Genius SPRINT 06 Handleiding

  • Hallo! Ik ben een AI-chatbot die speciaal is getraind om je te helpen met de Genius SPRINT 06 Handleiding. Ik heb het document al doorgenomen en kan je duidelijke en eenvoudige antwoorden geven.
NEDERLANDS
36
CE VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING
Fabrikant: GENIUS S.p.A.
Adres: Via Padre Elzi, 32 - 24050 - Grassobbio- Bergamo - ITALIË
Verklaart dat: de apparatuur mod. SPRINT 06 115V
• in overeenstemming is met de fundamentele veiligheidseisen van de volgende EEG-richtlijnen:
73/23/EEG en latere wijziging 93/68/EEG.
89/336/EEG en latere wijzigingen 92/31/EEG en 93/68/EEG
Aanvullende opmerking:
Dit product is onderworpen aan tests in een homogene, gebruikelijke configuratie (alle producten
vervaardigd door GENIUS)
Grassobbio, 01.06.2005
De Algemeen Directeur
D. Gianantoni
INHOUD
CE VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING pag.36
TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN pag.37
ALGEMENE EIGENSCHAPPEN pag.37
LAY-OUT KAART pag.37
AANSLUITMOGELIJKHEDEN pag.38
AANSLUITINGEN EN WERKING pag.38
PLAATSING ONTVANGERKAART VOOR RADIO-AFSTANDSBEDIENING pag.39
REGELING VAN DE MOTORKRACHT pag.40
REGELING VAN DE BEDRIJFSPARAMETERS pag.40
WERKING ENCODER pag.40
AANSLUITSCHEMA pag.41
CONTROLELEDS pag.41
BEDRIJFSLOGICA’S pag.42
NEDERLANDS
37
gninnapssgnideoV zH06)%01-%6+(~V511
negomrevnemonegpO W51
rotomgnitsaleb.xaM W007
seriosseccagnitsaleb.xaM A
m005
ruutarepmetsgnivegmO C°55+C°02-
negnirekezsdiehgilieV 2
s'acigolsfjirdeB gitamdnaH/hcsitamotuA
djitsgni
tiuls/-sgninepO .ces021
djitezuaP suaevinedletsegniroovreiV
thcarkrotoM remmirtaivraablegeR
drobnemmelkpone
gnagnI
/gninepojibraalekahcsdniE/potS/BnepO/AnepO
gnideoV/nellecotoF/gnitiulsjibraalekahcsdniE
drobnemme
lkponegnagtiU
/pmalsgniwuhcsraaW/cdV42seriosseccagnideoV
rotoM
gnileppoklenS redocnE/sregnavtno-snip5roov
rotcennoC
seitcnuferabreemmargorP
/gnileppokdiehgileoveG/djitezuaP/acigolsfjirdeB
eitcnuF/nedehgilievaci
goL/redocnetemgnikreW
neziuhnoowekjileppahcsneemeg
negnitemfA 501x541
INC redocneroovrotcennoC
2NC drobnemmelksgninnapsgaaL
3NC drobnemmelksgninnapsgooH
4NC sregnavtnoroovrotcenn
oC
1RT
gnilegerroovremmirT
thcarkrotom
1PD
gnilegerroovhctiws-piD
sretemarap
1F
rotom/gnideovgnirekeZ
)02x5(TA
5
2F )02x5(TA5.0seriosseccagnirekeZ
DEL nedehgilievsutatsdeL
SPRINT 06 BESTURINGSUNIT VOOR SCHUIFPOORTEN 115V
1. ALGEMENE EIGENSCHAPPEN
De besturingsunit SPRINT 06 is ontworpen voor het besturen van aandrijvingen voor schuifpoorten met een
vermogen van max. 700W.
Dankzij de actieve en passieve veiligheidscontroles garandeert zij, indien correct geïnstalleerd, een systeem
dat functioneert conform de geldende veiligheidsvoorschriften. Doordat het mogelijk is ook een encoder
te beheren, is een nog hoger veiligheidsniveau mogelijk.
Dankzij de uiterst eenvoudig te programmeren hoofdfuncties is er minder tijd nodig voor het installeren.
Dankzij vijf ingebouwde leds is de unit in staat op elk moment de status van de veiligheden en van de
eindschakelaars te laten zien.
2. TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN
3. LAY-OUT KAART
Fig. 1
NEDERLANDS
38
4. AANSLUITMOGELIJKHEDEN
LET OP: voor de persoonlijke veiligheid is het belangrijk dat alle waarschuwingen en aanwijzingen in dit
boekje nauwkeurig worden opgevolgd. Een foutieve installatie of foutief gebruik van het product kan
ernstig persoonlijk letsel veroorzaken.
• Controleer of er een geschikte differentieelschakelaar aanwezig is vóór de installatie, zoals voorgeschreven
wordt door de geldende normen, en zorg voor een alpolige veiligheidsschakelaar op het voedingsnet.
• Controleer of er een geschikte aardingsinstallatie is.
Voor het plaatsen van de kabels moet voor geschikte starre en/of buigzame leidingen worden gezorgd.
• Houd de voedingskabels 115V~ altijd gescheiden van de bedieningskabels met laagspanning. Om
interferenties te vermijden wordt geadviseerd aparte hulzen te gebruiken.
5. AANSLUITINGEN EN WERKING
5.1. CONNECTOR CN1
Met deze connector moet de eventuele encoder worden verbonden. Voor de werking van de encoder, zie
paragraaf 7.
5.2. KLEMMENBORD CN2
5.2.1. Voeding accessoires 24 Vdc
Klemmen “+ & -”. Op deze klemmen moeten de voedingsdraden van de accessoires op 24V dc worden
aangesloten.
Let op:
• De belasting van de accessoires mag niet groter zijn dan 500 mA.
• Deze klemmen hebben een gelijkstroomuitgang, let op de voedingspolen van de accessoires.
5.2.2. Open A
Klemmen “OPA & -”. Arbeidscontact. Op deze klemmen moet een willekeurige impulsgever worden
aangesloten (b.v. drukknop, sleutelschakelaar, enz.) die de poort een impuls voor volledige opening en/of
sluiting geeft door het contact te sluiten. De werking ervan wordt gedefinieerd via dip-switch 4 (zie paragraaf
8).
Let op:
• Een impuls voor volledige opening heeft altijd voorrang boven gedeeltelijke opening.
• Als u meerdere impulsgevers wilt aansluiten, moeten de voorzieningen parallel worden aangesloten.
5.2.3. Open B
Klemmen “OPB & -”. Arbeidscontact. Op deze klemmen moet een willekeurige impulsgever worden
aangesloten (b.v. drukknop, sleutelschakelaar, enz) die de poort een impuls voor gedeeltelijke opening
geeft door het contact te sluiten (opent gedurende 8 seconden).
Let op:
• Een impuls voor volledige opening heeft altijd voorrang boven gedeeltelijke opening.
• Als u meerdere impulsgevers wilt aansluiten, moeten de voorzieningen parallel worden aangesloten.
5.2.4. Fotocellen
Klemmen “FSW & -”. Rustcontact. Op deze klemmen moeten de fotocellen worden aangesloten. Deze
kunnen zowel als veiligheden bij sluiting als veiligheden bij opening en sluiting fungeren. De werking wordt
gedefinieerd via dip-switch 5 (zie paragraaf 8). De status van deze ingang wordt gesignaleerd door led
FSW”.
Let op: het wordt geadviseerd op deze klemmen geen andere veiligheidsvoorzieningen dan fotocellen
te verbinden.
5.2.5. Stop
Klemmen “STOP & -”. Rustcontact. Sluit op deze klemmen een willekeurige veiligheidsvoorziening aan
(drukknop, sleutelschakelaar, enz. …) die de beweging van de poort moet laten stoppen en eventuele
automatische functies buiten werking stelt. Pas bij een volgende impuls voor volledige opening hervat de
poort de in het geheugen opgeslagen cyclus. De status van deze ingang wordt gesignaleerd door led “STOP”.
Let op:
• Als u meerdere impulsgevers wilt aansluiten, moeten de voorzieningen in serie worden aangesloten.
NEDERLANDS
39
5.2.6. Eindschakelaar opening.
Klemmen “FCA & COMF”. Rustcontact. Deze grijpt in door de openende beweging van de poort te blokkeren.
De status van deze ingang wordt gesignaleerd door led “FCA”.
5.2.7. Eindschakelaar sluiting.
Klemmen “FCC & COMF”. Rustcontact. Deze grijpt in door de sluitende beweging van de poort te blokkeren.
De status van deze ingang wordt gesignaleerd door led “FCC”.
Let op:
• Voor de juiste werking van het automatische systeem is het beslist noodzakelijk beide eindschakelaars
aan te sluiten.
• De klem COMF mag UITSLUITEND worden gebruikt voor aansluiting van het gemeenschappelijke
contact van de eindschakelaars.
5.3. KLEMMENBORD CN3
5.3.1. Motorvertraging
Klemmen “APM - CHM - COM” (openen - sluiten - gemeenschappelijk). Sluit op deze klemmen de
voedingskabels van de motorvertraging aan. Verbind hierbij de condensator tussen de klemmen APM en
CHM.
5.3.2. Waarschuwingslamp
Klemmen “LAMP & N”. Sluit de waarschuwingslamp aan op deze klemmen. Deze klemmen hebben een
uitgang van 115V~.
Let op: het knipperen wordt niet veroorzaakt door de besturingsunit maar door de waarschuwingslamp.
5.3.3. Lijn
Klemmen “N & F”. Sluit op deze klemmen de voedingslijn van 115V~ 60Hz aan.
6. PLAATSING ONTVANGERKAART VOOR RADIO-AFSTANDSBEDIENING
In de besturingsunit kan een 5-pins radio-
ontvangstmodule worden ondergebracht. Om
deze te installeren moet de elektrische voeding
worden afgekoppeld en moet de module
worden aangebracht op de connector CN4 (zie
fig. 1) op de besturingsunit.
Let op: om de ontvanger niet te beschadigen,
waardoor de werking onherroepelijk zou
worden aangetast, moet hij worden geplaatst
in de richting van fig. 2).
Volg vervolgens de aanwijzingen van de radio-
ontvanger op om de radio-afstandsbediening in
het geheugen op te slaan.
Fig. 2
NEDERLANDS
40
ACIGOL 1 2
gitamdnaHFFOFFO
51navezuap,hcsitamotuA
nednoces
NOFFO
02navezuap,hcsitamotuA
nednoces
FFONO
04navezuap,hcsitamo
tuA
nednoces
NONO
.HCSNEEMEGGNIKREW
NEZIUHNOOW
)1(
dlekahcsegtiUFFO
dreevitcaeGNO
ANEPOGNIKREW
.../tnepO/tiulS/tnepOFFO
.../potS/tiulS/potS/tnepONO
NELLECOTOFGNIKREW
gnitiulsjibfeitcaneellAFFO
gnitiulsnegninepojibfeitcANO
REDOCNE
dlekahcsegtiUFFO
dreevitcaeGNO
GNILEPPOKEHCSINORKELE
)2(
diehgileoveG78
gooHFFOFFO
gooH-neddiMNOFFO
gaaL-neddiMFFONO
gaaLNONO
7. REGELING VAN DE BEDRIJFSPARAMETERS
Alle programmeerbare functies van de kaart worden gedefinieerd via de dip-switches DP1 (zie fig. 1). In het
onderstaande schema worden de diverse mogelijkheden aangegeven.
(1)
Als de functie voor gemeenschappelijke woonhuizen geactiveerd is, negeert de besturingsunit de
Open-impulsen tijdens de openingsbeweging.
(2)
De regeling van de elektronische koppeling via de dip-switches is alleen actief als de encoder wordt
gebruikt (zie paragr. 9).
Let op: bedien de dip-switches alleen nadat de spanning is afgekoppeld, anders zou de werking van
de besturingsunit kunnen negatief worden beïnvloed.
8. WERKING ENCODER
Op de besturingsunit kan een (optionele) encoder worden aangesloten, die een hoger veiligheidsniveau
garandeert. Tijdens de werking wordt de motorkracht rechtstreeks door de encoder beheerd, die eventuele
obstakels detecteert tijdens de beweging van de poort. Als er obstakels zijn, grijpt de encoder in door de
beweging van de poort gedurende twee seconden om te keren, zonder de eventuele automatische hersluiting
buiten werking te stellen, als deze ingeschakeld is. Alleen als hij twee keer achter elkaar ingrijpt, wordt de
besturingsunit op STOP gezet en wordt de eventuele automatische hersluiting buiten werking gesteld; dit
omdat een herhaalde ingreep wil zeggen dat het obstakel niet verdwenen is en eventuele automatische
systemen gevaar zouden kunnen veroorzaken. Als de unit eenmaal op STOP staat, moet een impuls OPEN A
of B gegeven worden, om de normale werking te hervatten. De gevoeligheid van de ingreep van de enco-
der wordt geregeld door de dip-switches 7-8 (zie paragraaf 7).
Let op: de encoder vormt geen vervanging van de eindschakelaars, die verplicht zijn.
9. REGELING VAN DE MOTORKRACHT
De regeling van de motorkracht geschiedt op twee verschillende manieren, al naar gelang er al of geen
encoder is aangesloten.
!!
!!
! Zonder encoder: om de motorkracht te regelen moet de trimmer TR1 worden gebruikt (zie fig. 1). Draai
hem tegen de klok in om de kracht te verminderen, en met de klok mee om hem te verhogen. De
motorkracht moet worden geregeld volgens de afmetingen van de poort, het gewicht en de wrijvingen
die deze heeft tijdens de beweging.
!!
!!
! Met encoder: de motorkracht wordt rechtstreeks door de encoder beheerd. Om de gevoeligheid van
de encoder te regelen moeten de dip-switches 7 en 8 worden gebruikt zoals beschreven in paragraaf
7.
NEDERLANDS
41
SDEL NAA TIU
REWOPdeovegtinusgnirutseB deovegteintinusgnirutseB
WSFdreevitcaegteinnedehgilieV dreevitcaegnedehgilieV
POTSfeitcateinodnammoC feitcaodnammoC
ACFdreevitcaegteingnineporaalekahcsdniE dreevitcaeggnineporaalekahcs
dniE
CCF dreevitcaegteingnitiulsraalekahcsdniE dreevitcaeggnitiulsraalekahcsdniE
10. AANSLUITSCHEMA
11. CONTROLELEDS
!!
!!
! De toestand van de leds bij gevoede besturingsunit en poort in rust is vet gedrukt weergegeven
Fig. 3
NEDERLANDS
42
acigolehcsitamotuA
troopsutatS
neslupmI
AnepOBnepOpotSgnitiulsnedehgilieV
nedehgilieV
gnitiuls/gninepo
netolse
G
reewtiulsnetroopedtnepO
djitezuapedan
tiulsnenednoces8tnepO
djitezuapedanreew
ednedrowfeitcaneidnI
s'odna
mmoc-nepO
tkurdredno
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-nepO
tkurdredno
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-nepO
tk
urdredno
ezuapnidnepoeG reewkjilleddimnotiulSreewkjilleddimnotiulSgnikrewedtreekkolB )2(
reewdjitezuapedtni
geB
wueinpo )3(
reewdjitezuapedtnigeB
wueinpo )3(
netolsegtdroW
/gnigewebedtreekkolB
motreek )1(
tceffeneeGgnikr
ewedtreekkolB )2(
ednavgnigewebedtreeK
motroop
negnikrewedtreekkolB
jibmognigewebedtreek
gnirevitcaed
dnepoe
gtdroW
/gnigewebedtreekkolB
motreek )1(
ednavgnigewebedtreeK
motroop
gnikrewedtreekkolB )2( tceffeneeG
negnikr
ewedtreekkolB
gnirevitcaedjibezedtavreh
acigolsgnineidebdnaH
troopsutatS
neslupmI
AnepOBnepOpotSgnitiulsnedehgilieV
nedehgilieV
gnitiuls/gninepo
netol
seG tnepOnednoces8tnepO
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-nepO
tkurdredno
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-nepO
tkurdredno
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-nepO
tkurdredno
nepO tiulStiulS
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-ne
pO
tkurdredno
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-nepO
tkurdredno
ednedrowfeitcaneidnI
s'odnammoc-nepO
tkurdredn
o
netolsegtdroW
/gnigewebedtreekkolB
motreek )1(
tceffeneeGgnikrewedtreekkolB )2(
ednavgnigewebedtreeK
motroop
negnikrewedtreekkolB
jibmognigewebedtreek
gnirevitcaed
dnepoegtdroW
/gnigewebedtreekkolB
motreek )1(
ednavgn
igewebedtreeK
motroop
gnikrewedtreekkolB )2( tceffeneeG
negnikrewedtreekkolB
gnirevitcaedjibezedtavreh
12. BEDRIJFSLOGICA’S
(1) Het gedrag van de drukknop Open A wordt gedefinieerd door dip-switch 4, zie paragraaf 7.
(2) De Stop-impuls blokkeert de werking van de poort en stelt alle geselecteerde automatische functies buiten werking. Er is een Open A-impuls nodig om de in
het geheugen opgeslagen cyclus weer te hervatten.
(3) Als de veiligheid geactiveerd is bij het verstrijken van de geprogrammeerde pauzetijd, begint de besturingsunit het aftellen van de geprogrammeerde pauzetijd
weer van vooraf aan wanneer de veiligheid gedeactiveerd wordt.
HINWEISE FÜR DEN INSTALLATIONSTECHNIKER
ALLGEMEINE SICHERHEITSVORSCHRIFTEN
1) ACHTUNG! Um die Sicherheit von Personen zu gewährleisten, sollte die Anleitung aufmerksam
befolgt werden. Eine falsche Installation oder ein fehlerhafter Betrieb des Produktes können
zu schwerwiegenden Personenschäden führen.
2) Bevor mit der Installation des Produktes begonnen wird, sollten die Anleitungen aufmerksam
gelesen werden.
3) Das Verpackungsmaterial (Kunststoff, Styropor, usw.) sollte nicht in Reichweite von Kindern
aufbewahrt werden, da es eine potentielle Gefahrenquelle darstellt.
4) Die Anleitung sollte aufbewahrt werden, um auch in Zukunft Bezug auf sie nehmen zu können.
5) Dieses Produkt wurde ausschließlich für den in diesen Unterlagen angegebenen Gebrauch
entwickelt und hergestellt. Jeder andere Gebrauch, der nicht ausdrücklich angegeben ist,
könnte die Unversehrtheit des Produktes beeinträchtigen und/oder eine Gefahrenquelle
darstellen.
6) Die Firma GENIUS lehnt jede Haftung für Schäden, die durch unsachgemäßen oder nicht
bestimmungsgemäßen Gebrauch der Automatik verursacht werden, ab.
7) Das Gerät sollte nicht in explosionsgefährdeten Umgebungen installiert werden: das
Vorhandensein von entflammbaren Gasen oder Rauch stellt ein schwerwiegendes
Sicherheitsrisiko dar.
8) Die mechanischen Bauelemente müssen den Anforderungen der Normen EN 12604 und
EN 12605 entsprechen.
Für Länder, die nicht der Europäischen Union angehören, sind für die Gewährleistung eines
entsprechenden Sicherheitsniveaus neben den nationalen gesetzlichen Bezugsvorschriften
die oben aufgeführten Normen zu beachten.
9) Die Firma GENIUS übernimmt keine Haftung im Falle von nicht fachgerechten Ausführungen
bei der Herstellung der anzutreibenden Schließvorrichtungen sowie bei Deformationen, die
eventuell beim Betrieb entstehen.
10) Die Installation muß unter Beachtung der Normen EN 12453 und EN 12445 erfolgen. Die
Sicherheitsstufe der Automatik sollte C+D sein.
11) Vor der Ausführung jeglicher Eingriffe auf der Anlage sind die elektrische Versorgung und
die Batterie abzunehmen.
12) Auf dem Versorgungsnetz der Automatik ist ein omnipolarer Schalter mit Öffnungsabstand
der Kontakte von über oder gleich 3 mm einzubauen. Darüber hinaus wird der Einsatz eines
Magnetschutzschalters mit 6A mit omnipolarer Abschaltung empfohlen.
13) Es sollte überprüft werden, ob vor der Anlage ein Differentialschalter mit einer
Auslöseschwelle von 0,03 A zwischengeschaltet ist.
14) Es sollte überprüft werden, ob die Erdungsanlage fachgerecht ausgeführt wurde. Die
Metallteile der Schließung sollten an diese Anlage angeschlossen werden.
15) Die Automation verfügt über eine eingebaute Sicherheitsvorrichtung für den Quetschschutz,
die aus einer Drehmomentkontrolle besteht. Es ist in jedem Falle erforderlich, deren
Eingriffsschwelle gemäß der Vorgaben der unter Punkt 10 angegebenen Vorschriften zu
überprüfen.
16) Die Sicherheitsvorrichtungen (Norm EN 12978) ermöglichen den Schutz eventueller
Gefahrenbereiche vor mechanischen Bewegungsrisiken, wie zum Beispiel Quetschungen,
Mitschleifen oder Schnittverletzungen.
17) Für jede Anlage wird der Einsatz von mindestens einem Leuchtsignal empfohlen sowie eines
Hinweisschildes, das über eine entsprechende Befestigung mit dem Aufbau des Tors
verbunden wird. Darüber hinaus sind die unter Punkt “16” erwähnten Vorrichtungen
einzusetzen.
18) Die Firma GENIUS lehnt jede Haftung hinsichtlich der Sicherheit und des störungsfreien
Betriebs der Automatik ab, soweit Komponenten auf der Anlage eingesetzt werden, die
nicht im Hause GENIUS hergestellt wurden.
19) Bei der Instandhaltung sollten ausschließlich Originalteile der Firma GENIUS verwendet
werden.
20) Auf den Komponenten, die Teil des Automationssystems sind, sollten keine Veränderungen
WAARSCHUWINGEN VOOR DE INSTALLATEUR
ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
1) LET OP! Het is belangrijk voor de veiligheid dat deze hele instructie zorgvuldig wordt opgevolgd.
Een onjuiste installatie of foutief gebruik van het product kunnen ernstig persoonlijk letsel
veroorzaken.
2) Lees de instructies aandachtig door alvorens te beginnen met de installatie van het product.
3) De verpakkingsmaterialen (plastic, polystyreen, enz.) mogen niet binnen het bereik van
kinderen worden gelaten, want zij vormen een mogelijke bron van gevaar.
4) Bewaar de instructies voor raadpleging in de toekomst.
5) Dit product is uitsluitend ontworpen en gebouwd voor het doel dat in deze documentatie
wordt aangegeven. Elk ander gebruik, dat niet uitdrukkelijk wordt vermeld, zou het product
kunnen beschadigen en/of een bron van gevaar kunnen vormen.
6) GENIUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade die ontstaat uit oneigenlijk
gebruik of ander gebruik dan waarvoor het automatische systeem is bedoeld.
7) Installeer het apparaat niet in een explosiegevaarlijke omgeving: de aanwezigheid van
ontvlambare gassen of dampen vormt een ernstig gevaar voor de veiligheid.
8) De mechanische bouwelementen moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van
de normen EN 12604 en EN 12605.
Voor niet-EEG landen moeten, om een goed veiligheidsniveau te bereiken, behalve de
nationale voorschriften ook de bovenstaande normen in acht worden genomen.
9) GENIUS is niet aansprakelijk als de regels der goede techniek niet in acht genomen zijn bij de
bouw van het sluitwerk dat gemotoriseerd moet worden, noch voor vervormingen die
zouden kunnen ontstaan bij het gebruik.
10) De installatie dient te geschieden in overeenstemming met de normen EN 12453 en EN
12445. Het veiligheidsniveau van het automatische systeem moet C+D zijn.
11) Alvorens ingrepen te gaan verrichten op de installatie moet de elektrische voeding worden
weggenomen en moeten de batterijen worden afgekoppeld.
12) Zorg op het voedingsnet van het automatische systeem voor een meerpolige schakelaar
met een opening tussen de contacten van 3 mm of meer. Het wordt geadviseerd een
magnetothermische schakelaar van 6A te gebruiken met meerpolige onderbreking.
13) Controleer of er bovenstrooms van de installatie een differentieelschakelaar is geplaatst
met een limiet van 0,03 A.
14) Controleer of de aardingsinstallatie vakkundig is aangelegd en sluit er de metalen delen
van het sluitsysteem op aan.
15) Het automatische systeem beschikt over een intrinsieke beveiliging tegen inklemming,
bestaande uit een controle van het koppel. De inschakellimiet hiervan dient echter te
worden gecontroleerd volgens de bepalingen van de normen die worden vermeld onder
punt 10.
16) De veiligheidsvoorzieningen (norm EN 12978) maken het mogelijk eventuele gevaarlijke
gebieden te beschermen tegen Mechanische gevaren door beweging, zoals bijvoorbeeld
inklemming, meesleuren of amputatie.
17) Het wordt voor elke installatie geadviseerd minstens één lichtsignaal te gebruiken alsook
een waarschuwingsbord dat goed op de constructie van het hang- en sluitwerk dient te
worden bevestigd, afgezien nog van de voorzieningen die genoemd zijn onder punt “16”.
18) GENIUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor wat betreft de veiligheid en de
goede werking van het automatische systeem, als er in de installatie gebruik gemaakt wordt
van componenten die niet door GENIUS zijn geproduceerd.
19) Gebruik voor het onderhoud uitsluitend originele GENIUS-onderdelen.
20) Verricht geen wijzigingen op componenten die deel uitmaken van het automatische
systeem.
21) De installateur dient alle informatie te verstrekken over de handbediening van het systeem
in noodgevallen, en moet de gebruiker van de installatie het bij het product geleverde boekje
met aanwijzingen overhandigen.
22) Sta het niet toe dat kinderen of volwassenen zich ophouden in de buurt van het product
terwijl dit in werking is.
23) Houd radio-afstandsbedieningen of alle andere impulsgevers buiten het bereik van kinderen,
om te voorkomen dat het automatische systeem onopzettelijk kan worden aangedreven.
24) Ga alleen tussen de vleugels door als het hek helemaal geopend is.
25) De gebruiker mag geen pogingen tot reparatie doen of directe ingrepen plegen, en dient
zich uitsluitend te wenden tot gekwalificeerd personeel.
26) Alles wat niet uitdrukkelijk in deze instructies wordt aangegeven, is niet toegestaan
9) GENIUS no es responsable del incumplimiento de las buenas técnicas de fabricación de los
cierres que se han de motorizar, así como de las deformaciones que pudieran intervenir
en la utilización.
10) La instalación debe ser realizada de conformidad con las Normas EN 12453 y EN 12445.
El nivel de seguridad de la automación debe ser C+D.
11) Quiten la alimentación eléctrica y desconecten las baterías antes de efectuar cualquier
intervención en la instalación.
12) Coloquen en la red de alimentación de la automación un interruptor omnipolar con
distancia de apertura de los contactos igual o superior a 3 mm. Se aconseja usar un
magnetotérmico de 6A con interrupción omnipolar.
13) Comprueben que la instalación disponga línea arriba de un interruptor diferencial con
umbral de 0,03 A.
14) Verifiquen que la instalación de tierra esté correctamente realizada y conecten las partes
metálicas del cierre.
15) La automación dispone de un dispositivo de seguridad antiaplastamiento constituido por
un control de par. No obstante, es necesario comprobar el umbral de intervención según
lo previsto en las Normas indicadas en el punto 10.
16) Los dispositivos de seguridad (norma EN 12978) permiten proteger posibles áreas de peligro
de Riesgos mecánicos de movimiento, como por ej. aplastamiento, arrastre, corte.
17) Para cada equipo se aconseja usar por lo menos una señalización luminosa así como un
cartel de señalización adecuadamente fijado a la estructura del bastidor, además de los
dispositivos indicados en el “16”.
18) GENIUS declina toda responsabilidad relativa a la seguridad y al buen funcionamiento de
la automación si se utilizan componentes de la instalación que no sean de producción GENIUS.
19) Para el mantenimiento utilicen exclusivamente piezas originales GENIUS
20) No efectúen ninguna modificación en los componentes que forman parte del sistema de
automación.
21) El instalador debe proporcionar todas las informaciones relativas al funcionamiento del
sistema en caso de emergencia y entregar al usuario del equipo el manual de advertencias
que se adjunta al producto.
22) No permitan que niños o personas se detengan en proximidad del producto durante su
funcionamiento.
23) Mantengan lejos del alcance los niños los telemandos o cualquier otro emisor de impulso,
para evitar que la automación pueda ser accionada involuntariamente.
24) Sólo puede transitarse entre las hojas si la cancela está completamente abierta.
25) El usuario no debe por ningún motivo intentar reparar o modificar el producto, debe siempre
dirigirse a personal cualificado.
26) Todo lo que no esté previsto expresamente en las presentes instrucciones debe entenderse
como no permitido
vorgenommen werden.
21) Der Installateur sollte alle Informationen hinsichtlich des manuellen Betriebs des Systems
in Notfällen liefern und dem Betreiber der Anlage das Anleitungsbuch, das dem Produkt
beigelegt ist, übergeben.
22) Weder Kinder noch Erwachsene sollten sich während des Betriebs in der unmittelbaren
Nähe der Automation aufhalten.
23) Die Funksteuerungen und alle anderen Impulsgeber sollten außerhalb der Reichweite von
Kindern aufbewahrt werden, um ein versehentliches Aktivieren der Automation zu
vermeiden.
24) Der Durchgang oder die Durchfahrt zwischen den Flügeln darf lediglich bei vollständig
geöffnetem Tor erfolgen.
25) Der Betreiber sollte keinerlei Reparaturen oder direkte Eingriffe auf der Automation
ausführen, sondern sich hierfür ausschließlich an qualifiziertes Fachpersonal wenden.
26) Alle Vorgehensweisen, die nicht ausdrücklich in der vorliegenden Anleitung vorgesehen
sind, sind nicht zulässig
1/48