Stanley SLL360 Handleiding

Type
Handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

46
77-137
Inhoud
Veiligheid
Overzicht van product
Toepassingen
Toetsenbord, Standen en LED
Batterijen en voeding
Opstelling
Bediening
Nauwkeurigheidscontrole en kalibratie
Technische gegevens
Veiligheid van de gebruiker
WAARSCHUWING:
Lees de Veiligheidsaanwijzingen en de
Gebruiksaanwijzing aandachtig door voor
u dit apparaat in gebruik neemt. De persoon
die verantwoordelijk is voor het apparaat moet
ervoor zorgen dat alle gebruikers bekend
zijn met de veiligheidsaanwijzingen en deze
opvolgen.
OPGELET:
Voorkom dat uw ogen worden blootgesteld
aan de laserstraal (rode lichtbron) terwijl de
lasermeter in gebruik is. Blootstelling aan een
laserstraal voor langere tijd kan gevaarlijk zijn
voor uw ogen.
OPGELET:
In sommige gevallen bevat de lasermeter kit een
bril. Dit is GEEN gecerticeerde veiligheidsbril.
Deze bril zijn ALLEEN bedoeld om de
zichtbaarheid van de straal in omgevingen met
sterk licht of op grotere afstand van de laserbron
te verbeteren.
Bewaar alle delen van deze handleiding zodat u ze later
opnieuw kunt raadplegen.
WAARSCHUWING:
Voor het gemak en de veiligheid van de
gebruiker zijn de onderstaande labels
betreffende de laserklasse op het laserapparaat
aangebracht. Zie de Producthandleiding
voor bijzonderheden over een speciek
productmodel. (Tekst is hier vertaald voor uw
gemak)
IEC/EN 60825-1
LASERRADIATIE – NIET IN DE STRAAL KIJKEN OF
DIRECT MET OPTISCH INSTRUMENTEN NAAR DE
STRAAL KIJKEN
KLASSE 1 LASERPRODUCT
Maximaal vermogen ≤ 1 mW @ 630 - 670 nm
Productoverzicht
Afbeelding A - Laserinstrument
1. Venster voor naar voren gerichte horizontale en verticale
stralen
2. Pendule-/transportvergrendeling
3. Vensters voor 360° horizontale straalvlakken
4. Toetsenblok
5. Batterijklep
6. 5/8 - 11 schroefbevestiging
7. 1/4 - 20 schroefbevestiging
Afbeelding B - Locatie voor batterijen van laserinstrument
5. Batterijklep
8. Batterijen - 3 x AA (LR6) (meegeleverd)
Afbeelding C - Pendule-/transportvergrendelingsposities
Afbeelding D - Toetsenbord
Afbeelding E - Laserstanden
Afbeelding F - Handmatige stand
Afbeelding G - Nauwkeurigheid van laserstraal
Afbeelding H - Nauwkeurigheid van laserstraal (zonder
verticale straal)
Afbeelding J - Nauwkeurigheid van horizontale
laserstraal
Afbeelding K - Nauwkeurigheid van horizontale
laserstraal (enkele straal)
Afbeelding L - Nauwkeurigheid van verticale laserstraal
NL
47
77-137
Toepassingen
Verticaal stellen
Gebruik de verticale laser om een verticaal referentievlak
te bepalen.
Positioneer de gewenste object(en) todat ze gelijkgericht
zijn met het verticale referentievlak om te verzekeren dat
object(en) loodrecht staan.
Waterpas
Gebruik de horizontale laser om het horizontale
referentievlak te bepalen.
Positioneer de gewenste object(en) zondat deze gelijkgericht
zijn met het horizontale referentievlak om te verzekeren dat
object(en) waterpas zijn.
Rechthoek
Gebruik de verticale of horizontale laserstralen om het punt
te bepalen waar de verticale en horizontale stralen elkaar
kruisen.
Positioneer gewenste object(en) totdat ze gelijkgericht zijn
met de verticale en horizontale laserstraal om te verzekeren
dat object(en) haaks staan.
Zelfnivellering uitgeschakeld
(zie afbeelding
C
en
F
)
Uitschakelen van de zelfnivellerende functie en maakt het
mogelijk de laser een stabiele laserstraal in elke gewenste
richting te projecteren.
Toetsenblok, modes en LED
Toetsenblokken (zie afbeelding
D
)
Toets voor aan/uit/mode
Modes (zie afbeelding
E
)
Beschikbare modes
• Horizontale lijn (naar voren)
Alle horizontale lijnen (360° dekking)
Alle horizontale en verticale lijnen
Alleen verticale lijn
Alle laserstralen uit
LED’s (zie afbeelding
D
)
Stroom-LED - GROEN branden
Stroom is aan
Stroom-LED - ROOD knipperen
Batterij bijna op
Stroom-LED - ROOD branden
Batterijen vervangen door nieuwe / opnieuw
opgeladen batterijen
Vergrendel-LED - ROOD branden
Pendulevergrendeling is aan
Zelfnivellering is uit
Vergrendel-LED - ROOD knipperen
Buiten compensatiebereik
Batterijen en voeding
Batterij installeren / verwijderen
(Zie guur
B
)
Lasermeter
Draai het laserapparaat om. Verwijder het kapje van de
batterijhouder door het kapje aan te drukken en open
te schuiven.
Batterijen installeren / verwijderen Let op de polariteit bij
het plaatsen van de batterijen.
Sluit het kapje van de batterijhouder door het kapje terug
te schuiven en te vergrendelen.
WAARSCHUWING:
Let op de (+) en (-) markeringen in de
batterijhouder voor de juiste plaatsing van de
batterijen. Batterijen moeten van hetzelfde
type en vermogen zijn. Geen volle en halege
batterijen samen gebruiken.
48
77-137
Opzetten
• Plaats het laserinstrument op een plat, stabiel oppervlak.
Als u van plan bent de automatische nivelleringsfunctie te
gebruiken, zet u de pendule-/transportvergrendeling in de
ontgrendelde stand. Het laserinstrument moet vervolgens
rechtop worden gepositioneerd, op een vlak dat binnen het
gespeciceerde compensatiebereik ligt.
Het laserinstrument kan in elke gewenste richting
worden geplaatst en werkt alleen wanneer de pendule-/
transportvergrendeling in de vergrendelde stand staat.
Accessoires bevestigen
Plaats het accessoire op een plaats waar het niet wordt
verstoord en nabij de centrale locatie van het te meten
gebied.
Zet het accessoire volgens de aanwijzingen op. Pas de
positionering zodanig aan dat de voet van het accessoire zo
goed als horizontaal is (binnen het compensatiebereik van de
laserinstrumenten).
Bevestig het laserinstrument op het accessoire met behulp
van de bevestigingsmethode die van toepassing is op deze
accessoire-/laserinstrumentcombinatie.
LET OP:
Als het laserinstrument op een accessoire is bevestigd, mag
u het instrument niet zonder toezicht achterlaten zonder de
draaischroef stevig vast te draaien. Als u zich hier niet aan
houdt, kan het laserinstrument vallen en schade oplopen.
OPMERKING:
Het is best practice om het laserinstrument altijd met één
hand te ondersteunen wanneer u het op een accessoire
plaatst of er vanaf haalt.
Bediening
OPMERKING:
Zie LED beschrijvingen voor aanduidingen tijdens
gebruik.
De lasermeter voor gebruik altijd op nauwkeurigheid
controleren.
In de handinstelling is zelfnivellering uitgeschakeld De
nauwkeurigheid van de straal is niet gegarandeerd
horizontaal.
De lasermeter geeft aan wanneer hij buiten
compensatiebereik is. Zie LED beschrijvingen. Verstel het
laserapparaat om deze zoveel mogelijk te nivelleren.
Niet vergeten het apparaat na gebruik uit te schakelen en
de slinger weer te vergrendelen.
Inschakelen
Druk op
om de lasermeter AAN te zetten.
Om de laser UIT te zetten, herhaaldelijk op
drukken totdat de UIT modus is geselecteerd OF voor
≥ 3 op
drukken om de laser vanuit iedere stand
op UIT te zetten.
Modus
Druk herhaaldelijk op
voor de verschillende
beschikbare standen.
Zelfnivellerende / Handmatige modus
(Zie afbeeldingen
C
en
F
)
De slingervergrendeling van de laser moet ontgrendeld
worden om zelfnivelleren mogelijk te maken.
De laser kan gebruikt worden met de slinger vergrendeld
als dit nodig is om de laser op verschillende hoeken te
positioneren om niet-genivelleerde lijnen of punten te
projecteren.
Nauwkeurigheidscontrole en
kalibratie
OPMERKING:
De lasermeters zijn op de fabriek verzegeld en
gekalibreerd op de gespeciceerde nauwkeurigheid.
Het wordt echter aanbevolen de kalibratie te controleren
voor u het toestel in gebruik neemt. Daarna de kalibratie
periodiek herhalen.
De lasermeter moet regelmatig gecontroleerd worden op
nauwkeurigheid, vooral voor precisiemetingen.
Transportvergrendeling moet ontgrendeld zijn
om zelfnivellering mogelijk te maken en de
nauwkeurigheid te controleren.
49
77-137
Nauwkeurigheid van de
nivelleringsstraal
(zie afbeelding
G
)
G
1
Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de
laser aan. Markeer punt P
1
bij de kruising.
G
2
Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P
2
bij
de kruising.
G
3
Plaats het laserinstrument dicht bij de muur en markeer
punt P
3
bij de kruising.
G
4
Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P
4
bij
de kruising.
G
5
Meet de verticale afstand tussen P
1
en P
3
om D
3
te
krijgen, en de verticale afstand tussen P
2
en P
4
om D
1
te
krijgen.
Bereken het maximale verschil in afstand en vergelijk dit met
het verschil tussen D
3
en D
4
, zoals te zien is in de vergelijking.
Als de som niet minder is dan of gelijk is aan het
berekende maximale verschil in afstand, moet het
instrument worden geretourneerd aan uw Stanley-
distributeur om te worden gekalibreerd.
Maximale verschil in afstand:
= 0,4
mm
m
x (D
1
m - (2 x D
2
m))
Maximum
= 0,0048
in
ft
x (D
1
ft - (2 x D
2
ft))
Vergelijking: (zie afbeelding
G
5
)
D
3
- D
4
≤ ± Maximum
Voorbeeld:
D
1
= 10 m, D
2
= 0,5 m
D
3
= 1,0 mm
D
4
= - 1,5 mm
0,4
mm
m
x (10 m - (2 x 0,5 m) = 3,6 mm
(maximale verschil in afstand)
(1,0 mm) - (- 1,5 mm) = 2,5 mm
2,5 mm ≤ 3,6 mm
(WAAR, instrument valt binnen de kalibratie)
Nauwkeurigheid van de
nivelleringsstraal
(Zonder verticale straal) - (zie afbeelding
H
)
H
1
Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de
laser aan. Markeer punt P
1
.
H
2
Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P
2
.
H
3
Plaats het laserinstrument dicht bij de muur en
markeer punt P
3
.
H
4
Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P
4
.
Meet de verticale afstand tussen P
1
en P
3
om D
3
te krijgen,
en de verticale afstand tussen P
2
en P
4
om D
4
te krijgen.
Volg dezelfde berekeningen / hetzelfde voorbeeld als bij de
controle van de nauwkeurigheid met verticale straal.
Nauwkeurigheid van de horizontale
straal
(zie afbeelding
J
)
J
1
Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de
laser aan. Richt de verticale straal naar de eerste hoek of een
ingesteld referentiepunt. Meet de helft van de afstand D
1
en
markeer punt P
1
.
J
2
Roteer het laserinstrument en lijn de verticale laserstraal
naar voren uit met punt P
1
. Markeer punt P
2
op het punt waar de
horizontale en verticale laserstralen elkaar kruisen.
J
3
Roteer het laserinstrument en richt de verticale straal op de
tweede hoek of een ingesteld referentiepunt. Markeer punt P
3
zodanig, dat deze verticaal wordt uitgelijnd met punt P
1
en P
3
.
J
4
Meet de verticale afstand D
1
tussen het hoogste en laagste
punt.
Bereken het maximale verschil in afstand en vergelijk dit met D
2
.
Als D
2
niet minder is dan of gelijk is aan het berekende
maximale verschil in afstand, moet het instrument worden
geretourneerd aan uw Stanley-distributeur om te worden
gekalibreerd.
Maximale verschil in afstand:
= 0,4
mm
m
x D
1
m
Maximum
= 0,0048
in
ft
x D
1
ft
Vergelijking: (zie afbeelding
J
4
)
D
2
≤ Maximum
Voorbeeld:
• D1 = 5 m, D2 = 1,0 mm
•0,4
mm
m
x 5 m = 2,0 mm
(maximale verschil in afstand)
•1,0 mm ≤ 2,0 mm
WAAR, instrument valt binnen de kalibratie)
50
77-137
Nauwkeurigheid van de verticale
straal
(zie afbeelding
L
)
L
1
Meet de hoogte van een referentiepunt om D
1
vast te
stellen. Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met
de laser aan. Richt de verticale straal naar het referentiepunt.
Markeer punt P
1
, P
2
en P
3
zoals weergegeven.
L
1
Verplaats het laserinstrument naar de tegenovergestelde
kant van het referentiepunt en lijn dezelfde verticale straal
uit met P
2
en P
3
.
L
1
Meet de horizontale afstanden tussen P
1
en de verticale
straal vanaf de tweede locatie.
Bereken het maximale verschil in afstand en vergelijk dit
met D
2
.
Als D
2
niet minder is dan of gelijk is aan het berekende
maximale verschil in afstand, moet het instrument
worden geretourneerd aan uw Stanley-distributeur om te
worden gekalibreerd.
Maximale verschil in afstand:
= 0,8
mm
m
x D
1
m
Maximum
= 0,0096
in
ft
x D
1
ft
Vergelijking: (zie afbeelding
L
3
)
D
2
≤ Maximum
Voorbeeld:
D
1
= 3 m, D
2
= 1,0 mm
0,8
mm
m
x 3 m = 2,4 mm
(maximale verschil in afstand)
1,0 mm ≤ 2,4 mm
(WAAR, instrument valt binnen de kalibratie)
Nauwkeurigheid van de horizontale
straal
(Zonder verticale straal - (zie afbeelding
K
)
K
1
Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de
laser aan. Richt het laserinstrument grofweg naar de eerste
hoek of een ingesteld referentiepunt. Meet de helft van de
afstand D
1
en markeer punt P
1
.
K
2
Roteer het laserinstrument en richt het grofweg naar
punt P
1
. Markeer punt P
2
zodanig, dat deze verticaal wordt
uitgelijnd met punt P
1
.
K
3
Roteer het laserinstrument en richt de straal grofweg
naar de tweede hoek of een ingesteld referentiepunt.
Markeer punt P
3
zodanig, dat deze verticaal wordt uitgelijnd
met punt P
1
en P
2
.
K
4
Meet de verticale afstand D
2
tussen het hoogste en
laagste punt.
K
1
olg dezelfde berekeningen / hetzelfde voorbeeld als bij
de controle van de nauwkeurigheid met verticale straal
51
77-137
Specicaties
Laserinstrument
SLL360 (77137)
Nauwkeurigheid van nivellering: ± 4 mm / 10 m
Horizontale / verticale nauwkeurigheid ± 4 mm / 10 m
Compensatiebereik: ± 4°
Werkafstand: 10 m
Laserklasse: Klasse 1 (IEC/EN60825-1)
Lasergolengte 635 nm
In bedrijfs-tijd (alle lasers aan): 8 uur (alkaline)
Stroombron: 3 x AA-batterijen (LR6)
IP-certicering: IP54
Temperatuurbereik in bedrijf: -10° C ~ +50° C
Opslagtemperatuurbereik: -25° C ~ +70° C

Documenttranscriptie

NL • • • • • • • • • Inhoud Veiligheid Overzicht van product Toepassingen Toetsenbord, Standen en LED Batterijen en voeding Opstelling Bediening Nauwkeurigheidscontrole en kalibratie Technische gegevens Veiligheid van de gebruiker WAARSCHUWING: • Lees de Veiligheidsaanwijzingen en de Gebruiksaanwijzing aandachtig door voor u dit apparaat in gebruik neemt. De persoon die verantwoordelijk is voor het apparaat moet ervoor zorgen dat alle gebruikers bekend zijn met de veiligheidsaanwijzingen en deze opvolgen. OPGELET: • Voorkom dat uw ogen worden blootgesteld aan de laserstraal (rode lichtbron) terwijl de lasermeter in gebruik is. Blootstelling aan een laserstraal voor langere tijd kan gevaarlijk zijn voor uw ogen. OPGELET: • In sommige gevallen bevat de lasermeter kit een bril. Dit is GEEN gecertificeerde veiligheidsbril. Deze bril zijn ALLEEN bedoeld om de zichtbaarheid van de straal in omgevingen met sterk licht of op grotere afstand van de laserbron te verbeteren. Bewaar alle delen van deze handleiding zodat u ze later opnieuw kunt raadplegen. WAARSCHUWING: • Voor het gemak en de veiligheid van de gebruiker zijn de onderstaande labels betreffende de laserklasse op het laserapparaat aangebracht. Zie de Producthandleiding voor bijzonderheden over een specifiek 46 productmodel. (Tekst is hier vertaald voor uw gemak) LASERRADIATIE – NIET IN DE STRAAL KIJKEN OF DIRECT MET OPTISCH INSTRUMENTEN NAAR DE STRAAL KIJKEN KLASSE 1 LASERPRODUCT IEC/EN 60825-1 Maximaal vermogen ≤ 1 mW @ 630 - 670 nm Productoverzicht Afbeelding A - Laserinstrument 1. Venster voor naar voren gerichte horizontale en verticale stralen 2. Pendule-/transportvergrendeling 3. Vensters voor 360° horizontale straalvlakken 4. Toetsenblok 5. Batterijklep 6. 5/8 - 11 schroefbevestiging 7. 1/4 - 20 schroefbevestiging Afbeelding B - Locatie voor batterijen van laserinstrument 5. Batterijklep 8. Batterijen - 3 x AA (LR6) (meegeleverd) Afbeelding C - Pendule-/transportvergrendelingsposities Afbeelding D - Toetsenbord Afbeelding E - Laserstanden Afbeelding F - Handmatige stand Afbeelding G - Nauwkeurigheid van laserstraal Afbeelding H - Nauwkeurigheid van laserstraal (zonder verticale straal) Afbeelding J - Nauwkeurigheid van horizontale laserstraal Afbeelding K - Nauwkeurigheid van horizontale laserstraal (enkele straal) Afbeelding L - Nauwkeurigheid van verticale laserstraal 77-137 Toepassingen LED’s (zie afbeelding Waterpas Vergrendel-LED - ROOD branden • Pendulevergrendeling is aan • Zelfnivellering is uit Vergrendel-LED - ROOD knipperen • Buiten compensatiebereik • Gebruik de horizontale laser om het horizontale referentievlak te bepalen. • Positioneer de gewenste object(en) zondat deze gelijkgericht zijn met het horizontale referentievlak om te verzekeren dat object(en) waterpas zijn. • Gebruik de verticale of horizontale laserstralen om het punt te bepalen waar de verticale en horizontale stralen elkaar kruisen. • Positioneer gewenste object(en) totdat ze gelijkgericht zijn met de verticale en horizontale laserstraal om te verzekeren dat object(en) haaks staan. (zie afbeelding en ) • Uitschakelen van de zelfnivellerende functie en maakt het mogelijk de laser een stabiele laserstraal in elke gewenste richting te projecteren. C Batterij installeren / verwijderen (Zie figuur Toetsenblokken (zie afbeelding D ) Toets voor aan/uit/mode E B ) Lasermeter F Toetsenblok, modes en LED Modes (zie afbeelding Batterijen en voeding • Zelfnivellering uitgeschakeld ) Stroom-LED - GROEN branden • Stroom is aan Stroom-LED - ROOD knipperen • Batterij bijna op Stroom-LED - ROOD branden • Batterijen vervangen door nieuwe / opnieuw opgeladen batterijen Verticaal stellen • Gebruik de verticale laser om een verticaal referentievlak te bepalen. • Positioneer de gewenste object(en) todat ze gelijkgericht zijn met het verticale referentievlak om te verzekeren dat object(en) loodrecht staan. Rechthoek D • • Draai het laserapparaat om. Verwijder het kapje van de batterijhouder door het kapje aan te drukken en open te schuiven. Batterijen installeren / verwijderen Let op de polariteit bij het plaatsen van de batterijen. Sluit het kapje van de batterijhouder door het kapje terug te schuiven en te vergrendelen. WAARSCHUWING: • Let op de (+) en (-) markeringen in de batterijhouder voor de juiste plaatsing van de batterijen. Batterijen moeten van hetzelfde type en vermogen zijn. Geen volle en halflege batterijen samen gebruiken. ) Beschikbare modes • Horizontale lijn (naar voren) • Alle horizontale lijnen (360° dekking) • Alle horizontale en verticale lijnen • Alleen verticale lijn • Alle laserstralen uit 77-137 47 Opzetten • Plaats het laserinstrument op een plat, stabiel oppervlak. • Als u van plan bent de automatische nivelleringsfunctie te gebruiken, zet u de pendule-/transportvergrendeling in de ontgrendelde stand. Het laserinstrument moet vervolgens rechtop worden gepositioneerd, op een vlak dat binnen het gespecificeerde compensatiebereik ligt. • Het laserinstrument kan in elke gewenste richting worden geplaatst en werkt alleen wanneer de pendule-/ transportvergrendeling in de vergrendelde stand staat. Accessoires bevestigen • Plaats het accessoire op een plaats waar het niet wordt verstoord en nabij de centrale locatie van het te meten gebied. • Zet het accessoire volgens de aanwijzingen op. Pas de positionering zodanig aan dat de voet van het accessoire zo goed als horizontaal is (binnen het compensatiebereik van de laserinstrumenten). • Bevestig het laserinstrument op het accessoire met behulp van de bevestigingsmethode die van toepassing is op deze accessoire-/laserinstrumentcombinatie. LET OP: • Als het laserinstrument op een accessoire is bevestigd, mag u het instrument niet zonder toezicht achterlaten zonder de draaischroef stevig vast te draaien. Als u zich hier niet aan houdt, kan het laserinstrument vallen en schade oplopen. OPMERKING: • Het is best practice om het laserinstrument altijd met één hand te ondersteunen wanneer u het op een accessoire plaatst of er vanaf haalt. Bediening OPMERKING: • Zie LED beschrijvingen voor aanduidingen tijdens gebruik. • De lasermeter voor gebruik altijd op nauwkeurigheid controleren. • In de handinstelling is zelfnivellering uitgeschakeld De nauwkeurigheid van de straal is niet gegarandeerd horizontaal. • De lasermeter geeft aan wanneer hij buiten 48 compensatiebereik is. Zie LED beschrijvingen. Verstel het laserapparaat om deze zoveel mogelijk te nivelleren. Niet vergeten het apparaat na gebruik uit te schakelen en de slinger weer te vergrendelen. • Inschakelen om de lasermeter AAN te zetten. • Druk op • Om de laser UIT te zetten, herhaaldelijk op drukken totdat de UIT modus is geselecteerd OF voor drukken om de laser vanuit iedere stand ≥ 3 op op UIT te zetten. Modus • Druk herhaaldelijk op beschikbare standen. voor de verschillende Zelfnivellerende / Handmatige modus (Zie afbeeldingen C en F ) • De slingervergrendeling van de laser moet ontgrendeld worden om zelfnivelleren mogelijk te maken. • De laser kan gebruikt worden met de slinger vergrendeld als dit nodig is om de laser op verschillende hoeken te positioneren om niet-genivelleerde lijnen of punten te projecteren. Nauwkeurigheidscontrole en kalibratie OPMERKING: • De lasermeters zijn op de fabriek verzegeld en gekalibreerd op de gespecificeerde nauwkeurigheid. • Het wordt echter aanbevolen de kalibratie te controleren voor u het toestel in gebruik neemt. Daarna de kalibratie periodiek herhalen. • De lasermeter moet regelmatig gecontroleerd worden op nauwkeurigheid, vooral voor precisiemetingen. • Transportvergrendeling moet ontgrendeld zijn om zelfnivellering mogelijk te maken en de nauwkeurigheid te controleren. 77-137 Nauwkeurigheid van de nivelleringsstraal (zie afbeelding ) G1 • • Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de laser aan. Markeer punt P1 bij de kruising. G Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P2 bij de kruising. G Plaats het laserinstrument dicht bij de muur en markeer punt P3 bij de kruising. G Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P4 bij de kruising. G Meet de verticale afstand tussen P1 en P3 om D3 te krijgen, en de verticale afstand tussen P2 en P4 om D1 te krijgen. Bereken het maximale verschil in afstand en vergelijk dit met het verschil tussen D3 en D4, zoals te zien is in de vergelijking. Als de som niet minder is dan of gelijk is aan het berekende maximale verschil in afstand, moet het instrument worden geretourneerd aan uw Stanleydistributeur om te worden gekalibreerd. 2 • 3 • 4 • • G 5 • Maximale verschil in afstand: mm Maximum H2 • • Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P2. H Plaats het laserinstrument dicht bij de muur en markeer punt P3. H Roteer het laserinstrument 180° en markeer punt P4. Meet de verticale afstand tussen P1 en P3 om D3 te krijgen, en de verticale afstand tussen P2 en P4 om D4 te krijgen. Volg dezelfde berekeningen / hetzelfde voorbeeld als bij de controle van de nauwkeurigheid met verticale straal. 3 • • 4 • Nauwkeurigheid van de horizontale straal (zie afbeelding x (D1 m - (2 x D2 m)) in x (D1 ft - (2 x D2 ft)) G5 Vergelijking: (zie afbeelding D3 - D4 ≤ ± Maximum ) Voorbeeld: D1 = 10 m, D2 = 0,5 m D3 = 1,0 mm D4 = - 1,5 mm • • • • 0,4 mmm x (10 m - (2 x 0,5 m) = 3,6 mm (maximale verschil in afstand) • (1,0 mm) - (- 1,5 mm) = 2,5 mm • 2,5 mm ≤ 3,6 mm •  Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de laser aan. Richt de verticale straal naar de eerste hoek of een ingesteld referentiepunt. Meet de helft van de afstand D1 en markeer punt P1 . J •  Roteer het laserinstrument en lijn de verticale laserstraal naar voren uit met punt P1. Markeer punt P2 op het punt waar de horizontale en verticale laserstralen elkaar kruisen. J •  Roteer het laserinstrument en richt de verticale straal op de tweede hoek of een ingesteld referentiepunt. Markeer punt P3 zodanig, dat deze verticaal wordt uitgelijnd met punt P1 en P3. J •  Meet de verticale afstand D1 tussen het hoogste en laagste punt. • Bereken het maximale verschil in afstand en vergelijk dit met D2. • Als D2 niet minder is dan of gelijk is aan het berekende maximale verschil in afstand, moet het instrument worden geretourneerd aan uw Stanley-distributeur om te worden gekalibreerd. 2 3 Maximale verschil in afstand: mm Maximum Nauwkeurigheid van de nivelleringsstraal (Zonder verticale straal) - (zie afbeelding = 0,0048 in ft x D1 m x D1 ft J4 ) Voorbeeld: • D1 = 5 m, D2 = 1,0 mm mm H ) Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de laser aan. Markeer punt P1. 77-137 = 0,4 m Vergelijking: (zie afbeelding D2 ≤ Maximum (WAAR, instrument valt binnen de kalibratie) H1 ) 4 = 0,4 m = 0,0048 ft • J J1 •0,4 m x 5 m = 2,0 mm (maximale verschil in afstand) •1,0 mm ≤ 2,0 mm WAAR, instrument valt binnen de kalibratie) 49 Nauwkeurigheid van de horizontale straal (Zonder verticale straal - (zie afbeelding K ) Nauwkeurigheid van de verticale straal (zie afbeelding L ) • L Meet de hoogte van een referentiepunt om D1 vast te stellen. Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de laser aan. Richt de verticale straal naar het referentiepunt. Markeer punt P1, P2 en P3 zoals weergegeven. • L Verplaats het laserinstrument naar de tegenovergestelde kant van het referentiepunt en lijn dezelfde verticale straal uit met P2 en P3. • L Meet de horizontale afstanden tussen P1 en de verticale straal vanaf de tweede locatie. • Bereken het maximale verschil in afstand en vergelijk dit met D2. • Als D2 niet minder is dan of gelijk is aan het berekende maximale verschil in afstand, moet het instrument worden geretourneerd aan uw Stanley-distributeur om te worden gekalibreerd. 1 • • • • • Plaats het laserinstrument zoals weergegeven, met de laser aan. Richt het laserinstrument grofweg naar de eerste hoek of een ingesteld referentiepunt. Meet de helft van de afstand D1 en markeer punt P1 . K Roteer het laserinstrument en richt het grofweg naar punt P1. Markeer punt P2 zodanig, dat deze verticaal wordt uitgelijnd met punt P1. K Roteer het laserinstrument en richt de straal grofweg naar de tweede hoek of een ingesteld referentiepunt. Markeer punt P3 zodanig, dat deze verticaal wordt uitgelijnd met punt P1 en P2. K Meet de verticale afstand D tussen het hoogste en 2 laagste punt. K olg dezelfde berekeningen / hetzelfde voorbeeld als bij de controle van de nauwkeurigheid met verticale straal K1 2 3 4 1 1 1 Maximale verschil in afstand: Maximum Voorbeeld: • • = 0,8 mm m x D1 m = 0,0096 inft x D1 ft Vergelijking: (zie afbeelding D2 ≤ Maximum L3 ) D1 = 3 m, D2 = 1,0 mm 0,8 mm m x 3 m = 2,4 mm (maximale verschil in afstand) • 50 1,0 mm ≤ 2,4 mm (WAAR, instrument valt binnen de kalibratie) 77-137 Specificaties Laserinstrument SLL360 (77137) Nauwkeurigheid van nivellering: ± 4 mm / 10 m Horizontale / verticale nauwkeurigheid ± 4 mm / 10 m Compensatiebereik: ± 4° Werkafstand: 10 m Laserklasse: Klasse 1 (IEC/EN60825-1) Lasergolflengte In bedrijfs-tijd (alle lasers aan): Stroombron: IP-certificering: 635 nm 8 uur (alkaline) 3 x AA-batterijen (LR6) IP54 Temperatuurbereik in bedrijf: -10° C ~ +50° C Opslagtemperatuurbereik: -25° C ~ +70° C 77-137 51
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160

Stanley SLL360 Handleiding

Type
Handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor