Volvo S60 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

2006
WEB EDITION
VOLVO
S60 & S60 R
Instructieboekje
1
Beste Volvo-bezitter,
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop
gestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en
milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie
in dit instructieboekje.
Dank u dat u gekozen hebt voor Volvo!
2
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, bij voorkeur voordat u uw eerste rit
maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe
functies, krijgt u tips hoe u het beste in
verschillende situaties met de auto kunt
omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik
kunt maken van alle mogelijkheden die uw
auto biedt. Besteed ook aandacht aan de
veiligheidsinstructies in het boekje:
De in het instructieboekje beschreven
uitrusting is niet op alle modellen aanwezig.
Als aanvulling op de standaarduitrusting
worden in dit instructieboekje ook de opties
(af-fabriek gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (extra uitrusting)
beschreven.
N.B. De uitrusting van de auto’s van Volvo
hangt af van de verschillende behoeften op
de diverse markten en de landelijke en/of
regionale wet- en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor
om zonder voorafgaande mededeling wijzi-
gingen aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
WAARSCHUWING!
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als
u de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK!
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het
gevaar bestaat dat de auto beschadigd
raakt, als u de instructies niet opvolgt.
3
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit
zijn de drie kernwaarden van Volvo Car
Corporation die van invloed zijn op alle activi-
teiten. We zijn ervan overtuigd dat onze
klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecerti-
ficeerd voor de milieunorm ISO 14001,
hetgeen tot voortdurende verbeteringen op
milieugebied leidt.
Alle Volvo-modellen hebben een milieu
verklaring (EPI of Environmental Product
Information), waarin u zelf de invloed van de
verschillende modellen en motoren op het
milieu kunt vergelijken.
Bezoek www.volvocars.com/EPI om meer te
lezen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het
algemeen een geringere uitstoot van het
broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik
(zie pagina 4).
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant
– een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt
uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen
liggen uitlaatgasemissies ver onder de
geldende normen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®
1
,
een speciale laag die schadelijk laaghangend
ozon kan omzetten in zuivere zuurstof.
1. PremAir® is een gedeponeerd
handelsmerk van de Engelhard
Corporation.
4
Volvo Car Corporation en het milieu
Schone lucht in
passagiersruimte
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS
1
(Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht in de passagiersruimte
schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De luchtinlaat
wordt afgesloten als het gehalte aan koolmo-
noxide in het interieur te hoog wordt zoals in
druk verkeer, files en tunnels. Het koolstof-
filter zorgt dat stikstofoxiden, laaghangend
ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo is ontwikkeld om
gezond en veilig te zijn – ook voor mensen
met contactallergieën of astma. Er is extra
veel aandacht besteed aan de selectie van
milieuvriendelijke materialen. Ze voldoen dan
ook aan de eisen van de ecologische norm
Öko-Tex 100 een enorme stap op weg naar
een gezonder binnenmilieu.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoor-
beeld de veiligheidsgordels, de vloerbe-
kleding en de gebruikte garens en stoffen.
Ook de lederen bekledingsvarianten zijn
chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen
en voldoen aan de gestelde eisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en
het milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de
voorwaarden scheppen voor een laag brand-
stofverbruik en op die manier bijdragen aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties
en het onderhoud aan de auto toevertrouwd
aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de
auto een onderdeel van ons systeem. We
stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage
van onze werkplaatsen om te voorkomen dat
er schadelijke stoffen vrijkomen in het milieu.
Een onderdeel daarvan is een zorgvuldige
inzameling en scheiding van de gasvormige,
vloeibare en afvalstoffen in onze
werkplaatsen. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door milieuvriendelijke autover-
zorgingsproducten te kopen en de auto te
onderhouden of te laten onderhouden aan de
hand van de aanwijzingen in het instructie-
boekje.
Hier volgen enkele tips voor hoe u het milieu
kunt ontzien:
Zorg ervoor dat de banden de juiste
spanning hebben. Een te lage banden-
spanning leidt tot een verhoogd brand-
stofverbruik. Bij gebruik van de hogere
bandenspanningswaarden die Volvo
adviseert neemt het brandstofverbruik af.
Een imperiaal en skibox
resulteren in een grotere
luchtweerstand
waardoor het brandstof-
verbruik aanzienlijk
toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na gebruik.
Laat spullen niet onnodig in de auto
liggen. Hoe groter de belading van de
auto, des te hoger het brandstofverbruik.
Gebruik altijd de elektrische motorver-
warming bij een koudestart, als de auto
hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
1. Optie.
5
Volvo Car Corporation en het milieu
Rijd rustig. Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
Rijd in de hoogst
mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt
voor een lager verbruik.
Laat het gaspedaal los
wanneer u van een
helling afrijdt.
Rem op de motor. Laat het gaspedaal los
en schakel terug.
Voorkom stationair draaien. Zet de motor
af wanneer u lang stilstaat in een file.
Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s
en olie, op een milieu-
vriendelijke manier.
Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats als u niet
zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
Onderhoud uw auto regelmatig.
Door deze tips op te volgen kan het brand-
stofverbruik worden verlaagd zonder dat dit
van invloed is op de reistijd of het plezier in
het autorijden. U spaart uw auto, bespaart
geld en gebruikt minder van de hulpbronnen
op aarde.
6
7
Veiligheid 9
Instrumenten, schakelaars en bediening 33
Klimaatregeling 63
Interieur 75
Sloten en alarm 89
Starten en rijden 101
Wielen en banden 137
Verzorging 147
Onderhoud en service 153
Audiosysteem (optie) 181
Telefoon (optie) 203
Technische gegevens 219
8
9
Veiligheid
Veiligheidsgordels 10
AIRBAG-systeem 13
Airbags (SRS) 14
Airbag (SRS) activeren/deactiveren 17
SIPS-airbags (zij-airbags) 19
Opblaasgordijn (IC-systeem) 21
WHIPS-systeem 22
Activering van de veiligheidssystemen 24
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen 25
Kinderen en veiligheid 26
10
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Draag altijd een
veiligheidsgordel
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veilig-
heidsgordel omhebben. Zo wordt voorkomen
dat bij een aanrijding de passagiers op de
achterbank tegen de rugleuning van de
voorstoelen worden geslingerd.
De veiligheidsgordel omdoen:
Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te
steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de gordel vastzit.
De gordel losmaken:
Druk op de rode knop van de vergren-
deling. Laat het oprolmechanisme de
gordel naar binnen trekken. Als de gordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de
gordel handmatig zo ver terugrollen dat
deze niet langer slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Voor optimale bescherming van de veilig-
heidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De
veiligheidsgordel biedt de beste
bescherming bij een normale rijhouding.
Niet vergeten:
gebruik geen klemmen of andere acces-
soires die ervoor zorgen dat u de gordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
zorg dat er geen slagen in de gordel zitten
en dat hij nergens achter blijft steken
de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
trek de heupgordel over de heupen door
aan de diagonale schoudergordel te
trekken, als afgebeeld.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
WAARSCHUWING!
Elke gordel is bestemd ter bescherming
van slechts een persoon.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veilig-
heidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als de gordel zwaar belast werd, bijvoor-
beeld tijdens een aanrijding, moet de
complete gordel worden vervangen. De
gordel kan een deel van de beschermende
eigenschappen hebben verloren, zelfs als
deze ogenschijnlijk niet beschadigd is.
Vervang de gordel ook als deze versleten
of beschadigd is. De nieuwe veiligheids-
gordel moet zijn goedgekeurd en bedoeld
voor montage op dezelfde positie als de
vervangen gordel.
11
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de veilig-
heidsgordels op het instrumentenpaneel en
dat op de bovenkant van de achteruitkijk-
spiegel knipperen, zolang de bestuurder en
een eventuele voorpassagier de veiligheids-
gordel niet hebben omgedaan. De gordel-
waarschuwing wordt na 6 seconden
automatisch uitgeschakeld, als de snelheid
lager is dan 10 km/h. Als vervolgens bij een
snelheid hoger dan 10 km/h blijkt dat de
bestuurder of de voorpassagier de veilig-
heidsgordel niet omgedaan heeft, wordt de
waarschuwingsfunctie opnieuw
ingeschakeld. De waarschuwingsfunctie
wordt vervolgens uitgeschakeld, wanneer de
snelheid tot onder 5 km/h daalt.
Als de bestuurder of voorpassagier de gordel
tijdens het rijden losmaakt, wordt de
waarschuwingsfunctie opnieuw geactiveerd
bij snelheden hoger dan 10 km/h.
N.B. De gordelwaarschuwing is bestemd
voor volwassenen voor in de auto. Als u een
kinderzitje op de passagiersstoel hebt aange-
bracht en het met de veiligheidsgordel hebt
vastgezet, wordt er geen gordelwaar-
schuwing gegeven.
Veiligheidsgordel en
zwangerschap
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk
dat u de gordel altijd op de juiste manier
draagt. De gordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten
en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de gordel moet vlak tegen
de buitenkant van de bovenbenen liggen en
zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het mag
nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De gordel moet zo strak mogelijk over het
lichaam lopen zonder onnodige speling.
Controleer ook of de gordel nergens
gedraaid zit.
Veiligheidsgordel en zwangerschap.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen
moeten kunnen komen). Streef ernaar de
afstand tussen de buik en het stuur zo groot
mogelijk te maken.
12
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Keurmerk op veiligheidsgordels met
gordelspanner.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels hebben gordel-
spanners. Dit is een mechanisme dat bij een
aanrijding de veiligheidsgordel rond het
lichaam spant. De gordel kan de passagier
daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
13
Veiligheid
AIRBAG-systeem
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
Het airbagsysteem
1
wordt continu gecontro-
leerd door de regeleenheid. Op het instru-
mentenpaneel bevindt zich een
waarschuwingslampje. Dit lampje gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na
ca. zeven seconden, wanneer de
regeleenheid heeft vastgesteld dat het
airbagsysteem
1
geen storingen vertoont.
Behalve het waarschuwings-
lampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is,
een melding op het informatie-
display. Als het waarschu-
wingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdriehoekje
branden en verschijnt er SRS-
AIRBAG/SERVICE SPOED
op het display. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats.
1. Omvat SRS en gordelspanners,
SIPS en IC.
WAARSCHUWING!
Als het waarschuwingslampje voor het
airbagsysteem blijft branden of tijdens het
rijden kortstondig oplicht, betekent dit dat
het airbagsysteem niet naar behoren
werkt. Het lampje kan ook duiden op een
storing in de gordelspanners, het SIPS-,
het SRS- of het IC-systeem. Neem zo
spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
14
Veiligheid
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de
bestuurderszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplementary
Restraint System) in het stuurwiel. De airbag
zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
Airbag (SRS) aan de
passagierszijde
De airbag aan de passagierszijde
1
zit
opgevouwen in een ruimte boven het
dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
1. Niet alle auto’s hebben een airbag
(SRS) aan de passagierszijde. Afhan-
kelijk van de vraag of de airbag
besteld werd tijdens het verkoop-
proces.
WAARSCHUWING!
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passa-
giers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de
rugleuning. De veiligheidsgordel moet
goed vastzitten.
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel, als de airbag (SRS) geacti-
veerd
1
is.
Laat kinderen nooit voor de passagier-
stoel zitten of staan. Personen die kleiner
zijn dan 1,40 m mogen nooit op de passa-
giersstoel plaatsnemen, als de airbag
(SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
15
Veiligheid
Airbags (SRS)
SRS-systeem, auto met het stuur links
SRS-systeem
De airbag is voorzien van een gasgenerator.
Bij een voldoende krachtige aanrijding wordt
de ontsteking van de gasgenerator geacti-
veerd door de sensoren. De airbag wordt
opgeblazen en wordt tegelijkertijd warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op.
Dit is volkomen normaal. Het totale verloop,
van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
N.B. De reactie van de sensoren hangt af van
de ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of
de passagierszijde vooraan wordt gedragen
of niet. Het is dan ook mogelijk dat er bij
ongelukken slechts één (of geen) van de
airbags wordt opgeblazen. Het SRS-systeem
registreert de botskracht waaraan de auto
blootstaat en blaast aan de hand daarvan een
of meerdere airbags op.
N.B. De airbags werken dusdanig dat de
capaciteit ervan wordt afgestemd op de
botskracht waaraan de auto blootstaat.
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitge-
voerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen
storingen in de werking veroorzaken en
leiden tot ernstige letsels.
16
Veiligheid
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde
in een auto met het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING!
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of op het paneel boven het
dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires
op of in de buurt van het paneel met het
opschrift SRS Airbag (boven het
dashboardkastje) of binnen de actieradius
van de airbag.
17
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag
(SRS) aan de passagierszijde gedeactiveerd
is.
PACOS (optie)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde
voorin kan gedeactiveerd worden met een
schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk
als daar een kind in een kinderzitje moet
zitten.
Aanduiding
Een tekst op de achteruitkijkspiegel geeft aan
dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag
Cut Off Switch).
Activeren/deactiveren
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u de contact-
sleutel te gebruiken om de stand te wijzigen.
(U kunt ook andere voorwerpen gebruiken
die qua vorm op een sleutel lijken.)
WAARSCHUWING!
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geacti-
veerd.
WAARSCHUWING!
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel wanneer de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiers-
stoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren.
18
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
SRS-schakelaar in stand ON.
Stand van de schakelaar
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een verhogingskussen
beslist niet.
SRS-schakelaar in stand OFF.
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd.
Met de schakelaar in deze stand kunnen
kinderen in een kinderzitje of op een kussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
WAARSCHUWING!
Laat geen passagier op de passagiers-
stoel plaatsnemen, als het waarschu-
wingslampje voor het airbagsysteem op
het instrumentenpaneel oplicht terwijl de
tekst op het plafondpaneel aangeeft dat
de airbag (SRS) aan die kant gedeacti-
veerd is. Het duidt op een ernstige
storing. Bezoek onmiddellijk een erkende
Volvo-werkplaats.
19
Veiligheid
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Positie van de SIPS-airbags.
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en
andere delen van de carrosserie verspreid.
De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de
passagierszijde beschermende borstkas en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aange-
bracht in de frames van de rugleuning van de
voorstoelen.
Opgeblazen SIPS-airbag.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Een SIPS-airbag heeft geen nadelige invloed
op de beschermende werking van kinder-
zitjes of verhogingskussens in de auto.
Er kan een kinderzitje op de voorstoel worden
geplaatst, als de auto aan de passagierszijde
niet is uitgerust met een geactiveerde
1
airbag.
WAARSCHUWING!
De SIPS-airbags vormen een aanvulling
op het SIPS-systeem. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitge-
voerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen
storingen in de werking en ernstig letsel
veroorzaken.
WAARSCHUWING!
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen
en de portierpanelen, omdat dit gebied
binnen de actieradius van de SIPS-airbag
ligt.
WAARSCHUWING!
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de
werking van de SIPS-airbags hinderen.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
20
Veiligheid
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Auto met het stuur links.
SIPS-airbag
De SIPS-airbag is voorzien van een gasgene-
rator. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, die op hun beurt de
gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee
wordt de klap van de aanrijding opgevangen,
waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-
airbags worden normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
Auto met het stuur rechts.
21
Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
Het opblaasgordijn van het IC-systeem
(Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op
het SIPS-systeem. Het zit verborgen achter
de plafondbekleding langs beide zijden van
de auto. Het beschermt inzittenden zowel
voor- als achterin. Het opblaasgordijn wordt
geactiveerd door de aanrijdingssensoren van
het SIPS-systeem bij een voldoende
krachtige aanrijding. Bij activering wordt het
opblaasgordijn opgeblazen. Het systeem
helpt voorkomen dat de bestuurder en
eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto
slaan.
WAARSCHUWING!
Hang of bevestig nooit iets aan de
handgrepen aan het plafond. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde
voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, de portierstijlen of
de zijpanelen van de auto. Ze kunnen
daarbij hun beschermende werking
verliezen. Er mogen uitsluitend originele
Volvo-onderdelen worden gebruikt die
bestemd zijn voor montage op deze
plaatsen.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de
zijruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming
meer biedt.
WAARSCHUWING!
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
22
Veiligheid
WHIPS-systeem
Bescherming tegen
whiplash-letsel, WHIPS
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende
rugleuningen en speciaal voor het systeem
ontwikkelde hoofdsteunen op de beide
voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd
bij een aanrijding van achteren, afhankelijk
van de hoek waaronder en de snelheid
waarmee het achteropkomende voertuig de
auto raakt en de materiaaleigenschappen van
dat voertuig.
Eigenschappen van de stoel
Bij activering van het WHIPS-systeem
bewegen de rugleuningen van de
voorstoelen naar achteren, zodat de positie
van de bestuurder en de passagier op de
voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op
een zogeheten whiplash beperkt.
WHIPS-systeem en
kinderzitjes/verhogingskussens
Het WHIPS-systeem heeft geen nadelige
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes of verhogingskussens in de auto.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaats-
nemen en de afstand tussen het hoofd en de
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING!
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de stoel
of het WHIPS-systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
23
Veiligheid
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het
WHIPS-systeem niet nadelig
beïnvloedt
WAARSCHUWING!
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop
dat u de werking van het WHIPS-systeem
niet nadelig beïnvloedt.
WAARSCHUWING!
Als u een van de ruggedeelten van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u de
voorstoel aan dezelfde kant naar voren
schuiven zodat de rugleuning van de stoel
niet tegen het neergeklapte ruggedeelte
van de achterbank aankomt.
WAARSCHUWING!
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van
achteren, moet u het WHIPS-systeem
laten controleren bij een erkende Volvo-
werkplaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van de
beschermende eigenschappen hebben
verloren, ook al ziet de stoel er intact uit.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats om het systeem te laten
controleren, ook na een lichte aanrijding
van achteren.
24
Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
wordt u het volgende geadviseerd:
Sleep de auto naar een erkende Volvo-
werkplaats. Rijd niet in een auto met
opgeblazen airbags.
Laat het vervangen van de onderdelen
van de veiligheidssystemen in de auto
over aan een erkende Volvo-werkplaats.
Neem altijd contact op met een arts.
N.B. De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de
gordelspanners worden bij een botsing
slechts eenmaal geactiveerd.
Systeem Activering
Gordelspanners Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij.
Airbags (SRS) Bij een frontale botsing
1
.
SIPS-airbags Bij een aanrijding in de zij
1
.
Opblaasgordijn (IC-systeem) Bij een aanrijding in de zij
1
.
WHIPS-systeem Bij aanrijdingen van achteren.
1. Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en
het gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op
de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto..
WAARSCHUWING!
De regeleenheid van het SRS-systeem zit
in de middenconsole. Ontkoppel de
accukabels als de vloer van de passa-
giersruimte vol water of een andere
vloeistof staat. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geacti-
veerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze
kunnen u bij het sturen danig in de weg
zitten. Ook de andere veiligheidssystemen
kunnen beschadigd zijn. Langdurige
blootstelling aan de rook- en stofdeeltjes
die vrijkomen bij het opblazen van de
airbags kan oog- en huidirritatie veroor-
zaken. Spoel bij irritatie met koud water.
De snelheid waarmee de airbags/
gordijnen worden opgeblazen kan in
combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
25
Veiligheid
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen
Controle-intervallen
De stickers op de portierstijl(en) geven het
jaar en de maand aan waarin u contact moet
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om de airbags, gordelspanners en opblaas-
gordijnen te laten controleren en eventueel te
laten vervangen. Als u vragen hebt over de
systemen, kunt ook contact opnemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
1. Airbag aan de bestuurderszijde
2. Airbag aan de passagierszijde
3. SIPS-airbag aan de bestuurderszijde
4. SIPS-airbag aan de passagierszijde
5. Opblaasgordijn aan de bestuurderszijde
6. Opblaasgordijn aan de passagierszijde
Deze sticker vindt u in de portieropening
linksachter.
26
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel
en veilig zitten
De plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting is afhankelijk van het
gewicht en de lengte van het kind (zie
pagina 28 voor meer informatie).
Kinderen die kleiner zijn dan 1,50 m dienen in
een passend kinderzitje te worden vervoerd.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
vervoer van kinderen in de auto verschillen
van land tot land. Ga na welke regels er in uw
land van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in
uw auto. Door het gebruik van originele
Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de
bevestigingspunten en bevestigingsonder-
delen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
Het volgende kan worden gebruikt:
een kinderzitje op de passagiersstoel,
zolang de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd
1
is;
een achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje op de achterbank dat tegen de
rugleuning van de voorstoel steunt.
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Kinderzitjes en airbags (SRS)
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag (SRS) aan de passagierszijde geacti-
veerd is
1
. Als de airbag wordt opgeblazen,
kan een kind in een kinderzitje aan de passa-
gierszijde ernstig letsel oplopen.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
WAARSCHUWING!
Personen kleiner dan 1,40 m mogen
alleen op de voorstoel plaatsnemen als de
airbag gedeactiveerd is.
27
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van airbagsticker in voorportiero-
pening aan de passagierszijde.
Sticker op zijwand dashboard. Sticker op zijwand dashboard (alleen
Australië).
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel, als de airbag (SRS) geacti-
veerd
1
is. Het niet opvolgen van de deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
28
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Plaats van kinderen in de auto
Gewicht
(leeftijd)
Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
<10 kg
(tot 9
maanden)
Mogelijkheden:
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel.
L
1
: Typegoedk.: E5 03160
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met ISOFIX-systeem.
L
1
: Typegoedk.: E5 03162
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
L
1
: Typegoedk.: E5 03135
Mogelijkheden:
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel en steun.
L
1
: Typegoedk.: E5 03160
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met ISOFIX-
systeem en steun.
L
1
: Typegoedk.: E5 03162
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel, steun en bevestigingsband.
L
1
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel, steun en bevestigingsband.
L
1
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
9–18 kg
(9–36
maanden)
Mogelijkheden:
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel.
L
1
: Typegoedk.: E5 03161
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met ISOFIX-systeem.
L
1
: Typegoedk.: E5 03163
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje,
te bevestigen met veiligheidsgordel en
bevestigingsband.
L
1
: Typegoedk.: E5 03135
Mogelijkheden:
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel en steun.
L
1
: Typegoedk.: E5 03161
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met ISOFIX-
systeem en steun.
L
1
: Typegoedk.: E5 03163
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel, steun en bevestigingsband.
L
1
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
Achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel, steun en bevestigingsband.
L
1
: Typegoedkeuringsnr. E5 03135
29
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
15–36 kg
(3–12 jaar)
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
L
1
: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Gordelkussen met of zonder
rugleuning.
L
1
: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Mogelijkheden:
Gordelkussen met of zonder
rugleuning.
L
1
: Typegoedkeuringsnr. E5 03139
Geïntegreerd kinderzitje.
B
2
: Typegoedk.: E5 03140
1. L: Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald merk auto,
voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
2. Geïntegreerd en goedgekeurd voor deze leeftijdscategorie.
Gewicht
(leeftijd)
Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
30
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerd kinderzitje (optie)
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo is
speciaal ontworpen om kinderen maximale
bescherming te bieden.
In combinatie met de aanwezige veiligheids-
gordels is het geïntegreerde kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel als de airbag (SRS) geacti-
veerd is.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen, als
de airbag (SRS) geactiveerd
1
is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
31
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
Klap het geïntegreerde kinderzitje
omlaag.
Haal de klittenband los.
Klap het bovenste gedeelte weer op.
Zorg dat:
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt en nergens
slap hangt of verdraaid is;
de veiligheidsgordel goed over de
schouder loopt;
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
de veiligheidsgordel niet tegen de nek
van het kind aankomt of onder de
schouder langs loopt.
Stel de stand van de hoofdsteun
zorgvuldig af op de lengte van het kind.
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
Klap het bovenste gedeelte (A) omlaag.
Bevestig het stuk klittenband (B).
Klap het geïntegreerde kinderzitje in het
ruggedeelte (C) van de achterbank op.
N.B. Zorg dat de beide delen van het geïnte-
greerde kinderzitje met de klittenband (B) zijn
vastgezet, voordat u het zitje opklapt. Anders
kan het bovenste gedeelte (A) in het rugge-
deelte van de achterbank (C) blijven steken,
wanneer u het geïntegreerde kinderzitje een
volgende keer opnieuw uitklapt.
WAARSCHUWING!
Reparatie of vervanging dient alleen te
worden uitgevoerd door een erkende
Volvo-werkplaats. Voer zelf geen wijzi-
gingen of aanpassingen uit aan het
geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigen-
schappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook
worden vervangen als het erg versleten is.
32
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor
kinderen die afgestemd is op uw Volvo en
uitvoerig door Volvo getest is.
Bij het gebruik van andere op de markt
verkrijgbare producten is het belangrijk dat u
de bijgeleverde montagevoorschriften
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het
kinderzitje nooit vast aan de hendel
waarmee u de voorstoel in de lengte-
richting verstelt of aan veren, rails of
balken onder de stoel. Scherpe randen
kunnen de bevestigingsbanden bescha-
digen.
Laat de rugleuning van het kinderzitje
tegen het dashboard steunen. Dit geldt
voor auto’s zonder airbag aan de passa-
gierszijde of auto’s waarvan de airbag
gedeactiveerd is.
ISOFIX-bevestigingssysteem
voor kinderzitjes (optie)
De buitenste zitplaatsen van de achterbank
zijn voorbereid voor het ISOFIX-bevestigings-
systeem voor kinderzitjes. Neem contact op
met een Volvo-dealer voor meer informatie
over veiligheidsuitrusting voor kinderen.
WAARSCHUWING!
Plaats nooit een kinderzitje op de
voorstoel, als de auto is uitgerust met een
geactiveerde
1
airbag aan de passagiers-
zijde. Bij problemen tijdens de montage
van kinderveiligheidsproducten kunt u
contact opnemen met de fabrikant voor
nadere inlichtingen over de montage.
1. Zie pagina 15 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
33
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links 34
Overzicht auto’s met het stuur rechts 36
Instrumentenpaneel 38
Controle- en waarschuwingslampjes 39
Informatiedisplay 42
Schakelaars op middenconsole 44
Verlichtingspaneel 48
Linker stuurhendel 49
Rechter stuurhendel 50
Boordcomputer 52
Cruise control (optie) 53
Handrem, elektrische aansluiting/aansteker 54
Stuurwielafstelling 55
Elektrisch bedienbare ruiten 56
Spiegels en zijruiten 58
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) 60
34
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
35
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
1. Mistlampen ............................................................................ pagina 48
2. Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten ........................................................... pagina 48
3. Mistachterlicht....................................................................... pagina 48
4. Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht................................................................ pagina 49
5. Cruise control........................................................................ pagina 53
6. Claxon ......................................................................................................
7. Instrumentenpaneel ............................................................. pagina 38
8. Toetsenset voor
telefoon/audiosysteem..............................pagina 204, pagina 188
9. Ruitenwissers ........................................................................ pagina 50
10. Handrem (parkeerrem)........................................................ pagina 54
11. Schakelaarpaneel................................................................. pagina 44
12. Klimaatregeling ................................................pagina 66, pagina 68
13. Audiosysteem......................................................................pagina 182
14. Elektrische aansluiting, aansteker..................................... pagina 44
15. Alarmlichten............................................................................pagina 46
16. Dashboardkastje ...................................................................pagina 84
17. Blaasmond..............................................................................pagina 65
18. Display.....................................................................................pagina 42
19. Temperatuurmeter.................................................................pagina 38
20. Kilometerteller, dagteller, Cruise control.....pagina 38, pagina 53
21. Snelheidsmeter......................................................................pagina 38
22. Richtingaanwijzers................................................................pagina 49
23. Toerenteller .............................................................................pagina 38
24. Buitentemperatuurmeter, klokje,
schakelstandindicatie...........................................................pagina 38
25. Brandstofmeter......................................................................pagina 38
26. Controle- en waarschuwingslampjes...............................pagina 39
27. Blaasmonden.........................................................................pagina 65
28. Instrumentenverlichting........................................................pagina 48
29. Koplamphoogteverstelling...................................................pagina 48
30. Verlichtingspaneel.................................................................pagina 48
31. Leeslampjes ...........................................................................pagina 79
32. Interieurverlichting.................................................................pagina 79
33. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak............................pagina 60
34. Gordelwaarschuwing...........................................................pagina 58
35. Achteruitkijkspiegel...............................................................pagina 58
36. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling
alle portieren...........................................................................pagina 93
37. Blokkeerknop ruitbediening achterportieren ..................pagina 57
38. Knop, elektrisch bedienbare ruiten...................................pagina 56
39. Knop, buitenspiegels............................................................pagina 58
40. Actief chassis, FOUR-C (S60 R)..............pagina 46, pagina 113
36
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
37
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
1. Mistachterlicht....................................................................... pagina 48
2. Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten ........................................................... pagina 48
3. Mistlampen ............................................................................ pagina 48
4. Ruitenwissers ........................................................................ pagina 50
5. Toetsenset voor
telefoon/audiosysteem..............................pagina 204, pagina 188
6. Claxon ......................................................................................................
7. Instrumentenpaneel ............................................................. pagina 38
8. Cruise control........................................................................ pagina 53
9. Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht................................................................ pagina 50
10. Handrem (parkeerrem)........................................................ pagina 54
11. Elektrische aansluiting, aansteker..................................... pagina 44
12. Klimaatregeling ................................................pagina 66, pagina 68
13. Audiosysteem......................................................................pagina 182
14. Schakelaarpaneel................................................................. pagina 44
15. Alarmlichten............................................................................pagina 46
16. Dashboardkastje ...................................................................pagina 84
17. Blaasmond..............................................................................pagina 65
18. Controle- en waarschuwingslampjes...............................pagina 39
19. Brandstofmeter......................................................................pagina 38
20. Buitentemperatuurmeter, klokje,
schakelstandindicatie...........................................................pagina 38
21. Toerenteller .............................................................................pagina 38
22. Richtingaanwijzers................................................................pagina 49
23. Snelheidsmeter......................................................................pagina 38
24. Kilometerteller, dagteller, Cruise control.....pagina 38, pagina 53
25. Temperatuurmeter.................................................................pagina 38
26. Display.....................................................................................pagina 42
27. Blaasmonden.........................................................................pagina 65
28. Verlichtingspaneel.................................................................pagina 48
29. Koplamphoogteverstelling...................................................pagina 48
30. Instrumentenverlichting........................................................pagina 48
31. Leeslampjes ...........................................................................pagina 79
32. Interieurverlichting.................................................................pagina 79
33. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak............................pagina 60
34. Gordelwaarschuwing...........................................................pagina 58
35. Achteruitkijkspiegel...............................................................pagina 58
36. Vergrendelingsknop, simultaanvergrendeling
alle portieren...........................................................................pagina 92
37. Blokkeerknop ruitbediening achterportieren ..................pagina 57
38. Knop, elektrisch bedienbare ruiten...................................pagina 56
39. Knop, buitenspiegels............................................................pagina 58
40. Actief chassis, FOUR-C (S60 R)..............pagina 44, pagina 113
38
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
1. Temperatuurmeter
De temperatuurmeter geeft de temperatuur in
het koelsysteem van de motor aan. Op het
display verschijnt een bericht, als de tempe-
ratuur abnormaal hoog is en de naald tot in
het rode gebied uitslaat. Let erop dat
verstralers voor de radiateurgrille het koelver-
mogen verminderen bij een hoge buitentem-
peratuur en een zware belasting van de
motor.
2. Display
Op het display worden informatieve berichten
en waarschuwingsberichten weergegeven.
3. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de
auto aan.
4. Dagtellers, T1 en T2
De dagtellers gebruikt u om kortere afstanden
op te meten. Het rechter cijfer geeft de
afstand in honderden meters aan. U kunt de
dagtellers op nul zetten door de knop langer
dan 2 seconden in te drukken. U wisselt van
dagteller door de knop korte tijd in te drukken.
5. Indicatie voor Cruise control
Zie pagina 47.
6. Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gereden.
7. Groot licht aan/uit
8. Waarschuwingslampje
Als er een storing optreedt, licht het
waarschuwingslampje op en verschijnt er een
bericht op het display.
9. Toerenteller
De toerenteller geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de naald
van de toerenteller niet tot in het rode gebied
uitslaan.
10. Indicatie voor automatische
versnellingsbak
Hier ziet u welk schakelprogramma er wordt
aangehouden. Als u een automatische
versnellingsbak met Geartronic hebt en het
handmatige schakelprogramma gebruikt, ziet
u hier welke versnelling u hebt ingeschakeld.
11. Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter geeft de buiten-
temperatuur aan. Wanneer de temperatuur in
het interval van –5 °C tot +2 °C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display.
Het symbool wijst op het gevaar voor
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of gepar-
keerd gestaan heeft, is het mogelijk dat de
buitentemperatuurmeter een te hoge waarde
aangeeft.
12. Klokje
Draai aan de knop om het klokje op de juiste
tijd in te stellen.
13. Brandstofmeter
Er zit nVog ongeveer 8 liter brandstof in de
tank, wanneer het lampje op het instrumen-
tenpaneel oplicht.
14. Controle- en waarschuwingslampjes
15. Indicatorlampjes richtingaanwijzers,
links/rechts
39
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes
1
gaan branden wanneer u de contactsleutel
voor het starten in stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen vijf
seconden aanslaat, gaan alle
lampjes uit behalve de lampjes
voor storingen in het uitlaatgas-
reinigingssysteem van de auto
en een te lage oliedruk. Afhan-
kelijk van de uitrusting van de auto is het
mogelijk dat bepaalde lampjes geen functie
hebben.
Waarschuwingslampje midden
op instrumentenpaneel
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van de
ernst van de geregistreerde storing.
Rood licht:
Breng de auto tot stilstand. Lees het
bericht op het display.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje licht:
Lees het bericht op het display. Verhelp
de storing.
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ (zie pagina 42).
Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de
displaytekst automatisch.
Wanneer de tekst “TIJD VOOR REG.
SERVICE” verschijnt, doet u het waarschu-
wingslampje uit en verwijdert u de tekst met
behulp van de knop READ. Dit gebeurt
automatisch na 2 minuten.
Storing in ABS
Als het waarschuwingslampje voor
het ABS-systeem oplicht, werkt het
ABS-systeem niet meer. Het
normale remsysteem van de auto
werkt dan nog, zij het zonder ABS-
regeling.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje dooft, kunt
u verder rijden. Er was dan geen sprake
van een werkelijke storing.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
ABS-systeem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het lampje voor het remsysteem
oplicht, is het mogelijk dat het
remvloeistofpeil te laag is.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir.
1. Bij sommige motortypes licht het
waarschuwingslampje voor een te
lage oliedruk niet op.
40
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Als het peil lager is dan het MIN-merkje
van het reservoir, kunt u beter niet verder
rijden met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
Als de waarschuwingslampjes voor
het remsysteem en het ABS-
systeem tegelijkertijd branden, kan
er een storing in de remkrachtver-
deling zijn opgetreden.
Breng de auto op een veilige plaats
tot stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
Als de beide lampjes weer doven, was er
geen sprake van een werkelijke storing.
Als de waarschuwingslampjes echter
blijven branden, moet u het peil in het
remvloeistofreservoir controleren.
Als het peil lager is dan het MIN-merkje
van het remvloeistofreservoir, kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats
slepen om het remsysteem te controleren.
Als de lampjes echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloei-
stofpeil in orde is, moet u de auto uiterst
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de
veiligheidsgordels brandt, zolang de
bestuurder de gordel niet heeft
omgedaan.
Te lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk af
en controleer het motoroliepeil. Als
het lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde
is, moet u de auto tot stilstand brengen en
contact opnemen met een erkende Volvo-
werkplaats.
Storing in
uitlaatgasreinigingssysteem
Rijd de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Storing in SRS-systeem
Als het waarschuwingslampje voor
het SRS-systeem oplicht, is er een
storing in het SRS-systeem geregis-
treerd. Rijd de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats om het
systeem te laten controleren.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er waarschijnlijk sprake
van een storing in het elektrisch
systeem. Breng een bezoek aan een
erkende Volvo-werkplaats.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje licht op wanneer de
voorgloeifunctie van de motor actief
is. Wanneer het lampje dooft, kunt u
de motor starten. Geldt alleen voor
dieselmodellen.
Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
N.B. Het controlelampje geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS-systeem tegelij-
kertijd oplichten, bestaat het gevaar dat
de achtertrein bij krachtig remmen gaat
slippen.
41
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Mistachterlicht
Het lampje brandt, wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Controlelampje aanhanger
Het controlelampje knippert,
wanneer u de richtingaanwijzers op
de auto en op de aanhanger
gebruikt. Als het lampje niet
knippert, is een van de richtingaanwijzers op
de auto of de aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem STC en
DSTC
1
Het STC/DSTC-systeem bestaat uit
meerdere deelsystemen die uitvoeriger
beschreven staan op pagina 112.
Het lampje licht op om na ca. twee
seconden weer te doven
Het lampje licht tijdens het starten
van de motor op om aan te geven
dat er een systeemtest plaatsvindt.
Het lampje knippert
De SC-regeling (Spin Control)
tracht te voorkomen dat de aange-
dreven wielen van de auto
doorslippen. De TC-regeling
(Traction Control) tracht de grip van de auto
op de weg te verbeteren.
De AYC-regeling (Active Yaw Control) tracht
te voorkomen dat de auto in de slip raakt.
Het oranje waarschuwingslampje brandt
continu
Het lampje brandt en de melding
“TRACTIECONTROLE TIJDELIJK
UIT” verschijnt op het informatie-
display.
De TC-regeling is wegens een te hoge
remtemperatuur tijdelijk beperkt.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur
weer normaal is.
Het oranje waarschuwingslampje brandt
continu
Het lampje licht op en de melding
“ANTI-SKID SERVICE VEREIST”
verschijnt op het informatiedisplay.
Het STC- of DSTC-systeem werd
door een storing uitgeschakeld.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Start de motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
Storing in STC/DSTC-systeem
Als het waarschuwingslampje
oplicht en continu brandt, terwijl u
geen van de systemen hebt uitge-
schakeld is er sprake van een
storing in een van de systemen. De tekst
“ANTI-SKID SERVICE VEREIST” verschijnt
op het display.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een
werkplaats te brengen.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
systeem te laten controleren.
1. Optie op bepaalde markten.
Standaarduitrusting op de S60 R.
WAARSCHUWING!
Onder normale omstandigheden zorgt het
STC/DSTC-systeem voor een betere
wegligging. Dit mag echter voor u geen
reden zijn om sneller te gaan rijden. Wees
altijd voorzichtig bij het nemen van
bochten en het rijden op gladde wegen.
42
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Displaytekst
Wanneer er een controle- of waarschuwings-
lampje oplicht, verschijnt er tevens een
bericht op het display. Wanneer u het bericht
gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop
READ (A) drukken. Het bericht wordt dan van
het display gewist en in een geheugen
opgeslagen. Het bericht blijft in het
geheugen opslagen, totdat u de onderlig-
gende storing hebt laten verhelpen.
Berichten die duiden op zeer ernstige
storingen kunt u niet van het display wissen.
De berichten blijven op het display staan,
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
Meldingen die in het geheugen liggen
opgeslagen kunt u op een later tijdstip
nogmaals doorlezen. Druk op de knop
READ (A), als u de opgeslagen meldingen
wilt bekijken. U kunt de meldingen doorbla-
deren door op de knop READ (A) te drukken.
Druk nogmaals op de knop READ om de
berichten weer in het geheugen op te slaan.
N.B. Als er een waarschuwingsbericht
verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een
menu van de boordcomputer bevindt of wilt
telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u
het bericht hebt gezien. U doet dat door op
de knop READ (A) te drukken.
43
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Melding Betekenis
STOP AUTO Z.S.M. Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
ZET DE MOTOR AF Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
SERVICE SPOED Breng uw auto voor controle naar de werkplaats.
ZIE HANDLEIDING Raadpleeg het instructieboekje.
SERVICE VEREIST Laat uw auto zo spoedig mogelijk controleren.
BIJ ONDERHOUD Laat uw auto tijdens de volgende servicebeurt controleren.
TIJD VOOR REG. SERVICE Als de displaytekst verschijnt, moet de auto voor een servicebeurt naar de werkplaats.
Wanneer de tekst verschijnt, hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat
verstreken is sinds de laatste servicebeurt en het aantal draaiuren van de motor.
OLIEPEIL LAAG
1
– BIJVULLEN
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Controleer het peil en vul zo spoedig mogelijk olie bij
(zie pagina 159 voor meer informatie).
OLIEPEIL LAAG
2
– STOP AUTO Z.S.M.
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand om het
oliepeil te controleren (zie pagina 159).
OLIEPEIL LAAG
2
– ZET MOTOR UIT
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet
de motor af om het oliepeil te controleren (zie pagina 159).
OLIEPEIL LAAG
2
– ZIE HANDLEIDING
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet
de motor af om het oliepeil te controleren (zie pagina 159).
ROETFILTER VOL – ZIE HANDLEIDING
1
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 105).
1. Verschijnt samen met een oranje gevarendriehoek.
2. Verschijnt samen met een rode gevarendriehoek.
3. Geldt alleen voor motortypes met olieniveausensor.
44
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
N.B. De onderlinge positie van de knoppen
kan variëren.
Actief chassis, FOUR-C (optie)
Druk op de knop om een van
de chassistanden Comfort of
Sport te kiezen (zie
pagina 113). Op het informa-
tiedisplay verschijnt
10 seconden lang de actuele
stand.
BLIS (Blind Spot Information
System) (optie)
Druk op de knop om het
systeem te deactiveren of
opnieuw te activeren Zie
pagina 133 voor meer infor-
matie.
STC/DSTC-systeem
1
Met deze knop kunt u de
functies van het STC/DSTC-
systeem beperken of een
geldende beperking opheffen.
Wanneer de LED in de knop
brandt, is het STC/DSTC-
systeem actief (voor zover er
geen sprake is van een
storing).
N.B. Om de werking van het STC/DSTC-
systeem te beperken moet u de knop ten
minste een halve seconde ingedrukt houden.
De LED in de knop dooft dan en de melding
“STC/DSTC SPIN CONTROL UIT”
verschijnt op het informatiedisplay.
Beperk de functie van het systeem als u een
wiel met een afwijkende maat gebruikt.
De volgende keer dat u de motor start, is het
STC/DSTC-systeem weer actief.
Elektrische aansluiting/
aansteker (optie)
U kunt de elektrische
aansluiting gebruiken
verschillende accessoires
die op een spanning van
12 V werken, zoals een
mobiele telefoon of een
koelbox.
1. Optie op bepaalde markten.
Standaarduitrusting op de R-versie.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de rijeigenschappen van de
auto veranderen, als u het STC/DSTC-
systeem uitschakelt.
45
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in de
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het
roodgloeiende deel om een sigaar of sigaret
aan te steken. Om veiligheidsredenen moet u
het deksel altijd op de aansluiting laten zitten,
wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
Buitenste hoofdsteunen
achterbank omklappen (optie)
Klap de hoofdsteunen niet
om, als er iemand op een van
beide buitenste zitplaatsen
van de achterbank zit.
Draai de contactsleutel naar stand I of II.
Druk de knop 1 in om de hoofdsteunen
van de achterbank om te klappen en zo
een beter zicht naar achteren te
verkrijgen.
U moet de hoofdsteunen na afloop
handmatig weer opklappen.
Als u de beide ruggedeelten van de
achterbank wilt omklappen, moeten de
hoofdsteunen rechtop staan.
Inklapbare buitenspiegels (optie)
Met deze knop kunt u de
elektrisch bedienbare
buitenspiegels in- en
uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een
van de buitenspiegels per
ongeluk in- of uitgeklapt is:
Haal de buitenspiegel zo ver mogelijk
naar voren toe.
Draai de contactsleutel naar stand II.
Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst naar binnen en vervolgens
weer naar buiten toe. De buitenspiegels
staan daarna weer in hun oorspronkelijke
stand.
Parkeerhulp (optie)
De parkeerhulp is bij het
starten van de motor altijd
ingeschakeld. Druk op de
knop om de parkeerhulp uit
te schakelen/opnieuw in te
schakelen (zie ook
pagina 115).
Kofferdeksel vergrendelen
(bepaalde landen)
Druk op de aangegeven
knop om het kofferdeksel te
vergrendelen. Het
kofferdeksel blijft daarna
vergrendeld, ook al
ontgrendelt u de portieren
handmatig met de hoofdsleutel, de afstands-
bediening daarvan of de servicesleutel.
Safelock-functie en
alarmsensoren deactiveren
Maak gebruik van deze knop
kunt u de Safelock-functie
desgewenst uitschakelen
(Safelock houdt in dat de
portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde
te openen zijn). Gebruik deze knop ook om
de bewegings- en niveausensoren van het
alarmsysteem
1
buiten werking stellen –
wanneer u bijvoorbeeld met de auto een
veerverbinding neemt. De LED in de knop
brandt, wanneer de functies zijn uitge-
schakeld c.q. buiten werking zijn gesteld.
1. Optie
46
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Verstralers (accessoires)
Druk op deze knop als u de
verstralers van de auto’s
tegelijk met het groot licht
wilt voeren of als u de
verstralers uit wilt schakelen.
De LED in de knop brandt
om aan te geven dat de
functie actief is.
Actief chassis, FOUR-C (S60R)
Selecteer een van de chassistanden
Comfort, Sport of Advanced met behulp van
de knoppen. Zie pagina 113 voor meer infor-
matie.
Alarmlichten
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaan-
wijzers knipperen), wanneer u de auto
noodgedwongen tot stilstand moet brengen
op een plaats waar deze gevaar of hinder
voor het verkeer kan opleveren. Druk op de
knop om de functie te activeren.
N.B. De regels voor het gebruik van de
alarmlichten verschillen van land tot land.
47
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Elektrisch verwarmde
buitenspiegels en achterruit
Schakel de elektrische
verwarming in om ijs en
wasem van de achterruit
en de buitenspiegels te
verwijderen. Wanneer u
op de schakelaar drukt,
wordt de verwarming
van de achterruit en de
buitenspiegels geacti-
veerd. De LED in de
schakelaar gaat daarbij
branden.
De verwarming wordt na ca. 12 minuten
automatisch uitgeschakeld.
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Zie pagina 66 of
pagina 69 voor meer
informatie.
48
Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer kunt verblinden. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar
een van de eindstanden.
Rol het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen
1
zijn
uitgerust met automatische koplamphoogte-
regeling, zodat het duimwiel (3) ontbreekt.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen ongeacht
de stand van de contactsleutel.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achter-
lichten altijd aan. De kentekenplaatverlichting
wordt gelijktijdig met de stadslichten/parkeer-
lichten vóór en de achterlichten ingeschakeld.
Koplampen
Automatisch dimlicht
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (1) in de
middelste stand staat. U kunt het automa-
tische dimlicht zo nodig in een erkende Volvo-
werkplaats buiten werking laten stellen.
Handmatig dimlicht (bepaalde landen)
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1)
rechtsom naar de eindstand.
Groot licht
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1)
rechtsom naar de eindstand.
Haal de linker stuurhendel tot in
eindstand naar het stuur toe en laat de
hendel vervolgens los (zie pagina 49).
Mistlichten
N.B. De regels voor het gebruik van de
mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten.
Druk op de knop (2).
De LED in de knop (2) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en de LED in de
knop (4) branden, wanneer het mistachter-
licht is ingeschakeld.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (1) in een van de
eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht
automatisch gedimd en valt bij donker
handmatig te regelen.
Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
1. Optie.
49
Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
1. Korte serie knippersignalen, richtingaan-
wijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en “Follow-Me-Home”-verlichting
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
tot in de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
tot in stand (1) en laat de hendel
vervolgens los.
Wanneer u de stuurhendel loslaat veert deze
terug naar de uitgangspositie, zodat de
richtingaanwijzers worden uitgeschakeld.
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 48).
Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3)
naar het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden,
totdat u de hendel weer loslaat.
“Follow-Me-Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenver-
lichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow-Me-Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden
1
, maar
is in een erkende Volvo-werkplaats te
wijzigen in 60 of 90 seconden.
Neem de sleutel uit het contactslot.
Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1. Fabrieksinstellingen.
50
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitenwissers
De ruitenwissers zijn uitgeschakeld,
wanneer de hendel in stand 0 staat.
Wanneer u de hendel omhoogduwt,
maken de wissers slagen zolang u
de hendel in deze stand vasthoudt.
Intervalstand
U kunt de snelheid van de wissers in
de intervalstand bijstellen. Wanneer
u de ring rechtsom draait, neemt het aantal
wisserslagen per eenheid van tijd toe.
Wanneer u de ring (1) linksom draait, neemt
het aantal wisserslagen per eenheid van tijd af.
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge
snelheid.
Regensensor (optie)
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoe-
ligheid van de regensensor is in te stellen met
de ring (1).
Draai de ring rechtsom voor een grotere
gevoeligheid en linksom voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra
slag, als u de ring rechtsom draait).
Aan/Uit
Als u de regensensor activeert, moet de
contactsleutel in stand I of II staan en de
hendel van de ruitenwissers in stand 0.
U activeert u de regensensor door:
op de knop (2) te drukken. De LED in de
knop gaat branden om aan te geven dat
de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de
volgende manieren weer uit:
druk op de knop (2) of
haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel
omhoogduwt, blijft de regensensor actief.
De wissers maken een extra slag en keren
terug naar de regensensorstand, wanneer
u de hendel laat terugveren naar stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitge-
schakeld, wanneer u de sleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u het
contact hebt uitgezet.
Ruitensproeiers
U activeert de ruitensproeiers door de hendel
naar het stuurwiel toe te trekken.
BELANGRIJK!
Sproei een royale hoeveelheid ruiten-
sproeiervloeistof op de voorruit wanneer
de ruitenwissers werken. De voorruit
moet nat zijn bij gebruik van de
ruitenwissers.
BELANGRIJK!
In automatische wasstraten:
Schakel de regensensor uit door op
knop (2) te drukken, terwijl de contact-
sleutel in stand I of II staat. De ruiten-
wissers kunnen anders in beweging
komen en daarbij beschadigd raken.
51
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Koplampsproeiers
(optie in bepaalde landen)
De koplampsproeiers worden automatisch
geactiveerd bij het gebruik van de ruiten-
sproeiers.
De hogedruksproeiers van de koplampen
verbruiken grote hoeveelheden ruiten-
sproeiervloeistof. Om vloeistof te besparen
worden de koplampen alleen iedere vijfde
keer dat u de voorruitsproeiers activeert
gesproeid (gerekend over een periode van
tien minuten). Wanneer er meer dan tien
minuten zijn verstreken sinds de laatste
sproeibeurt van de voorruit, worden ook de
koplampen weer gesproeid bij het activeren
van de ruitensproeiers.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer één liter ruiten-
sproeiervloeistof in het reservoir zit, worden
de koplampen niet langer schoongesproeid.
Dit omdat het sproeifunctie van de voorruit de
voorrang heeft.
Ruitensproeiers en
koplampsproeiers (S60 R)
U activeert de ruitensproeiers en de koplamp-
sproeiers door de hendel naar het stuurwiel
toe te trekken.
52
Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer
Bediening
Om toegang te krijgen tot de informatie van
de boordcomputer moet u de ring (B) op de
hendel stapsgewijs linksom of rechtsom
draaien. Wanneer u na het laatste menu
nogmaals aan de ring draait, keert u terug in
de uitgangspositie.
N.B. Als er een waarschuwingsbericht
verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een
menu van de boordcomputer bevindt of wilt
telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u
het bericht hebt gezien. U doet dat door op
de knop READ (A) te drukken. U keert dan
terug naar het menu van de boordcomputer
waarin u zich bevond.
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende
informatie:
GEMIDDELDE SNELHEID
SNELHEID IN MILES PER HOUR
1
ACTUEEL BRANDSTOFVERBRUIK
GEMIDDELD BRANDSTOFVERBRUIK
BEREIK TOT LEGE BRANDSTOFTANK
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste
maal dat u de waarde op nul hebt gezet
(RESET). Wanneer u het contact uitzet,
wordt de gemiddelde snelheid opgeslagen
om als uitgangswaarde te dienen bij het
vervolg van de rit. U kunt de waarde op nul
zetten met een druk op de knop RESET (C)
op de hendel.
Snelheid in miles per hour
1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
Actueel brandstofverbruik
In het menu voor het actuele brandstofver-
bruik wordt het brandstofverbruik voort-
durend bijgehouden. Het brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto
stilstaat, geeft het display “----” aan.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Gemiddeld brandstofverbruik
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gezet (RESET). Wanneer u het contact uitzet,
wordt het gemiddelde brandstofverbruik
opgeslagen. De waarde blijft in het geheugen
opgeslagen, totdat u deze met een druk op
de knop RESET (C) op de hendel op nul zet.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Bereik tot lege brandstoftank
Het bereik tot lege brandstoftank (d.w.z. de
actieradius) wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. Wanneer de actieradius
kleiner is dan 20 km, geeft het display “----”
aan.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden
verschijnen, als u bijvoorbeeld van rijstijl bent
veranderd of een standverwarming op
brandstof hebt gebruikt.
1. Bepaalde landen
53
Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruise control (optie)
Inschakelen
De bedieningsorganen voor
de Cruise control vindt u
links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid
instellen:
Druk op de knop CRUISE. Op het instru-
mentenpaneel verschijnt de tekst CRUISE.
Druk lichtjes op + of om de snelheid
van de auto vast te zetten. Op het instru-
mentenpaneel verschijnt CRUISE-ON.
De Cruise control kan niet worden
ingeschakeld bij snelheden lager dan
30 km/h of hoger dan 200 km/h.
Snelheid verhogen of verlagen
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of in te drukken. De
snelheid die de auto heeft op het moment
dat u de knop loslaat, zal vervolgens
worden geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve
seconde) op + of komt overeen met een
snelheidswijziging van 1 km/h.
N.B. Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op de
instelling van de Cruise control. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automa-
tisch de ingestelde snelheid weer aan.
Tijdelijk uitschakelen
Druk op 0 om de Cruise control tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling in
het geheugen opgeslagen.
De Cruise control wordt bovendien tijdelijk
uitgeschakeld, als:
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
de snelheid heuvelop lager wordt dan
30 km/h;
u de keuzehendel in stand N zet;
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt
CRUISE-ON.
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de Cruise control uit te
schakelen. CRUISE-ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
54
Instrumenten, schakelaars en bediening
Handrem, elektrische aansluiting/aansteker
Handrem (parkeerrem)
De handremhendel zit tussen de beide
voorstoelen. De handrem werkt op de achter-
wielen. Het controlelampje geeft alleen aan
dát u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard! Haal de handremhendel daarom bij
het aantrekken altijd volledig omhoog.
Handrem aanhalen:
Trap het rempedaal stevig in.
Haal de handremhendel volledig omhoog.
Haal uw voet van het rempedaal en
controleer of de auto blijft stilstaan.
Schakel de
1ste versnelling in (handbak)
of zet de keuzehendel in stand P
(automaat).
Op een helling parkeren
Draai de wielen van de trottoirband af bij
het parkeren op een oplopende helling.
Draai de wielen naar de trottoirband toe
bij het parkeren op een aflopende helling.
Handrem lossen:
Trap het rempedaal stevig in.
Haal de handremhendel iets omhoog en
druk op de knop. Duw de hendel volledig
omlaag en laat de knop los.
Elektrische aansluiting/
Aansteker, achterin
U kunt de elektrische aansluiting voor
verschillende accessoires gebruiken die op
een spanning van 12 V werken, zoals een
mobiele telefoon of koelbox. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het
roodgloeiende stuk metaal om een sigaar of
sigaret aan te steken.
Om veiligheidsredenen moet u het klepje
sluiten, wanneer u de aansluiting niet gebruikt.
55
Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de
linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet het
stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u lichte druk op het
stuurwiel aanbrengen terwijl u de blokkeer-
hendel terugduwt.
WAARSCHUWING!
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden
en nooit tijdens het rijden. Controleer of
het stuurwiel in de gekozen stand geblok-
keerd staat.
56
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Met de schakelaars op de armleuning van de
portieren kunt u de ruiten elektrisch
bedienen. U kunt de ruiten alleen bedienen,
wanneer de contactsleutel in stand I of II
staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de
contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de
ruiten nog steeds openen en sluiten zolang u
geen van de voorportieren hebt geopend.
De ruiten gaan open, wanneer u de voorzijde
van de schakelaar omlaagdrukt, of dicht,
wanneer u de voorzijde van de schakelaar
omhoogtrekt.
Elektrisch bedienbare ruiten in
de voorportieren
U kunt de ruiten in de voorportieren op twee
manieren vanaf de voorstoelen openen.
Druk de schakelaars (A) voorzichtig
omlaag of trek ze voorzichtig omhoog. De
elektrisch bedienbare ruiten gaan dan
steeds verder omhoog of omlaag zolang u
de schakelaars bedient.
Druk de schakelaars (A) volledig omlaag
of trek ze volledig omhoog en laat ze
vervolgens weer los. De ruiten gaan dan
automatisch volledig open of dicht. Als de
ruiten worden geblokkeerd, wordt de op-
of neergaande beweging van de ruiten
afgebroken en zakken de ruiten weer iets
omlaag.
N.B. Alleen op bepaalde markten werkt de
automatische sluitingsfunctie ook aan de
passagierszijde.
Met de achterste schakelaars (B) bedient u
de ruiten in de achterportieren.
WAARSCHUWING!
Zorg er bij het sluiten van de ruiten met de
afstandsbediening voor dat kinderen of
andere inzittenden niet met hun handen
bekneld kunnen raken.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op
dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare ruiten verbreekt door auto de
contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de ruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
met hun handen bekneld kunnen raken.
Bij het sluiten van de achterste ruiten
vanaf het bestuurdersportier:
Zorg er bij het sluiten van de ruiten voor
dat achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
57
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
Elektrisch bedienbare ruiten in
achterportieren blokkeren
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de
schakelaar op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier.
LED in schakelaar gedoofd
De ruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te
bedienen.
LED in schakelaar brandt
De ruiten in de achterportieren zijn alleen
vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
Elektrisch bedienbare ruit in
voorportier, passagierszijde
Met de schakelaars voor elektrische
bediening van de ruiten op het passagier-
sportier kunt u alleen de ruit in het passagier-
sportier bedienen.
Elektrisch bedienbare ruiten in
achterportieren
U kunt de ruiten in de achterportieren zowel
met de schakelaars op de beide achterpor-
tieren als met de schakelaars op het bestuur-
dersportier bedienen. Als de LED in de
schakelaar waarmee u de elektrische
bediening van de ruiten in de achterportieren
blokkeert (op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier) brandt, kunt u de ruiten in
de achterportieren alleen vanaf het bestuur-
dersportier bedienen.
58
Instrumenten, schakelaars en bediening
Spiegels en zijruiten
Achteruitkijkspiegel
A: Normale stand.
B: Anti-verblindingsstand. Gebruik deze
stand, als u de koplampen van het achterop-
komende verkeer als hinderlijk ervaart.
Bepaalde modellen hebben een zogeheten
autodim-functie, hetgeen inhoudt dat de
achteruitkijkspiegel automatisch in de anti-
verblindingsstand gaat staan afhankelijk van
de lichtinval. De gevoeligheid van deze
functie kunt u in een erkende Volvo-
werkplaats laten afstellen.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de veiligheids-
gordels aan de bovenkant van de achteruitkijk-
spiegel brandt, zolang de bestuurder zijn of
haar gordel niet heeft omgedaan.
Buitenspiegels
De schakelaars waarmee u de twee buiten-
spiegels bedient, vindt u voor op de
armleuning van het bestuurdersportier.
Druk op de schakelaar L of R (L = linker
buitenspiegel, R = rechter buitenspiegel). De
LED in de schakelaar brandt.
U stelt de stand van de buitenspiegels bij met
het centrale hendeltje. Druk vervolgens
eenmaal op de schakelaar. De LED mag niet
langer branden.
Buitenspiegels met geheugen
(optie)
Als de auto is uitgerust met buitenspiegels
met geheugen, werkt het geheugen
synchroon met dat van de bestuurdersstoel
(zie pagina 77).
Geheugenfunctie van afstandsbediening
Wanneer u de auto met een van de afstands-
bedieningen ontgrendelt en de instelling van
de buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe
positie van de spiegels in de afstandsbe-
diening opgeslagen. De volgende keer dat u
de auto ontgrendelt met dezelfde afstands-
bediening en het bestuurdersportier binnen
vijf minuten na ontgrendeling opent, gaan de
buitenspiegels in de opgeslagen positie
staan.
Gelaagde zijruiten (optie)
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en
achterportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
A
B
WAARSCHUWING!
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
BELANGRIJK!
Gebruik de spiegelverwarming (zie
pagina 47) om de buitenspiegels van ijs
te ontdoen en geen ijskrabber. Een
krabber kan krassen op het spiegelglas
veroorzaken.
59
Instrumenten, schakelaars en bediening
Spiegels en zijruiten
Water- en vuilafstotende laag
op voorste zijruiten en/of
buitenspiegels (optie)
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels
zijn voorzien van een speciale laag die bij
regen voor een beter zicht zorgt. Zie
pagina 149 voor informatie over het
onderhoud van dergelijk glaswerk.
Zijruiten en buitenspiegels
met de speciale water- en
vuilafstotende laag zijn
voorzien van een klein
symbool.
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 47).
Verwarm de buitenspiegels:
als er sneeuw of ijs op de spiegels zit
bij hevige regenval of vieze wegen
bij beslagen spiegels.
BELANGRIJK!
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. De water- en
vuilafstotende laag kan beschadigd
raken.
Gebruik de elektrische verwarming om de
buitenspiegels van ijs te ontdoen!
60
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Openingsstanden
De bedieningsknop voor het schuifdak zit aan
het plafond. U kunt het schuifdak op twee
manieren bedienen:
Achterkant omhoog/omlaag
(ventilatiestand)
Achteruit/vooruit
(openingsstand/comfortstand)
1
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
1. Sluiten, automatisch
2. Sluiten, handmatig
3. Openen, handmatig
4. Openen, automatisch
5. Openen, ventilatiestand
6. Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen: Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten: Trek de achterkant van de knop (6)
omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: Trek
de schakelaar achteruit in de eindstand (4)
en laat de schakelaar los.
1. In de comfortstand staat het
schuifdak niet helemaal open om de
rijwindgeluiden te beperken.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
1
2
3
4
5
6
61
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Automatische bediening
Duw de schakelaar door het drukpunt (3) in
de achterste eindstand (4) of via het
drukpunt (2) in de voorste eindstand (1) en
laat de schakelaar vervolgens los. Het
schuifdak schuift dan tot in de comfortstand
open of helemaal dicht.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen: trek de
schakelaar nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de schakelaar
vervolgens los.
Handmatige bediening
Openen: Trek de schakelaar achteruit naar
het drukpunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de schakelaar in
deze stand vasthoudt.
Sluiten: Duw de schakelaar vooruit naar het
drukpunt (2). Het schuifdak schuift steeds
verder dicht zolang u de schakelaar in deze
stand vasthoudt.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het glijdt
automatisch naar achteren bij het openen van
het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te
sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd,
als het schuifdak door een voorwerp wordt
gehinderd. Het schuifdak komt dan tot
stilstand en keert vervolgens automatisch
terug naar de laatst gebruikte, geopende
stand.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten, moet u
zorgen dat ze bij het sluiten van het
schuifdak niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
WAARSCHUWING!
De beveiliging tegen overbelasting werkt
alleen wanneer het schuifdak op de
normale manier openstaat – niet in de
ventilatiestand.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op
dat kinderen niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
62
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
63
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling 64
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C 66
Elektronische klimaatregeling, ECC 68
Luchtverdeling 71
Standverwarming op brandstof (optie) 72
64
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon
om te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik
een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Interieurfilter
Zorg dat u het interieurfilter op gezette tijden
vervangt. Informeer bij een erkende Volvo-
werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (het rooster tussen de
motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen
Een erkende Volvo-werkplaats beschikt over
de juiste uitrusting en instrumenten voor het
opsporen van storingen en het uitvoeren van
reparaties aan de klimaatregeling. Laat
controle- en reparatiewerkzaamheden over
aan gekwalificeerd personeel.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het
koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/
verversen van koudemiddel alleen R134a.
Laat dergelijke werkzaamheden over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
Werking interieurventilator
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
contactsleutel in stand I of II), zal de interi-
eurventilator automatisch worden uitge-
schakeld. Dit gebeurt om te voorkomen dat
de accu uitgeput raakt.
Om de interieurventilator te activeren moet u
de ventilatorknop in de gewenste snelheids-
stand draaien.
Auto’s met ECC
Werkelijke temperatuur
De door u gekozen temperatuur komt
overeen met de gevoelstemperatuur op
grond van de heersende omstandigheden in
en om de auto wat de luchtsnelheid, de lucht-
vochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte
e.d. betreft.
Sensoren
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Let erop dat u de zonnesensor niet mag
afdekken. Dek de interieurtemperatuursensor
op het bedieningspaneel van de klimaatre-
geling evenmin af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van het A/C-
systeem moet u de zijramen en een eventueel
schuifdak gesloten houden. Let er tevens op
dat u de afvoerkanalen in de hoedenplank
niet mag afdekken.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt het A/C-
systeem tijdelijk uitgeschakeld. De tempe-
ratuur kan dan tijdelijk iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is
volkomen normaal.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van ECC wordt ook het A/C-
systeem automatisch geregeld en alleen dan
ingeschakeld wanneer de lucht in de passa-
giersruimte moet worden afgekoeld en de
binnenkomende lucht van vocht moet worden
ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard
dan bij gebruik van conventionele systemen,
waarbij het A/C-systeem tot net boven het
vriespunt de lucht voortdurend afkoelt.
65
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Luchtverdeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld
over meerdere blaasmonden die op verschil-
lende punten in de auto zijn aangebracht.
Blaasmonden in dashboard
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
Richt de buitenste blaasmonden op de
voorste zijruiten om ze te ontwasemen.
Blaasmonden in portierstijlen
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
Richt de blaasmonden op de achterste
zijruiten om ze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
66
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
1. A/C, Aan/Uit
2. Recirculatie
3. Luchtverdeling
4. Elektrisch verwarmde achterruit en
buitenspiegels
5. Elektrisch verwarmde voorstoelen
6. Temperatuur, rechterzijde
7. Temperatuur, linkerzijde
8. Ventilator
Als u het A/C-systeem wilt inschakelen, moet
u de ventilatorknop (9) uit stand 0 draaien.
Gebruik het A/C-systeem ook bij lage tempe-
raturen (0–15 °C) om de inkomende lucht
van vocht te ontdoen.
A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
De koel- en ontwasemings-
functie van de aircondi-
tioning is actief, wanneer de
LED ON brandt. De aircon-
ditioning is uitgeschakeld,
wanneer de LED OFF
brandt.
Temperatuur, links/rechts
Draai aan de knop om de
temperatuur van de binnen-
komende lucht te regelen.
Koeling is alleen mogelijk,
wanneer de airconditioning
actief is.
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Doe het volgende, als u
extra verwarming in de
voorstoel(en) wenst:
Eenmaal indrukken: Hoge verwarmings-
stand – beide LED’s in de schakelaar(s)
gaan branden.
Nogmaals indrukken: Lage verwarmings-
stand – een van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
Nogmaals indrukken: De verwarming is
uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
1 2 3 4
7 6
5
8
67
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de
knop te draaien. Als de
draaiknop in stand 0 staat, is
de airconditioning niet
ingeschakeld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de
achterruit en de buiten-
spiegels snel ontdoen van
condens of ijs (zie pagina 47
voor meer informatie over
deze functie).
Recirculatie
U kunt de recirculatie
inschakelen, als u vieze
lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de
passagiersruimte wordt dan
gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht van
buiten de auto aangezogen, wanneer de
functie actief is. Bij gebruik van de recirculatie
(in combinatie met het A/C-systeem) wordt
de lucht in de passagiersruimte bij warm
weer sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de
timerfunctie beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
Druk de knop langer dan
3 seconden in. De LED knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
afhankelijk van de buitentemperatuur 3 tot
12 minuten lang gerecirculeerd.
Telkens wanneer u op drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
Druk de knop nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt
u de met stippen gemar-
keerde luchtverdelings-
standen tussen de
verschillende symbolen
gebruiken om de luchtver-
deling precies af te stellen.
Ontwaseming
Zet de knop voor de luchtverdeling in de
stand voor ontwaseming om de
voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien. Er stroomt dan op hoge snelheid
lucht naar de ruiten.
Bij activering van deze functie gebeurt
bovendien het volgende om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te
ontdoen:
de airconditioning (A/C) wordt automa-
tisch ingeschakeld (tenzij de ventilator in
stand 0 staat));
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
68
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
1. A/C, Aan/Uit
2. Recirculatie/Combifilter met
“Air Quality Sensor”
3. Recirculatie
4. AUTO
5. Luchtverdeling
6. Interieurtemperatuursensor
7. Ontwaseming voorruit en zijruiten
8. Elektrisch verwarmde achterruit en
buitenspiegels
9. Stoelverwarming – rechterzijde
10. Stoelverwarming – linkerzijde
11. Temperatuur – rechterzijde
12. Temperatuur – linkerzijde
13. Ventilator
AUTO
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatre-
geling automatisch
dusdanig ingesteld dat de
gekozen temperatuur wordt
bereikt. De automatische functie regelt de
verwarming, het A/C-systeem, de “Air Quality
Sensor”, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Ook als u een of meer
van de genoemde functies handmatig instelt,
worden de resterende functies nog automa-
tisch geregeld. Alle handmatige instellingen
worden uitgeschakeld, wanneer u de functie
AUTO activeert.
Temperatuur
Met de twee draaiknoppen
kunt u de temperatuur aan
de bestuurderszijde en de
passagierszijde instellen.
Let erop dat de passagiers-
ruimte niet sneller warm of koud wordt,
wanneer u een hogere of lagere temperatuur
kiest dan de gewenste temperatuur.
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de knop
te draaien. In de stand AUTO
wordt de ventilatorsnelheid
automatisch geregeld. De eerder ingestelde
ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd.
3 42 5 6 7
8
9
1
13
11
10
12
69
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
N.B. Als u de knop voor de ventilatorsnelheid
zo ver linksom draait dat alleen de oranje LED
links boven de knop oplicht, zijn de ventilator
en het A/C-systeem uitgeschakeld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de
achterruit en de buiten-
spiegels snel ontdoen van
condens of ijs (zie pagina 47
voor meer informatie over
deze functie).
Ontwaseming, voorruit en
zijruiten
Met deze knop kunt u de
voorruit en de zijruiten snel
ontwasemen en ontdooien.
De ventilator draait dan op
hoge snelheid en stuurt
lucht naar de ruiten. De LED
in de ontwasemingsknop brandt, wanneer de
functie is ingeschakeld.
Bij activering van deze functie gebeurt
bovendien het volgende om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te
ontdoen:
de airconditioning (A/C) wordt automa-
tisch ingeschakeld (tenzij de ventila-
torknop helemaal naar links is gedraaid);
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
Luchtverdeling
Lucht naar de ruiten.
Lucht naar hoofd en
borstkas.
Lucht naar benen en voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
A/C, Aan/Uit (ON/OFF)
Wanneer de LED bij ON
brandt, wordt het A/C-
systeem automatisch
geregeld. De binnenko-
mende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan.
Wanneer u gekozen hebt voor A/C OFF en
de LED bij OFF brandt, blijft het A/C-systeem
uitgeschakeld totdat u het weer handmatig
inschakelt. De overige functies van de
klimaatregeling worden nog steeds automa-
tisch geregeld. Het A/C-systeem werkt tot
temperaturen tot ongeveer 0 °C.
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Doe het volgende, als u
extra verwarming in de
voorstoel(en) wenst:
Eenmaal indrukken: Hoge verwarmings-
stand – beide LED’s in de schakelaar(s)
gaan branden.
Nogmaals indrukken: Lage verwarmings-
stand – een van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
Nogmaals indrukken: De verwarming is
uitgeschakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Recirculatie
De recirculatie kan
handmatig worden
ingeschakeld, als u vieze
lucht, uitlaatgassen en
dergelijke buiten wilt houden.
De lucht in de passagiers-
ruimte wordt dan gerecircu-
leerd, d.w.z. er wordt geen
lucht van buiten de auto
aangezogen, wanneer de functie actief is.
70
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en “Air Quality Sensor” ontbreekt
de timerfunctie) beperkt u de kans op ijs,
wasem en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
Druk de knop langer dan
3 seconden in. De LED knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
afhankelijk van de buitentemperatuur 3 tot
12 minuten lang gerecirculeerd.
Telkens wanneer u op drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
Druk de knop nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
“Interior Air Quality System”
(optie)
Het “Interior Air Quality
System” bestaat uit een
combifilter met “Air Quality
Sensor”. Het combifilter
ontdoet de binnenkomende
lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt
zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in
de passagiersruimte. De “Air Quality Sensor”
meet de concentratie van verontreinigingen in
de buitenlucht. Wanneer de sensor een
verhoogde concentratie meet, wordt de
luchtinlaat afgesloten en wordt de lucht in de
passagiersruimte gerecirculeerd.
Wanneer de “Air Quality Sensor” actief is,
brandt de groene LED AUT in de knop
.
Bediening
Druk op om de “Air Quality
Sensor” te activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop te
drukken.
De LED AUT brandt om aan te geven dat
de “Air Quality Sensor” actief is.
Geen van de LED’s brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is
om voor verkoeling te zorgen bij warm
weer).
De LED MAN brandt om aan te geven dat
de recirculatiefunctie opnieuw
ingeschakeld is.
Let erop dat:
U de “Air Quality Sensor” altijd hebt
ingeschakeld.
Er bij koud weer beperkingen voor de
recirculatiefunctie gelden om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
U de “Air Quality Sensor” uitschakelt,
wanneer de ruiten beslaan.
Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook
de ontwaseming van de voorruit, de
zijruiten en de achterruit kunt inschakelen
(zie pagina 69).
Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsin-
terval voor het combifilter. In zeer sterk
verontreinigde gebieden is het mogelijk
dat u het combifilter vaker moet
vervangen.
71
Klimaatregeling
Luchtverdeling
Luchtverdeling Toepassing
Lucht via de
blaasmonden
voor- en
achterin.
Voor een goede
koeling bij warm
weer.
Lucht naar de
ruiten. In deze
stand vindt er
geen luchtrecircu-
latie plaats. Het A/C-
systeem is altijd
ingeschakeld. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit
de blaasmonden.
Voor het verwij-
deren van ijs en
wasem. Laat de
ventilator op
hoge snelheid
draaien.
Lucht naar de
vloer en de
ruiten. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit
de blaasmonden.
Voor een comfor-
tabel klimaat en
een goede
ontwaseming bij
koude weer. Laat
de ventilator niet
te langzaam
draaien.
Lucht naar de
vloer. Er komt
een bepaalde
hoeveelheid lucht uit
de blaasmonden en
uit de ontwasemings-
openingen voor de
voorruit en de
zijruiten.
Voor verwarming
van de voeten.
Lucht naar de
vloer en de
blaasmonden.
Bij zonnig weer
en matige buiten-
temperaturen.
Luchtverdeling Toepassing
72
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Algemene informatie
Voordat u de standverwarming kunt program-
meren, moet het elektrisch systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u het eenvoudigst door:
op de knop READ te drukken, of
grootlichtsignalen te geven, of
het contact in te schakelen.
U kunt de standverwarming meteen inscha-
kelen of twee verschillende uitschakeltijden
voor de standverwarming instellen: TIMER 1
en TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt
het tijdstip verstaan waarop de auto op de
gewenste temperatuur is.
De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit,
wanneer de standverwarming moet worden
ingeschakeld om de ingestelde uitschakeltijd
te kunnen halen. Bij een buitentemperatuur
hoger dan 25 °C vindt er geen activering van
de standverwarming plaats. Bij temperaturen
van –10 °C en lager is de maximale bedrijf-
stijd van de standverwarming 60 minuten.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, verschijnt er een
melding op het display. Neem in dat geval
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats.
Displaytekst
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en “Directe start”
activeert, brandt het oranje waarschuwings-
lampje op het instrumentenpaneel. Op het
display verschijnt bovendien een verklarende
tekst.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een
bericht met de status van de standver-
warming.
WAARSCHUWING!
• Schakel voor het tanken de standver-
warming op brandstof uit. Gemorste
brandstof kan namelijk door de uitlaat-
gassen worden ontstoken.
Controleer op het informatiedisplay of de
verwarming uit is. (Als de standver-
warming werkt, verschijnt er
PARK.VERW AAN op het display.)
WAARSCHUWING!
Bij gebruik van de standverwarming op
benzine of dieselolie moet de auto in de
buitenlucht staan.
73
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Waarschuwingssticker op de tankvulklep.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling
parkeert, moet u ervoor zorgen dat de
voorkant naar de top van de helling wijst. De
standverwarming krijgt dan voldoende
brandstof.
Klokje en gebruik van de timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) het
klokje bijstelt, worden alle timerinstellingen
om veiligheidsredenen geannuleerd.
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitscha-
keltijden voor het volgende etmaal program-
meren en dus niet voor meerdere dagen
tegelijk.
Ga met de draairing (B) naar TIMER 1.
Druk kort op de knop RESET (C), zodat
de uuraanduiding gaat knipperen.
Ga met de draairing (B) naar het
gewenste tijdstip in uren.
Druk lichtjes op de knop RESET om
toegang te krijgen tot de knipperende
minutenaanduiding.
Ga met de draairing (B) naar het
gewenste tijdstip in minuten.
Druk lichtjes op de knop RESET om uw
instelling te bevestigen.
Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u
naar TIMER 2 gaan. U stelt deze timer op
dezelfde manier in als TIMER 1.
Timergestuurde
standverwarming voortijdig
uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
verwarming uit te schakelen voordat de timer
dat doet:
Druk op de knop READ (A).
Ga met behulp van de draairing (B) naar
“TIMER PARK.VERW 1” (of 2). De tekst
AAN knippert.
Druk op de knop RESET (C). De tekst UIT
brandt continu en de verwarming wordt
uitgeschakeld.
Standverwarming meteen
inschakelen
Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
Druk op de knop RESET (C) om de
opties AAN of UIT te selecteren.
Selecteer AAN.
De standverwarming zal vervolgens
60 minuten lang blijven werken. De
verwarming van het interieur gaat van start,
zodra de koelvloeistof in de motor op tempe-
ratuur gekomen is.
Handmatig geactiveerde verwarming
uitschakelen
Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
Kies UIT.
Accu en brandstof
Als de accu niet voldoende opgeladen is of
als de brandstoftank bijna leeg is, wordt de
standverwarming uitgeschakeld.
Er verschijnt dan tevens een melding op het
display. Bevestig deze melding met de knop
READ (A).
74
Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof (optie)
Hulpverwarming (diesel)
(bepaalde landen)
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te
verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch
ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig
is terwijl de motor loopt. De verwarming
wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer
het warm genoeg is of wanneer de motor
wordt afgezet.
BELANGRIJK!
Herhaaldelijk gebruik van de standver-
warming bij korte ritten kan ertoe leiden
dat de accu uitgeput raakt en startpro-
blemen opleveren.
Om er zeker van te zijn dat de dynamo
evenveel energie produceert als de
verwarming afneemt, moet u bij regel-
matig gebruik van de verwarming
minstens even lang met de auto rijden als
de inschakelduur van de verwarming.
75
Interieur
Voorstoelen 76
Interieurverlichting 79
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte 81
Achterbank 86
Bagageruimte 87
76
Interieur
Voorstoelen
Zithouding
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en
rijhouding.
1. Vooruit/achteruit – de hendel omhoog-
tillen om de juiste afstand tot het
stuurwiel en de pedalen in te stellen.
Controleer of de stoel na het afstellen in
de nieuwe stand geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten –
omhoog-/omlaagpompen
1
.
3. Stoel hoger/lager zetten –
omhoog-/omlaagpompen.
4. Lendensteun wijzigen – aan de knop
draaien.
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan
de knop draaien.
6. Bedieningspaneel voor elektrisch
bedienbare stoel.
Rugleuning voorstoel
omklappen
De rugleuning van de passagiersstoel kan
worden omgeklapt om ruimte te maken voor
lange lading.
Schuif de stoel zo ver mogelijk naar
achteren.
Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
1. Niet alle stoelmodellen zijn voorzien
van hendel (2).
WAARSCHUWING!
Stel de stand van de bestuurdersstoel
in voordat u gaat rijden en nooit tijdens
het rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
77
Interieur
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
Voorbereidingen
U kunt de stoel normaal gesproken alleen
verstellen, wanneer de contactsleutel in
stand I of II staat. De stoel kan ook binnen
4,5 minuten na ontgrendeling van het portier
met de sleutel of afstandbediening worden
versteld. Als het portier gesloten is en de
contactsleutel nog niet in het contactslot
steekt of in stand 0 staat, hebt u na sluiting
van het portier nog 40 seconden de tijd om
instellingen te verrichten.
Geheugen in afstandsbediening
(optie)
De afstandsbediening die wordt gebruikt om
de auto te ontgrendelen slaat informatie op
over de stoelinstellingen die worden
gewijzigd. Een volgende keer dat de auto
wordt ontgrendeld met dezelfde afstandsbe-
diening en het bestuurdersportier binnen vijf
minuten wordt geopend, gaan de bestuur-
dersstoel en de buitenspiegels in de
opgeslagen stand staan.
Stoel afstellen
Met de schakelaars kunt u het volgende
instellen:
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
U kunt de slechts een verstelfunctie van de
stoel tegelijk activeren. De elektrisch
bedienbare stoelen zijn voorzien van een
beveiliging tegen overbelasting, die geacti-
veerd wordt als een van de stoelen door een
obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het geval
is, moet u het contact uitzetten (contact-
sleutel in stand 0) en ca. 20 seconden
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen.
Stoel met geheugenfunctie
(optie)
5. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 1
6. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 2
7. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 3
8. Stoelinstellingen opslaan
U kunt drie verschillende standen in het
geheugen opslaan. Na verstelling van de
stoel moet u de knop MEM (8) ingedrukt
houden, terwijl u op knop (5) drukt. Met de
knoppen (6) en (7) kunt u nog twee andere
standen van de stoel en de buitenspiegels in
het geheugen opslaan.
78
Interieur
Voorstoelen
Stoel in opgeslagen stand zetten
Houd geheugenknop (5), (6) of (7) ingedrukt,
totdat de stoel tot stilstand komt. Om veilig-
heidsredenen zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd bij het
loslaten van de knop.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het instellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passa-
giers op de achterbank bekneld kan raken.
Laat kinderen niet met de schakelaars
spelen vanwege het gevaar voor beknelling.
79
Interieur
Interieurverlichting
Algemene verlichting
U schakelt de algemene verlichting in en uit,
wanneer u op de middelste knop drukt. De
algemene verlichting is voorzien van een
automatische
1
inschakelfunctie die ervoor
zorgt dat de verlichting wordt ingeschakeld
en 30 seconden blijft branden, wanneer u:
de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
de motor hebt afgezet en de contact-
sleutel naar stand 0 draait.
De algemene verlichting wordt na 10 minuten
automatisch uitgeschakeld, wanneer:
een van de portieren openstaat;
de algemene verlichting niet eerder wordt
uitgeschakeld.
De algemene verlichting gaat uit, wanneer:
u de motor start;
u de auto vanaf de buitenzijde vergrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening.
De algemene verlichting gaat 10 minuten na
het afzetten van de motor automatisch uit,
voor zover u de verlichting niet eerder
handmatig hebt uitgeschakeld.
U kunt de algemene verlichting altijd in- en
uitschakelen door kort op de bijbehorende
knop te drukken.
U kunt de automatische inschakelfunctie
buiten werking stellen door de bijbehorende
knop langer dan 3 seconden ingedrukt te
houden. Wanneer u dezelfde knop nogmaals
kort indrukt, stelt u de automatische inscha-
kelfunctie weer in werking.
De voorgeprogrammeerde inschakeltijden
van 30 seconden en 10 minuten kunt u
desgewenst laten wijzigen. Neem hiervoor
contact op met de Volvo-werkplaats.
Leeslampjes voor en achter
U schakelt de leeslampjes voor- en achterin
in met een druk op de bijbehorende knop.
De leeslampjes gaan 10 minuten na het
afzetten van de motor automatisch uit, voor
zover u ze niet eerder handmatig hebt uitge-
schakeld.
1. De functie is afhankelijk van de
lichtinval en wordt alleen geactiveerd
wanneer het donker is.
80
Interieur
Interieurverlichting
Make-upspiegel
1
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
1. Optie op bepaalde markten.
81
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
82
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1. Zonnebrilvak, bestuurderszijde (optie)
2. Opbergvak
3. Parkeerkaarthouder
4. Bekerhouder (optie)
5. Dashboardkastje
6. Opbergvak in middenconsole
7. Vak in portierpaneel
8. Bekerhouder in armsteun, achterbank
9. Opbergvak
Opbergvak in middenconsole
1. Opbergvak achterin
U kunt het achterste opbergvak in de midden-
console gebruiken om cd’s e.d. in op te
bergen. Dit opbergvak is bovendien uit te
rusten met een:
Handset + houder (optie)
2. Voorste opbergvak
(Voorzien van schuifklepje)
Het voorste opbergvak in de middenconsole
is uit te rusten met het volgende:
Bekerhouder (optie)
Asbak (optie)
3. 12 V-aansluiting
4. Asbak (optie)
Bekerhouder in achterste
opbergvak voor achterbank
Druk op de linker knop van de armleuning en
klap het deksel van de middenconsole naar
achteren toe open om bij het opbergvak of de
handset te komen. Druk op de rechter knop
van de armleuning en klap het bovenste
gedeelte van het deksel op de midden-
console naar achteren toe open om de beker-
houder te gebruiken. De bekerhouder en het
deksel zijn elk apart te sluiten.
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen
veroorzaken bij een krachtige remma-
noeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd
vast met een van de veiligheidsgordels of
een bagageband.
83
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in voorste
opbergvak (optie)
De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen:
1. Duw de bekerhouder naar voren (1),
terwijl u deze aan de achterkant (2)
optilt.
2. Duw de bekerhouder achteruit (3), in de
uitsparing, onder het schuifklepje.
3. Kantel de voorkant van de bekerhouder
(4) omhoog en verwijder de houder.
Breng de bekerhouder in omgekeerde
volgorde weer aan.
84
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Bekerhouder in dashboard
(optie)
Druk op de houder om de bekerhouder uit
te doen schuiven.
Duw de bekerhouder na gebruik weer in
het dashboard.
N.B. Gebruik nooit glazen flessen. Let er
tevens op dat warme dranken gevaar voor
brandwonden opleveren.
Dashboardkastje
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld
het instructieboekje, wegenkaarten, pennen
en tankpassen bewaren.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten aan die speciaal voor
uw auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de vloer-
matten goed in de bevestigingsklemmen voor
matten aanbrengt en vastzet om te
voorkomen dat ze achter of onder de pedalen
aan de bestuurderszijde blijven haken.
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
85
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Flessenhouder achterin (optie)
Doe het volgende om de flessenhouder te
gebruiken:
Klap de houder uit.
Zet de fles erin.
De flessenhouder is tevens te gebruiken als
afvalbak. Breng van onderaf een afvalzak in
de houder aan en vouw de randen van de zak
om.
N.B. Er bestaan geen speciale afvalzakken
voor de houder. U kunt gebruik maken van
– gewone plastic zakken.
Bekerhouder in armsteun, achterbank.
86
Interieur
Achterbank
Hoogte van hoofdsteun instellen.
Hoofdsteunen achterbank
De middelste hoofdsteun van de achterbank
kunt u in de hoogte afstellen op de lengte van
de passagier. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is. Als u de hoofdsteun
lager wilt zetten, moet u tegelijkertijd de pal
achter de ene poot indrukken (zie afbeelding).
Ruggedeelte achterbank
omklappen
U kunt de beide ruggedeelten van de
achterbank tegelijk of elk apart omklappen.
Dit maakt het vervoer van lange bagage
eenvoudiger.
Ga als volgt te werk om de ruggedeelten van
de achterbank voorover te klappen:
Controleer eerst of de hoofdsteunen niet
zijn omgeklapt.
Trek aan de handgrepen in de bagage-
ruimte zoals aangegeven in de figuur.
Klap de ruggedeelten voorover.
WAARSCHUWING!
Zorg dat u de bagage altijd goed
verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en inzit-
tenden verwonden. Dek scherpe randen
met iets zachts af. Zet de motor af en trek
de handrem aan bij het in- en uitladen van
lange voorwerpen! Lange voorwerpen
kunnen namelijk tegen de versnel-
lingspook of keuzehendel aan komen en
zo per ongeluk een versnelling inscha-
kelen, waarna de auto kan gaan rollen.
87
Interieur
Bagageruimte
Doorsteekluik
In het rechter ruggedeelte van de achterbank
zit een luik, dat u kunt openen voor het
vervoer van lange bagage zoals ski’s of latten.
U opent het luik als volgt:
Klap het linker ruggedeelte en de
middenarmsteun naar voren toe om
(zie pagina 86).
Duw de grendel van het luik omhoog en
klap het luik naar voren toe open.
Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luik open.
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
N.B. Als de auto is uitgerust met een geïnte-
greerd kinderzitje, moet u dat eerst
uitklappen.
Het deksel op de armsteun/het geïnte-
greerde kinderzitje van de achterbank is niet
voorzien van scharnieren. U moet het deksel
dan ook verwijderen voordat u gebruik maakt
van het doorsteekluik.
Bij verwijderen:
Verdraai het deksel 30°.
Trek het recht omhoog.
Bij aanbrengen:
Plaats het deksel in de groeven achter de
bekleding terug.
Sluit het deksel.
88
Interieur
Bagageruimte
Houder voor
boodschappentassen (optie)
Open het luik in de bagageruimte. Hang of
bind de boodschappentassen vast met de
bagageband.
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het
rijklaar gewicht van de auto verminderd met
dat van de gemonteerde accessoires. Bij het
rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen inbegrepen. De gemon-
teerde accessoires zoals een trekhaak,
lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegrepen.
Het laadvermogen van de auto wordt
bovendien beïnvloed door het aantal passa-
giers en hun gezamenlijke gewicht.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
89
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening 90
Vergrendelen en ontgrendelen 93
Kinderslot 96
Alarm (optie) 97
90
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1. Hoofdsleutel
De hoofdsleutel past op alle sloten.
2. Servicesleutel
1
De servicesleutel past alleen op het
bestuurdersportier en op het
contactslot/stuurslot.
Sleutels, elektronische
startblokkering
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en
een servicesleutel geleverd
1
. Eén hoofds-
leutel is inklapbaar en voorzien van een
ingebouwde afstandsbediening.
Verlies van een sleutel
Als u een van de sleutels verliest, moet u
contact opnemen met een erkende Volvo-
werkplaats en alle resterende sleutels van de
auto meenemen. Ter voorkoming van diefstal
moet de code van de zoekgeraakte sleutel uit
het systeem worden gewist. Tegelijkertijd
moeten de codesignalen van de resterende
sleutels opnieuw in het systeem worden
geprogrammeerd.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden gemaakt.
Er kunnen maximaal zes afstandsbedie-
ningen/sleutels voor één en dezelfde auto
worden geprogrammeerd en gebruikt.
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
transponderchips. Deze code moet overeen-
komen met die van de ontvanger in het
contactslot. U kunt de auto alleen starten,
wanneer u een sleutel met de juiste code
gebruikt.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1)
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld)
bij het starten van de auto. Anders is het
risico aanwezig dat de startblokkering in
werking treedt en de motor niet kan worden
gestart.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Anders kan de
elektronische startblokkering per ongeluk
worden geactiveerd, zodat de auto niet kan
worden gestart.
1
2
1. Alleen bepaalde markten
91
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1. Ontgrendelen
2. Kofferdeksel openen
3. Paniekfunctie
4. “Approach”-verlichting
5. Vergrendelen
6. Sleutel in-/uitklappen
Functies afstandsbediening
Ontgrendelen
Druk eenmaal op de knop (1) om alle
portieren, het kofferdeksel en de
tankvulklep te ontgrendelen.
Kofferdeksel
Druk tweemaal op de knop (2) om alleen
het kofferdeksel te ontgrendelen en te
openen.
N.B. Deze functie is niet bedoeld om het
kofferdeksel geheel te openen.
Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie
om in noodgevallen de aandacht van anderen
te trekken. Als u de rode alarmknop (3) ten
minste drie seconden lang ingedrukt houdt of
tweemaal achtereen indrukt, activeert u de
richtingaanwijzers en de claxon. U schakelt
de paniekfunctie weer uit met een druk op
een willekeurige knop van de afstandsbe-
diening. Als u niets doet, wordt de paniek-
functie na 25 seconden automatisch
uitgeschakeld.
“Approach”-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto
toeloopt:
Druk op de gele knop (4) van uw
afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten/
parkeerlichten vóór en de achterlichten, de
kentekenplaatverlichting en de verlichting van
de buitenspiegels (optie) lichten vervolgens
op. De lampen blijven 30, 60 of 90 seconden
lang branden. In een erkende Volvo-
werkplaats kunt u een voor u passende
inschakelduur laten instellen.
Doe het volgende om de “Approach”-
verlichting uit te schakelen:
Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, het
kofferdeksel en de tankvulklep.
Voor de tankvulklep geldt een vertraging van
ca. 10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in
te drukken, terwijl u het mechanische
gedeelte inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch
uitgeklapt met een druk op de knop.
1
2
3
4
5
6
92
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de
afstandsbediening, moet u de batterij bij de
eerstvolgende servicebeurt vervangen.
Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de
achterkant voorzichtig open te wrikken.
Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V)
en zorg dat de pluspool omhoogwijst.
Kom niet met uw vingers aan de polen
van de batterij of de contactvlakken.
Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat
er geen vocht kan binnendringen.
Geef de lege batterij af bij de Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
93
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde
vergrendelen en ontgrendelen
Met de hoofdsleutel of de bijbehorende
afstandsbediening kunt u alle portieren en
het kofferdeksel – van de buitenzijde –
vergrendelen en ontgrendelen. De vergren-
delingsknoppen en de openingshandgrepen
zijn dan niet meer van de binnenzijde te
bedienen.
De tankvulklep kan worden geopend,
wanneer de auto onvergrendeld staat. De
tankvulklep blijft 10 minuten lang onver-
grendeld staan, nadat u de auto vergrendeld
hebt.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het
kofferdeksel binnen twee minuten na
ontgrendeling van de buitenzijde met de
afstandsbediening opent, worden alle sloten
automatisch weer vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto per ongeluk onver-
grendeld kunt laten staan. Zie pagina 97 voor
auto’s met alarm.
Automatische vergrendeling
De portieren worden automatisch
vergrendeld wanneer de snelheid van de auto
oploopt tot een waarde hoger dan 7 km/h. De
portieren blijven vergrendeld, totdat er een
portier van de binnenzijde wordt geopend of
met behulp van de knoppen voor centrale
vergrendeling wordt ontgrendeld.
Auto van de binnenzijde
vergrendelen en ontgrendelen
Met de schakelaar op het portierpaneel kunt
u alle portieren en het kofferdeksel tegelij-
kertijd vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt alle portieren ook ieder apart vergren-
delen met de vergrendelingsknop en
ontgrendelen met de handgreep.
Het bovenstaande geldt, zolang u de auto
niet van de buitenzijde hebt vergrendeld.
94
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Kofferdeksel met
afstandsbediening
ontgrendelen/vergrendelen
Ga als volgt te werk om alleen het
kofferdeksel te ontgrendelen:
Druk tweemaal op de knop voor het
kofferdeksel op de afstandsbediening.
Het kofferdeksel wordt daarbij
ontgrendeld en gaat een stukje open.
Als alle portieren zijn vergrendeld
wanneer u het kofferdeksel weer sluit,
wordt ook het kofferdeksel automatisch
vergrendeld.
Kofferdeksel ontgrendelen met
hoofdsleutel
In noodgevallen (als de afstandsbediening
defect is of als de stroom is weggevallen)
kunt u de hoofdsleutel gebruiken om het
kofferdeksel handmatig te ontgrendelen. U
doet dat als volgt:
Steek de hoofdsleutel boven of onder in
het kapje dat het slot afdekt.
Wip het kapje vervolgens naar boven of
beneden toe los.
Ontgrendel het kofferdeksel met de
sleutel.
“Private locking”, kofferdeksel
(bepaalde landen)
Deze functie is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u
hem bij een hotel of iets dergelijks laat
parkeren. Geef de servicesleutel af zodat het
personeel de auto kan ontgrendelen en erin
kan rijden maar geen toegang heeft tot de
bagageruimte (of het dashboardkastje als u
dat vergrendeld hebt met de hoofdsleutel).
“Private locking” activeren:
Draai de hoofdsleutel naar stand II.
Druk op de knop. De LED in de knop
brandt om aan te geven dat de functie
geactiveerd is. Er verschijnt tevens een
tekst op het display.
95
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
“Private locking” deactiveren:
Draai de hoofdsleutel naar stand II en
druk nogmaals op de knop.
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen vergren-
delen/ontgrendelen met de hoofdsleutel en
dus niet met de servicesleutel.
Safelock-functie
1
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te
openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
De Safelock-functie kan alleen van de buiten-
zijde worden geactiveerd door het bestuur-
dersportier met de sleutel of de
afstandsbediening te vergrendelen. Alle
portieren moeten zijn gesloten, voordat u de
Safelock-functie kunt activeren. De portieren
kunnen daarna niet meer van de binnenzijde
worden geopend. De auto kan alleen van de
buitenzijde worden geopend met de sleutel in
het bestuurdersportier of via de afstandsbe-
diening.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na
het sluiten van de portieren in werking.
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk
deactiveren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt
vergrendelen terwijl er iemand in de auto
achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht
op een veerboot), kunt u de Safelock-functie
tijdelijk deactiveren.
Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegings- en niveausensoren buiten
werking (zie pagina 98).
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een bericht op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt. De volgende keer dat
u het contact aanzet, worden de sensoren
weer geactiveerd.
1. Bepaalde landen
WAARSCHUWING!
Laat niemand in de auto zitten op het
moment dat de Safelock-functie geacti-
veerd is.
96
Sloten en alarm
Kinderslot
Bedieningscilinder kinderslot, linker
achterportier.
Handmatig kinderslot,
achterportieren
De bedieningscilinders van de kindersloten
vindt u achter op de korte kant van de achter-
portieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn
wanneer de portieren openstaan. Gebruik
een plat metalen voorwerp zoals een schroe-
vendraaier om de bedieningscilinders te
verdraaien en zo de kindersloten in of uit te
schakelen.
A. Ingeschakeld kinderslot – de portieren
kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend (naar buiten toe draaien).
B. Uitgeschakeld kinderslot – de portieren
kunnen wel van de binnenzijde worden
geopend (naar binnen toe draaien).
Bedieningscilinder kinderslot, rechter
achterportier.
.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de achterpassagiers bij een
ongeluk de achterportieren niet van de
binnenzijde kunnen openen, als u het
kinderslot hebt geactiveerd.
Houd de vergrendelingsknoppen van de
portieren daarom omhoog tijdens het
rijden. Bij een ongeluk kunnen hulpver-
leners de portieren dan van de buitenzijde
openen.
97
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontro-
leerd. Het alarm gaat af, als:
de motorkap wordt geopend;
het kofferdeksel wordt geopend;
een van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met
een verkeerde sleutel of wordt gemanipu-
leerd;
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (op auto’s met een
bewegingsmelder (optie op bepaalde
markten));
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor (optie
op bepaalde markten));
de accukabel wordt losgekoppeld;
iemand de sirene probeert los te
koppelen.
Alarm inschakelen
Druk op de knop LOCK van de afstandsbe-
diening. De richtingaanwijzers van de auto
geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging
dat het alarm is ingeschakeld en dat alle
portieren zijn gesloten. In bepaalde landen
kunt u het alarm inschakelen met de sleutel of
met de knop op het bestuurdersportier.
Alarm uitschakelen
Druk op de knop UNLOCK van de afstands-
bediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter beves-
tiging dat het alarm is uitgeschakeld. In
bepaalde landen kunt u het alarm ook met de
sleutel uitschakelen.
Automatische inschakeling van
het alarm
Als u de portieren of het kofferdeksel niet
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer u de auto via de
afstandsbediening hebt ontgrendeld, wordt
het alarm automatisch weer ingeschakeld. De
auto wordt bovendien vergrendeld. Deze
functie voorkomt dat u de auto onbedoeld
kunt achterlaten zonder het alarm in te
schakelen.
In bepaalde landen (zoals in België, Israël
e.d.) wordt het alarm na enige vertraging
automatisch weer ingeschakeld, wanneer het
bestuurdersportier werd geopend en
gesloten maar daarna niet werd vergrendeld.
Geactiveerd alarm uitschakelen
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Geluidssignalen, alarm
Een sirene met reservebatterij geeft de
geluidssignalen voor het alarm af. De geluids-
signalen duren telkens 25 seconden.
Lichtsignalen, alarm
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtin-
gaanwijzers 5 minuten lang knipperen of
korter wanneer u het alarm volgens de boven-
staande aanwijzingen eerder uitschakelt.
98
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsensoren en Safelock-
functie tijdelijk deactiveren
Om te voorkomen dat het alarm afgaat
wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto
achterlaat of gebruik maakt van een veerboot,
kunt u de bewegingsmelder en de niveausen-
soren tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug in
stand I of 0.
Druk op de knop.
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt.
Er verschijnt een bericht op het display
zolang de sleutel in het contactslot steekt. De
volgende keer dat u het contact aanzet,
worden de sensoren weer geactiveerd.
Als uw auto is uitgerust met de zogeheten
Safelock-functie, wordt ook deze functie
tegelijkertijd geactiveerd (zie pagina
pagina 95).
Controlelampje op dashboard
(bepaalde landen)
Een controlelampje (LED) boven op het
dashboard geeft de status van het alarm-
systeem aan:
Het lampje brandt niet: Het alarm is uitge-
schakeld.
Het lampje licht eenmaal per twee
seconden op: Het alarm is ingeschakeld.
Het lampje knippert snel vanaf het
moment van uitschakelen van het alarm
tot het moment van inschakelen van het
contact: Het alarm is afgegaan.
Als er een storing is opgetreden in het alarm-
systeem, verschijnt er een melding op het
display.
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats
laten nakijken.
BELANGRIJK!
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzi-
gingen in het alarmsysteem uit. Dergelijke
ingrepen kunnen van invloed zijn op de
verzekeringsvoorwaarden.
99
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarmsysteem testen
Test van de bewegingsmelder
Open alle ruiten.
Activeer het alarm. De LED knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm
op scherp staat.
Wacht 30 seconden.
Test de bewegingsmelder in het passa-
gierscompartiment door bijvoorbeeld een
tas van de stoelzitting te nemen. Het
alarmsysteem moet dan geluids- en
knippersignalen afgeven.
Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Portieren testen
Activeer het alarm.
Wacht 30 seconden.
Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
Open een van de portieren. Het alarm
moet vervolgens geluids- en lichtsignalen
afgeven.
Herhaal deze test voor het andere
voorportier.
Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Motorkap testen
Ga in de auto zitten en deactiveer de
bewegingsmelder.
Activeer het alarm (blijf in de auto zitten
en vergrendel de portieren met de knop
op de afstandsbediening).
Wacht 30 seconden.
Ontgrendel de motorkap met de hendel
onder het dashboard. Het alarm moet
vervolgens geluids- en lichtsignalen
afgeven.
Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Test van het kofferdeksel
Activeer het alarm.
Wacht 30 seconden.
Ontgrendel het kofferdeksel met behulp
van de sleutel in het bestuurdersportier.
Open het kofferdeksel. Het alarm moet
vervolgens geluids- en lichtsignalen
afgeven.
Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
100
Sloten en alarm
101
Starten en rijden
Algemene informatie 102
Brandstof tanken 104
Motor starten 105
Handgeschakelde versnellingsbak 107
Automatische versnellingsbak 108
Remsysteem 111
Stabiliteitssysteem 113
FOUR-C (Actief chassis) 114
Parkeerhulp (optie) 115
Slepen en bergen 117
Starten met hulpaccu 119
Rijden met een aanhanger 120
Trekhaak 122
Afneembare trekhaak 124
Lading op het dak 126
Lichtbundel aanpassen 128
BLIS (Blind Spot Information System) (optie) 133
102
Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de heersende verkeerssituatie.
Let op het volgende:
Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijf-
stemperatuur komen! D.w.z. dat u de
motor niet stationair moet laten lopen,
maar zo snel mogelijk moet wegrijden en
de motor licht moet belasten.
Een koude motor verbruikt meer
brandstof dan een warme.
Laat de auto zoveel mogelijk staan voor
de kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
Rijd rustig! Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Gebruik geen winterbanden op sneeuw-
vrije en droge wegen.
Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
Open de zijruiten niet onnodig.
Rijd niet met een geopend
kofferdeksel
Wanneer u met het kofferdeksel open rijdt,
kunnen er uitlaatgassen en daarmee giftig
koolmonoxide via de bagageruimte de passa-
giersruimte in worden gezogen. Als u echter
toch een stukje met een geopend
kofferdeksel moet rijden, doe dan het
volgende:
Doe alle ruiten dicht.
Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste
snelheid draaien.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische
versnellingsbak. Aarzel daarom niet om onder
gecontroleerde omstandigheden (zoals op
een slipbaan) te testen hoe de auto bij
gladheid reageert.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de
contactsleutel niet te lang achtereen in
stand II staan, als u de motor hebt afgezet.
Gebruik liever stand I. Op die manier wordt
er minder stroom afgenomen. De 12V-
aansluiting in de bagageruimte levert ook
spanning als u de contactsleutel hebt uitge-
nomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem
stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende acces-
soires het elektrisch systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt
afgezet. Als de accuspanning laag is,
verschijnt er een melding op het display. De
melding blijft op het display staan, totdat de
motor is aangeslagen. De energiebespa-
ringsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de ventilatorsnelheid
te verlagen of het audiosysteem uit te
schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
103
Starten en rijden
Algemene informatie
Voorkom oververhitting van de
motor en het koelsysteem
In speciale omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een
zware lading, bestaat het gevaar dat de motor
en het koelsysteem oververhit raken. Dit geldt
in het bijzonder bij warm weer.
Tips om oververhitting in het
koelsysteem te voorkomen
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange, steile helling oprijdt.
Schakel van tijd tot tijd de airconditioning
uit.
Laat de motor bij voorkeur niet stationair
lopen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd
stationair laten lopen.
Verwijder verstralers die voor de grille
zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Doe het volgende om oververhitting van
de motor te voorkomen:
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (dieselmotor:
3500 omw/min), wanneer u met een
aanhanger of caravan achter de auto in
heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan de
olietemperatuur te hoog oplopen.
104
Starten en rijden
Brandstof tanken
De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep in
het spatbord rechtsachter. De dop is op te
hangen aan de binnenzijde van de tankvulklep.
Tankvulklep openen
De tankvulklep kan worden geopend,
wanneer de auto onvergrendeld staat.
N.B. De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld.
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brand-
stoftank ontstaan. Draai de tankvuldop dan
langzaam open. Tank niet te veel brandstof in
de tank. Laat het vulpistool bij voorkeur niet
meer dan eenmaal automatisch afslaan! Als
de brandstoftank te vol zit, is het mogelijk dat
de tank bij hoge buitentemperaturen
overloopt!
Breng na het tanken de tankvuldop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u een of meer
klikken hoort.
Benzine tanken
N.B. Voeg nooit op eigen initiatief reinigende
additieven (dopes) aan de benzine toe
zonder het uitdrukkelijke advies van een
Volvo-werkplaats.
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
tot startproblemen kan leiden. Zorg er
daarom voor dat u tijdens de wintermaanden
speciale winterbrandstof gebruikt.
WAARSCHUWING!
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de
brandstofdampen ontsteken met gevaar
voor brand en verwondingen.
BELANGRIJK!
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de
katalysator beschadigd raakt.
105
Starten en rijden
Motor starten
U start de motor als volgt
(benzine)
Trek de handrem (parkeerrem) aan.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de vrijstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge vorst.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld
op pagina 90) bij het starten van de auto.
Anders is het risico aanwezig dat de start-
blokkering in werking treedt en de motor niet
kan worden gestart.
Draai de contactsleutel naar de start-
stand. Als de motor niet binnen 5 tot
10 seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten en een nieuwe startpoging doen.
U start de motor als volgt (diesel)
Trek de handrem (parkeerrem) aan.
Automatische versnellingsbak
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de vrijstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge vorst.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld
op pagina 90) bij het starten van de auto.
Anders is het risico aanwezig dat de start-
blokkering in werking treedt en de motor niet
kan worden gestart.
Draai de contactsleutel in de rijstand. Een
controlelampje op het instrumenten-
paneel licht op om aan te geven dat de
voorgloeifunctie van de motor actief is.
Draai de sleutel in de startstand, wanneer
het controlelampje is gedoofd.
N.B. Tijdens de koude start is het mogelijk
dat het motortoerental merkbaar hoger is dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat er naar wordt gestreefd het uitlaatgas-
reinigingssysteem zo snel mogelijk op bedrijf-
stemperatuur te brengen en tegelijkertijd de
uitstoot te beperken van stoffen die
schadelijk zijn voor het milieu.
Roetfilter dieselmodel
(bepaalde modellen)
Bepaalde dieselmodellen zijn uitgerust met
een roetfilter, waardoor de uitlaatgasreiniging
nog efficiënter verloopt. Wanneer de motor
op bedrijfstemperatuur komt (de motor is
warmgelopen), vindt automatisch een
zogeheten regeneratie van het filter plaats.
Dit houdt in dat de roetdeeltjes die door het
filter zijn opgevangen worden weggebrand
en dat het filter wordt geleegd.
De regeneratie neemt 10 tot 15 minuten in
beslag. Tijdens de regeneratie kan het brand-
stofverbruik iets stijgen.
Gebruik tijdens de wintermaanden
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op tempe-
ratuur en wordt het roetfilter niet geregene-
reerd en niet geleegd.
Wanneer het filter voor ca. 80 % gevuld is
met roetdeeltjes, gaat een oranje waarschu-
wingsdriehoek op het instrumentenpaneel
branden. Ook de melding
“ROETFILTER VOL ZIE HANDLEIDING
verschijnt op het display.
Om te voorkomen dat het roetfilter minder
goed functioneert door frequente korte ritten
bij koud weer, moet u het filter regelmatig
regenereren.
Start de regeneratie van het filter door
met de auto (bij voorkeur op de snelweg)
te rijden, totdat de motor de normale
bedrijfstemperatuur bereikt. Rijd
vervolgens nog ca. 20 minuten door.
Na afloop van de regeneratie kunt u de
waarschuwingsmelding van het display
wissen door het contact uit te zetten, de
contactsleutel uit te nemen, minstens drie
minuten te wachten en het contact
vervolgens weer aan te zetten.
106
Starten en rijden
Motor starten
Wanneer u bij koud weer de standver-
warming (optie) inschakelt, bereikt de
motor sneller de normale bedrijfstempe-
ratuur.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel
doet, kan de elektronische startblokkering
per ongeluk worden geactiveerd. Als dat
gebeurt, moet u de andere sleutels van de
sleutelbos halen en de motor opnieuw
starten.
Laat de motor meteen na een koude start
nooit op te hoge toeren draaien! Neem
contact op met een Volvo-werkplaats, als de
motor niet aanslaat of overslaat.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uitneemt.
I – Tussenstand,
“radiostand”
Sommige onderdelen van
het elektrisch systeem
kunnen worden
ingeschakeld. Het elektrisch
systeem van de motor is
echter uitgeschakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contact-
sleutel tijdens het rijden
staat. Het complete
elektrisch systeem van de
auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt
ingeschakeld. Wanneer u
nadat de motor is aange-
slagen de sleutel loslaat,
veert deze automatisch
terug in de rijstand. Als het u moeite kost om
de sleutel om te draaien, is het mogelijk dat
de stand van de voorwielen voor spanningen
in het stuurslot zorgt. Draai de contactsleutel
in dat geval om, terwijl u het stuurwiel heen
en weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is,
wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de
kans op diefstal.
BELANGRIJK!
Als het filter helemaal volzit met
roetdeeltjes kan de motor startproblemen
vertonen en heeft het filter geen functie
meer. U moet het filter dan vervangen.
WAARSCHUWING!
Neem de contactsleutel nooit tijdens het
rijden of slepen uit het contactslot!
Schakel nooit tijdens het rijden het
contact uit (sleutel in stand 0) en neem de
contactsleutel evenmin uit het contactslot.
U loopt dan het gevaar dat het stuurslot
wordt geactiveerd, waarbij de auto
onbestuurbaar wordt.
107
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden,
vijfversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw
voet na het schakelen weer van het koppe-
lingspedaal af! Houd u aan het aangegeven
schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling
Schakel de achteruitversnelling alleen in,
wanneer de auto volledig stilstaat.
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de
neutraalstand zetten (tussen de 3de en
4de versnelling in). Door de blokkering van
de achteruitversnelling kunt u de versnel-
lingspook niet rechtstreeks vanuit de stand
voor de 5de versnelling in die voor de achter-
uitversnelling zetten.
Schakelstanden,
zesversnellingsbak
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw
voet na het schakelen weer van het koppe-
lingspedaal af! Houd u aan het aangegeven
schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
108
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk
dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere
temperaturen stroperiger wordt. Om de
uitstoot van uitlaatgassen te beperken
schakelt de versnellingsbak later op dan
normaal, wanneer u bij lage temperaturen
wegrijdt.
Turbomotor
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger
toerental op dan normaal. Zo komt de kataly-
sator sneller op temperatuur met minder
uitstoot van uitlaatgassen.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakel-
systeem dat voortdurend “leert” hoe de
versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem
registreert de manier waarop de versnel-
lingsbak schakelt, zodat er in elke situatie
optimaal wordt geschakeld.
Lock-Up-functie
De versnellingen zijn voorzien van Lock-Up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstof-
verbruik te verlagen.
Beveiligingssystemen
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveili-
gingssystemen:
Sleutelblokkering “Keylock”
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal ingedrukt zijn.
Neutraalstand (stand N)
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen moet de contactsleutel in stand I of II
staan en het rempedaal worden bediend.
Mechanische
keuzehendelblokkering
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de stand N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te
zetten, moet u een blokkering opheffen door
op de blokkeerknop op de keuzehendel te
drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u
de hendel vooruit of achteruit bewegen
tussen de verschillende schakelstanden.
109
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Geartronic
1
Op de S60 R met Geartronic zit een knop met
het opschrift S bij de keuzehendel in plaats
van de knop W. Met deze knop S schakelt u
het sportprogramma van de versnellingsbak in
of uit. Een brandende LED in de knop geeft
aan dat het programma actief is.
Het sportprogramma levert een sportiever
rijgedrag op en maakt het mogelijk om
hogere toeren te maken in de versnellingen.
De motor reageert bovendien sneller op de
commando’s die u met het gaspedaal geeft.
Bij inschakeling van het sportprogramma
wordt tevens de voorkeur gegeven aan de
lagere versnellingen, zodat er met enige
vertraging wordt opgeschakeld.
Handmatige schakelstanden, Geartronic
Als u vanuit de automatische schakelstand D
wilt overgaan op de handmatige schakelstand,
moet u de hendel naar links halen. Om vanuit
stand MAN over te gaan op de automatische
schakelstand D moet u de hendel naar rechts
in stand D zetten.
Tijdens het rijden
De handmatige schakelstanden kunnen op elk
moment tijdens het rijden ingeschakeld wor-
den. De ingeschakelde versnelling is geblok-
keerd, totdat u een andere versnelling kiest. De
versnellingsbak schakelt alleen automatisch te-
rug, als u uw snelheid drastisch verlaagt.
Als u de keuzehendel naar de (min) be-
weegt, schakelt de versnellingsbak automa-
tisch een versnelling terug terwijl er op de
motor afgeremd wordt. Als u de keuzehendel
naar de + (plus) beweegt, schakelt de ver-
snellingsbak een versnelling op.
P – Parkeerstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand,
wanneer u de motor start of de auto parkeert.
Zet de keuzehendel alleen in stand P,
wanneer de auto stilstaat.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek na het parkeren altijd de
handrem aan!
R – Achteruitrijstand
Zet de keuzehendel alleen wanneer de auto
stilstaat in stand R.
N – Neutraalstand
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten, maar er is geen
versnelling ingeschakeld. Trek de handrem
aan, wanneer de auto stilstaat en de keuze-
hendel in stand N staat.
1. Geartronic behoort tot de standaar-
duitrusting van de S60 R.
110
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
lingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
4 – Versnellingsstand
Er wordt automatisch op- en terugge-
schakeld tussen de 1ste, 2de, 3de en 4de
versnelling. Er wordt niet opgeschakeld naar
de 5de versnelling.
Stand 4 leent zich voor:
het rijden in de bergen;
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
3 – Versnellingsstand
Er wordt automatisch op- en terugge-
schakeld tussen de 1ste, 2de en 3de
versnelling. Er wordt niet opgeschakeld naar
de 4de versnelling.
Stand 3 leent zich voor:
het rijden in de bergen;
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
L – Versnellingsstand
Zet de keuzehendel in stand L, als u in de
1ste of 2de versnelling wilt rijden. Bij het
rijden in de bergen is de motorrem het krach-
tigst met de keuzehendel in stand L.
W – Winterprogramma
Met de knop W
1
bij de
keuzehendel schakelt u het
winter-programma W in of
uit. Bij inschakeling van het
winterprogramma licht het
lampje W op het instrumen-
tenpaneel op.
In het winterprogramma geldt de 3de versnel-
ling als wegrijversnelling om bij gladheid
gemakkelijker weg te kunnen komen. In het
winterprogramma worden de lagere versnel-
lingen alleen bij kickdown ingeschakeld.
Het winterprogramma W is alleen te selec-
teren met de keuzehendel in stand D.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnel-
lingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer de maximale snelheid voor de inge-
schakelde versnelling is bereikt of wanneer u
het gaspedaal uit de kickdown-stand loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurpro-
gramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
U kunt de kickdown
2
niet gebruiken zolang
de keuzehendel in een van de handmatige
schakelstanden staat. Zet de keuzehendel in
dat geval eerst terug in de automatische
schakelstand D.
Vierwielaandrijving, AWD
(All Wheel Drive)
De vierwielaandrijving is permanent
ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de
wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektro-
nisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft.
Dit om optimale wegligging te verkrijgen en te
voorkomen dat de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
3
Wanneer de auto is uitgerust met snelheids-
afhankelijke stuurbekrachtiging, is de auto
gemakkelijker te besturen op lage snelheden
zodat bijvoorbeeld het parkeren minder
moeite kost.
Naarmate de snelheid hoger wordt nemen de
stuurkrachten toe, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt.
1. Op de S60 R met Geartronic zit de knop S.
2. Geldt alleen voor Geartronic.
3. Optie
111
Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een
uitgeschakelde motor, moet u
ongeveer vijfmaal zoveel druk uitoefenen op
het rempedaal als wanneer de motor loopt.
Als u bij het starten van de motor op het
rempedaal trapt, kan het rempedaal iets
omlaagkomen. Dit is volkomen normaal
omdat de rembekrachtiging geactiveerd
wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
N.B. Als geremd moet worden met een uitge-
schakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug
aanvoelen. U moet harder op het pedaal
trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval,
in waterplassen of tijdens een wasbeurt)
worden de onderdelen van het remsysteem
nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigen-
schappen van de remblokken gewijzigd
worden, zodat u een bepaalde verlenging van
de aanspreekduur van de remmen kunt
merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de
remblokken waardoor het vocht verdampt.
Deze procedure is ook aan te raden voordat
u de auto voor langere tijd in dergelijke
weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast
worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met
vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als
u niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandig-
heden vaak laag is, worden de remmen niet
even goed gekoeld als bij snelle ritten op
vlakke wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugscha-
kelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken
wanneer u een helling oprijdt. Op die manier
kunt u beter op de motor afremmen en hoeft
u de rem slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Anti-blokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS-systeem (Anti-lock
Braking System) is ontworpen om te
voorkomen dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken.
Hierdoor kan tijdens het remmen een zo
WAARSCHUWING!
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing zijn
opgetreden in het remsysteem. Als het
remvloeistofpeil in dat geval in orde is,
moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten contro-
leren.
Als de remvloeistof onder het MIN-
streepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld. Controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
112
Starten en rijden
Remsysteem
groot mogelijke respons van het stuurwiel
worden verkregen. Het ABS-systeem zorgt
ervoor dat de auto beter bestuurbaar blijft om
bijvoorbeeld obstakels te kunnen ontwijken.
Het ABS-systeem verbetert de totale remca-
paciteit niet. Als bestuurder hebt u echter wel
meer controle over de besturing van de auto,
wat voor meer veiligheid zorgt.
Wanneer u na het starten van de motor met
de auto wegrijdt en een snelheid van ca.
20 km/h hebt bereikt, gaat een kortstondige
zelftest van start die te horen en te voelen is.
Wanneer het ABS-systeem actief is, treden
er merkbare pulsaties in het rempedaal op.
Dit is volkomen normaal.
N.B. Om het ABS-systeem optimaal te
benutten moet u zo hard mogelijk op het
rempedaal trappen. Haal uw voet niet van het
rempedaal, wanneer u pulsaties van het ABS-
systeem hoort en voelt. Aarzel niet om onder
gecontroleerde omstandigheden (zoals op
een slipbaan) te testen hoe het ABS-systeem
werkt.
Het ABS-lampje licht op en blijft continu
branden:
... gedurende twee seconden tijdens de
start om het systeem te controleren.
als het ABS-systeem uitgeschakeld is
door een storing.
Elektronische remkrachtverdeling, EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce
Distribution) vormt een geïntegreerd
onderdeel van het ABS-systeem. Het EBD-
systeem regelt de remkracht op de achter-
wielen altijd dusdanig af dat de maximale
remwerking wordt verkregen. Wanneer het
systeem de remkracht afregelt, treden er
merkbare pulsaties in het rempedaal op.
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA-systeem (Emergency Brake
Assistance) vormt een geïntegreerd
onderdeel van het DSTC-systeem. Het EBA-
systeem is dusdanig geconstrueerd dat u,
wanneer u krachtig moet afremmen, altijd
meteen het maximale remvermogen kunt
afnemen. Het systeem registreert het
moment waarop u krachtig wilt afremmen
door de snelheid te meten waarmee u op het
rempedaal trapt.
Het EBA-systeem is op alle snelheden actief
en kan om veiligheidsredenen niet buiten
werking worden gesteld.
Wanneer het EBA-systeem geactiveerd
wordt, zakt het rempedaal omlaag en kunt u
het maximale remvermogen van de auto
afnemen. Breng gedurende de totale remma-
noeuvre evenveel druk aan op het rempedaal.
Het EBA-systeem wordt uitgeschakeld,
wanneer u de druk van het rempedaal haalt.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing zijn opge-
treden in het remsysteem. Als het
remvloeistofpeil in dat geval in orde is,
moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten contro-
leren.
Als de remvloeistof onder het MIN-
streepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
113
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem
Wanneer het stabiliteitssysteem
1
actief is, kan
het lijken alsof de auto niet normaal reageert
op de stand van het gaspedaal. Dit komt
doordat het systeem de grip op het wegdek
registreert en de verschillende deelsystemen
van het stabiliteitssysteem inschakelt.
De auto is uitgerust met STC (Stability and
Traction Control), stabiliteits- en tractieregel-
systeem of met DSTC (Dynamic Stability and
Traction Control), dynamisch stabiliteits- en
tractieregelsysteem.
Zie pagina 39 voor meer informatie over de
waarschuwingslampjes op het
instrumentenpaneel.
Tractieregeling, Traction Control (TC)
De tractieregeling brengt de aandrijfkracht van
een slippend aandrijfwiel over op een
aandrijfwiel dat niet slipt. Om de aandrijfkracht
in een dergelijke situatie te verhogen, is het
mogelijk dat u het gaspedaal verder dan
normaal moet intrappen. Wanneer de tractie-
regeling actief is, kunt u een pulserend geluid
horen. Dit is volkomen normaal. De tractiere-
geling is voornamelijk actief op lage
snelheden. U kunt de functie niet uitschakelen.
Antispinregeling, Spin Control (SC)
De antispinregeling voorkomt dat de aange-
dreven wielen tijdens het optrekken
doorslippen. De regeling verhoogt de
veiligheid op gladde wegen. Bij het rijden met
sneeuwkettingen of bij het rijden in een diepe
laag sneeuw of zand, kan het handig zijn om
de antispinregeling uit te schakelen om zo de
tractie te verhogen. U kunt de regeling
uitschakelen met de knop voor STC/DSTC.
Antislipregeling, Active Yaw Control
(AYC)
De antislipregeling zorgt ervoor dat een of
meer wielen van de auto automatisch worden
geremd om de auto te stabiliseren als deze in
de slip dreigt te raken. Het rempedaal doet
stugger aan dan normaal en u hoort een
pulserend geluid.
De antislipregeling is altijd actief. U kunt de
regeling dan ook niet uitschakelen.
Actief chassis, FOUR-C
2
De auto is uitgerust met een zeer geavan-
ceerd actief chassissysteem – FOUR C
(Continuously Controlled Chassis Concept)
– dat elektronisch gestuurd is. Het systeem
werkt op basis van enkele sensoren die
continu de bewegingen en reacties van de
auto in de gaten houden, zoals de verticale en
zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de
wielbewegingen.
De regeleenheid van FOUR-C analyseert
gegevens afkomstig van de sensoren en
regelt zo nodig de schokdemperinstellingen
tot 500 keer per seconde bij. Dit levert een
uitermate snelle en nauwkeurige afregeling
van elk van de schokdempers op. Dit
verklaart de verschillen in de chassiseigen-
schappen.
Het systeem biedt u de mogelijkheid om de
chassiseigenschappen van de auto aan te
passen, wanneer er wijzigingen in het
wegdek op treden of als u van rijstijl
verandert. Deze aanpassing neemt slechts
enkele milliseconden in beslag.
Het effect van het gebruik van het gaspedaal
hangt af van de geselecteerde chassistand
(geldt alleen voor R-modellen).
1. Optie op bepaalde markten.
Functie/systeem STC DSTC
1
1. Optie op bepaalde markten.
TC X X
SC X X
AYC X
WAARSCHUWING!
Bij een beperking van de functionaliteit
van het STC- of DSTC-systeem kunnen
de rijeigenschappen van de auto zich
wijzigen. Wees altijd voorzichtig in
bochten en op gladde wegen.
2. Optie op bepaalde markten.
Standaarduitrusting op de S60 R.
114
Starten en rijden
FOUR-C (Actief chassis)
Schakelaar voor FOUR-C op middenconsole
(geldt niet voor de S60 R).
Actief chassis, FOUR-C
1
De auto is uitgerust met een zeer geavan-
ceerd actief chassissysteem – FOUR C
(Continuously Controlled Chassis Concept)
– dat elektronisch gestuurd is. Het systeem
werkt op basis van enkele sensoren die
continu de bewegingen en reacties van de
auto in de gaten houden, zoals de verticale en
zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de
wielbewegingen.
De regeleenheid van FOUR-C analyseert
gegevens afkomstig van de sensoren en
regelt zo nodig de schokdemperinstellingen
tot 500 keer per seconde bij. Dit levert een
uitermate snelle en nauwkeurige afregeling
van elk van de schokdempers op. Dit
verklaart de verschillen in de chassiseigen-
schappen.
Het systeem biedt u de mogelijkheid om de
chassiseigenschappen van de auto aan te
passen, wanneer er wijzigingen in het
wegdek op treden of als u van rijstijl
verandert. Deze aanpassing neemt slechts
enkele milliseconden in beslag.
Het effect van het gebruik van het gaspedaal
hangt af van de geselecteerde chassistand
(geldt alleen voor R-modellen).
Comfort
In de stand Comfort is de vering van het
chassis dusdanig afgestemd, dat de carros-
serie niets van de oneffenheden in het
wegdek merkt zodat de auto als het ware
over de weg zweeft. De schokdemping is
soepeler dan normaal, waardoor de
bewegingen van de carrosserie minimaal zijn.
Deze stand wordt aanbevolen tijdens lange
ritten en bij gladheid.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Comfort, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden
aangehouden.
Sport
In de stand Sport reageert de auto sneller op
de bewegingen van het stuurwiel dan in de
stand Comfort. De vering is stugger en de
carrosserie volgt het wegdek om bij het
snelle bochtenwerk de mate van overhellen te
beperken. De auto doet sportiever aan.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Sport, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden
aangehouden.
Schakelaar voor FOUR-C ( S60 R).
Advanced
2
In de stand Advanced zijn de bewegingen
van de schokdempers minimaal en geoptima-
liseerd voor maximale grip en minimale
overhelling in bochten. De auto reageert
sneller op het bijgeven van gas en de automa-
tische versnellingsbak hanteert een
sportiever schakelpatroon. U wordt geadvi-
seerd deze stand alleen te activeren op zeer
rechte en vlakke wegen.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Advanced, zal de volgende keer dat u
het contact aanzet de stand Sport worden
aangehouden.
1. Optie op bepaalde markten.
Standaarduitrusting op de S60 R.
2. Geldt alleen voor de S60 R.
115
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Parkeerhulp aan de voor- en achterzijde.
Algemene informatie
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel
tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven
de afstand tot een waargenomen obstakel
aan.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor
1
de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
signalen elkaar op.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon.
Als er zowel voor als achter
1
auto obstakels
binnen deze afstand liggen, komen de
geluidssignalen beurtelings uit de
luidsprekers voor- en achterin.
Wanneer u ondertussen naar een andere
geluidsbron van het audiosysteem luistert,
wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Het systeem is altijd actief bij het starten van
de motor.
Parkeerhulp voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De melding PARK.HULP ACTIEF
verschijnt op het audiodisplay, wanneer de
sensoren op een obstakel voor de auto
reageren.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combi-
neren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht
achter de auto. De melding PARK.HULP
ACTIEF verschijnt op het audiodisplay,
wanneer u de achteruitversnelling inschakelt.
Bij gebruik van een aanhanger of een fiets-
drager op de trekhaak moet u het systeem
uitschakelen. Als u dat niet doet, reageren de
sensoren op de aanhanger/fietsdrager.
De parkeerhulp wordt automatisch uitge-
schakeld, wanneer u een aanhanger achter
de auto hebt hangen die met een originele
aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
1. Op voorwaarde dat er aan voor- en
achterzijde sensoren voor
parkeerhulp zijn aangebracht.
WAARSCHUWING!
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken. Houd kinderen en
dieren in de buurt van de auto in de gaten.
116
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Parkeerhulp uitschakelen/
opnieuw inschakelen
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop op het schakelaarpaneel, waarna de
LED in de schakelaar dooft. De parkeerhulp
is weer actief, wanneer u nogmaals op de
schakelaar drukt en de LED brandt.
Parkeerhulp voorzijde
De parkeerhulp aan de voorzijde is actief bij
snelheden tot 15 km/h, zelfs tijdens het
achteruitrijden. De geluidssignalen komen uit
de luidspreker voorin.
Parkeerhulp achterzijde
De parkeerhulpsensoren aan de achterzijde
worden geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling. De geluidssignalen
komen uit de luidspreker achterin.
Aanduiding voor
systeemstoringen
Het informatielampje brandt
continu
PARK.HULP SERVICE VEREIST
verschijnt op het informatiedisplay in
het midden van het instrumentenpaneel.
Sensoren voor parkeerhulp
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt.
Reinig ze met water en autoshampoo.
De sensoren kunnen reageren op een laag
sneeuw en ijs.
BELANGRIJK!
In bepaalde omstandigheden kan het
parkeerhulpsysteem vals alarm geven
doordat externe geluidsbronnen dezelfde
ultrasone geluidsfrequenties afgeven als
die waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden daarvan zijn onder meer
claxons, natte banden op asfalt, lucht-
drukremmen, uitlaten van motorfietsen.
Het fenomeen is geen teken van een
storing in het systeem.
117
Starten en rijden
Slepen en bergen
Motor niet op gang slepen
Als u de motor van een auto met een handge-
schakelde versnellingsbak op gang probeert
te slepen, kan de katalysator beschadigd
raken. Auto’s met een automatische versnel-
lingsbak kunt u niet op gang slepen. Als de
accu leeg is, moet u een opgeladen hulpaccu
gebruiken.
Als de auto gesleept moet
worden
Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en
de auto bestuurbaar is.
Let erop dat u de maximaal toegestane
snelheid aanhoudt.
Let erop dat de rem- en stuurbekrach-
tiging niet werken, als u de motor hebt
afgezet. U moet ongeveer vijfmaal harder
op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Rijd rustig.
Houd de sleepkabel gespannen om
schokkende bewegingen te voorkomen.
Modellen met een automatische
versnellingsbak
Zorg dat de keuzehendel in stand N staat.
De maximaal toelaatbare snelheid voor
auto’s met een automatische versnel-
lingsbak bedraagt 80 km/h.
De maximaal toelaatbare afstand
bedraagt 80 km.
U kunt de motor niet op gang trekken. Zie
de volgende pagina voor “Starten met
hulpaccu”.
Sleepoog, voor.
Sleepoog
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas
in de bagageruimte. Schroef het sleepoog op
zijn plaats voor het slepen. De aansluitingen
en afdekkapjes voor het sleepoog bevinden
zich aan de rechterzijde van de voor- en
achterbumpers.
118
Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog, achter.
Sleepoog monteren
A. Haal de onderkant van het afdekkapje
1
voorzichtig los met bijvoorbeeld een
muntstuk.
B. Schroef het sleepoog stevig vast tot aan
de flens (C). Maak bij voorkeur gebruik
van de wielmoersleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
Om het sleepoog in de achterbumper te
bevestigen moet u eerst de kunststof schroef
uit de console voor het achterste sleepoog
verwijderen. Gebruik de wielmoersleutel uit
de gereedschapsset om de kunststof schroef
los te halen. Draai de kunststof schroef na
gebruik van het sleepoog weer vast.
Bergen
Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging, wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Voor bergingswerkzaam-
heden moet u professionele hulp inroepen.
1. De opening in het afdekkapje kan
variëren.
119
Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
Als de accu om wat voor reden dan ook
ontladen is, kunt u stroom “ lenen” van een
losse reserveaccu of van een accu in een
andere auto om op die manier de motor te
starten. Controleer altijd of de accuklemmen
goed vastzitten, zodat ze geen vonken
trekken tijdens de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen adviseren
wij u de volgende aanwijzingen nauwkeurig
op te volgen:
Draai de contactsleutel naar stand 0.
Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s
elkaar niet kunnen raken.
Sluit de rode kabel aan tussen de
pluspool van de hulpaccu (1+) en de
rode aansluiting in de motorruimte van uw
auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt een geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op een van de hijsogen van de
motor (4–).
Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
Start de motor van de auto met de lege
accu.
Verwijder de kabels in omgekeerde
volgorde.
N.B. Kom niet aan de klemmen tijdens de
startpoging (gevaar voor vonkvorming).
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot
ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan
veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen
krijgt of op uw huid of kleren morst, moet
u onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact
op met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
120
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn. De Volvo-dealer kan u
informeren over de mogelijke trekhaken.
Verdeel de lading in de aanhanger
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
Verhoog de bandenspanning tot de druk
die geldt voor maximale belasting.
Raadpleeg de bandenspanningstabel.
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel
1
en alle bewegende delen in
om onnodige slijtage te voorkomen.
Rijd niet met een zware aanhanger,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is!
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile
hellingen worden de remmen veel
zwaarder belast dan normaal. Schakel
dan terug naar een lagere versnelling en
pas uw snelheid aan.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de
versnellingsbak oververhit raken. Bij
oververhitting slaat de temperatuurmeter
in het instrumentenpaneel tot in het rode
gebied uit. Breng de auto dan tot
stilstand en laat de motor enkele minuten
afkoelen.
Bij oververhitting schakelt de aircondi-
tioning zichzelf automatisch tijdelijk uit.
Bij oververhitting schakelt de versnel-
lingsbak een ingebouwde beschermings-
functie in. Zie de displaytekst.
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller
dan 80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
Het maximaal toelaatbare gewicht voor
een ongeremde aanhanger bedraagt
750 kg.
Zet de keuzehendel bij het parkeren met
een aanhanger altijd in stand P (automa-
tische versnellingsbak) of schakel een
versnelling in (handgeschakelde versnel-
lingsbak). Gebruik wielblokken bij het
parkeren op steile hellingen.
Gebruik bij voorkeur geen aanhangers die
zwaarder zijn dan 1200 kg bij hellingsper-
centages van meer dan 12 %. Bij hellings-
percentages van meer dan 15 % ontraden
wij het gebruik van een aanhanger.
Aanhangergewichten
Zie pagina 221 voor de toelaatbare aanhan-
gergewichten.
N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare
aanhangergewichten zijn door Volvo
bepaald. Let erop dat er op grond van de
wetgeving voor motorvoertuigen in uw land
verdere beperkingen van het aanhangerge-
wicht en de snelheid kunnen gelden. Het is
bovendien mogelijk dat de trekhaak gespeci-
ficeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht van
de auto.
1. Geldt niet voor de kogel bij gebruik
van een aanhangerkoppeling met
trillingsdemper.
WAARSCHUWING!
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De
aanhanger en de auto kunnen anders
moeilijk bestuurbaar worden tijdens
uitwijk- en remmanoeuvres.
121
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Rijden met een aanhanger,
automatische versnellingsbak
Trek bij het parkeren op hellingen eerst de
handrem aan, voordat u de keuzehendel
in stand P zet. Zet bij het wegrijden op
een helling eerst de keuzehendel in de
rijstand en haal de auto vervolgens van de
handrem.
Kies bij het omhoogrijden op steile
hellingen of in langzaam rijdend verkeer
de juiste lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de automatische versnel-
lingsbak opschakelt. De versnellingsba-
kolie wordt dan minder warm.
Als uw auto is uitgerust met een
Geartronic-versnellingsbak, moet u geen
hogere handmatige versnelling inscha-
kelen dan de motor “aankan”. Rijden in
hoge versnellingen is niet altijd zuinig.
N.B. Sommige modellen moeten worden
uitgerust met een oliekoeler voor de automa-
tische versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij de
dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er voor
uw auto geldt, als u achteraf een trekhaak
monteert.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is
volkomen normaal. Bij het wegrijden met
lading wordt het niveau na enige tijd rijden
naar boven toe bijgesteld.
122
Starten en rijden
Trekhaak
Trekhaken
U moet de kogel regelmatig schoonmaken en
met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak
met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel
niet te worden ingevet.
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment
zorgvuldig worden opgevolgd (zie
pagina 124).
N.B. Neem na gebruik altijd het kogel-
segment los. Bewaar het in de bagageruimte.
Aanhangerkabel
Als de trekhaak van de auto een 13-polig
elektrisch contact heeft en de aanhanger een
7-polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde
adapterkabel. Zorg dat de kabel niet over de
grond sleept.
WAARSCHUWING!
Let erop dat u de veiligheidskabel van de
aanhanger aan de daarvoor bestemde
bevestiging vastmaakt.
WAARSCHUWING!
Let op het volgende als uw auto is
uitgerust met de afneembare trekhaak van
Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleutel
vergrendeld is voordat u begint te rijden.
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
123
Starten en rijden
Trekhaak
Specificaties
Afstand A Afstand B
Vaste trekhaak: 1057 mm
Afneembare trekhaak: 1068 mm
Maximale kogeldruk: 75 kg
A
Vaste trekhaak: 73 mm
Afneembare trekhaak: 84 mm
B
124
Starten en rijden
Afneembare trekhaak
125
Starten en rijden
Afneembare trekhaak
126
Starten en rijden
Lading op het dak
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak (een kogeldruk van 75 kg
bij een aangekoppelde aanhanger),
lastdragers, skibox e.d. en het totaalgewicht
van de inzittenden. Het laadvermogen van de
auto moet worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
Gebruik van lastdragers
(accessoire)
Om schade aan de auto te voorkomen en op
een veilige manier lading op het dak te
kunnen vervoeren, adviseren wij u alleen
gebruik te maken van de lastdragers die
Volvo speciaal voor uw auto ontwikkeld heeft.
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden.
Verdeel het gewicht van de lading gelijk-
matig over de lastdragers. Leg de lading
niet diagonaal op de lastdragers. Zorg dat
u de zwaarste voorwerpen onderop legt.
Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de
lading toeneemt.
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
Verwijder de lastdragers, wanneer u ze
niet hoeft te gebruiken. U verlaagt op die
manier de luchtweerstand en daarmee
ook het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING!
De maximale dakbelasting is 100 kg
inclusief de lastdragers en een eventuele
skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak
verschuift het zwaartepunt en treden er
wijzigingen op in de rijeigenschappen van
de auto.
127
Starten en rijden
Lading op het dak
Lastdrager monteren
Zorg dat u de lastdrager in de juiste
positie aanbrengt (zie de aanduiding op
de sticker onder de dekkap).
Zorg dat de paspennen in de
geleidegaten (1) vallen.
Laat de tegenoverliggende bevestiging
voorzichtig op het dak neer.
Draai de draaiknop enkele slagen losser.
Duw de knop in de richting van de dakbe-
vestiging en zorg dat de haak in de dakbe-
vestiging onder de dekstrip vasthaakt.
Draai de lastdrager vast.
Zorg dat de paspennen van de overige
bevestigingen eveneens goed in de gelei-
degaten vallen.
Draai de lastdrager vast.
Controleer of de haak goed vastgrijpt in
de dakbevestiging.
Draai de draaiknoppen beurtelings enkele
slagen rechtsom, totdat ze allemaal stevig
vastzitten.
Klap de dekkap omlaag.
Controleer of de dakreling stevig vastzit.
Controleer regelmatig of de draaiknoppen
nog stevig vastzitten.
128
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer .
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
U kunt de lichtbundel van de koplampen
aanpassen om te voorkomen dat u tegen-
liggers verblindt. Daarbij wordt de lichtop-
brengst iets lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen op de volgende pagina over
en knip een stuk zelfklevend en watervast
materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de
randen van de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten
opzichte van de stip (5) in het koplampglas.
De referentiematen (X) dienen om de afstand
te herleiden vanaf de stip (5) tot aan de hoek
van de afplaktape die aangegeven is met een
pijl.
Meet de mallen die op de volgende pagina
staan na het overtrekken ter controle nog
eens op om te zorgen dat de lichtbundel
voldoende wordt afgedekt.
129
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Positie van afplaktape op de halogeenkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen het stuur rechts).
Halogeenkoplampen, model met
het stuur links
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Referentiematen:
Mal 1. (3) = 70 mm, (4) = 40 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 13 mm.
Mal 2. (6) = 55 mm, (7) = 40 mm
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 18 mm.
Halogeenkoplampen, model met
het stuur rechts
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Referentiematen:
Mal 3. (1) = 55 mm, (2) = 41 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 17 mm.
Mal 4. (6) = 70 mm, (7) = 39 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 14 mm.
130
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur links.
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur rechts.
131
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Positie van afplaktape op de Bi-Xenonkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen het stuur rechts).
Koplampen afplakken
Trek de mallen op de volgende pagina over
en knip een stuk zelfklevend en watervast
materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de
randen van de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten
opzichte van de stip (5) in het koplampglas.
De referentiematen (X) dienen om de afstand
te herleiden vanaf de stip (5) tot aan de hoek
van de afplaktape.
Meet de mallen die op de volgende pagina
staan na het overtrekken ter controle nog
eens op om te zorgen dat de lichtbundel
voldoende wordt afgedekt.
Bi-Xenonkoplampen, model met
het stuur links
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Referentiematen:
Mal 1. (3) = 56 mm, (4) = 43 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 29 mm.
Mal 2. (6) = 56 mm, (7) = 42 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 6 mm.
Bi-Xenonkoplampen, model met
het stuur rechts
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Referentiematen:
Mal 3. (1) = 56 mm, (2) = 42 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(5) = 29 mm.
Mal 4. (6) = 56 mm, (7) = 41 mm.
Afstand tot de stip in het koplampglas:
(8) = 0 mm.
132
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur links.
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur rechts.
133
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
1 – BLIS-camera, 2 – Controlelampje,
3 – BLIS-symbool
BLIS
BLIS is een informatiesysteem dat de
bestuurder waarschuwt, wanneer er zich een
voertuig in de zogeheten dode hoek bevindt
en in dezelfde richting rijdt.
“Dode hoeken” die BLIS in de gaten houdt
(afstand A = ca. 9,5 m; afstand B = ca. 3 m)
Het systeem werkt het best in druk verkeer
op meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale camera-
techniek. De camera’s (1) zitten onder de
buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, gaat er een
controlelampje op het portierpaneel (2)
branden. Het lampje brandt continu om de
bestuurder te attenderen op het voertuig in
de dode hoek.
N.B. Het lampje gaat branden aan die kant
van de auto waar het voertuig is waarge-
nomen. Als de auto aan weerszijden wordt
ingehaald, gaan dan ook beide lampjes
branden.
BLIS is eveneens voorzien van een geïnte-
greerde functie die de bestuurder
waarschuwt bij fouten in het systeem. Als de
camera’s van het systeem bijvoorbeeld zijn
afgedekt, knippert het controlelampje voor
BLIS en verschijnt er een melding op het
display van het instrumentenpaneel (zie de
tabel op pagina 135). Controleer de camera-
lenzen in dat geval en maak ze zo nodig
schoon. U kunt het systeem tijdelijk uitscha-
kelen met een druk op de knop BLIS (zie
pagina 135).
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer u inhaalt:
Het systeem reageert als het snelheids-
verschil tussen u en het ingehaalde
voertuig kleiner is dan 10 km/h.
Wanneer u wordt ingehaald:
Het systeem reageert als het snelheids-
verschil tussen u en het inhalende
voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING!
Het systeem vormt slechts een aanvulling
op – geen vervanging voor – de
aanwezige buitenspiegels. De bestuurder
moet altijd oplettend en verantwoord
blijven rijden. De bestuurder is er verant-
woordelijk voor dat er op een veilige
manier van rijstrook wordt gewisseld.
A
B
134
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
Systeemfunctie bij daglicht en bij
donker
Daglicht
Bij daglicht reageert het systeem op de
contouren van omringende voertuigen. Het
systeem is geconstrueerd om motorvoer-
tuigen zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en
motorfietsen waar te nemen.
Donker
Bij donker reageert het systeem op de
koplampen van omringende voertuigen. Als
een voertuig de koplampen niet heeft
ontstoken, zal het systeem dit voertuig niet
kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het
systeem bijvoorbeeld niet reageert op een
aanhanger achter een auto of vrachtwagen,
omdat daar geen brandende koplampen op
zitten.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de camera-
lenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoon-
maken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon
om krassen te voorkomen.
WAARSCHUWING!
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto
kan het zicht ontnemen op andere
voertuigen op aangrenzende rijstroken.
Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen
voertuigen in dit afgeschermde gebied
kan waarnemen.
WAARSCHUWING!
Het systeem reageert niet op fietsers
en bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder onder-
vinden van de aanwezigheid van felle licht-
bronnen of juist de afwezigheid van
lichtbronnen (wegenverlichting of
voertuigverlichting) bij ritten in het donker.
Het systeem kan uit de afwezigheid van
licht ten onrechte opmaken dat de
camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een display-
melding op het instrumentenpaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden
kunt u het systeem tijdelijk deactiveren
(zie de informatie op de volgende pagina).
Wanneer de displaytekst is verdwenen,
werkt het systeem weer optimaal.
De BLIS-camera’s kennen dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte
mist.
BELANGRIJK!
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen.
Veeg ze nodig sneeuw van de lenzen af.
135
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
BLIS deactiveren en heractiveren
BLIS wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contact aanzet. De contro-
lelampjes op de portierpanelen lichten
driemaal op bij het aanzetten van het
contact.
U kunt het systeem deactiveren door op
de knop BLIS te drukken die op het
schakelaarpaneel van de middenconsole
zit (zie bovenstaande afbeelding). De
LED in de knop dooft, wanneer het
systeem uitgeschakeld is. Er verschijnt
bovendien een displaytekst op het instru-
mentenpaneel.
U kunt BLIS heractiveren door nogmaals
op de knop te drukken. De LED in de
knop licht vervolgens op, er verschijnt een
nieuwe tekst op het display en de contro-
lelampjes op de portierpanelen lichten
driemaal op. Druk op de knop READ (zie
pagina 42) om de melding te laten
verdwijnen.
De meldingen verschijnen alleen, als de
contactsleutel in stand II staat (of als de
motor loopt) en BLIS actief is (de bestuurder
heeft het systeem niet gedeactiveerd).
Systeemteksten BLIS
Systeem-
status
Displaytekst
BLIS buiten
werking
BLINDE-HOEKSYST.
SERVICE VEREIST
Rechter
camera
afgedekt
BLINDE-HOEKSYST.
R CAMERA GEBLOK.
Linker camera
afgedekt
BLINDE-HOEKSYST. L
CAMERA GEBLOK.
Beide
camera’s
afgedekt
BLINDE-HOEKSYST.
CAMERA’S GEBLOK.
BLIS uitge-
schakeld
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM UIT
BLIS
ingeschakeld
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM AAN
Beperkte
BLIS-functie
BLINDE-HOEKSYST.
FUNCTIE BEPERKT
136
Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System) (optie)
137
Wielen en banden
Algemene informatie 138
Bandenspanning 141
Gevarendriehoek en reservewiel 142
Wielen verwisselen 144
138
Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijei-
genschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de
snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het
rijgedrag van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbe-
volen bandenspanning aan die op de
bandenspanningsticker staat (zie pagina 141
voor de plaatsing).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde
maataanduiding. Een voorbeeld van een
dergelijke aanduiding is 205/55R16 91 W.
Snelheidsaanduidingen
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aange-
leverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken
van de afmetingen en snelheidsaanduidingen
die staan aangegeven op de typegoed-
keuring van de auto. De enige uitzondering
daarop vormt het gebruik van winterbanden
(zowel spijkerbanden als banden zonder
spijkers). Bij gebruik van dergelijke banden
mag u niet sneller rijden dan de maximum-
snelheid die voor het gebruikte bandentype
geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld
een maximumsnelheid van 160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en
niet de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de
maximumsnelheid is.
Nieuwe banden
Banden hebben een
beperkte houdbaarheids-
datum. Na enkele jaren
worden de banden hard en
neemt de grip op het
wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd
zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation)
bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502.
De band op de afbeelding is in de 15de week
van het jaar 2002 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet
u door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de
werking van de banden worden aangetast, in
welk geval u de banden niet meer dient te
gebruiken.
Dit geldt ook voor reservebanden, winter-
banden en banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen.
205 Breedte van de band (mm)
55 Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R Aanduiding voor radiaalbanden
16 Velgdiameter van de band (")
91 Aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
W Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 270 km/h).
Q 160 km/h (enkel voor winterbanden)
T 190 km/h
H 210 km/h
V 240 km/h
W 270 km/h
139
Wielen en banden
Algemene informatie
Scheurvorming of verkleuring zijn de
zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn
smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de
band staan (de letters TWI
(Tread Wear Indicator) op
de zijkant van de band geven
aan dat een band is uitgerust met slijtage-
indicatoren). De indicatoren zijn duidelijk
zichtbaar wanneer een band dusdanig
versleten is dat slechts 1,6 mm van het profiel
over is. Vervang de banden dan onmiddellijk.
Let erop dat een band met een gering profiel
zeer weinig grip op het wegdek heeft bij
regen of sneeuw.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde
afmetingen aan. Deze staan op een banden-
spanningsticker (zie plaatsing pagina 141).
De bandenmaat is afhankelijk van het
motortype. Gebruik altijd winterbanden op
alle vier de wielen.
N.B. Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de
eerste 500–1000 km voorzichtig worden
ingereden, zodat de “spikes” zich kunnen
zetten. Zo gaan de banden en vooral de
“spikes” langer mee.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
gebruik van banden met “spikes” verschillen
van land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage tempe-
raturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt er een
minimale profieldiepte van vier mm voor
winterbanden geadviseerd.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook
voor modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuw-
kettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije
wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als
de banden daardoor overmatig slijten. Maak
nooit gebruik van sneeuwkettingen met
zogeheten snelsluitingen, omdat de ruimte
tussen de schijfremmen en de wielen te
gering is.
Afsluitbare wielbout
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel lichtmetalen als stalen velgen. Bij
gebruik van afsluitbare wielbouten op stalen
velgen met wieldoppen, moet u de afsluitbare
wielbout zo ver mogelijk van het ventiel
aanbrengen. Als u dat niet doet, is het niet
mogelijk de wieldop te monteren.
BELANGRIJK!
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen
die zijn afgestemd op het model en de
band- en velgafmetingen. Vraag een
erkende Volvo-werkplaats om advies.
140
Wielen en banden
Algemene informatie
De pijl geeft de draairichting van de band aan.
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts enz. Bij banden
met een speciaal profiel dat alleen goed
werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aange-
geven met een pijl op de zijkant van de band.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draai-
richting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit
van links naar rechts of omgekeerd. Als u de
banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
de banden regen, sneeuw en drab minder
goed afvoeren. Monteer de banden met het
diepste profiel altijd op de achteras (om het
gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
141
Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Op de sticker aan de binnenzijde van de
tankvulklep staat de juiste bandenspanning
voor uw auto aangegeven bij verschillende
belading en snelheid.
1. Overige markten (niet VS, Canada)
1:1 Originele Volvo-banden
1:2 Reservebanden
2. Australië
Bandenspanning controleren
Controleer de bandenspanning regelmatig.
De juiste bandenspanning staat in de
bandenspanningstabel aangegeven. De
aangegeven bandenspanning geldt bij koude
banden (kan verschillen naargelang de
buitentemperatuur).
Als u met de verkeerde bandenspanning rijdt,
is het rijgedrag van de auto slechter en is het
mogelijk dat de banden veel sneller slijten. Al
na enkele kilometers rijden worden de
banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert terwijl de
banden warm zijn.
142
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Gevarendriehoek
(bepaalde landen)
Houd u aan de bepalingen die gelden voor
het gebruik van gevarendriehoeken in uw
land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
Draai de beide bevestigingsschroeven in
de verticale stand.
Haal voorzichtig de houder met de
gevarendriehoek erin los.
Neem de gevarendriehoek uit de
houder (A).
Klap de vier steunpootjes van de gevaren-
driehoek uit.
Klap de beide rode zijden van de driehoek
uit. Plaats de gevarendriehoek op een
geschikt punt, rekening houdend met de
verkeerssituatie.
Doe het volgende na gebruik:
Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
stevig op het kofferdeksel vastzit.
Reservewiel, gereedschap en
krik
1. Reservewiel
2. Bevestiging
3. Gereedschapstas met sleepoog
4. Krik
Het reservewiel
1
met de krik en de gereed-
schapstas vindt u onder de vloer van de
bagageruimte. Ga als volgt te werk om het
reservewiel te verwijderen:
Pak de vloermat aan de achterzijde beet
en klap deze naar voren toe op.
Haal de krik en de gereedschapstas naar
buiten.
1. Optie op bepaalde varianten en markten
4
3
1
2
143
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Draai de bevestiging van het reservewiel los
en til het reservewiel uit de bagageruimte.
Doe het volgende als uw auto is
uitgerust met een houder voor
boodschappentassen:
Verdraai de twee klemmen aan de achter-
zijde van de vloermat 90°.
Klap de voorzijde van de vloermat naar
achteren toe op, in de richting van de
opening voor het kofferdeksel.
Til de mat iets op en verdraai deze 90°
zodat u deze kunt verwijderen.
Til de vloermat uit de bagageruimte.
Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de bagage-
ruimte.
Breng het reservewiel weer aan, schroef de
bevestiging vast en breng alle verwijderde
onderdelen in omgekeerde volgorde weer
aan. Zorg dat het reservewiel goed vastzit en
dat de krik en de gereedschapstas stevig
vastzitten met de banden van bij de beves-
tiging.
Reservewiel “Temporary Spare”
Het compacte reservewiel
1
(“Temporary
Spare”) mag alleen worden gebruikt
gedurende de korte tijd die nodig is om het
normale wiel te repareren of te vervangen.
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit
type moet daarom zo spoedig mogelijk door
een normaal wiel/normale band worden
vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden
wijzigingen in de rijeigenschappen kan
veroorzaken. De maximumsnelheid bij
gebruik van een compact reservewiel
bedraagt 80 km/h.
N.B. Gebruik alleen het originele reservewiel
dat bij de auto hoort! Banden met afwijkende
maten kunnen schade aan uw auto veroor-
zaken. U mag per keer slechts een reser-
vewiel gebruiken.
1. Optie op bepaalde varianten en markten
144
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen demonteren
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet,
wanneer u de band moet verwisselen aan de
kant van de weg. Het reservewiel zit onder de
kunststof bak in de bagageruimte.
Trek de handrem aan en schakel de 1ste
versnelling in op auto’s met een handge-
schakelde versnellingsbak (stand P op
auto’s met een automatische versnel-
lingsbak). Breng houten wielblokken of
grote stenen aan voor en achter de wielen
die op de grond blijven staan.
Auto’s met stalen velgen hebben verwij-
derbare wieldoppen. Verwijder de
wieldoppen met een dikke schroeven-
draaier of iets dergelijks. Wanneer u geen
schroevendraaier hebt, kunt u de
wieldoppen met de hand proberen los te
trekken. Draag bij voorkeur werkhand-
schoenen.
Wanneer u de wieldoppen terugplaatst,
moet u erop letten dat de opening in de
wieldop recht tegenover het ventiel komt
te zitten.
Draai de wielbouten 1/2–1 slag los met
de dopsleutel. U draait de bouten linksom
los.
Er zitten twee kriksteunpunten aan weers-
zijden van de auto.
Houd de krik tegen de pen van het
steunpunt (zie afbeelding) en draai de
voet van de krik zo ver omlaag dat deze
plat tegen de grond aankomt. Controleer
nogmaals of de krik goed aan het
kriksteunpunt bevestigd is en zorg dat de
voet recht onder het steunpunt zit.
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Draai de wielbouten
los en verwijder het wiel.
145
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Wielen monteren
Reinig de contactvlakken op het wiel en
de naaf.
Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
Breng de auto zo ver omlaag dat de
wielen niet meer ongehinderd kunnen
draaien.
Draai de wielmoeren kruiselings iets
strakker vast. Het is belangrijk dat u de
wielmoeren stevig aanhaalt. Haal ze aan
met 140 Nm. Controleer het aanhaal-
moment met een momentsleutel.
Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
Bepaalde varianten.
WAARSCHUWING!
Kruip nooit onder de auto als deze op de
krik staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto
stappen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat
ze dusdanig moeten gaan staan dat de
auto en liever nog een vangrail tussen hen
en het verkeer op de weg zit.
146
Wielen en banden
147
Verzorging
Schoonmaken 148
Lakschade herstellen 150
Roestwering 152
148
Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is. Dit
is met name’s winters van belang, omdat
strooizout en vocht al snel aanleiding kunnen
geven tot corrosie.
Was de auto als volgt:
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan
oplopen. Zorg dat de auto op een spoel-
vloer met afvoerscheiding staat.
Spoel zorgvuldig het vuil van het onder-
stel van de auto.
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij
gebruik van een hogedrukreiniger: Houd
bij het wassen de spuitkop van de hoge-
drukreiniger ten minste 30 cm van de
carrosserie af. Spuit evenmin direct in de
richting van de sloten.
Gebruik een spons en veel water met of
zonder schoonmaakmiddel.
Gebruik bij voorkeur handwarm water
(maximaal 35 °C) en geen heet water.
Als het vuil uiterst hardnekkig is, kunt u de
auto met een ontvettingsmiddel voor
koude toepassingen wassen. Zorg in dat
geval dat de auto op een spoelplaat met
afvoerscheiding staat. wanneer u een
ontvettingsmiddel voor koude toepas-
singen gebruikt, moet u zorgen dat de auto
niet in direct zonlicht staat. De lak mag
evenmin warm zijn geworden door bloot-
stelling aan zonlicht of de uitgestraalde
motorwarmte. Zonlicht en warmte kunnen
blijvende schade aan de lak veroorzaken.
Vraag de Volvo-werkplaats om advies.
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer.
Reinig de wisserbladen met een hand-
warme zeepoplossing.
Geschikt schoonmaakmiddel
Autoshampoo.
Niet vergeten:
Verwijder vogelpoep altijd zo spoedig
mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat
namelijk stoffen die de lak aantasten en deze
zeer snel doen verkleuren. Een dergelijke
verkleuring kunt u niet wegpoetsen.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er
echter op dat een wasbeurt in een automa-
tische wasstraat nooit een alternatief vormt
voor een goede wasbeurt met de hand,
omdat de borstels van de wasstraat niet
overal even goed bij kunnen.
BELANGRIJK!
Scherpe voorwerpen en klittenband
kunnen de stoffen bekleding beschadigen.
WAARSCHUWING!
Maak de motor niet schoon, wanneer deze
nog warm is. Brandgevaar! Laat het
schoonmaken van de motor over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
BELANGRIJK!
Voor de lak is het beter om de auto met de
hand te wassen dan in een automatische
wasstraat. Een nieuwe laklaag is
bovendien kwetsbaarder dan een oude
laag. U wordt daarom geadviseerd de
eerste maanden na aankoop van een
nieuwe auto deze alleen met de hand te
wassen.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen altijd de remmen om te
voorkomen dat vocht en corrosie de
remvoeringen kunnen aantasten waardoor
de remwerking afneemt! Trap tijdens het
rijden bij regen of natte sneeuw af en toe
lichtjes op het rempedaal zodat de
remvoeringen warm worden en het vocht
kan verdampen. Doe dit ook bij het starten
onder zeer vochtige of koude weersom-
standigheden.
149
Verzorging
Schoonmaken
Kunststof exterieuronderdelen
Voor het schoonmaken van kunststof exteri-
euronderdelen wordt een speciaal reinigings-
middel geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de
Volvo-dealer. Gebruik nooit sterke vlekken-
middelen.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De Volvo-dealer heeft een speciaal reini-
gingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere
reinigingsmiddelen kunnen de brandvertra-
gende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
Voor vuile leren bekleding wordt u geadvi-
seerd gebruik te maken van de speciale reini-
gingsmiddelen die bij de Volvo-dealer
verkrijgbaar zijn. Behandel leren bekleding
een- tot tweemaal per jaar met de leerverzor-
gingsset van Volvo. Gebruik nooit sterke
oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen
bekleding van textiel, vinyl en leer bescha-
digen.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en -panelen
Voor het schoonmaken van interieuronder-
delen en -panelen van kunststof wordt een
speciaal reinigingsmiddel geadviseerd, dat
verkrijgbaar is bij de Volvo-dealer. Krab of
wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit sterke
vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto op en zet deze in de was,
wanneer de lak er dof uitziet en u deze extra
bescherming wilt bieden zoals net voor het
begin van de winterperiode.
Normaal gesproken hoeft u de auto pas na
een jaar te poetsen. Was kunt u eerder
aanbrengen.
Was de auto schoon en droog deze
zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen/de
was aanbrengt. Verwijder asfalt- en
teervlekken met terpentine. De hardnekkiger
vlekken kunt u verwijderen met een speciaal
voor autolak bestemde fijne schuurpasta
(“rubbing compound”). Poets de lak eerst op
en behandel deze daarna met was in
vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen
op de verpakking nauwkeurig op. Veel prepa-
raten bevatten zowel poetsmiddel als was.
Onderdelen die warmer zijn dan 45 °C kunt u
beter niet poetsen of in de was zetten.
Buitenspiegels en voorste
zijruiten met water- en
vuilafstotende laag (optie)
schoonmaken
Gebruik nooit producten als autowas, ontvet-
tingsmiddelen e.d. op de spiegels of de
ruiten, omdat ze de water- en vuilafstotende
eigenschappen kunnen verstoren.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om
krassen op het glas te voorkomen.
Om schade aan het glas te voorkomen moet
u voor het verwijderen van ijs alleen een
krabber van kunststof gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B. Om de waterafstotende eigenschappen
te behouden, wordt geadviseerd de behan-
deling te vernieuwen met een nabehande-
lingsmiddel dat verkrijgbaar is bij Volvo-
dealers. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna om het jaar.
BELANGRIJK!
Scherpe voorwerpen en klittenband
kunnen de stoffen bekleding beschadigen.
150
Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd.
Lakschade moet u meteen herstellen om
roestvorming te voorkomen. De meest
voorkomende soorten lakschade die u zelf
kunt herstellen zijn:
minder grote steenslagplekken en
krassen,
schade aan de spatbordranden en de
portieren.
Voor het herstel van lakschade moet u de
auto eerst schoonwassen en zorgvuldig laten
drogen. Zorg dat de auto een temperatuur
van meer dan +15 °C heeft.
Kleurcode
Zorg dat u de juiste lakkleur hebt. De
kleurcode staat op het typeplaatje in de
motorruimte.
Type 1
Type 2
Alleen China
Verwijder eventuele lakresten met een stuk
tape. Plak zo nodig af.
Steenslagplekken en krassen
Benodigdheden:
Grondlak (primer) in een bus
Lak in een bus of een zogeheten bijtip-pen
Kwastje
Afplaktape
Als de steenslagplek niet tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen en er
nog een intacte laklaag over is, volstaat
het om na verwijdering van het vuil de
ontbrekende lak aan te brengen.
151
Verzorging
Lakschade herstellen
Als de sleenslagplek echter wel tot het
blanke plaatwerk is doorgedrongen,
moet u als volgt te werk gaan:
Plak een stuk afplaktape over het
beschadigd gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om zoveel mogelijk
lakresten te verwijderen (figuur 1).
Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng met een fijn kwastje of een
lucifer (figuur 2) aan.
Wanneer de grondlak droog is, brengt u
de lak aan met een kwastje.
Zorg dat u de lak goed hebt omgeroerd
en breng de lak vervolgens in meerdere,
dunne lagen aan. Laat de lak na elke laag
drogen.
Krassen kunt u op dezelfde manier
herstellen, zij het dat u de onbeschadigde
lak het beste met afdektape kunt
beschermen (zie figuur 3).
Wacht enkele dagen en rond de
werkzaamheden af door de bijgewerkte
lak op te poetsen. Gebruik daarvoor een
zachte doek en wees zuinig met de
schuurpasta.
152
Verzorging
Roestwering
Roestwering, controleren en
bijwerken
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst
grondige en complete roestwerende behan-
deling ondergaan. De carrosserie bestaat
gedeeltelijk uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het
onderstel is voorzien van een slijtvaste
bodembescherming (“undercoating”). In de
langsdragers, de holle ruimten en de
gesloten profielen werd een dunne, penetre-
rende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto onder-
houden door onder meer het volgende te
doen:
Houd de auto schoon! Spoel het
onderstel af. Houd bij gebruik van een
hogedrukreiniger de spuitkop ten minste
30 cm van gelakte onderdelen af.
Laat de roestwering regelmatig contro-
leren en bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ongeveer 8 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de
3 jaar een nabehandeling ondergaan. Laat u
hierin assisteren door de Volvo-werkplaats.
Roestwering herstellen
Als u de roestwering zelf wilt bijwerken, moet
u zorgen dat het te behandelen gebied
schoon en droog is. Spoel de auto af, was
deze schoon en droog deze zorgvuldig af.
Gebruik een spuitbus of breng het roestwe-
rende middel met een kwastje op.
Er zijn twee soorten roestwerende middelen
verkrijgbaar:
dunne (kleurloze) middelen, voor de
zichtbare plaatsen
dikke middelen, voor de slijtplekken op
het onderstel.
U kunt de middelen op de volgende plaatsen
aanbrengen:
Zichtbare lasnaden en paneelverbin-
dingen (dunne vloeistof);
Onderstel (dikke vloeistof);
Portierscharnieren (dunne vloeistof);
Scharnieren en slotpal van de motorkap
(dunne vloeistof).
Wanneer u klaar bent met de behandeling,
kunt u het teveel aan roestwerend middel
verwijderen met een doek die u hebt
bevochtigd met het aanbevolen reinigings-
middel. Onderdelen van de motor en de
veerpootbevestigingen in de motorruimte zijn
in de fabriek behandeld met een kleurloos
roestwerend middel op wasbasis. Dit middel
is bestand tegen normale wasmiddelen
zonder dat het middel daarbij oplost of wordt
afgebroken.
Als u de motor echter wast met zogeheten
aromatische oplosmiddelen zoals terpentine
of thinner (en dan met name middelen die
geen emulgatoren bevatten), moet u de
waslaag na het reinigen vernieuwen. De
Volvo-dealer heeft dergelijke wassen op
voorraad.
153
Onderhoud en service
Volvo Service 154
Onderhoud 155
Motorkap en motorruimte 157
Dieselolie 158
Oliën en vloeistoffen 159
Wisserbladen 163
Accu 164
Gloeilampen vervangen 166
Zekeringen 174
154
Onderhoud en service
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo
opvolgen zoals die omschreven staan in het
Service- en garantieboekje van Volvo. Laat
service- en reparatiewerkzaamheden door
een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het
personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen
garanderen.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom
altijd contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, voordat u servicewerkzaam-
heden aan het elektrisch systeem laat
uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed
hebben op de werking van de elektronische
systemen van de auto. Bepaalde accessoires
werken alleen, wanneer de bijbehorende
software in de elektronische systemen van de
auto wordt geladen. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, voordat u accessoires monteert
die in verbinding staan met of van invloed zijn
op het elektrisch systeem.
Vastlegging van
voertuiggegevens
Er kunnen een of meer computers op uw
Volvo zitten die gedetailleerde informatie
kunnen opslaan. Deze informatie is bestemd
voor onderzoek ter verbetering van de
veiligheid en voor het opsporen van storingen
in de autosystemen. De informatie kan
gegevens bevatten over zaken als het gebruik
van de veiligheidsgordel door de bestuurder
en de passagier(s), gegevens over de
werking van verschillende autosystemen en -
modules en informatie over de status van de
motor, gasklep, besturing, remmen en andere
systemen. De informatie kan tevens
gegevens bevatten over de rijstijl van de
bestuurder, met inbegrip van (maar niet
beperkt tot) de rijsnelheid, het gebruik van
het rem- of gaspedaal en de stuuruitslag. De
laatstgenoemde informatie kan voor een
begrensde tijd tijdens het rijden, tijdens een
aanrijding of bij een bijna-ongeluk worden
vastgelegd. Volvo Car Corporation zal de
opgeslagen informatie niet zonder uw
toestemming vrijgeven. Volvo Car Corpo-
ration kan echter op last van de nationale
wetgeving gedwongen worden om bepaalde
informatie te verstrekken. Voor het overige
geldt dat alleen Volvo Car Corporation en de
erkende Volvo-werkplaatsen de informatie
kunnen uitlezen en gebruiken.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantie-
boekje van Volvo controleert en de
aanwijzingen opvolgt.
155
Onderhoud en service
Onderhoud
Let op het volgende, voordat u
met de werkzaamheden begint:
Accu
Zorg dat de accukabels op de juiste manier
zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Koppel de accu nooit los, wanneer de motor
draait (bij het vervangen van de accu).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn
losgekoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u
de accu op een milieuvriendelijke manier
verwerkt. Neem hiervoor contact op met de
Volvo-dealer.
Omhoogbrengen van de auto
Als u de auto met een garagekrik omhoog-
brengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
de motordraagarm aanbrengen. Zorg dat de
spatplaat onder de motor niet beschadigd
raakt. Let erop dat u de krik dusdanig
aanbrengt, dat de auto er niet vanaf kan
glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken
of vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de
hefpunten bij de drempelkokers komen te
zitten (zie figuur).
WAARSCHUWING!
Het ontstekingssysteem van de auto wekt
zeer hoge spanningen op!
De spanning van het ontstekingssysteem
is levensgevaarlijk!
Raak bougies, bougiekabels of bobines
niet aan, wanneer de motor draait of het
contact is ingeschakeld!
Zet contact af bij:
het aansluiten van motortestapparatuur;
het vervangen van onderdelen van het
ontstekingssysteem zoals de bougies, de
bobine, de verdelerkap, de bougiekabels
e.d.
WAARSCHUWING!
Verricht nooit zelf reparaties aan het SRS-
of SIPS-systeem.
Ingrepen in het systeem kunnen
aanleiding geven tot storingen in de
werking en ernstige verwondingen veroor-
zaken. Laat dergelijke ingrepen daarom
over aan een erkende Volvo-werkplaats.
156
Onderhoud en service
Onderhoud
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoor-
beeld bij het tanken:
Koelvloeistof – Het peil moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiere-
servoir staan.
Motorolie – Het peil moet tussen het
MIN- en MAX-streepje staan.
Stuurbekrachtigingsvloeistof – Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met
antivries bij temperaturen rond het
vriespunt.
Rem- en koppelingsvloeistof – Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de koelventilator tot enige
tijd na het afzetten van de motor nog
automatisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor
altijd over aan een werkplaats. Als de motor
heet is, bestaat er gevaar voor brand.
157
Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
Auto met het stuur links of rechts.
Motorkap openen
Motorkap openen:
Trek aan de ontgrendelingshandgreep
onder het dashboard. U hoort dat de
slotpal losschiet.
Steek uw hand in het midden onder de
voorkant van de motorkap en duw de
slotpal omhoog.
Open de motorkap.
Motorruimte
Afhankelijk van het motortype kan de motor-
ruimte er iets anders uitzien. De onderdelen
op de lijst zitten echter altijd op de aange-
geven positie.
1. Expansiereservoir, koelsysteem
2. Reservoir voor stuurbekrachtigings-
vloeistof
3. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
4. Peilstok, motorolie
5. Radiateur
6. Koelventilator
7. Vultuit, motorolie
8. a) Reservoir voor rem- en koppelings-
vloeistof (model met het stuur links)
b) Reservoir voor rem- en koppelings-
vloeistof (model met het stuur rechts)
9. Relais- en zekeringenkastje
10. Luchtfilter (de uitvoering van het deksel
is afhankelijk van het motortype)
11. Accu (in de bagageruimte).
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
158
Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreini-
gingen. Maak daarom alleen gebruik van
dieselolie van gerenommeerde oliemaat-
schappijen, die aan de kwaliteitseisen voor
brandstof voldoet zoals aangegeven op
pagina 230. Giet nooit dieselolie van twijfel-
achtige kwaliteit in de tank. De grote oliemaat-
schappijen produceren ook speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buiten-
temperaturen rond het vriespunt. Deze
dieselolie is dunner bij lage temperaturen en
beperkt de kans op vlokvorming in het brand-
stofsysteem.
Het risico van condensatie in de brand-
stoftank neemt af, als u de tank altijd goed
gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de
vulpijp goed schoon.
Voorkom morsen op gelakte oppervlakken.
Maak als u gemorst hebt het gebied met
water en zeep schoon.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leegge-
reden. Het brandstofsysteem wordt automa-
tisch ontlucht, als u de contactsleutel ca. 60
seconden lang in stand II laat staan voordat
u een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet
het brandstoffilter de brandstof van conden-
satie.
Houd u voor het aftappen van het condens-
water aan de specificaties die in uw Service-
en garantieboekje staan aangegeven. Ook
wanneer u vermoedt dat er verontreinigde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstof-
filter aftappen.
BELANGRIJK!
Maak geen gebruik van de volgende
dieselolie-achtige brandstoffen:
speciale toevoegingen (dopes),
scheepsolie, stookolie, RME (biodiesel) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van
slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
159
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte.
Volvo adviseert olieproducten van
.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandig-
heden adviseert Volvo u een oliesoort te
gebruiken met een hogere kwaliteit dan de
sticker in de motorruimte vermeldt (zie
pagina 227).
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C
doe dat ook bij korte ritten
(over afstanden kleiner dan 10 km)
bij lage temperaturen (onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
Olie verversen en oliefilter
vervangen
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst. Het Service- en garantieboekje
geeft aan bij welke kilometerstand de olie
moet worden ververst.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De beste meting wordt
verkregen bij een koude motor vóór de start.
Meteen na het afzetten van de motor krijgt u
een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan
een te laag peil aan, omdat de olie geen tijd
heeft gehad om terug te lopen naar het
oliecarter.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd olie van de aanbevolen
kwaliteit (zie sticker in motorruime).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit
dan wordt voorgeschreven of wanneer u
met een te laag oliepeil rondrijdt.
BELANGRIJK!
Als blijkt dat het oliepeil te laag is, moet u
verse olie bijvullen met dezelfde kwaliteit
en viscositeit als de olie in de motor.
160
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
De olie moet binnen het gemarkeerde
gebied op de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAX-
streepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 227 voor de aan
te houden hoeveelheid.
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
Parkeer de auto op een vlakke onder-
grond, zet de motor af en wacht ten
minste 10 tot 15 minuten zodat de olie
terug in het carter kan lopen.
Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAX-
streepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 227 voor de aan
te houden hoeveelheid.
BELANGRIJK!
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAX-
streepje. Het olieverbruik kan toenemen,
als u teveel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
161
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof.
Reservoir voor
ruitensproeiervloeistof
De ruitensproeiers en koplampsproeiers
maken gebruik van hetzelfde vloeistofre-
servoir. Zie de aan te houden hoeveelheden
en de aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen
en oliën op pagina 227.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in
het reservoir om te voorkomen dat de
vloeistof in de pomp, het reservoir en de
slangen bevriest.
Tip: Maak bij het bijvullen van ruitensproeier-
vloeistof ook meteen de wisserbladen
schoon.
Koelvloeistofreservoir.
Koelvloeistof
Controleer de koelvloeistof regelmatig. De
koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-
streepje op het expansiereservoir staan. Vul
koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder
het MIN-streepje is gezakt.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en
oliën op pagina 227.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de
heersende weersomstandigheden. Vul het
reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel
wanneer het percentage koelvloeistof te laag
is als wanneer het te hoog is.
BELANGRIJK!
Het is uitermate belangrijk dat u een
koelvloeistof met roestwerende eigen-
schappen gebruikt volgens de aanbeve-
lingen van Volvo. Een nieuwe auto is
voorzien van koelvloeistof die bestand is
tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
BELANGRIJK!
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De tempera-
turen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de cilin-
derkop kan veroorzaken.
WAARSCHUWING!
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn.
Als u moet bijvullen terwijl de motor op
bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam
de dop van het expansiereservoir
losdraaien om de overdruk te laten
ontsnappen.
162
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof.
Reservoir voor rem- en
koppelingsvloeistof
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in
hetzelfde reservoir
1
. De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje staan. Controleer
het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof
om de twee jaar of iedere tweede geplande
servicebeurt.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en
oliën op pagina 227.
N.B. Wanneer u vaak met uw auto in de
bergen of in landen met een tropisch klimaat
en een hoge relatieve luchtvochtigheids-
graad rijdt, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof.
Reservoir voor stuurbekrachti-
gingsvloeistof
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De
vloeistof moet tussen het ADD- en FULL-
streepje staan.
Zie de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen en
oliën op pagina 227.
N.B. Als er een storing in de stuurbekrach-
tiging optreedt of als de stroom is wegge-
vallen en u de auto wilt wegslepen, blijft de
auto bestuurbaar. Let er echter op dat de
auto in dat geval veel zwaarder stuurt dan
normaal, zodat u meer moeite moet doen om
het stuurwiel te verdraaien.
1. Positie verschilt op auto met het stuur
links of rechts
WAARSCHUWING!
Als de remvloeistof onder het MIN-
streepje van het remvloeistofreservoir ligt,
mag u pas verder rijden wanneer u
remvloeistof hebt bijgevuld.
Spoor de oorzaak van het remvloeistof-
verlies op.
163
Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit
vervangen
Klap de wisserarm naar buiten en houd
het wisserblad vast.
Duw de geribde borgveren van het
wisserblad in, terwijl u het blad bij de
verlenging van de arm lostrekt.
Breng het nieuwe wisserblad in
omgekeerde volgorde aan en controleer
of het goed vastzit.
N.B. Let erop dat het wisserblad aan de
bestuurderszijde langer is dan dat aan de
passagierszijde.
Wisserbladen koplampen
vervangen
1
Klap de wisserarm naar voren toe.
Trek het wisserblad naar buiten toe los.
Duw het nieuwe wisserblad vast.
Controleer of het blad goed vastzit.
1. Geldt voor de S60 R.
164
Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden
e.d. zijn van invloed op de levensduur en de
werking van de accu.
Let op het volgende om de accu in optimale
staat te houden:
Controleer regelmatig of het peil van de
accuvloeistof in orde is (A).
Controleer alle cellen. Verwijder de
celdoppen met een schroevendraaier.
Elke cel heeft zijn eigen MAX-streepje.
Vul zo nodig bij met gedestilleerd water
tot aan het MAX-streepje.
N.B. Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan
het MAX-streepje (A).
Draai de celdoppen stevig vast.
N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des
te minder lang gaat de accu mee.
Symbolen op de accu
De onderstaande symbolen zitten op de accu.
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoni-
seerd water (accuwater).
165
Onderhoud en service
Accu
1. Accu zonder afdekking
2. Accu met afdekking
Accu vervangen
Accu verwijderen:
Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
Wacht ten minste 5 minuten, voordat u
een van de elektrische aansluitingen
aanraakt (zo kan de informatie in het
elektrisch systeem van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleen-
heden).
Draai de bouten uit de borgklem die over
de accu heen zit en verwijder de klem.
Klap het kunststof deksel over de minpool
van de accu open of schroef de afdekking
van de accu los.
Koppel de minkabel los.
Haal de onderste console los waarmee
de accu vastzit.
Koppel de pluskabel los nadat u een
eventueel kunststof deksel opzijgeklapt
hebt.
Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen:
Til de accu op zijn plaats.
Breng de onderste console aan en
schroef deze vast.
Sluit de pluskabel aan, druk een
eventueel kunststof deksel vast en klap
het omlaag.
Sluit de minkabel aan en klap een
eventueel kunststof deksel omlaag.
Breng het kunststof deksel of de dekplaat
over de accu heen aan.
Zorg dat de ontluchtingsslang op de
juiste manier is aangesloten tussen de
accu en de afvoeropening in de carros-
serie.
Breng de borgklem over de accu heen
aan en draai de bouten vast.
2
1
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen het zeer explosieve
knalgas produceren. Een enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van de startkabels, is voldoende om de
accu tot ontploffing te brengen, en zo
schade aan de auto en letsel te veroor-
zaken. De accu bevat ook zwavelzuur, wat
ernstige corrosieve verwondingen door
etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in
de ogen krijgt, of op uw huid of uw kleren
morst, moet u meteen met grote hoeveel-
heden water spoelen. Neem onmiddellijk
contact op met een arts, als u accuzuur in
de ogen krijgt.
166
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 233 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een
bijzonder type of lampen die alleen in een
werkplaats te vervangen zijn:
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes
Verlichting dashboardkastje
Richtingaanwijzer, buitenspiegels
“Approach”-verlichting, buitenspiegels
Derde remlicht
LED’s in achterlamphuis.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
Alle gloeilampen in de koplamphuizen
(behalve die voor het dimlicht) zijn te
vervangen door het lamphuis via de motor-
ruimte los te maken en het in zijn geheel te
verwijderen.
N.B. Bij problemen tijdens het vervangen van
gloeilampen wordt u geadviseerd contact op
te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
Positie van lampen in koplamp
1
1. Gloeilamp zijmarkeringslicht
2. Gloeilamp richtingaanwijzer
3. Gloeilamp dimlicht, stadslicht
4. Gloeilamp groot licht
Op bepaalde varianten kan een witte
kunststof huls u bij het vervangen van de
gloeilampen in de weg zitten. U kunt deze
huls afbreken en weggooien.
BELANGRIJK!
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op
uw vingers kunnen door de hitte
verdampen. Dit zorgt voor aanslag op de
reflector, waardoor deze al snel
kapotgaan.
WAARSCHUWING!
Als een auto is voorzien van Bi-Xenonkop-
lampen, moet u alle werkzaamheden aan
de lamp door een erkende Volvo-
werkplaats laten uitvoeren.
Omdat Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
1. Betreft halogeenkoplampen
167
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp dimlicht.
Dimlicht
Gloeilamp verwijderen:
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Verwijder de afdekking.
Koppel de connector los.
Haal de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts, zodat deze loslaat en haal de
klem vervolgens naar buiten toe omlaag.
Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
Gloeilamp dimlicht aanbrengen.
Aanbrengen:
Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op een manier worden aange-
bracht.
Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
Sluit de connector aan.
Plaats de afdekking terug.
Gloeilamp groot licht.
Groot licht
Gloeilamp verwijderen:
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Verwijder de afdekking.
Trek de lamp naar buiten.
Koppel de connector los.
Draai de gloeilamp een halve slag linksom
en trek de lamp naar buiten toe los.
168
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Aanbrengen:
Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op een manier worden aange-
bracht.
Sluit de connector aan.
Plaats de lamp terug en draai deze
dusdanig in positie dat de connector
omlaagwijst.
Plaats de afdekking terug.
Gloeilamp stadslicht/parkeerlicht vóór.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Gloeilamp verwijderen:
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het dimlicht zit.
Trek de lamp naar buiten.
Koppel de connector los.
Aanbrengen:
Breng de nieuwe gloeilamp aan.
Sluit de connector aan.
Plaats de afdekking terug.
Gloeilamp richtingaanwijzer, linksvoor.
Richtingaanwijzer, linksvoor
Gloeilamp verwijderen:
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
Haal de gloeilamp uit de lamphouder door
de lamp in te drukken en deze tegelij-
kertijd linksom te draaien.
Aanbrengen:
Breng de nieuwe gloeilamp aan door
deze naar binnen te duwen en rechtsom
te draaien.
Plaats de lamphouder in het lamphuis
terug en draai deze rechtsom.
169
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp richtingaanwijzer, rechtsvoor
Richtingaanwijzer, rechtsvoor
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Neem de koelbuis (1) van de koudebox
los.
Draai het boutje (2) van de vulbuis los.
Trek de buis (3) recht omhoog.
Neem de ontluchtingsslang (4) van de
buis los.
Vervang de gloeilamp.
Controleer of de pakking van het ruiten-
sproeiervloeistofreservoir tussen de
vulbuis en het reservoir goed zit.
Duw de vulbuis (3) in positie terug.
Duw de ontluchtingsslang (4) van de
vulbuis in positie terug.
Draai het boutje (2) van de vulbuis weer
vast en sluit de koelbuis weer op de
koudebox (1) aan.
Gloeilamp zijmarkeringslicht
Zijmarkeringslicht
Draai de lamphouder rechtsom en trek
deze naar buiten toe los.
Vervang de gloeilamp.
Plaats de lamphouder terug door deze
linksom te draaien.
170
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistlichten.
Mistlampen (optie)
Gloeilamp verwijderen:
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Draai de lamphouder iets naar links.
Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
Aanbrengen:
Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp
kan slechts op een manier worden aange-
bracht.
Plaats de lamphouder terug en draai deze
iets rechtsom. Het opschrift “TOP” moet
omhoogwijzen.
Gloeilamp zijrichtingaanwijzers.
Zijrichtingaanwijzers
Gloeilamp verwijderen:
Zet het voorportier half open.
Steek een hand achter het voorspatbord
en duw de lamp samen met het lamphuis
naar buiten toe. Laat de bedrading mee
loskomen.
Draai de lamphouder een kwartslag
linksom en trek deze recht uit het
lamphuis.
Haal de gloeilamp van de connector af
door deze recht naar buiten toe los te
trekken.
Aanbrengen:
Sluit de nieuwe gloeilamp op de
connector aan en plaats de lamp in het
lamphuis door deze een kwartslag
rechtsom te draaien.
Plaats de lamp met de bijbehorende lens
in het voorspatbord terug. Duw recht naar
binnen toe.
171
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Positie van lamphouder achterlichten.
Gloeilampen achterlichten
vervangen
Algemene informatie
De gloeilampen van de achterlichten zijn
allemaal vanuit de bagageruimte te bereiken.
Op pagina 233 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Positie van gloeilampen
1. Remlicht
2. Parkeerlicht achter en achterlicht
3. Mistachterlicht (een zijde)
4. Zijmarkeringslicht
5. Richtingaanwijzers
6. Achteruitrijlichten
Gloeilampen in achterlamphuis
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Maak de zijwand los en klap deze open
om bij de gloeilampen te komen.
De gloeilampen zijn ondergebracht in twee
aparte lamphouders: een boven en een
onder. Elke lamphouder heeft een borgnok.
Gloeilamp vervangen:
Koppel de connector van de gloeilamp los.
Duw de borghaken bijeen om de
lamphouder naar buiten te kunnen trekken.
Verwijder de gloeilamp.
Breng de nieuwe gloeilamp in de houder
aan.
Sluit de connector aan.
Klap de zijwand weer op en zet deze vast.
N.B. Als de displaytekst “Storing lampje”/
“Controleer remlicht” na vervanging van de
defecte lamp niet verdwijnt, moet u contact
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om de storing te laten verhelpen.
172
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp kentekenplaatverlichting.
Kentekenplaatverlichting
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Draai het boutje los met een schroeven-
draaier.
Verwijder voorzichtig het complete
lamphuis en trek het naar buiten. Draai de
connector linksom en trek de gloeilamp
naar buiten.
Breng de nieuwe gloeilamp aan.
Sluit de connector aan en draai deze
rechtsom in het lamphuis vast.
Plaats het complete lamphuis terug en
draai het boutje vast.
Instapverlichting.
Instapverlichting
De instapverlichting vindt u onder het
dashboard aan de bestuurders- en passa-
gierszijde.
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
Verwijder de gloeilamp.
Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Plaats het lamphuis terug.
Bagageruimte.
Bagageruimte
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
Verwijder de gloeilamp.
Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Plaats het lamphuis terug.
173
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp make-upspiegel, verschillende
versies.
Verlichting make-upspiegel
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lampglas loskomt.
Verwijder de gloeilamp.
Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Druk eerst de onderkant van het lampglas
boven de vier haken terug en druk
vervolgens de bovenkant van het
lampglas vast.
174
Onderhoud en service
Zekeringen
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raakt door
kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschil-
lende elektrische functies en onderdelen
door een aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende
plaatsen in de auto:
1. Relais- en zekeringenkastje in de motor-
ruimte.
2. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie).
3. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant
van het dashboard).
4. Zekeringenkastje in de bagageruimte.
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, is het mogelijk dat de
bijbehorende zekering overbelast werd en
daardoor gesmolten is.
Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het
gebogen draadje soms doorgebrand is.
Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Aan de binnenkant van het deksel in het
dashboard zitten enkele reservezekeringen.
U vindt er tevens een trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is
er sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen
aan een erkende Volvo-werkplaats om de
auto te laten controleren.
175
Onderhoud en service
Zekeringen
Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog.
Relais- en zekeringenkastje in motorruimte
1. ABS.......................................................................................................30 A
2. ABS...................................................................................................... 30 A
3. Hogedruksproeiers koplampen .................................................... 35 A
4. Standverwarming (optie) ................................................................ 25 A
5. Verstralers (optie).............................................................................. 20 A
6. Relais startmotor............................................................................... 35 A
7. Ruitenwissers .................................................................................... 25 A
8. Regeleenheid transmissie (TCM), diesel, R-modellen............ 15 A
9. Brandstofpomp................................................................................. 15 A
10. Bobines (benzine), regeleenheid (ECM), injectoren (diesel) 20 A
11. Gaspedaalsensor (APM), A/C-compressor,
ventilator elektronicakastje.............................................................. 10 A
12. Regeleenheid motor (ECM) (benzine),
injectoren (benzine), luchtmassameter (benzine) .................... 15 A
luchtmassameter (diesel).................................................................. 5 A
13. Regeleenheid gasklep (benzine)...................................................10 A
Regeleenheid gasklep, luchtmengklep,
brandstofdrukregelaar, magneetklep (diesel))...........................15 A
14. Lambdasonde (benzine) .................................................................20 A
Lambdasonde (diesel).....................................................................10 A
15. Verwarming carterventilatie, magneetkleppen (benzine).........10 A
magneetkleppen, gloeibougies (diesel)......................................15 A
16. Dimlicht links ......................................................................................20 A
17. Dimlicht rechts...................................................................................20 A
18. -......................................................................................................................-
19. Regeleenheid motor (ECM) voeding, motorrelais...................... 5 A
20. Stadslichten........................................................................................15 A
21. .......................................................................................................................-
176
Onderhoud en service
Zekeringen
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de
verschillende zekeringen aan.
Zekeringen in passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in zijkant dashboard)
1. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel.................................. 25 A
2. Elektrisch bedienbare passagiersstoel.................................... 25 A
3. Ventilator klimaatregeling............................................................ 30 A
4. Regeleenheid rechter voorportier............................................. 25 A
5. Regeleenheid linker voorportier ................................................ 25 A
6. Interieurverlichting plafond (RCM),
bovenste elektronische regeleenheid (UEM)......................... 10 A
7. Schuifdak....................................................................................... 15 A
8. Contactslot, SRS-systeem, regeleenheid motor (ECM),
uitschakeling SRS passagierszijde (PACOS),
elektronische startblokkering (IMMO),
regeleenheid transmissie (TCM), diesel, R-modellen ..........7,5 A
9. OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM),
stuurhoeksensor (SAS), stuurregeleenheid (SWM) ...............5 A
10. Audiosysteem ................................................................................20 A
11. Versterker audiosysteem..............................................................30 A
12. RTI-display......................................................................................10 A
13. Telefoon.............................................................................................5 A
14. - 38.......................................................................................................... -
177
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
1. Stoelverwarming, rechterzijde ................................................... 15 A
2. Stoelverwarming, linkerzijde....................................................... 15 A
3. Claxon............................................................................................. 15 A
4. - ................................................................................................................-
5. - ................................................................................................................-
6. Reservepositie ......................................................................................-
7. Reservepositie ......................................................................................-
8. Sirene alarmsysteem ......................................................................5 A
9. Voeding remlichtschakelaar ..........................................................5 A
10. Instrumentenpaneel (DIM), klimaatregeling (CCM),
standverwarming, elektrisch bedienbare bestuurdersstoel. 10 A
11. Elektrische aansluiting voor- en achterin................................. 15 A
12. - ................................................................................................................-
13. Reservepositie...................................................................................... -
14. Koplampwissers (S60 R)............................................................15 A
15. ABS, STC/DSTC ............................................................................5 A
16. Bi-Fuel, elektronische stuurbekrachtiging (ECPS),
Bi-Xenon, koplamphoogteverstelling ........................................10 A
17. Mistlamp linksvoor .......................................................................7,5 A
18. Mistlamp rechtsvoor....................................................................7,5 A
19. Reservepositie...................................................................................... -
20. Reservepositie...................................................................................... -
21. Regeleenheid transmissie (TCM),
blokkering achteruitversnelling (M66)......................................10 A
22. Groot licht links .............................................................................10 A
23. Groot licht rechts..........................................................................10 A
24. -................................................................................................................ -
25. -................................................................................................................ -
26. Reservepositie...................................................................................... -
178
Onderhoud en service
Zekeringen
27. Reservepositie ......................................................................................-
28. Elektrisch bedienbare passagiersstoel, audiosysteem ...........5 A
29. Reservepositie ......................................................................................-
30. BLIS...................................................................................................5 A
31. Reservepositie ......................................................................................-
32. Reservepositie ......................................................................................-
33. Vacuümpomp ................................................................................ 20 A
34. Sproeierpomp, koplampwissers (S60 R) ............................... 15 A
35. - ................................................................................................................-
36. - ................................................................................................................-
179
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in bagageruimte
1. Achteruitrijlichten...............................................................................10 A
2. Achterlichten, mistachterlicht, bagageruimteverlichting,
kentekenplaatverlichting, LED’s in remlichten............................ 15 A
3. Accessoires (AEM) ........................................................................... 20 A
4. Reservepositie............................................................................................ -
5. Elektronica (REM) ............................................................................. 10 A
6. Cd-wisselaar, tv, RTI ........................................................................ 7,5 A
7. Trekhaak (30-voeding)...................................................................... 15 A
8. Elektrische aansluiting bagageruimte ..........................................15 A
9. Achterportier, rechts: ruitbediening,
blokkering ruitbediening ..................................................................20 A
10. Achterportier, links: ruitbediening,
blokkering ruitbediening ..................................................................20 A
11. Reservepositie............................................................................................ -
12. Reservepositie............................................................................................ -
13. Verwarming dieselfilter..................................................................... 15 A
14. - ...................................................................................................................... -
15. Reservepositie............................................................................................ -
16. Reservepositie............................................................................................ -
17. Accessoires audiosysteem................................................................5 A
18. Reservepositie............................................................................................ -
19. Omklapbare hoofdsteun..................................................................15 A
20. Trekhaak (15-voeding)...................................................................... 20 A
21. Reservepositie............................................................................................ -
22. - ...................................................................................................................... -
23. AWD.................................................................................................... 7,5 A
24. FOUR-C SUM.................................................................................... 15 A
180
Onderhoud en service
Zekeringen
25. -.......................................................................................................................-
26. Parkeerhulp............................................................................................ 5 A
27. Hoofdzekering: trekhaak, FOUR-C, parkeerhulp, AWD ..........30 A
28. Centrale vergrendeling (PCL).........................................................15 A
29. Aanhangerverlichting, links: achterlicht, richtingaanwijzer.......25 A
30. Aanhangerverlichting, rechts: remlicht, mistachterlicht,
richtingaanwijzer.................................................................................25 A
31. Hoofdzekering: zekering 37, 38.....................................................40 A
32. -.......................................................................................................................-
33. -.......................................................................................................................-
34. -.......................................................................................................................-
35. -.......................................................................................................................-
36. -.......................................................................................................................-
37. Elektrische achterruitverwarming...................................................20 A
38. Elektrische achterruitverwarming...................................................20 A
181
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-450 182
Audiosysteem HU-650 183
Audiosysteem HU-850 184
Audiofuncties HU-450/650/850 185
Audiofuncties HU-450 186
Audiofuncties HU-650/850 187
Radiofuncties HU-450/650/850 188
Radiofuncties HU-450 189
Radiofuncties HU-650/850 190
Radiofuncties HU-450/650/850 191
Cassettedeck HU-450 196
Cd-speler HU-650 197
Interne cd-wisselaar HU-850 198
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850 199
Dolby Surround Pro Logic II HU-850 200
Technische gegevens 201
182
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-450
1. POWER (aan/uit) –
Indrukken VOLUME – Omdraaien
2. PRESET/CD PUSH MENU –
Opgeslagen radiozenders
Cd-wisselaar (optie)
3. SOURCE PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cassettedeck
Cd-wisselaar (optie)
4. FADER – Indrukken en omdraaien
BAL – Indrukken, uittrekken en
omdraaien
5. SCAN – Automatisch zenders zoeken
6. EXIT – Terugbladeren in menu’s
7. Navigatietoetsen
Cd/radio – Ander(e) zender/nummer
zoeken
Cassettedeck – Vooruit-/achteruit-
spoelen/volgende/vorige nummer kiezen
8. Display
9. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
10. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
11. TAPE – Sneltoets
12. AUTO – Automatische zenderinstelling
13. BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken, uittrekken en
omdraaien
14. Cassette –
Keuzetoets bandlooprichting
Cd-wisselaar (optie) –
Willekeurige afspeelvolgorde
15. Cassetteopening
16. Cassette uitwerpen
183
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-650
1. POWER (aan/uit) – Indrukken
VOLUME – Omdraaien
2. Voorkeurtoetsen radiozenders/positie
kiezen in cd-wisselaar (1–6)
3. BASS – Indrukken en omdraaien
4. TREBLE – Indrukken en omdraaien
5. BALANCE – Indrukken en omdraaien
6. FADER – Indrukken en omdraaien
7. SOURCE PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cd
Cd-wisselaar (optie)
8. SCAN – Automatisch zenders zoeken
9. EXIT – Terugbladeren in menu’s
10. Navigatietoetsen
Ander(e) zender/nummer zoeken
11. Cd uitwerpen
12. Cd-opening
13. Willekeurige afspeelvolgorde cd
14. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
15. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
16. CD – Sneltoets
17. AUTO – Automatische zenderinstelling
18. Display
184
Audiosysteem (optie)
Audiosysteem HU-850
1. POWER (aan/uit) – Indrukken
VOLUME – Omdraaien
2. Voorkeurtoetsen radiozenders/positie
kiezen in cd-wisselaar (1–6)
3. BASS – Indrukken en omdraaien
4. TREBLE – Indrukken en omdraaien
5. BALANCE – Indrukken en omdraaien
6. FADER – Indrukken en omdraaien
7. SOURCE PUSH MENU –
Hoofdmenu openen – Indrukken
Omdraaien voor selectie van:
Radio – FM, AM
Cd
Cd-wisselaar (optie)
8. SCAN – Automatisch zenders zoeken
9. EXIT – Terugbladeren in menu’s
10. Navigatietoetsen
Ander(e) zender/nummer zoeken
11. Cd uitwerpen
12. Dolby Surround Pro Logic II
13. 2-kanaals stereo
14. 3-kanaal stereo
15. Cd-opening
16. Willekeurige afspeelvolgorde cd
17. FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
18. AM – Kiezen uit AM1 en AM2
19. CD – Sneltoets
20. AUTO – Automatische zenderinstelling
21. Display
185
Audiosysteem (optie)
Audiofuncties HU-450/650/850
Knop aan/uit
Druk op de draaiknop om de
radio aan of uit te zetten.
Volumeregeling
Draai de knop naar rechts
om het volume te verhogen.
De volumeregeling verloopt
elektronisch en heeft geen eindstand. Als uw
stuurwiel is uitgerust met een toetsenset,
kunt u het volume verhogen of verlagen met
de toetsen (+) of ().
Lage accuspanning
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
tekst op het display van het instrumenten-
paneel. De energiebesparingsfunctie van de
auto kan de radio vervolgens uitschakelen.
Laad de accu in dat geval door de motor te
starten.
Volumeregeling, TP/PTY/NEWS
Als er verkeersinformatie, nieuws of een
uitzending van het gekozen programmatype
binnenkomt terwijl u een cassette of cd
beluistert, wordt de geluidsbron onderbroken
en hoort u de berichten op het volume dat u
van tevoren voor verkeersinformatie, nieuws
en PTY-uitzendingen hebt ingesteld. Na
afloop van de informatie c.q. uitzending
speelt het systeem de cassette of cd op het
laatst ingestelde volume verder af.
186
Audiosysteem (optie)
Audiofuncties HU-450
BASS, lage tonen
Stel de weergave van de
lage tonen bij door de knop
in te drukken en vervolgens
naar links of naar rechts te
draaien.
In de middelste stand is de
weergave van de lage tonen normaal. Druk na
het afstellen de knop weer in de uitgangspo-
sitie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de
lage tonen bij door de knop
in te drukken, deze nog
verder uit te trekken en
vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de
middelste stand is de weergave van de hoge
tonen normaal. Druk na het afstellen de knop
weer in de uitgangspositie terug.
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in
tussen de luidsprekers voor-
en achterin door de knop in
te drukken en vervolgens
naar rechts (meer geluid van
voren) of naar links (meer
geluid van achteren) te draaien. In de
middelste stand is de balans tussen de
luidsprekers voor- en achterin normaal. Druk
na het afstellen de knop weer in de uitgangs-
positie terug.
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door
de knop in te drukken en
vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de
middelste stand is de balans
normaal. Druk na het
afstellen de knop weer in de uitgangspositie
terug.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschil-
lende manieren een
geluidsbron kiezen:
Met de sneltoetsen AM, FM
en TAPE of met de draaiknop
SOURCE. Draai aan de
knop SOURCE om te kiezen uit de
beschikbareradiostanden (FM1, FM2, FM3 en
AM1, AM2). Met dezelfde knop kunt u ook
kiezen uit het cassettedeck of de cd-wisselaar
(optie) als de auto met iets dergelijks is
uitgerust.
Bij herhaalde malen
indrukken van de toetsen
AM en FM loopt u de
radiostanden FM1, FM2,
FM3 en AM1 en AM2 door.
Op het display staat aange-
geven welke geluidsbron u hebt gekozen.
187
Audiosysteem (optie)
Audiofuncties HU-650/850
BASS, lage tonen
Stel de weergave van de lage tonen bij door
de knop in te drukken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de weergave van de
lage tonen normaal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspositie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de lage tonen bij door
de knop in te drukken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien. In de middelste
stand is de weergave van de hoge tonen
normaal. Druk na het afstellen de knop weer
in de uitgangspositie terug.
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door op de knop te
drukken en deze vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de middelste stand is de
balans normaal. Druk na het afstellen de knop
weer in de uitgangspositie terug.
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in tussen de
luidsprekers voor- en achterin door de knop
in te drukken en vervolgens naar rechts (meer
geluid van voren) of naar links (meer geluid
van achteren) te draaien. In de middelste
stand is de balans tussen de luidsprekers
voor- en achterin normaal. Druk na het
afstellen de knop weer in de uitgangspositie
terug.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschil-
lende manieren een
geluidsbron kiezen:
Met de sneltoetsen AM, FM
en TAPE of met de
draaiknop SOURCE.
Draai aan de knop SOURCE om te kiezen uit
de beschikbare radiostanden (FM1, FM2,
FM3 en AM1, AM2). Met dezelfde knop kunt
u ook kiezen uit het cassettedeck of de cd-
wisselaar (optie) als de auto met iets derge-
lijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen
indrukken van de toetsen
AM en FM loopt u de
radiostanden FM1, FM2,
FM3 en AM1 en AM2 door.
Op het display staat aange-
geven welke geluidsbron u hebt gekozen.
188
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Scannen, SCAN
Druk op de toets SCAN om
het scannen te starten.
Wanneer de radio een
zender heeft gevonden,
wordt het scannen ca.
10 seconden stopgezet. De
radio gaat daarna verder met zoeken.
Wanneer de radio een zender heeft
gevonden die u wilt beluisteren, moet u op de
toets SCAN of EXIT drukken.
Zenders zoeken
Druk op voor een lagere frequentie en op
voor een hogere frequentie. De radio
zoekt de eerstvolgende goed doorkomende
zender op en stelt deze in. Druk nogmaals op
de toets om verder te zoeken.
Handmatig zenders zoeken
Druk op of en houd de toets
ingedrukt. De tekst MAN verschijnt op het
display. De radio zoekt langzaam in de
gekozen richting en voert het tempo na enkele
seconden op. Laat de toets los, wanneer de
gewenste frequentie op het display verschijnt.
Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
moet u kort op een van de pijltoetsen of
drukken. Wanneer u de laatste toets
loslaat, hebt u nog vijf seconden de tijd om
handmatig instellingen te verrichten.
Toetsenset op stuurwiel
Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u
op de pijl naar rechts of links
drukken om een van de
voorkeurzenders te selec-
teren.
N.B. Als uw auto is uitgerust met een geïnte-
greerde telefoon, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoon-
functies wanneer u de telefoon hebt geacti-
veerd. In de actieve stand staan er altijd
telefoongegevens op het display. Druk op
om de telefoon te deactiveren. Als er
geen SIM-kaart in uw telefoon zit, moet u de
telefoon uitschakelen (zie pagina 206).
189
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450
Zenders instellen
Stel de gewenste frequentie in.
Druk kort op de knop PRESET/CD. Kies
een nummer waaronder u de zender wilt
opslaan door de knop naar links of naar
rechts te draaien. Druk nogmaals op de
knop om de gewenste frequentie en
zender op te slaan.
Voorkeurzenders
Om een van de voorgepro-
grammeerde radiozenders
te selecteren moet u aan de
knop PRESET/CD draaien,
totdat het nummer van de
zender op het display staat.
De voorgeprogrammeerde zender verschijnt
op het display.
Automatisch zenders opslaan
Met behulp van de functie
AUTO kunt u tot 10 goed
doorkomende AM- of FM-
zenders opzoeken en in een
apart geheugen opslaan.
Deze functie is met name
handig in gebieden waar u de radiozenders
en hun frequenties niet kent.
Selecteer de radiostand met de toets AM
of FM.
Start het zoeken door de knop AUTO
lang (meer dan 2 seconden) in te
drukken.
Op het display staat Auto, terwijl een
aantal zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand
automatisch in het geheugen worden
opgeslagen. Als er geen radiozender kon
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst
NO STATION.
Druk kort op de toets AUTO of op de
pijltoetsen van de toetsenset op het
stuurwiel, als u een andere, automatisch
ingestelde zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automa-
tische opslag staat, staat de tekst Auto op
het display. De tekst verdwijnt weer, wanneer
u teruggaat naar de normale radiostand.
Ga terug naar de normale radiostand door op
de toetsen FM, AM of EXIT te drukken of aan
de knop PRESET/CD te draaien.
Terugkeren naar Autom. opslaan:
Druk kort op de toets AUTO.
190
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-650/850
Zenders opslaan
U kunt als volgt een zender opslaan onder
een van de voorkeuzetoetsen 1–6:
Stel de gewenste radiozender in.
Druk op de voorkeurtoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd deze toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg. De tekst STATION STORED
verschijnt op het display.
U kunt tot 6 zenders per radiostand (AM1,
AM2, FM1, FM2 en FM3) opslaan, d.w.z.
30 zenders in totaal.
Automatisch zenders opslaan
Met behulp van de functie
Auto kunt tot tien goed te
ontvangen AM- of FM-
zenders opzoeken en in een
apart geheugen opslaan. Als
er meer dan tien zenders
gevonden worden, worden alleen de tien
best doorkomende zenders geselecteerd.
Deze functie is met name handig in gebieden
waar u de radiozenders en hun frequenties
niet kent.
Selecteer de radiostand met de toets AM
of FM.
Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
Op het display staat Auto, terwijl een
aantal zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand
automatisch in het geheugen worden
opgeslagen. Als er geen radiozender kon
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst
NO STATION.
Druk kort op de toets AUTO of op de
pijltoetsen van de toetsenset op het
stuurwiel, als u een andere, automatisch
ingestelde zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automa-
tische opslag staat, staat de tekst Auto op
het display. De tekst verdwijnt weer, wanneer
u teruggaat naar de normale radiostand.
Ga terug naar de normale radiostand door op
de toetsen FM, AM of EXIT te drukken.
Terugkeren naar Autom. opslaan:
Druk kort op de toets AUTO.
191
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Radio Data System, RDS
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
wordt onder meer gebruikt om op de beste
frequentie van een bepaalde zender
afgestemd te blijven ongeacht de beluisterde
zender of geluidsbron (zoals een cd). Het
systeem wordt tevens gebruikt om verkeer-
sinformatie te ontvangen en radiopro-
gramma’s van een bepaald type te vinden.
Radiotekst is ook een onderdeel van RDS.
Een radiozender kan informatie verzenden
over de radio-uitzending.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of slechts in beperkte mate.
PI zoeken (automatisch zenders
zoeken)
Bij het beluisteren van een RDS-zender
wordt diverse informatie in de radio (zoals
verkeersinformatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender
afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDS-
informatie van deze zender bij. Als de radio
zich net binnen of buiten het bereik van de
zender bevindt, stemt de radio automatisch af
op de best doorkomende zender die het door
u beluisterde programma doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik
ligt, valt de radio stil en verschijnt de tekst
PI SEEK op het display zolang er geen
zender is gevonden.
Verkeersinformatie, TP-zender
Bij activering van deze functie krijgt u verkeer-
sinformatie binnen van RDS-zenders. Als u
een andere geluidsbron beluistert dan de
radio, wordt de weergave ervan onderbroken
en ontvangt u de verkeersinformatie op het
volume dat u tevoren hebt ingesteld. Na
afloop van het verkeersbulletin hervat het
audiosysteem op het oude volume de
weergave van de geluidsbron die u
beluisterd.
Verkeersinformatie instellen:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Selecteer TP en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer TP ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
TP deactiveren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Selecteer TP en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer TP OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Wanneer de functie actief is, staat de tekst
TP op het display. Druk op EXIT om een
lopend verkeersbulletin voortijdig af te
breken.
De TP-functie blijft echter actief, zodat de
radio op het volgende verkeersbulletin wacht.
Verkeersinformatie van een specifieke
zender instellen:
Selecteer de radiostand met de toets FM.
Activeer de radiozender waarvan u de
verkeersinformatie wilt ontvangen.
Druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer TP
STATION en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer SET
CURRENT en druk op SOURC.
Druk op EXIT.
TP-zender deactiveren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer TP
STATION en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer TP
STATION OFF en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
192
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Alarm
Er verschijnt “ Alarm!” op het display,
wanneer er een alarmmelding wordt
verzonden. Deze functie wordt gebruikt om u
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten, zoals ingestorte bruggen of
ongelukken in kerncentrales.
TP zoeken
Met deze functie kunt u naar verkeersinfor-
matie blijven luisteren tijdens langere ritten
door verschillende gebieden en/of landen
zonder dat u daarvoor zelf van zender hoeft te
wisselen.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer TP
SEARCH en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer TP
SEARCH ON of TP SEARCH OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Nieuws
Bij activering van deze functie krijgt u nieuws-
bulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron beluistert dan de radio,
wordt de weergave ervan onderbroken en
ontvangt u de bulletins op het volume dat u
daarvoor hebt ingesteld. Na afloop van het
nieuwsbulletin hervat het audiosysteem op
het oude volume de weergave van de
geluidsbron die u beluisterde.
News (Nieuws) instellen:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS ON (knipperende tekst) en druk
op SOURCE.
Druk op EXIT.
De tekst NEWS verschijnt op het display.
News (Nieuws) deactiveren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer NEWS en
druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer NEWS
OFF (knipperende tekst) en druk op
SOURCE.
Druk op EXIT.
De tekst NEWS verdwijnt van het display.
Druk op EXIT om een lopend nieuwsbulletin
voortijdig af te breken. De functie News
(Nieuws) blijft echter actief, zodat de radio op
het volgende nieuwsbulletin wacht.
Uitzendingen onderbreken voor
nieuwsbulletins:
Selecteer de radiostand met de toets FM.
Activeer de radiozender waarvan u de
verkeersinformatie wilt ontvangen.
Druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer NEWS
STATION en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer SET
CURRENT en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Functie News Station (Nieuwszender)
deactiveren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer NEWS
STATION en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer NEWS
STN OFF en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
193
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Programmatype, PTY
Met de functie PTY kunt u kiezen uit verschil-
lende programmatypes.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer PTY en
druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer PTY in het
menu en druk op SOURCE.
De radio begint te zoeken naar een
zender met het geselecteerde program-
matype.
Als de radio een zender heeft gevonden
die ongeschikt is, kunt u verder zoeken
met de linker- of rechterpijl.
Als er geen zender met het gekozen
programmatype kan worden gevonden,
gaat de radio terug naar de voorgaande
frequentie.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
PTY stand-by
De functie PTY staat dan stand-by, totdat er
een programma van het gekozen type wordt
uitgezonden. Wanneer dat het geval is, gaat
de radio automatisch over op de zender die
het geselecteerde programmatype uitzendt.
Deactiveren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer PTY en
druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE , selecteer PTY OFF
en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Het symbool PTY verdwijnt van het display en
de radio hervat de normale stand.
PTY-taal
Met de functie PTY kunt u de taal selecteren
die op het display van de radio moet worden
gebruikt (Engels, Duits, Frans of Zweeds).
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Programmatype Displaytekst
UIT PTY OFF
Nieuws News
Actualiteiten Current
Informatie Info
Sport Sport
Educatie Educ
Hoorspel Theatre
Kunst en cultuur Culture
Wetenschap Science
Amusement Enterta
Pop Pop
Rock Rock
Easy listening Easy list
Licht klassiek L Class
Klassiek Classical
Overige muziek Other M
Weer Weather
Financieel nieuws Economy
Kinderprogramma’s For childeren
Maatschappelijke
programma’s
Social
Religie Spiritual
Inbelprogramma’s Telephone
Reizen Travel
Ontspanning Leisure
Jazz Jazz
Country Country
Nationale muziek Nation M
Programmatype Displaytekst
Gouwe ouwe “Oldies”
Volksmuziek Folk
Documentaires Document
Programmatype Displaytekst
194
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
PTY LANGUAGE en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer een taal en
druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Automatische afstemfunctie
activeren
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de
zender met het sterkste signaal voor de
gekozen zender.
AF activeren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer AF ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
AF deactiveren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer AF OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Regionale radioprogramma’s,
REG
De functie REG die normaal gesproken uitge-
schakeld is, maakt het u mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te
blijven ondanks dat het signaal zwak is.
REG activeren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer REG ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
REG deactiveren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO SETTINGS MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer REG OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
EON, Local/Distant
(Enhanced Other Networks)
Met de functie EON geactiveerd, worden
radioprogramma’s onderbroken voor
verkeers- en nieuwsbulletins van andere
zenders.
De functie kent twee actieve niveaus:
Local – Alleen onderbreking, wanneer het
signaal sterk genoeg is.
Distant – Ook onderbreking bij zwakkere
signalen.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
195
Audiosysteem (optie)
Radiofuncties HU-450/650/850
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer EON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer Local of
Distant en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
RDS-instellingen resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriek-
instellingen voor RDS herstellen.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RESET
TO DEFAULT en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
ASC (Active Sound Control)
De actieve geluidsregeling (ASC) stemt het
volume van de radio automatisch af op de
rijsnelheid.
ASC activeren:
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer ASC
LEVEL en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer LOW,
MEDIUM, HIGH of Off en druk op
SOURCE.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie
door over de inhoud van de programma’s, de
uitvoerende artiesten e.d.
Druk enkele seconden lang op de toets FM
om eventueel meegestuurde radiotekst op
het display te bekijken. Nadat de tekst
tweemaal achtereen op het display
verschenen is, geeft de radio de zender/
frequentie weer aan waarop u hebt
afgestemd. Met een korte druk op de toets
EXIT beëindigt u de weergave van de radio-
tekst.
196
Audiosysteem (optie)
Cassettedeck HU-450
Cassetteopening
Steek de cassette met de open kant naar
rechts in de opening. Op het display
verschijnt TAPE Side A. Wanneer een kant
van de cassette is afgespeeld, schakelt het
deck automatisch over naar de andere kant
(auto-reverse). Als er al een cassette in het
deck zit, kunt u de cassette laten afspelen
door aan de knop SOURCE te draaien of op
de sneltoets TAPE te drukken.
Van bandrichting wisselen
Druk op de toets REV, als u de andere kant
van de cassette wilt beluisteren. Op het
display staat aangegeven welke kant van de
cassette wordt afgespeeld.
Cassette uitwerpen
Als u op de uitwerptoets
drukt, stopt de cassette
waarna deze wordt uitge-
worpen. Draai aan de knop
SOURCE om een andere
geluidsbron te kiezen. Ook
als het systeem is uitgeschakeld, kunt u een
cassette plaatsen of uitwerpen.
Ruisonderdrukking Dolby B
De ruisonderdrukkingsfunctie is normaal
geactiveerd. Ga als volgt te werk, als u de
functie wilt uitschakelen. Houd de toets REV
ingedrukt, totdat het Dolby-symbool van
het display verdwijnt. Druk nogmaals op
dezelfde toets om de Dolby-functie weer te
activeren.
Dolby ruisonderdrukking wordt geprodu-
ceerd onder licentie van Dolby Laboratories
Licensing Corporation. Dolby en de dubbele
D zijn geregistreerde handelsmerken van
Dolby Laboratories Licensing Corporations.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u
gebruiken om van ieder
nummer de eerste tien
seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u
het nummer hebt gevonden dat u wilt beluis-
teren.
Vooruit-/achteruitspoelen
U kunt de cassette vooruit-
spoelen met de toets en
achteruitspoelen met .
Tijdens het versneld spoelen
geeft het display “FF”
(vooruit) of “REW”
(achteruit) weer. De spoelfunctie wordt
beëindigd, als u de toets nogmaals indrukt.
Volgende nummer, vorige
nummer kiezen
Als u de toets indrukt, zal de cassette
automatisch vooruitgespoeld worden naar
het begin van het volgende nummer. Als u de
toets indrukt, zal de cassette automatisch
achteruitgespoeld worden naar het begin van
het vorige nummer. Deze functie werkt alleen
goed, wanneer er tussen de nummers een
stilte van ongeveer vijf seconden is ingelast.
Als uw stuurwiel is voorzien van een
toetsenset, kunt u gebruik maken van de
pijltoetsen ervan.
197
Audiosysteem (optie)
Cd-speler HU-650
Cd-speler
Steek een cd in de opening. Als u al een cd
hebt aangebracht, moet u voor weergave van
de cd kiezen door aan de knop SOURCE te
draaien of op de sneltoets CD te drukken.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande
toets drukt, stopt de cd-
speler waarna de cd wordt
uitgeworpen.
N.B. Om veiligheidsredenen
hebt u twaalf seconden de
tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als
de cd na afloop van deze periode nog in de
cd-speler zit, wordt de cd weer ingenomen
en verder afgespeeld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van
nummer wisselen
Houd de linker of rechter
pijltoets ingedrukt om een of
meer nummers op de cd
vooruit te spoelen. De
spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset
op het stuurwiel.
Druk kort op de linker of rechter pijltoets om
naar het vorige of volgende nummer te gaan.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel. Het nummer
staat aangegeven op het display.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden te
beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u
het nummer hebt gevonden dat u wilt beluis-
teren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op “RND” (random) om
de willekeurige afspeel-
volgorde te activeren. De
cd-speler speelt de
nummers van de cd dan in
een willekeurige volgorde af.
Zolang deze functie actief is staat er “RND”
op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmte-
ontwikkeling in de cd-speler kan het
etiket losraken en schade aan de cd-
speler veroorzaken.
198
Audiosysteem (optie)
Interne cd-wisselaar HU-850
Interne cd-wisselaar
Een interne cd-wisselaar met een magazijn
voor 6 cd’s maakt deel uit van HU-850. Druk
op de sneltoets CD of draai aan de knop
SOURCE om de cd-wisselaar te activeren.
De cd-wisselaar speelt het laatst gekozen
nummer op de laatst gekozen cd af. U kunt
6 cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen. Om
een nieuwe cd te kunnen aanbrengen moet u
een lege positie selecteren. Selecteer een
lege positie met de cijfertoetsen 1–6. Het
nummer van de lege positie verschijnt op het
display. Zorg dat de tekst “LOAD DISC”
verschijnt, voordat u een nieuwe cd
aanbrengt.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande
toets drukt, stopt de cd-
speler waarna de cd wordt
uitgeworpen.
N.B. Om veiligheidsredenen
hebt u twaalf seconden de
tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen. Als
de cd na afloop van deze periode nog in de
cd-speler zit, wordt de cd weer ingenomen
en verder afgespeeld.
Nummer cd selecteren
Selecteer de af te spelen cd met de cijfer-
toetsen 1–6. Het nummer van de geselec-
teerde cd en het af te spelen nummer op die
cd verschijnen op het display.
Vooruit-/achteruitspoelen en van
nummer wisselen
Houd de linker of rechter
pijltoets ingedrukt om een of
meer nummers op de cd
vooruit te spoelen. De
spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset
op het stuurwiel.
Druk kort op de linker of rechter pijltoets om
naar het vorige of volgende nummer te gaan.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel. Het nummer
staat aangegeven op het display.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden te
beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u
het nummer hebt gevonden dat u wilt beluis-
teren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op RND (random) om
de willekeurige afspeel-
volgorde te activeren. De
cd-wisselaar speelt dan een
willekeurig nummer van een
willekeurige cd. De cd-
wisselaar kiest daarna een nieuw willekeurig
nummer van een willekeurige cd. Zolang de
functie actief is, staat er “RND” op het
display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmte-
ontwikkeling in de cd-speler kan het
etiket losraken en schade aan de cd-
speler veroorzaken.
199
Audiosysteem (optie)
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850
Cd-wisselaar
De externe cd-wisselaar (optie) zit achter het
paneel linksachter in de bagageruimte.
Draai aan de knop SOURCE om de cd-
wisselaar in te schakelen. De cd-wisselaar
speelt het laatst gekozen nummer op de
laatst gekozen cd af. Als het magazijn* van de
cd-wisselaar leeg is, verschijnt er “LOAD
CARTRIDGE” op het display.
Doe het volgende om cd’s in de cd-wisselaar
aan te brengen:
duw het klepje van de cd-wisselaar opzij.
druk op de uitwerptoets voor het
magazijn.
trek het cd-magazijn naar buiten en breng
de schijven aan.
duw het magazijn in de cd-wisselaar terug.
Sleuf kiezen
Selecteer de af te spelen cd door aan de
knop PRESET/CD (HU-450) te draaien of
druk op de cijfertoetsen 1–6 (HU-650/850).
Het nummer van de geselecteerde cd en het
af te spelen nummer op die cd verschijnen op
het display.
Vooruit-/achteruitspoelen en van
nummer wisselen
Houd de linker of rechter
pijltoets ingedrukt om een of
meer nummers op de cd
vooruit te spoelen. De
spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset
op het stuurwiel.
Druk kort op de linker of rechter pijltoets om
naar het vorige of volgende nummer te gaan.
U kunt daarvoor ook gebruik maken van de
toetsenset op het stuurwiel. Het nummer
staat aangegeven op het display.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden te
beluisteren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u
het nummer hebt gevonden dat u wilt beluis-
teren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op RND (geldt voor
HU-650 en 850) om de
willekeurige afspeelvolgorde
te activeren. Bij het audio-
systeem HU-450 moet u op
de toets REV drukken. De
cd-speler speelt dan een willekeurig nummer
van een willekeurige cd. De cd-wisselaar
kiest daarna een nieuw willekeurig nummer
op een willekeurige cd. Zolang de functie
actief is, staat er “RND” op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmteont-
wikkeling in de cd-speler kan het etiket
losraken en schade aan de cd-speler
veroorzaken.
200
Audiosysteem (optie)
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
Dolby Surround Pro Logic II is gebaseerd op
het voorgaande systeem en levert een duide-
lijke verbetering van de geluidsweergave op.
De verbetering is met name duidelijk te
merken voor de achterpassagiers.
In combinatie met een middenluidspreker
midden op het dashboard zorgt Dolby
Surround Pro Logic II voor een zeer realis-
tische geluidsweergave.
De normale stereokanalen links en rechts
worden dan opgedeeld in links, midden en
rechts. Bovendien produceren de luidsprekers
achterin het zogeheten “Ambient Surround
Sound”. Dolby Surround Pro Logic II werkt
alleen, wanneer u een cd beluistert.
Als u naar een AM- of FM-zender luistert,
wordt u geadviseerd driekanaals stereo-
weergave (3-CH) te kiezen.
Dolby Surround Pro Logic II is een geregis-
treerd handelsmerk van Dolby Laboratories
Licensing Corporation. Dolby Surround Pro
Logic II wordt geproduceerd onder licentie van
Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II Mode
Druk op “ PL II” om
Dolby Surround Pro Logic II
Mode in te schakelen. Op
het display verschijnt
PL II”. Druk op OFF om
terug te keren naar 2-kanaals stereo-
weergave.
3-kanaal stereo
Druk op de toets 3-CH om
de 3-kanaals stereo-
weergave te activeren. Op
het display verschijnt de
tekst “3 ch”. Druk op OFF
om terug te keren naar de
2-kanaals stereoweergave.
Volume middenluidspreker
(Centre Level)
Gebruik deze functie om het volume van de
middenluidspreker in te stellen.
Druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer CENTRE
LEVEL en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Volume “Ambient Surround
Sound” (Surround Level)
Gebruik deze functie om het uitgangsver-
mogen van de achterste luidsprekerkanalen
in te stellen.
Druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
SURROUND LEVEL en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
Niveau equalizer (Mid EQ Level)
Gebruik deze functie om de geluidsweergave
via de luidsprekers fijn af te regelen.
Druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer AUDIO
SETTINGS en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer MID EQ
LEVEL en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
201
Audiosysteem (optie)
Technische gegevens
HU-450
Vermogen 4 x 25 W
Impedantie 4 Ohm
Bedrijfsspanning 12 V,
negatieve massa
Radio
Frequentiebereik
U (FM) 87,5 – 108 MHz
M (AM) 522 – 1611 kHz
L (AM) 53 – 279 kHz
HU-650
Vermogen 4 x 25 W
Impedantie 4 Ohm
Bedrijfsspanning 12 V, negatieve
massa
Externe versterker
(optie)
4 x 50 W of
4 x 75 W
Radio
Frequentiebereik
U (FM) 87,5 – 108 MHz
M (AM) 522 – 1611 kHz
L (AM) 153 – 279 kHz
HU-850
Vermogen 1 x 25 W
(centrale luidspreker)
Impedantie 4 Ohm
Bedrijfsspanning 12 V,
negatieve massa
Externe versterker 4 x 50 W of
4 x 75 W
HU-850 moet worden aangesloten op een
externe versterker.
Radio
Frequentiebereik
U (FM) 87,5 – 108 MHz
M (AM) 522 – 1611 kHz
L (AM) 153 – 279 kHz
202
Audiosysteem (optie)
203
Telefoon (optie)
Telefoonsysteem 204
Beknopte bedieningsinstructies 206
Bel-opties 207
Geheugenfuncties 211
Menu’s 212
Overige informatie 217
204
Telefoon (optie)
Telefoonsysteem
Algemene voorschriften
Verkeersveiligheid staat voorop. Als u als
bestuurder gebruik wilt maken van de
handset in de armleuning, moet u de auto
eerst op een veilige plaats parkeren.
Schakel de telefoon uit tijdens het tanken.
Schakel de telefoon uit in gebieden waar
er met explosieven wordt gewerkt.
Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Noodoproepen
Het is altijd mogelijk het alarmnummer te
bellen, zelfs als de contactsleutel of de
SIM-kaart is uitgenomen.
Druk op de knop Aan/Uit.
Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
Druk op de groene toets .
Onderdelen van het
telefoonsysteem
1. Toetsenset op middenconsole
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u alle functies van de telefoon regelen.
2. Toetsenset op stuurwiel
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de
meeste functies van de telefoon regelen.
Wanneer het telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoon-
functies. In de actieve stand staan er altijd
telefoongegevens op het display. Als u deze
toetsen wilt gebruiken om radio-instellingen
te verrichten, moet u eerst de actieve stand
van de telefoon verlaten (zie pagina 206).
3. Display
Op het display verschijnen menu’s, berichten,
telefoonnummers e.d.
4. Handset
De handset kunt u gebruiken voor privége-
sprekken waarin u niet gestoord wil worden.
5. SIM-kaart
U brengt de SIM-kaart aan onder de
toetsenset op de middenconsole.
Schakel de telefoon uit als u geen SIM-kaart
hebt aangebracht, omdat u anders geen
berichten voor de overige functies kunt
aflezen van het display.
6. Microfoon
De microfoon is ingebouwd in de achteruit-
kijkspiegel.
7. Luidsprekers
De luidspreker is ingebouwd in de hoofd-
steun van de bestuurdersstoel.
8. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht,
achter de achteruitkijkspiegel.
205
Telefoon (optie)
Telefoonsysteem
206
Telefoon (optie)
Beknopte bedieningsinstructies
SIM-kaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige SIM-kaart
(Subscriber Identity Module). U hebt deze
kaart van uw provider ontvangen.
Breng altijd de SIM-kaart aan, wanneer u
gebruik wilt maken van de telefoon. De naam
van uw provider verschijnt dan op het display.
Schakel de telefoon uit, als u geen SIM-kaart
hebt aangebracht. U kunt anders geen
berichten voor de overige functies aflezen
van het display en de toetsenset op het
stuurwiel niet gebruiken om de radio te
bedienen.
Telefoon in- en uitschakelen
Telefoon inschakelen: Draai de contact-
sleutel naar stand I. Druk op de aangegeven
knop op de bovenstaande afbeelding.
Telefoon uitschakelen: Druk de knop
waarmee u de telefoon inschakelde
ca. drie seconden lang in. Als u het contact
uitzet, terwijl de telefoon actief is, zal de
telefoon ook actief zijn wanneer u het contact
een volgende keer opnieuw aanzet.
Wanneer de telefoon uitgeschakeld is, kunt u
geen gesprekken aannemen.
Actieve stand
Om gebruik te kunnen maken van de functies
die de telefoon u biedt, moet de telefoon in
de actieve stand staan (dit geldt niet voor
binnenkomende gesprekken). Zet de
telefoon in de actieve stand door te drukken
op op het bedieningspaneel of op de
toetsenset op het stuurwiel.
In de actieve stand staan er altijd telefoonge-
gevens op het display.
Druk op om de actieve stand te verlaten.
207
Telefoon (optie)
Bel-opties
Display
Op het display verschijnen de actuele
functies zoals menu’s, berichten, telefoon-
nummers of instellingen.
Bellen en gesprekken aannemen
U kunt als volgt bellen: Kies het nummer en
druk op op de toetsenset op het
stuurwiel of op de middenconsole (of til de
handset op).
U kunt als volgt een inkomend gesprek
aannemen: Druk op (of til de handset op).
U kunt ook gebruik van de automatische
aanneemfunctie “Auto antw.” (zie menu-
optie 4.3).
Het geluid van het audiosysteem kan automa-
tisch worden uitgeschakeld tijdens een
telefoongesprek. Zie ook menu-optie 5.6.5
voor het volume van het audiosysteem.
Gesprekken beëindigen
Om een gesprek te beëindigen drukt u op
op de toetsenset van het stuurwiel of op
de middenconsole of u legt de handset op.
Het audiosysteem gaat weer in de
voorgaande stand staan.
208
Telefoon (optie)
Bel-opties
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
tien laatst gekozen telefoonnummers/namen
op.
Druk op van de toetsenset op het
stuurwiel of op de middenconsole.
Blader met de pijltoetsen vooruit of
achteruit door de laatst gekozen
nummers.
Druk op (of neem de handset op) om te
bellen.
Handset
Als u privégesprekken wilt kunnen voeren,
moet u gebruik maken van de handset.
Neem de handset op. Voer het gewenste
nummer in met de toetsenset op de
middenconsole. Druk op om te
bellen. U regelt het volume met de
draaiknop op de zijkant van de handset.
U kunt het gesprek beëindigen door de
handset terug in de houder te leggen.
Doe het volgende als u tijdens een lopend
gesprek wilt overgaan op het gebruik van de
handsfree zonder daarvoor het gesprek te
beëindigen: druk op en kies voor
handsfree. Druk op en leg de handset op
(zie pagina 207).
Verkort kiezen
Telefoonnummers onder een
voorkeuzetoets opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het
telefoonboek van het systeem kunt u
koppelen aan een bepaalde voorkeuzetoets
(1–9). U doet dat als volgt:
Blader met naar Geheugen bewerken
(menu 3) en druk op .
Blader verder naar Verk. kiezen
(menu 3.4) en druk op .
Druk op de voorkeuzetoets waaronder u
het nummer wilt opslaan. Druk op om
uw keuze te bevestigen.
Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze uit het geheugen op en druk op
om de naam of het telefoonnummer
te selecteren.
Voorkeuzetoets gebruiken
Druk een voorkeuzetoets ca. twee seconden
lang in om het telefoonnummer te kiezen dat
met de toets opgeslagen is.
N.B. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen. Om
verkort te kunnen kiezen moet Menu 4.5
geactiveerd zijn (zie pagina 215).
209
Telefoon (optie)
Bel-opties
Functies tijdens lopende
gesprekken
Tijdens een lopend gesprek kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op YES om een keuze te
maken):
Wanneer u tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek hebt geparkeerd, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op YES om een keuze te
maken):
Wanneer u gekozen hebt voor Samenvoegen
en twee lopende gesprekken voert, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op YES om een keuze te
maken):
Tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek aannemen
Als u tijdens een lopend gesprek een geluids-
signaal onmiddellijk gevolgd door twee korte
geluidssignalen hoort, komt er een tweede
gesprek binnen. De twee korte geluidssig-
nalen worden herhaald, totdat u het gesprek
beantwoordt of de beller oplegt. U kunt het
tweede gesprek dan wel of niet aannemen.
Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u
op drukken of niets doen. Als het gesprek
echter wel wilt aannemen, moet u op
drukken. U parkeert het lopende gesprek dan
tijdelijk. Als u op drukt, worden beide
gesprekken beëindigd.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Wachten/
Wachten uit
Om het lopende
gesprek wel of niet te
parkeren
Handset/
Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Geheugen Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Handset/
Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Geheugen Om de opgeslagen
nummers te bekijken
Samenvoegen Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Wisselen Om te wissen tussen
de twee gesprekken
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraakstand
Handset/
Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Geheugen Om de opgeslagen
nummers te bekijken
210
Telefoon (optie)
Bel-opties
SMS
Eén geluidssignaal geeft aan dat er een
SMS-bericht is binnengekomen.
Volume
Verhoog het volume door op de (+) van de
toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Verlaag het volume door op de () van de
toetsenset op het stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand
staat, kunt u met de toetsenset op het
stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u deze toetsen wilt gebruiken om radio-
instellingen te verrichten, moet u de telefoon
eerst deactiveren (zie pagina 206).
211
Telefoon (optie)
Geheugenfuncties
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in
het geheugen op de SIM-kaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het
telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de
bijbehorende naam op het display weerge-
geven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen
opslaan
Druk op en blader naar Geheugen
bewerken (menu 3). Druk vervolgens op
.
Blader verder naar Toevoegen (menu 3.1)
en druk op .
Voer het gewenste nummer in en druk op
.
Voer de bijbehorende naam in en druk op
.
Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan met en druk
vervolgens op .
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste
teken van de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. Druk op
de 1 om een spatie in te voegen.
Nummers uit het geheugen
bellen
Druk op .
Kies uit de volgende mogelijkheden:
Druk op en blader met de pijltoetsen
naar de naam van uw keuze.
Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam
(of voer de complete naam in) en druk op
.
Druk op om het geselecteerde
nummer te bellen.
spatie 1 - ? ! , . : ' ( )
a b c 2 ä å à á â æ ç
d e f 3 è é ë ê
g h i 4 ì í î ï
j k l 5
m n o 6 ñ ö ò ó Ø
p q r s 7 ß
t u v 8 ü ù ú û
w x y z 9
om tweemaal achtereen
hetzelfde teken van een toets in
te voeren moet u na de eerste
maal op * drukken of enkele
seconden wachten.
+ 0 @ * # & $ £ / %
om te wisselen tussen hoofd-
letters en kleine letters
om het laatst ingevoerde teken
te wissen. Wanneer u de toets
lang ingedrukt houdt, kunt u het
nummer of de tekst in zijn
geheel wissen.
212
Telefoon (optie)
Menu’s
Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande
instellingen controleren of wijzigen en nieuwe
functies programmeren. De verschillende
menu-opties worden op het display weerge-
geven.
Menusysteem
Druk op om het menusysteem te
activeren.
In het menusysteem geldt het volgende:
Wanneer u lang ingedrukt houdt,
verlaat u het menusysteem.
Wanneer u kort op drukt, annuleert,
hervat of verwerpt u een optie.
Wanneer u op drukt, bevestigt of
selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
Met de toets gaat u naar het
volgende submenu. Met de toets
gaat u naar het vorige submenu.
Sneltoetsen
Wanneer u met de toets naar het
menusysteem bent gesprongen, kunt u
gebruik maken van de cijfertoetsen in plaats
van de pijltoetsen en de groene toets om
naar het gewenste submenu op het hoofd-
niveau (1, 2, 3 etc.), het eerste subniveau
(1.1, 2.1, 3.1 etc.) en het tweede subniveau
(1.1.1, 2.1.1 etc.) te springen. De cijferaan-
duiding van het geselecteerde menu staat
samen met de naam van de menu-optie op
het display weergegeven.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen is het menusysteem
niet toegankelijk bij snelheden hoger dan
8 km/h. U kunt de begonnen activiteit in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbe-
grenzing opheffen.
213
Telefoon (optie)
Menu’s
Hoofdmenu’s/Submenu’s
1. Oproepregister
1.1. Gem. oproep
1.2. Ontv. oproep
1.3. Gebeld.
1.4. Wis lijst
1.4.1. Alle
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
1.5. Duur oproep
1.5.1. Lste oproep
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
2. Meldingen
2.1. Lezen
2.2. Invoeren
2.3. Voice mail
2.4. Instellingen
2.4.1. SMSC-nummer
2.4.2. Geldigheid
2.4.3. Soort
3. Geheugen bewerken
3.1. Toevoegen
3.2. Zoeken
3.2.1. Bewerken
3.2.2. Wissen
3.2.3. Kopiëren
3.2.4. Verplaatsen
3.3. Alles kopiëren
3.3.1. SIM naar tel
3.3.2. Tel naar SIM
3.4. Verk. kiezen
3.5. SIM-geheugen wissen
3.6. Telefoongeheugen wissen
3.7. Status
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
4.2. Oproep wacht
4.3. Auto antw.
4.4. Auto herk.
4.5. Verk. kiezen
4.6. Doorschakelen
4.6.1. Alle oproepen
4.6.2. Bij bezet
4.6.3. Onbeantwoord
4.6.4. Onbereikbaar
4.6.5. Fax-oproepen
4.6.6. Data-oproepen
4.6.7. Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Fabriek
5.2. Netwerk
5.3. Taal
5.3.1. English UK
5.3.2. English US
5.3.3. Svenska
5.3.4. Dansk
5.3.5. Suomi
5.3.6. Deutsch
5.3.7. Nederlands
5.3.8. Français FR
5.3.9. Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
5.4. SIM-beveiligd
5.4.1. Aan
5.4.2. Uit
5.4.3. Auto
5.5. Wijzig codes
5.5.1. PIN-code
5.5.2. Telefooncode
5.6. Geluiden
5.6.1. Belvolume
5.6.2. Belsignaal
5.6.3. Toetsklik
5.6.4. Aanp. Snelh.
5.6.5. RadioAutMute
5.6.6. Nieuw SMS-bericht
5.7. Rijd veilig
214
Telefoon (optie)
Menu’s
Menu-opties, beschrijving
1. Oproepregister
1.1. Gemiste oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gemiste oproepen. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het
geheugen van de telefoon of op de SIM-kaart
om ze later te bewerken.
1.2. Ontvangen oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst ontvangen oproepen. U kunt de
nummers bellen, wissen of toevoegen aan
het geheugen van de telefoon of op de SIM-
kaart om ze later te bewerken.
1.3. Gebeld
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gekozen nummers. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het
geheugen van de telefoon of op de SIM-kaart
om ze later te bewerken.
1.4. Wis lijst
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
1.4.1. Alle
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
1.5. Duur oproep
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de
duur van al uw oproepen of alleen de laatste
te zien. U kunt ook het aantal oproepen
bekijken en de timer resetten.
1.5.1. Lste oproep
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over
de telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
2. Meldingen
2.1. Lezen
In dit menu kunt u de ingekomen
boodschappen lezen. U kunt de gelezen
boodschappen (of gedeelten ervan)
vervolgens wissen, doorsturen, wijzigen of
opslaan.
2.2. Invoeren
Met de toetsenset kunt u boodschappen
invoeren. U kunt de boodschappen
vervolgens opslaan of versturen.
2.3. Voice mail
In dit menu kunt u de binnengekomen
gesproken boodschappen beluisteren.
2.4. Instellingen
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de
geadresseerde moet bereiken en hoelang
deze in de mailbox moet blijven liggen.
2.4.1. SMSC-nummer
2.4.2. Geldigheid
2.4.3. Soort
Neem contact op met uw provider voor infor-
matie over deze instellingen en het SMSC-
nummer.
3. Geheugen bewerken
3.1. Toevoegen
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het
geheugen van de telefoon of op de SIM-
kaart. Zie het hoofdstuk over de geheugen-
functies voor meer informatie.
3.2. Zoeken
In dit menu kunt u wijzigingen aanbrengen in
het geheugen.
3.2.1. Bewerken: Gegevens in de
verschillende geheugens wijzigen.
3.2.2. Wissen: Een opgeslagen naam
wissen.
3.2.3. Kopiëren: Een opgeslagen naam
kopiëren.
3.2.4. Verplaatsen: Gegevens overhe-
velen tussen het geheugen van de
telefoon en dat van de SIM-kaart.
215
Telefoon (optie)
Menu’s
3.3. Alles kopiëren:
Telefoonnummers en namen op de SIM-kaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1. Van het geheugen op de SIM-kaart
naar dat van de telefoon
3.3.2. Van het geheugen van de telefoon
naar dat op de SIM-kaart
3.4. Verkort kiezen
Een nummer dat in het telefoonboek ligt
opgeslagen, kunt u aan een voorkeuzetoets
met een bepaald nummer koppelen.
3.5. SIM-geheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen op
de SIM-kaart wissen.
3.6. Telefoongeheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen
van de telefoon wissen.
3.7. Status
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenpo-
sities in beslag genomen worden door de
namen en telefoonnummers in het geheugen
op de SIM-kaart en in dat van de telefoon.
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
Aangeven of uw eigen nummer wel of niet op
het display van de ontvanger moet
verschijnen. Neem contact op met uw
provider voor een permanent geheim
nummer.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt
ontvangen, wanneer er tijdens een lopend
gesprek een tweede oproep wacht.
4.3. Auto antw.
Aangeven of u wilt kunnen antwoorden
zonder gebruik te maken van de toetsenset.
4.4. Automatisch herkiezen
Aangeven of u een eerder gekozen nummer
na een bezettoon automatisch wilt laten
herkiezen.
4.5. Verkort kiezen
In dit menu stelt u in of het wel of niet mogelijk
is gebruik te maken van de voorkeuzetoets.
De functie moet geactiveerd zijn om verkort
te kunnen kiezen.
4.6. Doorschakelen
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer.
4.6.1. Alle oproepen (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende gesprek).
4.6.2. Bij bezet
4.6.3. Onbeantwoord
4.6.4. Onbereikbaar
4.6.5. Fax-oproepen
4.6.6. Data-oproepen
4.6.7. Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Fabrieksinstellingen
Functie om de fabrieksinstellingen te
herstellen.
5.2. Netwerk
Aangeven of u automatisch of handmatig
netwerken wilt selecteren.
5.2.1. Auto
5.2.2. Handmatig
5.3. Taal
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
berichten op het display wilt zien.
5.3.1. English UK
5.3.2. English US
5.3.3. Svenska
5.3.4. Dansk
5.3.5. Suomi
5.3.6. Deutsch
5.3.7. Nederlands
5.3.8. Français FR
5.3.9. Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
5.4. SIM-beveiligd
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van
de PIN-code actief of inactief moet zijn of
automatisch moet verlopen.
216
Telefoon (optie)
Menu’s
5.4.1. Aan
5.4.2. Uit
5.4.3. Auto
5.5. Wijzig codes
In dit menu kunt u uw PIN-code of uw
telefooncode wijzigen.
5.5.1. PIN-code
5.5.2. Telefooncode (gebruik 1234,
voordat u overgaat op uw eigen
code). U gebruikt de telefooncode
om de timer op nul te kunnen stellen.
N.B. Noteer de code en bewaar deze op een
veilige plaats.
5.6. Geluiden
5.6.1. Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een
binnenkomend gesprek instellen.
5.6.2. Belsignaal: U hebt de keuze uit
acht verschillende beltonen.
5.6.3. Toetsklik: Aan of uit.
5.6.4. Aanp. Snelh.: Aangeven of het
volume wel of niet afhankelijk moet
zijn van de rijsnelheid.
5.6.5. RadioAutMute: Hier kunt u
aangeven of u het geluid van de
radio wel of niet wilt uitschakelen
tijdens een telefoongesprek.
5.6.6. Nieuw SMS-bericht: Aangeven of u
wel of geen geluidssignaal wenst
bij de binnenkomst van een nieuw
SMS-bericht.
5.7. Rij veilig
In dit menu kunt u aangeven of u de
snelheidsbegrenzing die geldt voor het
menusysteem wel of niet wilt uitschakelen,
zodat u het menusysteem ook tijdens het
rijden kunt gebruiken.
217
Telefoon (optie)
Overige informatie
Radio/Telefoon
Met de onderste vier toetsen van de
toetsenset op het stuurwiel kunt u zowel de
radio als de telefoon regelen.
Om de telefoonfuncties met deze toetsen te
kunnen sturen moet de telefoon geactiveerd
zijn (zie pagina 206). Als u de toetsen wilt
gebruiken om radio-instellingen te verrichten,
moet u de telefoon eerst deactiveren. Druk in
dat geval op .
Dubbele SIM-kaart
Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten
aan: een voor de autotelefoon en een voor
een andere telefoon. Als u over een dubbele
SIM-kaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer
voor twee verschillende telefoons gebruiken.
Neem contact op met uw provider over de
mogelijkheden en het gebruik van een
dubbele SIM-kaart.
Specificaties
Vermogen 2 W
SIM-kaart Klein
Geheugenposities 255
1
1. 255 geheugenposities in het geheugen van
de telefoon. Het aantal geheugenposities
op de SIM-kaart verschilt afhankelijk van
het abonnement.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEI-
nummer van de telefoon aan uw provider
doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw
telefoon in om het nummer op het display te
zien. Noteer het nummer en bewaar het op
een veilige plaats.
SMS
(Short Message Service)
Ja
Data/Fax Nee
Dualband Ja (900/
1800)
218
Telefoon (optie)
Overige informatie
219
Technische gegevens
Type-aanduidingen 220
Maten en gewichten 221
Motorspecificaties 222
Motorolie 224
Overige vloeistoffen en oliën 227
Brandstof 228
Katalysator 231
Elektrisch systeem 232
220
Technische gegevens
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met de Volvo-
dealer of vervangende onderdelen of
accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn als u de type-aanduiding, het chassis-
nummer en het motornummer bij de hand
hebt.
1. Type- en modeljaaraanduiding
alsmede chassisnummer.
2. Sticker voor standverwarming.
3. Type-aanduiding, chassisnummer,
maximaal toelaatbaar gewicht, kleur-
codes voor lak en bekleding en
typegoedkeuringsnummer.
a: type 1
b: type 2
4. Type-aanduiding en serienummer van
de versnellingsbak.
a: Handgeschakelde versnellingsbak.
b: Automatische versnellingsbak AW.
5. Motoroliesticker
1
met de kwaliteit en
viscositeit van de te gebruiken olie.
6. Type-aanduiding van de motor,
onderdeel- en serienummer.
1. Bepaalde motortypes.
221
Technische gegevens
Maten en gewichten
Maten
Lengte: 460 cm (R:461 cm)
Breedte: 180 cm
Hoogte: 143 cm
Wielbasis: 272 cm
Spoorbreedte, vooras: 156 cm
Spoorbreedte, achteras: 156 cm
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht is het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het
gewicht van de passagiers en de gemon-
teerde accessoires zoals een trekhaak (en de
kogeldruk daarvan bij gebruik van een
aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox
e.d. zijn van invloed op de laadcapaciteit en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
totaalgewicht – rijklaar gewicht.
Type 1
Type 2
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Alleen China
1. Max. totaalgewicht
2. Max. aanhangergewicht
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg
Ongeremde aanhanger
Max. aanhangergewicht 750 kg
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Geremde aanhanger
Max.
aanhangergewicht:
Max.
kogeldruk:
0–1200 kg 50 kg
1201–1600 kg 75 kg
222
Technische gegevens
Motorspecificaties
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 220).
Specificaties Motoraanduiding
2.4
B5244S2
Bi-Fuel
(CNG)
B5244SG
2.4
B5244S
2.0T
B5204T5
2.5T
B5254T2
2.4
B52 44T4
1
Vermogen (kW bij omw/s)
(pk bij omw/min)
103/75 103/97 125/100 132/92 154/83 162/92
140/4500 140/5800 170/6000 180/5500 210/5000 220/5000
Motorkoppel (Nm bij omw/s)
(kpm bij omw/min)
220/55 192/75 225/75 240/31–83 320/25–75 350/35–67
22,5/3300 19,6/4500 23,0/4500 24,5/1850–
5000
32,6/1500–
4500
35,7/2100–
4000
Aantal cilinders 5 5 5 5 5 5
Cilinderboring (mm) 83 83 83 81 83 81
Slaglengte (mm) 90 90 90 77 93,2 93,2
Cilinderinhoud (dm
3
of liter) 2,44 2,44 2,44 1,98 2,52 2,4
Compressieverhouding 10,3:1 10,3:1 10,3:1 9,5:1 9,0:1 8,5:1
Bougies:
Elektrodeafstand (mm) 1,2 1,2 1,2 0,7 0,7 3x1,2
Aanhaalmoment (Nm) 30 30 30 30 30 25
1. Thailand, Maleisië
223
Technische gegevens
Motorspecificaties
Specificaties Motoraanduiding
T5
B5244T5
R
B5254T4
D5
D5244T4
2.4D
D5244T5
2.4D (7CV)
D5244T6
1
2.4D
D5244T7
Vermogen (kW bij omw/s)
(pk bij omw/min)
191/92 220/92
2
220/100
3
136/67 120/92 90/67 92/67
260/5500 300/5500
2
300/6000
3
185/4000 163/4000 122/4000 126/4000
Koppel (Nm bij omw/s)
AWD
(kpm bij omw/min)
AWD
350/35–83 400/33–88
2
350/31–100
3
400/33–46 340/29–46 300/29–38 300/29–38
35,7/2100–
5000
40,8/1950–
5250
2
35,7/1850–
6000
3
40,8/2000–
2750
34,7/1750
2750
30,6/1750–
2250
30,6/1750–
2250
Aantal cilinders 5 5 5 5 5 5
Cilinderboring (mm) 81 83 81 81 81 81
Slaglengte (mm) 93,2 93,2 93,2 93,2 93,2 93,2
Cilinderinhoud (dm
3
of liter) 2,4 2,52 2,40 2,40 2,40 2,40
Compressieverhouding 8,5:1 8,5:1 17,0:1 17,0:1 17,0:1 17,0:1
Bougies:
Elektrodeafstand (mm) 0,7 0,7 - - - -
Aanhaalmoment (Nm) 28 28 - - - -
1. Frankrijk
2. Geldt voor handgeschakelde versnellingsbak M66C
3. Geldt voor automatische versnellingsbak AW55-51
224
Technische gegevens
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C
doe dat ook bij korte ritten (over
afstanden kleiner dan 10 km) bij lage
temperaturen (onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongun-
stige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van
.
Viscositeitsdiagram
BELANGRIJK!
Gebruik altijd een oliesoort met de
voorgeschreven kwaliteit en viscositeit.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats voor service,
als er een andere olie werd gebruikt dan
voorgeschreven.
Gebruik geen toevoegingen (dopes). Ze
kunnen de motor beschadigen.
225
Technische gegevens
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 220 voor de
positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A1/B1
Viscositeit: SAE 5W-30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Hoeveelheden
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN – MAX (liter)
Hoeveelheid
1
(liter)
Bi-Fuel B5244SG 1,2 5,8
R B5254T4 5,5
226
Technische gegevens
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 220 voor de
positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
Hoeveelheden
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN – MAX (liter)
Hoeveelheid
1
(liter)
2.0T B5204T5 1,2 5,5
2.4 B5244S
B5244S2
2.4T B5244T4
2
T5 B5244T5
2.5T B5254T2
D5 D5244T4 2,0 6,2
2.4D D5244T5
2.4D
7CV
D5244T6
3
2.4D D5244T7
1. Inclusief hoeveelheid in filter.
2. Thailand, Maleisië
3. Frankrijk
227
Technische gegevens
Overige vloeistoffen en oliën
BELANGRIJK!
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende
merken met elkaar mengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service, als er een andere oliesoort
werd gebruikt.
Vloeistof Systeem Hoeveelheid Aanbevolen kwaliteit
Versnellingsbakolie Handgeschakelde vijfversnellingsbak
(M56/M58)
2,1 liter Versnellingsbakolie: MTF 97309
Handgeschakelde zesversnellingsbak
(M66)
2,0 liter
Automatische versnellingsbak
(AW55-50, AW55-51)
7,2 liter Versnellingsbakolie: JWS 3309
Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 7,0 liter
Koelvloeistof Benzinemotor zonder turbo 8,0 liter Koelvloeistof met corrosiewerende dope
aangelengd met water (zie verpakking).
Thermostaat opent bij: benzinemotoren,
90 ºC, dieselmotoren 82 ºC.
Benzinemotor met turbo 9,0 liter
Dieselolie 12,5 liter
Airconditioning 1000 g Olie: PAG
Koudemiddel R134a (HFC134a)
Remvloeistof 0,6 liter DOT 4+
Stuurbekrachtiging Systeem
waarvan reservoir
0,9 liter
0,2 liter
Stuurbekrachtigingsvloeistof:
WSS M2C204-A of een soortgelijk product
met dezelfde specificaties.
Ruitensproeiervloeistof zonder hogedruksproeiers 4,5 liter Bij vorst wordt u geadviseerd een door
Volvo aanbevolen antivries aangelengd met
water te gebruiken.
met hogedruksproeiers 6,4 liter
228
Technische gegevens
Brandstof
Brandstofverbruik en emissie
Motor Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO
2
) in g/km
Tankinhoud
in liter
2.4 B5244S2 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 8,8 209 70
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 9,5 226
Bi-Fuel B5244SG Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 8,7 208 30
Automatische versnellingsbak (AW55-50) 9,5 228
2.4 B5244S Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 8,9 212 70
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 9,5 226
2.0T B5204T5 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 8,9 212 70
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 9,5 227
2.5T B5254T2 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 9,1 217 70
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 9,8 234
AWD Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M58) 9,7 232 72
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 10,2 244
2.4T B5244T4
1
70
T5 B5244T5 Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 9,3 220 70
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 9,8 234
R B5254T4 Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 10,5 252 68
Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 10,9 259
229
Technische gegevens
Brandstof
D5 D5244T4 Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 7,5 199 70
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 6,6 174
2.4D D5244T5 Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 7,5 199
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 6,6 174
Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 6,4 169
2.4D
7CV
D5244T6 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 6,4 169
2.4D D5244T7 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 6,4 169
1. Bepaalde landen
Motor Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO
2
) in g/km
Tankinhoud
in liter
230
Technische gegevens
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot
van kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn
gebaseerd op een gestandaardiseerde
rijcyclus conform EU-richtlijn 80/1268 voor
voertuigen met verbrandingsmotoren. Het
gebruik van extra accessoires kan de
verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de
accessoires het gewicht van de auto
verhogen. Ook de rijstijl en andere niet-
technische factoren kunnen van invloed zijn
op het brandstofverbruik. Bij gebruik van
brandstof met een octaangetal van 91
(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met
een octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
91 (RON) mag u niet gebruiken in
4-cilindermotoren.
95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
98 (RON) wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger
dan +38ºC wordt u geadviseerd een brand-
stofsoort met een zo hoog mogelijk octaan-
getal te gebruiken. Dit om optimale prestaties
en een zo laag mogelijk brandstofverbruik te
verkrijgen.
Benzine: Norm NEN-EN 228
Diesel: Norm NEN-EN 590
231
Technische gegevens
Katalysator
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de
motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om
snel op temperatuur te komen.
De katalysator bestaat uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. De metalen hebben een
katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een
chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
Lambdasonde
TM
(zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstof-
gehalte van de uitlaatgassen die de motor
verlaten. De meetwaarde van de uitlaat-
gasanalyse wordt doorgegeven aan het
elektronische systeem dat continu de injec-
toren afregelt. Het lucht-brandstofmengsel
dat de motor krijgt, wordt continu bijgesteld.
De regeling schept de ideale omstandig-
heden voor een effectieve verbranding van de
schadelijke stoffen (koolwaterstoffen,
koolmonoxide en stikstofoxiden) in de
driewegkatalysator.
232
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem
waarbij het chassis en het motorblok als
geleiders worden gebruikt. De minpool is
verbonden met het chassis.
Om de magnetische velden te beperken is de
auto uitgerust met een extra massakabel.
Accuprestaties
Let er bij het vervangen van de accu op, dat
de nieuwe accu dezelfde koudestartcapa-
citeit en reservecapaciteit als de originele
accu heeft (zie sticker op de accu).
Dynamo
max. stroomsterkte = 140 A
Startmotor
vermogen = 1,4/2,2 kW
Spanning 12 V 12 V 12 V
Koudestart-
capaciteit
(SAE)
520 A 600 A 800
1
A
1. Auto’s met een dieselmotor en standver-
warming.
Reserveca-
paciteit (RC)
100 min. 120 min. 170 min.
233
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Gloeilampen
Verlichting Vermogen W Lampvoet
1. Groot licht 65 H9
2. Dimlicht 55 H7
3. Bi-Xenonsysteem 35 D2R
4. Mistlampen vóór 55 H1
4. Mistlampen vóór (S60 R) 55 H3
5. Stadslichten/parkeerlichten vóór,
zijmarkeringslichten vóór, instapverlichting achter
5 W 2,1x9,5d
6. Richtingaanwijzers voor/achter 21 BAu15s
7. Zijrichtingaanwijzers 5 W 2,1x9,5d
8. Remlichten, achteruitrijlichten 21 BA15s
9. Mistachterlicht 4 BAZ15s
10. Achterlichten 5 BA15s
10. Zijmarkeringslichten achter 10 BA15s
11. Kentekenplaatverlichting, instapverlichting voor,
bagageruimteverlichting
5 SV8,5
12. Make-upspiegel 1,2 SV5,5
Verlichting dashboardkastje 3 BA9
234
Technische gegevens
235
Alfabetisch register
A
A/C ....................................................................66
A/C, temperatuur ............................................66
Aanbrengen en herstellen, roestwering .. 152
Aanhangergewicht ......................................221
Aanrijdingssensoren ......................................21
Aanstaande moeders ....................................11
Aansteker .........................................................44
Accu ..................................119, 155, 164, 232
Achterbank, hoofdsteunen ...........................86
Achterbank, ruggedeelte omklappen .........86
Achterruit, elektrisch verwarmde .................47
Achteruitkijkspiegel ........................................58
Actief chassis .......................................... 44, 46
Adaptief systeem .........................................108
Afstandsbediening .........................................90
Afstandsbediening, batterij vervangen .......92
Afstandsbediening, functies ........................91
Airbag, activeren/deactiveren ......................17
Airbags (SRS) .................................................14
Airbags en opblaasgordijnen, inspectie ....25
Alarm .................................................................97
Alarmlichten .....................................................46
Alarmsensoren ................................................45
Algemene informatie, radiofuncties ......... 188
Audiofuncties, HU-450/650/850 ............ 185
Audiosysteem HU-450, overzicht ............182
Audiosysteem HU-650, overzicht ............183
Audiosysteem HU-850, overzicht ............184
Audiosysteem, technische gegevens ..... 201
Auto wassen .................................................148
AUTO, ECC ....................................................68
Automatische vergrendeling ........................ 93
Automatische versnellingsbak ...................107
Automatische versnellingsbak,
beveiligingssystemen ..................................108
B
Bagageruimte, vergrendelen ....................... 45
Banden
aanbevolen spanning ...........................141
draairichting ...........................................140
maataanduiding .....................................138
rijeigenschappen ...................................138
slijtage-indicatoren ................................139
snelheidsaanduidingen ........................138
Bekleding reinigen .......................................149
“Belangrijk”-kaders ...........................................2
“Belangrijk”-teksten ..........................................2
Benzinekwaliteit ............................................230
Bergen ...........................................................117
Beveiliging tegen overbelasting,
schuifdak ......................................................... 61
Blaasmonden .................................................. 65
BLIS, Blind Spot Information
System ................................................... 44, 133
Boordcomputer .............................................. 52
Brandstofsysteem ........................................158
Brandstofverbruik .........................................228
Brandstofverbruik, actueel ........................... 52
Buitenspiegels ........................................ 45, 58
Buitenspiegels, elektrische verwarming ....47
C
Cd-speler, HU-650 ..................................... 197
Cd-wisselaar, externe ................................. 199
Condensatie ..........................................64, 158
Contactsleutel .............................................. 106
Controlelampje ...............................................98
Controlelampjes .............................................39
Cruise control .................................................53
D
Dashboardkastje .................................... 84, 95
Demonteren, wielen ....................................144
Dimlicht ...................................................48, 167
“Dode hoek” (BLIS) .................................... 133
DSTC ......................................................44, 113
Dynamo ......................................................... 232
E
ECC ..................................................................64
ECC, luchtverdeling ......................................69
Elektrisch bedienbare ruiten ........................56
Elektrisch systeem ...................................... 232
Elektrisch verwarmde buitenspiegels ........67
Elektrisch verwarmde voorstoelen ..............66
Elektrische aansluiting achterin ...................54
Elektrische achterruitverwarming ................67
236
Alfabetisch register
Elektronische startblokkering .......................90
Extra verwarming ............................................74
F
“Follow-Me-Home”-verlichting .....................49
G
Geïntegreerd kinderzitje ...............................30
Gevarendriehoek ......................................... 142
Gewicht ......................................................... 221
Gloeilamp kentekenplaatverlichting ........ 172
Gloeilampen .................................................233
Gordelwaarschuwing ....................................11
Groot licht ..............................................48, 167
Groot licht, wisselen,
grootlichtsignalen ...........................................49
H
Handrem ..........................................................54
Handset .........................................................208
Herstellen, lakschade .................................150
Houder voor boodschappentassen ...........88
HU-450, cassettedeck ............................... 196
HU-450, overzicht .......................................182
HU-450, radiofuncties ................................ 189
HU-650, overzicht .......................................183
HU-650/850, radiofuncties ....................... 190
HU-850, interne cd-wisselaar ................... 198
HU-850, overzicht .......................................184
I
IMEI-nummer ................................................217
In de was zetten en poetsen .....................149
Informatiedisplay ............................................42
Instapverlichting ...........................................172
Instrumenten
overzicht, auto met het stuur links ....... 34
overzicht, auto met het stuur rechts .... 36
Instrumentenpaneel ....................................... 38
Interieur ............................................................ 75
“Interior Air Quality System”, ECC ............. 70
Interieurverlichting .......................................... 79
ISOFIX ............................................................. 32
K
Katalysator .....................................................231
Keuzehendelblokkering ..............................108
Kickdown .......................................................110
Kinderen en veiligheid .................................. 26
Kinderslot ......................................................... 96
Kinderzitje, geïntegreerd .............................. 30
Kinderzitje, monteren .............................28, 32
Kinderzitjes en SIPS-airbags ...................... 19
Kleurcode, lak ...............................................150
Klimaatregeling ............................................... 64
Kooldioxide ....................................................230
Koplampen ............................................ 48, 166
Koplamphoogteverstelling ........................... 48
Koplampsproeiers .........................................50
Koplampwissers ...........................................163
Koude start ................................................... 108
Koudemiddel ...................................................64
L
Lak, kleurcode .............................................. 150
Lambdasonde .............................................. 231
Lamphouder ................................................. 171
Lampjes, waarschuwings- en controle- .....39
Leeslampjes ....................................................79
Lichtsignaal ......................................................49
Lock-Up-functie ...........................................108
Lopende gesprekken, functies ................. 209
Luchtverdeling, A/C .......................................67
M
Make-upspiegel ........................................... 173
Maten ............................................................. 221
Meldingen, display .........................................42
Milieubeleid ....................................................... 3
Mistlichten ..............................................48, 170
Motorkap ....................................................... 157
Motorolie ............................................. 159, 224
Motoroliesticker ...........................................220
Motorruimte .................................................. 157
Motorspecificaties ....................................... 222
N
“N.B.”-teksten .................................................... 2
Nieuwe auto’s en gladde wegen ............. 102
237
Alfabetisch register
O
Oliefilter ......................................................... 159
Omklappen, hoofdsteunen ...........................45
Ontgrendelen ..................................................92
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ............................................81
Opblaasgordijn (IC-systeem) ......................21
P
PACOS ............................................................17
Parkeerhulp .....................................................45
Parkeerlichten vóór ..............................48, 168
Parkeren ........................................................ 115
PI zoeken ...................................................... 191
Poetsen en in de was zetten .....................149
R
Radio, zenders zoeken ............................... 188
Radiozenders opslaan ...................... 189, 190
Recirculatie, A/C ............................................67
Recirculatie, ECC ..........................................69
Regensensor ...................................................50
Relais- en zekeringenkastje ....................... 175
Remlicht ........................................................ 171
Remsysteem .................................................111
Remsysteem, ABS ......................................111
Reservewiel .................................................. 142
Richtingaanwijzers ...............................49, 168
Rijklaar gewicht ............................................221
Roetfilter ........................................................105
Roetfilter, diesel ...........................................105
Ruitensproeiers ..............................................50
Ruitensproeiervloeistof ...............................161
Ruitenwissers ................................................. 50
S
Safelock-functie ......................................45, 95
Schakelaars op middenconsole ................. 44
Schakelstanden, zesversnellingsbak .......107
Schoon aan binnen- en buitenkant ...............3
Schoonmaken, auto wassen .....................148
Schuifdak ......................................................... 60
Serviceprogramma ......................................154
SIM-kaart .......................................................206
SIM-kaart, dubbele ......................................217
SIPS-airbags .................................................. 19
SIPS-systeem ................................................. 20
Slepen ............................................................117
Sleutels ............................................................ 90
Smeermiddelen ........................225, 226, 227
SRS, schakelaar ............................................ 18
SRS-systeem .................................................. 15
Stabiliteitssysteem ............................... 44, 113
Stadslichten ..................................................168
Stadslichten en achterlichten ...................... 48
Stand-by, telefoon .......................................206
Standverwarming ........................................... 72
Standverwarming, accu en brandstof ....... 73
Startblokkering ..................................... 90, 106
Starten met hulpaccu ................................. 119
Startmotor ..................................................... 232
STC .........................................................44, 113
Stoel, elektrisch bedienbare ........................77
Stoel, zithouding .............................................76
Stuurslot ........................................................ 106
Stuurwielafstelling ..........................................55
T
Tanken ........................................................... 104
Telefoon, stand-by ....................................... 206
Telefoon, volume ......................................... 210
Temperatuur, ECC .........................................68
Totaalgewicht ............................................... 221
Trekhaak ........................................................ 122
Type-aanduiding .......................................... 220
V
Veiligheidsgordels ..........................................10
Veiligheidsgordels schoonmaken ............ 149
Ventilator, A/C .................................................67
Ventilator, ECC ...............................................68
Vergrendelen ...................................................92
Verkort kiezen ............................................... 208
Verlichting, bagageruimte .......................... 172
Verlichting, exterieur .......................................48
Verlichting, gloeilampen vervangen ......... 166
Verlichting, instrumenten ..............................48
Verstralers ........................................................46
Verwijderen, kogelsegment ....................... 125
238
Alfabetisch register
Vlekken ..........................................................149
Vloeistoffen ...................................................227
Vloermatten ......................................................84
Voertuiggegevens .......................................154
Volvo Car Corporation en het milieu ............ 3
Voorstoel, rugleuning omklappen ...............76
Voorstoelen, elektrisch verwarmde .............47
W
Waarschuwingskaders ................................... 2
Waarschuwingslampjes ................................39
Waarschuwingsteksten ................................... 2
Whiplash-letsel ...............................................22
WHIPS-systeem .............................................22
WHIPS-systeem en
kinderzitjes/verhogingskussens ..................22
Wielen en banden ....................................... 137
Wielen, monteren ........................................145
Winterbanden ..............................................139
Wisserbladen ............................................... 163
Z
Zekeringen .................................................... 174
Zijmarkeringslicht ........................................169
Zijrichtingaanwijzers ................................... 170
Zonnescherm, schuifdak ..............................61
Zuinig rijden .................................................. 102
2006
WEB EDITION
TP 8151 (Dutch). AT 0540. Printed in Sweden, Elanders Infologistics Väst AB, Mölnlycke 2005
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240

Volvo S60 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor