Panasonic VLWD812EX Handleiding

Type
Handleiding
Installatiehandleiding
Draadloze Sensorcamera
Model
VL-WD812EX
(De draadloze sensorcamera
wordt in deze handleiding
camera genoemd.)
Opmerking voor de installateur
Lees deze handleiding goed door en installeer het product veilig en correct volgens de
aanwijzingen. Neem met name het deel "Voor uw veiligheid" zorgvuldig door.
Gebruik alleen onderdelen/accessoires die door de fabrikant zijn gespeciceerd.
De installatie moet worden uitgevoerd in overeenstemming met alle van toepassing zijnde
installatievoorschriften.
Panasonic is niet aansprakelijk voor letsel of schade die voortvloeit uit storingen als gevolg
van een onjuiste installatie of gebruik dat strijdig is met deze handleiding. Resulterende de-
fecten vallen niet onder de garantie.
Laat deze
handleiding
na installatie achter bij de klant.
Meegeleverde accessoires voor installatie
Verwijderingstool kapje x 1
Voedingseenheid x 1
Schroefdopje x 4
Kabelbinder x 2
Sluitring x 1
Muurmontagebeugel x 1
Schroef x 4
Sensorbereikkapje
x 1 set van 4
Gebruikt om de muur-
montagebeugel aan de
camera te bevestigen
Gebruikt om het sen-
sorbereikkapje van de
camera te verwijderen
Gebruikt om de vei-
ligheidskabel aan de
muur te bevestigen
Voedingseenheid en bijbehorende items
Gebruikt voor de
warmtesensor
(4 mm × 20 mm)
4 mm
Belangrijk:
U hebt voor de installatie en conguratie van de camera de volgende extra items nodig.
[In de handel verkrijgbaar]
Schroeven (voor muurmontagebeugel: × 4, voor veiligheidskabel: × 1):
Zorg voor de juiste schroeven ( tekening rechts) voor het materiaal,
de constructie, de sterkte en andere omstandigheden van of rond de
plaats van bevestiging en voor het totale gewicht van de objecten die
u wilt monteren.
Voedingskabels (wisselstroom/gelijkstroom), bedrading (voor externe sensor):
Zorg voor kabels en bedrading met de juiste specicaties. (
"Draadtype en -lengte")
Bewaar de verwijderingstool van het kapje en ongebruikte sensorbereikkapjes goed. U kunt
ze nog nodig hebben bij toekomstige aanpassingen.
Voor uw veiligheid
Om ernstig letsel en gevaar voor uw leven/eigendommen te voorkomen moet u dit gedeelte goed nalezen
voordat u het product in gebruik neemt. Zorg ervoor dat u het product correct en veilig kunt gebruiken.
WAARSCHUWING
LET OP
Laat installatiewerkzaamheden over aan de leverancier.
Voor de installatie is technische kennis en ervaring noodzakelijk. Als u dit voorschrift
niet naleeft, kan dit brand, een elektrische schok, letsel of schade aan het product ver-
oorzaken. Raadpleeg de leverancier.
Werk aan elektrische aansluitingen mag alleen worden uitgevoerd door daartoe be-
voegd personeel. De persoon die de elektrische aansluitingen uitvoert, moet over de
juiste kwalicaties beschikken. Raadpleeg uw leverancier.
Gebruik alleen de meegeleverde voedingseenheid.
Probeer dit product niet uit elkaar te halen of te modiceren. Neem voor reparatie con-
tact op met een erkend servicecentrum.
Installeer nooit bedrading wanneer het onweert.
Sluit geen apparaten aan die hiervoor niet zijn gespeciceerd.
Sluit geen voedingskabel aan op een terminal die niet in deze handleiding is opgegeven.
Let er bij het maken van gaten in de muur (voor installatie of bedrading) of bij het vastzetten
van de voedingskabel op dat u geen schade toebrengt aan bestaande kabels en leidingen.
Sluit geen draden aan met ingeschakelde voeding.
Gebruik de meegeleverde voedingseenheid niet voor installatie buiten (de voedingseen-
heid is alleen bedoeld voor gebruik binnenshuis).
Installeer de voedingseenheid niet op de volgende plaatsen:
- Plaatsen waar de voedingseenheid kan worden bespat met water of chemicaliën.
- Plaatsen met een hoge stofconcentratie of luchtvochtigheid.
Laat de voedingskabel buiten niet open en bloot liggen.
Voer geen handelingen uit die de voedingskabel kunnen beschadigen (bewerken,
ombuigen, uitrekken, samenbinden, ombuigen, beschadigen, wijzigen, blootstellen aan
warmtebronnen of zware voorwerpen plaatsen op de voedingskabel). Gebruik van het
product met een beschadigde voedingskabel kan een elektrische schok, kortsluiting of
brand veroorzaken. Neem voor reparatie contact op met een erkend servicecentrum.
Bevestig de muurmontagebeugel met het teken "
UP" naar boven. Dicht de montage-
zijde van de muurmontagebeugel (behalve het onderste deel van de beugel) af met
een waterbestendige afdichting. Alle openingen moeten goed worden gevuld. Als de
beugel ondersteboven wordt gemonteerd of als de beugel niet goed waterdicht wordt
gemaakt, kan er water in komen, wat kan leiden tot brand of elektrische schokken.
Installeer of gebruik het product niet in een licht ontvlambare atmosfeer. Als u dit
voorschrift niet naleeft, kan dit een explosie veroorzaken met mogelijk letsel tot gevolg.
Installeer of gebruik dit product niet in zorginstellingen wanneer in deze instellingen
wordt aangegeven dat dit niet is toegestaan. Ziekenhuizen en zorginstellingen kunnen
apparatuur gebruiken die gevoelig is voor externe radiofrequente energie.
Installeer of gebruik dit product niet in de buurt van automatische apparaten, zoals automati-
sche deuren en brandalarmen. De door dit product uitgezonden radiogolven kunnen storingen
in dergelijke apparaten veroorzaken waardoor ongelukken kunnen gebeuren.
● Bevestig de beugel niet op een instabiele locatie, op een locatie met veel trillingen, aan een
plafond of aan een zwakke muur. (Niet monteren op gipsplaat, betonblokken, hout in de
buitenlucht, muren met een erg ongelijkmatig oppervlak, of oppervlakken die niet minstens
even breed zijn als de muurmontagebeugel.) Als het product valt, bestaat het gevaar van
letsel. Als er water in het product komt, bestaat het gevaar van brand of elektrische schokken.
Houd het sensorbereikkapje buiten het bereik van kinderen. Ze kunnen het inslikken.
Raadpleeg bij inslikken onmiddellijk een arts.
Maak geen verbindingen ondergronds als de bedrading onder de grond loopt.
Als de bedrading onder de grond loopt, moet u een buis gebruiken zodat de
voedingskabel en de andere bedrading afdoende beschermd zijn tegen water.
Gebruik de veiligheidskabel wanneer u het product bevestigt. Als het product valt,
bestaat het gevaar van letsel.
Voorzorgsmaatregelen voor installatie
Vóór installatie
Het hoofdmonitorstation (
"
hoofdmonitor" genoemd) en de camera gebruiken radiogolven voor de
onderlinge communicatie. (Dit product werkt in het frequentiegebied tussen 1,88 GHz en 1,90 GHz
en levert een maximaal zendvermogen van 250 mW.) Lees de volgende informatie en installeer het
product op een passende locatie.
Hoofdmonitor
Afstand: maximaal 100 m
(zonder obstakels)
Communicatie tussen hoofdmonitor en camera
De signaalsterkte op de installatielocatie controleren
De maximale communicatieafstand tussen de hoofdmonitor en de camera (maximaal 100 m)
kan kleiner worden wanneer het product wordt gebruikt op plaatsen met de volgende obstakels
tussen de hoofdmonitor en de camera.
Als de bovenstaande obstakels aanwezig zijn, kan het beeld op de hoofdmonitor worden
vervormd of vertraagd, kan het geluid wegvallen en is het product mogelijk niet bruikbaar.
In dit geval brandt of knippert het rode indicatielampje van de camera. (
"Signaalstatus
van camera" hieronder.)
Als uw video-intercomsysteem een submonitor heeft, kunt u daarmee gemakkelijk de signaal-
status controleren. (Als u geen submonitor hebt, gebruikt u een camera.)
U kunt deze problemen verhelpen met een optionele DECT-versterker VL-FKD2EX,
waarmee u het signaal van de hoofdmonitor versterkt doorgeeft. (
Bedieningsinstructies
van het video-intercomsysteem)
Wanneer u met de submonitor naar de
plaats van installatie gaat, kunt u de
signaalstatus zien op het scherm van de
submonitor.
Sluit de camera en de voedingseenheid
tijdelijk aan om de camera in te schakelen.
Vervolgens registreert u de camera bij de
hoofdmonitor. Later kunt u de camera mee-
nemen naar de plaats van installatie en daar
de signaalstatus controleren aan de hand
van het indicatielampje op de camera.
Controleren met de submonitor
Controleren met de camera
● In direct zonlicht of direct onder een buiten-
lamp (zelfs als de omgeving de voorgeschre-
ven temperaturen niet overschrijdt, kunnen
delen van het product warm worden)
● Plaatsen met veel trilling, schokken of stoten
● In de buurt van vuur, verwarmingstoestellen of
magnetische velden (in de buurt van magneten
bijvoorbeeld)
● In de buurt van installaties voor verwarming
of koeling, waaronder buiten geïnstalleerde
aircosystemen
● In een omgeving met veel vet of vocht
● In de buurt van apparaten die radiogolven
uitzenden, zoals mobiele telefoons
● In een omgeving met extreme temperatuur-
schommelingen (die tot condensvorming kun-
nen leiden)
Niet installeren op deze locaties
Om vervorming, verkleuring, defecten en storingen te voorkomen
Op de volgende locaties is onjuiste detectie mogelijk
Op plaatsen waar mensen recht op de camera ao-
pen, zoals in een smalle gang of op een smal pad
● Op plaatsen met vrij in de natuur bewegende
objecten, zoals takken die bewegen in de
wind of wasgoed dat hangt te drogen (onjuiste
detectie kan worden veroorzaakt door een
verandering van temperatuur en beweging)
I
n een omgeving met veel wind (door de wind kan de camera trillen, wat tot onjuiste bewegingsde-
tectie leidt)
● Op plaatsen met reecterende voorwerpen voor de camera, die de warmtedetectie kunnen storen,
zoals glas.
● Op plaatsen waar de helderheid gemakkelijk verandert (’s middags in de schaduw en ’s avonds de
verlichting die wordt ingeschakeld)
● Op plaatsen met tegenlicht (gezichten in het donker zijn mogelijk niet goed te herkennen)
● Als er een sterk licht op de camera schijnt, is het gezicht van bezoekers mogelijk niet goed te onder-
scheiden.
Plaats de camera niet op de volgende locaties:
– Waar de achtergrond voor het grootste deel uit lucht bestaat.
– Waar de achtergrond een witte muur is waar direct zonlicht op weerkaatst.
– Waar direct zonlicht op de camera valt.
● Op plaatsen met luchtstroming die wordt ver-
oorzaakt door een ventilator, airconditioning of
boiler, of plaatsen met uitlaatgassen (onjuiste
detectie als gevolg van sterke temperatuur-
schommelingen)
● Straten met veel verkeer
(voorbijrijdende auto’s kunnen zelfs op een
afstand van meer dan 5 m tot detectie leiden)
Privacy en portretrecht
Houd bij de installatie en het gebruik van de camera rekening met de rechten en privacy van
anderen.
Onder privacy wordt vaak verstaan dat mensen of groepen moeten kunnen voorkomen dat
informatie over zichzelf bekend wordt bij andere mensen dan de personen aan wie die mensen
of groepen die informatie zelf zouden geven. Portretrecht is het recht van een persoon om te
voorkomen dat een afbeelding van zichzelf zomaar zonder toestemming wordt gebruikt.
De camera heeft 2 sensoren: een bewegingssensor en een warmtesensor.
Lees de volgende informatie over de bewegings- en warmtesensor voordat u bepaalt waar u de
camera monteert.
Kenmerken en detectiegebied van de sensor
De bewegingssensor en de warmtesensor zijn niet ontworpen voor omstandigheden die een
hoge betrouwbaarheid vereisen. Wij raden u aan de bewegings- en warmtesensor niet te
gebruiken in dergelijke situaties.
Panasonic is niet aansprakelijk voor letsel of schade als gevolg van het gebruik van de
bewegings- of warmtesensor.
Sensorbereik
Met de standaardinstellingen werken de bewegings- en warmtesensor op de volgende manier,
afhankelijk van wijzigingen in de helderheid.
Overdag of bij veel licht ’s Nachts of in het donker
Bewegingssensor
Warmtesensor
De helderheid wordt automatisch door de camera bepaald tijdens het bekijken van beelden.
U kunt een timer congureren om op een bepaald tijdstip om te schakelen van de dag-
naar de nachtstand en omgekeerd. (
De instelling [Omschakelen dag/nacht] in de
Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem)
De instellingen kunnen worden gecongureerd op maat van de installatieomgeving.
Zo is het mogelijk om de bewegings- en warmtesensor alleen op bepaalde tijdstippen
te laten werken, bijvoorbeeld alleen overdag of alleen ’s nachts. (
De instelling
[Det. warmtesensor] en [Bewegingsdetectie] in de Bedieningsinstructies van het video-
intercomsysteem)
Bezoekers detecteren aan de ingang zonder detectie van auto’s op straat
Installatievoorbeeld A (detectie van bezoekers)
Ideaal voorbeeld Slecht voorbeeld
Detectie van bezoe-
kers die zich voor de
camera opzij bewe-
gen is gemakkelijk.
Muur van huis
Camera
Straat
Ingang
Afstand:
circa 3 m
Zichtbaar beeld:
Bezoekers die zich opzij bewegen, zijn
zichtbaar. Auto’s op straat zullen minder
snel een onjuiste detectie veroorzaken.
Detectie van bezoe-
kers die recht op de
camera aopen, is
moeilijk.
Muur van huis
Camera
Straat
Ingang
Zichtbaar beeld:
Auto’s op straat kunnen onjuiste detectie
veroorzaken.
Installatievoorbeeld (met een in de handel verkrijgbare externe sensor)
Op de externe invoerterminal kunt u een in de handel verkrijgbare externe sensor aansluiten.
In dit geval moet u met de hoofdmonitor de instelling [Sensorselectie] voor de camera
wijzigen. (
Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem)
Zie "De externe invoerterminal" ( rechtsboven) en sluit de externe sensor correct aan
volgens de specicaties.
Wanneer u [Sensorselectie] zo confi-
gureert dat alleen de externe sensor
wordt gebruikt, is onjuiste detectie van
zichtbare auto’s minder waarschijnlijk.
Zichtbaar beeld:
Bezoekers lopen
voor de externe
sensor langs en
zijn gemakkelijk te
detecteren, ook al
lopen ze recht op
de camera af.
Muur van huis
Straat
In de handel verkrijgbare externe sensor
Ingang
Camera
Als u bezoekers wilt detecteren én het beeld recht voor de camera
wilt zien, gebruik dan een in de handel verkrijgbare externe sensor.
De sensoren (bewegingssensor en warmtesensor)
Mensen detecteren die een garage binnenkomen zonder detectie van auto’s op straat
Installatievoorbeeld
B
(detectie van mensen die een garage binnenkomen)
Ideaal voorbeeld Slecht voorbeeld
Detectie van
mensen die zich
voor de camera
opzij bewegen is
gemakkelijk.
Straat
● Kies de installatielocatie en de hoek van de ca-
mera zorgvuldig om te voorkomen dat gezichten
niet goed te zien zijn achter een hoge auto.
Zichtbaar beeld:
Mensen die zich opzij bewegen, zijn
zichtbaar. Auto’s op straat zullen minder
snel een onjuiste detectie veroorzaken.
Detectie van
mensen die recht
op de camera af-
lopen, is moeilijk.
Straat
Camera
Zichtbaar beeld:
Auto’s op straat kunnen onjuiste detectie
veroorzaken.
Installatievoorbeeld (met een in de handel verkrijgbare externe sensor)
Op de externe invoerterminal kunt u een in de handel verkrijgbare externe sensor aansluiten.
In dit geval moet u met de hoofdmonitor de instelling [Sensorselectie] voor de camera
wijzigen. (
Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem)
Zie "De externe invoerterminal" (
rechtsboven) en sluit de externe sensor correct aan
volgens de specicaties.
Mensen lopen voor de
externe sensor langs
en zijn gemakkelijk
te detecteren, ook al
lopen ze recht op de
camera af.
Straat
In de handel verkrijgbare externe sensor
Camera
Wanneer u [Sensorselectie] zo confi-
gureert dat alleen de externe sensor
wordt gebruikt, is onjuiste detectie van
zichtbare auto’s minder waarschijnlijk.
Zichtbaar beeld:
Als u mensen wilt detecteren én het beeld recht voor de camera wilt
zien, gebruik dan een in de handel verkrijgbare externe sensor.
De externe invoerterminal (voor aansluiting van een externe sensor)
Kies een externe sensor die compatibel is met de specificaties van de externe invoerterminal.
Selecteer, nadat u de aansluiting hebt uitgevoerd, op de hoofdmonitor het type contact
([Maak contact] of [Breekcontact]) van het apparaat. (
De instelling [Externe sensor] in
de Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem)
Specificaties externe invoerterminal
Detectie is mogelijk wanneer de terminal wordt gesloten of geopend.
Spanning indien open: circa 9 V
Stroom indien gesloten: circa 6 mA (detectie vindt plaats na 0,1 s van continue gesloten/
open toestand)
Draadtype en -lengte ( "Draadtype en -lengte" hieronder)
Afdekking van
beugel
Externe invoerterminal
Sluit niets aan op
deze terminal.
Afdekking
Beweeg het lipje
omhoog om de af-
dekking te openen
Installatie
Installeer het product op zo’n manier dat de hoofdschakelaar zich in de buurt van de
voedingseenheid bevindt en deze gemakkelijk bereikbaar is.
Gebruik geïsoleerde bedrading die 600 V AC of hoger aankan.
Draadtype en -lengte
Installatieoverzicht
Bedrading
Draadtype
*1
Diameter Lengte (max.)
A
Camera -
Voedingseenheid
φ 0,65 mm 22 AWG 50 m
φ 1,0 mm 18 AWG 100 m
B
Voedingseenheid -
netstroom
φ 1,2 mm 17 AWG
Geen beperking
φ 2,0 mm 12 AWG
C
Camera -
externe sensor
φ 0,5 mm 24 AWG
Volgens specicaties van
aangesloten apparaat. Niet
langer dan 20 m.
φ 0,8 mm 20 AWG
*1 Type: kabel met één paar draden met mantel
Geleider: massief koper
Buitendiameter A, C: φ 8 mm (max.)
Met dit apparaat moet een gecerticeerde voedingseenheidkabel worden gebruikt. De
relevante nationale regelgeving voor installatie en/of apparatuur moet in acht worden
genomen. Gebruik een gecerticeerde voedingseenheidkabel die niet lichter is dan een
gewone exibele pvc-kabel conform IEC 60227.
Voordat u de camera aan de muur bevestigt, moet u de camera registreren bij de hoofdmonitor
die in de buurt is, zodat u de signaalsterkte kunt zien op het punt van installatie.
1
Sluit de camera en de voedingseenheid tijdelijk aan om de camera in te schakelen.
Vervolgens registreert u de camera bij de hoofdmonitor. ( hieronder)
2
Controleer of het signaal de afstand tot de installatielocatie van de camera kan overbruggen.
(
"De signaalsterkte op de installatielocatie controleren")
3
Installeer de voedingseenheid. ( ommezijde)
4
Installeer de camera. ( ommezijde)
De voedingseenheid tijdelijk aansluiten
Registreren bij de hoofdmonitor
Tijdelijk aansluiten is noodzakelijk om de camera te kunnen registreren bij de hoofdmonitor en
om na te gaan of het signaal goed is op de plaats van installatie.
Zie "De voedingseenheid en camera installeren" op de ommezijde voor meer informatie over
het aansluiten van een kabel tussen de camera en de voedingseenheid.
Schakel de voeding met de
hoofdschakelaar uit voordat u
een voedingskabel aansluit.
Breng de kabelafdekking aan
nadat u de tijdelijke aansluiting
tot stand hebt gebracht.
Sluit de camera tijdelijk aan om de camera in te schakelen. Vervolgens registreert u de came-
ra bij de hoofdmonitor zoals hieronder wordt uitgelegd.
U kunt niet meer dan één camera tegelijk registreren. Registreer steeds maar één camera
tegelijk.
De hier beschreven procedure is gebaseerd op een hoofdmonitor uit de VL-SWD501EX-serie.
Zie de Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem voor meer informatie.
Op de hoofdmonitor
1
2
Op de camera
3
Druk op
op de hoofdmonitor
om de handeling te beëindigen.
Raak in het hoofdmenu van de hoofdmonitor achtereenvolgens aan:
→ [Registreren/annuleren] → [Registreren] → [Camera] → het nummer van de camera
die u wilt registreren.
Voer daarna binnen ongeveer 5 minuten de volgende handelingen uit op de camera.
2-1
Trek de afdekking van de registra-
tieknop (A) open en houd de regi-
stratieknop (B) ongeveer 3 secon-
den ingedrukt met het dunne uit-
einde van de verwijderingstool van
het kapje (accessoire).
2-2
Sluit de afdekking van de regi-
stratieknop weer goed.
Tijdens de registratie knippert het
groene indicatielampje van de
camera (C). Zodra de registratie
is voltooid, hoort u een toon en
blijft het groene
indicatielampje
branden.
Voer de volgende registratie-
procedure uit met de camera
ingeschakeld.
(Achterzijde camera)
A
C
Brandt
groen
Brandt
rood
Brandt
oranje
Knippert
rood
Sterk
Sterk
Zwak
Zwak
Buiten
bereik
Buiten
bereik
Installeren binnen dit bereik
Installeren binnen dit bereik
Moeilijk te detecteren
Camera
Kabelafdekking
Schroeven
(art.nr. VL-PS240)
Signaalsterke van submonitor
Signaalstatus van camera
Camera
● Aan de kust op plaatsen waar de zeewind
rechtstreeks in contact komt met het product of
in de buurt van warmwaterbronnen met zwavel
(blootstelling aan zout kan de levensduur van
het product verminderen)
● In de buurt van televisietoestellen, radio’s, com-
puters, airconditioners, regelpanelen van boilers
met intercom of alarmsystemen in woningen
(deze apparatuur kan storing veroorzaken)
● In de buurt van satellietontvangers, zoals tu-
ners, tv’s met ingebouwde satellietontvanger en
opnameapparatuur (het uitgezonden beeld kan
vervormen)
● In een omgeving waar waterstofsulde, ammo-
niak, stof of schadelijke dampen aanwezig is/
zijn
B
Opmerking:
● De afbeeldingen in de meegeleverde handleiding(en) kunnen licht afwijken van het eigenlijke product.
Metalen deuren of metalen jaloezieën.
Isolatie met aluminiumfolie.
Betonnen muren of muren met gegalvaniseerd metaal.
Als het draadloze monitorstation (submonitor genoemd) wordt gebruikt in een ander
gebouw of een ander deel van het huis, een andere verdieping bijvoorbeeld, dan
waar de hoofdmonitor is geïnstalleerd.
Veel muren
Ramen met dubbelglas
Brand, elektrische schokken en kortsluiting voorkomen
Ongelukken en letsel voorkomen
Elektrische schokken voorkomen
Letsel voorkomen
Bewegingssensor Warmtesensor
Detectiemethode
De camera detecteert wijzigingen in
het weergegeven beeld.
De camera detecteert wijzigingen
in de helderheid van bewegende
objecten.
De camera detecteert temperatuurver-
schillen van objecten in het weergege-
ven beeld.
De warmtesensor gebruikt infra-
roodstralen om binnen het detec-
tiegebied temperatuurverschillen
te detecteren die normaal zijn voor
mensen, dieren enzovoort.
Voornaamste
kenmerken
Eenvoudige detectie van beweging
overdag of bij veel licht.
Beweging kan verkeerd
worden gedetecteerd wanneer
het bewegende object en de
achtergrond ongeveer dezelfde
kleur hebben.
Beweging kan verkeerd worden
gedetecteerd bij plotselinge
wijzigingen in de algehele
helderheid, bijvoorbeeld bij gebruik
van een buitenlamp.
De sensor kan gemakkelijk detecte-
ren wanneer objecten en de omge-
ving een groot verschil in tempera-
tuur laten zien, zoals ’s winters of ’s
nachts.
● Wanneer er geen verschil is tussen
de temperatuur van objecten en de
omgeving, zoals ’s zomers of overdag,
is detectie minder eenvoudig.
Als u de camera monteert in de richting
van de straat, kan de detectie worden
bemoeilijkt door de storende invloed
van de warmte van voorbijrijdende
auto’s.
Detectiegebied
Volledig gebied dat wordt bekeken
Het detectiegebied kan worden
verkleind.
"Het detectiegebied van
de bewegingssensor wijzigen"
op de ommezijde
Deel van het bekeken gebied (grijs)
Het detectiegebied kan worden
gewijzigd.
"De hoek van de warmte-
sensor wijzigen"
"De sensorbereikkapjes
gebruiken"
op de ommezijde
Eenvoudig/
moeilijk te
detecteren
Detectie van
beweging recht
naar de camera
toe is moeilijk.
Detectie van bewe-
ging in zijwaartse
richting voor de ca-
mera is gemakkelijk.
Detectiegebied
Camera
Voor de bewegingssen-
sor en de warmtesensor
geldt hetzelfde.
Wissel- en gelijkstroomkabels aansluiten
Bevestigen op DIN-rail
Voer de montage uit in de hieronder aangegeven volgorde. Haak (b) moet onder-
aan komen.
1
Plaats de haken (a) op de DIN-rail (
A
).
2
Trek de hendel omlaag en houd deze daarbij vast (
B
).
3
Zet haak (b) vast aan de DIN-rail (
C
).
Haak (a)
A
B
C
Haak (b)
De voedingseenheid en camera installeren
Belangrijk:
● Registreer de camera bij het hoofdmonitorstation voordat u de installatie uitvoert. ( ommezijde)
Niet aan het plafond bevestigen.
Niet installeren op plaatsen die rechtstreeks zijn blootgesteld aan water of regen.
Maak gaten in de muur voor de kabels en bedrading. Panasonic is niet aansprakelijk voor
problemen naar aanleiding van het maken van gaten in muren.
Maak de gaten die u in de muur maakt, waterdicht.
Gebruik de veiligheidskabel die aan de camera vastzit om te voorkomen dat de camera
kan vallen.
Trekkracht per schroef 294 N {30 k
g
f} of meer. Als aan dit criterium niet wordt voldaan,
moet u extra maatregelen treffen om de sterkte te vergroten.
Gebruik geen slagschroevendraaier. (Dit kan leiden tot beschadigde schroeven of te strak
aandraaien.)
1-62, 4-chome, Minoshima, Hakata-ku, Fukuoka 812-8531, Japan
http://www.panasonic.net/
© Panasonic System Networks Co., Ltd. 2013
PNQW3995ZA PC1113MT1113
Bij gebruik van de warmtesensor
De sensorbereikkapjes gebruiken De hoek van de warmtesensor wijzigen
Als er objecten zijn die de warmtesensor niet mag detecteren, kunt u het detectiegebied kleiner
maken door de sensorbereikkapjes aan te brengen.
De warmtesensor op de camera heeft een hendeltje waarmee u de sensor in twee ver-
schillende standen kunt zetten.
Soorten sensorbereikkapjes en detectiegebied
Naast het kapje dat standaard reeds op de camera is aangebracht, zijn er nog vier soorten
kapjes (kapje 1 tot 4). Met elk kapje wordt een ander gebied afgeschermd voor detectie.
De kapjes kunnen worden aangebracht in stappen van 45 graden. Zie de uitleg hierna en
bevestig het juiste kapje in de juiste hoek.
Het detectiegebied is een indicatieve waarde wanneer de instelling
[Gevoeligheid warmtesensor] (
"De gevoeligheid van de warmtesensor wijzigen",
hieronder rechts) is ingesteld op [Normaal]. (Afhankelijk van de omgevingstemperatuur
op de installatielocatie van de camera.)
(Voorbeeld 1) Wanneer er rechts in het zichtbare gebied een
object is dat niet mag worden gedetecteerd
(huis van de buren, de straat enzovoort).
Breng een van de kapjes 1 tot 3 aan zoals rechts
getoond voor het gebied dat niet mag worden
gedetecteerd.
(Voorbeeld 2) Wanneer er linksboven in het zichtbare
gebied een object is dat niet mag worden
gedetecteerd (auto’s op straat enzovoort).
De sensorbereikkapjes verwijderen en aanbrengen
Verwijderen: Gebruik voor het verwijderen het dikke uiteinde van de verwijderingstool van
het kapje (accessoire).
Aanbrengen:
Draai het uitstekende deel op het kapje
naar boven of in een hoek van 45 gra-
den volgens het type kapje of de richting
en bevestig het kapje op de camera
zoals rechts getoond.
Breng een van de kapjes 1 tot 3 aan zoals
hierboven getoond voor het gebied dat niet
mag worden gedetecteerd.
Bij gebruik van bewegingsdetectie
Het detectiegebied van de bewegingssensor wijzigen
Wijzig op de hoofdmonitor de instelling [Bereik bewegingsdetectie] voor de camera.
Door aan te geven waar u geen detectie wilt (keuze uit 12 blokken zoals hieronder getoond)
kunt u het detectiegebied verjnen.
De instelling wijzigen (voorbeeld: video-intercomsysteem VL-SWD501EX-serie)
Gebruik de instellingen van de hoofdmonitor, selecteer [Verbonden apparaten] → [Camera] →
cameranummer → [Instellingen sensor] → [Bereik bewegingsdetectie] → de delen waar geen
detectie moet plaatsvinden (keuze uit 12 blokken) en raak vervolgens [Configureren] aan.
(Voorbeeld) U controleert of de bewegingsdetectie goed werkt en ziet dat er
boven in beeld auto’s rijden die niet mogen worden gedetecteerd.
Selecteer in het scherm voor het detectiebereik het gebied waar de straat zich bevindt en
waar geen detectie mag plaatsvinden.
Gevoeligheid en detectiegebied van de sensor aanpassen
Opmerking:
Wanneer [Hoge gevoeligheid] is geselecteerd, is het waarschijnlijker dat wind of objecten
buiten het zichtbare deel tot detectie zal/zullen leiden. (Gebruik deze instelling alleen als
dit voor de installatieomgeving absoluut noodzakelijk is.)
Wijzig op de hoofdmonitor de instelling [Gevoeligheid warmtesensor] voor de camera.
(
Het detectiegebied van de warmtesensor hangt af van de geselecteerde gevoeligheid.
)
Gevoeligheid en detectiegebied van de warmtesensor
Het hieronder getoonde detectiegebied is een indicatie. (Afhankelijk van de omgevings-
temperatuur en de installatielocatie.)
Hoge gevoeligheid:
Lage gevoeligheid:
Normaal (standaardinstelling):
Stand van hendel en detectiegebied
Het hieronder getoonde detectiegebied is een indicatie. (Afhankelijk van de omgevings-
temperatuur en de installatielocatie.)
Bij aanschaf:
Met hendel omhoog:
De gevoeligheid van de warmtesensor wijzigen
Gebruik de instellingen van de hoofdmonitor, selecteer [Verbonden apparaten] →
[Camera] → cameranummer → [Instellingen sensor] → [Gevoeligheid warmtesensor]
→ de gevoeligheid (keuze uit 4 niveaus).
De instelling wijzigen (voorbeeld: video-intercomsysteem VL-SWD501EX-serie)
Zeer lage gevoeligheid:
Omgevingstemperatuur: 20 °C
Type kapje
Detectiegebied bij benadering (van bovenaf gezien)
20 ºC 0 ºC 30 ºC
Standaard (beves-
tigd aan camera)
Kapje 1
(Voorbeeld) Kapje 1 (Voorbeeld) Kapje 1 (Voorbeeld) Kapje 1
Kapje 2
(Voorbeeld) Kapje 3 (Voorbeeld) Kapje 3 (Voorbeeld) Kapje 3
Kapje 3
Wanneer u één
zijde wilt uitslui-
ten van detectie
Kapje 4
Wanneer u beide
zijden wilt uitslui-
ten van detectie
Het detectiegebied draait mee met de hoek van het sensorbereikkapje.
In gebieden met een "X" vindt geen
detectie plaats.
Configureren
>>>>>>Bereik bewegingsdetectie
Raak de gebieden aan waarin u
geen bewegingsdetectie wilt.
De gevoeligheid van de bewegingssensor wijzigen
Wijzig op de hoofdmonitor de instelling [Gevoeligheid bewegingsdetectie] voor de camera.
(Door de gevoeligheid in te stellen kunt u aangeven bij hoeveel beweging detectie moet
plaatsvinden.)
■ Gevoeligheid bewegingsdetectie (4 niveaus)
Hoge gevoeligheid
Normaal (standaardinstelling)
Lage gevoeligheid
Zeer lage gevoeligheid
Gebruik de instellingen van de hoofdmonitor, selecteer [Verbonden apparaten] → [Camera]
→ cameranummer → [Instellingen sensor] → [Gevoeligheid bewegingsdetectie] → de
gevoeligheid (keuze uit 4 niveaus).
De instelling wijzigen (voorbeeld: video-intercomsysteem VL-SWD501EX-serie)
Als u kleine veranderingen in de beweging wilt detec-
teren, selecteert u [Hoge gevoeligheid]. Selecteer
[Lage gevoeligheid] of [Zeer lage gevoeligheid] als u
alleen opvallende bewegingen wilt detecteren.
Detectiegebied
Ongeveer 5 m
Ongeveer 5 m
Ongeveer 5 m
Ongeveer 5 m
Ongeveer 6 m
Ongeveer 6 m
Ongeveer 6 m
Ongeveer 6 m
Ongeveer 4 m
Ongeveer 4 m
Ongeveer 4 m
Ongeveer 4 m
Detectiegebied
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2
Detectiegebied
Uitsteeksel
Ongeveer 6 m
Ongeveer 5 m
Ongeveer 4 m
Ongeveer 3 m
Detectiegebied
Detectiegebied
Detectiegebied
Detectiegebied
Van bovenaf gezien
Van bovenaf gezien
Van bovenaf gezien
Van bovenaf gezien
Hendel
Bij aanschaf:
Met hendel omhoog:
Zichtbaar deel
Detectiegebied
Zichtbaar deel
Detectiegebied
Detectie door sensoren controleren
Raak in het hoofdmenu van de hoofdmonitor achtereenvolgens aan:
→ [Verbonden apparaten] → [Camera] → cameranummer → [Instellingen sensor] →
[Sensoren controleren] → tik op elk type sensor ter bevestiging.
U moet de sensor op de
camera activeren binnen
ongeveer 20 minuten.
Druk op om de handeling te beëindigen.
1
2
3
Controleer op de hoofdmonitor of de detectie door de warmtesensor en de bewegingssensor goed verloopt.
De hier beschreven procedure is gebaseerd op een hoofdmonitor uit de VL-SWD501EX-serie.
Zie de Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem voor meer informatie.
Wanneer de sensoren iets detecteren
De LED-lampjes en het indicatielampje van de
camera gaan knipperen.
Het beeld op de hoofdmonitor verandert zoals
rechts getoond volgens het type sensor dat in
stap 1 is geselecteerd.
Opmerking:
Na bevestiging van de sensor gaat de camera na ongeveer 20 minuten automatisch uit. Als u
20 minuten laat verstrijken, moet u opnieuw beginnen.
U kunt de bovenstaande procedure ook gebruiken om een (in de handel verkrijgbare) externe
sensor te controleren, als u deze gebruikt.
Wanneer de detectie niet goed verloopt of wanneer foute detectie plaatsvindt
Wanneer de detectie niet goed ver-
loopt
Zie "Gevoeligheid en detectiegebied van
de sensor aanpassen" (
rechts) en
pas aan zoals hieronder uitgelegd.
Warmtesensor:
Wijzig de instelling
[Gevoeligheid warmtesensor] (verhoog de
gevoeligheid).
Bewegingsdetectie:
Wijzig de instelling
[Gevoeligheid bewegingsdetectie]
(verhoog de gevoeligheid).
Wanneer foute detectie plaatsvindt
Zie "Gevoeligheid en detectiegebied van de
sensor aanpassen" (
rechts) en pas aan
zoals hieronder uitgelegd.
Warmtesensor:
Gebruik de sensorbereikkapjes.
Wijzig de hoek van de warmtesensor.
Wijzig de instelling
[Gevoeligheid warmtesensor] (verlaag de
gevoeligheid).
Bewegingsdetectie:
Wijzig de instelling
[Gevoeligheid bewegingsdetectie] (verlaag
de gevoeligheid).
Wijzig de instelling
[Bereik bewegingsdetectie] (pas het bereik
aan).
Het detectiebeeld testen
Hiermee controleert u of de beelden goed zijn opgenomen vóór en na activering van een sensor.
De hier beschreven procedure is gebaseerd op een hoofdmonitor uit de VL-SWD501EX-serie.
Zie de Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem voor meer informatie.
Raak in het hoofdmenu van de hoofdmonitor achtereenvolgens aan:
→ [Verbonden apparaten] → [Camera] → cameranummer → [Instellingen sensor] →
[Opnametest].
U moet de sensor op de
camera activeren binnen
ongeveer 20 minuten.
Raak na afloop van de opname [Resultaat]
aan en controleer de opgenomen beelden
(A-D).
Druk op om de handeling te beëindigen.
Op de hoofdmonitor verschijnt een
scherm zoals rechts getoond en er
worden (maximaal 4 stilstaande)
beelden van het moment van detectie
bewaard.
Raak een beeld (
A
-
D
) aan om het
weer te geven op het hele scherm.
Als u nog een keer een opnametest
wilt uitvoeren, raak dan
aan in
het rechts getoonde scherm en raak
[Opnieuw testen] aan wanneer het
scherm van stap 3 wordt weergegeven.
Bij gebruik van de standaardinstelling:
A: beeld van 1 seconde vóór detectie.
B t/m D: beelden van het moment van detec-
tie tot ongeveer 2 seconden na detectie.
Met de instelling [Opname vóór detectie]
kunt u beelden bewaren van maximaal
2 seconden voorafgaand aan de detec-
tie. (
Bedieningsinstructies van het
video-intercomsysteem)
Ongeveer 1 seconde lang wordt de naam
van de sensor weergegeven. Wanneer de
sensor opnieuw wordt geactiveerd, wordt
de naam weergegeven.
Controle met een onderwerp dat wel
moet worden gedetecteerd
Controleer of de sensor wordt geactiveerd op de
plaats waar beweging moet worden gedetecteerd.
Voer deze controle uit met mensen die zich bewegen
in de richting waarin de detectie moet plaatsvinden.
Controle met een onderwerp dat niet
moet worden gedetecteerd
Controleer of de sensor niet wordt geactiveerd door
onderwerpen die niet mogen worden gedetecteerd,
zoals mensen of auto’s die bewegen op straat.
De camera wacht tot de sensoren worden geactiveerd en het live-beeld van de camera
wordt weergegeven.
Bewegingsdetectie:
Warmtesensor:
Warmtesensor
1
1
Bewegingsdetectie
Gebied waarin beweging is
gedetecteerd (geel aangegeven)
Weergegeven wanneer opname is voltooid
Live-beeld
(Voorbeeld) Wanneer de warmtesensor
iets detecteert
1
Opnieuw testen
Resultaat
Warmtesensor
1
Resultaat
1
4
3
1
5
Naam van sensor die iets heeft gedetecteerd
Lees het weergegeven bericht en raak [Volgende] aan.
De camera wacht tot de sensoren worden geactiveerd.
2
De voedingseenheid installeren
De installatielocatie
Het apparaat moet worden geïnstalleerd in een elektriciteitspaneel of -kast.
Los van de apparatuur moet een gemakkelijk bereikbare hoofdschakelaar worden geïnstalleerd.
- Het externe uitschakelsysteem moet gecerticeerd zijn, en een kruipweg/
veiligheidsafstand hebben van minimaal 3 mm.
Voorzorgsmaatregelen voor bedrading
Schakel de voeding met de hoofdschakelaar uit voordat u werkt aan de bedrading.
Sluit wissel- of gelijkspanningskabels altijd aan op de juiste terminals. Wanneer de
elektriciteitssnoeren onjuist worden aangesloten, kan de voedingseenheid worden beschadigd.
Voorkom dat voedingskabels loskomen en voorkom elektrische schokken door de
voedingskabels stevig vast te zetten met kabelbinders (accessoire) en door de
kabelafdekking aan te brengen.
Sluit de voedingseenheid (accessoire) en de wissel- en gelijkstroomkabels (in de
handel verkrijgbaar) aan.
De camera installeren (vervolg)
Bij aansluiting van een externe sensor
Open de afdekking aan de achterzijde en sluit de gelijkstroomkabel aan.
Steek de gelijkstroomkabel door het waterbe-
stendig rubber en sluit de kabel aan.
2-1 Open de afdekking. 2-2 Strip de gelijkstroomkabel.
2-3 Verwijder het waterbestendig rubber (A) van de camera en breng het aan op de
gelijkstroomkabel.
2-4 Draai de schroeven (
B) los, steek de draden
van de gelijkstroomkabel in de terminals (geen
polariteit) en draai de schroeven vast.
Aanbevolen momentwaarde:
0,8 N·m {8,2 k
g
f·cm}
Breng het waterbestendig rubber dat nu
aan de kabel vastzit weer aan op zijn
oorspronkelijke plaats.
2
3
12 mm
32 mm
Houd de terminalknoppen met de punt van een schroevendraaier ingedrukt en
steek de draden in de terminals.
Sluit de draden aan op de externe invoerterminal.
Zie "De externe invoerterminal" op de ommezijde en sluit de draden correct aan.
3-1 Strip de draden.
Zie 2-2 van stap 2 voor het strippen van
draden.
3-2 Verwijder het waterbestendig rubber (
C)
van de camera en breng het aan op de
draden.
Zie de tekening in 2-3 van stap 2.
3-3 Sluit de draden aan op de terminals (
D), breng het
waterbestendig rubber weer aan en zet het vast op
zijn oorspronkelijke plaats.
4
Sluit de afdekking (vastklikken).
5
Breng na bevestiging van de
4 schroeven (accessoire) de
schroefdopjes weer aan.
Aanbevolen momentwaarde:
1,2 N·m {12,2 k
g
f·cm}
Schroeven
(accessoire)
Schroefdopjes
(accessoire)
Bevestig de camera aan de muurmon-
tagebeugel en zet de camera vast.
Pas de hoek van de camera aan.
6
Van onderaf gezien
Aanbevolen momentwaarde voor
schroef
A
,
B
: 0,7 N·m {7,1 k
g
f·cm}
Hoek links/rechts aanpassen:
1. Draai schroef A los en regel de hoek
bij naar links of rechts.
2. Draai schroef
A aan.
1. Houd de camera in één hand vast en
draai schroef
B los om de hoek naar
boven of onder aan te passen.
2. Draai schroef
B aan.
Hoek boven/onder aanpassen:
Schakel de camera in, bekijk het beeld van de camera en controleer het zichtbare deel en
het geluid van de camera. (
Bedieningsinstructies van het video-intercomsysteem)
Als het deel dat u ziet niet goed is, kunt u de camera in een andere hoek zetten en het
resultaat opnieuw bekijken.
Als een submonitor deel uitmaakt van uw video-intercomsysteem, ga dan daarmee naar
de plaats waar de camera is geïnstalleerd en controleer tijdens het bijregelen van de
camerahoek het beeld op de submonitor.
7
Bevestig de veiligheidskabel aan de muur,
zodat de camera geen mensen kan raken
als de camera per ongeluk loskomt van de
muur.
Ga niet aan de camera hangen.
Bevestig de veiligheidskabel aan de
muur nadat u de hoek hebt bijgeregeld.
8
9
Test de werking van de sensor en het opnemen van beeld. ( rechts)
Beweeg het lipje
omhoog om de af-
dekking te openen
Waterbestendig rubber
Afdekking
Het is moeilijk om de schroef aan te draai-
en wanneer de camera vooruit wijst. Ga op
de rechts getoonde manier te werk om de
schroef aan te draaien nadat u de camera
naar links of rechts hebt gedraaid.
Schroeven aandraaien
Van onderaf
gezien
Draai deze schroef los
en beweeg de camera
naar links of rechts
Schroef A
Schroef B
Sluitring (accessoire)
Veiligheidskabel
Bevestigingsschroef
(in de handel
verkrijgbaar)
B
A
D
C
Configureren
>>>>>>Bereik bewegingsdetectie
Raak de gebieden aan waarin u
geen bewegingsdetectie wilt.
Bevestig de muurmontagebeugel aan de muur met daarin een opening voor
de kabeltoegang en dicht de beugel af.
1-1 Zet de muurmontagebeugel vast.
De camera installeren
1
1-2 Dicht de beugel rondom
(behalve het onderste
deel) af met een waterbe-
stendige afdichting.
Bevestig de muurmontagebeugel met het teken "
UP" naar boven en dicht af zoals
hier getoond. Alle openingen moeten goed worden gevuld.
(Als de beugel niet goed waterdicht wordt gemaakt, kan er water in komen, wat kan
leiden tot brand of elektrische schokken.)
Bevestigingsschroeven
(in de handel verkrijgbaar) × 4
Verticale, vlakke muur
46 mm
83,5 mm
Opening voor
kabeltoegang
Gelijkstroomkabel
Waterbestendige
afdichting
Muurmontage-
beugel
De beugel heeft aan de onder-
zijde een opening waardoor
water kan weglopen. Dit deel
niet afdichten.
LET OP
Steek de kabels stevig en zo ver
mogelijk in de terminals.
Als de kabels niet volledig naar
binnen zijn geschoven, kan er
warmteontwikkeling plaatsvinden.
1
Strip de wissel- en gelijkstroomkabels als volgt:
7 mm
45 mm
<Wisselstroomkabel>
<Gelijkstroomkabel>
25 mm
7 mm
2
Verwijder de schroeven (
B
) en verwijder ver-
volgens de kabelafdekking (
A
).
3
Steek de wisselstroom- en de gelijkstroom-
kabel in respectievelijk de ingang voor wis-
selstroom en de uitgang voor gelijkstroom
die u vindt aan respectievelijk de bovenzijde
en de onderzijde van de voedingseenheid.
Zet de draden vervolgens vast door de
schroeven aan te draaien.
Aanbevolen momentwaarde:
– Lichtnetterminal: 0,4 N·m {4,1 k
g
f·cm}
Gelijkstroomterminal: 0,45 N·m {4,6 k
g
f·cm}
220-240 V AC
Wisselstroomkabel
*1
Gelijkstroomkabel
24 V DC
Schroeven
*1
Kabelbinders (accessoire)
<Vooraanzicht>
4
Zet de wissel- en gelijkstroomkabels (dubbel
gecoat deel) met de kabelbinders (acces-
soire) vast aan de voedingseenheid.
5
Breng de kabelafdekking (
A
) weer aan.
Uitgang gelijkstroom
Opening voor
kabelbinder wis-
selstroomkabel
Ingang wisselstroom
<Bovenaanzicht>
<Onderaanzicht>
Opening voor
kabelbinder
gelijkstroomkabel
*1 Zorg ervoor dat er geen gestripte draden
buiten het product komen.
Kabelafdekking (
A
)
Schroeven (
B
)
Voedingseenheid (met verwijderde
kabelafdekking)
  • Page 1 1
  • Page 2 2

Panasonic VLWD812EX Handleiding

Type
Handleiding