VOLTCRAFT LCR-300 Operating Instructions Manual

Categorie
Meten, testen
Type
Operating Instructions Manual
LCR-Messgerät LCR-300
BEDIENUNGSANLEITUNG Seite 2 - 31
LCR Measuring Device LCR-300
OPERATING INSTRUCTIONS Page 32 - 53
Instrument de mesure LCR LCR-300
MODE D’EMPLOI Page 54 - 89
LCR-Meetapparaat LCR-300
GEBRUIKSAANWIJZING Pagina 90 - 121
Best.-Nr. / Item no. /
N° de commande / Bestelnr.:
10 36 77
Version 10/12
®
90
1. INLEIDING
Geachte klant,
Wij danken u hartelijk voor het aanschaffen van dit Voltcraft®-product. Hiermee heeft u een
uitstekend product in huis gehaald.
U hebt een kwaliteitsproduct aangeschaft dat ver boven het gemiddelde uitsteekt. Een product uit een
merkfamilie die zich op het gebied van meet-, laad-, en voedingstechniek met name onderscheidt door
speci eke vakkundigheid en permanente innovatie.
Met Voltcraft® worden gecompliceerde taken voor u als kieskeurige doe-het-zelver of als professio-
nele gebruiker al gauw kinderspel. Voltcraft® biedt u betrouwbare technologie met een buitengewoon
gunstige verhouding van prijs en prestaties.
Wij zijn ervan overtuigd: uw keuze voor Voltcraft is tegelijkertijd het begin van een langdurige en pret-
tige samenwerking.
Veel plezier met uw nieuwe Voltcraft®-product!
91
2. INHOUDSOPGAVE
1. Inleiding ...........................................................................................................................................90
2. Inhoudsopgave ................................................................................................................................91
3. Leveringsomvang ............................................................................................................................92
4. Voorgeschreven gebruik ..................................................................................................................92
5. Bedieningselementen ......................................................................................................................93
5.1. Displaygegevens en symbolen ...............................................................................................94
6. Veiligheidsvoorschriften ...................................................................................................................95
7. Productbeschrijving .........................................................................................................................97
7.1. Functiebeschrijving .................................................................................................................97
7.2. Meetapparaat inschakelen ......................................................................................................97
7.3. Meetfunctie selecteren ............................................................................................................98
7.4. Meetfrequentie selecteren ......................................................................................................98
7.5. Hold-functie .............................................................................................................................99
7.6. REL-functie .............................................................................................................................99
7.7. Kalibrering .............................................................................................................................100
7.8. Equivalente schakeling .........................................................................................................101
7.9. Sorteermodus .......................................................................................................................102
8. Meetbedrijf .....................................................................................................................................103
8.1. Meetingangen selecteren ......................................................................................................103
8.2. Inductiviteitsmeting ...............................................................................................................104
8.3. Capaciteitsmeting .................................................................................................................105
8.4. Weerstandsmeting ................................................................................................................106
9. Gebruik via optionele netadapter ...................................................................................................107
10. Reiniging en onderhoud ................................................................................................................107
10.1. Algemeen ..............................................................................................................................107
10.2. Reiniging ...............................................................................................................................107
10.3. Plaatsen/vervangen van de batterijen ...................................................................................108
11. Afvoer ............................................................................................................................................109
11.1. Product ..................................................................................................................................109
11.2. Batterijen en accu´s ..............................................................................................................109
12. Verhelpen van storingen ................................................................................................................110
13. Technische gegevens .................................................................................................................... 111
92
3. LEVERINGSOMVANG
LCR-meetapparaat
6 microbatterijen (type AAA)
2 Kelvin-meetsnoeren rood en zwart
2 kalibreerstekkers (“OPEN” / “SHORT”)
Tas
Gebruiksaanwijzing
4. VOORGESCHREVEN GEBRUIK
- Het meten en weergeven van het elektrische waarden van spoelen (L), condensatoren (C) en weer-
standen (R) en hun combinatie (parallel/serieel)
- Meten van inductiviteiten tot 2000 H
- Meten van capaciteiten tot 20 mF
- Meten van weerstanden (AC-R/DC-R) tot 200 MOhm
- Weergeven van de kwaliteitsfactor “Q”
- Weergaven van de elektrische verliesfactor “D”
- Weergeven van de fasehoek “θ” (0,00 tot ±180,0)
De meetfuncties en meetbereiken worden via druktoetsen bediend. In alle meetbereiken is de automa-
tische meetbereikkeuze actief.
Onderdelen mogen uitsluitend in stroomvrije en ontladen toestand aan het meetapparaat worden
aangesloten. Er mag geen spanning aan het meetapparaat worden aangesloten.
Het meetapparaat mag in geopende toestand, met geopend batterijvak resp. bij ontbrekend klepje
van het batterijvak, niet worden gebruikt. Een meting onder slechte omgevingsvoorwaarden is niet
toegestaan.
Ongunstige omstandigheden zijn:
- stof en brandbare gassen, dampen of oplosmiddelen,
- onweer resp. weersomstandigheden zoals sterk elektrostatische velden enz.
Gebruik voor het meten alleen de meegeleverde meetsnoeren resp. meetaccessoires, die op de speci-
caties van de multimeter afgestemd zijn.
Een andere toepassing dan hierboven beschreven kan leiden tot beschadiging van het product. Daar-
naast bestaat het risico van bijv. kortsluiting, brand of elektrische schokken. Het complete product mag
niet worden veranderd of omgebouwd!
Lees deze handleiding zorgvuldig door en bewaar deze voor toekomstig gebruik.
De veiligheidsvoorschriften dienen absoluut in acht te worden genomen!
93
5. BEDIENINGSELEMENTEN
zie uitklappagina
1 LCD-display
2 Aan-/uittoets
3 FUNC-toets: omschakeltoets voor meetfuncties
4 CAL-toets: om de kalibrering van een apparaat uit te voeren voor nauwkeurige meetwaarden
5 Batterijvak en neerklapbare opstelbeugel aan de achterzijde
6 SORTING-toets: voor snelle sorteermetingen bij tolerantiebepalingen
7 Pijltoets omhoog
8 HOLD-toets voor het “bevriezen” van de weergegeven displaywaarde
9 D/Q/ESR-toets: omschakeltoets voor weergaveparameters in L/C-meetmodus; pijltoets links
10 SETUP-toets: voor de instelling van de referentie- en tolerantieparameters in de sorteermodus
11 SER/PAL-toets: voor de omschakeling van seriële en parallelmodus; pijltoets rechts
12 FREQ-toets: voor de omschakeling van de meetfrequentie
13 REL%-toets: voor de weergave van de relatieve afwijking in % t.o.v. een referentiewaarde; pijltoets
omlaag
14 Licht-toets voor het in- en uitschakelen van de displayverlichting
15 ENTER-toets: voor de bevestiging van de invoer in de sorteermodus
16 Zijdelingse netbus
17 Aansluit- en meetbussen
18 Stekker “OPEN” voor de isolering van de geïntegreerde meetcontacten in de meetsnoermodus
19 Kalibreerstekker “SHORT” voor de nulkalibrering
20 Vieraderige meetklemmen met bescherming (Kelvin-meetsnoeren)
94
5.1. DISPLAYGEGEVENS EN SYMBOLEN
A Balkengra ek geeft de belasting van het meetbereik in % weer
B Functie- en bedrijfsindicatielampjes
Ext-power duidt gebruik via de netadapter aan
Sorting duidt sorteermodus aan
CAL duidt kalibreermodus aan
Tol geeft het vooringestelde tolerantiebereik voor de sorteerfunctie weer
120.100 KHz geeft de meetfrequentie weer
Batterijsymbool geeft de batterijstand bij batterijgebruik weer
C hoofdparameter voor de meetmodus
s = serieel voor serieschakelingen in de AC-modus (Ls, Cs, Rs)
p = parallel voor parallelschakelingen in de AC-modus (Lp, Cp, Rp)
DCR = gelijkstroomweerstand (DC)
D symbool voor de actieve automatische uitschakeling
E Meetfuncties
HOLD Data Hold is actief, de weergegeven meetwaarde wordt onthouden
AUTO Automatisch meten met voorkeuze van de meetparameter (L, C, R)
AUTO LCR Intelligent automatisch meten zonder voorkeuze van de meetparameter
RANGE Bereiksweergave in de sorteermodus
REL Referentiewaarde weergavemodus
F Hoofdscherm met meeteenheden
G Subdisplay met meeteenheden
H Subfuncties voor de subdisplay
ESR Equivalente serieweerstand
RP Equivalente parallelweerstand
DQθ D = verliesfactor, Q = kwaliteit, θ = fasehoek
95
6. VEILIGHEDISINSTRUCTIES
Lees de volledige gebruiksaanwijzing vóór de ingebruikname goed door, deze bevat
belangrijke aanwijzingen voor een correcte werking.
Bij schade veroorzaakt door het niet opvolgen van de gebruiksaanwijzing, vervalt het
recht op garantie! Voor vervolgschade die hieruit ontstaat, zijn wij niet aansprakelijk!
Voor materiële schade of persoonlijk letsel, veroorzaakt door ondeskundig gebruik of
het niet opvolgen van de veiligheidsaanwijzingen, aanvaarden wij geen aansprakelijk-
heid! In dergelijke gevallen vervalt het recht op garantie.
Het apparaat heeft de fabriek in veiligheidstechnisch perfecte staat verlaten.
Volg de instructies en waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing op om deze status van het apparaat
te handhaven en een veilige werking te garanderen.
Let op de volgende symbolen:
Een uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke instructies in deze gebruiksaanwijzing
die absoluut moeten worden opgevolgd.
Het „pijl“-symbool wijst op speciale tips en aanwijzingen voor de bediening van het product.
Dit apparaat is CE-goedgekeurd en voldoet aan de noodzakelijke Europese richtlijnen
Aardpotentiaal
Om veiligheids- en keuringsredenen (CE) is het eigenmachtig ombouwen en/of veranderen van het
apparaat niet toegestaan.
Raadpleeg een vakman wanneer u twijfelt over de werking, veiligheid of aansluiting van het apparaat.
Meetapparaten en accessoires zijn geen speelgoed; houd deze buiten bereik van kinderen!
In industriële omgevingen dienen de Arbovoorschriften ter voorkoming van ongevallen met betrekking
tot elektrische installaties en bedrijfsmiddelen in acht te worden genomen.
In scholen, opleidingscentra, hobbyruimten en werkplaatsen moet door geschoold personeel vol-
doende toezicht worden gehouden op de bediening van meetapparaten.
Zorg voor elke meting ervoor dat alle onderdelen stroomvrij en ontladen zijn.
Vóór elke wisseling van het meetbereik moeten de meetstiften van het meetobject worden verwijderd.
Wees vooral voorzichtig bij de omgang met spanningen >25 V wissel- (AC) resp. >35 V gelijkspanning
(DC)! Reeds bij deze spanningen kunt u door het aanraken van elektrische geleiders een levensge-
vaarlijke elektrische schok krijgen.
Controleer voor elke meting uw meetapparaat en de meetsnoeren op beschadiging(en). Voer in geen
geval metingen uit als de beschermende isolatie beschadigd (gescheurd, verwijderd enz.) is.
96
Zorg ervoor dat u de te meten aansluitingen/meetpunten tijdens de meting niet (ook niet indirect) aan-
raakt. Pak tijdens het meten niet boven de voelbare handgreepmarkeringen op de meetstiften vast.
Vermijd een gebruik van het apparaat in de onmiddellijke buurt van sterke magnetische of elektromag-
netische velden, zendantennes of HF-generatoren. Daardoor kan de meetwaarde worden vervalst.
Wanneer kan worden aangenomen dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is, mag het toestel niet
meer worden gebruikt en moet het worden beveiligd tegen onbedoeld gebruik. U mag ervan uitgaan
dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is indien:
- het apparaat zichtbaar is beschadigd,
- het apparaat niet meer functioneert en
- het product gedurende langere tijd onder ongunstige omstandigheden is opgeslagen of
- het apparaat tijdens transport zwaar is belast.
Schakel het meetapparaat nooit onmiddellijk in, nadat het van een koude naar een warme ruimte is
gebracht. Door het condenswater dat wordt gevormd, kan het apparaat onder bepaalde omstandighe-
den beschadigd raken. Laat het apparaat uitgeschakeld op kamertemperatuur komen.
U mag het verpakkingsmateriaal niet zomaar laten rondslingeren. Dit is gevaarlijk speelgoed voor
kinderen.
Neem ook de veiligheidsvoorschriften in de afzonderlijke hoofdstukken in acht.
97
7. PRODUCTBESCHRIJVING
De meetwaarden worden samen met de eenheden en symbolen op de multimeter (hierna DMM ge-
noemd) digitaal weergegeven. De weergave van meetwaarden van de DMM omvat maximum
19.999 counts (count = kleinst mogelijke displayeenheid).
Als de DMM bij gebruik op batterijen 5 minuten niet wordt bediend, wordt het apparaat automatisch
uitgeschakeld. Deze functie spaart de batterijen en verlengt de gebruiksduur. De automatische uitscha-
kelfunctie is bij elk gebruik van een optionele netadapter gedeactiveerd.
Het meetapparaat is bestemd voor hobbygebruik maar ook voor professionele toepassingen.
Voor een betere a eesbaarheid kan de DMM worden neergezet met de standaard aan de achterzijde.
7.1. FUNCTIEBESCHRIJVING
De afzonderlijke meetfuncties worden gekozen via een functietoets “FUNC”. De automatische bereik-
keuze is bij alle meetfuncties actief. Hierbij wordt altijd het geschikte meetbereik ingesteld.
De DMM beschikt over twee meetingangen die rechtstreeks met elkaar zijn verbonden. Onderde-
len met lange aansluitsnoeren kunnen rechtstreeks in het apparaat worden gestoken en gemeten.
Onderdelen met te korte aansluitingen kunnen via de meetsnoeren worden gecontacteerd die aan de
bussen worden aangesloten. De meetsnoeren zijn in afgeschermde 4-draadsmethode uitgevoerd om
meetafwijjkingen door snoerweerstanden te vermijden.
Onder ongunstige lichtomstandigheden kan de display verlicht worden. Druk daarvoor eenmaal op de
lichttoets (14). De schermverlichting blijft ca. 60 seconden aan en schakelt dan automatisch weer uit.
Om de verlichting voortijdig uit te schakelen, drukt u opnieuw op de lichttoets.
7.2. MEETAPPARAAT INSCHAKELEN
Vóór ingebruikneming van het meetapparaat, moeten de meegeleverde
batterijen worden geplaatst. Het plaatsen en vervangen van de batterijen wordt in het
hoofdstuk „Onderhoud en reiniging“ beschreven.
Het meetapparaat wordt via de aan-/uittoets (2) in- en uitgeschakeld. Druk eenmaal kort op de toets
om het meetapparaat in of uit te schakelen. Schakel het meetapparaat altijd uit als u het niet gebruikt.
Het uitschakelen wordt aangeduid met “OFF”.
Na het inschakelen bevindt het meetapparaat zich in de intelligente AUTO-LCR-modus. De meetfre-
quentie bedraagt 1 kHz.
98
In deze modus meet het apparaat zelfstandig de meest plausibele meetwaarden volgens vast voorge-
geven parameters. De volgende parameters zijn voorgegeven:
Parameter Meetbereik Subdisplay
θ < 1 AUTO R Fasehoek θ
θ > 1 AUTO L Kwaliteitsfactor Q
θ < -1 AUTO C Verliesfactor D
C < 5 pF Parallelweerstand Rp
7.3. MEETFUNCTIE SELECTEREN
De meetfunctie wordt via de toets „FUNC.” geselecteerd. Elke druk schakelt naar de volgende meet-
functie om. De volgende functies kunnen na elkaar worden geselecteerd:
AUTO LCR Intelligente auto-modus voor L, C en R
AUTO L – Q Meetbereik inductiviteit, in de subdisplay wordt de kwaliteitsfactor „Q” weergegeven.
AUTO C – D Meetbereik capaciteit, in de subdisplay wordt de verliesfactor „D” weergegeven
AUTO R Meetbereik wisselstroomweerstand
DCR Meetbereik gelijkstroomweerstand
De meetwaarden in de L, C en R-meetmodus kunnen positief of negatief zijn.
Als de hoofdmeetwaarde in de modus „L – Q“ negatief (voorteken „-“) is, dan is het gemeten
onderdeel inductief.
Als de hoofdmeetwaarde in de modus „C – D” negatief is, dan is het gemeten onderdeel
capacitief.
Als in de meetmodus „R“ een negatieve meetwaarde wordt weergegeven, heeft zich een
kalibreerfout voorgedaan. Voer in dit geval de kalibrering opnieuw uit.
7.4. MEETFREQUENTIE SELECTEREN
De meetfrequentie kan manueel worden gewijzigd, maar de impedantiemeetbereiken zijn afhankelijk
van de frequentie. Om te wijzigen drukt u op de toets „FREQ” (12). Elke druk verandert de meetfre-
quentie in voorgegeven stappen: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz.
99
7.5. HOLD-FUNCTIE
De HOLD-functie bevriest de huidige meetwaarde op de display om deze rustig te kunnen a ezen of
verwerken.
Zorg voor de meting ervoor dat deze functie bij het begin van de test gedeactiveerd
is. Er wordt anders een verkeerd meetresultaat gesimuleerd!
Voor het inschakelen van de HOLD-functie drukt u op de toets „HOLD” (8); een geluidssignaal beves-
tigt deze handeling en „HOLD” wordt op de display weergegeven.
Om de HOLD-functie uit te schakelen, drukt u nog een keer op de toets „HOLD”.
7.6. REL-FUNCTIE
De REL-functie laat referentiemetingen toe voor de weergave van onderdeelafwijkingen in %. De
afwijking t.o.v. de referentiewaarde wordt in de subdisplay in procent weergegeven. Hiervoor wordt
de huidige indicatiewaarde opgeslagen en voor de verdere berekening gebruikt. De formule van de
berekening luidt: (meetwaarde – referentiewaarde) / (referentiewaarde / 100).
- Door op de „REL“-toets te drukken wordt deze functie geactiveerd en de huidige meetwaarde opgesla-
gen. Een signaal weerklinkt en op de display verschijnt „REL“.
- Begin de onderdelen te meten. De huidige meetwaarde wordt op de hoofddisplay en de afwijking in %
op de subdisplay weergegeven.
- Als u nog eens op de toets „REL“ drukt, schakelt u over naar het referentiescherm. Een signaal weer-
klinkt en op de display knippert „REL“. In de hoofddisplay wordt de eerder opgeslagen referentie-
waarde en in de subdisplay de waarde van de afwijking in % weergegeven. Elke druk op de toets „REL“
schakelt tussen de schermen „Meetwaarde“ en „Referentiewaarde“ om.
- Om deze functie uit te schakelen, houdt u de toets „REL“ gedurende ca. 2 sec. ingedrukt tot een signaal
weerklinkt en het „REL“-symbool uitdooft.
Het bereik van de procentweergave gaat van -99,9% tot 99,9%. Als de meetwaarde meer
als dubbel zo groot is als de referentiewaarde, wordt „OL.“ In de subdisplay weergegeven.
Het balkengra ekscherm heeft altijd betrekking tot de actuele meetwaarde.
100
7.7. KALIBRERING
Om de precisie tijdens de meting te bewaren, moet voor elke meetreeks of als er grotere afwijkingen
worden vastgesteld, het meetapparaat worden gekalibreerd.
De kalibrering bestaat uit twee delen: de kalibrering met open meetingangen en de kalibrering met ge-
sloten meetingangen „SHORT”. Beide kalibreerstappen volgen elkaar op. Deze kunnen met of zonder
meetsnoeren worden uitgevoerd, maar moeten in de constellatie worden gekalibreerd, zoals u ze ook
bij het meten gebruikt. De afbeeldingen tonen telkens de beide mogelijkheden.
Om het kalibreren te starten, houdt u de toets „CAL” (4) ca. 2 s ingedrukt. De kalibreermodus wordt
door een signaaltoon bevestigd.
De symbolen „CAL” en „OPEn” worden weergegeven.
Kalibrering met open meetingangen:
Let op dat de meetin gangen of
meetsnoeren niet met elkaar zijn
verbonden en vrij liggen.
Druk op de toets „CAL”. Een count-
downscherm telt vanaf 30
af. Na a oop van de tijd, wordt
de status weergegeven.
„PASS” gedeeltelijke kalibrering suc-
cesvol.
„FAIL” gedeeltelijke kalibrering mislukt.
Controleer in dit geval alle contactpunten op vervuilling en evt. beschadiging aan de meetsnoeren en
voer het kalibreren opnieuw uit.
Na een succesvolle gedeeltelijke kalibrering met open meetingangen, drukt u op de toets „CAL”. Het
symbool „Srt” wordt weergegeven.
101
Kalibrering met gesloten meetingangen:
Steek de kalibreerstekker „SHORT”
(19) in de geïntegreerde
meetklemmen of sluit
de beide meetsnoeren kort.
Druk op de toets “CAL”. Een count-
downscherm telt vanaf 30
af. Na a oop van de tijd,
wordt de status weergegeven.
„PASS” gedeeltelijke kalibrering suc-
cesvol.
„FAIL” gedeeltelijke kalibrering mislukt.
Controleer in dit geval alle contactpunten op vervuilling en evt. beschadiging aan de meetsnoeren en
voer het kalibreren opnieuw volledig uit.
Na een succesvolle kalibrering met gesloten meetingangen, drukt u op de toets „CAL”. De kalibreermo-
dus wordt afgesloten en het meetapparaat keert naar de meetmodus terug.
Het kalibreren kan op elk moment via de aan-/uittoets (2) worden geannuleerd. Het kalibre-
ren moet echter altijd volledig en zonder onderbreking worden uitgevoerd.
7.8. EQUIVALENTE SCHAKELING
In de „AUTO-L”, „AUTO-C” en „AUTO-R”-modus worden de meetfuncties volgens vast geïntegreerde
parameters als serie- of parallelschakeling herkend. Dit is afhankelijk van de totale equivalente impen-
dantie van de schakeling.
Op basis van de volgende parameters wordt een onderscheid gemaakt tussen serie- en parallelscha-
keling:
Impendantie > 10 kOhm Parallelmodus aanduiding Lp, Cp of Rp
Impendantie < 10 kOhm Seriemodus weergave Ls, Cs of Rs
De serie- en parallelmodus kan met de toets „SER/PAL” (11) manueel worden omgeschakeld.
Met elke keer drukken, schakelt u de functie om. De auto-modus wordt uitgeschakeld. Om de auto-
modus opnieuw in te schakelen, selecteert u met de toets „FUNC“ (3) de gewenste meetfunctie.
Reële capaciteiten, inductiviteiten of weerstanden zijn geen ideale onderdelen voor de
meting van de zuivere reactantie en resistantie. Normaal gezien komen resistantie en reac-
tantie tegelijk voor. Een geschikte impendantie kan gesimuleerd worden met een resistantie
en een ander onderdeel (spoel, condensator) in serie- of parallelschakeling.
102
7.9. SORTEERMODUS
De sorteermodus laat toe om snel onderdelen te selecteren op basis van een gemeten referentiewaar-
de, een individueel instelbare referentiewaarde en voorgegeven tolerantiebereiken. Voor de instelling
van de parameters worden de pijlvormige toetsen (7), (9), (11) en (13) gebruikt.
Voor het instellen van de sorteermodus gaat u als volgt te werk:
Selecteer de gewenste meetfunctie met de toets “FUNC”. In de intelligente „AUTO LCR”-modus kunt u
geen sorteerfunctie selecteren.
Verbind het referentieonderdeel met de meetingang (17). Als „OL” of een waarde met minder dan 200
counts wordt weergegeven (count = kleinst weergegeven plaats onafhankelijk van het decimaalpunt vb.
1,99 = 199 counts), dan kunt u de sorteerfunctie niet selecteren.
Druk op de toets „SORTING” (6) om de sorteermodus te activeren. In de display verschijnt het symbool
„Sorting” en de gemeten waarde wordt als referentie opgeslagen. De vooringestelde tolerantiewaarde
bedraagt ±1%. Als de tolerantiestandaard met uw criteria overeenkomt, kunt u met de sorteermeting
verder gaan. Het testresultaat wordt in het hoofdscherm met „PASS” (meetwaarde binnen het toleran-
tiebereik) of „FAIL” (meetwaarden buiten het tolerantiebereik) weergegeven. In de subdisplay verschijnt
de meetwaarde.
Als u de referentiewaarde manueel invoert of de tolerantie wijzigt, gaat u als volgt tewerk:
Druk op de toets „SETUP” (10) om de instellingen voor het meetbereik, de referentiewaarde en de
tolerantie in te voeren. De instellingen volgen elkaar op.
U bevindt zich in het menupunt „Meetbereik instellen”. In de display verschijnt het symbool „RANGE”.
Met beide pijltoetsen links/rechts (9) en (11) kan het meetbereik worden geselecteerd. Bevestig uw
keuze met de toets „ENTER” (15).
U bevindt zich in het menupunt „Referentiewaarde instellen”. In de display knippert het laagste cijfer.
Met de pijltoetsen omhoog/omlaag (7) en (13) kan de waarde worden gewijzigd. Met beide pijltoetsen
links/rechts (9) en (11) kan de decimaal worden geselecteerd. Een waarde-invoer van 20 tot 1999
counts is mogelijk. Bevestig uw invoer met de toets „ENTER” (15).
U bevindt zich in het menupunt „Tolerantiebereik instellen”. Op de display knippert de actuele tole-
rantiewaarde. Met beide pijltoetsen links/rechts (9) en (11) kan de tolerantiewaarde worden geselec-
teerd. U hebt de volgende keuzemogelijkheden: ±0,25% ±0,5% ±1% ±2% ±5% ±10% ±20%
en -20% tot +80%. Bevestig uw invoer met de toets „ENTER” (15).
U kunt met de sorteermeting verdergaan. Het testresultaat wordt in het hoofdscherm met „PASS”
(meetwaarde binnen het tolerantiebereik) of „FAIL” (meetwaarden buiten het tolerantiebereik) weerge-
geven. In de subdisplay verschijnt de meetwaarde.
Om de sorteerfunctie te beëindigen, drukt u op de toets „SORTING” (6).
103
8. MEETMODUS
Zorg dat de max. toegestane ingangswaarden in geen geval worden overschreden.
Raak schakelingen en schakeldelen niet aan als daarop een hogere spanning dan
25 V ACrms of 35 V DC kan staan! Levensgevaarlijk!
Controleer voor aanvang van de meting de aangesloten meetdraden op beschadigin-
gen, zoals sneden, scheuren of afknellingen. Defecte meetsnoeren mogen niet meer
worden gebruikt!
Pak tijdens het meten de meetsnoeren niet boven de tastbare handgreepmarkeringen
vast.
Het meten mag alleen worden uitgevoerd als de behuizing en het batterijvak volledig
gesloten zijn.
Er mogen altijd alleen de twee meetsnoeren op het meetapparaat aangesloten zijn,
die nodig zijn voor de meetfuncties. Verwijder om veiligheidsredenen alle niet beno-
digde meetsnoeren uit het apparaat.
Zodra „OL“ (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik
overschreden.
Voer voor elke meetreeks een kalibrering uit om de precisie te garanderen. De kalibrering
wordt in hoofdstuk 7.7. Kalibrering nauwkeurig beschreven.
8.1. MEETINGANGEN SELECTEREN
Op het meetapparaat kunt u onderdelen via twee mogelijkheden aansluiten. Via de geïntegreerde
klemcontacten of via de 4-draads-meetklemmen. Beide ingangen zijn met elkaar verbonden en mogen
uitsluitend afzonderlijk worden gebruikt.
Let op dat in de meetmodus met de 4-draads-meetklemmen
altijd de stekker „OPEN” (18) voor de isolering van de geïnte-
greerde meetcontacten in de meetsnoermodus is verbonden.
Deze stekker voorkomt een mogelijk negatieve beïnvloeding
van de tweede meetingang.
Verbind de stekker van het rode meetsnoer met de bussen
„HPOT” en „HCUR” en hun afscherming met de bus „GUARD”.
Verbind de stekker van het zwarte meetsnoer met de bussen
„LPOT” en „LCUR” en hun afscherming met de bus „GUARD”.
Verwijder in de meetmodus met de geïntegreerde klemcon-
tacten altijd de meetsnoeren. Deze kunnen het meetresultaat
negatief beïnvloeden.
Wanneer u een meting uitvoert, moet u erop letten dat de meetpunten waarmee de
meetstiften in contact komen, vrij zijn van vuil, olie, soldeerhars of dergelijke. Dergelijke
omstandigheden kunnen het meetresultaat vervalsen.
104
8.2. INDUCTIVITEITSMETING
Controleer of alle te meten schakeldelen, schakelingen en componenten evenals
andere meetobjecten absoluut spanningsloos en ontladen zijn.
Schakel het meetapparaat met de aan-/uittoets (2) in.
Selecteer de voor u passende meetingang en voer een kalibrering uit.
Na het inschakelen is de intelligende „AUTO-LCR”-modus actief. Veel instellingen worden door het
meetapparaat overgenomen en daarom zijn de toetsen „D/Q/ESR” (9), „SER/PAL” (11), „SORTING” (6)
en „REL%” inactief. De hoofddisplay geeft de inductiviteitswaarde weer, de subdisplay de kwaliteitsfac-
tor „Q”.
Als dit niet wordt gewenst, selecteert u de meetfunctie „AUTO-L” via de toets „FUNC” (3). In de hoofd-
display wordt de meetwaarde weergegeven. Met de toets „D/Q/ESR” (9) kunnen de parameters in de
subdisplay worden omgeschakeld.
De meetfrequentie kunt u via de toets „FREQ” (12) selecteren. U kunt de volgende waarden selecte-
ren: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz. Met elke keer drukken, schakelt u de meetwaarde om.
De meetfrequentie bepaalt ook het meetbereik.
De omschakeling tussen seriële en parallelmodus gebeurt via de toets „SER/PAL” (11). Deze functie
deactiveert de AUTO-modus. Om naar de AUTO-modus terug te keren, drukt u meermaals op de toets
„FUNC” tot de overeenkomstige meetfunctie opnieuw wordt weergegeven.
Verbind het meetobject (spoel) met de meetingang. Op de display wordt na korte tijd de inductiviteit
weergegeven. Wacht tot de displaywaarde gestabiliseerd is. Dit kan enkele seconden duren.
Afgeschermde onderdelen kunnen ook aan de geïntegreerde meetcontacten worden aangesloten. De
afbeelding toont de mogelijkheid om indien nodig de beveiliging aan de GUARD-bussen aan te sluiten.
Zodra „OL” (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik overschre-
den. Kies evt. een andere meetfrequentie met een groter meetbereik.
Verwijder na het meten de meetsnoeren van het meetobject en schakel het meetapparaat uit.
105
8.3. CAPACITEITSMETING
Controleer of alle te meten schakeldelen, schakelingen en componenten evenals
andere meetobjecten absoluut spanningsloos en ontladen zijn.
Schakel het meetapparaat met de aan-/uittoets (2) in.
Selecteer de voor u passende meetingang en voer een kalibrering uit.
Na het inschakelen is de intelligende „AUTO-LCR”-modus actief. Veel instellingen worden door het
meetapparaat overgenomen en daarom zijn de toetsen „D/Q/ESR” (9), „SER/PAL” (11), „SORTING” (6)
en „REL%” inactief. De hoofddisplay geeft de capaciteitswaarde weer, de subdisplay de verliesfactor
„D”.
Als dit niet wordt gewenst, selecteert u de meetfunctie „AUTO-C” via de toets „FUNC” (3). In de hoofd-
display wordt de meetwaarde weergegeven. Met de toets „D/Q/ESR” (9) kunnen de parameters in de
subdisplay worden omgeschakeld.
De meetfrequentie kunt u via de toets „FREQ” (12) selecteren. U kunt de volgende waarden selecte-
ren: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz. Met elke keer drukken, schakelt u de meetwaarde om.
De meetfrequentie bepaalt ook het meetbereik.
De omschakeling tussen seriële en parallelmodus gebeurt via de toets „SER/PAL” (11). Deze functie
deactiveert de AUTO-modus. Om naar de AUTO-modus terug te keren, drukt u meermaals op de toets
„FUNC” tot de overeenkomstige meetfunctie opnieuw wordt weergegeven.
Verbind het meetobject (condensator) met de meetingang. Houd bij het vervangen van de elektro-
lytcondensator steeds rekening met de juiste polariteit. De pluspool moet altijd aan het rode „H” en
„+”-contact worden aangesloten. Op de display wordt na korte tijd de capaciteit weergegeven. Wacht
tot de displaywaarde gestabiliseerd is. Dit kan enkele seconden duren.
Afgeschermde onderdelen kunnen ook aan de geïntegreerde meetcontacten worden aangesloten. De
afbeelding toont de mogelijkheid om indien nodig de beveiliging aan de GUARD-bussen aan te sluiten.
Zodra „OL” (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik overschre-
den. Kies evt. een andere meetfrequentie met een groter meetbereik.
Verwijder na het meten de meetsnoeren van het meetobject en schakel het meetapparaat uit.
106
8.4. WEERSTANDSMETING
Controleer of alle te meten schakeldelen, schakelingen en componenten evenals
andere meetobjecten absoluut spanningsloos en ontladen zijn.
Schakel het meetapparaat met de aan-/uittoets (2) in.
Selecteer de voor u passende meetingang en voer een kalibrering uit.
Na het inschakelen is de intelligende „AUTO-LCR”-modus actief. Veel instellingen worden door het
meetapparaat overgenomen en daarom zijn de toetsen „D/Q/ESR” (9), „SER/PAL” (11), „SORTING” (6)
en „REL%” inactief. De hoofddisplay geeft de weerstandswaarde weer, de subdisplay de fasehoek „θ”.
Als dit niet wordt gewenst, selecteert u de meetfunctie „AUTO-R” via de toets „FUNC” (3). In de hoofd-
display wordt de meetwaarde (AC-R) weergegeven. De subdisplay is in deze meetfunctie niet actief.
De meetfrequentie kunt u via de toets „FREQ” (12) selecteren. U kunt de volgende waarden selecte-
ren: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz. Met elke keer drukken, schakelt u de meetwaarde om.
De meetfrequentie bepaalt ook het meetbereik.
De omschakeling tussen seriële en parallelmodus gebeurt via de toets „SER/PAL” (11). Deze functie
deactiveert de AUTO-modus. Om naar de AUTO-modus terug te keren, drukt u meermaals op de toets
„FUNC” tot de overeenkomstige meetfunctie opnieuw wordt weergegeven.
Als u de gelijkstroomweerstand (DC-R) meet, selecteert u via de „FUNC”-toets de meetfunctie „DCR”.
In deze functie zijn de subdisplay en de toetsen „D/Q/ESR”, „SER/PAL” en „FREQ” niet actief.
Verbind het meetobject (weerstand) met de meetingang. Op de display wordt na korte tijd de weer-
stand weergegeven. Wacht tot de displaywaarde gestabiliseerd is. Dit kan enkele seconden duren.
Afgeschermde onderdelen kunnen ook aan de geïntegreerde meetcontacten worden aangesloten. De
afbeelding toont de mogelijkheid om indien nodig de beveiliging aan de GUARD-bussen aan te sluiten.
Zodra „OL” (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik overschre-
den. Kies evt. een andere meetfrequentie met een groter meetbereik.
Verwijder na het meten de meetsnoeren van het meetobject en schakel het meetapparaat uit.
107
9. GEBRUIK VIA DE OPTIONELE NETADAPTER
Het meetapparaat kan zowel met batterijen als met een optionele netadapter worden gebruikt. Het
gebruik via netadapter is aangewezen voor langere meettijden of permanent gebruik.
De netadapter kan opzij aan de netadapterbus (16) worden aangesloten. Bij aansluiting van een
netadapter wordt de automatische uitschakeling gedeactiveerd; het displaysymbool (D) dooft uit. Het
gebruik via netadapter wordt door het symbool „Ext-Power” aangegeven.
Batterijen die zich in het meetapparaat bevinden mogen niet worden verwijderd. De omschakeling van
gebruik via batterijen naar netadapter gebeurt automatisch en zonder onderbreking van de metingen.
De volgende voorwaarden zijn nodig voor de netadapter:
Uitgangspanning: 12 V/DC
Uitgangsstroom: min. 500 mA
Holle stekker: 5,0 x 2,1 mm (buiten-/binnen-Ø)
Polariteit: binnen pluspool
Neem de veiligheidsinstructies van de netadapter in acht.
10. REINIGING EN ONDERHOUD
10.1. ALGEMEEN
Om de nauwkeurigheid van de multimeter over een langere periode te kunnen garanderen, moet het
apparaat jaarlijks in een kalibreerlabo worden gekalibreerd.
Afgezien van een incidentele reinigingsbeurt en het vervangen van de batterij is het apparaat onder-
houdsvrij.
Het vervangen van de batterijen vindt u onder Aansluiting.
Controleer regelmatig de technische veiligheid van het apparaat en de meetdraden,
bijv. op beschadiging van de behuizing of afknellen van de draden enz.
10.2. REINIGING
Voordat u het apparaat reinigt, dient u absoluut de volgende veiligheidsvoorschriften in acht te nemen:
Bij het openen van afdekkingen of het verwijderen van onderdelen, ook wanneer dit
handmatig mogelijk is, kunnen spanningvoerende onderdelen worden blootgelegd.
Vóór reiniging of reparatie moeten de aangesloten snoeren van het meetapparaat en
van alle meetobjecten worden gescheiden. Schakel het apparaat uit.
108
Gebruik voor het schoonmaken geen carbonhoudende schoonmaakmiddelen, benzine, alcohol of
soortgelijke producten. Hierdoor wordt het oppervlak van het meetapparaat aangetast. Bovendien zijn
de dampen schadelijk voor de gezondheid en explosief. Gebruik voor de reiniging ook geen scherp
gereedschap, schroevendraaiers of staalborstels en dergelijke.
Gebruik een schone, pluisvrije, antistatische en licht vochtige schoonmaakdoek om het product te
reinigen. Laat het apparaat goed drogen voordat u het weer in gebruik neemt.
10.3. PLAATSEN EN VERVANGEN VAN DE BATTERIJEN
Het meetapparaat werkt op zes microbatterijen (type AAA, LR03). Bij de eerste ingebruikneming of
wanneer het symbool voor vervanging van batterijen verschijnt, moeten nieuwe, volle batterijen worden
geplaatst.
Batterijtoestand goed, batterijen zijn volledig opgeladen
Batterijtoestand goed, batterijen zijn bijna volledig opgeladen
Batterijtoestand middelmatig, batterijen zijn bijna leeg en een vervanging dient zich aan
Batterijtoestand slecht, batterijen zijn bijna leeg en een vervanging noodzakelijk
Batterijtoestand ontoereikend, batterijen zijn leeg en een vervanging onmiddellijk nodig.
Voor het plaatsen/vervangen gaat u als volgt te werk:
Koppel alle meetsnoeren van het meetapparaat los en
schakel het uit.
Klap de standaard (5) open en draai de beide schroeven uit
het batterijvak.
Druk met de vinger op het batterijvakdeksel, zoals afge-
beeld. Het deksel klapt omhoog en kan gewoon worden
verwijderd. Nu kunt u bij de batterijen.
Vervang de lege batterijen voor nieuwe van hetzelfde type.
Let op de polariteit in het batterijvak.
Sluit het batterijvak in omgekeerde volgorde en draai de
schroeven vast.
Het meetapparaat is nu weer klaar voor gebruik.
109
Gebruik het meetapparaat in geen geval in geopende toestand.
Laat geen lege batterijen in het meetapparaat aangezien zelfs batterijen die tegen lek-
ken zijn beveiligd, kunnen corroderen, waardoor chemicaliën vrij kunnen komen die
schadelijk zijn voor uw gezondheid of schade veroorzaken aan het apparaat.
Laat batterijen niet achteloos rondslingeren. Deze kunnen door kinderen of huisdie-
ren worden ingeslikt. Raadpleeg bij inslikken onmiddellijk een arts.
Verwijder de batterijen als u het apparaat gedurende langere tijd niet gebruikt, om
lekkage te voorkomen.
Lekkende of beschadigde batterijen kunnen bij huidcontact bijtende wonden veroor-
zaken. Draag daarom in dit geval beschermende handschoenen.
Let op, dat batterijen niet worden kortgesloten. Gooi geen batterijen in het vuur.
Batterijen mogen niet worden opgeladen of gedemonteerd. Er bestaat explosiegevaar.
Geschikte alkalinebatterijen verkrijgt u met het volgende bestelnummer:
bestelnr. 65 23 64 (6x bestellen).
Gebruik uitsluitend alkalinebatterijen, omdat deze krachtig zijn en een lange gebruiksduur
hebben.
11. AFVALVERWIJDERING
11.1. PRODUCT
Elektrische en elektronische apparaten mogen niet via het normale huisvuil verwijderd wor-
den. Als het product niet meer werkt, moet u het volgens de geldende wettelijke bepalingen
voor afvalverwerking inleveren. Verwijder de geplaatste batterijen en gooi deze afzonderlijk
van het product weg.
11.2. BATTERIJEN EN ACCU’S
U bent als eindverbruiker volgens de KCA-voorschriften wettelijk verplicht alle lege batterijen en accu’s
in te leveren; verwijdering via het huisvuil is niet toegestaan!
Batterijen/accu´s die schadelijke stoffen bevatten, worden gemarkeerd door nevenstaande
symbolen. Deze symbolen duiden erop dat afvoer via het huisvuil verboden is. De aandui-
dingen voor irriterend werkende, zware metalen zijn: Cd = cadmium, Hg = kwik, Pb = lood.
U kunt verbruikte batterijen/accu’s gratis bij de verzamelpunten van uw gemeente, onze lialen of
overal waar batterijen/accu’s worden verkocht, afgeven!
Zo voldoet u aan de wettelijke verplichtingen en draagt u bij aan de bescherming van het milieu!
110
12. VERHELPEN VAN STORINGEN
U heeft met het meetapparaat een product aangeschaft dat volgens de nieuwste stand der
techniek is ontwikkeld en veilig is in het gebruik.
Toch kunnen zich problemen of storingen voordoen.
Hieronder vindt u enkele maatregelen om eventuele storingen eenvoudig zelf te verhelpen.
Neem altijd de veiligheidsinstructies in acht!
Fout Mogelijke oorzaak Mogelijke oplossing
Het meetapparaat werkt
niet.
Zijn de batterijen verbruikt? Controleer de toestand. Batterijen
vervangen.
Geen verandering van
meetwaarden.
Is een verkeerde meetfunctie
actief?
Controleer de indicatie en scha-
kel de functie evt. om.
Worden de verkeerde meetbus-
sen gebruikt?
Controleer de meetingangen.
Is de HOLD-functie geactiveerd
(weergave „HOLD”)?
Druk op de toets „HOLD” om
deze functie te deactiveren.
Andere reparaties zoals hiervoor omschreven mogen alleen door een geautoriseerde
vakman worden uitgevoerd. Bij vragen over het gebruik van het meetapparaat staat
onze technische helpdesk onder het volgende telefoonnummer ter beschikking:
Voltcraft®, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Duitsland, Tel. +49 180/586 582 7
111
13. TECHNISCHE GEGEVENS
Aanduiding ..................................Dual-LCD, 19999/1999 counts (tekens) + balkengra ek
Meetsnelheid ..............................ca. 1,2 metingen/seconde
Meetfrequentie ............................100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 1 kHz, 100 kHz
Testpeil .......................................0,6 Vrms
Equivalente schakeling ...............serieel/parallel
Lengte meetsnoeren ...................elk ca. 50 cm
Automatische uitschakeling ........ca. 5 minuten bij gebruik via batterijen
Voedingsspanning ......................6 microbatterijen (AAA) of 12 V/DC netadapter (optie)
Werkomstandigheden .................0 tot 40°C (<90%rF)
Opslagtemperatuur .....................-25 tot +50 °C
Gewicht .......................................ca. 640 g
Afmetingen (lxbxh) ......................200 x 95 x 45 (mm)
Parameter
Hoofdscherm
DCR: gelijkstroomweerstand
Ls/Cs: seriële inductiviteit/capaciteit
Lp/Cp: parallelinductiviteit/-capaciteit
Subdisplay
θ fasehoek
D verliesfactor
ESR equivalente serieweerstand
Q kwaliteitsfactor
Rp equivalente parallelweerstand
112
Meetfuncties
L
100 Hz 20 mH - 20 kH
120 Hz 20 mH - 20 kH
1 kHz 2000 μH - 2000 H
10 kHz 200 μH - 20 H
100 kHz 20 μH - 200 mH
C
100 Hz 20 nF - 20 mF
120 Hz 20 nF - 20 mF
1 kHz 2000 pF – 2 mF
10 kHz 200 pF - 200 μF
100 kHz 200 pF - 20 μF
R
100 Hz 200 Ω - 200 MΩ
120 Hz 200 Ω - 200 MΩ
1 kHz 20 Ω - 200 MΩ
10 kHz 20 Ω - 20 MΩ
100 kHz 20 Ω - 2 MΩ
DCR 200 Ω - 200 MΩ
D/Q 0,001 ~ 1999
θ 0,00° ~ ±180°
Meettoleranties
Weergave van de nauwkeurigheid in ± (% van de a ezing + weergavefouten in counts (= aantal
kleinste posities)). De nauwkeurigheid geldt 1 jaar lang bij een temperatuur van +23°C (± 5°C), bij
een rel. luchtvochtigheid van minder dan 80 %rF, niet condenserend. Uitsluitend geldig bij voorgaande
kalibrering van de meetingang.
113
Impedantie Z
Z
freq.
0,1 - 1 Ω 1 - 10 Ω 10 Ω -
100 kΩ
100 kΩ -
1 MΩ
1 MΩ -
20 ΜΩ
20 ΜΩ -
200 MΩ
Nota
DCR 1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 1,0%+5 2,0%+5
D < 0,1
100 Hz
120 Hz
1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 1,0%+5 2,0%+5
1 kHz 1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 1,0%+5 5,0%+5
10 kHz 1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 2,0%+5 - - -
100 kHz 2,0%+5 1,0%+5 0,5%+3 1,0%+5 2,0%+5 (1 MΩ – 2 MΩ)
Als D > 0,1
moet de nauwkeurigheid vermenigvuldigd worden met
兹苶
Als D << 0,1 in de
capaciteitsmodus
moet de nauwkeurigheid vermenigvuldigd worden met Z
C
=
Als D << 0,1 in de
inductiviteitsmodus
moet de nauwkeurigheid vermenigvuldigd worden met Z
L
= 2πf L
Subdisplay parameternauwkeurigheid
Ae impedantie (Z) nauwkeurigheid
De nitie
Q =
Rp
ESR (of Rs)× (1+
)
D waardenauwkeurigheid De = ±Ae × (1+D)
ESR nauwkeurigheid Re= ±Z
M
× Ae (Ω)
vb. Z
M
= impendantie berekend door of 2πf L
Fasehoek θ nauwkeurigheid θe= ±(180/π) × Ae (deg)
117
Frequentie Meetbereik Resolutie Nauwkeu-
righeid
De θe ESR /Rp
100 kHz
200,00 pF 0,01 pF ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±7,96×10
-9
/C+3
2000,0 pF 0,1 pF ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±7,96×10
-9
/C+3
20.000 nF 1 pF ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±7,96×10
-9
/C+3
200,00 nF 0,01 nF ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±1,59×10
-8
/C+5
2000,0 nF 0.1 nF ±(2,0%+5) ±0,020 ±1,15° ±3,18×10
-8
/C+5
20,00 μF 0,01 μF ±(2,0%+5) ±0,020 ±1,15° ±3,18×10
-8
/C+5
“C” komt overeen met de a eeswaarde in de eenheid Farad (F)
Inductiviteit Ls/Lp
Frequentie Meetbereik Resolutie Nauwkeu-
righeid
De θe ESR /Rp
100 Hz/120 Hz
20.000 mH 1μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
0
+2
200,00 mH 0,01 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
0
+2
2000,0 mH 0,1 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
0
+2
20,000 H 1 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
0
+2
200,00 H 0,01 H ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×10
0
+3
2000,0 H 0,1 H ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×10
0
+5
20,000 kH 0,001 kH ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×10
0
+5
Frequentie Meetbereik Resolutie Nauwkeu-
righeid
De θe ESR /Rp
1kHz
2000,0 μH 0,1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
1
+2
20.000 mH 1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
1
+2
200,00 mH 0,01 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
1
+2
2000,0 mH 0,1 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
1
+2
20,000 H 1 mH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×10
1
+3
200,00 H 0,01 H ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×10
1
+5
2000,0 H 0,1 H ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×10
1
+5
118
Frequen-
tie
Meetbereik Resolutie Nauwkeu-
righeid
De θe ESR /Rp
10 kHz
200,00 μH 0,01 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
2
+2
2000,0 μH 0,1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
2
+2
20.000 mH 1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
2
+2
200,00 mH 0,01 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×10
2
+2
2000,0 mH 0,1 mH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×10
2
+3
20,000 H 1 mH ±(2,0%+5) ±0,00 ±1,15° ±1,26L×10
3
+5
Frequen-
tie
Meetbereik Resolutie Nauwkeu-
righeid
De θe ESR /Rp
100 kHz
20.000 μH 0,001 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×10
3
+3
200,00 μH 0,01 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×10
3
+3
2000,0 μH 0,1 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×10
3
+3
20.000 mH 1 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×10
3
+3
200,00 mH 0,01 mH ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×10
3
+5
“L” komt overeen met de a eeswaarde in de eenheid Henry (H)
Er mag geen spanning aan de meetingangen worden aangesloten. Ontlaad alle
onderdelen voor ze aan het meetapparaat worden aangesloten. Raak schakelingen
en schakeldelen niet aan als daarop een hogere spanning dan 25 V ACrms of 35 V DC
kan staan! Levensgevaarlijk!
Impressum
Diese Bedienungsanleitung ist eine Publikation von Voltcraft
®
, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau,
Tel.-Nr. 0180/586 582 7 (www.voltcraft.de).
Alle Rechte einschließlich Übersetzung vorbehalten. Reproduktionen jeder Art, z.B. Fotokopie, Mikrover lmung, oder die Erfassung
in elektronischen Datenverarbeitungsanlagen, bedürfen der schriftlichen Genehmigung des Herausgebers. Nachdruck, auch
auszugsweise, verboten.
Diese Bedienungsanleitung entspricht dem technischen Stand bei Druck legung. Änderung in Technik und Ausstattung vorbehalten.
© Copyright 2012 by Voltcraft
®
Legal notice
These operating instructions are a publication by Voltcraft
®
, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Germany,
Phone +49 180/586 582 7 (www.voltcraft.de).
All rights including translation reserved. Reproduction by any method, e.g. photocopy, micro lming, or the capture in electronic data
processing systems require the prior written approval by the editor. Reprinting, also in part, is prohibited.
These operating instructions represent the technical status at the time of printing. Changes in technology and equipment reserved.
© Copyright 2012 by Voltcraft
®
Information légales
Ce mode d‘emploi est une publication de la société Voltcraft
®
, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Allemagne,
Tél. +49 180/586 582 7 (www.voltcraft.de).
Tous droits réservés, y compris de traduction. Toute reproduction, quelle qu‘elle soit (p. ex. photocopie, micro lm, saisie dans des
installations de traitement de données) nécessite une autorisation écrite de l‘éditeur. Il est interdit de le réimprimer, même par extraits.
Ce mode d‘emploi correspond au niveau technique du moment de la mise sous presse. Sous réserve de modi cations techniques
et de l‘équipement.
© Copyright 2012 by Voltcraft
®
Colofon
Deze gebruiksaanwijzing is een publicatie van de rma Voltcraft
®
, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Duitsland,
Tel. +49 180/586 582 7 (www.voltcraft.de).
Alle rechten, vertaling inbegrepen, voorbehouden. Reproducties van welke aard dan ook, bijvoorbeeld fotokopie, microver lming of de
registratie in elektronische gegevensverwerkingsapparatuur, vereisen de schriftelijke toestemming van de uitgever. Nadruk, ook van
uittreksels, verboden.
Deze gebruiksaanwijzing voldoet aan de technische stand bij het in druk bezorgen. Wijziging van techniek en uitrusting voorbehouden.
© Copyright 2012 by Voltcraft
®
V1_1012_01/AB

Documenttranscriptie

® LCR-Messgerät LCR-300 쮕 BEDIENUNGSANLEITUNG Seite 2 - 31 LCR Measuring Device LCR-300  OPERATING INSTRUCTIONS Page 32 - 53 Instrument de mesure LCR LCR-300  MODE D’EMPLOI Page 54 - 89 LCR-Meetapparaat LCR-300  GEBRUIKSAANWIJZING Pagina 90 - 121 Best.-Nr. / Item no. / N° de commande / Bestelnr.: 10 36 77 Version 10/12 1. INLEIDING Geachte klant, Wij danken u hartelijk voor het aanschaffen van dit Voltcraft®-product. Hiermee heeft u een uitstekend product in huis gehaald. U hebt een kwaliteitsproduct aangeschaft dat ver boven het gemiddelde uitsteekt. Een product uit een merkfamilie die zich op het gebied van meet-, laad-, en voedingstechniek met name onderscheidt door specifieke vakkundigheid en permanente innovatie. Met Voltcraft® worden gecompliceerde taken voor u als kieskeurige doe-het-zelver of als professionele gebruiker al gauw kinderspel. Voltcraft® biedt u betrouwbare technologie met een buitengewoon gunstige verhouding van prijs en prestaties. Wij zijn ervan overtuigd: uw keuze voor Voltcraft is tegelijkertijd het begin van een langdurige en prettige samenwerking. Veel plezier met uw nieuwe Voltcraft®-product! 90 2. INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding ...........................................................................................................................................90 2. Inhoudsopgave ................................................................................................................................91 3. Leveringsomvang ............................................................................................................................92 4. Voorgeschreven gebruik ..................................................................................................................92 5. Bedieningselementen ......................................................................................................................93 5.1. Displaygegevens en symbolen ...............................................................................................94 6. Veiligheidsvoorschriften ...................................................................................................................95 7. Productbeschrijving .........................................................................................................................97 7.1. Functiebeschrijving .................................................................................................................97 7.2. Meetapparaat inschakelen ......................................................................................................97 7.3. Meetfunctie selecteren ............................................................................................................98 7.4. Meetfrequentie selecteren ......................................................................................................98 7.5. Hold-functie .............................................................................................................................99 7.6. REL-functie .............................................................................................................................99 7.7. Kalibrering .............................................................................................................................100 7.8. Equivalente schakeling .........................................................................................................101 7.9. Sorteermodus .......................................................................................................................102 8. Meetbedrijf .....................................................................................................................................103 8.1. Meetingangen selecteren......................................................................................................103 8.2. Inductiviteitsmeting ...............................................................................................................104 8.3. Capaciteitsmeting .................................................................................................................105 8.4. Weerstandsmeting ................................................................................................................106 9. Gebruik via optionele netadapter...................................................................................................107 10. Reiniging en onderhoud ................................................................................................................107 10.1. Algemeen ..............................................................................................................................107 10.2. Reiniging ...............................................................................................................................107 10.3. Plaatsen/vervangen van de batterijen...................................................................................108 11. Afvoer ............................................................................................................................................109 11.1. Product..................................................................................................................................109 11.2. Batterijen en accu´s ..............................................................................................................109 12. Verhelpen van storingen ................................................................................................................ 110 13. Technische gegevens .................................................................................................................... 111 91 3. LEVERINGSOMVANG LCR-meetapparaat 6 microbatterijen (type AAA) 2 Kelvin-meetsnoeren rood en zwart 2 kalibreerstekkers (“OPEN” / “SHORT”) Tas Gebruiksaanwijzing 4. VOORGESCHREVEN GEBRUIK - Het meten en weergeven van het elektrische waarden van spoelen (L), condensatoren (C) en weerstanden (R) en hun combinatie (parallel/serieel) - Meten van inductiviteiten tot 2000 H - Meten van capaciteiten tot 20 mF - Meten van weerstanden (AC-R/DC-R) tot 200 MOhm - Weergeven van de kwaliteitsfactor “Q” - Weergaven van de elektrische verliesfactor “D” - Weergeven van de fasehoek “θ” (0,00 tot ±180,0) De meetfuncties en meetbereiken worden via druktoetsen bediend. In alle meetbereiken is de automatische meetbereikkeuze actief. Onderdelen mogen uitsluitend in stroomvrije en ontladen toestand aan het meetapparaat worden aangesloten. Er mag geen spanning aan het meetapparaat worden aangesloten. Het meetapparaat mag in geopende toestand, met geopend batterijvak resp. bij ontbrekend klepje van het batterijvak, niet worden gebruikt. Een meting onder slechte omgevingsvoorwaarden is niet toegestaan. Ongunstige omstandigheden zijn: - stof en brandbare gassen, dampen of oplosmiddelen, - onweer resp. weersomstandigheden zoals sterk elektrostatische velden enz. Gebruik voor het meten alleen de meegeleverde meetsnoeren resp. meetaccessoires, die op de specificaties van de multimeter afgestemd zijn. Een andere toepassing dan hierboven beschreven kan leiden tot beschadiging van het product. Daarnaast bestaat het risico van bijv. kortsluiting, brand of elektrische schokken. Het complete product mag niet worden veranderd of omgebouwd! Lees deze handleiding zorgvuldig door en bewaar deze voor toekomstig gebruik. De veiligheidsvoorschriften dienen absoluut in acht te worden genomen! 92 5. BEDIENINGSELEMENTEN zie uitklappagina 1 LCD-display 2 Aan-/uittoets 3 FUNC-toets: omschakeltoets voor meetfuncties 4 CAL-toets: om de kalibrering van een apparaat uit te voeren voor nauwkeurige meetwaarden 5 Batterijvak en neerklapbare opstelbeugel aan de achterzijde 6 SORTING-toets: voor snelle sorteermetingen bij tolerantiebepalingen 7 Pijltoets omhoog 8 HOLD-toets voor het “bevriezen” van de weergegeven displaywaarde 9 D/Q/ESR-toets: omschakeltoets voor weergaveparameters in L/C-meetmodus; pijltoets links 10 SETUP-toets: voor de instelling van de referentie- en tolerantieparameters in de sorteermodus 11 SER/PAL-toets: voor de omschakeling van seriële en parallelmodus; pijltoets rechts 12 FREQ-toets: voor de omschakeling van de meetfrequentie 13 REL%-toets: voor de weergave van de relatieve afwijking in % t.o.v. een referentiewaarde; pijltoets omlaag 14 Licht-toets voor het in- en uitschakelen van de displayverlichting 15 ENTER-toets: voor de bevestiging van de invoer in de sorteermodus 16 Zijdelingse netbus 17 Aansluit- en meetbussen 18 Stekker “OPEN” voor de isolering van de geïntegreerde meetcontacten in de meetsnoermodus 19 Kalibreerstekker “SHORT” voor de nulkalibrering 20 Vieraderige meetklemmen met bescherming (Kelvin-meetsnoeren) 93 5.1. DISPLAYGEGEVENS EN SYMBOLEN A Balkengrafiek geeft de belasting van het meetbereik in % weer B Functie- en bedrijfsindicatielampjes C Ext-power duidt gebruik via de netadapter aan Sorting duidt sorteermodus aan CAL duidt kalibreermodus aan Tol geeft het vooringestelde tolerantiebereik voor de sorteerfunctie weer 120.100 KHz geeft de meetfrequentie weer Batterijsymbool geeft de batterijstand bij batterijgebruik weer hoofdparameter voor de meetmodus s = serieel voor serieschakelingen in de AC-modus (Ls, Cs, Rs) p = parallel voor parallelschakelingen in de AC-modus (Lp, Cp, Rp) DCR = gelijkstroomweerstand (DC) D E symbool voor de actieve automatische uitschakeling Meetfuncties HOLD Data Hold is actief, de weergegeven meetwaarde wordt onthouden AUTO Automatisch meten met voorkeuze van de meetparameter (L, C, R) AUTO LCR Intelligent automatisch meten zonder voorkeuze van de meetparameter RANGE Bereiksweergave in de sorteermodus REL Referentiewaarde weergavemodus F Hoofdscherm met meeteenheden G Subdisplay met meeteenheden H Subfuncties voor de subdisplay 94 ESR Equivalente serieweerstand RP Equivalente parallelweerstand DQθ D = verliesfactor, Q = kwaliteit, θ = fasehoek 6. VEILIGHEDISINSTRUCTIES  Lees de volledige gebruiksaanwijzing vóór de ingebruikname goed door, deze bevat belangrijke aanwijzingen voor een correcte werking. Bij schade veroorzaakt door het niet opvolgen van de gebruiksaanwijzing, vervalt het recht op garantie! Voor vervolgschade die hieruit ontstaat, zijn wij niet aansprakelijk! Voor materiële schade of persoonlijk letsel, veroorzaakt door ondeskundig gebruik of het niet opvolgen van de veiligheidsaanwijzingen, aanvaarden wij geen aansprakelijkheid! In dergelijke gevallen vervalt het recht op garantie. Het apparaat heeft de fabriek in veiligheidstechnisch perfecte staat verlaten. Volg de instructies en waarschuwingen in de gebruiksaanwijzing op om deze status van het apparaat te handhaven en een veilige werking te garanderen. Let op de volgende symbolen:  Een uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke instructies in deze gebruiksaanwijzing die absoluut moeten worden opgevolgd. Het „pijl“-symbool wijst op speciale tips en aanwijzingen voor de bediening van het product. Dit apparaat is CE-goedgekeurd en voldoet aan de noodzakelijke Europese richtlijnen Aardpotentiaal Om veiligheids- en keuringsredenen (CE) is het eigenmachtig ombouwen en/of veranderen van het apparaat niet toegestaan. Raadpleeg een vakman wanneer u twijfelt over de werking, veiligheid of aansluiting van het apparaat. Meetapparaten en accessoires zijn geen speelgoed; houd deze buiten bereik van kinderen! In industriële omgevingen dienen de Arbovoorschriften ter voorkoming van ongevallen met betrekking tot elektrische installaties en bedrijfsmiddelen in acht te worden genomen. In scholen, opleidingscentra, hobbyruimten en werkplaatsen moet door geschoold personeel voldoende toezicht worden gehouden op de bediening van meetapparaten. Zorg voor elke meting ervoor dat alle onderdelen stroomvrij en ontladen zijn. Vóór elke wisseling van het meetbereik moeten de meetstiften van het meetobject worden verwijderd. Wees vooral voorzichtig bij de omgang met spanningen >25 V wissel- (AC) resp. >35 V gelijkspanning (DC)! Reeds bij deze spanningen kunt u door het aanraken van elektrische geleiders een levensgevaarlijke elektrische schok krijgen. Controleer voor elke meting uw meetapparaat en de meetsnoeren op beschadiging(en). Voer in geen geval metingen uit als de beschermende isolatie beschadigd (gescheurd, verwijderd enz.) is. 95 Zorg ervoor dat u de te meten aansluitingen/meetpunten tijdens de meting niet (ook niet indirect) aanraakt. Pak tijdens het meten niet boven de voelbare handgreepmarkeringen op de meetstiften vast. Vermijd een gebruik van het apparaat in de onmiddellijke buurt van sterke magnetische of elektromagnetische velden, zendantennes of HF-generatoren. Daardoor kan de meetwaarde worden vervalst. Wanneer kan worden aangenomen dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is, mag het toestel niet meer worden gebruikt en moet het worden beveiligd tegen onbedoeld gebruik. U mag ervan uitgaan dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is indien: - het apparaat zichtbaar is beschadigd, - het apparaat niet meer functioneert en - het product gedurende langere tijd onder ongunstige omstandigheden is opgeslagen of - het apparaat tijdens transport zwaar is belast. Schakel het meetapparaat nooit onmiddellijk in, nadat het van een koude naar een warme ruimte is gebracht. Door het condenswater dat wordt gevormd, kan het apparaat onder bepaalde omstandigheden beschadigd raken. Laat het apparaat uitgeschakeld op kamertemperatuur komen. U mag het verpakkingsmateriaal niet zomaar laten rondslingeren. Dit is gevaarlijk speelgoed voor kinderen. Neem ook de veiligheidsvoorschriften in de afzonderlijke hoofdstukken in acht. 96 7. PRODUCTBESCHRIJVING De meetwaarden worden samen met de eenheden en symbolen op de multimeter (hierna DMM genoemd) digitaal weergegeven. De weergave van meetwaarden van de DMM omvat maximum 19.999 counts (count = kleinst mogelijke displayeenheid). Als de DMM bij gebruik op batterijen 5 minuten niet wordt bediend, wordt het apparaat automatisch uitgeschakeld. Deze functie spaart de batterijen en verlengt de gebruiksduur. De automatische uitschakelfunctie is bij elk gebruik van een optionele netadapter gedeactiveerd. Het meetapparaat is bestemd voor hobbygebruik maar ook voor professionele toepassingen. Voor een betere afleesbaarheid kan de DMM worden neergezet met de standaard aan de achterzijde. 7.1. FUNCTIEBESCHRIJVING De afzonderlijke meetfuncties worden gekozen via een functietoets “FUNC”. De automatische bereikkeuze is bij alle meetfuncties actief. Hierbij wordt altijd het geschikte meetbereik ingesteld. De DMM beschikt over twee meetingangen die rechtstreeks met elkaar zijn verbonden. Onderdelen met lange aansluitsnoeren kunnen rechtstreeks in het apparaat worden gestoken en gemeten. Onderdelen met te korte aansluitingen kunnen via de meetsnoeren worden gecontacteerd die aan de bussen worden aangesloten. De meetsnoeren zijn in afgeschermde 4-draadsmethode uitgevoerd om meetafwijjkingen door snoerweerstanden te vermijden. Onder ongunstige lichtomstandigheden kan de display verlicht worden. Druk daarvoor eenmaal op de lichttoets (14). De schermverlichting blijft ca. 60 seconden aan en schakelt dan automatisch weer uit. Om de verlichting voortijdig uit te schakelen, drukt u opnieuw op de lichttoets. 7.2. MEETAPPARAAT INSCHAKELEN  Vóór ingebruikneming van het meetapparaat, moeten de meegeleverde batterijen worden geplaatst. Het plaatsen en vervangen van de batterijen wordt in het hoofdstuk „Onderhoud en reiniging“ beschreven. Het meetapparaat wordt via de aan-/uittoets (2) in- en uitgeschakeld. Druk eenmaal kort op de toets om het meetapparaat in of uit te schakelen. Schakel het meetapparaat altijd uit als u het niet gebruikt. Het uitschakelen wordt aangeduid met “OFF”. Na het inschakelen bevindt het meetapparaat zich in de intelligente AUTO-LCR-modus. De meetfrequentie bedraagt 1 kHz. 97 In deze modus meet het apparaat zelfstandig de meest plausibele meetwaarden volgens vast voorgegeven parameters. De volgende parameters zijn voorgegeven: Parameter Meetbereik Subdisplay θ < 11° AUTO R Fasehoek θ θ > 11° AUTO L Kwaliteitsfactor Q θ < -11° AUTO C C < 5 pF Verliesfactor D Parallelweerstand Rp 7.3. MEETFUNCTIE SELECTEREN De meetfunctie wordt via de toets „FUNC.” geselecteerd. Elke druk schakelt naar de volgende meetfunctie om. De volgende functies kunnen na elkaar worden geselecteerd: AUTO LCR Intelligente auto-modus voor L, C en R AUTO L – Q Meetbereik inductiviteit, in de subdisplay wordt de kwaliteitsfactor „Q” weergegeven. AUTO C – D Meetbereik capaciteit, in de subdisplay wordt de verliesfactor „D” weergegeven AUTO R Meetbereik wisselstroomweerstand DCR Meetbereik gelijkstroomweerstand De meetwaarden in de L, C en R-meetmodus kunnen positief of negatief zijn. Als de hoofdmeetwaarde in de modus „L – Q“ negatief (voorteken „-“) is, dan is het gemeten onderdeel inductief. Als de hoofdmeetwaarde in de modus „C – D” negatief is, dan is het gemeten onderdeel capacitief. Als in de meetmodus „R“ een negatieve meetwaarde wordt weergegeven, heeft zich een kalibreerfout voorgedaan. Voer in dit geval de kalibrering opnieuw uit. 7.4. MEETFREQUENTIE SELECTEREN De meetfrequentie kan manueel worden gewijzigd, maar de impedantiemeetbereiken zijn afhankelijk van de frequentie. Om te wijzigen drukt u op de toets „FREQ” (12). Elke druk verandert de meetfrequentie in voorgegeven stappen: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz. 98 7.5. HOLD-FUNCTIE De HOLD-functie bevriest de huidige meetwaarde op de display om deze rustig te kunnen aflezen of verwerken.  Zorg voor de meting ervoor dat deze functie bij het begin van de test gedeactiveerd is. Er wordt anders een verkeerd meetresultaat gesimuleerd! Voor het inschakelen van de HOLD-functie drukt u op de toets „HOLD” (8); een geluidssignaal bevestigt deze handeling en „HOLD” wordt op de display weergegeven. Om de HOLD-functie uit te schakelen, drukt u nog een keer op de toets „HOLD”. 7.6. REL-FUNCTIE De REL-functie laat referentiemetingen toe voor de weergave van onderdeelafwijkingen in %. De afwijking t.o.v. de referentiewaarde wordt in de subdisplay in procent weergegeven. Hiervoor wordt de huidige indicatiewaarde opgeslagen en voor de verdere berekening gebruikt. De formule van de berekening luidt: (meetwaarde – referentiewaarde) / (referentiewaarde / 100). - Door op de „REL“-toets te drukken wordt deze functie geactiveerd en de huidige meetwaarde opgeslagen. Een signaal weerklinkt en op de display verschijnt „REL“. - Begin de onderdelen te meten. De huidige meetwaarde wordt op de hoofddisplay en de afwijking in % op de subdisplay weergegeven. - Als u nog eens op de toets „REL“ drukt, schakelt u over naar het referentiescherm. Een signaal weerklinkt en op de display knippert „REL“. In de hoofddisplay wordt de eerder opgeslagen referentiewaarde en in de subdisplay de waarde van de afwijking in % weergegeven. Elke druk op de toets „REL“ schakelt tussen de schermen „Meetwaarde“ en „Referentiewaarde“ om. - Om deze functie uit te schakelen, houdt u de toets „REL“ gedurende ca. 2 sec. ingedrukt tot een signaal weerklinkt en het „REL“-symbool uitdooft. Het bereik van de procentweergave gaat van -99,9% tot 99,9%. Als de meetwaarde meer als dubbel zo groot is als de referentiewaarde, wordt „OL.“ In de subdisplay weergegeven. Het balkengrafiekscherm heeft altijd betrekking tot de actuele meetwaarde. 99 7.7. KALIBRERING Om de precisie tijdens de meting te bewaren, moet voor elke meetreeks of als er grotere afwijkingen worden vastgesteld, het meetapparaat worden gekalibreerd. De kalibrering bestaat uit twee delen: de kalibrering met open meetingangen en de kalibrering met gesloten meetingangen „SHORT”. Beide kalibreerstappen volgen elkaar op. Deze kunnen met of zonder meetsnoeren worden uitgevoerd, maar moeten in de constellatie worden gekalibreerd, zoals u ze ook bij het meten gebruikt. De afbeeldingen tonen telkens de beide mogelijkheden. Om het kalibreren te starten, houdt u de toets „CAL” (4) ca. 2 s ingedrukt. De kalibreermodus wordt door een signaaltoon bevestigd. De symbolen „CAL” en „OPEn” worden weergegeven. Kalibrering met open meetingangen: Let op dat de meetin gangen of meetsnoeren niet met elkaar zijn verbonden en vrij liggen. Druk op de toets „CAL”. Een countdownscherm telt vanaf 30 af. Na afloop van de tijd, wordt de status weergegeven. „PASS” gedeeltelijke kalibrering succesvol. „FAIL” gedeeltelijke kalibrering mislukt. Controleer in dit geval alle contactpunten op vervuilling en evt. beschadiging aan de meetsnoeren en voer het kalibreren opnieuw uit. Na een succesvolle gedeeltelijke kalibrering met open meetingangen, drukt u op de toets „CAL”. Het symbool „Srt” wordt weergegeven. 100 Kalibrering met gesloten meetingangen: Steek de kalibreerstekker „SHORT” (19) in de geïntegreerde meetklemmen of sluit de beide meetsnoeren kort. Druk op de toets “CAL”. Een countdownscherm telt vanaf 30 af. Na afloop van de tijd, wordt de status weergegeven. „PASS” gedeeltelijke kalibrering succesvol. „FAIL” gedeeltelijke kalibrering mislukt. Controleer in dit geval alle contactpunten op vervuilling en evt. beschadiging aan de meetsnoeren en voer het kalibreren opnieuw volledig uit. Na een succesvolle kalibrering met gesloten meetingangen, drukt u op de toets „CAL”. De kalibreermodus wordt afgesloten en het meetapparaat keert naar de meetmodus terug. Het kalibreren kan op elk moment via de aan-/uittoets (2) worden geannuleerd. Het kalibreren moet echter altijd volledig en zonder onderbreking worden uitgevoerd. 7.8. EQUIVALENTE SCHAKELING In de „AUTO-L”, „AUTO-C” en „AUTO-R”-modus worden de meetfuncties volgens vast geïntegreerde parameters als serie- of parallelschakeling herkend. Dit is afhankelijk van de totale equivalente impendantie van de schakeling. Op basis van de volgende parameters wordt een onderscheid gemaakt tussen serie- en parallelschakeling: Impendantie > 10 kOhm Parallelmodus aanduiding Lp, Cp of Rp Impendantie < 10 kOhm Seriemodus weergave Ls, Cs of Rs De serie- en parallelmodus kan met de toets „SER/PAL” (11) manueel worden omgeschakeld. Met elke keer drukken, schakelt u de functie om. De auto-modus wordt uitgeschakeld. Om de automodus opnieuw in te schakelen, selecteert u met de toets „FUNC“ (3) de gewenste meetfunctie. Reële capaciteiten, inductiviteiten of weerstanden zijn geen ideale onderdelen voor de meting van de zuivere reactantie en resistantie. Normaal gezien komen resistantie en reactantie tegelijk voor. Een geschikte impendantie kan gesimuleerd worden met een resistantie en een ander onderdeel (spoel, condensator) in serie- of parallelschakeling. 101 7.9. SORTEERMODUS De sorteermodus laat toe om snel onderdelen te selecteren op basis van een gemeten referentiewaarde, een individueel instelbare referentiewaarde en voorgegeven tolerantiebereiken. Voor de instelling van de parameters worden de pijlvormige toetsen (7), (9), (11) en (13) gebruikt. Voor het instellen van de sorteermodus gaat u als volgt te werk: Selecteer de gewenste meetfunctie met de toets “FUNC”. In de intelligente „AUTO LCR”-modus kunt u geen sorteerfunctie selecteren. Verbind het referentieonderdeel met de meetingang (17). Als „OL” of een waarde met minder dan 200 counts wordt weergegeven (count = kleinst weergegeven plaats onafhankelijk van het decimaalpunt vb. 1,99 = 199 counts), dan kunt u de sorteerfunctie niet selecteren. Druk op de toets „SORTING” (6) om de sorteermodus te activeren. In de display verschijnt het symbool „Sorting” en de gemeten waarde wordt als referentie opgeslagen. De vooringestelde tolerantiewaarde bedraagt ±1%. Als de tolerantiestandaard met uw criteria overeenkomt, kunt u met de sorteermeting verder gaan. Het testresultaat wordt in het hoofdscherm met „PASS” (meetwaarde binnen het tolerantiebereik) of „FAIL” (meetwaarden buiten het tolerantiebereik) weergegeven. In de subdisplay verschijnt de meetwaarde. Als u de referentiewaarde manueel invoert of de tolerantie wijzigt, gaat u als volgt tewerk: Druk op de toets „SETUP” (10) om de instellingen voor het meetbereik, de referentiewaarde en de tolerantie in te voeren. De instellingen volgen elkaar op. U bevindt zich in het menupunt „Meetbereik instellen”. In de display verschijnt het symbool „RANGE”. Met beide pijltoetsen links/rechts (9) en (11) kan het meetbereik worden geselecteerd. Bevestig uw keuze met de toets „ENTER” (15). U bevindt zich in het menupunt „Referentiewaarde instellen”. In de display knippert het laagste cijfer. Met de pijltoetsen omhoog/omlaag (7) en (13) kan de waarde worden gewijzigd. Met beide pijltoetsen links/rechts (9) en (11) kan de decimaal worden geselecteerd. Een waarde-invoer van 20 tot 1999 counts is mogelijk. Bevestig uw invoer met de toets „ENTER” (15). U bevindt zich in het menupunt „Tolerantiebereik instellen”. Op de display knippert de actuele tolerantiewaarde. Met beide pijltoetsen links/rechts (9) en (11) kan de tolerantiewaarde worden geselecteerd. U hebt de volgende keuzemogelijkheden: ±0,25% ±0,5% ±1% ±2% ±5% ±10% ±20% en -20% tot +80%. Bevestig uw invoer met de toets „ENTER” (15). U kunt met de sorteermeting verdergaan. Het testresultaat wordt in het hoofdscherm met „PASS” (meetwaarde binnen het tolerantiebereik) of „FAIL” (meetwaarden buiten het tolerantiebereik) weergegeven. In de subdisplay verschijnt de meetwaarde. Om de sorteerfunctie te beëindigen, drukt u op de toets „SORTING” (6). 102 8. MEETMODUS  Zorg dat de max. toegestane ingangswaarden in geen geval worden overschreden. Raak schakelingen en schakeldelen niet aan als daarop een hogere spanning dan 25 V ACrms of 35 V DC kan staan! Levensgevaarlijk! Controleer voor aanvang van de meting de aangesloten meetdraden op beschadigingen, zoals sneden, scheuren of afknellingen. Defecte meetsnoeren mogen niet meer worden gebruikt! Pak tijdens het meten de meetsnoeren niet boven de tastbare handgreepmarkeringen vast. Het meten mag alleen worden uitgevoerd als de behuizing en het batterijvak volledig gesloten zijn. Er mogen altijd alleen de twee meetsnoeren op het meetapparaat aangesloten zijn, die nodig zijn voor de meetfuncties. Verwijder om veiligheidsredenen alle niet benodigde meetsnoeren uit het apparaat. Zodra „OL“ (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden. Voer voor elke meetreeks een kalibrering uit om de precisie te garanderen. De kalibrering wordt in hoofdstuk 7.7. Kalibrering nauwkeurig beschreven. 8.1. MEETINGANGEN SELECTEREN Op het meetapparaat kunt u onderdelen via twee mogelijkheden aansluiten. Via de geïntegreerde klemcontacten of via de 4-draads-meetklemmen. Beide ingangen zijn met elkaar verbonden en mogen uitsluitend afzonderlijk worden gebruikt. Let op dat in de meetmodus met de 4-draads-meetklemmen altijd de stekker „OPEN” (18) voor de isolering van de geïntegreerde meetcontacten in de meetsnoermodus is verbonden. Deze stekker voorkomt een mogelijk negatieve beïnvloeding van de tweede meetingang. Verbind de stekker van het rode meetsnoer met de bussen „HPOT” en „HCUR” en hun afscherming met de bus „GUARD”. Verbind de stekker van het zwarte meetsnoer met de bussen „LPOT” en „LCUR” en hun afscherming met de bus „GUARD”. Verwijder in de meetmodus met de geïntegreerde klemcontacten altijd de meetsnoeren. Deze kunnen het meetresultaat negatief beïnvloeden. Wanneer u een meting uitvoert, moet u erop letten dat de meetpunten waarmee de meetstiften in contact komen, vrij zijn van vuil, olie, soldeerhars of dergelijke. Dergelijke omstandigheden kunnen het meetresultaat vervalsen. 103 8.2. INDUCTIVITEITSMETING  Controleer of alle te meten schakeldelen, schakelingen en componenten evenals andere meetobjecten absoluut spanningsloos en ontladen zijn. Schakel het meetapparaat met de aan-/uittoets (2) in. Selecteer de voor u passende meetingang en voer een kalibrering uit. Na het inschakelen is de intelligende „AUTO-LCR”-modus actief. Veel instellingen worden door het meetapparaat overgenomen en daarom zijn de toetsen „D/Q/ESR” (9), „SER/PAL” (11), „SORTING” (6) en „REL%” inactief. De hoofddisplay geeft de inductiviteitswaarde weer, de subdisplay de kwaliteitsfactor „Q”. Als dit niet wordt gewenst, selecteert u de meetfunctie „AUTO-L” via de toets „FUNC” (3). In de hoofddisplay wordt de meetwaarde weergegeven. Met de toets „D/Q/ESR” (9) kunnen de parameters in de subdisplay worden omgeschakeld. De meetfrequentie kunt u via de toets „FREQ” (12) selecteren. U kunt de volgende waarden selecteren: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz. Met elke keer drukken, schakelt u de meetwaarde om. De meetfrequentie bepaalt ook het meetbereik. De omschakeling tussen seriële en parallelmodus gebeurt via de toets „SER/PAL” (11). Deze functie deactiveert de AUTO-modus. Om naar de AUTO-modus terug te keren, drukt u meermaals op de toets „FUNC” tot de overeenkomstige meetfunctie opnieuw wordt weergegeven. Verbind het meetobject (spoel) met de meetingang. Op de display wordt na korte tijd de inductiviteit weergegeven. Wacht tot de displaywaarde gestabiliseerd is. Dit kan enkele seconden duren. Afgeschermde onderdelen kunnen ook aan de geïntegreerde meetcontacten worden aangesloten. De afbeelding toont de mogelijkheid om indien nodig de beveiliging aan de GUARD-bussen aan te sluiten. Zodra „OL” (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden. Kies evt. een andere meetfrequentie met een groter meetbereik. Verwijder na het meten de meetsnoeren van het meetobject en schakel het meetapparaat uit. 104 8.3. CAPACITEITSMETING  Controleer of alle te meten schakeldelen, schakelingen en componenten evenals andere meetobjecten absoluut spanningsloos en ontladen zijn. Schakel het meetapparaat met de aan-/uittoets (2) in. Selecteer de voor u passende meetingang en voer een kalibrering uit. Na het inschakelen is de intelligende „AUTO-LCR”-modus actief. Veel instellingen worden door het meetapparaat overgenomen en daarom zijn de toetsen „D/Q/ESR” (9), „SER/PAL” (11), „SORTING” (6) en „REL%” inactief. De hoofddisplay geeft de capaciteitswaarde weer, de subdisplay de verliesfactor „D”. Als dit niet wordt gewenst, selecteert u de meetfunctie „AUTO-C” via de toets „FUNC” (3). In de hoofddisplay wordt de meetwaarde weergegeven. Met de toets „D/Q/ESR” (9) kunnen de parameters in de subdisplay worden omgeschakeld. De meetfrequentie kunt u via de toets „FREQ” (12) selecteren. U kunt de volgende waarden selecteren: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz. Met elke keer drukken, schakelt u de meetwaarde om. De meetfrequentie bepaalt ook het meetbereik. De omschakeling tussen seriële en parallelmodus gebeurt via de toets „SER/PAL” (11). Deze functie deactiveert de AUTO-modus. Om naar de AUTO-modus terug te keren, drukt u meermaals op de toets „FUNC” tot de overeenkomstige meetfunctie opnieuw wordt weergegeven. Verbind het meetobject (condensator) met de meetingang. Houd bij het vervangen van de elektrolytcondensator steeds rekening met de juiste polariteit. De pluspool moet altijd aan het rode „H” en „+”-contact worden aangesloten. Op de display wordt na korte tijd de capaciteit weergegeven. Wacht tot de displaywaarde gestabiliseerd is. Dit kan enkele seconden duren. Afgeschermde onderdelen kunnen ook aan de geïntegreerde meetcontacten worden aangesloten. De afbeelding toont de mogelijkheid om indien nodig de beveiliging aan de GUARD-bussen aan te sluiten. Zodra „OL” (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden. Kies evt. een andere meetfrequentie met een groter meetbereik. Verwijder na het meten de meetsnoeren van het meetobject en schakel het meetapparaat uit. 105 8.4. WEERSTANDSMETING  Controleer of alle te meten schakeldelen, schakelingen en componenten evenals andere meetobjecten absoluut spanningsloos en ontladen zijn. Schakel het meetapparaat met de aan-/uittoets (2) in. Selecteer de voor u passende meetingang en voer een kalibrering uit. Na het inschakelen is de intelligende „AUTO-LCR”-modus actief. Veel instellingen worden door het meetapparaat overgenomen en daarom zijn de toetsen „D/Q/ESR” (9), „SER/PAL” (11), „SORTING” (6) en „REL%” inactief. De hoofddisplay geeft de weerstandswaarde weer, de subdisplay de fasehoek „θ”. Als dit niet wordt gewenst, selecteert u de meetfunctie „AUTO-R” via de toets „FUNC” (3). In de hoofddisplay wordt de meetwaarde (AC-R) weergegeven. De subdisplay is in deze meetfunctie niet actief. De meetfrequentie kunt u via de toets „FREQ” (12) selecteren. U kunt de volgende waarden selecteren: 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 10 kHz, 100 kHz. Met elke keer drukken, schakelt u de meetwaarde om. De meetfrequentie bepaalt ook het meetbereik. De omschakeling tussen seriële en parallelmodus gebeurt via de toets „SER/PAL” (11). Deze functie deactiveert de AUTO-modus. Om naar de AUTO-modus terug te keren, drukt u meermaals op de toets „FUNC” tot de overeenkomstige meetfunctie opnieuw wordt weergegeven. Als u de gelijkstroomweerstand (DC-R) meet, selecteert u via de „FUNC”-toets de meetfunctie „DCR”. In deze functie zijn de subdisplay en de toetsen „D/Q/ESR”, „SER/PAL” en „FREQ” niet actief. Verbind het meetobject (weerstand) met de meetingang. Op de display wordt na korte tijd de weerstand weergegeven. Wacht tot de displaywaarde gestabiliseerd is. Dit kan enkele seconden duren. Afgeschermde onderdelen kunnen ook aan de geïntegreerde meetcontacten worden aangesloten. De afbeelding toont de mogelijkheid om indien nodig de beveiliging aan de GUARD-bussen aan te sluiten. Zodra „OL” (voor Overload = overbelasting) op de display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden. Kies evt. een andere meetfrequentie met een groter meetbereik. Verwijder na het meten de meetsnoeren van het meetobject en schakel het meetapparaat uit. 106 9. GEBRUIK VIA DE OPTIONELE NETADAPTER Het meetapparaat kan zowel met batterijen als met een optionele netadapter worden gebruikt. Het gebruik via netadapter is aangewezen voor langere meettijden of permanent gebruik. De netadapter kan opzij aan de netadapterbus (16) worden aangesloten. Bij aansluiting van een netadapter wordt de automatische uitschakeling gedeactiveerd; het displaysymbool (D) dooft uit. Het gebruik via netadapter wordt door het symbool „Ext-Power” aangegeven. Batterijen die zich in het meetapparaat bevinden mogen niet worden verwijderd. De omschakeling van gebruik via batterijen naar netadapter gebeurt automatisch en zonder onderbreking van de metingen. De volgende voorwaarden zijn nodig voor de netadapter: Uitgangspanning: 12 V/DC Uitgangsstroom: min. 500 mA Holle stekker: 5,0 x 2,1 mm (buiten-/binnen-Ø) Polariteit: binnen pluspool  Neem de veiligheidsinstructies van de netadapter in acht. 10. REINIGING EN ONDERHOUD 10.1. ALGEMEEN Om de nauwkeurigheid van de multimeter over een langere periode te kunnen garanderen, moet het apparaat jaarlijks in een kalibreerlabo worden gekalibreerd. Afgezien van een incidentele reinigingsbeurt en het vervangen van de batterij is het apparaat onderhoudsvrij. Het vervangen van de batterijen vindt u onder Aansluiting.  Controleer regelmatig de technische veiligheid van het apparaat en de meetdraden, bijv. op beschadiging van de behuizing of afknellen van de draden enz. 10.2. REINIGING Voordat u het apparaat reinigt, dient u absoluut de volgende veiligheidsvoorschriften in acht te nemen:  Bij het openen van afdekkingen of het verwijderen van onderdelen, ook wanneer dit handmatig mogelijk is, kunnen spanningvoerende onderdelen worden blootgelegd. Vóór reiniging of reparatie moeten de aangesloten snoeren van het meetapparaat en van alle meetobjecten worden gescheiden. Schakel het apparaat uit. 107 Gebruik voor het schoonmaken geen carbonhoudende schoonmaakmiddelen, benzine, alcohol of soortgelijke producten. Hierdoor wordt het oppervlak van het meetapparaat aangetast. Bovendien zijn de dampen schadelijk voor de gezondheid en explosief. Gebruik voor de reiniging ook geen scherp gereedschap, schroevendraaiers of staalborstels en dergelijke. Gebruik een schone, pluisvrije, antistatische en licht vochtige schoonmaakdoek om het product te reinigen. Laat het apparaat goed drogen voordat u het weer in gebruik neemt. 10.3. PLAATSEN EN VERVANGEN VAN DE BATTERIJEN Het meetapparaat werkt op zes microbatterijen (type AAA, LR03). Bij de eerste ingebruikneming of wanneer het symbool voor vervanging van batterijen verschijnt, moeten nieuwe, volle batterijen worden geplaatst. Batterijtoestand goed, batterijen zijn volledig opgeladen Batterijtoestand goed, batterijen zijn bijna volledig opgeladen Batterijtoestand middelmatig, batterijen zijn bijna leeg en een vervanging dient zich aan Batterijtoestand slecht, batterijen zijn bijna leeg en een vervanging noodzakelijk Batterijtoestand ontoereikend, batterijen zijn leeg en een vervanging onmiddellijk nodig. Voor het plaatsen/vervangen gaat u als volgt te werk: Koppel alle meetsnoeren van het meetapparaat los en schakel het uit. Klap de standaard (5) open en draai de beide schroeven uit het batterijvak. Druk met de vinger op het batterijvakdeksel, zoals afgebeeld. Het deksel klapt omhoog en kan gewoon worden verwijderd. Nu kunt u bij de batterijen. Vervang de lege batterijen voor nieuwe van hetzelfde type. Let op de polariteit in het batterijvak. Sluit het batterijvak in omgekeerde volgorde en draai de schroeven vast. Het meetapparaat is nu weer klaar voor gebruik. 108  Gebruik het meetapparaat in geen geval in geopende toestand. Laat geen lege batterijen in het meetapparaat aangezien zelfs batterijen die tegen lekken zijn beveiligd, kunnen corroderen, waardoor chemicaliën vrij kunnen komen die schadelijk zijn voor uw gezondheid of schade veroorzaken aan het apparaat. Laat batterijen niet achteloos rondslingeren. Deze kunnen door kinderen of huisdieren worden ingeslikt. Raadpleeg bij inslikken onmiddellijk een arts. Verwijder de batterijen als u het apparaat gedurende langere tijd niet gebruikt, om lekkage te voorkomen. Lekkende of beschadigde batterijen kunnen bij huidcontact bijtende wonden veroorzaken. Draag daarom in dit geval beschermende handschoenen. Let op, dat batterijen niet worden kortgesloten. Gooi geen batterijen in het vuur. Batterijen mogen niet worden opgeladen of gedemonteerd. Er bestaat explosiegevaar. Geschikte alkalinebatterijen verkrijgt u met het volgende bestelnummer: bestelnr. 65 23 64 (6x bestellen). Gebruik uitsluitend alkalinebatterijen, omdat deze krachtig zijn en een lange gebruiksduur hebben. 11. AFVALVERWIJDERING 11.1. PRODUCT Elektrische en elektronische apparaten mogen niet via het normale huisvuil verwijderd worden. Als het product niet meer werkt, moet u het volgens de geldende wettelijke bepalingen voor afvalverwerking inleveren. Verwijder de geplaatste batterijen en gooi deze afzonderlijk van het product weg. 11.2. BATTERIJEN EN ACCU’S U bent als eindverbruiker volgens de KCA-voorschriften wettelijk verplicht alle lege batterijen en accu’s in te leveren; verwijdering via het huisvuil is niet toegestaan! Batterijen/accu´s die schadelijke stoffen bevatten, worden gemarkeerd door nevenstaande symbolen. Deze symbolen duiden erop dat afvoer via het huisvuil verboden is. De aanduidingen voor irriterend werkende, zware metalen zijn: Cd = cadmium, Hg = kwik, Pb = lood. U kunt verbruikte batterijen/accu’s gratis bij de verzamelpunten van uw gemeente, onze filialen of overal waar batterijen/accu’s worden verkocht, afgeven! Zo voldoet u aan de wettelijke verplichtingen en draagt u bij aan de bescherming van het milieu! 109 12. VERHELPEN VAN STORINGEN U heeft met het meetapparaat een product aangeschaft dat volgens de nieuwste stand der techniek is ontwikkeld en veilig is in het gebruik. Toch kunnen zich problemen of storingen voordoen. Hieronder vindt u enkele maatregelen om eventuele storingen eenvoudig zelf te verhelpen.  Neem altijd de veiligheidsinstructies in acht! Fout Mogelijke oorzaak Mogelijke oplossing Het meetapparaat werkt niet. Zijn de batterijen verbruikt? Controleer de toestand. Batterijen vervangen. Is een verkeerde meetfunctie actief? Controleer de indicatie en schakel de functie evt. om. Worden de verkeerde meetbussen gebruikt? Controleer de meetingangen. Is de HOLD-functie geactiveerd (weergave „HOLD”)? Druk op de toets „HOLD” om deze functie te deactiveren. Geen verandering van meetwaarden.  110 Andere reparaties zoals hiervoor omschreven mogen alleen door een geautoriseerde vakman worden uitgevoerd. Bij vragen over het gebruik van het meetapparaat staat onze technische helpdesk onder het volgende telefoonnummer ter beschikking: Voltcraft®, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Duitsland, Tel. +49 180/586 582 7 13. TECHNISCHE GEGEVENS Aanduiding.................................. Dual-LCD, 19999/1999 counts (tekens) + balkengrafiek Meetsnelheid .............................. ca. 1,2 metingen/seconde Meetfrequentie............................ 100 Hz, 120 Hz, 1 kHz, 1 kHz, 100 kHz Testpeil ....................................... 0,6 Vrms Equivalente schakeling ............... serieel/parallel Lengte meetsnoeren................... elk ca. 50 cm Automatische uitschakeling ........ ca. 5 minuten bij gebruik via batterijen Voedingsspanning ...................... 6 microbatterijen (AAA) of 12 V/DC netadapter (optie) Werkomstandigheden................. 0 tot 40°C (<90%rF) Opslagtemperatuur ..................... -25 tot +50 °C Gewicht....................................... ca. 640 g Afmetingen (lxbxh)...................... 200 x 95 x 45 (mm) DCR: gelijkstroomweerstand Hoofdscherm Ls/Cs: seriële inductiviteit/capaciteit Lp/Cp: parallelinductiviteit/-capaciteit θ fasehoek Parameter D verliesfactor Subdisplay ESR equivalente serieweerstand Q kwaliteitsfactor Rp equivalente parallelweerstand 111 L C Meetfuncties R 100 Hz 20 mH - 20 kH 120 Hz 20 mH - 20 kH 1 kHz 2000 μH - 2000 H 10 kHz 200 μH - 20 H 100 kHz 20 μH - 200 mH 100 Hz 20 nF - 20 mF 120 Hz 20 nF - 20 mF 1 kHz 2000 pF – 2 mF 10 kHz 200 pF - 200 μF 100 kHz 200 pF - 20 μF 100 Hz 200 Ω - 200 MΩ 120 Hz 200 Ω - 200 MΩ 1 kHz 20 Ω - 200 MΩ 10 kHz 20 Ω - 20 MΩ 100 kHz 20 Ω - 2 MΩ DCR 200 Ω - 200 MΩ D/Q 0,001 ~ 1999 θ 0,00° ~ ±180° Meettoleranties Weergave van de nauwkeurigheid in ± (% van de aflezing + weergavefouten in counts (= aantal kleinste posities)). De nauwkeurigheid geldt 1 jaar lang bij een temperatuur van +23°C (± 5°C), bij een rel. luchtvochtigheid van minder dan 80 %rF, niet condenserend. Uitsluitend geldig bij voorgaande kalibrering van de meetingang. 112 Impedantie Z Z 0,1 - 1 Ω 1 - 10 Ω 10 Ω 100 kΩ 100 kΩ 1 MΩ 1 MΩ 20 ΜΩ 20 ΜΩ 200 MΩ 1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 1,0%+5 2,0%+5 1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 1,0%+5 2,0%+5 1 kHz 1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 1,0%+5 5,0%+5 10 kHz 1,0%+5 0,5%+3 0,3%+2 0,5%+3 2,0%+5 --- 100 kHz 2,0%+5 1,0%+5 0,5%+3 1,0%+5 2,0%+5 (1 MΩ – 2 MΩ) freq. DCR 100 Hz 120 Hz Nota D < 0,1 兹苶 Als D > 0,1 moet de nauwkeurigheid vermenigvuldigd worden met Als D << 0,1 in de capaciteitsmodus moet de nauwkeurigheid vermenigvuldigd worden met ZC = Als D << 0,1 in de inductiviteitsmodus moet de nauwkeurigheid vermenigvuldigd worden met ZL = 2πf L Subdisplay parameternauwkeurigheid Ae Definitie Rp impedantie (Z) nauwkeurigheid Q= ESR (of Rs)× (1+ D waardenauwkeurigheid De = ±Ae × (1+D) ESR nauwkeurigheid Re= ±ZM × Ae (Ω) ) vb. ZM = impendantie berekend door Fasehoek θ nauwkeurigheid of 2πf L θe= ±(180/π) × Ae (deg) 113 Frequentie 100 kHz Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid De θe ESR /Rp 200,00 pF 0,01 pF ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±7,96×10-9/C+3 2000,0 pF 0,1 pF ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±7,96×10-9/C+3 20.000 nF 1 pF ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±7,96×10-9/C+3 200,00 nF 0,01 nF ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±1,59×10-8/C+5 2000,0 nF 0.1 nF ±(2,0%+5) ±0,020 ±1,15° ±3,18×10-8/C+5 20,00 μF 0,01 μF ±(2,0%+5) ±0,020 ±1,15° ±3,18×10-8/C+5 “C” komt overeen met de afleeswaarde in de eenheid Farad (F) Inductiviteit Ls/Lp Frequentie Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid De θe ESR /Rp 20.000 mH 1μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×100+2 200,00 mH 0,01 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×100+2 2000,0 mH 0,1 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×100+2 1 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×100+2 200,00 H 0,01 H ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×100+3 2000,0 H 0,1 H ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×100+5 20,000 kH 0,001 kH ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×100+5 Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid De θe ESR /Rp 2000,0 μH 0,1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×101+2 20.000 mH 1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×101+2 200,00 mH 0,01 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×101+2 2000,0 mH 0,1 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×101+2 20,000 H 1 mH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×101+3 200,00 H 0,01 H ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×101+5 2000,0 H 0,1 H ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×101+5 100 Hz/120 Hz 20,000 H Frequentie 1kHz 117 Frequentie 10 kHz Frequentie 100 kHz Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid De θe ESR /Rp 200,00 μH 0,01 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×102+2 2000,0 μH 0,1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×102+2 20.000 mH 1 μH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×102+2 200,00 mH 0,01 mH ±(0,3%+2) ±0,003 ±0,17° ±1,88L×102+2 2000,0 mH 0,1 mH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×102+3 20,000 H 1 mH ±(2,0%+5) ±0,00 ±1,15° ±1,26L×103+5 Meetbereik Resolutie Nauwkeurigheid De θe ESR /Rp 20.000 μH 0,001 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×103+3 200,00 μH 0,01 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×103+3 2000,0 μH 0,1 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×103+3 20.000 mH 1 μH ±(0,5%+3) ±0,005 ±0,29° ±3,14L×103+3 200,00 mH 0,01 mH ±(1,0%+5) ±0,010 ±0,57° ±6,28L×103+5 “L” komt overeen met de afleeswaarde in de eenheid Henry (H)  118 Er mag geen spanning aan de meetingangen worden aangesloten. Ontlaad alle onderdelen voor ze aan het meetapparaat worden aangesloten. Raak schakelingen en schakeldelen niet aan als daarop een hogere spanning dan 25 V ACrms of 35 V DC kan staan! Levensgevaarlijk! 쮕 Impressum Diese Bedienungsanleitung ist eine Publikation von Voltcraft®, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau, Tel.-Nr. 0180/586 582 7 (www.voltcraft.de). Alle Rechte einschließlich Übersetzung vorbehalten. Reproduktionen jeder Art, z.B. Fotokopie, Mikroverfilmung, oder die Erfassung in elektronischen Datenverarbeitungsanlagen, bedürfen der schriftlichen Genehmigung des Herausgebers. Nachdruck, auch auszugsweise, verboten. Diese Bedienungsanleitung entspricht dem technischen Stand bei Drucklegung. Änderung in Technik und Ausstattung vorbehalten. © Copyright 2012 by Voltcraft®  Legal notice These operating instructions are a publication by Voltcraft®, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Germany, Phone +49 180/586 582 7 (www.voltcraft.de). All rights including translation reserved. Reproduction by any method, e.g. photocopy, microfilming, or the capture in electronic data processing systems require the prior written approval by the editor. Reprinting, also in part, is prohibited. These operating instructions represent the technical status at the time of printing. Changes in technology and equipment reserved. © Copyright 2012 by Voltcraft®  Information légales Ce mode d‘emploi est une publication de la société Voltcraft®, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Allemagne, Tél. +49 180/586 582 7 (www.voltcraft.de). Tous droits réservés, y compris de traduction. Toute reproduction, quelle qu‘elle soit (p. ex. photocopie, microfilm, saisie dans des installations de traitement de données) nécessite une autorisation écrite de l‘éditeur. Il est interdit de le réimprimer, même par extraits. Ce mode d‘emploi correspond au niveau technique du moment de la mise sous presse. Sous réserve de modifications techniques et de l‘équipement. © Copyright 2012 by Voltcraft®  Colofon Deze gebruiksaanwijzing is een publicatie van de firma Voltcraft®, Lindenweg 15, D-92242 Hirschau/Duitsland, Tel. +49 180/586 582 7 (www.voltcraft.de). Alle rechten, vertaling inbegrepen, voorbehouden. Reproducties van welke aard dan ook, bijvoorbeeld fotokopie, microverfilming of de registratie in elektronische gegevensverwerkingsapparatuur, vereisen de schriftelijke toestemming van de uitgever. Nadruk, ook van uittreksels, verboden. Deze gebruiksaanwijzing voldoet aan de technische stand bij het in druk bezorgen. Wijziging van techniek en uitrusting voorbehouden. © Copyright 2012 by Voltcraft® V1_1012_01/AB
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122

VOLTCRAFT LCR-300 Operating Instructions Manual

Categorie
Meten, testen
Type
Operating Instructions Manual

in andere talen