Toro 53cm Recycler Mower Handleiding

Type
Handleiding
Gebruikershandleiding
Nederlands (NL)
Form No. 3323-217
53
cm Recycler
Zelfaangedreven grasmaaier
Modelnummers 20779—200000001 en hoger
Printed in USA
2
The T
oro Company
– 1999
8111 Lyndale Ave. South
Bloomington, MN 55420–1196
Inhoud
Biz.
Inleiding 2.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
V
eiligheid
3
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Algemene veiligheidsregels i.v
.m. de grasmaaier
3
.
Geluidsdruk 5
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Geluidsvermogen 5
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Trillingsniveau 5
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Overzicht van veiligheidssymbolen
5
. . . . . . . . . . . .
Montage-instructies 8
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De grasmaaier uitpakken
8
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De handgreep bevestigen
8
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het startkoord plaatsen
8
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De stop van de afvoertunnel aanbrengen
9
. . . . . . . .
V
oor ingebruikname
9
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het carter vullen met olie
9
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De brandstoftank vullen met benzine
10
. . . . . . . . . . .
Gebruiksaanwijzing 11
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Bedieningsorganen 11
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De motor starten
11
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De motor stoppen
12
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Zelfaandrijving 12
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De maaihoogte instellen
12
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De graszak gebruiken
13
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
T
ips voor het gebruik
14
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Onderhoud 16
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Aanbevolen onderhoudsschema
16
. . . . . . . . . . . . . . .
Oliepeil van de motor controleren
17
. . . . . . . . . . . . .
Olie verversen
17
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De onderkant van de grasmaaier reinigen
18
. . . . . . .
Onderhoud van het luchtfilter
19
. . . . . . . . . . . . . . . .
Onderhoud van het maaimes
19
. . . . . . . . . . . . . . . . .
De kabel van de zelfaandrijving afstellen
21
. . . . . . .
W
ielen smeren
21
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De ruimte onder de drijfriemkap reinigen
21
. . . . . . .
De bougie vervangen
22
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Het koelsysteem reinigen
22
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Afvoertunnel en stop reinigen
22
. . . . . . . . . . . . . . . .
De brandstoftank leegmaken
22
. . . . . . . . . . . . . . . . .
V
erhelpen van storingen
23
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Stalling 24
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
V
oorbereiden van het startsysteem
24
. . . . . . . . . . . . .
V
oorbereiden van de motor
24
. . . . . . . . . . . . . . . . . .
Algemeen 24
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De handgreep invouwen
24
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Uit de stalling halen
25
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Accessoires 25
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Inleiding
W
ij zijn u er dankbaar voor dat u gekozen hebt voor een
product van T
oro. W
e willen graag dat u volkomen
tevreden bent met u nieuwe aankoop.
Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u het
apparaat goed kunt gebruiken en onderhouden. De
informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen
om letsel en schade te voorkomen. Hoewel T
oro veilige
producten ontwerpt en fabriceert, blijft u verantwoordelijk
voor de juiste en veilige toepassing van het apparaat.
Zor
g dat u het modelnummer en serienummer van het
product bij de hand hebt wanneer u de hulp inroept van
een geautoriseerde Service Dealer of van de fabrikant, in
verband met onderhoud, originele T
oro-onderdelen of
aanvullende informatie. Het modelnummer en
serienummer is aangebracht op het apparaat zelf, op de
plaats die is aangeduid in Afbeelding 1.
1064
Figuur
1
1. Typeplaatje
met modelnummer en serienummer
Noteer
het modelnummer en serienummer van het
apparaat ook in de ruimte hieronder:
Modelnr.:
Serienr.:
In deze handleiding is een systeem gebruikt om mogelijke
gevaren aan te duiden en u te attenderen op bijzondere
aanwijzingen om lichamelijk (mogelijk fataal) letsel van u
en anderen te voorkomen. De woorden GEV
AAR,
W
AARSCHUWING en VOORZICHTIG geven de ernst
van het gevaar aan.
GEVAAR
waarschuwt u voor zeer gevaarlijke situaties,
die kunnen resulteren in ernstig lichamelijk letsel of zelfs
overlijden, die kunnen ontstaan als u niet de vereiste
voorzor
gsmaatregelen neemt.
WAARSCHUWING
waarschuwt u voor een gevaarlijke
situatie die kan resulteren in ernstig lichamelijk letsel of
zelfs overlijden, die kan ontstaan als u niet de vereiste
voorzor
gsmaatregelen neemt.
3
VOORZICHTIG
duidt een risico aan waarbij licht tot
beperkt letsel zou kunnen ontstaan als u niet de vereiste
voorzor
gsmaatregelen neemt.
Er worden in deze handleiding nog twee woorden gebruikt
om uw aandacht op bijzondere informatie te vestigen.
Belangrijk
attendeert u op bijzondere technische
informatie en
N.B.
geeft algemene informatie aan die
bijzondere aandacht verdient.
Veiligheid
Het
is van essentieel belang dat u, en ieder ander die
met de grasmaaier werkt, eerst de handleiding leest
en begrijpt, nog voordat de motor ooit gestart wordt.
Dit is nodig om het maximum aan veiligheid te
ber
eiken, voor de beste maair
esultaten en om de
benodigde kennis van het pr
oduct te verkrijgen.
Schenk vooral bijzonder
e aandacht het
veiligheidsattentie- symbool
, wat betekent
V
OORZICHTIG, W
AARSCHUWING of GEV
AAR —
“instructie betr
effende persoonlijke veiligheid”. Lees
die instructie en zorg dat u die begrijpt, want het gaat
om veiligheid. Door een aanwijzing niet op te volgen
zou persoonlijk letsel kunnen ontstaan.
Algemene
veiligheidsregels
i.v
.m. de grasmaaier
Navolgende
instructies zijn afgeleid van ANSI/OPEI -
norm B71.1—1998 en ISO-norm 5395:1990(E).
Informatie of terminologie die specifiek voor T
oro-
grasmaaiers geldt staat tussen haakjes.
Deze machine bevat een maaimes, dat in staat is handen
of voeten te amputeren, en dat voorwerpen kan
wegslingeren. Als u de hierna beschreven veiligheids-
instructies niet opvolgt kan dat ernstig letsel of de dood
tot gevolg hebben.
Training
Lees de instructies zor
gvuldig. Maak u voordat u de
maaier start eerst vertrouwd met de bedieningsor
ganen
en met het juiste gebruik van het apparaat.
Lees voor het juiste gebruik en de juiste installatie van
toebehoren de instructies van de fabrikant. Gebruik
alleen door de fabrikant goedgekeurde accessoires.
Laat nooit kinderen of personen die de instructies niet
kennen de maaier gebruiken. Plaatselijke voorschriften
kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van de
degene die met de machine werkt.
Maai nooit terwijl mensen, in het bijzonder kinderen,
in de buurt zijn. Zet de maaier stil zodra iemand op het
te maaien terrein komt.
Er kunnen tragische ongelukken gebeuren als de
bestuurder van de maaimachine niet alert is op de
aanwezigheid van kinderen. Kinderen voelen zich vaak
aangetrokken door een maaimachine en door de
maaiwerkzaamheden. Neem
nooit
aan dat kinderen zullen
blijven op de plek waar u ze voor het laatst zag.
Houd kinderen weg van de plaats waar gemaaid wordt,
en onder het toeziend oog van een verantwoordelijke
volwassene.
W
ees alert en zet de maaier af zodra kinderen in het
grasveld op komen.
W
ees extra voorzichtig bij het naderen van blinde
hoeken, struiken, bomen, en andere objecten die het
zicht kunnen belemmeren.
Onthoud dat de bestuurder verantwoordelijk is voor
ongevallen of schade aan andere personen of hun
eigendommen.
Voorbereiding
Draag bij het maaien altijd stevige schoenen en een
lange broek.
W
erk niet met de maaier op blote voeten of met open
sandalen.
Draag bij het werken met de maaier altijd een
beschermende veiligheidsbril, die ook aan de zijkant
afschermt.
Inspecteer eerst grondig het terrein waar de apparatuur
gebruikt zal gaan worden, en verwijder alle stenen,
takken, draden, botten, of andere vreemde
voorwerpen.
W
aarschuwing: Benzine is uiterst brandbaar
.
Neem
de volgende voorzor
gsmaatregelen:
Bewaar brandstof uitsluitend in tanks of blikken
die daar speciaal voor bedoeld zijn.
–V
ul de brandstoftank nooit binnenshuis; tijdens het
bijvullen niet roken.
–V
ul zo nodig brandstof bij voordat u de motor
aanzet. V
erwijder nooit de dop van de
brandstoftank en vul nooit benzine bij wanneer de
motor loopt of nog heet is.
Als er brandstof gemorst is de motor niet
aanzetten, maar eerst de maaier verplaatsen. Zor
g
ervoor dat er geen ontstekingsbronnen in de buurt
van de gemorste brandstof komen totdat alle
benzinedampen verdwenen zijn.
Doe steeds de dop weer zor
gvuldig op brandstof-
tanks en voorraadblikken met brandstof.
Als het nodig is de brandstoftank af te tappen, doe
dat dan buitenshuis.
4
V
ervang defecte geluiddempers.
Controleer de messen, bevestigingsbouten en het
maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of
beschadiging voor het gebruik. V
ervang versleten of
beschadigde messen en bouten altijd als complete set
om een goede balans te behouden.
Pas op bij machines met meervoudige maaimessen:
door het verdraaien van één snijblad kan ook ander
mes gaan draaien.
Gebruik en bediening
Laat
de motor niet in een afgesloten ruimte lopen,
omdat zich giftige koolmonoxidedampen kunnen
verzamelen.
Alleen bij daglicht of goed kunstlicht maaien.
Zor
g dat u op hellingen altijd stevig staat.
Loop stapvoets; niet rennen.
Houd de handgreep stevig omklemd.
Maai langs de hoogtelijnen van een helling, niet
omhoog en omlaag.
Ga zeer zor
gvuldig te werk wanneer u van richting
verandert op een helling.
Maai niet op al te steile hellingen.
Ga zeer zor
gvuldig te werk bij het omkeren van de
maaier
, of als u de maaier naar u toe trekt.
Kijk achter u en omlaag, om te zien of er geen kleine
kinderen zijn, voordat u achteruitgaat met de maaier
,
en ook tijdens die beweging.
Zet het maaimes of de maaimessen eerst stil voordat
de maaier schuin gehouden wordt bijvoorbeeld voor
transport, bij het oversteken van een oppervlak zonder
gras, en bij het vervoer van en naar het te maaien
terrein.
Gebruik de maaier nooit als beschermers of
veiligheidsschermen beschadigd zijn of ontbreken, of
zonder de veiligheidsvoorzieningen; bijvoorbeeld
deflectors en/of grasvangers op hun plaats.
V
erander de instellingen van de motor niet en voorkom
overbelasting van de motor
.
Ontkoppel de mesaandrijving of aandrijfkoppeling
voordat u de motor start.
Houd u bij het starten of aanzetten van de motor
zor
gvuldig aan de voorschriften en houd uw voeten uit
de buurt van maaimes(sen).
Kantel de maaier niet bij het starten van de motor of
bij het inschakelen, tenzij kantelen nodig is om de
motor te starten. Houd hem in dat geval niet schuiner
dan nodig is, en til alleen de zijde op die het verst van
u verwijderd is.
Zor
g ervoor dat u niet voor de afvoeropening staat als
u de motor start.
Houd handen en voeten uit de buurt van draaiende
delen. Blijf altijd uit de buurt van de afvoeropening
Een maaier mag nooit worden opgetild of gedragen
terwijl de motor nog loopt.
Stop de motor en haal de bougiekabel los
voordat u verstoppingen verwijdert of de
afvoertunnel ontstopt;
voordat u de maaier gaat controleren,
schoonmaken, of eraan gaan werken;
nadat u met de maaier een voorwerp geraakt hebt.
Inspecteer de maaier op beschadigingen en voer
reparaties uit voordat u weer start en verder maait;
als de maaier abnormaal begint te trillen. Ga
meteen na wat de oorzaak is. V
ibraties zijn
gewoonlijk een signaal dat er iets mis is.
Zet de motor af:
steeds wanneer u van de maaier weggaat;
voordat u de brandstoftank bijvult.
Zet de gasklep lager tijdens het uitlopen van de motor
,
en als de motor voorzien is van een afsluitkraan, sluit
dan daarmee aan het eind van het maaien de brandstof
af.
Stop de maaimes(sen) bij het oversteken van een
grindpad, voetpad, of weg.
Zet de motor af en wacht tot het maaimes geheel tot
stilstand komt, voordat u de grasvanger eraf haalt.
Gebruik de grasmaaier niet terwijl u onder de invloed
van alcohol of drugs bent.
Hellingen zijn een hoofdfactor bij ongelukken in verband
met wegglijden en omvallen, waarbij ernstig letsel kan
ontstaan. Elke helling vraagt extra oplettendheid. Als u
zich bij een helling ongemakkelijk voelt, maai die dan
liever niet.
Kijk uit voor gaten, geulen, sporen en hobbels. In hoog
gras zijn obstakels niet altijd zichtbaar
.
Maai
niet bij een steil aflopend gedeelte, een sloot, of
een dijk of wal. U zou dan uw evenwicht kunnen
verliezen of niet meer stevig kunnen staan.
5
Maai
geen nat gras. Het heeft weinig steun, zodat er
kans op wegglijden is.
Onderhoud en stalling
Zorg
dat alle moeren en bouten (in het bijzonder de
bouten voor bevestiging van maaimessen) en
schroeven steeds goed vastgedraaid zijn, zodat de
apparatuur veilig is om mee te werken.
Als er zich brandstof in de tank bevindt de maaier niet
opber
gen in een afgesloten ruimte waar benzine-
dampen in contact met open vuur of vonken kunnen
komen.
Laat de motor afkoelen voordat u de maaimachine in
een afgesloten ruimte opber
gt.
Om brandgevaar te voorkomen moet de motor
, de
geluiddemper
, het accucompartiment, en de brandstof-
tank vrij zijn van gras, bladeren en overtollig
smeervet.
V
ervang versleten of beschadigde onderdelen ten
behoeve van een veilig gebruik.
W
ees extra voorzichtig bij het omgaan met benzine; de
damp kan ontplof
fen.
Knoei nooit met de veiligheidsvoorzieningen.
Controleer regelmatig hun goede werking.
Houd de maaier vrij van gras, bladeren, of andere
opgehoopte rommel. Ruim gemorste olie of benzine
meteen op.
Probeer nooit de wielhoogte af te stellen terwijl de
motor nog loopt.
Haal bij maaiers op netvoeding altijd de elektrische
voeding los, voordat u gaat reinigen, repareren, of
afstellen.
Componenten van de grasvanger zijn onderhevig aan
slijtage, beschadiging en achteruitgang, waardoor
bewegende delen bloot zouden kunnen komen te
liggen, of voorwerpen weggeslingerd. Controleer
regelmatig componenten, en vervang ze zo nodig door
onderdelen zoals door de fabrikant aanbevolen.
Maaimessen zijn scherp en kunnen snijden. Omwikkel
het maaimes of draag handschoenen, en wees extra
voorzichtig bij onderhoud aan de maaimessen.
V
erander niet de stand van de toerenregelaar van de
motor
, en laat de motor niet te snel draaien.
Geluidsdruk
Deze machine produceert een continu-geluidsdruk volgens
A-norm bij het oor van de bestuurder van 84,2 dB(A), op
basis van metingen uitgevoerd op identieke machines
volgens ANSI B71.5-1984 procedures.
Geluidsvermogen
Deze machine produceert een geluidsvermogenniveau van
97 LwA, op basis van metingen uitgevoerd op identieke
machines volgens Richtlijn 84/538/EEG en wijzigingen
daarvan.
Trillingsniveau
Deze machine produceert een maximum hand-arm
trillingsniveau van: 6,61 m/s
@
, op basis van metingen
uitgevoerd op identieke machines volgens ISO 5349
procedures.
Overzicht
van veiligheidssymbolen
Veiligheidsalarm
symbool in de driehoek
geeft het gevaar aan
V
eiligheidsschermen niet
openen of verwijderen
terwijl de motor loopt
Veiligheidsattentie-
symbool
Een roterend maaimes
kan tenen of vingers
afsnijden. Blijf uit de
buurt van het maaimes
terwijl de motor draait
Lees de bedienings-
handleiding
Om beschadiging van
mes bij fijnmaken te
voorkomen versneller
gebruiken als maaier is
uitgerust met een
fijnmaakhulpstuk
6
Raadpleeg technische
handleiding voor juiste
onderhoudsprocedures
Transmissie
Blijf op veilige afstand
van de machine
Olie
Blijf op veilige afstand
van de maaimachine
Aan/In werking
Uitgeworpen voorwerpen
— gevaar voor alle
lichaamsdelen
Koppeling ingeschakeld
Uitgeworpen voorwerpen
— maaier met zijafvoer
.
Zorg dat het veiligheids-
scherm altijd aangebracht
is
Koppeling in vrijstand
Zet motor af alvorens
bedieningspositie te
verlaten
Ladingstoestand van de
accu
Bedrijfsurenteller Brandstof
Snel
Neutraal (vrijstand)
Langzaam
Eerste versnelling
Toename/afname T
weede versnelling
7
Smeerpunt
Derde versnelling
Motor starten
Maaimes — basissymbool
Motor afzetten
Maaimes — afstelling
maaihoogte
Choke
Draai sleutel om in
contactslot
Starthulpknop Hendel bewegen
Hulpstartknop driemaal
indrukken
Koord uittrekken
Accu’
s op verantwoorde
wijze afvoeren
Wiel
Steek sleutel in
contactslot
Wielaandrijving
8
Montage-instructies
N.B.:
De aanduidingen links en rechts zijn steeds gezien vanuit de positie van degene die de maaier bedient.
De
grasmaaier uitpakken
BELANGRIJK:
W
ees uiterst voorzichtig bij het
uitpakken en hanter
en van de grasmaaier en het
bovenste deel van de handgr
eep, zodat geen kabels
losgetr
okken, geplooid of beschadigd raken.
1.
Haal de vulstukken uit de doos, en laat het bovendeel
van de handgreep rusten op de bovenkant van de
grasmaaier.
2.
Haal de grasmaaier uit de doos.
3.
Leg het bovendeel van de handgreep op de grond
achter de grasmaaier, met het label van de handgreep
naar boven gericht, en de kabels tussen de
bevestigingsbeugels geleid.
De
handgreep bevestigen
1. Verwijder
de vier bouten en knoppen van het onderste
deel van de handgreep (twee bouten hebben een platte
kop, de andere twee hebben een kop met een profiel
zodat ze in de handgreep passen) (Afb. 2).
m–4272
2
1
4
3
Afbeelding
2
1. Onderste
deel van
handgreep
2. Steunbeugel
3. Knop
4.
Platte handgreepbout
2. Draai
het onderste deel van de handgreep achterwaarts
en de steunbeugel omhoog, totdat de steunbeugel op
de hoogte van de gaten in de handgreep komt (Afb. 2).
3.
Zet de handgreep vast aan de steunbeugels met de
twee platte bouten en twee knoppen, waarbij u met
behulp van de hoogteverstellingsgaten in de beugels de
handgreep in kunt stellen op een voor u geschikte
hoogte (Afb. 2).
BELANGRIJK: Pas op dat u geen kabels afknelt of te
veel uitr
ekt.
N.B.:
U kunt de hoogte van de handgreep bijstellen door
de bouten en knoppen door andere gaten te doen.
4.
Schuif de bovendeel van de handgreep met het
uiteinde over het onderste deel, zodanig dat ze over
elkaar vallen (Afb. 3).
5
m–4204
3
2
4
1
Afbeelding
3
1. Kabels
2. Onderste
deel van
handgreep
3.
Bovenste deel handgreep
4. Handgreepbout
met profiel
(slechts
één zichtbaar)
5. Knoppen
5. Zorg
dat de kabels onder en achter de onderste
handgreep lopen, zoals afgebeeld in Afbeelding 3.
6.
Zet boven- en onderdeel van de handgreep aan elkaar
vast met de twee geprofileerde bouten en knoppen
(Afb. 3).
Het
startkoord plaatsen
Trek
het startkoord door de geleider op de handgreep
(Afb. 4).
210
2
1
Afbeelding
4
1. Koordgeleider 2. Startkoord
9
N.B.: T
rek de regelstang naar de handgreep toe om het
koord eenvoudiger te kunnen aanbrengen.
De
stop van de afvoertunnel
aanbrengen
1. Stop
de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
2.
Open de kokerdeur door hem achterwaarts te bewegen
(Afb. 5).
1914
1
2
Afbeelding
5
1. Handgreep
kokerdeur
2.
Stop (rechtsom gedraaid)
3. Houd
de handgreep van de kokerdeur vast om te
voorkomen dat de deur door de veerwerking dichtgaat
terwijl u de stop inbrengt.
4.
Draai de stop iets rechtsom terwijl u hem inbrengt
(Afb. 5).
Let op dat de op de stop aangebrachte pijl omhoog
wijst.
5.
Duw de stop helemaal naar binnen, totdat de veerklem
aan de onderkant van de stop op zijn plaats klikt
(Afb. 6).
1915
1
Afbeelding
6
1. Veerklem
6. Laat
de handgreep van de kokerdeur los om de
bovenkant de stop te ver
grendelen.
Voor
ingebruikname
Het
carter vullen met olie
Het
carter kan 0,59 liter (20 oz.) olie bevatten. Gebruik
alleen reinigende olie van hoge kwaliteit, type SAE 30 of
10W30, die voorzien is van de “service classification” SF
,
SG, SH of SJ van het American Petroleum Institute (API).
Controleer voor elk gebruik of het oliepeil tussen de
merktekens
Add
(bijvullen) en
Full
(vol) op de peilstok
staat (Afb. 7).
10
1626
3
2
1
4
5
Afbeelding
7
1. Peilstok
2.
“ADD”
markering
3.
“FULL”
markering
4. Brandstoftankdop
5. Bougiekabel
Olie
bijvullen gaat als volgt:
1.
Zet de maaimachine op een horizontaal oppervlak.
2.
Maak de omgeving van de peilstok schoon (Afb. 7).
3. V
erwijder de peilstok door de dop 1/4 slag linksom te
draaien en eruit te trekken.
4. V
eeg de peilstok met een schone doek schoon.
5.
Steek de peilstok helemaal in de vulbuis, en haal hem
er weer uit.
N.B.:
V
oor een correcte aflezing van het oliepeil is het
belangrijk dat de stok helemaal omlaag in de buis gaat.
6.
Lees het oliepeil af van de peilstok (Afb. 7).
7.
Als het peil onder het merkteken
Add
(bijvullen) op de
peilstok staat, giet dan
langzaam
net genoeg olie in de
vulopening zodat het peil het merkteken
Full
(vol) op
de peilstok bereikt.
BELANGRIJK: Doe niet te veel olie in het carter; als
de motor daarna gaat lopen ontstaat schade aan de
motor
. T
ap de overtollige olie af totdat het oliepeil weer
op het merkteken
Full
(vol) staat.
8.
Steek de peilstok in de vulhals en draai de dop een
kwartslag rechtsom.
De
brandstoftank vullen met
benzine
Gebruik
voor de beste resultaten schone, verse, loodvrije
benzine, eventueel ook
geoxygeneerde
of
geher-
formuleerde
benzine, met een octaangetal van 87 of hoger
.
Om te zor
gen dat de benzine voldoende vers is, kunt u
beter niet meer aanschaf
fen dan u verwacht in 30 dagen
op te zullen maken. Door ongelode benzine zullen zich
minder verbrandingsproducten in de motor afzetten, en
heeft de bougie een langere levensduur
. U mag ook gelode
benzine gebruiken als loodvrije benzine niet te krijgen
mocht zijn.
BELANGRIJK: Meng nooit olie door de benzine.
BELANGRIJK: Gebruik nooit methanol, benzine die
methanol bevat, gasohol die meer dan 10% ethanol
bevat, superbenzine, of witte benzine omdat het brand-
stofsysteem van de motor hierdoor beschadigd kan
raken.
BELANGRIJK: Gebruik geen benzine die nog is
overbleven van een vorig maaiseizoen of die zelfs nog
ouder is.
GEVAAR
MOGELIJK GEV
AAR
Onder bepaalde omstandigheden is benzine
uiterst brandbaar en zeer explosief.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Brand of explosie van benzine kan letsel van u
of ander
en en schade aan eigendommen
veroorzaken.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Gebruik een tr
echter en vul de tank buiten
wanneer de motor koud is. Gemorste benzine
opvegen.
V
ul de tank niet helemaal, maar slechts
tot 6-13 mm (1/4-1/2”) vanaf de bovenrand van
de tank. De vulopening mag zelf niet vol staan,
omdat deze ruimte nodig is voor het uitzetten
van de brandstof.
Bij werken met benzine nooit r
oken en uit de
buurt blijven van open vuur of waar
benzinedampen door een vonk aangestoken
kunnen worden.
Benzine in een goedgekeurd vat en buiten
ber
eik van kinder
en bewar
en.
Nooit meer benzine dan voor 30 dagen in
voorraad houden.
11
GEVAAR
MOGELIJK GEV
AAR
T
ijdens het bijvullen van benzine kan onder
bepaalde omstandigheden een statische lading
ontstaan, die de benzine kan ontsteken.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Brand of explosie van benzine kan brand-
wonden of schade aan eigendommen
veroorzaken.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Benzinevaten altijd op de gr
ond en uit de buurt
van de maaier zetten alvor
ens de tank bij te
vullen.
Benzinevaten nooit in een vrachtwagen of
aanhanger vullen, omdat bekleding of kunststof
beplating het vat kan isoler
en en de afvoer van
statische lading kan bemoeilijken.
Als het praktisch mogelijk is, is het verstandig
om apparatuur met benzinemotor
en eerst van
de vrachtwagen of aanhanger te halen, en het
apparaat bij te tanken terwijl het met de wielen
op de gr
ond staat.
Als dit niet mogelijk is, dergelijke machines op
een vrachtwagen of aanhanger bij voorkeur uit
een draagbaar vat bijvullen, niet met behulp
van een vulpistool van een pomp.
Als een vulpistool moet worden gebruikt, de
vulpijp voortdur
end in contact met de rand van
de brandstoftank of de opening van het vat
houden, totdat het bijvullen voltooid is.
Gebruik regelmatig een brandstofstabilisator/conditioner
tijdens de toepassing en stalling. Een stabilisator/
conditioner houdt tijdens het gebruik de motor schoon en
zor
gt ervoor dat er tijdens de stalling geen rubberachtige
harsresten in de motor worden afgezet.
BELANGRIJK: Gebruik geen ander
e toevoegingen
dan de brandstofstabilisator/conditioner
. Gebruik geen
brandstofstabilisator op alcoholbasis zoals ethanol,
methanol of isopr
opanol.
1.
Haal de bougiekabel van de bougie (Afb. 7).
2. Zor
g dat rondom de dop de brandstoftank geen vuil zit.
(Afb. 7).
3.
Haal de dop van de tank (Afb. 7).
4. V
ul de brandstoftank met ongelode benzine tot op
6 tot 13 mm (1/4–1/2”) van de bovenrand van de tank.
De vulopening zelf mag niet vol komen te staan.
5.
Doe de dop weer op de tank, en veeg eventueel
gemorste benzine weg.
Gebruiksaanwijzing
Controleer elke keer dat u gaat maaien of de
zelfaandrijving en de dodemansstang nog goed werken.
Als u de dodemansstang loslaat moeten motor en
zelfaandrijving stoppen. Doen ze dat niet, dan moet u
contact opnemen met een erkende Service Dealer
.
Bedieningsorganen
De starterhandgreep en de bedieningsstang van het
maaimes zitten aan het bovendeel van de handgreep, zoals
te zien in Afbeelding 8.
2
3
1
Afbeelding
8
1. Bedieningsstang
maaimes
2. Bovenste
deel handgreep
3.
Handgreep startkoord
De
motor starten
1. Druk
de bougiekabel op de bougie.
2.
Druk de hulpstartknop driemaal in, steeds met twee
seconden wachttijd ertussenin (Afb. 9).
1344
1
Afbeelding
9
1. Hulpstartknop
N.B.:
Als de temperatuur 13
_
C (55
_
F) of lager is, druk
dan de hulpstartknop vijf maal in, ook weer met steeds
twee seconden ertussen.
N.B.:
Gebruik de hulpstartknop niet om een warme motor
die maar kort heeft uitgestaan weer te starten. Bij koud
weer kan echter gebruik van de hulpstartknop ook in die
situatie nodig zijn.
12
3.
Houd de bedieningsstang van het maaimes tegen het
bovendeel van de handgreep (Afb. 10).
m-4207
3
2
1
Afbeelding
10
1. Bedieningsstang
maaimes
2. Bovenste
deel handgreep
3.
Handgreep startkoord
4. Trek
de starthandgreep langzaam uit tot dat u weer
-
stand voelt, daarna krachtig uittrekken (Afb. 10). Laat
het koord langzaam naar de handgreep terugkeren.
N.B.:
Laat de motor ten minste één minuut warmdraaien;
langer bij lagere temperaturen.
N.B.:
W
il de motor na drie pogingen niet starten, herhaal
dan de stappen 2 tot en met 4.
De
motor stoppen
Laat
de bedieningsstang van het maaimes los. Zowel de
motor als het mes moeten nu stoppen. Doen ze dat niet,
neem dan contact op met een geautoriseerde Service
Dealer.
Zelfaandrijving
Om de zelfaandrijving te activeren loopt u eenvoudig
vooruit met uw handen op het bovendeel van de hand-
greep. Door de beweging zal het bovendeel van de hand-
greep naar de maaier toe schuiven, waardoor de zelf-
aandrijving in werking komt. Hoe harder u loopt, hoe
verder de handgreep schuift, en hoe sneller de maaier
draait (Afb. 1
1).
m–4206
Afbeelding
1
1
N.B.:
De maaier werkt op de hoogste snelheid als u de
handgreep zo ver mogelijk naar voren drukt.
V
oor een lagere draaisnelheid gaat u gewoon langzamer
lopen; als u stopt, stopt ook de aandrijving (Afb. 1
1).
N.B.:
Het kan zijn dat na de zelfaandrijving gebruikt te
hebben de maaier niet meer gemakkelijk achteruit wil
rollen. Om dat te verhelpen, duwt u de maaier een paar
centimeter vooruit zonder de zelfaandrijving te activeren,
en trekt u hem daarna weer achteruit.
De
maaihoogte instellen
Het
SmartWheel
heeft twee schalen:
DUN/NORMAAL
en
DIK
, om de beste maaihoogte-instelling voor elke situatie
te bepalen (Afb. 12). Gebruik normaal gesproken de
schaal
DUN/ NORMAAL
tijdens de warme zomer
-
maanden. De schaal
DIK
is voor het dikke, malse gras dat
voornamelijk in de lente groeit.
1
2
Afbeelding
12
1. Maaischaal
voor
dun/normaal gras
2.
Maaischaal voor dik gras
Wij
raden het volgende aan:
Maai met instelling
C
,
D
of
E
of houd het gras op een
hoogte tussen 5,1 en 7,6 cm (2–3”).
Maai niet met een stand lager dan
C
, tenzij de grasmat
dun is, of laat in het najaar als het gras langzamer
begint te groeien. Maai lang gras eerst met een langere
maaihoogte en loop langzamer; maai daarna nogmaals
met een normale maaihoogte. Door maaien van te
hoog gras kan de maaimachine verstopt raken en de
motor afslaan.
13
N.B.:
Met het
SmartWheel
berekent u de juiste instelling
om zeker te zijn dat niet meer dan 1/3 van de grassprieten
worden afgesneden.
GEVAAR
MOGELIJK GEV
AAR
Bij het instellen van de maaihoogte kunnen de
handen met het draaiende mes in aanraking
komen.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Contact met het draaiende mes kan ernstig
letsel ver
oorzaken.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
V
erstel de maaihoogte niet als de motor loopt
en het mes draait.
Zorg dat uw vingers niet onder de maaikast
komen wanneer u de maaihoogte instelt.
1.
Start de motor nog niet, en duw de maaier over het
gras. Ga door totdat de letters op het
SmartWheelt-
sjabloon op het rechter achterwiel rechtop staan
(Afb. 12).
2. Ve r
gelijk de punten van de grassprieten met de letter
op het
SmartWheel
(Afb. 12). De letter op het
SmartWheel
die overeenkomt met de punten van de
grassprieten geeft de juiste maaihoogte aan.
3.
Knijp de hendel voor de maaihoogte- instelling naar
het wiel toe, en zet hem op de overeenkomstige letter
op de maaikast (Afb. 13).
788

1
A = 25 mm (1”)
B = 38 mm (1-1/2”)
C = 51 mm (2”)
D = 64 mm (2-1/2”)
E = 76 mm (3”)
Afbeelding
13
1. Maaihoogtehendel
N.B.:
Het afstellen gaat gemakkelijker als u de maaikast
iets optilt zodat het wiel vrij komt van de van de grond.
Steek daarbij geen vingers onder de maaikast.
4.
Laat de pen van de maaihoogtehendel in de juiste sleuf
van de maaikast vallen.
5.
Stel alle wielen op dezelfde maaihoogte in.
N.B.:
De voorwielen zijn instelbaar tot op 13 mm (1/2”).
Zet de maaihoogtehendel voorbij punt
A
en laat de pen in
de sleuf van de maaikast vallen.
De
graszak gebruiken
U
zult soms de graszak willen gebruiken om lang gras, dik
gras of bladeren in op te vangen.
Aanbrengen van de graszak
1. Stop
de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
2.
De handgreep van de kokerdeur moet helemaal naar
voren staan, en de pen moet tegen de klink komen
(Afb. 14).
1912
1
2
3
Afbeelding
14
1. Zakframe
op pen
2. Penvergrendeling
3.
Handgreep geheel naar
voren en kokerdeur dicht
3. Schuif
het gat in het zakframe op de steunpen van de
maaikast (Afb. 14).
4.
Zet de achterkant van het zakframe op de onderste
handgreep.
5. T
rek de handgreep van de kokerdeur naar voren en
beweeg de handgreep naar achteren totdat de pen
ver
grendeld raakt in de inkeping van de zak (Afb. 15).
14
1913
Afbeelding
15
1. Pen
in inkeping van zak
De
kokerdeur in de maaikast is nu open.
Maaien met de graszak
GEVAAR
MOGELIJK
GEV
AAR
Door een versleten graszak kunnen steentjes en
ander
e voorwerpen naar de bestuurder of
omstanders worden uitgeworpen.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Zulke weggeslingerde voorwerpen kunnen de
oorzaak zijn van ernstig persoonlijk letsel of
zelf de dood van de bestuurder of van
omstanders.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Contr
oleer de graszak r
egelmatig. Plaats een
nieuwe T
or
o-graszak als de oude beschadigd is.
Maai het gras totdat de zak vol is.
BELANGRIJK: Laat de zak niet te vol worden.
De graszak weghalen
1. Stop
de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
2. T
il de handgreep van de afvoerdeur op en beweeg die
naar voren, totdat de pen in de ver
grendeling valt
(Afb. 14).
3.
Pak de handgreep aan de voor- en achterkant van de
zak vast en til de graszak van de maaier af.
4.
Kiep de zak langzaam voorover om hem leeg te
maken.
5.
Om de zak te plaatsen, zie stap 3 t/m 5 van
Aanbr
engen van de graszak
eerder in dit hoofdstuk.
GEVAAR
MOGELIJK GEV
AAR
Als de kokerdeur niet helemaal goed dicht zit
kunnen daardoor voorwerpen uitgeworpen
worden.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Uitgeworpen voorwerpen kunnen persoonlijk
(fataal) letsel van de bestuurder of omstanders
veroorzaken.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Als de kokerdeur niet goed dicht kan doordat
maaisel in de weg zit, zet dan de motor stil, en
beweeg de deur voorzichtig heen en weer totdat
hij wel geheel sluit. Als de deur nog steeds niet
dichtkan, verwijder het obstakel dan met een
stok of tak, niet met uw handen.
GEVAAR
MOGELIJK GEV
AAR
Door een versleten graszak kunnen steentjes en
ander
e voorwerpen naar de bestuurder of
omstanders worden uitgeworpen.
WA
T ER KAN GEBEUREN
V
oorwerpen die met kracht worden
uitgeworpen kunnen persoonlijk (fataal) letsel
van de bestuurder of omstanders ver
oorzaken.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Nooit de afvoertunneldeur openen terwijl de
motor loopt.
Tips
voor het gebruik
Neem
de veiligheidsinstructies goed door en lees deze
handleiding zor
gvuldig, voordat u met de grasmaaier
gaat werken.
Zor
g dat het te maaien terrein vrij is van stokken,
stenen, draad, takken, of andere rommel die de
maaimachine zou kunnen oppikken of die door het
maaimes weggeworpen zouden kunnen worden.
Houd iedereen, en in het bijzonders kinderen en
huisdieren, weg van het werkgebied.
Kijk uit dat u bij het maaien geen bomen, muren,
stoepranden of andere harde voorwerpen raakt. Maai
nooit opzettelijk over een voorwerp heen.
Als de grasmaaier toch een voorwerp raakt en begint te
trillen, moet u meteen de motor stilzetten, de bougie-
kabel loshalen, en de maaier nakijken op
beschadiging.
15
Houd het
mes scherp
gedurende het hele maaiseizoen.
V
ijl regelmatig de bramen op het mes weg.
V
ervang zo nodig het maaimes door een origineel
vervangend mes van T
oro.
Maai alleen droog gras en bladeren. Nat gras en natte
bladeren hebben de neiging aan elkaar te plakken,
waardoor de maaimachine verstopt kan raken en de
motor kan afslaan.
WAARSCHUWING
MOGELIJK GEV
AAR
Door nat gras of natte blader
en zou u kunnen
uitglijden en daardoor met het maaimes in
aanraking komen.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Hierdoor kunt u ernstig verwond raken.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Maai daar
om alleen onder dr
oge
omstandigheden.
Maak de onderkant van de maaikast na ieder gebruik
schoon en verwijder maaisel en bladresten. Zie
De
onderkant van de grasmaaier r
einigen
op blz. 18.
Houd de motor steeds in goede conditie.
Reinig regelmatig het luchtfilter
. Bij fijnmaken zal
meer maaisel en stof ontstaan, waardoor het luchtfilter
verstopt raakt en de prestaties van de motor minder
worden.
Gras maaien
Gras
groeit met verschillende snelheden afhankelijk
van de tijd van het jaar
. In warme zomers kunt u het
gras het beste maaien in de hoogtestanden
C
,
D
of
E.
Maai steeds niet meer dan ongeveer 1/3 van de
grassprieten af. Maai niet met een lagere stand dan
C,
tenzij het gras dun is, of in de late herfst als het gras
langzamer gaat groeien.
Als u gras maait van meer dan zo’n 15 cm (6”) hoog,
dan kunt u beter eerst maaien met de hoge maaistand,
waarbij u langzamer loopt; maai daarna nog een keer
,
met een lagere maaihoogte. Zo krijgt u het mooiste
gazon. Als het gras te hoog is, en de sprieten in elkaar
verstrikt raken aan de bovenkant, dan kan de maai-
machine verstopt raken en de motor kan afslaan.
Maai afwisselend in beide richtingen. Hierdoor worden
het maaisel beter over de grasmat verspreid en ontstaat
een betere bemesting.
Als het gemaaide gazon er toch niet goed uitziet, kunt u
deze mogelijkheden proberen:
Slijp het mes.
Loop langzamer tijdens het maaien.
Maai met een hogere instelling van de maaihoogte.
Maai het gras vaker
.
Laat de maaibanen overlappen in plaats van steeds een
volledig nieuwe baan te maaien.
Maai de randzones een tweede maal.
Stel de maaihoogte bij de voorwielen één stand hoger
in dan bij de achterwielen. Zet bijvoorbeeld de
voorwielen op stand
C
en de achterwielen op stand
D.
Fijnmaken van bladeren
Na
het maaien van het gazon moet nog minstens de
helft van het gras zichtbaar zijn boven de fijngemaakte
bladeren. Het kan nodig zijn nog een paar keer extra
over de bladeren heen te gaan.
Zijn er betrekkelijk weinig bladeren, dan is de beste
instelling die waarbij voor
- en achterwielen even hoog
staan.
Als er meer dan 12,7 cm (5”) bladeren op het gazon
ligt, zet u de voorwielen één of twee standen hoger
dan de achterwielen. Hierdoor kunnen de bladeren
gemakkelijker onder het maaivlak worden ingevoerd.
Als de grasmaaier de bladeren niet fijn genoeg maakt
is het beter om wat langzamer te maaien.
Als u veel eikenbladeren fijnmaakt, kan het goed zijn
om wat kalk te gebruiken om de verzuring door de
eikenbladeren tegen te gaan.
16
Onderhoud
Aanbevolen
onderhoudsschema
Onderhoudspunt Actie
Na
elk
gebruik
Elke
5 uur
Elke
25 uur
Elke
50 uur
Elke
100 uur
Motorolie – peilen
Controleer het oliepeil telkens voor
gebruik.
X
Motorolie –
verwisselen
T
ap na de eerste 5 gebruiksuren
de olie in het carter af, en vul het
weer met nieuwe olie. Daarna elke
50 uur olie verversen (25 uur in
stof
fige omstandigheden of bij
hoge temperaturen), of jaarlijks.
X
Maaikast V
erwijder maaiselresten en vuil.
X
Bevestigingen
Controleer de bevestigingen van
maaimes en van de motor
. Draai
eventuele losse bouten en moeren
aan.
X
Luchtfilter –
filterpatroon
V
ervang het filterpatroon elke
25 uur
, of na elk maaiseizoen.
V
ervang het vaker bij maaien in
stof
fige of vuile omstandigheden.
X
Mes
Slijp of vervang het maaimes;
vaker onderhoud is nodig als het
mes snel bot wordt door grof
materiaal of zand.
X
Rem van het
maaimes
Controleer elke 50 werkuren en
voor elk maaiseizoen of de rem
het mes snel genoeg afremt. Het
mes moet stilstaan binnen drie
seconden nadat de bedienings-
stang is losgelaten; zo niet, dan is
reparatie bij een geautoriseerde
Service Dealer noodzakelijk.
X
Zelfaandrijving
Stel de kabel af, en vet de instel-
beugel voor de achterhoogte in.
X
Brandstofsysteem
Controleer op lekken, en kijk na of
de brandstofslang niet verouderd
raakt. V
ervang zo nodig onder-
delen.
X
Drijfriem
V
erwijder maaisel en andere
rommel of vuil vanonder de
drijfriemkap.
X
Bougie
Inspecteer en reinig de bougie.
V
ervang de bougie indien nodig.
X
17
Onderhoudspunt
Elke
100 uur
Elke
50 uur
Elke
25 uur
Elke
5 uur
Na elk
gebruik
Actie
Koelsysteem
Haal vuil en rommel weg van de
koelvinnen van motor en starter
.
V
aker schoonmaken kan nodig zijn
als in vuile omstandigheden
gemaaid wordt.
X
Brandstoftank
Maak eerst de brandstoftank leeg
voordat reparaties uitgevoerd
gaan worden, en ook voordat de
machine in de stalling gaat.
VOORZICHTIG
MOGELIJK
GEV
AAR
Als u de bougiekabel op de bougie laat, zou iemand de motor kunnen starten.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Als iemand per ongeluk de motor start zou daardoor ernstig letsel, bij uzelf of bij
omstanders, kunnen ontstaan.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Haal steeds de bougiekabel van de bougie voordat onderhoudswerk uitgevoerd wordt. Duw
de kabel goed opzij om te voorkomen dat hij per ongeluk toch weer contact maakt met de
bougie.
Oliepeil
van de motor
controleren
Kijk
voordat u de grasmaaier gaat gebruiken eerst na of
het oliepeil tussen de merktekens
Add
(bijvullen) en
Full
(vol) staat op de peilstok (Afb. 7). Als de olie lager staat
dan merkteken
Add
, dan moet u olie bijvullen. Lees de
instructies hiervoor onder
Het carter vullen met olie
op
blz. 9.
Olie verversen
Ververs
de olie na de eerste vijf gebruiksuren, of elk
seizoen. Laat de motor voor het verversen even draaien
zodat de olie wordt opgewarmd. W
arme olie is
vloeibaarder en voert vervuilingen beter mee.
N.B.:
Bij gebruik onder zware omstandigheden of hoge
temperaturen de olie na elke 25 uur vervangen.
1.
Zit de graszak op de grasmaaier
, dan moet u de deur in
de maaikast sluiten en de zak verwijderen.
2. T
ap de benzine uit de brandstoftank af. Raadpleeg
daarvoor de stappen 1 tot en met 4 van
De
brandstoftank leegmaken
op blz. 22.
3.
Haal de bougiekabel van de bougie (Afb. 7).
4.
Haal de peilstok uit de olievulbuis en zet een
olieopvangbak links naast de maaimachine.
5.
Kantel de maaier op zijn linkerzijkant, zodat de olie
eruit loopt in de olieopvangbak (Afb. 16).
1782
Afbeelding
16
1. Olievulbuis
6. Voer
de olie af voor verwerking of recycling, zodat dat
ter plaatse is voor
geschreven.
7.
Zet de maaimachine weer rechtop.
8. V
ul het carter met nieuwe olie, tot aan het merkteken
Full
op de peilstok. Zie onder
Het carter vullen met
olie
op blz. 9 voor instructies.
18
9.
Plaats de peilstok.
10.V
eeg eventueel gemorste olie weg.
11.
Doe de bougiekabel op de bougie.
De
onderkant van de
grasmaaier reinigen
Houd
de onderkant van de maaikast goed schoon. Let
vooral op dat er geen vuil of rommel aan de uitstoters zit
(Afb. 17).
979
Figuur
17
1. Stootplaat
Wassen
1. Plaats
de maaier op een vlakke onder
grond in de buurt
van een tuinslang.
2.
Bevestig een snelkoppeling (los verkrijgbaar) aan het
uiteinde van de tuinslag. Bevestig de snelkoppeling
aan de wasaansluiting en draai de waterkraan helemaal
open (Afb. 18).
1
2
M-3044
Afbeelding
18
1. Wasaansluiting 2. Tuinslang
3. Start
de motor
.
4.
Laat de maaier twee minuten lang draaien.
5.
Stop de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
6.
Draai de kraan dicht en verwijder de snelkoppeling
van de wasaansluiting.
7.
Start de grasmaaier en laat hem een minuut lang lopen
om de grasmaaier en componenten te laten opdrogen.
Als aan de onderkant van het maaidek veel gras is
aangekoekt, dan voert u de volgende stappen uit:
1.
Sluit u de tuinslang opnieuw aan op de wasaansluiting.
2.
Draai de kraan helemaal open.
3.
Start de maaier en laat hem twee minuten lopen.
4.
Stop de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
5.
Draai de kraan dicht.
6.
Laat de maaier 30 minuten inweken.
7.
Draai de kraan weer helemaal open.
8.
Laat de maaier nog eens twee minuten lopen.
9.
Stop de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
WAARSCHUWING
MOGELIJK GEV
AAR
Een gebr
oken of ontbr
ekende wasaansluiting
kan leiden tot uitgeworpen voorwerpen of
contact met het maaimes.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Contact met uitgeworpen voorwerpen of het
maaimes kan ernstig of zelfs fataal letsel
veroorzaken.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Een gebr
oken of ontbr
ekende wasaansluiting
dir
ect vervangen alvor
ens de maaier opnieuw te
gebruiken.
Eventuele gaten in de maaier dichtmaken met
bouten en moer
en.
Nooit handen of voeten onder de maaier of door
openingen in de maaier steken.
Schrapen
Als door wassen niet al het vuil van onder de maaikast
verwijderd is, kantelt u de maaier en schraapt u hem
schoon.
1.
Haal de bougiekabel van de bougie (Afb. 7).
19
2. T
ap de benzine uit de brandstoftank af. Raadpleeg
daarvoor de stappen 1 tot en met 4 van
De
brandstoftank leegmaken
op blz. 22.
3.
Zit de graszak aan de grasmaaier
, dan moet u de deur
in de maaikast sluiten en de zak verwijderen.
4.
Kantel de grasmaaier op zijn linkerzijkant (Afb. 17).
5. V
erwijder vuil en afgemaaid gras met een hardhouten
schraper
. Gebruik geen slijpsteen of gereedschap met
scherpe randen.
BELANGRIJK: V
erdraai het maaimes zo min
mogelijk om later problemen met het starten te
voorkomen.
6.
Zet de maaimachine weer rechtop.
7. V
ul de brandstoftank.
8.
Druk de bougiekabel op de bougie.
Onderhoud
van het luchtfilter
Normaal
gesproken vervangt u het luchtfilter na elke
25 bedrijfsuren. V
ervang het filter vaker als de maaier in
zeer stof
fige of vuile omstandigheden wordt gebruikt.
Onderdelen zijn bij de erkende Service Dealer
verkrijgbaar.
1.
Stop de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
2.
Haal de bougiekabel van de bougie (Afb. 7).
3.
De schroef waarmee het luchtfilterdeksel aan de motor
bevestigd is losdraaien (Afb. 19). Luchtfilterdeksel
omlaag klappen en het deksel grondig reinigen.
1003
2
1
3
Afbeelding
19
1. Luchtfilter
2. Schroef
3. Motorkap
4. Papieren
luchtfilterpatroon uitnemen en wegwerpen
(Afb. 19).
5.
Nieuwe luchtfilterpatroon aanbrengen.
6.
Luchtfilterdeksel aanbrengen en met de schroef
bevestigen.
BELANGRIJK: Laat nooit de motor draaien zonder
dat het luchtfilter geïnstalleerd is; dit kan extr
eem
zwar
e slijtage en schade aan de motor ver
oorzaken.
Onderhoud
van het maaimes
Maai
altijd met een scherp maaimes. Een scherp mes
snijdt de halmen netjes af, zonder rukken of scheuren,
zoals een bot mes wel zou doen.
1. T
ap de benzine uit de brandstoftank af. Raadpleeg
daarvoor de stappen 1 tot en met 4 van
De
brandstoftank leegmaken
op blz. 22.
2.
Haal de bougiekabel van de bougie (Afb. 7).
3.
Als de grasmaaier een graszak heeft sluit u de deur in
de maaikast en haalt u de graszak eraf.
4.
Kantel de maaier op zijn linkerzijkant (Afb. 20).
BELANGRIJK: V
erdraai het maaimes zo min
mogelijk om later problemen met het starten te
voorkomen.
973
2
1
3
Afbeelding
20
1. Mes
2. Versneller
3. Mesbout
20
Het maaimes controleren
Controleer
voorzichtig het maaimes op scherpte en
slijtage, in het bijzonder daar waar het platte en het
gekromde deel samenkomen (Afb. 21A). Omdat het
metaal dat het platte en gekromde deel van het mes
verbindt kan wegslijten door zand en ander schurend
materiaal, moet u dit steeds controleren voordat u gaat
maaien. Als u een gleuf of slijtplek ziet (Afb. 21B en
21C), is het mes aan vervanging toe; zie hiervoor
Het
maaimes verwijder
en
op blz. 20.
270
1
1
1
2
3
4
A
B
C
Afbeelding
21
1. Wiek
2. Platte
deel van het mes
3. Slijtage
4.
Gevormde gleuf
N.B.:
De beste resultaten krijgt u door voor het
maaiseizoen begint een nieuw mes te monteren. In de loop
van het jaar vijlt u dan kleine inkepingen of deuken weg,
zodat er een goede snijkant blijft.
Het maaimes verwijderen
Pak
het uiteinde van het mes vast met een lap of een
dikgevoerde handschoen. V
erwijder de mesbout, de
bor
gring, de versneller en het mes (Afb. 20).
GEVAAR
MOGELIJK GEV
AAR
Een versleten of beschadigd mes kan br
eken en
in een dergelijk geval kan een stuk van het mes
worden uitgeworpen naar bestuurder of
omstanders.
WA
T ER KAN GEBEUREN
Een uitgeworpen stukje mes kan bestuurder of
omstanders ernstig verwonden of zelfs doden.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Contr
oleer het mes r
egelmatig op slijtage of
beschadigingen.
V
ervang een versleten of beschadigd mes.
Het maaimes slijpen
Vijl
de bovenkant van het mes bij, zodat de
oorspronkelijke snijhoek gehandhaafd blijft (Afb. 22). Het
mes blijft in balans als u evenveel materiaal weghaalt van
beide snijkanten.
153
1
Afbeelding
22
1. Slijp
alleen onder deze
hoek
BELANGRIJK:
Contr
oleer de balans van het maaimes
met behulp van een maaimesbalans. Deze zijn voor
weinig geld te koop bij de ijzerwinkel. Een mes dat
goed in balans is blijft horizontaal, tenzij een slecht
gebalanceerd mes naar de zwaarste kant wegzakt. Als
het mes niet in evenwicht is moet u meer metaal
wegvijlen van de snijkant aan de zwaarste kant.
Het maaimes monteren
1. Plaats
een scherp, gebalanceerd T
oro-maaimes, een
versneller
, een bor
gring, en een mesbout. V
oor de
juiste installatiewijze moet de wiek van het mes naar
de bovenkant van de maaikast wijzen. Draai de
mesbout aan tot 68 N
m (50 ft-lbs).
2.
Zet de maaimachine weer rechtop.
3.
Doe de bougiekabel op de bougie.
21
De
kabel van de zelfaandrijving
afstellen
Als
de topsnelheid van de maaier begint af te nemen is het
tijd om de kabel van de zelfaandrijving af te stellen.
1. Zor
g dat de motor uitgeschakeld is, en verwijder dan
de twee bouten waarmee de drijfriemkap vastgezet is
(Afb. 26).
2.
Haal het deksel eraf.
3.
Draai de moer van de kabelsteun los (Afb. 23).
m–4205
1
2
3
4
Afbeelding
23
1. Kabelmantel
2. Kabelsteun
3. Moer
4. Bovenste
deel handgreep
4. Duw
de drijfbeugel omlaag totdat hij tegen de gras-
maaier aankomt, en houd hem in die stand (Afb. 24).
m–4273
1
2
Afbeelding
24
1. Drijfbeugel 2. Hier
drukken
5. Houd
het bovenstuk van de handgreep zo ver mogelijk
naar achteren getrokken, en de drijfbeugel omlaag, en
trek dan de kabelmantel omlaag (naar de maaier toe)
om alle speling uit de kabel te halen (Afb. 23).
6.
Draai de moer van de kabelsteun vast (Afb. 23).
7.
Laat de drijfbeugel vast.
8.
Breng de drijfriemkap weer aan.
Wielen
smeren
Na
elke 25 bedrijfsuren of aan het einde van het seizoen
de voor
- en achterwielen smeren.
1. T
wee à drie druppels lichte olie aanbrengen aan de
binnenkant van de voorwielen en de buitenkant van
alle wielbouten.
2.
Draai de wielen rond om de olie in de lagerbussen te
verdelen.
3.
Gemorste olie opvegen.
4.
Zet de maaihoogtehendels van de achterwielen op
stand
C.
5.
De smeernippels afvegen met een schone doek
(Afb. 25).
6.
Zet een vetspuit op elke smeernippel en pomp er
voorzichtig 2 à 3 slagen
#2 universeel lithiumverzeept
vet
in.
BELANGRIJK: Inpompen van vet met te hoge druk
kan schade aan de afdichtingen ver
oorzaken.
1
276
Figuur
25
1. Smeernippel
De
ruimte onder de
drijfriemkap reinigen
Zorg
dat de ruimte onder de drijfriemkap vrij blijft van
rommel of vuil.
1.
Stop de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
2.
Haal de bouten los waarmee de drijfriemkap aan de
maaikast bevestigd is (Afb. 26).
281
1
2
Afbeelding
26
1. Drijfriemkap 2. Bouten
22
3. De
kap eraf tillen en alle vuil bij de drijfriem
wegborstelen.
4.
Plaats de drijfriemkap weer
.
De
bougie vervangen
Controleer
elke 25 bedrijfsuren de bougie. Gebruik een
Champion RJ19LM
bougie of gelijkwaardig type.
1.
Stop de motor en wacht tot alle bewegende delen tot
stilstand gekomen zijn.
2.
Haal de bougiekabel van de bougie (Afb. 7).
3.
Maak de omgeving van de bougie schoon.
4.
Haal de bougie uit de cilinderkop.
BELANGRIJK: Als de bougie gebarsten of vervuild is,
moet hij worden vervangen. Maak niet de elektr
oden
schoon, omdat door het gruis de motor beschadigd kan
raken.
5.
Stel de elektrodenafstand in op 0,76 mm (0.030”)
(Afb. 27).
986
0,76 mm
(0.030”)
Afbeelding
27
1. 0,76
mm (0.030”)
6. Plaats
de bougie en de pakkingafdichting.
7.
Bougie aandraaien met 20 N
m (15 ft-lbs).
8.
Druk de bougiekabel op de bougie.
Het
koelsysteem reinigen
Na
elke 100 gebruiksuren of aan het begin van het seizoen
moet vuil en haksel dat aan de cilinder, de koelvinnen van
de cilinderkop, en rond de carburateur en de verbinding is
blijven zitten verwijderd worden. Haal vuil weg van de
luchtinlaatsleuven op het terugslaghuis. Hierdoor blijkt
goede koeling gewaarbor
gd, zodat de motor optimaal
presteert.
Afvoertunnel
en stop reinigen
Reinig
de stop van de afvoertunnel na elk gebruik, om
zo de beste resultaten te krijgen. Als het gras dik en
weelderig is, kan met maaisel zich op en rond de stop
verzamelen, waardoor de stop moeilijk te verwijderen is.
Controleer altijd of de afvoertunneldeur volledig gesloten
en ver
grendeld is wanneer u de handgreep loslaat. Als de
deur door vuilniet volledig sluit, de binnenkant van de
afvoertunnel en de deur grondig schoonmaken.
De
brandstoftank leegmaken
1. Stop
de motor en laat die afkoelen.
2.
Haal de bougiekabel van de bougie (Afb. 7).
N.B.: T
ap altijd de benzine alleen af als de motor koud is.
3.
Haal de dop van de brandstoftank (Afb. 7).
4.
Gebruik een type hevel met een pomp, om daarmee de
brandstof in een schoon, goedgekeurd benzine-
opslagvat.
5.
Doe de bougiekabel op de bougie.
6.
Laat de motor draaien totdat hij stopt.
7.
Start de motor weer
, om zeker te zijn dat er geen
benzine meer in de carburator achter
gebleven is.
23
Verhelpen
van storingen
Uw
grasmaaier is ontworpen en gefabriceerd voor een probleemloze werking. Loop zor
gvuldig onderstaande componenten
en aandachtspunten na. Als het probleem daarmee niet over
gaat, raadpleeg dan uw geautoriseerde Service Dealer
.
Probleem
Verbeterende
maatregel
De motor wil niet starten
1. V
ul de brandstoftank met verse benzine
2.
Zet de gashendel in de stand
Fast
(snel)
3.
Druk de starthulp drie maal in
4. Bougie
Doe de bougiekabel op de bougie
Maak de bougie schoon, controleer de elektrodenafstand, en
vervang de bougie indien die beschadigd is
De motor is moeilijk te starten of
ft i i
1. T
ap de brandstoftank af, en vul die weer met verse benzine
j
geeft weinig vermogen
2. V
ervang het luchtfilterelement
3.
Reinig de onderkant van het maaidek van de machine
4.
Maak de bougie schoon, controleer de elektrodenafstand, en vervang
de bougie indien die beschadigd is
5.
Controleer het motoroliepeil
De motor loopt ruw
1.
Doe de bougiekabel op de bougie
p
2.
Maak de bougie schoon, controleer de elektrodenafstand, en vervang
de bougie indien die beschadigd is
3.
Zet de gashendel in de stand
Fast
(snel)
4. V
ervang het luchtfilterelement
De maaier of de motor trilt heel erg
1.
Balanceer het maaimes. Als het mes verbogen is moet het
vervangen worden
2.
Draai de bevestigingsbout van het maaimes vast
3.
Reinig de onderkant van het maaidek van de machine
4.
Draai de bevestigingsbouten van de motor vast
Ongelijkmatig maaipatroon
1.
Stel alle vier de wielen in op de zelfde hoogte
2.
Slijp en balanceer het mes
3.
Maai in een ander patroon
4.
Reinig de onderkant van het maaidek van de machine
Afvoertunnel verstopt
1.
Zet de gashendel in de stand
Fast
(snel)
2.
Stel in op een hogere maaistand
3.
Maai langzamer
4.
Laat het gras eerst drogen voordat u gaat maaien
5.
Reinig de onderkant van het maaidek van de machine
De zelfaandrijving van de maaier
werkt niet
1.
Stel de kabel van de zelfaandrijving af
2.
Haal vuil of rommel weg vanonder de drijfriemkap
24
Stalling
Om
de grasmaaier klaar te maken voor de stalling buiten
het maaiseizoen moeten de aanbevolen onderhouds-
procedures worden uitgevoerd. Zie
Onderhoud
op blz. 16.
Stal de grasmaaier op een koele, schone en droge plaats.
Bedek de grasmaaier zodat hij schoon en beschermd blijft.
Voorbereiden
van het
startsysteem
WAARSCHUWING
MOGELIJK
GEV
AAR
Benzine kan verdampen als die over een
langer
e periode opgeslagen blijft staan.
WA
T ER KAN GEBEUREN
V
erdampte brandstof kan exploder
en als er
open vuur bij komt.
GEV
AARLIJKE SITUA
TIES V
OORKOMEN
Bewaar benzine (brandstof) niet voor langer
e
tijd.
Stal de grasmaaier niet met de brandstof nog in
de tank op een plaats waar open vuur in de
buurt is. (V
oorbeeld: de waakvlam van een
oven, verwarmingsketel, gasboiler
, geiser of
dergelijke).
Laat de motor afkoelen voordat u de
maaimachine in een afgesloten ruimte opbergt.
Maak de brandstoftank leeg de laatste keer dat u maait
voordat de grasmaaier de stalling in gaat.
1.
Laat de motor lopen totdat hij afslaat door gebrek aan
benzine.
2.
Gebruik de starthulp en start de motor weer
.
3.
Laat de motor lopen totdat hij afslaat door gebrek aan
benzine. Als de motor niet meer wil starten is hij
voldoende droog.
Voorbereiden
van de motor
1. Tap
de olie uit het carter af, terwijl de motor nog warm
is. Zie
Olie verversen
op blz. 17.
2.
Haal de bougie eruit (Afb. 7).
3. V
oeg uit een olieblik ongeveer een eetlepel olie toe
aan het carter via het bougiegat.
4.
Draai de motor langzaam een paar maal rond, met
behulp van het startkoord, om de olie te verspreiden.
5.
Breng de bougie weer aan, maar
laat
de bougiekabel
er af
.
Algemeen
1.
Reinig de maaikast. Zie
De onderkant van de
grasmaaier r
einigen
op blz. 18.
2.
Haal eventueel vuil en haksel van de cilinder
, de
koelvinnen van de cilinderkop, en het huis van de
blazer.
3. V
erwijder maaisel, vuil en roet van de buitenste
motoronderdelen, de uitlaatring, en de bovenkant van
de maaikast.
4.
Controleer de toestand van het maaimes. Zie
Onder
houd van het maaimes
op blz. 19.
5.
Draai alle moeren, bouten en schroeven goed aan.
6.
Smeer de wielen. Zie
Smer
en van de zelfaandrijving
op blz. 21.
7. W
erk alle geroeste of afgebladderde verfoppervlakken
bij met verf die verkrijgbaar is bij een geautoriseerde
Service Dealer
.
De
handgreep invouwen
BELANGRIJK:
V
ouw de handgreep voorzichtig om,
zodanig dat geen kabels losgetr
okken, geplooid of
beschadigd raken.
BELANGRIJK: Haal de knoppen waarmee het
onderste deel van de handgr
eep vastzit aan de steun-
beugel niet weg, en draai ze ook niet los. V
ouw het
bovendeel van de handgreep niet naar achter
en.
1.
Draai de knoppen waarmee het bovendeel van de
handgreep vastzit los.
2.
Zwaai voorzichtig het bovendeel van de handgreep
naar voren, totdat het op de motor rust (Afb. 28).
m–4217
Afbeelding
28
25
Uit
de stalling halen
1. Vouw
voorzichtig het bovendeel van de handgreep
weer omhoog totdat het in het onderdeel valt, en zet
dan de knoppen vast.
BELANGRIJK: W
ees uiterst voorzichtig bij het
uitvouwen van het bovenste deel van de handgr
eep,
zodat geen kabels losgetr
okken, geplooid of beschadigd
raken.
2.
Controleer alle bevestigingen en draai ze vast.
3.
Haal de bougie eruit (Afb. 7) en draai de motor snel
rond met behulp van het startkoord, om overtollige
olie uit de cilinder te verwijderen.
4.
Maak de bougie schoon, of neem een nieuwe als de
oude bougie gebarsten of gebroken is, of als de
elektrodes versleten zijn.
5.
Plaats de bougie en draai haar vast met 20 N
m
(15 ft-lbs).
6. V
oer de aanbevolen onderhoudsprocedures uit; zie
Onderhoud
op blz. 16.
7. V
ul de brandstoftank (Afb. 7) met verse benzine.
8.
Controleer het motoroliepeil. Zie hiervoor
Oliepeil van
de motor contr
oleren
op blz. 17.
9.
Doe de bougiekabel op de bougie.
Accessoires
De volgende accessoires zijn verkrijgbaar bij uw
geautoriseerde Service Dealer:
Zij-afvoerset
Vonkenvanger
Verticuteer-set
26
27
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28

Toro 53cm Recycler Mower Handleiding

Type
Handleiding