschuwing verschijnen of het waarschu-
wingslampje gaan branden als de vloeistofpeil in
het sproeierreservoir laag is. Vul zo nodig sproei-
vloeistof bij.
Voeg aan het water een ruitenreinigingsmiddel toe
voor een betere reinigingsfunctie. Voeg in de winter
antivries toe aan de sproeiervloeistof. Volg voor de
mengverhouding de aanwijzingen van de fabrikant.
LET OP
Gebruik de antivries voor het motorkoelsys-
teem niet in de ruitensproeiervloeistof. U kunt
daarmee schade toebrengen aan de lak.
Gebruik altijd een ruitensproeiervloeistof die
aangeraden wordt door een erkende dealer of
gekwalificeerd garagebedrijf.
JVM0452XZ
RUITENSPROEIERVLOEISTOF
280 Onderhoud en doe-het-zelf
VOERTUIGACCU
WAARSCHUWING
Gebruik het voertuig niet als het vloeistofniveau
in de accu laag is. Een laag accuvloeistofniveau
kan leiden tot een hogere belasting van de accu,
hetgeen warmte kan genereren, de levensduur
van de accu kan verminderen en in sommige ge-
vallen kan dit leiden tot een explosie.
Waarschuwingssymbolen voor
de accu
m
WAARSCHUWING
m
Verboden te
roken
Geen open vuur
Geen vonken
Rook nooit in de buurt van de accu. Stel de accu niet bloot aan open vuur of
elektrische vonken.
m
Bescherm uw
ogen
Ga voorzichtig met de accu om. Draag altijd een bril om de ogen te
beschermen tegen explosie of accuzuur.
m
Buiten bereik van
kinderen houden
Laat kinderen nooit aan de accu komen. Houd de accu buiten bereik van
kinderen.
m
Accuzuur
Laat accuvloeistof niet in contact komen met huid, ogen, kleding of lakwerk.
Na het hanteren van de accu of accukap dient u uw handen onmiddellijk
grondig te wassen. Als accuzuur in contact komt met ogen, huid of kleding,
spoel dan onmiddellijk af met water gedurende tenminste 15 minuten en
roep medische hulp in. Accuvloeistof is zuur. Komt er accuzuur in uw ogen of
op uw huid, dan kunt u uw gezichtsvermogen verliezen of brandwonden
oplopen.
m
Houd u aan
bediening-
sinstructies
Lees, voordat u aan de accu gaat werken, zorgvuldig deze instructies om
een juiste en veilige behandeling van de accu te garanderen.
m
Explosief gas Waterstofgas, dat door het accuzuur wordt opgewekt, is explosief.
ACCU
Onderhoud en doe-het-zelf 281
Accuvloeistofniveau controleren
Controleer het vloeistofniveau in elke accucel. Het
accuvloeistofniveau moet tussen MAXIMUM
en
MINIMUM
zijn.
Als cellen moeten worden bijgevuld, gebruikt u uit-
sluitend gedistilleerd water. Breng het niveau in elke
vulopening tot aan de bovenste indicatiestreep. Vul
niet te veel bij.
1. Verwijder de celdoppen
met geschikt gereed-
schap.
2. Vul gedistilleerd water bij tot het MAXIMUM
streepje.
Als de zijkant van de accu niet doorzichtig is, het
peil van het gedistilleerde water controleren door
recht boven de cel in de accu te kijken; de status
j
A betekent OK en de status
j
B betekent dat bij-
vulling vereist is.
3. Breng de celdoppen weer aan en zet ze vast.
Als het voertuig bij hoge temperaturen of ex-
treme omstandigheden gebruikt wordt, moet u
het accuvloeistofniveau vaak controleren.
Houd het oppervlak van de accu schoon en
droog. Aanslag moet verwijderd worden met
een goed uitgewrongen vochtige doek.
Zorg dat de accupolen goed schoon zijn en klem
de aansluitingen stevig vast.
Als de auto gedurende minstens 30 dagen niet
zal worden gebruikt, ontkoppel dan de massa-
kabel (−).
Starten met startkabels
Als het noodzakelijk is te starten met startkabels,
zie “Starten met startkabels” in hoofdstuk “6. In ge-
val van nood”. Als de motor met gebruik van start-
kabels niet wil aanslaan of de accu niet wil opladen,
moet de accu waarschijnlijk worden vervangen.
Neem voor het vervangen van de accu contact op
met een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf.
BATTERIJ AFSTANDSBEDIENING
(indien aanwezig)
Batterij van afstandsbediening
vervangen
LET OP
Zorg ervoor dat kinderen de batterij en verwij-
derde onderdelen niet inslikken.
Onjuist afgevoerde accu's en batterijen kun-
nen schade toebrengen aan het milieu. Houdt
u aan de plaatselijke regelgeving inzake het
afvoeren van accu’s/batterijen.
Zorg ervoor dat er geen stof of olie op de on-
derdelen komt wanneer u de batterijen ver-
vangt.
Het verkeerd vervangen van de lithium batte-
rij brengt ontploffingsgevaar met zich mee.
Alleen vervangen door hetzelfde of een gelijk-
waardig type.
Stel de batterij niet bloot aan overmatige hitte,
zoals zonneschijn, vuur, enz.
DI0137MDZ
SDI1480DZ
282 Onderhoud en doe-het-zelf
Om de batterij te vervangen:
1. Gebruikt geschikt gereedschap om de schroef
j
A te verwijderen en open het klepje
j
B.
2. Vervang de batterij door een nieuwe.
Aanbevolen type: CR1620 of gelijkwaardig
Raak de printplaat en de elektrische contac-
ten niet aan; hierdoor kunt u storing veroor-
zaken.
Plaats de batterij met de + zijde naar beneden
j
C.
3. Sluit het klepje goed en plaats de schroef terug.
4. Druk op de knoppen om de werking te controle-
ren.
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf als u hulp nodig hebt bij
het vervangen.
BATTERIJ VAN DE
AFSTANDSBEDIENINGSLEUTEL
(indien aanwezig)
Batterij van de
afstandsbedieningsleutel vervangen
LET OP
Zorg ervoor dat kinderen de batterij en verwij-
derde onderdelen niet inslikken.
Onjuist afgevoerde accu's en batterijen kun-
nen schade toebrengen aan het milieu. Houdt
u aan de plaatselijke regelgeving inzake het
afvoeren van accu’s/batterijen.
Zorg ervoor dat er geen stof of olie op de on-
derdelen komt wanneer u de batterijen ver-
vangt.
Het verkeerd vervangen van de lithium batte-
rij brengt ontploffingsgevaar met zich mee.
Alleen vervangen door hetzelfde of een gelijk-
waardig type.
Stel de batterij niet bloot aan overmatige hitte,
zoals zonneschijn, vuur, enz.
Om de batterij te vervangen:
1. Geef het vergrendelingsknopje aan de achter-
kant van de afstandsbedieningsleutel vrij en ver-
wijder de mechanische sleutel.
2. Steek een kleine schroevendraaier in de sleuf aan
de rand en draai deze zodat het bovenste ge-
deelte loskomt van het onderste gedeelte. Ge-
bruik een doek om de behuizing te beschermen.
NDI1687 SDI2451
Onderhoud en doe-het-zelf 283
3. Vervang de batterij door een nieuwe.
Aanbevolen type: CR2025 of gelijkwaardig
Raak de printplaat en de elektrische contac-
ten niet aan; hierdoor kunt u storing veroor-
zaken.
Plaats de batterij met de ͩ zijde naar bene-
den.
4. Breng de boven- en onderuiteinden
op de-
zelfde hoogte en duw ze dan tegen elkaar zodat
ze goed sluiten
.
5. Druk op de knoppen om de werking te controle-
ren.
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf als u hulp nodig hebt bij
het vervangen.
WAARSCHUWING
Als u de motor laat draaien zonder luchtfilter,
bestaat het risico dat u of anderen brandwon-
den oplopen. Het luchtfilter reinigt niet alleen
de lucht, maar doet tevens dienst als vlamwe-
ring als de motor mocht terugslaan. Als het fil-
ter is verwijderd en de motor heeft een terug-
slag, dan kunt u zich verwonden. Ga nooit rij-
den zonder luchtfilter. Wees voorzichtig met
werken aan de motor wanneer het luchtfilter
verwijderd is.
Giet nooit brandstof in het gasklephuis en pro-
beer nooit de motor te star ten zonder luchtfil-
ter. U kunt anders zwaar letsel oplopen.
Haal de vergrendelpennen
los om het filter te
verwijderen en trek het geheel omhoog
.
Het filterelement van droog papier kan gereinigd en
opnieuw gebruikt worden. Vervang het luchtfilter
volgens het onderhoudsschema in het apart bijge-
leverde Serviceboekje.
Wanneer u het filter vervangt, veeg dan de binnen-
zijde van het luchtfilterhuis en het deksel goed
schoon met een vochtige doek.
SDI2452Z
JVM0451XZ
LUCHTFILTER
284 Onderhoud en doe-het-zelf
WISSERBLADEN VOORRUIT
Reinigen
Als de voorruit niet helder wordt na gebruik van de
ruitensproeier of als het ruitenwisserblad trekt tij-
dens het wissen, zit er mogelijk was of een soortge-
lijke stof op het wisserblad en/of op de voorruit.
Maak de voorruit aan de buitenzijde schoon met
een oplossing van ruitensproeiervloeistof of met
een zacht zeepsopje. De voorruit is schoon als zich
geen losse druppels vormen tijdens het spoelen
met schoon water.
Maak het wisserblad schoon met een oplossing van
ruitensproeiervloeistof of met een zacht zeepsopje.
Spoel het wisserblad met schoon water. Vervang de
wisserbladen als de voorruit nog altijd niet helder
schoon wordt na wissen met gereinigde wissers.
Let erop dat het spuitgaatje van de sproeier niet
verstopt raakt
j
A . Hierdoor zou de voorruitsproeier
slecht kunnen gaan functioneren.Als het gaatje ver-
stopt is, probeer deze dan te ontstoppen met een
naald of klein pinnetje
j
B . Zorg dat u het mondstuk
niet beschadigt.
SDI2693Z
RUITENWISSERBLADEN
Onderhoud en doe-het-zelf 285
Vervangen
Vervang de ruitenwissers als deze zijn versleten.
1. Trek de wisserarm omhoog.
2. Druk de ontgrendelpen
j
A in en houd deze vast;
schuif vervolgens het ruitenwisserblad omlaag
langs de wisserarm om het blad te verwijde-
ren.
3. Verwijder het wisserblad.
4. Schuif het nieuwe blad in de arm tot u een klik
hoort.
LET OP
Zet na het vervangen van de ruitenwisserbla-
den de wisserarm weer in de oorspronkelijke
stand terug. De wisserarm of de motorkap zou
gekrast kunnen worden of beschadigd kun-
nen raken.
Versleten ruitenwissers kunnen de voorruit
beschadigen en het zicht van de bestuurder
belemmeren.
De variabele spanningsregeling meet de hoeveel-
heid elektrische ontlading van de accu en regelt de
spanning die door de dynamo wordt gegenereerd.
LET OP
De accessoires dienen niet direct aan de ac-
cupool geaard te worden. Indien u dit wel doet,
zal de variabele spanningsregeling overbrugd
worden en zal de accu van de auto mogelijk
niet volledig opgeladen worden.
Gebruik elektrische accessoires bij draaiende
motor om te voorkomen dat de accu leeg
raakt.
SDI2048Z
VARIABELE SPANNINGSRE-
GELING (indien aanwezig)
286 Onderhoud en doe-het-zelf
MOTORRUIMTE
LET OP
Gebruik nooit een zekering met een hogere of la-
gere stroomsterkte dan is aangegeven op het
deksel van de zekeringkast. Hierdoor kan het
elektrisch systeem beschadigd raken of kan er
brand ontstaan.
Gebruik nooit ander materiaal (bedrading, alumi-
niumfolie. enz.) in plaats van een zekering. Hier-
door kan het elektrisch systeem beschadigd ra-
ken of kan er brand ontstaan.
De plaats en stroomsterkte van de zekeringen staan
vermeld op de onderkant van het deksel van de ze-
keringkast.
Het aantal zekeringen kan verschillen op basis van
de functies waarmee de auto is uitgerust.
Als elektrische apparatuur niet werkt, controleer
dan of er een zekering is doorgebrand.
1. Zorg dat de contactschakelaar in de OFF-stand
of LOCK-stand staat.
2. Zorg ervoor dat de koplampen zijn uitgeschakeld.
3. Open de motorkap.
4. Verwijder de zekering/hoofdzekering door op de
ontgrendelpen te drukken.
5. Zoek de zekering die moet worden vervangen.
6. Verwijder de zekering met behulp van de zeke-
ringtrekker uit de zekeringkast in het interieur.
7. Als de zekering is doorgebrand
j
A , vervang deze
dan door een nieuwe zekering
j
B.
Als de nieuwe zekering na installatie ook door-
brandt, laat het elektrische systeem dan nakijken
en zo nodig repareren door een erkende dealer of
gekwalificeerd garagebedrijf.
Draadzekeringen
Controleer de smeltzekeringen als elektrische ap-
paratuur niet mocht werken en de zekeringen in
goede staat zijn. Als er een smeltzekering is doorge-
brand, vervang deze dan alleen door een origineel
vervangingsonderdeel.
NDI1692
NDI1694
SDI1753Z
NDI1693
ZEKERINGEN
Onderhoud en doe-het-zelf 287
PASSAGIERSRUIMTE
Hoofdzekeringkast
1. Zorg ervoor dat de contactschakelaar in de OFF-
stand staat.
2. Zorg ervoor dat de koplampen zijn uitgeschakeld.
3. Open het handschoenenkastje.
4. Houd de klep van het handschoenenkastje vast
en trek omhoog om de scharnieren
j
A aan de
onderkant van het handschoenenkastje los te
maken. Als referentie kunt u de klep van het
handschoenenkastje uitlijnen met de hoek
j
B.
5. Ontgrendel de linker en rechter borgen
j
C voor-
zichtig en verwijder de klep van het handschoe-
nenkastje.
6. Zoek de zekering die moet worden vervangen.
7. Verwijder de zekering met de zekeringtrekker
.
8. Als de zekering is doorgebrand
, vervang deze
dan door een nieuwe zekering
.
9. Installeer het handschoenenkastje door de ver-
wijderingsstappen in omgekeerde volgorde uit te
voeren.
Als de nieuwe zekering na installatie ook
doorbrandt, laat het elektrische systeem dan nakij-
ken en zo nodig repareren door een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
NDI1686
NDI1689 NDI1688
288 Onderhoud en doe-het-zelf
Extra zekeringkast
1. Zorg ervoor dat de contactschakelaar in de OFF-
stand staat.
2. Zorg ervoor dat de koplampen zijn uitgeschakeld.
3. Verwijder het deksel van de zekeringkast
j
Avan
onder het handschoenenkastje.
4. Zoek de zekering die moet worden vervangen.
5. Verwijder de zekering met behulp van de zeke-
ringtrekker uit de hoofzekeringkast.
6. Als de zekering is doorgebrand, vervang deze dan
door een nieuwe zekering.
7. Breng het deksel van de zekeringkast aan.
Als de nieuwe zekering na installatie ook
doorbrandt, laat het elektrische systeem dan nakij-
ken en zo nodig repareren door een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
Schakelaar voor langdurige opslag
(indien aanwezig)
Om het leeglopen van de accu te voorkomen, komt
de auto van de fabriek met de zekeringschakelaar
voor langdurige opslag uitgeschakeld. Vóór het af-
leveren van de auto wordt de schakelaar ingedrukt
(ingeschakeld) en dient altijd ingeschakeld te blij-
ven.
Als de zekeringschakelaar voor langdurige opslag
niet ingedrukt is (dus ingeschakeld is) kan de waar-
schuwing [Verzendstand aan Druk opslag zekering]
verschijnen op het voertuiginformatiedisplay. Zie
Werkingsindicators” in hoofdstuk “2. Instrumenten
en bedieningen”.
Als elektrische apparatuur niet werkt, dient u de
schakelaar voor langdurige opslag te verwijderen
en te controleren of de betreffende zekering is door-
gebrand.
OPMERKING
Als de schakelaar voor langdurige opslag defect
is, of als de zekering is doorgebrand, is het niet
nodig de schakelaar zelf te vervangen. Verwijder
in dit geval de schakelaar voor langdurige opslag
en vervang de zekering ervan met een nieuwe ze-
kering van dezelfde amperage.
De zekeringschakelaar voor langdurige opslag
verwijderen:
1. Zorg ervoor dat de contactschakelaar op OFF of
LOCK staat wanneer u de zekeringschakelaar
voor langdurig opslag wilt verwijderen.
2. Zorg ervoor dat de koplampen zijn uitgeschakeld.
3. Verwijder het deksel van de zekeringkast.
4. Knijp in de vergrendelingslipjes
aan beide zij-
den van de schakelaar voor langdurige opslag.
5. Trek de zekeringschakelaar voor langdurige op-
slag recht uit de zekeringkast
.
NTI386
JVM0462XZ
Onderhoud en doe-het-zelf 289
KOPLAMPEN
Als het regent of als u uw auto laat wassen in een
automatische wasstraat kan het gebeuren dat de
binnenkant van de lens van de buitenverlichting tij-
delijk beslaat. Oorzaak hiervan is het temperatuur-
verschil tussen de binnenkant en de buitenkant van
de lens. Dit is geen storing. Als er grote waterdrup-
pels aan de binnenkant van het lampglas zichtbaar
zijn, neem dan contact op met een erkende dealer
of gekwalificeerd garagebedrijf.
LED-koplamp vervangen
Als vervanging nodig is, neem dan contact op met
een erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Gloeilampen van halogeen-koplampen
verwisselen
De halogeen koplamp is van het type met half geïn-
tegreerde reflector, die gebruik maakt van vervang-
bare (halogeen) lampen. U kunt deze vanuit de mo-
torruimte vervangen zonder dat u de hele koplam-
peenheid hoeft te verwijderen.
LET OP
De lamp bevat halogeengas onder hoge druk. De
lamp kan springen als het glazen omhulsel wordt
bekrast of wanneer u de lamp laat vallen.
1. Haal de minkabel los van de accu.
2. Maak de elektrische stekker aan de achterkant
van de gloeilamp los.
3. Trek het rubberen kapje
eraf.
4. Druk de borgveer
in en draai deze zodat hij
loskomt.
5. Verwijder de gloeilamp uit de koplamp. Schud
of draai de lamp daarbij niet.
6. Handel in omgekeerde volgorde om een
nieuwe lamp aan te brengen.
LET OP
Raak het lampglas niet met de hand aan.
Gebruik een lamp met dezelfde aanduiding en
hetzelfde wattage als de originele lamp:
Model met halogeen koplamp
Gloeilamp grootlicht/dimlicht:
60W/55W (H4)
JVM0470XZ
LICHTEN
290 Onderhoud en doe-het-zelf
Laat de reflector niet te lang open zonder
lamp, aangezien stof, vocht en rook de kop-
lampbehuizing kunnen binnendringen en de
prestaties van de lamp nadelig kunnen
beïnvloeden.
De koplamphoogte hoeft niet afgesteld te worden
als alleen de lampen zijn vervangen. Wanneer de
koplamphoogte moet worden afgesteld, neem dan
contact op met een erkende dealer of gekwalifi-
ceerd garagebedrijf.
BUITENVERLICHTING
Item
Wattage
(W)
Richtingaanwijzer vóór 21
Stadslicht (Modellen met halogeen
koplampen)
5
Stadslichten en dagrijverlichting
(Modellen met LED-koplampen)*
LED
Mistvoorlamp (indien aanwezig) 55
Dagrijverlichting (indien aanwezig
voor modellen met halogeen
koplamp)
19
Richtingaanwijzer opzij (op zijkant aan
voorkant) (indien aanwezig)
5
Combinatielicht achter
Richtingaanwijzer 21
Remlicht/achterlicht 21/5
Achteruit 21
Mistachterlicht (indien aanwezig) 21
Kentekenplaatverlichting 5
Hooggeplaatst derde remlicht (indien
aanwezig)*
LED
*: Raadpleeg voor vervanging een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
INTERIEURVERLICHTING
Item Wattage (W)
Kaartleeslampje (LED)* LED
Kaartleeslampje (gloeilamp) 5
Binnenverlichting (indien
aanwezig)
8
Leeslampje achterin (indien
aanwezig)
LED
Instaplicht (indien aanwezig) 3,4
Make-upspiegelverlichting
(indien aanwezig)
1,8
*: Raadpleeg voor vervanging een erkende
dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
Onderhoud en doe-het-zelf 291
PLAATS VAN LAMPEN
1. Richtingaanwijzer voor
2. Koplamp (halogeen)
3. Kaartleeslampje
4. Binnenverlichting (indien aanwezig)
5. Mistvoorlampen (indien aanwezig) of
Dagrijverlichting (indien aanwezig bij model
met halogeen koplampen)
6. Stadslicht
7. Zijrichtingaanwijzer (indien aanwezig)
8. Instaplicht (indien aanwezig)
9. Koplamp (grootlicht) (LED)
10. Koplamp (dimlicht) (LED)
11. Dagrijverlichting (LED)
12. Leeslampje achterin (indien aanwezig)
13. Hooggeplaatst derde remlicht (indien
aanwezig)
14. Combinatielicht achter (richtingaanwijzer/
remlicht/achterlicht/achteruitrijlicht/
mistachterlicht (indien aanwezig))
15. Kentekenplaatverlichting
j
A : Model met halogeen koplampen
j
B : Model met LED-koplampen
j
C : Modellen met laadbak
j
D : Modellen zonder laadbak
NDI1679
292 Onderhoud en doe-het-zelf
m
:
VER
WIJDEREN
m
:
INS
TALLEREN
Vervangingsprocedures
Alle overige lichten zijn van het type A, B, C, D of E.
Verwijder bij vervanging van een lampje eerst het
lampglas en/of de beschermkap.
SDI2306
NDI1681
Richtingaanwijzer voor
NDI1680
Stadslicht (gloeilamp)
NDI1682
Mistvoorlamp (indien aanwezig) of dagrijverlichting
(indien aanwezig)
Onderhoud en doe-het-zelf 293
1. Draai de twee schroeven
j
A los en verwijder het
combinatielicht achter van de auto.
2. Draai de lampfitting en verwijder deze van het
combinatielicht achter.
3. Vervang de nodige lampen.
: Remlicht/achterlicht
: Richtingaanwijzer
: Achteruitrijlicht
NDI1683
Richtingaanwijzer opzij (op zijkant aan voorkant)
(indien aanwezig)
NDI1691
Combinatielicht achter (richtingaanwijzer, remlicht,
mistachterlicht (indien aanwezig) en achteruitrijlicht)
(modellen met laadbak)
NDI1690
Combinatielicht achter (richtingaanwijzer, remlicht en
achteruitrijlicht) (modellen zonder laadbak)
NDI1752
Mistachterlicht (indien aanwezig voor modellen zonder
laadbak)
294 Onderhoud en doe-het-zelf
JVM0464XZ
Kentekenplaatverlichting
SDI1845Z
Binnenverlichting (indien aanwezig)
JVM0553XZ
Instaplicht (indien aanwezig)
SDI1839Z
Make-upspiegelverlichting (indien aanwezig)
Onderhoud en doe-het-zelf 295
Zie bij een lekke band “Lekke band” in hoofdstuk “6. In
geval van nood”.
BANDENSPANNING
Controleer de bandenspanning regelmatig, ook die
van het reservewiel. Een verkeerde bandenspan-
ning verkort de levensduur van de band en heeft
een nadelige invloed op de rijeigenschappen van de
auto. Controleer de bandenspanning als de banden
koud (COLD) zijn. De toestand van de banden wordt
aangemerkt als KOUD als de auto 3 uur of langer stil
heeft gestaan of minder dan 1,6 km (1 mijl) heeft
gereden. De bandenspanning in koude toestand
vindt u op de bandenspanningssticker.
Bij een te lage bandenspanning kan de band over-
verhit raken wat kan leiden tot interne schade. Bij
hoge snelheden kan dan het loopvlak loslaten of
kunt u een klapband krijgen.
TYPE BANDEN
LET OP
Als banden worden vervangen of verwisseld, zorg
er dan voor dat alle vier de banden dezelfde con-
structie hebben en van hetzelfde type zijn (m.a.w.
zomer-, vierseizoenen- of sneeuwbanden). Een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf
kan u helpen met informatie over bandtype,
bandmaat, snelheidsclassificatie en beschik-
baarheid.
Bij vervanging kan een nieuwe band een lagere snel-
heidscategorie hebben dan de banden die gemon-
teerd zijn in de fabriek, en zijn dus wellicht niet afge-
stemd op de potentiële maximumsnelheid van uw
auto. De op de band aangeduide maximum snel-
heidscategorie mag nooit worden overschreden.
Vierseizoenenbanden
RENAULT schrijft bij sommige modellen vierseizoe-
nenbanden voor omdat ze goede prestaties leve-
ren gedurende het hele jaar, ook op besneeuwd en
glad wegdek. Vierseizoenenbanden herkent u aan
de aanduiding ALL SEASON en/of M&S (modder en
sneeuw) op de flank van de autoband. Sneeuwban-
den hebben meer grip op sneeuw dan vierseizoe-
nenbanden en zijn daardoor aan te bevelen in som-
mige gebieden.
Zomerbanden
RENAULT schrijft bij sommige modellen zomerban-
den voor omdat ze superieure prestaties leveren op
droog wegdek. De prestaties van zomerbanden lo-
pen aanzienlijk terug in sneeuw en ijs. Op de zijkant
van zomerbanden staat niet de gripkwalificatie
M&S.
Bent u van plan uw auto te gebruiken in omstan-
digheden met sneeuw en ijs, dan raadt RENAULT
sneeuwbanden of vierseizoenenbanden aan op alle
wielen.
Sneeuwbanden
Als het nodig is sneeuwbanden te monteren, moet
u banden kiezen waarvan maat en draagvermogen
overeenkomen met die van de oorspronkelijk ge-
monteerde banden. Doet u dit niet, dan kan dit de
veiligheid en de rijeigenschappen van de auto na-
delig beïnvloeden.
Sneeuwbanden hebben over het algemeen een la-
gere snelheidscategorie dan de banden die in de
fabriek gemonteerd zijn en zullen dus niet altijd af-
gestemd zijn op de potentiële maximumsnelheid
van uw auto. De op de band aangeduide maximum
snelheidscategorie mag nooit worden overschre-
den. De te monteren sneeuwbanden dienen op alle
vier de wielen van dezelfde maat en hetzelfde merk
te zijn en moeten dezelfde constructie en hetzelfde
profiel hebben.
Voor extra grip op gladde wegen is het raadzaam
spijkerbanden te gebruiken. In sommige landen zijn
deze echter door de wet verboden. Informeer
daarom eerst of u dergelijke banden wel mag mon-
teren. Spijkerbanden hebben op nat of droog weg-
dek mogelijk meer grip en de kans op glijden is mo-
gelijk minder dan bij normale winterbanden.
Model met vierwielaandrijving (4WD)
LET OP
Zorg ervoor dat alle vier de banden dezelfde
maat hebben, van hetzelfde merk zijn en de-
zelfde constructie (diagonaal, diagonaalgor-
del of radiaal) en hetzelfde profiel hebben. Als
dat niet zo is, kan dat leiden tot een verschil in
omtrek tussen de banden op de vooras en de
banden op de achteras, waardoor de banden
extreem zullen slijten en de versnellingsbak,
de tussenbak en de differentieeltandwielen
beschadigd zullen raken.
Gebruik ALLEEN een reservewiel met de speci-
ficatie voor de betreffende auto met
vierwielaandrijving.
BANDEN EN WIELEN
296 Onderhoud en doe-het-zelf
Bemerkt u ernstige slijtage aan de banden, dan is
het raadzaam om alle vier de banden te vervangen
door nieuwe banden van dezelfde maat en con-
structie. Controleer ook de bandenspanning en wie-
luitlijning en corrigeer deze indien nodig. Neem con-
tact op met een erkende dealer of gekwalificeerd
garagebedrijf.
SNEEUWKETTINGEN
Het gebruik van sneeuwkettingen is niet overal toe-
gestaan. Informeer daarom eerst bij lokale instan-
ties of u dergelijke kettingen wel mag monteren.
Sneeuwkettingen moeten de juiste maat hebben
voor de banden van uw auto en moeten worden
gemonteerd volgens de aanwijzingen van de fabri-
kant.
Gebruik kettingspanners als dit door de fabrikant
wordt aanbevolen. Losse kettingeinden moeten
worden vastgemaakt of verwijderd, om schade aan
de zijkant of carrosserie te voorkomen. Probeer uw
auto zo mogelijk niet volledig te beladen wanneer u
sneeuwkettingen gebruikt. Rijd bovendien met ge-
matigde snelheid. Anders kan de auto beschadigd
raken en worden de wegligging en het stuurgedrag
negatief beïnvloed.
Monteer sneeuwkettingen uitsluitend op de ach-
terwielen, niet op de voorwielen.
Rijd met sneeuwkettingen niet op geasfalteerde
wegen die sneeuwvrij zijn. Wanneer u in dergelijke
omstandigheden met sneeuwkettingen rijdt, kan
dit de verschillende mechanismen van de auto be-
schadigen als gevolg van overbelasting.
BANDEN WISSELEN
RENAULT raadt aan om de banden elke 5.000 km
(3.000 mijl) te wisselen bij een model met vierwie-
laandrijving (4WD) of elke 10.000 km (6.000 mijl) bij
een model met tweewielaandrijving (2WD). Het
juiste tijdstip voor het wisselen van de banden is
echter afhankelijk van uw rijgewoonten en de con-
ditie van het wegdek. (Zie “Lekke band” in hoofdstuk
“6. In geval van nood” voor informatie over het ver-
vangen van banden.)
WAARSCHUWING
Pas na het wisselen van de banden de ban-
denspanning aan.
Haal de wielmoeren opnieuw aan nadat het
voertuig 1.000 km (600 mijl) heeft afgelegd
(ook in geval van een lekke band, enz.).
Het reservewiel hoeft niet te worden inbegre-
pen in het wisselen van de banden.
Een verkeerde bandkeuze, montage, verzor-
ging of onderhoud kan de veiligheid negatief
beïnvloeden, met kans op ongevallen en let-
sel. Neem in geval van twijfel contact op met
een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf, of met de bandenfabrikant.
SLIJTAGE EN SCHADE AAN DE
BANDEN
: Slijtage-indicator
: Locatieaanduiding van slijtage-indicator
Controleer de banden regelmatig op slijtage,
scheurtjes, uitstulpingen en voorwerpen die in het
profiel bekneld zitten. Blijkt daarbij iets niet in orde
te zijn, vervang de band dan onmiddellijk.
De in de fabriek gemonteerde banden hebben een
slijtage-indicator. Wanneer de slijtage-indicator
zichtbaar wordt, moet de band worden vervangen.
Verkeerd onderhoud van een reserveband kan lei-
den tot ernstig lichamelijk letsel. Als het reservewiel
moet worden gerepareerd, neem dan contact op
met een erkende dealer of gekwalificeerd garage-
bedrijf.
SDI1662Z
SDI1663Z
Onderhoud en doe-het-zelf 297
LEEFTIJD VAN DE BAND
Gebruik nooit een band die ouder is dan zes jaar,
ook als hij nog nooit is gebruikt.
De kwaliteit van oudere en/of veelgebruikte ban-
den wordt minder. Laat uw wielen regelmatig con-
troleren en uitbalanceren door een reparatiebedrijf
of, indien gewenst, door een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf.
VERVANGEN VAN BANDEN EN
WIELEN
WAARSCHUWING
Monteer nooit een vervormd wiel, ook niet indien
gerepareerd. Dergelijke wielen of banden kunnen
structurele schade hebben en plotseling defect
raken.
Vervang een band altijd door een exemplaar met
dezelfde maat, snelheidscategorie en draagvermo-
gen als die van de oorspronkelijk gemonteerde
band. (Zie “Banden en wielen” in hoofdstuk “9. Tech-
nische informatie” voor de aanbevolen typen en
maten banden en wielen.) Het gebruik van niet-aan-
bevolen banden of banden van verschillende mer-
ken, profiel of constructie (diagonaal, diagonaalgor-
del of radiaal) kan een nadelig effect hebben op het
weggedrag, het remgedrag, de besturing, de bo-
demvrijheid, de speling tussen koetswerk en band,
de speling voor sneeuwkettingen, de afstelling van
de snelheidsmeter, de afstelling van de koplampen
en de bumperhoogte. Sommige van deze effecten
kunnen leiden tot ongelukken en mogelijk tot ern-
stig persoonlijk letsel.
Als de wielen om een of andere reden worden ver-
vangen, monteer dan wielen die dezelfde offset
hebben als de oude. Wielen met een andere offset
kunnen voortijdige bandslijtage, mogelijk slechter
weggedrag en/of interferentie met de remschijven/
trommels veroorzaken. De remwerking kan
hierdoor achteruit gaan en/of de remvoeringen of
remblokken kunnen sneller gaan slijten.
WIELBALANS
Slecht uitgebalanceerde wielen kunnen het wegge-
drag en de levensduur van de banden nadelig beïn-
vloeden. Wielen kunnen ook bij normaal gebruik uit
balans raken. Daarom moeten ze, zo nodig, uitge-
balanceerd worden.
RESERVEWIEL
Normaal reservewiel (indien aanwezig)
Uw auto wordt geleverd met een standaardband
(dezelfde afmeting als de standaardwielen).
Compact reservewiel voor tijdelijk
gebruik (indien aanwezig)
Het compacte reservewiel voor tijdelijk gebruik
heeft andere afmetingen dan de standaardwielen.
Compacte reservewielen voor tijdelijk gebruik on-
derscheiden zich als volgt:
De afmetingen van band en wiel verschillen van
die van de vier op de auto gemonteerde banden en
wielen.
— In het wiel is een sticker aangebracht met de
snelheidslimiet.
Teneinde defecten te vermijden moet u het vol-
gende in acht nemen:
Rijd nooit harder dan 80 km/u (50 MPH).
Rijd extra voorzichtig wanneer een compact re-
servewiel op de auto is gemonteerd.
Monteer nooit meer dan 1 compact reservewiel
tegelijkertijd op dezelfde auto.
Wat betreft de bandenspanning past u dezelfde
spanning toe die is voorgeschreven voor de as
waarop het wiel is gemonteerd, tenzij anders
aangegeven op de bandenspanningssticker. Zie
“Bandenspanningssticker” in hoofdstuk “9. Tech-
nische informatie”.
Schakel ESP uit wanneer een compact reserve-
wiel is gemonteerd. Zie “Electronic Stability Pro-
gramme (ESP) (indien aanwezig)” in hoofdstuk
“5. Starten en rijden”.
Rijd nooit met een aanhangwagen wanneer een
compact reservewiel is gemonteerd.
298 Onderhoud en doe-het-zelf
9 Technische informatieTechnische informatie
Aanbevolen vloeistoffen/smeermiddelen en
inhoudsmaten................................................................................................300
Brandstofinformatie..........................................................................300
Automatische transmissievloeistof (ATF).......................... 300
Koelvloeistof en smeermiddel voor
airconditioningsysteem..................................................................300
Motor..................................................................................................................... 301
Banden en wielen ........................................................................................ 302
Afmetingen....................................................................................................... 303
Double Cab ............................................................................................... 303
Reizen of registreren in een ander land...................................... 304
Voertuigidentificatie.................................................................................. 304
Voertuigidentificatieplaatje ......................................................... 304
Voertuigidentificatienummerplaatje (VIN)........................ 304
Voertuigidentificatienummer (VIN)........................................ 304
Motorserienummer............................................................................ 304
Bandenspanningssticker............................................................... 305
Specificatiesticker voor airconditioning............................. 305
RF-zender installeren................................................................................ 305
Radiogoedkeuringsnummer en informatie............................. 306
Goedkeuring radiofrequenties .................................................. 306
Raadpleeg het onderhoudsboekje van uw voertuig
voor informatie over de aanbevolen vloeistoffen/
smeermiddelen en de inhoudsmaten.
BRANDSTOFINFORMATIE
Dieselmotor*
Compatibele brandstoffen voor dieselmotoren
De dieselmotor is compatibel met de huidige en
toekomstige Europese normen voor
biobrandstoffen.
m
Dieselbrandstof conform de norm
EN16734 en gemengd met een
biobrandstof conform de norm
EN14214 (bevat tussen 0 en 10%
methylesters van vetzuren).
M9T 2,3DCI-motor:
Diesel met een cetaangetal van meer dan 50 en een
zwavelgehalte van minder dan 10 ppm (EN590)
moet gebruikt worden.
* Wanneer er twee soorten dieselbrandstof
beschikbaar zijn, gebruik dan zomer- of
winterbrandstof aan de hand van de volgende
temperatuuromstandigheden.
Boven –7°C (20°F) ... Zomertype dieselbrandstof.
Onder –7°C (20°F) ... Wintertype dieselbrandstof.
LET OP
Gebruik nooit huisbrandolie, benzine of an-
dere soorten brandstof in uw dieselmotor. Als
u die wel zou gebruiken of toevoegen aan de
diesel kan dat leiden tot storingen in de mo-
tor.
Gebruik geen zomerbrandstof bij temperatu-
ren lager dan -7°C (20°F). Door de lage tempe-
raturen stolt de paraffine in de brandstof. Hier-
door kan de motor minder soepel gaan lopen.
AUTOMATISCHE
TRANSMISSIEVLOEISTOF (ATF)
Neem contact op met een erkende dealer of ge-
kwalificeerd garagebedrijf als controle of vervan-
ging nodig is.
LET OP
Gebruik uitsluitend ATF die wordt aanbevolen
in het Onderhoudsboekje. Meng niet met an-
dere vloeistoffen.
Het gebruik van een andere automatische ver-
snellingsbakvloeistof dan de ATF die wordt
aanbevolen in het Onderhoudsboekje kan
mogelijk leiden tot een verslechtering van de
rijeigenschappen, een verkorting van de le-
vensduur van de automatische versnellings-
bak en schade aan de automatische versnel-
lingsbak. Dergelijke schade wordt niet gedekt
door de garantie.
KOELVLOEISTOF EN SMEERMIDDEL
VOOR AIRCONDITIONINGSYSTEEM
Het airconditioningsysteem in uw voertuig moet
worden gevuld met het koelmiddel HFC-134a
(R134a) en het smeermiddel dat wordt aanbevolen
in het Onderhoudsboekje van uw voertuig.
LET OP
Bij gebruik van andere koelmiddelen of smeer-
middelen kan ernstige schade ontstaan en zal
mogelijk het gehele airconditioningsysteem ver-
vangen moeten worden.
In veel landen en regio's is de emissie van koelmid-
delen in de atmosfeer verboden. Het HFC-134a (R-
134a)-koelmiddel in uw auto tast de ozonlaag in de
atmosfeer niet aan. Wel kan het in geringe mate bij-
dragen aan het broeikaseffect. RENAULT raadt aan
om het koelmiddel op de juiste manier terug te win-
nen en te recyclen. Neem voor onderhoud aan het
airconditioningsysteem contact op met een
erkende dealer of gekwalificeerd garagebedrijf.
AANBEVOLEN VLOEISTOFFEN/
SMEERMIDDELEN EN
INHOUDSMATEN
300 Technische informatie
Motormodel M9T 2,3DCI
Type Diesel, 4-takt
Cilinderopstelling 4 cilinders, in lijn
Boring x Slag mm (in) 85 × 101,3 (3,346 × 3,988)
Cilinderinhoud cm
3
(cu in) 2.298 (140,22)
Stationair toerental in de “N”-stand
(vrij)
omw/min 750±50
Aandrijving nokkenas Distributieketting
MOTOR
Technische informatie 301
Band
Traditioneel Maat
255/65R17
110H
255/60R18
108H/112T
Reserve Maat Traditioneel Traditioneel 255/65R17
Wiel
Traditioneel
Maat 17 × 7J 18 × 7J
Offset mm (in) 45 (1,77) 45 (1,77)
Reserve
Maat Traditioneel Traditioneel 17 × 7J
Offset Traditioneel Traditioneel 45 (1,77)
Zie de bandensticker op uw auto voor de aanbevolen spanning van koude banden (COLD).
BANDEN EN WIELEN
302 Technische informatie
DOUBLE CAB
mm (in)
Soort carrosserie Double Cab
Totale lengte
Modellen zonder vloer en achterbumper 5.120 (201,6)
Modellen met vloer en zonder achterbumper 5.300 (208,6)
Modellen met vloer en achterbumper 5.330 (209,8)
Totale breedte Modellen met brede carrosserie 1.850 (72,8)
Totale hoogte Modellen met vierwielaandrijving (4WD)
1.805 (71,1)*2*3*4
1.810 (71,3)*2*4
1.840 (72,4)*1
Spoorbreedte voor 1.570 (61,8)
Spoorbreedte achter 1.570 (61,8)
Wielbasis 3.150 (124,0)
*1: Modellen met dakrail
*2: Modellen zonder dakrail
*3: Modellen uitgerust met bandtype 255/65R17
*4: Modellen uitgerust met bandtype 255/60R18
AFMETINGEN
Technische informatie 303
Als u van plan bent om naar een ander land te rei-
zen, controleer dan eerst of de voor uw voertuig
benodigde brandstof wel beschikbaar is in dat land.
Het gebruik van brandstof met een laag cetaan-/
octaangetal kan schade aan de motor veroorzaken.
Controleer daarom of de benodigde brandstof ver-
krijgbaar is waar u ook heengaat. Raadpleeg het
begin van dit hoofdstuk voor aanvullende informa-
tie over de aanbevolen brandstof.
Neem bij het overzetten van de voertuigregistra-
tie naar een ander land, staat, provincie of district
contact op met de bevoegde autoriteiten om te we-
ten te komen of het voertuig voldoet aan de lokale
wettelijke vereisten. In sommige gevallen voldoet
het voertuig niet aan de wettelijke vereisten en is
het wellicht noodzakelijk zijn om wijzigingen aan te
brengen teneinde tegemoet te komen aan de lo-
kale wetten en regels. Bovendien bestaat de kans
dat het voertuig in bepaalde gebieden niet aange-
past kan worden.
Wetten en voorschriften inzake veiligheidsnormen
en emissiebeheersing van motorvoertuigen varië-
ren per land, staat, provincie of district; de voertuigs-
pecificaties kunnen daarom mogelijk verschillen.
Wanneer u een voertuig invoert in een ander land,
staat, provincie of district, vallen de kosten voor
eventuele aanpassingen, transport, registratie en
overige kosten onder de verantwoordelijkheid
van de gebruiker. RENAULT aanvaardt geen aan-
sprakelijkheid voor ongemakken die hieruit voort
kunnen vloeien.
Het is verboden om het voertuigidentificatienum-
mer (VIN) te bedekken, verven, lassen, snijden, wijzi-
gen of verwijderen.
VOERTUIGIDENTIFICATIEPLAATJE
De voertuigidentificatiesticker is aangebracht zoals
afgebeeld.
VOERTUIGIDENTIFICATIEVOENUM-
MERPLAATJE (VIN)
Het voertuigidentificatienummerplaatje is beves-
tigd zoals afgebeeld. Dit nummer identificeert uw
auto en wordt gebruikt voor registratie.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER
(VIN)
Het voertuigidentificatienummer (chassisnummer)
is op de aangegeven plek op het frame
inge-
slagen.
MOTORSERIENUMMER
Het nummer is zoals afgebeeld op de motor inge-
slagen.
JVT0330XZ
JVT0352XZ
STI0120AZ
JVT0367XZ
M9T 2,3DCI-motor
REIZEN OF REGISTREREN IN EEN
ANDER LAND
VOERTUIGIDENTIFICATIE
304 Technische informatie
BANDENSPANNINGSSTICKER
De bandenspanning in koude toestand staat ver-
meld op de bandenspanningssticker op de mid-
denstijl aan bestuurderszijde.
SPECIFICATIESTICKER VOOR
AIRCONDITIONING
De specificatiestickers voor de airconditioning zijn
aan de onderkant van de motorkap aangebracht
zoals afgebeeld.
Op de grote sticker staat de tekst “[Bevat gefluo-
reerde broeikasgassen]”.
Voor landen die voldoen aan VN Reglement Nr.10
of gelijkwaardig:
De installatie van een RF-zender in de auto kan van
invloed zijn op elektrische apparatuur en systemen.
Raadpleeg een erkende dealer of gekwalificeerd ga-
ragebedrijf voor voorzorgsmaatregelen of speciale
aanwijzingen betreffende de installatie. Op verzoek
zal uw erkende dealer of gekwalificeerd garagebe-
drijf gedetailleerde informatie (frequentieband, voe-
ding, stand van de antenne, installatierichtlijnen,
enz.) verstrekken die betrekking heeft op de instal-
latie.
NTI406
NTI403
NTI404
NTI405
RF-ZENDER INSTALLEREN
Technische informatie 305
GOEDKEURING RADIOFREQUENTIES
Alle apparatuur die werkt op radiofrequenties en die tijdens de productie op de reeks voertuigen gemonteerd is, voldoet aan de vereisten van de Richtlijn
Radioapparatuur (RED) 2014/53/EU
De landen waar deze richtlijn geldig is of die deze accepteren zijn: Albanië, Oostenrijk, België, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, Cyprus, Tsjechische Republiek,
Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Frans-Guyana, Georgië, Duitsland, Griekenland, Guadeloupe, Hongarije, IJsland, Ierland, Italië, Kosovo, Letland, Liechtenstein,
Litouwen, Luxemburg, Macedonië, Malta, Martinique, Mayotte, Monaco, Montenegro, Nederland, Noorwegen, Polen, Portugal, Réunion, Roemenië, Saint Pierre &
Miquelon, San Marino, Slowakije, Slovenië, Spanje, Zweden, Zwitserland, Turkije, Tuvalu, Verenigd Koninkrijk.
RADIOFUNCTIES IN HET VOERTUIG
Frequentiebereik Technologie Elektrisch/magnetisch veld
125 kHz (119 135 kHz) Transponderring sleutelloos
portieropeningssysteem
42 dBμA/m bij 10 m
433 MHz (433,05 434,79 MHz) Bandenspanningscontrole 10 mW e.r.p.
433,92 MHz (433,05 MHz 434,79
MHz)
Sleutelloos portieropeningssysteem 10 mW e.r.p.
20 kHz (9 90 kHz) Keyless Go-systeem 72 dBμA/m bij 10 m
2,4 GHz (2400 2483,5 MHz) Bluetooth
®
, Wi-Fi 100 mW e.i.r.p.
824 894 MHz GSM 850 (2G) 39 dBm e.i.r.p.
880 960 MHz GSM 900 (2G) 39 dBm e.i.r.p.
1710 1880 MHz GSM 1800 (2G) 36 dBm e.i.r.p.
1850 1890 MHz GSM 1900 (2G) 33 dBm e.i.r.p.
1922 2168 MHz W-CDMA Band I (3G) 24 dBm e.i.r.p.
24,05 24,25 GHz 24 GHz ISM Radar 100 mW e.i.r.p.
24,25 26,65 GHz 24 GHz UWB Radar -41,3 dBm/MHz e.i.r.p. mean
0 dBm/50MHz e.i.r.p. peak
76 77 GHz 77 GHz Radar 55 dBm e.i.r.p.
RADIOGOEDKEURINGSNUMMER EN INFORMATIE
306 Technische informatie
10 IndexIndex
A
Aandrijfriem .................................................................................................. 276
Aanhangwagen
Aanhangwagendetectie ............................................................. 242
Bandenspanning .............................................................................. 242
Remmen ................................................................................................. 242
Slepen ........................................................................................................ 241
Veiligheidskettingen ...................................................................... 242
Voorzorgsmaatregelen ................................................................ 241
Aanvullend veiligheidssysteem (SRS) ........................................... 42
Overzicht ...................................................................................................... 2
Procedure voor reparatie en vervanging .......................... 52
Accu
Besparingsfunctie ............................................................................ 106
Accu van de auto ....................................................................................... 281
Accu/Batterij ................................................................................................. 281
Batterij van de afstandsbedieningsleutel
vervangen .............................................................................................. 283
Regelsysteem variabele spanning ...................................... 286
Sleutelbatterij vervangen .......................................................... 282
Starten met startkabels .............................................................. 257
Vloeifstofniveau controleren ................................................... 282
Voertuigaccu ........................................................................................ 281
Waarschuwingssticker .................................................................. 281
Winterweer ............................................................................................ 245
Achterklep ....................................................................................................... 116
Achterruit
Achterruitverwarming .................................................................... 85
Achterruitverwarming
Achterruit .................................................................................................. 85
Achteruitkijk
Spiegels - Binnen .............................................................................. 120
Spiegels - Buiten ................................................................................. 121
Achteruitrijcamera .................................................................................... 127
Tips .............................................................................................................. 130
Achteruitrijmonitor
Instellingen ............................................................................................ 130
Active Emergency Braking-systeem ......................................... 229
AdBlue® .................................................................................................. 198, 275
Vulklep ........................................................................................................ 115
Afmetingen ................................................................................................... 303
Banden .................................................................................................... 302
Motor .......................................................................................................... 301
Afstandsbedieningsleutel .................................................................. 103
Accu/batterij - Leeg ........................................................................ 210
Bediening ................................................................................................ 105
Contactdrukknop ............................................................................ 208
Gids voor het opsporen en verhelpen van
storingen ................................................................................................ 108
Radiogoedkeuringsnummers en informatie .............. 306
Sleutelloos portieropeningssysteem ................................. 110
Starten van de motor ..................................................................... 211
Systeem .................................................................................................. 208
Waarschuwingssignalen ............................................................. 106
Werkingsbereik ................................................................................... 104
Airbags
Aanvullend veiligheidssysteem (SRS) .................................. 42
Overzicht ...................................................................................................... 2
Reparatie en vervanging ............................................................... 52
Statuslampje .......................................................................................... 65
Voorpassagiersairbagschakelaar .......................................... 50
Airconditioning
Koelvloeistof en smeermiddel ............................................... 300
Specificatiesticker ........................................................................... 305
Ventilatieroosters ............................................................................. 139
Antiblokkeerremsysteem (ABS) ..................................................... 244
Electronic Stability Programme (ESP) ............................... 227
Zelfdiagnose ........................................................................................ 244
Audio
Bediening van de iPod ................................................................... 162
Belangrijkste bedieningen van Bluetooth® audio
streaming ................................................................................................ 165
FM AM DAB-radio met CD-speler (type B) ...................... 170
FM AM-radio met CD-speler (type A) .................................. 155
Navigatiesysteem met touchscreen .................................. 186
Schakelaars op het stuurwiel .................................................. 186
Automatische versnellingsbak
Automatische versnellingsbakvloeistof (ATF) ............ 276
Automatische versnellingsbak (AT)
Bediening ................................................................................................ 212
Ontgrendeling schakelblokkering ........................................ 214
Schakelen ................................................................................................ 213
Starten ...................................................................................................... 212
B
Banden
4WD-model ........................................................................................... 225
Afmetingen ........................................................................................... 302
Bandenspanning .............................................................................. 296
Leeftijd ..................................................................................................... 298
Lekke band ........................................................................................... 248
Lekke band repareren .................................................................. 253
Slijtage en schade ............................................................................ 297
Sneeuwkettingen ............................................................................. 297
Soorten .................................................................................................... 296
Sticker ....................................................................................................... 305
Wielen en banden ............................................................................ 296
Winterweer ............................................................................................ 245
Wisselen ................................................................................................... 297
Bediening van de iPod ........................................................................... 162
Beeldscherm
Achteruitrijcamera ............................................................................ 127
Bekerhouders ................................................................................................. 91
Flessenhouder ....................................................................................... 91
Bergruimte ....................................................................................................... 90
Bekerhouders ......................................................................................... 91
Consolevak .............................................................................................. 90
Dakrails ........................................................................................................ 91
Handschoenenkastje ....................................................................... 90
Kaarthouder ........................................................................................... 92
Zijvakjes in de console .................................................................... 90
Zonnebrilhouder ................................................................................. 90
Bescherming
Roest .......................................................................................................... 267
Bestuurdersplaats
Overzicht ...................................................................................................... 6
Beveiliging van het voertuig ............................................................ 242
Diefstalwaarschuwingssysteem ............................................. 111
Beveiligingssysteem ................................................................................. 111
Binnenverlichting
Bediening .................................................................................................. 95
Vervangen ............................................................................................. 293
Bluetooth®
Bediening ................................................................................................ 163
Handsfree telefoonsysteem ..................................................... 188
Instellingen ............................................................................................ 163
Telefooninstellingen ....................................................................... 188
Brandstof
Informatie ............................................................................................. 300
Inhoud ..................................................................................................... 300
Meter ............................................................................................................ 56
308 Index
Vulklep ........................................................................................................ 114
Buitenspiegels
Achteruitkijk (binnen) .................................................................... 120
Achteruitkijk (buiten) ....................................................................... 121
Afstellen ..................................................................................................... 121
Automatische anti-verblindingsspiegel .......................... 120
Inklappen ................................................................................................. 122
Make-up spiegel ................................................................................. 122
Buitenzijde
Lichten Informatie over lampen ....................................... 291
Overzicht ...................................................................................................... 3
C
Consolevak ...................................................................................................... 90
Contact
Contactdrukknop ............................................................................ 208
Contactschakelaar (modellen zonder
afstandsbedieningsleutelsysteem) ................................... 206
Standen van de contactschakelaar (met
afstandsbedieningsleutelsysteem) ................................... 209
Standen van de contactschakelaar (zonder
afstandsbedieningsleutelsysteem) .................................... 207
Controlelampjes ........................................................................................... 65
Controleren
Motoroliepeil ........................................................................................ 274
Niveau accuvloeistof ..................................................................... 282
Parkeerrem ............................................................................................ 277
Rempedaal ............................................................................................. 277
D
Dakrails ................................................................................................................ 91
Dashboard
Overzicht ...................................................................................................... 8
Diefstalwaarschuwingssysteem ...................................................... 111
Diesel
Aanbevolen brandstof ................................................................. 300
Inhoud ..................................................................................................... 300
Vulklep ........................................................................................................ 114
E
ECO-rapport ................................................................................................. 237
Een vastzittend voertuig lostrekken ......................................... 262
Electronic Stability Programme (ESP) ....................................... 227
OFF-schakelaar ................................................................................. 228
Trailer Sway Assist (TSA) ............................................................. 228
Elektrisch
Stuurbekrachtiging ........................................................................ 243
Stuurbekrachtigingsvloeistof .................................................. 277
F
Filter
Luchtfilter .............................................................................................. 284
G
Geluidssignalen ..................................................................................... 59, 67
Gereedschap ............................................................................................... 248
Gewonden ........................................................................................................ 23
Goedkeuringsnummers ...................................................................... 306
H
Handgeschakelde versnellingsbak (MT)
Bediening ................................................................................................ 215
Index 309
Schakelen ................................................................................................ 215
Starten ...................................................................................................... 215
Handschoenenkastje ............................................................................... 90
Handsfree telefoonsysteem ............................................................. 188
Hill Descent Control-systeem .......................................................... 231
Schakelaar ............................................................................................. 232
Hill Start Assist-systeem ..................................................................... 232
Hoofdsteunen ................................................................................................. 18
Afstellen ............................................................................................... 18, 19
Installatie .................................................................................................... 19
Verwijderen ............................................................................................... 19
Hulp
Intelligent Around-View Monitor ............................................ 131
I
Inhoudsmaten en aanbevelingen
Brandstof ............................................................................................... 300
Koelmiddel ............................................................................................ 300
Koelvloeistof ........................................................................................ 300
Olie .............................................................................................................. 300
Rem- en koppelingsvloeistof ................................................ 300
Inrijden ............................................................................................................... 197
Integratie van de mobiele telefoon in de FM AM radio met
CD-speler ........................................................................................................ 188
Intelligent Around-View Monitor .................................................... 131
Bediening ................................................................................................ 133
Onderbreking ....................................................................................... 134
Overzicht .................................................................................................. 131
Richtlijnen ............................................................................................... 134
Richtlijnen Voorzorgsmaatregelen ................................ 136
Interieur
Lichten Informatie ....................................................................... 291
Lichten Werking .............................................................................. 94
Reinigen .................................................................................................. 266
ISOFIX
Bevestigingspunten .......................................................................... 32
Installatie ................................................................................................... 34
Kinderzitjes ....................................................................................... 30, 31
K
Kaartleeslampjes
Bediening .................................................................................................. 94
