Volvo 2013 Snelstartgids

Type
Snelstartgids

Deze handleiding is ook geschikt voor

GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW
NIEUWE VOLVO!
Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen.
Neem deze Quick Guide door om snel vertrouwd te raken met enkele van de
meest gebruikelijke functies.
Alle waarschuwingsteksten, andere belangrijke gegevens en meer
gedetailleerde informatie vindt u alleen in het instructieboek – deze folder
bevat slechts een kleine greep daaruit.
In het instructieboek staat bovendien de meest recente en meest actuele
informatie.
Opties staan aangegeven met een sterretje (*).
Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto.
VOLVO XC90
quick guide
WEB EDITION
TRANSPONDERSLEUTEL
Vergrendelt portieren en achterklep en
activeert alarm*.
Ontgrendelt portieren
A
en achterklep
en deactiveert alarm.
Ontgrendelt achterklep – hij wordt niet
geopend.
“Approach”-verlichting Activeert
verlichting van buitenspiegels*,
richtingaanwijzers en parkeerlichten
alsmede kentekenplaat-, interieur- en
instapverlichting.
Paniekfunctie. In een noodsituatie ca.
5 seconden ingedrukt houden om het
alarm te laten afgaan. Uitschakelen
met een dubbele druk op de vergren-
del- of ontgrendelknop.
A
Als geen van de portieren noch de achterklep bin-
nen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend,
worden deze na enige tijd automatisch opnieuw
vergrendeld.
Het sleutelblad kan worden gebruikt om
het dashboardkastje te vergrendelen/
ontgrendelen.
N.B.
Na een koude start is het stationaire toeren-
tal korte tijd hoger, zodat de motor zo snel
mogelijk zijn normale werktemperatuur kan
bereiken. Hierdoor kan het uitlaatgasreini-
gingssysteem optimaal werken.
KOUDE START START VAN MOTOR
3.2 benzine: Koppelings- en/of rempedaal
intrappen, transpondersleutel naar stand III
draaien en meteen loslaten – de motor start
automatisch.
Alle andere motoren: Koppelings- en/of
rempedaal intrappen, transpondersleutel naar
stand III draaien en loslaten als de motor start.
Diesel: Verwarm de motor voor door de sleu-
tel naar stand II te draaien totdat het controle-
symbool in het combi-instrument dooft.
RUITENWISSERS EN REGENSENSOR*
1
Regensensor Aan/Uit, met hendel in
stand 0.
2
Gevoeligheid sensor of duur intervalfunctie
instellen.
3
Wisser achterruit – intervalfunctie/normale
functie.
A
Enkele wisslag
0
Uit
B
Intervalfunctie, zie ook (2).
C
Normale wissnelheid.
D
Hoge wissnelheid.
E
Sproeiers voorruit en koplampen.
F
Sproeier achterruit.
Een groene lichtdiode in knop "1"
brandt als de regensensor actief is.
PARKEERREM
Aanzetten
1. Bedrijfsrempedaal stevig intrappen – daarna
parkeerrempedaal (1) bedienen.
2. Bedrijfsrempedaal loslaten. Als de auto rijdt,
parkeerrempedaal verder intrappen.
3. Bij parkeren – schakelstand 1 (handbak) of P
(automaat) kiezen.
Lossen
1. Bedrijfsrempedaal stevig intrappen en daarna
aan handgreep (2) trekken – het parkeerrem-
pedaal komt omhoog.
2. Bedrijfsrempedaal loslaten.
VERLICHTINGSBEDIENING
Automatisch dimlicht. Grootlichtsignale-
ring werkt maar continu grootlicht niet.
Stadslichten voor/achterlichten
Dimlicht. Dooft bij het afzetten van de
motor. Het is mogelijk groot licht te
voeren.
Handmatige koplamphoogteregeling
(automatisch bij Xenon-verlichting*).
Display- en instrumentenverlichting.
Daytime running lights (DRL). Indrukken
om de LED-dagverlichting te ontsteken.
Mistachterlicht (alleen bestuurderszijde).
A
Grootlichtsignalen
B
Wisselen groot licht/dimlicht en “Follow
Me Home”-verlichting.
TANKEN
In bepaalde omstandigheden verschijnt op het
display van het hoofdinstrument de melding
ROETFILTER VOL. In dat geval moet het
roetfilter van het uitlaatsysteem geregenereerd
worden. Dat gebeurt automatisch door ca.
20 minuten op matige snelheid te rijden.
Wanneer de melding verdwijnt heeft regenera-
tie plaatsgevonden.
– Tankdop ophangen tijdens het tanken.
REGENERATIE (DIESELMODEL)
AUDIOSYSTEEM
1
Indrukken voor Aan/Uit. Eraan draaien om
het volume bij te regelen.
2
Geluidsweergave: Indrukken om te kiezen
uit BASS, Dolby Pro Logic II* of SUB-
WOOFER – draaien om bij te regelen.
Geluidsbron: Draaien om te kiezen, bijv.
CD, streaming geluid via Bluetooth® of
AUX/USB*
A
.
RADIO
5
Ongeveer 2 seconden indrukken om de 10
sterkste stations op te slaan. Het display
toont AUTOSTORE tijdens het zoeken. Een
opgeslagen station kiezen met 09.
6
Met een korte druk zoekt u het volgende
sterke station op. Maximaal 20 stations
opslaan door 09 op FM1 of FM2 bij het
gewenste station ingedrukt te houden totdat
het display de keuze bevestigt.
CD-SPELER
B
3
Cd wisselen
C
of kiezen met 16.
4
Bij kort indrukken wordt alleen de beluis-
terde cd uitgeworpen.
Bij lang indrukken worden alle cd’s
uitgeworpen
C
.
6
Van cd-track wisselen.
A
AUX/USB-aansluiting voor bijv. mp3-speler. Het
volume van de speler op medium zetten voor de
beste geluidskwaliteit. Een op de USB-aansluiting
aangesloten iPod® wordt ook geladen.
B
Cd's met mp3- en WMA-bestanden kunnen ook
worden afgespeeld.
C
Alleen cd-wisselaar*.
GEÏNTEGREERD VERHOGINGSKUSSEN
Opklappen
1. Trek de handgreep aan de voorkant van het
verhogingskussen naar voren.
2. Breng de achterste rand van het kussen
omhoog en druk het kussen met beide
handen naar achteren en omlaag totdat het
wordt vergrendeld. Druk het slot van de
veiligheidsgordel indien nodig opzij.
Neerklappen
1.
Trek de handgreep aan de voorkant van het
verhogingskussen naar voren.
2.
Trek het kussen naar voren en druk het
in het midden omlaag totdat het wordt
vergrendeld.
Om de rugleuning van de achterbank te kun-
nen neerklappen, moet het verhogingskussen
in de volledig neergedrukte stand vergrendeld
zijn.
AUTOMATISCHE REGELING
In de stand AUTO regelt het ECC-systeem auto-
matisch alle functies voor een groter bedienings-
gemak en optimale luchtkwaliteit.
4
Eraan draaien voor individuele temperatuur
links/rechts in passagiersruimte.
6
Indrukken om de gekozen temperatuur en
de overige functies automatisch te laten
regelen.
ELEKTRONISCHE KLIMAATREGELING, ECC*
WAARSCHUWING
Onoordeelkundig gebruik kan levensgevaar-
lijke situaties opleveren. Bij twijfel over het
juiste gebruik het instructieboekje raadplegen.
HANDMATIGE REGELING
1
Eraan draaien om ventilatorsnelheid te
wijzigen.
2
MAN – Recirculatie Aan/Uit.
AUT – Interior Air Quality System* Aan/Uit.
3
AC – Airconditioning aan/uit. Voor koeling
interieur en ontwaseming ruiten.
5
Luchtverdeling. De luchtstroom richten op
bijvoorbeeld de vloer, de uitstroomopenin-
gen in het instrumentenpaneel, de voorruit,
e.d.
7
Elektrisch verwarmde voorstoelen uit/aan.
8
Max. ontwaseming. Alle lucht op maximale
snelheid naar de voorruit en zijruiten.
9
Elektrische verwarming achterruit en
buitenspiegels.
PASSAGIERSAIRBAG DEACTIVEREN, PACOS*
PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch)
Sleutelblad gebruiken voor omzetten ON/OFF.
OFF – Airbaggedeactiveerd. PASSENGER AIR-
BAG OFF verschijnt op waarschuwingslampje
boven achteruitkijkspiegel.
Kinderen op een comfortkussen of in een
kinderzitje mogen op de voorstoel zitten, maar
nooit passagiers groter dan 1,40 m.
ON – Airbag geactiveerd.
Passagiers groter dan 1,40 m mogen op de
voorstoel zitten, maar nooit kinderen op een
comfortkussen of in een kinderzitje.
9
10
8
1
Display boordcomputer. Functie kiezen met
(9).
2
Kort indrukken om te wisselen tussen T1
& T2. Lang indrukken om actuele teller te
resetten.
3
Displayregel 1: Kilometerteller.
Displayregel 2: T1 & T2 – onafhankelijke
dagtellers die altijd actief zijn.
4
Displayregel 1: Klok.
Displayregel 2: Buitentemperatuur.
5
Klok instellen: Rechtsom/linksom tot de
eindstand draaien en daar houden om de
klok in te stellen (4).
6
Brandstofmeter
7
Laag brandstofpeil. Bij een brandend
lampje zo spoedig mogelijk tanken.
8
Indrukken om een melding te laten verschij-
nen/verdwijnen.
9
Eraan draaien om de boordcomputeropties
te zien.
BOORDCOMPUTER EN DAGTELLER
10
Kort indrukken om de actuele boordcompu-
terfunctie op nul te stellen.
Lang indrukken om alle boordcomputer-
functies op nul te stellen.
N.B.
Displaymelding --- KILOMETER TOT LEGE
TANK is een schatting van de actieradius op
basis van eerdere rijomstandigheden.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES
Melding informatiedisplay lezen
Geel symbool: NB - volg de aanwij-
zing op het display.
Rood symbool: WAARSCHUWING
- Stop zo spoedig mogelijk op een
veilige plek, volg de aanwijzing op het
display.
Oliepeil laag. Zo spoedig mogelijk
stoppen, motoroliepeil controleren
A
.
Fout in remsysteem. Zo spoedig
mogelijk stoppen, remvloeistof
controleren
A
.
DSTC* stabiliteitssysteem - knippert
bij een actief systeem.
Voorgloeifunctie motor (diesel). Motor
starten wanneer het lampje gedoofd
is.
A
Auto laten bergen als het lampje blijft branden.
INSTAP IN DERDE RIJ STOELEN
Neerklappen van de buitenste rugleuningen
in de tweede rij stoelen
1. Breng de handgreep (1) omhoog en klap
tegelijkertijd de rugleuning naar voren om de
stoel te verplaatsen.
2. Breng de handgreep (1) omhoog en klap de
rugleuning terug naar de stand rechtop om
de stoel terug te verplaatsen.
RICHTINGAANWIJZERS
A
Korte serie – 3 knippersignalen.
B
Onafgebroken serie knippersignalen.
WAARSCHUWING
Stuurwiel instellen vóórdat u gaat rijden
– nooit tijdens het rijden.
STUURWIEL INSTELLEN
BLIS, BLIND SPOT INFORMATION SYSTEM*
Als het controlelampje voor BLIS oplicht zonder
dat u voertuigen in de dode hoeken kunt waar-
nemen, zijn reflecties op een nat wegdek, eigen
schaduwen op betonnen wegen of een laag
staande zon in de camera daarvan mogelijk de
oorzaak.
Bij een storing in het BLIS verschijnt de melding
BLINDE-HOEKSYST. SERVICE VEREIST op
het display.
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is bovendien
kwetsbaarder dan een oude laag. U wordt
daarom geadviseerd de eerste maanden na
aankoop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Gebruik schoon water en een spons. Let erop
dat vuil en zand krassen op de lak kunnen
veroorzaken.
HOUDER VOOR
BOODSCHAPPENTASSEN*
AUTOVERZORGING
INSTELLING ELEKTRISCH BEDIENDE
VOORSTOEL
OPBERGRUIMTE
1
Lendensteun
2
Voorkant zitgedeelte omhoog/omlaag.
3
Vooruit/achteruit.
4
Stoel omhoog/omlaag.
5
Hellingshoek rugleuning.
TRANSPONDERSLEUTEL EN ELEKTRISCH
BEDIENDE BESTUURDERSSTOEL*
Om de instellingen van de bestuurdersstoel op
te slaan, kunnen alle transpondersleutels van
verschillende bestuurders worden gebruikt. Ga
als volgt te werk:
Stel de stoel in zoals u wilt.
Vergrendel de auto door op de vergrendel-
knop op de gewoonlijk door u gebruikte
transpondersleutel te drukken. Hiermee
slaat u de positie van de stoel op in het
geheugen van de transpondersleutel
A
.
Ontgrendel de auto (door op de ontgren-
delknop op dezelfde transpondersleutel te
drukken) en open het bestuurdersportier.
De bestuurdersstoel neemt automatisch de
positie in die in het geheugen van de trans-
pondersleutel is opgeslagen (als de stoel is
bewogen nadat u de auto hebt vergrendeld).
A.
Deze instelling is niet van invloed op de instellingen die zijn
opgeslagen met de geheugenfunctie* van de elektrisch
bediende stoel*. Zie het instructieboekje voor meer informatie.
TP 14342 (Dutch). AT 1146. Printed in Sweden, Göteborg 2011. Copyright © 2000-2012 Volvo Car Corporation.
1
Bekerhouder.
2
Vergrendelhandgreep om het achterste
deel van de middenconsole eruit te tillen
(geldt niet voor modellen met het Rear Seat
Entertainment-systeem*).
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8

Volvo 2013 Snelstartgids

Type
Snelstartgids
Deze handleiding is ook geschikt voor