Dell OptiPlex XE de handleiding

Type
de handleiding
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Opmerkingen en waarschuwingen
AlsueenDell™nSeries-computer hebt gekocht, zijn alle verwijzingen in dit document naar Microsoft®Windows®-besturingsystemen niet van toepassing.
De informatie in dit document kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
©2010DellInc.Allerechtenvoorbehouden.
Verveelvoudiging van dit materiaal, op welke wijze dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Dell Inc. is strikt verboden.
Handelsmerken in deze tekst: Dell, het DELL- logo en OptiPlex zijn handelsmerken van Dell Inc.; Intel, Pentium, Celeron en Core zijn handelsmerken of geregistreerde
handelsmerken van Intel Corporation; Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk in eigendom van Bluetooth SIG, Inc. en wordt onder licentie gebruikt door Dell; TouchStrip is een
handelsmerk van Zvetco Biometrics, LLC; Blu-ray Disc is een handelsmerk van Blu-ray Disc Association; Microsoft, Windows, Windows Server, Windows Vista en het logo op de
startknop van Windows Vista zijn handelsmerken of gedeponeerde handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen; Adobe, het Adobe- logo
en Adobe Flash Player zijn handelsmerken van Adobe Systems Incorporated; Wi-Fi is een geregistreerd handelsmerk van Wireless Ethernet Compatibility Alliance, Inc.
Andere handelsmerken en handelsnamen die mogelijk in dit document worden gebruikt, dienen ter aanduiding van de rechthebbenden van die merken en namen of ter
aanduiding van hun producten. Dell Inc. claimt op geen enkele wijze enig eigendomsrecht ten aanzien van andere merken of handelsnamen dan zijn eigen merken en
handelsnamen.
Maart2010Rev.A00
Aan de computer werken
Onderdelen verwijderen en terugplaatsen
Specificaties
Diagnostiek
System Setup (Systeeminstellingen)
Moederbordindeling


OPMERKING: duidt belangrijke informatie aan voor een beter gebruik van de computer.
VOORZICHTIG: geeft aan dat er schade aan hardware of potentieel gegevensverlies kan optreden als de instructies niet worden opgevolgd.
WAARSCHUWING: duidt op risico van schade aan eigendommen, lichamelijk letsel of overlijden.
Terug naar inhoudsopgave
System Setup (Systeeminstellingen)
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Overzicht
U kunt de systeeminstellingen voor het volgende gebruiken:
l De systeemconfiguratie wijzigen nadat u hardware hebt toegevoegd, gewijzigd of verwijderd
l Een gebruikersoptie zoals een wachtwoord instellen of wijzigen.
l Dehuidigehoeveelheidgeheugenlezenofhetgeïnstalleerdetypevasteschijfinstellen
Voordat u System Setup (Systeeminstellingen) gebruikt, is het verstandig de informatie in het scherm van System Setup (Systeeminstellingen) te noteren
zodat u deze later ter referentie kunt gebruiken.
System Setup (Systeeminstellingen) openen
1. Zet de computer aan of start deze opnieuw op.
2. WanneerhetDELL™-logo wordt weergegeven, wacht u totdat de F12-prompt verschijnt.
3. Druk onmiddellijk op <F12>. Het Boot Menu (Opstartmenu) wordt weergegeven.
4. Druk op de pijltoetsen omhoog en omlaag om System Setup (Systeeminstellingen) te selecteren en druk op <Enter>.
5. Als u te lang wacht en het logo van het besturingssysteem wordt weergegeven, moet u blijven wachten totdat u het bureaublad van Microsoft
®
Windows
®
ziet. Sluit vervolgens de computer af en probeer het opnieuw.
System Setup-scherm
In het System Setup-scherm ziet u de huidige of instelbare configuratiegegevens voor uw computer. De informatie op dit scherm is in twee gedeelten
onderverdeeld: het menu en het hoofdvenster.
Opties voor System Setup (Systeeminstellingen)
Overzicht
Opties voor System Setup (Systeeminstellingen)
Opstarten vanaf een USB-apparaat
Wachtwoordbeveiliging
Vergeten wachtwoorden wissen
System Setup (Systeeminstellingen) openen
Boot Sequence (Opstartvolgorde)
Opstarten vanaf een USB-apparaat
Jumperinstellingen
CMOS-instellingen wissen
OPMERKING: De F12-promptduidteropdathettoetsenbordisgeïnitialiseerd.Dezepromptkanzeersnelverschijnen.Letdusgoedopendrukop
<F12> zodra u de prompt ziet. Als u te vroeg op <F12> drukt, wordt deze toetsaanslag niet geregistreerd.
Lijst met opties: dit deelvenster verschijnt links in het venster
met systeeminstellingen. Dit veld bevat een lijst waar u
doorheen kunt bladeren en die de kenmerken bevat die de
configuratievanuwcomputerbepalen,zoalsdegeïnstalleerde
hardware, energiebesparing en beveiligingsmaatregelen.
Het optieveld: dit veld
bevat informatie over elke
optie. In dit veld kunt u de
huidige instellingen
bekijken en wijzigen.
Gebruik de Tab-toets en
pijl-omhoog en pijl-omlaag
op het toetsenbord om te
navigeren of klik met de
muis.
OPMERKING: Mogelijk worden de items in dit gedeelte niet weergegeven of wijken de items enigszins af van de weergave in dit gedeelte. Dit is
afhankelijkvanuwcomputerendegeïnstalleerdeapparaten.
General (Algemeen)
System Board
(Moederbord)
De volgende informatie over het moederbord wordt weergegeven:
l System information (Systeeminformatie): BIOS Info (BIOS-informatie), System Info (Systeeminformatie) en Service Tag
(Serviceplaatje).
l Memory information (Geheugeninformatie): Installed Memory(Geïnstalleerdgeheugen),Usable Memory (Bruikbaar
geheugen), Memory Speed (Geheugensnelheid), Memory Channel Mode (Geheugenkanaalmodus) en Memory Technology
(Geheugentechnologie).
l Processor information (Processorinformatie): Processor Type (Processortype), Processor Speed (Processorsnelheid),
Processor Bus Speed (Processorbussnelheid), Processor L2 cache, Processor ID.
l PCI information (PCI-informatie): toont de beschikbare sleuven op het moederbord.
Date/Time (Datum/tijd)
De systeemdatum en -tijd. Wijzigingen van de systeemdatum en -tijd worden direct uitgevoerd.
Boot Sequence
(Opstartvolgorde)
De volgorde waarin de computer naar een besturingssysteem zoekt op de apparaten die zijn opgegeven in de lijst.
Drives (Schijven en stations)
Diskette drive (Diskettestation)
Schakelt de aansluiting voor het diskettestation op het moederbord in of uit.
l Disable (Uitschakelen)
l Enable (Inschakelen)
SATA Operation (SATA-werking)
Dewerkingvandegeïntegreerdehardeschijfcontrollerkanalsvolgtwordengeconfigureerd:
l RAID Autodetect/AHCI (RAID automatische detectie/AHCI, standaardinstelling)
l RAID Autodetect/ATA (RAID automatische detectie/ATA)
l RAID On/ATA (RAID aan/ATA)
l Legacy
S.M.A.R.T. Reporting (S.M.A.R.T.-
rapportage)
Hiermeeschakeltuhetrapporterenvanfoutenvangeïntegreerdeschijvenenstationstijdenshetopstarten
van de computer in of uit.
Deze optie is standaard uitgeschakeld.
Drives (Schijven en stations)
Hiermee schakelt u de SATA- of ATA-schijven en -stations die op het moederbord zijn aangesloten, in of uit.
System Configuration (Systeemconfiguratie)
IntegratedNIC(Geïntegreerde
netwerkkaart)
IntegratedNIC2(Geïntegreerde
netwerkkaart 2)
Hiermeeschakeltudegeïntegreerdenetwerkkaartinofuit.Ukuntdegeïntegreerdenetwerkkaartalsvolgt
instellen:
l Enable (Inschakelen) (standaardinstelling)
l Disable (Uitschakelen)
l Enable with PXE (Inschakelen met PXE)
USB Controller (USB-controller)
HiermeeschakeltudegeïntegreerdeUSB-controller in of uit. U kunt de USB-controller als volgt instellen:
l Enable (Inschakelen) (standaardinstelling)
l Disable (Uitschakelen)
l No boot (Niet opstarten)
SerialPort#1(Seriëlepoort1)
SerialPort#2(Seriëlepoort2)
Hierwordendeinstellingenvandeseriëlepoortopgegevenengedefinieerd.Ukuntdeseriëlepoortalsvolgt
instellen:
l Disable (Uitschakelen)
l Auto (Automatisch) (standaardinstelling)
l COM1
l COM3
OPMERKING: Met Auto, de standaardinstelling, wordt een connector automatisch geconfigureerd met een
bepaalde toewijzing (COM1 of COM3).
Miscellaneous Devices (Diverse
apparaten)
Hiermee schakelt u de volgende apparaten op het moederbord in of uit.
l Front USB (USB-poort op voorzijde)
l Rear Dual USB (Twee USB-poorten op achterzijde) (onder NIC1 en USB met voeding)
l Rear Dual USB (Twee USB-poorten op achterzijde) (onder NIC2 en USB met voeding)
l PCI slots (PCI-sleuven)
l Audio
l WiFi NIC slot (WiFi NIC-sleuf)
Video
Primary Video (Primaire
video)
Deze instelling geeft aan welke videocontroller de primaire is indien er twee videocontrollers aanwezig zijn in de
computer.
l Auto (Automatisch) (standaardinstelling)
l Onboard/PEG (op moederbord/PEG)
Performance (Prestaties)
Multi Core Support (Ondersteuning van meerdere kernen)
Dezeinstellinggeeftaanoféénkernofallekernenvandeprocessorzijningeschakeld.
OPMERKING: Bij meerdere kernen zullen de prestaties van bepaalde programma's toenemen.
Intel®SpeedStep™
Hiermee schakelt u de Intel SpeedStep-modus in of uit.
Deze optie is standaard uitgeschakeld.
C States Control (Controle C-staat)
Met deze optie worden aanvullende slaapstanden voor de processor in- of uitgeschakeld.
Deze optie is standaard uitgeschakeld.
Limit CPUID Value (CPUID-waarde beperken)
Hiermee schakelt u de CPUID-limiet in of uit.
Deze optie is standaard uitgeschakeld.
Virtualization Support (Virtualisatieondersteuning)
Virtualization (Virtualisatie)
Hiermee schakelt u de Intel®-virtualisatietechnologie in of uit.
Deze optie is standaard uitgeschakeld.
VT for Directed I/O (VT voor
directe I/O)
Hiermee schakelt u Virtual Machine Monitor (VMM) in of uit voor het gebruik van de extra hardwaremogelijkheden van
de Intel-virtualisatietechnologie voor directe I/O.
Deze optie is standaard uitgeschakeld.
Security (Beveiliging)
Administrative Password
(Beheerderswachtwoord)
Deze optie biedt beperkte toegang tot het System Setup-programma van de computer op dezelfde manier waarop
toegang tot een systeem kan worden beperkt met de optie System Password (Systeemwachtwoord).
Deze optie is standaard niet ingeschakeld.
System Password
(Systeemwachtwoord)
Hiermee geeft u de huidige status van de wachtwoordbeveiligingsfunctie voor het systeem weer en kunt u een nieuw
systeemwachtwoordtoewijzenenverifiëren.
Deze optie is standaard niet ingeschakeld.
Password Changes
(Wachtwoordwijzigingen)
Hiermee bepaalt u of de gebruiker het systeemwachtwoord kan wijzigen zonder het beheerderswachtwoord.
Deze optie is standaard ingeschakeld.
CPU XD Support (CPU XD-
ondersteuning)
Hiermee schakelt u de modus Execute Disable (Uitschakelen uitvoeren) van de processor in of uit.
Deze optie is standaard ingeschakeld.
Computrace(R)
Hiermee schakelt u de optionele Computrace®-service voor het beheren van apparaten in of uit.
U kunt deze optie als volgt instellen:
l Deactivate (Deactiveren) (standaardinstelling)
l Disable (Uitschakelen)
l Activate (Activeren)
SATA-0 Password (SATA-0-
wachtwoord)
SATA-1 Password (SATA-1-
wachtwoord)
Hier wordt de huidige status weergegeven van het wachtwoord dat is ingesteld voor de vaste schijf die is
aangesloten op de SATA-0-connector op het moederbord.
U kunt ook een nieuw wachtwoord instellen. Deze optie is standaard niet ingeschakeld.
OPMERKING: In het System Setup-programma wordt een wachtwoord weergegeven voor alle vaste schijven die op
het moederbord zijn aangesloten.
Power Management (Energiebeheer)
AC Recovery
(Voedingsherstel)
Hiermee wordt aangegeven hoe de computer reageert als de stroomtoevoer weer wordt ingeschakeld na een stroomstoring. U
kunt AC Recovery (Voedingsherstel) als volgt instellen:
l Power Off (Uitgeschakeld) (standaardinstelling)
l Power On (Ingeschakeld)
l Last State (Laatste status)
Auto On Time (Tijd
automatische
inschakeling)
Hiermee stelt u het tijdstip in waarop de computer automatisch wordt ingeschakeld.
De tijd wordt uitgedrukt in het standaard 12 uursformaat (uren:minuten:seconden).
U kunt de inschakeltijd wijzigen door waarden te typen in de velden voor tijd en AM/PM.
OPMERKING: Deze functie werkt niet als u de computer uitschakelt met de schakelaar op een stekkerdoos of een
piekspanningsbeveiliging of als Auto Power On (Automatisch inschakelen) is ingesteld op disabled (uitgeschakeld).
Low Power Mode (Modus
met laag
Hiermee schakelt u de energiebesparende modus in of uit.
Opstartvolgorde
Met deze functie kunt u de opstartvolgorde voor apparaten wijzigen.
Instellingen
energieverbruik)
Deze optie is standaard uitgeschakeld.
OPMERKING: Alsdeenergiebesparendemodusisingeschakeld,isdegeïntegreerdenetwerkkaartuitgeschakeld.
Remote Wake up
(Opstarten op
afstand)
Hiermee kan de computer opstarten wanneer een netwerkcontroller een activeringssignaal ontvangt. U kunt Remote Wakeup
(Opstarten op afstand) als volgt instellen:
l Disable (Uitschakelen) (standaardinstelling)
l Enable (Inschakelen)
l Enable with Boot NIC (Inschakelen met opstarten via netwerkkaart)
Suspend Mode (Stand-
bymodus)
Hiermee kunt u de stand-bymodus voor energiebeheer als volgt instellen:
l S1
l S3 (standaardinstelling)
Fan Control Override
(Ventilatorinstelling)
Hiermee stelt u de snelheid van de systeemventilator in.
OPMERKING: Als deze optie is ingeschakeld, draait de ventilator op volle snelheid.
Maintenance (Onderhoud)
Service Tag (Serviceplaatje)
Hier wordt de servicetag van uw computer weergegeven.
System Management (Systeembeheer)
Hiermee schakelt u systeembeheer in of uit.
l Disable (Uitschakelen)
l DASH/ASF 2.0
Asset Tag (Inventaristag)
Hier kunt u een inventaristag voor de computer maken als er nog geen inventaristag is
ingesteld.
Deze optie is standaard niet ingeschakeld.
SERR Messages (SERR-meldingen)
Hiermee wordt het SERR-meldingsmechanisme ingesteld.
Deze optie is standaard ingeschakeld.
Voor sommige grafische kaarten is vereist dat het SERR-meldingsmechanisme is uitgeschakeld.
Watchdog Timer Support (Ondersteuning Watchdog-
timer)
Hiermee schakelt u ondersteuning van Watchdog in of uit.
Post Behavior (POST-gedrag)
Fast Boot (Snel opstarten)
Als deze optie is ingeschakeld (standaardinstelling), wordt de computer sneller gestart omdat bepaalde configuraties en tests
worden overgeslagen.
NumLock LED (NumLock-
lampje)
Hiermee schakelt u de NumLock-functie in of uit wanneer de computer wordt opgestart.
Als deze optie is ingeschakeld (standaardinstelling) worden de numerieke en mathematische functies boven op de toetsen
geactiveerd. Als deze optie is uitgeschakeld, worden de cursorbesturingsopties die onderaan op de toetsen staan,
geactiveerd.
POST Hotkeys (POST-
sneltoetsen)
Met deze optie kunt u aangeven welke functietoetsen op het scherm moeten worden weergegeven wanneer de computer
wordt gestart.
l Enable F2 = Setup (F2 inschakelen = System Setup-programma) (standaard ingeschakeld)
l Enable F12 = Boot menu (F12 inschakelen = Opstartmenu) (standaard ingeschakeld)
Keyboard Errors
(Toetsenbordfouten)
Hiermee schakelt u in of uit of toetsenbordfouten worden gemeld wanneer de computer wordt gestart.
Deze optie is standaard ingeschakeld.
System Logs (Systeemlogbestanden)
BIOS Events (BIOS-gebeurtenissen)
Hiermee wordt het systeemlogbestand weergegeven en beschikt u over de volgende mogelijkheden:
l Clear Log (Logbestand wissen)
l Mark all Entries (Alle gebeurtenissen markeren)
l Onboard USB Floppy Drive(GeïntegreerdUSB-diskettestation): de computer probeert op te starten vanaf het diskettestation.
l Onboard SATA Hard Drive(GeïntegreerdeSATAhardeschijf):decomputerprobeertoptestartenvanafdehardeschijf.
l USB Device (USB-apparaat): de computer wordt opgestart vanaf een verwisselbaar apparaat, zoals een USB-stick.
l CD/DVD: de computer probeert op te starten vanaf het cd/dvd-station.
De opstartvolgorde eenmalig wijzigen
U kunt deze functie bijvoorbeeld gebruiken om de computer opnieuw op te starten vanaf een USB-apparaat, zoals een diskettestation, een geheugenstick of
een optisch station.
1. Als u wilt opstarten vanaf een USB-apparaat, sluit u het USB-apparaat aan op een USB-poort.
2. Zet de computer aan of start deze opnieuw op.
3. Wanneer in de rechterbovenhoek van het scherm F12 = Boot Menu verschijnt, drukt u op <F12>.
Als u te lang wacht en het logo van het besturingssysteem wordt weergegeven, moet u blijven wachten totdat het bureaublad van Microsoft Windows
wordt weergegeven. Daarna sluit u de computer af en probeert u het opnieuw.
4. Het Boot Menu (Opstartmenu) verschijnt. Dit menu bevat alle beschikbare opstartbronnen.
5. Gebruik de pijltoetsen om het juiste apparaat te selecteren (alleen voor de huidige opstartprocedure).
De opstartvolgorde permanent wijzigen voor toekomstige opstartprocedures
1. Open System Setup (zie System Setup (Systeeminstellingen) openen).
2. Klik op General (Algemeen) om dit uit te vouwen en klik op Boot Sequence (Opstartvolgorde).
3. Markeer het juiste apparaat in de lijst met apparaten aan de rechterkant en klik op de pijl-omhoog of pijl-omlaag om het gewenste apparaat te
verplaatsen.
4. Klik op Apply (Toepassen) om de wijzigingen op te slaan en klik vervolgens op Exit (Afsluiten) om System Setup af te sluiten en het opstartproces te
hervatten.
Opstarten vanaf een USB-apparaat
Geheugenstick
1. Steek het geheugenapparaat in een USB-poort en start de computer opnieuw op.
2. Wanneer in de rechterbovenhoek van het scherm F12 = Boot Menu verschijnt, drukt u op <F12>.
Het BIOS detecteert het apparaat en voegt het USB-apparaat toe aan het opstartmenu.
3. Selecteer het nummer naast het USB-apparaat in het opstartmenu.
De computer start vervolgens op vanaf het USB-apparaat.
Diskettestation
1. Selecteer de optie Diskette Drive (Diskettestation) in System Setup om ondersteuning voor USB-diskettestations in te schakelen.
2. Sla de wijzigingen op en sluit System Setup af.
OPMERKING: Als u wilt opstarten vanaf een USB-apparaat, moet het apparaat opstartbaar zijn. Als u wilt weten of een apparaat opstartbaar is,
raadpleegt u de documentatie bij het apparaat.
OPMERKING: Als u wilt opstarten vanaf een USB-apparaat, moet het apparaat opstartbaar zijn. Als u wilt weten of een apparaat opstartbaar is,
raadpleegt u de documentatie bij het apparaat.
3. Sluit het USB-diskettestation aan, plaats een opstartbare diskette in het diskettestation en start de computer opnieuw op.
Wachtwoordbeveiliging
Systeemwachtwoord
Instellingen
Als een van de volgende twee opties wordt weergegeven, kunt het systeemwachtwoord niet wijzigen en geen nieuw wachtwoord invoeren:
l Set (Ingesteld): er is een systeemwachtwoord toegewezen.
l Disabled (Uitgeschakeld): het systeemwachtwoord is uitgeschakeld met behulp van een jumperinstelling op het moederbord.
U kunt alleen een systeemwachtwoord toewijzen als de volgende optie wordt weergegeven:
l Not Set (Niet ingesteld): er is geen systeemwachtwoord toegewezen en de wachtwoordjumper op het moederbord bevindt zich in de ingeschakelde
positie (de standaardinstelling).
Een systeemwachtwoord toewijzen
Als u System Setup wilt afsluiten zonder een systeemwachtwoord toe te wijzen, kunt u op elk gewenst moment (voordat u in stap 4 op de knop OK hebt
gedrukt) op <Esc> drukken.
1. Open System Setup (zie System Setup (Systeeminstellingen) openen).
2. Kies System Password (Systeemwachtwoord) en controleer of Password Status (Wachtwoordstatus) is ingesteld op Not Set (Niet ingesteld).
3. Typ het nieuwe systeemwachtwoord.
U kunt maximaal 32 tekens gebruiken. Druk op <Backspace> als u een teken wilt wissen tijdens het invoeren van het wachtwoord. Het wachtwoord is
hoofdlettergevoelig.
Bepaalde toetsencombinaties zijn niet geldig. Als u een van deze ongeldige combinaties invoert, hoort u een pieptoon.
Als u op een toets of de spatiebalk drukt, wordt een vervangende aanduiding weergegeven.
4. Typ het nieuwe wachtwoord nogmaals ter bevestiging en druk op OK.
De wachtwoordinstelling wordt gewijzigd in Set (Ingesteld).
Het systeemwachtwoord invoeren
Als u de computer opstart of opnieuw opstart, verschijnt de volgende prompt op het scherm.
Als Password Status (Wachtwoordstatus) is ingesteld op Locked (Vergrendeld):
Type the password and press <Enter> (Typ het wachtwoord en druk op <Enter>).
Als u een beheerderwachtwoord hebt toegewezen, wordt uw beheerderswachtwoord als alternatief systeemwachtwoord geaccepteerd.
Als u een onjuist of onvolledig systeemwachtwoord invoert, verschijnt het volgende bericht op het scherm:
** Incorrect password. ** (** Onjuist wachtwoord. **)
Als u nogmaals een onjuist of onvolledig systeemwachtwoord invoert, verschijnt hetzelfde bericht op het scherm. Nadat u voor de derde en elke
daaropvolgende keer een onjuist of volledig wachtwoord hebt ingevoerd, verschijnt het volgende bericht op het scherm:
** Incorrect password. ** (** Onjuist wachtwoord. **)
Number of unsuccessful password attempts: 3 (Aantal onjuiste wachtwoordpogingen: 3)
System halted! Must power down. (Systeem geblokkeerd! Computer wordt afgesloten.)
Ook nadat de computer is uitgeschakeld en weer is ingeschakeld, wordt het bovenstaande bericht weergegeven nadat u een onjuist of onvolledig
wachtwoord hebt ingevoerd.
Een bestaand systeemwachtwoord verwijderen of wijzigen
1. Open System Setup (zie System Setup (Systeeminstellingen) openen).
2. Ga naar Security (Beveiliging)® System Password (Systeemwachtwoord) en druk op <Enter>.
3. Voer het systeemwachtwoord in wanneer hierom wordt gevraagd.
4. Druk twee keer op <Enter> om het bestaande systeemwachtwoord te wissen. De instelling wordt gewijzigd in Not Set (Niet ingesteld).
Als Not Set (Niet ingesteld) wordt weergegeven, is het systeemwachtwoord verwijderd. Als Not Set (Niet ingesteld) niet wordt weergegeven, drukt u op
<Alt><b> om de computer opnieuw op te starten en herhaalt u stap 3 en 4.
5. Volg de stappen in Een systeemwachtwoord toewijzen om een nieuw wachtwoord toe te wijzen.
6. Sluit System Setup af.
Beheerderswachtwoord
Instellingen
Als een van de volgende twee opties wordt weergegeven, kunt u geen nieuw beheerderswachtwoord wijzigen of invoeren:
l Set (Ingesteld): er is een beheerderswachtwoord toegewezen.
l Disabled (Uitgeschakeld): het beheerderswachtwoord is uitgeschakeld met behulp van een jumperinstelling op het moederbord.
U kunt alleen een beheerderswachtwoord toewijzen als de volgende optie wordt weergegeven:
l Not Set (Niet ingesteld): er is geen beheerderswachtwoord toegewezen en de wachtwoordjumper op het moederbord bevindt zich in de ingeschakelde
positie (de standaardinstelling).
Een beheerderswachtwoord toewijzen
Het beheerderswachtwoord kan gelijk zijn aan het systeemwachtwoord.
1. Open System Setup (zie System Setup (Systeeminstellingen) openen) en controleer of Admin Password (Beheerderswachtwoord) is ingesteld op Not
Set (Niet ingesteld).
2. Kies Admin Password (Beheerderswachtwoord) en druk op <Enter>.
3. Typ uw nieuwe beheerderswachtwoord.
U kunt maximaal 32 tekens gebruiken. Druk op <Backspace> als u een teken wilt wissen tijdens het invoeren van het wachtwoord. Het wachtwoord is
hoofdlettergevoelig.
Bepaalde toetsencombinaties zijn niet geldig. Als u een van deze ongeldige combinaties invoert, hoort u een pieptoon.
Als u op een toets of de spatiebalk drukt, wordt een vervangende aanduiding weergegeven.
4. Typ uw nieuwe wachtwoord nogmaals ter bevestiging en druk op OK. De wachtwoordinstelling wordt gewijzigd in Set (Ingesteld).
5. Sluit System Setup af.
Een wijziging van Admin Password (Beheerderswachtwoord) wordt direct uitgevoerd (u hoeft de computer niet opnieuw op te starten).
De computer gebruiken met een ingeschakeld beheerderswachtwoord
Als u System Setup opent, is de optie Admin Password (Beheerderswachtwoord) gemarkeerd en wordt u gevraagd het wachtwoord in te voeren.
OPMERKING: U kunt Password Status (Wachtwoordstatus) met System Password (Systeemwachtwoord) en Admin Password
(Beheerderswachtwoord) combineren om de computer beter te beschermen tegen ongewenste wijzigingen.
OPMERKING: Als de twee wachtwoorden verschillen, kan het beheerderswachtwoord als alternatief systeemwachtwoord worden gebruikt. Het
systeemwachtwoord kan echter niet in plaats van het beheerderswachtwoord worden gebruikt.
Als u een onjuist wachtwoord invoert, kunt u de systeeminstellingen bekijken maar deze opties niet wijzigen.
Een bestaand beheerderswachtwoord verwijderen of wijzigen
Als u een bestaand beheerderswachtwoord wilt wijzigen, moet u het beheerderswachtwoord kennen.
1. Open System Setup (zie System Setup (Systeeminstellingen) openen).
2. Typ het beheerderswachtwoord bij de prompt.
3. Markeer Admin Password (Beheerderswachtwoord) en druk op pijl-links of pijl-rechts om het bestaande beheerderswachtwoord te verwijderen.
De instelling wordt gewijzigd in Not Set (Niet ingesteld).
Voer de stappen uit in Een beheerderswachtwoord toewijzen om een nieuw beheerderswachtwoord toe te wijzen.
4. Sluit System Setup af.
Een vergeten wachtwoord uitschakelen en een nieuw wachtwoord instellen.
Zie Vergeten wachtwoorden wissen om het systeem- en/of beheerderswachtwoord opnieuw in te stellen.
Jumperinstellingen
Vergeten wachtwoorden wissen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
OPMERKING U kunt Password Status (Wachtwoordstatus) in combinatie met Admin Password (Beheerderswachtwoord) gebruiken om het
systeemwachtwoord tegen ongewenste wijzigingen te beveiligen.
Jumper
Instelling
Beschrijving
PSWD
Wachtwoordinstellingen zijn geactiveerd (standaardinstelling).
Wachtwoordinstellingen zijn uitgeschakeld.
RTCRST
De real-time klok is niet opnieuw ingesteld.
De real-time klok wordt opnieuw ingesteld (tijdelijk d.m.v. jumper verbonden).
d.m.v. jumper verbonden niet d.m.v. jumper verbonden
VOORZICHTIG: Hiermee wist u het systeemwachtwoord en het beheerderswachtwoord.
2. Verwijder de computerkap.
3. Zoek de 2-pins wachtwoordjumper (PSWD) op het moederbord en verwijder de jumper om het wachtwoord te wissen. Zie Wachtwoordbeveiliging.
4. Plaats de computerkap terug.
5. Sluit de computer en monitor aan op het stopcontact en zet ze vervolgens aan.
6. Nadat het bureaublad van Microsoft®Windows®op de computer verschijnt, sluit u de computer af.
7. Schakel de monitor uit en trek de stekker uit het stopcontact.
8. Haal de stekker van het netsnoer van de computer uit het stopcontact en druk op de aan/uit-knop om het moederbord te aarden.
9. Open de computerkap.
10. Zoek de 2-pins wachtwoordjumper op het moederbord en bevestig de jumper om de wachtwoordfunctie weer in te schakelen.
11. Plaats de computerkap terug.
12. Sluit de computer en alle apparaten aan op het stopcontact en zet ze vervolgens aan.
13. Wijs een nieuw systeem- en/of beheerderswachtwoord toe.
CMOS-instellingen wissen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder de computerkap.
3. U kunt als volgt de huidige CMOS-instellingen wissen:
a. Zoek de wachtwoord- (PSWD) en CMOS-jumper (RTCRST) op het moederbord (zie Wachtwoordbeveiliging).
b. Verwijder de wachtwoordjumper van de pinnen.
c. Plaats de wachtwoordjumper op de RTCRST-pinnen en wacht ongeveer vijf seconden.
d. Verwijder de jumper van de RTCRST-pinnen en plaats de jumper terug op de wachtwoordpinnen.
4. Plaats de computerkap terug.
5. Sluit de computer en alle apparaten aan op het stopcontact en zet deze vervolgens aan.
Terug naar inhoudsopgave
VOORZICHTIG: Als u een netwerkkabel wilt aansluiten, sluit u de kabel eerst aan op de netwerkaansluiting en vervolgens op de computer.
OPMERKING: Met deze procedure schakelt u de wachtwoordfunctie in. Als u het System Setup-programma start (zie System Setup
(Systeeminstellingen) openen), zijn zowel het systeemwachtwoord als beheerderwachtwoord ingesteld op Not Set (Niet ingesteld). Dit betekent dat de
wachtwoordfunctie is ingeschakeld maar dat er geen wachtwoord is toegewezen.
VOORZICHTIG: Als u een netwerkkabel wilt aansluiten, sluit u de kabel eerst aan op de netwerkaansluiting en vervolgens op de computer.
Terug naar inhoudsopgave
Diagnostiek
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek)
Codes van het lampje van de aan/uit-knop
Pieptooncodes
Diagnostische lampjes
Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek)
Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) gebruiken
Het is raadzaam om deze procedures af te drukken voordat u begint.
Open System Setup (Systeeminstellingen) (zie System Setup (Systeeminstellingen) openen), controleer de informatie over de configuratie van uw computer en
controleer of het apparaat dat u wilt testen in System Setup (Systeeminstellingen) wordt weergegeven en actief is.
Start Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) vanaf de vaste schijf of vanaf de schijf Drivers and Utilities (Stuur- en hulpprogramma's).
Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) starten vanaf de vaste schijf
1. Zet de computer aan of start deze opnieuw op.
2. Druk onmiddellijk op <F12> zodra het DELL-logo wordt weergegeven.
Als u te lang wacht en het logo van het besturingssysteem wordt weergegeven, moet u blijven wachten totdat u het bureaublad van Microsoft®
Windows®ziet. Sluit vervolgens de computer af en probeer het opnieuw.
3. Wanneer de lijst met opstartbronnen wordt weergegeven, selecteert u Boot to Utility Partition (Opstarten vanaf partitie met hulpprogramma's) en
drukt u op <Enter>.
4. Wanneer het Main Menu (Hoofdmenu) van Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) wordt weergegeven, selecteert u de test die u wilt uitvoeren.
Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) starten vanaf de schijf Drivers and Utilities (Stuur- en
hulpprogramma's)
1. Plaats de schijf Drivers and Utilities (Stuur- en hulpprogramma's) in het station.
2. Zet de computer uit en start deze opnieuw.
Druk onmiddellijk op <F12> zodra het DELL-logo wordt weergegeven.
Als u te lang wacht en het logo van Windows wordt weergegeven, moet u wachten totdat u het bureaublad van Windows ziet. Sluit vervolgens de
computer af en probeer het opnieuw.
3. Selecteer Onboard or USB CD-ROM Drive (GeïntegreerdofUSBcd-rom-station) in de lijst met opstartapparaten en druk op <Enter>.
4. Kies in het menu de optie Boot from CD-ROM (Opstarten vanaf cd-rom) en druk op <Enter>.
5. Typ 1 om het menu te openen en druk op <Enter> om verder te gaan.
6. Selecteer Run the Dell 32-bit Diagnostics (32-bits Dell-diagnostiek uitvoeren) in de genummerde lijst. Als er meerdere versies worden aangegeven,
moet u de versie selecteren die op uw computer van toepassing is.
7. Wanneer het Main Menu (Hoofdmenu) van Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) wordt weergegeven, selecteert u de test die u wilt uitvoeren.
Hoofdmenu van Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek)
1. Nadat Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) is geladen en het Main Menu (Hoofdmenu) wordt weergegeven, klikt u op de knop voor de gewenste optie.
OPMERKING: Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) werkt alleen op Dell-computers.
OPMERKING: De schijf Drivers and Utilities (Stuur- en hulpprogramma's) is optioneel en wordt mogelijk niet met de computer meegeleverd.
OPMERKING: Als er een bericht wordt weergegeven waarin wordt gemeld dat er geen partitie voor een diagnostisch hulpprogramma is gevonden,
moet u Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) uitvoeren vanaf de schijf Drivers and Utilities (Stuur- en hulpprogramma's).
OPMERKING:Metdevolgendestappenwordtdeopstartvolgordevoorslechtséénkeergewijzigd.Devolgendekeerdatudecomputerweeropstart,
wordt de volgorde gebruikt die in System Setup (Systeeminstellingen) is opgegeven.
Optie
Functie
Express Test (Snelle test)
Hiermee voert u een snelle test van de apparaten uit. Deze test duurt meestal tien tot twintig minuten. U hoeft tijdens de test
niets te doen. Als u de Express Test (Snelle test) eerst uitvoert, vergroot u de kans dat het probleem snel wordt opgespoord.
Extended Test (Uitgebreide
Hiermee voert u een grondige controle van de apparaten uit. Deze test neemt doorgaans een uur of langer in beslag. U moet
2. Als er tijdens een test een probleem wordt gedetecteerd, wordt er een bericht weergegeven met de foutcode en een beschrijving van het probleem.
Schrijf de foutcode en de probleembeschrijving op en volg de instructies op het scherm.
3. Als u een test uitvoert via Custom Test (Aangepaste test) of Symptom Tree (Symptoomstructuur), klikt u voor meer informatie op het desbetreffende
tabblad (zie de volgende tabel).
4. Als de tests zijn voltooid en u Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) vanaf de schijf Drivers and Utilities (Stuur- en hulpprogramma's) hebt uitgevoerd, moet u
deze schijf verwijderen.
5. Sluit het testvenster om terug te keren naar het Main Menu (Hoofdmenu). Als u Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) wilt afsluiten en de computer
opnieuw wilt opstarten, sluit u het Main Menu (Hoofdmenu).
Codes van het lampje van de aan/uit-knop
De diagnostische lampjes geven veel meer informatie over de systeemstatus, maar de statussen van het aan/uit-lampje worden ook ondersteund op de
computer. De statussen van het aan/uit-lampje worden weergegeven in de volgende tabel.
Pieptooncodes
Als de monitor geen foutberichten kan weergeven tijdens de POST (power-on self-test), kan de computer een serie pieptonen laten horen waarmee u het
probleem of een kapot onderdeel kunt identificeren. In de volgende tabel vindt u de pieptooncodes die tijdens de POST kunnen worden gegenereerd. De
meeste pieptooncodes duiden op een ernstige fout waardoor de computer de opstartroutine niet kan voltooien totdat de aangegeven fout is verholpen.
test)
af en toe vragen beantwoorden.
Custom Test (Aangepaste
test)
Hiermee test u een specifiek apparaat. U kunt instellen welke tests worden uitgevoerd.
Symptom Tree
(Symptoomstructuur)
Deze test geeft een overzicht van de problemen die het vaakst optreden en biedt de mogelijkheid een test te selecteren op
basis van de symptomen van het probleem dat u ondervindt.
Tabblad
Functie
Results
(Resultaten)
Hier worden de resultaten van de test weergegeven, samen met eventuele aangetroffen fouten.
Errors (Fouten)
Hier worden de aangetroffen fouten, de foutcodes en een beschrijving van het probleem weergegeven.
Help
Hier wordt de test beschreven en worden mogelijk vereisten voor het uitvoeren van de test vermeld.
Configuration
(Configuratie)
Hier worden de hardware-instellingen voor het geselecteerde apparaat weergegeven.
Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) haalt configuratiegegevens op voor alle apparaten in System Setup (Systeeminstellingen), het
geheugen en verschillende interne tests en geeft de informatie weer in de lijst met apparaten in het linkervenster van het scherm. Het
apparaatoverzichtbevatmogelijknietdenamenvanalleonderdelendiezijngeïnstalleerdinofaangeslotenopdecomputer.
Parameters
Hiermee kunt u de test aanpassen door de testinstellingen te wijzigen.
Status van het aan/uit-
lampje
Beschrijving
Uit
Voeding is uitgeschakeld, lampje is uit.
Geel knipperend
Beginstatus van het lampje bij het opstarten.
Geeft aan dat het systeem stroom krijgt, maar het signaal POWER_GOOD nog niet actief is.
Als het lampje van de vaste schijf uit is, moet waarschijnlijk de voeding worden vervangen.
Als het lampje van de vaste schijf brandt,duidtditwaarschijnlijkopeenstoringvandegeïntegreerderegulatorofVRM.Bekijkde
diagnostische lampjes voor meer informatie.
Continu oranje
Tweede status van het lampje bij het opstarten. Geeft aan dat het signaal POWER_GOOD actief is en dat de voeding waarschijnlijk
in orde is. Bekijk de diagnostische lampjes voor meer informatie.
Groen knipperend
Systeem bevindt zich in een status van laag energieverbruik, hetzij S1 of S3. Raadpleeg de diagnostische lampjes om te bepalen in
welke status het systeem zich bevindt.
Continu groen
Het systeem bevindt zich in de S0-status, de normale voedingsstatus van een werkende computer.
Het BIOS zet het lampje in deze status om aan te geven dat het ophalen van opdrachtcodes begonnen is.
Code
Oorzaak
1-1-2
Fout in het register van de microprocessor
1-1-3
Fout bij het lezen/schrijven van het NVRAM
1-1-4
Controlesomfout in het ROM-BIOS
1-2-1
Fout in de programmeerbare intervaltimer
1-2-2
Fout bij de DMA-initialisatie
1-2-3
Fout bij lezen/schrijven van het DMA-paginaregister
1-3
Fout bij de test van het videogeheugen
1-3-1 tot en met 2-4-4
Geheugennietjuistgeïdentificeerdofgebruikt
Diagnostische lampjes
De vier lampjes op het achterpaneel van de computer zijn genummerd met 1, 2, 3 en 4 om u te helpen bij het oplossen van problemen. Wanneer de computer
normaal opstart, knipperen de lampjes en gaan ze vervolgens uit. Als de computer niet goed functioneert, kunt u het probleem identificeren via de combinatie
van de lampjes.
3-1-1
Registerfout bij slave-DMA
3-1-2
Registerfout bij master-DMA
3-1-3
Registerfout bij masker master-interrupt
3-1-4
Registerfout bij masker slave-interrupt
3-2-2
Laadfout interruptvector
3-2-4
Fout bij testen toetsenbordcontroller
3-3-1
Stroomverlies NVRAM
3-3-2
Ongeldige NVRAM-configuratie
3-3-4
Fout bij de test van het videogeheugen
3-4-1
Fout bij scherminitialisatie
3-4-2
Fout bij opnieuw traceren scherm
3-4-3
Fout bij het zoeken naar video-ROM
4-2-1
Timer tikt niet
4-2-2
Fout bij afsluiten
4-2-3
Fout in poort A20.
4-2-4
Onverwachte interrupt in veilige modus
4-3-1
Geheugenfout boven adres 0FFFFh
4-3-3
Fout bij teller 2 timerchip
4-3-4
Dagtijdklok is gestopt
4-4-1
Foutbijtestenseriëleofparallellepoort
4-4-2
Fout bij het decomprimeren van code naar schaduwgeheugen
4-4-3
Fout bij testen mathematische coprocessor
4-4-4
Cachetestfout
OPMERKING: Wanneer de computer klaar is met de POST, gaan alle vier de lampjes uit voordat de computer opstart naar het besturingssysteem.
Lampjespatroon
Probleembeschrijving
Mogelijke oplossing
De computer staat uit of er is mogelijk
een fout opgetreden voordat het
BIOS werd gestart.
De diagnostische lampjes branden
niet nadat de computer naar het
besturingssysteem is opgestart.
l Steek de stekker van de computer in een werkend stopcontact.
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Er heeft zich mogelijk een fout in de
processor voorgedaan.
l Plaats de processor terug (zie Processorgegevens voor uw computer).
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Er zijn geheugenmodules
gedetecteerd, maar er heeft zich een
geheugenfout voorgedaan.
l Alsertweeofmeergeheugenmoduleszijngeïnstalleerd,verwijdertudemodules,plaatst
uéénmoduleterugenstartudecomputeropnieuwop.Alsdecomputernormaalopstart,
gaatuverdermetdeinstallatievandeanderegeheugenmodules(ééntegelijk)totdatu
dedefectemodulehebtopgespoordofallemoduleszonderproblemenhebtgeïnstalleerd.
l Plaats, indien beschikbaar, een goed werkende geheugenmodule van hetzelfde type in de
computer.
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Er is mogelijk een fout opgetreden
met een grafische kaart.
l Verwijder alle aanwezige grafische kaarten en plaats de kaarten terug.
l Plaats, indien beschikbaar, een werkende grafische kaart in de computer.
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Er is mogelijk een probleem met het
diskettestation of de vaste schijf.
Sluit alle voedings- en datakabels opnieuw aan.
Er is mogelijk een USB-fout
opgetreden.
Sluit alle USB-apparaten opnieuw aan en controleer alle kabelconnectors.
Er zijn geen geheugenmodules
gedetecteerd.
l Alsertweeofmeergeheugenmoduleszijngeïnstalleerd,verwijdertudemodules,plaatst
uéénmoduleterugenstartudecomputeropnieuwop.Alsdecomputernormaalopstart,
gaatuverdermetdeinstallatievandeanderegeheugenmodules(ééntegelijk)totdatu
dedefectemodulehebtopgespoordofallemoduleszonderproblemenhebtgeïnstalleerd.
l Plaats, indien beschikbaar, een goed werkende geheugenmodule van hetzelfde type in de
computer.
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Er zijn wel geheugenmodules
gedetecteerd, maar er is een fout
opgetreden in de
geheugenconfiguratie of -
l Controleer of er speciale vereisten zijn voor de plaatsing van de
geheugenmodules/geheugenconnectors.
l Controleer of het gebruikte geheugen door de computer wordt ondersteund (zie het
gedeelte Specificaties).
Terug naar inhoudsopgave
compatibiliteit.
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Er is mogelijk een probleem bij een
uitbreidingskaart opgetreden.
l Controleer of er een conflict bestaat door een uitbreidingskaart (geen grafische kaart) te
verwijderen en de computer opnieuw te starten.
l Als het probleem aanhoudt, plaatst u de verwijderde kaart terug, verwijdert u een andere
kaart en start u de computer opnieuw op.
l Herhaalditprocesvoorallegeïnstalleerdeuitbreidingskaarten.Alsdecomputernormaal
opstart, controleert u of de laatste kaart die u uit de computer hebt verwijderd, voor
bronconflicten zorgt.
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Er is een andere fout opgetreden.
l Controleer of alle kabels van de vaste schijf en het optische station goed op het
moederbord zijn aangesloten.
l Als er een foutbericht op het scherm verschijnt over een probleem met een apparaat
(zoals het diskettestation of de vaste schijf), controleert u of het apparaat goed
functioneert.
l Als het besturingssysteem probeert te starten vanaf een apparaat (zoals een
diskettestation of een optisch station), controleert in System Setup of de opstartvolgorde
correctisvoordeapparatendieindecomputerzijngeïnstalleerd.
l Als het probleem zich blijft voordoen, neemt u contact op met Dell.
Terug naar inhoudsopgave
Onderdelen verwijderen en terugplaatsen
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Terug naar inhoudsopgave
Computerkap
Optisch station
Eerste vaste schijf
Warmteafleider en processor
Geheugen
Voeding
Achterplaat
Chassisdetectieschakelaar
Knoopcelbatterij
Voorpaneel
Tweede vaste schijf
Ventilator van warmteafleider
Ventilator
Thermische sensor
Uitbreidingskaart
I/O-paneel
Interne luidspreker
Moederbord
Terug naar inhoudsopgave
Specificaties
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Processor
Schakelaars en lampjes
Geheugen
Netwerk
Uitbreidingsbus
Audio
Video
Voeding
Systeeminformatie
Moederbordconnectors
Kaarten
Fysieke specificaties
Schijven en stations
Omgeving
Externe connectors

OPMERKING: Het aanbod kan per regio verschillen. Klik voor meer informatie over de configuratie van uw computer op Start® Help en ondersteuning
en selecteer de optie om informatie over uw computer weer te geven.
OPMERKING: Tenzij anders aangegeven, zijn de specificaties voor de desktop- en Small Form Factor-computers identiek.
Processor
Type
l Intel
®
Core™2E7400
l Intel Pentium
®
Dual Core E5300
l Intel Celeron
®
440
L2-cache (Level 2)
l Intel Core2 E7400 - 3 MB
l Intel Pentium Dual Core E5300 - 2 MB
l Intel Celeron 440 - 512 KB
Geheugen
Type
DDR3 SDRAM
Snelheid
1066 MHz
Connectors
vier DIMM-sleuven
Capaciteit
1 of 2 GB
Minimumgeheugen
1 GB
Maximumgeheugen
8 GB
Video
Type videokaart:
Geïntegreerd
geïntegreerdopmoederbord
Afzonderlijk
PCI-Ex16DualChannelgrafischemetéénDVI-poort
enéénDisplayPort-connector.
Videogeheugen:
Geïntegreerd
Microsoft® Windows®XP
maximaal 512 MB gedeeld videogeheugen
(met 1 GB systeemgeheugen)
maximaal 1 GB gedeeld videogeheugen
(met 2 GB of meer systeemgeheugen)
Windows Vista® en Windows 7
maximaal 272 MB gedeeld videogeheugen
(met 1 GB systeemgeheugen)
maximaal 784 MB gedeeld videogeheugen
(met 2 GB systeemgeheugen)
maximaal 1296 MB gedeeld videogeheugen
(met 3 GB systeemgeheugen)
maximaal 1808 MB gedeeld videogeheugen
(met 4 GB systeemgeheugen)
maximaal 3856 MB gedeeld videogeheugen
(met 8 GB systeemgeheugen)
OPMERKING: Videogeheugen wordt dynamisch
toegewezen op basis van de totale hoeveelheid
systeemgeheugen en de geheugen en grafische
vereisten van toepassingen.
Afzonderlijk
512 MB
Audio
Geïntegreerd
l Realtek ALC269Q-VB
l Optionele chassisluidspreker
Netwerk
Geïntegreerd
l GeïntegreerdBroadcomBCM57780Gigabit
Ethernet LAN-controller, geschikt voor
10/100/1000 Mb/s-communicatie
l GeïntegreerdBroadcomBCM5761NeXtreme
Systeeminformatie
Chipset
IntelQ45/ICH10DOmetgeïntegreerdechipset
DMA-kanalen
acht
Interruptniveaus
24
BIOS-chip (NVRAM)
16 MB
Uitbreidingsbus
Bustype
PCI 2.3
PCI Express 1.1
SATA 1.0 en 2.0
USB 2.0
Bussnelheid
PCI: 133 Mbps
PCI Express x1: 2,5 Gbps
SATA: 1,5 Gbps en 3,0 Gbps
USB: 480 Mbps
Kaarten
PCI:
Desktop
zonder riserkaart, twee kaarten met laag profiel
met riserkaart, twee kaarten van volledige hoogte
Small Form Factor
éénkaartmetlaagprofiel
PCI Express x1:
Desktop
éénkaartmetlaagprofiel
Small Form Factor
n.v.t.
PCI Express x16 (met ondersteuning voor PCI
Express x1):
Desktop
zonderriserkaart,éénkaartmetlaagprofiel
zonderriserkaart,éénkaartvanvolledigehoogte
Small Form Factor
éénkaartmetlaagprofiel
OPMERKING De PCI Express x16-sleufwordtuitgeschakeldwanneereenbeeldschermopdegeïntegreerde
videoconnector wordt aangesloten.
Schijven en stations
Extern toegankelijk
5,25-inch stationbay(s):
Desktop
één
Small Form Factor
één(slimline)
Intern toegankelijk
3,5-inch SATA-stationsbay:
Desktop
twee
Small Form Factor
één
Beschikbare apparaten
2,5-inch SATA vaste schijven:
Desktop
één
Small Form Factor
twee
3,5-inch SATA vaste schijven:
Desktop
twee
Small Form Factor
één
5,25-inch SATA dvd+/-rw-station:
Desktop
één
Small Form Factor
één(slimline)
OPMERKING: De Small Form Factor-computer ondersteunt slechts twee 2,5-inch harde schijven met beugels.
Externeconnectors
Audio:
Achterpaneel
éénlijn-uitconnector
éénline-uitconnector/microfoon
Netwerk
twee RJ45-connectoren
Serieel
twee 9-pins connectors, 16550C-compatibel
USB 2.0:
Voorpaneel
twee connectoren
Achterpaneel
vier connectoren
één24V-connector met voeding
Video
één15-pins VGA-connector
éénDisplayPort-connector
DVI met aanvullende grafische kaart alleen
OPMERKING: Videoconnectors hangen af van de
geselecteerde grafische kaart.
Moederbordconnectors
PCI 2.3 - gegevensbreedte 32 bits:
Desktop
twee 120-pins connectoren
Small Form Factor
één120-pins connector
PCI Express x16 - gegevensbreedte 16 PCI Express-
paden:
Desktop
één164-pins connector
Small Form Factor
één164-pins (x16) connector
PCI Express x1 - gegevensbreedteéénPCIExpress-
pad:
Desktop
één36-pins connector
Small Form Factor
n.v.t.
SeriëleATA:
Desktop
drie 7-pins connectoren
Small Form Factor
drie 7-pins connectoren
Geheugen
vier 240-pins connectoren
Intern USB-apparaat
één10-pins connector (ondersteunt twee USB-
poorten)
Ventilator processor
één5-pins connector
Ventilator voor de vaste schijf
één5-pins connector
Voorpaneelbesturing
één40-pins connector
Processor
één775-pins connector
Voeding 12 V
één4-pins connector
Voeding
één24-pins connector
Schakelaarsenlampjes
Voorzijde van de computer:
Lampje aan/uit-knop
continu blauw - geeft aan dat de computer is
ingeschakeld
knipperend blauw - geeft de slaapstand van de
computer aan
continu oranje - geeft een probleem met het
moederbord of de voeding aan
continu oranje - geeft een probleem met het
moederbord aan
Stationsactiviteitslampje
geeft de activiteit van de SATA-schijf of het cd/dvd-
station
blauw - geeft aan dat de computer gegevens leest
van of schrijft naar het station
Netwerkverbindingslampje
blauw - geeft aan dat er een goede verbinding
tussen het netwerk en de computer is
uit - geeft aan dat de computer geen fysieke
verbinding met het netwerk detecteert
Controlelampjes
vier lampjes op het voorpaneel van de computer
WiFi
®
-verbindingslampje
blauw - geeft aan dat er een goede verbinding
tussen het netwerk en de computer is
uit - geeft aan dat de computer fysieke verbinding
met het netwerk detecteert
Achterzijde van de computer:
Lampje voor de verbindingsintegriteit op de
ingebouwde netwerkadapter
groen - er is een 10 Mbps-verbinding tussen het
netwerk en de computer
oranje - er is een 100 Mbps-verbinding tussen het
netwerk en de computer
geel - er is een 1000 Mbps-verbinding tussen het
netwerk en de computer
uit - de computer detecteert geen fysieke verbinding
met het netwerk
Netwerkactiviteitslampje op de ingebouwde
netwerkadapter
geel - geeft aan dat er netwerkactiviteit is
Voeding
Voeding (gelijkstroom):
Wattage:
Desktop (EPA)
300 W
SmallFormFactor(EPA)
280 W
Maximale warmteafgifte:
Desktop (EPA)
1204 BTU/u
Small Form Factor (EPA)
1124 BTU/u
Spanning:
Desktop (EPA)
100-240 V wisselstroom, 50/60 Hz, 6,0 A
Small Form Factor (EPA)
100-240 V wisselstroom, 50/60 Hz, 5,0 A
OPMERKING: De warmteafgifte wordt berekend aan de hand van het wattage van de voeding.
OPMERKING: Raadpleeg de veiligheidsinformatie die bij de computer voor belangrijke informatie over de
voltage-instelling.
Knoopcelbatterij
CR2032-lithiumknoopbatterij van 3 V
Fysieke specificaties
Hoogte:
Desktop
10,93 cm
Small Form Factor
8,52 cm
Breedte:
Desktop
39,65 cm
Small Form Factor
28,96 cm
Diepte:
Desktop
34,90 cm
Small Form Factor
32,36 cm
Gewicht (minimum)
Desktop
9,38 kg
Small Form Factor
6,48 kg
Omgeving
Temperatuur:
In bedrijf
10°Ctot45°C
Terug naar inhoudsopgave
Opslag
40°Ctot60°C
Relatieve vochtigheid
20% tot 80% (niet-condenserend)
Maximumvibratie:
In bedrijf
willekeurige trillingen 5 ~ 500 Hz, 0,26 Grms, twee
zijden
Opslag
willekeurige trillingen 5 ~ 500 Hz, 2,2 Grms, twee
zijden
Maximumimpact:
In bedrijf
HALF SN 40 G/2 ms, twee zijden
Opslag
HALF SN 105 G/2 ms, twee zijden
Hoogte:
In bedrijf
lager dan 3048 m
(42°Cop3048m)
Opslag
lager dan 10.668 m
Contaminatieniveau in de lucht
G2 of lager, zoals gedefinieerd in ISA-S71.04-1985
Terug naar inhoudsopgave
Moederbordindeling
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Terug naar inhoudsopgave
1
voedingsconnector processor (12V POWER)
2
processoraansluiting (CPU)
3
geheugenmoduleconnectoren (DIMM_4)
4
geheugenconnector (DIMM_2)
5
geheugenmoduleconnectoren (DIMM_3)
6
geheugenconnector (DIMM_1)
7
batterijhouder (BATTERY)
8
wachtwoordjumper (PSWD)
9
connectoren SATA-station (SATA0 en SATA1)
10
connectoren SATA-station (SATA1 en SATA1)
11
connectoren SATA-station (SATA2 en SATA2)
12
connector thermische sensor (achter)
13
voorpaneelconnector (FRONTPANEL)
14
connector voor externe USB met voeding
15
connector voor interne USB
16
voedingsconnector (POWER)
17
jumpervoorseriëlepoort(J3&J4)
18
voedingsconnector (24V POWER)
19
jumpervoorseriëlepoort(J1&J2)
20
PCI Express x16-sleuf (SLOT1)
21
PCI-sleuf (SLOT2)
22
PCI-sleuf (SLOT3)
23
PCI Express x1-sleuf (SLOT4)
24
connector chassiedetectieschakelaar (INTRUDER)
25
jumper voor RTC-reset (RTCRST)
26
interne luidspreker (SPKR)
27
luidspreker (INT_SPKR)
28
connector thermische sensor (voor)
29
ventilatorconnector (FAN_HDD)
30
PCI Express-sleuf x1 (Slot6)
31
ventilatorconnector (FAN_CPU)
Terug naar inhoudsopgave
Achterplaat
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De achterplaat verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder de uitbreidingskaart(en).
3. Til de achterplaat op en verwijder deze uit het chassis.
De achterplaat terugplaatsen
Herhaal de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde om de achterplaat terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Uitbreidingskaart
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De uitbreidingskaart verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Draai het ontgrendelingslipje op het kaartvergrendelingsmechanisme omhoog.
3. Trek het blauwe ontgrendelingshendeltje van de kaart weg en til de kaart voorzichtig omhoog en uit de connector op het moederbord.
De uitbreidingskaarten terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de uitbreidingskaart terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Knoopcelbatterij
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De knoopcelbatterij verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Trek de bevestigingsklemmetje weg van de knoopbatterij.
3. Til de batterij uit de computer.
De knoopcelbatterij terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de knoopcelbatterij terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Computerkap
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De computerkap verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Trek de ontgrendelingsklem van de kap naar achteren.
3. Kantel de kap naar buiten en verwijder deze van de computer.
De computerkap terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de computerkap terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Ventilator van warmteafleider
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De ventilator van de warmteafleider verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder de 12 V-stroomkabel uit de geleiderklem.
3. Koppel de kabel van de ventilator van de warmteafleider los van de connector op het moederbord.
4. Verwijder de schroeven waarmee de ventilator aan de warmteafleider is bevestigd.
5. Verwijder de ventilator van de warmteafleider uit de computer.
De ventilator van de warmteafleider terugplaatsen
Herhaal de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde om de ventilator van de warmteafleider terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Ventilator
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De ventilator verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder het voorpaneel.
3. Verwijder het optische station.
4. Verwijder de tweede vaste schijf.
5. Verwijder de eerste vaste schijf.
6. Verwijder de ventilator van de warmteafleider.
7. Koppel de ventilatorkabel los van het moederbord.
8. Verwijder de ventilatorkabel uit de geleiders op het chassis.
9. Verwijder de schroeven waarmee de ventilator aan het chassis is bevestigd.
10. Verwijder de ventilator uit de computer.
De ventilator terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de ventilator terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Voorpaneel
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Het voorpaneel verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Maak de klemmetjes los waarmee het voorpaneel aan het computerchassis is bevestigd.
3. Verwijder het voorpaneel van de computer.
Het voorpaneel terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om het voorpaneel terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Eerste vaste schijf
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De eerste vaste schijf verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder het optische station.
3. Verwijder de tweede vaste schijf.
4. Houd de blauwe klemmetjes aan weerszijden van de vaste schijf ingedrukt en schuif de vasteschijfbehuizing naar de voorkant van de computer.
5. Til de vasteschijfbehuizing op en leg deze op de voeding.
6. Koppel de voedings- en gegevenskabels los van de harde schijf.
7. Verwijder de vasteschijfbehuizing uit de computer.
8. Trek aan de blauwe klemmetjes om de vaste schijf los te maken en til de vaste schijf omhoog en uit de behuizing.
De primaire vaste schijf terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de eerste vaste schijf terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Tweede vaste schijf
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De tweede vaste schijf verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder het optische station.
3. Trek het ontgrendelingsmechanisme omhoog en schuif de vaste schijf in de richting van de voorkant van de computer.
4. Til de vaste schijf op en leg deze op de voeding.
5. Koppel de voedings- en gegevenskabels los van de harde schijf.
6. Verwijder de vaste schijf uit de computer.
De tweede vaste schijf terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de tweede vaste schijf terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Warmteafleider en processor
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De warmteafleider en de processor verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder de 12 V-stroomkabel uit de geleiderklem.
3. Koppel de ventilatorkabel los van de connector op het moederbord.
4. Draai de drie schroeven los waarmee de warmteafleider aan het moederbord is bevestigd.
5. Verwijder de warmteafleider uit de computer.
6. Schuif het ontgrendelingshendeltje onder de klem van het klepje vandaan en trek het hendeltje terug om het processorklepje los te maken.
7. Til het klepje van de processor op.
8. Haal de processor uit de houder op het moederbord.
De warmteafleider en processor terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerder volgorde uit om de warmteafleider en processor terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Chassisdetectieschakelaar
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De chassisdetectieschakelaar verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Koppel de kabel van de chassisdetectieschakelaar los van het moederbord.
3. Schuif de chassisdetectieschakelaar uit de sleuf in de metalen beugel en druk de schakelaar omlaag om deze uit de computer verwijderen.
De chassisdetectieschakelaar terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de detectieschakelaar terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Interne luidspreker
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De interne luidspreker verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Koppel de kabel van de interne luidspreker los van het moederbord er verwijder de kabel uit de geleiders op het chassis.
3. Druk op het vergrendlingslipje en schuif de interne luidspreker omhoog om deze uit de computer te verwijderen.
De interne luidspreker terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de interne luidspreker terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
I/O-paneel
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Het I/O-paneel verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder het voorpaneel.
3. Verwijder het optische station.
4. Verwijder de tweede vaste schijf.
5. Verwijder de eerste vaste schijf.
6. Koppel de kabel van het I/O-paneel los van de connector op het moederbord.
7. Verwijder de schroeven waarmee het I/O-paneel aan het chassis is bevestigd.
8. Verwijder het I/O-paneel uit de computer.
Het I/O-paneel terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om het I/O-paneel terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Geheugen
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Het geheugen verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder het optische station.
3. Duw de bevestigingsklemmen van de geheugenmodule omlaag om de geheugenmodule los te maken.
4. Til de geheugenmodule uit de aansluiting en verwijder deze uit de computer.
Het geheugen terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om het geheugen terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Optisch station
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Het optische station verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Koppel de voedings- en gegevenskabels los van het optische station.
3. Trek aan het ontgrendelingsmechanisme van het station en schuif het optische station naar de achterzijde van de computer.
4. Til het optische station op en uit de computer.
Het optische station terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om het optische station terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Voeding
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
De voeding verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder het optische station.
3. Verwijder de tweede vaste schijf (indien aanwezig).
4. Verwijder de eerste vaste schijf.
5. Verwijder achterste thermische sensor.
6. Koppel de voedingskabels los van het moederbord.
7. Trek aan de ontgrendeling van de voeding en schuif de voeding naar de voorkant van de computer.
8. Verwijder de voeding uit de computer.
De voeding terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de voeding terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Moederbord
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Het moederbord verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder het optische station.
3. Verwijder de tweede vaste schijf (indien aanwezig).
4. Verwijder de eerste vaste schijf.
5. Verwijder de uitbreidingskaart(en).
6. Verwijder de geheugenmodule(s).
7. Verwijder de warmteafleider en de processor.
8. Verwijder de voeding.
9. Koppel de kabels van de chassisdetectieschakelaar, het I/O-paneel, de intern luidspreker, de ventilator en de thermische sensor los van het
moederbord.
10. Verwijder de schroeven waarmee het moederbord aan het chassis is bevestigd.
11. Til het moederbord omhoog en uit het chassis.
Het moederbord terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om het moederbord terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
Terug naar inhoudsopgave
Thermische sensor
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding

De voorste thermische sensor verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Verwijder de ventilator van de warmteafleider.
3. Koppel de kabel van de voorste thermische sensor los van het moederbord.
4. Verwijder de kabel van de voorste thermische sensor uit de geleiders op het chassis.
5. Druk op het ontgrendelingsklemmetje en verwijder de voorste thermische sensor uit de computer.
De voorste thermische sensor terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de voorste thermische sensor terug te plaatsen.
De achterste thermische sensor verwijderen
1. Volg de procedures in Voordat u handelingen uitvoert in de computer.
2. Koppel de kabel van de achterste thermische sensor los van het moederbord.
3. Druk op het ontgrendelingsklemmetje om de achterste thermische sensor los te maken van het chassis.
De voorste thermische sensor verwijderen
De voorste thermische sensor terugplaatsen
De achterste thermische sensor verwijderen
De achterste thermische sensor terugplaatsen
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
OPMERKING: Mogelijk dient u Adobe®Flash®Player (van Adobe.com) te installeren om de onderstaande afbeeldingen te kunnen weergeven.
4. Verwijder de achterste thermische sensor uit de computer.
De achterste thermische sensor terugplaatsen
Voer de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde uit om de achterste thermische sensor terug te plaatsen.
Terug naar inhoudsopgave
Terug naar inhoudsopgave
Aan de computer werken
Dell™OptiPlex™XEDesktop-onderhoudshandleiding
Voordat u handelingen uitvoert in de computer
Volg de onderstaande veiligheidsrichtlijnen om uw eigen veiligheid te garanderen en de computer tegen mogelijke schade te beschermen. Tenzij anders
aangegeven, wordt er bij elke procedure in dit document van de volgende veronderstellingen uitgegaan:
l U hebt de stappen in Aan de computer werken gevolgd.
l U hebt de veiligheidsinformatie gelezen die bij uw computer is meegeleverd.
l U vervangt of (indien afzonderlijk aangeschaft) plaatst onderdelen door de verwijderingsprocedure in omgekeerde volgorde uit te voeren.
Om schade aan uw computer te voorkomen, dient u de volgende instructies te volgen alvorens u werkzaamheden binnen in de computer uitvoert.
1. Zorg ervoor dat het werkoppervlak vlak en schoon is om te voorkomen dat de computerkap bekrast raakt.
2. Schakel de computer uit (zie De computer uitschakelen).
3. Koppel alle netwerkkabels los van de computer.
4. Verwijder de stekker van de computer en alle aangesloten apparaten uit het stopcontact.
5. Houd de aan/uit-knop ingedrukt terwijl de stekker van de computer uit het stopcontact is verwijderd om het moederbord te aarden.
6. Verwijder de computerkap (zie Computerkap).
Aanbevolen hulpmiddelen
Voor de procedures in dit document hebt u mogelijk de volgende hulpmiddelen nodig:
l Kleine platte schroevendraaier
l Kruiskopschroevendraaier
l Klein plastic pennetje
l Een cd met Flash BIOS-updatesoftware
De computer uitschakelen
1. Het besturingssysteem afsluiten:
l In Windows Vista®:
Klik op Start en vervolgens op de pijl rechtsonder in het menu Start zoals hieronder aangegeven. Klik ten slotte op Afsluiten.
Voordat u handelingen uitvoert in de computer
Aanbevolen hulpmiddelen
De computer uitschakelen
Nadat u handelingen hebt uitgevoerd in de computer

l In Windows®XP:
Klik op Start® Uitschakelen® Uitschakelen.
De computer wordt uitgeschakeld nadat het besturingssysteem is afgesloten.
2. Controleer of de computer en alle aangesloten apparaten zijn uitgeschakeld. Houd de aan/uit-knop circa zes seconden ingedrukt als de computer en
aangesloten apparaten niet automatisch worden uitgeschakeld wanneer u het besturingssysteem afsluit.
Nadat u handelingen hebt uitgevoerd in de computer
Controleer nadat u onderdelen hebt vervangen of u alle externe apparaten, kaarten en kabels hebt aangesloten voordat u de computer inschakelt.
1. Plaas de computerkap terug (zie Computerkap).
2. Sluit alle telefoon- of netwerkkabels aan op de computer.
3. Sluit de computer en alle aangesloten apparaten aan op het stopcontact.
4. Zet de computer aan.
5. Controleer of de computer goed functioneert door Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek) uit te voeren. Zie Dell Diagnostics (Dell-diagnostiek).
Terug naar inhoudsopgave
VOORZICHTIG: Als u een netwerkkabel wilt aansluiten, sluit u de kabel eerst aan op het netwerkapparaat en vervolgens op de computer.
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42

Dell OptiPlex XE de handleiding

Type
de handleiding