Garmin BC 20 Handleiding

Type
Handleiding
BC 20 Wireless Backup Camera
Installation Instructions
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
doos van het GPS-toestel voor productwaarschuwingen en
andere belangrijke informatie.
Garmin raadt aan dat een ervaren installateur met kennis van
elektrische systemen het toestel installeert. Het onjuist
aansluiten van stroomkabels kan schade toebrengen aan het
voertuig of de accu, en kan persoonlijk letsel veroorzaken.
Verwijder bij het aansluiten van de voedingskabel niet de
geïntegreerde zekeringhouder. Om het risico van letsel of
schade aan het product door brand of oververhitting te
voorkomen, dient de juiste zekering te worden gebruikt, zoals
vermeld in de productspecificaties. Als de voedingskabel wordt
aangesloten zonder gebruik van de juiste zekering, vervalt de
garantie op het product.
LET OP
Draag altijd een veiligheidsbril, oorbeschermers en een
stofmasker tijdens het boren, zagen en schuren.
KENNISGEVING
Controleer voordat u gaat boren of zagen wat zich aan de
andere kant van het oppervlak bevindt.
Deze installatie-instructies zijn niet van toepassing op een
specifiek voertuigtype en zijn bedoeld als algemene richtlijn bij
het installeren van dit product op uw voertuig. Neem bij vragen
over uw specifieke voertuig contact op met de fabrikant van uw
voertuig.
Onderdeel Beschrijving
À
PND-steun van draadloze camera
Het PND-toestel moet via deze steun van stroom worden
voorzien om te kunnen communiceren met de camera.
Á
Zender
Â
Camera
Ã
Montagesteun voor camera
Benodigd gereedschap
Boormachine en boor van 9,09 mm (0,36 inch, maat T)
Nr. 2 kruiskopschroevendraaier
Schroeven, bouten of kabelbinders (om de zender te
bevestigen)
Knijpconnector of soldeer en krimpkous
RV-kit (optioneel)
Aandachtspunten bij het bevestigen van de
camera
Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij de keuze
van een montagelocatie voor de camera.
U dient een voorziene montagelocatie te testen voordat u de
camera definitief monteert.
Als u de camera hoger op de achterkant van het voertuig
installeert, krijgt u een betere kijkhoek.
De meegeleverde beugel kan op een kentekenplaat of
soortgelijk oppervlak worden geklikt, of kan worden
vastgemaakt op de achterkant van het voertuig met de
meegeleverde zelftappende bolkopschroeven.
Aandachtspunten met betrekking tot
zenderlocatie en bedrading
Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij de keuze
van een locatie voor het installeren van de draadloze zender.
Test een voorziene installatielocatie voordat u de zender
definitief installeert.
Hoewel de zender het videosignaal over een afstand van ca.
13,5 m (45 ft.) kan overbrengen, heeft de locatie van de
zender mogelijk invloed op dit bereik.
Hoe dichter u de zender bij de PND-steun van de
draadloze camera installeert, hoe betrouwbaarder het
signaal.
De zender geeft het beste signaal wanneer een van de
platte oppervlakken
À
in de richting van de PND-steun
van de draadloze camera wijst.
Massieve metalen voorwerpen of apparaten
Á
in het pad
van de zender beperken de zendafstand aanzienlijk.
Hoe minder massieve objecten aanwezig zijn in het pad
tussen de zender en het toestel, hoe betrouwbaarder het
signaal.
Als de afstand tussen de camera en de zender groter is dan
de lengte van de meegeleverde kabel, kunt u extra
verlengkabels gebruiken. U kunt een verlengkabel van 15 m
(50 ft.) aanschaffen, en u kunt zelfs meer dan één
verlengkabel installeren. Bezoek uw plaatselijke Garmin
dealer of ga naar www.garmin.com voor meer informatie.
De zekeringhouder bij de zender is niet waterdicht. Het wordt
afgeraden om de zekeringhouder te installeren op een
locatie die is blootgesteld aan de elementen.
De connector tussen de camera en de zender is niet
waterdicht. Zorg ervoor dat de verbinding waterdicht is als u
deze wilt maken op een locatie die is blootgesteld aan de
elementen.
De locatie van de camera en de zender
testen
1
Bevestig de camera tijdelijk op de voorziene montagelocatie.
2
Plaats de zender tijdelijk op de voorziene installatielocatie en
verbind deze met de voeding en de camera.
TIP: Als u de bedrading van uw voertuig niet wilt losmaken
voor deze test, kunt u de zender en camera aansluiten op
een 12V gelijkstroombatterij.
3
Test de zender op correcte werking door stroom toe te
voeren naar het PND-toestel via de PND-steun van de
draadloze camera.
20
Als u geen videobeelden op het toestel ziet op de gewenste
installatielocatie, verplaats de zender dan naar een andere
locatie en probeer het opnieuw.
4
Herhaal stap 2–3 totdat de zender goed werkt.
5
Test het camerabeeld door de videobeelden op het toestel te
bekijken.
6
Als de camera geen optimaal zicht biedt voor uw voertuig,
verplaats deze dan naar een andere locatie en probeer het
opnieuw.
7
Herhaal stap 5–6 totdat de montagelocatie van de camera
optimaal zicht biedt voor uw voertuig.
TIP: Onthoud welke richting boven is bij het testen van het
camerabeeld, zodat u bent verzekerd van een correcte
permanente bevestiging.
De camera monteren
Voordat u de camera permanent monteert, moet u controleren
of de montagelocatie optimaal zicht biedt voor uw voertuig (De
locatie van de camera en de zender testen).
Als u de camera al op de beugel hebt aangebracht, moet u
deze eerst losmaken.
1
Plaats de beugel
À
op de montagelocatie.
2
Selecteer een optie:
Als u de beugel direct op het oppervlak van uw voertuig
monteert, markeert u de locatie van de twee gaten in de
beugel
Á
.
Als u de beugel op een kentekenplaat aanbrengt,
verwijder dan een van de schroeven van de
kentekenplaat en breng de steun zo aan dat het gat in de
beugel
Â
op één lijn ligt met het gat in de kentekenplaat.
3
Bevestig de beugel op het voertuig met de meegeleverde
zelftappende schroeven
Ã
of met de schroef van de
kentekenplaat
Ä
die u in stap 2 hebt verwijderd.
4
Plaats de camera in de beugel en bepaal waar de
camerakabel
Å
het beste het voertuig kan worden
binnengeleid.
5
Boor met een geschikte boor een gat voor de camerakabel.
6
Voer de camerakabel door het gat en leid de kabel naar de
locatie van de zender.
Verlengkabels van 15 m (50 ft.) kunnen zo nodig apart
worden aangeschaft.
7
Bevestig de camera in de beugel met de meegeleverde
zeskantige bouten
Æ
.
8
Stel de hoek van de camera in en draai de zeskantige
bouten vast met de meegeleverde sleutel.
9
Breng RV-kit rond de kabel aan op de plaats waar deze het
voertuig binnengaat (optioneel).
De zender installeren
Voordat u de zender permanent installeert, moet u testen of de
zender correct werkt op de betreffende locatie (De locatie van
de camera en de zender testen).
1
Bevestig de zender op de installatielocatie met geschikte
bevestigingsmaterialen zoals schroeven, bouten of
kabelbinders.
De zekeringhouder bij de zender is niet waterdicht. Het wordt
afgeraden om de zekeringhouder te installeren op een
locatie die is blootgesteld aan de elementen.
2
Sluit de camera en de kabels van de zender aan.
De connector tussen de camera en de zender is niet
waterdicht. Zorg ervoor dat de verbinding waterdicht is als u
deze wilt maken op een locatie die is blootgesteld aan de
elementen.
3
Sluit de voedingskabel
À
van de zender aan op een 12–24 V
gelijkstroombron, bij voorkeur een achteruitrijlicht
Á
, met
behulp van een knijpconnector (niet meegeleverd).
OPMERKING: Als u de zender verbindt met een constante
12–24 V gelijkstroombron (zoals een rijlicht) in plaats van
een achteruitrijlicht, moet u de stroom naar de zender
handmatig inschakelen. De zender kan uw accu doen
leeglopen als deze niet wordt uitgeschakeld.
4
Als u geen knijpconnector gebruikt voor de verbinding,
soldeer de elektrische onderdelen dan vast en isoleer ze met
een krimpkous om ze te beschermen tegen de elementen.
De camera gebruiken
De camera geeft videobeelden op verschillende manieren weer
op het toestel, afhankelijk van hoe u de voeding hebt
aangesloten op de zender.
1
Selecteer een optie voor het weergeven van videobeelden:
Als u de zender hebt verbonden met een achteruitrijlicht
(aanbevolen), zet het voertuig dan in zijn achteruit. Het
toestel geeft automatisch videobeelden van de
achteruitrijcamera weer.
Als u de zender hebt verbonden met een ander licht of
een andere 12 V gelijkstroombron, selecteer dan het
camerapictogram op het toestel om videobeelden van de
achteruitrijcamera weer te geven.
2
Selecteer een optie om de normale werking van het toestel
te hervatten:
Als u de zender hebt verbonden met een achteruitrijlicht
(aanbevolen), haal dan het voertuig uit zijn achteruit. De
normale werking van het toestel wordt automatisch
hervat.
Als u de zender hebt verbonden met een ander licht of
een andere 12 V gelijkstroombron, selecteer dan het
camerapictogram op het toestel om de normale werking
van het toestel te hervatten.
21
De begeleidingslijnen uitlijnen
De begeleidingslijnen geven de baan van uw voertuig weer
terwijl u achteruit rijdt. Voor optimale ondersteuning moeten de
lijnen worden uitgelijnd met de buitenste randen van uw
voertuig.
1
Parkeer uw voertuig met een zijde parallel aan een
stoeprand, oprit of lijn van een parkeervak.
U kunt uw voertuig stoppen in het midden van een
parkeervak en daarna vooruit rijden tot in het volgende
parkeervak. Op die manier kunt u de parkeervaklijnen achter
het voertuig als referentiepunten gebruiken bij het uitlijnen.
De stoeprand, oprit of parkeervaklijnen moeten duidelijk
zichtbaar zijn op het toestel.
2
Selecteer in het camerabeeld > Adjust.
3
Gebruik de pijlen in de hoeken van het scherm om de
begeleidingslijnen te verplaatsen zodat ze overeenkomen
met de hoek en positie van de stoeprand, oprit of
parkeervaklijnen.
De begeleidingslijnen moeten precies op uw
referentiepunten liggen.
4
Gebruik de pijlen in het midden van het scherm om de
begeleidingslijnen naar boven of beneden te verplaatsen.
Het rode gedeelte van de begeleidingslijnen moet parallel
lopen aan de achterkant van uw voertuig.
5
Parkeer uw voertuig zo nodig opnieuw zodat nu de andere
zijde parallel aan een stoeprand, oprit of lijn van een
parkeervak staat, en herhaal het uitlijningsproces.
Probeer de begeleidingslijnen symmetrisch te houden, ook
als uw voertuig niet perfect parallel staat aan de stoeprand,
oprit, of parkeervaklijnen.
6
Selecteer wanneer het uitlijningsproces klaar is.
Begeleidingslijnen weergeven of verbergen
1
Selecteer .
2
Selecteer een optie:
Als u begeleidingslijnen wilt weergeven op het scherm,
selecteert u Show Lines.
Als u begeleidingslijnen wilt verbergen op het scherm,
selecteert u Hide Lines.
Uitlijning herstellen
U kunt de standaardinstellingen van de begeleidingslijnen
herstellen.
1
Selecteer > Herstellen.
2
Selecteer Ja.
De zender koppelen met de toestelsteun
De zender en de PND-steun van de draadloze camera zijn bij
levering al gekoppeld in de fabriek. Als de zender en de PND-
steun correct zijn geïnstalleerd en u geen video ontvangt, kunt u
proberen de zender en de PND-steun opnieuw te koppelen.
1
Zorg ervoor dat er geen stroom naar de zender gaat door het
voertuig in de parkeerstand te zetten of door de vaste
voedingsbron uit te schakelen.
2
Schakel het PND-toestel in dat is verbonden met de PND-
steun van de draadloze camera.
3
Houd op de PND-steun van de draadloze camera PAIR
ingedrukt totdat Start koppelen op het PND-toestel
verschijnt.
Als Start koppelen niet op het PND-toestel verschijnt,
controleer dan of de PND-steun van de draadloze camera
correct is aangesloten op de voeding.
4
Zorg dat er stroom naar de zender gaat door het voertuig in
zijn achteruit te zetten of door de vaste voedingsbron in te
schakelen.
Na circa vijf seconden verschijnt Koppelen OK op het PND-
toestel.
5
Schakel zowel de PND-steun van de draadloze camera als
de zender uit en vervolgens weer in.
6
Herhaal stap 1-4 als de zender en de PND-steun van de
draadloze camera niet goed worden gekoppeld.
Specificaties
Specificatie Waarde
Camerasensor 1/3.7-type CMOS
Cameraresolutie 640 × 480
Camerahoek (verticaal) 115°
Camerahoek (horizontaal) 140°
Ingangsspanning camera en zender 9–28 V gelijkspanning
Zekering 500 mA, snelle zekering
Stroomverbruik camera en zender 150 mA bij 12 V gelijkspanning
Waterbestendigheid camera en zender IEC 60529 IPX7
Temperatuurbereik camera -40° tot 85°C (-40° tot 185°F)
Temperatuurbereik zender en PND-
steun
-20° tot 70°C (-4° tot 158°F)
Type draadloze transmissie 2,4 GHz ISM-radioband
Afstand draadloze transmissie 13,5 m (45 ft.)
22

Documenttranscriptie

BC™ 20 Wireless Backup Camera Installation Instructions WAARSCHUWING Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de doos van het GPS-toestel voor productwaarschuwingen en andere belangrijke informatie.‍ Garmin raadt aan dat een ervaren installateur met kennis van elektrische systemen het toestel installeert.‍ Het onjuist aansluiten van stroomkabels kan schade toebrengen aan het voertuig of de accu, en kan persoonlijk letsel veroorzaken.‍ Verwijder bij het aansluiten van de voedingskabel niet de geïntegreerde zekeringhouder.‍ Om het risico van letsel of schade aan het product door brand of oververhitting te voorkomen, dient de juiste zekering te worden gebruikt, zoals vermeld in de productspecificaties.‍ Als de voedingskabel wordt aangesloten zonder gebruik van de juiste zekering, vervalt de garantie op het product.‍ LET OP Draag altijd een veiligheidsbril, oorbeschermers en een stofmasker tijdens het boren, zagen en schuren.‍ • Als u de camera hoger op de achterkant van het voertuig installeert, krijgt u een betere kijkhoek.‍ • De meegeleverde beugel kan op een kentekenplaat of soortgelijk oppervlak worden geklikt, of kan worden vastgemaakt op de achterkant van het voertuig met de meegeleverde zelftappende bolkopschroeven.‍ Aandachtspunten met betrekking tot zenderlocatie en bedrading Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij de keuze van een locatie voor het installeren van de draadloze zender.‍ • Test een voorziene installatielocatie voordat u de zender definitief installeert.‍ • Hoewel de zender het videosignaal over een afstand van ca.‍ 13,5 m (45 ft.‍) kan overbrengen, heeft de locatie van de zender mogelijk invloed op dit bereik.‍ ◦ Hoe dichter u de zender bij de PND-steun van de draadloze camera installeert, hoe betrouwbaarder het signaal.‍ ◦ De zender geeft het beste signaal wanneer een van de platte oppervlakken À in de richting van de PND-steun van de draadloze camera wijst.‍ KENNISGEVING Controleer voordat u gaat boren of zagen wat zich aan de andere kant van het oppervlak bevindt.‍ Deze installatie-instructies zijn niet van toepassing op een specifiek voertuigtype en zijn bedoeld als algemene richtlijn bij het installeren van dit product op uw voertuig.‍ Neem bij vragen over uw specifieke voertuig contact op met de fabrikant van uw voertuig.‍ Onderdeel Beschrijving À Á  à PND-steun van draadloze camera Het PND-toestel moet via deze steun van stroom worden voorzien om te kunnen communiceren met de camera.‍ Zender Camera Montagesteun voor camera Benodigd gereedschap • Boormachine en boor van 9,09 mm (0,36 inch, maat T) • Nr.‍ 2 kruiskopschroevendraaier • Schroeven, bouten of kabelbinders (om de zender te bevestigen) • Knijpconnector of soldeer en krimpkous • RV-kit (optioneel) Aandachtspunten bij het bevestigen van de camera Houd rekening met de volgende aandachtspunten bij de keuze van een montagelocatie voor de camera.‍ • U dient een voorziene montagelocatie te testen voordat u de camera definitief monteert.‍ 20 ◦ Massieve metalen voorwerpen of apparaten Á in het pad van de zender beperken de zendafstand aanzienlijk.‍ ◦ Hoe minder massieve objecten aanwezig zijn in het pad tussen de zender en het toestel, hoe betrouwbaarder het signaal.‍ • Als de afstand tussen de camera en de zender groter is dan de lengte van de meegeleverde kabel, kunt u extra verlengkabels gebruiken.‍ U kunt een verlengkabel van 15 m (50 ft.‍) aanschaffen, en u kunt zelfs meer dan één verlengkabel installeren.‍ Bezoek uw plaatselijke Garmin dealer of ga naar www.garmin.com voor meer informatie.‍ • De zekeringhouder bij de zender is niet waterdicht.‍ Het wordt afgeraden om de zekeringhouder te installeren op een locatie die is blootgesteld aan de elementen.‍ • De connector tussen de camera en de zender is niet waterdicht.‍ Zorg ervoor dat de verbinding waterdicht is als u deze wilt maken op een locatie die is blootgesteld aan de elementen.‍ De locatie van de camera en de zender testen 1 Bevestig de camera tijdelijk op de voorziene montagelocatie.‍ 2 Plaats de zender tijdelijk op de voorziene installatielocatie en verbind deze met de voeding en de camera.‍ TIP: Als u de bedrading van uw voertuig niet wilt losmaken voor deze test, kunt u de zender en camera aansluiten op een 12V gelijkstroombatterij.‍ 3 Test de zender op correcte werking door stroom toe te voeren naar het PND-toestel via de PND-steun van de draadloze camera.‍ 4 5 6 7 Als u geen videobeelden op het toestel ziet op de gewenste installatielocatie, verplaats de zender dan naar een andere locatie en probeer het opnieuw.‍ Herhaal stap 2–3 totdat de zender goed werkt.‍ Test het camerabeeld door de videobeelden op het toestel te bekijken.‍ Als de camera geen optimaal zicht biedt voor uw voertuig, verplaats deze dan naar een andere locatie en probeer het opnieuw.‍ Herhaal stap 5–6 totdat de montagelocatie van de camera optimaal zicht biedt voor uw voertuig.‍ TIP: Onthoud welke richting boven is bij het testen van het camerabeeld, zodat u bent verzekerd van een correcte permanente bevestiging.‍ De camera monteren Voordat u de camera permanent monteert, moet u controleren of de montagelocatie optimaal zicht biedt voor uw voertuig (De locatie van de camera en de zender testen).‍ Als u de camera al op de beugel hebt aangebracht, moet u deze eerst losmaken.‍ 1 Plaats de beugel À op de montagelocatie.‍ De zender installeren Voordat u de zender permanent installeert, moet u testen of de zender correct werkt op de betreffende locatie (De locatie van de camera en de zender testen).‍ 1 Bevestig de zender op de installatielocatie met geschikte bevestigingsmaterialen zoals schroeven, bouten of kabelbinders.‍ De zekeringhouder bij de zender is niet waterdicht.‍ Het wordt afgeraden om de zekeringhouder te installeren op een locatie die is blootgesteld aan de elementen.‍ 2 Sluit de camera en de kabels van de zender aan.‍ De connector tussen de camera en de zender is niet waterdicht.‍ Zorg ervoor dat de verbinding waterdicht is als u deze wilt maken op een locatie die is blootgesteld aan de elementen.‍ 3 Sluit de voedingskabel À van de zender aan op een 12–24 V gelijkstroombron, bij voorkeur een achteruitrijlicht Á, met behulp van een knijpconnector (niet meegeleverd).‍ OPMERKING: Als u de zender verbindt met een constante 12–24 V gelijkstroombron (zoals een rijlicht) in plaats van een achteruitrijlicht, moet u de stroom naar de zender handmatig inschakelen.‍ De zender kan uw accu doen leeglopen als deze niet wordt uitgeschakeld.‍ 4 Als u geen knijpconnector gebruikt voor de verbinding, soldeer de elektrische onderdelen dan vast en isoleer ze met een krimpkous om ze te beschermen tegen de elementen.‍ 2 Selecteer een optie: 3 4 5 6 7 8 9 • Als u de beugel direct op het oppervlak van uw voertuig monteert, markeert u de locatie van de twee gaten in de beugel Á.‍ • Als u de beugel op een kentekenplaat aanbrengt, verwijder dan een van de schroeven van de kentekenplaat en breng de steun zo aan dat het gat in de beugel  op één lijn ligt met het gat in de kentekenplaat.‍ Bevestig de beugel op het voertuig met de meegeleverde zelftappende schroeven à of met de schroef van de kentekenplaat Ä die u in stap 2 hebt verwijderd.‍ Plaats de camera in de beugel en bepaal waar de camerakabel Å het beste het voertuig kan worden binnengeleid.‍ Boor met een geschikte boor een gat voor de camerakabel.‍ Voer de camerakabel door het gat en leid de kabel naar de locatie van de zender.‍ Verlengkabels van 15 m (50 ft.‍) kunnen zo nodig apart worden aangeschaft.‍ Bevestig de camera in de beugel met de meegeleverde zeskantige bouten Æ.‍ Stel de hoek van de camera in en draai de zeskantige bouten vast met de meegeleverde sleutel.‍ Breng RV-kit rond de kabel aan op de plaats waar deze het voertuig binnengaat (optioneel).‍ De camera gebruiken De camera geeft videobeelden op verschillende manieren weer op het toestel, afhankelijk van hoe u de voeding hebt aangesloten op de zender.‍ 1 Selecteer een optie voor het weergeven van videobeelden: • Als u de zender hebt verbonden met een achteruitrijlicht (aanbevolen), zet het voertuig dan in zijn achteruit.‍ Het toestel geeft automatisch videobeelden van de achteruitrijcamera weer.‍ • Als u de zender hebt verbonden met een ander licht of een andere 12 V gelijkstroombron, selecteer dan het camerapictogram op het toestel om videobeelden van de achteruitrijcamera weer te geven.‍ 2 Selecteer een optie om de normale werking van het toestel te hervatten: • Als u de zender hebt verbonden met een achteruitrijlicht (aanbevolen), haal dan het voertuig uit zijn achteruit.‍ De normale werking van het toestel wordt automatisch hervat.‍ • Als u de zender hebt verbonden met een ander licht of een andere 12 V gelijkstroombron, selecteer dan het camerapictogram op het toestel om de normale werking van het toestel te hervatten.‍ 21 De begeleidingslijnen uitlijnen De begeleidingslijnen geven de baan van uw voertuig weer terwijl u achteruit rijdt.‍ Voor optimale ondersteuning moeten de lijnen worden uitgelijnd met de buitenste randen van uw voertuig.‍ 1 Parkeer uw voertuig met een zijde parallel aan een stoeprand, oprit of lijn van een parkeervak.‍ U kunt uw voertuig stoppen in het midden van een parkeervak en daarna vooruit rijden tot in het volgende parkeervak.‍ Op die manier kunt u de parkeervaklijnen achter het voertuig als referentiepunten gebruiken bij het uitlijnen.‍ De stoeprand, oprit of parkeervaklijnen moeten duidelijk zichtbaar zijn op het toestel.‍ 2 Selecteer in het camerabeeld > Adjust.‍ 3 Gebruik de pijlen in de hoeken van het scherm om de begeleidingslijnen te verplaatsen zodat ze overeenkomen met de hoek en positie van de stoeprand, oprit of parkeervaklijnen.‍ De begeleidingslijnen moeten precies op uw referentiepunten liggen.‍ 3 Houd op de PND-steun van de draadloze camera PAIR ingedrukt totdat Start koppelen op het PND-toestel verschijnt.‍ Als Start koppelen niet op het PND-toestel verschijnt, controleer dan of de PND-steun van de draadloze camera correct is aangesloten op de voeding.‍ 4 Zorg dat er stroom naar de zender gaat door het voertuig in zijn achteruit te zetten of door de vaste voedingsbron in te schakelen.‍ Na circa vijf seconden verschijnt Koppelen OK op het PNDtoestel.‍ 5 Schakel zowel de PND-steun van de draadloze camera als de zender uit en vervolgens weer in.‍ 6 Herhaal stap 1-4 als de zender en de PND-steun van de draadloze camera niet goed worden gekoppeld.‍ Specificaties Specificatie Waarde Camerasensor 1/3.‍7-type CMOS Cameraresolutie 640 × 480 Camerahoek (verticaal) 115° Camerahoek (horizontaal) 140° Ingangsspanning camera en zender 9–28 V gelijkspanning Zekering 500 mA, snelle zekering Stroomverbruik camera en zender 150 mA bij 12 V gelijkspanning Waterbestendigheid camera en zender IEC 60529 IPX7 4 Gebruik de pijlen in het midden van het scherm om de begeleidingslijnen naar boven of beneden te verplaatsen.‍ Het rode gedeelte van de begeleidingslijnen moet parallel lopen aan de achterkant van uw voertuig.‍ 5 Parkeer uw voertuig zo nodig opnieuw zodat nu de andere zijde parallel aan een stoeprand, oprit of lijn van een parkeervak staat, en herhaal het uitlijningsproces.‍ Probeer de begeleidingslijnen symmetrisch te houden, ook als uw voertuig niet perfect parallel staat aan de stoeprand, oprit, of parkeervaklijnen.‍ 6 Selecteer wanneer het uitlijningsproces klaar is.‍ Begeleidingslijnen weergeven of verbergen 1 Selecteer .‍ 2 Selecteer een optie: • Als u begeleidingslijnen wilt weergeven op het scherm, selecteert u Show Lines.‍ • Als u begeleidingslijnen wilt verbergen op het scherm, selecteert u Hide Lines.‍ Uitlijning herstellen U kunt de standaardinstellingen van de begeleidingslijnen herstellen.‍ 1 Selecteer > Herstellen.‍ 2 Selecteer Ja.‍ De zender koppelen met de toestelsteun De zender en de PND-steun van de draadloze camera zijn bij levering al gekoppeld in de fabriek.‍ Als de zender en de PNDsteun correct zijn geïnstalleerd en u geen video ontvangt, kunt u proberen de zender en de PND-steun opnieuw te koppelen.‍ 1 Zorg ervoor dat er geen stroom naar de zender gaat door het voertuig in de parkeerstand te zetten of door de vaste voedingsbron uit te schakelen.‍ 2 Schakel het PND-toestel in dat is verbonden met de PNDsteun van de draadloze camera.‍ 22 Temperatuurbereik camera -40° tot 85°C (-40° tot 185°F) Temperatuurbereik zender en PNDsteun -20° tot 70°C (-4° tot 158°F) Type draadloze transmissie 2,4 GHz ISM-radioband Afstand draadloze transmissie 13,5 m (45 ft.‍)
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38

Garmin BC 20 Handleiding

Type
Handleiding