KTM 690 SMC R 2019 de handleiding

Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

BEDIENINGSHANDLEIDING 2019
690 SMC R
Artikelnr. 3213921nl
BESTE KTM KLANT,
*3213921nl*
3213921nl
08/2019
BESTE KTM KLANT,
Hartelijk gefeliciteerd met de aankoop van uw KTM-motorfiets. U bent nu in het bezit van een modern en sportief
voertuig dat, mits goed onderhouden, u lang plezier zal schenken. We wensen u te allen tijde een goede en veilige
reis toe!
Vul hieronder het serienummer van uw voertuig in.
Voertuigidentificatiennummer ( pag. 26) Stempel van de dealer
Motornummer ( pag. 27)
Sleutelnummer ( pag. 27)
De bedieningshandleiding komt op het tijdstip dat deze ter perse gaat overeen met de nieuwste stand van het
model. Kleine afwijkingen die het resultaat zijn van een constructieve ontwikkeling kunnen echter niet worden
uitgesloten.
Alle hier genoemde gegevens zijn vrijblijvend. KTM Sportmotorcycle GmbH houdt zich het recht voor technische
gegevens, prijzen, kleuren, vormen, materialen, dienst- en serviceverlening, constructies, uitrustingen en der-
gelijke zonder voorafgaande aankondiging en zonder opgave van redenen te wijzigen resp. zonder vergoeding te
annuleren, deze aan te passen aan de plaatselijke situatie of de productie van een bepaald model zonder voor-
afgaande aankondiging te beëindigen. KTM is niet aansprakelijk voor leveringsmogelijkheden, afwijkingen van
afbeeldingen en beschrijvingen, drukfouten en vergissingen. De afgebeelde modellen zijn voor een deel voorzien
van speciale uitrustingen die niet standaard bij de leveringsomvang horen.
BESTE KTM KLANT,
2
© 2019 KTM Sportmotorcycle GmbH, Mattighofen Oostenrijk
Alle rechten voorbehouden
Nadruk, ook gedeeltelijk, en vermenigvuldigingen van welke aard dan ook zijn uitsluitend toegestaan met toe-
stemming van de auteur.
ISO 9001(12 100 6061)
KTM past kwaliteitsborgingsprocessen toe in de zin van de internationale kwaliteitsmanagement-
norm ISO 9001 om een zo hoog mogelijke productkwaliteit te bereiken.
Afgegeven door: TÜV Management Service
KTM Sportmotorcycle GmbH
Stallhofnerstraße 3
5230 Mattighofen, Oostenrijk
Dit document is geldig voor de volgende modellen:
690 SMC R EU (F9703S9)
INHOUDSOPGAVE
3
INHOUDSOPGAVE
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN................. 9
1.1 Gebruikte pictogrammen..................... 9
1.2 Gebruikte formatering....................... 10
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN ...................... 11
2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik..... 11
2.2 Onjuist gebruik ................................ 11
2.3 Veiligheidsaanwijzingen.................... 11
2.4 Gevarenniveau en pictogrammen ....... 13
2.5 Waarschuwing voor manipulaties ....... 14
2.6 Veilig gebruik .................................. 15
2.7 Beschermende kleding ..................... 16
2.8 Werkinstructies................................ 16
2.9 Milieu............................................. 17
2.10 Bedieningshandleiding ..................... 17
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN ................... 18
3.1 Garantie.......................................... 18
3.2 Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen ........... 18
3.3 Reserveonderdelen, toebehoren ......... 18
3.4 Service ........................................... 19
3.5 Afbeeldingen ................................... 19
3.6 Klantenservice................................. 20
4 AFBEELDING VOERTUIG............................. 22
4.1 Afbeelding voertuig linksvoor
(symbolische weergave) .................... 22
4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter
(symbolische weergave) .................... 24
5 SERIENUMMERS........................................ 26
5.1 Voertuigidentificatiennummer ........... 26
5.2 Typeplaatje ..................................... 26
5.3 Sleutelnummer................................ 27
5.4 Motornummer.................................. 27
5.5 Artikelnummer voorvork .................... 28
5.6 Artikelnummer schokdemper............. 28
6 BEDIENINGSELEMENTEN........................... 29
6.1 Koppelingshendel ............................ 29
6.2 Remhendel...................................... 29
6.3 Gashendel....................................... 30
6.4 Claxonknop ..................................... 30
6.5 Lichtschakelaar ............................... 31
6.6 Richtingaanwijzerschakelaar ............. 31
6.7 Noodstopschakelaar ......................... 32
6.8 Startknop ........................................ 33
6.9 ABS-knop........................................ 33
6.10 Combinatieschakelaar....................... 34
INHOUDSOPGAVE
4
6.11 Contact- en stuurslot ........................ 36
6.12 Overzicht controlelampjes................. 37
6.13 Zadelontgrendeling........................... 38
6.14 Grepen............................................ 39
6.15 Voetsteun passagier.......................... 39
6.16 Versnellingshendel ........................... 40
6.17 Rempedaal...................................... 41
6.18 Zijstandaard .................................... 41
6.19 Tankdop openen .............................. 42
6.20 Tankdop sluiten ............................... 44
6.21 Gecombineerd instrument................. 44
6.21.1 Overzicht .................................... 44
6.21.2 Activering ................................... 45
6.21.3 Meldingen op het gecombineerde
instrument .................................. 45
6.21.4 Gecombineerd instrument
instellen ..................................... 46
6.21.5 Kilometer of mijl instellen ............ 46
6.21.6 Tijd instellen ............................... 47
6.21.7 Service-indicatie instellen............. 48
6.21.8 Snelheid, tijd en DST afstand 1 .... 50
6.21.9 Snelheid, tijd en DST2
afstand 2 .................................... 51
6.21.10 AVG gemiddelde snelheid, ART
bedrijfsuren en ODO totale
afstand ....................................... 52
7 INBEDRIJFSTELLING.................................. 54
7.1 Aanwijzingen voor eerste
inbedrijfstelling ............................... 54
7.2 Motor inrijden.................................. 56
7.3 Voertuig beladen.............................. 57
8 RIJ-INSTRUCTIES....................................... 60
8.1 Controle en onderhoud voor iedere
inbedrijfstelling ............................... 60
8.2 Voertuig starten ............................... 61
8.3 Beginnen met rijden......................... 64
8.4 Schakelen, rijden............................. 65
8.5 Quickshifter +.................................. 72
8.6 Motorfietstractiecontrole (MTC).......... 73
8.7 Afremmen ....................................... 74
8.8 Stoppen, parkeren............................ 76
8.9 Transport ........................................ 78
8.10 Brandstof tanken ............................. 79
9 SERVICESCHEMA....................................... 82
9.1 Extra informatie ............................... 82
9.2 Verplichte werkzaamheden................ 82
9.3 Aanbevolen werkzaamheden.............. 85
INHOUDSOPGAVE
5
10 CHASSIS AFSTELLEN ................................. 86
10.1 Voorvork/schokdemper...................... 86
10.2 Ingaande demping voorvork
instellen.......................................... 86
10.3 Uitgaande demping voorvork
instellen.......................................... 88
10.4 Ingaande demping schokdemper ....... 89
10.5 Ingaande demping lowspeed van de
schokdemper instellen...................... 89
10.6 Ingaande demping highspeed van de
schokdemper instellen...................... 91
10.7 Uitgaande demping van de
schokdemper instellen...................... 92
10.8 Stuurpositie..................................... 94
10.9 Stuurpositie instellen .................... 94
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS ......... 97
11.1 Motorfiets met hefbok opkrikken ....... 97
11.2 Motorfiets van hefbok nemen ............ 97
11.3 Motorfiets met hefbok achter
opkrikken ........................................ 98
11.4 Motorfiets van hefbok achter
nemen ............................................ 99
11.5 Motorfiets met hefbok voor
opkrikken ...................................... 100
11.6 Motorfiets van hefbok voor nemen ... 101
11.7 Vuilschrapers vorkpoten reinigen ..... 102
11.8 Voorvorkprotector demonteren ......... 104
11.9 Voorvorkprotector monteren............. 104
11.10 Vorkpoten ontluchten ..................... 105
11.11 Zadel verwijderen........................... 106
11.12 Zadel monteren.............................. 107
11.13 Boordgereedschap demonteren........ 107
11.14 Boordgereedschap opbergen ........... 108
11.15 Zijbekleding verwijderen ................. 110
11.16 Zijbekleding monteren.................... 111
11.17 Spatbord voor demonteren .............. 112
11.18 Spatbord voor monteren.................. 113
11.19 Luchtfilter demonteren ............... 113
11.20 Luchtfilter monteren ................... 115
11.21 Kettingvervuiling controleren........... 116
11.22 Ketting reinigen ............................. 116
11.23 Kettingspanning controleren ........... 119
11.24 Kettingspanning instellen ............... 121
11.25 Ketting, kettingwiel,
ketting-aandrijfwiel en
kettinggeleiding controleren ............ 123
11.26 Kettinggeleiding instellen ............ 129
11.27 Uitgangspositie koppelingshendel
instellen........................................ 130
INHOUDSOPGAVE
6
11.28 Vloeistofpeil hydraulische
koppeling controleren/corrigeren...... 131
12 REMSYSTEEM.......................................... 134
12.1 Antiblokkeersysteem (ABS) ............. 134
12.2 Uitgangspositie van de remhendel
instellen........................................ 137
12.3 Remschijven controleren................. 137
12.4 Remvloeistofpeil voorwielrem
controleren.................................... 139
12.5 Remvloeistof van de voorwielrem
bijvullen .................................... 140
12.6 Remplaketten voorwielrem
controleren.................................... 142
12.7 Vrije slag rempedaal controleren...... 144
12.8 Uitgangspositie van het rempedaal
instellen .................................... 145
12.9 Remvloeistofpeil achterwielrem
controleren.................................... 147
12.10 Remvloeistof achterwielrem
bijvullen .................................... 148
12.11 Remplaketten achterwielrem
controleren.................................... 150
13 WIELEN, BANDEN .................................... 152
13.1 Voorwiel demonteren .................. 152
13.2 Voorwiel monteren ...................... 154
13.3 Achterwiel demonteren ............... 156
13.4 Achterwiel monteren ................... 159
13.5 Demperpakkingen van de
achterwielnaaf controleren .......... 163
13.6 Bandentoestand controleren............ 165
13.7 Bandensysteem zonder
binnenbanden ............................... 168
13.8 Bandenspanning controleren........... 169
13.9 Spaakspanning controleren ............. 170
13.10 Gebruik van bandenreparatiespray ... 171
14 ELEKTRONICA.......................................... 172
14.1 12V-accu demonteren ................. 172
14.2 12V-accu monteren .................... 174
14.3 12V-accu laden .......................... 177
14.4 Hoofdzekering vervangen ................ 180
14.5 Zekeringen ABS vervangen.............. 182
14.6 Zekeringen afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen ........... 184
14.7 Koplampkap met koplamp
demonteren................................... 187
14.8 Koplampkap met koplamp
monteren ...................................... 188
14.9 Lamp koplamp vervangen ............... 189
14.10 Zijlichtlamp vervangen.................... 191
INHOUDSOPGAVE
7
14.11 Koplampinstelling controleren......... 193
14.12 Lichtbundelbreedte van de
koplamp instellen .......................... 194
14.13 Batterij gecombineerd instrument
vervangen...................................... 194
14.14 USBaansluiting............................. 197
14.15 ACC1 en ACC2 .............................. 197
14.16 Diagnosestekker............................. 198
15 KOELSYSTEEM......................................... 199
15.1 Koelsysteem .................................. 199
15.2 Antivries en koelmiddelpeil
controleren.................................... 200
15.3 Koelmiddelpeil controleren ............. 203
15.4 Koelmiddel aftappen .................. 205
15.5 Koelsysteem vullen/ontluchten ..... 206
15.6 Koelmiddel verversen .................. 209
16 MOTOR AFSTELLEN ................................. 213
16.1 Rijmodus wijzigen.......................... 213
16.2 Tractiecontrole instellen ................. 214
16.3 Uitgangspositie versnellingshendel
controleren.................................... 215
16.4 Uitgangspositie van de
versnellingshendel instellen ......... 216
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR ......... 217
17.1 Motoroliepeil controleren ................ 217
17.2 Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen ... 218
17.3 Motorolie bijvullen ......................... 224
18 REINIGING, ONDERHOUD......................... 227
18.1 Motorfiets reinigen ......................... 227
18.2 Controle en onderhoud voor rijden
in de winter................................... 231
19 STALLING ................................................ 233
19.1 Stalling......................................... 233
19.2 Inbedrijfname na stalling ................ 235
20 OPSPOREN VAN FOUTEN.......................... 236
21 TECHNISCHE GEGEVENS.......................... 241
21.1 Motor............................................ 241
21.2 Aanhaalmomenten motor ................ 243
21.3 Vulhoeveelheden............................ 248
21.3.1 Motorolie .................................. 248
21.3.2 Koelmiddel ............................... 248
21.3.3 Brandstof.................................. 248
21.4 Chassis ......................................... 249
21.5 Elektronica.................................... 250
INHOUDSOPGAVE
8
21.6 Banden......................................... 252
21.7 Voorvork........................................ 252
21.8 Schokdemper ................................ 253
21.9 Aanhaalmomenten chassis.............. 254
22 GEBRUIKSSTOFFEN ................................. 261
23 HULPSTOFFEN......................................... 265
24 NORMEN ................................................. 267
25 LIJST MET VAKBEGRIPPEN ...................... 268
26 LIJST MET AFKORTINGEN ........................ 269
27 LIJST MET SYMBOLEN ............................. 270
27.1 Rode pictogrammen ....................... 270
27.2 Gele of oranje pictogrammen........... 270
27.3 Groene en blauwe pictogrammen..... 271
INDEX ............................................................. 272
SYMBOLEN EN FORMATERINGEN 1
9
1.1 Gebruikte pictogrammen
Hieronder wordt het gebruik van bepaalde pictogrammen toegelicht.
Kenmerkt een verwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Kenmerkt een onverwachte reactie (bijv. van een werkstap handeling of functie).
Alle werkzaamheden die met dit pictogram zijn gekenmerkt vereisen vakkennis en technisch
begrip. Laat de werkzaamheden voor uw eigen veiligheid uitvoeren in een geautoriseerde KTM-
garage! Daar wordt uw motorfiets door speciaal geschoolde vakkundige medewerkers met het
benodigde hulpgereedschap optimaal onderhouden.
Kenmerkt de verwijzing naar een pagina (op de aangegeven pagina vindt u meer informatie).
Kenmerkt een aanwijzing met verdere informatie of tips.
Kenmerkt het resultaat uit een test-/controlestap.
1 SYMBOLEN EN FORMATERINGEN
10
Kenmerkt een spanningsmeting.
Kenmerkt een stroommeting.
Kenmerkt het einde van een werkzaamheid, inclusief eventuele nabewerkingen.
1.2 Gebruikte formatering
Hieronder worden de gebruikte letterformaten verklaard.
Eigennaam Kenmerkt een eigennaam.
Naam
®
Kenmerkt een beschermde naam.
Merk™ Kenmerkt een merk in het handelsverkeer.
Onderstreepte woorden Verwijzen naar technische details van het voertuig of kenmerken vaktermen
die in de begrippenlijst worden uitgelegd.
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
11
2.1 Gebruiksdefinitie - beoogd gebruik
Het voertuig is zo ontworpen en gebouwd, dat het kan worden gebruikt bij normale belastingen tijdens het rijden
over de weg en op eenvoudig terrein (niet-geasfalteerde wegen).
Dit voertuig is niet geschikt voor gebruik op racecircuits.
Info
Dit voertuig is alleen in de gehomologeerde uitvoering toegelaten voor het rijden op de openbare weg.
2.2 Onjuist gebruik
Gebruik het voertuig uitsluitend op de beoogde wijze.
Het niet op de beoogde wijze gebruiken van het voertuig kan leiden tot gevaren voor personen, materiaal en
milieu.
Elk gebruik van het voertuig anders dan op de beoogde wijze geldt als onjuist gebruik.
Als onjuist gebruik geldt ook het gebruik van bedrijfs- en hulpmiddelen die niet voldoen aan de vereiste specifica-
ties.
2.3 Veiligheidsaanwijzingen
Voor een veilige omgang met het beschreven product dienen enkele veiligheidsaanwijzingen in acht te worden
genomen. Lees daarom deze handleiding en alle andere handleidingen in de omvang van de levering zorgvul-
dig door. De veiligheidsaanwijzingen zijn geaccentueerd en met links gekoppeld aan de relevante plaatsen in de
tekst.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
12
Info
Op goed zichtbare plaatsen op het beschreven product zijn verschillende aanwijzings- en waarschuwings-
stickers aangebracht. Geen stickers met aanwijzingen en waarschuwingen verwijderen. Als deze ontbreken
kunt u of andere personen de gevaren niet herkennen en daardoor letsel oplopen.
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
13
2.4 Gevarenniveau en pictogrammen
Gevaar
Waarschuwing voor een gevaar dat direct en met zekerheid overlijden of zwaar blijvend letsel tot gevolg
heeft als u niet de juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Waarschuwing
Waarschuwing voor een gevaar dat waarschijnlijk overlijden of zwaar letsel tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Voorzichtig
Waarschuwing voor een gevaar dat mogelijk licht letsel tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgsmaat-
regelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat aanmerkelijke schade aan machine of materiaal tot gevolg heeft als u niet de
juiste voorzorgsmaatregelen neemt.
Aanwijzing
Waarschuwing voor een gevaar dat schade aan het milieu tot gevolg heeft als u niet de juiste voorzorgs-
maatregelen neemt.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
14
2.5 Waarschuwing voor manipulaties
Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de componenten van de geluidsdemping. De volgende
maatregelen of de realisatie van de betreffende toestanden zijn wettelijk verboden:
1 Verwijderen of buiten werking stellen van systemen of componenten van een nieuw voertuig die de geluids-
demping dienen voordat het wordt verkocht of geleverd aan de eindklant of tijdens de gebruiksduur van het
voertuig voor andere doeleinden dan voor service, reparatie of vervanging, evenals
2 Gebruik van het voertuig nadat een dergelijk systeem of een dergelijke component verwijderd of buiten wer-
king is gesteld.
Voorbeelden van wettelijk verboden manipulaties:
1 Verwijderen of doorboren van einddempers, geluidsdempers, bochtstukken of andere componenten die uitlaat-
gassen geleiden.
2 Verwijderen of doorboren van delen van het inlaatsysteem.
3 Gebruik in niet-correcte onderhoudstoestand.
4 Vervangen van bewegende onderdelen van het voertuig, onderdelen van het uitlaatsysteem of onderdelen van
het inlaatsysteem door onderdelen die niet door de fabrikant zijn toegelaten.
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
15
2.6 Veilig gebruik
Gevaar
Gevaar voor ongevallenBestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zich-
zelf en voor anderen.
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingSommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Het voertuig uitsluitend in technisch goede staat, op de boogde wijze, en veiligheids- en milieubewust gebruiken.
Voor het wegverkeer is het juiste rijbewijs vereist.
Storingen, die de veiligheid beperken, onmiddellijk in een geautoriseerde KTM-garage laten verhelpen.
De op het voertuig aangebrachte stickers met aanwijzingen en waarschuwingen in acht nemen.
2 VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
16
2.7 Beschermende kleding
Waarschuwing
Gevaar voor letselGeen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Voor uw eigen veiligheid adviseert KTM om het voertuig uitsluitend te gebruiken met geschikte, beschermende
kleding.
2.8 Werkinstructies
Voor enkele werkzaamheden zijn hulpgereedschappen vereist. Deze maken geen deel uit van het voertuig, maar
kunnen worden besteld onder vermelding van de aangegeven nummers tussen haakjes. Voorbeeld: lagertrekker
(15112017000)
Onderdelen die niet kunnen worden hergebruikt (bijvoorbeeld zelfborgende schroeven en moeren, afdichtingen,
dichtringen, keerringen, splitpennen, borgplaten) tijdens de montage door nieuwe onderdelen vervangen.
Voor enkele schroefverbindingen is schroefborging (bijvoorbeeld Loctite
®
) vereist. Specifieke aanwijzingen van de
fabrikant bij het gebruik in acht nemen.
Als op een nieuw onderdeel reeds schroefborgmiddel (bijv. Precote
®
) is aangebracht, geen extra borgmiddel aan-
brengen.
Onderdelen die na de demontage worden hergebruikt, reinigen en controleren op beschadiging en slijtage.
Beschadigde of versleten onderdelen vervangen.
Na een reparatie of servicebeurt controleren of het voertuig verkeersveilig is.
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 2
17
2.9 Milieu
Door op een verantwoorde manier met uw motorfiets om te gaan kunt u ervoor zorgen dat er geen problemen en
conflicten ontstaan. Om de toekomst van de motorsport veilig te stellen mag u de motorfiets alleen legaal gebrui-
ken, dient u milieubewust te handelen en de rechten van anderen te respecteren.
Houdt u zich bij het afvoeren van oude olie, andere verbruiks- en hulpstoffen en oude onderdelen aan de gel-
dende wet- en regelgeving in het betreffende land.
Omdat motorfietsen niet onder de EU-richtlijn voor de afdanking van oude voertuigen vallen bestaat er geen wet-
telijke regeling voor het afdanken van een oude motorfiets. Uw geautoriseerde KTM-dealer is u graag van dienst.
2.10 Bedieningshandleiding
Lees de bedieningshandleiding beslist goed en volledig door voordat u voor het eerst gaat rijden. In de bedie-
ningshandleiding vindt u veel informatie en tips die bediening, gebruik en service eenvoudiger maken. Alleen zo
komt u te weten hoe u het voertuig het beste afstelt op uw situatie en hoe u zich tegen letsel kunt beschermen.
Bewaar de bedieningshandleiding op een eenvoudig toegankelijke plaats, zodat u deze op ieder moment kunt
raadplegen wanneer dat nodig is.
Neem contact op met een geautoriseerde KTM-dealer wanneer u meer over het voertuig wilt weten of wanneer
tijdens het lezen iets niet duidelijk is.
De bedieningshandleiding is een belangrijk onderdeel van het voertuig en moet bij verkoop aan de nieuwe eige-
naar worden gegeven.
De bedieningshandleiding is bovendien als download op uw geautoriseerde KTM Motorcycles-dealer en op de
KTM Motorcycles-website beschikbaar.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
18
3.1 Garantie
De in het serviceschema voorgeschreven werkzaamheden mogen uitsluitend in een geautoriseerde KTM-garage
worden uitgevoerd en moeten in het service- en garantieboekje en op KTM Dealer.net worden bevestigd, aangezien
anders de aanspraak op garantie vervalt. Bij schade of gevolgschade die door manipulaties en/of wijzigingen aan
het voertuig zijn veroorzaakt, bestaat er geen aanspraak op garantie.
Meer informatie over de garantie en de afwikkeling ervan vindt u in het service- & garantieboekje.
3.2 Bedrijfsmiddelen, hulpstoffen
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
Bedrijfsmiddelen en hulpstoffen volgens de bedieningshandleiding en specificaties gebruiken.
3.3 Reserveonderdelen, toebehoren
Gebruik voor uw eigen veiligheid alleen reserveonderdelen en toebehoren die door KTM zijn vrijgegeven en/of aan-
bevolen en laat deze alleen in een geautoriseerde KTM-garage monteren. Voor andere producten en daardoor ver-
oorzaakte schade is KTM niet aansprakelijk.
Enkele reserveonderdelen en toebehoren zijn bij de betreffende beschrijvingen tussen haakjes aangegeven. Uw
geautoriseerde KTM-dealer adviseert u graag.
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
19
De actuele KTM PowerParts voor uw voertuig vindt u op de KTM website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
3.4 Service
Voorwaarde voor een storingsvrij gebruik en het voorkomen van voortijdige slijtage is dat u zich houdt aan de in de
bedieningshandleiding genoemde service, onderhouds- en afstelwerkzaamheden aan de motor en het chassis.
Door een onjuist afgesteld chassis kunnen chassiscomponenten beschadigen of afbreken.
Wanneer het voertuig onder zwaardere omstandigheden wordt gebruikt, zoals bij sterke regen, hoge temperaturen
of met zware bagage, kunnen componenten zoals aandrijving, remsystemen of veringscomponenten duidelijk snel-
ler verslijten. Daarom kan het nodig zijn onderdelen reeds voor het bereiken van het volgende service-interval te
controleren of te vervangen.
Het is belangrijk dat u zich strikt houdt aan de voorgeschreven inrijtijden en service-intervallen. De inachtneming
daarvan draagt in belangrijke mate bij aan de verhoging van de levensduur van de motorfiets.
Bij de intervallen gebaseerd op tijd of kilometerstand is het interval dat als eerste komt doorslaggevend.
3.5 Afbeeldingen
De in de handleiding weergegeven afbeeldingen tonen deels speciale uitrustingen.
Voor een betere weergave en toelichting kunnen enkele onderdelen gedemonteerd of niet afgebeeld zijn. Voor de
betreffende beschrijving is het echter niet altijd noodzakelijk dat deze onderdelen worden gedemonteerd. Houdt u
zich aan de aanwijzingen in de tekst.
3 BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
20
3.6 Klantenservice
De geautoriseerde KTM-dealer beantwoordt graag uw vragen over uw voertuig of over KTM.
De lijst met geautoriseerde KTM-dealers vindt u op de KTM-website.
Internationale KTM website: http://www.ktm.com
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN 3
21
4 AFBEELDING VOERTUIG
22
4.1 Afbeelding voertuig linksvoor (symbolische weergave)
S03265-10
AFBEELDING VOERTUIG 4
23
1
Remhendel ( pag. 29)
2
Koppelingshendel ( pag. 29)
3
Grepen ( pag. 39)
4
Tankdop
5
Voetsteun passagier ( pag. 39)
6
Ingaande demping schokdemper ( pag. 89)
7
Zadelontgrendeling ( pag. 38)
8
Zijstandaard ( pag. 41)
9
Versnellingshendel ( pag. 40)
4 AFBEELDING VOERTUIG
24
4.2 Afbeelding voertuig rechtsachter (symbolische weergave)
S03319-10
AFBEELDING VOERTUIG 4
25
1
Contact- en stuurslot ( pag. 36)
2
Voorvorkinstelling ingaande demping
3
Lichtschakelaar ( pag. 31)
3
Richtingaanwijzerschakelaar ( pag. 31)
3
Claxonknop ( pag. 30)
4
Combinatieschakelaar ( pag. 34)
5
Overzicht controlelampjes ( pag. 37)
6
Noodstopschakelaar ( pag. 32)
6
Startknop ( pag. 33)
7
Gashendel ( pag. 30)
8
Voorvorkinstelling uitgaande demping
9
Voertuigidentificatiennummer ( pag. 26)
bk
Kijkglas voor motorolie
bl
Rempedaal ( pag. 41)
bm
Schokdemperinstelling uitgaande demping
5 SERIENUMMERS
26
5.1 Voertuigidentificatiennummer
401945-10
Het voertuigidentificatienummer
1
is aan de rechterkant van het
balhoofd gegraveerd.
5.2 Typeplaatje
H01049-10
Het typeplaatje
1
bevindt zich rechts aan het frame.
SERIENUMMERS 5
27
5.3 Sleutelnummer
402241-10
Sleutelnummer
1
staat op de KEYCODECARD.
Info
U hebt het sleutelnummer nodig voor het bestellen van
een reservesleutel. Bewaar de KEYCODECARD op een veilige
plaats.
5.4 Motornummer
401949-10
Het motornummer
1
is in de linkerzijde van de motor onder het
ketting-aandrijfwiel gegraveerd.
5 SERIENUMMERS
28
5.5 Artikelnummer voorvork
401947-10
Het artikelnummer van de voorvork
1
is aan de binnenzijde van
de asopname gegraveerd.
5.6 Artikelnummer schokdemper
402025-10
Het artikelnummer van de schokdemper
1
is aan de linkerkant
van de schokdemper aangebracht.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
29
6.1 Koppelingshendel
S03266-10
De koppelingshendel
1
is aan de linkerkant van het stuur aange-
bracht.
De koppeling wordt hydraulisch bediend en automatisch bijge-
steld.
6.2 Remhendel
S03267-10
De remhendel
1
is aan de rechterzijde van het stuur aange-
bracht.
De voorwielrem wordt geschakeld met de remhendel.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
30
6.3 Gashendel
S03268-10
De gashendel
1
is aan de rechterzijde van het stuur
aangebracht.
6.4 Claxonknop
S03269-10
De claxonknop
1
is aan de linkerzijde van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Claxonknop in de uitgangspositie
Claxonknop ingedrukt In deze stand wordt de claxon
gebruikt.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
31
6.5 Lichtschakelaar
S03269-11
De lichtschakelaar
1
is aan de linkerzijde van het stuur aange-
bracht.
Mogelijke toestanden
Dimlicht aan Lichtschakelaar is omlaag gezwenkt. In
deze stand zijn het dimlicht en het achterlicht inge-
schakeld.
Groot licht aan Lichtschakelaar is omhoog gezwenkt.
In deze stand zijn het groot licht en het achterlicht
ingeschakeld.
6.6 Richtingaanwijzerschakelaar
S03269-12
De richtingaanwijzerschakelaar
1
is aan de linkerzijde van het
stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Richtingaanwijzer uit
Richtingaanwijzer links aan Richtingaanwijzerscha-
kelaar naar links geschakeld. De richtingaanwijzer-
schakelaar springt na het schakelen terug in de mid-
delste stand.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
32
Richtingaanwijzer rechts aan Richtingaanwijzerscha-
kelaar naar rechts geschakeld. De richtingaanwijzer-
schakelaar springt na het schakelen terug in de mid-
delste stand.
Voor het uitschakelen van de richtingaanwijzer moet u de richting-
aanwijzerschakelaar naar de schakelaarbehuizing duwen.
6.7 Noodstopschakelaar
S03268-11
De noodstopschakelaar
1
is aan de rechterzijde van het stuur
aangebracht.
Mogelijke toestanden
Noodstopschakelaar uit In deze stand is het ont-
stekingscircuit onderbroken. Een draaiende motor
schakelt uit en een stilstaande motor kan niet worden
gestart.
Noodstopschakelaar aan Deze stand is noodzakelijk
bij het rijden, het ontstekingscircuit is gesloten.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
33
6.8 Startknop
S03268-12
De startknop
1
is aan de rechterkant van het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
Startknop in de uitgangspositie
Startknop ingedrukt In deze stand wordt de startmotor
geactiveerd.
6.9 ABS-knop
S02157-10
De ABS-knop
1
bevindt zich links naast het gecombineerde
instrument.
Info
De ABS-knop dient ook als ABS-waarschuwingslampje
( pag. 134).
6 BEDIENINGSELEMENTEN
34
6.10 Combinatieschakelaar
S03270-01
De combinatieschakelaar is links op het stuur aangebracht.
Mogelijke toestanden
1 ROAD Bij brandende led 1 zijn de rijmodus ROAD en
de tractiecontrole geactiveerd.
1TC ROAD zonder TC Bij brandende leds 1 en TC is de
rijmodus ROAD actief en de tractiecontrole is gedeacti-
veerd.
2 SUPERMOTO Bij brandende led 2 zijn de rijmodus
SUPERMOTO en de tractiecontrole geactiveerd.
2TC SUPERMOTO zonder TC Bij brandende leds 2 en TC is
de rijmodus SUPERMOTO actief en de tractiecontrole is
gedeactiveerd.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
35
H02887-01
De combinatieschakelaar geeft de actuele instelling van de rijmo-
dus en van de tractiecontrole weer.
Met de knop MAP van de combinatieschakelaar wordt de rijmodus
gewijzigd.
Met de knop TC van de combinatieschakelaar wordt de tractiecon-
trole geactiveerd of gedeactiveerd.
Info
Elke keer bij het inschakelen van het contact gaan alle drie
leds van de schakelaar branden voor een functiecontrole.
Als alle drie leds tijdens het bedrijf branden, heeft de
motorbesturingsunit een fout herkend. Onmiddellijk een
geautoriseerde KTM-garage opzoeken.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
36
6.11 Contact- en stuurslot
S03271-01
Het contact-/stuurslot bevindt zich voor het zadel.
Mogelijke toestanden
Ontsteking uit In deze stand is het ontstekingscir-
cuit onderbroken. Een draaiende motor schakelt uit
en een stilstaande motor schakelt niet in. De contact-
sleutel kan eruit worden getrokken.
Ontsteking aan In deze stand is het ontstekingscir-
cuit gesloten en kan de motor worden gestart.
Stuur geblokkeerd In deze stand is het ontstekings-
circuit onderbroken en het stuur geblokkeerd. De con-
tactsleutel kan eruit worden getrokken.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
37
6.12 Overzicht controlelampjes
S03254-01
Mogelijke toestanden
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert geel Als
het ABS-waarschuwingslampje brandt, is het ABS
niet actief. Het ABS-waarschuwingslampje brandt ook
als er een fout wordt herkend. Contact opnemen met
geautoriseerde KTM-garage.
Controlelampje groot licht brandt blauw Groot licht
is ingeschakeld.
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt oranje
Brandstofpeil heeft de reservemarkering bereikt.
Controlelampje storing brandt oranje De OBD heeft
een fout in de voertuigelektronica geconstateerd. Vol-
gens de verkeersregels stoppen en contact opnemen
met een geautoriseerde KTM-garage.
Waarschuwingslampje koelmiddeltemperatuur brandt
rood Koelmiddeltemperatuur heeft een kritische
waarde bereikt. Volgens de verkeersregels stoppen, de
motor afzetten, laten afkoelen en het koelmiddelpeil
controleren.
Controlelampje stationair brandt groen Versnelling is
in positie vrij geschakeld.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
38
Controlelampje richtingaanwijzer knippert groen
Richtingaanwijzer is ingeschakeld.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood Oliedruk
is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen en de motor
afzetten.
TC-controlelampje brandt/knippert geel Als het TC-
controlelampje brandt, is de MTC ( pag. 73) niet
actief. Als het TC-controlelampje en beide rijmodus-
lampjes gelijktijdig branden, is een fout herkend. Con-
tact opnemen met geautoriseerde KTM-garage. Het
TC-controlelampje knippert als MTC actief ingrijpt.
6.13 Zadelontgrendeling
S03336-10
De handgreep
1
ontgrendelt het zadel.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
39
6.14 Grepen
S03277-10
De grepen
1
zijn bestemd voor het rangeren van de motorfiets.
Bij het rijden met een passagier kan deze zich hieraan vasthou-
den.
6.15 Voetsteun passagier
S03337-01
De voetsteunen voor de passagier kunnen worden ingeklapt.
Mogelijke toestanden
Voetsteun passagier ingeklapt Voor het rijden zonder passa-
gier.
Voetsteun passagier uitgeklapt Voor het rijden met passa-
gier.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
40
6.16 Versnellingshendel
401950-10
De versnellingshendel
1
is aan de linkerzijde van de motor
gemonteerd.
401950-11
De positie van de versnellingen zijn weergegeven op de afbeelding.
De neutrale of vrije stand bevindt zich tussen de 1e en 2e versnel-
ling.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
41
6.17 Rempedaal
401956-10
Het rempedaal
1
bevindt zich voor de voetsteun.
De achterwielrem wordt geschakeld met het rempedaal.
6.18 Zijstandaard
401943-10
De zijstandaard
1
bevindt zich aan de linker voertuigzijde.
De zijstandaard wordt gebruikt voor het parkeren van de motor-
fiets.
Info
Tijdens het rijden moet de zijstandaard opgeklapt zijn.
De zijstandaard is gekoppeld aan het veiligheidsstartsys-
teem. Lees de rijinstructies.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
42
Mogelijke toestanden
Zijstandaard uitgeklapt Het voertuig kan op de zijstandaard
worden neergezet. Het veiligheidsstartsysteem is actief.
Zijstandaard ingeklapt Deze stand is altijd nodig als u gaat
rijden. Het veiligheidsstartsysteem is niet actief.
6.19 Tankdop openen
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
43
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
S03278-10
Klep
1
op de tankdop openklappen en contactsleutel inste-
ken.
Contactsleutel 90° tegen de klok in draaien en tankdop verwij-
deren.
Info
De tankdop is voorzien van een brandstoftankontluch-
ting.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
44
6.20 Tankdop sluiten
S03279-10
Tankdop plaatsen en contactsleutel 90° met de klok mee
draaien.
Contactsleutel uittrekken en klep dichtklappen.
6.21 Gecombineerd instrument
6.21.1 Overzicht
S02155-10
1
Overzicht controlelampjes ( pag. 37)
2
Linker knop
3
Display
4
Rechter knop
BEDIENINGSELEMENTEN 6
45
6.21.2 Activering
S02156-10
Gecombineerd instrument activeren
Het gecombineerde instrument wordt geactiveerd als u op een van
de knoppen drukt of als hij van de wieltoerentalsensor een impuls
ontvangt.
6.21.3 Meldingen op het gecombineerde instrument
401901-01
Mogelijke toestanden
Batterijspanning van het gecombineerde instrument
De batterijspanning van het gecombineerde instru-
ment is te laag. Batterij gecombineerd instrument ver-
vangen.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
46
6.21.4 Gecombineerd instrument instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
401909-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Het setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT
knippert.
Info
Zodra het setupmenu actief is, kunnen instellingen van
het gecombineerde instrument worden uitgevoerd. Het
setupmenu wisselt na 5 seconden automatisch naar het
volgende menupunt als er geen instelling wordt uitge-
voerd.
6.21.5 Kilometer of mijl instellen
Info
Als de eenheid wordt gewijzigd, blijft de waarde bewaard en wordt dienovereenkomstig omgerekend.
Landspecifieke instelling aanpassen.
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
47
401909-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Het setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT
knippert.
Met de knop links of rechts de weergavemodus van KM/H naar
M/H of van M/H naar KM/H wisselen.
5 seconden wachten.
De uitgevoerde instelling wordt overgenomen en het
gecombineerde instrument wisselt automatisch naar het
volgende menupunt.
6.21.6 Tijd instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
401911-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Het setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT
knippert.
Wachten totdat het menu voor de klok knippert.
De knop links of rechts indrukken om de 24-uursweergave of
12-uursweergave van de klok te selecteren.
5 seconden wachten.
De instelling wordt overgenomen en het gecombineerde
instrument wisselt naar het volgende menupunt. Het sym-
bool van de klok knippert.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
48
401912-01
Met de knop links en rechts de instelling van de tijd uitvoeren.
Tijd terugzetten
Linker knop indrukken.
De waarde verlaagt.
Tijd vooruit zetten
Rechter knop indrukken.
De waarde verhoogt.
5 seconden wachten.
De instelling wordt overgenomen en het gecombi-
neerde instrument wisselt naar het volgende menu-
punt.
6.21.7 Service-indicatie instellen
Voorwaarden
De motorfiets staat stil.
BEDIENINGSELEMENTEN 6
49
401913-01
Beide knoppen 3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Setupmenu wordt weergegeven. De indicatie UNIT knip-
pert.
Wachten totdat het menu voor de service-indicatie knippert.
Service instellen.
Voorgeschreven waarde
Serviceweergave uitgeschakeld
Service-interval verkorten
Linker knop indrukken.
De waarde verlaagt.
Service-interval verlengen
Rechter knop indrukken.
De waarde verhoogt.
401914-01
Service-indicatie uitschakelen
Linker knop ingedrukt houden.
Op het display verschijnt off.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
50
6.21.8 Snelheid, tijd en DST afstand 1
401901-01
Eén van de knoppen indrukken tot DST op het gecombineerde
instrument wordt weergegeven.
KM/H of M/H geeft de snelheid weer.
geeft de tijd weer.
DST geeft de gereden afstand aan sinds de laatste reset, bijvoor-
beeld tussen twee tankstops.
Info
Als de waarde 39999,9 wordt overschreden, wordt DST
automatisch gereset op 0,0.
Linker knop
kort indruk-
ken.
Volgende weergavemodus
Linker knop 3
- 5 seconden
indrukken.
DST kan door het indrukken van de knoppen
op een waarde tussen 0,0 en 39999,9 worden
ingesteld.
Rechter knop
kort indruk-
ken.
Volgende weergavemodus
BEDIENINGSELEMENTEN 6
51
Rechter knop
3 - 5 secon-
den indruk-
ken.
DST wordt op 0,0 gereset.
6.21.9 Snelheid, tijd en DST2 afstand 2
401902-01
Eén van de knoppen indrukken tot DST2 op het gecombineerde
instrument wordt weergegeven.
KM/H of M/H geeft de snelheid weer.
geeft de tijd weer.
DST2 geeft de afstand 2 aan sinds de laatste reset, bijvoorbeeld
tussen twee tankstops.
Info
Als de waarde 39999,9 wordt overschreden, wordt DST2
automatisch gereset op 0,0.
Linker knop
kort indruk-
ken.
Volgende weergavemodus
Linker knop 3
- 5 seconden
indrukken.
DST2 kan door het indrukken van de knoppen
op een waarde tussen 0,0 en 39999,9 worden
ingesteld.
6 BEDIENINGSELEMENTEN
52
Rechter knop
kort indruk-
ken.
Volgende weergavemodus
Rechter knop
3 - 5 secon-
den indruk-
ken.
DST2 wordt op 0,0 gereset.
6.21.10 AVG gemiddelde snelheid, ART bedrijfsuren en ODO totale afstand
401903-01
Eén van de knoppen indrukken tot AVG, ART en ODO in het
gecombineerde instrument weergegeven worden.
AVG geeft de gemiddelde snelheid sinds de laatste reset aan.
ART geeft de bedrijfsuren weer.
ODO geeft de totale afstand weer.
Linker knop
kort indruk-
ken.
Volgende weergavemodus
Linker knop 3
- 5 seconden
indrukken.
STEEKSLEUTELPICTOGRAM geeft de reste-
rende bedrijfsuren aan tot de volgende service-
beurt.
Rechter knop
kort indruk-
ken.
Volgende weergavemodus
BEDIENINGSELEMENTEN 6
53
Rechter knop
3 - 5 secon-
den indruk-
ken.
AVG wordt op 0,0 gereset.
7 INBEDRIJFSTELLING
54
7.1 Aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling
Gevaar
Gevaar voor ongevallenBestuurders die niet geschikt zijn voor het verkeer vormen een gevaar voor zich-
zelf en voor anderen.
Rijd niet met het voertuig, als u door alcohol, drugs of medicijnen ongeschikt voor het verkeer bent.
Rijd niet met het voertuig, als u hiertoe fysiek of psychisch niet in staat bent.
Waarschuwing
Gevaar voor letselGeen of slechte beschermende kleding vormt een verhoogd risico.
Draag bij alle ritten geschikte, beschermende bekleding zoals helm, laarzen, handschoenen alsmede
broek en jas met bescherming.
Draag altijd beschermende kleding die zich in een goede staat bevindt en voldoet aan de wettelijke
voorschriften.
Waarschuwing
Gevaar voor vallenVerschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNiet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
INBEDRIJFSTELLING 7
55
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase 200 km
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Info
Houd er bij het gebruik van het voertuig rekening mee dat andere mensen last kunnen hebben van over-
matig lawaai.
Zorg ervoor dat de werkzaamheden van de controle voor de verkoop worden uitgevoerd door een geautoriseerde
KTM-garage.
U ontvangt het leveringsdocument en het service- en garantieboekje bij de overdracht van het voertuig.
Voordat u voor het eerst gaat rijden, moet u de volledige bedieningshandleiding goed doorlezen.
Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met de bedieningselementen.
Uitgangspositie van de koppelingshendel instellen. ( pag. 130)
Uitgangspositie van de remhendel instellen. ( pag. 137)
Uitgangspositie van het rempedaal instellen. ( pag. 145)
7 INBEDRIJFSTELLING
56
Oefen voordat u een lange rit gaat maken eerst op een geschikt terrein, zodat u gewend raakt aan het bestu-
ren van de motorfiets. Probeer ook eens zo langzaam mogelijk te rijden en staand te rijden, zodat u meer
gevoel voor de motorfiets krijgt.
Houd tijdens het rijden het stuur met beide handen vast en laat de voeten op de voetsteunen rusten.
Motor inrijden. ( pag. 56)
7.2 Motor inrijden
Tijdens de inrijperiode de aangegeven rijsnelheid in de desbetreffende versnelling niet overschrijden.
Voorgeschreven waarde
Tijdens de eerste 1.000 km
Maximale snelheid per versnelling
1e versnelling 50 km/h
2e versnelling 70 km/h
3e versnelling 90 km/h
4e versnelling 110 km/h
5e versnelling 125 km/h
6e versnelling 140 km/h
Vol gas geven vermijden!
INBEDRIJFSTELLING 7
57
7.3 Voertuig beladen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTotaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerkeerde montage van de koffer of de tanktas heeft invloed op het rijgedrag.
De koffer en tanktas volgens de gegevens van de fabrikant monteren en vastmaken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenInstabiel rijgedrag bij hoge snelheid.
De snelheid aanpassen aan de extra belasting. Rijd langzamer als uw motorfiets is beladen met kof-
fers of andere bagage.
Maximumsnelheid met bagage 130 km/h
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDoor overbelasting raakt het koffersysteeem beschadigd.
Bij het monteren van een koffer altijd de fabrikantgegevens betreffende de maximale last in acht
nemen.
7 INBEDRIJFSTELLING
58
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerschoven bagage beperkt de zichtbaarheid.
Als het achterlicht is afgedekt bent u, vooral als het donker is, slechter zichtbaar voor andere verkeer-
deelnemers.
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHoge belading verandert het rijgedrag en verlengt de remweg.
De snelheid aan eventuele extra belading aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor brandEen heet uitlaatsysteem kan de bagage doen verbranden.
De bagage zo bevestigen, dat deze niet aan het hete uitlaatsysteem kan verbranden of schroeien.
Als u bagage meeneemt moet deze veilig worden vastgezet, zo veel mogelijk in het midden van het voertuig,
en moet het gewicht gelijkmatig zijn verdeeld over het voor- en achterwiel.
Houdt u zich aan het maximaal toegestane totaalgewicht en de maximale asbelasting.
INBEDRIJFSTELLING 7
59
Voorgeschreven waarde
Maximaal toegestaan totaalgewicht 350 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor 150 kg
Maximale asbelasting achter 200 kg
8 RIJ-INSTRUCTIES
60
8.1 Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling
Info
Voordat u gaat rijden, controleren of het voertuig in een goede staat is en of er veilig mee kan worden gere-
den.
Bij het rijden moet het voertuig technisch in een onberispelijke staat zijn.
H02217-01
Motoroliepeil controleren. ( pag. 217)
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren.
( pag. 139)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren.
( pag. 147)
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 142)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 150)
Controleren of het remsysteem goed werkt.
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 203)
Vervuiling van de ketting controleren. ( pag. 116)
Kettingspanning controleren. ( pag. 119)
Bandentoestand controleren. ( pag. 165)
Bandenspanning controleren. ( pag. 169)
Controleren of alle bedieningselementen goed zijn ingesteld en
soepel bewegen.
Werking van de elektrische installatie controleren.
Controleren of de bagage correct is bevestigd.
RIJ-INSTRUCTIES 8
61
Op de motorfiets gaan zitten en de stand van de achteruitkijk-
spiegel controleren.
Brandstofvoorraad controleren.
8.2 Voertuig starten
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg
hebben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Voorzichtig
Gevaar voor ongevallenElektrische componenten en veiligheidsvoorzieningen raken bij lege of ontbre-
kende 12V-accu beschadigd.
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-accu gebruiken.
Aanwijzing
MotorschadeHoge toerentallen bij koude motor hebben een negatief effect op de levensduur van de motor.
Rij de motor altijd met een laag toerental warm.
8 RIJ-INSTRUCTIES
62
B00782-10
Noodstopschakelaar in stand schakelen.
Ontsteking inschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand te draaien.
Na het inschakelen van het contact is gedurende ongeveer
2 seconden het geluid van de werkende brandstofpomp
te horen. Tegelijkertijd wordt de functiecontrole van het
gecombineerde instrument uitgevoerd.
Het ABS-waarschuwingslampje gaat branden en gaat weer
uit wanneer het voertuig begint te rijden.
Versnelling in stationair schakelen.
Het groene controlelampje stationair N brandt.
Startknop indrukken.
RIJ-INSTRUCTIES 8
63
Info
E-startknop pas indrukken als de functiecontrole van
het gecombineerde instrument is afgerond.
Tijdens het starten GEEN gas geven. Als er tijdens het
starten gas wordt gegeven, wordt geen brandstof inge-
spoten door het motormanagementsysteem en daardoor
slaat de motor niet aan.
Maximaal 5 seconden ononderbroken starten. Tot de
volgende startpoging minimaal 5 seconden wachten.
Deze motorfiets is uitgerust met een veiligheidsstart-
systeem. De motor kan alleen worden gestart als de
versnelling in vrij is geschakeld of als bij geschakelde
versnelling de koppelingshendel is getrokken. Als u met
uitgeklapte zijstandaard naar een versnelling schakelt
en de koppelingshendel loslaat, blijft de motor stil-
staan.
Zijstandaard ontlasten en met de voet tot de aanslag naar
boven zwenken.
ABS uitschakelen
KTM adviseert altijd met ABS te rijden. Er kunnen zich echter
rijsituaties voordoen, waarin een ABS niet gewenst is.
8 RIJ-INSTRUCTIES
64
S02157-10
Voorwaarde
De motorfiets staat stil.
Rijsnelheid voor stilstand: 5 km/h
Aanwijzing
Vervallen van de toelating op de openbare weg en de ver-
zekeringAls het ABS compleet wordt uitgeschakeld,
vervalt de toelating van het voertuig voor de openbare
weg.
Gebruik het voertuig alleen op afgezette trajecten
en niet op de openbare weg als het ABS compleet
wordt uitgeschakeld.
Knop
1
3 - 5 seconden ingedrukt houden.
Het ABSwaarschuwingslampje brandt; het ABS is
gedeactiveerd.
8.3 Beginnen met rijden
Koppelingshendel trekken, in de 1e versnelling zetten, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gelijktijdig
voorzichtig gas geven.
RIJ-INSTRUCTIES 8
65
8.4 Schakelen, rijden
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBij een abrupte verandering van de belasting kunt u de controle over de motor-
fiets verliezen.
Abrupte lastverplaatsing en hard remmen vermijden.
De snelheid aan de gewijzigde rijwegsituatie aanpassen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTerugschakelen bij een hoog motortoerental blokkeert het achterwiel en overbe-
last de motor.
Schakel bij een hoog toerental niet terug naar een lagere versnelling.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen verkeerde contactsleutelstand zorgt voor storingen.
De contactsleutelstand tijdens het rijden niet veranderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet uitvoeren van instellingen aan het voertuig leidt af van het verkeer.
Instelwerkzaamheden aan een stilstaand voertuig uitvoeren.
8 RIJ-INSTRUCTIES
66
Waarschuwing
Gevaar voor letselDoor verkeerd gedrag kan de passagier van de motorfiets vallen.
Zorg ervoor dat de passagier correct op de buddyseat zit, de voeten op de buddyseatvoetsteunen van
de passagier zet en zich aan de bestuurder of grepen vasthoudt.
Neem hierbij ook de in uw land geldende voorschriften over de minimumleeftijd voor passagiers in
acht.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenRiskant rijgedrag vormt een groot risico.
Volg de verkeersregels en rijd defensief en anticiperend, om gevaren zo vroeg mogelijk te herkennen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenKoude banden hebben minder grip.
De eerste kilometers rustig en voorzichtig rijden, tot de banden op temperatuur zijn.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase 200 km
RIJ-INSTRUCTIES 8
67
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTotaal gewicht en aslasten beïnvloeden het rijgedrag.
Het totaalgewicht is samengesteld uit het gewicht van de gebruiksklare en volgetankte motorfiets, de
bestuurder en passagier met beschermende kleding en helm, plus de bagage.
Overschrijd het hoogst toegestane totaalgewicht en de aslasten niet.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerschoven bagage heeft invloed op het rijgedrag.
Controleer regelmatig of de bagage op uw motorfiets goed vastzit.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDoor een val kan het voertuig sterker beschadigd raken dan eerst het geval lijkt.
Het voertuig na een val op dezelfde wijze als voor ingebruikname controleren.
Aanwijzing
MotorschadeOngefilterde aanzuiglucht heeft een negatief effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
8 RIJ-INSTRUCTIES
68
Aanwijzing
MotorschadeBij oververhitting raakt de motor beschadigd.
Stop onmiddellijk volgens de verkeersregels en schakel de motor uit wanneer de waarschuwing voor de koel-
middeltemperatuur verschijnt.
Laat de motor en het koelsysteem afkoelen.
Controleer resp. corrigeer het koelmiddelpeil bij afgekoeld koelsysteem.
Info
Als u tijdens het rijden ongewone geluiden hoort, moet u meteen stoppen, de motor uitzetten, het voertuig
veilig parkeren en contact opnemen met een geautoriseerde KTM-garage.
401950-11
Als de omstandigheden het toestaan (helling, rijsituatie etc.)
kunt u naar een hogere versnelling schakelen.
Gas terugnemen, gelijktijdig koppelingshendel trekken, naar
volgende versnelling schakelen, koppelingshendel vrijgeven en
gas geven.
Info
De positie van de versnellingen kan afgelezen worden
van de afbeelding. De neutrale of stationaire stand
bevindt zich tussen de 1e en 2e versnelling. De 1e ver-
snelling is de start- of bergversnelling.
Nadat met een volledig opengedraaide gashendel de maximale
snelheid is bereikt, deze tot ¾ gas terugdraaien. Pas uw snel-
RIJ-INSTRUCTIES 8
69
heid aan de weggesteldheid en weersituatie aan. De snelheid
verlaagt nauwelijks, maar er wordt aanmerkelijk minder brand-
stof verbruikt.
Slechts zo veel gas geven als de rijbaan en de weersomstandig-
heden toestaan. Vooral in bochten mag niet worden geschakeld
en slechts voorzichtig gas worden gegeven.
Voor het terugschakelen van de motorfiets indien nodig afrem-
men en tegelijkertijd gas terugnemen.
Koppelingshendel trekken en in een lagere versnelling schake-
len, koppelingshendel langzaam vrijgeven en gas geven of nog
een keer schakelen.
Als de motor bijvoorbeeld afslaat bij een kruising, hoeft u
alleen de koppelingshendel te trekken en de e-startknop in
te drukken. De versnelling hoeft niet in stationair te worden
geschakeld.
Motor uitschakelen bij langdurig stationair toerental of bij stil-
stand.
Regelmatig of langdurig slippen van de koppeling vermijden.
Daardoor verhit de motorolie, de motor en het koelsysteem.
Met een lager toerental rijden in plaats van met een hoger toe-
rental en slepende koppeling.
Wanneer het waarschuwingslampje oliedruk gaat branden,
onmiddellijk volgens de geldende verkeersregels stoppen en
de motor uitschakelen. Contact opnemen met geautoriseerde
KTM-garage.
8 RIJ-INSTRUCTIES
70
Als tijdens het rijden het controlelampje storing gaat bran-
den, zo spoedig mogelijk contact opnemen met een geautori-
seerde KTM-garage.
Met quickshifter + kan binnen het aangegeven snelheidsbereik
worden opgeschakeld, zonder intrekken van de koppelingshen-
del.
Voorgeschreven waarde
Minimale snelheid voor schakelen
1e versnelling naar 2e
versnelling
30 km/h
2e versnelling naar 3e
versnelling
40 km/h
3e versnelling naar 4e
versnelling
50 km/h
4e versnelling naar 5e
versnelling
55 km/h
5e versnelling naar 6e
versnelling
60 km/h
Met quickshifter + kan binnen het aangegeven snelheidsbereik
worden teruggeschakeld, zonder intrekken van de koppelings-
hendel.
RIJ-INSTRUCTIES 8
71
Voorgeschreven waarde
Maximale snelheid voor schakelen
6e versnelling naar 5e
versnelling
175 km/h
5e versnelling naar 4e
versnelling
155 km/h
4e versnelling naar 3e
versnelling
125 km/h
3e versnelling naar 2e
versnelling
95 km/h
2e versnelling naar 1e
versnelling
65 km/h
8 RIJ-INSTRUCTIES
72
8.5 Quickshifter +
V01270-10
Als de quickshifter + is geactiveerd, kan zonder bediening van de
koppeling in een hogere of lagere versnelling worden geschakeld.
Omdat de gashendel niet moet worden gesloten, kan zonder onder-
brekingen worden geschakeld.
De quickshifter + herkent aan de hand van de schakelaspositie of
er moet worden geschakeld en zendt een overeenkomstig signaal
naar de motorbesturing.
RIJ-INSTRUCTIES 8
73
8.6 Motorfietstractiecontrole (MTC)
H02885-01
De motorfietstractiecontrole (MTC) verlaagt het motorkoppel bij
tractieverlies aan het achterwiel.
Info
Als de motorfietstractiecontrole uitgeschakeld is, kan het
achterwiel bij sterke acceleratie of op oppervlakken met
slechte grip doordraaien gevaar voor vallen.
Na het inschakelen van het contact is de motorfietstractie-
controle weer actief.
De motorfietstractiecontrole MTC wordt op de combinatieschake-
laar links met de TC-knop in- en uitgeschakeld.
Info
Als de motorfietstractiecontrole regelt, knippert het
TCcontrolelampje .
Als de motorfietstractiecontrole is uitgeschakeld, brandt
het TCcontrolelampje .
8 RIJ-INSTRUCTIES
74
8.7 Afremmen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVocht en vuil beïnvloeden het remsysteem nadelig.
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaketten en remschijven te drogen en vuil te verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen poreus drukpunt van voor- en/of achterwielrem vermindert de remwerking.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als het rempedaal niet wordt vrijgegeven slijten de remplaketten ononderbroken.
De voet van het rempedaal nemen, als u niet wilt remmen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHoger totaal gewicht verlengt de remweg.
Hou rekening met een langere remweg, als u met een passagier of met bagage rijdt.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenStrooizout op de straat belemmert het remsysteem.
Meerdere keren voorzichtig remmen om strooizout van de remplaketten en remschijven te verwijderen.
RIJ-INSTRUCTIES 8
75
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenABS kan de remweg in bepaalde situaties verlengen.
Pas de remwijze aan de rijsituatie en rijwegsituatie aan.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenDoor te sterk afremmen blokkeren de wielen.
De werking van het ABS kan alleen worden gegarandeerd, indien ABS is ingeschakeld.
ABS ingeschakeld laten om de beschermende functie te gebruiken.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet achterwiel kan door de motorremwerking blokkeren.
Trek aan de koppelingshendel wanneer u vol remt, een noodstop maakt of wanneer u op gladde onder-
grond afremt.
Voor het remmen gas terugnemen en tegelijkertijd remmen met de voorwiel- en achterwielrem.
Info
Met ABS kunt u zowel bij een volledige afremming als bij een slecht contact met de ondergrond op
zandige, natte of gladde ondergrond de volledige remkracht gebruiken, zonder het risico te lopen dat
de wielen blokkeren.
8 RIJ-INSTRUCTIES
76
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenSchuine stand of zijdelings afhellende ondergrond vermindert de maximaal
mogelijke vertraging.
Beëindig het remmen indien mogelijk voordat u een bocht inrijdt.
Het remmen moet altijd voor het begin van de bocht zijn afgerond. Schakel daarbij afhankelijk van de snel-
heid naar een lagere versnelling.
Gebruik bij langdurig bergaf rijden de remwerking van de motor. Schakel daarvoor een of twee versnellingen
terug en hierbij de motor niet op een te hoog toerental laten draaien. Zo hoeft u veel minder te remmen en
raakt het remsysteem niet oververhit.
8.8 Stoppen, parkeren
Waarschuwing
Gevaar voor letselOnbevoegd handelende personen vormen een gevaar voor zichzelf en voor anderen.
Laat het voertuig nooit zonder opzicht achter, als de motor loopt.
Beveilig het voertuig tegen gebruik door onbevoegden.
Blokkeer het stuur en verwijder de contactsleutel als u het voertuig onbeheerd achterlaat.
RIJ-INSTRUCTIES 8
77
Waarschuwing
Gevaar voor verbrandingSommige onderdelen van het voertuig worden bij gebruik van het voertuig zeer
heet.
Raak onderdelen zoals uitlaatsysteem, koeler, motor, stootdemper en remsysteem pas aan, als deze
voertuigcomponenten zijn afgekoeld.
Laat de voertuigcomponenten afkoelen voordat u werkzaamheden uitvoert.
Aanwijzing
MateriaalschadeEen onjuiste handelwijze bij parkeren beschadigt het voertuig.
Als het voertuig wegrolt of omvalt, kan aanzienlijke schade ontstaan.
De onderdelen voor parkeren van het voertuig zijn alleen berekend op het voertuiggewicht.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Zorg ervoor dat niemand op het voertuig gaat zitten wanneer het voertuig op de standaard staat.
Aanwijzing
Gevaar voor brandHete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
Motorfiets afremmen.
Versnelling in stationair schakelen.
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de stand draaien.
8 RIJ-INSTRUCTIES
78
Info
Als de motor uitgeschakeld werd met de noodstopschakelaar en het contact op het contactslot inge-
schakeld blijft, wordt de voeding naar de meeste stroomverbruikers niet onderbroken. Daardoor raakt
de 12V-accu leeg. De motor dus altijd met het contactslot uitzetten, de noodstopschakelaar is uitslui-
tend bestemd voor noodsituaties.
Motorfiets parkeren op vaste ondergrond.
Zijstandaard met de voet helemaal naar voren zwenken en met het voertuig belasten.
Het stuur blokkeren, daarvoor het stuur naar links zetten, contactsleutel in de stand omlaag duwen en in de
stand draaien. Om het vastklikken in de stuurblokkering gemakkelijker te maken, het stuur in kleine afstan-
den heen en weer bewegen. Contactsleutel eruit trekken.
8.9 Transport
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Aanwijzing
Gevaar voor brandHete voertuigdelen vormen een brand- en explosiegevaar.
Plaats het voertuig niet in de buurt van licht ontvlambare of explosiegevaarlijke materialen.
Laat het voertuig afkoelen alvorens het te bedekken.
RIJ-INSTRUCTIES 8
79
401448-01
Motor uitzetten en contactsleutel eruit trekken.
Motorfiets met spanriemen of andere geschikte bevestigings-
middelen beveiligen tegen omvallen en wegrollen.
8.10 Brandstof tanken
Gevaar
Gevaar voor brandBrandstof is licht ontvlambaar.
De brandstof in de tank wordt verwarmd zet deze in de brandstoftank uit en kan uit de tank stromen.
Tank het voertuig niet in de buurt van open vuur of brandende sigaretten.
Zet de motor uit, als u brandstof tankt.
Voorkom dat brandstof wordt gemorst, in het bijzonder op hete delen van het voertuig.
Wis eventueel gemorste brandstof onmiddellijk weg.
Neem de gegevens over het tanken van brandstof in acht.
8 RIJ-INSTRUCTIES
80
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Aanwijzing
MateriaalschadeDoor een slechte brandstofkwaliteit vervuilt het brandstoffilter.
In sommige landen en regio's is de beschikbare brandstofkwaliteit en -reinheid eventueel onvoldoende. Dit leidt
tot problemen in het brandstofsysteem.
Tank uitsluitend schone brandstof die aan de aangegeven norm voldoet. (De geautoriseerde KTM-garage is u
graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuOndeskundige omgang met brandstof is gevaarlijk voor het milieu.
Er mag geen brandstof in het grondwater, de bodem of riolering terechtkomen.
RIJ-INSTRUCTIES 8
81
S03345-10
Motor uitzetten.
Tankdop openen. ( pag. 42)
Brandstoftank maximaal tot maat
A
met brandstof vullen.
Voorgeschreven waarde
Maat
A
20 mm
Brandstoftankvolume
totaal ca.
13,5 l Brandstof super
loodvrij (ROZ 95)
( pag. 261)
Tankdop sluiten. ( pag. 44)
9 SERVICESCHEMA
82
9.1 Extra informatie
Voor alle verdergaande werkzaamheden, die resulteren uit de verplichte werkzaamheden resp. de aanbevolen
werkzaamheden, moet een extra opdracht worden verstrekt, die ook apart in rekening wordt gebracht.
Afhankelijk van de lokale gebruiksomstandigheden kunnen in uw land afwijkende service-intervallen gelden.
In het kader van technische ontwikkelingen kunnen intervallen en omvang van afzonderlijke servicebeurten ver-
anderen. Het meest recente serviceschema vindt u altijd op KTM Dealer.net. Uw geautoriseerde KTM-dealer advi-
seert u graag.
9.2 Verplichte werkzaamheden
na ieder gebruik voor sportdoeleinden
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 20.000 km
alle 10.000 km
na 1.000 km
Foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen.
Werking van de elektrische installatie controleren.
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen. ( pag. 218)
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 142)
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 150)
Remschijven controleren. ( pag. 137)
Remkabels controleren op beschadiging en dichtheid.
SERVICESCHEMA 9
83
na ieder gebruik voor sportdoeleinden
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 20.000 km
alle 10.000 km
na 1.000 km
Remvloeistof van de voorwielrem verversen.
Remvloeistof van de achterwielrem verversen.
Vloeistof van de hydraulische koppeling verversen.
Remvloeistofpeil van de voorwielrem controleren. ( pag. 139)
Remvloeistofpeil van de achterwielrem controleren. ( pag. 147)
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling controleren/corrigeren. ( pag. 131)
Vrije slag van het rempedaal controleren. ( pag. 144)
Schokdemper en voorvork controleren op dichtheid. Voorvorkservice en schokdem-
perservice afhankelijk van behoefte en gebruiksdoel uitvoeren.
Vuilschrapers van de vorkpoten reinigen. ( pag. 102)
Speling balhoofdlager controleren.
Bandentoestand controleren. ( pag. 165)
Bandenspanning controleren. ( pag. 169)
Spaakspanning controleren. ( pag. 170)
Velgslag controleren.
9 SERVICESCHEMA
84
na ieder gebruik voor sportdoeleinden
om de 24 maanden
om de 12 maanden
alle 20.000 km
alle 10.000 km
na 1.000 km
Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren.
( pag. 123)
Kettingspanning controleren. ( pag. 119)
Brandstofzeef vervangen.
Bougies vervangen.
Klepspeling controleren.
Antivries en koelmiddelpeil controleren. ( pag. 200)
Kabels controleren op beschadiging en leggen zonder knikken.
Luchtfilter vervangen, luchtfilterbak reinigen.
Brandstofzeef vervangen, brandstofdruk controleren.
Koplampinstelling controleren. ( pag. 193)
Controleren of de radiateurventilator werkt.
Eindcontrole: controleren of het voertuig verkeersveilig is en een proefrit maken.
Na proefrit foutengeheugen met KTM-diagnosetool uitlezen.
Service op KTM Dealer.net invoeren en noteren in het service- & garantieboekje.
Eenmalig interval
Periodiek interval
SERVICESCHEMA 9
85
9.3 Aanbevolen werkzaamheden
na ieder gebruik voor sportdoeleinden
om de 48 maanden
om de 12 maanden
alle 30.000 km
alle 10.000 km
na 1.000 km
Frame controleren.
Achterbrug controleren.
Achterbruglager op speling controleren.
Wiellager op speling controleren.
Alle bewegende onderdelen (bijv. zijstandaard, hendels, ketting enz.) smeren en
controleren of ze gemakkelijk bewegen.
Alle slangen (bijv. brandstof, radiateur, ontluchtings, aftapslangen enz.) en
manchetten controleren op scheuren, dichtheid en correcte legging.
Controleren of de schroeven en moeren goed vastzitten.
Koelmiddel verversen. ( pag. 209)
Eenmalig interval
Periodiek interval
10 CHASSIS AFSTELLEN
86
10.1 Voorvork/schokdemper
S03280-10
Voorvork en schokdemper bieden veel mogelijkheden om het chas-
sis aan te passen aan de rijstijl en extra belading.
Info
De aanbevelingen voor de chassisafstelling zijn samengevat
in tabel
1
. De tabel is aan de onderkant van het bestuur-
derszadel aangebracht.
Deze instelwaarden zijn richtwaarden en vormen altijd slechts de
basis voor een persoonlijke afstelling van het chassis. De instellin-
gen niet willekeurig veranderen, omdat anders de rijeigenschappen
vooral tijdens hoge snelheden kunnen verslechteren.
10.2 Ingaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische ingaande demping bepaalt het gedrag bij het inveren van de voorvork.
CHASSIS AFSTELLEN 10
87
S03274-10
Witte stelschroef
1
tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
De stelschroef
1
bevindt zich aan het bovenste uit-
einde van de linker vorkpoot.
De ingaande demping bevindt zich in de linker
vorkpoot COMP (witte stelschroef). De uitgaande
demping bevindt zich in de rechter vorkpoot REB (rode
stelschroef).
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige last 10 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het inveren.
10 CHASSIS AFSTELLEN
88
10.3 Uitgaande demping voorvork instellen
Info
De hydraulische uitgaande demping bepaalt het gedrag bij het uitveren van de voorvork.
S03275-10
Rode stelschroef
1
tot de aanslag met de klok mee draaien.
Info
De stelschroef
1
bevindt zich aan het bovenste uit-
einde van de rechter vorkpoot.
De uitgaande demping bevindt zich in de rechter
vorkpoot REB (rode stelschroef). De ingaande demping
bevindt zich in de linker vorkpoot COMP (witte
stelschroef).
Afhankelijk van het voorvorktype een aantal klikken tegen de
klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige last 10 klikken
CHASSIS AFSTELLEN 10
89
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
10.4 Ingaande demping schokdemper
De ingaande demping van de schokdemper is verdeeld in twee bereiken: highspeed en lowspeed.
High- en lowspeed hebben betrekking op de snelheid waarmee het achterwiel inveert en niet op de rijsnelheid.
De highspeedinstelling is bijvoorbeeld van invloed bij het rijden over een asfaltrand. Het achterwiel veert daarbij
snel in.
De lowspeedinstelling is bijvoorbeeld van invloed bij het rijden over lange hobbels op de ondergrond. Het achter-
wiel veert daarbij langzaam in.
Beide bereiken kunnen apart worden ingesteld, de overgang tussen high- en lowspeed is echter vloeiend. Daarom
zijn wijzigingen in het highspeedbereik van de ingaande demping ook van invloed op het lowspeedbereik en
omgekeerd.
10.5 Ingaande demping lowspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letselDelen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
10 CHASSIS AFSTELLEN
90
Info
De lowspeedinstelling toont zijn effect wanneer de schokdemper normaal inveert.
S03335-10
Stelschroef
1
met een schroevendraaier met de klok mee
draaien tot de laatste voelbare klik.
Info
Schroef
2
niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping lowspeed
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige last 10 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping.
CHASSIS AFSTELLEN 10
91
10.6 Ingaande demping highspeed van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letselDelen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Info
De highspeedinstelling toont zijn effect wanneer de schokdemper snel inveert.
S03335-11
Stelschroef
1
met een dopsleutel tot de aanslag met de klok
mee draaien.
Info
Schroef
2
niet losdraaien!
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal slagen tegen
de klok in draaien.
10 CHASSIS AFSTELLEN
92
Voorgeschreven waarde
Ingaande demping highspeed
Comfort 2 omw
Standaard 1,5 omw
Sport 1 omw
Volledige nuttige belas-
ting
1 omw
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping.
10.7 Uitgaande demping van de schokdemper instellen
Voorzichtig
Gevaar voor letselDelen van de schokdemper worden rondgeslingerd, als de schokdemper onvakkundig
uit elkaar wordt genomen.
De schokdemper is gevuld met zeer sterk gecomprimeerd stikstof.
Let op de aangegeven beschrijving. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
CHASSIS AFSTELLEN 10
93
601891-10
Stelschroef
1
met de klok mee draaien tot de laatste voel-
bare klik.
Afhankelijk van het schokdempertype een aantal klikken tegen
de klok in draaien.
Voorgeschreven waarde
Uitgaande demping
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige belas-
ting
10 klikken
Info
Draaien met de klok mee verhoogt de demping, draaien
tegen de klok in verlaagt de demping bij het uitveren.
10 CHASSIS AFSTELLEN
94
10.8 Stuurpositie
S02163-10
De boringen op de stuuradapter zijn op afstand
A
van het mid-
den geplaatst.
Afstand boringen
A
3,5 mm
Het stuur kan in 2 verschillende posities worden gemonteerd.
Daardoor is het mogelijk, het stuur in de aangenaamste positie
voor de bestuurder te zetten.
10.9 Stuurpositie instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen gerepareerd stuur vormt een veiligheidsrisico.
Als het stuur werd verbogen of uitgelijnd, treedt materiaalmoeheid op. Hierdoor kan het stuur breken.
Vervang het stuur, als het stuur is verbogen of beschadigd.
CHASSIS AFSTELLEN 10
95
S02164-10
Schroeven
1
verwijderen. Stuurklem demonteren. Stuur ver-
wijderen en opzij leggen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Kabels en leidingen niet knikken.
Schroeven
2
verwijderen. Stuuradapter
3
verwijderen.
Rubberen bussen
4
positioneren en moeren
5
van onderaf
erdoor steken.
Stuuradapter in de gewenste stand zetten.
Info
De stuuradapters zijn aan één zijde langer en hoger.
Stuuradapters links en rechts gelijkmatig positioneren.
Schroeven
2
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuur-
adapter
M10 45 Nm
Loctite
®
243™
10 CHASSIS AFSTELLEN
96
S03332-10
Stuur positioneren.
Info
Erop letten dat de kabels en leidingen correct worden
gelegd.
Stuurklem positioneren.
Schroeven
1
monteren, maar nog niet vastdraaien.
De markering
A
van de stuuradapter is ten opzichte van
de hartlijn
B
van de stuurschaal uitgelijnd.
Stuurklem met schroeven
1
eerst aan de langere, hogere
zijde van de stuuradapters tegen elkaar schroeven.
Schroeven
1
gelijkmatig vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef stuurplaat M8 20 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
97
11.1 Motorfiets met hefbok opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
401942-01
Motorfiets bij de voetsteunhouder opkrikken.
Beide wielen hebben geen contact met de grond.
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
11.2 Motorfiets van hefbok nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
98
401943-10
Motorfiets van hefbok nemen en op zijstandaard
1
zetten.
Hefbok verwijderen.
11.3 Motorfiets met hefbok achter opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
99
402346-01
Adapter in de hefbok achter plaatsen en aan beide zijden in de
achterbrug schroeven.
Montageadapter (69329955010)
Achterwielmontagebok (69329955000)
Motorfiets rechtop zetten, hefbok uitlijnen en motorfiets
opkrikken.
11.4 Motorfiets van hefbok achter nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
100
401943-10
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
Hefbok achter verwijderen en voertuig op de zijstandaard
1
plaatsen.
11.5 Motorfiets met hefbok voor opkrikken
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 98)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
101
402344-01
Hoofdwerk
Stuur in de rechtuitstand zetten. Hefbok vooraan met de adap-
ters uitlijnen op de vorkpoten.
Voorwiel-hefbok klein (61129965000)
Info
Motorfiets altijd eerst achter opkrikken.
Motorfiets voor opkrikken.
11.6 Motorfiets van hefbok voor nemen
Aanwijzing
Gevaar voor beschadigingHet geparkeerde voertuig kan wegrollen of omvallen.
Zet het voertuig op een stevige en vlakke ondergrond.
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
102
312029-10
Motorfiets beveiligen tegen omvallen.
Hefbok voor verwijderen.
11.7 Vuilschrapers vorkpoten reinigen
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 97)
Voorvorkprotector demonteren. ( pag. 104)
L00350-10
Hoofdwerk
Vuilschrapers
1
van beide vorkpoten naar beneden schuiven.
Info
De vuilschrapers schrapen stof en grof vuil van de bin-
nenpoot af. In de loop van de tijd kan er vuil achter te
vuilschrapers terechtkomen. Als deze vervuiling niet
wordt verwijderd, kunnen de daarachter liggende olie-
keerringen gaan lekken.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
103
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven
vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreini-
gingsmiddel.
Vuilschrapers en de binnenpoten aan beide vorkpoten reinigen
en smeren met olie.
Universele oliespray ( pag. 266)
Vuilschrapers terugduwen in de inbouwpositie.
Overtollige olie verwijderen.
Nawerk
Voorvorkprotector monteren. ( pag. 104)
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 97)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
104
11.8 Voorvorkprotector demonteren
S03276-10
Schroeven
1
verwijderen en klem verwijderen.
Schroeven
2
aan linker vorkpoot verwijderen. Voorvorkprotec-
tor verwijderen.
Schroeven
2
aan rechter vorkpoot verwijderen. Voorvorkpro-
tector verwijderen.
11.9 Voorvorkprotector monteren
S03276-11
Linker voorvorkprotector positioneren. Schroeven
1
monteren
en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
ven chassis
M6 10 Nm
Remkabel, kabelboom en klem positioneren. Schroeven
2
monteren en vastdraaien.
Rechter voorvorkprotector positioneren. Schroeven
1
monte-
ren en vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
105
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
ven chassis
M6 10 Nm
11.10 Vorkpoten ontluchten
Voorwerk
Motorfiets met hefbok opkrikken. ( pag. 97)
S03333-10
Hoofdwerk
Ontluchtingsschroeven
1
losdraaien.
Als de druk te hoog is, dan verdwijnt de overtollige druk
uit de binnenruimte van de voorvork.
Ontluchtingsschroeven vastdraaien.
Info
Aan beide vorkpoten uitvoeren.
Nawerk
Motorfiets van hefbok nemen. ( pag. 97)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
106
11.11 Zadel verwijderen
S03336-10
Aan de lus
1
trekken en het zadel achter optillen.
Zadel naar achteren trekken en naar boven toe verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
107
11.12 Zadel monteren
S03282-10
Zadel met uitsteeksels
1
aan de bussen
2
vasthaken, achter neerlaten en tegelijkertijd naar voren schui-
ven.
Vergrendelingsbout
3
in het slothuis
4
plaatsen en zadel achter omlaag duwen tot de vergrendelingsbout
hoorbaar vastklikt.
Controleren of het zadel correct is gemonteerd.
11.13 Boordgereedschap demonteren
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
108
S03285-10
Hoofdwerk
Zijbekleding links in het bereik
A
uit de rubberbus trekken.
Zijbekleding links in het bereik
B
naar boven uit de rubber-
bus trekken.
Zijbekleding links naar voor verwijderen.
Boordgereedschapsvak openen en boordgereedschap
1
ver-
wijderen.
11.14 Boordgereedschap opbergen
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
109
S03288-10
Hoofdwerk
Boordgereedschap in het boordgereedschapsvak opbergen.
Zijbekleding links met de uitsteeksels
1
aan de bussen
2
positioneren en naar achteren en in het achterste bereik naar
beneden schuiven.
Zijbekleding in het bereik
A
in de rubberbus
3
drukken.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 107)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
110
11.15 Zijbekleding verwijderen
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
S03283-10
Hoofdwerk
Zijbekleding links in het bereik
A
uit de rubberbus trekken.
Zijbekleding links in het bereik
B
naar boven uit de rubber-
bus trekken.
Zijbekleding links naar voor verwijderen.
Werkstappen aan de tegenoverliggende zijde herhalen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
111
11.16 Zijbekleding monteren
S03288-10
Hoofdwerk
Zijbekleding links met de uitsteeksels
1
aan de bussen
2
positioneren en naar achteren en in het achterste bereik naar
beneden schuiven.
Zijbekleding links in het bereik
A
in de rubberen bus
3
drukken.
Werkstappen aan de tegenoverliggende zijde herhalen.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 107)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
112
11.17 Spatbord voor demonteren
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 187)
S03291-10
Hoofdwerk
Schroeven
1
verwijderen.
Schroeven
2
verwijderen en spatbord weghalen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
113
11.18 Spatbord voor monteren
S03292-10
Hoofdwerk
Spatbord voor positioneren. Schroeven
1
monteren en vast-
draaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
ven chassis
M6 10 Nm
Schroeven
2
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
ven chassis
M6 10 Nm
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 188)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 193)
11.19 Luchtfilter demonteren
Voorwerk
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
114
S03338-10
Hoofdwerk
Schroeven
1
verwijderen.
Bovendeel
2
luchtfilterbak verwijderen.
S03339-10
Aanwijzing
MotorschadeOngefilterde aanzuiglucht heeft een negatief
effect op de levensduur van de motor.
Zonder luchtfilter dringen stof en vuil in de motor.
Gebruik het voertuig nooit zonder luchtfilter.
Luchtfilter
3
verwijderen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
115
11.20 Luchtfilter monteren
S03340-10
Hoofdwerk
Luchtfilterbak reinigen.
Luchtfilter
1
monteren.
Info
Het luchtfilter moet met het volledige
afdichtingvlak
A
op het luchtfilterbak liggen.
Wanneer het luchtfilter niet correct gemonteerd is, kun-
nen stof en vuil in de motor dringen en schade veroor-
zaken.
Bovendeel luchfilterbak
2
voor aan de luchtfilterbak vastha-
ken en naar beneden zwenken.
S03338-11
Schroeven
3
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef
luchtfilterbak-
bovendeel
M6 2 Nm
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
116
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 107)
11.21 Kettingvervuiling controleren
400678-01
Ketting controleren op grove vervuiling.
» Als de ketting erg vuil is:
Ketting reinigen. ( pag. 116)
11.22 Ketting reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenSmeermiddel op de banden vermindert de grip van de banden.
Verwijder smeermiddel met een geschikt reinigingsmiddel van de banden.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
117
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De levensduur van de ketting is voor een groot deel afhankelijk van het onderhoud.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 98)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
118
400725-01
Hoofdwerk
Grove vervuiling afspoelen met een zachte waterstraal.
Verbruikte smeerresten met een kettingreiniger verwijderen.
Kettingreinigingsmiddel ( pag. 265)
Na het drogen kettingspray aanbrengen.
Kettingspray Street ( pag. 265)
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 99)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
119
11.23 Kettingspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
Controleer de kettingspanning regelmatig.
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
120
S02193-10
Motorfiets op zijstandaard zetten.
Versnelling in stationair schakelen.
Ketting in afstand
B
van het glijblok omhoog duwen en de
kettingspanning
A
bepalen.
Info
Het bovenste deel van de ketting
C
moet daarbij
gespannen zijn.
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
Kettingspanning 5 mm
Afstand van glijblok 30 mm
» Als de kettingspanning niet overeenkomt met de voorge-
schreven waarde:
Kettingspanning instellen. ( pag. 121)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
121
11.24 Kettingspanning instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenEen verkeerde kettingspanning beschadigt componenten en leidt tot ongevallen.
Als de ketting te strak gespannen is, sluiten de ketting, het ketting-aandrijfwiel, het kettingwiel alsmede
transmissie- en achterwiellagers sneller. Sommige componenten kunnen bij overbelasting scheuren of
breken.
Als de ketting te los is, kan de ketting van het ketting-aandrijfwiel of van het kettingwiel vallen. Hierdoor
blokkeert het achterwiel of wordt de motor beschadigd.
Controleer de kettingspanning regelmatig.
Stel de kettingspanning in zoals voorgeschreven.
Voorwerk
Kettingspanning controleren. ( pag. 119)
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
122
101989-10
Hoofdwerk
Moer
1
losdraaien.
Moeren
2
losdraaien.
Kettingspanning door het draaien van de stelschroeven
3
links en rechts instellen.
Voorgeschreven waarde
Kettingspanning 5 mm
Stelschroeven
3
links en rechts zo draaien, dat de mar-
keringen aan de linker en rechter kettingspanner
4
in
dezelfde positie staan t.o.v. referentiemarkeringen
C
. Zo
is het achterwiel correct uitgelijnd.
Info
Het bovenste deel van de ketting moet daarbij gespan-
nen zijn.
De ketting slijt niet altijd gelijkmatig. Daarom de
meting op verschillende plekken van de ketting
herhalen.
Moeren
2
vastdraaien.
Controleren of de kettingspanners
4
tegen de stelschroe-
ven
3
liggen.
Moer
1
vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
123
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter M25x1,5 90 Nm
11.25 Ketting, kettingwiel, ketting-aandrijfwiel en kettinggeleiding controleren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 98)
100132-10
Hoofdwerk
Versnelling in stationair schakelen.
Ketting, kettingwiel en ketting-aandrijfwiel op slijtage controle-
ren.
» Als ketting, kettingwiel of ketting-aandrijfwiel versleten
zijn:
Aandrijfset vervangen.
Info
Ketting-aandrijfwiel, kettingwiel en ketting moe-
ten altijd samen worden vervangen.
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
124
400987-10
Aan het bovenste deel van de ketting met het aangegeven
gewicht
A
trekken.
Voorgeschreven waarde
Gewicht voor meting van de
kettingslijtage
15 kg
De afstand
B
van 18 kettingschakels aan het onderste deel
van de ketting meten.
Info
Kettingen slijten niet altijd gelijkmatig, daarom moet
de meting op verschillende plekken van de ketting wor-
den herhaald.
Maximale afstand
B
van
18 kettingschakels op het
langste stuk van de ketting
272 mm
»
Als de afstand
B
groter is dan de aangegeven maat:
Aandrijfset vervangen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
125
Info
Als een nieuwe ketting wordt gemonteerd,
moeten ook het kettingwiel en het
ketting-aandrijfwiel worden vervangen.
Nieuwe kettingen slijten sneller op een oud,
versleten kettingwiel of ketting-aandrijfwiel.
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
126
S02194-01
Glijblok op slijtage controleren.
» Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op
dezelfde hoogte of onder het bovenste glijblok bevindt:
Glijblok vervangen.
Controleren of het glijblok goed vastzit.
» Als het glijblok loszit:
Schroeven van het glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef
bovenste
glijblok
M6 8 Nm
Loctite
®
243™
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
127
S02195-01
Onderste glijblok op slijtage controleren.
» Als de onderkant van de bout aan de ketting zich op
dezelfde hoogte of onder onderste glijblok bevindt:
Onderste glijblok vervangen.
Controleren of het onderste glijblok goed vastzit.
» Als het onderste glijblok loszit:
Schroef van het onderste glijblok vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef onderste
glijblok
M8 15 Nm
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
128
400985-01
Kettinggeleiding controleren op slijtage.
Info
De slijtage is herkenbaar aan de voorkant van de ket-
tinggeleiding.
» Wanneer het lichtgekleurde deel van de kettinggeleiding is
versleten:
Kettinggeleiding vervangen.
601884-01
Controleren of de kettinggeleiding goed vastzit.
» Als de kettinggeleiding loszit:
Schroeven van de kettinggeleiding vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende
schroeven chassis
M6 10 Nm
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 99)
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
129
11.26 Kettinggeleiding instellen
S00080-10
Schroeven
1
en
2
verwijderen. Kettinggeleiding afnemen.
Voorwaarde
Aantal tanden: 44 tanden
Moer
3
in boring
A
steken. Kettinggeleiding positione-
ren.
Schroeven
1
en
2
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kettingge-
leiding
M6 8 Nm
Voorwaarde
Aantal tanden: 45 tanden
Moer
3
in boring
B
steken. Kettinggeleiding positione-
ren.
Schroeven
1
en
2
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef kettingge-
leiding
M6 8 Nm
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
130
11.27 Uitgangspositie koppelingshendel instellen
102009-10
Uitgangspositie van de koppelingshendel met de
stelschroef
1
aanpassen aan de grootte van de hand.
Info
Niet instellen tijdens het rijden.
Koppelingshendel naar voor drukken en aan het stelwiel
draaien.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Bij het instellen van de koppelingshendel een minimale
afstand tot de andere onderdelen van het voertuig aanhouden.
Voorgeschreven waarde
Minimale afstand 5 mm
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
131
11.28 Vloeistofpeil hydraulische koppeling controleren/corrigeren
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
11 SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS
132
Info
Het vloeistofpeil stijgt naarmate de koppelingsplaten zijn versleten.
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtin-
gen en koppelingskabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Het aan het stuur gemonteerde voorraadreservoir van de
hydraulische koppeling in een horizontale positie zetten.
S03341-10
Schroeven
1
verwijderen.
Deksel
2
met membraan
3
verwijderen.
Vloeistofpeil controleren.
Vloeistofpeil lager dan
bovenkant van reservoir
4 mm
» Als het vloeistofpeil niet overeenkomt met de voorgeschre-
ven waarde:
Vloeistofpeil van de hydraulische koppeling corrigeren.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 263)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en
vastdraaien.
SERVICEWERKZAAMHEDEN CHASSIS 11
133
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
12 REMSYSTEEM
134
12.1 Antiblokkeersysteem (ABS)
H01077-10
De ABSunit
1
bestaat uit een hydraulische unit,
ABSbesturingsunit en retourpomp, en is onder het zadel
gemonteerd. Er bevindt zich een wieltoerentalsensor
2
aan het
voor- en achterwiel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVeranderingen aan het voertuig
beperken de functie van het ABS.
Laat het achterwiel bij vastgehouden voorwielrem
alleen doordraaien (burn out) als het ABS is
uitgeschakeld en nooit op de openbare weg.
Breng geen wijzigingen aan de veerweg aan.
Gebruik bij het remsysteem uitsluitend door KTM vrij-
gegeven en aanbevolen reserveonderdelen.
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen
banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
Neem de aangegeven bandenspanning in acht.
Zorg ervoor dat servicewerkzaamheden en reparaties
vakkundig worden uitgevoerd. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 12
135
Het ABS is een veiligheidssysteem dat het blokkeren en wegglij-
den van de wielen tijdens het remmen binnen de fysische grenzen
verhindert.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenRijhulpvoorzieningen kunnen
ongevallen alleen binnen de fysieke grenzen verhinderen.
Extreme rijsituaties zoals bagage met hoog zwaartepunt,
wisselende straatoppervlakken, steile hellingen of hard
remmen zonder ontkoppelen kunnen niet altijd worden
gecompenseerd.
Pas het rijgedrag aan de toestand van de rijweg en uw
rijvaardigheden aan.
Het ABS werkt met twee onafhankelijk van elkaar werkende rem-
circuits (voorwiel- en achterwielrem). Bij normaal rijden werkt het
remsysteem als een conventioneel remsysteem zonder ABS. Pas
wanneer de ABS-besturingsunit de blokkeerneiging van een wiel
herkent, begint het ABS door het regelen van de remdruk te wer-
ken. De regeling is merkbaar aan een licht pulserende remhendel
resp. licht pulserend rempedaal.
Het ABSwaarschuwingslampje
3
moet na het inschakelen van
de ontsteking gaan branden en uitgaan wanneer het voertuig
begint te rijden. Als het lampje na het beginnen met rijden niet
uitgaat of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een fout in
12 REMSYSTEEM
136
het ABS. Het ABS is dan niet meer actief en de wielen kunnen bij
het remmen blokkeren. Het remsysteem zelf blijft gewoon werken,
alleen de ABS-regeling valt uit.
Het ABSwaarschuwingslampje kan ook gaan branden als in
extreme rijsituaties het toerental van het voor- en achterwiel
sterk van elkaar afwijken, bijvoorbeeld bij een wheelie of als het
achterwiel doordraait. Daardoor wordt het ABS uitgeschakeld.
Om het ABS weer te activeren, moet het voertuig worden
gestopt en de ontsteking uitgeschakeld. Als u weer met het
voertuig gaat rijden, wordt ook het ABS weer geactiveerd. Het
ABSwaarschuwingslampje gaat dan uit, als het voertuig begint te
rijden.
Met de knop
3
kan ABS worden uitgeschakeld (zie starten).
Info
De motorfiets beschikt aanvullend over een 5D-sensor.
Door de 5D-sensor is de ABS-regeling afhankelijk van de
knik- en hellingshoek, waardoor blokkeren en wegglijden
van de wielen bij het remmen in schuine stand (bochten)
binnen de fysische grenzen kan worden voorkomen.
REMSYSTEEM 12
137
12.2 Uitgangspositie van de remhendel instellen
S03289-10
Uitgangspositie van de remhendel met het stelwiel
1
aan de
grootte van de hand aanpassen.
Info
Niet instellen tijdens het rijden.
Remhendel naar voren duwen en stelwiel draaien.
Het instelbereik is beperkt.
Stelschroef alleen met de hand draaien, geen geweld
gebruiken.
Bij het instellen van de remhendel een minimale afstand tot
de andere onderdelen van het voertuig aanhouden.
Voorgeschreven waarde
Minimale afstand 5 mm
12.3 Remschijven controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVersleten remschijven verminderen de remwerking.
Zorg ervoor dat versleten remschijven onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde KTM-garage
is u graag van dienst.)
12 REMSYSTEEM
138
100135-10
Dikte van de remschijven voor en achter op meerdere plekken
van de remschijf op de maat
A
controleren.
Info
Door slijtage vermindert de dikte van de remschijf in
het bereik van het raakvlak
1
van de remplaketten.
Remschijven - slijtagegrens
voor 4,0 mm
achter 4,5 mm
» Als de dikte van de remschijven onder de voorgeschreven
waarde ligt.
Remschijf vervangen.
Remschijven voor en achter op beschadiging, scheuren en ver-
vorming controleren.
» Als de remschijf beschadigd, gescheurd of vervormd is:
Remschijf vervangen.
REMSYSTEEM 12
139
12.4 Remvloeistofpeil voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsys-
teem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ver-
verst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
102010-10
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizon-
taal zetten.
Remvloeistofpeil op het kijkglas controleren.
»
Als het remvloeistofpeil onder de markering
A
is gedaald:
Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen.
( pag. 140)
12 REMSYSTEEM
140
12.5 Remvloeistof van de voorwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de aangegeven markering of de aangegeven waarde daalt, is het remsys-
teem ondicht of zijn de remplaketten versleten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
REMSYSTEEM 12
141
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ver-
verst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtin-
gen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
Remplaketten van de voorwielrem controleren. ( pag. 142)
Hoofdwerk
Het aan het stuur gemonteerde remvloeistofreservoir horizon-
taal zetten.
12 REMSYSTEEM
142
S03342-10
Schroeven
1
verwijderen.
Deksel
2
met membraan
3
verwijderen.
Remvloeistof tot maat
A
bijvullen.
Voorgeschreven waarde
Maat
A
(remvloeistofpeil
lager dan bovenkant reser-
voir)
5 mm
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 263)
Deksel met membraan positioneren. Schroeven monteren en
vastdraaien.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
12.6 Remplaketten voorwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVersleten remvoeringen verminderen de remwerking.
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 12
143
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBeschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hier-
door vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
Controleer de remplaketten regelmatig.
M01575-10
Remplaketten op minimale plaketdikte
A
controleren.
Minimale plaketdikte
A
1 mm
» Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
» Als er beschadigingen of scheuren zijn:
Remplaketten van de voorwielrem vervangen.
12 REMSYSTEEM
144
12.7 Vrije slag rempedaal controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsys-
teem druk op de achterwielrem op.
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
402027-10
Rempedaal tussen eindaanslag en voetremcilinderzuiger heen
en weer bewegen en vrije slag
A
controleren.
Voorgeschreven waarde
Vrije slag rempedaal 3 … 5 mm
Info
Het raken van de voetremcilinderzuiger is te merken
aan de grotere weerstand bij het intrappen van het rem-
pedaal.
» Als de vrije slag niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
Uitgangspositie van het rempedaal instellen.
( pag. 145)
REMSYSTEEM 12
145
12.8 Uitgangspositie van het rempedaal instellen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij oververhitting.
Als er aan het rempedaal voor de achterwielrem geen vrije slag aanwezig is, bouwt zich in het remsys-
teem druk op de achterwielrem op.
Stel de vrije slag aan de hendel voor het rempedaal op de voorgeschreven wijze in.
12 REMSYSTEEM
146
101991-10
Schroeven
3
aan voetremcilinder
4
losdraaien.
Voor de individuele aanpassing van de uitgangspositie van het
rempedaal moer
1
losdraaien en schroef
2
draaien.
Info
Het instelbereik is beperkt. De schroef moet ten minste
vier slagen in de voetsteunhouder zijn geschroefd.
Voetremcilinder
4
zo positioneren, dat er een vrije slag van
het rempedaal is.
Schroefverbindingen
3
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef rempedaalci-
linder
M6 10 Nm
Vrije slag van het rempedaal controleren. ( pag. 144)
Moer
1
vastdraaien.
REMSYSTEEM 12
147
12.9 Remvloeistofpeil achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaket-
ten versleten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ver-
verst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
S03343-10
Voertuig rechtop zetten.
Remvloeistofpeil van het remvloeistofreservoir controleren.
»
Als het vloeistofpeil de MIN-markering
1
heeft bereikt:
Remvloeistof van de achterwielrem bijvullen.
( pag. 148)
12 REMSYSTEEM
148
12.10 Remvloeistof achterwielrem bijvullen
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenHet remsysteem valt uit bij onvoldoende onderhoud.
Als het remvloeistofpeil onder de MIN-markering daalt, is het remsysteem ondicht of zijn de remplaket-
ten versleten.
Controleer het remsysteem en rij pas verder, als het probleem is opgelost. (De geautoriseerde KTM-
garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
HuidirritatiesRemvloeistof veroorzaakt huidirritaties.
Bewaar remvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Voorkom contact van remvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als remvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en een arts opzoeken, als accugassen in de
ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er remvloeistof op is gekomen.
REMSYSTEEM 12
149
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenTe oude remvloeistof vermindert de remwerking.
Controleer of de remvloeistof van de voor- en achterrem overeenkomstig het serviceschema wordt ver-
verst. (De geautoriseerde KTM-garage is u graag van dienst.)
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Nooit remvloeistof DOT 5 gebruiken. Deze is gebaseerd op siliconenolie en is purper gekleurd. Afdichtin-
gen en remkabels zijn niet geschikt voor remvloeistof DOT 5.
Ervoor zorgen dat de remvloeistof niet in aanraking komt met gelakte onderdelen, omdat remvloeistof lak
aantast.
Uitsluitend schone remvloeistof uit een gesloten verpakking gebruiken.
Voorwerk
Remplaketten van de achterwielrem controleren. ( pag. 150)
12 REMSYSTEEM
150
S03344-10
Hoofdwerk
Voertuig rechtop zetten.
Schroefdop
1
met ring en membraan
2
verwijderen.
Remvloeistof tot MAX-markering vullen.
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1 ( pag. 263)
Schroefdop met ring en membraan monteren.
Info
Overgelopen of gemorste remvloeistof meteen met
water afspoelen.
12.11 Remplaketten achterwielrem controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVersleten remvoeringen verminderen de remwerking.
Zorg ervoor dat versleten remvoeringen onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
REMSYSTEEM 12
151
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBeschadigde remschijven verminderen de remwerking.
Als de remplaketten te laat worden vervangen, slepen de stalen plakethouders tegen de remschijf. Hier-
door vermindert de remwerking aanmerkelijk en worden de remschijven onherstelbaar beschadigd.
Controleer de remplaketten regelmatig.
101994-10
Remplaketten op minimale plaketdikte
A
controleren.
Minimale plaketdikte
A
1 mm
» Als de plaket dunner is dan de minimale plaketdikte:
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
Remplaketten controleren op beschadiging en scheuren.
» Als er beschadigingen of scheuren zijn:
Remplaketten van de achterwielrem vervangen.
13 WIELEN, BANDEN
152
13.1 Voorwiel demonteren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 98)
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. ( pag. 100)
101995-10
Hoofdwerk
Schroef
1
verwijderen en wieltoerentalsensor
2
uit de
boring trekken.
Schroeven
3
en afstandsbussen
4
verwijderen.
Remplaketten terugduwen op de remschijf door het remzadel
licht naar de zijkant te kantelen.
Remzadel voorzichtig naar achteren van de remschijf trekken
en opzij hangen.
Info
Remhendel bij verwijderde remzadels niet bedienen.
WIELEN, BANDEN 13
153
101996-10
Schroef
5
enkele slagen losdraaien.
Schroeven
6
losdraaien.
Op de schroef
5
drukken om de steekas uit de asopname te
schuiven.
Schroef
5
verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBeschadigde remschijven ver-
minderen de remwerking.
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
Voorwiel vasthouden en steekas eruit trekken. Voorwiel uit de
voorvork nemen.
H00934-12
Afstandsbussen
7
verwijderen.
13 WIELEN, BANDEN
154
13.2 Voorwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
H00935-10
Hoofdwerk
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
» Als het wiellager beschadigd of versleten is:
Wiellager voor vervangen.
Keerringen
1
en loopvlakken
A
van de afstandsbussen rei-
nigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 265)
Afstandsbussen erin zetten.
WIELEN, BANDEN 13
155
101997-10
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet ( pag. 265)
Voorwiel in voorvork tillen, positioneren en steekas erin zetten.
Schroef
2
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef steekas voor M24x1,5 45 Nm
Wieltoerentalsensor
3
in de boring positioneren.
Schroef
4
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoeren-
talsensor
M6 6 Nm
Remzadel op de remschijf positioneren.
De remplaketten zijn correct gepositioneerd.
Afstandsbussen
5
positioneren. Schroeven
6
monteren,
maar nog niet vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remza-
del voor
M10x1,25 45 Nm
Loctite
®
243™
Remhendel meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
Remhendel ingedrukt vastzetten.
Het remzadel richt zich.
13 WIELEN, BANDEN
156
Schroeven
6
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef remza-
del voor
M10x1,25 45 Nm
Loctite
®
243™
Vastzetting van de remhendel verwijderen.
101999-10
Motorfiets van hefbok voor nemen. ( pag. 101)
Voorwielrem bedienen en voorvork enkele keren krachtig inve-
ren.
De vorkpoten worden uitgelijnd.
Schroeven
7
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef asopname M8 15 Nm
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 99)
13.3 Achterwiel demonteren
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 98)
WIELEN, BANDEN 13
157
R05230-10
Hoofdwerk
Remkabel uit de geleiding verwijderen.
102000-10
Remzadel met de hand naar de remschijf duwen om de rem-
zuiger naar achteren te drukken.
Schroef
1
verwijderen en wieltoerentalsensor
2
uit de
boring trekken.
Moer
3
verwijderen. Kettingspanner
4
verwijderen.
Steekas
5
zover eruit trekken, dat de kettingspanner niet
meer tegen de stelschroef ligt.
13 WIELEN, BANDEN
158
102001-01
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting van
het kettingwiel verwijderen.
Info
Componenten door afdekken tegen beschadiging
beschermen.
Achterwiel vasthouden en steekas verwijderen.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenBeschadigde remschijven ver-
minderen de remwerking.
Leg het wiel altijd zodanig neer dat de remschijf
niet wordt beschadigd.
Achterwiel uit de achterbrug nemen.
Info
Rempedaal niet intrappen als het achterwiel is gede-
monteerd.
WIELEN, BANDEN 13
159
R04972-10
Afstandsbus
6
verwijderen.
13.4 Achterwiel monteren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOlie of vet op de remschijven vermindert de remwerking.
Houd de remschijven steeds olie- en vetvrij.
Reinig de remschijven indien nodig met remreinigingsmiddel.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNa montage van het achterwiel remt de achterwielrem eerst niet.
Bedien de voetrem meerdere keren voor begin van de rit tot een vast drukpunt voelbaar is.
Hoofdwerk
Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren.
( pag. 163)
13 WIELEN, BANDEN
160
T02509-10
Wiellager controleren op beschadiging en slijtage.
» Als het wiellager beschadigd of versleten is:
Wiellager achter vervangen.
Keerring
1
en loopvlak
A
van de afstandsbus reinigen en
invetten.
Duurzaam vet ( pag. 265)
Afstandsbus erin zetten.
WIELEN, BANDEN 13
161
M01388-10
Schroefdraad van de steekas en moer
2
reinigen en invetten.
Duurzaam vet ( pag. 265)
Steekas reinigen en licht invetten.
Duurzaam vet ( pag. 265)
Demperpakking en kettingwieldrager in het achterwiel monte-
ren.
Achterwiel positioneren.
Remplaketten zijn correct gepositioneerd.
Achterwiel zo ver mogelijk naar voren schuiven en ketting op
het kettingwiel leggen.
Steekas
3
en kettingspanner
4
monteren. Moer
2
monte-
ren, maar nog niet vastdraaien.
Controleren of de kettingspanners
4
tegen de stelschroe-
ven
5
liggen.
Voorgeschreven waarde
De markeringen op de kettingspanners moeten links en
rechts in dezelfde positie ten opzichte van de referentiemar-
keringen
B
staan. Zo is het achterwiel correct uitgelijnd.
Info
Kettingspanners
4
links en rechts in dezelfde uitlij-
ning monteren.
13 WIELEN, BANDEN
162
Moer
2
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Moer steekas achter M25x1,5 90 Nm
Wieltoerentalsensor
6
in de boring positioneren.
Schroef
7
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef wieltoeren-
talsensor
M6 6 Nm
R05230-10
Remkabel in de geleiding positioneren.
Rempedaal meerdere keren bedienen tot de remplaketten
tegen de remschijf liggen en er een drukpunt aanwezig is.
Nawerk
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 99)
Kettingspanning controleren. ( pag. 119)
WIELEN, BANDEN 13
163
13.5 Demperpakkingen van de achterwielnaaf controleren
Info
De kracht van de motor wordt door het kettingwiel via 6 demperpakkingen overgebracht op het achterwiel.
Deze slijten tijdens het rijden. Als de demperpakkingen niet op tijd worden vervangen, worden de ketting-
wielhouder en de achterwielnaaf beschadigd.
Voorwerk
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 98)
Achterwiel demonteren. ( pag. 156)
102004-10
Hoofdwerk
Lager
1
controleren.
» Als het lager beschadigd of versleten is:
Lager van de kettingwieldrager vervangen.
Demperpakkingen
2
van de achterwielnaaf controleren op
beschadiging en slijtage.
» Als de demperpakkingen van de achterwielnaaf beschadigd
of versleten zijn:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervan-
gen.
13 WIELEN, BANDEN
164
102005-10
Achterwiel met het kettingwiel omhoog op een werkbank leg-
gen en de steekas in de wielnaaf steken.
Om de speling
A
te controleren, het achterwiel vasthouden
en proberen het kettingwiel met de hand te draaien.
Info
De speling wordt gemeten aan de buitenkant van het
kettingwiel.
Speling demperpakkingen
achterwiel
5 mm
»
Als de speling
A
groter is dan de voorgeschreven waarde:
Alle demperpakkingen van de achterwielnaaf vervan-
gen.
Nawerk
Achterwiel monteren. ( pag. 159)
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 99)
Kettingspanning controleren. ( pag. 119)
WIELEN, BANDEN 13
165
13.6 Bandentoestand controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenAls een band tijdens de rit lek raakt, wordt het voertuig oncontroleerbaar.
Zorg ervoor dat beschadigde of versleten banden onmiddellijk worden vervangen. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
Waarschuwing
Gevaar voor vallenVerschillende profielen van voor- en achterwiel beïnvloeden het rijgedrag.
Verschillende profielen kunnen de controle over het voertuig aanzienlijk moeilijker maken.
Zorg ervoor dat voor- en achterwiel steeds van banden met hetzelfde profiel zijn voorzien.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNiet-vrijgegeven of aanbevolen banden en wielen bemoeilijken het rijgedrag.
Gebruik alleen door KTM vrijgegeven en aanbevolen banden en wielen met de juiste snelheidsindex.
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenNieuwe banden hebben minder grip.
Bij nieuwe banden is het loopvlak nog niet opgeruwd.
De nieuwe banden met een gematigde rijstijl en afwisselende schuine stand inrijden.
Inrijfase 200 km
13 WIELEN, BANDEN
166
Info
Het type, de toestand en de spanning van de banden zijn van invloed op het rijgedrag van de motorfiets.
Versleten banden hebben vooral bij natte ondergrond een slechte invloed op het rijgedrag.
400602-10
Voor- en achterbanden controleren op insnijdingen, voorwerpen
die tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten en beschadi-
gingen.
» Als er insnijdingen of beschadigingen zijn of als er voorwer-
pen tijdens het rijden in de band zijn gaan zitten:
Banden vervangen.
Profieldiepte controleren.
Info
Neem de minimale profieldiepte volgens de nationale
wetgeving in acht.
Minimale profieldiepte 2 mm
» Als de profieldiepte lager is dan de minimale waarde:
Banden vervangen.
WIELEN, BANDEN 13
167
H01144-10
Leeftijd van de banden controleren.
Info
De productiedatum van de banden staat meestal op het
opschrift van de banden en wordt met de laatste vier
cijfers van de DOT aanduiding gekenmerkt. De eerste
twee cijfers wijzen op de week van de productie en de
laatste twee cijfers op het productiejaar.
KTM adviseert uiterlijk na vijf jaar de banden te vervan-
gen, onafhankelijk van de daadwerkelijke slijtage.
» Als de band ouder is dan vijf jaar:
Banden vervangen.
13 WIELEN, BANDEN
168
13.7 Bandensysteem zonder binnenbanden
301978-10
Bij dit voertuig wordt een bandensysteem zonder binnenbanden
gebruikt, waarbij de velgband
1
de normale binnenband ver-
vangt.
De voordelen van een systeem zonder binnenbanden is dat er geen
risico bestaat op een defecte binnenband. Daarmee is ook het
risico op een plotseling spanningsverlies sterk verminderd.
De massa's of de massatraagheidsmomenten zijn kleiner dan bij
conventionele spaakwielen met binnenband. Dat resulteert in een
verbetering van de hanteerbaarheid en het comfort.
Het spaakwiel is door de stijve velgconstructie vrijwel onderhouds-
vrij.
KTM raadt aan velgafdichtrubber uiterlijk na 5 jaar te vervangen,
ongeacht de daadwerkelijke slijtage.
WIELEN, BANDEN 13
169
13.8 Bandenspanning controleren
Info
Te lage bandenspanning leidt tot buitengewone slijtage en oververhitting van de band.
Een goede bandenspanning garandeert een optimaal rijcomfort en een maximale levensduur van de band.
400695-01
Beschermkap verwijderen.
Bandenspanning controleren als de banden koud zijn.
Bandenspanning Solo
voor 2,3 bar
achter 2,5 bar
Bandenspanning met passagier / volledige nuttige belasting
voor 2,3 bar
achter 2,5 bar
» Als de bandenspanning niet met de voorgeschreven waarde
overeenkomt:
Bandenspanning corrigeren.
Beschermkap monteren.
13 WIELEN, BANDEN
170
13.9 Spaakspanning controleren
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVerkeerd gespannen spaken beïnvloeden het rijgedrag nadelig en leiden tot
gevolgschade.
Als de spaken te vast zijn gespannen, barsten de spaken door overbelasting. Als de spaken te los zijn
gespannen, ontstaat een zij- of hoogteslag in het wiel. Hierdoor komen andere spaken ook los te zitten.
Controleer de spaakspanning regelmatig, in het bijzonder bij een nieuw voertuig. (De geautoriseerde
KTM-garage is u graag van dienst.)
400694-01
Kort met het handvat van een schroevendraaier op elke spaak
slaan.
Info
De toonfrequentie is afhankelijk van de spaaklengte en
van de spaakdiameter.
Wanneer er verschillende toonfrequenties hoorbaar zijn
bij spaken met gelijke lengte en dikte, duidt dat op ver-
schillende spaakspanningen.
De toon moet helder zijn.
» Wanneer de spaakspanning verschillend is:
Spaakspanning corrigeren.
WIELEN, BANDEN 13
171
13.10 Gebruik van bandenreparatiespray
H03319-01
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenOnjuist gebruik van bandenrepara-
tiespray leidt tot drukverlies bij de gerepareerde band.
Niet elke beschadiging kan met bandenreparatiespray
worden gerepareerd.
Lees de aanwijzingen en richtlijnen van de fabrikant
van de bandenreparatiespray.
Rijd langzaam en voorzichtig wanneer u een band met
bandenreparatiespray hebt gerepareerd.
Rijd hoogstens naar de dichtstbijzijnde garage en laat
de band vervangen.
Een reparatie met bandenreparatiespray mag alleen in noodgeval-
len worden uitgevoerd.
Het wordt aanbevolen om het defecte voertuig naar de dichtstbij-
zijnde werkplaats te vervoeren in plaats van het te repareren.
14 ELEKTRONICA
172
14.1 12V-accu demonteren
Waarschuwing
Gevaar voor letselAccuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Voorwerk
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
ELEKTRONICA 14
173
S03290-10
Hoofdwerk
Motorelektronica-besturingsunit
1
van de houder trekken en
opzij leggen.
S03293-10
Schroeven
2
verwijderen.
Houderplaat naar voren trekken en verwijderen.
Minkabel
3
van de 12V-accu loskoppelen.
Pluspoolafdekking
4
verwijderen.
14 ELEKTRONICA
174
S03294-10
ABS-aansluitkabel
5
en pluskabel
6
van de 12V-accu los-
koppelen.
12V-accu naar boven toe verwijderen.
Info
Motorfiets nooit met een lege 12V-accu of zonder 12V-
accu gebruiken. In beide gevallen kunnen elektrische
componenten en veiligheidsvoorzieningen beschadigd
raken. Het voertuig is dan niet meer verkeersveilig.
14.2 12V-accu monteren
S03294-01
Hoofdwerk
12V-accu met de polen naar achteren in het accuvak plaatsen.
12V-accu (YTZ10S) ( pag. 250)
ELEKTRONICA 14
175
S03295-10
Ring
1
, pluskabel
2
en ABS-aansluitkabel
3
positione-
ren.
Schroef
4
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool M6 4,5 Nm
S03296-10
Pluspoolafdekking
5
positioneren.
Ring
6
en minkabel
7
positioneren, schroef monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef accupool M6 4,5 Nm
Houderplaat
8
positioneren en schroeven
9
monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Resterende schroe-
ven chassis
M6 10 Nm
14 ELEKTRONICA
176
S03297-10
Motorelektronica-besturingsunit
bk
positioneren.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 107)
Tijd instellen. ( pag. 47)
ELEKTRONICA 14
177
14.3 12V-accu laden
Waarschuwing
Gevaar voor letselAccuzuur en accugassen kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
Bewaar 12V-accu’s buiten het bereik van kinderen.
Geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril dragen.
Vermijd contact met accuzuur en accugassen.
Vonken of open vuur uit de buurt van de 12V-accu houden.
Laad 12V-accu’s uitsluitend op in goed geventileerde ruimtes.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens 15 minuten met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als accuzuur of
accugas in de ogen is gekomen.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieu12V-accu’s bevatten voor het milieu schadelijke stoffen.
Gooi 12V-accu’s niet bij het huishoudelijk afval.
Geef 12V-accu’s af bij een verzamelpunt voor oude accu’s.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
14 ELEKTRONICA
178
Info
Ook als de 12V-accu niet wordt belast verliest hij dagelijks aan lading.
De laadtoestand en de wijze van laden zijn erg belangrijk voor de levensduur van de 12V-accu.
Snel laden met een hogere laadstroom heeft een negatief effect op de levensduur.
Als de laadstroom, laadspanning en laadtijd worden overschreden ontsnapt er elektrolyt via de veiligheids-
kleppen. Daardoor verliest de 12V-accu aan capaciteit.
Als de 12V-accu leeg is gestart, moet hij meteen weer worden opgeladen.
Bij langere stilstand in lege toestand treden er diepteontlading en sulfatie op, waardoor de 12V-accu wordt
vernield.
De 12V-accu is onderhoudsvrij, dat betekent dat het zuurniveau niet hoeft te worden gecontroleerd.
Voorwerk
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
12V-accu demonteren. ( pag. 172)
ELEKTRONICA 14
179
S01013-10
Hoofdwerk
Acculader met 12V-accu verbinden. Acculader inschakelen.
Acculader (58429074000)
Met deze acculader kunt u ook de rustspanning en het start-
vermogen van de 12V-accu en dynamo testen. Bovendien kan
met dit apparaat de 12V-accu niet worden overladen.
Info
Deksel
1
nooit verwijderen.
12V-accu laden met maximaal 10% van de capaciteit,
die op het accuhuis
2
is aangegeven.
Acculader na het laden uitschakelen en van de 12V-accu los-
koppelen.
Voorgeschreven waarde
Laadstroom, laadspanning en laadtijd mogen niet worden
overschreden.
12V-accu regelmatig bijla-
den als de motorfiets niet
wordt gebruikt
3 maanden
Nawerk
12V-accu monteren. ( pag. 174)
Zadel monteren. ( pag. 107)
Tijd instellen. ( pag. 47)
14 ELEKTRONICA
180
14.4 Hoofdzekering vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brandVerkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Met de hoofdzekering worden alle stroomverbruikers van het voertuig gezekerd. Deze bevindt zich in de
behuizing van het startrelais naast de 12V-accu.
Voorwerk
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
ELEKTRONICA 14
181
S03298-10
Hoofdwerk
Beschermkappen
1
verwijderen.
S03299-10
Defecte hoofdzekering
2
met een punttang verwijderen.
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken
smeltdraad
A
.
In het startrelais bevindt zich een reservezekering
3
.
Nieuwe hoofdzekering plaatsen.
Zekering (58011109130) ( pag. 251)
Info
Nieuwe reservezekering in het startrelais plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
Werking van de elektrische installatie controleren.
Beschermkappen erop steken.
14 ELEKTRONICA
182
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 107)
Tijd instellen. ( pag. 47)
14.5 Zekeringen ABS vervangen
Waarschuwing
Gevaar voor brandVerkeerde zekeringen overbelasten de elektrische installatie.
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven ampère-waarde.
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Info
Twee zekeringen voor het ABS bevinden zich onder het zadel. Met deze twee zekeringen zijn de
retourpomp en de hydraulische unit van het ABS afgezekerd. De derde zekering, waarmee de
ABS-besturingsunit is afgezekerd bevindt zich in het zekeringenblok.
Voorwerk
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
Motorelektronica-besturingsunit van de houder trekken en opzij
leggen.
Houderplaat verwijderen.
ELEKTRONICA 14
183
S03300-10
Zekering hydraulische ABS-unit vervangen:
Beschermkap
1
verwijderen en zekering verwijderen.
Nieuwe zekering plaatsen.
Zekering (58011109115) ( pag. 251)
Beschermkap monteren.
S03300-11
Zekering ABS-retourpomp vervangen:
Beschermkap
2
verwijderen en zekering verwijderen.
Nieuwe zekering plaatsen.
Zekering (58011109125) ( pag. 251)
Beschermkap monteren.
Nawerk
Houderplaat monteren.
Motorelektronica-besturingsunit positioneren.
Zadel monteren. ( pag. 107)
14 ELEKTRONICA
184
14.6 Zekeringen afzonderlijke stroomverbruikers vervangen
Info
Het zekeringenblok met de zekeringen van de afzonderlijke stroomverbruikers bevindt zich onder het
zadel.
Voorwerk
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
Zadel verwijderen. ( pag. 106)
S03301-10
Hoofdwerk
Zekeringenblokdeksel
1
openen.
ELEKTRONICA 14
185
S03302-01
Defecte zekering verwijderen.
Voorgeschreven waarde
Zekering 1 - 10 A - contact, gecombineerd instrument, klok,
motorelektronica-besturingsunit
Zekering 2 - 10 A - contact, gecombineerd instrument,
motorelektronica-besturingsunit
Zekering 3 - 10 A - brandstofpomp
Zekering 4 - 10 A - radiateurventilator
Zekering 5 - 10 A - claxon, remlicht, richtingaanwijzer
Zekering 6 - 15 A - groot licht, dimlicht, zijlicht, achterlicht,
nummerplaatverlichting
Zekering 7 - 10 A - voor extra apparatuur ACC 1 (constant
plus)
Zekering 8 - 10 A - voor extra apparatuur ACC 2 (ontste-
kingsplus), USB-laadaansluiting
Zekering 9 - 10 A - ABS
Zekering 10 - geen functie
Zekering SPARE - 10 A/15 A - reservezekeringen
Info
Een defecte zekering heeft een gebroken
smeltdraad
A
.
14 ELEKTRONICA
186
Waarschuwing
Gevaar voor brandVerkeerde zekeringen overbelasten
de elektrische installatie.
Gebruik alleen zekeringen met de voorgeschreven
ampère-waarde.
Overbrug of repareer geen zekeringen.
Voldoende sterke reservezekering plaatsen.
Zekering (75011088010) ( pag. 251)
Zekering (75011088015) ( pag. 251)
Tip
Nieuwe reservezekering in het zekeringenblok plaatsen,
zodat u er een bij u hebt als het nodig is.
De werking van de stroomverbruikers controleren.
Zekeringenblokdeksel sluiten.
Nawerk
Zadel monteren. ( pag. 107)
ELEKTRONICA 14
187
14.7 Koplampkap met koplamp demonteren
Ontsteking uitschakelen, daarvoor de contactsleutel in de
stand draaien.
S03303-10
Spatbord met een doek afdekken.
Schroeven
1
aan beide zijden verwijderen.
Koplampkap naar voren kantelen.
S03304-10
Stekkerverbinding
2
van de koplamp lostrekken.
Koplampkap verwijderen.
14 ELEKTRONICA
188
14.8 Koplampkap met koplamp monteren
S03304-11
Hoofdwerk
Stekkerverbinding
1
van de koplamp verbinden.
Controleren of de verlichting werkt.
S03305-10
Doek van spatbord verwijderen, koplampkap positioneren.
Koplampkap wordt in het spatbord bij de bussen
2
bevestigd.
ELEKTRONICA 14
189
S03303-12
Koplampkap positioneren.
Info
Op de ligging van de remkabel letten.
Schroeven
3
monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef koplampkap M5 5 Nm
Nawerk
Koplampinstelling controleren. ( pag. 193)
14.9 Lamp koplamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflectorVet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 187)
14 ELEKTRONICA
190
S03306-10
Hoofdwerk
Stekker
1
loskoppelen.
Beschermkap
2
van de lamp van de koplamp verwijderen.
S03307-10
Veerbeugel
3
losmaken.
Lamp koplamp
4
verwijderen.
Nieuwe lamp in de koplampbehuizing steken.
Koplamp (H4 / sokkel P43t) ( pag. 251)
Lamp met veerbeugel in koplamp vastzetten.
Beschermkap monteren. Stekker verbinden.
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 188)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 193)
ELEKTRONICA 14
191
14.10 Zijlichtlamp vervangen
Aanwijzing
Beschadiging van de reflectorVet op de reflector vermindert de lichtsterkte.
Vet op het lichtpeertje van de gloeilamp verdampt door de hitte en zet zich af op de reflector.
Reinig en ontvet het lichtpeertje voor de montage.
Het lichtpeertje niet met blote handen aanraken.
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 187)
S03308-10
Hoofdwerk
Lampfitting
1
verwijderen.
14 ELEKTRONICA
192
S03309-10
Zijlichtlamp
2
uit de fitting trekken.
Nieuwe zijlichtlamp in de fitting steken.
Zijlicht (W5W / sokkel W2,1x9,5d) ( pag. 251)
Fitting in reflector plaatsen.
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 188)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 193)
ELEKTRONICA 14
193
14.11 Koplampinstelling controleren
400726-10
Voertuig op een horizontale ondergrond voor een lichte muur
zetten en in de hoogte van het midden van de koplamp een
markering aanbrengen.
Nog een markering aanbrengen op een afstand
B
onder de
eerste markering.
Voorgeschreven waarde
Afstand
B
5 cm
Voertuig op afstand
A
rechtop voor de muur zetten.
Voorgeschreven waarde
Afstand
A
5 m
Nu gaat de bestuurder, eventueel met bagage en passagier op
de motorfiets zitten.
Dimlicht inschakelen.
Koplampinstelling controleren.
De grens tussen licht en donker moet bij een gebruiksklare
motorfiets met bestuurder, eventueel met bagage en passa-
gier, precies op de onderste markering liggen.
» Als de grens tussen licht en donker niet aan de specifica-
ties voldoet:
Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen.
( pag. 194)
14 ELEKTRONICA
194
14.12 Lichtbundelbreedte van de koplamp instellen
Voorwerk
Koplampinstelling controleren. ( pag. 193)
S03310-10
Hoofdwerk
Schroef
1
losdraaien.
Door zwenken van de koplamp de lichtbundelbreedte instellen.
Voorgeschreven waarde
De grens tussen licht en donker moet bij een rijklare motor-
fiets met bestuurder precies op de onderste markering lig-
gen (aangebracht bij koplampstand controleren).
Info
Bij extra belading kan er een correctie van de lichtbun-
delbreedte van de koplamp nodig zijn.
Schroef
1
vastdraaien.
14.13 Batterij gecombineerd instrument vervangen
Voorwerk
Koplampkap met koplamp demonteren. ( pag. 187)
ELEKTRONICA 14
195
S03312-10
Hoofdwerk
Kabelbinder
1
verwijderen.
Stekkerverbinding
2
loskoppelen.
Schroeven
3
verwijderen.
14 ELEKTRONICA
196
S03313-10
Beschermkap
4
met een munt tot de aanslag tegen de klok
in draaien en verwijderen.
Batterij gecombineerd instrument
5
verwijderen.
Nieuwe batterij van gecombineerd instrument met het
opschrift naar boven plaatsen.
Accu gecombineerde instrument (CR 2430) ( pag. 251)
Controleren of de keerring van de beschermkap correct zit.
S03314-10
Beschermkap
4
positioneren en met een munt tot de aanslag
met de klok mee draaien.
Een willekeurige knop op het gecombineerde instrument
indrukken.
Het gecombineerde instrument wordt geactiveerd.
Gecombineerd instrument in houder positioneren.
Schroeven met ringen monteren en vastdraaien.
Stekkerverbinding
2
verbinden.
Kabelboom positioneren en met kabelbinders
1
vastzetten.
Nawerk
Koplampkap met koplamp monteren. ( pag. 188)
Koplampinstelling controleren. ( pag. 193)
Kilometer of mijl instellen. ( pag. 46)
Tijd instellen. ( pag. 47)
ELEKTRONICA 14
197
14.14 USBaansluiting
S03315-10
Aan de linkerkant van de koplampkap bevindt zich een
USB-aansluiting
1
voor de voedingsspanning van externe
apparaten.
De USB-aansluiting wordt ingeschakeld met het contact.
USBaansluiting
Spanning 5 V
Maximale
stroomopname
2,1 A
14.15 ACC1 en ACC2
S03334-10
Inbouwlocatie
De voedingen ACC1
1
en ACC2
2
bevinden zich achter de
koplampkap.
Info
De voedingen zijn met een zekering beveiligd. Deze zeke-
ring beveiligt echter ook nog andere verbruikers.
De maximale continue belasting is daarom duidelijk gerin-
ger dan de waarde van de zekering.
In geen geval een sterkere zekering gebruiken.
14 ELEKTRONICA
198
14.16 Diagnosestekker
S02147-10
De diagnosestekker
1
bevindt zich onder de motorelektronica-
besturingsunit.
KOELSYSTEEM 15
199
15.1 Koelsysteem
102013-10
Door de waterpomp
1
in de motor vindt er een gedwongen circu-
latie van het koelmiddel plaats.
De druk die bij verwarming in het koelsysteem ontstaat wordt gere-
geld door een klep in de radiateurdop
2
. Door de uitzetting door
warmte stroomt het overtollige koelmiddel naar het compensatie-
reservoir
3
. Als de temperatuur daalt wordt dit koelmiddel weer
teruggezogen in het koelsysteem. Daardoor is de aangegeven koel-
middeltemperatuur toegestaan zonder dat er met functiestoringen
rekening moet worden gehouden.
125 °C
400407-10
Koeling vindt plaats door de rijwind en een radiateurventilator
4
die afhankelijk van de temperatuur wordt ingeschakeld.
Hoe lager de snelheid, hoe lager de koelwerking. Ook vervuilde
koelribben verlagen de koelwerking.
15 KOELSYSTEEM
200
15.2 Antivries en koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componen-
ten van het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koel-
vloeistof in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
KOELSYSTEEM 15
201
S03316-10
Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
Deksel van het compensatiereservoir
1
verwijderen.
Antivries van het koelmiddel controleren.
25 45 °C
» Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met
de voorgeschreven waarde:
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir controleren.
Het koelmiddelpeil moet zich tussen de twee markeringen
bevinden.
» Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorge-
schreven waarde:
Koelmiddelpeil corrigeren.
Koelmiddel ( pag. 261)
Deksel van het compensatiereservoir monteren.
15 KOELSYSTEEM
202
S03317-10
Radiateurdop
2
verwijderen.
Antivries van het koelmiddel controleren.
25 45 °C
» Als de antivries van het koelmiddel niet overeenkomt met
de voorgeschreven waarde:
Antivries van het koelmiddel corrigeren.
Koelmiddelpeil in de radiateur controleren.
De radiateur moet volledig gevuld zijn.
» Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorge-
schreven waarde:
Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies
vaststellen.
Koelmiddel ( pag. 261)
Radiateurdop monteren.
KOELSYSTEEM 15
203
15.3 Koelmiddelpeil controleren
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componen-
ten van het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koel-
vloeistof in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
Voorwaarden
Motor is koud.
15 KOELSYSTEEM
204
S03316-10
Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
Koelmiddelpeil in het compensatiereservoir
1
controleren.
Het koelmiddelpeil moet zich tussen de twee markeringen
bevinden.
» Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorge-
schreven waarde:
Koelmiddelpeil corrigeren.
Koelmiddel ( pag. 261)
S03317-10
Radiateurdop
2
verwijderen en koelmiddelpeil in de radia-
teur controleren.
De radiateur moet volledig gevuld zijn.
» Als het koelmiddelpeil niet overeenkomt met de voorge-
schreven waarde:
Koelmiddelpeil corrigeren en oorzaak van het verlies
vaststellen.
Koelmiddel ( pag. 261)
Radiateurdop monteren.
KOELSYSTEEM 15
205
15.4 Koelmiddel aftappen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componen-
ten van het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koel-
vloeistof in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
15 KOELSYSTEEM
206
K00402-10
Motorfiets rechtop zetten.
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
Schroef
1
verwijderen. Radiateurdop verwijderen.
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
Schroef
1
met nieuwe afdichtring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef aftapbo-
ring waterpomp
M10x1 15 Nm
15.5 Koelsysteem vullen/ontluchten
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koel-
vloeistof in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
KOELSYSTEEM 15
207
E00522-10
Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
Radiateurdop
1
verwijderen.
S03318-10
Koelmiddel vullen.
Koelmiddel ( pag. 261)
Radiateur helemaal met koelmiddel vullen.
Radiateurdop
1
monteren.
15 KOELSYSTEEM
208
S03316-11
Dop van compensatiereservoir verwijderen.
Koelmiddel tot de markering
A
bijvullen.
Deksel van het compensatiereservoir monteren.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg heb-
ben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en warm laten draaien.
Motor uitzetten en laten afkoelen.
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 203)
KOELSYSTEEM 15
209
15.6 Koelmiddel verversen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenKoelmiddel wordt bij gebruik van de motorfiets zeer heet en staat onder druk.
Open noch de koeler, de koelerslangen noch andere componenten van het koelsysteem, als de motor
of het koelsysteem bedrijfswarm zijn.
Laat het koelsysteem en de motor afkoelen, alvorens de koeler, de koelerslangen of andere componen-
ten van het koelsysteem te openen.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingKoelmiddel is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Bewaar koelvloeistof buiten het bereik van kinderen.
Voorkom contact van koelvloeistof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als koelvloeistof werd ingeslikt.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als koel-
vloeistof in de ogen is gekomen.
Wissel uw kleding, als er koelvloeistof op is gekomen.
15 KOELSYSTEEM
210
K00402-10
Hoofdwerk
Motorfiets rechtop zetten.
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
Schroef
1
met afdichtring verwijderen.
S03318-11
Radiateurdop
2
verwijderen.
Koelmiddel volledig laten uitlopen.
KOELSYSTEEM 15
211
K00402-10
Schroef
1
met nieuwe afdichtring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef aftapbo-
ring waterpomp
M10x1 15 Nm
S03318-11
Motorfiets op een horizontale ondergrond op de zijstandaard
zetten.
Koelmiddel vullen.
Koelmiddel 1,20 l Koelmiddel
( pag. 261)
Radiateur helemaal met koelmiddel vullen.
Radiateurdop
2
monteren.
15 KOELSYSTEEM
212
S03316-12
Deksel
3
van het compensatiereservoir verwijderen.
Koelmiddel tot de bovenste markering bijvullen.
Deksel van het compensatiereservoir monteren.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg heb-
ben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en warm laten draaien.
Motor uitzetten en laten afkoelen.
Nawerk
Koelmiddelpeil controleren. ( pag. 203)
MOTOR AFSTELLEN 16
213
16.1 Rijmodus wijzigen
Info
De gewenste rijmodus kan via de knop MAP van de combinatieschakelaar worden gewijzigd.
De laatst geselecteerde instelling is na opnieuw starten weer actief.
De rijmodus kan ook tijdens het rijden worden gewijzigd.
H02886-01
Voorwaarde
Gashendel gesloten.
Knop MAP indrukken, tot de led de gewenste rijmodus aan-
geeft. De rijmodus 1 komt overeen met ROAD en de rijmo-
dus 2 komt overeen met SPORT.
ROAD Uitgebalanceerde respons
SPORT Directe respons
Info
De rijmodus heeft alleen invloed op de gasrespons.
Het gehomologeerde vermogen staat in beide rij-
modi ter beschikking.
In de rijmodus 2 laat de tractiecontrole meer slip en
stijgen van het voorwiel toe.
16 MOTOR AFSTELLEN
214
16.2 Tractiecontrole instellen
Info
De tractiecontrole wordt bij het inschakelen van het contact geactiveerd.
De tractiecontrole verlaagt het motorkoppel bij tractieverlies aan het achterwiel.
Als de tractiecontrole uitgeschakeld is, kan het achterwiel bij sterke acceleratie of op oppervlakken met
een lage hechting doordraaien gevaar voor vallen.
De tractiecontrole kan ook tijdens het rijden worden ingesteld.
De tractiecontrole kan pas worden gedeactiveerd als eerst een minimumsnelheid is bereikt en de zelftest
is beëindigd.
H02885-01
Tractiecontrole deactiveren:
Voorwaarde
Gashendel gesloten.
Rijsnelheid voor deactivering: 4 km/h
Knop TC 5 seconden ingedrukt houden.
De TC-led brandt als de tractiecontrole is gedeacti-
veerd.
Tractiecontrole activeren:
Voorwaarde
Gashendel gesloten.
Knop TC 5 seconden ingedrukt houden.
De TC-led brandt niet als de tractiecontrole is
geactiveerd.
MOTOR AFSTELLEN 16
215
Info
Als het TC-controlelampje en beide rijmodus-
lampjes gelijktijdig branden, is een fout in de
tractiecontrole herkend. Contact opnemen met
geautoriseerde KTM-garage.
16.3 Uitgangspositie versnellingshendel controleren
Info
De versnellingshendel mag bij het rijden in de uitgangspositie niet tegen de laars liggen.
Als de versnellingshendel steeds tegen de laars ligt, wordt de aandrijving te veel belast en kunnen storin-
gen van de quickshifter (optioneel) optreden.
400692-10
In de rijpositie op het voertuig gaan zitten en de afstand
A
tussen de bovenkant van de laars en de versnellingshendel
meten.
Afstand versnellingshendel
tot bovenkant laars
10 … 20 mm
» Als de afstand niet overeenkomt met de voorgeschreven
waarde:
Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen.
( pag. 216)
16 MOTOR AFSTELLEN
216
16.4 Uitgangspositie van de versnellingshendel instellen
401950-12
Schroef
1
met ringen verwijderen en versnellingshendel
2
eraf halen.
401951-10
Vertanding
A
van versnellingshendel en schakelas reinigen.
Versnellingshendel
2
in de gewenste positie op de schakelas
steken en de tanden laten grijpen.
Info
Het instelbereik is beperkt.
De versnellingshendel mag bij het schakelen de voer-
tuigcomponenten niet raken.
Schroef
1
met ringen monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef versnel-
lingshendel
M6 14 Nm
Loctite
®
243™
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
217
17.1 Motoroliepeil controleren
Info
Het motoroliepeil moet worden gecontroleerd als de motor warm is.
Voorwaarden
Motor is warm.
Voorwerk
Motorfiets verticaal zetten op een horizontale ondergrond.
C00182-10
Hoofdwerk
Motoroliepeil controleren.
Info
Na het uitzetten van de motor een minuut wachten en
dan pas controleren.
De motorolie moet tussen de onder- en de bovenrand van
het kijkglas liggen.
» Als het motoroliepeil niet in het aangegeven bereik ligt:
Motorolie bijvullen. ( pag. 224)
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
218
17.2 Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reinigen
Waarschuwing
Gevaar voor brandwondenMotor- en cardanolie wordt tijdens bedrijf van de motorfiets zeer heet.
Draag geschikte beschermende kleding en een veiligheidsbril.
Houd bij verbranding het desbetreffende deel onmiddellijk onder lauwwarm water.
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
De motorolie bij een warme motor aftappen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
219
S02210-10
Geschikt reservoir onder de motor plaatsen.
Olieaftapschroef
1
met magneet en afdichtring verwijderen.
Motorolie volledig laten uitlopen.
S02209-01
Olieaftapschroef met magneet grondig reinigen.
Olieaftapschroef met magneet en pakkingring monteren en
vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Olieaftapschroef met
magneet
M12x1,5 20 Nm
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
220
S03320-10
Schroeven
2
verwijderen. Oliefilterdeksel
3
met keerring
verwijderen.
Oliefilter
4
uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang (51012011000)
S03321-10
Schroeven
5
verwijderen. Oliefilterdeksel
6
met keerring
verwijderen.
Oliefilter
7
uit het oliefilterhuis trekken.
Seegerringtang (51012011000)
Motorolie volledig laten uitlopen.
Onderdelen en afdichtvlak grondig reinigen.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
221
S03322-10
Sluitschroef
8
met oliezeef
9
en keerringen verwijderen.
S03323-10
Sluitschroef
bk
met oliezeef
bl
en keerringen verwijderen.
Motorolie volledig laten uitlopen.
Onderdelen en afdichtvlak grondig reinigen.
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
222
S03324-10
Oliezeef
bm
met keerringen positioneren.
Sluitschroef
bn
met keerring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef M20x1,5 15 Nm
S03325-10
Oliezeef
bo
met keerringen positioneren.
Sluitschroef
bp
met keerring monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Sluitschroef oliezeef M20x1,5 15 Nm
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
223
S03326-10
Oliefilters
bq
en
br
erin zetten.
Keerringen van de oliefilterdeksels oliën. Oliefilterdeksel
bs
en
bt
monteren.
Schroeven monteren en vastdraaien.
Voorgeschreven waarde
Schroef oliefilterdop M5 6 Nm
S03327-10
Olievulschroef
ck
met keerring verwijderen en motorolie bij-
vullen.
Motorolie 1,70 l Motorolie
(SAE 10W/50)
( pag. 262)
Olievulschroef
ck
met keerring monteren en vastdraaien.
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
224
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg heb-
ben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
17.3 Motorolie bijvullen
Info
Te weinig motorolie of olie van onvoldoende kwaliteit leidt tot voortijdige slijtage van de motor.
SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR 17
225
H01066-10
Hoofdwerk
Olievulschroef
1
met keerring verwijderen en motorolie bij-
vullen.
Motorolie tot midden van kijkglas bijvullen.
Motorolie (SAE 10W/50) ( pag. 262)
Info
Voor een optimale prestatie van de motorolie wordt aan-
geraden geen verschillende motoroliesoorten te men-
gen.
Wij adviseren de motorolie te verversen, als dat nodig
is.
Olievulschroef
1
met keerring monteren en vastdraaien.
Gevaar
Gevaar voor vergiftigingUitlaatgassen zijn giftig en
kunnen bewusteloosheid en/of de dood tot gevolg heb-
ben.
Zorg bij gebruik van de motor steeds voor
voldoende ventilatie.
Gebruik een geschikte uitlaatgasafzuiging als u de
motor in een gesloten ruimte start of laat draaien.
Motor starten en controleren op lekkage.
17 SERVICEWERKZAAMHEDEN MOTOR
226
Nawerk
Motoroliepeil controleren. ( pag. 217)
REINIGING, ONDERHOUD 18
227
18.1 Motorfiets reinigen
Aanwijzing
MateriaalschadeDoor verkeerd gebruik van een hogedrukreiniger worden componenten beschadigd of onbruik-
baar.
Het water dringt door de hoge druk in de elektrische componenten, stekkers, bowdenkabels, lagers etc.
Te hoge druk veroorzaakt storingen en maakt componenten onbruikbaar.
Richt de waterstraal niet direct op elektrische componenten, stekkers, bowenkabels of lagers.
Een minimale afstand tussen de sproeier van de hogedrukreiniger en de component aanhouden.
Minimale afstand 60 cm
Aanwijzing
Gevaar voor het milieuProbleemstoffen veroorzaken schade aan het milieu.
Voer olie, vet, filters, brandstof, reinigingsmiddel, remvloeistof e.d. op de correcte en voorgeschreven
wijze af.
Info
Reinig de motorfiets regelmatig, zo blijven de waarde en het uiterlijk gedurende langere tijd behouden.
Directe zonnestralen op de motorfiets tijdens het reinigen vermijden.
18 REINIGING, ONDERHOUD
228
401061-01
Uitlaatsysteem afsluiten om het indringen van water te voorko-
men.
Grove vervuiling eerst met een zachte waterstraal verwijderen.
Sterk vervuilde plekken met een normale in de handel verkrijg-
bare motorfietsreiniger inspuiten en met een kwastje behande-
len.
Motorfietsreiniger ( pag. 266)
Info
Warm water met een in de handel verkrijgbare motor-
fietsreiniger en een zachte spons gebruiken.
Motorfietsreiniger nooit op het droge voertuig aanbren-
gen, altijd eerst met water afspoelen.
Als u met het voertuig door strooizout bent gereden,
moet hij in koud water worden gereinigd. Warm water
versterkt de zoutwerking.
Nadat de motorfiets grondig met een zachte waterstraal is
afgespoeld moet hij goed worden gedroogd.
Afsluiting van het uitlaatsysteem verwijderen.
REINIGING, ONDERHOUD 18
229
Waarschuwing
Gevaar voor ongevallenVocht en vuil beïnvloeden het
remsysteem nadelig.
Rem meerdere keren voorzichtig om de remplaket-
ten en remschijven te drogen en vuil te verwijde-
ren.
Na de reiniging een kort stuk rijden, totdat de motor de rijtem-
peratuur heeft bereikt.
Info
Door de warmte verdampt het water ook op de niet toe-
gankelijke plaatsen van de motor en het remsysteem.
Beschermkappen van de stuurarmaturen terugschuiven, zodat
het ingedrongen water kan verdampen.
Na het afkoelen van de motorfiets alle glij- en lagerpunten
smeren.
Ketting reinigen. ( pag. 116)
Blank metalen onderdelen (met uitzondering van de remschij-
ven en het uitlaatsysteem) met antiroestmiddel behandelen.
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
( pag. 265)
18 REINIGING, ONDERHOUD
230
Alle gelakte onderdelen behandelen met een onderhoudsmid-
del voor lakken.
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
( pag. 266)
Info
In de leveringstoestand matte kunststofonderdelen
niet polijsten, omdat de materiaalkwaliteit anders sterk
beperkt wordt.
Alle kunststof onderdelen en geëloxeerde onderdelen behande-
len met een mild reinigings- en verzorgingsmiddel.
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal-
en kunststofvlakken ( pag. 266)
Contact- en stuurslot smeren.
Universele oliespray ( pag. 266)
REINIGING, ONDERHOUD 18
231
18.2 Controle en onderhoud voor rijden in de winter
Info
Als de motorfiets ook in de winter wordt gebruikt, moet er rekening worden gehouden met strooizout op de
wegen. Daarom moeten er voorzorgsmaatregelen worden genomen tegen het agressieve strooizout.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet het voertuig grondig met koud water worden gereinigd en
goed worden gedroogd. Warm water versterkt de zoutwerking.
401060-01
Motorfiets reinigen. ( pag. 227)
Remsysteem reinigen.
Info
Na IEDERE rit op wegen met strooizout de remzadels en
remplaketten, in afgekoelde en gemonteerde toestand,
grondig met koud water reinigen en goed laten drogen.
Na het rijden op met zout bestrooide wegen moet de
motorfiets grondig met koud water worden gereinigd en
goed worden gedroogd.
Motor, achterbrug en alle overige blanke of verzinkte onderde-
len (m.u.v. de remschijven) worden behandeld met een anti-
roestmiddel op wasbasis.
18 REINIGING, ONDERHOUD
232
Info
Er mag geen antiroestmiddel op de remschijven
terechtkomen omdat daardoor de remwerking sterk
wordt verminderd.
Ketting reinigen. ( pag. 116)
STALLING 19
233
19.1 Stalling
Waarschuwing
Gevaar voor vergiftigingBrandstof is giftig en schadelijk voor de gezondheid.
Voorkom contact van brandstof met de huid, de ogen of kleding.
Raadpleeg onmiddellijk een arts, als brandstof werd ingeslikt.
Adem geen brandstofdampen in.
Bij contact met de huid desbetreffende plek onmiddellijk met veel water afspoelen.
Ogen minstens onmiddellijk grondig met water uitspoelen en onmiddellijk een arts opzoeken, als
brandstof in de ogen zijn gekomen.
Wissel uw kleding, als er brandstof op is gekomen.
Bewaar brandstof correct in een geschikt reservoir en buiten het bereik van kinderen.
Info
Als u de motorfiets voor langere tijd niet wilt gebruiken, moet u volgende maatregelen nemen of laten
nemen.
Controleer voordat u de motorfiets gaat stallen eerst of alle onderdelen goed werken en niet zijn versleten.
Als er servicewerkzaamheden, reparaties of wijzigingen nodig zijn, kunt u dat het beste doen tijdens de
overwintering (minder drukte bij de werkplaatsen). Zo voorkomt u lange wachttijden bij aanvang van het
seizoen.
19 STALLING
234
401058-01
Bij het laatste tanken voor het stilleggen van de motorfiets,
brandstofadditief bijmengen.
Brandstofadditief ( pag. 265)
Brandstof tanken. ( pag. 79)
Motorfiets reinigen. ( pag. 227)
Motorolie verversen, oliefilter vervangen en oliezeven reini-
gen. ( pag. 218)
Antivries en koelmiddelpeil controleren. ( pag. 200)
Bandenspanning controleren. ( pag. 169)
12V-accu demonteren. ( pag. 172)
12V-accu laden. ( pag. 177)
Voorgeschreven waarde
Opslagtemperatuur van de
12V-accu zonder blootstel-
ling aan directe zonnestralen
0 … 35 °C
Voertuig stallen op een droge plaats en niet blootstellen aan
grote temperatuurschommelingen.
Info
KTM adviseert de motorfiets op te krikken.
Motorfiets met hefbok achter opkrikken. ( pag. 98)
Motorfiets met hefbok voor opkrikken. ( pag. 100)
STALLING 19
235
De motorfiets afdekken met een luchtdoorlatend dekzeil of een
deken.
Info
In geen geval mogen hiervoor luchtdichte materialen
worden gebruikt, omdat er dan geen vocht kan ontsnap-
pen en er roest ontstaat.
Het is zeer slecht de motor van een gestalde motorfiets
voor korte tijd te laten draaien. Aangezien de motor
daarbij niet voldoende warm wordt, condenseert de
waterdamp die bij de verbranding ontstaat en dit leidt
ertoe dat de ventielen en uitlaatsysteem gaan roesten.
19.2 Inbedrijfname na stalling
401059-01
Motorfiets van hefbok voor nemen. ( pag. 101)
Motorfiets van hefbok achter nemen. ( pag. 99)
12V-accu laden. ( pag. 177)
12V-accu monteren. ( pag. 174)
Tijd instellen. ( pag. 47)
Controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstelling uitvoeren.
( pag. 60)
Een proefrit maken.
20 OPSPOREN VAN FOUTEN
236
Fout Mogelijke oorzaak Maatregel
Motor draait bij het indrukken
van de e-startknop niet door
Bedieningsfouten Werkstappen voor het starten uitvoe-
ren. ( pag. 61)
12V-accu ontladen 12V-accu laden. ( pag. 177)
Ruststroom controleren.
Zekering 1, 2 of 3 doorgesmol-
ten
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
Hoofdzekering gesmolten Hoofdzekering vervangen.
( pag. 180)
Geen massaverbinding aanwe-
zig
Massaverbinding controleren.
Motor draait alleen door als de
koppelingshendel aangetrokken
is
Versnelling is geschakeld Versnelling in stationair schakelen.
Er is een versnelling gescha-
keld en de zijstandaard is uit-
geklapt
Versnelling in stationair schakelen.
Motor draait door, maar springt
niet aan
Bedieningsfouten Werkstappen voor het starten uitvoe-
ren. ( pag. 61)
Zekering 3 doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
Steekverbinding van de brand-
stofleiding niet verbonden
Steekverbinding van de brandstoflei-
ding verbinden.
OPSPOREN VAN FOUTEN 20
237
Fout Mogelijke oorzaak Maatregel
Motor draait door, maar springt
niet aan
Fout in elektronische brand-
stofinspuiting
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Bij starten gashendel bediend Tijdens het starten GEEN gas geven.
Werkstappen voor het starten uitvoe-
ren. ( pag. 61)
Motor heeft te weinig vermogen Luchtfilter sterk vervuild Luchtfilter demonteren.
( pag. 113)
Luchtfilter monteren. ( pag. 115)
Brandstofzeef sterk vervuild Brandstofzeef vervangen.
Brandstoffilter sterk vervuild Brandstofdruk controleren.
Fout in elektronische brand-
stofinspuiting
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Motor wordt overmatig heet Te weinig koelmiddel in koel-
systeem
Koelsysteem controleren op lekkage.
Koelmiddelpeil controleren.
( pag. 203)
Radiateurlamellen sterk ver-
vuild
Radiateurlamellen reinigen.
Schuimvorming in het koelsys-
teem
Koelmiddel aftappen. ( pag. 205)
Koelsysteem vullen/ontluchten.
( pag. 206)
Geknikte of beschadigde radia-
teurslang
Radiateurslang vervangen.
20 OPSPOREN VAN FOUTEN
238
Fout Mogelijke oorzaak Maatregel
Motor wordt overmatig heet Thermostaat defect Thermostaat controleren.
Zekering 4 gesmolten Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
Defect in het ventilatiesysteem
van de radiateur
Ventilatiesysteem radiateur controle-
ren.
Lucht in het koelsysteem Koelsysteem vullen/ontluchten.
( pag. 206)
Controlelampje storing brandt Fout in elektronische brand-
stofinspuiting
Foutengeheugen met
KTM-diagnosetool uitlezen.
Motor gaat uit tijdens het rijden Te weinig brandstof Brandstof tanken. ( pag. 79)
Zekering 1, 2 of 3 doorgesmol-
ten
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
ABS-waarschuwingslampje
brandt
Zekering ABS gesmolten Zekeringen ABS vervangen.
( pag. 182)
Wieltoerental van voor- en ach-
terwiel wijkt sterk af
Stoppen, ontsteking uitschakelen,
opnieuw starten.
Fout in ABS ABS-foutengeheugen uitlezen met
KTM-diagnosetool.
Hoog olieverbruik Slang van de motorontluchting
geknikt
Ontluchtingsslang knikvrij leggen en
indien nodig vervangen.
OPSPOREN VAN FOUTEN 20
239
Fout Mogelijke oorzaak Maatregel
Hoog olieverbruik Motoroliepeil te hoog Motoroliepeil controleren.
( pag. 217)
Vloeibaarheid motorolie te dun
(viscositeit)
Motorolie verversen, oliefilter
vervangen en oliezeven reinigen.
( pag. 218)
Koplamp en parkeerlicht wer-
ken niet
Zekering 6 gesmolten
Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
Knipperlichten, remlicht en
claxon werken niet
Zekering 5 gesmolten Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
Tijd wordt niet meer of niet cor-
rect weergegeven
Zekering 1 doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
Tijd instellen. ( pag. 47)
12V-accu ontladen Ontsteking bij het uitzetten van
de motorfiets niet uitgescha-
keld
12V-accu laden. ( pag. 177)
12V-accu wordt niet opgeladen
door de dynamo
Laadspanning controleren.
Ruststroom controleren.
20 OPSPOREN VAN FOUTEN
240
Fout Mogelijke oorzaak Maatregel
Op de display van het gecom-
bineerde instrument verschijnt
niets
Zekering 1 of 2 doorgesmolten Zekeringen van de afzonderlijke
stroomverbruikers vervangen.
( pag. 184)
Tijd instellen. ( pag. 47)
Snelheidsweergave in het
gecombineerde instrument
werkt niet
Kabelboom voor de snelheidsin-
dicator beschadigd en/of stek-
kerverbinding verroest
Kabelboom en steekverbinding contro-
leren.
TECHNISCHE GEGEVENS 21
241
21.1 Motor
Bouwwijze 1-cilinder 4-takt bezinemotor, gekoeld met vloeistof
Cilinderinhoud 692,7 cm³
Slag 80 mm
Boring 105 mm
Compressie 12,7:1
Stationair toerental
Temperatuur koelmiddel: 70 °C 1.600 ± 50 1/min
Distributie OHC, inlaat met nokvolgers, uitlaat met tuimelaars
bestuurd, aandrijving via ketting
Klepdiameter inlaat 42 mm
Klepdiameter uitlaat 34 mm
Klepspeling koud
Inlaat bij: 20 °C 0,10 … 0,15 mm
Uitlaat bij: 20 °C 0,22 … 0,27 mm
Krukaslagers 2 cilinderrollagers
Drijfstanglager Glijlagers
Zuigerboutlager Zuigerpen met DLC coating
Zuigers Lichtmetaal gesmeed
Zuigerringen 1 compressiering, 1 zuigerring, 1 oliering met spiraal
Motorsmering Semi-dry-sump smering met 2 rotorpompen
21 TECHNISCHE GEGEVENS
242
Primaire overbrenging 36:79
Koppeling APTC™ antihoppingkoppeling in oliebad / hydraulisch
bediend
Versnelling 6 versnellingen met klauwschakeling
Overbrengingsverhouding
1e versnelling 14:35
2e versnelling 16:28
3e versnelling 20:27
4e versnelling 21:23
5e versnelling 23:22
6e versnelling 23:20
Mengselsamenstelling Elektronische brandstofinspuiting
Ontstekingssysteem Contactvrij aangestuurd volledig elektronisch ontste-
kingssysteem met digitale ontstekingsvertraging
Dynamo 12 V, 300 W
Bougie
Binnenste bougie NGK LKAR9BI10
Buitenste bougie NGK LMAR7DI10
Elektrodenafstand bougie 1,0 mm
Radiateur Vloeistofkoeling permanente circulatie koelmiddel
door waterpomp
Starthulp Startmotor, automatische decompressie
TECHNISCHE GEGEVENS 21
243
21.2 Aanhaalmomenten motor
Schroef membraanborging M3 2 Nm
Loctite
®
243™
Olievernevelaar voor drijfstangla-
gersmering
M4 0,8 Nm
Slangklem aanzuigflens M4 2,5 Nm
Overige schroeven motor M5 6 Nm
Schroef axiale zekering van de nok-
kenas
M5 6 Nm
Loctite
®
243™
Schroef dekplaat voor olieretourge-
leiding
M5 6 Nm
Schroef koppelingsveer M5 8 Nm
Schroef lagerborging M5 6 Nm
Loctite
®
243™
Schroef oliefilterdop M5 6 Nm
Schroef oliepompdeksel boven M5 6 Nm
Loctite
®
243™
Schroef versnellingdetectiesensor M5 5 Nm
Loctite
®
243™
Overige schroeven motor M6 10 Nm
Schroef bobine M6 10 Nm
21 TECHNISCHE GEGEVENS
244
Schroef cilinder M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef cilinderkop M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef distributieketting-
geleidingsrail
M6x30 10 Nm
Loctite
®
2701™
Schroef distributieketting-spanrail M6x30 10 Nm
Loctite
®
2701™
Schroef dynamodeksel M6 10 Nm
Schroef dynamodeksel (doorvoer-
boring distributiekettingschacht)
M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef klepdop M6 10 Nm
Schroef koppelingsdeksel M6 10 Nm
Schroef koppelingsnemercilinder M6x20 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef koppelingsnemercilinder M6x35 10 Nm
Schroef krukas-toerentalsensor M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef motorhuis M6 10 Nm
Schroef startmotor M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef stator M6 10 Nm
Loctite
®
243™
TECHNISCHE GEGEVENS 21
245
Schroef thermostaathuis M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef vastzethendel M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef versnellingshendel M6 14 Nm
Loctite
®
243™
Schroef versnellingsvastzetting M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef waterpompdeksel M6 10 Nm
Schroef waterpompwiel M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Oliesproeier voor zuigerkoeling M6x0,75 4 Nm
Loctite
®
243™
Onderdrukaansluiting inlaatkanaal M6x0,75 2,5 Nm
Loctite
®
243™
Moer uitlaatflens M8 20 Nm
Koperpasta
Schroef tuimelaaras M8 15 Nm
Sluitschroef blokkeerschroef M8 15 Nm
Tapeind uitlaatflens M8 10 Nm
Loctite
®
243™
21 TECHNISCHE GEGEVENS
246
Schroef cilinderkop M10 Draaivolgorde:
Diagonaal vastdraaien, beginnen
met de achterste schroef aan de
distributiekettingschacht.
1e niveau
15 Nm
2e niveau
30 Nm
3e niveau
45 Nm
4e niveau
60 Nm
Geolied met motorolie
Bougie buiten M10x1 11 Nm
Oliedrukschakelaar M10x1 10 Nm
Olieleiding voor oliedrukschakelaar M10x1 10 Nm
Schroef ontgrendeling voor distri-
butiekettingspanner
M10x1 10 Nm
Sluitschroef aftapboring water-
pomp
M10x1 15 Nm
Sluitschroef oliekanaal M10x1 15 Nm
Loctite
®
243™
Sluitschroef oliekanaal oliekoeler M10x1 15 Nm
Bougie binnen M12x1,25 18 Nm
Olieaftapschroef met magneet M12x1,5 20 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 21
247
Sluitschroef oliedrukregelklep M12x1,5 20 Nm
Temperatuursensor koelvloeistof
aan de cilinderkop
M12x1,5 12 Nm
Sluitschroef oliekanaal M14x1,5 15 Nm
Loctite
®
243™
Vulschroeven motorhuis M16x1,5 25 Nm
Loctite
®
243™
Moer rotor M18x1,5 100 Nm
Moer ketting-aandrijfwiel M20x1,5 80 Nm
Loctite
®
243™
Moer koppelingsmeenemer M20x1,5 120 Nm
Loctite
®
243™
Moer primair tandwiel M20LHx1,5 90 Nm
Loctite
®
243™
Sluitschroef oliezeef M20x1,5 15 Nm
Sluitschroef distributiekettingspan-
ner
M24x1,5 25 Nm
Sluitschroef dynamodeksel M24x1,5 8 Nm
Sluitschroef oliethermostaat M24x1,5 15 Nm
21 TECHNISCHE GEGEVENS
248
21.3 Vulhoeveelheden
21.3.1 Motorolie
Motorolie 1,70 l Motorolie (SAE 10W/50)
( pag. 262)
21.3.2 Koelmiddel
Koelmiddel 1,20 l Koelmiddel ( pag. 261)
21.3.3 Brandstof
A00420-10
Op markering op EU-brandstofpompen letten.
Brandstoftankvolume totaal ca. 13,5 l Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
( pag. 261)
TECHNISCHE GEGEVENS 21
249
Brandstofreserve ca. 1,8 l
21.4 Chassis
Frame Buisframe met staalbuizen van chroommolybdeen,
geëloxeerd
Voorvork WP Suspension APEX 5448
Schokdemper WP Suspension APEX 4618
Veerweg
voor 215 mm
achter 240 mm
Remsysteem
voor Schrijfrem met radiaal geschroefde
vierzuiger-remzadel, remschijf vlottend gelagerd
achter Schijfrem met remzadel met 1 zuiger, vlottend gela-
gerd
Remschijven - diameter
voor 320 mm
achter 240 mm
Remschijven - slijtagegrens
voor 4,0 mm
achter 4,5 mm
21 TECHNISCHE GEGEVENS
250
Bandenspanning Solo
voor 2,3 bar
achter 2,5 bar
Bandenspanning met passagier / volledige nuttige belasting
voor 2,3 bar
achter 2,5 bar
Secundaire overbrenging 16:42
Ketting 5/8 x 1/4" X-ring
Balhoofdhoek 63,6°
Wielstand 1.480 ± 15 mm
Zadelhoogte onbelast 890 mm
Afstand van bodem, onbelast 270 mm
Gewicht zonder brandstof ca. 150 kg
Hoogst toegestane asbelasting voor 150 kg
Maximale asbelasting achter 200 kg
Maximaal toegestaan totaalgewicht 350 kg
21.5 Elektronica
12V-accu YTZ10S Accuspanning: 12 V
Nominale capaciteit: 8,6 Ah
onderhoudsvrij
TECHNISCHE GEGEVENS 21
251
Accu gecombineerde instrument CR 2430 Accuspanning: 3 V
Zekering 58011109130 30 A
Zekering 58011109115 15 A
Zekering 58011109125 25 A
Zekering 75011088015 15 A
Zekering 75011088010 10 A
Koplamp H4 / sokkel P43t 12 V
60/55 W
Zijlicht W5W / sokkel W2,1x9,5d 12 V
5 W
Verlichting gecombineerd instru-
ment en controlelampjes
Led
Richtingaanwijzer Led
Rem-/achterlicht Led
Nummerplaatverlichting Led
21 TECHNISCHE GEGEVENS
252
21.6 Banden
Band voor Band achter
120/70 ZR 17 M/C (58W) TL
Bridgestone Battlax Hypersport S21 F
160/60 ZR 17 M/C (69W) TL
Bridgestone Battlax Hypersport S21 R
De aangegeven banden zijn één van de mogelijke standaardbanden. Meer informatie vindt u in het servicege-
deelte onder:
http://www.ktm.com
21.7 Voorvork
Artikelnummer voorvork 14.18.8S.12
Voorvork WP Suspension APEX 5448
Ingaande demping
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige last 10 klikken
Uitgaande demping
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige last 10 klikken
TECHNISCHE GEGEVENS 21
253
Veerlengte met voorspanbus(sen) 463 mm
Veerconstante
Gemiddeld (standaard) 5,3 N/mm
Vorklengte 879 mm
Vorkpootolie per vorkpoot 590 ml Vorkpootolie (SAE 4)
(48601166S1) ( pag. 263)
21.8 Schokdemper
Artikelnummer schokdemper 15.18.7S.12
Schokdemper WP Suspension APEX 4618
Ingaande demping highspeed
Comfort 2 omw
Standaard 1,5 omw
Sport 1 omw
Volledige nuttige belasting 1 omw
Ingaande demping lowspeed
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige last 10 klikken
Uitgaande demping
21 TECHNISCHE GEGEVENS
254
Comfort 20 klikken
Standaard 15 klikken
Sport 10 klikken
Volledige nuttige belasting 10 klikken
Inbouwlengte 391 mm
Stootdemperolie ( pag. 263) SAE 2,5
21.9 Aanhaalmomenten chassis
Schroef combinatieschakelaar EJOT PT
®
K50x18 T20 2 Nm
Schroef gecombineerd instrument EJOT 1 Nm
Schroef kettingbescherming EJOT 2 Nm
Schroef zijbekleding aan spoiler EJOT 1 Nm
Schroef zijstandaardschakelaar EJOT 2 Nm
Schroef zijstandaardschakelaar M4 2 Nm
Spaaknippel achterwiel M4,5 4 Nm
Spaaknippels voorwiel M4,5 4 Nm
Resterende moeren chassis M5 4 Nm
Resterende schroeven chassis M5 4 Nm
Schroef afsluitflens brandstoftank M5 2,5 Nm
Schroef beschermplaat tegen hitte
van de uitlaat
M5 8 Nm
Loctite
®
243™
TECHNISCHE GEGEVENS 21
255
Schroef brandstofpomp M5 4 Nm
Schroef brandstoftanksensor M5 3 Nm
Schroef combinatieschakelaar
links
M5 3,5 Nm
Schroef drukregelaar M5 4 Nm
Schroef elektrohouder M5 3 Nm
Schroef gashendel M5 3,5 Nm
Schroef kabel aan startmotor M5 3 Nm
Schroef klem brandstofslang aan
brandstoftank
M5 5 Nm
Schroef koplampkap M5 5 Nm
Schroef radiateurrooster M5 4 Nm
Schroef radiateurventilatorkap M5 4 Nm
Schroef remkabelhouder aan ach-
terbrug
M5 4 Nm
Schroef trapper rempedaal M5 6 Nm
Loctite
®
243™
Overige schroeven aan brandstof-
tank
M6 5 Nm
Resterende moeren chassis M6 10 Nm
Resterende schroeven chassis M6 10 Nm
Schroef ABS-besturingsunit M6 5 Nm
21 TECHNISCHE GEGEVENS
256
Schroef bovenste glijblok M6 8 Nm
Loctite
®
243™
Schroef contactslot M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef einddemperklem M6 8 Nm
Koperpasta
Schroef handremarmatuur M6 5 Nm
Schroef kettingbescherming M6 2 Nm
Loctite
®
243™
Schroef kettinggeleiding M6 8 Nm
Schroef koelerontluchting M6 8 Nm
Schroef kogelgewricht drukstang
aan rempedaalcilinder
M6 10 Nm
Loctite
®
243™
Schroef koppelingsarmatuur M6 5 Nm
Schroef luchtfilterbak-bovendeel M6 2 Nm
Schroef magneethouder aan zij-
standaard
M6 6 Nm
Loctite
®
243™
Schroef nummerplaathouder boven M6 8 Nm
Schroef nummerplaathouder onder M6 8 Nm
Schroef radiateurbevestiging
bovenaan
M6 10 Nm
Schroef radiateurbevestiging onder M6 8 Nm
TECHNISCHE GEGEVENS 21
257
Schroef remcompensatiereservoir
van achterwielrem
M6 5 Nm
Schroef rempedaalcilinder M6 10 Nm
Schroef remschijf achter M6 14 Nm
Loctite
®
243™
Schroef remschijf voor M6 14 Nm
Loctite
®
243™
Schroef SLS-klep M6 4 Nm
Schroef spanningsregelaar M6 8 Nm
Schroef wieltoerentalsensor M6 6 Nm
Schroef zadelslot M6 5 Nm
Schroef zijbekleding M6 5 Nm
Moer kettingwielschroef M8 35 Nm
Loctite
®
2701™
Resterende moeren chassis M8 25 Nm
Resterende schroeven chassis M8 25 Nm
Schroef asopname M8 15 Nm
Schroef bovenste kroonplaat M8 17 Nm
Schroef bovenste kroonplaat M8 12 Nm
Schroef brandstofaanklager M8 15 Nm
Schroef brandstoftank boven M8 25 Nm
Loctite
®
243™
21 TECHNISCHE GEGEVENS
258
Schroef brandstoftank onder M8 25 Nm
Loctite
®
243™
Schroef greep M8 10 Nm
Schroef hielbescherming M8x12 5 Nm
Loctite
®
243™
Schroef houder einddemper M8 25 Nm
Schroef houder einddemper aan
brandstoftank
M8 25 Nm
Schroef onderste glijblok M8 15 Nm
Schroef rempedaal M8 25 Nm
Loctite
®
243™
Schroef stuurplaat M8 20 Nm
Schroef veerhouderplaat aan zij-
standaardconsole
M8 25 Nm
Loctite
®
243™
Schroef verbindingshendel aan
frame
M8 30 Nm
Loctite
®
243™
Schroef voetsteunhouder achter M8x16 25 Nm
Schroef voetsteunhouder voor M8 25 Nm
Schroef vorkbuis M8 20 Nm
Schroef zijstandaardconsole M8 25 Nm
Loctite
®
243™
Motorschroef M10 45 Nm
Loctite
®
243™
TECHNISCHE GEGEVENS 21
259
Resterende moeren chassis M10 45 Nm
Resterende schroeven chassis M10 45 Nm
Schroef motorhouder aan frame M10 45 Nm
Schroef schokdemper boven M10 45 Nm
Loctite
®
243™
Schroef schokdemper onder M10 45 Nm
Loctite
®
243™
Schroef stuuradapter M10 45 Nm
Loctite
®
243™
Schroef zijstandaard M10 35 Nm
Loctite
®
243™
Holle schroef remkabel M10x1 25 Nm
Schroef remzadel voor M10x1,25 45 Nm
Loctite
®
243™
Schroef achterbrugbout M12 80 Nm
Lambdasonde M12x1,25 25 Nm
Koperpasta
Moer bochtstuk aan haakse hendel M14x1,5 100 Nm
Moer haakse hendel aan achter-
brug
M14x1,5 100 Nm
Schroef koeler temperatuursensor M18 20 Nm
Schroef balhoofd boven M20x1,5 12 Nm
21 TECHNISCHE GEGEVENS
260
Schroef balhoofd onder M20x1,5 60 Nm
Loctite
®
243™
Schroef steekas voor M24x1,5 45 Nm
Moer steekas achter M25x1,5 90 Nm
GEBRUIKSSTOFFEN 22
261
Brandstof super loodvrij (ROZ 95)
Norm / classificatie
DIN EN 228 (ROZ 95)
Voorgeschreven waarde
Gebruik uitsluitend loodvrije superbenzine die voldoet aan de aangegeven norm of van dezelfde kwaliteit is.
Een aandeel van maximaal 10 % ethanol (E10 brandstof) kan daarbij zonder bezwaar worden gebruikt.
Info
Gebruik geen brandstof van methanol (bijv. M15, M85, M100) of met een aandeel van meer dan
10 % ethanol (bijv. E15, E25, E85, E100).
Koelmiddel
Voorgeschreven waarde
Gebruik alleen hoogwaardig, silicaatvrij koelmiddel met antiroestmiddel voor aluminiummotoren. Minderwaar-
dige en ongeschikte antivriesmiddelen veroorzaken corrosie, afzettingen en schuimvorming.
Gebruik geen zuiver water omdat de eisen met betrekking tot corrosiebescherming en smeereigenschappen
alleen door koelvloeistof vervuld kunnen worden.
Gebruik uitsluitend koelvloeistof die voldoet aan de voorwaarden (zie informatie op de verpakking) en de juiste
eigenschappen heeft.
Vorstbescherming minstens tot 25 °C
22 GEBRUIKSSTOFFEN
262
De mengverhouding moet aan de vereiste vorstbescherming aangepast worden. Gebruik gedestilleerd water als de
koelvloeistof verdund moet worden.
Het gebruik van voorgemengde koelvloeistof wordt aanbevolen.
Neem de gegevens van de koelvloeistoffabrikant met betrekking tot vorstbescherming, verdunning en mengbaar-
heid (verdraagbaarheid) met andere koelvloeistoffen in acht.
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
COOLANT M3.0
Motorolie (SAE 10W/50)
Norm / classificatie
JASO T903 MA2 ( pag. 267)
SAE ( pag. 267) (SAE 10W/50)
Voorgeschreven waarde
Gebruik uitsluitend motorolie die voldoet aan de aangegeven normen (zie informatie op de verpakking) en de
juiste eigenschappen heeft.
Volledig synthetische motorolie
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Power Synt 4T
GEBRUIKSSTOFFEN 22
263
Remvloeistof DOT 4 / DOT 5.1
Norm / classificatie
DOT
Voorgeschreven waarde
Gebruik uitsluitend remvloeistof die voldoet aan de aangegeven norm (zie informatie op de verpakking) en die
de juiste eigenschappen heeft.
Aanbevolen leverancier
Castrol
REACT PERFORMANCE DOT 4
MOTOREX
®
Brake Fluid DOT 5.1
Stootdemperolie (SAE 2,5) (50180751S1)
Norm / classificatie
SAE ( pag. 267) (SAE 2,5)
Voorgeschreven waarde
Alleen oliesoorten gebruiken die voldoen aan de aangegeven normen (zie gegevens op de verpakking) en over
de geschikte eigenschappen beschikken.
Vorkpootolie (SAE 4) (48601166S1)
Norm / classificatie
SAE ( pag. 267) (SAE 4)
22 GEBRUIKSSTOFFEN
264
Voorgeschreven waarde
Gebruik alleen olie die voldoet aan de aangegeven normen (zie gegevens op verpakking) en de juiste eigen-
schappen heeft.
HULPSTOFFEN 23
265
Brandstofadditief
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Fuel Stabilizer
Conserveringsmiddel voor lakken, metaal en rubber
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Moto Protect
Duurzaam vet
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Bike Grease 2000
Kettingreinigingsmiddel
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Chain Clean
Kettingspray Street
Voorgeschreven waarde
23 HULPSTOFFEN
266
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Chainlube Road Strong
Motorfietsreiniger
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Moto Clean
Perfect Finish en hoogglanspolitoer voor lakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Moto Shine
Speciale reiniger voor glanzende en matte lakken, metaal- en kunststofvlakken
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Quick Cleaner
Universele oliespray
Aanbevolen leverancier
MOTOREX
®
Joker 440 Synthetic
NORMEN 24
267
JASO T903 MA2
Meerdere technische ontwikkelingsrichtingen vereisten een eigen specificatie voor motorfietsen - de norm
JASO T903 MA2.
Vroeger werd voor motorfietsen motorolie voor auto's gebruikt omdat er geen eigen motorfietsspecificatie bestond.
Voor motoren van auto's zijn lange service-intervallen vereist, bij motoren van motorfietsen staat een hoog vermo-
gensrendement bij hoge toerentallen op de voorgrond.
Bij de meeste motoren voor motorfietsen worden versnelling en koppeling met dezelfde olie gesmeerd.
De norm JASO T903 MA2 voldoet aan deze speciale vereisten.
SAE
De SAE-viscositeitsklassen zijn vastgelegd door de Society of Automotive Engineers voor de indeling van oliën op
basis van hun viscositeit. De viscositeit beschrijft slechts een van de eigenschappen van olie en zegt niets over de
kwaliteit.
25 LIJST MET VAKBEGRIPPEN
268
ABS Antiblokkeersysteem Veiligheidssysteem, dat het blokkeren van de wielen
bij het rechtuit rijden zonder inwerking van zijwaartse
krachten voorkomt
OBD Boorddiagnose Voertuigsysteem dat ingestelde parameters van de
voertuigelektronica bewaakt
MTC Motorfietstractiecontrole (Motorcy-
cle Traction Control)
Extra functie van de motorbesturing die bij doordraai-
end achterwiel het motorkoppel verlaagt
- Quickshifter + Functie van de motorelektronica voor schakelen zon-
der bediening van de koppeling
LIJST MET AFKORTINGEN 26
269
Artikelnr. Artikelnummer
bijv. bijvoorbeeld
ca. circa
e.d. en dergelijke
enz. enzovoort
etc. et cetera
evt. eventueel
evt. eventueel
Nr. Nummer
o.a. onder andere
resp. respectievelijk
vgl. vergelijk
27 LIJST MET SYMBOLEN
270
27.1 Rode pictogrammen
Rode pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij meteen moet worden ingegrepen.
Waarschuwingslampje koelmiddeltemperatuur brandt rood Koelmiddeltemperatuur heeft een
kritische waarde bereikt. Volgens de verkeersregels stoppen, de motor afzetten, laten afkoelen
en het koelmiddelpeil controleren.
Waarschuwingslampje oliedruk brandt rood Oliedruk is te laag. Onmiddellijk veilig stoppen
en de motor afzetten.
27.2 Gele of oranje pictogrammen
Gele of oranje pictogrammen geven een storingstoestand aan, waarbij binnen korte tijd moet worden ingegrepen.
Actieve rijhulpen worden eveneens met gele of oranje pictogrammen aangegeven.
ABS-waarschuwingslampje brandt/knippert geel Als het ABS-waarschuwingslampje brandt,
is het ABS niet actief. Het ABS-waarschuwingslampje brandt ook als er een fout wordt her-
kend. Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage.
Waarschuwingslampje brandstofpeil brandt oranje Brandstofpeil heeft de reservemarkering
bereikt.
Controlelampje storing brandt oranje De OBD heeft een fout in de voertuigelektronica
geconstateerd. Volgens de verkeersregels stoppen en contact opnemen met een geautoriseerde
KTM-garage.
LIJST MET SYMBOLEN 27
271
TC-controlelampje brandt/knippert geel Als het TC-controlelampje brandt, is de MTC
( pag. 73) niet actief. Als het TC-controlelampje en beide rijmoduslampjes gelijktijdig
branden, is een fout herkend. Contact opnemen met geautoriseerde KTM-garage. Het
TC-controlelampje knippert als MTC actief ingrijpt.
27.3 Groene en blauwe pictogrammen
Groene en blauwe pictogrammen geven informatie weer.
Controlelampje groot licht brandt blauw Groot licht is ingeschakeld.
Controlelampje stationair brandt groen Versnelling is in positie vrij geschakeld.
Controlelampje richtingaanwijzer knippert groen Richtingaanwijzer is ingeschakeld.
INDEX
272
INDEX
1
12V-accu
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 177
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 174
A
ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
ABS-knop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
ACC1
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197
ACC2
voor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197
Achterwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159
Afbeelding voertuig
linksvoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22
rechtsachter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24
Afbeeldingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Afremmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 134
Artikelnummer schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . 28
Artikelnummer voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
B
Bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Bandenreparatiespray
gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
Bandenspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 169
Bandensysteem zonder binnenbanden . . . . . . . . . 168
Bedieningshandleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Bedrijfsmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Beoogd gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Beschermende kleding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Boordgereedschap
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
opbergen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
C
Claxonknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
D
Demperpakkingen achterwielnaaf
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 163
Diagnosestekker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
INDEX
273
G
Garantie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Gashendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
Gebruiksdefinitie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Gecombineerd instrument
activering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
batterij gecombineerd instrument vervangen . 194
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
kilometer of mijl instellen . . . . . . . . . . . . . . 46
meldingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
service-indicatie instellen . . . . . . . . . . . . . . 48
tijd instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
Grepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
H
Hoofdzekering
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 180
Hulpstoffen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
I
Inbedrijfname
na de stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 235
Inbedrijfstelling
aanwijzingen voor eerste inbedrijfstelling . . . . 54
controle en onderhoud voor iedere inbedrijfstel-
ling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
K
Ketting
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
vervuiling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 116
Ketting-aandrijfwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Kettinggeleiding
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
Kettingspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 119
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 121
Kettingwiel
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 123
Klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Koelmiddel
aftappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 205
antivries en koelmiddelpeil controleren . . . . 200
peil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
INDEX
274
Koelsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
vullen/ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206
Koplamp
instelling controleren . . . . . . . . . . . . . . . . 193
lichtbundelbreedte instellen . . . . . . . . . . . . 194
Koplampkap met koplamp
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 187
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
Koppeling
vloeistofpeil controleren/corrigeren . . . . . . . 131
Koppelingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 130
L
Lamp koplamp vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
Lichtschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
Luchtfilter
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
M
Milieu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Motor
inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56
Motorfiets
met hefbok achter opkrikken . . . . . . . . . . . . 98
met hefbok opkrikken . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
met hefbok voor opkrikken . . . . . . . . . . . . . 100
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 227
van hefbok achter nemen . . . . . . . . . . . . . . . 99
van hefbok nemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97
van hefbok voor nemen . . . . . . . . . . . . . . . 101
Motorfietstractiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
Motornummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
Motorolie
bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 224
verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218
Motoroliepeil
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 217
MTC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
N
Noodstopschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32
O
Oliefilter
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218
Oliezeven
reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218
INDEX
275
Onjuist gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Opsporen van fouten . . . . . . . . . . . . . . . . . 236-240
Overzicht controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . 37
P
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Q
Quickshifter + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
R
Remhendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 137
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
Rempedaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 145
vrije slag controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Remplaketten
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 150
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 142
Remschijven
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
Remvloeistof
van achterwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . . 148
van de voorwielrem bijvullen . . . . . . . . . . . 140
Remvloeistofpeil
van achterwielrem controleren . . . . . . . . . . 147
van voorwielrem controleren . . . . . . . . . . . . 139
Reserveonderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Richtingaanwijzerschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . 31
Rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
beginnen met rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64
Rijden in de winter
controle en onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . 231
Rijmodus
wijzigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
S
Schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65
Schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
ingaande demping algemeen . . . . . . . . . . . . 89
ingaande demping highspeed instellen . . . . . 91
ingaande demping lowspeed instellen . . . . . . 89
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . 92
Service . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Serviceschema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82-85
Sleutelnummer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
Spaakspanning
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
INDEX
276
Spatbord voor
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 112
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 113
Stalling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233
Starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
Startknop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 76
Stuurpositie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
Stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36
T
Tankdop
openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
Tanken
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
Technische gegevens
aanhaalmomenten chassis . . . . . . . . . . . . . 254
aanhaalmomenten motor . . . . . . . . . . . . . . 243
banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
chassis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
elektronica . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 241
schokdemper . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
vulhoeveelheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
Toestand van de banden
controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
Tractiecontrole
instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Transport . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78
Typeplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26
U
USB
USBaansluiting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197
USBaansluiting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197
V
Veilig gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Versnellingshendel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
uitgangspositie controleren . . . . . . . . . . . . 215
uitgangspositie instellen . . . . . . . . . . . . . . 216
Voertuig beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Voertuigidentificatiennummer . . . . . . . . . . . . . . . 26
Voetsteun passagier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
INDEX
277
Voorvork . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86
ingaande demping instellen . . . . . . . . . . . . . 86
uitgaande demping instellen . . . . . . . . . . . . 88
Vorkpoten ontluchten . . . . . . . . . . . . . . . . 105
vuilschrapers reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . 102
Voorvorkprotector
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104
Voorwiel
demonteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 154
Vulhoeveelheid
brandstof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81, 248
koelmiddel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211, 248
motorolie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 223, 248
W
Werkinstructies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
Z
Zadel
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
ontgrendeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106
Zekering
van afzonderlijke stroomverbruikers vervangen 184
Zekeringen ABS
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182
Zijbekleding
monteren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 111
verwijderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110
Zijlichtlamp
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191
Zijstandaard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41
*3213921nl*
3213921nl
08/2019
KTM Sportmotorcycle GmbH
5230 Mattighofen/Oostenrijk
http://www.ktm.com
Foto: Mitterbauer/KISKA/KTM
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280

KTM 690 SMC R 2019 de handleiding

Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor