Volvo XC90 Handleiding

Categorie
Telefoons
Type
Handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

VOLVO XC90
Instructieboekje Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het
ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers voor-
opgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw
Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschrif-
ten en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om
vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onder-
houdsinformatie in dit instructieboekje.
Inhoud
4
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
00
00 Inleiding
Belangrijke informatie .............................. 10
Volvo en het milieu ................................... 13
01
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels .................................... 18
Symbolen, airbags.................................... 21
Airbags...................................................... 22
Airbag activeren/deactiveren* .................. 24
SIPS-airbags (zij-airbags)......................... 26
Opblaasgordijn (IC-systeem).................... 28
WHIPS-systeem........................................ 29
Rolbeugels (ROPS)................................... 31
Activering van de veiligheidssystemen..... 32
Kinderen en veiligheid............................... 33
02
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links......... 46
Overzicht auto’s met het stuur rechts....... 48
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.. 50
Instrumentenpaneel.................................. 51
Controle- en waarschuwingslampjes........ 53
Informatiedisplay....................................... 57
Schakelaars op middenconsole................ 59
Verlichtingspaneel..................................... 62
Linker stuurhendel.................................... 64
Boordcomputer*....................................... 65
Rechter stuurhendel.................................. 67
Cruisecontrol*........................................... 69
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d... 71
Elektrisch bedienbare ruiten..................... 73
Ruiten en spiegels..................................... 76
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.............. 81
HomeLink
*.............................................. 83
Inhoud
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatrege-
ling............................................................ 88
Elektronische klimaatregeling, ECC.......... 92
Standverwarming op brandstof* .............. 95
04
04 Interieur
Voorstoelen............................................. 100
Voorstoelen (Executive) ......................... 103
Interieurverlichting................................... 104
Opbergmogelijkheden in passagiers-
ruimte...................................................... 106
Opbergmogelijkheden in passagiers-
ruimte (Executive) ................................... 111
Achterbank.............................................. 112
Lading vervoeren ................................... 114
Bagageruimte.......................................... 115
05
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel - sleutel met afstands-
bediening................................................ 124
Vergrendelen en ontgrendelen................ 126
Kinderslot................................................ 130
Alarm*..................................................... 132
Inhoud
6
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie............................... 136
Brandstof tanken.................................... 138
Motor starten.......................................... 144
Handgeschakelde versnellingsbak......... 146
Automatische versnellingsbak................ 147
Vierwielaandrijving*................................. 150
Remsysteem........................................... 151
Stabiliteits- en tractieregelsysteem* ...... 153
Park Assist*............................................. 155
BLIS (Blind Spot Information System)*... 157
Slepen en bergen.................................... 161
Starten met hulpaccu.............................. 163
Rijden met een aanhanger...................... 164
Trekhaak* ............................................... 166
Afneembare trekhaak* ........................... 168
Lichtbundel aanpassen .......................... 172
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie............................... 178
Bandenspanning .................................... 182
Gevarendriehoek* en reservewiel* ......... 184
Wielen verwisselen ................................. 187
Noodreparatie banden* .......................... 190
08
08 Verzorging
Schoonmaken......................................... 196
Lakschade herstellen ............................. 200
Roestwering............................................ 201
Inhoud
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
7
09
09 Onderhoud en service
Volvo Service.......................................... 204
Onderhoud.............................................. 205
Motorkap en motorruimte....................... 207
Oliën en vloeistoffen............................... 209
Wisserbladen.......................................... 214
Accu........................................................ 216
Gloeilampen vervangen ......................... 218
Zekeringen.............................................. 225
10
10 Infotainment
Algemene informatie............................... 238
Audio, bedieningspanelen ..................... 239
Functies audiosysteem .......................... 242
Radiofuncties ......................................... 247
Cd-functies ............................................ 254
Menusysteem, audiosysteem ................ 257
Telefoonfuncties* ................................... 258
Menusysteem, telefoon .......................... 266
Bluetooth handsfree* ............................. 270
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment)
met twee beeldschermen* ..................... 277
11
11 Specificaties
Typeaanduidingen.................................. 284
Maten en gewichten................................ 286
Motorspecificaties................................... 289
Motorolie................................................. 290
Vloeistoffen en smeermiddelen............... 292
Brandstof................................................ 294
Katalysator.............................................. 297
Elektrisch systeem ................................. 298
Typegoedkeuring ................................... 300
Displaysymbolen..................................... 301
Inhoud
8
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 304
Inhoud
9
Inleiding
Belangrijke informatie
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u opti-
maal gebruik kunt maken van alle mogelijkhe-
den die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
©
Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje* in het instructieboekje.
Als aanvulling op de standaarduitrusting wor-
den in dit instructieboekje ook de opties (van
fabriekswege gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (ingebouwde extra uit-
rusting) beschreven.
De uitrusting die in het instructieboek wordt
beschreven is niet op alle auto’s aanwezig –
welke uitrusting aanwezig is hangt af van de
verschillende behoeften op de diverse markten
en de landelijke en/of regionale wet- en regel-
geving.
Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of
opties/accessoires contact op met een Volvo-
dealer.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelij-
ken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop mel-
dingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructie-
boekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld
Audiomodus).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
Inleiding
Belangrijke informatie
11
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschu-
wingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waar-
schuwing, kan resulteren in ernstig letsel met
mogelijk dodelijke afloop.
Gevaar voor materiële schade
G031592
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeel-
ding in een zwart of blauw waarschuwings- en
tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen
op een risico dat, bij het negeren van de waar-
schuwing, kan resulteren in materiële schade.
Informatie
G031593
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeel-
ding in een zwart tekstveld.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stic-
kers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stic-
kers in/op uw auto.
Inleiding
Belangrijke informatie
12
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbe-
horende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeel-
dingen de onderlinge volgorde niet rele-
vant is, worden de instructies voorafge-
gaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
Koelvloeistof
Motorolie
Zie ommezijde
`
``
Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een hoofdstuk wordt voortgezet op de vol-
gende pagina.
Vastlegging van gegevens
De rij- en veiligheidssystemen van de auto
maken gebruik van computers die de functie
van de auto controleren en onderling gegevens
uitwisselen. Een of meer van deze computers
leggen bij een aanrijding of bijna-aanrijding
mogelijk informatie vast over de systemen die
ze bij normale ritten bewaken. De vastgelegde
informatie wordt mogelijk gebruikt door:
Volvo Car Corporation
Service- of reparatiewerkplaatsen
Politie en andere instanties
Derden die wettige aanspraken maken op
kennisname van de informatie of iemand
die door de autobezitter gevolmachtigd is
tot kennisname van de informatie.
Accessoires en opties
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt gela-
den. U wordt daarom altijd geadviseerd con-
tact op te nemen met een erkende Volvo-werk-
plaats, voordat u accessoires monteert die in
verbinding staan met of van invloed zijn op het
elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informa-
tie over uw auto.
Inleiding
Volvo en het milieu
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
13
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
G000000
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het alge-
meen een geringere uitstoot van het broeikas-
gas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uit-
laatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaat-
gasemissies ver onder de geldende normen.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pol-
len niet via de luchtinlaatopening in de passa-
giersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnen-
komt schoner is dan de lucht buiten in het ver-
keer.
Inleiding
Volvo en het milieu
14
Het systeem bestaat uit een elektronische sen-
sor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de lucht-
inlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voor-
doen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tun-
nels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxi-
den, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 100
1
– een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoor-
beeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledings-
varianten zijn chroomvrij gelooid met plantaar-
dige stoffen en voldoen aan de gestelde certi-
ficeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaar-
den scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outil-
lage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereed-
schap om optimale zorg voor het milieu te kun-
nen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen meer tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien (voor meer tips om het
milieu te ontzien en zuinig te rijden, zie
pagina 136):
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 182).
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstof-
verbruik en de uitstoot af.
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Rem af op de motor.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
milieuvriendelijke manier. U wordt geadvi-
seerd contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats, als u niet zeker
weet hoe u dergelijk afval moet verwerken.
1
Meer informatie staat op www.oekotex.com
Inleiding
Volvo en het milieu
15
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere lucht-
weerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstof-
verbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt min-
der van de hulpbronnen op aarde.
Recycling
Milieumatig verantwoorde recycling van de
auto vormt een belangrijk aspect van de mili-
euzorg van Volvo. De auto is nagenoeg geheel
te recyclen. De laatste eigenaar van de auto
wordt daarom verzocht contact op te nemen
met een dealer voor de locatie van een gecer-
tificeerd/erkend recyclingsbedrijf.
Milieu-aspecten van het
instructieboekje
Het FSC-symbool geeft aan dat de papierve-
zels waarvan deze publicatie gemaakt is
afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen
of andere gecontroleerde bronnen.
16
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Veiligheidsgordels .................................................................................. 18
Symbolen, airbags.................................................................................. 21
Airbags.................................................................................................... 22
Airbag activeren/deactiveren* ................................................................ 24
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................ 26
Opblaasgordijn (IC-systeem).................................................................. 28
WHIPS-systeem...................................................................................... 29
Rolbeugels (ROPS)................................................................................. 31
Activering van de veiligheidssystemen................................................... 32
Kinderen en veiligheid............................................................................. 33
VEILIGHEID
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
18
Draag altijd een veiligheidsgordel
G020104
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheids-
gordel omhebben. Voor optimale bescherming
van de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De vei-
ligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
De veiligheidsgordel omdoen:
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheids-
gordel naar binnen trekken. Als de veilig-
heidsgordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terug-
rollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en
kan niet verder worden uitgetrokken
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
er geen slagen in de veiligheidsgordel zit-
ten en dat hij nergens achter blijft steken
de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veilig-
heidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Volvo adviseert u daarvoor con-
tact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats. Als een veiligheidsgordel aan
grote krachten heeft blootgestaan zoals tij-
dens een aanrijding, moet u de veiligheids-
gordel in zijn geheel vervangen. De veilig-
heidsgordel kan een deel van zijn bescher-
mende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als de veiligheidsgordel ogenschijnlijk
niet beschadigd is. Vervang de veiligheids-
gordel ook als deze versleten of beschadigd
is. De nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage op
dezelfde positie als de vervangen veilig-
heidsgordel.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
``
19
Veiligheidsgordel en zwangerschap
G020105
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het dia-
gonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt.
Het heupgedeelte van de veiligheidsgordel
moet vlak tegen de buitenkant van de boven-
benen liggen en zo ver mogelijk onder de buik
liggen. Het mag nooit over de buik omhoog
kunnen glijden. De veiligheidsgordel moet zo
strak mogelijk over het lichaam lopen zonder
onnodige speling. Controleer ook of de gordel
nergens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kun-
nen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Gordelwaarschuwing
G027049
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder en een eventuele voorpassagier
de gordel niet dragen. Of er geluidssignalen
klinken, hangt af van de snelheid (op lage snel-
heden) en in bepaalde gevallen van de tijd (tij-
dens het starten). De waarschuwingslampjes
zitten in de plafondconsole en op het instru-
mentenpaneel.
N.B.
De gordelwaarschuwing is bestemd voor
volwassenen inzittenden. Als u een kinder-
zitje op de passagiersstoel hebt aange-
bracht en het met de veiligheidsgordel hebt
vastgezet, wordt er geen gordelwaarschu-
wing gegeven.
Bepaalde markten
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
de bestuurder de gordel niet draagt. Op lage
snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een
geluidssignaal.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspan-
ners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrij-
ding de veiligheidsgordel rond het lichaam
spant. De veiligheidsgordel kan de passagier
daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
20
WAARSCHUWING
De gesp van de veiligheidsgordel aan pas-
sagierszijde nooit aanbrengen in de gordel-
sluiting aan bestuurderszijde. De gesp van
de veiligheidsgordel altijd aanbrengen in de
gordelsluiting aan de juiste zijde. De veilig-
heidsgordels nooit beschadigen en geen
vreemde voorwerpen aanbrengen in de gor-
delsluiting. De veiligheidsgordels en de gor-
delsluiting werken anders mogelijk niet naar
behoren tijdens een aanrijding. Er bestaat
gevaar voor ernstige verwondingen.
01 Veiligheid
Symbolen, airbags
01
21
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
Het waarschuwingslampje op het instrumen-
tenpaneel gaat branden, wanneer u de trans-
pondersleutel naar sleutelstand I, II of III draait.
Het lampje dooft na ca. 6 seconden, wanneer
de regelmodule heeft vastgesteld dat het air-
bagsysteem geen storingen vertoont.
Behalve het brandende waarschu-
wingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdrie-
hoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE of
SPOED op het informatiedisplay.
Volvo adviseert u daarvoor zo spoedig mogelijk
contact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het air-
bagsysteem blijft branden of tijdens het rij-
den korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-werk-
plaats.
01 Veiligheid
Airbags
01
22
Airbagsysteem
G020111
SRS-systeem, auto met het stuur links.
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sen-
soren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air-
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale ver-
loop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
G020110
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u voor reparatie contact op
te nemen met een erkende Volvo-werk-
plaats. Verkeerde ingrepen in het airbag-
systeem kunnen aanleiding geven tot sto-
ringen in de werking met mogelijk ernstig
lichamelijk letsel tot gevolg.
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedra-
gen of niet.
Het is dan ook mogelijk dat er bij ongeluk-
ken slechts één (of geen enkele) van de air-
bags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en stemt de activering van een of
meerdere airbags daarop af.
De airbags werken dusdanig dat de capa-
citeit ervan wordt afgestemd op de bots-
kracht waaraan de auto blootstaat.
01 Veiligheid
Airbags
01
23
G020113
Positie van de airbag aan de passagierszijde in een
auto met het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de pas-
sagiersairbag is aangebracht.
Airbag aan de bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de bestuurderszijde ook een airbag in het
stuurwiel. Deze zit opgevouwen in het midden
van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Airbag aan de passagierszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan
de passagierszijde ook een airbag aan
dezelfde zijde. Deze zit opgevouwen in een
ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel
is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passa-
giers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rug-
leuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen voorin, wanneer de
airbag aan die kant geactiveerd is.
1
Laat niemand nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel voorin
plaatsnemen, als de airbag geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren.
1
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag, zie pagina 24.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
01
24
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PACOS deactiveren met sleutel*
Algemene informatie
De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeac-
tiveerd worden met een schakelaar als de auto
is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut
Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Acti-
veren/deactiveren voor informatie over active-
ring/deactivering.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag (PACOS) zit aan de pas-
sagierszijde, aan de zijkant van het dashboard
en u kunt erbij door het portier aan die kant te
openen (zie onder het kopje Activeren/deacti-
veren verderop).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
Voor informatie over het sleutelblad, zie
pagina 124.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
opleveren.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de passagiersairbag geactiveerd
is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling
kan levensgevaarlijke situaties opleveren
voor het kind.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag aan
de passagierszijde maar geen PACOS
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumen-
tenpaneel oplicht terwijl de melding op de
achteruitkijkspiegel aangeeft dat de airbag
aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op
een ernstige storing. Bezoek zo spoedig
mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u
daarvoor contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats
Activeren/deactiveren
Locatie van de schakelaar voor activering/deacti-
vering van de passagiersairbag
De airbag is geactiveerd. Met de schake-
laar in deze stand kunnen passagiers gro-
ter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een comfortkussen beslist
niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de scha-
kelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een comfortkussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zit-
ten, maar passagiers groter dan 1,40 m
beslist niet.
01 Veiligheid
Airbag activeren/deactiveren*
01
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
25
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel, wanneer de airbag aan die kant geac-
tiveerd is. Laat evenmin personen die klei-
ner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsne-
men.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de air-
bag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren.
Melding
G027050
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag aan de
passagierszijde gedeactiveerd is.
Een melding op de achteruitkijkspiegel geeft
aan dat de airbag aan de passagierszijde
voorin gedeactiveerd is (zie voorgaande
afbeelding).
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
26
SIPS-airbag
G020118
Positie van de SIPS-airbags.
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de car-
rosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde bescher-
men de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het systeem. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleu-
ningframes van de voorstoelen.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparaties over te
laten aan een erkende Volvo-werk-
plaats. Verkeerde ingrepen in het SIPS-
airbagsysteem kunnen aanleiding
geven tot storingen in de werking met
mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot
gevolg.
Plaats geen voorwerpen tussen de
stoelen en de portierpanelen, omdat dit
gebied binnen de actieradius van de
SIPS-airbag ligt.
Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te
gebruiken die door Volvo zijn goedge-
keurd. Andere stoelhoezen kunnen de
SIPS-airbags in hun werking hinderen.
De SIPS-airbag vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de vei-
ligheidsgordel.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geac-
tiveerde
1
airbag.
Positie
G025315
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren.
1
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
27
G025316
Passagiersplaats, auto met het stuur links
De SIPS-airbags worden vervolgens opgebla-
zen tussen de inzittende en het portierpaneel.
Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van
de aanrijding op voor de inzittende, waarna de
airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt
normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
01 Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
01
28
Eigenschappen
G027047
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Infla-
table Curtain) maken deel uit van het SIPS-
systeem en de airbags. Ze zitten verborgen
achter de plafondbekleding langs beide zijden
van de auto en beschermen inzittenden op de
buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een vol-
doende krachtige aanrijding reageren de sen-
soren, die op hun beurt de opblaasgordijnen
activeren. Het systeem helpt voorkomen dat
de bestuurder en eventuele passagiers bij een
botsing met hun hoofd tegen de binnenkant
van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit zware voorwerpen
aan de plafondhandgrepen. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware kleding-
stukken (en niet voor harde voorwerpen
zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, portierstijlen of de zijpa-
nelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Volvo
adviseert u uitsluitend originele Volvo-
onderdelen, bestemd voor montage op
deze plaatsen, te gebruiken.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgor-
dijn dat schuilgaat achter de plafondbekle-
ding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
``
29
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
G020347
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rug-
leuningen en speciaal voor het systeem ont-
wikkelde hoofdsteunen voor de beide voor-
stoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de vei-
ligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whi-
plash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zo veel moge-
lijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
30
Zorg dat u de werking van het WHIPS-
systeem niet nadelig beïnvloedt
G020125
Plaats geen voorwerpen op de vloer achter de
bestuurders- of passagiersstoel die het WHIPS-
systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
G020126
Plaats geen voorwerpen op de achterbank die het
WHIPS-systeem kunnen hinderen.
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de ach-
terbank hebt neergeklapt, moet u de voor-
stoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de ach-
terbank aankomt.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van ach-
teren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren. Volvo adviseert u daarvoor
contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben ver-
loren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Volvo adviseert u contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats voor een
controle van het systeem, ook na een lichte
aanrijding van achteren.
01 Veiligheid
Rolbeugels (ROPS)
01
31
Functie
Het Roll-Over Protection System (ROPS) van
Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken
dat de auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk onver-
mijdelijk blijkt.
Het systeem bestaat uit:
een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll Sta-
bility Control) dat het gevaar beperkt dat de
auto kantelt en over de kop slaat wanneer
u bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip
raakt.
een aanvulling op de inzittendenbeveiliging
door het gebruik van carrosserieverstevi-
gingen, opblaasgordijnen en gordelspan-
ners op alle zitplaatsen. Zie ook pagina
19 en 28.
Het RSC-systeem maakt gebruik van een gyro-
sensor die wijzigingen in de helling overdwars
registreert. Aan de hand van deze informatie
wordt vervolgens berekend hoe groot de kans
is dat de auto over de kop slaat. Als het gevaar
reëel is, treedt het DSTC-systeem in werking.
Het motortoerental wordt daarbij verlaagd en
één of meer van de wielen worden afgeremd,
totdat de auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie pagina 153 voor meer informatie over het
DSTC-systeem.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden. Neem altijd de gebrui-
kelijke voorzorgsmaatregelen bij het rijden.
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
32
Systeem Activering
Gordelspanners Bij een frontale botsing en/of kantelen.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing
A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij
A
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij en/of kantelen
A
.
WHIPS-systeem Bij aanrijdingen van achteren.
RSC-systeem Wanneer de auto bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip raakt.
A
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, advi-
seert Volvo u het volgende:
Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u
hem te laten wegslepen naar een erkende
Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgebla-
zen airbags.
Volvo adviseert u het vervangen van de
onderdelen van de veiligheidssystemen in
de auto over te laten aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordel-
spanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middencon-
sole doorweekt geraakt is, moet u de accu-
kabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geacti-
veerd kunnen worden. Laat de auto weg-
slepen. Volvo adviseert u hem te laten weg-
slepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kun-
nen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
33
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te
vervoeren in een achterstevoren gemonteerd
kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–
4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/
in een comfortkussen of een kinderzitje dat in
de rijrichting geplaatst is.
De plaats van het kind in de auto en de vereiste
uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de
lengte van het kind (voor meer informatie, zie
pagina 35).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Volvo adviseert u originele Volvo-onder-
delen te gebruiken om er zeker van te zijn dat
de bevestigingspunten en bevestigingsonder-
delen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
N.B.
Neem voor duidelijker instructies voor de
bevestiging van kinderveiligheidsproducten
contact op met de producent.
Kinderzitjes
G020128
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
N.B.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijg-
bare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montage-
instructies zorgvuldig doorleest en nauw-
keurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voor-
stoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken.
Raadpleeg voor de juiste montage de mon-
tage-instructies bij het kinderzitje.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
een kinderzitje/comfortkussen op de pas-
sagiersstoel, zolang de airbag aan de pas-
sagierszijde gedeactiveerd
1
is.
en of meer kinderzitjes/comfortkussen op
de achterbank.
Plaats kinderzitjes/comfortkussens altijd op de
achterbank als de airbag aan de passagiers-
zijde geactiveerd is. Als de airbag wordt geac-
tiveerd, kan een kind aan de passagierszijde
ernstig letsel oplopen.
1
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (SRS), zie pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
34
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geac-
tiveerd.
2
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren.
WAARSCHUWING
Gebruik geen comfortkussens/kinderzitjes
met stalen beugels of andere constructies
die tegen de ontgrendelingsknop van de
gordelsluiting kunnen aankomen. Dit om te
voorkomen dat de veiligheidsgordels plot-
seling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de boven-
kant tegen de voorruit aankomt.
Sticker airbag
Sticker aan passagierszijde, op de korte kant van
het dashboard, zie afbeelding op pagina 24.
2
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
35
Aanbevolen kinderzitjes
3
Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 0
<10 kg
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel
Typegoedkeuring: E1 04301146
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
Groep 1
9–18 kg
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje (Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Kinderzitjes met universele goedkeuring.
3
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
36
Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag)
Groep 2
15–25 kg
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04192
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E5 04191
Groep 2/3
15–36 kg
Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
37
Gewicht Tweede zitrij, buitenste zitplaat-
sen
A
Tweede zitrij, middelste zitplaats
A
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 0
<10 kg
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Ongeschikte plaats voor deze leeftijds-
categorie.
Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – ach-
terstevoren gemonteerd kinderzitje
bevestigd met veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 04301146
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met veilig-
heidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met veilig-
heidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
38
Gewicht Tweede zitrij, buitenste zitplaat-
sen
A
Tweede zitrij, middelste zitplaats
A
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 1
9–18 kg
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgor-
del en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 04192
Ongeschikte plaats voor deze leeftijds-
categorie.
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met veilig-
heidsgordel en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje
(Child Seat) – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met veilig-
heidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-
systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
39
Gewicht Tweede zitrij, buitenste zitplaat-
sen
A
Tweede zitrij, middelste zitplaats
A
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 2
15–25 kg
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – achterstevoren gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgor-
del en bevestigingsband
Typegoedkeuring: E5 04192
Ongeschikte plaats voor deze leeftijds-
categorie.
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – in rijrichting gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgor-
del.
Typegoedkeuring: E5 04191
Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar
Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible
Child Seat) – in rijrichting gemonteerd
kinderzitje bevestigd met veiligheidsgor-
del.
Typegoedkeuring: E5 04191
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
40
Gewicht Tweede zitrij, buitenste zitplaat-
sen
A
Tweede zitrij, middelste zitplaats
A
Derde zitrij bij zevenzitter
Groep 2/3
15–36 kg
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Volvo-comfortkussen met rugleuning
(Volvo Booster Seat with backrest).
Typegoedkeuring: E1 04301169
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Kinderzitje met of zonder rugleuning
(Booster Cushion with and without
backrest).
Typegoedkeuring: E5 03139
Geïntegreerd kinderzitje (Integrated
Booster Cushion) – verkrijgbaar als
fabrieksoptie.
Typegoedkeuring: E5 03167
A
Bij zevenzitters moet de zitrij in de achterste stand staan bij gebruik van een kinderzitje.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
41
Geïntegreerd kinderzitje*
G031071
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats achterin is speciaal ontwor-
pen om kinderen maximale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige vei-
ligheidsgordels is het geïntegreerde kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
WAARSCHUWING
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS) is geac-
tiveerd.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel voorin plaatsnemen,
als de airbag (SRS) geactiveerd is.
4
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren.
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
G020808
Trek aan de handgreep zodat het kinder-
zitje omhoogkomt.
Pak het zitje met beide handen vast en duw
het naar achteren.
Druk het zitje zo ver achteruit dat het ver-
grendelt.
WAARSCHUWING
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
Zorg dat:
het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat.
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheids-
gordel goed over de schouder ligt.
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden.
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt.
Stel de stand van de hoofdsteun zorgvul-
dig af op de lengte van het kind.
4
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS), zie pagina 24.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
42
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Volvo adviseert u reparatie- en vervangings-
werk over te laten aan een erkende Volvo-
werkplaats. Verricht geen wijzigingen in of
aanpassingen aan het geïntegreerde kin-
derzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook als
het geïntegreerde kinderzitje er intact uit-
ziet, kunnen er toch beschermende eigen-
schappen verloren zijn gegaan. Het geïnte-
greerde kinderzitje moet ook worden ver-
vangen als het erg versleten is.
Kinderzitje inklappen
G014507
Trek aan de handgreep.
Duw het zitje zo ver omlaag dat het vast-
klikt.
N.B.
Let erop dat u het geïntegreerde kinderzitje
eerst moet inklappen voordat u de rugge-
deelten van de achterbank voorover kunt
klappen.
Kinderslot achterportieren
De bedieningsknoppen voor de ruiten in de
achterportieren en de openingshandgrepen op
de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de
achterportieren en de zijruiten niet meer van de
binnenzijde kunnen worden geopend. Voor
meer informatie, zie pagina 130.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes*
G015268
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter-
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeel-
ten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
43
N.B.
Het ISOFIX-bevestigingssysteem is als
accessoire verkrijgbaar voor de passagiers-
stoel.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/baby-
zitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vast-
zet.
Bevestigingspunten voor kinderzitjes
G027032
De auto is uitgerust met bovenste bevesti-
gingspunten voor kinderzitjes. Deze bevesti-
gingspunten zitten achter op de zitgedeelten
van de achterbank.
De bovenste bevestigingspunten zijn voorna-
melijk bestemd om een in de rijrichting gemon-
teerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo advi-
seert u kleine kinderen zo lang mogelijk in een
achterstevoren gemonteerd kinderzitje te blij-
ven vervoeren.
N.B.
Bij een zevenzitter zitten deze bevestigings-
punten alleen op de tweede zitrij.
Klap het ruggedeelte naar voren om bij de
bevestigingspunten te komen. Zie de aanwij-
zingen van de fabrikant van het kinderzitje voor
gedetailleerde informatie over de manier
waarop u het zitje aan de bovenste bevesti-
gingspunten vastzet.
Veiligheidsgordel met speciale
blokkeerfunctie (ALR/ELR)
5
De veiligheidsgordel op de middelste zitplaats
van de tweede zitrij is voorzien van een speci-
ale blokkeerfunctie (ALR/ELR). De blokkeer-
functie helpt de gordel aangespannen te hou-
den, waardoor het gemakkelijker wordt een
kinderzitje aan te brengen.
Doe het volgende om een kinderzitje met de
veiligheidsgordel vast te zetten:
1. Bevestig de veiligheidsgordel aan het kin-
derzitje volgens de aanwijzingen die de
fabrikant van het zitje heeft verstrekt.
2. Trek de veiligheidsgordel volledig uit.
3. Zet de veiligheidsgordel vast door de bor-
glip in de sluiting te steken. Een duidelijke
“klik” geeft aan dat de veiligheidsgordel
vastzit.
4. Laat het oprolmechanisme de veiligheids-
gordel naar binnen trekken en span de gor-
del rond het kinderzitje. De veiligheidsgor-
del maakt dan een mechanisch geluid, wat
volkomen normaal is.
De functie wordt automatisch opgeheven,
wanneer u de veiligheidsgordel uit de gordel-
sluiting haalt en loslaat.
Bij problemen tijdens de montage van kinder-
veiligheidsproducten moet u contact opnemen
met de fabrikant voor nadere inlichtingen over
de montage.
5
Automatic Locking Retractor/Emergency Locking Retractor.
44
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Overzicht auto’s met het stuur links....................................................... 46
Overzicht auto’s met het stuur rechts..................................................... 48
Bedieningspaneel op bestuurdersportier................................................ 50
Instrumentenpaneel................................................................................ 51
Controle- en waarschuwingslampjes...................................................... 53
Informatiedisplay..................................................................................... 57
Schakelaars op middenconsole.............................................................. 59
Verlichtingspaneel................................................................................... 62
Linker stuurhendel.................................................................................. 64
Boordcomputer*...................................................................................... 65
Rechter stuurhendel................................................................................ 67
Cruisecontrol*......................................................................................... 69
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d................................................. 71
Elektrisch bedienbare ruiten................................................................... 73
Ruiten en spiegels................................................................................... 76
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................ 81
HomeLink
*............................................................................................ 83
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
46
G000000
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
47
Verlichtingspaneel
Blaasmond
Display
Temperatuurmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Snelheidsmeter
Richtingaanwijzers
Toerenteller
Buitentemperatuurmeter, klok, schakel-
standindicatie
Brandstofmeter
Controle- en waarschuwingslampjes
Blaasmonden
Dashboardkastje
Alarmlichten
Audiosysteem
Klimaatregeling
Ruitenwissers
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
Instrumentenpaneel
Claxon
Cruisecontrol
Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-
dimlicht, knop READ
Parkeerrem
Handgreep voor lossen parkeerrem
Schakelaars leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Gordelwaarschuwing
Achteruitkijkspiegel
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
48
G027038
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
49
Verlichtingspaneel
Blaasmond
Controle- en waarschuwingslampjes
Brandstofmeter
Buitentemperatuurmeter, klok, schakel-
standindicatie
Toerenteller
Richtingaanwijzers
Snelheidsmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Temperatuurmeter
Display
Blaasmonden
Dashboardkastje
Alarmlichten
Audiosysteem
Klimaatregeling
Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-
dimlicht, knop READ
Parkeerrem
Cruisecontrol
Claxon
Instrumentenpaneel
Toetsenset telefoon-/audiosysteem
Ruitenwissers
Handgreep voor lossen parkeerrem
Schakelaars leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Gordelwaarschuwing
Achteruitkijkspiegel
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
02
50
Bedieningspaneel
G029570
Vergrendelingsknop, simultaanvergrende-
ling alle portieren
Blokkeerknop ruitbediening achterportie-
ren
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Knop, buitenspiegels
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
``
51
G026973
Temperatuurmeter – Geeft de temperatuur
in het koelsysteem van de motor aan. Op
het display verschijnt een melding, als de
temperatuur abnormaal hoog is en de
naald tot in het rode gebied uitslaat. Let
erop dat verstralers voor de luchtinlaat het
koelvermogen verminderen.
Display – Op het display worden informa-
tieve meldingen en waarschuwingsmeldin-
gen weergegeven.
Snelheidsmeter – Geeft de snelheid van de
auto aan.
Dagtellers, T1 en T2 – Dienen om kortere
afstanden op te meten. Het rechter cijfer
geeft de afstand in honderden meters aan.
U kunt de dagtellers op nul zetten door de
knop langer dan 2 seconden in te drukken.
Wissel van dagteller door de knop korte tijd
in te drukken.
Aanduiding voor cruisecontrol.
Kilometerteller – Geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gere-
den.
Grootlichtindicatie
Waarschuwingslampje – Als er een storing
optreedt, licht het waarschuwingslampje
op en verschijnt er een melding op het dis-
play.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de
naald van de toerenteller niet tot in het rode
gebied uitslaan.
Aanduiding voor automatische versnel-
lingsbak – Hier ziet u welke schakelstand
er actief is.
Buitentemperatuurmeter – Geeft de bui-
tentemperatuur aan. Wanneer de tempe-
ratuur in het interval van 5°C tot +2°C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het dis-
play. Het symbool wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of
geparkeerd gestaan heeft, is het mogelijk
dat de buitentemperatuurmeter een te
hoge waarde aangeeft.
Knop voor de klok – Draai aan de knop om
de tijd in te stellen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
52
Wanneer het lampje op het hoofdinstru-
ment gaat branden is het brandstofpeil te
laag. Tank dan zo spoedig mogelijk. Zie
ook de boordcomputer, pagina 65.
Controle- en waarschuwingslampjes
Indicatorlampjes richtingaanwijzers, links/
rechts
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
``
53
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes
1
gaan
branden, wanneer u de transpondersleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen 5 secon-
den aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
Lampjes in het midden van het
instrumentenpaneel
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van
de ernst van de geregistreerde sto-
ring.
Rood lampje
1. Stop de auto zo spoedig mogelijk. Rijd niet
verder met de auto.
2. Lees de informatie op het display.
3. Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor
een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje lampje
Lees de melding op het display. Verhelp de
storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ, zie pagina 57. Wan-
neer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de dis-
playtekst automatisch.
1
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 209.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
54
N.B.
Wanneer de melding TIJD VOOR REG.
SERVICE
verschijnt, kunt u het waarschu-
wingslampje laten doven en de melding ver-
wijderen met de knop READ. De melding
verdwijnt automatisch als u 2 minuten niets
doet.
Controlelampjes
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het sys-
teem defect. Het normale remsys-
teem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
3. Volvo adviseert u naar een erkende Volvo-
werkplaats te rijden voor een controle van
het ABS-systeem, als het lampje blijft
branden.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het rem-
vloeistofpeil mogelijk te laag.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stil-
stand en controleer het peil in het rem-
vloeistofreservoir, zie pagina 212.
2.
Als de vloeistof onder het MIN-merkje van
het reservoir staat, kunt u beter niet verder
rijden met de auto. Laat de auto wegsle-
pen. Volvo adviseert u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats te laten slepen
voor een controle van het remsysteem.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tege-
lijkertijd branden, kan er een sto-
ring in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofreservoir
controleren, zie pagina 212.
Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
Als de vloeistof lager staat dan het MIN-
streepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een erkende Volvo-werk-
plaats slepen om het remsysteem te laten
controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de bestuur-
der of de voorpassagier geen vei-
ligheidsgordel draagt of als
iemand op de achterbank de gor-
del heeft losgenomen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
``
55
Te lage oliedruk
2
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Vul zo nodig olie bij. Als het sym-
bool oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet
u contact opnemen met een erkende Volvo-
werkplaats.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasrei-
nigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Volvo adviseert u
naar een erkende Volvo-werk-
plaats te rijden voor een controle.
Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in het
SRS-, SIPS- of IC-systeem gere-
gistreerd. Volvo adviseert u de
auto zo spoedig mogelijk naar een erkende
Volvo-werkplaats te rijden om het systeem te
laten controleren.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er sprake van een sto-
ring in het elektrische systeem.
Volvo adviseert u een bezoek te
brengen aan een erkende Volvo-
werkplaats voor een controle.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje gaat branden wanneer
de motor wordt voorverwarmd. De
voorverwarming start als de tem-
peratuur lager wordt dan 2°C. De
auto kan worden gestart als het
lampje gedoofd is.
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt, wanneer de
parkeerrem bediend wordt. Trap
het parkeerrempedaal altijd hele-
maal omlaag.
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de par-
keerrem hebt bediend maar niet hoe hard!
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Controlelampje voor aanhanger
Het lampje knippert wanneer u de
richtingaanwijzers gebruikt met
een aanhanger achter de auto. Als
het lampje niet knippert, is een van
de lampjes op de auto of op de
aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem STC of DSTC
Voor informatie over de functies en
lampjes van het systeem, zie
pagina 154.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren of de achterklep niet
goed afgesloten is, wordt u daarop attent
gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van maximaal
7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden
en verschijnt een van de volgende meldingen
op het display:
BESTUURDERS- PORTIER
2
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 209.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
56
OPEN, PASSAGIERS- PORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN of
ACHTERPORTIER RECHTS OPEN . Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het portier dat of de motorkap die open-
staat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing achterklep
Als de achterklep open is, verschijnt
ACHTERKLEP OPEN op het display.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
``
57
Berichten
G026979
Wanneer een waarschuwings- of controle-
lampje oplicht, verschijnt er tevens een aan-
vullende melding op het display.
Druk op de knop READ (A).
Blader met de knop READ de meldingen door.
Meldingen blijven in het geheugen vastgelegd
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt bij gebruik van de boordcomputer,
moet u de melding lezen (druk op de knop
READ) voordat u de eerdere activiteit kunt
hervatten.
Melding Betekenis
STOP AUTO
Z.S.M.
A
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
ZET DE MOTOR
AF
A
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
SERVICE SPOED
A
Volvo adviseert u de
auto onmiddellijk te
laten controleren
door een erkende
Volvo-werkplaats.
ZIE HANDLEI-
DING
A
Lees het instructie-
boekje.
Melding Betekenis
SERVICE VER-
EIST
A
Volvo adviseert u de
auto zo spoedig
mogelijk te laten
controleren door
een erkende Volvo-
werkplaats.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
Tijd voor een servi-
cebeurt. Volvo advi-
seert u de service-
beurt over te laten
aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Het moment hangt
af van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste service-
beurt is verstreken
en het aantal draai-
uren van de motor.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
58
Melding Betekenis
ROETFILTER VOL
ZIE HANDLEIDING
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe,
zie pagina 142.
STC/DSTC SPIN
CONTROL UIT
Er gelden beperkin-
gen voor het stabili-
teits- en tractiere-
gelsysteem, zie
pagina 153 voor
meer varianten.
A
Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over
de locatie van de storing.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
Knop
G026944
N.B.
De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
Airconditioning achter in
passagiersruimte*
Druk op de knop om de aircon-
ditioning achter in de passa-
giersruimte in te schakelen. De
airconditioning achter in de
passagiersruimte wordt uitge-
schakeld, wanneer u het con-
tact uitschakelt.
Kinderslot op achterportieren*
Met deze knop kunt u het elek-
trische kinderslot op de achter-
portieren in- of uitschakelen.
De transpondersleutel moet
daarbij in stand I of II staan.
Wanneer het kinderslot geacti-
veerd is, brandt het lampje in de knop. Er ver-
schijnt een melding op het display, wanneer u
het kinderslot in- of uitschakelt, zie
pagina 130.
Inklapbare buitenspiegels*
Met deze knop kunt u de elek-
trisch bedienbare buitenspie-
gels in- en uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een van de buiten-
spiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
1. Klap de buitenspiegel die verzet is terug in
de normale stand.
2.
Draai de transpondersleutel naar stand II.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst in en vervolgens opnieuw uit.
De buitenspiegels staan daarna weer in hun
oorspronkelijke stand.
Park Assist*
Het systeem is bij het starten
van de motor altijd geactiveerd.
Druk op de knop om Park
Assist uit te schakelen of
opnieuw in te schakelen. Zie
ook pagina 155.
Safelock-functie* en alarmsensoren
deactiveren
Met deze knop kunt u de Safe-
lock-functie desgewenst uit-
schakelen (Safelock houdt in
dat portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde te
openen zijn). Met deze knop
kunt u ook de bewegingsmelder en de niveau-
sensoren van het alarmsysteem buiten werking
stellen*. Het lampje in de knop brandt, wanneer
de functies zijn uitgeschakeld of buiten werking
zijn gesteld, zie pagina 128 en 133.
Verstralers*
Druk op deze knop als u de ver-
stralers van de auto’s tegelijk
met het groot licht wilt voeren
of als u de verstralers wilt uit-
schakelen.
Actieve xenonkoplampen*
Als de auto is uitgerust met
actieve xenonkoplampen
(Active Bending Lights, ABL),
draaien de lichtbundels van de
koplampen mee met het stuur-
wiel. De functie wordt bij het
starten van de motor automatisch geactiveerd
en kan met de bijbehorende knop worden uit-
geschakeld/ingeschakeld. Het lampje in de
knop brandt, wanneer de functie actief is.
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
Houd de knop ten minste 5 seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbun-
del dient de auto stil te staan. De melding
KOPLAMPSET VERKEER RECHTS of
KOPLAMPSET VERKEER LINKS verschijnt
op het display. Voor meer informatie over halo-
geen- of Dual Xenon-koplampen en het aan-
passen van de lichtbundels, zie pagina 172.
Elektrische aansluiting/Aansteker*
U kunt de elektrische aanslui-
ting voor verschillende acces-
soires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken,
zoals een mobiele telefoon of
koelbox.
De transpondersleutel moet ten minste in
stand I staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aan-
steker uit de opening en gebruik het roodgloei-
ende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken. Om veiligheidsredenen moet u het
deksel altijd op de aansluiting laten zitten, wan-
neer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
WAARSCHUWING
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als
u deze niet gebruikt.
BLIS (Blind Spot Information System)*
Druk op de knop om het sys-
teem te deactiveren of te her-
activeren (voor meer informatie,
zie pagina 157).
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
61
Alarmlichten
1
2
3
4
5
6
7
8
9
ABC
DEF
GHI
JKL
MNO
PQRS
TUV
WXYZ
0
*
#
POWER
V
O
L
U
M
E
CD
AM FM
G027096
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwij-
zers knipperen), wanneer u de auto noodge-
dwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het ver-
keer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarm-
lichten verschillen van land tot land.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische verwar-
ming om de achterruit en de
buitenspiegels snel te ontwase-
men en te ontdooien. Wanneer
u op de knop drukt, wordt de
verwarming van de achterruit
en de buitenspiegels geacti-
veerd. Het lampje in de knop
gaat daarbij branden. De ver-
warming wordt na ca. 12 minu-
ten automatisch uitgeschakeld.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Voor voorstoelen met elektri-
sche verwarming, zie
pagina 92 of 94 voor meer
informatie.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
02
62
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Koplampen
G027100
Bedieningspaneel verlichting
Mistlampen*
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Mistachterlicht
Duimwiel voor afstelling van de verlichting
van het instrumentenpaneel
Stand Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsigna-
len.
Parkeerlicht achter en achter-
licht
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de transpondersleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de verlichtingsdraaiknop (1)
in de middelste stand staat. U kunt het auto-
matische dimlicht zo nodig buiten werking
laten stellen. Volvo adviseert u dit over te laten
aan een erkende Volvo-werkplaats.
Automatisch dimlicht, groot licht
1.
Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlich-
tingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom te
draaien.
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten, zie pagina 64.
De verlichting wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer u de transpondersleutel naar
stand I of 0 draait.
Parkeerlicht achter en achterlicht
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de transpondersleutel.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de transpondersleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achter-
lichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tege-
moetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1.
Draai de transpondersleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar een
van de eindstanden.
3. Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stel-
len.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
Auto’s met xenonkoplampen* zijn uitgerust
met automatische koplamphoogteregeling,
zodat het duimwiel (3) ontbreekt.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
transpondersleutel in stand II staat en de ver-
lichtingsdraaiknop (1) in een van de eindstan-
den. De verlichting wordt bij daglicht automa-
tisch gedimd en valt bij donker handmatig te
regelen.
Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag voor
een fellere of zwakkere verlichting.
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlich-
ten verschillen van land tot land.
Mistlampen*
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achter-
lichten.
Druk op de knop (2).
Het lampje in de knop brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht is
ingeschakeld.
Actieve xenonkoplampen*
G020789
Lichtbundel actieve/niet-actieve koplampen
Als de auto is uitgerust met actieve xenonko-
plampen (Active Bending Lights, ABL), draaien
de lichtbundels van de koplampen mee met het
stuurwiel. De functie wordt automatisch inge-
schakeld bij het starten van de motor en is te
activeren/deactiveren met de knop op de mid-
denconsole, zie pagina 60.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
02
64
Standen stuurhendel
G026954
Korte serie knippersignalen, richtingaan-
wijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, rich-
tingaanwijzers
Grootlichtsignalen
“Follow Me Home”-verlichting en wisselen
tussen groot licht en dimlicht
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los,
waarna de hendel terugveert naar de uit-
gangspositie. U kunt de stuurhendel ook in
stand (2) zetten en daarna meteen terug-
duwen in de uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op. De
korte serie knippersignalen wordt onmiddellijk
beëindigd, als u de richtingaanwijzers gebruikt
om te signaleren dat u een bocht in de tegen-
overgestelde richting wilt maken.
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
De transpondersleutel moet in stand II staan
om het groot licht te kunnen inschakelen.
1. Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand, zie pagina 62.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
“Follow Me Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenver-
lichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow Me Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden
1
, maar is
te wijzigen in 60 of 90 seconden.
1. Neem de transpondersleutel uit het con-
tactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1
Fabriekinstelling.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
65
Algemene informatie
G026956
READ - bevestigen
Duimwiel - menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
RESET - op nul stellen
Bedieningsknoppen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende infor-
matie:
--- KM/U GEM. SNELHEID
--.- KM/L HUIDIG
--.- KM/L GEMIDDELD
--- KILOMETER TOT LEGE TANK
DSTC AAN , zie pagina 153
--- MPH HUIDIGE SNELHEID
1
*
GEM. SNELHEID
Wanneer u het contact uitschakelt, wordt de
gemiddelde snelheid opgeslagen om als uit-
gangswaarde te dienen bij het vervolg van de
rit. U stelt de waarde op nul met de knop
RESET.
HUIDIG
Het momentane (actuele) brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto stil-
staat, geeft het display “
----” aan. Tijdens
regeneratie
2
van het roetfilter kan het brand-
stofverbruik tijdelijk stijgen, zie pagina 142.
GEMIDDELD
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met RESET.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt.
KILOMETER TOT LEGE TANK
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer “
--- KILOMETER TOT LEGE
TANK
” op het display staat, zijn geen garan-
ties meer te geven voor de resterende actiera-
dius. Tank dan zo spoedig mogelijk.
1
Alleen op bepaalde markten.
2
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
02
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
MPH HUIDIGE SNELHEID*
1
Bij een snelheidsmeter met een kilometer-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een miles-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
Op nul stellen
1.
Selecteer
--- KM/U GEM. SNELHEID of
--.- KM/L GEMIDDELD
2.
Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemid-
delde snelheid en het gemiddelde brand-
stofverbruik gelijktijdig te resetten.
1
Alleen op bepaalde markten.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
67
Ruitenwissers
G026953
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit.
Duimwiel
Regensensor, Aan/Uit
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgescha-
keld als de hendel in stand 0 staat.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
Intervalstand
U kunt het interval tussen de wis-
slagen zelf instellen. Draai het
duimwiel omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snel-
heid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit (als-
mede de achterruit) sneeuw- en ijsvrij zijn.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeier-
vloeistof op de voorruit, wanneer de ruiten-
wissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoelig-
heid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid of omlaag voor een lagere gevoe-
ligheid. (De wissers maken een extra slag, als
u het duimwiel omhoog draait).
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient de trans-
pondersleutel in stand I of II te staan en de rui-
tenwisserhendel in stand 0 (niet geactiveerd).
U activeert u de regensensor door:
Druk op de knop. Het lampje in de knop
gaat branden om aan te geven dat de
regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de vol-
gende manieren weer uit:
Druk op de knop. Het lampje in de knop
dooft.
Haal de hendel omlaag naar een ander wis-
programma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hen-
del laat terugveren naar stand 0.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
68
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De regensensor wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer u de transpondersleutel uit het
contactslot neemt of 5 minuten nadat u het
contact hebt uitgezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor met een druk op
knop (2) uit, als de transpondersleutel in
stand I of II staat.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog enkele
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
Hogedruksproeiers koplampen*
De hogedruksproeiers van de koplampen ver-
bruiken een grote hoeveelheid sproeiervloei-
stof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid (gere-
kend over een periode van 10 minuten). Wan-
neer er meer dan 10 minuten zijn verstreken
sinds de laatste sproeibeurt van de voorruit,
worden ook de koplampen weer gesproeid bij
het activeren van de ruitensproeiers. Wanneer
u de hendel kort naar het stuurwiel haalt, wordt
alleen de voorruit gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ca. 1 liter ruitensproeiervloei-
stof in het reservoir zit, worden de koplampen
en de achterruit niet langer schoongesproeid.
Dit omdat het sproeifunctie van de voorruit de
voorrang heeft.
Ruitenwisser en sproeier achterklep
G027127
Werking wisser-/sproeiersysteem, achterklep.
Wanneer u de hendel naar voren haalt, acti-
veert u de ruitenwisser/-sproeier van de ach-
terklep. De ruitenwisser maakt na het sproeien
nog enkele extra slagen. De knop aan het uit-
einde van de hendel is een schakelaar met drie
mogelijke standen:
Intervalstand: Druk het bovenste gedeelte
van de knop in.
Neutrale stand: Wisser/sproeier uitgescha-
keld.
Continu wissen: Druk het onderste
gedeelte van de knop in.
Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet ter-
wijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de
ruitenwisser van de achterklep de interval-
stand
1
innemen. Als de ruitenwisser van de
achterklep echter al op normale snelheid
werkt, vindt er geen wijziging plaats.
1
Deze functie (intervalstand tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-dealer.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
Inschakelen
G027098
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1.
Druk op de knop CRUISE. Op het instru-
mentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2.
Druk kort op + of om de snelheid van de
auto vast te zetten. De melding
CRUISE
ON
verschijnt.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
Snelheid verhogen of verlagen
G026949
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of in te drukken. De snel-
heid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of komt overeen met een snelheidswij-
ziging van 1 km/h of 1 mph
1
.
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automa-
tisch de ingestelde snelheid weer aan.
Tijdelijk uitschakelen
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt
CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling
in het geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uit-
geschakeld, als:
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient
de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h
u de keuzehendel in stand N zet
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan 1 minuut heeft geduurd.
1
Afhankelijk van het motortype.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
02
70
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel ver-
schijnt
CRUISE ON.
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen.
CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.
02
``
71
Parkeerrem
G026992
Parkeerrem, auto met stuur links.
G026994
Parkeerrem, auto met stuur rechts.
Parkeerrempedaal
Handgreep waarmee de parkeerrem wordt
gelost
Op vloerhoogte vindt u het parkeerrempedaal
(zie afbeelding), waarmee u de parkeerrem
kunt aanzetten die op de achterwielen werkt.
N.B.
Het waarschuwingslampje op het instru-
mentenpaneel geeft alleen aan dat u het
parkeerrempedaal bedient en niet hoe hard!
Parkeerrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trap het parkeerrempedaal stevig en zo
ver mogelijk in.
3. Haal uw voet van het rempedaal en con-
troleer of de auto blijft stilstaan.
4. Als de auto rolt dient u het parkeerrempe-
daal nog verder in te trappen.
5. Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
WAARSCHUWING
Maak er gewoonte van om bij het parkeren
op een helling altijd de parkeerrem aan te
zetten – het inschakelen van een versnelling
bij een handbak of stand P bij een automaat
is niet voldoende om de auto in alle situaties
stil te houden.
Parkeerrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek aan de handgreep.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, elektrische aansluiting, e.d.
02
72
Elektrische aansluiting achterin
G028425
U kunt de elektrische aansluiting voor verschil-
lende accessoires gebruiken, zoals een mobi-
ele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld voor accessoires die op 12 V werken.
De maximale stroomsterkte is 10 A. De trans-
pondersleutel moet ten minste in stand I staan,
anders geeft de aansluiting geen stroom.
Stuurwielafstelling
G026999
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de lin-
kerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet het
stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u lichte druk op het
stuurwiel aanbrengen terwijl u de blokkeerhen-
del terugduwt.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
Achterklep openen
G027005
Open de achterklep door aan de handgreep te
trekken zoals aangegeven op de afbeelding.
Klap het achterschot omlaag door de hand-
greep op te tillen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
02
``
73
Bediening
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand
I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u
de transpondersleutel hebt uitgenomen, kunt u
de ruiten nog steeds enige tijd openen en slui-
ten zolang geen van de portieren wordt
geopend. Bedien de ruiten altijd onder toe-
zicht.
Zijruit openen:
Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
naar de elektrisch bedienbare ruiten
verbreekt door de transpondersleutel te
verwijderen.
Let er bij het sluiten van de zijruiten op
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken.
Wanneer u de achterste zijruiten vanaf het
bestuurdersportier sluit, dient u erop te let-
ten op dat achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
Bestuurdersportier
G029571
Knoppen voor elektrisch bedienbare zijruiten.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen. U kunt de zijruiten op twee
manieren openen en sluiten:
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) voorzichtig omlaag of trek er één voor-
zichtig omhoog. De elektrisch bedienbare
zijruiten komen steeds verder omhoog of
omlaag zolang u de knoppen bedient.
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) omlaag of trek er één omhoog en laat
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
02
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
deze vervolgens los. De zijruiten gaan dan
automatisch open of dicht. Als een zijruit
door iets worden geblokkeerd, wordt de
op- of neergaande beweging van die zijruit
afgebroken.
N.B.
Alleen op bepaalde markten werkt de auto-
matische sluitingsfunctie ook aan de pas-
sagierszijde.
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
G029572
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en elek-
trisch bedienbaar kinderslot*.
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de knop
op het bedieningspaneel op het bestuurders-
portier. Let erop dat u altijd de stroomtoevoer
voor de elektrisch bedienbare ruiten verbreekt
(d.w.z. de transpondersleutel verwijdert), wan-
neer u kinderen alleen in de auto achterlaat.
Het lampje in de knop brandt
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf
het bestuurdersportier te bedienen.
Het lampje in de knop is uit
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de knop-
pen op het bestuurdersportier te bedienen.
Passagiersstoel, voorin
G029573
Met de knoppen voor elektrische bediening
van de ruiten op het passagiersportier kunt u
alleen de ruit in het passagiersportier bedie-
nen.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
02
75
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
G029574
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de beide portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedie-
nen. Als het lampje brandt in de knop waarmee
u de elektrische bediening van de achterste zij-
ruiten blokkeert (op het bedieningspaneel op
het bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de
achterportieren alleen vanaf het bestuurders-
portier te bedienen.
WAARSCHUWING
Wanneer u de achterste zijruiten vanaf het
bestuurdersportier sluit, dient u erop te let-
ten op dat achterpassagiers niet bekneld
kunnen raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
76
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achteruitkijkspiegel
G026660
Dimfunctie
Normale stand
Dimstand.
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u ver-
blinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropko-
mend verkeer als hinderlijk ervaart.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
tisch gedimd.
Achteruitkijkspiegel met kompas*
G026965
In de linker bovenhoek van de achteruitkijk-
spiegel zit een display waarop wordt aangege-
ven in welke richting de voorkant van de auto
wijst. Er worden acht verschillende richtingen
met Engelse afkortingen weergegeven:
N
(noord), NE (noordoost), E (oost), SE (zuid-
oost),
S (zuid), SW (zuidwest), W (west) en
NW (noordwest).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of
wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas
hebt uitgeschakeld. U kunt het kompas uit-
schakelen of opnieuw inschakelen door op het
verzonken knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel te drukken. Gebruik bij-
voorbeeld een rechtgebogen paperclip. Het
knopje ligt ca. 2,5 cm diep in de spiegel.
Kompaszone instellen
C
A
L
Z
O
N
E
C
A
L
Z
O
N
E
G026950
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas is ingesteld op het geografische
gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het
kompas dient te worden gekalibreerd, als u
met de auto meerdere magnetische zones
doorkruist.
1.
Contactslotstand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paper-
clip bijvoorbeeld), totdat de tekst ZONE
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
``
77
verschijnt. Het nummer van de huidige
magnetische zone verschijnt.
3. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van het gewenste geografi-
sche gebied (1–15) verschijnt. Enkele
seconden later staat de kompasrichting
weer op het display, wat aangeeft dat er
van zone is gewisseld.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
78
G026677
Magnetische zones voor kompas.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
79
Kalibreren
Het kompas moet soms voor de nauwkeurig-
heid worden gekalibreerd. Schakel voor de
beste resultaten alle grote stroomverbruikers
uit zoals de interieurverlichting, de interieur-
ventilator, de elektrische achterruitverwarming
e.d. en zorg dat er geen metalen of magneti-
sche voorwerpen in de buurt van de spiegel
zijn.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoor-
beeld een paperclip), totdat de melding
CAL opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden
lang).
3. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst
CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
4. Alternatieve kalibratiestap: Rijd op de nor-
male manier weg.
CAL verdwijnt van het
display, wanneer de kalibratie is afgerond.
Buitenspiegels
G029575
De knoppen waarmee u de twee buitenspie-
gels bedient, vindt u voor op de armleuning van
het bestuurdersportier. De buitenspiegels zijn
te bedienen met het contact in stand I of II.
1.
Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
Buitenspiegels resetten, zie pagina 59.
WAARSCHUWING
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Buitenspiegels met geheugen*
Als er buitenspiegels met geheugen op de auto
zitten, werkt het geheugen synchroon met dat
van de bestuurdersstoel, zie pagina 101.
Geheugenfunctie van
afstandsbediening*
Wanneer u de auto met een van de afstands-
bedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening opge-
slagen. De volgende keer dat u de auto ont-
grendelt met dezelfde afstandsbediening en
het bestuurdersportier binnen vijf minuten na
ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in
de opgeslagen positie staan.
Gelaagde zijruiten*
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en ach-
terportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Ruiten en spiegels
02
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Water- en vuilafstotende laag op
voorste zijruiten*
Zijruiten met de speciale water- en vuil-
afstotende laag zijn voorzien van een
klein symbool. Voor informatie over het onder-
houd van dergelijke zijruiten en spiegels, zie
pagina 197.
BELANGRIJK
Gebruik geen metalen ijskrabber om de rui-
ten van ijs te ontdoen. Er kan daarbij schade
aan de waterafstotende laag ontstaan.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
Openingsstanden
G007503
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zit-
ten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
Ventilatiestand, achterkant omhoog
Schuifstand, achteruit/vooruit
De transpondersleutel moet daarbij in stand I
of II staan.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
transpondersleutel uit te nemen.
G027010
Sluiten, automatisch
Sluiten, handmatig
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen:
Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten:
Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: trek de
knop achteruit in de eindstand (4) en laat de
knop los.
Automatische bediening
Trek de knop door het weerstandspunt (3) in de
achterste eindstand (4) of via het weerstands-
punt (2) in de voorste eindstand (1) en laat de
knop vervolgens los. Het schuifdak schuift dan
tot in de comfortstand open of helemaal dicht.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen:
Trek de knop nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de knop vervolgens
los.
Handmatige bediening
Openen:
Trek de knop achteruit naar het weer-
standspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
02
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sluiten:
Duw de knop vooruit naar het weerstands-
punt (2). Het schuifdak schuift steeds ver-
der dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch slui-
ten, niet bij handmatig sluiten.
Zonnescherm
G020157
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehin-
derd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch slui-
ten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
niemand met zijn handen bekneld kan
raken.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLink
*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
83
Algemene informatie
G030070
HomeLink
is een programmeerbare afstands-
bediening waarmee u tot drie verschillende
systemen (bijvoorbeeld elektrische garage-
deur, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting)
kunt bedienen en daarmee de originele
afstandsbedieningen vervangt. HomeLink
wordt geleverd in een uitvoering die inge-
bouwd is in de linker zonneklep.
Het HomeLink
-paneel bestaat uit drie pro-
grammeerbare knoppen en een controle-
lampje.
N.B.
HomeLink
is dusdanig geconstrueerd dat
het niet werkt als de auto van de buitenzijde
vergrendeld is.
Let erop dat u de originele afstandsbedie-
ningen wel goed bewaart voor eventuele
programmering in een later stadium (zoals
bij de aankoop van een nieuwe auto).
Wis de programmering van de knoppen
wanneer u de auto verkoopt.
Gebruik geen zonwering bestaande uit
metaalfolie op auto’s die zijn uitgerust met
HomeLink
. Het gebruik ervan kan namelijk
negatieve gevolgen hebben voor de wer-
king.
Bediening
Zodra HomeLink
geprogrammeerd is, vormt
het een vervanging voor de afzonderlijke origi-
nele afstandsbedieningen.
Druk de geprogrammeerde knop in voor acti-
vering van de elektrische garagedeur, het
alarmsysteem etc. Het controlelampje brandt
zolang u de knop ingedrukt houdt.
N.B.
Als het contact niet wordt ingeschakeld,
blijft HomeLink
tot 30 minuten na opening
van het bestuurdersportier werken.
Uiteraard kunt u de originele afstandsbedie-
ningen naast HomeLink
blijven gebruiken.
WAARSCHUWING
Als u HomeLink
gebruikt om een garage-
deur of toegangshek te bedienen, dient u
erop toe te zien dat er niemand in de buurt
van de garagedeur of het toegangshek is
tijdens de bediening.
Maak geen gebruik van de HomeLink
-
afstandsbediening voor een elektrische
garagedeur zonder veiligheidsstop en vei-
ligheidsretour. De garagedeur dient onmid-
dellijk te reageren bij registratie van een
obstakel, tot stilstand te komen en meteen
de omgekeerde beweging te maken. Een
garagedeur die dat niet doet kan aanleiding
geven tot lichamelijk letsel. Neem voor meer
informatie contact op met de leverancier via
internet: www.homelink.com.
Eerste keer programmeren
Bij stap 1 wordt het complete geheugen van
HomeLink
gewist. Voer dit punt dan ook
alleen uit, wanneer u slechts één knop wilt
omprogrammeren.
1. Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen. Het knip-
perende lampje geeft aan dat HomeLink
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLink
*
02
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
in de “inleerstand” staat en klaar is voor
programmering.
2. Leg de originele afstandsbediening op
5–30 cm afstand van HomeLink
. Houd het
controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink
hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogin-
gen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te programmeren knop van
HomeLink
en de te kopiëren knop van de
originele afstandsbediening gelijktijdig in.
Laat de knoppen pas los wanneer het con-
trolelampje dat langzaam knippert sneller
gaat knipperen. Een snel knipperend
lampje geeft aan dat de programmering
gelukt is.
4. Test de programmering door de gepro-
grammeerde knop van HomeLink
in te
drukken en op het controlelampje te letten:
Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop inge-
drukt houdt, wat aangeeft dat de pro-
grammering afgerond is. De garage-
deur, het toegangshek e.d. moet vervol-
gens geactiveerd worden bij het indruk-
ken van de bijbehorende HomeLink
-
knop.
Brandt niet continu: Het controle-
lampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 secon-
den continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rol-
lende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geac-
tiveerd bij het indrukken van de bijbe-
horende HomeLink
-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5.
Zoek de “inleerknop
1
” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvan-
ger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leve-
rancier of neem contact op met de leve-
rancier via internet: www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uit-
voeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink
terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Her-
haal deze volgorde van indrukken, vast-
houden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Afzonderlijke knop programmeren
Doe het volgende om één afzonderlijke knop te
programmeren:
1. Druk op de gewenste knop van
HomeLink
en houd deze ingedrukt totdat
punt 3 afgerond is.
2. Plaats wanneer het controlelampje van
HomeLink
begint te knipperen (na ca. 20
seconden) de originele afstandsbediening
op 5–30 cm afstand van HomeLink
. Houd
het controlelampje in de gaten.
De juiste afstand tussen de originele
afstandsbediening en HomeLink hangt af
van de programmering van het te bedienen
systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogin-
gen op verschillende afstand nodig. Laat
de afstandsbediening bij iedere poging ca.
15 seconden op dezelfde afstand liggen
voordat u een andere afstand probeert.
3. Druk de te kopiëren knop op de originele
afstandsbediening in. Het controlelampje
1
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
HomeLink
*
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
begint te knipperen. Laat beide knoppen
weer los, wanneer het lampje dat langzaam
knipperde sneller gaat knipperen. Een snel
knipperend lampje geeft aan dat de pro-
grammering gelukt is.
4. Test de programmering door de gepro-
grammeerde knop van HomeLink in te
drukken en op het controlelampje te letten:
Brandt continu: Het controlelampje
brandt continu terwijl u de knop inge-
drukt houdt, wat aangeeft dat de pro-
grammering afgerond is. De garage-
deur, het toegangshek e.d. moet vervol-
gens geactiveerd worden bij het indruk-
ken van de bijbehorende HomeLink
-
knop.
Brandt niet continu: Het controle-
lampje knippert eerst ca. 2 seconden
lang snel en brandt daarna ca. 3 secon-
den continu. Dit herhaalt zich ca. 20
seconden lang en geeft aan dat het te
kopiëren systeem een zogeheten rol-
lende code gebruikt. De garagedeur,
het toegangshek e.d. worden niet geac-
tiveerd bij het indrukken van de bijbe-
horende HomeLink
-knop. Vervolg in
dat geval de programmering als volgt.
5.
Zoek de “inleerknop
2
” van de ontvanger
van bijv. de garagedeur op (meestal in de
buurt van de antennevoet op de ontvan-
ger). Raadpleeg als u de knop niet kunt
vinden, de gebruiksaanwijzing van de leve-
rancier of neem contact op met de leve-
rancier via internet: www.homelink.com.
6. Druk de “inleerknop” in en laat deze los. De
knop knippert ca. 30 seconden en binnen
deze periode moet u het volgende punt uit-
voeren.
7. Druk op de geprogrammeerde knop van
HomeLink
terwijl de “inleerknop” van het
te bedienen systeem nog knippert. Houd
de HomeLink-knop ca. 3 seconden lang
ingedrukt en laat deze vervolgens los. Her-
haal deze volgorde van indrukken, vast-
houden en loslaten tot driemaal achtereen
om de programmering te beëindigen.
Programmering wissen
Het is alleen mogelijk de programmering van
alle HomeLink
-knoppen tegelijk te wissen en
niet van één bepaalde knop afzonderlijk.
Druk de buitenste twee knoppen in en laat
deze ca. 20 seconden later los wanneer het
controlelampje gaat knipperen.
>
HomeLink
staat vervolgens in de
“Learn Mode” waarna deze opnieuw
geprogrammeerd kan worden, zie
pagina 83.
2
De aanduiding en kleur van deze knop verschillen per producent.
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................... 88
Elektronische klimaatregeling, ECC........................................................ 92
Standverwarming op brandstof* ............................................................ 95
KLIMAATREGELING
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
88
Airconditioning
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van auto-
matische klimaatregeling (ECC).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiers-
ruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een nor-
maal poetsmiddel voor glaswerk.
Combifilter
Zorg dat u het combifilter/pollenfilter op
gezette tijden vervangt. Volvo adviseert u daar-
over contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motor-
kap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Volvo adviseert u controle- en reparatiewerk-
zaamheden aan de klimaatregeling over te aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het kou-
demiddel R134a. Het bevat geen chloor, waar-
door het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Voor het bijvullen/verversen van
koudemiddel mag alleen R134a worden
gebruikt, zie ook pagina 292. Volvo adviseert
u dergelijke werkzaamheden over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Werking interieurventilator
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
transpondersleutel in stand I of II), zal de inte-
rieurventilator automatisch worden uitgescha-
keld. Dit gebeurt om te voorkomen dat de accu
uitgeput raakt.
Om de interieurventilator te activeren moet u
de ventilatorknop in de gewenste snelheids-
stand draaien.
Elektronische klimaatregeling (ECC)
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de heer-
sende omstandigheden in en rond de auto wat
de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad,
de ingestraalde warmte enz. betreft.
Positie van de sensoren
De zonnesensor zit boven op het dash-
board.
De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatrege-
ling.
N.B.
Dek de sensoren niet met kleding of andere
voorwerpen af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de aircondi-
tioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
``
89
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen nor-
maal.
Om de klimaatregeling te ventileren kan de
interieurventilator tot 50 minuten na het afzet-
ten van de motor aanslaan. De ventilator slaat
ca. 15 minuten later automatisch af.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van ECC wordt ook de airconditio-
ning automatisch geregeld en alleen dan inge-
schakeld wanneer de lucht in de passagiers-
ruimte moet worden afgekoeld en de binnen-
komende lucht van vocht moet worden ont-
daan. Zo wordt meer brandstof bespaard dan
bij gebruik van conventionele systemen, waar-
bij de airconditioning de lucht voortdurend
afkoelt tot net boven het vriespunt.
Luchtverdeling
G028577
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
Blaasmonden in dashboard
G027043
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag.
1. Richt de buitenste blaasmonden op de
voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
2. Bij koud weer: Doe de middelste blaas-
monden dicht om de temperatuur in de
auto zo comfortabel mogelijk te houden en
de ruiten optimaal te ontwasemen.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
90
Blaasmonden in portierstijlen
0
G027064
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag.
1. Richt de buitenste blaasmonden op de
achterste zijruiten om ze te ontwasemen.
2. Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter in
de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
Geventileerde voorstoelen (Executive)
G030244
Bediening van ventilatie voorstoelen.
Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren
in de zittingen en de rugleuningen die lucht
door de bekleding heen aanzuigen. Naarmate
de lucht in het interieur kouder is, neemt het
koelingseffect toe.
De ventilatie is bij te regelen met een bedie-
ningsknop op de zijkant van de voorstoelen en
kent drie mogelijke standen.
Om de ventilatie van de stoel te starten:
Druk kort op
.
Om de ventilatie in stapjes te verhogen:
Druk kort op .
Voor maximale ventilatie:
Houd
ca. 2 seconden lang ingedrukt.
Om de ventilatie in stapjes te verlagen:
Druk kort op
.
Om de ventilatie uit te schakelen:
Houd ca. 2 seconden lang ingedrukt.
Het is mogelijk de stoelventilatie te combineren
met de elektrische stoelverwarming. U kunt de
functie bijvoorbeeld gebruiken om uw kleding
van vocht te ontdoen.
Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer
de motor loopt.
N.B.
Wie tochtgevoelig is dient de stoelventilatie
met beleid te gebruiken. Voor langdurig
gebruik wordt comfortniveau I geadviseerd.
BELANGRIJK
Bij een interieurtemperatuur lager dan 5°C
is het niet mogelijk de stoelventilatie in te
schakelen. Dit om te voorkomen dat de
inzittende die op de bewuste stoel zit het te
koud krijgt.
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
91
Achterbankverwarming buitenste
zitplaatsen (Executive)
G030976
Knop voor in-/uitschakeling achterbankverwar-
ming.
De achterbankverwarming is te bedienen met
de knop op de bovenstaande afbeelding. Ach-
ter op de beide zijkanten van de middencon-
sole zit voor beide buitenste zitplaatsen een
knop.
Om de achterbankverwarming te starten:
Druk op de knop.
> Het lampje in de knop gaat branden.
Om de verwarming uit te schakelen:
Druk op de knop.
> Het lampje dooft.
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
03
92
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel
AC – Aan/uit (ON/OFF)
Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor*
Recirculatie
AUTO
Luchtverdeling
Interieurtemperatuursensor
Ontdooien voorruit en zijruiten
Elektrische achterruit- en buitenspiegel-
verwarming
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Temperatuur rechterzijde
Temperatuur linkerzijde
Ventilator
Ventilator achter in passagiersruimte*
Functies
1. AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat aan. De aircondi-
tioning wordt automatisch geregeld. De bin-
nenkomende lucht wordt dan automatisch
afgekoeld en van vocht ontdaan.
OFF: De airconditioning staat uit. Bij activering
van de ontwaseming wordt de airconditioning
automatisch ingeschakeld (uit te schakelen
met de knop AC).
2. Interior Air Quality System,
recirculatie/combifilter*
Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een zoge-
heten combifilter en een Air Quality Sensor. Het
combifilter ontdoet de binnenkomende lucht
van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo even-
tuele hinderlijke geuren en verontreinigingen.
De Air Quality Sensor meet de concentratie van
de verontreinigingen in de buitenlucht. Wan-
neer de sensor een verhoogde concentratie
registreert, wordt de luchtinlaat afgesloten en
recirculeert de lucht in de passagiersruimte. De
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
03
``
93
lucht in de passagiersruimte wordt ook tijdens
de recirculatie door het combifilter gereinigd.
Wanneer de Interior Air Quality
Sensor actief is, brandt het
groene lampje bij AUT.
Bediening:
Druk op AUTO om de Air Quality Sensor te
activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop
te
drukken:
Het lampje bij MAN brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie
opnieuw ingeschakeld is.
Geen van de lampjes brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover recirculatie
niet nodig is om voor verkoeling te zor-
gen bij warm weer).
Het lampje bij AUT brandt om aan te
geven dat de Air Quality Sensor
opnieuw ingeschakeld is.
Let erop dat:
U de Air Quality Sensor altijd hebt inge-
schakeld.
Er bij koud weer beperkingen voor de recir-
culatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
U de Air Quality Sensor uitschakelt, wan-
neer de ruiten beslaan.
Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen.
Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsin-
terval voor het combifilter. In zeer sterk ver-
ontreinigde gebieden moet u het combifil-
ter mogelijk vaker vervangen.
3. Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passagiersruimte wordt
dan gerecirculeerd. Er komt met andere woor-
den geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de bin-
nenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de
timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
1.
Druk de knop
langer dan 3 secon-
den in. Het lampje knippert 5 seconden. De
lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3–12 minuten lang
gerecirculeerd.
2.
Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. Het lampje gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
4. AUTO
Bij activering van de functie AUTO wordt de
klimaatregeling automatisch dusdanig inge-
steld dat de gewenste temperatuur wordt
bereikt. De automatische functie regelt de ver-
warming, de airconditioning, de Air Quality
Sensor, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Als u een of meer hand-
matige functies selecteert, worden de overige
functies nog steeds automatisch geregeld. Alle
handmatige instellingen worden uitgescha-
keld, wanneer u op AUTO drukt.
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
03
94
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5. Luchtverdeling
Wanneer u de bovenste knop hebt inge-
drukt, stroomt er lucht uit de openingen bij
de ruiten
Wanneer u de middelste knop hebt inge-
drukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van bovenlichaam en hoofd
Wanneer u de onderste knop hebt inge-
drukt, stroomt er lucht uit de openingen ter
hoogte van benen en voeten
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
6. Interieurtemperatuursensor
De interieurtemperatuursensor registreert de
temperatuur in het interieur.
7. Ontwaseming voorruit en zijruiten
U gebruikt de ontwaseming om de voorruit en
de zijruiten snel te ontwasemen en te ont-
dooien. Er stroom dan op hoge snelheid lucht
naar de ruiten. Het lampje in de ontwasemings-
knop brandt, wanneer de functie ingeschakeld
is.
Bij activering van deze functie gebeurt boven-
dien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voor-
gaande instellingen.
8. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de bui-
tenspiegels snel ontdoen van condens of ijs,
zie pagina 61 voor meer informatie over deze
functie.
9. Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende om de voorstoel te verwar-
men:
1. Eenmaal indrukken: Hoge verwarmings-
stand – beide lampje branden.
2. Nogmaals indrukken: Lage verwarmings-
stand – een van de lampjes brandt.
3. Nogmaals indrukken: Verwarming uitge-
schakeld – geen van de lampjes brandt.
Volvo adviseert u de temperatuur in een
erkende Volvo-werkplaats te laten bijstellen.
10 en 11. Temperatuurknoppen
Met de twee draaiknoppen kunt u de tempe-
ratuur aan de bestuurderszijde en de passa-
gierszijde instellen.
N.B.
Let erop dat de passagiersruimte niet snel-
ler warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
12. Ventilator
Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te
verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid
wordt automatisch geregeld, als u AUTO
selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnel-
heid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop linksom hebt gedraaid en de
ventilatorindicatie op het display gedoofd is,
zijn de ventilator en de airconditioning uit-
geschakeld.
13. Ventilator, achter in
passagiersruimte (optie bij zevenzitters)
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. Dit geldt alleen, als u voor zowel
airconditioning voorin als achterin* hebt geko-
zen. De knop voor airconditioning achter in de
passagiersruimte vindt u op de middencon-
sole, zie pagina 59.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
95
Algemene informatie over
verwarmingen
G027095
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Voordat u de standverwarming kunt program-
meren, moet het elektrische systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u door:
op de knop READ te drukken, of
het groot licht te activeren, of,
draai de transpondersleutel naar sleutel-
stand I.
U kunt de standverwarming meteen inschake-
len of twee verschillende uitschakeltijden
instellen met
TIMER 1 en TIMER 2. Onder de
uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan
waarop de auto de gewenste temperatuur
bereikt heeft. De elektronica van de auto rekent
aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden inge-
schakeld.
Bij een buitentemperatuur hoger dan 25 °C
wordt de verwarming niet geactiveerd. Bij tem-
peraturen van –10 °C en lager is de maximale
bedrijfstijd van de standverwarming 60 minu-
ten.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, adviseert Volvo u
contact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats. Er verschijnt een melding op het
display.
Waarschuwingssticker op de tankvulklep.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
Schakel voor het tanken de standverwar-
ming uit. Gemorste brandstof kan ontvlam-
men.
Controleer op het display of de standver-
warming uit is. (Als de standverwarming
werkt, verschijnt er
PARK.VERW. AAN op
het display.)
Displaytekst
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en Directe start
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
activeert, brandt het oranje waarschuwings-
lampje op het instrumentenpaneel.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een mel-
ding met de status van de standverwarming.
De melding verdwijnt wanneer u de auto vanaf
de buitenzijde vergrendelt met de transpon-
dersleutel.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling par-
keert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de voet van de helling wijst. De standver-
warming krijgt dan voldoende brandstof.
Klok/timer
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt, wor-
den alle timerinstellingen geannuleerd.
Timers instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend tijden
voor het komende etmaal programmeren en
dus niet voor meerdere dagen tegelijk.
1.
Draai aan het duimwiel totdat
TIMER 1 of
2 op het display verschijnt.
2.
Druk kort op de knop RESET zodat de uur-
aanduiding gaat knipperen.
3. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
4.
Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
6.
Druk kort op de knop RESET om de instel-
ling te bevestigen.
7.
Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
standverwarming uit te schakelen voordat de
timer dat doet:
1.
Druk op READ.
2.
Ga met het duimwiel naar
TIMER
PARK.VERW 1
of 2. De tekst AAN knip-
pert op het display.
3.
Druk op RESET. De tekst
UIT brandt con-
tinu en de standverwarming wordt uitge-
schakeld.
Standverwarming meteen inschakelen
1.
Draai aan het duimwiel totdat
DIRECTE
START
op het display verschijnt.
2.
Druk op RESET om een van de opties
AAN of UIT te selecteren.
3.
Kies
AAN.
De verwarming zal vervolgens 60 minuten lang
blijven werken. De verwarming van het interieur
gaat van start, zodra de koelvloeistof in de
motor een temperatuur van 30 °C heeft bereikt.
Standverwarming meteen
uitschakelen
1.
Draai aan het duimwiel totdat
DIRECTE
START
op het display verschijnt.
2.
Druk op RESET om een van de opties
AAN of UIT te selecteren.
3.
Kies
UIT.
N.B.
Het is mogelijk de motor starten en weg te
rijden, terwijl de standverwarming nog aan-
staat.
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de standver-
warming automatisch uitgeschakeld. Er ver-
schijnt een melding op het display. Er ver-
schijnt dan een melding op het display. Beves-
tig deze melding door op de knop READ te
drukken.
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwar-
ming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen ople-
veren. Bij regelmatig gebruik van de stand-
verwarming moet u even lang in de auto rij-
den als de standverwarming aanstond. Dit
om te zorgen dat de dynamo evenveel
stroom kan bijladen als de standverwarming
verbruikt.
Extra verwarming (diesel)*
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwar-
men.
De extra verwarming wordt automatisch inge-
schakeld wanneer er extra warmte nodig is ter-
wijl de motor loopt. De verwarming wordt auto-
matisch uitgeschakeld, wanneer het warm
genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
98
Voorstoelen........................................................................................... 100
Voorstoelen (Executive) ........................................................................ 103
Interieurverlichting................................................................................. 104
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte.......................................... 106
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive) ....................... 111
Achterbank............................................................................................ 112
Lading vervoeren ................................................................................. 114
Bagageruimte........................................................................................ 115
INTERIEUR
04 Interieur
Voorstoelen
04
100
Zithouding
G027960
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rij-
houding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblok-
keerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen (bestuurders-
en passagierszijde*).
Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen (bestuurders- en passa-
gierszijde*).
Lendensteun wijzigen
1
, aan de knop
draaien.
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedien-
bare stoel*.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rij-
den.
Controleer of de stoel in zijn stand vergren-
deld staat.
Rugleuning voorstoelen omklappen
G014805
De rugleuning van de passagiersstoel kan wor-
den omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
1. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar ach-
teren.
2. Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
3. Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
1
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
04 Interieur
Voorstoelen
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
101
Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde
volgorde aan.
WAARSCHUWING
Pak het ruggedeelte nadat u het rechtop
gezet hebt beet en controleer of het stevig
vergrendeld staat om letsel te voorkomen
bij hard afremmen of een aanrijding.
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn.
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurders-
stoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Elektrisch bedienbare stoel*
Tot enige tijd nadat u het portier met de trans-
pondersleutel hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer de
contactsleutel in stand I of II staat.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te ver-
stellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Geheugenfunctie*
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Verstel de stoel.
2.
Houd de knop MEM ingedrukt, terwijl u
knop 1, 2 of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 13,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het losla-
04 Interieur
Voorstoelen
04
102
ten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt vast-
gelegd, wanneer u de auto met de transpon-
dersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat
de auto met dezelfde transpondersleutel wordt
ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de bestuurdersstoel en de
buitenspiegels de vastgelegde standen in.
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een willekeurige knop drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passa-
giers op de achterbank bekneld kan raken.
04 Interieur
Voorstoelen (Executive)
04
103
Voorstoelen type Comfort
G030180
Massage
Lendensteun
Massage
G030183
Knop voor activering massagefunctie.
Harde massage
Zachte massage
Elk van beide voorstoelen is voorzien van een
rugleuning met massagefunctie. De massage-
functie maakt gebruik van luchtkussens die u
een harde of zachte massage geven. Na selec-
tie van de gewenste massagefunctie wordt er
als volgt gemasseerd: 6 minuten massage – 4
minuten pauze – 6 minuten massage enz.
Wanneer de knop in de middelste stand staat
of de transpondersleutel in stand 0, is de mas-
sagefunctie niet actief.
Lendensteun instellen
G030229
Knop voor instelling lendensteun.
De lendensteun is traploos in te stellen met
behulp van de luchtkussens die ook gebruikt
worden voor de massafunctie. De luchtkus-
sens op verschillende hoogte in de rugleuning
zijn stuk voor stuk apart traploos harder of
zachter op te blazen (zie bovenstaande afbeel-
ding).
De lendensteun is in te stellen wanneer de
massagefunctie niet actief is.
De stand wordt opgeslagen in een geheugen
zodat de lendensteun na afloop van de mas-
sagefunctie of na langdurig parkeren automa-
tisch de laatst opgeslagen stand weer inneemt.
04 Interieur
Interieurverlichting
04
104
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
G026960
Knoppen op plafondconsole voor bediening lees-
lampjes voorin en interieurverlichting.
Leeslampje linksvoor
Interieurverlichting
Leeslampje rechtsvoor
De interieurverlichting
1
wordt in- en uitgescha-
keld door kort op knop (2) te drukken. Ook de
automatische verlichting wordt dan geacti-
veerd c.q. gedeactiveerd, zie pagina 105.
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld met het contactslot in stand I of
II en ook wanneer de motor loopt. De verlich-
ting kan ook worden ingeschakeld binnen 10
minuten nadat:
de motor afgezet is en het contact in stand
0 is gezet;
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart
De verlichting dooft daarna automatisch.
Plafondverlichting voorin
De leeslampjes voorin worden in- en uitge-
schakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen op de plafondconsole.
Plafondverlichting achterin
G027153
Leeslampjes achterin
Leeslampje linksachter, aan/uit
Leeslampje rechtsachter, aan/uit
De leeslampjes achterin worden in- en uitge-
schakeld met een druk op de bijbehorende
knoppen.
Bij zevenzitters zijn er ook leeslampjes voor de
derde zitrij.
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurver-
lichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het ope-
nen c.q. sluiten van een portier.
1
De instapverlichting wordt tegelijk met de interieurverlichting in- of uitgeschakeld.
04 Interieur
Interieurverlichting
04
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
105
Kofferbakverlichting
Een lampje aan de binnenkant van de achter-
klep dient als kofferbakverlichting.
Het achterste plafondlampje en het lampje in
de achterklep worden bij het openen en sluiten
van de achterklep automatisch in- en uitge-
schakeld.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt in-
en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Make-upspiegel*
G027045
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
Automatische verlichting
U kunt de automatische verlichting uitschake-
len door knop (2), zie pagina 104, meer dan 3
seconden ingedrukt te houden. Bij kort indruk-
ken van de knop schakelt u de automatische
verlichting weer in.
Bij een geactiveerde automatische verlichting
gaat de interieurverlichting automatisch
2
30
seconden lang branden wanneer:
de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of transpondersleutel
u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand 0 draait.
De interieurverlichting gaat aan en blijft 10
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren wordt geopend tenzij u de interieur-
verlichting hebt uitgeschakeld.
De interieurverlichting dooft, wanneer:
u de motor start;
de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of transpondersleutel.
De geprogrammeerde inschakelduur (resp. 30
seconden en 10 minuten) is te wijzigen in een
Volvo-werkplaats.
2
De functie is afhankelijk van de lichtinval en wordt alleen geactiveerd wanneer het donker is.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
106
Opbergmogelijkheden
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
C
SOUND
MENU
80
ENTER
L
S
E
E
EXIT
MY KEY
R
T
O
8504251r
AIRBAG
G027041
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
``
107
Opbergvak op derde zitrij
Opbergvakken en bekerhouders
Parkeerkaarthouder
Dashboardkastje
Aflegvlak in middenconsole
Bekerhouders voor achterpassagiers
Opbergvak (ook aan de voorkant van de
voorstoelzitting)
Houder voor boodschappentassen
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen ver-
oorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Pennenvak
G027030
In de middenconsole vindt u een vak waarin u
pennen kunnen bewaren.
Dashboardkastje
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
C
SOUND
MENU
80
ENTER
L
S
E
E
EXIT
MY KEY
R
T
O
AIRBAG
G027025
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
108
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kledinghaak
G027028
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Asbak voor achterpassagiers*
G027018
U opent de asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten toe te klappen.
Leeg de asbak als volgt:
1. Open de asbak.
2. Duw het klepje omlaag en kantel het ach-
terover.
3. Til de asbak vervolgens uit de middencon-
sole.
Bekerhouder/flessenhouder voor
achterpassagiers
G027063
Trek het insteekelement aan de onderkant
openen.
U kunt het insteekelement voor bekers als volgt
verwijderen:
Wanneer u de twee klemmen losmaakt,
kunt u de bekerhouder gebruiken als fles-
senhouder voor twee grote petflessen.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
Opbergvakken en bekerhouders
(zevenzitter)
G027040
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijvoor-
beeld cd’s en boeken in te bewaren.
Aflegvlak in middenconsole
G027019
In de middenconsole zit een aflegvak om bij-
voorbeeld eten en drinken op weg te zetten. U
moet daarvoor de middenarmsteun naar ach-
teren toe wegklappen, zodat de achterpassa-
giers het onderliggende blad als “tafeltje” kun-
nen gebruiken.
Onder het aflegvlak zit een opbergvak om bij-
voorbeeld cd’s in te bewaren.
Bekerhouders
G027020
Bekerhouders voor de bestuurders- en passa-
gierszijde.
Asbak*
Om de asbak te legen moet u het insteek-
element uitnemen.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
110
Opbergvak op derde zitrij (zevenzitter)
G027026
U kunt de opbergvakken gebruiken om bijvoor-
beeld pennen en kleine voorwerpen in te bewa-
ren.
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte (Executive)
04
111
Koelbox
G027068
Onder de opklapbare armsteun is een koelbox
weggewerkt. Pas de koelstand aan met de
knop (zie afbeelding). De box werkt wanneer de
motor loopt of de transpondersleutel in stand
II staat.
WAARSCHUWING
Draai de flessen goed dicht voordat u ze in
het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje
dicht blijft tijdens het rijden.
04 Interieur
Achterbank
04
112
Achterbank, tweede zitrij (zevenzitter)
G027027
Ruggedeelte vooroverklappen om in te
stappen
Til de handgreep (1) omhoog en duw de stoel
tegelijkertijd naar voren. Doe dit in omgekeerde
volgorde om de stoel in de oorspronkelijke
stand terug te zetten.
Stoel vooruit-/achteruitzetten
Til de beugel (2) op om de stoel verder naar
voren of achteren te zetten.
Verschuifbare stoel (zevenzitter)
G027033
U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij
iets verder naar voren zetten dan de resterende
stoelen. Wanneer u de middelste stoel naar
voren schuift kunt u een kind op het geïnte-
greerde kinderzitje beter in de gaten houden
vanaf de voorstoelen.
Til de beugel (A) op om de stoel naar voren of
achteren te zetten.
Achterkant middenconsole
verwijderen
G028445
Om de middelste stoel van de tweede zitrij naar
voren te kunnen schuiven, moet u eerst de
middenconsole verwijderen. U doet dat als
volgt.
1. Verwijder de achterkant van de midden-
console door de pal recht naar buiten toe
te trekken zoals aangegeven op de boven-
staande afbeelding.
2. Til de console vervolgens uit de auto.
04 Interieur
Achterbank
04
113
Hoofdsteunen achterbank, middelste
zitplaats
G027015
U kunt de hoofdsteun in het midden van de
achterbank naargelang van de lengte van de
passagier afstellen. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is.
Als u de hoofdsteun omlaag wilt duwen,
moet u tegelijkertijd de pal indrukken. Zie
afbeelding.
WAARSCHUWING
Zet de hoofdsteun alleen in de laagste posi-
tie, wanneer u het ruggedeelte van de stoel
vooroverklapt of wanneer er niemand op de
stoel zit.
Nadat u de stoelen op de tweede en derde
zitrij rechtop gezet hebt, moet u controleren
of het ruggedeelte van de stoelen geblok-
keerd staat. Als dat niet het geval is, kan het
beveiligingssysteem zijn werk niet doen.
N.B.
U kunt de hoofdsteun niet helemaal verwij-
deren.
04 Interieur
Lading vervoeren
04
114
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 286.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
Lading op het dak
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en voor
maximale veiligheid tijdens het rijden, wordt u
geadviseerd de lastdragers te gebruiken die
door Volvo ontwikkeld zijn.
Volg de montagevoorschriften die bij de last-
dragers worden geleverd nauwkeurig op.
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
Verdeel het gewicht van de lading gelijk-
matig over de lastdragers. Leg de zwaarste
voorwerpen onderop.
Naarmate u meer lading op het dak ver-
voert, vangt de auto meer wind en neemt
het brandstofverbruik toe.
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
WAARSCHUWING
De maximale dakbelasting is 100 kg inclu-
sief de lastdragers en een eventuele skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak ver-
schuift het zwaartepunt en treden er wijzi-
gingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
04 Interieur
Bagageruimte
04
``
115
Bagageruimte vergroten, tweede zitrij
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de ach-
terbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
G027022
1. Zet de stoelen in de achterste stand (geldt
alleen voor zevenzitters).
2. Klap de hoofdsteunen omlaag.
3. Hef de blokkering (1) op en klap het rug-
gedeelte voorover. Duw het ruggedeelte
aan om het in neergeklapte stand te blok-
keren.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen mag u geen passa-
giers op de derde zitrij vervoeren, als de
hoofdsteunen van de buitenste zitplaatsen
van de tweede zitrij omlaaggeklapt zijn.
Bagageruimte vergroten, derde zitrij
(zevenzitter)
BELANGRIJK
Bij het neerklappen van de achterbank
mogen er zich geen voorwerpen op de ach-
terbank bevinden. De veiligheidsgordels
mogen evenmin zijn ingestoken. Schade
aan de bekleding van de achterbank is
anders namelijk niet uitgesloten.
G027016
Schuif de tweede zitrij helemaal naar voren toe,
zie pagina 100.
Til de handgreep omhoog.
Schuif het zitgedeelte in de achterste
stand. Klap de verankeringsogen links en
rechts dusdanig in, dat ze niet beschadigd
raken wanneer u de ruggedeelten voor-
overklapt.
Klap het ruggedeelte voorover. (De hoofd-
steun wordt automatisch ingeklapt bij het
vooroverklappen van het ruggedeelte.)
Derde zitrij rechtop zetten
1. Zet het ruggedeelte van de stoelen weer
rechtop.
04 Interieur
Bagageruimte
04
116
2. Pak de lus beet en trek het zitgedeelte zo
ver uit dat u een klik hoort.
3. Zet de hoofdsteun rechtop.
> U kunt de stoel daarna weer gebruiken.
Algemene informatie
G027031
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde
informatie over de gewichten, zie pagina 286.
Lading in de bagageruimte
Veiligheidsgordels en airbags bieden de
bestuurder en eventuele passagiers een goede
bescherming, met name bij frontale botsingen.
Zorg echter ook voor een goede afscherming
in de rug. Let er bij het vervoer van lading in de
bagageruimte op dat voorwerpen die niet goed
zijn vastgezet of op de juiste manier zijn inge-
laden bij een aanrijding of een krachtige rem-
manoeuvre met hoge snelheid en met grote
kracht naar voren kunnen worden geslingerd
en daarbij ernstige verwondingen kunnen toe-
brengen.
Let erop dat een voorwerp met een gewicht
van 20 kg bij een frontale botsing op een snel-
heid van 50 km/h zich gedraagt als een voor-
werp met een gewicht van 1000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
Duw zware lading niet te dicht tegen de
voorstoelen aan. Het neergeklapte rugge-
deelte wordt anders onnodig zwaar belast.
Breng de lading zo dicht mogelijk tegen de
rugleuning van de achterbank aan.
Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk
plat op de vloer.
Breng zware lading dusdanig aan dat deze
recht voor de deellijn in de rugleuning van
de achterbank komt te zitten.
Dek scherpe randen met iets zachts af.
Zet de lading met sjorbanden aan de ver-
ankeringsogen vast.
Zorg dat de lading nooit boven de rugleu-
ning uitsteekt, wanneer u geen gebruik
maakt van een bagagenet.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
04 Interieur
Bagageruimte
04
``
117
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading nooit boven de rugge-
deelten uitsteekt! Als dat namelijk wel het
geval is, kan de lading bij een krachtige rem-
manoeuvre of een aanrijding naar voren
worden geslingerd en u of eventuele passa-
giers ernstig verwonden. Let er ook op dat
u lading altijd goed verankert (vastbindt).
Wanneer u het ruggedeelte van de achter-
bank hebt neergeklapt, moet u zorgen dat
de lading niet uitsteekt boven de denkbeel-
dige, horizontale lijn op 50 mm onder de
bovenkant van de ruiten in de achterportie-
ren. Zorg er bovendien voor dat de lading
op 10 cm afstand van de zijruiten zit. Anders
is het mogelijk dat het opblaasgordijn dat
schuilgaat achter de plafondbekleding geen
bescherming meer biedt.
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan rol-
len.
Bagagenet
G027058
Het bagagenet voorkomt dat bagage of lading
uit de bagageruimte de passagiersruimte kan
binnendringen bij krachtige remmanoeuvres.
Het bagagenet is gemaakt van stevig nylon-
materiaal en kan op twee verschillende manie-
ren worden bevestigd:
achter het ruggedeelte van de achterbank,
achter de voorstoelen, als u de achterbank
hebt neergeklapt.
Bagagenet aanbrengen
Als de auto is uitgerust met een bagagerol-
hoes, moet u deze verwijderen voordat u het
bagagenet aanbrengt.
1. Haak de bovenste stang achter de voorste
of achterste plafondbevestigingen vast.
2. Haak het andere uiteinde van de stang aan
de tegenoverliggende plafondbevestiging
vast.
3. Haak de banden van het bagagenet vast
aan de ogen op de vloer, wanneer u het net
aan de achterste plafondbevestigingen
hebt vastgezet.
4. Maak gebruik van de verankeringsogen op
de stoelrails, wanneer u het net aan de
04 Interieur
Bagageruimte
04
118
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
voorste plafondbevestigingen hebt vast-
gezet.
Geldt alleen voor zevenzitter:
1. Zorg dat het net voor de armleuning van
het zijpaneel komt te liggen bij aanspan-
ning.
2. Trek het bagagenet strak met de trekban-
den.
Bagagenet opvouwen
U kunt het bagagenet opvouwen en opbergen
onder de vloerplaat van de bagageruimte
(geldt voor vijfzitters).
Druk de knoppen (1) op de scharnieren van
het bagagenet in om de scharnieren te ont-
grendelen en het net op te vouwen.
WAARSCHUWING
Controleer altijd of de bovenste bevestigin-
gen van het veiligheidsnet goed zijn aange-
bracht en of de spanbanden stevig vastzit-
ten.
Een beschadigd net mag u niet meer gebrui-
ken.
Stalen veiligheidsrek*
G027056
Het veiligheidsrek in de bagageruimte voor-
komt dat bagage of huisdieren bij krachtige
remmanoeuvres de passagiersruimte in wor-
den geslingerd.
U moet het veiligheidsrek voor de veiligheid
altijd op de juiste manier bevestigen en veran-
keren.
Breng het veiligheidsrek als volgt aan:
1. Til het veiligheidsrek via de achterklep of
een van de achterportieren in de auto (in
het laatste geval moet u eerst de tweede
zitrij neerklappen).
04 Interieur
Bagageruimte
04
``
119
2. Breng een van de bevestigingspennen van
het veiligheidsrek in de bijbehorende hou-
der aan die zich boven het achterportier
achter de tweede zitrij bevindt.
G027057
3. Duw de bevestigingspen van het veilig-
heidsrek naar voren toe in de houder.
4. Breng de andere bevestigingspen van het
veiligheidsrek in de houder boven het
tegenoverliggende portier en duw ook hier
de bevestigingspen vooruit in de houder.
5. Steek de bevestigingsbeugel vanaf de
onderzijde door de onderste houder van
het veiligheidsrek zoals aangegeven op de
afbeelding.
6. Breng de veer op de bevestigingsbeugel
aan en draai de draaiknop erop vast.
7. Bevestig de haak van de bevestigingsbeu-
gel in het verankeringsoog en draai aan de
draaiknop, totdat de bevestigingsbeugel in
het verankeringsoog vastgrijpt.
8. Doe hetzelfde aan de andere kant van het
rek.
9. Draai de beide bevestigingsbeugels beur-
telings vast.
10. Breng de beschermdoppen aan op het
blootliggende schroefdraadsegment
boven de draaiknoppen.
WAARSCHUWING
Geldt voor zevenzitters: Om veiligheidsre-
denen mag u geen passagiers op de derde
zitrij vervoeren, als u het bagagenet achter
de tweede zitrij hebt gemonteerd.
Elektrische aansluiting in
bagageruimte
G027099
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting werkt
onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt
dat de stroomsterkte die via de aansluiting
wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A, verschijnt
er een waarschuwing op het display.
N.B.
Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt
wanneer de motor is afgezet, omdat anders
het risico bestaat dat de accu uitgeput
raakt.
04 Interieur
Bagageruimte
04
120
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bagagerolhoes*
G027055
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en haak de hoes vast in de openingen die in
de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
Bagagerolhoes verwijderen
Druk het eindstuk van de bagagerolhoes naar
binnen toe en trek het naar boven toe los. Bij
het aanbrengen moet u de eindstukken van de
bagagerolhoes in de houders omlaag drukken.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen op de bagagerol-
hoes. Ze kunnen de inzittenden verwonden
bij afremmen of uitwijkmanoeuvres.
Houder voor boodschappentassen*
G027066
Open het luik in de bagageruimte. Hang of bind
de boodschappentassen vast met bagageban-
den of houders.
Vloervak bagageruimte, inhoud
G027067
Positie EHBO-kit bij vijfzitters.
Positie EHBO-kit bij zevenzitters.
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u het
volgende:
Gevarendriehoek*
Gereedschapstas
EHBO-kit*
Krik (alternatieve positie)
04 Interieur
Bagageruimte
04
121
N.B.
Bepaalde producten in de EHBO-kit zijn
verzien van een uiterste houdbaarheidsda-
tum. U dient de producten te vervangen,
voordat de aangegeven data zijn verstre-
ken.
Vloervlak bagageruimte openen
(vijfzitter)
Til het luik in de vloer van de bagageruimte
op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
Til het luik op en maak de bagagebanden
van de houder voor de boodschappentas-
sen los.
Vloervak bagageruimte openen
(zevenzitter)
Til het luik op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
Klap het bovenste luik open, maak de
bagagebanden van een eventuele houder
voor boodschappentassen los en klap ver-
volgens het onderste luik open.
BELANGRIJK
Let erop dat er geen voorwerpen onder de
stoelkussens liggen wanneer u de stoelen
hebt neergeklapt. Dergelijke voorwerpen
kunnen de stoelkussens en de verstelme-
chanismen namelijk beschadigen.
122
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening............................ 124
Vergrendelen en ontgrendelen.............................................................. 126
Kinderslot.............................................................................................. 130
Alarm*.................................................................................................... 132
SLOTEN EN ALARM
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening
05
124
Sleutels, elektronische startblokkering
G030177
Transpondersleutel. De hoofdsleutel past op alle
sloten.
Bij de auto worden twee transpondersleutels
geleverd – ze zijn inklapbaar en voorzien van
een ingebouwde afstandsbediening.
Verlies van een sleutel
Als u een van de transpondersleutels verliest,
wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werk-
plaats te bezoeken en alle resterende sleutels
van de auto mee te nemen. Ter voorkoming van
diefstal moet de code van de zoekgeraakte
sleutel uit het systeem worden gewist. Tegelij-
kertijd moeten de codesignalen van de reste-
rende sleutels opnieuw in het systeem worden
geprogrammeerd.
De unieke code van de sleutelbladen is bekend
bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld.
Er kunnen maximaal zes transpondersleutels
voor één en dezelfde auto worden geprogram-
meerd en gebruikt.
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
chips. Deze code moet overeenkomen met die
van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U
kunt de auto alleen starten, wanneer u een
sleutel met de juiste code gebruikt.
N.B.
Het sleutelblad van de transpondersleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zie afbeelding)
bij het starten van de auto. Anders bestaat
het risico dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Anders kan de
elektronische startblokkering per ongeluk wor-
den geactiveerd, zodat de auto niet kan wor-
den gestart.
Functies afstandsbediening
G027013
Ontgrendelen
Bij eenmaal indrukken van de knop worden
alle portieren, de achterklep en de tankvul-
klep ontgrendeld.
Achterklep
Bij eenmaal indrukken van de knop wordt
alleen de achterklep ontgrendeld.
Bij tweemaal indrukken wordt de klep ont-
grendeld en komt deze een stukje omhoog.
Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie om
in noodgevallen de aandacht van anderen te
trekken. Als u de rode knop ten minste drie
05 Sloten en alarm
Transpondersleutel - sleutel met afstandsbediening
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
125
seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal
achtereen binnen drie seconden indrukt, wor-
den de richtingaanwijzers, de interieurverlich-
ting en de claxon geactiveerd. U schakelt de
paniekfunctie weer uit met een druk op een
willekeurige knop van de transpondersleutel.
Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25
seconden automatisch uitgeschakeld.
“Approach”-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto toe-
loopt:
Druk op de gele knop van uw transponder-
sleutel.
De interieurverlichting, stadslichten vóór en
achterlichten, kentekenplaatverlichting en bui-
tenspiegelverlichting* gaan dan branden. Ook
de verlichting van een aangesloten aanhanger
gaat branden. De lampen blijven 30, 60 of 90
seconden branden. In een werkplaats kunt u
een passende inschakelduur laten instellen –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-werk-
plaats.
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met de knop vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep. Voor de tankvul-
klep geldt een vertraging van ca. 10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de transpondersleutel inklappen door
de knop in te drukken, terwijl u het mechani-
sche gedeelte (sleutelblad) inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitge-
klapt met een druk op de knop.
Batterij transpondersleutel vervangen
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de transpon-
dersleutel, moet u de batterij bij de eerstvol-
gende servicebeurt vervangen.
1. Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achter-
kant voorzichtig open te wrikken.
2. Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
3. Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat er
geen vocht kan binnendringen.
4. Geef de lege batterij af bij uw Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
126
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
G026963
Met de transpondersleutel kunt u alle zijportie-
ren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/
ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen op
de portieren en de portierhandgrepen aan de
binnenzijde zijn dan niet meer te bedienen
1
.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
N.B.
Ook als er nog een portier of de achterklep
openstaat is het mogelijk de auto te ver-
grendelen. Wanneer u het geopende portier
of de achterklep vervolgens sluit bestaat het
gevaar dat u zich buitensluit met de sleutels
nog in de auto.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen 2 minuten na ontgrendeling van de bui-
tenzijde met de transpondersleutel opent, wor-
den alle sloten automatisch weer vergrendeld.
Deze functie beperkt de kans dat u de auto per
ongeluk onvergrendeld kunt laten staan.
Voor auto’s met alarmsysteem, zie
pagina 132.
Automatische vergrendeling
G029646
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuur-
dersportier kunt u de automatische vergrende-
ling activeren of deactiveren. Bij automatische
vergrendeling worden de portieren automa-
tisch vergrendeld wanneer de auto een snel-
heid bereikt van meer dan 7 km/h. De portieren
blijven vergrendeld totdat een portier van de
binnenzijde worden geopend of alle portieren
tegelijkertijd worden ontgrendeld vanaf het
bedieningspaneel.
Activeren/deactiveren
De transpondersleutel moet in sleutelstand I of
II staan.
1
Geldt voor bepaalde markten
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
127
Druk op de knop READ op de linker stuurhen-
del om eventuele meldingen op het display te
bevestigen.
Houd de knop voor centrale vergrendeling
ingedrukt, totdat er een nieuwe melding over
de vergrendelingsstatus op het display ver-
schijnt.
De melding
AUTOLOCK GEACTIVEERD
(automatische vergrendeling tijdens het weg-
rijden) of
AUTOLOCK GEDEACTIVEERD
verschijnt op het display.
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
G029646
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuur-
dersportier (of het passagiersportier) zijn alle
portieren en de achterklep gelijktijdig te ver-
grendelen dan wel te ontgrendelen.
Alle portieren zijn te vergrendelen met de ver-
grendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Dashboardkastje vergrendelen
ATTENTION
Pakjdskdl ioiuip kjöpp opoodidåuswi
C
SOUND
MENU
80
ENTER
L
S
E
E
EXIT
MY KEY
R
T
O
AIRBAG
G027025
Het dashboardkastje is te vergrendelen met
het sleutelblad van de transpondersleutel.
Achterklep vergrendelen/
ontgrendelen
Met de toets op de transpondersleutel is
het mogelijk om de alarmfunctie voor de ach-
terklep te deactiveren* zodat u de achterklep
apart kunt ontgrendelen.
G028485
Bij auto’s met alarm* dooft de alarmindicatie op
het dashboard om aan te geven dat niet alle
onderdelen van de auto beveiligd zijn. De
niveausensoren en bewegingsmelders als-
mede de sensoren in de opening van de ach-
terklep worden buiten werking gesteld.
De portieren blijven vergrendeld en beveiligd.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
U kunt de klep op twee verschillende
manieren openen:
Eenmaal indrukken – de achterklep wordt
ontgrendeld maar blijft dichtstaan. Ontgrendel
met de buitenste handgreep en open de klep.
Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgren-
deling wordt geopend, wordt de klep weer ver-
grendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
Tweemaal indrukken – de achterklep wordt
ontgrendeld en de pal vrijgegeven waarna de
klep enkele centimeters omhoogkomt. Til de
buitenste handgreep op om de klep te openen.
Bij zware regen- of sneeuwval, vorst of ijzel
komt de klep mogelijk niet van de pal los.
N.B.
Wanneer de klep met tweemaal indruk-
ken werd ontgrendeld is automatische
hervergrendeling niet mogelijk omdat
de klep openstaat – u dient de klap
handmatig te sluiten.
Na het sluiten is de klep onvergrendeld
en niet opgenomen in het alarmsysteem
– met de toets LOCK op de transpon-
dersleutel kunt u de klep opnieuw ver-
grendelen en opnemen in het alarmsys-
teem.
Safelock-functie*
2
Bij activering van de zogeheten Safelock-func-
tie zijn de portieren niet meer van de binnen-
zijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld
zijn.
De Safelock-functie is van de buitenzijde te
activeren met de toets LOCK op de transpon-
dersleutel of door het bestuurdersportier te
vergrendelen met het sleutelblad. De functie
treedt 10–25 seconden na vergrendeling van
de portieren in werking. Alle portieren moeten
zijn gesloten, voordat u de Safelock-functie
kunt activeren.
Bij Safelock is de auto alleen met de toets
UNLOCK op de transpondersleutel te ontgren-
delen. Het bestuurdersportier is ook te ont-
grendelen met het sleutelblad.
Tijdelijk deactiveren
G027230
Als u de portieren van de buitenzijde wilt ver-
grendelen terwijl er iemand in de auto achter-
blijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uit-
schakelen.
1. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot, draai deze naar sleutelstand II en
vervolgens terug naar stand I of 0.
2. Druk op de knop. Let erop dat ook de*
bewegingsmelders en niveausensoren van
het alarmsysteem worden uitgeschakeld,
zie pagina 133.
2
Alleen in combinatie met alarmsysteem.
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
129
Het lampje in de knop brandt, totdat de auto
vergrendeld wordt met de transpondersleutel.
Op het display verschijnt een melding zolang
de transpondersleutel in het contactslot steekt.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegings-
melders en niveausensoren van het alarmsys-
teem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
N.B.
Let erop dat de auto bij het vergrende-
len op alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de
binnenzijde wordt geopend, gaat het
alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten op het
moment dat de Safelock-functie geacti-
veerd is.
05 Sloten en alarm
Kinderslot
05
130
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Handbediend kinderslot,
achterportieren en achterklep
De bediening van de kindersloten vindt u onder
op de achterklep en achter op de korte kant
van de achterportieren. De bediening is alleen
bereikbaar wanneer de achterklep of het des-
betreffende portier openstaat.
Achterklep
G021512
Bedieningsknop kinderslot, achterklep.
U bedient het kinderslot op de achterklep door
de knop in een van beide eindstanden opzij te
duwen (gebruik daarvoor een plat metalen
voorwerp zoals een schroevendraaier):
Uitgeschakeld kinderslot – de achterklep
kan wel van de binnenzijde worden
geopend.
Ingeschakeld kinderslot – de achterklep
kan niet van de binnenzijde worden
geopend.
Achterportieren
G021513
Bedieningscilinder kinderslot, linker en rechter
achterportier.
U bedient het kinderslot op de achterportieren
door de cilinder in een van beide eindstanden
te draaien (gebruik daarvoor een plat metalen
voorwerp zoals een schroevendraaier).
Ingeschakeld kinderslot – de achterportie-
ren kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend: Naar buiten toe draaien.
Uitgeschakeld kinderslot – de achterpor-
tieren kunnen wel van de binnenzijde wor-
den geopend: Naar binnen toe draaien.
Elektrisch kinderslot, achterportieren*
REAR
AC
G027105
Gebruik de knop op de middenconsole om het
kinderslot op de achterportieren in of uit te
schakelen.
1.
Draai de contactsleutel naar stand I of II,
zie pagina 144.
2. Druk op de knop.
05 Sloten en alarm
Kinderslot
05
131
Het lampje in de knop licht op om aan te geven
dat de bedieningsknoppen voor de achterste
zijruiten en de achterportieren vergrendeld zijn.
Er verschijnt een melding op het display, wan-
neer het kinderslot geactiveerd/gedeactiveerd
wordt.
N.B.
Zolang het kinderslot actief is zijn de ach-
terportieren niet van de binnenzijde te ope-
nen.
05 Sloten en alarm
Alarm*
05
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarmsysteem
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontro-
leerd.
Het alarm gaat af, als:
een portier, de motorkap of de achterklep
wordt geopend
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewe-
gingsmelder aanwezig is);
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor);
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Alarmindicatie
G026963
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld.
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het
moment dat u de transpondersleutel naar
sleutelstand II draait – het alarm is afge-
gaan.
Als er een storing in het alarmsysteem is opge-
treden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een werkplaats – geadvi-
seerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekerings-
voorwaarden.
Alarmfunctie inschakelen
Druk op de knop LOCK van de afstands-
bediening. De richtingaanwijzers van de
auto geven een lang lichtsignaal af ter
bevestiging dat het alarm is ingeschakeld
en dat alle portieren zijn vergrendeld.
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden een-
maal op ter bevestiging dat het alarm volle-
dig is ingeschakeld.
Alarmfunctie uitschakelen
Druk op de knop UNLOCK van de trans-
pondersleutel. De richtingaanwijzers van
de auto geven twee korte lichtsignalen af
ter bevestiging dat het alarm is uitgescha-
keld.
Als de batterijen in de transpondersleutel leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door de
sleutel naar sleutelstand II te draaien.
05 Sloten en alarm
Alarm*
05
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
Automatische inschakeling van het
alarm
De functie voorkomt dat u de auto onbedoeld
kunt achterlaten zonder het alarm in te scha-
kelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent (en de auto werd met de trans-
pondersleutel ontgrendeld), dan wordt het
alarm automatisch weer ingeschakeld. De auto
wordt tegelijkertijd vergrendeld.
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automa-
tisch ingeschakeld, wanneer het bestuurders-
portier werd geopend en gesloten maar daarna
niet werd vergrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de knop UNLOCK van de trans-
pondersleutel of steek de sleutel in het
contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
Er klinkt 25 seconden lang een sirene.
Deze beschikt over een eigen accu die
wordt ingeschakeld, als de accu van de
auto te weinig vermogen heeft of ontkop-
peld is.
Alle richtingaanwijzers knipperen vijf minu-
ten lang of korter wanneer u het alarm vol-
gens de bovenstaande aanwijzingen eer-
der uitschakelt.
Beperkt alarmniveau
G027230
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wan-
neer u bijvoorbeeld een hond in de auto ach-
terlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
1. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot, draai deze naar sleutelstand II en
vervolgens terug naar stand I of 0.
2. Druk op de knop.
Het lampje in de knop brandt, totdat u de auto
vergrendelt. Op het display verschijnt een mel-
ding zolang de transpondersleutel in het con-
tactslot steekt. Let erop dat ook de Safelock-
functie wordt uitgeschakeld, zie pagina 128.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegings-
melders en niveausensoren van het alarmsys-
teem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie............................................................................. 136
Brandstof tanken................................................................................... 138
Motor starten........................................................................................ 144
Handgeschakelde versnellingsbak....................................................... 146
Automatische versnellingsbak.............................................................. 147
Vierwielaandrijving*............................................................................... 150
Remsysteem......................................................................................... 151
Stabiliteits- en tractieregelsysteem* .................................................... 153
Park Assist*........................................................................................... 155
BLIS (Blind Spot Information System)*................................................. 157
Slepen en bergen.................................................................................. 161
Starten met hulpaccu............................................................................ 163
Rijden met een aanhanger.................................................................... 164
Trekhaak* ............................................................................................. 166
Afneembare trekhaak* .......................................................................... 168
Lichtbundel aanpassen ........................................................................ 172
STARTEN EN RIJDEN
06 Starten en rijden
Algemene informatie
06
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie. Voor meer tips om het
milieu te sparen (zie pagina 13).
Laat de motor niet stationair warmdraaien,
maar belast de motor in plaats daarvan zo
snel mogelijk licht – een koude motor ver-
bruikt meer brandstof dan een warme.
Wanneer u bij koud weer de standverwar-
ming* inschakelt, bereikt de motor sneller
de normale bedrijfstemperatuur.
Vermijd onnodig snel optrekken en krach-
tig remmen.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Verwijder lastdagers die u niet gebruikt.
Gebruik geen winterbanden buiten het
winterseizoen.
Rijd niet met open zijruiten.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandigheden
om te testen hoe de nieuwe auto bij gladheid
reageert.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken.
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stati-
onair laten lopen.
Verwijder verstralers die voor de grille zit-
ten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmoto-
ren), wanneer u met een aanhanger of caravan
achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt.
Anders kan de olietemperatuur te hoog oplo-
pen.
Geopende achterklep
WAARSCHUWING
Rijd niet met een geopende achterklep. Er
kunnen giftige uitlaatgassen via de bagage-
ruimte de passagiersruimte in worden gezo-
gen.
Op oneffen wegen rijden
Hoewel de Volvo XC90 voornamelijk gecon-
strueerd is voor het gebruik op verharde
wegen, biedt de auto ook goede eigenschap-
pen op onverharde en slecht onderhouden
wegen. De auto gaat echter langer mee als u
op het volgende let:
Rijd langzaam als het wegdek oneffen is
om schade aan het onderstel van de auto
te voorkomen.
Als de ondergrond rul is of uit droog zand
of sneeuw bestaat, verdient het altijd de
voorkeur om de auto in beweging te hou-
den en overschakelen te voorkomen.
Breng de auto niet tot stilstand.
Als de weg buitengewoon steil is zodat het
gevaar bestaat dat de auto kantelt, moet u
de auto nooit op de helling proberen te
keren maar achteruit terugrijden. Rijd nooit
schuin maar altijd recht een helling op en
af.
06 Starten en rijden
Algemene informatie
06
137
N.B.
Rijd bij voorkeur geen steile helling op of af,
wanneer het brandstofniveau laag is. De
katalysator kan beschadigd raken, als de
motor onvoldoende brandstof krijgt. Zorg er
bij het beklimmen van een buitengewoon
steile helling voor dat de brandstoftank voor
meer dan de helft gevuld is, om motoruitval
te voorkomen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 40 cm diep rijden met een maxi-
mumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voor-
zichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigen-
schappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de rem-
werking in orde is. Bij water en vuil op de rem-
blokken kunnen er vertragingen in de remwer-
king optreden.
N.B.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppe-
ling schoon na ritten in water en modder.
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een water-
partij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de transpon-
dersleutel niet te lang achtereen in sleutelstand
II staan, als u de motor hebt afgezet. Maak in
plaats daarvan gebruik van de stand I – het
stroomverbruik is dan minder.
Let erop dat de 12V-aansluiting in de bagage-
ruimte ook spanning levert, wanneer u de
transpondersleutel uit het contactslot hebt
genomen.
Let er tevens op dat de verschillende acces-
soires het elektrische systeem belasten. Scha-
kel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Voorbeelden van dergelijke onderdelen/syste-
men zijn:
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem (hoog volume)
koplampen.
Als de accuspanning laag is, verschijnt op het
informatiedisplay de melding
ACCUSPAN.
LAAG ENERGIEBESPARING
. De energiebe-
sparingsfunctie schakelt vervolgens bepaalde
onderdelen/systemen uit of verlaagt de belas-
ting van de accu door bijvoorbeeld de interi-
eurventilator lager te zetten en/of het audio-
systeem uit te schakelen.
Laad de startaccu dan op door de motor te
starten en deze minstens 15 minuten lang
te laten lopen – de accu wordt beter opge-
laden tijdens het rijden dan bij stilstand met
een stationair lopende motor.
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
138
Tankvulklep openen
G027073
De tankdop vindt u achter de tankvulklep in het
spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen aan
de binnenzijde van de tankvulklep.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
N.B.
De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld. De tankvulklep wordt daarna
automatisch vergrendeld.
Tankvulklep handmatig openen
Wanneer u de tankvulklep niet op de normale
manier kunt openen moet u de tankvulklep wel-
licht handmatig openen.
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
``
139
G027077
Stap 1–3.
G027034
Stap 4–5.
1. Til de vloerbekleding in de bagageruimte
aan de rechter achterhoek op.
2. Open de afdekking door de handgreep op
te tillen en naar buiten trekken.
3. Haal de isolatie opzij om bij de elektrische
vergrendeling van de tankvulklep te
komen.
4. Steek uw hand door de opening en zoek
de vergrendeling op. De vergrendeling zit
ter hoogte van de achterkant van de tank-
vulklep.
5. Trek de pal recht naar achteren. U kunt de
tankvulklep vervolgens openen.
Sluit na het tanken de tankvulklep en duw
de pal weer naar voren.
Doe in dat geval het volgende:
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom
langzaam en voorzichtig.
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
140
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstof-
tank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open
N.B.
Plaats de tankdop na het tanken terug.
Draai de dop zo ver dicht dat u een of meer
duidelijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlo-
pen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven in dit hoofdstuk,
omdat dit een nadelige invloed kan hebben op
het motorvermogen en het brandstofverbruik.
Algemene informatie over brandstof
WAARSCHUWING
Zorg altijd dat u geen brandstofdampen
inademt of brandstofspatten in de ogen
krijgt.
Bij brandstof in de ogen eventuele contact-
lenzen uitnemen en de ogen ten minste 15
minuten lang spoelen met een ruime hoe-
veelheid schoon water en medische hulp
inroepen.
Brandstof nooit inslikken. Brandstoffen
zoals benzine, bio-ethanol, mengsels ervan
en dieselolie zijn uitermate giftig en kunnen
bij inwendig gebruik aanleiding geven tot
blijvend letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Roep onmiddellijk medische hulp in bij het
inslikken van brandstof.
WAARSCHUWING
Gemorste brandstof kan door de hete uit-
laatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de standver-
warming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. De beltoon kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brand-
stofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
BELANGRIJK
Bij menging van verschillende soorten
brandstof of gebruik van een andere brand-
stofkwaliteit dan aanbevolen, vervallen de
garanties van Volvo en eventuele aanvul-
lende servicecontracten; dit geldt voor alle
motoren. N.B. Dit geldt niet voor auto’s met
een motor die is aangepast voor het gebruik
van ethanol (E85).
Voor gedetailleerde informatie over CO
2
-uit-
stoot, brandstofverbruik en tankinhoud, zie
pagina 294.
Benzine
Benzine dient te voldoen aan de norm NEN-
EN 228. De meeste motoren kunnen op ben-
zine met een octaangetal van 91, 95 en 98
(RON) lopen.
91 (RON) mag u niet gebruiken voor vier-
cilindermotoren en slechts bij hoge uitzon-
dering voor de overige motortypes.
95 RON is te gebruiken in normale rijom-
standigheden.
98 (RON) wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 °C
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
``
141
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebruiken.
Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om
schade aan te katalysator te voorko-
men.
Giet geen additieven (dopes) in de ben-
zine zonder het uitdrukkelijke advies
van Volvo.
Katalysator
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. Hij is dicht bij de motor in het uit-
laatsysteem gemonteerd om snel op tempera-
tuur te komen. De katalysator bestaat uit een
monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De
wanden van de kanalen zijn bekleed met pla-
tina/rodium/palladium. Deze edelmetalen heb-
ben een katalytische werking, d.w.z. ze ver-
snellen een chemische reactie zonder dat ze
daar zelf actief aan deelnemen.
Lambdasonde
TM
(zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regel-
systeem dat tot taak heeft de uitstoot te beper-
ken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofge-
halte van de uitlaatgassen die de motor verla-
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische sys-
teem dat continu de injectoren afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (kool-
waterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
Dieselolie
Dieselolie moet voldoen aan de norm NEN-
EN 590 of JIS K2204.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie.
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende diesel-
olie-achtige brandstoffen: speciale toevoe-
gingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME
1
(biodiesel) of plantaardige olie. Der-
gelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aan-
leiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreini-
gingen zoals een te hoog gehalte aan zwavel-
deeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie
van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet
nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de
tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot
startproblemen leiden. De grote oliemaat-
schappijen produceren speciale dieselolie
bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen
rond het vriespunt. Deze brandstof is dunner
bij lage temperaturen en beperkt de kans op
vlokvorming in het brandstofsysteem.
1
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
142
BELANGRIJK
Gebruik speciale winterbrandstof tijdens de
wintermaanden.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm
zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
Op grond van zijn constructie moet het brand-
stofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden
om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te
kunnen starten.
Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het
brandstofsysteem enige tijd nodig om een con-
trole uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtan-
ken met dieselolie) het volgende, voordat u de
motor start:
1. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot en draai deze naar sleutelstand II
(zie pagina 144).
2. Wacht ca. 1 minuut.
3. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of
koppelingspedaal en draai de transpon-
dersleutel naar de startstand III.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aan-
leiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswa-
ter aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wan-
neer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is
gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijde-
ren het verzamelde vocht uit het brandstof-
filter.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn mogelijk uitgerust met een
roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaat-
gasreiniging mogelijk is. Onder normale rijom-
standigheden blijven de roetdeeltjes uit de uit-
laatgassen in het filter achter. Om de roetdeel-
tjes te verbranden en het filter te legen wordt
een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor
moet de motor de normale bedrijfstemperatuur
hebben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregene-
reerd. De regeneratie duurt normaal
10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snel-
heid kan dit iets langer duren. Gedurende de
regeneratie kan het brandstofverbruik ietwat
stijgen.
Om de motor tijdens de regeneratie zwaarder
te belasten is het mogelijk dat de achterruit-
verwarming zonder verdere indicatie spontaan
aanslaat.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregene-
reerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeel-
tjes gevuld is, licht het oranje informatiesym-
bool op het instrumentenpaneel op en ver-
schijnt de melding
ROETFILTER VOL - ZIE
INSTRUCTIEB.
op het display van het instru-
mentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op tempera-
tuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca.
20 minuten verder.
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
N.B.
Tijdens de regeneratie is tijdelijk mogelijk
een geringe beperking van het motorvermo-
gen te bespeuren.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de mel-
ding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwar-
ming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
06 Starten en rijden
Motor starten
06
144
Voordat de motor wordt gestart
Zet de parkeerrem aan.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en houd het koppelingspedaal vol-
ledig ingedrukt. Dit is met name van belang
bij strenge vorst.
WAARSCHUWING
Neem de transpondersleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. U loopt anders het
gevaar dat het stuurslot wordt geactiveerd,
waardoor de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de transpondersleutel in
sleutelstand II staan.
N.B.
Het sleutelblad van de transpondersleutel
moet volledig zijn uitgeklapt bij het starten
van de auto, zie pagina 124. Anders is het
risico aanwezig dat de startblokkering in
werking treedt zodat de motor niet kan wor-
den gestart.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan nor-
maal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaat-
gasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelij-
kertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Motor starten
Benzine
Draai de transpondersleutel naar sleutel-
stand III. Als de motor niet binnen
5–10 seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten en een nieuwe startpoging doen.
Dieselolie
1. Draai de transpondersleutel naar sleutel-
stand II.
Een controlelampje op het instrumenten-
paneel gaat branden om aan te geven dat
de motor wordt voorverwarmd, zie
pagina 55.
2.
Draai de sleutel naar stand III, wanneer het
controlelampje uitgaat.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de trans-
pondersleutel uit het contact-
slot neemt.
I – Radiostand
Bepaalde onderdelen van het
elektrische systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrische systeem van de
motor is echter uitgescha-
keld.
II – Rijstand
De stand waarin de transpon-
dersleutel tijdens het rijden
staat. Het elektrische sys-
teem van de auto is ingescha-
keld.
06 Starten en rijden
Motor starten
06
145
III – Startstand
De startmotor wordt inge-
schakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
transpondersleutel loslaat,
veert deze automatisch terug
naar de rijstand.
Als het u moeite kost om de sleutel om te
draaien, is het mogelijk dat de stand van de
voorwielen voor spanningen in het stuurslot
zorgt. Draai de contactsleutel in dat geval om,
terwijl u het stuurwiel heen en weer draait.
Automatisch starten (3.2 en V8)
Met de functie Automatisch starten hoeft u de
transpondersleutel niet langer in de startstand
(sleutelstand III) vast te houden totdat de motor
is aangeslagen. Draai de sleutel naar de start-
stand en laat deze weer los – de startmotor
blijft vervolgens automatisch (tot tien secon-
den lang) draaien totdat de motor is aangesla-
gen.
N.B.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wan-
neer u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans
op diefstal.
Transpondersleutels en elektronische
startblokkering
Laat de transpondersleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel doet,
kan de elektronische startblokkering onbe-
doeld worden geactiveerd.
Laat de motor meteen na een koude start nooit
op te hoge toeren draaien!
Neem contact op met een Volvo-werkplaats,
als de motor niet aanslaat of overslaat – gead-
viseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Draai de transpondersleutel nooit naar
sleutelstand I of 0 en neem de transponder-
sleutel nooit uit het contactslot, wanneer de
auto rijdt. Anders loopt u het gevaar dat het
stuurslot wordt geactiveerd, waardoor de
auto onbestuurbaar wordt.
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
transpondersleutel uit het contactslot – dit
geldt in het bijzonder wanneer er kinderen
in de auto achterblijven.
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
06
146
Schakelstanden
G026988
1. Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in.
2. Haal uw voet na het schakelen weer van
het koppelingspedaal af! Houd u aan het
aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden moet u zo veel mogelijk gebruik maken
van de 6e versnelling.
Blokkering achteruitversnelling
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruit-
versnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wan-
neer de auto stilstaat.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
06
``
147
Schakelstanden
G027997
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start of
de auto parkeert.
BELANGRIJK
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand P zet.
N.B.
U moet het rempedaal bedienen om de keu-
zehendel uit stand P te kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Vrijstand
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten en er is geen versnel-
ling ingeschakeld. Trek de handrem aan, wan-
neer de auto stilstaat en de keuzehendel in
stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
lingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Keuzehendelblokkering
G020237
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd heen
en weer halen tussen de standen N en D. Om
de hendel in een van de overige standen te
zetten, moet u een blokkering opheffen door
op de blokkeerknop op de keuzehendel te
drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
standen N, R en P.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
06
148
Handmatige schakelstanden
G026990
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel in stand M zetten. Om van
stand M naar de automatische rijstand D over
te schakelen, moet u de keuzehendel in stand
D zetten.
Bij de vijftraps automaat zijn de 3e, 4e en 5e
1
versnelling voorzien van lock-up (geblok-
keerde versnellingen) om beter op de motor te
kunnen afremmen en het brandstofverbruik te
verlagen.
Tijdens het rijden
Handmatig schakelen kan op elk moment tij-
dens het rijden geactiveerd worden. De inge-
schakelde versnelling is geblokkeerd, totdat u
een andere versnelling kiest.
Als u de keuzehendel naar de (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug en wordt er tegelijkertijd op de
motor afgeremd als u het gaspedaal loslaat.
Als u de keuzehendel naar de + (plus) beweegt,
schakelt de versnellingsbak een versnelling op.
De 3 e versnelling is de hoogste versnelling die
u bij het wegrijden kunt inschakelen.
W – Winterprogramma
Druk op de knop W om het winter-
programma in en uit te schakelen.
Wanneer het winterprogramma
ingeschakeld is, brandt het lampje
W op het instrumentenpaneel.
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling
als wegrijversnelling om bij gladheid gemakke-
lijker weg te kunnen komen. In het winterpro-
gramma worden de lagere versnellingen alleen
bij kickdown ingeschakeld.
U kunt het programma
W altijd inschakelen
ongeacht de stand van de keuzehendel. Het
programma werkt echter alleen, wanneer de
keuzehendel in stand D staat.
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage tempe-
raturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uit-
laatgassen te beperken.
N.B.
Afhankelijk van de motortemperatuur tij-
dens de start is het mogelijk dat het motor-
toerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsys-
teem dat voortdurend “leert” hoe de versnel-
lingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert
de manier waarop de versnellingsbak schakelt,
zodat er in elke situatie optimaal wordt gescha-
keld.
1
Bij de zestraps automaat zijn ook de 2e en 6e versnelling voorzien van lock-up.
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
06
149
Lock-upfunctie
De versnellingen zijn voorzien van lock-up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstof-
verbruik te verlagen.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnel-
lingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdown-
stand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen, is het stuurpro-
gramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering waardoor de
zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Kickdown is niet mogelijk in een handmatige
schakelstand.
Beveiligingssystemen
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveili-
gingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
transpondersleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
06 Starten en rijden
Vierwielaandrijving*
06
150
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel
Drive)
De vierwielaandrijving is permanent ingescha-
keld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wie-
len van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de voor-
en achterwielen verdeeld. Een elektronisch
gestuurd koppelingssysteem verdeelt het ver-
mogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om opti-
male wegligging te verkrijgen en wielspin te
voorkomen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tij-
dens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
06 Starten en rijden
Remsysteem
06
``
151
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uit-
geschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geacti-
veerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitge-
schakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pom-
pen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen
nog steeds mogelijk. U moet het rempedaal
echter verder intrappen en het pedaal kan min-
der stug aanvoelen. U moet harder op het
pedaal trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daar-
door kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de rem-
blokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersom-
standigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met ver-
gelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandighe-
den vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wan-
neer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking Sys-
tem) voorkomt dat de wielen tij-
dens het remmen geblokkeerd
raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar, waardoor het bij-
voorbeeld makkelijker is om obstakels te ont-
wijken.
06 Starten en rijden
Remsysteem
06
152
Wanneer u na het starten van de motor wegrijdt
en een snelheid van ca. 20 km/hhebt bereikt,
gaat er een korte zelftest van het ABS van start.
Dit kunt u zowel horen als voelen aan de pul-
saties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
1. Trap zo hard. Mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
2. Stuur de auto in de rijrichting. Blijf druk op
het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer te
testen hoe het ABS in verschillende weersom-
standigheden reageert.
Het waarschuwingslampje voor ABS licht twee
seconden op, als er de vorige keer dat de
motor liep een storing in het ABS is opgetre-
den.
Elektronische remkrachtverdeling,
EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Dis-
tribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt
de remkracht op de achterwielen altijd dusda-
nig af dat de maximale remwerking wordt ver-
kregen. Wanneer het systeem de remkracht
afregelt, treden er merkbare pulsaties in het
rempedaal op.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingssymbolen voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd branden,
kan er een storing in de remkrachtverdeling
zijn opgetreden. Als het remvloeistofpeil in
dat geval in orde is, moet u de auto voor-
zichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats
rijden om het remsysteem te laten contro-
leren – geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het rem-
vloeistofverlies.
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA (Emergency Brake Assistance) is dus-
danig geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig
moet remmen, altijd meteen het maximale rem-
vermogen kunt afnemen. Het systeem regis-
treert het moment waarop u krachtig wilt
afremmen door de snelheid te meten waarmee
u het rempedaal bedient. Blijf remmen zonder
het rempedaal los te laten. De regeling wordt
uitgeschakeld, wanneer u het rempedaal los-
laat. Het systeem is altijd actief. U kunt het dan
ook niet uitschakelen.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan nor-
maal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
153
Algemene informatie
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC,
Dynamic Stability and Traction Control) helpt
de bestuurder voorkomen dat de wielen door-
slippen en verbetert de tractie van de auto.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aan-
drijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Beperkte functie
G028511
Duimwiel
Knop RESET
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden. De
aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
Bediening
1. Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
DSTC wordt geopend.
DSTC AAN betekent dat de werking van
het systeem ongewijzigd is.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat
er beperkingen gelden voor de werking van
het systeem.
2.
Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
DSTC zich wijzigt.
Er blijven beperkingen gelden voor het sys-
teem, totdat u de motor afzet – de vol-
gende keer dat u de motor start, staat het
DSTC weer in de normale stand.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijei-
genschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
N.B.
DSTC AAN verschijnt iedere keer dat u de
motor start enkele seconden op het display.
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
06
154
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Displayteksten
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT geeft
aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtempera-
tuur.
Het systeem wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remmen weer
voldoende zijn afgekoeld.
DSTC SERVICE VEREIST betekent dat het
systeem wegens een storing werd uitgescha-
keld.
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
> Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt, moet u
de auto naar een erkende werkplaats rij-
den. Geadviseerd wordt een erkende
Volvo-werkplaats.
Lampjes op instrumentenpaneel
DSTC
Het lampje licht bij het starten van de
motor op om na ca. 2 seconden weer te
doven
Geeft aan dat de systeemtest loopt.
Het lampje knippert
Geeft aan het systeem actief is.
Het lampje brandt continu
Op het display staat ondertussen DSTC
SERVICE VEREIST
.
Geeft aan dat er sprake is van een storing
in het DSTC-systeem.
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een werk-
plaats te brengen.
Als het waarschuwingslampje blijft bran-
den dient een werkplaats het systeem te
controleren – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats.
Het oranje lampje brandt continu
Waarschuwingslampje
Op het display staat ondertussen
TRACTIECONTROLE
TIJDELIJK UIT
.
Geeft aan dat de functie van de regeling
tijdelijk beperkt is wegens een te hoge rem-
temperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw inge-
schakeld, wanneer de remtemperatuur weer
normaal is.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC-systeem voor een betere wegligging.
Dit mag echter voor u geen reden zijn om
sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten en
op gladde wegen.
06 Starten en rijden
Park Assist*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
155
Algemene informatie
1
Park Assist voor- en achterzijde.
De Hulp bij parkeren is bedoeld als hulpmiddel
tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
auto in de gaten.
Varianten
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld. Daarbij gaat het
lampje branden in de knop voor Park Assist op
het schakelaarpaneel.
Op het display verschijnt de melding
PARK.HULP ACTIEF, als u de achteruitver-
snelling inschakelt of als de voorste sensoren
een obstakel registreren.
De Park Assist is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het sys-
teem gedeactiveerd. Het systeem wordt
opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, hoe sneller de geluidssignalen elk-
aar opvolgen. Wanneer u ondertussen een
andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels bin-
nen deze afstand liggen, komen de geluidssig-
nalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker-
en rechterzijde.
Park Assist achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Park Assist aan de achterzijde wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achter-
uitversnelling. De geluidssignalen komen uit de
luidsprekers achterin.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
Park Assist aan de achterzijde wordt automa-
tisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger
achter de auto hebt hangen die met een origi-
nele aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Park Assist aan de voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luid-
spreker voorin.
Het is niet mogelijk Park Assist te combineren
met verstralers, omdat de sensoren op de ver-
stralers reageren.
1
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
06 Starten en rijden
Park Assist*
06
156
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het informatiesymbool continu
brandt en op het display de mel-
ding
PARK.HULP SERVICE
VEREIST
verschijnt, dan is Park
Assist defect.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de par-
keerhulp ten onrechte waarschuwingssig-
nalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssig-
nalen van dezelfde frequentie als de senso-
ren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen e.d.
Aan/Uit
G027104
De positie van de knop binnen de rij kan variëren.
U kunt Park Assist uitschakelen met de knop
op het schakelaarpaneel, waarna het lampje in
de knop dooft. Park Assist wordt weer inge-
schakeld, wanneer u nogmaals op de knop
drukt waarna het lampje gaat branden.
Sensoren schoonmaken
G026946
Sensoren voor Park Assist.
De sensoren werken alleen naar behoren, wan-
neer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waar-
schuwingssignalen.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
Algemene informatie
G020295
Buitenspiegel met BLIS-systeem
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
WAARSCHUWING
Het systeem vormt een aanvulling op – geen
vervanging voor – een veilige rijstijl en het
gebruik van de buitenspiegels. De bestuur-
der moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er altijd ver-
antwoordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuur-
der in bepaalde omstandigheden waarschuwt,
wanneer er zich een voertuig in de zogeheten
dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek.
De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft waar-
genomen in de dode hoek, licht een controle-
lampje (2) op dat continu blijft branden.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt inge-
haald, gaan dan ook beide lampjes bran-
den.
BLIS informeert de bestuurder bij een fout in
het systeem. Als de camera’s van het systeem
bijvoorbeeld zijn afgedekt, knippert het con-
trolelampje voor BLIS en verschijnt er een mel-
ding op het display van het informatiepaneel.
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS, zie pagina 158.
Dode hoeken
Dode hoeken die de BLIS-camera’s in de gaten
houden.
Afstand A = ca. 3,0 m
Afstand B = ca. 9,5 m
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de len-
zen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem is alleen actief bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Inhalen
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe lei-
den dat BLIS geen voertuigen in dit afge-
schermde gebied kan waarnemen.
Daglicht en donker
Bij daglicht reageert het systeem op de con-
touren van omringende voertuigen. Het sys-
teem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motor-
fietsen waar te nemen.
Bij donker reageert het systeem op de koplam-
pen van omringende voertuigen. Als een voer-
tuig de koplampen niet heeft ontstoken, zal het
systeem dit voertuig dan ook niet kunnen waar-
nemen. Dit houdt in dat het systeem bijvoor-
beeld niet reageert op een aanhanger achter
een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kennen ongeveer
dezelfde beperkingen als het menselijk oog.
Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht en
dichte mist.
Activeren/deactiveren
G026955
Knop voor activering/deactivering
BLIS wordt bij het starten van de motor auto-
matisch geactiveerd. De controlelampjes op
de portierpanelen lichten driemaal op bij het
activeren van BLIS.
U kunt het systeem deactiveren/heractiveren
door op BLIS te drukken.
Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS
gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien
een displaymelding op het instrumentenpa-
neel.
Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje
in de knop, verschijnt er een nieuwe display-
melding en lichten de controlelampjes in de
portieren driemaal op. Druk op de knop
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
READ om de displaymelding te laten verdwij-
nen. Voor meer informatie over de meldings-
functies, zie pagina 57.
Systeemmelding BLIS
Displaymelding
A
Betekenis
BLINDE-HOE-
KINFO. SYSTEEM
AAN
BLIS-systeem geac-
tiveerd.
BLINDE-HOEK-
SYST. SERVICE
VEREIST
BLIS werkt niet –
neem contact op
met een werkplaats.
BLINDE-HOEK-
SYST. FUNCTIE
BEPERKT
Beperkte gegevens-
overdracht tussen
de camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische sys-
teem van de auto.
De camera wordt
automatisch gere-
set, wanneer de
gegevensover-
dracht tussen de
camera van het
BLIS-systeem en
het elektrische sys-
teem van de auto
weer normaal wordt.
Displaymelding
A
Betekenis
BLINDE-HOEK-
SYST. R CAMERA
GEBLOK.
Rechter camera
afgedekt - reinig de
lens.
BLINDE-HOEK-
SYST. L CAMERA
GEBLOK.
Linker camera afge-
dekt - maak de lens
schoon.
BLINDE-HOEK-
SYST. CAMERA'S
GEBLOK.
Een of meer
camera’s afgedekt –
maak de lenzen
schoon.
BLINDE-HOE-
KINFO. SYSTEEM
UIT
BLIS-systeem uitge-
schakeld.
A
Er verschijnen alleen meldingen, als de transpondersleutel in
sleutelstand II staat (of als de motor loopt) en BLIS actief is
(de bestuurder heeft het systeem niet gedeactiveerd).
BELANGRIJK
Laat reparaties aan de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een werkplaats –
geadviseerd wordt een erkende Volvo-
werkplaats.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplich-
ten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem ver-
schijnt op het display de melding
BLINDE-
HOEKSYST. SERVICE VEREIST
.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
Reflecties op een glad en nat wegdek.
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G018177
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen.
Laag staande zon in de camera.
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
06
``
161
Starten met hulpaccu
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusda-
nig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen,
zie pagina 163.
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor sle-
pen.
Sleep de auto altijd met de voorkant van de
auto in de rijrichting.
1. Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is
2. Voor de auto die sleept geldt: Rijd rustig.
Voor de auto die wordt gesleept geldt:
Houd om schokken te voorkomen de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen.
WAARSCHUWING
Het stuurslot blijft in de stand staan die gold
bij het verbreken van de spanning. Het
stuurslot moet worden opgeheven, voordat
u de auto sleept.
De transpondersleutel moet in sleutelstand
II staan. Neem de transpondersleutel nooit
tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet
als de auto gesleept wordt.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachti-
ging werken niet wanneer de motor uitge-
schakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van een
auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen.
Sleepoog
Voordat u gaat slepen moet het sleepoog in de
bumper vastgeschroefd worden. De uitsparing
en afdekking voor het sleepoog zitten aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte.
G028528
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
06
162
Doe het volgende:
1. Maak de onderkant van de afdekking (A)
los met een schroevendraaier of een munt-
stuk.
2. Schroef het sleepoog (B) vast.
3. Schroef het sleepoog tot aan de flens vast
(C). Maak bij voorkeur gebruik van de wiel-
sleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
BELANGRIJK
Wanneer de afneembare trekhaak gemon-
teerd is, kunt u het sleepoog niet aanbren-
gen in de achterste bevestiging. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak. Om
die reden wordt geadviseerd de afneem-
bare trekhaak in de auto te bewaren, wan-
neer u de trekhaak niet nodig hebt.
Bergen
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rij-
richting draaien.
BELANGRIJK
Voor auto’s met vierwielaandrijving
(AWD) gelden, bij het bergen met een
geheven vooras, zowel een maximale
snelheid van 70 km/h als een maximale
afstand van 50 km.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het sle-
pen over de weg en niet geschikt voor ber-
ging. Roep professionele hulp in voor ber-
ging.
06 Starten en rijden
Starten met hulpaccu
06
163
Starten met een hulpaccu
G020298
Als de startaccu leeg is, kunt u stroom van een
losse accu of van de accu in een andere auto
gebruiken. Controleer altijd of de klemmen van
de startkabels goed vastzitten en of er geen
vonken kunnen ontstaan tijdens de startpo-
ging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan te
houden om explosiegevaar te voorkomen:
1. Draai de transpondersleutel naar sleutel-
stand 0.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van 12
volt levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
4. Sluit de rode startkabel aan tussen de plus-
pool (1+) van de hulpaccu en de pluspool
(2+) van de lege accu.
5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
6. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
7. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toe-
rental dat iets hoger ligt dan normaal, 1500
omw/min.
8. Start de motor van de auto met de lege
accu.
Verwijder de startkabels: eerst de zwarte
kabel en daarna de rode.
Zorg dat geen van de klemmen aan de
zwarte startkabel contact kan maken met
de pluspool van de accu of met de aange-
sloten klemmen van de rode startkabel.
BELANGRIJK
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot ont-
ploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ern-
stige chemische brandwonden kan veroor-
zaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmid-
dellijk met grote hoeveelheden water spoe-
len.
Neem onmiddellijk contact op met een arts,
als u accuzuur in uw ogen krijgt.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
06
164
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto. Het laadvermogen dient
te worden verminderd met de som van het
gewicht van eventuele inzittenden en dat van
gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
Voor gedetailleerde informatie over de gewich-
ten, zie pagina 286.
Als de trekhaak in een erkende Volvo-werk-
plaats wordt gemonteerd, is de auto bij aanle-
vering voorzien van de benodigde randuitrus-
ting voor het gebruik van een aanhanger.
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
Bij montage achteraf moet u contact opne-
men met uw Volvo-dealer om te controle-
ren of uw auto van de nodige uitrusting is
voorzien om met een aanhanger te kunnen
rijden.
Verdeel de lading in de aanhanger dusda-
nig dat de druk op de trekhaak de maxi-
male kogeldruk niet overschrijdt.
Verhoog de bandenspanning tot de aan-
bevolen druk bij maximale belading. Voor
de positie van de bandenspanningstabel,
zie pagina 183.
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel
1
van tijd tot tijd in.
Rijd niet met een zware aanhanger, wan-
neer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de ver-
snellingsbak oververhit raken. Als de tem-
peratuurmeter voor de koelvloeistof tot in
het rode gebied uitslaat, dient u de auto te
stoppen en de motor enkele minuten sta-
tionair te laten draaien. De automatische
versnellingsbak reageert met een inge-
bouwde beveiligingsfunctie. Zie de mel-
ding op het display. Bij oververhitting kan
de airconditioning zichzelf tijdelijk uitscha-
kelen.
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhange-
rgewichten, zie pagina 286.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuur-
baar worden tijdens uitwijk- en remmanoeu-
vres.
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aan-
hangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is boven-
dien mogelijk dat de trekhaak gespecifi-
ceerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
1
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
06
165
Automatische versnellingsbak, rijden
met een aanhanger
N.B.
Sommige modellen moeten worden uitge-
rust met een oliekoeler voor de automati-
sche versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij
de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er
voor uw auto geldt, als u achteraf een trek-
haak monteert.
Op een helling parkeren
1. Zet de parkeerrem aan.
2.
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
Op een helling wegrijden
1.
Zet de keuzehendel in de rijstand D.
2. Haal de auto van de parkeerrem.
Steile hellingen
Kies bij het omhoog rijden op steile hellin-
gen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
handmatige lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de versnellingsbak
opschakelt en houdt u de versnellingsbak-
olie koel.
Schakel geen hogere, handmatige versnel-
ling in dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 12 % bij het gebruik van een
aanhanger.
Gemakkelijker wegrijden met aanhanger
Auto’s met een V8-motor zijn voorzien van een
ingebouwde functie die voorkomt dat de auto
schokkerig beweegt en wielspin vertoont bij
het wegrijden met een aanhanger.
Activeren
Om de functie te activeren moet u de bedra-
ding van de aanhanger aansluiten op de trek-
haakaansluiting die naast de trekhaak zit, zie
pagina 166.
Deactiveren
Koppel de bedrading bij de aansluiting los.
N.B.
De functie is tevens actief als u andere elek-
trische uitrusting aansluit op de trekhaak-
aansluiting. De auto trekt dan langzamer op
tijdens het wegrijden.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan, ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is vol-
komen normaal. Bij het wegrijden met lading
wordt het niveau na enige tijd rijden naar boven
toe bijgesteld.
06 Starten en rijden
Trekhaak*
06
166
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, dienen de montagevoorschriften
voor het bevestigen van het afneembare
gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie
pagina 168.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met de afneembare
trekhaak van Volvo:
Volg de montage-instructies nauwkeu-
rig op.
Zorg dat het afneembare gedeelte met
de sleutel vergrendeld is voordat u
begint te rijden.
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
U moet de kogel van de trekhaak regelma-
tig schoonmaken en met vet insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden inge-
vet.
Trekhaak opbergen
G031114
Opbergruimte trekhaak.
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd de trekhaak los en
berg deze op de daarvoor bestemde plaats
op, goed vastgezet met de bijbehorende
riem.
Aanhangerkabel
G014589
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elek-
trisch contact heeft en de aanhanger een 7-
polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adap-
terkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
06 Starten en rijden
Trekhaak*
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
167
Specificaties
G026682
G027108
G027109
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
A B C D E F G
Vaste of afneembare trekhaak 1110 85 1081 541 122 50 354
1 Langsligger
2 Middelpunt kogel
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
168
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trekhaak monteren
G017317
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G020301
2. Controleer of het mechanisme in de ont-
grendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borg-
knop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
G020304
4. Breng de trekhaak aan en duw deze naar
binnen totdat u een klik hoort.
G020306
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
6. Draai de sleutel linksom naar de vergren-
delde stand. Neem de sleutel uit het slot.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020309
7. Controleer of de trekhaak vastzit door deze
stevig omhoog, omlaag en naar achteren
te bewegen.
WAARSCHUWING
Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze
verwijderen en opnieuw monteren zoals
eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhan-
gerkoppeling wordt geplaatst; houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
G020310
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
Trekhaak verwijderen
G020301
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
G020312
2. Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
G020314
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u de
trekhaak schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze
in de auto bewaart, zie pagina 166.
G017318
4. Duw de afdekking erop.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
172
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
G020317
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
U kunt de lichtbundel van de koplampen
afplakken om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen, zie pagina 172, over en knip
een stuk zelfklevend en watervast materiaal
zoals ondoorzichtige tape langs de randen van
de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte
van de stip (5) in het koplampglas. Deze stip
moet overeenkomen met de rode stip op de
mal. De lange rode lijn op de afbeeldingen
komt overeen met de lijn in het koplampglas
ten opzichte waarvan u de mal moet inpassen.
Meet de mallen na het overtrekken ter controle
nog eens op om te zorgen dat de lichtbundel
voldoende wordt afgedekt.
De mallen kunnen worden gebruikt voor
modellen met het stuur links of rechts en moe-
ten worden aangebracht zoals aangegeven op
de afbeelding.
De bovenste afbeelding geeft de positie op een
model met het stuur links aan. De onderste
afbeelding geeft de positie op een model met
het stuur rechts aan.
Halogeenkoplampen
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen.
Referentiematen mal 1 en 2
De lange kant van de mallen moet ca. 82 mm
lang zijn.
Xenonkoplampen
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen. Pas de merkjes
> < op de mallen in ten opzichte van de lijn op
het koplampglas.
Referentiematen mal 3
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 140 mm lang zijn.
Referentiematen mal 4
De lijn tussen de merkjes > < en op de mallen
moet ca. 112 mm lang zijn.
Lichtbundel aanpassen bij actieve xenonko-
plampen (ABL), zie pagina 60.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
``
173
G030200
Auto met stuur links afgeplakt voor linksrijdend verkeer.
Maskering op glas rechter halogeenkop-
lamp
Maskering op glas linker halogeenkoplamp
Maskering op rechter xenonkoplamp
Maskering op linker xenonkoplamp
Referentiepunt op koplampglas.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
174
G030201
Auto met stuur rechts afgeplakt voor rechtsrijdend
verkeer.
Maskering op glas linker halogeenkoplamp
Maskering op glas rechter halogeenkop-
lamp
Maskering op linker xenonkoplamp
Maskering op rechter xenonkoplamp
Referentiepunt op koplampglas.
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
175
G027103
Afplakmallen.
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie............................................................................. 178
Bandenspanning .................................................................................. 182
Gevarendriehoek* en reservewiel* ....................................................... 184
Wielen verwisselen ............................................................................... 187
Noodreparatie banden* ........................................................................ 190
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden
Algemene informatie
07
178
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijei-
genschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheids-
aanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van het-
zelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevo-
len bandenspanning aan die in de banden-
spanningstabel staat, zie pagina 182 voor de
positie ervan.
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maat-
aanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
235/60R18 103 V.
235 Breedte van de band (mm)
60 Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R Aanduiding voor radiaalbanden
18 Velgdiameter van de band (")
103 Aanduiding van het draagvermo-
gen van de band (in dit geval
615 kg)
V Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval
210 km/h).
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangele-
verd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van der-
gelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte ban-
dentype geldt (voor aanduiding Q geldt bij-
voorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maxi-
mumsnelheid is.
Q 160 km/h (alleen
voor winterbanden)
T 190 km/h
H 210 km/h
V 240 km/h
W 270 km/h
Y 300 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte houdbaarheids-
datum. Na enkele jaren worden de banden
hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij
07 Wielen en banden
Algemene informatie
07
``
179
beetje af. Gebruik bij het verwisselen van ban-
den altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt
in het bijzonder voor winterbanden. De laatste
cijfers van de cijferreeks geven de week en het
jaar van productie aan. Het is de zogeheten
DOT-code (Department of Transportation) van
de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld
1510. De band op de afbeelding is de 15e week
van het jaar 2010 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
banden gemaakt zijn ook veroudert en afge-
broken wordt, als banden zelden of nooit wor-
den gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dit geval dient u de
band niet meer te gebruiken.Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
De juiste bandenspanning levert een gelijkma-
tiger slijtage op, zie pagina 183. De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waar-
mee de banden verouderen en slijten. Om ver-
schillen in profieldiepte te voorkomen en slijt-
patronen tegen te gaan kunt u de wielen op de
voor- en achteras onderling van plaats verwis-
selen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit
en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte. Als er al een duidelijk ver-
schil zit in de slijtage (>1 mm verschil in pro-
fieldiepte) van de banden, dienen de minst ver-
sleten banden altijd op de achteras te zitten.
Slippende voorwielen zijn makkelijker te corri-
geren dan slippende achterwielen, omdat de
auto rechtuit blijft rijden in plaats van uit te bre-
ken met de achterkant waarbij u mogelijk de
controle over de auto verliest. Daarom is
belangrijk dat de achterwielen nooit vóór de
voorwielen grip verliezen.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
Banden met slijtage-indicatoren
G020323
Slijtage-indicatoren.
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De let-
ters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitge-
rust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dus-
danig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het weg-
dek heeft bij regen of sneeuw.
07 Wielen en banden
Algemene informatie
07
180
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde win-
terbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
advies over de beste soort velgen en ban-
den.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage tempe-
raturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van vier mm aan te hou-
den voor winterbanden.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toe-
gestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwket-
tingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de ban-
den daardoor overmatig slijten. Controleer of
de sneeuwketting nergens tegenaan komt en
goed omgelegd en aangespannen is.
WAARSCHUWING
Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of
vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afge-
stemd op het model en op de band- en vel-
gafmetingen. Bij twijfel adviseert Volvo u
een erkende Volvo-werkplaats om advies te
vragen. Een verkeerde sneeuwketting kan
ernstige schade aan de auto veroorzaken en
aanleiding geven tot een ongeluk.
Zomer- en winterbanden
G020325
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, zie pagina 187,
moet u op de banden noteren waar ze zaten:
bijvoorbeeld L voor links, R voor rechts. Bij
banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draai-
richting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit van
links naar rechts of omgekeerd. Als u de ban-
den verkeerd aanbrengt, nemen de remeigen-
schappen van de auto af en kunnen de banden
07 Wielen en banden
Algemene informatie
07
181
regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slip-
pen te verminderen).
Volvo adviseert u contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats als u niet zeker bent
van de profieldiepte.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
07
182
Aanbevolen bandenspanning
G020791
In de bandenspanningstabel voor op de por-
tierstijl aan de bestuurderszijde staat de juiste
bandenspanning voor uw auto aangegeven bij
verschillende belading en snelheid.
Op de sticker staan:
Bandenspanning bij gebruik van de aan-
bevolen bandenmaat
ECO-bandenspanning
1
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare).
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de ban-
denspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naarge-
lang van de omgevingstemperatuur.
Al na enkele kilometers rijden worden de ban-
den warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme ban-
den. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofver-
bruik, de levensduur van de banden en de rij-
eigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan.
Voor informatie over de juiste bandenspan-
ning, zie pagina 183. De aangegeven banden-
spanning geldt bij koude banden (kan verschil-
len naargelang van de buitentemperatuur).
Brandstofbesparing, ECO-
bandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rij-
comfort, de stuureigenschappen en de gepro-
duceerde weggeluiden.
1
De ECO-bandenspanning levert brandstofbesparing op.
07 Wielen en banden
Bandenspanning
07
183
Bandenspanningstabel
Type Banden-
maat
Snelheid
(km/h)
A
Belading (1–3 inzittenden) Max. belading ECO-banden-
spanning
B
Voor (kPa) Achter
(kPa)
Voor (kPa) Achter (kPa)
Alle 235/65R17
235/60R18
0-160 220 220 270 270 270
160+ 220 220 270 270 -
255/50R19
255/45R20
0-160 240 240 270 270 270
160 + 240 240 270 270 -
Compact reservewiel (Tem-
porary Spare)
0-80 420 420 420 420 -
A
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa, d.w.z. 270 kPa = 2,70 bar).
B
Zuinig rijden, zie pagina 182.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
07
184
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gevarendriehoek
G027065
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van een gevarendriehoek* in uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
1. Haal de opberghoes met de gevarendrie-
hoek los. De hoes zit met klittenband vast.
2. Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A).
3. Klap de vier steunpootjes van de gevaren-
driehoek uit.
4. Klap de beide rode driehoekszijden uit. Zet
de gevarendriehoek op een passend punt
achter de auto op om achteropkomend
verkeer tijdig te waarschuwen.
Doe het volgende na gebruik:
Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
Zorg dat de opberghoes met de gevarendrie-
hoek goed vastzit in de bagageruimte.
Compact reservewiel (Temporary
Spare)*
Een compact reservewiel (Temporary Spare) is
alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient
dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal
wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel. Het compacte reserve-
wiel is kleiner dan een normaal wiel. De bodem-
speling verandert er daarom door. Wees voor-
zichtig bij hoge trottoirbanden en reinig de auto
niet in een autowasstraat. Als het reservewiel
op de vooras zit, kunt u evenmin sneeuwket-
tingen omleggen. Bij vierwielaangedreven
auto’s is de achterwielaandrijving uit te scha-
kelen. Het reservewiel mag niet worden gere-
pareerd. In de bandenspanningstabel, zie
pagina 183, staat de juiste bandenspanning
voor het reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik
van een compact reservewiel.
BELANGRIJK
Rijd nooit met meer dan één compact reser-
vewiel (Temporary Spare) tegelijk.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
185
Reservewiel tevoorschijn halen
G026998
Het reservewiel zit onder de auto. De krik*, de
gereedschapstas* en de slingerdelen vindt u
onder het vloerluik. De slinger bestaat uit twee
delen. Het ene deel zit bij de gevarendriehoek,
terwijl het andere deel in de gereedschapstas
opgeborgen is.
N.B.
In de gereedschapstas zit een speciale sleu-
tel om de naafdop te verwijderen (bepaalde
wielopties).
De positie van de krik hangt af van het aantal
zitplaatsen:
Zevenzitter
Vijfzitter
Maak het reservewiel als volgt los:
1. Klap het onderste gedeelte van de achter-
klep omlaag en til het vloerluik in de baga-
geruimte op.
2. Haal de twee delen van de slinger tevoor-
schijn en monteer ze.
3. Steek de slinger in de lier.
4. Laat het wiel zakken door de slinger tot aan
de aanslag linksom te draaien.
N.B.
De kabel kan schade aan de auto toebren-
gen, als deze tijdens het rijden loshangt.
5. Haal het wiel van de kabel af en draai de
kabel rechtsom omhoog met de slinger.
6. Leg de lekke band in de bagageruimte. U
vindt een plastic zak in de gereedschaps-
tas om de band in op te bergen.
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel*
07
186
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
N.B.
De reservewielruimte onder de auto is uit-
sluitend bestemd voor het originele reser-
vewiel. U kunt er dan ook geen andere mer-
ken reservewielen aanbrengen.
Reservewiel terugplaatsen
Het is het handigst als iemand u helpt bij het
terugplaatsen van het reservewiel. Eén van uw
beiden draait aan de slinger, terwijl de ander
het wiel in de juiste richting duwt.
1. Vier de kabel met de slinger en breng de
anker aan het uiteinde van de kabel in het
gat in het midden van de velg aan.
2. Haal de kabel een stukje omhoog door de
slinger langzaam (rechtsom) te draaien.
3. Kantel het reservewiel om het langs de uit-
laatpijp te halen.
4. Houd de achterkant van het wiel omlaag,
terwijl u het met de slinger omhooghaalt.
5. Breng het wiel boven op de achteras,
tegen de vloerplaat aan.
6. Draai de slinger tot aan de aanslag
rechtsom.
7. Controleer of het wiel stevig vastzit.
WAARSCHUWING
Controleer of u gebruik maakt van de juiste
steunpunten. Tussen de kriksteunpunten
op de auto is een speciaal kriksteunpunt
voor productiedoeleinden aangebracht dat
voorzien is van een pen. Het steunpunt is
echter niet sterk genoeg om de auto onder
op te krikken. Bij twijfel over de positie van
de verschillende kriksteunpunten adviseert
Volvo u om contact op te nemen met een
erkende Volvo-werkplaats. Wanneer u de
krik op een verkeerd punt aanbrengt, kan er
schade aan portier en carrosserie ontstaan.
Gereedschap, terugplaatsen
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand (zie neven-
staande afbeelding) wordt gezet.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik* op de daar-
voor bestemde plaats in de bagageruimte
wanneer u ze niet nodig hebt.
EHBO*
Onder de vloer in de bagageruimte ligt een
EHBO-kit.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
187
Wielen demonteren
G026997
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wan-
neer u de band moet verwisselen aan de kant
van de weg. Er zitten twee kriksteunpunten aan
weerszijden van de auto. Deze steunpunten
zitten in het midden onder de portieren.
1. Parkeer de auto op een egale en stevige,
niet hellende ondergrond.
2. Zet de parkeerrem aan en schakel de ach-
teruitversnelling in bij auto’s met een hand-
geschakelde versnellingsbak (stand P bij
auto’s met een automatische versnellings-
bak). Plaats wielblokken voor en achter de
wielen die op de grond blijven staan.
Gebruik bijvoorbeeld wielblokken of grote
stenen.
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
N.B.
Volvo adviseert u alleen de krik te gebrui-
ken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven
op de kriksticker.
Op de sticker staat tevens de maximale hef-
capaciteit bij de vermelde minimale hef-
hoogte.
3. Haal de krik*, de wielsleutel en de slinger
tevoorschijn, zie pagina 185 voor de positie
ervan. Bij gebruik van een andere krik, zie
pagina 205.
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder een auto die slechts op
een krik steunt! De auto kan namelijk van de
krik vallen en letsel toebrengen.
Gebruik de krik die bij de auto werd geleverd
alleen voor het verwisselen van banden.
Voor de overige werkzaamheden moet u
gebruik maken van een garagekrik en
steunbokken onder het geheven deel van de
auto aanbrengen.
Zorg dat u schroef van de krik altijd goed
ingevet houdt.
Als de ondergrond te zacht is, kan de krik
opzij wegglijden zodat de auto van de krik
valt. Zorg dat er zich niemand onder de auto
bevindt, wanneer u een band verwisselt.
4. Draai de wielbouten ½–1 slag los met de
wielsleutel. Draai de bouten linksom los.
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
07
188
G020332G027000
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de onder-
grond en evenmin tussen de krik en het krik-
steunpunt.
WAARSCHUWING
Wanneer u de auto op het verkeerde punt
opkrikt, kan de auto van de krik vallen. Er
bestaat dan gevaar voor verwondingen!
5. Plaats de krik onder een kriksteunpunt en
breng de krik zo ver omhoog dat deze
tegen de bodemplaat van de auto aan-
komt. Bij elk steunpunt zit een uitsparing in
de kunststof afdekking. Controleer of u de
krik juist hebt aangebracht onder het krik-
steunpunt, voordat u de auto van de grond
krikt. Stel de krik vervolgens dusdanig af
dat de voet van de krik loodrecht onder het
kriksteunpunt van de auto zit. Zie afbeel-
ding.
BELANGRIJK
De ondergrond dient vast en egaal te zijn en
mag niet hellen.
6. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
7. Draai de wielbouten los en verwijder het
wiel.
Wielen monteren
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielbouten kruiselings telkens iets
strakker vast. Aanhaalmoment: 140 Nm
(14,0 kpm). Het is belangrijk dat u het juiste
aanhaalmoment aanhoudt. Controleer het
aanhaalmoment dan ook met een
momentsleutel.
5. Schroef de krik weer volledig in elkaar,
voordat u deze in de bagageruimte terug-
legt. Bind de krik vervolgens weer vast.
6. Controleer of het nieuwe wiel de juiste ban-
denspanning heeft.
N.B.
Dit type wielbout mag ook voor stalen vel-
gen worden gebruikt.
Let erop dat u de juiste soort bouten gebruikt.
Volvo adviseert u bij twijfel contact op te
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
07
189
nemen met de dichtstbijzijnde Volvo-werk-
plaats.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
190
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodrepa-
raties uit te voeren. De bus met het afdicht-
middel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s met de ban-
denreparatieset.
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en der-
gelijke vertonen.
12V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte/kofferbak.
Gebruik de elektrische aansluiting die het
dichtst bij de lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo advi-
seert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden ver-
vangen.
Noodreparatieset erbij nemen
De noodreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagage-
ruimte.
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Til de noodreparatieset op.
Overzicht
G020400
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
191
Lekke band repareren
G019723
Voor informatie over de werking van de onderde-
len (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maxi-
mumsnelheid uit de set en bevestig de stic-
ker op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getrof-
fen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3.
Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Voor het gebruik de verzegeling van de bus
niet verbreken. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbro-
ken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht-
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de com-
pressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëin-
dig in dat geval de rit. Het wordt dan gead-
viseerd een erkende bandenwerkplaats te
bezoeken.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
maar zal na ca. 30seconden weer dalen.
8.
Zet de knop in stand I.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdicht-
middel.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
192
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd
een erkende bandenwerkplaats te bezoe-
ken.
10. Schakel de compressor uit om de banden-
spanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manome-
ter af.
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de ban-
denspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ven-
tieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Volvo adviseert u het ver-
vangen over te laten aan een erkende Volvo-
werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
6. Leg de noodreparatieset in de kofferbak
terug.
7. Volvo adviseert u naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats te rijden om
daar de beschadigde band te laten vervan-
gen/repareren. Geef aan het werkplaats-
personeel door dat er afdichtmiddel in de
band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Volvo advi-
seert een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken om de afgedichte band te laten
controleren (maximale rijafstand 200 km).
Het personeel kan bepalen of de band kan
worden gerepareerd of moet worden ver-
vangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht-
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
193
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensge-
vaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12V-aan-
sluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspan-
ning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus wanneer de houdbaarheids-
datum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubber-
latex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanlei-
ding geven tot overgevoeligheid bij huid-
contact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
194
Schoonmaken....................................................................................... 196
Lakschade herstellen ........................................................................... 200
Roestwering.......................................................................................... 201
VERZORGING
08 Verzorging
Schoonmaken
08
196
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kun-
nen aanleiding geven tot corrosie.
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplo-
pen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
Spoel het onderstel zorgvuldig schoon.
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplam-
pen, mistlampen en achterlichten kan tijde-
lijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk ver-
schijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorko-
men. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisser-
bladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regel-
matig met een lauwe zeepoplossing of auto-
shampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleu-
ren. Een dergelijke verkleuring is alleen te her-
stellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische was-
straat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwets-
baarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aan-
koop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Hogedrukreinigers
Let er bij gebruik van een hogedrukreiniger op
dat u cirkelende bewegingen maakt en de
spuitkop op minstens 30 cm afstand van de
auto houdt (geldt voor alle exterieuronderde-
len).
08 Verzorging
Schoonmaken
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
197
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het was-
sen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de rem-
blokken aantasten, waardoor de remwer-
king afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken en onderhouden van
gekleurde kunststof onderdelen, rubber onder-
delen en sieronderdelen (zoals glimmende
strips), wordt geadviseerd het speciale reini-
gingsmiddel te gebruiken dat bij de erkende
Volvo-werkplaats verkrijgbaar is. Volg bij het
gebruik van dit reinigingsmiddel de gebruiks-
voorschriften nauwkeurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij gebruik van ontvetters op kunststof en
rubber onderdelen waar nodig alleen voor-
zichtig wrijven. Gebruik een zachte schoon-
maakspons.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwij-
deren.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra bescher-
ming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voor-
dat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met een teer-
verwijderaar of met terpentine. U kunt hard-
nekkige vlekken met een speciaal voor autolak
bestemde, fijne schuurpasta (“rubbing com-
pound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door
Volvo geadviseerd worden. Andere behan-
delingen zoals lakconservering, verzege-
ling, bescherming, glansverzegeling e.d.
kunnen lakschade veroorzaken. Lakschade
als gevolg van dergelijke behandelingen valt
niet onder de Volvo-garantie.
Waterafstotende laag*
Gebruik nooit producten zoals auto-
was, ontvetters e.d. op het glasop-
pervlak, omdat de waterafstotende laag daar-
door beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te
voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak
ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
08 Verzorging
Schoonmaken
08
198
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behande-
ling te vernieuwen met een nabehandelings-
middel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding en hemelbekleding
Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autover-
zorgingsproducten die door Volvo geadviseerd
worden. Maak de bekleding regelmatig schoon
en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het
autoverzorgingsproduct op. Andere reinigings-
middelen kunnen de brandvertragende eigen-
schappen van de bekleding aantasten.
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
reinigingsmiddel gebruikt.
Bij vlekken op de vloerbekleding kunt u, na
stofzuigen, ook het speciale reinigingsmiddel
van Volvo gebruiken.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Om de brandvertragende eigenschappen van
de bekleding niet aan te tasten wordt geadvi-
seerd een speciaal reinigingsmiddel voor stof-
fen bekleding te gebruiken dat verkrijgbaar is
bij erkende Volvo-werkplaatsen. Gebruik water
en een synthetisch wasmiddel bij het schoon-
maken van veiligheidsgordels. Zorg dat de gor-
del droog is, voordat deze weer wordt opge-
rold.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij,
voldoet aan de norm Öko-Tex 100 en is behan-
deld om de bekleding in oorspronkelijke staat
te bewaren.
Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt
het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en
bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschap-
pen houdt. Het leer is voorzien van een
beschermende toplaag, maar om de goede
eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behou-
den is regelmatige verzorging van het leer ver-
eist. Volvo biedt een universeel leerverzor-
gingsproduct waarmee u leren bekleding kunt
schoonmaken en de beschermende laag kunt
herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na
enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderings-
proces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo een-
à viermaal per jaar (zo nodig vaker) bescher-
mende crème op te brengen. De Volvo Leather
Care-set is verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK
Sommige geverfde kledingstukken
(zoals spijkerbroeken en suède kleding)
kunnen afgeven en voor verkleuring van
de bekleding zorgen.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen.
Dergelijke middelen kunnen bekleding
van textiel, vinyl en leer beschadigen.
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng een weinig van het leerreinigings-
product op een vochtige spons aan en
knijp erin om een dikke laag schuim te krij-
gen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirke-
lende bewegingen.
08 Verzorging
Schoonmaken
08
199
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een
leerverzorgingsmiddel gebruikt.
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cir-
kelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen kunnen het leer
beschadigen. (Ringen bijvoorbeeld.)
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
Verwijder vuil en stof met een ietwat voch-
tige spons en een neutrale zeepoplossing.
Leer moet kunnen ademen. Dek het leren
stuurwiel nooit af met kunststof bescher-
ming.
Gebruik natuurlijke oliën. Voor het beste
resultaat wordt geadviseerd het leerver-
zorgingsmiddel van Volvo te gebruiken.
Bij vlekken op het stuurwiel:
Groep 1 (inkt, wijn, koffie, melk, zweet en
bloed)
Gebruik een zachte doek of spons. Neem
een ammoniaoplossing in een concentratie
van 5 %. (Gebruik voor bloedvlekken een
oplossing van 2 dl water en 25 g zout.)
Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade)
1. Dezelfde procedure als voor groep I.
2. Dep met een absorberende papieren of
stoffen doek.
Groep 3 (vuil, stof in droge vorm)
1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te
verwijderen.
2. Dezelfde procedure als voor groep I.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en -
panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijg-
baar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
08 Verzorging
Lakschade herstellen
08
200
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roest-
vorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslag-
plekken, krassen en plekjes op de spatbor-
dranden en portieren.
Kleurcode
Typeplaatje.
Kleurcode van de auto
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. Voor de positie van de productstic-
ker, zie pagina 284.
Steenslagplekken en krassen
G020345
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Benodigdheden
Grondlak (primer) in een bus
Spuitbus of bijwerkpen
1
Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
wijdering van het vuil de ontbrekende lak aan
te brengen.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het bescha-
digde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een luci-
fer aan. Breng de lak met een kwastje aan,
wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstel-
len, maar dek ter bescherming de onbe-
schadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
1
Volg de aanwijzingen die bij de verpakking van de bijwerkpen werden geleverd.
08 Verzorging
Roestwering
08
201
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling onder-
gaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegal-
vaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden.
Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedruk-
reiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabe-
handeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Volvo adviseert
u contact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats, als de auto aan een nabehandeling
toe is.
202
Volvo Service........................................................................................ 204
Onderhoud............................................................................................ 205
Motorkap en motorruimte..................................................................... 207
Oliën en vloeistoffen.............................................................................. 209
Wisserbladen........................................................................................ 214
Accu...................................................................................................... 216
Gloeilampen vervangen ....................................................................... 218
Zekeringen............................................................................................ 225
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service
Volvo Service
09
204
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om
ook service- en onderhoudswerkzaamheden
over te laten aan een erkende Volvo-werk-
plaats. Volvo-werkplaatsen beschikken over
het personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo hoog
mogelijke servicekwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantie-
boekje van Volvo controleert en de aanwij-
zingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Volvo adviseert u
ook om contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats, voordat u servicewerk-
zaamheden aan het elektrische systeem laat
uitvoeren.
09 Onderhoud en service
Onderhoud
09
``
205
Voordat u met werkzaamheden begint
Accu
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ont-
koppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het ont-
stekingssysteem is levensgevaarlijk. Scha-
kel daarom altijd het contact uit bij werk-
zaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm
is.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoor-
beeld bij het tanken:
Koelvloeistof – De koelvloeistof moet tus-
sen het MIN- en MAX-streepje op het
expansiereservoir staan.
Motorolie – De olie moet tussen het MIN-
en MAX-streepje staan.
Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automa-
tisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
Auto omhoogbrengen
G027001
N.B.
Volvo adviseert alleen de krik te gebruiken
die bij het desbetreffende model hoort. Volg
bij gebruik van een andere krik dan door
Volvo geadviseerd de gebruiksaanwijzingen
die bij deze krik werden geleverd
Als u de auto met een garagekrik omhoog-
brengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de garagekrik
dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af
09 Onderhoud en service
Onderhoud
09
206
kan glijden. Maak altijd gebruik van steunbok-
ken of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
bij de drempelkokers komen te zitten. Zie voor-
gaande afbeelding.
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
``
207
Motorkap openen
G026995
1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep
uiterst links onder het dashboard (of rechts
op modellen met het stuur rechts). U hoort
dat de slotpal losschiet.
2. Steek uw hand rechts onder de voorzijde
van de motorkap (onder de grille).
3. Duw de handgreep van de slotpal omhoog.
4. Laat de handgreep weer los en open de
motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
WAARSCHUWING
Sluit de motorkap door uw ene hand er
bovenop te leggen en de kap vervolgens
omlaag te duwen. Houd de motorkap tij-
dens het sluiten niet aan de grille beet. Dit
om te voorkomen dat u met uw vingers
tegen motoronderdelen aankomt en daarbij
verwondingen oploopt.
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
208
Motorruimte
G027074
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof
Relais en zekeringen
Luchtfilter (de uitvoering van het deksel is
afhankelijk van het motortype)
Radiateur
Peilstok, motorolie
Vultuit, motorolie
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloei-
stof
Expansiereservoir, koelsysteem
Chassisnummerplaatje (VIN)
Accu (in bagageruimte)
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
``
209
Sticker voor oliekwaliteit in
motorruimte.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt, zie pagina 290.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en garan-
tieboekje.
BELANGRIJK
Om aan vereisten voor de gespecificeerde
service-intervallen te voldoen worden alle
motoren in de fabriek gevuld met een spe-
ciaal aangepaste, synthetische motorolie.
De oliesoort werd met grote zorg geselec-
teerd lettend op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstof-
verbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedge-
keurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorge-
schreven kwaliteit (zie sticker in motor-
ruimte) en dat zowel bij het bijvullen als ver-
versen van olie. Een negatieve invloed op de
levensduur van de motor, de startgewillig-
heid, het brandstofverbruik en de milieu-
impact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantie-
claims af bij gebruik van een motorolie die
niet voldoet aan de voorgeschreven kwali-
teits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssym-
bool midden op het instrumentenpaneel en
met displaymeldingen. Op bepaalde modellen
zijn beide systemen aanwezig. Volvo adviseert
u ook om voor meer informatie contact op te
nemen met een erkende Volvo-dealer.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ver-
verst. Het Service- en garantieboekje geeft aan
bij welke kilometerstand u de olie moet verver-
sen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
210
Peil controleren
G020336
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
3.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt,
kunt u om te beginnen 0,5 liter olie bijvul-
len. Vul bij totdat de olie dichter bij het
MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op
de peilstok ligt. Voor de aan te houden
hoeveelheid, zie pagina 290 en verder.
Oliepeil controleren bij een warme motor
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10 tot
15 minuten zodat de olie weer kan terug-
lopen in het oliecarter.
2. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
3. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid, zie pagina 290 en
verder.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAX-
streepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
Ruitensproeiervloeistof bijvullen
G027097
Positie van reservoir voor ruitensproeiervloeistof.
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofre-
servoir. Giet tijdens de wintermaanden ruiten-
sproeier-antivries in het reservoir om te voor-
komen dat de vloeistof in de pomp, het reser-
voir en de slangen bevriest. Zie pagina 292
voor de hoeveelheden.
N.B.
TIP! Maak bij het bijvullen van ruitensproei-
ervloeistof ook meteen de wisserbladen
schoon. Meng het antivries met water, voor-
dat u koelvloeistof bijvult.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
``
211
Koelvloeistof controleren en bijvullen
G027087
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloei-
stof en water afstemt op de heersende weers-
omstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
BELANGRIJK
Het is uitermate belangrijk dat u een koel-
vloeistof met roestwerende eigenschappen
gebruikt volgens de aanbevelingen van
Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koel-
vloeistof die bestand is tegen temperaturen
tot ca. –35°C.
Zie pagina 292 voor de hoeveelheden.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan
de temperatuur in het systeem plaatselijk dus-
danig hoog oplopen dat er gevaar voor schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop ontstaat.
Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansie-
reservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
BELANGRIJK
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
Leng de koelvloeistof aan met leiding-
water van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koel-
systeemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloei-
stof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De tempera-
turen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
212
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit, zie de tabel onder Vloei-
stoffen en smeermiddelen op pagina 292.
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
G000000
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reser-
voir
1
. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regel-
matig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie pagina 292 voor de aan te houden hoe-
veelheden en de aanbevolen kwaliteit van de
remvloeistof.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een hoge
relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, dient u
de remvloeistof ieder jaar te verversen.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het rem-
vloeistofverlies.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
FULL
ADD
G026991
N.B.
Controleer tijdens iedere servicebeurt ook
het vloeistofpeil.
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het ADD- en FULL-streepje
staan. Zie pagina 292 voor de hoeveelheden
en de aanbevolen vloeistofkwaliteit.
1
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
213
N.B.
Ook als er een storing optreedt in de stuur-
bekrachtiging of als de stroom wegvalt en u
de auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel zwaar-
der dan normaal sturen en er is meer kracht
nodig om het stuurwiel te verdraaien.
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
09
214
Wisserbladen
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 196.
BELANGRIJK
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbla-
den minder lang mee.
Wisserbladen voorruit vervangen
N.B.
De wisserbladen zijn niet allebei even lang.
Het blad aan de bestuurderszijde is langer
dan dat aan de passagierszijde.
1. Klap de wisserarm naar buiten en houd het
wisserblad vast.
2. Duw de geribde borgveren van het wisser-
blad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
3. Breng het nieuwe wisserblad in omge-
keerde volgorde aan en controleer of het
goed vastzit.
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
09
215
Wisserblad achterruit vervangen
G026959
1. Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
2. Verwijder het wisserblad door het naar
boven/buiten (zie afbeelding) in de richting
van de achterklep te halen.
3. Duw het nieuwe wisserblad vast.
4. Controleer of het blad goed vastzit.
09 Onderhoud en service
Accu
09
216
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de wer-
king van de accu.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot ont-
ploffing te brengen. Accu’s bevatten tevens
zwavelzuur dat ernstige chemische brand-
wonden kan veroorzaken. Als u accuzuur in
uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst,
moet u onmiddellijk met grote hoeveelhe-
den water spoelen. Neem onmiddellijk con-
tact op met een arts, als u accuzuur in uw
ogen krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
De levensduur van de accu wordt bepaald
door uiteenlopende factoren, waaronder de
rijomstandigheden en het klimaat. De accu
verliest na verloop van tijd aan startcapaci-
teit en moet daarom bijgeladen worden, als
er langere tijd achtereen niet of slechts korte
afstanden met de auto wordt gereden. Ook
bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
Om de accu in optimale conditie te houden
wordt geadviseerd wekelijks minstens
15minuten met de auto te rijden of de accu
aan te sluiten op een acculader met auto-
matische druppellading.
Voor de maximale levensduur dient de accu
altijd volledig opgeladen te blijven.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open vuur.
Explosiegevaar.
09 Onderhoud en service
Accu
09
217
Accu vervangen
Accu verwijderen
G027075
1. Zet het contact uit en neem de transpon-
dersleutel uit
2. Schroef de console los evenals de dek-
plaat die over de accu heen zit
3. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt
(zo kan de informatie in het elektrisch sys-
teem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regeleenheden)
4. Ontkoppel eerst de minkabel
5. Ontkoppel daarna de pluskabel en de ont-
luchtingsslang voor het knalgas
Accu aanbrengen
DRAIN PIPE
xxxx xxxxx xx xxxxx
DISCONNECT
REMOVAL OF BATTERY
O CABLE FIRST
xxxx xxxxx xxxxx
xxxx xx
+
-
WARNING
xxxx xxxxx xx xxxxx
G027076
1. Plaats de accu.
2. Sluit de pluskabel aan
3. Sluit de minkabel aan
4. Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
5. Breng de dekplaat en console weer aan
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
218
Algemene informatie
Op pagina 298 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzon-
der type of lampen die alleen in een werkplaats
te vervangen zijn:
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes en verlichting dashboard-
kastje
Richtingaanwijzers, buitenspiegels en
Approach-verlichting
Derde remlicht
Actieve xenonkoplampen
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van xenonlampen,
moet u de koplampen door een werkplaats
laten vervangen – geadviseerd wordt een
erkende Volvo-werkplaats. Omdat de lam-
pen voorzien zijn van een ontstekingsge-
deelte dat een hoge spanning opwekt, dient
u er extra voorzichtig mee om te gaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op uw
vingers kunnen door de hitte verdampen.
Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waar-
door deze al snel kapotgaat.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
G027081
Bij het vervangen van de gloeilampen van het
dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u
eerst het lampelement in zijn geheel verwijde-
ren. Verwijder de gloeilampen door het lampe-
lement als volgt te verwijderen en volg daarna
de specifieke aanwijzingen voor de verschil-
lende gloeilampen op.
Lamphuis losmaken:
1. Schakel alle lichten uit en draai de trans-
pondersleutel naar stand 0.
2. Open de motorkap.
3. Maak het lampelement los door de twee
borgpennen omhoog te trekken waarmee
het element vastzit.
4. Til het lampelement recht omhoog naar
buiten.
BELANGRIJK
Trek alleen aan de connector en niet aan de
kabel.
5. Koppel de connector los door de klikslui-
ting eerst vanaf de onderkant in te drukken
en vervolgens vanaf de bovenkant iets
omhoog te trekken.
6. Til het koplampelement in zijn geheel naar
buiten en leg het op een zachte onder-
grond neer om krassen op de lens te voor-
komen.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
``
219
G027083
Plaats het koplampelement in omgekeerde
volgorde terug. Controleer na afloop of u de
borgpennen correct hebt ingestoken.
Positie van gloeilampen in
koplamphuis
G027082
Dimlicht
Groot licht
Richtingaanwijzer
Stadslicht/parkeerlicht vóór
Sidemarker
Dimlicht, halogeen
G027088
1. Draai de buitenste afdekking linksom los.
2. Trek de connector los.
3. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
4. Trek de lamp naar buiten.
5. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
6. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zit-
ten.
7. Druk de connector in positie terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
220
8. Draai de afdekking weer vast. Het opschrift
HAUT moet omhoogwijzen.
Groot licht
Halogeenkoplampen
G027085
1. Trek de buitenste afdekking recht naar
achteren toe los en trek de connector los.
2. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
3. Trek de lamp naar buiten.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
5. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zit-
ten.
6. Duw de connector weer vast en plaats de
afdekking terug.
Sidemarkers en stadslichten/
parkeerlichten vóór
G028409
De lamphouders zijn voorzien van een bajo-
netfitting.
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Trek de gloeilamp recht naar buiten.
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
voorzichtig in de uitsparingen te duwen.
4. Plaats de lamphouder terug en draai deze
rechtsom.
Richtingaanwijzer
G027089
De lamphouder is voorzien van een bajonetfit-
ting.
1. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
2. Duw de gloeilamp naar binnen, draai de
lamp linksom en verwijder deze.
3. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
in de uitsparingen te duwen en vervolgens
rechtsom te draaien.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
``
221
Mistlampen voorzijde
G027078
1. Schakel alle lichten uit en draai de trans-
pondersleutel naar stand 0.
2. Draai de lamphouder iets naar links.
3. Verwijder de gloeilamp.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan. Het profiel
van de lamphouder past in de voet van de
lamp.
5. Plaats de lamphouder terug door deze iets
naar rechts te draaien. Zorg dat het
opschrift TOP omhoogwijst!
Gloeilampen in achterlamphuis
G027094
Achterlicht
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlichten
Achterlicht
Remlicht
N.B.
Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de
kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt
u geadviseerd een erkende Volvo-werk-
plaats te bezoeken.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
222
Gloeilampen vervangen
G027077
1. Schakel alle lichten uit en draai de trans-
pondersleutel naar stand 0.
2. Klap het onderste gedeelte van de achter-
klep omlaag en open het vloerluik. (Als uw
auto is uitgerust met een houder voor
boodschappentassen*, moet u de steun-
band van deze houder losnemen.)
3. Verwijder het hoekstuk.
4. Open het luik in het zijpaneel door de pal
omhoog en naar u toe te trekken.
5. Neem ringsleutel nr. 10 uit de gereed-
schapstas en draai de moeren los.
6. Trek het lampelement in zijn geheel recht
naar achteren.
7. Maak de bijeengebonden extra kabel-
lengte los om ruimte te maken.
8. Leg het element op een zachte ondergrond
neer om krassen op het lampglas te voor-
komen.
9. Trek de lamphouder linksom naar buiten.
10. Draai de gloeilamp linksom los. (Geldt voor
de richtingaanwijzers, achteruitrijlichten en
remlichten.)
11. Trek de gloeilamp recht naar buiten. (Geldt
voor de achterlichten.)
12. Vervang de gloeilamp.
13. Plaats de lamphouder in de uitsparing
terug en draai de houder rechtsom.
14. Duw de extra kabellengte terug.
15. Plaats het lampelement over de schroef-
gaten heen. Duw het element in positie.
16. Draai de moeren vast.
17. Plaats het zijpaneel en het hoekstuk terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
``
223
Mistachterlicht
G027093
1. Steek een platte schroevendraaier bij de
pijl op de afbeelding naar binnen.
2. Beweeg het lampelement naar buiten toe.
3. Draai de lamphouder linksom om deze te
verwijderen.
4. Draai de gloeilamp linksom om deze te ver-
wijderen.
5. Vervang de gloeilamp.
Kentekenplaatverlichting
G027092
1. Schakel alle lichten uit en draai de trans-
pondersleutel naar stand 0.
2. Draai de boutjes los met een schroeven-
draaier.
3. Verwijder het volledige lamphuis voorzich-
tig en trek het naar buiten.
4. Vervang de gloeilamp.
5. Plaats het complete lamphuis terug en
draai het boutje vast.
Instapverlichting
G027079
De instapverlichting vindt u onder het dash-
board aan de bestuurders- en passagierszijde.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat de
lens loskomt.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Plaats de lens terug.
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
224
Gloeilamp in achterklep
G027084
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de kapotte gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan. Contro-
leer of de gloeilamp werkt.
4. Plaats het lamphuis terug.
Verlichting make-upspiegel
G027080
1. Steek een platte schroevendraaier naast
de middelste clip onder aan het spiegel-
element. Beweeg het spiegelelement
omhoog, zodat de middelste clip loskomt.
2. Trek de schroevendraaier naar de linker-
en de rechterkant zodat de buitenste clips
loskomen.
3. Til het spiegelelement naar buiten.
4. Vervang de gloeilampjes.
5. Plaats het spiegelelement met de boven-
kant naar voren gekanteld terug. Let erop
dat de bovenste clips goed ingedrukt zijn,
voordat u het spiegelelement in positie
terugklapt.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
225
Algemene informatie
G032337
De kabelloop kan per motortype ietwat verschillen. De onderdelen op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van uw auto beschadigd raakt door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektri-
sche functies en componenten door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vijf verschillende plaat-
sen in de auto:
Relais- en zekeringenkastje in de motor-
ruimte.
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie).
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant van
het dashboard).
Zekeringenkastje in de kofferbak.
Zekeringenkastje in de kofferbak, Execu-
tive*
Als een van de elektrische onderdelen of func-
ties niet werkt, is het mogelijk dat de bijbeho-
rende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
226
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
Aan de binnenkant van het deksel in het dash-
board zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbren-
gen.
Als dezelfde zekering herhaaldelijk doorbrandt,
betekent dit dat het bijbehorende onderdeel
een storing vertoont. Volvo adviseert u in dat
geval ter controle een bezoek te brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats.
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
227
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
G026972
1. ABS 30 A
2. ABS 30 A
3. Hogedruksproeiers
koplampen
35 A
4. Standverwarming* 25 A
5. Verstralers* 20 A
6. Relais startmotor 35 A
7. Ruitenwissers 25 A
8. Brandstofpomp 15 A
9. Regelmodule trans-
missie (TCM)
15 A
10. Bobines (benzine),
regelmodule motor
(ECM), verstuivers
(diesel)
20 A
11. Gaspedaalsensor
(APM), AC-compres-
sor
10 A
12. Regelmodule motor
(ECM) (benzine), ver-
stuivers (benzine),
luchtmassameter
(benzine)
15 A
Luchtmassameter
(diesel)
5 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
228
13. Regelmodule gasklep
(V8), VIS (6-cil. ben-
zine)
10 A
Regelmodule gasklep,
magneetklep, SWIRL
(luchtmengklep),
brandstofdrukregelaar
(diesel)
15 A
14. Lambdasonde (ben-
zine)
20 A
Lambdasonde (diesel) 10 A
15. Verwarming carter-
ventilatie (benzine),
AC-koppeling (ben-
zine), magneetklep-
pen, lekdiagnose
(benzine), ECM (ben-
zine), luchtmassame-
ter (V8), voorgloeire-
geling (diesel)
15 A
16. Dimlicht links 20 A
17. Dimlicht rechts 20 A
18. - -
19. Regelmodule motor
(ECM) voeding,
motorrelais
5 A
20. Achterlicht 15 A
21. Vacuümpomp (ben-
zine)
20 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
229
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in de zijkant van het dashboard)
G032316
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende zekeringen
aan.
1. Ventilator klimaatre-
geling
30 A
2. Audiosysteem (ver-
sterker)*
30 A
3. Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel*
25 A
4. Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*
25 A
5. Regelmodule linker
voorportier
25 A
6. Regelmodule rechter
voorportier
25 A
7. - -
8. Radio, cd-speler,
RSE-systeem*
15 A
9. RTI-display, RTI-
module, MMM
10 A
10. OBDII, verlichtings-
draaiknop (LSM),
stuurhoeksensor
(SAS), stuurregelmo-
dule (SWM)
5 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
230
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11. Contactslot, SRS-
systeem, regelmodule
motor ECM (benzine),
uitschakeling SRS
passagierszijde
(PACOS), elektroni-
sche startblokkering
(IMMO), regelmodule
transmissie (TCM)
7,5 A
12. Interieurverlichting
plafond (RCM),
bovenste elektroni-
sche regelmodule
(UEM)
10 A
13. Schuifdak* 15 A
14. Telefoon*, Bluetooth* 5 A
15-38 -
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
231
Relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
G028412
1. Stoelverwarming, rech-
terzijde
15 A
2. Stoelverwarming, lin-
kerzijde
15 A
3. Claxon 15 A
4. Reservepositie -
5. Infotainment 10 A
6. - -
7. - -
8. Sirene alarmsysteem* 5 A
9. Voeding remlichtscha-
kelaar
5 A
10. Instrumentenpaneel
(DIM), klimaatregeling
(CCM), standverwar-
ming, elektrisch
bedienbare bestuur-
dersstoel
10 A
11. Elektrische aansluiting
voor- en achterin en
koelvak*
15 A
12. - -
13. - -
14. - -
15. ABS, STC/DSTC 5 A
16. Elektronische stuurbe-
krachtiging (ECPS)*,
actieve xenon (HCM)*,
koplamphoogterege-
ling*
10 A
17. Mistlamp linksvoor 7,5 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
232
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
18. Mistlamp rechtsvoor 7,5 A
19. - -
20. Koelvloeistofpomp (V8) 5 A
21. Regelmodule transmis-
sie (TCM)
10 A
22. Groot licht links 10 A
23. Groot licht rechts 10 A
24. - -
25. - -
26. - -
27. - -
28. Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*, Rear
Seat Entertainment
(RSE)*
5 A
29. Brandstofpomp 7,5 A
30. BLIS* 5 A
31. - -
32. - -
33. Vacuümpomp (ben-
zine)
20 A
34. Sproeierpomp 15 A
35. - -
36. - -
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
233
Zekeringen in kofferbak
G032342
1. Achteruitrijlichten 10 A
2. Parkeerlichten/achter-
lichten, mistachterlicht,
kofferbakverlichting,
kentekenplaatverlich-
ting, remlichten
20 A
3. Accessoires (AEM)* 15 A
4. Reservepositie -
5. Elektronica (REM) 10 A
6. RSE-systeem* 7,5 A
7. Trekhaakaansluiting*
(30-voeding)
15 A
8. Elektrische aansluiting
kofferbak
15 A
9. Achterportier, rechts:
Ruitbediening, blokke-
ring ruitbediening
20 A
10. Achterportier, links:
Ruitbediening, blokke-
ring ruitbediening
20 A
11. - -
12. - -
13. Verwarming dieselfilter 15 A
14. Subwoofer, aircondi-
tioning achterin (AC)*
15 A
15. - -
16. - -
17. Accessoires Infotain-
ment*
5 A
18. - -
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
234
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
19. Ruitenwisser, achter-
klep
15 A
20. Trekhaakaansluiting*
(15-voeding)
20 A
21. - -
22. - -
23. AWD 7,5 A
24. - -
25. - -
26. Park Assist* 5 A
27. Hoofdzekering: Trek-
haakaansluiting, Park
Assist, AWD
30 A
28. Centrale vergrendeling
(PCL)
15 A
29. Aanhangerverlichting,
links: Achterlicht, rich-
tingaanwijzer*
25 A
30. Aanhangerverlichting,
rechts: Remlicht, mist-
achterlicht, richting-
aanwijzer*
25 A
31. Hoofdzekering: Zeke-
ring 37, 38
40 A
32. - -
33. - -
34. - -
35. - -
36. - -
37. Elektrische achterruit-
verwarming
20 A
38. Elektrische achterruit-
verwarming
20 A
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
235
Zekeringen in de bagageruimte, Executive*
G031532
Het zekeringenkastje zit achter het dekpaneel
aan de linkerzijde.
1. Relais verwarming ach-
terbank, Relais massa-
gefunctie voorstoel
5 A
2. Verwarming linker zit-
plaats achterbank
15 A
3. Verwarming rechter zit-
plaats achterbank
15 A
4. Ventilatiefunctie voor-
stoel, Massagefunctie
voorstoel
10 A
5. - -
6. - -
236
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie............................................................................. 238
Audio, bedieningspanelen .................................................................... 239
Functies audiosysteem ........................................................................ 242
Radiofuncties ....................................................................................... 247
Cd-functies .......................................................................................... 254
Menusysteem, audiosysteem .............................................................. 257
Telefoonfuncties* ................................................................................. 258
Menusysteem, telefoon ........................................................................ 266
Bluetooth handsfree* ........................................................................... 270
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* . . 277
INFOTAINMENT
10 Infotainment
Algemene informatie
10
238
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Infotainment
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties.
Het Infotainmentsysteem kunt u handig en
eenvoudig bedienen vanaf het gemeenschap-
pelijke bedieningspaneel of de toetsenset op
het stuur.
De XC90 is uit te rusten met Dolby Surround
Pro Logic II
1
. Dit systeem zorgt voor een zeer
realistische geluidsweergave met een breed en
natuurlijk geluidsprofiel.
Het Infotainmentsysteem biedt u en eventuele
passagiers de mogelijkheid een hoofdtele-
foon* aan te sluiten zodat iedereen naar een
verschillende geluidsbron kan luisteren.
Dolby Surround Pro Logic II
1
Dolby Surround Pro Logic II verdeelt de twee
kanalen van het stereogeluid over de luidspre-
kers links, midden, rechts en achterin. Dit levert
een realistischer geluidsweergave op dan bij
normale tweekanaals stereo.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-logo zijn handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Surround Pro
Logic II System is vervaardigd onder licentie
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
1
Betreft Premium Sound.
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
239
Bediening audiofuncties
CD – Sneltoets
VOLUME – Volume (draaiknop)
POWER – Audiosysteem aan/uit
AM/FM – Sneltoets voor wisselen FM1,
FM2 en AM
Display
ENTER – Menu-opties kiezen, een keuze
activeren of de mapstructuur openen en
audiobestanden afspelen als er een schijf
met audiobestanden in de cd-speler zit.
Voor meer informatie, zie pagina 254.
PHONE – Telefoon aan/uit/stand-by
MY KEY – Programmeerbare sneltoets
voor favoriete functie
SELECTOR – Geluidsbron kiezen (draai-
knop)
SOUND – Geluidsregeling
EXIT/CLEAR – Terugbladeren in menu’s,
een keuze annuleren, de telefoon stand-by
zetten of het voorgaande teken wissen bij
invoer van cijfers en/of tekens
Simkaarthouder
MENU – Keuzetoetsen menuopties
Uitwerpen, cd-speler en cd-wisselaar*
Cd-speler en cd-wisselaar*
Track, zender opzoeken/wisselen of voor-
uit- en achteruitbladeren bij invoer van
tekst en cijfers
Sneltoetsen radiozenders/keuzetoets sleuf
cd-wisselaar* (1-6), alfanumerieke toetsen
voor telefoon en sneltoetsen in menu’s
IR* – ontvanger voor afstandsbedieningen
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
10
240
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Toetsenset op stuurwiel
Audio, telefoon*
Met de vier toetsen van de toetsenset op het
stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als de
telefoon regelen. De functie van de toetsen
hangt af van het systeem dat u geactiveerd
hebt. Met de toetsenset op het stuur kunt u het
volume regelen en een andere radiozender of
een andere track op een cd selecteren. Met de
bovenste twee toetsen van de toetsenset
(Yes en No) kunt u een telefoongesprek aan-
nemen of beëindigen.
Menufuncties
G027112
Sommige Infotainmentfuncties zijn toeganke-
lijk via een menusysteem. Het actuele menuni-
veau staat rechts bovenaan op het display. De
menu-opties staan in het midden van het dis-
play.
Met MENU opent u het menusysteem. Met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de naviga-
tieknop
loopt u de menu-opties door.
Met ENTER kiest u of activeert/deactiveert
u een menu-optie.
Met EXIT gaat u een stap terug binnen het
menusysteem. Bij lang indrukken van
EXIT verlaat u het menusysteem.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de toetsen-
set (1-6).
Persoonlijke sneltoets, MY KEY
Onder MY KEY kunt u uw favoriete menufunc-
tie opslaan, zoals TP.
Kies de functie die u wilt opslaan door MY
KEY meer dan twee seconden lang inge-
drukt te houden.
Wanneer de tekst
My Key opgeslagen. op het
display verschijnt, is de functie opgeslagen.
Activeer de menufunctie vervolgens door
kort op MY KEY te drukken.
Functies die op te slaan zijn onder MY
KEY
Random
Tekst disc
TP
News
Radio text
PTY zoeken
AF
Regional
10 Infotainment
Audio, bedieningspanelen
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
241
Surround
Bedieningspaneel met
hoofdtelefoonaansluiting*
G026982
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u
een hoofdtelefoon te gebruiken met een impe-
dantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van
102 dB of meer.
Activeren/deactiveren
U activeert het bedieningspaneel met een druk
op SEL wanneer het audiosysteem ingescha-
keld is. Het bedieningspaneel wordt automa-
tisch gedeactiveerd, wanneer u het audiosys-
teem uitschakelt of SEL lang indrukt.
Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken
Kort op / drukken om een track op
een cd of een van de voorkeurzenders te selec-
teren. Druk dezelfde knop lang in om tracks op
de cd versneld vooruit/achteruit te spoelen of
automatisch radiozenders te zoeken.
Beperkingen
Welke geluidsbron (FM, AM, CD e.d.) er via de
luidsprekers wordt weergegeven valt niet te
sturen vanaf het achterste bedieningspaneel.
Eventuele RDS-teksten kunnen achterwege
blijven, als de radio via de hoofdtelefoons
wordt beluisterd terwijl er een andere geluids-
bron via de luidsprekers wordt weergegeven.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
10
242
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Aan/uit-knop – audiosysteem
G027115
Druk op de knop POWER om het audio-
systeem in of uit te schakelen.
Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem
actief is, zal het audiosysteem de volgende
keer dat u de motor start opnieuw actief zijn.
Volumeregeling
Draai de knop rechtsom of linksom om het
volume te verhogen of te verlagen. De volume-
regeling verloopt elektronisch en kent geen
eindstanden. U kunt het volume ook verhogen
of verlagen met de toetsen (+) of () van de
toetsenset op het stuurwiel mits de telefoon
niet actief is.
Geluidsbron kiezen
Bij herhaalde malen indrukken van de toets
AM/FM
loopt u de radiostanden FM1, FM2
en AM door. Met een druk op CD
activeert
u de cd-speler/cd-wisselaar.
Draai aan SELECTOR
om uit de externe
geluidsbronnen AUX en USB* en de interne
geluidsbronnen FM1, FM2, AM, CD en CDC*
(cd-wisselaar) te kiezen.
Externe geluidsbronnen
AUX
Op de AUX-ingang kan bijvoorbeeld een
iPod of een mp3-speler worden aangesloten.
N.B.
De geluidskwaliteit kan verslechteren, als
de speler wordt opgeladen terwijl het audio-
systeem in stand AUX staat. Laad de speler
in dat geval niet op tijdens het beluisteren.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron (AUX) wordt weergegeven af van
dat van de interne geluidsbronnen. Als de
geluidssterkte van de externe geluidsbron te
hoog of te laag is, kan de geluidskwaliteit ver-
slechteren. U kunt dat tegengaan door het
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen:
1.
Selecteer
Volume AUX-ingang in het
menu en druk op ENTER.
2.
Regel het volume met SELECTOR of met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag
. Druk
daarna op ENTER.
N.B.
Werkt niet met de toetsenset op het stuur-
wiel.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
243
G027029
Ingang voor externe geluidsbron (AUX), 3,5 mm.
BELANGRIJK
Laat dat de afdekking van de bekerhouders
openstaan, terwijl de stekker in de AUX-
ingang steekt.
USB*
USB-aansluiting*.
Als u ervoor kiest om een iPod, mp3-speler
of USB-geheugen aan te sluiten op de USB-
aansluiting*, kunt u het geluidsmedium bedie-
nen via de geluidsregeling van de auto.
N.B.
Sluit mediaspeler/USB-geheugen met de
kabel aan op de poort, voer de gegevens in
en sluit het dashboardkastje.
1.
Kies USB met de toets SELECTOR.
>
De tekst
Eenheid aansluiten verschijnt
op het display.
2.
Sluit uw iPod, mp3-speler of USB-
geheugen aan op de USB-aansluiting*, zie
voorgaande afbeelding.
>
De tekst
Bezig met laden verschijnt op
het display, wanneer het systeem de
bestandshiërarchie op het opslagme-
dium inleest. Dit duurt enige tijd.
Na het inlezen verschijnen de trackgegevens
op het display.
U kunt vervolgens vooruit-/achteruitspoelen en
van track wisselen met de toetsen
/
:
Bij kort indrukken loopt u de tracks door.
Bij lang indrukken spoelt u vooruit/achter-
uit.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning van
muziekbestanden in de muziekformaten
mp3, wma en wav. Er zijn echter muziekfor-
maten die niet door het systeem worden
ondersteund. Het systeem biedt verder
ondersteuning voor de meeste iPod
-
modellen die in 2005 of later gemaakt zijn.
iPod
Shuffle wordt echter niet onder-
steund.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
10
244
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
USB-geheugen
Om het gebruik van een USB-geheugen te ver-
eenvoudigen is het beter alleen muziekbestan-
den in het geheugen op te slaan. Het inlezen
duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve
compatibele muziekbestanden nog andere
bestanden op het opslagmedium staan.
N.B.
Het systeem biedt ondersteuning voor
draagbare media die werken met USB 2.0
en het bestandssysteem FAT32 en kan
maximaal 500 mappen en 64.000 bestan-
den aan. Het geheugen dient een grootte
van minimaal 256 MB te hebben.
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor opti-
male geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnel-
heid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
Geluidsregeling
1.
Druk op de toets SOUND
.
2.
Druk net zolang op de toets SOUND totdat
de aanduiding van de functie verschijnt die
u wilt bijregelen. U hebt de keuze uit
LAGE
TONEN
, HOGE TONEN, FADER,
BALANS, Subwoofer*, MIDDEN* of
SURROUND*.
3. Regel het niveau bij met de knop
SELECTOR
. Op het display verschijnt
een schaal van MIN tot MAX. De functie is
normaal gesproken op de middelste stand
afgesteld.
N.B.
U kunt het niveau van de middenluidspreker
alleen bijregelen, als u voor Dolby Pro Logic
II (
DPL II) of driekanaals stereoweergave (3-
CH
) hebt gekozen in het menu. Het niveau
van de subwoofer is alleen bij te regelen als
u voor
Subwoofer hebt gekozen in het
menu
Programmatype Displaytekst
Lage tonen
LAGE TONEN
Hoge tonen
HOGE TONEN
Balans tussen luidspre-
kers links en rechts
BALANS
Balans tussen luidspre-
kers voor en achter
FADER
Niveau voor de lageto-
nenluidspreker
Subwoofer *
10 Infotainment
Functies audiosysteem
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
245
Programmatype Displaytekst
Niveau voor de midden-
luidspreker
MIDDEN *
Niveau voor “Ambient
Surround Sound”
SURROUND *
Surround*
De Surround-instellingen zijn bepalend voor
het ruimtelijke effect van de geluidsweergave.
De instellingen voor de verschillende geluids-
bronnen alsmede de activering en deactivering
ervan worden elk apart vastgelegd.
Het symbool
op het display geeft aan dat
Dolby Pro Logic II actief is. De Surround-func-
tie kent drie verschillende standen:
Pro Logic II
3 kanalen
Uit Tweekanaals stereo
Surround-functie activeren/deactiveren
1.
Druk op MENU, ga naar
AUDIOMODUS
en druk op ENTER.
2.
Kies voor
SURROUND en druk op
ENTER.
3.
Kies voor
Pro Logic II, 3 kanalen of Uit
en druk op ENTER.
Dolby Surround Pro Logic II is het han-
delsmerk van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Pro Logic II Surround
System is vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
Basluidspreker – SUBWOOFER*
De basluidspreker ondersteunt het audiosys-
teem en zorgt voor een voller geluidsbeeld en
een diepere basweergave.
1.
Selecteer
AUDIOMODUS in het menu en
druk op ENTER.
2.
Kies voor
Subwoofer en druk op ENTER.
Een kruisje in het selectievakje geeft aan
dat u voor
Subwoofer hebt gekozen.
Equalizer voor
1
De functie Equalizer FR gebruikt u om de
geluidsweergave van de voorste luidsprekers
fijn af te regelen.
1.
Selecteer
AUDIOMODUS in het menu en
druk op ENTER.
2.
Kies voor
Equalizer voor en druk op
ENTER.
3. Stel het gewenste niveau in met de keu-
zetoetsen voor de menu-opties (pijl-
omhoog/pijl-omlaag) of met de knop
SELECTOR.
4.
Druk op ENTER om de volgende frequen-
tie te kiezen. U hebt de keuze uit vijf fre-
quenties.
5.
Druk op ENTER totdat u in het menusys-
teem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
Equalizer achter
1
De functie Equalizer RR gebruikt u om de
geluidsweergave van de achterste luidspre-
kers fijn af te regelen.
1.
Selecteer
AUDIOMODUS in het menu en
druk op ENTER.
2.
Kies voor
Equalizer achter en druk op
ENTER.
3. Stel het gewenste niveau in met de keu-
zetoetsen voor de menu-opties (pijl-
omhoog/pijl-omlaag) of met de knop
SELECTOR.
4.
Druk op ENTER om de volgende frequen-
tie te kiezen. U hebt de keuze uit vijf fre-
quenties.
1
Bepaalde systeemuitvoeringen.
10 Infotainment
Functies audiosysteem
10
246
5.
Druk op ENTER totdat u in het menusys-
teem bent aangekomen om de wijzigingen
die u aanbracht op te slaan.
10 Infotainment
Radiofuncties
10
``
247
Zenders zoeken
AM FM
WXYZ
*
AUTO
0
4
7
PQRS
GHI
5
JK L
TUV
8
1
ABC
2
POWER
V
CD
E
M
O
L
U
E
S
SOUND
#
SCAN
6
9
MNO
DEF
3
ENTER
PHONE
CLEAR
MENU
EXI T
MY KEY
R
O
C
T
L
E
G027114
1.
Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met de
knop SELECTOR (3) of de toets AM/FM
(1).
2.
Druk de toets
of korte tijd in
om de eerstvolgende goed doorkomende
zender op te zoeken.
3. Druk nogmaals op een van de toetsen om
een andere zender te zoeken.
Bekende frequentie handmatig
instellen
1.
Druk op de toets
of en houd
deze ingedrukt. Op het display verschijnt
de tekst
MAN. De radio loopt de frequen-
ties aanvankelijk langzaam in de gekozen
richting door om na enige seconden te ver-
snellen.
2. Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
3. Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
kunt u de pijltoetsen
of korte
tijd indrukken.
Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u nog
5 seconden de tijd om handmatig instellingen
te verrichten.
Zenders opslaan
U kunt als volgt een favoriete radiozender
opslaan onder een van de sneltoetsen 09 (2)
voor radiozenders:
1. Stel de gewenste radiozender in.
2. Druk op de sneltoets waaronder u de zen-
der wilt opslaan en houd deze toets inge-
drukt. Het geluid valt enige seconden weg.
De tekst
Kanaal opgeslagen verschijnt
op het display. De zender is daarmee
opgeslagen.
U kunt tot 10 radiozenders per radiostand
(
AM, FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders
opslaan.
AUTOSTORE, automatisch zenders
opslaan
G027119
Met AUTO (1) kunt u tot 10 goed te ontvangen
radiozenders opzoeken en ze automatisch
vastleggen in een aparte geheugenbank. Deze
functie is met name handig in gebieden, waar
u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Automatische opslag starten
1.
Kies de frequentieband met AM/FM.
2.
Houd AUTO (1) ingedrukt, totdat
Autom.
opslaan
op het display verschijnt.
10 Infotainment
Radiofuncties
10
248
Wanneer Autom. opslaan van het display ver-
dwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De radio
gaat over op de automatische stand en de mel-
ding
AUTO verschijnt op het display. De auto-
matisch vastgelegde voorkeurzenders zijn ver-
volgens rechtstreeks te kiezen met de snel-
toetsen 09. Als er geen radiozender kont wor-
den gevonden met een signaal dat krachtig
genoeg is, verschijnt de tekst
Geen zndr
gevonden
.
Automatische vastlegfunctie beëindigen
Druk op EXIT.
Automatisch vastgelegde
voorkeurzender kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastge-
legde voorkeurzenders.
1.
Druk kort op AUTO (1). De tekst
AUTO
verschijnt op het display.
2.
Druk op een van de sneltoetsen 09.
3. De radio blijft in de automatische stand
staan, totdat u de toetsen AUTO (1), EXIT
of AM/FM korte tijd indrukt.
Scannen
De functie SCAN (2) doorzoekt een frequentie-
band automatisch op goed te ontvangen zen-
ders. Wanneer er een zender is gevonden,
wordt deze ca. 8 seconden lang weergegeven
voordat de zoekfunctie wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
1.
Kies de frequentieband met AM/FM.
2.
Druk op SCAN (2) om de functie te active-
ren. De tekst
SCAN verschijnt op het dis-
play.
3.
Druk tot slot op SCAN of EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Tijdens de functie SCAN kunt u een gevonden
zender als voorkeurzender vastleggen.
Druk op een van de sneltoetsen 09 en
houd deze ingedrukt, totdat de melding
Station stored op het display verschijnt.
De functie SCAN wordt beëindigd, waarna u de
vastgelegde zender als voorkeurzender kunt
gebruiken.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders
in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in
een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde infor-
matie, zodat een RDS-radio onder meer de vol-
gende mogelijkheden biedt:
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorge-
ven.
Weergeven van informatieve tekst over het
beluisterde radioprogramma.
N.B.
Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of slechts in beperkte
mate.
10 Infotainment
Radiofuncties
10
``
249
Volumeregeling, NEWS/TP/ALARM
N.B.
Als u bijvoorbeeld een cd beluistert op het
moment dat de radio een verkeersbulletin
ontvangt, wordt de cd-speler in de pauze-
stand gezet. De melding wordt weergege-
ven op het volume dat u van tevoren met de
volumeknop hebt ingesteld voor het beluis-
teren van het bericht. Het systeem hervat na
afloop onmiddellijk het oude volume en
speelt (in het gegeven geval) de cd verder
af. Als u het volume tijdens de weergave van
het bericht bijregelt, wordt het nieuwe
volume opgeslagen en bij een volgend
bericht opnieuw gehanteerd.
Nieuws, NEWS
Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen dat
de weergave van andere geluidsbronnen zoals
een cd wordt onderbroken voor een nieuws-
bulletin.
1. Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
2.
Selecteer
News in het menu en druk op
ENTER.
3.
De tekst
News verschijnt op het display.
4.
Kies nogmaals voor
News en druk op
ENTER om de functie
News uit te scha-
kelen.
Bij activering van deze functie krijgt u nieuws-
bulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ont-
vangt u de bulletins op het volume dat u voor
het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop van
het bulletin hervat het audiosysteem de weer-
gave van de voorgaande geluidsbron op het
oude volume.
Doe het volgende om een nieuwsbulletin voort-
ijdig af te breken;
Druk op de toets EXIT. De functie NEWS
blijft echter actief, zodat de radio op het
volgende nieuwsbulletin wacht.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie krijgt u verkeers-
informatie binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ont-
vangt u de verkeersinformatie op het volume
dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van de
verkeersinformatie hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
1.
Selecteer
TP in het menu en druk op
ENTER.
2.
De tekst
TP verschijnt op het display.
3.
Kies nogmaals voor TP en druk op
ENTER om de functie TP uit te schakelen.
Wanneer de functie actief is, verschijnt de tekst
TP op het display. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven,
staat er
op het display. De weergave van
een geluidsbron kan dan ook alleen worden
onderbroken, wanneer de tekst
op het
display staat.
Doe het volgende om een verkeersbulletin
voortijdig af te breken;
Druk op de toets EXIT. De functie
TP blijft
echter actief, zodat de radio op het vol-
gende verkeersbulletin wacht.
TP Search
Met de functie TP SEARCH kunt u naar ver-
keersinformatie blijven luisteren tijdens inter-
nationale ritten (in Europa) zonder dat u daar-
voor zelf van zender hoeft te wisselen.
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Kies voor
TP en druk op ENTER.
3.
Kies voor
TP zoeken en druk op ENTER.
Om de functie te deactiveren moet u nogmaals
voor
TP zoeken kiezen en op ENTER drukken.
10 Infotainment
Radiofuncties
10
250
Radio text
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoe-
rende artiesten e.d. Dergelijke informatie kan
dan in tekstvorm op het display verschijnen.
1.
Druk op de toets MENU.
2.
Selecteer
Radio text in het menu en druk
op ENTER.
3.
Kies nogmaals voor
Radio text en druk op
ENTER om de functie uit te schakelen.
Alarm
Alarmmeldingen worden altijd automatisch
doorgegeven, zodat u de functie niet kunt
deactiveren. Er verschijnt
Alarm! op het dis-
play van de radio, wanneer er een alarmmel-
ding wordt verzonden. Deze functie wordt
gebruikt om u attent te maken op ernstige
ongelukken of calamiteiten, zoals ingestorte
bruggen of ongelukken in kerncentrales.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk verschil-
lende programmatypes te kiezen zoals pop-
muziek en klassieke muziek. De melding PTY
geeft aan dat de functie actief is.
Programmatype weergeven
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Selecteer PTY in het menu en druk op
ENTER.
3.
Kies voor
PTY weergeven en druk op
ENTER.
Het PTY van de door u beluisterde zender ver-
schijnt vervolgens op het display.
N.B.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
Programmatypes
Actualiteit
Religie
Varia
Countrymuziek
Documentaires
Finance
Volksmuziek
Vrije tijd
Programmatypes
Children’s progs
Gouwe Ouwe
Informatie
Jazzmuziek
Klassieke muziek
Culture
Licht klassiek
Melodie
Nationale muziek
Popmuziek
Reizen
Rockmuziek
Maatschappelijk
Sport
Drama
Doe mee!
Educatie
10 Infotainment
Radiofuncties
10
``
251
Programmatypes
Science
Weather & Metro
Overige muziek
Zender zoeken met een bepaald
programmatype
U kunt de radio een zender met een bepaald
soort programma’s laten opzoeken op de aan-
gegeven golflengte.
1.
Kies FM 1 of FM 2 en druk op de toets
MENU.
2.
Kies voor
RADIO-INSTELLINGEN en
druk op ENTER.
3.
Kies voor
PTY en druk op ENTER.
4.
Kies voor
PTY selecteren en druk op
ENTER.
5.
Druk op ENTER om één of meer van de
opgesomde programmatypes te selecte-
ren. Het symbool PTY verschijnt op het
display, wanneer u uw eerste keuze maakt.
De functie PTY van de radio staat vervol-
gens stand-by.
6. Wanneer u alle programmatypes van uw
keuze geselecteerd hebt, moet u op EXIT/
CLEAR drukken om de PTY-lijst te verla-
ten.
7.
Kies voor
PTY zoeken en druk op
ENTER. Als de radio een zender met het
gekozen programmatype heeft gevonden,
wordt deze zender via de luidsprekers
weergegeven.
8. Als de radio een zender heeft gevonden die
niet in de smaak valt, kunt u de radio verder
laten zoeken met de toetsen
/ .
9. Als er geen zender met het gekozen pro-
grammatype kan worden gevonden, gaat
de radio terug naar de voorgaande fre-
quentie. De functie PTY staat dan stand-
by, totdat er een programma van het geko-
zen type wordt uitgezonden. Wanneer dat
het geval is, gaat de radio automatisch
over op de zender die het geselecteerde
programmatype uitzendt.
Om de functie
PTY standby te deactiveren,
moet u het menu openen en voor
Alle PTY’s
resetten
kiezen. Het symbool PTY verdwijnt
dan van het display en de radio keert terug naar
de normale weergavestand.
Verkeersinformatie, TP STATION
In het menu TP STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u verkeersinformatie wenst
te ontvangen.
Let erop dat de functie alleen werkt wanneer
het symbool
op het display staat.
TP STATION activeren/deactiveren
Stem af op de radiozender met de verkeersin-
formatie die u wilt ontvangen.
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Kies voor
TP en druk op ENTER.
3.
Kies voor
TP-ZENDER en druk op
ENTER.
4.
Selecteer
Actuele instellen om de functie
te activeren of
RESETTEN om de functie
te deactiveren en druk daarna op ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen verkeersinformatie
van de opgeslagen zender doorkrijgen.
10 Infotainment
Radiofuncties
10
252
Nieuws, NEWS STATION
Onder NEWS STATION kunt u aangeven van
welke radiozender u nieuws wenst te ontvan-
gen.
Let erop dat functie alleen werkt als de inge-
stelde zender een RDS-zender is.
NEWS STATION activeren/deactiveren
Stem af op de radiozender met het nieuws dat
u wilt ontvangen.
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Kies voor
NIEUWSZENDER en druk op
ENTER.
3.
Kies voor
TP STATION en druk op
ENTER.
4.
Selecteer
Actuele instellen om de functie
te activeren of
RESETTEN om de functie
te deactiveren en druk daarna op ENTER.
N.B.
U zult vervolgens alleen nieuws van de
opgeslagen zender doorkrijgen.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van functie AF wordt er automa-
tisch afgestemd op het sterkste signaal voor
een bepaalde radiozender. Soms moet de
radio de gehele FM-band doorzoeken om een
sterk zendersignaal te vinden. In dat geval valt
de radio stil en verschijnt de tekst
PI zoeken
EXIT voor annuleren
op het display.
AF activeren/deactiveren
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Kies voor
AF en druk op ENTER.
Om de functie AF te deactiveren, moet u nog-
maals
AF kiezen en op ENTER drukken.
Regionale radioprogramma’s, REG
Deze functie maakt het mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te blij-
ven ondanks dat het signaal zwak is.
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Kies voor
Regional en druk op ENTER.
3.
De tekst
REG verschijnt op het display.
4.
Om
REG te deactiveren moet u nogmaals
voor REG kiezen en op ENTER drukken.
EON (Enhanced Other Networks)
De functie EON is met name handig in stede-
lijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is de
afstand tot de zendmast van een radiozender
bepalend voor de vraag of de weergave van de
actieve geluidsbron kan worden onderbroken
voor uitzendingen van een bepaald program-
matype.
Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
Afstand
1
– Ook onderbreking als de zend-
mast van de zender ver weg staat en zijn
signaal storingen vertoont.
Uit – Geen onderbreking voor een uitzen-
ding van een bepaald programmatype via
andere zenders.
EON activeren/deactiveren
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Kies voor
EON en druk op ENTER.
3.
Kies voor
Plaatselijk, Afstand of Uit en
druk op ENTER.
1
Standaard-/Fabrieksinstelling.
10 Infotainment
Radiofuncties
10
253
RDS-instellingen resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriek-
instellingen voor RDS herstellen.
1.
Selecteer
RADIO-INSTELLINGEN in het
menu en druk op ENTER.
2.
Kies voor
Alles resetten en druk op
ENTER.
3.
Druk nogmaals op ENTER om de functie
te activeren.
10 Infotainment
Cd-functies
10
254
G027116
Weergave starten (cd-speler)
Een eventuele muziek-cd in de speler wordt
automatisch afgespeeld, wanneer u het audio-
systeem in de stand CD zet. Steek anders een
cd in de invoeropening en schakel met
SELECTOR (4) of CD (1) over op de stand CD.
Weergave starten (cd-wisselaar)
Als er een cd-sleuf met een muziek-cd is geko-
zen, gaat de weergave automatisch van start
wanneer u het audiosysteem inschakelt. Scha-
kel als dat niet het geval is over op de cd-wis-
selaarstand met SELECTOR (4) of CD (1) en
kies een cd met de cijfertoetsen 1 - 6.
Cd aanbrengen (cd-wisselaar)
Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen 1
6 of met de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de
navigatieknop.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. De melding
Disc plaatsen geeft aan
dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De
cd-wisselaar biedt plaats aan 6 cd’s.
Steek een cd in de invoeropening (2) van
de cd-wisselaar.
Cd uitwerpen
U hebt max. 12 seconden de tijd om een uit-
geworpen schijf uit te nemen. Als de schijf na
afloop van deze periode nog in de cd-speler zit,
wordt de schijf weer ingenomen en verder
afgespeeld.
Enkele cd’s (cd-speler/cd-wisselaar)
Met een korte druk op de uitwerpknop (3) kunt
u één enkele cd uitwerpen.
Alle cd’s (cd-wisselaar)
Met een lange druk op de uitwerptoets kunt u
alle cd’s uitwerpen. Alle cd’s in het magazijn
worden dan één voor één uitgeworpen. Op het
display verschijnt de tekst
MATA UT.
De functie is alleen te activeren wanneer de
auto stilstaat. Het uitwerpen wordt onderbro-
ken, als de auto begint te rijden.
Pauzeren
Wanneer u het volume helemaal omlaagdraait,
wordt de weergave van de cd-speler gepau-
zeerd. Bij het verhogen van het volume wordt
er verder gespeeld.
Muziekbestanden
De cd-speler ondersteunt behalve standaard
muziek-cd’s ook muziekbestanden in mp3- en
wma-formaat.
N.B.
Sommige muziekbestanden met kopieerbe-
veiliging kan de speler niet lezen.
Wanneer u een cd met muziekbestanden in de
speler aanbrengt, wordt een eventuele map-
structuur op de schijf automatisch geladen.
Afhankelijk van de kwaliteit van de schijf kan
het enige tijd duren voordat de schijf wordt
afgespeeld.
Navigeren en afspelen
Als er een disc met muziekbestanden in de cd-
speler zit, kunt u met ENTER de mapstructuur
openen. U navigeert op dezelfde manier in de
mapstructuur als in de menustructuur van het
audiosysteem. Muziekbestanden worden aan-
geduid met het symbool
en mappen
met
. Druk op / , als het dis-
play niet breed genoeg is om de naam van het
10 Infotainment
Cd-functies
10
``
255
muziekbestand in zijn geheel weer te geven.
Met een druk op ENTER. gaat het afspelen van
het gemarkeerde muziekbestand van start.
Wanneer een bepaald muziekbestand hele-
maal afgespeeld is, worden de overige bestan-
den in dezelfde map weergegeven. Nadat alle
bestanden in een bepaalde map zijn afge-
speeld, wordt er automatisch van map gewis-
seld.
Versneld vooruit-/achteruitspoelen/Van
track en muziekbestand wisselen
Door kort op / te drukken kunt u de
tracks/muziekbestanden op een cd doorne-
men. Door lang op dezelfde toetsen te drukken
kunt u tracks/muziekbestanden op een cd ver-
sneld vooruit-/achteruitspoelen. U kunt daar-
voor ook gebruik maken van toetsenset op het
stuurwiel.
Cd doorzoeken
Bij activering van deze functie worden van alle
tracks/muziekbestanden op een cd de eerste
10 seconden weergegeven. Druk op SCAN om
de functie te activeren. Beëindig de functie met
EXIT of SCAN om de weergave van het actuele
nummer/muziekbestand voort te zetten. De
functie SCAN werkt alleen voor de geselec-
teerde cd. De tekst
SCAN verschijnt op het
display, wanneer de functie actief is.
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, verschijnt
de melding SCAN niet op het display.
Willekeurige afspeelvolgorde
Bij activering van deze functie speelt de speler
de tracks/muziekbestanden in willekeurige
volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen
tracks/muziekbestanden op de cd op de
gebruikelijke manier doorbladeren.
N.B.
Bij gebruik van de pijl-links of pijl-rechts
wordt alleen een nieuwe willekeurige track
op de afgespeelde cd geselecteerd.
Activeren/deactiveren (cd-speler)
Tijdens het afspelen van een normale muziek-
cd:
Selecteer
RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
Tijdens het afspelen van een cd met muziek-
bestanden:
Kies voor
Disc of Map in het menu en druk
op ENTER.
Activeren/deactiveren (cd-wisselaar)
Tijdens het afspelen van een normale muziek-
cd:
1.
Selecteer
Random in het menu en druk op
ENTER.
2.
Ga naar Enkele disc of Alle discs en druk
op ENTER.
Het alternatief
Alle discs geldt alleen voor de
muziek-cd’s die in de cd-wisselaar zitten.
Tijdens het afspelen van een cd met muziek-
bestanden:
1.
Kies voor
Enkele disc of Map in het menu
en druk op ENTER.
2. Ga naar de gewenste cd of map en druk op
ENTER.
Wanneer u een andere cd kiest, wordt de func-
tie gedeactiveerd.
Afhankelijk van het type willekeurige afspeel-
volgorde dat geselecteerd is, verschijnt er een
bepaalde displaymelding:
RANDOM houdt in dat de tracks op
slechts een van de muziek-cd’s worden
afgespeeld.
RANDOM ALL houdt in dat alle tracks op
alle muziek-cd’s in de cd-speler worden
afgespeeld.
RANDOM Map houdt in dat de muziek-
bestanden in een willekeurige map op de
gekozen cd worden afgespeeld.
10 Infotainment
Cd-functies
10
256
N.B.
Als de functie Disc Text actief is, verschijnen
deze meldingen niet.
Tekst disc
Eventuele titelgegevens op een cd kunnen via
het display worden weergegeven.
Activeren/deactiveren
Start de weergave van een cd.
Selecteer
Tekst disc in het menu en druk
op ENTER.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het moge-
lijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft.
WAARSCHUWING
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwik-
keling in de cd-speler kan het etiket losra-
ken en schade aan de cd-speler veroorza-
ken.
10 Infotainment
Menusysteem, audiosysteem
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
257
MENU FM
1. News
2. TP
3. Radio text
4. RADIO-INSTELLINGEN
4.1. PTY
4.2. TP
4.3. NIEUWSZENDER
4.4. AF
4.5. Regional
4.6. EON
4.7. Alles resetten
5. AUDIOMODUS*
5.1. Surround
5.2. Subwoofer
5.3. Equalizer voor
5.4. Equalizer achter
5.5. Alles resetten
MENU AM
1.
AUDIOMODUS*
1
MENU CD
1. Random
2. News
3. TP
4. Tekst disc
5.
AUDIOMODUS*
1
MENU AUX
1. Volume AUX-ingang
2. News
3. TP
4.
AUDIOMODUS*
1
1
Zie MENU FM.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
258
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Onderdelen van het telefoonsysteem
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
259
Onderdelen van het telefoonsysteem
Toetsenset* op stuurwiel – Met de toet-
senset op het stuurwiel kunt u de meeste
functies van uw telefoonsysteem regelen.
Wanneer de telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de tele-
foonfuncties. In de actieve stand staan er
altijd telefoongegevens op het display.
Microfoon – De microfoon voor de hand-
sfree-functie zit aan het plafond bij de zon-
neklep.
Bedieningspaneel op middenconsole
Alle telefoonfuncties (behalve het
gespreksvolume) zijn te regelen via het
bedieningspaneel.
Simkaartlezer – U brengt de simkaart aan
de voorkant van het bedieningspaneel in.
Handset* – Gebruik de handset om onge-
stoord te kunnen praten.
Antenne – De antenne is tegen de voorruit
aangebracht, achter de achteruitkijkspie-
gel.
Algemene informatie
De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
Als u als bestuurder gebruik wilt maken van
de handset*, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
Schakel het telefoonsysteem uit tijdens het
tanken.
Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
Volvo adviseert u servicewerkzaamheden
aan het telefoonsysteem over te laten aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Noodoproepen
Ook zonder een simkaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van een
gsm-provider bevinden.
1. Activeer het telefoonsysteem.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3.
Druk op de knop ENTER op het bedie-
ningspaneel of die van de toetsenset op
het stuurwiel.
Bediening
G027117
Display
ENTER – Gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon acti-
veren die stand-by staat
Aan/uit/stand-by
EXIT/CLEAR – Een gesprek beëindigen/
weigeren, terugbladeren in menu’s, een
keuze annuleren of ingevoerde cijfers/
tekens wissen
Simkaarthouder
Keuzetoets menu-opties
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
260
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s
Pijl-links/pijl-rechts – vooruit- of achteruit-
bladeren bij de invoer van tekst en/of num-
mers
Gespreksvolume verhogen/verlagen. De
telefoon maakt geen gebruik van de mid-
denluidspreker*
Knop aan/uit/stand-by
Systeem activeren:
Druk op de knop PHONE (3) om het tele-
foonsysteem in te schakelen.
Systeem uitschakelen:
Houd de knop PHONE ingedrukt om het
telefoonsysteem uit te schakelen
Zet het systeem als volgt stand-by:
1.
Druk korte tijd op de knop PHONE of druk
op de knop EXIT/CLEAR om het telefoon-
systeem stand-by te zetten.
2.
Druk korte tijd op de knop PHONE om het
systeem opnieuw te activeren.
Wanneer de telefoon actief is of stand-by staat,
staat er een hoorn op het display.
Als u het contact uitschakelt terwijl het tele-
foonsysteem actief is, zal het telefoonsysteem
eveneens actief zijn wanneer u het contact
opnieuw inschakelt. Wanneer het telefoonsys-
teem gedeactiveerd is, kunt u geen gesprek-
ken aannemen.
Volumeverlaging tijdens gesprekken
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio luis-
tert, wordt het volume verlaagd zodra u het
gesprek aanneemt. Na afloop van het gesprek
speelt de radio op het oude volume verder. U
kunt het radiovolume ook tijdens het gesprek
bijregelen, waarna de radio na afloop van het
gesprek op het nieuwe volume verder speelt.
U kunt het geluid van het audiosysteem ook
helemaal uitzetten tijdens een telefoonge-
sprek, zie pagina 268.
De functie geldt alleen voor het geïntegreerde
telefoonsysteem van Volvo.
Stand-by
Wanneer het telefoonsysteem stand-by staat,
kunt u gesprekken aannemen terwijl het audio-
systeem aanstaat en er informatie van de
geluidsbronnen van het audiosysteem op het
display verschijnt.
Om van de overige functies van het telefoon-
systeem gebruik te maken moet de telefoon in
de actieve stand staan.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
261
Sneltoetsen in menu’s
Wanneer u met de menutoets naar het menu-
systeem bent gesprongen, kunt u gebruik
maken van de numerieke toetsen in plaats van
de pijltoetsen en de knop ENTER om naar het
gewenste submenu op het hoofdniveau te
springen. Iedere menu-optie heeft een bepaald
nummer. Het nummer van het geselecteerde
menu staat samen met de naam van de menu-
optie op het display weergegeven.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toeganke-
lijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt de
begonnen activiteiten in het menusysteem
echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.6 kunt u deze snelheidsbegren-
zing opheffen.
Simkaart
G026980
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart
(Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart
van uw provider ontvangen.
Breng altijd de simkaart aan, als u gebruik wilt
maken van het telefoonsysteem.
1. Schakel het telefoonsysteem uit.
2. Duw de simkaarthouder naar buiten toe
door de houder korte tijd in te drukken.
3. Leg de simkaart dusdanig in de houder dat
de kant met het metaal omlaagwijst.
4. Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
simkaart overeenkomt met die van de hou-
der.
5. Duw de houder weer naar binnen toe.
Neem bij problemen met de simkaart contact
op met uw netwerkprovider.
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen:
Kies het nummer en druk op ENTER op de
toetsenset op het stuurwiel of op het
bedieningspaneel (of til de handset op).
Inkomende gesprekken aannemen:
Druk op ENTER of neem de handset op. U
kunt ook gebruik maken van de automati-
sche aanneemfunctie Auto antw., zie
pagina 268.
Het geluid van het audiosysteem kan automa-
tisch worden uitgeschakeld tijdens een
gesprek, zie pagina 268.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
262
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gesprekken beëindigen
Druk op EXIT/CLEAR op de toetsenset
van het stuurwiel of op het bedieningspa-
neel of leg de handset op.
Het audiosysteem gaat weer in de voorgaande
stand staan.
U weigert inkomende gesprekken met een
druk op de knop EXIT/CLEAR.
Handset*
Als u privégesprekken wilt voeren, kunt u
gebruik maken van de handset. Neem de
handset op door korte tijd op de bovenkant (A)
te drukken.
G026983
Voer het gewenste nummer in met de toet-
senset op het bedieningspaneel en neem
de handset op om te bellen. U regelt het
volume met de draaiknop op de zijkant van
de handset.
U kunt het gesprek beëindigen door de hand-
set terug in de houder te leggen.
Overgaan op handsfree zonder het gesprek te
beëindigen:
1.
Druk op
op het stuurwiel (of maak
gebruik van de menutoetsen op het bedie-
ningspaneel) en kies voor Handsfree.
2.
Druk op ENTER en leg de handset op. Als
u de handset al hebt opgenomen wanneer
de telefoon gaat, wordt het geluid via het
handsfreesysteem doorgegeven.
3.
Druk op de knop MENU, ga naar Handset
en druk op ENTER om het geluid via de
handset weer te geven.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
1.
Druk op ENTER van de toetsenset op het
stuurwiel of op het bedieningspaneel.
2. Blader met de pijltoetsen vooruit of ach-
teruit door de laatst gekozen nummers. De
nummers verschijnen op het display.
3.
Druk op ENTER.
Verkort kiezen
Snelnummers opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het tele-
foonboek van het systeem kunt u koppelen aan
een bepaalde sneltoets (19).
U doet dat als volgt:
1.
Selecteer
Telefoonboek in het menu en
druk op ENTER.
2.
Blader verder naar
One-key bell. (zie
pagina 268) en druk op ENTER.
3. Druk op de sneltoets waaronder u het snel-
nummer wilt opslaan. Druk ter bevestiging
op ENTER.
4. Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze op in het telefoonboek. Druk op
ENTER om een keuze te maken.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
263
Verkort kiezen
1. Houd de gewenste sneltoets ca. twee
seconden ingedrukt om te bellen of druk
eerst kort op de cijfertoets en daarna op de
knop ENTER.
2. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u
gebruik kunt maken van de functie verkort
kiezen.
N.B.
Om snelnummers te kunnen gebruiken
moet menu-optie 3.4 geactiveerd zijn. Zie
Verkort kiezen onder Beschrijving van
menu-opties op pagina 267.
Tijdens het bellen een tweede gesprek
aannemen
Als u tijdens het bellen twee korte geluidssig-
nalen hoort, komt er een tweede gesprek bin-
nen. U kunt deze functie in- of uitschakelen in
dit menu.
U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of
niet aannemen. Als u het gesprek niet wilt aan-
nemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken of
niets doen.
Als u het gesprek wilt aannemen, moet u op
ENTER drukken. U parkeert het lopende
gesprek dan tijdelijk. Als u op EXIT/CLEAR
drukt, worden beide gesprekken beëindigd.
Functies tijdens het bellen
Tijdens het bellen kunt u de volgende functies
activeren (blader met de pijltoetsen en druk op
ENTER om een keuze te maken)
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Parkeren/Hervat-
ten
Om het lopende wel
of niet te parkeren
Handset/Hand-
sfree
Om de handset of de
handsfree te gebrui-
ken
Telefoonboek
Telefoonboek bekij-
ken
Wanneer u tijdens het bellen een tweede
gesprek hebt geparkeerd, kunt u de volgende
functies activeren (blader met de pijltoetsen en
druk op ENTER om een keuze te maken)
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Handset/Hand-
sfree
Om de handset of de
handsfree te gebrui-
ken
Telefoonboek
Telefoonboek bekij-
ken
Koppelen
Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Swap
Om te wissen tussen
de twee gesprekken
Gespreksvolume
Verhoog of verlaag het gespreksvolume door
tijdens het gesprek op de toetsen + of - van de
toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instellingen
in het audiosysteem te verrichten, moet u eerst
de telefoon stand-by zetten, zie pagina 260.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
264
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Telefoonboek
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoon-
boek liggen opgeslagen, wordt de bijbeho-
rende naam op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen opslaan
1.
Druk op de knop MENU, kies voor
Telefoonboek en druk op ENTER.
2.
Ga naar
Nieuwe invoer en druk op
ENTER.
3.
Voer een naam in en druk op ENTER.
4.
Voer een nummer in en druk op ENTER.
5. Geef aan in welk geheugen u wilt opslaan
en druk vervolgens op ENTER.
Nummers uit het geheugen bellen
AM FM
WXYZ
*
AUTO
0
4
7
PQRS
GHI
5
JK L
TUV
8
1
ABC
2
POWER
V
CD
E
M
O
L
U
E
S
SOUND
#
SCAN
6
9
MNO
DEF
3
ENTER
PHONE
CLEAR
MENU
EXI T
MY KEY
R
O
C
T
L
E
G027118
Druk op de pijl-omlaag (1) van de MENU-
toetsen of op
op het stuurwiel om het
telefoonboek te doorzoeken.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
1.
Druk op ENTER en blader met de pijltoet-
sen naar de naam van uw keuze.
2. Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
ENTER.
3.
Druk op ENTER om het geselecteerde
nummer te bellen.
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1
om een spatie in te voegen.
1
spatie 1- ? ! , . : " ' ( )
2
a b c 2 ä å à æ ç
3
d e f 3 è é
4
g h i 4 ì
5
j k l 5
6
m n o 6 ñ ö ò Ø
7
p q r s 7 ß
8
t u v 8 ü ù
9
w x y z 9
*
Om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren.
0
+ 0 @ * # & $ £ / %
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
265
#
Wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
EXIT
Het laatst ingevoerde teken wis-
sen. Wanneer u de toets lang inge-
drukt houdt, kunt u het nummer of
de tekst in zijn geheel wissen.
Tekstinvoer afbreken
1. U kunt alle ingevoerde tekens wissen door
lang op de knop EXIT/CLEAR te drukken.
2. Keer terug naar het menu door nogmaals
lang op de knop EXIT/CLEAR te drukken.
Dubbele simkaart
G026980
Veel providers bieden een dubbele simkaart
aan: een voor de autotelefoon en een voor een
andere telefoon. Als u over een dubbele sim-
kaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken. Neem
contact op met uw provider over de mogelijk-
heden en het gebruik van een dubbele sim-
kaart.
Specificaties
Vermogen 2 W
Simkaart klein, 3 V
Geheugenposities
255
A
Sms ja
Data/Fax nee
Dualband ja (900/1800)
A
255 geheugenposities in het geheugen van de telefoon. Het
aantal geheugenposities op de simkaart verschilt afhankelijk
van het abonnement.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEI-
nummer van de telefoon aan uw netwerkpro-
vider doorgeven. Dit nummer is een serienum-
mer bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw tele-
foon in om het nummer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het op een vei-
lige plaats.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
10
266
Overzicht
1. Logboek
1.1. Gem. oproep
1.2. Ontvangen oproepen
1.3. Gebeld
1.4. Wis bellijst
1.4.1 Allemaal
1.4.2 Gemist
1.4.3 Ontvangen
1.4.4 Gebeld
1.5. Belduur
1.5.1 Laatste gespr.
1.5.2 Gespreksteller
1.5.3 Totale tijd
1.5.4 Timer resetten
2. Telefoonboek
2.1. Zoeken
2.2. Nieuwe invoer
2.3. Alles kopie
2.3.1 SIM naar tel
2.3.2 Tel naar SIM
2.4. Verk. kiezen
2.4.1 Actief
2.4.2 Nummer kiezen
2.5. SIM wissen
2.6. Wis telefoon
2.7. Geheugengebr.
3. Berichten
3.1. Lezen
3.2. Invoeren
3.3. Inst. boodsch.
3.3.1 SMSC nummer
3.3.2 Geldigh.duur
3.3.3 Soort boodsch.
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
4.2. Oproep wacht
4.3. Autom. antw.
4.4. Automatisch herkiezen
4.5. Voicemail-nummer
4.6. Doorschakelen
4.6.1 Allemaal
4.6.2 Indien bezet
4.6.3 Niet beantw.
4.6.4 Niet bereikb.
4.6.5 Faxoproepen
4.6.6 Data-gesprek
4.6.7 Alles annul.
5. Van telefoon wisselen
5.1. Autotelefoon
5.2. Telefoon toevoegen
5.3–7.
Toegevoegde telefoons
1
N.B.
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met Bluetooth
TM
-handsfree.
6. Inst. tel.
6.1. Netwerk
6.1.1 Automatisch
6.1.2 Handm. kiezen
6.2. SIM beveil.
6.2.1 Aan
6.2.2 Uit
1
Max. 5 telefoons.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
10
``
267
6.2.3 Automatisch
6.3. Pincode wijzigen
6.4. Audio
6.4.1 Belvolume
6.4.2 Belsignaal
6.4.3 Radio mute
6.4.4 Berichttoon
6.5. Fabrieksinst.
Beschrijving van menu-opties
1. Logboek
1.1. Gemist
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbe-
horende nummers bellen, wissen of in het tele-
foonboek opslaan.
1.2. Ontvangen oproepen
Lijst met beantwoorde oproepen. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.3. Gebeld
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek opslaan.
1.4. Wis bellijst
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
1.4.1. All
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Uitgaande
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het laatste
gesprek. Om de gespreksteller te resetten hebt
u de telefooncode nodig (zie menu 5.4).
1.5.1. Laatste gespr.
1.5.2. Gespreksteller
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Timer resetten
2. Telefoonboek
2.1. Zoeken
Namen in het telefoonboek zoeken.
2.2. Nieuwe invoer
Namen en telefoonnummers vastleggen in het
telefoonboek, zie pagina 263.
2.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
2.3.1. Van het geheugen op de simkaart naar
dat van de telefoon
2.3.2. Van het geheugen van de telefoon naar
dat op de simkaart
2.4. Sneltoetsfunctie
Nummers die zijn vastgelegd in het telefoon-
boek opslaan als snelnummer.
2.5. SIM wissen
Het geheugen op de simkaart geheel wissen.
2.6. Wis telefoon
Het complete geheugen van de telefoon wis-
sen.
2.7. Geheugengebr.
Bekijken hoeveel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen van
de simkaart en in dat van de telefoon. In de
tabel staat aangegeven hoeveel van de
beschikbare positie er in gebruik zijn (bijvoor-
beeld 100 (250)).
3. Berichten
3.1. Lezen
Ontvangen sms-berichten. U kunt de gelezen
berichten (of delen ervan) wissen, doorsturen,
wijzigen of opslaan.
3.2. Opstellen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U kunt
het bericht vervolgens opslaan of versturen.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
10
268
3.3. Bericht inst.
Het nummer (SMSC-nummer) van de berich-
tencentrale aangeven waarnaar u uw berichten
wilt doorschakelen en de tijd specificeren dat
de berichten moeten blijven liggen. Neem con-
tact op met uw netwerkprovider voor informa-
tie over de instellingen voor de berichtencen-
trale. U hoeft de instellingen normaal gespro-
ken niet te wijzigen.
3.3.1. SMSC nummer
3.3.2. Geldigh.duur
3.3.3. Soort boodschap
4. Gespreksopties
4.1. Nummer verz.
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel of
niet op het telefoondisplay van de gebelde per-
soon moet verschijnen. Neem contact op met
de netwerkprovider voor een permanent
geheim nummer.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvan-
gen, wanneer er tijdens het bellen een tweede
gesprek wacht.
4.3. Autom. antw.
Inkomende gesprekken automatisch beant-
woorden.
4.4. Autom. herh.
Een eerder gekozen nummer bellen.
4.5. Voicemail-nummer
Het nummer van voicemail opslaan.
4.6. Doorschakel.
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
4.6.1. Allemaal
De instelling geldt alleen tijdens het lopende
gesprek.
4.6.2. Indien bezet
4.6.3. Niet beantw.
4.6.4. Niet bereikb.
4.6.5. Faxoproepen
4.6.6. Data-gesprek
4.6.7. Alles annul.
5. Verwissel telefoon
5.1. Autotelefoon
Geïntegreerde telefoon kiezen.
5.2. Telefoon toevoegen
Mobiele telefoons toevoegen aan de lijst Toe-
gevoegde telefoons.
5.3–7. Toegevoegde telefoons
Verbinding maken met een van de toege-
voegde telefoons (maximaal 5 telefoons).
N.B.
Het bovenstaande menu geldt alleen voor
auto’s met Bluetooth
TM
-handsfree.
6. Telefooninstellingen
6.1. Netwerk
Aangeven of u automatisch of handmatig net-
werken wilt selecteren. De geselecteerde pro-
vider verschijnt tijdens het inschakelen van het
telefoonsysteem op het display.
6.1.1. Automatisch
6.1.2. Handm. kiezen
6.2. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de pincode actief of
inactief moet zijn of automatisch moet verlo-
pen.
6.2.1. Aan
6.2.2. Uit
6.2.3. Automatisch
6.3 Pincode wijzigen
Pincode wijzigen. Code noteren en goed
bewaren.
6.4. Geluiden
6.4.1. VOLUME
Het volume van het belsignaal regelen.
10 Infotainment
Menusysteem, telefoon
10
269
6.4.2. Belsignaal
Er zijn vijf verschillende belsignalen.
6.4.3. On/off
Radio mute.
6.4.4. Berichttoon
6.5. Fabrieksinstellingen
De fabriekinstellingen van het systeem herstel-
len.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
270
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Systeemoverzicht.
Mobiele telefoon
Microfoon
Toetsenset* op stuurwiel
Bedieningspaneel in middenconsole
Bluetooth
TM
Een mobiele telefoon met Bluetooth
TM
is
draadloos aan te sluiten op het audiosysteem.
Het audiosysteem werkt dan als handsfree en
biedt u de mogelijkheid om enkele functies van
uw mobiele telefoon op afstand te bedienen.
De microfoon zit aan het plafond bij de zonne-
klep (2). U kunt de mobiele telefoon via de
knoppen op de telefoon bedienen of de tele-
foon nu aangesloten is of niet.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de handsfree-functie van
het audiosysteem. Volvo adviseert u con-
tact op te nemen met een erkende Volvo-
werkplaats of www.volvocars.com te
bezoeken voor informatie over compatibele
telefoons.
Telefoonfuncties, overzicht
bedieningstoetsen
Bedieningspaneel op middenconsole.
VOLUME – Volume, de toetsenset* op het
stuurwiel biedt dezelfde functie.
Display
ENTER – Gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon acti-
veren die stand-by staat.
PHONE – Aan/uit/stand-by.
EXIT – Een gesprek beëindigen/weigeren,
terugbladeren in menu’s, een keuze annu-
leren of ingevoerde cijfers/tekens wissen.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
271
Met MENU opent u het menusysteem. Met
de pijl-omhoog/pijl-omlaag van de naviga-
tieknop loopt u de menu-opties door.
Pijl-links/pijl-rechts – vooruit- of achteruit-
bladeren bij de invoer van tekst en/of num-
mers.
Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s.
Beknopte bedieningsinstructies
U regelt de menufuncties vanaf de middencon-
sole of via de toetsenset op het stuurwiel. Voor
algemene informatie over de menufuncties, zie
pagina 240.
N.B.
Als de auto is uitgerust met zowel
Bluetooth
TM
handsfree als een geïnte-
greerde telefoon, bevat het telefoonmenu
een extra menu, zie pagina 275.
Activeren/deactiveren
Wanneer u kort op PHONE drukt, activeert u
de handsfree-functie. De melding
TELEFOON boven aan het display geeft aan
dat het systeem in de telefoonstand staat. Het
symbool
geeft aan dat de handsfree-
functie actief is.
Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u
de handsfree-functie en koppelt u een aange-
sloten telefoon los.
Mobiele telefoon aansluiten
Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af
van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al
dan niet eerder aangesloten was. Als het de
eerste keer is dat u de mobiele telefoon aan-
sluit, dan moet u de onderstaande instructies
volgen:
Alternatief 1 – via het menusysteem van de
auto
1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/
zichtbaar via Bluetooth
TM
(zie daarvoor de
gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon
of www.volvocars.com).
2. Activeer de handsfree-functie met
PHONE.
>
De menu-optie Telefoon toevoegen
verschijnt op het display. Als u al eerder
een of meer mobiele telefoons hebt
geregistreerd, worden ook deze weer-
gegeven.
3.
Kies
Telefoon toevoegen.
> Het audiosysteem zoekt naar mobiele
telefoons in de nabije omgeving. Er
wordt ongeveer 30 seconden gezocht.
De gevonden mobiele telefoons ver-
schijnen met hun Bluetooth
TM
-naam op
het display. De handsfree-functie ver-
schijnt onder de Bluetooth
TM
-naam My
Car
op de mobiele telefoon.
4. Kies een van de mobiele telefoons op het
display van het audiosysteem.
5. Voer via het toetsenblok van de te regis-
treren mobiele telefoon de cijfercode in die
op het display van het audiosysteem staat.
Alternatief 2 – via het menusysteem van de
auto
1. Activeer de handsfree-functie met
PHONE. Schakel een eventueel eerder
aangesloten telefoon uit.
2.
Zoek met de Bluetooth
TM
-functie van de
mobiele telefoon (zie gebruiksaanwijzing
bij de mobiele telefoon).
3.
Kies
My Car in de lijst met gevonden een-
heden op uw mobiele telefoon.
4. Voer de pincode ‘1234’ in op uw mobiele
telefoon, als er om de pincode wordt
gevraagd.
5.
Kies voor aansluiting op
My Car vanaf de
mobiele telefoon.
De mobiele telefoon wordt vervolgens geregis-
treerd en automatisch aangesloten op het
audiosysteem, terwijl de melding
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
272
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Synchroniseert op het display staat. Voor
meer informatie over het registreren van mobi-
ele telefoons, zie pagina 273.
Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht
is, verschijnen het symbool
en de
Bluetooth
TM
-naam op het display. U kunt de
mobiele telefoon vervolgens bedienen via het
audiosysteem.
Bellen
1.
Controleer of de melding
TELEFOON
boven aan het display staat en of het sym-
bool
zichtbaar is.
2. Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek, zie pagina 274.
3.
Druk op ENTER.
U beëindigt het gesprek met EXIT.
Mobiele telefoon uitschakelen
De mobiele telefoon wordt automatisch losge-
koppeld, als de telefoon buiten het bereik van
het audiosysteem komt. Voor meer informatie
over de aansluiting, zie pagina 273.
U kunt een aansluiting handmatig verbreken
wanneer u de handsfree-functie deactiveert
door
PHONE
lang in te drukken. De handsfree-
functie wordt eveneens gedeactiveerd bij het
afzetten van de motor.
Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld,
kunt u een eventueel lopend gesprek voortzet-
ten via de ingebouwde microfoon en luidspre-
ker van de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons moet u om
over te schakelen van de handsfree op de
handset eerst ter bevestiging op het toet-
senblok van de mobiel drukken.
Gespreksfuncties
Inkomend gesprek
U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al
staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de
stand CD of FM. Met EXIT kunt u een gesprek
weigeren of beëindigen.
Automatisch antwoord
Met de functie Automatisch antwoord is het
mogelijk gesprekken automatisch te beant-
woorden. Activeer/deactiveer de functie onder
HOOFDMENU
BELOPTIES
Automatisch antw..
Menu tijdens gesprek
Druk tijdens een gesprek op MENU of op
ENTER om toegang te krijgen tot de volgende
functies:
Microfoon dempen – Microfoon van het
audiosysteem uitschakelen.
Alles doorsch. n mobiel – Gesprek door-
schakelen naar de mobiele telefoon.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de
aansluiting verbroken bij gebruik van de
ruggespraakfunctie (dempen). Dit is volko-
men normaal. De handsfree-functie stelt
vervolgens de vraag of u opnieuw wilt aan-
sluiten.
Telefoonboek – In het telefoonboek van
de mobiele telefoon zoeken.
N.B.
Tijdens een lopend gesprek is het niet
mogelijk een tweede gesprek te beginnen.
Audio-instellingen
Gespreksvolume
U kunt het gespreksvolume bijregelen tijdens
het bellen. Maak gebruik van de toetsenset* op
het stuurwiel.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
273
Volume audiosysteem
In de telefoonstand (TELEFOON) is het volume
van het audiosysteem op de gebruikelijke wijze
bij te regelen met VOLUME.
Het is mogelijk de weergave van de actieve
geluidsbron te onderdrukken bij inkomende
telefoongesprekken onder HOOFDMENU
INSTELLINGEN TELEFOON GELUID EN
VOLUME
Radio dempen.
Beltoonvolume
Ga naar HOOFDMENU INSTELLINGEN
TELEFOON
GELUID EN VOLUME
Belvolume en stel bij met / op het bedie-
ningspaneel van de middenconsole.
Belsignalen
U kunt een van de ingebouwde beltonen van
de handsfree-functie kiezen onder
HOOFDMENU
INSTELLINGEN
TELEFOON
GELUID EN VOLUME
Belsignalen Beltoon 1 enz.
N.B.
Ook bij gebruik van een van de ingebouwde
beltonen van het handsfree-systeem, zijn de
beltonen van de aangesloten mobiele tele-
foon nog altijd hoorbaar.
Ga om de beltonen
1
van de aangesloten tele-
foon te gebruiken naar HOOFDMENU
INSTELLINGEN TELEFOON GELUID EN
VOLUME
BELTONEN Belt. mob.
gebruiken.
Meer informatie over registratie en
aansluiting
Er kunnen maximaal vijf mobiele telefoons wor-
den geregistreerd. U hoeft een mobiele tele-
foon slechts eenmaal te registreren. Na regi-
stratie staat de mobiele telefoon in de lijst met
toegevoegde telefoons. U kunt slechts één
mobiele telefoon tegelijk aansluiten. Het is
mogelijk de registratie van een telefoon te ver-
wijderen onder HOOFDMENU
BLUETOOTH Verwijder telefoon.
Automatische aansluiting
Wanneer de handsfree-functie actief is en de
laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het
bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch
opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosys-
teem op zoek is naar de laatst aangesloten
telefoon staat de naam van deze telefoon op
het display. Druk op EXIT om handmatig een
andere telefoon aan te sluiten.
Handmatige aansluiting
Ga als volgt te werk, als u in plaats van de laatst
aangesloten mobiele telefoon een nieuwe
mobiele telefoon wilt aansluiten of wilt over-
schakelen op een andere eerder aangesloten
mobiele telefoon:
Zet het audiosysteem in de telefoonstand
(
TELEFOON) en volg de aanwijzingen op het
display of wissel van aangesloten mobiele tele-
foon door het menusysteem als volgt te gebrui-
ken.
Welke van de twee mogelijke versies van het
menusysteem er op uw auto zit, hangt af van
de vraag of de auto alleen voorzien is van
Bluetooth
TM
of ook een geïntegreerde telefoon.
Bij auto’s met alleen Bluetooth
TM
verricht u
de aansluiting onder HOOFDMENU
BLUETOOTH Verwissel telefoon
Telefoon toevoegen of kies een van de
eerder aangesloten telefoons.
Bij auto’s met zowel een geïntegreerde
telefoon als Bluetooth
TM
verricht u de aan-
1
Niet ondersteund door alle mobiele telefoons.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
274
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
sluiting onder HOOFDMENU
Verwissel telefoon Telefoon
toevoegen of kies een van de eerder aan-
gesloten telefoons.
Telefoonboek
Voor alle telefoonboekfuncties geldt dat de
melding
TELEFOON boven aan het display
moet staan en dat het symbool
zichtbaar
moet zijn.
Het audiosysteem slaat van elk van de geregi-
streerde mobiele telefoons een kopie van het
telefoonboek op. Het telefoonboek wordt bij
iedere aansluiting automatisch naar het audio-
systeem gekopieerd. U kunt de functie deacti-
veren onder INSTELLINGEN TELEFOON
Tel.boek synchr.. Bij het zoeken van contac-
ten werkt u alleen met het telefoonboek van de
aangesloten mobiele telefoon.
N.B.
Als de mobiele telefoon geen ondersteuning
biedt voor het kopiëren van het telefoon-
boek, verschijnt na afloop van het kopiëren
de melding
Lijst is leeg.
Als het telefoonboek de contactgegevens
bevat van de persoon die belt, verschijnen
deze op het display.
Contacten zoeken
U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gege-
vens in het telefoonboek zoeken door de knop-
pen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek
wordt dan doorzocht op posten die beginnen
met de eerste letter van de ingedrukte toets.
Het telefoonboek is eveneens te bereiken met
de toets
op het bedieningspaneel van de
middenconsole of met
van de toetsenset
op het stuurwiel. Blader de contactpersonen
door met de toetsen
/ of met /
. U kunt een zoekopdracht tevens starten
vanuit het zoekmenu van het telefoonboek
onder TELEFOONBOEK
Zoeken:
1. Voer de eerste letter in van het contact dat
u zoekt en druk op ENTER. Of druk alleen
op ENTER.
2. Ga naar het contact van uw keuze en druk
op ENTER om het bijbehorende nummer
te bellen.
Spraakherkenning
U kunt gebruik maken van de spraakherken-
ningsfunctie (voice tags) van de mobiele tele-
foon door ENTER ingedrukt te houden.
N.B.
Niet alle mobiele telefoons zijn volledig
compatibel met de spraakherkenningsfunc-
tie. Volvo adviseert u contact op te nemen
met een erkende Volvo-dealer of
www.volvocars.com te bezoeken voor
informatie over compatibele telefoons.
Voicemail-nummer
U kunt het voicemail-nummer wijzigen onder
BELOPTIES
Nr voicemail:. Als er nog geen
nummer opgeslagen is, kunt u het bijbeho-
rende menu openen door lang op 1 te drukken.
Druk vervolgens lang op 1 om het ingevoerde
nummer te gebruiken.
Gesprekslijsten
De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe
aansluiting naar de handsfree-functie gekopi-
eerd en worden vervolgens tijdens de aanslui-
ting bijgehouden. Druk op ENTER om de laatst
gebelde nummers te bekijken. De overige
gesprekslijsten staan onder
GESPREKSLIJST.
N.B.
Bij sommige mobiele telefoons wordt de lijst
met gebelde nummers in omgekeerde volg-
orde weergegeven.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
275
Tekst invoeren
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u tekst invoeren. Druk eenmaal om het eerste
teken op de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. (zie tabel op
pagina 264).
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van
EXIT wist u alle ingevoerde tekens. Gebruik
/ op het bedieningspaneel van de mid-
denconsole om de verschillende tekens te
doorlopen.
Menusysteem, Bluetooth
TM
-handsfree
N.B.
Het menusysteem voor Bluetooth
TM
-hand-
sfree is verkrijgbaar in twee versies. Eén
voor auto’s met alleen Bluetooth
TM
-hand-
sfree en één voor auto’s met een geïnte-
greerde telefoon en Bluetooth
TM
-handsfree.
1. GESPREKSLIJST
1.1. Ltste 10 gemiste
1.2. Ltste 10 beantw.
1.3. Ltste 10 gebelde
2. TELEFOONBOEK
2.1. Zoeken
2.2. Kopiëren naar tel.
3. BLUETOOTH
3.1. Verwissel telefoon
3.1.1. Telefoon toevoegen
3.1.2–6.Toegevoegde tele-
foons
2
3.2. Verwijder telefoon
3.3. Aansluiten van mob. tel.
3.4. Bluetooth-info v. auto
4. BELOPTIES
4.1. Automatisch antw.
4.2. Nr voicemail
5. INSTELLINGEN TELEFOON
5.1. GELUID EN VOLUME
5.1.1. Belvolume
5.1.2. Belsignalen
5.1.3. Radio dempen
5.2. Tel.boek synchr.
Menusysteem - Bluetooth
TM
-
handsfree en geïntegreerde telefoon
1. GESPREKSLIJST
1.1. Ltste 10 gemiste
1.2. Ltste 10 beantw.
1.3. Ltste 10 gebelde
2. TELEFOONBOEK
2.1. Zoeken
2.2. Kopiëren naar tel.
3. BLUETOOTH
3.1. Verwijder telefoon
3.2. Aansluiten van mob. tel.
3.3. Bluetooth-info v. auto
4. BELOPTIES
4.1. Automatisch antw.
4.2. Nr voicemail
5. Verwissel telefoon
5.1. Autotelefoon
5.2. Telefoon toevoegen
5.3–7.
Toegevoegde telefoons
2
2
Maximaal 5 telefoons.
10 Infotainment
Bluetooth handsfree*
10
276
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
6. INSTELLINGEN TELEFOON
6.1. GELUID EN VOLUME
6.1.1. Belvolume
6.1.2. Belsignalen
6.1.3. Radio dempen
6.2. Tel.boek synchr.
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
277
Algemene informatie
Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het info-
tainmentsysteem gebruikt worden.
Ook als de achterpassagiers gebruik maken
van de dvd-speler, de RSE-AUX-ingang of tv
1
kijken en daarbij de koptelefoon dragen, kun-
nen de bestuurder en een eventuele voorpas-
sagier de radio of cd-speler blijven beluisteren.
Stroomverbruik, contactstanden
Het systeem is te activeren in contactstand I of
II en wanneer de motor loopt. Bij het starten
van de motor wordt de filmweergave tijdelijk
gestopt en voortgezet wanneer de motor is
aangeslagen.
Wanneer het systeem eenmaal gebruikt is ter-
wijl het contact niet in stand I stond, is verder
gebruik geblokkeerd. U kunt het systeem dan
pas weer activeren nadat u contactstand I hebt
geactiveerd.
N.B.
Bij langdurig gebruik (meer dan 10 minuten)
van het systeem met de motor uitgescha-
keld, kan de ladingstoestand van de accu
dusdanig verslechteren dat de motor start-
problemen vertoont.
Er verschijnt in dat geval een melding op het
scherm.
Tv-overzicht
Druk op en kies TV I DVD I AUX TV
- instelling
MEDIA MENU.
Lijst kanaalver-
grend.
Voorkeur kijker
Kanaalzoeken Beheer van nieuwe
dragers
Carier toevoegen
Informatie over
carrier
Carrier wissen
Alle dragers wis-
sen
Automatisch zoe-
ken
Systeeminstellin-
gen
TV - instelling
Audiomodus
Fabrieksstan-
daard
Instelling tijdzone
CI-module Geen CAM inge-
stoken
Informatie CI-
module
Signaalsterkte
Systeeminstellingen TV
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen TV - instelling.
1
Tv is een optionele functie van het RSE-systeem.
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
10
278
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Taal
Taal waarin de tv-
menu’s staan aan-
gegeven
Bijv. Engels
Beeldformaat 16:9
4:3
Automatisch
Modus (beeld-
schermstand)
Standaard
Zoom
Groot scherm
Gecentreerd
Audiomodus Rechts
Links
Tijd banner
De weergaveduur
van de menu’s is in
te stellen op
8–40 seconden.
Systeeminstellingen audiomodus
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Audiomodus.
De originele taal van een tv-programma kan
worden gewijzigd als het programma met
meerdere taalkanalen wordt uitgezonden.
Audio Audio - 1, bijv. ENG.
Audio - 2, bijv. GER.
Audiomodus Rechts
Links
Stereo
AC3
Systeeminstellingen fabrieksstandaard
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Fabrieksstandaard.
Hier kunt u de fabrieksinstellingen van het sys-
teem herstellen.
Systeeminstellingen instelling tijdzone
Druk op MEDIA MENU
Systeeminstellingen Instelling tijdzone.
De plaatselijke programmatijden worden alleen
correct weergegeven, wanneer u de juiste tijd-
zone hebt ingesteld. De menu’s onder GUIDE,
INFO en de klok hangen af van de ingestelde
plaatselijke tijdzone.
Betaalkanalen
Om betaalkanalen te kunnen bekijken moet
een smartcard in een module worden geplaatst
die vervolgens in de digitale tv-ontvanger
wordt aangebracht.
G031511
De digitale tv-ontvanger zit rechts in de baga-
geruimte
1. De ontvanger zit in een behuizing. Open
het klepje boven op de behuizing.
2. Open het rubber klepje van de ontvanger.
3. Stop de smartcard in de module. Zorg dat
u de smartcard op de juiste manier in de
module aanbrengt.
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
279
4. Steek de module in de digitale tv-ontvan-
ger. Zorg dat u de module op de juiste
manier aanbrengt.
> Het systeem registreert automatisch dat
het nieuwe informatie ontvangt.
5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe
kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie
onder “Tv-kanalen met smartcard” ver-
derop).
Tv-kanalen met smartcard
Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vin-
den die u met de smartcard kunt bekijken.
1.
Druk op MEDIA MENU op de afstandsbe-
diening.
2.
Kies Kanaalzoeken
Automatisch
zoeken.
3. Kies het land waarin u zich bevindt en druk
op
.
Door de digitale tv-ontvanger
ondersteunde formaten
Het systeem kan tv-programma’s in MPEG-2-
formaat weergeven. Na aanschaf van een spe-
ciale module zijn ook programma’s in
MPEG-4-formaat weer te geven. Deze module
wordt op dezelfde manier als de CI-module
voor smartcards in de digitale tv-ontvanger
aangebracht. Zie onder “Betaalkanalen” eer-
der in dit boekje.
Muziek
Cd beluisteren
1. Plaats een cd met de etiketzijde van de
toetsen af gericht.
> De cd wordt automatisch afgespeeld.
2. Schakel de draadloze koptelefoon(s) in
(kies CH A voor het linker beeldscherm of
CH B voor het rechter beeldscherm).
> Het geluid wordt via de koptelefoon(s)
weergegeven.
3. Stel het volume van de koptelefoon(s) in via
de volumeregeling of met het instelwieltje
op de koptelefoon(s) zelf.
U kunt het audiosysteem ook in MODE-
AUX zetten en op de toets
A B
van de
afstandsbediening drukken om het geluid
via de luidsprekers weer te geven.
Map op de cd kiezen
1. Plaats de cd.
2.
Druk op
.
3. Kies met de navigatietoetsen het bestand
van uw keuze.
4.
Druk op
om een submap te kiezen.
Verschillende afspeelmethoden
De cd is op verschillende manieren af te spe-
len. Kies met de navigatietoetsen de gewenste
afspeelmethode.
Wanneer het dialoogvenster zichtbaar is:
1. Druk op de rechter navigatietoets om naar
het rechter menu te springen.
2. Blader met de navigatietoetsen om een
keuze te maken uit de afspeelopties.
3.
Bevestig uw keuze met
.
Andere cd-track
Kies een andere cd-track met
of
. Spoel voor- of achteruit door de
toetsen ingedrukt te houden.
Pauzeren
1.
Met
kunt u de cd-weergave pau-
zeren of voortzetten.
2.
Met kunt u de cd-weergave beëin-
digen.
3.
Druk nogmaals op om de cd uit te
werpen.
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
10
280
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te
beluisteren.
De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn
echter afhankelijk van het bronbestand, het
gehanteerde formaat en de kwaliteit van de
gebruikte cd/dvd.
AUX-ingang, 12V-aansluiting
De ingang dient om randapparatuur te kunnen
aansluiten. Volg altijd de aansluitinstructies op
van de fabrikant of de verkoper van de
gebruikte randapparatuur. Randapparatuur die
via de AUX-ingang van het RSE-systeem is
aangesloten kan gebruik maken van de beeld-
schermen, de draadloze koptelefoons, de uit-
gangen voor koptelefoons met een snoeraan-
sluiting en de luidsprekers van het audiosys-
teem.
Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem
G015700
De AUX-ingang van het RSE-systeem zit onder de
dvd-speler in de middenconsole.
1. Sluit de videokabel aan op de gele ingang.
2. Sluit de linker geluidskabel aan op de witte
ingang en de rechter op de rode ingang.
3. Sluit de voedingskabel aan op de 12V-aan-
sluiting als de apparatuur op 12 V werkt.
Systeem
Formaten die door het systeem worden onder-
steund.
Audio-
forma-
ten
CD-DA, DVD-Audio Playback,
MP3, WMA
Video-
forma-
ten
DVD-video, VCD, SVCD, Divx/
MPEG-4, WMA-video, Photo CD
Kodak, Photo CD JPG
Schijf-
forma-
ten
DVD-RAM, DVD-ROM, DVD-RW,
DVD+RW, DVD-R, DVD+R, CD-R,
CD-ROM, CD-RW, CD-3, HDCD
Geavanceerde systeeminstellingen
Deze instellingen zijn alleen toegankelijk wan-
neer de dvd-speler leeg is.
Druk op MEDIA MENU.
GENERAL SETUP
ANGLE MARK
CAPTION
AUDIO SETUP
COMPRESSION
10 Infotainment
RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen*
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
281
DVX(R)
REGISTRATION
PREFERENCES
TV TYPE
AUDIO
SUBTITLE
DEFAULTS
Batterijen in afstandsbediening en
koptelefoon(s) vervangen
De afstandsbediening en de koptelefoon(s)
werken op twee batterijen van het type AAA.
Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
G031359
Afstandsbediening
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
G030395
Draadloze koptelefoons
1. Draai het boutje los en haal het dekseltje
van het batterijvakje.
2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe
batterijen op de aangegeven manier in het
batterijvakje.
3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje
vast.
N.B.
Als het systeem te heet is of als de accu-
spanning te laag is, geeft een melding op
het scherm dat aan.
Milieuzorg
Lege batterijen moet u op een milieuvriende-
lijke manier inzamelen!
282
Typeaanduidingen................................................................................. 284
Maten en gewichten.............................................................................. 286
Motorspecificaties................................................................................. 289
Motorolie............................................................................................... 290
Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................. 292
Brandstof.............................................................................................. 294
Katalysator............................................................................................ 297
Elektrisch systeem ............................................................................... 298
Typegoedkeuring ................................................................................. 300
Displaysymbolen................................................................................... 301
SPECIFICATIES
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
284
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
285
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de typeaanduiding, het chassisnummer
en het motornummer bij de hand te hebben.
Typeaanduiding, chassisnummer, maxi-
maal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeurings-
nummer. Bij het openen van het rechter
achtportier is de sticker zichtbaar.
Motorcode, onderdeel- en serienummer.
Sticker voor motorolie
Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak:
automatische versnellingsbak AW
handgeschakelde versnellingsbak
automatische versnellingsbak
Sticker voor standverwarming.
VIN (type- en modeljaaraanduiding als-
mede chassisnummer)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
N.B.
Het is mogelijk dat de stickers die in de
instructieboek staan geen exacte kopieën
zijn van de stickers die in de auto zitten. Ze
dienen alleen om aan te geven hoe de stic-
kers er bij benadering uitzien en waar ze
ongeveer zitten. De informatie die voor uw
auto geldt staat op de desbetreffende stic-
kers in/op uw auto.
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
286
Maten
Maten mm
A Wielbasis 2857
B Lengte 4807
C Laadlengte, vloer, achter-
bank neergeklapt
2018
D Laadlengte, vloer 1118
E Hoogte 1784
F Laadhoogte, vloer 872
G Spoorbreedte vooras 1634
Maten mm
H Spoorbreedte achteras 1624
I Laadbreedte, vloer 1064
J Breedte 1898
K Breedte incl. buitenspie-
gels
2112
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen inbegrepen.
Het gewicht van de passagiers en de gemon-
teerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij
gebruik van een aanhanger (zie tabel)) zijn van
invloed op het laadvermogen en zijn niet inbe-
grepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare maximumbelading = totaalge-
wicht – rijklaar gewicht.
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
``
287
N.B.
Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt
voor een auto in standaarduitvoering –
d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of
accessoires. Dit betekent dat voor ieder
accessoire dat wordt toegevoegd het laad-
vermogen van de auto met het gewicht van
het desbetreffende accessoire moet wor-
den verminderd.
Voorbeelden van accessoires die een ver-
mindering van het laadvermogen betekenen
zijn auto’s in de uitvoeringen Kinetic,
Momentum en Summum alsmede zaken als
trekhaken, lastdragers, skiboxen, audiosys-
temen, verstralers, gps-systemen, brand-
stofkachels, veiligheidsrekken, matten,
bagagerolhoezen/-afdekkingen, elektrisch
bediende stoelen, etc.
Een weegbrug is een betrouwbaar instru-
ment om het rijklaar gewicht voor uw auto
te bepalen.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
Voor de positie van de sticker, zie pagina 284.
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg
Trekgewichten en kogeldrukwaarden
Model Max. gewicht geremde aanhanger, kg Max. kogeldruk, kg
D3 FWD 1800 90
Overige 2250 90
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
288
Max. gewicht ongeremde aanhanger, kg Max. kogeldruk, kg
750 50
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
289
Motor Motor-
code
A
Vermo-
gen (kW
bij omw/
min)
Vermo-
gen (pk
bij omw/
min)
Motor-
koppel
(Nm bij
omw/
min)
Aantal
cilinders
Cilinderbo-
ring (mm)
Slaglengte
(mm)
Cilinderin-
houd (liter)
Compressie-
verhouding
2.5T B5254T2 154/4980 210/5000 320/1500-
4500
5 83 93,2 2,52 9,0:1
3.2 B6324S5 175/6200 238/6200 320/3200 6 84 96 3,19 10,8:1
V8 B8444S 232/5850 315/5850 440/3900 8 94 79,5 4,41 10,4:1
D5 D5244T4 136/4000 185/4000 400/2000-
2760
5 81 93,2 2,40 17,3:1
D3
B
D5244T5 120/4000 163/4000 340/1750-
2750
5 81 93,2 2,40 17,3:1
A
Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 284.
B
Bepaalde markten
11 Specificaties
Motorolie
11
290
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olie-
temperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte
ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongun-
stige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecifi-
ceerde service-intervallen te voldoen wor-
den alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie.De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brand-
stofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedge-
keurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorge-
schreven kwaliteit en dat zowel bij het bij-
vullen als bij verversen van olie. Een nega-
tieve invloed op de levensduur van de
motor, de startgewilligheid, het brandstof-
verbruik en de milieu-impact is anders niet
uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantie-
claims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Viscositeitsdiagram
11 Specificaties
Motorolie
11
291
Oliesticker
Motortype Motorcode Aanbevolen oliekwaliteit Bij te vullen hoeveelheid tus-
sen MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid, incl.
oliefilter
(liter)
2.5T B5254T2
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30.
1.2 5.5
3.2 B6324S5 1.2 6.8
V8 B8444S 1.2 6.7
D5 D5244T4 1,0 5.9
D3
A
D5244T5 1,0 5.9
A
Bepaalde markten
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
11
292
Handgeschakelde versnellingsbak Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven versnellingsbakolie
M66 1,9 BOT 350M3
Automatische versnellingsbak Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven versnellingsbakolie
TF-80SC 7,0 JWS 3309
Vloeistoffen
Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Aanbevolen kwaliteit
Koelvloeistof 2.5T 8,0 Bij vorst wordt u geadviseerd een door
Volvo aanbevolen antivries aangelengd
met 50 % water
A
te gebruiken, zie ver-
pakking. Thermostaat opent bij:
benzinemotoren, 90 °C, dieselmoto-
ren, 82 °C
3.2 9,7
V8 10,2
D3 en D5 12,5
Koudemiddel Airconditioning
B
R134a (HFC134a)
Olie: PAG
Remvloeistof Remsysteem 0,6 DOT 4+
Stuurbekrachtigingsvloeistof Stuurbekrachtiging 1,0 WSS M2C204-A of een vergelijkbaar
product met dezelfde specificatie.
waarvan reservoir 0,2
Ruitensproeiervloeistof 6,5 Bij vorst wordt u geadviseerd een door
Volvo aanbevolen antivries aangelengd
met water te gebruiken.
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
11
293
Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Aanbevolen kwaliteit
Brandstof Benzinemotor ca. 80 Benzine: zie pagina 138
Dieselmotor ca. 68 Dieselolie: zie pagina 138
A
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
B
De hoeveelheid koudemiddel verschilt per motortype. Voor de juiste informatie adviseert Volvo u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voor-
komen moet u de aanbevolen kwaliteit ver-
snellingsbakolie gebruiken en geen ver-
schillende merken met elkaar mengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
werkplaats voor service, als er een andere
oliesoort werd gebruikt. Volvo adviseert u
contact op te nemen met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst (zie
pagina 290).
11 Specificaties
Brandstof
11
294
CO
2
-uitstoot en brandstofverbruik
A B C
2.5T AWD
381 (385)
A
16,0 (16,2)
A
220 (222)
A
9,2 (9,3)
A
280 (282)
A
11,7 (11,8)
A
3.2 AWD
374 (377)
A
16,1 (16,1)
A
203 (208)
A
8,7 (8,9)
A
265 (269)
A
11,4 (11,5)
A
V8 AWD
472 (476)
A
19,8 (20,0)
A
230 (234)
A
9,6 (9,8)
A
317 (322)
A
13,3 (13,5)
A
D3 FWD
294 (294)
A
11,1 (11,1)
A
184 (184)
A
7,0 (7,0)
A
224 (224)
A
8,5 (8,5)
A
D5 AWD
280 (283)
A
10,6 (10,7)
A
180 (182)
A
6,8 (6,9)
A
217 (219)
A
8,2 (8,3)
A
D5 AWD
294 (294)
A
11,1 (11,1)
A
184 (184)
A
7,0 (7,0)
A
224 (224)
A
8,5 (8,5)
A
D3 AWD
B
280 (283)
A
10,6 (10,7)
A
180 (182)
A
6,8 (6,9)
A
217 (219)
A
8,2 (8,3)
A
D3 AWD
B
294 (294)
A
11,1 (11,1)
A
184 (184)
A
7,0 (7,0)
A
224 (224)
A
8,5 (8,5)
A
A
Waarden tussen haakjes gelden voor zevenzitters.
B
Bepaalde markten
A = stadsverkeer (l/100 km)
B = snelwegrit (l/100 km)
C = combinatierit (l/100 km)
11 Specificaties
Brandstof
11
``
295
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in
de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op spe-
ciale EU-rijcycli
1
, die gelden voor een auto met
rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder
extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting
neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate
van belading van de auto zorgt voor een ver-
hoging van het brandstofverbruik en de uit-
stoot van kooldioxide.
Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor
een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte
van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken
aan factoren als:
uw rijstijl
de grotere luchtweerstand bij hogere snel-
heden
een ingeschakelde A/C (airconditioning)
de grotere luchtweerstand bij vervoer van
lading op het dak of het gebruik van een
skibox
een te lage bandenspanning
de brandstofkwaliteit, de weg- en ver-
keersomstandigheden, de weersgesteld-
heid en de staat van de auto.
Waar u op moet letten
Er zijn grote afwijkingen in het brandstofver-
bruik mogelijk bij een vergelijking met de EU-
rijcycli
1
die gehanteerd worden bij certificering
van de auto en waarop de verbruikscijfers in de
tabel gebaseerd zijn. Hier volgen enkele han-
dige tips om het brandstofverbruik terug te
dringen:
Rijd rustig.
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling,
afhankelijk van de verkeerssituatie en de
weg waarop u rijdt. Lagere toeren leveren
een lager brandstofverbruik op.
Rem af op de motor, wanneer dat zonder
gevaar voor medeweggebruikers mogelijk
is.
Laat de motor niet te lang stationair
draaien. Neem de geldende verkeersregels
in acht. Zet bij langere stilstand de motor
af, als dat zonder gevaar voor medeweg-
gebruikers mogelijk is.
Gebruik vóór een koude start altijd een
eventuele motorverwarming.
Houd de juiste bandenspanning aan en
controleer regelmatig of dat nog steeds zo
is. Houd voor de beste resultaten de zoge-
heten ECO-bandenspanning aan, zie de
bandenspanningstabel op pagina183.
Uw bandenkeuze is mogelijk van invloed
op het brandstofverbruik. Uw dealer kan u
informeren over passende banden.
Extra gewicht – neem geen spullen in de
auto mee die u niet gebruikt.
Verwijder een eventuele skibox meteen na
het gebruik.
Voer altijd passend onderhoud aan de auto
uit volgens de aanwijzingen in het instruc-
tieboekje.
Ook wanneer u slechts enkele van de
genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk
lager brandstofverbruik mogelijk.
Raadpleeg voor meer informatie de richtlijnen
waar eerder aan gerefereerd werd.
1
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op twee gestandaardiseerde rijcycli in laboratoriummilieu (“EU-rijcycli”) conform de EU-richtlijn 80/1268/EEC (Euro 4), EU Regulation no 682/2008
(Euro 5) alsmede UN ECE Regulation no 101. Deze richtlijnen bevatten informatie over de rijcycli stadsverkeer en snelwegrit. - Stadsverkeer – de meting begint met een koude start van de motor.
Het betreft hier een gesimuleerde rit. - Snelwegrit - de auto moet optrekken en afremmen bij snelheden van 0–120 km/h. Het betreft hier een gesimuleerde rit. De waarde voor combinatierit, die in
de tabel staat, is zoals wettelijk bepaald werd een combinatie van een stadsrit en een snelwegrit. CO
2
-uitstoot - om de uitstoot van kooldioxide te berekenen tijdens de twee rijcycli worden alle
uitlaatgassen opgevangen. Deze worden vervolgens geanalyseerd en leiden tot de gespecificeerde waarde voor de CO
2
-uitstoot.
11 Specificaties
Brandstof
11
296
WAARSCHUWING
Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals
op een aflopende helling), omdat daarbij
belangrijke systemen zoals de stuur- en
rembekrachtiging wegvallen.
Zie pagina 138 voor meer algemene informatie
over brandstof.
11 Specificaties
Katalysator
11
297
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kana-
len. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmeta-
len hebben een katalytische werking, d.w.z. ze
versnellen een chemische reactie zonder dat
ze daar zelf actief aan deelnemen.
Lambdasonde
TM
(zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regel-
systeem dat tot taak heeft de uitstoot te beper-
ken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofge-
halte van de uitlaatgassen die de motor verla-
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische sys-
teem dat continu de verstuivers afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (kool-
waterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
11 Specificaties
Elektrisch systeem
11
298
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waar-
bij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
Accu
Motor Spanning, V Koudestartvermogen,
CCA (Cold Cranking Amperes), A
Reservecapaciteit,
minuten
Capaciteit, Ah
2.5T, 3.2, V8 12
600–800
A
120–150 70–90
D5 12 800 150 90
A
Bij een auto met standverwarming is dit 800 A
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de
nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en
reservecapaciteit als de originele accu heeft
(zie sticker op de accu).
Gloeilampen
Verlichting Vermogen W Lampvoet
Groot licht/dimlicht, halogeen 55 H7
Groot licht, auto’s met actieve xenonlampen 65 H9
Actieve xenonlampen 35 D1S
Mistlampen vóór 55 H1
Richtingaanwijzers vóór 21 BAW9s
11 Specificaties
Elektrisch systeem
11
299
Verlichting Vermogen W Lampvoet
Stadslichten vóór/achterlichten, parkeerlichten vóór, sidemarkers vóór, kentekenplaat-
verlichting, instapverlichting achter
5 W2,1X9,5d
Mistachterlicht 21 BAY9s
Remlichten, achteruitrijlichten 21 BA15S
Richtingaanwijzers achter 21 BAU15s
Make-upspiegel 1,2 SV5,5
Instapverlichting voor, kofferbakverlichting 5 SV8.5
Verlichting dashboardkastje 3 BA9
11 Specificaties
Typegoedkeuring
11
300
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
Hierbij ver-
klaart Delphi dat het
gebruikte transpon-
dersleutelsysteem in
overeenstemming is
met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
IS, LI, N, CH
HR
RC
ETC093LPD0155
11 Specificaties
Displaysymbolen
11
``
301
Algemene informatie
Er worden tal van verschillende displaysymbo-
len gebruikt in de auto. De symbolen zijn
onderverdeeld in waarschuwings-, controle-
en informatiesymbolen. Hier volgt een over-
zicht van de meest voorkomende symbolen
met hun betekenis en een verwijzing naar de
pagina(’s) in het boek waar u meer informatie
kunt vinden. Voor meer informatie over de sym-
bolen en displaymeldingen, zie pagina 53 en
57.
Het rode waarschuwingssymbool
gaat
branden, wanneer er een storing geregistreerd
is die mogelijk van invloed is op de veiligheid
en/of rijeigenschappen van de auto. Er ver-
schijnt bovendien een verklarende tekst op het
informatiedisplay.
Het oranje informatiesymbool
gaat bran-
den en er verschijnt een verklarende tekst op
het informatiedisplay, wanneer er een afwijking
in een van de autosystemen is opgetreden. Het
oranje informatiesymbool kan ook gaan bran-
den in combinatie met ander symbolen.
Displaysymbolen
Controle- en waarschuwingssymbolen
op instrumentenpaneel
Sym-
bool
Betekenis Pagina
Waarschuwing 21, 53,
56, 154,
156
Uitlaatgasreini-
gingssysteem
53, 55
Storing in het ABS 54, 151
Mistachterlicht 55
Stabiliteitsrege-
ling STC of DSTC
55, 154
Sym-
bool
Betekenis Pagina
Voorgloeifunctie
(diesel)
55
Controlesymbool
voor aanhanger
55
Handrem aange-
trokken
55
Airbags, SRS 21, 55
Oliedruk laag 53, 55
Gordelwaarschu-
wing
18, 54
11 Specificaties
Displaysymbolen
11
302
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sym-
bool
Betekenis Pagina
Dynamo laadt niet
bij
55
Storing in het
remsysteem
54, 151
Overige informatiesymbolen op
instrumentenpaneel
Sym-
bool
Betekenis Pagina
Cruisecontrol* 69
Informatiesymbolen op display
middenconsole
Sym-
bool
Betekenis Pagina
Audiobestanden 254
Map op cd 254
G021220
Verkeersinforma-
tie
249, 251
Informatiesymbool op
achteruitkijkspiegel
Sym-
bool
Betekenis Pagina
Airbag passa-
giersstoel,
gedeactiveerd
25
11 Specificaties
11
303
12 Alfabetisch register
12
304
A
Aanhanger............................................... 164
kabel................................................... 166
rijden met een aanhanger................... 164
Aanpassen, lichtbundel........................... 172
Aanrijding
opblaasgordijnen (IC-systeem)............. 28
Aanstekeropening...................................... 60
ABS, storing in het ABS............................. 54
Accu................................................. 216, 298
onderhoud.................................. 205, 216
overbelasting...................................... 137
specificaties........................................ 298
starten met hulpaccu.......................... 163
symbolen op de accu......................... 216
Achterbank
instap.................................................. 112
Achterbank, omklappen.......................... 112
Achterklep
openen.................................................. 72
rijden met een geopende achterklep.. 136
vergrendelen/ontgrendelen................ 124
Achterruit, elektrische verwarming............ 61
Achteruitkijkspiegel.................................... 76
autodimfunctie...................................... 76
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
inklapbare............................................. 59
Actieve xenonkoplampen.................... 60, 63
Adaptief systeem..................................... 148
AF, automatische afstemfunctie.............. 252
Afstandsbediening................................... 124
batterij vervangen............................... 125
Afstandsbediening HomeLink
programmeerbaar ................................ 83
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 24
bestuurders- en passagierszijde.......... 23
deactiveren met sleutel......................... 24
AIRBAG ..................................................... 22
Airbagsysteem........................................... 22
Airconditioning........................................... 88
achter in passagiersruimte................... 59
ECC...................................................... 92
Alarm
alarmindicatie..................................... 132
alarmsignalen...................................... 133
algemene informatie........................... 132
automatische inschakeling van het
alarm................................................... 133
geactiveerd alarm uitschakelen.......... 133
inschakelen......................................... 132
uitschakelen........................................ 132
Alarmlichten............................................... 61
Alarmsensoren........................................... 60
Algemene informatie over brandstof....... 140
Antislipregeling........................................ 153
Antispinregeling....................................... 153
Audio
hoofdtelefoonaansluiting.................... 241
surround............................................. 245
Audio, zie ook Geluidssysteem............... 239
Audiosysteem
functies............................................... 242
AUTO, ECC................................................ 93
Autobekleding.......................................... 198
Automatische vergrendeling.................... 126
Automatische versnellingsbak......... 147, 148
aanhanger........................................... 165
beveiligingssystemen......................... 149
knop W............................................... 148
lock-upfunctie..................................... 149
slepen en bergen................................ 161
Automatische wasstraten........................ 196
Auto wassen............................................ 196
12 Alfabetisch register
12
305
AUX.......................................................... 242
AWD, vierwielaandrijving......................... 150
B
Bagagenet............................................... 117
Bagagerolhoes......................................... 120
Bagageruimte.......................................... 115
bagagenet........................................... 117
bagagerolhoes.................................... 120
elektrische aansluiting........................ 119
houder voor boodschappentassen.... 120
lading vervoeren................................. 116
veiligheidsrek...................................... 118
verlichting........................................... 105
vloervak bagageruimte....................... 120
Banden
algemene informatie........................... 178
bandenreparatie................................. 190
draairichting........................................ 180
onderhoud.......................................... 178
rijeigenschappen................................ 178
slijtage-indicator................................. 179
snelheidsaanduidingen....................... 178
spanning..................................... 182, 183
specificaties........................................ 178
winterbanden...................................... 180
Bedieningspaneel op bestuurderspor-
tier........................................................ 50, 73
Bekerhouders.................................. 108, 109
Bellen....................................................... 272
Benzinekwaliteit....................................... 140
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 196
Beslagen ruiten.......................................... 88
achterruit............................................... 61
ontwasemen......................................... 94
Beveiliging tegen overbelasting, schuif-
dak............................................................. 82
Blaasmonden
dashboard............................................ 89
Blaasmonden in portierstijlen.................... 90
BLIS, Blind Spot Information System 60, 157
BLIS-systeem (Blind Spot Information Sys-
tem).......................................................... 157
Bluetooth
gesprek naar mobiel........................... 272
handsfree............................................ 270
microfoon dempen............................. 272
Boordcomputer......................................... 65
Brandstof
brandstofbesparing............................ 182
brandstoffilter..................................... 142
brandstofverbruik, aanduiding.............. 65
standverwarming.................................. 95
tanken................................................. 138
Buitenafmetingen..................................... 286
Buitenspiegels........................................... 79
C
Cd
wisselaar............................................. 254
Cd-functies.............................................. 254
Combifilter......................................... 88, 142
Condens aan binnenkant lampglazen..... 196
Contactsleutels........................................ 145
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 211
Cruisecontrol............................................. 69
D
Dakbelasting............................................ 114
Dashboardkastje...................................... 107
12 Alfabetisch register
12
306
Diesel, voorgloeifunctie............................. 55
Dieselolie................................................. 141
Display, meldingen.................................... 57
Dolby Surround Pro Logic II.................... 238
Doorwaaddiepte...................................... 137
DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem..... 55, 153
bediening............................................ 153
E
ECC, elektronische klimaatregeling..... 88, 92
ECO-bandenspanning............................. 182
tabel.................................................... 183
EHBO-set................................................. 186
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 81
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 73
Elektrisch bedienbare stoel..................... 101
Elektrisch bedienbare zijruiten
achterin................................................. 75
blokkeren.............................................. 74
passagiersplaats............................. 74, 75
Elektrische aansluiting
achterbank............................................ 72
bagageruimte...................................... 119
middenconsole..................................... 60
Elektrische verwarming
achterruit......................................... 61, 94
buitenspiegels................................. 61, 94
voorstoelen........................................... 61
Elektrisch systeem................................... 298
Elektronische startblokkering.................. 124
EON, Enhanced Other Networks............. 252
Equalizer.................................................. 245
Externe geluidsbron
AUX-aansluiting.................................. 242
USB-aansluiting.................................. 243
Extra verwarming....................................... 97
F
Flessenhouder achterin........................... 108
Follow Me Home-verlichting
instellen................................................. 64
FSC, milieulabel......................................... 15
G
Geïntegreerd kinderzitje............................. 41
Geluiden
audio-instellingen....................... 239, 244
geluidsbron................................. 239, 242
Geluidssterkte
beltoon, telefoon................................. 272
telefoon....................................... 260, 272
telefoon/mediaspeler.......................... 272
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 65
Gereedschap........................................... 185
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.. 263
gebruik................................................ 272
inkomende.......................................... 272
Gevarendriehoek..................................... 184
Gewichten
aanhangergewicht.............................. 164
rijklaar gewicht.................................... 286
Gloeilampen, zie Verlichting............ 218, 298
Gordelwaarschuwing................................. 19
Groot licht en dimlicht
wisselen................................................ 64
Grootlichtsignalen...................................... 64
12 Alfabetisch register
12
307
H
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 146
slepen en bergen................................ 161
Handrem.............................................. 55, 71
Hogedruksproeiers koplampen................. 68
HomeLink
................................................ 83
Hoofdsleutel............................................. 124
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank........... 113
Hoofdtelefoonaansluiting......................... 241
Houder voor boodschappentassen......... 120
I
IMEI-nummer........................................... 265
In de was zetten....................................... 197
Informatiedisplay....................................... 57
Infotainment............................................. 238
Inklapbare buitenspiegels.......................... 59
Instap
achterbank.......................................... 112
Instructieboekje, milieulabel...................... 15
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 46
auto met stuur rechts........................... 48
Instrumentenpaneel................................... 51
Instrumentenverlichting............................. 63
Interieurverlichting................................... 104
Interior Air Quality System, ECC................ 92
Intervalstand.............................................. 67
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinder-
zitjes........................................................... 42
K
Katalysator....................................... 141, 297
bergen................................................. 162
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 149
Kinderen.................................................... 33
kinderslot................................ 42, 59, 130
kinderzitjes en airbags.......................... 33
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 26
plaats in de auto, tabel......................... 35
positie in de auto.................................. 33
veiligheid............................................... 33
Kinderslot................................................... 59
Kinderzitje
neerklappen.......................................... 42
opklappen............................................. 41
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 41
Kledinghaak............................................. 108
Kleurcode, lak.......................................... 200
Klok, instellen............................................. 51
Knalgas.................................................... 163
Knipperlichten............................................ 64
Koelbox.................................................... 111
Koelsysteem............................................ 136
Kompas..................................................... 76
kalibreren.............................................. 79
zone instellen........................................ 76
Koplampen
aan/uit................................................... 62
ABL....................................................... 63
Koplamphoogteregeling............................ 62
Koplampsproeiers..................................... 68
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvul-
len............................................................ 212
Koudemiddel............................................. 88
Koude start
automatische versnellingsbak............ 148
12 Alfabetisch register
12
308
Krik........................................................... 185
L
Lading op het dak.................................... 114
Lading vervoeren
algemene informatie................... 114, 116
bagageruimte...................................... 116
laadvermogen..................................... 114
lading op het dak................................ 114
lastdragers.......................................... 114
Lagetonenluidspreker.............................. 245
Lak
kleurcode............................................ 200
schade en herstel............................... 200
Lambdasonde.................................. 141, 297
Lampen, zie Verlichting............................ 218
Lampjes
stabiliteitssysteem.............................. 153
Leeslampjes............................................. 104
Lekke band, zie Banden.................. 185, 187
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 198
Lichtbundel aanpassen............................ 172
Active Bending Lights (ABL) .............. 172
halogeenkoplampen........................... 172
Luchtverdeling........................................... 89
Luchtverdeling, AC.................................... 94
M
Massage
voorstoel............................................. 103
Meldingen op informatiedisplay................. 57
Meldingen voor BLIS............................... 159
Menufuncties
audiosysteem..................................... 240
Menusysteem
audiosysteem..................................... 257
telefoon, menu-opties......................... 267
telefoon, overzicht.............................. 266
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 51
buitentemperatuurmeter....................... 51
dagteller................................................ 51
snelheidsmeter..................................... 51
toerenteller............................................ 51
Middenconsole achterin, verwijderen...... 112
Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 15
Mistlichten
achter.................................................... 63
vóór....................................................... 63
Mobiele telefoon
aansluiten........................................... 273
handsfree............................................ 270
telefoon registreren............................. 271
Motorkap................................................. 207
Motorolie.......................................... 209, 290
filter..................................................... 209
hoeveelheden..................................... 290
oliedruk................................................. 55
oliekwaliteit......................................... 290
ongunstige rijomstandigheden........... 290
vervangen........................................... 209
Motorruimte............................................. 208
Motorspecificaties................................... 289
Motor starten........................................... 144
Mp3-functies............................................ 254
Muziekbestanden.................................... 254
MY KEY................................................... 240
12 Alfabetisch register
12
309
N
NEWS.............................................. 249, 252
Noodoproepen......................................... 259
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 184
O
Olie, zie ook Motorolie....................... 55, 290
Omklappen, ruggedeelte achterbank...... 112
Onderhoud............................................... 205
onderhoud.......................................... 205
roestwering......................................... 201
One-key bell............................................. 262
Ontwaseming............................................. 94
Opbergmogelijkheden in passagiers-
ruimte....................................................... 106
Opbergvak....................................... 109, 110
Opblaasgordijnen...................................... 28
Openen, motorkap................................... 207
P
PACOS....................................................... 24
PACOS, schakelaar voor activering/deac-
tivering....................................................... 24
Park Assist......................................... 60, 155
sensoren voor Park Assist.................. 156
Parkeerlichten............................................ 62
Poetsen.................................................... 197
Provisorische bandenreparatie................ 190
PTY, programmatype.............................. 250
R
Radio
afstemfunctie...................................... 252
alarm................................................... 250
AUTOSTORE...................................... 247
EON.................................................... 252
NEWS......................................... 249, 252
PTY..................................................... 250
radio-instellingen................................ 247
radiotekst............................................ 250
radiozenders....................................... 247
regionaal............................................. 252
verkeersinformatie.............................. 249
volumeregeling programmatypes....... 249
voorkeurzenders vastleggen.............. 247
zenders zoeken................................... 248
Radiofuncties........................................... 247
Radiotekst................................................ 250
Radiozenders opslaan............................. 247
RDS-functies........................................... 248
resetten............................................... 253
Recirculatie
ECC...................................................... 93
REG, regionale radioprogramma’s.......... 252
Regensensor.............................................. 67
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekerin-
gen........................................................... 225
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 151
Remsysteem............................................ 151
Reservewiel.............................................. 185
compact reservewiel........................... 184
Richtingaanwijzers..................................... 64
Rijden
in waterpartijen................................... 137
koelsysteem........................................ 136
met een aanhanger............................. 164
met geopende achterklep................... 136
12 Alfabetisch register
12
310
nieuwe auto’s en gladde wegen......... 136
zuinig.................................................. 136
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 286
trekgewicht................................. 164, 286
Rijklaar gewicht........................................ 286
RND – Random........................................ 255
Roestwering............................................. 201
Roetfilter............................................ 57, 142
Roetfilter vol............................................. 142
Rolbeugels................................................. 31
ROPS (Roll-Over Protection System)........ 31
ROPS (Roll-Over Protection System) (Rol-
beugels)..................................................... 31
Rugleuning
voorstoel, omklappen......................... 100
Ruitensproeiers.......................................... 68
Ruitenwissers............................................ 67
regensensor.......................................... 67
S
Safelock-functie
alarmsensoren tijdelijk deactiveren.... 133
onderbreking...................................... 128
SCAN
radiozenders....................................... 248
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 196
auto wassen....................................... 196
bekleding............................................ 198
veiligheidsgordels....................... 198, 199
velgen................................................. 196
vuil- en waterafstotende laag............... 80
Schuifdak................................................... 81
beveiliging tegen overbelasting............ 82
openen en sluiten................................. 81
ventilatiestand....................................... 81
zonnescherm........................................ 82
Serviceprogramma.................................. 204
Simkaart................................................... 261
dubbele............................................... 265
SIPS-airbag............................................... 26
Sleepoog.................................................. 161
Slepen...................................................... 161
sleepoog............................................. 161
Sleutel...................................................... 124
transpondersleutel.............................. 124
Smeermiddelen........................................ 292
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 292
Sms.......................................................... 264
schrijven.............................................. 264
Snelnummers........................................... 262
Spiegels
achteruitkijk-......................................... 76
buiten-.................................................. 79
elektrische verwarming......................... 61
elektrisch inklapbare............................. 79
kompas................................................. 76
Spin Control............................................. 153
Sproeiers
achterruit............................................... 68
koplampen............................................ 68
sproeiervloeistof, bijvullen.................. 210
voorruit.................................................. 68
SRS-systeem
algemene informatie............................. 22
Stabiliteitssysteem................................... 153
aanduiding............................................ 55
deactiveren/activeren......................... 153
lampjes............................................... 153
Stadslichten............................................... 62
12 Alfabetisch register
12
311
Stand-by, telefoon................................... 260
Standverwarming
accu en brandstof................................. 97
algemene informatie............................. 95
lampjes en displaymeldingen............... 95
tijd instellen........................................... 96
Startblokkering........................................ 145
Starten met hulpaccu.............................. 163
Steenslagplekken en krassen.................. 200
Sticker SIPS-airbags.................................. 26
Stoel
elektrisch bedienbare......................... 101
handmatig verstelling......................... 100
Stoelen en achterbank
elektrische verwarming......................... 61
ruggedeelte achterbank omklappen... 112
rugleuning voorstoel omklappen........ 100
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 212
Stuurslot.................................................. 144
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 69
stuurwielafstelling................................. 72
toetsenset..................................... 69, 240
Stuurwiel afstellen...................................... 72
Subwoofer............................................... 245
Surround.................................................. 245
Symbolen
controlesymbolen................................. 54
waarschuwingssymbolen..................... 53
T
Tanken
tankdop............................................... 140
tanken................................................. 140
Technische gegevens, motor.................. 289
Telefoon
aan/uit................................................. 260
aansluiten........................................... 273
bediening............................................ 259
bellen.......................................... 261, 272
berichten............................................. 264
geheugen............................................ 264
gesprek beantwoorden............... 261, 272
gesprekken beëindigen...................... 262
gespreksvolume................................. 263
handsfree............................................ 270
inkomende gesprekken...................... 272
laatst gekozen nummers.................... 262
one-key bell........................................ 262
privacy-handset.................................. 262
Simkaart.............................................. 261
sneltoetsen......................................... 261
telefoonboek............................... 264, 274
telefoonboek, sneltoets...................... 274
telefoon registreren............................. 271
verkeersveiligheid............................... 261
volumeverlaging tijdens gesprekken. . 260
Telefoonboek........................................... 264
Telefoonsysteem..................................... 258
Temperatuur
werkelijke temperatuur......................... 88
Temperatuurregeling................................. 94
Toetsensets op stuurwiel................... 69, 240
Totaalgewicht.......................................... 286
TP, verkeersinformatie..................... 249, 251
Tractieregeling......................................... 153
Traction Control....................................... 153
Transpondersleutel
functies............................................... 124
Transpondersleutelsysteem, typegoed-
keuring..................................................... 300
Trekgewicht..................................... 164, 286
Trekhaak.......................................... 164, 168
algemene informatie................... 164, 166
12 Alfabetisch register
12
312
monteren............................................ 168
specificaties........................................ 167
verwijderen......................................... 170
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 166
Trillingsdemper........................................ 166
Type-aanduidingen.................................. 284
Typegoedkeuring, transpondersleutelsys-
teem......................................................... 300
U
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 55
USB, aansluiting...................................... 243
V
Veiligheidsgordel
zwangerschap...................................... 19
Veiligheidsgordels...................................... 18
gordelspanners..................................... 19
Veiligheidsrek........................................... 118
Veiligheidszitje........................................... 33
aanbevolen........................................... 35
bovenste bevestigingspunten voor kin-
derzitjes................................................ 43
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kin-
derzitjes................................................ 42
veiligheidsgordel met speciale blok-
keerfunctie............................................ 43
Velgen
schoonmaken..................................... 196
Ventilator
ECC...................................................... 94
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde.............................. 127
achterklep........................................... 127
dashboardkastje................................. 127
van de buitenzijde............................... 126
Verkeersinformatie........................... 249, 251
Verlichting................................................ 218
Actieve xenonkoplampen............... 60, 63
automatische verlichting, dimlicht........ 62
automatische verlichting, interieur...... 105
bagageruimte...................................... 105
exterieur................................................ 62
Follow Me Home-verlichting................. 64
gloeilampen, specificaties.................. 298
groot licht/dimlicht................................ 62
in interieur........................................... 104
instrumentenverlichting........................ 63
koplamphoogteverstelling.................... 62
leeslampjes......................................... 104
lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer, ABL........... 60, 172
mistachterlicht...................................... 63
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 62
verlichtingspaneel, interieur.................. 62
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 218
achterlamphuis................................... 221
achterlicht........................................... 220
dimlicht, halogeen.............................. 219
groot licht............................................ 220
groot licht, halogeen........................... 220
instapverlichting.................................. 223
kentekenplaatverlichting..................... 223
kofferbak............................................. 224
make-upspiegel.................................. 224
mistachterlicht.................................... 223
mistlampen vóór................................. 221
positie van gloeilampen in koplamp-
huis..................................................... 219
richtingaanwijzer................................. 220
sidemarker.......................................... 220
stadslichten........................................ 220
voorzijde............................................. 218
Verschuifbare stoel.................................. 112
12 Alfabetisch register
12
313
Versnellingsbak
automatische...................................... 147
handgeschakelde............................... 146
Verstralers.................................................. 60
Verwarming
op brandstof......................................... 95
Verzorging................................................ 196
Verzorging, leren bekleding..................... 198
Vierwielaandrijving, AWD......................... 150
Vlekken.................................................... 198
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 292
Vloeistoffen en oliën......................... 209, 292
Vloeistoffen en oliën, algemene informa-
tie............................................................. 205
Vloeistoffen en oliën, controles motor-
ruimte....................................................... 210
Vloermatten............................................. 101
Vloervak bagageruimte............................ 120
Volumeregeling........................................ 242
Voorgloeifunctie motor.............................. 55
Voorstoel
lendensteun........................................ 103
massage............................................. 103
W
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 153
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 21
Water- en vuilafstotende laag.................... 80
Water- en vuilafstotende laag, schoonma-
ken........................................................... 197
Werking interieurventilator......................... 88
Whiplash-letsel.......................................... 29
WHIPS
whiplash-letsel...................................... 29
WHIPS-systeem
kinderzitje/comfortkussen.................... 29
Wielen
aanbrengen......................................... 188
demonteren........................................ 187
reservewiel.......................................... 185
sneeuwkettingen................................. 180
verwisselen......................................... 187
Willekeurige afspeelvolgorde, cd- en
muziekbestanden.................................... 255
Winterbanden.......................................... 180
Wisselen
groot licht en dimlicht........................... 64
Wisser
achterruit............................................... 68
Wisserbladen........................................... 214
schoonmaken..................................... 214
vervangen, voorruit............................. 214
vervangen achterklep......................... 215
Z
Zekeringen............................................... 225
algemene informatie........................... 225
houder in bagageruimte..................... 233
kastje aan zijkant dashboard.............. 229
kastje in interieur................................. 231
kastje in kofferbak, Executive............. 235
kastje in motorruimte.......................... 227
vervangen........................................... 225
Zonnescherm, schuifdak........................... 82
Zuinig rijden............................................. 136
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 19
12 Alfabetisch register
12
314
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&&-%+9jiX]!6I&%'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<iZWdg\'%&%!8deng^\]i©'%%%"'%&%Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298
  • Page 299 299
  • Page 300 300
  • Page 301 301
  • Page 302 302
  • Page 303 303
  • Page 304 304
  • Page 305 305
  • Page 306 306
  • Page 307 307
  • Page 308 308
  • Page 309 309
  • Page 310 310
  • Page 311 311
  • Page 312 312
  • Page 313 313
  • Page 314 314
  • Page 315 315
  • Page 316 316

Volvo XC90 Handleiding

Categorie
Telefoons
Type
Handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor