Volvo 2007 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

2006
C70 INSTR.indd 1C70 INSTR.indd 1 05-07-07 10.51.3805-07-07 10.51.38
VOLVO
C70
Instructieboekje
WEB EDITION
1
Beste Volvo-bezitter,
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop
gestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieu-
eisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie
in dit instructieboekje.
Dank u dat u gekozen hebt voor Volvo!
C70 w540.book Page 1 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
2
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, bij voorkeur voordat u uw eerste rit
maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe
functies, krijgt u tips hoe u het beste in
verschillende situaties met de auto kunt
omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik
kunt maken van alle mogelijkheden die de
auto biedt. Besteed ook aandacht aan de
veiligheidsinstructies in het boekje:
De in het instructieboekje beschreven
uitrusting is niet op alle modellen aanwezig.
Als aanvulling op de standaarduitrusting
worden in dit instructieboekje ook de opties
(af-fabriek gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (extra uitrusting)
beschreven.
N.B. De uitrusting van de auto’s van Volvo
hangt af van de verschillende behoeften op
de diverse markten en de landelijke en/of
regionale wet- en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor
om zonder voorafgaande mededeling wijzi-
gingen aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
WAARSCHUWING!
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als
u de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK!
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het
gevaar bestaat dat de auto beschadigd
raakt, als u de instructies niet opvolgt.
C70 w540.book Page 2 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
3
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit
zijn de drie kernwaarden van Volvo Car
Corporation die van invloed zijn op alle activi-
teiten. We zijn ervan overtuigd dat onze
klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecerti-
ficeerd voor de milieunorm ISO 14001,
hetgeen tot voortdurende verbeteringen op
milieugebied leidt.
Alle Volvo-modellen hebben een milieuver-
klaring (EPI of Environmental Product Infor-
mation), waarin u zelf de invloed van de
verschillende modellen en motoren op het
milieu kunt vergelijken.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het
algemeen een geringere uitstoot van het
broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik
(zie pagina 4).
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant
– een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt
uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen
liggen uitlaatgasemissies ver onder de
geldende normen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir
®1
,
een speciale laag die schadelijk laaghangend
ozon kan omzetten in zuivere zuurstof.
1. Optie voor vijfcilindermotor. PremAir
®
is een gedeponeerd handelsmerk van
de Engelhard Corporation.
C70 w540.book Page 3 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
4
Volvo Car Corporation en het milieu
Schone lucht in
passagiersruimte
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS
1
(Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht in de passagiersruimte
schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De luchtinlaat
wordt afgesloten als het gehalte aan koolmo-
noxide in het interieur te hoog wordt zoals in
druk verkeer, files en tunnels. Het koolstof-
filter zorgt dat stikstofoxiden, laaghangend
ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo is ontwikkeld om
gezond en veilig te zijn – ook voor mensen
met contactallergieën of astma. Er is extra
veel aandacht besteed aan de selectie van
milieuvriendelijke materialen. Ze voldoen dan
ook aan de eisen van de ecologische norm
Öko-Tex 100 – een enorme stap op weg naar
een gezonder binnenmilieu.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoor-
beeld de veiligheidsgordels, de vloerbe-
kleding en de gebruikte garens en stoffen.
Ook de lederen bekledingsvarianten zijn
chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen
en voldoen aan de gestelde eisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en
het milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de
voorwaarden scheppen voor een laag brand-
stofverbruik en op die manier bijdragen aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties
en het onderhoud aan de auto toevertrouwd
aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de
auto een onderdeel van ons systeem. We
stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage
van onze werkplaatsen om te voorkomen dat
er schadelijke stoffen vrijkomen in het milieu.
Een onderdeel daarvan is een zorgvuldige
inzameling en scheiding van de gasvormige,
vloeibare en afvalstoffen in onze
werkplaatsen. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door milieuvriendelijke autover-
zorgingsproducten te kopen en de auto te
onderhouden of te laten onderhouden aan de
hand van de aanwijzingen in het instructie-
boekje.
Hier volgen enkele tips voor hoe u het milieu
kunt ontzien:
Zorg ervoor dat de banden de juiste
spanning hebben. Een te lage banden-
spanning leidt tot een verhoogd brand-
stofverbruik. Bij gebruik van de hogere
bandenspanningswaarden die Volvo
adviseert neemt het brandstofverbruik af.
Laat spullen niet onnodig in de auto
liggen. Hoe groter de belading van de
auto, des te hoger het brandstofverbruik.
Gebruik altijd de elektrische motorver-
warming bij een koudestart, als de auto
hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
Rijd rustig. Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
Rijd in de hoogst
mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt
voor een lager verbruik.
Laat het gaspedaal los
wanneer u van een
helling afrijdt.
Rem op de motor. Laat het gaspedaal los
en schakel terug.
Voorkom stationair draaien. Zet de motor
af wanneer u lang stilstaat in een file.
1. Optie.
C70 w540.book Page 4 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
5
Volvo Car Corporation en het milieu
Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s
en olie, op een milieu-
vriendelijke manier.
Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats als u niet
zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
Onderhoud uw auto regelmatig.
Door deze tips op te volgen kan het brand-
stofverbruik worden verlaagd zonder dat dit
van invloed is op de reistijd of het plezier in
het autorijden. U spaart uw auto, bespaart
geld en gebruikt minder van de hulpbronnen
op aarde.
C70 w540.book Page 5 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
6
C70 w540.book Page 6 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
7
Inhoud
Veiligheid 9
Instrumenten, schakelaars en bediening 33
Klimaatregeling 61
Interieur 71
Sloten en alarm 89
Starten en rijden 101
Wielen en banden 133
Verzorging 149
Onderhoud en service 155
Infotainment 181
Technische gegevens 203
C70 w540.book Page 7 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
8
C70 w540.book Page 8 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
9
Veiligheid
Veiligheidsgordels 10
AIRBAG-systeem 13
Airbags (SRS) 14
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde 15
Airbag (SRS) activeren/deactiveren 17
SIPS-airbags (zij-airbags) 19
Opblaasgordijnen (DMIC) 21
WHIPS 22
Roll-Over Protection System (ROPS) 24
Activering van de veiligheidssystemen 25
Crash mode 26
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen 27
Kinderen en veiligheid 28
C70 w540.book Page 9 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
10
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Draag altijd een
veiligheidsgordel
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veilig-
heidsgordel omhebben. Zo wordt voorkomen
dat bij een aanrijding de passagiers op de
achterbank tegen de rugleuning van de
voorstoelen worden geslingerd.
De veiligheidsgordel omdoen:
Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te
steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de gordel vastzit.
De gordel losmaken:
Druk op de rode knop van de sluiting.
Laat het oprolmechanisme de gordel naar
binnen trekken. Als de gordel niet volledig
wordt opgerold, moet u de gordel
handmatig zo ver terugrollen dat deze niet
langer slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Voor optimale bescherming van de veilig-
heidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De
veiligheidsgordel biedt de beste
bescherming bij een normale rijhouding.
Let erop dat:
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de gordel niet strak
langs uw lichaam kunt trekken
er geen slagen in de gordel zitten en dat
hij nergens achter blijft steken
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
WAARSCHUWING!
Elke gordel is bestemd ter bescherming
van slechts een persoon.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veilig-
heidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als de gordel zwaar belast werd, bijvoor-
beeld tijdens een aanrijding, moet de
complete gordel worden vervangen. De
gordel kan een deel van zijn beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
deze ogenschijnlijk niet beschadigd is.
Vervang de gordel ook als deze versleten
of beschadigd is. De nieuwe veiligheids-
gordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de
vervangen gordel.
C70 w540.book Page 10 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
11
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Gordelwaarschuwing
Er gaan waarschuwingslampjes branden en
er worden geluidssignalen afgegeven
wanneer iemand de gordel niet draagt. Of er
geluidssignalen klinken hangt af van de
snelheid. De waarschuwingslampjes zitten in
de plafondconsole en op het instrumenten-
paneel. Bij lage snelheid vallen de geluidssig-
nalen na zes seconden stil.
De gordelwaarschuwing geldt niet voor
kinderzitjes die met de veiligheidsgordel op
de passagiersstoel zijn vastgezet.
Achterbank
De functie van de gordelwaarschuwing voor
de achterbank is tweeledig:
Aangeven met een melding op het infor-
matiedisplay welke veiligheidsgordels van
de achterbank er worden gebruikt. De
melding wordt na ca. 30 seconden
automatisch gewist, maar kan ook
handmatig worden bevestigd door op de
knop READ te drukken.
Waarschuwen dat iemand op de
achterbank de veiligheidsgordel heeft
losgenomen. Er wordt gewaarschuwd
met een melding op het informatiedisplay
in combinatie met een geluidssignaal en
een waarschuwingslampje. De
waarschuwing stopt wanneer de gordel
weer is omgedaan, maar kan ook
handmatig worden bevestigd door op de
knop READ te drukken.
De melding op het informatiedisplay, die
aangeeft welke gordels er gebruikt worden, is
altijd beschikbaar. Druk op de knop READ
om de vastgelegde meldingen te zien.
Bepaalde markten
Er gaan waarschuwingslampjes branden en
er worden geluidssignalen afgegeven
wanneer iemand de gordel niet draagt. Bij
lage snelheid vallen de geluidssignalen na
zes seconden stil.
Veiligheidsgordel en
zwangerschap
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk
dat u de gordel altijd op de juiste manier
draagt. De gordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten
en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de gordel moet vlak tegen
de buitenkant van de bovenbenen liggen en
zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het mag
nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De gordel moet zo strak mogelijk over het
lichaam lopen zonder onnodige speling.
Controleer ook of de gordel nergens
gedraaid zit.
C70 w540.book Page 11 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
12
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen
moeten kunnen komen). Streef ernaar de
afstand tussen de buik en het stuur zo groot
mogelijk te maken.
Keurmerk op veiligheidsgordels met gordel-
spanner.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met
gordelspanners. Dit is een mechanisme dat
bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond
het lichaam spant. De gordel kan de
passagier daarmee beter in de stoel gedrukt
houden.
De gordelgeleiding zit zowel op de bestuur-
dersstoel als op de passagiersstoel.
Gordelgeleiding
De gordelgeleiding is een hulpmiddel
waarmee de veiligheidsgordel beter te
bereiken is. Neem de gordel bij het in- en
uitstappen uit de gordelgeleiding en plaats
de gordel achteraan op de gordelstang.
C70 w540.book Page 12 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
13
Veiligheid
AIRBAG-systeem
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
Het airbagsysteem
1
wordt continu gecontro-
leerd door de regeleenheid. Het waarschu-
wingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
zeven seconden, wanneer de regeleenheid
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem
1
geen storingen vertoont.
Behalve het waarschuwings-
lampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is,
een melding op het informa-
tiedisplay. Als het waarschu-
wingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdrie-
hoekje branden en verschijnt
er SRS-AIRBAG/
SERVICE SPOED op het
display. Neem zo spoedig
mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
1. Omvat SRS en gordelspanners,
SIPS, DMIC en ROPS.
WAARSCHUWING!
Als het waarschuwingslampje voor het
airbagsysteem blijft branden of tijdens het
rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat
het airbagsysteem niet naar behoren
werkt. Het lampje kan ook duiden op een
storing in de gordelspanners, het SIPS-,
het SRS- of het DMIC-systeem. Neem zo
spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
C70 w540.book Page 13 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
14
Veiligheid
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de
bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplementary
Restraint System) in het stuurwiel. De airbag
zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
Airbag (SRS) aan de
passagierszijde
De airbag aan de passagierszijde
1
zit
opgevouwen in een ruimte boven het
dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
1. Niet alle auto’s hebben een airbag
(SRS) aan de passagierszijde. Dit is
afhankelijk van de vraag of de airbag
besteld werd tijdens het verkoop-
proces.
WAARSCHUWING!
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passa-
giers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de
rugleuning. De veiligheidsgordel moet
goed vastzitten.
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel als de airbag (SRS) geacti-
veerd is.
1
Laat kinderen nooit voor de passagier-
stoel zitten of staan. Personen die kleiner
zijn dan 140 cm mogen nooit op de
passagiersstoel plaatsnemen, als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
C70 w540.book Page 14 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
15
Veiligheid
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
SRS-systeem, auto met stuur links.
SRS-systeem
De airbag is voorzien van een gasgenerator.
Bij een voldoende krachtige aanrijding wordt
de ontsteking van de gasgenerator geacti-
veerd door de sensoren. De airbag wordt
opgeblazen en wordt tegelijkertijd warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op.
Dit is volkomen normaal. Het totale verloop,
van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
SRS-systeem, auto met stuur rechts.
N.B. De reactie van de sensoren hangt af van
de ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of
de passagierszijde vooraan wordt gedragen
of niet. Het kan dan ook zijn dat er bij
ongelukken slechts één (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-
systeem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering van
een of meerdere airbags daarop af.
N.B. De airbags werken dusdanig dat de
capaciteit ervan wordt afgestemd op de
botskracht waaraan de auto blootstaat.
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitge-
voerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen
storingen in de werking veroorzaken en
leiden tot ernstig letsel.
C70 w540.book Page 15 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
16
Veiligheid
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
Positie van de airbag aan de passagierszijde
in een auto met het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING!
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of op het paneel boven het
dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires
op of in de buurt van het SRS AIRBAG-
paneel (boven het dashboardkastje) of
binnen de actieradius van de airbag.
C70 w540.book Page 16 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
17
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag
(SRS) aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
PACOS (optie)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde
voorin kan gedeactiveerd worden met een
schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk
als daar een kind in een kinderzitje moet
zitten.
Aanduiding
Een tekstmelding op het plafondpaneel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagiers-
zijde is gedeactiveerd.
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag
Cut Off Switch).
Activeren/deactiveren
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u de contact-
sleutel te gebruiken om de stand te wijzigen.
(U kunt ook andere voorwerpen gebruiken
die qua vorm op een sleutel lijken.)
WAARSCHUWING!
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geacti-
veerd.
WAARSCHUWING!
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel wanneer de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
140 cm op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag
(passagiersstoel):
Laat personen die groter zijn dan 140 cm
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren.
C70 w540.book Page 17 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
18
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
SRS-schakelaar in stand ON.
Stand van de schakelaar
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 140 cm aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
SRS-schakelaar in stand OFF.
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd.
Met de schakelaar in deze stand kunnen
kinderen in een kinderzitje of op een kussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 140 cm beslist
niet.
WAARSCHUWING!
Laat geen passagier op de passagiers-
stoel plaatsnemen, als het waarschu-
wingslampje voor het airbagsysteem op
het instrumentenpaneel oplicht terwijl de
tekst op het plafondpaneel aangeeft dat
de airbag (SRS) aan die kant gedeacti-
veerd is. Het duidt op een ernstige
storing. Bezoek onmiddellijk een erkende
Volvo-werkplaats.
C70 w540.book Page 18 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
19
Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
Positie van de SIPS-airbags.
SIPS-airbags (zij-airbags)
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en
andere delen van de carrosserie verspreid.
De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de
passagierszijde beschermen de borstkas en
het bekken en vormen een belangrijk
onderdeel van het SIPS-systeem. De SIPS-
airbags zijn aangebracht in de frames van de
rugleuning van de voorstoelen.
Opgeblazen SIPS-airbag.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinder-
zitjes of verhogingskussens in de auto.
Het is mogelijk een kinderzitje/verhogings-
kussen op de voorstoel te plaatsen, als de
auto aan de passagierszijde niet is uitgerust
met een geactiveerde
1
airbag.
WAARSCHUWING!
De SIPS-airbags vormen een aanvulling
op het SIPS-systeem. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitge-
voerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen
storingen in de werking veroorzaken en
leiden tot ernstig letsel.
WAARSCHUWING!
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen
en de portierpanelen, omdat dit gebied
binnen de actieradius van de SIPS-airbag
ligt.
WAARSCHUWING!
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de
werking van de SIPS-airbags hinderen.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
C70 w540.book Page 19 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
20
Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
Auto met stuur links.
SIPS-systeem
De SIPS-airbag is voorzien van een gasgene-
rator. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, die op hun beurt de
gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee
wordt de klap van de aanrijding opgevangen,
waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-
airbags worden normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
Auto met stuur rechts.
C70 w540.book Page 20 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
21
Veiligheid
Opblaasgordijnen (DMIC)
Eigenschappen
Het opblaasgordijn van het DMIC-systeem
(Door Mounted Inflatable Curtain) vormt een
aanvulling op het SIPS-systeem. Het zit
verborgen achter de binnenkant van het
bestuurders- en het passagiersportier. Het
systeem beschermt inzittenden zowel voor-
als achterin. Het opblaasgordijn wordt door
sensoren geactiveerd, als de auto in de zij
wordt aangereden of als de auto het risico
loopt te kantelen. Bij activering wordt het
opblaasgordijn opgeblazen. Het systeem
helpt voorkomen dat de bestuurder en
eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
Voor de activering van het opblaasgordijn
maakt het niet uit of de hardtop nu open- of
dichtstaat.
WAARSCHUWING!
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Bevestig geen bekerhouders, accessoires
of andere voorwerpen boven op of rond
de portieren. Bij activering van het DMIC-
systeem kunnen dergelijke voorwerpen
met grote kracht omhoog worden
geslingerd of het DMIC-systeem
dusdanig hinderen dat het niet de
beoogde bescherming biedt. Dit kan
aanleiding geven tot ernstig letsel.
Gebruik uitsluitend originele Volvo-onder-
delen die bestemd zijn voor bevestiging in
de aangegeven gebieden. Leun niet met
uw arm op de bovenkant van de portieren,
omdat dit ertoe kan leiden dat het DMIC-
systeem niet wordt geactiveerd. De
beoogde bescherming kan daardoor
uitblijven.
C70 w540.book Page 21 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
22
Veiligheid
WHIPS
Bescherming tegen
whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende
rugleuningen en speciaal voor het systeem
ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide
voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd
bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van
de hoek waaronder en de snelheid waarmee
het achteropkomende voertuig de auto raakt
en de materiaaleigenschappen van dat
voertuig.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de
voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op
een zogeheten whiplash beperkt.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
verhogingskussens
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaats-
nemen en de afstand tussen het hoofd en de
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING!
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of
het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
C70 w540.book Page 22 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
23
Veiligheid
WHIPS
Zorg dat u de werking van het
WHIPS-systeem niet nadelig
beïnvloedt
WAARSCHUWING!
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop
dat u de werking van het WHIPS-systeem
niet beïnvloedt.
WAARSCHUWING!
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van
achteren, moet u het WHIPS-systeem
laten controleren bij een erkende Volvo-
werkplaats.
Er kunnen eigenschappen van het
WHIPS-systeem verloren zijn gegaan, ook
al ziet de stoel er onbeschadigd uit. Neem
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats om het systeem te laten
controleren, ook na een lichte aanrijding
van achteren.
C70 w540.book Page 23 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
24
Veiligheid
Roll-Over Protection System (ROPS)
Rolbeugels in uitgeschoven stand.
Het ROPS-systeem bestaat uit sensoren en
stevige rolbeugels die achter de hoofd-
steunen voor de achterpassagiers zitten.
Wanneer de auto het risico loopt te kantelen
registreren de sensoren dit, waarna de
rolbeugels achter de hoofdsteunen voor de
achterpassagiers omhoogkomen. Het maakt
voor de activering van de rolbeugels niet uit
of de hardtop geopend of gesloten is.
Neem altijd contact op met een erkende
Volvo-werkplaats, als het ROPS-systeem
geactiveerd werd.
WAARSCHUWING!
Verricht geen werkzaamheden aan het
ROPS-systeem.
Leg geen voorwerpen boven op het
ROPS-systeem of achter de hoofd-
steunen voor de achterpassagiers.
C70 w540.book Page 24 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
25
Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
wordt u het volgende geadviseerd:
Sleep de auto naar een erkende Volvo-
werkplaats. Rijd niet in een auto met
opgeblazen airbags.
Laat het vervangen van de onderdelen
van de veiligheidssystemen in de auto
over aan een erkende Volvo-werkplaats.
Neem altijd contact op met een arts.
N.B. De SRS-, SIPS-, DMIC-, ROPS-
systemen en de gordelspanners worden bij
een botsing of kanteling slechts eenmaal
geactiveerd.
Systeem Activering
Gordelspanners Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen.
Airbags (SRS) Bij een frontale botsing
1
.
SIPS-airbags Bij een aanrijding in de zij
1
.
Opblaasgordijnen (DMIC) Bij een aanrijding in de zij en/of kantelen
1
.
WHIPS-systeem Bij aanrijdingen van achteren.
Roll-Over Protection System (ROPS) Bij kantelen.
1. Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en
het gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op
de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
WAARSCHUWING!
De regeleenheid van het airbagsysteem
zit in de middenconsole. Als de midden-
console doorweekt geraakt is, moet u de
accukabels loskoppelen. Probeer de auto
niet te starten, omdat de airbags daarbij
geactiveerd kunnen worden. Sleep de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze
kunnen u bij het sturen danig in de weg
zitten. Ook de andere veiligheidssystemen
kunnen beschadigd zijn. Langdurige
blootstelling aan de rook- en stofdeeltjes
die vrijkomen bij het opblazen van de
airbags kan oog- en huidirritatie veroor-
zaken. Spoel bij irritatie met koud water.
De snelheid waarmee de airbags/
gordijnen worden opgeblazen kan in
combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
C70 w540.book Page 25 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
26
Veiligheid
Crash mode
Rijden na een aanrijding
Als de auto betrokken is geweest bij een
aanrijding, kan de tekst CRASH MODE –
ZIE HANDLEIDING op het informatiedisplay
verschijnen. Dit betekent dat de functiona-
liteit van de auto is verminderd. CRASH
MODE is een veiligheidsfunctie die in
werking treedt wanneer de aanrijding een
belangrijke onderdeel van de auto zoals de
brandstofleidingen, de sensoren voor een
van de veiligheidssystemen of het
remsysteem, kan hebben beschadigd.
Auto proberen te starten
Controleer eerst of er geen brandstof uit de
auto is gelopen. Er mag geen brandstofgeur
aanwezig zijn.
Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld
dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen
de motor te starten.
Haal de contactsleutel uit het contact en
steek hem er opnieuw in. De elektronica
van de auto probeert te resetten naar de
normale stand. Probeer vervolgens de
auto te starten. Als CRASH MODE nog
op het display staat, mag u niet met de
auto rijden en hem niet verslepen.
Verborgen schade kan de auto tijdens het
rijden onbestuurbaar maken, zelfs als het
lijkt dat u nog met de auto kunt rijden.
Auto verzetten
Als de melding NORMAL MODE wordt
weergegeven nadat de CRASH MODE is
gereset, mag de auto voorzichtig uit de
huidige, gevaarlijke positie worden verreden.
Verrijd de auto niet verder dan nodig.
WAARSCHUWING!
Probeer nooit zelf de auto te repareren of
de elektronische onderdelen te resetten
nadat de auto in de CRASH MODE heeft
gestaan. Dit kan aanleiding geven tot
letsel of een slechte functie van de auto.
Laat de auto altijd in een erkende Volvo-
werkplaats controleren en naar de
normale status (NORMAL MODE)
resetten nadat de CRASH MODE is
verschenen.
WAARSCHUWING!
Probeer onder geen beding de auto
opnieuw te starten, als u brandstof ruikt
terwijl de melding CRASH MODE wordt
weergegeven. Verlaat de auto onmid-
dellijk.
WAARSCHUWING!
De auto mag niet worden weggesleept
zolang deze in de CRASH MODE staat.
De auto moet van zijn huidige plaats
worden vervoerd naar een erkende Volvo-
werkplaats.
C70 w540.book Page 26 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
27
Veiligheid
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen
Controle-intervallen
De stickers in de portieropening geven het
jaar en de maand aan waarin u contact moet
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om de airbags, gordelspanners en opblaas-
gordijnen te laten controleren en eventueel te
laten vervangen. Als u vragen hebt over de
systemen, kunt ook contact opnemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
1. Airbag aan de bestuurderszijde
2. Airbag aan de passagierszijde
3. SIPS-airbag aan de bestuurderszijde
4. SIPS-airbag aan de passagierszijde
5. Opblaasgordijn aan de bestuurderszijde
6. Opblaasgordijn aan de passagierszijde
Deze sticker vindt u in de portieropening
rechtsachter.
C70 w540.book Page 27 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
28
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
De plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting zijn afhankelijk van het
gewicht en de lengte van het kind (zie
pagina 30 voor meer informatie).
Kinderen die kleiner zijn dan 150 cm dienen
in een passend kinderzitje te worden
vervoerd.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
vervoer van kinderen in de auto verschillen
van land tot land. Ga na welke regels er in uw
land van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in
uw auto. Door het gebruik van originele
Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de
bevestigingspunten en bevestigingsonder-
delen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
Het volgende kan worden gebruikt:
een kinderzitje op de passagiersstoel,
zolang de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd
1
is;
een achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje op de achterbank dat tegen de
rugleuning van de voorstoel steunt.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Kinderzitjes en airbags
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd
1
is. Als de airbag wordt geactiveerd, kan een
kind in een kinderzitje aan de passagierszijde
ernstig letsel oplopen.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
WAARSCHUWING!
Personen kleiner dan 140 cm mogen
alleen op de voorstoel plaatsnemen,
wanneer de airbag gedeactiveerd
1
is.
C70 w540.book Page 28 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
29
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van airbagsticker in voorportiero-
pening aan passagierszijde.
Sticker op zijwand dashboard. Sticker op zijwand dashboard. (alleen
Australië).
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel, als de airbag (SRS) geacti-
veerd
1
is. Het niet opvolgen van de deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
C70 w540.book Page 29 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
30
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht (leeftijd) Voorstoel
1
Buitenste zitplaats achterbank
<10 kg
(tot 9 maanden)
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel en bevestigingsband.
Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het
dashboard.
L
2
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel, steun en bevestigingsband.
L
2
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
9–18 kg
(9–36 maanden)
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel en bevestigingsband.
Gebruik een veiligheidskussen
tussen het kinderzitje en het
dashboard.
L
2
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel, steun en bevestigingsband.
L
2
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
15–36 kg
(3–12 jaar)
Gordelkussen met of zonder
rugleuning.
L
2
: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Of: Gordelkussen met of zonder
rugleuning.
L
2
: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
1. Zie pagina 17 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
2. L: Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen
bestemd zijn voor een bepaald merk auto, voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
C70 w540.book Page 30 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
31
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
ISOFIX-bevestigingssysteem
voor kinderzitjes
De zitplaatsen van de achterbank zijn
voorbereid voor het ISOFIX-bevestigings-
systeem voor kinderzitjes. Neem contact op
met een Volvo-dealer voor meer informatie
over veiligheidsuitrusting voor kinderen.
Kinderzitje monteren
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor
kinderen die afgestemd is op uw Volvo en
uitvoerig door Volvo getest is.
Bij het gebruik van andere op de markt
verkrijgbare producten is het belangrijk dat u
de bijgeleverde montagevoorschriften
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het
kinderzitje nooit vast aan de hendel
waarmee u de voorstoel in de lengte-
richting verstelt of aan veren, rails of
balken onder de stoel. Scherpe randen
kunnen de bevestigingsbanden bescha-
digen.
Laat de rugleuning van het kinderzitje
tegen het dashboard steunen. Dit geldt
voor auto’s zonder airbag aan de passa-
gierszijde of auto’s waarvan de passa-
giersairbag is gedeactiveerd.
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel als de airbag (SRS)
geactiveerd
1
is.
Personen kleiner dan 140 cm mogen
nooit op de passagiersstoel plaatsnemen
als de airbag (SRS) geactiveerd
1
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
WAARSCHUWING!
Plaats nooit een kinderzitje op de
voorstoel, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde
1
airbag aan de passagiers-
zijde. Bij problemen tijdens de montage
van kinderveiligheidsproducten kunt u
contact opnemen met de fabrikant voor
nadere inlichtingen over de montage.
C70 w540.book Page 31 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
32
Veiligheid
C70 w540.book Page 32 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
33
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur links 34
Overzicht auto met stuur rechts 36
Bedieningspaneel op bestuurdersportier 38
Instrumentenpaneel 39
Controle- en waarschuwingslampjes 40
Informatiedisplay 44
Elektrische aansluiting 45
Verlichtingspaneel 46
Linker stuurhendel 47
Rechter stuurhendel 49
Cruise control (optie) 51
Toetsenset op stuurwiel (optie) 52
Stuurwielafstelling, alarmlichten 53
Elektrisch bedienbare ruiten 54
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels 55
Persoonlijke instellingen 58
C70 w540.book Page 33 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
34
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur links
Auto met stuur links.
C70 w540.book Page 34 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
35
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur links
1. Stuurwielafstelling...............................................................pagina 53
2. Openingshandgreep, motorkap....................................pagina 158
3. Bedieningspaneel, ruiten en
buitenspiegels................................................. pagina 38/pagina 56
4. Stuurhendel, links................................................................pagina 47
5. Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep........pagina 46
6. Portierhandgreep en vergrendelingsknop.....................pagina 96
7. Controlelampje, vergrendeling.........................................pagina 96
8. Blaasmond, dashboard......................................................pagina 62
9. Blaasmond, zijruit
10. Toetsenset stuurwiel, links ................................................pagina 51
11. Claxon en airbag .................................................................pagina 14
12. Instrumentenpaneel............................................................pagina 39
13. Toetsenset stuurwiel, rechts.............................................pagina 52
14. Stuurhendel, rechts ............................................................pagina 49
15. Contactslot........................................................................pagina 106
16. Achteruitkijkspiegel.............................................................pagina 55
17. Gordelwaarschuwing.........................................................pagina 11
18. Schakelaar, interieurverlichting linkerzijde .....................pagina 79
19. Schakelaar, alarmsensoren en Safelock-functie ..........pagina 98
20. Schakelaar, automatische bediening
interieurverlichting...............................................................pagina 80
21. Schakelaar, ingebouwd accessoire ................................pagina 98
22. Schakelaar, interieurverlichting rechterzijde..................pagina 79
23. Display, auto-instellingen/
geluidsinstallatie e.d....................................pagina 58/pagina 182
24. Bediening, auto-instellingen/
geluidsinstallatie e.d....................................pagina 58/pagina 182
25. Klimaatregeling....................................................................pagina 64
26. Controlelampje, alarmlichten............................................pagina 53
27. Portierhandgreep en vergrendelingsknop.....................pagina 96
28. Dashboardkastje.................................................................pagina 82
29. Versnellingspook, handbak/automaat ...pagina 108/pagina 110
30. Handrem............................................................................ pagina 114
31. Elektrische aansluiting en aansteker ..............................pagina 45
32. Schakelaar, bediening hardtop........................................pagina 75
C70 w540.book Page 35 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
36
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur rechts
Auto met stuur rechts.
C70 w540.book Page 36 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
37
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto met stuur rechts
1. Schakelaar, bediening hardtop ........................................pagina 75
2. Elektrische aansluiting en aansteker...............................pagina 45
3. Handrem ............................................................................pagina 114
4. Bedieningspaneel, ruiten en
buitenspiegels................................................. pagina 38/pagina 56
5. Dashboardkastje .................................................................pagina 82
6. Portierhandgreep en vergrendelingsknop.....................pagina 96
7. Controlelampje, vergrendeling.........................................pagina 96
8. Blaasmond, zijruit
9. Blaasmond, dashboard......................................................pagina 62
10. Klimaatregeling....................................................................pagina 64
11. Bediening, auto-instellingen/
geluidsinstallatie e.d....................................pagina 58/pagina 182
12. Display, auto-instellingen/
geluidsinstallatie e.d....................................pagina 58/pagina 182
13. Schakelaar, interieurverlichting linkerzijde .....................pagina 79
14. Schakelaar, alarmsensoren en Safelock-functie ..........pagina 98
15. Schakelaar, automatische interieurverlichting...............pagina 80
16. Schakelaar, ingebouwd accessoire ................................pagina 98
17. Schakelaar, interieurverlichting rechts............................pagina 79
18. Gordelwaarschuwing.........................................................pagina 11
19. Achteruitkijkspiegel.............................................................pagina 55
20. Contactslot........................................................................pagina 106
21. Stuurhendel, links................................................................pagina 47
22. Toetsenset stuurwiel, links ................................................pagina 51
23. Instrumentenpaneel............................................................pagina 39
24. Claxon en airbag .................................................................pagina 14
25. Toetsenset stuurwiel, rechts.............................................pagina 52
26. Controlelampje, alarmlichten............................................pagina 53
27. Portierhandgreep en vergrendelingsknop.....................pagina 96
28. Verlichtingspaneel en openingsknop tankvulklep........pagina 46
29. Stuurhendel, rechts............................................................pagina 49
30. Openingshandgreep, motorkap ................................... pagina 158
31. Hendel, stuurwielafstelling................................................pagina 53
32. Versnellingspook, handbak/automaat ...pagina 108/pagina 110
C70 w540.book Page 37 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
38
Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
1. Elektrisch bedienbare ruiten, alle ruiten
sluiten/openen
2. Elektrisch bedienbare ruiten
3. Buitenspiegel, linkerzijde
4. Buitenspiegels, instelling
5. Buitenspiegel, rechterzijde
C70 w540.book Page 38 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
39
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
1. Snelheidsmeter
2. Richtingaanwijzer, links
3. Waarschuwingslampje
4. Informatiedisplay
Op het display verschijnen informatieve
teksten en waarschuwingsmeldingen, de
buitentemperatuur en de tijd. Wanneer de
temperatuur tussen –5 °C en +2 °C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display.
Het lampje wijst op het gevaar voor gladheid.
Als de auto heeft stilgestaan, kan de buiten-
temperatuurmeter een te hoge waarde
aangeven.
5. Informatielampje
6. Richtingaanwijzer, rechts
7. Toerenteller
Geeft het motortoerental aan in duizenden
omwentelingen per minuut.
8. Controle- en informatielampjes
9. Brandstofmeter
10. Knop voor de dagteller
Wordt gebruikt om korte afstanden te meten.
Door kort op de knop te drukken, kunt u van
dagteller T1 en T2 wisselen. Als u de knop
lang indrukt (meer dan 2 seconden) zet u de
geactiveerde dagteller op nul.
11. Display
Geeft de schakelstanden van de automa-
tische versnellingsbak, regensensor, kilome-
terteller, dagteller en Cruise control aan.
12. Grootlichtindicatie
13. Knop voor de klok
Draai aan de knop om de tijd in te stellen.
14. Temperatuurmeter
De temperatuurmeter van het koelsysteem
van de motor. Op het display verschijnt een
melding, als de temperatuur abnormaal hoog
is en de naald tot in het rode gebied uitslaat.
Let erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de
luchtinlaat bij een hoge buitentemperatuur en
een zware belasting van de motor het
koelvermogen verminderen.
15. Controle- en waarschuwingslampjes
C70 w540.book Page 39 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
40
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes
gaan branden wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De
werking van de lampjes wordt dan gecontro-
leerd. Alle lampjes moeten weer uitgaan als
de motor is aangeslagen, behalve het lampje
voor de handrem. Dit gaat pas uit, als de auto
van de handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen vijf
seconden aanslaat, gaan alle
lampjes uit behalve de lampjes
voor storingen in het uitlaatgas-
reinigingssysteem van de auto
en een te lage oliedruk. Afhan-
kelijk van de uitrusting van de auto is het
mogelijk dat bepaalde lampjes geen functie
hebben.
Lampjes in het midden van het
instrumentenpaneel
Het rode waarschuwingslampje
gaat branden, wanneer er een
storing is geregistreerd die de
veiligheid en/of de rijeigen-
schappen van de auto kan beïnvloeden. Er
verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekst
op het informatiedisplay. Het waarschu-
wingslampje brandt en de tekst is zichtbaar
totdat de storing is verholpen. Het waarschu-
wingslampje kan ook gaan branden in combi-
natie met andere lampjes.
Stop op een veilige plek. Rijd niet verder
met de auto.
Lees de informatie op het informatie-
display.
Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als er een afwijking bestaat in
een van de systemen in de auto,
gaat het oranje informatielampje
branden en verschijnt er tekst op
het display. U verwijdert het
bericht met behulp van de knop READ (zie
pagina 44). Het bericht verdwijnt automa-
tisch na 2 minuten.
Het oranje informatielampje kan ook gaan
branden in combinatie met andere lampjes.
N.B. Wanneer de tekst “TIJD VOOR REG.
SERVICE” verschijnt, kunt u het waarschu-
wingslampje uitdoen en de tekst verwijderen
met een druk op knop READ. Dit gebeurt
automatisch na 2 minuten als u niets doet.
C70 w540.book Page 40 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
41
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Controlelampjes, linkerzijde
1. Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren.
2. Storing in ABS
Als het lampje brandt, werkt het
systeem niet. Het normale
remsysteem van de auto werkt
dan nog wel, zij het zonder ABS-
regeling.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Start de motor opnieuw.
Als het lampje echter blijft branden, moet
u de auto naar een erkende Volvo-
werkplaats rijden om het ABS-systeem te
laten controleren.
3. Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt
ingeschakeld.
4. Stabiliteitssysteem DSTC
Het knipperende lampje geeft
aan dat het stabiliteitssysteem
werkt.
5. Geen functie
6. Geen functie
7. Laag peil in brandstoftank
Wanneer het lampje oplicht, zit er
nog ongeveer 8 liter brandstof in
de tank.
Controlelampjes, rechterzijde
1. Controlelampje voor aanhanger
Het lampje knippert, wanneer u
de richtingaanwijzers op de auto
en de aanhanger gebruikt. Als het
lampje niet knippert, is een van de
lampen op de auto of de aanhanger defect.
2. Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
N.B. Het controlelampje geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
C70 w540.book Page 41 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
42
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
3. Airbags (SRS)
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in de gordelsluiting of in
het SRS-, SIPS-, ROPS- of
DMIC-systeem geregistreerd. Rijd de auto zo
snel mogelijk naar een erkende Volvo-
werkplaats om het systeem te laten contro-
leren.
4. Te lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de
motorolie te laag. Zet de motor
onmiddellijk af en controleer het
motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het
lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde is,
moet u contact opnemen met een erkende
Volvo-werkplaats.
5. Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt als de
bestuurder of de voorpassagier
geen veiligheidsgordel draagt of
als iemand op de achterbank de
gordel heeft losgenomen.
6. Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
gaat branden, is er sprake van een
storing in het elektrisch systeem.
Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
7. Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het
remvloeistofpeil mogelijk te laag.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir. Zie pagina 162. Als
het peil lager is dan het MIN -streepje van
het remvloeistofreservoir, kunt u beter niet
verder rijden met de auto. Laat de auto
naar een erkende Volvo-werkplaats
slepen om het remsysteem te laten
controleren.
Als de waarschuwingslampjes
voor het REMSYSTEEM en
ABS tegelijkertijd branden, kan
er een storing in de remkracht-
verdeling zijn opgetreden.
Breng de auto op een veilige
plaats tot stilstand en zet de
motor af.
Start de motor opnieuw.
Rijd verder als beide lampjes uitgaan.
Als de lampjes echter blijven branden,
moet u het peil in het remvloeistofre-
servoir controleren (zie pagina 162).
Als de lampjes blijven branden ondanks
dat het peil van de remvloeistof in orde is,
moet u de auto uiterst voorzichtig naar
een erkende Volvo-werkplaats rijden om
het remsysteem te laten controleren.
Als het peil lager is dan het MIN -streepje
van het remvloeistofreservoir kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats
slepen om het remsysteem te laten
controleren.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het
REMSYSTEEM en ABS tegelijkertijd
branden, bestaat het gevaar dat de
achtertrein bij krachtig remmen gaat
slippen.
C70 03 Instruments and controls w540.fm Page 42 Thursday, August 4, 2005 9:32 AM
43
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Waarschuwing, portieren niet
gesloten
Als een van de portieren, de motorkap
1
of het
kofferdeksel niet goed afgesloten is, wordt u
daarop attent gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van
maximaal 7 km/h rijdt, gaat het
informatielampje branden en
verschijnt een van de volgende
meldingen op het display:
BESTUURDERSPORTIER OPEN,
PASSAGIERSPORTIER OPEN of
MOTORKAP OPEN. Breng de auto op een
veilige plaats tot stilstand en sluit het portier
of kofferdeksel dat openstaat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van
de meldingen uit de vorige
alinea op het display weergegeven.
Waarschuwing kofferdeksel
Als het kofferdeksel openstaat,
gaat het informatielampje
branden en op het display
verschijnt ACHTERKLEP
OPEN.
1. Alleen auto’s met alarm
C70 w540.book Page 43 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
44
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Meldingen
Wanneer een waarschuwings- of controle-
lampje oplicht, verschijnt er tevens een aanvul-
lende melding op het informatiedisplay.
Druk op de knop READ (A).
Blader met de knop READ de meldingen
door. Meldingen blijven in het geheugen
vastgelegd totdat u de onderliggende storing
hebt laten verhelpen.
N.B. Als er een waarschuwingsmelding
verschijnt als de boordcomputer wordt
gebruikt, moet u de melding lezen (druk op de
knop READ) voordat u de eerdere activiteit
kunt hervatten.
Melding Betekenis
STOP AUTO Z.S.M. Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
ZET MOTOR UIT Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
SERVICE SPOED Laat de auto onmiddellijk nakijken. Het wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen
met een erkende Volvo-werkplaats.
ZIE HANDLEIDING Lees het instructieboekje.
SERVICE VEREIST Laat de auto zo spoedig mogelijk nakijken. Het wordt geadviseerd daarvoor contact op te
nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
TIJD VOOR REG. SERVICE Het is tijd voor service. Het wordt geadviseerd daarvoor contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats. Het moment hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat is
verstreken sinds de laatste servicebeurt en het aantal draaiuren van de motor.
CONTROLEER OLIEPEIL De melding dient om u eraan te herinneren het oliepeil te controleren en verschijnt om de
10 000 km. Zie pagina 160 voor informatie over het controleren van het oliepeil.
C70 w540.book Page 44 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
45
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting
U kunt de elektrische aansluiting voor
verschillende accessoires gebruiken die op
een spanning van 12 V werken, zoals een
mobiele telefoon of koelbox. U kunt maximaal
10 A via de aansluiting afnemen. De contact-
sleutel moet ten minste in stand I staan,
anders geeft de aansluiting geen stroom.
Aansteker (optie)
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het
roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een
sigaret mee aan te steken.
WAARSCHUWING!
Laat de plug altijd in de aansluiting zitten
als u deze niet gebruikt.
C70 w540.book Page 45 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
46
Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer kunt verblinden. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar
een van de eindstanden.
Draai het duimwiel (1) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen
1
zijn
uitgerust met automatische koplamphoogte-
regeling, zodat het duimwiel (1) ontbreekt.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen ongeacht
de stand van de contactsleutel.
Draai de verlichtingsdraaiknop (2) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achter-
lichten altijd aan. De kentekenplaatverlichting
wordt gelijktijdig met de stadslichten/parkeer-
lichten vóór en de achterlichten ingeschakeld.
Koplampen
Automatisch dimlicht (bepaalde landen)
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (2) in de
middelste stand staat. U kunt het automa-
tische dimlicht zo nodig in een erkende Volvo-
werkplaats buiten werking laten stellen.
Handmatig dimlicht
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (2)
rechtsom naar de eindstand.
Groot licht
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (2)
rechtsom naar de eindstand.
Haal de linker stuurhendel tot in
eindstand naar het stuur toe en laat de
hendel vervolgens los (zie pagina 47).
Tankvulklep
Met deze knop (5) ontgrendelt u de
tankvulklep.
Mistlichten
N.B. De regels voor het gebruik van de
mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten.
Druk op de knop (4).
De LED in de knop (4) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
Druk op de knop (6).
Het controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en de LED in de
knop (6) branden, wanneer het mistachter-
licht is ingeschakeld.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (2) in een van de
eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht
automatisch gedimd en valt bij donker
handmatig te regelen.
Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
1. Optie
C70 w540.book Page 46 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
47
Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
1. Korte serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en Follow-Me-Home-verlichting
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat de hendel
vervolgens los.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op
waarna de stuurhendel terugveert naar de
uitgangspositie.
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 46).
Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3)
naar het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden,
totdat u de hendel weer loslaat.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenver-
lichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden
1
, maar
is te wijzigen in 60 of 90 seconden (zie
pagina 59).
Neem de sleutel uit het contactslot.
Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1. Fabrieksinstellingen.
C70 w540.book Page 47 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
48
Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Boordcomputer
Om toegang te krijgen tot de functies van de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog of omlaag draaien.
Wanneer u na het laatste menu nogmaals
aan het wieltje draait, keert u terug naar de
uitgangspositie.
N.B. Als er een waarschuwingsmelding
verschijnt terwijl de boordcomputer in
gebruik is, moet u de melding bevestigen.
Doe dat door op de knop READ (A) te
drukken waarna u naar de boordcomputer-
functie terugkeert.
Functies
GEMIDDELDE SNELHEID
ACTUEEL BRANDSTOFVERBRUIK
GEMIDDELD VERBRUIK
BEREIK TOT LEGE BRANDSTOFTANK
SNELHEID IN MILES PER HOUR
1
DSTC (zie pagina115)
STANDVERWARMING (optie, standver-
warming zie pagina 68)
Gemiddelde snelheid
Wanneer u het contact uitzet, wordt de
gemiddelde snelheid vastgelegd om als
uitgangswaarde te dienen bij het vervolg van
de rit. U kunt de waarde met de knop
RESET (C) op nul stellen.
Actueel brandstofverbruik
Het actuele brandstofverbruik wordt eenmaal
per seconde berekend. De waarde op het
display wordt om de paar seconden bijge-
werkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het
display “----” aan.
Gemiddeld brandstofverbruik
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gezet (RESET). Als u het contact uitzet,
wordt het gemiddelde brandstofverbruik
vastgelegd. Het blijft bewaard, totdat u de
functie op nul stelt. Stel de waarde op nul met
de knop RESET (C).
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Bereik tot lege brandstoftank
Het bereik tot lege brandstoftank (d.w.z. de
actieradius) wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. Wanneer de actieradius
kleiner is dan 20 km, geeft het display “----”
aan.
Snelheid in miles per hour
1
De actuele snelheid wordt weergegeven
in mph.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u bijvoorbeeld van rijstijl bent veranderd of
een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Op nul stellen
Selecteer GEMIDDELDE SNELHEID of
GEMIDDELD BRANDSTOFVERBRUIK.
Houd de knop RESET (C) ten minste vijf
seconden lang ingedrukt om de gemid-
delde snelheid en het gemiddelde brand-
stofverbruik gelijktijdig te resetten.
1. Bepaalde landen
C70 w540.book Page 48 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
49
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
A. Ruiten- en koplampsproeiers
B. Regensensor, aan/uit
C. Duimwiel
D. Geen functie
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitge-
schakeld als de hendel in stand 0
staat.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
Intervalstand
U kunt het aantal slagen per
eenheid van tijd instellen. Draai
het duimwiel (C) rechtsom voor
een korter interval tussen de
slagen. Draai het linksom om het
interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op
normale snelheid.
De wissers bewegen op hoge
snelheid.
Ruiten-/koplampsproeiers
U activeert de sproeiers van de voorruit en de
koplampen door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken. De wissers maken nog drie
slagen nadat u de hendel hebt losgelaten.
Hogedruksproeiers koplampen
(optie in bepaalde landen)
De hogedruksproeiers van de koplampen
verbruiken een grote hoeveelheid ruiten-
sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen,
worden de koplampen als volgt gesproeid:
Dimlicht ingeschakeld met de knop op het
verlichtingspaneel:
De eerste keer dat u de voorruit sproeit,
worden ook de koplampen gesproeid.
Vervolgens worden de koplampen iedere
vijfde sproeibeurt van de voorruit gesproeid,
zolang er maximaal tien minuten tussen de
eerste en vijfde sproeibeurt zitten. Bij langere
intervallen worden de koplampen iedere keer
gesproeid.
Stadslichten/parkeerlichten voor en
verlichting achter ingeschakeld met de knop
op het verlichtingspaneel:
Bi-Xenonkoplampen worden slechts
iedere vijfde sproeibeurt gesproeid,
ongeacht de tijd die is verstreken.
Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
Draaiknop op verlichtingspaneel in stand 0:
Bi-Xenonkoplampen worden slechts
iedere vijfde sproeibeurt gesproeid,
ongeacht de tijd die is verstreken.
Halogeenkoplampen worden niet
gesproeid.
BELANGRIJK!
Sproei een royale hoeveelheid ruiten-
sproeiervloeistof op de voorruit wanneer
de ruitenwissers werken. De voorruit
moet nat zijn bij gebruik van de
ruitenwissers.
C70 w540.book Page 49 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
50
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Regensensor (optie)
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoe-
ligheid van de regensensor is in te stellen met
het duimwiel (C).
Draai het duimwiel rechtsom voor een grotere
gevoeligheid en linksom voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra
slag, als u het duimwiel rechtsom draait).
Aan/Uit
Als u de regensensor activeert, moet de
contactsleutel in stand I of II staan en de
hendel van de ruitenwissers in stand 0.
U activeert u de regensensor door:
op de knop (B) te drukken. De LED in de
knop gaat branden om aan te geven dat
de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de
volgende manieren weer uit:
druk op de knop (B)
haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel
omhoogduwt, blijft de regensensor actief.
De wissers maken een extra slag en keren
terug naar de regensensorstand, wanneer
u de hendel terug laat veren in stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitge-
schakeld, wanneer u de sleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
auto van het contact hebt gezet.
Duimwiel
Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen
per eenheid van tijd instellen (als u de inter-
valstand hebt geselecteerd) of de gevoe-
ligheid van de regensensor (als u de
regensensor hebt geactiveerd).
BELANGRIJK!
In automatische wasstraten:
Schakel de regensensor uit door op
knop (B) te drukken, terwijl de contact-
sleutel in stand I of II staat. De ruiten-
wissers kunnen anders in beweging
komen en daarbij beschadigd raken.
C70 w540.book Page 50 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
51
Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruise control (optie)
Inschakelen
De bedieningsorganen voor de Cruise
control vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
Druk op de knop CRUISE. Op het instru-
mentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
–Druk op + of om de snelheid van de
auto vast te zetten. Op het instrumenten-
paneel verschijnt CRUISE-ON.
De Cruise control kan niet worden
ingeschakeld bij snelheden lager dan
30 km/h of hoger dan 200 km/h.
Snelheid verhogen of verlagen
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of in te drukken. De
snelheid die de auto heeft op het moment
dat u de knop loslaat, zal vervolgens
worden geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve
seconde) op + of komt overeen met een
snelheidswijziging van 1 km/h of 1,6 km/h
1
.
N.B. Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op de
instelling van de Cruise control. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automa-
tisch de ingestelde snelheid weer aan.
Tijdelijk uitschakelen
–Druk op0 om de Cruise control tijdelijk uit
te schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitscha-
keling in het geheugen vastgelegd.
De Cruise control wordt bovendien tijdelijk
uitgeschakeld, als:
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h
1
;
u de keuzehendel in stand N zet;
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te
hervatten. Op het instrumenten-
paneel verschijnt CRUISE-ON.
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de Cruise control uit te
schakelen. CRUISE-ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
1. Afhankelijk van het motortype.
C70 w540.book Page 51 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
52
Instrumenten, schakelaars en bediening
Toetsenset op stuurwiel (optie)
Functie van de toetsen
Met de vier toetsen onder aan de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel het audio-
systeem als de telefoon regelen. De functie
van de toetsen hangt af van het systeem dat
u geactiveerd hebt. Met de toetsenset op het
stuur kunt u het volume regelen, een andere
zender of een ander nummer op een cd/md
selecteren.
Houd een van de pijltoetsen ingedrukt om
versneld voor- of achteruit te spoelen of een
bepaalde zender te zoeken.
Om instellingen voor het audiosysteem te
kunnen verrichten, moet de telefoon stand-by
staan.
De telefoon moet actief zijn om de telefoon-
functies met de pijltoetsen te kunnen
bedienen.
Zie pagina 192 voor meer informatie over de
telefoonfuncties.
C70 w540.book Page 52 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
53
Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling, alarmlichten
Stuurwielafstelling
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
Trek de hendel naar u toe om het stuur vrij
te geven.
Zet het stuurwiel vervolgens in de
gewenste stand.
Duw de hendel vervolgens terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het
stuurwiel drukken en tegelijkertijd de
hendel naar terugduwen.
Alarmlichten
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaan-
wijzers knipperen), wanneer u de auto
noodgedwongen tot stilstand moet brengen
op een plaats waar deze gevaar of hinder
voor het verkeer kan opleveren. Druk op de
knop om de functie te activeren.
N.B. De regels voor het gebruik van de alarm-
lichten verschillen van land tot land.
WAARSCHUWING!
Stel het stuurwiel af, voordat u gaat rijden.
Doe dit nooit tijdens het rijden. Controleer
voordat u wegrijdt, of het stuurwiel in de
gekozen stand geblokkeerd staat.
C70 w540.book Page 53 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
54
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Algemene informatie
De ruiten komen tot stilstand als ze tijdens
het sluiten in hun beweging worden
gehinderd.
Handmatige bediening houdt in dat een ruit
tot stilstand komt, zodra u de bedieningsknop
loslaat. Bij automatische bediening beweegt
de ruit ook nadat u de bedieningsknop hebt
losgelaten door.
Bedienen vanaf de buitenzijde
Het is mogelijk de ruiten vanaf de buitenzijde
te bedienen, wanneer de portieren dicht zijn
en de contactsleutel uit het contactslot is
genomen.
Voorste ruiten tegelijk – alleen openen
Druk op de ontgrendelingsknop van de
afstandsbediening (zie pagina 90) om de
voorste ruiten te openen.
De ruiten worden automatisch geopend. Bij
een korte druk op de ontgrendelingsknop
beëindigt u de beweging omlaag.
Bedieningspaneel, bestuurdersportier.
Bedienen vanaf de binnenzijde
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuur-
dersportier kunt u alle ruiten bedienen. Via
het bedieningspaneel op het passagier-
sportier kunt u alleen de ruit in het passagier-
sportier bedienen.
Na het afzetten van de motor is het mogelijk
de ruiten te bedienen zolang de portieren
dicht zijn. Als dat niet het geval is, moet u de
contactsleutel eerst naar stand I of II draaien.
Eén ruit tegelijk
U bedient een ruit handmatig door de
knoppen (A of B) tot halverwege omhoog/
omlaag te duwen. U activeert de automa-
tische bediening door de knoppen volledig
omhoog/omlaag te duwen. Alleen de voorste
zijruiten zijn automatisch te sluiten.
De bedieningsknoppen op het passagier-
sportier werken op dezelfde manier als die op
het bestuurdersportier.
Alle ruiten tegelijk
Met knop (C) kunt u alle ruiten tegelijk
openen of sluiten. Met een korte druk op de
rechterzijde van de knop worden de ruiten
automatisch geopend. Met een druk op de
linkerzijde worden ze gesloten.
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten van de ruiten of
er geen voorwerpen of personen
(kinderen in het bijzonder) bekneld raken.
Neem de contactsleutel uit als u mensen
in de auto achterlaat.
C70 w540.book Page 54 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
55
Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Achteruitkijkspiegel
Antiverblindingsfunctie
1. Verblinding gaat u tegen met de hendel
2. Normale stand
3. Antiverblindingsstand. Te gebruiken als
u de koplampen van het achterop-
komend verkeer als hinderlijk ervaart.
Antiverblinding, autodimfunctie (optie)
Een sensor (4) aan de onderkant van de
spiegel neemt het invallende licht van
achteren waar en dimt de spiegel als de
verlichting te fel is. De gevoeligheid van deze
functie kunt u bij een erkende Volvo-
werkplaats laten afstellen.
N.B. De afbeelding is een montage. De
spiegel is voorzien van een handmatige of
automatische antiverblindingsfunctie, nooit
allebei tegelijk.
Achteruitkijkspiegel met kompas
(optie in bepaalde landen)
In de rechter bovenhoek van de achteruitkijk-
spiegel zit een display waarop wordt aange-
geven in welke richting de voorkant van de
auto wijst. Er worden acht verschillende
richtingen met Engelse afkortingen weerge-
geven: N (Noord), NE (Noordoost), E (Oost),
SE (Zuidoost), S (Zuid), SW (Zuidwest),
W (West) en NW (Noordwest).
C70 w540.book Page 55 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
56
Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Kompas afstellen
Het kompas moet in speciale gevallen
worden geijkt (instellen van windstreken). Als
ijking nodig is, verschijnt het teken C op het
display van de spiegel.
Breng de auto op een groot en open
terrein tot stilstand.
Start de motor.
Houd knop (1) ten minste zes seconden
ingedrukt (gebruik bijvoorbeeld een pen).
Het teken C verschijnt opnieuw.
Rijd langzaam een rondje met een snelheid
van hoogstens 10 km/h totdat er op het
display een kompasrichting verschijnt.
De ijking is daarmee afgerond.
Magnetische zones
Zone aanpassen
De aarde is in 15 magnetische zones
verdeeld. Het kompas is afgesteld op het
geografische gebied waarin de auto werd
afgeleverd.
Selecteer als volgt een ander kompasgebied:
Zet het contact aan.
Houd knop (1) ten minste drie seconden
ingedrukt (gebruik bijvoorbeeld een pen).
Het cijfer voor het actuele gebied
verschijnt.
Druk herhaaldelijk op de knop totdat het
cijfer voor het gewenste geografische
gebied (1–15) verschijnt.
Enkele seconden na het bladeren geeft
het display de kompasrichting weer aan.
Buitenspiegels
De schakelaars waarmee u de twee buiten-
spiegels bedient, vindt u voor op de
armleuning van het bestuurdersportier.
Druk op knop L voor de buitenspiegel
links of op R voor de buitenspiegel
rechts. De LED in de knop brandt.
U kunt de stand afstellen met het
hendeltje in het midden.
Druk opnieuw op knop L of R. De LED
mag niet langer branden.
C70 w540.book Page 56 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
57
Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
Elektrisch inklapbare buitenspiegels
(optie)
U kunt de buitenspiegels inklappen bij het
parkeren en als u op smalle wegen rijdt.
Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
Laat ze na ongeveer een seconde los. De
spiegels stoppen automatisch, als ze
volledig zijn ingeklapt.
Spiegels uitklappen
Druk tegelijkertijd op de knoppen L en R.
De spiegels stoppen automatisch, als ze
volledig zijn uitgeklapt.
In neutrale stand terugzetten
Spiegels die uit positie zijn geraakt door
invloeden van buitenaf, moeten in de neutrale
stand worden teruggezet zodat het elektrisch
in- en uitklappen weer werkt.
Klap de spiegels in met behulp van de
knoppen L en R.
Klap de spiegels weer uit met behulp van
de knoppen L en R. De spiegels staan
vervolgens weer in de neutrale stand.
Positie buitenspiegels vastleggen
De positie van de buitenspiegels wordt
vastgelegd, wanneer u de auto met de
afstandsbediening vergrendelt. Een
volgende keer dat de auto met dezelfde
afstandsbediening wordt ontgrendeld,
nemen de buitenspiegels en de bestuurders-
stoel binnen vijf minuten de vastgelegde
posities in.
Approach-verlichting en
Follow-Me-Home-verlichting
De lampjes op de buitenspiegels gaan
branden, als u de Approach-verlichting of de
Follow-Me-Home-verlichting selecteert.
BELANGRIJK!
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels
van ijs te ontdoen. Er kunnen daarbij
krassen op het glas ontstaan. Gebruik
liever de ontwaseming (zie pagina 65).
WAARSCHUWING!
De spiegel aan de bestuurderszijde is
groothoekig voor optimaal zicht.
Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan
ze in werkelijkheid zijn.
C70 w540.book Page 57 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
58
Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Bedieningspaneel
Mogelijke instellingen
Voor sommige functies in de auto zijn
persoonlijke instellingen mogelijk. Dit geldt
voor de sloten en de klimaatregelings- en
audiofuncties. Zie pagina 183 voor audio-
functies.
Bedieningspaneel
A. Display
B. MENU
C. EXIT
D. ENTER
E. Navigatieknop
Toepassing
De instellingen worden weergegeven op het
display (A).
Open het menu om instellingen te verrichten:
Druk op de knop MENU (B).
Ga bijvoorbeeld naar
Instellingen van de
auto
met behulp van de navigatieknop (E).
–Druk op ENTER(D).
Selecteer een optie met behulp van de
navigatieknop (E).
Activeer uw keuze met ENTER (D).
Menu sluiten:
Houd de knop EXIT (C) ongeveer
één seconde ingedrukt.
Klimaatinstellingen
Automatische blower afstellen
De ventilatorsnelheid in de stand AUTO is als
volgt in te stellen:
U kunt kiezen uit
Laag,
Normaal
en
Hoog
.
Timer recirculatie
Wanneer de timer actief is, wordt de lucht in
de auto afhankelijk van de buitentemperatuur
3–12 minuten lang gerecirculeerd.
Selecteer
Aan/Uit
als de recirculatietimer
actief moet zijn of niet.
Reset alles
De fabrieksinstellingen voor de klimaatrege-
lingsopties herstellen.
Instellingen van de auto
Verlichting, auto is ontgrendeld
Als u de auto met de afstandsbediening
ontgrendelt, kunt u de richtingaanwijzers van
de auto laten knipperen. De opties
Aan/Uit
zijn mogelijk.
Verlichting, auto is op slot
Als u de auto met de afstandsbediening
vergrendelt, kunt u de richtingaanwijzers
laten knipperen. De opties
Aan/Uit
zijn
mogelijk.
Portieren automatisch op slot
Als de auto wegrijdt, worden de portieren en
het kofferdeksel automatisch vergrendeld. De
opties
Aan/Uit
zijn mogelijk.
Portieren ontgrendelen
Alle portieren – bij een druk op de
ontgrendelingsknop van de afstandsbe-
diening worden alle portieren en het
kofferdeksel ontgrendeld.
C70 w540.book Page 58 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
59
Instrumenten, schakelaars en bediening
Persoonlijke instellingen
Bestuurdersportier eerst, dan de overige
portieren – bij eenmaal indrukken van de
ontgrendelingsknop op de afstandsbe-
diening wordt alleen het bestuurder-
sportier ontgrendeld. Bij tweemaal
indrukken worden ook het passagier-
sportier en het kofferdeksel ontgrendeld.
Op afstand openen
Alle portieren – beide voorportieren en
het kofferdeksel worden tegelijkertijd
ontgrendeld.
Beide voorportieren – beide voorpor-
tieren worden tegelijkertijd ontgrendeld.
Een van de voorportieren – het portier dat
zich het dichtst bij de afstandsbediening
bevindt wordt ontgrendeld.
Approach-verlichting
U kunt de tijd aangegeven die de verlichting
moet branden bij een druk op de knop voor
Approach-verlichting op de afstandsbe-
diening. U kunt de volgende opties selec-
teren: 30/60/90 seconden.
Follow-Me-Home-verlichting
U kunt de tijd aangeven dat de verlichting van
de auto moet branden, als u de linker stuur-
hendel naar achteren trekt na het uitnemen
van de contactsleutel. U kunt de volgende
opties selecteren: 30/60/90 seconden.
Informatie
Het VIN-nummer (Vehicle Identification
Number) is het unieke identificatie-
nummer van de auto.
Aantal sleutels. Hier wordt het aantal
sleutels weergegeven dat voor de auto
geregistreerd is.
C70 w540.book Page 59 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
60
Instrumenten, schakelaars en bediening
C70 w540.book Page 60 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
61
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling 62
Elektronische klimaatregeling, ECC 64
Luchtverdeling 67
Standverwarming op brandstof (optie) 68
C70 w540.book Page 61 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
62
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
ECC/Airconditioning
De auto is uitgerust met elektronische
klimaatregeling (ECC). De klimaatregeling
regelt de airconditioning (A/C) en zorgt
ervoor dat de lucht in het interieur wordt
gekoeld, verwarmd of van vocht wordt
ontdaan.
N.B. U kunt de airconditioning uitschakelen.
Voor optimale luchtkwaliteit in de passagiers-
ruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon
om te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik
een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de
motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen en
verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De klimaatregeling maakt gebruik van het
koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/
verversen van koudemiddel alleen R134a.
Laat dergelijke werkzaamheden over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
Interieurfilter
Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt
wordt gereinigd door een filter. U moet het
filter regelmatig vervangen. Raadpleeg het
Onderhoudsprogramma van Volvo voor het
aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk
verontreinigde gebieden is het mogelijk dat u
het filter vaker moet vervangen.
N.B. Er bestaan twee verschillende soorten
interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter
aanbrengt.
Display
Er zit een display boven het klimaatregelings-
paneel. Hier worden de door u ingevoerde
klimaatinstellingen weergegeven.
Persoonlijke instellingen
U kunt twee functies van het klimaatrege-
lingssysteem naar wens instellen:
ventilatorsnelheid in stand AUTO;
timergestuurde recirculatie van lucht in
passagiersruimte.
Zie pagina 58 voor meer informatie over het
verrichten van instellingen.
Blaasmonden in dashboard
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
Om de voorste zijruiten te ontwasemen:
richt de buitenste blaasmonden op de
voorste zijruiten.
Bij koude weer:
sluit de middelste blaasmonden om de
temperatuur in de auto zo comfortabel
mogelijk te houden en de zijruiten
optimaal te ontwasemen.
C70 w540.book Page 62 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
63
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
ECC
Werkelijke temperatuur
De ingestelde temperatuur komt overeen met
de gevoelstemperatuur op basis van de
heersende omstandigheden in en rond de
auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtig-
heidsgraad, de ingestraalde warmte enz.
betreft.
Positie van de sensoren
De zonnesensor zit boven op het
dashboard.
De interieurtemperatuursensor zit achter
het bedieningspaneel van de klimaatre-
geling.
N.B. Dek de sensoren niet met kleding of
andere voorwerpen af.
Zijruiten
Voor een goede werking van de aircondi-
tioning moet u de hardtop en de zijruiten
gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de aircondi-
tioning tijdelijk uitgeschakeld. De tempe-
ratuur kan dan korte tijd iets oplopen.
Condenswater
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is
volkomen normaal.
C70 w540.book Page 63 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
64
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Bedieningspaneel
1. AUTO
2. Ventilator
3. Recirculatie/Interior Air Quality System
4. Ontwaseming
5. Luchtverdeling
6. A/C – Aan/Uit (ON/OFF)
7. Elektrische stoelverwarming, links
8. Elektrische stoelverwarming, rechts
9. Elektrische achterruit- en buitenspiegel-
verwarming
10. Temperatuur
Functies
1. Auto
Houdt automatisch de
ingestelde interieurtempe-
ratuur op peil door de
verwarming, de ventilator-
snelheid, de recirculatie en
de luchtverdeling af te
regelen.
Wanneer de hardtop geopend is, komt er
meer warme of koude lucht uit de onderste
blaasmonden in het interieur. Het vermogen
van de klimaatregeling wordt bovendien
beperkt, als het niet mogelijk is om voor
compensatie te zorgen voor de temperatuur-
sinvloeden buiten de auto.
Als u een of meer handmatige functies selec-
teert, worden de overige functies nog steeds
automatisch geregeld. Alle handmatige
instellingen worden uitgeschakeld, wanneer
u op de knop AUTO (1) drukt. Op het display
verschijnt AUTOM. KLIMAAT.
2. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de
knop te draaien. De ventila-
torsnelheid wordt automa-
tisch geregeld, als u
AUTO (1) selecteert. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
C70 w540.book Page 64 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
65
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
N.B. Als u de knop zo ver linksom draait dat
de ventilatorindicatie op het display uitgaat,
zijn de ventilator en de airconditioning uitge-
schakeld. Het display geeft het ventilator-
lampje weer en OFF.
3. Recirculatie
Deze functie kan worden
ingeschakeld als u vieze
lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd. Er komt met andere woorden
geen lucht van buiten de auto in, wanneer
deze functie actief is. Als de lucht in de auto
te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de
ruiten beslaan.
Timer
Met de timerfunctie beperkt u (wanneer de
recirculatiefunctie geselecteerd is) de kans
op ijs, beslagen ruiten en een slechte lucht-
kwaliteit. Zie pagina 58, om deze functie in-
of uit te schakelen.
N.B. Wanneer u de ontwaseming (4) selec-
teert, wordt de recirculatie altijd uitge-
schakeld.
3. Interior Air Quality System
(dezelfde knop als de recir-
culatie)
Het Interior Air Quality
System bestaat uit een
combifilter met Air Quality
Sensor. Het combifilter
ontdoet de binnenkomende lucht van gassen
en stofdeeltjes en beperkt zo hinderlijke
geurtjes en verontreinigingen in de passa-
giersruimte. De Air Quality Sensor meet de
concentratie van verontreinigingen in de
buitenlucht. Wanneer de sensor een
verhoogde concentratie meet, wordt de
luchtinlaat afgesloten en wordt de lucht in de
passagiersruimte gerecirculeerd. Wanneer
de Air Quality Sensor actief is, brandt de
groene LED (A) in de knop.
Air Quality Sensor activeren:
Druk op de knop AUTO (1) om de Air
Quality Sensor te activeren (normale
instelling).
Of:
Selecteer een van de volgende drie
functies door verschillende malen op de
recirculatieknop te drukken.
Let erop dat:
U de Air Quality Sensor het beste altijd
ingeschakeld kunt laten staan.
Er bij koud weer beperkingen voor de
recirculatiefunctie gelden om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
U de Air Quality Sensor moet uitscha-
kelen, als de ruiten beslaan.
U beter ook de ontwaseming voor de
voorruit, achterruit en zijruiten kunt inscha-
kelen, wanneer de ruiten beslaan.
4. Ontwaseming
U gebruikt de ontwaseming
om de voorruit en de zijruiten
snel te ontwasemen en te
ontdooien. Er stroomt dan
op hoge snelheid lucht naar
de ruiten. Wanneer de
functie actief is, brandt de LED in de ontwa-
semingsknop. De airconditioning wordt
automatisch dusdanig afgeregeld, dat de
binnenkomende lucht zoveel mogelijk van
vocht ontdaan wordt. De lucht wordt niet
gerecirculeerd.
Air Quality Sensor
ingeschakeld.
LED (A)
brandt.
Recirculatie ingeschakeld,
tenzij er koeling nodig is
bij warm weer.
Geen van de
LED’s brandt.
Recirculatie
ingeschakeld.
LED (M)
brandt.
C70 w540.book Page 65 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
66
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
5. Luchtverdeling
Door op de knoppen voor de
luchtverdeling te drukken,
kunt u de luchtstroom naar
wens verdelen over de
ruiten, de passagiersruimte
en de vloer.
Een symbool op het display boven het bedie-
ningspaneel van de klimaatregeling en een
brandende LED in de bijbehorende knop
geven aan welke functie u hebt geselecteerd.
Zie de tabel op pagina 67.
6. A/C – Aan/Uit (ON/OFF)
Wanneer de LED bij ON
brandt, wordt de aircondi-
tioning automatisch
geregeld. De binnenko-
mende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en
van vocht ontdaan. De airconditioning is
uitgeschakeld als de LED bij OFF brandt. De
overige functies worden nog steeds automa-
tisch geregeld. Wanneer u de
ontwaseming (4) geselecteerd hebt, wordt
de airconditioning ingesteld op maximale
ontvochtiging.
7 en 8. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
(optie in bepaalde landen)
Doe het volgende om de
voorstoel te verwarmen:
9. Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Gebruik de elektrische
verwarming om de achterruit
en de buitenspiegels snel te
ontwasemen en te
ontdooien.
Met een druk op de knop
schakelt u de gelijktijdige verwarming van de
achterruit en de buitenspiegels in. Een
brandende LED in de knop geeft aan dat de
functie actief is.
De verwarming van de buitenspiegels wordt
na ca. zes minuten automatisch uitge-
schakeld; die van de achterruit na ca. twaalf
minuten.
N.B. Wanneer de hardtop openstaat, wordt
deze functie automatisch gedeactiveerd.
10. Temperatuurknop
Met deze knop kunt u de
temperatuur aan de
bestuurders- en passagiers-
zijde onafhankelijk van elkaar
instellen.
Met een druk op de knop,
activeert u slechts één zijde. Wanneer u de
knop nogmaals indrukt, activeert u de andere
zijde. Bij een derde keer indrukken zijn beide
zijden weer geactiveerd.
De LED in de knop en het display boven het
klimaatregelingspaneel geven aan welke zijde
actief is.
Bij het starten van de motor wordt de laatst
verrichte instelling hervat.
N.B. Let erop dat de passagiersruimte niet
sneller warm of koud wordt, wanneer u een
hoger of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste.
Hoog verwarmings-
niveau:
— eenmaal op de knop
drukken.
Beide LED’s
branden.
Laag verwarmingsniveau:
— tweemaal op de knop
drukken.
Eén van de
LED’s brandt.
Verwarming uit:
— een derde keer op de
knop drukken.
Geen van de
LED’s brandt.
C70 w540.book Page 66 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
67
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Luchtverdeling Toepassing: Luchtverdeling Toepassing:
Lucht naar de ruiten. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden. De lucht
wordt niet gerecircu-
leerd. De airconditioning
is altijd ingeschakeld.
Om snel te
ontdooien en te
ontwasemen.
Lucht naar de vloer en
de ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaas-
monden in het
dashboard.
Om een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming te
verkrijgen bij koud
weer.
Lucht naar de voorruit
en de zijruiten. Er komt
een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden.
Om wasem en
ijsvorming bij koud
en vochtig weer te
voorkomen (niet
voor lage ventilator-
snelheid).
Lucht naar de vloer en
uit de blaasmonden in
het dashboard.
Bij zonnig weer en
matige buitentempe-
raturen.
Luchtstroom naar de
ruiten en uit de blaas-
monden van het
dashboard.
Om een comfortabel
klimaat te verkrijgen
bij warm en droog
weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit de
blaasmonden in het
dashboard en bij de
ruiten.
Om warme/koude
lucht naar de voeten
te sturen.
Luchtstroom op hoofd-
en borsthoogte uit de
blaasmonden in het
dashboard.
Om een efficiënte
koeling te verkrijgen
bij warm weer.
Luchtstroom naar de
ruiten, uit de blaas-
monden in het
dashboard en naar de
vloer.
om warme/koude
lucht naar de voeten
te sturen of warme
lucht naar de rest van
het lichaam bij koud
weer of bij warm en
droog weer.
C70 w540.book Page 67 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
68
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Algemene informatie over
verwarmingen
U kunt de standverwarming meteen inscha-
kelen of twee verschillende uitschakeltijden
instellen met TIMER 1 en TIMER 2. Onder de
uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan
waarop de auto op de gewenste temperatuur
is. De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit
wanneer de verwarming moet worden
ingeschakeld. Bij een buitentemperatuur
hoger dan 25 °C wordt de verwarming niet
geactiveerd. Bij temperaturen van –10 °C en
lager is de maximale bedrijfstijd van de stand-
verwarming 60 minuten.
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
.
WAARSCHUWING!
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
WAARSCHUWING!
Schakel voor het tanken de standver-
warming op brandstof uit. Gemorste
brandstof kan door de hete uitlaatgassen
ontvlammen.
Controleer op het informatiedisplay of de
verwarming uit is. (Wanneer de standver-
warming werkt, staat er PARK.VERW AAN
op het informatiedisplay.)
C70 w540.book Page 68 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
69
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Verwarming inschakelen
Geef het tijdstip aan waarop u de auto
wilt gebruiken. Druk op RESET (C) om de
uren en minuten in te stellen.
Houd de knop RESET ingedrukt, totdat
de timer is geactiveerd.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling
parkeert, moet u ervoor zorgen dat de
voorkant van de auto omlaagwijst. Zo krijgt de
standverwarming altijd voldoende brandstof.
Standverwarming meteen
inschakelen
Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
–Kies Aan.
De verwarming zal 60 minuten lang blijven
werken. De interieurverwarming gaat van
start, zodra de koelvloeistof in de motor een
temperatuur van 30ºC heeft bereikt.
Standverwarming meteen
uitschakelen
Gebruik het duimwiel (B) om naar
DIRECTE START te gaan.
Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties Aan of Uit te selecteren.
Kies voor Uit.
N.B. Het is mogelijk de motor starten en weg
te rijden, terwijl de standverwarming nog
aanstaat.
Accu en brandstof
Als de accu onvoldoende opgeladen is of als
het brandstofpeil te laag is, wordt de stand-
verwarming automatisch uitgeschakeld. Er
verschijnt dan een melding op het informatie-
display. Bevestig deze melding door op de
knop READ (A) te drukken.
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend
tijden voor het komende etmaal program-
meren en dus niet voor meerdere dagen
tegelijk.
Ga met het duimwiel naar TIMER.
Druk kort op de knop RESET zodat de
uuraanduiding gaat knipperen.
Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
Druk kort op de knop RESET, zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
Druk kort op de knop RESET om de
instelling te bevestigen.
Druk op de knop RESET om de timer te
activeren. Wanneer u TIMER 1 hebt
ingesteld, kunt u een tweede uitscha-
keltijd programmeren onder TIMER 2
door aan het duimwiel te draaien. U stelt
de andere uitschakeltijd op dezelfde
manier in als bij TIMER 1.
Displaytekst
Wanneer u de instellingen voor TIMER 1,
TIMER 2 en Directe start activeert, gaat het
informatielampje op het instrumentenpaneel
branden. Op het informatiedisplay verschijnt
bovendien een verklarende tekst. Het display
geeft ook aan welke timer actief is, wanneer u
bij het verlaten van de auto de sleutel uit het
contact neemt.
Klok/timer
Als u na het instellen van de timer(s) van de
verwarming de klok van de auto bijstelt,
worden alle timerinstellingen geannuleerd.
BELANGRIJK!
Herhaaldelijk gebruik van de standver-
warming bij korte ritten kan ertoe leiden
dat de accu uitgeput raakt en startpro-
blemen opleveren. Bij regelmatig gebruik
van de standverwarming moet u even
lang in de auto rijden als de verwarming
aanstond. Dit om te zorgen dat de
dynamo evenveel energie kan bijladen als
de verwarming verbruikt.
C70 w540.book Page 69 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
70
Klimaatregeling
C70 w540.book Page 70 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
71
Interieur
Voorstoelen 72
Elektrisch bedienbare hardtop 74
Windscherm (optie) 78
Interieurverlichting 79
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte 81
Kofferbak 84
C70 w540.book Page 71 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
72
Interieur
Voorstoelen
Zithouding
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en
rijhouding.
1. Vooruit/achteruit – de hendel omhoog-
tillen om de juiste afstand tot het
stuurwiel en de pedalen in te stellen.
Controleer of de stoel na het afstellen in
de nieuwe stand geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten,
omhoog-/omlaagpompen.
3. Stoel hoger/lager zetten, omhoog-/
omlaagpompen.
4. Lendensteun wijzigen, aan de knop
draaien.
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen, aan
de knop draaien.
6. Bedieningspaneel voor elektrisch
bedienbare stoelen (optie)
Bedieningselement (2) is niet op alle stoel-
modellen aanwezig.
Achterinstap, Easy Entry
Handmatig bedienbare stoel
Stoel naar voren zetten:
Haal de handgreep (1) omhoog om de
rugleuning te ontgrendelen.
Klap de rugleuning zo ver naar voren toe
om dat u de stoel naar voren kunt duwen.
Stoel naar achteren zetten:
Duw de stoel in de oorspronkelijke stand
terug.
Haal de handgreep (1) omhoog om de
rugleuning weer rechtop te zetten.
Elektrisch bedienbare stoel
Stoel naar voren zetten:
Haal de handgreep (1) omhoog om de
rugleuning te ontgrendelen.
Klap de rugleuning naar voren toe om.
Druk op de knop (2) die naast de hoofd-
steun zit. Houd de knop ingedrukt.
Easy Entry
Stoel naar achteren zetten:
Druk op de knop (2) die naast de hoofd-
steun zit. Houd de knop ingedrukt.
Haal de handgreep (1) omhoog en klap
de rugleuning naar achteren om.
WAARSCHUWING!
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens
het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
WAARSCHUWING!
Controleer of de rugleuning goed rechtop
staat door tegen de hoofdsteun te duwen
en eraan te trekken.
C70 w540.book Page 72 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
73
Interieur
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
Stoel met geheugenfunctie
1. Stoelinstelling, programma 1
2. Stoelinstelling, programma 2
3. Stoelinstelling, programma 3
4. Stoelinstellingen vastleggen
Voorbereidingen
U kunt de stoel normaal gesproken alleen
verstellen, als de contactsleutel in stand I
of II staat. De stoel kan ook binnen
10 minuten na ontgrendeling van het portier
met de sleutel of afstandbediening worden
versteld. Als het portier gesloten is en de
contactsleutel nog niet in het contactslot
steekt of in stand 0 staat, hebt u na sluiting
van het portier nog 40 seconden de tijd om
instellingen te verrichten.
De afstandsbediening die wordt gebruikt om
de auto te ontgrendelen legt informatie vast
over de stoelinstellingen die worden
gewijzigd. Een volgende keer dat de auto
wordt ontgrendeld met dezelfde afstandsbe-
diening en het bestuurdersportier binnen
vijf minuten wordt geopend, gaan de bestuur-
dersstoel en de buitenspiegels in de
opgeslagen stand staan.
Er kunnen drie standen vastgelegd worden.
Houd na het instellen van de stoel de
knop M (4) ingedrukt, terwijl u op knop (1)
drukt. Andere stoelinstellingen kunnen
worden vastgelegd in het geheugen met de
geheugenknoppen (2 en 3).
Stoel in vastgelegde stand zetten
Houd geheugenknop (1), (2) of (3) ingedrukt,
totdat de stoel tot stilstand komt. Om veilig-
heidsredenen zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd bij het
loslaten van de knop.
Stoel afstellen
Met de schakelaars (5), (6) en (7) kunt u het
volgende instellen:
5. Hellingshoek rugleuning
6. Stoel vooruit/achteruit en omhoog/
omlaag
7. Voorkant zitting omhoog/omlaag
Met de bedieningsknoppen kan er maar één
elektromotor tegelijk gebruikt worden. De
elektrisch bedienbare stoelen zijn voorzien
van een beveiliging tegen overbelasting, die
geactiveerd wordt als een van de stoelen
door een obstakel wordt geblokkeerd. Als dit
het geval is, moet u het contact uitzetten
(stand 0) en ca. 20 seconden wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te
verstellen.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het
instellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de
passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Laat kinderen niet met de schakelaars
spelen vanwege het gevaar voor
beknelling.
C70 w540.book Page 73 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
74
Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Voorwaarden voor bediening
hardtop
Geen voorwerpen op de hoedenplank.
Geen sneeuw, ijs of losse voorwerpen op
de hardtop of op het kofferdeksel.
De hardtop is droog.
Er is 2,0 m aan vrije hoogte (A) boven de
auto en 0,2 m van de achterbumper tot
aan obstakels achter de auto (B).
Omgevingstemperatuur hoger dan –10 °C.
Bagagewand dicht (zie pagina 84).
Kofferdeksel gesloten.
Stilstaande auto, met het rempedaal
ingedrukt.
Als u de aanwijzingen op de volgende
pagina’s niet opvolgt, is schade aan het
openings- en sluitingsmechanisme van de
hardtop niet uit te sluiten.
Volvo adviseert tevens het volgende:
Vlakke ondergrond.
Uitvoering van de hardtopbediening in
één vloeiende beweging.
Motor loopt stationair.
BELANGRIJK!
Water op de hardtop kan bij het openen
van de hardtop de kofferbak en het
interieur inlopen.
WAARSCHUWING!
Tussen de bewegende delen van de
hardtop kunnen mensen (kinderen!) of
voorwerpen bekneld raken. Houd de
hardtop daarom tijdens het bedienen in
de gaten.
Zie de sticker op de bagagewand.
Laat kinderen niet met de bedienings-
knoppen spelen.
Laat de hardtop niet langer dan nodig
in een tussenpositie stilstaan.
C70 05 Interior w540.fm Page 74 Wednesday, October 19, 2005 1:15 PM
75
Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Afdekking
Wanneer de hardtop openstaat is de ruimte
tussen de hoofdsteunen van de achterbank
en het kofferdeksel afgedekt met een
afdekking (zie afbeelding).
Hardtop openen en sluiten
Draai de contactsleutel naar stand II.
Voorkeur gaat uit om de motor te starten!
Trap op het rempedaal.
Houd de linker knop (1) ingedrukt om de
hardtop te sluiten of de rechter knop (2)
om de hardtop te openen.
Let tijdens het bedienen van de hardtop op
eventuele meldingen op het informatiedisplay.
Eventueel gesloten ruiten zakken ca. twee
centimeter omlaag. De ruiten komen na afloop
van de hardtopbediening weer omhoog.
Laat de knop los, wanneer er een signaal
klinkt en de melding DAK DICHT of
DAK OPEN op het informatiedisplay
verschijnt.
Tekst op informatiedisplay
Bepaalde meldingen gelden ook voor Load
Assist (zie pagina 85).
TRAP REM IN VOOR WERKING DAK –
Trap op het rempedaal om de hardtop te
bedienen.
KOFFERBAKDEKSEL HELEMAAL
OPENEN – Open het kofferdeksel
geheel.
KOFFERBAK DICHT VOOR WERKING
DAK – Het kofferdeksel staat niet dicht.
Sluit het kofferdeksel.
BELANGRIJK!
Gebruik de afdekking niet om lading of
personen op te vervoeren, omdat de
afdekking daarbij beschadigd kan raken.
WAARSCHUWING!
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel
voor het hydraulisch systeem die onder
het zitgedeelte van de achterbank zit.
Alleen servicemonteurs mogen gebruik
maken van de ontkoppelingsfunctie van
het hydraulisch systeem.
Consequenties van het gebruik:
groot gevaar voor beknelling,
ongecontroleerde beweging/opening
van de elektrisch bedienbare hardtop
of het kofferdeksel,
mogelijke schade aan de onderdelen
van de hardtop.
Zorg ervoor dat aan de voorwaarden is
voldaan voordat u de hardtop bedient.
C70 05 Interior w540.fm Page 75 Friday, October 21, 2005 3:03 PM
76
Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
KOFFERBAK APART DICHT VOOR
DAK – De bagagewand staat niet dicht.
Sluit de bagagewand (zie pagina 84).
ACCUSPANN. LAAG VOOR WERKING
DAK – De accuspanning is te gering. U
kunt de hardtop alleen sluiten. Laad de
accu op door bijvoorbeeld de motor te
starten en probeer opnieuw.
DAK NIET OP SLOT – De hardtop werd
niet goed geopend of gesloten. Probeer de
hardtop opnieuw te openen of te sluiten.
DAK IN LASTHULP POSITIE – De
hardtop werd omhooggebracht door de
functie Load Assist. Breng de hardtop
omlaag (zie pagina 84).
TEMP. BEPERKT WERKING DAK – Het
bedieningssysteem voor de hardtop is
ofwel oververhit of de buitentemperatuur
is lager dan –10 °C. Als de hardtop
oververhit is, moet u ca. vijf minuten
wachten totdat de melding is verdwenen
en het daarna opnieuw proberen.
Meldingen bij storingen in de hardtop
Bij storingen in de hardtop kunnen er twee
meldingen op het informatiedisplay verschijnen:
STORING DAK SERVICE VEREIST –
Het is niet mogelijk de hardtop te
bedienen. Er zijn servicewerkzaamheden
door een erkende Volvo-werkplaats vereist.
Desgewenst kunt u de auto afdekken zoals
beschreven in de instructies.
STORING DAK ZIE HANDLEIDING – Er
gelden speciale aanwijzingen voor
bediening van de hardtop of Load Assist.
Er zijn servicewerkzaamheden door een
erkende Volvo-werkplaats vereist.
Bijzondere bedieningsinstructies
bij storingen in de hardtop
Als de melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay
verschijnt, valt de hardtop niet op de normale
manier te bedienen.
N.B. Eenmaal gesloten kunt u de hardtop niet
meer openen.
Houd de openings- of sluitingsknop
ingedrukt totdat de melding STORING
DAK ZIE HANDLEIDING op het display
verschijnt. Laat de knop vervolgens los.
Druk opnieuw op de openings- of
sluitingsknop. Houd de knop ca. twee
seconden lang ingedrukt totdat de
hardtop in beweging is gekomen. Houd
de knop ingedrukt totdat de hardtopbe-
weging volledig afgerond is, ook al wordt
de hardtopbeweging korte tijd onder-
broken. Let op eventuele fouten die
schade aan de auto kunnen veroorzaken.
Tijdens het sluiten klinkt van begin tot einde
een geluidssignaal.
BELANGRIJK!
Om de hardtop bij een storing in de
hardtopbediening te kunnen sluiten moet
u nauwkeurig controleren of er is voldaan
aan de voorwaarden voor bediening van
de hardtop (zie pagina 74). Zelfs als er
aan de voorwaarden is voldaan, bestaat
er een aanzienlijk gevaar voor materiële
schade.
WAARSCHUWING!
Trek nooit aan de ontkoppelingskabel
voor het hydraulisch systeem die onder
het zitgedeelte van de achterbank zit.
Alleen servicemonteurs mogen gebruik
maken van de ontkoppelingsfunctie van
het hydraulisch systeem.
Consequenties van het gebruik:
groot gevaar voor beknelling,
ongecontroleerde beweging/opening
van de elektrisch bedienbare hardtop
of het kofferdeksel,
mogelijke schade aan de onderdelen
van de hardtop.
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitge-
voerd. Ingrepen in het hardtopsysteem
kunnen storingen in de werking veroor-
zaken en leiden tot ernstig letsel.
C70 05 Interior w540.fm Page 76 Wednesday, October 19, 2005 1:15 PM
77
Interieur
Elektrisch bedienbare hardtop
Dekplastic om auto tijdelijk af te
dekken
Als het niet is mogelijk de hardtop te sluiten
door bijvoorbeeld een lage accuspanning of
een andere storing in het hardtopsysteem,
kunt u ter bescherming een stuk dekplastic
aanbrengen. Breng het plastic dusdanig aan
dat de bevestigingstouwtjes aan de
binnenkant zitten.
Het stuk plastic ligt opgeborgen in een zak
met het opschrift “Cover for temporary use”.
Bij auto’s met een provisorische banden-
reparatieset ligt het dekplastic in het
doorsteekluik.
Bij auto’s met een reservewiel ligt het
dekplastic in de opbergzak voor het reser-
vewiel (zie pagina 140).
Dekplastic, opgeborgen in doorsteekluik
Sluit (zo mogelijk) de ruiten.
Neem het dekplastic uit het midden-
paneel in het zitgedeelte van de
achterbank (bij het doorsteekluik).
Haal het dekplastic uit de verpakking en
vouw het uit.
Haal de buitenspiegel (3) door de
opening en bevestig de haken (2) aan de
voorste wielkuipen.
Klem het dekplastic tussen de wisser-
bladen en de voorruit vast en trek het
plastic strak, zodat er bij ieder wisserblad
één vouw (1) ontstaat.
Steek de antenne (5) door de opening.
Bevestig de haken (4) aan de achterste
wielkuipen en de haken (6) onder de
achterbumper.
C70 w540.book Page 77 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
78
Interieur
Windscherm (optie)
Windscherm
Om bij het rijden met een geopende hardtop
de turbulentie in het interieur te verminderen
kunt u gebruik maken van het windscherm.
Windscherm aanbrengen
Klap het vierdelige scherm tot op de volle
breedte uit en duw de borging in.
Duw het windscherm dusdanig onder de
hoofdsteunen dat het op de bovenkant
van het ruggedeelte rust.
N.B. Wees voorzichtig met de bekleding.
Duw de borghendels in de houders op de
zijpanelen in totdat u een klikt hoort.
Klap het opstaande deel van het
windscherm omhoog.
U gebruikt de ritssluitingen van het
windscherm om bagage op de achterbank te
vervoeren of deze te verwijderen.
U bewaart het windscherm in de bijbeho-
rende zak in de kofferbak, onder de
bagagewand, dat helemaal voorin tegen het
ruggedeelte aan ligt.
WAARSCHUWING!
Controleer of het windscherm goed
vastzit. Het kan anders loskomen bij
uitwijkmanoeuvres e.d. en persoonlijk
letsel of materiële schade veroorzaken.
Het is niet toegestaan de ritssluiting te
openen en personen op de achterbank te
vervoeren.
C70 w540.book Page 78 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
79
Interieur
Interieurverlichting
Verlichting voorin
1. Verlichting links
2. Schakelaar, automatische bediening
verlichting
3. Verlichting rechts
De verlichting vóór in de passagiersruimte
kan worden bediend met de knoppen (1 en 3)
op de plafondconsole.
Met de knop (2) kunt u drie verlichtings-
standen selecteren voor algemene verlichting
in het interieur:
Uit — rechterkant ingedrukt, automatische
bediening interieurverlichting uitge-
schakeld.
Neutrale stand — interieurverlichting
gaat branden bij het openen van een
portier en dooft weer bij het sluiten ervan.
De dimfunctie is actief.
Aan — linkerkant ingedrukt, interieurver-
lichting brandt.
Verlichting achterin
In of uit te schakelen met een druk op de
knop.
C70 w540.book Page 79 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
80
Interieur
Interieurverlichting
Automatische verlichting
De interieurverlichting wordt automatisch in-
en uitgeschakeld, wanneer knop (2) (zie
afbeelding) in de neutrale stand staat.
De verlichting wordt ingeschakeld en blijft
30 seconden lang branden, als:
u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening ontgrendelt;
u de motor hebt afgezet en de contact-
sleutel naar stand 0 hebt gedraaid.
De verlichting dooft, wanneer:
u de motor start;
u de auto vanaf de buitenzijde met de
sleutel of afstandsbediening vergrendelt.
De verlichting gaat aan en blijft vijf minuten
lang branden, als een van de portieren
openstaat.
De interieurverlichting kan binnen 30 minuten
nadat u de contactsleutel naar stand 0 hebt
gedraaid in- of uitgeschakeld worden door op
de knop (2) te drukken. Als u de verlichting
binnen het tijdsbestek van 30 minuten
inschakelt, gaat deze na vijf minuten automa-
tisch weer uit.
Make-upspiegel
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
C70 w540.book Page 80 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
81
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
C70 w540.book Page 81 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
82
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1. Opbergvak (ook aan de voorkant van de
zittingen van de voorstoelen)
2. Opbergvak in portierpaneel
(afsluitbaar vak, optie)
3. Parkeerkaarthouder
4. Dashboardkastje
5. Opbergvak
6. Bekerhouder (met schuifklepje, optie)
7. Tunnelvak (bijvoorbeeld voor cd’s)
8. Bekerhouder (met schuifklepje, optie)
9. Opbergvak in zijpaneel achterin
(afsluitbaar vak, optie)
1. Ontgrendelen
2. Vergrendelen
Dashboardkastje
Hier kunt u het instructieboekje en kaarten
opbergen. Er zijn ook houders voor munten,
pennen en tankkaarten. Het dashboardkastje
kan handmatig worden vergrendeld met
behulp van het afneembare sleutelblad in de
afstandsbediening (zie pagina 91).
Opbergvak in portierpaneel
U kunt het opbergvak openen en sluiten door
lichte druk aan te brengen op de bovenkant
ervan.
Afsluitbaar opbergvak in portierpaneel
(optie)
U vergrendelt het opbergvak via de afstands-
bediening (zie pagina 92).
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen
veroorzaken bij een krachtige remma-
noeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd
vast met een van de veiligheidsgordels of
een bagageband.
C70 w540.book Page 82 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
83
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak in zijpaneel achterin
U kunt het opbergvak openen en sluiten door
lichte druk aan te brengen op de bovenkant
ervan.
Afsluitbaar opbergvak in zijpaneel
achterin (optie)
U vergrendelt het opbergvak via de afstands-
bediening (zie pagina 92).
Bekerhouder achterin
Er zijn tevens bekerhouders met schuif-
klepjes te verkrijgen (optie, voor en achter).
Tunnelvak
U kunt het vak openen en sluiten met een
druk op de knop die voor op het deksel zit. In
dit vak zit tevens de slotcilinder om het
kofferdeksel met behulp van het afneembare
sleutelblad handmatig te openen (zie
pagina 97).
C70 w540.book Page 83 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
84
Interieur
Kofferbak
Bagagewand
De bagagewand heeft tot doel de
hoeveelheid bagage in de kofferbak
dusdanig te beperken dat de hardtop
ongehinderd kan bewegen.
Sticker op bagagewand
N.B. Bij een te grote hoeveelheid lading in de
kofferbak kan de bagagewand niet omlaag-
geklapt worden. In dat geval kan de hardtop
evenmin worden geopend.
Knop om de hardtop omhoog en omlaag te
brengen.
Load Assist
Een geopende hardtop ligt opgevouwen in de
kofferbak. Met de knop (zie afbeelding) kunt u
de hardtop omhoog- en omlaagbrengen om zo
gemakkelijker in en uit te laden. Bij Load Assist
worden de normale hardtopbewegingen in
beperkte mate uitgevoerd. De meldingen op
het informatiedisplay over de bediening van de
hardtop gelden daarom ook voor Load Assist
(zie pagina 75).
BELANGRIJK!
Plaats geen voorwerpen boven op of
naast de bagagewand wanneer deze
gesloten is.
Plaats de bagage niet dusdanig dat deze
uitsteekt boven de gesloten bagagewand.
WAARSCHUWING!
Personen of voorwerpen die de hardtop
tijdens het omhoog- of omlaagbrengen in de
weg zitten lopen het risico bekneld te raken.
C70 w540.book Page 84 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
85
Interieur
Kofferbak
Load Assist gebruiken
Met een druk op de knop kunt u het omhoog-
/omlaagbrengen van de hardtop starten of
stopzetten. Het kan enige seconden duren
voordat de hardtop in beweging komt. Als er
een geluidssignaal klinkt bij het indrukken van
de knop en de hardtop niet beweegt, moet u
de melding op het informatiedisplay lezen.
Druk op de knop om de hardtop omhoog
te brengen.
Til de bagagewand op en breng deze in
de kofferbak aan.
Klap de bagagewand na het inladen weer
omlaag.
Druk op de knop om de hardtop omlaag
te brengen.
N.B. Bij een te geringe accuspanning kunt u
de hardtop alleen omlaagbrengen.
Load Assist gebruiken bij storingen in
de hardtop
Als de melding STORING DAK ZIE
HANDLEIDING op het informatiedisplay
staat, kunt u de hardtop alleen omlaag-
brengen.
Controleer of de melding STORING DAK
ZIE HANDLEIDING op het display staat.
Houd de knop ca. twee seconden lang
ingedrukt. Houd de knop ingedrukt terwijl
de hardtop omlaagkomt.
Tijdens het omlaagbrengen klinkt van begin
tot einde een geluidssignaal.
Verankeringsogen bagage
Er zitten vier of meer verankeringsogen in de
kofferbak om sjorbanden of touwen aan te
bevestigen. Bijpassende sjorbanden zijn
verkrijgbaar bij de Volvo-dealer.
BELANGRIJK!
Wanneer de hardtop is uitgeklapt bij
gebruik van Load Assist of als de
beweging van de hardtop werd onder-
broken doordat er tweemaal op de knop
werd gedrukt, mag u het kofferdeksel niet
sluiten. Als u dat wel is het niet uitge-
sloten dat er schade aan en storingen in
het systeem ontstaat.
C70 05 Interior w540.fm Page 85 Wednesday, October 19, 2005 1:15 PM
86
Interieur
Kofferbak
Elektrische aansluiting in
kofferbak
Open het klepje om bij de elektrische
aansluiting te komen. De aansluiting werkt
onafhankelijk van de stand van het
contactslot. Als bij het uitzetten van het
contact blijkt dat de stroomsterkte die via de
aansluiting wordt afgenomen hoger is dan
0,1 A, verschijnt er een waarschuwing op het
display. Let erop dat u de elektrische
aansluiting niet mag gebruiken wanneer het
contact is uitgezet. De accu kan dan namelijk
uitgeput raken.
Doorsteekluik
Doorsteekluik
Om lange en lichte voorwerpen te kunnen
vervoeren is er voorzien in een doorsteekluik.
Het gaat schuil achter het middenpaneel
1
in
het ruggedeelte van de achterbank.
Maximumlengte: twee meter en maximumge-
wicht: 25 kg. Het doorsteekluik is van twee
kanten te openen: via het middenpaneel en
via de kofferbak.
Middelste ruggedeelte achterbank
openen
Trek aan het riempje dat aan de
bovenkant van het middelste ruggedeelte
zit om bij het luik te komen.
Middelste ruggedeelte achterbank
sluiten
Plaats het middelste ruggedeelte terug
met de onderkant eerst.
Klap het middelste ruggedeelte in en duw
het vast totdat u een klikgeluid hoort.
Luik in kofferbak
Als de auto is uitgerust met een skizak
2
moet
de ritssluiting van de zak vanuit de passa-
giersruimte worden geopend.
Duw de knoppen in de twee openingen
van het luik naar elkaar toe en open het
luik.
Doorsteekluik vergrendelen
Te vergrendelen via de afstandsbediening
(zie pagina 92).
Lange voorwerpen vastzetten met
veiligheidsgordel
Lange voorwerpen zoals ski’s moet u
vastzetten met de veiligheidsgordels van de
achterbank.
Haal de veiligheidsgordel een slag om de
ski’s heen en steek de gesp op de gebrui-
kelijke manier in de gordelsluiting.
Als de auto is uitgerust met een skizak
2
moet
u de gordel door de handgreep ervan halen.
1. De set voor provisorische bandenre-
paratie, de EHBO-kit, het dekplastic
en het sleepoog liggen opgeborgen
in het middenpaneel van het rugge-
deelte van de achterbank. Zie
pagina 120 voor auto's met een
reservewiel (extra).
2. Optie.
C70 05 Interior w540.fm Page 86 Wednesday, October 19, 2005 3:51 PM
87
Interieur
Kofferbak
WAARSCHUWING!
Zet de motor af en trek de handrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale
botsing bij een snelheid van 50 km/h zich
kan gedragen als een voorwerp met een
gewicht van 1000 kg.
Zorg dat u de bagage altijd goed
verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en inzit-
tenden verwonden.
C70 w540.book Page 87 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
88
Interieur
C70 w540.book Page 88 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
89
Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad 90
Keyless Drive (optie op bepaalde markten) 94
Vergrendelen en ontgrendelen 96
Alarm (optie, bepaalde landen) 99
C70 w540.book Page 89 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
90
Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Afstandsbediening
Bij de auto worden twee afstandsbedie-
ningen geleverd. Deze doen tevens dienst als
contactsleutel. De afstandsbedieningen
bevatten afneembare metalen sleutelbladen
voor het mechanisch vergrendelen/ontgren-
delen van het bestuurdersportier, het
dashboardkastje en het kofferdeksel.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden gemaakt.
Er zijn maximaal zes afstandsbedieningen
voor één en dezelfde auto te programmeren
en te gebruiken.
Knippersignalen bij vergrendelen/
ontgrendelen
Wanneer u de auto vergrendelt of
ontgrendelt met het Keyless Drive-systeem
of een afstandsbediening, lichten de richtin-
gaanwijzers van de auto tweemaal op om aan
te geven dat de auto op de juiste manier
vergrendeld/ontgrendeld is. Bij het vergren-
delen wordt er alleen een signaal gegeven,
als alle portieren na het sluiten correct zijn
vergrendeld.
Het is mogelijk om de knippersignalen uit te
schakelen, zodat er niet langer een signaal
wordt gegeven als de auto op de juiste
manier vergrendeld is (zie pagina 58).
Zoekgeraakte afstandsbediening
Als een van de afstandsbedieningen
zoekraakt, moet u de resterende afstandsbe-
dieningen samen met de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats brengen. Ter
voorkoming van diefstal moet de code van de
zoekgeraakte afstandsbediening uit het
systeem worden gewist.
Elektronische startblokkering
De afstandsbedieningen zijn voorzien van
gecodeerde chips. De code moet overeen-
komen met die van de lezer (ontvanger) in het
contactslot. U kunt de auto alleen starten
wanneer u een afstandsbediening met de
juiste code gebruikt.
Functies afstandsbediening
1. Vergrendelen – alle portieren, het
kofferdeksel, de opbergvakken
(afsluitbare vakken, optie) in portierpa-
nelen of zijpanelen achterin en het
doorsteekluik vergrendelen. Met de
afstandsbediening valt het dashboard-
kastje niet te vergrendelen.
2. Ontgrendelen – de portieren, het
kofferdeksel, de opbergvakken
(afsluitbare vakken, optie) in portierpa-
nelen of zijpanelen achterin en het
doorsteekluik vergrendelen. Met de
afstandsbediening valt het dashboard-
kastje niet te ontgrendelen.
BELANGRIJK!
Het smalle gedeelte van de afstandsbe-
diening is extra gevoelig omdat zich daar
de chip bevindt. U kunt de auto niet
starten, als de chip beschadigd is.
C70 w540.book Page 90 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
91
Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
3. Approach-verlichting – te gebruiken om
de verlichting van de auto op afstand in
te schakelen. Bijvoorbeeld wanneer u
naar de auto loopt en deze wil verlichten.
Druk op de gele knop van de afstandsbe-
diening om de interieurverlichting, de
stadslichten vóór en de achterlichten, de
kentekenplaatverlichting en de verlichting
in de buitenspiegels (optie) in te
schakelen. De verlichting schakelt na 30,
60 of 90 seconden automatisch uit. Zie
pagina 59 voor het instellen van een
passende inschakelduur.
4. Kofferdeksel – wanneer u de knop
eenmaal indrukt, ontgrendelt u alleen
het kofferdeksel.
N.B. Bij gebruik van deze knop gaat het
kofferdeksel niet open.
5. Paniekfunctie – te gebruiken om in
noodgevallen de aandacht van anderen
te trekken. Als u de rode knop ten minste
drie seconden lang indrukt of tweemaal
achtereen binnen drie seconden indrukt,
worden de richtingaanwijzers en de
claxon geactiveerd. U kunt deze functie
met dezelfde knop weer uitschakelen, als
de functie minimaal vijf seconden actief
geweest is. Als u niets doet, wordt de
functie na 30 seconden automatisch
uitgeschakeld.
Sleutelblad
U kunt het sleutelblad uit de afstandsbe-
diening nemen en los gebruiken. Als u een van
de portieren met het sleutelblad vergrendelt,
wordt alleen dat ene portier vergrendeld.
Bij de zogeheten Private Locking
1
wordt het
merendeel van de opbergruimten in de auto
vergrendeld. De functie is bestemd voor:
als u de auto bij de garage of een hotel of
iets dergelijks afgeeft en wilt voorkomen
dat de opbergruimten kunnen worden
geopend;
u de auto op een parkeerplaats achterlaat
en de opbergruimten in de auto extra wilt
beveiligen.
De Private Locking werkt zowel met een
geopend als een gesloten hardtop.
Als u de Private Locking (zie pagina 92)
activeert, kunt u de afstandsbediening
(zonder het sleutelblad) alleen gebruiken om
de portieren te ontgrendelen en in de auto te
rijden.
N.B. Met het afneembare sleutelblad in de
afstandsbediening is het ook mogelijk de
portieren te ontgrendelen (zonder de centrale
vergrendeling te gebruiken). Het alarm-
systeem gaat daarbij wel af, zodat u dit moet
uitschakelen (zie pagina 100).
Sleutelblad verwijderen
Duw de veerbelaste pal (1) opzij, terwijl u
het sleutelblad (2) naar buiten trekt.
Sleutelblad aanbrengen
Wees voorzichtig wanneer u het sleutelblad
in de afstandsbediening terugplaatst.
Houd de afstandsbediening met de
puntige kant omlaag en laat het
sleutelblad in de groef vallen.
Druk lichtjes op het sleutelblad om het in
positie te blokkeren. U hoort daarbij een
klik.
1. Optie
C70 w540.book Page 91 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
92
Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
1. Vergrendelingspunten afstandsbediening
(Private Locking niet geactiveerd)
A. portieren
B. stuurslot
F. doorsteekluik
G. kofferdeksel
2. Vergrendelingspunten voor afstandsbe-
diening met optie afsluitbare opbergvakken.
A. portieren
B. stuurslot
D. opbergvakken in portierpanelen
E. opbergvakken in achterste zijpanelen
F. doorsteekluik
G. kofferdeksel
Zie pagina 82 voor een beschrijving van de
verschillende opbergruimten.
C70 w540.book Page 92 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
93
Sloten en alarm
Afstandsbediening met sleutelblad
Batterij in afstandsbediening
bijna leeg
Wanneer de batterij bijna leeg is zodat de
afstandsbediening niet langer optimaal
functioneert, begint het informatiesymbool te
branden en verschijnt de melding EXTERNE
ACCU LAGE SPANNING op het display.
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Als de sloten niet meer op de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de
afstandsbediening, moet u de batterij
vervangen (type CR 2032, 3 V).
Trek het sleutelblad naar buiten.
Leg de afstandsbediening met de
knoppen omlaag neer en draai het
boutje (1) met een kleine schroeven-
draaier los.
Verwijder de afdekking.
Let erop hoe de plus- en minpolen aan de
binnenkant van de afdekking zitten.
Werk de batterij los (2) en vervang deze.
Kom niet met uw vingers aan de polen
van de batterij of de contactvlakken.
Plaats de afdekking terug en schroef deze
vast.
Duw het sleutelblad weer op zijn plaats.
Zorg dat de oude batterij op milieuvriende-
lijke wijze wordt afgevoerd.
C70 w540.book Page 93 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
94
Sloten en alarm
Keyless Drive (optie op bepaalde markten)
Vergrendelings- en startsysteem
zonder sleutel
Met het Keyless Drive-systeem kunt u zonder
een sleutel te gebruiken de auto ontgren-
delen, starten en vergrendelen. U hoeft de
afstandsbediening alleen in een binnenzak of
tas bij u te dragen.
Het systeem maakt het eenvoudiger om de
auto te openen wanneer u bijvoorbeeld met
boodschappentassen in de ene hand en uw
kind aan de andere hand staat. U hoeft dan
niet langer de afstandsbediening erbij te
nemen of op te zoeken.
De twee afstandsbedieningen van de auto
ondersteunen de Keyless Drive-functie. U
kunt er meer bijbestellen. Het systeem kan tot
zes afstandsbedieningen met Keyless Drive-
functie hanteren.
Afstandsbediening binnen een straal
van 1,5 m rond de auto
Om een portier of het kofferdeksel te kunnen
openen moet de afstandsbediening zich
binnen een straal van maximaal 1,5 m rond de
portierhandgrepen of het kofferdeksel
bevinden.
Dit betekent dat u de afstandsbediening bij u
moet dragen om een portier te vergrendelen
of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant
van de auto staat, is het niet mogelijk om met
de afstandsbediening een portier aan de
andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
De grijs gearceerde gebieden op de
afbeelding geven het dekkingsgebied van de
systeemantennes aan.
Als iemand bij het verlaten van de auto een
afstandsbediening met Keyless Drive-functie
meeneemt, verschijnt er een waarschuwings-
melding op het informatiedisplay en klinkt er
een geluidssignaal. De waarschuwings-
melding verdwijnt, wanneer de afstandsbe-
diening weer in de auto wordt gelegd of
wanneer u de startknop naar stand 0 hebt
gedraaid. De waarschuwing wordt alleen
gegeven, als de startknop in stand I of II
staat nadat er een portier geopend of
gesloten werd.
Wanneer de afstandsbediening weer in de
auto is gelegd, verdwijnen de waarschu-
wingsmelding en het geluidssignaal nadat
een van de volgende handelingen is uitge-
voerd:
er is een deur geopend of gesloten;
de startknop is naar stand 0 gedraaid;
de knop READ is ingedrukt.
C70 w540.book Page 94 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
95
Sloten en alarm
Keyless Drive (optie op bepaalde markten)
Nooit een afstandsbediening in de auto
achterlaten
Als u een afstandsbediening met Keyless
Drive-functie in de auto laat liggen, wordt de
afstandsbediening bij het vergrendelen van
de auto gepassiveerd. Onbevoegden kunnen
het portier er dan niet meer mee openen.
Als er echter ingebroken wordt en iemand de
afstandsbediening in de auto vindt, kan de
afstandsbediening worden geactiveerd
waarna deze opnieuw te gebruiken is. Pas
daarom goed op al uw afstandsbedieningen.
Storingen in de functie van de
afstandsbediening
De Keyless Drive-functie kan verstoord
worden door elektromagnetische afscher-
mingen en magnetische velden.
Leg de afstandsbediening daarom niet dicht
bij een mobiele telefoon, metalen voorwerpen
of in een metalen attachékoffer.
Als er desondanks toch storingen optreden,
moet u de afstandsbediening en het
sleutelblad op de normale manier gebruiken
(zie pagina 90).
Ontgrendelen
Ontgrendel de auto als volgt:
open een van de portieren met de
handgreep of het kofferdeksel met een
druk op de knop.
Ontgrendelen met sleutelblad
Als de Keyless Drive-functie van de afstands-
bediening om wat voor reden dan ook niet
werkt, kunt u het bestuurdersportier als volgt
openen (zonder de centrale vergrendeling te
gebruiken):
werk de kunststof afdekking rechts op de
handgreep voorzichtig los door het
sleutelblad in de opening aan de
onderkant van de afdekking te steken;
ontgrendel het portier met het sleutelblad.
N.B. Het alarm gaat af en moet worden uitge-
schakeld (zie pagina 100).
Elektrisch bedienbare stoel (optie)
geheugenfunctie van afstandsbediening
Als meerdere personen met elk hun eigen
afstandsbediening met Keyless Drive-functie
in de auto stappen, nemen de bestuurders-
stoel en de buitenspiegels de stand in die de
persoon die als eerste een portier opent heeft
gekozen.
Vergrendelen
Vergrendel de portieren en het kofferdeksel
als volgt:
druk op de vergrendelingsknop op een
van de portierhandgrepen.
Beide portieren en het kofferdeksel moeten
zijn gesloten, voordat u op de vergrende-
lingsknop drukt. Anders vindt er geen
vergrendeling plaats.
De LED aan de binnenkant van de portieren
gaat branden (zie pagina 96).
Persoonlijke instellingen voor
Keyless Drive
U kunt de Keyless Drive-functies naar wens
afstellen. Zie pagina 58 voor meer informatie
over de persoonlijke instellingen.
C70 w540.book Page 95 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
96
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde
vergrendelen/ontgrendelen
Met de afstandsbediening kunt u alle
portieren van de auto en het kofferdeksel
tegelijkertijd vergrendelen of ontgrendelen.
De portieren kunnen ook worden
ontgrendeld met het afneembare sleutelblad.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het
kofferdeksel binnen twee minuten na
ontgrendeling van de buitenzijde met de
afstandsbediening opent, worden alle sloten
automatisch weer vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto per ongeluk onver-
grendeld kunt laten staan. Zie pagina 99 voor
auto’s met alarm.
Kofferdeksel ontgrendelen
Ga als volgt te werk om alleen het
kofferdeksel te ontgrendelen:
druk op de knop voor het kofferdeksel op
de afstandsbediening.
Als alle portieren vergrendeld zijn bij het
sluiten van het kofferdeksel, blijft het
kofferdeksel onvergrendeld staan totdat u de
auto met de afstandsbediening of handmatig
van de binnenzijde vergrendelt.
Auto van de binnenzijde
vergrendelen/ontgrendelen
Met de vergrendelingsknop bij de portier-
handgreep kunt u alle portieren en het
kofferdeksel tegelijkertijd vergrendelen of
ontgrendelen.
Ontgrendelen
Druk de bovenkant van de vergrende-
lingsknop in.
Vergrendelen
Druk op de onderkant van de vergrende-
lingsknop. Wanneer u tweemaal aan de
handgreep trekt, kunt u de portieren van
de binnenzijde ontgrendelen en openen.
Vergrendelingsindicatie
De LED’s aan de binnenkant van de portieren
lichten ca. vijf minuten lang op nadat u de
auto vergrendeld hebt via de afstandsbe-
diening of met het Keyless Drive-systeem
(zie pagina 95).
Wanneer u de auto tijdens het rijden vanaf de
binnenzijde vergrendelt, branden de LED’s
continu.
WAARSCHUWING!
Let erop dat inzittenden in de auto kunnen
worden opgesloten, als u de auto van de
buitenzijde vergrendelt.
C70 w540.book Page 96 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
97
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Kofferdeksel mechanisch
openen
Als het elektrisch systeem van de auto tijdelijk
niet werkt, kunt u het kofferdeksel ook
mechanisch openen.
Open het deksel op het tunnelvak en til
de rubbermat op de bodem op om bij het
afgedekte sleutelgat te kunnen komen.
Steek het afneembare sleutelblad erin en
draai het 90 graden rechtsom.
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen vergren-
delen/ontgrendelen met het afneembare
sleutelblad van de afstandsbediening.
Ontgrendel het dashboardkastje (1) door
de sleutel een kwartslag (90 graden)
linksom te draaien. Het sleutelgat staat
verticaal wanneer het kastje ontgrendeld is.
Vergrendel (2) het dashboardkastje door
de sleutel een kwartslag (90 graden)
rechtsom te draaien. Het sleutelgat staat
horizontaal wanneer het kastje
vergrendeld is.
Zie pagina 92 voor het activeren van de
Private Locking.
C70 w540.book Page 97 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
98
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Safelock-functie
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te
openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. U
activeert de functie met de afstandsbe-
diening. De Safelock-functie treedt
25 seconden na vergrendeling van de
portieren in werking. Bij Safelock is de auto
alleen met de afstandsbediening te ontgren-
delen. De portieren zijn tevens van de buiten-
zijde te openen met behulp van het
sleutelblad.
1. Sensoren deactiveren
2. Plaats voor schakelaars ingebouwde
accessoires
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt
vergrendelen terwijl er iemand in de auto
achterblijft, kunt u de Safelock-functie deacti-
veren.
Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
Druk op de knop (1).
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegings- en niveausensoren buiten
werking.
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een melding op het display zolang de sleutel
in het contactslot steekt. De volgende keer
dat u het contact aanzet, worden de
sensoren weer geactiveerd.
WAARSCHUWING!
Laat niemand in de auto zitten zonder
eerst de Safelock-functie te deactiveren.
C70 w540.book Page 98 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
99
Sloten en alarm
Alarm (optie, bepaalde landen)
Alarmsysteem
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontro-
leerd.
Het alarm gaat af, als:
een portier, de motorkap of het
kofferdeksel wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met
een verkeerde sleutel of wordt gemanipu-
leerd;
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een
bewegingsmelder aanwezig is);
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor);
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert los te
koppelen.
N.B. Wanneer de hardtop gesloten is, werkt
het alarm op dezelfde manier als wanneer de
hardtop geopend is. Dit betekent dat het
alarm afgaat wanneer er een beweging in de
passagiersruimte wordt geregistreerd.
Alarmdiode op dashboard
Een LED op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
De LED is uit – het alarm is uitgeschakeld.
De LED knippert eenmaal per seconde –
het alarm is ingeschakeld.
LED knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het
moment van aanzetten van het contact –
het alarm is afgegaan.
Als er een storing in het alarmsysteem is
opgetreden, verschijnt er een melding op het
informatiedisplay. Neem in dat geval contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats
laten nakijken.
N.B. Voer nooit zelf reparaties aan of wijzi-
gingen in het alarmsysteem uit. Dergelijke
ingrepen kunnen van invloed zijn op de verze-
keringsvoorwaarden.
Alarmfunctie inschakelen
Druk op de knop voor VERGRENDELEN
op de afstandsbediening. De richtingaan-
wijzers van de auto geven een lang lichts-
ignaal af ter bevestiging dat het alarm is
ingeschakeld en dat de portieren zijn
vergrendeld.
Alarmfunctie uitschakelen
Druk op de knop voor ONTGRENDELEN
op de afstandsbediening. De richtingaan-
wijzers van de auto geven twee korte
lichtsignalen af ter bevestiging dat het
alarm is uitgeschakeld en dat de portieren
zijn ontgrendeld.
Automatische inschakeling van
het alarm
De functie voorkomt dat u de auto per
ongeluk verlaat zonder het alarm in te
schakelen.
Als u geen van de portieren noch het
kofferdeksel binnen twee minuten na uitscha-
keling van het alarm opent (en de auto werd
met de afstandsbediening ontgrendeld),
wordt het alarm automatisch weer
ingeschakeld. Tegelijkertijd wordt de auto
vergrendeld.
C70 w540.book Page 99 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
100
Sloten en alarm
Alarm (optie, bepaalde landen)
Geactiveerd alarm uitschakelen
Druk op de knop voor ONTGRENDELEN
op de afstandsbediening of steek de
sleutel in het contactslot.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Afstandsbediening werkt niet
Ook als de afstandsbediening om wat voor
reden dan ook niet werkt, kunt u het alarm
nog steeds uitschakelen en de motor als
volgt starten:
Open het bestuurdersportier met het
sleutelblad. Het alarm gaat af en de
sirene klinkt.
Steek de afstandsbediening in het
contactslot. Het alarm wordt uitge-
schakeld. De alarmdiode knippert snel
totdat u de contactsleutel naar stand II
draait. Bij auto’s met Keyless Drive moet
u de startknop eerst verwijderen door de
pal in te duwen en de knop los te trekken.
Alarmsignalen
Bij alarm gebeurt het volgende:
Er klinkt 25 seconden lang een sirene.
Deze beschikt over een eigen accu die
wordt ingeschakeld, als de accu van de
auto te weinig vermogen heeft of
ontkoppeld is.
Alle richtingaanwijzers knipperen vijf
minuten lang of totdat u het alarm
uitschakelt.
Alarmsysteem testen
Bewegingsmelder in passagiersruimte
testen
Open alle ruiten.
Activeer het alarm. De LED knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm
is ingeschakeld.
Wacht 30 seconden.
Test de bewegingsmelder in de passa-
giersruimte door een tas of iets dergelijks
van de stoel te pakken. Er moet nu een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Portieren testen
Activeer het alarm.
Wacht 30 seconden.
Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
Open een van de portieren. Er moet nu
een sirene afgaan en tegelijkertijd moeten
alle richtingaanwijzers knipperen.
Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Motorkap testen
Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder.
Activeer het alarm. Blijf in de auto zitten
en vergrendel de portieren met de knop
op de afstandsbediening.
Wacht 30 seconden.
Ontgrendel de motorkap met de hendel
onder het dashboard. Er moet nu een
sirene afgaan en tegelijkertijd moeten alle
richtingaanwijzers knipperen.
Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
C70 w540.book Page 100 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
101
Starten en rijden
Algemene informatie 102
Brandstof tanken 103
Motor starten 105
Keyless Drive (optie op bepaalde markten) 107
Handgeschakelde versnellingsbak 108
Automatische versnellingsbak 110
Remsysteem 113
Stabiliteitssysteem 115
Parkeerhulp (optie) 117
Slepen en bergen 119
Starten met hulpaccu 121
Rijden met een aanhanger 122
Trekhaak (optie) 124
Afneembare trekhaak (optie) 126
Lading vervoeren 131
Lichtbundel aanpassen 132
C70 07 Starting and driving w540.fm Page 101 Wednesday, October 19, 2005 1:14 PM
102
Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt
op de verkeerssituatie.
Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijf-
stemperatuur komen.
Laat de motor niet stationair lopen, maar
rijd zo snel mogelijk met lichte belasting.
Een koude motor verbruikt meer
brandstof dan een warme.
Vermijd onnodig snel optrekken en
krachtig remmen.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Gebruik geen winterbanden op sneeuw-
vrije wegen.
Rijd niet met open zijruiten.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Oefen onder gecontroleerde omstandig-
heden om te testen hoe de nieuwe auto bij
gladheid reageert.
Motor en koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld
op steile hellingen en bij het vervoer van een
zware lading, bestaat het gevaar dat de motor
en het koelsysteem oververhit raken.
Vermijd oververhitting van het
koelsysteem
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange en steile helling oprijdt.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd
stationair laten lopen.
Verwijder verstralers die voor de grille
zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Vermijd oververhitting van de motor
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min, wanneer u met een
aanhanger of caravan achter de auto in
heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan de
olietemperatuur te hoog oplopen.
Geopend kofferdeksel
Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Als u
toch en stukje met een geopend kofferdeksel
moet rijden, kunt u het volgende doen:
Doe alle ruiten dicht.
Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste
snelheid draaien.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de contact-
sleutel niet te lang achtereen in stand II staan,
als u de motor hebt afgezet. Gebruik liever
stand I, omdat er zo minder stroom wordt
afgenomen. De 12V-aansluiting in de kofferbak
levert ook spanning als u de contactsleutel
hebt uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem (hoog volume)
stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende acces-
soires het elektrisch systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt
afgezet.
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De energiesparings-
functie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de interieurventilator
lager te zetten en de geluidsinstallatie uit te
schakelen. U laadt de accu op door de motor
te starten.
WAARSCHUWING!
Rijd niet met een geopend kofferdeksel.
Er kunnen giftige gassen via de kofferbak
de passagiersruimte in worden gezogen.
C70 w540.book Page 102 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
103
Starten en rijden
Brandstof tanken
Schakel voordat u gaat tanken de standver-
warming op brandstof uit.
Tankvulklep
Openen vanuit passagiersruimte
De klep kan niet worden geopend, wanneer
de motor loopt. De tankvulklep zit op het
rechter achterspatbord.
Druk op de knop op het verlichtings-
paneel (zie pagina 46).
Sluiten
Duw de klep dusdanig in dat u die hoort
klikken.
Openen vanuit kofferbak
Wanneer de tankvulklep niet vanuit de passa-
giersruimte te openen is, kunt u deze ook
handmatig openen. Dit gaat het eenvoudigst
als de hardtop gesloten is.
Verwijder de dekplaat waarmee het
lamphuis rechts in de kofferbak is
afgedekt.
Trek aan het lus die aan de haak zit.
Plaats de lus en de dekplaat terug,
wanneer de tankvulklep geopend is.
Tankdop
Draai de tankdop zo ver los dat u een
merkbare weerstand voelt. Draai de dop tot
aan de aanslag voorbij de weerstand. Trek de
dop uit de vulopening en hang hem aan de
binnenkant van de tankvulklep op.
Plaats de tankdop na het tanken terug. Draai
de dop zo ver dicht dat u een of meer duide-
lijke klikken hoort.
Brandstof tanken
Haal het vulpistool na de eerste afslag uit de
vulopening. Bij warm weer kan de tank bij een
grote hoeveelheid brandstof overlopen.
Gebruik geen brandstof met een slechtere
kwaliteit dan aangegeven op pagina 210,
omdat dit een nadelige invloed kan hebben
op het motorvermogen en het brandstofver-
bruik.
WAARSCHUWING!
Gemorste brandstof kan door de hete
uitlaatgassen ontvlammen.
Schakel voordat u gaat tanken de stand-
verwarming op brandstof uit.
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de
brandstofdampen ontsteken met gevaar
voor brand en verwondingen.
C70 w540.book Page 103 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
104
Starten en rijden
Brandstof tanken
Benzine
BELANGRIJK!
Voeg nooit reinigende additieven (dopes)
aan de benzine toe zonder het uitdrukke-
lijke advies van Volvo.
C70 w540.book Page 104 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
105
Starten en rijden
Motor starten
Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens
de start kan het gebeuren dat het motortoe-
rental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal. Volvo
streeft ernaar de uitstoot van uitlaatgassen te
beperken door het uitlaatgasreinigings-
systeem van de motor zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen.
N.B. Tijdens de koude start is het mogelijk
dat het motortoerental merkbaar hoger is dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaatgas-
reinigingssysteem zo snel mogelijk op bedrijf-
stemperatuur te brengen en tegelijkertijd de
uitstoot te beperken van stoffen die
schadelijk zijn voor het milieu.
Alvorens de motor te starten
Trek de handrem (parkeerrem) aan.
Automatische versnellingsbak:
De contactsleutel moet in stand II staan,
trap op het rempedaal en zet de keuze-
hendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak:
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en houd het koppelingspedaal
volledig ingedrukt. Dit is met name van
belang bij strenge vorst.
Motor starten
Benzinemotor:
Draai de contactsleutel naar stand III. Als
de motor niet binnen 5–10 seconden
aanslaat, moet u de sleutel loslaten en
een nieuwe startpoging doen.
Automatisch starten (T5 automaat)
Met de functie automatisch starten hoeft u de
contactsleutel (of de startknop op auto’s met
Keyless Drive (zie pagina 107)) niet langer in
de startstand (stand III) vast te houden totdat
de motor is aangeslagen. Draai de contact-
sleutel naar de startstand en laat de sleutel
weer los. De startmotor blijft vervolgens
automatisch (tot tien seconden lang) draaien
totdat de motor is aangeslagen.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel
doet, kan de elektronische startblokkering
per ongeluk worden geactiveerd.
WAARSCHUWING!
Neem de contactsleutel nooit tijdens het
rijden uit het contactslot, ook niet als de
auto gesleept wordt. Bij het slepen moet
de contactsleutel in stand II staan. U loopt
anders het gevaar dat het stuurslot wordt
geactiveerd, waardoor de auto
onbestuurbaar wordt.
WAARSCHUWING!
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor
uw auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de
vloermatten goed in de bevestigings-
klemmen op de vloer vastzet om te
voorkomen dat ze kunnen gaan glijden en
achter of onder de pedalen aan de
bestuurderszijde blijven haken.
C70 w540.book Page 105 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
106
Starten en rijden
Motor starten
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uit het contactslot
neemt.
I – Radiostand
Sommige onderdelen van
het elektrisch systeem
kunnen worden
ingeschakeld. Het elektrisch
systeem van de motor is
echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contact-
sleutel tijdens het rijden
staat. Het elektrisch
systeem van de auto is
ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt
ingeschakeld. Wanneer u
nadat de motor is aange-
slagen de sleutel loslaat,
veert deze automatisch
terug in de rijstand.
Als de sleutel tussen twee standen in staat
kan er een tikkend geluid te horen zijn. Draai
de sleutel in dat geval eerst naar stand II en
daarna terug om het geluid te laten
verdwijnen.
Bij een geactiveerd stuurslot
Als de voorwielen dusdanig staan dat het
stuurslot belast wordt, kan er een
waarschuwing op het informatiedisplay
verschijnen met de melding dat de motor niet
kan worden gestart.
Neem in dat geval de sleutel uit en draai
aan het stuurwiel, zodat het stuurslot
ontlast wordt.
Houd het stuurwiel in dezelfde stand vast
terwijl u de sleutel weer in het contactslot
steekt en een nieuwe startpoging doet.
Zorg dat het stuurslot actief is, wanneer u de
auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
WAARSCHUWING!
Neem de contactsleutel nooit tijdens het
rijden of het slepen uit het contactslot. U
loopt anders het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waardoor de auto
onbestuurbaar wordt.
WAARSCHUWING!
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
C70 w540.book Page 106 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
107
Starten en rijden
Keyless Drive (optie op bepaalde markten)
Auto starten
In plaats van een contactsleutel zit er een
startknop (zie pagina 90) op het contactslot.
U gebruikt de startknop op dezelfde manier
als de contactsleutel. Het enige verschil is
dat u om veiligheidsredenen bij het starten
het koppelingspedaal (auto met handbak) of
op het rempedaal (auto met automaat) moet
bedienen.
U kunt de motor alleen starten, wanneer de
afstandsbediening/sleutel in de passagiers-
ruimte of kofferbak ligt.
Trap op het koppelings- of rempedaal.
Druk de startknop in en draai deze naar
stand III.
Startknop of contactsleutel
U kunt de motor vervolgens met de startknop
of de contactsleutel starten.
Verwijder de startknop als volgt:
Duw de pal in en trek de knop naar
buiten.
C70 w540.book Page 107 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
108
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden,
vijfversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw
voet na het schakelen weer van het koppe-
lingspedaal af! Houd u aan het aangegeven
schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak
Schakel de achteruitversnelling alleen in als
de auto stilstaat. Om de achteruitversnelling
in te schakelen moet u de versnellingspook
eerst in de neutrale stand N zetten. Door de
blokkering van de achteruitversnelling kunt u
de versnellingspook niet rechtstreeks vanuit
de vijfde versnelling in de achteruitversnelling
zetten.
Schakelstanden,
zesversnellingsbak (benzine)
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw
voet na het schakelen weer van het koppe-
lingspedaal af! Houd u aan het aangegeven
schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Het kan problemen geven de schakelstanden
voor de vijfde en zesde versnelling te vinden,
wanneer de auto stilstaat. Dit omdat de
blokkering van de achteruitversnelling (die
dwarsslagen blokkeert) dan niet geactiveerd is.
C70 w540.book Page 108 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
109
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak
Schakel de achteruitversnelling alleen in,
wanneer de auto stilstaat.
N.B. De achteruitversnelling wordt elektro-
nisch geblokkeerd, als de auto sneller rijdt
dan 20 km/h.
C70 w540.book Page 109 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
110
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk
dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere
temperaturen stroperiger wordt. Om de
uitstoot van uitlaatgassen te beperken
schakelt de versnellingsbak later op dan
normaal, wanneer u bij lage temperaturen
wegrijdt.
N.B. Afhankelijk van de motortemperatuur
tijdens de start is het mogelijk dat het motor-
toerental van bepaalde motortypen na een
koude start iets hoger is dan normaal.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot
voorbij de normale volgasstand), schakelt de
versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten
kickdown.
Wanneer u het gaspedaal uit de kickdown-
stand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen, is het stuurpro-
gramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering waardoor de
zogeheten kickdown niet mogelijk is.
Kickdown is niet mogelijk in een handmatige
schakelstand (Geartronic).
Beveiligingssystemen
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveili-
gingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand II
staan en moet het rempedaal worden
bediend.
Schakelblokkering, vrijstand (stand N)
Als de keuzehendel in stand N staat en de
auto heeft minstens drie seconden stilge-
staan (of de motor nu loopt of niet), is de
keuzehendel geblokkeerd in stand N.
N.B. Om de keuzehendel uit stand N te
halen, moet het rempedaal worden bediend
en moet de contactsleutel in stand II staan.
C70 w540.book Page 110 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
111
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Schakelblokkering uitschakelen
In bepaalde gevallen moet u de auto kunnen
verzetten, wanneer er niet in gereden kan
worden zoals bij een lege accu. Doe het
volgende om de auto in dat geval te
verzetten:
Er zit een dekplaatje onder het paneel met
P-R-N-D op de keuzehendel. Open het
aan de achterzijde.
Steek het sleutelblad van de afstandsbe-
diening zover mogelijk in de opening
omlaag en houd het ingedrukt. Vervolgens
kunt u de hendel uit stand P halen.
Mechanische
keuzehendelblokkering
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de stand N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te
zetten, moet u een blokkering opheffen door
op de blokkeerknop op de keuzehendel te
drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u
de hendel vooruit of achteruit bewegen
tussen de standen R, N en D.
Automatische schakelstanden
P – Parkeerstand
Selecteer stand P, wanneer u de motor start
of de auto parkeert.
N.B. U moet het rempedaal bedienen om de
keuzehendel uit stand P te kunnen halen.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan.
BELANGRIJK!
De auto moet stilstaan wanneer u de
hendel in stand P zet.
C70 w540.book Page 111 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
112
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel
in stand R zet.
N – Neutraalstand
Stand N is de vrijstand. In deze stand kunt u
de motor starten en er is geen versnelling
ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer
de auto stilstaat en de keuzehendel in
stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
lingsbak schakelt automatisch op en terug
tussen de versnellingen afhankelijk van de
stand van het gaspedaal en de snelheid. Zorg
ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de
keuzehendel vanuit stand R in stand D zet.
Handmatige schakelstanden
(Geatronic)
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel in stand M zetten. Om van
stand M naar de automatische rijstand D over
te schakelen, moet u de keuzehendel in stand
D zetten.
Tijdens het rijden
De handmatige schakelstanden kunnen op
elk moment tijdens het rijden ingeschakeld
worden. De ingeschakelde versnelling is
geblokkeerd totdat u een andere versnelling
kiest.
Als u de keuzehendel naar de – (min)
beweegt, schakelt de versnellingsbak
automatisch een versnelling terug en wordt
er tegelijkertijd op de motor afgeremd als u
het gaspedaal loslaat. Als u de keuzehendel
naar de + (plus) beweegt, schakelt de
versnellingsbak een versnelling op.
De geselecteerde versnelling wordt op het
instrumentenpaneel weergegeven (zie
pagina 39).
N.B. Geartronic heeft twee veiligheids-
functies:
Geartronic staat geen terugschakeling/
kickdown toe die tot een dusdanig hoog
toerental leidt dat de motor wordt
beschadigd. Wanneer de bestuurder toch
probeert een dergelijke kickdown uit te
voeren, gebeurt er niets. De auto blijft in
de oorspronkelijke versnelling rijden.
Om schokken en afslaan van de motor te
voorkomen, schakelt Geartronic automa-
tisch terug als de bestuurder langzamer
gaat rijden dan wat voor de gekozen
versnelling gepast is.
W – Winterprogramma
Met de knop W bij de keuze-
hendel schakelt u het winter-
programma W in of uit. Bij
inschakeling van het winter-
programma licht het
lampje W op het instrumen-
tenpaneel op.
Wanneer het winterprogramma ingeschakeld
is, start de versnellingsbak in een hogere
versnelling om op gladde wegen gemakke-
lijker te kunnen wegrijden en worden de
lagere versnellingen alleen geactiveerd bij
kickdown.
Het winterprogramma W is alleen te selec-
teren met de keuzehendel in stand D.
C70 w540.book Page 112 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
113
Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een
uitgeschakelde motor, moet u
ongeveer vijfmaal zoveel druk uitoefenen op
het rempedaal als wanneer de motor loopt.
Als u bij het starten van de motor op het
rempedaal trapt, kan het rempedaal iets
omlaagkomen. Dit is volkomen normaal
omdat de rembekrachtiging geactiveerd
wordt. Omdat de auto is uitgerust met EBA
(Emergency Brake Assistance) kan dit nog
duidelijker te merken zijn.
N.B. Als geremd moet worden met een uitge-
schakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug
aanvoelen. U moet harder op het pedaal
trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat.
Daardoor kunnen de wrijvingseigenschappen
van de remblokken gewijzigd worden, zodat u
een bepaalde verlenging van de
aanspreekduur van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de
remblokken waardoor het vocht verdampt.
Deze procedure is ook aan te raden voordat
u de auto voor langere tijd in dergelijke
weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast
worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met
vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als
u niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandig-
heden vaak laag is, worden de remmen niet
even goed gekoeld als bij snelle ritten op
vlakke wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugscha-
kelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken
wanneer u een helling oprijdt. Op die manier
kunt u beter op de motor afremmen en hoeft
u de rem slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System)
voorkomt dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar,
waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om
obstakels te ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor
wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat er een korte zelftest van het
ABS van start. Dit kunt u zowel horen als
voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
Trap zo hard mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
Stuur de auto in de rijrichting en blijf druk
op het rempedaal uitoefenen.
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer
te testen hoe het ABS in verschillende weers-
omstandigheden reageert.
Het ABS-lampje licht op en blijft continu
branden:
gedurende twee seconden tijdens de
start als het ABS door een storing werd
uitgeschakeld.
WAARSCHUWING!
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
C70 w540.book Page 113 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
114
Starten en rijden
Remsysteem
Remkrachtverhoging – EBA
(Emergency Brake Assistance) Het EBA is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet remmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u het rempedaal bedient.
Blijf remmen zonder het rempedaal los te
laten. Het systeem wordt uitgeschakeld,
wanneer u het rempedaal loslaat. Het
systeem is altijd actief. U kunt het dan ook
niet uitschakelen.
Handrem (parkeerrem)
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
De aangetrokken handrem werkt alleen op de
achterwielen. Het waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát u
de handrem hebt aangetrokken, maar niet
hoe hard! Trek de handremhendel daarom
altijd helemaal omhoog.
N.B. Het controlelampje geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
Handrem aantrekken
Trap het rempedaal stevig in.
Trek de handremhendel helemaal
omhoog.
Haal uw voet van het rempedaal en
controleer of de auto blijft stilstaan.
Zet de keuzehendel in de
1e versnelling (handbak)
of schakel stand P in (automaat).
Op een helling parkeren
Draai de wielen van de trottoirband af bij
het parkeren op een oplopende helling.
Draai de wielen naar de trottoirband toe
bij het parkeren op een aflopende helling.
Parkeerrem lossen
Trap het rempedaal stevig in.
Trek de handremhendel iets omhoog,
druk de knop in, duw de handrem omlaag
en laat de knop weer los.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing zijn
opgetreden in het remsysteem. Als het
remvloeistofpeil in dat geval in orde is,
moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten contro-
leren.
Als de remvloeistof onder het MIN-
streepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
C70 w540.book Page 114 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
115
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem
Wanneer het systeem actief is, kan het lijken
alsof de auto niet normaal reageert op de
stand van het gaspedaal. Dit komt doordat
het systeem de grip op het wegdek regis-
treert en de verschillende deelsystemen van
het stabiliteitssysteem inschakelt.
De auto is uitgerust met een dynamisch stabi-
liteits- en tractieregelingssysteem (DSTC)
met de volgende deelsystemen:
•TC
•AYC
•SC
Tractieregeling,
Traction Control (TC)
De tractieregeling brengt de aandrijfkracht
van een slippend aandrijfwiel over op een
aandrijfwiel dat niet slipt. Om de aandrijf-
kracht in een dergelijke situatie te verhogen,
is het mogelijk dat u het gaspedaal verder
dan normaal moet intrappen. Wanneer de
tractieregeling actief is, kunt u een pulserend
geluid horen. Dit is volkomen normaal. De
tractieregeling is voornamelijk actief op lage
snelheden. U kunt de functie niet uitscha-
kelen.
Antislipregeling,
Active Yaw Control (AYC)
De antislipregeling zorgt ervoor dat een of
meer wielen van de auto automatisch worden
geremd om de auto te stabiliseren als deze in
de slip dreigt te raken. Het rempedaal doet
stugger aan dan normaal en u hoort een
pulserend geluid.
De antislipregeling is altijd actief. U kunt de
regeling dan ook niet uitschakelen.
Antispinregeling,
Spin Control (SC)
De antispinregeling voorkomt dat de aange-
dreven wielen tijdens het optrekken
doorslippen. De regeling verhoogt de
veiligheid op gladde wegen. Bij het rijden met
sneeuwkettingen of bij het rijden in een diepe
laag sneeuw of zand, kan het handig zijn om
de antislipregeling uit te schakelen om zo de
tractie te verbeteren.
Het uitschakelen gaat via het menusysteem
op het informatiedisplay, dat u de volgende
twee opties biedt:
DSTC AAN – de antispinregeling is
ingeschakeld.
DSTC SPIN CONTROL UIT – de antis-
pinregeling is uitgeschakeld.
Antispinregeling inschakelen/
uitschakelen
Draai aan het duimwiel (A) totdat het
DSTC-menu verschijnt.
Houd de knop RESET (B) ingedrukt
totdat de tekst DSTC AAN of DSTC
SPIN CONTROL UIT verschijnt.
WAARSCHUWING!
Er treden wijzigingen in de rijeigen-
schappen van de auto op bij het uitscha-
kelen van de antispinregeling.
C70 w540.book Page 115 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
116
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem
Symbolen op
instrumentenpaneel
Symbool licht op en dooft
ca. 2 seconden later
Het lampje licht tijdens het starten
van de motor op om aan te geven
dat er een systeemtest plaatsvindt.
Symbool knippert
De SC-regeling voorkomt dat de
aangedreven wielen van de auto
doorslippen. De TC-regeling
verbetert de grip van de auto op de weg. De
AYC-regeling voorkomt dat de auto in de slip
raakt.
Het informatielampje brandt
continu
Het symbool brandt en de melding
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK
UIT verschijnt op het informatiedisplay.
Wegens een te hoge remtemperatuur gelden
er tijdelijk beperkingen voor de TC-regeling.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur
weer normaal is.
Het informatielampje brandt
continu
Het symbool licht op en de
melding ANTI-SKID SERVICE
VEREIST verschijnt op het informatiedisplay.
Het DSTC-systeem werd door een storing
uitgeschakeld.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Start de motor opnieuw.
Als het waarschuwingssymbool blijft
branden, moet u de auto naar een
werkplaats rijden om het systeem te laten
controleren.
WAARSCHUWING!
Bij een beperking van de functionaliteit
van het DSTC-systeem kunnen de rijei-
genschappen van de auto zich wijzigen.
Wees altijd voorzichtig in bochten en op
gladde wegen.
C70 w540.book Page 116 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
117
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Parkeerhulp voor- en achterzijde.
Algemene informatie
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel
tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven
de afstand tot een waargenomen obstakel
aan.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor
1
de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
signalen elkaar op.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon.
Als er zowel voor als achter de auto obstakels
binnen deze afstand liggen, komen de
geluidssignalen beurtelings uit de
luidsprekers voor- en achterin.
Wanneer u ondertussen naar een andere
geluidsbron van het audiosysteem luistert,
wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Het systeem is altijd actief bij het starten van
de motor, waarbij de melding “Parkeerhulp
actief Exit = deactiveren” op het audiodisplay
verschijnt.
Parkeerhulp voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combi-
neren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht
achter de auto.
N.B. Bij gebruik van een aanhanger of een
fietsdrager op de trekhaak moet u het
systeem uitschakelen. Als u dat niet doet,
reageren de sensoren op de aanhanger/fiets-
drager.
De parkeerhulp wordt automatisch uitge-
schakeld, wanneer u een aanhanger achter
de auto hebt hangen die met een originele
aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
Parkeerhulp uitschakelen/
opnieuw inschakelen
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met een
druk op EXIT op het bedieningspaneel (zie
pagina 58). De melding “Parkeerhulp inactief
Enter = activeren” verschijnt dan op het audio-
display. De parkeerhulp is vervolgens
opnieuw te activeren met een druk op de knop
ENTER op het bedieningspaneel. De melding
“Parkeerhulp actief Exit = deactiveren”
verschijnt dan op het audiodisplay.
Parkeerhulp voorzijde
De parkeerhulp aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h, zelfs tijdens het
achteruitrijden.
De geluidssignalen komen uit de luidspreker
voorin.
Parkeerhulp achterzijde
De parkeerhulp aan de achterzijde wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de
1. Op voorwaarde dat er aan voor- en
achterzijde sensoren voor
parkeerhulp zijn aangebracht.
WAARSCHUWING!
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken. Houd kinderen en
dieren in de buurt van de auto in de gaten.
C70 w540.book Page 117 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
118
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
achteruitversnelling. Als het systeem uitge-
schakeld is, zal de melding “Parkeerhulp
inactief Enter = activeren” op het display
verschijnen zodra u de achteruitversnelling
inschakelt.
De geluidssignalen komen uit de luidspreker
achterin.
Aanduiding voor
systeemstoringen
Het informatielampje brandt
continu
Het symbool licht op terwijl de
melding PARKEERHULP SERVICE
VEREIST op het informatiedisplay in het
midden van het instrumentenpaneel
verschijnt.
Sensoren voor parkeerhulp.
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt.
Reinig ze met water en autoshampoo.
De sensoren kunnen ten onrechte reageren
op een laag sneeuw en ijs.
BELANGRIJK!
In bepaalde omstandigheden kan het
parkeerhulpsysteem ten onrechte
waarschuwingssignalen afgeven. Dit
komt door externe geluidsbronnen met
ultrasone geluidssignalen van dezelfde
frequentie als de sensoren van het
systeem. Voorbeelden van dergelijke
geluidsbronnen zijn onder meer claxons,
natte banden op asfaltwegen, luchtdruk-
remmen en uitlaten van motorfietsen. Dit
is volkomen normaal en duidt dan ook
niet op een storing in het systeem.
C70 w540.book Page 118 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
119
Starten en rijden
Slepen en bergen
Probeer de motor nooit aan te
slepen
Gebruik een hulpaccu als de accu leeg is en
de motor niet wil starten. Probeer de auto niet
te starten door hem te slepen.
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor
slepen.
Draai de sleutel in het contactslot naar
stand II en hef het stuurslot op, zodat de
auto bestuurbaar is (zie pagina 105).
Laat de sleutel tijdens het slepen in
stand II staan.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand.
Zorg dat de sleepkabel altijd strak staat
om schokken te voorkomen. Houd uw
voet op het rempedaal.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van
een auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen.
Bergen
De toelaatbare maximumsnelheid voor het
bergen van auto’s met een automatische
versnellingsbak is 80 km/h (met geheven
vooras). De maximaal toelaatbare afstand
bedraagt 80 km. Berg de auto altijd zo dat de
wielen vooruitdraaien.
Zie pagina 120 voor informatie over de
positie van het sleepoog en de bevestigings-
punten.
BELANGRIJK!
De katalysator kan beschadigd raken als
u de auto probeert aan te slepen.
WAARSCHUWING!
Het stuurslot blijft in de stand staan die
het had toen de spanning werd verbroken.
Het stuurslot moet worden opgeheven,
voordat u de auto sleept.
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot.
WAARSCHUWING!
De rembekrachtiging en de stuurbekrach-
tiging werken niet wanneer de motor
uitgeschakeld is. U moet
ongeveer vijfmaal zo hard op het
rempedaal trappen en de auto stuurt
aanzienlijk zwaarder dan normaal.
C70 w540.book Page 119 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
120
Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
Gebruik het sleepoog als de auto over de
weg moet worden versleept. U bevestigt het
sleepoog in de opening aan de rechterzijde
van de voor- of achterbumper. Monteer het
sleepoog als volgt:
Pak het sleepoog erbij dat in de zak in het
doorsteekluik ligt of bij het reservewiel.
Maak de onderkant van de afdekking in
de bumper los met een schroevendraaier
of een muntstuk 1.
Schroef het sleepoog stevig tot aan de
flens (2 en 3) vast.
Schroef het sleepoog na het gebruik weer
los en leg het in de zak, die u vervolgens
in het doorsteekluik legt of bij het reser-
vewiel. Plaats de afdekking weer terug op
de bumper. Berg de auto altijd zo dat de
wielen vooruitdraaien.
BELANGRIJK!
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging wanneer de auto bijvoorbeeld in
een sloot is gereden. Roep professionele
hulp in voor berging.
C70 07 Starting and driving w540.fm Page 120 Wednesday, October 19, 2005 1:14 PM
121
Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met hulpaccu
Als de accu leeg is, kunt u de stroom van een
losse accu of van de accu in een andere auto
gebruiken. Controleer altijd of de klemmen
van de startkabels goed vastzitten en of er
geen vonken kunnen ontstaan tijdens de
startpoging.
Als u een hulpaccu gebruikt bij het starten
wordt geadviseerd de volgende stappen aan
te houden om explosiegevaar te voorkomen:
Draai de contactsleutel naar stand 0.
Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12V levert.
Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van die auto
afzetten. Zorg ervoor dat de auto’s elkaar
niet raken.
Sluit de rode startkabel aan tussen de
pluspool (1+) van de hulpaccu en de
pluspool (2+) van de lege accu.
Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het massapunt (4–) dat op bij de
linker veerpoot zit.
Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
Start de motor van de auto met de lege
accu.
Verwijder de startkabels. Verwijder eerst
de zwarte kabel en daarna de rode. Zorg
dat geen van de klemmen aan de zwarte
startkabel contact kan maken met de
pluspool van de accu of met de klem die
op de rode startkabel is aangesloten.
Raak de aansluitingen niet aan tijdens de
startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor
vonkvorming.
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot
ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan
veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen
krijgt of op uw huid of kleren morst, moet
u onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact
op met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
C70 07 Starting and driving w540.fm Page 121 Wednesday, July 20, 2005 3:07 PM
122
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de
accessoires die op de auto gemonteerd zijn
en het totaalgewicht van de inzittenden (zie
pagina 205).
Als de trekhaak door Volvo in de fabriek is
gemonteerd, wordt de auto compleet aange-
leverd met de benodigde randuitrusting voor
het gebruik van een aanhanger.
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
Bij montage achteraf moet u contact
opnemen met uw erkende Volvo-dealer
om te controleren of uw auto van de
nodige uitrusting is voorzien om met een
aanhanger te kunnen rijden.
Verdeel de lading in de aanhanger
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
Verhoog de bandenspanning tot de
aanbevolen druk voor maximale belading.
Raadpleeg de bandenspanningstabel (zie
pagina 138).
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel
1
regelmatig in.
Rijd niet met een zware aanhanger,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is.
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile
hellingen worden de remmen veel
zwaarder belast dan normaal. Schakel
dan terug naar een lagere versnelling en
pas uw snelheid aan.
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de
versnellingsbak oververhit raken. Als de
temperatuurmeter voor de koelvloeistof
op het instrumentenpaneel tot in het rode
gebied uitslaat, moet u de auto stoppen
en de motor enkele minuten stationair
laten draaien. De versnellingsbak
reageert met een ingebouwde beveili-
gingsfunctie. Zie de melding op het infor-
matiedisplay. Bij oververhitting kan de
airconditioning zichzelf tijdelijk uitscha-
kelen.
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller
dan 80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
Gebruik wielblokken, als u een auto met
aanhanger op een steile helling parkeert.
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P,
wanneer u een automaat met aanhanger
parkeert. Gebruik altijd de handrem.
Aanhangergewichten
Zie pagina 205 voor de toelaatbare aanhan-
gergewichten.
N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare
aanhangergewichten zijn door Volvo
bepaald. Let erop dat er op grond van de
wetgeving voor motorvoertuigen in uw land
verdere beperkingen van het aanhangerge-
wicht en de snelheid kunnen gelden. Het is
bovendien mogelijk dat de trekhaak gespeci-
ficeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht van
de auto.
1. Geldt niet voor de trekhaak bij
gebruik van een kogelsegment met
trillingsdemper.
WAARSCHUWING!
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De
aanhanger en de auto kunnen anders
moeilijk bestuurbaar worden tijdens
uitwijk- en remmanoeuvres.
C70 07 Starting and driving w540.fm Page 122 Wednesday, October 19, 2005 1:15 PM
123
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Automatische versnellingsbak,
rijden met een aanhanger
Op een helling parkeren:
Trek de handrem (parkeerrem) aan.
Zet de keuzehendel in de parkeerstand P.
Op een helling wegrijden:
Zet de keuzehendel in de rijstand D.
Haal de auto van de handrem
(parkeerrem).
Steile hellingen
Kies bij het omhoog rijden op steile
hellingen of in langzaam rijdend verkeer
de juiste handmatige versnellingsstand.
Zo voorkomt u dat de versnellingsbak
opschakelt en houdt u de versnellingsba-
kolie koel.
Schakel geen hogere, handmatige
versnelling in dan de motor “aankan”.
Rijden in hoge versnellingen is niet altijd
zuinig.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger.
WAARSCHUWING!
Zorg dat u de bagage altijd goed
verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en inzit-
tenden verwonden.
C70 07 Starting and driving w540.fm Page 123 Wednesday, October 19, 2005 1:15 PM
124
Starten en rijden
Trekhaak (optie)
Trekhaken
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak
met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel
niet
te worden ingevet.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment
zorgvuldig worden opgevolgd (zie
pagina 126).
N.B. Neem na gebruik altijd het kogel-
segment los. Bewaar het in de kofferbak.
Aanhangerkabel
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde
adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de
grond sleept.
Specificaties
Afstand A
WAARSCHUWING!
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING!
Let op het volgende als uw auto is
uitgerust met de afneembare trekhaak van
Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel
vergrendeld is voordat u begint te rijden.
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Afneembare trekhaak: 1150 mm
Maximale kogeldruk: 75 kg
C70 w540.book Page 124 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
125
Starten en rijden
Trekhaak (optie)
Afstand B
Afneembare trekhaak: 67 mm
C70 w540.book Page 125 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
126
Starten en rijden
Afneembare trekhaak (optie)
Kogelsegment monteren
Verwijder de beschermkap.
Controleer of het mechanisme in de
ontgrendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is.
Als het venster niet rood van kleur is,
moet u (1) indrukken en de borgknop
linksom (2) draaien totdat u een klik hoort.
C70 w540.book Page 126 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
127
Starten en rijden
Afneembare trekhaak (optie)
Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Draai de sleutel linksom naar de vergren-
delde stand.
Neem de sleutel uit het slot.
C70 w540.book Page 127 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
128
Starten en rijden
Afneembare trekhaak (optie)
N.B. Controleer of het kogelsegment vastzit
door het omhoog, omlaag en naar achteren te
trekken. Als het kogelsegment niet goed zit,
moet u het verwijderen en het opnieuw
monteren zoals eerder werd beschreven.
N.B. De veiligheidskabel van de aanhanger
moet aan de bevestiging van de trekhaak
worden vastgemaakt.
C70 w540.book Page 128 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
129
Starten en rijden
Afneembare trekhaak (optie)
Kogelsegment verwijderen
Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
Druk de vergrendelingsknop in en draai
deze linksom totdat u een klik hoort.
Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
C70 w540.book Page 129 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
130
Starten en rijden
Afneembare trekhaak (optie)
Duw de beschermkap erop.
C70 w540.book Page 130 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
131
Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de
accessoires die op de auto gemonteerd zijn
en het totaalgewicht van de inzittenden.
Lading vervoeren in kofferbak
Zet de motor af en trek de handrem aan bij
het in- en uitladen van lange voorwerpen.
Wanneer u met de lange bagage tegen de
versnellingspook of keuzehendel aankomt,
kan de auto in beweging komen.
Plaats de bagage stevig tegen de rugleuning
van de stoel ervoor.
Breng brede voorwerpen in het midden
aan.
Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk
aan.
Dek scherpe randen met iets zachts af om
de bekleding te beschermen.
Zie pagina 84 voor meer informatie over het
vervoeren van lading.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING!
Vergeet niet dat een voorwerp met een
gewicht van 20 kg tijdens een frontale
botsing bij een snelheid van 50 km/h zich
kan gedragen als een voorwerp met een
gewicht van 1000 kg.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de lading nooit boven de
ruggedeelten uitsteekt.
Bij vervoer van lading bij de zijpanelen
is het mogelijk dat het opblaasgordijn
dat achter de portierbekleding
schuilgaat, geen of beperkte
bescherming biedt (zie pagina 21).
Zorg dat u de bagage altijd goed
verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en
inzittenden verwonden.
C70 w540.book Page 131 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
132
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
U kunt de lichtbundel van de koplampen
aanpassen om te voorkomen dat u tegen-
liggers verblindt. Bij de juiste lichtbundel
wordt ook de berm beter verlicht.
Halogeenlampen.
Koplampen met halogeenlampen
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B)
bij rechtsrijdend verkeer.
Bi-Xenonlampen.
Koplampen met Bi-Xenonlampen
De hendel van de koplamp moet in stand (A)
staan bij linksrijdend verkeer en in stand (B)
bij rechtsrijdend verkeer.
WAARSCHUWING!
Als een auto is voorzien van Bi-Xenonkop-
lampen, moet u alle werkzaamheden aan
de lamp door een erkende Volvo-
werkplaats laten uitvoeren.
Omdat Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
C70 w540.book Page 132 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
133
Wielen en banden
Algemene informatie 134
Bandenspanning 138
Gevarendriehoek en reservewiel (optie) 139
Wielen verwisselen 140
Provisorische bandenreparatie 142
C70 w540.book Page 133 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
134
Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijei-
genschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de
snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het
rijgedrag van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbe-
volen bandenspanning aan die op de
bandenspanningsticker staat (zie pagina 138
voor de plaatsing).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde
maataanduiding. Een voorbeeld van een
dergelijke aanduiding is 215/55R16 91 W.
Snelheidsaanduidingen
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aange-
leverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken
van de afmetingen en snelheidsaanduidingen
die staan aangegeven op de typegoed-
keuring van de auto. De enige uitzondering
daarop vormt het gebruik van winterbanden
(zowel spijkerbanden als banden zonder
spijkers). Bij gebruik van dergelijke banden
mag u niet sneller rijden dan de maximum-
snelheid die voor het gebruikte bandentype
geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld
een maximumsnelheid van 160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en
niet de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de
maximumsnelheid is.
Nieuwe banden
Banden hebben een
beperkte houdbaarheids-
datum. Na enkele jaren
worden de banden hard en
neemt de grip op het
wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd
zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation)
bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502.
De band op de afbeelding is in de 15e week
van het jaar 2002 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet
u door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de
werking van de band worden aangetast, in
welk geval u de band niet meer dient te
gebruiken.
Dit geldt ook voor reservebanden, winter-
banden en banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de
zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
215 Breedte van de band (mm)
55 Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R Aanduiding voor radiaalbanden
16 Velgdiameter van de band (")
91 Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
W Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h)
Q 160 km/h
(alleen voor winterbanden)
T 190 km/h
H 210 km/h
V 240 km/h
W 270 km/h
Y 300 km/h
C70 w540.book Page 134 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
135
Wielen en banden
Algemene informatie
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan
(de letters TWI (Tread Wear Indicator) op de
zijkant van de band geven aan dat een band
is uitgerust met slijtage-indicatoren). De
indicatoren zijn duidelijk zichtbaar wanneer
een band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan zo spoedig mogelijk. Let erop dat
een band met een gering profiel zeer weinig
grip op het wegdek heeft bij regen of
sneeuw.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde
afmetingen aan. Deze staan in een banden-
spanningstabel (zie pagina 138 voor de
positie). De bandenmaat is afhankelijk van de
motorvariant. Gebruik altijd winterbanden op
alle vier de wielen.
N.B. Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de
eerste 500–1000 km voorzichtig worden
ingereden, zodat de “spikes” zich kunnen
zetten. Zo gaan de banden en vooral de
“spikes” langer mee.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
gebruik van banden met “spikes” verschillen
van land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage tempe-
raturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt er een
minimale profieldiepte van vier mm voor
winterbanden geadviseerd.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen.
N.B. Rijd nooit sneller dan 50 km/h met
sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuw-
vrije wegen, omdat zowel de sneeuwket-
tingen als de banden daardoor overmatig
slijten. Maak nooit gebruik van sneeuwket-
tingen met zogeheten snelsluitingen, omdat
de ruimte tussen de schijfremmen en de
wielen te gering is.
BELANGRIJK!
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen
die zijn afgestemd op het model en de
band- en velgafmetingen. Vraag een
erkende Volvo-werkplaats om advies.
C70 w540.book Page 135 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
136
Wielen en banden
Algemene informatie
1. Korte wielmoer
2. Lange wielmoer
Velgen en wielmoeren
Gebruik alleen velgen die getest en goedge-
keurd zijn door Volvo en deel uitmaken van de
originele accessoires van Volvo. Er bestaan
verschillende soorten wielmoeren voor stalen
en aluminium velgen. Haal de wielmoeren aan
met 90 Nm. Controleer het aanhaalmoment
met een momentsleutel.
Stalen velgen, korte wielmoer (1)
Stalen velgen worden normaal gesproken
vastgezet met het korte type wielmoer,
hoewel voor stalen velgen ook het lange type
gebruikt mag worden.
Aluminium velgen, lange wielmoer (2)
Gebruik alleen het lange type wielmoer voor
aluminium velgen. Het lange type is duidelijk
te herkennen aan de draaiende, conische
drukring.
N.B. Dit type mag ook voor stalen velgen
worden gebruikt.
Afsluitbare wielmoeren
Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Als u
stalen velgen met afsluitbare wielmoeren
combineert met wieldoppen, moet u de
afsluitbare wielmoeren op het tapeind beves-
tigen dat het dichtst bij het ventiel zit. U kunt
de wieldop anders niet op het wiel
aanbrengen.
Compact reservewiel
“Temporary Spare” (optie)
U mag het compacte reservewiel
1
alleen
gebruiken gedurende de korte tijd die nodig
is om het normale wiel te repareren of te
vervangen. Gebruik zo spoedig mogelijk
weer een normaal wiel. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
BELANGRIJK!
U moet de wielmoeren aanhalen met
90 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de
boutverbinding beschadigd raken.
WAARSCHUWING!
Gebruik nooit het korte type moer voor
aluminium velgen. Het wiel kan losraken.
1. Bepaalde varianten en markten
BELANGRIJK!
Rijd nooit met meer dan één compact
reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
C70 w540.book Page 136 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
137
Wielen en banden
Algemene informatie
De pijl geeft de draairichting van de band
aan.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts enz. Bij banden
met een speciaal profiel dat alleen goed
werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aange-
geven met een pijl op de zijkant van de band.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draai-
richting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit
van links naar rechts of omgekeerd. Als u de
banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
de banden regen, sneeuw en drab minder
goed afvoeren. Monteer de banden met het
diepste profiel altijd op de achteras (om het
gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
C70 w540.book Page 137 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
138
Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Op de sticker voor op de korte kant van het
linker portier staat de juiste bandenspanning
voor uw auto aangegeven bij verschillende
belading en snelheid.
Op de sticker staan:
1:1 Originele Volvo-banden
1:2 Reservebanden
Bandenspanning controleren
Controleer de bandenspanning regelmatig.
De juiste bandenspanning staat in de
bandenspanningstabel aangegeven. De
aangegeven bandenspanning geldt bij koude
banden (kan verschillen naargelang de
buitentemperatuur).
Als u met de verkeerde bandenspanning rijdt,
is het rijgedrag van de auto slechter en is het
mogelijk dat de banden veel sneller slijten. Al
na enkele kilometers rijden worden de
banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert terwijl de
banden warm zijn.
C70 w540.book Page 138 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
139
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel (optie)
Gevarendriehoek
De gevarendriehoek is in de kofferbak aange-
bracht.
Volg de geldende bepalingen voor het
gebruik van een gevarendriehoek. Zet de
gevarendriehoek op een passend punt achter
de auto op om achteropkomend verkeer tijdig
te waarschuwen.
Neem de gevarendriehoek uit de houder.
Klap de steunpoten van de gevaren-
driehoek uit.
Zorg dat u de houder met de gevaren-
driehoek na gebruik in de reservewielbak
terugplaatst.
Positie, gereedschap voor provisorische
bandenreparatie.
Reservewiel, gereedschap en
krik
Originele krik (optie)
Gebruik de originele krik alleen voor het
verwisselen van banden. Houd de schroef
van de krik altijd goed ingevet. De krik en de
wielsleutel zitten in het blok schuimrubber in
de kofferbak.
Provisorische bandenreparatieset
Zie pagina 142 voor het gebruik.
C70 08 Wheels and tires w540.fm Page 139 Wednesday, October 19, 2005 1:14 PM
140
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Positie, gereedschap voor reservewiel.
Reservewiel en gereedschap (optie)
Het reservewiel zit in een opbergzak in de
ruimte voor het reservewiel in de kofferbak. In
het midden van het wiel zit een zwart blok
schuimrubber met daarin de krik en de
wielsleutel. U zet de opbergzak met de twee
bevestigingsbanden vast aan de veranke-
ringsogen op de vloer.
Maak de twee bevestigingsbanden los
waarmee de opbergzak met het reser-
vewiel aan de vloer vastzit.
Open de ritssluiting in de opbergzak en
neem de stukken gereedschap eruit.
Til het reservewiel uit de opbergzak.
Leg het wiel met de lekke band in de
opbergzak en zet de zak vast met de bevesti-
gingsbanden. Let erop dat u de instructies op
de opbergzak voor het reservewiel opvolgt bij
het terugplaatsen van het wiel.
C70 08 Wheels and tires w540.fm Page 140 Wednesday, October 19, 2005 1:14 PM
141
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Zet een gevarendriehoek op, als u langs een
drukke weg een wiel moet vervangen. Zorg
ervoor dat de auto en de krik op een stevige
en horizontale ondergrond staan.
Neem het reservewiel, de krik en de
wielsleutel erbij.
Haal de handrem aan en schakel de
eerste versnelling in of zet de keuze-
hendel in stand P, als de auto een
automatische versnellingsbak heeft.
Plaats wielblokken voor en achter de
wielen die op de grond blijven staan.
Gebruik grote houten blokken of grote
stenen.
Auto’s met stalen velgen hebben
afneembare wieldoppen. Wrik de wieldop
los met het uiteinde van een wielsleutel of
trek hem met de hand los. Wanneer u de
wieldop terugplaatst, moet u erop letten
dat de opening in de wieldop recht
tegenover het ventiel komt te zitten.
Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom
los met de wielsleutel.
Er zitten twee kriksteunpunten aan weers-
zijden van de auto. Draai de voet van de
krik met de slinger zo ver omlaag dat de
voet plat tegen de grond aankomt.
Controleer of de krik goed aan het
kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding
op pagina 141) en zorg dat de voet recht
onder het krikpunt zit. Breng de auto zo ver
omhoog dat het wiel van de grond komt.
Verwijder de wielmoeren en til het wiel eraf.
Wielen monteren
Reinig de contactvlakken op het wiel en
de naaf.
Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren
vast.
Breng de auto zo ver omlaag dat de
wielen niet meer ongehinderd kunnen
draaien. Draai de wielmoeren kruiselings
vast. Het is belangrijk dat u de
wielmoeren stevig aanhaalt. Haal ze aan
met 90 Nm. Controleer het aanhaal-
moment met een momentsleutel.
Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
WAARSCHUWING!
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto
stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat
ze dusdanig moeten gaan staan dat de
auto of liever nog een vangrail tussen hen
en het verkeer op de weg staat.
C70 w540.book Page 141 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
142
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Algemene informatie
Tot de standaarduitrusting van de auto
behoort een bandenreparatieset in plaats van
een reservewiel. De bandenreparatieset is
zowel te gebruiken om een lek te dichten als
de bandenspanning tijdelijk te corrigeren. De
bandenreparatieset bestaat uit een
elektrische luchtcompressor en een geïnte-
greerde spuitbus met afdichtmiddel.
Positie van bandenreparatieset
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit bij de opening voor het
doorsteekluik (zie pagina 86).
Sluit de compressor op de 12V-aansluiting
aan die het dichtst bij de lekke band zit.
Provisorische bandenreparatieset
De bandenreparatieset is alleen bedoeld
voor tijdelijke noodreparaties, zodat er nog
hooguit 200 km of naar de dichtstbijzijnde
Volvo-werkplaats gereden kan worden. Het
afdichtmiddel dicht banden met een lek in het
loopvlak effectief af.
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van
de houdbaarheidsdatum of het gebruik van
de bandenreparatieset.
De houdbaarheidsdatum staat aan de
voorkant van de compressor (zie afbeelding
op pagina 146).
Zie pagina 146 voor informatie over het
vervangen van de spuitbus.
N.B. De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder
goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Probeer geen banden met de provisorische
bandenreparatie set te repareren die grote
groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
WAARSCHUWING!
Het afdichtmiddel kan bij direct
huidcontact irritatie veroorzaken. Was bij
huidcontact het getroffen gebied onmid-
dellijk schoon met water en zeep.
C70 w540.book Page 142 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
143
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Oppompen
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet oppompen. De
compressor mag niet langer dan tien minuten
achtereen werken. Met de compressor kunt u
voorwerpen oppompen met een inhoud tot
50 liter.
Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
Draai de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
Sluit de kabel (5) op een van de
12V-aansluitingen in de auto aan.
Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten.
Pomp de band op tot de druk die op de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in
het zijvak (3) terug.
Leg de bandenreparatieset na gebruik
onder de vloer in de kofferbak.
WAARSCHUWING!
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
C70 w540.book Page 143 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
144
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet repareren.
Haal de sticker (1) met de toelaatbare
maximumsnelheid uit de bandenrepara-
tieset en bevestig deze op het stuurwiel
waar de bestuurder hem duidelijk kan
zien.
Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
Draai de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
Sluit de kabel (5) op een van de
12V-aansluitingen in de auto aan.
Maak de veiligheidspal (6) los en draai
het oranje gedeelte (7) 90 graden tot in
de verticale stand, totdat u een klik hoort.
Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten. Een tijdelijke spannings-
verhoging van maximaal 4 bar zal zich
voordoen terwijl het afdichtmiddel naar
binnen wordt gepompt. Na ca. een
minuut daalt de spanning en geeft de
manometer een nauwkeuriger banden-
spanning aan.
Pomp de band op tot een spanning van
1,8 tot 3,5 bar. Als de spanning na tien
minuten pompen nog geen 1,8 bar heeft
bereikt, moet u de compressor uitscha-
kelen om oververhitting te voorkomen.
Koppel de luchtslang (4) van het ventiel
los en breng het ventieldopje weer aan.
Haal de kabel (5) uit de elektrische
aansluiting. Klap het oranje gedeelte (7)
in de oorspronkelijke stand terug en zet
de pal (6) vast. Berg de bandenrepara-
tieset op een veilige plaats in de auto op.
WAARSCHUWING!
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
C70 w540.book Page 144 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
145
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 kilometer af bij een snelheid van
80 km/h om ervoor te zorgen dat het
afdichtmiddel de band goed afdicht.
Bandenspanning opnieuw controleren:
N.B. Het oranje gedeelte (7) niet opklappen
wanneer u alleen de compressor gebruikt
voor het bijvullen van lucht.
Sluit de luchtslang (4) aan op het ventiel
van de band. Sluit de kabel (5) aan op
een van de 12V-aansluitingen in de auto.
Lees de spanning van de compressor af.
Als de bandenspanning lager is dan
1,3 bar, is de band onvoldoende
afgedicht. Onder zulke omstandigheden
moet u uw rit beëindigen. Neem contact
op met een bandenreparateur.
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de
bandenspanningsticker (zie pagina 138
voor de positie). Als de bandenspanning
te hoog is, moet u lucht uit de band laten
ontsnappen met behulp van de
reduceerklep (8).
Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in
het zijvak (3) terug.
Leg de bandenreparatieset onder de
vloer in de kofferbak.
De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de
compressor daarna afkoelen, omdat de kans
op oververhitting aanwezig is.
N.B. Vervang de spuitbus met afdichtmiddel
en de slang na gebruik.
WAARSCHUWING!
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Let vooral
op de zijkanten van de banden. Bij
barsten, oneffenheden en dergelijke moet
u de compressor onmiddellijk uitscha-
kelen. Onder zulke omstandigheden moet
u uw rit beëindigen. Neem contact op met
een erkende bandenreparateur.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodre-
paratie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk
afgedichte band zo spoedig mogelijk
(maximale rijafstand 200 km).
C70 w540.book Page 145 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
146
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Spuitbus met afdichtmiddel
vervangen
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van
de houdbaarheidsdatum (zie
datumsticker (1)) of het gebruik van de
bandenreparatieset. Na gebruik moet u de
spuitbus (6) met houder (8) en
luchtslang (10) vervangen.
U kunt de vervanging in een erkende Volvo-
werkplaats laten uitvoeren of dit zelf doen
volgens de aanwijzingen.
Spuitbus vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum verstreken is
Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3)
los en verwijder deze.
Draai de spuitbus (6) los en verwijder
deze.
Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de
spuitbus vast.
Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of de behuizing op de juiste manier vastzit
en draai deze met de boutjes (2) aan.
Breng de snelheidssticker (4) en een
nieuwe datumsticker (1) op de bandenre-
paratieset aan.
Behandel de vervangen spuitbus als klein
chemisch afval (KCA).
Spuitbus en slang na gebruik vervangen
Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
BELANGRIJK!
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de
onderkant van de spuitbus.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de compressor niet aangesloten
is op de 12V-aansluiting bij het vervangen
van de spuitbus.
C70 w540.book Page 146 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
147
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3)
los en verwijder deze.
Duw de knop (8) omlaag terwijl u de
spuitbus (6) met houder (9) rechtsom
draait en ze verwijdert.
Trek de luchtslang (10) los.
Veeg het resterende afdichtmiddel met
een doek af of gebruik een krabber als
het middel al enigszins ingedroogd is.
Breng een nieuwe luchtslang (10) aan en
controleer of die correct zit.
Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de
houder (9) op de spuitbus (6) vast en
draai deze linksom vast totdat u een klik
hoort.
Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of de behuizing op de juiste manier vastzit
en draai deze met de boutjes (2) aan.
Breng de snelheidssticker (4) en een
nieuwe datumsticker (1) op de bandenre-
paratieset aan.
De lege spuitbus en luchtslang zijn te behan-
delen als normaal afval.
C70 w540.book Page 147 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
148
Wielen en banden
C70 w540.book Page 148 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
149
Verzorging
Schoonmaken 150
Lakschade herstellen 152
Roestwering 153
C70 w540.book Page 149 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
150
Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik hiervoor autoshampoo. Vuil en
strooizout kunnen al snel aanleiding geven tot
corrosie.
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan
oplopen. Zorg dat de auto op een spoel-
vloer met afvoerscheiding staat.
Spoel zorgvuldig het vuil van het
onderstel van de auto.
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken.
Was de auto met een spons, autos-
hampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker.
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen
verkleuren. Een dergelijke verkleuring is
alleen te herstellen door de vakman.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er
echter op dat een wasbeurt in een automa-
tische wasstraat nooit een alternatief vormt
voor een goede wasbeurt met de hand,
omdat de borstels van de wasstraat niet
overal even goed bij kunnen. .
BELANGRIJK!
Spoel de auto liever niet schoon met de
hardtop geopend om te voorkomen dat er
water in het interieur terechtkomt.
BELANGRIJK!
Let op het volgende bij gebruik van een
hogedrukreiniger: houd bij het wassen de
spuitkop van de hogedrukreiniger ten
minste 30 cm van de carrosserie af. Spuit
niet direct in de richting van de sloten.
WAARSCHUWING!
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor
heet is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK!
Houd de hardtop gesloten bij het schoon-
maken in een automatische wasstraat.
Schroef de antenne bij het kofferdeksel
los voordat u de wasstraat inrijdt.
BELANGRIJK!
Voor de lak is het beter om de auto met
de hand te wassen dan in een automa-
tische wasstraat. Een nieuwe laklaag is
bovendien kwetsbaarder dan een oude
laag. U wordt daarom geadviseerd de
eerste maanden na aankoop van een
nieuwe auto deze alleen met de hand te
wassen.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen altijd de remmen om
te voorkomen dat vocht en corrosie de
remvoeringen kunnen aantasten waardoor
de remwerking afneemt! Trap tijdens het
rijden bij regen of natte sneeuw af en toe
lichtjes op het rempedaal zodat de
remvoeringen warm worden en het vocht
kan verdampen. Doe dit ook bij het starten
onder zeer vochtige of koude weersom-
standigheden.
C70 w540.book Page 150 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
151
Verzorging
Schoonmaken
Kunststof exterieuronderdelen
Voor het reinigen van kunststof exterieuron-
derdelen wordt een speciaal reinigings-
middel geadviseerd dat verkrijgbaar is bij
erkende Volvo-dealers. Gebruik nooit sterke
vlekkenmiddelen.
Elektrisch bedienbare hardtop
Als u de kap nat opent, zal er water in de
passagiersruimte lopen. Wacht daarom na
een regenbui of een bezoekje aan een
automatische wasstraat ca. 20 seconden,
voordat u de hardtop opent.
Afdekking
De afdekking (zie pagina 75) is gevoelig voor
water en daarom moet u een natte afdekking
met een doek afdrogen.
Gebruik een vochtige doek om de afdekking
schoon te maken.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of als u deze extra
bescherming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af,
voordat u begint te poetsen of de was
aanbrengt. Verwijder asfalt- en teervlekken
met terpentine. U kunt hardnekkige vlekken
met een speciaal voor autolak bestemde, fijne
schuurpasta (“rubbing compound”) verwij-
deren.
Poets de lak eerst op en behandel deze
daarna met was in vloeibare of vaste vorm.
Volg de aanwijzingen op de verpakking
nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten
zowel poetsmiddel als was.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
Erkende Volvo-dealers hebben een speciaal
reinigingsmiddel voor stoffen bekleding.
Andere reinigingsmiddelen kunnen de brand-
vertragende eigenschappen van de
bekleding aantasten.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
Voor vuile leren bekleding wordt u geadvi-
seerd gebruik te maken van de speciale reini-
gingsmiddelen die bij erkende Volvo-dealers
verkrijgbaar zijn. Behandel leren bekleding
een- tot tweemaal per jaar met de leerverzor-
gingsset van Volvo. Gebruik nooit sterke
oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen
bekleding van textiel, vinyl en leer bescha-
digen.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en -panelen
Voor het reinigen van interieuronderdelen en
-panelen van kunststof wordt een speciaal
reinigingsmiddel geadviseerd, dat
verkrijgbaar is bij erkende Volvo-dealers.
Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik
nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij erkende Volvo-dealers verkrijgbaar is.
Zorg dat de gordel droog is, voordat deze
weer wordt opgerold.
BELANGRIJK!
Scherpe voorwerpen en klittenband
kunnen de stoffen bekleding bescha-
digen.
C70 w540.book Page 151 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
152
Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Om roest-
vorming te voorkomen moet u lakschade
meteen herstellen. De meest voorkomende
soorten lakschade zijn bijvoorbeeld
steenslagplekken, krassen en plekjes op de
spatbordranden en portieren.
Kleurcode
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. De code voor de autolak staat op
het typeplaatje op de B-stijl (zie pagina 204).
Steenslagplekken en krassen
Vóór het herstel van lakschade moet u de
auto schoonmaken en goed laten drogen.
Zorg er bovendien voor dat de auto warmer is
dan 15 °C.
Benodigdheden
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een lakstift
•Kwastje
Afplaktape
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na
verwijdering van het vuil de ontbrekende lak
aan te brengen.
Als de steenslagplek wel tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen
Plak een stuk afplaktape over het bescha-
digde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng deze met een fijn kwastje of een
lucifersstokje aan. Breng de lak met een
kwastje aan, wanneer de primer droog is.
Krassen kunt u op dezelfde manier
herstellen, maar dek ter bescherming de
onbeschadigde lak rond de kras af.
Poets na enkele dagen de herstelde lak
op. Gebruik daarvoor een zachte doek
met een geringe hoeveelheid schuur-
pasta.
C70 w540.book Page 152 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
153
Verzorging
Roestwering
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst
grondige en complete roestwerende behan-
deling ondergaan. De carrosserie bestaat ten
dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het
onderstel is voorzien van een slijtvaste
bodembescherming. In de balken, holten en
gesloten profielen werd een dunne, doordrin-
gende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
Houd de auto schoon. Spoel het
onderstel af. Houd bij gebruik van een
hogedrukreiniger de spuitkop ten minste
30 cm van gelakte onderdelen af.
Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de drie
jaar een nabehandeling ondergaan. Neem
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, als de auto een nabehandeling
nodig heeft.
C70 w540.book Page 153 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
154
Verzorging
C70 w540.book Page 154 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
155
Onderhoud en service
Volvo Service 156
Onderhoud 157
Motorkap en motorruimte 158
Oliën en vloeistoffen 159
Wisserbladen 163
Accu 164
Gloeilampen vervangen 166
Zekeringen 173
C70 w540.book Page 155 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
156
Onderhoud en service
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo
Car Corporation, net voordat de auto aan u
werd geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo
opvolgen zoals die omschreven staan in het
Service- en garantieboekje van Volvo. Laat
service- en reparatiewerkzaamheden door een
erkende Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-
werkplaatsen beschikken over het personeel,
het speciale gereedschap en de servicehand-
boeken waardoor zij u een zo hoog mogelijke
servicekwaliteit kunnen garanderen.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem laat uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed
hebben op de werking van de elektronische
systemen van de auto. Bepaalde accessoires
werken alleen, wanneer de bijbehorende
software in de elektronische systemen van de
auto wordt geladen. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, voordat u accessoires monteert
die in verbinding staan met of van invloed zijn
op het elektrisch systeem.
Vastlegging van
voertuiggegevens
Er kunnen een of meer computers op uw
Volvo zitten die gedetailleerde informatie
kunnen vastleggen. Deze informatie is
bestemd voor onderzoek ter verbetering van
de veiligheid en voor het opsporen van
storingen in bepaalde autosystemen. De
informatie kan gegevens bevatten over zaken
als het gebruik van de veiligheidsgordel door
de bestuurder en de passagier(s), gegevens
over de werking van verschillende autosys-
temen en -modulen en informatie over de
status van de motor, gasklep, besturing,
remmen en andere systemen. De informatie
kan tevens gegevens bevatten over de rijstijl
van de bestuurder, met inbegrip van (maar
niet beperkt tot) de rijsnelheid, het gebruik
van het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag.
De laatstgenoemde informatie kan voor een
begrensde tijd tijdens het rijden, tijdens een
aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden
vastgelegd. Volvo Car Corporation zal de
vastgelegde informatie niet zonder uw
toestemming vrijgeven. Volvo
Car Corporation kan echter op last van de
nationale wetgeving gedwongen worden om
bepaalde informatie te verstrekken. Voor het
overige geldt dat alleen Volvo
Car Corporation en de erkende Volvo-
werkplaatsen de informatie kunnen uitlezen
en gebruiken.
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C.
doe dat ook bij korte ritten (over
afstanden kleiner dan 10 km) bij lage
temperaturen (onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantie-
boekje van Volvo controleert en de
aanwijzingen opvolgt.
C70 w540.book Page 156 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
157
Onderhoud en service
Onderhoud
Alvorens met de
werkzaamheden te beginnen
Accu
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig
vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor
loopt (bij het vervangen van de accu
bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het
opladen van de accu. Zorg dat de
accukabels zijn ontkoppeld tijdens het
opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u
de accu op een milieuvriendelijke manier
verwerkt. Neem hiervoor contact op met de
Volvo-dealer.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoor-
beeld bij het tanken:
Koelvloeistof – Het peil moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiere-
servoir staan.
Motorolie – Het peil moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan.
Stuurbekrachtigingsvloeistof – Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met
antivries bij temperaturen rond het
vriespunt.
Rem- en koppelingsvloeistof – Het peil moet
tussen het MIN- en MAX-streepje staan.
WAARSCHUWING!
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het
ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
Zet daarom altijd de auto van het contact
bij werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact is aangezet of als de motor
warm is.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automa-
tisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor
heet is, bestaat er gevaar voor brand.
C70 w540.book Page 157 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
158
Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
Motorkap openen:
Trek aan de ontgrendelingshandgreep
helemaal links onder het dashboard (of
helemaal rechts bij een auto met het stuur
rechts). U hoort dat de slotpal losschiet.
Steek uw hand midden onder de voorkant
van de motorkap en duw de slotpal naar
rechts.
Open de motorkap.
Afhankelijk van het motortype kan de motor-
ruimte er iets anders uitzien. De onderdelen
op de lijst zitten echter altijd op de aange-
geven plaats.
Motorruimte
1. Expansiereservoir voor koelsysteem
2. Reservoir voor stuurbekrachtigings-
vloeistof
3. Peilstok voor motorolie
1
4. Radiateur
5. Koelventilator
6. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
7. Reservoir voor rem- en koppelings-
vloeistof (auto met stuur rechts)
8. Vulopening voor motorolie
1
9. Reservoir voor rem- en koppelings-
vloeistof (auto met stuur links)
10. Accu
11. Relais- en zekeringenkastje, motorruimte
12. Luchtfilter
1
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
1. Afhankelijk van het motortype.
C70 w540.book Page 158 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
159
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt (zie pagina 208).
Peilstok, benzinemotoren.
Olie verversen en oliefilter
vervangen
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst. Het Service- en garantieboekje
geeft aan bij welke kilometerstand u de olie
moet verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De beste meting wordt
verkregen bij een koude motor vóór de start.
Meteen na het afzetten van de motor krijgt u
een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan
een te laag peil aan, omdat de olie geen tijd
heeft gehad om terug te lopen naar het
oliecarter.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd olie van de aanbevolen
kwaliteit (zie sticker in motorruime).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit
dan wordt voorgeschreven of wanneer u
met een te laag oliepeil rondrijdt.
BELANGRIJK!
Als blijkt dat het oliepeil te laag is, moet u
verse olie bijvullen met dezelfde kwaliteit
en viscositeit als de olie in de motor.
C70 w540.book Page 159 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
160
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
De olie moet binnen het gemarkeerde
gebied op de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
Parkeer de auto op een vlakke onder-
grond.
Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAX-
streepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 208 voor de aan
te houden hoeveelheid.
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
Parkeer de auto op een vlakke onder-
grond, zet de motor af en wacht ten
minste 10–15 minuten zodat de olie naar
het carter terug kan lopen.
Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAX-
streepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 208 voor de aan
te houden hoeveelheid.
BELANGRIJK!
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAX-
streepje. Het olieverbruik kan toenemen,
als u teveel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op het hete uitlaats-
pruitstuk, omdat er gevaar voor brand
bestaat.
C70 w540.book Page 160 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
161
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Positie van reservoir voor ruitensproeier-
vloeistof.
Ruitensproeiervloeistof
bijvullen
De sproeiers van de voorruit en de
koplampen staan in verbinding met hetzelfde
vloeistofreservoir.
Gebruik tijdens de wintermaanden antivries
in het reservoir om te voorkomen dat de
vloeistof in de pomp, het reservoir en de
slangen bevriest. Zie pagina 209 voor de
hoeveelheden.
N.B. Meng het antivries met water, voordat u
bijvult of gebruik kant-en-klare ruitensproeier-
vloeistof.
Koelvloeistof controleren en
bijvullen
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u de verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de
heersende weersomstandigheden. Vul het
reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel
wanneer het percentage koelvloeistof te laag
is als wanneer het te hoog is. Zie pagina 209
voor de hoeveelheden.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt,
kan de temperatuur in het systeem plaatselijk
dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor
schade (scheurvorming) in de cilinderkop
ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het
peil tot onder het MIN-streepje is gezakt.
N.B. De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen
kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan
veroorzaken.
BELANGRIJK!
Het is uitermate belangrijk dat u een
koelvloeistof met roestwerende eigen-
schappen gebruikt volgens de aanbeve-
lingen van Volvo. Een nieuwe auto is
voorzien van koelvloeistof die bestand is
tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
WAARSCHUWING!
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn.
Als u moet bijvullen terwijl de motor op
bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam
de dop van het expansiereservoir
losdraaien om de overdruk te laten
ontsnappen.
C70 w540.book Page 161 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
162
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in
hetzelfde reservoir
1
. De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje staan. Controleer
het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof
om de twee jaar of iedere tweede geplande
servicebeurt.
Zie pagina 209 voor de aan te houden
hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
de remvloeistof.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of
in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
moet u de remvloeistof ieder jaar verversen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De
vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Zie pagina 209 voor de aanbevolen oliekwa-
liteit en aan te houden hoeveelheden.
Ook als er een storing optreedt in de stuurbe-
krachtiging of als de stroom wegvalt en u de
auto moet laten wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. De auto zal echter veel
zwaarder sturen dan normaal en er is meer
kracht nodig om het stuurwiel te verdraaien.
1. Positie verschilt op auto’s met het
stuur links of rechts
WAARSCHUWING!
Als de remvloeistof onder het MIN-
streepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
C70 w540.book Page 162 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
163
Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen vervangen
Klap de wisserarm uit en houd het
wisserblad onder een hoek van
90 graden ten opzichte van de wisserarm.
Trek het wisserblad recht opzij van de
spil af.
Duw het nieuwe wisserblad (1) naar
binnen, onder een hoek van 90 graden
ten opzichte van de wisserarm.
Haal het wisserblad (2) onder de
gebogen metalen plaat (3) naar binnen
toe en klap de wisserarm omlaag.
N.B. De wisserbladen zijn niet allebei even
lang. Het blad aan de bestuurderszijde is
langer dan dat aan de passagierszijde.
C70 w540.book Page 163 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
164
Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden
e.d. zijn van invloed op de levensduur en de
werking van de accu.
Let op het volgende om de accu in optimale
staat te houden:
Controleer regelmatig of het peil van de
accuvloeistof in orde is (A).
Controleer alle cellen. Verwijder de
celdoppen met een schroevendraaier.
Elke cel heeft zijn eigen MAX-streepje.
Vul zo nodig bij met gedestilleerd water
tot aan het MAX-streepje.
N.B. Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan
het MAX-streepje (A).
Draai de celdoppen stevig vast.
N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des
te minder lang gaat de accu mee.
Symbolen op de accu
De onderstaande symbolen zitten op de
accu.
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoni-
seerd water (accuwater).
C70 w540.book Page 164 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
165
Onderhoud en service
Accu
Accu vervangen
Accu verwijderen
Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
Schroef de afdekking van de accu los.
Wacht ten minste 5 minuten, voordat u
een van de elektrische aansluitingen
aanraakt (zo kan de informatie in de
elektrische systemen van de auto worden
vastgelegd in de verschillende regeleen-
heden).
Verwijder het deksel en schroef het
voorpaneel van de accubak los met een
schroevendraaier.
Koppel de minkabel los.
Haal de klem los waarmee de accu
vastzit.
Koppel de pluskabel los.
Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
Til de accu op zijn plaats.
Sluit de pluskabel aan.
Breng de klem aan waarmee de accu
vastzit.
Sluit de minkabel aan.
Plaats het voorpaneel van de accubak en
het deksel terug.
Breng de afdekking op de accu aan.
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen het zeer explosieve
knalgas produceren. Een enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van de startkabels, is voldoende om de
accu tot ontploffing te brengen, en zo
schade aan de auto en letsel te veroor-
zaken. De accu bevat ook zwavelzuur, wat
ernstige corrosieve verwondingen door
etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in
de ogen krijgt, of op uw huid of uw kleren
morst, moet u meteen met grote hoeveel-
heden water spoelen. Neem onmiddellijk
contact op met een arts, als u accuzuur in
de ogen krijgt.
C70 w540.book Page 165 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
166
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 212 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een
bijzonder type of lampen die alleen in een
werkplaats te vervangen zijn:
Interieurverlichting aan het plafond.
Leeslampjes.
Verlichting dashboardkastje.
Richtingaanwijzers, buitenspiegels.
Approach-verlichting, buitenspiegels.
Derde remlicht.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Alle gloeilampen in de koplamphuizen
(behalve die voor het dimlicht) zijn te
vervangen door het lamphuis via de motor-
ruimte los te maken en het in zijn geheel te
verwijderen.
Lamphuis losmaken:
Neem de contactsleutel uit en draai de
verlichtingsdraaiknop naar stand 0.
Trek de borgpen (1) van het lamphuis
omhoog.
Trek het lamphuis opzij en vervolgens
naar voren (2).
Koppel de connector los.
Til het lamphuis naar buiten en leg het op
een zachte ondergrond om krassen op de
lens te voorkomen.
Lamphuis aanbrengen:
Sluit de connector aan.
Plaats het lamphuis terug en breng de
borgpen aan. Controleer of u de borgpen
goed hebt aangebracht.
Controleer de verlichting.
Het lamphuis moet zijn aangesloten en in
positie vastzitten, voordat u de verlichting
inschakelt of de contactsleutel in het
contactslot steekt.
BELANGRIJK!
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op
uw vingers kunnen door de hitte
verdampen. Dit zorgt voor aanslag op de
reflector, waardoor deze al snel
kapotgaan.
WAARSCHUWING!
Als een auto is voorzien van Bi-Xenonkop-
lampen, moet u alle werkzaamheden aan
de lamp door een erkende Volvo-
werkplaats laten uitvoeren.
Omdat Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een hoge
spanning opwekt, moet u er voorzichtig
mee omgaan.
C70 w540.book Page 166 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
167
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Dimlicht
Afdekking en gloeilamp vervangen:
Haal het lamphuis in zijn geheel los.
Haal de borgklemmen opzij en verwijder
afdekking.
Koppel de connector van de lamp los.
Maak de veerklem los waarmee de
gloeilamp vastzit. Duw de klem eerst naar
links zodat hij loskomt en haal de klem
vervolgens schuin naar buiten toe omlaag.
Trek de gloeilamp eruit.
Plaats het lamphuis terug.
Nieuwe gloeilamp aanbrengen:
Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op één manier worden aange-
bracht.
Duw de veerklem omhoog en iets naar
rechts, zodat deze in positie vastklikt.
Duw de connector in positie terug.
Plaats de kunststof afdekking terug.
Plaats het lamphuis terug.
Groot licht
Haal het lamphuis in zijn geheel los.
Linker koplamp: draai de lamphouder
linksom.
Rechter koplamp: draai de lamphouder
rechtsom.
Trek de lamphouder naar buiten toe en
vervang de gloeilamp.
Plaats de lamphouder terug. De
lamphouder kan slechts op één manier
worden teruggeplaatst.
Plaats het lamphuis terug.
C70 w540.book Page 167 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
168
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Trek de lamphouder met een tang naar
buiten. Trek de lamphouder niet aan de
kabel naar buiten.
Vervang de gloeilamp.
Duw de lamphouder terug. De
lamphouder kan slechts op één manier
worden teruggeplaatst.
Richtingaanwijzers
Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder
door de lamp in te drukken en tegelij-
kertijd linksom te draaien.
Breng een nieuwe gloeilamp in de
lamphouder aan en plaats de lamphouder
in het lamphuis terug.
Zijmarkeringslicht
Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar
buiten en vervang de gloeilamp.
Plaats de lamphouder terug. De
lamphouder kan slechts op één manier
worden aangebracht.
C70 w540.book Page 168 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
169
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistlampen vóór
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Verwijder het paneel dat om het lamphuis
zit. Begin aan de buitenkant (zie boven-
staande afbeelding).
Draai beide torx-boutjes uit het lamphuis
los en neem het lamphuis eruit.
Koppel de connector van de gloeilamp
los.
Trek de gloeilamp linksom naar buiten.
Breng de nieuwe gloeilamp aan en draai
deze rechtsom vast.
Sluit de connector op de gloeilamp aan.
Plaats het lamphuis terug en schroef het
vast.
Lamphouder achterlamphuis
verwijderen
Alle gloeilampen in het achterlamphuis zijn via
de kofferbak te vervangen.
C70 w540.book Page 169 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
170
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
1. Remlicht
2. Parkeerlicht achter en achterlicht
3. Mistachterlicht (een zijde)
4. Richtingaanwijzer
5. Achteruitrijlicht
N.B. De gloeilamp voor het mistachterlicht is
slechts in een van de achterlamphuizen
aanwezig. Dit is het linker achterlamphuis bij
auto’s met het stuur links en het rechter
achterlamphuis bij auto’s met het stuur rechts.
Kentekenplaatverlichting
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Draai de boutjes los met een schroeven-
draaier.
Haal voorzichtig het complete lamphuis
los en trek het naar buiten.
Vervang de gloeilamp.
Plaats het complete lamphuis terug en
draai de boutjes vast.
Instapverlichting
De instapverlichting vindt u onder het
dashboard aan de bestuurders- en passa-
gierszijde.
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat de
lens loskomt.
Verwijder de kapotte gloeilamp.
Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Plaats de lens terug.
BELANGRIJK!
Als de foutmelding “Storing lampje”/
“Controleer remlicht” niet verdwijnt nadat
de kapotte lamp is vervangen, moet u bij
een erkende Volvo-werkplaats langsgaan
om de storing te verhelpen.
C70 w540.book Page 170 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
171
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Kofferbak
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
Verwijder de kapotte gloeilamp en breng
een nieuwe aan.
Verlichting make-upspiegel
Spiegelglas verwijderen:
Steek in het midden aan de onderkant
een schroevendraaier achter het glas.
Wrik het borgnokje op de rand voorzichtig
los.
Steek de schroevendraaier aan zowel de
linker- als rechterzijde achter het glas (bij
de zwarte rubberdelen). Wrik voorzichtig,
zodat de onderkant van het glas loskomt.
Maak het spiegelglas voorzichtig los en
verwijder het compleet met afdekklep.
Verwijder de kapotte gloeilamp en
vervang deze.
Spiegelglas aanbrengen:
Duw eerst de drie borgnokjes aan de
bovenkant van het spiegelglas weer
terug.
Duw vervolgens de onderste drie vast.
C70 w540.book Page 171 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
172
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Interieurverlichting achterin
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
Verwijder de kapotte gloeilamp en breng
een nieuwe aan.
C70 w540.book Page 172 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
173
Onderhoud en service
Zekeringen
Algemene informatie
Om te voorkomen dat de elektrische
systemen van de auto beschadigd raken door
kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschil-
lende elektrische functies en onderdelen
door een aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op twee verschillende
plaatsen in de auto:
Relais- en zekeringenkastje in de motor-
ruimte.
Relais- en zekeringenkastje in de passa-
giersruimte.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de
bijbehorende zekering overbelast werd en
daardoor gesmolten is.
Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het
gebogen draadje soms doorgebrand is.
Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
In de zekeringenkastjes is plaats voor een
aantal reservezekeringen. Als dezelfde
zekering herhaaldelijk doorbrandt, betekent
dit dat het bijbehorende onderdeel een
storing vertoont. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats voor het uitvoeren
van een controle.
C70 w540.book Page 173 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
174
Onderhoud en service
Zekeringen
Relais- en zekeringenkastje in
motorruimte
Het zekeringenkastje biedt plaats aan
36 zekeringen. Let erop dat u een doorge-
brande zekering altijd vervangt door een
nieuwe zekering met dezelfde kleur en
hetzelfde amperage.
1–6 zijn van het type “Midi Fuse” en
moeten door een erkende Volvo-
werkplaats worden vervangen.
7–18 zijn van het type “JCASE” en
moeten door een erkende Volvo-
werkplaats worden vervangen.
19–36 zijn van type “MiniFuse”.
Aan de binnenkant van het deksel zit een
speciale trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
C70 w540.book Page 174 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
175
Onderhoud en service
Zekeringen
1. Koelventilator................................................................................. 50 A
2. Stuurbekrachtiging ...................................................................... 80 A
3. Voeding voor relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte.......................................................................... 60 A
4. Voeding voor relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte.......................................................................... 60 A
5. Reservepositie......................................................................................-
6. Reservepositie......................................................................................-
7. ABS-pomp..................................................................................... 30 A
8. ABS-ventielen............................................................................... 20 A
9. Regeleenheid motor (ECM) ...................................................... 30 A
10. Ventilator klimaatregeling ........................................................... 40 A
11. Koplampsproeiers, elektrisch bedienbare hardtop,
afsluitbaar opbergvak en doorsteekluik .................................. 20 A
12. Voeding voor elektrische achterruitverwarming .................... 30 A
13. Relais startmotor.......................................................................... 30 A
14. Bedrading aanhanger................................................................. 40 A
15. Elektrisch bedienbare hardtop.................................................. 30 A
16. Voeding voor infotainment......................................................... 30 A
17. Ruitenwissers ............................................................................... 30 A
18. Voeding voor relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte.......................................................................... 40 A
19. Reservepositie...................................................................................... -
20. Claxon ............................................................................................ 15 A
21. Standverwarming op brandstof, interieurverwarming ......... 20 A
22. Subwoofer..................................................................................... 25 A
23. Regeleenheid motor (ECM, vijfcilindermotoren)/
regeleenheid voor transmissie (TCM)..................................... 10 A
24. Reservepositie...................................................................................... -
25. Reservepositie...................................................................................... -
26. Contactslot.................................................................................... 15 A
27. Compressor voor airconditioning............................................. 10 A
C70 w540.book Page 175 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
176
Onderhoud en service
Zekeringen
28. Reservepositie ......................................................................................-
29. Mistlampen vóór........................................................................... 15 A
30. Reservepositie .................................................................................3 A
31. Reservepositie .............................................................................. 10 A
32. Injectoren (5-cil.), intercooler..................................................... 10 A
33. Lambdasonde (5-cil.), vacuümpomp (5-cil.) .......................... 20 A
34. Bobines (benzinemotoren), injectoren, brandstofpomp,
verklikker klimaatregeling (5-cil.)............................................... 10 A
35. Motorsensor kleppen, relaisspoel airconditioning,
PTC-element olievanger ............................................................. 15 A
36. Regeleenheid motor (ECM), gaspedaalsensor..................... 10 A
C70 w540.book Page 176 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
177
Onderhoud en service
Zekeringen
Relais- en zekeringenkastje in
passagiersruimte
Het zekeringenkastje biedt plaats aan
50 zekeringen. De zekeringen zitten onder
het dashboardkastje. Er is tevens plaats voor
een aantal reservezekeringen.
Zekering vervangen:
Verwijder de interieurbekleding die het
zekeringenkastje afdekt door eerst de
middelste pen in de bevestigingsclips (1)
ca. 1 cm in te duwen en deze vervolgens
naar buiten te trekken.
Draai beide vleugelbouten (terwijl u het
zekeringenkastje vasthoudt) (2) linksom
totdat ze los zijn.
Klap het zekeringenkastje (3) tot
halverwege omlaag. Trek het zo ver in de
richting van de stoel dat het niet verder
kan. Klap het vervolgens volledig omlaag.
Het zekeringenkastje kan in zijn geheel
losgehaakt worden.
Sluit het zekeringenkastje in omgekeerde
volgorde.
Trek de middelste pen volledig uit de
bevestigingsclips, zet de bekleding met
de bevestigingsclips vast en duw de
losse pen weer in de bevestigingsclips.
De bevestigingsclips zetten dan uit,
waardoor de bekleding vast komt te
zitten.
C70 w540.book Page 177 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
178
Onderhoud en service
Zekeringen
37. Reservepositie ......................................................................................-
38. Reservepositie ......................................................................................-
39. Reservepositie ......................................................................................-
40. Reservepositie ......................................................................................-
41. Reservepositie ......................................................................................-
42. Reservepositie ......................................................................................-
43. Telefoon, audio, RTI (optie)........................................................ 15 A
44. SRS-systeem................................................................................ 10 A
45. Elektrische aansluiting interieur ................................................ 15 A
46. Verlichting passagiersruimte, verlichting
dashboardkastje en instapverlichting.........................................5 A
47. Interieurverlichting...........................................................................5 A
48. Sproeiers ....................................................................................... 15 A
49. SRS-systeem................................................................................ 10 A
50. Reservepositie ......................................................................................-
51. Parkeerhulp, relaisspoel voor hulpverwarming
interieur ......................................................................................... 10 A
52. Regeleenheid transmissie (TCM)................................................5 A
53. ABS-systeem, stuurbekrachtiging, Bi-Xenonlampen........... 10 A
54. ECM (regeleenheid motor, turbo-benzine 5-cil.) .................. 10 A
55. Regeleenheid Keyless Drive...................................................... 20 A
56. Regeleenheid sirene ................................................................... 10 A
57. Diagnose-aansluiting, remlichtschakelaar .............................. 15 A
58. Groot licht rechts, relaisspoel verstralers.............................. 7,5 A
59. Groot licht links ........................................................................... 7,5 A
60. Stoelverwarming bestuurderszijde .......................................... 15 A
61. Stoelverwarming passagierszijde ............................................ 15 A
62. Reservepositie...................................................................................... -
63. Voeding elektrisch bedienbare ruit, rechtsachter................. 20 A
64. LED voor portiersluiten, RTI .........................................................5 A
C70 w540.book Page 178 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
179
Onderhoud en service
Zekeringen
65. Infotainment......................................................................................5 A
66. Regeleenheid voor Infotainment (ICM),
klimaatregeling.............................................................................. 10 A
67. Reservepositie ......................................................................................-
68. Cruise control ..................................................................................5 A
69. Klimaatregeling, regensensor.......................................................5 A
70. Reservepositie ......................................................................................-
71. Reservepositie ......................................................................................-
72. Reservepositie ......................................................................................-
73. Console voor interieurverlichting (OHC),
gordelwaarschuwing achterin ......................................................5 A
74. Relais brandstofpomp................................................................. 15 A
75. Reservepositie ......................................................................................-
76. Reservepositie ......................................................................................-
77. Elektrische aansluiting kofferbak, regeleenheid
accessoires (AEM) ...................................................................... 15 A
78. Reservepositie ......................................................................................-
79. Achteruitrijlicht .................................................................................5 A
80. Reservepositie ......................................................................................-
81. Voeding elektrisch bedienbare ruit, linksachter..................... 20 A
82. Voeding elektrisch bedienbare ruit en portier,
rechtsvoor...................................................................................... 25 A
83. Voeding elektrisch bedienbare ruit en portier,
linksvoor ......................................................................................... 25 A
84. Elektrisch bedienbare passagiersstoel, .................................. 25 A
85. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel,................................ 25 A
86. Relais interieurverlichting, elektrisch bedienbare
stoelen, verlichting kofferbak........................................................5 A
C70 w540.book Page 179 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
180
Onderhoud en service
C70 w540.book Page 180 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
181
Infotainment
Algemene informatie 182
Audiofuncties 183
Radiofuncties 185
Cd- en md-functies 189
Menusysteem – audiosysteem 191
Telefoonfuncties (optie) 192
Telefoonfuncties (optie) 196
Menusysteem – telefoon 199
C70 w540.book Page 181 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
182
Infotainment
Algemene informatie
Infotainment
Het Infotainmentsysteem heeft geïntegreerde
audio- en telefoonfuncties
1
. Het Infotain-
mentsysteem is eenvoudig te bedienen vanaf
het bedieningspaneel en de toetsenset
1
op
het stuurwiel (zie pagina 52). Op het
display (2) verschijnen meldingen en infor-
matie over de actieve functie.
Audiosysteem
Aan/uit
Met POWER (1) schakelt u het audio-
systeem in of uit. Als het audiosysteem actief
is terwijl u de contactsleutel naar stand 0
draait, blijft het audiosysteem ingeschakeld
totdat u de sleutel uit het contactslot neemt.
Als u een startknop
2
gebruikt in de plaats van
een sleutel, wordt het audiosysteem uitge-
schakeld. De volgende keer dat u de sleutel
naar stand I draait, zal het audiosysteem
automatisch worden ingeschakeld.
Menufuncties
Sommige Infotainmentfuncties zijn toegan-
kelijk via een menusysteem. Het actuele
menuniveau staat rechts bovenaan op het
display. De menu-opties staan in het midden
van het display.
Met MENU (4) gaat u naar het
menusysteem.
Met de pijl omhoog/omlaag van de
navigatieknop (5) loopt u de menu-opties
door.
Met ENTER (7) kiest u of activeert/
deactiveert u een menu-optie.
Met EXIT (6) gaat u een stap terug
binnen het menusysteem. Bij lang
indrukken van EXIT verlaat u het
menusysteem.
Sneltoetsen in menu’s
De menu-opties zijn genummerd en kunnen
rechtstreeks worden gekozen via de
toetsenset (3).
Uitrusting
Het audiosysteem is te verkrijgen met
verschillende opties en in verschillende
uitvoeringen. De drie beschikbare uitvoe-
ringen zijn: Performance, High Performance
en Premium Sound. Alle uitvoeringen zijn
echter uitgerust met AM/FM-radio met RDS
en een cd-speler.
Dolby Surround Pro Logic II
Dolby Surround Pro Logic II
3
verdeelt de
twee kanalen van het stereogeluid over de
luidsprekers links, midden, rechts en
achterin. Dit levert een realistischer geluids-
weergave dan bij normale tweekanaals
stereo.
Dolby Surround Pro Logic II en het
Dolby-symbool zijn handelsmerken
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Surround
Pro Logic II Systeem is vervaardigd onder
licentie van Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
1. Optie. 2. Alleen Keyless Drive. 3. Premium Sound.
C70 w540.book Page 182 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
183
Infotainment
Audiofuncties
Bediening audiofuncties
1. VOLUME – Draaiknop
2. AM/FM – Geluidsbron kiezen
3. CD/MD – Geluidsbron kiezen
4. TUNING – Draaiknop
5. SOUND – Toets
Volume
Gebruik VOLUME (1) of de toetsenset op
het stuurwiel om het volume te regelen (zie
pagina 52). Het geluidsvolume wordt
automatisch afgestemd op de snelheid van
de auto (zie. pagina 184).
Geluidsbron
U kiest een geluidsbron met CD/MD (3) en
AM/FM (2). Bij herhaalde malen indrukken
van AM/FM loopt u
FM1,
FM2
en
AM
door.
De gekozen geluidsbron verschijnt op het
display.
Audio-instellingen
Audio-instellingen bijregelen
Druk op SOUND (5). Bij herhaalde malen
indrukken van SOUND bladert u de
verschillende audio-instellingen door.
Draai aan TUNING (4) om het niveau bij
te regelen.
De volgende audio-instellingen zijn
beschikbaar met een druk op SOUND:
BAS
– Niveau van de lage tonen.
TREBLE
– Niveau van de hoge tonen.
FADER
– Balans tussen de luidsprekers
voor- en achterin.
BALANS
– Balans tussen de luidsprekers
links en rechts.
SUBWOOFER
1
– Niveau voor lageto-
nenluidspreker. De subwoofer moet
ingeschakeld zijn om het niveau bij te
kunnen regelen (zie pagina 183).
MIDDEN
2
– Niveau voor de middenluid-
spreker. Driekanaals stereoweergave of
Pro Logic II moet zijn ingeschakeld om
het niveau bij te kunnen regelen.
SURROUND
2
– Niveau voor de
zogeheten Ambient Surround Sound.
Driekanaals stereoweergave of
Pro Logic II moet zijn ingeschakeld om
het niveau bij te kunnen regelen (zie
pagina 183).
Subwoofer activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Audio-instellingen
en druk op
ENTER.
Ga naar
Subwoofer
en druk op ENTER.
Surround
De Surround-instellingen
2
zijn
bepalend voor het ruimtelijke effect
van de geluidsweergave. De instel-
lingen voor de FM-radio en de cd-/
md-speler worden elk apart vastgelegd.
N.B. Als de ontvangst van de FM-radio
verslechtert, kan twee- of driekanaals stereo-
weergave een betere geluidskwaliteit
opleveren dan de Surround-functie.
1. Optie. 2. Premium Sound.
C70 w540.book Page 183 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
184
Infotainment
Audiofuncties
Het Dolby-symbool op het display geeft aan
dat Dolby Pro Logic II actief is. De Surround-
functie kent drie verschillende standen:
Pro Logic II
3-kanaals
Uit –
2-kanaals
Surround-functie activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Audio-instellingen
en druk op
ENTER.
Ga naar
Surround FM
of
Surround CD/MD
en druk op ENTER.
Ga naar
Pro Logic II,
3-kanaals
of
Uit
en
druk op ENTER.
Equalizer vóór/achter
Met de equalizer
1
kunt u de geluidsweergave
vóór en achter apart bijregelen.
Equalizer bijregelen
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Audio-instellingen
en druk op
ENTER.
Ga naar
Equalizer voor
of
Equalizer achter
en druk op ENTER.
De balk op het display geeft het niveau van
de frequentie aan.
Stel het niveau bij met TUNING (4) of met
de pijl omhoog/omlaag van de naviga-
tieknop. Met de linker/rechter pijl van de
navigatieknop kunt u andere frequenties
kiezen.
Leg de instelling vast met ENTER of
annuleer uw keuze met EXIT.
Automatische geluidsregeling
De akoestische eigenschappen van het
interieur veranderen bij een toename van de
rijsnelheid of bij het openen van de hardtop.
Voor optimale geluidsweergave wordt de
geluidsregeling daarom automatisch
afgestemd op de situatie. Bij een geopende
hardtop vindt de geluidsregeling volledig
automatisch plaats.
Automatische volumeregeling houdt in dat
het volume van de beluisterde geluidsbron
wordt afgestemd op de snelheid van de auto.
U hebt de keuze uit drie standen:
Laag,
Medium
en
Hoog
.
Automatische volumeregeling bijstellen
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Audio-instellingen
en druk op
ENTER.
Ga naar
Autom. volumeregeling
en druk
op ENTER.
Ga naar
Laag,
Medium
of
Hoog
en druk
op ENTER.
1. Bepaalde systeemuitvoeringen
C70 w540.book Page 184 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
185
Infotainment
Radiofuncties
Bediening radiofuncties
1. FM/AM – Frequentieband kiezen
2. Voorkeurtoetsen
3. TUNING – Draaiknop voor het zoeken
van zenders
4. SCAN – Scannen
5. Navigatieknop – Zenders zoeken en
menusysteem gebruiken
6. EXIT – Actieve functie beëindigen
7. AUTO – Automatisch voorkeurzenders
vastleggen
Zenders zoeken
Automatisch zenders zoeken
Kies de frequentieband met AM/FM (1).
Druk kort op de linker of rechter pijl van
de navigatieknop (5).
Handmatig zenders zoeken
Kies de frequentieband met AM/FM (1).
Stel de frequentie bij door aan de knop
TUNING (3) te draaien.
Het is ook mogelijk een zender op te slaan
door lang op de linker of rechter pijl van de
navigatieknop te drukken of via de toetsenset
op het stuurwiel:
Houd de linker of rechter pijl van de
navigatieknop ingedrukt totdat de
gewenste frequentie op het display
verschijnt.
Wanneer de frequentiebalk nog op het
display staat kunt u verder zoeken door de
linker of rechter pijl van de navigatieknop (5)
kort in te drukken.
Voorkeurzenders vastleggen
U kunt per frequentieband tien voorkeur-
zenders vastleggen. De FM-band heeft twee
geheugenbanken met voorkeurzenders:
FM1
en
FM2
. U kiest een voorkeurzender met de
voorkeurtoetsen (2) of met de toetsenset op
het stuurwiel.
Handmatig voorkeurzenders vastleggen
Stem af op een zender.
Houd een van de voorkeurtoetsen
ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen
op het display
verschijnt.
Automatisch voorkeurzenders vastleggen
Met AUTO (7) kunt u tot tien goed te
ontvangen radiozenders opzoeken en ze
automatisch vastleggen in een aparte geheu-
genbank. Deze functie is met name handig in
gebieden waar u de radiozenders en hun
frequenties niet kent.
Automatische vastlegfunctie starten
Kies de frequentieband met AM/FM (1).
Houd AUTO (7) ingedrukt, totdat
Autom.
opslaan...
op het display verschijnt.
Wanneer
Autom. opslaan...
van het display
verdwijnt, zijn de zenders vastgelegd. De
radio gaat over op de automatische stand en
de tekst
Auto
verschijnt op het display. De
automatisch vastgelegde voorkeurzenders
zijn vervolgens rechtstreeks te kiezen met de
voorkeurtoetsen (2).
Automatische vastlegfunctie beëindigen
Druk op EXIT (6).
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders kiezen
Wanneer u de radio in de stand Auto zet, kunt
u gebruik maken van de automatisch vastge-
legde voorkeurzenders.
Druk kort op AUTO (7).
De tekst
Auto
verschijnt op het display.
Druk op een voorkeurtoets (2).
De radio blijft in de automatische stand staan,
totdat u de toetsen AUTO (7), EXIT (6) of
AM/FM (1) korte tijd indrukt.
Automatisch vastgelegde
voorkeurzenders in andere
geheugenbank opslaan
Het is mogelijk een automatisch vastgelegde
voorkeurzender over te brengen naar de
geheugenbanken voor FM of AM.
C70 w540.book Page 185 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
186
Infotainment
Radiofuncties
Druk kort op de toets AUTO (7).
De tekst
Auto
verschijnt op het display.
Druk op een voorkeurtoets.
Druk op de voorkeurtoets waaraan u de
voorkeurzender wilt koppelen en houd de
toets ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen
op het display
verschijnt.
De radio verlaat de automatische stand
waarna u de vastgelegde voorkeurzender
kunt gebruiken.
Scannen
Met SCAN (4) wordt een frequentieband
automatisch doorzocht op goed te ontvangen
zenders. Wanneer er een zender is
gevonden, wordt deze ca. acht seconden
lang weergegeven voordat de zoekfunctie
wordt voortgezet.
Scan-functie activeren/deactiveren
Kies de frequentieband met AM/FM.
Druk op SCAN om de functie te activeren.
De tekst
SCAN
verschijnt op het display.
Beëindig de functie met een druk op SCAN
of EXIT.
Gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen
Terwijl de functie Scan actief is, kunt u een
gevonden zender als voorkeurzender
vastleggen.
Druk op een voorkeurtoets en houd deze
ingedrukt, totdat de melding
Zender opgeslagen
op het display
verschijnt.
De Scan-functie wordt beëindigd waarna u
de vastgelegde zender als voorkeurzender
kunt gebruiken.
RDS-functies
RDS (Radio Data System) verbindt FM-
zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-
zender in een dergelijk netwerk verstuurt
bepaalde informatie, zodat een RDS-radio
onder meer de volgende mogelijkheden biedt:
Automatisch overschakelen op een beter
doorkomende zender als de ontvangst in
een bepaald gebied slecht is.
Zoeken op programmatype zoals zenders
die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
Weergeven van informatieve tekst over
het beluisterde radioprogramma.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of alleen in beperkte mate.
Programmafuncties
Met de radio in de FM-stand kunt u radio-
zenders met een bepaald programmatype
zoeken. Als er een zender met het gewenste
programmatype is aangetroffen, kan de radio
vervolgens op deze zender overschakelen en
de weergave van de actieve geluidsbron
onderbreken. Als de cd-speler bijvoorbeeld
actief is, wordt de weergave daarvan tijdelijk
onderbroken. De uitzending met het gekozen
programmatype wordt weergegeven op een
vooraf bepaald volume (zie pagina 188). Na
afloop van de uitzending van het gekozen
programmatype geeft de radio de
voorgaande geluidsbron opnieuw weer op
het volume dat u daarvoor had ingesteld.
De programmafuncties alarm (ALARM),
verkeersinformatie (TP), nieuws (NEWS) en
programmatypes (PTY) worden in volgorde
van belangrijkheid weergegeven, waarbij
geldt dat alarm de hoogste prioriteit geniet en
de programmatypes de laagste. Zie EON en
REG op pagina 188 voor meer informatie
over het onderbreken van uitzendingen. U
kunt van programmafunctie veranderen via
het menusysteem (zie pagina 182).
Weergave van onderbroken geluidsbron
hervatten
Druk op EXIT om de weergave van de onder-
broken geluidsbron te hervatten.
Alarm
De functie wordt gebruikt om de bevolking
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten. U kunt de functie alarm niet
tijdelijk onderbreken of deactiveren. De
melding
ALARM!
verschijnt op het display,
wanneer er een alarmmelding wordt
verzonden.
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve
geluidsbron onderbroken voor een
uitzending met verkeersinformatie
via het RDS-netwerk van de zender waarop is
afgestemd. De tekst
TP
geeft aan dat de
functie actief is. Als de zender waarop u hebt
afgestemd verkeersinformatie kan
doorgeven, staat er
TP
||| op het display.
C70 11 Infotainment w540.fm Page 186 Thursday, August 4, 2005 9:34 AM
187
Infotainment
Radiofuncties
TP activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
TP
en druk op ENTER.
TP via beluisterde zender/alle zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor verkeersinfor-
matie via de (actuele) zender die u beluistert
of via alle zenders.
Kies een FM-zender.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Geav. radio-instellingen
en druk
op ENTER.
Ga naar
TP
en druk op ENTER.
Ga naar
TP-zender
en druk op ENTER.
Een van de meldingen
TP van deze zender
of
TP van alle zenders
verschijnt op het display.
–Druk op ENTER.
TP zoeken activeren/deactiveren
De functie TP zoeken is handig wanneer u
tijdens lange ritten een md of cd beluistert.
De functie speurt dan automatisch verschil-
lende RDS-netwerken af op zoek naar
verkeersinformatie.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Geav. radio-instellingen
en druk
op ENTER.
Ga naar
TP
en druk op ENTER.
Ga naar
TP zoeken
en druk op ENTER.
Nieuws
Bij activering van deze functie wordt
de weergave van de actieve
geluidsbron onderbroken voor een
uitzending met nieuws via het RDS-
netwerk van de zender waarop is afgestemd.
De tekst
NEWS
geeft aan dat de functie
actief is.
Nieuws activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Nieuws
en druk op ENTER.
Nieuws via beluisterde zender/alle
zenders
De radio kan de weergave van de actieve
geluidsbron onderbreken voor een nieuwsuit-
zending via de (actuele) zender die u
beluistert of via alle zenders.
Kies een FM-zender.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Geav. radio-instellingen
en druk
op ENTER.
Ga naar
Nieuwszender
en druk op ENTER.
Een van de meldingen
Nieuws van deze zender
of
Nieuws van alle zenders
verschijnt op het
display.
–Druk op ENTER.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY is het mogelijk
verschillende programmatypes te
kiezen zoals
Popmuziek
en
Klassieke muziek.
Het symbool PTY
geeft aan dat de functie actief is. Bij
activering van de functie wordt de weergave
van de actieve geluidsbron onderbroken voor
een uitzending van het gekozen program-
matype via het RDS-netwerk van de zender
waarop is afgestemd.
PTY activeren/deactiveren
–Kies
FM1
of
FM2
met de toets FM/AM.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
PTY
en druk op ENTER.
Ga naar
PTY selecteren
en druk op ENTER.
Er verschijnt een lijst met programmatypes:
Actualiteit,
Informatie
enz. U activeert de
functie PTY door een programmatype te
kiezen en deactiveert de functie door alle PTY
’s te wissen.
U kunt de gewenste programmatypes
kiezen of
Alle PTY’s wissen
.
PTY zoeken
Bij activering van deze functie wordt de
gehele frequentieband doorzocht op uitzen-
dingen van het gekozen programmatype.
Activeer de functie PTY.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
PTY
en druk op ENTER.
Ga naar
PTY zoeken
en druk op ENTER.
Als de radio een uitzending van een van de
gekozen programmatypes vindt, verschijnt
>| Om te zoeken
op het display. Met een
druk op de rechter pijl van de navigatieknop
wordt verder gezocht naar een andere
uitzending van een van de gekozen program-
matypes.
C70 w540.book Page 187 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
188
Infotainment
Radiofuncties
Programmatype weergeven
Het is mogelijk het programmatype van de
zender die u op dat moment beluistert op het
display weer te geven.
N.B. Niet alle radiozenders ondersteunen
deze functie.
Weergave activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
PTY
en druk op ENTER.
Ga naar
PTY weergeven
en druk op
ENTER.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie
door over de inhoud van de uitzendingen,
uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie
kan op het display worden weergegeven.
Radiotekst activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Radiotekst
en druk op ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
Bij activering van de afstemfunctie AF wordt
er automatisch afgestemd op het sterkste
signaal voor een bepaalde radiozender.
Soms moet de radio de gehele FM-band
doorzoeken om een sterk zendersignaal te
vinden. In dat geval valt de radio stil en
verschijnt de tekst
PI zoeken Exit = annuleren
op het display.
AF activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Geav. radio-instellingen
en druk
op ENTER.
Ga naar
AF
en druk op ENTER.
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG maakt het mogelijk
om op een bepaalde zender
afgestemd te blijven ondanks dat
het signaal zwak is. De tekst
REG
op het display geeft aan dat de functie actief
is. De functie REG is normaal gesproken
uitgeschakeld.
REG activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Geav. radio-instellingen
en druk
op ENTER.
Ga naar
Regionaal
en druk op ENTER.
EON (Enhanced Other Networks)
De functie EON is met name handig in stede-
lijke gebieden met een groot aantal regionale
radiozenders. Bij activering van de functie is
de afstand tot de zendmast van een radio-
zender bepalend voor de vraag of de
weergave van de actieve geluidsbron kan
worden onderbroken voor uitzendingen van
een bepaald programmatype.
Plaatselijk
– Alleen onderbreking wanneer
de zendmast van de radiozender dichtbij
is.
Afstand
1
– Ook onderbreking als de
zendmast van de zender ver weg staat en
zijn signaal storingen vertoont.
Uit
– Geen onderbreking voor een
uitzending van een bepaald program-
matype via andere zenders.
EON activeren/deactiveren
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Geav. radio-instellingen
en druk
op ENTER.
Ga naar
EON
en druk op ENTER.
Ga naar
Plaatselijk,
Afstand
of
Uit
en druk
op ENTER.
RDS-functies resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriek-
instellingen voor RDS herstellen.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Geav. radio-instellingen
en druk
op ENTER.
Ga naar
Reset alles
en druk op ENTER.
Volumeregeling
programmatypes
De onderbrekende uitzendingen van het
gekozen programmatype worden weerge-
geven op het volume dat voor het program-
matype is gekozen. Als u het volume tijdens
de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe
volume vastgelegd voor de volgende onder-
breking.
1. Default/Fabrieksinstelling.
C70 w540.book Page 188 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
189
Infotainment
Cd- en md-functies
Bediening cd- en md-functies
1. Navigatieknop – Vooruit-/achteruit-
spoelen, nummer selecteren en
navigeren in menusysteem
2. Positie in cd-wisselaar kiezen
1
3. Cd of md plaatsen of uitwerpen
4. In- en uitvoeropening voor cd of md
5. CD/MD – Cd- of md -speler kiezen
1
6. TUNING – Draaiknop voor het kiezen
van een nummer
Cd of md afspelen
Wanneer u het volume helemaal omlaag-
draait, wordt de weergave van de cd- of md-
speler gepauzeerd. Bij het verhogen van het
volume wordt er weer verder gespeeld.
Cd- en md-speler
Druk op CD/MD (5).
Een eventuele cd of md in de speler wordt
vervolgens automatisch afgespeeld.
Steek een cd of md in de
invoeropening (4).
Cd-wisselaar
Druk op CD/MD (5).
Als er een cd-sleuf is gekozen, gaat de
weergave automatisch van start.
Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen
1–6 of met de pijl omhoog/omlaag van de
navigatieknop.
Op het display staat aangegeven welke sleuf
leeg is. Wacht totdat de tekst
Disc plaatsen
verschijnt, voordat u een volgende cd
aanbrengt. De cd-wisselaar biedt plaats aan
zes cd’s.
Steek een cd in de invoeropening (4) van
de cd-wisselaar.
Nummer kiezen
Gebruik de linker of rechter pijl van de
navigatieknop (1) om het voorgaande of
volgende nummer te selecteren. Het gekozen
nummer verschijnt op het display. U kunt
daarvoor ook gebruik maken van TUNING (6)
(of de toetsen set op het stuurwiel).
Cd kiezen (cd-wisselaar)
Kies een cd met de sleuftoetsen 1–6 of druk
op de pijl omhoog of omlaag van de
navigatieknop (1). De gekozen cd en het
gekozen nummer staan op het display.
Cd of md vooruit-/
achteruitspoelen
Houd de linker of rechter pijl van de naviga-
tieknop ingedrukt om versneld te spoelen. De
spoelfunctie blijft actief zolang u de gekozen
pijltoets van de navigatieknop ingedrukt
houdt.
1. Cd-wisselaar en gecombineerde cd-/
md-speler zijn optioneel
C70 w540.book Page 189 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
190
Infotainment
Cd- en md-functies
Willekeurige afspeelvolgorde
Wanneer de willekeurige afspeel-
volgorde actief is, kunt u de linker of
rechter pijl van de navigatieknop
gebruiken om een ander willekeurig
gekozen nummer te kiezen.
Cd- en md-speler
De speler speelt de nummers op een cd of
md in willekeurige volgorde af. Zolang de
functie actief is, staat er
RND
op het display.
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren
Start de weergave van een cd of md.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Random
en druk op ENTER.
Cd-wisselaar
De cd-wisselaar speelt de nummers op één
cd of die op alle cd’s in willekeurige volgorde
af. Zolang de functie actief is, staat er
RND
of
RND ALL
op het display.
N.B. Bij gebruik van de linker of rechter pijl
wordt alleen een nieuw willekeurig nummer
op de afgespeelde cd geselecteerd.
Willekeurige afspeelvolgorde activeren/
deactiveren
Start de weergave van een cd.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Random
en druk op ENTER.
Ga naar
Enkele disc
of
Alle discs
en druk
op ENTER.
Scannen
Bij activering van de scanfunctie worden van
ieder nummer op een cd of md de eerste
tien seconden weergegeven.
–Druk op SCAN.
Druk op EXIT om de weergave van het
actuele nummer voort te zetten.
Disctekst
Het is mogelijk eventuele titelgegevens op de
cd op het display weer te geven
1
.
Activeren/deactiveren
Start de weergave van een cd.
Druk op MENU en daarna op ENTER.
Ga naar
Tekst disc
en druk op ENTER.
Disc uitwerpen
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden
de tijd om een uitgeworpen disc uit te nemen.
Als de disc na afloop van deze periode nog in
de cd-speler zit, wordt de disc weer
ingenomen. Druk op de toets CD/MD (5) om
de speler opnieuw te activeren.
Eén disc, cd en md
Druk op de uitwerptoets (3).
Alle discs, cd-wisselaar
Druk (langer dan 2 seconden) op de
uitwerptoets (3).
Alle discs in het magazijn worden één voor
één uitgeworpen. Op het display verschijnt
de tekst
Werp uit alles.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
1. Geldt uitsluitend voor de gecombi-
neerde cd-/md-speler en de cd-
wisselaar.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm af. Gebruik geen
cd’s met een opgeplakt etiket. Door
warmteontwikkeling in de cd-speler kan
het etiket losraken en schade aan de
cd-speler veroorzaken.
C70 w540.book Page 190 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
191
Infotainment
Menusysteem – audiosysteem
Menu FM
1. Nieuws Aan
1
/Uit
2. TP Aan/Uit
1
3. PTY
1. PTY selecteren
1. Alle PTY’s wissen
2–16. Lijst met mogelijke PTY’s
2. PTY zoeken
3. PTY weergeven Aan/Uit
4. Radiotekst Aan/Uit
1
5. Geav. radio-instellingen
1. TP
1. TP-zender
2. TP zoeken Aan/Uit
1
2. Nieuwszender
3. AF Aan
1
/Uit
4. Regionaal Aan/Uit
1
5. EON
1. Uit
2. Plaatselijk
3. Afstand
1
6. Reset alles
6. Audio-instellingen
1. Surround FM
2
1. Dolby Pro Logic II
2. 3-kanaals
3. Uit
1
2. Surround cd/md
1
1. Dolby Pro Logic II
2. 3-kanaals
3. Uit
3. Subwoofer
3
Aan/Uit
1
4. Equalizer voor
2
5. Equalizer achter
2
6. Autom. volumeregeling
1. Laag
2. Medium
1
3. Hoog
7. Reset alles
Menu AM
1. Audio-instellingen
Zie
Audio-instellingen
in menu FM.
Menu cd en md
1. Random Aan
1
/Uit
2. Nieuws Aan
1
/Uit
3. TP Aan/Uit
1
4. Radiotekst Aan
1
/Uit
5. Audio-instellingen
Zie
Audio-instellingen
in menu FM.
Menu cd-wisselaar
1. Random
1. Uit
1
2. Enkele disc
3. Alle discs
2. Nieuws Aan
1
/Uit
3. TP Aan/Uit
1
4. Radiotekst Aan
1
/Uit
5. Audio-instellingen
Zie
Audio-instellingen
in menu FM.
1. Default/Fabrieksinstelling.
2. Bepaalde systeemuitvoeringen.
3. Optie.
C70 w540.book Page 191 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
192
Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Onderdelen van het telefoonsysteem.
C70 w540.book Page 192 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
193
Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Onderdelen van het
telefoonsysteem
1. Antenne
2. Toetsenset op stuurwiel (optie)
Met de toetsenset kunt u de meeste functies
van het telefoonsysteem regelen (zie
pagina 194).
3. Microfoon
De microfoon voor handsfree bellen is in de
plafondconsole bij de achteruitkijkspiegel
geïntegreerd.
4. Bedieningspaneel in middenconsole
Via het bedieningspaneel kunt u alle functies
van het telefoonsysteem (behalve het
gespreksvolume) regelen.
5. Handset (optie)
6. SIM-kaartlezer
Algemene informatie
De verkeersveiligheid staat altijd voorop.
Als u als bestuurder gebruik wilt maken
van de handset, moet u de auto eerst op
een veilige plaats parkeren.
Schakel het telefoonsysteem uit tijdens
het tanken.
Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
Laat reparatiewerkzaamheden aan het
telefoonsysteem over aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Noodoproepen
Ook zonder een SIM-kaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van
een GSM-provider bevinden.
Noodoproep doen
Activeer het telefoonsysteem.
Kies het alarmnummer van het land
waarin u zich bevindt (112 binnen de EU).
–Druk op ENTER.
IDIS
(Intelligent Driver Information System) Met
het IDIS-systeem kunt u een vertraging
inbouwen voor telefoongesprekken en SMS-
berichten, zodat u zich op het rijden kunt
concentreren. Inkomende gesprekken en
SMS-berichten kunnen vijf seconden worden
vertraagd, voordat er verbinding tot stand
wordt gebracht. De gemiste gesprekken
verschijnen op het display. IDIS kan worden
uitgeschakeld met menufunctie 5.6.2
(zie pagina 199).
SIM-kaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige SIM-kaart
(Subscriber Identity Module). De kaart is
verkrijgbaar bij verschillende providers. Neem
bij problemen met de SIM-kaart contact op
met de netwerkprovider.
Twee SIM-kaarten
Veel netwerkproviders bieden een extra SIM-
kaart voor hetzelfde telefoonnummer aan. De
extra SIM-kaart kunt u in de auto gebruiken.
SIM-kaart aanbrengen
Schakel het telefoonsysteem uit en open
het dashboardkastje.
C70 w540.book Page 193 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
194
Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Trek de SIM-kaarthouder (1) uit de SIM-
kaartlezer.
Plaats de SIM-kaart dusdanig in de
houder dat de kant met het metaal
zichtbaar is. Zorg dat de afgeschuinde
hoek van de SIM-kaart overeenkomt met
die van de SIM-kaarthouder.
Duw de SIM-kaarthouder voorzichtig
weer naar binnen.
Menufuncties
Op pagina 182 vindt u een beschrijving van
de wijze waarop u de telefoonfuncties via het
menusysteem kunt sturen.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn bepaalde delen
van het menusysteem voor de telefoon niet
toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h.
U kunt een begonnen activiteit in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
Deze snelheidsbegrenzing kan worden
opgeheven met de menufunctie
5.6.1 Menuvergrend. (zie pagina 199).
Bedieningspaneel in middenconsole.
Bediening telefoon
1. VOLUME – Het achtergrondvolume van
de radio e.d. regelen tijdens een
gesprek
2. Cijfer- en lettertoetsen
3. MENU – Hoofdmenu openen
4. EXIT – Gesprekken beëindigen/
weigeren, ingevoerde tekens wissen
5. Navigatieknop – Navigeren in menu’s en
tekenregels
6. ENTER – Gesprekken aannemen,
telefoon activeren die stand-by staat
7. PHONE – Aan/uit en stand-by
Toetsenset op stuurwiel
Wanneer de telefoon in de actieve stand
staat, kunt u met de toetsenset op het
stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instel-
lingen in het audiosysteem te verrichten,
moet u eerst de telefoon stand-by zetten door
op de toets EXIT te drukken.
1. ENTER – Dezelfde functie als de
overeenkomstige toets op het bedie-
ningspaneel
2. EXIT – Dezelfde functie als de overeen-
komstige toets op het bedieningspaneel
3. Gespreksvolume – Verhogen/verlagen
4. Navigatietoetsen – Menu’s doornemen
C70 w540.book Page 194 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
195
Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Aan/uit
Wanneer het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, staat er een hoorn op het
display. Als u de contactsleutel naar stand 0
draait terwijl het telefoonsysteem actief is of
stand-by staat, zal het telefoonsysteem
eveneens actief zijn of stand-by staan
wanneer u de contactsleutel opnieuw naar
stand I of II draait.
Telefoonsysteem activeren
U kunt alleen gebruik maken van de functies
van het telefoonsysteem, wanneer de
telefoon in de actieve stand staat.
–Druk op PHONE.
Voer (zo nodig) de PIN-code in en druk
op ENTER.
Telefoonsysteem deactiveren
Wanneer het telefoonsysteem gedeactiveerd
is kunt u geen gesprekken beantwoorden.
Houd de toets PHONE ingedrukt totdat
de telefoon gedeactiveerd is.
Stand-by
In stand-by is het mogelijk het audiosysteem
te beluisteren in afwachting van een
inkomend gesprek. In stand-by is het echter
niet mogelijk zelf te bellen.
Telefoon stand-by zetten
U kunt de telefoon alleen vanuit de actieve
stand stand-by zetten.
–Druk op EXIT.
Activeren vanuit stand-by
–Druk op PHONE.
Gespreksfuncties
Als de handset is opgenomen bij het begin
van een telefoongesprek, zal het geluid via de
handsfree worden weergegeven. Zie
pagina 197 voor het wisselen tussen
handset en handsfree.
Bellen
Activeer (zo nodig) het telefoonsysteem.
Voer het gewenste nummer in of gebruik
het telefoonboek (zie pagina 197).
Druk op ENTER of neem de handset op.
U moet de handset omlaagduwen om
deze te kunnen opnemen.
Gesprekken aannemen
Zie menu-optie 4.3 op pagina 201 voor het
automatisch aannemen.
Druk op ENTER of neem de handset op.
U moet de handset omlaagduwen om
deze te kunnen opnemen.
Gesprekken beëindigen
Druk op EXIT of leg de handset op.
Gesprekken weigeren
–Druk op EXIT.
Wisselgesprek
Als er tijdens een lopend telefoongesprek
een nieuwe oproep inkomt, hoort u twee
signalen. Op het display verschijnt de tekst
Antwoorden?.
U kunt het tweede gesprek
weigeren of aannemen op de gebruikelijke
manier. Als u het tweede gesprek aanneemt,
wordt het eerste gesprek in de wacht gezet.
Gesprekken in de wacht zetten/hervatten
–Druk op MENU.
Ga naar
Wacht
of
Wacht uit
en druk op
ENTER.
Ruggespraak tijdens lopende gesprekken
Zet het eerste gesprek in de wacht.
Voer het telefoonnummer van de derde
partij in.
Wisselen tussen gesprekspartners
–Druk op MENU.
Ga naar
Swap
en druk op ENTER.
Conferentiegesprek starten
Bij een conferentiegesprek kunnen minstens
drie gesprekspartners met elkaar praten.
Wanneer een conferentiegesprek eenmaal
gestart is, kunnen er geen nieuwe gespreks-
partners worden aangesloten. Alle lopende
gesprekken worden beëindigd bij het
afsluiten van een conferentiegesprek.
–Druk op MENU.
Ga naar
Koppelen
en druk op ENTER.
C70 w540.book Page 195 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
196
Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Volume
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier of van
de middenluidspreker
1
.
Gespreksvolume
U regelt het gespreksvolume
met de toetsenset op het
stuurwiel.
Bij gebruik van de handset
kunt u het gespreksvolume
regelen met een draaiknop
op de zijkant van de
handset.
Volume audiosysteem
Tijdens een telefoongesprek wordt het
volume van het audiosysteem tijdelijk
verlaagd. Na afloop van het gesprek speelt
het audiosysteem op het oude volume verder.
Als u het volume van het audiosysteem
bijregelt tijdens het gesprek, speelt het
audiosysteem na afloop van het gesprek op
het nieuwe volume verder. Het is ook mogelijk
om het geluid van het audiosysteem bij
telefoongesprekken automatisch uit te zetten
(zie menu 5.5.3 op pagina 199). Deze
mogelijkheid geldt alleen voor het geïnte-
greerde telefoonsysteem van Volvo.
Tekst invoeren
U kunt tekst invoeren met de toetsenset op
de telefoon.
Druk op de toets met het teken van uw
keuze: druk eenmaal om het eerste teken
op de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. (zie tabel).
Druk op de 1 om een spatie in te voegen.
Om tweemaal achtereen hetzelfde teken
op de toets in te voeren moet u * drukken
of enige seconden wachten.
Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst
ingevoerde teken. Bij lang indrukken van EXIT
wist u alle ingevoerde tekens.
Nummerfuncties
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
laatst gekozen telefoonnummers op.
–Druk op ENTER.
Ga naar een van de vastgelegde
nummers en druk op ENTER.
Telefoonboek
Als het telefoonboek contactgegevens bevat
over het nummer waar een inkomend gesprek
vandaan komt, verschijnen deze gegevens op
het display. De contactgegevens kunnen op
de SIM-kaart en in het telefoongeheugen
worden vastgelegd.
Contactgegevens vastleggen in
telefoonboek
–Druk op MENU.
Ga naar
Telefoonboek
en druk op
ENTER.
Ga naar
Nieuwe invoer
en druk op
ENTER.
Voer een naam in en druk op ENTER.
Voer een nummer in en druk op ENTER.
Ga naar
SIM-kaart
of
Telefoon
en druk op
ENTER.
1. Premium Sound
1 spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
2 a b c 2 ä å à æ ç
3 d e f 3 è é
4g h i 4 ì
5j k l 5
6 m n o 6 ñ ö ò Ø
7p q r s 7 ß
8 t u v 8 ü ù
9 w x y z 9
* om tweemaal achtereen hetzelfde
teken op de toets in te voeren.
0 + 0 @ * # & $ £ / %
# wisselen tussen hoofdletters en
kleine letters.
C70 w540.book Page 196 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
197
Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Contactgegevens zoeken in
telefoonboek
Wanneer u op de pijl omlaag van de naviga-
tieknop drukt in plaats van op de toets
MENU, gaat u rechtstreeks naar het menu
Zoeken naar
.
–Druk op MENU.
Ga naar
Telefoonboek
en druk op
ENTER.
Ga naar
Zoeken
en druk op ENTER.
Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
Kopiëren tussen SIM-kaart en
telefoonboek
–Druk op MENU.
Ga naar
Telefoonboek
en druk op
ENTER.
Ga naar
Alles kopie
en druk op ENTER.
Ga naar
SIM naar tel
of
Tel naar SIM
en
druk op ENTER.
Contactgegevens verwijderen uit
telefoonboek
–Druk op MENU.
Ga naar
Telefoonboek
en druk op
ENTER.
Ga naar
Zoeken
en druk op ENTER.
Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
Ga naar de post die u wilt verwijderen en
druk op ENTER.
Ga naar
Verwijderen
en druk op ENTER.
Verkort kiezen
Aan de cijfertoetsen van de toetsenset (1–9)
kunt u een telefoonnummer koppelen van een
van de contactgegevens in het telefoonboek.
–Druk op MENU.
Ga naar
Telefoonboek
en druk op
ENTER.
Ga naar
One-key bell.
en druk op ENTER.
Ga naar
Nummer kiezen
en druk op
ENTER.
Ga naar het cijfer van de toets waaraan u
het telefoonnummer wilt koppelen en druk
op ENTER.
Voer de eerste letter in van de post die u
zoekt en druk op ENTER of druk meteen
op ENTER.
Ga naar de post die u zoekt en druk op
ENTER.
Houd EXIT ingedrukt om het
menusysteem te verlaten.
Verkort kiezen
Houd de gewenste toets van de
toetsenset ca. twee seconden lang
ingedrukt of druk kort op de toets gevolgd
door ENTER.
N.B. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen. Om
verkort te kunnen kiezen moet menu 3.4.1
geactiveerd zijn.
Bellen via telefoonboek
–Druk op MENU.
–Ga naar
Telefoonboek
en druk op ENTER.
Alle posten in het telefoonboek worden
weergegeven. U kunt het aantal weerge-
geven posten verkleinen door een deel van
de naam van de post in te voeren die u zoekt.
Ga naar een post en druk op ENTER.
N.B. Druk op ENTER om te bellen.
Functies tijdens lopende
gesprekken
Tijdens een lopend gesprek staan u
meerdere functies ter beschikking. Sommige
functies zijn alleen te activeren als een
gesprek in de wacht staat.
Druk op MENU om het gespreksmenu te
openen en ga naar een van de volgende
opties:
Mute/Mute uit
– Ruggespraakstand.
Wacht/Wacht uit
– Lopend gesprek in de
wacht zetten of hervatten.
C70 w540.book Page 197 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
198
Infotainment
Telefoonfuncties (optie)
Handsfree/Handset
– Handsfree of
handset gebruiken.
Telefoonboek
– Telefoonboek weergeven.
Koppelen
– Conferentiegesprek voeren
(mogelijk bij aansluiting van minimaal drie
partijen).
Swap
– Wisselen tussen twee
gesprekken (mogelijk bij aansluiting van
maximaal drie partijen).
SMS (Short Message Service)
SMS lezen
–Druk op MENU.
Ga naar
Berichten
en druk op ENTER.
Ga naar
Lezen
en druk op ENTER.
Ga naar een bericht en druk op ENTER.
De inhoud van het bericht verschijnt op het
display. U krijgt andere opties te zien
wanneer u ENTER indrukt. Houd EXIT
ingedrukt om het menusysteem te verlaten.
Schrijven en verzenden
–Druk op MENU.
Ga naar
Berichten
en druk op ENTER.
Ga naar
Opstellen
en druk op ENTER.
Schrijf de tekst en druk op ENTER.
Ga naar
Verzenden
en druk op ENTER.
Voer een telefoonnummer in en druk op
ENTER.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEI-
nummer van de telefoon aan uw netwerkpro-
vider doorgeven. Dit nummer is een serie-
nummer bestaande uit 15 cijfers dat in de
telefoon geprogrammeerd is. Toets *#06#
op uw telefoon in om het nummer op het
display te zien. Noteer het nummer en bewaar
het op een veilige plaats.
Specificaties
Vermogen 2 W
SIM-kaart Klein
Geheugenposities 255
1
1. Het aantal geheugenposities op de
SIM-kaart verschilt per abonnement.
SMS (Short Message Service) Ja
Data/Fax Nee
Dualband (900/1800 MHz) Ja
C70 w540.book Page 198 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
199
Infotainment
Menusysteem – telefoon
Overzicht
1. Logboek
1.1. Gemist
1.2. Ontvangen
1.3. Gebeld
1.4. Wis bellijst
1.4.1. Allemaal
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
1.5. Belduur
1.5.1. Laatste gespr.
1.5.2. Gespreksteller
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timers
2. Berichten
2.1. Lezen
2.2. Opstellen
2.3. Bericht inst.
2.3.1. SMSC nummer
2.3.2. Geldigh.duur
2.3.3. Soort bericht
3. Telefoonboek
3.1. Nieuwe invoer
3.2. Zoeken
3.3. Alles kopie
3.3.1. SIM naar tel
3.3.2. Tel naar SIM
3.4. One-key bell.
3.4.1. Actief
3.4.2. Nummer kiezen
3.5. SIM wissen
3.6. Wis telefoon
3.7. Geheugengebr.
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
4.2. Oproep wacht
4.3. Autom. antw.
4.4. Autom. herh.
4.5. Doorschakel.
4.5.1. Allemaal
4.5.2. Indien bezet
4.5.3. Niet beantw.
4.5.4. Niet bereikb.
4.5.5. Faxoproepen
4.5.6. Data-gesprek
4.5.7. Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Netwerk
5.1.1. Automatisch
5.1.2. Handm. kiezen
5.2. Taal
5.2.1. English UK
5.2.2. English US
5.2.3. Español
5.2.4. Français CAN
5.2.5. Français FR
5.2.6. Italiano
5.2.7. Nederlands
5.2.8. Português BR
5.2.9. Português P
5.2.10. Suomi
5.2.11. Svenska
5.2.12. Dansk
5.2.13. Deutsch
5.3. SIM beveil.
5.3.1. Aan
5.3.2. Uit
5.3.3. Automatisch
5.4. Code bewerk.
5.4.1. PIN-code
5.4.2. Telefooncode
5.5. Geluiden
5.5.1. Belvolume
5.5.2. Belsignaal
5.5.3. Radio mute
5.5.4. Berichttoon
5.6. Rijd veilig
5.6.1. Menuvergrend.
5.6.2. IDIS
5.7. Fabrieksinst.
C70 w540.book Page 199 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
200
Infotainment
Menusysteem – telefoon
Beschrijving van menu-opties
1. Logboek
1.1. Gemist
Lijst met gemiste oproepen. U kunt de bijbe-
horende nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek vastleggen.
1.2. Ontvangen
Lijst met beantwoorde gesprekken. U kunt de
bijbehorende nummers bellen, wissen of in
het telefoonboek vastleggen.
1.3. Gebeld
Lijst met eerder gebelde nummers. U kunt de
nummers bellen, wissen of in het
telefoonboek vastleggen.
1.4. Wis bellijst
De lijsten wissen in de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3
zoals hieronder beschreven.
1.4.1. Allemaal
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
1.5. Belduur
De duur van alle gesprekken of van het
laatste gesprek. Om de gespreksteller te
resetten hebt u de telefooncode nodig (zie
menu 5.4).
1.5.1. Laatste gespr.
1.5.2. Gespreksteller
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timers
2. Berichten
2.1. Lezen
Ontvangen SMS-berichten. U kunt de
gelezen berichten (of delen ervan) wissen,
doorsturen, wijzigen of vastleggen.
2.2. Opstellen
Met de toetsenset een bericht invoeren. U
kunt het bericht vervolgens vastleggen of
versturen.
2.3. Bericht inst.
Het nummer (SMSC-nummer) van de mailbox
aangeven, waarnaar u uw berichten wilt
doorschakelen. Neem contact op met uw
netwerkprovider voor informatie over de
instellingen en het SMSC-nummer. U hoeft
de instellingen normaal gesproken niet te
wijzigen.
2.3.1. SMSC nummer
2.3.2. Geldigh.duur
2.3.3. Soort bericht
3. Telefoonboek
3.1. Nieuwe invoer
Namen en telefoonnummers vastleggen in
het telefoonboek (zie pagina 196).
3.2. Zoeken
Namen in het telefoonboek zoeken.
3.3. Alles kopie
Telefoonnummers en namen op de SIM-kaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1. Van het geheugen op de SIM-kaart
naar dat van de telefoon
3.3.2. Van het geheugen van de telefoon
naar dat op de SIM-kaart
3.4. One-key bell.
Nummers die zijn vastgelegd in het
telefoonboek koppelen aan een sneltoets
voor verkort kiezen.
3.5. SIM wissen
Het geheugen op de SIM-kaart geheel
wissen.
3.6. Wis telefoon
Het complete geheugen van de telefoon
wissen.
3.7. Geheugengebr.
Bekijken hoe veel geheugenposities er in
beslag genomen worden in het geheugen
van de SIM-kaart en in dat van de telefoon. In
de tabel staat aangegeven hoe veel van de
beschikbare posities er in gebruik zijn
(bijvoorbeeld 100 (250)).
4. Belopties
4.1. Nummer verz.
Aangeven of uw eigen telefoonnummer wel
of niet op het display van de gebelde persoon
moet verschijnen. Neem contact op met de
netwerkprovider voor een permanent geheim
nummer.
C70 w540.book Page 200 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
201
Infotainment
Menusysteem – telefoon
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt
ontvangen, wanneer er tijdens een lopend
gesprek een tweede gesprek wacht.
4.3. Autom. antw.
Inkomende gesprekken automatisch beant-
woorden.
4.4. Autom. herh.
Een eerder gekozen nummer bellen.
4.5. Doorschakel.
Aangeven welke soorten gesprekken er
moeten worden doorgeschakeld naar het
gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
4.5.1. Alle gespr. (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende gesprek)
4.5.2. Indien bezet
4.5.3. Niet beantw.
4.5.4. Niet bereikb.
4.5.5. Faxoproepen
4.5.6. Data-gesprek
4.5.7. Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Netwerk
Aangeven of u automatisch of handmatig
netwerken wilt selecteren. De geselecteerde
provider verschijnt tijdens het inschakelen
van het telefoonsysteem op het display.
5.1.1. Automatisch
5.1.2. Handm. kiezen
5.2. Taal
De taal van het telefoonsysteem aangeven.
5.2.1. English UK
5.2.2. English US
5.2.3. Español
5.2.4. Français CAN
5.2.5. Français FR
5.2.6. Italiano
5.2.7. Nederlands
5.2.8. Português BR
5.2.9. Português P
5.2.10. Suomi
5.2.11. Svenska
5.2.12. Dansk
5.2.13. Deutsch
5.3. SIM beveil.
Aangeven of de invoer van de PIN-code
actief of inactief moet zijn of automatisch
moet verlopen.
5.3.1. Aan
5.3.2. Uit
5.3.3. Automatisch
5.4. Code bewerk.
De PIN-code of telefooncode wijzigen.
Noteer de codes en bewaar ze op een veilige
plek.
5.4.1. PIN-code
5.4.2. Telefooncode. De fabrieksinstelling
voor de telefooncode is 1234 geldt
zolang u de code niet hebt gewijzigd.
U hebt de telefooncode nodig om de
gespreksteller te resetten.
5.5. Geluiden
5.5.1. Belvolume. Het volume van het
belsignaal regelen.
5.5.2. Belsignaal. Uit zeven verschillende
belsignalen kiezen.
5.5.3. Radio mute: On/off
5.5.4. Berichttoon
5.6. Verkeersveiligheid
5.6.1. Menuvergrend. Bij het opheffen van
de menuvergrendeling hebt u
tijdens het rijden toegang tot alle
delen van het menusysteem.
5.6.2. IDIS. Als u de functie IDIS
uitschakelt, worden inkomende
gesprekken ongeacht de rijsituatie
zonder vertraging doorgegeven.
5.7. Fabrieksinst.
De fabriekinstellingen van het systeem
herstellen.
C70 w540.book Page 201 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
202
Infotainment
C70 w540.book Page 202 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
203
Technische gegevens
Type-aanduidingen 204
Maten en gewichten 205
Motorspecificaties 206
Motorolie 207
Overige vloeistoffen en smeermiddelen 209
Brandstof 210
Katalysator 211
Elektrisch systeem 212
C70 w540.book Page 203 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
204
Technische gegevens
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw Volvo-
dealer of vervangende onderdelen of
accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn als u de typeaanduiding, het chassis-
nummer en het motornummer bij de hand
hebt.
1. Type-aanduiding, chassisnummer,
maximaal toelaatbaar gewicht, kleur-
codes voor lak en bekleding en
typegoedkeuringsnummer.
2. Sticker voor standverwarming.
3. Type-aanduiding van de motor,
onderdeel- en serienummer.
4. VIN (type- en modeljaaraanduiding
alsmede chassisnummer).
5. Sticker voor motorolie.
6. Type-aanduiding en serienummer van
de versnellingsbak,
(a) handgeschakelde versnellingsbak
(b), (c) automatische versnellingsbak.
C70 w540.book Page 204 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
205
Technische gegevens
Maten en gewichten
Maten
Lengte: 458 cm
Breedte: 182 cm
Wielbasis: 264 cm
Spoorbreedte, vooras: 155 cm
Spoorbreedte, achteras: 156 cm
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht is het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die
voor 90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het
gewicht van de passagiers en de gemon-
teerde accessoires zoals een trekhaak (en de
kogeldruk daarvan bij gebruik van een
aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox
e.d. zijn van invloed op de laadcapaciteit en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
totaalgewicht – rijklaar gewicht.
Zie pagina 204 voor de positie van de sticker.
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Geremde aanhanger
Max.
aanhangergewicht
Max.
kogeldruk
1500 kg 75 kg
Ongeremde aanhanger
Max.
aanhangergewicht
Max.
kogeldruk
700 kg 50 kg
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
C70 w540.book Page 205 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
206
Technische gegevens
Motorspecificaties
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer
vindt u op de motor (zie pagina 204).
2.4 2.4i T5
Motoraanduiding B5244S5 B5244S4 B5254T3
Vermogen (kW bij omw/s) 103/83 125/100 162/83
(pk bij omw/min) 140/5000 170/6000 220/5000
Motorkoppel (Nm bij omw/s) 220/67 230/73 320/25–80
(kpm bij omw/min) 22,4/4000 23,4/4400 32,6/1500–4800
Aantal cilinders 5 5 5
Cilinderboring (mm) 83 83 83
Slaglengte (mm) 90 90 93,2
Cilinderinhoud (dm
3
of liter) 2,44 2,44 2,52
Compressieverhouding 10,3:1 10,3:1 9,0:1
Bougies:
Elektrodeafstand (mm) 3x0,6 +/–0,1 3x0,6 +/–0,1 0,7 +0,1
Aanhaalmoment (Nm) 30 30 30
C70 w540.book Page 206 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
207
Technische gegevens
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij stationair toerental of op lage snelheid
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij
korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km)
bij lage temperaturen (onder +5 ° C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongun-
stige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van
.
Viscositeitsdiagram.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd een oliesoort met de
voorgeschreven kwaliteit en viscositeit.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats voor service,
als er een andere olie werd gebruikt dan
voorgeschreven.
Gebruik geen toevoegingen (dopes). Ze
kunnen de motor beschadigen.
C70 w540.book Page 207 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
208
Technische gegevens
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande sticker in de
motorruimte zit (zie pagina 204 voor de
positie), geldt het volgende.
Oliekwaliteit: ACEA A1/B1
Viscositeit: SAE 5W–30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W–30 gebruiken.
Hoeveelheden
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN – MAX (liter)
Hoeveelheid
1
(liter)
2.4 B5244S5 0—1,6 5,8
2.4i B5244S4
T5 B5254T3
1. Inclusief hoeveelheid in filter.
C70 w540.book Page 208 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
209
Technische gegevens
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
Vloeistof Motortype/aantal delen Hoeveelheid Aanbevolen kwaliteit
Versnellingsbakolie 2.4 Handgeschakelde vijfversnellingsbak 2,1 liter Versnellingsbakolie: MTF 97309-10
2.4i Handgeschakelde vijfversnellingsbak 2,1 liter
T5 Handgeschakelde zesversnellingsbak 2,0 liter
T5 Automatische versnellingsbak 7,75 liter Versnellingsbakolie: JWS 3309
Koelvloeistof 5-cil. benzine, handgeschakelde
versnellingsbak
8,0 liter Koelvloeistof met corrosiewerende dope
aangelengd met water (zie verpakking).
Thermostaat opent bij 90 ºC.
5-cil. benzine automatische versnellingsbak 8,5 liter
Airconditioning
1
180–200 gram Compressorolie PAG
500–600 gram Koudemiddel R134a (HFC134a)
Remvloeistof 0,6 liter DOT 4+
Stuurbekrachtiging Systeem 1,2 liter Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS
M2C204-A of een soortgelijk product met
dezelfde specificaties.
waarvan reservoir 0,2 liter
Ruitensproeiervloeistof 5-cil. benzine 6,5 liter Bij vorst wordt u geadviseerd een door
Volvo aanbevolen antivries aangelengd met
water te gebruiken.
Brandstof Zie pagina 210
1. Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
BELANGRIJK!
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de voorgeschreven kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende
merken met elkaar mengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service, als er een andere oliesoort werd gebruikt.
C70 w540.book Page 209 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
210
Technische gegevens
Brandstof
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Brandstofverbruik en uitstoot
van kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn
gebaseerd op een gestandaardiseerde
rijcyclus conform EU-richtlijn 80/1268 comb.
voor voertuigen met verbrandingsmotoren.
Het gebruik van extra accessoires kan de
verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de
accessoires het gewicht van de auto
verhogen. Ook de rijstijl en andere niet-
technische factoren kunnen van invloed zijn
op het brandstofverbruik. Bij gebruik van
brandstof met een octaangetal van
91 (RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met
een octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
95 RON is te gebruiken in normale rijom-
standigheden.
98 RON wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger
dan +38 ºC wordt u geadviseerd een brand-
stofsoort met een zo hoog mogelijk octaan-
getal te gebruiken. Dit om optimale prestaties
en een zo laag mogelijk brandstofverbruik te
verkrijgen.
Motor Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO
2
) in g/km
Tankinhoud
liter
2.4 B5244S5 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 8,9 212 62
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51) 9,6 229
2.4i B5244S4 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 9,0 215
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51) 9,6 229
T5 B5254T3 Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 9,1 217
Automatische versnellingsbak (AW55-50/51) 9,8 234
Benzine: Norm NEN-EN 228
C70 12 Specifications w540.fm Page 210 Wednesday, August 10, 2005 8:36 AM
211
Technische gegevens
Katalysator
Katalysator
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de
motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om
snel op temperatuur te komen. De katalysator
bestaat uit een monoliet (keramiek of metaal)
met kanalen. De wanden van de kanalen zijn
bekleed met platina/rodium/palladium. Deze
edelmetalen hebben een katalytische
werking, d.w.z. ze versnellen een chemische
reactie zonder dat ze daar zelf actief aan
deelnemen.
Lambdasonde
TM
(zuurstofsensor)
De Lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstof-
gehalte van de uitlaatgassen die de motor
verlaten. De meetwaarde van de uitlaat-
gasanalyse wordt doorgegeven aan het
elektronische systeem dat continu de injec-
toren afregelt. Het lucht-brandstofmengsel
dat de motor krijgt wordt continu bijgesteld.
De regeling schept de ideale omstandig-
heden voor een effectieve verbranding van de
schadelijke stoffen (koolwaterstoffen,
koolmonoxide en stikstofoxiden) in de
driewegkatalysator.
C70 w540.book Page 211 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
212
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem
waarbij het chassis en het motorblok als
geleiders worden gebruikt.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapa-
citeit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
Dynamo
Max. stroomsterkte = 120/150 A
1
Startmotor
Vermogen: 1,4/1,9 kW
1
Certificering Keyless Drive
Hierbij verklaart Siemens VDO Automotive
A.G. dat de uitrusting van het type
5WK48952, 5WK48956, 5WK48812 in
overeenstemming is met de essentiële
eigenschappen en overige relevante
bepalingen zoals beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/EG.
Accu
Spanning 12 V 12 V 12 V
Koudestartcapaciteit (SAE) 520 A 600 A
1
700 A
2
Reservecapaciteit (RC) 100 min. 120 min. 150 min.
1. Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
2. Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, standverwarming op
brandstof of RTI-systeem.
1. Afhankelijk van het motortype
C70 w540.book Page 212 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
213
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Gloeilampen
Verlichting Vermogen W Lampvoet
1. Dimlicht 55 H7
2. Bi-Xenon 35 D2S
3. Groot licht 55 HB3
4. Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht 21 BA15s
5. Richtingaanwijzers, achter/voor (oranje) 21 BAU5s
6. Achterlichten/parkeerlichten, zijmarkeringslichten,
achter
5BAY15d
7. Instapverlichting, kofferbakverlichting, kenteken-
plaatverlichting
5SV8,5
8. Verlichting make-upspiegel 1,2 SV5,5
9. Stadslichten/parkeerlichten vóór, zijmarkerings-
lichten vóór
5 W2,1X9,5d
10. Richtingaanwijzers buitenspiegels (oranje) 5 W2,1X9,5d
11. Mistlampen vóór 55 H11
12. Verlichting dashboardkastje 3 BA9
C70 w540.book Page 213 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
214
Technische gegevens
C70 w540.book Page 214 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
215
A
Aanhanger .................................................... 122
Aanhanger, automatische
versnellingsbak ............................................ 122
Aanhangergewicht ...................................... 205
Aanrijdingssensoren ......................................21
Aanstaande moeders ....................................11
Aanstekeropening ..........................................45
ABS ................................................................ 113
storing in ABS ..........................................41
Accu ............................................................... 102
Accu, onderhoud ............................... 157, 164
Accuspecificaties ........................................ 212
Achteruitkijkspiegel ........................................55
Achteruitkijkspiegel, kompas .......................55
AF – automatische afstemfunctie ............ 188
Afdekking .........................................................75
Afstandsbediening, batterij vervangen ......93
Afstandsbediening, Keyless Drive ..............94
Afstandsbediening, sleutelblad ...................91
Afstellen, kompas ...........................................56
Afstemfunctie, automatisch ...................... 188
Airbag, activeren/deactiveren ......................17
Airbags, bestuurders- en
passagierszijde ...............................................14
Airconditioning ................................................62
Airconditioning, ECC ....................................64
Alarm .......................................................89, 186
Alarm, activeren/deactiveren .......................99
Alarm, systeemtest ...................................... 100
Alarm, uitschakelen ..................................... 100
Alarmdiode ......................................................99
Alarmlichten .....................................................53
Alarmsignalen ...............................................100
Antislipregeling ............................................115
Antivries .........................................................161
Approach-verlichting ..............................57, 90
Approach-verlichting, instelling .................. 59
Audio ..............................................................183
Audiosysteem, menufuncties ....................182
Auto wassen .................................................150
AUTO, voorkeurzenders vastleggen .......185
Automatisch starten ....................................105
Automatische versnellingsbak ........105, 110
Automatische volumeregeling,
geluidsregeling .............................................184
Automatische wasstraten ..........................150
B
Bagagewand .................................................. 84
Banden, maataanduiding ...........................134
Bandenspanning ..........................................138
Bedienen, hardtop ......................................... 74
Bedieningspaneel op
bestuurdersportier ......................................... 38
“Belangrijk!”-kaders ..........................................2
“Belangrijk!”-teksten .........................................2
Bellen .............................................................195
Bellen via telefoonboek ..............................197
Benzinekwaliteit ...........................................210
Bergen ...........................................................119
Beslagen ruiten .............................................. 62
Beslagen ruiten, timerfunctie ...................... 65
Beveiligingssystemen .................................110
Blaasmonden .................................................. 62
Blokkering achteruitversnelling,
vijfversnellingsbak ....................................... 108
Blokkering achteruitversnelling,
zesversnellingsbak ...................................... 109
Boordcomputer ..............................................48
Brandstof
niveaulampje .............................................41
Brandstof tanken ......................................... 103
Brandstof, milieu .............................................. 3
Brandstofverbruik ...........................................48
Brandstofverbruik en uitstoot ................... 210
Buitenspiegel, inklappen ..............................57
Buitenspiegel, positiegeheugen .................57
Buitenspiegels ................................................56
Buitentemperatuurmeter ...............................39
C
Cd-functies ................................................... 189
Cd-wisselaar ................................................ 189
Cd-wisselaar, willekeurige
afspeelvolgorde ........................................... 190
Contactsleutels ............................................ 105
Controle- en waarschuwingslampjes ........40
CRASH MODE ..............................................26
Cruise control .................................................51
D
Dagteller ...........................................................39
Dashboardkastje ............................................82
Dashboardkastje, vergrendelen ..................92
Dashboardkastje, vergrendelen/
ontgrendelen ...................................................97
C70 w540.book Page 215 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
216
Demonteren, trekhaak ................................ 129
Dimlicht ...................................................46, 167
Display ..............................................................39
Dolby Surround Pro Logic II ........... 182, 183
Doorsteekluik ..................................................86
Draairichting, banden ................................. 137
DSTC ............................................................. 115
DSTC, deactiveren/activeren ................... 115
DSTC, systeemlampje ..................................41
Dynamo ......................................................... 212
Dynamo laadt niet bij .....................................42
E
ECC ..................................................................63
ECC, ventilator ................................................64
Elektrisch bedienbare ruiten ........................54
Elektrisch systeem ...................................... 213
Elektrisch verwarmde achteruit ...................66
Elektrisch verwarmde voorstoelen .............66
Elektrische aansluiting, kofferbak ...............86
Elektrische aansluiting,
middenconsole ............................................ 114
Elektronische startblokkering ......................90
EON (Enhanced Other Networks) .......... 188
Equalizer ........................................................ 184
F
Follow-Me-Home-verlichting ......... 47, 57, 59
G
Geluidsvolume, automatische
volumeregeling ............................................. 184
Geluidsweergave aanpassen ...................184
Gemiddeld brandstofverbruik ..................... 48
Gesprek, volume, telefoon .........................196
Gesprekken in de wacht zetten ...............195
Gesprekken weigeren ................................195
Gespreksfuncties ........................................195
Gevarendriehoek .........................................139
Gewicht .........................................................205
Gloeilamp in kofferbak, vervangen ..........171
Gloeilampen ..................................................213
Gloeilampen vervangen,
algemene informatie ....................................166
Gloeilampen vervangen,
instapverlichting ...........................................170
Gloeilampen vervangen,
make-upspiegel ............................................171
Gordelspanners ............................................. 12
Gordelwaarschuwing ............................11, 42
Groot licht .....................................................167
Groot licht, aan/uit ......................................... 46
Groot licht, wisselen groot licht/
dimlicht, grootlichtsignalen .......................... 47
Grootlichtsignalen ......................................... 47
H
Handrem ................................................ 41, 114
Hardtop openen ............................................. 75
Hardtop sluiten ............................................... 75
Hardtop, bedienen ........................................ 74
Hoofdsteunen ................................................. 22
I
IDIS ................................................................ 193
IMEI-nummer ................................................ 198
In de was zetten en poetsen .................... 151
Informatiedisplay
meldingen .................................................44
Informatielampje .............................................43
Infotainment, menufuncties ....................... 182
Inkomende gesprekken .............................. 195
Inspectie, airbags en
opblaasgordijnen ............................................27
Instellingen van de auto ................................58
Instrumentenoverzicht,
auto met stuur links .......................................34
Instrumentenoverzicht,
auto met stuur rechts ....................................36
Instrumentenpaneel .......................................39
Instrumentenpaneel, klok ..............................39
Instrumentenverlichting .................................46
Interieurfilter .....................................................62
Interieurverlichting ..........................................79
Interior Air Quality System, ECC ................65
Intervalstand ....................................................49
ISOFIX ..............................................................31
K
Katalysator .................................................... 211
Katalysator, slepen ...................................... 119
Kentekenplaat, gloeilampen
vervangen ...................................................... 170
Keyless Drive ........................................94, 107
Kickdown ...................................................... 110
C70 w540.book Page 216 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
217
Kinderen ............................................................28
kinderzitjes en airbags ............................28
kinderzitjes, monteren ............................31
Kinderen en veiligheid, ISOFIX ...................31
Kinderen, positie in de auto .........................30
Kinderveiligheidsuitrusting ...........................28
Kinderzitjes en SIPS-airbags .......................19
Kleurcode, lak .............................................. 152
Klimaat, persoonlijke instellingen ................58
Klimaatregeling ...............................................62
Knalgas .......................................................... 121
Koelsysteem ................................................. 102
Koelvloeistof ................................................. 161
Kofferdeksel, ontgrendelen ..........................96
Kofferdeksel, rijden met een
geopend deksel ........................................... 102
Kofferdeksel, vergrendelen ..........................96
Kompas ............................................................56
Kooldioxide ................................................... 210
Koplampen, aan/uit ........................................46
Koplamphoogteverstelling ...........................46
Koplampsproeiers ..........................................49
Koppelingsvloeistof .................................... 162
Koude start ......................................... 105, 110
Koudemiddel ...................................................62
L
Lading vervoeren ............................................83
Lading vervoeren, foutmeldingen ...............76
Lagetonenluidspreker ................................. 183
Lak, kleurcode .............................................. 152
Lak, lakschade en schade herstellen ...... 152
Lambdasonde .............................................. 211
Lamphouder ..................................................169
Lamphouder, achterlamphuis ...................170
Lampjes op instrumentenpaneel ................ 40
Lange lading ................................................... 86
Lekke band ....................................................142
Lekke band repareren .................................144
Lichtbundel, aanpassen .............................132
Load Assist ..................................................... 84
Lopende gesprekken, functies .................197
Luchtverdeling .........................................66, 67
M
Maataanduiding ...........................................134
Magnetische zones ....................................... 56
Maten .............................................................205
Md-functies ...................................................189
Mechanisch openen, kofferdeksel ............. 97
Mediaspeler, geluidsvolume ......................183
Meldingen op informatiedisplay ................. 44
Menufuncties, infotainment .......................182
Menusysteem, mediaspeler .......................191
Menusysteem, telefoon ....................199, 200
Milieubeleid ........................................................3
Mistachterlicht ................................................ 41
Mistlichten ....................................................... 46
Mistlichten, vervangen ................................169
Monteren, trekhaak ......................................126
Motor starten ................................................105
Motorkap .......................................................158
Motorolie ........................................................159
Motoroliesticker .................................208, 209
Motorruimte ...................................................158
N
“N.B.”-teksten ................................................... 2
NEWS ........................................................... 187
Nieuwe auto’s en gladde wegen ............. 102
Nieuwsuitzending ........................................ 187
Noodoproepen ............................................ 193
Nummerfuncties, telefoon ......................... 196
O
Oliedruk, lampje .............................................42
Oliefilter ......................................................... 159
Oliekwaliteit .................................................. 208
Ontgrendelen van de binnenzijde ...... 95, 96
Ontgrendelen van de buitenzijde ...............96
Ontgrendelen, vergrendelen met
afstandsbediening .........................................90
Ontwaseming ..................................................65
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ............................................81
Opblaasgordijn ...............................................21
Opblaasgordijn (DMIC) ................................21
Overbelasting ............................................... 102
P
PACOS ............................................................17
Panelen, verlichting ........................................79
Parkeerhulp .................................................. 117
Parkeerlichten, aan/uit ..................................46
Parkeerlichten, vervangen ......................... 168
Parkeerrem ................................................... 114
PI zoeken ....................................................... 188
Poetsen en in de was zetten .................... 151
C70 w540.book Page 217 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
218
Portieren, op afstand openen ......................59
PremAir ............................................................... 3
Private Locking ...............................................92
Programmafuncties ..................................... 186
Programmatype – PTY ............................... 187
Programmatypes, volumeregeling ........... 188
Provisorische bandenreparatie ................ 143
R
Radiofuncties ............................................... 185
Radio-instellingen ........................................ 185
Radiotekst ..................................................... 188
RDS-functies ................................................ 186
RDS-functies, resetten ............................... 188
Recirculatie, ECC ...........................................65
Regensensor ...................................................50
Reinigen
bekleding ................................................ 151
vlekken .................................................... 151
Relais- en zekeringenkastje ............ 173, 177
Remsysteem ................................................. 113
Remvloeistof ................................................. 162
Reservewiel .................................................. 139
Reservewiel, Temporary Spare ................ 136
Richtingaanwijzers ...............................47, 168
Rijden met een aanhanger, automaat ....... 123
Rijeigenschappen, banden ....................... 134
Rijklaar gewicht ........................................... 205
RND, zie ook Willekeurige
afspeelvolgorde ........................................... 190
Roestwering ................................................. 153
Rugleuning, omklappen ................................72
Ruitensproeiervloeistof .............................. 161
Ruitenwissers en -sproeiers ........................ 49
S
Safelock-functie ............................................. 98
tijdelijk deactiveren ................................. 98
SCAN, cd en md .........................................190
SCAN, radiozenders ...................................186
Schoon aan binnen- en buitenkant ...............3
Schoonmaken
wassen, auto ..........................................150
Serviceprogramma ......................................156
SIM-kaart .......................................................193
SIPS-airbags ................................................... 19
SIPS-systeem ................................................. 20
Skiluik ............................................................... 86
Slepen ............................................................119
Sleutelblad ...................................................... 91
Sleutelloos vergrendelings- en
startsysteem .................................................... 94
Slijtage-indicatoren, banden .....................135
Sloten ............................................................... 89
Smeermiddelen ............................................209
SMS ................................................................198
Snelheidsaanduidingen, banden ..............134
Snelheidsmeter .............................................. 39
Sneltoetsen ...................................................197
Spanning, banden .......................................138
Specificaties, motor ....................................206
Spiegel, buiten- .............................................. 56
Sproeiers, koplampen ................................... 49
Sproeiers, voorruit en koplampen .............. 49
SRS-systeem, algemene informatie .......... 15
SRS-systeem, schakelaar ............................ 18
Stabiliteitssysteem ............................ 115, 116
Stabiliteitssysteem, lampje ...........................41
Stadslichten vóór en achterlichten,
zie ook Parkeerlichten ...................................46
Stadslichten vóór, vervangen ................... 168
Stand-by, telefoon ....................................... 195
Standverwarming ...........................................68
Standverwarming op brandstof (optie) .......68
Standverwarming, accu en brandstof .......69
Startblokkering .....................................90, 105
Starten met hulpaccu ................................. 121
Startmotor ..................................................... 212
STC ................................................................ 115
Steenslagplekken en krassen .................. 152
Stoel, elektrische bediening ........................73
Stoelinstelling .................................................72
Storing in remsysteem ..................................42
Stuurbekrachtigingsvloeistof .................... 162
Stuurslot ........................................................ 106
Stuurwielafstelling ..........................................53
Subwoofer .................................................... 183
Symbolen ...................................................... 116
T
Tanken ........................................................... 103
Tankinhoud ................................................... 210
Tankvulklep, openen ................................... 103
Tekst invoeren, telefoon ............................. 196
Telefoon ........................................................ 194
Telefoon, stand-by ...................................... 195
Telefoon/mediaspeler,
geluidsvolume .............................................. 196
Temperatuurknop, ECC ................................66
C70 w540IX.fm Page 218 Wednesday, October 19, 2005 1:13 PM
219
Timer, ECC ......................................................65
Titelgegevens op cd ................................... 190
Toerenteller ......................................................39
Toetsenset op stuurwiel ............................ 194
Toetsenset op stuurwiel, rechts ..................52
Totaalgewicht ............................................... 205
TP – verkeersinformatie ............................. 186
Trekhaak ........................................................ 124
Type-aanduidingen ..................................... 204
U
Uitlaatgasreiniging ...................................... 105
Uitlaatgasreiniging, foutmelding .................41
Uitlaatgasreiniging, milieu .............................. 3
Uitstoot, zie Brandstof ............................... 210
V
Van nummer wisselen, cd/md .................. 189
Veiligheidsgordel
zwangerschap ..........................................11
Veiligheidsgordels .................................. 10, 12
achterbank ................................................11
gordelwaarschuwing ..............................42
Veiligheidsgordels, schoonmaken ........... 151
Velgen ............................................................ 136
Ventilator ..........................................................64
Vergrendelen en ontgrendelen ...................96
Verkeersinformatie ...................................... 186
Verlichting ........................................................79
Verlichting, exterieur ......................................46
Versneld kiezen ............................................ 197
Versneld spoelen ........................................ 189
Versnellingsbak, automaat ........................ 110
Versnellingsbak, handgeschakeld ...........108
Verzorging .....................................................149
Viscositeit ........................ 159, 207, 208, 209
Vloeistoffen ...............................159, 161, 209
Vloermatten ...................................................105
Voertuiggegevens .......................................156
Vogelpoep .....................................................150
Volume, zie Geluidsvolume .......................183
Voorkeurzenders vastleggen, AUTO .......185
Voorkeurzenders vastleggen, radio .........185
Voorstoel, omklappen ................................... 72
Voorstoelen, zithouding ................................ 72
W
“Waarschuwing!”-kaders ................................2
Waarschuwingskaders ....................................2
Waarschuwingslampje DMIC ..................... 42
Waarschuwingslampje ROPS .................... 42
Waarschuwingslampje SIPS ...................... 42
Waarschuwingslampje SRS ....................... 42
Waarschuwingslampjes,
AIRBAG-systeem .......................................... 13
Wassen, auto ...............................................150
Whiplash-letsel .............................................. 22
WHIPS ............................................................. 22
Wiel, demonteren ........................................141
Wielen, monteren ........................................141
Willekeurige afspeelvolgorde,
cd- en md-speler ..........................................190
Windscherm ................................................... 78
Winterbanden ...............................................135
Wisselgesprek .............................................195
Wisserbladen ...............................................163
Z
Zekeringen .................................................... 173
Zenders zoeken ........................................... 185
Zenders, radio .............................................. 185
Zijmarkeringslicht ........................................ 168
Zomer- en winterbanden ........................... 137
Zuinig rijden .................................................. 102
Zwangerschap, veiligheidsgordel ...............11
C70 w540.book Page 219 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
220
C70 w540.book Page 220 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
221
C70 w540.book Page 221 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
222
C70 w540.book Page 222 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
223
C70 w540.book Page 223 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
224
C70 w540.book Page 224 Wednesday, July 20, 2005 2:56 PM
2006
C70 INSTR.indd 1C70 INSTR.indd 1 05-07-07 10.51.3805-07-07 10.51.38
TP 8341 (Dutch). AT0544. Printed in Sweden, Elanders Infologistics Väst AB, Mölnlycke 2005
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226

Volvo 2007 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor