Volvo 2007 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

2006
WEB EDITION
VOLVO
XC90
Instructieboekje
1
Beste Volvo-bezitter
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop
gestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieu-
eisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie
in dit instructieboekje.
Dank u dat u gekozen hebt voor Volvo!
2
Inleiding
Instructieboekje
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, bij voorkeur voordat u uw eerste rit
maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe
functies, krijgt u tips hoe u het beste in
verschillende situaties met de auto kunt
omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik
kunt maken van alle mogelijkheden die uw
auto biedt. Besteed ook aandacht aan de
veiligheidsinstructies in het boekje:
De in het instructieboekje beschreven
uitrusting is niet op alle modellen aanwezig.
Als aanvulling op de standaarduitrusting
worden in dit instructieboekje ook de opties
(af-fabriek gemonteerde uitrusting) en
bepaalde accessoires (extra uitrusting)
beschreven.
N.B. De uitrusting van de auto’s van Volvo
hangt af van de verschillende behoeften op
de diverse markten en de landelijke en/of
regionale wet- en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor
om zonder voorafgaande mededeling wijzi-
gingen aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
WAARSCHUWING!
Waarschuwingsteksten geven aan dat er
gevaar voor persoonlijk letsel bestaat, als
u de instructies niet opvolgt.
BELANGRIJK!
“Belangrijk”-teksten geven aan dat het
gevaar bestaat dat de auto beschadigd
raakt als u de instructies niet opvolgt.
3
Volvo Car Corporation en het milieu
Milieubeleid van Volvo Car
Corporation
Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit
zijn de drie kernwaarden van Volvo Car
Corporation die van invloed zijn op alle activi-
teiten. We zijn ervan overtuigd dat onze
klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. De meeste eenheden
binnen de Volvo Car Corporation zijn gecerti-
ficeerd voor de milieunorm ISO 14001,
hetgeen tot voortdurende verbeteringen op
milieugebied leidt.
Alle Volvo-modellen hebben een milieu
verklaring (EPI of Environmental Product
Information), waarin u zelf de invloed van de
verschillende modellen en motoren op het
milieu kunt vergelijken.
Bezoek www.volvocars.com/EPI om meer te
lezen.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het
algemeen een geringere uitstoot van het
broeikasgas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik
(zie pagina 4).
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
Schoon aan binnen- en buitenkant
– een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënt
uitlaatgasreinigingssysteem. In veel gevallen
liggen uitlaatgasemissies ver onder de
geldende normen.
Op de radiateur zit bovendien PremAir®
1
,
een speciale laag die schadelijk laaghangend
ozon kan omzetten in zuivere zuurstof.
1. PremAir® is een gedeponeerd
handelsmerk van de Engelhard
Corporation.
4
Volvo Car Corporation en het milieu
Schone lucht in passagiers-
ruimte
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS
1
(Interior Air Quality System), zorgt
ervoor dat de lucht in de passagiersruimte
schoner is dan de lucht buiten in het verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische
sensor en een koolstoffilter. De luchtinlaat
wordt afgesloten als het gehalte aan koolmo-
noxide in het interieur te hoog wordt zoals in
druk verkeer, files en tunnels. Het koolstof-
filter zorgt dat stikstofoxiden, laaghangend
ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo is ontwikkeld om
gezond en veilig te zijn - ook voor mensen met
contactallergieën of astma. Er is extra veel
aandacht besteed aan de selectie van milieu-
vriendelijke materialen. Ze voldoen dan ook
aan de eisen van de ecologische norm Öko-
Tex 100 - een enorme stap op weg naar een
gezonder binnenmilieu.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoor-
beeld de veiligheidsgordels, de vloerbe-
kleding en de gebruikte garens en stoffen.
Ook de lederen bekledingsvarianten zijn
chroomvrij gelooid met plantaardige stoffen
en voldoen aan de gestelde eisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en
het milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de
voorwaarden scheppen voor een laag brand-
stofverbruik en op die manier bijdragen aan
een schoner milieu. Wanneer u de reparaties
en het onderhoud aan de auto toevertrouwd
aan de werkplaatsen van Volvo, wordt de
auto een onderdeel van ons systeem. We
stellen duidelijke milieu-eisen aan de outillage
van onze werkplaatsen om te voorkomen dat
er schadelijke stoffen vrijkomen in het milieu.
Een onderdeel daarvan is een zorgvuldige
inzameling en scheiding van de gasvormige,
vloeibare en afvalstoffen in onze
werkplaatsen. Het personeel in de
werkplaatsen van Volvo beschikt over de
kennis en het gereedschap om optimale zorg
voor het milieu te kunnen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door milieuvriendelijke autover-
zorgingsproducten te kopen en de auto te
onderhouden of te laten onderhouden aan de
hand van de aanwijzingen in het instructie-
boekje.
Hieronder volgen een paar tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien:
Zorg ervoor dat de banden de juiste
spanning hebben. Een te lage banden-
spanning leidt tot een verhoogd brand-
stofverbruik. Bij gebruik van de hogere
bandenspanningswaarden die Volvo
adviseert neemt het brandstofverbruik af.
Een imperiaal en skibox
resulteren in een grotere
luchtweerstand
waardoor het brandstof-
verbruik aanzienlijk
toeneemt. Verwijder ze
daarom meteen na gebruik.
Laat spullen niet onnodig in de auto
liggen. Hoe groter de belasting van de
auto, des te hoger het brandstofverbruik.
Gebruik altijd de elektrische motorver-
warming voor een koudestart, als de auto
hiermee is uitgerust. Hierdoor nemen het
brandstofverbruik en de uitstoot af.
1. Optie.
5
Volvo Car Corporation en het milieu
Rijd rustig. Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
Rijd in de hoogst
mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt
voor een lager verbruik.
Laat het gaspedaal los
wanneer u van een
helling afrijdt.
Rem op de motor. Laat het gaspedaal los
en schakel terug.
Voorkom stationair draaien. Zet de motor
af wanneer u lang stilstaat in een file.
Hanteer afvalstoffen die
schadelijk voor het
milieu zijn, zoals accu’s
en olie, op een milieu-
vriendelijke manier.
Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats als u niet
zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
Onderhoud uw auto regelmatig.
Door deze tips op te volgen kan het brand-
stofverbruik worden verlaagd zonder dat dit
van invloed is op de reistijd of het plezier in
het autorijden. U spaart uw auto, bespaart
geld en gebruikt minder van de hulpbronnen
op aarde.
6
7
Inhoud
Veiligheid 9
Instrumenten, schakelaars en bediening 37
Klimaatregeling 67
Interieur 79
Sloten en alarm 99
Starten en rijden 111
Wielen en banden 147
Verzorging 163
Onderhoud en service 169
Infotainment 197
Technische gegevens 235
8
9
Veiligheid
Veiligheidsgordels 10
AIRBAG-systeem 13
Airbags (SRS) 14
Airbag (SRS) activeren/deactiveren 17
SIPS-airbags, (zij-airbags) 19
Opblaasgordijn (IC-systeem) 21
WHIPS-systeem 22
ROPS-systeem 24
Activering van de veiligheidssystemen 25
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen 26
Kinderen en veiligheid 27
10
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Draag altijd een
veiligheidsgordel
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als
de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let
er daarom op dat alle passagiers hun veilig-
heidsgordel omhebben. Zo wordt voorkomen
dat bij een aanrijding de passagiers op de
achterbank tegen de rugleuning van de
voorstoelen worden geslingerd.
De veiligheidsgordel omdoen:
Trek de gordel langzaam uit en maak deze
vast door de borglip in de sluiting te
steken. Een duidelijke “klik” geeft aan dat
de gordel vastzit.
De gordel losmaken:
Druk op de rode knop van de vergren-
deling. Laat het oprolmechanisme de
gordel naar binnen trekken. Als de gordel
niet volledig wordt opgerold, moet u de
gordel handmatig zo ver terugrollen dat
deze niet langer slap hangt.
De gordel is geblokkeerd en kan niet
verder worden uitgetrokken:
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Voor optimale bescherming van de veilig-
heidsgordel is het van belang dat de gordel
goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De
veiligheidsgordel biedt de beste
bescherming bij een normale rijhouding.
Let erop dat:
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de gordel niet strak
langs uw lichaam kunt trekken
er geen slagen in de gordel zitten en dat
hij nergens achter blijft steken
de heupgordel laag moet zitten (niet over
de buik)
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
WAARSCHUWING!
Elke gordel is bestemd ter bescherming
van slechts één persoon.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veilig-
heidsgordels aan en probeer ze nooit zelf
te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Als de gordel zwaar belast werd, bijvoor-
beeld tijdens een aanrijding, moet de
complete gordel worden vervangen. De
gordel kan een deel van de bescher-
mende eigenschappen hebben verloren,
zelfs als deze ogenschijnlijk niet
beschadigd is. Vervang de gordel ook als
deze versleten of beschadigd is. De
nieuwe veiligheidsgordel moet zijn
goedgekeurd en bedoeld voor montage
op dezelfde positie als de vervangen
gordel.
11
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de veilig-
heidsgordels op het instrumentenpaneel en
dat op de bovenkant van de achteruitkijk-
spiegel knipperen, zolang de bestuurder en
een eventuele voorpassagier de veiligheids-
gordel niet hebben omgedaan. De gordel-
waarschuwing wordt na 6 seconden
automatisch uitgeschakeld, als de snelheid
lager is dan 10 km/h. Als vervolgens bij een
snelheid hoger dan 10 km/h blijkt dat de
bestuurder of de voorpassagier de veilig-
heidsgordel niet omgedaan heeft, wordt de
waarschuwingsfunctie opnieuw
ingeschakeld. De waarschuwingsfunctie
wordt vervolgens uitgeschakeld, wanneer de
snelheid tot onder 5 km/h daalt.
Als de bestuurder of voorpassagier de gordel
tijdens het rijden losmaakt, wordt de
waarschuwingsfunctie opnieuw geactiveerd
bij snelheden hoger dan 10 km/h.
N.B. De gordelwaarschuwing is bestemd
voor volwassenen voor in de auto. Als u een
kinderzitje op de passagiersstoel hebt aange-
bracht en het met de veiligheidsgordel hebt
vastgezet, wordt er geen gordelwaar-
schuwing gegeven.
Veiligheidsgordel en zwanger-
schap
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk
dat u de gordel altijd op de juiste manier
draagt. De gordel moet strak langs de
schouder lopen, waarbij het diagonale deel
van de veiligheidsgordel tussen de borsten
en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de gordel moet vlak tegen
de buitenkant van de bovenbenen liggen en
zo ver mogelijk onder de buik liggen. Het mag
nooit over de buik omhoog kunnen glijden.
De gordel moet zo strak mogelijk over het
lichaam lopen zonder onnodige speling.
Controleer ook of de gordel nergens
gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze
met gemak bij het stuur en de pedalen
moeten kunnen komen). Streef ernaar de
afstand tussen de buik en het stuur zo groot
mogelijk te maken.
Veiligheidsgordel en zwangerschap.
12
Veiligheid
Veiligheidsgordels
Keurmerk op veiligheidsgordels met gordel-
spanner.
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordel-
spanners. Dit is een mechanisme dat bij een
aanrijding de veiligheidsgordel rond het
lichaam spant. De gordel kan de passagier
daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
13
Veiligheid
AIRBAG-systeem
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
Het airbagsysteem
1
wordt continu gecontro-
leerd door de regeleenheid. Op het instru-
mentenpaneel bevindt zich een
waarschuwingslampje. Dit lampje gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
zeven seconden, wanneer de regeleenheid
heeft vastgesteld dat het airbagsysteem
1
geen storingen vertoont.
Behalve het waarschuwings-
lampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is,
een melding op het informatie-
display. Als het waarschu-
wingslampje niet werkt, gaat
het waarschuwingsdrie-
hoekje branden en verschijnt
er SRS-AIRBAG/SERVICE
SPOED op het display. Neem zo spoedig
mogelijk contact op met een erkende Volvo-
werkplaats.
1. Omvat SRS en gordelspanners,
SIPS en IC.
WAARSCHUWING!
Als het waarschuwingslampje voor het
airbagsysteem blijft branden of tijdens het
rijden kortstondig oplicht, betekent dit dat
het airbagsysteem niet naar behoren
werkt. Het lampje kan ook duiden op een
storing in de gordelspanners, het SIPS-,
het SRS- of het IC-systeem. Neem zo
spoedig mogelijk contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
14
Veiligheid
Airbags (SRS)
Airbag (SRS) aan de bestuur-
derszijde
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplementary
Restraint System) in het stuurwiel. De airbag
zit opgevouwen in het midden van het
stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het
opschrift SRS AIRBAG.
Airbag (SRS) aan de passagiers-
zijde
De airbag
1
aan de passagierszijde zit
opgevouwen in een ruimte boven het
dashboardkastje. Het paneel is voorzien van
het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING!
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de
bescherming die de airbag bij een
aanrijding biedt afnemen waardoor u als
klant ernstig letsel kunt oplopen.
1. Niet alle auto’s hebben een airbag
(SRS) aan de passagierszijde. Dit is
afhankelijk van de vraag of de airbag
besteld werd tijdens het verkoop-
proces.
WAARSCHUWING!
Om de kans op letsel bij activering van de
airbags te beperken, moeten de passa-
giers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de
rugleuning. De veiligheidsgordel moet
goed vastzitten.
WAARSCHUWING!
Zet nooit een kind in een kinderzitje op de
passagiersstoel als de airbag (SRS)
geactiveerd is
1
.
Laat kinderen nooit voor de passagier-
stoel zitten of staan.
Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit
op de passagiersstoel plaatsnemen als de
airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
1. Zie pagina 17 voor informatie over een
geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
15
Veiligheid
Airbags (SRS)
SRS-systeem, auto met het stuur links.
SRS-systeem
De airbag is voorzien van een gasgenerator.
Bij een voldoende krachtige aanrijding wordt
de ontsteking van de gasgenerator geacti-
veerd door de sensoren. De airbag wordt
opgeblazen en wordt tegelijkertijd warm. Om
de klap op te vangen loopt de airbag leeg
wanneer de inzittende de airbag raakt.
Daarbij treedt er rookvorming in de auto op.
Dit is volkomen normaal. Het totale verloop,
van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een
seconde in beslag.
SRS-systeem, auto met het stuur rechts.
N.B. De reactie van de sensoren hangt af van
de ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of
de passagierszijde vooraan wordt gedragen
of niet. Het kan dan ook zijn dat er bij
ongelukken slechts een (of geen enkele) van
de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-
systeem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering van
één of meerdere airbags daarop af.
N.B. De airbags werken dusdanig dat de
capaciteit ervan wordt afgestemd op de
botskrachten waaraan de auto blootstaat.
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitge-
voerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen
storingen in de werking veroorzaken en
leiden tot ernstig letsel.
16
Veiligheid
Airbags (SRS)
Positie van de airbag aan de passagierszijde
in een auto met het stuur links of rechts.
WAARSCHUWING!
Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de
onderdelen van het SRS-systeem in het
stuurwiel of op het paneel boven het
dashboardkastje.
Plaats geen voorwerpen of accessoires
op of in de buurt van het SRS AIRBAG-
paneel (boven het dashboardkastje) of
binnen de actieradius van de airbag.
17
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag
(SRS) aan de passagierszijde gedeactiveerd
is.
PACOS (optie)
De airbag (SRS) aan de passagierszijde
voorin kan gedeactiveerd worden met een
schakelaar. Dit is bijvoorbeeld noodzakelijk
als daar een kind in een kinderzitje moet
zitten.
Aanduiding
Een tekst op de achteruitkijkspiegel geeft aan
dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag
Cut Off Switch).
Activeren/deactiveren
De schakelaar zit aan de passagierszijde aan
de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen.
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u de contact-
sleutel te gebruiken om de stand te wijzigen.
(U kunt ook andere voorwerpen gebruiken
die qua vorm op een sleutel lijken.)
WAARSCHUWING!
Als de auto is uitgerust met een airbag
(SRS) aan de passagierszijde maar geen
PACOS heeft, is de airbag altijd geacti-
veerd.
WAARSCHUWING!
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel wanneer de airbag aan de
passagierszijde geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiers-
stoel):
Laat personen die groter zijn dan 1,40 m
nooit plaatsnemen op de passagiersstoel
wanneer de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke
situaties opleveren.
18
Veiligheid
Airbag (SRS) activeren/deactiveren
SRS-schakelaar in ON-stand.
Stand van de schakelaar
ON = De airbag (SRS) is geactiveerd. Met de
schakelaar in deze stand kunnen passagiers
groter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
SRS-schakelaar in stand OFF.
OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd.
Met de schakelaar in deze stand kunnen
kinderen in een kinderzitje of op een kussen
aan de passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
WAARSCHUWING!
Laat geen passagier op de passagiers-
stoel plaatsnemen, als het waarschu-
wingslampje voor het airbagsysteem op
het instrumentenpaneel oplicht terwijl de
tekst op het plafondpaneel aangeeft dat
de airbag (SRS) aan die kant gedeacti-
veerd is. Het duidt op een ernstige
storing. Bezoek onmiddellijk een erkende
Volvo-werkplaats.
19
Veiligheid
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Po sitie van de SIPS-airbags
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Een groot deel van de botskracht wordt door
het SIPS-systeem (Side Impact Protection
System) over balken, stijlen, vloer, dak en
andere delen van de carrosserie verspreid.
De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de
passagierszijde beschermende borstkas en
vormen een belangrijk onderdeel van het
SIPS-systeem. De SIPS-airbags zijn aange-
bracht in de frames van de rugleuning van de
voorstoelen.
Opgeblazen SIPS-airbag
Kinderzitjes en SIPS-airbags
Een SIPS-airbag heeft wat kinderzitjes
betreft geen negatieve gevolgen voor de
beschermende functies van de auto.
Er kan een kinderzitje op de voorstoel worden
geplaatst, als de auto aan de passagierszijde
niet is uitgerust met een geactiveerde
1
airbag.
WAARSCHUWING!
De SIPS-airbags vormen een aanvulling
op het SIPS-systeem. Draag altijd een
veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Reparaties mogen alleen door een
erkende Volvo-werkplaats worden uitge-
voerd.
Ingrepen in het SIPS-systeem kunnen
storingen in de werking en ernstig letsel
veroorzaken.
WAARSCHUWING!
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen
en de portierpanelen, omdat dit gebied
binnen de actieradius van de SIPS-airbag
ligt.
WAARSCHUWING!
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de
werking van de SIPS-airbags hinderen.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
20
Veiligheid
SIPS-airbags, (zij-airbags)
Auto met het stuur links.
SIPS-airbag
De SIPS-airbag is voorzien van een gasgene-
rator. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, die op hun beurt de
gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags
worden vervolgens opgeblazen tussen de
inzittende en het portierpaneel. Daarmee
wordt de klap van de aanrijding opgevangen,
waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-
airbags worden normaal gesproken alleen
opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
Auto met het stuur rechts.
21
Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Eigenschappen
Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Infla-
table Curtain) vormt een aanvulling op het
SIPS-systeem. Het zit verborgen achter de
plafondbekleding langs beide zijden van de
auto. Het beschermt inzittenden zowel voor-
als achterin. Het opblaasgordijn wordt
geactiveerd door de aanrijdingssensoren van
het SIPS-systeem bij een voldoende
krachtige aanrijding of als de auto het risico
loopt te gaan kantelen. Bij activering wordt
het opblaasgordijn opgeblazen. Het systeem
helpt voorkomen dat de bestuurder en
eventuele passagiers bij een botsing met hun
hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan.
Bij de Volvo XC90 is het opblaasgordijn
ontwikkeld om de inzittenden te beschermen
als de auto over de kop mocht slaan. Op de
variant met zeven zitplaatsen loopt het
opblaasgordijn door tot aan de derde zitrij.
WAARSCHUWING!
Hang of bevestig nooit iets aan de
handgrepen aan het plafond. De haak is
alleen bedoeld voor niet al te zware
kledingstukken (en niet voor harde
voorwerpen zoals paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op
de plafondbekleding, de portierstijlen of
de zijpanelen van de auto. Ze kunnen
daarbij hun beschermende werking
verliezen. Er mogen uitsluitend originele
Volvo-onderdelen, bestemd voor montage
op deze plaatsen, worden gebruikt.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de
zijruiten. Anders is het mogelijk dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming
meer biedt.
WAARSCHUWING!
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordel.
Draag altijd de veiligheidsgordel.
22
Veiligheid
WHIPS-systeem
Bescherming tegen whiplash-
letsel, WHIPS
Het WHIPS -systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende
rugleuningen en speciaal voor het systeem
ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide
voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd
bij een aanrijding van achteren, afhankelijk
van de hoek waaronder en de snelheid
waarmee het achteropkomende voertuig de
auto raakt en de materiaaleigenschappen van
dat voertuig.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS -systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de positie van de
bestuurder en de passagier op de
voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op
een zogeheten whiplash beperkt.
WHIPS-systeem en kinderzitjes
Het WHIPS -systeem heeft geen nadelige
invloed op de beschermende werking van de
kinderzitjes.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zoveel
mogelijk in het midden van de stoel plaats-
nemen en de afstand tussen het hoofd en de
hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
WAARSCHUWING!
Het WHIPS -systeem vormt een
aanvulling op de veiligheidsgordel. Draag
altijd een veiligheidsgordel.
WAARSCHUWING!
Breng nooit zelf wijzigingen aan de stoel
of het WHIPS -systeem aan en probeer ze
nooit zelf te repareren. Neem contact op
met een erkende Volvo-werkplaats.
23
Veiligheid
WHIPS-systeem
Zorg dat u de werking van het
WHIPS-systeem niet beïnvloedt
WAARSCHUWING!
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop
dat u de werking van het WHIPS -systeem
niet beïnvloedt.
WAARSCHUWING!
Als u een van de ruggedeelten van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u de
voorstoel aan dezelfde kant naar voren
schuiven zodat de rugleuning van de stoel
niet tegen het neergeklapte ruggedeelte
van de achterbank aankomt.
WAARSCHUWING!
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten, zoals bij een aanrijding van
achteren, moet u het WHIPS -systeem
laten controleren bij een erkende Volvo-
werkplaats.
Er kunnen eigenschappen van het WHIPS
-systeem verloren zijn gegaan, ook al ziet
de stoel er onbeschadigd uit. Neem
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats om het systeem te laten
controleren, ook na een lichte aanrijding
van achteren.
24
Veiligheid
ROPS-systeem
Het Roll-Over Protection System van Volvo is
ontwikkeld om het gevaar te beperken dat de
auto over de kop slaat en maximale
bescherming te bieden als een ongeluk
onvermijdelijk blijkt.
Het systeem bestaat uit:
een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll
Stability Control) dat het gevaar beperkt
dat de auto kantelt en over de kop slaat
wanneer u bijvoorbeeld krachtig afremt of
in de slip raakt;
een aanvulling op de inzittendenbevei-
liging door het gebruik van carrosseriever-
stevigingen, opblaasgordijnen en
gordelspanners op alle zitplaatsen (zie
ook pagina 12 en pagina 21).
Het RSC-systeem maakt gebruik van een
gyrosensor die wijzigingen in de helling
overdwars registreert. Aan de hand van deze
informatie wordt vervolgens berekend hoe
groot de kans is dat de auto over de kop
slaat. Als het gevaar reëel is, treedt het
DSTC-systeem in werking. Het motortoe-
rental wordt daarbij verlaagd en één of meer
van de wielen worden afgeremd, totdat de
auto zijn stabiliteit hervonden heeft.
Zie pagina 46 en 124 voor meer informatie
over het DSTC-systeem.
WAARSCHUWING!
Onder normale omstandigheden zorgt het
RSC-systeem voor een betere
wegligging. Dit mag echter voor u geen
reden zijn om sneller te gaan rijden. Neem
altijd de gebruikelijke voorzorgsmaatre-
gelen bij het rijden.
25
Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
Wanneer de airbags werden opgeblazen,
wordt u het volgende geadviseerd:
Sleep de auto naar een erkende Volvo-
werkplaats. Rijd niet in een auto met
opgeblazen airbags.
Laat het vervangen van de onderdelen
van de veiligheidssystemen in de auto
over aan een erkende Volvo-werkplaats.
Neem altijd contact op met een arts.
N.B. De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de
gordelspanners worden bij een botsing
slechts eenmaal geactiveerd.
Systeem Activering
Gordelspanners Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij.
Airbags (SRS) Bij frontale botsingen
1
.
SIPS-airbags Bij aanrijdingen van opzij
1
.
Opblaasgordijn (IC-systeem) Bij een aanrijding in de zij en/of kantelen
1
.
WHIPS-systeem Bij aanrijdingen van achteren
1
.
RSC-systeem Wanneer de auto bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip raakt.
1. Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en
het gewicht van het lichaam waarmee de auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op
de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen op de auto.
WAARSCHUWING!
De regeleenheid van het airbagsysteem
zit op de middenconsole van de auto. Als
de middenconsole doorweekt geraakt is,
moet u de accukabels loskoppelen.
Probeer de auto niet te starten, omdat de
airbags daarbij opgeblazen kunnen
worden. Sleep de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit met geactiveerde airbags. Ze
kunnen u bij het sturen danig in de weg
zitten. Ook de andere veiligheidssystemen
kunnen beschadigd zijn. Langdurige
blootstelling aan de rook- en stofdeeltjes
die vrijkomen bij activering van de airbags
kan oog- en huidirritatie veroorzaken.
Spoel bij irritatie met koud water. De
snelheid waarmee de airbags/gordijnen
worden opgeblazen kan in combinatie met
de toegepaste materialen resulteren in
schaaf- en brandwonden.
26
Veiligheid
Inspectie van airbags en opblaasgordijnen
Controle-intervallen
De stickers op de portierstijl(en) geven het
jaar en de maand aan waarin u contact moet
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om de airbags, gordelspanners en opblaas-
gordijnen te laten controleren en eventueel te
laten vervangen. Als u vragen hebt over de
systemen, kunt ook contact opnemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
1. Airbag aan de bestuurderszijde
2. Airbag aan de passagierszijde
3. SIPS-airbag aan de bestuurderszijde
4. SIPS-airbag aan de passagierszijde
5. Opblaasgordijn aan de bestuurderszijde
6. Opblaasgordijn aan de passagierszijde
Deze sticker vindt u in de portieropening
linksachter.
27
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderen moeten comfortabel en
veilig zitten
De plaats van het kind in de auto en de
vereiste uitrusting is afhankelijk van het
gewicht en de lengte van het kind (zie
pagina 30 voor meer informatie).
Kinderen die kleiner zijn dan 1,50 m dienen in
een passend kinderzitje te worden vervoerd.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
vervoer van kinderen in de auto verschillen
van land tot land. Ga na welke regels er in uw
land van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in
uw auto. Door het gebruik van originele
Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de
bevestigingspunten en bevestigingsonder-
delen op de juiste wijze zijn aangebracht en
sterk genoeg zijn.
Het volgende kan worden gebruikt:
een kinderzitje op de passagiersstoel,
mits de airbag aan de passagierszijde
gedeactiveerd is
1
.
een achterstevoren gemonteerd kinder-
zitje op de achterbank dat tegen de
rugleuning van de voorstoel steunt.
Kinderzitje en gordelwaar-
schuwing
Als u een baby- of kinderzitje (achterste-
voren) op de passagiersstoel hebt aange-
bracht en met de aanwezige
veiligheidsgordel hebt vastgezet, wordt er
niet altijd een gordelwaarschuwing gegeven.
Controleer daarom altijd of de gordel goed in
de sluiting steekt, voordat u wegrijdt!
1. Zie pagina17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
28
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
Kinderzitjes en airbags
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd
is
1
. Als de airbag wordt geactiveerd, kan een
kind in een kinderzitje aan de passagierszijde
ernstig letsel oplopen.
1. Zie pagina 17 voor informatie over
een geactiveerde/gedeactiveerde
airbag (SRS).
WAARSCHUWING!
Personen kleiner dan 1,40 m mogen
alleen op de voorstoel plaatsnemen als de
airbag gedeactiveerd is.
29
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van airbagsticker in voorportiero-
pening aan de passagierszijde
Sticker op zijwand dashboard. Sticker op zijwand dashboard (alleen
Australië).
WAARSCHUWING!
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een verhogingskussen op de passa-
giersstoel, als de airbag (SRS) geacti-
veerd is. Het niet opvolgen van de deze
aanbeveling kan levensgevaarlijke
situaties opleveren voor het kind.
30
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van kinderen in de auto
Gewicht (leeftijd)
Passagiersstoel met geactiveerde
1
airbag (SRS)
Passagiersstoel zonder (of met gedeactiveerde
1
) airbag (SRS)
(optie)
<10 kg
(tot 9 maanden)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijds-
categorie.
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen
met veiligheidsgordel en extra bevestigingsband. Typegoedk.:
E503135
2
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel.
Typegoedk.: E5 03160
2
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met ISOFIX-
systeem. Typegoedk.: E5 03162
2
9–18 kg
(9–36 maanden)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijds-
categorie.
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen
met veiligheidsgordel en extra bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 03135
2
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheids-
gordel.
Typegoedk.: E5 03161
2
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIX-
systeem. Typegoedk.: E5 03163
2
15–36 kg
(3–12 jaar)
Ongeschikte plaats voor deze leeftijds-
categorie.
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 03139
1. Zie pagina 17 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag.
2. Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto, voor
een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
31
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Positie van kinderen in de auto
Gewicht (leeftijd) Tweede zitrij, buitenste zitplaatsen
1
Tweede zitrij, middelste
zitplaats
1
Derde zitrij op model
met zeven zitplaatsen.
<10 kg
(tot 9 maanden)
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steunbeen en extra beves-
tigingsband. Typegoedk.: E5 03135
2
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel en steunbeen. Typegoedk.: E5 03160
2
Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met
ISOFIX-systeem en steunbeen. Typegoedk.: E5 03162
2
Achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje, te
bevestigen met veilig-
heidsgordel, steun en
bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 03135
2
Ongeschikte plaats
voor deze leeftijdscate-
gorie.
9–18 kg
(9–36 maanden)
Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te
bevestigen met veiligheidsgordel, steunbeen en extra beves-
tigingsband. Typegoedk.: E5 03135
2
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met
veiligheidsgordel en steunbeen. Typegoedk.: E5 03161
2
Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met
ISOFIX-systeem en steunbeen. Typegoedk.: E5 03163
2
Achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje, te
bevestigen met veilig-
heidsgordel, steun en
bevestigingsband.
Typegoedk.: E5 03135
2
Ongeschikte plaats
voor deze leeftijdscate-
gorie.
15–36 kg
(3–12 jaar)
Gordelkussen met of zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 03139
2
Mogelijkheden: Gordel-
kussen met of zonder
rugleuning. Typegoedk.:
E5 03139
2
Geïntegreerd kinderzitje.
Typegoedk.: E5 03167
3
Gordelkussen met of
zonder rugleuning.
Typegoedk.: E5 03139
2
1. Bij modellen met zeven zitplaatsen moet de zitrij in de achterste stand staan bij gebruik van een kinderzitje.
2. Geschikt voor speciale kinderzitjes (zie overzicht onder genoemde typegoedkeuring). Kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor één bepaald merk auto,
voor een beperkte groep merken, semi-universeel of universeel zijn.
3. Ingebouwd en goedgekeurd voor deze leeftijdscategorie.
32
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Geïntegreerde kinderzitjes
(optie op model met vijf
zitplaatsen, standaard op model
met zeven zitplaatsen)
De geïntegreerde kinderzitjes voor de
buitenste zitplaatsen van de achterbank van
Volvo zijn speciaal ontworpen om kinderen
optimale bescherming te bieden. In combi-
natie met de aanwezige veiligheidsgordels
zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor
kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg.
Kinderzitje uitklappen
Trek aan de handgreep zodat het kinder-
zitje omhoogkomt (1).
Pak het zitje met beide handen vast en
duw het naar achteren (2).
Druk het zo ver achteruit dat het
vergrendelt (3).
Zorg dat:
het kinderzitje in de vergrendelde stand
staat;
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de gordel
goed over de schouder ligt;
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
de veiligheidsgordel niet tegen de nek
van het kind aankomt of onder de
schouder langs loopt.
Stel de stand van de hoofdsteun
zorgvuldig af op de lengte van het kind.
WAARSCHUWING!
Het kinderzitje moet in de vergrendelde
stand staan voordat u het kind in het zitje
aanbrengt.
WAARSCHUWING!
Reparatie of vervanging dient alleen te
worden uitgevoerd door een erkende
Volvo-werkplaats. Voer zelf geen wijzi-
gingen of aanpassingen uit aan het
geïntegreerde kinderzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigen-
schappen verloren zijn gegaan. Het
geïntegreerde kinderzitje moet ook
worden vervangen als het erg versleten is.
33
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje inklappen
Trek aan de handgreep (1).
Duw het kussen zo ver omlaag dat het
vastklikt (2).
N.B. Let erop dat u het geïntegreerde kinder-
zitje eerst moet inklappen voordat u de
ruggedeelten van de achterbank voorover
kunt klappen.
34
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Kinderzitje monteren
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor
kinderen die afgestemd is op uw Volvo en
uitvoerig door Volvo getest is.
Bij het gebruik van andere op de markt
verkrijgbare producten is het belangrijk dat u
de bijgeleverde montagevoorschriften
zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het
kinderzitje nooit vast aan de hendel
waarmee u de voorstoel in de lengte-
richting verstelt of aan veren, rails of
balken onder de stoel. Scherpe randen
kunnen de bevestigingsbanden bescha-
digen.
Laat de rugleuning van het kinderzitje
tegen het dashboard steunen. Dit geldt
voor auto’s zonder airbag aan de passa-
gierszijde of auto’s waarvan de airbag
gedeactiveerd is.
ISOFIX-bevestigingssysteem
voor kinderzitjes (optie)
De buitenste zitplaatsen van de achterbank
zijn voorbereid voor het ISOFIX-bevestigings-
systeem voor kinderzitjes. Neem contact op
met uw erkende Volvo-dealer voor meer infor-
matie over veiligheidsuitrusting voor
kinderen.
WAARSCHUWING!
Gebruik geen kinderzitjes met stalen
beugels of andere constructies die tegen
de ontgrendelingsknop van de gordel-
sluiting kunnen aankomen. Dit om te
voorkomen dat de gordels plotseling
losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de
bovenkant tegen de voorruit aankomt.
WAARSCHUWING!
Plaats nooit een kinderzitje op de
voorstoel als de auto is uitgerust met een
geactiveerde airbag aan de passagiers-
zijde. Bij problemen tijdens de montage
van kinderveiligheidsproducten kunt u
contact opnemen met de fabrikant voor
nadere inlichtingen over de montage.
35
Veiligheid
Kinderen en veiligheid
Veiligheidsgordel met speciale
blokkeerfunctie (ALR/ELR
1
)
De veiligheidsgordel op de middelste
zitplaats van de tweede zitrij is voorzien van
een speciale blokkeerfunctie (ALR/ELR). De
blokkeerfunctie helpt de gordel aange-
spannen te houden, waardoor het gemakke-
lijker wordt een kinderzitje aan te brengen.
Doe het volgende om een kinderzitje met de
veiligheidsgordel vast te zetten.
Bevestig de veiligheidsgordel aan het
kinderzitje volgens de aanwijzingen die de
fabrikant van het zitje heeft verstrekt.
Trek de veiligheidsgordel volledig uit.
Zet de gordel vast door de borgtong in de
gordelsluiting te steken. Een duidelijker
“klik” geeft aan dat de gordel vergrendeld
is.
Laat de gordel op het oprolmechanisme
rollen en span het aan rond het kinder-
zitje. De veiligheidsgordel maakt een
mechanisch geluid, wat volkomen
normaal is.
De functie wordt automatisch opgeheven,
wanneer u de veiligheidsgordel uit de gordel-
sluiting haalt en loslaat.
Bij problemen tijdens de montage van kinder-
veiligheidsproducten moet u contact
opnemen met de fabrikant voor nadere inlich-
tingen over de montage.
1. Automatic Locking Retractor/
Emergency Locking Retractor.
36
Veiligheid
37
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links 38
Overzicht auto’s met het stuur rechts 40
Bedieningspaneel op bestuurdersportier 42
Instrumentenpaneel 43
Controle- en waarschuwingslampjes 44
Informatiedisplay 47
Schakelaars op middenconsole 49
Verlichtingspaneel 52
Linker stuurhendel 53
Rechter stuurhendel 54
Boordcomputer 56
Cruise control 57
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d. 58
Elektrisch bedienbare zijruiten 61
Spiegels en zijruiten 63
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) 65
38
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
39
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
1. Verlichtingspaneel...............................................................pagina 52
2. Blaasmond............................................................................pagina 69
3. Display...................................................................................pagina 47
4. Temperatuurmeter ...............................................................pagina 43
5. Kilometerteller, dagteller, Cruise control ........................pagina 43
6. Snelheidsmeter....................................................................pagina 43
7. Richtingaanwijzers ..............................................................pagina 43
8. Toerenteller ...........................................................................pagina 43
9. Buitentemperatuurmeter, klokje,
schakelstandindicatie.........................................................pagina 43
10. Brandstofmeter....................................................................pagina 43
11. Controle- en waarschuwingslampjes..............................pagina 44
12. Blaasmonden.......................................................................pagina 69
13. Dashboardkastje .................................................................pagina 86
14. Alarmlichten..........................................................................pagina 51
15. Infotainmentsysteem........................................................pagina 208
16. Klimaatregeling ............................................................ pagina 70, 73
17. Ruitenwissers.......................................................................pagina 54
18. Toetsenset voor telefoon/audiosysteem......................pagina 200
19. Instrumentenpaneel ............................................................pagina 43
20. Claxon....................................................................................................
21. Cruise control ......................................................................pagina 57
22. Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-dimlicht,
knop READ...........................................................................pagina 53
23. Parkeerrem............................................................................pagina 58
24. Handgreep voor lossen parkeerrem................................pagina 58
25. Schakelaars leeslampjes...................................................pagina 83
26. Interieurverlichting...............................................................pagina 83
27. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak..........................pagina 65
28. Gordelwaarschuwing.........................................................pagina 11
29. Achteruitkijkspiegel.............................................................pagina 63
40
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
41
Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
1. Verlichtingspaneel...............................................................pagina 52
2. Blaasmond............................................................................pagina 69
3. Controle- en waarschuwingslampjes..............................pagina 44
4. Brandstofmeter....................................................................pagina 43
5. Buitentemperatuurmeter, klokje,
schakelstandindicatie.........................................................pagina 43
6. Toerenteller ...........................................................................pagina 43
7. Richtingaanwijzers ..............................................................pagina 43
8. Snelheidsmeter....................................................................pagina 43
9. Kilometerteller, dagteller, Cruise control ........................pagina 43
10. Temperatuurmeter ...............................................................pagina 43
11. Display...................................................................................pagina 47
12. Blaasmonden.......................................................................pagina 69
13. Dashboardkastje .................................................................pagina 86
14. Alarmlichten..........................................................................pagina 51
15. Infotainmentsysteem........................................................pagina 208
16. Klimaatregeling ............................................................ pagina 70, 73
17. Richtingaanwijzers, wisselen groot licht-dimlicht,
knop READ...........................................................................pagina 53
18. Parkeerrem............................................................................pagina 58
19. Cruise control ......................................................................pagina 57
20. Claxon....................................................................................................
21. Instrumentenpaneel ............................................................pagina 43
22. Toetsenset telefoon-/audiosysteem..............................pagina 200
23. Ruitenwissers.......................................................................pagina 54
24. Handgreep voor lossen parkeerrem................................pagina 58
25. Schakelaars leeslampjes...................................................pagina 83
26. Interieurverlichting...............................................................pagina 83
27. Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak..........................pagina 65
28. Gordelwaarschuwing.........................................................pagina 11
29. Achteruitkijkspiegel.............................................................pagina 63
42
Instrumenten, schakelaars en bediening
Bedieningspaneel op bestuurdersportier
1. Vergrendelingsknop, simultaanvergren-
deling alle portieren
2. Blokkeerknop ruitbediening achterpor-
tieren
3. Knop, elektrisch bedienbare ruiten
4. Knop, buitenspiegels
1 2 3 4
43
Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
1. Temperatuurmeter
De temperatuurmeter geeft de temperatuur in
het koelsysteem van de motor aan. Op het
display verschijnt een bericht, als de tempe-
ratuur abnormaal hoog is en de naald tot in het
rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers
voor de radiateurgrille het koelvermogen
verminderen bij een hoge buitentemperatuur
en een zware belasting van de motor.
2. Display
Op het display worden informatieve
berichten en waarschuwingsberichten
weergegeven.
3. Snelheidsmeter
De snelheidsmeter geeft de snelheid van de
auto aan.
4. Dagtellers, T1 en T2
De dagtellers gebruikt u om kortere afstanden
op te meten. Het rechter cijfer geeft de afstand
in honderden meters aan. U kunt de dagtellers
op nul zetten door de knop langer dan
2 seconden in te drukken. U wisselt van
dagteller door de knop korte tijd in te drukken.
5. Indicatie voor Cruise control
Zie pagina 57.
6. Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totale aantal
kilometers aan dat er met de auto is gereden.
7. Groot licht aan/uit
8. Waarschuwingslampjes
Als er een storing optreedt, licht het
waarschuwingslampje op en verschijnt er een
bericht op het display.
9. Toerenteller
De toerenteller geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de
naald van de toerenteller niet tot in het rode
gebied uitslaan.
10. Indicatie voor automatische versnel-
lingsbak
U ziet hier welk schakelprogramma er wordt
aangehouden.
11. Buitentemperatuurmeter
De buitentemperatuurmeter geeft de buiten-
temperatuur aan. Wanneer de temperatuur in
het interval van –5 °C tot +2 °C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het display.
Het symbool wijst op het gevaar voor
gladheid.
Wanneer de auto stilstaat of geparkeerd
gestaan heeft, kan het zijn dat de buitentem-
peratuurmeter een te hoge waarde aangeeft.
12. Klokje
Draai aan de knop om het klokje op de juiste
tijd in te stellen.
13. Brandstofmeter
Er zit nog ongeveer 8 liter brandstof in de
tank, wanneer het lampje op het instrumen-
tenpaneel oplicht.
14. Controle- en waarschuwingslampjes
15. Richtingaanwijzers, links/rechts
44
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes
gaan branden
1
wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De
werking van de lampjes wordt dan gecontro-
leerd. Alle lampjes moeten weer uitgaan als
de motor is aangeslagen, behalve het lampje
voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit als de
auto van de parkeerrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen vijf
seconden aanslaat, gaan alle
lampjes uit behalve de lampjes
voor storingen in het uitlaatgas-
reinigingssysteem van de auto
en een te lage oliedruk. Afhankelijk van de
uitrusting van de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie hebben.
Waarschuwingslampje midden
op instrumentenpaneel
Het waarschuwingslampje knippert
met een rood of oranje licht afhan-
kelijk van de ernst van de geregis-
treerde storing.
Rood licht
Breng de auto tot stilstand. Lees het
bericht op het display.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje licht
Lees het bericht op het display. Verhelp
de storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ (zie pagina 47).
Wanneer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de
displaytekst automatisch.
N.B. Wanneer de tekst “TIJD VOOR REG.
SERVICE” verschijnt, doet u het waarschu-
wingslampje uit en verwijdert u de tekst met
behulp van de knop READ. Dit gebeurt
automatisch na 2 minuten.
1. Bij sommige motortypes licht het
waarschuwingslampje voor een te
lage oliedruk niet op.
45
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Storing in ABS
Als het waarschuwingslampje voor
het ABS -systeem oplicht, werkt het
ABS -systeem niet meer. Het
normale remsysteem van de auto
werkt dan nog, zij het zonder ABS -regeling.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje dooft, kunt
u verder rijden. Er was dan geen sprake
van een werkelijke storing.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
ABS -systeem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het lampje voor het remsysteem
oplicht, is het mogelijk dat het
remvloeistofpeil te laag is.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en controleer het peil in het
remvloeistofreservoir.
Als het peil lager is dan het MIN-merkje van
het reservoir, kunt u beter niet verder rijden
met de auto. Laat de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem
te controleren.
Als de waarschuwingslampjes
REMSYSTEEM en ABS tegelij-
kertijd branden, kan er een storing in
de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
Als de beide lampjes weer doven, was er
geen sprake van een werkelijke storing.
Als de waarschuwingslampjes echter
blijven branden, moet u het peil in het
remvloeistofreservoir controleren.
Als het peil lager is dan het MIN -merkje
van het remvloeistofreservoir, kunt u beter
niet verder rijden met de auto. Laat de
auto naar een erkende Volvo-werkplaats
slepen om het remsysteem te controleren.
Als de lampjes echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloei-
stofpeil in orde is, moet u de auto uiterst
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
remsysteem te laten controleren.
Gordelwaarschuwing
Het lampje brandt, zolang de
bestuurder en de voorpassagier de
gordel niet hebben omgedaan.
Te lage oliedruk
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk af
en controleer het motoroliepeil. Als
het lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde
is, moet u de auto tot stilstand brengen en
contact opnemen met een erkende Volvo-
werkplaats.
Storing in uitlaatgasreinigings-
systeem
Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Storing in SRS-systeem
Als het waarschuwingslampje voor
het SRS-systeem oplicht, is er een
storing in het SRS-systeem geregis-
treerd. Rijd de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er waarschijnlijk sprake
van een storing in het elektrisch
systeem. Breng een bezoek aan een erkende
Volvo-werkplaats.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje licht op wanneer de
voorgloeifunctie van de motor actief
is. Wanneer het lampje dooft, kunt u
de motor starten. Geldt alleen voor dieselmo-
dellen.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes
REMSYSTEEM en ABS tegelijkertijd
oplichten, bestaat het gevaar dat de
achtertrein bij krachtig remmen gaat
slippen.
46
Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
Parkeerrem aangezet
Het lampje brandt, wanneer u de
parkeerrem bedient. Trap het
parkeerrempedaal altijd zo ver
mogelijk in.
N.B. Het controlelampje geeft alleen aan dát
u de parkeerrem hebt bediend maar niet hoe
hard!
Mistachterlicht
Het lampje brandt, wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Controlelampje aanhanger
Het controlelampje knippert,
wanneer u de richtingaanwijzers op
de auto en op de aanhanger
gebruikt. Als het lampje niet knippert, is een
van de richtingaanwijzers op de auto of de
aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem en DSTC
Het DSTC -systeem (Dynamic Stability and
Traction Control) dat meerdere deelsys-
temen omvat staat uitvoeriger beschreven op
pagina 124.
Het lampje licht op om na
ca. twee seconden weer te doven
Het lampje licht tijdens het starten
van de motor op om aan te geven
dat er een systeemtest plaatsvindt.
Het lampje knippert
De SC-regeling (Spin Control)
tracht te voorkomen dat de aange-
dreven wielen van de auto
doorslippen. De TC -regeling
(Traction Control) tracht de grip van de auto
op de weg te verbeteren.
De AYC -regeling (Active Yaw Control) tracht
te voorkomen dat de auto in de slip raakt.
Het RSC -systeem (Roll Stability Control)
tracht te voorkomen dat de auto over de kop
slaat.
Het oranje waarschuwingslampje brandt
continu
Het lampje brandt en de melding
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK
UIT verschijnt op het informatie-
display.
De TC -regeling is tijdelijk beperkt wegens
een te hoge remtemperatuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remtemperatuur
weer normaal is.
Het oranje waarschuwingslampje brandt
continu
Het lampje licht op en de melding
ANTI SKID SERVICE VEREIST
verschijnt op het informatiedisplay.
Het DSTC -systeem werd door een
storing uitgeschakeld.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af.
Start de motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
Storing in DSTC -systeem
Als het waarschuwingslampje oplicht en
continu brandt, terwijl u het systeem niet hebt
uitgeschakeld is er sprake van een storing in
een van de systemen. De tekst “ANTI-
SKID SERVICE VEREIST” verschijnt op het
display.
Breng de auto op een veilige plaats tot
stilstand en zet de motor af. Start de
motor opnieuw.
Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een
werkplaats te brengen.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats rijden om het
systeem te laten controleren.
WAARSCHUWING!
Onder normale omstandigheden zorgt het
DSTC -systeem voor een betere
wegligging. Dit mag echter voor u geen
reden zijn om sneller te gaan rijden. Wees
altijd voorzichtig bij het nemen van
bochten en het rijden op gladde wegen.
47
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Displaymelding
Wanneer er een controle- of waarschuwings-
lampje oplicht, verschijnt er tevens een
bericht op het display. Wanneer u het bericht
gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop
READ (A) drukken. Het bericht wordt dan van
het display gewist en in het geheugen
opgeslagen. Het bericht blijft in het
geheugen opslagen, totdat u de onderlig-
gende storing hebt laten verhelpen.
Berichten die duiden op zeer ernstige
storingen kunt u niet van het display wissen.
De berichten blijven op het display staan,
totdat u de onderliggende storing hebt laten
verhelpen.
Berichten die in het geheugen liggen
opgeslagen kunt u op een later tijdstip
nogmaals doorlezen. Druk op de knop
READ (A), als u de opgeslagen berichten wilt
bekijken. U kunt de berichten doorbladeren
door op de knop READ te drukken. Druk
nogmaals op de knop READ om de berichten
weer in het geheugen op te slaan.
Als er een waarschuwingsbericht verschijnt
terwijl u zich bijvoorbeeld in een menu van de
boordcomputer bevindt of wilt telefoneren,
moet u eerst bevestigen dat u het bericht
hebt gezien. U doet dat door op de knop
READ (A) te drukken.
48
Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
Melding Betekenis
STOP AUTO Z.S.M. Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
ZET DE MOTOR AF Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
SERVICE SPOED Breng uw auto voor controle naar de werkplaats.
ZIE HANDLEIDING Raadpleeg het instructieboekje.
SERVICE VEREIST Laat uw auto zo spoedig mogelijk controleren.
BIJ ONDERHOUD Laat uw auto tijdens de volgende servicebeurt controleren.
TIJD VOOR REG. SERVICE Als de displaytekst verschijnt, moet de auto voor een servicebeurt naar de werkplaats.
Wanneer de tekst verschijnt, hangt af van de afgelegde afstand, het aantal maanden dat
verstreken is sinds de laatste servicebeurt en het aantal draaiuren van de motor.
OLIEPEIL LAAG
1
– BIJVULLEN
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Controleer het peil en vul zo spoedig mogelijk olie bij (zie
pagina 174 voor meer informatie).
OLIEPEIL LAAG
2
– STOP AUTO Z.S.M.
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand om het
oliepeil te controleren (zie pagina 174).
OLIEPEIL LAAG
2
– ZET MOTOR UIT
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet de
motor af om het oliepeil te controleren (zie pagina 174).
OLIEPEIL LAAG
2
– ZIE HANDLEIDING
3
Het oliepeil van de motor is te laag. Breng de auto op een veilige manier tot stilstand en zet de
motor af om het oliepeil te controleren (zie pagina 174).
ROETFILTER VOL –
ZIE HANDLEIDING
1
Het roetfilter van dieselmodellen is aan regeneratie toe (zie pagina 115).
1. Verschijnt samen met een oranje gevarendriehoek.
2. Verschijnt samen met een rode gevarendriehoek.
3. Geldt alleen voor motortypes met olieniveausensor.
49
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
N.B. De onderlinge positie van de knoppen
kan variëren.
DSTC-systeem
Met deze knop kunt u de
functie van het DSTC -
systeem beperken of een
geldende beperking
opheffen. Wanneer de LED
in de knop brandt, is het
DSTC -systeem actief (voor
zover er geen sprake is van een storing).
N.B. Om veiligheidsredenen moet u de knop
minstens een halve seconde lang ingedrukt
houden om de functie van het DSTC -
systeem te beperken. De LED in de knop
dooft dan en de tekst “DSTC SPIN
CONTROL UIT” verschijnt op het display.
Beperk de functie van het systeem als u een
wiel met een afwijkende maat gebruikt.
De volgende keer dat u de motor start, is het
DSTC-systeem weer actief.
Airconditioning achter in passa-
giersruimte (optie)
Druk op de knop om de
airconditioning achter in de
passagiersruimte in te
schakelen. De aircondi-
tioning achter in de passa-
giersruimte wordt
uitgeschakeld, wanneer u
het contact uitschakelt.
Kinderslot op achterportieren
(optie)
Met deze knop kunt u het
elektrisch kinderslot op de
achterportieren in- of
uitschakelen. De contact-
sleutel moet daarbij in
stand I of II staan. Wanneer
het kinderslot geactiveerd is, brandt de LED
in de knop. Er verschijnt een bericht op het
display, wanneer u het kinderslot in- of
uitschakelt.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de rijeigenschappen van de
auto veranderen, als u het DSTC -systeem
uitschakelt.
50
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Inklapbare buitenspiegels
(optie)
Met deze knop kunt u de
elektrisch bedienbare
buitenspiegels in- en
uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een
van de buitenspiegels per
ongeluk in- of uitgeklapt is:
Klap de buitenspiegel die verzet is terug
in de normale stand.
Draai de contactsleutel naar stand II.
Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst naar binnen en vervolgens
weer naar buiten toe. De buitenspiegels
staan daarna weer in hun oorspronkelijke
stand.
Parkeerhulp (optie)
Het systeem is bij het
starten van de motor altijd
geactiveerd. Druk op de
knop om de parkeerhulp uit
te schakelen of opnieuw in
te schakelen (zie ook
pagina 125).
Alarmsensoren en Safelock-
functie
1
tijdelijk deactiveren
Met deze knop kunt u de
Safelock-functie desge-
wenst uitschakelen
(Safelock houdt in dat
portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde
te openen zijn). Met deze knop kunt u ook de
bewegingsmelder en de niveausensoren van
het alarmsysteem buiten werking stellen
2
. De
LED in de knop brandt, wanneer de functies
zijn uitgeschakeld of buiten werking zijn
gesteld.
Verstralers (accessoire)
Druk op deze knop als u de
verstralers van de auto’s
tegelijk met het groot licht
wilt voeren of als u de
verstralers uit wilt schakelen.
De LED in de knop brandt
om aan te geven dat de functie actief is.
Elektrische aansluiting
(standaard)/Aansteker (optie)
U kunt de elektrische
aansluiting gebruiken
verschillende accessoires
die op een spanning van
12 V werken, zoals een
mobiele telefoon of een
koelbox.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in de
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de
aansteker uit de opening en gebruik het
roodgloeiende deel om een sigaar of sigaret
aan te steken. Om veiligheidsredenen moet u
het deksel altijd op de aansluiting laten zitten,
wanneer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
BLIS, Blind Spot Information
System (optie)
Druk op de knop om het
systeem te deactiveren of te
heractiveren (zie pagina 143
voor meer informatie).
1. Bepaalde markten
2. Optie
51
Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
Alarmlichten
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaan-
wijzers knipperen), wanneer u de auto
noodgedwongen tot stilstand moet brengen
op een plaats waar deze gevaar of hinder
voor het verkeer kan opleveren. Druk op de
knop om de functie te activeren.
N.B. De regels voor het gebruik van de alarm-
lichten verschillen van land tot land.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Schakel de elektrische
verwarming in om ijs en
wasem van de
achterruit en de buiten-
spiegels te verwijderen.
Wanneer u op de
schakelaar drukt, wordt
de verwarming van de
achterruit en de buiten-
spiegels geactiveerd.
De LED in de
schakelaar gaat daarbij branden.
De verwarming wordt na ca. 12 minuten
automatisch uitgeschakeld.
Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Zie pagina 71 of 75
voor meer informatie.
52
Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteverstelling
Door de belading van de auto wordt de
hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u
tegemoetkomend verkeer kunt verblinden. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar
een van de eindstanden.
Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te
stellen.
Auto’s met Bi-Xenonkoplampen
1
zijn
uitgerust met automatische koplamphoogte-
regeling, zodat het duimwiel (3) ontbreekt.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten ór en
de achterlichten altijd inschakelen ongeacht
de stand van de contactsleutel.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten altijd aan. De kentekenplaatver-
lichting wordt gelijktijdig met de stadslichten/
parkeerlichten vóór en de achterlichten
ingeschakeld.
Koplampen
Automatisch dimlicht
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer
u de contactsleutel naar stand II draait,
behalve wanneer de
verlichtingsdraaiknop (1) in de middelste
stand staat. U kunt het automatische dimlicht
zo nodig in een erkende Volvo-werkplaats
buiten werking laten stellen.
Handmatig dimlicht (bepaalde landen)
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1)
rechtsom naar de eindstand.
Groot licht
Draai de contactsleutel naar stand II.
Draai de verlichtingsdraaiknop (1)
rechtsom naar de eindstand.
Haal de linker stuurhendel tot in
eindstand naar het stuur toe en laat de
hendel vervolgens los (zie pagina 53).
Mistlichten
N.B. De regels voor het gebruik van de
mistlichten verschillen van land tot land.
Mistlampen vóór (optie)
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de
achterlichten.
Druk op de knop (2).
De LED in de knop (2) brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
Druk op de knop (4).
Het controlelampje voor het mistachterlicht
op het instrumentenpaneel en de LED in de
knop (4) branden, wanneer het mistachter-
licht is ingeschakeld.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer
de contactsleutel in stand II staat en de
verlichtingsdraaiknop (1) in een van de
eindstanden. De verlichting wordt bij daglicht
automatisch gedimd en valt bij donker
handmatig te regelen.
Draai het duimwiel (5) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
1. Optie.
53
Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
Standen stuurhendel
1. Korte serie knippersignalen, richtingaan-
wijzers
2. Onafgebroken serie knippersignalen,
richtingaanwijzers
3. Grootlichtsignalen
4. Wisselen tussen groot licht en dimlicht
en “Follow-Me-Home”-verlichting
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
tot in de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
tot in stand (1) en laat de hendel
vervolgens los.
Wanneer u de stuurhendel loslaat veert deze
terug naar de uitgangspositie, zodat de
richtingaanwijzers worden uitgeschakeld.
Wisselen tussen groot licht en
dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om
het groot licht te kunnen inschakelen.
Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 52).
Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3)
naar het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden,
totdat u de hendel weer loslaat.
“Follow-Me-Home”-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenver-
lichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als “Follow-Me-Home”-verlichting dienst te
laten doen na vergrendeling van de auto. De
inschakelduur bedraagt 30 seconden
1
, maar
is in een erkende Volvo-werkplaats te
wijzigen in 60 of 90 seconden.
Neem de sleutel uit het contactslot.
Haal de stuurhendel tot in de
eindstand (4) naar het stuurwiel toe en
laat de hendel los.
Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1. Fabrieksinstellingen.
54
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit
Ruitenwissers
Ruitenwissers uitgeschakeld.
Wanneer u de hendel vanuit stand 0
omhoogduwt, maken de wissers
slagen zolang u de hendel vasthoudt.
Intervalstand
U kunt de snelheid van de wissers in
de intervalstand bijstellen. Wanneer
u de ring (1) rechtsom draait, neemt het
aantal wisserslagen per eenheid van tijd toe.
Wanneer u de ring linksom draait, neemt het
aantal wisserslagen per eenheid van tijd af.
De wissers werken op normale
snelheid.
De wissers werken op hoge
snelheid.
Regensensor (optie)
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoe-
ligheid van de regensensor is in te stellen met
de ring (1).
Draai de ring rechtsom voor een grotere
gevoeligheid en linksom voor een lagere
gevoeligheid (de wissers maken een extra
slag, als u de ring rechtsom draait).
Aan/Uit
Als u de regensensor activeert, moet de
contactsleutel in stand I of II staan en de
hendel van de ruitenwissers in stand 0.
U activeert u de regensensor door:
op de knop (2) te drukken. De LED in de
knop gaat branden om aan te geven dat
de regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de
volgende manieren weer uit:
druk op de knop (2); of
haal de hendel omlaag naar een ander
wisprogramma. Als u de hendel
omhoogduwt, blijft de regensensor actief.
De wissers maken een extra slag en keren
terug naar de regensensorstand, wanneer
u de hendel laat terugveren naar stand 0.
De regensensor wordt automatisch uitge-
schakeld, wanneer u de sleutel uit het
contactslot neemt of vijf minuten nadat u de
auto van het contact hebt gezet.
BELANGRIJK!
Sproei een royale hoeveelheid ruiten-
sproeiervloeistof op de voorruit wanneer
de ruitenwissers werken. De voorruit
moet nat zijn bij gebruik van de
ruitenwissers.
BELANGRIJK!
In automatische wasstraten:
Schakel de regensensor uit door op
knop (2) te drukken, terwijl de contact-
sleutel in stand I of II staat. De ruiten-
wissers kunnen anders in beweging
komen en daarbij beschadigd raken.
55
Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
Ruitensproeiers
U activeert de ruitensproeiers door de hendel
naar het stuurwiel toe te trekken.
Koplampsproeiers
(optie op bepaalde markten)
De koplampsproeiers verbruiken grote
hoeveelheden ruitensproeiervloeistof. Om
vloeistof te besparen worden de koplampen
alleen iedere vijfde keer dat u de voorruit-
sproeiers activeert gesproeid (gerekend over
een periode van tien minuten). Wanneer er
meer dan tien minuten zijn verstreken sinds
de laatste sproeibeurt van de voorruit,
worden ook de koplampen weer gesproeid
bij het activeren van de ruitensproeiers.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer één liter ruiten-
sproeiervloeistof in het reservoir zit, worden
de koplampen en de achterruit niet langer
schoongesproeid. Dit omdat de sproeifunctie
van de voorruit de voorrang heeft.
Werking wisser-/sproeiersysteem,
achterklep.
Ruitensproeier en wisser,
achterklep
Wanneer u de hendel naar voren duwt,
schakelt u de ruitensproeier op de achterklep
in.
1. Ruitenwisser achterklep, intervalstand
2. Ruitenwisser achterklep, normale
wissnelheid
Ruitenwissers achterklep, achteruit-
rijden
Als u de auto in de achteruitversnelling zet
terwijl de voorruitwissers actief zijn, zal de
achterruitwisser automatisch in de interval-
stand gaan staan
1
. Als de achterruitwisser
echter al op normale snelheid werkt, vindt er
geen wijziging in de wisfunctie plaats.
1. Deze functie (intervalfunctie tijdens
het achteruitrijden) kunt u desge-
wenst uitschakelen. Neem daarvoor
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats.
56
Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer
Bediening
Om toegang te krijgen tot de informatie van
de boordcomputer moet u de ring (B) op de
hendel stapsgewijs linksom of rechtsom
draaien. Wanneer u na het laatste menu
nogmaals aan de ring draait, keert u terug in
de uitgangspositie.
N.B. Als er een waarschuwingsbericht
verschijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een
menu van de boordcomputer bevindt of wilt
telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u
het bericht hebt gezien. U doet dat door op
de knop READ (A) te drukken. U keert dan
terug naar het menu van de boordcomputer
waarin u zich bevond.
Functies
De boordcomputer toont de volgende infor-
matie:
GEMIDDELDE SNELHEID
SNELHEID IN MILES PER HOUR
1
ACTUEEL BRANDSTOFVERBRUIK
GEMIDDELD BRANDSTOFVERBRUIK
BEREIK TOT LEGE BRANDSTOFTANK
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste
maal dat u de waarde op nul hebt gezet
(RESET). Wanneer u het contact uitschakelt,
wordt de gemiddelde snelheid opgeslagen
om als uitgangswaarde te dienen bij het
vervolg van de rit. U kunt de waarde op nul
zetten met een druk op de knop RESET (C)
op de hendel.
Snelheid in miles per hour
1
De actuele snelheid wordt weergegeven in
mph.
Actueel brandstofverbruik
In het menu voor het actuele brandstofver-
bruik wordt het brandstofverbruik voort-
durend bijgehouden. Het brandstofverbruik
wordt eenmaal per seconde berekend. De
waarde op het display wordt om de paar
seconden bijgewerkt. Wanneer de auto
stilstaat, geeft het display “----” aan.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Gemiddeld brandstofverbruik
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gezet (RESET). Wanneer u het contact
uitschakelt, wordt het gemiddelde brandstof
verbruik opgeslagen. De waarde blijft in het
geheugen opgeslagen, totdat u deze met een
druk op de knop RESET (C) op de hendel op
nul zet.
N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen,
als u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Bereik tot lege brandstoftank
Het bereik tot lege brandstoftank (d.w.z. de
actieradius) wordt berekend aan de hand van
het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km. Wanneer de actieradius
kleiner is dan 20 km, geeft het display “----”
aan.
N.B. N.B. Er kunnen onjuiste waarden
verschijnen, als u bijvoorbeeld van rijstijl bent
veranderd of een standverwarming op
brandstof hebt gebruikt.
1. Bepaalde landen
57
Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruise control
Inschakelen
De bedieningsorganen voor de Cruise
control vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
Druk op de knop CRUISE. Op het instru-
mentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
Druk lichtjes op + of om de snelheid
van de auto vast te zetten. Op het instru-
mentenpaneel verschijnt CRUISE-ON.
De Cruise control kan niet worden
ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h
of hoger dan 200 km/h.
Snelheid verhogen of verlagen
U kunt de snelheid verhogen of verlagen door
de knop + of in te drukken. De snelheid die
de auto heeft op het moment dat u de knop
loslaat, zal vervolgens worden geprogram-
meerd.
Een korte druk (minder dan
een halve seconde) op + of komt overeen
met een snelheidswijziging van 1 km/h.
N.B. Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op de
instelling van de Cruise control. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automa-
tisch de ingestelde snelheid weer aan.
Tijdelijk uitschakelen
Druk op 0 om de Cruise control tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE. De eerder ingestelde
snelheid blijft na een tijdelijke uitschakeling in
het geheugen opgeslagen.
De Cruise control wordt bovendien tijdelijk
uitgeschakeld, als:
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
de snelheid heuvelop lager wordt dan
30 km/h;
u de keuzehendel in stand N zet;
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan een minuut heeft geduurd.
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten. Op
het instrumentenpaneel verschijnt
CRUISE-ON.
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de Cruise control uit te
schakelen. CRUISE-ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
58
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Parkeerrem, auto met stuur links.
Parkeerrem
Links op de vloer vindt u het parkeerrem-
pedaal, waarmee u de parkeerrem kunt
aanzetten die op de achterwielen werkt.
Het waarschuwingslampje op het instrumen-
tenpaneel geeft alleen aan dát u de
parkeerrem hebt bediend en niet hoe hard!
Trap het parkeerrempedaal daarom altijd zo
ver mogelijk in.
Parkeerrem aanzetten:
Trap het rempedaal stevig in.
Trap het parkeerrempedaal (1) zo ver
mogelijk in.
Haal uw voet van het rempedaal en
controleer of de auto blijft stilstaan.
Schakel de
eerste versnelling in (handbak)
of zet de keuzehendel in stand P
(automaat).
Op een helling parkeren
Draai de wielen van de trottoirband af bij
het parkeren op een oplopende helling.
Draai de wielen naar de trottoirband toe
bij het parkeren op een aflopende helling.
Parkeerrem lossen:
Trap het rempedaal stevig in.
Trek de handgreep (2) naar buiten.
Parkeerrem, auto met stuur rechts.
2
1
1
2
59
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Motorkap openen
Trek de handgreep naar u toe om de motor-
kapvergrendeling op te heffen.
Elektrische aansluiting achterin
(optie)
U kunt de elektrische aansluiting voor
verschillende accessoires gebruiken die op
een spanning van 12 V werken, zoals een
mobiele telefoon of een cd-speler. U kunt
maximaal 10 A via de aansluiting afnemen.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
Stuurwielafstelling
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen. Duw de hendel aan de
linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet het
stuurwiel vervolgens in de gewenste stand.
Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als
dit veel moeite kost, kunt u lichte druk op het
stuurwiel aanbrengen terwijl u de blokkeer-
hendel terugduwt.
WAARSCHUWING!
Sluit de motorkap door uw ene hand er
bovenop te leggen en de kap vervolgens
omlaag te duwen. Houd de motorkap
tijdens het sluiten niet aan de grille beet.
Dit om te voorkomen dat u met uw vingers
tegen motoronderdelen aankomt en
daarbij verwondingen oploopt.
WAARSCHUWING!
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden
en nooit tijdens het rijden. Controleer of
het stuurwiel in de gekozen stand geblok-
keerd staat.
60
Instrumenten, schakelaars en bediening
Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Achterklep openen
Open de achterklep door aan de handgreep
te trekken zoals aangegeven op de
afbeelding. Klap het achterschot omlaag
door de handgreep op te tillen.
61
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
Met de schakelaars op de armleuning van de
portieren kunt u de ruiten elektrisch
bedienen. U kunt de ruiten alleen bedienen,
wanneer de contactsleutel in stand I of II
staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de
contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de
ruiten nog steeds openen en sluiten zolang u
geen van de voorportieren hebt geopend.
De ruiten gaan open, wanneer u de voorzijde
van de schakelaar omlaagdrukt, of dicht,
wanneer u de voorzijde van de schakelaar
omhoogtrekt.
Elektrisch bedienbare ruiten in
de voorportieren
U kunt de ruiten in de voorportieren op twee
manieren vanaf de voorstoelen openen.
Druk de schakelaars (A) voorzichtig
omlaag of trek ze voorzichtig omhoog. De
elektrisch bedienbare ruiten gaan dan
steeds verder omhoog of omlaag zolang u
de schakelaars bedient.
Druk de schakelaars (A) volledig omlaag
of trek ze volledig omhoog en laat ze
vervolgens weer los. De zijruiten gaan dan
automatisch volledig open of dicht. Als de
ruiten worden geblokkeerd, wordt de op-
of neergaande beweging van de zijruiten
afgebroken en zakken de ruiten weer iets
omlaag.
N.B. Alleen op bepaalde markten werkt de
automatische sluitingsfunctie ook aan de
passagierszijde.
Met de achterste schakelaars (B) bedient u
de ruiten in de achterportieren.
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de
schakelaar op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier. Let erop dat u altijd de
stroomtoevoer voor de elektrisch bedienbare
ruiten verbreekt (d.w.z. de contactsleutel
verwijdert), wanneer u kinderen alleen in de
auto achterlaat.
LED in schakelaar brandt niet
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel
met de knoppen op de portieren als met de
knoppen op het bestuurdersportier te
bedienen.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op
dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare zijruiten verbreekt door auto
de contactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten
voor dat kinderen of andere inzittenden
niet met hun handen bekneld kunnen
raken.
Bij het sluiten van de achterste zijruiten
vanaf het bestuurdersportier:
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten
voor dat achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
B
A
62
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare zijruiten
LED in schakelaar brandt
De zijruiten in de achterportieren zijn alleen
vanaf het bestuurdersportier te bedienen.
Elektrisch bedienbare ruit in
voorportier, passagierszijde
Met de schakelaar voor elektrische bediening
van de ruit op het passagiersportier kunt u
alleen de ruit in het passagiersportier
bedienen.
Elektrisch bedienbare ruiten in
achterportieren
U kunt de ruiten in de achterportieren zowel
met de schakelaars op de beide achterpor-
tieren als met de schakelaars op het bestuur-
dersportier bedienen. Als de LED in de
schakelaar waarmee u de elektrische
bediening van de ruiten in de achterportieren
blokkeert (op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier) brandt, kunt u de ruiten in
de achterportieren alleen vanaf het bestuur-
dersportier bedienen.
WAARSCHUWING!
Wanneer u de zijruiten in de achterpor-
tieren met de knoppen op het bestuurder-
sportier sluit, moet u erop letten dat
eventuele achterpassagiers niet met hun
handen bekneld kunnen raken.
63
Instrumenten, schakelaars en bediening
Spiegels en zijruiten
Achteruitkijkspiegel
A. Normale stand.
B. Anti-verblindingsstand. Gebruik deze
stand, als u de koplampen van het
achteropkomende verkeer als hinderlijk
ervaart.
Bepaalde modellen hebben een zogeheten
autodim-functie, hetgeen inhoudt dat de
achteruitkijkspiegel automatisch in de anti-
verblindingsstand gaat staan afhankelijk van
de lichtinval. De gevoeligheid van deze
functie kunt u in een erkende Volvo-
werkplaats laten afstellen.
Buitenspiegels
De schakelaars waarmee u de twee buiten-
spiegels bedient, vindt u voor op de
armleuning van het bestuurdersportier.
Druk de schakelaar L of R in (L = linker
buitenspiegel, R = rechter buitenspiegel).
De LED in de schakelaar brandt.
U stelt de stand van de buitenspiegels bij
met het centrale hendeltje. Druk
vervolgens eenmaal op de schakelaar. De
LED mag niet langer branden.
Buitenspiegels met geheugen
(optie)
Als er buitenspiegels met geheugen op de
auto zitten, werkt het geheugen synchroon
met dat van de bestuurdersstoel (zie
pagina 81).
Geheugen in afstandsbediening (optie)
Wanneer u de auto met een van de afstands-
bedieningen ontgrendelt en de instelling van
de buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe
positie van de spiegels in de afstandsbe-
diening opgeslagen. De volgende keer dat u
de auto ontgrendelt met dezelfde afstands-
bediening en het bestuurdersportier binnen
vijf minuten na ontgrendeling opent, gaan de
buitenspiegels in de opgeslagen positie
staan.
Gelaagde zijruiten (optie)
De zijruiten van gelaagd glas in de voor- en
achterportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
WAARSCHUWING!
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
A
B
BELANGRIJK!
Gebruik de spiegelverwarming (zie
pagina 51) om de buitenspiegels van ijs
te ontdoen en geen ijskrabber. Een
krabber kan krassen op het spiegelglas
veroorzaken.
64
Instrumenten, schakelaars en bediening
Spiegels en zijruiten
Water- en vuilafstotende laag op
voorste zijruiten en/of buiten-
spiegels (optie)
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels
zijn voorzien van een speciale laag die bij
regen voor een beter zicht zorgen. Zie
pagina 165 voor informatie over het
onderhoud van dergelijk glaswerk.
Zijruiten en buitenspiegels
met de speciale water- en
vuilafstotende laag zijn
voorzien van een klein
symbool.
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 51).
Verwarm de buitenspiegels:
als er sneeuw of ijs op de spiegels zit
bij hevige regenval of vieze wegen
bij beslagen spiegels.
BELANGRIJK!
Gebruik geen metalen ijskrabber om de
ruiten van ijs te ontdoen. De water- en
vuilafstotende laag kan beschadigd
raken.
Gebruik de elektrische verwarming om de
buitenspiegels van ijs te ontdoen!
65
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Openingsstanden
De bedieningsknop voor het schuifdak zit aan
het plafond. U kunt het schuifdak op twee
manieren bedienen:
A. Achterkant omhoog/omlaag (ventilatie-
stand)
B. Achteruit/vooruit (openingsstand/
comfortstand)
1
. De contactsleutel moet
daarbij in stand I of II staan.
1. Automatisch sluiten
2. Sluiten, handmatig
3. Openen, handmatig
4. Openen, automatisch
5. Openen, ventilatiestand
6. Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen: Duw de achterkant van de
schakelaar (5) omhoog.
Sluiten: Trek de achterkant van de
schakelaar (6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: Trek
de schakelaar achteruit in de eindstand (4)
en laat de schakelaar los.
1. In de comfortstand staat het
schuifdak op een kier om de rijwind-
geluiden te beperken.
A
B
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten: Verbreek
bij het verlaten van de auto de stroom-
toevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
1
2
3
4
5
6
66
Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie)
Automatische bediening
Duw de schakelaar door het drukpunt (3) in
de achterste eindstand (4) of via het
drukpunt (2) in de voorste eindstand (1) en
laat de schakelaar vervolgens los. Het
schuifdak schuift dan tot in de comfortstand
open of helemaal dicht.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen: trek de
schakelaar nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de schakelaar
vervolgens los.
Handmatige bediening
Openen: Trek de schakelaar achteruit naar
het drukpunt (3). Het schuifdak schuif steeds
verder open zolang u de schakelaar in deze
stand vasthoudt.
Sluiten: Duw de schakelaar naar vooruit in
het drukpunt (2). Het schuifdak schuift
steeds verder dicht zolang u de schakelaar in
deze stand vasthoudt.
Zonnescherm
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het glijdt
automatisch naar achteren bij het openen van
het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te
sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd,
als het schuifdak door een voorwerp wordt
gehinderd. Het schuifdak komt dan tot
stilstand en keert vervolgens automatisch
terug naar de laatst gebruikte, geopende
stand.
WAARSCHUWING!
Als er kinderen in de auto zitten, moet u
zorgen dat ze bij het sluiten van het
schuifdak niet met hun handen gekneld
kunnen raken.
WAARSCHUWING!
De beveiliging tegen overbelasting van
het schuifdak werkt alleen bij automatisch
sluiten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op
dat kinderen niet met hun handen bekneld
kunnen raken.
67
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling 68
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C 70
Elektronische klimaatregeling, ECC 73
Standverwarming (optie) 76
68
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon
om te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik
een normaal poetsmiddel voor glaswerk.
Interieurfilter
Zorg dat u het interieurfilter op gezette tijden
vervangt. Informeer bij een erkende Volvo-
werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (het rooster tussen de
motorkap en de voorruit).
Storingen opsporen
Een erkende Volvo-werkplaats beschikt over
de juiste uitrusting en instrumenten voor het
opsporen van storingen en het uitvoeren van
reparaties aan de klimaatregeling. Laat
controle- en reparatiewerkzaamheden over
aan gekwalificeerd personeel.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het
koudemiddel R134a. Het bevat geen chloor,
waardoor het koudemiddel onschadelijk voor
de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/
verversen van koudemiddel alleen R134a.
Laat dergelijke werkzaamheden over aan een
erkende Volvo-werkplaats.
Werking interieurventilator
Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de
contactsleutel in stand I of II), zal de interi-
eurventilator automatisch worden uitge-
schakeld. Dit gebeurt om te voorkomen dat
de accu uitgeput raakt.
Om de interieurventilator te activeren moet u
de ventilatorknop in de gewenste snelheids-
stand draaien.
Auto’s met ECC
Werkelijke temperatuur
De door u gekozen temperatuur komt
overeen met de gevoelstemperatuur op
grond van de heersende omstandigheden in
en rond de auto wat de luchtsnelheid, de
luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde
warmte enz. betreft.
Sensoren
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Let erop dat u de zonnesensor niet mag
afdekken. Dek de interieurtemperatuursensor
op het bedieningspaneel van de klimaatre-
geling evenmin af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van het A/C-
systeem moet u de zijruiten en een eventueel
schuifdak gesloten houden.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt het A/C-
systeem tijdelijk uitgeschakeld. De tempe-
ratuur kan dan tijdelijk iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje
water onder de auto ontstaan. Dit is
volkomen normaal.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van ECC wordt ook het A/C-
systeem automatisch geregeld en alleen dan
ingeschakeld wanneer de lucht in de passa-
giersruimte moet worden afgekoeld en de
binnenkomende lucht van vocht moet worden
ontdaan. Zo wordt meer brandstof bespaard
dan bij gebruik van conventionele systemen,
waarbij het A/C-systeem de lucht voort-
durend afkoelt tot net boven het vriespunt.
69
Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
Luchtverdeling
De binnenkomende lucht wordt verdeeld
over meerdere blaasmonden die op verschil-
lende punten in de auto zijn aangebracht.
Blaasmonden in dashboard
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
Richt de buitenste blaasmonden op de
zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer: Doe de middelste blaas-
monden dicht om de temperatuur in de
auto zo comfortabel mogelijk te houden
en de ruiten optimaal te ontwasemen.
Blaasmonden in portierstijlen
A. Open
B. Dicht
C. Luchtstroom naar links of rechts
D. Luchtstroom omhoog of omlaag.
Richt de blaasmonden op de achterste
zijruiten om ze te ontwasemen.
Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter
in de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn
voor luchtstromen en tocht.
A
B
C
D
A
B
C
D
70
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
1. A/C, Aan/Uit
2. Recirculatie
3. Luchtverdeling
4. Elektrisch verwarmde achterruit en
buitenspiegels
5. Elektrisch verwarmde voorstoelen
6. Temperatuur rechterzijde
7. Temperatuur linkerzijde
8. Ventilator
Als u het A/C-systeem wilt inschakelen, moet
u de ventilatorknop (8) uit stand 0 draaien.
Gebruik het A/C-systeem ook bij lage tempe-
raturen (0–15 °C) om de inkomende lucht
van vocht te ontdoen.
1. A/C, Aan/Uit
De koel- en ontwasemingsfunctie van de
airconditioning is actief, wanneer de LED
(ON) brandt. De airconditioning is uitge-
schakeld, wanneer de LED (OFF) brandt.
2. Recirculatie
U kunt de recirculatie inschakelen, als u vieze
lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in het passagierscompar-
timent wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er
wordt geen lucht van buiten de auto aange-
zogen, wanneer de functie actief is. Bij
gebruik van de recirculatie (in combinatie met
het A/C-systeem) wordt de lucht in de passa-
giersruimte bij warm weer sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de
timerfunctie beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
Druk de knop langer dan
3 seconden in. De LED knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
3 –12 minuten gerecirculeerd, afhankelijk
van de buitentemperatuur.
1
2 3 4
7 6
5
8
71
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Telkens wanneer u op drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
Druk de knop nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
3. Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt u de met stippen
gemarkeerde luchtverdelingsstanden tussen
de verschillende symbolen gebruiken om de
luchtverdeling precies af te stellen.
Ontwaseming
Zet de knop voor de luchtverdeling in de
stand voor ontwaseming om de
voorruit en de zijruiten snel te ontwasemen en
ontdooien. Er stroomt dan op hoge snelheid
lucht naar de ruiten.
Bij activering van deze functie gebeurt
bovendien het volgende om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te
ontdoen:
de airconditioning (A/C) wordt automa-
tisch ingeschakeld (tenzij de ventilator in
stand 0 staat);
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
4. Elektrisch verwarmde
achterruit en buitenspiegels
Met deze knop kunt u de achterruit en de
buitenspiegels snel ontdoen van condens of
ijs (zie pagina 51 voor meer informatie over
deze functie).
5. Elektrisch verwarmde
voorstoelen
Doe het volgende, als u extra verwarming in
de voorstoel(en) wenst:
Eenmaal indrukken: Hoge verwarmings-
stand – beide LED’s in de schakelaar(s)
gaan branden.
Nogmaals indrukken: Lage verwarmings-
stand – een van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
Nogmaals indrukken: Verwarming uitge-
schakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten
bijstellen.
6 en 7. Temperatuur, linker-/
rechterzijde
Draai aan de knop om de temperatuur van de
binnenkomende lucht te regelen. Koeling is
alleen mogelijk, wanneer de airconditioning
actief is.
8. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien.
Als de draaiknop in stand 0 staat, wordt de
airconditioning niet ingeschakeld.
72
Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C
Luchtverdeling Toepassing
Lucht via
de blaas-
monden
voor- en achterin.
Voor een goede
koeling bij warm
weer.
Lucht naar
de ruiten. In
deze stand
vindt er geen lucht-
recirculatie plaats.
Het A/C-systeem
is altijd
ingeschakeld. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht
uit de blaas-
monden.
Voor het verwij-
deren van ijs en
wasem. Laat de
ventilator op hoge
snelheid draaien.
Lucht naar
de vloer en
de ruiten.
Er komt een
bepaalde
hoeveelheid lucht
uit de blaas-
monden.
Voor een comfor-
tabel klimaat en
een goede ontwa-
seming bij koud
weer. Laat de
ventilator niet te
langzaam draaien.
Lucht naar
de vloer. Er
komt een
bepaalde
hoeveelheid lucht
uit de blaas-
monden en uit de
ontdooierope-
ningen voor de
voorruit en de
zijruiten.
Voor verwarming
van de voeten.
Lucht naar
de vloer en
de blaas-
monden.
Bij zonnig weer en
matige buitentem-
peraturen.
Luchtverdeling Toepassing
73
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
1. A/C, Aan/Uit
2. Recirculatie/Combifilter met “Air Quality
Sensor”
3. Recirculatie
4. AUTO
5. Luchtverdeling
6. Interieurtemperatuursensor
7. Ontdooien voorruit en zijruiten
8. Elektrisch verwarmde achterruit en
buitenspiegels
9. Elektrisch verwarmde voorstoelen
10. Temperatuur rechterzijde
11. Temperatuur linkerzijde
12. Ventilator
13. Ventilator, achter in passagiersruimte
(optie op modellen met zeven
zitplaatsen)
1. A/C, Aan/Uit
Wanneer de LED bij ON brandt, wordt het A/
C-systeem automatisch geregeld. De binnen-
komende lucht wordt dan automatisch
afgekoeld en van vocht ontdaan. Wanneer u
gekozen hebt voor A/C OFF en de LED bij
OFF brandt, blijft het A/C-systeem uitge-
schakeld totdat u het weer handmatig
inschakelt. De overige functies van de
klimaatregeling worden nog steeds automa-
tisch geregeld. Het A/C-systeem werkt tot
ca. 0 °C.
2. Interior Air Quality System
(optie op bepaalde markten)
Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een
zogeheten combifilter en een “Air Quality
Sensor”. Het combifilter ontdoet de binnen-
komende lucht van gassen en stofdeeltjes en
beperkt zo eventuele hinderlijke geuren en
veront reinigingen. De “Air Quality Sensor”
meet de concentratie van de verontreini-
gingen in de buitenlucht. Wanneer de sensor
een verhoogde concentratie registreert,
wordt de luchtinlaat afgesloten en recircu-
leert de lucht in het passagierscompartiment.
De lucht in het passagierscompartiment
wordt ook tijdens de recirculatie door het
combifilter gereinigd.
Wanneer de “Air Quality Sensor” actief is,
brandt de groene LED AUT in de knop
.
Bediening
Druk op om de “Air Quality
Sensor” te activeren (normale instelling).
Of:
3 42 5 6 7
8
9
1
12
11
10
13
74
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
Kies uit drie verschillende functies door
verschillende malen op de knop te
drukken.
De LED MAN brandt om aan te geven dat
de recirculatiefunctie opnieuw
ingeschakeld is.
Geen van de LED’s brandt om aan te
geven dat de recirculatiefunctie niet is
ingeschakeld (voor zover dat niet nodig is
om voor verkoeling te zorgen bij warm
weer).
De LED AUT brandt om aan te geven dat
de “Air Quality Sensor” actief is.
Let erop dat:
U de “Air Quality Sensor” altijd hebt
ingeschakeld.
Er bij koud weer beperkingen voor de
recirculatiefunctie gelden om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
U de “Air Quality Sensor” uitschakelt,
wanneer de ruiten beslaan.
Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook
de ontdooiers van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen.
Raadpleeg het serviceprogramma van
Volvo voor het aanbevolen vervangingsin-
terval voor het combifilter. In zeer sterk
verontreinigde gebieden kan het zijn dat u
het combifilter vaker moet vervangen.
3. Recirculatie
De recirculatie kan handmatig worden
ingeschakeld, als u vieze lucht, uitlaatgassen
en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in
het passagierscompartiment wordt dan
gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht van
buiten de auto aangezogen, wanneer de
functie actief is.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de
binnenkant van de ruiten ontstaan.
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en “Air Quality Sensor” ontbreekt
de timerfunctie) beperkt u de kans op ijs,
wasem en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
Druk de knop langer dan
3 seconden in. De LED knippert
5 seconden. De lucht in de auto wordt
afhankelijk van de buitentemperatuur 3 tot
12 minuten lang gerecirculeerd.
Telkens wanneer u op drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
Druk de knop nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. De LED gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
4. AUTO
Bij activering van de functie AUTO wordt de
klimaatregeling automatisch dusdanig
ingesteld dat de gekozen temperatuur wordt
bereikt. De automatische functie regelt de
verwarming, het A/C-systeem, de “Air Quality
Sensor”, de ventilatorsnelheid, de recirculatie
en de luchtverdeling. Ook als u één of meer
van de genoemde functies handmatig instelt,
worden de resterende functies nog automa-
tisch geregeld. Alle handmatige instellingen
worden uitgeschakeld, wanneer u de functie
AUTO activeert.
5. Luchtverdeling
Wanneer u de bovenste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen bij de ruiten.
Wanneer u de middelste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen ter hoogte van bovenlichaam
en hoofd.
Wanneer u de onderste knop hebt
ingedrukt, stroomt er lucht uit de
openingen ter hoogte van benen en
voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
6. Interieurtemperatuursensor
De interieurtemperatuursensor registreert de
temperatuur in het interieur.
7. Ontdooien voorruit en zijruiten
Met deze knop kunt u de voorruit en de
zijruiten snel ontwasemen en ontdooien. De
ventilator draait dan op hoge snelheid en
stuurt lucht naar de ruiten. De LED in de
ontwasemingsknop brandt, wanneer de
functie is ingeschakeld.
Bij activering van deze functie gebeurt
bovendien het volgende om de lucht in het
interieur zoveel mogelijk van vocht te
ontdoen:
de airconditioning (A/C) wordt automa-
tisch ingeschakeld (tenzij de ventila-
torknop helemaal naar links is gedraaid);
75
Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de
voorgaande instellingen.
8. Achterruit- en buitenspiegel-
verwarming
Met deze knop kunt u de achterruit en de
buitenspiegels snel ontdoen van condens of
ijs (zie pagina 51 voor meer informatie over
deze functie).
9. Stoelverwarming
Doe het volgende, als u extra verwarming in
de voorstoel(en) wenst:
Eenmaal indrukken: Hoge verwarmings-
stand – beide LED’s in de schakelaar(s)
gaan branden.
Nogmaals indrukken: Lage verwarmings-
stand – een van de LED’s in de
schakelaar(s) gaat branden.
Nogmaals indrukken: Verwarming uitge-
schakeld – geen van de LED’s in de
schakelaar(s) brandt.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten
bijstellen.
10 en 11. Temperatuur
Met de twee draaiknoppen kunt u de tempe-
ratuur aan de bestuurderszijde en de passa-
gierszijde instellen. Let erop dat de
passagiersruimte niet sneller warm of koud
wordt, wanneer u een hogere of lagere
temperatuur kiest dan de gewenste tempe-
ratuur.
12. Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. In de stand AUTO wordt de venti-
latorsnelheid automatisch geregeld. De
eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt
dan genegeerd.
Als u de knop voor de ventilatorsnelheid
zover linksom draait dat alleen de oranje LED
links boven de knop oplicht, zijn de ventilator
en het A/C-systeem uitgeschakeld.
13. Ventilator, achter in passa-
giersruimte (optie op modellen
met zeven zitplaatsen)
U kunt de snelheid waarmee de ventilator
draait verhogen of verlagen door aan de knop
te draaien. Dit geldt alleen, als u voor zowel
airconditioning voorin (1) als achterin hebt
gekozen. De knop voor airconditioning achter
in de passagiersruimte vindt u op de midden-
console (zie pagina 49).
76
Klimaatregeling
Standverwarming (optie)
Algemene informatie
Voordat u de standverwarming kunt program-
meren, moet het elektrisch systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u het eenvoudigst door:
op de knop READ te drukken, of
grootlichtsignalen te geven, of
het contact in te schakelen.
U kunt de standverwarming meteen inscha-
kelen of twee verschillende uitschakeltijden
voor de standverwarming instellen: TIMER 1
en TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt
het tijdstip verstaan waarop de auto op de
gewenste temperatuur is.
De elektronica van de auto rekent aan de
hand van de buitentemperatuur zelf uit,
wanneer de standverwarming moet worden
ingeschakeld om de ingestelde uitschakeltijd
te kunnen halen. Bij een buitentemperatuur
hoger dan 25 °C vindt er geen activering van
de standverwarming plaats. Bij temperaturen
van –10 °C en lager is de maximale bedrijf-
stijd van de standverwarming 60 minuten.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, wordt u geadvi-
seerd contact op te nemen met een erkende
Volvo-werkplaats. Er verschijnt een bericht
op het display.
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
Displaymelding
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en Directe start activeert,
brandt het oranje waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel. Op het display
verschijnt bovendien een verklarende tekst.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een
bericht met de status van de standver-
warming.
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling
parkeert, moet u ervoor zorgen dat de
voorkant naar de top van de helling wijst. De
standverwarming krijgt dan voldoende
brandstof.
WAARSCHUWING!
Schakel voor het tanken de standver-
warming op brandstof uit. Gemorste
brandstof kan door de hete uitlaatgassen
ontvlammen.
Controleer op het informatiedisplay of
de verwarming uit is. (Als de standver-
warming werkt, verschijnt er
PARK.VERW AAN op het display.)
WAARSCHUWING!
Bij gebruik van de standverwarming op
benzine of dieselolie moet de auto in de
buitenlucht staan.
77
Klimaatregeling
Klokje en gebruik van de timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) het
klokje bijstelt, worden alle timerinstellingen
om veiligheidsredenen geannuleerd.
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u uitsluitend
tijden voor het komende etmaal program-
meren en dus niet voor meerdere dagen
tegelijk.
Ga met de draairing (B) naar TIMER 1.
Druk kort op de knop RESET (C), zodat
de uuraanduiding gaat knipperen.
Ga met de draairing (B) naar het
gewenste tijdstip in uren.
Druk lichtjes op de knop RESET om
toegang te krijgen tot de knipperende
minutenaanduiding.
Ga met de draairing (B) naar het
gewenste tijdstip in minuten.
Druk lichtjes op de knop RESET om uw
instelling te bevestigen.
Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Wanneer u TIMER 1 hebt ingesteld, kunt u
naar TIMER 2 gaan. U stelt deze timer op
dezelfde manier in als TIMER 1.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
verwarming uit te schakelen voordat de timer
dat doet:
Druk op de knop READ (A).
Ga met behulp van de draairing B naar
TIMER PARK.VERW 1 of 2. De tekst
AAN knippert.
Druk op de knop RESET (C). De tekst
UIT brandt continu en de verwarming
wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen
inschakelen
Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
Druk op de knop RESET (C) om de
opties AAN of UIT te selecteren.
Selecteer AAN.
De standverwarming zal vervolgens
60 minuten lang blijven werken. De
verwarming van het interieur gaat van start,
zodra de koelvloeistof in de motor op tempe-
ratuur gekomen is.
Standverwarming meteen uitschakelen
Ga met de draairing (B) naar DIRECTE
START.
Druk op de knop RESET (C) om een van
de opties AAN of UIT te selecteren.
Kies UIT.
Accu en brandstof
Als de accu niet voldoende opgeladen is of
als de brandstoftank bijna leeg is, wordt de
standverwarming uitgeschakeld. Er verschijnt
in dat geval een bericht op het display. U
moet dit bericht met de knop READ (A)
bevestigen.
Extra verwarming (diesel)
(bepaalde landen)
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te
verwarmen.
De extra verwarming wordt automatisch
ingeschakeld wanneer er extra warmte nodig
is terwijl de motor loopt. De verwarming
wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer
het warm genoeg is of wanneer de motor
wordt afgezet.
BELANGRIJK!
Herhaaldelijk gebruik van de standver-
warming bij korte ritten kan ertoe leiden
dat de accu uitgeput raakt en startpro-
blemen opleveren.
Om er zeker van te zijn dat de dynamo
evenveel energie produceert als de
verwarming afneemt, moet u bij regel-
matig gebruik van de verwarming
minstens even lang met de auto rijden als
de inschakelduur van de verwarming.
78
Klimaatregeling
79
Interieur
Voorstoelen 80
Interieurverlichting 83
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte 85
Achterbank 90
Bagageruimte 92
80
Interieur
Voorstoelen
Zithouding
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld op voor een optimale zit- en
rijhouding.
1. Vooruit/achteruit, til de hendel omhoog
om de juiste afstand tot het stuurwiel en
de pedalen in te stellen. Controleer of
de stoel na het afstellen in de nieuwe
stand geblokkeerd staat.
2. Voorkant zitting hoger/lager zetten,
pomp omhoog/omlaag
3. Stoel hoger/lager zetten, pomp
omhoog/omlaag
4. Lendensteun wijzigen, draai aan de
knop
5. Hellingshoek rugleuning wijzigen, draai
aan de knop
6. Bedieningspaneel voor elektrisch
bedienbare stoel
Rugleuning voorstoel
omklappen
U kunt de rugleuning van de passagiersstoel
horizontaal vooroverklappen om lange
voorwerpen te kunnen vervoeren. Klap de
rugleuning als volgt naar voren:
Schuif de stoel zo ver mogelijk naar
achteren.
Zet de rugleuning rechtop.
Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning omhoog.
Klap tegelijkertijd de rugleuning naar
voren.
Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
WAARSCHUWING!
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het
rijden.
Controleer of de stoel in zijn stand
vergrendeld staat.
81
Interieur
Voorstoelen
Elektrisch bedienbare voorstoel
(optie)
Voorbereidingen
U kunt de stoel normaal gesproken alleen
verstellen, als de contactsleutel in stand I of
II staat. De stoel kan ook binnen 4,5 minuten
na ontgrendeling van het portier met de
sleutel of afstandbediening worden versteld.
Als het portier gesloten is en de contact-
sleutel nog niet in het contactslot steekt of in
stand 0 staat, hebt u na sluiting van het
portier nog 40 seconden de tijd om instel-
lingen te verrichten.
Geheugen in afstandsbediening (optie)
De afstandsbediening die wordt gebruikt om
de auto te ontgrendelen slaat informatie op
over de stoelinstellingen die worden
gewijzigd. Een volgende keer dat de auto
wordt ontgrendeld met dezelfde afstandsbe-
diening en het bestuurdersportier binnen vijf
minuten wordt geopend, gaan de bestuur-
dersstoel en de buitenspiegels in de
opgeslagen stand staan.
Stoel afstellen
Met de schakelaars kunt u het volgende
instellen:
1. Voorkant zitting omhoog/omlaag
2. Stoel vooruit/achteruit
3. Stoel omhoog/omlaag
4. Hellingshoek rugleuning
U kunt de slechts één verstelfunctie van de
stoel tegelijk activeren. De elektrisch
bedienbare stoelen zijn voorzien van een
beveiliging tegen overbelasting, die geacti-
veerd wordt als een van de stoelen door een
obstakel wordt geblokkeerd. Als dit het geval
is, moet u het contact uitzetten (contact-
sleutel in stand 0) en ca. 20 seconden
wachten voordat u de stoel opnieuw probeert
te verstellen.
Stoel met geheugen
5. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 1
6. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 2
7. Instelling van stoel en buitenspiegels,
programma 3
8. Stoelinstellingen opslaan
U kunt drie verschillende standen in het
geheugen opslaan. Na verstelling van de
stoel moet u de knop MEM (8) ingedrukt
houden, terwijl u op knop (5) drukt. Met de
knoppen (6) en (7) kunt u nog twee andere
standen van de stoel en de buitenspiegels in
het geheugen opslaan.
82
Interieur
Voorstoelen
Stoel in opgeslagen stand zetten
Houd geheugenknop (5), (6) of (7) ingedrukt,
totdat de stoel tot stilstand komt. Om veilig-
heidsredenen zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd bij het
loslaten van de knop.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter
of onder de stoel liggen tijdens het
instellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de
passagiers op de achterbank bekneld kan
raken.
Laat kinderen niet met de schakelaars
spelen vanwege het gevaar voor
beknelling.
83
Interieur
Interieurverlichting
Algemene verlichting
U schakelt de algemene verlichting in en uit,
wanneer u op de middelste knop drukt. U
kunt de algemene verlichting altijd in- en
uitschakelen door kort op de bijbehorende
knop te drukken. De algemene verlichting is
voorzien van een automatische inscha-
kelfunctie
1
die ervoor zorgt dat de verlichting
wordt ingeschakeld en 30 seconden of
10 minuten aan blijft wanneer u de motor
hebt afgezet.
De algemene verlichting wordt ingeschakeld
om 30 seconden lang te blijven branden,
wanneer u:
de auto van de buitenzijde ontgrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening;
de motor hebt afgezet en de contact-
sleutel in stand 0 draait.
De algemene verlichting wordt ingeschakeld
om 10 minuten lang te blijven branden,
wanneer:
een van de portieren openstaat;
de algemene verlichting niet wordt uitge-
schakeld.
De algemene verlichting gaat uit, wanneer:
u de motor start;
u de auto van de buitenzijde vergrendelt
met de sleutel of de afstandsbediening.
U kunt de algemene verlichting altijd in- en
uitschakelen door kort op de bijbehorende
knop te drukken.
De algemene verlichting gaat 10 minuten na
het afzetten van de motor automatisch uit,
voor zover u de verlichting niet eerder
handmatig hebt uitgeschakeld.
U kunt de automatische inschakelfunctie
buiten werking stellen door de bijbehorende
knop langer dan 3 seconden ingedrukt te
houden. Wanneer u dezelfde knop daarna
nogmaals kort indrukt, stelt u de automa-
tische inschakelfunctie weer in werking.
De voorgeprogrammeerde inschakeltijden
van 30 seconden en 10 minuten kunt u
desgewenst laten wijzigen. Neem hiervoor
contact op met uw Volvo-werkplaats.
Leeslampjes
U schakelt de leeslampjes in en uit met een
druk op de bijbehorende knop. Voor de
leeslampjes op de derde zitrij van een model
met zeven zitplaatsen geldt dat bij een druk
op een van de knoppen beide leeslampjes in-
of uitgeschakeld worden. De leeslampjes
gaan 10 minuten na het afzetten van de
motor automatisch uit, voor zover u ze niet
eerder handmatig uitschakelt.
1. De functie is afhankelijk van de
lichtinval en wordt alleen geactiveerd
wanneer het donker is.
84
Interieur
Interieurverlichting
Make-upspiegel
1
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
1. Optie op bepaalde markten.
85
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
1
2
3
4
5
6
7
8
86
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergmogelijkheden
1. Opbergvak op derde zitrij
2. Opbergvakken en bekerhouders
3. Parkeerkaarthouder
4. Dashboardkastje
5. Aflegvlak in middenconsole
6. Bekerhouders voor achterpassagiers
7. Opbergvak (ook aan de voorkant van de
zittingen van de voorstoelen)
8. Houder voor boodschappentassen.
Pennenvak
In de middenconsole vindt u een vak waarin u
pennen kunnen bewaren.
Dashboardkastje
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld
het instructieboekje, wegenkaarten, pennen
en een tankpas bewaren.
Vloermatten (optie)
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor uw
auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de vloer-
matten goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzet om te voorkomen dat ze
kunnen gaan glijden en achter of onder de
pedalen aan de bestuurderszijde blijven
haken.
WAARSCHUWING!
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen
veroorzaken bij een krachtige remma-
noeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd
vast met een van de veiligheidsgordels of
een bagageband.
87
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Kledinghaak
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Asbak voor achterpassagiers
(optie)
U opent de asbak door de bovenkant van het
klepje naar buiten toe te klappen.
Leeg de asbak als volgt:
Open de asbak.
Duw het klepje omlaag en kantel het
achterover.
Til de asbak vervolgens uit de midden-
console.
Bekerhouder/flessenhouder
voor achterpassagiers
Trek het insteekelement aan de onderkant
openen. U kunt het insteekelement voor
bekers als volgt verwijderen. Wanneer u de
twee klemmen losmaakt, kunt u de beker-
houder gebruiken als flessenhouder voor
twee grote PET-flessen.
88
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvakken en bekerhouders
(model met zeven zitplaatsen)
U kunt de opbergvakken gebruiken om
bijvoorbeeld cd’s en boeken in te bewaren.
Aflegvlak in middenconsole
De middenconsole kan tevens dienst doen
als tafeltje om bijvoorbeeld eten en drinken
op weg te zetten. U moet daarvoor de
middenarmsteun naar achteren toe
wegkleppen, zodat de achterpassagiers het
onderliggende blad als “tafeltje” kunnen
gebruiken.
Onder het aflegvlak zit een opbergvak om
bijvoorbeeld cd’s in te bewaren.
Bekerhouders
Bekerhouders voor de bestuurders- en
passagierszijde.
Asbak (optie)
Om de asbak te legen moet u het insteeke-
lement uitnemen.
89
Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
Opbergvak op derde zitrij (model
met zeven zitplaatsen)
U kunt de opbergvakken gebruiken om
bijvoorbeeld pennen en kleine voorwerpen in
te bewaren.
90
Interieur
Achterbank
Achterbank, tweede zitrij (model
met zeven zitplaatsen)
Ruggedeelte vooroverklappen om in te
stappen
Til de handgreep (1) omhoog en duw de
stoel naar voren. Doe het tegenovergestelde
om de stoel in de oorspronkelijke stand terug
te zetten.
Stoel vooruit-/achteruitzetten
Til de beugel (2) op om de stoel verder naar
voren of achteren te zetten.
Verschuifbare stoel (model met
zeven zitplaatsen)
U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij
iets verder naar voren zetten dan de reste-
rende stoelen. Wanneer u de middelste stoel
naar voren schuift kunt u een kind op het
geïntegreerde kinderzitje beter in de gaten
houden vanaf de voorstoelen.
Til de beugel (A) op en de stoel naar voren of
achteren te zetten.
Achterkant middenconsole
verwijderen
Om de middelste stoel van de tweede zitrij
naar voren te kunnen schuiven, moet u eerst
de middenconsole verwijderen. U doet dat
als volgt:
Verwijder de achterkant van de midden-
console door de pal recht naar buiten toe
te trekken zoals aangegeven op de
bovenstaande afbeelding.
Til de console vervolgens uit de auto.
1
2
A
91
Interieur
Achterbank
Hoofdsteunen achterbank,
middelste zitplaats
U kunt de hoofdsteun in het midden van de
achterbank al naar gelang de lengte van de
passagier afstellen. Trek de hoofdsteun zover
als nodig is naar boven. Als u de hoofdsteun
omlaag wilt duwen, moet u tegelijkertijd de
pal indrukken (zie afbeelding).
Let erop dat u de hoofdsteun niet helemaal
kunt verwijderen!
WAARSCHUWING!
Zet de hoofdsteun alleen in de laagste
positie, wanneer u het ruggedeelte van de
stoel vooroverklapt of wanneer er
niemand op de stoel zit.
Nadat u de stoelen op de tweede en
derde zitrij rechtop gezet hebt, moet u
controleren of het ruggedeelte van de
stoelen geblokkeerd staat. Als dat niet het
geval is, kan het beveiligingssysteem zijn
werk niet doen.
92
Interieur
Bagageruimte
Bagageruimte vergroten, tweede
zitrij
Zet de stoelen in de achterste stand
(geldt alleen voor modellen met zeven
zitplaatsen).
Klap de hoofdsteunen omlaag.
Hef de blokkering (1) op en klap het
ruggedeelte voorover. Duw het rugge-
deelte aan om het in neergeklapte stand
te blokkeren.
Bagageruimte vergroten, derde
zitrij (model met zeven
zitplaatsen)
Schuif de tweede zitrij naar voren toe in de in-
en uitstappositie (zie pagina 90).
1. Til de handgreep omhoog.
2. Schuif het zitgedeelte in de achterste
stand. Klap de verankeringsogen links
en rechts dusdanig in, dat ze niet
beschadigd raken wanneer u de rugge-
deelten vooroverklapt.
3. Klap het ruggedeelte voorover. (De
hoofdsteun wordt automatisch ingeklapt
bij het vooroverklappen van het rugge-
deelte.)
Stoelen op derde zitrij rechtop
zetten
Zet het ruggedeelte van de stoelen weer
rechtop.
Pak de lus beet en trek het zitgedeelte zo
ver uit dat u een klik hoort.
Zet de hoofdsteun rechtop.
U kunt de stoel daarna weer gebruiken.
WAARSCHUWING!
Om veiligheidsredenen mag u geen
passagiers op de derde zitrij vervoeren,
als de hoofdsteunen van de buitenste
zitplaatsen van de tweede zitrij omlaagge-
klapt zijn.
1
93
Interieur
Bagageruimte
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het
rijklaar gewicht van de auto verminderd met
dat van de gemonteerde accessoires. Bij het
rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen inbegrepen. De gemon-
teerde accessoires zoals een trekhaak,
lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegrepen.
Het laadvermogen van de auto wordt
bovendien beïnvloed door het aantal passa-
giers en hun gezamenlijke gewicht.
Lading in de bagageruimte
Veiligheidsgordels en airbags bieden de
bestuurder en eventuele passagiers een
goede bescherming, met name bij frontale
botsingen. Zorg ook voor een goede
afscherming in de rug. Let er bij het vervoer
van lading in de bagageruimte op dat
voorwerpen die niet goed zijn vastgezet of op
de juiste manier zijn ingeladen bij een
aanrijding of een krachtige remmanoeuvre
met hoge snelheid en met grote kracht naar
voren kunnen worden geslingerd en daarbij
ernstige verwondingen kunnen toebrengen.
Let erop dat een voorwerp met een gewicht
van 20 kg bij een frontale botsing op een
snelheid van 50 km/h zich gedraagt als een
voorwerp met een gewicht van 1000 kg.
Let op het volgende bij het inladen:
Duw zware lading niet te dicht tegen de
voorstoelen aan om te voorkomen dat het
neergeklapte ruggedeelte onnodig zwaar
belast wordt.
Breng de lading zo dicht mogelijk tegen
de rugleuning van de achterbank aan.
Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk
plat op de vloer.
Breng zware lading dusdanig aan dat
deze recht voor de deellijn in de
rugleuning van de achterbank komt te
zitten.
Dek scherpe randen met iets zachts af.
Zet de lading met sjorbanden aan de
verankeringsogen vast.
Zorg dat de lading nooit boven de
rugleuning uitsteekt, wanneer u geen
gebruik maakt van een bagagenet.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de lading nooit boven de rugge-
deelten uitsteekt! Als dat namelijk wel het
geval is, kan de lading bij een krachtige
remmanoeuvre of een aanrijding naar
voren worden geslingerd en u of
eventuele passagiers ernstig verwonden.
Let er ook op dat u lading altijd goed
verankert (vastbindt).
Wanneer u het ruggedeelte van de
achterbank hebt neergeklapt, moet u
zorgen dat de lading niet uitsteekt boven
de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de ruiten
in de achterportieren. Zorg er bovendien
voor dat de lading op 10 cm afstand van
de zijruiten zit. Anders kan het zijn dat het
opblaasgordijn dat schuilgaat achter de
plafondbekleding geen bescherming
meer biedt.
Zorg dat u de bagage altijd goed
verankert. Bij krachtig remmen kan de
bagage namelijk gaan schuiven en inzit-
tenden verwonden.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange
voorwerpen! Lange voorwerpen kunnen
namelijk tegen de versnellingspook of
keuzehendel aan komen en zo per ongeluk
een versnelling inschakelen, waarna de
auto kan gaan rollen.
94
Interieur
Bagageruimte
Bagagenet
Het bagagenet voorkomt dat bagage of
lading uit de bagageruimte de passagiers-
ruimte kan binnendringen bij krachtige
remmanoeuvres.
Het bagagenet is gemaakt van stevige nylon-
materiaal en kan op twee verschillende
manieren worden bevestigd:
achter het ruggedeelte van de
achterbank,
achter de voorstoelen, als u de
achterbank hebt neergeklapt.
Bagagenet aanbrengen
Als de auto is uitgerust met een bagage-
rolhoes, moet u deze verwijderen voordat u
het bagagenet aanbrengt.
Haak de bovenste stang achter de
voorste of achterste plafondbevesti-
gingen vast.
Haak het andere uiteinde van de stang
aan de tegenoverliggende plafondbeves-
tiging vast.
Haak de banden van het bagagenet aan
de ogen op de vloer vast, wanneer u het
net aan de achterste plafondbevesti-
gingen hebt vastgezet.
Maak gebruik van de verankeringsogen
op de stoelrails, wanneer u het net aan de
voorste plafondbevestigingen hebt
vastgezet.
Geldt alleen voor model met zeven
zitplaatsen:
Zorg dat het net voor de armleuning van
het zijpaneel komt te liggen bij
aanspanning.
Trek het bagagenet strak met de
trekbanden.
95
Interieur
Bagageruimte
Bagagenet opvouwen
U kunt het bagagenet opvouwen en
opbergen onder de vloerplaat van de
bagageruimte (geldt voor modellen met vijf
zitplaatsen).
Druk de knoppen (1) op de scharnieren van
het bagagenet in om de scharnieren te
ontgrendelen en het net op te vouwen.
Stalen bagagerek (optie)
Het bagagerek in de bagageruimte voorkomt
dat bagage of huisdieren bij krachtige
remmanoeuvres de passagiersruimte in
worden geslingerd.
U moet het bagagerek voor de veiligheid altijd
op de juiste manier bevestigen en veran-
keren.
Breng het bagagerek als volgt aan:
Til het bagagerek via de achterklep of een
van de achterportieren in de auto (in het
laatste geval moet u eerst de tweede zitrij
neerklappen).
Breng een van de bevestigingspennen
van het bagagerek in de bijbehorende
houder aan die zich boven het achter-
portier achter de tweede zitrij bevindt.
Duw de bevestigingspen van het
bagagerek naar voren toe in de houder.
Breng de andere bevestigingspen van het
bagagerek in de houder boven het tegen-
overliggende portier en duw ook hier de
bevestigingspen vooruit in de houder.
Steek de bevestigingsbeugel vanaf de
onderzijde door de onderste houder van
het bagagerek zoals aangegeven op de
afbeelding.
Breng de veer op de bevestigingsbeugel
aan en draai de draaiknop erop vast.
WAARSCHUWING!
Controleer altijd of de bovenste bevesti-
gingen van het bagagenet goed zijn
aangebracht en of de banden stevig
vastzitten.
Een beschadigd net mag u niet meer
gebruiken.
1
96
Interieur
Bagageruimte
Bevestig de haak van de bevestigings-
beugel in het verankeringsoog en draai
aan de draaiknop, totdat de bevestigings-
beugel in het verankeringsoog vastgrijpt.
Doe hetzelfde aan de andere kant van het
rek.
Draai de beide bevestigingsbeugels
beurtelings vast.
Breng de beschermdoppen aan op het
blootliggende schroefdraadsegment
boven de draaiknoppen.
Elektrische aansluiting bagage-
ruimte
Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting
wilt gebruiken. De elektrische aansluiting
werkt onafhankelijk van de stand van het
contactslot.
Als bij het uitschakelen van het contact blijkt
dat de stroomsterkte die via de aansluiting
wordt afgenomen hoger is dan 0,1 A,
verschijnt er een waarschuwing op het
display.
N.B. Let erop dat u de aansluiting niet
gebruikt, wanneer het contact is uitge-
schakeld. Als u de aansluiting dan namelijk
wel gebruikt, bestaat de kans dat de accu
uitgeput raakt.
Bagagerolhoes (optie)
Trek de bagagerolhoes over de bagage heen
uit en haak de hoes vast in de openingen die
in de achterste stijlen van de bagageruimte
zitten.
Bagagerolhoes verwijderen
Druk het eindstuk van de bagagerolhoes naar
binnen toe en trek het naar boven toe los. Bij
het aanbrengen moet u de eindstukken van
de bagagerolhoes in de houders omlaag
drukken.
WAARSCHUWING!
Geldt voor modellen met zeven
zitplaatsen: Om veiligheidsredenen mag u
geen passagiers op de derde zitrij
vervoeren, als u het bagagenet achter de
tweede zitrij hebt gemonteerd.
WAARSCHUWING!
Leg geen voorwerpen op de bagage-
rolhoes. Ze kunnen de inzittenden
verwonden bij afremmen of uitwijkma-
noeuvres.
97
Interieur
Houder voor boodschappen-
tassen
Open het luik in de bagageruimte. Hang of
bind de boodschappentassen vast met
bagagebanden of houders.
1. Model met vijf zitplaatsen
2. Model met zeven zitplaatsen
Vak onder vloer bagageruimte
openen (model met vijf
zitplaatsen)
Til het luik in de vloer van de bagage-
ruimte op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
Til het luik op en maak de bagagebanden
van de houder voor de boodschappen-
tassen los.
Vak onder vloer bagageruimte
openen (model met zeven
zitplaatsen)
Til het luik op.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust met
een houder voor boodschappentassen:
Klap het bovenste luik open, maak de
bagagebanden van een eventuele houder
voor boodschappentassen los en klap
vervolgens het onderste luik open.
Vak onder vloer bagageruimte,
inhoud
Onder de vloer van de bagageruimte vindt u
het volgende:
Gevarendriehoek (bepaalde markten)
Gereedschapstas
EHBO-kit (bepaalde markten)
Krik (alternatieve positie)
N.B. Bepaalde producten in de EHBO-kit zijn
verzien van een uiterste houdbaarheids-
datum. U dient de producten te vervangen,
voordat de aangegeven data zijn verstreken.
BELANGRIJK!
Let erop dat er geen voorwerpen onder
de stoelkussens liggen wanneer u de
stoelen hebt neergeklapt. Dergelijke
voorwerpen kunnen de stoelkussens en
de verstelmechanismen namelijk bescha-
digen.
98
Interieur
99
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening 100
Vergrendelen en ontgrendelen 103
Kinderslot 106
Alarm (optie) 108
100
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1. Hoofdsleutel
Sleutel die op alle sloten past.
2. Servicesleutel
1
Sleutel die past op bestuurdersportier
en stuurslot/contactslot.
Sleutels, elektronische
startblokkering
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en
een servicesleutel
1
geleverd. Eén hoofds-
leutel is inklapbaar en voorzien van een
ingebouwde afstandsbediening.
Als u een van de sleutels verliest, moet u
contact opnemen met een erkende Volvo-
werkplaats en alle resterende sleutels
meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet
de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist. Tegelijkertijd
moeten de codesignalen van de resterende
sleutels opnieuw in het systeem worden
geprogrammeerd.
De unieke code van de sleutels is bekend bij
de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook
nieuwe sleutels kunnen worden gemaakt.
Er kunnen maximaal zes afstandsbedie-
ningen/sleutels voor één en dezelfde auto
worden geprogrammeerd en gebruikt.
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
transponderchips. De code in de transpon-
derchips moet overeenkomen met die van de
ontvanger in het contactslot. U kunt de auto
alleen starten, wanneer u een sleutel met de
juiste code gebruikt.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1)
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld)
bij het starten van de auto. Anders is het
risico aanwezig dat de startblokkering in
werking treedt en de motor niet kan worden
gestart.
Contactsleutels en elektronische start-
blokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutelbos hangen. Als u dat wel
doet, kan de elektronische startblokkering
per ongeluk worden geactiveerd.
1
2
1. Alleen bepaalde markten
101
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
1. Ontgrendelen
2. Achterklep openen
3. Paniekfunctie
4. “Approach”-verlichting
5. Vergrendelen
6. Sleutel in-/uitklappen
Functies afstandsbediening
Ontgrendelen
Druk eenmaal op de knop (1) om alle
portieren, de achterklep en de tankvulklep
te ontgrendelen.
Achterklep
Druk tweemaal op de knop (2) om alleen
de achterklep te ontgrendelen.
N.B. Bij gebruik van deze knop gaat de
achterklep niet open.
Paniekfunctie
U kunt gebruik maken van de paniekfunctie
om in noodgevallen de aandacht van anderen
te trekken. Als u de rode alarmknop (3) ten
minste drie seconden lang ingedrukt houdt of
tweemaal achtereen indrukt, activeert u de
richtingaanwijzers en de claxon. U schakelt
de paniekfunctie weer uit met een druk op
een willekeurige knop van de afstandsbe-
diening. Als u niets doet, wordt de paniek-
functie na 25 seconden automatisch
uitgeschakeld.
“Approach”-verlichting
Doe het volgende, wanneer u de auto nadert:
Druk op de gele knop (4) van uw
afstandsbediening.
De interieurverlichting, de stadslichten vóór
en verlichting achter, de kentekenplaatver-
lichting en de lampjes in de buitenspiegels
(optie) gaan branden. Als er een aanhanger
achter de auto hangt, gaat ook de verlichting
van de aanhanger branden. De lampen
blijven 30, 60 of 90 seconden branden. In
een erkende Volvo-werkplaats kunt u een
passende inschakelduur laten instellen.
Doe het volgende om de “Approach”-
verlichting uit te schakelen:
Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met knop (5) vergrendelt u alle portieren, de
achterklep en de tankvulklep. Voor de
tankvulklep geldt een vertraging van ca.
10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door knop (6) in
te drukken, terwijl u het mechanische
gedeelte inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch
uitgeklapt met een druk op de knop.
1
2
3
4
5
6
102
Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
Batterij in afstandsbediening
vervangen
Als de sloten niet meer op de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de
afstandsbediening, moet u de batterij
vervangen.
Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de
achterkant voorzichtig open te wrikken.
Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V)
en zorg dat de pluspool omhoogwijst.
Kom niet met uw vingers aan de polen
van de batterij of de contactvlakken.
Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat
er geen vocht kan binnendringen.
Geef de lege batterij af bij uw Volvo-
dealer, zodat de batterij op milieuvriende-
lijke wijze wordt verwerkt.
103
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Auto van de buitenzijde vergren-
delen en ontgrendelen
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle portieren en de achterklep gelijk-
tijdig (van de buitenzijde) vergrendelen of
ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen en
de openingshandgrepen zijn dan niet meer
van de binnenzijde te bedienen.
De tankvulklep kan worden geopend,
wanneer de auto onvergrendeld staat. De
tankvulklep blijft 10 minuten lang onver-
grendeld staan, nadat u de auto vergrendeld
hebt.
Automatische vergrendeling
Als u geen van de portieren noch de
achterklep binnen twee minuten na ontgren-
deling van de buitenzijde met de afstandsbe-
diening opent, worden alle sloten
automatisch weer vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto per ongeluk onver-
grendeld kunt laten staan.
Zie pagina 108 voor auto’s met alarm.
Automatische vergrendeling
De portieren worden automatisch
vergrendeld wanneer de snelheid van de auto
oploopt tot een waarde hoger dan 7 km/h. De
portieren blijven vergrendeld, totdat er een
portier van de binnenzijde wordt geopend of
met behulp van de knoppen voor centrale
vergrendeling wordt ontgrendeld.
Auto van de binnenzijde vergren-
delen en ontgrendelen
Met de schakelaar op het portierpaneel kunt
u alle portieren en de achterklep tegelijkertijd
vergrendelen en ontgrendelen.
U kunt alle portieren ook ieder apart vergren-
delen met de vergrendelingsknop en
ontgrendelen met de handgreep.
Het bovenstaande geldt, zolang u de auto
niet van de buitenzijde hebt vergrendeld!
104
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen met de
hoofdsleutels vergrendelen/ontgrendelen en
dus niet met de servicesleutel.
Achterklep met afstandsbe-
diening vergrendelen/ontgren-
delen
Ga als volgt te werk om de achterklep alleen
te ontgrendelen:
Druk tweemaal binnen 3 seconden
langzaam op de bijbehorende toets van
de afstandsbediening (zie afbeelding).
Als de achterklep openstond toen u de
overige portieren vergrendelde, blijft de
achterklep ook na sluiting onvergrendeld
en onbewaakt staan. De overige portieren
zijn echter nog steeds vergrendeld en
bewaakt.
Om de achterklep in een dergelijk geval te
vergrendelen en in het alarm te betrekken
moet u de toets LOCK nogmaals
indrukken.
N.B. Als u van deze toets gebruik maakt om
de achterklep te ontgrendelen zonder de klep
te openen, wordt de klep twee minuten later
automatisch opnieuw vergrendeld.
Safelock-functie
1
Bij activering van de zogeheten Safelock-
functie zijn de portieren niet meer van de
binnenzijde te openen, als ze eenmaal
vergrendeld zijn.
De Safelock-functie kan alleen van de buiten-
zijde worden geactiveerd door het bestuur-
dersportier met de sleutel of de
afstandsbediening te vergrendelen. Alle
portieren moeten zijn gesloten, voordat u de
Safelock-functie kunt activeren. De portieren
kunnen daarna niet meer van de binnenzijde
worden geopend. De auto kan alleen van de
buitenzijde worden geopend met de sleutel in
het bestuurdersportier of via de afstandsbe-
diening.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na
het sluiten van de portieren in werking.
1. Bepaalde landen
105
Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
Safelock-functie en eventuele
alarmsensoren tijdelijk deacti-
veren
Als u de portieren van de buitenzijde wilt
vergrendelen terwijl er iemand in de auto
achterblijft (bijvoorbeeld tijdens de overtocht
met een veerverbinding), kunt u de Safelock-
functie tijdelijk deactiveren. U doet dat als
volgt:
Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
Druk op de knop (zie afbeelding).
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegings- en niveausensoren buiten
werking (zie pagina 108).
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een bericht op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt. De volgende keer dat
u het contact inschakelt, worden de sensoren
weer geactiveerd.
WAARSCHUWING!
Laat niemand in de auto zitten zonder op
het moment dat de Safelock-functie
geactiveerd wordt.
106
Sloten en alarm
Kinderslot
Bediening kinderslot, achterklep.
Handmatig kinderslot,
achterportieren en achterklep
De bediening van de kindersloten vindt u
onder op de achterklep
1
en achter op de
korte kant van de achterportieren, zodat ze
alleen bereikbaar zijn wanneer de achterklep
of het desbetreffende portier openstaat.
U bedient het kinderslot op de achterklep
door de knop in een van beide
eindstanden opzij te duwen (gebruik
daarvoor een plat metalen voorwerp zoals
een schroevendraaier):
Bedieningscilinder kinderslot, linker en
rechter achterportier.
A. Ingeschakeld kinderslot – de achterklep
kan niet van de binnenzijde worden
geopend.
B. Uitgeschakeld kinderslot – de
achterklep kan wel van de binnenzijde
worden geopend.
U bedient het kinderslot op de achterpor-
tieren door de cilinder in een van beide
eindstanden te draaien (gebruik daarvoor
een plat metalen voorwerp zoals een
schroevendraaier):
A. Ingeschakeld kinderslot – de achterpor-
tieren kunnen niet van de binnenzijde
worden geopend (naar buiten toe
draaien).
B. Uitgeschakeld kinderslot – de achter-
portieren kunnen wel van de binnenzijde
worden geopend (naar binnen toe
draaien).
1. Alleen bepaalde markten
WAARSCHUWING!
Let erop dat de achterpassagiers bij een
ongeluk de achterportieren niet van de
binnenzijde kunnen openen, als u het
kinderslot hebt geactiveerd.
Houd de vergrendelingsknoppen van de
portieren daarom omhoog tijdens het
rijden. Bij een ongeluk kunnen hulpver-
leners de portieren dan van de buitenzijde
openen.
107
Sloten en alarm
Kinderslot
Elektrisch kinderslot, achterpor-
tieren (optie op bepaalde
markten)
Gebruik de knop op de middenconsole om
het kinderslot op de achterportieren in of uit
te schakelen. Het contactslot moet daarbij in
stand I of II staan. De LED in de knop brandt
om aan te geven dat het kindersloten is
ingeschakeld. Er verschijnt tevens een
melding op het display, wanneer u het
kinderslot in- of uitschakelt.
N.B. Zolang het elektrisch kinderslot is
ingeschakeld, kunnen de achterportieren niet
van de binnenzijde worden geopend.
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontro-
leerd. Het alarm gaat af, als:
de motorkap wordt geopend;
de achterklep wordt geopend;
een van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met
een verkeerde sleutel of wordt gemanipu-
leerd;
er een beweging in het passagierscom-
partiment wordt waargenomen;
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor (optie));
de accukabel wordt ontkoppeld;
iemand de sirene probeert los te
koppelen.
108
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Alarm inschakelen
Druk op de toets LOCK van de afstandsbe-
diening. De richtingaanwijzers van de auto
geven een lang lichtsignaal af ter bevestiging
dat het alarm is ingeschakeld en dat alle
portieren zijn gesloten.
Alarm uitschakelen
Druk op de toets UNLOCK van de afstands-
bediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter beves-
tiging dat het alarm is uitgeschakeld.
Automatische inschakeling van
het alarm
Als u de portieren of de achterklep niet
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent nadat u de auto via de afstands-
bediening hebt ontgrendeld, wordt het alarm
automatisch weer ingeschakeld. De auto
wordt bovendien vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto onbedoeld kunt
achterlaten zonder het alarm in te schakelen.
Automatische activering van het alarm
In bepaalde landen (zoals in België, Israël
e.d.) wordt het alarm na enige vertraging
automatisch ingeschakeld, wanneer het
bestuurdersportier werd geopend en
gesloten maar daarna niet werd vergrendeld.
Uitschakelen van geactiveerd
alarm
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Alarmsignalen
Een sirene met reservebatterij geeft de
geluidssignalen voor het alarm af. De geluids-
signalen duren telkens 25 seconden.
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richtin-
gaanwijzers 5 minuten lang knipperen of
korter wanneer u het alarm volgens de boven-
staande aanwijzingen eerder uitschakelt.
Alarmsensoren en Safelock-
functie tijdelijk deactiveren
Om te voorkomen dat het alarm afgaat
wanneer u bijvoorbeeld een hond in de auto
achterlaat of gebruik maakt van een veerboot,
kunt u de bewegingsmelder en de niveausen-
soren tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug
naar stand I of 0.
Druk op de knop.
De LED in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of de
afstandsbediening vergrendelt.
109
Sloten en alarm
Alarm (optie)
Er verschijnt een bericht op het display
zolang de sleutel in het contactslot steekt. De
volgende keer dat u het contact inschakelt,
worden de sensoren weer geactiveerd.
Als uw auto is uitgerust met de zogeheten
Safelock-functie, wordt ook deze functie
tegelijkertijd geactiveerd (zie pagina
pagina 104).
Alarmdiode op dashboard
Een alarmdiode boven op het dashboard (zie
afbeelding) geeft de status van het alarm-
systeem aan:
Het lampje brandt niet: Het alarm is uitge-
schakeld.
Het lampje licht eenmaal per twee
seconden op: Het alarm is ingeschakeld.
Het lampje knippert snel vanaf het
moment van uitschakelen van het alarm
tot het moment van inschakelen van het
contact: Het alarm is afgegaan.
Als er een storing is opgetreden in het
alarmsysteem, verschijnt er een display-
melding.
Als het alarmsysteem niet goed werkt, moet u
de auto in een erkende Volvo-werkplaats
laten nakijken.
BELANGRIJK!
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzi-
gingen in het alarmsysteem uit. Dergelijke
ingrepen kunnen van invloed zijn op de
verzekeringsvoorwaarden.
110
Sloten en alarm
111
Starten en rijden
Algemene informatie 112
Brandstof tanken 114
Motor starten 115
Handgeschakelde versnellingsbak 117
Automatische versnellingsbak 118
Vierwielaandrijving 121
Remsysteem 122
Stabiliteitssysteem 124
Parkeerhulp (optie) 125
Slepen en bergen 127
Starten met hulpaccu 129
Rijden met een aanhanger 130
Afneembare trekhaak – monteren 134
Afneembare trekhaak – demonteren 136
Lading vervoeren 138
Lichtbundel aanpassen 140
BLIS, Blind Spot Information System – (optie) 143
112
Starten en rijden
Algemene informatie
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de heersende verkeerssituatie.
Let op het volgende:
Laat de motor zo spoedig mogelijk op
bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u
de motor niet stationair moet laten lopen,
maar zo spoedig mogelijk moet wegrijden
en de motor licht moet belasten.
Een koude motor verbruikt meer
brandstof dan een warme.
Laat de auto zoveel mogelijk staan voor
de kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
Rijd rustig! Vermijd onnodig snel
optrekken en krachtig remmen.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Gebruik geen winterbanden op sneeuw-
vrije en droge wegen.
Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
Open de zijruiten niet onnodig.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische
versnellingsbak. Aarzel daarom niet om onder
gecontroleerde omstandigheden (zoals op
een slipbaan) te testen hoe de auto bij
gladheid reageert.
Op oneffen wegen rijden
Hoewel de Volvo XC90 voornamelijk gecon-
strueerd is voor het gebruik op verharde
wegen, biedt de auto ook goede eigen-
schappen op onverharde en slecht onder-
houden wegen. De auto gaat desondanks
langer mee als u op het volgende let:
Rijd langzaam als het wegdek oneffen is
om schade aan het onderstel van de auto
te voorkomen.
Als de ondergrond rul is of uit droog zand
of sneeuw bestaat, verdient het altijd de
voorkeur om de auto in beweging te
houden en overschakelen te voorkomen.
Breng de auto nooit tot stilstand.
Als de weg buitengewoon steil is zodat
het gevaar bestaat dat de auto kantelt,
moet u de auto nooit op de helling
proberen te keren maar achteruit terug-
rijden. Rijd nooit schuin maar altijd recht
een helling op en af.
N.B. Rijd bij voorkeur geen steile helling op
of af, wanneer het brandstofniveau laag is. De
katalysator kan beschadigd raken, als de
motor onvoldoende brandstof krijgt. Zorg er
bij het beklimmen van een buitengewoon
steile helling voor dat de brandstoftank voor
meer dan de helft gevuld is, om motoruitval te
voorkomen.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 48 cm diep rijden.
N.B. Bij diepere waterpartijen kan er water in
de differentieelklokken en de transmissie
dringen. De smerende eigenschappen van
de olie nemen daarbij af, waardoor deze
systemen minder lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het
waden en breng de auto niet in het water tot
stilstand. Trap na het passeren van de water-
partij lichtjes op het rempedaal om te contro-
leren of de remwerking in orde is. Bij water en
vuil op de remblokken kunnen er vertragingen
in de remwerking optreden.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppeling
schoon na ritten in water en modder.
N.B. Laat de auto niet langdurig in water
staan dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
113
Starten en rijden
Algemene informatie
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten
de accu in verschillende mate. Laat de
contactsleutel niet te lang achtereen in
stand II staan, als u de motor hebt afgezet.
Gebruik liever stand I. Op die manier wordt er
minder stroom afgenomen. De 12 V-
aansluiting in de bagageruimte levert ook
spanning als u de contactsleutel hebt uitge-
nomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem
stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende acces-
soires het elektrisch systeem belasten. Maak
daarom geen gebruik van functies die veel
stroom afnemen, wanneer u de motor hebt
afgezet. Als de accuspanning laag is,
verschijnt er een bericht op het display. Het
bericht blijft op het display staan, totdat de
motor is aangeslagen. De energiebespa-
ringsfunctie schakelt bepaalde onderdelen/
systemen uit of verlaagt de belasting van de
accu door bijvoorbeeld de ventilatorsnelheid
of het volume van het audiosysteem te
verlagen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
Voorkom oververhitting van de
motor en het koelsysteem
In speciale omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een
zware lading, bestaat het gevaar dat de motor
en het koelsysteem oververhit raken. Dit geldt
in het bijzonder bij warm weer.
Om oververhitting van het koelsysteem
te voorkomen
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange, steile helling oprijdt.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd
stationair laten lopen.
Verwijder verstralers die voor de grille
zitten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Om oververhitting van de motor te
voorkomen
Laat de motor geen hogere toeren maken
dan 4500 omw/min (dieselmotor:
3500 omw/min), wanneer u met een
aanhanger of caravan achter de auto in
heuvelachtig gebied rijdt. Anders kan de
olietemperatuur te hoog oplopen.
Rijd niet met een geopende
achterklep!
Wanneer u met de achterklep open rijdt,
kunnen er uitlaatgassen en daarmee giftig
koolmonoxide via de bagageruimte de passa-
giersruimte in worden gezogen. Als u echter
toch een stukje met een geopende
achterklep moet rijden, doe dan het
volgende:
Doe alle ruiten dicht.
Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste
snelheid draaien.
114
Starten en rijden
Brandstof tanken
De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep
in het spatbord rechtsachter. De dop is op te
hangen aan de binnenzijde van de
tankvulklep.
Tankvulklep openen
De tankvulklep kan worden geopend,
wanneer de auto onvergrendeld staat.
N.B. De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto
vergrendeld hebt. De tankvulklep wordt
daarna automatisch vergrendeld.
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brand-
stoftank ontstaan. Draai de tankvuldop dan
langzaam open. Tank niet te veel brandstof in
de tank. Laat het vulpistool bij voorkeur niet
meer dan eenmaal automatisch afslaan! Als
de brandstoftank te vol zit, kan het zijn dat de
tank bij hoge buitentemperaturen overloopt!
Breng na het tanken de tankvuldop weer aan
en draai deze zover dicht dat u één of meer
klikken hoort.
Benzine tanken
N.B. Voeg nooit op eigen initiatief reinigende
additieven (dopes) aan de benzine toe
zonder het uitdrukkelijke advies van een
Volvo-werkplaats.
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan
de paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat
tot startproblemen kan leiden. Zorg er
daarom voor dat u tijdens de wintermaanden
speciale winterbrandstof gebruikt.
WAARSCHUWING!
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de
brandstofdampen ontsteken met gevaar
voor brand en verwondingen.
BELANGRIJK!
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de
katalysator beschadigd raakt.
115
Starten en rijden
Motor starten
U start de motor als volgt
(benzine)
Trap op het parkeerrempedaal.
Automatische versnellingsbak: Zet de
keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak: Zet de
versnellingspook in de neutraalstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge vorst.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld
op pagina 100) bij het starten van de auto.
Anders is het risico aanwezig dat de start-
blokkering in werking treedt en de motor niet
kan worden gestart.
Draai de contactsleutel naar de start-
stand. Als de motor niet binnen 5–10
seconden aanslaat, moet u de sleutel
loslaten (zie ook “Automatisch starten” op
pagina 116) en een nieuwe startpoging
doen.
N.B. Tijdens de koude start is het mogelijk
dat het motortoerental merkbaar hoger is dan
normaal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat er naar wordt gestreefd het uitlaatgas-
reinigingssysteem zo snel mogelijk op bedrijf-
stemperatuur te brengen en tegelijkertijd de
uitstoot te beperken van stoffen die
schadelijk zijn voor het milieu.
U start de motor als volgt
(diesel)
Trap op het parkeerrempedaal.
Automatische versnellingsbak: Zet de
keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak: Zet de
versnellingspook in de neutraalstand en
trap het koppelingspedaal volledig in. Dit
is vooral van belang bij strenge vorst.
N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel
moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld
op pagina 100) bij het starten van de auto.
Anders is het risico aanwezig dat de start-
blokkering in werking treedt en de motor niet
kan worden gestart.
Draai de contactsleutel naar de rijstand.
Een controlelampje op het instrumenten-
paneel licht op om aan te geven dat de
voorgloeifunctie van de motor actief is.
Draai de sleutel naar de startstand,
wanneer het controlelampje is gedoofd.
Roetfilter dieselmodel (bepaalde
modellen)
Bepaalde dieselmodellen zijn uitgerust met
een roetfilter, waardoor de uitlaatgasreiniging
nog efficiënter verloopt. Wanneer de motor
op bedrijfstemperatuur komt (de motor is
warmgelopen), vindt automatisch een
zogeheten regeneratie van het filter plaats.
Dit houdt in dat de roetdeeltjes die door het
filter zijn opgevangen worden weggebrand
en dat het filter wordt geleegd.
De regeneratie neemt 10 tot 15 minuten in
beslag. Tijdens de regeneratie kan het brand-
stofverbruik iets stijgen.
Gebruik tijdens de wintermaanden
Als u vaak korte ritten met de auto maakt bij
koud weer, bereikt de motor de normale
bedrijfstemperatuur niet. Dit betekent dat er
geen regeneratie van het roetfilter plaatsvindt
en dat het filter niet wordt geleegd.
Wanneer het filter voor ca. 80 % gevuld is
met roetdeeltjes, gaat een oranje waarschu-
wingsdriehoek op het instrumenten paneel
branden. Ook de melding “ROETFILTER
VOL ZIE HANDLEIDING” verschijnt op het
display.
Om te voorkomen dat het roetfilter minder
goed functioneert door frequente korte ritten
bij koud weer, moet u het filter regelmatig
regenereren.
U start de regeneratie van het filter door
met de auto op een landweg of op een
snelweg te rijden tot de motor voldoende
op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt
u nog ca. 20 minuten verder.
Na afloop van de regeneratie kunt u de
waarschuwingsmelding van het display
wissen door het contact uit te zetten, de
contactsleutel uit te nemen, minstens drie
minuten te wachten en het contact
vervolgens weer aan te zetten.
Wanneer u bij koud weer de standver-
warming (optie) inschakelt, bereikt de
motor sneller de normale bedrijfstempe-
ratuur.
116
Starten en rijden
Motor starten
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met
andere sleutels of metalen voorwerpen aan
dezelfde sleutel bos hangen. Als u dat wel
doet, kan de elektronische startblokkering
per ongeluk worden geactiveerd. Als dat
gebeurt, moet u de andere sleutels van de
sleutelbos halen en de motor opnieuw
starten.
Laat de motor meteen na een koude start
nooit op te hoge toeren draaien! Neem
contact op met een Volvo-werkplaats, als de
motor niet aanslaat of overslaat.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de
sleutel uitneemt.
I – Tussenstand,
“radiostand”
Sommige onderdelen van
het elektrisch systeem
kunnen worden
ingeschakeld. Het elektrisch
systeem van de motor is echter uitge-
schakeld.
II – Rijstand
De stand waarin de contact-
sleutel tijdens het rijden
staat. Het complete
elektrisch systeem van de
auto is ingeschakeld.
III – Startstand
De startmotor wordt
ingeschakeld. Wanneer u
nadat de motor is aange-
slagen de sleutel loslaat,
veert deze automatisch
terug in de rijstand. Als het u moeite kost om
de sleutel om te draaien, kan het zijn dat de
stand van de voorwielen voor spanningen in
het stuurslot zorgt. Draai de contactsleutel in
dat geval om, terwijl u het stuurwiel heen en
weer draait.
Automatisch starten (V8 met AWD)
Met de functie Automatisch starten hoeft i de
contactsleutel niet langer in de startstand
(stand III) vast te houden totdat de motor is
aangeslagen. Draai de contactsleutel naar de
startstand en laat de sleutel weer los. De
startmotor blijft vervolgens automatisch (tot
tien seconden lang) draaien totdat de motor
is aangeslagen.
N.B. Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is,
wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de
kans op diefstal.
BELANGRIJK!
Als het filter helemaal volzit met
roetdeeltjes kan de motor startproblemen
vertonen en heeft het filter geen functie
meer. U moet het filter dan vervangen.
WAARSCHUWING!
Schakel nooit tijdens het rijden het
contact uit (sleutel in stand 0 of 1) en
neem de contactsleutel evenmin uit het
contactslot. U loopt dan het gevaar dat
het stuurslot wordt geactiveerd, waarbij
de auto onbestuurbaar wordt.
Neem bij het verlaten van de auto altijd de
contactsleutel uit het contactslot. Dit geldt
in het bijzonder wanneer er kinderen in de
auto achterblijven.
117
Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
Schakelstanden
Trap het koppelingspedaal tijdens het
schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw
voet na het schakelen weer van het koppe-
lingspedaal af! Houd u aan het aangegeven
schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden moet u zoveel mogelijk gebruik
maken van de 6de versnelling.
Blokkering achteruitversnelling
Schakel de achteruitversnelling alleen in,
wanneer de auto stilstaat.
118
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, kan het zijn dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt
omdat de versnellingsbakolie bij lagere
temperaturen stroperiger wordt. Om de
uitstoot van uitlaatgassen te beperken
schakelt de versnellingsbak later op dan
normaal, wanneer u bij lage temperaturen
wegrijdt.
Turbomotor
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger
toerental op dan normaal. Zo komt de kataly-
sator sneller op temperatuur met minder
uitstoot van uitlaatgassen.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakel-
systeem dat voortdurend “leert” hoe de
versnellingsbak zich gedraagt. Het systeem
registreert de manier waarop de versnel-
lingsbak schakelt, zodat er in elke situatie
optimaal wordt geschakeld.
Lock-up
De versnellingen zijn voorzien van Lock-Up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstof-
verbruik te verlagen.
Beveiligingssystemen
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveili-
gingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering, Shiftlock
Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal worden
bediend.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot
voorbij de normale volgasstand), schakelt de
versnellingsbak automatisch terug naar een
lagere versnelling. Dit is de zogeheten
kickdown.
Wanneer de maximale snelheid voor de
ingeschakelde versnelling is bereikt of
wanneer u het gaspedaal uit de kickdown-
stand loslaat, schakelt de versnellingsbak
automatisch op.
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurpro-
gramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
U kunt de kickdown niet gebruiken
zolang de keuzehendel in een van de
handmatige schakelstanden staat. Zet
de keuzehendel in dat geval eerst terug
in de automatische schakelstand D.
119
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
P – Parkeerstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand,
wanneer u de motor start of de auto parkeert.
Zet de keuzehendel alleen in stand P,
wanneer de auto stilstaat!
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Zet na het parkeren altijd de
parkeerrem aan!
R – Achteruitrijstand
Zet de keuzehendel alleen in stand R,
wanneer de auto stilstaat!
N – Neutraalstand
Stand N is de neutraalstand. In deze stand
kunt u de motor starten, maar er is geen
versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem
aan, wanneer de auto stilstaat en de keuze-
hendel in stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
lingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal
en de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
Keuzehendelblokkering
U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd
heen en weer halen tussen de stand N en D
1
.
Om de hendel in een van de overige standen
te zetten, moet u een blokkering opheffen
door op de blokkeerknop op de keuzehendel
te drukken.
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u
de hendel vooruit of achteruit bewegen
tussen de standen N, R en P.
1. Bij modellen met een 4-traps automa-
tische versnellingsbak moet u de
blokkeerknop op de keuzehendel
indrukken.
120
Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
Handmatige schakelstanden
keuzehendel
Handmatige schakelstanden
Als u vanuit de automatische schakelstand D
wilt overgaan op de handmatige schakel-
stand, moet u de hendel naar links halen. Om
vanuit stand MAN over te gaan op de
automatische schakelstand D moet u de
hendel naar rechts in stand D zetten.
Bij de viertraps automatische versnellingsbak
zijn de 3de en 4de
1
versnelling voorzien van
Lock-up (geblokkeerde versnellingen) om
beter op de motor te kunnen afremmen en
het brandstofverbruik te verlagen.
Tijdens het rijden
Tijdens het rijden is het altijd mogelijk voor de
handmatige schakelstanden te kiezen. De
ingeschakelde versnelling is geblokkeerd,
zolang u geen andere versnelling kiest. De
versnellingsbak schakelt alleen terug, als u
uw vaart drastisch mindert.
Als u de keuzehendel naar de min (–) haalt,
schakelt de versnellingsbak één versnelling
terug en wordt er op de motor afgeremd. Als
u de keuzehendel naar de plus (+) haalt,
schakelt de versnellingsbak één versnelling
op.
De 3de versnelling is de hoogste versnelling
die u bij het wegrijden kunt inschakelen.
W – Winter
Met de knop W bij de keuze-
hendel schakelt u het winter-
programma W in of uit. Bij
inschakeling van het winter-
programma licht het lampje
W op het instrumenten-
paneel op.
In het winterprogramma geldt de 3de
versnelling als wegrijversnelling om bij
gladheid gemakkelijker weg te kunnen
komen. In het winterprogramma worden de
lagere versnellingen alleen bij kickdown
ingeschakeld.
Het winterprogramma W is alleen te selec-
teren met de keuzehendel in stand D.
1. Bij een vijftraps automatische versnel-
lingsbak is ook de 5de versnelling
voorzien van Lock-up.
Bij de zestraps automatische versnel-
lingsbak zijn ook de 2de en 6de
versnelling voorzien van Lock-up.
121
Starten en rijden
Vierwielaandrijving
Vierwielaandrijving, AWD (All
Wheel Drive)
De vierwielaandrijving is permanent
ingeschakeld.
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de
wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de
voor- en achterwielen verdeeld. Een elektro-
nisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt
het vermogen over het wielpaar dat op dat
moment de beste grip op het wegdek heeft.
Dit om optimale wegligging te verkrijgen en te
voorkomen dat de wielen doorslippen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid
tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
122
Starten en rijden
Remsysteem
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een
uitgeschakelde motor, moet u
ongeveer vijfmaal zoveel druk uitoefenen op
het rempedaal als wanneer de motor loopt.
Als u bij het starten van de motor op het
rempedaal trapt, kan het rempedaal iets
omlaagkomen. Dit is volkomen normaal
omdat de rembekrachtiging geactiveerd
wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
N.B. Als geremd moet worden met een uitge-
schakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal - dus niet pompen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen nog steeds
mogelijk. U moet het rempedaal echter verder
intrappen en het pedaal kan minder stug
aanvoelen. U moet harder op het pedaal
trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval,
in waterplassen of tijdens een wasbeurt)
worden de onderdelen van het remsysteem
nat. Daardoor kunnen de wrijvingseigen-
schappen van de remblokken gewijzigd
worden, zodat u een bepaalde verlenging van
de aanspreekduur van de remmen kunt
merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de
remblokken waardoor het vocht verdampt.
Deze procedure is ook aan te raden voordat
u de auto voor langere tijd in dergelijke
weersomstandigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast
worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met
vergelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als
u niet bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandig-
heden vaak laag is, worden de remmen niet
even goed gekoeld als bij snelle ritten op
vlakke wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugscha-
kelen dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken
wanneer u een helling oprijdt. Op die manier
kunt u beter op de motor afremmen en hoeft
u de rem slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS (Anti-lock Braking System)
voorkomt dat de wielen tijdens het
remmen geblokkeerd raken.
Zo blijft de auto bestuurbaar,
waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om
obstakels te ontwijken.
Wanneer u na het starten van de motor
wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat er een korte zelftest van het
ABS van start. Dit kunt u zowel horen als
voelen aan de pulsaties in het rempedaal.
Om het ABS maximaal te benutten:
Trap zo hard mogelijk op het rempedaal
(er zijn pulsaties voelbaar).
Stuur de auto in de rijrichting en blijf druk
op het rempedaal uitoefenen.
WAARSCHUWING!
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
123
Starten en rijden
Remsysteem
Aarzel niet om op een terrein zonder verkeer
te testen hoe het ABS in verschillende weers-
omstandigheden reageert.
Het ABS-lampje licht op en blijft ca. twee
seconden lang branden tijdens de start als
het ABS door een storing werd uitge-
schakeld.
Elektronische remkrachtverdeling, EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce
Distribution) vormt een geïntegreerd
onderdeel van het ABS-systeem. Het EBD-
systeem regelt de remkracht op de achter-
wielen altijd dusdanig af dat de maximale
remwerking wordt verkregen. Wanneer het
systeem de remkracht afregelt, treden er
merkbare pulsaties in het rempedaal op.
Remkrachtverhoging, EBA
(Emergency Brake Assistance) Het EBA is
dusdanig geconstrueerd dat u, wanneer u
krachtig moet remmen, altijd meteen het
maximale remvermogen kunt afnemen. Het
systeem registreert het moment waarop u
krachtig wilt afremmen door de snelheid te
meten waarmee u op het rempedaal trapt.
Blijf remmen zonder het rem pedaal los te
laten. Het systeem wordt uitgeschakeld,
wanneer u het rempedaal loslaat. Het
systeem is altijd actief. U kunt het dan ook
niet uitschakelen.
WAARSCHUWING!
Als de waarschuwingslampjes voor het
REMSYSTEEM en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing zijn
opgetreden in het remsysteem. Als het
remvloeistofpeil in dat geval in orde is,
moet u de auto voorzichtig naar de
dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats
rijden om het remsysteem te laten contro-
leren.
Als de remvloeistof onder het MIN-
streepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld. Controleer tevens de oorzaak
van het remvloeistofverlies.
124
Starten en rijden
Stabiliteitssysteem
Wanneer het stabiliteitssysteem actief is, kan
het lijken alsof de auto niet normaal reageert
op de stand van het gaspedaal. Dit komt
doordat het systeem de grip op het wegdek
registreert en de verschillende deelsystemen
van het stabiliteitssysteem inschakelt.
De auto is uitgerust met STC (Stability and
Traction Control), stabiliteits- en tractieregel-
systeem of met DSTC (Dynamic Stability and
Traction Control), dynamisch stabiliteits- en
tractieregelsysteem.
Tractieregeling, Traction Control
(TC)
De tractieregeling brengt de aandrijfkracht
van een slippend aandrijfwiel over op een
aandrijfwiel dat niet slipt. Om de aandrijf-
kracht in een dergelijke situatie te verhogen,
kan het zijn dat u het gaspedaal verder dan
normaal moet intrappen. Wanneer de tractie-
regeling actief is, kunt u een pulserend geluid
horen. Dit is volkomen normaal. De tractiere-
geling is voornamelijk actief op lage
snelheden. U kunt de functie niet uitscha-
kelen.
Antispinregeling, Spin Control (SC)
De antispinregeling voorkomt dat de aange-
dreven wielen tijdens het optrekken
doorslippen. De regeling verhoogt de
veiligheid op gladde wegen. Bij het rijden met
sneeuwkettingen of bij het rijden in een diepe
laag sneeuw of zand, kan het handig zijn om
de antispinregeling uit te schakelen om zo de
tractie te verhogen. U kunt de regeling
uitschakelen met de knop voor STC/DSTC.
Antislipregeling, Active Yaw Control
(AYC)
De antislipregeling zorgt ervoor dat één of
meer wielen van de auto automatisch worden
geremd om de auto te stabiliseren als deze in
de slip dreigt te raken. Het rempedaal doet
stugger aan dan normaal en u hoort een
pulserend geluid.
De antislipregeling is altijd actief. U kunt de
regeling dan ook niet uitschakelen.
Functie/
systeem
STC DSTC
1
1. Optie op bepaalde markten.
TC X X
SC X X
AYC X
WAARSCHUWING!
Bij een beperking van de functionaliteit
van het STC- of DSTC-systeem kunnen
de rijeigenschappen van de auto zich
wijzigen. Wees altijd voorzichtig in
bochten en op gladde wegen.
125
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Parkeerhulp voor- en achterzijde
Algemene informatie
De parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel
tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven
de afstand tot een waargenomen obstakel
aan.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor
1
de
auto nadert, des te sneller volgen de geluids-
signalen elkaar op.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon.
Als er zowel voor als achter
1
auto obstakels
binnen deze afstand liggen, komen de
geluidssignalen beurtelings uit de
luidsprekers voor- en achterin.
Wanneer u ondertussen naar een andere
geluidsbron van het audiosysteem luistert,
wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Het systeem is altijd actief bij het starten van
de motor.
Parkeerhulp voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De melding PARK.HULP ACTIEF
verschijnt op het audiodisplay, wanneer de
sensoren op een obstakel voor de auto
reageren.
Het is niet mogelijk de parkeerhulp te combi-
neren met verstralers, omdat de sensoren op
de verstralers reageren.
Parkeerhulp achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht
achter de auto. De melding PARK.HULP
ACTIEF verschijnt op het audiodisplay,
wanneer u de achteruitversnelling inschakelt.
Bij gebruik van een aanhanger of een fiets-
drager op de trekhaak moet u het systeem
uitschakelen. Als u dat niet doet, reageren de
sensoren op de aanhanger/fietsdrager.
De parkeerhulp wordt automatisch uitge-
schakeld, wanneer u een aanhanger achter
de auto hebt hangen die met een originele
aanhangerkabel van Volvo aangesloten is.
1. Op voorwaarde dat er aan voor- en
achterzijde sensoren voor
parkeerhulp zijn aangebracht.
WAARSCHUWING!
Hoewel de parkeerhulp handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig
bij eventuele fouten.
Wanneer er obstakels in de dode hoeken
van de sensoren zitten, zal het systeem ze
niet kunnen ontdekken. Houd kinderen en
dieren in de buurt van de auto in de gaten.
126
Starten en rijden
Parkeerhulp (optie)
Parkeerhulp uitschakelen/
opnieuw inschakelen
U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de
knop op het schakelaarpaneel, waarna de
LED in de schakelaar dooft. De parkeerhulp
is weer actief, wanneer u nogmaals op de
schakelaar drukt en de LED brandt.
Parkeerhulp voorzijde
De parkeerhulpsensor aan voorzijde is actief
bij snelheden tot 15 km/h, ook tijdens het
achteruitrijden. De geluidssignaal komen uit
de luidspreker voorin.
Parkeerhulp achterzijde
De parkeerhulpsensoren aan de achterzijde
worden geactiveerd bij het inschakelen van
de achteruitversnelling. De geluidssignalen
komen uit de luidspreker achterin.
Aanduiding voor systeemsto-
ringen
Het informatielampje brandt
continu
PARK.HULP SERVICE VEREIST
verschijnt op het informatiedisplay in
het midden van het instrumentenpaneel.
Sensoren voor parkeerhulp
Sensoren schoonmaken
De sensoren werken alleen naar behoren,
wanneer u ze regelmatig schoonmaakt.
Reinig ze met water en autoshampoo.
De sensoren kunnen reageren op een laag
sneeuw en ijs.
BELANGRIJK!
In bepaalde omstandigheden kan het
parkeerhulpsysteem vals alarm geven
doordat externe geluidsbronnen dezelfde
ultrasone geluidsfrequenties afgeven als
die waar het systeem mee werkt.
Voorbeelden daarvan zijn onder meer
claxons, natte banden op asfalt, lucht-
drukremmen, uitlaten van motorfietsen.
Het fenomeen is geen teken van een
storing in het systeem.
127
Starten en rijden
Slepen en bergen
Motor niet op gang slepen
Als u de motor van een auto met een handge-
schakelde versnellingsbak op gang probeert
te slepen, kan de katalysator beschadigd
raken. Auto’s met een automatische versnel-
lingsbak kunt u niet op gang slepen. Als de
accu leeg is, moet u een opgeladen hulpaccu
gebruiken.
Als de auto gesleept moet
worden
Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en
de auto bestuurbaar is.
Let erop dat u de maximaal toegestane
snelheid aanhoudt.
Let erop dat de rem- en stuurbekrach-
tiging niet werken, als u de motor hebt
afgezet. U moet ongeveer vijfmaal harder
op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Rijd rustig. Houd de sleepkabel
gespannen om schokkende bewegingen
te voorkomen.
Modellen met een automatische
versnellingsbak
Zorg dat de keuzehendel in stand N staat.
De maximaal toelaatbare snelheid voor
auto’s met een automatische versnel-
lingsbak bedraagt 80 km/h.
Sleep de auto alleen vooruit weg.
Het is niet mogelijk de motor op gang te
slepen. Zie pagina 129 voor “Starten met
hulpaccu”.
128
Starten en rijden
Slepen en bergen
Sleepoog
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas
in de bagageruimte. Schroef het sleepoog op
zijn plaats vóór het slepen. De uitsparing en
afdekking voor het sleepoog vindt u aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
Ga als volgt te werk om een afdekking te
verwijderen:
A. Haal de onderkant van de afdekking los
met een muntstuk.
B. Schroef het sleepoog tot aan de flens
vast (C). Maak bij voorkeur gebruik van
de wielsleutel.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
de afdekking terug.
Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het
slepen over de weg en niet geschikt voor
berging, wanneer de auto bijvoorbeeld in een
sloot is gereden. Voor bergingswerkzaam-
heden moet u professionele hulp inroepen.
129
Starten en rijden
Starten met hulpaccu
Starten met een hulpaccu
Als de accu om wat voor reden dan ook
ontladen is, kunt u stroom “ lenen ” van een
losse reserveaccu of van een accu in een
andere auto om op die manier de motor te
starten. Controleer altijd of de accuklemmen
goed vastzitten en of er geen vonken
ontstaan tijdens de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen adviseren
wij u de volgende aanwijzingen nauwkeurig
op te volgen:
Draai de contactsleutel naar stand 0.
Zorg dat de hulpaccu een spanning van
12 volt levert.
Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s
elkaar niet kunnen raken.
Sluit de rode kabel aan tussen de
pluspool van de hulpaccu (1+) en de
rode aansluiting in de motorruimte van uw
auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt een geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op een van de hijsogen van de motor
(4–) in uw auto.
Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een
toerental dat iets hoger ligt dan normaal,
1500 omw/min.
Start de motor van de auto met de lege
accu.
Verwijder de kabels in omgekeerde
volgorde.
N.B. Kom niet aan de klemmen tijdens de
startpoging (gevaar voor vonkvorming).
1
2
3
4
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot
ontploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur, wat
ernstige verwondingen door etsing kan
veroorzaken. Als u accuzuur in uw ogen
krijgt of op uw huid of kleren morst, moet
u onmiddellijk met grote hoeveelheden
water spoelen. Neem onmiddellijk contact
op met een arts, als u accuzuur in uw ogen
krijgt.
130
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak (een kogeldruk van 75 kg
bij een aangekoppelde aanhanger),
lastdragers, skibox e.d. plus het totaalge-
wicht van de inzittenden. Het laadvermogen
van de auto moet worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
De trekhaak van de auto moet van een
goedgekeurd type zijn.
Als u een model met trekhaak bij Volvo
hebt besteld wordt de auto compleet
aangeleverd met de benodigde randuit-
rusting voor het gebruik van een
aanhanger. Bij montage achteraf moet u
contact opnemen met uw Volvo-dealer
om te controleren of uw auto van de
nodige uitrusting is voorzien om met een
aanhanger te kunnen rijden.
Verdeel de lading in de aanhanger
dusdanig dat de druk op de trekhaak de
maximale kogeldruk niet overschrijdt.
Verhoog de bandenspanning tot de druk
die geldt voor maximale belasting.
Raadpleeg de bandenspanningstabel!
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel
1
en alle bewegende delen in
om onnodige slijtage te voorkomen.
Rijd niet met een zware aanhanger,
wanneer de auto nog helemaal nieuw is!
Wacht hiermee totdat de auto ten minste
1000 kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile
hellingen worden de remmen veel
zwaarder belast dan normaal. Schakel
dan terug naar een lagere versnelling en
pas uw snelheid aan.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de
versnellingsbak oververhit raken. Bij
oververhitting slaat de temperatuurmeter
op het instrumentenpaneel tot in het rode
gebied uit. Breng de auto dan tot
stilstand en laat de motor enkele minuten
afkoelen.
Bij oververhitting schakelt de aircondi-
tioning zichzelf automatisch tijdelijk uit.
Bij oververhitting schakelt de versnel-
lingsbak een ingebouwde beschermings-
functie in. Zie de displaymelding!
Bij het gebruik van een aanhanger wordt
de motor zwaarder belast dan normaal.
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller
dan 80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
Het maximaal toelaatbare gewicht voor
een ongeremde aanhanger bedraagt
750 kg.
Zet de keuzehendel bij het parkeren met
een aanhanger altijd in stand P (automa-
tische versnellingsbak) of schakel een
versnelling in (handgeschakelde versnel-
lingsbak). Maak altijd gebruik van de
parkeerrem. Gebruik wielblokken bij het
parkeren op steile hellingen.
Aanhangergewichten
Zie pagina 237 voor de toelaatbare aanhan-
gergewichten.
N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare
aanhangergewichten zijn door Volvo
bepaald. Let erop dat er op grond van de
wetgeving voor motorvoertuigen in uw land
verdere beperkingen van het aanhangerge-
wicht en de snelheid kunnen gelden. Het is
bovendien mogelijk dat de trekhaak gespeci-
ficeerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht van
de auto.
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
1. Geldt niet voor de kogel bij gebruik
van een aanhangerkoppeling met
trillingsdemper.
WAARSCHUWING!
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De
aanhanger en de auto kunnen anders
moeilijk bestuurbaar worden tijdens
uitwijk- en remmanoeuvres.
131
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Rijden met een aanhanger in een
Volvo met een automatische
versnellingsbak
Zet bij het parkeren op hellingen eerst de
parkeerrem aan, voordat u de keuzehendel in
stand P zet. Zet bij het wegrijden op een
helling eerst de keuzehendel in de rijstand en
haal de auto vervolgens van de parkeerrem.
Kies bij het omhoog rijden op steile
hellingen of in langzaam rijdend verkeer
de juiste lage versnellingsstand. Zo
voorkomt u dat de automatische versnel-
lingsbak opschakelt. De versnellingsba-
kolie wordt dan minder warm.
Schakel geen hogere, handmatige
versnelling in dan de motor “aankan”.
Rijden in hoge versnellingen is niet altijd
zuinig.
Vermijd hellingen met een percentage van
meer dan 15 % bij het gebruik van een
aanhanger achter een model met automa-
tische versnellingsbak.
N.B. Sommige modellen moeten worden
uitgerust met een oliekoeler om met
aanhangers te rijden.
Informeer daarom bij de dichtstbijzijnde
Volvo-dealer of er een oliekoeler nodig is, als
u een trekhaak achteraf monteert.
Gemakkelijker wegrijden met aanhanger
Auto’s met een V8-motor zijn voorzien van
een ingebouwde functie die voorkomt dat de
auto schokkerig beweegt en wielspin
vertoont bij het wegrijden met een
aanhanger.
Activeren
Om de functie te activeren moet u de
bedrading van de aanhanger aansluiten op
de trekhaakaansluiting die naast de trekhaak
zit (zie pagina 132).
Deactiveren
Koppel de bedrading bij de aansluiting los.
N.B. De functie is tevens actief als u andere
elektrische uitrusting op de trekhaakaan-
sluiting aansluit. De auto trekt dan langzamer
op tijdens het wegrijden.
Niveauregeling (optie op model
met vijf zitplaatsen, standaard op
model met zeven zitplaatsen)
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is
volkomen normaal. Bij het wegrijden met
lading wordt het niveau na enige tijd rijden
naar boven toe bijgesteld.
132
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Trekhaak (optie)
N.B. Controleer of de auto is uitgerust met
een transmissie-oliekoeler, als u achteraf een
trekhaak monteert.
Vaste trekhaak (A)
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan
de daarvoor bestemde bevestiging
vastmaakt (zie afbeelding)!
Afneembare trekhaak (B)
Volg altijd nauwkeurig de montagevoor-
schriften op.
Zie de beschrijving op pagina 134.
Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan
de daarvoor bestemde bevestiging
vastmaakt (zie afbeelding)!
Let er tevens op dat u de koppelpen regel-
matig schoonmaakt en invet.
Maak daarvoor gebruik van de aanbevolen
vetsoort met het art.nr. 8624203.
N.B. Het kan zijn dat er op uw auto een
trekhaak zit met een 13-polig contact dat u
wilt aansluiten op een aanhanger met een
7-polig contact. Maak in dat geval alleen
gebruik van een originele adapterkabel van
Volvo. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
A
B
133
Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
Specificaties
Afstand A op de bovenstaande
afbeelding:
Vaste trekhaak: 1124 mm
Afneembare trekhaak: 1124 mm
Max. toelaatbare kogeldruk: 90 kg
Afstand B op de bovenstaande
afbeelding:
Vaste trekhaak: 80 mm
Afneembare trekhaak: 80 mm
134
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – monteren
Verwijder de beschermkap. Steek de sleutel in het afneembare
gedeelte en draai de sleutel rechtsom in
de ontgrendelde stand.
Neem het kogelsegment en draai de
handgreep rechtsom naar de vergren-
delde stand.
ONTGRENDELD
ONTGRENDELD
B
135
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – monteren
Duw het kogelsegment zo ver op de
koppelpen dat het blokkeert. Houd de
handgreep niet vast.
N.B. De handgreep schiet met kracht in
positie!
Controleer of de indicatorpen (B)
ingeschoven is.
Draai de sleutel linksom in de vergren-
delde stand.
Neem de sleutel uit het slot.
BLOKKEREN
RODE PIN (B)
NIET ZICHTBAAR
VERGRENDELD
136
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – demonteren
Steek de sleutel in het afneembare
gedeelte en draai de sleutel rechtsom in
de ontgrendelde stand.
Draai de handgreep rechtsom in de
vergrendelde stand en pak het kogel-
segment beet.
Trek het kogelsegment van de koppelpen
af. Houd de handgreep niet vast.
ONTGRENDELD
ONTGRENDELD
BELANGRIJK!
Het kogelsegment is alleen te vergren-
delen wanneer de rode pen niet zichtbaar
is.
137
Starten en rijden
Afneembare trekhaak – demonteren
Draai de sleutel linksom in de vergren-
delde stand.
Neem de sleutel uit het slot.
Schuif de beschermkap over de
koppelpen zoals aangegeven op de
afbeelding.
VERGRENDELD
138
Starten en rijden
Lading vervoeren
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals een trekhaak (een kogeldruk van 75 kg
bij een aangekoppelde aanhanger),
lastdragers, skibox e.d. plus het totaalge-
wicht van de inzittenden. Het laadvermogen
van de auto moet worden verminderd met het
gewicht van het aantal inzittenden.
Lading op het dak
Positie van lasdragers (accessoire)
Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie
op de dakrelingen (rails) aanbrengt. U kunt
de lastdragers in iedere gewenste stand over
de volle lengte van de dakrelingen
aanbrengen. Wanneer u geen lading op het
dak vervoert, moet u de voorste lastdrager
ca. 200 mm voor de middelste dakbeves-
tiging aanbrengen en de achterste lastdrager
recht tussen de middelste en de achterste
dakbevestiging (zie bovenstaande
afbeelding) om de rijwindgeluiden te
beperken. Bevestig de lange lastdrager
vooraan.
Lastdrager monteren
Zorg dat de lastdrager goed om de beide
dakrelingen heen vastklemt. Schroef de
lastdrager vervolgens vast. Maak gebruik van
de bijgeleverde momentsleutel om de
schroeven tot aan het merkje op de sleutel
vast te draaien (overeenkomend met een
moment van 6 Nm). Zie de afbeelding!
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
139
Starten en rijden
Lading vervoeren
Dekkap van lastdrager
Gebruik bij voorkeur de nok aan het uiteinde
van de momentsleutel (zie afbeelding) of de
contactsleutel om de kap los of vast te
draaien. Een kwartslag draaien.
Lastdragers gebruiken
Om schade aan de auto te voorkomen en
op een veilige manier lading op het dak te
kunnen vervoeren, adviseren wij u alleen
gebruik te maken van de lastdragers die
Volvo speciaal voor uw auto ontwikkeld
heeft.
Controleer regelmatig of de lastdragers
en de lading goed vastzitten. Zet de
lading stevig vast met sjorbanden!
Verdeel het gewicht van de lading gelijk-
matig over de lastdragers. Leg de lading
niet diagonaal op de lastdragers. Zorg dat
u de zwaarste voorwerpen onderop legt.
Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de
lading toeneemt.
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel
op, rem niet te hard en maak niet te
scherpe bochten.
WAARSCHUWING!
De maximale dakbelasting is 100 kg
inclusief de lastdragers en een eventuele
skibox. Bij het vervoer van lading op het
dak verschuift het zwaartepunt en treden
er wijzigingen op in de rijeigenschappen
van de auto.
140
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer
B. Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
U kunt de lichtbundel van de koplampen
afplakken om te voorkomen dat u tegen-
liggers verblindt. Daarbij wordt de lichtop-
brengst iets lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen over die op pagina 142 staan.
Knip een stuk zelfklevend en watervast
materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de
randen van de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten
opzichte van de stip (5) in het koplampglas.
Deze stip moet overeenkomen met de rode
stip op de mal. De lange rode lijn op de
afbeeldingen komt overeen met de lijn in het
koplampglas ten opzichte waarvan u de mal
moet inpassen.
Meet de mallen na het overtrekken ter
controle nog eens op om te zorgen dat de
lichtbundel voldoende wordt afgedekt.
De mallen kunnen worden gebruikt voor
modellen met het stuur links of rechts en
moeten worden aangebracht zoals aange-
geven op de afbeelding.
De bovenste afbeelding geeft de positie op
een model met het stuur links aan. De
onderste afbeelding geeft de positie op een
model met het stuur rechts aan.
Halogeenkoplampen
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen.
Referentiematen:
Mal 1 en 2) De lange kant van de mallen moet
ca. 82 mm lang zijn.
Bi-Xenonkoplampen
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een
stuk zelfklevend en watervast materiaal en
knip uit.
Breng de mallen dusdanig aan dat de pijlen
naar het midden van de auto wijzen en dat de
stippen op de mallen overeenkomen met de
stippen op de koplampglazen. Pas de
merkjes > < op de mallen in ten opzichte van
de lijn op het koplampglas.
Referentiematen:
Mal 3) De lijn tussen de merkjes > < en op de
mallen moet ca. 140 mm lang zijn.
Mal 4) De lijn tussen de merkjes > < en op de
mallen moet ca. 112 mm lang zijn.
141
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Positie van afplaktape op de koplampen (de bovenste figuur geeft het afplakken van een model met het stuur links weer en de onderste figuur
dat van een model met het stuur rechts/mallen 1 en 2 gelden voor halogeenkoplampen/mallen 3 en 4 gelden voor Bi-Xenonkoplampen).
142
Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
Afplakmallen
143
Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System –(optie)
1. BLIS-camera 2. Controlelampje
3. BLIS-symbool
BLIS
BLIS is een informatiesysteem dat de
bestuurder waarschuwt, wanneer er zich een
voertuig in de zogeheten dode hoek bevindt
en in dezelfde richting rijdt.
“Dode hoeken” die BLIS in de gaten houdt
(afstand A = ca. 9,5 m; afstand B = ca. 3 m)
Het systeem werkt het best in druk verkeer
op meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale camera-
techniek. De camera’s (1) zitten onder de
buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft
waargenomen in de dode hoek, gaat er een
controlelampje op het portierpaneel (2)
branden. Het lampje brandt continu om de
bestuurder te attenderen op het voertuig in
de dode hoek.
N.B. Het lampje gaat branden aan die kant
van de auto waar het voertuig is waarge-
nomen. Als de auto aan weerszijden wordt
ingehaald, gaan dan ook beide lampjes
branden.
BLIS is eveneens voorzien van een geïnte-
greerde functie die de bestuurder
waarschuwt bij fouten in het systeem. Als de
camera’s van het systeem bijvoorbeeld zijn
afgedekt, knippert het controlelampje voor
BLIS en verschijnt er een melding op het
display van het instrumentenpaneel (zie de
tabel op pagina 145). Controleer de camera-
lenzen in dat geval en maak ze zo nodig
schoon. U kunt het systeem tijdelijk uitscha-
kelen met een druk op de knop BLIS (zie
pagina 145).
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer u inhaalt:
Het systeem reageert als het snelheids-
verschil tussen u en het ingehaalde
voertuig kleiner is dan 10 km/h.
Wanneer u wordt ingehaald:
Het systeem reageert als het snelheids-
verschil tussen u en het inhalende
voertuig kleiner is dan 70 km/h.
WAARSCHUWING!
Het systeem vormt slechts een aanvulling
op - geen vervanging voor - de aanwezige
buitenspiegels. De bestuurder moet altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden.
De bestuurder is er verantwoordelijk voor
dat er op een veilige manier van rijstrook
wordt gewisseld.
A
B
144
Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System –(optie)
Systeemfunctie bij daglicht en bij
donker
Daglicht
Bij daglicht reageert het systeem op de
contouren van omringende voertuigen. Het
systeem is geconstrueerd om motorvoer-
tuigen zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en
motorfietsen waar te nemen.
Donker
Bij donker reageert het systeem op de
koplampen van omringende voertuigen. Als
een voertuig de koplampen niet heeft
ontstoken, zal het systeem dit voertuig niet
kunnen waarnemen. Dit houdt in dat het
systeem bijvoorbeeld niet reageert op een
aanhanger achter een auto of vrachtwagen,
omdat daar geen brandende koplampen op
zitten.
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de camera-
lenzen schoon zijn. U kunt de lenzen schoon-
maken met een zachte doek of een vochtige
spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon
om krassen te voorkomen.
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruit-
rijdt.
Een brede aanhanger achter de auto
kan het zicht ontnemen op andere
voertuigen op aangrenzende rijstroken.
Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen
voertuigen in dit afgeschermde gebied
kan waarnemen.
WAARSCHUWING!
Het systeem reageert niet op fietsers
en bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder
ondervinden van de aanwezigheid van
felle lichtbronnen of juist de afwezigheid
van lichtbronnen (wegenverlichting of
voertuigverlichting) bij ritten in het
donker. Het systeem kan uit de
afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een display-
tekst op het instrumentenpaneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden
kunt u het systeem tijdelijk deactiveren
(zie de informatie op de volgende pagina).
Wanneer de displaytekst is verdwenen,
werkt het systeem weer optimaal.
De BLIS-camera’s kennen dezelfde
beperkingen als het menselijk oog. Dit
houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed
“zien” bij hevige sneeuwval en dichte
mist.
WAARSCHUWING!
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om
ze van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen.
Veeg ze nodig sneeuw van de lenzen af.
145
Starten en rijden
BLIS, Blind Spot Information System –(optie)
BLIS deactiveren en heractiveren
BLIS wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contact aanzet. De contro-
lelampjes op de portierpanelen lichten
een derde keer op bij het aanzetten van
het contact.
U kunt het systeem deactiveren door op
de knop BLIS te drukken die op het
schakelaarpaneel van de middenconsole
zit (zie bovenstaande afbeelding). De
LED in de knop dooft, wanneer het
systeem uitgeschakeld is. Er verschijnt
bovendien een displaytekst op het instru-
mentenpaneel.
U kunt BLIS heractiveren door nogmaals
op de knop te drukken. De LED in de
knop licht vervolgens op, er verschijnt een
nieuwe tekst op het display en de contro-
lelampjes op de portierpanelen lichten
driemaal op. Druk op de knop READ (zie
pagina 47) om de melding te laten
verdwijnen.
De meldingen verschijnen alleen, als de
contactsleutel in stand II staat (of als de
motor loopt) en BLIS actief is (de bestuurder
heeft het systeem niet gedeactiveerd).
Systeemteksten BLIS
Systeem-
status
Displaytekst
BLIS buiten
werking
BLINDE-HOEKSYST.
SERVICE VEREIST
Rechter
camera
afgedekt
BLINDE-HOEKSYST.
R CAMERA GEBLOK.
Linker camera
afgedekt
BLINDE-HOEKSYST. L
CAMERA GEBLOK.
Beide
camera’s
afgedekt
BLINDE-HOEKSYST.
CAMERA’S GEBLOK.
BLIS uitge-
schakeld
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM UIT
BLIS
ingeschakeld
BLINDE-HOEKINFO.
SYSTEEM AAN
Beperkte
BLIS-functie
BLIS BEPERKTE
FUNCTIE
146
Starten en rijden
147
Wielen en banden
Algemene informatie 148
Bandenspanning 151
Gevarendriehoek en reservewiel 152
Wielen verwisselen 154
Provisorische bandenreparatie 157
148
Wielen en banden
Algemene informatie
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijei-
genschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de
snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het
rijgedrag van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat
de nieuwe banden op alle vier de wielen van
hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbe-
volen bandenspanning aan die op de
bandenspanningsticker staat (zie pagina 151
voor de positie).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde
maataanduiding. Een voorbeeld van een
dergelijke aanduiding is 225/70R16 102H.
Snelheidsaanduidingen
Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aange-
leverd. Dat betekent dat u niet mag afwijken
van de afmetingen en snelheidsaanduidingen
die staan aangegeven op de typegoed-
keuring van de auto. De enige uitzondering
daarop vormt het gebruik van winterbanden
(zowel spijkerbanden als banden zonder
spijkers). Bij gebruik van dergelijke banden
mag u niet sneller rijden dan de maximum-
snelheid die voor het gebruikte bandentype
geldt (voor aanduiding Q geldt bijvoorbeeld
een maximumsnelheid van 160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en
niet de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de
maximumsnelheid is.
Nieuwe banden
Banden hebben een
beperkte houdbaarheids-
datum. Na enkele jaren
worden de banden hard en
neemt de grip op het
wegdek stukje bij beetje af.
Gebruik bij het verwisselen van banden altijd
zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het
bijzonder voor winterbanden. De week en het
jaar van productie worden aangeduid met de
DOT-code (Department of Transportation)
bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502.
De band op de afbeelding is in de 15de week
van het jaar 2002 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet
u door een vakman laten controleren, ook al
zien ze er intact uit. Dit omdat het materiaal
waarvan banden gemaakt zijn ook veroudert
en afgebroken wordt, als banden zelden of
nooit worden gebruikt. Daarbij kan de
werking van de banden worden aangetast, in
welk geval u de banden niet meer dient te
gebruiken.
Dit geldt ook voor reservebanden, winter-
banden en banden die u voor toekomstig
gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de
zichtbare kenmerken van een band die
ongeschikt is voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
225 breedte van de band (mm)
70 verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R aanduiding voor radiaalbanden
16 velgdiameter van de band (")
102 aanduiding van het draagvermogen
van de band (in dit geval 615 kg)
H aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval 210 km/h)
Q 160 km/h (enkel voor winter-
banden)
T 190 km/h
H 210 km/h
V 240 km/h
W 270 km/h
149
Wielen en banden
Algemene informatie
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen
die dwars op het profiel van de band staan
(de letters TWI (Tread Wear Indicator) op de
zijkant van de band geven aan dat een band
is uitgerust met slijtage-indicatoren). De
indicatoren zijn duidelijk zichtbaar wanneer
een band dusdanig versleten is dat slechts
1,6 mm van het profiel over is. Vervang de
banden dan onmiddellijk. Let erop dat een
band met een gering profiel zeer weinig grip
op het wegdek heeft bij regen of sneeuw.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde
afmetingen aan. Deze staan op een banden-
spanningsticker (zie plaatsing pagina 151).
De bandenmaat is afhankelijk van het
motortype. Gebruik altijd winterbanden op
alle vier de wielen.
N.B. Neem contact op met een Volvo-dealer
voor advies over de beste soort velgen en
banden.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de
eerste 500-1000 km rustig worden
ingereden, zodat de “spikes” zich zetten. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B. De wettelijke bepalingen voor het
gebruik van banden met “spikes” verschillen
van land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage tempe-
raturen vergen meer van de banden dan
zomerse ritten. Daarom wordt er een
minimale profieldiepte van vier mm voor
winterbanden geadviseerd.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen
toegestaan op de voorwielen. Dit geldt ook
voor modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuw-
kettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije
wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als
de banden daardoor overmatig slijten. Maak
nooit gebruik van sneeuwkettingen met
zogeheten snelsluitingen, omdat de ruimte
tussen de schijfremmen en de wielen te
gering is.
BELANGRIJK!
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen
die zijn afgestemd op het model en de
band- en velgafmetingen. Vraag een
erkende Volvo-werkplaats om advies.
150
Wielen en banden
Algemene informatie
De pijl geeft de draairichting van de band
aan
Zomer- en winterbanden
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de
band noteren waar de band zat: bijvoorbeeld
L voor links, R voor rechts enz. Bij banden
met een speciaal profiel dat alleen goed
werkt wanneer de banden in een bepaalde
richting draaien, staat deze richting aange-
geven met een pijl op de zijkant van de band.
Zorg dat de banden altijd dezelfde draai-
richting hebben. Banden mogen alleen van
voor naar achter verwisseld worden, nooit
van links naar rechts of omgekeerd. Als u de
banden verkeerd aanbrengt, nemen de
remeigenschappen van de auto af en kunnen
de banden regen, sneeuw en drab minder
goed afvoeren. Monteer de banden met het
diepste profiel altijd op de achteras (om het
gevaar voor slippen te verminderen).
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat
ze nooit rechtop staan.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
151
Wielen en banden
Bandenspanning
Aanbevolen bandenspanning
Op de sticker aan de binnenzijde van de tank
vulklep staat de juiste bandenspanning voor
uw auto aangegeven bij verschillende
belading en snelheid.
1. Overige markten (niet VS, Canada)
1:1 Originele Volvo-banden
1:2 Reservebanden
2. Australië
Bandenspanning controleren
Controleer de bandenspanning regelmatig.
De juiste bandenspanning staat in de
bandenspanningstabel aangegeven. De
aangegeven bandenspanning geldt bij koude
banden (kan verschillen naargelang de
buitentemperatuur).
Als u met de verkeerde bandenspanning rijdt,
is het rijgedrag van de auto slechter en is het
mogelijk dat de banden veel sneller slijten. Al
na enkele kilometers rijden worden de
banden warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert terwijl de
banden warm zijn.
152
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
Gevarendriehoek (bepaalde
landen)
Houd u aan de bepalingen die gelden voor
het gebruik van gevarendriehoeken in uw
land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
Haal de opberghoes met de gevaren-
driehoek los. De hoes zit met klittenband
vast.
Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A).
Klap de vier steunpootjes van de gevaren-
driehoek uit.
Klap de beide rode driehoekszijden uit.
Zet de gevarendriehoek op een geschikt
punt achter de auto neer om het achter-
opkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
Doe het volgende na gebruik:
Berg de onderdelen in de omgekeerde
volgorde weer op.
Zorg dat de opberghoes met de gevaren-
driehoek goed vastzit in de bagageruimte.
Reservewiel “Temporary Spare”
U mag het compacte reservewiel
1
alleen
gebruiken gedurende de korte tijd die nodig
is om het normale wiel te repareren of te
vervangen. Gebruik zo spoedig mogelijk
weer een normaal wiel. Het rijgedrag van de
auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een
compact reservewiel.
Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van
een compact reservewiel.
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit
type moet daarom zo spoedig mogelijk door
een normaal wiel/normale band worden
vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden
wijzigingen in de rijeigenschappen kan
veroorzaken. Bij modellen met vierwie-
laandrijving kan overschrijding van deze
snelheid bovendien aanleiding geven tot
schade aan de aandrijflijn.
1. Bepaalde varianten en markten
BELANGRIJK!
Rijd nooit met meer dan één compact
reservewiel (Temporary Spare) tegelijk.
153
Wielen en banden
Gevarendriehoek en reservewiel
1. Vierzitter
2. Vijfzitter
Reservewiel te voorschijn halen
Het reservewiel
1
zit onder de auto. De krik,
de gereedschapstas en de slingerdelen vindt
u onder het vloerluik. De slinger bestaat uit
twee delen. Het ene deel zit in de gereed-
schapstas, terwijl het andere deel onder de
gereedschapstas ligt.
N.B. In de gereedschapstas zit een speciale
sleutel om de naafdop
2
te verwijderen.
De positie van de krik hangt af van het aantal
zitplaatsen (model met zeven zitplaatsen (1)
en model met vijf zitplaatsen (2)).
Maak het reservewiel als volgt los:
Klap het onderste gedeelte van de
achterklep omlaag.
Til het vloerluik in de bagageruimte op.
Haal de twee delen van de slinger te
voorschijn en monteer ze.
Steek de slinger in de lier.
Laat het wiel zakken door de slinger tot
aan de aanslag linksom te draaien.
Haal het wiel van de kabel af.
Draai de kabel weer met de slinger
(rechtsom) omhoog.
N.B. De kabel kan schade aan de auto
toebrengen, als deze tijdens het rijden
loshangt.
Leg de lekke band in de bagageruimte. U
vindt een plastic zak in de gereed-
schapstas om de band in op te bergen.
N.B. De reservewielruimte onder de auto is
uitsluitend bestemd voor het originele reser-
vewiel. U kunt er dan ook geen andere
merken reservewielen aanbrengen.
1. Bepaalde varianten en markten
2. Bepaalde optionele wielen
154
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Reservewiel, terugplaatsen
Het is handigst als u iemand u helpt bij het
terugplaatsen van het reservewiel. Eén van u
beiden draait aan de slinger, terwijl de ander
het wiel in de juiste richting duwt.
Vier de kabel met de slinger en breng de
anker aan het uiteinde van de kabel in het
gat in het midden van de velg aan.
Haal de kabel een stukje omhoog door de
slinger langzaam (rechtsom) te draaien.
Kantel het reservewiel om het langs de
uitlaatpijp te halen.
Houd de achterkant van het wiel omlaag,
terwijl u het met de slinger omhooghaalt.
Breng het wiel boven op de achteras,
tegen de vloerplaat aan.
Draai de slinger tot aan de aanslag verder
rechtsom.
Controleer of het wiel goed vastzit.
De kriksteunpunten zitten in het midden de
onder de portieren.
Wielen demonteren
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet,
wanneer u een wiel moet verwisselen aan de
kant van de weg. Er zitten twee kriksteun-
punten aan weerszijden van de auto. Deze
steunpunten zitten in het midden onder de
portieren.
Parkeer de auto op een egale en stevige,
niet hellende ondergrond.
Zet de parkeerrem aan en schakel de
1ste versnelling in op auto’s met een
handgeschakelde versnellingsbak
(stand P op auto’s met een automatische
versnellingsbak). Breng houten
wielblokken of grote stenen aan vóór en
achter de wielen die op de grond blijven
staan.
Haal de krik, de wielmoersleutel en de
slinger te voorschijn (zie pagina 153 voor
de positie).
Draai de wielbouten ½-1 slag los met de
wielmoersleutel. Draai de bouten linksom
los.
WAARSCHUWING!
Controleer of u gebruik maakt van de
juiste steunpunten. Tussen de kriksteun-
punten op de auto is een speciale
kriksteunpunt voor productiedoeleinden
aangebracht. Dit steunpunt is voorzien
van een pen. Het steunpunt is echter niet
sterk genoeg om de auto onder op te
krikken. Bij twijfel over de positie van de
verschillende kriksteunpunten kunt u
contact opnemen met uw Volvo-
werkplaats. Wanneer u de krik op een
verkeerd punt aanbrengt, kan er schade
aan het portier en de carrosserie ontstaan.
155
Wielen en banden
Wielen verwisselen
WAARSCHUWING!
Kruip nooit onder een auto die slechts op
een krik steunt! De auto kan namelijk van
de krik vallen en letsel toebrengen.
Gebruik de krik die bij de auto werd
geleverd alleen voor het verwisselen van
wielen. Voor de overige werkzaamheden
moet u gebruik maken van een garagekrik
en steunbokken onder het geheven deel
van de auto aanbrengen.
Zorg dat u schroef van de krik altijd goed
ingevet houdt.
Als de ondergrond te zacht is, kan de krik
opzij wegglijden zodat de auto van de krik
valt. Zorg dat er zich niemand onder de
auto bevindt, wanneer u een wiel
verwisselt.
156
Wielen en banden
Wielen verwisselen
Zet de krik onder een kriksteunpunt neer
en breng de krik zo ver omhoog dat deze
tegen de bodemplaat van de auto
aankomt. Controleer of u de krik juist hebt
aangebracht onder het kriksteunpunt,
voordat u de auto van de grond krikt. Stel
de krik vervolgens dusdanig af dat de
voet van de krik loodrecht onder het
kriksteunpunt van de auto zit (zie
afbeelding). Breng geen blokken hout of
iets dergelijks onder de krik aan, omdat
de draagkracht van de krik daardoor
afneemt.
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt.
Draai de wielbouten los en verwijder het
wiel.
Wielen monteren
Reinig de contactvlakken op het wiel en
de naaf.
Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
Breng de auto zo ver omlaag dat de
wielen niet meer ongehinderd kunnen
draaien.
Draai de wielbouten kruiselings telkens
iets strakker vast. Aanhaalmoment:
140 Nm (14,0 kpm). Het is belangrijk dat
u de bouten met het juiste aanhaal-
moment vastdraait. Controleer het
aanhaalmoment dan ook met een
momentsleutel.
Schroef de krik weer volledig in elkaar,
voordat u deze in de bagageruimte
teruglegt. Bind de krik vervolgens weer
vast.
Controleer of het nieuwe wiel de juiste
bandenspanning heeft.
N.B. Wielbouten zijn er twee verschillende
uitvoeringen afhankelijk van de vraag of er
stalen of lichtmetalen velgen op uw auto
zitten. Op de wielbouten van lichtmetalen
velgen zitten losse ringen, terwijl die op de
bouten voor stalen velgen ontbreken.
Let erop dat u de juiste soort bouten gebruikt.
Neem bij twijfel contact op met uw Volvo-
werkplaats.
WAARSCHUWING!
Wanneer u de auto op het verkeerde punt
opkrikt, kan de auto van de krik vallen. Er
bestaat dan gevaar voor verwondingen!
157
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Model met vijf zitplaatsen
Algemene informatie
Auto’s die niet zijn uitgerust met een reser-
vewiel, zijn in plaats daarvan voorzien van een
bandenreparatieset. De reparatieset is zowel
te gebruiken om een lek te dichten als de
bandenspanning tijdelijk te corrigeren. De
bandenreparatieset bestaat uit een
elektrische luchtcompressor en een geï
ntegreerde spuitbus met afdichtmiddel.
N.B. De krik is optioneel op auto’s uitgerust
met de bandenreparatieset.
Model met zeven zitplaatsen
Provisorische b andenreparatie
De bandenreparatieset
1
is alleen bedoeld
voor tijdelijke noodreparaties, waarmee de
auto nog 200 km of naar de dichtstbijzijnde
Volvo-werkplaats gereden kan worden. Het
afdichtmiddel dicht banden met een lek in het
loopvlak effectief af.
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van
de houdbaarheidsdatum of het gebruik van
de bandenreparatieset.
De houdbaarheidsdatum staat aan de
voorkant van de compressor (zie afbeelding
op pagina 161.
Zie pagina 161 voor informatie over het
vervang en van de spuitbus.
N.B. De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
De bandenreparatieset leent zich minder
goed voor banden met een gat in het zijvlak.
Probeer geen banden met de set te
repareren die grote groeven, scheuren en
dergelijke vertonen.
De bandenreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagage-
ruimte.
Een 12 V-aansluiting voor de compressor zit
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte. Gebruik
de elektrische aansluiting die het dichtst bij
de lekke band zit.
Bandenreparatieset erbij nemen
Pak de vloermat aan de achterzijde beet
en klap deze naar voren toe op.
Til de bandenreparatieset op.
1. Bepaalde varianten en markten
WAARSCHUWING!
Het afdichtmiddel kan bij direct
huidcontact irritatie veroorzaken. Was bij
huidcontact het getroffen gebied onmid-
dellijk schoon met water en zeep.
158
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Oppompen
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet oppompen.
Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
Draai de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
Sluit de kabel (5) op een van de 12V-
aansluitingen in de auto aan.
Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten.
Pomp de band op tot de druk die op de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in
het zijvak (3) terug.
Leg de bandenreparatieset onder de
vloer in de bagageruimte.
De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de
compressor daarna afkoelen, omdat de
kans op oververhitting aanwezig is.
Met de compressor kunt u voorwerpen
oppompen met een inhoud tot 50 liter.
WAARSCHUWING!
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
159
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Lekke band repareren
Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel
langs een drukke weg moet repareren.
Haal de sticker (1) met de toelaatbare
maximumsnelheid uit de bandenrepara-
tieset en bevestig deze op het stuurwiel
waar de bestuurder hem duidelijk kan
zien.
Zorg dat de oranje knop (2) in stand 0
staat en haal de kabel (5) en de
luchtslang (4) uit het zijvak (3) erbij.
Draai de ventielaansluiting van de
luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel
van de band.
Sluit de kabel (5) op een 12V-aansluiting
in de auto aan.
Maak de veiligheidspal (6) los en draai
het oranje gedeelte (7) 90 graden tot in
de verticale stand, totdat u een klik hoort.
Start de motor. De auto moet in een goed
geventileerde ruimte staan.
Start de compressor door de knop (2) in
stand I te zetten. Een tijdelijke spannings-
verhoging van maximaal 4 bar zal zich
voordoen terwijl het afdichtmiddel naar
binnen wordt gepompt. Na ca. een
minuut daalt de spanning en geeft de
manometer een nauwkeuriger banden-
spanning aan.
Pomp de band op tot een spanning van
1,8 tot 3,5 bar. Als de spanning na tien
minuten pompen nog geen 1,8 bar heeft
bereikt, moet u de compressor uitscha-
kelen om oververhitting te voorkomen.
Koppel de luchtslang (4) van het ventiel
los en breng het ventieldopje weer aan.
Haal de kabel (5) uit de elektrische
aansluiting. Klap het oranje gedeelte (7)
in de oorspronkelijke stand terug en zet
de pal (6) vast. Berg de bandenrepara-
tieset op een veilige plaats in de auto op.
WAARSCHUWING!
Het inademen van uitlaatgassen kan
levensgevaarlijk zijn. Laat de motor nooit
draaien in ruimten die zijn afgesloten of
onvoldoende geventileerd zijn.
160
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 kilometer af bij een snelheid van
80 km/h om ervoor te zorgen dat het
afdichtmiddel de band goed afdicht.
Bandenspanning opnieuw controleren:
N.B. Het oranje gedeelte (7) niet opklappen
wanneer u alleen de compressor gebruikt
voor het bijvullen van lucht.
Sluit de luchtslang (4) aan op het ventiel
van de band.
Sluit de kabel (5) aan op de 12 V-
aansluiting. Lees de spanning van de
compressor af. Als de bandenspanning
lager is dan 1,3 bar, is de band onvol-
doende afgedicht. Onder zulke omstan-
digheden moet u uw rit beëindigen. Neem
contact op met een bandenreparateur.
Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven op de
bandenspanningsticker (zie pagina 151
voor de positie). Als de bandenspanning
te hoog is, moet u lucht uit de band laten
ontsnappen met behulp van de
reduceerklep (8).
Schakel de compressor uit door de
knop (2) in stand 0 te zetten. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het
ventieldopje terug.
Leg de kabel (5) en de luchtslang (4) in
het zijvak (3) terug.
Leg de bandenreparatieset onder de
vloer in de bagageruimte.
De compressor mag niet langer dan tien
minuten achtereen werken. Laat de
compressor daarna afkoelen, omdat de kans
op oververhitting aanwezig is.
N.B. Vervang de spuitbus met afdichtmiddel
en de slang na gebruik.
WAARSCHUWING!
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Let vooral
op de zijkanten van de banden. Bij
barsten, oneffenheden en dergelijke moet
u de compressor onmiddellijk uitscha-
kelen. Onder zulke omstandigheden moet
u uw rit beëindigen. Neem contact op met
een erkende bandenreparateur.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit sneller dan 80 km/h wanneer u
de bandenreparatieset voor een noodre-
paratie hebt gebruikt. Vervang de tijdelijk
afgedichte band zo spoedig mogelijk
(maximale rijafstand 200 km).
161
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Spuitbus met afdichtmiddel
vervangen
De spuitbus met het afdichtmiddel mag niet
meer worden gebruikt na het verstrijken van de
houdbaarheidsdatum (zie datumsticker (1)) of
het gebruik van de bandenreparatieset. Na
gebruik moet u de spuitbus (6) met houder (8)
en luchtslang (10) vervangen.
Voordat de houdbaarheidsdatum
verstreken is
Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3)
los en verwijder deze.
Draai de spuitbus (6) los en verwijder
deze.
Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de
spuitbus vast.
Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of u de behuizing op de juiste manier
vastzit en draai deze met de boutjes (2)
aan.
Breng de snelheidssticker (4) en een
nieuwe datumsticker (1) op de bandenre-
paratieset aan.
Behandel de vervangen spuitbus als klein
chemisch afval (KCA).
Spuitbus en slang na gebruik vervangen
Draai de twee boutjes (2) op de oranje
behuizing (3) los.
Verwijder de snelheidssticker (4) en de
datumsticker (1) en ontgrendel de
veiligheidspal (5). Haal de behuizing (3)
los en verwijder deze.
BELANGRIJK!
Lees de veiligheidsvoorschriften aan de
onderkant van de spuitbus.
WAARSCHUWING!
Zorg dat de compressor niet aangesloten
is op de 12V-aansluiting bij het vervangen
van de spuitbus.
162
Wielen en banden
Provisorische bandenreparatie
Duw de knop (8) omlaag terwijl u de
spuitbus (6) met houder (9) rechtsom
draait en ze verwijdert.
Trek de luchtslang (10) los.
Veeg het resterende afdichtmiddel met
een doek af of gebruik een krabber als
het middel al enigszins ingedroogd is.
Breng een nieuwe luchtslang (10) aan en
controleer of die correct zit.
Controleer of de verzegeling (7) van de
nieuwe spuitbus intact is. Draai de
houder (9) op de spuitbus (6) vast en
draai deze linksom vast totdat u een klik
hoort.
Plaats de behuizing (3) terug. Controleer
of u de behuizing op de juiste manier
vastzit en draai deze met de boutjes (2)
aan.
Breng de snelheidssticker (4) en een
nieuwe datumsticker (1) op de bandenre-
paratieset aan.
De lege spuitbus en luchtslang zijn te behan-
delen als normaal afval.
163
Verzorging
Schoonmaken 164
Lakschade herstellen 166
Roestwering 168
164
Verzorging
Schoonmaken
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik hiervoor autoshampoo. Vuil en
strooizout kunnen aanleiding geven tot
corrosie.
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan
oplopen. Zorg dat de auto op een spoel-
vloer met afvoerscheiding staat.
Spoel zorgvuldig het vuil van het
onderstel van de auto.
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij
gebruik van een hogedrukreiniger: Houd
bij het wassen de spuitkop van de
hogedrukreiniger ten minste 30 cm van
de carrosserie af. Spuit niet direct in de
richting van de sloten.
Was de auto met een spons, autos-
hampoo en een ruime hoeveelheid lauw
water.
Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
Droog de auto af met een schoon en
zacht stuk zeemleer of een trekker.
Reinig de wisserbladen met een lauwe
zeepoplossing of autoshampoo.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die
de lak aantasten en deze zeer snel doen
verkleuren. Een dergelijke verkleuring is
alleen te herstellen door de vakman.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er
echter op dat een wasbeurt in een automa-
tische wasstraat nooit een alternatief vormt
voor een goede wasbeurt met de hand,
omdat de borstels van de wasstraat niet
overal even goed bij kunnen.
Bedien zo nu en dan voorzichtig het
rempedaal, wanneer u lange periodes door
regen of sneeuwmodder rijdt. Zo verwarmt en
droogt u de remblokken. Doe dit ook bij het
wegrijden onder zeer vochtige of koude
weersomstandigheden.
Kunststof exterieuronderdelen
Voor het reinigen van kunststof exterieuron-
derdelen wordt een speciaal reinigings-
middel geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de
Volvo-dealer. Gebruik nooit sterke vlekken-
middelen.
WAARSCHUWING!
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor
heet is, bestaat er gevaar voor brand.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen om te voorkomen dat vocht en
corrosie de remblokken aantasten
waardoor de remwerking afneemt.
BELANGRIJK!
Voor de lak is het beter om de auto met
de hand te wassen dan in een automa-
tische wasstraat. Een nieuwe laklaag is
bovendien kwetsbaarder dan een oude
laag. U wordt daarom geadviseerd de
eerste maanden na aankoop van een
nieuwe auto deze alleen met de hand te
wassen.
165
Verzorging
Schoonmaken
Interieur schoonmaken
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De Volvo-dealer heeft een speciaal reini-
gingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere
reinigingsmiddelen kunnen de brandvertra-
gende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
Voor vuile leren bekleding wordt u geadvi-
seerd gebruik te maken van de speciale reini-
gingsmiddelen die bij de Volvo-dealer
verkrijgbaar zijn. Behandel leren bekleding
een- tot tweemaal per jaar met de leerverzor-
gingsset van Volvo. Gebruik nooit sterke
oplosmiddelen. Dergelijke middelen kunnen
bekleding van textiel, vinyl en leer bescha-
digen.
Behandeling van vlekken op kunststof
interieuronderdelen en -panelen
Voor het reinigen van interieuronderdelen en
-panelen van kunststof wordt een speciaal
reinigingsmiddel geadviseerd, dat
verkrijgbaar is bij de Volvo-dealer. Krab of
wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit sterke
vlekken.middelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de Volvo-dealer verkrijgbaar is. Zorg
dat de gordel droog is, voordat deze weer
wordt opgerold.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto op en zet deze in de was,
wanneer de lak er dof uitziet en u deze extra
bescherming wilt bieden zoals net voor het
begin van de winterperiode.
Normaal gesproken hoeft u de auto pas na
een jaar te poetsen. Was kunt u eerder
aanbrengen.
Was de auto schoon en droog deze
zorgvuldig af, voordat u begint te poetsen/de
was aanbrengt. Verwijder asfalt- en
teervlekken met terpentine. De hardnekkiger
vlekken kunt u verwijderen met een speciaal
voor autolak bestemde fijne schuurpasta
(“rubbing compound”). Poets de lak eerst op
en behandel deze daarna met was in
vloeibare of vaste vorm. Volg de aanwijzingen
op de verpakking nauwkeurig op. Veel prepa-
raten bevatten zowel poetsmiddel als was.
Onderdelen die warmer zijn dan 45 °C kunt u
beter niet poetsen of in de was zetten.
Buitenspiegels en voorste
zijruiten met water- en vuilafsto-
tende laag (optie) schoonmaken
Gebruik nooit producten als autowas, ontvet-
tingsmiddelen e.d. op de spiegels of de
ruiten, omdat ze de water- en vuilafstotende
eigenschappen kunnen verstoren.
Wees voorzichtig bij het schoonmaken om
krassen op het glas te voorkomen.
Om schade aan het glas te voorkomen moet
u voor het verwijderen van ijs alleen een
krabber van kunststof gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
N.B. Om de waterafstotende eigenschappen
te behouden, wordt geadviseerd de behan-
deling te vernieuwen met een nabehande-
lingsmiddel dat verkrijgbaar is bij Volvo-
dealers. Gebruik het middel de eerste keer na
drie jaar en daarna om het jaar.
BELANGRIJK!
Scherpe voorwerpen en klittenband
kunnen de stoffen bekleding bescha-
digen.
166
Verzorging
Lakschade herstellen
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd.
Lakschade moet u meteen herstellen om
roestvorming te voorkomen. De meest
voorkomende soorten lakschade die u zelf
kunt herstellen zijn:
minder grote steenslagplekken en
krassen;
schade aan de spatbordranden en de
portieren.
Voor het herstel van lakschade moet u de
auto eerst schoonwassen en zorgvuldig laten
drogen. Zorg dat de auto een temperatuur
van meer dan 15 °C heeft.
Kleurcode
Zorg dat u de juiste lakkleur hebt. De
kleurcode staat op het typeplaatje in de
motorruimte.
Type 1
Type 2
Alleen China
Verwijder eventuele lakresten met een stuk
tape. Plak zo nodig af.
Steenslagplekken en krassen
Benodigdheden:
Grondlak (primer) in een bus.
Lak in een bus of een zogeheten bijtip-
pen.
Kwastje.
Afplaktape
Als de steenslagplek niet tot op het
blanke plaatwerk is doorgedrongen en er
nog een intacte laklaag over is, volstaat
het om na verwijdering van het vuil de
ontbrekende lak aan te brengen.
1
2 3
167
Verzorging
Lakschade herstellen
Als de sleenslagplek echter wel tot het
blanke plaatwerk is doorgedrongen,
moet u als volgt te werk gaan:
Plak een stuk afplaktape over het
beschadigd gebied heen. Trek de tape
weer van de lak af om zoveel mogelijk
lakresten te verwijderen (figuur 1).
Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om
en breng met een fijn kwastje of een
lucifer (figuur 2) aan.
Wanneer de grondlak droog is, brengt u
de lak aan met een kwastje.
Zorg dat u de lak goed hebt omgeroerd
en breng de lak vervolgens in meerdere,
dunne lagen aan. Laat de lak na elke laag
drogen.
Krassen kunt u op dezelfde manier
herstellen, zij het dat u de onbeschadigde
lak het beste met afdektape kunt
beschermen (zie figuur 3).
Wacht enkele dagen en rond de
werkzaamheden af door de bijgewerkte
lak op te poetsen. Gebruik daarvoor een
zachte doek en wees zuinig met de
schuurpasta.
168
Verzorging
Roestwering
Roestwering, controleren en
bijwerken
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst
grondige en complete roestwerende behan-
deling ondergaan. De carrosserie bestaat
voor een deel uit gegalvaniseerd plaatwerk.
Het onderstel is voorzien van een slijtvaste
bodembescherming (“undercoating”). In de
langsdragers, de holle ruimten en de
gesloten profielen werd een dunne, penetre-
rende roestwerende vloeistof gespoten.
U kunt de roestwering van de auto onder-
houden door onder meer het volgende te
doen:
Houd de auto schoon! Spoel het
onderstel af. Houd bij gebruik van een
hogedrukreiniger de spuitkop ten minste
30 cm van gelakte onderdelen af!
Laat de roestwering regelmatig contro-
leren en bijwerken.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ongeveer 8 jaar te worden
nabehandeld. Laat de auto daarna om de
3 jaar een nabehandeling ondergaan. Laat u
hierin assisteren door de Volvo-werkplaats.
Roestwering herstellen
Als u de roestwering zelf wilt bijwerken, moet
u zorgen dat het te behandelen gebied
schoon en droog is. Spoel de auto af, was
deze schoon en droog deze zorgvuldig af.
Gebruik een spuitbus of breng het roestwe-
rende middel met een kwastje op.
Er zijn twee soorten roestwerende middelen
verkrijgbaar:
dunne (kleurloze) middelen, voor de
zichtbare plaatsen
dikke middelen, voor de slijtplekken op
het onderstel
U kunt de middelen op de volgende plaatsen
aanbrengen:
Zichtbare lasnaden en paneelverbin-
dingen (dunne vloeistof)
Onderstel (dikke vloeistof)
Portierscharnieren (dunne vloeistof)
scharnieren en slotpal van de motorkap
(dunne vloeistof).
Wanneer u klaar bent met de behandeling,
kunt u het teveel aan roestwerend middel
verwijderen met een doek die u hebt
bevochtigd met het aanbevolen reinigings-
middel. Onderdelen van de motor en de
veerpootbevestigingen in de motorruimte zijn
in de fabriek behandeld met een kleurloos
roestwerend middel op wasbasis. Dit middel
is bestand tegen normale wasmiddelen
zonder dat het middel daarbij oplost of wordt
afgebroken.
Als u de motor echter wast met zogeheten
aromatische oplosmiddelen zoals terpentine
of thinner (en dan met name middelen die
geen emulgatoren bevatten), moet u de
waslaag na het reinigen vernieuwen. Uw
Volvo-dealer heeft dergelijke wassen op
voorraad.
169
Onderhoud en service
Volvo Service 170
Onderhoud 171
Motorkap en motorruimte 172
Dieselolie 173
Oliën en vloeistoffen 174
Wisserbladen 178
Accu 179
Gloeilampen vervangen 182
Zekeringen 190
170
Onderhoud en service
Volvo Service
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
uitvoerig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid
en betrouwbaarheid van uw Volvo op een
hoog peil te houden, moet u de voorschriften
van het Serviceprogramma van Volvo
opvolgen zoals die omschreven staan in het
Service- en garantieboekje van Volvo. Laat
service- en reparatiewerkzaamheden door
een erkende Volvo-werkplaats uitvoeren.
Volvo-werkplaatsen beschikken over het
personeel, het speciale gereedschap en de
servicehandboeken waardoor zij u een zo
hoog mogelijke servicekwaliteit kunnen
garanderen.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom
altijd contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, voordat u servicewerkzaam-
heden aan het elektrisch systeem laat
uitvoeren.
Installatie van accessoires
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed
hebben op de werking van de elektronische
systemen van de auto. Bepaalde accessoires
werken alleen, wanneer de bijbehorende
software in de elektronische systemen van de
auto wordt geladen. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-
werkplaats, voordat u accessoires monteert
die in verbinding staan met of van invloed zijn
op het elektrisch systeem.
Vastlegging van
voertuiggegevens
Er kunnen één of meer computers op uw
Volvo zitten die gedetailleerde informatie
kunnen opslaan. Deze informatie is bestemd
voor onderzoek ter verbetering van de
veiligheid en voor het opsporen van storingen
in de autosystemen. De informatie kan
gegevens bevatten over zaken als het gebruik
van de veiligheidsgordel door de bestuurder
en de passagier(s), gegevens over de
werking van verschillende autosystemen en -
modules en informatie over de status van de
motor, gasklep, besturing, remmen en andere
systemen. De informatie kan tevens
gegevens bevatten over de rijstijl van de
bestuurder. Dergelijke informatie kan
gegevens bevatten (maar niet uitsluitend) als
de rijsnelheid, het gebruik van het rem- of
gaspedaal en de stuuruitslag. De laatstge-
noemde informatie kan voor een begrensde
tijd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of
bij een bijna-ongeluk worden vastgelegd.
Volvo Car Corporation zal de opgeslagen
informatie niet zonder uw toestemming
vrijgeven. Volvo Car Corporation kan echter
op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie
te verstrekken. Voor de rest geldt dat alleen
Volvo Car Corporation en de erkende Volvo-
werkplaatsen de informatie kunnen uitlezen
en gebruiken.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantie-
boekje van Volvo controleert en de
aanwijzingen opvolgt.
171
Onderhoud en service
Onderhoud
Voordat u met werkzaamheden
begint
Accu
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor
loopt (bij het vervangen van de accu bijvoor-
beeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn
ontkoppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u
de accu op een milieuvriendelijke manier
verwerkt. Neem hiervoor contact op met uw
Volvo-dealer.
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoor-
beeld bij het tanken:
Koelvloeistof - Het peil moet tussen het
MIN- en MAX-streepje op het expansiere-
servoir staan.
Motorolie - Het peil moet tussen het MIN-
en MAX-streepje staan.
Stuurbekrachtigingsvloeistof - Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Ruitensproeiervloeistof - Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met
antivries bij temperaturen rond het
vriespunt.
Rem- en koppelingsvloeistof - Het peil
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Omhoogbrengen van de auto
Als u de auto met een garagekrik omhoog-
brengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen.
Zorg dat de spatplaat onder de motor niet
beschadigd raakt. Let erop dat u de
garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto
er niet vanaf kan glijden. Maak altijd gebruik
van steunbokken of vergelijkbare hulpmid-
delen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de
hefpunten bij de drempelkokers komen te
zitten (zie afbeelding).
WAARSCHUWING!
Het ontstekingssysteem wekt zeer hoge
spanningen op. De spanning van het
ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
Zet daarom altijd de auto van het contact
bij werkzaamheden in de motorruimte.
Raak bougies of bobine niet aan, wanneer
het contact aanstaat of als de motor warm
is.
WAARSCHUWING!
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automa-
tisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor over
aan een werkplaats. Als de motor heet is,
bestaat er gevaar voor brand.
172
Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
Motorkap openen
Trek aan de ontgrendelingshandgreep
uiterst links onder het dashboard (of
rechts op modellen met het stuur rechts).
U hoort dat de slotpal losschiet.
Steek uw hand rechts onder de voorzijde
van de motorkap (onder de grille).
Duw de handgreep van de slotpal
omhoog.
Laat de handgreep weer los en open de
motorkap.
Motorruimte
Afhankelijk van het motortype kan de motor-
ruimte er iets anders uitzien. De onderdelen
op de lijst zitten echter altijd op de aange-
geven positie.
1. Reservoir voor rem- en koppelings-
vloeistof
2. Relais en zekeringen
3. Luchtfilter (de uitvoering van het deksel
is afhankelijk van het motortype)
4. Radiateur
5. Peilstok, motorolie
6. Vultuit, motorolie
7. Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
8. Reservoir voor stuurbekrachtigings-
vloeistof
9. Expansiereservoir, koelsysteem
10. Chassisnummerplaatje (VIN)
11. Accu (in bagageruimte)
5
6
1
2
3
4
7
8
9
10
11
WAARSCHUWING!
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt!
173
Onderhoud en service
Dieselolie
Brandstofsysteem
Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreini-
gingen. M aak daarom alleen gebruik van
dieselolie van gerenommeerde oliemaat-
schappijen, die aan de kwaliteitseisen voor
brandstof voldoet zoals aangegeven op
pagina 244. Giet nooit dieselolie van twijfel-
achtige kwaliteit in de tank. De grote
oliemaatschappijen produceren ook speciale
dieselolie bestemd voor gebruik bij buiten-
temperaturen rond het vriespunt. Deze
dieselolie is dunner bij lage temperaturen en
beperkt de kans op vlokvorming in het brand-
stofsysteem.
Het risico van condensatie in de brand-
stoftank neemt af, als u de tank altijd goed
gevuld houdt.
Houd tijdens het tanken het gebied rond de
vulpijp goed schoon.
Voorkom morsen op gelakte oppervlakken.
Maak als u gemorst hebt het gebied met
water en zeep schoon.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leegge-
reden. Het brandstofsysteem wordt automa-
tisch ontlucht, als u de contactsleutel ca.
60 seconden lang in stand II laat staan
voordat u een nieuwe startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Om motorstoringen tegen te gaan ontdoet
het brandstoffilter de brandstof van condens-
water.
Houd u voor het aftappen van het condens-
water aan de specificaties die in uw Service-
en garantieboekje staan aangegeven. Ook
wanneer u vermoedt dat er vervuilde
brandstof is gebruikt, moet u het brandstof-
filter aftappen.
BELANGRIJK!
Maak geen gebruik van de volgende
dieselolie-achtige brandstoffen:
speciale toevoegingen (dopes),
scheepsolie, stookolie, RME (biodiesel) of
plantaardige olie.
Dergelijke brandstoffen voldoen niet aan
de kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven
aanleiding tot verhoogde vormen van
slijtage en motorschade die niet worden
gedekt door de garanties van Volvo.
174
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte
Volvo adviseert olieproducten van
.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandig-
heden adviseert Volvo u een oliesoort te
gebruiken met een hogere kwaliteit dan de
sticker in de motorruimte vermeldt (zie
pagina 239).
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of
hoger dan +40 °C
Doe dat ook bij korte ritten (over
afstanden kleiner dan 10 km) bij lage
temperaturen (onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
Olie verversen en oliefilter
vervangen
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en
garantieboekje.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden
ververst. Het Service- en garantieboekje
geeft aan bij welke kilometerstand u de olie
moet verversen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De beste meting wordt
verkregen bij een koude motor vóór de start.
Meteen na het afzetten van de motor krijgt u
een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan
een te laag peil aan, omdat de olie geen tijd
heeft gehad om terug te lopen naar het
oliecarter.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd olie van de aanbevolen
kwaliteit (zie sticker in motorruime).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
De motor raakt beschadigd, wanneer u
olie gebruikt van minder goede kwaliteit
dan wordt voorgeschreven of wanneer u
met een te laag oliepeil rondrijdt.
BELANGRIJK!
Als blijkt dat het oliepeil te laag is, moet u
verse olie bijvullen met dezelfde kwaliteit
en viscositeit als de olie in de motor.
175
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
De olie moet binnen het gemarkeerde
gebied op de peilstok staan
Oliepeil controleren bij een koude
motor:
Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAX-
streepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 240 voor de aan
te houden hoeveelheid.
Oliepeil controleren bij een warme
motor:
Parkeer de auto op een vlakke onder-
grond, zet de motor af en wacht ten
minste 10 –15 minuten zodat de olie naar
het carter terug kan lopen.
Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
Controleer het oliepeil met de peilstok.
De olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje
ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul
bij totdat de olie dichter bij het MAX-
streepje dan bij het MIN-streepje op de
peilstok ligt. Zie pagina 240 voor de aan
te houden hoeveelheid.
BELANGRIJK!
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAX-
streepje. Het olieverbruik kan toenemen,
als u teveel olie in de motor giet.
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op het hete uitlaats-
pruitstuk, omdat er gevaar voor brand
bestaat.
176
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Ruitensproeiervloeistofreservoir
De ruitensproeiers en koplampsproeiers
maken gebruik van hetzelfde vloeistofre-
servoir. Zie de aan te houden hoeveelheden
en de aanbevolen kwaliteit voor vloeistoffen
en oliën op pagina 242.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in
het reservoir om te voorkomen dat de
vloeistof in de pomp, het reservoir en de
slangen bevriest.
Tip: Maak bij het bijvullen van ruitensproeier-
vloeistof ook meteen de wisserbladen
schoon.
Koelvloeistof controleren en
bijvullen
Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
Het is belangrijk dat u verhouding tussen
koelvloeistof en water afstemt op de
heersende weersomstandigheden. Vul het
reservoir nooit alleen met schoon water. Het
gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel
wanneer het percentage koelvloeistof te laag
is als wanneer het te hoog is.
Zie pagina 242 voor de aan te houden
hoeveelheden.
Controleer de koelvloeistof regelmatig!
De koelvloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje op het expansiereservoir staan.
Als u het reservoir niet goed gevuld houdt,
kan de temperatuur in het systeem plaatselijk
dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor
schade (scheurvorming) in de cilinder kop
ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het
peil tot onder het MIN-streepje is gezakt.
N.B. De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De temperaturen
kunnen plaatselijk hoog oplopen, wat schade
(scheurvorming) aan de cilinderkop kan
veroorzaken.
BELANGRIJK!
Het is uitermate belangrijk dat u een
koelvloeistof met roestwerende eigen-
schappen gebruikt volgens de aanbeve-
lingen van Volvo. Een nieuwe auto is
voorzien van koelvloeistof die bestand is
tegen temperaturen tot ca. –35 °C.
WAARSCHUWING!
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn.
Als u moet bijvullen terwijl de motor op
bedrijfstemperatuur is, moet u langzaam
de dop van het expansiereservoir
losdraaien om de overdruk te laten
ontsnappen.
BELANGRIJK!
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De tempera-
turen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de cilin-
derkop kan veroorzaken.
177
Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
Rem- en koppelingsvloeistof
controleren en bijvullen
De rem- en koppelingsvloeistof zitten in
hetzelfde reservoir
1
. De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje staan. Controleer
het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof
om de twee jaar of iedere tweede geplande
servicebeurt.
Zie pagina 242 voor de aan te houden
hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
de remvloeistof.
N.B. Wanneer u vaak met uw auto in de
bergen of in landen met een tropisch klimaat
en een hoge relatieve luchtvochtigheids-
graad rijdt, moet u de remvloeistof ieder jaar
verversen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren en bijvullen
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De
vloeistof moet tussen het ADD- en FULL-
streepje staan.
Zie pagina 242 voor de aan te houden
hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit.
N.B. Ook als er een storing optreedt in de
stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt
en u de auto moet laten wegslepen, blijft de
auto bestuurbaar. De auto zal echter veel
zwaarder dan normaal sturen en er is meer
kracht nodig om het stuurwiel te verdraaien.
1. Positie verschilt op auto met het stuur
links of rechts
WAARSCHUWING!
Als de remvloeistof onder het MIN-
streepje van het reservoir staat, mag u niet
verder rijden voordat u remvloeistof hebt
bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het
remvloeistofverlies.
178
Onderhoud en service
Wisserbladen
Wisserbladen voorruit
vervangen
Klap de wisserarm uit en houd het
wisserblad onder 45° ten opzichte van de
wisserarm. Druk de borgveer op het
wisserblad in.
Trek het complete wisserblad omlaag,
zodat het oog van de wisserarm door het
gat in de wisserbladhouder gaat.
Trek het wisserblad vervolgens omhoog,
zodat het oog van de wisserarm aan de
zijkant van de wisserbladhouder kan
passeren. Breng het nieuwe wisserblad in
omgekeerde volgorde aan en controleer
of het goed vastzit.
N.B. Let erop dat het wisserblad aan de
bestuurderszijde recht is en van een spoiler is
voorzien, terwijl dat aan de passagierszijde
enigszins gekromd is. De spoiler op het
wisserblad aan de bestuurderzijde moet
onderaan komen te zitten. De kromming van
het wisserblad aan de passagierszijde moet
overeenkomen met die van de onderkant van
de voorruit.
Wisserblad achterruit vervangen
Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
Verwijder het wisserblad door het naar
buiten toe, in de richting van de
achterklep te halen.
Duw het nieuwe wisserblad vast.
Controleer of het blad goed vastzit!
179
Onderhoud en service
Accu
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden,
het aantal malen dat de accu leegraakte e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de
werking van de accu.
Herhaaldelijk gebruik van de standver-
warming bij korte ritten kan ertoe leiden dat
de accu uitgeput raakt en startproblemen
opleveren.
Let op het volgende om de accu in optimale
staat te houden:
Controleer regelmatig of het peil van de
accuvloeistof in orde is (A).
Controleer alle cellen. Verwijder de
celdoppen met een schroevendraaier.
Elke cel heeft zijn eigen MAX-streepje.
Vul zo nodig bij met gedestilleerd water
tot aan het MAX-streepje.
Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan
het MAX-streepje (A).
Draai de celdoppen stevig vast.
N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des
te minder lang gaat de accu mee.
Symbolen op de accu
De onderstaande symbolen zitten op de
accu.
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open
vuur.
Explosiegevaar.
BELANGRIJK!
Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoni-
seerd water (accuwater).
180
Onderhoud en service
Accu
Knalgas afvoeren
De accu kan het zeer explosieve knalgas
produceren. Om te voorkomen dat dit
knalgas in de bagageruimte blijft hangen, is
er een ontluchtingsslang om het gas af te
voeren. Als u de accu om wat voor reden dan
ook moet vervangen, moet u altijd zorgen dat
u de ontluchtingsslang op de nieuwe accu
aansluit op de afvoeropening in de carros-
serie.
Accu vervangen
Om de accu te kunnen verwijderen moet u,
nadat u de afdekking hebt losgeschroefd, als
volgt te werk gaan:
Zorg dat het contact is afgezet.
Wacht ten minste 5 minuten, voordat u
een van de elektrische aansluitingen
aanraakt (zo kan de informatie van het
elektrisch systeem van de auto worden
opgeslagen in de verschillende regeleen-
heden).
Ontkoppel eerst de minkabel.
Ontkoppel daarna de pluskabel en de
ontluchtingsslang voor het knalgas.
Ga als volgt te werk bij het aanbrengen van
een accu:
Plaats de accu.
Sluit eerst de pluskabel aan.
Sluit daarna de minkabel aan.
Zorg dat de ontluchtingsslang op de
juiste manier is aangesloten tussen de
accu en de afvoeropening in de
carrosserie.
181
Onderhoud en service
Accu
WAARSCHUWING!
Let erop dat de accu het zeer explosieve
knalgas bevat. Zorg dat de ontluchtings-
slang goed is aangesloten!
WAARSCHUWING!
Accu’s kunnen het zeer explosieve
knalgas produceren. Een enkele vonk,
veroorzaakt door een onjuiste aansluiting
van de startkabels, is voldoende om de
accu tot ontploffing te brengen, en zo
schade aan de auto en letsel te veroor-
zaken. De accu bevat ook zwavelzuur, wat
ernstige corrosieve verwondingen door
etsing kan veroorzaken. Als u accuzuur in
de ogen krijgt, of op uw huid of uw kleren
morst, moet u meteen met grote hoeveel-
heden water spoelen. Neem onmiddellijk
contact op met een arts, als u accuzuur in
de ogen krijgt.
182
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Algemene informatie
Op pagina 247 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een
bijzonder type of lampen die alleen in een
werkplaats te vervangen zijn:
Interieurverlichting aan het plafond
Plafondverlichting
Leeslampjes
Verlichting dashboardkastje
Bi-Xenonkoplampen.
BELANGRIJK!
Raak het glas van gloeilampen nooit met
blote vingers aan. De vetten en oliën op
uw vingers kunnen door de hitte
verdampen. Dit zorgt voor aanslag op de
reflector, waardoor deze al snel
kapotgaan.
WAARSCHUWING!
Als een auto is voorzien van Bi-Xenonkop-
lampen, moet u alle werkzaamheden aan
de lamp door een erkende Volvo-
werkplaats laten uitvoeren.
Omdat Bi-Xenonkoplampen voorzien zijn
van een ontstekingsgedeelte dat een
hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
183
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Dimlicht, groot licht, richtingaan-
wijzers, stadslichten en zijmar-
keringslichten
Bij het vervangen van de gloeilampen van het
dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u
eerst het lampelement in zijn geheel verwij-
deren. Verwijder de gloeilampen door het
lampelement als volgt te verwijderen en volg
daarna de specifieke aanwijzingen voor de
verschillende gloeilampen op.
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Open de motorkap.
Maak het lampelement los door de twee
borgpennen omhoog te trekken waarmee
het element vastzit.
Til het lampelement recht omhoog naar
buiten.
Koppel de connector los door de
kliksluiting eerst vanaf de onderkant in te
drukken en vervolgens vanaf de
bovenkant iets omhoog te trekken.
Til het koplampelement in zijn geheel naar
buiten en leg het op een zachte onder-
grond neer om krassen op de lens te
voorkomen.
Plaats het koplampelement in omgekeerde
volgorde terug. Controleer na afloop of u de
borgpennen correct hebt ingestoken.
Positie van gloeilampen in
koplamphuis
1. Dimlicht
2. Groot licht
3. Richtingaanwijzer
4. Stadslicht/parkeerlicht vóór
5. Zijmarkeringslicht
1
2
3
4
5
184
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilamp dimlicht
Draai de buitenste afdekking linksom los.
Trek de connector los.
Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar
buiten toe omlaag.
Trek de gloeilamp naar buiten.
Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
Druk de connector in positie terug.
Draai de afdekking weer vast. Het
opschrift “ HAUT ” moet naar boven
wijzen.
Gloeilamp groot licht
Trek de buitenste afdekking recht naar
achteren toe los.
Trek de connector los.
Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de klemveer loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar
buiten toe omlaag.
Trek de gloeilamp naar buiten.
Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan
slechts op één manier.
Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te
zitten.
Druk de connector in positie terug.
Plaats de afdekking terug.
Zijmarkeringslichten en stads-
lichten/parkeerlichten vóór
De lamphouders zijn voorzien van een
bajonetfitting.
Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
Trek de gloeilamp recht naar buiten.
Breng de nieuwe gloeilamp aan door
deze voorzichtig in de uitsparingen te
duwen.
Plaats de lamphouder terug en draai deze
rechtsom.
185
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Richtingaanwijzers
De lamphouder is voorzien van een bajonet-
fitting.
Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
Duw de gloeilamp naar binnen, draai de
lamp linksom en verwijder deze.
Breng de nieuwe gloeilamp aan door
deze in de uitsparingen te duwen en
vervolgens rechtsom te draaien.
Zijrichtingaanwijzers
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Probeer voorzichtig met een platte
schroevendraaier het lamphuis los te
halen.
Draai de lamphouder een kwartslag
linksom en trek deze recht naar buiten
toe.
Trek de defecte gloeilamp recht naar
buiten toe.
Vervang de gloeilamp en druk deze recht
naar binnen.
Mistlampen
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Draai de lamphouder iets naar links.
Verwijder de gloeilamp.
Breng de nieuwe gloeilamp aan. Het
profiel van de lamphouder past in de voet
van de lamp.
Plaats de lamphouder terug door deze
iets naar rechts te draaien. Zorg dat het
opschrift “TOP” omhoogwijst!
186
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Positie van gloeilampen in
achterlamphuis
1. Richtingaanwijzer
2. Remlicht
3. Achteruitrijlicht
4. Achterlicht
N.B. Als de foutmelding “Storing lampje”/
“Controleer remlicht” niet verdwijnt nadat de
kapotte lamp is vervangen, moet u contact
opnemen met een erkende Volvo-werkplaats
om de storing te verhelpen.
3
2
4
1
187
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Gloeilampen in achterlamphuis
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Klap het onderste gedeelte van de
achterklep omlaag en open het vloerluik.
Als uw auto is uitgerust met een houder
voor boodschappentassen (optie), moet u
de steunband van deze houder losnemen.
Verwijder het hoekstuk (A).
Open het luik (B) in het zijpaneel door de
pal (C) omhoog en naar u toe te trekken.
Neem ringsleutel nr. 10 uit de gereed-
schapstas.
Draai de moeren (D) los.
Trek het lampelement in zijn geheel recht
naar achteren.
Maak de bijeengebonden extra kabel-
lengte los om ruimte te maken.
Leg het element op een zachte onder-
grond neer om krassen op het lampglas
te voorkomen.
Trek de lamphouder linksom naar buiten.
Draai de gloeilamp linksom los.
Vervang de gloeilamp.
Plaats de lamphouder in de uitsparing
terug en draai de houder rechtsom.
Duw de extra kabellengte terug.
Plaats het lampelement over de schroef-
gaten heen. Duw het element in positie.
Draai de moeren vast.
Plaats het zijpaneel en het hoekstuk
terug.
A
B
C
D
D
188
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Mistachterlicht
Steek een platte schroevendraaier bij de
pijl op de afbeelding naar binnen.
Beweeg het lampelement naar buiten toe.
Draai het lampelement linksom en trek de
gloeilamp naar buiten.
Vervang de gloeilamp.
Kentekenplaatverlichting
N.B. Geldt voor auto’s geproduceerd vóór de
9de week van 2006.
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Draai het boutje los met een schroeven-
draaier.
Haal voorzichtig het complete lamphuis
los en trek het naar buiten. Draai de
connector linksom en trek de gloeilamp
naar buiten.
Vervang de gloeilamp.
Plaats de connector terug en draai deze
rechtsom.
Plaats het complete lamphuis terug en
schroef het vast.
Kentekenplaatverlichting
N.B. Geldt voor auto’s geproduceerd vanaf
de 9de week van 2006.
Schakel alle lichten uit en draai de
contactsleutel naar stand 0.
Draai de boutjes los met een schroeven-
draaier.
Verwijder het volledige lamphuis
voorzichtig en trek het naar buiten.
Vervang de gloeilamp.
Plaats het complete lamphuis terug en
schroef het vast.
189
Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
Instapverlichting
De instapverlichting vindt u onder het
dasboard aan de bestuurders- en passa-
gierszijde. Vervang de gloeilampen van de
instapverlichting als volgt:
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
Verwijder de kapotte gloeilamp.
Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
Plaats het lamphuis terug.
Gloeilamp in achterklep
Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
Verwijder de kapotte gloeilamp.
Breng een nieuwe gloeilamp aan.
Controleer of de gloeilamp werkt.
Plaats het lamphuis terug.
Make-upspiegel
Steek een platte schroevendraaier naast
de middelste clip onder aan het spiegele-
lement. Beweeg het spiegelelement
omhoog, zodat de middelste clip loskomt.
Trek de schroevendraaier naar de linker-
en de rechterkant zodat de buitenste clips
loskomen.
Til het spiegelelement naar buiten.
Vervang de gloeilampjes.
Plaats het spiegelelement met de
bovenkant naar voren gekanteld terug.
Let erop dat de bovenste clips goed
ingedrukt zijn, voordat u het spiegele-
lement in positie terugklapt.
190
Onderhoud en service
Zekeringen
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van uw auto beschadigd raakt door
kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschil-
lende elektrische functies en componenten
door een aantal zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende
plaatsen in de auto:
1. Relais- en zekeringenkastje in de motor-
ruimte.
2. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie).
3. Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant
van het dashboard).
4. Zekeringenkastje in de bagageruimte.
Als een van de elektrische onderdelen of
functies niet werkt, kan het zijn dat de bijbe-
horende zekering overbelast werd en
daardoor gesmolten is.
Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
Trek de zekering naar buiten en bekijk
deze van opzij om te kijken of het
gebogen draadje soms doorgebrand is.
Breng in dat geval een nieuwe zekering
aan met dezelfde kleur en hetzelfde
amperage.
Aan de binnenkant van het deksel in het
dashboard zitten enkele reservezekeringen.
U vindt er tevens een trekker waarmee u de
zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en
aanbrengen.
Als telkens dezelfde zekering doorbrandt, is
er sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen
aan een erkende Volvo-werkplaats om er de
auto te laten controleren.
191
Onderhoud en service
Zekeringen
Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog.
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
1. ABS................................................................................................ 30 A
2. ABS................................................................................................ 30 A
3. Hogedruksproeiers koplampen................................................. 35 A
4. Standverwarming (optie) ............................................................ 25 A
5. Verstralers (optie) ......................................................................... 20 A
6. Relais startmotor ......................................................................... 35 A
7. Ruitenwissers............................................................................... 25 A
8. Regeleenheid transmissie (TCM), (V8, diesel) ...................... 15 A
9. Brandstofpomp............................................................................. 15 A
10. Bobines (benzine), regeleenheid (ECM),
injectoren (diesel)........................................................................ 20 A
11. Gaspedaalsensor (APM), A/C-compressor, ventilator
elektronicakastje........................................................................... 10 A
12. Regeleenheid motor (ECM) (benzine), injectoren (benzine),
luchtmassameter (benzine)....................................................... 15 A
luchtmassameter (diesel).............................................................. 5 A
13. Regeleenheid gasklep (diesel), magneetklep,
SWIRL (luchtmengklep), brandstofdrukregelaar (diesel).....10 A
14. Lambdasonde (benzine)..............................................................20 A
Lambdasonde (diesel).................................................................10 A
15. Magneetkleppen, gloeibougies (diesel)...................................10 A
Verwarming carterventilatie, magneetkleppen
luchtmassameter (V8), benzine .................................................15 A
16. Dimlicht (links) ..............................................................................20 A
17. Dimlicht (rechts) ...........................................................................20 A
18. -................................................................................................................ -
19. Regeleenheid motor (ECM), voeding, motorrelais ..................5 A
20. Achterlicht.......................................................................................15 A
21. -................................................................................................................ -
192
Onderhoud en service
Zekeringen
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de
verschillende zekeringen aan.
Zekeringen in de passagiersruimte (aan de
bestuurderszijde in de zijkant van het dasboard)
1. Ventilator klimaatregeling........................................................... 30 A
2. Versterker audiosysteem............................................................ 30 A
3. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel.................................. 25 A
4. Elektrisch bedienbare passagiersstoel.................................... 25 A
5. Regeleenheid linker voorportier ................................................ 25 A
6. Regeleenheid rechter voorportier............................................. 25 A
7. - ................................................................................................................-
8. - ................................................................................................................-
9. Infotainment, RTI-display, cd, md.............................................. 10 A
10. OBDII, verlichtingsdraaiknop (LSM), stuurhoeksensor (SAS),
stuurregeleenheid (SWM) ........................................................... 5 A
11. Contactslot, SRS, motorregeleenheid (ECM) uitschakeling
SRS passagierszijde (PACOS), elektronische startblokkering
(IMMO), regeleenheid transmissie TCM (V8), diesel ..........7,5 A
12. Interieurverlichting plafond (RCM), bovenste elektronische
regeleenheid (UEM) ................................................................... 10 A
13. Schuifdak........................................................................................15 A
14. Telefoon.............................................................................................5 A
15-38 --
193
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in de passagiersruimte (aan de
bestuurderszijde in de zijkant van het dasboard)
1. Stoelverwarming, rechterzijde ................................................... 15 A
2. Stoelverwarming, linkerzijde....................................................... 15 A
3. Claxon............................................................................................. 15 A
4. - ................................................................................................................-
5. Infotainment................................................................................... 10 A
6. Reservepositie ......................................................................................-
7. Reservepositie ......................................................................................-
8. Sirene alarmsysteem ......................................................................5 A
9. Voeding remlichtschakelaar ..........................................................5 A
10. Instrumentenpaneel (DIM), klimaatregeling (CCM), stand-
verwarming, elektrisch bedienbare bestuurdersstoel........... 10 A
11. Elektrische aansluiting voor en achterin.................................. 15 A
12. - ................................................................................................................-
13. Reservepositie...................................................................................... -
14. -................................................................................................................ -
15. ABS, STC/DSTC ............................................................................5 A
16. Elektronische stuurbekrachtiging (ECPS), Bi-Xenon,
koplamphoogteverstelling ...........................................................10 A
17. Mistlicht linksvoor.........................................................................7,5 A
18. Mistlicht rechtsvoor .....................................................................7,5 A
19. Reservepositie...................................................................................... -
20. Koelvloeistofpomp (V8) .................................................................5 A
21. Regeleenheid transmissie (TCM), blokkering
achteruitversnelling (M66) ..........................................................10 A
22. Groot licht, links ............................................................................10 A
23. Groot licht, rechts .........................................................................10 A
24. -................................................................................................................ -
25. -................................................................................................................ -
26. Reservepositie...................................................................................... -
194
Onderhoud en service
Zekeringen
27. Reservepositie ......................................................................................-
28. Elektrisch bedienbare passagiersstoel.......................................5 A
29. Reservepositie ......................................................................................-
30. BLIS...................................................................................................5 A
31. Reservepositie ......................................................................................-
32. Reservepositie ......................................................................................-
33. Vacuümpomp ................................................................................ 20 A
34. Sproeierpomp............................................................................... 15 A
35. - ................................................................................................................-
36. - ................................................................................................................-
195
Onderhoud en service
Zekeringen
Zekeringen in de bagageruimte
1. Achteruitrijlicht...............................................................................10 A
2. Achterlichten, mistachterlicht, bagageruimteverlichting,
kentekenplaatverlichting, LED’s in remlichten.........................20 A
3. Accessoires (AEM).......................................................................15 A
4. Reservepositie...................................................................................... -
5. Elektronica (REM).........................................................................10 A
6. RTI, radio-ontvanger, RSE..........................................................7,5 A
7. Trekhaak (30-voeding) .................................................................15 A
8. Elektrische aansluiting bagageruimte.......................................15 A
9. Achterportier, rechts: Ruitbediening,
blokkering ruitbediening ..............................................................20 A
10. Achterportier, links: Ruitbediening, blokkering
ruitbediening ..................................................................................20 A
11. Reservepositie...................................................................................... -
12. Reservepositie...................................................................................... -
13. Verwarming dieselfilter.................................................................15 A
14. Subwoofer, airconditioning achterin (A/C)..............................15 A
15. Reservepositie...................................................................................... -
16. Reservepositie...................................................................................... -
17. Accessoires Infotainment..............................................................5 A
18. Reservepositie...................................................................................... -
19. Ruitenwisser, achterklep..............................................................15 A
20. Trekhaak (15-voeding) .................................................................20 A
21. Reservepositie...................................................................................... -
22. -................................................................................................................ -
23. AWD...............................................................................................7,5 A
24. Reservepositie...................................................................................... -
196
Onderhoud en service
Zekeringen
25. - ................................................................................................................-
26. Parkeerhulp.......................................................................................5 A
27. Hoofdzekering: Trekhaak, parkeerhulp, AWD ........................ 30 A
28. Centrale vergrendeling (PCL) ................................................... 15 A
29. Aanhangerverlichting, links: Achterlicht, richtingaanwijzer. 25 A
30. Aanhangerverlichting, rechts: Remlicht, mistachterlicht,
richtingaanwijzer........................................................................... 25 A
31. Hoofdzekering: Zekering 37, 38............................................... 40 A
32. - ................................................................................................................-
33. - ................................................................................................................-
34. - ................................................................................................................-
35. - ................................................................................................................-
36. - ................................................................................................................-
37. Elektrische achterruitverwarming.............................................. 20 A
38. Elektrische achterruitverwarming............................................. 20 A
197
Infotainment
Infotainment 198
Audio, bedieningspanelen 199
Functies audiosysteem 204
Radiofuncties 208
Cd/md (optie) 216
Cd-wisselaar (optie) 218
Menusysteem – audio 220
Telefoon (optie) 222
Telefoonfuncties 224
Menu-instellingen en menuselectie – telefoon 231
198
Infotainment
Infotainment
Informatie en amusement
Het Infotainmentsysteem bestaat uit een
geïntegreerd audio- en telefoonsysteem. Het
Infotainmentsysteem kunt u handig en
eenvoudig bedienen vanaf het gemeen-
schappelijke bedieningspaneel of de
toetsenset op het stuur. Op het display staat
altijd aangegeven van welke functie u gebruik
maakt.
De XC90 kan worden uitgerust met Dolby
Surround Pro Logic II (Premium Sound). Dit
systeem zorgt voor een zeer realistische
geluidsweergave met een breed en natuurlijk
geluidsprofiel.
Het Infotainmentsysteem biedt u en
eventuele passagiers de mogelijkheid een
hoofdtelefoon (optie) aan te sluiten zodat
iedereen naar een verschillende geluidsbron
kan luisteren.
199
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
1. Aan/uit, audiosysteem
2. Volume
3. Sneltoets cd
4. Sneltoets AM/FM (FM1 – FM2 – AM)
5. Display
6. ENTER – menu-opties kiezen, een
keuze activeren of telefoon activeren die
stand-by staat
7. Aan/uit/stand-by, telefoon
8. MY KEY – te programmeren sneltoets
voor favoriete functie
9. SELECTOR – geluidsbron kiezen
10. SOUND – geluidsregeling
11. EXIT/CLEAR – terugbladeren in menu’s,
een keuze annuleren, de telefoon stand-
by zetten of het voorgaande teken
wissen bij invoer van cijfers en/of tekens
12. SIM-kaarthouder
13. Keuzetoetsen menu-opties
14. Uitwerpen, md-speler
15. Uitwerpen, cd-speler en cd-wisselaar
16. Cd-speler en cd-wisselaar (optie)
17. Md-speler (optie)
18. Sneltoetsen radiozenders/keuzetoets
sleuf cd-wisselaar (1-6), alfanumerieke
toetsen voor telefoon en sneltoetsen in
menu’s
19. IR-ontvanger voor afstandsbedieningen
(optie)
20. Nummer, zender opzoeken/wisselen of
vooruit- en achteruitbladeren bij invoer
van tekst en cijfers.
15
14
13
12
11
9
10
21
20
19
18
16
17
76543 8
200
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Toetsenset op stuurwiel
Audio, telefoon
Met de vier toetsen van de toetsenset op het
stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als
de telefoon regelen. De functie van de
toetsen hangt af van het systeem dat u
geactiveerd hebt. Met de toetsenset op het
stuur kunt u het volume regelen en een
andere zender (radio) of een ander nummer
(cd/md) selecteren.
Wanneer u de toetsen of ingedrukt
houdt, kunt u een nummer versneld voor- of
achteruitspoelen of een radiozender
opzoeken.
Om de telefoonfuncties met deze toetsen te
kunnen sturen, moet het telefoonsysteem in
de actieve stand staan (zie pagina 225).
Als u de toetsen wilt gebruiken om instel-
lingen in het audiosysteem te verrichten,
moet u eerst de telefoon stand-by zetten
(deactiveren).
Menusysteem
Met het menusysteem kunt u instellingen
controleren of wijzigen en nieuwe functies in
het systeem programmeren. De verschillende
menu-opties verschijnen op het display.
Wanneer menu-opties gevolgd worden door
een aantal punten bestaan er meerdere
subniveaus.
Druk op de toets MENU (1) om het
menusysteem te openen.
Voor het menusysteem geldt het volgende:
Met de keuzetoetsen voor menu-opties
(pijl omhoog/pijl omlaag) gaat u een stap
omhoog of omlaag in het geopende
menu.
Wanneer u EXIT/CLEAR lang ingedrukt
houdt, verlaat u het menusysteem.
Wanneer u EXIT/CLEAR kort ingedrukt
houdt, annuleert u een optie of gaat u een
stap terug in het menusysteem.
Wanneer u op ENTER drukt, bevestigt of
selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
1
201
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Aansluiting voor hoofdtelefoon
(optie)
De passagiers beschikken over hoofdtele-
foonaansluitingen in de portierstijlen achter
de tweede zitrij. Zo kunnen er meerdere
personen tegelijk elk naar hun eigen
geluidsbron luisteren, zonder elkaar te storen.
Op elke aansluiting zijn twee hoofdtelefoons
aan te sluiten.
Met de toets SEL kunt u de verschillende
geluidsbronnen doorbladeren.
Met de pijltoetsen of kunt u van
nummer wisselen op de cd/md of van
radiozender veranderen.
Houd de toetsen of ingedrukt om
versneld voor- of achteruit te spoelen of
de eerstvolgende goed doorkomende
zender op de geselecteerde golflengte te
zoeken.
Druk op de toets SEL en houd deze
ingedrukt om het systeem uit te
schakelen.
Wijzig het volume voor de hoofdtelefoons
met de bijbehorende volumerege-
lingstoets aan de zijkant van het paneel.
Wanneer u het audiosysteem met de
contactsleutel uitzet, schakelt u daarmee ook
alle hoofdtelefoons uit. U moet ze bij het
starten van de motor stuk voor stuk en
handmatig opnieuw inschakelen.
Voor de beste geluidsweergave adviseren wij
u een hoofdtelefoon met een impedantie van
16–32 ohm te gebruiken. De gevoeligheid
van dergelijke hoofdtelefoons moet minstens
102 dB zijn. De hoofdtelefoonaansluiting zit
onder aan het bedieningspaneel (1) en is
bestemd voor jackpluggen van 3,5 mm. Er
zijn adapters leverbaar van DIN naar mini-
jack.
Hoofdtelefoon, beperkingen
Wanneer passagiers met een hoofdte-
lefoon naar dezelfde geluidsbron luisteren
als de bestuurder via de luidsprekers, is
het niet mogelijk om vanaf het bedienings-
paneel voor de hoofdtelefoon van
nummer of zender te veranderen. Dit om
de bestuurder niet te veel af te leiden.
Als de bestuurder via het bedienings-
paneel echter overschakelt naar de
geluidsbron waarnaar een passagier met
een hoofdtelefoon luistert, neemt de
bestuurder daarmee de controle over
deze geluidsbron over.
Gebruikers van een hoofdtelefoon kunnen
een keuze maken uit de mogelijke
voorkeuren binnen de golflengte (AM,
FM1, FM2) die de bestuurder heeft
geselecteerd. Dit betekent dat de
bestuurder in bepaalde gevallen geen
nieuws- (NEWS) of verkeersbulletins (TP)
kan ontvangen, ook al is de functie TP/
NEWS geselecteerd.
Er kan slechts één nummer van een van
de cd’s in de cd-wisselaar tegelijk worden
beluisterd.
202
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Display
Op het display (2) worden de actuele
functies zoals menu’s, berichten, telefoon-
nummers of instellingen weergegeven.
Maak het display schoon met een droge en
zachte doek. Gebruik geen schoonmaakmid-
delen.
Afstandsbediening (optie)
1. MEMORY, slaat de gevonden radio-
zenders. op Sla een zender als volgt op:
Druk op de toets MEMORY.
Selecteer PRESET met PRESET/
DISC (5).
Bevestig uw keuze met de toets
MEMORY.
2. Volume
3. Nummer vooruit-/achteruitspoelen/
wisselen
4. SOURCE, geluidsbronnen doornemen
5. PRESET/DISC, cd in cd-wisselaar of
voorkeurzender selecteren
6. AUTO, de best doorkomende zenders
opslaan
7. Geen functie
8. Geen functie
9. Aan/uit, audiosysteem
2
9
8
7
6
5
4
3
2
1
203
Infotainment
Audio, bedieningspanelen
Richt de afstandsbediening op de IR-
ontvanger (zie afbeelding) die zich onder de
aan/uit-knop bevindt.
N.B. De afstandsbediening bevat batterijen
van het type AAA (R03). Als de afstandsbe-
diening niet werkt, moet u eerst controleren
of de batterijen aan vervanging toe zijn.
204
Infotainment
Functies audiosysteem
Aan/uit-knop, audiosysteem
Druk op de knop POWER (1) om het audio-
systeem in of uit te schakelen.
Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem
actief is, zal het audiosysteem de volgende
keer dat u de motor start opnieuw actief zijn.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende manieren een
geluidsbron kiezen:
Met de selectietoetsen CD (2) en AM/FM (3)
of met de knop SELECTOR (4).
Draai aan de knop SELECTOR om te
kiezen uit radio (FM1, FM2 of AM), cd/cd-
wisselaar (optie) of md (optie).
Wanneer u op de toets AM/FM blijft
drukken, loopt u de radiostanden FM1,
FM2 en AM door.
Op het display staat aangegeven welke
geluidsbron u hebt gekozen.
U kunt alleen voor md kiezen met de knop
SELECTOR.
Volumeregeling
Draai de knop (1) rechtsom of linksom om het
volume te verhogen of te verlagen. De
volumeregeling verloopt elektronisch en kent
geen eindstanden. U kunt het volume ook
verhogen of verlagen met de toetsen (+)
of (–) van de toetsenset op het stuurwiel mits
de telefoon niet actief is.
Pauzestand
Wanneer u het volume op nul hebt
afgeregeld, staat de cd/md-speler in de
pauzestand. Activeer de speler in dat geval
door het volume te verhogen.
21 43
1
205
Infotainment
Functies audiosysteem
Volumeregeling, TP/PTY/
NEWS/ALARM
Als u naar een geluidsbron zoals een cd
luistert op het moment dat de radio een
verkeersbulletin ontvangt, wordt de cd-speler
in de pauzestand gezet. Het bericht wordt
weergegeven op het volume dat u van
tevoren met de volumeknop hebt ingesteld
voor het beluisteren van het bericht. Het
systeem hervat na afloop onmiddellijk het
oude volume en speelt (in het gegeven geval)
de cd verder af. Als u het volume tijdens de
weergave van het bericht bijregelt, wordt het
nieuwe volume opgeslagen en bij een
volgend bericht opnieuw gehanteerd.
Geluidsregeling
Druk op de toets SOUND (1).
Druk net zolang op de toets SOUND
totdat de aanduiding van de functie
verschijnt die u wilt bijregelen. U hebt de
keuze uit BASS, TREBLE, FADER,
BALANCE, SUBWOOFER (optie),
CENTRE (optie) en SURROUND (optie).
Regel het niveau bij met de knop
SELECTOR (2). Op het display verschijnt
een schaal van MIN tot MAX. De functie
is normaal gesproken op de middelste
stand afgesteld.
N.B. U kunt het niveau van de middenluid-
spreker alleen bijregelen, als u voor
Dolby Pro Logic II (DPL II ) of driekanaals
stereoweergave (3-CH) hebt gekozen in het
menu.
U kunt het niveau van de “Ambient Surround
Sound” alleen bijregelen, als u voor
Dolby Pro Logic II hebt gekozen in het menu.
Het niveau van de subwoofer is alleen bij te
regelen als u voor Subwoofer hebt gekozen
in het menu.
21
Geluidsregeling Displaytekst
Lage tonen BASS
Hoge tonen TREBLE
Balans tussen
luidsprekers links en
rechts
BALANCE
Balans tussen
luidsprekers voor en
achter
FADER
Niveau voor lageto-
nenluidsprekers
SUBWOOFER
(optie)
Niveau voor midden-
luidspreker
CENTRE
(Premium
Sound)
Niveau voor “Ambient
Surround Sound”
SURROUND
(Premium
Sound)
206
Infotainment
Functies audiosysteem
SURROUND (optie)
Dolby Surround Pro Logic II
In combinatie met een centrale luidspreker in
het midden van het dashboard zorgt Dolby
Surround Pro Logic II
1
voor een zeer realis-
tische geluidsweergave. De normale stereo-
kanalen links en rechts worden dan
opgedeeld in links, midden en rechts.
Bovendien produceren de luidsprekers
achterin het zogeheten “ambient surround
sound”. Dit effect evenaart de nagalm in de
opnameruimte. De instellingen voor de FM-
zenders en de cd-/md-speler worden elk
apart opgeslagen.
N.B. Als de ontvangst van FM-zenders
verslechtert, levert twee- of driekanaals
stereoweergave een betere geluidsweergave
op dan de Surround-functie.
Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor SURROUND en druk op
ENTER.
Kies voor Dolby FM of Dolby cd/md en
druk op ENTER.
Kies voor PRO LOGIC II, 3 CHANNEL of
OFF en druk op ENTER.
Het symbool PL II verschijnt op het
display om aan te geven dat u voor Dolby
Pro Logic II hebt gekozen.
Het symbool 3 CH verschijnt op het
display, als u voor 3 CHANNEL hebt
gekozen.
Wanneer u voor OFF kiest, is de normale
stereoweergave actief.
Dolby Surround Pro Logic II is het
handelsmerk van Dolby Laboratories
Licensing Corporation. Dolby Pro Logic II
Surround Systeem is vervaardigd onder
licentie van Dolby Laboratories Licensing
Corporation.
Lagetonenluidsprekers,
SUBWOOFER (optie)
De lagetonenluidspreker ondersteunt het
audiosysteem en zorgt voor een voller
geluidsbeeld en een diepere basweergave.
Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor SUBWOOFER en druk op
ENTER. Een kruisje in het selectievakje
geeft aan dat u voor SUBWOOFER hebt
gekozen.
1. Premium Sound.
207
Infotainment
Functies audiosysteem
Equalizer FR (bepaalde
modellen)
De functie Equalizer FR gebruikt u om de
geluidsweergave van de voorste luidsprekers
fijn af te regelen
Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor Equalizer FR en druk op
ENTER.
Stel het gewenste niveau in met de
keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl
omhoog/pijl omlaag) of met de knop
SELECTOR.
Druk op ENTER om de volgende
frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit
vijf frequenties.
Druk op ENTER totdat u in het
menusysteem bent aangekomen om de
wijzigingen die u aanbracht op te slaan.
Equalizer RR (bepaalde
modellen)
De functie Equalizer RR gebruikt u om de
geluidsweergave van de achterste
luidsprekers fijn af te regelen
Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor Equalizer RR en druk op
ENTER.
Stel het gewenste niveau in met de
keuzetoetsen voor de menu-opties (pijl
omhoog/pijl omlaag) of met de knop
SELECTOR.
Druk op ENTER om de volgende
frequentie te kiezen. U hebt de keuze uit
vijf frequenties.
Druk op ENTER totdat u in het
menusysteem bent aangekomen om de
wijzigingen die u aanbracht op te slaan.
208
Infotainment
Radiofuncties
Zenders zoeken
Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met de
knop SELECTOR (2) of de toets AM/
FM (1).
Druk de toets of korte tijd in om
de eerstvolgende goed doorkomende
zender op te zoeken.
Druk nogmaals op een van de toetsen om
een andere zender te zoeken.
Handmatig een bekende
frequentie instellen
Druk op de toets of en houd deze
ingedrukt. Op het display verschijnt de
tekst MAN. De radio loopt de frequenties
aanvankelijk langzaam in de gekozen
richting door om na enige seconden te
versnellen.
Laat de toets los, wanneer de gewenste
frequentie op het display verschijnt.
Als u de frequentie nog iets wilt bijre-
gelen, kunt u de pijltoetsen of
kortstondig indrukken.
Wanneer u de laatste toets loslaat, hebt u
nog vijf seconden de tijd om handmatig
instellingen te verrichten.
Zenders opslaan
U kunt als volgt een favoriete radiozender
opslaan onder een van de sneltoetsen
0-9 (1) voor radiozenders:
Stel de gewenste radiozender in.
Druk op de sneltoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd de toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg en op het display verschijnt
STATION STORED. De zender is
daarmee opgeslagen.
1 2
1
209
Infotainment
Radiofuncties
U kunt tot 10 radiozenders per radiostand
(AM, FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders
opslaan.
Automatisch zenders opslaan,
AUTOSTORE
Met behulp de functie AUTOSTORE kunt u
tot tien goed te ontvangen AM- of FM-
zenders opzoeken en deze opslaan in een
afzonderlijk geheugen. Als er meer dan tien
zenders gevonden worden, worden alleen de
tien best doorkomende zenders geselec-
teerd. Deze functie is met name handig in
gebieden, waar u de radiozenders en hun
frequenties niet kent.
Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
Kies voor AUTOSTORE en druk op
ENTER.
Kies voor AST SEARCH en druk op
ENTER.
Op het display verschijnt de tekst
AUTOSTORING, terwijl een aantal
zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) op de gekozen golflengte
automatisch in het geheugen worden
opgeslagen. Als er geen radiozender kont
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst
NO AST FOUND.
U kunt de opgeslagen radiozenders
activeren met een druk op een van de
sneltoetsen 0–9.
Wanneer de functie autostore van de
radio actief is, verschijnt de tekst AUTO
op het display. De tekst AUTO verdwijnt
weer, wanneer u terugkeert naar de
normale radiostand.
Keer terug naar de normale radiostand
met een druk op de toets AM/FM of EXIT/
CLEAR.
Om een eerder opgeslagen zender te
activeren, moet u de punten 1–2
uitvoeren zoals eerder beschreven maar
in punt 3 voor AST MODE kiezen en
vervolgens op ENTER drukken.
Radio Golflengte
FM 87,5 – 108 MHz
AM (LW) 153 – 279 kHz
AM (MW) 522 – 1611 kHz
210
Infotainment
Radiofuncties
Scannen, SCAN
Bij activering van de functie scannen zoekt de
radio automatisch de dichtstbijzijnde radio-
zender (AM of FM) met een krachtig signaal
op. Wanneer de radio een zender heeft
gevonden, wordt het scannen
ca. 8 seconden stopgezet. De radio gaat
daarna verder met scannen.
Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
Kies voor SCAN en druk op ENTER.
De tekst SCAN verschijnt op het display.
Druk op de toets EXIT/CLEAR om de
scanfunctie te beëindigen.
“Radio Data System”, RDS
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
wordt onder meer gebruikt om automobi-
listen te helpen op de beste frequentie van
een bepaalde zender afgestemd te blijven
ongeacht de beluisterde zender of
geluidsbron (zoals een cd). Het systeem
wordt tevens gebruikt om verkeersinformatie
te ontvangen en radioprogramma’s van een
bepaald type te vinden. Bij activering van
radiotekst, een andere functie van RDS,
wordt radiozenders de mogelijkheid geboden
om tijdens de uitzending informatie over het
programma op het display te laten
verschijnen.
N.B. Sommige radiozenders maken geen
gebruik van RDS of slechts in beperkte mate.
Automatisch programma-infor-
matie zoeken, PI Seek
Bij het beluisteren van een RDS-zender
wordt diverse informatie in de radio (zoals
verkeersinformatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender
afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDS-
informatie van deze zender bij. Als de auto
zich net binnen of buiten het bereik van de
zender bevindt, zoekt de radio automatisch
naar het krachtigste signaal van een andere
zender die het door u beluisterde programma
doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik
ligt, valt de radio stil en verschijnt de display-
tekst “ PI SEEK PRESS EXIT TO CANCEL
zolang er geen andere zender gevonden is.
Als u op EXIT (1) drukt, geeft de radio de
gekozen zender weer zonder de RDS-infor-
matie bij te werken.
Nieuws, NEWS
Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen
dat de weergave van andere geluidsbronnen
zoals een cd wordt onderbroken voor een
nieuwsbulletin.
Kies een golflengte met de knop
SELECTOR of de toets AM/FM.
Kies voor NEWS en druk op ENTER.
De tekst NEWS verschijnt op het display.
Kies nogmaals voor NEWS en druk op
ENTER om de functie NEWS uit te
schakelen.
Bij activering van deze functie krijgt u nieuws-
bulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en
ontvangt u de bulletins op het volume dat u
voor het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop
van het bulletin hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
Als u een nieuwsbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets EXIT
drukken. De functie NEWS blijft echter
actief, zodat de radio op het volgende
nieuwsbulletin wacht.
1
211
Infotainment
Radiofuncties
Verkeersinformatie, TP
Bij activering van de functie TP krijgt u
verkeersinformatie binnen van RDS-zenders.
Als u een andere geluidsbron dan de radio
beluistert, wordt deze weergave onderbroken
en ontvangt u de verkeersinformatie op het
volume voor het beluisteren van verkeersin-
formatie dat u tevoren hebt ingesteld. Na
afloop van de verkeersinformatie hervat het
audiosysteem de weergave van de
voorgaande geluidsbron op het oude volume.
Kies voor TP in het menu en druk op
ENTER.
De tekst TP verschijnt op het display.
Kies nogmaals voor TP en druk op
ENTER om de functie TP uit te schakelen.
Wanneer de functie actief is, verschijnt de
tekst TP op het display. Als de door u beluis-
terde radiozender verkeersinformatie kan
doorgeven, staat er TP))) op het display. De
weergave van een geluidsbron kan dan ook
alleen worden onderbroken, wanneer de
tekst TP))) op het display staat.
Als u een verkeersbulletin voortijdig wilt
afbreken, moet u op de toets EXIT
drukken. De functie TP blijft echter actief,
zodat de radio op het volgende verkeers-
bulletin wacht.
TP SEARCH
Met de functie TP SEARCH kunt u naar
verkeersinformatie blijven luisteren tijdens
internationale ritten (in Europa) zonder dat u
daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen.
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor TP en druk op ENTER.
Kies voor TP SEARCH en druk op
ENTER.
Om de functie uit te schakelen moet u
nogmaals voor TP SEARCH kiezen en op
ENTER drukken.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie
door over de inhoud van de programma’s, de
uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke infor-
matie kan dan in tekstvorm op het display
verschijnen.
Druk op de toets MENU.
Selecteer RADIOTEXT in het menu en
druk op ENTER.
Kies nogmaals voor RADIOTEXT en druk
op ENTER om de functie uit te schakelen.
212
Infotainment
Radiofuncties
Alarm
Alarmmeldingen worden altijd automatisch
doorgegeven, zodat u de functie niet kunt
deactiveren.
Er verschijnt “Alarm!” op het display van de
radio, wanneer er een alarmmelding wordt
verzonden. Deze functie wordt gebruikt om u
attent te maken op ernstige ongelukken of
calamiteiten, zoals ingestorte bruggen of
ongelukken in kerncentrales.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY kunt u programma’s met
een bepaald onderwerp kiezen. U hebt de
keuze uit de programmatypes die in de
nevenstaande lijst staan.
PTY weergeven
Tot welk PTY behoort de zender die u
beluistert?
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor PTY in het menu en druk op
ENTER.
Kies voor SHOW PTY en druk op
ENTER. Het PTY van de zender die u
beluistert verschijnt vervolgens op het
display.
N.B. Niet alle radiozenders zijn voorzien van
een PTY-code.
Programmatype Displaytekst
Actualiteiten CURRENT
AFFAIRS
Informatie INFORMATION
Sport SPORT
Educatie EDUCATION
Hoorspel DRAMA
Kunst en cultuur CULTURES
Wetenschap SCIENCE
Gevarieerde praat-
programma’s
VARIED SPEECH
Pop POP MUSIC
Rock ROCK MUSIC
Easy listening EASY LISTENING
Licht klassiek LIGHT CLASSIC
Klassieke muziek SERIOUS
CLASSIC
Overige muziek OTHER MUSIC
Weer WEATHER
Financieel nieuws FINANCE
Kinderpro-
gramma’s
CHILDREN
Maatschappelijke
programma’s
SOCIAL AFFAIRS
213
Infotainment
Radiofuncties
Zender met een bepaald
programmatype (PTY) zoeken
U kunt de radio een zender met een bepaald
soort programma’s laten opzoeken op de
aangegeven golflengte.
Kies FM 1 of FM 2 en druk op de toets
MENU.
Kies voor RADIO SETTINGS en druk op
ENTER.
Selecteer PTY en druk op ENTER.
Kies voor SELECT PTY en druk op
ENTER.
Druk op ENTER om één of meer van de
opgesomde programmatypes te selec-
teren. Het symbool PTY verschijnt op het
display, wanneer u uw eerste keuze
maakt. De functie PTY van de radio staat
vervolgens stand-by.
Wanneer u alle programmatypes van uw
keuze geselecteerd hebt, moet u op EXIT/
CLEAR drukken om de PTY -lijst te
verlaten.
Kies voor SEARCH PTY en druk op
ENTER. Als de radio een zender met het
gekozen programmatype heeft gevonden,
wordt deze zender via de luidspreker
weergegeven.
Als de radio een zender heeft gevonden
die niet in de smaak valt, kunt u de radio
verder laten zoeken met de toetsen
en .
Als er geen zender met het gekozen
programmatype kan worden gevonden,
gaat de radio terug naar de voorgaande
frequentie. De functie PTY staat dan
stand-by, totdat er een programma van
het gekozen type wordt uitgezonden.
Wanneer dat het geval is, gaat de radio
automatisch over op de zender die het
geselecteerde programmatype uitzendt.
Om de stand-bystand van de functie PTY
op te heffen, moet u het menu openen en
voor CLEAR ALL PTY kiezen. Het
symbool PTY verdwijnt dan van het
display en de radio keert terug naar de
normale weergavestand.
PTY stand-by
Om de functie PTY van de radio stand-by te
zetten moet u de stappen 1-6 herhalen.
Religie RELIGION
Inbelprogramma’s PHONE IN
Reizen TRAVEL
Ontspanning LEISURE &
HOBBY
Jazz JAZZ MUSIC
Country COUNTRY MUSIC
Nationale muziek NATIONAL
MUSIC
Goud van oud OLDIES MUSIC
Volksmuziek FOLK MUSIC
Documentaires DOCUMENTARY
Programmatype Displaytekst
214
Infotainment
Radiofuncties
Verkeersinformatie, TP STATION
In het menu TP STATION kunt u aangeven
van welke radiozender u verkeersinformatie
wenst te ontvangen.
Let erop dat de functie alleen werkt wanneer
het symbool ))) op het display staat.
Stem af op de radiozender met de
verkeersinformatie die u wilt ontvangen.
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor TP en druk op ENTER.
Selecteer TP STATION en druk op
ENTER.
Kies voor SET CURRENT en druk op
ENTER.
N.B. U zult vervolgens alleen verkeersinfor-
matie van de opgeslagen zender doorkrijgen.
Nieuws, NEWS STATION
Onder NEWS STATION kunt u aangeven
van welke radiozender u nieuws wenst te
ontvangen.
Let erop dat functie alleen werkt als de
ingestelde zender een RDS-zender is.
Stem af op de radiozender met het
nieuws dat u wilt ontvangen.
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor NEWS STATION en druk op
ENTER.
Kies voor SET CURRENT en druk op
ENTER.
N.B. U zult vervolgens alleen nieuws van de
opgeslagen zender doorkrijgen.
TP STATION/NEWS STATION uitscha-
kelen
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor TP/NEWS STATION en druk
op ENTER.
Kies voor RESET STATION en druk op
ENTER.
Automatische afstemfunctie, AF
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de
zender met het sterkste signaal voor de
gekozen zender.
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Selecteer AF en druk op ENTER.
Om de functie AF uit te schakelen, moet u
nogmaals AF kiezen en op ENTER
drukken.
Regionale radioprogramma’s,
REG
De functie REG die normaal gesproken uitge-
schakeld is, maakt het u mogelijk om op een
bepaalde regionale zender afgestemd te
blijven, ook al is het bijbehorende zender-
signaal zwak.
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor REG en druk op ENTER.
De tekst REG verschijnt op het display.
Kies nogmaals voor REG en druk daarna
op ENTER om de functie REG uit te
schakelen.
215
Infotainment
Radiofuncties
EON – LOCAL/DISTANT
(Enhanced Other Networks)
De functie EON staat normaal gesproken in
de stand DISTANT. De functie bepaalt of het
radioprogramma dat u beluistert moet
worden onderbroken voor bijvoorbeeld
verkeersinformatie of nieuwsbulletins (voor
zover u deze functies hebt geselecteerd). De
functie kent twee standen. Als u voor LOCAL
kiest, vindt er alleen onderbreking plaats
wanneer het signaal krachtig genoeg is. Als u
voor DISTANT kiest, vindt er ook onder-
breking plaats wanneer het binnenkomende
signaal zwakker is. Er vindt geen onder-
breking plaats, als u voor OFF kiest.
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Selecteer EON en druk op ENTER.
Kies voor LOCAL, DISTANT of OFF en
druk op ENTER.
RDS-instellingen resetten,
RESET ALL
Met de functie RESET ALL kunt u alle fabriek-
sinstellingen voor de RDS-functies van de
radio hervatten.
Kies voor RADIO SETTINGS in het menu
en druk op ENTER.
Kies voor RESET ALL in het menu en
druk op ENTER.
Druk nogmaals op ENTER om uw keuze
te bevestigen.
216
Infotainment
Cd/md (optie)
Cd/md-speler starten
Start de cd-speler met de knop
SELECTOR (3) of druk op de toets
CD (1). Leg een cd in de cd-speler (4).
Start de md-speler met de knop
SELECTOR (3). Leg een md in de md-
speler (2).
Van nummer wisselen
Druk op om naar het volgende nummer te
gaan of op om naar het vorige nummer te
gaan. Het display geeft het nummer aan dat
wordt afgespeeld. Als uw stuurwiel is
uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik
maken van de bijbehorende toetsen.
Versneld spoelen
Druk op of en houd deze toets
ingedrukt om een bepaald gedeelte binnen
een nummer of op de cd/md op te zoeken.
Zolang u de toets ingedrukt houdt, zoekt de
speler verder. Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u gebruik maken
van de bijbehorende toetsen.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Met de functie RANDOM kunt u de nummers
op een cd/md in een willekeurige volgorde
laten afspelen.
Kies voor RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
De tekst RND staat op het display, zolang
de functie actief is.
Kies voor RANDOM OFF of druk op de
toets EXIT om de functie te beëindigen.
Scannen
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden weer
te geven.
Kies voor SCAN en druk op ENTER.
Druk op de toets EXIT/CLEAR, wanneer
u een nummer hebt gevonden dat u wilt
beluisteren.
Disctext (alleen md)
Op sommige schijven staat informatie over
het album en de nummers. Deze informatie
verschijnt in tekstvorm op het display, als u de
functie DISCTEXT hebt geactiveerd.
Kies voor DISCTEXT in het menu en druk
op ENTER.
21 43
13 2
217
Infotainment
Cd/md (optie)
Als er aanvullende informatie op de md
staat, verschijnt deze vervolgens op het
display.
Om de functie weer uit te schakelen moet
u DISCTEXT selecteren en op ENTER
drukken.
Md uitwerpen
Als u op de uitwerptoets (1) drukt, valt de
weergave van de md stil en wordt de md
uitgeworpen.
Cd uitwerpen
Als u op de uitwerptoets (2) drukt, valt de
weergave van de cd stil en wordt de cd uitge-
worpen.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden
de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen.
Als de cd na afloop van deze periode nog in
de cd-speler zit, wordt de cd weer
ingenomen. Druk op de toets CD (3) om de
cd-speler weer te activeren.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmte-
ontwikkeling in de cd-speler kan het
etiket losraken en schade aan de cd-
speler veroorzaken.
218
Infotainment
Cd-wisselaar (optie)
Cd-wisselaar inschakelen
De cd-wisselaar biedt plaats aan maximaal
zes cd’s.
Selecteer de cd-stand met de knop
SELECTOR (2) of druk op de toets
CD (1).
Kies een lege sleuf met de sneltoetsen
1-6 (3). Op het display staat aangegeven
welke sleuf leeg is.
Breng een cd in de cd-wisselaar aan.
Wacht totdat de tekst INSERT DISC
verschijnt, voordat u een nieuwe cd
aanbrengt.
Sleuf kiezen
U kiest de sleuf waarin de af te spelen cd ligt
met de sneltoetsen 1-6 (3). Op het display
verschijnt het nummer van de geselecteerde
cd en het gekozen nummer op deze cd.
Van nummer wisselen
Druk op om naar het volgende nummer te
gaan of op om naar het vorige nummer te
gaan. Het display geeft het nummer aan dat
wordt afgespeeld. Als uw stuurwiel is
uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik
maken van de bijbehorende toetsen.
Versneld spoelen
Druk op of en houd deze toets
ingedrukt om een bepaald gedeelte binnen
een nummer of op de cd/md op te zoeken.
Zolang u de toets ingedrukt houdt, zoekt de
speler verder. Als uw stuurwiel is uitgerust
met een toetsenset, kunt u gebruik maken
van de bijbehorende toetsen.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
ieder nummer de eerste tien seconden weer
te geven.
Druk op de toets MENU.
Kies voor SCAN en druk op ENTER.
Druk op de toets EXIT/CLEAR, wanneer
u een nummer hebt gevonden dat u wilt
beluisteren.
De functie scannen werkt alleen voor de
geselecteerde cd.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Met de functie RANDOM kunt u de nummers
op een cd/md in een willekeurige volgorde
laten afspelen.
Kies voor RANDOM in het menu en druk
op ENTER.
Kies voor SINGLE DISC of ALL DISCS
om de nummers op een van de cd’s of op
alle cd’s in de cd-wisselaar in een wille-
keurige volgorde te laten afspelen.
De tekst RND of RND ALL staat op het
display, zolang de functie actief is.
Druk op de toets EXIT om de functie te
beëindigen.
Druk op om het volgende willekeurig
gekozen nummer af te spelen.
N.B. U kunt alleen een volgend, willekeurig
nummer op dezelfde cd kiezen.
Disctekst
Op sommige schijven staat informatie over
het album en de nummers. Deze informatie
verschijnt in tekstvorm op het display, als u de
functie DISCTEXT hebt geactiveerd.
Druk op de toets MENU.
Kies voor DISCTEXT in het menu en druk
op ENTER.
Als er aanvullende informatie op de cd
staat, verschijnt deze vervolgens op het
display.
Om de functie weer uit te schakelen moet
u DISCTEXT selecteren en op ENTER
drukken.
31 2
219
Infotainment
Cd-wisselaar (optie)
Cd uitwerpen
Als u op de uitwerptoets (1) drukt, valt de
weergave van de cd stil en wordt de cd uitge-
worpen.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden
de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen.
Als de cd na afloop van deze periode nog in
de cd-speler zit, wordt de cd weer
ingenomen.
Alle cd’s uitwerpen, EJECT ALL
Wanneer u de uitwerptoets EJECT (1) lang
indrukt, activeert u de functie EJECT ALL.
Alle cd’s in het magazijn van de cd-wisselaar
worden dan één voor één uitgeworpen. De
tekst EJECTING ALL verschijnt op het
display.
De functie is alleen te activeren wanneer de
auto stilstaat en wordt onderbroken, als de
auto begint te rijden.
Om veiligheidsredenen hebt u 12 seconden
de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen.
Als de cd na afloop van deze periode nog in
de wisselaar zit, wordt de uitwerpfunctie
afgebroken.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het
mogelijk dat het geluid te wensen overlaat of
zelfs helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die
voldoen aan de norm ISO 60908 bieden de
beste geluidskwaliteit.
1
BELANGRIJK!
Speel uitsluitend standaard-cd’s met een
diameter van 12 cm. Gebruik geen cd’s
met een opgeplakt etiket. Door warmte-
ontwikkeling in de cd-speler kan het
etiket losraken en schade aan de cd-
speler veroorzaken.
220
Infotainment
Menusysteem, –audio
Menu AM/FM
1. Autostore
1
1. AST Search
2. AST Mode
2. Scan
1
3. News
1
(On/ Off
2
)
4. TP
1
(On/Off
2
)
5. Radiotekst
1
(On/Off
2
)
6. Radio Settings
1. PTY
1. Select PTY
1. Clear All PTY
2. PTY List
2. Search PTY
2
3. Show PTY (On/Off
2
)
2. TP
1. TP Station
1. Set Current/Reset Current
2. TP Search (On/Off
2
)
3. News Station
1. Set Current /Reset Current
4. AF
2
(On
2
/Off)
5. Regional
2
(On/Off
2
)
6. EON
1. Off
2. Local
3. Distant
2
7. Reset All
7. Audio Settings
3
1. Dolby FM
1. Pro Logic II
2. 3 Channel
3. Off
2
2. Dolby CD/MD
1. Pro Logic II
2
2. 3 Channel
3. Off
3. Subwoofer
2,4
(On
2
/Off)
4. Equalizer Fr
5. Equalizer Rr
6. Reset All
Menu CD
1. Random
1
2. Scan
1
3. News
1
(On/Off
2
)
4. TP
1
(On/Off
2
)
5. Audio Settings
3
Zie Audio Settings in Menu AM/FM
Menu CD (cd-wisselaar)
1. Random
1
1. Off
2
2. Single Disc
3. All Discs
2. Scan
1
3. News
1
(On/Off
2
)
4. TP
1
(On/Off
2
)
5. Disc Text
1
(On/Off
2
)
6. Audio Settings
3
Zie Audio Settings in Menu AM/FM
Menu MD
1. Random
1
2. Scan
1
3. News
1
4. TP
1
5. Disc Text
1
(On/Off
2
)
6. Audio Settings
3
Zie Audio Settings in Menu AM/FM
1. Te programmeren met MY KEY (zie
pagina 221).
2. Standaard-/fabriekinstelling.
3. Bepaalde modellen
4. Optie.
221
Infotainment
Menusysteem, –audio
Persoonlijke sneltoets, MY KEY
Onder de persoonlijke sneltoets MY KEY (1)
kunt u uw favoriete menufunctie opslaan,
zoals SCAN, AUTOSTORE of TP.
Blader de functies door met de keuze-
toetsen voor menu-opties.
Kies de functie die u wilt opslaan door de
toets MY KEY meer dan twee seconden
lang ingedrukt te houden.
Wanneer de tekst MY KEY STORED op
het display verschijnt, is de functie
opgeslagen.
Activeer de functie vervolgens door de
toets MY KEY kortstondig in te drukken.
Om een nieuwe functie onder de toets op
te slaan moet u de bovenstaande
punten (1-4) herhalen.
1
222
Infotainment
Telefoon (optie)
223
Infotainment
Telefoon (optie)
Onderdelen van het telefoon-
systeem
1. Toetsenset op stuurwiel
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de
meeste functies van uw telefoonsysteem
regelen.
Wanneer het telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het
stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoon-
functies. In de actieve stand staan er altijd
telefoongegevens op het display.
2. Microfoon
De microfoon voor handsfree bellen is in de
plafondconsole geïntegreerd.
3. Bedieningspaneel
Met behulp van de toetsen op het bediening-
spaneel kunt u alle functies van het telefoon-
systeem behalve het gespreksvolume
regelen. Op het display verschijnen menu’s,
berichten, telefoonnummers e.d.
4. SIM-kaart
U breng de SIM-kaart aan de voorkant van
het bedieningspaneel in.
5. Handset
De handset kunt u gebruiken om ongestoord
te kunnen praten.
6. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht,
achter de achteruitkijkspiegel.
Algemene voorschriften
Verkeersveiligheid staat voorop! Als u als
bestuurder gebruik wilt maken van de
handset, moet u de auto eerst op een
veilige plaats parkeren.
Schakel het systeem uit tijdens het
tanken.
Schakel het systeem uit in gebieden waar
met explosieven wordt gewerkt.
Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Noodoproepen
Ook zonder een SIM-kaart is het mogelijk het
alarmnummer te bellen. Uw auto moet zich
echter wel binnen het dekkingsgebied van
een GSM-provider bevinden.
Activeer het telefoonsysteem.
Kies het alarmnummer van het land
waarin u zich bevindt (112 binnen de EU).
Druk op de toets ENTER op het bedie-
ningspaneel of het stuurwiel.
Luidsprekers
Het telefoonsysteem maakt gebruik van de
luidspreker in het bestuurdersportier of van
de middenluidspreker (voor zover aanwezig)
van het audiosysteem.
224
Infotainment
Telefoonfuncties
1. Display
2. ENTER – gesprekken beantwoorden,
menuselecties verrichten of telefoon
activeren die stand-by staat
3. Aan/uit/stand-by
4. EXIT/CLEAR – een gesprek beëin-
digen/weigeren, terugbladeren in
menu’s, een keuze annuleren of
ingevoerde cijfers/tekens wissen
5. SIM-kaarthouder
6. Keuzetoetsen menu-opties
7. Alfanumerieke toetsen voor telefoon en
sneltoets in menu’s
8. Pijl naar links/rechts, vooruit- of achter-
uitbladeren bij de invoer van tekst en/of
nummers
9. Gespreksvolume verhogen/verlagen
21 543
7 8 6
6
4
2
9
225
Infotainment
Telefoonfuncties
Toets Aan/uit/stand-by,
telefoon
Systeem activeren:
Druk op de toets PHONE (1) om het
telefoonsysteem in te schakelen.
Systeem uitschakelen:
Houd de toets PHONE ingedrukt om het
telefoonsysteem uit te schakelen.
Zet het systeem als volgt stand-by:
Druk korte tijd op de toets PHONE of
druk op de toets EXIT/CLEAR om het
telefoonsysteem stand-by te zetten.
Druk korte tijd op de toets PHONE om
het systeem opnieuw te activeren.
Wanneer de telefoon actief is of stand-by
staat, staat er een hoorn op het display.
N.B. Bij het audiosysteem Performance
(standaarduitvoering) kunt u tijdens een
telefoongesprek geen radioprogramma, cd,
md of verkeersbulletin beluisteren.
Als u het contact uitschakelt terwijl het
telefoonsysteem actief is, zal het telefoon-
systeem eveneens actief zijn wanneer u het
contact opnieuw inschakelt. Wanneer u het
telefoonsysteem hebt uitgeschakeld, kunt u
geen gesprekken aannemen.
Volumeverlaging tijdens
gesprekken
Als de telefoon gaat terwijl u naar de radio
luistert, wordt het volume verlaagd zodra u
het gesprek aanneemt. Na afloop van het
gesprek speelt de radio op het oude volume
verder. U kunt het radiovolume ook tijdens
het gesprek bijregelen, waarna de radio na
afloop van het gesprek op het nieuwe volume
verder speelt. U kunt het geluid van het audio-
systeem ook helemaal uitzetten tijdens een
telefoongesprek (zie het menu 5.5.3 op
pagina 231).
De functie geldt alleen voor het geïnte-
greerde telefoonsysteem van Volvo.
Stand-by
Wanneer het telefoonsysteem stand-by
staat, kunt u gesprekken aannemen terwijl
het audiosysteem aanstaat en er informatie
van de geluidsbronnen van het audiosysteem
op het display verschijnt.
Om van de overige functies van het telefoon-
systeem gebruik te maken moet de telefoon
in de actieve stand staan.
Sneltoetsen in menu’s
Wanneer u met de menutoets naar het
menusysteem bent gesprongen, kunt u
gebruik maken van de numerieke toetsen in
plaats van de pijltoetsen en de toets ENTER
om naar het gewenste submenu op het
1
226
Infotainment
Telefoonfuncties
hoofdniveau te springen. Iedere menu-optie
heeft een bepaald nummer. Het nummer van
het geselecteerde menu staat samen met de
naam van de menu-optie op het display
weergegeven.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen zijn delen van het
menusysteem voor de telefoon niet toegan-
kelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt
de begonnen activiteiten in het menusysteem
echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.6 kunt u deze snelheidsbe-
grenzing opheffen.
SIM-kaart
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige SIM-kaart
(Subscriber Identity Module). U hebt deze
kaart van uw provider ontvangen.
Breng altijd de SIM-kaart aan, als u gebruik
wilt maken van het telefoonsysteem.
Schakel het telefoonsysteem uit.
Duw de SIM-kaarthouder naar buiten toe
door de houder korte tijd in te drukken.
Leg de kaart dusdanig in de houder dat
de kant met het metaal omlaagwijst.
Zorg dat de afgeschuinde hoek van de
SIM-kaart overeenkomt met die van de
houder.
Duw de houder weer naar binnen toe.
Neem bij problemen met de SIM-kaart
contact op met uw netwerkprovider.
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen:
Kies het nummer en druk op ENTER op
de toetsenset op het stuurwiel of op het
bedieningspaneel (of til de handset op).
Inkomend gesprek aa nnemen:
Druk op ENTER of til de handset op. U
kunt ook gebruik maken van de automa-
tische aanneemfunctie “Auto antw.” (zie
menu-optie 4.3).
Het geluid van het audiosysteem kan automa-
tisch worden uitgeschakeld tijdens een
gesprek (zie menu-optie 5.6.3.).
Gesprekken beëindigen
Druk op EXIT/CLEAR op de toetsenset van
het stuurwiel of op het bedieningspaneel of
leg de handset op. Het audiosysteem gaat
weer in de voorgaande stand staan.
U weigert inkomende gesprekken met een
druk op de toets EXIT/CLEAR.
227
Infotainment
Telefoonfuncties
Handset
Als u privégesprekken wilt voeren, kunt u
gebruik maken van de handset. Neem de
handset op door korte tijd op de bovenkant
(A) te drukken.
Voer het gewenste nummer in met de
toetsenset op het bedieningspaneel en
neem de handset op om te bellen. U
regelt het volume met de draaiknop op de
zijkant van de handset.
U kunt het gesprek beëindigen door de
handset terug in de houder te leggen.
Doe het volgende als u tijdens een
lopend gesprek wilt overgaan op het
gebruik van de handsfree zonder
daarvoor het gesprek te beëindigen: druk
op op het stuurwiel (of maak gebruik
van de menutoetsen op het bedienings-
paneel) en kies voor Handsfree. Druk op
ENTER en leg de handset neer. Als u de
handset al hebt opgenomen wanneer de
telefoon gaat, wordt het geluid via het
handsfreesysteem doorgegeven. Druk op
de toets MENU, ga naar Handset en druk
op ENTER om het geluid in de handset
weer te geven.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de
tien laatst gekozen telefoonnummers/namen
op.
Druk op ENTER van de toetsenset op het
stuurwiel of op het bedieningspaneel.
Blader met de pijltoetsen vooruit of
achteruit door de laatst gekozen
nummers. De nummers verschijnen op het
display.
Druk op ENTER.
Verkort kiezen
Telefoonnummers onder een sneltoets
opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het
telefoonboek van het systeem kunt u
koppelen aan een bepaalde sneltoets (1–9).
U doet dat als volgt:
Selecteer Telefoonboek in het menu en
druk op ENTER.
Blader verder naar Verk. kiezen
(menu 3.3.) en druk op ENTER.
Druk op de sneltoets waaronder u het
nummer wilt opslaan. Druk op ENTER om
uw keuze te bevestigen.
Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze op in het telefoonboek. Druk op
ENTER om een keuze te maken.
Sneltoets gebruiken
Houd de gewenste sneltoets ca.
twee seconden ingedrukt om te bellen of
druk eerst kort op de cijfertoets en daarna op
de toets ENTER.
N.B. Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u gebruik
kunt maken van de functie verkort kiezen. Om
verkort te kunnen kiezen moet Menu 3.3.1
geactiveerd zijn.
Tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek aannemen
Als u tijdens een lopend gesprek twee korte
geluidssignalen hoort, komt er een tweede
gesprek binnen. U kunt deze functie in- of
uitschakelen in dit menu.
U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of
niet aannemen. Als u het gesprek niet wilt
aannemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken
of niets doen.
Als u het gesprek echter wel wilt aannemen,
moet u op ENTER drukken. U parkeert het
lopende gesprek dan tijdelijk. Als u op EXIT/
CLEAR drukt, worden beide gesprekken
beëindigd.
A
228
Infotainment
Telefoonfuncties
Functies tijdens lopende
gesprekken
Tijdens een lopend gesprek kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op ENTER om een keuze
te maken):
Wanneer u tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek hebt geparkeerd, kunt u de
volgende functies activeren (blader met de
pijltoetsen en druk op ENTER om een keuze
te maken):
Gespreksvolume
Verhoog of verlaag het gespreksvolume door
tijdens het gesprek op de toetsen + of – (1)
van de toetsenset op het stuurwiel te
drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand
staat, kunt u met de toetsenset op het
stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om instel-
lingen in het audiosysteem te verrichten,
moet u eerst de telefoon stand-by zetten (zie
pagina 225).
Telefoonboek
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in
het geheugen op de SIM-kaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het
telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de
bijbehorende naam op het display weerge-
geven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen
opslaan
Druk op de toets MENU, kies voor
Telefoonboek en druk op ENTER.
Blader verder naar Toevoegen en druk op
ENTER.
Voer een naam in en druk op ENTER.
Voer een nummer in en druk op ENTER.
Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan en druk
vervolgens op ENTER.
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste
teken van de toets in te voeren, tweemaal om
het tweede teken in te voeren enz. Druk op
de 1 om een spatie in te voegen.
Ruggespraak/
Ruggespraak
uit
Ruggespraakstand
Parkeren/
Hervatten
Om het lopende wel of
niet te parkeren
Handset/
Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Telefoonboek Telefoonboek bekijken
Ruggespraak/
Ruggespraak
uit
Ruggespraakstand
Handset/
Handsfree
Om de handset of de
handsfree te gebruiken
Telefoonboek Telefoonboek bekijken
Samenvoegen Om twee gesprekken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Wisselen Om te wisselen tussen
de twee gesprekken
1
229
Infotainment
Telefoonfuncties
Tekstinvoer afbreken:
U kunt alle ingevoerde tekens wissen
door lang op de toets EXIT/CLEAR te
drukken.
Keer terug naar het menu door nogmaals
lang op de toets EXIT/CLEAR te drukken.
Nummers uit het geheugen
bellen
Druk op de pijl omlaag (1) van de MENU-
toetsen of op op het stuurwiel om het
telefoonboek te doorzoeken.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
Druk op ENTER en blader met de
pijltoetsen naar de naam van uw keuze.
Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam
(of voer de complete naam in) en druk op
ENTER.
Druk op ENTER om het geselecteerde
nummer te bellen.
spatie 1 - ? ! , . : " ' ( )
a b c 2 ä å à á â æ ç
d e f 3 è é ë ê
g h i 4 ì í î ï
j k l 5
m n o 6 ñ ö ò ó Ø
p q r s 7 ß
t u v 8 ü ù ú û
w x y z 9
om tweemaal achtereen
hetzelfde teken van een toets in
te voeren moet u na de eerste
maal op * drukken of enkele
seconden wachten.
+ 0 @ * # & $ £ / %
om te wisselen tussen hoofd-
letters en kleine letters
om het laatst ingevoerde teken
te wissen. Wanneer u de toets
lang ingedrukt houdt, kunt u het
nummer of de tekst in zijn
geheel wissen.
1
230
Infotainment
Telefoonfuncties
Dubbele SIM-kaart
Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten
aan: één voor de autotelefoon en één voor
een andere telefoon. Als u over een dubbele
SIM-kaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer
voor twee verschillende telefoons gebruiken.
Neem contact op met uw provider over de
mogelijkheden en het gebruik van een
dubbele SIM-kaart.
Specificaties
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEI-
nummer van de telefoon aan uw provider
doorgeven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is. Toets *#06# op uw
telefoon in om het nummer op het display te
zien. Noteer het nummer en bewaar het op
een veilige plaats.
Vermogen 2 W
SIM-kaart Klein, 3 V
Geheugenposities 255
1
1. 255 geheugenposities in het geheugen
van de telefoon. Het aantal geheugen-
posities op de SIM-kaart verschilt
afhankelijk van het abonnement.
SMS
(Short Message
Service)
Ja
Data/Fax Nee
Dualband Ja (900/
1800)
231
Infotainment
Menu-instellingen en menuselectie – telefoon
1. Oproepreg., CALL
1.1. Gem. oproep
1.2. Ontvangen oproepen
1.3. Uitgaande opr.
1.4. Wis lijst
1.4.1. Alle oproepen
1.4.2. Gemiste oproepen
1.4.3. Ontv. oproepen
1.4.4. Uitgaande opr.
1.5. Duur oproep
1.5.1. Laatste oproepen
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
2. Meldingen
2.1. Lezen
2.2. Nieuw bericht invoeren
2.3. Inst. boodsch.
2.3.1. SMSC-nummer
2.3.2. Geldigheid
2.3.3. Soort boodsch.
3. Telefoonboek
3.1. Toevoegen
3.2. Zoeken
3.3. Alles kopiëren
3.3.1. SIM naar tel
3.3.2. Tel naar SIM
3.4. Verk. kiezen
3.4.1. Actief
3.4.2. Nummer kiezen
3.5. SIM-geheugen wissen
3.6. Telefoon wissen
3.7. Geheugenstatus
4. Bel-opties.
4.1. Nummer mee
4.2. Oproep wacht
4.3. Auto antw.
4.4. Automatisch herkiezen
4.5. Doorschakelen
4.5.1. Alle oproepen
4.5.2. Bij bezet
4.5.3. Onbeantwoord
4.5.4. Onbereikbaar
4.5.5. Fax-oproepen
4.5.6. Data-oproepen
4.5.7. Alles annul.
5. Inst. tel.
5.1. Netwerk
5.1.1. Automatisch
5.1.2. Handmatig
5.2. Taal
5.2.1. Dansk
5.2.2. Deutsch
5.2.3. English UK
5.2.4. English US
5.2.5. Español
5.2.6. Français CAN
5.2.7. Français FR
5.2.8. Italiano
5.2.9. Nederlands
5.2.10. Português BR
5.2.11. Português P
5.2.12. Suomi
5.2.13. Svenska
5.3. SIM-beveiligd
5.3.1. Aan
5.3.2. Uit
5.3.3. Automatisch
5.4. Wijzig codes
5.4.1. PIN-code
5.4.2. Telefooncode
5.5. Geluiden
5.5.1. Belvolume
5.5.2. Belsignaal
5.5.3. Radio Mute
5.5.4. Boodsch.sign.
5.6. Verkeersv.
5.7. Fabrieksinst.
232
Infotainment
Menu-instellingen en menuselectie – telefoon
1. Oproepregister
1.1. Gemiste oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gemiste oproepen. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het
telefoonboek.
1.2. Ontvangen oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst ontvangen oproepen. U kunt de
nummers bellen, wissen of toevoegen aan
het telefoonboek.
1.3. Uitgaande gesprekken
In dit menu verschijnt een lijst met de tien
laatst gekozen nummers. U kunt de nummers
bellen, wissen of toevoegen aan het
telefoonboek.
1.4. Wis lijst
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
1.4.1. Alle
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Uitgaande
1.5. Duur oproep
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de
duur van al uw oproepen of alleen de laatste
te zien. U kunt ook het aantal oproepen
bekijken en de timer resetten.
1.5.1. Laatste oproepen
1.5.2. Tel oproepen
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over
de telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
2. Meldingen
2.1. Lezen
In dit menu kunt u de ingekomen
boodschappen lezen. U kunt de gelezen
boodschappen (of gedeelten ervan)
vervolgens wissen, doorsturen, wijzigen of
opslaan.
2.2. Nieuw bericht invoeren
Met de toetsenset kunt u boodschappen
invoeren. U kunt de boodschappen
vervolgens opslaan of versturen.
2.3. Instellingen boodschappen
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de
geadresseerde moet bereiken en hoelang
deze in de mailbox moet blijven liggen.
2.3.1. SMSC-nummer
2.3.2. Geldigheid
2.3.3. Soort boodschap
Neem contact op met uw provider voor infor-
matie over deze instellingen en het SMSC-
nummer. U hoeft deze instellingen normaal
gesproken niet te wijzigen.
3. Telefoonboek
3.1. Toevoegen
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het
telefoonboek. Zie het hoofdstuk over het
telefoonboek voor meer informatie.
3.2. Zoeken
3.3. Alles kopiëren
Telefoonnummers en namen op de SIM-kaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1. Van het geheugen op de SIM-kaart
naar dat van de telefoon
3.3.2. Van het geheugen van de telefoon
naar dat op de SIM-kaart
3.4. Verkort kiezen
Een nummer dat in het telefoonboek ligt
opgeslagen, kunt u aan een sneltoets met
een bepaald nummer koppelen.
3.5. SIM-geheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen op
de SIM-kaart wissen.
3.6. Telefoon wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen
van de telefoon wissen.
3.7. Geheugenstatus
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenpo-
sities in beslag genomen worden door de
namen en telefoonnummers in het geheugen
op de SIM-kaart en in dat van de telefoon.
233
Infotainment
4. Bel-opties
4.1. Nummer mee
Geef aan of uw eigen nummer wel of niet op
het display van de ontvanger moet
verschijnen. Neem contact op met uw
provider voor een permanent geheim
nummer.
4.2. Oproep wacht
Geef aan of u wel of geen signaal wilt
ontvangen, wanneer er tijdens een lopend
gesprek een tweede oproep wacht.
4.3. Auto antw.
Geef aan of u inkomende gesprekken
automatisch wilt beantwoorden.
4.4. Automatisch herkiezen
Geef aan of u een eerder gekozen nummer na
een bezettoon automatisch wilt laten
herkiezen.
4.5. Doorschakelen
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer en
wanneer.
4.5.1. Alle oproepen (de instelling geldt
alleen tijdens het lopende gesprek).
4.5.2. Bij bezet
4.5.3. Onbeantwoord
4.5.4. Onbereikbaar
4.5.5. Fax-oproepen
4.5.6. Data-oproepen
4.5.7. Alles annul.
5. Telefooninstellingen
5.1. Netwerk
Geef aan of u automatisch of handmatig
netwerken wilt selecteren. De geselecteerde
provider verschijnt tijdens het inschakelen
van het telefoonsysteem op het display.
5.1.1. Auto
5.1.2. Handmatig
5.2. Taal
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
berichten op het display wilt zien.
5.2.1. Dansk
5.2.2. Deutsch
5.2.3. English UK
5.2.4. English US
5.2.5. Español
5.2.6. Français CAN
5.2.7. Français FR
5.2.8. Italiano
5.2.9. Nederlands
5.2.10. Português BR
5.2.11. Português P
5.2.12. Suomi
5.2.13. Svenska
5.3. SIM-beveiligd
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van
de PIN-code actief of inactief moet zijn of
automatisch moet verlopen.
5.3.1. Aan
5.3.2. Uit
5.3.3. Automatisch
5.4. Wijzig codes
In dit menu kunt u uw PIN-code of uw
telefooncode wijzigen.
5.4.1. PIN-code
5.4.2. Telefooncode (gebruik 1234,
voordat u overgaat op uw eigen
code). U gebruikt de telefooncode
om de timer op nul te kunnen
stellen.
N.B. Noteer de code en bewaar deze op een
veilige plaats.
5.5. Geluiden
5.5.1. Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een
binnenkomend gesprek instellen.
5.5.2. Belsignaal: In dit menu kunt u
kiezen uit verschillende soorten
belsignalen.
5.5.3. Radio Mute: On/off
5.5.4. Aanp. Snelh.: Geef aan of het
volume wel of niet afhankelijk moet
zijn van de rijsnelheid.
5.5.5. Boodschapsignaal
5.6. Verkeersveiligheid
In dit menu kunt u aangeven of u de
snelheidsbegrenzing die geldt voor het
menusysteem wel of niet wilt uitschakelen,
zodat u het complete menusysteem ook
tijdens het rijden kunt gebruiken.
5.7. Fabrieksinstellingen
Functie om de fabrieksinstellingen te
herstellen.
234
Infotainment
235
Technische gegevens
Type-aanduidingen 236
Maten en gewichten 237
Motorspecificaties 238
Motorolie 239
Overige vloeistoffen en smeermiddelen 242
Brandstof 243
Katalysator 245
Elektrisch systeem 246
236
Technische gegevens
Type-aanduidingen
Wanneer u contact opneemt met uw Volvo-
dealer of vervangende onderdelen of
accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn als u de typeaanduiding, het chassis-
nummer en het motornummer bij de hand
hebt.
1. Type-aanduiding van de motor,
onderdeel- en serienummer
2. Sticker voor standverwarming.
3. Chassisnummer.
4. Type-aanduiding, chassisnummer,
maximaal toelaatbaar gewicht, kleur-
codes voor lak en bekleding en
typegoedkeuringsnummer.
a. type 1
b. type 2
5. Type-aanduiding en serienummer van
de versnellingsbak.
a: Automatische versnellingsbak GM.
b: Automatische versnellingsbak AW.
c: Handgeschakelde versnellingsbak.
d: Automatische versnellingsbak.
6. Motoroliesticker
1
Op de sticker staan de oliekwaliteit, -
viscositeit en de aan te houden
hoeveelheid.
1. Bepaalde motortypes
237
Technische gegevens
Maten en gewichten
Maten
Lengte: 480 cm
Breedte: 190 cm
Hoogte: 178 cm
Wielbasis: 286 cm
Spoorbreedte, vooras: 163 cm
Spoorbreedte, achteras: 162 cm
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht is het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende
oliën/vloeistoffen e.d. inbegrepen. Het
gewicht van de passagiers en de gemon-
teerde accessoires zoals een trekhaak (en de
kogeldruk daarvan bij gebruik van een
aanhanger (zie tabel)), lastdragers, skibox
e.d. zijn van invloed op de laadcapaciteit en
zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
totaalgewicht – rijklaar gewicht.
Type 1
Type 2
1. Max. totaalgewicht
2. Max. treingewicht (auto + aanhanger)
3. Max. voorasdruk
4. Max. achterasdruk
Zie pagina 236 voor de positie van de sticker.
Alleen China
1. Max. totaalgewicht
2. Max. aanhangergewicht
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg
Ongeremde aanhanger
Max. aanhangergewicht 750 kg
WAARSCHUWING!
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er
wijzigingen in de rijeigenschappen op.
Geremde aanhanger
Max. aanhangerge-
wicht
Max.
kogeldruk
0-1200 kg 50 kg
2250 kg 90 kg
238
Technische gegevens
Motorspecificaties
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer
van de motor vindt u op de motor (zie
pagina 236).
Specificatie Motoraanduiding
2.5T
B5254T2
T6
B6294T
V8 AWD
B8444S
D5 AWD
D5244T4
Vermogen (kW bij omw/s)
(pk bij omw/min)
154/83 200/85 232/98 136/67
210/5000 272/5100 315/5850 185/4000
Motorkoppel (Nm bij omw/s)
(kpm bij omw/min)
320/25-75 380/30-83 440/65 400/33-46
32,6/1500-
4500
38,8/1800-
5000
44,9/3900 40,8/2000-
2750
Aantal cilinders 5 6 8 5
Cilinderboring (mm) 83 83 94 81
Slaglengte (mm) 93,2 90 79,5 93,2
Cilinderinhoud (dm
3
of liter) 2,521 2,922 4,414 2,40
Compressieverhouding 9,0:1 8,5:1 10,4:1 17,0:1
Bougies:
Elektrodeafstand (mm) 0,7 0,7 1,1 -
Aanhaalmoment (Nm) 30 30 30 -
239
Technische gegevens
Motorolie
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan -30 °C of hoger
dan +40 °C
Doe dat ook bij korte ritten (over
afstanden kleiner dan 10 km) bij lage
temperaturen (onder 5 °C)
In dergelijke omstandigheden kunnen de
olietemperatuur en het olieverbruik
abnormaal toenemen.
Kies een volsynthetische motorolie bij ongun-
stige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van
.
Viscositeitsdiagram
BELANGRIJK!
Gebruik altijd een oliesoort met de
voorgeschreven kwaliteit en viscositeit.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats voor service,
als er een andere olie werd gebruikt dan
voorgeschreven.
Gebruik geen toevoegingen (dopes). Ze
kunnen de motor beschadigen.
240
Technische gegevens
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 236 voor de
positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A1/B1
Viscositeit: SAE 5W–30
Bij ritten onder ongunstige omstandigheden
ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Hoeveelheden
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN – MAX (liter)
Hoeveelheid
1
(liter)
T6 B6294T 1,5 liter 6,6
1. Inclusief hoeveelheid in filter.
241
Technische gegevens
Motorolie
Oliesticker
Wanneer de nevenstaande oliesticker in de
motorruimte zit (zie pagina 236 voor de
positie), geldt het volgende:
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
Hoeveelheden
Motortype
Bij te vullen hoeveelheid tussen
MIN – MAX (liter)
Hoeveelheid
1
(liter)
2.5T B5254T2 1,2 5,5
V8 AWD B8444S 6,7
D5 AWD D5244T4 2,0 6,2
1. Inclusief hoeveelheid in filter.
242
Technische gegevens
Overige vloeistoffen en smeermiddelen
BELANGRIJK!
Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende
merken met elkaar vermengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service, als er een andere oliesoort
werd gebruikt.
Vloeistof Systeem Hoeveelheid Aanbevolen kwaliteit
Versnellingsbakolie Handgeschakelde zesversnellingsbak
(M66)
2,0 liter Versnellingsbakolie: MTF 97309
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 7,2 liter Versnellingsbakolie: JWS 3309
Automatische versnellingsbak (GM4T65) 12,7 liter Transmissie-olie Dexron III G
Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 7,0 liter Versnellingsbakolie: JWS 3309
Koelvloeistof Benzinemotor 2.5T 9,0 liter Koelvloeistof met corrosiewerende dope
aangelengd met water (zie verpakking).
Thermostaat opent bij: benzinemotoren,
90 ºC, dieselmotoren 82 ºC.
Benzinemotor T6 10,5 liter
Benzinemotor V8 10,2 liter
Dieselmotor D5 12,5 liter
Airconditioning 1000 g Olie: PAG
Koudemiddel R134a (HFC134a)met A/C achterin 1300 g
Remvloeistof 0,6 liter DOT 4+
Stuurbekrachtiging Systeem 1,0 liter Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS
M2C204-A of een soortgelijk product met
dezelfde specificaties.
waarvan reservoir 0,2 liter
Ruitensproeiervloeistof 6,5 liter Bij vorst wordt u geadviseerd een door
Volvo aanbevolen antivries aangelengd met
water te gebruiken.
243
Technische gegevens
Brandstof
Verbruik, uitstoot
Motor Versnellingsbak
Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO
2
) in g/km
Tankinhoud
in liter
2.5T B5254T2 Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 11,1(11,2)
1
266(269)
1
80
Automatische versnellingsbak (AW55-51) 11,7(11,8)
1
280(282)
1
T6 B6294T Automatische versnellingsbak (GM4T65) 12,7 304 80
V8 AWD B8444S Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 13,3(13,5)
1
317(322)
1
80
D5 AWD D5244T4 Automatische versnellingsbak (TF-80SC)
9,0(9,0)
1
239(239)
1
68
Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 8,2(8,3)
1
217(219)
1
1. Geldt voor model met zeven zitplaatsen.
244
Technische gegevens
Brandstof
Brandstofverbruik en uitstoot
van kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn
gebaseerd op een gestandaardiseerde
rijcyclus conform EU-richtlijn 80/1268 voor
voertuigen met verbrandingsmotoren. Het
gebruik van extra accessoires kan de
verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de
accessoires het gewicht van de auto
verhogen. Ook de rijstijl en andere niet-
technische factoren kunnen van invloed zijn
op het brandstofverbruik. Bij gebruik van
brandstof met een octaangetal van 91
(RON), neemt het brandstofverbruik toe
terwijl het motorvermogen lager wordt.
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met
een octaangetal van 91, 95 en 98 RON.
91 RON mag u niet gebruiken in 4-cilin-
dermotoren.
95 (RON) is te gebruiken in de normale
rijomstandigheden.
98 (RON) wordt geadviseerd voor een
maximaal rendement tegen een minimaal
brandstofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan
+38 ºC wordt u geadviseerd een brand-
stofsoort met een zo hoog mogelijk octaan-
getal te gebruiken. Dit om optimale prestaties
en een zo laag mogelijk brandstofverbruik te
verkrijgen.
Benzine: Norm NEN-EN 228
Diesel: Norm NEN-EN 590
245
Technische gegevens
Katalysator
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de
motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om
snel op temperatuur te komen.
De katalysator bestaat uit een monoliet
(keramiek of metaal) met kanalen. De wanden
van de kanalen zijn bekleed met platina/
rodium/palladium. De metalen hebben een
katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een
chemische reactie zonder dat ze daar zelf
actief aan deelnemen.
Lambdasonde
TM
(zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het
regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te
beperken en de energie-inhoud van de
brandstof beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstof-
gehalte van de uitlaatgassen die de motor
verlaten. De meetwaarde van de uitlaat-
gasanalyse wordt doorgegeven aan het
elektronische systeem dat continu de injec-
toren afregelt. Het lucht-brandstofmengsel
dat de motor krijgt, wordt continu bijgesteld.
De regeling schept de ideale omstandig-
heden voor een effectieve verbranding van de
schadelijke stoffen (koolwaterstoffen,
koolmonoxide en stikstofoxiden) in de
driewegkatalysator.
246
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkel-
polig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt. De minpool is verbonden met het chassis.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde
koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft
(zie sticker op de accu).
Accu
Prestaties Motor
2.5T T6 V8 AWD D5 AWD
Spanning 12 V 12 V 12 V 12 V
Koudestartcapaciteit
(CCA)
600 A
1
600 A
1
600 A
1
800 A
Reservecapaciteit (RC) 120 min. 120 min. 120 min. 170 min.
1. Op een auto met standverwarming zit een accu van 800 A.
Dynamo
Prestaties Motor
2.5T T6 V8 AWD D5 AWD
Max. stroomsterkte (A) 140 160 170 140
Startmotor
Prestaties Motor
2.5T T6 V8 AWD D5 AWD
Vermogen (kW) 1,4 1,7 2,0 2,2
247
Technische gegevens
Elektrisch systeem
Gloeilampen
Verlichting Vermogen W Lampvoet
1. Groot licht/dimlicht 55 H7
2. Bi-Xenon-systeem 35 D2R
3. Mistlampen vóór 55 H1
4. Stadslichten/parkeerlichten vóór, zijmarkerings-
lichten vóór, kentekenplaatverlichting, instapver-
lichting achter
5 W 2,1x9,5d
5. Richtingaanwijzers voor, mistachterlicht 21 BAY9s
6. Zijrichtingaanwijzers 5 W 2,1x9,5d
7. Remlichten, achteruitrijlichten 21 BAY15d
8. Richtingaanwijzers achter 21 BA 15s
9. Achterlichten 4 BAZ15s
10. Make-upspiegel 1,2 SV5,5
11. Instapverlichting voor, bagageruimteverlichting 5 SV8,5
Verlichting dashboardkastje 3 BA9
248
Technische gegevens
249
Alfabetisch register
A
Aanhanger .................................................... 130
Aanhangergewicht ......................................237
Aanrijdingssensoren ......................................21
Aanstaande moeders ....................................11
Aansteker/elektrische aansluiting ...............50
ABS ...................................................................45
Accu ............................... 129
, 171, 179, 246
Achterbank, hoofdsteunen ...........................91
Achterbank, ruggedeelte omklappen .........90
Achterlamphuis ............................................ 186
Adaptief systeem .........................................118
Afneembare trekhaak ................................. 134
Afstandsbediening ............................100
, 202
Afstemfunctie, automatische .................... 214
Airbag, passagierszijde .................................14
Airbags .............................................................26
Airconditioning achter in
passagiersruimte ............................................49
Alarm .............................................................. 212
Alarmdiode ................................................... 109
Alarmlichten .....................................................51
Alarmsensoren ................................................50
Audio, bedieningspanelen ........................ 199
Auto wassen .................................................164
AUTO, ECC ....................................................74
Automatische vergrendeling ..................... 103
Automatische versnellingsbak .................. 118
Automatische versnellingsbak,
beveiligingssystemen .................................118
B
Bagagenet ...................................................... 94
Bagagerolhoes ............................................... 96
Bagageruimte ...............................................189
Banden
maataanduiding .....................................148
rijeigenschappen ..................................148
slijtage-indicatoren ...............................149
snelheidsaanduidingen .......................148
Bandenreparatie, provisorisch ..................157
Bandenspanning, aanbevolen ..................151
Batterijtje vervangen,
afstandsbediening .......................................102
Bekleding reinigen ......................................165
“Belangrijk”-kaders ...........................................2
Benzinekwaliteit ...........................................244
Bergen ...........................................................127
Bescherming tegen whiplash .....................22
Beslagen ruiten .............................................. 68
Beveiliging tegen overbelasting ................. 66
Blaasmonden ................................................. 69
BLIS .......................................................50
, 143
Boordcomputer .............................................. 56
Brandstofmeter ..............................................43
Brandstofsysteem ........................................173
Brandstofverbruik ........................................244
Brandstofverbruik, actueel ........................... 56
Buitenspiegels, elektrisch verwarmde ...... 51
Buitenspiegels, inklapbare .......................... 50
Buitentemperatuurmeter .............................. 43
C
Cd/md ........................................................... 216
Cd/md, scannen ......................................... 216
Cd’s uitwerpen ............................................ 219
Cd-wisselaar ................................................ 218
Condensatie ................................................. 173
Contactsleutel .............................................. 116
Controle- en waarschuwingslampjes ........43
D
Dagteller ...........................................................43
Dashboardkastje ................................. 86
, 104
Dimlicht ................................................. 52
, 184
Disctekst ....................................................... 216
Display ..............................................................47
Dode hoek (BLIS) ....................................... 143
Doorwaaddiepte .......................................... 112
DSTC ............................................. 46
, 49, 124
Dynamo ......................................................... 246
E
ECC, luchtverdeling ......................................74
Elektrisch kinderslot ................................... 107
Elektrisch systeem ...................................... 246
Elektrisch verwarmde voorstoelen ..............71
Elektrische achterruitverwarming ................71
Elektrische buitenspiegelverwarming ........71
Elektronische startblokkering ................... 100
EON ............................................................... 215
250
Alfabetisch register
Equalizer ........................................................ 207
Extra verwarming ............................................77
F
“Follow-Me-Home”-verlichting .....................53
Functies afstandsbediening ...................... 101
Functies audiosysteem .............................. 204
G
Geïntegreerd kinderzitje ...............................32
Geluidsregeling ........................................... 205
Gemiddeld brandstofverbruik ......................56
Gesprekken, volume ................................... 228
Gevarendriehoek ......................................... 152
Gewicht ......................................................... 237
Gloeilamp kentekenplaatverlichting ........ 188
Gloeilampen .................................................182
Gordelspanners .............................................12
Gordelwaarschuwing ....................................11
Groot licht .....................................43
, 52, 184
Groot licht, wisselen, grootlichtsignalen ...53
H
Handmatige schakelstanden,
keuzehendel ................................................. 120
Handset .........................................................227
Herstellen, lakschade .................................166
Herstellen, roestwering .............................. 168
Hoofdtelefoonaansluitingen ...................... 201
I
IMEI-nummer ................................................230
In de was zetten en poetsen .....................165
Informatiedisplay ............................................ 47
Infotainment ..................................................198
Instapverlichting ...........................................189
Instellen, nieuws ..........................................210
Instrumentenverlichting ................................ 52
Interieurverlichting ......................................... 83
Interior Air Quality System, ECC ................ 73
Intervalstand ................................................... 54
ISOFIX-bevestigingssysteem ...................... 34
K
Katalysator .....................................................245
Keuzehendelblokkering ..............................119
Kickdown .......................................................118
Kilometerteller ................................................. 43
Kinderen in de auto, plaats .......................... 30
Kinderslot ..............................................49
, 106
Kinderzitje, monteren .................................... 34
Kinderzitjes en airbags ................................. 28
Kinderzitjes en SIPS-airbags ...................... 19
Kleurcode, lak ...............................................166
Klokje ................................................................ 43
Knalgas ..........................................................180
Knipperlichten ..............................................185
Koelvloeistof .................................................176
Kooldioxide ...................................................244
Koplampen ......................................................52
Koplamphoogteverstelling ...........................52
Koplamphuis ................................................ 183
Koplampsproeiers ..........................................55
Koppelingsolie ............................................. 177
Koppelingsvloeistof .................................... 177
Koude start ................................................... 118
Koudemiddel ...................................................68
L
Lading in de bagageruimte ..........................93
Lagetonenluidspreker ................................ 206
Lak, kleurcode .............................................166
Lambdasonde .............................................. 245
Lichtbundel ................................................... 140
Lichtsignaal .....................................................53
Lock-up ......................................................... 118
Lopende gesprekken, functies ................. 228
Luchtverdeling, A/C .......................................71
M
Make-upspiegel ...........................................189
Maten ............................................................. 237
Melding, display .............................................47
Menusysteem ............................................... 200
Menusysteem, audio .................................. 220
Milieubeleid ....................................................... 3
Mistachterlicht ............................................. 188
Mistlampen ................................................... 185
Mistlichten .......................................................52
Motorkap ....................................................... 172
251
Alfabetisch register
Motorolie .............................................174, 240
Motoroliesticker ........................................... 236
Motorruimte .................................................. 172
MY KEY .........................................................221
N
“N.B.”-teksten ................................................... 2
Nieuwe auto’s en gladde wegen ............. 112
O
Oliedruk ............................................................45
Oliefilter ......................................................... 174
Oliekwaliteit .................................................. 240
Ontgrendelen ............................................... 103
Opbergmogelijkheden in
passagiersruimte ............................................85
Opblaasgordijn .......................................21
, 26
Openen, achterklep .......................................60
Openen, motorkap .........................................59
Overbelasting, accu ................................... 113
P
PACOS ............................................................17
Parkeerhulp .......................................... 50
, 125
Parkeerlichten ..............................................184
Parkeerlichten vóór ........................................52
Parkeerrem ......................................................58
PI zoeken ...................................................... 210
Poetsen en in de was zetten .................... 165
Programmatypes, volumeregeling ............205
PTY, programmatype ..................................212
R
Radiotekst .....................................................211
RDS ................................................................210
Recirculatie ..................................................... 70
Regensensor .................................................. 54
Regionale radioprogramma’s, REG ........214
Relais- en zekeringenkastje .......................191
Remolie ..........................................................177
Remsysteem ................................................... 45
Remvloeistof .................................................177
Reservewiel ...................................................153
Reservewiel “Temporary Spare” ..............152
Resetten, RDS .............................................215
Richtingaanwijzers ......................43
, 53, 185
Rijklaar gewicht ............................................237
Roetfilter ........................................................115
Roetfilter, diesel ...........................................115
Ruitensproeier en wisser, achterklep ........ 55
Ruitensproeiers .............................................. 55
Ruitensproeiervloeistof ...............................176
Ruitenwissers ................................................. 54
S
Safelock-functie ...................................50, 104
Scannen, SCAN ..........................................210
Schakelstanden, zesversnellingsbak .......117
Schoon aan binnen- en buitenkant ...............3
Schoonmaken, auto wassen .................... 164
Serviceprogramma ..................................... 170
SIM-kaart ...................................................... 226
SIM-kaart, dubbele ..................................... 230
SIPS-airbags ...................................................19
SIPS-airbagsysteem ......................................20
Sleepoog ......................................................128
Slepen ........................................................... 127
Sleutel ............................................................ 100
Smeermiddelen ........................................... 242
Snelheidsmeter ..............................................43
SRS, schakelaar .............................................18
SRS-systeem ..................................................15
Stabiliteitssysteem ...................................... 124
Stadslichten ................................................. 184
Stadslichten en achterlichten ......................52
Stand-by ........................................................ 225
Stand-bystand .............................................225
Standverwarming, accu en brandstof ........77
Standverwarming, parkeren .........................76
Startblokkering ..................................100
, 116
Starten met hulpaccu ................................. 129
Startmotor ..................................................... 246
STC ................................................................ 124
Stoel, elektrisch bedienbare ........................81
Stoel, zithouding ............................................80
Stuurbekrachtigingsvloeistof .................... 177
Stuurslot ........................................................ 116
Stuurwielafstelling ..........................................59
Subwoofer .................................................... 206
Surround ....................................................... 206
252
Alfabetisch register
T
Tanken ........................................................... 114
Tankvulklep ................................................... 114
Telefoon, aan/uit-knop ............................... 225
Telefoon, sneltoetsen ................................. 225
Telefoonboek ...............................................228
Telefoonfuncties .......................................... 224
Telefoongesprek, volume verlagen .......... 225
Telefoonsysteem, overzicht ....................... 223
Temperatuurmeter ..........................................43
Timer .................................................................70
Toerenteller ......................................................43
Toetsenset op stuurwiel ............................200
Totaalgewicht ............................................... 237
Tractieregeling ............................................. 124
Trekhaak ........................................................ 132
U
Uitlaatgasreinigingssysteem ........................45
V
Van nummer wisselen, cd/md .................. 216
Veiligheidsgordel schoonmaken .............. 165
Veiligheidsgordels .........................................10
Veiligheidsrek ..................................................95
Veiligheidsuitrusting voor kinderen ............27
Ventilator ..........................................................71
Ventilator, ECC ...............................................75
Vergrendelen ................................................103
Vergroten, bagageruimte ............................. 92
Verkeersinformatie, TP ...............................211
Verkort kiezen ...............................................227
Verlichting .....................................................182
Verschuifbare stoel ....................................... 90
Versneld spoelen .........................................216
Verstralers ....................................................... 50
Viscositeit ......................................................240
Vlekken ...........................................................165
Vloeistoffen ...................................................242
Vloermatten ..................................................... 86
Voertuiggegevens ........................................170
Vogelpoep .....................................................164
Volumeregeling ............................................204
Volvo Car Corporation en het milieu ............3
Voorstoel, rugleuning omklappen .............. 80
Voorstoelen, elektrisch verwarmde ............ 51
“Voorzichtig”-teksten .......................................2
W
Waarschuwingskaders ....................................2
Waarschuwingsteksten ...................................2
Whiplash-letsel .............................................. 22
WHIPS-systeem ............................................ 22
Wielen
demonteren ............................................154
draairichting ...........................................150
monteren .................................................156
Willekeurige afspeelvolgorde ....................218
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM ..................................................... 216
Winterbanden ..............................................149
Wisserbladen ............................................... 178
Z
Zenders opslaan ...............................208, 209
Zenders zoeken ........................................... 208
Zijknipperlichten .......................................... 185
Zijmarkeringslichten ...................................184
Zijrichtingaanwijzers ................................... 185
Zoeken, PTY ................................................. 213
Zonnescherm ..................................................66
Zuinig rijden ................................................. 112
2006
WEB EDITION
TP 8197 (Dutch). AT 0540. Printed in Sweden, Elanders Infologistics Väst AB, Mölnlycke 2005
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254

Volvo 2007 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor