Atco Rider 28H Lawn Rider de handleiding

Categorie
Grasmaaiers
Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

171503491/11
FR
TONDEUSE A CONDUCTEUR ASSIS
MANUEL D’UTILISATION
ATTENTION! - Avant d’utiliser la machine, lire attentivement
le présent manuel.
EN
RIDE-ON MOWER
OWNER’S MANUAL
WARNING!
Read this manual carefully before using the machine.
DE
AUFSITZMÄHER
GEBRAUCHSANWEISUNG
ACHTUNG! - Bevor man die Maschine verwendet lese man
das vorliegende Handbuch sorgfältig durch.
IT
RASAERBA CON CONDUCENTE SEDUTO
MANUALE DI ISTRUZIONI
ATTENZIONE: prima di utilizzare la macchina, leggere
attentamente il presente manuale.
NL
ZITMAAIER
GEBRUIKERSHANDLEIDING
LET OP! – Vooraleer de machine te gebruiken, lees aandachtig
deze handleiding.
72
1NL
Geachte Klant,
wij danken u voor het feit dat u de voorkeur hebt gegeven aan onze pro-
ducten en wij hopen dat het gebruik van deze grasmaaier u zeer tevreden
zal stellen en dat de machine volledig aan uw verwachtingen zal voldoen.
Deze handleiding is geschreven om u vertrouwd te maken met uw machi-
ne en om u in staat te stellen haar op de beste en de meest veilige manier
te gebruiken: vergeet niet dat deze handleiding een integrerend deel van
de machine is, bewaar deze binnen handbereik zodat u haar op elk
gewenst moment kunt raadplegen en zorg ervoor dat ze de machine altijd
vergezelt ook als u de machine overdraagt aan iemand anders.
Deze nieuwe machine is ontworpen en gemaakt in overeenstemming met
de geldende voorschriften en is volkomen veilig en betrouwbaar indien hij
gebruikt wordt voor het maaien en opvangen van gras, overeenkomstig
de aanwijzingen in deze handleiding (voorzien gebruik); het gebruik voor
andere doeleinden of het niet in acht nemen van de aangegeven veili-
gheids-, gebruiks-, onderhouds- en reparatievoorschriften wordt als
oneigenlijk gebruik” ( 5.1) beschouwd en brengt verval van, zowel
de garantie, als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor
de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of
anderen oplopen.
Mocht u verschillen tegenkomen tussen wat beschreven is en de machine
die u bezit, denk er dan aan dat, aangezien het produkt continu verbeterd
wordt, de in deze handleiding opgenomen gegevens zonder voorafgaan-
de kennisgeving en zonder dat de fabrikant verplicht is de handleiding te
updaten gewijzigd kunnen worden, waarbij de essentiële kenmerken met
het oog op de veiligheid en de werking van de machine onveranderd blij-
ven. In geval van problemen of vragen met betrekking tot de machine
kunt u zich gerust tot de leverancier bij u in de buurt of een erkende gara-
ge wenden. Wij wensen u een prettig gebruik van de machine toe!
SERVICEDIENST
Deze handleiding verstrekt alle gegevens die u nodig hebt om de machine
te kunnen gebruiken en om er op de juiste manier eenvoudige onder-
houdswerkzaamheden aan te kunnen verrichten, die de gebruiker zelf kan
uitvoeren.
Alle afstellingen en onderhoudshandelingen die niet beschreven zijn
in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper of
in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis
en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor
het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine.
Indien u het wenst kan de Verkoper een persoonlijk onderhoudsprogram-
ma voor u opstellen: dit stelt u in de gelegenheid om uw nieuwe aankoop
altijd in een perfecte conditie te behouden en zodoende de waarde van
uw investering te beschermen.
PRESENTATIE
VERTALING VAN DE OORPRONKELIJKE GEBRUIKSAANWIJZING
(ISTRUZIONI ORIGINALI)
2
1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN ................................................................................................................................................. 3
Bevat de voorschriften om de machine op een veilige manier te kunnen gebruiken
2. IDENTIFICATIE VAN DE MACHINE EN DE COMPONENTEN .................................................................................................. 7
Legt uit hoe u de machine en de voornaamste onderdelen waar de machine uit bestaat kunt identificeren
3. HET UITPAKKEN EN MONTEREN .............................................................................................................................................. 9
Legt uit hoe u de verpakking moet verwijderen en de losse onderdelen moet monteren
4. BEDIENINGSELEMENTEN ........................................................................................................................................................ 12
Geeft een overzicht van de werking van de bedieningselementen en de plaats waar zij zich bevinden
5. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN ................................................................................................................................................... 15
Bevat alle aanwijzingen om op de juiste wijze en op een veilige manier met de machine te kunnen werken
5.1 Uit te voeren werkzaamheden voor de ingebruikname ........................................................................................................ 16
5.2 Gebruik van de machine ....................................................................................................................................................... 17
5.3 Het gras maaien .................................................................................................................................................................... 19
5.4 Transport ............................................................................................................................................................................... 24
6. ONDERHOUD ............................................................................................................................................................................. 25
Bevat alle aanwijzingen om de machine in goede staat te houden
6.1 Veiligheidsadviezen ............................................................................................................................................................... 25
6.2 Toegang tot de mechanische delen ..................................................................................................................................... 25
6.3 Gewoon onderhoud .............................................................................................................................................................. 26
6.4 Ingrepen aan de machine ................................................................................................................................................... 28
7. BESCHERMING VAN DE OMGEVING ...................................................................................................................................... 30
Dit verschaft enkele raadgevingen voor het gebruik van de machine met respect voor de omgeving
8. RICHTLIJN OM PROBLEMEN VAST TE STELLEN .................................................................................................................. 31
Stelt u in staat eventuele problemen die tijdens het gebruik kunnen optreden snel zelf te verhelpen
9. OP AANVRAAG LEVERBARE ACCESSOIRES ......................................................................................................................... 34
De verkrijgbare accessoires worden geillustreerd met het oog op de bijzondere eisen die u aan de machine stelt
10. TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN ............................................................................................................................................. 35
Geeft een overzicht van de belangrijkste eigenschappen van uw machine
NL
INHOUD
3
HOE U DEZE HANDLEIDING MOET LEZEN
In de handleiding is zowel de machine met een mechanische over-
brenging als met een hydrostatische overbrenging beschreven, en
bovendien ook de verschillende versies in verband met uitrustingen
en accessoires die niet in alle landen leverbaar zijn.
Het symbool “ markeert de verschillen in het gebruik van de
machine, en wordt gevolgd door het type overbrenging of de versie
waar deze betrekking op hebben.
Het symbool “ ” verwijst, voor verdere uitleg of informatie, naar
een ander punt in de handleiding.
In de tekst van deze handleiding worden enkele paragrafen, die gege-
vens bevatten die in het bijzonder van belang zijn, gekenmerkt door
diverse symbolen die de volgende betekenis hebben:
of Verstrekt nadere
gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor
vermeld is, om te voorkomen dat de machine beschadigd of dat er
schade veroorzaakt wordt.
Gevaar van persoonlijk letsel of aan ande-
ren in geval van niet-inachtneming.
Kans op ernstig persoonlijk letsel of aan
anderen met gevaar van dodelijke ongelukken, in geval van
niet-inachtneming.
GEVAAR!
LET OP!
BELANGRIJKOPMERKING
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
Lees de aanwijzingen aandachtig alvorens
de machine te gebruiken.
A) VOORBEREIDING
1) Lees de gebruiksaanwijzing aandachtig door. Zorg dat u vertrouwd
raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste
wijze te gebruiken. Leer hoe u de motor snel kunt uitschakelen.
2) Gebruik de machine uitsluitend voor het doel waarvoor hij is bestemd,
dat wil zeggen voor het maaien en het opvangen van gras. Ieder doel
waarvoor de machine wordt gebruikt dat niet uitdrukkelijk in de gebruik-
saanwijzing wordt vermeld kan gevaarlijk zijn en zou de machine kunnen
beschadigen, waardoor de garantie vervalt en waarvoor de Fabrikant niet
aansprakelijk gesteld kan worden.
3) Laat kinderen of personen die deze gebruiksaanwijzing niet gelezen
hebben de machine niet gebruiken. De leeftijd van de gebruiker kan lan-
delijk gereglementeerd zijn.
4) Gebruik de machine in geen geval:
als er personen, met name kinderen of dieren in de buurt zijn;
als u onder invloed van medicijnen of alcohol e.d. bent omdat deze uw
reactievermogen kunnen verminderen.
5) Denk eraan dat de gebruiker van de machine aansprakelijk is voor
ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigen-
dommen kunnen overkomen.
6) Vervoer geen andere personen dan uzelf.
7) De bestuurder van de machine dient de aanwijzingen voor het bestu-
ren van de machine stipt op te volgen en wel:
de bestuurder mag niet afgeleid worden en dient alle aandacht bij zijn
werk te houden;
de bestuurder dient eraan te denken dat het verlies van de macht over
het stuur van de machine, terwijl hij van een helling afglijdt, niet her-
steld kan worden door de rem te gebruiken. De voornaamste oorzaken
LET OP!
NL
1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
4
waardoor u de macht over het stuur kwijt kunt raken zijn de volgende:
de wielen hebben niet voldoende grip;
te hoge snelheid;
niet goed remmen;
de machine is niet geschikt voor het doel waarvoor hij wordt gebruikt;
gebrek aan kennis ten aanzien van de gevolgen die de toestand waarin
het terrein zich verkeerd kunnen hebben, in het bijzonder op hellingen.
8) De machine is van een aantal microschakelaars en veiligheidsinrichtin-
gen voorzien. U mag deze voorzieningen in geen geval beschadigen of
verwijderen, op straffe van verval van de garantie en de fabrikant kan hier
dan niet voor aansprakelijk gesteld worden.
B) VOOR HET GEBRUIK
1) Tijdens het maaien dient u altijd stevige schoenen en een lange broek
te dragen. Gebruik de machine niet met blote voeten of met open sanda-
len.
2) Controleer het gehele terrein dat u wilt maaien grondig en verwijder
alles wat de machine zou kunnen beschadigen (zoals stenen, takken,
ijzerdraad, botten e.d.).
3) LET OP: GEVAAR! De benzine is bijzonder brandbaar.
bewaar de brandstof in speciale tanks;
giet de brandstof, met behulp van een trechter, alleen in de open lucht
in de tank en als u dit doet mag u hierbij, en ook niet tijdens het hante-
ren van de brandstof, niet roken;
giet de brandstof in de tank vóórdat u de motor aanzet: als de motor
aanstaat of warm is mag u geen benzine toevoegen of niet de dop van
de benzinetank erafdraaien;
als u benzine gelekt heeft mag u de motor niet starten maar dient u de
machine uit de buurt van de plek waar u de benzine gelekt heeft te
brengen en te voorkomen dat er brand ontstaat. U dient te wachten
totdat de brandstof verdampt is en de benzinedampen opgelost zijn;
draai de doppen van de benzinetank van de machine en van het benzi-
neblik altijd goed dicht.
4) Vervang de geluiddempers als deze defect zijn.
5) Vóór het gebruik dient u een algemene controle te verrichten, met
name de toestand van het mes, en dient u te controleren of de bouten en
het mes niet versleten of beschadigd zijn. Vervang het beschadigde of
versleten mes en/of de bouten en bloc om ervoor te zorgen dat het maai-
dek in balans blijft.
6) Vóórdat u met het maaien begint, dient u de beschermingen op het
windkanaal te monteren (opvangbak en steenbeschermkap).
C) TIJDENS HET GEBRUIK
1) Start de motor niet in gesloten ruimten, waar zich gevaarlijke koolstof-
monoxyde kan ophopen.
2) Werk alleen bij daglicht of bij goed kunstlicht.
3) Indien mogelijk, maai niet als het gazon nat is.
4) Voordat u de motor start dient u het mes los te koppelen, de versnel-
ling ( bij modellen met mechanische aandrijving) of de snelheidsrege-
laar ( bij modellen met hydrostatische aandrijving) in de “vrije” stand te
zetten en de machine op de handrem te zetten.
5) Maai geen gazons die een helling van meer dan 10° hebben (17%).
6) Denk eraan dat er geen “veilige” hellingen bestaan. U dient bijzonder
goed op te letten als u zich op een helling begeeft. Om te voorkomen dat
u over de kop slaat, adviseren wij u:
een tegengewicht op de voorzijde van de machine te monteren (ver-
krijgbaar op aanvaag);
niet plotseling te stoppen of weg te rijden als u een helling op– of
afrijdt;
de koppeling altijd voorzichtig laat opkomen en altijd een versnelling
ingeschakeld te houden ( bij modellen met mechanische aandrijving)
of de snelheidsregelaar ( bij modellen met hydrostatische aandrijving)
geleidelijk naar een hogere stand te schuiven;
de snelheid op de hellingen en in scherpe bochten laag te houden;
let op bobbels, taluds en op verborgen gevaren;
maai het gazon in geen geval in de dwarsrichting ten opzichte van de
helling.
7) Koppel het mes los als u over gedeelten rijdt waar geen gras ligt en zet
het maaidek in de hoogste stand.
8) Gebruik de machine nooit om gras te maaien als de beveiligingen
beschadigd zijn en ook nooit zonder de grasopvangbak of zonder de
steenbeschermkap.
9) Wijzig de afstelling van de motor niet en laat het toerental van de
NL
5
motor niet buitengewoon hoog oplopen.
10) Vóórdat u de bestuurdersstoel verlaat dient u:
het mes los te koppelen;
de versnelling in zijn vrij te zetten ( bij modellen met mechanische
aandrijving) of de snelheidsregelaar in de vrije stand terug te zetten
( bij modellen met hydrostatische aandrijving) en de machine op de
handrem te zetten.
de motor uit te schakelen en de contactsleutel eruit te nemen.
11) Koppel het mes los, schakel de motor uit en neem de contactsleutel
eruit:
vóórdat u enige werkzaamheden onder het maaidek uitvoert of vóórdat
u het windkanaal leegt;
vóórdat u de machine controleert, schoonmaakt of ermee werkt;
nadat u op een vreemd voorwerp gestoten bent. Controleer of de
machine beschadigd is en voer de nodige reparaties uit vóórdat u de
machine opnieuw gebruikt;
als de machine op een ongebruikelijke manier begint te trillen (probeer
onmiddellijk de oorzaak van het trillen te vinden en probeer de oorzaak
te verhelpen).
12) Koppel het mes tijdens het vervoer los en doe dit telkens als u het
mes niet gebruikt. Koppel het mes los en wacht totdat het stilstaat tel-
kens als u de opvangbak leegt.
13) Schakel de motor uit en koppel het mes los:
vóórdat u benzine bijvult;
iedere keer als u de opvangbak verwijdert of opnieuw aanbrengt.
14) Neem gas terug voordat u de motor uitschakelt. Draai, na voltooiing
van het maaien, de benzinekraan dicht, waarbij u de in het boekje vermel-
de aanwijzingen dient na te leven.
15) Kom niet met uw handen of voeten in de buurt van of onder de rote-
rende gedeelten. Blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening.
D) ONDERHOUD EN OPSLAG
1) Laat de bouten en de schroeven vastgedraaid zitten om er zeker van
te zijn dat de machine altijd op een veilige manier gebruiksklaar is. Als u
regelmatig onderhoud aan de machine pleegt zal de werking van de
machine veilig blijven en zal het prestatieniveau gelijk blijven.
2) Zet de machine nooit met benzine in de tank in een ruimte waar de
benzinedampen met vlammen, vonken of een warmtebron in aanraking
zouden kunnen komen.
3) Laat de motor eerst afkoelen vóórdat u de machine opbergt.
4) Om het brandgevaar zoveel mogelijk te beperken dient u de motor, de
geluiddemper van het uitwerpmechanisme, de accubak en de benzine-
tank vrij te houden van gras, bladeren of teveel vet. Leeg de opvangbak
altijd en laat geen zakken of bakken met gemaaid gras in de opslagruimte
achter.
5) Controleer de steenbeschermkap, de opvangbak en het afzuigrooster
regelmatig op slijtage of beschadiging. In geval van beschadiging dienen
deze vernieuwd te worden.
6) Gebruik de machine, uit veiligheidsoverwegingen, nooit met versleten
of beschadigde onderdelen. Deze onderdelen moeten vernieuwd en niet
gerepareerd worden. Gebruik altijd originele onderdelen (het mes moet
altijd gemerkt zijn met dit teken ). Onderdelen van een andere kwaliteit
kunnen de machine beschadigen en kunnen gevaarlijk zijn voor de
gebruiker.
7) Als u de tank moet legen, dient u dit in de open lucht te doen terwijl de
motor koud is.
8) Trek werkhandschoenen aan als u het mes demonteert en opnieuw
monteert.
9) Zorg dat het maaidek opnieuw in balans wordt gebracht nadat het mes
geslepen is.
10) Als de machine opgeborgen of onbeheerd achtergelaten moet wor-
den, dient u het maaidek omlaag te zetten.
11) Laat de sleutels nooit in het contact zitten of binnen het bereik van
kinderen of personen die de machine niet mogen gebruiken. Haal de sleu-
tel altijd uit het contakt vóórdat u onderhoudswerkzaamheden aan de
machine verricht.
E) VERVOER
1) Als de machine vervoerd wordt met een vrachtwagen of op een opleg-
ger, dient u het maaidek omlaag te zetten, de handrem aan te trekken en
dient u er zeker van te zijn dat de machine goed vastzit aan het vervoer-
middel met behulp van touwen, kabels of kettingen.
NL
6
VEILIGHEIDSSTICKERS
Gebruik uw machine met de nodige voorzichtigheid. Om u tot voor-
zichtigheid te manen is uw machine voorzien van een aantal stickers
welke u door middel van pictogrammen wijzen op de belangrijkste
voorzorgsmaatregelen. Deze stickers worden beschouwd als een
aanvullend deel van de machine.
Als een sticker loslaat of onleesbaar wordt, dient u zich tot de leve-
rancier te wenden voor vervanging. Hun betekenis is hieronder weer-
gegeven.
Let op: Lees de gebruikershandleiding voordat u deze machine
gebruikt.
Let op: Neem de sleutel uit het contact en lees de instructies
2
1
voordat u onderhoud verricht of reparaties uitvoert.
Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Werk niet zonder de
steenbeschermkap of de grasopvangbak.
Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Houd personen op een
afstand.
Gevaar! De machine kan omkiepen: Gebruik deze machine niet
op hellingen van meer dan 10°.
Gevaar! Verminking: Let erop dat kinderen uit de buurt van de
machine blijven als de motor draait.
Risico voor snijwonden. Lemmer
in beweging. Geen handen of voeten
aan de binnenkant van de zitting van het
lemmer plaatsen.
U dient enig letsel, veroorzaakt
door het meeslepen van de riemen, te
vermijden: Bedien de machine niet zon-
der de gemonteerde beschermingen.
Blijf op afstand van de riemen.
Let op! – Houd u op afstand van de
hete oppervlakken.
9
8
7
6
5
4
3
NL
1 2
5 6
7
8
3
4
9
7
IDENTIFICATIE VAN DE MACHINE
De sticker die zich onder de
bestuurdersstoel bevindt bevat
essentiële gegevens en het
serienummer van iedere ma-
chine.
1. Niveau van de geluidsster-
ke volgens
de richtlijn 2000/14/CE
2. EEG-merkteken volgens de
richtlijn 2006/42/EG
3. Bouwjaar
4. Vermogen en bedrijfstoeren-
tal van de motor
5. Machinetype
6. Serienummer
7. Gewicht in kg
8. Naam en adres van
de fabrikant
9. Type overbrenging (indien
aangeduid)
10. Artikelcode
IDENTIFICATIE VAN DE VOORNAAMSTE COMPONENTEN
Op de machine kunt u enkele belangrijke componenten herkennen
die de volgende werking hebben:
11. Maaidek: dit is de beschermkap waar het ronddraaiende mes
onder zit.
12. Mes: dit is het element om het gras te maaien; de windvleugels
die aan de uiteinden zitten bevorderen het overbrengen van het
gemaaide gras naar het windkanaal.
13. Windkanaal: dit is het verbindingselement tussen het maaidek en
de grasopvangbak.
14. Grasopvangbak: dient niet alleen om het gemaaide gras op te
vangen maar vormt bovendien een veiligheidselement omdat het
namelijk voorkomt dat eventuele voorwerpen, die door het mes
meegenomen worden, van de machine weg kunnen schieten.
NL
2. IDENTIFICATIE VAN DE MACHINE EN DE COMPONENTEN
L
WA
dB
kg
kW -
8 5 4
3 9 6 2 110
/min
7
16 18 17
13 12 11
14 1920
21
15
Vul hier het serienummer
van de machine (6)
8
15. Steenbeschermkap of steenbeveiliging: deze wordt in plaats
van de grasopvangbak gemonteerd en voorkomt dat eventuele
voorwerpen die door het mes meegenomen worden van de
machine weg kunnen schieten.
16. Motor: brengt de beweging naar zowel het mes als de wielaan-
drijving over; de kenmerken van de motor staan in een specifiek
instructieboekje vermeld.
17. Accu: levert de nodige stroomvoorziening om de motor te kun-
nen starten; de kenmerken van de accu staan in een specifiek
instructieboekje vermeld.
18. Bestuurdersstoel: dit is de plek waarop de bestuurder plaats
moet nemen om met de machine te kunnen werken; de stoel is
uitgerust met een sensor die de aanwezigheid van de bestuurder
waarneemt met het oog op de werking van de veiligheidsinrich-
tingen.
19. Stickers met instructies en veiligheidsvoorschriften: attende-
ren u op de belangrijkste maatregelen die getroffen moeten wor-
den om op een veilige manier met de machine te kunnen werken;
de betekenis ervan wordt in hoofdstuk 1 uitgelegd.
20. Toegangsdeurtje: om de bougie, de benzinekraan en de moer
van de motorkap gemakkelijk te kunnen bereiken.
21. Afzuigrooster: bevordert de luchttoevoer binnen het maaidek en
voorkomt het wegschieten van eventuele voorwerpen aan de
voorkant.
NL
16 18 17
13 12 11
14 1920
21
15
9
Om vervoers- en opslagredenen worden sommige onderdelen van de
machine niet in de fabriek gemonteerd. Zij dienen na het uitpakken
gemonteerd te worden. De voltooing dient uitgevoerd te worden aan
de hand van de volgende, eenvoudige instrukties.
Om vervoersredenen wordt de machine zon-
der motorolie en benzine geleverd. Voordat u de motor in werking
stelt moet u er dan ook eerst olie en benzine in doen waarbij u de
voorschriften die in het instructieboekje van de motor staan in acht
moet nemen.
De uitpakken en de vervollediging van de
montage moeten op een vlakke en solide ondergrond gebeu-
ren, met voldoende ruimte voor de beweging van de machine
en van de verpakkingen, en steeds met gebruik van de
geschikte werktuigen.
3.1
DE MACHINE UITPAKKEN
Bij het uitpakken van de machine moet u oppassen dat u geen losse
onderdelen, die bij de levering inbegrepen zijn, kwijtraakt en dat het
maaidek niet beschadigd wordt op het moment dat de machine van
de transportpallet afgereden wordt.
De standaardverpakking
het stuurwiel;
de accu;
de stoel;
de onderdelen van de opvangbak;
een mapje met de gebruikershandleiding, de overige documenten
LET OP!
BELANGRIJK
en de bij de levering inbegrepen schroeven, inclusief 2 startsleutelt-
jes, 1 stalen stift voor het blokkeren van het stuurwiel en een reser-
vezekering van 10 Ampere (6,3 A met motor Honda).
De verwerking van de verpakkingen moet volgens de plaatselijke gel-
dende bepalingen gebeuren.
3.2
MONTEREN EN DE ACCU AANSLUITEN
Demonteer de achterste
afdekking (1) van de stuu-
ras die bevestigd is met
twee schroeven (2) en de
voorste afdekking(3), beve-
stigd met twee schroeven
(4).
Plaats de accu (5) en zijn
zitting en bevestig met
behulp van de beugel (6)
en de bijhorende moer (7).
Sluit de drie rode draden
(8) aan op de positieve
klem (+) en de drie zwarte
draden (9) op de negatieve
klem (–) met behulp van de
bijgeleverde schroeven, en
in de aangegeven volgor-
de.
Hermonteer correct de
NL
3. HET UITPAKKEN EN MONTEREN
2
1
4
3
4
6
5
7
8
9
10
afdekkingen (3) en (1) van de stuuras en zet ze vast met de schroeven
(4) en (2).
Herlaad, volgens de instructies van de fabrikant van de accu.
Om te vermijden dat het beveiligingssysteem
van de elektronische installatie in werking treedt mag u de motor
absoluut niet starten voordat de accu volledig opgeladen is!
Neem de aanwijzingen van de fabrikant
van de accu in acht met betrekking tot de veiligheid bij het
hanteren en het lozen van de accu.
3.3
HET STUURWIEL MONTEREN
Zet de machine op een vlakke ondergrond en zorg ervoor dat de
voorwielen uitgelijnd zijn.
Schuif het stuurwiel (1) over
de stuurkolom (2) en zorg er-
voor dat de verstevigingsspa-
ken naar de stoel toe ge-
draaid zijn.
Zorg ervoor dat de opening
van het stuurwiel en de ope-
ning van de stuurkolom tege-
nover elkaar komen te zitten
en doe de meegeleverde sta-
len stift (3) erin.
Sla de stalen stift er met behulp van een hamer door heen en contro-
leer of de stift er aan de andere kant uit komt.
LET OP!
BELANGRIJK
Om te vermijden dat het stuurwiel met de ha-
mer beschadigd wordt, moet u de stift er met behulp van een slag-
pen of een schroevedraaier, waarvan de diameter geschikt moet
zijn, door heen slaan.
3.4
DE STOEL
MONTEREN
Monteer de stoel (1) op
de plaat (2) met behulp
van de schroeven (3).
3.5
DE GRASOPVANGBAK MONTEREN
Monteer allereerst het frame, door het bovenste deel (1) inclusief de
opening aan het onderste deel (2) te bevestigen, maak daarbij gebruik
van de meegeleverde schroeven en moeren (3). Houd daarbij de aan-
gegeven volgorde aan.
Plaats de hoekplaten (4) en (5) en houd daarbij de betreffende aandui-
ding rechts (R ) en links (L ), aan. Maak ze daarna met behulp van
de vier zelftappende schroeven (6) aan het frame vast.
Doe het op die manier gevormde frame in de zak, waarbij u erop
moet letten dat de onderkant rondom op de juiste plaats zit. Haak de
kunststof profielen met behulp van een schroevedraaier (7) vast aan
het frame.
OPMERKING
NL
132
1
2
3
3
11
Schuif het handvat (8) in de gaatjes van het deksel (9) en bevestig dit
door middel van de bouten (10) aan het frame. Dit volgens de aange-
geven volgorde. Completeer de montage met behulp van de vier zelf-
tappende schroeven (11) die zich aan de voor- en achterkant bevin-
den.
Als laatste bevestigt u onde-
raan het frame de dwarsverste-
viging (12) met de vlakke zijde
naar de bak toe. Schroef deze
met behulp van de meegelever-
de schroeven en moeren (13)
vast. Houd daarbij de aangege-
ven volgorde aan.
NL
5
L
6
4 - 5
2
13 12
1 2
3
R
4
3 2
12
1
6
6
898 10 1011
13
13 (x 2)
11 (x 4)
10 (x 2)
6 (x 4)
3 (x 2)
12
1. STUURWIEL
Hiermee kunt u de voorwielen besturen.
2. VERSNELLINGSPOOK
Hiermee kunt u het toerental van de motor bepalen. De diverse stan-
den staan aangeven op het plaatje waar de volgende symbolen op
staan:
«CHOKE» stand om de motor te starten
«LANGZAAM» stand stemt overeen met het laagste
toerental
«SNEL» stand stemt overeen met het hoogste
toerental
Tijdens het rijden moet u een tussenstand tussen de «LANGZAAM»
en de «SNEL» stand kiezen; tijdens het maaien is het verstandig om
de versnellingspook op de «SNEL» stand te zetten.
3.
HENDEL VAN DE HANDREM
Deze hendel wordt gebruikt om te voorkomen dat de machine gaat
rijden als u hem geparkeerd heeft en moet altijd aangetrokken worden
als u van de machine afstapt.
De rem wordt ingeschakeld als het pedaal (11 - 21) volledig ingetrapt
is waarbij u de hendel in stand «A» moet zetten; als u uw voet van het
pedaal haalt dan moet het pedaal ingetrapt blijven en door de hendel
in die stand blijven staan.
Om de handrem uit te schakelen moet u opnieuw het pedaal intrap-
pen, waarna de hendel in stand «B» gaat staan.
4.
CONTACTSLOT
Het contactslot heeft drie verschillende standen:
«UIT» stand alles uit;
«DRAAIEN» stand alle bedieningselementen worden
in werking gesteld;
NL
4. BEDIENINGSELEMENTEN
1
2
A
B
3
B
A
6
1
2
3
4
5
6
7
7
5 4
13
«STARTEN» stand u start de startmotor; vanuit deze stand
komt het sleuteltje, zodra u deze loslaat,
vanzelf weer in de «DRAAIEN» stand
terug.
5.
CONTROLELAMPJE EN SIGNALERINGSSYSTEEM
Dit controlelampje gaat branden als het sleuteltje (4) zich in de
«DRAAIEN» stand bevindt en blijft branden zolang de machine in wer-
king is.
Een knipperend lampje betekent dat de toestemming, om de motor te
starten, ontbreekt .
Een geluidssignaal bij een ingeschakeld mes, attendeert u erop dat
de grasopvangbak vol is.
6.
HENDEL OM HET MES EN DE REM VAN HET MES
IN TE SCHAKELEN
Deze hendel heeft twee standen, die op het plaatje aangegeven
staan, te weten:
Stand «A» = MES UITGESCHAKELD
Stand «B» = MES INGESCHAKELD
Als het mes ingeschakeld wordt zonder dat de voorgeschreven veilige
omstandigheden in acht genomen zijn, dan slaat de motor af.
Als het mes uitgeschakeld wordt (stand «A») dan wordt er tegelijker-
tijd een rem ingeschakeld die binnen vijf seconden belet dat het mes
kan draaien.
7. HENDEL OM DE MAAIHOOGTE IN TE STELLEN
Deze hendel heeft zeven standen die op het betreffende plaatje aan-
gegeven staan, d.w.z. stand «1» tot en met «7», die met net zoveel
maaihoogten overeenstemmen, variërend van 3 tot 8 cm.
Om van de ene stand naar de andere stand over te gaan dient u de
hendel door een zijwaartse beweging in één van de zeven inkepingen
te plaatsen.
11. KOPPELINGS-/REMPEDAAL
Dit pedaal heeft een dubbele functie: bij het intrappen van het eer-
ste gedeelte dient het pedaal als koppelingspedaal waarbij de wie-
laandrijving in- of uitgeschakeld wordt en het tweede deel dient als
rem, die op de achterwielen inwerkt.
U moet bijzon-
der goed oplet-
ten dat u tijdens
de koppeling-
sfase niet te
lang aarzelt om
oververhitting
en, als gevolg
daarvan,
beschadiging
van de over-
brengingsriem
te vermijden.
Tijdens het rijden is het verstandig uw
voet niet op dit pedaal te laten rusten.
OPMERKING
Mechanische aandrijving
NL
R
N
1
2
3
4
5
12
11
12. VERSNELLINGSPOOK
Deze pook heeft zeven standen die overeenstemmen met vijf ver-
snellingen vooruit, de stand om de versnelling in zijn vrij te zetten
«N» en de achteruitrijversnelling «R». Om van de ene versnelling
naar de andere te schakelen moet u het pedaal (11) half intrappen
en de pook overeenkomstig de gegevens die op het plaatje staan
in de gewenste versnelling zetten.
Het inschakelen van de achteruitrijver-
snelling dient bij stilstand te gebeuren.
21.
REMPEDAAL
Bij modellen met hydrostatische aandrijving fungeert dit pedaal
alleen als achterrem.
22. HENDEL VAN DE SNELHEIDSREGELAAR
Deze hendel schakelt de aandrijving van de wielen in en regelt de
snelheid van de machine, zowel bij het vooruit als bij het achteruit
rijden.
Bij het vooruit rijden versnelt de machine geleidelijk aan door de
hendel richting «F» te schuiven; om de machine in zijn achteruit te
zetten moet de hendel richting «R» worden geschoven. De machi-
ne keert automatisch terug naar de vrije stand «N» wanneer het
rempedaal (21) wordt ingedrukt. Wanneer er niet geremd wordt
kan de machine handmatig in de vrije stand worden gezet.
De hendel wordt in de vrije stand «N»
geblokkeerd wanneer de handrem (3) wordt aangetrokken en
blijft geblokkeerd zolang de machine op de handrem staat of het
rempedaal is ingetrapt.
BELANGRIJK
Hydrostatische aandrijving
LET OP!
14
23.
KOPPELINGSHENDEL VAN DE HYDROSTATISCHE
OVERBRENGING
Deze hendel heeft twee standen die door een plaatje zijn aangege-
ven:
Stand «A» = Aandrijving vergrendeld: voor alle gebruikscondities,
tijdens het rijden en het maaien;
Stand «B» = Aandrijving ontgrendeld: een aanzienlijke verminde-
ring van de inspanning die nodig is om de machine,
met de motor uit, op eigen kracht te verplaatsen.
Teneinde te voorkomen dat de aandrijfunit
beschadigd wordt, mag deze operatie alleen worden uitgevoerd
met een stilstaande motor, met de hendel (22) in de stand «N».
BELANGRIJK
NL
21
22
A
B
23
R
N
F
23
HYDRO-GEAR TUFF-TORQ
B
A
15NL
Gebruik de machine alléén voor het doel
waarvoor zij gemaakt is (het maaien en opvangen van gras).
Eender welk ander gebruik wordt als "oneigenlijk gebruik"
beschouwd en brengt verval van, zowel de garantie, als de
aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebrui-
ker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of
anderen oplopen.
De volgende situaties behoren tot het oneigenlijk gebruik (bij-
voorbeeld, maar niet uitsluitend):
andere personen, kinderen of dieren op de machine of op
een oplegger vervoeren;
ladingen trekken of duwen zonder het gebruik van het daar-
voor bestemde toebehoren voor het slepen;
gebruik van de machine op onstabiele, gladde, bevroren, ste-
nige of oneffen terreinen, in geval van plassen of moerassen
die niet toestaan de consistentie van het terrein in te schat-
ten.
gebruik van de machine voor het verzamelen van bladeren of
afval;
de messen aanschakelen op zones zonder gras.
Kom niet aan de veiligheidsmechanismen
en verwijder deze nooit. DENK ERAAN DAT DE GEBRUIKER
ALTIJD AANSPRAKELIJK IS VOOR SCHADE DIE AAN ANDE-
REN BEROKKEND WORDT.
Alvorens de machine te gebruiken:
lees de algemene veiligheidsvoorschriften, en besteed spe-
ciale aandacht aan het rijden en het maaien op hellende ter-
reinen;
lees de gebruiksaanwijzingen aandachtig door, raak ver-
GEVAAR!
GEVAAR!
trouwd met de bediening en leer hoe de messen en de motor
snel tot stilstand gebracht kunnen worden.
breng handen en voeten niet in de nabijheid van, of onder
ronddraaiende delen en blijf altijd uit de buurt van de uitwer-
popening.
Gebruik de machine niet met een slechte lichamelijke conditie,
of onder invloed van medicijnen of middelen die de reflexen en
de aandacht kunnen verminderen.
Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de
risico’s die het terrein waar hij op moet werken met zich kan
brengen te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatrege-
len te treffen, met het oog op zijn eigen veiligheid en die van
anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabie-
le terreinen.
De machine niet in hoog gras laten staan met een draaiende
motor, teneinde geen risico op brand te veroorzaken.
Deze machine mag niet gebruikt worden
op hellingen met een hellingspercentage van meer dan 10°
(17%) ( 5.3.4). Als er verwacht wordt de machine voorname-
lijk op hellende terreinen (max. 10%) te gebruiken dan is het
verstandig tegengewichten (op aanvraag leverbaar ( 9.1)
onder het dwarsprofiel van de voorwielen te monteren, waar-
door de stabiliteit aan de voorkant verhoogd wordt en de
mogelijkheid dat de machine gaat steigeren zich beperkt.
Alle verwijzingen met betrekking tot de
bedieningsposities worden weergegeven in hoofdstuk 4.
BELANGRIJK
LET OP!
5. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN
16NL
5.1 UIT TE VOEREN WERKZAAMHEDEN VOOR
DE INGEBRUIKNAME
Alvorens te beginnen met werken dienen er enkele controles en han-
delingen uitgevoerd te worden om er zeker van te zijn dat het werk op
de meest nuttige en veilige manier zal verlopen.
5.1.1 De stoel afstellen
De stoel is met vier schroeven
(1) bevestigd die u los moet
draaien om de stand van de
stoel te kunnen verstellen,
waarbij u de stoel in de gleuven
van de steun moet laten glijden.
Als de stoel in de gewenste
stand staat, moet u de vier
schroeven weer goed aan-
draaien.
5.1.2 De tank vullen
De te gebruiken brandstof en motorolie staan
aangegeven in het instructieboekje van de motor.
Om bij de peilstok van de olie te
komen dient u de zitting
omhoog te zetten en het daa-
ronder gelegen deksel te ope-
nen.
Zet het contact af en controleer
het motoroliepeil dat zich tus-
sen de MIN. en de MAX. inke-
ping van de peilstok moet
bevinden.
OPMERKING
Tijdens het vullen van de tank
met brandstof met behulp van
een trechter dient u erop toe te
zien dat de tank niet te vol is.
De inhoud van de tank
bedraagt ongeveer 4 liter.
Om
de brandstoftank te vullen
moet u de motor uitzetten.
Doe dit in de open lucht of
in een goed geventileerde ruimte. Denk er altijd aan dat benzi-
nedampen brandbaar zijn! GEEN OPEN VUUR IN DE BUURT
VAN DE TANK BRENGEN EN NIET ROKEN BIJ HET VULLEN
VAN DE TANK.
Vermijden benzine op de plastic gedeelten te
gieten zodanig dat ze niet beschadigd worden; bij toevallige lekken
onmiddellijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan
de plastic onderdelen van de carrosserie of de motor, veroorzaakt
door benzine.
5.1.3 Bandenspanning
Een juiste bandenspanning is
noodzakelijk om het maaidek
geheel vlak boven het grasop-
pervlak te krijgen, zodat u een
mooi maaibeeld krijgt.
Schroef de ventieldopjes los en
verbind de ventielen aan een
persluchtmachine die voorzien is
van een manometer.
BELANGRIJK
GEVAAR!
1
1
MAX
MIN
17NL
De bandenspanning moet als volgt zijn:
VOOR 1,5 bar
ACHTER 1,0 bar
5.1.4 De beveiligingen (opvangbak of steenbeschermkap) bij de
uitwerpopening monteren
Gebruik de
machine nooit zonder deze beveili-
gingen!
Til het deksel (1) op en bevestig de
opvangbak door de twee scharnierge-
wrichten (2) in de gaten van de twee
steunen (3) te steken.
Indien er gewerkt wordt zonder opvangzak is
er, op aanvraag, een steenbeschermkap (4)
leverbaar die, zoals aangegeven in de bijbe-
horende instructies, op de achterplaat beve-
stigd dient te worden.
5.1.5 Controle van de veiligheid en de doeltreffendheid
van de machine
1. Controleer of de beveiligingen werken zoals aangegeven
( 5.3.7).
LET OP!
2. Controleer of de rem correct werkt.
3. Begin niet te maaien indien het mes trilt of men twijfels heeft
omtrent de scherpe staat van de messen; denk er altijd aan dat:
Een bot mes rukt het gras uit een veroorzaakt de vergeling van
het gazon.
Een mes dat niet goed vastzit gaat op abnormale wijze trillen en
is een potentiële gevarenbron.
Gebruik de machine niet indien men niet
zeker is van de doeltreffendheid en veiligheid en contacteer de
Verkoper voor de nodige controles of reparaties.
5.2 GEBRUIK VAN DE MACHINE
5.2.1 De machine starten
Het starten moet altijd in de open lucht
of in een goed geventileerde ruimte gebeuren ! DENK ERAAN
DAT UITLAATGASSEN GIFTIG ZIJN!
Voordat u de motor start:
open de benzinekraan (1)
(indien aanwezig), toeganke-
lijk vanaf het wielvak achte-
raan links;
Zet de versnellingspook
( bij modellen met
mechanische aandrijving) of
de hendel van de snelheid-
sregelaar ( bij modellen
met hydrostatische aandrij-
ving) in de vrije stand «N».
GEVAAR!
LET OP!
1
2
3
3
4
1
18NL
het mes uitschakelen;
schakel op hellende terreinen de handrem in.
Nadat u dit gedaan heeft:
dient u de gashendel, bij een koude motor; in de «CHOKE» stand
te zetten zoals aangegeven op het plaatje, of tussen de «LANG-
ZAAM» en «SNEL» stand als de motor reeds is warmgedraaid;
steek het startsleuteltje in het contact, draai het sleuteltje in de
«DRAAIEN» stand om de elektrische installatie in werking te stellen,
draai het sleuteltje daarna in de «STARTEN» stand om de motor te
starten en laat het sleuteltje los zodra de motor draait.
Als de motor draait zet de gashendel in de «LANGZAAM» stand.
De choke dient uitgeschakeld te worden zo-
dra de motor regelmatig draait; het gebruik van de choke bij een
warmgedraaide motor kan de bougie bevuilen en een onregelmati-
ge werking van de motor veroorzaken.
Als er moeilijkheden zijn bij het starten, blijf
dan niet te lang aanhouden om de accu niet uit te putten en de
motor niet te verzuipen. Draai de sleutel weer in de «STOP» stand,
wacht enkele seconden en probeer opnieuw te starten. Indien het
probleem voortduurt, raadpleeg dan hoofdstuk «8» van deze hand-
leiding en de handleiding van de motor.
Denk er altijd aan dat de beveiligingssyste-
men het starten van de motor beletten wanneer de veiligheid-
svoorschriften niet in acht worden genomen ( 5.3.7). Nadat in de
bovenstaande gevallen het belet tot starten is hersteld, dient de
sleutel in de «STOP» stand gedraaid te worden voordat de motor
opnieuw gestart kan worden.
BELANGRIJK
OPMERKING
BELANGRIJK
5.2.2 Rijden
De machine is niet goedgekeurd om op de
openbare weg te rijden. U mag de machine (overeenkomstig
het Wegenverkeersreglement) alleen op privéterrein gebruiken,
dat voor openbaar wegverkeer afgesloten is.
Indien u zich met de machine verplaatst moet
het mes uitgeschakeld zijn en moet het maaidek in de hoogste
stand staan (stand «7»).
Zet de gashendel in een tussenstand tussen «LANGZAAM» en
«SNEL» en zet de versnellingspook in de 1e versnelling.
Houd het pedaal ingetrapt om zo de handrem uit te schakelen;
laat het pedaal langzaam opkomen zodat het pedaal van de «rem-
functie» naar de «koppelingsfunctie» overgaat, waarbij de achter-
wielen in werking gesteld worden.
U dient het pedaal geleidelijk op te laten komen om te beletten dat
de machine, door een te bruuske start, begint te steigeren en u de
macht over het stuur kwijtraakt.
Zorg dat u geleidelijk de gewenste snelheid bereikt door de gas-
hendel en de versnellingspook te bedienen; om van de ene ver-
snelling naar de andere over te gaan dient u de koppeling te
bedienen door het pedaal half in te trappen.
Zet de gashendel op een stand tussen «LANGZAAM» en «SNEL»;
trap op het rempedaal om de handrem uit te schakelen en laat het
pedaal weer opkomen.
Hydrostatische aandrijving
Mechanische aandrijving
OPMERKING
LET OP!
19NL
Verplaats de snelheidsregelaar in richting «F» en breng de machi-
ne op de gewenste snelheid met gebruik van de snelheidsregelaar
en de gashendel.
Beweeg de hendel niet te bruusk, om te voorkomen dat de machi-
ne steigert en onbestuurbaar wordt.
5.2.3 Remmen
Om te remmen dient u het rempedaal helemaal in te trappen nadat
eerst door middel van de gashendel snelheid teruggenomen is om
het remsysteem niet onnodig te belasten.
Trap het rempedaal in om te remmen. De snelheidsregelaar keert
automatisch terug naar de «N» stand.
5.2.4 Achteruitrijden
Het inschakelen van de achteruit DIENT bij stilstand te gebeuren.
Trap het pedaal in totdat de machine stilstaat, schakel de achteruit
in door de versnellingspook opzij te duwen en in de «R» stand te
zetten. Laat het pedaal geleidelijk opkomen om de koppeling in te
schakelen en begin met de achteruitrijmanoeuvre.
Het inschakelen van de achteruit DIENT bij stilstand te gebeuren.
Stop de machine en schakel de achteruit in door de snelheidsre-
gelaar richting «R» te schuiven.
Hydrostatische aandrijving
Mechanische aandrijving
Hydrostatische aandrijving
Mechanische aandrijving
5.3 HET GRAS MAAIEN
5.3.1 Het mes inschakelen en vooruitrijden
Als u zich op het te maaien gazon bevindt:
zet de gashendel in de «SNEL» stand;
schakel het mes in door de hendel in stand «B» te zetten;
om het rijden te beginnen moeten de snelheidsregelaars bediend
worden. Denk eraan het pedaal heel langzaam en voorzichtig op te
laten komen zoals reeds eerder beschreven is.
Zet het mes altijd in de hoogste stand om het daarna geleidelijk in de
gewenste stand te zetten. Om een goed en gelijkmatig maaibeeld te
krijgen dient u de juiste rijsnelheid in te stellen afhankelijk van de hoe-
veelheid gras dat gemaaid moet worden (lengte en dichtheid) en van
de vochtigheid van het gazon ( bij modellen met mechanische
aandrijving). Houd hierbij de volgende aanwijzingen aan:
Hoog, dicht en nat gras 1ª versnelling
Normaal onderhouden gazon 2ª - 3ª versnelling
Kort en droog gras 4ª versnelling
De vijfde versnelling dient uitsluitend als rij-
versnelling op een vlakke ondergrond.
Moet de snelheid geleidelijk aan de toestand van het gazon wor-
den aangepast met behulp van de snelheidsregelaar.
Het is in ieder geval verstandig om, elke keer als u merkt dat de
motor het toerental niet kan behouden, snelheid te vertragen. Denk
Hydrostatische aandrijving
OPMERKING
20NL
eraan dat u nooit een mooi maaibeeld krijgt als u te hard vooruit rijdt.
Bij het oversteken van een hindernis moet u het mes uitschakelen en
het maaidek in de hoogste stand zetten.
5.3.2 De maaihoogte afstellen
Met de speciale hendel kunt u 7 verschillende maaihoogten instellen.
5.3.3 Tips om altijd een mooi gazon te hebben
1. Voor een mooi, groen en zacht gazon is het nodig dat het gras
regelmatig en op de juiste manier gemaaid wordt. Het gazon kan
van verschillende soorten gras zijn. Bij regelmatige maaibeurten,
groeit het gras sneller, waardoor meer wortelgroei ontstaat en een
mooi dicht gazon bekomen wordt; indien minder vaak gemaaid
wordt, wordt ook de groei van hoog en wild gras bevorderd (kla-
ver, margrieten, enz.).
2. Het is beter het gras te maaien als het gazon goed droog is.
3. De messen dienen geen gebreken te vertonen en goed scherp te
zijn, zodat het gras op de juiste manier wordt afgesneden zonder
uitgerukt te worden. Dit kan namelijk tot vergeling van de punten
leiden.
4. De motor dient op volle toeren te draaien om zowel het gras op
de juiste manier af te snijden als een goede afvoer van het gras
naar het uitwerpkanaal te verkrijgen.
5. De maaifrequentie wordt bepaald aan de hand van de groei van
het gras, waarbij vermeden moet worden dat het gras te hoog
wordt.
6. In de warmste en droogste tijden van het jaar is het beter om het
gras iets hoger te laten worden zodat het gazon niet uitdroogt.
7. De optimale hoogte van het gras van een goed verzorgd gazon
bedraagt ongeveer 4-5 cm
en met een enkele maai-
beurt wordt het best niet
meer dan een derde van de
volledig lengte gemaaid. Als
het gras erg hoog is, raden
wij aan om het gazon, met
tussenpoos van één dag, in
twee keer te maaien, de
eerste keer met de messen
in de hoogste stand en
smallere grasstroken tegelijk
maaiend en de tweede keer met de messen in de gewenste
stand.
8. Het gazon zal er mooier uitzien als het maaien afwisselend, in de
lengte- en in de dwarsrichting uitgevoerd wordt.
9. Als de afvoer zich telkens verstopt met gras is het beter om de
snelheid te vertragen zodat het maaien niet te snel gebeurt ten
opzichte van de toestand van het gazon; mocht het probleem
aanhouden dan kan het ook zijn dat de messen niet goed gesle-
pen zijn of dat het profiel van de vleugels vervormd is.
10. Pas erg goed op bij het maaien langs struiken en boorden. Deze
kunnen de stand van het maaidek ontregelen en de zijkant van
het maaidek en de messen beschadigen.
5.3.4 Hellende terreinen
Houd de aangegeven beper-
kingen in acht en maai een he-
llend gazon altijd van onder
naar boven of van boven naar
onder maar nooit in de dwar-
srichting. Pas erg goed op bij
het veranderen van richting dat
u niet op obstakels (zoals bij-
1
2
max 10° (17%)
21NL
voorbeeld stenen, takken, wortels enz.) stuit waardoor de machine zij-
waarts kan glijden, om kan kiepen of waardoor u de macht over het
stuur kwijt zou kunnen raken.
Op een helling moet u altijd snelheid min-
deren voordat u van richting verandert, en de machine altijd op
de handrem zetten voordat u de machine onbeheerd achter-
laat.
Op een helling moet de machine voorzich-
tig op gang worden gebracht om de kans op steigeren en oms-
laan te voorkomen.
Rijd nooit een helling af met de ver-
snelling of de koppeling in de vrije stand! Schakel altijd een
lage versnelling in voordat u de machine onbeheerd achter-
laat.
Bij het afdalen van hellingen moet de snelheidsregelaar op stand
«N» staan (om gebruik te maken van het remeffect van de hydro-
statische aandrijving) en minder snelheid met de rempedaal als dat
nodig is.
Zet de machine nooit in zijn achteruit
om snelheid te minderen bij het hellingafwaarts gaan (voo-
ral niet op glad terrein); dit kan u de controle over de machi-
ne doen verliezen.
5.3.5 De grasopvangbak legen
Dit mag u alleen doen als het mes uitgescha-
keld is. Als dit niet het geval is dan zal de motor afslaan.
OPMERKING
GEVAAR!
Hydrostatische aandrijving
GEVAAR!
Mechanische aandrijving
LET OP!
GEVAAR!
Als de opvangbak vol is dan wordt dit door een geluidssignaal ge-
meld; STOP MET RIJDEN om te voorkomen dat het windkanaal ver-
stopt raakt. Door het mes uit te schakelen wordt het geluidssignaal
onderbroken.
Leeg de opvangbak. Til hem op door hem, bij de speciale handgreep,
vast te pakken.
Het kan gebeuren dat het geluidssignaal,
nadat u de bak geleegd heeft, weer afgegeven wordt op het
moment dat u het mes inschakelt. Dit is te wijten aan gras dat op
de voeler van de signaleringsmicroschakelaar achtergebleven is; in
dit geval hoeft u slechts het achtergebleven gras te verwijderen of
het mes uit te schakelen en meteen weer in te schakelen om het op
te laten houden.
5.3.6 Schoonmaken van het
windkanaal
Als u hoog en vochtig gras maait
met een te hoge snelheid bestaat de
kans dat het windkanaal verstopt
raakt.
In dit geval dient u:
te stoppen en het mes en de
motor uit te schakelen;
de opvangbak of de steenbe-
schermkap te verwijderen;
het opgehoopte gras te verwijde-
ren via de uitgang van het wind-
kanaal.
Deze handelingen dienen altijd te gebeu-
ren met de motor uit.
LET OP!
OPMERKING
22NL
5.3.7 Overzicht van de omstandigheden waarin de veiligheidsin-
richtingen toestemming geven of zich inschakelen
De veiligheidsmechanismen hebben twee functies:
– ze voorkomen de start van de motor als de veiligheidsmaatregelen
niet in acht zijn genomen;
– ze stoppen de motor als er ook maar één veiligheidsconditie weg-
valt.
a) Om de motor te starten is het in ieder geval nodig dat:
– de koppeling in de “vrije” stand staat;
– het mes uitgeschakeld is;
– de gebruiker op de stoel van de machine zit ofwel de handrem
ingeschakeld is.
b) De motor stopt automatisch als:
– de gebruiker de stoel verlaat terwijl de messen ingeschakeld zijn;
– de gebruiker de stoel verlaat terwijl de koppeling niet in de “vrije”
stand staat;
– de gebruiker de stoel verlaat terwijl de koppeling wel in de “vrije”
stand staat, maar de handrem niet is ingeschakeld;
– de zak wordt opgetild of als de steenbeschermkap wordt verwij-
derd terwijl de messen ingeschakeld zijn;
– of de handrem ingeschakeld is zonder het mes te hebben uitge-
schakeld.
5.3.8 Kaartbeveiligingssysteem
De elektronische kaart is uitgerust met een zelfherstellende beveili-
ging die de stroomkring onderbreekt indien er zich onregelmatighe-
den in de elektrische installatie voordoen; als dit beveiligingssysteem
in werking treedt slaat de motor af en dit wordt aangegeven door het
controlelampje dat uitgaat.
De stroomkring wordt na enkele seconden vanzelf weer ingeschakeld;
stel de oorzaken van de storing vast en verhelp deze om te voorko-
men dat de signalering zich herhaalt.
Om te voorkomen dat het beveiligingssy-
steem in werking treedt:
Verwissel de polen van de accu niet;
Laat de machine niet zonder accu werken om storingen in de
werking van de laadregelaar te voorkomen;
Pas op dat u geen kortsluiting veroorzaakt.
5.3.9 Na het maaien
Na het maaien dient u het mes uit te schakelen en het maaidek in de
hoogste stand te zetten.
Breng de machine tot stilstand, trek de handrem aan en zet het con-
tact af door het sleuteltje in de «UIT» stand te draaien.
Als u de motor afgezet heeft moet u de benzinekraan (1) (indien aan-
wezig) dichtdraaien.
Om een ontploffing in de knalpot te ver-
mijden dient u de gashendel, 20 seconden voordat u de motor
afzet, in de «LANGZAAM» stand zetten.
Haal
altijd, als u de machine
onbeheerd achterlaat, het
sleuteltje uit het contact!
Om de
lading van de accu in stand te
houden, wordt de sleutel niet
in de stand «DRAAIEN» gela-
ten wanneer de motor niet
aanstaat.
BELANGRIJK
LET OP!
LET OP!
BELANGRIJK
1
23NL
5.3.10 De machine reinigen
Maak, na elk gebruik, de buitenkant van de machine schoon, leeg de
opvangzak en klop deze goed uit om alle gras- en aarderesten te ver-
wijderen.
Leeg de opvangzak altijd en laat geen
containers met gemaaid gras in gesloten ruimtes achter.
Reinig de kunstof delen van de machine met een vochtige spons en
een schoonmaakmiddel. Let er op dat de motor, de elektrische on-
derdelen en de elektronische kaart onder het dashboard niet nat wor-
den.
Gebruik in geen geval hogedrukreinigers of
bijtende middelen voor het reinigen van de carrosserie en de motor!
Op de bovenkant van het maaidek mogen
zich geen afval en droge grasresten ophopen om de doeltref-
fendheid en de veiligheid van de machine op maximaal niveau
te houden.
Na ieder gebruik, het maaidek zorgvuldig schoonmaken om alle gra-
sresten en afval te verwijderen.
Draag tijdens het schoonmaken van het
maaidek een beschermbril en verwijder mensen en dieren uit
het omliggende gebied.
a) Het reinigen van de binnenkant van het maaidek en het uit-
werpkanaal dient, onder de volgende condities, op een harde onder-
grond te gebeuren:
1. monteer de opvangzak;
LET OP!
LET OP!
BELANGRIJK
LET OP!
2. sluit een waterslang aan op
de speciale fitting (1) en laat
het water stromen;
3. neem plaats op de stoel;
4. zet het maaidek in de laagste
stand;
5. start de motor en zet de ver-
snellingspook in de vrije
stand;
6. schakel het mes in en laat
het enkele minuten draaien.
Verwijder de zak, ledig hem, spoel hem en leg hem op een plaats
waar hij snel kan drogen.
b) Voor de reiniging van de bovenkant van het maaidek:
het maaidek helemaal omlaag zetten (stand «1»);
met perslucht blazen om alle grasresten te verwijderen.
1
24
5.3.11 De machine stallen en geruime tijd niet gebruiken
Als er verwacht wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken
(meer dan 1 maand), moeten de kabels van de accu losgekoppeld
worden, waarbij de aanwijzingen in de handleiding van de motor in
acht genomen moeten worden.
Verwijder het droge gras dat zich even-
tueel in de buurt van de motor of van de geluiddemper van het
uitwerpmechanisme opgehoopt heeft; als u dit niet doet kan er
brand ontstaan als u opnieuw begint te maaien!
Leeg de benzinetank door de
benzineslang, gekoppeld aan
het benzinefilter (1) los te maken
en neem hierbij de aanwijzingen,
die in het instructieboekje van
de motor staan, in acht.
Berg de machine op in een
droge ruimte, beschut tegen alle
weersomstandigheden en dek
ze, indien mogelijk, toe met een
zeil ( 9.5).
De accu dient opgeborgen te worden op een
koele, droge plaats. De accu altijd terug opladen vóór iedere lange
periode van inactiviteit (langer dan 1 maand) en terug opladen voo-
raleer de activiteit te hervatten in hoofdstuk 6.
Controleer, voordat u opnieuw begint te maaien, of er uit de slang, de
benzinekraan of de carburateur geen benzine lekt.
BELANGRIJK
LET OP!
5.4 TRANSPORT
Als de machine op een vrachtwagen of op
een oplegger vervoerd moet worden, dient men toegangshel-
lingen met geschikte draagkracht, breedte en lengte te gebrui-
ken. Laat de machine met de motor uitgeschakeld, zonder
bestuurder en enkel duwend, met een geschikt aantal perso-
nen. Sluit, alvorens de machine te vervoeren, de benzinekraan
(indien voorzien), zet het maaidek in de laagste stand, schakel
de handrem in en zorg dat de machine goed vastzit aan het
vervoermiddel met touwen of kettingen.
LET OP!
NL
1
25NL
6.1 VEILIGHEIDSADVIEZEN
Haal de sleutel uit het contact en lees de
bijgeleverde instructies alvorens enige reinigings-, of onder-
houdswerkzaamheden te verrichten. Trek geschikte kleding en
werkhandschoenen voor alle handelingen die gevaarlijk kun-
nen zijn voor de handen.
Gebruik de machine nooit als er onderde-
len versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde
onderdelen moeten vernieuwd en niet gerepareerd worden.
Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik
van niet originele en/of niet goed gemonteerde onderdelen
beïnvloedt de veiligheid van de machine, kan ongelukken of
persoonlijk letsel aanrichten en de fabrikant kan hiervoor niet
aansprakelijk gesteld worden.
Gooi gebruikte olie, oude benzine of andere
vervuilende producten nooit achteloos weg!
Alle onderhoudshandelingen en afstellin-
gen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitge-
voerd worden door uw Verkoper of in een gespecialiseerd
Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen
om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oor-
spronkelijk niveau van veiligheid van de machine.
In het bijzonder, dient men onmiddellijk de Verkoper of een
gespecialiseerd Centrum te contacteren indien men onregel-
matigheden aantreft in de werking.
LET OP!
BELANGRIJK
LET OP!
LET OP!
Handelingen die uitgevoerd werden in niet geschikte structu-
ren of door onbekwame personen doen elke vorm van garantie
en alle verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fabrikant
vervallen.
van de rem,
van de aan- en uitschakeling van het mes,
van de inschakeling van de aandrijving vooruit of achteruit.
6.2 TOEGANG TOT DE MECHANISCHE DELEN
Om de motor en de mechanische delen te bereiken moet u de motor-
kap (1) openen.
Ga als volgt te werk:
plaats de machine op een vlakke bodem, zet het maaidek in de
hoogste stand en breng steunblokken (2) met een dikte van 65-70
mm aan onder de rand, om het maaidek gedurende de volgende
handelingen te steunen;
zet de machine op de handrem;
zet de koppelingshendel op stand INGESCHAKELD (zie hoofd-
stuk 4, nr. 23); omdat de hendel van de snelheidsregelaar niet
voldoende beweegbaar is wanneer de machine op de handrem
staat;
Hydrostatische aandrijving
Mechanische aandrijving
6.
ONDERHOUD
26NL
verwijder de opvangbak of de
steenbeschermkap;
draai de knop van de hendel (3)
los en zet de hendel in de vrije
stand «N» ( bij modellen met
hydrostatische aandrijving), of op
«R» ( bij modellen met hydro-
statische aandrijving);
open het toegangsdeurtje (4) en
draai de bevestigingsmoer (5) los
met een sleutel van 13 mm;
plaats de hendel (6) zodat het
maaidek op de steunblokken rust
en houd de hendel ietwat opzij
om te voorkomen dat hij in een
inkeping vast komt te zitten. Pak
de stoel (7) aan de onderkant vast en klap kap naar
achteren.
Voor het sluiten:
verzeker u ervan dat het kanaal (8)
goed op de steun (9) zit en op de
rechter geleider steunt;
zet de hendel (3) op stand «R» en
laat de kap (1) zakken naar de hen-
dels (3) en (6);
plaats eerst hendel (6) in zijn zitting,
dan hendel (3) en laat dan de kap
zakken tot de bevestigingsschroef is
gecentreerd;
Wanneer u
de kap (1) heeft neergelaten moet
u zeker stellen dat:
LET OP!
de monding van het kanaal (8)
goed in de opening van de
achterste plaat (10) steekt en
op de steun (11) rust.
En vervolgens:
draai de bevestigingsmoer (5) vast;
zet de hendel (6) vast op stand «7»
van de inkepingen;
verwijder de steunblokken (2) en
monteer opnieuw de knop (3) van de
hendel en het deurtje (4).
6.3 GEWOON ONDERHOUD
Het doel van de volgende tabel is om uw machine een optimale con-
ditie te laten behouden. De belangrijkste onderhoudswerkzaamheden
en smeerbehandelingen staan hierin vermeld met aanduiding van de
tussenpozen waarmee ze uitgevoerd dienen te worden.
Daarnaast bevinden zich enkele hokjes waarin u de datum of de wer-
kuren kunt invullen.
1)
Raadpleeg het instructieboekje van de motor voor de complete lijst en de tus-
senpozen.
2)
Neem contact op met uw verkoper zodra u storingen vermoedt.
3)
Handeling die door uw Verkoper of door een gespecialiseerd Centrum
moet uitgevoerd worden.
4)
De algemene smering moet bovendien, elke keer er verwacht wordt de machine
voor geruime tijd niet te gebruiken, uitgevoerd worden.
9
11
10
8
6
1 3 4 6
2
5
27NL
6.3.1 Motor
Volg de aanwijzingen die in het instructieboekje
van de motor opgenomen zijn stipt op.
De motorolie wordt afgetapt door de vuldop (1)
los te draaien en met behulp van de bijleverde
spuit.
Monteer de slang (2) op de spuit (3) en breng
deze volledig in de opening, zuig alle motorolie
op. Om de motorolie volledig af te tappen, dient u de handeling meer-
dere malen te herhalen.
6.3.2 Achteras
Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud.;
de eenheid is voorzien van een permanente smering die geen vervan-
ging of aanvulling behoeft.
6.3.3 Accu
Het is fundamenteel om de accu zorgvuldig te onderhouden voor een
duurzaam bestaan.
De accu van uw machine dient steeds te worden opgeladen:
bij het eerste gebruik na
de aankoop van de
machine;
vóór elke langere perio-
de waarin de machine
niet zal worden
gebruikt;
vóór de machine na een
lange periode van stil-
stand opnieuw in
gebruik te nemen.
Lees met aandacht de
oplaadprocedures die in
het instructieboekje van de accu staan en volg ze op. Als deze pro-
cedures niet in acht worden genomen of als de accu niet wordt
opgeladen, kan er zich onherstelbare schade voordoen aan de ele-
menten van de accu.
Een lege accu dient zo snel als mogelijk opgeladen te worden.
1
2
3
1
Onderhoud Uren Uitvoering (Datum of uren)
1. MACHINE
1.1 Controle bevestiging en scherpte mes
3)
25
1.2 Vervanging mes
3)
100
1.3 Controle V-snaar
3)
25
1.4 Vervanging V-snaar
2) 3)
1.5 Controle aandrijvingsriem van het mes
3)
25
1.6 Vervanging aandrijvingsriem van het mes
2) 3)
1.7 Controle en bijstellen rem
3)
25
1.8 Controle en bijstellen aandrijving
3)
25
1.9 Controle meskoppeling en -rem
3)
25
1.10 Controle van alle bevestigingen 25
1.11 Algemene smering
4)
25
2. MOTOR
1)
2.1 Olie verversen .....
2.2 Controle en schoonmaken luchtfilter .....
2.3 Vervanging luchtfilter .....
2.4 Controle benzinefilter .....
2.5 Vervanging benzinefilter .....
2.6 Controle en schoonmaken contactpuntjes .....
2.7 Vervanging bougie .....
28NL
Het opladen dient uitgevoerd te worden met
gelijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen kunnen de
accu op een onherstelbare manier beschadigen.
De machine is uitgerust met een connector (1) voor het opladen, die
aangesloten moet worden op de overeenstemmende connector van
de speciale acculader van behoud “CB01” of "FIGHTER" in dotatie
( indien voorzien) of beschikbaar op aanvraag ( 9).
Deze connector mag uitsluitend gebruikt
worden voor de aansluiting op de acculader van behoud "CB01"
of "FIGHTER". Voor zijn gebruik:
de aanwijzingen volgen aangegeven in de desbetreffende
gebruiksinstructies;
de aanwijzingen volgen aangegeven in het instructieboekje van
de accu.
6.4 INGREPEN AAN DE MACHINE
6.4.1 Afstelling van het maaidek
Om een mooi maaibeeld te krijgen moet het maaidek juist afgesteld
zijn. Het maaidek scharniert op drie hendels en kan in de hoogte ver-
BELANGRIJK
BELANGRIJK
steld worden; stel het maaidek op een vlakke ondergrond af nadat u
eerst gecontroleerd heeft of de bandenspanning juist is.
6.4.2 De wielen vervangen
Plaats de machine op een vlakke
ondergrond en plaats aan de kant
waar het wiel vervangen moet wor-
den, een steunblok, onder een dra-
gend deel van het chassis.
De wielen worden op hun plaats
gehouden door een elastische ring
(1) die verwijderd kan worden door
middel van een schroevendraaier.
Als één of beide wielen vervangen moeten
worden, verzeker u er dan van dat eventuele verschillen in de bui-
tendiameter niet groter zijn dan 8-10 mm; anders moet de uitlijning
van het maaidek afgesteld worden om te voorkomen dat het gras
onregelmatig gemaaid wordt.
Alvorens een wiel te hermonteren, de wielas
met vet insmeren. De elastische ring (1) en de borgring (2) weer
precies op hun plaats zetten.
6.4.3 De banden repareren of vervangen
Het herstellen of vervangen van een band ten gevolge van een lek,
dient te worden uitgevoerd door een vakman, volgens de voor dit
type banden geldende voorschriften.
BELANGRIJK
OPMERKING
2 1
29NL
6.4.4 Vervanging van een zekering
De machine is uitgerust met een aantal
zekeringen (1) met verschillend vermo-
gen en met de volgende functies en
kenmerken:
Zekering van 10 A = bescherming
van de algemene stroomcircuits en
het vermogen van de elektronische
kaart; Het in werking treden van
deze zekering veroorzaakt de stil-
stand van de machine. Tevens gaan
alle lampjes uit op het dashboard.
Zekering van 25 A = bescherming
van het laadcircuit; wanneer deze zekering in werking treedt, ver-
liest de accu geleidelijk aan zijn lading en ontstaan problemen bij
het starten.
Het vermogen van de zekering is aangegeven op de zekering zelf.
Zekering van T-6,3 A (Vertraagd)
(2) = bescherming van de alge-
mene stroomcircuits en het ver-
mogen van de elektronische
kaart; Het in werking treden van
deze zekering veroorzaakt de stil-
stand van de machine. Tevens
gaan alle lampjes uit op het dash-
board.
Zekering van 15 A (2a) =
bescherming van het laadcircuit;
wanneer deze zekering in werking
treedt, verliest de accu geleidelijk
aan zijn lading en ontstaan pro-
blemen bij het starten.
Met motor Honda:
Een doorgebrande zekering dient altijd ver-
vangen te worden door eenzelfde type met hetzelfde vermogen.
Als het u niet lukt de oorzaak van het inwerkingtreden van de beveili-
gingssystemen te verhelpen, neem dan contact op met een erkende
garage.
6.4.5 Het mes demonteren, vervangen en hermonteren
Draag stevige handschoenen bij het han-
teren van het mes.
Vervang altijd een beschadigd of verbo-
gen mes; probeer het nooit te repareren! GEBRUIK ALTIJD
ORIGINELE MESSEN WAAR HET TEKEN OP STAAT !
Deze machine is voorzien voor het gebruik van messen met de code:
84109503/0 of 84109502/0
Het is raadzaam dat de messen per koppel
vervangen worden, vooral in geval van duidelijke verschillen in de
slijtage.
BELANGRIJK
LET OP!
LET OP!
BELANGRIJK
1
2
(T-6.3 Amp)
2a
(15 Amp)
30NL
De bescherming van de omgeving moet een belangrijk en prioritair
aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gunste van de
civiele samenleving en de omgeving waarin we leven.
Wees geen storend element.
Volg nauwkeurig de lokale normen op voor de afdanking van het
snijafval.
Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de
verpakking, olie, benzine, batterijen, filters, versleten delen of een-
der welk element met een sterke invloed op de omgeving; deze
afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet
gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd
worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
Bij het uit bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het
milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een opvangcen-
trum gebracht worden, volgens de geldende locale normen.
7.
BESCHERMING VAN DE OMGEVING
31NL
8.
RICHTLIJN OM PROBLEMEN VAST TE STELLEN
1. Het controlelampje
brandt niet
2. De startmotor werkt
niet
3. De motor start niet
Het beveiligingssysteem schakelt zich in omdat:
de accu verkeerd aangesloten is
de accu helemaal leeg of gesulfateerd is
de polen van de accu verwisseld zijn
de zekeringen doorgebrand zijn
de aansluitingen onjuist zijn
de kaart vochtig is
de microschakelaars massa maken
de accu is onvoldoende geladen
zekering met onderbroken lading
de aansluitingen zijn onjuist
de toestemming om te starten ontbreekt
er wordt geen benzine aangevoerd
er is een storing in de ontsteking
Draai het sleuteltje op «UIT» en probeer de oorzaak
op te sporen:
controleer de aansluitingen
laad de accu opnieuw op
sluit de polen juist aan
vervang de zekering ( 6.4.4)
controleer de aansluitingen
laten opdrogen
controleer de aansluitingen
laad de accu opnieuw op (als de storing aanhoudt
neem dan contact op met een erkende garage)
vervang de zekering ( 6.4.4)
controleer de aansluitingen
controleer of aan de nodige voorwaarden werd
voldaan om de motor te starten ( 5.3.7)
controleer het benzinepeil in de tank
draai de benzinekraan open (indien aanwezig)
controleer de bedrading van de elektrische
benzinekraan bij de carburateur
(indien aanwezig)
controleer het benzinefilter
controleer de bevestiging van de bougiekap
controleer de afstand en de toestand van de elek-
troden van de bougies
PROBLEEM TOESTAND MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor is uitgeschakeld
Sleuteltje op «STARTEN»
en het controlelampje
brandt
Sleuteltje op «STARTEN»
en het controlelampje
knippert
Sleuteltje op «STARTEN»
32NL
4. De motor start moeilijk
of draait onregelmatig
5. Het motorvermogen
licht te laag tijdens het
maaien
6.
De motor valt stil en het
controlelampje knippert
7. De motor valt stil en
het controlelampje dooft
8.
De motor valt stil en het
controellampje blijft branden
9. Het maaibeeld is
onregelmatig en het
opvangen is niet efficënt
slechte carburatie
u rijdt te hard vooruit ten opzichte van de hoogte
van het te maaien gras
ingreep van de veiligheidsinrichting
Het beveiligingssysteem bevindt zich in
de beveiligingsstand omdat:
de microschakelaars massa maken
de accu leeg is
overbelasting veroorzaakt door de laadregelaar
de accu is verkeerd aangesloten (slecht contact)
problemen aan de motor
het maaidek is niet evenwijdig met het gazon
het mes maait niet goed
reinig of vervang het luchtfilter
maak het bakje van de carburateur schoon
leeg de benzinetank en doe er nieuwe benzine in
controleer het benzinefilter en vervang het
eventueel
schelheid verminderen en/of zet het maaidek in
een hogere stand
controleer of de toelatingsvoorwaarden worden
gerespecteerd ( 5.3.7)
Draai het sleuteltje op «UIT» en probeer de oorzaak
op te sporen:
controleer de aansluitingen
laad de accu opnieuw op
neem contact op met een erkende garage
controleer de aansluitingen van de accu
neem contact op met een erkend servicecentrum
controleer de bandenspanning
neem contact op met een erkend servicecentrum
PROBLEEM TOESTAND MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
33NL
Als de problemen voortduren nadat u al deze handelingen uitgevoerd heeft, neem dan contact op met een erkende garage.
Voer moeilijke reparatiewerkzaamheden nooit zelf uit, indien u niet over de vereiste middelen en technische kennis
beschikt. Bij een onjuist uitgevoerde reparatie vervalt de garantie en elke aansprakelijkheid van de fabrikant.
LET OP!
10. Het mes schakelt
zich niet in of stopt niet
onmiddellijk wanneer het
uitgeschakeld wordt
11. Onzekere of niet
werkzame remming
12. Onregelmatige
beweging, weinig tractie
bij stijging of neiging van
de machine om op te
trekken
13. Abnormale trillingen
tijdens het maaien
u rijdt te hard vooruit ten opzichte van de hoogte
van het te maaien gras
de uitwerpopening is verstopt
het maaidek zit vol met gras
problemen bij de inschakeling
niet correct afgestelde rem
problemen aan de riem of aan het
inschakelsysteem
het mes is niet in balans
het mes zit niet goed vast
de bevestigingen zijn losgetrild
het maaidek is verstopt
snelheid verminderen en/of zet het maaidek in
een hogere stand
wacht totdat het gras droog is
verwijder de opvangbak en leeg het windkanaal
reinig het maaidek
neem contact op met een erkend servicecentrum
neem contact op met een erkend servicecentrum
neem contact op met een erkend servicecentrum
neem contact op met een erkend servicecentrum
neem contact op met een erkend servicecentrum
controleer alle
bevestigingen van de motor en van de machine
verwijder de opvangbak, leeg het windkanaal en
maak de binnenkant van het maaidek schoon
PROBLEEM TOESTAND MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
Sleuteltje op «DRAAIEN»,
de motor draait
34NL
1. TEGENGEWICHTEN
VOOR DE VOORKANT
Hierdoor wordt de stabiliteit
aan de voorkant van de machi-
ne verbeterd met name als u
de machine hoofdzakelijk op
hellende terreinen gebruikt.
2. STEENBESCHERMKAP
Deze kap moet in plaats van
de grasopvangbak gebruikt
worden als het gras niet opge-
vangen wordt.
3. ACCULADER BEHOUD
“CB01” of "FIGHTER"
Laat toe de accu efficiënt te
houden tijdens de periodes
van inactiviteit van de machi-
ne, waarbij een optimaal laad-
niveau en een langere duur-
zaamheid van de accu gega-
randeerd wordt.
4. KIT VOOR
“MULCHING”
Versnippert het pas
gemaaide gras en laat het
achter op het terrein. Kan
ook worden opgevangen
in de grasopvangzak.
5. AFDEKZEIL
Beschermt de machine
van stof als deze niet
gebruikt wordt.
9.
OP AANVRAAG LEVERBARE ACCESSOIRES
5
1
4
2
3
Maximale waarden voor geluid en trillingen
Geluidsdrukniveau aan het oor van de bediener
(op basis van de norm 81/1051/EEG) ............................. db(A) 85,1
Meetonzekerheid (2006/42/CE - EN27574) ................ db(A) 1,1
Gemeten geluidsniveau
(volgens de richtlijn 2000/14/EG, 2005/88/EG) ............... db(A) 99,1
Meetonzekerheid (2006/42/CE - EN27574) ................. db(A) 0,4
Gegarandeerd geluidsniveau
(volgens de richtlijn 2000/14/EG, 2005/88/EG) ............... db(A) 100
Trillingsniveau
(op basis van de norm EN 1032) ....................................... m/s
2
0,7
Meetonzekerheid (2006/42/CE - EN12096) ................... m/s
2
0,3
35NL
Elektrische installatie .................................................................... 12 V
Accu ........................................................................................... 18 Ah
Voorbanden ............................................................................ 11 x 4-4
Achterbanden ......................................................................... 16 x 6-6
Bandenspanning voor .............................................................. 1,5 bar
Bandenspanning achter ........................................................... 1,0 bar
Totaal gewicht ................................................................ 159 ÷ 168 kg
Binnendiameter
(minimum diameter van de ongesneden oppervlakte) ............... 1,4 m
Maaihoogte ........................................................................... 3 ÷ 8 cm
Maaibreedte ............................................................................... 71 cm
Inhoud opvangbak .................................................................. 170 liter
Snelheid in versnelling (indicatief) bij 3000 min
-1
:
1
e
................................................................................... 1,5 km/h
2
e
................................................................................... 2,7 km/h
3
e
................................................................................... 4,0 km/h
4
e
................................................................................... 4,5 km/h
5
e
................................................................................... 6,8 km/h
Achteruit ....................................................................... 2,0 km/h
Snelheid in versnelling (indicatief) bij 3000 min
-1
:
Vooruit .................................................................... 0 ÷ 8,6 km/h
Achteruit ................................................................. 0 ÷ 3,2 km/h
Hydrostatische aandrijving
Mechanische aandrijving
10. TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN
706
1130
750
1546
760
1863
860
1100

Documenttranscriptie

72 IT RASAERBA CON CONDUCENTE SEDUTO MANUALE DI ISTRUZIONI ATTENZIONE: prima di utilizzare la macchina, leggere attentamente il presente manuale. FR TONDEUSE A CONDUCTEUR ASSIS MANUEL D’UTILISATION ATTENTION! - Avant d’utiliser la machine, lire attentivement le présent manuel. EN RIDE-ON MOWER OWNER’S MANUAL WARNING! Read this manual carefully before using the machine. DE AUFSITZMÄHER GEBRAUCHSANWEISUNG ACHTUNG! - Bevor man die Maschine verwendet lese man das vorliegende Handbuch sorgfältig durch. NL 171503491/11 ZITMAAIER GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP! – Vooraleer de machine te gebruiken, lees aandachtig deze handleiding. VERTALING VAN DE OORPRONKELIJKE GEBRUIKSAANWIJZING (ISTRUZIONI ORIGINALI) PRESENTATIE Geachte Klant, wij danken u voor het feit dat u de voorkeur hebt gegeven aan onze producten en wij hopen dat het gebruik van deze grasmaaier u zeer tevreden zal stellen en dat de machine volledig aan uw verwachtingen zal voldoen. Deze handleiding is geschreven om u vertrouwd te maken met uw machine en om u in staat te stellen haar op de beste en de meest veilige manier te gebruiken: vergeet niet dat deze handleiding een integrerend deel van de machine is, bewaar deze binnen handbereik zodat u haar op elk gewenst moment kunt raadplegen en zorg ervoor dat ze de machine altijd vergezelt ook als u de machine overdraagt aan iemand anders. Deze nieuwe machine is ontworpen en gemaakt in overeenstemming met de geldende voorschriften en is volkomen veilig en betrouwbaar indien hij gebruikt wordt voor het maaien en opvangen van gras, overeenkomstig de aanwijzingen in deze handleiding (voorzien gebruik); het gebruik voor andere doeleinden of het niet in acht nemen van de aangegeven veiligheids-, gebruiks-, onderhouds- en reparatievoorschriften wordt als “oneigenlijk gebruik” ( 5.1) beschouwd en brengt verval van, zowel de garantie, als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen. Mocht u verschillen tegenkomen tussen wat beschreven is en de machine die u bezit, denk er dan aan dat, aangezien het produkt continu verbeterd wordt, de in deze handleiding opgenomen gegevens zonder voorafgaande kennisgeving en zonder dat de fabrikant verplicht is de handleiding te updaten gewijzigd kunnen worden, waarbij de essentiële kenmerken met het oog op de veiligheid en de werking van de machine onveranderd blijven. In geval van problemen of vragen met betrekking tot de machine kunt u zich gerust tot de leverancier bij u in de buurt of een erkende garage wenden. Wij wensen u een prettig gebruik van de machine toe! SERVICEDIENST Deze handleiding verstrekt alle gegevens die u nodig hebt om de machine te kunnen gebruiken en om er op de juiste manier eenvoudige onderhoudswerkzaamheden aan te kunnen verrichten, die de gebruiker zelf kan uitvoeren. Alle afstellingen en onderhoudshandelingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine. Indien u het wenst kan de Verkoper een persoonlijk onderhoudsprogramma voor u opstellen: dit stelt u in de gelegenheid om uw nieuwe aankoop altijd in een perfecte conditie te behouden en zodoende de waarde van uw investering te beschermen. NL 1 INHOUD 1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN ................................................................................................................................................. 3 Bevat de voorschriften om de machine op een veilige manier te kunnen gebruiken 2. IDENTIFICATIE VAN DE MACHINE EN DE COMPONENTEN .................................................................................................. 7 Legt uit hoe u de machine en de voornaamste onderdelen waar de machine uit bestaat kunt identificeren 3. HET UITPAKKEN EN MONTEREN .............................................................................................................................................. 9 Legt uit hoe u de verpakking moet verwijderen en de losse onderdelen moet monteren 4. BEDIENINGSELEMENTEN ........................................................................................................................................................ 12 Geeft een overzicht van de werking van de bedieningselementen en de plaats waar zij zich bevinden 5. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN ................................................................................................................................................... Bevat alle aanwijzingen om op de juiste wijze en op een veilige manier met de machine te kunnen werken 5.1 Uit te voeren werkzaamheden voor de ingebruikname ........................................................................................................ 5.2 Gebruik van de machine ....................................................................................................................................................... 5.3 Het gras maaien .................................................................................................................................................................... 5.4 Transport ............................................................................................................................................................................... 6. 7. ONDERHOUD ............................................................................................................................................................................. Bevat alle aanwijzingen om de machine in goede staat te houden 6.1 Veiligheidsadviezen ............................................................................................................................................................... 6.2 Toegang tot de mechanische delen ..................................................................................................................................... 6.3 Gewoon onderhoud .............................................................................................................................................................. 6.4 Ingrepen aan de machine ................................................................................................................................................... 15 16 17 19 24 25 25 25 26 28 BESCHERMING VAN DE OMGEVING ...................................................................................................................................... 30 Dit verschaft enkele raadgevingen voor het gebruik van de machine met respect voor de omgeving 8. RICHTLIJN OM PROBLEMEN VAST TE STELLEN .................................................................................................................. 31 Stelt u in staat eventuele problemen die tijdens het gebruik kunnen optreden snel zelf te verhelpen 9. OP AANVRAAG LEVERBARE ACCESSOIRES ......................................................................................................................... 34 De verkrijgbare accessoires worden geillustreerd met het oog op de bijzondere eisen die u aan de machine stelt 10. TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN ............................................................................................................................................. 35 Geeft een overzicht van de belangrijkste eigenschappen van uw machine NL 2 1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN HOE U DEZE HANDLEIDING MOET LEZEN In de handleiding is zowel de machine met een mechanische overbrenging als met een hydrostatische overbrenging beschreven, en bovendien ook de verschillende versies in verband met uitrustingen en accessoires die niet in alle landen leverbaar zijn. Het symbool “ ” markeert de verschillen in het gebruik van de machine, en wordt gevolgd door het type overbrenging of de versie waar deze betrekking op hebben. Het symbool “ ” verwijst, voor verdere uitleg of informatie, naar een ander punt in de handleiding. In de tekst van deze handleiding worden enkele paragrafen, die gegevens bevatten die in het bijzonder van belang zijn, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING BELANGRIJK of Verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de machine beschadigd of dat er schade veroorzaakt wordt. LET OP! Gevaar van persoonlijk letsel of aan anderen in geval van niet-inachtneming. GEVAAR! Kans op ernstig persoonlijk letsel of aan anderen met gevaar van dodelijke ongelukken, in geval van niet-inachtneming. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN LET OP! Lees de aanwijzingen aandachtig alvorens de machine te gebruiken. A) VOORBEREIDING 1) Lees de gebruiksaanwijzing aandachtig door. Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer hoe u de motor snel kunt uitschakelen. 2) Gebruik de machine uitsluitend voor het doel waarvoor hij is bestemd, dat wil zeggen voor het maaien en het opvangen van gras. Ieder doel waarvoor de machine wordt gebruikt dat niet uitdrukkelijk in de gebruiksaanwijzing wordt vermeld kan gevaarlijk zijn en zou de machine kunnen beschadigen, waardoor de garantie vervalt en waarvoor de Fabrikant niet aansprakelijk gesteld kan worden. 3) Laat kinderen of personen die deze gebruiksaanwijzing niet gelezen hebben de machine niet gebruiken. De leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn. 4) Gebruik de machine in geen geval: – als er personen, met name kinderen of dieren in de buurt zijn; – als u onder invloed van medicijnen of alcohol e.d. bent omdat deze uw reactievermogen kunnen verminderen. 5) Denk eraan dat de gebruiker van de machine aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen. 6) Vervoer geen andere personen dan uzelf. 7) De bestuurder van de machine dient de aanwijzingen voor het besturen van de machine stipt op te volgen en wel: – de bestuurder mag niet afgeleid worden en dient alle aandacht bij zijn werk te houden; – de bestuurder dient eraan te denken dat het verlies van de macht over het stuur van de machine, terwijl hij van een helling afglijdt, niet hersteld kan worden door de rem te gebruiken. De voornaamste oorzaken NL 3 waardoor u de macht over het stuur kwijt kunt raken zijn de volgende: de wielen hebben niet voldoende grip; te hoge snelheid; niet goed remmen; de machine is niet geschikt voor het doel waarvoor hij wordt gebruikt; gebrek aan kennis ten aanzien van de gevolgen die de toestand waarin het terrein zich verkeerd kunnen hebben, in het bijzonder op hellingen. 8) De machine is van een aantal microschakelaars en veiligheidsinrichtingen voorzien. U mag deze voorzieningen in geen geval beschadigen of verwijderen, op straffe van verval van de garantie en de fabrikant kan hier dan niet voor aansprakelijk gesteld worden. – – – – – B) VOOR HET GEBRUIK 1) Tijdens het maaien dient u altijd stevige schoenen en een lange broek te dragen. Gebruik de machine niet met blote voeten of met open sandalen. 2) Controleer het gehele terrein dat u wilt maaien grondig en verwijder alles wat de machine zou kunnen beschadigen (zoals stenen, takken, ijzerdraad, botten e.d.). 3) LET OP: GEVAAR! De benzine is bijzonder brandbaar. – bewaar de brandstof in speciale tanks; – giet de brandstof, met behulp van een trechter, alleen in de open lucht in de tank en als u dit doet mag u hierbij, en ook niet tijdens het hanteren van de brandstof, niet roken; – giet de brandstof in de tank vóórdat u de motor aanzet: als de motor aanstaat of warm is mag u geen benzine toevoegen of niet de dop van de benzinetank erafdraaien; – als u benzine gelekt heeft mag u de motor niet starten maar dient u de machine uit de buurt van de plek waar u de benzine gelekt heeft te brengen en te voorkomen dat er brand ontstaat. U dient te wachten totdat de brandstof verdampt is en de benzinedampen opgelost zijn; – draai de doppen van de benzinetank van de machine en van het benzineblik altijd goed dicht. 4) Vervang de geluiddempers als deze defect zijn. 5) Vóór het gebruik dient u een algemene controle te verrichten, met name de toestand van het mes, en dient u te controleren of de bouten en NL 4 het mes niet versleten of beschadigd zijn. Vervang het beschadigde of versleten mes en/of de bouten en bloc om ervoor te zorgen dat het maaidek in balans blijft. 6) Vóórdat u met het maaien begint, dient u de beschermingen op het windkanaal te monteren (opvangbak en steenbeschermkap). C) TIJDENS HET GEBRUIK 1) Start de motor niet in gesloten ruimten, waar zich gevaarlijke koolstofmonoxyde kan ophopen. 2) Werk alleen bij daglicht of bij goed kunstlicht. 3) Indien mogelijk, maai niet als het gazon nat is. 4) Voordat u de motor start dient u het mes los te koppelen, de versnelling ( bij modellen met mechanische aandrijving) of de snelheidsregelaar ( bij modellen met hydrostatische aandrijving) in de “vrije” stand te zetten en de machine op de handrem te zetten. 5) Maai geen gazons die een helling van meer dan 10° hebben (17%). 6) Denk eraan dat er geen “veilige” hellingen bestaan. U dient bijzonder goed op te letten als u zich op een helling begeeft. Om te voorkomen dat u over de kop slaat, adviseren wij u: – een tegengewicht op de voorzijde van de machine te monteren (verkrijgbaar op aanvaag); – niet plotseling te stoppen of weg te rijden als u een helling op– of afrijdt; – de koppeling altijd voorzichtig laat opkomen en altijd een versnelling ingeschakeld te houden ( bij modellen met mechanische aandrijving) of de snelheidsregelaar ( bij modellen met hydrostatische aandrijving) geleidelijk naar een hogere stand te schuiven; – de snelheid op de hellingen en in scherpe bochten laag te houden; – let op bobbels, taluds en op verborgen gevaren; – maai het gazon in geen geval in de dwarsrichting ten opzichte van de helling. 7) Koppel het mes los als u over gedeelten rijdt waar geen gras ligt en zet het maaidek in de hoogste stand. 8) Gebruik de machine nooit om gras te maaien als de beveiligingen beschadigd zijn en ook nooit zonder de grasopvangbak of zonder de steenbeschermkap. 9) Wijzig de afstelling van de motor niet en laat het toerental van de motor niet buitengewoon hoog oplopen. 10) Vóórdat u de bestuurdersstoel verlaat dient u: – het mes los te koppelen; – de versnelling in zijn vrij te zetten ( bij modellen met mechanische aandrijving) of de snelheidsregelaar in de vrije stand terug te zetten ( bij modellen met hydrostatische aandrijving) en de machine op de handrem te zetten. – de motor uit te schakelen en de contactsleutel eruit te nemen. 11) Koppel het mes los, schakel de motor uit en neem de contactsleutel eruit: – vóórdat u enige werkzaamheden onder het maaidek uitvoert of vóórdat u het windkanaal leegt; – vóórdat u de machine controleert, schoonmaakt of ermee werkt; – nadat u op een vreemd voorwerp gestoten bent. Controleer of de machine beschadigd is en voer de nodige reparaties uit vóórdat u de machine opnieuw gebruikt; – als de machine op een ongebruikelijke manier begint te trillen (probeer onmiddellijk de oorzaak van het trillen te vinden en probeer de oorzaak te verhelpen). 12) Koppel het mes tijdens het vervoer los en doe dit telkens als u het mes niet gebruikt. Koppel het mes los en wacht totdat het stilstaat telkens als u de opvangbak leegt. 13) Schakel de motor uit en koppel het mes los: – vóórdat u benzine bijvult; – iedere keer als u de opvangbak verwijdert of opnieuw aanbrengt. 14) Neem gas terug voordat u de motor uitschakelt. Draai, na voltooiing van het maaien, de benzinekraan dicht, waarbij u de in het boekje vermelde aanwijzingen dient na te leven. 15) Kom niet met uw handen of voeten in de buurt van of onder de roterende gedeelten. Blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening. benzinedampen met vlammen, vonken of een warmtebron in aanraking zouden kunnen komen. 3) Laat de motor eerst afkoelen vóórdat u de machine opbergt. 4) Om het brandgevaar zoveel mogelijk te beperken dient u de motor, de geluiddemper van het uitwerpmechanisme, de accubak en de benzinetank vrij te houden van gras, bladeren of teveel vet. Leeg de opvangbak altijd en laat geen zakken of bakken met gemaaid gras in de opslagruimte achter. 5) Controleer de steenbeschermkap, de opvangbak en het afzuigrooster regelmatig op slijtage of beschadiging. In geval van beschadiging dienen deze vernieuwd te worden. 6) Gebruik de machine, uit veiligheidsoverwegingen, nooit met versleten of beschadigde onderdelen. Deze onderdelen moeten vernieuwd en niet gerepareerd worden. Gebruik altijd originele onderdelen (het mes moet altijd gemerkt zijn met dit teken ). Onderdelen van een andere kwaliteit kunnen de machine beschadigen en kunnen gevaarlijk zijn voor de gebruiker. 7) Als u de tank moet legen, dient u dit in de open lucht te doen terwijl de motor koud is. 8) Trek werkhandschoenen aan als u het mes demonteert en opnieuw monteert. 9) Zorg dat het maaidek opnieuw in balans wordt gebracht nadat het mes geslepen is. 10) Als de machine opgeborgen of onbeheerd achtergelaten moet worden, dient u het maaidek omlaag te zetten. 11) Laat de sleutels nooit in het contact zitten of binnen het bereik van kinderen of personen die de machine niet mogen gebruiken. Haal de sleutel altijd uit het contakt vóórdat u onderhoudswerkzaamheden aan de machine verricht. D) ONDERHOUD EN OPSLAG E) VERVOER 1) Laat de bouten en de schroeven vastgedraaid zitten om er zeker van te zijn dat de machine altijd op een veilige manier gebruiksklaar is. Als u regelmatig onderhoud aan de machine pleegt zal de werking van de machine veilig blijven en zal het prestatieniveau gelijk blijven. 2) Zet de machine nooit met benzine in de tank in een ruimte waar de 1) Als de machine vervoerd wordt met een vrachtwagen of op een oplegger, dient u het maaidek omlaag te zetten, de handrem aan te trekken en dient u er zeker van te zijn dat de machine goed vastzit aan het vervoermiddel met behulp van touwen, kabels of kettingen. NL 5 VEILIGHEIDSSTICKERS voordat u onderhoud verricht of reparaties uitvoert. Gebruik uw machine met de nodige voorzichtigheid. Om u tot voorzichtigheid te manen is uw machine voorzien van een aantal stickers welke u door middel van pictogrammen wijzen op de belangrijkste voorzorgsmaatregelen. Deze stickers worden beschouwd als een aanvullend deel van de machine. Als een sticker loslaat of onleesbaar wordt, dient u zich tot de leverancier te wenden voor vervanging. Hun betekenis is hieronder weergegeven. 1 2 3 4 5 6 1 Let op: Lees de gebruikershandleiding voordat u deze machine gebruikt. 2 NL Let op: Neem de sleutel uit het contact en lees de instructies 6 3 Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Werk niet zonder de steenbeschermkap of de grasopvangbak. 4 Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Houd personen op een afstand. 5 Gevaar! De machine kan omkiepen: Gebruik deze machine niet op hellingen van meer dan 10°. 6 Gevaar! Verminking: Let erop dat kinderen uit de buurt van de machine blijven als de motor draait. 7 7 Risico voor snijwonden. Lemmer in beweging. Geen handen of voeten aan de binnenkant van de zitting van het lemmer plaatsen. 8 8 U dient enig letsel, veroorzaakt door het meeslepen van de riemen, te vermijden: Bedien de machine niet zonder de gemonteerde beschermingen. Blijf op afstand van de riemen. 9 9 Let op! – Houd u op afstand van de hete oppervlakken. 2. IDENTIFICATIE VAN DE MACHINE EN DE COMPONENTEN IDENTIFICATIE VAN DE VOORNAAMSTE COMPONENTEN IDENTIFICATIE VAN DE MACHINE Op de machine kunt u enkele belangrijke componenten herkennen die de volgende werking hebben: De sticker die zich onder de bestuurdersstoel bevindt bevat essentiële gegevens en het serienummer van iedere machine. 1. Niveau van de geluidssterke volgens de richtlijn 2000/14/CE 2. EEG-merkteken volgens de richtlijn 2006/42/EG 3. Bouwjaar 4. Vermogen en bedrijfstoerental van de motor 5. Machinetype 6. Serienummer 7. Gewicht in kg 8. Naam en adres van de fabrikant 9. Type overbrenging (indien aangeduid) 10. Artikelcode 14 16 18 20 19 17 15 8 5 4 7 13 12 11 21 LWA kW kg 3 /min dB 9 6 10 2 1 11. Maaidek: dit is de beschermkap waar het ronddraaiende mes onder zit. 12. Mes: dit is het element om het gras te maaien; de windvleugels die aan de uiteinden zitten bevorderen het overbrengen van het gemaaide gras naar het windkanaal. 13. Windkanaal: dit is het verbindingselement tussen het maaidek en de grasopvangbak. Vul hier het serienummer van de machine (6) 14. Grasopvangbak: dient niet alleen om het gemaaide gras op te vangen maar vormt bovendien een veiligheidselement omdat het namelijk voorkomt dat eventuele voorwerpen, die door het mes meegenomen worden, van de machine weg kunnen schieten. NL 7 14 16 18 20 19 17 den om op een veilige manier met de machine te kunnen werken; de betekenis ervan wordt in hoofdstuk 1 uitgelegd. 20. Toegangsdeurtje: om de bougie, de benzinekraan en de moer van de motorkap gemakkelijk te kunnen bereiken. 21. Afzuigrooster: bevordert de luchttoevoer binnen het maaidek en voorkomt het wegschieten van eventuele voorwerpen aan de voorkant. 15 13 12 11 21 15. Steenbeschermkap of steenbeveiliging: deze wordt in plaats van de grasopvangbak gemonteerd en voorkomt dat eventuele voorwerpen die door het mes meegenomen worden van de machine weg kunnen schieten. 16. Motor: brengt de beweging naar zowel het mes als de wielaandrijving over; de kenmerken van de motor staan in een specifiek instructieboekje vermeld. 17. Accu: levert de nodige stroomvoorziening om de motor te kunnen starten; de kenmerken van de accu staan in een specifiek instructieboekje vermeld. 18. Bestuurdersstoel: dit is de plek waarop de bestuurder plaats moet nemen om met de machine te kunnen werken; de stoel is uitgerust met een sensor die de aanwezigheid van de bestuurder waarneemt met het oog op de werking van de veiligheidsinrichtingen. 19. Stickers met instructies en veiligheidsvoorschriften: attenderen u op de belangrijkste maatregelen die getroffen moeten worNL 8 3. HET UITPAKKEN EN MONTEREN Om vervoers- en opslagredenen worden sommige onderdelen van de machine niet in de fabriek gemonteerd. Zij dienen na het uitpakken gemonteerd te worden. De voltooing dient uitgevoerd te worden aan de hand van de volgende, eenvoudige instrukties. BELANGRIJK Om vervoersredenen wordt de machine zonder motorolie en benzine geleverd. Voordat u de motor in werking stelt moet u er dan ook eerst olie en benzine in doen waarbij u de voorschriften die in het instructieboekje van de motor staan in acht moet nemen. LET OP! De uitpakken en de vervollediging van de montage moeten op een vlakke en solide ondergrond gebeuren, met voldoende ruimte voor de beweging van de machine en van de verpakkingen, en steeds met gebruik van de geschikte werktuigen. 3.1 DE MACHINE UITPAKKEN Bij het uitpakken van de machine moet u oppassen dat u geen losse onderdelen, die bij de levering inbegrepen zijn, kwijtraakt en dat het maaidek niet beschadigd wordt op het moment dat de machine van de transportpallet afgereden wordt. De standaardverpakking – het stuurwiel; – de accu; – de stoel; – de onderdelen van de opvangbak; – een mapje met de gebruikershandleiding, de overige documenten en de bij de levering inbegrepen schroeven, inclusief 2 startsleuteltjes, 1 stalen stift voor het blokkeren van het stuurwiel en een reservezekering van 10 Ampere (6,3 A met motor Honda). De verwerking van de verpakkingen moet volgens de plaatselijke geldende bepalingen gebeuren. 3.2 MONTEREN EN DE ACCU AANSLUITEN Demonteer de achterste afdekking (1) van de stuuras die bevestigd is met twee schroeven (2) en de voorste afdekking(3), bevestigd met twee schroeven (4). 3 4 2 1 4 Plaats de accu (5) en zijn zitting en bevestig met behulp van de beugel (6) en de bijhorende moer (7). 9 Sluit de drie rode draden (8) aan op de positieve klem (+) en de drie zwarte draden (9) op de negatieve klem (–) met behulp van de bijgeleverde schroeven, en in de aangegeven volgorde. 7 5 8 6 Hermonteer correct de NL 9 afdekkingen (3) en (1) van de stuuras en zet ze vast met de schroeven (4) en (2). Herlaad, volgens de instructies van de fabrikant van de accu. OPMERKING Om te vermijden dat het stuurwiel met de hamer beschadigd wordt, moet u de stift er met behulp van een slagpen of een schroevedraaier, waarvan de diameter geschikt moet zijn, door heen slaan. BELANGRIJK Om te vermijden dat het beveiligingssysteem van de elektronische installatie in werking treedt mag u de motor absoluut niet starten voordat de accu volledig opgeladen is! 3.4 DE STOEL MONTEREN LET OP! Neem de aanwijzingen van de fabrikant van de accu in acht met betrekking tot de veiligheid bij het hanteren en het lozen van de accu. Monteer de stoel (1) op de plaat (2) met behulp van de schroeven (3). 2 3 3 1 3.3 HET STUURWIEL MONTEREN Zet de machine op een vlakke ondergrond en zorg ervoor dat de voorwielen uitgelijnd zijn. Schuif het stuurwiel (1) over de stuurkolom (2) en zorg ervoor dat de verstevigingsspaken naar de stoel toe gedraaid zijn. 3.5 DE GRASOPVANGBAK MONTEREN 2 3 1 Zorg ervoor dat de opening van het stuurwiel en de opening van de stuurkolom tegenover elkaar komen te zitten en doe de meegeleverde stalen stift (3) erin. Sla de stalen stift er met behulp van een hamer door heen en controleer of de stift er aan de andere kant uit komt. NL 10 Monteer allereerst het frame, door het bovenste deel (1) inclusief de opening aan het onderste deel (2) te bevestigen, maak daarbij gebruik van de meegeleverde schroeven en moeren (3). Houd daarbij de aangegeven volgorde aan. Plaats de hoekplaten (4) en (5) en houd daarbij de betreffende aanduiding rechts (R ) en links (L ), aan. Maak ze daarna met behulp van de vier zelftappende schroeven (6) aan het frame vast. Doe het op die manier gevormde frame in de zak, waarbij u erop moet letten dat de onderkant rondom op de juiste plaats zit. Haak de kunststof profielen met behulp van een schroevedraaier (7) vast aan het frame. 10 9 8 11 10 13 (x 2) 8 1 6 5 4-5 L 4 11 (x 4) 6 2 3 6 3 2 12 13 13 12 Schuif het handvat (8) in de gaatjes van het deksel (9) en bevestig dit door middel van de bouten (10) aan het frame. Dit volgens de aangegeven volgorde. Completeer de montage met behulp van de vier zelftappende schroeven (11) die zich aan de voor- en achterkant bevinden. Als laatste bevestigt u onderaan het frame de dwarsversteviging (12) met de vlakke zijde naar de bak toe. Schroef deze met behulp van de meegeleverde schroeven en moeren (13) vast. Houd daarbij de aangegeven volgorde aan. 6 (x 4) 2 3 (x 2) 1 10 (x 2) R 7 CLAK NL 11 4. BEDIENINGSELEMENTEN 5 4 «CHOKE» stand om de motor te starten «LANGZAAM» stand stemt overeen met het laagste toerental «SNEL» stand stemt overeen met het hoogste toerental 1 B 3 B A 6 A 6 7 4 5 3 2 1 7 2 1. STUURWIEL Hiermee kunt u de voorwielen besturen. 2. VERSNELLINGSPOOK Hiermee kunt u het toerental van de motor bepalen. De diverse standen staan aangeven op het plaatje waar de volgende symbolen op staan: NL 12 Tijdens het rijden moet u een tussenstand tussen de «LANGZAAM» en de «SNEL» stand kiezen; tijdens het maaien is het verstandig om de versnellingspook op de «SNEL» stand te zetten. 3. HENDEL VAN DE HANDREM Deze hendel wordt gebruikt om te voorkomen dat de machine gaat rijden als u hem geparkeerd heeft en moet altijd aangetrokken worden als u van de machine afstapt. De rem wordt ingeschakeld als het pedaal (11 - 21) volledig ingetrapt is waarbij u de hendel in stand «A» moet zetten; als u uw voet van het pedaal haalt dan moet het pedaal ingetrapt blijven en door de hendel in die stand blijven staan. Om de handrem uit te schakelen moet u opnieuw het pedaal intrappen, waarna de hendel in stand «B» gaat staan. 4. CONTACTSLOT Het contactslot heeft drie verschillende standen: «UIT» stand alles uit; «DRAAIEN» stand alle bedieningselementen worden in werking gesteld; «STARTEN» stand u start de startmotor; vanuit deze stand komt het sleuteltje, zodra u deze loslaat, vanzelf weer in de «DRAAIEN» stand terug. 5. CONTROLELAMPJE EN SIGNALERINGSSYSTEEM Dit controlelampje gaat branden als het sleuteltje (4) zich in de «DRAAIEN» stand bevindt en blijft branden zolang de machine in werking is. Een knipperend lampje betekent dat de toestemming, om de motor te starten, ontbreekt . Een geluidssignaal bij een ingeschakeld mes, attendeert u erop dat de grasopvangbak vol is. 6. HENDEL OM HET MES EN DE REM VAN HET MES IN TE SCHAKELEN Deze hendel heeft twee standen, die op het plaatje aangegeven staan, te weten: Stand «A» = MES UITGESCHAKELD Stand «B» = MES INGESCHAKELD Als het mes ingeschakeld wordt zonder dat de voorgeschreven veilige omstandigheden in acht genomen zijn, dan slaat de motor af. Als het mes uitgeschakeld wordt (stand «A») dan wordt er tegelijkertijd een rem ingeschakeld die binnen vijf seconden belet dat het mes kan draaien. 7. HENDEL OM DE MAAIHOOGTE IN TE STELLEN Deze hendel heeft zeven standen die op het betreffende plaatje aangegeven staan, d.w.z. stand «1» tot en met «7», die met net zoveel maaihoogten overeenstemmen, variërend van 3 tot 8 cm. Om van de ene stand naar de andere stand over te gaan dient u de hendel door een zijwaartse beweging in één van de zeven inkepingen te plaatsen. Mechanische aandrijving 11. KOPPELINGS-/REMPEDAAL Dit pedaal heeft een dubbele functie: bij het intrappen van het eerste gedeelte dient het pedaal als koppelingspedaal waarbij de wielaandrijving in- of uitgeschakeld wordt en het tweede deel dient als rem, die op de achterwielen inwerkt. U moet bijzonder goed opletten dat u tijdens de koppelingsfase niet te lang aarzelt om oververhitting en, als gevolg daarvan, beschadiging van de overbrengingsriem te vermijden. 11 12 N R 1 2 5 3 4 OPMERKING Tijdens het rijden is het verstandig uw voet niet op dit pedaal te laten rusten. NL 13 12. VERSNELLINGSPOOK Deze pook heeft zeven standen die overeenstemmen met vijf versnellingen vooruit, de stand om de versnelling in zijn vrij te zetten «N» en de achteruitrijversnelling «R». Om van de ene versnelling naar de andere te schakelen moet u het pedaal (11) half intrappen en de pook overeenkomstig de gegevens die op het plaatje staan in de gewenste versnelling zetten. LET OP! Het inschakelen van de achteruitrijversnelling dient bij stilstand te gebeuren. Hydrostatische aandrijving 21. REMPEDAAL Bij modellen met hydrostatische aandrijving fungeert dit pedaal alleen als achterrem. 23. KOPPELINGSHENDEL VAN DE HYDROSTATISCHE OVERBRENGING Deze hendel heeft twee standen die door een plaatje zijn aangegeven: Stand «A» = Aandrijving vergrendeld: voor alle gebruikscondities, tijdens het rijden en het maaien; Stand «B» = Aandrijving ontgrendeld: een aanzienlijke vermindering van de inspanning die nodig is om de machine, met de motor uit, op eigen kracht te verplaatsen. BELANGRIJK Teneinde te voorkomen dat de aandrijfunit beschadigd wordt, mag deze operatie alleen worden uitgevoerd met een stilstaande motor, met de hendel (22) in de stand «N». 22. HENDEL VAN DE SNELHEIDSREGELAAR Deze hendel schakelt de aandrijving van de wielen in en regelt de snelheid van de machine, zowel bij het vooruit als bij het achteruit rijden. Bij het vooruit rijden versnelt de machine geleidelijk aan door de hendel richting «F» te schuiven; om de machine in zijn achteruit te zetten moet de hendel richting «R» worden geschoven. De machine keert automatisch terug naar de vrije stand «N» wanneer het rempedaal (21) wordt ingedrukt. Wanneer er niet geremd wordt kan de machine handmatig in de vrije stand worden gezet. BELANGRIJK De hendel wordt in de vrije stand «N» geblokkeerd wanneer de handrem (3) wordt aangetrokken en blijft geblokkeerd zolang de machine op de handrem staat of het rempedaal is ingetrapt. NL 14 21 22 F N R B A A B 23 HYDRO-GEAR 23 TUFF-TORQ 5. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN GEVAAR! Gebruik de machine alléén voor het doel waarvoor zij gemaakt is (het maaien en opvangen van gras). Eender welk ander gebruik wordt als "oneigenlijk gebruik" beschouwd en brengt verval van, zowel de garantie, als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen. De volgende situaties behoren tot het oneigenlijk gebruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend): – andere personen, kinderen of dieren op de machine of op een oplegger vervoeren; – ladingen trekken of duwen zonder het gebruik van het daarvoor bestemde toebehoren voor het slepen; – gebruik van de machine op onstabiele, gladde, bevroren, stenige of oneffen terreinen, in geval van plassen of moerassen die niet toestaan de consistentie van het terrein in te schatten. – gebruik van de machine voor het verzamelen van bladeren of afval; – de messen aanschakelen op zones zonder gras. GEVAAR! Kom niet aan de veiligheidsmechanismen en verwijder deze nooit. DENK ERAAN DAT DE GEBRUIKER ALTIJD AANSPRAKELIJK IS VOOR SCHADE DIE AAN ANDEREN BEROKKEND WORDT. Alvorens de machine te gebruiken: – lees de algemene veiligheidsvoorschriften, en besteed speciale aandacht aan het rijden en het maaien op hellende terreinen; – lees de gebruiksaanwijzingen aandachtig door, raak ver- trouwd met de bediening en leer hoe de messen en de motor snel tot stilstand gebracht kunnen worden. – breng handen en voeten niet in de nabijheid van, of onder ronddraaiende delen en blijf altijd uit de buurt van de uitwerpopening. Gebruik de machine niet met een slechte lichamelijke conditie, of onder invloed van medicijnen of middelen die de reflexen en de aandacht kunnen verminderen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico’s die het terrein waar hij op moet werken met zich kan brengen te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treffen, met het oog op zijn eigen veiligheid en die van anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen. De machine niet in hoog gras laten staan met een draaiende motor, teneinde geen risico op brand te veroorzaken. LET OP! Deze machine mag niet gebruikt worden op hellingen met een hellingspercentage van meer dan 10° (17%) ( 5.3.4). Als er verwacht wordt de machine voornamelijk op hellende terreinen (max. 10%) te gebruiken dan is het verstandig tegengewichten (op aanvraag leverbaar ( 9.1) onder het dwarsprofiel van de voorwielen te monteren, waardoor de stabiliteit aan de voorkant verhoogd wordt en de mogelijkheid dat de machine gaat steigeren zich beperkt. BELANGRIJK Alle verwijzingen met betrekking tot de bedieningsposities worden weergegeven in hoofdstuk 4. NL 15 5.1 UIT TE VOEREN WERKZAAMHEDEN VOOR DE INGEBRUIKNAME Alvorens te beginnen met werken dienen er enkele controles en handelingen uitgevoerd te worden om er zeker van te zijn dat het werk op de meest nuttige en veilige manier zal verlopen. 5.1.1 De stoel afstellen De stoel is met vier schroeven (1) bevestigd die u los moet draaien om de stand van de stoel te kunnen verstellen, waarbij u de stoel in de gleuven van de steun moet laten glijden. 1 1 Als de stoel in de gewenste stand staat, moet u de vier schroeven weer goed aandraaien. OPMERKING De te gebruiken brandstof en motorolie staan aangegeven in het instructieboekje van de motor. NL 16 De inhoud van de tank bedraagt ongeveer 4 liter. GEVAAR! Om de brandstoftank te vullen moet u de motor uitzetten. Doe dit in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte. Denk er altijd aan dat benzinedampen brandbaar zijn! GEEN OPEN VUUR IN DE BUURT VAN DE TANK BRENGEN EN NIET ROKEN BIJ HET VULLEN VAN DE TANK. BELANGRIJK Vermijden benzine op de plastic gedeelten te gieten zodanig dat ze niet beschadigd worden; bij toevallige lekken onmiddellijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen van de carrosserie of de motor, veroorzaakt door benzine. 5.1.2 De tank vullen Om bij de peilstok van de olie te komen dient u de zitting omhoog te zetten en het daaronder gelegen deksel te openen. Zet het contact af en controleer het motoroliepeil dat zich tussen de MIN. en de MAX. inkeping van de peilstok moet bevinden. Tijdens het vullen van de tank met brandstof met behulp van een trechter dient u erop toe te zien dat de tank niet te vol is. 5.1.3 Bandenspanning Een juiste bandenspanning is noodzakelijk om het maaidek geheel vlak boven het grasoppervlak te krijgen, zodat u een mooi maaibeeld krijgt. MAX MIN Schroef de ventieldopjes los en verbind de ventielen aan een persluchtmachine die voorzien is van een manometer. De bandenspanning moet als volgt zijn: 2. Controleer of de rem correct werkt. VOOR ACHTER 3. Begin niet te maaien indien het mes trilt of men twijfels heeft omtrent de scherpe staat van de messen; denk er altijd aan dat: 1,5 bar 1,0 bar 5.1.4 De beveiligingen (opvangbak of steenbeschermkap) bij de uitwerpopening monteren – Een bot mes rukt het gras uit een veroorzaakt de vergeling van het gazon. – Een mes dat niet goed vastzit gaat op abnormale wijze trillen en is een potentiële gevarenbron. 1 LET OP! Gebruik de machine nooit zonder deze beveiligingen! LET OP! Gebruik de machine niet indien men niet zeker is van de doeltreffendheid en veiligheid en contacteer de Verkoper voor de nodige controles of reparaties. Til het deksel (1) op en bevestig de opvangbak door de twee scharniergewrichten (2) in de gaten van de twee steunen (3) te steken. 3 5.2 GEBRUIK VAN DE MACHINE 2 5.2.1 De machine starten 3 Indien er gewerkt wordt zonder opvangzak is er, op aanvraag, een steenbeschermkap (4) leverbaar die, zoals aangegeven in de bijbehorende instructies, op de achterplaat bevestigd dient te worden. 4 5.1.5 Controle van de veiligheid en de doeltreffendheid van de machine 1. Controleer of de beveiligingen werken zoals aangegeven ( 5.3.7). GEVAAR! Het starten moet altijd in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte gebeuren ! DENK ERAAN DAT UITLAATGASSEN GIFTIG ZIJN! Voordat u de motor start: – open de benzinekraan (1) (indien aanwezig), toegankelijk vanaf het wielvak achteraan links; – Zet de versnellingspook ( bij modellen met mechanische aandrijving) of de hendel van de snelheidsregelaar ( bij modellen met hydrostatische aandrijving) in de vrije stand «N». 1 NL 17 – het mes uitschakelen; – schakel op hellende terreinen de handrem in. Nadat u dit gedaan heeft: – dient u de gashendel, bij een koude motor; in de «CHOKE» stand te zetten zoals aangegeven op het plaatje, of tussen de «LANGZAAM» en «SNEL» stand als de motor reeds is warmgedraaid; – steek het startsleuteltje in het contact, draai het sleuteltje in de «DRAAIEN» stand om de elektrische installatie in werking te stellen, draai het sleuteltje daarna in de «STARTEN» stand om de motor te starten en laat het sleuteltje los zodra de motor draait. Als de motor draait zet de gashendel in de «LANGZAAM» stand. BELANGRIJK De choke dient uitgeschakeld te worden zodra de motor regelmatig draait; het gebruik van de choke bij een warmgedraaide motor kan de bougie bevuilen en een onregelmatige werking van de motor veroorzaken. OPMERKING Als er moeilijkheden zijn bij het starten, blijf dan niet te lang aanhouden om de accu niet uit te putten en de motor niet te verzuipen. Draai de sleutel weer in de «STOP» stand, wacht enkele seconden en probeer opnieuw te starten. Indien het probleem voortduurt, raadpleeg dan hoofdstuk «8» van deze handleiding en de handleiding van de motor. BELANGRIJK Denk er altijd aan dat de beveiligingssystemen het starten van de motor beletten wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen ( 5.3.7). Nadat in de bovenstaande gevallen het belet tot starten is hersteld, dient de sleutel in de «STOP» stand gedraaid te worden voordat de motor opnieuw gestart kan worden. NL 18 5.2.2 Rijden LET OP! De machine is niet goedgekeurd om op de openbare weg te rijden. U mag de machine (overeenkomstig het Wegenverkeersreglement) alleen op privéterrein gebruiken, dat voor openbaar wegverkeer afgesloten is. OPMERKING Indien u zich met de machine verplaatst moet het mes uitgeschakeld zijn en moet het maaidek in de hoogste stand staan (stand «7»). Mechanische aandrijving Zet de gashendel in een tussenstand tussen «LANGZAAM» en «SNEL» en zet de versnellingspook in de 1e versnelling. Houd het pedaal ingetrapt om zo de handrem uit te schakelen; laat het pedaal langzaam opkomen zodat het pedaal van de «remfunctie» naar de «koppelingsfunctie» overgaat, waarbij de achterwielen in werking gesteld worden. U dient het pedaal geleidelijk op te laten komen om te beletten dat de machine, door een te bruuske start, begint te steigeren en u de macht over het stuur kwijtraakt. Zorg dat u geleidelijk de gewenste snelheid bereikt door de gashendel en de versnellingspook te bedienen; om van de ene versnelling naar de andere over te gaan dient u de koppeling te bedienen door het pedaal half in te trappen. Hydrostatische aandrijving Zet de gashendel op een stand tussen «LANGZAAM» en «SNEL»; trap op het rempedaal om de handrem uit te schakelen en laat het pedaal weer opkomen. Verplaats de snelheidsregelaar in richting «F» en breng de machine op de gewenste snelheid met gebruik van de snelheidsregelaar en de gashendel. Beweeg de hendel niet te bruusk, om te voorkomen dat de machine steigert en onbestuurbaar wordt. 5.2.3 Remmen Mechanische aandrijving Om te remmen dient u het rempedaal helemaal in te trappen nadat eerst door middel van de gashendel snelheid teruggenomen is om het remsysteem niet onnodig te belasten. Hydrostatische aandrijving Trap het rempedaal in om te remmen. De snelheidsregelaar keert automatisch terug naar de «N» stand. 5.2.4 Achteruitrijden Mechanische aandrijving Het inschakelen van de achteruit DIENT bij stilstand te gebeuren. Trap het pedaal in totdat de machine stilstaat, schakel de achteruit in door de versnellingspook opzij te duwen en in de «R» stand te zetten. Laat het pedaal geleidelijk opkomen om de koppeling in te schakelen en begin met de achteruitrijmanoeuvre. Hydrostatische aandrijving Het inschakelen van de achteruit DIENT bij stilstand te gebeuren. Stop de machine en schakel de achteruit in door de snelheidsregelaar richting «R» te schuiven. 5.3 HET GRAS MAAIEN 5.3.1 Het mes inschakelen en vooruitrijden Als u zich op het te maaien gazon bevindt: – zet de gashendel in de «SNEL» stand; – schakel het mes in door de hendel in stand «B» te zetten; – om het rijden te beginnen moeten de snelheidsregelaars bediend worden. Denk eraan het pedaal heel langzaam en voorzichtig op te laten komen zoals reeds eerder beschreven is. Zet het mes altijd in de hoogste stand om het daarna geleidelijk in de gewenste stand te zetten. Om een goed en gelijkmatig maaibeeld te krijgen dient u de juiste rijsnelheid in te stellen afhankelijk van de hoeveelheid gras dat gemaaid moet worden (lengte en dichtheid) en van de vochtigheid van het gazon ( bij modellen met mechanische aandrijving). Houd hierbij de volgende aanwijzingen aan: – Hoog, dicht en nat gras – Normaal onderhouden gazon – Kort en droog gras 1ª versnelling 2ª - 3ª versnelling 4ª versnelling OPMERKING De vijfde versnelling dient uitsluitend als rijversnelling op een vlakke ondergrond. Hydrostatische aandrijving Moet de snelheid geleidelijk aan de toestand van het gazon worden aangepast met behulp van de snelheidsregelaar. Het is in ieder geval verstandig om, elke keer als u merkt dat de motor het toerental niet kan behouden, snelheid te vertragen. Denk NL 19 eraan dat u nooit een mooi maaibeeld krijgt als u te hard vooruit rijdt. Bij het oversteken van een hindernis moet u het mes uitschakelen en het maaidek in de hoogste stand zetten. 5.3.2 De maaihoogte afstellen Met de speciale hendel kunt u 7 verschillende maaihoogten instellen. 5.3.3 Tips om altijd een mooi gazon te hebben 1. Voor een mooi, groen en zacht gazon is het nodig dat het gras regelmatig en op de juiste manier gemaaid wordt. Het gazon kan van verschillende soorten gras zijn. Bij regelmatige maaibeurten, groeit het gras sneller, waardoor meer wortelgroei ontstaat en een mooi dicht gazon bekomen wordt; indien minder vaak gemaaid wordt, wordt ook de groei van hoog en wild gras bevorderd (klaver, margrieten, enz.). 2. Het is beter het gras te maaien als het gazon goed droog is. 3. De messen dienen geen gebreken te vertonen en goed scherp te zijn, zodat het gras op de juiste manier wordt afgesneden zonder uitgerukt te worden. Dit kan namelijk tot vergeling van de punten leiden. 4. De motor dient op volle toeren te draaien om zowel het gras op de juiste manier af te snijden als een goede afvoer van het gras naar het uitwerpkanaal te verkrijgen. 5. De maaifrequentie wordt bepaald aan de hand van de groei van het gras, waarbij vermeden moet worden dat het gras te hoog wordt. 6. In de warmste en droogste tijden van het jaar is het beter om het gras iets hoger te laten worden zodat het gazon niet uitdroogt. NL 20 7. De optimale hoogte van het gras van een goed verzorgd gazon bedraagt ongeveer 4-5 cm en met een enkele maai2 1 beurt wordt het best niet meer dan een derde van de volledig lengte gemaaid. Als het gras erg hoog is, raden wij aan om het gazon, met tussenpoos van één dag, in twee keer te maaien, de eerste keer met de messen in de hoogste stand en smallere grasstroken tegelijk maaiend en de tweede keer met de messen in de gewenste stand. 8. Het gazon zal er mooier uitzien als het maaien afwisselend, in de lengte- en in de dwarsrichting uitgevoerd wordt. 9. Als de afvoer zich telkens verstopt met gras is het beter om de snelheid te vertragen zodat het maaien niet te snel gebeurt ten opzichte van de toestand van het gazon; mocht het probleem aanhouden dan kan het ook zijn dat de messen niet goed geslepen zijn of dat het profiel van de vleugels vervormd is. 10. Pas erg goed op bij het maaien langs struiken en boorden. Deze kunnen de stand van het maaidek ontregelen en de zijkant van het maaidek en de messen beschadigen. 5.3.4 Hellende terreinen Houd de aangegeven beperkingen in acht en maai een hellend gazon altijd van onder naar boven of van boven naar onder maar nooit in de dwarsrichting. Pas erg goed op bij het veranderen van richting dat u niet op obstakels (zoals bij- max 10° (17%) voorbeeld stenen, takken, wortels enz.) stuit waardoor de machine zijwaarts kan glijden, om kan kiepen of waardoor u de macht over het stuur kwijt zou kunnen raken. GEVAAR! Op een helling moet u altijd snelheid minderen voordat u van richting verandert, en de machine altijd op de handrem zetten voordat u de machine onbeheerd achterlaat. LET OP! Op een helling moet de machine voorzichtig op gang worden gebracht om de kans op steigeren en omslaan te voorkomen. Mechanische aandrijving GEVAAR! Rijd nooit een helling af met de versnelling of de koppeling in de vrije stand! Schakel altijd een lage versnelling in voordat u de machine onbeheerd achterlaat. Hydrostatische aandrijving Bij het afdalen van hellingen moet de snelheidsregelaar op stand «N» staan (om gebruik te maken van het remeffect van de hydrostatische aandrijving) en minder snelheid met de rempedaal als dat nodig is. GEVAAR! Zet de machine nooit in zijn achteruit om snelheid te minderen bij het hellingafwaarts gaan (vooral niet op glad terrein); dit kan u de controle over de machine doen verliezen. 5.3.5 De grasopvangbak legen OPMERKING Dit mag u alleen doen als het mes uitgeschakeld is. Als dit niet het geval is dan zal de motor afslaan. Als de opvangbak vol is dan wordt dit door een geluidssignaal gemeld; STOP MET RIJDEN om te voorkomen dat het windkanaal verstopt raakt. Door het mes uit te schakelen wordt het geluidssignaal onderbroken. Leeg de opvangbak. Til hem op door hem, bij de speciale handgreep, vast te pakken. OPMERKING Het kan gebeuren dat het geluidssignaal, nadat u de bak geleegd heeft, weer afgegeven wordt op het moment dat u het mes inschakelt. Dit is te wijten aan gras dat op de voeler van de signaleringsmicroschakelaar achtergebleven is; in dit geval hoeft u slechts het achtergebleven gras te verwijderen of het mes uit te schakelen en meteen weer in te schakelen om het op te laten houden. 5.3.6 Schoonmaken van het windkanaal Als u hoog en vochtig gras maait met een te hoge snelheid bestaat de kans dat het windkanaal verstopt raakt. In dit geval dient u: – te stoppen en het mes en de motor uit te schakelen; – de opvangbak of de steenbeschermkap te verwijderen; – het opgehoopte gras te verwijderen via de uitgang van het windkanaal. LET OP! Deze handelingen dienen altijd te gebeuren met de motor uit. NL 21 5.3.7 Overzicht van de omstandigheden waarin de veiligheidsinrichtingen toestemming geven of zich inschakelen De veiligheidsmechanismen hebben twee functies: – ze voorkomen de start van de motor als de veiligheidsmaatregelen niet in acht zijn genomen; – ze stoppen de motor als er ook maar één veiligheidsconditie wegvalt. a) Om de motor te starten is het in ieder geval nodig dat: – de koppeling in de “vrije” stand staat; – het mes uitgeschakeld is; – de gebruiker op de stoel van de machine zit ofwel de handrem ingeschakeld is. b) De motor stopt automatisch als: – de gebruiker de stoel verlaat terwijl de messen ingeschakeld zijn; – de gebruiker de stoel verlaat terwijl de koppeling niet in de “vrije” stand staat; – de gebruiker de stoel verlaat terwijl de koppeling wel in de “vrije” stand staat, maar de handrem niet is ingeschakeld; – de zak wordt opgetild of als de steenbeschermkap wordt verwijderd terwijl de messen ingeschakeld zijn; – of de handrem ingeschakeld is zonder het mes te hebben uitgeschakeld. 5.3.8 Kaartbeveiligingssysteem De elektronische kaart is uitgerust met een zelfherstellende beveiliging die de stroomkring onderbreekt indien er zich onregelmatigheden in de elektrische installatie voordoen; als dit beveiligingssysteem in werking treedt slaat de motor af en dit wordt aangegeven door het controlelampje dat uitgaat. De stroomkring wordt na enkele seconden vanzelf weer ingeschakeld; stel de oorzaken van de storing vast en verhelp deze om te voorkomen dat de signalering zich herhaalt. NL 22 BELANGRIJK Om te voorkomen dat het beveiligingssysteem in werking treedt: – Verwissel de polen van de accu niet; – Laat de machine niet zonder accu werken om storingen in de werking van de laadregelaar te voorkomen; – Pas op dat u geen kortsluiting veroorzaakt. 5.3.9 Na het maaien Na het maaien dient u het mes uit te schakelen en het maaidek in de hoogste stand te zetten. Breng de machine tot stilstand, trek de handrem aan en zet het contact af door het sleuteltje in de «UIT» stand te draaien. Als u de motor afgezet heeft moet u de benzinekraan (1) (indien aanwezig) dichtdraaien. LET OP! Om een ontploffing in de knalpot te vermijden dient u de gashendel, 20 seconden voordat u de motor afzet, in de «LANGZAAM» stand zetten. LET OP! Haal altijd, als u de machine onbeheerd achterlaat, het sleuteltje uit het contact! BELANGRIJK Om de lading van de accu in stand te houden, wordt de sleutel niet in de stand «DRAAIEN» gelaten wanneer de motor niet aanstaat. 1 5.3.10 De machine reinigen Maak, na elk gebruik, de buitenkant van de machine schoon, leeg de opvangzak en klop deze goed uit om alle gras- en aarderesten te verwijderen. LET OP! Leeg de opvangzak altijd en laat geen containers met gemaaid gras in gesloten ruimtes achter. Reinig de kunstof delen van de machine met een vochtige spons en een schoonmaakmiddel. Let er op dat de motor, de elektrische onderdelen en de elektronische kaart onder het dashboard niet nat worden. BELANGRIJK Gebruik in geen geval hogedrukreinigers of bijtende middelen voor het reinigen van de carrosserie en de motor! LET OP! Op de bovenkant van het maaidek mogen zich geen afval en droge grasresten ophopen om de doeltreffendheid en de veiligheid van de machine op maximaal niveau te houden. Na ieder gebruik, het maaidek zorgvuldig schoonmaken om alle grasresten en afval te verwijderen. 2. sluit een waterslang aan op de speciale fitting (1) en laat het water stromen; 3. neem plaats op de stoel; 4. zet het maaidek in de laagste stand; 5. start de motor en zet de versnellingspook in de vrije stand; 6. schakel het mes in en laat het enkele minuten draaien. 1 Verwijder de zak, ledig hem, spoel hem en leg hem op een plaats waar hij snel kan drogen. b) Voor de reiniging van de bovenkant van het maaidek: – het maaidek helemaal omlaag zetten (stand «1»); – met perslucht blazen om alle grasresten te verwijderen. LET OP! Draag tijdens het schoonmaken van het maaidek een beschermbril en verwijder mensen en dieren uit het omliggende gebied. a) Het reinigen van de binnenkant van het maaidek en het uitwerpkanaal dient, onder de volgende condities, op een harde ondergrond te gebeuren: 1. monteer de opvangzak; NL 23 5.3.11 De machine stallen en geruime tijd niet gebruiken Als er verwacht wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken (meer dan 1 maand), moeten de kabels van de accu losgekoppeld worden, waarbij de aanwijzingen in de handleiding van de motor in acht genomen moeten worden. LET OP! Verwijder het droge gras dat zich eventueel in de buurt van de motor of van de geluiddemper van het uitwerpmechanisme opgehoopt heeft; als u dit niet doet kan er brand ontstaan als u opnieuw begint te maaien! Leeg de benzinetank door de benzineslang, gekoppeld aan het benzinefilter (1) los te maken en neem hierbij de aanwijzingen, die in het instructieboekje van de motor staan, in acht. 1 Berg de machine op in een droge ruimte, beschut tegen alle weersomstandigheden en dek ze, indien mogelijk, toe met een zeil ( 9.5). BELANGRIJK De accu dient opgeborgen te worden op een koele, droge plaats. De accu altijd terug opladen vóór iedere lange periode van inactiviteit (langer dan 1 maand) en terug opladen vooraleer de activiteit te hervatten in hoofdstuk 6. Controleer, voordat u opnieuw begint te maaien, of er uit de slang, de benzinekraan of de carburateur geen benzine lekt. NL 24 5.4 TRANSPORT LET OP! Als de machine op een vrachtwagen of op een oplegger vervoerd moet worden, dient men toegangshellingen met geschikte draagkracht, breedte en lengte te gebruiken. Laat de machine met de motor uitgeschakeld, zonder bestuurder en enkel duwend, met een geschikt aantal personen. Sluit, alvorens de machine te vervoeren, de benzinekraan (indien voorzien), zet het maaidek in de laagste stand, schakel de handrem in en zorg dat de machine goed vastzit aan het vervoermiddel met touwen of kettingen. 6. ONDERHOUD 6.1 VEILIGHEIDSADVIEZEN LET OP! Haal de sleutel uit het contact en lees de bijgeleverde instructies alvorens enige reinigings-, of onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Trek geschikte kleding en werkhandschoenen voor alle handelingen die gevaarlijk kunnen zijn voor de handen. LET OP! Gebruik de machine nooit als er onderdelen versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten vernieuwd en niet gerepareerd worden. Gebruik uitsluitend originele reserveonderdelen: het gebruik van niet originele en/of niet goed gemonteerde onderdelen beïnvloedt de veiligheid van de machine, kan ongelukken of persoonlijk letsel aanrichten en de fabrikant kan hiervoor niet aansprakelijk gesteld worden. BELANGRIJK Gooi gebruikte olie, oude benzine of andere vervuilende producten nooit achteloos weg! LET OP! Alle onderhoudshandelingen en afstellingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine. In het bijzonder, dient men onmiddellijk de Verkoper of een gespecialiseerd Centrum te contacteren indien men onregelmatigheden aantreft in de werking. Handelingen die uitgevoerd werden in niet geschikte structuren of door onbekwame personen doen elke vorm van garantie en alle verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fabrikant vervallen. – van de rem, – van de aan- en uitschakeling van het mes, – van de inschakeling van de aandrijving vooruit of achteruit. 6.2 TOEGANG TOT DE MECHANISCHE DELEN Om de motor en de mechanische delen te bereiken moet u de motorkap (1) openen. Ga als volgt te werk: – plaats de machine op een vlakke bodem, zet het maaidek in de hoogste stand en breng steunblokken (2) met een dikte van 65-70 mm aan onder de rand, om het maaidek gedurende de volgende handelingen te steunen; Mechanische aandrijving – zet de machine op de handrem; Hydrostatische aandrijving – zet de koppelingshendel op stand INGESCHAKELD (zie hoofdstuk 4, nr. 23); omdat de hendel van de snelheidsregelaar niet voldoende beweegbaar is wanneer de machine op de handrem staat; NL 25 – verwijder de opvangbak of de 1 3 steenbeschermkap; – draai de knop van de hendel (3) los en zet de hendel in de vrije stand «N» ( bij modellen met hydrostatische aandrijving), of op «R» ( bij modellen met hydrostatische aandrijving); – open het toegangsdeurtje (4) en draai de bevestigingsmoer (5) los met een sleutel van 13 mm; – plaats de hendel (6) zodat het maaidek op de steunblokken rust 2 en houd de hendel ietwat opzij om te voorkomen dat hij in een inkeping vast komt te zitten. Pak de stoel (7) aan de onderkant vast en klap kap naar achteren. 4 – de monding van het kanaal (8) goed in de opening van de achterste plaat (10) steekt en op de steun (11) rust. 6 En vervolgens: 5 – draai de bevestigingsmoer (5) vast; – zet de hendel (6) vast op stand «7» van de inkepingen; – verwijder de steunblokken (2) en monteer opnieuw de knop (3) van de hendel en het deurtje (4). 10 11 9 8 6.3 GEWOON ONDERHOUD Voor het sluiten: – verzeker u ervan dat het kanaal (8) goed op de steun (9) zit en op de rechter geleider steunt; – zet de hendel (3) op stand «R» en laat de kap (1) zakken naar de hendels (3) en (6); – plaats eerst hendel (6) in zijn zitting, dan hendel (3) en laat dan de kap zakken tot de bevestigingsschroef is gecentreerd; 6 Het doel van de volgende tabel is om uw machine een optimale conditie te laten behouden. De belangrijkste onderhoudswerkzaamheden en smeerbehandelingen staan hierin vermeld met aanduiding van de tussenpozen waarmee ze uitgevoerd dienen te worden. Daarnaast bevinden zich enkele hokjes waarin u de datum of de werkuren kunt invullen. 1) 2) 3) LET OP! Wanneer u de kap (1) heeft neergelaten moet u zeker stellen dat: NL 26 4) Raadpleeg het instructieboekje van de motor voor de complete lijst en de tussenpozen. Neem contact op met uw verkoper zodra u storingen vermoedt. Handeling die door uw Verkoper of door een gespecialiseerd Centrum moet uitgevoerd worden. De algemene smering moet bovendien, elke keer er verwacht wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken, uitgevoerd worden. Onderhoud Uren 1. MACHINE 1.1 Controle bevestiging en scherpte mes 3) 25 1.2 Vervanging mes 3) 100 1.3 Controle V-snaar 3) 25 1.4 Vervanging V-snaar 2) 3) – 1.5 Controle aandrijvingsriem van het mes 3) 25 1.6 Vervanging aandrijvingsriem van het mes 2) 3) – 1.7 Controle en bijstellen rem 3) 25 1.8 Controle en bijstellen aandrijving 3) 25 1.9 Controle meskoppeling en -rem 3) 25 1.10 Controle van alle bevestigingen 25 1.11 Algemene smering 4) 25 2. MOTOR 1) 2.1 Olie verversen ..... 2.2 Controle en schoonmaken luchtfilter ..... 2.3 Vervanging luchtfilter ..... 2.4 Controle benzinefilter ..... 2.5 Vervanging benzinefilter ..... 2.6 Controle en schoonmaken contactpuntjes ..... 2.7 Vervanging bougie ..... Uitvoering (Datum of uren) 6.3.2 Achteras Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud.; de eenheid is voorzien van een permanente smering die geen vervanging of aanvulling behoeft. 6.3.3 Accu Het is fundamenteel om de accu zorgvuldig te onderhouden voor een duurzaam bestaan. De accu van uw machine dient steeds te worden opgeladen: 6.3.1 Motor Volg de aanwijzingen die in het instructieboekje van de motor opgenomen zijn stipt op. De motorolie wordt afgetapt door de vuldop (1) los te draaien en met behulp van de bijleverde spuit. Monteer de slang (2) op de spuit (3) en breng deze volledig in de opening, zuig alle motorolie op. Om de motorolie volledig af te tappen, dient u de handeling meerdere malen te herhalen. 3 1 2 – bij het eerste gebruik na de aankoop van de machine; – vóór elke langere perio1 de waarin de machine niet zal worden gebruikt; – vóór de machine na een lange periode van stilstand opnieuw in gebruik te nemen. – Lees met aandacht de oplaadprocedures die in het instructieboekje van de accu staan en volg ze op. Als deze procedures niet in acht worden genomen of als de accu niet wordt opgeladen, kan er zich onherstelbare schade voordoen aan de elementen van de accu. – Een lege accu dient zo snel als mogelijk opgeladen te worden. NL 27 BELANGRIJK Het opladen dient uitgevoerd te worden met gelijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen kunnen de accu op een onherstelbare manier beschadigen. De machine is uitgerust met een connector (1) voor het opladen, die aangesloten moet worden op de overeenstemmende connector van de speciale acculader van behoud “CB01” of "FIGHTER" in dotatie ( indien voorzien) of beschikbaar op aanvraag ( 9). BELANGRIJK Deze connector mag uitsluitend gebruikt worden voor de aansluiting op de acculader van behoud "CB01" of "FIGHTER". Voor zijn gebruik: – de aanwijzingen volgen aangegeven in de desbetreffende gebruiksinstructies; – de aanwijzingen volgen aangegeven in het instructieboekje van de accu. 6.4 INGREPEN AAN DE MACHINE 6.4.1 Afstelling van het maaidek Om een mooi maaibeeld te krijgen moet het maaidek juist afgesteld zijn. Het maaidek scharniert op drie hendels en kan in de hoogte ver- steld worden; stel het maaidek op een vlakke ondergrond af nadat u eerst gecontroleerd heeft of de bandenspanning juist is. 6.4.2 De wielen vervangen Plaats de machine op een vlakke ondergrond en plaats aan de kant waar het wiel vervangen moet worden, een steunblok, onder een dragend deel van het chassis. De wielen worden op hun plaats gehouden door een elastische ring (1) die verwijderd kan worden door middel van een schroevendraaier. 2 1 OPMERKING Als één of beide wielen vervangen moeten worden, verzeker u er dan van dat eventuele verschillen in de buitendiameter niet groter zijn dan 8-10 mm; anders moet de uitlijning van het maaidek afgesteld worden om te voorkomen dat het gras onregelmatig gemaaid wordt. BELANGRIJK Alvorens een wiel te hermonteren, de wielas met vet insmeren. De elastische ring (1) en de borgring (2) weer precies op hun plaats zetten. 6.4.3 De banden repareren of vervangen Het herstellen of vervangen van een band ten gevolge van een lek, dient te worden uitgevoerd door een vakman, volgens de voor dit type banden geldende voorschriften. NL 28 6.4.4 Vervanging van een zekering De machine is uitgerust met een aantal 1 zekeringen (1) met verschillend vermogen en met de volgende functies en kenmerken: – Zekering van 10 A = bescherming van de algemene stroomcircuits en het vermogen van de elektronische kaart; Het in werking treden van deze zekering veroorzaakt de stilstand van de machine. Tevens gaan alle lampjes uit op het dashboard. – Zekering van 25 A = bescherming van het laadcircuit; wanneer deze zekering in werking treedt, verliest de accu geleidelijk aan zijn lading en ontstaan problemen bij het starten. Het vermogen van de zekering is aangegeven op de zekering zelf. Met motor Honda: – Zekering van T-6,3 A (Vertraagd) (2) = bescherming van de algemene stroomcircuits en het vermogen van de elektronische kaart; Het in werking treden van deze zekering veroorzaakt de stilstand van de machine. Tevens gaan alle lampjes uit op het dashboard. – Zekering van 15 A (2a) = bescherming van het laadcircuit; wanneer deze zekering in werking treedt, verliest de accu geleidelijk aan zijn lading en ontstaan problemen bij het starten. BELANGRIJK Een doorgebrande zekering dient altijd vervangen te worden door eenzelfde type met hetzelfde vermogen. Als het u niet lukt de oorzaak van het inwerkingtreden van de beveiligingssystemen te verhelpen, neem dan contact op met een erkende garage. 6.4.5 Het mes demonteren, vervangen en hermonteren LET OP! Draag stevige handschoenen bij het hanteren van het mes. LET OP! Vervang altijd een beschadigd of verbogen mes; probeer het nooit te repareren! GEBRUIK ALTIJD ORIGINELE MESSEN WAAR HET TEKEN OP STAAT ! Deze machine is voorzien voor het gebruik van messen met de code: 84109503/0 of 84109502/0 2a (15 Amp) BELANGRIJK Het is raadzaam dat de messen per koppel vervangen worden, vooral in geval van duidelijke verschillen in de slijtage. 2 (T-6.3 Amp) NL 29 7. BESCHERMING VAN DE OMGEVING De bescherming van de omgeving moet een belangrijk en prioritair aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gunste van de civiele samenleving en de omgeving waarin we leven. – Wees geen storend element. – Volg nauwkeurig de lokale normen op voor de afdanking van het snijafval. – Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking, olie, benzine, batterijen, filters, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op de omgeving; deze afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen. – Bij het uit bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een opvangcentrum gebracht worden, volgens de geldende locale normen. NL 30 8. RICHTLIJN OM PROBLEMEN VAST TE STELLEN PROBLEEM TOESTAND MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING 1. Het controlelampje brandt niet Sleuteltje op «DRAAIEN», de motor is uitgeschakeld Het beveiligingssysteem schakelt zich in omdat: Draai het sleuteltje op «UIT» en probeer de oorzaak op te sporen: – – – – – – – – – – – – – – 2. De startmotor werkt niet 3. De motor start niet Sleuteltje op «STARTEN» en het controlelampje brandt de accu verkeerd aangesloten is de accu helemaal leeg of gesulfateerd is de polen van de accu verwisseld zijn de zekeringen doorgebrand zijn de aansluitingen onjuist zijn de kaart vochtig is de microschakelaars massa maken controleer de aansluitingen laad de accu opnieuw op sluit de polen juist aan vervang de zekering ( 6.4.4) controleer de aansluitingen laten opdrogen controleer de aansluitingen – de accu is onvoldoende geladen – laad de accu opnieuw op (als de storing aanhoudt neem dan contact op met een erkende garage) – zekering met onderbroken lading – de aansluitingen zijn onjuist – vervang de zekering ( 6.4.4) – controleer de aansluitingen Sleuteltje op «STARTEN» en het controlelampje knippert – de toestemming om te starten ontbreekt – controleer of aan de nodige voorwaarden werd voldaan om de motor te starten ( 5.3.7) Sleuteltje op «STARTEN» – er wordt geen benzine aangevoerd – controleer het benzinepeil in de tank – draai de benzinekraan open (indien aanwezig) – controleer de bedrading van de elektrische benzinekraan bij de carburateur (indien aanwezig) – controleer het benzinefilter – controleer de bevestiging van de bougiekap – controleer de afstand en de toestand van de elektroden van de bougies – er is een storing in de ontsteking NL 31 PROBLEEM TOESTAND MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING 4. De motor start moeilijk of draait onregelmatig Sleuteltje op «DRAAIEN», de motor draait – slechte carburatie – – – – 5. Het motorvermogen licht te laag tijdens het maaien Sleuteltje op «DRAAIEN», de motor draait – u rijdt te hard vooruit ten opzichte van de hoogte van het te maaien gras – schelheid verminderen en/of zet het maaidek in een hogere stand 6. De motor valt stil en het controlelampje knippert Sleuteltje op «DRAAIEN», de motor draait – ingreep van de veiligheidsinrichting – controleer of de toelatingsvoorwaarden worden gerespecteerd ( 5.3.7) 7. De motor valt stil en het controlelampje dooft Sleuteltje op «DRAAIEN», de motor draait Het beveiligingssysteem bevindt zich in de beveiligingsstand omdat: Draai het sleuteltje op «UIT» en probeer de oorzaak op te sporen: – – – – – controleer de aansluitingen – laad de accu opnieuw op – neem contact op met een erkende garage de microschakelaars massa maken de accu leeg is overbelasting veroorzaakt door de laadregelaar de accu is verkeerd aangesloten (slecht contact) reinig of vervang het luchtfilter maak het bakje van de carburateur schoon leeg de benzinetank en doe er nieuwe benzine in controleer het benzinefilter en vervang het eventueel – controleer de aansluitingen van de accu 8. De motor valt stil en het controellampje blijft branden Sleuteltje op «DRAAIEN», de motor draait – problemen aan de motor – neem contact op met een erkend servicecentrum 9. Het maaibeeld is onregelmatig en het opvangen is niet efficënt Sleuteltje op «DRAAIEN», de motor draait – het maaidek is niet evenwijdig met het gazon – controleer de bandenspanning – het mes maait niet goed – neem contact op met een erkend servicecentrum NL 32 PROBLEEM TOESTAND MOGELIJKE OORZAAK – u rijdt te hard vooruit ten opzichte van de hoogte van het te maaien gras – de uitwerpopening is verstopt – het maaidek zit vol met gras OPLOSSING – snelheid verminderen en/of zet het maaidek in een hogere stand – wacht totdat het gras droog is – verwijder de opvangbak en leeg het windkanaal – reinig het maaidek 10. Het mes schakelt zich niet in of stopt niet onmiddellijk wanneer het uitgeschakeld wordt Sleuteltje op «DRAAIEN», – problemen bij de inschakeling de motor draait – neem contact op met een erkend servicecentrum 11. Onzekere of niet werkzame remming Sleuteltje op «DRAAIEN», – niet correct afgestelde rem de motor draait – neem contact op met een erkend servicecentrum 12. Onregelmatige beweging, weinig tractie bij stijging of neiging van de machine om op te trekken Sleuteltje op «DRAAIEN», – problemen aan de riem of aan het inschakelsysteem de motor draait – neem contact op met een erkend servicecentrum 13. Abnormale trillingen tijdens het maaien Sleuteltje op «DRAAIEN», – het mes is niet in balans – het mes zit niet goed vast de motor draait – de bevestigingen zijn losgetrild – neem contact op met een erkend servicecentrum – neem contact op met een erkend servicecentrum – controleer alle bevestigingen van de motor en van de machine – verwijder de opvangbak, leeg het windkanaal en maak de binnenkant van het maaidek schoon – het maaidek is verstopt Als de problemen voortduren nadat u al deze handelingen uitgevoerd heeft, neem dan contact op met een erkende garage. LET OP! Voer moeilijke reparatiewerkzaamheden nooit zelf uit, indien u niet over de vereiste middelen en technische kennis beschikt. Bij een onjuist uitgevoerde reparatie vervalt de garantie en elke aansprakelijkheid van de fabrikant. NL 33 9. OP AANVRAAG LEVERBARE ACCESSOIRES 1. TEGENGEWICHTEN VOOR DE VOORKANT 4. KIT VOOR “MULCHING” Hierdoor wordt de stabiliteit aan de voorkant van de machine verbeterd met name als u de machine hoofdzakelijk op hellende terreinen gebruikt. Versnippert het pas gemaaide gras en laat het achter op het terrein. Kan ook worden opgevangen in de grasopvangzak. 1 2. STEENBESCHERMKAP Deze kap moet in plaats van de grasopvangbak gebruikt worden als het gras niet opgevangen wordt. 4 2 5. AFDEKZEIL Beschermt de machine van stof als deze niet gebruikt wordt. 3. ACCULADER BEHOUD “CB01” of "FIGHTER" Laat toe de accu efficiënt te houden tijdens de periodes van inactiviteit van de machine, waarbij een optimaal laadniveau en een langere duurzaamheid van de accu gegarandeerd wordt. NL 34 3 5 10. TECHNISCHE EIGENSCHAPPEN Elektrische installatie .................................................................... 12 V Accu ........................................................................................... 18 Ah Maximale waarden voor geluid en trillingen Geluidsdrukniveau aan het oor van de bediener (op basis van de norm 81/1051/EEG) ............................. db(A) – Meetonzekerheid (2006/42/CE - EN27574) ................ db(A) 85,1 1,1 Totaal gewicht ................................................................ 159 ÷ 168 kg Gemeten geluidsniveau (volgens de richtlijn 2000/14/EG, 2005/88/EG) ............... db(A) – Meetonzekerheid (2006/42/CE - EN27574) ................. db(A) 99,1 0,4 Binnendiameter (minimum diameter van de ongesneden oppervlakte) ............... 1,4 m Gegarandeerd geluidsniveau (volgens de richtlijn 2000/14/EG, 2005/88/EG) ............... db(A) 100 Maaihoogte ........................................................................... 3 ÷ 8 cm Maaibreedte ............................................................................... 71 cm Inhoud opvangbak .................................................................. 170 liter Trillingsniveau (op basis van de norm EN 1032) ....................................... m/s2 – Meetonzekerheid (2006/42/CE - EN12096) ................... m/s2 0,7 0,3 Voorbanden ............................................................................ 11 x 4-4 Achterbanden ......................................................................... 16 x 6-6 Bandenspanning voor .............................................................. 1,5 bar Bandenspanning achter ........................................................... 1,0 bar 1,5 km/h 2,7 km/h 4,0 km/h 4,5 km/h 6,8 km/h 2,0 km/h 860 Snelheid in versnelling (indicatief) bij 3000 min-1: 1e ................................................................................... 2e ................................................................................... 3e ................................................................................... 4e ................................................................................... 5e ................................................................................... Achteruit ....................................................................... 1100 Mechanische aandrijving Hydrostatische aandrijving Snelheid in versnelling (indicatief) bij 3000 min-1: Vooruit .................................................................... 0 ÷ 8,6 km/h Achteruit ................................................................. 0 ÷ 3,2 km/h 1130 706 1546 750 1863 760 NL 35
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177

Atco Rider 28H Lawn Rider de handleiding

Categorie
Grasmaaiers
Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor