SKODA Rapid Spaceback NH 05-2014 de handleiding

Type
de handleiding
SIMPLY CLEVER
ŠKODA Rapid Spaceback
Instructieboekje
Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen)
Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de beno-
digde informatie te vergemakkelijken.
Hoofdstukken, inhoudsopgave en trefwoordenlijst
De tekst in dit instructieboekje is in relatief korte paragrafen ingedeeld, die in
overzichtelijke hoofdstukken zijn samengevat. Het actuele hoofdstuk staat ge-
accentueerd vermeld aan onderzijde van de rechterpagina.
De in hoofdstukken ingedeelde inhoudsopgave en de uitgebreide trefwoor-
denlijst aan het einde van het instructieboekje helpen u de gewenste informa-
tie snel te vinden.
Richtingsinformatie
Alle richtingsinformatie, zoals "links", "rechts", "voor", "achter", heeft betrekking
op de rijrichting van de wagen.
Eenheden
De waarden worden in metrische eenheden weergegeven.
Verklaring van symbolen
Verwijst binnen een hoofdstuk naar een paragraaf met belangrijke in-
formatie en veiligheidsaanwijzingen.
Geeft aan dat de paragraaf op de volgende pagina wordt voortgezet.
Geeft situaties aan waarin de wagen zo snel mogelijk tot stilstand
dient te worden gebracht.
® Geeft een geregistreerd handelsmerk aan.
Geeft de op het MAXI DOT-display weergegeven teksten aan.
Geeft de op het segmentdisplay weergegeven teksten aan.
Displayweergave
In dit instructieboekje wordt voor de displayweergave de weergave op het MAXI
DOT-display gebruikt, voor zover niet anders is aangegeven.
Aanwijzingen
ATTENTIE
De belangrijkste aanwijzingen zijn voorzien van de titel ATTENTIE. Deze AT-
TENTIE-aanwijzingen wijzen u op ernstig gevaar voor ongevallen of ver-
wondingen.
VOORZICHTIG
Een Voorzichtig-aanwijzing wijst u op mogelijke schade aan uw wagen (bijvoor-
beeld schade aan de versnellingsbak) of op algemene gevaren voor ongevallen.
Milieu-aanwijzing
Een Milieu-aanwijzing wijst u op het behoud van het milieu. Hier vindt u bijvoor-
beeld adviezen voor een lager brandstofverbruik.
Let op
Een normale aanwijzing wijst u op belangrijke informatie bij het gebruik van uw
wagen.

5JJ012732AB
Voorwoord
U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen.
U heeft een wagen met de modernste techniek en talrijke uitrustingen aangeschaft. Dit instructie-
boekje daarom aandachtig doorlezen omdat dit een voorwaarde vormt voor een juiste bediening van
de wagen.
Bij eventuele vragen kunt u contact opnemen met een ŠKODA Partner.
Wij wensen u veel plezier met uw ŠKODA en te allen tijde een goede reis.
ŠKODA AUTO a.s. (hierna ŠKODA resp. fabrikant)

5JJ012732AB
Gebruikte begrippen
In de wagendocumentatie worden de volgende begrippen gebruikt voor de
service aan uw wagen.
- Werkplaats die vakkundig servicewerkzaamheden aan wagens
van het merk ŠKODA uitvoert. Een erkend reparateur kan zowel een
ŠKODA Partner, een ŠKODA Servicepartner als ook een onafhankelijke
werkplaats zijn.
- Werkplaats die contractueel door de fabrikant
ŠKODA AUTO a.s. of de importeur is geautoriseerd servicewerkzaamhe-
den aan wagens van het merk ŠKODA uit te voeren en ŠKODA originele
onderdelen te verkopen.
- Onderneming die door de fabrikant ŠKODA AUTO a.s. of de
importeur is geautoriseerd om nieuwe wagens van het merk ŠKODA te
verkopen en, indien van toepassing, servicewerkzaamheden hieraan uit
te voeren met gebruik van ŠKODA originele onderdelen en ŠKODA origi-
nele onderdelen te verkopen.
Instructieboekje
Dit instructieboekje geldt voor alle carrosserievarianten van de wagen en voor
alle bijbehorende modelvarianten.
In dit instructieboekje worden altijd alle uitrustingsvarianten beschreven,
zonder dat deze als meeruitvoering, modelvariant of landafhankelijke uitrus-
ting worden aangegeven.
Daarom hoeven in uw wagen niet alle uitrustingscomponenten die in dit in-
structieboekje worden beschreven, aanwezig te zijn.
De uitrustingsomvang van uw wagen heeft betrekking op het koopcontract
van uw wagen. Meer informatie krijgt u bij de ŠKODA Partner waar u de wagen
heeft aangeschaft.
De afbeeldingen kunnen op kleine details afwijken van uw wagen; zij zijn
slechts als algemene informatie op te vatten.
Aanvullende informatie (geldt voor Rusland)
Het volledige toelatingsnummer van het verkeersmiddel staat in de wagenpa-
pieren vermeld.
"Specialist"
"ŠKODA Servicepartner"
"ŠKODA Partner"
Inhoudsopgave
Gebruikte afkortingen
Veiligheid
Passieve veiligheid 6
Algemene aanwijzingen 6
Juiste en veilige zithouding 7
Veiligheidsgordels 10
Veiligheidsgordels gebruiken 10
Gordeloprolautomaten en gordelspanners 13
Airbagsysteem
14
Beschrijving van het airbagsysteem 14
Airbagoverzicht 15
Airbags buiten werking stellen 18
Veilig vervoer van kinderen 20
Kinderzitje 20
Bevestigingssystemen 22
Bediening
Bestuurdersruimte
27
Overzicht
26
Instrumenten en controlelampjes
28
Instrumentenpaneel
28
Controlelampjes
32
Informatiesysteem
39
Bestuurdersinformatiesysteem
39
Multifunctie-indicatie (MFA)
42
MAXI DOT-display
44
Service-intervalindicatie
46
Ontgrendelen en openen
48
Ontgrendelen en vergrendelen
48
Alarmsysteem
52
Achterklep 53
Elektrische ruitbediening 54
Licht en zicht 56
Licht 56
Binnenverlichtingen 61
Zicht 62
Ruitenwissers en -sproeiers 63
Achteruitkijkspiegels 65
Stoelen en hoofdsteunen 67
Stoelen en hoofdsteunen instellen 67
Stoelfuncties 70
Vervoeren en praktische uitrusting 72
Praktische uitrusting 72
Bagageruimte 79
Variabele bagageruimtebodem 84
Dakdragersysteem 87
Verwarming en airconditioning 88
Verwarming, ventilatie, koeling 88
Communicatie en multimedia 93
Universele telefoonvoorbereiding GSM II 93
Spraakbediening 98
Multimedia 99
Rijden
Wegrijden en rijden 102
Motor starten en afzetten 102
Remmen en parkeren 104
Handmatig schakelen en pedalen 106
Automatische versnellingsbak 107
Inrijden en economisch rijden 110
Door water rijden en op onverhard terrein
rijden 111
Hulpsystemen 112
Rem- en stabiliteitssystemen 112
Parkeerhulp 113
Snelheidsregelsysteem 114
Start-stopsysteem 116
Trekhaak en aanhangwagen 118
Trekhaak 118
Aanhangwagen 122
Raadgevingen voor het gebruik
Verzorging en onderhoud 125
Servicewerkzaamheden, aanpassingen en
technische wijzigingen 125
Wagen wassen 128
Exterieur verzorgen 129
Interieur verzorgen 132
Controleren en bijvullen 135
Brandstof 135
Motorruimte 138
Motorolie 141
Koelvloeistof 143
Remvloeistof 145
Accu 146
Wielen 150
Velgen en banden 150
Bandenspanningscontrole 153
Reserve- en noodreservewiel 154
Winterse omstandigheden
155
Tips om het zelf te doen
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
157
Nooduitrusting 157
Wiel verwisselen 159
Bandenreparatie 163
Starthulp 165
Wagen afslepen 167
Afstandsbediening 169
3
Inhoudsopgave
Noodontgrendeling/-vergrendeling 170
Ruitenwisserbladen vervangen 171
Zekeringen en gloeilampjes 172
Zekeringen 172
Gloeilampjes 175
Technische gegevens
Technische gegevens 180
Wagengegevens 180
Trefwoordenlijst
4
Inhoudsopgave
Gebruikte afkortingen
Afkorting Betekenis
1/min Omwentelingen per minuut van de motor
A2DP
Een Bluetooth-softwareprofiel voor een eenzijdige verzen-
ding van audiogegevens
ABS Antiblokkeersysteem
AG Automatische versnellingsbak
AGM Accutype
ASR Tractiecontrole
CO
2
in g/km
Uitgestoten hoeveelheid koolstofdioxide in gram per gere-
den kilometer
DPF Roetfilter
DSG Automatische versnellingsbak met 2-voudige koppeling
EDS Elektronisch sperdifferentieel
ECE Europese Economische Commissie
EPC Controle van de motorelektronica
ESC Stabiliteitscontrole
EU Europese Unie
GSM Wereldwijd systeem voor mobiele communicatie
HBA Remassistent
HHC Bergwegrijhulp
kW Kilowatt, eenheid voor het motorvermogen
MDI Ingangen voor de aansluiting van externe apparaten
MFA Multifunctie-indicatie
MG Schakelbak
MPI Benzinemotor met Multi-Point-inspuitsysteem
N1
Een uitsluitend of voornamelijk voor het transport van goe-
deren ontworpen bestelwagen
Nm Newtonmeter, eenheid voor het motorkoppel
PIN Persoonlijk identificatienummer
Simkaart
Een kaart voor de identificatie van deelnemers in het mobie-
le netwerk
Afkorting Betekenis
TDI CR
Dieselmotor met uitlaatgasturbo en common rail inspuitsys-
teem
TSI Benzinemotor met uitlaatgasturbo en directe inspuiting
5
Gebruikte afkortingen
Veiligheid
Passieve veiligheid
Algemene aanwijzingen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Vóór elke rit
6
Rijveiligheid 6
Veiligheidsuitrustingen 6
In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie, tips en aanwijzingen met be-
trekking tot het thema passieve veiligheid in uw wagen.
We hebben hier alles samengevat wat u bijvoorbeeld over veiligheidsgordels,
airbags, kinderzitjes en de veiligheid van kinderen moet weten.
ATTENTIE
In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie voor bestuurder en bijrijder
over de omgang met de wagen.
Meer informatie met betrekking tot de veiligheid die uw en uw passagiers
aangaan, vindt u in de volgende hoofdstukken in dit instructieboekje.
De complete documentatie moet altijd in de wagen aanwezig zijn. Dit is
vooral belangrijk als u de wagen verhuurt of verkoopt.
Vóór elke rit
Lees en bekijk eerst op bladzijde 6.
Voor uw eigen veiligheid en voor de veiligheid van uw passagiers moet voor
elke rit op de onderstaande punten worden gelet.
Controleren of de verlichting en de knipperlichten correct functioneren.
Ervoor zorgen dat de ruitenwissers goed werken en de toestand van de
ruitenwisserbladen goed is.
Ervoor zorgen dat alle ruiten een helder en goed zicht naar buiten bieden.
De spiegels zo instellen dat het zicht naar achteren is gewaarborgd.
Ervoor zorgen dat de spiegels niet afgedekt zijn.
De bandenspanning controleren.
Motorolie-, remvloeistof- en koelvloeistofpeil controleren.
Aanwezige bagage goed bevestigen.
De toegestane asbelastingen en het maximaal toegestaan gewicht van de
wagen niet overschrijden.
Alle portieren, de motorkap en de achterklep sluiten.
Controleren of er geen voorwerpen zijn die de bediening van de pedalen
kunnen beïnvloeden.
Kinderen beschermen met een geschikt kinderzitje en een op een juiste
wijze omgegespte veiligheidsgordel » pagina 20, Veilig vervoer van kin-
deren.
De juiste zithouding innemen » pagina 7, Juiste en veilige zithouding.
Uw passagiers erop wijzen de juiste zithouding in te nemen.
Rijveiligheid
Lees en bekijk eerst op bladzijde 6.
Als bestuurder draagt u de verantwoordelijkheid voor uzelf en uw passagiers.
Als uw rijveiligheid wordt beïnvloed, brengt u niet alleen uzelf, maar ook ande-
re verkeersdeelnemers in gevaar.
Daarom op de volgende aanwijzingen letten.
Laat u niet van het verkeer afleiden door bijvoorbeeld passagiers of tele-
foongesprekken.
Niet rijden als uw rijvaardigheid is verminderd (bijvoorbeeld door medicij-
nen, alcohol, drugs).
De verkeersregels en de aangegeven snelheid aanhouden.
Uw rijsnelheid steeds aan de toestand van de weg en de verkeers- en
weersomstandigheden aanpassen.
Op lange ritten regelmatig pauzeren - ten minste eens in de twee uur.
Veiligheidsuitrustingen
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 6.
De volgende opsomming omvat een deel van de veiligheidsuitrustingen in uw
wagen:
3-puntsgordels voor alle stoelen,
gordelspankrachtbegrenzers voor de voorstoelen,
gordelspanners voor de voorstoelen,
gordelhoogteverstelling voor de voorstoelen,
6
Veiligheid
voorairbag voor de bestuurder en de bijrijder,
zij-airbags,
hoofdairbags,
bevestigingspunten voor kinderzitjes met het ISOFIX-systeem,
bevestigingspunten voor kinderzitjes met TOP TETHER-systeem,
in hoogte verstelbare hoofdsteunen
1)
,
verstelbare stuurkolom.
De genoemde veiligheidsuitrustingen werken samen om u en uw passagiers in
ongevalsituaties zo goed mogelijk te beschermen.
Deze veiligheidsuitrustingen zijn u en uw passagiers van geen nut als u en uw
passagiers een verkeerde zithouding innemen of deze voorzieningen niet juist
verstellen of gebruiken.
Bij een niet correct omgegespte veiligheidsgordel kunnen bij een ongeval ver-
wondingen ontstaan door de geactiveerde airbag.
Juiste en veilige zithouding
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Juiste zithouding van de bestuurder
7
Stand van het stuurwiel instellen 8
Juiste zithouding van de bijrijder 8
Juiste zithouding van de passagiers op de zitplaatsen achterin 9
Voorbeelden van een verkeerde zithouding 9
ATTENTIE
De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de li-
chaamslengte worden ingesteld en de veiligheidsgordels moeten altijd
goed omgegespt zijn, zodat de inzittenden zo optimaal mogelijk worden
beschermd.
Iedere inzittende in de wagen moet de bij die zitplaats horende veilig-
heidsgordel juist omgespen en dragen. Kinderen moeten met een geschikt
veiligheidssysteem worden vastgezet » pagina 20, Veilig vervoer van kin-
deren.
ATTENTIE (vervolg)
Door een verkeerde zithouding stelt de inzittende zich bloot aan levens-
gevaarlijke risico's van lichamelijk letsel wanneer een airbags wordt geacti-
veerd en hem daarbij raakt.
Als de passagiers achterin niet goed zitten, dan is het gevaar voor ver-
wondingen door een verkeerd gordelverloop groter.
Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, om-
dat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve
zin worden beïnvloed - gevaar voor verwondingen!
Juiste zithouding van de bestuurder
Afbeelding 1
De juiste afstand van de bestuurder tot het stuurwiel / de
juiste instelling van de hoofdsteun
Lees en bekijk eerst op bladzijde 7.
Met het oog op uw eigen veiligheid en om het gevaar voor verwondingen bij
een ongeval te verminderen, moeten de volgende aanwijzingen in acht wor-
den genomen.
De bestuurdersstoel in lengterichting zo instellen dat u de pedalen met
licht gebogen benen volledig kunt intrappen.
De leuning zodanig verstellen, dat u het stuurwiel op het bovenste punt
met licht gebogen armen kunt vastpakken.
Het stuurwiel zo instellen dat de afstand
A
tussen stuurwiel en borstkas
ten minste 25 cm bedraagt » Afbeelding 1. Stuurwiel instellen » pagina
8, Stand van het stuurwiel instellen.
1)
Geldt niet voor de sportstoelen.
7
Passieve veiligheid
De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo-
veel mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd
1)
B
» Afbeelding 1.
De veiligheidsgordel juist omgespen » pagina 10, Veiligheidsgordels ge-
bruiken.
Stoelen en hoofdsteunen instellen » pagina 67.
ATTENTIE
Vóór elke rit de juiste zithouding innemen en deze houding ook tijdens de
rit niet wijzigen. Ook de passagiers erop wijzen de juiste zithouding in te
nemen en deze houding ook tijdens de rit niet te wijzigen.
Een afstand tot het stuurwiel van minimaal 25 cm aanhouden. Als de mi-
nimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet be-
schermen - levensgevaar!
Het stuurwiel tijdens het rijden met beide handen vasthouden aan de
buitenzijde van het stuur op "kwart" over "negen". Nooit het stuurwiel op
"12-uur" vasthouden of in een andere stand (bijvoorbeeld in het midden of
aan de binnenzijde van het stuurwiel). In dergelijke gevallen zou bij active-
ring van de bestuurdersvoorairbag letsel aan uw armen, handen en hoofd
kunnen worden toegebracht.
Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden om-
dat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen ko-
men. U zou dan niet in staat zijn om het koppelingspedaal in te trappen, te
remmen of gas te geven.
Stand van het stuurwiel instellen
Afbeelding 2
Stuurwielstand instellen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 7.
De stand van het stuurwiel kan in hoogte en in lengterichting worden versteld.
De hendel onder de stuurkolom naar beneden zwenken » Afbeelding 2.
Het stuurwiel in de gewenste stand (in hoogte en lengterichting) zetten.
De hendel tot de aanslag naar boven drukken.
ATTENTIE
De hendel voor de stuurwielverstelling moet tijdens het rijden vergren-
deld zijn, zodat de stand van het stuurwiel tijdens het rijden niet onbedoeld
verandert - gevaar voor ongevallen!
Het stuurwiel nooit tijdens het rijden verstellen, maar alleen als de wagen
stilstaat!
Juiste zithouding van de bijrijder
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 7.
Met het oog op de veiligheid van de passagier en om het gevaar voor verwon-
dingen bij een ongeval te verminderen, moeten de volgende aanwijzingen in
acht worden genomen.
De bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven. De bijrijder moet
een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhou-
den, zodat de airbag bij een activering de grootst mogelijke veiligheid
biedt.
De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo-
veel mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd
1)
B
» Afbeelding 1 op pagina 7.
De veiligheidsgordel juist omgespen » pagina 10, Veiligheidsgordels ge-
bruiken.
Stoelen en hoofdsteunen instellen » pagina 67.
In uitzonderingsgevallen kan de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden
gesteld » pagina 18, Airbags buiten werking stellen.
1)
Geldt niet voor de sportstoelen.
8
Veiligheid
ATTENTIE
Een afstand tot het dashboard van minimaal 25 cm aanhouden. Als de mi-
nimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet be-
schermen - levensgevaar!
De voeten altijd tijdens het rijden in de voetenruimte houden - leg uw
voeten nooit op het dashboard, uit het raam of op de zittingen. Door een
verkeerde zithouding stelt u zich bij remmen of een aanrijding bloot aan
een verhoogd risico van lichamelijk letsel. Bij een activering van de airbag
kunt u zich door een verkeerde zithouding dodelijk verwonden!
Juiste zithouding van de passagiers op de zitplaatsen achterin
Lees en bekijk eerst op bladzijde 7.
Om het gevaar voor verwondingen bij plotseling remmen of een ongeval te
verminderen, moeten de passagiers op de zitplaatsen achterin op het volgen-
de letten:
De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo-
veel mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd
B
» Af-
beelding 1 op pagina 7.
De veiligheidsgordel juist omgespen » pagina 10, Veiligheidsgordels ge-
bruiken.
Een geschikt kinderveiligheidssysteem gebruiken als u kinderen in de wa-
gen meeneemt » pagina 20, Veilig vervoer van kinderen.
Stoelen en hoofdsteunen instellen » pagina 67.
Voorbeelden van een verkeerde zithouding
Lees en bekijk eerst op bladzijde 7.
De maximale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bij
juist omgegespte veiligheidsgordels bereikt.
Verkeerde zithoudingen reduceren de beschermende werking van de veilig-
heidsgordels aanzienlijk en vergroten het risico van lichamelijk letsel door een
verkeerd gordelverloop.
Als bestuurder draagt u de verantwoordelijkheid voor uzelf, voor alle passa-
giers en in het bijzonder voor kinderen. Nooit toestaan dat iemand tijdens het
rijden een verkeerde zithouding inneemt in de wagen.
De volgende opsomming bevat aanwijzingen die, indien ze niet worden opge-
volgd, tot zwaar of dodelijk letsel kunnen leiden. Deze opsomming is niet vol-
ledig. Wij willen u hiermee attenderen op dit onderwerp.
Tijdens het rijden de volgende aanwijzingen in acht nemen.
Nooit staan.
Nooit op de stoelen staan.
Nooit op de stoelen knielen.
De rugleuning niet te sterk naar achteren kantelen.
Niet tegen het dashboard leunen.
Niet op de achterbank gaan liggen.
Niet alleen op het voorste deel van de zitting gaan zitten.
Niet dwars op de stoel gaan zitten.
Niet uit de ruiten leunen.
De voeten niet in de ruitopeningen houden.
De voeten niet op het dashboard leggen.
De voeten niet op de zitting leggen.
Niemand in de voetenruimte meenemen.
Niet zonder omgegespte veiligheidsgordel rijden.
Niet in de bagageruimte verblijven.
9
Passieve veiligheid
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels gebruiken
Inleiding voor het onderwerp
Afbeelding 3
Bestuurder met omgegespte vei-
ligheidsgordel
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Het natuurkundige principe van een frontale botsing 11
Veiligheidsgordels omgespen en losmaken 12
Gordelhoogteverstelling op de voorstoelen 13
Correct omgegespte veiligheidsgordels bieden een goede bescherming bij on-
gelukken. Ze verkleinen het risico op lichamelijk letsel aanzienlijk en vergroten
de kans een zwaar ongeval te overleven.
Correct omgegespte veiligheidsgordels houden de inzittenden in de wagen in
de juiste zithouding » Afbeelding 3.
De gordels reduceren de bewegingsenergie aanzienlijk. Verder voorkomen ze
ongecontroleerde bewegingen die zwaar letsel tot gevolg kunnen hebben.
Inzittenden van de wagen met correct vastgegespte veiligheidsgordels profi-
teren in hoge mate van het feit dat de bewegingsenergie optimaal via de gor-
dels wordt opgevangen.
Ook garanderen de structuur van de voorzijde en andere passieve veiligheids-
kenmerken van uw wagen, zoals het airbagsysteem, een zo goed mogelijke re-
ductie van de bewegingsenergie. De energie die ontstaat wordt op deze wijze
verminderd en het risico van lichamelijk letsel wordt kleiner.
Bij het vervoeren van kinderen moet u rekening houden met speciale veilig-
heidsaspecten » pagina 20, Veilig vervoer van kinderen.
ATTENTIE
Vóór elke rit de veiligheidsgordel correct omgespen - ook in stadsverkeer!
Dat geldt ook voor de inzittenden op de zitplaatsen achterin - gevaar voor
verwondingen!
Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen
dat biedt de beste bescherming voor het ongeboren kind » pagina 12, Vei-
ligheidsgordels omgespen en losmaken.
De maximale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt al-
leen bij een correcte zithouding bereikt » pagina 7, Juiste en veilige zithou-
ding.
De leuningen mogen niet te ver naar achteren staan, omdat anders de
werking van de veiligheidsgordel teniet kan worden gedaan.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het juiste gordelbandverloop
Altijd op het juiste verloop van de veiligheidsgordel letten. Een verkeerd
gedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel lei-
den.
De hoogte van de veiligheidsgordel zo instellen, dat de schoudergordel
ongeveer over het midden van de schouder - maar in geen geval langs de
hals - loopt.
Een te los gedragen veiligheidsgordel kan tot letsel leiden, omdat uw li-
chaam bij een ongeval door de bewegingsenergie verder naar voren komt
en dan abrupt door de veiligheidsgordel wordt afgeremd.
De gordel nooit over vaste of breekbare voorwerpen leiden (bijvoorbeeld
brillen, balpennen, sleutels enzovoort). Deze voorwerpen kunnen tot ver-
wondingen leiden.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het bedienen van de veiligheidsgordels
De gordel mag niet zijn vastgeklemd, zijn verdraaid of langs scherpe rand-
en schuren.
Let erop dat de veiligheidsgordel bij het sluiten van het portier niet wordt
ingeklemd.
10
Veiligheid
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het juiste gebruik van de veiligheidsgordels
Met een veiligheidsgordel mogen nooit 2 personen (ook geen kinderen)
worden omgegespt. De veiligheidsgordel mag ook niet over een op de
schoot van een passagier zittend kind worden gevoerd.
De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slot-
deel worden gestoken. Het verkeerd omdoen van de veiligheidsgordel be-
invloedt de beschermende werking hiervan en de kans op letsel neemt toe.
De invoertrechter van de slotgesp mag niet verstopt zijn, omdat anders
de slotgesp niet kan vergrendelen.
Veel lagen kleding en ook losse kleding (bijvoorbeeld een mantel over
een colbert) belemmeren het correct aanliggen en de werking van de veilig-
heidsgordels.
Het gebruik van klemmen of andere voorwerpen voor het instellen van de
veiligheidsgordels (bijvoorbeeld voor het inkorten van de veiligheidsgordels
bij kleinere personen) is verboden.
De veiligheidsgordels voor de zitplaatsen achterin kunnen alleen goed
functioneren als de achterbankrugleuning correct is vergrendeld » pagina
71.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het onderhoud van de veiligheidsgordels
De gordelband moet schoon worden gehouden. Een vervuilde veiligheids-
gordel kan de werking van de veiligheidsgordel negatief beïnvloeden » pa-
gina 135.
De veiligheidsgordels mogen niet worden uitgebouwd en op geen enkele
manier worden gewijzigd. Nooit proberen om de veiligheidsgordels zelf te
repareren.
De staat van de veiligheidsgordels regelmatig controleren. Als beschadi-
gingen van de veiligheidsgordel, de gordelverbindingen, de gordeloprolau-
tomaat of het slot worden vastgesteld, moet de betreffende veiligheids-
gordel door een erkend reparateur worden vervangen.
Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor uit-
gerekt worden, moeten worden vervangen - bij voorkeur door een erkend
reparateur. Tevens moeten de verankeringen van de veiligheidsgordels
worden gecontroleerd.
Let op
Bij het gebruik van de veiligheidsgordels de nationale wettelijke bepalingen in
acht nemen.
Het natuurkundige principe van een frontale botsing
Afbeelding 4 Niet-vastgegespte bestuurder / niet-vastgegespte passa-
gier op zitplaats achterin
Lees en bekijk eerst op bladzijde 10.
Zodra de wagen in beweging is, ontstaat zowel bij de wagen als bij de inzitten-
den van de wagen bewegingsenergie, de zogenaamde kinetische energie.
De mate van kinetische energie is sterk afhankelijk van de snelheid van de wa-
gen en van het gewicht van de wagen en de inzittenden. Bij stijgende snelheid
en toenemend gewicht moet bij een ongeval meer energie worden afge-
bouwd.
De snelheid van de wagen is echter de belangrijkste factor. Als bijvoorbeeld de
snelheid van 25 km/h naar 50 km/h wordt verdubbeld, wordt de bewegings-
energie verviervoudigd!
De veelgehoorde mening dat het mogelijk is het lichaam bij een lichte aanrij-
ding met de handen tegen te houden, is verkeerd. Al bij geringe aanrijdings-
snelheden worden krachten op het lichaam werkzaam die niet meer kunnen
worden opgevangen.
Ook al rijdt u maar met een snelheid van 30 tot 50 km/h, bij een botsing ko-
men krachten vrij op het lichaam die een ton (1.000 kg) te boven kunnen gaan.
Het gewicht van bijvoorbeeld een persoon van 80 kg "neemt" bij 50 km/h toe
tot 4,8 ton (4.800 kg).
Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren ge-
slingerd en stoten zij ongecontroleerd tegen delen in het interieur, zoals het
stuurwiel, het dashboard of de voorruit » Afbeelding 4 -
. U kunt onder be-
paalde omstandigheden zelfs uit de wagen worden geslingerd, wat levensge-
vaarlijk of zelfs dodelijk letsel tot gevolg kan hebben.
11
Veiligheidsgordels
Ook voor inzittenden achterin is het belangrijk de gordel juist om te gespen
omdat zij bij een aanrijding ongecontroleerd door de wagen kunnen worden
geslingerd.
Een niet-vastgegespte passagier op een van de zitplaatsen achterin die geen
gordel draagt, brengt niet alleen zichzelf in gevaar, maar ook degene die vóór
hem zit » Afbeelding 4 -
.
Veiligheidsgordels omgespen en losmaken
Afbeelding 5 Veiligheidsgordel omgespen / losmaken
Afbeelding 6 Verloop van de gordelband van de schouder- en heupgor-
del / gordelverloop bij zwangere vrouwen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 10.
Omgespen
De voorstoel en de hoofdsteun
1)
correct instellen, voordat de veiligheidsgor-
del wordt omgegespt » pagina 7.
De gordel aan de slotgesp langzaam over borst en bekken trekken.
De slotgesp in het bij de stoel behorende gordelslot » Afbeelding 5 -
ste-
ken tot deze hoorbaar vastklikt.
Aan de veiligheidsgordel trekken en controleren of de slotgesp goed in het
slot is vastgeklikt.
Een kunststof knop in de gordel houdt de gordelgesp zo dat hij makkelijk kan
worden vastgepakt.
Voor de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels is het gor-
delverloop van groot belang.
Het schoudergordeldeel mag nooit over de hals lopen, maar moet ongeveer
over het midden van de schouder lopen en goed tegen het bovenlichaam aan-
liggen. Het heupgordeldeel moet vóór het bekken worden gelegd, mag niet
over de buik lopen en moet altijd strak tegen het lichaam aanliggen » Afbeel-
ding 6 -
.
Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen dat
biedt de beste bescherming voor het ongeboren kind.
Bij zwangere vrouwen moet het heupgordeldeel zo diep mogelijk tegen het
bekken liggen, zodat er geen druk op de onderbuik wordt uitgeoefend » Af-
beelding 6 -
.
Losmaken
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen losmaken.
De rode knop in het gordelslot » Afbeelding 5 -
indrukken, de slotgesp
springt uit het slot.
De gordel met de hand teruggeleiden, zodat deze gemakkelijker volledig op-
rolt en daarbij niet verdraait.
VOORZICHTIG
Bij het losmaken van de veiligheidsgordel erop letten, dat de slotgesp de por-
tierbekleding en andere delen van het interieur niet beschadigt.
1)
Geldt niet voor de sportstoelen.
12
Veiligheid
Gordelhoogteverstelling op de voorstoelen
Afbeelding 7
Voorstoel: Hoogteverstelling vei-
ligheidsgordels
Lees en bekijk eerst op bladzijde 10.
Met behulp van de gordelhoogteverstelling kan het verloop van de voorste
veiligheidsgordel bij de schouder worden aangepast aan het lichaam.
Op de doorvoerplaat drukken en deze in de gewenste richting naar boven of
naar beneden schuiven » Afbeelding 7.
Na het verstellen met een ruk aan de veiligheidsgordel trekken om te contro-
leren of de doorvoerplaat goed is vergrendeld.
Gordeloprolautomaten en gordelspanners
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Gordeloprolautomaten
13
Gordelspanner
13
Gordeloprolautomaten
Elke veiligheidsgordel is uitgerust met een gordeloprolautomaat.
Bij langzaam trekken aan de veiligheidsgordel is de volledige bewegingsvrij-
heid van de gordel gegarandeerd. Als met een ruk aan de veiligheidsgordel
wordt getrokken, wordt deze door de oprolautomaat geblokkeerd.
De veiligheidsgordels blokkeren ook bij een noodremming, bij het accelereren,
bij het rijden in de bergen en in bochten.
ATTENTIE
Indien de veiligheidsgordel niet blokkeert als hier met een ruk aan wordt
getrokken, dient deze direct door een erkend reparateur te worden gecon-
troleerd.
Gordelspanner
De veiligheid van gordeldragende bestuurder en bijrijder wordt door de gor-
delspanners op de oprolautomaten van de voorste veiligheidsgordels vergroot.
Bij een frontale aanrijding vanaf een bepaalde zwaarte worden de veiligheids-
gordels automatisch gespannen. De gordelspanners kunnen ook bij niet gedra-
gen veiligheidsgordels worden geactiveerd.
Bij een aanrijding van opzij met een bepaalde zwaarte wordt de veiligheidsgor-
del aan de zijde van de aanrijding automatisch gespannen.
Bij lichte frontale botsingen, aanrijdingen van opzij en van achteren, bij een
koprol en bij ongevallen waarbij geen grote krachten van voren werkzaam zijn,
vindt er geen activering van de gordelspanners plaats.
ATTENTIE
Alle werkzaamheden aan het systeem evenals het uit- en inbouwen van
systeemonderdelen vanwege andere reparatiedoeleinden mogen alleen
door een erkend reparateur worden uitgevoerd.
De beschermende werking van het systeem is slechts beperkt tot één
aanrijding. Als de gordelspanners werden geactiveerd, moet het systeem
worden vervangen.
Let op
Bij het activeren van de gordelspanners komt rook vrij. Dat is geen teken dat
de wagen in brand staat.
Bij het afvoeren en verwerken van de wagen of van delen van het gordel-
spannersysteem de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen. Deze voor-
schriften zijn bekend bij de ŠKODA Servicepartners en bij hen kunt u ook gede-
tailleerde informatie krijgen.
13
Veiligheidsgordels
Airbagsysteem
Beschrijving van het airbagsysteem
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Systeembeschrijving 14
Airbagactivering 15
ATTENTIE
De beste beschermende werking van de airbags wordt alleen in combi-
natie met omgegespte veiligheidsgordels bereikt.
De airbag is geen vervanging van de veiligheidsgordel, maar een deel van
het totale passieve veiligheidsconcept van de wagen.
Om ervoor te zorgen dat de inzittenden bij het activeren van de airbags
zo optimaal mogelijk worden beschermd, moet de instelling van de voor-
stoelen aan de lichaamsgrootte zijn aangepast » pagina 7, Juiste en veilige
zithouding.
Wanneer u tijdens het rijden geen veiligheidsgordels hebt omgegespt, te
ver naar voren leunt of een andere verkeerde zitpositie inneemt, staat u bij
een ongeval bloot aan een verhoogd gevaar voor letsel.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het behandelen van het airbagsysteem
Als zich een storing voordoet, het airbagsysteem direct door een erkend
reparateur laten controleren. Anders bestaat het gevaar dat de airbags bij
een ongeval niet worden geactiveerd.
Aan de delen van het airbagsysteem mag geen enkele verandering wor-
den aangebracht.
Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem evenals het in- en uitbou-
wen van onderdelen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaam-
heden (bijvoorbeeld het stuurwiel uitbouwen) mogen alleen door een er-
kend reparateur worden uitgevoerd.
Nooit wijzigingen aan de voorbumper of aan de carrosserie aanbrengen.
ATTENTIE (vervolg)
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de afzonderlijke
delen van het airbagsysteem, omdat dit tot activeren van een airbag kan
leiden.
De beschermende werking van het airbagsysteem is beperkt tot slechts
één ongeval. Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden
vervangen.
Systeembeschrijving
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 14.
De status van het airbagsysteem wordt door het controlelampje
in het in-
strumentenpaneel weergegeven » pagina 37.
Als de airbags worden geactiveerd, vullen ze zich met gas en ontvouwen zich.
Bij het opblazen van de airbag komt een grijs-wit of rood, onschadelijk gas vrij.
Dat is volkomen normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitge-
broken.
Het airbagsysteem bestaat (afhankelijk van de wagenuitvoering) uit de
volgende modules.
Elektronisch regelapparaat.
Voorairbag voor de bestuurder en de bijrijder » pagina 15.
Zij-airbags » pagina 16.
Hoofdairbags » pagina 17.
Airbagcontrolelampje in het instrumentenpaneel » pagina 37.
Sleutelschakelaar voor bijrijdersvoorairbag » pagina 19.
Controlelampje voor een buiten werking gestelde/in paraatheid gebrachte
bijrijdersvoorairbag in het middenstuk van het dashboard » pagina 19.
Let op
Het airbagsysteem is gedurende zijn gehele levensduur onderhoudsvrij.
Als de wagen wordt verkocht moet de complete wagendocumentatie aan de
koper worden meegegeven Let op dat ook de documentatie voor een eventu-
eel buiten werking gestelde airbag aan bijrijderszijde daarbij hoort!
Bij het afvoeren en verwerken van de wagen of van delen van het airbagsys-
teem de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen.
14
Veiligheid
Airbagactivering
Lees en bekijk eerst op bladzijde 14.
Het opblazen van de airbag vindt in een fractie van een seconde en met hoge
snelheid plaats, om bij een ongeval extra bescherming te kunnen bieden.
Het airbagsysteem is alleen bij ingeschakeld contact actief.
Bij bijzondere aanrijdingsituaties kunnen meerdere airbags gelijktijdig worden
geactiveerd.
Bij minder ernstige frontale botsingen en aanrijdingen van opzij of van achter-
en en het kantelen of over de kop slaan van de wagen worden de airbags niet
geactiveerd.
Activeringsfactoren
De voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden van het airbagsysteem
kunnen niet exact worden gedefinieerd. Een belangrijke rol hierbij spelen bij-
voorbeeld factoren zoals de aard van het obstakel dat door de wagen wordt
geraakt (hard, zacht), de botsingshoek, rijsnelheid enzovoort.
Doorslaggevend voor de activering van de airbags is de optredende mate van
vertraging. Het regelapparaat analyseert het verloop van de botsing en acti-
veert het betreffende veiligheidssysteem.
Als de tijdens de botsing optredende en gemeten vertraging van de wagen on-
der de in het regelapparaat aangegeven referentiewaarden blijft, worden de
airbags niet geactiveerd, hoewel de wagen als gevolg van de botsing vrij sterk
vervormd kan zijn.
Bij ernstige frontale aanrijdingen worden de volgende airbags geactiveerd.
Bestuurdersvoorairbag.
Bijrijdersvoorairbag.
Bij ernstige aanrijdingen van opzij worden de volgende airbags geactiveerd.
Zij-airbags voorin aan zijde van het ongeval.
Hoofdairbags aan zijde van het ongeval.
Als zich een ongeval met activering van een airbag voordoet:
gaat de binnenverlichting branden (wanneer de schakelaar voor de binnen-
verlichting in de de portiercontactstand staat,
worden de alarmlichten ingeschakeld,
worden alle portieren ontgrendeld,
wordt de brandstoftoevoer naar de motor onderbroken.
Airbagoverzicht
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorairbags
15
Zij-airbags 16
Hoofdairbags 17
Voorairbags
Afbeelding 8 Bestuurdersvoorairbag in het stuurwiel / bijrijdersvoorair-
bag in het dashboard
Afbeelding 9
Veilige afstand tot het stuurwiel / gasgevulde airbags
De voorairbags bieden als aanvulling op de veiligheidsgordels extra bescher-
ming voor het hoofd- en borstbereik van de bestuurder en bijrijder bij zware
frontale botsingen.
15
Airbagsysteem
De voorairbag voor de bestuurder bevindt zich in het stuurwiel » Afbeelding 8
- .
De voorairbag voor de bijrijder bevindt zich in het dashboard boven het op-
bergvak » Afbeelding 8 -
.
Als de airbags worden geactiveerd, ontvouwen ze zich voor de bestuurder en
bijrijder » Afbeelding 9 -
. Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag
wordt de voorwaartse beweging van de bestuurder en de bijrijder gedempt en
het gevaar voor letsel voor hoofd en bovenlichaam verminderd.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor de juiste zitpositie
Het is belangrijk dat de bestuurder en bijrijder een afstand van minstens
25 cm tot het stuurwiel resp. het dashboard aanhouden
A
» Afbeelding 9.
Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u
niet beschermen - levensgevaar! Bovendien moeten de voorstoelen en de
hoofdsteunen altijd in overeenstemming met de lichaamsgrootte zijn inge-
steld.
Bij het activeren van de airbag treden grote krachten op, zodat bij een
verkeerde stoelinstelling of zitpositie letsel kan optreden.
Tussen de inzittenden voorin en het werkingsgebied van de airbag mo-
gen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden.
ATTENTIE
Voorairbag en vervoer van kinderen
Kinderen mogen nooit onbeschermd op de voorstoel van de wagen wor-
den meegenomen. Als airbags bij een ongeval worden geactiveerd, zouden
kinderen zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood!
Bij gebruik van een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel,
moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld » pagi-
na 18, Airbags buiten werking stellen. Als dat niet gebeurt, kan het kind
door de geactiveerde bijrijdersvoorairbag zwaar gewond raken of zelfs wor-
den gedood. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betref-
fende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van
kinderzitjes in acht nemen.
ATTENTIE
Algemene aanwijzingen
Het stuurwiel en het oppervlak van de airbageenheid in het dashboard
aan bijrijderszijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken.
Deze delen mogen alleen met een droge of met water vochtig gemaakte
doek worden gereinigd. Op de afdekkingen van de airbageenheid of in de
onmiddellijke nabijheid daarvan mogen geen voorwerpen worden gemon-
teerd, zoals bekerhouders, telefoonhouders enzovoort.
Nooit voorwerpen op het dashboardoppervlak van de bijrijdersairbag
neerleggen.
Let op
In wagens met bestuurdersvoorairbag zit op het stuurwiel het opschrift
.
In wagens met bijrijdersvoorairbag zit op het dashboard aan bijrijderszijde
het opschrift

.
Zij-airbags
Afbeelding 10 Inbouwplaats van de zij-airbag in de bestuurdersstoel /
gasgevulde zij-airbag
De zij-airbags bieden extra bescherming voor het bovenlichaam (borst, buik en
bekken) van de inzittenden bij zware aanrijdingen van opzij.
De zij-airbags zijn in de rugleuningvulling van de voorstoelen onderge-
bracht » Afbeelding 10 -
.
Bij het activeren van de zij-airbags » Afbeelding 10 -
worden aan de betref-
fende zijde ook de hoofdairbag en de gordelspanner automatisch geactiveerd.
16
Veiligheid
Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag wordt de voorwaartse be-
weging van de inzittenden gedempt en het gevaar voor letsel voor het volledi-
ge bovenlichaam (borst, buik en bekken) aan de zijde die naar het portier is ge-
richt verminderd.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor de juiste zitpositie
Uw hoofd nooit op de plaats houden waar de zij-airbag naar buiten komt.
Anders zou u bij een ongeval zwaar gewond kunnen raken. Dit geldt met
name voor kinderen die niet in een geschikt kinderzitje worden ver-
voerd » pagina 21, Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag.
Tussen de personen en het werkingsgebied van de airbag mogen zich
geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Op de portieren
mogen geen accessoires, zoals bekerhouders, aangebracht zijn.
Als kinderen tijdens het rijden een verkeerde zithouding innemen, wor-
den zij bij een ongeval blootgesteld aan een verhoogd gevaar voor letsel.
Dit kan zware verwondingen tot gevolg hebben » pagina 20, Kinderzitje.
ATTENTIE
Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht
ophangen. In de zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe
voorwerpen laten zitten.
Er mogen geen grote krachten, zoals krachtig stoten, trappen enzovoort,
op de rugleuningen worden uitgeoefend, omdat anders het systeem kan
worden beschadigd. De zij-airbags zouden in dit geval niet worden geacti-
veerd!
U mag geen stoelhoezen op de bestuurders- of bijrijdersstoel aanbrengen
die niet uitdrukkelijk door ŠKODA zijn vrijgegeven. Omdat de airbag aan de
zijkant uit de stoel wordt ontvouwen, zou bij gebruik van niet-vrijgegeven
stoelhoezen de beschermende werking van de zij-airbags aanzienlijk wor-
den beperkt.
Beschadigingen aan de originele stoelbekleding bij de zij-airbageenheid
moeten direct door een erkend reparateur worden gerepareerd.
De airbageenheden in de voorstoelen mogen geen beschadigingen,
scheuren en diepe krassen vertonen. Openen met geweld is niet toege-
staan.
Let op
In wagens met zij-airbags zit aan de voorstoelleuning een label met het op-
schrift .
Hoofdairbags
Afbeelding 11 Inbouwplaats van de hoofdairbag / gasgevulde hoofdairbag
De hoofdairbags bieden extra bescherming voor hoofd en nek van de inzitten-
den bij zware aanrijdingen van opzij.
Die hoofdairbags bevinden zich boven de portieren aan beide zijden van het
interieur » Afbeelding 11 -
.
Bij een aanrijding van opzij wordt de hoofdairbag samen met de betreffende
zij-airbag en de gordelspanner van de voorstoel aan de zijde van de aanrijding
geactiveerd.
Bij het activeren bedekt de airbag het gehele gebied van de voor- en achter-
portieren alsook de portierstijlen » Afbeelding 11 -
.
Het contact van het hoofd met interieurdelen wordt door de opgeblazen
hoofdairbag gedempt. Door de verminderde belasting en de minder krachtige
bewegingen van het hoofd wordt bovendien de belasting van de nek vermin-
derd.
ATTENTIE
Op de plaats waar de hoofdairbags naar buiten komen mogen zich geen
voorwerpen bevinden, zodat de airbags zich ongehinderd kunnen ontvou-
wen.
Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht
ophangen. In de zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe
voorwerpen laten zitten. Bovendien mogen voor het ophangen van kleding
geen kledinghangers worden gebruikt.
17
Airbagsysteem
ATTENTIE (vervolg)
Door het aanbrengen van niet daarvoor bedoelde accessoires in het wer-
kingsgebied van de hoofdairbags kan bij het activeren van de airbag de be-
schermende werking van de hoofdairbag aanzienlijk worden beperkt. Bij
het ontvouwen van de geactiveerde hoofdairbag zouden daarbij delen van
het gemonteerde accessoire in het interieur van de wagen gelanceerd kun-
nen worden en daardoor inzittenden kunnen verwonden » pagina 125.
De zonnekleppen mogen niet in het werkingsgebied van de hoofdairbag
naar de zijruiten worden gedraaid, als daaraan voorwerpen zijn bevestigd,
zoals balpennen enzovoort. Bij het activeren van de hoofdairbags zouden
de inzittenden letsel kunnen oplopen.
Tussen de zittende personen en het werkingsgebied van de airbag mo-
gen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Bovendien
mag niemand van de inzittenden tijdens het rijden met het hoofd uit het
raam leunen of armen en handen uit het raam steken.
Let op
Bij wagens met hoofdairbags zit op de B-stijlbekleding het opschrift .
Airbags buiten werking stellen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Airbags buiten werking stellen 18
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen 19
Airbags buiten werking stellen
Het buiten werking stellen van de airbags is alleen bedoeld voor de volgende
situaties.
Indien een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel moet wor-
den gebruikt, waarbij het kind met de rug in de rijrichting wordt vervoerd (in
sommige landen in verband met afwijkende wettelijke bepalingen in rijrich-
ting) » pagina 20, Veilig vervoer van kinderen.
Indien ondanks een correcte instelling van de bestuurdersstoel de afstand
van ten minste 25 cm tussen het midden van het stuurwiel en het borstbeen
niet kan worden aangehouden.
Indien in verband met een handicap speciale accessoires in de buurt van het
stuurwiel nodig zijn.
Indien andere stoelen worden gemonteerd (bijvoorbeeld orthopedische stoe-
len zonder zij-airbag).
De bijrijdersvoorairbag kan met de sleutelschakelaar buiten werking worden
gesteld » pagina 19.
Wij adviseren, andere airbags zo nodig door een ŠKODA Servicepartner buiten
werking te laten stellen.
Controle van het airbagsysteem
De actieve staat van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd, ook
als een airbag buiten werking is gesteld.
Airbag met een diagnose-apparaat buiten werking gesteld
Het controlelampje
brandt na het inschakelen van het contact circa 4 se-
conden en knippert vervolgens nog circa 12 seconden.
Bijrijdersvoorairbag met de sleutelschakelaar in het opbergvak buiten werk-
ing gesteld
Het controlelampje
brandt na het inschakelen van het contact circa 3 se-
conden.
Het controlelampje

3
» Afbeelding 12 op pagina 19 gaat branden na
het inschakelen van het contact.
Let op
De nationale wettelijke bepalingen voor het buiten werking stellen van de
airbag moeten in acht worden genomen.
Een ŠKODA Servicepartner kan u vertellen, of en welke airbags bij uw wagen
buiten werking kunnen resp. moeten worden gesteld.
18
Veiligheid
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen
Afbeelding 12 Sleutelschakelaar voor bijrijdersvoorairbag / controlelampje
voor buiten werking gestelde/in paraatheid gebrachte bijrijdersvoorair-
bag
Met de sleutelschakelaar wordt de bijrijdersvoorairbag buiten werking gesteld.
Uitschakelen
Het contact uitschakelen.
Het opbergvak aan de bijrijderszijde openen.
Bij een radiografische afstandsbediening de sleutelbaard volledig uitklap-
pen » .
De sleutel voorzichtig tot de aanslag in de sleuf van de sleutelschakelaar
schuiven.
Met de sleutel de sleuf van de sleutelschakelaar voorzichtig in de stand
2
» Afbeelding 12 OFF draaien.
De sleutel uit de sleuf in de sleutelschakelaar trekken » .
Het opbergvak aan de bijrijderszijde openen.
Controleren of na het inschakelen van het contact het controlelampje
3

1)
met de tekst




in het middenstuk van het dashboard
brandt.
Inschakelen
Het contact uitschakelen.
Het opbergvak aan de bijrijderszijde openen.
Bij een radiografische afstandsbediening de sleutelbaard volledig uitklap-
pen » .
De sleutel voorzichtig tot de aanslag in de sleuf van de sleutelschakelaar
schuiven.
Met de sleutel de sleuf van de sleutelschakelaar voorzichtig in de stand
1
» Afbeelding 12 ON draaien.
De sleutel uit de sleuf in de sleutelschakelaar trekken » .
Het opbergvak aan de bijrijderszijde openen.
Controleren of na het inschakelen van het contact het controlelampje
3

met de tekst




in het middenstuk van het dashboard
niet brandt.
ATTENTIE
De bestuurder is verantwoordelijk voor het buiten werking stellen of in
paraat brengen van de airbag.
De airbag alleen bij afgezet contact buiten werking stellen! Anders kunt u
een storing in het systeem voor het buiten werking stellen van de airbag
veroorzaken.
Als het controlelampje

knippert, dan wordt de bijrijdersairbag bij een
ongeval niet geactiveerd! Het airbagsysteem zo snel mogelijk door een er-
kend reparateur laten controleren.
De sleutel tijdens het rijden niet in de sleutelschakelaar gestoken laten
zitten.
Door trillingen kan de sleutel de sleuf verdraaien en de airbag in paraat-
heid brengen!
De airbag kan dan bij een ongeval onverwacht geactiveerd worden - er
bestaat gevaar voor verwondingen en levensgevaar!
VOORZICHTIG
Een onvoldoende uitgeklapte sleutelbaard kan de sleutelschakelaar beschadi-
gen!
1)
Het controlelampje  brandt na het inschakelen van het contact enkele seconden, dooft vervolgens
circa 1 seconde en gaat daarna weer branden.
19
Airbagsysteem
Veilig vervoer van kinderen
Kinderzitje
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel 20
Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag 21
Groepenindeling van kinderzitjes 22
Gebruik van kinderzitjes die met een veiligheidsgordel worden bevestigd 22
Kinderen op de zitplaatsen achterin zitten veiliger dan op de bijrijdersstoel.
In tegenstelling tot volwassenen zijn de spieren en botten van kinderen nog
niet helemaal volgroeid. Kinderen staan daarom bloot aan een groter risico op
letsel.
Kinderen dienen in overeenstemming met de betreffende wettelijke voor-
schriften te worden vervoerd.
Er dienen kinderzitjes volgens de ECE-R 44-norm te worden gebruikt. De ECE-
R-norm betekent: Richtlijn van de Economische Commissie voor Europa
(Economic Commission for Europe - Regulation).
De kinderzitjes die aan de ECE-R 44-norm voldoen, zijn voorzien van een niet
verwijderbaar keurmerk: grote E in een cirkel, daaronder het keuringsnummer.
ATTENTIE
Bij het gebruik van kinderzitjes dienen de nationale wettelijke bepalingen
in acht te worden genomen.
In geen geval mogen kinderen - ook geen baby's! - op schoot worden
meegenomen.
Nooit kinderen zonder toezicht in de wagen laten. Bij bepaalde externe
klimatologische omstandigheden kunnen in de wagen levensbedreigende
temperaturen ontstaan.
Het kind dient dient tijdens de gehele duur van de rit beveiligd te zijn! An-
ders zou het kind in geval van een ongeval door de wagen kunnen worden
geslingerd en kan hierdoor zichzelf en de andere passagiers levensgevaar-
lijk verwonden.
ATTENTIE (vervolg)
Als kinderen tijdens het rijden naar voren leunen of een verkeerde zithou-
ding innemen, staan ze bij een ongeval bloot aan een groter risico op licha-
melijk letsel. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen die op de bijrijders-
stoel worden vervoerd - als het airbagsysteem bij een ongeval wordt geac-
tiveerd kunnen ze zwaar gewond raken of zelfs worden gedood!
Let voor het goede verloop van de gordels beslist op de gegevens van de
fabrikant van het kinderzitje. Een verkeerd gedragen veiligheidsgordel kan
zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel leiden.
Er moet worden gecontroleerd of de veiligheidsgordels correct over het li-
chaam lopen. Bovendien moet erop worden gelet, dat de gordel niet door
eventuele scherpe randen kan worden beschadigd.
Bij gebruik van een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel,
moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld. Meer
informatie » pagina 20, Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel.
VOORZICHTIG
Vóór het inbouwen van een naar voren gericht kinderzitje de betreffende
hoofdsteun zo hoog mogelijk instellen.
Let op
Wij adviseren u kinderzitjes uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te
gebruiken. Deze kinderzitjes werden voor het gebruik in ŠKODA-wagens ont-
wikkeld en getest. Zij voldoen aan de ECE-R 44-norm.
Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel
Nooit een naar achteren gericht kinderveiligheidssysteem op een stoel aan-
brengen die door een zich hiervoor bevindende ingeschakelde airbag wordt
beveiligd. Het kind kan hierdoor zwaar tot dodelijk letsel oplopen.
Afbeelding 13
Sticker op de B-stijl aan bijrij-
derszijde
20
Veiligheid
Afbeelding 14
Zonneklep aan bijrijderszijde / sticker
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 20.
Wij adviseren om veiligheidsredenen kinderzitjes zo veel mogelijk op een zit-
plaats achterin te monteren.
Bij gebruik van een kinderzitje op de bijrijdersstoel, moeten de volgende aan-
wijzingen worden opgevolgd.
Bij gebruik van een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel,
moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld » .
De bijrijdersstoelleuning zo mogelijk verticaal zetten, zodat tussen bijrijders-
stoel en leuning van het kinderzitje een stabiel contact bestaat.
De bijrijdersstoel zo mogelijk naar achteren verschuiven, zodat geen contact
bestaat tussen de bijrijdersstoel en het daarachter aangebrachte kinderzitje.
Bij kinderzitjes van de groepen 2 resp. 3 dient erop te worden gelet dat de
doorvoerplaat aan de hoofdsteun van het kinderzitje zich voor of op gelijke
hoogte bevindt met de doorvoerplaat op de B-stijl aan bijrijderszijde.
De in hoogte verstelbare bijrijdersstoel zo ver mogelijk omhoog zetten.
De veiligheidsgordel van de bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar boven verstel-
len.
Het kinderzitje op de stoel monteren en het kind in het kinderzitje bevesti-
gen overeenkomstig de handleiding van de fabrikant van het kinderzitje.
ATTENTIE
Bij gebruik van een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel,
moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld » pagi-
na 18, Airbags buiten werking stellen.
Bij ingeschakelde bijrijdersvoorairbag op de bijrijdersstoel nooit een naar
achteren gericht kinderzitje gebruiken. Dit kinderzitje bevindt zich in het
gebied waar de bijrijdersvoorairbag naar buiten komt. De airbag kan bij acti-
vering het kind zwaar of zelfs levensgevaarlijk verwonden.
Op dit feit attendeert ook de sticker die zich op een van de volgende
plaatsen bevindt.
Op de B-stijl aan bijrijderszijde » Afbeelding 13. De sticker is zichtbaar na
het openen van het bijrijdersportier.
Op de zonneklep aan bijrijderszijde. Bij wagens voor enkele landen be-
vindt zich op de zonneklep aan bijrijderszijde de sticker » Afbeelding 14.
Bij kinderzitjes van de groepen 2 resp. 3 dient erop te worden gelet dat de
doorvoerplaat aan de hoofdsteun van het kinderzitje zich voor of op gelijke
hoogte bevindt met de doorvoerplaat op de B-stijl aan bijrijderszijde.
Zodra het naar achteren gerichte kinderzitje op de bijrijdersstoel niet
meer wordt gebruikt, dient de bijrijdersvoorairbag weer in paraatheid te
worden gebracht.
Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag
Afbeelding 15
Een niet goed vastgezet kind in
een niet-correcte zithouding - in
gevaar gebracht door de zij-air-
bag / het met een kinderzitje wel
goed vastgezette kind
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 20.
Kinderen mogen zich nooit in het gebied bevinden waarin de zij-airbag naar
buiten komt » Afbeelding 15 -
.
Tussen het kind en het gebied waarin de zij-airbag naar buiten komt, moet vol-
doende ruimte aanwezig, zodat de zij-airbag de best mogelijke bescherming
kan bieden » Afbeelding 15 -
.
21
Veilig vervoer van kinderen
ATTENTIE
Kinderen mogen zich nooit met het hoofd in het gebied bevinden waar de
zij-airbag naar buiten komt - gevaar voor verwondingen!
Geen voorwerpen in het werkingsgebied van de zij-airbags leggen - ge-
vaar voor verwondingen!
Groepenindeling van kinderzitjes
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 20.
Groepenindeling van kinderzitjes volgens de ECE-R 44-norm.
Groep Gewicht van het kind Leeftijd
0 tot 10 kg tot 9 maanden
0+ tot 13 kg tot 18 maanden
1 9-18 kg tot 4 jaar
2 15-25 kg tot 7 jaar
3 22-36 kg ouder dan 7 jaar
Gebruik van kinderzitjes die met een veiligheidsgordel worden
bevestigd
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 20.
Overzicht van de bruikbaarheid van kinderzitjes die met een veiligheidsgordel
worden bevestigd op de betreffende stoelen conform de ECE-R 16-norm.
Groep Bijrijdersstoel
Zitplaats achterin
buitenste
Achterbank
midden
0
tot 10 kg
U U U
0+
tot 13 kg
U U U
1
9-18 kg
U U U
2
15-25 kg
U U U
3
22-36 kg
U U U
Kinderzitjecategorie "universeel" - Kinderzitje dat voor de bevestiging op
de stoel met de veiligheidsgordel is bedoeld.
Bevestigingssystemen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bevestigingsogen van het ISOFIX-systeem 22
Gebruik van kinderzitjes met het ISOFIX-systeem 23
Bevestigingsogen van het TOP TETHER-systeem 23
Bevestigingsogen van het ISOFIX-systeem
Afbeelding 16
Labels van het ISOFIX-systeem
Bij de buitenste zitplaatsen achterin bevinden zich twee bevestigingsogen
voor de bevestiging van een kinderzitje met ISOFIX-systeem. De betreffende
plaatsen zijn gemarkeerd met labels met de tekst ISOFIX» Afbeelding 16.
ATTENTIE
Bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje met het ISOFIX-systeem be-
slist de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje in acht ne-
men.
Aan de voor het inbouwen van kinderzitjes met het ISOFIX-systeem be-
doelde bevestigingsogen nooit andere kinderzitjes, gordels of andere voor-
werpen bevestigen - levensgevaar!
U
22
Veiligheid
Let op
Kinderzitjes met het ISOFIX-systeem kunnen alleen in een wagen met
ISOFIX-systeem worden ingebouwd als deze voor dit model zijn goedgekeurd.
Meer informatie krijgt u bij een ŠKODA Partner.
Kinderzitjes met het ISOFIX-systeem zijn verkrijgbaar uit het originele ŠKODA
accessoireprogramma.
Gebruik van kinderzitjes met het ISOFIX-systeem
Overzicht van de bruikbaarheid van kinderzitjes met het ISOFIX-systeem op de
betreffende stoelen conform de ECE-R 16-norm.
Groep
Klasse
van het kinderzitje
a)
Bijrijdersstoel
b)
Achterbank buitenste zitplaats Achterbank midden
0
tot 10 kg
E X IL-SU X
0+
tot 13 kg
E
X IL-SU XD
C
1
9-18 kg
D
X
IL-SU
IUF
X
C
B
B1
A
a)
De grootteklasse staat vermeld op een op het kinderzitje aangebracht plaatje.
b)
Indien de bijrijdersstoel met bevestigingsogen voor het ISOFIX-systeem is uitgerust, dan is deze geschikt voor de inbouw van een ISOFIX-kinderzitje met de goedkeuring "semi-universeel".
De stoel is geschikt voor de inbouw van een ISOFIX-kinderzitje met de
goedkeuring "semi-universeel". De categorie "semi-universeel" betekent
dat het kinderzitje is goedgekeurd voor het ISOFIX-systeem in uw wa-
gen. De bij het kinderzitje meegeleverde wagenlijst in acht nemen.
De stoel is geschikt voor de inbouw van een ISOFIX-kinderzitje met de
goedkeuring "universeel" en bevestiging met de bevestigingsgordel TOP
TETHER.
Het kinderzitje is niet met bevestigingsogen voor het ISOFIX-systeem
uitgerust.
IL-SU
IUF
X
Bevestigingsogen van het TOP TETHER-systeem
Afbeelding 17
Bevestigingsogen van het TOP
TETHER-systeem
23
Veilig vervoer van kinderen
Aan de achterzijde van de rugleuningen van de buitenste zitplaatsen achterin
bevinden zich bevestigingsogen voor de bevestigingsgordel van een kinderzi-
tje met het TOP TETHER-systeem » Afbeelding 17.
ATTENTIE
Bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje met het TOP TETHER-sys-
teem beslist de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje in
acht nemen.
Kinderzitjes met het TOP TETHER-systeem alleen gebruiken op stoelen
die van bevestigingsogen zijn voorzien.
Altijd slechts één bevestigingsgordel van een kinderzitje aan een bevesti-
gingsoog bevestigen.
In geen geval mag u de wagen zelf aanpassen, bijvoorbeeld door bouten
of andere bevestigingen te monteren.
24
Veiligheid
25
Veilig vervoer van kinderen
Afbeelding 18 Bestuurdersruimte
26
Bediening
Bediening
Bestuurdersruimte
Overzicht
Elektrische ruitbediening 55
Slotgreep 52
Elektrische buitenspiegelverstelling 66
Luchtroosters 89
Parkeertickethouder 72
Bedieningshendel:
Knipperlichten, grootlicht en parkeerlicht, grootlichtsignaal 58
Snelheidsregelsysteem 114
Stuurwiel:
Met claxon
Met bestuurdersvoorairbag 15
Met bedieningstoetsen voor radio, navigatiesysteem en tele-
foon 93
Met toetsen voor de bediening van het informatiesysteem 39
Instrumentenpaneel 28
Bedieningshendel:
Ruitenwisser- en sproeierinstallatie 64
Informatiesysteem 39
Luchtroosters in het middelste deel van het dashboard 89
Afhankelijk van de uitrusting:
Radio
Navigatiesysteem
Toets voor alarmlichten 60
Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorair-
bag 19
Binnenspiegel 66
Sleutelschakelaar voor het buiten werking stellen van de bijrij-
dersairbag (in het opbergvak aan bijrijderszijde) 19
Bijrijdersvoorairbag 15
Opbergvak aan bijrijderszijde 77
Luchtroosters 89
Elektrische ruitbediening in het bijrijdersportier 54
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
Slotgreep 52
Lichtschakelaar en lichtbundelhoogteverstelling (op het dash-
board) 56, 57
Ontgrendelingshendel van motorkap 139
Zekeringenhouder in het dashboard 172
Hendel voor stuurwielverstelling 8
Contactslot 103
Pedalen 107
Rij toetsen afhankelijk van de uitrusting:
Stoelverwarming van de linkervoorstoel 70
ASR 112
Centrale vergrendeling 51
Achterruitverwarming 62
Start-stopsysteem 116
Stoelverwarming van de rechtervoorstoel 70
Afhankelijk van de uitrusting:
Versnellingshendel (schakelbak) 106
Keuzehendel (automatische versnellingsbak) 107
Handremhendel 105
Afhankelijk van de uitrusting:
Bekerhouder 73
Multimediahouder 76
Asbak 74
Opbergvak 73
Afhankelijk van de uitrusting:
Bediening voor verwarming 90
Bediening voor airconditioning
91
Bediening voor Climatronic
91
Let op
Bij wagens met rechts stuur zijn de bedieningselementen gedeeltelijk anders
gerangschikt dan weergegeven op » Afbeelding 18. De symbolen van de ver-
schillende bedieningselementen komen echter wel overeen.
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
27
Bestuurdersruimte
Instrumenten en controlelampjes
Instrumentenpaneel
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Overzicht 28
Toerenteller 29
Display 29
Snelheidsmeter 29
Koelvloeistoftemperatuurmeter 29
Brandstofmeter 30
Teller voor de afgelegde rijafstand 31
Tijd instellen 31
Weergave van tweede snelheid 31
Auto-Check-Control 31
Het instrumentenpaneel voorziet de bestuurder van belangrijke informatie
zoals de actuele snelheid, het motortoerental, de toestand van sommige voer-
tuigsystemen e.d.
Storingindicatie
Als een storing in het instrumentenpaneel aanwezig is, wordt op het display
de melding Error weergegeven.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
ATTENTIE
Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledi-
ge verantwoordelijkheid voor een veilig verkeersgedrag.
Let op
Bij ingeschakeld contact is het instrumentenpaneel verlicht
1)
. De helderheids-
stand wordt automatisch afhankelijk van de omgevingsverlichting ingesteld.
Overzicht
Afbeelding 19 Instrumentenpaneel
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
Toerenteller » pagina 29
Met controlelampjes » pagina 32
Display » pagina 29
Snelheidsmeter » pagina 29
Met controlelampjes » pagina 32
Koelvloeistoftemperatuurmeter
1)
» pagina 29
Toets voor weergavemodus:
Tijdinstellingen » pagina 31
Activeren/deactiveren van de weergave van de tweede snelheid
2)
» pa-
gina 31
Service-intervallen - Weergave van de resterende dagen en het aantal
kilometers tot de eerstvolgende servicetermijn
2)
» pagina 46
Knop voor:
Teller voor de afgelegde afstand (trip) terugstellen » pagina 31
Tijd instellen
De met toets
5
gekozen modus activeren/deactiveren
Brandstofmeter
1)
» pagina 30
1
2
3
4
5
6
7
1)
Geldt voor wagens met het MAXI DOT-display.
2)
Geldt voor wagens met het segmentdisplay.
28
Bediening
Toerenteller
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
De toerenteller
1
» Afbeelding 19 op pagina 28 geeft het actuele motortoe-
rental per minuut aan.
Het begin van het rode bereik van de toerenteller geeft het maximaal toege-
stane motortoerental aan van een ingereden motor die op bedrijfstemperatuur
is.
Vóór het bereiken van het rode bereik van de toerentellerschaal naar de eerst-
volgende versnelling opschakelen resp. keuzehendelstand D kiezen van de au-
tomatische versnellingsbak.
De geadviseerde versnelling moet in acht worden genomen om het optimale
motortoerental aan te houden » pagina 41.
VOORZICHTIG
De naald van de toerenteller mag slechts kort in het rode gedeelte komen -
anders bestaat gevaar voor motorschade!
Display
Afbeelding 20
Displaytypes
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
Displaytypes » Afbeelding 20
Segmentdisplay
MAXI DOT-display
Op het display verschijnen de volgende weergaven.
Afgelegde afstand » pagina 31
Tijd » pagina 31
Weergaven van informatiesysteem » pagina 39
Weergaven van service-intervalindicatie » pagina 46
VOORZICHTIG
Om eventuele beschadigingen te voorkomen, bij contact met het display (bij-
voorbeeld reinigen) de contactsleutel verwijderen.
Snelheidsmeter
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
De snelheidsmeter
3
» Afbeelding 19 op pagina 28 geeft de actuele snelheid
in km/h resp. mph aan.
Snelheidswaarschuwing
Bij het overschrijden van een snelheid van 120 km/h klinkt er een signaaltoon
1)
.
Als weer langzamer dan 120 km/h wordt gereden, verdwijnt de signaaltoon.
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Afbeelding 21
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
De weergave » Afbeelding 21 informeert over de koelvloeistoftemperatuur.
De weergave werkt alleen bij ingeschakeld contact.
1)
Deze functie geldt alleen voor sommige landen.
29
Instrumenten en controlelampjes
Bij wagens met segmentdisplay wordt de koelvloeistoftemperatuur alleen
weergegeven door het branden resp. doven van een controlelampje » pagina
34,
Koelvloeistof.
Koud bereik
Als de naald zich nog in het linkergedeelte van de schaal bevindt, heeft de mo-
tor zijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt. Hoge motortoerentallen, volgas
en sterke motorbelasting voorkomen. Zo wordt mogelijke schade aan de motor
voorkomen.
Bereik bedrijfswarme motor
De motor heeft zijn bedrijfstemperatuur bereikt als de naald in het middelste
gedeelte van de schaal staat. Bij zware motorbelasting of hoge buitentempe-
raturen kan de naald ook verder naar rechts lopen.
Bereik te hoge temperatuur
Als de naald het rode gedeelte van de schaal bereikt, is de koelvloeistoftempe-
ratuur te hoog. Meer informatie » pagina 34,
Koelvloeistof.
VOORZICHTIG
Verstralers en andere aanbouwdelen voor de luchttoevoer verslechteren de
koelwerking van de koelvloeistof.
De radiateur nooit afdekken, er bestaat gevaar voor een oververhitte motor.
Brandstofmeter
Afbeelding 22 Brandstofmeter
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 28.
De weergave geeft informatie over de hoeveelheid brandstof in de tank.
Brandstofmeterweergavesoorten » Afbeelding 22
Weergave in het instrumentenpaneel met het MAXI DOT-display
Weergave op het display van het instrumentenpaneel met segmentdisplay
De weergave werkt alleen bij ingeschakeld contact.
De tankinhoud bedraagt circa 55 liter.
Wanneer de naald de reservemarkering bereikt, gaat het controlelampje
» pagina 37 branden.
De reservemarkering wordt weergegeven door het rode schaalbereik » Afbeel-
ding 22 -
resp. door de weergave van alleen de beide laatste segmenten van
de schaal » Afbeelding 22 -
in de vergroting weergegeven.
VOORZICHTIG
De brandstoftank nooit helemaal leegrijden! Door de onregelmatige brandstof-
toevoer kan de verbranding overslaan. Dit kan leiden tot zware schade aan de
motor en het uitlaatsysteem.
Let op
Na het voltanken kan het voorkomen dat bij een dynamische rit (bijvoorbeeld
veel bochten, remmen, bergafwaarts en bergopwaarts rijden) de brandstofme-
ter iets minder aangeeft. Als wordt gestopt of bij een minder dynamische rit
geeft de brandstofmeter weer de juiste brandstofhoeveelheid weer. Dit duidt
niet op een defect.
De pijl
naast het symbool
in de brandstofmeter geeft de plaats van de
brandstofvulopening aan de rechterzijde van de wagen aan.
30
Bediening
Teller voor de afgelegde rijafstand
Afbeelding 23
Weergave: Segmentdisplay /
MAXI DOT-display
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
Displayweergave » Afbeelding 23
Teller voor de afgelegde afstand (trip)
Kilometerteller
Teller voor de afgelegde afstand (trip)
De teller geeft de afstand aan die is afgelegd sinds de teller voor het laatst is
teruggezet - in stappen van 100 m resp. 1/10 mijlen.
Teller voor de afgelegde afstand (trip) terugstellen
Langer op toets
6
» Afbeelding 19 op pagina 28 drukken.
Kilometerteller
De teller geeft de afstand aan die de wagen heeft afgelegd.
Let op
Indien bij wagens met segmentdisplay de weergave van de tweede snelheid is
geactiveerd, dan wordt deze snelheid weergegeven in plaats van de kilometer-
teller.
A
B
Tijd instellen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
De tijd kan met toetsen
5
en
6
worden ingesteld » Afbeelding 19 op pagina
28.
De keuze voor de te wijzigen weergave (uren resp. minuten).
De wijziging van de weergavewaarde.
Bij wagens met MAXI DOT-display kan de tijd ook in het menupunt Tijd worden
ingesteld » pagina 45.
Weergave van tweede snelheid
Lees en bekijk eerst op bladzijde 28.
Op het display kan de actuele snelheid in mph worden weergegeven
1)
.
Deze functie is alleen bedoeld voor het rijden in landen met andere snelheids-
eenheden.
MAXI DOT-display
De weergave van de tweede snelheid wordt in het menupunt 2e snelheid ge-
activeerd » pagina 45, Instellingen.
Segmentdisplay
Herhaaldelijk op toets
5
» Afbeelding 19 op pagina 28 drukken, tot de weer-
gave van de kilometerteller knippert » pagina 31.
Zolang de weergave knippert, de toets
6
indrukken.
De tweede snelheid wordt weergegeven in plaats van de kilometerteller.
De weergave van de tweede snelheid kan op dezelfde wijze worden gedeacti-
veerd.
Auto-Check-Control
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 28.
Wagentoestand
Bij ingeschakeld contact worden in de wagen continu bepaalde functies en
wagensystemen gecontroleerd.
5
6
1)
Bij types met een snelheidsweergave in mph wordt de tweede snelheid in km/h weergegeven.
31
Instrumenten en controlelampjes
Enkele storingmeldingen en andere aanwijzingen worden op het MAXI DOT-
display weergegeven. De meldingen worden tegelijkertijd met de symbolen op
het MAXI DOT-display resp. met de controlelampjes in het instrumentenpaneel
weergegeven » pagina 32, Controlelampjes.
Het menupunt Wagenstatus wordt in het hoofdmenu van het MAXI DOT-dis-
play weergegeven indien minimaal één storingmelding aanwezig is. Na het se-
lecteren van dit menupunt wordt de eerste storingmelding aangegeven.
Als meerdere storingmeldingen aanwezig zijn, verschijnt op het display onder
de melding bijvoorbeeld 1/3. Dat betekent dat de eerste van in totaal drie mel-
dingen wordt aangegeven.
Waarschuwingssymbolen op het MAXI DOT-display
Motoroliedruk te laag » pagina 34
Motoroliepeil controleren,
Motoroliesensor defect
» pagina 34
Probleem met de motoroliedruk » pagina 32
Koppelingen van de DSG-versnellingsbak te
heet
» pagina 32
Probleem met de motoroliedruk
Als op het MAXI DOT-display het symbool
verschijnt, dient de wagen zo snel
mogelijk door een erkend reparateur te worden gecontroleerd. Samen met dit
symbool wordt informatie over het maximaal toelaatbare motortoerental
weergegeven.
Koppelingen van de DSG-versnellingsbak te heet
Als op het MAXI DOT-display het symbool
verschijnt, is de temperatuur van
de koppelingen van de automatische versnellingsbak te hoog.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Versnellingsbak oververhit: Stop! Instructieboekje!
niet verder rijden! De motor afzetten en wachten tot het symbool
dooft -
gevaar voor schade aan de versnellingsbak! Na het verdwijnen van het sym-
bool kan de rit worden voortgezet.
ATTENTIE
Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan
op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de
alarmlichten in » pagina 60. De gevarendriehoek moet op de voorgeschre-
ven afstand worden geplaatst - daarbij moeten de nationale wettelijke be-
palingen in acht worden genomen.
Let op
Als op het MAXI DOT-display waarschuwingsmeldingen worden weergege-
ven, moeten deze meldingen worden bevestigd om het hoofdmenu op te roe-
pen » pagina 40, Informatiesysteem bedienen.
Zolang de functiestoringen niet zijn verholpen, worden de symbolen telkens
weer aangegeven. Na de eerste weergave worden de symbolen zonder aan-
wijzingen voor de bestuurder aangegeven.
Controlelampjes
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Handrem 33
Remsysteem 33
Gordelwaarschuwingslampje 33
Dynamo 34
Portier open 34
Motorolie 34
Koelvloeistof 34
Stuurbekrachtiging 35
Stabiliseringscontrole (ESC) 35
Aandrijfslipregeling (ASR) 35
Antiblokkeersysteem (ABS) 36
Mistachterlicht 36
Defecte lamp 36
Uitlaatgascontrolesysteem 36
Voorgloeisysteem (dieselmotor) 36

Controle van de motorelektronica (benzinemotor) 36
Roetfilter (dieselmotor) 37
Brandstofreserve 37
32
Bediening
Airbagsysteem 37
Bandenspanning 38
Ruitensproeiervloeistofpeil 38
Knipperlicht 38
Mistlampen 38
Snelheidsregelsysteem 38
Rempedaal (automatische versnellingsbak)
39
Grootlicht 39
De controlelampjes geven de actuele toestand aan van bepaalde functies resp.
storingen.
Bij sommige controlelampjes die gaan branden, klinken bovendien akoestische
signalen en verschijnen meldingen op het display in het instrumentenpaneel.
Na het inschakelen van het contact gaan enkele controlelampjes ter controle
van de werking van de wagensystemen kort branden.
Indien de gecontroleerde systemen in orde zijn, gaan de betreffende controle-
lampjes enkele seconden na het inschakelen van het contact of na het starten
van de motor uit.
ATTENTIE
Het negeren van brandende controlelampjes en de bijbehorende meldin-
gen resp. aanwijzingen op het display van het instrumentenpaneel kan lei-
den tot zware verwondingen of schade aan de wagen.
Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan
op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de
alarmlichten in » pagina 60. De gevarendriehoek moet op de voorgeschre-
ven afstand worden geplaatst - daarbij moeten de nationale wettelijke be-
palingen in acht worden genomen.
De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. Bij werk-
zaamheden in de motorruimte dienen de volgende waarschuwingsaanwij-
zingen beslist te worden opgevolgd » pagina 138, Motorruimte.
Handrem
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij aangetrokken handrem.
Wordt met de wagen bij aangetrokken handrem gedurende minimaal 3 secon-
den een snelheid van 6 km/h wordt overschreden, klinkt er ook een geluidssig-
naal.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende aanwijzing weergegeven.
Parkeerrem loszetten!
Remsysteem
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij een laag remvloeistofpeil in het remsysteem
of een storing van het ABS.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Remvloeistof: Instructieboekje!
Stoppen, de motor afzetten en het remvloeistofpeil controleren » pagina
145 » .
ATTENTIE
Als het controlelampje samen met het controlelampje » pagina 36,
Antiblokkeersysteem (ABS) brandt, de rit niet voortzetten! De hulp
van een erkend reparateur inroepen.
Een storing aan het remsysteem resp. aan het ABS kan leiden tot een lan-
gere remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen!
Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloei-
stofpeil op de aanwijzingen » pagina 138, Motorruimte.
Gordelwaarschuwingslampje
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt als herinnering dat de bestuurder resp. bijrijder
de veiligheidsgordel moet omgespen.
Het controlelampje
gaat uit, nadat de betreffende veiligheidsgordel wordt
omgegespt.
Als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel niet heeft omgegespt en
er sneller dan 20 km/h wordt gereden, knippert het controlelampje
en klinkt
er tegelijkertijd een akoestisch waarschuwingssignaal.
33
Instrumenten en controlelampjes
Als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel vervolgens niet binnen
90 seconden omgespt, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld en brandt
het controlelampje
continu.
Dynamo
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Als het controlelampje
bij draaiende motor brandt, wordt de accu niet gela-
den.
De hulp van een erkend reparateur inroepen. De elektrische installatie van de
wagen dient te worden gecontroleerd.
Indien tijdens de rit naast het controlelampje
nog het controlelampje
(koelsysteemstoring) gaat branden,
niet verderrijden!
De motor afzetten - gevaar voor schade aan de motor! De hulp van een erkend
reparateur inroepen.
Portier open
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt als een of meer portieren of de achterklep geo-
pend zijn.
Motorolie
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
knippert (lage oliedruk)
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Oliedruk: motor uit! Instructieboekje!
Stoppen, de motor afzetten en het motoroliepeil controleren » pagina 142.
Als het controlelampje knippert,
niet verder rijden, ook als het oliepeil in or-
de is! De motor ook niet stationair laten draaien.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Het controlelampje brandt (oliepeil te laag)
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Oliepeil controleren!
Stoppen, de motor afzetten en het motoroliepeil controleren » pagina 142.
Als de motorkap langer dan 30 seconden geopend blijft, gaat het controle-
lampje
uit . Als er geen motorolie wordt bijgevuld, gaat het controlelampje
na circa 100 km weer branden.
Het controlelampje
knippert (motoroliepeilsensor defect)
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Oliesensor: Werkplaats!
Bij een defecte motoroliepeilsensor knippert het controlelampje
meerdere
malen na het inschakelen van het contact en klinkt er een akoestisch signaal.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Koelvloeistof
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt totdat de motor de bedrijfstemperatuur heeft
bereikt
1)
. Hoge motortoerentallen, volgas en sterke motorbelasting voorkomen.
Als het controlelampje
brandt resp. knippert, is de koelvloeistoftempera-
tuur te hoog of is het koelvloeistofpeil te laag.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Koelvloeistof controleren! Instructieboekje!
Stoppen, de motor afzetten en het koelvloeistofpeil controleren » pagina
144.
Bij een te laag koelvloeistofpeil moet koelvloeistof worden bijgevuld » pagi-
na 144.
Als na het bijvullen van koelvloeistof en het inschakelen van het contact het
controlelampje
niet gaat branden, kan de rit worden voortgezet.
Indien het koelvloeistofpeil in het voorgeschreven gebied ligt en het controle-
lampje
desondanks brandt, dan kan er een storing in de koelluchtventilator
zitten.
1)
Geldt voor wagens met het segmentdisplay.
34
Bediening
De zekering voor de koelluchtventilator controleren en deze zo nodig ver-
vangen » pagina 174, Zekeringen in de motorruimte.
Indien het koelvloeistofpeil en de zekering in orde zijn en het controlelampje
desondanks brandt,
de rit niet voortzetten!
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
ATTENTIE
Voorzichtig het koelvloeistofexpansiereservoir openen. Bij een warme
motor staat het koelsysteem onder druk - gevaar voor verbranding! Laat
daarom voor het losdraaien van de vuldop de motor afkoelen.
De koelluchtventilator niet aanraken. De koelluchtventilator kan ook bij
uitgeschakeld contact vanzelf worden ingeschakeld.
VOORZICHTIG
Verstralers en andere aanbouwdelen voor de luchttoevoer verslechteren de
koelwerking van de koelvloeistof.
De radiateur nooit afdekken, er bestaat gevaar voor een oververhitte motor.
Stuurbekrachtiging
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Als het controlelampje
brandt, is er een storing in de stuurbekrachtiging
aanwezig.
De stuurbekrachtiging biedt minder ondersteuning of werkt helemaal niet.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Stabiliseringscontrole (ESC)
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Als het controlelampje
knippert, doet de ESC momenteel een ingreep.
Als het controlelampje
brandt, is er een storing in de ESC aanwezig.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Storing: stabiliseringscontrole (ESC)
of
Storing: aandrijfslipregeling (ASR)
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Als het controlelampje direct na het starten van de motor gaat branden, kan
de ESC om technische redenen uitgeschakeld zijn.
Het contact uit- en weer inschakelen.
Als het controlelampje
na het opnieuw starten van de motor niet meer
brandt, functioneert de ESC weer volledig.
Meer informatie » pagina 112, Stabiliseringscontrole (ESC).
Let op
Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het in-
schakelen van het contact het controlelampje branden. Als het controle-
lampje na het rijden van een korte afstand niet uitgaat, is er een storing in het
systeem aanwezig. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Aandrijfslipregeling (ASR)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Als het controlelampje
knippert doet de ASR momenteel een ingreep.
Als het controlelampje
brandt, is er een storing in de ASR aanwezig.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Storing: aandrijfslipregeling (ASR)
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Als het controlelampje
direct na het starten van de motor gaat branden,
kan de ASR om technische redenen uitgeschakeld zijn.
Het contact uit- en weer inschakelen.
Als het controlelampje
na het opnieuw starten van de motor niet meer
brandt, functioneert de ASR weer volledig.
Meer informatie » pagina 113, Aandrijfslipregeling (ASR).
Let op
Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het in-
schakelen van het contact het controlelampje branden. Als het controle-
lampje na het rijden van een korte afstand niet uitgaat, is er een storing in het
systeem aanwezig. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
35
Instrumenten en controlelampjes
Antiblokkeersysteem (ABS)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Als het controlelampje
brandt, is er een storing in het ABS aanwezig.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Storing: ABS
Voor het afremmen van de wagen wordt alleen nog het gewone remsysteem
zonder het ABS gebruikt.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Bij een ABS-storing worden ook de andere rem- en stabiliteitssystemen uitge-
schakeld » pagina 112, Rem- en stabiliteitssystemen.
ATTENTIE
Een storing aan het remsysteem resp. aan het ABS kan leiden tot een lan-
gere remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen!
Als het controlelampje
samen met het controlelampje
» pagina 33,
Remsysteem brandt,
de rit niet voortzetten! De hulp van een erkend
reparateur inroepen.
Mistachterlicht
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij ingeschakeld mistachterlicht.
Defecte lamp
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij een defect lampje resp. bij defecte lampjes
van de buitenverlichting .
Het controlelampje
brandt binnen enkele seconden na het inschakelen van
het contact resp. als een verlichting met een defect lampje wordt ingescha-
keld.
Op het MAXI DOT-display wordt bijvoorbeeld de volgende melding weergege-
ven.
INFORMATIE Dimlicht rechtsvoor controleren!
Het achterlicht en de kentekenplaatverlichting bevatten meerdere gloeilam-
pen. Het controlelampje
gaat alleen branden als alle gloeilampen van het
stadslicht (in een achterlicht) resp. de kentekenplaatverlichting defect zijn
1)
.
De werking van deze gloeilampen moet daarom regelmatig worden gecontro-
leerd.
Uitlaatgascontrolesysteem
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Als het controlelampje
brandt, is er een storing in het uitlaatgascontrole-
systeem aanwezig. Er kan in de noodmodus worden gereden.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Voorgloeisysteem (dieselmotor)
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Het controlelampje
gaat na het inschakelen van het contact branden. Na
het uitgaan van het lampje kan de motor direct worden gestart.
Als het controlelampje
niet of continu brandt, is er een storing in het voor-
gloeisysteem aanwezig.
Begint het controlelampje
tijdens het rijden te knipperen, is er een storing
in de motorregeling aanwezig. Er kan in de noodmodus worden gereden.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
 Controle van de motorelektronica (benzinemotor)
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Als het controlelampje

brandt, is er een storing in de motorregeling aanwe-
zig. Er kan in de noodmodus worden gereden.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
1)
Geldt voor wagens met start-stopsysteem.
36
Bediening
Roetfilter (dieselmotor)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het roetfilter filtert de roetdeeltjes uit het uitlaatgas. De roetdeeltjes worden
in het roetfilter verzameld en worden daar regelmatig verbrand.
Als het controlelampje
brandt, is het filter met roet verstopt.
Om het roetfilter te reinigen, moet, als de verkeerssituatie dit toelaat »
, ge-
durende minimaal 15 minuten of tot het uitgaan van het controlelampje
als
volgt worden gereden.
4. of 5e versnelling ingeschakeld (automatische versnellingsbak: stand S).
Rijsnelheid minimaal 70 km/h.
Motortoerental tussen 1.800-2.500 1/min.
Als het filter succesvol is gereinigd, gaat het controlelampje
uit.
Als het filter niet succesvol is gereinigd, gaat het controlelampje
niet uit en
begint het controlelampje
te knipperen.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Dieselroetfilter: Instructieboekje!
Er kan in de noodmodus worden gereden. Na het uitschakelen en weer inscha-
kelen van het contact brandt ook het controlelampje
.
De hulp van een erkend reparateur inroepen.
ATTENTIE
Het roetfilter bereikt bijzonder hoge temperaturen, er bestaat brandge-
vaar en er kunnen zware verwondingen ontstaan. Daarom de wagen nooit
op plaatsen stoppen waar de onderzijde van de wagen met licht ontvlam-
bare materialen, bijvoorbeeld droog gras, struikgewas, bladeren, gemorste
brandstof en dergelijke, in contact kan komen.
De snelheid altijd aan het weer, het wegdek en de terrein- en verkeers-
omstandigheden aanpassen. Het door het controlelampje gegeven rij-ad-
vies mag u er nooit toe verleiden de wettelijke bepalingen in het verkeer te
negeren.
VOORZICHTIG
Zolang het controlelampje brandt, moet u rekening houden met een ho-
ger brandstofverbruik en eventueel ook verminderd motorvermogen.
Door het gebruik van dieselbrandstof met een hoog zwavelgehalte kan de
levensduur van het roetfilter aanzienlijk worden bekort. Een ŠKODA Partner
kan u vertellen in welke landen diesel met een hoog zwavelgehalte wordt ge-
bruikt.
Let op
Om het verbrandingsproces van de roetdeeltjes in het roetfilter te onder-
steunen, adviseren wij u om continu stadsverkeer te vermijden.
Als de motor tijdens het filterreinigingsproces of kort daarna wordt afgezet,
kan de koelluchtventilator gedurende enkele minuten zelfstandig inschakelen.
Brandstofreserve
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt als er minder dan ca. 7 liter brandstof aanwezig
is.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Tanken a.u.b. Actieradius: ... km
VOORZICHTIG
De brandstoftank nooit helemaal leegrijden! Door de onregelmatige brandstof-
toevoer kan de verbranding overslaan. Dit kan leiden tot zware schade aan de
motor en het uitlaatsysteem.
Let op
De tekst op het display dooft pas als er is getankt en een kort stuk is gereden.
Airbagsysteem
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Als het controlelampje
brandt, is er een storing in het airbagsysteem aan-
wezig.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Storing: airbag
37
Instrumenten en controlelampjes
De actieve staat van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd, ook
als een airbag buiten werking is gesteld.
Als de voor-, zij- resp. hoofdairbag of de gordelspanner met de wagensys-
teemtester buiten werking is gesteld, gebeurt het volgende:
Het controlelampje
brandt na het inschakelen van het contact circa 4 se-
conden en knippert vervolgens nog circa 12 seconden .
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Airbag/ gordelspanner gedeactiveerd.
Als de bijrijdersvoorairbag met de sleutelschakelaar aan de zijkant van het
dashboard aan bijrijderszijde buiten werking is gesteld:
Het controlelampje
brandt na het inschakelen van het contact circa 4 se-
conden .
Het buiten werking stellen van de airbag wordt aangegeven door het bran-
den van het controlelampje

met de tekst




in het
middenstuk van het dashboard » Afbeelding 12 op pagina 19.
ATTENTIE
Bij een storing in het airbagsysteem bestaat het gevaar dat het systeem bij
een ongeval niet wordt geactiveerd. Daarom moet dit onmiddellijk door een
erkend reparateur worden gecontroleerd.
Bandenspanning
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Het controlelampje
gaat branden, als de bandenspanning van een van de
banden aanmerkelijk is teruggelopen.
De bandenspanning van alle banden controleren resp. corrigeren » pagina
150.
Als het controlelampje
knippert, kan er een storing in het systeem van de
bandenspanningscontrole aanwezig zijn.
De wagen stoppen, het contact uit- en weer inschakelen.
Als het controlelampje
na het opnieuw starten van de motor weer knippert,
dan moet beslist de hulp van een erkend reparateur worden ingeschakeld.
Meer informatie » pagina 153, Instelling.
Let op
Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het in-
schakelen van het contact het controlelampje branden. Als het controle-
lampje
na het rijden van een korte afstand niet uitgaat, is er een storing in
het systeem aanwezig. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Ruitensproeiervloeistofpeil
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij een te laag ruitensproeiervloeistofpeil.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Sproeiervloeistof bijvullen!
Vloeistof bijvullen » pagina 141, Ruitensproeierinstallatie.
Knipperlicht
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 33.
Afhankelijk van de stand van de knipperlichthendel knippert het linker
of
rechter
controlelampje.
Bij een storing van het knipperlicht, knippert het controlelampje ongeveer
twee keer zo snel.
Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten alsmede de beide
controlelampjes.
Mistlampen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij ingeschakelde mistlampen.
Snelheidsregelsysteem
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij ingeschakeld snelheidsregelsysteem » pagina
114.
38
Bediening
Rempedaal (automatische versnellingsbak)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Als het controlelampje
brandt, het rempedaal intrappen.
Grootlicht
Lees en bekijk eerst op bladzijde 33.
Het controlelampje
brandt bij ingeschakeld grootlicht resp. bij een groot-
lichtsignaal.
Informatiesysteem
Bestuurdersinformatiesysteem
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Informatiesysteem bedienen 40
Weergave van lage temperatuur 40
Schakeladvies 41
Waarschuwing portier, bagageruimte en motorkap. 41
Het informatiesysteem geeft de bestuurder aanwijzingen en informatie over
enkele wagensystemen.
Deze informatie en aanwijzingen worden op het display van het instrumenten-
paneel weergegeven resp. door het branden van het betreffende controle-
lampje in het instrumentenpaneel gesignaleerd.
Het informatiesysteem biedt ook volgende informatie en aanwijzingen (af-
hankelijk van de wagenuitvoering).
Informatie van de multifunctie-indicatie (MFA) » pagina 42.
Informatie van het MAXI DOT-display » pagina 44.
Service-intervalindicatie » pagina 46.
Auto-Check-Control » pagina 31.
Keuzehendelstanden van de automatische versnellingsbak » pagina 107.
ATTENTIE
Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledi-
ge verantwoordelijkheid voor de besturing van de wagen.
39
Informatiesysteem
Informatiesysteem bedienen
Afbeelding 24 Toetsen/kartelwiel: op de bedieningshendel / op het multi-
functiestuurwiel
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 39.
Enkele functies van het informatiesysteem kunnen met de toetsen op de be-
dieningshendel resp. op het multifunctiestuurwiel » Afbeelding 24 worden be-
diend.
Beschrijving van de bediening
Toets/
kartel-
wiel
» Af-
beel-
ding 24
Handeling Functie
A
Kort aan de bovenzijde
of aan de onderzijde
drukken
Weergaven kiezen / weergavenwaarden
instellen
Lang aan de bovenzijde
of aan de onderzijde
drukken
Hoofdmenu van
MAXI DOT-display weergeven » pagina
44
B
Kort indrukken
Weergave weergeven / weergave beves-
tigen
Toets/
kartel-
wiel
» Af-
beel-
ding 24
Handeling Functie
C
Kort indrukken
Om naar een niveau hoger in het menu
van het
MAXI DOT-display terug te keren » pagina
44
Lang indrukken
Hoofdmenu van
MAXI DOT-display weergeven » pagina
44
D
Naar boven of naar be-
neden draaien
Weergaven kiezen / weergavenwaarden
instellen
Kort indrukken
Weergave weergeven / weergave beves-
tigen
Weergave van lage temperatuur
Lees en bekijk eerst op bladzijde 39.
Weergave op het MAXI DOT-display
Daalt de buitentemperatuur tijdens het rijden onder +4 °C, verschijnt op het
display voor de temperatuurweergave het volgende symbool
. Er klinkt een
akoestisch signaal.
Ligt de buitentemperatuur reeds bij het inschakelen van het contact onder
+4 °C, verschijnt het symbool
direct.
Weergave op het segmentdisplay
1)
Daalt de buitentemperatuur tijdens het rijden onder +4 °C, verschijnt op het
display de temperatuurweergave » pagina 43, Buitentemperatuur en daar-
voor het volgende symbool
. Er klinkt een akoestisch signaal.
Ligt de buitentemperatuur reeds bij het inschakelen van het contact onder
+4 °C, verschijnen de temperatuurweergave en het symbool
direct.
Na het indrukken van toets
A
» Afbeelding 24 op pagina 40 wordt de infor-
matie getoond die het laatst werd weergegeven.
1)
Geldt voor wagens met de multifunctie-indicatie (MFA).
40
Bediening
ATTENTIE
Ook bij buitentemperaturen van rond +4 °C kan gladheid optreden! Ga er
daarom niet alleen op basis van de buitentemperatuurmeter van uit dat het
op de weg niet glad is.
Schakeladvies
Afbeelding 25
Informatie over de ingeschakel-
de versnelling / schakeladvies
Lees en bekijk eerst op bladzijde 39.
De functie van het schakeladvies helpt om het brandstofverbruik te verminde-
ren.
Displayweergave » Afbeelding 25
Optimaal ingeschakelde versnelling
Schakeladvies
Schakeladvies
Het schakeladvies geldt alleen voor wagens met schakelbak resp. voor wagens
met automatische versnellingsbak in de modus voor het handmatig schakelen
(tiptronic).
De geadviseerde
1)
versnelling en een pijlsymbool
2)
worden weergegeven.
- Advies om naar een hogere versnelling te schakelen.
- Advies om naar een lagere versnelling te schakelen.
Wordt bij wagens met schakelbak op het display bijvoorbeeld
weergegeven,
betekent dit dat het voordelig is om van een lagere versnelling naar de 4e ver-
snelling te schakelen.
Wordt bij wagens met automatische versnellingsbak in de modus voor hand-
matig schakelen (tiptronic) op het display bijvoorbeeld weergegeven, bete-
kent dat, dat het voordelig is om van de 4e versnelling naar een hogere ver-
snelling te schakelen.
ATTENTIE
De bestuurder is verantwoordelijk voor het kiezen van de juiste versnelling
in verschillende rijsituaties, bijvoorbeeld bij het inhalen.
Milieu-aanwijzing
Een passend ingeschakelde versnelling heeft de volgende voordelen.
Het helpt bij het verlagen van het brandstofverbruik.
Het vermindert de bedrijfsgeluiden.
Het bespaart het milieu.
Het komt de levensduur en betrouwbaarheid van de motor ten goede.
Waarschuwing portier, bagageruimte en motorkap.
Lees en bekijk eerst op bladzijde 39.
Wagens met MAXI DOT-display
Indien een portier, de achterklep resp. de motorkap geopend is, wordt op het
display het wagensymbool met een geopend portier, achterklep resp. motor-
kap weergegeven.
Wagens met segmentdisplay
Indien minimaal één portier of de achterklep is geopend, brandt het controle-
lampje
in het instrumentenpaneel » pagina 34.
Wanneer een snelheid van 6 km/h wordt overschreden en een portier wordt
geopend, klinkt bovendien een geluidssignaal.
1)
Bij wagens met automatische versnellingsbak in de modus voor handmatig schakelen (tiptronic), wordt
de actueel ingeschakelde versnelling weergegeven.
2)
Bij wagens met segmentdisplay wordt de pijl achter de versnellingsindicatie weergegeven.
41
Informatiesysteem
Multifunctie-indicatie (MFA)
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Geheugen
42
Indicatie-overzicht 43
Snelheidswaarschuwing 44
Via de multifunctie-indicatie worden op het display de rijgegevens weerge-
geven.
De multifunctie-indicatie werkt alleen bij ingeschakeld contact. Na het inscha-
kelen van het contact wordt de functie weergegeven die voor het uitschakelen
van het contact het laatst was geselecteerd.
Bij wagens met MAXI DOT-display dient in het hoofdmenu het menupunt MFA
te worden geselecteerd en bevestigd » pagina 44, MAXI DOT-display.
Bij wagens met MAXI DOT-display is het mogelijk de weergave van enkele ge-
gevens uit te schakelen » pagina 45, Instellingen.
ATTENTIE
Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volle-
dige verantwoordelijkheid voor de besturing van de wagen.
Ook bij buitentemperaturen van rond +4 °C kan gladheid optreden! Ga er
daarom niet alleen op basis van de buitentemperatuurmeter van uit dat het
op de weg niet glad is.
VOORZICHTIG
Om eventuele beschadigingen te voorkomen, bij contact met het display (bij-
voorbeeld reinigen) de contactsleutel verwijderen.
Let op
Bij bepaalde landuitvoeringen geschiedt de weergave in het Engelse maat-
stelsel.
Als de weergave van de tweede snelheid in mph wordt geactiveerd, wordt de
actuele snelheid in km/h op het display niet weergegeven.
De verbruikte hoeveelheid brandstof wordt niet weergegeven.
Geheugen
Afbeelding 26
Multifunctie-indicatie - geheugenweergave
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 42.
In het geheugen worden de waarden van een aantal weergaven van de multi-
functie-indicatie (bijvoorbeeld gemiddeld brandstofverbruik) opgeslagen.
De multifunctie-indicatie is uitgerust met twee geheugens 1 en 2.
Weergave van gekozen geheugen op display bij
A
» Afbeelding 26
Ritgeheugen
Reisgeheugen
Geheugen kiezen
De betreffende gegevens van de multifunctie-indicatie selecteren » pagina
43.
Door opnieuw bevestigen van de gegevens kan tussen de afzonderlijke ge-
heugens worden gewisseld.
Terugzetten
De betreffende gegevens van de multifunctie-indicatie selecteren
» pagina
43.
Het gewenste geheugen selecteren.
Langer op toets
B
resp. kartelwiel
D
» Afbeelding 24 op pagina 40 drukken.
Ritgeheugen (geheugen 1)
Het ritgeheugen verzamelt de rij-informatie vanaf het inschakelen tot aan het
uitschakelen van het contact.
Als de rit binnen 2 uur na het uitschakelen van het contact wordt voortgezet,
worden de bijkomende waarden meegenomen in de berekening van de actue-
le rij-informatie.
42
Bediening
Bij een onderbreking van de rit van meer dan 2 uur wordt het geheugen auto-
matisch gewist.
Reisgeheugen (geheugen 2)
Het reisgeheugen verzamelt de ritgegevens van een willekeurig aantal indivi-
duele ritten tot in totaal 19 uur en 59 minuten rijtijd of 1999 km gereden kilo-
meters (
) resp. 99 uur en 59 minuten of 9999 gereden kilometers (
).
Als een van de genoemde waarden wordt overschreden, wordt het geheugen
gewist en begint de berekening opnieuw.
Het reisgeheugen wordt in tegenstelling tot het ritgeheugen niet na een on-
derbreking van meer dan 2 uur gewist.
De volgende waarden van het geselecteerde geheugen worden gereset.
Gemiddeld brandstofverbruik.
Afgelegde afstand.
Gemiddelde snelheid.
Rijtijd.
Let op
Door het loskoppelen van de accu worden alle opgeslagen waarden gewist.
Indicatie-overzicht
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 42.
Het weergaveoverzicht van de multifunctie-indicatie (het aantal van de weer-
gegeven gegevens is afhankelijk van de uitrusting verschillend).
Buitentemperatuur
De actuele buitentemperatuur wordt weergegeven.
Bij wagens met MAXI DOT-display wordt deze informatie altijd weergegeven.
Rijtijd
De rijtijd wordt weergegeven die is verstreken sinds het geheugen voor het
laatst is gewist.
Als u de rijtijd vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op dat tijdstip het
geheugen wissen » pagina 42, Geheugen.
De maximumwaarde die kan worden weergegeven bedraagt voor beide ge-
heugens 19 uur en 59 minuten () resp. 99 uur en 59 minuten (). Als deze
waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf nul.
Actueel brandstofverbruik
Het actuele brandstofverbruik wordt in l/100 km weergegeven
1)
. Met behulp
van deze weergave kunt u uw rijgedrag aanpassen aan het gewenste verbruik.
Bij een stilstaande of langzaam rijdende wagen wordt het brandstofverbruik
weergegeven in l/h
2)
.
Gemiddeld brandstofverbruik
Er wordt het gemiddelde brandstofverbruik in l/100 km
1)
weergegeven sinds
het geheugen voor het laatst is gewist.
Als u het gemiddelde brandstofverbruik gedurende een bepaalde periode wilt
vaststellen, moet u bij het begin van de nieuwe meetperiode het geheugen
wissen » pagina 42, Geheugen. Na het wissen verschijnt gedurende de eerste
circa 300 m geen waarde.
Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde regelmatig geactualiseerd.
Actieradius
De actieradiusindicatie geeft aan welke afstand uw wagen met de huidige
tankvulling en bij dezelfde rijstijl nog kan afleggen.
De weergave vindt plaats in stappen van 10 km. Als het controlelampje
gaat
branden, verandert de weergave in stappen van 5 km.
Bij het berekenen van de actieradius wordt het brandstofverbruik gedurende
de laatste 50 km als basis genomen. Als u zuiniger rijdt, neemt de actieradius
toe.
Als het geheugen is gewist (na het losmaken van de accuklemmen), wordt
voor de actieradius uitgegaan van een brandstofverbruik van 10 l/100 km;
daarna vindt een aanpassing plaats overeenkomstig uw rijstijl.
Rijafstand
Op het display verschijnt de afgelegde afstand sinds het geheugen voor het
laatst is gewist.
Als u de afgelegde afstand vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op
dat tijdstip het geheugen wissen » pagina 42, Geheugen.
1)
Bij modellen voor sommige landen wordt het brandstofverbruik in km/l weergegeven.
2)
Bij modellen voor sommige landen wordt bij stilstaande wagen --,- km/l weergegeven.
43
Informatiesysteem
De maximumwaarde voor beide geheugens bedraagt 1999 km (). resp. 9999
km (). Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf
nul.
Gemiddelde snelheid
Op het display wordt de gemiddelde snelheid in km/h sinds de laatste keer
wissen van het geheugen weergegeven.
Als u de gemiddelde snelheid gedurende een bepaalde periode wilt meten,
moet u bij het begin van de meting het geheugen wissen » pagina 42, Geheu-
gen.
Na het wissen van het geheugen wordt gedurende de eerste 300 m van de rit
geen waarde weergegeven.
Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde regelmatig geactualiseerd.
Actuele snelheid
De actuele snelheid is identiek aan de weergave van de snelheidsmeter
3
» Afbeelding 19 op pagina 28.
Olietemperatuur
Als de motorolietemperatuur rond de 80-110 °C ligt, is de bedrijfstemperatuur
bereikt.
Als de olietemperatuur lager dan 80 °C resp. hoger dan 110 °C is, moeten hoge
motortoerentallen, volgas en zware motorbelasting worden vermeden.
Als de olietemperatuur lager is dan 50 °C of als in het systeem voor het contro-
leren van de olietemperatuur een storing aanwezig is, verschijnen in plaats
van de olietemperatuur, alleen symbolen
.
.
Snelheidswaarschuwing
Snelheidslimiet instellen, bijvoorbeeld voor de maximumsnelheid binnen de
bebouwde kom » pagina 44, Snelheidswaarschuwing.
Snelheidswaarschuwing
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 42.
Snelheidslimiet bij stilstaande wagen instellen
Het menupunt Waarsch. bij (
) resp.
(
) selecteren.
Door bevestiging van dit menupunt de instellingsmogelijkheid van de snel-
heidslimiet activeren
1)
.
De gewenste snelheidslimiet, bijvoorbeeld 50 km/h, instellen.
Door bevestiging van de ingestelde waarde de snelheidslimiet opslaan of en-
kele seconden wachten, de instelling wordt automatisch opgeslagen.
Zo kan de snelheidslimiet van 30 km/h tot 250 km/h in stappen van 5 km/h
worden ingesteld.
Snelheidslimiet bij rijdende wagen instellen
Het menupunt Waarsch. bij (
) resp.
(
) selecteren.
Met de gewenste snelheid gaan rijden, bijvoorbeeld 50 km/h.
De actuele snelheid als snelheidslimiet bevestigen.
Als u de ingestelde snelheidslimiet wilt wijzigen, gebeurt dit in stappen van 5
km/h (bijvoorbeeld de overgenomen snelheid 47 km/h wordt verhoogd naar 50
km/h resp. verlaagd naar 45 km/h).
De snelheidslimiet bevestigen of enkele seconden wachten, de instelling
wordt automatisch opgeslagen.
Snelheidslimiet deactiveren of wijzigen
Het menupunt Waarsch. bij (
) resp.
(
) selecteren.
Door bevestiging van de opgeslagen waarde wordt de snelheidslimiet ge-
deactiveerd.
Door opnieuw bevestigen wordt de instelling van de snelheidslimiet geacti-
veerd.
Wanneer de ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden, klinkt ter waar-
schuwing een akoestisch signaal. Tegelijkertijd verschijnt op het display het
menupunt Waarsch. bij(MAXI DOT-display) resp.
(segmentdisplay) met de in-
gestelde limiet.
De ingestelde snelheidslimiet blijft ook bewaard na het uitschakelen van het
contact.
MAXI DOT-display
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Hoofdmenu
45
Instellingen 45
Weergave kompasrichting 46
1)
Indien geen waarde is ingesteld, wordt automatisch de uitgangswaarde van 30 km/h weergegeven.
44
Bediening
Het MAXI DOT-display informeert u over de actuele bedrijfstoestand van uw
wagen. Bovendien toont het afhankelijk van de wagenuitvoering informatie
van de radio, multifunctie-indicatie (MFA), telefoon, navigatiesysteem, automa-
tische versnellingsbak » pagina 107 en van een op de MDI-ingang aangesloten
apparaat.
ATTENTIE
Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledi-
ge verantwoordelijkheid voor de besturing van de wagen.
VOORZICHTIG
Om eventuele beschadigingen te voorkomen, bij contact met het display (bij-
voorbeeld reinigen) de contactsleutel verwijderen.
Hoofdmenu
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 45.
Het hoofdmenu HOOFDMENU wordt geactiveerd door toets
A
resp.
C
» Af-
beelding 24 op pagina 40 lang in te drukken. Door kort op toets
C
te drukken,
komt u een niveau hoger.
Hoofdmenupunten (afhankelijk van wagenuitvoering)
MFA (multifunctie-indicatie) » pagina 42
Audio » Gebruiksaanwijzing van de radio
Navigatie » Gebruiksaanwijzing van het navigatiesysteem
Telefoon » pagina 93
Wagenstatus » pagina 31
Instellingen » pagina 45
De menupunten Audio en Navigatie worden alleen weergegeven als de af fa-
briek ingebouwde autoradio of het navigatiesysteem is ingeschakeld.
Let op
Als op het display waarschuwingsmeldingen worden weergegeven, moeten
deze meldingen worden bevestigd om het hoofdmenu op te roepen » pagina
40, Informatiesysteem bedienen.
Als het display niet wordt bediend, schakelt het menu na 10 seconden altijd
over naar een van de hogere niveaus.
De bediening van de af fabriek ingebouwde radio resp. navigatiesys-
teem » Instructieboekje van de radio resp. » Instructieboekje van het naviga-
tiesysteem.
Instellingen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 45.
U kunt via het MAXI DOT-display bepaalde instellingen zelf wijzigen. Het ac-
tuele menupunt wordt op het display boven onder een streep weergegeven.
U kunt (afhankelijk van de wagenuitvoering) de volgende gegevens selecteren.
Taal/Language
Hier kunt u instellen in welke taal de displayteksten moeten worden weerge-
geven.
MFA-data
Hier kunt u enkele weergaven van de multifunctie-indicatie in- resp. uitscha-
kelen.
Tijd
Hier kunt u de tijd, het tijdformaat (12- resp. 24-uursaanduiding) en de omscha-
keling tussen zomer- en wintertijd instellen.
Winterbanden
Hier kan de snelheid en het in-/uitschakelen van de akoestische signalen bij
het overschrijden van deze snelheid worden ingesteld. De functie kan bijvoor-
beeld bij winterbanden worden gebruikt, waarbij de toegestane maximum-
snelheid lager is dan de topnelheid van de wagen » pagina 150, Velgen en
banden.
Bij het overschrijden van de ingestelde snelheid klinkt er een geluidssignaal en
verschijnt op het display de volgende melding:
Winterbanden: maximaal ... km/h.
45
Informatiesysteem
Eenheden
Hier kunt u de eenheden voor temperatuur, verbruik en afgelegde afstand in-
stellen.
2e snelheid
Hier kan de weergave van de tweede snelheid in mph
1)
worden ingeschakeld.
Meer informatie » pagina 31, Weergave van tweede snelheid.
Servicebeurt
Hier kunnen de nog resterende kilometers en dagen tot de volgende service-
termijn weergegeven.
Fabrieksinst.
Hier kan de fabrieksinstelling van de displayfuncties weer worden ingesteld.
Weergave kompasrichting
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 45.
Bij wagens met af fabriek ingebouwd navigatiesysteem wordt in de linker bo-
venhoek van het display een afkorting voor de betreffende kompasrichting (af-
hankelijk van de actuele rijrichting) weergegeven.
De weergave van de kompasrichting werkt alleen bij ingeschakeld contact.
Service-intervalindicatie
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Weergave op het MAXI DOT-display
46
Weergave op het segmentdisplay
47
Service-intervalindicatie terugzetten
47
De service-intervalindicatie informeert u over de tijd resp. het aantal kilometer
tot de volgende servicebeurt.
De volgende servicetermijn wordt automatisch op het display weergegeven
resp. deze informatie kan zo nodig worden weergegeven.
De kilometerweergave of de dagweergave loopt tot de vastgestelde service-
termijn in stappen van 100 km of hele dagen terug.
Informatie over de service-intervallen kunt u vinden in het Serviceplan.
Let op
Wanneer de accuklemmen worden losgemaakt, blijven de waarden van de ser-
vice-intervalindicatie behouden.
Weergave op het MAXI DOT-display
Olieservice
Als een Olieservice moet worden uitgevoerd, verschijnt de melding Olie ver-
versen in ... km of ... dagen.
Als het service-interval is bereikt, verschijnt na het inschakelen van het con-
tact de melding Olie verversen nu!
Inspectie
Als een Inspectie moet worden uitgevoerd, verschijnt de melding Inspectie
in ... km of ... dagen.
Als het service-interval is bereikt, verschijnt na het inschakelen van het con-
tact de melding Inspectie nu!
Afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn weergeven
De nog resterende afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn kan
bij ingeschakeld contact op elk moment in het menu Servicebeurt » pagina 45,
Instellingen of Wagenstatus in het hoofdmenu van het MAXI DOT-dis-
play » pagina 45, Hoofdmenu worden weergegeven.
Gedurende 10 seconden wordt de volgende melding weergegeven.
Olie verversen ... km / ... dagen
Inspectie ... km / ... dagen
1)
Bij types met een snelheidsweergave in mph wordt de tweede snelheid in km/h weergegeven.
46
Bediening
Weergave op het segmentdisplay
Afbeelding 27
Segmentdisplay: Voorbeeld-
weergave
Beeldbeschrijving » Afbeelding 27
Verstreken servicetermijn
Servicesoort
De nog resterende dagen tot de volgende servicetermijn
De nog resterende kilometers tot de volgende servicetermijn
1)
Servicesoort
De servicesoort wordt door het nummer bij
A
» Afbeelding 27 aangegeven.
Olieservice
Inspectie
Verstreken servicetermijn
Als een servicetermijn is verstreken, wordt gedurende circa 10 seconden de
volgende informatie weergegeven » Afbeelding 27.
Bij
A
wordt het nummer 1 resp. 2 weergegeven.
Bij
B
worden het symbool
en de nog resterende dagen tot de volgende
servicetermijn weergegeven.
Bij
C
worden het symbool
en de nog resterende kilometers tot de volgen-
de servicetermijn weergegeven.
Als de servicetermijn is bereikt, verschijnt na het inschakelen van het contact
gedurende 20 seconden het knipperend symbool
en de melding OLIEVER_
resp. INSPEC_.
A
B
C
Afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn weergeven
De nog resterende afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn kan
op elk moment bij ingeschakeld contact door herhaald indrukken van toets
5
» Afbeelding 19 op pagina 28 worden opgeroepen.
Eerst wordt de informatie over de Olieservice en door opnieuw indrukken van
toets
5
de informatie over de Inspectie weergegeven.
Bij
A
wordt het nummer 1 resp. 2 weergegeven.
Bij
B
worden het symbool
en de nog resterende dagen tot de volgende
servicetermijn weergegeven.
Bij
C
worden het symbool
en de nog resterende kilometers tot de volgen-
de servicetermijn weergegeven.
Service-intervalindicatie terugzetten
Wij adviseren het terugzetten van de indicatie door een erkend reparateur te
laten uitvoeren.
Wij adviseren de service-intervalindicatie niet zelf terug te zetten. Anders kan
de service-interval indicatie mogelijk verkeerd worden ingesteld waardoor
eventuele storingen aan de wagen zouden kunnen optreden.
Variabel service-interval
Bij wagens met variabele service-interval worden na het terugzetten van de
weergave de waarden van een nieuwe service-interval weergegeven, die over-
eenkomstig de eerdere bedrijfsomstandigheden van de wagen worden bere-
kend.
Deze waarden worden dan verder continu overeenkomstig de actuele bedrijfs-
omstandigheden van de wagen aangepast.
1)
De nog resterende kilometers tot de volgende servicetermijn worden weergegeven in plaats van de kilo-
meterteller.
47
Informatiesysteem
Ontgrendelen en openen
Ontgrendelen en vergrendelen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Met de afstandsbediening ontgrendelen/vergrendelen 49
Met de sleutel ontgrendelen/vergrendelen 50
Safebeveiliging 50
Individuele instellingen 50
Wagen van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen 51
Kindersloten 51
Portier openen/sluiten 52
Uw wagen is uitgerust met een centraal vergrendelingssysteem.
Met de centrale vergrendeling is het mogelijk, alle portieren, de tankklep en de
achterklep tegelijkertijd te vergrendelen resp. ontgrendelen.
In de centrale vergrendeling is de safebeveiliging » pagina 50 geïntegreerd.
Zodra de wagen van buitenaf wordt vergrendeld, worden de portiersloten
1)
door de safebeveiliging automatisch geblokkeerd » .
Na het ontgrendelen geldt het volgende
De portieren, de achterklep en de tankklep worden ontgrendeld.
De via het portiercontact geschakelde binnenverlichting gaat branden.
De safebeveiliging wordt uitgeschakeld
1)
.
Het controlelampje in het bestuurdersportier stopt met knipperen.
Het alarmsysteem wordt gedeactiveerd
2)
.
Na het vergrendelen geldt het volgende
De portieren, de achterklep en de tankklep worden vergrendeld.
De via het portiercontact geschakelde binnenverlichting dooft.
De safebeveiliging wordt ingeschakeld
1)
.
Het controlelampje in het bestuurdersportier begint te knipperen.
Het alarmsysteem wordt geactiveerd
2)
.
Weergave van een storing
Als het controlelampje in het bestuurdersportier eerst circa 2 seconden snel
knippert, daarna circa 30 seconden continu blijft branden en vervolgens lang-
zaam gaat knipperen, moet de hulp van een erkend reparateur worden inge-
roepen.
Uitvallen van de centrale vergrendeling
Bij het uitvallen van de centrale vergrendeling kan met de sleutel alleen het
bestuurdersportier worden ont- resp. vergrendeld. De overige portieren en de
achterklep kunnen worden noodvergrendeld resp. noodontgrendeld.
Noodvergrendeling van het portier » pagina 170.
Noodontgrendeling van de achterklep » pagina 170.
ATTENTIE
Bij het verlaten van de wagen de sleutel nooit in de wagen achterlaten.
Onbevoegde personen, bijvoorbeeld kinderen, zouden bijvoorbeeld de wa-
gen kunnen vergrendelen, het contact kunnen inschakelen of de motor
kunnen starten - er bestaat gevaar voor verwondingen en ongevallen!
Bij het verlaten van de wagen nooit personen, die niet volledig zelfstan-
dig zijn, bijvoorbeeld kinderen, zonder toezicht in de wagen achterlaten.
Deze zouden bijvoorbeeld de handrem kunnen loszetten of de versnelling
kunnen uitschakelen. De wagen zou zich in beweging kunnen zetten, er
bestaat gevaar voor verwondingen en ongevallen! Deze personen zouden
mogelijkerwijze niet in staat zijn, de wagen zelfstandig te verlaten of zich-
zelf te redden. Bij bijzonder hoge of bijzonder lage temperaturen bestaat er
levensgevaar!
Bij een van buitenaf vergrendelde wagen met ingeschakelde safebeveili-
ging mogen geen personen in de wagen achterblijven, omdat van binnenuit
noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendel-
de portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de wa-
gen te komen, er bestaat levensgevaar.
VOORZICHTIG
Elke sleutel bevat elektronische componenten; u dient de sleutels dan ook
tegen vocht en harde schokken te beschermen.
De groef in de sleutel absoluut schoon houden. Verontreinigingen (textielve-
zels, stof en dergelijke) kunnen de werking van de slotcilinder en van het con-
tactslot negatief beïnvloeden.
1)
Deze functie geldt alleen voor sommige landen.
2)
Geldt voor wagens met alarmsysteem.
48
Bediening
Als de centrale vergrendeling resp. het alarmsysteem alleen vanaf een af-
stand van minder dan 3 m op de afstandsbediening reageert, moet de batterij
worden vervangen » pagina 169.
Bij het weglopen van de wagen altijd controleren of deze is vergrendeld.
Let op
Bij verlies van een sleutel contact opnemen met een erkend reparateur die
voor een vervangende sleutel kan zorgen.
Bij een ongeval met geactiveerde airbag(s) worden de vergrendelde portie-
ren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de wagen te ver-
schaffen.
Met de afstandsbediening ontgrendelen/vergrendelen
Afbeelding 28
Sleutel met afstandsbediening
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 48.
Met de radiografische sleutel ontgrendelen/vergrendelen » Afbeelding 28
Wagen ontgrendelen
Wagen vergrendelen
Achterklep ontgrendelen
Sleutelbaard uitklappen/inklappen
Controlelampje
Wagen ontgrendelen
Het ontgrendelen van de wagen wordt aangegeven door het tweemaal knip-
peren van de knipperlichten.
A
B
Als de wagen word ontgrendeld en daarna binnen 30 seconden geen portier of
de achterklep wordt geopend, wordt de wagen automatisch weer vergrendeld
en wordt de safebeveiliging
1)
resp. het alarmsysteem weer ingeschakeld. Hier-
door wordt het ongewild ontgrendelen van de wagen voorkomen.
Wagen vergrendelen
Het vergrendelen van de wagen wordt weergegeven door het eenmaal knip-
peren van de knipperlichten.
Als er bij het vergrendelen van de wagen enkele portieren of de achterklep
niet gesloten zijn, knipperen de knipperlichten pas na het sluiten.
Achterklep ontgrendelen/vergrendelen
Door het circa 1 s indrukken van de symbooltoets
wordt alleen de achter-
klep ontgrendeld.
Door het sluiten wordt de klep vergrendeld » pagina 54.
Batterijtoestand controleren
Als de batterij leeg is, knippert na het indrukken van een toets op de sleutel
het rode controlelampje
B
» Afbeelding 28 niet.
De batterij vervangen » pagina 169.
VOORZICHTIG
De werking van de afstandsbediening kan door interferentie van zenders in
de buurt van de wagen die op dezelfde frequentie werken tijdelijk worden ge-
stoord.
De afstandsbediening alleen gebruiken als de portieren en de achterklep ge-
sloten zijn en u visueel contact met de wagen hebt.
Als het bestuurdersportier geopend is, kan de wagen niet met de afstands-
bediening worden vergrendeld.
Het bereik van de sleutel met radiografische afstandsbediening bedraagt cir-
ca 30 m. Als de batterij bijna leeg is, neemt het bereik van de afstandsbedie-
ning af.
Let op
Bij wagens met alarmsysteem kunnen bij een ŠKODA Partner daarnaast ook de
akoestische signalen bij het ont-/vergrendelen worden geactiveerd/gedeacti-
veerd.
1)
Deze functie geldt alleen voor sommige landen.
49
Ontgrendelen en openen
Met de sleutel ontgrendelen/vergrendelen
Afbeelding 29
Linker wagenzijde: Sleutelbewe-
gingen voor het ont- en vergren-
delen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 48.
Met de sleutel kan de wagen via de slotcilinder in het bestuurdersportier wor-
den ont- en vergrendeld.
De wagen met de sleutel ontgrendelen/vergrendelen » Afbeelding 29
Ontgrendelen
Vergrendelen
VOORZICHTIG
Als minimaal één portier geopend is, kan de wagen niet worden vergrendeld.
Safebeveiliging
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 48.
Als de wagen van buitenaf wordt vergrendeld, worden de portiersloten auto-
matisch geblokkeerd. De wagen kan niet meer van binnen uit worden geo-
pend.
Op dit feit wordt na het uitschakelen van het contact geattendeerd door de
volgende melding op het display van het instrumentenpaneel.
Let op SAFE- vergrendeling! Instructieboekje!
LET OP SAFELOCK
Uitschakelen
De safebeveiliging kan op een van de volgende manieren worden uitgescha-
keld.
Door dubbel vergrendelen binnen 2 seconden.
Door het uitschakelen van de interieurbewaking » pagina 53, Interieurbe-
waking en afsleepalarm.
Als de wagen is vergrendeld terwijl de safebeveiliging is uitgeschakeld, kan
het portier afzonderlijk van binnenuit worden geopend door eenmaal aan de
slotgreep te trekken.
Inschakelen
De safebeveiliging wordt automatisch ingeschakeld als de wagen de volgende
keer wordt ont- en vergrendeld.
Uitschakelweergave
Het controlelampje in het bestuurdersportier knippert snel gedurende circa 2
seconden, dooft vervolgens en begint na circa 30 seconden langzaam te knip-
peren.
Inschakelweergave
Het controlelampje in het bestuurdersportier knippert circa 2 seconden snel,
daarna begint het gelijkmatig en met langere tussenpozen te knipperen.
ATTENTIE
Bij een vergrendelde wagen met ingeschakelde safebeveiliging mogen
geen personen in de wagen achterblijven, omdat van binnenuit noch de
portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendelde portie-
ren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de wagen te ko-
men - levensgevaar!
Let op
Deze functie geldt alleen voor sommige landen.
Individuele instellingen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 48.
Eénportierontgrendeling
Met deze functie is het mogelijk alleen het bestuurdersportier te ontgrende-
len. De overige portieren blijven vergrendeld en ontgrendelen pas bij het nog-
maals ontgrendelen.
Automatisch vergrendelen/ontgrendelen
Alle portieren worden vanaf een snelheid van circa 15 km/h vergrendeld. De
toets in de greep van de achterklep wordt uitgeschakeld.
50
Bediening
Als de contactsleutel uit het contactslot wordt getrokken, wordt de wagen au-
tomatisch weer ontgrendeld. Bovendien kan de wagen door de bestuurder of
de bijrijder door het drukken op de toets voor de centrale vergrendeling
wor-
den ontgrendeld.
Vergrendelde portieren voorkomen het ongewild binnendringen in de wagen.
De portieren kunnen door eenmaal aan de slotgreep te trekken op elk moment
worden ontgrendeld en geopend.
Let op
Individuele instellingen kunt u bij een erkend reparateur laten uitvoeren.
Wagen van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen
Afbeelding 30
Toets voor de centrale vergren-
deling
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 48.
Als de wagen niet van buitenaf werd vergrendeld, kan deze met de
toets » Afbeelding 30 worden ont- of vergrendeld.
Ontgrendelen/vergrendelen » Afbeelding 30
Wanneer in de toets het symbool
brandt, is de wagen vergrendeld.
De toets werkt ook bij uitgeschakeld contact.
Wanneer de wagen met de knop voor centrale vergrendeling wordt vergren-
deld, geldt het volgende.
Het openen van de portieren en de achterklep van buitenaf is niet mogelijk.
De portieren kunnen door eenmaal aan de slotgreep van het betreffende
portier te trekken van binnenuit worden ontgrendeld en worden geopend.
Bij een ongeval met geactiveerde airbag(s) worden de vergrendelde portie-
ren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de wagen te ver-
schaffen.
ATTENTIE
Van binnenuit vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval
van nood moeilijk in de wagen te komen - levensgevaar!
Als de safebeveiliging ingeschakeld is, » pagina 50, zijn de portiergreep
en de centrale-vergrendelingstoets buiten werking.
VOORZICHTIG
Als minimaal één portier geopend is, kan de wagen niet worden vergrendeld.
Kindersloten
Afbeelding 31 Achterportier: Links/rechts
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 48.
De kindersloten voorkomen dat de achterportieren van binnenuit kunnen wor-
den geopend. U kunt het portier alleen van buitenaf openen.
Kinderbeveiliging in- en uitschakelen » Afbeelding 31
Inschakelen
Uitschakelen
Het kinderslot wordt met de sleutel in- en uitgeschakeld.
51
Ontgrendelen en openen
Portier openen/sluiten
Afbeelding 32 Portiergreep/slotgreep
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 48.
Van buitenaf openen
De wagen ontgrendelen en aan portiergreep
A
» Afbeelding 32 van het be-
treffende portier trekken.
Van binnenuit openen
Aan de portiergreep
B
van het betreffende portier trekken en het portier
van u af drukken.
Van binnenuit sluiten
Het betreffende portier met portiergreep
C
sluiten.
ATTENTIE
Let erop dat het portier goed gesloten is, anders zou dit tijdens het rijden
plotseling open kunnen gaan - levensgevaar!
Het portier alleen openen en sluiten als zich geen persoon in het ope-
nings- resp. sluitgebied bevindt - gevaar voor verwondingen!
Een geopend portier kan bij sterke wind of op een helling automatisch
dichtvallen - gevaar voor verwondingen!
Nooit met geopende portieren rijden - dit is levensgevaarlijk!
Alarmsysteem
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Inschakelen/uitschakelen
53
Interieurbewaking en afsleepalarm 53
Het alarmsysteem verhoogt de beveiliging tegen diefstal- en inbraakpogingen
in de wagen.
Het systeem geeft akoestische en optische waarschuwingssignalen bij een po-
ging tot inbraak of diefstal in de wagen (hierna alarm).
Wanneer gaat het alarm af?
Openen van de motorkap.
Openen van de achterklep.
Openen van de portieren.
Manipulatie van het contactslot.
Wagenhelling » pagina 53.
Beweging in de wagen » pagina 53.
Plotselinge en duidelijke spanningsdaling van de elektrische installatie.
Afkoppelen van de aanhangwagen » pagina 123, Met een aanhangwagen
rijden.
Ontgrendeling van het bestuurdersportier met de sleutel via de slotcilinder
(als aansluitend binnen ca. 15 seconden het contact niet wordt ingeschakeld).
Voor enkele landen geldt dat het alarm onmiddellijk na het ontgrendelen
wordt geactiveerd.
Alarm uitschakelen
Het alarm wordt uitgeschakeld als de wagen wordt ontgrendeld of het contact
wordt ingeschakeld.
VOORZICHTIG
Om een correcte werking van het alarmsysteem te waarborgen, moet u voor
het verlaten van de wagen controleren of alle portieren en alle ruiten zijn ge-
sloten.
Let op
De levensduur van de batterij van de alarmsirene bedraagt 5 jaar.
52
Bediening
Inschakelen/uitschakelen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 52.
Inschakelen
Het alarmsysteem wordt circa 30 seconden na het vergrendelen van de wagen
automatisch ingeschakeld.
Als u de wagen ontgrendelt en daarna binnen 30 seconden geen portier of de
achterklep opent, wordt de wagen automatisch vergrendeld en wordt de safe-
beveiliging resp. het alarmsysteem weer ingeschakeld Hierdoor wordt het on-
gewild ontgrendelen van de wagen voorkomen.
Uitschakelen
Het alarmsysteem wordt na het ontgrendelen van de wagen automatisch uit-
geschakeld. Als de wagen niet binnen 30 seconden wordt geopend, wordt het
alarmsysteem automatisch weer ingeschakeld.
Interieurbewaking en afsleepalarm
Afbeelding 33
Toets van interieurbewaking en
afsleepalarm
Lees en bekijk eerst op bladzijde 52.
De interieurbewaking activeert het alarm als er een beweging in de wagen
wordt geregistreerd.
Het afsleepalarm activeert het alarm als er wordt geregistreerd dat de wagen
wordt gekanteld.
Inschakelen
De interieurbewaking en het afsleepalarm worden na het vergrendelen van de
wagen automatisch ingeschakeld.
Uitschakelen
Het contact uitschakelen.
Het bestuurdersportier openen.
Op de toets » Afbeelding 33 op de B-stijl aan bestuurderszijde drukken. In
de toets verandert de verlichting van het symbool
van rood naar oranje.
De wagen binnen 30 seconden vergrendelen.
De interieurbewaking en het afsleepalarm uitschakelen als de mogelijkheid
bestaat dat het alarm zal afgaan door bewegingen in het interieur (bijvoor-
beeld door personen of huisdieren) resp. als de wagen wordt vervoerd (bijvoor-
beeld per spoor of boot) of moet worden afgesleept.
VOORZICHTIG
Een geopend brillenvak veroorzaakt een verminderde werking van de interi-
eurbewaking. Om een ongehinderde werking van de interieurbewaking te
waarborgen, moet voor het vergrendelen van de wagen altijd het brillenvak
worden gesloten.
Het alarmsysteem wordt bij het vergrendelen van de wagen ook met de ge-
deactiveerde safebeveiliging ingeschakeld. De interieurbewaking wordt hierbij
echter niet geactiveerd.
Achterklep
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Openen/sluiten 54
Vertraagde vergrendeling van achterklep
54
ATTENTIE
Na het sluiten controleren of de achterklep goed is vergrendeld. Anders
zou de klep tijdens het rijden plotseling open kunnen gaan, ook wanneer
deze is vergrendeld - gevaar voor ongevallen!
Nooit met een geopende achterklep rijden, omdat dan giftige uitlaatgas-
sen het interieur kunnen binnendringen - gevaar voor vergiftiging!
Bij het sluiten van de achterklep niet op de achterruit drukken, deze zou
kunnen barsten - gevaar voor verwondingen!
Erop letten dat bij het sluiten van de achterklep geen lichaamsdelen wor-
den ingeklemd - gevaar voor verwondingen!
53
Ontgrendelen en openen
Let op
Bij het wegrijden, vanaf een snelheid van meer dan 5 km/h, wordt de functie
van de toets in de greep boven de kentekenplaat uitgeschakeld. Na het stop-
pen en openen van het portier wordt deze functie weer ingeschakeld.
Openen/sluiten
Afbeelding 34 Achterklep openen en sluiten
Lees en bekijk eerst op bladzijde 53.
Na het ontgrendelen van de wagen kan de achterklep met de toets in de greep
boven het kenteken worden geopend.
Achterklep openen en sluiten » Afbeelding 34
Klep ontgrendelen
Motorkap openen
Klep sluiten (door aan de handgreep te trekken)
Vertraagde vergrendeling van achterklep
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 53.
Als de achterklep met de symbooltoets
op de afstandsbediening wordt
ontgrendeld, dan wordt de klep na het sluiten automatisch vergrendeld.
De tijd waarna de achterklep na het sluiten automatisch wordt vergrendeld,
kan door een erkend reparateur worden verlengd.
Na het activeren van de vertraagde vergrendeling kan de achterklep na het
sluiten binnen een beperkte tijd weer worden geopend.
1
2
3
De vertraagde vergrendeling van de achterklep kan door een erkend repara-
teur worden gedeactiveerd.
VOORZICHTIG
Voordat de achterklep automatisch wordt vergrendeld, is het ongewenst bin-
nendringen in de wagen mogelijk. We adviseren daarom de wagen met de
symbooltoets
op de afstandsbediening te vergrendelen.
Elektrische ruitbediening
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Ruit openen/sluiten 55
Sluitkrachtbegrenzing
55
De elektrische ruitbediening werkt alleen als het contact is ingeschakeld.
ATTENTIE
De elektrisch bediende ruiten achter zijn uitgerust met een krachtbegren-
zing » pagina 55. Bij weerstand door een obstakel wordt het sluiten on-
derbroken en gaat de ruit weer enkele centimeters omlaag. De ruiten moe-
ten desondanks voorzichtig worden gesloten - gevaar voor verwondingen!
Als er op de zitplaatsen achterin personen worden vervoerd, die niet vol-
ledig zelfstandig zijn, bijvoorbeeld kinderen, wordt er geadviseerd de elek-
trische ruitbediening van de achterportieren uit te schakelen (veiligheids-
schakelaar)
S
» Afbeelding 35 op pagina 55.
VOORZICHTIG
De ruiten schoon houden, om een correcte werking van de elektrische ruit-
bedieningen te waarborgen.
Als de ruiten bevroren zijn, eerst het ijs » pagina 131, Ruiten en buitenspie-
gels verwijderen en pas dan de ruitbediening in werking stellen, omdat anders
het ruitrubber en het ruitmechanisme beschadigd kunnen raken.
Bij het verlaten van de vergrendelde wagen erop letten dat de ruiten zijn ge-
sloten.
Milieu-aanwijzing
Bij hoge snelheden dienen de zijruiten te worden gesloten om een onnodig
hoog brandstofverbruik te voorkomen.
54
Bediening
Let op
Voor het ventileren van het interieur tijdens het rijden bij voorkeur gebruik-
maken van het aanwezige verwarmings-, airconditioning- en ventilatiesys-
teem. Als de ruiten openstaan, kan er stof of ander vuil in de wagen terechtko-
men en kan er bovendien bij bepaalde snelheden windgeruis ontstaan.
Het ruitbedieningsmechanisme is met een oververhittingsbeveiliging uitge-
rust. Bij het vaak open en sluiten van de ruit kan deze beveiliging in werking
treden. Dit leidt tot een tijdelijke blokkering van de ruitbediening. Zodra de
oververhittingsbeveiliging is uitgeschakeld, kan de ruit weer worden bediend.
Ruit openen/sluiten
Afbeelding 35 Schakelaars in het bestuurdersportier / schakelaars in de
achterportieren
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 54.
Alle ruiten kunnen vanaf de bestuurdersplaats worden bediend.
Toetsen voor de ruitbediening » Afbeelding 35
Bestuurdersportier
Bijrijdersportier
Rechterachterportier
Linkerachterportier
Veiligheidsschakelaar
Openen
De betreffende schakelaar iets indrukken en zo lang ingedrukt houden, tot
de ruit de gewenste stand heeft bereikt. Na het loslaten van de schakelaar
stopt de ruit direct.
A
B
C
D
S
Bovendien kan de bestuurdersruit automatisch volledig worden geopend door
de schakelaar kort tot de aanslag omlaag te drukken. Bij het opnieuw indruk-
ken van de schakelaar stopt de ruit direct.
Sluiten
De bovenzijde van de betreffende schakelaar iets aantrekken en zo lang
vasthouden, tot de ruit de gewenste stand heeft bereikt. Na het loslaten van
de schakelaar stopt de ruit direct.
Veiligheidsschakelaar
Door het indrukken van de veiligheidsschakelaar
S
» Afbeelding 35 kunnen
de schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren worden uitgescha-
keld. Door het opnieuw indrukken van de veiligheidsschakelaar
S
zijn de
schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren weer actief.
Als de schakelaars in de achterportieren zijn uitgeschakeld, brandt het contro-
lelampje
in de veiligheidsschakelaar
S
.
Sluitkrachtbegrenzing
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 54.
De elektrisch bediende ruiten achter zijn uitgerust met een krachtbegrenzing.
Bij weerstand door een obstakel wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit
weer enkele centimeters omlaag.
Als het obstakel het sluiten van de ruit gedurende 10 seconden verhindert,
wordt de sluitprocedure opnieuw onderbroken en gaat de ruit enkele centime-
ters omlaag.
Als wordt geprobeerd de ruit te sluiten binnen 10 seconden nadat deze voor
de tweede keer weer enkele centimeters is geopend en het obstakel nog
steeds niet is verwijderd, wordt de sluitprocedure slechts onderbroken. Gedu-
rende deze periode is het niet mogelijk de ruit automatisch te sluiten. De sluit-
krachtbegrenzing is nog ingeschakeld.
De sluitkrachtbegrenzing is pas uitgeschakeld als binnen de volgende 10 se-
conden wordt geprobeerd de ruit te sluiten - de ruit wordt nu met volle kracht
gesloten!
Als u langer dan 10 seconden wacht, is de sluitkrachtbegrenzing weer inge-
schakeld.
55
Ontgrendelen en openen
Licht en zicht
Licht
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stads- en dimlicht 56
Dagrijverlichting (DAY LIGHT) 57
Knipperlicht en grootlicht 58
Automatische aansturing rijverlichting 58
Mistlampen 59
Mistlampen met CORNER-functie 59
Mistachterlicht 59
COMING HOME/LEAVING HOME 60
Alarmlichten 60
Parkeerlicht 61
Rijden in het buitenland 61
Het licht werkt alleen bij ingeschakeld contact, voor zover niet anders is aan-
gegeven.
Bij wagens met rechts stuur zijn de bedieningselementen gedeeltelijk anders
gerangschikt dan weergegeven op » Afbeelding 36 op pagina 56. De symbo-
len die de standen van de bedieningselementen aangeven, zijn gelijk.
ATTENTIE
Het inschakelen van de verlichting mag alleen plaatsvinden in overeen-
stemming met de nationale wettelijke bepalingen.
De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor de juiste instelling en het
gebruik van de verlichting.
De automatische aansturing rijverlichting

dient alleen als hulpmiddel.
Hierdoor wordt de bestuurder niet van de plicht ontslagen de verlichting te
controleren en eventueel de verlichting afhankelijk van de omstandighe-
ATTENTIE (vervolg)
den in te schakelen. De lichtsensor herkent bijvoorbeeld geen regen of
mist. Onder deze omstandigheden raden wij u aan om het dimlicht resp. de
mistlampen in te schakelen!
Nooit rijden als alleen het stadslicht ingeschakeld is! Het stadslicht is niet
fel genoeg om de weg voor u voldoende te verlichten of om door andere
verkeersdeelnemers te worden gezien. Het dimlicht bij duisternis of slecht
zicht altijd handmatig inschakelen.
Let op
De koplampen kunnen tijdelijk aan de binnenzijde beslaan. Bij ingeschakelde
rijverlichting is het lichtvlak na korte tijd weer vrij van aanslag, daarbij kan het
lampglas aan de binnenzijde eventueel bij de randen nog beslagen zijn. De
condensvorming heeft geen invloed op de levensduur van de verlichting.
Stads- en dimlicht
Afbeelding 36
Lichtschakelaar en draaiknop
voor lichtbundelhoogteverstel-
ling
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
Lichtschakelaarstanden - draaien van schakelaar
A
» Afbeelding 36
Licht uitschakelen (uitgezonderd dagrijverlichting)
Licht automatisch inschakelen/uitschakelen » pagina 58
Stadslicht resp. parkeerlicht inschakelen
1)
» pagina 61
Dimlicht inschakelen
1)
Lichtschakelaarstanden - uittrekken van schakelaar
A
Mistlampen inschakelen » pagina 59
Mistachterlicht inschakelen » pagina 59

1)
Bij wagens met MAXI DOT-display brandt ook het symbool in de lichtschakelaar.
56
Bediening
Lichtbundelhoogteverstelling - draaiknop
B
Door verdraaien van de draaiknop uit de stand
in
wordt de lichtbundel-
hoogteverstelling geleidelijk aangepast en daardoor de lichtbundel verkort.
De standen van de lichtbundelhoogteverstelling komen ongeveer overeen met
de volgende beladingstoestand.
Wagen voorin bezet, bagageruimte leeg
Wagen volledig bezet, bagageruimte leeg
Wagen volledig bezet, bagageruimte beladen
Bestuurdersstoel bezet, bagageruimte beladen
Wij adviseren de lichtbundelhoogte bij ingeschakeld dimlicht in te stellen.
ATTENTIE
De lichtbundelhoogteverstelling altijd zodanig instellen dat aan de volgen-
de voorwaarden wordt voldaan.
Andere verkeersdeelnemers worden niet verblind, met name tegemoet-
komende voertuigen.
De lichtbundelhoogte is voldoende voor veilig rijden.
Let op
Als de lichtschakelaar in stand of staat, de contactsleutel is verwijderd
en het bestuurdersportier wordt geopend, klinkt een akoestisch waarschu-
wingssignaal. Na enkele seconden of na het sluiten van het bestuurdersportier
wordt het akoestische waarschuwingssignaal via het portiercontact uitgescha-
keld, maar het dimlicht blijft ingeschakeld, om eventueel de geparkeerde wa-
gen te verlichten.
Indien de wagen wordt verlaten zonder dat daarbij het parkeerlicht hoeft
te worden gebruikt, de lichtschakelaar altijd in stand
draaien.
Dagrijverlichting (DAY LIGHT)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
De dagrijverlichting (hierna functie) zorgt voor de verlichting aan de voorzijde
van de wagen.
Het licht wordt automatisch ingeschakeld als aan de volgende voorwaarden
wordt voldaan.
De lichtschakelaar staat in stand
of

» Afbeelding 36 op pagina 56.
Het contact is ingeschakeld.
De functie is geactiveerd.
Functie deactiveren
Het contact uitschakelen.
De zekering voor de dagrijverlichting verwijderen » pagina 172, Zekeringen
in het dashboard.
Functie activeren
Het contact uitschakelen.
Een zekering met betreffende amperage voor de dagrijverlichting plaat-
sen » pagina 172, Zekeringen in het dashboard.
Functies bij wagens met het START-STOP-systeem of met de automatische
aansturing rijverlichting deactiveren
Het contact uitschakelen.
De knipperlichthendel (» Afbeelding 37 op pagina 58) naar het stuurwiel
trekken, omlaagschuiven en in deze stand vasthouden.
Het contact inschakelen - wachten tot het linker knipperlicht 4x knippert.
Het contact uitschakelen - er klinkt een akoestisch signaal dat de deactive-
ring van de functie bevestigt.
De knipperlichthendel loslaten.
Functies bij wagens met het START-STOP-systeem of met de automatische
aansturing rijverlichting activeren
Het contact uitschakelen.
De knipperlichthendel (» Afbeelding 37 op pagina 58) naar het stuurwiel
trekken, omhoogschuiven en in deze stand vasthouden.
Het contact inschakelen - wachten tot het rechter knipperlicht 4x knippert.
Het contact uitschakelen - er klinkt een akoestisch signaal dat de activering
van de functie bevestigt.
De knipperlichthendel loslaten.
ATTENTIE
Bij ingeschakelde dagrijverlichting branden het stadslicht (voor noch ach-
ter) en de kentekenplaatverlichting niet. Daarom bij slecht zicht altijd het
dimlicht inschakelen.
57
Licht en zicht
Knipperlicht en grootlicht
Afbeelding 37
Bedieningshendel: Knipperlicht-
en grootlichtbediening
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
Bedieningshendelstanden
A
Knipperlicht rechts inschakelen
B
Knipperlicht links inschakelen
C
Grootlicht (tegen de veerdruk in) inschakelen
D
Grootlicht uitschakelen / grootlichtsignaal (tegen de veerdruk in)
inschakelen
Grootlicht
Het grootlicht kan bij ingeschakeld dimlicht worden ingeschakeld.
Bij ingeschakeld grootlicht of ingeschakeld grootlichtsignaal brandt in het in-
strumentenpaneel het controlelampje
.
Knipperlicht
Bij een ingeschakeld knipperlicht links knippert in het instrumentenpaneel het
controlelampje
.
Bij een ingeschakeld knipperlicht rechts knippert in het instrumentenpaneel
het controlelampje
.
Het knipperlicht wordt nog voor het bovenste resp. onderste drukpunt inge-
schakeld. Dit is bij enkele rijmanoeuvres handig, bijvoorbeeld bij het wisselen
van rijstrook de bedieningshendel vóór het betreffende drukpunt vasthouden.
Het knipperlicht wordt na het rijden door een bocht resp. na het afslaan auto-
matisch uitgeschakeld.
Als een gloeilamp van het knipperlicht defect is, knippert het controlelampje
ongeveer twee keer zo snel.
"Comfortknipperen"
Als u slechts driemaal wilt knipperen, de hendel even tot het bovenste of on-
derste drukpunt aantippen en vervolgens weer loslaten.
ATTENTIE
Het grootlicht resp. grootlichtsignaal alleen gebruiken als de andere ver-
keersdeelnemers daardoor niet worden verblind.
Let op
Het grootlichtsignaal kan ook bij uitgeschakeld contact worden ingeschakeld.
Automatische aansturing rijverlichting
Afbeelding 38
Lichtschakelaar: Stand AUTO
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
Als de lichtschakelaar in stand

» Afbeelding 38 staat, worden het stads-
en dimlicht en de kentekenplaatverlichting automatisch in- resp. uitgescha-
keld.
Het licht wordt in- en uitgeschakeld aan de hand van de informatie die wordt
geregistreerd door de sensor die aan de binnenzijde van de voorruit in de hou-
der van de binnenspiegel zit.
Als de lichtschakelaar in stand

staat, brandt de tekst

naast de licht-
schakelaar. Als het licht automatisch wordt ingeschakeld, brandt ook het sym-
bool
naast de lichtschakelaar.
58
Bediening
Automatische aansturing rijverlichting bij regen
Het dimlicht wordt automatisch ingeschakeld als aan de volgende voorwaar-
den wordt voldaan.
De lichtschakelaar staat in stand

» Afbeelding 38.
Het automatisch wissen bij regen - stand
1
resp. het wissen - stand
2
of
3
is ingeschakeld » pagina 64, Ruitenwissers en -sproeiers bedienen.
De ruitenwissers zijn langer dan 15 seconden ingeschakeld.
Het licht wordt ca. 4 minuten na het uitschakelen van de ruitenwissers uitge-
schakeld.
VOORZICHTIG
Vóór de lichtsensor op de voorruit geen sticker of iets dergelijks plakken om de
werking niet te blokkeren of de juiste werking niet te beperken.
Mistlampen
Afbeelding 39
Lichtschakelaar - mistlampen en
mistachterlicht inschakelen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
Inschakelen/uitschakelen
De lichtschakelaar in stand
of
» Afbeelding 39 draaien.
De lichtschakelaar in stand
1
trekken.
De mistlampen worden in omgekeerde volgorde uitgeschakeld.
Bij ingeschakelde mistlampen brandt in het instrumentenpaneel het controle-
lampje
» pagina 32.
Mistlampen met CORNER-functie
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
De CORNER-functie verbetert door het laten branden van de mistlamp aan de
betreffende wagenzijde de verlichting van de omgeving bij het afslaan, inpar-
keren en dergelijke.
De CORNER-functie wordt automatisch ingeschakeld als aan de volgende
voorwaarden wordt voldaan.
Het knipperlicht is ingeschakeld resp. de voorwielen zijn sterk naar rechts
of links ingeslagen
1)
.
De motor draait.
De wagen staat stil of rijdt met een snelheid van maximaal 40 km/h.
Het dimlicht is ingeschakeld (of de lichtschakelaar staat in stand

en
het dimlicht is ingeschakeld).
De dagrijverlichting is niet ingeschakeld.
De mistlampen zijn niet ingeschakeld.
Let op
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de beide mistlampen
ingeschakeld.
Mistachterlicht
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 56.
Inschakelen/uitschakelen
De lichtschakelaar in stand
of
» Afbeelding 39 op pagina 59 draaien.
De lichtschakelaar in stand
2
trekken.
Het mistachterlicht wordt in omgekeerde volgorde uitgeschakeld.
Als de wagen niet met mistlampen » pagina 59 is uitgerust, wordt het mis-
tachterlicht ingeschakeld door de lichtschakelaar in stand
te draaien en ver-
volgens direct in stand
2
uit te trekken. Deze schakelaar kan slechts in een
stand worden gezet.
Bij ingeschakeld mistachterlicht brandt in het instrumentenpaneel het contro-
lelampje
» pagina 32.
1)
Bij een conflict tussen de beide inschakelvarianten, bijvoorbeeld als de voorwielen naar links zijn ver-
draaid en het rechterknipperlicht is ingeschakeld, heeft het knipperlicht de hoogste prioriteit.
59
Licht en zicht
Als de wagen met een trekhaak af fabriek of een trekhaak uit het originele
ŠKODA accessoireprogramma is uitgerust en met een aanhangwagen wordt
gereden, brandt alleen het mistachterlicht van de aanhangwagen.
COMING HOME/LEAVING HOME
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
COMING HOME (hierna functie) schakelt de verlichting automatisch gedurende
korte tijd in na het verlaten van de wagen.
LEAVING HOME (hierna functie) schakelt de verlichting automatisch gedurende
korte tijd in bij het naderen van de wagen.
De functie schakelt afhankelijk van de uitvoering de volgende verlichting in.
Stadslicht
Dimlicht
Instapverlichting in de buitenspiegels
Kentekenplaatverlichting
COMING HOME
Het licht wordt automatisch ingeschakeld als aan de volgende voorwaarden
wordt voldaan.
De lichtschakelaar staat in stand

» Afbeelding 38 op pagina 58.
Het zicht in de omgeving van de wagen is verminderd.
Het contact is uitgeschakeld.
De functie is vóór het verlaten van de wagen door kort inschakelen van
het grootlichtsignaal geactiveerd » pagina 58, Knipperlicht en grootlicht.
Het bestuurdersportier is geopend - binnen 60 seconden na het uitscha-
kelen van het contact.
De verlichting gaat 10 seconden na het sluiten van alle portieren en de achter-
klep uit.
Als een portier of de achterklep geopend blijft, schakelt de verlichting na
60 seconden uit.
LEAVING HOME
Het licht wordt automatisch ingeschakeld als aan de volgende voorwaarden
wordt voldaan.
De lichtschakelaar staat in stand

» Afbeelding 38 op pagina 58.
Het zicht in de omgeving van de wagen is verminderd.
Het contact is uitgeschakeld.
De wagen is met de radiografische afstandsbediening ontgrendeld.
Het licht gaat uit na 10 seconden of na het vergrendelen van de wagen.
VOORZICHTIG
Vóór de lichtsensor op de voorruit geen sticker of iets dergelijks plakken om
de werking niet te blokkeren of de juiste werking niet te beperken.
Als deze functie geactiveerd is, wordt de accu met name bij stadsverkeer
sterk belast.
Let op
Slechtere zichtomstandigheden worden geanalyseerd aan de hand van de in-
formatie die wordt geregistreerd door de sensor die in de houder van de bin-
nenspiegel zit.
Alarmlichten
Afbeelding 40
Toets voor alarmlichten
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
Inschakelen/uitschakelen
Toets
» Afbeelding 40 indrukken.
Als de alarmlichten zijn ingeschakeld, knipperen alle knipperlichten van de wa-
gen tegelijkertijd. Het controlelampje voor de knipperlichten en het controle-
lampje in de toets knipperen eveneens. De alarmlichten werken ook wanneer
het contact is uitgeschakeld.
Bij het activeren van de airbags worden de alarmlichten automatisch ingescha-
keld.
Indien bij ingeschakelde alarmlichten en ingeschakeld contact het knipperlicht
wordt ingeschakeld, knippert alleen het knipperlicht aan de betreffende wa-
genzijde.
60
Bediening
ATTENTIE
De alarmlichten dienen bijvoorbeeld te worden ingeschakeld in de volgen-
de situaties.
De staart van een file wordt genaderd.
Er is sprake van een storing aan de wagen.
Parkeerlicht
Lees en bekijk eerst op bladzijde 56.
Het parkeerlicht is voor de tijdelijke verlichting van de geparkeerde wagen be-
doeld.
Parkeerlicht
inschakelen
Het contact uitschakelen.
De bedieningshendel tot de aanslag in stand
A
resp.
B
zetten » Afbeelding
37 op pagina 58 - het stadslicht aan de rechter- resp. linkerzijde van de wa-
gen wordt ingeschakeld.
Wanneer het rechter- of linkerknipperlicht is ingeschakeld en het contact
wordt uitgeschakeld, wordt het parkeerlicht
niet ingeschakeld.
Parkeerlicht aan beide zijden
inschakelen
De lichtschakelaar
A
in stand
» Afbeelding 36 op pagina 56 draaien en de
wagen vergrendelen.
Bij wagens met MAXI DOT-display brandt bij het inschakelen van het parkeer-
licht aan beide zijden ook het symbool
in de lichtschakelaar.
VOORZICHTIG
Door het inschakelen van het parkeerlicht wordt de accu me name bij stads-
verkeer aanzienlijk belast.
Rijden in het buitenland
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 56.
Het dimlicht is asymmetrisch ingesteld. Dit zorgt voor een betere verlichting
van de weghelft waarop u rijdt.
Tijdens het rijden in landen waar aan de andere kant van de weg wordt gere-
den (links-/rechtsrijdend verkeer) kan de asymmetrische koplampafstelling het
tegemoetkomend verkeer verblinden. Om verblinding van het tegemoetko-
mende verkeer te voorkomen, moet een aanpassing aan de koplampen wor-
den uitgevoerd door een erkend reparateur.
Let op
Meer informatie over het aanpassen van de koplampen krijgt u bij een erkend
reparateur.
Binnenverlichtingen
Binnenverlichting voorin
Afbeelding 41
Interieurverlichting voor - variant 1 / variant 2
Standen van de schuifschakelaar
A
» Afbeelding 41
Inschakelen
Uitschakelen
Bediening met de portiercontactschakelaar
Schakelaar voor leeslampjes
B
» Afbeelding 41
Linker leeslampje in- en uitschakelen
Rechter leeslampje in-/uitschakelen
61
Licht en zicht
Voorwaarden voor de bediening van de lampjes met de
portiercontactschakelaar
Het lampje wordt ingeschakeld, als een van de volgende situaties zich voor-
doet.
De wagen wordt ontgrendeld.
Een portier wordt geopend.
De contactsleutel wordt verwijderd.
Het lampje wordt uitgeschakeld, als een van de volgende situaties zich voor-
doet.
De wagen wordt vergrendeld.
Het contact wordt ingeschakeld.
Circa 30 seconden na het sluiten van alle portieren.
Let op
Het ingeschakelde lampje wordt na circa 10 minuten na het uitschakelen van
het contact automatisch uitgeschakeld.
Binnenverlichting achterin
Geldt voor wagens met het panoramadak
Afbeelding 42
Binnenverlichting achterin
Binnenverlichting achterin - beweging van het transparant kapje » Afbeel-
ding 42
Inschakelen
Uitschakelen
Bediening met de portiercontactschakelaar
1)
Zicht
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Achterruitverwarming
62
Zonnekleppen voorin 63
Rolgordijn van het panoramadak 63
Achterruitverwarming
Afbeelding 43
Dashboard: Toets voor achter-
ruitverwarming
De verwarming dient voor het ontdooien resp. ontwasemen van de achterruit.
Toets voor achterruitverwarming » Afbeelding 43
Verwarming in-/uitschakelen
Als de verwarming ingeschakeld is, brandt in de toets een lampje.
De verwarming werkt alleen als de motor draait.
Na ca. 7 minuten schakelt de verwarming automatisch uit.
Milieu-aanwijzing
Zodra de ruit ontdooid of ontwasemd is, moet de verwarming worden uitge-
schakeld. Het daardoor lagere stroomverbruik heeft een gunstig effect op het
brandstofverbruik.
1)
In deze stand gelden voor de verlichting achter dezelfde voorwaarden als voor de verlichting voor » pa-
gina 61.
62
Bediening
Let op
Als de boordspanning daalt, wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld
om de motorregeling van voldoende elektrische energie te kunnen voor-
zien » pagina 149, Automatische verbruikersuitschakeling.
Indien het lampje in de toets knippert, vindt geen verwarming plaats door
een te lage accuspanning.
Zonnekleppen voorin
Afbeelding 44 Zonneklep omlaagklappen / zonneklep naar portier zwen-
ken en spiegelafdekking openschuiven
De zonnekleppen beschermen tegen felle zon.
Bediening van de zonneklep » Afbeelding 44
Klep omlaagklappen
Klep naar portier zwenken
Make-upspiegel met afdekking
Spiegelafdekking openschuiven
ATTENTIE
De zonnekleppen mogen niet naar de zijruiten in het werkingsgebied van
de hoofdairbag worden gezwenkt, als daaraan voorwerpen zijn bevestigd.
Bij het activeren van de hoofdairbag bestaat er gevaar voor verwondingen.
1
2
A
B
Rolgordijn van het panoramadak
Afbeelding 45
Zonnescherm openen
Het rolgordijn beschermt tegen felle zon.
Het rolgordijn van het panoramadak kan handmatig worden geopend resp. ge-
sloten » Afbeelding 45.
ATTENTIE
Het rolgordijn voorzichtig bedienen om verwondingen door knellen te voor-
komen - gevaar voor verwondingen!
Ruitenwissers en -sproeiers
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Ruitenwissers en -sproeiers bedienen 64
Koplampsproeiers 65
De ruitenwissers en de sproeierinstallatie zorgen voor goed zicht door de
voor- resp. achterruit.
De ruitenwissers en ruitensproeierinstallatie werken alleen bij ingeschakeld
contact.
Ruitensproeiervloeistof bijvullen » pagina 141.
63
Licht en zicht
ATTENTIE
Voor een helder zicht en veilig rijden zijn goede ruitenwisserbladen be-
slist noodzakelijk » pagina 171.
Om veiligheidsredenen moet u de ruitenwisserbladen jaarlijks een- tot
tweemaal vervangen. Deze zijn verkrijgbaar bij een ŠKODA Partner.
Bij lage temperaturen de ruitensproeierinstallatie niet gebruiken zonder
eerst de voorruit te verwarmen. De ruitenreiniger zou anders kunnen vast-
vriezen op de voorruit en het zicht naar voren beperken.
Het automatisch wissen bij regen dient slechts als hulpmiddel. De be-
stuurder wordt daarmee niet van de plicht ontslagen de ruitenwisserfunc-
tie afhankelijk van het zicht handmatig in te stellen.
VOORZICHTIG
Als het contact wordt uitgeschakeld terwijl de ruitenwissers zijn ingescha-
keld, wissen de ruitenwissers in dezelfde wisserstand verder als het contact
weer wordt ingeschakeld. Tussen het uitschakelen en weer inschakelen van
het contact kunnen de ruitenwissers bij lage temperaturen vastvriezen.
Bij lage temperaturen en in de winter alvorens weg te rijden resp. vóór het
inschakelen van het contact controleren of de ruitenwisserbladen niet zijn
vastgevroren. Als de ruitenwissers worden ingeschakeld terwijl de ruitenwis-
serbladen zijn vastgevroren, kunnen zowel de ruitenwisserbladen als de rui-
tenwissermotor worden beschadigd!
Vastgevroren ruitenwisserbladen voorzichtig van de ruit losmaken.
Voor de rit sneeuw en ijs van de ruitenwissers verwijderen.
Als de wisserarmen voor de voorruit zijn opgeklapt het contact niet inscha-
kelen! De ruitenwissers zouden terugkeren in de ruststand en hierbij de lak
van de motorkap beschadigen.
Als met de ruitenwissers niet voorzichtig wordt omgegaan, is gevaar voor be-
schadiging van de voorruit aanwezig.
Let op
Om streepvorming te voorkomen moeten de ruitenwisserbladen schoon wor-
den gehouden » pagina 132.
De ruitensproeiers van de voorruit worden bij draaiende motor en een bui-
tentemperatuur van minder dan +10 °C verwarmd.
Ruitenwissers en -sproeiers bedienen
Afbeelding 46
Bedieningshendel: Standen van
de ruitenwissers en -sproeiers
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 64.
Bedieningshendelstanden
0
 Wissen uitgeschakeld
1
Intervalwissen van de voorruit / automatisch inschakelen van de
ruitenwissers vóór bij regen (afhankelijk van de uitrusting)
2
 Langzaam werken van de ruitenwissers vóór
3
 Snel werken van de ruitenwissers vóór
4
Tipwissen van de voorruit, servicestand van de ruitenwisserar-
men » pagina 171, (tegen de veerdruk in)
5
Wis-wasautomaat van de voorruit (tegen de veerdruk in)
6
Wissen van de achterruit (de ruitenwisser wist regelmatig na enke-
le seconden)
7
Wis-wasautomaat van de achterruit (tegen de veerdruk in)
A
Schakelaar voor de instelling van de gewenste pauze tussen de af-
zonderlijke wisserslagen resp. de snelheid van het automatisch
wissen bij regen (bedieningshendel in stand
1
)
Intervalwissen van de voorruit
De wisintervallen worden ook snelheidsafhankelijk geregeld.
Automatisch wissen van de voorruit bij regen
De wisintervallen worden afhankelijk van de regenintensiteit geregeld.
Wis-wasautomaat voor de voorruit
De wis-wasautomaat werkt direct, de ruitenwissers treden iets later in werk-
ing.
64
Bediening
Na het loslaten van de bedieningshendel stopt de sproeierinstallatie en de
wissers maken nog 1 tot 3 wisbewegingen (afhankelijk van de tijd dat de
sproeierinstallatie was ingeschakeld).
Wis-wasautomaat voor achterruit
De wis-wasautomaat werkt direct, de ruitenwisser treedt iets later in werking.
Na het loslaten van de bedieningshendel stopt de sproeierinstallatie en de
wisser maakt nog 1 tot 3 wisbewegingen (afhankelijk van de tijd dat de sproei-
erinstallatie was ingeschakeld). De bedieningshendel blijft in stand
6
.
Let op
Na het inschakelen van de achteruitversnelling wordt bij ingeschakelde ruiten-
wissers vóór de achterruit automatisch eenmaal gewist.
Koplampsproeiers
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 64.
De koplampen worden na het inschakelen van het contact en bij ingeschakeld
dim- of grootlicht altijd bij de eerste en na elke tiende keer sproeien van de
voorruit (stand
5
» Afbeelding 46 op pagina 64) gereinigd.
Op gezette tijden, bijvoorbeeld tijdens een tankstop, hardnekkig vastzittend
vuil (zoals insectenresten) van de koplampen verwijderen. Op de volgende
aanwijzingen letten » pagina 131, Koplampglazen.
Om in de winter verzekerd te zijn van de werking van de koplampsproeiers,
moet u de houders van de koplampsproeiers sneeuwvrij maken en ijs met een
ontdooispray verwijderen.
VOORZICHTIG
De koplampsproeiers nooit met de hand naar buiten trekken - gevaar voor be-
schadiging!
Achteruitkijkspiegels
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Binnenspiegel
66
Buitenspiegels 66
ATTENTIE
Let erop dat de spiegels niet door ijs, sneeuw, condens of andere voor-
werpen afgedekt zijn.
Convexe (bolvormige) of asferische buitenspiegels vergroten het ge-
zichtsveld. Objecten in de spiegel lijken echter kleiner te zijn. Daarom zijn
deze spiegels maar beperkt geschikt om de afstand tot achterliggers in te
schatten.
Gebruik zo mogelijk de binnenspiegel om de afstand tot achteropkomend
verkeer te bepalen.
Het verlichte display van een extern navigatieapparaat kan tot storingen
van de automatisch dimmende binnenspiegel leiden - er bestaat gevaar
voor ongevallen.
ATTENTIE
Automatisch dimmende spiegels bevatten een elektrolyt, die bij een gebro-
ken spiegelglas kan weglekken.
De weglekkende elektrolyt kan zorgen voor irritatie van de huid, ogen en
ademhalingsorganen. Direct voor voldoende frisse lucht zorgen en de wa-
gen verlaten. Als dat niet mogelijk is, de ruiten iets openen.
Als elektrolyt is ingeslikt, onmiddellijk naar een arts gaan.
Als de ogen en huid met elektrolyt in aanraking zijn gekomen, de betref-
fende plaats direct gedurende ten minste enkele minuten met veel water
afspoelen. Daarna onmiddellijk naar een arts gaan.
65
Licht en zicht
Binnenspiegel
Afbeelding 47 Binnenspiegel: Met handmatige dimming / met zelfdim-
ming / lichtsensor
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 65.
Spiegel met handmatige dimming » Afbeelding 47
Basisafstelling van spiegel
Spiegeldimming
Spiegel met zelfdimming » Afbeelding 47
Controlelampje - brandt bij geactiveerde dimming
Schakelaar voor de activering van het zelfdimmen van de spiegel
Lichtsensor
Lichtsensor aan de achterzijde van de spiegel
Als het zelfdimmen is ingeschakeld, dimt de spiegel afhankelijk van de lichtin-
val op de sensoren automatisch.
Bij het inschakelen van de binnenverlichting of bij het inschakelen van de ach-
teruitversnelling schakelt de spiegel terug naar de basisstand (niet gedimd).
Externe navigatie-apparatuur niet aan de voorruit of in de buurt van de zelf-
dimmende binnenspiegel bevestigen » pagina 65, in alinea Inleiding voor
het onderwerp.
VOORZICHTIG
De zelfdimmende spiegel functioneert alleen storingsvrij als de lichtinval op de
binnenspiegel op de sensoren niet wordt beperkt.
1
2
A
B
C
D
Buitenspiegels
Afbeelding 48 Voorportier - buitenspiegelbediening: mechanisch/elek-
trisch
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 65.
De beweging van het spiegelglas is identiek aan de beweging van de draai-
knop.
Mechanisch verstelbare spiegels
Door beweging van de draaiknop in pijlrichting kan het spiegelvlak in de ge-
wenste stand worden gezet » Afbeelding 48 -
.
Elektrisch verstelbare spiegel
Door beweging van de draaiknop in pijlrichting kan het spiegelvlak in de ge-
wenste stand worden gezet » Afbeelding 48 -
.
De draaiknop kan in de volgende standen worden gezet.
Spiegel links instellen
Spiegel rechts instellen
Spiegelbediening uitschakelen
Spiegelverwarming
Buitenspiegels naar binnen klappen
De complete buitenspiegel kan handmatig in de richting van de zijruit worden
geklapt. Om de spiegel weer in de uitgangsstand te zetten, dient de spiegel
van de zijruit terug te worden geklapt tot deze duidelijk vergrendelt.
ATTENTIE
Het spiegelglas van de buitenspiegels niet aanraken als de spiegelverwar-
ming is ingeschakeld, er bestaat gevaar voor verbranding.
66
Bediening
Let op
De spiegelverwarming werkt alleen bij draaiende motor en tot een buiten-
temperatuur van +35 °C.
Als de elektrische spiegelinstelling eens zou uitvallen, kunnen de spiegel-
vlakken met de hand worden ingesteld door op de rand van het spiegelvlak te
drukken.
Stoelen en hoofdsteunen
Stoelen en hoofdsteunen instellen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorstoelen instellen 68
Hoofdsteunen - hoogte instellen 68
Hoofdsteunen - uit- en inbouwen 69
De bestuurdersstoel moet zodanig zijn ingesteld dat de pedalen met licht ge-
bogen knieën geheel kunnen worden ingetrapt.
De leuning van de bestuurdersstoel moet zo worden ingesteld, dat het boven-
ste punt van het stuurwiel met licht gebogen armen kan worden bereikt.
De juiste instelling van de stoelen is bijzonder belangrijk voor:
het eenvoudig en snel bereiken van alle bedieningselementen,
een ontspannen, minder vermoeiende lichaamshouding,
de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels en de air-
bags.
ATTENTIE
De bestuurdersstoel alleen bij stilstaande wagen verstellen - gevaar voor
ongevallen!
Voorzichtig bij het instellen van de stoel! Door ondoordacht of ongecon-
troleerd instellen kan letsel door knellen ontstaan.
Nooit meer personen meenemen dan er zitplaatsen in de wagen aanwe-
zig zijn.
Geen voorwerpen op de bijrijdersstoel vervoeren, behalve als ze daarvoor
bedoeld zijn (bijvoorbeeld een kinderzitje) - gevaar voor ongevallen!
Let op
In het verstelmechanisme voor de rugleuning kan na enige tijd speling ont-
staan.
67
Stoelen en hoofdsteunen
Voorstoelen instellen
Afbeelding 49
Bedieningselementen van de
stoel
Lees en bekijk eerst op bladzijde 67.
Bedieningselementen van de stoel » Afbeelding 49
Stoel in lengterichting verstellen
Zittinghoogte instellen
Schuine stand van de rugleuning instellen
Stoel in lengterichting verstellen
De hendel
A
» Afbeelding 49 (in het midden) in pijlrichting trekken en de
stoel in de gewenste richting schuiven.
De vergrendeling moet na het loslaten van de hendel hoorbaar aangrijpen.
Zittinghoogte instellen
De hendel
B
» Afbeelding 49 herhaaldelijk in de richting van een van de pij-
len trekken resp. drukken.
Schuine stand van de rugleuning instellen
De rugleuning niet belasten (niet hiertegen leunen).
Hendel
C
» Afbeelding 49 in pijlrichting trekken en met de rug de gewenste
schuine stand van de stoelleuning instellen.
Na het loslaten van de hendel blijft de rugleuning in de ingestelde stand staan.
A
B
C
Hoofdsteunen - hoogte instellen
Afbeelding 50 Hoogte van de hoofdsteun voor instellen
Afbeelding 51 Hoogte van de hoofdsteun voor instellen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 67.
De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de li-
chaamslengte worden ingesteld en de veiligheidsgordels moeten altijd goed
omgegespt zijn, zodat de inzittenden zo optimaal mogelijk worden be-
schermd » pagina 7, Juiste en veilige zithouding.
De optimale bescherming wordt verkregen als de bovenkant van de hoofd-
steun op dezelfde hoogte ligt als het bovenste deel van uw hoofd.
Hoofdsteun voorin
De hoofdsteun naar boven in pijlrichting
1
» Afbeelding 50 verschuiven.
Om de hoofdsteun naar beneden te verschuiven de vergrendelingsknop
A
in pijlrichting
2
indrukken en ingedrukt houden en de hoofdsteun in pijlrich-
ting
3
drukken.
68
Bediening
Hoofdsteun achterin
De hoofdsteun naar boven in pijlrichting
4
» Afbeelding 51 verschuiven.
Om de hoofdsteun naar beneden te verschuiven de vergrendelingsknop
B
in pijlrichting
5
indrukken en ingedrukt houden en de hoofdsteun in pijlrich-
ting
6
drukken.
ATTENTIE
De hoofdsteunen moeten correct zijn ingesteld om de inzittenden bij een
aanrijding effectief te kunnen beschermen.
Indien de zitplaatsen achterin bezet zijn, mogen de betreffende hoofd-
steunen achterin niet in de onderste stand staan.
Let op
Bij de sportstoelen zijn de hoofdsteunen in de rugleuningen geïntegreerd. De-
ze hoofdsteunen kunnen niet in hoogte worden versteld.
Hoofdsteunen - uit- en inbouwen
Afbeelding 52
Hoofdsteun voorin uit- en inbouwen
Afbeelding 53
Hoofdsteun achterin uit- en inbouwen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 67.
Hoofdsteun voorin
De hoofdsteun tot de aanslag uit de rugleuning trekken.
De grendelknop
A
in pijlrichting
1
drukken en de hoofdsteun in pijlrichting
2
eruit trekken.
Om de hoofdsteun weer in te bouwen de hoofdsteun zo ver in pijlrichting
3
in de rugleuning schuiven tot de vergrendelingsknop hoorbaar vastklikt.
Hoofdsteun achterin
De hoofdsteun tot de aanslag uit de rugleuning trekken.
De vergrendelingsknop
B
in pijlrichting
4
drukken, tegelijkertijd met een
platte schroevendraaier met een breedte van max. 5 mm de vergrendelings-
knop in de opening
C
in pijlrichting
5
drukken.
De hoofdsteun in pijlrichting
6
lostrekken.
Om de hoofdsteun weer in te bouwen de hoofdsteun zo ver in pijlrichting
7
in de rugleuning schuiven tot de vergrendelingsknop hoorbaar vastklikt.
ATTENTIE
Nooit met uitgebouwde hoofdsteunen rijden - gevaar voor verwondingen.
Let op
Bij de sportstoelen zijn de hoofdsteunen in de rugleuningen geïntegreerd. De-
ze hoofdsteunen kunnen niet worden verwijderd.
69
Stoelen en hoofdsteunen
Stoelfuncties
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorstoelverwarming
70
Armsteun voorin 70
Armsteun achterin 71
Achterbankleuning 71
Voorstoelverwarming
Afbeelding 54
Toets voor verwarming van de
voorstoelen
De rugleuningen en zittingen van de voorstoelen kunnen elektrisch worden
verwarmd.
De stoelverwarming kan alleen bij draaiende motor worden ingeschakeld.
Toetsen voor de stoelverwarming » Afbeelding 54
Stoelverwarming links
Stoelverwarming rechts
Inschakelen
Op de betreffende symbooltoets
resp.
» Afbeelding 54 drukken.
Door eenmaal drukken wordt de stoelverwarming ingeschakeld en verwarmt
maximaal.
Door nogmaals op de toets te drukken, wordt de verwarmingsintensiteit te-
ruggeregeld tot de verwarming uitschakelt.
De verwarmingsintensiteit wordt aangegeven aan de hand van het aantal
brandende controlelampjes in de schakelaar.
ATTENTIE
Bij beperkte pijn- en/of temperatuurwaarneming, bijvoorbeeld door medi-
cijngebruik, door verlamming of door chronische ziekte (bijvoorbeeld diabe-
tes), raden wij aan geheel af te zien van het gebruik van de stoelverwar-
ming. Het kan leiden tot moeilijk te genezen verbrandingen aan rug, zitvlak
en benen. Als u de stoelverwarming toch wilt gebruiken, adviseren wij bij
langere ritten regelmatig een pauze in te lassen, zodat het lichaam zich kan
herstellen van de belasting die tijdens het rijden ontstaat. Om uw concrete
situatie te beoordelen wendt u zich tot uw behandelend arts.
VOORZICHTIG
Niet op de stoelen knielen en deze ook niet aan andere puntbelastingen
blootstellen.
De stoelverwarming in de volgende gevallen niet inschakelen - gevaar voor
beschadiging van de beschermhoezen en de stoelverwarming.
Er zitten geen personen in de stoelen.
Op de stoelen bevinden zich bevestigde of neergelegde voorwerpen, bij-
voorbeeld een kinderzitje, tas of dergelijke.
Op de stoelen zijn extra beschermhoezen bevestigd.
De stoelbekledingen reinigen » pagina 134.
Let op
Als de boordspanning daalt, wordt de stoelverwarming automatisch uitgescha-
keld om de motorregeling van voldoende elektrische energie te kunnen voor-
zien » pagina 149, Automatische verbruikersuitschakeling.
Armsteun voorin
Afbeelding 55
Armsteun instellen
Hoogte instellen
De armsteun volledig naar boven optillen » Afbeelding 55 en vervolgens
weer volledig neerklappen.
70
Bediening
De armsteun in een van de 5 blokkeerstanden optillen
In de armsteun bevindt zich een opbergvak » pagina 77.
Armsteun achterin
Afbeelding 56
Armsteun neerklappen
Naar voren klappen
Aan de lus
A
» Afbeelding 56 trekken en de armsteun in pijlrichting naar be-
neden klappen.
In de armsteun kan een bekerhouder aanwezig zijn » pagina 73.
Achterbankleuning
Afbeelding 57
Opening voor het insteken van de slotgesp / stoelleuning
naar voren klappen
De bagageruimte kan worden vergroot door de rugleuningen naar voren te
klappen. Bij wagens met gedeelde achterbank kunnen de rugleuningen ook af-
zonderlijk naar voren worden geklapt.
Naar voren klappen
Alvorens de rugleuning naar voren te klappen de voorstoelen zodanig verstel-
len, dat deze niet door de naar voren geklapte rugleuning worden
beschadigd
1)
.
De slotgesp van de veiligheidsgordel in de opening
A
» Afbeelding 57 in de
zijbekleding steken - veiligheidsstand.
Op de ontgrendelingsgreep
B
drukken en de rugleuning in pijlrichting naar
voren klappen.
Terugklappen
Als de hoofdsteun is uitgebouwd, moet deze in de iets opgetilde rugleuning
worden geschoven.
Vervolgens de rugleuning terugklappen tot de grendelknop
B
hoorbaar
vastklikt - dit controleren door aan de rugleuning te trekken » .
Verzeker u ervan dat de rode markering
C
niet zichtbaar is.
ATTENTIE
Na het terugklappen van de rugleuningen moeten de gordelsloten en vei-
ligheidsgordels zich in de uitgangspositie bevinden - ze moeten klaar voor
gebruik zijn.
De rugleuningen moeten goed zijn vergrendeld, zodat er bij plotseling
remmen geen voorwerpen vanuit de bagageruimte in de passagiersruimte
kunnen glijden - kans op letsel.
Let erop dat de rugleuningen goed vergrendeld zijn. Alleen dan kan de 3-
puntsgordel voor de middelste zitting goed zijn werk doen.
VOORZICHTIG
Let er bij het bedienen van de rugleuningen op dat de veiligheidsgordels niet
worden beschadigd. De veiligheidsgordels achterin mogen in geen geval door
de teruggeklapte rugleuning bekneld worden.
1)
Indien de voorstoelen te ver naar achteren staan, adviseren wij de hoofdsteunen achterin te verwijde-
ren, voordat de rugleuningen naar voren worden geklapt. De verwijderde hoofdsteunen zodanig opber-
gen dat ze niet kunnen worden beschadigd of vervuild.
71
Stoelen en hoofdsteunen
Vervoeren en praktische uitrusting
Praktische uitrusting
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Parkeertickethouder 72
Opbergvakken in de portieren 72
Opbergvakken in de middenconsole 73
Bekerhouders 73
Sigarettenaansteker 74
Asbak 74
12 volt stopcontact 75
Afvalbak 76
Multimediahouder 76
Opbergvak in de armleuning voorin 77
Brillenvak 77
Opbergvak aan bijrijderszijde 77
Kledinghaken 78
Opbergtassen aan de voorstoelen 78
Opbergnetten aan de rugleuningen van de voorstoelen 78
ATTENTIE
Niets op het dashboard leggen. Daarop neergelegde voorwerpen zouden
tijdens het rijden (bij accelereren of rijden in de bocht) kunnen verschuiven
of vallen en uw aandacht van de verkeerssituatie afleiden - gevaar voor on-
gevallen!
Let erop dat er tijdens het rijden geen voorwerpen vanuit de middencon-
sole of vanuit andere opbergvakken in de voetenruimte van de bestuurder
terecht kunnen komen. U zou dan niet in staat zijn om te remmen, het kop-
pelingspedaal in te trappen of gas te geven, er bestaat gevaar voor onge-
vallen!!
In de opbergvakken en in de bekerhouders mogen geen voorwerpen wor-
den neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij
plotseling remmen of bij een aanrijding.
As, sigaretten, sigaren e.d. mogen alleen in de asbak worden gelegd!
Parkeertickethouder
Afbeelding 58
Parkeertickethouder
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
De parkeertickethouder » Afbeelding 58 dient bijvoorbeeld voor het bevesti-
gen van het parkeerticket.
ATTENTIE
Voor het begin van de rit moet het ticket altijd worden verwijderd, zodat
het zicht van de bestuurder niet wordt gehinderd.
Opbergvakken in de portieren
Afbeelding 59 Opbergvak: In het voorportier / in het achterportier
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
Opbergvakken » Afbeelding 59
Opbergvak in de voorportieren
Flessenvak in de voorportieren
A
B
72
Bediening
Opbergvak in de achterportieren
Flessenvak in de achterportieren
ATTENTIE
Om de werking van de zij-airbags niet te beïnvloeden, mag gedeelte
A
» Afbeelding 59 van het opbergvak alleen worden gebruikt voor het op-
bergen van voorwerpen die niet uitsteken.
Let op
In gedeelte
B
van het opbergvak van de voorportieren kan een fles met een
inhoud van max. 1,5 l worden geplaatst.
In gedeelte
D
van het opbergvak van de achterportieren kan een fles met
een inhoud van max. 0,5 l worden geplaatst.
Opbergvakken in de middenconsole
Afbeelding 60 Niet-afsluitbaar vak voorin/achterin
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
Niet-afsluitbaar vak » Afbeelding 60
Voorin in de middenconsole
In de middenconsole achterin
C
D
A
B
Bekerhouders
Afbeelding 61 Bekerhouders voorin / achterin
Afbeelding 62
Bekerhouder in de armsteun
achterin
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
In de bekerhouders kunnen twee bekers worden geplaatst.
Plaats van de bekerhouders » Afbeelding 61 en » Afbeelding 62
Voorin in de middenconsole
In de middenconsole achterin
Achterin in de armleuning
A
B
C
73
Vervoeren en praktische uitrusting
ATTENTIE
Geen breekbare bekers (bijvoorbeeld glas, porselein) gebruiken. Bij een
ongeval kan dit tot letsel leiden.
Nooit hete bekers in de bekerhouders plaatsen. Als de wagen rijdt, kan
hete drank worden gemorst - gevaar voor brandwonden!
In de bekerhouders mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de
inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij
een aanrijding.
VOORZICHTIG
Tijdens het rijden geen open bekers in de bekerhouder laten staan. Drank kan
bijvoorbeeld bij het remmen worden gemorst en daarbij elektrische onderde-
len of de stoelbekleding beschadigen.
Sigarettenaansteker
Afbeelding 63
Sigarettenaansteker
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
De sigarettenaansteker bevindt zich in de middenconsole voor » Afbeelding
63.
Bediening
De knop van de sigarettenaansteker indrukken.
Wachten tot de knop terugspringt.
De sigarettenaansteker direct uitnemen en gebruiken.
De sigarettenaansteker weer in het stopcontact steken.
ATTENTIE
Wees voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker! Onjuist ge-
bruik kan tot brandwonden leiden.
De sigarettenaansteker werkt ook bij uitgeschakeld contact en als de
contactsleutel uit het contact is getrokken. Daarom bij het verlaten van de
wagen nooit personen, die niet volledig zelfstandig zijn, bijvoorbeeld kinde-
ren, zonder toezicht in de wagen achterlaten. Deze kunnen de aansteker
bedienen en zichzelf verbranden, brand veroorzaken of het interieur be-
schadigen.
Let op
De opening voor de sigarettenaansteker kan ook als 12 volt stopcontact voor
elektrische verbruikers worden gebruikt » pagina 75, 12 volt stopcontact.
Zie voor verdere aanwijzingen » pagina 125, Servicewerkzaamheden, aan-
passingen en technische wijzigingen.
Asbak
Afbeelding 64 Asbak: Voorin / achterin
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
De asbak kan worden gebruikt voor het neerleggen van as, sigaretten, sigaren
en dergelijke » .
Uitbouwen
De asbak » Afbeelding 64 naar boven toe eruit trekken.
Inbouwen
De asbak verticaal aanbrengen.
74
Bediening
ATTENTIE
Nooit brandbare voorwerpen in de asbak leggen - brandgevaar!
VOORZICHTIG
Bij het verwijderen de asbak niet aan het deksel vasthouden - kans op afbre-
ken.
12 volt stopcontact
Afbeelding 65
12 volt stopcontact
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
Het 12 volt stopcontact (hierna alleen als stopcontact benoemd) zit in de mid-
denconsole voorin » Afbeelding 65.
Gebruiken
De afdekking van het stopcontact resp. de sigarettenaansteker verwijderen.
De steker van de elektrische verbruiker in het stopcontact steken.
De stopcontacten en de daarop aangesloten apparaten kunnen ook worden
gebruikt als het contact is uitgeschakeld of als de sleutel uit het contact is ver-
wijderd »
.
ATTENTIE
Onjuist gebruik van de stopcontacten en de elektrische accessoires kan
brand, brandwonden en andere zware verwondingen tot gevolg hebben.
Daarom bij het verlaten van de wagen nooit personen, die niet volledig
zelfstandig zijn, bijvoorbeeld kinderen, zonder toezicht in de wagen achter-
laten.
Wanneer het aangesloten elektrische apparaat te warm wordt, het appa-
raat direct uitschakelen en de steker uit het stopcontact trekken.
VOORZICHTIG
Het stopcontact mag alleen voor de aansluiting van vrijgegeven elektrische
accessoires met een totale vermogensafname van maximaal 120 watt worden
gebruikt.
Nooit het maximum toegestane vermogen overschrijden, anders kan de elek-
trische installatie van de wagen beschadigd raken.
Bij stilstaande motor en ingeschakelde verbruikers wordt de accu ontladen!
Ter voorkoming van beschadiging van het stopcontact alleen passende ste-
kers gebruiken.
Alleen apparaten gebruiken, die conform de geldende richtlijnen betreffende
de elektromagnetische verdraagzaamheid getest zijn.
Om schade door spanningsschommelingen te voorkomen, moeten voor het
in- en uitschakelen van het contact en voor het starten van de motor de op de
stopcontacten aangesloten apparaten worden uitgeschakeld.
De handleiding van de aangesloten apparaten in acht nemen!
75
Vervoeren en praktische uitrusting
Afvalbak
Afbeelding 66 Afvalbak: Plaatsen en verschuiven / openen / zak vervan-
gen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
De afvalbak kan in de opbergvakken in de portieren worden aangebracht » pa-
gina 72.
Afvalbak aanbrengen
De afvalbak aan voorzijde aan de rand van het opbergvak aanbrengen.
De afvalbak aan achterzijde in pijlrichting
1
» Afbeelding 66 indrukken.
De afvalbak kan naar behoefte in pijlrichting
2
worden verschoven.
Afvalbak verwijderen
De afvalbak tegen de pijlrichting in
1
» Afbeelding 66 verwijderen.
Afvalbak openen/sluiten
De afvalbak in pijlrichting
3
» Afbeelding 66 openen.
Het sluiten gebeurt in omgekeerde volgorde.
Zak vervangen
De afvalbak uit het opbergvak verwijderen.
De beide blokkeringsnokken van het binnenframe in pijlrichting
4
» Afbeel-
ding 66 van de bak losdrukken.
De zak samen met het binnenframe in pijlrichting
5
naar beneden lostrek-
ken.
De zak van het binnenframe verwijderen.
De nieuwe zak door het frame trekken en in pijlrichting
6
over het frame
leggen.
De zak met het frame in pijlrichting
7
in de bak aanbrengen.
De beide blokkeringsnokken van het binnenframe moeten hoorbaar vergren-
delen.
ATTENTIE
De afvalbak nooit als asbak gebruiken - brandgevaar!
Let op
Wij adviseren zakken met de afmetingen 20x30 cm te gebruiken.
Multimediahouder
Afbeelding 67
Multimediahouder
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
De houder kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor het opbergen van een mobi-
ele telefoon, mp3-speler en dergelijke.
De multimediahouder bevindt zich in de middenconsole voorin » Afbeelding
67.
ATTENTIE
De multimediahouder nooit als asbak gebruiken - brandgevaar!
76
Bediening
Opbergvak in de armleuning voorin
Afbeelding 68 Opbergvak openen
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 72.
Openen
Op de knop
A
aan voorzijde van de armsteun drukken » Afbeelding 68.
Het deksel van het opbergvak in pijlrichting omhoogklappen.
Sluiten
Het deksel van het opbergvak tegen de pijlrichting terugklappen » Afbeel-
ding 68, tot het hoorbaar vastklikt.
Brillenvak
Afbeelding 69
Brillenvak openen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
Openen
Op het deksel van het brillenvak bij
A
» Afbeelding 69 drukken.
Het vak klapt in pijlrichting open.
Sluiten
Het deksel van het brillenvak tegen de pijlrichting zwenken » Afbeelding 69,
tot het hoorbaar vastklikt.
ATTENTIE
Het opbergvak mag alleen worden geopend voor het uitnemen of weg-
leggen van de bril en moet verder gesloten blijven!
Het geopende vak beperkt het zicht voor de bestuurder - gevaar voor on-
gevallen!
VOORZICHTIG
In het brillenvak geen warmtegevoelige voorwerpen leggen - deze kunnen
worden beschadigd.
De maximale toelaatbare belasting van de haak bedraagt 0,25 kg.
Opbergvak aan bijrijderszijde
Afbeelding 70 Opbergvak openen / luchttoevoer bedienen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
Openen
In pijlrichting aan de greep van de klep trekken » Afbeelding 70 -
en deze
openklappen.
Sluiten
Het deksel naar boven zwenken tot deze hoorbaar vastklikt.
Luchttoevoer in het opbergvak
Door het tot de aanslag linksom draaien van de draaiknop » Afbeelding 70 -
wordt de luchttoevoer geopend.
77
Vervoeren en praktische uitrusting
Door het tot de aanslag rechtsom draaien van de draaiknop wordt de lucht-
toevoer gesloten.
Als de luchttoevoer is geopend en de koelfunctie is uitgeschakeld, stroomt on-
gekoelde lucht in het opbergvak.
Als de luchttoevoer is geopend en de koelfunctie is ingeschakeld, stroomt ge-
koelde lucht in het opbergvak.
ATTENTIE
Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn ge-
sloten.
Let op
In het opbergvak aan bijrijderszijde kan een fles met een inhoud van max. 1 l
worden geplaatst.
Bij het openen gaat het lampje in het opbergvak branden
Als de koeling van het opbergvak niet wordt gebruikt, adviseren wij de lucht-
toevoer afgesloten te laten.
Kledinghaken
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
Op de middelste portierstijlen en aan de achterste grepen van de hemelbekle-
ding boven de achterportieren zitten kledinghaken.
ATTENTIE
Aan de kledinghaken alleen kleding met weinig gewicht ophangen. In de
zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen laten
zitten.
Geen kledinghangers voor het ophangen van de kleding gebruiken, omdat
dan de effectiviteit van de hoofdairbags wordt beïnvloed.
Let erop dat het zicht naar achteren niet wordt belemmerd door opge-
hangen kledingstukken.
VOORZICHTIG
De maximale toelaatbare belasting van de haken bedraagt 2 kg.
Opbergtassen aan de voorstoelen
Afbeelding 71
Opbergtassen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
De opbergtassen » Afbeelding 71 zijn bedoeld voor het opbergen van bijvoor-
beeld kaarten, tijdschriften en dergelijke.
ATTENTIE
In de opbergtassen geen zware voorwerpen leggen - gevaar voor verwon-
dingen!
VOORZICHTIG
In de opbergtassen geen grote voorwerpen leggen, zoals bijvoorbeeld flessen
of scherpe voorwerpen - gevaar voor beschadiging van de opbergtassen en de
stoelbekleding.
Opbergnetten aan de rugleuningen van de voorstoelen
Afbeelding 72
Opbergnet
Lees en bekijk eerst op bladzijde 72.
De opbergnetten zijn voor het opbergen van kleine en lichte voorwerpen,
zoals bijvoorbeeld mobiele telefoons en dergelijke.
78
Bediening
De opbergnetten zitten aan de binnenste zijkanten van de voorstoelleunin-
gen » Afbeelding 72.
ATTENTIE
De maximaal toelaatbare belasting van de bagagenetten niet overschrij-
den. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - gevaar voor
verwondingen!
VOORZICHTIG
De maximaal toelaatbare belasting van de bagagenetten bedraagt 150 g.
In de opbergnetten geen grote voorwerpen leggen, zoals bijvoorbeeld fles-
sen of scherpe voorwerpen - gevaar voor beschadiging van het opbergnet.
Bagageruimte
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bevestigingselementen 80
Bagagenetten 80
Haak 81
Bagageruimteafdekking 81
"Opbergstand" van de bagageruimteafdekking 82
Opbergvakken in de bagageruimte 82
Flexibel opbergvak 83
Bagagenetje 83
Dubbelzijdige bodembekleding 83
Voertuigen van de klasse N1 84
Voor het behouden van de goede rijeigenschappen van de wagen moet op het
volgende worden gelet:
De bagage zo gelijkmatig mogelijk verdelen.
Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren leggen
De bagagestukken aan de bevestigingsogen of met de bevestigingsnetten
bevestigen » pagina 80.
Bij een aanrijding of een ongeval kunnen ook kleine en lichte voorwerpen zo-
veel kinetische energie genereren dat zij zwaar lichamelijk letsel kunnen ver-
oorzaken.
De grootte van de kinetische energie is afhankelijk van de rijsnelheid en van
het gewicht van het voorwerp.
Voorbeeld: Een voorwerp met een gewicht van 4,5 kg krijgt bij een frontale
aanrijding met 50 km/h een energie die 20 keer zo groot is dan zijn eigen ge-
wicht. Dit betekent dat er een kracht van circa 90 kg "ontstaat".
Bagageruimteverlichting
De verlichting schakelt in als de achterklep wordt geopend.
De verlichting schakelt uit als de achterklep wordt gesloten.
Als de achterklep geopend en het contact uitgeschakeld is, gaat het lampje
automatisch na circa 10 minuten uit.
ATTENTIE
Voorwerpen in de bagageruimte opbergen en deze met de bevestigings-
ogen bevestigen.
Losse voorwerpen kunnen bij een plotselinge manoeuvre alsmede bij on-
gevallen door het interieur worden geslingerd en de inzittenden of andere
verkeersdeelnemers verwondingen toebrengen.
Losse voorwerpen kunnen een activerende airbag raken en de inzitten-
den verwonden - levensgevaar!
Houd er rekening mee dat bij het vervoeren van zware of grote voorwer-
pen de rij-eigenschappen veranderen door de verplaatsing van het zwaar-
tepunt - gevaar voor ongevallen! Snelheid en rijstijl moeten hierop worden
afgestemd.
Wordt bagage of worden voorwerpen met ongeschikte of beschadigde
spanbanden aan de bevestigingsogen vastgemaakt, dan kan bij remma-
noeuvres of ongevallen lichamelijk letsel ontstaan. Om te voorkomen dat
bagage in beweging kan komen, altijd geschikte spanbanden gebruiken die
aan de bevestigingsogen moeten worden bevestigd.
De lading moet zo goed vastgezet zijn, dat bij plotselinge rij- en remma-
noeuvres geen voorwerpen naar voren kunnen glijden - gevaar voor ver-
wondingen!
Bij het vervoeren van voorwerpen die vastgezet zijn in de vergrote baga-
geruimte, die ontstaat door het naar voren klappen van de achterbankleu-
ning, moet beslist worden gelet op het waarborgen van de veiligheid van
de persoon die op de resterende zitplaats achterin zit » pagina 9, Juiste zit-
houding van de passagiers op de zitplaatsen achterin.
79
Vervoeren en praktische uitrusting
ATTENTIE (vervolg)
Als de achterstoel naast de naar voren geklapte stoel bezet is, moet zo
goed mogelijk op het waarborgen van de veiligheid worden gelet, bijvoor-
beeld door de te vervoeren lading op een zodanige wijze te plaatsen, dat
het terugklappen van de stoel achterin bij een aanrijding van achteren
wordt voorkomen.
Nooit met een geopende achterklep rijden, omdat dan giftige uitlaatgas-
sen het interieur kunnen binnendringen - gevaar voor vergiftiging!
De toegestane asbelastingen en het maximaal toegestane gewicht van
de wagen niet overschrijden - gevaar voor ongevallen!
Geen personen in de bagageruimte vervoeren!
VOORZICHTIG
Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet worden
beschadigd door voorwerpen die er tegenaan schuren.
Let op
De bandenspanning moet aan de belading worden aangepast » pagina 151,
Levensduur van banden.
Bevestigingselementen
Afbeelding 73
Bevestigingselementen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
Bevestigingselementen » Afbeelding 73
Bevestigingsogen voor het vastzetten van bagage en bagagenetten
Bevestigingselementen en ogen alleen voor de bevestiging van bagage-
netten
Het voorste oog
B
bevindt zich achter de neerklapbare achterbankleu-
ning » Afbeelding 73.
A
B
VOORZICHTIG
De maximale toelaatbare statische belasting van de afzonderlijke bevesti-
gingsogen
A
bedraagt 3,5 kN (350 kg).
Bagagenetten
Afbeelding 74 Bevestigingsvoorbeelden voor netten
Afbeelding 75
Langstas bevestigen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
Bevestigingsvoorbeelden voor netten » Afbeelding 74
Dwarstas
Bodemnet
Langstas
ATTENTIE
De maximaal toelaatbare belasting van de bagagenetten niet overschrij-
den. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - gevaar voor
verwondingen!
A
B
C
80
Bediening
VOORZICHTIG
De maximale toelaatbare belasting van de bagagenetten bedraagt 1,5 kg.
In de netten geen voorwerpen met scherpe randen opbergen - gevaar voor
beschadiging van het net.
Haak
Afbeelding 76
Haak
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
De haak is bedoeld voor de bevestiging van kleine bagagestukken, bijvoor-
beeld tassen.
De haak zit aan beide zijden van de bagageruimte » Afbeelding 76.
VOORZICHTIG
De maximale toelaatbare belasting van de haak bedraagt 7,5 kg.
Bagageruimteafdekking
Afbeelding 77 Bagageruimteafdekking bevestigen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
Als grotere voorwerpen worden vervoerd, kan zo nodig de bagageruimteaf-
dekking worden uitgebouwd.
Uitbouwen
De ophangkoorden
A
» Afbeelding 77 aan de achterklep losmaken.
Aan de onderzijde van de afdekking bij de pennen
B
kloppen.
De afdekking verwijderen.
De uitgebouwde bagageruimteafdekking kan achter de achterbankleuning in
de zogenaamde "opbergstand" worden opgeborgen » pagina 82.
Inbouwen
De hoedenplank op de aanligvlakken van de zijbekleding leggen.
De steunen van de afdekking
C
» Afbeelding 77 moeten boven de pennen
B
van de zijbekleding staan.
Door licht te kloppen op de bovenzijde van de afdekking in het gedeelte tus-
sen de pennen de afdekking vergrendelen.
De ophangkoorden
A
aan de achterklep bevestigen.
ATTENTIE
Op de bagageruimteafdekking mogen geen voorwerpen worden gelegd.
Deze kunnen bij abrupt remmen of bij een aanrijding de inzittenden in ge-
vaar brengen.
VOORZICHTIG
De maximale toelaatbare belasting van de bagageruimteafdekking bedraagt
1 kg.
Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet door
op de bagageruimteafdekking neergelegde voorwerpen worden beschadigd.
Bij het sluiten van de achterklep kan de hoedenplank door verkeerd gebruik
kantelen met als gevolg beschadiging van de hoedenplank of de zijbekleding.
De volgende aanwijzingen moeten worden opgevolgd.
De steunen van de afdekking
C
» Afbeelding 77 moeten in de pennen van
de zijbekleding
B
vastgeklikt zijn.
De lading mag niet boven het niveau van de bagageruimteafdekking in de
onderste stand komen.
De hoedenplank mag in geopende stand niet door kanteling tegen het af-
dichtrubber van de achterklep drukken.
In de spleet tussen de geopende hoedenplank en de rugleuning van de
achterbank mag zich geen enkel voorwerp bevinden.
81
Vervoeren en praktische uitrusting
Let op
Als de ophangkoorden
A
» Afbeelding 77 aan de achterklep zijn bevestigd,
wordt bij het openen van de achterklep de bagageruimteafdekking mee opge-
tild.
De bagageruimteafdekking na het verwijderen zodanig opbergen dat deze
niet kan worden beschadigd of vervuild.
"Opbergstand" van de bagageruimteafdekking
Afbeelding 78
Opbergstand van de bagage-
ruimteafdekking
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
De bagageruimteafdekking kan achter de achterbankleuning worden opgebor-
gen.
Instellen
De uitgebouwde afdekking tussen de pennen
A
en het contactvlak
B
van
de zijbekleding schuiven » Afbeelding 78.
ATTENTIE
De bagageruimteafdekking mag zich bij het aanbrengen in de "opberg-
stand" niet tussen de pennen
A
en de achterbankleuning bevinden - ge-
vaar voor beschadiging van de rugleuningen en de bagageruimteafdekking.
VOORZICHTIG
Voordat de bagageruimteafdekking in de "opbergstand" wordt gezet, dient
de variabele bagageruimtevloer in de gewenste stand te worden gezet » pagi-
na 84.
Indien de bagageruimteafdekking zich in de "opbergstand" bevindt, kan de
variabele bagageruimtevloer niet in de "opbergstand" worden gezet » pagina
86.
Opbergvakken in de bagageruimte
Afbeelding 79 Bagageruimteafdekking links/rechts uitnemen
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 79.
De afdekkingen van de zijvakken kunnen worden verwijderd om daarmee de
bagageruimte te vergroten.
Verwijderen/aanbrengen
De afdekking aan de bovenzijde vastpakken en in pijlrichting verwijde-
ren » Afbeelding 79.
Het aanbrengen gebeurt in omgekeerde volgorde.
VOORZICHTIG
De opbergvakken zijn bedoeld om kleine voorwerpen tot een gewicht van 1,5
kg in te bewaren.
Bij het gebruik van het opbergvak erop letten dat het opbergvak resp. de ba-
gageruimtebekleding niet wordt beschadigd.
82
Bediening
Flexibel opbergvak
Afbeelding 80
Flexibel opbergvak
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
Het flexibele opbergvak kan aan de rechterzijde van de bagageruimte worden
aangebracht » Afbeelding 80.
Inbouwen
Beide einden van het opbergvak in de openingen in de rechter zijbekleding
van de bagageruimte aanbrengen.
Het opbergvak naar beneden schuiven om te vergrendelen.
Uitbouwen
Het opbergvak aan beide bovenhoeken vastpakken.
Het opbergvak verwijderen door dit naar boven en naar u toe te trekken.
VOORZICHTIG
Het flexibele opbergvak is bedoeld om kleine voorwerpen tot een gewicht van
8 kg in te bewaren.
Let op
Bij wagens met variabele bagageruimtebodem » pagina 84 kan het flexibele
opbergvak niet worden ingebouwd.
Bagagenetje
Afbeelding 81
Bagagenetje
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
Het bagagenetje bevindt zich aan rechterzijde van de bagageruimte » Afbeel-
ding 81.
VOORZICHTIG
Het bagagenetje is bedoeld voor het opbergen van kleine voorwerpen tot een
totaalgewicht van 1,5 kg.
Dubbelzijdige bodembekleding
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
In de bagageruimte kan een dubbelzijdige bodembekleding worden aange-
bracht.
Een zijde van de dubbelzijdige bodembekleding is van stof, de andere zijde is
afwasbaar (onderhoudsvriendelijker).
De afwasbare zijde kan worden gebruikt voor het vervoeren van natte of vuile
voorwerpen.
Let op
Voor het gemakkelijk omdraaien van de bekleding kan de op de bekleding aan-
gebrachte lus worden gebruikt.
83
Vervoeren en praktische uitrusting
Voertuigen van de klasse N1
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 79.
Bij voertuigen van de klasse N1 die niet van een veiligheidsrek voorzien zijn,
moet voor de bevestiging van de lading een vastsjorset worden gebruikt die
voldoet aan de norm EN 12195 (1 - 4).
Voor een veilig gebruik van de wagen is een perfecte werking van de elektri-
sche installatie absoluut noodzakelijk. Let erop dat dat deze bij de aanpassing
en bij het be- en ontladen van de laadruimte niet wordt beschadigd.
Variabele bagageruimtebodem
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
In de bovenste stand instellen
84
In de onderste stand instellen
85
Verwijderen/aanbrengen
85
Omhoogklappen/omlaagklappen
86
"Opbergstand"
86
De variabele bagageruimtevloer kan in de bovenste en onderste stand worden
ingesteld.
Voor een gemakkelijker hantering, bijvoorbeeld om bij het reservewiel te ko-
men, kan de variabele bagageruimtevloer in twee standen worden gezet » pa-
gina 86, Omhoogklappen/omlaagklappen resp. » pagina 86, "Opberg-
stand".
VOORZICHTIG
De maximaal toelaatbare belasting van de variabele bagageruimtebodem be-
draagt 75 kg. Voor het transport van zware voorwerpen moet de variabele ba-
gageruimtevloer in de onderste stand worden gezet of uit de wagen worden
verwijderd.
In de bovenste stand instellen
Afbeelding 82 Variabele bagageruimtevloer in bovenste stand instellen
Afbeelding 83 Variabele bagageruimtevloer in bovenste stand instellen /
variabele bagageruimtevloer in bovenste stand
Lees en bekijk eerst op bladzijde 84.
De variabele bagageruimtevloer in de onderste stand kan als volgt in de bo-
venste stand worden ingesteld.
De variabele bagageruimtevloer bij greep
A
» Afbeelding 82 vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
1
optillen en gedeeltelijk naar
achteren in pijlrichting
2
verschuiven.
De variabele bagageruimtevloer aan voorzijde optillen, op de rand
C
leggen
en in pijlrichting
3
tot de aanslag in de steunen
B
schuiven.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
4
» Afbeelding 83 -
aan-
brengen.
84
Bediening
VOORZICHTIG
Bij het instellen van de variabele bagageruimtevloer in de bovenste stand mag
de bagageruimteafdekking zich niet in de "opbergstand" bevinden » pagina 82.
Let op
Onder de variabele bagageruimtevloer in de bovenste stand » Afbeelding 83 -
ontstaat een ruimte voor het opbergen van voorwerpen.
In de onderste stand instellen
Afbeelding 84
Variabele bagageruimtevloer in de onderste stand instel-
len
Afbeelding 85 Variabele bagageruimtevloer in de onderste stand instel-
len / variabele bagageruimtevloer in de onderste stand
Lees en bekijk eerst op bladzijde 84.
De variabele bagageruimtevloer in de bovenste stand kan als volgt in de on-
derste stand worden ingesteld.
De variabele bagageruimtevloer bij greep
A
» Afbeelding 84 vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
1
optillen en gedeeltelijk in
pijlrichting
2
verschuiven tot deze loskomt van de steunen
B
.
De variabele bagageruimtevloer onder een hoek met de voorzijde op de bo-
dem van de bagageruimte leggen.
De variabele bagageruimtevloer tot de aanslag in pijlrichting
3
schuiven tot
de voorzijde
C
» Afbeelding 85 opgetild is.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
4
aanbrengen.
VOORZICHTIG
Bij het instellen van de variabele bagageruimtevloer in de onderste stand mag
de bagageruimteafdekking zich niet in de "opbergstand" bevinden » pagina 82.
Verwijderen/aanbrengen
Afbeelding 86
Variabele bagageruimtevloer
verwijderen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 84.
Verwijderen
De variabele bagageruimtevloer bij greep
A
» Afbeelding 86 vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
1
optillen, zodat het achter-
ste gedeelte zich circa 15 cm
B
onder de bagageruimteafdekking be-
vindt » .
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
2
uit de wagen verwijderen.
Aanbrengen
De variabele bagageruimtevloer bij greep
A
» Afbeelding 86 vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer onder een hoek met de voorzijde circa 15 cm
B
onder de bagageruimteafdekking in de wagen aanbrengen » .
Vervolgens op dezelfde wijze zoals bij het instellen van de bovenste
stand » pagina 84, In de bovenste stand instellen resp. de onderste
stand » pagina 85, In de onderste stand instellen te werk gaan.
85
Vervoeren en praktische uitrusting
VOORZICHTIG
Bij het verwijderen resp. aanbrengen van de variabele bagageruimtevloer
dient een maximale afstand van 15 cm
B
» Afbeelding 86 onder de bagage-
ruimteafdekking te worden aangehouden - gevaar voor beschadiging van de
achterklepafdichting.
Bij het aanbrengen van de variabele bagageruimtevloer in de wagen mag de
bagageruimteafdekking zich niet in de "opbergstand" bevinden » pagina 82.
Let op
De variabele bagageruimtevloer na het verwijderen zodanig opbergen dat de-
ze niet kan worden beschadigd of vervuild.
Omhoogklappen/omlaagklappen
Afbeelding 87
Variabele bagageruimtevloer omhoogklappen / omlaag-
klappen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 84.
De variabele bagageruimtevloer kan in de beide standen (bovenste en onder-
ste) worden omhooggeklapt.
Omhoogklappen
De variabele bagageruimtevloer bij greep
A
» Afbeelding 87 vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
1
optillen, zodat de omklap-
bare hoeken
B
bij
C
vergrendelen.
Omlaagklappen
De variabele bagageruimtevloer in het midden of bij greep
A
» Afbeelding
87 vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer door trekken in pijlrichting
2
ontgrendelen.
"Opbergstand"
Afbeelding 88 Opbergstand instellen / vanuit de opbergstand omlaag-
klappen
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 84.
De variabele bagageruimtevloer kan alleen in de "opbergstand" worden gezet,
indien deze zich in de onderste stand bevindt » pagina 85 en de bagageruim-
teafdekking is verwijderd » pagina 81.
Omhoogklappen
De bagageruimteafdekking uit de wagen verwijderen » pagina 81.
De variabele bagageruimtevloer bij greep
A
» Afbeelding 88 vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
1
optillen, zodat de omklap-
bare hoeken
B
bij
C
vergrendelen.
Omlaagklappen
Op de omklapbare hoeken
B
» Afbeelding 88 aan de beide zijden van de va-
riabele bagageruimtevloer in pijlrichting
2
drukken en deze van de posities
C
verwijderen.
De variabele bagageruimtevloer in het midden of bij greep
A
vastpakken.
De variabele bagageruimtevloer in pijlrichting
3
omlaagklappen.
ATTENTIE
De variabele bagageruimtevloer in de "opbergstand" beperkt het zicht naar
achteren van de bestuurder.
86
Bediening
VOORZICHTIG
De variabele bagageruimtevloer kan alleen in de "opbergstand" worden ge-
zet, indien deze zich in de onderste stand bevindt
Indien de variabele bagageruimtevloer zich in de "opbergstand" bevindt, kan
de bagageruimteafdekking niet in de "opbergstand" worden gezet » pagina
82.
Dakdragersysteem
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bevestigingspunten voor basisdragers 87
Daklast
87
ATTENTIE
De lading op het dak moet goed worden bevestigd - gevaar voor ongeval-
len!
De lading altijd correct met geschikte en onbeschadigde sjor- of spanban-
den vastzetten.
De lading gelijkmatig op het dakdragersysteem verdelen.
Bij het vervoeren van zware resp. grote voorwerpen op het dakdragersys-
teem kunnen de rijeigenschappen door de verplaatsing van het zwaarte-
punt veranderen. Uw rijstijl en snelheid daarom aan de omstandigheden
aanpassen.
Abrupte of plotselinge rij- en remmanoeuvres vermijden.
De toegestane dakbelasting, de toegestane asbelastingen en het maxi-
maal toelaatbare gewicht van uw wagen mogen in geen geval worden
overschreden – gevaar voor ongevallen!
VOORZICHTIG
Alleen dakdragers uit het originele ŠKODA-accessoiresprogramma gebruiken.
De bijgeleverde montagehandleiding van het dakdragersysteem beslist in
acht nemen.
Bij wagens met elektrisch schuif-kanteldak moet erop worden gelet dat het
geopende schuif-kanteldak niet tegen de daklading aankomt.
Let erop dat de geopende achterklep niet tegen de lading op het dak stoot.
De hoogte van uw wagen verandert door de montage van een dakdragersys-
teem en de daarop bevestigde lading. Vergelijk de hoogte van de wagen met
de aanwezige doorrijhoogtes, bijvoorbeeld van tunnels en garagedeuren.
Het dakdragersysteem vóór het rijden door een wasstraat verwijderen.
Let erop dat de dakantenne niet door de bevestigde lading wordt beïnvloed.
Milieu-aanwijzing
Door de hogere luchtweerstand neemt het brandstofverbruik toe.
Bevestigingspunten voor basisdragers
Afbeelding 89 Bevestigingspunten achterin/voorin
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 87.
Inbouwplaats van de bevestigingspunten voor basisdragers » Afbeelding 89
Bevestigingspunten achter
Bevestigingspunten voor
De montage en demontage uitvoeren aan de hand van de bijgeleverde hand-
leiding.
VOORZICHTIG
De aanwijzingen met betrekking tot de montage en demontage in de bijgele-
verde handleiding opvolgen.
Daklast
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 87.
De toegestane daklast, inclusief het dakdragersysteem, van 75 kg en het
maximaal toegestane gewicht van de wagen mogen niet worden overschre-
den.
A
B
87
Vervoeren en praktische uitrusting
Bij het gebruik van dakdragersystemen met een geringer draagvermogen kan
de toelaatbare dakbelasting niet worden benut. In deze gevallen mag de dak-
drager slechts worden belast tot de maximale gewichtsgrens die in de monta-
gehandleiding is aangegeven.
Verwarming en airconditioning
Verwarming, ventilatie, koeling
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Luchtroosters 89
Circulatiefunctie 90
Verwarming 90
Airconditioning (handmatige airconditioning) 91
Climatronic (automatische airconditioning) 91
Economische omgang met de koelfunctie 93
Functiestoringen 93
De verwarming en de airconditioning ventileren en verwarmen het interieur.
De airconditioning koelt en droogt het interieur.
Het verwarmingsvermogen is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, het
volledige verwarmingsvermogen wordt daarom pas bij bedrijfswarme motor
bereikt.
De koelfunctie werkt alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.
De koelfunctie is ingeschakeld.
De motor draait.
De buitentemperatuur is hoger dan circa +2 °C.
De aanjager is ingeschakeld.
Bij ingeschakelde koelfunctie worden de temperatuur en de luchtvochtigheid
in het interieur van de wagen verlaagd. In het koude jaargetijde wordt door het
inschakelen van de koelfunctie het beslaan van de ruiten voorkomen.
Om de koelwerking te verhogen, kan kortstondig de circulatiefunctie worden
ingeschakeld » pagina 90.
ATTENTIE
Voor de verkeersveiligheid is het belangrijk dat alle ruiten vrij zijn van ijs,
sneeuw en condens.
Om het beslaan van de ruiten te voorkomen, moet de aanjager steeds in-
geschakeld zijn.
88
Bediening
ATTENTIE (vervolg)
Uit de luchtroosters kan bij ingeschakelde koelfunctie onder bepaalde
omstandigheden lucht met een temperatuur van circa 5 °C stromen.
Om gezondheidsrisico's (bijvoorbeeld verkoudheid) te verminderen, de
volgende aanwijzingen voor het gebruik van de koelfunctie in acht nemen.
Het verschil tussen de temperatuur in het interieur en de buitenlucht-
temperatuur mag niet groter dan circa 5 °C zijn.
De koelfunctie moet circa 10 minuten voor het einde van de rit worden
uitgeschakeld.
Een keer per jaar moet de airconditioning resp. de Climatronic door een
erkend reparateur worden gedesinfecteerd.
VOORZICHTIG
De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van bijvoorbeeld ijs, sneeuw en bla-
deren zijn, zodat verwarming en koeling optimaal kunnen functioneren.
Na het inschakelen van de koelfunctie kan condenswater van de verdamper
van de airconditioning lekken en onder de wagen een waterplas vormen. Dit
betekent niet dat er een lekkage aanwezig is!
Bij een te hoge koelvloeistoftemperatuur wordt de koelfunctie uitgeschakeld
om de motorkoeling te kunnen garanderen.
Let op
De verbruikte lucht wordt via de ontluchtingsopeningen in de bagageruimte
afgevoerd.
Luchtroosters
Afbeelding 90 Luchtroosters
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 88.
Afhankelijk van de stand van de regelaar en de klimatologische omstandighe-
den stroomt uit de geopende luchtroosters verwarmde of niet warmde verse
resp. gekoelde lucht.
Bij de luchtroosters 3 en 4 » Afbeelding 90 kan de richting van de luchtstroom
worden gewijzigd en kunnen de luchtroosters ook afzonderlijk worden geslo-
ten en geopend.
Luchtuitstroomrichting wijzigen
De horizontale lamellen met behulp van het verschuifbare verstelelement
A
» Afbeelding 90 naar boven of naar beneden draaien om de hoogte van
de luchtstroming te veranderen.
De verticale lamellen met behulp van het verschuifbare verstelelement
A
naar links of rechts draaien om de zijdelingse richting van de luchtstroming in
te stellen.
Openen/sluiten
De regelaar
B
» Afbeelding 90 omhoog- of omlaagdraaien.
89
Verwarming en airconditioning
Een overzicht van de instelmogelijkheden voor de richting van de lucht-
stroom.
Luchtuitstroomrichting instel-
len
Actieve luchtroosters
1, 2, 4
1, 2, 4, 5
4, 5
3, 4
Let op
De luchtroosters niet met voorwerpen afdekken.
Circulatiefunctie
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 88.
In de circulatiefunctie wordt voorkomen dat bijvoorbeeld buitenlucht met ster-
ke geuren in het interieur kan komen, bijvoorbeeld bij het rijden door tunnels
of in files.
In de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en weer in
het interieur geleid.
Verwarming en airconditioning (handmatige airconditioning)
Om de circulatiefunctie in resp. uit te schakelen, de symbooltoets
indruk-
ken.
De circulatiefunctie wordt automatisch uitgeschakeld als de luchtverdeelrege-
laar
C
in de stand
» Afbeelding 91 op pagina 90 resp. » Afbeelding 92 op
pagina 91 wordt gedraaid.
Door opnieuw op toets
te drukken, kan ook in deze stand de circulatiefunc-
tie weer worden ingeschakeld.
Climatronic (automatische airconditioning)
Om in te schakelen de symbooltoets
indrukken. Op het display wordt het
symbool
(Pos.
7
» Afbeelding 93 op pagina 91) weergegeven.
Om uit te schakelen de symbooltoets
opnieuw indrukken. Het symbool
op het display gaat uit.
ATTENTIE
De circulatiefunctie nooit langdurig ingeschakeld laten, want in dat geval
wordt geen buitenlucht toegevoerd. De "verbruikte" lucht kan vermoei-
dheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers veroorzaken,
waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het
gevaar voor ongevallen neem toe. De circulatiefunctie uitschakelen, zodra
de ruiten beslaan.
VOORZICHTIG
We adviseren om bij ingeschakelde circulatiefunctie niet in de wagen te roken.
De uit het interieur aangezogen rook slaat neer op de verdamper van de air-
conditioning. Dit zorgt tijdens het gebruik van de airconditioning voor een blij-
vende stankoverlast die alleen met veel moeite en hoge kosten (vervanging
van de verdamper) kan worden opgelost.
Let op
Indien de circulatiefunctie ca. 15 minuten is ingeschakeld, begint op het display
van de Climatronic het symbool te knipperen als aanwijzing dat de circula-
tiefunctie langdurig ingeschakeld is. Indien de circulatiefunctie niet wordt uit-
geschakeld, knippert het symbool ca. 5 minuten.
Verwarming
Afbeelding 91 Verwarmingsbedieningselementen
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 88.
Afzonderlijke functies kunnen door het draaien van de draaiknop of indrukken
van de betreffende toets worden ingesteld resp. ingeschakeld. Bij ingescha-
kelde functie brandt in de toets het controlelampje.
90
Bediening
Functies van de afzonderlijke bedieningselementen » Afbeelding 91
Temperatuur instellen
Temperatuur verlagen
Temperatuur verhogen
aanjagerstand instellen (stand 0: aanjager uit, stand 4: het hoogste aanja-
gertoerental)
Luchtuitstroomrichting instellen » pagina 89
Luchtstroom naar de ruiten
Luchtstroom naar het bovenlichaam
Luchtstroom naar de voetenruimte
Luchtstroom naar de ruiten en naar de voetenruimte
Circulatiefunctie in-/uitschakelen » pagina 90
Airconditioning (handmatige airconditioning)
Afbeelding 92 Bedieningselementen van de airconditioning
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 88.
Afzonderlijke functies kunnen door het draaien van de draaiknop of indrukken
van de betreffende toets worden ingesteld resp. ingeschakeld. Bij ingescha-
kelde functie brandt in de toets het controlelampje.
Functies van de afzonderlijke bedieningselementen » Afbeelding 92
Temperatuur instellen
Temperatuur verlagen
Temperatuur verhogen
aanjagerstand instellen (stand 0: aanjager uit, stand 4: het hoogste aanja-
gertoerental)
A
B
C
A
B
Luchtuitstroomrichting instellen » pagina 89
Luchtstroom naar de ruiten
Luchtstroom naar het bovenlichaam
Luchtstroom naar de voetenruimte
Luchtstroom naar de ruiten en naar de voetenruimte
Circulatiefunctie in-/uitschakelen » pagina 90
Koelfunctie in-/uitschakelen
Let op
Het controlelampje in de toets  brandt na het inschakelen, ook als niet aan
alle voorwaarden voor de werking van de koelfunctie wordt voldaan. Door het
branden van het controlelampje in de toets wordt aangegeven dat de koeling
gereed is.
Tijdens het werken van de airconditioning kan onder omstandigheden het
stationair toerental hoger worden, om een voldoende warmtecomfort te ga-
randeren.
Climatronic (automatische airconditioning)
Afbeelding 93 Bedieningselementen van de Climatronic
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 88.
De Climatronic in de automatische regeling zorgt voor de optimale instelling
van de temperatuur van de uitstromende lucht, de aanjagerstand en de lucht-
verdeling.
Het systeem houdt ook met sterke zonnestralen rekening, zodat het niet no-
dig is het systeem met de hand bij te stellen.
Afzonderlijke functies kunnen door het draaien van de draaiknop of indrukken
van de betreffende toets worden ingesteld resp. ingeschakeld. Bij ingescha-
kelde functie verschijnt op het display het betreffende symbool.
C

91
Verwarming en airconditioning
Functies van de afzonderlijke bedieningselementen en displayweerga-
ven » Afbeelding 93
Temperatuur instellen
Temperatuur verlagen
Temperatuur verhogen
Gekozen temperatuur
Graden Celsius resp. Fahrenheit
Automatische werking van de airconditioning
Intensieve voorruitontwaseming ingeschakeld
Luchtstroomrichting
Circulatiefunctie ingeschakeld
Koelfunctie ingeschakeld
Ingesteld aanjagertoerental
Ventilatortoerental instellen (naar links draaien: Ventilatortoerental verla-
gen, naar rechts draaien: Ventilatortoerental verhogen)
Interieurtemperatuursensor
Automatische regeling inschakelen
Intensieve voorruitontwaseming in-/uitschakelen (bij ingeschakelde
functie brandt in de toets het controlelampje)
Luchtstroom naar de ruiten
Luchtstroom naar het bovenlichaam
Luchtstroom naar de voetenruimte
Circulatiefunctie in-/uitschakelen » pagina 90
Koelfunctie in-/uitschakelen
Na het uitschakelen van de koelfunctie blijft alleen de ventilatiefunctie actief,
waardoor geen lagere temperatuur dan de buitentemperatuur kan worden be-
reikt.
Temperatuur instellen
De ingestelde temperatuurwaarde wordt op het display (Pos.
2
» Afbeelding
93) weergegeven.
Om tussen graden Celsius en graden Fahrenheit om te schakelen, de toetsen

en

tegelijkertijd indrukken en vasthouden.
Op het display verschijnen de gegevens in de gewenste temperatuureenheid
(Pos.
3
» Afbeelding 93).
De temperatuur in het interieur kan tussen +18 °C en +29 °C worden ingesteld.
In dit gebied wordt de interieurtemperatuur automatisch geregeld.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11


Indien u een lagere temperatuur dan +18 °C (64 °F) kiest, verschijnt op het dis-
play "LO".
Indien u een hogere temperatuur dan +29 °C (86 °F) kiest, verschijnt op het
display "HI".
In beide eindstanden werkt de Climatronic met het maximale koelings- resp.
verwarmingsvermogen en de temperatuur wordt niet automatisch geregeld.
Aanjager regelen
De Climatronic regelt de aanjagerstanden automatisch afhankelijk van de inte-
rieurtemperatuur. De aanjagerstanden kunnen echter handmatig aan de per-
soonlijke wensen worden aangepast.
Als het aanjagertoerental tot een minimum is gedaald, dan wordt de Climatro-
nic uitgeschakeld.
Het ingestelde aanjagertoerental wordt door het aantal segmenten (
9
» Af-
beelding 93) op het display weergegeven.
Automatische regeling
De automatische regeling dient ertoe de temperatuur constant te houden en
de ruiten in het interieur te ontvochtigen.
Om in te schakelen de toets

indrukken. Op het display wordt

(Pos.
4
» Afbeelding 93) weergegeven.
De automatische regeling kan worden uitgeschakeld door een willekeurige
toets voor de luchtverdeling in te drukken of het aanjagertoerental te verho-
gen of verlagen. De temperatuur wordt nog steeds geregeld.
ATTENTIE
De Climatronic niet langer uitschakelen dan noodzakelijk.
De Climatronic direct inschakelen, zodra de ruiten beslaan.
Let op
De interieurtemperatuursensor
11
» Afbeelding 93 niet afplakken of afdek-
ken, omdat anders de werking van de Climatronic ongunstig wordt beïnvloed.
Tijdens het werken van de Climatronic kan onder omstandigheden het stati-
onair toerental hoger worden, om een voldoende warmtecomfort te garande-
ren.
Als de voorruit beslaat, op symbooltoets
drukken. Nadat de voorruit
ontwasemd is, op toets

drukken.
92
Bediening
Economische omgang met de koelfunctie
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 88.
Bij gebruik van de koelfunctie verbruikt de aircocompressor motorvermogen
en beïnvloedt hiermee het brandstofverbruik.
Indien het interieur van de geparkeerde wagen door zonnestraling sterk is op-
gewarmd, verdient het aanbeveling de ruiten of portieren kort te openen, zo-
dat de warme lucht kan ontsnappen.
Als de ruiten geopend zijn, mag de koeling niet ingeschakeld zijn.
Milieu-aanwijzing
Door brandstof te besparen, wordt de uitstoot van schadelijke stoffen ver-
laagd » pagina 110.
Functiestoringen
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 88.
Indien de koeling bij buitentemperaturen van meer dan +5 °C niet functioneert,
is er sprake van een storing. Dit kan de volgende oorzaken hebben:
Een van de zekeringen is doorgebrand. De zekering controleren, zo nodig
vervangen » pagina 172.
De koeling is automatisch tijdelijk uitgeschakeld, omdat de koelvloeistoftem-
peratuur van de motor te hoog is » pagina 29.
Als de storing niet zelf kan worden verholpen of de koelcapaciteit afneemt,
moet het koelsysteem worden uitgeschakeld en de hulp van een erkend repa-
rateur worden ingeroepen.
Communicatie en multimedia
Universele telefoonvoorbereiding GSM II
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Inleidende informatie 94
Intern telefoonboek 94
Telefoon op het multifunctiestuurwiel bedienen 95
Symbolen op het display 96
Mobiele telefoon verbinden met de handsfreeset 96
Telefoonbediening op het MAXI DOT-display 97
ŠKODA geeft het gebruik vrij voor mobiele telefoons en communicatiesyste-
men met een vakkundig geïnstalleerde buitenantenne en een maximaal zend-
vermogen tot 10 watt.
Voor meer informatie over het inbouwen van mobiele telefoons en communi-
catiesystemen met een zendvermogen van meer dan 10 watt dient u een
ŠKODA Partner te raadplegen.
Bij het gebruik van mobiele telefoons of communicatiesystemen kunnen sto-
ringen in de werking van de elektronica van uw wagen optreden.
Dit kan worden veroorzaakt door:
het ontbreken van een buitenantenne,
een onjuist geïnstalleerde buitenantenne,
zendvermogen van meer dan 10 watt.
ATTENTIE
Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volle-
dige verantwoordelijkheid voor de besturing van de wagen.
De nationale wettelijke voorschriften voor het gebruik van mobiele tele-
foons in de wagen in acht nemen.
Het gebruik van mobiele telefoons of communicatiesystemen in de wa-
gen zonder buitenantenne resp. een verkeerd gemonteerde buitenantenne
kan tot een toename van de sterkte van het elektromagnetische veld in
het interieur van de wagen leiden.
93
Communicatie en multimedia
ATTENTIE (vervolg)
Communicatiesystemen, mobiele telefoons resp. houders daarvan mogen
niet bij de afdekkingen van de airbags of nabij het werkingsgebied van de
airbags gemonteerd worden.
Een mobiele telefoon nooit op een stoel, het dashboard of op een andere
plek laten liggen van waaruit de telefoon bij een plotselinge remmanoeuv-
re, een ongeval of een aanrijding kan worden weggeslingerd.
Bij luchtvervoer moet de Bluetooth
®
-functie door een erkend reparateur
worden uitgeschakeld.
Let op
Wij raden aan om het inbouwen van mobiele telefoons en communicatiesys-
temen in een wagen alleen door een erkend reparateur te laten uitvoeren.
Niet alle Bluetooth
®
mobiele telefoons zijn compatibel met de universele te-
lefoonvoorbereiding GSM II. Een ŠKODA Partner kan u vertellen of uw telefoon
compatibel is met een universele telefoonvoorbereiding GSM II.
Het bereik van de Bluetooth
®
-verbinding met de handsfreeset is beperkt tot
het interieur van de wagen. Het bereik is afhankelijk van de plaatselijke om-
standigheden, bijvoorbeeld obstakels tussen de apparaten en onderlinge sto-
ringen met andere apparaten. Als de mobiele telefoon zich bijvoorbeeld in een
jaszak bevindt, kan dit voor problemen zorgen bij het tot stand brengen van de
verbinding met de handsfreeset of de gegevensoverdracht bemoeilijken.
Inleidende informatie
Lees en bekijk eerst op bladzijde 93.
De universele telefoonvoorbereiding GSM II (handsfreeset) biedt de mogelijk-
heid tot comfortbediening voor de mobiele telefoon door middel van spraakbe-
diening, via het multifunctiestuurwiel, de radio of het navigatiesysteem.
De universele telefoonvoorbereiding GSM II omvat de volgende functies.
Intern telefoonboek » pagina 94.
Comfortbediening van de telefoon via het multifunctiestuurwiel » pagina
95.
Telefoonbediening op het MAXI DOT-display » pagina 97.
Spraakbediening van de telefoon » pagina 98.
Muziekweergave van de telefoon of andere multimedia-apparaten » pagina
99.
Alle communicatie tussen de mobiele telefoon en de handsfreeset van uw wa-
gen verloopt via Bluetooth
®
-technologie.
Intern telefoonboek
Lees en bekijk eerst op bladzijde 93.
Onderdeel van de handsfreeset is een intern telefoonboek. Het gebruik van dit
interne telefoonboek is afhankelijk van het type mobiele telefoon.
Nadat de telefoon de eerste keer is verbonden, begint het systeem het tele-
foonboek uit de telefoon en op de simkaart in het geheugen van het regelap-
paraat te laden.
Bij elke verdere verbinding van de telefoon met de handsfreeset wordt het be-
treffende telefoonboek dan alleen geüpdatet. Het updaten kan enkele minu-
ten duren. Gedurende deze tijd is het telefoonboek beschikbaar dat bij de
laatst voltooide update is opgeslagen. Nieuw opgeslagen telefoonnummers
worden pas na beëindiging van de update aangegeven.
Als tijdens het updaten zich een telefonisch contact aanmeldt (bijvoorbeeld
binnenkomend of uitgaand gesprek, dialoog van de spraakbediening), wordt
het updaten onderbroken. Na beëindiging van het telefonische contact begint
de update opnieuw.
In het interne telefoonboek zijn 2500 vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Elk
contact kan maximaal 4 nummers bevatten.
Indien meer dan 2500 contacten zijn opgeslagen, is het telefoonboek niet vol-
ledig.
94
Bediening
Telefoon op het multifunctiestuurwiel bedienen
Afbeelding 94
Multifunctiestuurwiel: Bedieningstoetsen voor de telefoon
Lees en bekijk eerst op bladzijde 93.
Om de bestuurder bij het bedienen van de telefoon zo weinig mogelijk van het
verkeer af te leiden, zijn op het stuurwiel toetsen aangebracht voor de een-
voudige bediening van de basisfuncties van de telefoon » Afbeelding 94.
Dit geldt echter alleen als uw wagen af fabriek met de universele telefoon-
voorbereiding is uitgerust.
De toetsen bedienen de functies voor de bedrijfsfunctie waarin de telefoon
zich op dat moment bevindt.
Als het stadslicht ingeschakeld is, zijn ook de toetsen van het multifunctie-
stuurwiel verlicht.
Toets/kartel-
wiel » Afbeelding
94
Handeling Functie
1
Kort indrukken Geluidsonderdrukking (MUTE )
1
Naar boven draaien Volume verhogen
1
Naar beneden draaien Volume verlagen
2
Kort indrukken
Gesprek aannemen, gesprek beëindigen
Weergave van het basismenu Telefoon
a)
Hoofdmenu van de telefoon Lijst van gekozen nummers Ge-
kozen contact bellen
2
Lang indrukken Binnenkomende oproep weigeren
3
Naar boven/beneden draaien Vorig/volgend menupunt
3
Kort indrukken Gekozen menupunt bevestigen
3
Lang indrukken Beginletters van het telefoonboek doorlopend weergeven
3
Snel draaien naar boven Naar de vorige beginletter in het telefoonboek
3
Snel draaien naar beneden Naar de volgende beginletter in het telefoonboek
4
Kort indrukken In het menu naar een niveau hoger terugkeren
4
Lang indrukken Het menu Telefoon verlaten
a)
Het symbool betekent dat hierna op de volgende toets dient te worden gedrukt.
95
Communicatie en multimedia
Symbolen op het display
Lees en bekijk eerst op bladzijde 93.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven.
Symbool Betekenis
Ladingstoestand van de telefoonaccu
a)
Signaalsterkte
a)
Een telefoon is verbonden met de handsfreeset.
De handsfreeset is zichtbaar voor andere apparaten.
Een multimedia-apparaat is verbonden met de handsfree-
set.
a)
Deze functie wordt slechts door enkele mobiele telefoons ondersteund.
Mobiele telefoon verbinden met de handsfreeset
Lees en bekijk eerst op bladzijde 93.
Om een mobiele telefoon met de handsfreeset te kunnen verbinden, moeten
de beide apparaten met elkaar worden gekoppeld. Meer informatie hierover
vindt u in het instructieboekje van uw mobiele telefoon.
Voor de koppeling moeten de volgende stappen worden uitgevoerd
1)
.
In uw mobiele telefoon de Bluetooth
®
-functie en de zichtbaarheid van de
mobiele telefoon activeren.
Het contact inschakelen.
Op het MAXI DOT-display het menu Telefoon - Nwe. gebruiker selecteren en
wachten tot de handsfreeset het zoeken heeft beëindigd.
In het menu van de gevonden apparaten de te verbinden mobiele telefoon
selecteren.
De pincode bevestigen
2)
.
Als de handsfreeset zich op het display van de mobiele telefoon (standaard
met SKODA_BT) meldt, binnen 30 seconden de PIN
2)
invoeren en wachten tot
de koppeling voltooid is
3)
.
Voor het beëindigen van de koppeling op het MAXI DOT-display het aanma-
ken van het nieuwe gebruikersprofiel bevestigen.
Als geen vrije plaats meer beschikbaar is voor het aanmaken van het nieuwe
gebruikersprofiel, een bestaand gebruikersprofiel wissen.
Tijdens de koppelingsprocedure mag geen andere mobiele telefoon met de
handsfreeset verbonden zijn.
Er kunnen maximaal vier mobiele telefoons met de handsfreeset worden ge-
koppeld, waarbij slechts één mobiele telefoon met de handsfreeset kan com-
municeren.
De zichtbaarheid van de handsfreeset wordt 3 minuten na het inschakelen van
het contact automatisch uitgeschakeld en tevens uitgeschakeld, wanneer de
mobiele telefoon met de handsfreeset is verbonden.
Handsfreeset opnieuw zichtbaar maken
Als het niet lukt om binnen 3 minuten na het inschakelen van het contact uw
mobiele telefoon met de handsfreeset te koppelen, kan de handsfreeset ge-
durende 3 minuten op de volgende manier opnieuw zichtbaar worden ge-
maakt.
Door het uit- en inschakelen van het contact.
Door het in- en uitschakelen van de spraakbediening.
Op het MAXI DOT-display in het menupunt Bluetooth - Zichtbaarheid.
Verbinding met een reeds gekoppelde mobiele telefoon tot stand brengen
Na het inschakelen van het contact wordt de verbinding bij een reeds gekop-
pelde mobiele telefoon automatisch tot stand gebracht
3)
. U kunt op uw mobie-
le telefoon controleren of de automatische verbinding tot stand is gebracht.
1)
Bij wagens met het navigatiesysteem Amundsen+ is deze functie via het menu van het navigatiesys-
teem bereikbaar » Instructieboekje van het navigatiesysteem Amundsen+.
2)
Afhankelijk van de Bluetooth
®
-versie in de mobiele telefoon wordt een automatisch gegenereerde 6-cij-
ferige pincode (SSP) weergegeven of moet de pincode, bijvoorbeeld 1234, handmatig worden ingevoerd.
3)
Sommige mobiele telefoons hebben een menu waarin een pincode moet worden ingevoerd om de Blue-
tooth
®
-verbinding tot stand te kunnen brengen. Indien dit het geval is, moet deze code telkens worden
ingevoerd als een Bluetooth-verbinding tot stand wordt gebracht.
96
Bediening
Verbinding verbreken
De verbinding met de mobiele telefoon kan op een van de volgende manieren
worden beëindigd.
Door het verwijderen van de contactsleutel.
Door het verbreken van de verbinding met de handsfreeset in de mobiele te-
lefoon.
Door het verbreken van de verbinding met de gebruiker op het MAXI DOT-
display in het menupunt Bluetooth - Gebruiker.
Verbindingsproblemen oplossen
Als het systeem de melding Geen verbonden tel\. Gevonden geeft, de bedrijfs-
toestand van de mobiele telefoon controleren.
Is de mobiele telefoon ingeschakeld?
Is de PIN-code ingevoerd?
Is Bluetooth
®
actief?
Is de zichtbaarheid van de mobiele telefoon actief?
Is de mobiele telefoon al met de handsfreeset gekoppeld?
Telefoonbediening op het MAXI DOT-display
Lees en bekijk eerst op bladzijde 93.
In het menu Telefoon kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd.
Telefoonboek
Nummer kiezen
1)
Oproeplijsten
Voicemailbox
Bluetooth
1)
Instellingen
2)
Terug
Telefoonboek
In het menupunt Telefoonboek bevindt zich de lijst met contacten die uit het
telefoongeheugen en van de simkaart van de mobiele telefoon zijn geladen.
Nummer kiezen
In het menupunt Nummer kiezen kunnen willekeurige telefoonnummers wor-
den ingevoerd. Met behulp van het kartelwiel de gewenste cijfers na elkaar se-
lecteren en deze bevestigen door het kartelwiel in te drukken. De cijfers 0-9,
symbolen
,
, # en de functies Annuleren, Bellen en Wissen kunnen worden
geselecteerd.
Oproeplijsten
In het menupunt Oproeplijsten kunnen de volgende menupunten worden ge-
selecteerd.
Gemiste
Gekozen
Beantwoorde
Voicemailbox
In het menu Voicemailbox kan het nummer van de voicemailbox worden inge-
steld
1)
en vervolgens het nummer worden gekozen.
Bluetooth
In het menupunt Bluetooth kunnen de volgende menupunten worden gese-
lecteerd.
Gebruiker - Overzicht van de opgeslagen telefoons
Nwe. gebruiker - Zoeken naar nieuwe telefoons die zich in het ontvangstbe-
reik bevinden
Zichtbaarheid - Inschakelen van de zichtbaarheid van de handsfreeset voor
andere apparaten
Mediaspeler - Geluidsweergave via Bluetooth
®
Actief apparaat - Aangesloten apparaat
Gekoppelde app - Lijst met gekoppelde apparaten
Zoeken - Zoeken naar apparaten
Telefoonnaam - De mogelijkheid de naam van de handsfreeset te wijzigen
(ingesteld als SKODA_BT)
1)
Bij wagens met het navigatiesysteem Amundsen+ is deze functie via het menu van het navigatiesys-
teem bereikbaar » Instructieboekje van het navigatiesysteem Amundsen+.
2)
Bij wagens met het navigatiesysteem Amundsen+ is deze functie niet beschikbaar.
97
Communicatie en multimedia
Instellingen
In het menupunt Instellingen kunnen de volgende menupunten worden gese-
lecteerd.
Telefoonboek - Telefoonboek
Bijwerken - Actualisering van het telefoonboek
1)
Sortering: - Indeling van de vermeldingen in het telefoonboek
Achternaam - Indeling op basis van de achternaam
Naam - Indeling op voornaam
Beltoon - Beltooninstelling
Terug
Terugkeren naar het beginmenu van de telefoon.
Spraakbediening
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Dialoog
98
Spraakcommando's 99
Dialoog
Afbeelding 95 Multifunctiestuurwiel: Spraakbediening
De periode waarin het systeem gereed is om spraakcommando's te ontvangen
en uit te voeren, wordt aangeduid als dialoog. Het systeem geeft akoestische
terugmeldingen en begeleidt u eventueel door de betreffende functies.
De optimale verstaanbaarheid van de spraakcommando's is van meerdere
factoren afhankelijk:
Met een normaal volume spreken, zonder beklemtoning en zonder overdre-
ven lange spreekpauzes.
Een slechte uitspraak voorkomen.
De portieren, ruiten en het schuifdak sluiten om storende buitengeluiden te
onderdrukken resp. te voorkomen.
Bij hogere snelheden wordt geadviseerd luider te spreken, om de hogere
omgevingsgeluiden te overstemmen.
Tijdens de dialoog andere geluiden in de wagen, bijvoorbeeld tegelijkertijd
sprekende inzittenden, vermijden.
Niet spreken wanneer het systeem een melding geeft.
De microfoon voor de spraakbediening is in de hemelbekleding aangebracht
en op de bestuurder en bijrijder gericht. Hierdoor kunnen zowel de bestuurder
als de bijrijder het systeem bedienen.
Telefoonnummer ingeven
Het telefoonnummer kan worden ingevoerd als een achter elkaar uitgespro-
ken cijferketen (compleet nummer) of in de vorm van een numerieke reeks (ge-
scheiden door korte spreekpauzes). Na elke numerieke reeks (gescheiden door
korte spreekpauzes) worden alle tot dan herkende cijfers door het systeem
herhaald.
Toegestaan zijn de cijfers 0-9, symbolen +,
, #. Het systeem herkent geen
samenhangende cijfercombinaties zoals bijvoorbeeld drieëntwintig.
Spraakbediening inschakelen
Door kort op toets
1
» Afbeelding 95 op het multifunctiestuurwiel te drukken.
Spraakbediening uitschakelen
Als het systeem net een melding geeft, moet de actuele melding worden be-
eindigd door op toets
1
» Afbeelding 95 op het multifunctiestuurwiel te druk-
ken.
Als het systeem een spraakcommando verwacht, kunt u de dialoog zelf beëin-
digen:
met het spraakcommando ANNULEREN,
door kort op toets
1
» Afbeelding 95 op het multifunctiestuurwiel te druk-
ken.
1)
Bij wagens met het navigatiesysteem Amundsen+ is deze functie via het menu van het navigatiesys-
teem bereikbaar » Instructieboekje van het navigatiesysteem Amundsen+.
98
Bediening
Let op
Bij een binnenkomend gesprek wordt de dialoog direct beëindigd.
De spraakbediening is alleen mogelijk bij wagens die zijn uitgerust met een
multifunctiestuurwiel met telefoonbediening.
Spraakcommando's
Standaard spraakcommando's
Spraakcommando Handeling
HELP
Na dit commando geeft het systeem alle mogelijke
commando's weer.
BELLEN XYZ
Met dit commando wordt het contact uit het tele-
foonboek gebeld.
TELEFOONBOEK
Na dit commando kan bijvoorbeeld het telefoon-
boek worden weergegeven, een spraakinvoer voor
het contact worden aangepast of gewist en derge-
lijke.
OPROEPLIJSTEN
Lijsten met gekozen nummers, gemiste oproepen
en dergelijke.
NUMMER KIEZEN
Na dit commando kan een telefoonnummer wor-
den ingevoerd om een verbinding met de gewen-
ste gesprekspartner tot stand te brengen.
OPNIEUW KIEZEN
Na dit commando kiest het systeem het laatst ge-
kozen nummer.
MUZIEK
a)
Weergave van de muziek op de mobiele telefoon
of een ander gekoppeld apparaat.
MEER OPTIES
Na dit commando biedt het systeem nog andere
contextafhankelijke commando's aan.
INSTELLINGEN Instellen van Bluetooth
®
, dialoog enzovoort.
ANNULEREN De dialoog wordt beëindigd.
a)
Bij wagens met het navigatiesysteem Amundsen+ is deze functie via het menu van het navigatiesys-
teem bereikbaar » Instructieboekje van het navigatiesysteem Amundsen+.
Als een spraakcommando niet wordt herkend, antwoordt het systeem met
"Pardon?" en kan een nieuwe invoer plaatsvinden. Na de tweede mislukte po-
ging herhaalt het systeem de hulp. Na de derde mislukte poging volgt het ant-
woord "Actie geannuleerd" en wordt de dialoog beëindigd.
Ingesproken boodschap voor een contact opslaan
Als bij sommige contacten de automatische naamherkenning niet goed werkt,
is het mogelijk voor dit contact een eigen spaakvermelding in het menupunt
Telefoonboek - Belnaam - Opnemen op te slaan.
Een eigen spraakvermelding kan ook met behulp van de spraakbediening in
het menu MEER OPTIES worden opgeslagen.
Multimedia
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Muziekweergave via Bluetooth
®
99
Radio en navigatiesysteem op het multifunctiestuurwiel bedienen
100
AUX- en MDI-ingangen 101
Muziekweergave via Bluetooth
®
De universele telefoonvoorbereiding GSM II maakt de muziekweergave via
Bluetooth
®
mogelijk van apparaten zoals mp3-speler, mobiele telefoon of no-
tebook.
Om de muziek via Bluetooth
®
te kunnen weergeven, moet het betreffende ap-
paraat eerst via het menu Telefoon - Bluetooth - Mediaspeler aan de hand-
sfreeset worden gekoppeld.
De muziekweergave wordt op het aangesloten apparaat bediend.
De universele telefoonvoorbereiding GSM II biedt de mogelijkheid om de mu-
ziekweergave ook via de handsfreeset met de afstandsbediening te bedie-
nen » pagina 99, Spraakcommando's.
Let op
Het te verbinden apparaat moet het Bluetooth
®
A2DP-profiel ondersteunen,
zie het instructieboekje van het te koppelen apparaat.
99
Communicatie en multimedia
Radio en navigatiesysteem op het multifunctiestuurwiel bedienen
Afbeelding 96
Multifunctiestuurwiel: Bedieningstoetsen van het naviga-
tiesysteem
Op het multifunctiestuurwiel zijn toetsen aangebracht voor de bediening van
de basisfuncties van de af fabriek ingebouwde radio en het navigatiesys-
teem » Afbeelding 96.
De radio en het navigatiesysteem kunnen natuurlijk ook nog steeds op het ap-
paraat zelf worden bediend. Een beschrijving vindt u in het bijbehorende in-
structieboekje.
Als het stadslicht ingeschakeld is, zijn ook de toetsen van het multifunctie-
stuurwiel verlicht.
De toetsen gelden voor de functie waarin de radio, audio, video of het naviga-
tiesysteem zich op dat moment bevindt.
Door de toetsen in te drukken resp. te draaien kunnen de volgende functies
worden uitgevoerd.
Toets/kartel-
wiel » Afbeelding
96
Handeling Radio Audiobronnen Navigatie
1
Indrukken Audiobron wisselen
2
Indrukken Geluid uit-/inschakelen (MUTE )
Actuele navigatiemelding onderbre-
ken
2
Naar boven draaien Volume verhogen
2
Naar beneden draaien Volume verlagen
3
Kort indrukken
Naar de volgende zender wisselen Naar de volgende titel wisselen Geen functie
Verkeersmelding onderbreken
3
Lang indrukken Geen functie Snel vooruit Geen functie
4
Kort indrukken
Naar de vorige zender wisselen Naar het begin van de titel wisselen
a)
Geen functie
Verkeersmelding onderbreken
4
Lang indrukken Geen functie Snel achteruit Geen functie
100
Bediening
Toets/kartel-
wiel » Afbeelding
96
Handeling Radio Audiobronnen Navigatie
5
Naar boven draaien
Naar de vorige zender wisselen en
tegelijkertijd
Lijst van opgeslagen/ontvangbare
zenders weergeven
Naar de volgende titel wisselen
Keuze voor het stoppen van de rou-
tegeleiding weergeven resp. de lijst
met laatste reisdoelen weergeven.
5
Naar beneden draaien
Naar de volgende zender wisselen
en tegelijkertijd
Lijst van opgeslagen/ontvangbare
zenders weergeven
Naar het begin van de titel wisselen
a)
6
Kort indrukken Hoofdmenu openen
a)
Naar de vorige titel wisselen door twee keer drukken op het kartelwiel resp. door het kartelwiel twee standen te verdraaien.
AUX- en MDI-ingangen
Afbeelding 97 AUX-ingang / MDI-ingang
Uw wagen kan voor de aansluiting van externe audiobronnen afhankelijk van
de uitrusting beschikken over AUX- of MDI-ingangen (AUX en USB).
De aangesloten externe audiobronnen (bijvoorbeeld iPod of mp3-speler) kun-
nen vervolgens worden gebruikt voor de weergave van muziek via de af fa-
briek ingebouwde radio resp. het radio-navigatiesysteem.
Voor het aansluiten van externe bronnen zijn verlengkabels uit het ŠKODA ori-
ginele accessoireprogramma beschikbaar.
De beschrijving van de bediening kunt u vinden in het betreffende instructie-
boekje van de radio resp. het navigatiesysteem.
AUX-ingang
De AUX-ingang bevindt zich op een van de volgende plaatsen:
tussen de voorstoelen in de middenconsole » Afbeelding 97 -
,
aan de voorzijde van het navigatiesysteem Amundsen+.
MDI-ingang
Bij wagens met MDI-ingang bevindt deze zich boven het opbergvak in de mid-
denconsole voor » Afbeelding 97 -
.
Externe bronnen, zoals bijvoorbeeld iPod
®
, iPad
®
of iPhone
®
die op de MDI-in-
gang zijn aangesloten, kunnen via het apparaat worden bediend.
Bij ingeschakeld contact en een via een verbindingskabel aangesloten appa-
raat wordt de accu van het apparaat geladen.
101
Communicatie en multimedia
Rijden
Wegrijden en rijden
Motor starten en afzetten
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Elektronische wegrijblokkering
102
Stuurslot vergrendelen/ontgrendelen 103
Contact inschakelen en motor starten 103
Motor afzetten 104
Met de contactsleutel in het contactslot kan het contact worden in- en uitge-
schakeld en de motor worden gestart en afgezet.
ATTENTIE
Tijdens het rijden met niet-draaiende motor moet het contact altijd inge-
schakeld zijn » pagina 103, Contact inschakelen en motor starten.
Bij uitgeschakeld contact kan het stuurslot aangrijpen » pagina 103 -
gevaar voor ongevallen!
De contactsleutel pas uit het contactslot verwijderen als de wagen tot
stilstand is gekomen » pagina 106, Parkeren. Anders zou het stuurwiel
kunnen blokkeren - gevaar voor ongevallen!
Bij het verlaten van de wagen de sleutel nooit in de wagen achterlaten.
Onbevoegde personen, bijvoorbeeld kinderen, zouden bijvoorbeeld de wa-
gen kunnen vergrendelen, het contact kunnen inschakelen of de motor
kunnen starten - er bestaat gevaar voor verwondingen, ongevallen en be-
schadigingen!
De wagen nooit met draaiende motor zonder toezicht laten, er bestaat
bijvoorbeeld gevaar voor ongevallen, beschadiging of diefstal!
Nooit de motor afzetten voordat de wagen stilstaat - gevaar voor onge-
vallen!
ATTENTIE
De motor nooit in afgesloten ruimten (bijvoorbeeld in een garage) laten
draaien - vergiftigings- en levensgevaar!
Geen voorwerpen (bijvoorbeeld poetsdoeken of gereedschap) in de mo-
torruimte laten liggen. Er bestaat gevaar voor brand en motorschade.
De motor nooit met extra dempingsmateriaal (bijvoorbeeld een deken) af-
dekken - brandgevaar!
VOORZICHTIG
De motor alleen starten als de motor niet draait en de wagen stilstaat - ge-
vaar voor schade aan de startmotor en de motor!
De motor niet starten door de wagen aan te slepen - gevaar voor schade aan
de motor en de katalysator! Als starthulp kunt u de accu van een andere wa-
gen gebruiken » pagina 165.
Let op
De motor niet bij stilstand laten warmdraaien. Zo mogelijk direct na het starten
van de motor wegrijden. Daardoor bereikt de motor sneller zijn bedrijfstempe-
ratuur.
Elektronische wegrijblokkering
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 102.
Door de elektronische wegrijblokkering wordt een mogelijke diefstalpoging of
het onbevoegd gebruik van uw wagen bemoeilijkt.
In de greep van de sleutel bevindt zich een elektronische chip. Met behulp
hiervan wordt de wegrijblokkering uitgeschakeld als de sleutel in het contact-
slot wordt gestoken.
Als de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd, wordt de elektronische
wegrijblokkering automatisch geactiveerd.
Als bij het starten een niet toegestane sleutel wordt gebruikt, slaat de motor
niet aan.
Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weerge-
geven.
Wegrijblokkering actief.
WEGRIJBLOKK
102
Rijden
Stuurslot vergrendelen/ontgrendelen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 102.
Door de stuurvergrendeling wordt een mogelijke poging tot diefstal van uw
wagen bemoeilijkt.
Vergrendelen
De sleutel uit het contact trekken.
Het stuurwiel naar links of rechts draaien, tot het stuurslot hoorbaar ver-
grendelt.
Ontgrendelen
De contactsleutel in het contactslot steken.
Het contact inschakelen » pagina 103.
Het contactslot wordt ontgrendeld.
Als het contact niet kan worden ingeschakeld, het stuurwiel iets heen en weer
bewegen om het stuurslot te ontgrendelen.
Contact inschakelen en motor starten
Afbeelding 98
Standen van de sleutel in het
contactslot
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 102.
Standen van de sleutel in het contactslot » Afbeelding 98
Contact uitgeschakeld, motor afgezet
Contact ingeschakeld
Motor starten
Bij wagens met dieselmotor gaat na het inschakelen van het contact het voor-
gloeicontrolelampje
branden. Na het doven van het controlelampje kan de
motor worden gestart.
1
2
3
Handelwijze bij het starten van de motor
De handrem stevig aantrekken.
De versnellingshendel in de neutrale stand resp. de keuzehendel in stand P
of N zetten.
Het contact inschakelen
2
» Afbeelding 98.
Bij wagens met schakelbak het koppelingspedaal intrappen en vasthouden,
tot de motor is aangeslagen.
Bij wagens met automatische versnellingsbak het rempedaal intrappen en
vasthouden, tot de motor is aangeslagen.
De sleutel tot de aanslag in stand
3
draaien en direct loslaten na het aan-
slaan van de motor - geen gas geven.
Bij het loslaten springt de sleutel in stand
2
terug.
Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, de sleutel in stand
1
draaien.
Het starten na circa een halve minuut herhalen.
Wagens met START-STOP-systeem en schakelbak
Als de motor zonder ingetrapt koppelingspedaal wordt gestart, slaat hij niet
aan.
Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weerge-
geven.
Koppeling intrappen om te starten.
KOPPEL
Wagens met START-STOP-systeem en automatische versnellingsbak
Als de motor zonder ingetrapt rempedaal wordt gestart, slaat hij niet aan.
Op het display in het instrumentenpaneel wordt de volgende melding weerge-
geven.
Rem intrappen om te starten.
REMMEN
Let op
Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid te
horen zijn. Dat is een normaal verschijnsel en geen reden om u zorgen te ma-
ken.
Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn inge-
schakeld - de accu wordt anders onnodig belast.
103
Wegrijden en rijden
Motor afzetten
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 102.
De wagen stilzetten » pagina 106, Parkeren.
De sleutel in stand
1
» Afbeelding 98 op pagina 103 draaien.
De motor en het contact worden tegelijkertijd uitgeschakeld.
Bij wagens met automatische versnellingsbak kan de contactsleutel alleen
worden verwijderd als de keuzehendel zich in stand P bevindt.
VOORZICHTIG
Na langdurige hoge motorbelasting de motor niet direct afzetten als de wagen
stilstaat, maar nog circa 1 minuut stationair laten draaien. Daarmee wordt
warmteophoping in de afgezette motor voorkomen.
Let op
Nadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator (ook bij uitge-
schakeld contact) nog circa 10 minuten verder draaien.
Remmen en parkeren
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Informatie voor het remmen 104
Handrem 105
Parkeren 106
ATTENTIE
Wanneer de motor is afgezet is meer kracht nodig om te remmen - gevaar
voor ongevallen!
Tijdens het remmen met een wagen met schakelbak, ingeschakelde ver-
snelling en in een laag toerenbereik, moet het koppelingspedaal worden in-
getrapt. Anders zou dit een negatieve invloed op de rembekrachtiger kun-
nen hebben - gevaar voor ongevallen!
ATTENTIE (vervolg)
Bij het verlaten van de wagen nooit personen, die bijvoorbeeld de hand-
rem kunnen loszetten of de versnelling kunnen uitschakelen, zonder toe-
zicht in de wagen achterlaten. De wagen zou zich in beweging kunnen zet-
ten - gevaar voor ongevallen!
Adviezen over nieuwe remblokken opvolgen » pagina 110, Nieuwe rem-
blokken.
VOORZICHTIG
Nooit de remmen door lichte pedaaldruk laten aanlopen als er niet hoeft te
worden geremd. Dit leidt tot oververhitting van de remmen en daardoor tot
een langere remweg en een hogere slijtage.
Informatie voor het remmen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 104.
Slijtage
De slijtage van de remblokken is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden
en de rijstijl.
Wanneer vaak in de stad of met een zeer sportieve rijstijl wordt gereden, zul-
len de remblokken sneller slijten.
Onder deze zware gebruiksomstandigheden moet de dikte van de remblok-
ken ook tussen servicebeurten door een erkend reparateur worden gecontro-
leerd.
Vocht of strooizout
De remmen kunnen vertraagd aangrijpen vanwege vochtige resp. in de winter
bevroren of met een zoutlaag bedekte remschijven en remblokken. De rem-
men moeten worden gereinigd en gedroogd door enkele keren te rem-
men »
.
Corrosie
Corrosie op de remschijven en vervuiling van de remblokken worden bevorderd
door langdurig stilstaan en matig gebruik van de remmen. De remmen moeten
worden gereinigd door enkele keren te remmen » .
104
Rijden
Lange resp. steile helling
Voordat langere tijd resp. van een steile helling bergafwaarts wordt gereden,
snelheid verminderen en naar de eerstvolgende lagere versnelling terugscha-
kelen. Daardoor wordt de remwerking van de motor benut en worden de rem-
men ontlast. Indien er moet worden bijgeremd, de voet niet continu op het
rempedaal houden, maar met tussenpozen remmen.
Noodstop aangeven
Als bij een noodstop het regelapparaat voor het remsysteem de situatie voor
het achteropkomende verkeer als gevaarlijk beoordeelt, gaat het remlicht au-
tomatisch knipperen.
Nadat de snelheid tot onder 10 km/h is gedaald of de wagen tot stilstand is ge-
bracht, stopt het knipperen van het remlicht en worden de alarmlichten inge-
schakeld. Als de wagen weer accelereert of wegrijdt, worden de alarmlichten
automatisch uitgeschakeld.
Storing in het remsysteem
Als wordt geconstateerd dat de remweg plotseling langer is en het rempedaal
een langere slag maakt, is er mogelijk sprake van een storing in het remsys-
teem.
Direct een erkend reparateur opzoeken en uw rijstijl overeenkomstig aanpas-
sen, omdat u niet op de hoogte bent van de exacte omvang van de schade.
Laag remvloeistofpeil
Bij een te laag remvloeistofpeil kunnen er storingen in het remsysteem optre-
den. Het remvloeistofpeil wordt elektronisch gecontroleerd » pagina 33,
Remsysteem.
Rembekrachtiger
De rembekrachtiger verhoogt de druk die op het rempedaal wordt uitgeoe-
fend. De rembekrachtiger werkt alleen als de motor draait.
ATTENTIE
De remschijven alleen schoon en droog remmen als de verkeerssituatie dit
toelaat. Andere verkeersdeelnemers mogen niet in gevaar worden ge-
bracht.
Handrem
Afbeelding 99
Handrem
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 104.
De handrem dient er bij het stoppen en parkeren toe de wagen tegen onge-
wenste bewegingen te beveiligen.
Aantrekken
De handremhendel volledig omhoogtrekken.
Losdraaien
De handremhendel iets omhoogtrekken en tegelijkertijd de grendel-
knop » Afbeelding 99 indrukken.
De hendel met ingedrukte grendelknop volledig omlaag bewegen.
Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het handremcon-
trolelampje
.
Als per ongeluk met aangetrokken handrem wordt weggereden, klinkt een
waarschuwingstoon.
Op het MAXI DOT-display wordt de volgende aanwijzing weergegeven.
Parkeerrem loszetten!
De handremwaarschuwing wordt geactiveerd als langer dan 3 seconden met
een snelheid van meer dan 6 km/h wordt gereden.
ATTENTIE
Let erop dat de aangetrokken handrem volledig moet worden losgezet. Een
gedeeltelijk losgezette handrem leidt tot oververhitting van de achterste
remmen. Dit kan de werking en levensduur van het remsysteem negatief
beïnvloeden - gevaar voor ongevallen!
105
Wegrijden en rijden
Parkeren
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 104.
Om te stoppen en parkeren een plek met een geschikte ondergrond zoe-
ken » .
De handelingen bij het parkeren alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren.
De wagen afremmen tot stilstand en het rempedaal ingetrapt houden.
De handrem stevig aantrekken.
Bij wagens met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P
plaatsen.
De motor afzetten.
Bij wagens met schakelbak de 1e versnelling of achteruitversnelling inscha-
kelen.
Het rempedaal loslaten.
ATTENTIE
De onderdelen van het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden. Daarom
de wagen nooit op plaatsen stoppen waar de onderzijde van de wagen met
licht ontvlambare materialen, bijvoorbeeld droog gras, struikgewas, blade-
ren, gemorste brandstof en dergelijke, in contact kan komen. - er bestaat
brandgevaar en er kunnen zware verwondingen ontstaan!
Handmatig schakelen en pedalen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Handmatig schakelen 106
Pedalen 107
Handmatig schakelen
Afbeelding 100
5-versnellings schakelbak of 6-
versnellings schakelbak
Op de versnellingshendel zijn de afzonderlijke versnellingen afgebeeld » Af-
beelding 100.
Bij het schakelen op het schakeladvies letten » pagina 41.
Het koppelingspedaal bij het schakelen altijd volledig intrappen. Daardoor
wordt een overmatige slijtage van de koppeling vermeden.
Achteruitversnelling inschakelen
De wagen stilzetten.
Het koppelingspedaal volledig intrappen.
De versnellingshendel in de neutraalstand zetten en omlaagdrukken.
De versnellingshendel volledig naar links en vervolgens naar voren in stand R
plaatsen » Afbeelding 100.
Bij ingeschakelde achteruitversnelling en ingeschakeld contact branden de
achteruitrijlampen.
ATTENTIE
De achteruitversnelling nooit tijdens het rijden inschakelen - gevaar voor
ongevallen of beschadigingen!
VOORZICHTIG
Wanneer er niet hoeft te worden geschakeld, de hand niet op de versnel-
lingshendel laten rusten. De druk van de hand kan tot overmatige slijtage van
het schakelmechanisme leiden.
Als op een helling wordt gestopt, nooit proberen de wagen met het koppe-
lings- of gaspedaal op zijn plaats te houden - gevaar voor schade aan de on-
derdelen van de koppeling.
106
Rijden
Pedalen
De pedalen moeten zonder belemmeringen kunnen worden bediend!
In de voetenruimte mag slechts een vloermat worden gebruikt die aan de
twee hiervoor bedoelde bevestigingspunten is bevestigd.
Alleen af fabriek geleverde vloermatten of vloermatten uit het originele
ŠKODA accessoireprogramma gebruiken, die aan de overeenkomstige bevesti-
gingspunten zijn bevestigd.
ATTENTIE
In de bestuurdersvoetenruimte mogen zich geen voorwerpen bevinden -
gevaar door hindering van de pedaalbediening!
Automatische versnellingsbak
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Standen en keuzehendelbediening
107
Keuzehendelvergrendeling
108
Handmatig schakelen (tiptronic)
109
Wegrijden en rijden
109
De automatische versnellingsbak schakelt automatisch.
De standen van de automatische versnellingsbak worden door de bestuurder
met de keuzehendel ingesteld.
ATTENTIE
Geen gas geven als voor het wegrijden de stand voor vooruitrijden met de
keuzehendel wordt ingesteld - gevaar voor ongevallen!
Nooit tijdens het rijden de keuzehendel in stand R of P zetten - gevaar
voor ongevallen!
Bij stilstaande wagen en draaiende motor is het in stand D, S of R nood-
zakelijk het rempedaal ingetrapt te houden. Bij stationair toerental wordt
de krachtoverbrenging niet volledig onderbroken - de wagen kruipt.
Bij het verlaten van de wagen moet de keuzehendel altijd in stand P wor-
den gezet. De wagen zou zich in beweging kunnen zetten - gevaar voor
ongevallen.
VOORZICHTIG
Wanneer tijdens het rijden de keuzehendel in stand N is gezet, moet het
gaspedaal worden losgelaten en worden gewacht totdat de motor stationair
draait, voordat de keuzehendel in een stand voor vooruitrijden kan worden ge-
zet.
Bij een buitentemperatuur beneden -10 °C moet de keuzehendel zich bij het
starten altijd in stand P bevinden.
Als op een helling wordt gestopt, nooit proberen de wagen met het gaspe-
daal op zijn plaats te houden - gevaar voor schade aan de onderdelen van de
versnellingsbak.
Let op
De contactsleutel kan na het afzetten van het contact alleen worden verwij-
derd als de keuzehendel in stand P staat.
Standen en keuzehendelbediening
Afbeelding 101
Keuzehendel / displayweergave
107
Wegrijden en rijden
Afbeelding 102
Grendelknop
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 107.
Bij ingeschakeld contact wordt de versnellingsbakmodus en de ingeschakelde
versnelling op het display weergegeven » Afbeelding 101.
Met de keuzehendel kunnen de volgen standen worden ingeschakeld » Af-
beelding 101.
P
- Parkeerstand
In deze stand zijn de aangedreven wielen mechanisch geblokkeerd.
De parkeerstand mag alleen bij stilstaande wagen worden ingeschakeld.
R
- Achteruitversnelling
De achteruitversnelling kan alleen bij stilstaande wagen en stationair toeren-
tal worden ingeschakeld.
N
- Neutraal (neutraalstand)
De krachtoverbrenging naar de aangedreven wielen is in deze stand onderbro-
ken.
D
- Stand voor vooruitrijden (normaal programma)
In stand D worden de vooruitversnellingen automatisch geschakeld afhankelijk
van de motorbelasting, de bediening van het gaspedaal en de rijsnelheid.
S
- Stand voor vooruitrijden (sportprogramma)
De vooruitversnellingen worden in stand S bij hogere motortoerentallen dan
in stand D automatisch geschakeld.
Vóór het inschakelen van stand S vanuit stand D moet de grendelknop in pijl-
richting worden ingedrukt » Afbeelding 102.
Storing in de automatische versnellingsbak
Een storing in de automatische versnellingsbak is bijvoorbeeld herkenbaar aan
het volgende.
Er worden alleen bepaalde versnellingen geschakeld.
De achteruitversnelling R kan niet worden gebruikt.
Er kan niet naar de tiptronic-stand worden geschakeld.
VOORZICHTIG
Bij een storing in de automatische versnellingsbak moet beslist de hulp van
een specialist worden ingeroepen, er bestaat gevaar voor beschadiging van de
wagen.
Keuzehendelvergrendeling
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 107.
De keuzehendel is in stand P en N geblokkeerd, zodat de stand voor vooruitrij-
den niet per ongeluk kan worden ingeschakeld en de wagen hierdoor niet in
beweging kan komen.
De keuzehendelvergrendeling werkt alleen bij stilstaande wagen en bij snel-
heden tot 5 km/h.
De keuzehendelvergrendeling wordt door het gaan branden van het controle-
lampje
aangeven.
Bij het snel schakelen via stand N (bijvoorbeeld van R naar D) wordt de keuze-
hendel niet geblokkeerd. Hierdoor is bijvoorbeeld het vrijrijden van een vastge-
reden wagen mogelijk. Als de keuzehendel zich langer dan 2 seconden in
stand N, bevindt terwijl het rempedaal niet is ingetrapt, wordt de keuzehen-
delvergrendeling geactiveerd.
Keuzehendel uit stand P of N halen
Het rempedaal intrappen en tegelijkertijd de grendelknop in pijlrichting druk-
ken » Afbeelding 102 op pagina 108.
Om de keuzehendel uit stand N in D te halen hoeft alleen het rempedaal te
worden ingetrapt.
108
Rijden
Defect van de keuzehendelvergrendeling
Als de stroomvoorziening wordt onderbroken (bijvoorbeeld door een ontladen
accu van de wagen of een defecte zekering) of een defect van de keuzehen-
delvergrendeling optreedt, kan de keuzehendel niet meer op de normale ma-
nier uit stand P worden verplaatst en kan de wagen niet meer worden bewo-
gen. De noodontgrendeling voor de keuzehendel moet worden gebruikt » pa-
gina 170.
Let op
Indien men de keuzehendel vanuit stand P in stand D of omgekeerd wil zet-
ten, dient de keuzehendel vlot te worden bewogen. Hierdoor wordt voorko-
men dat stand R resp. N per ongeluk wordt ingeschakeld.
Handmatig schakelen (tiptronic)
Afbeelding 103
Keuzehendel
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 107.
De tiptronic biedt de mogelijkheid om handmatig via de keuzehendel te scha-
kelen. Deze stand kan zowel bij stilstand als ook tijdens het rijden worden ge-
kozen.
De actueel ingeschakelde versnelling wordt op het display » Afbeelding 101 op
pagina 107 weergegeven.
Bij het schakelen op het schakeladvies letten » pagina 41.
Omschakelen naar handmatig schakelen
De keuzehendel vanuit stand D naar rechts resp. bij wagens met rechts stuur
naar links drukken.
Opschakelen
De keuzehendel naar voren
+
» Afbeelding 103 drukken.
Terugschakelen
De keuzehendel naar achteren
-
» Afbeelding 103 aantippen.
Let op
In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij bergafwaarts rijden, kan het voordelig
zijn handmatig te schakelen. Door het terugschakelen wordt de belasting van
de remmen en daarmee de remslijtage verminderd » pagina 104, Informatie
voor het remmen.
Bij het accelereren schakelt de versnellingsbak kort voor het bereiken van
het maximaal toegestane motortoerental automatisch op naar de volgende
versnelling.
Als een lagere versnelling wordt gekozen, schakelt de versnellingsbak pas
terug wanneer een te hoog motortoerental niet meer mogelijk is.
Wegrijden en rijden
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 107.
Wegrijden vanuit stilstand
De motor starten.
Het rempedaal intrappen en vasthouden.
De grendelknop in pijlrichting drukken » Afbeelding 102 op pagina 108 en in-
gedrukt houden.
De keuzehendel in de gewenste stand plaatsen » pagina 107 en de grendel-
knop weer loslaten.
Het rempedaal loslaten en gas geven.
Stoppen (tijdens het rijden)
Het rempedaal intrappen en de wagen op zijn plaats houden.
Het rempedaal intrappen en ingetrapt houden tot de rit wordt voortgezet.
Bij het tijdelijk stoppen, bijvoorbeeld bij een kruising, moet stand N niet wor-
den ingeschakeld.
Kick-down
Met de kick-down-functie is het mogelijk de maximale acceleratie van de wa-
gen tijdens het rijden te bereiken
Als het gaspedaal volledig wordt ingetrapt, wordt in elke stand voor vooruitrij-
den de kick-down-functie geactiveerd.
De versnellingsbak schakelt, afhankelijk van snelheid en motortoerental, een
of zelfs meerdere versnellingen terug en de wagen accelereert.
109
Wegrijden en rijden
Het overschakelen naar een hogere versnelling gebeurt pas als het maximaal
voorgeschreven motortoerental wordt bereikt.
ATTENTIE
Een vlotte acceleratie kan met name op een glad wegdek leiden tot het
verlies van de controle over de wagen - gevaar voor ongevallen!
Inrijden en economisch rijden
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Inrijden
110
Tips voor economisch rijden
110
Het brandstofverbruik, de milieubelasting en de slijtage van uw wagen zijn o.a.
afhankelijk van de rijstijl, de staat van het wegdek en de weersomstandighe-
den.
Inrijden
Motor inrijden
Gedurende de eerste 1.500 kilometer moet de motor worden ingereden. Gedu-
rende deze periode beslist de rijstijl over de kwaliteit van deze inrijprocedure.
Gedurende de eerste 1 000 kilometer adviseren wij, met maximaal 3/4 van het
toegestane motortoerental te rijden, niet met volgas te rijden en niet met een
aanhangwagen te rijden.
Bij 1 000 tot 1 500 kilometer kan de motorbelasting tot het maximaal toege-
stane motortoerental worden opgevoerd.
Nieuwe banden
Nieuwe banden moeten worden "ingereden", want in het begin hebben ze nog
geen optimale grip.
Daarom tijdens de eerste circa 500 km bijzonder voorzichtig rijden.
Nieuwe remblokken
Nieuwe remblokken moeten eerst worden "ingereden", want deze bieden in
het begin geen optimale remwerking.
Daarom tijdens de eerste circa 200 km bijzonder voorzichtig rijden.
Tips voor economisch rijden
Om een zo laag mogelijk brandstofverbruik te behalen moeten de volgende
aanwijzingen in acht worden genomen.
Anticiperend rijden
Onnodig accelereren en remmen vermijden.
Energiebesparend en tijdig schakelen
Op het schakeladvies letten » pagina 41.
Volgas en hoge snelheden vermijden
Als u de rijsnelheid van de wagen beperkt tot driekwart van de mogelijke top-
snelheid, daalt het brandstofverbruik met de helft.
Stationair draaien verminderen
Bij afgezette motor, bijvoorbeeld bij het wachten in een file, is de brandstofbe-
sparing al na 30 - 40 s groter dan de brandstofhoeveelheid die voor het op-
nieuw starten van de motor nodig is.
Korte ritten vermijden
Bij een korte rit van minder dan circa 4 km kan de motor niet zijn bedrijfstem-
peratuur bereiken. Zolang de motor niet zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt,
is het brandstofverbruik duidelijk hoger dan bij een bedrijfswarme motor.
Op de correcte bandenspanning letten
Meer informatie » pagina 151.
Onnodige ballast vermijden
Per 100 kg gewicht neemt het verbruik met circa 1 l/100 km toe. Door de hoge-
re luchtweerstand verbruikt de wagen met een onbeladen dakdragersysteem
bij een snelheid van 100-120 km/h circa 10% meer brandstof dan normaal dan
zonder deze dragers.
Stroom sparen
Elektrische verbruikers (bijvoorbeeld stoelverwarming, airconditioning e.d.) al-
leen zo lang als nodig inschakelen.
110
Rijden
Door water rijden en op onverhard terrein rijden
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Door water rijden
111
Op onverhard terrein rijden 111
ATTENTIE
Direct na het rijden door water, modder, natte sneeuw e.d. kan de remwer-
king tijdelijk minder zijn » pagina 104, Informatie voor het remmen. Daarom
abrupte en heftige remmanoeuvres vermijden - gevaar voor ongevallen!
Door water rijden
Afbeelding 104
Door water rijden
Lees en bekijk eerst op bladzijde 111.
Om beschadigingen aan de wagen bij het rijden door water (bijvoorbeeld over-
stroomde wegen) te voorkomen, op het volgende letten:
Vóór het rijden door water de diepte van het water vaststellen.
Het waterpeil mag maximaal tot de rand van de dorpel reiken » Afbeelding
104.
Niet harder dan stapvoets rijden.
Als sneller wordt gereden kan zich een boeggolf voor de wagen vormen, waar-
door water het luchtinlaatsysteem van de motor of andere delen van de wa-
gen kan binnendringen.
Nooit in het water stil blijven staan, achteruitrijden of de motor afzetten.
VOORZICHTIG
Bij het rijden door water kunnen sommige onderdelen van de wagen, zoals
motor, versnellingsbak, onderstel of elektrische installatie, ernstig worden be-
schadigd.
Tegenliggers zorgen voor golven, die de toelaatbare waterhoogte voor uw
wagen kunnen overschrijden.
Onder water kunnen gaten, modder of stenen of andere obstakels verborgen
zitten die het rijden door water kunnen bemoeilijken of verhinderen.
Niet door zout water rijden, het zout kan corrosie veroorzaken. Een wagen
die met zout water in contact is geweest grondig met zoet water afspoelen.
Op onverhard terrein rijden
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 111.
Alleen op wegen en in terrein rijden, die geschikt zijn voor de technische toe-
stand van de wagen » pagina 180, Technische gegevens en uw rijervaring.
De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor de beslissing of de wagen ge-
schikt is voor de rit in het betreffende terrein.
ATTENTIE
Op onverhard terrein zeer bewust en anticiperend rijden.
De rijstijl steeds aan de terrein- en weersomstandigheden aanpassen. Te
hoge snelheid en verkeerde rijmanoeuvres kunnen beschadigingen aan de
wagen en zware verwondingen veroorzaken.
Aan de onderkant van de wagen vastzittende voorwerpen kunnen de
brandstofleidingen, het remsysteem, afdichtingen en andere delen van het
onderstel beschadigen. De onderzijde van de wagen controleren en vastzit-
tende voorwerpen verwijderen.
Brandbare voorwerpen, zoals onder de wagenbodem ingeklemde droge
bladeren of takken kunnen door hete onderdelen ontbranden - brandge-
vaar!
VOORZICHTIG
Op de bodemvrijheid van de wagen letten! Bij het rijden over objecten die ho-
ger zijn dan de bodemvrijheid kunnen het onderstel en de onderdelen daarvan
beschadigen.
In onbekend terrein langzaam rijden en op onverwachte hindernissen, bij-
voorbeeld gaten, stenen, boomstronken en dergelijke letten.
Alvorens onoverzichtelijke afslagen op onverharde wegen te nemen, eerste
controleren en beoordelen of doorrijden zonder risico mogelijk is.
111
Wegrijden en rijden
Hulpsystemen
Rem- en stabiliteitssystemen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stabiliseringscontrole (ESC) 112
Antiblokkeersysteem (ABS) 112
Aandrijfslipregeling (ASR) 113
Elektronisch sperdifferentieel (EDS) 113
Remassistent (HBA) 113
Bergwegrijhulp (HHC) 113
Dit hoofdstuk behandelt de functies van de rem- en stabiliteitssystemen, die
storingindicatie kan in het hoofdstuk » pagina 32, Controlelampjes worden ge-
vonden.
De rem- en stabiliteitssystemen worden elke keer als het contact wordt inge-
schakeld automatisch geactiveerd.
ATTENTIE
Brandstofgebrek kan leiden tot onregelmatig draaien of afslaan van de
motor. De rem- en stabiliteitssystemen kunnen dan niet werken - gevaar
voor ongevallen!
De aangeboden hogere veiligheid door de rem- en stabiliteitssystemen
mag geen aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's - gevaar voor
ongevallen!
De snelheid en rijstijl aanpassen aan het actuele weer, het wegdek, het
zicht en de verkeersomstandigheden.
Stabiliseringscontrole (ESC)
Afbeelding 105
Toets van het ESC-systeem: ASR
deactiveren/activeren
Lees en bekijk eerst op bladzijde 112.
De ESC verbetert de rijstabiliteit in rijdynamische grenssituaties, bijvoorbeeld
als de wagen in een slip raakt.
De ESC controleert of de gewenste rijrichting overeen komt met de momente-
le beweging van de wagen. Bij een afwijking (bijvoorbeeld oversturen), remt de
ESC de afzonderlijke wielen automatisch af, om de gewenste rijrichting aan te
houden.
Tijdens een ingreep van het systeem knippert het controlelampje
in het in-
strumentenpaneel.
Het ESC-systeem kan niet worden uitgeschakeld. Met de symbooltoets
» Af-
beelding 105 kan alleen de ASR worden gedeactiveerd » pagina 113.
Bij uitgeschakelde ASR brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje
.
De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Het is zinvol het systeem al-
leen in bijvoorbeeld de volgende situaties te deactiveren:
Bij het rijden met sneeuwkettingen.
Bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond.
Bij het "losschommelen" van de vastgereden wagen.
Antiblokkeersysteem (ABS)
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 112.
Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren bij het remmen. Daardoor onder-
steunt het systeem de bestuurder bij het behouden van de controle over de
wagen.
112
Rijden
Een ABS-ingreep is duidelijk merkbaar aan de pulserende bewegingen van het
rempedaal, die gepaard gaan met geluid.
Bij een ABS-ingreep niet pompend remmen of de pedaaldruk verminderen.
Aandrijfslipregeling (ASR)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 112.
De ASR verhindert het doordraaien van de wielen van de aangedreven as. De
ASR beperkt bij doordraaiende wielen de aandrijfkracht die op de wielen wordt
overgebracht. Daardoor wordt bijvoorbeeld het rijden op wegen met weinig
grip vergemakkelijkt.
Indien uw wagen met het ESC-systeem is uitgerust, is de ASR in het ESC-sys-
teem geïntegreerd » pagina 112.
Let op
Bij wagens zonder stabiliseringscontrole (ESC) knippert tijdens een ASR-in-
greep het controlelampje in het instrumentenpaneel.
Elektronisch sperdifferentieel (EDS)
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 112.
Het EDS verhindert het doordraaien van het betreffende wiel van de aange-
dreven as. Het EDS remt het eventueel doordraaiende wiel af en brengt de
aandrijfkracht op het andere aangedreven wiel over. Daardoor wordt het rijden
op een ondergrond met een verschillende grip onder de afzonderlijke wielen
van de aangedreven as vergemakkelijkt.
Om te voorkomen dat het afgeremde wiel niet te heet wordt, schakelt het EDS
automatisch uit. Er kan normaal met de wagen worden gereden en deze heeft
dezelfde eigenschappen als een wagen zonder EDS. Zodra de rem is afge-
koeld, wordt het EDS weer automatisch geactiveerd.
Remassistent (HBA)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 112.
De HBA versterkt de remkracht en helpt de remweg te verkorten.
De HBA wordt geactiveerd door het zeer snel indrukken van het rempedaal.
Om de kortst mogelijke remweg te bereiken, moet het rempedaal krachtig in-
getrapt blijven tot de wagen tot stilstand is gekomen.
Na het loslaten van het rempedaal wordt de werking van de HBA automatisch
uitgeschakeld.
Bergwegrijhulp (HHC)
Lees en bekijk eerst op bladzijde 112.
Met de HHC is het mogelijk bij het wegrijden op hellingen de voet van het rem-
pedaal naar het gaspedaal te verplaatsen zonder daarbij de handrem te hoe-
ven gebruiken.
Het systeem houdt de door de bediening van het rempedaal gegenereerde
remdruk nog circa twee seconden na het loslaten van het rempedaal vast.
De remdruk daalt geleidelijk, hoe meer gas er wordt gegeven. Als de wagen
niet binnen twee seconden wegrijdt, begint deze terug te rollen.
De HHC is actief vanaf een helling van 5% als het bestuurdersportier gesloten
is. De HHC is alleen actief bij het vooruit of achteruit wegrijden op een helling.
Parkeerhulp
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Werking
114
Activering/deactivering
114
De parkeerhulp (hierna alleen als systeem benoemd) attendeert door middel
van akoestische signalen resp. de weergave op het display van de radio resp.
het navigatiesysteem tijdens het manoeuvreren op obstakels in de buurt van
de wagen.
Het systeem berekent met behulp van ultrasone golven de afstand tussen de
bumper en een obstakel. De ultrasoonsensoren bevinden zich in de achter-
bumper.
ATTENTIE
Het systeem dient alleen als ondersteuning en ontslaat de bestuurder
niet van de verantwoording voor het bedienen van de wagen.
Bewegende personen of objecten kunnen door de systeemsensoren mo-
gelijk niet worden herkend.
113
Hulpsystemen
ATTENTIE (vervolg)
Oppervlakken van bepaalde voorwerpen en van kleding kunnen de sys-
teemsignalen niet altijd reflecteren. Daarom kunnen dergelijke objecten of
personen door de systeemsensoren mogelijk niet worden herkend.
Externe geluidsbronnen kunnen een storend effect hebben op de signa-
len van de systeemsensoren. Dit kan er onder ongunstige omstandigheden
toe leiden dat voorwerpen of personen mogelijk niet door de systeemsen-
soren worden herkend.
Daarom voor het manoeuvreren controleren of zich achter de wagen
geen klein obstakel, bijvoorbeeld een steen, dunne paal, aanhangerdissel
of iets dergelijks, bevindt. Dit obstakel kan door de systeemsensoren even-
tueel niet herkend worden.
VOORZICHTIG
De systeemsensoren schoon en sneeuw- en ijsvrij houden en niet met voor-
werpen afdekken, anders kan de systeemfunctie beperkt zijn.
Onder ongunstige weersomstandigheden (stortregen, mist, zeer lage resp.
hoge temperaturen en dergelijke) kan de werking van het systeem beperkt
zijn.
Extra gemonteerde accessoires, zoals bijvoorbeeld een fietsendrager, kun-
nen de werking van de parkeerhulp beïnvloeden.
Werking
Afbeelding 106
Reikwijdte van de sensoren
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 113.
Ongeveer de reikwijdte van de sensoren
Gebied » Afbeelding 106 Afstand achter de wagen (in cm)
A
160
B
60
Akoestische signalen en schermweergave
Met de vermindering van de afstand tot het obstakel wordt het interval tussen
de akoestische signalen korter. Vanaf een afstand van circa 30 cm tot het ob-
stakel klinkt een aanhoudende toon - gevarenzone. Vanaf dit moment mag
niet verder worden gereden!
Beschrijving van weergave op het display van de radio of het navigatiesys-
teem » Instructieboekje van radio; Instructieboekje van navigatiesysteem.
Activering/deactivering
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 113.
Het systeem wordt automatisch door het inschakelen van de achteruitver-
snelling geactiveerd. Dit wordt door een kort akoestisch signaal bevestigd.
Het systeem wordt door het uit de achteruitversnelling nemen gedeactiveerd.
Weergave van een storing
Als na activering van het systeem circa 3 seconden lang een waarschuwings-
toon klinkt en er zich geen obstakel in de buurt van de wagen bevindt, is er
sprake van een systeemstoring. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Let op
Bij wagens met af fabriek ingebouwde trekhaak kan het systeem bij aanhang-
wagengebruik niet worden geactiveerd.
Snelheidsregelsysteem
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Werking 115
Bedieningsbeschrijving 115
Het snelheidsregelsysteem (SRS) houdt de ingestelde snelheid constant, zon-
der dat het gaspedaal hoeft te worden bediend.
De toestand waarbij het SRS de snelheid constant houdt, wordt hierna als re-
geling aangeduid.
114
Rijden
ATTENTIE
Het SRS dient alleen als ondersteuning en ontslaat de bestuurder niet
van de verantwoording voor het bedienen van de wagen.
De snelheid altijd aanpassen aan het actuele weer, het wegdek, het zicht
en de verkeersomstandigheden.
Werking
Lees en bekijk eerst op bladzijde 115.
Basisvoorwaarden voor het starten van de regeling
Het SRS is geactiveerd .
Bij wagens met schakelbak moet de tweede versnelling of een hogere
versnelling zijn ingeschakeld.
Bij wagens met automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in
stand D, S of in de tiptronic-stand staan.
De actuele snelheid moet hoger dan circa 20 km/h zijn.
Dit is echter alleen mogelijk als motorvermogen resp. motorremwerking dit
toelaten.
ATTENTIE
Als het motorvermogen resp. de motorremwerking niet voldoende is om de
ingestelde snelheid aan te houden, moet de besturing worden overgeno-
men!
Bedieningsbeschrijving
Afbeelding 107
Bedieningshendel: Bedienings-
elementen van het snelheidsre-
gelsysteem
Lees en bekijk eerst op bladzijde 115.
Overzicht van de bedieningselementen van het SRS » Afbeelding 107
A
 SRS deactiveren (opgeslagen snelheid wissen)
 Regeling onderbreken (tegen de veerdruk in)
 SRS activeren (regeling inactief)
B
 Regeling weer hervatten
a)
/ snelheid verhogen
C
 Regeling starten / snelheid verlagen
a)
Als geen snelheid is opgeslagen, dan wordt de actuele snelheid overgenomen.
Na het starten van de regeling wordt de actuele snelheid opgeslagen en in het
instrumentenpaneel gaat het controlelampje
branden.
Na een onderbreking van de regeling kan de opgeslagen snelheid door het in-
drukken van toets
B
weer worden hervat.
Automatische regelingsonderbreking
De automatische regelingsonderbreking vindt plaats, als een van de volgende
situaties zich voordoet.
Door het intrappen van het rem- of koppelingspedaal.
Bij een ingreep van een van de remondersteunende hulpsystemen (bijvoor-
beeld ESC).
Door de activering van een airbag.
ATTENTIE
Om onbedoeld inschakelen van het snelheidsregelsysteem te voorkomen,
het systeem na gebruik altijd uitschakelen.
De regeling mag pas weer worden hervat als de opgeslagen snelheid niet
te hoog is voor de actuele verkeerssituatie.
Let op
Tijdens de regeling kan de snelheid door het bedienen van het gaspedaal wor-
den verhoogd. Na het loslaten van het gaspedaal daalt de snelheid tot de op-
geslagen waarde.
115
Hulpsystemen
Start-stopsysteem
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Werkingsvoorwaarden van het systeem
116
Werking bij wagens met schakelbak 116
Werking bij wagens met automatische versnellingsbak 117
Door systeem bepaald automatisch starten van motor 117
Systeem handmatig deactiveren/activeren 117
Meldingen 118
Het START-STOP-systeem (hierna alleen nog systeem genoemd) bespaart
brandstof en vermindert milieuschadelijke emissies en de CO
2
-uitstoot, door-
dat bijvoorbeeld bij het stoppen voor een verkeerslicht de motor wordt afgezet
en bij het wegrijden weer wordt gestart.
ATTENTIE
De wagen nooit met afgezette motor laten rollen.
Bij afgezette motor werken de rembekrachtiger en de stuurbekrachtiging
niet.
Werkingsvoorwaarden van het systeem
Afbeelding 108
MAXI DOT-display: Motor is auto-
matisch afgezet / automatisch
afzetten van motor is niet moge-
lijk
Lees en bekijk eerst op bladzijde 116.
Voor het door het systeem bepaald automatisch afzetten van de motor, moet
er aan de volgende voorwaarden worden voldaan.
Het bestuurdersportier is gesloten.
De bestuurder heeft de veiligheidsgordel omgegespt.
De motorkap is gesloten.
De snelheid was na de laatste keer stoppen hoger dan 4 km/h.
Er is geen aanhangwagen aangekoppeld.
Enkele andere voorwaarden voor de systeemfunctie kan de bestuurder niet
beïnvloeden en ook niet herkennen. Daarom kan het systeem in situaties, die
voor de bestuurder identiek zijn, verschillend reageren.
Als na het stilzetten van de wagen, op het segmentdisplay de melding START-
STOP NIET MOGELIJK resp. op het MAXI DOT-display het controlesymbool
» Afbeelding 108 verschijnt, dan is er niet voldaan aan de voorwaarden voor
het automatisch afzetten van de motor.
Het laten draaien van de motor is bijvoorbeeld om de volgende redenen nood-
zakelijk.
De motortemperatuur voor het goed werken van het systeem is nog niet be-
reikt.
De ladingstoestand van de accu is te laag.
Het stroomverbruik is te hoog.
Hoog airconditioning- resp. verwarmingsvermogen (hoog aanjagertoerental,
groot verschil tussen de gewenste en werkelijke interieurtemperatuur).
Let op
Indien de wagen bijvoorbeeld langere tijd bij temperaturen onder het vries-
punt in de buitenlucht staat of in direct zonlicht staat geparkeerd, kan het
meerdere uren duren voordat de inwendige temperatuur van de accu geschik-
te waarden bereikt voor een correcte werking van het systeem.
Als bij automatisch afgezette motor gedurende langer dan 30 seconden de
bestuurdersgordel is losgemaakt of het bestuurdersportier wordt geopend,
moet de motor handmatig worden gestart.
Na het handmatig starten van de motor bij een wagen met schakelbak kan
een automatisch afzetten van de motor pas dan gebeuren als een voor de sys-
teemfunctie vereiste minimumafstand is gereden.
Werking bij wagens met schakelbak
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 116.
Bij het voldoen aan de werkingsvoorwaarden gebeurt het automatisch afzet-
ten van de motor / het automatisch starten van de motor zoals beschreven.
Automatisch afzetten van motor
De wagen stilzetten.
De versnellingshendel in de neutraalstand zetten.
116
Rijden
Het koppelingspedaal loslaten.
Als de motor automatisch wordt afgezet, verschijnt op het segmentdisplay de
melding START-STOP ACTIEF resp. op het MAXI DOT-display verschijnt het
controlesymbool
» Afbeelding 108 op pagina 116.
Automatisch starten van motor
Het koppelingspedaal intrappen.
Er vindt een automatische herstart plaats.
Werking bij wagens met automatische versnellingsbak
Lees en bekijk eerst op bladzijde 116.
Bij het voldoen aan de werkingsvoorwaarden gebeurt het automatisch afzet-
ten van de motor / het automatisch starten van de motor zoals beschreven.
Automatisch afzetten van motor
De wagen afremmen tot stilstand en het rempedaal ingetrapt houden.
Als de motor automatisch wordt afgezet, verschijnt op het segmentdisplay de
melding START-STOP ACTIEF resp. op het MAXI DOT-display verschijnt het
controlesymbool
» Afbeelding 108 op pagina 116.
Automatisch starten van motor
Het rempedaal loslaten.
Er vindt een automatische herstart plaats.
Meer informatie over de automatische versnellingsbak
Het automatisch afzetten van de motor gebeurt in de keuzehendelstanden P,
D, S, N en in de tiptronic-stand.
In keuzehendelstand P blijft de motor ook na het loslaten van het rempedaal
uitgeschakeld. De motor wordt automatisch gestart als het gaspedaal wordt
ingetrapt of een andere rijstand wordt gekozen en het rempedaal wordt losge-
laten.
Als bij automatisch afgezette motor de keuzehendelstand R wordt ingescha-
keld, wordt de motor automatisch gestart.
Als de keuzehendel vanuit de stand R in de stand D, S of N wordt gezet, moet
de wagen voor het opnieuw automatisch afzetten van de motor eerst een
snelheid van meer dan 10 km/h bereiken.
De motor wordt niet automatisch afgezet als het systeem een wagenbewe-
ging als gevolg van een grote stuurwielverdraaiing herkent.
Indien de wagen met een lage snelheid rijdt (bijvoorbeeld in de file of bij het
afslaan) en na licht intrappen van het rempedaal blijft staan, vindt geen auto-
matische motoruitschakeling plaats. Door krachtiger intrappen van het rempe-
daal wordt de motor automatisch uitgeschakeld.
Door systeem bepaald automatisch starten van motor
Lees en bekijk eerst op bladzijde 116.
Bij automatisch afgezette motor kan het systeem de motor nog vóór het ge-
wenste verder rijden starten. Dit kan bijvoorbeeld door de volgende redenen
worden veroorzaakt:
De wagen rolt weg, bijvoorbeeld op een helling.
Het rempedaal is meermaals ingetrapt.
Het stroomverbruik is te hoog.
Systeem handmatig deactiveren/activeren
Afbeelding 109
Toets voor het start-stopsys-
teem
Lees en bekijk eerst op bladzijde 116.
Deactiveren/activeren
Op symbooltoets
» Afbeelding 109 drukken.
Bij gedeactiveerde start-stopfunctie brandt het controlelampje in de toets.
Let op
Als het systeem bij automatisch afgezette motor wordt gedeactiveerd, dan
wordt de motor automatisch gestart.
117
Hulpsystemen
Meldingen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 116.
De meldingen worden op het display van het instrumentenpaneel weergege-
ven.
Motor handmatig starten!
HANDM STARTEN
Aan een van de voorwaarden voor het automatisch starten van de motor is
niet voldaan resp. de bestuurdersgordel is losgemaakt. De motor moet hand-
matig worden gestart.
Storing: Start-stop
FOUT START-STOP
Er is een storing in het systeem aanwezig. De hulp van een erkend reparateur
inroepen.
Trekhaak en aanhangwagen
Trekhaak
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Beschrijving 119
Paraatheidsstand 119
Kogelkop monteren 120
Correcte bevestiging controleren 121
Kogelkop verwijderen 121
Gebruik en onderhoud 122
Als uw wagen al af fabriek met een trekhaak of met een trekhaak uit het origi-
nele ŠKODA accessoireprogramma is uitgerust, voldoet deze aan alle techni-
sche en wettelijke eisen.
De elektrische verbinding tussen trekkende wagen en aanhangwagen ge-
schiedt via een 13-polig aanhangwagenstopcontact. Als de betreffende aan-
hangwagen over een 7-polige steker beschikt, kunt u een overeenkomstige
adapter uit het originele ŠKODA accessoireprogramma gebruiken.
De maximale kogeldruk bedraagt 50 kg.
ATTENTIE
Voor elke rit met aangebrachte kogelkop controleren of deze correct in
de bevestigingsschacht is aangebracht en bevestigd.
Als de kogelkop niet correct in de bevestigingsschacht is aangebracht en
bevestigd, mag deze niet worden gebruikt.
Als de trekhaak beschadigd of onvolledig is, mag deze niet worden ge-
bruikt.
Geen veranderingen of aanpassingen aan de trekhaak uitvoeren.
De kogelkop nooit met een aangekoppelde aanhangwagen ontgrendelen.
VOORZICHTIG
Voorzichtig met de kogelkop omgaan om lakschade aan de bumper te vermij-
den.
Let op
De wagen met behulp van de afneembare kogelkop afslepen » pagina 168.
118
Rijden
Beschrijving
Afbeelding 110 Drager van de trekhaak / kogelkop
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 118.
De kogelkop kan worden verwijderd en bevindt zich in de uitsparing voor het
reservewiel of in een vak voor het reservewiel in de bagageruimte » pagina
158.
Drager van de trekhaak en kogelkop » Afbeelding 110
13-polig stopcontact
Borgoog
Bevestigingsschacht
Afdekkap
Beschermkap
Kogelkop
Vergrendelingskogels
Centrering
Groene markering op het handwiel
Handwiel
Sleutel
Slotkap
Rode markering op het handwiel
Witte markering op de kogelkop
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Let op
Aan de onderzijde van de sleutel staat een codenummer. Bij verlies van een
sleutel contact opnemen met een erkend reparateur. Hij kan aan de hand van
dit codenummer voor een vervangende sleutel zorgen.
Paraatheidsstand
Afbeelding 111 Paraatheidsstand instellen
Afbeelding 112 Paraatheidsstand
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 118.
De kogelkop vóór het aanbrengen altijd in de paraatheidsstand zetten.
De sleutel
A
in pijlrichting
1
tot de aanslag draaien » Afbeelding 111.
Het handwiel
B
in pijlrichting
2
trekken en in pijlrichting
3
tot de aanslag
draaien.
Het handwiel blijft in deze stand vergrendeld.
119
Trekhaak en aanhangwagen
Correct ingestelde paraatheidsstand » Afbeelding 112
De sleutel
C
bevindt zich in de ontgrendelde stand - de pijl op de sleutel
wijst naar het symbool "Slot open". De sleutel kan niet worden verwijderd.
De vergrendelingskogels
D
kunnen volledig in de kogelkop worden ge-
drukt.
De rode markering
E
op het handwiel wijst naar de witte markering op de
kogelkop.
Tussen het handwiel en de kogelkop is een duidelijke spleet van circa 4
mm
F
aanwezig.
De zo ingestelde kogelkop is gereed voor montage.
ATTENTIE
Als de kogelkop niet correct in de paraatheidsstand kan worden aange-
bracht, mag deze niet worden gebruikt.
VOORZICHTIG
De sleutel kan in de paraatheidsstand niet uit het handwielslot worden verwij-
derd.
Kogelkop monteren
Afbeelding 113 Kogelkop aanbrengen / slot vergrendelen en sleutel ver-
wijderen
Afbeelding 114
Slotkap aanbrengen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 118.
De afdekkap voor de bevestigingsschacht
4
» Afbeelding 110 op pagina 119
naar beneden lostrekken.
De kogelkop in de paraatheidsstand instellen » pagina 119.
De kogelkop van onderen vastpakken » Afbeelding 113 en in de bevestigings-
schacht aanbrengen tot hij hoorbaar aangrijpt » .
Het handwiel
A
draait zelfstandig terug en ligt tegen de kogelkop aan » .
Het handwielslot door draaien van de sleutel
B
tot de aanslag naar rechts in
pijlrichting
1
vergrendelen - de pijl op de sleutel wijst naar het symbool
"Slot gesloten".
De sleutel in pijlrichting
2
verwijderen.
De kap
C
op het handwielslot in pijlrichting
3
» Afbeelding 114 aanbrengen.
De kogelkop op een correcte bevestiging controleren » pagina 121.
ATTENTIE
Het handwiel bij het bevestigen van de kogelkop niet met de hand vast-
houden - gevaar voor verwondingen aan de vingers.
Na de montage van de kogelkop altijd het slot vergrendelen en de sleutel
verwijderen.
De kogelkop mag niet met aangebrachte sleutel worden gebruikt.
Indien de kogelkop zich niet in de paraatheidsstand bevindt, kan deze
niet in de bevestigingsschacht worden bevestigd.
VOORZICHTIG
Na het verwijderen van de sleutel altijd de kap op het handwielslot aanbren-
gen - gevaar voor vervuiling van het slot.
120
Rijden
Let op
De afdekkap voor de bevestigingsschacht na het verwijderen op een geschikte
plek in de bagageruimte bewaren.
Correcte bevestiging controleren
Afbeelding 115
Correct bevestigde kogelkop
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 118.
Vóór het gebruik van de kogelkop moet deze altijd op een correcte bevestiging
worden gecontroleerd.
Correct bevestigde kogelkop » Afbeelding 115
de kogelkop bij sterk "trekken" niet loskomt van de bevestigingsschacht.
De groene markering
A
op het handwiel wijst naar de witte markering op
de kogelkop.
Het handwiel dicht tegen de kogelkop aan ligt - er is geen speet aanwezig.
Het handwielslot is vergrendeld en de sleutel is verwijderd.
De kap
B
is op het handwielslot aangebracht.
ATTENTIE
De trekhaak mag alleen worden gebruikt als de kogelkop correct is ver-
grendeld!
Kogelkop verwijderen
Afbeelding 116 Slotkap verwijderen / slot ontgrendelen
Afbeelding 117
Kogelkop losmaken
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 118.
De kap
A
in pijlrichting
1
» Afbeelding 116 van het handwielslot verwijde-
ren.
De sleutel
B
in het slot steken.
Het handwielslot door draaien van de sleutel
B
tot de aanslag naar links in
pijlrichting
2
ontgrendelen - de pijl op de sleutel wijst naar het symbool
"Slot open".
De kogelkop van onderen vastpakken » Afbeelding 117 en met de andere
hand het handwiel
C
in pijlrichting
3
trekken.
Het bediende handwiel tot de aanslag in pijlrichting
4
draaien en in deze
stand vasthouden.
De kogelkop in pijlrichting
5
naar beneden uit de bevestigingsschacht trek-
ken.
De kogelkop vergrendelt tegelijkertijd in de paraatheidsstand en is hierdoor
klaar om weer in de bevestigingsschacht te worden aangebracht » .
121
Trekhaak en aanhangwagen
De afdekkap voor de bevestigingsschacht
4
» Afbeelding 110 op pagina 119
aanbrengen.
ATTENTIE
De kogelkop nooit los in de bagageruimte laten liggen. Deze zou bij een
plotselinge remmanoeuvre beschadigingen kunnen veroorzaken en de in-
zittenden in gevaar kunnen brengen!
De kogelkop nooit bij een aangekoppelde aanhangwagen uitbouwen.
VOORZICHTIG
Als het handwiel niet tot de aanslag wordt gedraaid, dan draait deze zich na
het verwijderen van de stang met kogelkop terug, ligt het tegen de stang met
kogelkop en klikt het niet in de paraatheidsstand. De kogelkop moet dan vóór
de volgende inbouw in deze stand worden gebracht.
Na het uitbouwen dient de bevestigingsschacht met de afdekkap te worden
afgesloten. Zo wordt voorkomen dat vuildeeltjes in de bevestigingsschacht ko-
men.
Let op
Wij adviseren voor het verwijderen van de kogelkop de beschermkap op de
kogelkop te zetten.
De kogelkop schoonmaken vóór het opbergen in de box met het wagenge-
reedschap.
Gebruik en onderhoud
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 118.
De bevestigingsschacht met de kap afsluiten, zodat geen vuil kan binnendrin-
gen.
Altijd de kogelkop controleren voordat een aanhangwagen wordt aangekop-
peld en deze zo nodig met een geschikt smeervet behandelen.
Bij het opbergen van de kogelkop de beschermkap gebruiken om de bagage-
ruimte tegen vervuiling te beschermen.
In geval van vervuiling de vlakken van de bevestigingsschacht reinigen en met
een geschikt conserveringsmiddel behandelen.
VOORZICHTIG
Het bovenste gedeelte van de bevestigingsschacht is voorzien van smeervet.
Let erop dat het vet niet wordt verwijderd.
Aanhangwagen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Aanhangwagen beladen
122
Met een aanhangwagen rijden 123
Alarmsysteem 124
ATTENTIE
Met de aanhangwagen altijd bijzonder voorzichtig rijden.
Aanhangwagen beladen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 122.
De wagen met aanhangwagen moet in evenwicht zijn. Hiertoe moet de maxi-
maal toelaatbare kogeldruk worden benut. Een te geringe kogeldruk beïn-
vloedt het rijgedrag van de wagen met aanhangwagen.
Verdelen van de lading
De belading op de aanhangwagen zo verdelen, dat zware voorwerpen zo dicht
mogelijk bij de as liggen. De voorwerpen vastzetten, zodat deze niet kunnen
verschuiven.
Bij een lege wagen en een beladen aanhangwagen is de gewichtsverdeling
zeer ongunstig. Als u toch met deze combinatie moet rijden, rijd dan bijzonder
langzaam.
Bandenspanning
De bandenspanning van uw wagen aanpassen voor "volle belasting"» pagina
151, Levensduur van banden.
Aanhangwagengewicht en treingewicht
Het toelaatbare aanhangwagengewicht mag in geen geval worden overschre-
den » pagina 180, Technische gegevens.
De informatie in de technische wagendocumentatie heeft altijd voorrang bo-
ven de informatie in dit instructieboekje.
De aangegeven aanhangwagengewichten gelden alleen tot een hoogte van 1
000 m boven zeeniveau.
122
Rijden
Met toenemende hoogte daalt het motorvermogen en daarbij neem ook het
klimvermogen af. Daarom moet per 1.000 m hoogtetoename het maximaal
toelaatbare gewicht van de combinatie met 10% worden verminderd.
Het treingewicht bestaat uit het werkelijke gewicht van de beladen, trekkende
wagen en de beladen aanhangwagen.
De gegevens over het aanhangwagengewicht en de kogeldruk op het typepla-
tje van de trekhaak zijn slechts testwaarden. De wagenspecifieke waarden zijn
in de wagenpapieren opgenomen.
ATTENTIE
De maximaal toelaatbare asbelasting en kogeldruk alsmede het maximaal
toelaatbare totaal- of treingewicht van de wagen en de aanhangwagen
niet overschrijden - gevaar voor ongevallen!
Een glijdende lading kan de rijstabiliteit en de rijveiligheid aanzienlijk be-
invloeden - gevaar voor ongevallen!
Met een aanhangwagen rijden
Afbeelding 118
13-polig stopcontact opzij klap-
pen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 122.
Voor de rit
Het 13-polige stopcontact bij de greep
A
vastpakken en in pijlrichting zwen-
ken » Afbeelding 118.
De beschermkap
5
» Afbeelding 110 op pagina 119 naar boven verwijderen.
Na de rit
Het 13-polige stopcontact bij de greep
A
vastpakken en tegen de pijlrichting
in zwenken » Afbeelding 118.
De beschermkap
5
» Afbeelding 110 op pagina 119 op de kogelkop aanbren-
gen.
Borgoog
Het borgoog
B
» Afbeelding 118 dient voor het vastmaken van de breekkabel
van de aanhangwagen.
Bij het vastmaken aan het borgoog moet de breekkabel in alle standen van de
aanhangwagen ten opzicht van de wagen (scherpe bochten, achteruitrijden
enzovoort) doorhangen.
Buitenspiegels
Als u het verkeer achter de aanhangwagen niet met de gewone buitenspiegels
kunt overzien, moet u extra buitenspiegels laten plaatsen. De nationale wette-
lijke voorschriften moeten worden opgevolgd.
Koplampen
De voorzijde van de wagen kan bij aangekoppelde aanhangwagen omhoogko-
men en het licht kan andere verkeersdeelnemers verblinden.
De koplampafstelling met de draaiknop voor lichtbundelhoogteverstelling aan-
passen » pagina 57.
Rijsnelheid
Veiligheidshalve met de aanhangwagen niet sneller rijden dan 80 km/h.
Meteen snelheid verminderen, zodra u ook maar de minste slingerbeweging
van de aanhangwagen waarneemt. Nooit proberen een slingerende wagen
met aanhangwagen weer "recht te trekken" door te accelereren.
Remmen
Op tijd remmen! Bij een aanhangwagen met oplooprem eerst zacht en daarna
stevig remmen. Zo voorkomt u remschokken door blokkerende aanhangwa-
genwielen.
Voor hellingen bijtijds een lagere versnelling kiezen zodat de motor als rem
kan fungeren.
Oververhitting van de motor
Als de naald van de koelvloeistoftemperatuurmeter zich naar rechts resp. naar
het rode gedeelte van de meter beweegt, direct snelheid minderen.
Als het controlelampje
in het instrumentenpaneel » pagina 34 gaat branden
resp. knipperen, stoppen en de motor afzetten. Enkele minuten wachten en
het koelvloeistofpeil controleren » pagina 144.
Op de volgende aanwijzingen letten » pagina 34.
De koelvloeistoftemperatuur kan worden verlaagd door de verwarming in te
schakelen.
123
Trekhaak en aanhangwagen
ATTENTIE
Het borgoog nooit gebruiken voor het afslepen!
De rijstijl moet worden aangepast aan de staat van het wegdek en de
verkeerssituatie.
Ondeskundig of verkeerd aangesloten elektrische kabels kunnen de aan-
hangwagen onder stroom zetten en storingen in de gehele wagenelektro-
nica veroorzaken, wat tot ongevallen en zware verwondingen kan leiden.
Alle werkzaamheden aan de elektrische installatie mogen alleen door een
erkend reparateur worden uitgevoerd.
De elektrische installatie van de aanhangwagen nooit direct aansluiten
op de elektrische aansluitingen van de achterlichten of andere stroombron-
nen.
Na het aankoppelen van de aanhangwagen en het aansluiten van het
stopcontact moet de werking van de achterlichten van de aanhangwagen
worden gecontroleerd.
Let op
Bij een storing in de verlichting van de aanhangwagen de zekeringen in de
zekeringenhouder in het dashboard controleren » pagina 172.
Door contact van de breekkabel met het borgoog kan mechanische slijtage
van de oppervlaktelaag van het oog optreden. Deze slijtage vormt geen defect
aan het borgoog en is van de garantie uitgesloten.
Bij regelmatig gebruik van een aanhangwagen dient de wagen ook tussen de
voorgeschreven service-intervallen in te worden gecontroleerd.
De handrem van de trekkende wagen moet bij het aan- en afkoppelen van
de aanhangwagen aangetrokken zijn.
Alarmsysteem
Lees en bekijk eerst op bladzijde 122.
Bij een vergrendelde wagen wordt het alarm geactiveerd, zodra de elektrische
verbinding met de aanhangwagen wordt onderbroken.
Het alarmsysteem altijd uitschakelen, voordat u een aanhangwagen aankop-
pelt of loskoppelt » pagina 52.
Voorwaarden voor de opname van een aanhangwagen in het alarmsysteem.
De wagen is af fabriek met een alarmsysteem en een trekhaak uitgerust.
De aanhangwagen is via het stopcontact voor de aanhangwagen elek-
trisch met de trekkende wagen verbonden.
De elektrische installatie van de wagen en de aanhangwagen is gebruiks-
klaar.
De wagen is met de sleutel vergrendeld en het alarmsysteem is ingescha-
keld.
VOORZICHTIG
Aanhangwagens met led-achterlichten kunnen om technische redenen niet in
het alarmsysteem worden opgenomen.
124
Rijden
Raadgevingen voor het gebruik
Verzorging en onderhoud
Servicewerkzaamheden, aanpassingen en technische wijzigingen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Wettelijke controles
125
ŠKODA Servicepartner 126
De originele ŠKODA onderdelen 126
De originele ŠKODA accessoires 126
Spoilers
127
Airbags 127
Terugname en recycling van oude wagens 128
Bij het uitvoeren van aanpassingen, reparaties of technische wijzigingen aan
uw wagen dienen de aanwijzingen en richtlijnen van ŠKODA AUTO a.s. in acht
te worden genomen.
De richtlijnen en aanwijzingen worden nageleefd in het belang van de ver-
keersveiligheid en de goede technische toestand van uw wagen. De wagen
voldoet ook na het uitvoeren van de aanpassingen, reparaties en technische
wijzigingen aan de wettelijke typegoedkeuring.
Vóór de aanschaf van accessoires, onderdelen of het uitvoeren van aanpassin-
gen, reparaties of technische wijzigingen aan uw wagen dient altijd advies te
worden ingewonnen bij een ŠKODA Partner » pagina 126.
ATTENTIE
Ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden aan uw wagen kunnen storin-
gen veroorzaken - gevaar voor ongevallen!
Wijzigingen van elektronische onderdelen en de bijbehorende software
kunnen tot storingen leiden. Vanwege de koppeling van elektronische on-
derdelen kunnen deze storingen ook direct de werking van systemen be-
lemmeren, die er in eerste instantie niet mee te maken hebben. De be-
drijfsveiligheid van de wagen kan hierdoor in gevaar komen en er kan een
verhoogde onderdeelslijtage optreden.
Milieu-aanwijzing
Technische documentatie over uitgevoerde wijzigingen dient te worden be-
waard om deze later te kunnen overhandigen aan het demontagebedrijf. Op
deze manier wordt een milieuvriendelijke demontage gegarandeerd.
Let op
Wij adviseren aanpassingen en technische wijzigingen alleen door een er-
kend reparateur te laten uitvoeren.
Schade die is ontstaan door technische wijzigingen zonder voorafgaande
toestemming van de fabrikant is van de garantie uitgesloten » Serviceplan.
De ŠKODA Partner is niet aansprakelijk voor producten die niet door ŠKODA
AUTO a.s. zijn goedgekeurd, hoewel het om producten kan gaan waarbij een
rapport van een officiële technische keuringsdienst of van een overheidsin-
stantie is bijgevoegd.
We raden u aan voor uw wagen alleen goedgekeurde originele ŠKODA acces-
soires en originele ŠKODA onderdelen te gebruiken. Hierbij is de betrouwbaar-
heid, de veiligheid en geschiktheid voor uw wagen gegarandeerd.
Originele ŠKODA accessoires en originele ŠKODA onderdelen zijn verkrijgbaar
bij de ŠKODA Partners. Deze kunnen ook de montage van de aangekochte on-
derdelen vakkundig voor u uitvoeren.
Wettelijke controles
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 125.
In vele landen bestaan wettelijke regelingen om de bedrijfszekerheid, de ver-
keersveiligheid en/of de uitlaatgasemissiewaarden van de wagen regelmatig
te laten controleren. Deze controles kunnen door werkplaatsen of testcentra
worden uitgevoerd die door de wetgever hiervoor zijn aangewezen.
De ŠKODA Servicepartners zijn op de hoogte van de wettelijk noodzakelijke
controles en bereiden uw wagen op verzoek bij een servicebeurt op deze con-
troles voor of voeren deze controles voor u uit. De erkend reparateurs kunnen
zo mogelijk op verzoek de vastgelegde controles direct voor u uitvoeren. Dit
betekent voor u een besparing in tijd en geld.
Ook indien u uw wagen zelf bij een wettelijk erkend deskundige ter controle
wilt aanbieden, adviseren wij u van tevoren advies in te winnen bij de servi-
ceadviseur van uw ŠKODA Servicepartner.
De serviceadviseur kan u vertellen op welke punten u dient te letten, zodat uw
wagen de technische controle probleemloos doorstaat. Zo voorkomt u onnodi-
ge uitgaven voor een eventuele herkeuring.
125
Verzorging en onderhoud
ŠKODA Servicepartner
Lees en bekijk eerst op bladzijde 125.
De ŠKODA Servicepartners zijn uitgerust met moderne, speciaal ontwikkelde
gereedschappen en apparatuur. Ze beschikken over goed geschoold, vakkun-
dig personeel en maken gebruik van het omvangrijke assortiment ŠKODA origi-
nele onderdelen en ŠKODA originele accessoires.
Alle ŠKODA Servicepartners werken volgens de nieuwste richtlijnen en aanwij-
zingen van ŠKODA AUTO a.s. Alle service- en reparatiewerkzaamheden worden
hierdoor tijdig en vakkundig uitgevoerd. De richtlijnen en aanwijzingen worden
nageleefd in het belang van de verkeersveiligheid en de goede technische toe-
stand van uw wagen.
De ŠKODA Servicepartners zijn derhalve uitstekend voorbereid om uw wagen
volgens de hoogste kwaliteitseisen te onderhouden. Wij adviseren daarom alle
aanpassingen, reparaties en technische wijzigingen aan uw wagen door een
ŠKODA Servicepartner te laten uitvoeren.
De originele ŠKODA onderdelen
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 125.
Voor uw wagen adviseren wij het gebruik van ŠKODA originele onderdelen,
omdat deze onderdelen door ŠKODA AUTO a.s. zijn goedgekeurd en vrijgege-
ven. Deze onderdelen voldoen wat betreft uitvoering, maatvoering en materi-
aalgebruik exact aan de voorschriften van ŠKODA AUTO a.s. en zijn daarmee
identiek aan de in de serieproductie gebruikte onderdelen.
ŠKODA AUTO a.s. staat garant voor de veiligheid, betrouwbaarheid en duur-
zaamheid van deze onderdelen. Daarom adviseren wij u om alleen ŠKODA ori-
ginele onderdelen te gebruiken.
ŠKODA voorziet de markt van een compleet assortiment aan ŠKODA originele
onderdelen - niet alleen zolang een bepaald model geproduceerd wordt, maar
nog minstens 15 jaar na beëindiging van de productie wordt de markt voorzien
van slijtage-onderdelen en nog minstens 10 jaar na beëindiging van de produc-
tie van alle andere wagenonderdelen.
De ŠKODA Servicepartners zijn conform de wettelijke voorschriften tot 2 jaar
na verkoop aansprakelijk voor eventuele gebreken aan ŠKODA originele onder-
delen, voor zover in het koopcontract niet iets anders is overeengekomen. Zo
lang dient u ook het ondertekende garantiebewijs en de rekening voor deze
onderdelen te bewaren, zodat de garantieperiode kan worden aangetoond.
Carrosseriereparaties
ŠKODA wagens zijn zo gebouw dat in geval van schade aan de carrosserie al-
leen de werkelijk beschadigde onderdelen vervangen hoeven te worden.
Voordat u besluit om carrosseriedelen te laten vervangen, adviseren wij u om
bij een erkend reparateur na te vragen of deze onderdelen ook gerepareerd
kunnen worden. Het repareren van carrosseriedelen is in de meeste gevallen
goedkoper.
De originele ŠKODA accessoires
Lees en bekijk eerst op bladzijde 125.
Als u uw wagen wilt uitrusten met accessoires dient u op het volgende te let-
ten.
Wij adviseren voor uw wagen alleen ŠKODA originele accessoires te gebruiken.
Voor deze accessoires staat ŠKODA AUTO a.s. garant voor de betrouwbaar-
heid, de veiligheid en de geschiktheid voor uw wagen. Bij gebruik van andere
producten kunnen we de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid voor uw
wagen niet beoordelen - ook niet als een rapport van een officiële technische
keuringsdienst of van een overheidsinstantie is bijgevoegd.
Alle accessoires doorlopen een uitgebreid proces bij de technische ontwikke-
ling (technische controles) en kwaliteitsbeoordelingen (klantbeoordelingen).
Alleen als alle tests positief uitvallen, wordt het product een ŠKODA origineel
accessoire.
Bij het aanbod aan ŠKODA originele accessoires hoort ook het deskundig ad-
vies en, naar wens, de vakkundige montage.
De ŠKODA Servicepartners zijn conform de wettelijke voorschriften tot 2 jaar
na verkoop aansprakelijk voor eventuele gebreken aan ŠKODA originele acces-
soires, voor zover in het koopcontract niet iets anders is overeengekomen. Zo
lang dient u ook het ondertekende garantiebewijs en de rekening voor deze
accessoires te bewaren, zodat de garantieperiode kan worden aangetoond.
Daarnaast kunt u bij de ŠKODA Servicepartners vanzelfsprekend ook terecht
voor onderhoudsproducten en voor alle onderdelen die blootstaan aan natuur-
lijke slijtage, zoals bijvoorbeeld banden, accu's gloeilampen en wisserbladen.
126
Raadgevingen voor het gebruik
Let op
De door ŠKODA AUTO a.s. vrijgegeven accessoires worden via de ŠKODA Part-
ners aangeboden in alle landen waarin ŠKODA AUTO a.s. is vertegenwoordigd.
Dit aanbod wordt gepresenteerd in de vorm van een gedrukte catalogus met
ŠKODA originele accessoires, in de vorm van gedrukte folders of door middel
van aanbiedingen van ŠKODA originele accessoires op de internetpagina's van
de ŠKODA Partners.
Spoilers
Lees en bekijk eerst op bladzijde 125.
Indien uw nieuwe wagen is uitgerust met een spoiler op de voorbumper in
combinatie met de spoiler op de achterklep, dienen de volgende aanwijzingen
te worden opgevolgd.
Om veiligheidsredenen is het noodzakelijk dat een wagen met een spoiler op
de voorbumper altijd is uitgerust met een spoiler op de achterklep.
Een dergelijke spoiler op de voorbumper kan niet alleen of in combinatie met
een ongeschikte spoiler op de achterklep worden gemonteerd.
Eventuele reparaties, het vervangen van, het toevoegen van of het verwijde-
ren van spoilers adviseren wij met een ŠKODA Servicepartner te overleggen.
ATTENTIE
Ondeskundige uitgevoerde werkzaamheden aan de spoilers van uw wa-
gen kunnen functiestoringen tot gevolg hebben - gevaar voor ongevallen
en verwondingen!
Bij het naderhand monteren van een frontspoiler, wieldoppen, enzovoort,
moet worden veiliggesteld dat de luchttoevoer naar de voorremmen niet
wordt beïnvloed. Anders kunnen de voorste remmen oververhit raken, wat
de werking van het remsysteem negatief kan beïnvloeden - gevaar voor
ongevallen!
Airbags
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 125.
De systeemcomponenten van het airbagsysteem kunnen zich in de voorbum-
per, in de portieren, voorstoelen, in de hemelbekleding of in de carrosserie be-
vinden.
ATTENTIE
Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem evenals het in- en uitbou-
wen van onderdelen van het systeem vanwege andere reparatiewerk-
zaamheden (bijvoorbeeld het stuurwiel uitbouwen) mogen alleen door
een erkend reparateur worden uitgevoerd.
Aanpassingen, reparaties en technische wijzigingen die ondeskundig zijn
uitgevoerd, kunnen schade en functiestoringen veroorzaken en de werking
van het airbagsysteem negatief beïnvloeden - gevaar voor ongevallen en
zware verwondingen!
Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden vervangen.
Airbagmodules kunnen niet worden gerepareerd.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het behandelen van het airbagsysteem
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de afzonderlijke
delen van het airbagsysteem, omdat dit tot activeren van een airbag kan
leiden.
Nooit uit oude wagens uitgebouwde of uit de recycling voortkomende air-
bagonderdelen in de wagen inbouwen.
Nooit beschadigde airbagdelen in de wagen inbouwen. Dat kan tot gevolg
hebben dat de airbags in geval van een aanrijding niet juist of helemaal niet
werken.
Aan de delen van het airbagsysteem mag geen enkele verandering wor-
den aangebracht.
ATTENTIE
Een wijziging aan de wielophanging van de wagen inclusief het gebruik
van niet toegelaten velg-bandcombinaties kan de werking van het airbag-
systeem veranderen - gevaar voor ongevallen en zware verwondingen!
Nooit wijzigingen aan de voorbumper of aan de carrosserie aanbrengen.
127
Verzorging en onderhoud
Terugname en recycling van oude wagens
Lees en bekijk eerst op bladzijde 125.
ŠKODA voldoet aan de eisen voor het merk en zijn producten op het gebied
van bescherming van milieu en hulpbronnen. Alle nieuwe ŠKODA-wagens zijn
voor 95% recycleerbaar en kunnen aan het einde van hun levensduur koste-
loos
1)
worden teruggegeven.
In veel landen staat een netwerk van verzamelpunten en demontagebedrijven
ter beschikking om uw wagen terug te nemen. Na de teruggave ontvangt u
een bevestiging die een milieuverantwoorde recycling van de afgedankte wa-
gen waarborgt.
Let op
Meer informatie over terugname en recycling van oude wagens krijgt u bij een
erkend reparateur.
Wagen wassen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Wassen met de hand
128
Automatische wasinstallaties 129
Wassen met hogedrukreiniger 129
De beste bescherming van de wagen tegen schadelijke milieu-invloeden is de
wagen vaak te wassen.
Hoe langer insectenresten, vogelpoep, wegenzout en andere agressieve af-
zettingen op de lak blijven zitten, des te schadelijker dit is. Hoge temperatu-
ren, bijvoorbeeld door intensieve zonnestraling, versterken de bijtende werk-
ing.
Na het einde van het koude jaargetijde moet ook de onderzijde van de wagen
grondig worden gereinigd.
ATTENTIE
Wassen van de wagen in de winter: Vocht en ijs in het remsysteem kunnen
een nadelig effect op de remwerking hebben - kans op ongevallen!
VOORZICHTIG
De temperatuur van het water mag maximaal 60 °C bedragen, omdat anders
de wagen kan worden beschadigd.
Milieu-aanwijzing
De wagen alleen wassen op speciaal daarvoor bedoelde wasplaatsen.
Wassen met de hand
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 128.
Het vuil met veel water inweken en zo goed mogelijk afspoelen.
De wagen met een zachte spons of een washandschoen reinigen. Daarbij van
boven naar beneden werken - te beginnen met het dak.
Voor hardnekkige verontreinigingen moeten speciaal hiervoor bedoelde mid-
delen worden gebruikt.
De spons of de washandschoen met korte tussenpozen grondig uitspoelen.
Wielen, dorpels en dergelijke als laatste schoonmaken. Gebruik hiervoor een
tweede spons.
De wagen na het wassen grondig afspoelen en drogen met een zeem.
ATTENTIE
De handen en armen beschermen tegen delen met scherpe randen, wan-
neer u bijvoorbeeld de onderkant, het uitlaatsysteem, de wieldoppen of de
binnenkant van de wielkasten schoonmaakt - gevaar voor verwondingen!
VOORZICHTIG
De lakoppervlakken van de wagen slechts met lichte druk reinigen.
De wagen niet in de felle zon wassen - gevaar voor lakschade.
1)
Onder voorbehoud dat aan de nationale wettelijke bepalingen wordt voldaan.
128
Raadgevingen voor het gebruik
Automatische wasinstallaties
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 128.
Vóór het wassen van de wagen in een automatische wasinstallatie moeten de
gebruikelijke voorzorgsmaatregelen (sluiten van de ruiten en het schuif-/kan-
teldak en dergelijke) worden genomen.
Als uw wagen is voorzien van speciale aanbouwdelen - bijvoorbeeld spoilers,
imperiaal, autotelefoonantenne - kunt u het beste vooraf contact opnemen
met de exploitant van de wasinstallatie.
Na het wassen van de wagen in een wasinstallatie met aansluitende conser-
vering dienen de ruitenwisserbladen met speciaal hiervoor bedoelde reini-
gingsmiddelen te worden gereinigd en ontvet.
VOORZICHTIG
Bij het wassen van de wagen in een automatische wasinstallatie moeten de
buitenspiegels worden ingeklapt om deze niet te beschadigen. Elektrisch ver-
stelbare buitenspiegels in geen geval handmatig, maar alleen elektrisch in- of
uitklappen.
Wassen met hogedrukreiniger
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 128.
Bij het wassen van de wagen met een hogedrukreiniger moeten de instructies
voor de hogedrukreiniger worden opgevolgd. Dat geldt vooral voor de druk en
de spuitafstand.
Houd een voldoende grote afstand aan tot de sensoren van de parkeerhulp en
zachte materialen zoals rubber slangen of isolatiemateriaal.
VOORZICHTIG
Als de wagen in de winter met een slang of hogedrukreiniger wordt afgespo-
ten, mag de waterstraal niet direct op de slotcilinders of op de naden van de
portieren, de motorkap of de achterklep worden gericht - gevaar voor bevrie-
zen!
Om de sensoren bij het reinigen met een hogedrukreiniger of stoomreiniger
niet te beschadigen, mogen de sensoren niet direct van korte afstand worden
bespoten en moet een minimumafstand van 10 cm worden aangehouden.
Let op
Zie ook wagen met decoratiefolie met hogedrukreiniger wassen » pagina 131.
Exterieur verzorgen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Lak van de wagen
130
Kunststof delen 130
Rubbers 130
Verchroomde delen 130
Decoratiefolie 131
Ruiten en buitenspiegels 131
Koplampglazen 131
Portierslotcilinders 132
Conservering van holle ruimten 132
Wielen 132
Bodembeschermlaag 132
Ruitenwisserbladen 132
Wij adviseren onderhoudsmiddelen uit het originele ŠKODA accessoirepro-
gramma te gebruiken, die bij ŠKODA Partners verkrijgbaar zijn. De gebruiks-
voorschriften op de verpakking in acht nemen.
ATTENTIE
Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn
voor de gezondheid.
Het onderhoudsmiddel altijd veilig bewaren voor personen die niet volle-
dig zelfstandig zijn, bijvoorbeeld kinderen - er bestaat gevaar voor vergifti-
ging!
De handen en armen beschermen tegen delen met scherpe randen, wan-
neer u bijvoorbeeld de onderkant, het uitlaatsysteem, de wieldoppen of de
binnenkant van de wielkasten schoonmaakt - gevaar voor verwondingen!
VOORZICHTIG
Op het lakoppervlak geen insectensponsjes, ruwe keukensponsjes en derge-
lijke gebruiken - gevaar voor beschadiging van de lak.
Schoonmaakmiddelen met oplosmiddel kunnen het te reinigen materiaal be-
schadigen.
129
Verzorging en onderhoud
Milieu-aanwijzing
Gebruikte verpakkingen van onderhoudsmiddelen zijn schadelijk voor het mili-
eu. Daarom moeten deze in overeenstemming met de nationale wettelijke be-
palingen worden afgevoerd.
Let op
Vanwege mogelijke problemen bij de reiniging, het vereiste speciale gereed-
schap en de noodzakelijke kennis adviseren wij de reiniging van uw wagen
door een ŠKODA Servicepartner te laten uitvoeren.
Lak van de wagen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
Conserveren
Een goede conservering beschermt de wagenlak uitgebreid tegen schadelijke
milieu-invloeden.
De wagen moet uiterlijk dan met een hoogwaardig conserveringsmiddel op ba-
sis van vaste was worden behandeld, als op de schone lak geen waterdruppels
meer worden gevormd.
Er kan een nieuwe laag hoogwaardige harde was op de schone lak worden
aangebracht als deze na het wassen goed droog is.
Ook wanneer regelmatig wasconserveringsmiddelen worden toegepast, advi-
seren we de lak minstens tweemaal per jaar met harde was te beschermen.
Polijsten
Als de lak van uw wagen dof is geworden en als u met conserveringsmiddelen
geen glans meer kunt verkrijgen, wordt polijsten aanbevolen.
Als het gebruikte polijstmiddel geen conserverende bestanddelen bevat, moet
de lak vervolgens worden geconserveerd.
VOORZICHTIG
Beschadigingen van de lak direct laten bijwerken.
Er mag nooit was op de ruiten terechtkomen.
Mat gelakte delen of kunststof delen mogen niet met polijstmiddelen of vas-
te was worden behandeld.
De lak niet in een stoffige omgeving polijsten - gevaar voor krassen in de lak.
Geen lakverzorgingsmiddelen op portierrubbers en ruitgeleidingen aanbren-
gen.
Indien mogelijk, geen lakverzorgingsmiddelen op carrosseriedelen aanbren-
gen die met portierrubbers en ruitgeleidingen in contact komen.
Kunststof delen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
Kunststof delen met een vochtige doek reinigen.
Als de kunststof delen op deze manier niet volledig schoon worden, hiervoor
specifieke reinigingsmiddelen gebruiken.
VOORZICHTIG
Geen lakverzorgingsmiddelen voor de kunststof delen gebruiken.
Rubbers
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 129.
Alle portierrubbers en ruitgeleidingen worden af fabriek behandeld met een
kleurloze matte laklaag waardoor vastvriezen aan gespoten carrosseriedelen
en rijgeluiden worden voorkomen.
VOORZICHTIG
De portierrubbers en ruitgeleidingen niet met onderhoudsmiddelen behan-
delen.
Door een extra behandeling van de afdichtrubbers kan de beschermlak wor-
den aangetast en kunnen rijgeluiden optreden.
Verchroomde delen
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 129.
De verchroomde delen eerst met een vochtige doek reinigen en daarna met
een zachte droge doek weer glanzend poetsen.
Als de verchroomde delen op deze manier niet volledig schoon worden, hier-
voor bedoelde onderhoudsmiddelen voor chroom gebruiken.
VOORZICHTIG
De verchroomde delen niet in een stoffige omgeving polijsten - gevaar voor
oppervlaktekrassen.
130
Raadgevingen voor het gebruik
Decoratiefolie
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
De folie met een milde zeepoplossing en schoon, warm water schoonmaken.
Vóór het wassen van de wagen onder hoge druk de volgende aanwijzingen
opvolgen.
De minimale afstand tussen de sproeikop en de carrosserie moet 50 cm be-
dragen.
De straal loodrecht op het folie-oppervlak houden.
De maximale watertemperatuur bedraagt 50 °C.
De maximale waterdruk bedraagt 80 bar.
VOORZICHTIG
Bij de met folie bedekte vlakken nooit agressieve reinigingsmiddelen of che-
mische oplosmiddelen gebruiken - gevaar voor beschadiging van de folie.
In de wintermaanden mogen voor het verwijderen van ijs en sneeuw van de
met folie bedekte oppervlakken geen ijskrabbers worden gebruikt. Bevroren
sneeuwlagen resp. ijs ook niet met andere voorwerpen verwijderen - gevaar
voor beschadiging van de folie.
Ruiten en buitenspiegels
Afbeelding 119
Tankklep: IJskrabber
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
Sneeuw en ijs verwijderen
Voor het verwijderen van sneeuw en ijs van de ruiten en spiegels alleen een
kunststof krabber gebruiken.
De ijskrabber bevindt zich aan de binnenzijde van de tankklep.
De tankklep openen.
De ijskrabber in pijlrichting verwijderen » Afbeelding 119.
Ruiten reinigen
De ruiten met schoon water regelmatig ook aan binnenzijde reinigen.
Glazen oppervlakken met een schone zeem of met een pluisvrije doek drogen.
VOORZICHTIG
Aanwijzingen voor het verwijderen van sneeuw en ijs
Om daarbij beschadigingen aan het ruitoppervlak te voorkomen, mag de ijs-
krabber niet heen-en-weer bewogen worden, maar slechts in één richting over
de ruit worden geschoven.
Sneeuw of ijs van ruiten en spiegels dat vervuild is met bijvoorbeeld met fijn
zand of strooizout niet verwijderen - gevaar voor beschadiging van het ruit-
resp. spiegeloppervlak.
Nooit sneeuw of ijs van de ruiten en spiegels met warm of heet water verwij-
deren - gevaar voor scheurvorming in het glas.
VOORZICHTIG
Aanwijzingen voor het reinigen van ruiten
De binnenzijde van de ruiten niet met scherpe voorwerpen of bijtende of
zuurhoudende schoonmaakmiddelen reinigen - gevaar voor beschadiging van
de verwarmingsdraden of ruitantenne.
Voor het drogen van de ruiten na het wassen van de wagen niet de zeem ge-
bruiken die voor het drogen van de carrosserie is gebruikt. Resten van conser-
veringsmiddelen op de zeem kunnen de ruiten vuil maken en het zicht vermin-
deren.
Koplampglazen
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 129.
De kunststof koplampglazen met schoon, warm water en zeep reinigen.
VOORZICHTIG
De koplampen nooit droog afvegen - gevaar voor beschadiging van de be-
schermlak en scheurvorming bij de lampglazen.
Voor het reinigen van de glazen geen scherpe voorwerpen gebruiken - ge-
vaar voor beschadiging van de beschermlak en scheurvorming bij de lampgla-
zen.
Voor het reinigen van de koplampen geen agressieve reinigingsmiddelen of
chemische oplosmiddelen gebruiken - kans op beschadiging van de koplamp-
glazen.
131
Verzorging en onderhoud
Portierslotcilinders
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
Voor het ontdooien van portierslotcilinders moeten speciaal hiervoor bedoelde
producten worden gebruikt.
VOORZICHTIG
Bij het wassen van de wagen zo veel mogelijk voorkomen dat water in de slot-
cilinders binnendringt - gevaar voor het bevriezen van de slotcilinder!
Conservering van holle ruimten
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
Alle aan corrosie blootgestelde holle ruimtes van de wagen zijn af fabriek
voorzien van conserveringswas die permanente bescherming biedt.
Deze conservering hoeft niet te worden gecontroleerd en heeft ook geen na-
behandeling nodig.
Als bij hoge temperaturen een beetje was uit de holle ruimtes stroomt, kan dit
met een kunststof spatel worden verwijderd en de vlek met wasbenzine wor-
den gereinigd.
ATTENTIE
Bij het gebruik van wasbenzine voor het verwijderen van was moeten de
veiligheids- en milieuvoorschriften in acht worden genomen - brandgevaar!
Wielen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
Velgen
Bij het regelmatig wassen van de wagen moeten ook de velgen grondig wor-
den gewassen.
Strooizout en remstof regelmatig verwijderen, anders wordt het velgmateriaal
aangetast.
Lichtmetalen velgen
Na een grondige wasbeurt de velgen behandelen met een beschermingsmid-
del voor lichtmetalen velgen. Voor de behandeling van de velgen mogen geen
middelen met een schurende werking worden gebruikt.
VOORZICHTIG
Een beschadiging van de laklaag van de velgen direct laten bijwerken.
Sterke vervuiling op de wielen kan tot onbalans van de wielen leiden. Dit kan
leiden tot trillingen die op het stuurwiel worden overgebracht en onder be-
paalde omstandigheden tot voortijdige slijtage van de stuurinrichting kunnen
leiden. Daarom is het nodig dat dit vuil wordt verwijderd.
Bodembeschermlaag
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
De onderzijde van de wagen is tegen chemische en mechanische invloeden
beschermd.
Tijdens het rijden kunnen beschadigingen van de beschermlaag niet worden
uitgesloten.
Wij adviseren de beschermlaag van de bodem en het onderstel - het beste
voor begin en na afloop van het koude jaargetijde - te laten controleren.
ATTENTIE
Nooit een bodembeschermlaag of corrosiewerend middel op uitlaten, kata-
lysatoren, roetfilters of hitteschilden aanbrengen. Als de motor op bedrijfs-
temperatuur is, kunnen deze middelen ontsteken - brandgevaar!
Ruitenwisserbladen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 129.
De ruitenwisserbladen regelmatig met een ruitenreiniger schoonmaken. Bij
sterke vervuiling, bijvoorbeeld door insectenresten, moeten de ruitenwisser-
bladen met een spons of een doek worden schoongemaakt.
De ruitenwisserbladen kunnen bijvoorbeeld door wasresten van automatische
wasinstallaties vervuild zijn » pagina 129.
Interieur verzorgen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Natuurleder 133
Kunstleder, stof en alcantara
®
134
132
Raadgevingen voor het gebruik
Stoffen bekleding 134
Veiligheidsgordels 135
Wij adviseren onderhoudsmiddelen uit het originele ŠKODA accessoirepro-
gramma te gebruiken, die bij ŠKODA Partners verkrijgbaar zijn. De gebruiks-
voorschriften op de verpakking in acht nemen.
ATTENTIE
Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn
voor de gezondheid.
Het onderhoudsmiddel altijd veilig bewaren voor personen die niet volle-
dig zelfstandig zijn, bijvoorbeeld kinderen - er bestaat gevaar voor vergifti-
ging!
Bij hoge interieurtemperaturen kunnen in het interieur aangebrachte par-
fumeurs en luchtverfrissers schadelijk voor de gezondheid worden.
VOORZICHTIG
Kleding beslist controleren op kleurechtheid, om beschadigingen of zichtbare
verkleuringen op de stof (leer), bekledingen en bekledingsstoffen te voorko-
men.
Verse vlekken zoals van balpen, inkt, lippenstift, schoenpoets enzovoort zo
snel mogelijk van de stof (leer), de bekledingen en bekledingsstoffen verwijde-
ren.
Geen parfumeurs en luchtverfrissers op het dashboard aanbrengen - gevaar
voor beschadiging van het dashboard.
Geen stickers op de verwarmingsdraden of ruitantenne plakken - gevaar voor
beschadiging.
De hemelbekleding niet met een borstel reinigen - gevaar voor beschadiging
van het bekledingoppervlak.
Schoonmaakmiddelen met oplosmiddel kunnen het te reinigen materiaal be-
schadigen.
Reinigings- en onderhoudsmiddel uiterst dun aanbrengen.
Milieu-aanwijzing
Gebruikte verpakkingen van onderhoudsmiddelen zijn schadelijk voor het mili-
eu. Daarom moeten deze in overeenstemming met de nationale wettelijke be-
palingen worden afgevoerd.
Let op
Vanwege mogelijke problemen bij de reiniging, het vereiste speciale gereed-
schap en de noodzakelijke kennis adviseren wij de reiniging van uw wagen
door een ŠKODA Servicepartner te laten uitvoeren.
Natuurleder
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 133.
Het leder moet, afhankelijk van het gebruik, regelmatig worden gereinigd en
verzorgd.
Stof en vuil in de poriën en plooien veroorzaken schuurschade aan het opper-
vlak en leiden tot het vroegtijdig hard worden van het leeroppervlak. Daarom
moeten deze regelmatig met korte tussenpozen met een doek of stofzuiger
worden verwijderd.
Vervuilde leeroppervlakken met een met water vochtig gemaakte katoenen of
wollen doek schoonmaken en vervolgens met een droge doek afdrogen »
.
Sterk vervuilde plaatsen met een doek en een milde zeepoplossing (2 eetle-
pels neutrale zeep op 1 liter water) reinigen.
Voor het verwijderen van vlekken speciaal hiervoor bestemde reinigingsmid-
delen gebruiken.
Het leder met regelmatige tussenpozen met een geschikt lederverzorgings-
middel behandelen en na elke reiniging een verzorgende crème met UV-be-
scherming en impregneereffect gebruiken.
VOORZICHTIG
Let erop dat het leer nergens te nat wordt en dat er geen water in de naden
sijpelt! Het leer zou dan bros kunnen worden en gaan scheuren.
Langdurig parkeren in de brandende zon voorkomen om verkleuring van het
leer te voorkomen. Indien de wagen langere tijd buiten wordt geparkeerd het
leder tegen directe zonnestraling beschermen door de wagen af te dekken.
Het gebruik van een mechanisch stuurslot kan beschadigingen van het leren
oppervlak van het stuurwiel tot gevolg hebben.
Enkele kledingstoffen, zoals donkere jeansstof, hebben deels onvoldoende
kleurechtheid. Hierdoor kunnen op de bekleding van stoelzittingen beschadi-
gingen of duidelijk zichtbare verkleuringen ontstaan, ook bij normaal gebruik.
Dit geldt met name voor lichte bekledingsstoffen. Het gaat daarbij niet om een
gebrek aan de stof van de bekleding, maar om onvoldoende kleurechtheid van
het kledingtextiel.
Scherpe voorwerpen van kledingstukken, zoals ritssluitingen, knopen, scher-
pe gespen en sieraden kunnen blijvende krassen of schaafplekken in het op-
pervlak achterlaten of deze beschadigen. Een dergelijke beschadiging kan la-
ter niet als een terechte klacht worden erkend.
133
Verzorging en onderhoud
Let op
Bij het gebruik van de wagen kunnen in de leren bekleding optische verande-
ringen ontstaan (bijvoorbeeld vouwen of kreuken) als gevolg van de belasting
van de bekleding.
Kunstleder, stof en alcantara
®
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 133.
Kunstleer
Het kunstleer met een vochtige doek reinigen.
Indien het kunstleer op deze wijze niet volledig schoon is geworden, dient een
milde zeepoplossing of een hiervoor geschikt reinigingsmiddel te worden ge-
bruikt.
Stoffen
Bekledingsstoffen en stoffen bekledingen van portieren, bagageruimteafdek-
king enzovoort met speciale reinigingsmiddelen, bijvoorbeeld droogschuim,
reinigen.
Hierbij kan een zachte spons, een borstel of een microvezeldoek worden ge-
bruikt.
Voor het reinigen van de hemelbekleding alleen een doek en een speciaal hier-
voor bestemd reinigingsmiddel gebruiken.
Lussen in bekledingsstoffen en stofresten met een borstel verwijderen.
Hardnekkige haren met een "reinigingshandschoen" verwijderen.
Alcantara
®
Stof en vuildeeltjes in poriën, plooien en naden kunnen schuren en het opper-
vlak beschadigen. Daarom moeten deze regelmatig met korte tussenpozen
met een doek of stofzuiger worden verwijderd.
Lichte verkleuringen door het gebruik zijn normaal.
VOORZICHTIG
Voor Alcantara
®
geen oplosmiddelen, boenwas, schoenpoets, vlekkenverwij-
deraar, leerreiniger en dergelijke gebruiken.
Langdurig parkeren in de brandende zon voorkomen om verkleuring van
kunstleer, stof resp. alcantara
®
te vermijden. Indien de wagen langere tijd bui-
ten wordt geparkeerd het kunstleer, de stof resp. alcantara
®
beschermen door
de wagen af te dekken.
Enkele kledingstoffen, zoals donkere jeansstof, hebben deels onvoldoende
kleurechtheid. Hierdoor kunnen op de bekleding van stoelzittingen beschadi-
gingen of duidelijk zichtbare verkleuringen ontstaan, ook bij normaal gebruik.
Dit geldt met name voor lichte bekledingsstoffen. Het gaat daarbij niet om een
gebrek aan de stof van de bekleding, maar om onvoldoende kleurechtheid van
het kledingtextiel.
Stoffen bekleding
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 133.
Elektrisch verwarmde stoelen
Voor het reinigen van de bekleding speciaal hiervoor bestemde reinigingsmid-
delen, bijvoorbeeld droogschuim en dergelijke, gebruiken » .
Stoelen zonder stoelverwarming
De stoelbekleding vóór het reinigen grondig met een stofzuiger zuigen.
De stoelbekleding met een vochtige doek of met speciaal hiervoor bestemde
reinigingsmiddelen reinigen.
Ingedrukte plaatsen die in de bekleding ontstaan door dagelijks gebruik kun-
nen met een licht vochtige borstel door tegen de vleug in te borstelen worden
verwijderd.
Altijd volledige bekledingdelen behandelen, zodat geen zichtbare randen ont-
staan. Vervolgens de stoel volledig laten drogen.
VOORZICHTIG
De stoffen van de stoelen met elektrische stoelverwarming niet met water
of andere vloeistoffen reinigen - gevaar voor beschadiging van de stoelverwar-
ming.
Stof van de stoelbekleding regelmatig met een stofzuiger opzuigen.
Elektrisch verwarmde stoelen mogen na het reinigen niet door het inschake-
len van de verwarming worden gedroogd.
Niet op natte stoelen gaan zitten - gevaar voor vervorming van de bekleding.
De stoelen altijd "van naad tot naad" reinigen.
134
Raadgevingen voor het gebruik
Veiligheidsgordels
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 133.
Vervuilde veiligheidsgordels met een milde zeepoplossing schoonmaken.
Grof vuil met een zachte borstel verwijderen.
ATTENTIE
De veiligheidsgordels mogen voor het schoonmaken niet worden uitge-
bouwd.
Veiligheidsgordels nooit chemisch reinigen omdat chemische reinigings-
middelen het materiaal kunnen beschadigen.
De veiligheidsgordels mogen niet met bijtende vloeistoffen (zuren en der-
gelijke) in contact komen.
De gordels moeten volledig droog zijn voordat ze worden opgerold.
Controleren en bijvullen
Brandstof
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Tanken 136
Loodvrije benzine 136
Dieselolie 138
Aan de binnenzijde van de tankklep is de juiste brandstofsoort voor uw wagen
aangegeven » Afbeelding 120 op pagina 136.
VOORZICHTIG
De brandstoftank nooit helemaal leegrijden! Door de onregelmatige brand-
stoftoevoer kan de verbranding overslaan - er is gevaar voor beschadiging van
onderdelen van de motor en van het uitlaatsysteem.
Gemorste brandstof direct van de wagenlak verwijderen - gevaar voor lak-
schade!
Indien de wagen in een ander land is verkocht dan waarvoor de wagen is ge-
produceerd, dient te worden gecontroleerd of in het betreffende land de door
de fabrikant voorgeschreven brandstof wordt aangeboden. Eventueel dient te
worden gecontroleerd of de fabrikant in het betreffende land niet een andere
brandstof voorschrijft. Indien geen voorgeschreven brandstof beschikbaar is,
dient te worden gecontroleerd of de fabrikant het gebruik van een andere
brandstof toestaat.
135
Controleren en bijvullen
Tanken
Afbeelding 120 Tankdop
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 135.
Tanken is mogelijk wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan.
De wagen is ontgrendeld.
De motor en het contact zijn uitgeschakeld.
Op de tankklep in pijlrichting
1
drukken » Afbeelding 120.
De klep in pijlrichting
2
openklappen.
De tankdop in pijlrichting losdraaien » Afbeelding 120 -
.
De tankdop van boven op de tankklep steken » Afbeelding 120 -
.
Het vulpistool tot de aanslag in de brandstofvulopening steken en tan-
ken » .
Als het vulpistool voor de eerste keer uitschakelt, is de brandstoftank vol » .
Het vulpistool uit de brandstofvulopening nemen en weer op de pomp aan-
brengen.
De tankdop op de brandstofvulopening aanbrengen en tegen de pijlrichting
draaien tot deze vastklikt » Afbeelding 120 -
.
De tankklep sluiten tot deze vergrendelt.
Controleren of de tankklep goed gesloten is.
ATTENTIE
Tijdens het tanken niet roken en geen mobiele telefoon gebruiken.
De brandstofdampen zijn explosief - er bestaat levensgevaar!
De nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot de omgang met
brandstof in acht nemen.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het vullen van de jerrycan
De jerrycan nooit in de wagen vullen.
De jerrycan nooit op de wagen plaatsen.
De jerrycan altijd op de grond neerzetten.
Bij het meenemen van een jerrycan moeten de wettelijke voorschriften in
acht worden genomen.
Om veiligheidsredenen adviseren wij geen jerrycan mee te nemen. Bij een
ongeval zou de jerrycan kunnen worden beschadigd en zou de brandstof
eruit kunnen lopen - brandgevaar!
VOORZICHTIG
Zodra het correct bediende automatische vulpistool de eerste keer afslaat, is
de brandstoftank vol. Het vullen niet voortzetten.
Indien brandstof uit de jerrycan wordt bijgevuld, langzaam en voorzichtig te
werk gaan - gevaar voor vlekken op de carrosserie.
Let op
De tankinhoud bedraagt circa 55 liter, waarvan 7 liter reserve.
Loodvrije benzine
Lees en bekijk eerst op bladzijde 135.
De wagen kan alleen worden gebruikt met loodvrije benzine die aan de norm
EN 228
1)
voldoet.
In alle benzinemotoren kan benzine met een aandeel van maximaal 10% bio-
ethanol (E10) worden gebruikt.
1)
In Duitsland ook DIN 51626-1 resp. E10 voor loodvrije benzine met RON 95 en 91 of DIN 51626-2 resp. E5
voor loodvrije benzine met RON 95 en 98.
136
Raadgevingen voor het gebruik
Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine RON 95/91 resp. 92 resp. 93
Loodvrije benzine RON 95 gebruiken. Het is eveneens mogelijk om loodvrije
benzine RON 91, 92 resp. 93 te tanken. Dit zorgt echter voor een gering vermo-
gensverlies en een en iets hoger brandstofverbruik » .
Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine min. RON 95
Loodvrije benzine RON 95 of hoger gebruiken.
Als loodvrije benzine RON 95 niet beschikbaar is, kan in noodgevallen benzine
RON 91, 92 resp. 93 worden getankt. Dit zorgt echter voor een gering vermo-
gensverlies en een en iets hoger brandstofverbruik » .
Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine RON 98/(95)
Loodvrije benzine RON 98 of hoger gebruiken. Er kan ook loodvrije benzine
RON 95 worden getankt, maar dit zorgt voor een gering vermogensverlies en
een en iets hoger brandstofverbruik .
Als loodvrije benzine RON 98 of 95 niet beschikbaar is, kan in noodgevallen
benzine RON 91, 92 resp. 93 worden getankt » .
Brandstoftoevoegingen (additieven)
Loodvrije benzine conform de norm EN 228
1)
voldoet aan alle voorwaarden voor
een probleemloos draaien van de motor. Daarom adviseren wij u geen brand-
stoftoevoegingen (additieven) aan de brandstof toe te voegen. Dit kan leiden
tot zware schade aan motoronderdelen en het uitlaatsysteem.
VOORZICHTIG
Reeds een tankvulling met benzine die niet aan de norm voldoet, leidt al tot
zware schade aan het uitlaatsysteem!
Als u per ongeluk een andere brandstof dan loodvrije benzine volgens bo-
vengenoemde normen (bijvoorbeeld gelode benzine) hebt getankt, de motor
niet starten of het contact inschakelen! Dit kan zware schade aan de motor
veroorzaken!
VOORZICHTIG
Als u in geval van nood benzine met een lager dan het voorgeschreven oc-
taangetal moet tanken, mag u de rit alleen met gemiddelde toerentallen en
een geringere motorbelasting voortzetten. Door hoge motortoerentallen of
een grote motorbelasting kan de motor zware schade oplopen! Zo snel moge-
lijk weer benzine met het voorgeschreven octaangetal tanken.
Als benzine met een lager dan voorgeschreven octaangetal wordt gebruikt,
kan de motor ernstige schade oplopen.
Benzine met een lager octaangetal dan RON 91 mag zelfs in noodgevallen
niet worden getankt, anders bestaat er gevaar voor motorschade!
VOORZICHTIG
In geen geval mogen er metaalhoudende brandstoftoevoegingen worden ge-
bruikt, met name mangaan en ijzer zijn zeer schadelijk. Anders bestaat gevaar
voor zware schade aan motoronderdelen of het uitlaatsysteem!
VOORZICHTIG
Er mogen geen brandstoffen metaalhoudende brandstoftoevoegingen, bij-
voorbeeld LRP (lead replacement petrol) worden gebruikt. Anders bestaat ge-
vaar voor zware schade aan motoronderdelen of het uitlaatsysteem!
Let op
Loodvrije benzine met een hoger octaangetal dan voorgeschreven kan zon-
der beperkingen worden gebruikt.
Bij wagens waarvoor loodvrije benzine RON 95/91 resp. 92 resp. 93 wordt
voorgeschreven, zorgt het gebruik van benzine met een hoger octaangetal
dan RON 95 niet voor een merkbare vermogenstoename of een lager brand-
stofverbruik.
Bij wagens waarvoor loodvrije benzine RON min. 95 wordt voorgeschreven,
kan het gebruik van benzine met een hoger octaangetal dan RON 95 voor een
vermogenstoename en een lager brandstofverbruik zorgen.
1)
In Duitsland ook DIN 51626-1 resp. E10 voor loodvrije benzine met RON 95 en 91 of DIN 51626-2 resp. E5
voor loodvrije benzine met RON 95 en 98.
137
Controleren en bijvullen
Dieselolie
Lees en bekijk eerst op bladzijde 135.
De wagen kan alleen worden gebruikt met dieselolie die aan de norm EN 590
1)
voldoet.
In alle dieselmotoren kan dieselbrandstof met een aandeel van maximaal 7%
biodiesel (B7)
2)
worden gebruikt.
Winterse omstandigheden - Winterdiesel
In het koude jaargetijde "winterdiesel" gebruiken die nog tot -20 °C volledig
geschikt is voor gebruik.
In landen met andere klimatologische omstandigheden wordt meestal diesel-
olie aangeboden die andere temperatuureigenschappen bezit. De ŠKODA Part-
ner en de tankstations zijn op de hoogte van de in het betreffende land ge-
bruikte diesel.
Dieseltoevoegingen (additieven)
De dieselbrandstof volgens de aangegeven normen voldoet aan alle voorwaar-
den een probleemloos draaien van de motor. Daarom adviseren wij u geen
brandstoftoevoegingen (additieven) aan de dieselbrandstof toe te voegen. Dit
kan leiden tot zware schade aan motoronderdelen en het uitlaatsysteem.
VOORZICHTIG
Slechts een keer tanken van dieselolie die niet voldoet aan de voorgeschre-
ven norm kan al tot beschadiging van onderdelen van de motor, het brandstof-
systeem en het uitlaatsysteem leiden!
Als u per ongeluk een andere brandstof dan dieselolie volgens bovenge-
noemde normen (bijvoorbeeld benzine) hebt getankt, niet de motor starten of
het contact inschakelen! Dit kan zware schade aan de motor veroorzaken!
Water in het brandstoffilter kan leiden tot motorstoringen.
VOORZICHTIG
De wagen is niet aangepast voor het gebruik van biobrandstof RME, daarom
mag deze brandstof niet worden getankt en gebruikt. Het gebruik van bio-
brandstof RME kan zware schade veroorzaken aan de motor of het brandstof-
systeem.
Aan de dieselbrandstof geen additieven, zogenaamde "vloeiverbeteraars"
(benzine en dergelijke) toevoegen. Dit kan leiden tot zware schade aan moto-
ronderdelen en het uitlaatsysteem!
Motorruimte
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Motorkap openen en sluiten
139
Overzicht motorruimte
140
Koelluchtventilator
140
Ruitensproeierinstallatie
141
ATTENTIE
Bij werkzaamheden in de motorruimte kan gevaar voor ongevallen en
brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschu-
wingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen.
De motorruimte van de wagen is een gevaarlijk gebied!
ATTENTIE
Aanwijzingen voordat er wordt begonnen met werkzaamheden in de mo-
torruimte
De motor afzetten en de sleutel uit het contact trekken.
De handrem stevig aantrekken.
Bij wagens met schakelbak de versnellingshendel in de neutraalstand
plaatsen.
Bij wagens met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P
plaatsen.
1)
In Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ÖNORM C 1590, in Rusland GOST R 52368-2005 / EN 590:2004.
2)
In Duitsland overeenkomstig de norm DIN 52638, in Oostenrijk ÖNORM C 1590, in Frankrijk EN 590.
138
Raadgevingen voor het gebruik
ATTENTIE (vervolg)
De motor laten afkoelen.
De motorkap nooit openen als u ziet dat er stoom of koelvloeistof uit de
motorruimte komt - gevaar voor verbranding! Wachten totdat er geen
stoom of koelvloeistof meer naar buiten komt.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor werkzaamheden in de motorruimte
Alle personen, in het bijzonder kinderen, van de motorruimte verwijderd
houden.
Nooit in de koelluchtventilator grijpen, zolang de motor warm is. De koel-
luchtventilator kan plotseling worden ingeschakeld!
Geen hete motoronderdelen aanraken - gevaar voor verbranding!
ATTENTIE
Aanwijzingen voor werkzaamheden in de motorruimte bij draaiende motor
Met name op draaiende motoronderdelen, bijvoorbeeld geribde riem, dy-
namo, koelluchtventilator letten - levensgevaar!
Nooit de elektrische bedrading van het ontstekingssysteem aanraken.
Kortsluiting in het elektrische systeem voorkomen - vooral bij de accu.
Sieraden, losse kledingstukken en lange haren altijd uit de buurt houden
van de draaiende delen van de motor - levensgevaarlijk! Vóór aanvang van
de werkzaamheden sieraden verwijderen, lange haren opsteken en alle
kledingstukken nauw laten aansluiten.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor werkzaamheden aan het brandstofsysteem of aan de
elektrische installatie
Altijd de accu van de wagen losmaken van de elektrische installatie.
Niet roken.
Nooit in de buurt van open vuur werken.
Altijd een werkende brandblusser binnen handbereik hebben.
ATTENTIE
De informatie en waarschuwingen op de verpakkingen van bedrijfsvloei-
stoffen lezen en opvolgen.
De bedrijfsvloeistoffen in gesloten originele verpakkingen veilig bewaren
voor personen die niet volledig zelfstandig zijn, bijvoorbeeld kinderen.
ATTENTIE (vervolg)
Nooit bedrijfsvloeistoffen over de hete motor gieten - brandgevaar.
Wanneer er onder de wagen moet worden gewerkt, moet de wagen te-
gen wegrollen zijn beveiligd en met passende steunbokken goed worden
ondersteund, de krik is hiervoor onvoldoende - gevaar voor verwondingen!
VOORZICHTIG
Alleen bedrijfsvloeistoffen bijvullen die aan de voorgeschreven specificaties
voldoen. Anders zijn ernstige storingen en motorschade het gevolg!
Milieu-aanwijzing
Vanwege de milieuvriendelijke afvoer van bedrijfsvloeistoffen, het vereiste
speciale gereedschap en de noodzakelijke kennis adviseren wij de bedrijfs-
vloeistoffen van uw wagen door een erkend reparateur te laten vervangen.
Let op
Bij onduidelijkheden over de bedrijfsvloeistoffen een erkend reparateur raad-
plegen.
Bedrijfsvloeistoffen met de juiste specificatie kunnen uit het ŠKODA origine-
le accessoiresprogramma resp. uit het ŠKODA originele onderdelenprogramma
worden besteld.
Motorkap openen en sluiten
Afbeelding 121 Ontgrendelingshendel van motorkap / ontgrendelingshen-
del
139
Controleren en bijvullen
Afbeelding 122
Motorkap borgen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 138.
Motorkap openen
Het voorportier openen.
Aan de ontgrendelingshendel onder het dashboard in pijlrichting
1
trek-
ken » Afbeelding 121.
Voor het optillen van de motorkap controleren of de ruitenwisserarmen niet
van de voorruit zijn weggeklapt, omdat er in dat geval schade aan de motorkap
kan ontstaan.
De ontgrendelingshendel in pijlrichting
2
drukken, de motorkap wordt ont-
grendeld.
De motorkap vastpakken en optillen.
De motorkapsteun in pijlrichting uit de houder
3
nemen » Afbeelding 122 en
de geopende motorkap ondersteunen door het uiteinde van de steun in de
hiervoor bedoelde opening
4
te steken.
Motorkap sluiten
De motorkap optillen.
De motorkapsteun losmaken en in de daarvoor bestemde houder drukken.
De motorkap vanuit een hoogte van circa 20 cm in de vergrendeling van de
slotplaat laten vallen - de kap niet nadrukken!
ATTENTIE
Controleren of de motorkap goed gesloten is.
Als u tijdens het rijden merkt dat de kap niet goed is vergrendeld, stop
dan direct en sluit de motorkap - gevaar voor ongevallen!
Erop letten dat bij het sluiten van de motorkap geen lichaamsdelen wor-
den ingeklemd - gevaar voor verwondingen!
VOORZICHTIG
De motorkap nooit bij de ontgrendelingshendel optillen » Afbeelding 121.
Overzicht motorruimte
Afbeelding 123 Principeafbeelding: Motorruimte
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 138.
Indeling van de motorruimte » Afbeelding 123
Koelvloeistofexpansiereservoir 144
Ruitensproeiervloeistofreservoir 141
Motorolievulopening 143
Motoroliepeilstok 142
Remvloeistofreservoir 145
Accu 146
Let op
De indeling van de motorruimte is bij alle benzine- en dieselmotoren praktisch
gelijk.
Koelluchtventilator
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 138.
De koelluchtventilator wordt door een elektromotor aangedreven. De werking
vindt plaats afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur.
1
2
3
4
5
6
140
Raadgevingen voor het gebruik
ATTENTIE
Nadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator ook bij uit-
geschakeld contact nog circa 10 minuten verder draaien.
Ruitensproeierinstallatie
Afbeelding 124
Motorruimte: Ruitensproeier-
vloeistofreservoir
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 138.
Het ruitensproeiervloeistofreservoir zit in de motorruimte » Afbeelding 124.
De reinigingsvloeistof is voor de reiniging van de voorruit resp. achterruit en de
koplampen bedoeld.
De vulhoeveelheid van het reservoir bedraagt circa 3,5 liter, bij wagens met ko-
plampsproeiers circa 5,4 liter
1)
.
Gewoon water is niet voldoende om de ruiten en de koplampen intensief te
reinigen. Wij adviseren daarom schoon water met een ruitenreiniger uit het
programma aan originele ŠKODA accessoires te gebruiken om het vastzittende
vuil te verwijderen (in de winter met antivries)).
Ook als de wagen verwarmde ruitensproeiers heeft, moet in de winter toch al-
tijd antivries aan de sproeiervloeistof worden toegevoegd.
Als er geen ruitenreiniger met antivries beschikbaar is, kan ook spiritus wor-
den gebruikt. Het percentage spiritus mag daarbij niet meer dan 15% bedra-
gen. De bescherming tegen bevriezing is bij deze concentratie slechts vol-
doende tot -5 °C.
VOORZICHTIG
In geen geval mag u de ruitensproeiervloeistof mengen met antivries voor de
radiateur of andere middelen.
Als de wagen met koplampsproeiers is uitgerust, mag aan de sproeiervloei-
stof alleen een reinigingsmiddel worden toegevoegd dat de polycarbonaat
coating van de koplampen niet aantast.
Bij het bijvullen van de vloeistof niet de zeef uit het ruitensproeiervloeistof-
reservoir verwijderen, omdat de vloeistofslangen anders vervuild kunnen ra-
ken en er storingen aan de ruitensproeierinstallatie kunnen optreden.
Motorolie
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Specificatie 142
Oliepeil controleren
142
Bijvullen
143
Af fabriek is de motor met een kwalitatief hoogwaardige olie gevuld, die - be-
halve in extreem koude klimaatzones - het hele jaar kan worden gebruikt.
Motoroliën worden continu doorontwikkeld. Alle gegevens in dit instructie-
boekje komen overeen met de stand van de gegevens ten tijde van het ter
perse gaan van deze brochure.
De ŠKODA Servicepartners worden door de fabrikant over actuele wijzigingen
geïnformeerd. Daarom adviseren wij om het verversen van de olie door een
ŠKODA Servicepartner uit te laten voeren.
De hierna aangegeven specificaties (VW-normen) kunnen afzonderlijk of in
combinatie met andere specificaties op de verpakking staan.
De motorolie moet bij de voorgeschreven service-intervallen worden ver-
verst » pagina 46.
ATTENTIE
De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. Bij werkzaam-
heden in de motorruimte dienen de volgende waarschuwingsaanwijzingen
beslist te worden opgevolgd » pagina 138.
1)
Voor enkele landen 5,4 l voor beide varianten.
141
Controleren en bijvullen
VOORZICHTIG
Aan de motorolie geen extra additieven toevoegen - gevaar voor schade aan
de motor!
Let op
Voor een langere rit adviseren wij motorolie overeenkomstig de specificatie
voor uw wagen mee te nemen.
Wij adviseren u oliën uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te ge-
bruiken.
Als uw huid met motorolie in contact is gekomen, dan dient u uw huid vervol-
gens grondig te wassen.
Specificatie
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 141.
Wagens met variabele service-intervallen
Benzinemotoren Specificatie
1,2 l/55 kW VW 503 00, VW 504 00
1,2 l/63 kW TSI VW 504 00
1,2 l/77 kW TSI VW 504 00
1,4 l/90 kW TSI VW 503 00, VW 504 00
Dieselmotor
a)
Specificatie
1,6 l/66, 77 kW TDI CR VW 507 00
a)
Bij dieselmotoren zonder roetfilter kan optioneel de motorolie VW 505 01 worden gebruikt.
Wagens met vaste service-intervallen
Benzinemotoren Specificatie
1,2 l/55 kW VW 501 01, VW 502 00
1,2 l/63 kW TSI VW 502 00
1,2 l/77 kW TSI VW 502 00
1,4 l/90 kW TSI VW 501 01, VW 502 00
1,6 l/77 kW VW 501 01, VW 502 00
Indien de hierboven genoemde oliën niet beschikbaar zijn, kan voor het een-
malig bijvullen een olie met ACEA A2 resp. ACEA A3 specificatie worden ge-
bruikt.
Dieselmotor
a)
Specificatie
1,6 l/66, 77 kW TDI CR VW 507 00
a)
Bij dieselmotoren zonder roetfilter kan optioneel de motorolie VW 505 01 worden gebruikt.
Indien de hierboven genoemde oliën niet beschikbaar zijn, kan voor het een-
malig bijvullen een olie met ACEA B3 resp. ACEA B4 specificatie worden ge-
bruikt.
VOORZICHTIG
Voor wagens met variabele service-intervallen mogen alleen de bovenge-
noemde oliën gebruikt worden. Om de eigenschappen van de motorolie te be-
houden, adviseren wij voor het bijvullen alleen oliën met dezelfde specificatie
te gebruiken. In uitzonderingsgevallen mag maximaal 0,5 l motorolie met de
specificatie VW 502 00 (alleen benzinemotoren) resp. de specificatie
VW 505 01 (alleen dieselmotoren) worden bijgevuld. Andere motoroliën mogen
niet worden gebruikt - gevaar voor schade aan de motor!
Oliepeil controleren
Afbeelding 125 Principeafbeelding: Oliepeilstok
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 141.
De oliepeilstok geeft het motoroliepeil aan.
Oliepeilstok » Afbeelding 125
Het oliepeil moet in dit gebied liggen.
A
142
Raadgevingen voor het gebruik
De olie kan worden gecontroleerd en bijgevuld wanneer aan de volgende voor-
waarden is voldaan.
De wagen staat op een horizontale ondergrond.
De motorbedrijfstemperatuur is bereikt.
De motor is afgezet.
De motorkap is geopend.
Peil controleren
Een paar minuten wachten tot de motorolie in de carterpan is terugge-
stroomd.
De oliepeilstok verwijderen.
De oliepeilstok met een schone doek afvegen en tot aan de aanslag weer
erin schuiven.
De oliepeilstok weer uittrekken en het oliepeil aflezen.
De motor verbruikt een kleine hoeveelheid olie. Afhankelijk van de rijstijl en de
gebruiksomstandigheden kan het olieverbruik tot circa 0,5 l per 1.000 km be-
dragen. Tijdens de eerste 5.000 km kan het olieverbruik ook daarboven liggen.
Het oliepeil moet regelmatig worden gecontroleerd.
Bij een te laag oliepeil verschijnt op het display van het instrumentenpaneel
het controlesymbool
en de betreffende melding » pagina 34. Zo snel moge-
lijk het oliepeil via de peilstok controleren. De benodigde hoeveelheid olie bij-
vullen.
VOORZICHTIG
Het oliepeil mag in geen geval boven of onder het gebied
A
» Afbeelding
125 liggen - gevaar voor beschadiging van de motor en het uitlaatsysteem!
Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mo-
gelijk is,
de rit niet voortzetten! De motor afzetten en de hulp van een er-
kend reparateur inroepen.
Indien het oliepeil boven het gebied
A
ligt, » Afbeelding 125,
niet verder
rijden! De motor afzetten en de hulp van een erkend reparateur inroepen.
Bijvullen
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 141.
De dop van de motorolievulopening losdraaien » Afbeelding 123 op pagina
140.
De voorgeschreven olie met telkens 0,5 liter per keer bijvullen » pagina 142.
Het oliepeil controleren » pagina 142.
De dop van de motorolievulopening weer zorgvuldig vastdraaien.
De peilstok tot de aanslag erin schuiven.
Koelvloeistof
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Peil controleren 144
Bijvullen 144
De koelvloeistof zorgt voor de koeling van de motor.
Deze bestaat uit water en antivries en additieven, die het koelsysteem tegen
corrosie beschermen en kalkafzetting voorkomen.
De hoeveelheid antivries in de koelvloeistof moet minimaal. 40% bedragen.
De hoeveelheid antivries in de koelvloeistof kan tot maximaal 60% worden
verhoogd.
De correcte mengverhouding tussen het water en de antivries moet eventueel
door een erkend reparateur worden gecontroleerd en eventueel worden her-
steld.
De aanduiding van de koelvloeistof is op het koelvloeistofexpansiereservoir
aangegeven » Afbeelding 126 op pagina 144.
ATTENTIE
De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. Bij werkzaam-
heden in de motorruimte dienen de volgende waarschuwingsaanwijzingen
beslist te worden opgevolgd » pagina 138.
De koelvloeistof is schadelijk voor de gezondheid.
Contact met de koelvloeistof vermijden.
De dampen van de koelvloeistof zijn schadelijk voor de gezondheid.
Nooit de vuldop van het koelvloeistofexpansiereservoir openen, zolang
de motor warm is. Het koelsysteem staat onder druk!
De vuldop bij het openen met een grote doek afdekken om gezicht, han-
den en armen tegen hete damp of hete koelvloeistof te beschermen.
Als u koelvloeistofspatten in de ogen hebt gekregen, spoel de ogen dan
direct met schoon water en consulteer zo snel mogelijk een arts.
143
Controleren en bijvullen
ATTENTIE (vervolg)
De koelvloeistof altijd in de originele verpakking veilig bewaren voor per-
sonen die niet volledig zelfstandig zijn, bijvoorbeeld kinderen - er bestaat
gevaar voor vergiftiging!
Bij het inslikken van koelvloeistof zo snel mogelijk een arts raadplegen.
Nooit bedrijfsvloeistoffen over de hete motor gieten - brandgevaar.
VOORZICHTIG
Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van koelvloeistof niet
mogelijk is, de rit niet voortzetten! De motor afzetten en de hulp van een
erkend reparateur inroepen.
Het percentage antivries in de koelvloeistof mag nooit lager zijn dan 40%.
Bij een percentage antivries van meer dan 60% neemt de bescherming te-
gen bevriezing af evenals de koelende werking.
Antivries die niet voldoet aan de voorgeschreven specificatie kan de be-
scherming tegen corrosie aanzienlijk verminderen.
De door corrosie ontstane storingen kunnen tot verlies van koelvloeistof en
aansluitend daarop tot ernstige motorschade leiden!
Geen koelvloeistof bijvullen tot boven de markering
A
» Afbeelding 126 op
pagina 144.
Bij een storing die tot oververhitting van de motor leidt, moet de hulp van
een erkend reparateur worden ingeroepen - er bestaat gevaar voor ernstige
motorschade.
Verstralers en andere aanbouwdelen voor de luchttoevoer verslechteren de
koelwerking van de koelvloeistof.
De radiateur nooit afdekken, er bestaat gevaar voor een oververhitte motor.
Peil controleren
Afbeelding 126
Motorruimte: Koelvloeistofex-
pansiereservoir
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 143.
Het koelvloeistofexpansiereservoir bevindt zich in de motorruimte.
Koelvloeistofexpansiereservoir » Afbeelding 126
Markering voor het hoogst toegelaten koelvloeistofpeil
Markering voor het laagst toegelaten koelvloeistofpeil
Het koelvloeistofpeil moet tussen de markeringen
A
en
B
staan.
De koelvloeistof kan worden gecontroleerd en bijgevuld wanneer aan de vol-
gende voorwaarden is voldaan.
De wagen staat op een horizontale ondergrond.
De motor is afgezet.
De motor is koud.
De motorkap is geopend.
Peil controleren
Het koelvloeistofpeil op het koelvloeistofexpansiereservoir controleren » Af-
beelding 126.
Bij bedrijfswarme motor kan het controleresultaat onnauwkeurig zijn. Het peil
kan ook boven markering
A
» Afbeelding 126 staan.
Bij een te laag koelvloeistofpeil verschijnt in het instrumentenpaneel het con-
trolesymbool
en de betreffende melding » pagina 34. Toch raden wij aan
het koelvloeistofpeil regelmatig via het reservoir te controleren.
Verlies van koelvloeistof
Koelvloeistofverlies wordt meestal door lekkages in het koelsysteem veroor-
zaakt. Het is niet voldoende alleen koelvloeistof bij te vullen. Het koelsysteem
direct door een erkend reparateur laten controleren.
Bijvullen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 143.
Een doek op de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir leggen en de dop
voorzichtig losschroeven.
Koelvloeistof bijvullen.
De dop vastdraaien, totdat deze hoorbaar vergrendelt.
A
B
144
Raadgevingen voor het gebruik
VOORZICHTIG
Alleen nieuwe koelvloeistof bijvullen.
Als in geval van nood niet de voorgeschreven koelvloeistof beschikbaar is,
geen andere antivries bijvullen. In dit geval eerst alleen water gebruiken. De
juiste mengverhouding met de voorgeschreven antivries zo snel mogelijk weer
door een erkend reparateur laten herstellen.
Remvloeistof
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Peil controleren 145
Specificatie
145
Het remvloeistofreservoir bevindt zich in de motorruimte » Afbeelding 127 op
pagina 145.
ATTENTIE
De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. Bij werk-
zaamheden in de motorruimte dienen de volgende waarschuwingsaanwij-
zingen beslist te worden opgevolgd » pagina 138.
Geen oude remvloeistof gebruiken. Anders kan de werking van het rem-
systeem nadelig beïnvloed worden - gevaar voor ongevallen!
VOORZICHTIG
Als het koelvloeistofpeil onder de "MIN"-markering is gedaald » Afbeelding
127 op pagina 145, niet verder rijden - gevaar voor ongevallen! De hulp van
een erkend reparateur inroepen.
De remvloeistof tast de lak van de wagen aan.
Let op
De remvloeistof wordt ververst bij een voorgeschreven servicebeurt.
Wij adviseren de remvloeistof uit het ŠKODA originele onderdelenprogramma
te gebruiken.
Peil controleren
Afbeelding 127
Motorruimte: Remvloeistofreser-
voir
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 145.
De remvloeistof kan worden gecontroleerd wanneer aan de volgende voor-
waarden is voldaan.
De wagen staat op een horizontale ondergrond.
De motor is afgezet.
De motorkap is geopend.
Peil controleren
Het remvloeistofpeil op het reservoir controleren » Afbeelding 127.
Het peil moet altijd tussen de markeringen "MIN" en "MAX" liggen.
Een geringe daling van het vloeistofpeil ontstaat bij het rijden door de slijtage
en de automatische bijstelling van de remblokken en is daarom normaal.
Als het vloeistofpeil echter binnen korte tijd duidelijk daalt of tot onder de
markering "MIN" zakt, kan dit te wijten zijn aan een lekkage in het remsys-
teem.
Een te laag remvloeistofpeil wordt door het gaan branden van het controle-
lampje
op het display van het instrumentenpaneel en door de betreffende
melding weergegeven » pagina 33,
Remsysteem.
Specificatie
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 145.
De remvloeistof moet aan een van de volgende normen resp. specificaties vol-
doen:
VW 50114,
FMVSS 116 DOT4.
145
Controleren en bijvullen
Accu
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Afdekking openen
147
Accuvloeistof controleren 147
Laden 148
Vervangen 148
Los- en vastmaken 148
Automatische verbruikersuitschakeling 149
De accu is een spanningsbron voor het starten van de motor en voor de voe-
ding van elektrische verbruikers in de wagen.
Waarschuwingssymbolen op de accu
Symbool Betekenis
Altijd een veiligheidsbril dragen!
Accuzuur heeft een sterke bijtende werking. Altijd handschoenen
en een beschermende bril dragen!
Vuur, vonken en open licht uit de buurt van de accu houden en
niet roken!
Bij het laden van de accu ontstaat een explosief knalgas!
Kinderen uit de buurt houden van de accu!
ATTENTIE
Bij werkzaamheden aan de accu of aan de elektrische installatie kunnen
verwondingen, vergiftigingen en explosie- en brandgevaar ontstaan. De al-
gemeen geldende veiligheidsregels en de volgende waarschuwingen die-
nen beslist in acht te worden genomen.
De accu verwijderd houden van personen die niet volledig zelfstandig zijn,
in het bijzonder kinderen.
ATTENTIE (vervolg)
De accu niet kantelen, omdat er accuzuur uit de ontluchtingsopeningen
van de accu kan lopen. Ogen beschermen door middel van een veiligheids-
bril of veiligheidskap - verblindingsgevaar!
Bij het werken aan de accu beschermende handschoenen, oog- en huid-
bescherming dragen.
Het accuzuur heeft een sterke bijtende werking, er moet daarom uiterst
zorgvuldig mee worden omgegaan.
Bijtende dampen in de lucht zorgen voor irritatie van de luchtwegen en
leiden tot ontstekingen aan bindvlies en luchtwegen.
Het accuzuur tast het tandglazuur aan, na contact met de huid ontstaan
diepe en moeizaam genezende wonden.
Als u accuzuur in de ogen krijgt, moet u het betreffende oog een aantal
minuten met schoon water spoelen - zo snel mogelijk een arts raadplegen!
Zuurspatten op de huid of op de kleding direct met zeepsop neutraliseren
en met veel water naspoelen.
Bij het inslikken van accuzuur - zo snel mogelijk een arts raadplegen.
ATTENTIE
Niet werken met open vuur en licht.
Ook niet roken en geen werkzaamheden verrichten waarbij vonken ont-
staan.
Nooit een beschadigde accu gebruiken - explosiegevaar!
Nooit een bevroren of ontdooide accu opladen - explosiegevaar en gevaar
door bijtende werking!
Een bevroren accu vervangen.
Nooit starthulp gebruiken bij accu's met een te laag accuvloeistofpeil -
explosiegevaar en gevaar door bijtende werking.
VOORZICHTIG
Bij een ondeskundige omgang met de accu bestaat gevaar voor beschadi-
ging.
Let erop dat het accuzuur niet in aanraking komt met de carrosserie - gevaar
voor lakschade.
Als de wagen gedurende drie tot vier weken niet wordt gebruikt, kan de accu
ontladen zijn. U kunt het ontladen van de accu voorkomen door de minpool (-)
van de accu los te koppelen of de accu doorlopend met een zeer lage laad-
stroom op te laden.
146
Raadgevingen voor het gebruik
Om de accu tegen UV-stralen te beschermen, mag de accu niet aan direct
daglicht worden blootgesteld.
Als de wagen vaak op korte afstanden wordt gebruikt, laadt de accu niet vol-
doende op en kan ontladen raken.
Milieu-aanwijzing
Een afgedankte accu is schadelijk afval voor het milieu. Daarom moet deze in
overeenstemming met de nationale wettelijke bepalingen worden afgevoerd.
Let op
Wij adviseren om alle werkzaamheden aan de accu door een erkend repara-
teur te laten uitvoeren.
Accu's die ouder zijn dan vijf jaar laten vervangen.
Afdekking openen
Afbeelding 128
Motorruimte: Accuafdekking
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 146.
De accu staat in de motorruimte » Afbeelding 128.
De afdekking in pijlrichting openen » Afbeelding 128.
Het inbouwen van de accuafdekking gebeurt in omgekeerde volgorde.
Accuvloeistof controleren
Afbeelding 129
Accu: Vloeistofpeilmerkteken
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 146.
Bij wagens die zijn uitgerust met een accu met een kleurindicator » Afbeelding
129 kan het accuvloeistofpeil aan de hand van de verkleuring worden vastge-
steld.
Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur van de indicator. Daarom voor
de controle voorzichtig op de indicator tikken.
Zwarte kleur - accuvloeistofpeil in orde.
Kleurloze of lichtgele kleur - accuvloeistofpeil te laag, de accu moet worden
vervangen.
Wagens met start-stopsysteem zijn uitgerust met een accuregelapparaat voor
het controleren van het energieniveau voor de terugkerende motorstart.
Wij adviseren het accuvloeistofpeil regelmatig door een erkend reparateur te
laten controleren, met name in de volgende gevallen.
Hoge buitentemperaturen.
Lange dagelijkse ritten.
Na het opladen.
Koude jaargetijde
De accu heeft bij lage temperaturen nog maar een deel van de startcapaciteit.
Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 °C bevriezen.
Wij adviseren daarom, de accu voor het begin van het koude jaargetijde door
een erkend reparateur te laten controleren en zo nodig te laten opladen.
147
Controleren en bijvullen
Let op
Het accuvloeistofpeil wordt ook regelmatig in het kader van de Inspectie bij
een erkend reparateur gecontroleerd.
Bij accu's met de aanduiding "AGM" kan het accuvloeistofpeil om technische
redenen niet worden gecontroleerd.
Laden
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 146.
Een geladen accu is een absolute voorwaarde voor het goed starten van de
motor.
Opladen van de accu is mogelijk wanneer aan de volgende voorwaarden is vol-
daan.
De motor is afgezet.
Het contact is uitgeschakeld.
Alle verbruikers zijn uitgeschakeld.
De motorkap is geopend.
"Snelladen" met hoogte stroomsterktes
Beide aansluitkabels loskoppelen (eerst "min", dan "plus").
De poolklemmen van de acculader op de accupolen klemmen (rood = "plus",
zwart = "min").
De steker van de acculader in het stopcontact steken en het apparaat in-
schakelen.
Na de laden: Eerst de acculader uitschakelen en de steker uit het stopcon-
tact trekken.
Nu de poolklemmen van de acculader losnemen.
De aansluitkabels weer op de accu aankoppelen (eerst "plus", dan "min").
Laden met geringe stroomsterktes
Bij het laden, bijvoorbeeld met een hobbylader, hoeven de aansluitkabels niet
van de accu te worden losgemaakt.
De aanwijzingen van de fabrikant van de acculader opvolgen.
Voor het volledig laden van de accu moet een laadstroom van een tiende van
de accucapaciteit (of lager) worden ingesteld.
Bij het laden hoeven de afsluitdoppen van de accu niet te worden geopend.
ATTENTIE
Als een accu wordt geladen, ontstaat een licht ontvlambaar knalgas. Een
explosie kan ook worden veroorzaakt door een vonk die ontstaat bij het
loskoppelen van de accu of het lostrekken van een steker bij ingeschakeld
contact.
Door het overbruggen van de accupolen (bijvoorbeeld door metalen voor-
werpen, bekabeling) ontstaat kortsluiting - gevaar voor accuschade, explo-
sie, accubrand en zuurspetters.
Vonkvorming bij het hanteren van bedrading en elektrische apparatuur
vermijden. Bij grote vonken bestaat gevaar voor verwondingen.
Voor alle werkzaamheden aan de elektrische installatie moeten de motor,
het contact alsmede alle elektrische verbruikers worden uitgezet en moet
de minpool (-) worden losgemaakt.
Het "snelladen" van de accu is gevaarlijk, hiervoor is een speciale accula-
der en vakkennis nodig.
Wij adviseren het "snelladen" van accu's door een erkend reparateur te la-
ten uitvoeren.
VOORZICHTIG
Bij wagens met start-stopsysteem mag de accuklem van de acculader niet
rechtstreeks op de minpool van de accu worden aangesloten, maar alleen op
de motormassa » pagina 167, Starthulp bij wagens met start-stopsysteem.
Vervangen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 146.
De nieuwe accu moet dezelfde capaciteit, spanning, stroomsterkte en dezelf-
de afmetingen als de oorspronkelijke accu hebben. Het geschikte accutype is
verkrijgbaar bij een erkend reparateur.
Wij adviseren de accu door een erkend reparateur te laten vervangen, die de
nieuwe accu vakkundig zal inbouwen en de oude accu met inachtneming van
de milieuvoorschriften zal afvoeren.
Los- en vastmaken
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 146.
Losmaken
Het contact uitschakelen.
Eerst de minpool (-) en pas daarna de pluspool (+) van de accu losmaken.
148
Raadgevingen voor het gebruik
Vastmaken
Eerst de pluspool (+) en pas daarna de minpool (-) van de accu losmaken.
Pas na het los- en weer vastmaken van de accukabels zijn de volgende func-
ties resp. voorzieningen gedeeltelijk of volledig uitgeschakeld.
Functie / voorziening Ingebruikname
Radio resp. navigatiesysteem
Codenummer ingeven » Instruc-
tieboekje van de radio
resp. » Instructieboekje van het
navigatiesysteem
Tijdinstellingen » pagina 31
VOORZICHTIG
De accukabels alleen bij afgezet contact losmaken - gevaar voor beschadi-
ging van de elektrische installatie van de wagen.
De aansluitkabels in geen geval verwisselen - kans op brand in de bedrading.
Let op
Wij adviseren de wagen na het losmaken en aansluiten van de accukabels
door een erkend reparateur te laten controleren, zodat alle elektrische syste-
men weer optimaal werken.
De gegevens van het multifunctioneel display worden teruggezet.
Automatische verbruikersuitschakeling
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 146.
Het boordnetregelapparaat voorkomt bij zware belasting van de accu automa-
tisch het ontladen van de accu. Dat kan door het onderstaande merkbaar zijn:
Het stationair toerental wordt verhoogd, opdat de dynamo meer stroom le-
vert.
Zo nodig wordt het vermogen van grotere stroomverbruikers, bijvoorbeeld
stoelverwarming, achterruitverwarming, begrensd of desnoods worden ze
helemaal uitgeschakeld.
VOORZICHTIG
Ook ondanks eventuele ingrepen van het boordnetmanagement kan de accu
ontladen raken. Bijvoorbeeld wanneer het contact langere tijd is ingeschakeld
bij afgezette motor of wanneer stads- of parkeerlicht bij lang parkeren is inge-
schakeld.
Verbruikers die via de 12 volt contactdoos van stroom worden voorzien, kun-
nen bij uitgeschakeld contact het ontladen van de accu veroorzaken.
Let op
Door het eventueel uitschakelen van verbruikers komt het rijcomfort niet in
gevaar en wordt deze uitschakeling door de bestuurder vaak zelfs niet waar-
genomen.
149
Controleren en bijvullen
Wielen
Velgen en banden
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Levensduur van banden 151
Nieuwe banden 152
Draairichtinggebonden banden 153
ATTENTIE
Bij het gebruik van banden de nationale wettelijke bepalingen in acht ne-
men.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het gebruik van banden
Nieuwe banden leveren ongeveer de eerste 500 km nog niet de optimale
grip, daarom voorzichtig rijden - gevaar voor ongevallen!
Op alle vier de wielen alleen radiaalbanden van hetzelfde type, dezelfde
grootte (afrolomtrek) en met hetzelfde profiel gebruiken.
Om veiligheidsredenen banden niet afzonderlijk vervangen.
Nooit de voor de gemonteerde banden toegestane draaglast overschrij-
den.
Nooit de voor de gemonteerde banden toegestane snelheid overschrij-
den.
Een verkeerde wieluitlijning voor of achter beïnvloedt het rijgedrag.
Ongewone trillingen of scheeftrekken van de wagen kan duiden op ban-
denschade. Als de verdenking bestaat dat een wiel is beschadigd, direct de
snelheid verminderen en stoppen! Als aan de buitenkant geen schade her-
kenbaar is, met aangepaste snelheid en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkend reparateur rijden om de wagen te laten controleren.
Uitsluitend velgen of banden gebruiken, die door ŠKODA voor uw model
goedgekeurd zijn. Anders kan de verkeersveiligheid nadelig beïnvloed wor-
den.
ATTENTIE
Aanwijzingen met betrekking tot bandenbeschadiging resp. -slijtage
Nooit banden gebruiken waarvan de toestand en leeftijd niet bekend zijn.
Nooit met beschadigde banden rijden.
Beschadigde velgen of banden direct vervangen.
Uiterlijk als de banden tot op de slijtage-indicatoren zijn versleten, moe-
ten ze direct worden vervangen.
Versleten banden beïnvloeden bij hogere snelheden op nat wegdek het
vereiste contact met het wegdek nadelig. Er kan "aquaplaning" optreden
(ongecontroleerde bewegingen van de wagen - "glijden" op nat wegdek).
VOORZICHTIG
Uw banden niet met olie, vet en brandstof in aanraking laten komen.
Verloren ventieldoppen vervangen.
Als een wiel in een uitzonderingsgeval tegen de draairichting in moet wor-
den gemonteerd, voorzichtig rijden omdat de optimale eigenschappen van de
band in deze situatie niet meer gelden.
Milieu-aanwijzing
Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik.
Let op
Wij adviseren om alle werkzaamheden aan de banden of wielen door een er-
kend reparateur te laten uitvoeren.
Wij adviseren u velgen, banden, wieldoppen en sneeuwkettingen uit het ori-
ginele ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken.
150
Raadgevingen voor het gebruik
Levensduur van banden
Afbeelding 130 Principeafbeelding: Bandenprofiel met slijtagemerkte-
kens / wielen wisselen
Afbeelding 131 Geopende tankklep met een tabel met de bandenmaten
en -spanningen / baden oppompen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 150.
De levensduur van banden is afhankelijk van de juiste bandenspanning, van de
rijstijl en andere factoren.
Sticker met voorgeschreven bandenspanningen » Afbeelding 131
Plaats van de sticker
Standaardbandenspanning voor halve belading
A
B
Comfortbandenspanning voor halve belading
1)
Standaardbandenspanning voor volledige belading
Bij het opvolgen van de volgende aanwijzingen kan de levensduur van de ban-
den worden verlengd.
Bandenspanning
De bandenspanning, inclusief die van het reservewiel, minstens eenmaal per
maand en voor elke grote rit controleren.
De sticker met de voorgeschreven bandenspanningen bevindt zich aan de bin-
nenzijde van de tankklep
A
» Afbeelding 131.
Bij sommige wagens kan de bandenspanning voor meer rijcomfort aan de com-
fortbandenspanning worden aangepast » Afbeelding 131
C
.
Bij de comfortbandenspanning kan het brandstofverbruik iets toenemen.
Voor de bandenspanning van het reservewiel moet de hoogste bandenspan-
ning die voor de wagen is voorgeschreven, worden aangehouden.
De bandenspanning altijd controleren als de banden koud zijn. De verhoogde
bandenspanning bij warme banden zo mogelijk niet verminderen.
Bij hogere belading de bandenspanning overeenkomstig aanpassen.
Rijstijl
Snel bochtenwerk, snel accelereren en sterk afremmen verhogen de banden-
slijtage.
Wielen balanceren
De wielen van een nieuwe wagen zijn gebalanceerd. Tijdens het rijden kan
echter door verschillende invloeden een onbalans ontstaan. Dit is dan merk-
baar aan een "onrust" in het stuurwiel.
Na het vervangen van banden of een bandenreparatie de wielen laten balan-
ceren.
Verkeerde uitlijning
Een verkeerde wieluitlijning voor of achter zorgt voor overmatige bandenslijta-
ge.
C
D
1)
Geldt voor sommige wagens.
151
Wielen
Schade aan de band
Om beschadiging van banden en velgen te voorkomen, mogen trottoirs of
soortgelijke obstakels alleen maar langzaam en zo mogelijk onder een rechte
hoek worden genomen.
Wij adviseren om banden en velgen regelmatig te controleren op beschadigin-
gen (kerven, scheuren, bulten, vervormingen en dergelijke). Vreemde voorwer-
pen uit het bandenprofiel verwijderen (bijvoorbeeld kleine stenen).
Wielen wisselen
Bij een duidelijk sterke slijtage van de voorbanden adviseren wij, de voorwie-
len en de achterwielen overeenkomstig het schema » Afbeelding 130 -
te
verwisselen. Daardoor krijgen de banden ongeveer dezelfde levensduur.
Voor een gelijkmatige slijtage van alle banden en om de optimale levensduur
te behalen, adviseren wij om elke 10.000 km de wielen om te wisselen.
Banden opslaan
Gedemonteerde banden markeren, zodat bij de montage de huidige draairich-
ting kan worden aangehouden.
Wielen resp. banden koel, droog en zo donker mogelijk bewaren. Banden die
niet op een velg zijn gemonteerd, moeten staande worden bewaard.
Slijtagemerktekens
In de profielgroeven van de banden bevinden zich dwars op de rijrichting 1,6
mm hoge slijtagemerktekens. Deze slijtagemerktekens zijn, afhankelijk van
het merk en type band, gelijkmatig verdeeld over de bandomtrek aange-
bracht » Afbeelding 130 -
. Markeringen op de bandwangen (bijvoorbeeld de
letters "TWI" of symbolen) geven de plaats van de slijtage-indicatoren aan.
Veroudering van banden
Banden verouderen en verliezen daarmee hun oorspronkelijke eigenschappen.
Ook als ze niet worden gebruikt. Daarom adviseren wij geen zomer- resp. win-
terbanden te gebruiken die ouder zijn dan 6 resp. 4 jaar.
Nieuwe banden
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 150.
Op alle vier de wielen alleen radiaalbanden van dezelfde constructie, maat (af-
rolomtrek) en met hetzelfde profiel op één as gebruiken.
De voor uw wagen toegestane band-/velgcombinaties staan vermeld in uw
autopapieren.
Indien mogelijk de banden per as vervangen. De banden met de grotere pro-
fieldiepte moeten altijd op de voorwielen gebruikt worden.
Toelichting van het bandopschrift
195/55 R 15 85 H
Het betekent:
195 Bandbreedte in mm » Afbeelding 131 op pagina 151
65 Hoogte-/breedteverhouding in % » Afbeelding 131 op pagina 151
R Code voor bandconstructie - Radiaal » Afbeelding 131 op pagina
151
15 Velgdiameter in inch » Afbeelding 131 op pagina 151
85 Belastingindex »
H Snelheidscodeletter »
De productiedatum staat ook op de bandwang (eventueel aan de binnenzijde
van de band). Bijvoorbeeld
DOT ... 11 14...
betekent dat de band in week 11 van het jaar 2014 is geproduceerd.
Belastingindex
De belastingsindex geeft de maximaal toegestane belasting van een afzonder-
lijke band aan.
Belastingsin-
dex 83 84 85 86 87 91 92 93 95
Belasting
(in kg)
487 500 515 530 545 615 630 650 690
Snelheidscode
De snelheidscodeletter geeft de maximaal toelaatbare snelheid met gemon-
teerde banden van de betreffende categorie aan.
Snelheids-
symbool
R S T U H V W
Top-
snelheid
(in km/h)
170 180 190 200 210 240 270
152
Raadgevingen voor het gebruik
VOORZICHTIG
De informatie over de snelheidscode en de belastingindex staat in de wagen-
papieren vermeld.
Draairichtinggebonden banden
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 150.
De draairichting is door een pijl op de wang van de band gekenmerkt.
Voor de bestmogelijke eigenschappen van deze banden dient de aangegeven
draairichting beslist in acht te worden genomen.
Het gaat hierbij met name om de volgende eigenschappen.
Hogere rijstabiliteit.
Minder kans op aquaplaning.
Minder bandengeluid en een lagere bandenslijtage.
Bandenspanningscontrole
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Instelling
153
Weergave 154
De bandenspanningscontrole bewaakt en waarschuwt bij een wijziging van de
bandenspanning.
Een systeeminstelling is nodig als een van de volgende situaties zich voordoet.
Wijziging van de bandenspanning.
Wisselen van een of meerdere wielen.
Positiewijziging van een wiel op de wagen.
Gaan branden van het controlelampje tijdens het rijden.
ATTENTIE
Aanwijzingen over bandenspanning
De bestuurder blijft ondanks de bandenspanningscontrole echter te allen
tijde zelf verantwoordelijk voor de bandenspanning. De bandenspanning
regelmatig controleren.
Een te lage of te hoge bandenspanning beïnvloedt het rijgedrag.
ATTENTIE (vervolg)
Bij een te lage bandenspanning moeten de banden een hogere rolweer-
stand overwinnen. Hierdoor loopt bij hogere snelheden de temperatuur van
de band sterk op. Dit kan leiden tot het loslaten van het loopvlak en tot een
klapband.
Het systeem kan bij een zeer snel teruglopende bandenspanning niet
waarschuwen, bijvoorbeeld bij een klapband. In zo'n geval proberen de wa-
gen voorzichtig zonder heftige stuurbewegingen en zonder al te sterk af-
remmen tot stilstand te brengen.
VOORZICHTIG
Het is noodzakelijk elke 10.000 km of 1x per jaar de basisafstelling uit te voe-
ren om zo een correcte werking van de bandenspanningscontrole te garande-
ren.
De bandenspanningscontrole vervangt niet het regelmatig controleren van
de bandenspanning.
Instelling
Afbeelding 132
Toets voor het instellen van de
bandenspanningswaarde
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 153.
Alle banden op de voorgeschreven spanning brengen » pagina 151.
Het contact inschakelen.
Op de symbooltoets
» Afbeelding 132 langer dan 2 seconden indrukken.
Als het controlelampje
in het instrumentenpaneel brandt en na de systeem-
instelling niet uit gaat, zit er een storing in het systeem.
Bij een knipperend controlelampje
in het instrumentenpaneel, zit er een
storing in het systeem.
153
Wielen
Weergave
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 153.
Het controlelampje
in het instrumentenpaneel gaat branden als een van de
volgende situaties zich voordoet.
De bandenspanning is te laag.
De structuur van de band is beschadigd.
De wagen is eenzijdig beladen.
De wielen van één as zijn zwaarder belast (bijvoorbeeld bij het rijden met een
aanhangwagen of bij bergop of bergaf rijden).
Sneeuwkettingen zijn gemonteerd.
Het reservewiel is gemonteerd.
Een wiel per as is vervangen.
ATTENTIE
Als het controlelampje in het instrumentenpaneel gaat branden, moet
direct de snelheid worden verlaagd en heftige stuur- en remmanoeuvres
worden vermeden. Bij de eerstvolgende gelegenheid direct stoppen en zo-
wel de banden als de bandenspanning controleren.
Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld bij een sportieve rijstijl en
op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje
in het instru-
mentenpaneel vertraagd of helemaal niet gaan branden.
Reserve- en noodreservewiel
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Wisselen 154
Noodreservewiel 155
Zo snel mogelijk een wiel met de betreffende afmetingen en uitvoering mon-
teren.
ATTENTIE
Als een wiel in een uitzonderingsgeval tegen de draairichting in moet
worden gemonteerd, voorzichtig rijden omdat de optimale eigenschappen
van de band in deze situatie niet meer gelden.
Als het reservewiel qua afmetingen of uitvoering afwijkt van de banden
waarmee wordt gereden (bijvoorbeeld bij winterbanden, draairichtingge-
bonden banden), mag het reservewiel alleen in geval van pech korte tijd en
met een voorzichtige rijstijl worden gebruikt .
Wisselen
Afbeelding 133
Bevestiging van reserve- resp.
noodreservewiel
Lees en bekijk eerst op bladzijde 154.
Het reserve- resp. noodreservewiel ligt in de kuip onder de bodembekleding in
de bagageruimte en is bevestigd met een speciale moer » Afbeelding 133.
Wiel verwijderen
De achterklep openen.
De bodembekleding in de bagageruimte optillen.
De box met het wagengereedschap verwijderen.
De moer » Afbeelding 133 linksom eruit draaien.
Het wiel verwijderen.
Wiel opbergen
Het wiel met de buitenzijde naar onder in de reservewielkuip leggen.
De moer » Afbeelding 133 rechtsom aandraaien tot het wiel stevig is beves-
tigd.
De box met het wagengereedschap weer in het reservewiel aanbrengen en
met de band vastzetten.
De bodembekleding in de bagageruimte terugklappen.
De achterklep sluiten.
154
Raadgevingen voor het gebruik
Noodreservewiel
Lees en bekijk eerst op bladzijde 154.
Het noodreservewiel is van een waarschuwingssticker voorzien die zich op de
velg bevindt.
Indien dit noodreservewiel wordt gebruikt, dient op het volgende te worden
gelet.
Na de montage van het wiel mag de waarschuwingssticker niet zijn afge-
dekt.
Tijdens het rijden bijzonder voorzichtig zijn.
Het noodreservewiel wordt met de maximumbandenspanning voor de wa-
gen opgepompt » Afbeelding 130 op pagina 151.
Dit noodreservewiel alleen gebruiken tot aan de dichtstbijzijnde erkend re-
parateur, omdat dit wiel niet bestemd is voor continu gebruik.
ATTENTIE
Nooit met meer dan één gemonteerd noodreservewiel rijden!
Het noodreservewiel dient slechts zo lang als nodig te worden gebruikt.
In geen geval een beschadigd reserve- resp. noodreservewiel gebruiken.
Als het reserve- resp. noodreservewiel qua afmetingen of uitvoering af-
wijkt van de banden waarmee wordt gereden, nooit sneller rijden dan
80 km/h resp. 50 mph.
Volgas accelereren, sterk remmen en het snel nemen van bochten vermij-
den.
De sneeuwkettingen kunnen niet op het noodreservewiel worden ge-
bruikt.
De aanwijzingen op de waarschuwingssticker van het noodreservewiel in
acht nemen.
Winterse omstandigheden
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Winterbanden 155
Sneeuwkettingen 155
Winterbanden
Door winterbanden worden de rijeigenschappen van de wagen bij winterse
wegomstandigheden verbeterd. Zomerbanden hebben op ijs, sneeuw en bij
temperaturen onder 7 °C minder grip. Dit geldt met name voor wagens die met
brede banden resp. hogesnelheidsbanden zijn uitgerust.
Om de best mogelijke rijeigenschappen te verkrijgen, moeten op alle vier de
wielen winterbanden worden gemonteerd met een minimale profieldiepte van
4 mm en mogen de banden niet ouder zijn dan 4 jaar.
Er mogen winterbanden met een lagere snelheidscategorie worden gemon-
teerd op voorwaarde dat de toegestane topsnelheid van deze banden niet
wordt overschreden ook niet als de mogelijke topsnelheid van de wagen hoger
ligt.
De instelling van de snelheidsbegrenzing voor winterbanden vindt plaats in
het MAXI DOT-display in het menupunt Winterbanden » pagina 45.
Milieu-aanwijzing
Tijdig weer de zomerbanden monteren, want met zomerbanden zijn op snee-
uw- en ijsvrije wegen alsmede bij temperaturen boven 7 °C de rijeigenschap-
pen beduidend beter, de remweg is korter, er is minder afrolgeluid en de ban-
denslijtage is minder. Ook het brandstofverbruik is lager.
Sneeuwkettingen
Bij winterse wegomstandigheden verbeteren sneeuwkettingen niet alleen de
tractie, maar ook het remgedrag.
Sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen worden gemonteerd.
De montage van sneeuwkettingen is om technische redenen alleen bij de vol-
gende velg-bandcombinaties toegestaan.
Velgmaat Inpersdiepte (ET) Bandenmaat
5J x 14
a)
35 mm 175/70
6J x 15
b)
38 mm 185/60
6J x 15
b)
38 mm 195/55
a)
Alleen sneeuwkettingen gebruiken waarvan de schakels en sloten niet groter zijn dan 9 mm.
b)
Alleen sneeuwkettingen gebruiken waarvan de schakels en sloten niet groter zijn dan 13 mm.
155
Wielen
ATTENTIE
Bij het rijden op sneeuwvrije trajecten moeten de sneeuwkettingen wor-
den verwijderd. Anders beïnvloeden ze de wegligging, beschadigen ze de
banden en zijn ze snel versleten.
VOORZICHTIG
Voor het monteren van de sneeuwkettingen de wieldoppen » pagina 160 ver-
wijderen.
156
Raadgevingen voor het gebruik
Tips om het zelf te doen
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
Nooduitrusting
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
EHBO-set en gevarendriehoek
157
Reflectievest 157
Brandblusser 158
Wagengereedschap 158
EHBO-set en gevarendriehoek
Afbeelding 134 Verbanddoos / gevarendriehoek
De verbanddoos en gevarendriehoek bevinden zich in de bagageruimte van de
wagen.
EHBO-set
De verbanddoos kan met behulp van een spanband aan de linkerzijde van de
bagageruimte worden bevestigd » Afbeelding 134 -
.
Gevarendriehoek
De gevarendriehoek kan in de bekleding van de achterwand worden gescho-
ven en met rubber riemen worden bevestigd » Afbeelding 134 -
.
ATTENTIE
De verbanddoos en de gevarendriehoek moeten zodanig zijn bevestigd, dat
deze bij een noodstop of een aanrijding niet kunnen losraken en de inzit-
tenden kunnen verwonden.
Let op
De uiterste gebruiksdatum van de verbanddoos in acht nemen.
Wij adviseren een verbanddoos en een gevarendriehoek uit het originele
ŠKODA accessoireprogramma te gebruiken, die bij een ŠKODA Partner verkrijg-
baar is.
Reflectievest
Afbeelding 135
Reflectievest
Het reflectievest bevindt zich in een houder onder de bestuurdersstoel » Af-
beelding 135.
ATTENTIE
In de houder geen andere voorwerpen dan het reflectievest plaatsen, an-
ders zouden deze uit de houder kunnen vallen - gevaar voor hinderen of
beperking van de pedaalbediening!
VOORZICHTIG
In de houder geen andere voorwerpen dan het reflectievest plaatsen - gevaar
voor beschadiging van de houder.
157
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
Brandblusser
Afbeelding 136
Brandblusser
De brandblusser is met twee riemen in een houder onder de bestuurdersstoel
bevestigd.
Verwijderen/bevestigen
De beide riemen losmaken door aan de betreffende vergrendelingen in pijl-
richting te trekken » Afbeelding 136.
De brandblusser verwijderen.
De bevestiging gebeurt in omgekeerde volgorde.
De instructies die op de brandblusser zijn aangebracht zorgvuldig doorlezen.
De brandblusser moet door een daartoe bevoegde persoon jaarlijks worden
gecontroleerd. De nationale wettelijke voorschriften moeten worden opge-
volgd.
ATTENTIE
De brandblusser moet veilig en zodanig zijn bevestigd, dat deze bij een
noodstop of een aanrijding van de wagen niet kan losraken en de inzitten-
den kan verwonden.
Let op
De brandblusser moet aan de nationale, wettelijke eisen voldoen.
De uiterste gebruiksdatum van de brandblusser in acht nemen. Als de brand-
blusser wordt gebruikt na afloop van de vervaldatum, is de juiste werking niet
meer gegarandeerd.
De brandblusser behoort slechts tot de leveringsomvang in bepaalde expor-
tuitvoeringen.
Wagengereedschap
Afbeelding 137 Wagengereedschap
Het wagengereedschap en de krik met sticker zijn in een kunststof box in het
reservewiel of in de ruimte voor het reservewiel aangebracht. Hier is ook
plaats voor de afneembare kogelkop van de trekhaak. De box is met een riem
aan het reservewiel bevestigd.
Afhankelijk van de uitrusting hoeven niet alle aangegeven onderdelen in het
wagengereedschap aanwezig te zijn.
Mogelijke bestanddelen van het wagengereedschap » Afbeelding 137
schroevendraaier,
sleutel voor het uit- en inbouwen van het achterlicht,
adapter voor antidiefstalwielbouten,
sleepoog,
draadbeugel voor het lostrekken van de wieldoppen,
krik,
wielsleutel,
tang voor het verwijderen van de afdekkappen van de wielbouten,
setje vervangingsgloeilampjes.
De krik na het gebruik weer in de uitgangsstand draaien, zodat hij weer in de
box met wagengereedschap kan worden opgeborgen.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
158
Tips om het zelf te doen
ATTENTIE
De af fabriek meegeleverde krik is alleen voor uw wagenmodel bedoeld. In
geen geval hiermee zwaardere voertuigen of andere lasten opkrikken.
VOORZICHTIG
Ervoor zorgen dat het wagengereedschap in de bagageruimte goed is beves-
tigd.
Let erop dat de box altijd met de riem is vastgezet.
Wiel verwisselen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorbereidende werkzaamheden 159
Wieldop 160
Afdekkappen van de wielbouten 160
Wiel verwisselen 160
Werkzaamheden naderhand 161
Wielbouten losdraaien en vastzetten 161
Wagen omhoogbrengen 162
Wielen beveiligen tegen diefstal 162
ATTENTIE
Als u langs de rijbaan staat, de alarmlichten inschakelen en de gevaren-
driehoek op de voorgeschreven afstand plaatsen! Hierbij moeten de wette-
lijke voorschriften worden opgevolgd.
De wagen zo ver mogelijk van het rijdende verkeer parkeren. De plek
moet zo mogelijk over een stevige en vlakke ondergrond beschikken.
Als de wagen naderhand met andere dan de af fabriek gemonteerde ban-
den of velgen wordt uitgerust, moeten de aanwijzingen in acht worden ge-
nomen » pagina 152, Nieuwe banden.
ATTENTIE
Aanwijzingen voor het opkrikken van de wagen
Als u het wiel op een helling moet verwisselen, blokkeer dan het tegen-
overliggende wiel met behulp van een steen of iets dergelijks, om zo de
wagen tegen onverwachts wegrollen te beveiligen.
ATTENTIE (vervolg)
De grondplaat van de krik met geschikte middelen beveiligen tegen mo-
gelijk verschuiven. Een zachte, gladde ondergrond onder de grondplaat van
de krik kan tot gevolg hebben, dat de wagen van de krik glijdt. Daarom de
krik altijd op een vaste ondergrond plaatsen of een groot en stabiel steun-
vlak gebruiken. Op een gladde ondergrond, zoals klinkers of een tegelvloer,
moet een stroef steunvlak worden gebruikt (bijvoorbeeld een rubber mat).
De krik alleen aanbrengen bij de daarvoor bedoelde steunpunten.
De wagen altijd opkrikken terwijl de portieren zijn gesloten.
Nooit met een lichaamsdeel (bijvoorbeeld arm of been) onder de wagen
komen, als deze alleen door een krik omhoog wordt gehouden.
Bij een omhooggebrachte wagen nooit de motor starten.
ATTENTIE
Aanwijzingen over wielbouten
Wielbouten moeten schoon zijn en licht draaien. Ze mogen nooit met vet
of olie behandeld worden.
Het voorgeschreven aantrekmoment van de wielbouten is bij stalen en
lichtmetalen velgen 120 Nm.
Wanneer de wielbouten met een te laag aantrekmoment zijn aangetrok-
ken, kunnen de velgen tijdens het rijden losraken. Een te hoog aantrekmo-
ment kan de bouten en de schroefdraad beschadigen en kan leiden tot een
blijvende vervorming van de draagvlakken op de velg.
Bij verkeerde behandeling van de wielbouten kan het wiel tijdens het rij-
den losraken.
Let op
Bij het verwisselen van een wiel moeten de wettelijke voorschriften worden
opgevolgd.
Voorbereidende werkzaamheden
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 159.
Het verwisselen van een wiel indien mogelijk uitvoeren op een horizontaal
vlak.
Voor het eigenlijke verwisselen van het wiel moeten de volgende werkzaam-
heden worden uitgevoerd.
Alle passagiers laten uitstappen. Tijdens het repareren van de band mogen
de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail).
159
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
De motor afzetten.
De versnellingshendel in de neutraalstand resp. de keuzehendel van de au-
tomatische versnellingsbak in de P-stand plaatsen.
De handrem stevig aantrekken.
Indien een aanhangwagen is aangekoppeld, dan deze afkoppelen.
Het wagengereedschap » pagina 158 en het reserve- resp. noodreserve-
wiel » pagina 154 uit de bagageruimte nemen.
Wieldop
Lees en bekijk eerst op bladzijde 159.
Lostrekken
De beugel uit het wagengereedschap » pagina 158 vasthaken aan de ver-
sterkte rand van de wieldop.
De wielsleutel door de beugel schuiven, de wielsleutel op de band laten rus-
ten en de wieldop lostrekken.
Inbouwen
De wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg drukken » .
De wieldop zodanig op de velg drukken tot deze over de gehele omtrek cor-
rect vastklikt.
VOORZICHTIG
De wieldop met de hand aandrukken, niet erop slaan! Anders kan de wieldop
worden beschadigd.
Bij gebruik van de antidiefstalwielbout dient erop te worden gelet dat deze
in boring bij het ventiel wordt aangebracht.
Als wieldoppen worden gemonteerd, moet erop worden gelet dat voldoende
luchttoevoer voor de koeling van het remsysteem blijft gewaarborgd. Wij advi-
seren u wieldoppen uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te gebrui-
ken.
Afdekkappen van de wielbouten
Afbeelding 138
Afdekkap lostrekken
Lees en bekijk eerst op bladzijde 159.
Lostrekken
De tang
» pagina 158 over de afdekkap schuiven, tot de haken aan de bin-
nenzijde van de tang tegen de kraag van de afdekkap komen.
De afdekkap in pijlrichting lostrekken » Afbeelding 138.
Inbouwen
De afdekkap tot de aanslag op de wielbout schuiven.
De afdekkappen van de wielbouten bevinden zich in een kunststof box in het
reservewiel of in de ruimte voor het reservewiel.
Wiel verwisselen
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 159.
De wieldop resp. de afdekkappen van de wielbouten losnemen.
Eerst de antidiefstalwielbout en dan de andere wielbouten losdraaien.
De wagen zo ver opkrikken dat het te verwisselen wiel de bodem niet meer
raakt.
De wielbouten verwijderen en op een schone ondergrond leggen (doek, pa-
pier enzovoort).
Het wiel voorzichtig verwijderen.
Het reservewiel aanbrengen en de wielbouten handvast aandraaien.
De wagen laten zakken.
Met de wielsleutel afwisselend de tegenover elkaar liggende wielbouten
(kruiselings) vastzetten. De antidiefstalwielbout als laatste vastzetten.
De wieldop resp. de afdekkappen weer aanbrengen.
160
Tips om het zelf te doen
ATTENTIE
Alle wielbouten moeten schoon en goed gangbaar zijn.
In geen geval mogen de wielbouten worden ingevet of ingeolied!
Bij de montage van draairichtinggebonden banden op de draairichting let-
ten » pagina 153.
Werkzaamheden naderhand
Lees en bekijk eerst op bladzijde 159.
Na het verwisselen van het wiel moeten de volgende werkzaamheden worden
uitgevoerd.
Het vervangen wiel in de uitsparing voor het reservewiel opbergen en vast-
zetten met een speciale moer » pagina 154.
Het wagengereedschap op de hiervoor bedoelde plaats opbergen en met de
riem bevestigen.
Zo snel mogelijk de bandenspanning van het gemonteerde reservewiel con-
troleren.
Het aantrekmoment van de wielbouten zo snel mogelijk met een moments-
leutel laten controleren.
De beschadigde band laten vervangen resp. bij een erkend reparateur informe-
ren naar de reparatiemogelijkheden.
ATTENTIE
Als bij verwisselen van een wiel wordt vastgesteld dat de wielbouten ge-
roest zijn en moeilijk draaien, dan moeten deze worden vervangen.
Tot het controleren van het aantrekmoment voorzichtig en slechts met
matige snelheid rijden.
Wielbouten losdraaien en vastzetten
Afbeelding 139
Wiel verwisselen: Wielbouten
een slag losdraaien
Lees en bekijk eerst op bladzijde 159.
Losdraaien
De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout aanbrengen
1)
.
Het uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de bout circa één omwente-
ling in pijlrichting draaien » Afbeelding 139.
Vastzetten
De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout aanbrengen
1)
.
Het uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de bout tegen de pijlrichting
in vastdraaien » Afbeelding 139.
ATTENTIE
De wielbouten slechts enigszins losdraaien (circa een omwenteling), zo-
lang de wagen niet met de krik is opgekrikt. Anders kan het wiel loslaten
en vallen.
Als de bouten niet kunnen worden losgedraaid, kunt u voorzichtig met de
voet op het uiteinde van de sleutel drukken. Daarbij kunt u zich het beste
aan de wagen vasthouden en zorgen dat u stevig staat.
1)
Voor het los- en vastdraaien van de antidiefstalwielbouten de betreffende adapter gebruiken » pagina
162.
161
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
Wagen omhoogbrengen
Afbeelding 140
Steunpunten voor de krik
Afbeelding 141 Krik aanbrengen
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 159.
Voor het plaatsen van de krik het steunpunt kiezen, dat het dichtst bij de lek-
ke band ligt » Afbeelding 140.
De steunpunten bevinden zich op de metaalrand van de dorpel aan de onder-
zijde van de wagen » Afbeelding 140.
Controleren of de grondplaat van de krik met het volledige oppervlak op de
vaste ondergrond staat en loodrecht ten opzichte van het kriksteunpunt be-
vindt » Afbeelding 141 -
.
De krik onder het steunpunt met de slinger zo ver omhoogdraaien, tot de
klauw van de krik de rand omvat » Afbeelding 141 -
.
De wagenkrik verder omhoogdraaien tot het wiel net vrij van de grond is.
ATTENTIE
De wagen alleen bij de krikpunten opkrikken.
Voor het opkrikken van de wagen een vaste en vlakke ondergrond opzoe-
ken.
Wielen beveiligen tegen diefstal
Afbeelding 142
Principeafbeelding: Antidiefstal-
wielbout met adapter
Lees en bekijk eerst op bladzijde 159.
De antidiefstalwielbouten kunnen alleen met behulp van de adapter worden
losgedraaid resp. vastgezet » pagina 158.
De afdekkap van de antidiefstalwielbout lostrekken.
De adapter
B
» Afbeelding 142 met de vertande zijde tot de aanslag in de
inwendige vertanding van de antidiefstalwielbout
A
aanbrengen, zodat al-
leen nog de uitwendige zeskant uitsteekt.
De wielsleutel tot de aanslag op de adapter
B
schuiven.
De wielbout losdraaien resp. vastdraaien » pagina 161.
Na het lostrekken van de adapter de afdekkap op de antidiefstalwielbout
steken.
Het aantrekmoment van de wielbouten zo snel mogelijk met een moments-
leutel laten controleren.
Let op
Het aan de kopse kant van de adapter of aan de kopse kant van de antidief-
stalwielbout ingeslagen codenummer noteren. Aan de hand van dit nummer
kunt u, indien nodig, een reserveadapter bestellen uit het assortiment aan
ŠKODA originele onderdelen.
Wij adviseren om de adapter voor de wielbouten steeds in de wagen mee te
nemen. Deze moet bij het wagengereedschap worden bewaard.
De set antidiefstalwielbouten met de adapter is verkrijgbaar bij een ŠKODA
Partner.
162
Tips om het zelf te doen
Bandenreparatie
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bandenafdichtset
164
Voorbereidende werkzaamheden voor gebruik van de bandenafdichtset 164
Band afdichten en oppompen 164
Controle na 10 minuten rijden 165
Met de bandenafdichtset kunnen beschadigingen aan de banden tot een door-
snede van circa 4 mm, die door scherpe voorwerpen zijn veroorzaakt, veilig
worden gedicht.
De reparatie met de afdichtset vervangt in geen geval een normale bandenre-
paratie. De reparatie met de afdichtset dient alleen voor het bereiken van de
dichtstbijzijnde erkend reparateur.
Bij de reparatie hoeft het wiel niet te worden verwijderd.
Vreemde voorwerpen (bijvoorbeeld een schroef of een spijker) mogen niet uit
de band worden verwijderd!
De bandenafdichtset mag in de volgende gevallen niet worden gebruikt.
Bij schade aan de velg.
Bij een buitentemperatuur onder -20 °C.
Bij beschadigingen groter dan 4 mm.
Bij beschadigingen aan de wang van de band.
Als met zeer lage bandenspanning of met een lege band wordt gereden.
Als de houdbaarheidsdatum (zie fles met bandenafdichtmiddel) is verstreken.
ATTENTIE
Als u langs de rijbaan staat, de alarmlichten inschakelen en de gevaren-
driehoek op de voorgeschreven afstand plaatsen! Hierbij moeten de wette-
lijke voorschriften worden opgevolgd.
De wagen zo ver mogelijk van het rijdende verkeer parkeren. De plek
moet zo mogelijk over een stevige en vlakke ondergrond beschikken.
ATTENTIE
Een met bandenafdichtmiddel gevulde band heeft niet dezelfde rijeigen-
schappen als een gewone band.
Niet sneller rijden dan 80 km/h.
Volgas accelereren, sterk remmen en het snel nemen van bochten vermij-
den.
Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren.
Het bandenafdichtmiddel is schadelijk voor de gezondheid en moet bij
huidcontact onmiddellijk verwijderd worden.
De gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de bandenafdichtset in acht
nemen.
Milieu-aanwijzing
Gebruikt of verouderd bandenafdichtmiddel moet met inachtneming van de
milieuvoorschriften worden afgevoerd.
Let op
Een nieuwe fles bandenafdichtmiddel is verkrijgbaar uit het originele ŠKODA
accessoireprogramma.
De met de bandenafdichtset gerepareerde band zo snel mogelijk laten ver-
vangen resp. bij een erkend reparateur informeren naar de reparatiemogelijk-
heden.
163
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
Bandenafdichtset
Afbeelding 143 Principeafbeelding: Onderdelen van de bandenafdichtset
Lees en bekijk eerst op bladzijde 163.
De bandenafdichtset bevindt zich in een box onder de bodembekleding van de
bagageruimte.
Onderdelen van bandenafdichtset » Afbeelding 143
sticker met de snelheidsaanduiding "max. 80 km/h" resp. "max. 50 mph",
ventielsleutel,
vulslang met vuldop,
luchtcompressor,
toets voor verlagen van bandenspanning,
12 volt kabelsteker
bandenvulslang,
bandenspanningmeter,
aan-uitschakelaar,
fles met bandenafdichtmiddel,
reserve-ventielinzetstuk.
De ventielsleutel
2
heeft aan de onderzijde een gleuf, waarin het ventielin-
zetstuk past.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Voorbereidende werkzaamheden voor gebruik van de
bandenafdichtset
Lees en bekijk eerst op bladzijde 163.
Het verwisselen van een wiel indien mogelijk uitvoeren op een horizontaal
vlak.
Voor het gebruik van de bandenafdichtset moeten de volgende voorbereiden-
de werkzaamheden worden uitgevoerd:
Alle passagiers laten uitstappen. Tijdens het repareren van de band mogen
de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail).
De motor afzetten.
De versnellingshendel in de neutraalstand resp. de keuzehendel van de au-
tomatische versnellingsbak in de P-stand plaatsen.
De handrem stevig aantrekken.
Controleren of de reparatie met de bandenafdichtset kan worden uitge-
voerd » pagina 163.
Indien een aanhangwagen is aangekoppeld, dan deze afkoppelen.
De bandenafdichtset uit het wagengereedschap nemen.
De betreffende sticker
1
» Afbeelding 143 op pagina 164 op het dashboard
in het gezichtsveld van de bestuurder aanbrengen.
Vreemde voorwerpen (bijvoorbeeld een schroef of een spijker) niet uit de
band verwijderen.
Het ventieldopje eraf draaien.
Met de ventielsleutel
2
het ventielinzetstuk uit het ventiel draaien en het
ventielinzetstuk op een schone ondergrond leggen (doek, stuk papier e.d.).
Band afdichten en oppompen
Lees en bekijk eerst
op bladzijde 163.
Afdichten
De fles met bandenafdichtmiddel
10
» Afbeelding 143 op pagina 164 enkele
malen krachtig schudden.
De vulslang
3
stevig rechtsom op de fles
10
draaien. De folie op de vuldop
wordt hierbij automatisch doorgeprikt.
De sluitstop van de vulslang
3
verwijderen en het open uiteinde op het ven-
tiel van de band steken.
De fles
10
ondersteboven houden en de gehele inhoud afdichtmiddel uit de
fles in de band vullen.
De lege fles met bandenafdichtmiddel van het ventiel verwijderen.
164
Tips om het zelf te doen
Het ventielinzetstuk met ventielsleutel
2
weer in het ventiel draaien.
Oppompen
De vulslang
7
» Afbeelding 143 op pagina 164 van de luchtcompressor ste-
vig op het ventiel van de band draaien.
De motor starten en laten draaien.
De steker
6
in het 12 volt stopcontact » pagina 75, 12 volt stopcontact ste-
ken.
De luchtcompressor met de aan-uitschakelaar
9
inschakelen.
De luchtcompressor laten draaien totdat de bandenspanning 2,0 - 2,5 bar be-
draagt. Maximale looptijd 8 minuten »
De luchtcompressor uitschakelen.
Als de bandenspanning van 2,0 - 2,5 bar niet wordt bereikt, de vulslang
7
van het ventiel afschroeven.
De wagen circa 10 meter voor- of achteruitrijden zodat het afdichtmiddel zich
in de band kan "verdelen".
De vulslang van de luchtcompressor
7
opnieuw stevig op het ventiel draai-
en en het oppompen herhalen.
Als ook nu de vereiste bandenspanning niet wordt bereikt, dan is de band te
zeer beschadigd. De band kan met de bandenafdichtset niet voldoende wor-
den afgedicht » .
De luchtcompressor uitschakelen.
De vulslang
7
van het ventiel losdraaien.
Wanneer een bandenspanning van 2,0 - 2,5 bar is bereikt, kan de rit met maxi-
maal 80 km/h resp. 50 mph worden voortgezet.
Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren » pagina 165.
ATTENTIE
Wanneer de band niet tot ten minste 2,0 bar kan worden opgepompt, is
de beschadiging te groot. Het afdichtmiddel is niet in staat de band te dich-
ten.
Niet verder rijden! De hulp van een erkend reparateur inroepen.
De luchtcompressor en de bandenvulslang kunnen bij het oppompen heet
worden.
De hete vulslang en hete luchtcompressor niet op brandbare materialen
leggen - brandgevaar!
VOORZICHTIG
De luchtcompressor uiterlijk na 8 minuten draaien uitschakelen - gevaar voor
oververhitting! De luchtcompressor enkele minuten laten afkoelen, voordat u
deze opnieuw inschakelt.
Controle na 10 minuten rijden
Lees en bekijk eerst op bladzijde 163.
Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren!
De bandenspanning is 1,3 bar of lager
Niet verder rijden! De band kan met de afdichtset niet voldoende worden
afgedicht.
De bandenspanning is 1,3 bar of hoger
De bandenspanning weer tot de juiste waarde corrigeren (zie binnenzijde
van de tankklep).
De rit voorzichtig voortzetten naar de dichtstbijzijnde erkend reparateur met
maximaal 80 km/h (50 mph).
Starthulp
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Starthulp met behulp van de accu van een andere wagen
166
Starthulp bij wagens met start-stopsysteem
167
Als de motor niet aanslaat omdat de accu ontladen is, kan de accu van een an-
dere wagen worden gebruikt om de motor te starten.
ATTENTIE
Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 °C bevriezen. Bij
een bevroren accu geen starthulp geven met behulp van de accu van een
andere wagen - explosiegevaar!
De waarschuwingsaanwijzingen bij werkzaamheden in de motorruimte
opvolgen » pagina 138.
De niet-geïsoleerde delen van de poolklemmen mogen in geen geval met
elkaar in aanraking komen - gevaar voor kortsluiting!
De op de pluspool van de accu aangesloten startkabel mag niet met elek-
trisch geleidende delen van de wagen in aanraking komen - gevaar voor
kortsluiting!
De startkabel niet op de minpool van de ontladen accu aansluiten. Door
vonkvorming bij het starten zou knalgas dat uit de accu stroomt, kunnen
ontsteken.
165
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
ATTENTIE (vervolg)
De startkabels zo leggen, dat ze niet door draaiende delen in de motor-
ruimte kunnen worden geraakt.
Nooit over de accu heen hangen - gevaar door bijtende werking!
De sluitdoppen van de accucellen moeten zijn vastgeschroefd.
Ontstekingsbronnen (open vuur, brandende sigaretten en dergelijke) uit
de buurt van de accu houden - gevaar voor explosie!
Nooit starthulp gebruiken bij accu's met een te laag accuvloeistofpeil -
explosiegevaar en gevaar door bijtende werking.
Tussen beide wagens mag geen contact bestaan, omdat er anders al bij
het aansluiten van de pluspolen een stroomverbinding tot stand wordt ge-
bracht.
VOORZICHTIG
De ontladen accu moet volgens voorschrift op de elektrische installatie zijn
aangesloten.
Wij adviseren de startkabels aan te schaffen bij een speciaalzaak voor voer-
tuigaccu's.
Starthulp met behulp van de accu van een andere wagen
Afbeelding 144
Starthulp: A - ontladen accu, B -
stroomleverende accu
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 165.
Voor een startpoging met behulp van de accu van een andere wagen zijn
startkabels nodig.
De startkabels moeten in de onderstaande volgorde worden aangesloten.
Het ene uiteinde
1
aansluiten op de pluspool van de ontladen accu
A
» Afbeelding 144.
Het andere uiteinde
2
aansluiten op de pluspool van de stroomleverende
accu
B
.
Het ene uiteinde
3
aansluiten op de minpool van de stroomleverende accu
B
.
Het andere uiteinde
4
aansluiten op een massief, vast met het motorblok
verbonden metalen onderdeel of direct op het motorblok zelf.
Motor starten
De motor van de stroomgevende wagen starten en stationair laten draaien.
Nu de motor van de wagen met de ontladen accu starten.
Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na circa 10 seconden afbreken
en circa een halve minuut later herhalen.
De startkabels precies in omgekeerde volgorde (zoals hierboven beschreven)
verwijderen.
Beide accu's moeten een nominale spanning van 12 V hebben. De capaciteit
(Ah) van de stroomleverende accu mag niet wezenlijk lager zijn dan de capaci-
teit van de ontladen accu.
Startkabel
Alleen startkabels gebruiken met een voldoende grote diameter en met geïso-
leerde poolklemmen. De aanwijzingen van de fabrikant van de startkabels op-
volgen.
Pluskabel - kleuraanduiding in het algemeen rood.
Minkabel - - kleuraanduiding in het algemeen zwart.
166
Tips om het zelf te doen
Starthulp bij wagens met start-stopsysteem
Afbeelding 145 Massapunt van de motor: Start-stopsysteem
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 165.
Bij wagens met start-stopsysteem mag de startkabel nooit direct op de min-
pool van de accu worden aangesloten, maar uitsluitend op het massapunt van
de motor.
1,2 l/63 kW TSI en 1,2 l/77 kW TSI motoren » Afbeelding 145 -
1,4 l/90 kW motor » Afbeelding 145 -
1,6 l/77 kW TDI CR motor » Afbeelding 145 -
Wagen afslepen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Sleepoog voor 168
Sleepoog achter
168
Wagens met een trekhaak
168
Wagens met schakelbak kunnen met een sleepkabel resp. een sleepstang of
met opgeheven voor- of achteras worden afgesleept.
Wagens met automatische versnellingsbak kunnen met een sleepkabel resp.
een sleepstang of met opgeheven vooras worden afgesleept. Bij een wagen
waarbij de achterwielen zijn opgeheven, wordt de automatische versnellings-
bak beschadigd!
Bij het afslepen moeten de volgende aanwijzingen worden opgevolgd.
Bestuurder van de slepende wagen
De koppeling bij het wegrijden uiterst voorzichtig laten opkomen resp. bij
een automatische versnellingsbak bijzonder voorzichtig gas geven.
Pas echt wegrijden als de kabel gespannen is.
De maximale sleepsnelheid bedraagt 50 km/h.
Bestuurder van de gesleepte wagen
Het contact inschakelen zodat het stuurwiel niet kan blokkeren en de knip-
perlichten, de claxon, de ruitenwissers en de ruitensproeierinstallatie kunnen
worden ingeschakeld.
De versnellingsbak in de neutraalstand zetten resp. bij een automatische
versnellingsbak de keuzehendelstand N selecteren.
De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken alleen als de motor
draait. Bij stilstaande motor moet het rempedaal met aanzienlijk meer kracht
worden ingedrukt en is voor het sturen veel meer kracht nodig.
Let er bij het gebruik van een sleepkabel op dat de sleepkabel strak blijft
staan.
Voor het slepen is een zekere ervaring nodig. Beide bestuurders moeten met
de bijzonderheden van het slepen vertrouwd zijn. Bestuurders die daarmee
geen ervaring hebben, kunnen beter niet afslepen of worden afgesleept.
Als normaal slepen niet mogelijk is of als de sleepafstand groter is dan 50 km,
moet de wagen op een transportvoertuig of een aanhangwagen worden ver-
voerd.
De sleepkabel resp. de sleepstang aan het sleepoog » pagina 168 resp. » pa-
gina 168 resp. aan de afneembare kogelkop van de trekhaak » pagina 118 be-
vestigen.
ATTENTIE
De sleepkabel mag niet zijn verdraaid, omdat onder bepaalde omstandig-
heden het sleepoog voorop uw wagen zou kunnen worden losgedraaid.
Geen eenzijdig verdraaide sleepkabel gebruiken, omdat in dat geval even-
tueel de sleepoog op de wagen kan losraken.
Bij het afslepen de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen, vooral
met betrekking tot de te gebruiken markering.
167
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
VOORZICHTIG
De motor niet starten door de wagen aan te slepen - gevaar voor schade aan
de motor en de katalysator! Als starthulp kunt u de accu van een andere wa-
gen gebruiken » pagina 165, Starthulp.
Als er geen versnellingsbakolie meer in de versnellingsbak zit, mag de wagen
alleen met opgetakelde aangedreven wielen of met een transportvoertuig
resp. aanhangwagen worden vervoerd.
De sleepkabel moet elastisch zijn, zodat beide wagens niet aan schokbelas-
tingen worden blootgesteld. Daarom alleen kunststofvezel kabels of kabels
van soortgelijk elastisch materiaal gebruiken.
Bij het slepen over onverharde wegen bestaat altijd het gevaar, dat de be-
vestigingsdelen te zwaar worden belast en beschadigd raken.
Let op
Wij adviseren een sleepkabel uit het originele ŠKODA accessoireprogramma te
gebruiken, die bij een ŠKODA Partner verkrijgbaar is.
Sleepoog voor
Afbeelding 146 Verwijderen van de afdekking / montage van het sleep-
oog
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 167.
Afdekkap uit- en inbouwen
Op de afdekkap bij
A
» Afbeelding 146 drukken.
De afdekkap in pijlrichting
1
lostrekken.
Na het eruit draaien van de sleepoog de afdekkap
B
bij
A
plaatsen en ver-
volgens op de tegenoverliggende zijde van de afdekkap drukken.
De afdekking moet correct vastklikken.
Sleepoog in- en uitbouwen
Het sleepoog met de hand in pijlrichting
2
» Afbeelding 146 tot de aanslag
vastdraaien » .
Voor het vastdraaien adviseren wij bijvoorbeeld de wielsleutel, het sleepoog
van een andere wagen of een gelijksoortig voorwerp te gebruiken dat door het
oog kan worden gestoken.
Het sleepoog tegen de pijlrichting in
2
eruit draaien.
ATTENTIE
Het sleepoog moet altijd tot de aanslag worden vastgedraaid en stevig
worden vastgezet, anders kan het sleepoog bij het af- of aanslepen losra-
ken.
Sleepoog achter
Afbeelding 147
Sleepoog achter
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 167.
Het sleepoog achter bevindt zich rechts onder de achterbumper.
Voor het gebruik van het sleepoog moet de beschermkap worden verwij-
derd. » Afbeelding 147. Na het gebruik van het sleepoog moet de beschermkap
weer worden aangebracht.
Wagens met een trekhaak
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 167.
Bij wagens met af fabriek ingebouwde trekhaak kan voor het afslepen de ge-
monteerde afneembare trekhaak worden gebruikt » pagina 118, Trekhaak.
Het afslepen met de trekhaak is een volwaardige vervanging voor het afslepen
met het sleepoog.
168
Tips om het zelf te doen
VOORZICHTIG
Bij gebruik van een ongeschikte sleepstang kunnen de afneembare kogelkop
en de wagen worden beschadigd.
Let op
De afneembare kogelkop moet altijd worden meegenomen, om deze zo nodig
voor het afslepen te gebruiken.
Afstandsbediening
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Batterij in de afstandsbediening vervangen 169
Afstandsbediening synchroniseren
169
VOORZICHTIG
De nieuwe batterij moet dezelfde specificaties hebben als de originele.
Wij adviseren de defecte batterijen door een ŠKODA Servicepartner te laten
vervangen.
Bij het vervangen van de batterij op de juiste polariteit letten.
Milieu-aanwijzing
De nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het afvoeren en ver-
werken van de lege batterij in acht nemen.
Batterij in de afstandsbediening vervangen
Afbeelding 148 Deksel verwijderen / batterij verwijderen
Lees en bekijk eerst op bladzijde 169.
Het vervangen van de batterijen moet als volgt worden uitgevoerd.
De sleutel uitklappen.
Het batterijdeksel
A
» Afbeelding 148 met de duim of met een platte
schroevendraaier bij pijlen
1
eraf drukken.
De batterij op de plaats van de pijl
2
omlaagdrukken en de lege batterij uit
de sleutel nemen.
De nieuwe batterij aanbrengen.
Het batterijdeksel
A
op de sleutel plaatsen en aandrukken tot het hoorbaar
vastklikt.
Let op
Als de wagen na vervanging van de batterij niet met de sleutel met radiogra-
fische afstandsbediening kan worden geopend en gesloten, moet het systeem
worden gesynchroniseerd » pagina 169.
Het vervangen van de batterij in de sleutel met sierafdekking heeft tot ge-
volg dat deze afdekking defect raakt. Een vervangende sierafdekking kan bij
de ŠKODA Partners worden aangeschaft.
Afstandsbediening synchroniseren
Lees en bekijk eerst op bladzijde 169.
Als de wagen bij het bedienen van de afstandsbediening niet wordt ontgren-
deld, is het mogelijk dat de sleutel niet is gesynchroniseerd. Dat kan gebeuren
als de toetsen van de sleutel met radiografische afstandsbediening meerdere
malen buiten het werkingsgebied van het systeem zijn ingedrukt of als de bat-
terij van de sleutel is vervangen.
De sleutel als volgt synchroniseren.
Een willekeurige toets op de afstandsbediening indrukken.
Na het indrukken van de toets moet het portier binnen 1 minuut met behulp
van de sleutel worden ontgrendeld.
169
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
Noodontgrendeling/-vergrendeling
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Portier zonder slotcilinder vergrendelen
170
Achterklep ontgrendelen 170
Noodontgrendeling keuzehendel 170
Portier zonder slotcilinder vergrendelen
Afbeelding 149 Noodvergrendeling: Rechter-/linker achterportier
Aan de kopse kant van de portieren die geen slotcilinder hebben, bevindt zich
een noodslotmechanisme; dit is pas zichtbaar na het openen van het portier.
Noodvergrendeling » Afbeelding 149
Paneel
Portier vergrendeld
Portier ontgrendeld
Vóór het gebruik van het noodsluitmechanisme het paneel
A
» Afbeelding
149 verwijderen. Na het gebruik het paneel weer in de betreffende boring in
het portier aanbrengen.
Na het sluiten van het vergrendelde portier kan dit niet van buitenaf worden
geopend. Het portier wordt bij het trekken aan de portiergreep ontgrendeld en
van buitenaf geopend.
A
Achterklep ontgrendelen
Afbeelding 150
Noodontgrendeling van de ach-
terklep
In geval van een storing aan de centrale vergrendeling kunt u de achterklep
handmatig ontgrendelen.
Ontgrendelen
De rugleuning van de achterbank naar voren klappen » pagina 71.
De sleutel tot de aanslag in de sleuf van de bekleding steken » Afbeelding
150.
Door bewegen in pijlrichting wordt de klep ontgrendeld.
De achterklep openen.
Noodontgrendeling keuzehendel
Afbeelding 151
Noodontgrendeling keuzehendel
De handrem stevig aantrekken.
De afdekking links- en rechtsvoor voorzichtig omhoogtrekken.
De afdekking achteraan omhoogtrekken.
Met een vinger op het gele kunststof deel in pijlrichting drukken » Afbeel-
ding 151.
Tegelijkertijd de grendelknop in de keuzehendelgreep indrukken en de keu-
zehendel in stand N zetten.
170
Tips om het zelf te doen
Indien de keuzehendel opnieuw in stand P wordt gezet, wordt deze opnieuw
geblokkeerd.
Ruitenwisserbladen vervangen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen 171
Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen 171
ATTENTIE
Om veiligheidsredenen moet u de ruitenwisserbladen jaarlijks een- tot
tweemaal vervangen. Deze zijn verkrijgbaar bij een ŠKODA Partner.
Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen
Afbeelding 152
Ruitenwisserblad van de voorruit
Lees en bekijk eerst op bladzijde 171.
Voor het vervangen van de ruitenwisserbladen moeten de wisserarmen in de
servicestand worden gezet.
Servicestand voor het vervangen van wisserbladen
De motorkap sluiten.
Het contact in- en weer uitschakelen.
De bedieningshendel in stand
4
zetten » Afbeelding 46 op pagina 64.
De wisserarmen gaan naar de servicestand.
Ruitenwisserblad verwijderen
De ruitenwisserarm in pijlrichting
1
van de voorruit optillen » Afbeelding
152.
Het wisserblad tot de aanslag in dezelfde richting kantelen.
De ruitenwisserarm aan bovenzijde vasthouden.
De vergrendeling
A
indrukken en het ruitenwisserblad in pijlrichting
2
ver-
wijderen.
Ruitenwisserblad bevestigen
Het ruitenwisserblad tegen de aanslag schuiven tot het vergrendelt.
Controleren of het ruitenwisserblad correct is bevestigd.
De wisserarm op de ruit terugklappen.
Het contact inschakelen en de bedieningshendel in stand
4
drukken » Af-
beelding 46 op pagina 64.
De wisserarmen gaan naar de basisstand.
Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen
Afbeelding 153
Ruitenwisserblad van de achter-
ruit
Lees en bekijk eerst op bladzijde 171.
Ruitenwisserblad verwijderen
De ruitenwisserarm in pijlrichting
1
van de voorruit optillen » Afbeelding
153.
Het wisserblad tot de aanslag in dezelfde richting kantelen.
De ruitenwisserarm aan bovenzijde vasthouden.
De vergrendeling
A
indrukken en het ruitenwisserblad in pijlrichting
2
ver-
wijderen.
Ruitenwisserblad bevestigen
Het ruitenwisserblad tegen de aanslag schuiven tot het vergrendelt.
Controleren of het ruitenwisserblad correct is bevestigd.
De wisserarm op de ruit terugklappen.
171
Nooduitrusting en tips om het zelf te doen
Zekeringen en gloeilampjes
Zekeringen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zekeringen in het dashboard 172
Zekeringenoverzicht in het dashboard 173
Zekeringen in de motorruimte 174
Zekeringenoverzicht in de motorruimte 174
De afzonderlijke stroomkringen zijn door middel van smeltzekeringen bevei-
ligd.
Vóór het vervangen van een zekering het contact en de betreffende verbruiker
uitschakelen.
Vaststellen welke zekering bij de uitgevallen verbruiker hoort » pagina 173,
Zekeringenoverzicht in het dashboard of » pagina 174, Zekeringenoverzicht in
de motorruimte.
Kleur van de zekering Max. stroomsterkte in ampère
lichtbruin 5
donkerbruin 7,5
rood 10
blauw 15
geel 20
wit 25
groen 30
oranje 40
ATTENTIE
Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de waar-
schuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen » pagina 138, Motorruimte.
VOORZICHTIG
Zekeringen "niet repareren" en ook niet vervangen door zwaardere - brand-
gevaar! Bovendien kunnen andere delen van de elektrische installatie worden
beschadigd.
Als een nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer doorbrandt, moet de
elektrische installatie zo snel mogelijk door een erkend reparateur worden ge-
controleerd.
Een doorgebrande zekering is aan een doorgesmolten metalen strookje te
herkennen. De doorgebrande zekering door een nieuwe zekering met hetzelf-
de amperage vervangen.
Let op
Wij adviseren, altijd reservezekeringen in de wagen mee te nemen. Een
doosje reservezekeringen is verkrijgbaar uit het originele ŠKODA accessoire-
programma.
Op één zekering kunnen meerdere verbruikers zijn aangesloten.
Bij een verbruiker kunnen meerdere zekeringen horen.
Zekeringen in het dashboard
Afbeelding 154
Onderzijde van het dashboard:
Afdekking van de zekeringen-
houder
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 172.
De zekeringen zitten aan onderzijde van het dashboard achter een afdekking.
Zekering vervangen
De afdekking van de zekeringenhouder » Afbeelding 154 in pijlrichting verwij-
deren.
De kunststof klem uit de houder in de afdekking van de zekeringenhouder
verwijderen.
De klem op de betreffende zekering steken en deze eruit trekken.
Een nieuwe zekering aanbrengen.
172
Tips om het zelf te doen
De afdekking in het dashboard tegen de pijlrichting weer aanbrengen, zodat
de geleidenokken in de openingen van het dashboard vallen.
De afdekking voorzichtig aandrukken.
Zekeringenoverzicht in het dashboard
Afbeelding 155 Schematische weergave van de zekeringenhouder voor
wagens met links / rechts stuur
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 172.
Nr. Verbruiker
1 S-contact
2 Start-stopsysteem
3
Instrumentenpaneel, lichtbundelhoogteverstelling, telefoon, olie-
peilsensor, diagnoseaansluiting, dimbare binnenspiegel
4 Regelapparaat voor ABS/ESC, stuurhoeksensor, rij met schakelaars
5 Benzinemotor: Snelheidsregelsysteem
6 Achteruitrijlamp (schakelbak)
7 Contact, motorregelapparaat, automatische versnellingsbak
8
Rempedaalschakelaar, koppelingspedaalschakelaar, koelluchtventi-
lator
9
Bediening voor verwarming, regelapparaat voor airconditioning, par-
keerhulp, ruitbediening, koelluchtventilator, verwarmbare ruiten-
sproeiers
10 DC/DC-omvormer
11 Spiegelverstelling
12 Regelapparaat voor aanhangwagenherkenning
Nr. Verbruiker
13
Regelapparaat voor automatische versnellingsbak, keuzehendel van
de automatische versnellingsbak
14 Lichtbundelhoogteverstelling
15 Vrij
16
Stuurbekrachtiging, snelheidssensor, motorregelapparaat, regelap-
paraat voor brandstofpomp
17 Dagrijverlichting / radio voor wagens met start-stopsysteem
18 Spiegelverwarming
19 Contactslotingang
20
Motorregelapparaat, regelapparaat voor brandstofpomp, brandstof-
pomp
21
Achteruitrijlamp (automatische versnellingsbak), mistlampen met
CORNER-functie
22
Bediening voor verwarming, regelapparaat voor airconditioning, tele-
foon, instrumentenpaneel, stuurhoeksensor, multifunctiestuurwiel,
uittrekblokkering contactsleutel, diagnoseaansluiting, regensensor
23 Verlichting interieur, opbergvak en bagageruimte, stadslicht
24 Centraal regelapparaat
25 Lichtschakelaar
26 Achterruitwisser
27 Stuurwielmodule
28 Benzinemotor: Absorptie-koolfilterklep, PTC-extra verwarming
29 Inspuiting, waterpomp
30 Brandstofpomp, contact, snelheidsregelsysteem
31 Lambdasonde
32 Hogedrukbrandstofpomp, drukklep
33 Motorregelapparaat
34 Motorregelapparaat, onderdrukpomp
35 Schakelaarverlichting, kentekenplaatverlichting, parkeerlicht
36 Grootlicht, lichtschakelaar
37 Mistachterlicht, DC/DC-omvormer
38 Mistlampen
39 Aanjager voor verwarming
173
Zekeringen en gloeilampjes
Nr. Verbruiker
40 Vrij
41 Verwarmbare voorstoelen
42 Achterruitverwarming
43 Claxon
44 Ruitenwissers voorruit
45 Achterklepslot, centrale vergrendeling
46 Alarm
47 Sigarettenaansteker
48 ABS
49 Knipperlichten, remlichten
50 DC/DC-omvormer, radio
51 Elektrische ruitbediening (bestuurder + linksachter)
52 Elektrische ruitbediening (bijrijder + rechtsachter)
53 Ruitensproeier
54
Start-stopsysteem instrumentenpaneel, stuurwielmodule, multi-
functiestuurwiel
55 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak
56 Koplampsproeiers
57 Verlichting voor, achter
58 Verlichting voor, achter
Zekeringen in de motorruimte
Afbeelding 156
Accu: Afdekking van de zekerin-
genhouder - variant 1
Afbeelding 157
Accu: Afdekking van de zekerin-
genhouder - variant 2
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 172.
Zekering vervangen
De vergrendelingsknoppen van de afdekking gelijktijdig in pijlrichting
1
» Afbeelding 156 resp.» Afbeelding 157 samendrukken.
De afdekking in pijlrichting
2
verwijderen.
De betreffende zekering vervangen.
De afdekking op de zekeringenhouder aanbrengen.
De vergrendelingsknoppen van de afdekking indrukken en vergrendelen.
De afdekking moet correct vastklikken.
Zekeringenoverzicht in de motorruimte
Afbeelding 158 Zekeringen: Variant 1 / Variant 2
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 172.
Nr. Verbruiker
1 Dynamo
2 Vrij (variant 1), elektrische extra verwarming (variant 2)
174
Tips om het zelf te doen
Nr. Verbruiker
3
Interieur (variant 1) » Afbeelding 158
Voeding voor zekeringenblok (variant 2) » Afbeelding 158
4
Elektrische extra verwarming (variant 1) » Afbeelding 158
Interieur (variant 2) » Afbeelding 158
5 Interieur
6 Koelluchtventilator, regelapparaat voor voorgloeisysteem
7 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging
8 ABS
9 Koelluchtventilator
10 Automatische versnellingsbak
11 ABS
12 Centraal regelapparaat
13 Extra verwarming
Let op
De zekeringen nr. 1-7 door een erkend reparateur laten vervangen.
Gloeilampjes
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Overzicht van gloeilampjes in de koplampen 176
Gloeilampje van dimlicht vervangen
176
Gloeilampje van grootlicht, dagrijverlichting en stadslicht vervangen
176
Gloeilampje van knipperlicht voor vervangen
177
Gloeilampje van mistlamp vervangen
177
Gloeilampje van kentekenplaatverlichting vervangen
178
Achterlichten
178
Gloeilampjes van achterlicht vervangen
179
Het vervangen van gloeilampjes vereist een bepaalde handigheid. Daarom ad-
viseren wij, om bij onzekerheid het vervangen van een gloeilampje door een
erkend reparateur te laten uitvoeren.
Voor het vervangen van gloeilampjes het contact en alle verlichting uitscha-
kelen.
Defecte gloeilampjes mogen alleen worden vervangen door gloeilampjes van
hetzelfde type. De beschrijving staat op de lampvoet of op het lampenglas.
Er bevindt zich een opbergruimte voor reservelampjes in de kunststof box in
het reservewiel of onder de bekleding van de bagageruimte.
ATTENTIE
Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de
waarschuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen » pagina 138, Motor-
ruimte.
Als de weg niet voldoende verlicht is of als de wagen niet of slechts moei-
lijk door andere verkeersdeelnemers kan worden gezien, kunnen ongeval-
len worden veroorzaakt.
H7- en H15-gloeilampjes staan onder druk en kunnen bij vervanging van
het gloeilampje springen - gevaar voor verwondingen! Daarom adviseren
wij, bij het vervangen van gloeilampjes handschoenen en een veiligheids-
bril te dragen.
Bij gasontladingslampen (xenonlicht) mag alleen door erkende reparateur
aan het hoogspanningsgedeelte worden gewerkt - levensgevaar!
Bij het vervangen van lampjes de betreffende lamp uitschakelen.
VOORZICHTIG
Het glas van de gloeilamp niet met blote vingers aanraken - ook de allerklein-
ste vervuiling verkort de levensduur van de gloeilamp. Een schone doek, servet
of iets dergelijks gebruiken.
Let op
In dit instructieboekje is alleen het vervangen van gloeilampjes beschreven,
voor de gloeilampjes die u zelf zonder problemen kunt vervangen. Het vervan-
gen van de andere gloeilampjes moet aan een erkend reparateur worden over-
gelaten.
Wij adviseren altijd een doosje met reservegloeilampjes in de wagen mee te
nemen. Reservegloeilampjes zijn verkrijgbaar uit het originele ŠKODA acces-
soireprogramma.
Wij adviseren, om na het vervangen van een gloeilampje voor het groot-,
dimlicht of de mistlamp de lampafstelling door een erkend reparateur te laten
controleren.
Bij uitval van een xenon-gasontladingslamp of een led-diode dient een er-
kend reparateur te worden opgezocht.
175
Zekeringen en gloeilampjes
Overzicht van gloeilampjes in de koplampen
Afbeelding 159
Principeafbeelding: Koplamp
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 175.
Overzicht van de gloeilampjes » Afbeelding 159
Dimlicht » pagina 176 of dimlicht met xenon-gasontladingslamp
Grootlicht, dagrijverlichting en stadslicht » pagina 176
Knipperlicht voor » pagina 177
Gloeilampje van dimlicht vervangen
Afbeelding 160
Halogeenkoplamp: Gloeilampje
voor dimlicht
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 175.
De beschermkap
A
» Afbeelding 159 op pagina 176 verwijderen.
De steker met het gloeilampje met heen en weer gaande bewegingen in pijl-
richting lostrekken » Afbeelding 160.
De steker lostrekken.
Het nieuwe gloeilampje zodanig aanbrengen, dat de grendelnokken van het
gloeilampje in de uitsparingen van de reflector passen.
De steker monteren.
De beschermkap
A
» Afbeelding 159 op pagina 176 plaatsen.
A
B
C
Gloeilampje van grootlicht, dagrijverlichting en stadslicht
vervangen
Afbeelding 161 Gloeilampjes van grootlicht, dagrijverlichting en stadslicht
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 175.
Gloeilampje van grootlicht en dagrijverlichting uit- en inbouwen
De beschermkap
B
» Afbeelding 159 op pagina 176 verwijderen.
De sokkel
A
» Afbeelding 161 tot de aanslag in pijlrichting draaien en verwij-
deren.
Het gloeilampje vervangen, de sokkel met het nieuwe gloeilampje aanbren-
gen en tot de aanslag tegen de pijlrichting draaien.
De beschermkap
B
» Afbeelding 159 op pagina 176 plaatsen.
Gloeilampje van stadslicht uit- en inbouwen
De beschermkap
B
» Afbeelding 159 op pagina 176 verwijderen.
De sokkel met het gloeilampje met heen en weer gaande bewegingen in pijl-
richting
1
» Afbeelding 161 lostrekken.
Het defecte gloeilampje uit de sokkel in pijlrichting
2
verwijderen.
Een nieuw gloeilampje in de sokkel tot de aanslag aanbrengen.
De sokkel met het gloeilampje weer in de koplamp aanbrengen.
De beschermkap
B
» Afbeelding 159 op pagina 176 plaatsen.
176
Tips om het zelf te doen
Gloeilampje van knipperlicht voor vervangen
Afbeelding 162
Principeafbeelding: Gloeilampje
van knipperlicht
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 175.
De fitting met het gloeilampje » Afbeelding 162 tot de aanslag in pijlrichting
draaien en verwijderen.
Het gloeilampje verwijderen, de fitting met het nieuwe gloeilampje aanbren-
gen en tot de aanslag tegen de pijlrichting draaien.
Gloeilampje van mistlamp vervangen
Afbeelding 163
Voorbumper: Rooster / uitbouwen van de mistlamp
Afbeelding 164
Gloeilampje vervangen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 175.
Rooster verwijderen
Het beschermrooster in pijlrichting » Afbeelding 163 -
met behulp van de
beugel voor het lostrekken van de wieldoppen » pagina 158, Wagengereed-
schap losmaken.
Het beschermrooster in pijlrichting
1
» Afbeelding 163 verwijderen.
Gloeilampje van mistlamp vervangen
De met pijlen gemarkeerde schroeven » Afbeelding 163 -
eruit draaien
1)
.
De borging in pijlrichting
2
met de schroevendraaier ontgrendelen.
De mistlamp in pijlrichting
3
voorzichtig verwijderen.
De steker lostrekken » Afbeelding 164.
De lampvoet in pijlrichting
4
» Afbeelding 164 draaien en eruit trekken.
De lampvoet inclusief het nieuwe gloeilampje in de koplamp plaatsen en te-
gen de pijlrichting in
4
draaien.
De steker monteren.
Bij het opnieuw inbouwen de mistlamp tegen de pijlrichting in
3
» Afbeel-
ding 163 aanbrengen en vastdraaien.
Het rooster aanbrengen en voorzichtig vastdrukken.
Het rooster moet goed vergrendelen.
1)
De schroevendraaier behoort tot het wagengereedschap.
177
Zekeringen en gloeilampjes
Gloeilampje van kentekenplaatverlichting vervangen
Afbeelding 165 Kentekenplaatverlichting uitbouwen / gloeilampje ver-
vangen
Lees en bekijk eerst
en op bladzijde 175.
De achterklep openen.
De verlichting in pijlrichting
1
» Afbeelding 165 indrukken.
De verlichting komt los.
De verlichting in pijlrichting
2
eruit zwenken en verwijderen.
Het defecte gloeilampje uit de houder in pijlrichting
3
verwijderen.
Een nieuw gloeilampje in de houder aanbrengen.
De verlichting tegen de pijlrichting in
1
weer aanbrengen.
De verlichting aandrukken tot de veer vergrendelt.
Controleren of de verlichting correct is ingebouwd.
Achterlichten
Afbeelding 166 Afdekking / achterlicht uitbouwen
Afbeelding 167 Steker achterlicht / achterlicht inbouwen
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 175.
Uitbouwen
De achterklep openen.
De beugel voor het lostrekken van de wieldoppen » pagina 158, Wagenge-
reedschap in de boring op de met de pijl gemarkeerde plaats » Afbeelding
166 -
aanbrengen.
De afdekking in pijlrichting
1
» Afbeelding 166 lostrekken.
Het achterlicht met de sleutel uit het wagengereedschap losdraaien » Af-
beelding 166 -
.
Het achterlicht vastpakken en voorzichtig met kantelbewegingen in pijlrich-
ting
2
verwijderen.
De stekker voorzichtig van het achterlicht lostrekken » Afbeelding 167 -
.
178
Tips om het zelf te doen
Inbouwen
De steker op het achterlicht aansluiten en goed vergrendelen.
Het achterlicht in de bevestigingen in de carrosserie aanbrengen » Afbeel-
ding 167 -
.
Het achterlicht voorzichtig zodanig in de carrosserie drukken, dat de pennen
2
» Afbeelding 168 op pagina 179 in de steunen van de carrosserie val-
len » .
Let erop dat de kabelstreng niet wordt ingeklemd tussen de carrosserie en het
achterlicht.
Het achterlicht vastdraaien en de afdekking aanbrengen.
De afdekking moet correct vastklikken.
VOORZICHTIG
Let erop dat bij het inbouwen de kabelstreng niet wordt ingeklemd tussen
de carrosserie en de verlichting - gevaar voor beschadiging van de elektrische
installatie en waterlekkage.
Wij adviseren, om bij onzekerheid of de kabelstreng niet is ingeklemd, de
aansluiting van het achterlicht door een erkend reparateur te laten controle-
ren.
Bij het uit- en inbouwen van het achterlicht erop letten, dat de lak van de
wagen en het achterlicht niet worden beschadigd.
Gloeilampjes van achterlicht vervangen
Afbeelding 168 Buitenste gedeelte van het achterlicht / binnenste ge-
deelte van het achterlicht
Lees en bekijk eerst en op bladzijde 175.
Buitenste gedeelte van het achterlicht
De lampenhouder
1
» Afbeelding 168 linksom draaien en uit de behuizing
verwijderen.
Het gloeilampje vervangen, de fitting met het gloeilampje weer in de behui-
zing plaatsen en tot de aanslag rechtsom draaien.
Binnenste gedeelte van het achterlicht
De lampenhouder bij de met pijlen gemarkeerde vergrendelingslippen ont-
grendelen » Afbeelding 168 -
en de lampenhouder uit het achterlicht ver-
wijderen.
Het betreffende gloeilampje » Afbeelding 168 -
tot de aanslag linksom
draaien en uit de fitting verwijderen.
Een nieuw gloeilampje in de fitting plaatsen en tot de aanslag rechtsom
draaien.
De geleidepen
3
» Afbeelding 168 van de lamphouder in het achterlicht aan-
brengen.
De vergrendelingslippen moeten hoorbaar vastklikken.
179
Zekeringen en gloeilampjes
Technische gegevens
Technische gegevens
Wagengegevens
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Wagengegevens
180
Rijklaar gewicht en laadvermogen 180
Meting van brandstofverbruik en CO
2
-emissies volgens ECE-voorschriften
en EU-richtlijnen 181
Afmetingen
182
Hoek 183
Wagenspecifieke gegevens afhankelijk van het motortype 184
De informatie in de technische wagendocumentatie heeft altijd voorrang bo-
ven de informatie in dit instructieboekje.
De rijprestaties zijn bepaald zonder prestatieverminderende meeruitvoeringen
zoals bijvoorbeeld airconditioning.
Wagengegevens
Afbeelding 169 Sticker met wagengegevens / typeplaatje
Sticker met wagengegevens
De sticker met wagengegevens » Afbeelding 169 -
bevindt zich onder de bo-
dembekleding in de bagageruimte en is ook in het Serviceplan geplakt.
Op de sticker met wagengegevens staan de volgende gegevens.
Chassisnummer (VIN)
Model
Versnellingsbakcode, laknummer, interieuruitvoering, motorvermogen,
motorcode
Gedeeltelijke wagenbeschrijving
Typeplaatje
Het typeplaatje » Afbeelding 169 -
bevindt zich onder op de B-stijl aan be-
stuurderszijde.
Het typeplaatje bevat de volgende gegevens.
Chassisnummer (VIN)
Maximaal toelaatbaar gewicht
Maximaal toelaatbaar treingewicht (wagen + aanhangwagen)
Maximaal toegestane voorasbelasting
Maximaal toegestane achterasbelasting
Chassisnummer (VIN)
Het VIN-nummer (chassisnummer) is in de motorruimte ingeslagen op de rech-
ter veerpootsteun. Dit nummer staat ook op een plaatje in de linker onderhoek
van de voorruit (samen met een VIN-streepjescode) en op het typeplaatje.
Motornummer
Het motornummer (drie posities tellende code en het serienummer) is op het
motorblok ingeslagen.
ATTENTIE
De aangegeven waarden voor de maximaal toegestane gewichten mogen
niet worden overschreden - gevaar voor ongevallen en beschadiging!
Rijklaar gewicht en laadvermogen
Rijklaar gewicht
Deze waarde is bepaald zonder verdere gewichtsverhogende uitrustingen,
zoals bijvoorbeeld airconditioning, reservewiel en trekhaak.
Het aangegeven rijklaar gewicht dient alleen ter oriëntatie.
Het rijklaar gewicht is bepaald met een bestuurder van 75 kg, incl. bedrijfs-
vloeistoffen en wagengereedschap en een voor 90% gevulde brandstoftank.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
180
Technische gegevens
Bedrijfsgewicht van wagen » pagina 184, Wagenspecifieke gegevens afhan-
kelijk van het motortype.
Laadvermogen
Uit het verschil tussen het maximaal toegestaan gewicht en het rijklaar ge-
wicht is het mogelijk bij benadering het laadvermogen te bepalen.
Het laadvermogen bestaat uit de volgende gewichten:
Het gewicht van de passagiers.
Het gewicht van alle bagagestukken en andere voorwerpen.
Het gewicht van de dakbelading inclusief het dakdragersysteem.
Het gewicht van de uitrustingen die niet tot het rijklaar gewicht behoren.
De kogeldruk bij aanhangwagengebruik (max. 50 kg).
Let op
Op verzoek kan het exacte gewicht van uw wagen bij een erkend reparateur
worden opgevraagd.
Meting van brandstofverbruik en CO
2
-emissies volgens ECE-
voorschriften en EU-richtlijnen
De waarden voor het brandstofverbruik en de CO
2
-emissies waren ten tijde
van de redactiesluiting niet beschikbaar.
De waarden van het brandstofverbruik en de CO
2
-emissies staan op de
ŠKODA-websites of in de technische en verkoopdocumentatie.
De meting van de cyclus voor het stadsverkeer begint met een koude start van
de motor. Vervolgens wordt een stadsrit gesimuleerd.
Bij de cyclus voor buitenwegen wordt het alledaagse gebruik gesimuleerd door
de wagen in alle versnellingen meermaals te accelereren en af te remmen. De
rijsnelheid varieert daarbij tussen 0 en 120 km/h.
De berekening van het gemiddelde brandstofverbruik gebeurt met een weg-
ingsfactor van ongeveer 37% voor de stadscyclus en 63% voor de buitenweg-
cyclus.
Let op
De op de ŠKODA-websites of in de technische en verkoopdocumentatie ver-
melde brandstofverbruiks- en emissiewaarden zijn volgens de regels en voor-
waarden vastgesteld, die door juridische voorschriften of technische voor-
schriften voor het vaststellen van technische en verkoopgegevens van voer-
tuigen is vastgelegd.
Afhankelijk van de omvang van de uitvoeringen, de rijstijl, de verkeerssitua-
ties, de weersomstandigheden en de toestand van de wagen kunnen bij het
gebruik van de wagen in de praktijk verbruikswaarden ontstaan, die van de op
de ŠKODA-websites of in de technische en verkoopdocumentatie vermelde
brandstofverbruikswaarden afwijken.
181
Technische gegevens
Afmetingen
Afbeelding 170 Principeafbeelding: Wagenafmetingen
Wagenafmetingen (in mm)
» Afbeel-
ding 170
Afmetingen Waarde
A
Hoogte
Basismaat 1459/1471
a)
Wagens met het pakket voor slechte wegen 1472/1484
a)
B
Spoorbreedte vooraan
Basismaat 1457
Geldt voor wagens met de 1,2 l/55 kW MPI en 1,2 l/63 kW TSI-motor met 14"-vel-
gen.
1463
C
Breedte 1706
D
Spoorbreedte achter-
aan
Basismaat 1494
Geldt voor wagens met de 1,2 l/55 kW MPI en 1,2 l/63 kW TSI-motor met 14"-vel-
gen.
1500
E
Breedte incl. de buitenspiegels 1940
F
Bodemvrijheid
Basismaat 134
Wagens met het pakket voor slechte wegen 141
G
Wielbasis 2602
H
Lengte 4304
a)
Geldt voor wagens met het navigatiesysteem Amundsen+.
182
Technische gegevens
Hoek
Afbeelding 171
Principeafbeelding: Overbouw-
hellingshoek
Hoek » Afbeelding 171
Overbouwhellingshoek voor
Overbouwhellingshoek achter
Overbouwhellingshoek
De overgang van het horizontale vlak naar een helling of van de helling terug
naar het terrein.
De hoek waaronder de wagen bij lage snelheid over een talud kan rijden zon-
der dat de wagen met de bumper of de onderzijde tegen het talud komt.
Overbouwhellingshoek (°)
Overbouwhellingshoek voor Overbouwhellingshoek achter
13,8 16,5
A
B
183
Technische gegevens
Wagenspecifieke gegevens afhankelijk van het motortype
De aangegeven waarden zijn vastgesteld aan de hand van regels en onder omstandigheden die door wettelijke of technische voorschriften voor de bepaling van
bedrijfsgegevens en technische gegevens van motorvoertuigen zijn vastgelegd.
1,2 l/55 kW MPI-motor
Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm
3
)
55/5400 112/3750 3/1198
Rijprestaties en gewichten MG5
Topsnelheid (km/h) 172
Acceleratie 0-100 km/h (s) 13,8
Rijklaar gewicht (kg) 1130
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) 750
a)
/950
b)
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) 560
a)
Hellingen tot 12 %.
b)
Hellingen tot 8%.
1,2 l/63 kW TSI motor
Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm
3
)
63/4800 160/1500-3500 4/1197
Rijprestaties en gewichten MG5
Topsnelheid (km/h) 180
Acceleratie 0-100 km/h (s) 11,7
Rijklaar gewicht (kg) 1150
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) 900
a)
/1100
b)
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) 570
a)
Hellingen tot 12 %.
b)
Hellingen tot 8%.
184
Technische gegevens
1,2 l/77 kW TSI motor
Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm
3
)
77/5000 175/1550-4100 4/1197
Rijprestaties en gewichten MG6
Topsnelheid (km/h) 193
Acceleratie 0-100 km/h (s) 10,2
Rijklaar gewicht (kg) 1170
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) 1100
a)
/1200
b)
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) 580
a)
Hellingen tot 12 %.
b)
Hellingen tot 8%.
1,4 l/90 kW TSI motor
Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm
3
)
90/5000 200/1500-4000 4/1390
Rijprestaties en gewichten DSG7
Topsnelheid (km/h) 203
Acceleratie 0-100 km/h (s) 9,4
Rijklaar gewicht (kg) 1225
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) 1200
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) 610
185
Technische gegevens
1,6 l/77 kW MPI-motor
Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm
3
)
77/5600 153/3800 4/1598
Rijprestaties en gewichten MG5 AG6
Topsnelheid (km/h) 191 190
Acceleratie 0-100 km/h (s) 10,5 11,8
Rijklaar gewicht (kg) 1150 1190
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) 1000
a)
/1200
b)
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) 570 590
a)
Hellingen tot 12 %.
b)
Hellingen tot 8%.
1,6 l/66 kW TDI CR motor
Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm
3
)
66/4200 230/1500-2500 4/1598
Rijprestaties en gewichten MG5 DSG7
Topsnelheid (km/h) 182/184
a)
182
Acceleratie 0-100 km/h (s) 11,9 12,1
Rijklaar gewicht (kg) 1260/1258
a)
1280
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) 1200/1000
a)
1200
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) 630/628
a)
640
a)
GreenLine
186
Technische gegevens
1,6 l/77 kW TDI CR motor
Vermogen (kW bij 1/min) Maximumkoppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm
3
)
77/4400 250/1500-2500 4/1598
Rijprestaties en gewichten MG5
Topsnelheid (km/h) 190
Acceleratie 0-100 km/h (s) 10,3
Rijklaar gewicht (kg) 1260
Toegestaan aanhangwagengewicht, geremd (kg) 1200
Toegestaan aanhangwagengewicht, ongeremd (kg) 630
187
Technische gegevens
Trefwoordenlijst
A
Aandrijfslipregeling (ASR) 113
Aanhangwagen 122
13-polige contactdoos 123
Beladen
122
Borgoog 123
Met een aanhangwagen rijden 123
Aanpassingen 125
Aanpassingen en technische wijzigingen
Airbags 127
Service 126
Spoilers 127
ABS
Controlelampje 36
Werking 112
Accessoires 125
Accu
Accuvloeistof controleren 147
Afdekking 147
Automatische verbruikersuitschakeling 149
Los- en vastmaken 148
Opladen 148
Veiligheidsaanwijzingen 146
Vervangen 148
Winterse omstandigheden
147
Accu opladen 148
Achterklep 53
Achterklep ontgrendelen 170
Automatische vergrendeling 54
Noodontgrendeling 170
Openen 54
Sluiten 54
Achterruit ontdooien 62
Achteruit - Verwarming 62
Achteruitkijkspiegel
Binnenspiegel 66
Achteruitkijkspiegels 65
Buitenspiegels 66
Afdekkingen
Zie: Rolgordijn van het panoramadak 63
Afsleepalarm 53
Afslepen 167
Afstand 31
Afstandsbediening
Batterij vervangen 169
Ontgrendelen 49
Synchronisatieprocedure 169
Vergrendelen 49
Afvalbak 76
Afvoer
Terugname en recycling van oude wagens 128
Airbag 14
Aanpassingen en wijzigingen aan het airbag-
systeem 127
Activering 15
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen 19
Buiten werking stellen 18
Controlelampje 37
Hoofdairbag 17
Voorairbag 15
Zij-airbag 16
Airbag buiten werking stellen 18
Airbagsysteem 14
Airconditioning 88
Circulatiefunctie 90
Climatronic 91
Handbediende airconditioning 91
Luchtroosters 89
Alarm
Activeren 52
Uitschakelen 52
Alarmlichten 60
Alarmsysteem
Alarm 124
Inschakelen/uitschakelen 53
Alcantara
verzorgen 134
Antiblokkeersysteem 112
Armsteun
Achterin 71
Voorin 70
Asbak 74
ASR
Controlelampje 35
Werking 113
Auto-Check-Control 31
Automatische aansturing rijverlichting 58
Automatische verbruikersuitschakeling 149
Automatische versnellingsbak 107
Defect van de keuzehendelvergrendeling 109
Handmatig schakelen 109
Keuzehendelbediening 107
Keuzehendel uit stand halen 108
Keuzehendelvergrendeling 108
Kick-down 109
Noodontgrendeling keuzehendel 170
Tiptronic 109
Wegrijden en rijden 109
AUX 101
B
Bagagenetje 83
Bagageruimte
79
Afdekking 81
Bagagenetje 83
Bagagenetten 80
Bevestigingselementen 80
Dubbelzijdige bodembekleding 83
Flexibel opbergvak 83
Haak 81
Opbergvakken in de bagageruimte 82
Variabele bagageruimtebodem 84
Verlichting 79
Voertuigen van de klasse N1 84
Zie Achterklep 54
188
Trefwoordenlijst
Bagageruimteafdekking 81
Opbergstand 82
Banddraagvermogen
Zie Wielen 152
Banden 150
Maten 151
Nieuwe 110, 152
Slijtagemerktekens 151
Spanning 151
Zie Wielen 152
Bandenafdichtset 164
Bandencontrole
Instelling 153
Bandenreparatie
Band afdichten en oppompen 164
Spanning controleren 165
Voorbereidende werkzaamheden 164
Bandenspanning
Controlelampje 38
Bandenspanningscontrole
Weergave 154
Batterij
In de afstandsbediening vervangen 169
Bekerhouders 73
Benzine
Zie Brandstof 136
Bergwegrijhulp (HHC) 113
Bestuurdersruimte
12 volt stopcontact 75
Asbak 74
Opbergvakken 72
Overzicht 27
Praktische uitrusting 72
Sigarettenaansteker 74
Verlichting 61
Bevestigingselementen 80
Bijvullen
Koelvloeistof 144
Motorolie 143
Ruitensproeiervloeistof 141
Binnenverlichting achterin 62
Binnenverlichting voorin 61
Bodem
Verzorging van de wagen 132
Bodembeschermlaag 132
Boordcomputer
Zie Multifunctie-indicatie 42
Brandblusser 158
Brandstof 135
Brandstofmeter 30
Diesel 138
Loodvrije benzine 136
Tanken 136
Zie Brandstof 135
Brandstofreserve
Controlelampje 37
Brandstofverbruik 110, 181
Brillenvak 77
Buitenland
Koplampen 61
Loodvrije benzine 136
Buitentemperatuur 43
C
Centrale vergrendeling 48
Chassisnummer (VIN) 180
Circulatiefunctie
90
Claxon 27
Climatronic
Bedieningselementen 91
Circulatiefunctie 90
Comfortknipperen 58
COMING HOME 60
Communicatiesystemen 93
Computer
Zie Multifunctie-indicatie 42
Conservering
Zie Verzorging van de wagen 130
Conservering van holle ruimten 132
Contact
Zie Contactslot 103
Contactslot 103
Controle
Wettelijke controles 125
Controlelampjes 32
Controleren
Accuvloeistofpeil 147
Koelvloeistof 144
Kogelkop correct bevestigen 121
Motorolie 142
Oliepeil 142
Remvloeistof 145
Ruitensproeiervloeistof 141
CORNER
Zie Mistlampen met CORNER-functie 59
D
Dagrijverlichting 57
Dak
Last 87
Dakdragers
Daklast 87
Dakdragersysteem 87
Bevestigingspunten 87
DAY LIGHT
Zie Dagrijverlichting 57
Decoratiefolie
131
Defecte lamp
Controlelampje 36
Diesel
Zie Brandstof 138
Dieselolie
Winterse omstandigheden 138
Dieselroetfilter
Meldingen 37
Digitale klok 31
Dimlicht 56
Display 29
189
Trefwoordenlijst
Door water rijden 111
Dragers 87
Driehoek 157
Dubbelzijdige bodembekleding 83
Dynamo
Controlelampje 34
E
Economisch rijden
Tips 110
Economisch rijden en milieuvriendelijkheid 110
EDS 113
EHBO-set 157
Elektrische energie besparen 110
Elektrische ruitbediening
Toetsen in het bestuurdersportier 54, 55
Toets in het achterportier 55
Elektronische wegrijblokkering 102
Elektronisch sperdifferentieel (EDS) 113
Emissiewaarden 181
EPC
Controlelampje 36
ESC
Controlelampje 35
Werking 112
Exterieur verzorgen 129
Bodembeschermlaag
132
Conservering van holle ruimten 132
Decoratiefolie 131
Koplampglazen 131
Kunststof delen 130
Lak van de wagen 130
Portierslotcilinders 132
Rubbers 130
Ruiten en buitenspiegels 131
Ruitenwisserbladen 132
Verchroomde delen 130
Wielen 132
F
Flexibel opbergvak 83
Folie 131
G
Gevarendriehoek 157
Gewichten
Maximaal toegestane gewichten 180
Gloeilampjes
Achterlichten 178
Vervangen 175
Gordeloprolautomaten 13
Gordels 10
reinigen en verzorgen 135
Gordelspanner 13
Grootlicht 58
Controlelampje 39
GSM 93
H
Haak 81
Handbediende airconditioning
Bedieningselementen 91
Handmatige airconditioning
Circulatiefunctie 90
Handmatig schakelen
Zie Schakelen 106
Handrem 105
Controlelampje 33
HBA 113
Hendel
Grootlicht 58
Knipperlicht 58
Ruitenwissers 64
HHC 113
Hoofdairbag 17
Hoofdsteun
Hoogte instellen 68
Hoofdsteunen 68
Uit- en inbouwen 69
Hulpsystemen 112
ABS 36, 112
ASR 35, 113
EDS 113
ESC 35, 112
HBA 113
HHC 113
Parkeerhulp 113
Snelheidsregelsysteem 114
Start-stopsysteem 116
I
IJskrabber 131
Indicator
Service-interval 46
Individuele instellingen
Ontgrendelen 50
Vergrendelen 50
Informatiesysteem 39
Bedienen 40
MAXI DOT-display 44
Multifunctie-indicatie 42
Schakeladvies 41
Service-intervalindicatie 46
Waarschuwing portier 41
Weergave kompasrichtingen
46
Weergave van lage temperatuur 40
Informatiesysteem bedienen 40
Inrijden
Banden 110
Motor 110
Remblokken 110
Instellen
Binnenspiegel 66
Bovenste stand van de variabele bagageruim-
tevloer 84
Buitenspiegels 66
Gordelhoogte 13
190
Trefwoordenlijst
Hoofdsteunen 68
Klok 31
Onderste stand van de variabele bagageruim-
tevloer 85
Stoel 68
Stoelen en hoofdsteunen 67
Stuurwiel 8
Instrumentenpaneel 28
Auto-Check-Control 31
Brandstofmeter 30
Controlelampjes 32
Display 29
Overzicht 28
Snelheidsmeter 29
Teller voor de afgelegde rijafstand 31
Temperatuurmeter 29
Toerenteller 29
Weergave van tweede snelheid 31
Zie Instrumentenpaneel 28
Interieurbewaking 53
Interieur verzorgen 132
Kunstleder 134
Natuurleder 133
Stoffen bekleding 134
Veiligheidsgordels 135
ISOFIX 22
J
Juiste zithouding 7
Aanwijzingen 9
Bestuurder 7
Bijrijder 8
Zitplaatsen achterin 9
K
Keuzehendel
Zie Keuzehendelbediening
107
Keuzehendelbediening 107
Keuzehendelvergrendeling (automatische ver-
snellingsbak)
Controlelampje 39
Kinderen en veiligheid 20
Kindersloten 51
Kinderzitje
Gebruik van ISOFIX kinderzitjes 23
Gebruik van kinderzitjes 22
Groepenindeling 22
ISOFIX 22
Op de bijrijdersstoel 20
TOP TETHER 23
Kledinghaken 78
Kleppen
Zie Zonnekleppen voorin 63
Klok 31
Knipperen 58
Knipperlicht 58
Controlelampje 38
Koelfunctie
Economische omgang 93
Functiestoringen 93
Koelluchtventilator 140
Koelvloeistof 143
Bijvullen 144
Controlelampje 34
Controleren 144
Meldingen 34
Temperatuurmeter 29
Kogelkop
Bevestiging controleren 121
Monteren 120
Paraatheidsstand 119
Verwijderen 121
Koplampen
Koplampsproeiers 65
Overzicht van gloeilampjes 176
Rijden in het buitenland 61
Koplampsproeiers
Koplampsproeiers 65
Krik 158
Kunstleder 134
Kunststof delen 130
L
Laadvermogen 180
Lak van de wagen polijsten
Zie Verzorging van de wagen
130
Lampen
Controlelampje 36
Lampjes
Controlelampjes 32
LEAVING HOME 60
Leder
Natuurleder verzorgen 133
Licht 56
Alarmlichten 60
Automatische aansturing rijverlichting 58
COMING HOME/LEAVING HOME 60
Dagrijverlichting 57
Dimlicht 56
Gloeilampjes vervangen 175
Grootlicht 58
Grootlichtsignaal 58
In- en uitschakelen 56
Knipperlicht 58
Lichtbundelhoogteverstelling 56
Mistachterlicht
59
Mistlampen 59
Mistlampen met CORNER-functie 59
Parkeerlicht 61
Stadslicht 56
Licht in- en uitschakelen 56
Luchtroosters 89
M
MAXI DOT
Zie MAXI DOT-display
44
191
Trefwoordenlijst
MAXI DOT-display 44
Bedienen 40
Hoofdmenu 45
Instellingen 45
MDI 101
Met een aanhangwagen rijden 123
MFA
Zie Multifunctie-indicatie 42
Milieu 110
Mistachterlicht 59
Controlelampje 36
Mistlampen 59
Controlelampje 38
Mistlampen met CORNER-functie 59
Mobiele telefoon 93
Verbinding met de handsfreeset 96
Motor
Inrijden 110
Motor afzetten 104
Motor afzetten 104
Motorkap
Openen 139
Sluiten 139
Motornummer 180
Motorolie 141
Bijvullen 143
Controlelampje 34
Controleren 142
Meldingen 34
Specificatie 142
verversen 141
Motorruimte 138
Accu 146
Overzicht 140
Remvloeistof 145
Motor starten 103
Starthulp 165, 166
Motor starten en afzetten 102
Multifunctie-indicatie
Bedienen 40
Functies 42
Geheugen 42
Indicaties 43
Multimedia 99
Multimediahouder 76
N
N1 84
Netten 80
Nood
Achterklep ontgrendelen 170
Alarmlichten 60
Bandenreparatie 163
Keuzehendelontgrendeling 170
Portier zonder slotcilinder vergrendelen 170
Starthulp 165, 166
Wagen afslepen 167
Wagen met de trekhaak afslepen 168
Wiel verwisselen 159
Noodreservewiel 154
Aanwijzingen 155
Wisselen 154
Nooduitrusting
Brandblusser 158
EHBO-set 157
Gevarendriehoek
157
Krik 158
Reflectievest 157
Wagengereedschap 158
O
Olie
Meldingen
34
Zie Motorolie 142
Oliedruk
Meldingen 34
Oliepeilstok 142
Ontgrendelen
Afstandsbediening 49
Individuele Instellingen 50
Sleutel 50
Ontgrendelen en vergrendelen 48
Opbergmogelijkheden 72
Opbergtassen aan de voorstoelen 78
Opbergvak
Aan bijrijderszijde 77
Brillenvak 77
in de armleuning voorin 77
in de middenconsole 73
In de portieren 72
Opbergvakken 72
Opbergvakken in de bagageruimte 82
Op onverhard terrein rijden 111
Originele accessoires 126
Originele onderdelen 126
Oude wagens
Terugname en recycling 128
Overbouwhellingshoek 183
Overzicht
Bestuurdersruimte 27
Controlelampjes 32
Motorruimte 140
P
Parkeerhulp 113
Werking 114
Parkeerplaats 106
Parkeertickethouder 72
Parkeren 106
Parkeerhulp 113
Passieve veiligheid 6
Rijveiligheid 6
Veiligheidsuitrustingen 6
Vóór elke rit 6
Pedalen 107
Vloermatten 107
192
Trefwoordenlijst
Portier
Controlelampje voor portier open 34
Kindersloten 51
Noodvergrendeling 170
Openen 52
Sluiten 52
Portier open
Controlelampje 34
Portier zonder slotcilinder vergrendelen
Nood 170
Praktische uitrusting
12 volt stopcontact 75
Afvalbak 76
Asbak 74
Bekerhouders 73
Brillenvak 77
Kledinghaken 78
Multimediahouder 76
Opbergtassen aan de voorstoelen 78
Opbergvak 72
Parkeertickethouder 72
Reflectievest 157
Sigarettenaansteker 74
Praktische uitrustingen
Opbergnetten aan de rugleuningen van de
voorstoelen 78
R
Regeling
Lichtbundelhoogte 56
Reinigen
Alcantara 134
Koplampglazen 131
Kunstleder 134
Kunststof delen 130
Natuurleder 133
Stof 134
Stof van de stoelen met elektrische stoelver-
warming 134
Verchroomde delen 130
Wielen 132
Remassistent (HBA) 113
Rembekrachtiger 105
Remmen
Controlelampje 33
Handrem 105
Informatie voor het remmen 104
Inrijden 110
Meldingen 33
Rem- en stabiliteitssystemen 112
Rembekrachtiger 105
Remvloeistof 145
Remmen en parkeren 104
Rempedaal (automatische versnellingsbak)
Controlelampje 39
Remvloeistof 145
Controleren 145
Meldingen 33
Specificatie 145
Reparaties en technische wijzigingen 125
Reservewiel 154
Wisselen 154
Rijden
Brandstofverbruik 181
Door water rijden 111
Emissiewaarden 181
Onverhard terrein 111
Topsnelheid 184
Rijden met een aanhangwagen 118
Rijklaar gewicht 180
Roetfilter
Controlelampje 37
Meldingen 37
Rubbers 130
Verzorging van de wagen 130
Ruiten
Ontdooien 131
Zie Elektrische ruitbediening 54
Ruitensproeierinstallatie 141
Ruitensproeiers 64
Ruitensproeiervloeistof
Bijvullen 141
Controlelampje 38
Controleren 141
Wintertijd 141
Ruitenwisserbladen 132
Servicestand 171
Ruitenwissers
Bedienen 64
Ruitensproeiervloeistof 141
Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen 171
Ruitenwisserbladen verzorgen 132
Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen 171
Ruitenwissers en -sproeiers 63
S
SAFE
Zie Safebeveiliging 50
Safebeveiliging 50
SAFELOCK
Zie Safebeveiliging 50
Schakelen
Versnellingshendel 106
Schakeling
Informatie over ingeschakelde versnelling 41
Schakeladvies
41
Service 126
Service-interval
Service-intervalindicatie 46
Sigarettenaansteker 74
Sleepoog
Achter 168
Voor 168
Sleutel
Motor starten 103
Ontgrendelen 50
Vergrendelen 50
193
Trefwoordenlijst
Sluitkrachtbegrenzing
Elektrische ruitbediening 55
Sneeuwkettingen 155
Snelheidscode
Zie Wielen 152
Snelheidsmeter 29
Zie Snelheidsmeter 29
Snelheidsregelsysteem 114
Bedieningsbeschrijving 115
Controlelampje 38
Werking 115
Snelheidswaarschuwing 44
Spiegel
Make-up 63
Spiegels
Binnenspiegel 66
Buitenspiegels 66
Spoilers 127
Stabiliseringscontrole (ESC) 112
Stadslicht 56
Standen van automatische versnellingsbak 107
START-STOP
Door systeem bepaald automatisch starten van
motor 117
Systeem handmatig deactiveren/activeren 117
Werking bij wagens met automatische versnel-
lingsbak 117
Werking bij wagens met schakelbak 116
Start-stopsysteem 116
Meldingen 118
Starthulp 167
Werkingsvoorwaarden van het systeem 116
Starthulp 165, 166
Sticker met wagengegevens 180
Sticker met wagengegevens en typeplaatje
Sticker met wagengegevens en typeplaatje 180
Stoel
Instellen 68
Stoelen
Achterbankleuning 71
Armsteun achterin 71
Armsteun voorin 70
Hoofdsteunen 68
Verwarming 70
Stoelen en hoofdsteunen 67
Stoelen instellen 7
Stoelfuncties 70
Stoffen bekleding
Verzorgen 134
Stopcontacten
12 V 75
Stoppen 106
Stuurbekrachtiging
Controlelampje 35
Stuurslot vergrendelen/ontgrendelen 103
Stuurwiel 8
T
Tanken 136
Brandstof 136
Tassen aan de rugleuningen van de voorstoelen 78
Technische gegevens 180
Telefoon 93
Teller voor de afgelegde rijafstand 31
Terugname en recycling van oude wagens
128
Tiptronic 109
Toerenteller 29
Toetsen in het bestuurdersportier
Elektrische ruitbediening 54
Toets voor centrale vergrendeling 51
Topsnelheid 184
TOP TETHER 23
Transport
Bagageruimte 79
Dakdragersysteem 87
Trekhaak 118
Beschrijving 119
Gebruik en onderhoud 122
Kogeldruk 118
Typeplaatje 180
U
Uitlaatgascontrolesysteem
Controlelampje 36
USB 101
V
Vakken 72
Variabele bagageruimtebodem 84
Variabele bagageruimtevloer
Aanbrengen 85
Bovenste stand 84
Omhoogklappen 86
Onderste stand 85
Verwijderen 85
Variabeler bagageruimtevloer
Opbergstand 86
Veiligheid 6
Hoofdsteunen 68
ISOFIX 22
Juiste zithouding 7
Kinderzitjes 20
TOP TETHER 23
Veilig vervoer van kinderen 20
Veiligheidsgordel
Controlelampje 33
Veiligheidsgordels 10
Gordeloprolautomaten 13
Gordelspanner 13
Het natuurkundige principe van een frontale
botsing 11
Hoogteverstelling 13
Omgespen en losmaken 12
Reinigen 135
194
Trefwoordenlijst
Veilig vervoer van kinderen
Zij-airbag 21
Velgen 150
Verchroomde delen
Zie Verzorging van de wagen 130
Vergrendelen
Afstandsbediening 49
Individuele instellingen 50
Sleutel 50
Verlichting
Bagageruimte 79
Bestuurdersruimte 61
Versnellingsbak
Meldingen 31
Vertraagde vergrendeling van achterklep
Zie Achterklep 54
Vervangen
Accu 148
Gloeilampjes 175
Gloeilampjes van achterlicht 179
Gloeilampje van dimlicht 176
Gloeilampje van grootlicht, dagrijverlichting en
stadslicht 176
Gloeilampje van kentekenplaatverlichting 178
Gloeilampje van knipperlicht voor 177
Gloeilampje van mistlamp 177
Ruitenwisserblad 171
Zekeringen 172
Zekeringen in de motorruimte 174
Zekeringen in het dashboard 172
Vervanging van onderdelen 125
Verversen
motorolie 141
Vervoeren 72
Vervoer van kinderen 20
Verwarming 88
Achterruit 62
Bedieningselementen 90
Buitenspiegels 66
Circulatiefunctie 90
Stoelen 70
Verwisselen
Wielen 159
Verwisselen van een wiel
Voorbereidende werkzaamheden 159
Verzorging en onderhoud 125
Verzorging van de wagen
Alcantara 134
Automatische wasinstallatie 129
Bodembeschermlaag 132
Conservering 130
Conservering van holle ruimten 132
Decoratiefolie 131
Exterieur verzorgen 129
Hogedrukreiniger 129
Interieur verzorgen 132
Koplampglazen 131
Kunstleder 134
Kunststof delen 130
Lak van de wagen polijsten 130
Natuurleder 133
Portierslotcilinders 132
Rubbers 130
Stof 134
Stoffen bekleding 134
Veiligheidsgordels 135
Verchroomde delen 130
Wasinstallatie 129
Wassen 128
Wassen met de hand 128
Wielen reinigen 132
Vest
Houder voor reflectievest 157
VIN
Chassisnummer 180
Vloermatten 107
Zie Vloermatten 107
Voertuigcomputer
Zie Multifunctie-indicatie 42
Voorairbag 15
Voorgloeisysteem
Controlelampje 36
W
Wagenafmetingen 182
Wagenbreedte 182
Wagengereedschap
158
Wagenhoogte 182
Wagenlengte 182
Wagen omhoogbrengen 162
Wagen parkeren
Parkeren 106
Wagen reinigen 128
Wagentoestand
Zie Auto-Check-Control 31
Wagen van binnenuit vergrendelen en ontgren-
delen 51
Wagen wassen 128
Wassen
Automatische wasinstallatie 129
Hogedrukreiniger 129
Met de hand 128
Water
Doorrijden 111
Weergave
Brandstofhoeveelheid
30
Koelvloeistoftemperatuur 29
Kompasrichtingen 46
Schakelen 41
Weergave van lage temperatuur 40
Weergave van tweede snelheid 31
Wegrijblokkering 102
Wielbouten
Afdekkappen 160
Antidiefstalwielbout 162
Losdraaien en vastzetten 161
195
Trefwoordenlijst
Wielen
Algemene aanwijzingen 150
Bandenmaten 151
Bandenslijtagemerktekens 151
Bandenspanning 151
Belastingindex 152
Draairichtinggebonden banden 153
Levensduur van banden 151
Noodreservewiel 154
Reservewiel 154
Sneeuwkettingen 155
Snelheidscode 152
Verwisselen 159
Wieldop 160
Wielen opslaan 151
Wielen wisselen 151
Winterbanden 155
Wiel verwisselen
Werkzaamheden naderhand 161
Wiel verwijderen en aanbrengen 160
Winterbanden
Zie Banden 155
Winterse omstandigheden 155
Accu 147
Dieselolie 138
Ruiten ontdooien 131
Sneeuwkettingen 155
Winterbanden 155
Z
Zekeringen
Kleurcode 172
Overzicht 172
Vervangen 172
Zekeringenoverzicht in de motorruimte 174
Zekeringenoverzicht in het dashboard 173
Zekeringen in de motorruimte
Overzicht 174
Zicht 62
Zij-airbag 16
Zonnekleppen 63
196
Trefwoordenlijst
ŠKODA AUTO a.s. werkt continu aan de verdere verbetering van alle typen en
modellen. Wij vragen u om begrip, dat om deze reden wijzigingen van de leve-
ringsomvang in de vorm, uitvoering en techniek mogelijk zijn. De gegevens
over uiterlijk, maten, gewichten, normen en functies van de wagen komen
overeen met de stand van de informatie op het moment van het ter perse
gaan van dit instructieboekje. Sommige uitrustingen worden pas op een later
tijdstip geïntroduceerd of worden alleen in bepaalde markten aangeboden (in-
formatie hierover is verkrijgbaar bij ŠKODA Partners). Uit de gegevens, afbeel-
dingen en beschrijvingen in dit instructieboekje kunnen geen aanspraken wor-
den afgeleid.
Nadruk, reproductie, vertaling of andere vormen van gebruik, ook van gedeel-
ten, is zonder schriftelijke toestemming van ŠKODA AUTO a.s. niet toegestaan.
ŠKODA AUTO a.s. behoudt zich uitdrukkelijk alle rechten op grond van het au-
teursrecht voor.
Wijzigingen voorbehouden.
Uitgegeven door: ŠKODA AUTO a.s.
© ŠKODA AUTO a.s. 2014
www.skoda-auto.com
Ook u kunt een bijdrage leveren aan een beter milieu!
Het brandstofverbruik van uw ŠKODA en de hiermee samen-
hangende emissies van schadelijke stoffen wordt hoofdzakelijk
bepaald door uw rijstijl.
Het geluidsniveau en de slijtage van uw wagen zijn afhankelijk
van hoe u met uw wagen omgaat.
Hoe u milieubewust gebruikmaakt van uw ŠKODA en tegelij-
kertijd zuinig kunt rijden, leest u in dit instructieboekje.
Besteed bovendien extra aandacht aan de met gekenmerkte
delen in het instructieboekje.
Werk met ons samen aan een beter milieu.
Rapid Spaceback holandsky 05.2014
S57.5610.02.32
5JJ 012 732 AB

5JJ012732AB
Návod k obsluze
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201

SKODA Rapid Spaceback NH 05-2014 de handleiding

Type
de handleiding