Kilometerteller ............................................................................................... 56
Kinderzitjes ...................................................................................................... 26
Bevestiging ...................................................................................... 32, 33
Installeren met behulp van de veiligheidsgordel ........ 37
ISOFIX ............................................................................................ 30, 31, 34
Universele kinderzitjes (voorstoel en achterbank) .... 27
Voorzorgsmaatregelen .................................................................. 26
Klok ......................................................................................................................... 81
Koelvloeistof
Inhoud ..................................................................................................... 300
Koelvloeistofniveau controleren ........................................... 274
Motorkoelsysteem ........................................................................... 273
Motorkoelvloeistof vervangen ............................................... 274
Winterweer ............................................................................................ 245
Kompas
Voertuiginformatiedisplay ............................................................ 74
Koplampen
Sproeier ...................................................................................................... 86
Vervangen (gloeilamp) ................................................................ 290
Koppeling
Vloeistof ....................................................................................... 279, 300
L
Lading
Bodem ........................................................................................................ 116
310 Index
Lekke band ................................................................................................... 248
Gereedschap voorbereiden ..................................................... 248
Opkrikken .............................................................................................. 250
Reparatieset voor lekke banden .......................................... 253
Lendesteun ....................................................................................................... 16
Lichten ............................................................................................................. 290
Buitenzijde Informatie over lampen .............................. 291
Interieur Informatie .................................................................... 291
Lamp van koplamp vervangen ............................................. 290
Plaatsen ................................................................................................... 292
Schakelaar Mistlampen ............................................................ 83
Schakelaar Waarschuwingsknipperlichten ............ 248
Vervangen ............................................................................................. 293
Waarschuwingslampjes ................................................................. 59
Luchtfilter ....................................................................................................... 284
Luchtverfrissers ........................................................................................ 266
M
Make-up spiegel
Lichten ........................................................................................................ 96
Meters en tellers ........................................................................................... 56
Brandstof .................................................................................................. 56
Helderheidsregeling .......................................................................... 58
Kilometerteller ....................................................................................... 56
Motorkoelvloeistoftemperatuur .............................................. 57
Overzicht .................................................................................................... 10
Snelheidsmeter .................................................................................... 56
Toerenteller .............................................................................................. 57
Mistlampen
Achter Werking ........................................................................ 83, 84
Vervangen ............................................................................................. 293
Voor Plaats ............................................................................................ 3
Voor Werking ..................................................................................... 83
Motor
Aandrijfriem .......................................................................................... 276
Koelsysteem ......................................................................................... 273
Koelvloeistofniveau controleren ........................................... 274
Luchtfilter .............................................................................................. 284
Motorkoelvloeistof vervangen ............................................... 274
Olie afvoeren ........................................................................................ 275
Oliefilter vervangen ........................................................................ 275
Oliepeil controleren ......................................................................... 274
Oververhitting .................................................................................... 259
Ruimte ........................................................................................................... 11
Serienummer ...................................................................................... 304
Specificaties .......................................................................................... 301
Starten (met afstandsbedieningsleutel) ........................... 211
Starten (zonder afstandsbedieningsleutel) ................... 211
Turbocompressor ............................................................................ 205
N
Navigatiesysteem met touchscreen .......................................... 186
O
Olie
Afvoeren .................................................................................................. 275
Inhoud ..................................................................................................... 300
Motorolie ................................................................................................. 274
Motoroliefilter vervangen ........................................................... 275
Oliepeil controleren ......................................................................... 274
Olie en filter
Onderhoud ........................................................................................... 270
Onderhoud
Algemeen onderhoud .................................................................. 270
Veiligheidsgordels .............................................................................. 25
Vereisten ................................................................................................. 270
Index 311
Voorzorgsmaatregelen ................................................................ 272
Oververhitting
Motor ......................................................................................................... 259
Overzicht
Bestuurdersplaats ................................................................................. 6
Buitenzijde ................................................................................................... 3
Dashboard .................................................................................................. 8
Meters en tellers ................................................................................... 10
Motorruimte .............................................................................................. 11
Passagiersruimte ................................................................................... 5
Stoelen, veiligheidsgordels, aanvullend
veiligheidssysteem ............................................................................... 2
P
Parkeerrem
Controleren ........................................................................................... 277
Winterweer ............................................................................................ 245
Parkeersensoren ....................................................................................... 239
Indicator .................................................................................................. 239
OFF-schakelaar ................................................................................. 240
Parkeren .......................................................................................................... 238
Parkeersensorsysteem ................................................................ 239
Rem .............................................................................................................. 122
Passagiersruimte ........................................................................................... 5
Portieren
Achterklep ............................................................................................... 116
R
Radio
FM AM DAB-radio met CD-speler (type B) ...................... 170
FM AM-radio met CD-speler (type A) .................................. 155
Goedkeuringsnummers en informatie ........................... 306
Navigatiesysteem met touchscreen .................................. 186
Zender ...................................................................................................... 305
Ramen
Achterruitverwarming .................................................................... 85
Regelsysteem variabele spanning .............................................. 286
Registratie overzetten naar een ander land ....................... 304
Reinigen
Buitenzijde ............................................................................................ 264
In de was zetten ................................................................................ 265
Interieur ................................................................................................... 266
Koplampen .............................................................................................. 86
Onderzijde ............................................................................................. 265
Ruiten ............................................................................................. 265, 266
Ruitensproeiermondstuk ........................................................... 285
Treeplanken .......................................................................................... 265
Veiligheidsgordels ............................................................................ 267
Verchroomde onderdelen ......................................................... 265
Vloermatten ......................................................................................... 266
Wassen ..................................................................................................... 264
Wielen ........................................................................................................ 265
Reizen ............................................................................................................... 304
Remmen ............................................................................................... 243, 277
Active Emergency Braking-systeem ................................. 229
Antiblokkeerremsysteem (ABS) ............................................ 244
Bekrachtiging ...................................................................................... 278
Electronic Stability Programme (ESP) ............................... 227
Parkeerrem controleren .............................................................. 277
Rempedaal controleren ............................................................... 277
Vloeistof ....................................................................................... 278, 300
Voorzorgsmaatregelen ............................................................... 243
Waarschuwing blokslijtage ....................................................... 278
Reservewiel ................................................................................................... 249
Richtingaanwijzer
Vervangen ............................................................................................. 293
Richtlijnen ....................................................................................................... 134
Rijden .................................................................................................................. 212
Automatische versnellingsbak (AT) ..................................... 212
312 Index
Regenachtig weer ........................................................................... 206
Stop/Start-systeem ........................................................................ 216
Voorzorgsmaatregelen ................................................................ 197
Voorzorgsmaatregelen op wegdek en op open
terrein ....................................................................................................... 203
Winterweer ............................................................................................ 245
Zorg ............................................................................................................ 206
Roestpreventie ........................................................................................... 267
Klimatologische factoren ........................................................... 267
Winterweer ............................................................................................ 246
Ruiten
Reinigen .................................................................................................. 266
Ruitensproeiervloeistof ....................................................................... 280
Ruitenwissers
Mondstuk ruitensproeier ........................................................... 285
Ruitensproeiervloeistof ............................................................... 280
Werking (voorruit) ............................................................................... 84
Wis-/wasschakelaar ......................................................................... 84
Wisserbladen vervangen ............................................................ 286
S
Schakelaar waarschuwingsknipperlichten .......................... 248
Schakelaars
Achterruitverwarming .................................................................... 85
Contactschakelaar ......................................................................... 206
Electronic Stability Programme (ESP)
OFF-schakelaar ................................................................................. 228
Hill Descent Control ........................................................................ 232
Koplampsproeier ................................................................................ 86
Mistlampen .............................................................................................. 83
Parkeersensorsysteem ............................................................... 240
Ruitenwissers en ruitensproeier ............................................. 84
Schakelaar waarschuwingsknipperlichten ................. 248
Stoel instellen .......................................................................................... 15
Stoelverwarming .................................................................................. 17
Stuurwiel Audio ............................................................................. 186
Schuifdak ........................................................................................................... 92
Bediening .................................................................................................. 92
Slepen
Aanbevelingen ................................................................................... 260
Aanbevolen sleepwijze voor modellen met tweewie-
laandrijving (2WD) ............................................................................ 260
Aanbevolen sleepwijze voor modellen met vierwie-
laandrijving (4WD) ............................................................................. 261
Aanhangwagen .................................................................................. 241
Uw voertuig ......................................................................................... 260
Voorzorgsmaatregelen ............................................................... 260
Sleutel met geïntegreerde afstandsbediening
Batterij vervangen ........................................................................... 282
Sleutelloos portieropeningssysteem .......................................... 110
Sleutels ............................................................................................................... 98
Afstandsbedieningsleutel .......................................................... 103
Batterij vervangen ........................................................................... 282
Het afstandsbedieningsleutelsysteem
gebruiken ................................................................................................ 105
Radiogoedkeuringsnummers en informatie .............. 306
Sleutelloos portieropeningssysteem ................................. 110
Werkingsbereik van de afstandsbedie-
ningsleutel ............................................................................................. 104
Sloten
Werking van de waarschuwingsknipperlichten ......... 110
Snelheidsbegrenzer
Bediening ............................................................................................... 236
Snelheidsmeter ............................................................................................ 56
Starten
Starten door aanduwen ............................................................. 259
Starten met startkabels .............................................................. 257
Zonder afstandsbedieningsleutel ......................................... 211
Starten door aanduwen ..................................................................... 259
Starten met startkabels ...................................................................... 257
Index 313
Stickers
Accuwaarschuwingssticker ...................................................... 281
Airconditioning .................................................................................. 305
Banden .................................................................................................... 305
Voertuigidentificatie ...................................................................... 304
Stoelen ................................................................................................................. 14
Achter ............................................................................................................ 17
Hoofdsteunen ......................................................................................... 18
Inklappen .................................................................................................... 17
ISOFIX-kinderzitjes ...................................................................... 30, 31
Lendensteun ........................................................................................... 16
Universele kinderzitjes (voorstoel en achterbank) .... 27
Verstellen (elektrisch) ........................................................................ 15
Verstellen (handmatig) .................................................................... 14
Voorstoelen .............................................................................................. 14
Stoelverwarming
Bediening ................................................................................................... 17
Stop/Start-systeem ................................................................................ 216
Beeldscherm ......................................................................................... 217
OFF-schakelaar .................................................................................. 219
Sturen
Stuurbekrachtiging ........................................................................ 243
Stuurwielschakelaars voor telefoonbediening .......... 193
Stuurwiel ........................................................................................................... 119
Afstellen ..................................................................................................... 119
Schakelaars Audiobediening .............................................. 186
Schakelaars Handsfree telefoonbediening ............. 188
T
Telefoon
Bluetooth® handsfree ................................................................... 188
Integratie van de mobiele telefoon ..................................... 188
Tellers
Kilometerteller ....................................................................................... 56
Meters en tellers .................................................................................. 56
Snelheidsmeter .................................................................................... 56
Terrein
Voorzorgsmaatregelen ............................................................... 203
Trailer Sway Assist (TSA) ..................................................................... 228
Turbocompressor .................................................................................... 205
U
Uitlaatgas (koolmonoxide) ................................................................. 198
Universele kinderzitjes
Voorstoel en achterbank ............................................................... 27
V
Veiligheid
Hoofdsteunen ......................................................................................... 18
Veiligheid van kinderen
Veiligheidsgordels .............................................................................. 22
Veiligheidsgordels ...................................................................................... 20
Afstellen ...................................................................................................... 24
CENTER-markering ............................................................................ 23
Controleren ............................................................................................. 25
Driepuntstype ........................................................................................ 24
Gewonden ................................................................................................ 23
Kinderen - Baby's ................................................................................ 23
Kinderen - Groter ................................................................................. 23
Kinderen - Klein .................................................................................... 23
Onderhoud .............................................................................................. 25
Reinigen ................................................................................................... 267
Tweepuntstype ..................................................................................... 25
Veiligheid van kinderen .................................................................. 22
Voorzorgsmaatregelen .................................................................. 20
Zwangere vrouwen ............................................................................ 23
Ventilatieroosters ...................................................................................... 139
314 Index
Versnellingsbak
Automatische versnellingsbakvloeistof (ATF) ............ 276
Vervangen
Airbags ........................................................................................................ 52
Batterij (afstandsbediening) .................................................... 282
Batterij van de afstandsbedieningsleutel ..................... 283
Lekke band ........................................................................................... 249
Lichten ..................................................................................................... 293
Luchtfilter .............................................................................................. 284
Motorkoelvloeistof ........................................................................... 274
Motorolie ................................................................................................. 275
Motoroliefilter ...................................................................................... 275
Ruitenwisserbladen ....................................................................... 286
Zekeringen ............................................................................................. 287
Vierwielaandrijving .................................................................................. 219
4WD-waarschuwingslampje .................................................... 224
Bediening ............................................................................................... 223
Vloeistoffen
Aanbevelingen en inhoudsmaten ...................................... 300
Automatische versnellingsbakvloeistof (ATF) ............ 276
Koelvloeistof ......................................................................................... 273
Koppeling ............................................................................................... 279
Rem ............................................................................................................. 278
Ruitensproeier ................................................................................... 280
Stuurbekrachtiging ......................................................................... 277
Vloermatten ................................................................................................. 266
Voeding
Aansluiting ............................................................................................... 89
Voertuigidentificatie .............................................................................. 304
Airconditioningsticker .................................................................. 305
Bandenspanningssticker ........................................................... 305
Motorserienummer ........................................................................ 304
Nummer (VIN) (chassisnummer) .......................................... 304
Nummerplaatje (VIN) .................................................................... 304
Sticker ....................................................................................................... 304
Voorruit
Wis-/wasschakelaar ......................................................................... 84
Voorzorgsmaatregelen
Aanvullend veiligheidssysteem ................................................ 42
Contactdrukknop ............................................................................ 208
Geschatte koerslijn .......................................................................... 136
Kinderzitjes .............................................................................................. 26
Onderhoud ............................................................................................ 272
Parkeren .................................................................................................. 238
Rijden met aanhangwagen ....................................................... 241
Rijden op de weg .............................................................................. 203
Slepen ....................................................................................................... 260
Terreinrijden ......................................................................................... 203
Uitlaatgas ................................................................................................ 198
Veiligheidsgordels .............................................................................. 20
W
Waarschuwings-/controlelampjes en geluidssignalen
Waarschuwingslampjes ................................................................. 59
Werking van de waarschuwingsknipperlichten
Sleutelloos portieropeningssysteem ................................. 110
Wielen
Afmetingen ........................................................................................... 302
Blokkeren ............................................................................................... 250
Installatie ................................................................................................ 253
Opbergen ............................................................................................... 253
Reinigen .................................................................................................. 265
Verwijderen .......................................................................................... 250
Winter
Speciale uitrusting .......................................................................... 245
Voorzorgsmaatregelen ............................................................... 245
Winterweer .................................................................................................... 245
Accu ............................................................................................................ 245
Banden ..................................................................................................... 245
Index 315
Motorkoelvloeistof .......................................................................... 245
Parkeerrem ........................................................................................... 245
Roestpreventie ................................................................................... 246
Winteruitrusting ................................................................................ 245
Z
Zekeringen ..................................................................................................... 287
Langdurige opslag .......................................................................... 289
Motorruimte ......................................................................................... 287
Passagiersruimte ............................................................................. 288
Zender
Radio ......................................................................................................... 305
Zijvakjes in de console ............................................................................ 90
Zonnekleppen ................................................................................................ 92
Kaarthouder ........................................................................................... 92
Zonwering ......................................................................................................... 93
Zwangere vrouwen .................................................................................... 23
316 Index
BRANDSTOFINFORMATIE
Dieselmotor*
Compatibele brandstoffen voor dieselmotoren
De dieselmotor is compatibel met de huidige en
toekomstige Europese normen voor
biobrandstoffen.
Dieselbrandstof conform de norm
EN16734 en gemengd met een
biobrandstof conform de norm
EN14214 (bevat tussen 0 en 10%
methylesters van vetzuren).
M9T 2,3DCI-motor:
Diesel met een cetaangetal van meer dan 50 en een
zwavelgehalte van minder dan 10 ppm (EN590)
moet gebruikt worden.
* Wanneer er twee soorten dieselbrandstof
beschikbaar zijn, gebruik dan zomer- of
winterbrandstof aan de hand van de volgende
temperatuuromstandigheden.
Boven −7°C (20°F) ... Zomertype dieselbrandstof.
Onder −7°C (20°F) ... Wintertype dieselbrandstof.
LET OP
Gebruik nooit huisbrandolie, benzine of an-
dere soorten brandstof in uw dieselmotor. Als
u die wel zou gebruiken of toevoegen aan de
diesel kan dat leiden tot storingen in de mo-
tor.
Gebruik geen zomerbrandstof bij temperatu-
ren lager dan −7°C (20°F). Door de lage tempe-
raturen stolt de paraffine in de brandstof. Hier-
door kan de motor minder soepel gaan lopen.
BANDENSPANNING IN KOUDE
TOESTAND
Zie de bandenspanningssticker op de middenstijl
aan bestuurderszijde.
INFORMATIE VOOR BIJ HET
TANKSTATION
AIRBAGSTICKER (indien
aanwezig)
In geval van nood ... 6-248
(Lekke band, motor start niet, oververhitting,
slepen)
Starten en rijden ... 5-197
Aflezen van meters en tellers ... 2-197
Onderhoud en doe-het-zelf ... 8-270
Technische informatie ... 9-300
KORTE INHOUDSOPGAVE
VIN:..........................................................................................................................................
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSBLADEN (1/6)
VIN:..........................................................................................................................................
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSBLADEN (2/6)
VIN:..........................................................................................................................................
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSBLADEN (3/6)
VIN:..........................................................................................................................................
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSBLADEN (4/6)
VIN:..........................................................................................................................................
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSBLADEN (5/6)
VIN:..........................................................................................................................................
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
Datum: Km (mijl): Factuurnummer: Opmerkingen/diversen
Soort werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt
............................................................
Anti-corrosie
controle:
OK Niet OK*
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSBLADEN (6/6)
Als de voortzetting van de garantie onderworpen is aan herstelwerkzaamheden, wordt dit hieronder aangegeven
VIN:......................................................................................................
Uit te voeren corrosieherstelwerkzaamheden: Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
ANTI-CORROSIE CONTROLE (1/6)
Als de voortzetting van de garantie onderworpen is aan herstelwerkzaamheden, wordt dit hieronder aangegeven
VIN:......................................................................................................
Uit te voeren corrosieherstelwerkzaamheden: Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
ANTI-CORROSIE CONTROLE (2/6)
Als de voortzetting van de garantie onderworpen is aan herstelwerkzaamheden, wordt dit hieronder aangegeven
VIN:......................................................................................................
Uit te voeren corrosieherstelwerkzaamheden: Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
ANTI-CORROSIE CONTROLE (3/6)
Als de voortzetting van de garantie onderworpen is aan herstelwerkzaamheden, wordt dit hieronder aangegeven
VIN:......................................................................................................
Uit te voeren corrosieherstelwerkzaamheden: Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
ANTI-CORROSIE CONTROLE (4/6)
Als de voortzetting van de garantie onderworpen is aan herstelwerkzaamheden, wordt dit hieronder aangegeven
VIN:......................................................................................................
Uit te voeren corrosieherstelwerkzaamheden: Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
ANTI-CORROSIE CONTROLE (5/6)
Als de voortzetting van de garantie onderworpen is aan herstelwerkzaamheden, wordt dit hieronder aangegeven
VIN:......................................................................................................
Uit te voeren corrosieherstelwerkzaamheden: Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
Herstelwerkzaamheden:
Stempel
Datum van herstelwerkzaamheden:
ANTI-CORROSIE CONTROLE (6/6)



  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298
  • Page 299 299
  • Page 300 300
  • Page 301 301
  • Page 302 302
  • Page 303 303
  • Page 304 304
  • Page 305 305
  • Page 306 306
  • Page 307 307
  • Page 308 308
  • Page 309 309
  • Page 310 310
  • Page 311 311
  • Page 312 312
  • Page 313 313
  • Page 314 314
  • Page 315 315
  • Page 316 316
  • Page 317 317
  • Page 318 318
  • Page 319 319
  • Page 320 320
  • Page 321 321
  • Page 322 322
  • Page 323 323
  • Page 324 324
  • Page 325 325
  • Page 326 326
  • Page 327 327
  • Page 328 328
  • Page 329 329
  • Page 330 330
  • Page 331 331
  • Page 332 332
  • Page 333 333
  • Page 334 334
  • Page 335 335
  • Page 336 336
  • Page 337 337
  • Page 338 338
  • Page 339 339
  • Page 340 340
  • Page 341 341
  • Page 342 342
  • Page 343 343

Renault Alaskan Handleiding

Type
Handleiding