Smeg C9GMN9-1 de handleiding

Categorie
Accessoires voor het maken van koffie
Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

Inhoudsopgave
241
NL
1 Waarschuwingen 242
1.1 Algemene veiligheidswaarschuwingen 242
1.2 Aansprakelijkheid van de fabrikant 247
1.3 Beoogd gebruik 247
1.4 Typeplaatje 247
1.5 Deze gebruiksaanwijzing 247
1.6 Verwerking 247
1.7 Wegwijs in de gebruiksaanwijzing 248
2 Beschrijving 249
2.1 Algemene beschrijving 249
2.2 Kookplaat 250
2.3 Bedieningspaneel 251
2.4 Andere onderdelen 252
2.5 Beschikbare accessoires 252
3 Gebruik 255
3.1 Waarschuwingen 255
3.2 Om energie te besparen 257
3.3 Gebruik van de accessoires 257
3.4 Gebruik van de kookplaat 260
3.5 Gebruik van de bergruimte 261
3.6 Het gebruik van de oven 261
3.7 Gebruik van de temperatuursonde (enkel op sommige modellen) 264
3.8 Advies voor bereidingen 268
3.9 Klok programmeereenheid (enkel op sommige modellen) 269
4 Reiniging en onderhoud 276
4.1 Waarschuwingen 276
4.2 Reiniging van de kookplaat 277
4.3 Reiniging van de deur 278
4.4 Reiniging van de ovenruimte 280
4.5 Vapor Clean 281
4.6 Buitengewoon onderhoud 283
5 Installatie 285
5.1 Gasaansluiting 285
5.2 Aanpassing aan de verschillende gastypes 288
5.3 Plaatsing 293
5.4 Elektrische aansluiting 298
5.5 Voor de installateur 299
We raden aan deze handleiding aandachtig door te lezen, omdat ze alle aanwijzingen
bevat om de esthetische en functionele kwaliteiten van het apparaat te behouden.
Raadpleeg de website voor verdere informatie over dit product: www.smeg.com
VERTALING VAN DE ORIGINELE INSTRUCTIES
Waarschuwingen
242
1 lWaarschuwingen
1.1 Algemene
veiligheidswaarschuwingen
Persoonlijk letsel
Het apparaat en de bereikbare
delen ervan worden zeer heet
tijdens het gebruik. Raak geen
verwarmingselementen aan
tijdens gebruik van het apparaat.
Bescherm de handen met
ovenwanten bij het hanteren van
voedsel in de ovenruimte.
Probeer geen vlammen/brand te
doven met water: schakel het
apparaat uit en bedek het vuur
met een deksel of een
brandwerende deken.
Gebruik van dit apparaat door
kinderen vanaf 8 jaar, personen
met beperkte fysieke, zintuiglijke
of mentale capaciteiten of met
een gebrek aan ervaring of
kennis is alleen toegestaan onder
toezicht en begeleiding van
volwassenen die verantwoordelijk
zijn voor hun veiligheid.
Laat kinderen niet spelen met het
apparaat.
Houd kinderen jonger dan 8 jaar
die niet onder toezicht staan uit
de buurt van het apparaat.
Houd kinderen van jonger dan
8 jaar uit de buurt wanneer het
apparaat in werking is.
Werkzaamheden voor
schoonmaak en onderhoud van
het apparaat mogen niet worden
uitgevoerd door kinderen die niet
onder toezicht staan.
Controleer of de vlamverdelers
met de respectievelijke deksels
correct in de zittingen
gepositioneerd zijn.
Let op voor de snelle verwarming
van de kookzones. Plaats geen
lege potten of pannen op de
ingeschakelde plaat. Gevaar op
oververhitting.
Vetten en oliën kunnen vlam vatten
als ze oververhit raken. Het is
aanbevolen bij het apparaat te
blijven tijdens de voorbereiding
van voedsel dat olie of vet bevat.
Als de oliën of vetten vlam
zouden vatten, mag geen water
gebruikt worden om te blussen.
Plaats het deksel op de pan en
schakel de kookzone uit.
Het kookproces moet altijd
bewaakt worden. Een kort
kookproces moet voortdurend
bewaakt worden.
Waarschuwingen
243
NL
Tijdens het gebruik geen metalen
voorwerpen zoals vaatwerk of
bestek op het oppervlak van de
kookplaat plaatsen omdat deze
oververhit zouden kunnen raken.
Plaats geen metalen en puntige
voorwerpen (bestek of
gereedschappen) in de spleten
van het apparaat.
Giet geen water rechtstreeks op
hete ovenschalen.
Houd de deur dicht tijdens de
bereiding.
Als er een ingreep nodig is aan
het gerecht of aan het einde van
de bereiding, de deur gedurende
een aantal seconden
5 centimeter openen, de stoom
laten ontsnappen en vervolgens
de deur volledig openen.
Open de bergruimte (indien
aanwezig) niet wanneer de oven
ingeschakeld of warm is.
Voorwerpen in de bergruimte
kunnen zeer heet zijn na gebruik
van de oven.
GEEN ONTVLAMBARE
MATERIALEN GEBRUIKEN OF
BEWAREN IN DE BERGRUIMTE
(INDIEN AANWEZIG) OF IN
DE NABIJHEID VAN HET
APPARAAT.
GEBRUIK GEEN SPUITBUSSEN
IN DE BUURT VAN HET
APPARAAT TERWIJL HET WERKT.
Na gebruik het apparaat
uitschakelen.
VOER GEEN WIJZIGINGEN
UIT OP HET APPARAAT.
Voorafgaand aan iedere ingreep
op het apparaat (installatie,
onderhoud, plaatsing of
verplaatsing) moet u altijd zorgen
voor persoonlijke
beschermingsmiddelen.
Voorafgaand aan iedere ingreep
op het apparaat moet de
algemene elektrische voeding
gedeactiveerd worden.
Laat de installatie en technische
interventies uitvoeren door
gekwalificeerd personeel
overeenkomstig de geldende
normen.
Probeer nooit om zelf het
apparaat te repareren, zonder
tussenkomst van een
gekwalificeerde technicus.
Trek nooit aan de kabel om de
stekker uit het stopcontact te
halen.
Als de stroomkabel beschadigd
is, moet men onmiddellijk contact
opnemen met de technische
dienst die voor de vervanging van
de kabel zal zorgen.
Waarschuwingen
244
Beschadiging van het apparaat
Gebruik geen schurende of
bijtende middelen op de glazen
onderdelen (bijv. poeders,
ontvlekkers of metaalsponsjes).
Gebruik eventueel houten of
plastic gereedschappen.
Roosters en ovenschalen moeten
in de zijgeleiders worden
geplaatst tot ze niet verder
kunnen. De mechanische
veiligheidsblokkeringen die de
verwijdering van de roosters
voorkomen moeten naar
beneden en naar de achterzijde
van de ovenruimte gericht zijn.
Ga niet op het apparaat zitten.
Gebruik geen stoomstraal om het
apparaat te reinigen.
Zorg er voor dat de openingen
en de spleten voor de ventilatie
en de warmte-afvoer niet verstopt
raken.
Laat het apparaat niet onbeheerd
achter tijdens bereidingen
waarbij vetten en oliën vrijkomen
die bij heet worden vlam kunnen
vatten. Wees heel voorzichtig
Laat geen voorwerpen achter op
de kookoppervlakken.
GEBRUIK HET APPARAAT
NOOIT OM DE RUIMTE TE
VERWARMEN.
Sproei geen spuitbussen in de
nabijheid van de oven.
Gebruik geen plastic vaatwerk of
pannen om voedsel te bereiden.
Plaats geen blikken of gesloten
pannen in de ovenruimte.
Verwijder alle ovenschalen en
roosters die tijdens de bereiding
niet gebruikt worden uit de
ovenruimte.
Bedek de bodem van de
ovenruimte niet met
aluminiumfolie.
Plaats geen pannen of
ovenschalen rechtstreeks op de
bodem van de ovenruimte.
Bij gebruik van bakpapier moet u
er voor zorgen dat de circulatie
van de warme lucht in de oven er
niet door wordt verhinderd.
Gebruik de open deur niet als
steun door pannen of schalen
direct op het binnenglas te
plaatsen.
De pannen of de vleesroosters
moeten binnen de omtrek van de
kookplaat geplaatst worden.
Waarschuwingen
245
NL
Alle pannen moeten een vlakke
en regelmatige bodem hebben.
In geval van overstroming of
overkoken moet de vloeistof
onmiddellijk van de kookplaat
verwijderd worden.
Mors geen zuurhoudende stoffen
zoals citroensap of azijn op de
kookplaat.
Plaats geen lege potten of
pannen op ingeschakelde
kookzones.
Gebruik geen stoomstraal om het
apparaat te reinigen.
Gebruik geen ruw, schurend of
scherp materiaal.
Gebruik op de stalen delen of de
delen waarvan het oppervlak met
metalen afwerkingen werd
behandeld (bijv. elektrolytische
oxidaties, vernikkeling,
verchroming) geen producten die
chloor, ammoniak of bleekmiddel
bevatten.
Gebruik geen schurende of
bijtende middelen op de glazen
onderdelen (bijv. poeders,
ontvlekkers of metaalsponsjes).
Stop de verwijderbare
onderdelen, zoals de roosters
van de kookplaat, de
vlamverdelers en de deksels niet
in de vaatwasser.
Gebruik de open deur niet als
hefboom om het apparaat in het
meubel te plaatsen.
Oefen niet te veel kracht uit op de
geopende deur.
Til dit apparaat niet op door de
handgreep beet te pakken.
Installatie
• DIT APPARAAT MAG NIET
GEÏNSTALLEERD WORDEN IN
BOTEN OF CARAVANS.
Het apparaat mag niet
geïnstalleerd worden op een
voetstuk.
Plaats het apparaat met behulp
van een tweede persoon in het
meubel.
Om mogelijke oververhitting van
het apparaat te vermijden mag
het niet achter een decoratieve
deur of een paneel worden
geïnstalleerd.
Laat de gasaansluiting uitvoeren
door bevoegd technisch
personeel.
Waarschuwingen
246
Het aansluiten met een flexibele
buis moet zodanig uitgevoerd
worden dat de lengte van de buis
niet langer is dan 2 meter van de
maximale uitrekking bij flexibele
stalen buizen en 1,5 meter bij
rubberen slangen.
De buizen mogen niet in
aanraking komen met
beweegbare delen, en mogen
niet geplet worden.
Gebruik, waar dit wordt
gevraagd, een drukregelaar in
overeenstemming met de van
kracht zijnde norm.
Controleer na elke ingreep of het
aandraaimoment van de
gasaansluitingen zich tussen
10 Nm en 15 Nm bevindt.
Na de installatie moet u eventuele
lekken opsporen met een
zeepoplossing, maar nooit met
een vlam.
Laat het apparaat aansluiten door
gekwalificeerd technisch
personeel.
De aarding moet verplicht
aangebracht worden volgens de
voorziene veiligheidsnormen van
de elektrische installatie.
Gebruik kabels die bestand zijn
tegen temperaturen van minstens
90 °C.
Het aandraaimoment van de
schroeven van de
stroomgeleiders van het
klemmenbord moet gelijk zijn aan
1,5 - 2 Nm.
• Verzeker u er voor de montage
van dat de plaatselijke
gastoevoer (soort gas en
gasdruk) en de regeling van het
apparaat compatibel zijn.
• De regelingsvoorwaarden voor
dit apparaat staan vermeld op het
etiket voor de regeling van het
gas.
Dit apparaat is niet aangesloten
op een apparaat voor afvoer van
de verbrandingsproducten. Het
moet geïnstalleerd en
aangesloten worden in
overeenstemming met de
geldende installatievoorschriften.
Er moet speciale aandacht
worden besteed aan de
ventilatie-eisen.
Voor dit apparaat
Controleer of het apparaat is
uitgeschakeld voordat de lamp
wordt vervangen.
Ga niet steunen of zitten op de
geopende deur van het
apparaat.
Controleer of er geen
voorwerpen in de deur vastzitten.
Waarschuwingen
247
NL
1.2 Aansprakelijkheid van de
fabrikant
De fabrikant kan niet aansprakelijk
worden gesteld voor schade aan
personen en voorwerpen ten
gevolge van:
• een ander gebruik van het
apparaat dan wordt voorzien;
• het niet in acht nemen van de
voorschriften van de
gebruiksaanwijzing;
• het forceren van ook slechts één
deel van het apparaat;
• het gebruik van niet-originele
reserveonderdelen.
1.3 Beoogd gebruik
Dit apparaat is bedoeld om thuis
voedsel te bereiden. Elk ander
gebruik is oneigenlijk.
Het apparaat is niet ontworpen
om te functioneren met externe
kookwekkers of
afstandsbedieningssystemen.
1.4 Typeplaatje
Het typeplaatje bevat de technische
gegevens, het serienummer en de
markering. Het plaatje mag in geen
geval worden verwijderd.
1.5 Deze gebruiksaanwijzing
Deze handleiding voor gebruik is
een integraal onderdeel van het
apparaat en moet gedurende de
gehele levensduur van het apparaat
intact en binnen handbereik van de
gebruiker bewaard worden.
Lees deze gebruiksaanwijzing
aandachtig vóór installatie.
1.6 Verwerking
Het apparaat moet op het
einde van zijn gebruiksduur
apart ingezameld worden
(richtlijnen 2002/95/EG, 2002/
96/EG, 2003/108/EG). Dit
apparaat bevat geen stoffen in
hoeveelheden die gevaarlijk worden
geacht voor de gezondheid en het
milieu, in overeenstemming met de
huidige Europese richtlijnen.
Verwijdering van het apparaat:
• Snijd de voedingskabel af en
verwijder de kabel samen met de
stekker.
Elektrische spanning
Gevaar voor elektrische
schok
• Schakel de stroomtoevoer uit.
• Haal de stekker uit het
stopcontact.
Waarschuwingen
248
• Oude of gebruikte apparaten
aan het einde van hun levensduur
moeten door de gebruiker
worden ingeleverd bij geschikte
centra voor de gescheiden
inzameling van elektrisch en
elektronisch afval, of overhandigd
worden aan de verkoper
wanneer een nieuw soortgelijk
apparaat wordt gekocht.
Het apparaat is verpakt in
milieuvriendelijke en recyclebare
materialen.
• Breng het verpakkingsmateriaal
naar de betreffende centra voor
afvalverwerking.
1.7 Wegwijs in de
gebruiksaanwijzing
In deze gebruiksaanwijzing komen de
volgende begrippen voor:
1. Volgorde van de gebruiksaanwijzingen.
• Enkele gebruiksaanwijzing.
Plastic verpakking
Gevaar voor verstikking
• Laat de verpakking, of delen
ervan, niet onbewaakt achter.
• Laat kinderen niet spelen met de
plastic zakken van de verpakking.
Waarschuwingen
Algemene waarschuwingen in
verband met de
gebruiksaanwijzing, veiligheid en
verwerking van afgedankte
producten.
Beschrijving
Beschrijving van het apparaat en de
accessoires.
Gebruik
Informatie over het gebruik van het
apparaat en de accessoires.
Reiniging en onderhoud
Informatie over correcte
schoonmaak en onderhoud van het
apparaat.
Installatie
Informatie voor gekwalificeerde
technici: installatie, inbedrijfstelling
en keuring.
Veiligheidswaarschuwingen
Informatie
Suggestie
Beschrijving
249
NL
2 Beschrijving
2.1 Algemene beschrijving
Modellen met kookwekker
Modellen met klok programmeereenheid
Beschrijving
250
1 Plint
2 Kookplaat
3 Bedieningspaneel
4 Lampje links
5 Pakking
6 Deur
7 Ventilator
8 Bergruimte
9 Aansluiting temperatuursonde
Frame voor roosters/ovenschalen
2.2 Kookplaat
AUX = Hulpbrander
SR = Halfsnelle brander.
R = Snelbrander
UR2 = Ultrasnelle brander
Beschrijving
251
NL
2.3 Bedieningspaneel
Modellen met kookwekker
Modellen met klok programmeereenheid
1 Knoppen van de branders van de
kookplaat
Nuttig voor de inschakeling en de regeling
van de branders van de plaat.
Druk op de knoppen, en draai deze
linksom op de waarde om de
overeenkomstige branders te ontsteken.
Om de vlam te regelen, moet de knop in de
zone tussen het maximum en het
minimum gedraaid worden.
Om de branders uit te schakelen, moeten
de knoppen op geplaatst worden.
2 Controlelamp
Licht op om te melden dat de oven zich in
de verwarmingsfase bevindt. Wordt
uitgeschakeld als de temperatuur is bereikt.
Een regelmatig knipperend lampje geeft
aan dat de ingestelde temperatuur in de
oven constant wordt gehouden.
3 Temperatuurknop
Met deze knop kan de temperatuur van de
bereiding geselecteerd worden.
Draai de knop naar rechts op de gewenste
waarde tussen de minimale en maximale
waarde.
4 Timerknop
Hiermee kan de timer of de manuele
bereiding ingesteld worden, met
automatische uitschakeling van de oven
aan het einde van de bereiding.
5 Functieknop
De verschillende functies van de oven zijn
geschikt voor verschillende
bereidingswijzen. Nadat u de gewenste
functie heeft geselecteerd, moet u de
kooktemperatuur instellen met de
temperatuurknop.
Beschrijving
252
6 Klok programmeereenheid
Handig voor de weergave van het actuele
tijdstip, de geprogrammeerde bereidingen
en voor de instelling van de kookwekker.
2.4 Andere onderdelen
Plaatsbare vlakken
Het apparaat beschikt over vlakken om
roosters en ovenschalen op verschillende
hoogtes te plaatsen. De plaatsbare
hoogtes worden begrepen van laag naar
hoog (zie 2.1 Algemene beschrijving).
Interne verlichting
De interne verlichting van het apparaat
wordt ingeschakeld:
als de deur wordt geopend;
als een willekeurige functie wordt
gekozen, met uitzondering van de
functie .
Koelventilator
De ventilator zorgt voor de afkoeling van
de ovens, en wordt tijdens de bereiding in
werking gesteld.
De werking van de ventilator veroorzaakt
een normale luchtstroom die aan de
achterzijde van het apparaat naar buiten
komt, en die ook na de uitschakeling van
het apparaat nog kort kan doorgaan.
2.5 Beschikbare accessoires
Reductierooster
Handig voor het gebruik van kleine
pannen.
Reductierooster voor wok
Handig voor het gebruik van een wok.
Het is niet mogelijk om de
binnenverlichting uit te schakelen
als de deur is geopend.
Zorg er voor dat de openingen en
de spleten voor de ventilatie en de
warmte-afvoer niet verstopt raken.
Beschrijving
253
NL
Rooster
Nuttig voor het plaatsen van recipiënten
met voedsel in bereiding.
Rooster voor ovenschaal (enkel op
sommige modellen)
Om op een ovenschaal te zetten, voor het
bereiden van voedsel dat kan lekken.
Ovenschaal (enkel op sommige
modellen)
Nuttig voor het opvangen van vet dat
afkomstig is van het voedsel op het rooster
erboven.
Diepe ovenschaal
Nuttig voor het opvangen van vet dat
afkomstig is van het voedsel op het rooster
erboven.
Draaispit (enkel op sommige modellen)
Nuttig voor het bereiden van kip of voedsel
dat gelijkmatig moet worden bereid.
Temperatuursonde (enkel op sommige
modellen)
De temperatuursonde kan gebruikt worden
voor het bereiden aan de hand van de
temperatuur die deze in de kern van het
levensmiddel meet.
Beschrijving
254
Beschermkap (enkel op sommige
modellen)
Voor het afsluiten en beschermen van de
aansluiting van de temperatuursonde
wanneer deze niet gebruikt wordt.
Op sommige modellen zijn niet
alle accessoires aanwezig.
De ovenaccessoires die in contact
kunnen komen met het voedsel zijn
gemaakt van materialen conform
de van kracht zijnde
wetsbepalingen.
De originele bijgeleverde of
optionele accessoires kunnen
worden aangevraagd bij erkende
servicecentra. Gebruik alleen de
originele accessoires van de
fabrikant.
Gebruik
255
NL
3 Gebruik
3.1 Waarschuwingen
De temperatuur in de ovenruimte
kan tijdens het gebruik hoog
oplopen
Gevaar voor verbranding
• Houd de deur dicht tijdens de
bereiding.
• Bescherm de handen met ovenwanten
bij het hanteren van voedsel in de oven.
• Let op dat u de warmte-elementen in de
oven niet aanraakt.
• Giet geen water rechtstreeks op hete
ovenschalen.
Houd kinderen van jonger dan 8 jaar uit
de buurt wanneer de oven in werking is.
• Als er een ingreep nodig is aan het
gerecht of aan het einde van de
bereiding, de deur gedurende een
aantal seconden 5 centimeter openen,
de stoom laten ontsnappen en
vervolgens de deur volledig openen.
Incorrect gebruik.
Gevaar voor verbranding
• Controleer of de vlamverdelers met de
respectievelijke deksels correct in de
zittingen gepositioneerd zijn.
• Vetten en oliën kunnen vlam vatten bij
oververhitting. Wees heel voorzichtig.
De temperatuur in de bergruimte
kan hoog oplopen
Gevaar voor verbranding
• Open de bergruimte niet wanneer het
apparaat ingeschakeld of warm is.
De voorwerpen in de bergruimte kunnen
zeer heet zijn na het gebruik van het
apparaat.
• Bewaar geen ontvlambare materialen,
doeken of papier in de bergruimte.
Incorrect gebruik.
Beschadiging van de
oppervlakken
• Bedek de bodem van de ovenruimte
niet met aluminiumfolie.
• Als er bakpapier gebruikt wordt, moet
dit zo geplaatst worden dat de interne
circulatie van hete lucht in de ovenruimte
niet belemmerd wordt.
• Plaats geen pannen of ovenschalen
rechtstreeks op de bodem van de
ovenruimte.
• Gebruik de open deur niet als steun
door pannen of schalen direct op het
binnenglas te plaatsen.
• Giet geen water rechtstreeks op hete
ovenschalen.
• De pannen of de vleesroosters moeten
binnen de omtrek van de kookplaat
geplaatst worden.
• Alle pannen moeten een vlakke en
regelmatige bodem hebben.
• In geval van overstroming of overkoken
moet de vloeistof onmiddellijk van de
kookplaat verwijderd worden.
Gebruik
256
Voorzorgsmaatregelen
Lekkend gas kan een explosie
veroorzaken.
Wanneer u gas ruikt of als de gasinstallatie
lekt:
De gastoevoer onmiddellijk sluiten of het
ventiel van de gasfles onmiddellijk
dichtdraaien.
Open vuur en sigaretten onmiddellijk
uitdoven.
Geen schakelaars of apparaten
inschakelen en geen enkele stekker uit
het stopcontact verwijderen. Binnen het
gebouw geen (mobiele) telefoons
gebruiken.
Ramen openen en het vertrek luchten.
Contact opnemen met het
servicecentrum of uw gasbedrijf.
Onregelmatige werking
Elke van de volgende omstandigheden
moet als een onregelmatige werking
worden beschouwd en vereist een ingreep:
De branderplaat kleurt geel.
Beschadiging van het keukengerei.
Verkeerde ontsteking van de branders.
Branders blijven met moeite branden.
Uitschakeling van de branders tijdens de
werking.
De gaskranen kunnen moeilijk open of
dicht worden gedraaid.
Neem contact op met het erkende
servicecentrum bij u in de buurt als het
apparaat niet correct werkt.
Eerste gebruik
1. Verwijder eventuele beschermfolie aan
de binnen- en buitenzijde van het
apparaat en vanaf de accessoires.
2. Verwijder eventuele etiketten (met
uitzondering van het plaatje met de
technische gegevens) van de
accessoires en uit de ovenruimte.
3. Verwijder en was alle accessoires van
het apparaat (zie 4 Reiniging en
onderhoud).
4. Verwarm de oven op de maximale
temperatuur om eventuele
productieresten te verwijderen.
De temperatuur in de bergruimte
kan hoog oplopen
Brand- en ontploffingsgevaar
• Gebruik geen spuitbussen in de
nabijheid van het apparaat.
• Gebruik of laat geen ontvlambare
materialen achter in de nabijheid van
het apparaat of de bergruimte.
• Gebruik geen plastic vaatwerk of
pannen om voedsel te bereiden.
• Plaats geen blikken of gesloten pannen
in de ovenruimte.
• Laat het apparaat niet onbeheerd
tijdens bereidingen waarbij vetten en
oliën kunnen vrijkomen.
• Verwijder alle ovenschalen en roosters
die tijdens de bereiding niet gebruikt
worden uit de ovenruimte.
Gebruik
257
NL
3.2 Om energie te besparen
Verwarm de oven alleen voor als dit
vermeld staat in het recept.
Tenzij anders aangegeven op de
verpakking, moeten diepvriesproducten
eerst ontdooid worden voordat u ze in
de oven zet.
Bij meerdere bereidingswijzen wordt
geadviseerd om de gerechten achter
elkaar te bereiden, om optimaal te
profiteren van de al warme ovenruimte.
Gebruik bij voorkeur metalen en
donkerkleurige bakvormen; deze zullen
de warmte beter absorberen.
Verwijder alle ovenschalen en roosters
die tijdens de bereiding niet gebruikt
worden uit de ovenruimte.
Stop de bereiding enkele minuten
voordat de normale bereidingstijd
verstrijkt. De bereiding zal gedurende de
resterende minuten worden voortgezet
door de warmte die zich in de oven
heeft opgehoopt.
Open de deur van de oven zo weinig
mogelijk, zodat de warmte niet verloren
gaat.
Houd de ovenruimte altijd schoon.
3.3 Gebruik van de accessoires
Reductieroosters
De reductieroosters moeten op de roosters
van de kookplaat gelegd worden.
Controleer of deze correct gepositioneerd
zijn.
Gebruik
258
Roosters en ovenschalen
Roosters en ovenschalen moeten in de
zijgeleiders worden geplaatst tot aan het
eindpunt.
De mechanische veiligheidsblokkeringen,
die de ongewenste verwijdering van het
rooster voorkomen, moeten naar beneden
en naar de binnenzijde van de ovenruimte
gericht zijn.
Draaispit (enkel op sommige modellen)
1. Breng de 4 meegeleverde
draagstukken aan in de 4 gaten op de
hoeken van de diepe ovenschaal.
Draai ze met behulp van een
gereedschap (bijv. een
schroevendraaier) op de ringen vast.
2. Breng de steunen van het draaispit aan
in de draagstukken, zie de
onderstaande afbeelding.
Plaats de roosters en de schalen
voorzichtig in de ovenruimte, tot
aan hun stoppositie.
Maak de ovenschalen schoon
alvorens ze voor de eerste keer te
gebruiken, om eventuele
productieresten te verwijderen.
Gebruik
259
NL
3. Gebruik de bijgeleverde klemvorken
om het draaispit voor te bereiden. De
vorken kunnen bevestigd worden met
de bevestigingsschroeven.
4. Plaats het draaispit na de
voorbereiding op de desbetreffende
steunen. Plaats de punt van de stang in
de zitting van het mechanisme op de
linkersteun, tot aan zijn stoppositie.
5. Breng de ovenschaal aan op het eerste
vlak van het frame (zie “Algemene
beschrijving”).
6. Plaats de punt van de stang in de zitting
van het motortje van het draaispit, links
op de achterwand van de ovenruimte.
Deze handelingen moeten
uitgevoerd worden met de
uitgeschakelde en koude oven.
Gebruik
260
7. Activeer het draaispit door de
functieknop op te draaien en met
de temperatuurknop een
bereidingstemperatuur in te stellen.
8. Verwijder de ovenschaal met het
draaispit aan het einde van de
bereiding.
9. Om het draaispit makkelijk te kunnen
verplaatsen, moet de bijgeleverde en
daarvoor bestemde handgreep
vastgedraaid worden.
3.4 Gebruik van de kookplaat
Alle bedieningen en schakelaars bevinden
zich op het frontpaneel. Naast elke knop
wordt de bijhorende brander aangeduid.
Het apparaat is voorzien van een
elektronisch ontstekingsmechanisme. Het is
voldoende om op de knop te drukken en
hem linksom te draaien op het symbool van
de maximale vlam, tot de brander wordt
ingeschakeld. Draai de knop op als de
brander niet binnen 15 seconden wordt
ontstoken. Wacht vervolgens 60 seconden,
voordat u het nogmaals probeert. Na de
ontsteking moet de knop enkele seconden
ingedrukt gehouden worden, zodat het
thermokoppel kan opwarmen. Het kan
voorvallen dat de brander uitgaat wanneer
de knop wordt losgelaten: dit betekent dat
het thermokoppel onvoldoende is
opgewarmd.
Wacht enkele ogenblikken en herhaal de
handeling. Houd de knop langer ingedrukt.
Het wordt aanbevolen om een
beetje water in de ovenschaal te
gieten zodat rookvorming wordt
vermeden.
In geval van een toevallige
uitschakeling zorgt een
veiligheidssysteem voor de
blokkering van de gaslevering,
ook wanneer de kraan open staat.
Draai de knop op . Wacht
minstens 60 seconden, alvorens
de brander opnieuw te ontsteken.
Gebruik
261
NL
Correcte positie van de vlamverdelers en
van de deksels
Voordat de branders van de kookplaat
ingeschakeld worden, moet gecontroleerd
worden of de vlamverdelers correct met de
respectievelijke deksels gepositioneerd zijn.
Let op dat de openingen van de
vlamverdelers 1 overeenstemmen met de
thermokoppels 2 en de vonkontstekers 3.
Praktisch advies voor het gebruik van de
kookplaat
Voor een optimaal rendement van de
branders en een minimaal gasverbruik
moeten pannen gebruikt worden met een
deksel en die geschikt zijn voor de brander,
om te voorkomen dat de vlam langs de
zijkanten lekt.
Wanneer de vloeistof begint te koken, moet
de vlam laag gedraaid worden om te
vermijden dat de vloeistof overkookt.
3.5 Gebruik van de bergruimte
Onderaan het fornuis is er een bergruimte
die toegankelijk is door de handgreep naar
u toe te trekken. Deze bergruimte is geschikt
om pannen of metalen voorwerpen,
noodzakelijk voor het gebruik van het
apparaat, te bewaren.
3.6 Het gebruik van de oven
Inschakelen van de oven
Om de oven in te schakelen (modellen met
kookwekker):
1. Selecteer een handmatige bereiding
of stel de bereidingsduur in met de
timerknop. De regeling gebeurt
progressief, dus kunt u ook posities
selecteren tussen de aangeduide
waarden.
2. Selecteer de gewenste temperatuur met
de temperatuurknop.
3. Selecteer de gewenste bereidingsfunctie
met de functieknop.
4. Na de geprogrammeerde bereiding
wordt een geluidssignaal geactiveerd,
dat na een aantal seconden automatisch
wordt uitgeschakeld.
Diameter van de recipiënten:
AUX: 12 - 14 cm.
SR: 16 - 24 cm.
R: 18 - 26 cm.
UR2: 18 - 28 cm.
Gebruik
262
Om de oven in te schakelen (modellen met
programmeerklok)
1. Selecteer de gewenste bereidingsfunctie
met de functieknop.
2. Selecteer de gewenste temperatuur met
de temperatuurknop.
Lijst van de functies
Controleer of op de klok van de
programmeereenheid het symbool
van de bereidingsduur wordt
weergegeven. De oven kan niet
worden ingeschakeld als dit niet
het geval is.
Druk op de toets om de klok
van de programmeereenheid te
resetten.
Statisch
De warmte wordt gelijktijdig
bovenaan en onderaan afgegeven,
en maakt dit systeem geschikt voor
het bereiden van speciale types van
voedsel. De traditionele bereiding,
die ook statisch wordt genoemd, is
geschikt voor het klaarmaken van
één gerecht per keer. Het is ideaal
voor alle types van gebraden,
brood en gevulde taarten, en het is
vooral geschikt voor vet vlees zoals
gans en eend.
Geventileerde onderwarmte
Met de combinatie van ventilator en
alleen onderwarmte is de bereiding
sneller klaar. Dit systeem wordt
aanbevolen voor het steriliseren of
voor het voltooien van de bereiding
van voedsel dat reeds goed
oppervlakkig gaar is, maar nog niet
binnenin, en waarvoor dus een
gematigde bovenwarmte nodig is.
Ideaal voor elk type van voedsel.
Kleine grill (alleen op sommige
modellen)
Met deze functie kan door middel
van de warmte, enkel afkomstig van
het centrale element, kleine
hoeveelheden vlees en vis gegrild
worden om spiezen, toasts en
bijspijzen van groenten te bereiden.
Grill + draaispit (enkel op
sommige modellen)
Het draaispit werkt in combinatie
met de centrale grillweerstand,
zodat het voedsel een perfect
goudbruine kleur krijgt.
Gebruik
263
NL
Grill
Met de door de grillweerstand
afgegeven warmte, kunnen
uitstekende resultaten bereikt
worden zoals het roosteren van dun
en iets dikker vlees, en in combinatie
met het draaispit (indien aanwezig)
wordt op het einde van de
bereiding een uniforme goudbruine
kleur verkregen. Ideaal voor
worsten, ribbetjes en bacon. Met
deze functie kan een grote
hoeveelheid voedsel, en vooral
vlees, uniform gegrild worden.
Geventileerde grill
De lucht afkomstig van de ventilator
verzacht de krachtige
warmtegolven afkomstig van de
grill, zodat ook dik voedsel
uitstekend wordt gegrild. Ideaal
voor grote stukken vlees (bijv.
varkensscheenbeen).
Statisch+ventilator
De werking van de ventilator,
gecombineerd met de traditionele
bereiding, verzekert ook voor
ingewikkelde recepten homogene
bereidingen. Ideaal voor koekjes en
taarten, die ook gelijktijdig op
meerdere niveaus bereid kunnen
worden. (Voor bereidingen op
meerdere niveaus raden we u aan
om het 2e en het 4e niveau te
gebruiken).
Circulatie + ventilator
De combinatie van de ventilator en
het luchtcirculatie-element
(ingebouwd op de achterzijde van
de oven) maakt het koken van
voedsel over meerdere
steunhoogtes mogelijk, mits hiervoor
dezelfde temperatuur en hetzelfde
kookproces vereist is. De
warmeluchtcirculatie verzekert een
onmiddellijke en uniforme verdeling
van de warmte. Het is bijvoorbeeld
mogelijk om gelijktijdig (op
meerdere steunhoogtes) vis,
groenten en koekjes te bereiden,
zonder dat de geur en de smaak
gemengd worden.
Onderwarmte
De enkel van onder afkomstige
warmte voltooit de bereiding van
voedsel dat een hogere
basistemperatuur nodig heeft,
zonder dat dit gevolgen heeft voor
hun bruiningsgraad. Ideaal voor
gebak of hartige taarten, vlaaien en
pizza.
Snel ontdooien
Het snel ontdooien wordt
bevorderd door de activering van
een specifieke ventilator die een
uniforme verdeling van de lucht aan
de omgevingstemperatuur in de
ovenruimte garandeert. Ideaal voor
elk type van voedsel.
Gebruik
264
3.7 Gebruik van de temperatuursonde
(enkel op sommige modellen)
Eco
Deze functie wordt aanbevolen
voor de bereiding op één vlak, met
een laag energieverbruik.
Ideaal voor de bereiding van vlees,
vis en groenten. Niet geschikt voor
levensmiddelen die moeten rijzen.
Voor een maximale besparing van
de energie en een kortere
bereidingstijd wordt het aanbevolen
om de levensmiddelen in te
ovenruimte te plaatsen zonder deze
voor te verwarmen.
In de ECO-functie tijdens de
bereiding de deur niet openen.
In de ECO-functie duren de
bereidingstijden (en de eventuele
voorverwarming) langer.
Vapor Clean
Deze functie vergemakkelijkt het
schoonmaken
aan de hand van stoom afkomstig
van een kleine hoeveelheid water in
de daartoe voorziene houder op
de bodem.
De temperatuursonde wordt erg
heet
Gevaar op verbranding
• Na het gebruik van de sonde de staaf
of punt niet aanraken.
• De handen met hittebestendige
handschoenen beschermen wanneer u
de sonde gebruikt.
Incorrect gebruik
Gevaar voor beschadiging van
de oppervlakken
• De gelakte of verchroomde delen niet
bekrassen of beschadigen met de punt
of de stekker van de temperatuursonde.
Incorrect gebruik
Gevaar voor beschadiging van
het apparaat
• De sonde niet aanbrengen in de
openingen en de sleuven van het
apparaat.
• Controleer of het metalen
beschermdopje goed gesloten is
wanneer u de sonde niet gebruikt.
Gebruik
265
NL
U kunt de temperatuursonde gebruiken
voor de precieze bereiding van gebraad,
carrés, vlees in verschillende maten en
stukken.
De temperatuursonde maakt een perfecte
bereiding van de levensmiddelen mogelijk
dankzij een tijdige controle van de
kerntemperatuur van het gerecht.
De kerntemperatuur van het gerecht wordt
gemeten door een specifieke sensor die in
de punt is aangebracht.
Correcte applicatie van de sonde
1. Plaats het levensmiddel in een
ovenschaal.
2. Steek de punt van de sonde, nog buiten
de oven, in het levensmiddel.
3. Zorg er voor optimale resultaten voor dat
de temperatuursonde overdwars en voor
minstens 3/4 van de lengte in het dikte
deel van het levensmiddel is
aangebracht, zonder dat de sonde de
ovenschaal onder het levensmiddel raakt
of aan de andere kant uit het
levensmiddel steekt.
Incorrect gebruik
Gevaar voor persoonlijk letsel
• Laat de temperatuursonde niet
onbewaakt achter.
• Kinderen mogen niet met de sonde
spelen.
• Let goed op en zorg ervoor dat de
scherpe delen van de sonde geen letsel
kunnen veroorzaken.
Incorrect gebruik
Gevaar voor beschadiging van
de temperatuursonde
Niet aan de kabel trekken om de sonde
uit het contact of het levensmiddel te
verwijderen.
• Zorg ervoor dat de sonde of de kabel
ervan niet in de deur blijft haken.
• De wanden van de ovenruimte, de
verwarmingselementen en de hete
roosters en ovenschalen mogen niet met
een willekeurig deel van de sonde in
aanraking komen.
• De sonde mag niet in het apparaat
blijven wanneer deze niet wordt
gebruikt.
• Verzeker u ervan dat de stekker van de
sonde goed in het contact is gestoken.
• Gebruik de sonde niet voor het
aanbrengen of verwijderen van
levensmiddelen uit de ovenruimte.
Voor een exacte meting van de
kerntemperatuur van het gerecht
mag de punt van de sonde niet in
aanraking komen met botten of vet.
Gebruik
266
De bereiding met de temperatuursonde
instellen
Met voorverwarming:
1. Stel een handmatige bereiding in (zie
„Inschakeling van de hoofdoven”).
2. Open de deur aan het einde van de
voorverwarming en plaats de
ovenschaal met het te bereiden
levensmiddel op de specifieke geleiders.
3. Steek de stekker van de sonde in de
specifieke aansluiting aan de zijkant.
Gebruik de sonde om het kapje te
openen.
4. Sluit de deur.
5. Druk de toets een enkele seconde
in. Druk opnieuw op de toets . Het
display toont de standaard
doeltemperatuur , terwijl het
symbool knippert.
6. Druk op de toetsen en om de
doeltemperatuur in te stellen op een
waarde tussen de minimum- en
maximumwaarde.
7. Wacht een aantal seconden of druk op
de toets om de momentane door de
sonde gemeten temperatuur weer te
geven.
Voor bereidingen met de sonde
wordt een minimumtemperatuur
van de oven van 120°C
aanbevolen, met uitzondering van
de bereiding op lage temperatuur
(zie hfst. 3.8).
De temperatuur in de oven is
hoog tijdens gebruik
Gevaar op verbranding
• De handen met hittebestendige
handschoenen beschermen wanneer u
de sonde gebruikt.
Minimum doeltemperatuur:
komt overeen met de
momentane door de sonde
gemeten temperatuur plus 2°C.
Maximum doeltemperatuur:
99°C
Gebruik
267
NL
Nu kan de bereiding voortgezet worden
totdat de momentane door de sonde
temperatuur gelijk is aan de door de
gebruiker ingestelde doeltemperatuur.
Zonder voorverwarming:
1. Open de deur.
2. Plaats de ovenschaal met het te bereiden
levensmiddel waar de sonde in is
aangebracht in de oven.
3. Steek de stekker van de sonde in de
specifieke aansluiting aan de zijkant.
Gebruik de sonde om het kapje te
openen.
4. Stel de bereiding met sonde in zoals is
beschreven in de stappen 5, 6 en 7 van
de vorige paragraaf.
5. Stel een handmatige bereiding in door
de temperatuur en de bereidingsfunctie
te selecteren (zie „Inschakeling van de
hoofdoven”).
Tijdens de bereiding met de
temperatuursonde
1. Wanneer u de toets langdurig
ingedrukt houdt, wordt de timer
kookwekker geactiveerd. Druk opnieuw
op om de doeltemperatuur weer te
geven. Druk op de toetsen en
om de doeltemperatuur tijdens de
bereiding te regelen.
2. Druk opnieuw op of wacht 5
seconden om naar de bereidingswijze
terug te keren.
Aan het einde van de bereiding
Wanneer de ingestelde doeltemperatuur
voor de temperatuursonde is bereikt,
worden de verwarmingselementen
gedeactiveerd en het apparaat laat een
reeks geluidssignalen horen.
1. Druk op een van de toetsen van de klok
om het geluidssignaal te stoppen.
2. Open de deur.
3. Verwijder de sonde uit het levensmiddel
en de aansluiting.
4. Verwijder het levensmiddel uit de
ovenruimte.
5. Controleer of het beschermkapje goed
gesloten is.
Wanneer de temperatuursonde
gebruikt wordt, kan geen
geprogrammeerde bereiding of
een bereiding op tijd worden
ingesteld.
Tijdens de bereiding met de
temperatuursonde werken de
toetsen en niet.
Gebruik
268
3.8 Advies voor bereidingen
Algemeen advies
Gebruik de geventileerde functie voor
het verkrijgen van een gelijkmatige
bereidingsgraad op de verschillende
niveaus.
Het verhogen van de temperatuur verkort
niet de bereidingsduur (het voedsel zou
aan de buitenkant erg gaar kunnen zijn,
maar minder aan de binnenkant).
Advies voor het bereiden van
vleesgerechten
De bereidingstijden hangen af van de
dikte en van de kwaliteit van het voedsel,
en van de smaak van de consument.
Gebruik een vleesthermometer voor
gebraad, of druk met een lepel op het
gebraad. Als het gebraad stevig
aanvoelt is het klaar, anders moet de
bereiding nog een aantal minuten
doorgaan.
Advies voor bereidingen met de grill en
de geventileerde grill
Het grillen van vlees kan zowel
uitgevoerd worden bij koude als bij
voorverwarmde oven, als het resultaat
van de bereiding moet gewijzigd
worden.
Bij de functie van de geventileerde grill
wordt daarentegen aanbevolen om de
oven eerst voor te verwarmen.
Er wordt aanbevolen om het voedsel in
het midden van het rooster te plaatsen.
In de grillfunctie is het aanbevolen om de
temperatuurknop op de hoogste waarde
in te stellen (symbool ), voor een
optimale bereiding.
Voeg de kruiden toe vóór de bereiding.
Ook olie of vloeibare boter moet vóór
de bereiding toegevoegd worden.
Gebruik de ovenschaal op het eerste
vlak onderaan om de vloeistoffen
afkomstig van het grillen op te vangen.
Bereiding op lage temperatuur met
sonde
Deze bereiding wordt aangeraden voor
mals en mager vlees waarvoor de
kerntemperatuur niet hoger dan 65°C
mag zijn. Stel de temperatuur van de
oven tussen 90° en 100°C in. Met deze
instelling wordt de bereidingstijd
verlengd maar blijven de
kwaliteitseigenschappen van het
levensmiddel behouden en wordt een
bovenmatig krimpen van het vlees
vermeden.
• Voor een beter resultaat van de
bereiding op lage temperatuur, schroei
het vlees eerst aan beide kanten dicht
door het 1 of 2 minuten in de pan aan te
braden.
Advies voor het bereiden van gebak en
koekjes
Gebruik bij voorkeur metalen en
donkerkleurige bakvormen; deze zullen
de warmte beter absorberen.
De temperatuur en de duur van de
bereiding hangen af van de kwaliteit en
de dikte van het deeg.
Om te controleren of het gebak binnen
gaar is, kunt u aan het einde van de
bereiding een tandenstoker in het dikste
punt steken. Wanneer het deeg niet aan
de tandenstoker blijft plakken, is het
gebak gaar.
Gebruik
269
NL
Wanneer het gebak inzakt wanneer het
uit de oven wordt gehaald, moet bij de
volgende bereiding de temperatuur
ongeveer 10°C lager worden ingesteld,
en moet eventueel een langere kooktijd
geselecteerd worden.
Tijdens het bereiden van gebak of
groenten kan overmatige condens op de
ruit gevormd worden. Om dit te
vermijden, opent u de deur enkele keren
zeer voorzichtig tijdens de bereiding.
Advies voor het ontdooien en het rijzen
Plaats het ingevroren voedsel, zonder
verpakking en in een recipiënt zonder
deksel, op het eerste niveau van de
ovenruimte.
Vermijd opeenstapeling van
voedingsmiddelen.
Om vlees te ontdooien kunt u een rooster
gebruiken op het tweede niveau, en een
ovenschaal op het eerste niveau. Op
deze manier blijft het voedsel niet in
contact met de vloeistof van de
ontdooiing.
De meest delicate delen kunnen bedekt
worden met aluminiumfolie.
Voor het rijzen wordt aanbevolen om
onderin de ovenruimte een bakje met
water te zetten.
Om energie te besparen
Stop de bereiding enkele minuten
voordat de normale bereidingstijd
verstrijkt. De bereiding zal gedurende de
resterende minuten worden voortgezet
door de warmte die zich in de oven
heeft opgehoopt.
Open de deur van de oven zo weinig
mogelijk, zodat de warmte niet verloren
gaat.
Houd de binnenkant van het apparaat
altijd goed schoon.
3.9 Klok programmeereenheid
(enkel op sommige modellen)
Toets waarde lager
Toets klok
Toets waarde hoger
Controleer of op de klok van de
programmeereenheid het symbool
van de bereidingsduur wordt
weergegeven. De oven kan niet
worden ingeschakeld als dit niet
het geval is.
Druk op de toets om de klok
van de programmeereenheid te
resetten.
Gebruik
270
Instelling van de tijd
Bij het eerste gebruik of na een
stroomonderbreking zullen de cijfers
op het display van het apparaat
knipperen.
1. Houd de toets klok twee seconden
ingedrukt. De stip tussen de uren en de
minuten knippert.
2. Met de toetsen waarde hoger of
waarde lager kan de tijd ingesteld
worden. Houd de toets ingedrukt om
snel vooruit te gaan.
3. Wacht 7 seconden. De stip tussen de
uren en de minuten stopt met knipperen.
4. Het symbool op het display duidt
aan dat het apparaat klaar is om de
bereiding te starten.
Bereiding met tijdinstelling
1. Houd de kloktoets ingedrukt tot het
symbool wordt weergegeven.
1. Druk nogmaals op de kloktoets . Op
het display verschijnen het symbool
en het opschrift , afgewisseld
met de huidige tijd.
2. Druk op de toetsen hoger en lager
om de gewenste minuten voor de
bereiding in te stellen.
3. Selecteer een bereidingsfunctie en -
temperatuur.
4. Wacht ongeveer 5 seconden zonder op
een toets te drukken om de functie te
activeren. Op het display verschijnt de
actuele tijd samen met de symbolen
en .
Na de bereiding worden de
verwarmingselementen gedeactiveerd. Op
het display wordt het symbool
uitgeschakeld, knippert het symbool en
wordt een geluidssignaal geactiveerd.
5. Om het geluidssignaal uit te schakelen,
moet op een willekeurige toets van de
klok van de programmeereenheid
gedrukt worden.
De oven kan niet worden
ingeschakeld als de tijd niet is
ingesteld.
Houd de toetsen waarde hoger
en waarde lager
tegelijkertijd twee seconden
ingedrukt om de tijd te wijzigen.
Vervolgens kunt u de tijd regelen.
Met bereiding met tijdinstelling
wordt de functie bedoeld
waarmee u met de bereiding kunt
beginnen, en deze na een
ingestelde tijd kan doen eindigen.
Gebruik
271
NL
6. Druk op de kloktoets om de klok van
de programmeereenheid te resetten.
Geprogrammeerde bereiding
1. Stel de bereidingsduur in zoals
beschreven werd in de vorige paragraaf
“Bereiding met tijdinstelling”.
2. Houd de toets menu 2 seconden
ingedrukt.
3. Druk nogmaals op de toets menu .
Het display toont afwisselend de cijfers
en de tekst , terwijl
het symbool knippert (bijvoorbeeld
het actuele tijdstip is 17.30)
4. Druk op de toetsen of om de
gewenste minuten in te stellen.
(bijvoorbeeld 1 uur)
5. Druk op de toets menu . Op het
display verschijnt afgewisseld
door de actuele tijden de eerder
ingestelde bereidingsduur (bijvoorbeeld
het weergegeven tijdstip waarop de
bereiding eindigt is 18.30).
6. Met de toets of stelt u het tijdstip
voor het einde van de bereiding in.
(bijvoorbeeld 19.30).
7. Wacht ongeveer 7 seconden zonder op
een toets te drukken om de functie te
activeren. Op het display worden de
actuele tijd weergegeven. De symbolen
en gaan uit terwijl het lampje
gaat branden.
8. Selecteer een bereidingsfunctie en -
temperatuur.
9. Na de bereiding worden de
verwarmingselementen gedeactiveerd.
Op het display wordt het symbool
uitgeschakeld, knippert het symbool
en wordt een geluidssignaal
geactiveerd.
Het is niet mogelijk om een
bereidingsduur van meer dan
10 uur in te stellen.
Om de ingestelde programmering
te resetten moet gelijktijdig op de
toetsen hoger en lager
gedrukt worden, en moet de oven
handmatig uitgeschakeld worden.
Met geprogrammeerde bereiding
wordt de functie bedoeld
waarmee u op een vooraf
bepaalde tijd met de bereiding
kan beginnen, om ze na een
vooraf ingestelde periode te doen
eindigen.
Houd er daarbij rekening mee dat
aan de duur van de bereiding een
enkele minuut voor de
voorverwarming van de oven dien
te worden toegevoegd.
Gebruik
272
10. Draai de functie- en temperatuurknop
op 0.
11. Voor het dimmen van het geluidssignaal
is het voldoende te drukken op een
willekeurige toets van de klok van de
programmeereenheid.
12. Druk gelijktijdig op de toetsen en
om de ingestelde programmering
op nul te stellen.
Kookwekker
De kookwekker kan op elk gewenst
moment geactiveerd worden.
1. Houd de kloktoets gedurende
enkele seconden ingedrukt. Het display
toont de cijfers en het
knipperende symbool tussen de
uren en de minuten.
2. Druk op de toetsen hoger en lager
om de gewenste minuten in te
stellen.
3. Wacht ongeveer 5 seconden zonder
een toets in te drukken om de instelling
van de kookwekker te beëindigen. Op
het display verschijnen de huidige tijd en
de symbolen en .
Aan het einde van de ingestelde tijd wordt
een geluidssignaal ingeschakeld.
4. Druk op de toets lager om het
geluidssignaal uit te schakelen.
Het is niet mogelijk om een
bereidingsduur van meer dan
10 uur in te stellen.
Het is niet mogelijk om een
geprogrammeerde bereiding die
langer dan 24 uur duurt in te
stellen.
Wanneer u na de instelling de
resterende bereidingstijd wilt
weergeven, moet u 2 seconden
lang op de toets menu
drukken. Druk nogmaals op de
toets menu . Het display toont
afgewisseld door de
resterende bereidingstijd.
De kookwekker onderbreekt de
bereiding niet, maar waarschuwt
de gebruiker wanneer de
ingestelde minuten verstreken zijn.
U kunt de kookwekker vanaf 1
minuut tot maximaal 23 uur en
59 minuten instellen.
Gebruik
273
NL
Wijziging van de ingestelde gegevens
1. Druk op de kloktoets .
2. Druk op de toetsen hoger en lager
om de gewenste minuten in te
stellen.
Het annuleren van de ingestelde
gegevens
1. Druk op de kloktoets .
2. Houd de toetsen hoger en lager
tegelijkertijd ingedrukt.
3. Schakel de oven daarna handmatig uit
indien er een bereiding bezig is.
Selectie geluidssignaal
Het geluidssignaal kan op 3 verschillende
tonen worden ingesteld.
1. Houd de toetsen hoger en lager
tegelijkertijd ingedrukt.
2. Druk op de kloktoets .
3. Druk op de toets lager om een
ander geluidssignaal te selecteren.
Gebruik
274
Indicatieve tabel bereidingen
Gerechten
Gewicht
(Kg)
Functie Vlak
Temperatuur
(°C)
Tijd
(minuten)
Lasagne
3 - 4 Statisch 1 220 - 230 45 - 50
Pasta uit de oven
3 - 4 Statisch 1 220 - 230 45 - 50
Kalfsgebraad
2 Turbo/Circulatie 2 180 - 190 90 - 100
Varkenslende
2 Turbo/Circulatie 2 180 - 190 70 - 80
Worst
1,5 Geventileerde grill 4 260 15
Rosbief
1 Turbo/Circulatie 2 200 40 - 45
Gebraden konijn
1,5 Circulatie 2 180 - 190 70 - 80
Kalkoenbout
3 Turbo/Circulatie 2 180 - 190 110 - 120
Coppa in de oven
2 - 3 Turbo/Circulatie 2 180 - 190 170 - 180
Gebraden kip
1,2 Turbo/Circulatie 2 180 - 190 65 - 70
Zijde 1 Zijde 2
Varkenskoteletten
1,5 Geventileerde grill 4 260 15 5
Ribben
1,5 Geventileerde grill 4 260 10 10
Varkensspek
0,7 Grill 5 260 7 8
Varkensfilet
1,5 Geventileerde grill 4 260 10 5
Rundfilet
1 Grill 5 260 10 7
Zalmforel
1,2 Turbo/Circulatie 2 150 - 160 35 - 40
Zeeduivel
1,5 Turbo/Circulatie 2 160 60 - 65
Tarbot
1,5 Turbo/Circulatie 2 160 45 - 50
Pizza
1 Turbo/Circulatie 2 260 8 - 9
Brood
1 Circulatie 2 190 - 200 25 - 30
Focaccia
1 Turbo/Circulatie 2 180 - 190 20 - 25
Tulband/donut
1 Circulatie 2 160 55 - 60
Confituurtaart
1 Circulatie 2 160 35 - 40
Ricottataart
1 Circulatie 2 160 - 170 55 - 60
Gevulde tortellini
1 Turbo/Circulatie 2 160 20 - 25
Paradijstaart
1,2 Circulatie 2 160 55 - 60
Soezen/beignets
1,2 Turbo/Circulatie 2 180 80 - 90
Cake
1 Circulatie 2 150 - 160 55 - 60
Rijsttaart
1 Turbo/Circulatie 2 160 55 - 60
Brioches
0,6 Circulatie 2 160 30 - 35
De in de tabel weergegeven tijden zijn exclusief de voorverwarmingstijden, en zijn indicatief.
Gebruik
275
NL
Indicatieve tabel bereidingen met temperatuursonde (hoofdoven)
Type en stuk vlees Doeltemperatuur (°C)
Rundvlees
Rosbief: rood 50 - 53
Rosbief: medium gaar 55 - 58
Rosbief: doorbakken 65 - 70
Entrecote: rood* 50
Entrecote: medium gaar* 58
Entrecote: doorbakken 70
Varkensvlees
Varkensgebraad 80 - 85
Schouder 80 - 85
Braadworstjes** 75 - 80
Kalf
Kalfsgebraad 75 - 80
Gevogelte
Hele kip 80 - 85
Hele kalkoen 80 - 85
Kalkoensgebraad (heel of borst) 80 - 85
Lamsvlees
Lamsbout met bot (rood) 65
Lamsbout met bot (doorbakken) 75 - 80
Bereiding op lage temperatuur
Rundvlees/rosbief: rood*** 50 - 54
Rundvlees/rosbief: medium gaar*** 55 - 60
* De gegeven temperaturen kunnen variëren afhankelijk van de dikte van het filet.
** Voor voorverpakte levensmiddelen wordt een geschikte functie aanbevolen zodat het van buiten
goed geroosterd wordt.
*** We adviseren om het vlees enkele minuten in de pan aan te braden alvorens het in de oven te
plaatsen.
Reiniging en onderhoud
276
4 Reiniging en onderhoud
4.1 Waarschuwingen
Reiniging van de oppervlakken
Om de oppervlakken van het apparaat in
uitstekende staat te houden, moet u ze na
elk gebruik schoonmaken. Laat ze eerst
afkoelen.
Dagelijkse gewone reiniging
Gebruik altijd en uitsluitend specifieke
producten, die geen schurende of zure
stoffen op chloorbasis bevatten.
Giet het product op een vochtige doek en
wrijf het over het oppervlak, spoel
zorgvuldig af, en droog met een zachte
doek of met een microvezeldoek.
Voedselresten of -vlekken
Gebruik nooit metalen sponzen of scherpe
schrapers om te voorkomen dat de
oppervlakken beschadigd worden.
Gebruik normale en niet-schurende
producten, eventueel met behulp van
houten of plastic keukengerei. Spoel
zorgvuldig af en droog met een zachte
doek of met een microvezeldoek.
Laat etensresten op basis van suiker (bijv.
marmelade) in het apparaat niet opdrogen,
dit kan het email binnenin aantasten.
Incorrect gebruik.
Beschadiging van de
oppervlakken
• Gebruik geen stoomstraal om het
apparaat te reinigen.
• Gebruik op de stalen delen of de delen
waarvan het oppervlak met metalen
afwerkingen werd behandeld (bijv.
elektrolytische oxidaties, vernikkeling,
verchroming) geen producten die
chloor, ammoniak of bleekmiddel
bevatten.
• Gebruik geen schurende of bijtende
middelen op de glazen onderdelen
(bijv. poeders, ontvlekkers of
metaalsponsjes).
• Gebruik geen ruw, schurend of scherp
materiaal.
• Stop de verwijderbare onderdelen,
zoals de roosters van de kookplaat, de
vlamverdelers en de deksels niet in de
vaatwasser.
Er wordt aanbevolen om
reinigingsproducten van de
fabrikant te gebruiken.
Na het schoonmaken moet het
apparaat zorgvuldig
drooggemaakt, omdat eventuele
druppels reinigingsmiddel en
water de correcte werking van het
apparaat kunnen schaden en het
uiterlijk kunnen aantasten.
Reiniging en onderhoud
277
NL
4.2 Reiniging van de kookplaat
Roosters
Verwijder de roosters en reinig ze met lauw
water en een niet schurend
reinigingsmiddel. Verwijder alle afzettingen.
Droog de roosters en plaats ze terug.
Vlamverdelers en deksels
De deksels en de vlamverdelers kunnen
verwijderd worden om de reiniging te
vergemakkelijken. Reinig deze delen met
behulp van heet water en een niet-schurend
reinigingsmiddel. Verwijder zorgvuldig alle
afzettingen en wacht tot alles perfect droog
is. Monteer de vlamverdelers weer, en
controleer of ze correct gepositioneerd zijn
in de zittingen met de respectievelijke
deksels.
Vonkontstekers en thermokoppels
Voor een goede werking moeten de
vonkontstekers en de thermokoppels steeds
rein gehouden worden. Controleer ze
regelmatig, en reinig ze indien nodig met
een vochtige doek. Eventuele droge resten
moeten verwijderd worden met een houten
tandenstoker of met een naald.
Knoppen
De knoppen moeten gereinigd worden met
een zachte doek, met lauw water, en
moeten daarna goed gedroogd worden.
Ze kunnen verwijderd worden door ze uit
hun zitting te trekken.
De roosters staan steeds in contact
met de vlam waardoor de glans
van de delen van het staal, die het
meest de warmte moeten
verdragen, mettertijd kan
verdwijnen. Dit is een normaal
verschijnsel dat de functionaliteit
van dit onderdeel absoluut niet
schaadt.
Gebruik voor de reiniging van de
knoppen geen agressieve
producten die alcohol bevatten of
producten voor de reiniging van
staal en van glas, omdat deze
permanente schade kunnen
veroorzaken.
Reiniging en onderhoud
278
4.3 Reiniging van de deur
Demontage van de deur
Om de reiniging van de oven te
vergemakkelijken, kunt u de ovendeur
verwijderen en op een theedoek leggen.
Ga voor de verwijdering van de deur als
volgt te werk:
1. Open de deur volledig en plaats de
twee pinnetjes in de openingen van de
scharnieren zoals op de afbeelding.
2. Neem de deur aan beide kanten en met
beide handen vast, hef ze op aan een
hoek van ongeveer 30°, en verwijder ze.
3. Om de deur weer te monteren, moeten
de scharnieren in de daarvoor bestemde
openingen in de oven geplaatst worden,
zodat de gleuven A helemaal op de
openingen steunen. Laat de deur zakken
zodat ze geplaatst wordt, en verwijder
de pinnetjes uit de openingen in de
scharnieren.
Reiniging van de ruiten van de deur
Er wordt aangeraden om deze steeds
schoon te houden. Gebruik absorberend
keukenpapier. Gebruik in geval van
hardnekkig vuil een vochtige spons en een
gewoon reinigingsmiddel.
Reiniging en onderhoud
279
NL
Demontage van de binnenruiten
Voor een gemakkelijke schoonmaak,
kunnen de binnenruiten van de deur
worden gedemonteerd.
1. Open de deur.
2. Plaats de borghaken in de gaten van de
scharnieren om de onbedoelde sluiting
van de deur te voorkomen.
3. Verwijder de interne ruit door deze
achteraan voorzichtig naar boven te
trekken en volg de beweging die wordt
aangeduid door de pijlen (1).
4. Schuif de interne ruit uit de lijst aan de
voorkant (2) om de ruit uit de deur te
verwijderen.
5. Verwijder de tussenruit door deze op te
heffen.
6. Maak de buitenruit schoon, evenals de
voorheen verwijderde ruiten. Gebruik
absorberend keukenpapier. In geval van
hardnekkig vuil moet een vochtige spons
en een neutraal reinigingsmiddel
gebruikt worden.
7. Breng aan het einde van de reiniging de
tussenruit weer op diens plaats in de
deur aan.
8. Breng de interne ruit aan door de
bovenkant in de lijst van de deur te
schuiven en druk de 2 pennen aan de
achterkant voorzichtig op hun plaats.
Reiniging en onderhoud
280
4.4 Reiniging van de ovenruimte
Om de ovenruimte in goede staat te
houden, moet hij na afkoeling regelmatig
gereinigd worden.
Laat geen voedselresten in de ovenruimte
opdrogen aangezien daardoor de lak
beschadigd kan raken.
Verwijder de uitneembare delen alvorens
de ovenruimte te reinigen.
Voor een eenvoudige reiniging wordt
aanbevolen om het volgende te
demonteren:
de deur
de frames voor roosters/ovenschalen
de pakking
Verwijderen van de geleiderframes voor
de roosters/ovenschalen
Als de geleiderframes voor de roosters/
ovenschalen worden verwijderd, kan de
reiniging van de zijdelen makkelijker
uitgevoerd worden.
Om de geleiderframes voor de roosters/
ovenschalen te verwijderen:
Trek het frame naar de binnenkant van
de oven zodat het uit de
klemverbinding A komt, en verwijder het
uit de zittingen achteraan B.
Herhaal na de reiniging de net
beschreven handelingen om de
geleiderframes voor de roosters/
ovenschalen weer aan te brengen.
Als specifieke reinigingsmiddelen
gebruikt worden, wordt
aanbevolen om de oven circa
15/20 minuten op de maximale
temperatuur te laten werken om
eventuele resten te verwijderen.
Reiniging en onderhoud
281
NL
4.5 Vapor Clean
Voorbereiding
Voordat de reinigingscyclus Vapor Clean
wordt gestart:
Verwijder alle accessoires uit de oven.
Giet ongeveer 40cc water in de
ovenschaal. Let op dat het water niet uit
de uitsparing komt.
Sproei met een spray een oplossing van
water en afwasmiddel op de
binnenzijde van de oven. Sproei op de
zijwanden, de bovenwand, het
bodemvlak en de deflector.
Sluit de deur.
Vapor Clean is een
reinigingsprocedure die de
verwijdering van vuil
vergemakkelijkt. Dankzij deze
procedure is het mogelijk om de
binnenzijde van de oven uiterst
eenvoudig te reinigen. De
vuilresten worden verzacht door
de warmte en door de
waterdamp, zodat ze makkelijker
kunnen verwijderd worden.
Incorrect gebruik.
Beschadiging van de
oppervlakken
Verwijder voedselresten of gemorste
sporen van vroegere bereidingen
binnenin de oven.
Voer deze reinigingsprocedure alleen
uit als de oven afgekoeld is.
Er wordt aanbevolen om
maximaal 20 maal te sproeien.
Reiniging en onderhoud
282
Instelling van de functie Vapor Clean
1. Draai de functieknop op het symbool
en draai de temperatuurknop op
het symbool .
2. Modellen met kookwekker: stel een
bereidingsduur van 18 minuten in met
behulp van de timerknop.
2. Modellen met klok
programmeereenheid: stel een
bereidingsduur van 18 minuten in op
de klok van de programmeereenheid.
Een enkele seconde na de laatste
handeling met de toetsen van de klok,
begint de Vapor Clean-reinigingscyclus.
3. Aan het einde van de Vapor Clean-
cyclus zal de timer de
verwarmingselementen van de oven
uitschakelen, zal het geluidssignaal
afgaan en zullen de cijfers op het
display van de klok-
programmeereenheid gaan knipperen.
Einde van de reinigingscyclus Vapor
Clean
4. Open de deur en verwijder het minst
hardnekkige vuil met een
microvezeldoek.
5. Gebruik een sponsje met
messingdraden voor het hardnekkige
vuil.
6. Voor vetresten kunt u een specifiek
ovenreinigingsproduct gebruiken.
7. Verwijder het resterende water uit de
oven.
Voor een betere hygiëne en om te
vermijden dat het voedsel een
onaangename geur krijgt, wordt
aanbevolen om de oven te drogen door
een geventileerde functie ongeveer
10 minuten in te schakelen op 160 °C.
Draag rubberen handschoenen
tijdens deze werkzaamheden.
Om de handmatige reiniging van
moeilijk bereikbare delen te
vereenvoudigen, is het raadzaam
de deur te verwijderen.
Reiniging en onderhoud
283
NL
4.6 Buitengewoon onderhoud
Vervanging van de lamp voor de
binnenverlichting
1. Verwijder alle accessoires uit de oven.
2. Verwijder de geleiderframes voor
roosters/ovenschalen.
3. Verwijder de kap van de lamp met
gereedschap (bijv. een
schroevendraaier).
4. Draai de lamp los en verwijder ze.
5. De nieuwe lamp aanbrengen.
6. Hermonteer het deksel. Houd de
geprofileerde binnenkant van het
glas (A) naar de deur toe gericht.
7. Druk de kap stevig aan zodat deze
perfect op de fitting aansluit.
Onder elektrische spanning
staande delen
Gevaar voor elektrische schok
Schakel de stroomtoevoer naar het
apparaat uit.
De ovenruimte is voorzien van een
40W-lamp.
Zorg ervoor dat het email op de
wanden van de ovenruimte geen
krassen oplopen.
Raak de halogeenlamp niet direct
met uw vingers aan, gebruik altijd
isolerend materiaal.
Reiniging en onderhoud
284
Demontage en hermontage van de
pakking
De pakking demonteren:
Haak de op de 4 hoeken en centraal
geplaatste haken los en trek de pakking
naar buiten.
De pakking monteren:
Haak de haken in de 4 hoeken en in het
midden van de pakking vast.
Advies voor het onderhoud van de
pakking
De pakking moet elastisch en zacht zijn.
Gebruik een niet-schurende spons en
lauwwarm water om de pakking schoon
te houden.
Installatie
285
NL
5 Installatie
5.1 Gasaansluiting
Algemene informatie
De aansluiting op het gasnet kan
uitgevoerd worden met een flexibele stalen
buis op een rechte wand, en volgens de
voorschriften die aangeduid worden door
de van kracht zijnde norm. Het apparaat
werd gekeurd voor methaan G20 (2H) met
een druk van 20 mbar.
Raadpleeg voor de voeding met andere
gastypes het hoofdstuk “5.2 Aanpassing
aan de verschillende gastypes”. De
toevoeraansluiting van het gas heeft een
schroefdraad ½” gas extern (ISO 228-1).
Aansluiting met rubberleiding
Controleer of er wordt voldaan aan alle
volgende voorwaarden:
• de slang moet met veiligheidsklemmen
op de slangaansluiting bevestigd zijn;
• de slang mag op geen enkel punt in
aanraking komen met hete wanden
(max. 50 °C);
de slang mag niet onderworpen worden
aan trekkrachten of spanningen, en mag
geen scherpe bochten of vernauwingen
vertonen;
• de leiding mag niet in aanraking komen
met snijdende voorwerpen of scherpe
randen;
• indien de slang niet perfect dicht is en
dus de oorzaak is van gaslekkage in de
omgeving, mag niet getracht worden de
slang te repareren maar moet deze met
een nieuwe slang vervangen worden;
• controleer of de vervaldatum van de
leiding, die wordt aangeduid op de
leiding zelf, niet overschreden werd.
Voer de aansluiting op het gasnetwerk uit
met een rubberslang conform de
kenmerken van de geldende norm
(controleer of de afkorting van deze norm
op de slang wordt aangegeven).
Gaslek
Explosiegevaar
• Controleer na elke ingreep of het
aandraaimoment van de
gasaansluitingen zich tussen 10 Nm en
15 Nm bevindt.
Gebruik, waar dit wordt gevraagd, een
drukregelaar in overeenstemming met
de van kracht zijnde norm.
• Na de installatie moet u eventuele
lekken opsporen met een
zeepoplossing, maar nooit met een
vlam.
• Het aansluiten met een flexibele buis
moet zodanig uitgevoerd worden dat
de lengte van de buis niet langer is dan
2 meter bij maximale uitschuiving voor
flexibele stalen buizen en 1,5 meter
voor rubberen buizen.
• De buizen mogen niet in aanraking
komen met beweegbare delen, en
mogen niet geplet worden.
• De regelingsvoorwaarden voor dit
apparaat staan vermeld op het etiket
voor de regeling van het gas.
Installatie
286
Draai de slangaansluiting 3 zorgvuldig vast
op de gasaansluiting 1 (schroefdraad ½”
ISO 228-1) van het apparaat, en breng de
pakking 2 aan. Afhankelijk van de diameter
van de gebruikte gasleiding kan ook de
slangaansluiting 4 vastgedraaid worden op
de slangaansluiting 3. Plaats, als de
slangaansluiting(en) is(zijn) vastgedraaid,
de gasleiding 6 op de slangaansluiting en
bevestig ze met de klem 5 conform de van
kracht zijnde norm.
Aansluiting met een flexibele stalen slang
Voer de aansluiting op het gasnet uit met
een flexibele stalen slang met continue
wand, conform de kenmerken van de
geldende norm.
Draai de aansluiting 3 zorgvuldig op de
gasaansluiting 1 van het apparaat, en
breng de pakking 2 ertussen aan.
Aansluiting met een flexibele stalen buis
met bajonetsluiting
Voer de aansluiting op het gasnet uit met
behulp van een flexibele stalen buis met
bajonetsluiting, in overeenstemming met
B.S. 669. Breng isolerend materiaal aan op
de schroefdraad van de gasleiding 4, en
draai de adapter 3 vast. Draai het blok vast
op de mobiele verbinding 1 van het
apparaat, en voorzie steeds de
bijgeleverde pakking 2.
De aansluiting met rubberleiding
conform de van kracht zijnde
normen mag enkel uitgevoerd
worden wanneer de leiding over
de volledige lengte geïnspecteerd
kan worden.
De binnendiameter van de buis
moet 8 mm zijn voor vloeibaar gas
en 13 mm voor methaan en
stadsgas.
Installatie
287
NL
Aansluiting op LPG
Gebruik een drukregelaar, en realiseer de
aansluiting op de gasfles volgens de
voorschriften die bepaald worden door de
geldende normen.
De toevoerdruk moet de waarden
respecteren die worden aangeduid in de
tabel “Type gas en toebehorende landen”.
Aansluiting met een flexibele stalen slang
met conische verbinding
Voer de aansluiting op het gasnet uit met
een flexibele stalen slang met continue
wand, conform de kenmerken van de
geldende norm.
Draai de verbinding 3 zorgvuldig vast op
de gasaansluiting 1 (schroefdraad ½”
ISO 228-1) van het apparaat, en breng
altijd de bijgeleverde pakking 2 aan. Breng
isolatiemateriaal aan op de schroefdraad
van de verbinding 3, en draai de flexibele
stalen slang 4 vast op de verbinding 3.
Ventilatie van de vertrekken
Het apparaat mag enkel in permanent
geventileerde ruimten worden
geïnstalleerd, zoals voorzien wordt door
de toepasselijke normen. In de ruimte waar
het apparaat geïnstalleerd is, moet
voldoende luchttoevoer aanwezig zijn die
nodig is voor de regelmatige
gasverbranding en de luchtverversing van
de ruimte zelf. De luchtinlaatopeningen, die
beschermd worden door roosters, moeten
afmetingen hebben in overeenstemming
met de van kracht zijnde normen en moeten
zodanig geplaatst zijn dat ze niet, ook niet
gedeeltelijk, geblokkeerd zijn.
De ruimte moet goed geventileerd worden
zodat de hitte en de vochtigheid, die door
de bereidingen geproduceerd worden,
geëlimineerd kunnen worden: vooral nadat
het apparaat lang niet gebruikt is, wordt
aanbevolen om een venster te openen of
om de snelheid van eventuele ventilatoren
te verhogen.
Afvoer van de verbrandingsproducten
De afvoer van de verbrandingsproducten
kan verzekerd worden door middel van
afzuigkappen, die aangesloten zijn op een
rookkanaal met een efficiënte natuurlijke
trek of met een geforceerde afzuiging. Een
efficiënt afzuigsysteem moet zorgvuldig
ontworpen worden door een daarvoor
bevoegde specialist, in overeenstemming
met de in de normen aangegeven posities
en afstanden.
Dit apparaat is niet aangesloten op
een apparaat voor afvoer van de
verbrandingsproducten. Het moet
geïnstalleerd en aangesloten
worden in overeenstemming met de
geldende installatievoorschriften. Er
moet speciale aandacht worden
besteed aan de ventilatie-eisen.
Installatie
288
Na de handeling moet de installateur een
conformiteitscertificaat afgeven.
1 Evacuatie door middel van een
afzuigkap
2 Evacuatie zonder afzuigkap
A Evacuatie in enkel rookkanaal met
natuurlijke trek
B Evacuatie in enkel rookkanaal met
elektrische ventilator
C Evacuatie rechtstreeks in de atmosfeer
met elektrische ventilator op de wand of in
de ruit
D Evacuatie rechtstreeks in de atmosfeer via
de wand
Lucht
Verbrandingsproducten
Elektrische ventilator
5.2 Aanpassing aan de verschillende
gastypes
Wanneer andere gastypes worden
gebruikt, moeten de gasmondstukken op
de branders vervangen worden en moet de
lage vlam op de gaskranen afgesteld
worden.
Vervanging van de gasmondstukken
1. Verwijder de roosters, de deksels en de
vlamverdelers om de branderdoppen te
bereiken.
2. Vervang de straalpijpen met behulp van
een sleutel 7 mm naargelang het
gebruikte gas (zie Type gas en
toebehorende landen).
3. Plaats de branders weer op de juiste
manier in hun zittingen.
Installatie
289
NL
Regeling van het minimum voor methaan
of stadsgas
Schakel de brander in en stel in op de
minimale positie. Verwijder de knop van de
gaskraan, en handel op de regelschroef
die zich naast het staafje van de kraan
bevindt (afhankelijk van het model) tot een
regelmatige minimum vlam wordt
verkregen.
Plaats de knoppen terug en controleer de
stabiliteit van de vlam van de brander.
Draai de knop snel vanaf de maximum
positie naar de minimum positie: de vlam
zou niet mogen uitgaan. Herhaal deze
handeling voor alle gaskranen.
Regeling van het minimum voor
vloeibaar gas
Draai de schroef naast het staafje van de
kraan helemaal rechtsom.
Smering van de gaskranen
Het kan zijn dat de gaskranen mettertijd
moeilijk draaien en geblokkeerd raken.
Reinig ze van binnen en vervang het
smeervet.
Na de regeling met een ander gas
dan het gas dat in de fabriek werd
afgesteld moet het etiket voor de
regeling van het gas, dat is
aangebracht op het apparaat,
vervangen worden door het etiket
voor het nieuwe gas. Het etiket is
bij de gasmondstukken gevoegd
(indien aanwezig).
Laat de gaskranen door een
gespecialiseerde technicus
smeren.
Installatie
290
Type gas en toebehorende landen
Type gas
IT GB-IE FR-BE DE AT NL ES PT SE RU DK PL HU
1 Methaan G20
G20 20 mbar
•• ••••••
G20/25 20/25 mbar
2 Methaan G20
G20 25 mbar
3 Methaan G25
G25 25 mbar
G25.3 25 mbar
4 Methaan G25.1
G25.1 25 mbar
5 Methaan G25
G25 20 mbar
6 Methaan G2.350
G2.350 13 mbar
7 Vloeibaar gas G30/31
G30/31 28/37 mbar
••
G30/31 30/37 mbar
••
G30/31 30/30 mbar
••
8 Vloeibaar gas G30/31
G30/31 37 mbar
9 Vloeibaar gas G30/31
G30/31 50 mbar
••
10 Stadsgas G110
G110 8 mbar
••
Het is mogelijk om de gastypen
vast te stellen die in het land van
installatie van het apparaat
beschikbaar zijn. Zie het nummer
in de aanhef voor de juiste
waarden in de “Type gas en
toebehorende landen”.
Installatie
291
NL
Tabel eigenschappen branders en gasmondstukken
1 Methaan G20 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.0 1.8 3.0 4.2
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
72 97 120 145
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
(X) (Z) (H9) (F3)
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1400
2 Methaan G20 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.1 1.8 3.0 4.2
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
72 94 110 145
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
(X) (Z) (H8) (H3)
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1900
3 Methaan G25 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.0 1.8 3.0 4.2
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
72 94 121 143
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
(F1) (Y) (F2) (F2)
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1400
4 Methaan G25.1 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.1 1.8 3.0 4.2
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
77 100 134 152
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
(F1) (Y) (F3) (F3)
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1400
5 Methaan G25 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.0 1.8 3.0 4.0
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
77 100 134 165
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
(F1) (Y) (F3) (H3)
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1400
6 Methaan G2.350 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.0 1.8 2.9 3.8
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
94 120 165 190
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
(Y) (Y) (F3) (F3)
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1400
Installatie
292
De gasmondstukken die niet worden bijgeleverd kunt u bestellen bij erkende servicecentra.
7 Vloeibaar gas G30/31 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.0 1.8 3.0 4.0
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
50 65 85 100
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
----
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1400
Nominaal verbruik G30 (g/h)
73 131 218 291
Nominaal verbruik G31 (g/h)
71 129 214 286
8 Vloeibaar gas G30/31 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.1 1.9 3.0 4.2
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
50 65 81 95
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
----
Gereduceerd verbruik (W)
450 550 900 1500
Nominaal verbruik G30 (g/h)
80 138 218 305
Nominaal verbruik G31 (g/h)
79 136 214 300
9 Vloeibaar gas G30/31 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.0 1.8 3.0 4.1
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
43 58 74 80
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
(H2) (M) (Z) (F4)
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 1000 1500
Nominaal verbruik G30 (g/h)
73 131 218 298
Nominaal verbruik G31 (g/h)
71 129 214 293
10 Stadsgas G110 AUX SR R UR2
Nominaal warmteverbruik (kW)
1.0 1.8 2.9 3.4
Diameter van het gasmondstuk (1/100 mm)
145 185 260 340
Voorkamer (gedrukt op gasmondstuk)
/8 /2 /3 0190
Gereduceerd verbruik (W)
400 500 800 1200
Installatie
293
NL
5.3 Plaatsing
Dit apparaat kan geïnstalleerd worden
tegen wanden die hoger zijn dan het
werkblad, op een minimale afstand van
X mm van de zijkant van het apparaat,
zoals wordt aangeduid in de afbeeldingen
A” en “C” betreffende de installatieklassen.
Keukenkastjes die zich boven het werkblad
van het apparaat bevinden, moeten zich
op een afstand van minstens Y mm
bevinden. Bij gebruik van een afzuigkap
boven de kookplaat dient de
gebruiksaanwijzing van de afzuigkap te
worden geraadpleegd om de correcte
afstand te bepalen.
Dit apparaat behoort, afhankelijk van het
installatietype, tot de klasse:
A - Klasse 1
(Apparaat vrije installatie)
Zwaar apparaat
Pletgevaar
Plaats het apparaat met behulp van een
tweede persoon in het meubel.
Druk op de open deur
Gevaar voor beschadiging van
het apparaat
Gebruik de open deur niet als hefboom
om het apparaat in het meubel te
plaatsen.
• Oefen niet te veel kracht uit op de
geopende deur.
Warmteontwikkeling tijdens
werking van het apparaat
Brandgevaar
• Fineerafwerkingen, kleefstoffen of
plastic bekledingen van aangrenzende
meubels moeten warmtebestendig zijn
(ten minste 90 °C).
X 150 mm
Y 750 mm
Installatie
294
B - Klasse 2 subklasse 1
(Ingebouwd apparaat)
C - Klasse 2 subklasse 1
(Ingebouwd apparaat)
Afmetingen van het apparaat
1
Minimumafstand tot zijwanden of andere
ontvlambare materialen.
2
Minimumbreedte inbouwkast (=A).
Het apparaat moet geïnstalleerd
worden door een bevoegd
technicus, en volgens de van
kracht zijnde normen.
A 900 mm
B 600 mm
C
1
min. 150 mm
D 900 - 915 mm
H 750 mm
I 450 mm
L
2
900 mm
Installatie
295
NL
Afmetingen van het apparaat: plaats van
de gas- en elektriciteitsaansluitingen (mm)
E = Elektrische aansluiting
G = Gasaansluiting
Plaatsing en nivellering
Na voltooiing van de elektrische
aansluiting, worden de vier meegeleverde
voeten op het apparaat geschroefd.
Voor de stabiliteit is het absoluut
noodzakelijk dat het apparaat correct
genivelleerd wordt op de ondergrond.
Schroef de voeten onderaan tot het
apparaat stabiel staat en genivelleerd is.
A 124
B 38
C 42
D 634
F min. 70 - max. 110
H 809
L 898
Zwaar apparaat
Gevaar voor beschadiging van
het apparaat
• Plaats eerst de voorste voetjes en
daarna de achterste.
Installatie
296
Bevestiging op de wand
1. Schroef het bevestigingsplaatje voor
de bevestiging op de muur vast op de
achterzijde van het apparaat.
2. Regel de hoogte van de 4 voetjes.
3. Assembleer de bevestigingsbeugel.
4. Lijn de onderkant van de haak van de
bevestigingsbeugel uit met de
onderkant van de rand van het
bevestigingsplaatje aan de muur.
Om omvallen van het apparaat te
voorkomen, moeten de
stabilisatoren worden
geïnstalleerd.
Installatie
297
NL
5. Lijn de onderkant van de
bevestigingsbeugel uit met de grond en
draai de schroeven vast om de
afmetingen vast te stellen
6. Houd tussen de zijkant van het
apparaat en de gaten van de beugel
50 mm vrij.
7. Plaats de beugel op de muur en
markeer de punten waar gaten in de
muur moeten worden geboord.
8. Boor de gaten. Zet de beugel met
pluggen en schroeven aan de muur
vast.
9. Duw het fornuis naar de muur en breng
tegelijkertijd de beugel aan in het
plaatje bevestigd op de achterzijde
van het apparaat.
Installatie
298
Montage van de plint
De plint moet altijd correct gepositioneerd
en bevestigd worden op het apparaat.
1. Draai de 4 schroeven (A) aan de
achterzijde van de kookplaat (2 aan
elke kant) los met een schroevendraaier.
2. Plaats de plint op de plaat.
3. Lijn de openingen van de plint (B) uit met
de schroeven (A).
4. Bevestig de plint op het vlak met de
4 eerder losgedraaide schroeven.
5.4 Elektrische aansluiting
Algemene informatie
Controleer of de kenmerken van het
elektriciteitsnet overeenstemmen met de
gegevens op het typeplaatje.
Het typeplaatje bevat de technische
gegevens, het serienummer en de CE-
markering en is zichtbaar op het apparaat
aangebracht.
Dit plaatje mag nooit verwijderd worden.
Zorg voor de aardverbinding met een
kabel die ten minste 20 mm langer is dan
de andere kabels.
De bijgeleverde plint is een
integrerend deel van het product.
Ze moet op het apparaat
bevestigd worden voordat het
apparaat zelf wordt geïnstalleerd.
Elektrische spanning
Gevaar voor elektrische schok
• Laat het apparaat aansluiten door
gekwalificeerd technisch personeel.
• Gebruik een persoonlijk
beschermingsmiddel.
De aarding moet verplicht aangebracht
worden volgens de voorziene
veiligheidsnormen van de elektrische
installatie.
• Schakel de stroomtoevoer uit.
• Trek nooit aan de kabel om de stekker
uit het stopcontact te halen.
• Gebruik kabels die bestand zijn tegen
temperaturen van minstens 90 °C.
• Het aandraaimoment van de schroeven
van de stroomgeleiders van het
klemmenbord moet 1,5-2 Nm
bedragen.
Installatie
299
NL
Het apparaat kan op de volgende
manieren functioneren:
220-240 V 1N~
Driepolige kabel 3 x 1,5 mm².
Vaste aansluiting
Installeer een meerpolige schakelaar voor
de netvoeding, met een openingsafstand
tussen de contacten van minimaal 3 mm,
overeenkomstig de installatievoorschriften.
De schakelaar dient op een eenvoudig te
bereiken plaats en in de nabijheid van het
apparaat te zijn aangebracht.
Aansluiting met stekker en stopcontact
Controleer of de stekker en het
stopcontact van hetzelfde type zijn.
Gebruik geen verloopstekkers, adapters
of aftakkingen, omdat ze oververhitting
of brand zouden kunnen veroorzaken.
5.5 Voor de installateur
• De stekker moet na de installatie
toegankelijk blijven. De kabel voor de
verbinding met het stroomnet mag niet
verbogen of vastgeklemd worden.
• Het apparaat moet volgens de
installatieschema’s worden geïnstalleerd.
• Het schroefdraadelement van de
verbinding niet losdraaien of forceren.
Daardoor kan dit deel van het apparaat
beschadigd raken en wordt de
fabrieksgarantie ongeldig.
• Verifieer op alle aansluitingen met water
en zeep of gas lekt. Zoek eventuele
lekken NIET op met open vuur.
• Ontsteek de branders een voor een en
allemaal tegelijkertijd om de correcte
werking van het gasventiel, de brander
en de ontsteking te waarborgen.
• Draai de knoppen van de branders op
de stand lage vlam en observeer of de
vlam van elke brander apart en van alle
branders tegelijkertijd stabiel is.
• Als het apparaat, na het verrichten van
alle controles, niet correct werkt, neem
dan contact op met het plaatselijke
erkende servicecentrum.
• Na de correcte installatie van het
apparaat wordt u verzocht de gebruiker
te informeren over de correcte
functioneringswijze.
De waarden verwijzen naar de
diameter van de interne geleider.
De stroomkabels hebben
afmetingen die rekening houden
met de gelijktijdigheidsfactor
(conform de norm EN 60335-2-6).
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60

Smeg C9GMN9-1 de handleiding

Categorie
Accessoires voor het maken van koffie
Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor