Robur G Series Installation, Use And Maintenance Manual

Type
Installation, Use And Maintenance Manual
2021
ready
ErP
G
Rechtstreeks gasgestookte condenserende luchtverhitters voor
de verwarming van middelgrote en grote ruimtes
Handleiding voor installatie, gebruik en
onderhoud
Op methaan/lpg
Deze Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud werd opgesteld en gedrukt door Robur S.p.A.; de ook gedeeltelijke
reproductie van deze Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud is verboden.
Het origineel is gearchiveerd bij Robur S.p.A.
Ieder gebruik van deze Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud, anders dan persoonlijke raadpleging, moet vooraf
door Robur S.p.A. geautoriseerd worden
De rechten verbonden aan het wettelijk deponeren van de geregistreerde merken die in deze publicatie staan, zijn
onveranderlijk.
Teneinde de kwaliteit van zijn producten te verbeteren, behoudt Robur S.p.A. zich het recht voor om de gegevens en de inhoud
van deze Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud zonder voorgaande kennisgeving te wijzigen.
Herziening: C
Code: D-LBR591
VERWIJDERING
Het apparaat en alle toebehoren moeten apart worden afgevoerd in overeenstemming met de geldende voorschriften.
Het gebruik van het AEEA-symbool (Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur) geeft aan dat dit product niet bij het huishoudelijk
afval mag worden weggegooid. Een correcte verwijdering van dit product helpt om mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu en de
menselijke gezondheid te voorkomen.
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
3
I Inleiding ..................................................................................................
p.4
I.1 Bestemmelingen .............................................................
p.4
I.2 Besturingsinrichting ......................................................
p.4
II Symbolen en denities ..........................................................
p.4
II.1 Legende van de symbolen ..........................................
p.4
II.2 Termen en denities ......................................................
p.4
III Waarschuwingen ..........................................................................
p.4
III.1 Algemene waarschuwingen en
waarschuwingen voor de veiligheid ........................
p.4
III.2 Conformiteit ......................................................................
p.6
III.3 Uitsluiting van verantwoordelijkheid en
garantie ..............................................................................
p.6
1 Kenmerken en technische gegevens .....................
p.7
1.1 Kenmerken ........................................................................
p.7
1.2 Afmetingen .......................................................................
p.8
1.3 Elektrisch schema .........................................................
p.11
1.4 Besturingen .....................................................................
p.12
1.5 Technische gegevens ..................................................
p.13
2 Transport en plaatsing .........................................................
p.14
2.1 Waarschuwingen ..........................................................
p.14
2.2 Verplaatsing ....................................................................
p.14
2.3 Plaatsing van het toestel ............................................
p.14
2.4 Minimale afstanden die gerespecteerd moeten
worden ..............................................................................
p.15
2.5 Steunbeugel ...................................................................
p.15
3 Hydraulische installatie ......................................................
p.16
3.1 Waarschuwingen ..........................................................
p.16
3.2 Toevoer van brandstofgas .........................................
p.16
3.3 Rookgasafvoer ...............................................................
p.17
3.4 Afvoer van rookgascondens .....................................
p.21
4 Elektrische installatie ............................................................
p.22
4.1 Waarschuwingen ..........................................................
p.22
4.2 Elektrische installaties .................................................
p.22
4.3 Elektrische stroom ........................................................
p.23
4.4 Regelsysteem .................................................................
p.23
4.5 Externe anomaliemelding .........................................
p.25
4.6 Remote error reset ........................................................
p.25
5 Inbedrijfstelling ...........................................................................
p.25
5.1 Controles vooraf ............................................................
p.25
5.2 Controle verbrandingsparameters .........................
p.26
5.3 Aanpassen op een ander type gas .........................
p.27
6 Gewone geleiding .....................................................................
p.27
6.1 Waarschuwingen ..........................................................
p.27
6.2 Inschakelen en uitschakelen .....................................
p.28
6.3 Chronothermostaat .....................................................
p.28
6.4 De luchtverhitter gebruiken .....................................
p.35
6.5 Bedieningsschema's ....................................................
p.38
6.6 Instelbereik ......................................................................
p.40
7 Onderhoud ........................................................................................
p.40
7.1 Waarschuwingen ..........................................................
p.40
7.2 Periodiek onderhoud ...................................................
p.41
7.3 Limiet thermostaat reset ............................................
p.41
7.4 Probleemoplossing ......................................................
p.41
7.5 Toestel tijdelijk buiten gebruik stellen ..................
p.41
8 Bijlagen ..................................................................................................
p.43
8.1 Productche....................................................................
p.43
INHOUDSOPGAVE
Inleiding
4
I
I INLEIDING
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud
Deze handleiding maakt integraal deel uit van de unit
G en moet samen met het toestel aan de eindgebruiker
worden overgedragen.
I.1 BESTEMMELINGEN
Deze handleiding richt zich tot:
De eindgebruiker, voor een correct en veilig gebruik van het
toestel.
De gekwaliceerde installateur, voor een correcte installatie
van het toestel.
De ontwerper, voor specieke informatie over het toestel.
I.2 BESTURINGSINRICHTING
Om te kunnen werken G, moet de unit worden aangesloten op
de chronothermostaat die standaard bij het apparaat wordt ge-
leverd (zie paragraaf 1.4
p.12
).
II SYMBOLEN EN DEFINITIES
II.1 LEGENDE VAN DE SYMBOLEN
GEVAAR
WAARSCHUWING
NOTITIE
PROCEDURE
REFERENTIE (naar een ander document)
II.2 TERMEN EN DEFINITIES
Toestel / Unit = equivalente termen die beide worden gebruikt
om de gasluchtverhitter aan te duiden.
CAT = Erkend Technisch Assistentiecentrum van Robur.
Chronothermostaat = besturingsapparaat dat de functies van
omgevingsthermostaat, programmeerklok en signalering van
eventuele bedieningsfouten integreert.
Inbedrijfstelling = handeling om het toestel in dienst te stellen,
deze handeling mag enkel en alleen door een technische dienst
worden uitgevoerd.
III WAARSCHUWINGEN
III.1 ALGEMENE WAARSCHUWINGEN
EN WAARSCHUWINGEN VOOR DE
VEILIGHEID
Kwalicatie van de installateur
De installatie mag uitsluitend worden uitgevoerd door
een erkende onderneming en door gekwaliceerd
personeel, met specieke competenties over verwar-
mingsinstallaties, elektrische installaties en gasappara-
tuur, krachtens de wet van het land waar het toestel is
geïnstalleerd.
Conformiteitverklaring volgens de regels van de
kunst
Wanneer de installatie is voltooid, moet de onderneming
die de installatie uitvoert aan de eigenaar/opdrachtge-
ver de conformiteitverklaring van de installatie volgens
de regels van de kunst overmaken, in overeenstemming
met de geldende nationale/plaatselijke normen en de
instructies/voorschriften van de constructeur.
Oneigenlijk gebruik
Het toestel mag alleen worden gebruikt voor het doel
waarvoor het is ontworpen. Elk ander gebruik moet als
gevaarlijk worden beschouwd. Een verkeerd gebruik
kan de werking, de levensduur en de veiligheid van het
toestel aantasten. Houdt u aan de instructies van de
constructeur.
Gebruik door kinderen
Het toestel mag gebruikt worden door kinderen van
minstens 8 jaar oud en door mensen met beperkte li-
chamelijke, zintuiglijke of mentale capaciteiten, of zon-
der ervaring of de nodige kennis, mits zij onder toezicht
staan of nadat ze instructies hebben gekregen omtrent
het veilige gebruik van het toestel en het begrijpen van
de inherente gevaren ervan. Kinderen mogen niet met
het toestel spelen.
Gevaarlijke situaties
Het toestel niet in gevaarlijke condities starten, bijvoor-
beeld: gasgeur, problemen met de elektrische/gasinstal-
latie, delen van het toestel ondergedompeld in water of
beschadigd, slechte werking, deactivering of uitsluiting
van controle- of veiligheidsvoorzieningen.
Waarschuwingen
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
5
III
Vraag een interventie door gekwaliceerd personeel in-
dien er gevaar is.
Indien er gevaar optreedt, mag u de elektrische voeding
en de gastoevoer alleen afsluiten wanneer dit volkomen
veilig kan worden gedaan.
Laat het toestel niet gebruiken door kinderen of door
mensen met beperkte lichamelijke, zintuiglijke of psy-
chische capaciteiten, of zonder kennis of ervaring.
Dichtheid van gascomponenten
Voordat u handelingen op gastoevoercomponenten
gaat uitvoeren, moet u de gaskraan sluiten.
Na eventuele interventies moet u een dichtheidstest uit-
voeren volgens de geldende normen.
Gasgeur
Als men gaslucht opmerkt:
Activeer geen elektrische voorzieningen nabij het toe-
stel (bijvoorbeeld telefoons, multimeters of andere ap-
paratuur die vonken kunnen veroorzaken).
Onderbreek de gastoevoer door de kraan te sluiten.
Open ramen en deuren om de ruimte te verluchten.
Onderbreek de elektrische voeding via de externe schei-
dingsschakelaar in het elektrische voedingsschakelbord.
Vraag om tussenkomst van professioneel gekwaliceerd
personeel per telefoon, ver van het toestel.
Vergiftiging
Controleer of de rookgasafvoer dicht zijn en aan de gel-
dende normen beantwoorden.
Op het einde van eventuele interventies moet u de
dichtheid van de componenten controleren.
Bewegende onderdelen
In het toestel zitten bewegende onderdelen.
De beschermende kappen tijdens de werking niet ver-
wijderen; u moet in ieder geval eerst de elektrische voe-
ding onderbreken.
Gevaar voor brandwonden
Er zitten zeer hete delen in in het apparaat.
Open het apparaat niet en raak de interne onderdelen
niet aan voordat het apparaat is afgekoeld.
De rookgasafvoer niet aanraken voordat deze is afge-
koeld.
Gevaar voor elektrocutie
Schakel de elektrische voeding uit voordat u werken/
interventies op de componenten van het toestel gaat
uitvoeren.
Voor de elektrische aansluitingen mag u uitsluitend com-
ponenten gebruiken die aan de normen beantwoorden
en volgens de specicaties die door de constructeur zijn
verstrekt.
Zorg ervoor dat het toestel niet onbedoeld opnieuw kan
worden ingeschakeld.
Aarding
De elektrische veiligheid hangt af van een eciënte aar-
dingsinstallatie, correct aangesloten op het toestel en
uitgevoerd volgens de geldende normen.
Luchtstroom
Blokkeer het ventilatorretourrooster en de heteluchtin-
laat niet.
Afstand tot explosieve of ontvlambare materialen
Geen brandbare materialen (papier, oplosmiddelen, verf,
enz.) in de buurt van het toestel opslaan.
Volg de geldende technische normen.
Agressieve stoen in de lucht
De lucht van de installatieplaats mag geen agressieve
stoen bevatten.
Zure rookgascondens
Evacueer zure condens van de verbrandingsgassen zoals
aangegeven in de paragraaf 3.4
p.21
, in naleving van
de geldende normen betreende rookgasafvoer.
Het toestel uitschakelen
Het onderbreken van de elektrische stroom tijdens de
werking van het toestel kan blijvende schade aan de in-
terne componenten veroorzaken.
Behalve als er gevaar dreigt, mag u de elektrische voe-
ding niet onderbreken om het toestel uit te schakelen.
Bedien enkel en alleen de voorziene controle-inrichting
hiervoor.
In geval van defect
Werkzaamheden op de componenten en repara-
ties mogen uitsluitend door een technische dienst
worden uitgevoerd aan de hand van enkel originele
reserveonderdelen.
In geval van defect van het toestel en/of breuk van on-
derdelen, mag u niet zelf proberen om te repareren of te
herstellen: neem meteen contact op met de technische
dienst.
Periodiek onderhoud
Een correct onderhoud verzekert de eciëntie en de
goede werking van het toestel na verloop van tijd.
Het onderhoud moet worden uitgevoerd volgens de in-
structies van de constructeur (zie hoofdstuk 7
p.40
), in
overeenstemming met de geldende normen.
Het onderhoud en de reparatie van het toestel mag al-
leen aan bedrijven worden toevertrouwd die aan de
wettelijke vereisten beantwoorden om op gasinstallaties
te werken.
Sluit een onderhoudscontract af met een gespecialiseerd
bedrijf dat bevoegd is voor het gewone onderhoud om
Waarschuwingen
6
III
indien nodig interventies uit te voeren.
Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen.
De handleiding bewaren
Deze Handleiding voor installatie, gebruik en onder-
houd moet altijd bij het toestel blijven en aan de nieu-
we eigenaar of aan de installateur worden overgemaakt
wanneer het toestel wordt verkocht of naar een andere
plaats wordt overgebracht.
III.2 CONFORMITEIT
Richtlijnen en EU-normen
De gasluchtverhitters van de reeks G zijn gecerticeerd volgens
de Europese regelgeving GAR 426/2016/EU en beantwoorden
aan de essentieel vereisten van de volgende Richtlijnen:
2016/426/EG "Verordening betreende gasverbrandings-
toestellen" en volgende wijzigingen en integraties.
2014/30/EG "EMC-Richtlijn" (elektromagnetische compati-
bilteit) en volgende wijzigingen en integraties.
2014/35/EG "Laagspanningsrichtlijn" en volgende wijzigin-
gen en integraties.
2006/42/EG "Machinerichtlijn" en volgende wijzigingen en
integraties.
2281/2016/EU "Verordening ecologisch ontwerp voor lucht-
verwarmingsproducten" en latere wijzigingen en aanvullin-
gen.
Bovendien beantwoorden ze aan de vereisten van de volgende
normen:
EN 1020 Niet-huishoudelijke met gas gestookte luchtver-
warmers voor ruimteverwarming met een netto-warmtebe-
lasting tot 300 kW en een ventilator voor het transport van
de verbrandingslucht en/of verbrandingsgassen
prEN 17082 Huishoudelijke en niet-huishoudelijke gasge-
stookte luchtverwarmers met geforceerde luchtstroming
voor ruimteverwarming met een vermogen niet hoger dan
300 kW
Overige voorschriften en normen die van toepassing
zijn
Het ontwerp, de installatie, de bediening en het onderhoud
van de installaties moet worden uitgevoerd in naleving van de
geldende normen die van toepassing zijn, op basis van het land
en de plaats van de installatie, en in overeenstemming met de
instructies van de constructeur. Meer bepaald moeten de nor-
men worden nageleefd wat betreft:
Gasinstallaties en -apparatuur.
Elektrische installaties en -apparatuur.
Verwarmingsinstallaties
Milieubescherming en afvoer van verbrandingsproducten.
Veiligheid en brandpreventie.
Alle andere wetten, normen en reglementeringen die van
toepassing zijn.
III.3 UITSLUITING VAN
VERANTWOORDELIJKHEID EN GARANTIE
Elke contractuele en buitencontractueele verantwoor-
delijkheid van de constructeur is uitgesloten voor even-
tuele schade veroorzaakt door installatiefouten en/of
door oneigenlijk gebruik en/of het niet naleven van de
normen en aanwijzingen/instructies van de construc-
teur.
Meer bepaald kan de garantie op het toestel in de vol-
gende condities komen te vervallen:
Verkeerde installatie.
Incorrect gebruik.
Het niet opvolgen van, door de fabrikant voorgeschre-
ven, aanwijzingen met betrekking tot installatie, gebruik
en onderhoud.
Wijziging of aanpassing van het product of elk ander on-
derdeel.
Extreme operationele condities, in ieder geval buiten de
bedrijfscondities, zoals door de fabrikant gedenieerd.
Schade veroorzaakt door externe middelen zoals zou-
ten, chloor, zwavel of andere chemische substanties
aanwezig in de lucht op de opstellingsplaats.
Abnormale belastingen die door de omgeving of instal-
latie doorgegeven worden aan het toestel (mechanische
belastingen, druk, trillingen, thermische uitzettingen,
elektrische overspanning, ...).
Incidentele schades of force majeur.
Kenmerken en technische gegevens
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
7
1
1 KENMERKEN EN TECHNISCHE GEGEVENS
1.1 KENMERKEN
1.1.1 Werking
De gasluchtverhitter van de G-reeks is een onafhankelijke geslo-
ten luchtverhitter met een geforceerde rookgasafvoer.
De luchtverhitter is ontworpen om binnen gebruikt te worden,
in de te verwarmen ruimte.
Het verbrandingscircuit is waterdicht ten opzichte van de ver-
warmde omgeving en voldoet aan de eisen voor toestellen van
type C: de afzuiging van verbrandingslucht en de afzuiging van
dampen vinden buiten plaats en worden gewaarborgd door
de werking van een aanjager die in het verbrandingscircuit is
geplaatst.
Het apparaat is ook type B gekeurd voor installaties waar oxi-
derende lucht rechtstreeks uit de installatieruimte kan worden
gehaald.
De werking van de generator wordt geregeld door een om-
gevingsthermostaat, geïntegreerd in de meegeleverde
chronothermostaat.
De generator werkt door het thermisch vermogen en de ventila-
tiesnelheid continu te moduleren.
De verbrandingsproducten, opgewekt door de verbranding van
gas (methaan of LPG), gaan intern door de warmtewisselaars die
extern worden beïnvloed door de luchtstroom die door de ven-
tilator wordt geproduceerd, wat resulteert in de introductie van
hete lucht in het milieu.
De ventilator zal alleen automatisch werken als hij toestemming
krijgt van de ventilatiethermostaat, dat wil zeggen warme wisse-
laars, om te voorkomen dat koude lucht in de omgeving terecht-
komt, en zal uitschakelen bij koude wisselaars.
De richting van de luchtstroom is verticaal instelbaar door mid-
del van de lamellen van het beweegbare rooster.
In geval van oververhitting van de warmtewisselaars, als gevolg
van abnormale werking, sluit de temperatuursonde de stroom
naar de gasklep af door de ventilator en ventilator op maximale
snelheid te voeden. Als de temperatuur verder stijgt, wordt de
limietthermostaat geactiveerd, waardoor de generator wordt
uitgeschakeld.
Stroomopwaarts van de brander mengt een lucht-gas en ver-
drijft dampen uit de verbranding.
In geval van belemmeringen van de luchttoevoerpijp of een
storing van de rookgasventilator, zal de vlamcontrole eenheid
automatisch het debiet aanpassen. Indien de obstructie buiten
de toegelaten limieten komt, dan wordt een dierentiële druk-
schakelaar geactiveerd die de gasklep afsluit en zo de gastoe-
voer naar de brander stopt.
In de winter kan het toestel zowel in de manuele mode, als in de
automatische mode gebruikt worden.
In de zomer is het mogelijk om de ventilator alleen te bedie-
nen om een aangename beweging van de omgevingslucht te
hebben.
1.1.2 Mechanische componenten
Premix brander van roestvrij staal.
Hoge kop ventilator, met modulatie van rotatiesnelheid.
Cilindrische verbrandingskamer van roestvrij staal.
De gepatenteerde warmtewisselaars van Robur, gemaakt
uit een speciale aluminium legering, aan de buitenkant
voorzien van horizontale vinnen en inwendig van verticale
vinnen, die garant staan voor een extreme hoge warmte uit-
wisselingscapaciteit.
Stalen omkasting gelakt met epoxy verf.
Axiale ventilator (en) met hoog luchtdebiet, met variatie in
rotatiesnelheid.
1.1.3 Besturingsinrichtingen en
veiligheidsvoorzieningen
Elektronische beheerraad, met microprocessor en storings-
lter, die de volgende functies biedt:
brander ontsteking
controle en modulatie van de vlam
toerentalregeling van de aanjager
ventilatorsnelheidsregeling
controle van de temperatuur van de warmtewisselaar
d.m.v. een voeler
controle van de minimum temperatuur van de uitlaat-
gassen d.m.v. een voeler
Thermostaatlimiet 100 °C tot handmatige reset tegen over-
verhitting van warmtewisselaars.
Rookgasthermostaat.
Elektroklep gas.
Kenmerken en technische gegevens
8
1
1.2 AFMETINGEN
Afbeelding1.1 Afmetingen van luchtverhitters G30, G45, G60
1 Rookgasafvoer
2 Oxiderende luchtinlaat
3 stroomkabelinvoer
4 Aansluiting gas 3/4" F
5 Condensaatafvoersifon (standaard meegeleverd)
C
Q
I
F
D
B
W
1
T
R
2
3
X Y
4
5
Z
H
L
N
J
E
G
A
M
Kenmerken en technische gegevens
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
9
1
Afbeelding1.2 Afmetingen van luchtverhitter G100
1 Rookgasafvoer
2 Oxiderende luchtinlaat
3 stroomkabelinvoer
4 Aansluiting gas 3/4" F
5 Condensaatafvoersifon (standaard meegeleverd)
H
L
N
J
E
G
A
M
C
Q
I
F
D
B
1
2
3
4
5
T
R
W
540
X Y
Z
Kenmerken en technische gegevens
10
1
Tabel1.1 Afmetingen
G30 G45 G60 G100
A 656 706 796 1296
B 710 715 720 740
C 800 800 800 800
D 570 570 570 570
E 370 370 510 1010
F 405 405 405 405
G 440 490 580 1080
H 536 536 536 536
I 157,2 157,2 157,2 157,2
J 307 327 371 507
L 180 180 180 180
M 20 20 20 20
N 223 223 223 223
Q 360 360 360 360
R 340 340 340 340
T 720 720 720 720
W 380 480 500 520
X 80 80 80 80
Y 80 80 80 80
Z 120 120 120 120
Kenmerken en technische gegevens
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
11
1
1.3 ELEKTRISCH SCHEMA
Afbeelding1.3 Aansluitschema G30, G45, G60
SF Blazer
SCH1 Besturingskaart
SCH2 motorbesturingskaart
S Temperatuursonde wisselaar
RLZ Sensor vlam
EV Elektroklep gas
TR Ontstekingstransformator
V1 Ventilator
STF Rookgastemperatuursensor
TL Limietthermostaat
AC Elektroden voor aanzetten
TRF1 Ventilator autotransformator
P1 Aarding
CR Klokthermostaat
1 Bruin
2 Rood
3 Blauw
4 Roze
5 Grijs
6 Geel
7 Groen
8 Wit
9 Zwart
10 Paars
1 2 3 4 5 6
N
X12
CR
N
SF
~
L
1
5
X15
X3
X17
X16
X22
X18
N
TR
P3
N
X19
FUSE 2A
T3
T3
T2
T1
L1
N1
X7
P1
T5
X7
EV
RLZ
AC
FUSE 6.3A
X13
L
N
GND
X5
X6
X3
X1
K4
K3
K2
X7
X10
X9
X11
X8
C
1
2
3
4
F1
K1
COM
MIN
MED/MIN
MED/MAX
MAX
L
N
X9
SCH1
SCH2
IN 230V 50Hz
GND
V1
~
M
M-1
230
0
TRF 1
N
TL
S
STF
3 9
5
2
10
8
1
FN1
FL1
FN2
FL2
LD1
Kenmerken en technische gegevens
12
1
Afbeelding1.4 Aansluitschema G100
SF Blazer
SCH1 Besturingskaart
SCH2 motorbesturingskaart
S Temperatuursonde wisselaar
RLZ Sensor vlam
EV Elektroklep gas
TR Ontstekingstransformator
V1-V2 Ventilator
STF Rookgastemperatuursensor
TL Limietthermostaat
AC Elektroden voor aanzetten
P1 Aarding
CR Klokthermostaat
1 Bruin
2 Rood
3 Blauw
4 Roze
5 Grijs
6 Geel
7 Groen
8 Wit
9 Zwart
10 Paars
1 2 3 4 5 6
N
X12
CR
N
SF
L
1
5
~
X15
X3
X17
X16
X22
X18
N
TR
P3
N
X19
FUSE 2A
T3
T3
T2
T1
L1
N1
X7
P1
T5
X7
EV
RLZ
AC
COM
MIN
MED/MIN
MED/MAX
MAX
FUSE 6.3A
X13
L
N
GND
X5
X6
X3
X1
L
N
K4
K3
K2
X7 X10
X9
X11
X8
C
1
2
3
4
F1
K1
X9
SCH1
SCH2
IN 230V 50Hz
GND
V1
V2
~
~
TL
S
STF
LD1
1.4 BESTURINGEN
1.4.1 Besturingsinrichting
De werking van de unit wordt geregeld door de digitale
chronothermostaat die standaard wordt geleverd.
Zie paragraaf voor meer informatie 6.3
p.28
.
Kenmerken en technische gegevens
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
13
1
1.5 TECHNISCHE GEGEVENS
Tabel1.2 Technische gegevens
G30 G45 G60 G100
Werking bij verwarming
Thermisch vermogen
nominaal (1013 mbar - 15°C) (1) kW 30,0 45,0 58,0 93,0
minimum (1) kW 15,0 19,3 31,7
Thermisch vermogen per
eenheid
nominaal kW 29,2 43,3 56,2 90,2
minimum kW 15,8 15,6 20,2 33,5
Rendement
nominaal thermisch belasting % 97,3 96,5 97,0
minimaal thermisch belasting % 105,3 104,3 104,6 105,7
nuttig bij 100% warmtestroom % 96,8 96,0 96,5
Warmteverlies
naar de afvoerleiding in bedrijf % 2,70 3,50 3,00
naar de mantel in bedrijf % 0,50
brander uitgeschakeld % 0,10
Temperatuurgradiënt
nominaal luchtdebiet K 29,0 32,0 31,0
minimum luchtdebiet K 22,0 15,0 14,0 18,0
worplengte (eindsnelheid < 0,5 m/s) (2) m 18,0 25,0 31,0 40,0
Omgevingstemperatuur lucht
(droge bol)
maximum °C 35 (3)
minimum °C 0
Elektrische gegevens
Voeding
spanning V 230
type - eenfase
frequentie Hz 50
Opgenomen elektrisch
vermogen
nominaal kW 0,21 0,33 0,58 1,00
Zekering A 6,3
Beschermklasse
ventilatormotor IP 54 33
toestel IP 20
Installatiegegevens
Gasverbruik
methaan G20 (nominaal) m³/h 3,17 4,76 6,14 9,84
G25 (nominaal) m³/h 3,69 5,54 7,14 11,45
G25.1 (nominaal) m³/h 3,69 5,53 7,13 11,43
G25.3 (nominaal) m³/h 3,16 5,42 6,98 11,19
G27 (nominaal) m³/h 3,87 5,81 7,49 -
G2.350 (nominaal) m³/h 4,41 6,62 8,53 -
G30 (nominaal) kg/h 2,37 3,55 4,57 7,33
G31 (nominaal) kg/h 2,33 3,55 4,51 7,22
luchtow
nominaal m³/h 2840 3850 5050 8250
minimum m³/h 2050 2900 4000 5200
Gasaansluiting
type - F
schroefdraad 3/4
Rookgasafvoer
diameter (Ø) mm 80
overblijvende opvoerhoogte Pa 65 100 120 200
installatietype - B23, C13, C33, C53, C63
Aansluiting verbrandingslucht diameter (Ø) mm 80
maximum debiet condensatiewater l/h 4,6 6,9 8,9 14,4
aanbevolen installatiehoogte m 3,0 ÷ 3,5
geluidsvermogen L
w
(max) dB(A) 79,0 85,5 89,5
geluidsvermogen L
w
(min) dB(A) 73,5 79,5 83,5
geluidsdruk L
p
op 5 meter (max) dB(A) 57,0 63,5 67,5
geluidsdruk L
p
op 5 meter (min) dB(A) 51,5 57,5 61,5
Afmetingen
diepte mm 710 715 720 740
hoogte mm 800
breedte mm 656 706 796 1296
Gewicht in werking kg 55 65 75 120
Algemene gegevens
aantal wisselaars - 2 3 4 8
type wisselaars - toren
aantal ventilatoren - 1 2
(1) Relatief tot netto warmtevraag.
(2) Waarden gemeten in het vrije veld. Bij echte installatie kan de thermische stroming afstanden bereiken die groter zijn dan de aangegeven waarde (afhankelijk van de hoogte van de
ruimte en de thermische isolatie van het deksel).
(3) Bedrijfstemperatuur van de componenten in het toestel is 0 °C / +60 °C
Transport en plaatsing
14
2
2 TRANSPORT EN PLAATSING
2.1 WAARSCHUWINGEN
Schade door transport of plaatsing
De constructeur is niet verantwoordelijk voor eventue-
le schade tijdens het transport en de plaatsing van het
toestel.
Controle op de werf
Controleer bij aankomst op de werf of er geen transport-
schade is aan de verpakking, metalen panelen of chro-
nothermostaat.
Verzeker u ervan dat het toestel intact en volledig is na
het verwijderen van de verpakking.
Verpakking
Verwijder de verpakking pas nadat het toestel ter plaatse
is opgesteld.
Laat geen delen van de verpakking (plastic, piepschuim,
spijkers, ...) binnen bereik van kinderen, omdat die po-
tentieel gevaarlijk zijn.
Gewicht
De heftoestellen moeten geschikt zijn voor de last.
Til het apparaat op en bevestig het aan de beugel
(Paragraaf 2.5
p.15
).
2.2 VERPLAATSING
2.2.1 Verplaatsing en optillen
Verplaats het toestel altijd in de verpakking, zoals die uit de
fabriek is gekomen.
Respecteer de veiligheiddsnormen op de werven.
2.3 PLAATSING VAN HET TOESTEL
Het apparaat moet in de te verwarmen ruimte worden
geïnstalleerd.
2.3.1 Waar moet u het toestel installeren
De wand of structuur waarop u het apparaat wilt instal-
leren moet draagkrachtig zijn of anderszins geschikt om
het gewicht te dragen.
De installatie mag niet worden uitgevoerd op slecht af-
gedichte wanden die onvoldoende weerstand bieden
tegen de spanningen die door de unit worden veroor-
zaakt. De fabrikant aanvaardt geen verantwoordelijk-
heid als het apparaat is geïnstalleerd op muren of muren
die ongeschikt zijn voor het dragen van het gewicht.
De rookgasafvoer van het toestel mag niet in de on-
middellijke nabijheid van openingen of ventilatie-ope-
ningen van gebouwen zijn en moet voldoen aan de mili-
euvoorschriften en veiligheidsvoorschriften.
Om een maximaal rendement van het systeem te bekomen is
het aangeraden volgende punten in acht te nemen:
Zorg ervoor dat de luchtstroom het personeel niet direct be-
invloedt (kantel de roostervinnen op de juiste manier).
Hou rekening met obstakels die de luchtstroom verstoren
(steunpalen, rekken…).
Overweeg de luchtlancering van het apparaat (tabel
1.2
p.13
).
Indien meerdere luchtverhitters worden geplaatst, kan u
door een betere verdeling van warme lucht alternatieve
luchtstromen creëren (Beeld 2.1
p.14
)
In sommige gevallen is het nuttig de luchtverhitter dicht bij
de hoofdpoort te plaatsen, om zo een warmeluchtgordijn te
creëren als deze poorten openstaan.
Afbeelding2.1 Luchtstroomverdeling
Transport en plaatsing
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
15
2
2.4 MINIMALE AFSTANDEN DIE
GERESPECTEERD MOETEN WORDEN
2.4.1 Afstanden tot ontvlambare of brandbare
materialen
Houd het toestel uit de buurt van ontvlambare of brandbare
materialen of componenten, in overeenstemming met de
geldende normen.
2.4.2 Afstanden rondom het toestel
De minimale afstanden die men moet naleven zijn ver-
eist voor de veiligheid, de werking en het onderhoud.
Afbeelding2.2 Te respecteren afstanden
A Generator breedte B Object of structuur die aan de generator ten grondslag ligt
B
>350 mm
>400 mm
< 3,5 m
> 2,5 m
>200 mm
A A
>500 mm
De aanbevolen optimale hoogte vanaf de grond aan
de basis van de generator is 2,5 - 3,5 m (zie guur
2.2
p.15
). Het is niet aan te raden om generatoren te
installeren op een hoogte van minder dan 2,5 m boven
de grond.
2.5 STEUNBEUGEL
Robur biedt als accessoire steunbeugels die gemakkelijk te
monteren zijn, speciaal ontworpen voor seriegeneratoren G, die
het mogelijk maken om de fase van bevestiging aan de muur te
vereenvoudigen.
De beschikbare haakjes zijn als volgt:
Verstelbare beugel O19800020 (modellen G30, G45)
Verstelbare beugel O19800024 (model G60)
Verstelbare beugel O19800028 (model G100)
Vaste beugel lengte 1,4m OSTF009
Alle beugels worden geleverd met bouten en
bevestigingstemplaat.
Raadpleeg de relevante instructiebladen voor montage-instruc-
ties voor beugels.
Als u deze accessoires niet wilt gebruiken, raadpleegt u Figuur
2.3
p.15
.
Gebruik voor het bevestigen van het apparaat op de steunplan-
ken 4 M10-bouten.
Afbeelding2.3 Installatie met steunplank
A Generator montagepunten hartlijn
B Steunplanklengte
40405
B
A
Hydraulische installatie
16
3
Tabel2.1 Grootte generatorbeugel
G30 G45 G60 G100
A 370 370 510 1010
G30 G45 G60 G100
B 840
3 HYDRAULISCHE INSTALLATIE
3.1 WAARSCHUWINGEN
3.1.1 Algemene waarschuwingen
Lees de waarschuwingen in hoofdstuk III.1
p. 4
, hierin
staat belangrijke informatie over de normen en de vei-
ligheid.
Conformiteit met de installatienormen
De installatie moet in overeenstemming zijn met de gel-
dende normen die van toepassing zijn, op basis van het
land en de plaats van de installaties, voor wat de veilig-
heid, het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud be-
treft van:
verwarmingsinstallaties
gasinstallaties
rookgasafvoer
afvoer van condens van rookgassen
Bovendien moet de installatie in overeenstemming zijn
met de voorschriften van de constructeur.
3.2 TOEVOER VAN BRANDSTOFGAS
3.2.1 Gasaansluiting
3/4" F
aan de achterzijde, naar links (zie Paragraaf maatschemas
1.2
p.8
).
Installeer een trillingswerende verbinding tussen het toestel
en de gasleiding.
3.2.2 Afsluitkraan verplicht
Voorzie een (manuele) gasafsluitkraan op de gastoevoerlei-
ding, vlakbij het toestel, om de gastoevoer naar het toestel
indien nodig af te sluiten.
Zorg voor een driedelige voeg.
Voer de aansluiting uit in overeenstemming met de gelden-
de normen.
3.2.3 Dimensionering van de gasleidingen
De gasleidingen mogen geen te grote drukval veroorza-
ken, waardoor er onvoldoende druk naar het toestel wordt
aangevoerd.
3.2.4 Gastoevoerdruk
Dit toestel is uitgerust voor een maximale gastoevoer-
druk van 50 mbar.
De druk van de gastoevoer van het toestel, zowel statisch
als dynamisch, moet in overeenstemming zijn met de Tabel
3.1
p.16
, met een tolerantie van ± 15%.
Een gasdruk die niet conform is (Tabel 3.1
p. 16
) kan
het toestel beschadigen en een gevaar vormen.
Tabel3.1 Druk distributiegas
Gastoevoerdruk [mbar]
Productcate-
gorie
Land van bestemming G20 G25 G25.1 G25.3 G2.350 G27 G30 G31
II
2H3B/P
AL, BG, CH, CY, CZ, DK, EE, FI, GR, HR, IT, LT, LV, MK, NO, RO, SE,
SI, SK, TR
20 30 30
AT, CH 20 50 50
II
2H3P
AL, BG, CH, CZ, ES, GB, GR, HR, IE, IT, LT, LV, MK, PT, SI, SK, TR 20 37
RO 20 30
AT 20 50
II
2ELL3B/P
DE 20 20 50 50
II
2Esi3P
FR
20 25 37
II
2Er3P
20 25 37
II
2H3B/P
HU
25 30 30
II
2HS3B/P
25 25 30 30
II
2E3P
LU 20 50
II
2L3B/P
NL
25 30 30
II
2L3P
25 37
II
2EK3B/P
20 25 30 30
II
2EK3P
20 25 30
Hydraulische installatie
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
17
3
II
2E3B/P
PL
20 37 37
I
2E
20
II
2ELwLs3B/P
20 13 20 37 37
II
2ELwLs3P
20 13 20 37
I
2E(R)
BE
20 25
I
2E(S)
20 25
I
3P
37
I
3P
IS 30
I
2H
LV 20
I
3B/P
MT
30 30
I
3B
30
De druk van de gastoevoer van het toestel, zowel statisch als dynamisch, moet in overeenstemming zijn met de Tabel, met een tolerantie van ± 15%.
3.2.5 Verticale leidingen en condens
De verticale gasleidingen moeten voorzien zijn van een si-
fon en een condensaaat om de condens af te voeren die
zich in de leiding kan vormen.
Indien nodig moet men de leiding isoleren.
3.2.6 Drukreduceerventielen LPG
Met de GPL moeten worden geïnstalleerd:
Een drukreduceerventiel eerste sprong, in de buurt van de
vloeibare gastank.
Een drukreduceerventiel tweede sprong, in de buurt van het
apparaat.
3.3 ROOKGASAFVOER
Conformiteit aan de normen
Het toestel is gehomologeerd voor aansluiting op een
afvoerleiding voor de verbrandingsproducten van de
types vermeld in Tabel 1.2
p.13
.
3.3.1 Aansluiting rookgasafvoer
Ø met 80 mm pakking, aan de achterzijde, bovenaan (zie
maatschema paragraaf 1.2
p.8
).
3.3.2 Aansluiting zuigbuis verbrandingslucht
Ø met 80 mm pakking, aan de achterzijde, bovenaan (zie
maatschema paragraaf 1.2
p.8
).
3.3.3 Soorten installaties
De in onderstaande tabellen aangegeven lengtes
moeten worden begrepen in het geval van installaties
waarin de luchtpijp en/of de rookpijp een lineair traject
vormen zoals aangegeven in de respectieve guren.
Anders moet worden overgegaan tot de berekening van
de vericatie van drukdalingen (paragraaf 3.3.4
p.19
).
Indien andere dan de door de fabrikant geleverde lei-
dingen worden gebruikt, moet ervoor worden gezorgd
dat deze geschikt zijn voor het type toestel waarop zij
zijn geïnstalleerd. In het bijzonder moet de temperatuur-
klasse van het kanaal afgestemd zijn op de bedrijfsken-
merken van het toestel en verenigbaar zijn met de che-
misch-fysische stabiliteit van het systeem zelf.
Het materiaal waarin de rookbuis is vervaardigd moet
classe W1 zijn volgens de wet UNI EN 1443, en dus aan-
gepast om korrosie te weerstaan van condensaten af-
komstig van gasverbranding.
Gebruik in ieder geval kanalen die zijn goedgekeurd
volgens het uit te voeren installatietype. Robur heeft op
aanvraag stijve leidingen, coaxiale kanalen en goedge-
keurde terminals.
De gasluchtverhitters van de G-reeks kunnen op volgende ma-
nier geïnstalleerd worden.
3.3.3.1 Installatietype B23 met wandrookpijp
Afbeelding3.1 Installatietype B23 met wandrookpijp
A Bovenaanzicht
A
Tabel3.2 Maximaal toelaatbare lengtes type B23
Maximum toegelaten lengte (m)
Rookgasbuizen
Ø 80 Ø 100 Ø 110
G30 23 30 30
G45 16 30 30
G60 12 30 30
G100 8 28 30
Hydraulische installatie
18
3
3.3.3.2 Installatietype B23 met dakrookpijp
Afbeelding3.2 Installatietype B23 met dakrookpijp
Tabel3.3 Maximaal toelaatbare lengtes type B23 met dakrookpijp
Maximum toegelaten lengte (m)
Rookgasbuizen
Ø 80 Ø 100 Ø 110
G30 20 30 30
G45 13 30 30
G60 9 30 30
G100 5 18 28
3.3.3.3 C13 installatie met aparte buizen
Afbeelding3.3 C13 installatie met aparte buizen
A Bovenaanzicht
1 Rookgasafvoer
2 Oxiderende luchtinlaat
A
1 2
Tabel3.4 Maximaal toelaatbare lengtes type C13 met afzonderlijke
leidingen
Maximum toegelaten lengte (m)
Luchttoevoerbuizen Rookgasbuizen
Ø 80 Ø 100 Ø 110 Ø 80 Ø 100 Ø 110
G30 17 30 30 17 30 30
G45 12 30 30 12 30 30
G60 9 30 30 9 30 30
G100 6 21 20 6 21 20
3.3.3.4 C13 installatie met concentrische muurdoorvoer
Afbeelding3.4 C13 installatie met concentrische muurdoorvoer
A Bovenaanzicht
A
Tabel3.5 Maximaal toelaatbare lengtes type C13 coaxiale wand
80/125 met Ø 80 buizen
Maximum toegelaten lengte (m)
Luchttoevoerbuizen Rookgasbuizen
G30 11 11
G45 7 7
G60 4 4
G100 2 2
Tabel3.6 Maximaal toelaatbare lengtes C13 coaxiale wandtype
130/180
Maximum toegelaten lengte (m)
Luchttoevoerbuizen Rookgasbuizen
Ø 80 Ø 130 Ø 80 Ø 130
G30 13 30 13 30
G45 9 30 9 30
G60 6 30 6 30
G100 4 30 4 30
3.3.3.5 Dak Coaxiale Type C33 Installatie
Afbeelding3.5 Dak Coaxiale Type C33 Installatie
Hydraulische installatie
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
19
3
Tabel3.7 Maximaal toelaatbare lengtes type C33 dak coaxiaal 80/125
met Ø 80 buizen
Maximum toegelaten lengte (m)
Luchttoevoerbuizen Rookgasbuizen
G30 8 8
G45 3 3
G60 - -
G100 - -
Tabel3.8 Maximaal toelaatbare lengtes type C33 dak coaxiaal 100/150
Maximum toegelaten lengte (m)
Luchttoevoerbuizen Rookgasbuizen
Ø 80 Ø 100 Ø 80 Ø 100
G30 11 30 11 30
G45 7 26 7 26
G60 4 17 4 17
G100 1 8 1 8
Tabel3.9 Maximaal toelaatbare lengtes type C33 dak coaxiaal 130/210
Maximum toegelaten lengte (m)
Luchttoevoerbuizen Rookgasbuizen
Ø 80 Ø 110 Ø 130 Ø 80 Ø 110 Ø 130
G30 13 30 30 13 30 30
G45 9 30 30 9 30 30
G60 5 30 30 5 30 30
G100 2 22 30 2 22 30
3.3.3.6 C53 installatie met aparte buizen
Afbeelding3.6 C53 installatie met aparte buizen
Tabel3.10 Maximaal toelaatbare lengtes type C53 met afzonderlijke
leidingen
Maximum toegelaten lengte (m)
Luchttoevoer-
buizen
Rookgasbuizen
Ø 80 Ø 100 Ø 110
G30 1 19 30 30
G45 1 13 30 30
G60 1 9 30 30
G100 1 5 24 30
3.3.4 Maatvoering en installatie van oxiderende
lucht/rookgasleidingen
Voor het meten van het leidingsysteem is het noodzakelijk de
totale drukval te berekenen die door het systeem zelf wordt
gegenereerd.
De toegestane wrijvingsverliezen over de buizen wordt bepaald
per model luchtverhitter (Tab. 3.11
p.20
).
De drukdalingen van de rook- en luchtleidingen die beschik-
baar zijn als accessoires Robur zijn weergegeven in de tabel
3.12
p.20
.
De tabel 3.13
p.20
toont de drukdalingen voor in de handel
verkrijgbare Ø 100 aluminium rook- en luchtkanalen.
De drukdalingen van de coaxiale kanalen beschikbaar als acces-
soires Robur zijn weergegeven in de tabel 3.14
p.20
.
De drukverliezen over de eindstukken zijn zo klein dat ze ver-
waarloosbaar zijn.
Bij elke installatie moet nagegaan worden of het totale drukver-
lies over het systeem onder de maximum toegestane waarde
(Tabel 3.11
p.20
) van de geïnstalleerde luchtverhitter ligt. Op
de Paragraaf 3.3.5
p.21
wordt een voorbeeld berekening ge-
maakt van de drukverliezen, die dan vergeleken wordt met de
maximum toegestane waarde.
De maximale lengtes van de lucht- en rookleiding, afhankelijk
van het type uitgevoerde installatie, zijn weergegeven in de on-
derstaande tabellen met de guren van de in paragraaf beschre-
ven installatietypen 3.3.3
p.17
.
Voornoemde lengtes moeten worden opgevat als indi-
catief en in het geval van standaardinstallaties waarbij
de luchtleiding en de rookleiding een lineair pad maken
zoals aangegeven in de respectieve guren. Anders
moet worden overgegaan tot de berekening van de veri-
catie van het belastingsverlies (paragraaf 3.3.5
p.21
):
installatie is toegestaan als het totale belastingsverlies
lager is dan het maximaal toegestane belastingsverlies
(tabel ). 3.11
p.20
De als accessoire leverbare Ø 80, 110 en 130 buizen zijn
gemaakt van Robur roestvrij staal, terwijl de als acces-
soire leverbare Ø 100 adapters Robur gemaakt zijn van
aluminium.
Hydraulische installatie
20
3
Tabel3.11 Gegevens voor de berekening van het lucht/rooksysteem met in de handel verkrijgbare leidingen
G30 G45 G60 G100
Installatiegegevens
Rookgastemperatuur
Nominaal thermisch
belasting
G20 °C 85,0 95,0 85,0
Rookgasdebiet
Nominaal thermisch
belasting
G20 kg/h 51 76 102 155
Percentage CO
2
in het
rookgas
Nominaal thermisch
belasting
G20 % 8,8 9,1 8,9 9,5
Rookgasafvoer overblijvende opvoerhoogte Pa 65 100 120 200
Tabel3.12 Gegevens voor de berekening van het lucht/rooksysteem met Ø 80/110/130 kanalen beschikbaar als accessoire
G30 G45 G60 G100
Dampdrukval
Ø 80 mm
Buis 1 m Pa 2,8 5,9 9,3 22,4
Bocht 90° Pa 3,6 7,8 12,7 31,6
T-stuk Pa 8,5 17,7 27,9 67,2
Ø 110 mm
Buis 1 m Pa 0,6 1,2 1,9 4,6
Bocht 90° Pa 1,0 2,2 3,5 8,6
T-stuk Pa 1,8 3,7 5,8 13,8
Ø 130 mm
Buis 1 m Pa 0,3 0,5 0,9 2,0
Bocht 90° Pa 0,5 1,1 1,8 4,4
T-stuk Pa 0,8 1,6 2,6 6,1
Luchtdrukval
Ø 80 mm
Buis 1 m Pa 1,0 2,0 3,2 7,5
Bocht 90° Pa 1,4 3,0 4,9 12,3
T-stuk Pa 2,9 6,1 9,5 22,6
Ø 110 mm
Buis 1 m Pa 0,2 0,4 0,7 1,6
Bocht 90° Pa 0,4 0,8 1,4 3,4
T-stuk Pa 0,6 1,3 2,0 4,7
Ø 130 mm
Buis 1 m Pa 0,1 0,2 0,3 0,7
Bocht 90° Pa 0,2 0,4 0,7 1,7
T-stuk Pa 0,3 0,6 0,9 2,1
Tabel3.13 Technische gegevens voor de berekening van luchttoevoer/rookgasafvoer system met buizen van Ø 100
G30 G45 G60 G100
Dampdrukval
Ø 100 mm
Buis 1 m Pa 0,9 1,9 3,0 7,1
Bocht 90° Pa 1,4 3,1 4,9 12,3
T-stuk Pa 2,8 5,7 9,0 21,2
Luchtdrukval
Ø 100 mm
Buis 1 m Pa 0,3 0,7 1,0 2,4
Bocht 90° Pa 0,5 1,2 2,0 4,9
T-stuk Pa 1,0 2,0 3,1 7,3
Tabel3.14 Gegevens voor het berekenen van het lucht/rooksysteem met coaxiale kanalen beschikbaar als accessoire
G30 G45 G60 G100
Drukval coaxiale afvoer
Ø 80/125 mm
wand Pa 21,2 40,3 60,8 132,4
dak Pa 23,8 50,5 -
Ø 130/180 mm wand (1) Pa 14,0 22,4 31,2 60,8
Ø 100/150 mm dak Pa 9,7 21,3 35,3 90,5
Ø 130/210 mm dak Pa 3,6 7,8 12,7 31,6
(1) Kan alleen worden gebruikt met OSTF009-beugel
In geval van horizontale rookgasafoer moeten volgende
punten in acht genomen worden:
Lengte rookkanaal < 1 m: de buis plaatsen met een
helling van 2 tot 3 cm in de richting van de luchtverhitter
(zie Beeld 3.7
p.21
)
Lengte rookkanaal > 1,5 m: de condensaten moeten keu-
ring worden afgevoerd naar een afvoersysteem conform
Hydraulische installatie
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
21
3
met de bestaande wetgeving.
In het geval van installaties met verticale rookleidingen
langer dan 1,5 m is het, om te voorkomen dat er con-
densdruppels in de generator terechtkomen, noodzake-
lijk om een T-vormig element aan de basis van de verti-
caal geplaatste rookpijp te voorzien voor het opvangen
van condensatie (Figuur 3.2
p.18
).
Voor elke gebruikte bocht van 45° dient u een lengte van
1,2 meter bij te tellen.
Afbeelding3.7 Aopen van horizontale rookgasbuizen
2-3%
Voor een correcte installatie van de externe uitlaatklemmen van
verbrandingsproducten en terugwinning van oxiderende lucht,
volgt u de instructies in Figuur 3.8
p.21
.
Afbeelding3.8 Positionering van de muur eindstukken
IN luchtopening
verbranding
OUT uitgang rookgassen
A aanbevolen positie (OK)
B toegestane positie (OK)
C verboden positie
IN
OUT
A
IN
OUT
B
IN
OU
T
C
NOOK
3.3.5 Voorbeeldberekening
Voor dit voorbeeld gaan we uit van de installatie van een G100
in conguratie C13 (Beeld 3.3
p. 18
). Voor het lucht/rookgas
systeem gebruiken we afzonderlijke Ø 80 mm buizen:
7 m Ø 80 rookgasbuizen
1 bocht van 90° Ø 80 mm op de rookgasafvoer
6 m Ø 80 luchttoevoerbuizen
Nu kunnen we de berekening uitvoeren, rekening houdend met
het feit dat het maximaal toegestaan drukverlies voor de 200 Pa
is (Tab. 3.11
p.20
).
Ø 80 rookgasbuizen
7 m x 22,4 Pa/m = 156,8 Pa
Bocht 90°
1 x 31,6 Pa = 31,6 Pa
Ø 80 luchttoevoerbuizen
6 m x 7,5 Pa/m = 45,0 Pa
Totaal drukverlies = 233,4 Pa
Het totale drukverlies over het systeem is groter dan de maxi-
maal toegestane (200 Pa), deze installatie is dus niet toegestaan.
De installatie kan uitgevoerd worden indien:
De lengte van lucht/rookgasbuizen wordt ingekort.
Vergroot de diameter van de buizen, bijvoorbeeld met de Ø
110. In dit geval zou het totale verlies zijn:
7 m x 4,6 Pa/m = 32,2 Pa
1 x 8,6 Pa = 8,6 Pa
6 m x 1,6 Pa/m = 9,6 Pa
Totaal drukverlies = 50,4 Pa
dit is dus compatibel met de maximaal toelaatbare drukval.
3.4 AFVOER VAN ROOKGASCONDENS
De unit G is een condensatie-apparaat en produceert dus con-
densatiewater uit verbrandingsgassen.
Zuurtegraad van de condens en afvoernormen
Condenswater van rookgassen bevat agressieve zu-
re substanties. Raadpleeg de geldende normen die
van toepassing zijn om de condens af te voeren en te
verwijderen.
Indien vereist, moet u een neutralisator van de zuurte-
graad met geschikt vermogen installeren.
Geen dakgoten gebruiken om de condens af te
voeren
Het condenswater van rookgassen niet in de dakgoten
afvoeren, wegens het risico voor corrosie van de materi-
alen en gevaar voor ijsvorming.
3.4.1 Koppeling condensafvoer
Het rookcondensafvoerhulpstuk bevindt zich aan de onderkant
van het apparaat.
De condensafvoerbuis moet op een geschikte afvoercollec-
tor worden aangesloten.
De verbinding tussen de buis en de collector van de con-
densafvoer moet op een zichtbare plaats aangebracht zijn.
3.4.2 Installatie Condensaatafvoerset
Standaard wordt een condensafvoerkit geleverd die (door de
installateur) wordt aangesloten op de specieke uitlaat aan de
onderkant van de generator.
Hoe installeer ik de condensafvoerset
1. Draai de bovenste ringmoer van de condensafvoersifon los.
2. Steek de bevestigingskraag van de condensafvoer in de bo-
venste ringmoer met het hulpstuk naar buiten gericht.
3. Draai de ringmoer op de sifon vast.
4. Schroef de sifon op de condensaatuitlaat aan de onderkant
van de generator.
Elektrische installatie
22
4
5. Regel nu de positie van de sifon zodat de afvoeraansluiting
in de juiste richting staat om de afvoerleiding aan te sluiten
(Beeld 3.9
p.22
).
Het stopcontact aan de onderkant van het apparaat is zo
ingericht dat het ook bij montage van de stuurbare kruis-
beugel bruikbaar blijft (optioneel, paragraaf 2.5
p.15
).
De aansluiting van het condenswater op de afvoer moet
bij atmosferische druk uitgevoerd worden door in een
siphon te lopen aangesloten op het afvoersysteem.
Afbeelding3.9 Detail van de installatie van de afvoerbuizen
A Aansluiting van de condensatie afvoerbuizen (installateur)
B Bovenste ring
A
B
3.4.3 Collector condensafvoer van rookgassen
Om de condensafvoercollectors uit te voeren:
Dimensioneer de leidingen voor het maximaall condensde-
biet (tabel 1.2
p.13
).
Gebruik plastic materialen die bestand zijn tegen een zuur-
tegraad pH 3-5.
Voorzie een minimale helling van 1%, dit betekent 1 cm per
meter van het traject (anders is een stuwpomp nodig).
Voorkom bevriezing.
4 ELEKTRISCHE INSTALLATIE
4.1 WAARSCHUWINGEN
Algemene waarschuwingen
Lees de waarschuwingen in hoofdstuk III
p. 4
: hier-
in staat belangrijke informatie over de normen en de
veiligheid.
Conformiteit met de installatienormen
De installatie moet in overeenstemming zijn met de gel-
dende normen die van toepassing zijn, op basis van het
land en de plaats van de installaties, voor wat de veilig-
heid, het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud van
elektrische installaties betreft.
Bovendien moet de installatie in overeenstemming zijn
met de voorschriften van de constructeur.
Componenten onder spanning
Voordat u de elektrische aansluitingen uitvoert wanneer
het toestel op zijn denitieve plaats is opgesteld, moet u
ervoor zorgen om niet te werken op componenten die
onder spanning staan.
Aarding
Het toestel moet op een eciënte aardingsinstallatie
zijn aangesloten, uitgevoerd in overeenstemming met
de geldende normen.
Het is verboden om de gasleidingen als aardgeleider te
gebruiken.
Isolering van kabels
Houd de vermogenskabels fysisch gescheiden van de
signaalkabels.
De elektrische voedingsschakelaar niet gebruiken
om het toestel aan/uit te zetten
De elektrische voedingsschakelaar niet gebruiken om
het toestel aan/uit te zetten, omdat u zo het toestel kunt
beschadigen (een black-out die zich af en toe voordoet
wordt wel getolereerd).
Gebruik uitsluitend de speciaal voorziene besturingsin-
richting om het toestel aan en uit te zetten.
4.2 ELEKTRISCHE INSTALLATIES
De elektrische aansluitingen zorgen voor:
A. Elektrische voeding (Paragraaf 4.3
p.23
).
B. Besturingssysteem (Paragraaf 4.4
p.23
).
De aansluitingen uitvoeren
Alle elektrische aansluitingen moeten worden gemaakt op het
elektronische bedieningspaneel in het elektrische paneel van de
unit:
1. Zorg ervoor dat het apparaat niet onder spanning staat.
2. Open de deur aan de rechterkant van het apparaat om toe-
gang te krijgen tot het elektrische paneel.
3. Rijg de kabels door de wartel (referentie 3 dimensionale
Elektrische installatie
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
23
4
schema's Paragraaf 1.2
p.8
).
4. Zoek de voorziene aansluitklemmen.
5. Voer de aansluitingen uit.
6. Sluit de deur
4.3 ELEKTRISCHE STROOM
4.3.1 Lijn voor elektrische stroom
Voorzie (voor rekening van de installateur) een beveiligde enkel-
fasige elektrische voeding (230 V 1-N 50 Hz) met:
Kabel type H05 VVF 3x1,5 mm
2
met een maximale uitwendi-
ge diameter van 12 mm.
Bipolaire schakelaar met een minimale contactopening van
3 mm.
De voeding aansluiten
Om de drieaderige voedingskabel aan te sluiten:
1. Toegang tot het elektronische bord volgens de procedure
4.2
p.22
.
2. Sluit de drie geleiders aan op het elektronische bord zoals
weergegeven in guur 4.1
p.23
.
3. Voorzie een aardingsgeleider die langer is dan de geleiders
onder spanning (de laatste om losgerukt te worden in geval
per ongeluk aan de kabel wordt getrokken).
Afbeelding4.1 Aansluiting van het toestel op het lichtnet
L Fase
N Neuter
NIET MEEGELEVERDE
componenten.
GS Bipolaire schakelaar
230 V ~ 50 Hz
N
L
GND
GS
X1
4.4 REGELSYSTEEM
4.4.1 Positionering van het besturingssysteem
Installeer de chronothermostaat volgens de volgende
instructies:
Ongeveer 1,5 m van de vloer, beschermd tegen tocht, di-
recte blootstelling aan zonlicht, invloed van directe verwar-
mingsbronnen (lampen, heteluchtstromen van het apparaat
zelf, enz.).
Indien mogelijk niet op muren grenzend aan de buitenkant,
om de gedetecteerde temperatuur en dus de werking van
het systeem niet te verstoren. Bescherm anders het bestu-
ringssysteem door een plaat isolatiemateriaal (kurk, polys-
tyreen of ander) tussen het systeem en de muur te plaatsen.
Naleving van bovenstaande indicaties voorkomt onbe-
doelde opstarten en stilleggingen van het systeem en
zorgt voor optimaal comfort in de omgeving.
4.4.2 Chronothermostaat
Aansluiting van de klokthermostaat
De chronothermostaat moet met behulp van expansie-
schroeven op een geschikte plaats op de muur worden
geïnstalleerd.
De klokthermostaat wordt aangesloten aan het com-
municatie paneel geleverd, met een kabel van 5 meter
(Beeld 4.2
p.23
).
Indien een kabel van meer dan 5 meter nodig is, dan kan
u een kabel gebruiken met een sectie van 0,75mm
2
, en
een maximum weerstand van 5 Ω per geleider (gebruik
een beschermde shielded kabel indien er elektrische in-
terferenties kunnen optreden).
De maximum toegelaten lengte van de aansluitkabel is
30 meter.
Afbeelding4.2 Chronothermostaat-aansluiting en dialoogbord als de standaard meegeleverde kabel niet wordt gebruikt
A Communicatie paneel in het controle circuit op positie X13
B Kabel 2x0,75 mm
2
, maximum weerstand per geleider 5 Ω, maximum lengte
30 meter
C Chronothermostaat
B
C
A
J1
J2
Elektrische installatie
24
4
4.4.3 Controle van meerdere generatoren met één
externe toestemming
In de winter is het mogelijk om meerdere generatoren te be-
dienen met één externe toestemming (bijv. programmeerklok)
door de elektrische brug op aansluitklemmen X10 (paragraaf
1.3
p. 11
) gemarkeerd met het radiatorsymbool te verwijde-
ren en de externe toestemming aan te sluiten op dezelfde
aansluitklemmen (afbeelding 4.3
p.24
).
In de zomer is het mogelijk om meerdere generatoren te
bedienen met één externe toestemming (bijv. programmeer-
klok) door de elektrische brug op terminals X7 (Paragraaf
1.3
p.11
) gemarkeerd met het ventilatorsymbool te verwijde-
ren en de externe toestemming aan te sluiten op dezelfde
terminals (Figuur 4.3
p.24
).
In ieder geval moet elke generator worden aangesloten op de
respectieve chronothermostaat en moet de toestemming voor
de werking ook doorde laatste worden verstrekt.
Door het externe contact te openen wordt de luchtverhitter ge-
deactiveerd, ongeacht de instelling van de klokthermostaat.
Afbeelding4.3 Aansluitschema voor een externe sturing van meerdere verhitters
E Inschakelen zomermode
I Inschakelen winter mode
R1-3 Relais voor inschakelen van winter mode
R1'-3' Relais voor inschakelen van zomer mode
S Zomer/winter schakelaar
SCH1 Besturingskaart
SCH2 motorbesturingskaart
G1-3 Generator
CR Klokthermostaat
AANDACHT: Elke luchtverhitter moet aangesloten zijn aan zijn individuele
klokthermostaat.
SCH1
SCH2
G3
CR
R3
R3’
SCH1
SCH2
G2
SCH1
SCH2
R2
R2’
R1
R1’
S
E
0
I
E
0
I
E
I
CR
CR
G1
L
N
Inbedrijfstelling
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
25
5
4.5 EXTERNE ANOMALIEMELDING
Mogelijke foutmeldingen die tijdens het normaal gebruik kun-
nen voorkomen, worden weergegeven met een foutcode op de
klokthermostaat (Tab. 6.5
p.34
).
Eventuele storingen kunnen ook op afstand worden gemeld
door een licht aan te sluiten op de aansluitingen X9 van het mo-
torbord (uitgang 230V – 50Hz, zie schema in guur 4.4
p.25
).
De maximum lengte van de kabel die hiervoor gebruikt
mag worden is 200 meter.
Afbeelding4.4 Aansluiting signaalindicatielampje vlamvergrendeling
L1 Signaallamp
vergrendelen
L1
X9
X11
Indien een led oplicht, betekent dit dat er een storing is, zoals
beschreven in Tab. 4.1
p.25
.
Tabel4.1 LED-verlichting voor afwijkende signalering
Fout Led-lichtstatus
Vlamvergrendeling Vast
Grenswaarde thermostaat of minimum rooktemperatuur thermostaat interventie
(1)
Knipperen (aan = 4 seconden, uit = 1 seconde) (2)
Ander probleem Knipperen (aan = 1 seconde, uit = 4 seconden) (2)
1 De rooktemperatuurthermostaat is aanwezig op de seriegeneratoren G.
2 Na 72 uur continu knipperen gaat het led lampje vast blijven branden.
4.6 REMOTE ERROR RESET
Ontgrendelen kan ook op afstand worden gedaan. Hiervoor is
het nodig om een knop aan te sluiten op de aansluitingen X11
van het motorbord (uitgang 230V – 50Hz, zie schema in Figuur
4.5
p.25
).
Door het contact te sluiten wordt de fout gereset.
Afbeelding4.5 Aansluiting vlamontgrendelknop
P1 Deblokkeerknop
P1
X9
X11
5 INBEDRIJFSTELLING
De inbedrijfstelling voorziet in de controle/afstelling van
de verbrandingsparameters en mag uitsluitend door
een technische dienst worden uitgevoerd Robur. De ge-
bruiker/installateur is NIET gemachtigd tot het uitvoeren
van deze handelingen, op strae van verval van de ga-
rantie.
De installateur is verplicht om controles vooraf uit te
voeren, zoals beschreven in paragraaf 5.1
p.25
.
5.1 CONTROLES VOORAF
Paragraaf speciaal voor de installateur.
5.1.1 Preventieve controles voor de inbedrijfstelling
Vooraleer met de technische dienst contact op te nemen, na
de installatie, is de installateur gehouden om het volgende te
controleren:
Elektrische en gasinstallaties, geschikt voor het vereiste ver-
mogen en uitgerust met alle veiligheidsvoorzieningen en
controle-inrichtingen opgelegd door de geldende normen.
Geen lekken in de gasinstallaties.
Type gas waarvoor het toestel is voorzien (aardgas, LPG of
andere).
Druk van de gastoevoer, overeenkomstig de waarden van de
Tabel 3.1
p.16
, met een maximale tolerantie van ±15%.
Correcte werking van het kanaal van de rookafzuiging
Toevoeging van oxiderende lucht en afzuiging van dampen,
correct uitgevoerd in overeenstemming met de huidige re-
gelgeving.
Elektriciteitsnet overeenkomstig de gegevens op het plaatje
van het toestel.
Correct geïnstalleerd toestel, volgens de instructies van de
constructeur.
Installatie uitgevoerd volgens de regels van de kunst, in
overeenstemming met de geldende nationale en plaatselij-
ke normen.
Inbedrijfstelling
26
5
5.1.2 Abnormale of gevaarlijke installatiesituaties
Indien er abnormale of gevaarlijke installatiesituaties worden
vastgesteld, zal de technische dienst de inbedrijfstelling niet uit-
voeren en kan het toestel niet worden gestart.
Deze situaties kunnen als volgt zijn:
De te respecteren afstanden zijn niet nageleefd.
Onvoldoende afstand tot brandbare materialen.
Condities waardoor geen toegang en geen onderhoud in
veilige omstandigheden mogelijk is.
Toestel gestart/uitgeschakeld met de hoofdschakelaar in
plaats van met de voorziene besturingsinrichting.
Defecten of gebreken van het toestel veroorzaakt tijdens het
transport of de installatie.
Gasgeur.
Niet-conforme druk van het distributiegas.
Niet-conforme rookgasafvoer.
Alle situaties die tot storingen van de werking kunnen leiden
of die potentieel gevaarlijk zijn.
5.1.3 Niet-conforme installatie en corrigerende
interventies
Als de technische dienst een niet-conformiteit vaststelt, is de ge-
bruiker/installateur gehouden om eventuele corrigerende inter-
venties vereist door de technische dienst uit te voeren.
Als (volgens het oordeel van de technische dienst) de veilig-
heids- en conformiteitscondities zijn voldaan na de uitvoering
van de interventies om dit op te lossen (voor rekening van de
installateur), kan worden verder gegaan met de inbedrijfstelling.
5.2 CONTROLE VERBRANDINGSPARAMETERS
Paragraaf exclusief voor de technische dienst voor-
behouden
De generator wordt geleverd met de gasklep die al ge-
kalibreerd is ten opzichte van de brandstof aangegeven
op de lijm naast de gasaansluiting. Bijgevolg moet tij-
dens de eerste ontstekingsfase alleen de CO
2
-waarde
worden geverieerd en moet, alleen als dit mislukt, of in
het geval van een gaswijziging, de gehele vericatiepro-
cedure worden uitgevoerd.
De controle van de CO
2
-waarde moet worden uitge-
voerd met de deur gesloten, terwijl de kalibratie van de
gasklep moet worden uitgevoerd met de deur open.
Met een dierentiaal manometer dient de druknippel A
van het gasventiel op de + (positief) van de manometer.
Afbeelding 5.1
p.27
1. Indien het toestel actief is deze uitschakelen met behulp van
het besturingssysteem.
2. Sluit een manometer aan op de oset drukaansluiting
(A), na het verwijderen of losdraaien van de betreende
afdichtingsschroef.
3. Het toestel opstarten op niveau 3 maximaal vermogen
et wachten totdat de vlam gestabiliseerd is (ongeveer 2
minuten).
4. Met de toetst van de chrono thermostaat het toestel op
minimum vermogen/debiet brengen (niveau 1).
5. Met de toetst IP, in menu INFO gaan, met toetst OK RPM se-
lecteren en nagaan of de snelheid van de ventilator op ni-
veau 1 minimum vermogen overeenstemt met de waarden
aangeduid in Tabel 5.1
p.26
.
6. Stel de osetafstelschroef af om de osetdrukwaarde te ver-
krijgen die in de volgende tabellen wordt weergegeven, met
een tolerantie van ± 1 Pa.
7. Controleer of de CO
2
-waarde overeenkomt met de waarde
aangegeven in kolom "Minimaal thermisch belasting" van
de volgende tabellen, afhankelijk van het model en het ge-
bruikte type gas. Stel anders de CO
2
-percentage waarde in
met behulp van de oset stelschroef.
De staat van de brander onderzoeken: er mogen geen
gloeizonen aanwezig zijn.
8. Koppel de manometer los en schroef de drukafnameafdich-
tingsschroef (A) weer vast.
9. Sluit de deur en gebruik de afstandsbediening om niveau 3
in te stellen (maximale capaciteit/debiet).
10. Wachten totdat de vlam gestabiliseerd is (minstens 5
minuten).
11. Controleer of de CO
2
-waarde overeenkomt met de waarde
aangegeven in kolom "Nominaal thermisch belasting" van
de volgende tabellen, afhankelijk van het model en het ge-
bruikte type gas.
Als de test een positief resultaat geeft:
12. Stop met handmatig forceren van het vermogensniveau.
Als de test een negatief resultaat geeft:
13. Herhaal stap 3 tot en met 7 (exclusief stap 6) om de werking
bij een minimaal debiet te reactiveren; controleer en corri-
geer indien nodig de CO
2
-waarde onder deze omstandig-
heden opnieuw door de osetafstelschroef aan te passen.
14. Herhaal stap 12 om de procedure te voltooien.
Nagaan of de waarden van statische en dynamische
drukken, met het toestel op niveau 3, overeenstemmen
met de limietwaarden aangeduid in Tabel 3.1
p. 16
(met lage gasdrukken zal het CO
2
gehalte ook een mini-
male waarde hebben).
Tabel5.1 Snelheid ventilator
Model
Snelheid ventilator op niveau 1
minimum vermogen (rpm)
Snelheid ventilator op niveau 3
maximum vermogen (rpm)
G30 1900 3500 ± 150
G45 1700 4850 ± 150
G60 2000 5650 ± 150
G100 2050 6000 ± 150
Gewone geleiding
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
27
6
Afbeelding5.1 Gasblok
A Drukaansluiting oset
B Aansluiting distributiegasdruk
C Stelschroef oset
A
C
B
Tabel5.2 Tabel afstelling gasklep G30
Gas
Netwerk-
druk
Oset druk Percentage CO
2
in het rookgas
nominaal
Minimaal ther-
misch belasting
Nominaal ther-
misch belasting
Type mbar Pa % %
G20
Zie tabel
3.1
p.16
-5 8,4 8,8
G25 -5 8,3 8,7
G25.1 -5 9,7 10,3
G25.3 -5 8,4 8,9
G27 -5 8,3 8,8
G2.350 -5 8,3 8,8
G30 -5 9,8 10,2
G31 -5 9,0 9,7
LPG -5 9,4 9,7
Op alle CO
2
-percentages in de dampen wordt een tolerantie van ±0,3% toegepast.
Tabel5.3 Tabel afstelling gasklep G45
Gas
Netwerk-
druk
Oset druk Percentage CO
2
in het rookgas
nominaal
Minimaal ther-
misch belasting
Nominaal ther-
misch belasting
Type mbar Pa % %
G20
Zie tabel
3.1
p.16
-5 8,7 9,1
G25 -5 8,4 9,0
G25.1 -5 9,9 10,8
G25.3 -5 8,4 9,0
G27 -5 8,6 9,1
G2.350 -5 8,4 9,2
G30 -5 9,8 10,2
G31 -5 9,6 9,8
LPG -5 9,5 9,9
Op alle CO
2
-percentages in de dampen wordt een tolerantie van ±0,3% toegepast.
Tabel5.4 Tabel afstelling gasklep G60
Gas
Netwerk-
druk
Oset druk Percentage CO
2
in het rookgas
nominaal
Minimaal ther-
misch belasting
Nominaal ther-
misch belasting
Type mbar Pa % %
G20
Zie tabel
3.1
p.16
-5 8,3 8,9
G25 -5 8,3 9,1
G25.1 -5 9,8 10,4
G25.3 -5 8,2 8,7
G27 -5 8,5 9,0
G2.350 -5 8,5 9,0
G30 -5 9,7 10,0
G31 -5 9,8 10,4
LPG -5 9,7 10,1
Op alle CO
2
-percentages in de dampen wordt een tolerantie van ±0,3% toegepast.
Tabel5.5 Tabel afstelling gasklep G100
Gas
Netwerk-
druk
Oset druk Percentage CO
2
in het rookgas
nominaal
Minimaal ther-
misch belasting
Nominaal ther-
misch belasting
Type mbar Pa % %
G20
Zie tabel
3.1
p.16
-5 8,6 9,5
G25 -5 8,5 9,4
G25.1 -5 9,8 10,6
G25.3 -5 8,2 9,0
G27 - - -
G2.350 - - -
G30 -5 10,6 10,9
G31 -5 10,0 10,7
LPG -5 9,7 10,1
Op alle CO
2
-percentages in de dampen wordt een tolerantie van ±0,3% toegepast.
5.3 AANPASSEN OP EEN ANDER TYPE GAS
Raadpleeg de relevante documentatie voor instruc-
ties voor het vervangen van gas.
6 GEWONE GELEIDING
Dit gedeelte richt zich tot de gebruiker.
6.1 WAARSCHUWINGEN
Algemene waarschuwingen
Lees aandachtig de waarschuwingen in het hoofd-
stuk III.1
p. 4
voordat u het toestel gaat gebruiken:
hierin staat belangrijke informatie over de normen en de
veiligheid.
Inbedrijfstelling door de technische dienst
De inbedrijfstelling mag uitsluitend door een technische
dienst worden uitgevoerd Robur (Hoofdstuk 5
p.25
).
Het toestel nooit zonder spanning stellen wanneer
het in werking is
Gewone geleiding
28
6
De elektrische voeding NOOIT wegnemen terwijl het
toestel in werking is (behalve bij gevaar, zie hoofdstuk
III.1
p. 4
), anders kan het toestel of de installatie be-
schadigd raken.
6.2 INSCHAKELEN EN UITSCHAKELEN
Gewone start/stop
U mag het toestel uitsluitend in-/uitschakelen via de
speciaal voorziene besturingsinrichting.
Niet inschakelen/uitschakelen met de voedingsscha-
kelaar
Het toestel niet inschakelen/uitschakelen met de elektri-
sche voedingsschakelaar. Dit kan schadelijk en gevaarlijk
zijn voor het toestel en voor de installatie.
Controles vooraleer in te schakelen
Controleer het volgende voordat u het toestel inschakelt:
gaskraan open
elektrische voeding van het toestel (hoofdschakelaar
ON)
aansluiting en eventuele voeding van de regelaar
Wanneer de luchtverhitter opgestart wordt na een lange
periode van inactiviteit, of als het de eerste start is na de
installatie, is het mogelijk dat, door aanwezige lucht in
de leidingen, deze handeling meerdere malen moet her-
haald worden.
6.3 CHRONOTHERMOSTAAT
Afbeelding6.1 Digitale chronothermostaat
UPLEV
DOWNLEV
E/I
UP
DOWN
OK
IP TIME TEMP FUNCT
Om de in de volgende paragrafen beschreven instel-
lingen te maken, moet de chronothermostaat worden
aangesloten op het elektrische paneel van de generator
en moet de generator elektrisch worden gevoed.
6.3.1 Functies van de chronothermostaatknop
De toetsen van de klokthermostaat hebben de volgende
functies:
UPLEV ( ) en DOWNLEV ( ): deze toetsen laten u toe om
het niveau van ventilatie te veranderen gaande van niveau 0
tot 3 (1 = minimum ventilatie, 2 = middelmatige ventilatie, 3
= maximale ventilatie. 0 in winter mode = een automatische
ventilatie, 0 in zomer mode = ventilatoren uit).
E/I ( ): hiermee kiest u tussen Winter mode (= verwarming,
radiator op het display) of Zomer mode (enkel ventilatie).
UP ( ) en DOWN ( ): met de UP en DOWN toetsen
kan u de kamertemperatuur instellen per 0,1°C. Indien u de
toets langer ingedrukt houdt loopt de temperatuur sneller
op en af.
OK-toets ( ): hiermee kunt u de huidige omgevingstem-
peratuur bekijken, de gewenste omgevingstemperatuur, de
ingestelde gegevens bevestigen.
IP ( ): met deze toets komt u in de Programma mode en
heeft u toegang tot het menu INFO (zie verder)
Programma mode: druk kort op de toets, op het
display verschijnt voor enkele seconden PROG; om de
Programma mode te verlaten drukt u opnieuw kort op
, op het display verschijnt voor enkele seconden
RUN.
menu INFO: druk minimum 3 seconden op de toets,
op het display verschijnt gedurende enkele seconden
INFO; om het menu INFO te verlaten drukt u opnieuw
kort op de toets, op het display verschijnt voor enke-
le seconden RUN.
TIME () toets : hiermee kunt u de getimede bewerkingen
instellen (zie voor meer informatie paragraaf 6.3.7
p.31
).
TEMP ( ): met deze toets kunt u de comfort- en de ver-
laagde temperatuur instellen.
FUNCT () -toets : hiermee kunt u de automatische,
handmatige of uitgeschakelde werking instellen. Wanneer
de uit-functie is ingesteld, staat de generator in stand-by:
alleen de antivriesfunctie blijft actief (als deze niet is gede-
activeerd vanuit het INFO-menu - zie voor meer informatie
paragraaf 6.3.9
p.33
).
De functies van de toetsen hierboven zijn de standaard
functies. Deze wijzigen naargelang de mode waarin het
display zich bevindt.
6.3.2 Stel de dag en tijd in op de chronothermostaat
Om dag en uur in te stellen gaat u als volgt tewerk:
1. Ga naar de Programma mode door kort op te drukken:
PROGR verschijnt even op het display, waarna het uur en de
dag van de week met het DAY icoon zichtbaar is.
2. Met de en toetsen kunt u de waarde die knippert
veranderen. Om de volgende waarde te selecteren drukt u
op de toets of de toets.
3. Nadat u de correcte datum en uur hebt ingesteld drukt u
kort op om het programma te verlaten. RUN wordt even
weergegeven op het display.
Gewone geleiding
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
29
6
6.3.3 Instellen van comfort-, spaar-, en antivries
temperatuur op de klokthermostaat
1. Ga naar de Programma mode door kort op te drukken.
2. Druk herhaaldelijk op om de temperatuur te selecte-
ren die u wil instellen.
3. Links op het display verschijnt COMFR voor de Comfort tem-
peratuur, ECONM voor de Economy temperatuur, en OFFºc
voor de Antivries temperatuur (zie Beeld 6.2
p.29
).
4. De gewenste temperatuur kan u instellen met de en
toetsen.
De Comfort temperatuur kan u instellen tussen 5,0 °C en
30,0 °C (in stappen van 0,1 ºC).
De Economy temperatuur kan u instellen tussen 5,0 °C
en 25,0 °C (in stappen van 0,1 ºC).
De Antivries temperatuur kan u instellen tussen 2,0 °C en
10,0 °C (in stappen van 0,1 ºC).
5. Om de ingestelde waarde te bevestigen drukt u op .
Hierdoor gaat u verder naar de volgende waarde.
6. Nadat u de gewenste temperaturen hebt ingesteld druk u
op om het programma te verlaten.
Afbeelding6.2 Comfort, economy en antivries temperaturen
6.3.4 Vrije programmering van dagelijkse
instelpunten op de chronothermostaat
1. Ga naar de Programma mode door kort op te drukken.
2. Druk herhaaldelijk op de toets.
3. Links op het display SP n verschijnt, waarbij n staat voor het
aantal ingestelde punten op die dag (Beeld 6.3
p.29
).
Afbeelding6.3 Dagelijkse instelwaarde
Het instelpunt verwijst naar het tijdstip waarop de inge-
stelde temperatuur wijzigt. De nieuwe temperatuur blijft
behouden tot het volgende instelpunt.
4. Kies de gewenste dag van de week met de toets.
5. Kies het instelpunt met de en toetsen.
6. Pas de tijd aan met de en toetsen (minimum 10
minuten interval).
7. Stel de gewenste temperatuurniveau in met de toets
: rechts boven in het display ziet u een zonnetje voor de
Comfort mode, een maantje voor de Economy mode en
geen icon voor de Antivries mode.
8. De ingestelde tijd en temperatuurniveau wordt gra-
sch weergegeven op het klokje op de display (zie Beeld
6.4
p.29
).
9. Om over te schakelen naar de programmering van het vol-
gende instelpunt drukt u op de toets o en stelt u het
tijd- en temperatuurniveau in zoals eerder: voor elk dagpro-
el kunt u maximaal 8 instelpunten instellen.
10. In het Figuur voorbeeld 6.4
p.29
voor maandag stelt u 7
setpoints als volgt in:
Instelpunt 1 om 00:00 antivries temperatuur
Instelpunt 2 om 7:00 economy temperatuur
Instelpunt 3 om 8:00 comfort temperatuur
Instelpunt 4 om 11:00 economy temperatuur
Instelpunt 5 om 14:00 comfort temperatuur
Instelpunt 6 om 18:00 economy temperatuur
Instelpunt 7 om 19:00 antivries temperatuur
Afbeelding6.4 Dagelijkse instelwaarde
Bij het vrij plannen van dagelijkse setpoints is het be-
langrijk om altijd alle 24 uur in te plannen zoals in het
voorbeeld in Figuur 6.4
p.29
. Als er ongeplande tijds-
blokken overblijven, past de chronothermostaat auto-
matisch de gegevensset van de vorige dag toe in de-
zelfde tijdsblokken (zelfs als dit niet op het scherm wordt
weergegeven).
Om de programmering eenvoudiger te maken is er
de mogelijkheid om een ingesteld programma toe te
kennen aan een bepaalde dag (Paragraaf 6.3.5
p. 30
).
Daarna kunt u dat programma selecteren en gebruiken
om andere dagen in te stellen (met de toets ). U
kan tussen de verschillende dagproelen scrollen met
de en toetsen, de tijd wijzigen met de toetsen
en , en het temperatuur proel wijzigen met
Gewone geleiding
30
6
de toets .
11. Zodra het dagproel en de relatieve temperatuurinstelpun-
ten zijn geprogrammeerd, drukt u op de toets om te
bevestigen.
Bevestiging met de knop veroorzaakt het verlies
van het eerder ingestelde dagelijkse proel voor die-
zelfde dag. Als u dit niet kunt bevestigen, gaan alle in-
stellingen verloren die voor dat dagelijkse proel zijn
ingevoerd.
12. Druk op de toets om de Programma mode te verlaten.
Hoe kan u het dagprogramma controleren
1. Ga naar de Programma mode door kort op te drukken.
2. Druk herhaaldelijk op de toets.
3. Links op het display SP n verschijnt, waarbij n staat voor het
aantal ingestelde punten op die dag (Beeld 6.3
p.29
).
4. Druk op de toets om de gewenste dag van de week te
kiezen.
5. Blader door de ingestelde instelpunten met behulp van
de e-toetsen .
6. Druk op de toets om de Programma mode te verlaten.
6.3.5 Instellen van een voorgeprogrammeerd
dagprogramma op de klokthermostaat
1. Ga naar de Programma mode door kort op te drukken.
2. Druk herhaaldelijk op de toets.
3. DAY verschijnt linksonder op het display.
4. Druk op om de dag van de week te kiezen.
Afbeelding6.5 Dag proel
5. Rechts boven op het display ziet u de vermelding PROFILE,
het geselecteerd nummer van proel knippert (zie Beeld
6.5
p.30
).
6. Met de en toetsen kan u één van de 16 mogelijke
proelen kiezen (zie Tabel 6.1
p.31
).
7. Druk op om te bevestigen.
Bevestiging met de knop veroorzaakt het verlies
van het eerder ingestelde dagelijkse proel voor die-
zelfde dag.
8. Druk op de toets om de Programma mode te verlaten.
6.3.6 Instellen van een voorgeprogrammeerd
weekprogramma op de klokthermostaat
1. Ga naar de Programma mode door kort op te drukken.
2. Druk herhaaldelijk op de toets.
3. Op het display linksonder staat WEEK.
4. Rechts boven op het display ziet u de vermelding PROFILE,
het geselecteerd nummer van proel knippert (zie Beeld
6.6
p.30
).
Afbeelding6.6 Week proel
5. Met de en toetsen kan u één van de 16 mogelijke
weekproelen kiezen. (zie Tab. 6.2
p.31
). Elk weekproel is
een verzameling van 7 vooraf ingestelde dagproelen.
6. Druk op de om het gekozen weekprogramma te
bevestigen.
Bevestiging met de knop veroorzaakt het verlies
van het wekelijkse proel en het dagelijkse proel dat
eerder is ingesteld.
Wij raden u aan het wekelijkse proel te kiezen dat het
dichtst bij uw behoeften ligt en vervolgens, voor dagen
waarop u het dagelijkse proel niet in het wekelijkse
proel wilt instellen, zoals beschreven in de betreende
paragraaf, het gewenste vooraf ingestelde dagelijkse
proel in te stellen (zie Paragraaf 6.3.5
p.30
) of verder
te gaan met de gratis planning van de dagelijkse instel-
punten (zie Paragraaf 6.3.4
p.29
).
Gewone geleiding
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
31
6
Tabel6.1 Dagproelen
Dagproelen
Tijd en temperatuurniveau geassocieerd met dagelijkse instelpunten
1 2 3 4 5 6 7 8
01 00:00 A 05:30 C 21:30 A --- --- --- --- ---
02 00:00 R 05:30 C 21:30 R --- --- --- --- ---
03 00:00 A 07:00 C 12:00 R 13:00 C 19:30 A --- --- ---
04 00:00 R 07:00 C 12:00 R 13:00 C 19:30 R --- --- ---
05 00:00 R 05:30 C 15:00 R --- --- --- --- ---
06 00:00 A 06:30 C 19:00 A --- --- --- --- ---
07 00:00 A 05:00 R 06:30 C 19:00 R 21:00 A --- --- ---
08 00:00 A 08:00 C 12:00 R 13:00 C 18:00 A --- --- ---
09 00:00 A 04:00 R 07:00 C 18:00 R 21:30 A --- --- ---
10 00:00 A 04:00 R 07:00 C 14:00 R 21:30 A --- --- ---
11 00:00 A 07:00 C 14:30 A --- --- --- --- ---
12 00:00 R 06:00 C 12:00 R 14:00 C 20:00 R --- --- ---
13 00:00 A 05:00 C 12:00 R 13:00 C 21:00 A --- --- ---
14 00:00 C --- --- --- --- --- --- ---
15 00:00 R --- --- --- --- --- --- ---
16 00:00 A --- --- --- --- --- --- ---
A antivries temperatuur
B economy temperatura
C comfort temperatuur
Tabel6.2 Weekproelen
Weekproelen
Dagproel per weekdag ingesteld
Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Vrijdag Zaterdag Zondag
01 01 01 01 01 01 16 16
02 01 01 01 01 01 01 16
03 06 01 01 01 01 16 16
04 06 01 01 01 01 01 16
05 02 02 02 02 02 16 16
06 02 02 02 02 02 02 16
07 06 02 02 02 02 16 16
08 06 02 02 02 02 02 16
09 01 01 01 01 01 01 01
10 14 14 14 14 14 14 14
11 02 02 02 02 02 02 02
12 06 06 06 06 06 06 06
13 07 07 07 07 07 07 07
14 08 08 08 08 08 08 08
15 09 09 09 09 09 09 09
16 10 10 10 10 10 10 10
6.3.7 Tijdsgestuurde functies van de klokthermostaat
Er zijn 3 types tijdsgestuurde functies:
Geforceerd automatisch: weergegeven door het symbool
van manueel en automatisch onderaan op het display (zie
Beeld 6.7
p.32
).
Getimed uitgeschakeld (vakantieprogramma): weergege-
ven door het zandloper en vliegtuig symbool onderaan op
het display (zie Beeld 6.8
p.32
).
Getimed manueel (party): weergegeven door het zand-
loper en hand symboolonderaan op het display (zie Beeld
6.9
p.32
).
6.3.7.1 Geforceerd automatisch
De geforceerd automatische functie laat u toe een temperatuur
in te stellen die verschilt van het geselecteerde programma (vb.
programma ingesteld op 18°C van 08.00 tot 12.00 uur, maar op
de dag zelf wenst u de temperatuur in te stellen zodat het toe-
stel pas uitschakelt op 20°C).
Om de geforceerd automatische functie in te stellen volstaat
het met de en toetsen de gewenste temperatuur in
te stellen (vb. 20°C). Zowel het symbool van Automatisch (cir-
kel) als Manueel (hand) zijn nu weergegeven op het display (zie
Beeld 6.7
p.32
).
Geforceerde automatische werking duurt tot het volgende ge-
programmeerde instelpunt (in het voorbeeld tot 12:00 uur),
waarna de werking weer automatisch zal zijn met het gepro-
grammeerde temperatuurinstelpunt.
De geforceerde automatische functie kan enkel worden
geactiveerd wanneer het toestel in de Automatische
mode staat ( toets).
Gewone geleiding
32
6
Afbeelding6.7 Geforceerd automatisch
6.3.7.2 Getimed uitgeschakeld (vakantieprogramma)
Hiermee schakelt u het toestel uit voor een bepaalde periode.
Tijdens deze periode worden al de ingestelde programmas uit-
geschakeld, en werkt het toestel enkel als antivries beveiliging
(behalve als antivries door u werd uitgeschakeld in het INFO me-
nu – zie Tabel 6.3
p.33
).
Deze functie wordt vooral gebruikt indien u een langere periode
afwezig bent, bijvoorbeeld op vakantie.
Om het toestel getimed uit te schakelen gaat u als volgt tewerk:
1. Selecteer de automatische functie met de toets.
2. Druk op de toets (de zandloper en het vliegtuig verschij-
nen op het display, en het woord OFF komt in beeld).
3. Met de en toetsen, stelt u de periode in geduren-
de dewelke de unit moet uitgeschakeld worden. De tijd kan
worden uitgedrukt in:
Minuten van 10 tot 90 (lees MM:nn) (kan per 10 minuten
verhoogd of verlaagd worden)
Uren van 2 tot 47 (lees HH:nn) (kan per 1 uur worden ver-
hoogd of verlaagd)
Dagen van 2 tot 45 (lees DD:nn) (kan per 1 dag worden
verhoogd of verlaagd)
De overgang van minuten naar uren, en van uren naar
dagen gebeurt via progressieve verhoging van de tijd-
spanne weergegeven op het display.
4. Gedurende de gehele periode is de resterende tijd wanneer
de getimede functie aoopt zichtbaar op het display (zie -
guur 6.8
p.32
).
5. Wanneer de uitgeschakelde periode is afgelopen schakelt
de klokthermostaat terug naar het automatisch ingesteld
programma.
U kunt de getimede functie op elk gewenst moment uit-
schakelen, automatisch of handmatig bedienen (door
op de toets te drukken ) of opnieuw op de toets
drukken .
Afbeelding6.8 Getimed uitgeschakeld (vakantieprogramma)
6.3.7.3 Getimed manueel (party)
Laat u toe een temperatuur in te stellen voor een bepaalde tijd-
spanne, waarna het toestelterugschakelt naar de Automatische
mode.
Om het deze mode te activeren gaat u als volgt tewerk:
1. Selecteer de manuele functie met de toets.
2. Stel met de en toetsen de gewenste temperatuur.
3. Druk op de toets (de zandloper en de hand verschijnen
op het display).
4. Stel met de en toetsen, de duur van de manuele
functie in. Deze kan worden uitgedrukt in:
Minuten van 10 tot 90 (lees MM:nn) (kan per 10 minuten
verhoogd of verlaagd worden)
Uren van 2 tot 47 (lees HH:nn) (kan per 1 uur worden ver-
hoogd of verlaagd)
Dagen van 2 tot 45 (lees DD:nn) (kan per 1 dag worden
verhoogd of verlaagd)
De overgang van minuten naar uren, en van uren naar
dagen gebeurt via progressieve verhoging van de tijd-
spanne weergegeven op het display.
5. Gedurende de gehele periode is de resterende tijd wanneer
de getimede functie aoopt zichtbaar op het display (zie -
guur 6.9
p.32
).
6. Wanneer de uitgeschakelde periode is afgelopen schakelt
de klokthermostaat terug naar het automatisch ingesteld
programma.
U kunt de getimede functie op elk gewenst moment uit-
schakelen, automatisch of handmatig bedienen (door
op de toets te drukken ) of opnieuw op de toets
drukken .
Afbeelding6.9 Getimed manueel (party)
6.3.8 Toetsenbord vergrendeling
De klokthermostaat kan worden beschermd voor misbruik
en ongelukjes door de toetsenbord vergrendeling (KEY) in te
schakelen:
1. Ga naar het INFO menu door de toets gedurende meer
dan 3 seconden in te drukken. INFO wordt weergegeven op
het display.
2. Druk op de toets tot het woord KEY verschijnt.
3. Activeer de toetsenbord vergrendeling door de waarde op 1
te zetten met de en toetsen.
4. Druk op de toets om het INFO menu te verlaten.
5. 10 minuten na de laatste toetsaanslag wordt de toetsenbord
vergrendeling geactiveerd.
De activatering van de toetsenbord vergrendeling wordt
aangegeven door het "asterisk" symbool op het display,
naast de tijd.
Gewone geleiding
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
33
6
6. Om de toetsenbord vergrendeling uit te schakelen druk op
de volgende toetsen in deze volgorde: , , en
.
7. Om de toetsenbord vergrendeling functie volledig uit te
schakelen herhaalt u de procedure hierboven, en stelt u de
waarde in op 0.
6.3.9 Informatie display van de klokthermostaat
Het informatie menu (INFO) bevat 8 parameters die informatie
geven over de werkingsmode van het toestel. Sommige van
deze parameters kunnen veranderd worden om de werking het
toestel te personaliseren.
1. Ga naar het INFO menu door de toets gedurende meer
dan 3 seconden in te drukken. INFO wordt weergegeven op
het display.
2. Door op de toets te drukken ziet u het informatie-
scherm zoals in Tab. 6.3
p.33
.
Tabel6.3 Informatiescherm
String
Veranderbare
parameter
Beschrijving Waarden Default
NΓ C1 NO Visualisatie van de temperatuur van de uitblaaslucht. - -
NΓ C2 NO Visualisatie van de rookgas temperatuur - -
SP % NO
Deze waarde wordt berekend door de controller, en duidt het actueel percentage
van het modulerend bereik van het eectief afgeleverd vermogen aan (1).
- -
SP MX % JA (3)
Deze parameter wijzigt het modulerend bereik van het toestel waardoor het
maximum vermogen geleverd door de unit zal wijzigen (1).
Door een waarde van 50% in te stellen, zal het toestel werken in het bereik van
0 tot 50% van het normale modulerend bereik, dat voorzien was van minimum
(0%) tot maximum (100%).
Het kan nuttig zijn om een lager percentage in te stellen indien het vermogen
van het toestel te hoog is voor de te verwarmen ruimte.
van 100% to 0% 100%
RPM NO Weergave van het toerental van de ventilator. - -
KEY JA (3) Inschakelen van de toetsvergrendeling
0. vergrendeling uit
1. vergrendeling aan
0
BUILD JA (3)
Gebouw volume parameter.
Kan ingesteld worden in een waarde tussen 1 en 10. 1 duidt op een kleine te
verwarmen ruimte. 10 op een grote ruimte.
van 1 to 10 5
NO FRX JA (3) In of uitschakelen van de antivries functie (2).
0. antivries uit
1. antivries aan
1
(1) Voor een beter begrip van de term thermisch vermogen of modulatie percentage verwijzen naar de specieke nota hieronder.
(2) De antivriesfunctie is de functie waarmee de generator kan worden geactiveerd als de temperatuur van de ruimte waarin deze is geïnstalleerd onder de ingestelde antivriestemperatuur
daalt (zie voor meer details paragraaf 6.3.3
p.29
). Als de ingestelde waarde voor de antivriestemperatuur hoger is dan de ingestelde waarde, bepaalt deze laatste de werking van de
unit in AAN.
(3) Gebruik om te wijzigen de toetsen en /of, toets om te bevestigen.
Percentage van verwarmingsvermogen: hiermee be-
doelen we het percentage van het modulerend bereik
dat gaat van het minimaal verwarmingsvermogen tot
het maximaal (nominaal) verwarmingsvermogen (zie
Tabel 1.2
p. 13
). Voorbeeld: door te parameter SP MX
% (maximum limiet van het verwarmingsvermogen) op
50 te zetten, zal het modulerend vermogen van de ver-
hitter variëren tussen 0% en 50%. Om te weten op welk
vermogen de verhitter werkt moeten we uitgaan van het
vermogen in de technische tabel. Als voorbeeld gaan we
hier uit van de G100:
Modulatie bereik maximum [(100-0)%]
(90,2 kW – 33,5 kW) = 56,70 kW
Modulatie bereik =
(56,70 kW x 50 %) = 28,35 kW
Maximaal thermisch ingangsvermogen in bedrijf =
(33,5 kW + 28,35 kW) = 61,85 kW
6.3.10 Display keuzemenu
Het keuzemenu bevat 6 parameters die gebruikt worden om de
werking van de verhitter te personaliseren.
1. Ga naar het selectie menu: druk de toets gedurende
meer dan 3 seconden in om in het INFO menu te komen, en
druk daarna tegelijk op de en toets.
2. U kan tussen de verschillende parameters navigeren met de
en toetsen.
3. De geselecteerde parameter kan u wijzigen met de UP (
) en DOWN ( ) toetsen. Eens gewijzigd gaat de weerge-
geven waarde knipperen. Wanneer het knipperen stopt is de
verandering van de parameter aanvaard.
Indien een waarde wordt ingevoerd die niet toegelaten
is, wordt de standaard parameter, weergegeven in Tab.
6.4
p.34
, terug hersteld.
4. Druk op om terug te gaan naar het INFO menu.
5. Druk om het INFO menu te verlaten naar het
hoofdscherm.
Gewone geleiding
34
6
Tabel6.4 Bedrijfsparameters
Parameter Beschrijving Werking Default
PM 01 Werkingsmodus
01 – standaard
02 - functie niet beschikbaar
03 - ventilatieprioriteit (alleen zonder klokther-
mostaat)
01
PM 02 Ventilator snelheid in prioriteit mode (alleen zonder klokthermostaat)
1. lage snelheid
2. medium-lage snelheid
3. medium-hoge snelheid
4. hoge snelheid
4
PM 03
Ondergrens modulatiediepte in standaardmodus.
Geeft de laagste modulatielimiet van het nominaal vermogen van het
toestel weer. (0% komt overeen met het minimum nominaal vermo-
gen) Vb. door 10% in te stellen gaat het toestel werken tussen 100%
(maximum nominaal vermogen) en 10 % van het modulatiebereik (1).
Van 0 tot 100 % 0%
PM 04 Niet wijzigen 76%
PM 05
Hoogste modulatielimiet in de standaard mode.
Deze waarde duidt de hoogste modulatielimiet van het nominaal
vermogen van het toestel aan (100% komt overeen met het maximaal
nominaal vermogen).
Van 0 tot 100 % 100%
PM 06 Klokthermostaat geïnstalleerd
1: klokthermostaat geïnstalleerd
0: klokthermostaat niet geïnstalleerd
1
(1) Voor een beter begrip van de term thermisch vermogen of modulatie percentage verwijzen naar de specieke nota in paragraaf 6.3.9
p.33
.
6.3.11 Signalering problemen
Alle storingen die kunnen optreden tijdens de normale wer-
king van de luchtverhitter worden op het display van de
klokthermostaat weergegeven door middel van een foutcode.
De tabel 6.5
p. 34
duidt de mogelijke foutmeldingen op de
klokthermostaat aan, denieert de fout, en geeft de uit te voe-
ren correctie.
Tabel6.5 Foutmeldingen die worden weergegeven op de klokthermostaat.
Fout code Foutomschrijving Oorzaak Interventie
01 E (1)
Toestel schakelt uit tijdens de eerste ontste-
kingsfase
De ontstekingselektrode is defect of slecht
gemonteerd
Controleer de positie van de elektrode en
vervang deze indien nodig
De vlamsensor is defect, slecht gemonteerd of
raakt de aarding
Controleer de positie van de elektrode en
vervang deze indien nodig
Defect van het controlepaneel of de elektrische
aansluiting van het communicatie paneel
Controleer de elektrische aansluiting van het
bord en vervang deze indien nodig
Defect van de gasklep of de elektrische aanslui-
ting van de gasklep
Controleer de elektrische aansluiting van de
gasklep en vervang deze indien nodig
Het toestel is slecht geaard
Verbeteringen aanbrengen in het aardingssys-
teem
Lucht in de gasleidingen Purgeer de lucht uit de gasleidingen
Na de identicatie van het probleem en het
uitvoeren van de herstelling, kan u de foutcode
resetten door op te drukken op de
klokthermostaat.
02 E (1)
De limietthermostaat schakelt de brander uit.
De warmtewisselaars zijn oververhit geraakt
Opstapeling van vuil in de luchtinlaat
Na de identicatie van het probleem en het
uitvoeren van de herstelling, kan u de foutcode
resetten door op te drukken op de
klokthermostaat
Obstructie van de ventilatoren of het rooster
Defect van de axiale ventilatoren
Stroompanne wanneer het toestel in werking
was
Vlam fout
Recirculatie van rookgas in de verbrandings-
leiding
Pas de positie van de uitlaat en verbrandingslei-
dingen aan of vervang deze als ze niet geschikt
zijn voor gebruik
Defecte vlam sensor Vervang de vlam sensor
Defecte electronische printplaat Vervang de electronische printplaat
03 E Storing temperatuursonde generator Storing sensor voor aanvoertemperatuur lucht
De foutcode verdwijnt automatisch wanneer
het probleem is opgelost
06 E
Aansluiting (kabel) van de rookgas temperatuur
sonde is niet aangesloten
Vals contact vanwege de sonde die de tempe-
ratuur van de rookgassen meet
Vervang het contact
07 E
Problemen met de rookgasventilator
Slechte elektrische aansluiting
De foutcode verdwijnt automatisch wanneer
het probleem is opgelost
08 E Defect in de ventilator motor
09 E Onvoldoende rotatie van de ventilator
Controleer de elektrische aansluiting van de
ventilator en vervang deze indien nodig
Gewone geleiding
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
35
6
Fout code Foutomschrijving Oorzaak Interventie
10 E Temperatuursonde rookgassen defect Temperatuursonde rookgassen defect Vervang de sonde
11 E
Toestel werd uitgeschakeld omdat de tempe-
ratuur van de rookgassen onder het toegelaten
minimum zakt
Verbrandingsgassen temperatuur te laag
Controleer of de luchttoevoer/rookgasafvoer
buizen niet verstopt of te lang zijn
Controleer of de condensafvoer of de sifon niet
verstopt zijn, en of ze de correcte diameter
hebben
Controleer of de rookgastemperatuur sonde
correct geplaatst en aangesloten is
(1) OPGELET: na vier opéénvolgende herbewapeningen 01E en/of 02 in een tijdspanne van één uur, is een manuele herbewapening niet meer mogelijk. Om de installatie weer te initiali-
seren zal men één uur moeten wachten, ofwel de elektrische voeding onderbreken.
De tabel 6.6
p. 35
toont de anomalieën die kunnen optre-
den tijdens de werking van de generator, maar die niet worden
gemeld op het chronothermostaat-display.
Tabel6.6 Foutmeldingen die NIET worden weergegeven op de klokthermostaat
Foutomschrijving Oorzaak Interventie
De luchtverhitter schakelt uit en
herstart niet meer, ook al is de kamer-
temperatuur te laag
De positie van de chronothermostat wordt beïnvloed door de invloed
van warmtebronnen of door de stroming van hete lucht
Controleer de positie van de klokthermostaat
De chronothermostat programmering schakelde het apparaat uit Schema-instelling bekijken
De klokthermostaat staat op ON en
toch werkt de verhitter niet
Geen stroomtoevoer Controleer de stroomtoevoer
Interfacekaart met chronothermostat is defect
Controleer de elektrische aansluiting van het
bord en vervang deze indien nodig
Contact op het hoofd controle circuit staat open Controleer of de brug gesloten is
6.3.12 Legende van het klokthermostaat display
Tabel6.7 Legende van het klokthermostaat display
Icon Betekenis
De luchtverhitter staat Stand-By.
Winter mode actief
Foutmelding of onderhoud nodig (zie Tab. 6.5
p.34
).
Communicatie tussen de luchtverhitter en de klokthermostaat
actief
Comfort temperatuur actief
Economy temperatuur actief
Automatische mode actief
Manuele mode actief
Geforceerde automatische mode actief
Getimed uitgeschakelde mode actief
Getimed manuele mode actief
Gebruikt Vlam/Vermogen niveau
6.4 DE LUCHTVERHITTER GEBRUIKEN
De gasluchtverhitter kan gebruikt worden met volgende opties:
(zie ook Beeld 6.11
p.39
en Beeld 6.10
p.38
):
De generator moet worden aangesloten op het elektri-
citeitsnet en het gasnet, met de gaskraan open en de
bipolaire schakelaar in de aan-stand.
6.4.1 Gebruik met klokthermostaat
6.4.1.1 Winter mode (verwarmen)
Het gebruik in de verwarmingsfunctie kan (Zie Beeld
6.11
p.39
):
Modulerende standaardwerking
automatisch (bediening van de unit automatisch be-
heerd door de chronothermostaat volgens het gemaak-
te schema)
handmatig (bediening van de handmatig beheerde unit)
Vaste standaardwerking
automatisch (bediening van de unit automatisch be-
heerd door de chronothermostaat volgens het gemaak-
te schema)
handmatig (bediening van de handmatig beheerde unit)
De luchtverhitter wordt vanuit de fabriek geleverd inge-
steld in de standaard mode.
6.4.1.2 Modulerende automatisch standaardwerking
1. Druk op de toets op de klokthermostaat (Beeld
6.1
p.28
). De Winter mode wordt bevestigd door het ver-
schijnen van het radiator symbool in de linker bovenhoek
van het display.
2. Stel de datum, tijd, temperaturen, week- en dagproelen in
op de klokthermostaat, zoals beschreven in de voorgaande
paragrafen.
Gewone geleiding
36
6
3. Met de toets op de klokthermostaat (Beeld 6.1
p.28
)
stelt u de functie in op: Automatisch ( ) (in deze modus
wordt de werking van het toestel geregeld volgens de door
u ingestelde proelen).
4. Door het luchtdebiet in te stellen op 0 (met de en
toetsen) wordt, gebaseerd op een intern algoritme en het
temperatuurverschil tussen de ingestelde temperatuur en
de gemeten temperatuur in de ruimte, het thermisch ver-
mogen en de ventilatie constant gemoduleerd.
6.4.1.3 Modulerende handmatig standaardwerking
1. Druk op de toets op de klokthermostaat (Beeld
6.1
p.28
). De Winter mode wordt bevestigd door het ver-
schijnen van het radiator symbool in de linker bovenhoek
van het display.
2. Met de toets op de klokthermostaat (Beeld 6.1
p.28
)
stelt u de functie in op: Manueel ( ), (in deze modus wordt
de werking van het toestel manueel geregeld).
3. Gebruik de UP en DOWN toetsen om de gewens-
te temperatuur in te stellen. Indien u de ingestelde tempe-
raturen van Economy of Comfort (Paragraaf 6.3.3
p. 29
)
wenst te gebruiken kan u deze selecteren met de toets.
4. Door het luchtdebiet in te stellen op 0 (met de en
toetsen) wordt, gebaseerd op een intern algoritme en het
temperatuurverschil tussen de ingestelde temperatuur en
de gemeten temperatuur in de ruimte, het thermisch ver-
mogen en de ventilatie constant gemoduleerd.
6.4.1.4 Standaard automatisch vast bedrijf
1. Druk op de toets op de klokthermostaat (Beeld
6.1
p.28
). De Winter mode wordt bevestigd door het ver-
schijnen van het radiator symbool in de linker bovenhoek
van het display.
2. Stel de datum, tijd, temperaturen, week- en dagproelen in
op de klokthermostaat, zoals beschreven in de voorgaande
paragrafen.
3. Met de toets op de klokthermostaat (Beeld 6.1
p.28
)
stelt u de functie in op: Automatisch ( ) (in deze modus
wordt de werking van het toestel geregeld volgens de door
u ingestelde proelen).
4. Door het luchtdebiet in te stellen op 1, 2 of 3 (met de en
toetsen) wordt de luchtverhitter ingesteld op een vast
vermogen (1 = low, 2 = medium, 3 = maximum). De lucht-
verhitter zal werken zonder modulatie tot de gewenste tem-
peratuur wordt bereikt.
Vaste ventilatie (ventilatoren constant aan maximale snelheid)
1. Door het luchtdebiet in te stellen op 4 (met de en
toetsen) wordt, gebaseerd op een intern algoritme en op
het temperatuurverschil tussen de ingestelde (gevraagde)
temperatuur en de gemeten temperatuur in de ruimte, het
thermisch vermogen constant gemoduleerd, terwijl de ven-
tilatoren op maximum snelheid blijven draaien.
6.4.1.5 Standaard handmatig vast bedrijf
1. Druk op de toets op de klokthermostaat (Beeld
6.1
p.28
). De Winter mode wordt bevestigd door het ver-
schijnen van het radiator symbool in de linker bovenhoek
van het display.
2. Met de toets op de klokthermostaat (Beeld 6.1
p.28
)
stelt u de functie in op: Manueel ( ), (in deze modus wordt
de werking van het toestel manueel geregeld).
3. Gebruik de UP en DOWN toetsen om de gewens-
te temperatuur in te stellen. Indien u de ingestelde tempe-
raturen van Economy of Comfort (Paragraaf 6.3.3
p. 29
)
wenst te gebruiken kan u deze selecteren met de toets.
4. Door het luchtdebiet in te stellen op 1, 2 of 3 (met de en
toetsen) wordt de luchtverhitter ingesteld op een vast
vermogen (1 = low, 2 = medium, 3 = maximum). De lucht-
verhitter zal werken zonder modulatie tot de gewenste tem-
peratuur wordt bereikt.
Vaste ventilatie (ventilatoren constant aan maximale snelheid)
1. Door het luchtdebiet in te stellen op 4 (met de en
toetsen) wordt, gebaseerd op een intern algoritme en op
het temperatuurverschil tussen de ingestelde (gevraagde)
temperatuur en de gemeten temperatuur in de ruimte, het
thermisch vermogen constant gemoduleerd, terwijl de ven-
tilatoren op maximum snelheid blijven draaien.
6.4.1.6 Het toestel uitschakelen
1. Om de generator uit te schakelen selecteert u de uit-bedie-
ning met behulp van de FUNCT-toets : het pictogram
verschijnt op het scherm . Op deze manier staat de ge-
nerator in stand-by: alleen de antivriesfunctie blijft actief in-
dien niet gedeactiveerd vanuit het INFO-menu (zie het "NO
FRX" -item van de tabel 6.3
p.33
).
Omdat het schadelijk is voor het apparaat, is het abso-
luut noodzakelijk om te voorkomen dat het apparaat
wordt uitgeschakeld door de stroomtoevoer af te sluiten,
omdat dit ervoor zorgt dat de ventilatoren onmiddellijk
stoppen en de limietthermostaat handmatig wordt ge-
activeerd.
6.4.1.7 Zomer mode (enkel ventilatie)
In deze mode gaat de luchtverhitter enkel ventileren, en kan
u kiezen tussen manuele ventilatie of automatische ventilatie
(Beeld 6.10
p.38
).
1. Sluit de gasleiding af en controleer dat het toestel onder
spanning staat.
2. Druk op de toets op de klokthermostaat. Het radiator
symbool verschijnt op het display.
3. Stel de ventilator snelheid in met de en toetsen (1
minimum ventilatie, 2 medium ventilatie, 3 maximum venti-
latie). Wanneer u 0 instelt stoppen de ventilatoren.
4. In de Zomer mode is de brander uitgeschakeld, en werken
de ventilatoren enkel om als luchtcirculatie.
Tijdens de Zomer mode kan u, door de FUNCT ( ) toets
in te drukken, kiezen tussen twee ventilatie functies (Beeld
6.10
p.38
):
Manuele ventilatie (MAN ): continu ventilatie aan de
door u ingestelde ventilatiesnelheid, zonder tijdsbeperking;
Fixed Auto Ventilation (AUTO ): Geplande tijdsloten wor-
den gebruikt om de ventilatie te starten op het gekozen
Gewone geleiding
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
37
6
niveau (COMFR) of om de ventilatie te beëindigen (ECONM).
6.4.2 Gebruik zonder klokthermostaat
Winter mode (verwarmen)
Zomer mode (enkel ventilatie)
Luchtverversing mode (prioriteit ventilatie)
De luchtverhitter wordt vanuit de fabriek geleverd inge-
steld in de standaard mode, met de klokthermostaat.
Om een andere mode in te stellen (voorbeeld luchtver-
versing) verwijzen we naar Par. 6.3.10
p.33
.
Neem contact op met de technische ondersteuning voor
meer informatie over de bediening en het gebruik van
de generator in deze modus Robur.
6.4.2.1 Winter mode (verwarmen) en zomer mode (enkel
ventilatie)
1. Ga naar het selectie menu: druk de toets gedurende
meer dan 3 seconden in om in het INFO menu te komen, en
druk daarna tegelijk op de en toets.
2. Stel de parameter PM06 "klokthermostaat geïnstalleerd" in
op 0 (gebruik zonder klokthermostaat) (Tab. 6.4
p.34
).
3. Druk op om terug te gaan naar het INFO menu.
4. Druk om het INFO menu te verlaten naar het
hoofdscherm.
5. Koppel de klokthermostaat los en verwijder deze tesamen
met het controlebord in het controlecircuit op positie x13
(Paragraaf 1.3
p.11
).
6. Om de luchtverhitter in de Winter mode te gebruiken sluit u
het X10 contact dat aangeduid wordt met het radiator sym-
bool op het SCH2 paneel. De luchtverhitter gaat op deze
manier niet moduleren, maar werken in een aan/uit functie,
met vast thermisch vermogen en vaste ventilatiesnelheid
(beiden op maximaal vermogen).
7. Om de generator in de zomer te bedienen (alleen ventilator-
bedrijf), sluit u het X7-contact gemarkeerd met het symbool
op het SCH2-bord. Hierdoor kan de ventilator op maxi-
mum ventilatie werken.
8. Raadpleeg paragraaf om afwijkingen op afstand te melden
4.5
p.25
.
6.4.2.2 Luchtverversing mode (prioriteit ventilatie)
De luchtverversingmode is enkel beschikbaar zonder
klokthermostaat.
Deze optie laat u toe de luchtverhitter te gebruiken als een aan/
uit toestel waarbij u een continu ventilatie heeft, terwijl de bran-
der enkel aanslaat indien verwarming nodig is (X10 thermo-
staatcontact gesloten).
Het thermisch vermogen en de ventilatiesnelheid zijn vast be-
paald op maximum vermogen.
Deze functie is bijzonder nuttig in ruimtes waar een continu ven-
tilatie vereist is, ongeacht of er verwarmd wordt of niet.
Om deze mode te selecteren gaat u als volgt tewerk:
1. Ga naar het selectie menu: druk de toets gedurende
meer dan 3 seconden in om in het INFO menu te komen, en
druk daarna tegelijk op de en toets.
2. Stel de parameter PM01 "gebruiksmodus" in op 03 (prioriteit
ventilatie) (Tabel 6.4
p.34
).
3. Stel de parameter PM06 "klokthermostaat geïnstalleerd" in
op 0 (gebruik zonder klokthermostaat) (Tab. 6.4
p.34
).
4. Druk op om terug te gaan naar het INFO menu.
5. Druk om het INFO menu te verlaten naar het
hoofdscherm.
6. Koppel de klokthermostaat los en verwijder deze tesamen
met het controlebord in het controlecircuit op positie x13
(Paragraaf 1.3
p.11
).
De tot nu toe gemaakte instellingen maken het mogelijk
om de generator te gebruiken in de dubbele optie: "al-
leen ventilatie" modus (voor luchtuitwisseling) of "ven-
tilatie met gelijktijdige verwarming" modus (voor lucht-
uitwisseling en verwarming tegelijkertijd). De instelling
staat dus niet toe dat de generator in de modus "alleen
verwarming" wordt gebruikt, wat de ventilatieprioriteit
garandeert.
7. Om alleen de ventilatiemodus te activeren (alleen werking
van ventilatoren, voor luchtuitwisseling) is het noodzakelijk
om alleen het X7-contact te sluiten dat is gemarkeerd met
het symbool op het SCH2-bord. Gebruik bijvoorbeeld de
optie voor het zomerseizoen.
8. Om de ventilatiemodus te activeren met gelijktijdige ver-
warming (gelijktijdige werking van de ventilator en bran-
der, voor luchtuitwisseling en gelijktijdige verwarming) is
het noodzakelijk om, naast het X7-contact gemarkeerd met
het symbool , ook het X10-contact gemarkeerd met het
symbool te sluiten, beide geplaatst op het SCH2-bord.
Om het warmteverzoek te deactiveren (alleen het blussen
van de brander), moet het X10-contact dat is gemarkeerd
met het symbool opnieuw worden geopend. Gebruik
bijvoorbeeld de optie voor het winterseizoen.
9. Raadpleeg paragraaf om afwijkingen op afstand te melden
4.5
p.25
.
Gewone geleiding
38
6
6.5 BEDIENINGSSCHEMA'S
Afbeelding6.10 Zomer mode
Werking
MIT
klokthermostaat
ZOMER
mode
(VENTILEREN)
Werking
ZONDER
klokthermostaat
ZOMER
mode
(VENTILEREN)
Automatisch
(programma)
Vaste ventilatie
(instelbare)
Vaste ventilatie
(instelbare)
Vaste ventilatie
niveau MAX
(onveranderlijk)
ManueelManueel
niveau 2
MID
niveau 3
MAX
niveau 1
MIN
niveau 2
MID
niveau 3
MAX
niveau 1
MIN
GASLUCHTVERHITTER
Gewone geleiding
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
39
6
Afbeelding6.11 Winter en luchtverversing modes
Werking
MIT
klokthermostaat
Werking
ZONDER
klokthermostaat
ZOMER
mode
(VENTILEREN)
Automatisch
(programma)
Vaste ventilatie
(instelbare)
Totale modulace
(niveau 0)
Vaste werking
thermisch vermogen: max
ventilatie: niveau max
WINTER
mode
(VERWARMEN)
WINTER
mode
(VERWARMEN)
LUCHTVERVERSING
mode
(prioriteit ventilatie)
zie
speciek diagram
ZOMER
mode
(VENTILEREN)
zie
speciek diagram
Manueel
AAN/UIT
werking
Modulierende
werking
niveau 2
MID
niveau 3
MAX
niveau 1
MIN
Vaste ventilatie
(instelbare)
Totale modulace
(niveau 0)
niveau 2
MID
niveau 3
MAX
niveau 1
MIN
Automatisch
(programma)
Manueel
Vaste werking
(niveau 4)
GASLUCHTVERHITTER
Onderhoud
40
7
6.6 INSTELBEREIK
Door middel van de klokthermostaat is het mogelijk om het
thermisch vermogen van de luchtverhitter in te stellen (in een
percentage) op een ander maximaal vermogen dan de nomina-
le waarde van het toestel.
Deze optie wijzigt de maximale warmteafgifte van de luchtver-
hitter, en kan geselecteerd worden wanneer u wenst dat het toe-
stel een kleiner vermogen heeft dan het nominaal vermogen.
De thermische stroom kan alleen worden aangepast
door een CAT of door professioneel gekwaliceerd per-
soneel.
In geval van onderhoud: de parameter die gewijzigd
moet worden is PM 05 (Tabel 6.4
p. 34
). Voor het
instellen dient u de instructies in Paragraaf 6.3.10
p.33
.
De volgende tabel 6.8
p. 40
toont, afhankelijk van het mo-
del, de waarden (in procenten) die kunnen worden ingesteld
en de bijbehorende thermische stroom (te melden op het
gegevensplaatje).
Voorbeeld:
Indien u het vermogen van een G100 wil terugbrengen naar
86,9 kW, moet in parameter PM05 een waarde van 90 worden
ingesteld.
Indien er een waarde van 100 (%) (= standaard) wordt
ingesteld, komt dit overeen met het nominaal vermogen
van de luchtverhitter. Indien 0 (%) wordt ingesteld komt
dit overeen met het minimum vermogen van de lucht-
verhitter.
Tabel6.8 Ventilatorsnelheid en bijbehorend thermisch debiet
PM 05
G30 G45 G60 G100
bovenlimiet van
modulatie
Ingestelde
waarde
[%]
Snelheid venti-
lator
[rpm]
Thermisch
vermogen
[kW]
Snelheid venti-
lator
[rpm]
Thermisch
vermogen
[kW]
Snelheid venti-
lator
[rpm]
Thermisch
vermogen
[kW]
Snelheid venti-
lator
[rpm]
Thermisch
vermogen
[kW]
100% 3500 30,0 4850 45,0 5650 58,0 6000 93,0
95% 3420 29,3 4693 43,5 5468 56,1 5803 89,9
90% 3340 28,6 4535 42,1 5285 54,3 5605 86,9
85% 3260 27,9 4378 40,6 5103 52,4 5408 83,8
80% 3180 27,3 4220 39,2 4920 50,5 5210 80,8
75% 3100 26,6 4063 37,7 4738 48,6 5013 77,7
70% 3020 25,9 3905 36,2 4555 46,8 4815 74,6
Zodra het thermische debiet van de generator is ge-
wijzigd, is het verplicht om het gegevensplaatje bij
te werken, waarop met onuitwisbare tekens en op
duurzame wijze de waarde van het nominale thermische
debiet van de aanpassing wordt aangegeven, op het
moment van inbedrijfstelling (EN 1020 en prEN 17082).
7 ONDERHOUD
7.1 WAARSCHUWINGEN
Een correct onderhoud voorkomt problemen, garan-
deert de eciëntie en beperkt de beheerskosten.
De onderhoudswerken die hier worden beschreven,
mogen uitsluitend door de technische dienst of door
een gekwaliceerde onderhoudstechnicus worden uit-
gevoerd.
Alle werkzaamheden op interne componenten mogen
uitsluitend door de technische dienst worden uitge-
voerd.
Voordat u werkzaamheden gaat uitvoeren, moet u het
toestel uitzetten via de besturingsinrichting en wachten
tot de uitschakelingscyclus eindigt. Daarna onderbreekt
u de elektrische voeding via de elektrische scheidings-
schakelaar en de gastoevoer met behulp van de gas-
kraan.
De vericaties van de goede werking en eventuele an-
dere "operaties voor controle en onderhoud" (zie tabel
7.1
p.41
) zijn onderhevig aan een regelmatige tijdspe-
riode, volgens hetgeen is vastgesteld in de geldende re-
gelgeving of, nauwkeuriger, zoals voorgeschreven door
de fabrikant, door de installateur of de technische dienst.
De verantwoordelijkheid voor controles op eciëntie,
uit te voeren met het oog op vermindering van energie-
verbruik, berust bij de manager van de installatie.
Onderhoud
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
41
7
7.2 PERIODIEK ONDERHOUD
Voer de handelingen in de onderstaande tabel 7.1
p. 41
jaarlijks uit.
Tabel7.1 Periodiek onderhoud
Next-R G K M
Geprogrammeerd gewoon onderhoud
Inspectie van de unit
brander reinigen
reinig de elektroden voor aanzetten en vlamdetectie
ventilator reinigen
schone blazer/aanzuiger
controleer het CO
2
-gehalte (%)
controleer de veiligheid van het apparaat
controleer of de condensafvoer schoon is - - -
7.3 LIMIET THERMOSTAAT RESET
De eindthermostaat stopt de brander als het apparaat overver-
hit is.
Het resetten van de generator in blok voor interventie
van de limietthermostaat is handmatig en gebeurt via de
afstandsbediening.
Het resetten van de limietthermostaat is de verantwoor-
delijkheid van professioneel gekwaliceerd personeel,
nadat de oorzaak van oververhitting is geïdenticeerd.
De activering van de limietthermostaat is ALTIJD een
indicatie dat er een fout aanwezig is. Alvorens deze te
resetten is het dus aangewezen eerst na te gaan waarom
de warmtewisselaars oververhit raken. Indien het toestel
frequent uitvalt, kan u best contact opnemen met de
Robur klantendienst of de importeur
7.4 PROBLEEMOPLOSSING
Als de generator niet start in verwarming of ventilatie, volgt u
deze stappen om de meest waarschijnlijke oorzaak van de ano-
malie te identiceren:
1. Koppel de stroomtoevoer naar de generator los.
2. Controleer de zekering van het elektrische aansluitblok. Als
deze kapot is, vervang deze dan door een geschikte (zie
elektrische gegevens in tabel 1.2
p.13
).
3. Herstel de voeding.
4. Controleer of de voedingsspanning (230 V 1-N 50 Hz) juist is.
5. Controleer de statische gasdruk ten opzichte van de waar-
den in Tabel 3.1
p.16
.
6. Schakel de generator in via de afstandsbediening (symbool
op het display).
7. Controleer of de blazer start. Als de blazer niet start:
Controleer of de limietthermostaat niet is afgeslagen.
Controleer bij uitschakeling de oorzaak van overver-
hitting, los deze op en reset de limietthermostaat
(Paragraafprocedure 7.3
p.41
).
Controleer de ventilator op spanning. Als de spanning
aanwezig is, maar de ventilator start niet, koppel dan de
bedieningskabel van de ventilator los. Als het toch niet
start, vervang dan de ventilatorcondensator. Als dit ook
niet oplost, vervang dan de blazer zelf.
8. Controleer de vonkvorming van de elektrode na 40 secon-
den na het starten van de blazer. Als de elektroden niet
vonken:
Controleer de positie en de aansluitkabel.
Controleer de zekering van de ontstekingsunit. Als deze
kapot is, vervang het dan.
Als de zekering intact is maar de elektroden vonken niet,
vervang dan de ontstekingstransformator.
9. Als de brander wordt ingeschakeld, maar onmiddellijk na de
scintillatie wordt uitgeschakeld:
Controleer of de fase en neutraal van de voeding niet
zijn omgekeerd.
Controleer de juiste positionering en integriteit van de
detectie-elektrode en vervang deze indien nodig.
Als de elektrode en voeding geen problemen opleveren,
vervang dan de contacttransformator.
10. Als de brander niet aan gaat of in ieder geval het gas niet
voelt komen:
Controleer de gastoevoer
Als er gas aanwezig is, controleer dan de gasklep op
spanning tijdens de scintillatie. Als de spanning aanwe-
zig is en de ventilator draait, controleer dan of de spuit-
mond niet geblokkeerd is. Als de spuitmond vrij is, ver-
vang dan de gasklep.
Als de gastoevoer nog steeds aanwezig is, maar er geen
spanning de gasklep bereikt, controleer dan de elektri-
sche aansluitingen op het bedieningspaneel en vervang,
indien correct, het bedieningspaneel.
11. Controleer na ontsteking van de brander de gasdruk, zowel
statisch als dynamisch, ten opzichte van de waarden in de
Tabel 3.1
p.16
.
12. Controleer of de ventilator start (binnen 120 seconden na
ontsteking van de brander):
Als deze niet start, controleer dan de werking van de wis-
selaarsonde en vervang deze indien nodig.
Controleer de condensor van de ventilatormotor en ver-
vang deze indien nodig.
Als dit ook niet oplost, vervang dan de ventilatormotor.
7.5 TOESTEL TIJDELIJK BUITEN GEBRUIK
STELLEN
Als men voorziet om het toestel gedurende een lange periode
niet te gebruiken, moet men het toestel van het elektriciteitsnet
en gasdistributienet loskoppelen.
Onderhoud
42
7
Het toestel voor lange perioden deactiveren
1. Schakel het toestel uit (Paragraaf 6.2
p.28
).
2. Pas wanneer het toestel volledig uit staat, onderbreekt u de
elektrische spanning met de hoofschakelaar/scheidings-
schakelaar (detail GS in Afbeelding 4.1
p.23
).
3. Sluit de gaskraan.
De klokthermostaat heeft een interne batterij die gedu-
rende 12 uren stroom levert. Na deze tijd gaan uw in-
stellingen van datum en uur verloren, de temperatuur
instellingen en proelen blijven echter bewaard. Om
verlies van uw instellingen te voorkomen, kan u best de
stroomtoevoer niet onderbreken, ook indien het toestel
voor langere tijd niet gebruikt wordt.
Het toestel na een lange periode inactiviteit opnieuw
activeren
Vooraleer het toestel opnieuw te activeren, moet de ver-
antwoordelijke/onderhoudstechnicus van de installatie
eerst en vooral het volgende doen:
Controleer eventueel noodzakelijke onderhoudsinter-
venties (neem contact op met de technische dienst, zie
paragraaf 7.2
p.41
)
Controleer of de uitlaatpijp en de luchtinlaat niet ge-
blokkeerd zijn.
Na deze controles:
1. Open de gaskraan en controleer of er geen lekken zijn.
Als u een gasgeur ruikt, moet u de gaskraan opnieuw
sluiten. Bedien geen elektrische voorzieningen, maar
vraag een interventie door gekwaliceerd personeel.
2. Schakel de elektrische stroom in via de hoofdschakelaar
van de voeding (GS, afbeelding 4.1
p.23
).
3. Zet het toestel aan via de voorziene besturingsinrichting
(Paragraaf 6.2
p.28
).
Bijlagen
Handleiding voor installatie, gebruik en onderhoud – Generator G
43
8
8 BIJLAGEN
8.1 PRODUCTFICHE
Afbeelding8.1
Item Symbool Waarde Eenheid Item Symbool Waarde Eenheid
Nominaal
verwarmingsvermogen
P
rated,h
29,2 kW
Nu rendement bij
nominaal
verwarmingsvermogen (*)
η
nom
87,7 %
Minimumvermogen
P
min
15,8 kW
Nu rendement bij
minimumvermogen (*)
η
pl
94,9 %
Bij nominaal
verwarmingsvermogen
el
max
0,210 kW
Verliesfactor van de
omhulling
F
env
0,0 %
Bij minimaal vermogen
el
min
0,168 kW
Energieverbruik van
ontstekingsbrander (*)
P
ign
0,0 kW
In stand-bystand
el
sb
0,000 kW
Emissies van skstofoxiden
(*)
NOx 42
mg/kWh
energie-input
(GCV)
Emissie-eciën
η
s,ow
91,8 %
Seizoensgebonden energie-
eciëne van
ruimteverwarming
η
s,h
82,9 %
Contactgegevens
Robur SPA, Via Parigi 4/6, I-24040 Zingonia (BG)
Type brandstof: [gas/vloeibaar/elektriciteit]
gas
Tabel 9
Informae-eisen voor luchtverwarmingstoestellen
Model(len): Informae ter bepaling van het model waarop de informae betrekking hee:
Luchtverwarmingstoestel type B
1
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
2
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
4
: [ja/neen]
G30
neen
neen
neen
(*) niet vereist voor elektrische luchtverwarmingstoestellen
Vermogen
Nu rendement
Elektriciteitsverbruik (*)
Andere items
Afbeelding8.2
Item Symbool Waarde Eenheid Item Symbool Waarde Eenheid
Nominaal
verwarmingsvermogen
P
rated,h
43,3 kW
Nu rendement bij
nominaal
verwarmingsvermogen (*)
η
nom
86,9 %
Minimumvermogen
P
min
15,6 kW
Nu rendement bij
minimumvermogen (*)
η
pl
94,0 %
Bij nominaal
verwarmingsvermogen
el
max
0,330 kW
Verliesfactor van de
omhulling
F
env
0,0 %
Bij minimaal vermogen
el
min
0,264 kW
Energieverbruik van
ontstekingsbrander (*)
P
ign
0,0 kW
In stand-bystand
el
sb
0,000 kW
Emissies van skstofoxiden
(*)
NOx 42
mg/kWh
energie-input
(GCV)
Emissie-eciën
η
s,ow
93,7 %
Seizoensgebonden energie-
eciëne van
ruimteverwarming
η
s,h
86,1 %
Contactgegevens
Robur SPA, Via Parigi 4/6, I-24040 Zingonia (BG)
Type brandstof: [gas/vloeibaar/elektriciteit]
gas
Tabel 9
Informae-eisen voor luchtverwarmingstoestellen
Model(len): Informae ter bepaling van het model waarop de informae betrekking hee:
Luchtverwarmingstoestel type B
1
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
2
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
4
: [ja/neen]
G45
neen
neen
neen
(*) niet vereist voor elektrische luchtverwarmingstoestellen
Vermogen
Nu rendement
Elektriciteitsverbruik (*)
Andere items
Bijlagen
44
8
Afbeelding8.3
Item Symbool Waarde Eenheid Item Symbool Waarde Eenheid
Nominaal
verwarmingsvermogen
P
rated,h
56,2 kW
Nu rendement bij
nominaal
verwarmingsvermogen (*)
η
nom
87,4 %
Minimumvermogen
P
min
20,2 kW
Nu rendement bij
minimumvermogen (*)
η
pl
94,2 %
Bij nominaal
verwarmingsvermogen
el
max
0,580 kW
Verliesfactor van de
omhulling
F
env
0,0 %
Bij minimaal vermogen
el
min
0,464 kW
Energieverbruik van
ontstekingsbrander (*)
P
ign
0,0 kW
In stand-bystand
el
sb
0,000 kW
Emissies van skstofoxiden
(*)
NOx 27
mg/kWh
energie-input
(GCV)
Emissie-eciën
η
s,ow
94,1 %
Seizoensgebonden energie-
eciëne van
ruimteverwarming
η
s,h
86,1 %
Contactgegevens
Robur SPA, Via Parigi 4/6, I-24040 Zingonia (BG)
Type brandstof: [gas/vloeibaar/elektriciteit]
gas
Tabel 9
Informae-eisen voor luchtverwarmingstoestellen
Model(len): Informae ter bepaling van het model waarop de informae betrekking hee:
Luchtverwarmingstoestel type B
1
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
2
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
4
: [ja/neen]
G60
neen
neen
neen
(*) niet vereist voor elektrische luchtverwarmingstoestellen
Vermogen
Nu rendement
Elektriciteitsverbruik (*)
Andere items
Afbeelding8.4
Item Symbool Waarde Eenheid Item Symbool Waarde Eenheid
Nominaal
verwarmingsvermogen
P
rated,h
90,2 kW
Nu rendement bij
nominaal
verwarmingsvermogen (*)
η
nom
87,4 %
Minimumvermogen
P
min
33,5 kW
Nu rendement bij
minimumvermogen (*)
η
pl
95,2 %
Bij nominaal
verwarmingsvermogen
el
max
1,000 kW
Verliesfactor van de
omhulling
F
env
0,0 %
Bij minimaal vermogen
el
min
0,800 kW
Energieverbruik van
ontstekingsbrander (*)
P
ign
0,0 kW
In stand-bystand
el
sb
0,000 kW
Emissies van skstofoxiden
(*)
NOx 42
mg/kWh
energie-input
(GCV)
Emissie-eciën
η
s,ow
92,9 %
Seizoensgebonden energie-
eciëne van
ruimteverwarming
η
s,h
85,5 %
Contactgegevens
Robur SPA, Via Parigi 4/6, I-24040 Zingonia (BG)
Type brandstof: [gas/vloeibaar/elektriciteit]
gas
Tabel 9
Informae-eisen voor luchtverwarmingstoestellen
Model(len): Informae ter bepaling van het model waarop de informae betrekking hee:
Luchtverwarmingstoestel type B
1
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
2
: [ja/neen]
Luchtverwarmingstoestel type C
4
: [ja/neen]
G100
neen
neen
neen
(*) niet vereist voor elektrische luchtverwarmingstoestellen
Vermogen
Nu rendement
Elektriciteitsverbruik (*)
Andere items
Code: D-LBR591
14/06/2021
Robur S.p.A.
geavanceerde technologieën
voor klimatisatie
via Parigi 4/6
24040 Verdellino/Zingonia (BG) Italy
+39 035 888111 - F +39 035 884165
www.robur.it robur@robur.it
Een dynamische aanpak
bij het onderzoek, de ontwikkeling en de verspreiding
van veilige, ecologische en energiebesparende producten
dankzij de bewuste verantwoordelijkheid
van al onze medewerkers.
Herziening: C
21MCLSDC021
Robur mission
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48

Robur G Series Installation, Use And Maintenance Manual

Type
Installation, Use And Maintenance Manual