Siemens HQ738256E/03 Handleiding

Type
Handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

nl
é
Installatievoorschrift
Veiligheidsvoorschriften
Lees deze gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en bewaar hem
goed. Alleen als de inbouw op deskundige wijze en conform dit
installatievoorschrift wordt uitgevoerd, is de veiligheid bij het
gebruik gegarandeerd.
Alleen een daartoe bevoegd vakman mag het apparaat
aansluiten.
Neem voor de omschakeling naar een ander type gas contact
op met de klantenservice.
: Risico van het ontsnappen van gas!
Na werkzaamheden aan de gasaansluiting dient deze altijd op
dichtheid te worden gecontroleerd. De fabrikant aanvaardt geen
aansprakelijkheid voor het ontsnappen van gas bij een
gasaansluiting die eerder gemanipuleerd is.
Bij schade of storingen door een verkeerde montage of
installatie is de monteur resp. de installateur aansprakelijk.
Voor de installatie dienen de toepasselijke bouwvoorschriften en
de voorschriften van de plaatselijke elektriciteits- en
gasmaatschappij te worden nageleefd (bijv. Duitsland: DVGW-
TRGI/TRGF; Oostenrijk: ÖVGW-TR).
Sluit voor aanvang van alle werkzaamheden altijd de stroom- en
gastoevoer af.
De gegevens over de spanning, de gasdruk en het gastype op
het typeplaatje dienen met de plaatselijke aansluitvoorwaarden
overeen te stemmen.
Elektrische apparaten moeten altijd geaard worden.
Wanneer er een afzuigkap wordt aangebracht, dient dit te
gebeuren volgens het bijbehorende installatatievoorschrift.
Neem hierbij de opgaven voor de minimale afstand tot de
kookplaat in acht.
Dit toestel niet bij boten of vaartuigen inbouwen.
Vóór de opstelling
Deze gebruiksaanwijzing is voor meerdere modellen bestemd.
Afhankelijk van het model zijn detailafwijkingen mogelijk.
Houd u aan de volgende opgaven voor het apparaat en de
richtlijnen voor be- en ontluchting.
In dit hoofdstuk vindt u informatie over
Het toestel uitpakken
de apparaatklassen
de afmetingen van het toestel
de afstanden tot aangrenzende meubels
het typeplaatje
Uitpakken
Controleer het apparaat na het uitpakken. Bij transportschade
mag u het apparaat niet aansluiten.
Voer de verpakking op een milieuvriendelijke manier af.
Apparaatklassen - Afb. 1
Dit toestel voldoet aan de volgende apparaatklassen:
Afmetingen apparaat - Afb. 2
Aangrenzende meubels - Afb. 3
Aangrenzende voorzijden van meubels dienen tot een
temperatuur van minstens 90°C bestendig te zijn. Wordt het
toestel direct in de buurt van andere eenheden geïnstalleerd,
dan dient u de in de afbeelding aangegeven minimale afstanden
aan te houden.
Typeplaatje
U vindt de technische gegevens van het apparaat op het
typeplaatje.
Het typeplaatje bevindt zich aan de binnenkant van de klep van
het opbergvak.
De instelwaarden staan aangegeven op een sticker op de
apparaatverpakking.
Voer productnummer (E-nr.), fabricagenummer (FD),
fabrieksinstellingen voor gastype / gasdruk en het eventueel
omgezette gastype in de tabel onder in. De wijzigingen die aan
het toestel worden aangebracht en het type aansluiting zijn
doorslaggevend voor een veilig en juist gebruik ervan.
Richtlijnen voor be- en ontluchting
Dit toestel mag alleen in een ruimte worden geïnstalleerd die
voldoende geventileerd is.
Voor gastoestellen met een totaalvermogen tot 11 kW volstaat
het wanneer de opstellingsruimte een inhoud heeft van meer
dan 15 m³ en tenminste één deur naar buiten of een raam dat
kan worden geopend.
Voor gastoestellen met een totaalvermogen van meer dan 11
kW volstaat het wanneer de opstellingsruimte een inhoud van
meer dan 2 m³ per kW heeft en tenminste één deur naar buiten
of een raam dat kan worden geopend. Daarnaast moet er een
afzuigkap of een gecontroleerde ventilatie-inrichting voor
woningen (geen ventilatiefunctie) beschikbaar zijn die over een
minimaal transportvolume van 15 m³/h per kW totaalvermogen
van alle gastoestellen beschikt. Er dienen geschikte
toevoeropeningen voorhanden te zijn.
Aanwijzing: In enkele landen bestaan er afwijkende eisen ten
aanzien van de minimale kubieke inhoud. Vraag hierover
informatie aan bij uw klantenservice.
Installatie
Dit apparaat wordt geleverd met een set instelvoeten en een
glazen afdekplaat. De glazen afdekplaat is voorgemonteerd.
Instelvoeten monteren Afb. 4
1. Alle niet vast gemonteerde onderdelen, in het bijzonder
pannendragers en branders, verwijderen.
2. Neem de toebehoren uit de oven.
3. Het toestel aan een kant van de vloer tillen en licht kantelen.
4. Instelvoeten in de opname-openingen aan de onderkant van
het apparaat schroeven.
Aanwijzing: Moet er vervolgens aan het apparaat worden
getrokken, schroef de instelvoeten dan helemaal in.
5. Nivelleer het apparaat pas definitief wanneer de elektrische
aansluiting, de gasaansluiting en alle
installatiewerkzaamheden afgesloten zijn.
Spatbescherming monteren - Afb. 5
1. Verpakking en beschermende folie verwijderen van de
spatbescherming.
2. Draai de 2 schroeven aan de achterkant van het apparaat los.
De moeren zijn niet meer nodig.
3. Plaats de spatbescherming met de pinnen in de hiervoor
bestemde openingen.
4. Schroeven van onderaf inbrengen en vastdraaien.
Apparaatklasse Beschrijving
Afb. 1a. Klasse 1
niet vlak aangebouwd kooktoestel
Afb. 1b Klasse 2 - subklasse 1
Kooktoestel direct aansluitend tussen twee een-
heden, bestaande uit een afzonderlijke eenheid,
kan echter ook zo worden geïnstalleerd dat de
zijwanden toegankelijk zijn
Enr. FDnr.
Servicedienst
O
Gastype / Gasdruk
Fabrieksinstelling
Gastype / Gasdruk
Omschakeling
Elektrische aansluiting
Alleen een daartoe bevoegd vakman mag het toestel aansluiten.
Het apparaat dient volgens de nieuwste IEE-richtlijnen
(Institution of Electrical Engineers) te worden geïnstalleerd. Bij
een verkeerde aansluiting kan het toestel beschadigd raken.
Verzeker u ervan dat de spanningswaarde van het
elektriciteitsnet overeenkomt met de aangegeven waarde op het
typeplaatje.
Zorg ervoor dat het elektriciteitsnet volgens voorschrift geaard is
en de zekering, het snoer en het leidingssysteem van het
gebouw voldoende gedimensioneerd zijn voor het elektrisch
vermogen van het apparaat .
Het is aan te bevelen het stroomcircuit van het toestel te
beveiligen met een zekering van 16 ampère.
Let bij het leggen van het aansluitsnoer op de volgende punten:
Het snoer mag niet beklemd raken of ingedrukt worden.
Het snoer mag niet in de buurt komen van scherpe randen.
Het snoer mag niet in contact komen met onderdelen die een
temperatuur van meer dan 50 °C boven kamertemperatuur
kunnen bereiken.
Apparaat aansluiten
Het toestel voldoet aan beveiligingsklasse 1 en mag alleen met
een geaarde aansluiting worden gebruikt.
Bij alle montagewerkzaamheden moet het apparaat
spanningsloos zijn.
Het toestel mag alleen met de meegeleverde aansluitkabel
worden aangesloten.
De bescherming tegen aanraking dient door de inbouw te zijn
gewaarborgd.
Alleen een daartoe bevoegd vakman mag het toestel aansluiten.
Voor hem gelden de bepalingen van de regionale
elektriciteitsmaatschappij.
Aansluitkabel met geaarde stekker
Apparaat met de bijbehorende geaarde stekker aansluiten op
een volgens voorschrift geïnstalleerd, geaard stopcontact. Dit
moet na de inbouw toegankelijk zijn. Is dit niet het geval, dan
moet er op het apparaat een schakelaar met een contactafstand
van minstens 3 mm worden aangebracht.
Gasaansluiting
Het apparaat dient te worden aangesloten volgens de op dat
moment geldende voorschriften. Controleer voor de installatie
van het apparaat of de plaatselijke voorwaarden (gastype en -
druk) en de apparaatinstellingen met elkaar overeenkomen. De
voorwaarden voor de apparaatinstelling vindt u op het
typeplaatje. De verbindingen met de gasleidingen en de
afdichtingen dienen vakkundig en volgens de op dat moment
geldende landenspecifieke normen te worden uitgevoerd.
Gasaansluiting op het apparaat
De gasaansluiting bevindt zich aan de achterkant van het
toestel.
Bij het apparaat hoort een aansluithoek (EN ISO 228 G1/2 male
- 228 G1/2 male) en een adapterstuk (EN ISO 228 G1/2 - EN
10226 R1/2). bei.
Voorinstelling van de branders
De branders zijn vooraf ingesteld op aardgas G20 (20 mbar).
Bij het apparaat is een set koppen voor vloeibaar gas G30/31
(28-30/37 mbar) gevoegd.
Toebehoren
Toebehoren kunt u nabestellen bij de klantenservice, in de
vakhandel of via Internet.
Stadsgaskop G110 (8 mbar)
Stadsgaskop G120 (8 mbar)
Gasaansluiting met konisch schroefdraad (EN 10226 R1/2) -
Afb. 6a
Gebruik alleen aansluitleidingen of flexibele slangen die voldoen
aan de geldende voorschriften en voor dit doel zijn toegelaten.
1. Hoek (3) en de dichting (2) aan de gasaansluiting (1)
vastschroeven
2. Hoek (3) met een sleutel vasthouden en het adapterstuk (5) en
de dichting (4) aan de hoek vastschroeven.
3. Adapterstuk (5) met een sleutel vasthouden en een vaste
aansluitleiding of een flexibele gas-aansluitslang (6)
vastschroeven.
Voor het afdichten van het schroefdraad alleen goedgekeurd
afdichtingsmateriaal gebruiken.
Gasaansluitleiding met cilindrische schroefdraad (EN ISO 228
G1/2) - Afb. 6b
Gebruik alleen aansluitleidingen of flexibele slangen die voldoen
aan de geldende voorschriften en voor dit doel zijn toegelaten.
1. Hoek (3) en de dichting (2) aan de gasaansluiting (1)
vastschroeven
2. Hoek (3) met een sleutel vasthouden en een vaste
aansluitleiding of een flexibele gas-aansluitslang (5) en de
dichting (4) vastschroeven.
Flexibele slangen - Afb. 7
Let bij flexibele slangen op de volgende punten:
Slangen mogen niet beklemd raken of ingedrukt worden.
Slangen mogen niet worden blootgesteld aan trek- of
draaikrachten.
Slangen mogen niet in de buurt komen van scherpe randen.
De slangen mogen niet in contact komen met onderdelen die
een temperatuur van meer dan 70 °C boven
kamertemperatuur kunnen bereiken.
Zorg ervoor dat de slang in de volle lengte toegankelijk is
voor controles.
Veiligheidsventiel installeren
Het is verplicht een veiligheidsventiel voor het openen en sluiten
van de gastoevoer aan te brengen. Bouw het veiligheidsventiel
in tussen de gastoevoerleiding naar de betreffende ruimte en
het toestel. Zorg ervoor dat dit ventiel vrij toegankelijk is.
Dichtheid controleren
Controleer na aansluiting van de gasleiding de dichtheid van de
verbindingen met zeepsop.
Ingebruikname
Neem het toestel volgens de gebruiksaanwijzing in gebruik.
Steek alle branders aan en controleer of de vlammen stabiel zijn
wanneer ze hoog en laag zijn ingesteld.
Omschakelen naar een ander gastype
Wanneer het apparaat niet is ingesteld op het beschikbare
gastype, dient het omgeschakeld te worden. Ook de
omschakeling naar een ander gastype dient door een erkend
vakman en met inachtneming van de geldende voorschriften te
worden uitgevoerd. Op het typeplaatje staat aangegeven welk
gastype en welke gasdruk in de fabriek zijn ingesteld.
Om naar een ander gastype om te schakelen, moeten de
koppen worden vervangen en gedeeltelijk de kleine stand en
primaire lucht worden ingesteld.
Koppen van de kookzonebranders vervangen - Afb. 8
1. Haal de stekker van het toestel uit het stopcontact.
2. Pannendrager afnemen.
3. Branderdeksel A en branderkelk B van de kookzone C
verwijderen (Afb. 8a).
4. Kop D uitnemen en vervangen door een voor het nieuwe
gastype geschikte kop (Afb. 8b).
5. Oud gasetiket vervangen door nieuw.
Het nieuwe gasetiket is meegeleverd met de koppenset.
6. Branderkelk B op de kookzone C plaatsen.
7. Branderdeksel A exact op de branderkelk B leggen (Afb. 8c).
8. Pannendrager terugplaatsen.
Minimale gastoevoer instellen - Afb. 9
1. Gasbrander inschakelen.
2. Draai de bedieningsknop voor de gasbrander in de richting
van de kleine vlam.
3. Trek de bedieningsknop voor de gasbrander eraf.
4. Draai aan de binnenste instelschroef tot er een goede, stabiele
vlam brandt.
5. Draai de instelschroef los om de gastoevoer te verhogen of
draai hem vast om de gastoevoer te verminderen.
Aanwijzing: Zorg ervoor dat de vlam niet uitgaat bij een snelle
wisseling tussen maximale en minimale gastoevoer en
omgekeerd.
De instelling is correct wanneer de grootte van de kleine vlam
ca. 3 tot 4 mm bedraagt.
6. Bedieningsknop voor de gasbrander terugplaatsen.
Algemene koppentabel
Algemene koppentabel voor stadsgas
De koppen voor stadsgas zijn niet bij het apparaat gevoegd. U
kunt de koppen via de klantenservice bestellen.
Nominale bedrijfsdruk
De nominale bedrijfsdruk van uw toestel is:
voor aardgas - NG (G20) 20 mbar / 2.0 kPa;
voor vloeibaar gas - LPG (G30) 30 mbar / 3.0 kPa;
voor vloeibaar gas - LPG (G31) 37 mbar / 3.7 kPa.
Nominale bedrijfsdruk voor stadsgas
De nominale bedrijfsdruk van uw toestel is:
voor stadsgas (G110) 8 mbar / 0,8 kPa;
voor stadsgas (G120) 8 mbar / 0,8 kPa.
Uw toestel moet met deze drukwaarden worden bediend. Alle
informatie van het typeplaatje heeft betrekking op deze
drukwaarden. De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid
voor de bediening, het vermogen van het apparaat of andere
risico's, wanneer het apparaat met andere drukwaarden wordt
bediend dan aangegeven.
Aanwijzing: Gebruik bij vloeibaar gas uit
veiligheidsoverwegingen een gasdrukregelaar. Aansluiting en
onderhoud van de drukregelaar dienen door een erkend
vakman uitgevoerd te worden.
Positoneren en uitrichten
Apparaat positioneren
Wanneer het toestel op de definitieve plaats wordt opgesteld, let
er dan op dat er genoeg ruimte is om het naar voren te trekken
voor onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden.
De ondergrond moet hard en stabiel zijn. De wand direct achter
het toestel dient uit niet-brandbaar materiaal, zoals tegels, te
bestaan.
Wanneer u tijdens de plaatsing aan het toestel moet trekken, let
er dan op dat de instelvoeten goed vastgeschroefd zijn.
Apparaat afstellen - Afb. 10
Aan de instelvoeten draaien om het apparaat af te stellen.
Aanwijzing: Stel het apparaat na afloop van alle
werkzaamheden af.
Type gas mbar kPa Kop Brandertype Vermogen
(W)
Vermogen
min. (W)
Verbruik max.
Nummer Bypass G20 G30 G31
Aardgas - NG
G20
20 2.0 115 (Y) Spleet Sterke brander 3000 800 283 l/h
97 (Z) Spleet Normale brander 1800 500 167 l/h
72 (X) Spleet Spaarbrander 1000 400 97 l/h
135 (S) Spleet Wokbrander 3900 1600 359 l/h
Vloeibaar gas -
LPG
Butaan
Propaan
G30/G31
28 -
30/37
2.8 -
3.0/3.7
85 0,45 Sterke brander 3000 800 218 g/h 214 g/h
65 0,33 Normale brander 1800 500 131 g/h 129 g/h
50 0,30 Spaarbrander 1000 400 73 g/h 71 g/h
100 0,63 Wokbrander 3900 1600 284 g/h 279 g/h
Type gas mbar kPa Kop Brandertype vermogen
(W)
vermogen
min. (W)
Verbruik max.
Nummer Bypass G110 G120
Stadsgas
G110
8 0.8 260 Spleet Sterke brander 3000 800 648 h
185 Spleet Normale brander 1750 500 384 h
145 Spleet Spaarbrander 1000 400 219 h
340 Spleet Wokbrander 3700 1400 833 h
Stadsgas
G120
8 0.8 240 Spleet Sterke brander 3000 800 582 h
175 Spleet Normale brander 1800 500 354 h
135 Spleet Spaarbrander 1000 400 201 h
315 Spleet Wokbrander 3900 1400 764 h

Documenttranscriptie

nl é Installatievoorschrift Veiligheidsvoorschriften Lees deze gebruiksaanwijzing zorgvuldig door en bewaar hem goed. Alleen als de inbouw op deskundige wijze en conform dit installatievoorschrift wordt uitgevoerd, is de veiligheid bij het gebruik gegarandeerd. Alleen een daartoe bevoegd vakman mag het apparaat aansluiten. Neem voor de omschakeling naar een ander type gas contact op met de klantenservice. : Risico van het ontsnappen van gas! Na werkzaamheden aan de gasaansluiting dient deze altijd op dichtheid te worden gecontroleerd. De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor het ontsnappen van gas bij een gasaansluiting die eerder gemanipuleerd is. Bij schade of storingen door een verkeerde montage of installatie is de monteur resp. de installateur aansprakelijk. Voor de installatie dienen de toepasselijke bouwvoorschriften en de voorschriften van de plaatselijke elektriciteits- en gasmaatschappij te worden nageleefd (bijv. Duitsland: DVGWTRGI/TRGF; Oostenrijk: ÖVGW-TR). Sluit voor aanvang van alle werkzaamheden altijd de stroom- en gastoevoer af. De gegevens over de spanning, de gasdruk en het gastype op het typeplaatje dienen met de plaatselijke aansluitvoorwaarden overeen te stemmen. Elektrische apparaten moeten altijd geaard worden. Wanneer er een afzuigkap wordt aangebracht, dient dit te gebeuren volgens het bijbehorende installatatievoorschrift. Neem hierbij de opgaven voor de minimale afstand tot de kookplaat in acht. Dit toestel niet bij boten of vaartuigen inbouwen. Vóór de opstelling Deze gebruiksaanwijzing is voor meerdere modellen bestemd. Afhankelijk van het model zijn detailafwijkingen mogelijk. Houd u aan de volgende opgaven voor het apparaat en de richtlijnen voor be- en ontluchting. In dit hoofdstuk vindt u informatie over ■ Het toestel uitpakken ■ de apparaatklassen ■ de afmetingen van het toestel ■ de afstanden tot aangrenzende meubels ■ het typeplaatje Uitpakken Controleer het apparaat na het uitpakken. Bij transportschade mag u het apparaat niet aansluiten. Voer de verpakking op een milieuvriendelijke manier af. Apparaatklassen - Afb. 1 Dit toestel voldoet aan de volgende apparaatklassen: Apparaatklasse Beschrijving Afb. 1a. Klasse 1 niet vlak aangebouwd kooktoestel Afb. 1b Klasse 2 - subklasse 1 Kooktoestel direct aansluitend tussen twee eenheden, bestaande uit een afzonderlijke eenheid, kan echter ook zo worden geïnstalleerd dat de zijwanden toegankelijk zijn Afmetingen apparaat - Afb. 2 Aangrenzende meubels - Afb. 3 Aangrenzende voorzijden van meubels dienen tot een temperatuur van minstens 90°C bestendig te zijn. Wordt het toestel direct in de buurt van andere eenheden geïnstalleerd, dan dient u de in de afbeelding aangegeven minimale afstanden aan te houden. Typeplaatje U vindt de technische gegevens van het apparaat op het typeplaatje. Het typeplaatje bevindt zich aan de binnenkant van de klep van het opbergvak. De instelwaarden staan aangegeven op een sticker op de apparaatverpakking. Voer productnummer (E-nr.), fabricagenummer (FD), fabrieksinstellingen voor gastype / gasdruk en het eventueel omgezette gastype in de tabel onder in. De wijzigingen die aan het toestel worden aangebracht en het type aansluiting zijn doorslaggevend voor een veilig en juist gebruik ervan. E­nr. FD­nr. Servicedienst O Gastype / Gasdruk Fabrieksinstelling Gastype / Gasdruk Omschakeling Richtlijnen voor be- en ontluchting Dit toestel mag alleen in een ruimte worden geïnstalleerd die voldoende geventileerd is. Voor gastoestellen met een totaalvermogen tot 11 kW volstaat het wanneer de opstellingsruimte een inhoud heeft van meer dan 15 m³ en tenminste één deur naar buiten of een raam dat kan worden geopend. Voor gastoestellen met een totaalvermogen van meer dan 11 kW volstaat het wanneer de opstellingsruimte een inhoud van meer dan 2 m³ per kW heeft en tenminste één deur naar buiten of een raam dat kan worden geopend. Daarnaast moet er een afzuigkap of een gecontroleerde ventilatie-inrichting voor woningen (geen ventilatiefunctie) beschikbaar zijn die over een minimaal transportvolume van 15 m³/h per kW totaalvermogen van alle gastoestellen beschikt. Er dienen geschikte toevoeropeningen voorhanden te zijn. Aanwijzing: In enkele landen bestaan er afwijkende eisen ten aanzien van de minimale kubieke inhoud. Vraag hierover informatie aan bij uw klantenservice. Installatie Dit apparaat wordt geleverd met een set instelvoeten en een glazen afdekplaat. De glazen afdekplaat is voorgemonteerd. Instelvoeten monteren Afb. 4 1. Alle niet vast gemonteerde onderdelen, in het bijzonder pannendragers en branders, verwijderen. 2. Neem de toebehoren uit de oven. 3. Het toestel aan een kant van de vloer tillen en licht kantelen. 4. Instelvoeten in de opname-openingen aan de onderkant van het apparaat schroeven. Aanwijzing: Moet er vervolgens aan het apparaat worden getrokken, schroef de instelvoeten dan helemaal in. 5. Nivelleer het apparaat pas definitief wanneer de elektrische aansluiting, de gasaansluiting en alle installatiewerkzaamheden afgesloten zijn. Spatbescherming monteren - Afb. 5 1. Verpakking en beschermende folie verwijderen van de spatbescherming. 2. Draai de 2 schroeven aan de achterkant van het apparaat los. De moeren zijn niet meer nodig. 3. Plaats de spatbescherming met de pinnen in de hiervoor bestemde openingen. 4. Schroeven van onderaf inbrengen en vastdraaien. Elektrische aansluiting Alleen een daartoe bevoegd vakman mag het toestel aansluiten. Het apparaat dient volgens de nieuwste IEE-richtlijnen (Institution of Electrical Engineers) te worden geïnstalleerd. Bij een verkeerde aansluiting kan het toestel beschadigd raken. Verzeker u ervan dat de spanningswaarde van het elektriciteitsnet overeenkomt met de aangegeven waarde op het typeplaatje. Zorg ervoor dat het elektriciteitsnet volgens voorschrift geaard is en de zekering, het snoer en het leidingssysteem van het gebouw voldoende gedimensioneerd zijn voor het elektrisch vermogen van het apparaat . Het is aan te bevelen het stroomcircuit van het toestel te beveiligen met een zekering van 16 ampère. Let bij het leggen van het aansluitsnoer op de volgende punten: ■ Het snoer mag niet beklemd raken of ingedrukt worden. ■ Het snoer mag niet in de buurt komen van scherpe randen. ■ Het snoer mag niet in contact komen met onderdelen die een temperatuur van meer dan 50 °C boven kamertemperatuur kunnen bereiken. Apparaat aansluiten Het toestel voldoet aan beveiligingsklasse 1 en mag alleen met een geaarde aansluiting worden gebruikt. Bij alle montagewerkzaamheden moet het apparaat spanningsloos zijn. Het toestel mag alleen met de meegeleverde aansluitkabel worden aangesloten. De bescherming tegen aanraking dient door de inbouw te zijn gewaarborgd. Alleen een daartoe bevoegd vakman mag het toestel aansluiten. Voor hem gelden de bepalingen van de regionale elektriciteitsmaatschappij. Aansluitkabel met geaarde stekker Apparaat met de bijbehorende geaarde stekker aansluiten op een volgens voorschrift geïnstalleerd, geaard stopcontact. Dit moet na de inbouw toegankelijk zijn. Is dit niet het geval, dan moet er op het apparaat een schakelaar met een contactafstand van minstens 3 mm worden aangebracht. Gasaansluiting Het apparaat dient te worden aangesloten volgens de op dat moment geldende voorschriften. Controleer voor de installatie van het apparaat of de plaatselijke voorwaarden (gastype en druk) en de apparaatinstellingen met elkaar overeenkomen. De voorwaarden voor de apparaatinstelling vindt u op het typeplaatje. De verbindingen met de gasleidingen en de afdichtingen dienen vakkundig en volgens de op dat moment geldende landenspecifieke normen te worden uitgevoerd. Gasaansluiting op het apparaat De gasaansluiting bevindt zich aan de achterkant van het toestel. Bij het apparaat hoort een aansluithoek (EN ISO 228 G1/2 male - 228 G1/2 male) en een adapterstuk (EN ISO 228 G1/2 - EN 10226 R1/2). bei. Voorinstelling van de branders De branders zijn vooraf ingesteld op aardgas G20 (20 mbar). Bij het apparaat is een set koppen voor vloeibaar gas G30/31 (28-30/37 mbar) gevoegd. Toebehoren Toebehoren kunt u nabestellen bij de klantenservice, in de vakhandel of via Internet. ■ Stadsgaskop G110 (8 mbar) ■ Stadsgaskop G120 (8 mbar) Gasaansluiting met konisch schroefdraad (EN 10226 R1/2) Afb. 6a Gebruik alleen aansluitleidingen of flexibele slangen die voldoen aan de geldende voorschriften en voor dit doel zijn toegelaten. 1. Hoek (3) en de dichting (2) aan de gasaansluiting (1) vastschroeven 2. Hoek (3) met een sleutel vasthouden en het adapterstuk (5) en de dichting (4) aan de hoek vastschroeven. 3. Adapterstuk (5) met een sleutel vasthouden en een vaste aansluitleiding of een flexibele gas-aansluitslang (6) vastschroeven. Voor het afdichten van het schroefdraad alleen goedgekeurd afdichtingsmateriaal gebruiken. Gasaansluitleiding met cilindrische schroefdraad (EN ISO 228 G1/2) - Afb. 6b Gebruik alleen aansluitleidingen of flexibele slangen die voldoen aan de geldende voorschriften en voor dit doel zijn toegelaten. 1. Hoek (3) en de dichting (2) aan de gasaansluiting (1) vastschroeven 2. Hoek (3) met een sleutel vasthouden en een vaste aansluitleiding of een flexibele gas-aansluitslang (5) en de dichting (4) vastschroeven. Flexibele slangen - Afb. 7 Let bij flexibele slangen op de volgende punten: ■ Slangen mogen niet beklemd raken of ingedrukt worden. ■ Slangen mogen niet worden blootgesteld aan trek- of draaikrachten. ■ Slangen mogen niet in de buurt komen van scherpe randen. ■ De slangen mogen niet in contact komen met onderdelen die een temperatuur van meer dan 70 °C boven kamertemperatuur kunnen bereiken. ■ Zorg ervoor dat de slang in de volle lengte toegankelijk is voor controles. Veiligheidsventiel installeren Het is verplicht een veiligheidsventiel voor het openen en sluiten van de gastoevoer aan te brengen. Bouw het veiligheidsventiel in tussen de gastoevoerleiding naar de betreffende ruimte en het toestel. Zorg ervoor dat dit ventiel vrij toegankelijk is. Dichtheid controleren Controleer na aansluiting van de gasleiding de dichtheid van de verbindingen met zeepsop. Ingebruikname Neem het toestel volgens de gebruiksaanwijzing in gebruik. Steek alle branders aan en controleer of de vlammen stabiel zijn wanneer ze hoog en laag zijn ingesteld. Omschakelen naar een ander gastype Wanneer het apparaat niet is ingesteld op het beschikbare gastype, dient het omgeschakeld te worden. Ook de omschakeling naar een ander gastype dient door een erkend vakman en met inachtneming van de geldende voorschriften te worden uitgevoerd. Op het typeplaatje staat aangegeven welk gastype en welke gasdruk in de fabriek zijn ingesteld. Om naar een ander gastype om te schakelen, moeten de koppen worden vervangen en gedeeltelijk de kleine stand en primaire lucht worden ingesteld. Koppen van de kookzonebranders vervangen - Afb. 8 1. Haal de stekker van het toestel uit het stopcontact. 2. Pannendrager afnemen. 3. Branderdeksel A en branderkelk B van de kookzone C verwijderen (Afb. 8a). 4. Kop D uitnemen en vervangen door een voor het nieuwe gastype geschikte kop (Afb. 8b). 5. Oud gasetiket vervangen door nieuw. Het nieuwe gasetiket is meegeleverd met de koppenset. 6. Branderkelk B op de kookzone C plaatsen. 7. Branderdeksel A exact op de branderkelk B leggen (Afb. 8c). 8. Pannendrager terugplaatsen. Minimale gastoevoer instellen - Afb. 9 1. Gasbrander inschakelen. 2. Draai de bedieningsknop voor de gasbrander in de richting van de kleine vlam. 3. Trek de bedieningsknop voor de gasbrander eraf. 4. Draai aan de binnenste instelschroef tot er een goede, stabiele vlam brandt. 5. Draai de instelschroef los om de gastoevoer te verhogen of draai hem vast om de gastoevoer te verminderen. Aanwijzing: Zorg ervoor dat de vlam niet uitgaat bij een snelle wisseling tussen maximale en minimale gastoevoer en omgekeerd. De instelling is correct wanneer de grootte van de kleine vlam ca. 3 tot 4 mm bedraagt. 6. Bedieningsknop voor de gasbrander terugplaatsen. Algemene koppentabel Type gas mbar Aardgas - NG 20 G20 Vloeibaar gas - 28 LPG 30/37 Butaan Propaan G30/G31 kPa 2.0 Kop Brandertype Nummer Bypass 115 (Y) Spleet Vermogen (W) Vermogen min. (W) Verbruik max. Sterke brander 3000 800 283 l/h G20 G30 G31 97 (Z) Spleet Normale brander 1800 500 167 l/h 72 (X) Spleet Spaarbrander 1000 400 97 l/h 135 (S) Spleet Wokbrander 3900 1600 359 l/h 0,45 Sterke brander 3000 800 218 g/h 214 g/h 0,33 Normale brander 1800 500 131 g/h 129 g/h 2.8 85 3.0/3.7 65 50 0,30 Spaarbrander 1000 400 73 g/h 71 g/h 100 0,63 Wokbrander 3900 1600 284 g/h 279 g/h Algemene koppentabel voor stadsgas De koppen voor stadsgas zijn niet bij het apparaat gevoegd. U kunt de koppen via de klantenservice bestellen. Type gas mbar kPa Kop Nummer Stadsgas G110 Stadsgas G120 8 8 0.8 0.8 Brandertype Bypass vermogen (W) vermogen min. (W) Verbruik max. G110 G120 260 Spleet Sterke brander 3000 800 648 h 185 Spleet Normale brander 1750 500 384 h 145 Spleet Spaarbrander 1000 400 219 h 340 Spleet Wokbrander 3700 1400 833 h 240 Spleet Sterke brander 3000 800 582 h 175 Spleet Normale brander 1800 500 354 h 135 Spleet Spaarbrander 1000 400 201 h 315 Spleet Wokbrander 3900 1400 764 h Nominale bedrijfsdruk De nominale bedrijfsdruk van uw toestel is: ■ voor aardgas - NG (G20) 20 mbar / 2.0 kPa; ■ voor vloeibaar gas - LPG (G30) 30 mbar / 3.0 kPa; ■ voor vloeibaar gas - LPG (G31) 37 mbar / 3.7 kPa. Nominale bedrijfsdruk voor stadsgas De nominale bedrijfsdruk van uw toestel is: ■ voor stadsgas (G110) 8 mbar / 0,8 kPa; ■ voor stadsgas (G120) 8 mbar / 0,8 kPa. Uw toestel moet met deze drukwaarden worden bediend. Alle informatie van het typeplaatje heeft betrekking op deze drukwaarden. De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de bediening, het vermogen van het apparaat of andere risico's, wanneer het apparaat met andere drukwaarden wordt bediend dan aangegeven. Aanwijzing: Gebruik bij vloeibaar gas uit veiligheidsoverwegingen een gasdrukregelaar. Aansluiting en onderhoud van de drukregelaar dienen door een erkend vakman uitgevoerd te worden. Positoneren en uitrichten Apparaat positioneren Wanneer het toestel op de definitieve plaats wordt opgesteld, let er dan op dat er genoeg ruimte is om het naar voren te trekken voor onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden. De ondergrond moet hard en stabiel zijn. De wand direct achter het toestel dient uit niet-brandbaar materiaal, zoals tegels, te bestaan. Wanneer u tijdens de plaatsing aan het toestel moet trekken, let er dan op dat de instelvoeten goed vastgeschroefd zijn. Apparaat afstellen - Afb. 10 Aan de instelvoeten draaien om het apparaat af te stellen. Aanwijzing: Stel het apparaat na afloop van alle werkzaamheden af.
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16

Siemens HQ738256E/03 Handleiding

Type
Handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor