Renault Clio Handleiding

Type
Handleiding
Renault CLIO
Instructieboekje
Castrol, exclusieve partner van Renault
Profiteer van de geavanceerde technologie uit de autosport dankzij het speciaal door Renault en Castrol
ontwikkelde assortiment motoroliën dat garant staat voor optimale prestaties en een lange levensduur
van uw Renault.
Aanbevolen door Renault
renault.com
Sans titre-22 1 08/11/2019 12:07
bienvenue à bord de votre véhicule ..........
(page courante)
information et conseils généraux ...............
(page courante)
bienvenue à bord de votre véhicule
introduction générale ..........................
(page courante)
0.1
NLD_UD59084_2
Bienvenue (XJA - Renault)
Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de constructeur van de auto.
Welkom aan boord van uw auto
Dit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In
dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven. De aanwezigheid ervan in de auto is af-
hankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.
Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.
De schema’s in de gebruikershandleiding zijn voorzien van voorbeelden.
Wij wensen u een goede reis in uw auto.
In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:
uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.
de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften.
zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.
Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast.
Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.
De volgende symbolen kunnen u helpen:
en Deze verschijnen in de auto en geven aan dat u de handleiding moet raadplegen voor informatie over en/of beperkingen voor
handelingen met betrekking tot de uitrusting van uw auto.
Overal in de handleiding verwijst een overdracht naar een pagina.
dit duidt overal in het instructieboekje op een risico, een gevaar of een veiligheidsadvies.
accès
véhicule ................................................
(page courante)
éclairage :
extérieur ...............................................
(page courante)
vitres ..........................................................
(page courante)
pneumatiques ............................................
(page courante)
trappe à carburant .....................................
(page courante)
rétroviseurs ................................................
(page courante)
0.2
NLD_UD69557_3
Exterieur (BJA - X52 Ph2 Amérique - Renault)
BUITENKANT
Elektrische ruiten 3.18
Ruitenwissers 1.106 en 1.111
Ontwasemen 3.6 en 3.10
Verlichting: werking 1.98
Verlichting: vervangen 5.14
L Tanken van brandstof/LPG 1.113
De banden 5.11
Onderhoud van de carrosserie 4.15
Spiegels 1.96
Sleutel/afstandsbediening 1.2
card 1.6
portieren vergrendelen, ontgren-
delen 1.13
position de conduite
réglages ...............................................
(page courante)
sièges ........................................................
(page courante)
rangements/aménagements ......................
(page courante)
sécurité enfants .........................................
(page courante)
enfants .......................................................
(page courante)
0.3
NLD_UD59099_2
Habitacle (XJA - Renault)
INTERIEUR
De juiste zithouding 1.23
Op de voorplaats(en) 1.21
Hoofdsteunen voor 1.20
Voor de veiligheid van de kinde-
ren 1.37
Opbergruimte, indeling interieur 3.25
Bagageruimte opbergruimte/inde-
ling 3.35
Achterbank 3.32
Hoofdsteun achter 3.31
poste de conduite ......................................
(page courante)
planche de bord .........................................
(page courante)
tableau de bord..........................................
(page courante)
commandes ...............................................
(page courante)
0.4
NLD_UD69558_3
Poste de conduite (BJA - Renault)
BESTUURDERSPOSITIE
Instrumentenpaneel 1.64
Knop voor het starten/stoppen van
de motor 2.6
Knoppen boordcomputer 1.77
Snelheidsregelaar 2.96
Adaptieve snelheidsregelaar Stop
and Go 2.101
Snelheidsbegrenzer 2.92
Ontgrendelen van de motor-
kap 4.2
Verlichting buitenkant 1.98
Afstellen van het stuurwiel
1.94
Startschakelaar met sleutel
2.3
Verwarming-/
Airconditioningsysteem 3.6
Multimediascherm 3.16
Versnellingshendel. 2.22
Parkeerrem 2.23
Verwarmde stoel(en) 1.21
Laadzone telefoon 3.25
GPL-commando 1.94
aides à la conduite.....................................
(page courante)
assistance à la conduite ............................
(page courante)
conduite .....................................................
(page courante)
0.5
NLD_UD58833_2
Aides à la conduite (XJA - Renault)
RIJHULPSYSTEMEN
ABS (antiblokkeersysteem)
ESC (elektronische stabiliteitscontrole)
Rembekrachtiging
Hulp bij wegrijden op een helling 2.44
Stoppen en Starten 2.10
Waarschuwing bij verlies van ban-
denspanning 2.38
Snelheidsbegrenzer 2.92
Lane departure warning 2.49
Dodehoekwaarschuwing 2.60
Detectie van verkeersborden 2.88
Snelheidsregelaar 2.96
Parkeerhulp 2.114
Achteruitrijcamera 2.119
Parkeerhulp 2.121
Waarschuwing veiligheidsafstand 2.67
360° camera 2.71
Rijstrookassistent 2.54
Actieve noodrem 2.80
Adaptieve snelheidsregelaar Stop
and Go 2.101
ceintures de sécurité .................................
(page courante)
airbag.........................................................
(page courante)
0.6
NLD_UD62000_3
Sécurité à bord (BJA - Renault)
VEILIGHEID IN DE AUTO
Voorste Airbags 1.28
Deactiveren van de passagier-
sairbag voorin 1.57
Zijdelingse Airbags 1.35
Autogordels 1.23
ZijruitAirbags 1.35
identification du véhicule ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
plaques d’identification véhicule ................
(jusqu’à la fin de l’UD)
pression des pneumatiques.......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
0.7
NLD_UD59101_2
Identification (XJA - Renault)
EEN AUTO IDENTIFICEREN - ETIKETTEN
Identificatieplaatje motor
6.3
Beoordeling van een voertuigidentifica-
tienummer 6.2
Bandenspanningsetiketten 2.38
4.11
Identificatieplaatje 6.2
niveaux ......................................................
(page courante)
batterie.......................................................
(page courante)
0.8
NLD_UD59102_2
Compartiment moteur (XJA - Renault)
DE MOTORRUIMTE (periodiek onderhoud)
Motorkap openen 4.2
Koelvloeistof 4.8
Dop motoroliereservoir 4.5
Peilstaaf motorolie 4.4
Ruitensproeiervloeistof 4.8
remvloeistof 4.8
Accu: 4.13
dépannage ................................................
(page courante)
crevaison ...................................................
(page courante)
fusibles ......................................................
(page courante)
remorquage ...............................................
(page courante)
essuie-vitres/lave-vitre ...............................
(page courante)
0.9
NLD_UD62001_3
Dépannage (BJA - Renault)
PECHHULP
Vervangen van een/de
ruitenwisserblad(en) voorruit
5.33
Vervangen van de
lampen van de koplam-
pen 5.14
Sleeppunt voor 5.35
Vervangen van het ruiten-
wisserblad achter 5.33
Vervangen van de
lampen van de achter-
lichten 5.15
Sleeppunt achter 5.35
Zekeringen 5.29
Lekke band:
De gereedschappen
5.7
Reservewiel 5.2
Verwisselen van een wiel
5.9
0.10
NLD_UD53776_1
Filler NU (XJA - Renault)
0.11
NLD_UD64522_2
Sommaire Général (BJA - Renault)
Ken uw auto  .................................................................
Rijden  ...........................................................................
Comfort  ........................................................................
Onderhoud  ...................................................................
Praktische tips .............................................................
Technische gegevens  .................................................
Alfabetische inhoudsopgave  .....................................
Hoofdstuk
1
INHOUD
2
3
4
5
6
7
0.12
NLD_UD53778_1
Filler NU (XJA - Renault)
1.1
NLD_UD69628_6
Sommaire 1 (BJA - Renault)
Hoofdstuk 1: Ken uw auto
Sleutel, afstandsbediening radio: algemene informatie, gebruik, extra portiervergrendeling . . . . . . . . . . . . . . 1.2
Kaart: algemene informatie, gebruik, extra portiervergrendeling. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.6
Portieren vergrendelen, ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.13
Portieren openen en sluiten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.17
Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.19
Hoofdsteun – stoelen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.20
Autogordels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.23
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.28
bij de autogordels voorin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.28
bij de autogordels achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.34
aan de zijkant . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.35
Kinderveiligheid: algemene informatie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.37
keuze van de bevestiging van het kinderzitje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.40
installatie van het kinderzitje, algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.43
Kinderzitjes: bevestiging met de autogordel of met het Isofix-systeem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.45
uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.57
Bedieningsorganen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.60
Instrumentenpaneel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.64
Displays en meters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.70
boordcomputer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.77
Menu voor het personaliseren van de auto-instellingen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.89
Klok en buitentemperatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.92
Stuurwiel, stuurbekrachtiging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.94
Spiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.96
VERLICHTING EN SIGNALEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.98
CLAXON EN LICHTSIGNALEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.104
Afstellen van de koplampen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.105
Ruitenwissers, ruitensproeiers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.106
Brandstoftank (brandstof tanken) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.113
Reagenstank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.118
clés ............................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
condamnation des portes ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
télécommande de verrouillage ..................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clé/télécommande à radiofréquence
utilisation ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
porte de coffre ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux de jour ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.2
NLD_UD61949_3
Clé, télécommandes à radiofréquence : généralités (BJA - Renault)
Clé, télécommande à radiofréquence : généralités, utilisation, supercondamnation
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (1/2)
Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze
bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles-
opener, enz.).
Advies
Stel de afstandsbediening niet bloot aan
warmte, koude of vocht.
Verantwoordelijkheid van
de bestuurder tijdens het
parkeren of stoppen van de
auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind,
een afhankelijke volwassene of een dier
in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, door organen te bedienen zoals
de ruitbediening, of de portieren te ver-
grendelen, enz..
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
4
1
2
3
5
1
2
3
5
1 Vergrendelen van alle portieren
2 Ontgrendelen van alle portieren
3 Contactsleutel en sleutel van het bestuur-
dersportier.
5 Alleen de achterklep ontvergrendelen
Afstandsbediening met inklapbaar inzet-
stuk:
4 Vergrendelen/ontgrendelen van het in-
zetstuk van de sleutel. Om het inzetstuk
vrij te maken van zijn houder, drukt u op
de knop 4, het komt vanzelf naar buiten.
Druk op de knop 4 en begeleid het in-
zetstuk tot in zijn houder.
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.3
NLD_UD61949_3
Clé, télécommandes à radiofréquence : généralités (BJA - Renault)
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (2/2)
Bereik van de FM-
afstandsbediening
Dit wordt beïnvloed door de omgeving: let
er bij het vasthouden van de afstandsbe-
diening op dat de portieren niet per ongeluk
worden vergrendeld of ontgrendeld.
Opmerking: als een portier of de kofferbak
open is of niet goed is gesloten, wordt de
vergrendeling niet uitgevoerd. Er klinkt een
geluidssignaal en de alarm- en zijknipper-
lichten knipperen niet.
Radiostoringen
De werking van de afstandsbediening kan
gestoord worden in de omgeving van een
zendinstallatie of bij gebruik van apparatuur
die werkt op dezelfde frequentie als de af-
standsbediening.
Vervangen, extra sleutel of afstands-
bediening nodig
Ga uitsluitend naar een merkdealer:
het vervangen van een sleutel moet
altijd bij een merkdealer gebeu-
ren, want het systeem moet daarbij
worden gereset met alle sleutels;
afhankelijk van de auto kunt u maxi-
maal vier afstandsbedieningen ge-
bruiken.
Als de afstandsbediening niet werkt:
Controleer of de batterij goed en van het
juiste model is en correct is geplaatst.
De batterijen hebben een levensduur
van ongeveer twee jaar.
De accu vervangen 5.20.
portes/porte de coffre ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage des portes ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clés ............................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
télécommande de verrouillage ..................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clé/télécommande à radiofréquence
utilisation ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
accès
véhicule ................................................
(page courante)
type de carburant.......................................
(page courante)
fermeture/ouverture :
des portes ............................................
(page courante)
ouvrants ....................................................
(page courante)
1.4
NLD_UD61950_3
Clé, télécommandes à radiofréquence : utilisation (BJA - Renault)
FM-AFSTANDSBEDIENING gebruik
De auto kan met de afstandsbediening A
worden vergrendeld of ontgrendeld.
Deze wordt gevoed door een batterij die kan
worden vervangen. 5.20.
Portieren vergrendelen
Druk op de vergrendelknop 1.
De zijknipperlichten en de alarmknipperlich-
ten knipperen twee keer om aan te geven
dat de portieren vergrendeld zijn.
Door twee keer op de 1-knop te drukken
wordt de auto vergrendeld en kunnen de
voor- en achterruiten (afhankelijk van de
auto) worden gesloten.
Opmerking: als een portier of de kofferbak
open is of niet goed is gesloten, wordt de
vergrendeling niet uitgevoerd. Er klinkt een
geluidssignaal en de alarm- en zijknipper-
lichten knipperen niet.
A
Ontgrendelen van de portieren
Met een druk op knop 2 kunnen de portieren
ontgrendeld worden.
Het ontgrendelen wordt aangeduid met
één keer knipperen van de alarmknipper-
lichten en de knipperlichten.
Opmerking: met contact aan en draaiende
motor 2.3, de knoppen van de afstands-
bediening zijn niet geactiveerd.
Enkel de achterklep
vergrendelen
Druk op de knop 3 en houd deze ingedrukt.
De achterklep gaat een klein stukje open.
Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen
van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier
in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door
organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz..
Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel
oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
1
2
3
1
2
3
Afhankelijk van de auto worden de bui-
tenspiegels automatisch in-/uitgeklapt
bij het ver-/ontgrendelen van de auto.
1.96.
clés ............................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
super condamnation des portes ................
(jusqu’à la fin de l’UD)
condamnation des portes ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
accès
véhicule ................................................
(page courante)
clé /télécommande
supercondamnation .............................
(page courante)
télécommande
supercondamnation .............................
(page courante)
verrouillage/déverrouillage des ouvrants ...
(page courante)
1.5
NLD_UD61951_3
Télécommande à radio fréquence : super condamnation (BJA - Renault)
FM-AFSTANDSBEDIENING: extra portiervergrendeling
Gebruik nooit de extra por-
tiervergrendeling als er nog
iemand in de auto zit.
Als de auto extra portiervergrendeling heeft,
kunnen hiermee de portieren worden ver-
grendeld en niet met de handgrepen aan
de binnenkant van de portieren worden ont-
grendeld (na het inslaan van een ruit om het
portier van binnenuit te openen).
Druk hiervoor twee keer snel achter elkaar
op de knop 1.
Bij het vergrendelen knipperen de alarm-
knipperlichten en zijknipperlichten twee keer
langzaam en drie keer snel.
Afhankelijk van de auto worden de buiten-
spiegels automatisch ingeklapt bij het ver-
grendelen van de auto. 1.96.
1
1
portes/porte de coffre ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage des portes ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clé de secours ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte : utilisation.........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
porte de coffre ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
coffre à bagages ........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
décondamnation des portes ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
condamnation des portes ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
fermeture des portes .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux de jour ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
accès
véhicule ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage/déverrouillage des ouvrants ...
(jusqu’à la fin de l’UD)
télécommande
badge ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
télécommande
carte .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
badge ........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
trappe à carburant .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.6
NLD_UD61952_3
Carte : généralités (BJA - Renault)
Carte : généralités, utilisation, supercondamnation
KAART: algemeen (1/2)
Met de kaart kunt u:
de portieren, de achterklep en de tan-
kdopklep vergrendelen/ontgrendelen
(raadpleeg de volgende bladzijdes);
de verlichting inschakelen op afstand van
de auto (raadpleeg de volgende bladzij-
des);
Automatisch op afstand sluiten van de
elektrisch bediende ruiten 3.18;
motor starten 2.6.
Actieradius
Controleer of de batterij goed en van het
juiste model is, en plaats het correct. De
levensduur is ongeveer twee jaar: moet
worden vervangen als het bericht “Batterij
kaart bijna leeg” op het instrumentenpaneel
wordt weergegeven 5.22.
Bereik van de card
Het bereik van de afstandsbediening wordt
beïnvloed door de omgeving. Let er op dat
de portieren niet per ongeluk worden ver-
grendeld of ontgrendeld doordat u onopzet-
telijk op een knop op de kaart drukt.
Opmerking: als een portier of de kofferbak
open is of niet goed is gesloten, wordt de
vergrendeling niet uitgevoerd. Er klinkt een
geluidssignaal en de alarm- en zijknipper-
lichten knipperen niet.
Radiostoringen
De werking van de kaart kan gestoord
worden in de omgeving van een zendinstal-
latie of bij gebruik van apparatuur die werkt
op dezelfde frequentie als de kaart.
Bij lege batterij, kunt u de auto altijd
vergrendelen/ontgrendelen en starten.
1.13 2.6.
1
2
3
4
1 Ontgrendelen van alle portieren.
2 Vergrendelen van alle portieren.
3 Alleen de achterklep ontgrendelen
4 Op afstand inschakelen van de ver-
lichting.
sécurité enfants .........................................
(page courante)
1.7
NLD_UD61952_3
Carte : généralités (BJA - Renault)
KAART: algemeen (2/2)
Advies
Stel de kaart niet bloot aan warmte,
koude of vocht.
Bewaar de kaart niet op een plek waar
deze verbogen of beschadigd kan raken,
bijvoorbeeld als u op de kaart gaat zitten
als deze in uw achterzak zit.
Vervangen: extra kaart nodig
Als u de kaart verliest of een extra kaart
nodig hebt, kunt u deze bestellen bij een
merkdealer.
Als u een kaart vervangt, moet u met de
auto en alle kaarten naar een merkdea-
ler gaan om het systeem te resetten.
U kunt maximaal vier kaarten per auto
gebruiken.
Functie “verlichting op afstand”
Als u op de knop 4 drukt, gaan de dimlich-
ten en de buitenverlichting gedurende onge-
veer 20 seconden aan. Hiermee kan de auto
op afstand herkend worden, bijvoorbeeld op
een parkeerterrein.
Als u op de knop 4 drukt en deze ingedrukt
houdt gedurende ongeveer twee seconden,
wordt de buitenverlichting ingeschakeld en
klinkt een geluidssignaal.
NB: nog een druk op knop 4 dooft de ver-
lichting.
4
Verantwoordelijkheid van
de bestuurder tijdens het
parkeren of stoppen van de
auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind,
een afhankelijke volwassene of een dier
in de auto achter als u deze verlaat.
Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, organen te bedienen zoals bij-
voorbeeld de ruitbediening, of de portie-
ren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
portes / porte de coffre ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage des portes ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte : utilisation.........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
condamnation des portes ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sécurité enfants .........................................
(page courante)
décondamnation des portes ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
fermeture des portes .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
accès
véhicule ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
badge ........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte « mains libres » : utilisation ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
télécommande ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ouvrants ....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
commandes
des portes/ouvrants .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.8
NLD_UD61953_3
Carte en mode mains libres : utilisation (BJA - Renault)
HANDSFREE KAART: gebruik (1/4)
Bewaar de kaart niet op een plaats waar
andere elektronische apparaten (com-
puter, telefoon, enz.) de werking ervan
kunnen verstoren.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder tijdens het parke-
ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes,
een kind, een afhankelijke volwassene
of een dier in de auto achter als u deze
verlaat.
Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, organen te bedienen zoals bij-
voorbeeld de ruitbediening, of de portie-
ren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
Er zijn drie manieren voor het vergrendelen/
ontgrendelen van de auto:
– handsfree, terwijl men naar de auto toe
loopt of ervan wegloopt;
handsfree met behulp van de knop 2 op
de handgreep 1 van een van de voorpor-
tieren;
de kaart gebruiken in de afstandsbedie-
ningsmodus.
2
De handsfree-functie uit- of
inschakelen
Afhankelijk van de auto kunt u deze functies
uit- of inschakelen:
de auto ontgrendelen terwijl men ernaar
toe loopt en vergrendelen terwijl men
ervan wegloopt;
de auto vergrendelen of ontgrendelen
door te drukken op de knoppen van de
portierhandgreep.
Ook het geluidssignaal dat klinkt als de
auto wordt vergrendeld terwijl men ervan
wegloopt, kan worden uit- of ingeschakeld.
1.89.
1
1.9
NLD_UD61953_3
Carte en mode mains libres : utilisation (BJA - Renault)
HANDSFREE KAART: gebruik (2/4)
Indien de kaart ongeveer 15 minuten binnen
de toegangszone 3 blijft, wordt de vergren-
deling op afstand uitgeschakeld. Om de auto
te vergrendelen drukt u op de knop 2 op de
handgreep 1 of op de knop 5 op de kaart.
De auto kan alleen worden vergrendeld als
de kaart binnen de zone 4 is.
Handsfree vergrendelen terwijl
men van de auto wegloopt
Als u van de auto wegloopt met de kaart bij
u en met de portieren en achterklep geslo-
ten, wordt de auto automatisch vergrendeld
zodra u de toegangszone 3 verlaat.
N.B.: de afstand waarop de auto vergren-
deld wordt, hangt af van de omgeving.
U kunt zien dat de auto wordt vergrendeld
doordat de alarmknipperlichten tweemaal
knipperen en vervolgens gedurende onge-
veer vier seconden branden; ook hoort u
een geluidssignaal.
3
4
5
Handsfree ontgrendeling bij het
naderen van de auto;
Als de kaart in de toegangszone 3 is, wordt
de auto ontgrendeld. Het ontgrendelen ziet
u aan het één keer oplichten van de knip-
perlichten en de zijknipperlichten.
Afhankelijk van de auto worden de bui-
tenspiegels automatisch in-/uitgeklapt
bij het ver-/ontgrendelen van de auto.
1.96.
1.10
NLD_UD61953_3
Carte en mode mains libres : utilisation (BJA - Renault)
Handsfree vergrendelen/
ontgrendelen met knop 2
Druk, met de kaart in gebied 3 en de auto
vergrendeld, op de knop 2 op de hand-
greep 1 op een van de twee voorportieren:
de auto wordt ontgrendeld. Met een druk op
knop 2 wordt ook de hele auto ontgrendeld.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer
oplichten van de knipperlichten en de
zijknipperlichten.
Met een volgende druk op de knop 2 wordt
de auto weer vergrendeld.
HANDSFREE KAART: gebruik (3/4)
U kunt zien dat de auto is vergrendeld door-
dat de alarmknipperlichten tweemaal knip-
peren en vervolgens gedurende ongeveer
vier seconden branden; ook hoort u een ge-
luidssignaal.
Bijzonderheden met betrekking
tot het ontgrendelen
Automatische ontgrendeling bij benadering
van de auto wordt uitgeschakeld indien de
auto gedurende acht dagen niet is gebruikt.
Druk op de knop 2 (handgreep van voorpor-
tier of achterklep) of gebruik de kaart met
afstandsbediening (zie de volgende pagi-
na’s) om het voertuig te ontgrendelen en de
modus opnieuw te activeren.
Bijzonderheden met betrekking
tot handsfree vergrendelen
Nadat de auto is vergrendeld met de hands-
free-functie, moet u ongeveer drie secon-
den wachten voordat u de auto weer kunt
ontgrendelen. Tijdens deze drie seconden
kunt u nagaan of de auto goed vergrendeld
is door aan de handgrepen van de deuren
te trekken.
Opmerking: als een portier of de kofferbak
open is of niet goed is gesloten, wordt de
vergrendeling niet uitgevoerd. Er klinkt een
geluidssignaal en de alarm- en zijknipper-
lichten knipperen niet.
4
1
2
1.11
NLD_UD61953_3
Carte en mode mains libres : utilisation (BJA - Renault)
Vergrendelen met de kaart
Met de portieren en de bagageruimte geslo-
ten, druk op de knop 5: de auto wordt ver-
grendeld.
U kunt zien dat de auto is vergrendeld door-
dat de alarmknipperlichten tweemaal knip-
peren en vervolgens gedurende ongeveer
vier seconden branden; ook hoort u een ge-
luidssignaal.
Door twee keer op de knop 5 te drukken
wordt de auto vergrendeld en kunnen de
voor- en achterruiten (afhankelijk van de
auto) worden gesloten.
Opmerking:
de maximale afstand waarop de auto ver-
grendeld wordt, hangt af van de omge-
ving;
als een portier of de achterklep open is of
niet goed is gesloten, wordt de vergren-
deling niet uitgevoerd. Er klinkt een ge-
luidssignaal en de alarm- en zijknipper-
lichten knipperen niet.
Als de motor draait werken de knoppen
van de card niet.
Gebruik van de card met
afstandsbediening
Ontgrendelen met behulp van de kaart
Druk op de knop 7.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer
oplichten van de knipperlichten en de
zijknipperlichten.
7
HANDSFREE KAART: gebruik (4/4)
Wanneer de card zich bij een gestarte
motor en na het openen en sluiten van een
deur niet langer binnen de zone 4 bevindt,
waarschuwt de boodschap “Kaart niet gede-
tecteerd” u dat de card zich niet langer in de
auto bevindt. Dit helpt bijvoorbeeld voorko-
men dat u wegrijdt nadat een passagier is
uitgestapt met de card bij zich.
De waarschuwing verdwijnt zodra de card
weer gedetecteerd is.
Enkel de achterklep
vergrendelen
Druk op de knop 6 en houd deze ingedrukt.
De achterklep wordt lichtjes geopend.
4
5
6
supercondamnation des portes .................
(page courante)
carte
supercondamnation .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage/déverrouillage des ouvrants ...
(jusqu’à la fin de l’UD)
condamnation des portes ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.12
NLD_UD61954_2
Carte "mains libres" : supercondamnation (BJA - Renault)
HANDSFREE KAART: VERGRENDELING
Als de auto extra portiervergrendeling heeft,
kunnen hiermee de portieren worden ver-
grendeld en niet met de handgrepen aan
de binnenkant van de portieren worden ont-
grendeld (na het inslaan van een ruit om het
portier van binnenuit te openen).
Druk hiervoor twee keer snel achter elkaar
op de knop 1.
Het vergrendelen wordt bevestigd doordat
de alarmknipperlichten en de zijknipperlich-
ten twee keer traag en drie keer snel knip-
peren.
Afhankelijk van de auto worden de buiten-
spiegels automatisch ingeklapt bij het ver-
grendelen van de auto. 1.96.
Gebruik nooit de extra por-
tiervergrendeling als er nog
iemand in de auto zit.
1
condamnation des portes ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
portes / porte de coffre ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage des portes ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
décondamnation des portes ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
fermeture des portes .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ouverture des portes..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
accès
véhicule ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte
clé de secours carte .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte
anomalies de fonctionnement ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte
non démarrage du moteur en mode
mains libres ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
badge ........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte
verrouillage/déverrouillage des
ouvrants ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ouverture/fermeture
ouvrants ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.13
NLD_UD58936_2
Verrouillage / Déverrouillage des portes (XJA - Renault)
Verrouillage, déverrouillage des ouvrants
VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (1/4)
Als de afstandsbediening of,
afhankelijk van de auto, de kaart
niet werkt
In bepaalde gevallen werken de FM-
afstandsbediening of de kaart niet:
batterij van de FM-afstandsbediening of
kaart leeg, accu van de auto ontladen,
enz.
gebruik van apparaten die op dezelfde
frequentie als de card werken (mobiele
telefoon, enz.);
de auto bevindt zich in een sterk elektro-
magnetisch veld.
In dat geval is het mogelijk:
de FM-afstandsbediening of de nood-
sleutel die in de kaart is geïntegreerd (af-
hankelijk van de auto) gebruiken om het
bestuurdersportier te ontgrendelen;
de schakelaar voor het vergrendelen/ont-
grendelen van de portieren van binnen-
uit te gebruiken (raadpleeg de volgende
bladzijden).
In de card geïntegreerde sleutel
De 2 geïntegreerde sleutel kunt u gebrui-
ken om het bestuurdersportier te vergren-
delen of te ontgrendelen wanneer de card
niet werkt.
Toegang tot sleutel 2
Schuif de behuizing achter 1 omlaag terwijl
u op de zone A drukt.
1
A
2
1.14
NLD_UD58936_2
Verrouillage / Déverrouillage des portes (XJA - Renault)
VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (2/4)
Gebruik van de sleutel die in de
kaart is ingebouwd
Steek het uiteinde van de sleutel 2 in de
uitsparing 3 onder aan het afdekkapje B
van het portier van de bestuurder.
Beweeg het omhoog om het afdek-
plaatje B te verwijderen;
steek de sleutel 2 in het slot van het por-
tier van de bestuurder, vergrendel dit en
ontgrendel dit.
Zodra u zich in de auto bevindt, steekt u de
geïntegreerde sleutel terug in de uitsparing
van de kaart.
Auto’s met sleutel,
afstandsbediening
Gebruik van de sleutel
Steek het uiteinde van de sleutel 4 in de
uitsparing 3 onder aan het afdekkapje B
van het portier van de bestuurder;
Beweeg het omhoog om het afdek-
plaatje B te verwijderen;
steek de sleutel 4 in het slot van het por-
tier van de bestuurder, vergrendel dit en
ontgrendel dit.
B
3
2
B
3
4
porte de coffre ...........................................
(page courante)
coffre à bagages ........................................
(page courante)
1.15
NLD_UD58936_2
Verrouillage / Déverrouillage des portes (XJA - Renault)
Schakelaar voor het
vergrendelen/ontgrendelen van
de portieren van binnenuit
De schakelaar 6 bedient gelijktijdig de por-
tieren, de achterklep en de tankdopklep.
Als een portier (of de achterklep) open of
niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgren-
delen de portieren snel.
Als u een voorwerp met geopende achter-
klep vervoert, kunt u toch de portieren ver-
grendelen. Zet hiervoor de motor uit, druk op
de schakelaar 6 en houd deze ingedrukt om
de overige portieren te vergrendelen.
VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (3/4)
Handmatig vergrendelen van de
portieren
Verdraai, met open portier, de schroef 5
(met behulp van het uiteinde van de sleutel)
en sluit het portier.
Nu is het portier van buitenaf vergrendeld.
Het openen kan alleen van binnenuit gebeu-
ren of met de noodsleutel voor het portier
van de bestuurder.
6
5
1.16
NLD_UD58936_2
Verrouillage / Déverrouillage des portes (XJA - Renault)
Vergrendelen van de portieren
zonder kaart of sleutel
Bijvoorbeeld bij een lege batterij of als de
kaart of de sleutel tijdelijk niet werkt, enz.
Druk met de motor uit en een portier of de
achterklep geopend, langer dan vijf secon-
den op de schakelaar 6.
Bij het sluiten van het portier worden alle
portieren en kleppen vergrendeld.
Opmerking: De auto kan van buitenaf
alleen worden ontgrendeld als de kaart zich
in de toegangszone van de auto bevindt of
met behulp van de sleutel.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder
Bedenk dat het rijden met ver-
grendelde portieren een be-
lemmering kan zijn voor hulpverleners in
geval van nood.
Laat nooit een sleutel of kaart
in de auto liggen als u de auto
verlaat.
Controlelampje van de
portiervergrendeling
Wanneer het contact aan is, geeft het 6
waarschuwingslampje in de schakelaar de
staat van de portiervergrendeling aan:
lampje brandt, de portieren zijn vergren-
deld;
lampje uit, de portieren zijn ontgrendeld.
Als u de portieren vergrendelt, blijft het con-
trolelampje branden en dooft daarna.
VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (4/4)
verrouillage des portes ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
fermeture des portes .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ouverture des portes..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
portes.........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
accès
véhicule ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage/déverrouillage des ouvrants ...
(jusqu’à la fin de l’UD)
ouverture/fermeture
ouvrants ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
badge ........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.17
NLD_UD59107_2
Ouverture et fermeture des portes (XJA - Renault)
Ouverture et fermeture des portes
Openen van binnenuit
Trek aan de handgreep 3.
Openen van buitenaf
Voorportieren
Als de portieren ontgrendeld zijn of u de
kaart bij u draagt, houd de handgreep 1 vast
en trek deze naar u toe.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (1/2)
1
3
Uit veiligheidsoverwegingen,
mag u de deur alleen openen
en sluiten als de auto stilstaat.
Achterdeuren
Trek met de portieren ontgrendeld aan de
handgreep 2.
2
sécurité enfants .........................................
(page courante)
enfants (sécurité) .......................................
(page courante)
coffre à bagages ........................................
(page courante)
porte de coffre ...........................................
(page courante)
pour la sécurité des enfants ......................
(page courante)
alarme sonore
oubli de fermeture d’un ouvrant ...........
(page courante)
alarme sonore d’oubli d’éclairage ..............
(page courante)
1.18
NLD_UD59107_2
Ouverture et fermeture des portes (XJA - Renault)
Kinderveiligheid
Een achterportier kan niet van binnenuit
worden geopend als u het knopje 4 omzet.
Controleer of het portier inderdaad niet van
binnenuit geopend kan worden. Herhaal dit
bij het andere achterportier.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (2/2)
Verantwoordelijkheid van
de bestuurder tijdens het
parkeren of stoppen van de
auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind,
een afhankelijke volwassene of een dier
in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, door organen te bedienen zoals
de ruitbediening, of de portieren te ver-
grendelen, enz..
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
Waarschuwingssignaal
verlichting brandt nog
Als bij het openen van een voorportier de
lichten nog branden terwijl het contact is af-
gezet dan klinkt er een signaal om u te waar-
schuwen.
Waarschuwing portier vergeten
te sluiten
Als de auto stilstaat, verschijnt het waar-
schuwingslampje 2 op het instrumenten-
paneel tezamen met een controlelampje dat
aangeeft welk van de portieren en kleppen
(portieren, achterklep) open of niet goed ge-
sloten is.
Zodra de auto ongeveer 10 km/u rijdt, geeft
een waarschuwingslampje aan of een of
meer portieren of de achterklep geopend
zijn of niet correct gesloten zijn. Bovendien
wordt het bericht “Achterklep open” of
Portier open” weergegeven en is een ge-
luidssignaal te horen gedurende 40 secon-
den of tot het portier/de achterklep wordt ge-
sloten.
4
condamnation des portes ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
portes / porte de coffre ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
verrouillage des portes ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
condamnation automatique des ouvrants
en roulage..................................................
(page courante)
fermeture des portes .................................
(page courante)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
ouverture des portes..................................
(page courante)
décondamnation des portes ......................
(page courante)
1.19
NLD_UD58937_2
Condamnation automatique des ouvrants en roulage (XJA - Renault)
De werking van het systeem
Na het wegrijden van de auto, vergrende-
len de portieren automatisch als de auto
een snelheid van ongeveer 10 km/u heeft
bereikt.
De portieren ontgrendelen automatisch:
Door te drukken op de schakelaar van de
portiervergrendeling 1;
bij stilstaande auto, door een voorportier
te openen van in de auto.
NB: na het openen/sluiten van een portier,
vergrendelt dit weer automatisch zodra de
auto 10 km/u rijdt;
Inschakelen/Uitschakelen van
de functie
Om te activeren: druk bij stilstaande auto
met draaiende motor op de schakelaar 1
totdat een geluidssignaal te horen is.
Deactiveren: druk, bij stilstaande auto met
draaiende motor, op de schakelaar 1 tot u
twee geluidssignalen hoort.
De functie kan ook worden ingeschakeld en
uitgeschakeld via het multimediascherm (af-
hankelijk van de auto). 1.89.
Condamnation automatique des ouvrants en roulage
AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDEN
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder
Bedenk dat het rijden met ver-
grendelde portieren een be-
lemmering kan zijn voor hulpverleners in
geval van nood.
1
storingen
Als u een storing constateert (geen automa-
tische vergrendeling, het 1 lampje in waar-
schuwingsschakelaar licht niet op wanneer
de portieren en de achterklep zijn vergren-
deld, enz.), controleert u of de automatische
vergrendeling niet per ongeluk is uitgescha-
keld. Ook controleert u of alle portieren en
de achterklep goed gesloten zijn. Als deze
goed gesloten zijn, moet u een merkdealer
raadplegen.
appuis-tête .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglage de la position de conduite .............
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges avant
réglage .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.20
NLD_UD53787_1
Appuis-tête avant (XJA - Renault)
Appui-tête — Sièges
HOOFDSTEUNEN VOOR
Hoofdsteun hoger zetten
Trek de hoofdsteun tot de gewenste stand
omhoog. Controleer de vergrendeling.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op de knop 2 en duw de hoofdsteun tot
de gewenste stand omlaag. Controleer de
vergrendeling.
A
2
Verwijderen van de hoofdsteun
Zet deze in de hoogste stand (zet de rug-
leuning indien nodig schuin naar achteren).
Wanneer de hoofdsteun in de hoogste stand
staat, drukt u op de knop 2 en trekt u de
hoofdsteun omhoog tot deze vrij komt.
Hoofdsteun terugplaatsen
Controleer of de poten van de hoofdsteun 3
schoon zijn.
Steek de poten van de hoofdsteun in de
houders 1 (zet de rugleuning indien nodig
schuin naar achteren). Schuif de hoofdsteun
naar binnen tot hij blokkeert en druk daarna
op de knop 2 om deze op de gewenste
hoogte af te stellen. Controleer de vergren-
deling van elke poot 3 in de rugleuning.
De hoofdsteun is een veilig-
heidsorgaan, dat altijd op zijn
plaats moet zitten en goed
moet zijn afgesteld. Hij geeft
een maximale beveiliging als de boven-
kant van de hoofdsteun op gelijke hoogte
is met de kruin en de afstand tussen het
achterhoofd en de hoofdsteun bij A zo
klein mogelijk is.
3
1
réglage de la position de conduite .............
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglage des sièges avant...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges avant
réglage .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
accoudoir
avant ....................................................
(page courante)
dossier .......................................................
(page courante)
1.21
NLD_UD58938_2
Sièges avant (XJA - Renault)
Armsteun in het midden 5
(afhankelijk van de auto)
Als u de stand van de armsteun wilt aanpas-
sen, schuift u deze naar voren of naar ach-
teren totdat deze niet verder kan.
Rugleuning verstellen
Trek de handgreep 2 of 4 omhoog en zet
de rugleuning in de gewenste stand. In de
gewenste stand laat u de handgreep los.
Controleer de vergrendeling.
Vooruit of achteruit schuiven
van de stoel
Til de handgreep 1 op en houd deze vast
om de stoel te ontgrendelen. In de gewenste
stand laat u hem los. Controleer of de stoel
vergrendeld is.
Zitting hoger of lager zetten
Beweeg de hendel 3 zo vaak als nodig is
omhoog of omlaag tot de gewenste positie
is bereikt.
VOORSTOELEN (1/2)
2
1
Voer deze verstellingen uit-
sluitend uit als de auto stil-
staat.
Voor een optimale werking van
de autogordels moet u de rugleuningen
niet te veel achterover zetten.
Laat geen spullen op de vloer (bij de be-
stuurder) liggen. In geval van plotseling
remmen zouden deze onder de pedalen
terecht kunnen komen, waardoor de be-
stuurder deze niet meer goed kan bedie-
nen.
3
5
4
sièges chauffants .......................................
(page courante)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.22
NLD_UD58938_2
Sièges avant (XJA - Renault)
VOORSTOELEN (2/2)
Stoelverwarming
Contact aan:
Als u de eerste keer op de schakelaar 6
op de gewenste stoel drukt, wordt de
hoge stand van het verwarmingssysteem
geactiveerd. Beide geïntegreerde waar-
schuwingslichtjes op de schakelaar gaan
branden;
druk een tweede keer op de schake-
laar om de verwarming in de stand laag
te zetten. Een geïntegreerd waarschu-
wingslampje gaat branden;
druk een derde keer om de verwarming
uit te schakelen.
storingen
Wanneer er een storing wordt gedetecteerd,
gaan de waarschuwingslampjes van de
schakelaar 6 voor de betreffende stoel na
ongeveer vijf seconden uit.
Ga naar een merkdealer.
6
ceintures de sécurité .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglage de la position de conduite .............
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges avant
réglage .................................................
(page courante)
position de conduite
réglages ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.23
NLD_UD58834_2
Ceintures de sécurité (XJA - Renault)
Gebruik tijdens het rijden altijd de autogor-
del. Het niet dragen van de gordel is ge-
vaarlijk en strafbaar. Bovendien dient u zich
te houden aan de wetgeving van het land
waarin u zich bevindt
Stel, voordat u start de juiste zithouding
af, en daarna voor alle inzittenden de au-
togordel om de beste bescherming te
krijgen.
Ceintures de sécurité
AUTOGORDELS (1/5)
Een verkeerd afgestelde of ge-
draaide autogordel kan bij een
ongeval letsel veroorzaken.
Gebruik één autogordel per
persoon, kind of volwassene.
Zwangere vrouwen moeten ook hun
gordel dragen. Let in dat geval op dat de
heupgordel niet te veel op de onderbuik
drukt, zonder de gordel te los te dragen.
De juiste zithouding
Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw
mantel, jas, enz. uitgetrokken te hebben).
Dit is belangrijk voor een goede onder-
steuning van de rug;
verschuif de stoel zodat u makkelijk
bij de pedalen kunt komen. Plaats de
stoel zo ver naar achteren dat u het kop-
pelingspedaal nog net geheel kunt in-
drukken. Stel de rugleuning zo af dat u
de armen moet strekken om bij de boven-
kant van het stuurwiel te kunnen komen;
stel de hoofdsteun af. De afstand
tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd
moet zo klein mogelijk zijn;
stel de hoogte van het zitkussen af.
Met deze afstelling kunt u de stoelpositie
selecteren die u zo goed mogelijk zicht
biedt op het verkeer;
stel de stand van het stuurwiel af.
Zorg ervoor dat de achterbank goed is
vergrendeld zodat de autogordels achter
correct werken. 3.32.
verrouillage ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.24
NLD_UD58834_2
Ceintures de sécurité (XJA - Renault)
AUTOGORDELS (2/5)
Vergrendelen
Trek de riem langzaam en rustig over u
heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (con-
troleer de vergrendeling door aan de gesp 3
te trekken).
Als de gordel blokkeert, laat hem dan een
stuk teruggaan en rol hem opnieuw af.
Als de autogordel compleet is geblokkeerd,
trek dan langzaam, maar krachtig, aan de
gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten
te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol
hem opnieuw af.
Als het probleem aanhoudt, dient u een
merkdealer te raadplegen.
Ontgrendelen
Druk op de knop 4, de gordel wordt door het
oprolmechanisme teruggetrokken. Begeleid
hem.
Afstellen van de autogordel
Ga goed tegen de rugleuning aan zitten.
De band van de schoudergordel 1 moet zo
dicht mogelijk langs de hals over de schou-
der lopen, zonder dat de gordel de hals
raakt.
De band van de heupgordel 2 moet vlak
over de heupen langs het bekken lopen.
De autogordel moet zo direct mogelijk tegen
het lichaam gedragen worden. Bijv.: niet
over te dikke kleding of over ertussen gesto-
ken voorwerpen, enz.
1
5
3
4
5
2
1.25
NLD_UD58834_2
Ceintures de sécurité (XJA - Renault)
ß
Waarschuwingslampje autogor-
del van de bestuurder vergeten
en, afhankelijk van de auto, van de voor-
passagier
Dit verschijnt op het centrale display wan-
neer de motor wordt gestart als de veilig-
heidsgordel van de bestuurder of passagier
(als de passagiersstoel bezet is) niet vast-
gemaakt is. Als een van de veiligheidsgor-
dels niet is vastgemaakt bij een snelheid van
meer dan 20 km/u, knippert de waarschu-
wing en klinkt er gedurende 120 seconden
een geluidssignaal.
NB: een voorwerp op de zitting van de pas-
sagiersstoel kan in sommige gevallen het
waarschuwingslampje inschakelen.
Waarschuwing achtergordel niet vastge-
maakt (afhankelijk van de auto)
Het
ß waarschuwingslampje licht op
het centrale display op bij het starten van
de motor. Afhankelijk van de auto kan hier-
bij ook de afbeelding 6 verschijnen met de
status van het vastmaken van de veilig-
heidsgordels achter bij elke keer:
starten van de auto;
openen van een portier;
vast- of losmaken van een veiligheidsgor-
del achter.
6
afspelen van 6 afbeelding:
groen lampje: autogordel vastgemaakt;
rood lampje: autogordel niet vastge-
maakt;
grijs lampje: plaats niet bezet.
Wanneer een veiligheidsgordel is of wordt
losgemaakt bij een snelheid van meer dan
20 km/u, knippert het waarschuwingslampje
en klinkt er een geluidssignaal gedurende 30
of 120 seconden (afhankelijk van de auto).
Controleer altijd of de passagiers achter hun
autogordel dragen en of het aantal vastge-
maakte gordels gelijk is aan het aantal be-
zette plaatsen op de achterstoelen.
Opmerking: Een voorwerp dat op een van
de stoelen voor is geplaatst, kan in sommige
gevallen het waarschuwingslampje inscha-
kelen.
AUTOGORDELS (3/5)
sièges arrière .............................................
(page courante)
1.26
NLD_UD58834_2
Ceintures de sécurité (XJA - Renault)
AUTOGORDELS (4/5)
Controleer de plaats en wer-
king van de autogordel achterin
na het kantelen van de achter-
bank.
Autogordels achter 8
Het vergrendelen, ontgrendelen en afstellen
gebeuren op dezelfde manier als bij de voor-
ste gordels.
Hoogteverstelling van de gordel
van de voorstoelen
Verplaats de knop 7 om de hoogte van de
gordel zo af te stellen dat de riem van de
borstkas loopt zoals hiervoor is aangege-
ven. Druk op de knop 7 en zet de hoofd-
steun omhoog of omlaag. Controleer na het
afstellen of de knop weer goed is vergren-
deld.
8
8
7
1.27
NLD_UD58834_2
Ceintures de sécurité (XJA - Renault)
AUTOGORDELS (5/5)
Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan.
Raadpleeg voor speciale gevallen (bv. installatie van een kinderzitje) een merkdealer.
Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.):
een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.
Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.
Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot
zit.
De gordel mag niet gedraaid zijn.
Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen. Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden
vervangen.
Let er bij het terugplaatsen van de achterbank op dat de autogordels en sluitingen goed zitten, zodat deze weer op de juiste wijze kunnen
worden gebruikt.
Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.
Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt.
Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).
De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.
dispositifs de retenue complémentaires
aux ceintures avant ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
prétensionneurs de ceintures
de sécurité avant .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
retenue complémentaire aux ceintures .....
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
coussin gonflable
airbag ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ceintures de sécurité .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
prétensionneurs .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.28
NLD_UD61955_3
Dispositifs complémentaires à la ceinture avant (BJA - Renault)
Dispositifs de retenue complémentaires
aux ceintures avant
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (1/6)
1
Laat al deze veiligheidsvoor-
zieningen controleren na een
aanrijding.
Het is streng verboden zelf
werkzaamheden uit te voeren aan
het gehele systeem (gordelspanners,
airbags, rekeneenheden, bedrading)
of deze in een andere auto over te
zetten.
Om te voorkomen dat het systeem
onopzettelijk wordt geactiveerd en
verwondingen veroorzaakt, mag uit-
sluitend deskundig personeel van de
merkdealer aan de airbags werken.
Het elektrische ontstekingsmecha-
nisme van de gordelspanners mag
uitsluitend door speciaal opgeleid
personeel met speciaal gereedschap
worden gecontroleerd.
Laat de gaspatronen van de gor-
delspanners en de airbags door een
merkdealer verwijderen voordat de
auto wordt gesloopt.
Afhankelijk van de auto, kunnen deze be-
staan uit:
– gordelspanners van het oprolmecha-
nisme van de autogordel;
gordelspanners van de heupgordel;
krachtbegrenzers voor de bescher-
ming van de borstkas;
airbags bestuurder en passagier
voorin.
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of af-
zonderlijk, afhankelijk van de ernst van de
aanrijding, geactiveerd bij een frontale bot-
sing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding,
kan het systeem de volgende middelen ac-
tiveren:
de blokkering van de autogordel;
de gordelspanner van het oprolmecha-
nisme van de autogordel (die in werking
komt om de speling van de autogordel op
te heffen);
gordelspanners van de heupgordel zodat
degene die op de stoel zit er niet vanaf
glijdt;
voorin airbag.
Gordelspanners
De gordelspanners dienen ervoor om de
autogordel strak tegen het lichaam te trek-
ken en daardoor de inzittende in zijn stoel
te drukken wat de effectiviteit van de gordel
verhoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige
frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst
van de schok, het systeem de volgende on-
derdelen activeren:
de gordelspanner van het oprolmecha-
nisme van de autogordel 1 die de gordel
direct strak trekt;
– De gordelspanner van het oprolmecha-
nisme van de heupgordel 2 van de voor-
stoelen.
2
1.29
NLD_UD61955_3
Dispositifs complémentaires à la ceinture avant (BJA - Renault)
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok
van de aanrijding komt dit mechanisme in
werking om de kracht die de gordel op het li-
chaam uitoefent te begrenzen tot een draag-
lijk niveau.
Airbags van bestuurder en
passagier voorin
Deze bevinden zich bij de linker en rechter
voorstoel.
Een symbool onder op de voorruit geeft aan
of dit systeem aanwezig is (afhankelijk van
de auto).
Elk airbagsysteem bestaat uit:
een airbag en een gaspatroon in het
stuurwiel voor de bestuurder en in het
dashboard voor de passagier voorin;
een rekeneenheid voor bewaken van het
die de elektrische ontsteking van de gas-
patroon regelt;
aparte opname-elementen;
een controlelampje
å op het instru-
mentenpaneel.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (2/6)
Bij het afgaan van de airbag
vindt een explosie plaats.
Daarom komen bij het ont-
plooien van de airbag warmte
en rook vrij zonder enig brandgevaar en
klinkt er een luide knal. De airbag die on-
middellijk naar buiten komt, kan onge-
vaarlijke, lichte schaafwonden of ander
ongemak veroorzaken.
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.30
NLD_UD61955_3
Dispositifs complémentaires à la ceinture avant (BJA - Renault)
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (3/6)
Werking
Het systeem werkt alleen als het contact
aanstaat.
Bij een zware frontale aanrijding, worden
de airbags snel opgeblazen om de klap van
het hoofd en de borstkas van de bestuur-
der tegen het stuurwiel en van de passagier
tegen het dashboard op te vangen. Daarna
lopen de airbags direct weer leeg om het
verlaten van de auto niet te bemoeilijken.
Storingen
å Dit controlelampje licht op bij het
starten van de motor en dooft na ongeveer
drie secondes.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het
contact of als blijft branden, wijst dit op een
storing in het systeem.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-
dealer.
Wacht u hier te lang mee dan betekent dat,
dat de bescherming in de tussenliggende
periode misschien niet optimaal is.
1.31
NLD_UD61955_3
Dispositifs complémentaires à la ceinture avant (BJA - Renault)
De volgende gevallen activeren de gor-
delspanners of airbags.
Bij een frontale botsing tegen een star
(niet-vervormbaar) oppervlak, met een snel-
heid van 25 km/u of hoger.
Bij een frontale botsing met een ander, ge-
lijkaardig of zwaarder voertuig, met een con-
tactzone van meer dan 40% en een snelheid
van 40 km/u of hoger voor de twee voertui-
gen.
Bij een botsing tegen de zijkant door een
ander, gelijkaardig of zwaarder voertuig, met
een snelheid van 50 km/u of hoger.
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (4/6)
1.32
NLD_UD61955_3
Dispositifs complémentaires à la ceinture avant (BJA - Renault)
In de volgende voorbeelden kunnen de
gordelspanners of de airbags in werking
treden:
Botsing onder de auto, zoals een stoep-
rand;
gaten in het wegdek;
een val of harde landing;
– stenen.
– ...
In de volgende voorbeelden bestaat het
gevaar dat de gordelspanners ofairbags
niet geactiveerd worden:
botsing van achteren, zelfs een zware;
als de auto omslaat;
– ...
aanrijding tegen de zijkant, aan de voor-
of achterkant van de auto;
– frontale aanrijding, onder de achterkant
van een vrachtwagen;
frontale botsing tegen een obstakel met
een scherpe hoek;
– ...
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (5/6)
sécurité enfants .........................................
(page courante)
1.33
NLD_UD61955_3
Dispositifs complémentaires à la ceinture avant (BJA - Renault)
AANVULLENDE VOORZIENINGEN OP DE VOORGORDEL (6/6)
Waarschuwingen met betrekking tot de bestuurdersairbag
Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.
Dek de naafdop niet af.
Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.
Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden
uitvoeren.
Ga niet te dicht op het stuurwiel zitten tijdens het rijden: zit met uw armen licht gebogen (zie “De juiste zithouding” 1.23). Zo blijft er vol-
doende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.
Waarschuwingen inzake de passagiers airbag
Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo’s, klokjes, telefoonhouder enz.) in de airbagzone.
Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dash-
board zetten).
Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen)
bij het dashboard.
Schakel de aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de passagier voorin direct weer in na het verwijderen van een
kinderzitje, om de bescherming van de passagier te garanderen in geval van een botsing.
HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN TENZIJ DE
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VAN DE AUTOGORDEL VAN DE VOORPASSAGIER UITGESCHAKELD ZIJN. 1.57.
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen
te voorkomen.
dispositifs de retenue complémentaires
aux ceintures arrière ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
retenue complémentaire aux ceintures .....
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
dispositifs de protection latérale ................
(page courante)
prétensionneurs de ceintures de sécurité..
(page courante)
1.34
NLD_UD59162_2
Dispositifs complémentaires aux ceintures arrière latérales (XJA - Renault)
aux ceintures arrière
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN ACHTERIN
Afhankelijk van de auto, kunnen deze be-
staan uit:
Gordelspanners in het oprolmecha-
nisme (gordels aan de zijkant);
Krachtbegrenzers voor bescherming
van de borstkas.
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of af-
zonderlijk, afhankelijk van de ernst van de
aanrijding, geactiveerd bij een frontale bot-
sing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding,
kan het systeem de volgende middelen ac-
tiveren:
de blokkering van de autogordel;
– De gordelspanner van het oprolmecha-
nisme van de autogordel (die in werking
treedt om de speling van de autogordel
op te heffen).
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok
van de aanrijding komt dit mechanisme in
werking om de kracht die de gordel op het li-
chaam uitoefent te begrenzen tot een draag-
lijk niveau.
1
Gordelspanners zijkant
De gordelspanners dienen ervoor om de
autogordel strak tegen het lichaam te trek-
ken en daardoor de inzittende in zijn stoel
te drukken wat de effectiviteit van de gordel
verhoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige
frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst
van de schok, het systeem de gordelspan-
ner 1 activeren die onmiddellijk de gordel
strak trekt.
Laat al deze veiligheidsvoor-
zieningen controleren na een
aanrijding.
Het is streng verboden zelf
werkzaamheden uit te voeren aan
het gehele systeem (gordelspanners,
airbags, rekeneenheden, bedrading)
of deze in een andere auto over te
zetten.
Om te voorkomen dat het systeem
onopzettelijk wordt geactiveerd en
verwondingen veroorzaakt, mag uit-
sluitend deskundig personeel van de
merkdealer aan de airbags werken.
Het elektrische ontstekingsmecha-
nisme van de gordelspanners mag
uitsluitend door speciaal opgeleid
personeel met speciaal gereedschap
worden gecontroleerd.
Laat de gaspatronen van de gor-
delspanners en de airbags door een
merkdealer verwijderen voordat de
auto wordt gesloopt.
dispositifs de retenue complémentaires
latéraux ................................................
(page courante)
retenue complémentaire aux ceintures .....
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
coussin gonflable
airbag ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
dispositifs de protection latérale ................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.35
NLD_UD59085_2
Dispositifs de protection latérale (XJA - Renault)
Zij Airbag
Dit is een airbag die aan de kant van het por-
tier ondergebracht is in de rugleuning van
elk van de voorstoelen en komt in werking
om de inzittenden te beschermen bij een
zware aanrijding tegen de zijkant.
Zijruit Airbag
Dit type airbag wordt (afhankelijk van de
auto) boven langs de zijkant van de auto ge-
monteerd. Ze worden geactiveerd langs de
zijruiten bij de voor- en achterportieren om
de inzittenden te beschermen bij een hevige
botsing tegen de zijkant.
latéraux
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN BESCHERMING ZIJKANT
Waarschuwing betreffende de zijairbag
Stoelhoezen plaatsen: voor stoelen met een airbag zijn stoelhoezen nodig die
speciaal voor uw auto zijn ontworpen. Raadpleeg een merkdealer om te weten of
dergelijke hoezen leverbaar zijn. Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die
bestemd zijn voor een ander model) kan de goede werking van deze airbag belemmeren
en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen.
Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de
interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding
of accessoires. De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwon-
dingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd.
Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit ge-
beurt door deskundig personeel van de merkdealer.
De spleten in de rugleuningen voor (aan de kant van het portier) komen overeen met
de zone waarbinnen de airbag zich kan opblazen: het is verboden hier voorwerpen in te
stoppen.
dispositifs de retenue complémentaires ....
(jusqu’à la fin de l’UD)
retenue complémentaire aux ceintures .....
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
coussin gonflable
airbag ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ceintures de sécurité .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.36
NLD_UD59086_2
Dispositifs de retenue complémentaires (XJA - Renault)
AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN
De airbag is bedoeld als aanvulling op de werking van de autogordel. De airbag en de autogordel vormen één veiligheidssysteem.
De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet-dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zware verwondingen. Dit
kan ook het risico op lichte oppervlakkige wonden bij het opblazen van de airbag verergeren, hoewel dergelijke kleine verwondingen
nooit zijn uitgesloten bij gebruik van een airbag.
Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspan-
ners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen
activeren.
Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan airbags, gordelspanners rekeneenheid, bedrading, enz. Deze mogen uit-
sluitend door speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer worden gecontroleerd en gerepareerd.
Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt/worden opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig
personeel van de merkdealer aan het systeem werken.
Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto.
Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze bijzonderheden door hem dit instructie-
boekje bij de auto te leveren.
Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen
te voorkomen.
sécurité enfants .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
dispositifs de retenue enfants ....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
retenue enfants..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
système de retenue enfants ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges enfants ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
transport d’enfants .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
enfants .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.37
NLD_UD69960_2
Sécurité enfants : généralités (BJA - Renault)
Sécurité enfants : généralités
KINDERVEILIGHEID: algemeen (1/2)
Vervoer van kinderen
U dient zich te houden aan de wetgeving
van het land waarin u zich bevindt.
Het kind moet, net als een volwassene, altijd
correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht
het traject. U bent verantwoordelijk voor de
kinderen die u vervoert.
Een kind is geen volwassene in miniatuur-
formaat. Het staat bloot aan specifieke let-
selrisico’s doordat de spieren en botten nog
in de groei zijn. De autogordel alleen is niet
geschikt voor het vervoer. Gebruik het juiste
kinderzitje en gebruik het correct.
Een botsing met 50 km/u
komt overeen met een val van
10 meter hoogte. Het niet vast-
maken van een kind is het-
zelfde als het laten spelen op een balkon
zonder balustrade op de vierde verdie-
ping!
Houd een kind nooit in uw armen. Bij
een ongeluk zal u het niet kunnen tegen-
houden, zelfs niet als u zelf in uw gordel
vastzit.
Als uw auto betrokken is geweest bij een
verkeersongeluk, moet u het kinderzitje
vervangen en de gordels en de ISOFIX
verankeringen laten controleren.
Als u wilt voorkomen dat de
portieren worden geopend, ge-
bruikt u de functie “Kinderslot”.
1.17.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder tijdens het parke-
ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes,
een kind, een afhankelijke volwassene
of een dier in de auto achter als u deze
verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, door organen te bedienen zoals
bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por-
tieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
Bijzonderheden van
uitvoeringen met LPG-motor
De LPG-installatie in de auto
kan de eigenschappen van de
auto wijzigen in vergelijking met een uit-
voering met benzinemotor.
Het kan gaan om het aantal zitplaatsen
en de installatie van de kinderzitjes.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de
merkdealer.
1.38
NLD_UD69960_2
Sécurité enfants : généralités (BJA - Renault)
KINDERVEILIGHEID: algemeen (2/2)
Gebruik van een kinderzitje
De bescherming die het kinderzitje biedt is
afhankelijk van zijn capaciteit om het kind
vast te houden en van de installatie ervan.
Door een verkeerde installatie komt de bes-
cherming van het kind in gevaar bij krachtig
remmen of een botsing.
Controleer voordat u een kinderzitje koopt,
of het voldoet aan de wettelijke eisen van
het land waar u zich bevindt en of het ge-
monteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg
een merkdealer om te weten welke zitje ge-
adviseerd worden voor uw auto.
Lees, vóór het monteren van een kinderzitje,
de gebruiksaanwijzing en houd u aan de in-
structies. Neem, bij problemen met het in-
stalleren, contact op met de fabrikant van de
uitrusting. Bewaar de gebruiksaanwijzing bij
het zitje.
Geef het goede voorbeeld door uw
gordel vast te maken en leer uw kind:
zich correct vast te maken,
in en uit te stappen aan de andere
kant van het verkeer.
Gebruik geen tweedehands kinderzitje
of zonder gebruiksaanwijzing.
Let op dat niets in de buurt van het kin-
derzitje de installatie ervan belemmert.
Laat een kind nooit onbewaakt
achter in de auto.
Controleer of uw kind altijd
vastzit en het harnas of de
gordel correct is afgesteld en aangepast.
Vermijd te dikke kleding waardoor ruimte
tussen de riemen kan ontstaan.
Zorg ervoor dat uw kind zijn hoofd of
armen niet uit het raam kan steken.
Controleer regelmatig de juiste houding
van het kind, met name als het slaapt.
1.39
NLD_UD53795_1
Sécurité enfants : choix du siège enfant (XJA - Renault)
KINDERVEILIGHEID: keuze van het kinderzitje
Kinderzitje “achterstevoren”
Het hoofd van een baby is, naar verhouding,
zwaarder dan dat van een volwassene en de
nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo
lang mogelijk in deze stand (minstens tot het
2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek
ondersteund.
Kies een omhullend zitje voor een betere
bescherming opzij en vervang het zodra het
hoofd van het kind boven het kuipzitje uit-
steekt.
Kinderzitje “vooruit”
Het hoofd en de buik van een kind zijn de
lichaamsdelen die het meest beschermd
moeten worden. Een vooruit geplaatst kin-
derzitje dat stevig in de auto is vastgezet,
vermindert het risico dat het kind zijn hoofd
stoot. Vervoer uw kind in een vooruit ge-
plaatst zitje met een harnas als de lengte
van het kind dat toelaat.
Kies voor een kuipzitje voor een betere zij-
delingse bescherming.
Zittingverhogers
Vanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op
een zittingverhoger waarmee de autogordel
kan worden aangepast aan zijn lichaams-
bouw. De zitting van de verhoger moet ge-
leiders hebben die de gordel over de heupen
van het kind en niet over de buik laten lopen.
Een in hoogte verstelbare rugleuning met
een gordelgeleider wordt geadviseerd om
de gordel op het midden van de schouder
te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of
over de armen lopen.
Kies een omhullend zitje voor een betere be-
scherming opzij.
dispositifs de retenue enfants ....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
retenue enfants..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
système de retenue enfants ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sécurité enfants .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges enfants ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
transport d’enfants .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
Isofix ..........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ceintures de sécurité .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.40
NLD_UD59159_2
Sécurité enfants : choix de la fixation du siège enfant (XJA - Renault)
Bevestiging met de autogordel
De autogordel moet worden afgesteld om
goed te kunnen werken bij krachtig remmen
of bij een botsing.
Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van
het kinderzitje voorschrijft.
Controleer altijd de vergrendeling van de au-
togordel door eraan te trekken en zet hem
daarna zo strak mogelijk door op het kinder-
zitje te drukken.
Controleer of het zitje goed vastzit door het
zitje naar links/rechts en naar voren/achte-
ren te bewegen: het zitje moet stevig vast
blijven zitten.
Controleer of het kinderzitje niet dwars is ge-
ïnstalleerd en niet tegen een ruit rust.
choix de la fixation du siège enfant
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (1/3)
Er zijn twee bevestigingssystemen voor
kinderzitjes: met de autogordel of met het
ISOFIX systeem.
Gebruik geen kinderzitje dat de
gordel waarmee het vastzit zou
kunnen losmaken: het onder-
stel van het zitje mag niet op
de gesp en/of de sluiting van de gordel
rusten.
De autogordel mag nooit los-
gemaakt of verdraaid worden.
Laat de gordel nooit onder de
armen of achter de rug lopen.
Controleer of de gordel niet beschadigd
is door scherpe randen.
Als de autogordel niet normaal werkt,
kan deze het kind niet beschermen.
Raadpleeg een merkdealer. Gebruik
deze zitplaats niet zolang de gordel niet
is gerepareerd.
1.41
NLD_UD59159_2
Sécurité enfants : choix de la fixation du siège enfant (XJA - Renault)
Bevestig het kinderzitje met de ISOFIX gren-
dels als het deze heeft. Het ISOFIX systeem
garandeert een gemakkelijke, snelle en vei-
lige montage.
Het ISOFIX systeem bestaat uit 2 ringen en,
in sommige gevallen, een derde ring.
Voordat u een ISOFIX kinderzitje installeert dat u hebt gekocht voor een andere
auto, moet u nagaan of het geïnstalleerd mag worden. Raadpleeg de lijst van
de fabrikant van het zitje waarop de auto's staan waarin het zitje gebruikt mag
worden .
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (2/3)
Bevestiging met ISOFIX systeem
Goedgekeurde kinderzitjes ISOFIX zijn ge-
standaardiseerd volgens de huidige regel-
geving als één van de vier onderstaande ge-
vallen van toepassing is:
universeel ISOFIX 3-punts vooruit;
semi-universeel ISOFIX 2-punts;
– Specifiek;
i-Size voorzien van een van de volgende
onderdelen:
een riem die aan de derde ring van de
betreffende stoel wordt vastgemaakt;
of een steun die op de vloer van de
auto rust, geschikt voor de goedge-
keurde stoel i-Size, met als bedoeling
te voorkomen dat het kinderzitje be-
weegt bij een botsing.
Controleer in het laatste geval of uw kinder-
zitje geïnstalleerd kan worden door de lijst
van geschikte auto’s te raadplegen.
Verander niets aan de onder-
delen van het oorspronkelijk
gemonteerde systeem: gor-
dels, ISOFIX, stoelen en de be-
vestigingen ervan.
De ISOFIX verankeringen
mogen alleen gebruikt worden
voor kinderzitjes met het
ISOFIX systeem. Bevestig
nooit andere kinderzitjes, noch de gordel
of andere voorwerpen op deze veranke-
ringspunten.
Controleer of niets in de weg zit bij de
verankeringspunten.
Als uw auto betrokken is geweest bij een
verkeersongeluk, moet u de ISOFIX ver-
ankeringen laten controleren en het kin-
derzitje vervangen.
De twee ringen 1 bevinden zich tussen de
rugleuning en de zitting van de stoel en zijn
te herkennen aan een symbool .
1
banquette arrière .......................................
(page courante)
siège arrière...............................................
(page courante)
1.42
NLD_UD59159_2
Sécurité enfants : choix de la fixation du siège enfant (XJA - Renault)
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (3/3)
2
Controleer of de rugleuning
van het vooruit geplaatste kin-
derzitje goed tegen de rugleu-
ning van de stoel in de auto is
geplaatst. In dit geval rust het kinderzitje
niet altijd op de zitting van de stoel in de
auto.
De ISOFIX verankeringen
mogen alleen gebruikt worden
voor kinderzitjes met het
ISOFIX systeem. Bevestig
nooit andere kinderzitjes, noch de gordel
of andere voorwerpen op deze veranke-
ringspunten.
Controleer of niets in de weg zit bij de
verankeringspunten.
Als uw auto betrokken is geweest bij een
verkeersongeluk, moet u de ISOFIX ver-
ankeringen laten controleren en het kin-
derzitje vervangen.
3
2
3
Bevestiging met het ISOFIX systeem
(vervolg)
De derde ring 4 wordt gebruikt voor het vast-
maken van de bovenste riem 2 bij bepaalde
kinderzitjes.
Plaatsen achter
De bovenste riem 2 moet tussen de rug-
leuning en de hoedenplank worden geleid.
Hiervoor verwijdert u de hoedenplank
3.34.
Bevestig de haak 3 aan een van de ringen 4
die gemarkeerd zijn met het symbool
.
Zitplaats voorin passagier
Bevestig de haak 3 van de bovenste riem 2
aan de ring 4 die is gemarkeerd met het
symbool
.
Alle zitplaatsen
Trek aan de bovenste riem 2 zodat de rug-
leuning van het kinderzitje strak tegen de
rugleuning van de autostoel aanligt.
4
4
dispositifs de retenue enfants ....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
retenue enfants..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
système de retenue enfants ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sécurité enfants .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges enfants ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
transport d’enfants .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(page courante)
enfants .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.43
NLD_UD61959_3
Sécurité enfants : installation du siège enfant, généralité (BJA - Renault)
installation du siège enfant, généralités
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje, algemeen (1/2)
Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kin-
derzitjes bevestigd worden Op het schema
op de volgende bladzijde ziet u waar u een
kinderzitje mag bevestigen.
Monteer het kinderzitje bij voor-
keur op een zitplaats achterin.
Controleer of het kinderzitje
of de voeten van het kind het
goed vergrendelen van de voorstoel niet
belemmeren. 1.21.
Controleer of het kinderzitje, door het in-
stalleren ervan in de auto, niet loskomt
van het onderstel.
Als u de hoofdsteun moet verwijde-
ren, berg deze dan goed op zodat deze
niet in een projectiel kan veranderen bij
krachtig remmen of een botsing.
Maak het kinderzitje altijd goed vast aan
de auto, ook als het niet in gebruik is,
zodat het niet in een projectiel kan ver-
anderen bij krachtig remmen of een bot-
sing.
LEVENSGEVAAR OF
GEVAAR VAN ERNSTIG
LETSEL: voordat u een kinder-
zitje achterstevoren op deze
stoel plaatst, moet u controleren of de
passagiersairbag voor is uitgeschakeld.
1.57.
De genoemde types kinderzitjes zijn niet
overal leverbaar. Controleer, voordat u een
ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of
het gemonteerd kan worden.
Aan de voorkant
Het vervoer van een kind op de plaats van
de voorpassagier is niet in alle landen toe-
gestaan. Raadpleeg de geldende wetgeving
en volg de aanwijzingen van het schema op
de volgende bladzijde.
Voordat u een kinderzitje op deze plaats in-
stalleert (indien dit toegestaan is):
zet de autogordel zo ver mogelijk naar
beneden;
schuif de stoel zo ver mogelijk naar ach-
teren;
– zet de rugleuning enigszins schuin (on-
geveer 25°);
zet de zitting, indien mogelijk, zo ver mo-
gelijk omhoog.
Zet de hoofdsteun van de stoel steeds goed
omhoog zodat deze het kinderzitje niet hin-
dert 1.20.
Als het kinderzitje is geïnstalleerd en als dit
mogelijk is, verplaatst u de autostoel indien
nodig naar voren (voor de nodige ruimte op
de achterste zitplaatsen voor de passagiers
of andere kinderzitjes). Een kinderzitje dat
achterstevoren staat, mag het dashboard
niet raken of niet in maximale naar voren ge-
schoven positie staan.
Wijzig de andere afstellingen niet meer na
het installeren van het kinderzitje.
Isofix ..........................................................
(page courante)
banquette arrière .......................................
(page courante)
plage arrière ..............................................
(page courante)
1.44
NLD_UD61959_3
Sécurité enfants : installation du siège enfant, généralité (BJA - Renault)
Verwijder altijd de hoofdsteun van de achter-
stoel waarop het kinderzitje wordt geplaatst.
3.31. Zet de achterstoel indien nodig zo
ver mogelijk naar achteren. Dit moet ge-
beuren voordat u het kinderzitje plaatst.
Controleer of het kinderzitje goed tegen de
rugleuning van de achterstoel rust.
Op middelste zitplaats achter
Controleer of de gordel geschikt is voor de
bevestiging van uw kinderzitje. Raadpleeg
een merkdealer.
Op zitplaats achter aan de zijkant
Een reiswieg wordt dwars in de auto geïn-
stalleerd en neemt ten minste twee zitplaat-
sen in beslag. Plaats het hoofd van het kind
aan de tegenover het portier gelegen kant.
Zet de voorstoel van de auto zo ver moge-
lijk naar voren om een kinderzitje achterste-
voren te installeren, en zet daarna de stoel
ervoor zo ver mogelijk terug zonder dat deze
tegen het kinderzitje komt.
Voor de veiligheid van het vooruit geplaatste
kind:
zet de desbetreffende stoel zo ver moge-
lijk naar achteren;
zet de stoel vóór het kind naar voren en
stel de positie van de rugleuning in om
contact tussen de stoel en de benen van
het kind te vermijden.
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje, algemeen (2/2)
Een kinderzitje met vloersteu-
nen mag nooit worden geïn-
stalleerd op de middelste zit-
plaats achterin.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
Controleer bij monteren van
een kinderzitje (verhoging
Groep 2 of 3), of de autogor-
del goed werkt (oprolt): 1.23.
Pas, indien nodig de stand van de auto-
stoel aan.
Controleer of het kinderzitje
of de voeten van het kind een
goede vergrendeling van de
voorstoel niet belemmeren.
1.21 of 3.32.
Monteer het kinderzitje bij voor-
keur op een zitplaats achterin.
Om op deze zitplaats een
ISOFIX-kinderzitje te installe-
ren, moet de middelste autogordel eerst
manueel worden losgemaakt voordat u
de grendels vastmaakt.
retenue enfants..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sécurité enfants .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges enfants ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
système de retenue enfants ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
transport d’enfants .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag
activation airbags passager avant .......
(page courante)
ceintures de sécurité .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
enfants .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
dispositifs de retenue enfants ....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.45
NLD_UD58849_2
sieges enfant : installation par ceinture de securité (XJA - Renault)
Siège enfant : fixation par ceinture de sécurité ou par système isofix
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (1/6)
³ Controleer de staat van de airbag
voordat u een passagier laat plaatsnemen of
een kinderzitje installeert.
²
Plaats verboden voor het installe-
ren van een kinderzitje.
Kinderzitje bevestigd met behulp van de
gordel
¬ Plaats toegelaten voor de bevesti-
ging met de gordel van een als “Universeel”
goedgekeurd zitje.
Door het gebruik van een niet
bij de auto passend kinder-
veiligheidssysteem wordt de
baby of het kind niet correct be-
schermd. Het kan ernstig of zelfs dode-
lijk letsel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF
GEVAAR VAN ERNSTIG
LETSEL: voordat u een kinder-
zitje achterstevoren op deze
stoel plaatst, moet u controleren of de
passagiersairbag voor is uitgeschakeld.
1.57.
Overzicht van de installatie vijfdeursuitvoering
1.46
NLD_UD58849_2
sieges enfant : installation par ceinture de securité (XJA - Renault)
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (2/6)
Uitvoering vijf zitplaatsen
Type kinderzitje Gewicht van het kind
Zitplaats voorin passagier
Zitplaatsen
achter aan de
zijkanten
Achterplaats
midden
Zonder airbag of met
uitgeschakelde airbag
Met ingeschakelde
airbag
Reiswieg dwars
Groep 0
< tot 10 kg X X U (2) X
Kuipzitje achterstevo-
ren geplaatst
Groepen 0 of 0 +
< tot 10 kg en tot < 13 kg U (1) (5) X U (3) U (3) (6)
Kuipzitje/kinderzitje
achterstevoren
Groepen 0 + en 1
< tot 13 kg en 9 tot 18 kg U (1) (5) X U (3) U (3) (6)
Kinderzitje vooruit ge-
plaatst
Groep 1
9 tot 18 kg X U (5) U (4) U (4) (6)
Zittingverhoger
Groepen 2 en 3
15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg X U (5) U (4) U (4)
In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
(1) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: voordat u een kinderzitje achterstevoren op deze stoel plaatst, moet u
controleren of de passagiersairbag voor is uitgeschakeld. 1.57.
1.47
NLD_UD58849_2
sieges enfant : installation par ceinture de securité (XJA - Renault)
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (3/6)
X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van dit type kinderzitje.
U = Plaats toegestaan voor de bevestiging met de gordel van een in de handel verkrijgbaar als “Universeel” goedgekeurd zitje; controleer of het
gemonteerd kan worden.
(2) Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind richting de
binnenkant van de auto.
(3) Zet de stoel van de auto indien nodig zo ver mogelijk naar achteren. Om een kinderzitje achterstevoren te installeren, zet u de voorstoel van
de auto zo ver mogelijk naar voren. Zet daarna de voorstoel zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
(4) Verwijder in ieder geval de hoofdsteun van de stoel achteraan waarop het kinderzitje is geplaatst. Dit moet gebeuren voordat u het kinderzitje
plaatst. 3.31. Schuif de stoel vóór het kind naar voren, zet de rugleuning naar voren om contact tussen de stoel en de benen van het kind
te voorkomen.
(5) Zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zo hoog mogelijk en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
(6) LEVENSGEVAAR OF RISICO OP ERNSTIG LETSEL: een kinderzitje met een vloersteun mag nooit worden geplaatst.
1.48
NLD_UD58849_2
sieges enfant : installation par ceinture de securité (XJA - Renault)
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (4/6)
In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
Société-uitvoeringen
Type kinderzitje Gewicht van het kind
Zitplaats voorin passagier
Zonder airbag of met
uitgeschakelde airbag
Met ingeschakelde airbag
Reiswieg dwars
Groep 0
< tot 10 kg X X
Kuipzitje achterstevoren geplaatst
Groepen 0 of 0 +
< tot 10 kg en tot < 13 kg U (1) (5) X
Kuipzitje/kinderzitje achterstevoren
Groepen 0 + en 1
< tot 13 kg en 9 tot 18 kg U (1) (5) X
Kinderzitje vooruit geplaatst
Groep 1
9 tot 18 kg X U (5)
Zittingverhoger
Groepen 2 en 3
15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg X U (5)
(1) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: voordat u een kinderzitje achterstevoren op deze stoel plaatst, moet u
controleren of de passagiersairbag voor is uitgeschakeld. 1.57.
1.49
NLD_UD58849_2
sieges enfant : installation par ceinture de securité (XJA - Renault)
X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van dit type kinderzitje.
U = Plaats toegestaan voor de bevestiging met de gordel van een in de handel verkrijgbaar als “Universeel” goedgekeurd zitje; controleer of het
gemonteerd kan worden.
(5) Zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zo hoog mogelijk en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (5/6)
1.50
NLD_UD58849_2
sieges enfant : installation par ceinture de securité (XJA - Renault)
³ Controleer de staat van de airbag
voordat u een passagier laat plaatsnemen of
een kinderzitje installeert.
²
Plaats verboden voor het installe-
ren van een kinderzitje.
Kinderzitje bevestigd met behulp van de
gordel
¬ Plaats toegelaten voor de bevesti-
ging met de gordel van een als “Universeel”
goedgekeurd zitje.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL: voordat u een kin-
derzitje achterstevoren op deze stoel
plaatst, moet u controleren of de pas-
sagiersairbag voor is uitgeschakeld.
1.57.
Door het gebruik van een niet
bij de auto passend kinder-
veiligheidssysteem wordt de
baby of het kind niet correct be-
schermd. Het kan ernstig of zelfs dode-
lijk letsel oplopen.
KINDERZITJES: bevestiging met autogordel (6/6)
Overzicht van de installatie in de Société-uitvoering
1.51
NLD_UD65553_4
sieges enfant : fixation par système isofix (BJA - Renault)
KINDERZITJES: aangebracht met behulp van het ISOFIX-SYSTEEM (1/6)
²
Plaats verboden voor het installe-
ren van dit type kinderzitje.
Door het gebruik van een niet
bij de auto passend kinder-
veiligheidssysteem wordt de
baby of het kind niet correct be-
schermd. Het kan ernstig of zelfs dode-
lijk letsel oplopen.
Overzicht van de installatie vijfdeursuitvoering
LEVENSGEVAAR OF
GEVAAR VAN ERNSTIGE
VERWONDINGEN:
voordat u een achterstevoren
geplaatst kinderzitje op de passagiers-
stoel voor plaatst, controleert u of de
passagiersairbag voor is gedeactiveerd
1.57.
Monteer het kinderzitje bij voor-
keur op een zitplaats achterin.
Om op deze zitplaats een
ISOFIX-kinderzitje te installe-
ren, moet de middelste autogordel eerst
manueel worden losgemaakt voordat u
de grendels vastmaakt.
Kinderzitje bevestigd met behulp van de
ISOFIX bevestiging
Plaats waar een ISOFIX kinderzitje
is toegelaten.
± De zitplaatsen achterin zijn voorzien
van een verankering voor de bevestiging
van een universeel ISOFIX-kinderzitje voor-
uit. De verankeringspunten bevinden zich in
de rugleuning van de passagiersstoel voor
en in de rugleuning van de achterbank.
Isofix ..........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
retenue enfants..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sécurité enfants .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges enfants ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
système de retenue enfants ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag
activation airbags passager avant .......
(page courante)
transport d’enfants .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ceintures de sécurité .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
enfants .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
dispositifs de retenue enfants ....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(page courante)
1.52
NLD_UD65553_4
sieges enfant : fixation par système isofix (BJA - Renault)
KINDERZITJES: aangebracht met behulp van het ISOFIX-SYSTEEM (2/6)
Type kinderzitje
Gewicht van
het kind
Grootte van
het ISOFIX
zitje
Passagiersstoel voorin
Zitplaatsen
achter aan de
zijkanten
Zitplaats
midden achter
Zonder
airbag of met
uitgeschakelde
airbag
Met
ingeschakelde
airbag
Reiswieg dwars
Groep 0
< tot 10 kg
F, G
[L1, L2]
X X X X
Kuipzitje achterstevo-
ren geplaatst
Groepen 0 of 0 +
< tot 13 kg
E
[R1]
IL (1) (4) X IL (2) X
Kuipzitje/kinderzitje
achterstevoren
Groepen 0 + en 1
< tot 13 kg en 9 tot
18 kg
C, D
[R3, R2]
IL (1) (4) X IL (2) X
Kinderzitje vooruit ge-
plaatst
Groep 1
9 tot 18 kg
A, B, B1
[F3, F2, F2X]
X IUF - IL (1) IUF - IL (2) (3) X
Zittingverhoger
Groepen 2 en 3
15 tot 25 kg en 25
tot 36 kg
[B2] X IUF - IL (1) IUF - IL (2) (3) X
Stoel i-Size i-U (1) (4) i-UF i-U X
In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht op de vorige bladzijden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
airbag.........................................................
(page courante)
airbag
désactivation airbag passager avant ...
(page courante)
1.53
NLD_UD65553_4
sieges enfant : fixation par système isofix (BJA - Renault)
KINDERZITJES: aangebracht met behulp van het ISOFIX-SYSTEEM (3/6)
X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van dit type kinderzitje.
IUF/IL = Plaats toegestaan voor bevestiging door middel van ISOFIX-bevestigingen, indien aanwezig, van een kinderzitje dat goedgekeurd is als
“Universeel/semi-universeel of specifiek voor een auto”; controleer of het gemonteerd kan worden.
i-U = Geschikt voor “universele” i-Size -bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gericht.
i-UF = Alleen geschikt voor “universele” i-Size-bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gericht.
(1) Zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zo hoog mogelijk en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
(2) Zet de stoel van de auto indien nodig zo ver mogelijk naar achteren. Om een kinderzitje achterstevoren te installeren, zet u de voorstoel van
de auto zo ver mogelijk naar voren. Zet daarna de voorstoel zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
(3) Verwijder in ieder geval de hoofdsteun van de stoel achteraan waarop het kinderzitje is geplaatst. Dit moet gebeuren voordat u het kinderzitje
plaatst. 3.31. Schuif de stoel vóór het kind naar voren, zet de rugleuning naar voren om contact tussen de stoel en de benen van het kind
te voorkomen.
De grootte van een ISOFIX kinderzitje wordt aangegeven door een letter:
A, B, B1 [F3, F2, F2X]: voor naar voren gerichte zitjes in groep 1 (9 tot 18 kg);
C en D [R3, R2]: naar achteren gerichte zitjes of kuipzitjes in groep 0+ (minder dan 13 kg) of groep 1 (9 tot 18 kg);
E [R1]: naar achteren gerichte zitjes in groep 0 (minder dan 10 kg) of 0+ (minder dan 13 kg);
F, G [L1, L2]: reiswiegen in groep 0 (minder dan 10 kg);
[B2]: stoelverhogers van groep 2 en 3 (15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg).
(4) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: voordat u een kinderzitje achterstevoren op deze stoel plaatst, moet u
controleren of de passagiersairbag voor is uitgeschakeld. 1.57.
1.54
NLD_UD65553_4
sieges enfant : fixation par système isofix (BJA - Renault)
KINDERZITJES: aangebracht met behulp van het ISOFIX-SYSTEEM (4/6)
Société-uitvoeringen
Type kinderzitje Gewicht van het kind
Grootte van het
ISOFIX zitje
Passagiersstoel voorin
Zonder airbag of met
uitgeschakelde airbag
Met ingeschakelde airbag
Reiswieg dwars
Groep 0
< tot 10 kg
F, G
[L1, L2]
X X
Kuipzitje achterstevo-
ren geplaatst
Groepen 0 of 0 +
< tot 13 kg
E
[R1]
IL (1) (4) X
Kuipzitje/kinderzitje ach-
terstevoren
Groepen 0 + en 1
< tot 13 kg en 9 tot 18 kg
C
[R3]
X X
D
[R2]
IL (1) (4) X
Kinderzitje vooruit ge-
plaatst
Groep 1
9 tot 18 kg
A, B, B1
[F3, F2, F2X]
X IUF - IL (1)
Zittingverhoger
Groepen 2 en 3
15 tot 25 kg en 25 tot
36 kg
[B2] X IUF - IL (1)
Stoel i-Size i-U (1) (4) i-UF
In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht op de volgende bladzijden, overeenkomstig de wettelijke voorschrif-
ten.
1.55
NLD_UD65553_4
sieges enfant : fixation par système isofix (BJA - Renault)
X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van dit type kinderzitje.
IUF/IL = Plaats toegestaan voor bevestiging door middel van ISOFIX-bevestigingen, indien aanwezig, van een kinderzitje dat goedgekeurd is als
“Universeel/semi-universeel of specifiek voor een auto”; controleer of het gemonteerd kan worden.
i-U = Geschikt voor “universele” i-Size -bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gericht.
i-UF = Alleen geschikt voor “universele” i-Size-bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gericht.
(1) Zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
De grootte van een ISOFIX kinderzitje wordt aangegeven door een letter:
A, B, B1 [F3, F2, F2X]: voor naar voren gerichte zitjes in groep 1 (9 tot 18 kg);
C en D [R3, R2]: naar achteren gerichte zitjes of kuipzitjes in groep 0+ (minder dan 13 kg) of groep 1 (9 tot 18 kg);
E [R1]: naar achteren gerichte zitjes in groep 0 (minder dan 10 kg) of 0+ (minder dan 13 kg);
F, G [L1, L2]: reiswiegen in groep 0 (minder dan 10 kg);
[B2]: stoelverhogers van groep 2 en 3 (15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg).
KINDERZITJES: aangebracht met behulp van het ISOFIX-SYSTEEM (5/6)
(4) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: voordat u een kinderzitje achterstevoren op deze stoel plaatst, moet u
controleren of de passagiersairbag voor is uitgeschakeld. 1.57.
1.56
NLD_UD65553_4
sieges enfant : fixation par système isofix (BJA - Renault)
Overzicht van de installatie in de Société-uitvoering
Kinderzitje bevestigd met behulp van de
ISOFIX bevestiging
Plaats waar een ISOFIX kinderzitje
is toegelaten.
± De zitplaatsen achterin zijn voorzien
van een verankering voor de bevestiging
van een universeel ISOFIX-kinderzitje voor-
uit. De verankeringspunten bevinden zich in
de rugleuning van de passagiersstoel voor
en in de rugleuning van de achterbank.
²
Plaats verboden voor het installe-
ren van dit type kinderzitje.
LEVENSGEVAAR OF
GEVAAR VAN ERNSTIGE
VERWONDINGEN:
voordat u een achterstevoren
geplaatst kinderzitje op de passagiers-
stoel voor plaatst, controleert u of de
passagiersairbag voor is gedeactiveerd
1.57
Door het gebruik van een niet
bij de auto passend kinder-
veiligheidssysteem wordt de
baby of het kind niet correct be-
schermd. Het kan ernstig of zelfs dode-
lijk letsel oplopen.
KINDERZITJES: aangebracht met behulp van het ISOFIX-SYSTEEM (6/6)
sécurité enfants .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
enfants .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag.........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag
désactivation airbag passager avant ...
(jusqu’à la fin de l’UD)
airbag
activation airbags passager avant .......
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.57
NLD_UD58940_2
Sécurité enfants : désactivation/activation airbag passager avant (XJA - Renault)
désactivation, activation airbag passager avant
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de AIRBAG van de passagier voorin (1/3)
Uitschakelen van de
passagiersairbag voorin
Voordat u een kinderzitje op de passagiers-
stoel voorin installeert:
controleer of het kinderzitje op deze stoel
kan worden geïnstalleerd;
het volgende is van essentieel belang:
deactivering van de airbagvoor een kin-
derzitje waarin het kind achterstevoren in
de auto zit.
Uitschakelen van airbag: druk met stil-
staande auto en contact uit op de gren-
del 1 en draai deze naar stand OFF.
Controleer met het contact aan of het con-
trolelampje
¹ brandt op het display 2.
Dit lampje blijft constant branden om u
eraan te herinneren dat u een kinderzitje
kunt gebruiken.
1
2
De passagiersairbag voorin
mag alleen worden geacti-
veerd of gedeactiveerd wan-
neer de auto stilstaat met het
contact uit.
Als dit bij rijdende auto gebeurt, lichten
de controlelampjes å en ©
op.
Om de staat van de airbag weer in over-
eenstemming te brengen met de stand
van de grendel, zet u het contact uit en
weer aan.
GEVAAR
Omdat het gevaarlijk is als
de passagiersairbag voorin
wordt geactiveerd als er een
kinderzitje achterstevoren op de stoel
is geplaatst, mag u NOOIT een beves-
tigingssysteem voor kinderen achter-
stevoren installeren op een stoel met
een ACTIEVE frontale airbag . Dit kan
de DOOD van het KIND of ERNSTIG
LETSEL tot gevolg hebben.
1.58
NLD_UD58940_2
Sécurité enfants : désactivation/activation airbag passager avant (XJA - Renault)
3
GEVAAR
Omdat het gevaarlijk is als
de passagiersairbag voorin
wordt geactiveerd als er een
kinderzitje achterstevoren op de stoel
is geplaatst, mag u NOOIT een beves-
tigingssysteem voor kinderen achter-
stevoren installeren op een stoel met
een ACTIEVE frontale airbag. Dit kan
de DOOD van het KIND of ERNSTIG
LETSEL tot gevolg hebben.
De merktekens op het dashboard en de stic-
kers A aan elke kant van de zonneklep van
de passagier 3 (bijvoorbeeld de sticker hier-
boven), herinneren u aan deze instructies.
A
A
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de AIRBAG van de passagier voorin (2/3)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.59
NLD_UD58940_2
Sécurité enfants : désactivation/activation airbag passager avant (XJA - Renault)
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de AIRBAG van de passagier voorin (3/3)
Inschakelen van de
passagiersairbag voorin
Zodra het kinderzitje van de passagiersstoel
verwijderd is, moet u de airbag weer inscha-
kelen om de voorpassagier bij een botsing
te beschermen.
De passagiersairbag voorin
mag alleen worden geacti-
veerd of gedeactiveerd wan-
neer de auto stilstaat met het
contact uit.
Als dit bij rijdende auto gebeurt, lichten
de controlelampjes
å en ©
op.
Om de staat van de airbag weer in over-
eenstemming te brengen met de stand
van de grendel, zet u het contact uit en
weer aan.
1
2
Storingen
In geval van een storing aan het systeem
voor het in- en uitschakelen van de passa-
giersairbag, is het verboden een achterste-
voren geplaatst kinderzitje op de voorstoel
te gebruiken.
Het gebruik van de voorstoel door een pas-
sagier wordt ook afgeraden.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-
dealer.
De airbag opnieuw inschakelen: druk bij
stilstaande autoen contact uit, de gren-
del 1 in en draai deze in de stand ON.
Met het contact aan, moet u verplicht
controleren of het controlelampje
¹
uit is en of het controlelampje op
het display 2 gedurende ongeveer 1 minuut
brandt na elke start.
De passagiersairbag voor is ingeschakeld.
commandes ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
poste de conduite ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
planche de bord .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.60
NLD_UD69589_4
Poste de conduite direction à gauche (BJA - Renault)
Poste de conduite
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (1/2)
1 2 3 10 1
1213
18
22
16
11
21
9
864
7
15
19
17
7
14
5
20
23
24
1.61
NLD_UD69589_4
Poste de conduite direction à gauche (BJA - Renault)
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (2/2)
1 Ventilatieroosters links en rechts.
2 Schakelaar voor:
– richtingaanwijzer;
– verlichting;
mistlichten voor;
– Mistachterlicht.
3 Instrumentenpaneel.
4 Plaats bestuurdersairbag en claxon.
5 Schakelaars voor:
functiekeuze van de boordcomputer
en van het menu voor het personali-
seren van de auto-instellingen;
afstandsbediening van de radio,
van het navigatiesysteem
6 Schakelaar voor de ruitenwissers en
-sproeiers voor en achter.
7 Centrale ventilatieroosters.
8 Multimediascherm.
De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
9 Schakelaars voor:
stoelverwarming voor;
inschakelen/uitschakelen van de
functie Stop and Start;
inschakelen/uitschakelen, afhan-
kelijk van de auto, van de ECO- of
MULTI-SENSE -modus;
– alarmknipperlichten;
Portiervergrendeling;
inschakelen/uitschakelen van de
parkeerhulp;
Inschakelen/uitschakelen van de
360°-camera.
– ...
10 Bediening van de verwarming of de air-
conditioning.
11 Plaats passagiersairbag.
12 Dashboardkastje.
13 Laadzone/opbergruimte voor telefoon.
14 Versnellingshendel.
15 Schakelaars voor:
Inschakelen/uitschakelen van de
automatische parkeerrem;
inschakelen/uitschakelen van de
functie AUTOHOLD.
16 Handrem.
17 Houder voor handsfree kaart
18 Accessoireaansluiting.
19 Knop voor het starten/stoppen van de
motor.
20 Hoogte- en diepteverstelling van het
stuurwiel.
21 Hoofdschakelaar en knoppen voor
snelheidsregelaar/-begrenzer en Stop
and Go adaptieve snelheidsregelaar.
22 Knop voor het ontgrendelen van de
motorkap.
23 LPG-schakelaar.
24 Schakelaars voor:
regelweerstand instrumentenver-
lichting;
verstellen van de koplampen;
Inschakelen/uitschakelen van de
stuurwielverwarming;
Inschakelen/uitschakelen van de
Rijstrookassistent en Waarschuwing
bij verlaten rijstrook.
commandes ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
poste de conduite ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
planche de bord .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.62
NLD_UD69590_4
Poste de conduite direction à droite (BJA - Renault)
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (1/2)
1
3
11 1
2
152224
18
19
20
23
95
6
8
4
1617
4
21
12
10
7
13
14
1.63
NLD_UD69590_4
Poste de conduite direction à droite (BJA - Renault)
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (2/2)
De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
1 Ventilatieroosters links en rechts.
2 Plaats passagiersairbag.
3 Bediening van de verwarming of de air-
conditioning.
4 Centrale ventilatieroosters.
5 Multimediascherm.
6 Schakelaars voor:
stoelverwarming voor;
inschakelen/uitschakelen van de
functie Stop and Start;
inschakelen/uitschakelen, afhan-
kelijk van de auto, van de ECO- of
MULTI-SENSE -modus;
– alarmknipperlichten;
Portiervergrendeling;
inschakelen/uitschakelen van de
parkeerhulp;
Inschakelen/uitschakelen van de
360°-camera.
– ...
7 Schakelaar voor:
– richtingaanwijzer;
– verlichting;
mistlichten voor;
– Mistachterlicht.
8 Hoofdschakelaar en knoppen voor
snelheidsregelaar/-begrenzer en Stop
and Go adaptieve snelheidsregelaar.
9 Instrumentenpaneel.
10 Plaats bestuurdersairbag en claxon.
11 Schakelaars voor:
functiekeuze van de boordcomputer
en van het menu voor het personali-
seren van de auto-instellingen;
afstandsbediening van de radio,
van het navigatiesysteem
12 Schakelaar voor de ruitenwissers en
-sproeiers voor en achter.
13 Schakelaars voor:
regelweerstand instrumentenver-
lichting;
verstellen van de koplampen;
Inschakelen/uitschakelen van de
stuurwielverwarming;
Inschakelen/uitschakelen van de
Rijstrookassistent en Waarschuwing
bij verlaten rijstrook.
14 LPG-schakelaar.
15 Hoogte- en diepteverstelling van het
stuurwiel.
16 Knop voor het starten/stoppen van de
motor.
17 Versnellingshendel.
18 Schakelaars voor:
Inschakelen/uitschakelen van de
automatische parkeerrem;
inschakelen/uitschakelen van de
functie AUTOHOLD.
19 Houder voor handsfree kaart
20 Handrem.
21 Laadzone/opbergruimte voor telefoon
22 Accessoireaansluiting
23 Dashboardkastje.
24 Knop voor het ontgrendelen van de
motorkap.
appareils de contrôle .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
poste de conduite ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ordinateur de bord .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
afficheur .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de brouillard .........................................
(page courante)
feux :
de croisement ......................................
(page courante)
feux :
de direction ..........................................
(page courante)
feux :
de route ................................................
(page courante)
airbag.........................................................
(page courante)
1.64
NLD_UD68926_5
Témoins lumineux (BJA - Renault)
Instrumentenpaneel A, B of C: gaat bran-
den wanneer het contact wordt ingescha-
keld. Druk zo vaak als nodig op de schake-
laar 1 of trek deze zo vaak als nodig omhoog
om de intensiteit aan te passen.
Tableau de bord
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (1/6)
A
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
B
B
Het controlelampje © geeft aan dat
u meteen voorzichtig naar een merk-
dealer moet rijden. Als u dit voorschrift
negeert, loopt u het risico dat uw auto
beschadigd wordt.
C
Als er geen visueel of geluids-
signaal terug komt, geeft het
een storing van het instrumen-
tenpaneel weer. U moet direct
stoppen zonder het overige verkeer in
gevaar te brengen. Zorg dat de auto in-
derdaad goed gestopt is en neem con-
tact op met een merkdealer.
Het waarschuwingslampje
® dwingt u, voor uw
veiligheid, direct te stoppen
zonder het verkeer in gevaar
te brengen. Stop de motor en start deze
niet opnieuw. Roep de hulp in van een
merkdealer.
In sommige gevallen wordt het verschijnen
van het waarschuwingslampje vergezeld
door een bericht op het instrumentenpaneel.
1
1
1
A
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
poste de conduite ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de brouillard .........................................
(page courante)
feux :
de croisement ......................................
(page courante)
feux :
de direction ..........................................
(page courante)
feux :
de route ................................................
(page courante)
airbag.........................................................
(page courante)
batterie.......................................................
(page courante)
1.65
NLD_UD68926_5
Témoins lumineux (BJA - Renault)
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (2/6)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
å
Richtingaanwijzerairbag
Het licht op bij het aanzetten van
het contact of het starten van de motor en
dooft binnen enkele seconden.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het
contact of als het oplicht bij draaiende motor,
wijst dit op een storing in het systeem.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-
dealer.
®
Waarschuwingslampje stop on-
middellijk
Dit gaat branden wanneer het contact wordt
aangezet of de motor wordt gestart en dooft
zodra de motor draait. Het gaat tegelijk met
andere waarschuwingslampjes en/of bood-
schappen branden en gaat vergezeld van
een geluidssignaal.
Het dwingt u, voor uw veiligheid, direct te
stoppen zonder het verkeer in gevaar te
brengen. Stop de motor en start deze niet
opnieuw.
Roep de hulp in van een merkdealer.
š
Controlelampje markeringslicht
á
Controlelampje grootlicht
k
Controlelampje dimlicht
g
Controlelampje mistlichten
voor
Controlelampje mistachterlicht
Controlelampje automatisch
grootlicht 1.98
Controlelampje richtingaanwij-
zers links
˜
Controlelampje richtingaanwij-
zers rechts
D
Waarschuwingslampje storing
remsysteem
Het licht op bij het aanzetten van het contact
of het starten van de motor en dooft binnen
enkele seconden.
Als het tijdens het remmen gaat branden
met het waarschuwingslampje ® en
er een geluidssignaal klinkt, dan wijst het op
een daling van de hoeveelheid remvloeistof
of een storing aan het remsysteem.
Stop onmiddellijk en raadpleeg een merk-
dealer.
Ú
Waarschuwingslampje laad-
stroom
Het licht op bij het aanzetten van het contact
of het starten van de motor en dooft binnen
enkele seconden.
Als het tijdens het rijden gaat branden samen
met het waarschuwingslampje
® en er
een geluidssignaal klinkt, betekent dit dat
het elektrische circuit onvoldoende of te veel
geladen wordt.
Stop en roep de hulp in van een merkdea-
ler.
frein de parking assisté..............................
(page courante)
changement de vitesses ............................
(page courante)
portes.........................................................
(page courante)
antipatinage ...............................................
(page courante)
contrôle dynamique de conduite : ESC .....
(page courante)
niveaux
huile moteur .........................................
(page courante)
1.66
NLD_UD68926_5
Témoins lumineux (BJA - Renault)
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (3/6)
À
Waarschuwingslampje oliedruk
Het licht op bij het aanzetten van
het contact of het starten van de motor en
dooft binnen enkele seconden.
Als het tijdens het rijden gaat branden samen
met het waarschuwingslampje
® en er
een geluidssignaal klinkt, moet u direct stop-
pen en het contact uitzetten.
Controleer het oliepeil. Als het peil normaal
is, betreft het controlelampje iets anders.
Roep de hulp in van een merkdealer.
U
Waarschuwingslampje snel-
heidsafhankelijke stuurbekrach-
tiging
Het licht op bij het aanzetten van het contact
of het starten van de motor en dooft binnen
enkele seconden.
Als het tijdens het rijden oplicht samen met
het waarschuwingslampje
®, duidt dit
op een storing in het systeem.
Roep de hulp in van een merkdealer.
“AUTOHOLD” systeemwaar-
schuwing 2.27
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
©
Waarschuwingslampje
Dit gaat branden wanneer het con-
tact wordt aangezet of de motor wordt ge-
start en dooft zodra de motor draait. Het kan
tegelijk gaan branden met andere controle-
lampjes en/of boodschappen op het instru-
mentenpaneel. Dit betekent dat u zo snel
mogelijk, maar wel voorzichtig, naar een
merkdealer moet rijden. Als u dit voorschrift
negeert, loopt u het risico dat uw auto be-
schadigd wordt.
Waarschuwingslampje
Als dit tijdens het rijden rood wordt
en het controlelampje ® verschijnt,
moet u voor de veiligheid stoppen zodra de
verkeersomstandigheden het toelaten. Stop
de motor en start deze niet opnieuw. Roep
de hulp in van een merkdealer. Als dit tijdens
het rijden geel wordt en het controlelampje
© verschijnt, moet u zo snel mogelijk
een merkdealer raadplegen. Rijd ondertus-
sen voorzichtig . Als u dit voorschrift ne-
geert, loopt u het risico dat uw auto bescha-
digd wordt.
}
Waarschuwingslampje handrem
of elektronische parkeerrem
vastgezet 2.22 2.23

Indicatielampjes voor
overschakelen naar de vol-
gende versnelling
Dit verschijnt om u te adviseren naar een
hogere versnelling (pijl omhoog) of naar een
lagere versnelling (pijl omlaag) te schakelen.
2.28.
Controlelampje voor het elektro-
nisch stabiliteitsprogramma
(ESC) en tractiecontrole
Het licht op bij het aanzetten van het contact
of het starten van de motor en dooft binnen
enkele seconden.
Er zijn verschillende redenen waarom het
waarschuwingslampje verschijnt: 2.44.
Waarschuwingslampje om aan
te geven dat het elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESC) en de trac-
tiecontrole niet beschikbaar zijn
2
Waarschuwingslampje geopend
portier
filtre :
à particules ..........................................
(page courante)
remplissage réservoir additionnel ..............
(page courante)
carburant autonomie..................................
(page courante)
ECO conduite ............................................
(page courante)
énergie
mode « ECO » .....................................
(page courante)
fonction mode « ECO » .............................
(page courante)
liquide de refroidissement moteur .............
(page courante)
ABS ...........................................................
(page courante)
niveaux :
carburant ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
avertisseur de perte de pression des pneu-
matiques ....................................................
(page courante)
1.67
NLD_UD68926_5
Témoins lumineux (BJA - Renault)
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (4/6)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
x
Waarschuwingslampje antiblok-
keersysteem
Het licht op bij het aanzetten van het contact
of het starten van de motor en dooft binnen
enkele seconden.
Als dit lampje tijdens het rijden oplicht, wijst
dit op een storing in het ABS-systeem.
Er kan dan met de auto worden geremd als
bij een auto zonder ABS. Raadpleeg snel
een merkdealer.
Waarschuwingslampje roetfilter
2.14 2.20
Waarschuwingslampje voor het
reagenspeil en storingen in het
EGR-systeem. 1.118
Waarschuwing bij verlies van
bandenspanning 2.38
É
Controlelampje voorverwar-
ming (dieselmotor)
Met contact aan, moet het oplichten. Het
geeft aan dat voorverwarmingsstiften
werken.
Het dooft als de voorverwarming klaar is. De
motor kan starten.
Ä
Waarschuwingslampje luchtver-
ontreiniging
Bij auto's die hiermee zijn uitgerust, gaat dit
lampje branden wanneer de motor wordt
gestart en, afhankelijk van de auto, wan-
neer het contact wordt uitgeschakeld ter-
wijl de motor zich in stand-by bevindt 2.10
Daarna dooft het.
Als het continu brandt, moet u zo snel
mogelijk een merkdealer raadplegen;
Als het knippert, moet u vaart verminde-
ren tot het knipperen ophoudt. Neem zo
snel mogelijk contact op met een merk-
dealer 2.36.
L
Waarschuwingslampje brand-
stofpeil
Het licht oranje op bij het aanzetten van het
contact of bij het starten van de motor en
dooft binnen enkele seconden.
Als het lampje oranje oplicht tijdens het
rijden en er een geluidssignaal klinkt, moet
u zo snel mogelijk tanken. Er is dan nog vol-
doende brandstof over om nog ongeveer
50 km te rijden.
Controlelampje ECO-modus.
Het lampje gaat branden als de
modus ECO actief is 2.28.
Controlelampje vrijloop in de
ECO-stand
Dit brandt in de ECO -stand als de vrijloop-
stand ECO” is ingeschakeld (ON) in de ge-
bruikersinstellingen.
Het controlelampje brandt zwak als de auto
niet in vrijloop is.
Dit lampje brandt helder als de auto in vrij-
loop is (automatisch neutraal).
Zie “Tips voor het rijden, ECO-rijden” in
hoofdstuk 2.
limiteur de vitesse ......................................
(page courante)
régulateur de vitesse .................................
(page courante)
mise en veille du moteur............................
(page courante)
stationnement assisté ................................
(page courante)
alerte de survitesse ...................................
(page courante)
alerte de sortie de voie ..............................
(page courante)
freinage actif d’urgence .............................
(page courante)
assistance au freinage d’urgence ..............
(page courante)
freinage d’urgence .....................................
(page courante)
régulateur - limiteur de vitesse ..................
(page courante)
aides à la conduite.....................................
(page courante)
1.68
NLD_UD68926_5
Témoins lumineux (BJA - Renault)
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (5/6)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
Waarschuwingslampje parkeer-
hulp 2.121
Controlelampje snelheidswaar-
schuwing 1.70
Controlelampje waarschuwing
bij verlaten van rijstrook 2.49
Waarschuwingslampje rij-
strookassistentsysteem. 2.54

(Afhankelijk van de auto)
Controlelampje ABS-
storing of ABS niet beschikbaar 2.80
Waarschuwingslampje om aan
te geven dat handen op het
stuurwiel zijn gedetecteerd 2.54
Controlelampje van de snel-
heidsbegrenzer 2.92
Ï
Waarschuwingslampje snel-
heidsregelaar 2.96
Waarschuwingslampje adap-
tieve snelheidsregelaar Stop and
Go 2.101
Waarschuwingslampje motor
op stand-by 2.10
Waarschuwingslampje motor
kan niet op stand-by worden
gezet 2.10
Ó
Waarschuwingslampje voet op
het rempedaal
Dit lampje gaat branden wanneer het rem-
pedaal moet worden ingetrapt 2.126.
Ô
Waarschuwingslampje koel-
vloeistoftemperatuur
Dit licht blauw op wanneer u het contact
aanzet of de motor start.
Als het rood wordt, moet u stoppen en de
motor een tot twee minuten stationair laten
draaien.
De temperatuur moet omlaag gaan en het
controlelampje moet opnieuw blauw worden.
Als dit niet zo is moet u de motor stoppen.
Laat deze afkoelen voordat u de koelvloei-
stof controleert.
Roep de hulp in van een merkdealer.
airbag.........................................................
(page courante)
ceintures de sécurité .................................
(page courante)
1.69
NLD_UD68926_5
Témoins lumineux (BJA - Renault)
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES (6/6)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
Op het display D
PassagiersAirbag ON
1.57
¹
PassagiersAirbag OFF
1.57
ß
Waarschuwingslampje herinne-
ring veiligheidsgordel voor en
achter (afhankelijk van de auto) 1.23
D
niveaux
huile moteur .........................................
(page courante)
équipements multimédia............................
(page courante)
1.70
NLD_UD68927_4
Afficheurs et indicateurs (BJA - Renault)
Afficheurs et indicateurs
DISPLAYS EN METERS (1/7)
Waarschuwing minimumpeil
motorolie
Als de motor wordt gestart, verschijnt een
waarschuwing op het instrumentenpaneel
als het minimum oliepeil is bereikt. 4.4.
De eerste keer dat deze waarschuwing
wordt weergegeven, kunt u deze laten ver-
dwijnen door op 1 “OK” te drukken.
De volgende waarschuwingen verdwijnen
automatisch na ongeveer 30 seconden.
Instrumentenpaneel in mijlen
(mogelijkheid om over te gaan op km/u)
Auto's zonder een multimediascherm
Schakel het contact uit en druk zo vaak
als nodig op de schakelaar 2 om het tab-
blad 5 weer te geven;
druk herhaaldelijk op 3 of 4 om
“Instellingen” weer te geven en druk ver-
volgens op 1 “OK”;
herhaal dezelfde procedure om
INSTRUM.PANEEL” weer te geven en
vervolgens “Eenheden”.
Auto's uitgerust met een multimedia-
scherm.
Zie de gebruiksaanwijzing van het multime-
diasysteem om de eenheid te selecteren.
Opmerking: in beide gevallen gaat de
boordcomputer na een onderbreking van
accuvoeding automatisch terug naar de oor-
spronkelijke eenheid.
Om terug te gaan naar de vorige eenheid,
gaat u op dezelfde manier te werk.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
2
3
4
1
5
afficheur .....................................................
(page courante)
alerte de survitesse ...................................
(page courante)
carburant autonomie..................................
(page courante)
niveaux :
carburant ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.71
NLD_UD68927_4
Afficheurs et indicateurs (BJA - Renault)
DISPLAYS EN METERS (2/7)
Instrumentenpaneel A
Dit gaat branden wanneer het contact wordt
ingeschakeld. Het oplichten van sommige
controlelampjes gaat vergezeld van een
boodschap.
Afhankelijk van de auto kunt u de inhoud en
de kleuren van uw instrumentenpaneel naar
eigen keuze instellen.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing bij auto's
met een multimediascherm.
Bij auto's zonder multimediascherm 1.89.
Snelheidsmeter 6
Afhankelijk van de geselecteerde rijstijl vari-
eert het display.
Toerenteller 7
(schaalverdeling × 1000)
Deze wordt op een andere manier weerge-
geven volgens de gekozen instelling op het
instrumentenpaneel. Afhankelijk van de ge-
selecteerde rijstijl wordt deze mogelijk niet
weergegeven.
Geluidssignaal snelheidsverklikker
Afhankelijk van de auto en het land wordt
het waarschuwingslampje
weerge-
geven en is een geluidssignaal te horen.
Dit geluidssignaal is te horen zodra de auto
sneller rijdt dan 120 km/u. Het waarschu-
wingslampje blijft branden zolang de snel-
heid hoger is dan 120 km/u.
Indicatielampje rijstijl 8 2.28
Totaalteller 9 1.81
Boordcomputer 10 1.77
Geschat bereik met resterende
brandstof 11
Deze waarde wordt aangegeven na 400
meter gereden te hebben. 1.81.
Boordcomputer en multimedia-
informatie12
Afhankelijk van de auto kunt u informa-
tie weergeven van het multimediascherm
(kompas, telefoon, navigatie enz.) OF infor-
matie van de boordcomputer.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
A
6
7
10
9
12
11
8
1.72
NLD_UD68927_4
Afficheurs et indicateurs (BJA - Renault)
15
14
13
Koelvloeistoftemperatuurmeter 14
Bij normaal gebruik, moet de meter 14 voor
de zone 13 blijven. Bij zware motorbelasting
kan hij wel in de buurt komen. Dit is niet ern-
stig tenzij het waarschuwingslampje
®
gaat branden en een boodschap verschijnt
op het instrumentenpaneel en een geluids-
signaal klinkt.
Brandstofpeilmeter 15
Als het minimumpeil is bereikt, licht het
waarschuwingslampje M in de meter
oranje op en klinkt een geluidssignaal. Ga
zo snel mogelijk tanken.
DISPLAYS EN METERS (3/7)
appareils de contrôle .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
afficheur .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ordinateur de bord .....................................
(page courante)
alarme sonore de survitesse .....................
(page courante)
carburant autonomie..................................
(page courante)
1.73
NLD_UD68927_4
Afficheurs et indicateurs (BJA - Renault)
DISPLAYS EN METERS (4/7)
Instrumentenpaneel B
Dit gaat branden wanneer het contact wordt
ingeschakeld. Het oplichten van sommige
controlelampjes gaat vergezeld van een
boodschap.
Afhankelijk van de auto kunt u de inhoud en
de kleuren van uw instrumentenpaneel naar
eigen keuze instellen.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing bij auto's
met een multimediascherm.
Bij auto's zonder multimediascherm 1.89.
B
1 2
4
5
3
6
Koelvloeistoftemperatuurmeter 16
Bij normaal gebruik, moet de meter 16 voor
de zone 17 blijven. Bij zware motorbelasting
kan hij wel in de buurt komen. Dit is niet ern-
stig tenzij het waarschuwingslampje
®
gaat branden en een boodschap verschijnt
op het instrumentenpaneel en een geluids-
signaal klinkt.
Snelheidsmeter 18
Afhankelijk van de geselecteerde rijstijl vari-
eert het display.
16
17
Geluidssignaal snelheidsverklikker
Afhankelijk van de auto en het land wordt
het waarschuwingslampje
weerge-
geven en is een geluidssignaal te horen. Het
geluidssignaal klinkt zodra de auto harder
rijdt dan 120 km/u. Het controlelampje blijft
branden zo lang de auto harder rijdt dan
120 km/u.
Toerenteller 19
(schaalverdeling × 1000)
Deze wordt op een andere manier weerge-
geven volgens de gekozen instelling op het
instrumentenpaneel. Afhankelijk van de ge-
selecteerde rijstijl wordt deze mogelijk niet
weergegeven.
Indicatielampje rijstijl 20 2.28.
20
18
19
liquide de refroidissement moteur .............
(page courante)
1.74
NLD_UD68927_4
Afficheurs et indicateurs (BJA - Renault)
DISPLAYS EN METERS (5/7)
Brandstofpeilmeter 25
Als het minimumpeil is bereikt, licht het
waarschuwingslampje
M in de meter
oranje op en klinkt een geluidssignaal. Ga
zo snel mogelijk tanken.
Multimedia-informatie 21
Afhankelijk van de auto kunt u informatie van
het multimediascherm weergeven (kompas,
telefoon, navigatie, enz.).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
Geschat bereik met resterende
brandstof 22
Deze waarde wordt aangegeven na
400 meter gereden te hebben. 1.81.
Totaalteller 23 1.81
Boordcomputer 24 1.77
24
23
22
21
25
liquide de refroidissement moteur .............
(page courante)
équipements multimédia............................
(page courante)
carburant autonomie..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.75
NLD_UD68927_4
Afficheurs et indicateurs (BJA - Renault)
DISPLAYS EN METERS (6/7)
Instrumentenpaneel C
Dit gaat branden wanneer het contact wordt
ingeschakeld. Het oplichten van sommige
controlelampjes gaat vergezeld van een
boodschap.
Afhankelijk van de auto kunt u het instru-
mentenpaneel aanpassen met zelfgekozen
kleuren.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing bij auto's
met een multimediascherm.
Bij auto's zonder multimediascherm 1.89.
Toerenteller 26
(schaalverdeling × 1000)
Koelvloeistoftemperatuurmeter 28
Bij normaal gebruik moet het controle-
lampje 28 vóór het rode gebied 27 blijven.
Bij zware motorbelasting kan hij wel in de
buurt komen. Dit is niet ernstig tenzij het
waarschuwingslampje
® gaat branden
en een boodschap verschijnt op het instru-
mentenpaneel en een geluidssignaal klinkt.
C
Boordcomputer 29
1.77
Geschat bereik met resterende
brandstof 30
Deze waarde wordt aangegeven na
400 meter gereden te hebben.
1.81
Totaalteller 31
1.81
26
28
27
29
30
31
alarme
sonore de survitesse .................................
(page courante)
1.76
NLD_UD68927_4
Afficheurs et indicateurs (BJA - Renault)
DISPLAYS EN METERS (7/7)
Snelheidsmeter 33
Geluidssignaal snelheidsverklikker
Afhankelijk van de auto en het land wordt
het waarschuwingslampje
weerge-
geven en is een geluidssignaal te horen. Het
geluidssignaal klinkt zodra de auto harder
rijdt dan 120 km/u. Het controlelampje blijft
branden zo lang de auto harder rijdt dan
120 km/u.
33
34
Brandstofpeilmeter 34
Als het minimumpeil is bereikt, licht het
waarschuwingslampje
M in de meter
oranje op en klinkt een geluidssignaal. Ga
zo snel mogelijk tanken.
Indicatielampje rijstijl 32 2.28
32
appareils de contrôle .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ordinateur de bord .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
menu de personnalisation des réglages du
véhicule .....................................................
(page courante)
1.77
NLD_UD68928_4
Ordinateur de bord : généralités (BJA - Renault)
ordinateur de bord
BOORDCOMPUTER: algemene informatie (1/4)
Boordcomputer A, B of C
Afhankelijk van de auto, beschikt hij over de
volgende functies:
afgelegde afstand;
gegevens van de reis;
– informatieboodschappen;
storingsboodschappen (in combinatie
met het controlelampje
©);
– alarmboodschappen (in combinatie met
het lampje ®);
menu voor het personaliseren van de
auto-instellingen. 1.89.
Alle functies zijn beschreven op de volgende
bladzijden.
1
1
2
3
4
1
2
3
4
A B
C
1
2
3
4
1.78
NLD_UD68928_4
Ordinateur de bord : généralités (BJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: algemene informatie (2/4)
7
5
A
Auto uitgerust met boordcomputer A
De functies worden verdeeld over zones 5, 6
en 7. De positie van de zones varieert af-
hankelijk van de rijstijl geselecteerd.
Zone 7 betreft rijhulpmiddelen en kan niet
worden aangepast.
Druk op de schakelaar 1 om te wisselen
tussen de zones 5 en 6, en selecteer de
functies door herhaaldelijk te drukken op 2
of 3.
A
1 2
3
4
6
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
heure
réglage .................................................
(page courante)
consommation de carburant ......................
(page courante)
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
autonomie de vidange ...............................
(page courante)
entretien :
autonomie de vidange .........................
(page courante)
capacité réservoir additionnel ....................
(page courante)
1.79
NLD_UD68928_4
Ordinateur de bord : généralités (BJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: algemene informatie (3/4)
Auto uitgerust met boordcomputer B
De functies worden verdeeld over zones 5, 6
en 7.
Druk op de schakelaar 1 om tussen de
zones te bladeren en de functies te selec-
teren door herhaaldelijk op de schakelaar 2
of 3 te drukken.
5 6
7
1
1
2
3
4
B
1
2
3
4
C
Auto uitgerust met boordcomputer C
Druk zo vaak als nodig op de schakelaar 1
om het tabblad “Voertuig” te bereiken.
Druk herhaaldelijk op de schakelaar 2 of 3.
Gaz de Pétrole Liquéfié : GPL ...................
(page courante)
1.80
NLD_UD68928_4
Ordinateur de bord : généralités (BJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: algemene informatie (4/4)
Resetten van de dagteller en
ritinstellingen (resetknop)
Zorg ervoor dat een van de ritparameters
wordt weergegeven en druk op de schake-
laar 4 “OK” totdat de weergave naar nul
wordt gereset.
Automatische nulinstelling van
de gegevens van de reis
De nulinstelling gebeurt automatisch als één
van de gegevens zijn maximale waarde be-
reikt.
Betekenis van de waarden
gedurende de eerste paar
kilometer na een nulinstelling
De waarden van gemiddeld verbruik, bereik
en gemiddelde snelheid worden stabieler
en nauwkeuriger naarmate de afgelegde
afstand vanaf de laatste nulinstelling groter
wordt.
De eerste kilometers na een nulinstelling
kunt u constateren dat de actieradius toe-
neemt tijdens het rijden. Dit komt doordat re-
kening wordt gehouden met het gemiddeld
verbruik sinds de laatste nulinstelling. Maar
het gemiddeld verbruik kan afnemen als:
de auto met een constante snelheid rijdt;
de motor zijn bedrijfstemperatuur bereikt
(nulinstelling bij koude motor);
u vanuit druk stadsverkeer op de buiten-
weg komt.
Selecties
(het display hangt af van de uitvoering van
de auto en het land)
a) Functieoverzicht, storings- en informatie-
berichten;
b) Ritinstellingen:
gemiddeld verbruik;
huidig verbruik;
geschat bereik met resterende brandstof;
afgelegde afstand;
gemiddelde snelheid;
Gemiddeld verbruik van LPG;
geschatte actieradius met de overgeble-
ven LPG;
– LPG-actieradius;
c) dagteller en gemiddelde snelheid;
d) De bandenspanning resetten.
e) instelling van de tijd.
f) Onderhoudsinterval:
– Onderhoudsinterval
resterende afstand tot olieverversing.
g) Actieradius met resterende reagens.
4
ordinateur de bord .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.81
NLD_UD68698_4
Ordinateur de bord : paramètres de voyage (BJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (1/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding
Geen bericht in geheugen
a) Functieoverzicht.
Aanduiding achtereenvolgens:
informatieboodschappen (passagiersairbag OFF enz.);
storingsberichten (Controleer inspuitsysteem enz.).
b) Actueel verbruik.
De waarde wordt aangegeven zodra de auto sneller rijdt dan 30 km/u.
7.4 L/100
Gemiddeld verbruik sinds de laatste nulinstelling.
De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste
nulinstelling.
5.8 L/100
c) Dagteller: afgelegde afstand sinds de laatste reset.
112,4 km
Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.
Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben.
123.4 km/h
Gaz de Pétrole Liquéfié : GPL ...................
(page courante)
1.82
NLD_UD68698_4
Ordinateur de bord : paramètres de voyage (BJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (2/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding
Gemiddeld LPG
d) Gemiddeld LPG-verbruik
–-.- L/100
Autonomie LPG
Geschat bereik met de resterende LPG.
–-- km
Afstand LPG
Afgelegde afstand met LPG sinds de laatste reset.
–-- km
90 km/h
e) Actuele snelheid (afhankelijk van de auto).
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
heure
réglage .................................................
(page courante)
1.83
NLD_UD68698_4
Ordinateur de bord : paramètres de voyage (BJA - Renault)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (3/5)
Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding
Bandendruk init.
lang drukken
f) reset van de bandenspanning
2.38
16:30
g) Tijd instellen.
1.92
entretien :
autonomie de vidange .........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
autonomie de vidange ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.84
NLD_UD68698_4
Ordinateur de bord : paramètres de voyage (BJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (4/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
Voorbeelden van de selectie
Betekenis van de gekozen aanduiding
Boordcomputer met de ingebouwde
onderhoudsboodschap
f) Overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt of olieverversing.
Afstand tot de volgende onderhoudsbeurt
Met het contact aan en een stilstaande motor, toegang tot de informatie
“Aantal km tot volgende onderhoudsbeurt”. Als de afstand dichtbij de termijn is,
zijn verschillende gevallen mogelijk:
als het resterende aantal km minder is dan 1500 km of één maand: wordt het
bericht “Onderhoudsbeurt over” weergegeven samen met de eerstvolgende
mogelijkheid (afstand of tijd);
bereik gelijk aan 0 km of datum van onderhoudsbeurt bereikt: bericht
“Onderhoud uitvoeren” verschijnt samen met waarschuwingslampje
©.
Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren.
Onderhoudsbeurt binnen
30 000 km / 12 maanden
Onderhoudsbeurt over
300 km / 24 dagen
Onderhoud uitvoeren
Resetten: om de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt te resetten, houdt u toets OK ongeveer 10 seconden ingedrukt, totdat de rijafstand
tot de volgende onderhoudsbeurt permanent wordt weergegeven.
Opmerking: als een onderhoudsbeurt wordt uitgevoerd zonder de olie te verversen, moet alleen de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt
worden gereset. Bij olie verversen moet zowel de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt als tot de volgende olieverversing worden gereset.
capacité réservoir additionnel ....................
(page courante)
1.85
NLD_UD68698_4
Ordinateur de bord : paramètres de voyage (BJA - Renault)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (5/5)
Voorbeelden van de selectie
Betekenis van de gekozen aanduiding
Boordcomputer met de boodschap afstand
tot de volgende onderhoudsbeurt (vervolg)
f) Overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt of olieverversing.
Afstand olieverversing
Met het contact aan en een niet-draaiende motor, toegang tot de km-stand om
het aantal km tot de volgende olieverversing weer te geven.
Olie verversen binnen
30 000 km / 24 maanden
afhankelijk van de auto past de afstand tot olieverversing zich aan de rijstijl aan (veel langzaam rijden, huis-aan-huis bezorgen, lang rijden met
stationair toerental, trekken van een aanhangwagen enz.). De resterende afstand tot de volgende olieverversing kan dus in sommige gevallen
sneller afnemen dan de werkelijk afgelegde afstand.
Resetten: om de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt te resetten, houdt u toets OK ongeveer 10 seconden ingedrukt, totdat het aantal km
tot de volgende olieverversing permanent wordt weergegeven.
Opmerking: als een onderhoudsbeurt wordt uitgevoerd zonder de olie te verversen, moet alleen de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt
worden gereset. Bij olie verversen moet zowel de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt als tot de volgende olieverversing worden gereset.
Vul AdBlue bij voor 2400 km
g) Geschat bereik met de resterende reagens.
ordinateur de bord .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
frein de parking ..........................................
(page courante)
démarrage .................................................
(page courante)
1.86
NLD_UD53808_1
Ordinateur de bord : messages d’information (XJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: informatieboodschappen
Voorbeelden van boodschappen Betekenis van de gekozen aanduiding
“Parkeerrem aangetrokken” Geeft aan dat de parkeerrem is vastgezet.
“Draai stuurwiel + START” Draai het stuurwiel licht terwijl u op de startknop van de auto druk om de stuurkolom te ontgrendelen.
“Test systemen” Wordt weergegeven, contact aan, als de auto zichzelf controleert.
Zij kunnen u helpen bij het starten van de auto of u informeren over een keuze of een omstandigheid.
Voorbeelden van informatieboodschappen worden hierna gegeven.
ordinateur de bord .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
filtre
à gazole ...............................................
(page courante)
airbag.........................................................
(page courante)
conseils antipollution .................................
(page courante)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.87
NLD_UD53809_1
Ordinateur de bord : messages d’anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: storingsboodschappen
Zij verschijnen bij het waarschuwingslampje © en het is noodzakelijk direct voorzichtig naar een merkdealer te rijden. Als u dit
voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.
Zij verdwijnen door een druk op de keuzetoets van de aanduiding of na enkele secondes en worden opgeslagen in het functieoverzicht. Het
lampje © blijft branden. Voorbeelden van storingsboodschappen worden hieronder gegeven.
Voorbeelden van boodschappen Betekenis van de gekozen aanduiding
“Brandstoffilter aftappen” Geeft aan dat er water in het brandstoffilter is, raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer.
“Controleer voertuig” Geeft een storing aan van een van de opname-elementen van de pedalen, van het be-
heersysteem van de accu of van een opname-element van het oliepeil.
“Controleer airbag” Geeft een storing aan van de aanvullende veiligheidsvoorzieningen. In geval van een on-
geluk, bestaat het risico dat ze niet geactiveerd worden.
“Controleer lucht verontreiniging” Geeft een storing aan van het roetfiltersysteem van de auto.
Geeft een storing aan in het systeem voor emissiebeperking als dit gepaard gaat met
het controlelampje
. 1.118.
ordinateur de bord .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
témoins de contrôle ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
crevaison ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
bip sonore ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.88
NLD_UD66126_2
Ordinateur de bord : messages d’alerte (BJA - Renault)
BOORDCOMPUTER: alarmboodschappen
Zij verschijnen met het controlelampje ® en dwingen u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te
brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.
Hierna krijgt u voorbeelden van waarschuwingen. Opmerking: de berichten verschijnen afzonderlijk of afwisselend (als er meerdere berichten
zijn), eventueel samen met een controlelampje en/of een geluidssignaal.
Voorbeelden van boodschappen Betekenis van de gekozen aanduiding
“Risico op motorschade” Geeft een storing van het inspuitsysteem, een oververhitting van de motor van de auto of
een ernstig probleem met de motor van de auto aan.
“Storing remsysteem” Geeft een probleem in het remsysteem aan.
“Elektr. storing GEVAAR” Geeft een probleem in het laadstroomcircuit van de accu aan (dynamo, enz.).
“Lekke band” Dit betekent dat minstens een van de banden lek is of veel te lage spanning heeft.
“Storing stuurbekracht.” Geeft een probleem met de stuurinrichting aan.
menu de personnalisation des réglages du
véhicule .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
personnalisation des réglages du véhicule
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglages personnalisés du véhicule .........
(jusqu’à la fin de l’UD)
menu de configuration ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(page courante)
équipements multimédia............................
(page courante)
réglages .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglages
menu de configuration .........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
essuie-vitres/lave-vitre ...............................
(page courante)
verrouillage des portes ..............................
(page courante)
condamnation des portes ..........................
(page courante)
portes.........................................................
(page courante)
éclairage :
extérieur d’accompagnement ..............
(page courante)
1.89
NLD_UD65555_4
Menu de personnalisation des réglages du véhicule (BJA - Renault)
menu de personnalisation des réglages du véhicule
MENU VOOR HET PERSONALISEREN VAN DE AUTO-INSTELLINGEN (1/3)
Deze functie zorgt, afhankelijk van de uitrus-
ting van de auto, voor het in-/uitschakelen
en de afstelling van sommige functies van
de auto.
Auto’s met een
multimediascherm 1
Toegang tot het menu met instellingen
Zie de gebruiksaanwijzing van het multime-
diasysteem voor informatie over de diverse
instellingen.
1
Voer deze verstellingen uitslui-
tend uit als de auto stilstaat.
d) “Welkom”:
Welkom buitenkant;
Automatische uitklappen van de spie-
gels;
Welkom interieur;
Automatische modus binnenlicht.
Afhankelijk van de functie, selecteer:
“ON” of “OFF” om het volgende in of uit te
schakelen,
of
een periode om de tijd dat de lichten
aan zijn aan te passen (d.w.z. de functie
“Uitschakelvertraging”).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
Selectie van de instellingen
Selecteer een menu en vervolgens de func-
tie die moet worden gewijzigd (de weergave
hangt af van de uitrusting en het land van
de auto):
a) “Rijden”:
indicator volume;
– Vrijloop;
– ...
b) “Toegang”:
Ontgrendeling van het bestuur-
dersportier;
Portieren vergrendelen tijdens het
rijden;
Openen/sluiten van de handsfree-mo-
dus;
Afstandsbediening vergrendelen/ont-
grendelen bij naderen;
Geluid vergrendeling op afstand;
Modus stil;
Automatische vergrendeling;
c) “Verl. / wissers”:
– Uitschakelvertraging;
Wissen in zijn achteruit;
Automatisch wissen voorruit;
Wissen na ruitensproeien;
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux de jour ................................................
(page courante)
ordinateur de bord .....................................
(page courante)
essuie-vitres/lave-vitre ...............................
(page courante)
verrouillage des portes ..............................
(page courante)
condamnation des portes ..........................
(page courante)
portes.........................................................
(page courante)
conduite .....................................................
(page courante)
éclairage :
extérieur d’accompagnement ..............
(page courante)
aide au parking ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.90
NLD_UD65555_4
Menu de personnalisation des réglages du véhicule (BJA - Renault)
MENU VOOR HET PERSONALISEREN VAN DE AUTO-INSTELLINGEN (2/3)
Auto’s zonder een
multimediascherm
Toegang tot het menu met de
instellingen op het display 2.
Zet de auto stil en druk zo vaak als nodig op
de schakelaar 3 om het tabblad “Voertuig
weer te geven. Druk achter elkaar op scha-
kelaar 4 of 5 tot u het menu “Instellingen” be-
reikt, en bevestig uw keuze door op te druk-
ken op 6 “OK”.
Selectie van de instellingen
Navigeer met behulp van de 4 of 5 om de
functie te selecteren die moet worden ge-
wijzigd en druk op 6 “OK” om te bevestigen
(weergave kan variëren naargelang de uit-
rusting van de auto en het land):
a) “INSTRUM.PANEEL”:
– Taal;
– Eenheid;
– Stijl;
– Kleur.
b) “VOERTUIG”:
Wissen van de achterruit bij achteruit-
rijden;
Automatische wissen van de voorruit;
Druppel-wisfunctie voor/achter;
Welkom buitenkant.
c) “PARKEER ASSIST.”:
– Pieptoonvolume.
2
d) “RIJHULPSYSTEMEN”:
Volume waarschuwingsgeluid bij ver-
laten rijstrook;
Waarschuwingsgevoeligheid bij verla-
ten rijstrook;
Waarschuwingstrilling bij verlaten rij-
strook;
Gevoeligheid rijstrookassistent;
– Dodehoekwaarschuwing;
Actief remmen;
– Snelheidswaarschuwing;
– Afstandwaarschuwing
e) “VERLICHTING”:
Automatische modus binnenlicht;
Automatische uitschakelvertraging;
Uitschakelvertraging: XX seconden.
f) “TOEGANG”:
Portieren vergrendelen tijdens het
rijden;
Openen/sluiten van de handsfree-mo-
dus;
Ontgrendeling van het bestuur-
dersportier;
Automatisch opnieuw vergrendelen;
Stil vergrendelen;
Automatisch openen/sluiten;
Automatisch uitklappen van buiten-
spiegels
g) “RESET”.
= functie ingeschakeld
< functie uitgeschakeld
3
4
5
6
1.91
NLD_UD65555_4
Menu de personnalisation des réglages du véhicule (BJA - Renault)
Als de regel is geselecteerd, drukt u op scha-
kelaar 6 “OK” om de functie in te stellen.
Als u “PARKEER ASSIST.” en daarna
VOLUME” of “INSTRUM.PANEEL” en
daarna “TAAL” selecteert, moet u nog een
keuze maken (geluidsvolume van de par-
keerhulp of taal van het instrumentenpa-
neel). Bepaal in dat geval uw keuze en be-
vestig deze door op de schakelaar “6 OK”
te drukken, de geselecteerde waarde wordt
weergegeven met een
= vóór de regel.
Het menu voor het personaliseren van
de instellingen van de auto kan niet ge-
bruikt worden tijdens het rijden. Boven
20 km/u schakelt het display van het
instrumentenpaneel automatisch terug
naar de boordcomputer.
Om het menu te verlaten, drukt u op 4 of 5
om naar “TERUG” te gaan en bevestigt u uw
keuze door op 6 “OK” te drukken. Het kan
nodig zijn dit een aantal keren te herhalen.
MENU VOOR HET PERSONALISEREN VAN DE AUTO-INSTELLINGEN (3/3)
3
4
5
6
montre .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
appareils de contrôle .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
température extérieure ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
équipements multimédia............................
(page courante)
heure .........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.92
NLD_UD68929_4
Heure et température extérieure (BJA - Renault)
Heure et température extérieure
Auto’s uitgerust met een multimedia-
scherm.
De tijd en/of buitentemperatuur verschijnen
op het multimediascherm 1.
Raadpleeg de multimedia-instructies.
KLOKJE EN BUITENTEMPERATUUR (1/2)
1
Auto’s zonder multimediascherm
Druk zo vaak als nodig op de schakelaar 2
om het Voertuig tabblad te bereiken.
Druk herhaaldelijk op schakelaar 3 of 4 om
het 6 klokje in te stellen.
Houd de schakelaar 5 “OK” ingedrukt totdat
de weergave knippert.
Stel het uur in met 3 of 4 en wacht drie se-
conden tot de minuten knipperen.
Stel de minuten in met 3 of 4 en wacht drie
seconden tot het knipperen stopt en de
tijdinstelling is voltooid.
2
3
4
5
6
montre .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.93
NLD_UD68929_4
Heure et température extérieure (BJA - Renault)
Buitentemperatuurmeter
Bijzonderheid:
Als de buitentemperatuur tussen -3 °C en
+3 °C ligt, knipperen de symbolen °C (waar-
schuwing voor kans op gladheid).
KLOKJE EN BUITENTEMPERATUUR (2/2)
Buitentemperatuurmeter
De buitenthermometer is be-
slist geen gladheidsdetector.
Gladheid is niet alleen van de
temperatuur afhankelijk, maar van meer
factoren zoals de ligging van de weg en
de vochtigheid van de lucht.
Afhankelijk van de auto, als de elektri-
sche voeding onderbroken is geweest
(losgenomen accukabel, zekering door-
gebrand enz.) wordt de klok automatisch
weer gelijk gezet na enkele minuten,
zodra het systeem weer informatie kan
ontvangen GPS.
volant de direction chauffant ......................
(page courante)
volant de direction
réglage .................................................
(page courante)
position de conduite
réglages ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.94
NLD_UD58853_2
Volant de direction (XJA - Renault)
Stuurwielverwarming
(Afhankelijk van de auto)
Met deze functie wordt het stuurwiel ver-
warmd 2.
De werking van de startvergrendeling
Wanneer de temperatuur is bereikt, worden
de zones ongeveer 30 minuten verwarmd,
waarna de functie automatisch wordt uitge-
schakeld.
Volant de direction, Direction assistée
Voer, om veiligheidsredenen,
deze afstellingen uitsluitend uit
als de auto stilstaat.
Hoogte- en diepteverstelling van
het stuurwiel
Laat de hendel 1 zakken en zet het stuurwiel
in de gewenste stand.
Til daarna de hendel geheel terug omhoog
en voorbij het zware punt om het stuurwiel
te blokkeren.
Controleer of het stuurwiel goed is vergren-
deld.
Schakel de functie in
Druk met het contact aan op de schake-
laar 3: het waarschuwingslampje in de scha-
kelaar licht op.
Uitschakelen van de functie
- Automaat:
De functie wordt ongeveer 30 minuten na
de verwarmingsfase automatisch uitge-
schakeld. Het 3 waarschuwingslampje in de
schakelaar blijft aan.
Opmerking: als de functie automatisch is
uitgeschakeld, drukt u twee keer op de scha-
kelaar 3 om deze opnieuw te activeren.
Als de schakelaar 3 niet opnieuw wordt in-
gedrukt, wordt de functie weer ingeschakeld
wanneer het contact wordt aangezet.
- Handmatig:
Als u de functie wilt uitschakelen tijdens de
verwarmingsfase, drukt u op de schake-
laar 3. Het 3 waarschuwingslampje in de
schakelaar dooft.
1
3
2
STUURWIEL, MET STUURBEKRACHTIGING (1/2)
direction assistée .......................................
(page courante)
direction à assistance variable ..................
(page courante)
assistance de direction ..............................
(page courante)
Stop and Start............................................
(page courante)
Multi-Sense................................................
(page courante)
rétroviseurs ................................................
(page courante)
1.95
NLD_UD58853_2
Volant de direction (XJA - Renault)
Stuurbekrachtiging
Rijd nooit met een accu die niet genoeg ge-
laden is.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
past de mate van bekrachtiging automatisch
aan de snelheid waarmee u rijdt aan.
Bij het parkeren is er veel bekrachtiging
(voor meer comfort) en met het toenemen
van de snelheid vermindert de bekrachtiging
(voor een grotere veiligheid bij snel rijden).
Bijzonderheid van Stop and Start
Wanneer de motor op stand-by wordt gezet,
werkt de stuurbekrachtiging niet. In dit geval
wordt de stuurbekrachtiging opnieuw inge-
schakeld wanneer de motor opnieuw wordt
gestart of de snelheid hoger wordt dan
1 km/u (afdaling, helling enz.).
STUURWIEL, MET STUURBEKRACHTIGING (2/2)
Zet nooit de motor af tijdens het
rijden: bij uitgeschakelde motor
is er geen bekrachtiging.
Bij stilstaande motor of bij een storing in
het systeem blijft het mogelijk het stuur-
wiel te draaien. Er moet meer kracht
gezet worden.
Let op: de stuurbekrachtiging hangt af van
de gekozen rijstijlmodus in het “MULTI-
SENSE”-menu ( 3.2).
Laat het stuurwiel niet in een uiterste
stand gedraaid staan als de auto stil
staat.
Draai nooit aan het stuurwiel wanneer
de accu is ontkoppeld.
rétroviseurs ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.96
NLD_UD53812_1
Rétroviseurs (XJA - Renault)
Inklapbare buitenspiegels
De buitenspiegels klappen automatisch uit
als de auto wordt ontgrendeld. De spiegels
klappen automatisch in bij het vergrendelen
van de auto.
U kunt de buitenspiegels altijd in- of uitklap-
pen door op de schakelaar 3 te drukken.
Let op: u kunt het automatisch in- of uitklap-
pen van de buitenspiegels uitschakelen/in-
schakelen 1.89.
Rétroviseurs
SPIEGELS (1/2)
1
Spiegels
Afstellen
Wanneer u de buitenspiegel selecteert met
behulp van de 2 schakelaar, verschijnt het
ingebouwde controlelampje op de schake-
laar. Gebruik vervolgens de 1-knop om de
gewenste stand in te stellen.
Verwarmde buitenspiegels
Het ontdooien gebeurt tegelijk met het ver-
warmen van de achterruit. 3.6 3.10.
Voorwerpen die worden waar-
genomen in de achteruitkijk-
spiegel zijn in werkelijkheid
dichterbij dan ze lijken. Voor
uw eigen veiligheid dient u hiermee re-
kening te houden bij het bepalen van de
afstand, voordat u een manoeuvre uit-
voert.
Voer deze verstellingen uitslui-
tend uit als de auto stilstaat.
bijzonderheid
Wanneer de achteruitkijkspiegel handmatig
is in- of uitgeklapt, kan hij worden teruggezet
naar een bepaalde gebruiksstand.
Dit kan door op de schakelaar 3 te drukken.
U kunt de buitenspiegel mechanisch horen
klikken.
Als u geen klikgeluid hoort, drukt u opnieuw
op de 3-schakelaar totdat u het klikgeluid
van de buitenspiegels hoort.
2
3
1.97
NLD_UD53812_1
Rétroviseurs (XJA - Renault)
SPIEGELS (2/2)
Voer deze verstellingen uitslui-
tend uit als de auto stilstaat.
4
Binnenspiegel
De binnenspiegel is verstelbaar.
Spiegel met knopje 4
Om te voorkomen dat u in het donker ver-
blind wordt door achter u rijdende voertui-
gen, kan het spiegelglas in de nachtstand
gekanteld worden met het knopje 4 achter
de spiegel.
Spiegel zonder knopje 4
De achteruitkijkspiegel wordt automatisch
donkerder wanneer er een auto achter u rijdt
met groot licht of zeer fel licht.
Voorwerpen die worden waar-
genomen in de achteruitkijk-
spiegel zijn in werkelijkheid
dichterbij dan ze lijken. Voor
uw eigen veiligheid dient u hiermee re-
kening te houden bij het bepalen van de
afstand, voordat u een manoeuvre uit-
voert.
éclairage :
extérieur ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de position ...........................................
(page courante)
signalisation éclairage ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de route ................................................
(page courante)
feux :
de croisement ......................................
(page courante)
feux :
de brouillard .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
mode AUTO ...............................................
(page courante)
feux de jour ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
éclairage :
tableau de bord ....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.98
NLD_UD64533_4
Éclairages et signalisations extérieures (BJA - Renault)
Éclairages et signalisations extérieurs
VERLICHTING EN SIGNALEN (1/6)
š
Markeringslichten
Draai de ring 2 tot het symbool bij
het merkteken 3 staat:
Dit controlelampje op het in-strumentenpa-
neel licht op.
Functie verlichting overdag
De dagrijverlichting schakelt overdag au-
tomatisch in zonder dat u de schakelaar 1
hoeft te bedienen bij het starten van de
motor, en gaat uit bij het stoppen van de
motor.
1
k
Dimlicht
Handbediend
Draai de ring 2 tot het symbool bij het merk-
teken 3 staat: Dit controlelampje op het in-
strumentenpaneel licht op.
Automatische werking
(afhankelijk van de auto)
Draai de ring 2 tot het symbool AUTO bij
het merkteken 3 staat: draaiende motor, de
dimlichten schakelen automatisch in en uit,
naargelang de helderheid buiten, zonder dat
u de schakelaar 1 hoeft te bedienen.
Controleer, voordat u in het
donker wegrijdt, de werking
van de verlichting en stel
indien nodig de stand van de
koplampen af op de belasting van de
auto. 1.105. Zorg ervoor dat de lichten
niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw,
vervoer van voorwerpen, enz.).
Afhankelijk van de auto gaan de dimlichten
automatisch aan na enkele wisbewegingen
van de ruitenwisserbladen.
3
2
1
mode AUTO ...............................................
(page courante)
feux :
de route ................................................
(page courante)
feux :
de croisement ......................................
(page courante)
réglage position de conduite......................
(page courante)
1.99
NLD_UD64533_4
Éclairages et signalisations extérieures (BJA - Renault)
Het grootlicht wordt automatisch ontstoken
wanneer:
er weinig licht buiten is;
er geen andere auto of verlichting wordt
gedetecteerd;
als de auto sneller dan ongeveer 40 km/u
rijdt.
Als niet aan een van de voorwaarden hier-
onder wordt voldaan, wordt overgeschakeld
naar dimlicht.
Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet
is bedekt (door vuil, modder, damp enzo-
voort).
Om automatisch grootlicht in te
schakelen:
Draai de ring 2 tot het symbool AUTO bij de
markering 3 staat en duw tegen de scha-
kelaar 1. Het waarschuwingslampje
verschijnt op het instrumentenpaneel.
VERLICHTING EN SIGNALEN (2/6)
Het systeem kan onder bepaalde om-
standigheden niet goed werken, met
name:
extreme weersomstandigheden
(regen, sneeuw, mist enz.);
als er iets achter de voorruit of voor
de camera zit;
als een achterligger of tegenligger
weinig verlichting voert of afgedekte
lampen heeft;
– verkeerde afstelling van de koplam-
pen;
reflecterende systemen;
– ...
á
Grootlicht
Met draaiende motor, duw met de
dimlichten aan tegen de lichtschakelaar 1.
Dit controlelampje op het in-strumentenpa-
neel licht op.
Om het grootlicht uit en het dimlicht weer in
te schakelen, trekt u de lichtschakelaar 1 op-
nieuw naar u toe.
Functie “Zet lichten omhoog
tijdens het rijden”
Als het grootlicht is ingeschakeld, verbetert
de functie “Zet lichten omhoog tijdens het
rijden” het zicht van de bestuurder door het
dimlicht en grootlicht automatisch omhoog
te zetten.
Tijdens het uitschakelen van het grootlicht
keren de dimlichten automatisch terug in
hun oorspronkelijke stand.
Automatisch grootlicht
Afhankelijk van de auto ontsteekt
en dooft dit systeem automatisch het groot-
licht. Het gebruikt een camera geplaatst
achter de binnenspiegel om voorliggers en
tegenliggers te detecteren.
3
2
1
mode AUTO ...............................................
(page courante)
feux :
de route ................................................
(page courante)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.100
NLD_UD64533_4
Éclairages et signalisations extérieures (BJA - Renault)
storingen
Wanneer het bericht “Controleer autom ver-
lichting” op het instrumentenpaneel ver-
schijnt, wordt het systeem uitgeschakeld.
Raadpleeg een merkdealer.
VERLICHTING EN SIGNALEN (3/6)
Het gebruik ‘s nachts van een
draagbaar navigatiesysteem
op het gedeelte van de voorruit
onder de camera, kan de wer-
king van het automatische grootlichtsys-
teem verstoren (risico van reflecties op
de voorruit).
Het systeem voor het auto-
matisch inschakelen van het
grootlicht is in geen geval een
vervanging voor de oplettend-
heid en verantwoordelijkheid van de be-
stuurder inzake de verlichting van het
voertuig en de aanpassing daarvan aan
de licht-, zicht- en verkeersomstandig-
heden.
Automatisch grootlicht
(vervolg)
Om automatisch grootlicht uit te
schakelen:
draai de ring 2 in een andere stand dan
AUTO;
of
Trek aan de schakelaar 1.
Het controlelampje
op het instru-
mentenpaneel gaat uit..
Opmerking: het grootlicht wordt geacti-
veerd bij het uitschakelen van de functie
voor automatisch grootlicht.
3
2
1
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
équipements multimédia............................
(page courante)
alarme sonore d’oubli d’éclairage ..............
(page courante)
feux :
de croisement ......................................
(page courante)
1.101
NLD_UD64533_4
Éclairages et signalisations extérieures (BJA - Renault)
VERLICHTING EN SIGNALEN (4/6)
Geluidssignaal vergeten
verlichting
Indien de lichten nog branden nadat de
motor is uitgeschakeld, klinkt er een sig-
naal bij het openen van het bestuurderspor-
tier om u te waarschuwen dat de lichten
nog branden (om ontlading van de accu of
andere problemen te voorkomen).
storingen
Als het bericht “Controleer verlichting”
verschijnt in combinatie met het ©
waarschuwingslampje en het k
waarschuwingslampje knippert op het in-
strumentenpaneel, is er een storing in de
verlichting.
Raadpleeg een merkdealer.
2
Uitschakelen van de lichten
De lichten gaan automatisch uit na stop-
pen van de motor, openen van het bestuur-
dersportier of vergrendelen van de auto. In
dat geval schake-len, bij de volgende keer
starten van de motor, de lichten opnieuw in,
overeen-komstig de stand van ring 2.
N.B.: als de mistlichten branden, dooft de
verlichting niet automatisch.
Functie welkomst en afscheid
(afhankelijk van de auto)
Wanneer de functie is ingeschakeld, gaan
de dagrijverlichting en de markeringslichten
achter automatisch aan wanneer card wordt
gedetecteerd of de auto wordt ontgrendeld.
Ze gaan automatisch uit:
ongeveer één minuut nadat ze zijn aan-
gegaan;
wanneer de motor wordt gestart, naarge-
lang van de stand van de schakelaar voor
de verlichting;
of
wanneer de auto wordt vergrendeld.
Inschakelen/Uitschakelen van
de functie
Zie de gebruiksaanwijzing van het multime-
diasysteem om de externe welkomstfunctie
in of uit te schakelen.
Selecteer “ON” of “OFF”.
éclairage :
extérieur d’accompagnement ..............
(page courante)
feux :
de position ...........................................
(page courante)
feux :
de croisement ......................................
(page courante)
1.102
NLD_UD64533_4
Éclairages et signalisations extérieures (BJA - Renault)
Functie “uitschakelvertraging”
Met deze functie kunt u de markeringslich-
ten en dimlichten korte tijd inschakelen (bijv.
voor het bijlichten bij het openen van een
hek).
Als de motor en de lichten uitgescha-
keld zijn, de 2 ring op AUTO staat, trekt u
de hendel 1 naar u toe: de markeringslichten
en dimlichten gaan ongeveer 30 seconden
aan samen met de waarschuwingslampjes
š en k op het instrumentenpa-
neel.
Om deze tijd te verlengen, kunt u de schake-
laar tot vier keer naar u toe trekken (de maxi-
male tijd is ongeveer twee minuten).
Het bericht “verlichting op _ _ _” gevolgd
door de resterende tijd worden ter bevesti-
ging op het instrumentenpaneel weergege-
ven. Daarna kunt u uw auto vergrendelen.
Om de verlichting uit te schakelen voordat
deze automatisch uitschakelt, verdraait u de
ring 2 (de stand is onbelangrijk) en draait u
deze daarna terug in de stand AUTO.
VERLICHTING EN SIGNALEN (5/6)
2
1
feux :
de brouillard .........................................
(page courante)
feux additionnels de virage ........................
(page courante)
1.103
NLD_UD64533_4
Éclairages et signalisations extérieures (BJA - Renault)
Bochtlichten
(Afhankelijk van de auto)
Bij vooruitrijden met een snelheid van
minder dan circa 40 km/u en de dimlich-
ten aan, gaat in bepaalde omstandighe-
den (stuurwielhoek, richtingaanwijzers aan,
enz.) in een bocht één van de mistlichten
branden om de bocht te verlichten.
In de achteruitversnelling en met de dim-
lichten aan, gaan de twee mistlampen voor
automatisch branden.
Opmerking: bij schakelen van achteruit
naar vooruit (bijv. tijdens een parkeerma-
noeuvre), gaan de twee mistlichten branden
totdat het voertuig harder rijdt dan 10 km/u.
g
Mistlichten voor
Draai de middelste ring 4 van
de schakelaar 1 zo dat het symbool bij het
merkteken 3 staat en laat dan los.
De werking is afhankelijk van de gevoerde
verlichting; het controlelampje op het instru-
mentenpaneel gaat branden.
VERLICHTING EN SIGNALEN (6/6)
Bij mist, sneeuw of bij het vervoer van voorwerpen die voorbij de voorkant van het dak uitsteken, werkt de automatische verlichting niet altijd.
Het inschakelen van de mistlichten blijft onder controle van de bestuurder: de controlelampjes op het instrumentenpaneel informeren u over
het inschakelen (controlelampje brandt) of uitschakelen (controlelampje uit).
Mistachterlicht
Draai de middelste ring 4 van de
schakelaar zo dat het symbool bij het merk-
teken 3 staat en laat dan los.
De werking is afhankelijk van de gevoerde
verlichting; het controlelampje op het instru-
mentenpaneel gaat branden.
Zodra de weersomstandigheden dit toelaten
moet u de mistachterlichten uitschakelen om
de achter u rijdende weggebruikers niet te
hinderen.
Lichten uit
Draai de middelste ring 4 opnieuw tot het
merkteken 3 tegenover het symbool van de
mistlampen staat die u wilt uitschakelen. Het
bijbehorende controlelampje op het instru-
mentenpaneel dooft.
Bij het uitschakelen van de verlichting, gaan
ook de mistlichten voor en achter uit.
2
1
3
4
avertisseurs sonore et lumineux ................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clignotants .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
éclairage :
extérieur ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de détresse ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de direction ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
signal danger .............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
signalisation éclairage ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
warning ......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de direction ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
klaxon ........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
appel
lumineux ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.104
NLD_UD53814_1
Avertisseurs sonores et lumineux (XJA - Renault)
Avertisseurs sonores et lumineux
é
Alarmknipperlichten
(waarschuwingssignaal)
Druk op de schakelaar 2.
Deze schakelaar schakelt gelijktijdig de vier
knipperlichten en de zijknipperlichten in.
Gebruik deze alleen als gevaar dreigt om
andere weggebruikers te waarschuwen dat
u gedwongen bent te stoppen op een abnor-
male plaats of zelfs waar dit verboden is, of
bij bijzondere rij- of verkeersomstandighe-
den.
Afhankelijk van de uitvoering van de auto,
kunnen tijdens krachtig remmen de knip-
perlichten automatisch inschakelen. U kunt
deze uitschakelen door een keer op de
schakelaar 2 te drukken.
Richtingaanwijzers
Zet de schakelaar 1 in dezelfde richting als
waarin u het stuurwiel wilt bewegen.
Werking van de sneltoets
Tijdens het rijden wordt het stuur mogelijk
slechts weinig gedraaid, waardoor de scha-
kelaar niet vanzelf terugkomt in de rust-
stand.
Verplaats de schakelaar 1 in dit geval tot
halverwege en laat hem dan los: de hendel
komt terug in de beginstand en de richting-
aanwijzer knippert drie keer.
Claxon
Druk op het midden van het stuurwiel A om
de claxon te laten klinken.
Lichtsignaal
Trek schakelaar 1 naar u toe en laat deze
los om met de koplampen te knipperen.
CLAXON EN LICHTSIGNALEN
A
2
1
2
éclairage :
extérieur ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
réglage .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
projecteurs
réglage .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglage des projecteurs .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
signalisation éclairage ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglage électrique de la hauteur des
faisceaux ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
réglage de la hauteur des faisceaux ....
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.105
NLD_UD59089_2
Réglage des faisceaux (XJA - Renault)
Schakelaar A wordt gebruikt om de hoogte
van de koplampen aan te passen aan de be-
lasting van de auto.
Als de dimlichten branden, drukt u op of trekt
u aan schakelaar A zo vaak als nodig is voor
het selecteren van de gewenste stand op het
instrumentenpaneel. De geselecteerde posi-
tie wordt gedurende ongeveer 30 seconden
weergegeven op het instrumentenpaneel.
Opmerking: afhankelijk van de auto wordt
elke keer dat de motor start mogelijk de
geselecteerde stand gedurende ongeveer
30 seconden weergegeven op het instru-
mentenpaneel.
Réglage des projecteurs
KOPLAMPEN AFSTELLEN
Voorbeelden van de stand van
knop A
, afhankelijk van de belasting
Bestuurder alleen of met een passagier
voorin
0
Alle stoelen bezet 2
Bestuurder met passagiers en bagage (of
belading) tot de maximaal toegelaten totale
massa
3
Bestuurder zonder passagiers of bagage (of
belading) tot de maximaal toegelaten totale
massa
4
In de volgende tabel ziet u enkele voorbeelden. Stel in alle gevallen bediening A in vol-
gens de belading van de auto, zodat de weg goed zichtbaar is en andere weggebruikers
niet verblind worden.
A
essuie-vitres ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
lave-vitres ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
précautions d’utilisation .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.106
NLD_UD62004_3
Essuie-vitre / lave-vitre avant (BJA - Renault)
Essuie-vitres, lave-vitres
Bijzonderheid
Tijdens het rijden gaat de wisser langza-
mer werken als de auto stopt. Van snel con-
tinu wissen naar langzaam continu wissen.
Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen
de wissers weer met de oorspronkelijk inge-
stelde snelheid te werken.
Als u de schakelaar 1 in een andere stand
zet, schakelt u hiermee bovengenoemd au-
tomatisme uit.
Auto voorzien van ruitenwisser
voor met interval
A een keer wissen
Door kort te drukken maakt de ruiten-
wisser één wisbeweging.
B stoppen
C wissen met intervallen
De wissers vegen met tussenpozen
van enkele secondes. De duur van het
interval is te regelen door de ring 2 te
verdraaien;
D langzaam continu wissen
E snel continu wissen
1
A
B
C
D
E
1
2
RUITENWISSER, -SPROEIER VOOR (1/5)
1.107
NLD_UD62004_3
Essuie-vitre / lave-vitre avant (BJA - Renault)
Auto voorzien van ruitenwisser
voor met regensensor
De regensensor bevindt zich op de voorruit,
voor de binnenspiegel.
A een keer wissen
Door kort te drukken maakt de ruiten-
wisser één wisbeweging.
B stoppen
Wanneer automatisch wissen is inge-
schakeld of de gevoeligheid wordt ver-
hoogd, wordt één wisbeweging uitge-
voerd.
Opmerking:
de regensensor heeft enkel een onder-
steunende functie. Bij beperkte zicht-
baarheid moet de bestuurder zijn ruiten-
wisser handmatig inschakelen. Bij mist
of sneeuwval werkt de ruitenwisser niet
altijd automatisch en blijft deze onder uw
controle.
Bij temperaturen onder nul wordt auto-
matisch wissen niet ingeschakeld wan-
neer de auto wordt gestart. Deze functie
wordt automatisch ingeschakeld wan-
neer de auto sneller rijdt dan een be-
paalde snelheid (ongeveer 8 km/uur).
schakel automatisch wissen niet in bij
droog weer;
ontdooi de voorruit volledig voordat u het
automatisch wissen inschakelt.
2
F
1
C automatisch wissen
In deze stand signaleert het systeem
water op de voorruit en schakelt het
wissen in met een aangepaste wis-
snelheid. De inschakeldrempel van het
wissen en de duur van het interval is
te regelen door de ring 2 te verdraaien:
F: minimale gevoeligheid
G: maximale gevoeligheid
Hoe hoger de gevoeligheid, des te
sneller reageren de ruitenwissers en
wordt de frequentie van het wissen
verhoogd.
1
A
B
C
D
E
G
RUITENWISSER, -SPROEIER VOOR (2/5)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
1.108
NLD_UD62004_3
Essuie-vitre / lave-vitre avant (BJA - Renault)
D langzaam continu wissen
E snel continu wissen
storingen
Bij een storing van het automatisch wissen,
schakelt de ruitenwisser over op wissen met
intervallen. Roep de hulp in van een merk-
dealer.
De werking van de regensensor kan worden
verstoord bij:
beschadigde ruitenwissers; een wa-
terlaagje of watersporen achterla-
ten in de detectiezone van de sensor
kunnen de reactiesnelheid van het
automatisch wissen vergroten of de
frequentie van het wissen verhogen;
een voorruit met een chip of barst ter
hoogte van de sensor, of een voorruit
die is bedekt met stof, vuil, insecten,
ijs, het gebruik van was en wateraf-
stotend stoffen; de ruitenwisser zal
minder gevoelig zijn of reageert mo-
gelijke helemaal niet.
Bijzonderheid
Tijdens het rijden gaat de wisser lang-
zamer werken als de auto stopt. Van snel
continu wissen naar langzaam continu
wissen. Zodra de auto weer gaat rijden, be-
ginnen de wissers weer met de oorspronke-
lijk ingestelde snelheid te werken.
Als u de schakelaar 1 in een andere stand
zet, schakelt u hiermee bovengenoemd au-
tomatisme uit.
Voorzorgsmaatregelen
Controleer bij vorst voordat u de rui-
tenwisser inschakelt of de ruitenwisser-
bladen niet zijn vastgevroren. Als u de
ruitenwisser inschakelt terwijl de bladen
zijn vastgevroren, kunt u zowel de bladen
als de motor van de ruitenwisser bescha-
digen.
Activeer de ruitenwissers niet op een
droge ruit. Dit kan leiden tot vroegtijdige
slijtage of beschadiging van de wisser-
bladen.
G
1
A
B
C
D
E
RUITENWISSER, -SPROEIER VOOR (3/5)
essuie-vitre/lave-vitre
remplacement des balais .....................
(page courante)
1.109
NLD_UD62004_3
Essuie-vitre / lave-vitre avant (BJA - Renault)
Voordat u iets aan de voorruit
doet (wassen, ontdooien, rei-
nigen, enz.), zet u de schake-
laar 1 in stand B (uit).
Risico van verwonding en/of bescha-
digingen.
Wanneer er zich obstakels op de voor-
ruit bevinden (vuil, sneeuw, ijs ...), maakt
u de voorruit (inclusief de centrale zone
achter de binnenspiegel) schoon voor-
dat u de ruitenwissers inschakelt (risico
op oververhitting van de motor).
Als een obstakel de beweging van een
blad verhindert, kan dat blad stoppen
met wissen. Verwijder het obstakel en
schakel de ruitenwisser opnieuw in met
de ruitenwisserschakelaar.
Bijzondere stand van
de ruitenwisser voor
(onderhoudsstand)
In deze stand kunnen de bladen worden op-
getild om ze van de voorruit te verwijderen.
Dit kan nuttig zijn:
om de bladen te reinigen;
om de bladen van de voorruit los te
maken in winterse weersomstandighe-
den;
vervang de bladen. 5.33.
Zet, met contact aan of draaiende motor, de
schakelaar 1 twee keer in de stand A (één
wisbeweging). De bladen stoppen in een
stand waarbij de motorkap vrij is.
Om de bladen terug te zetten in de laagste
stand, met het contact aan, moet u ervoor
zorgen dat de ruitenwissers zijn neergeklapt
op de voorruit. Zet daarna de schakelaar 1 in
stand A (één wisbeweging).
Voordat u het contact aanzet, moet u de
ruitenwissers op de voorruit zetten. Anders
kunnen de motorkap of de wissers bescha-
digd raken wanneer deze worden ingescha-
keld.
G
1
A
B
C
D
E
RUITENWISSER, -SPROEIER VOOR (4/5)
1.110
NLD_UD62004_3
Essuie-vitre / lave-vitre avant (BJA - Renault)
Opmerking:
Bij temperaturen onder nul kan de ruitenwis-
servloeistof aanvriezen op de voorruit en het
zicht verminderen. Verwarm de voorruit met
behulp van de ontwasemingsschakelaar
voordat u ze reinigt.
Ruitensproeier
Contact aan: trek de schakelaar 1 naar u
toe en laat deze weer los.
Door langer te drukken, maken de ruitenwis-
sers, naast de ruitensproeier twee wisbewe-
gingen, een paar seconden later gevolgd
door een derde.
Voor auto’s uitgerust met een multimedia-
scherm, kunt u ervoor kiezen de derde wis-
beweging van de ruitenwisserbladen in of uit
te schakelen. 1.89.
Controleer bij werkzaamheden
onder de motorkap, of de scha-
kelaar van de ruiten- wisser in
stand B (uit) staat.
Verwondingsgevaar.
G
1
De werking van een
ruitenwisserblad
Let op de staat van de ruitenwisserbla-
den. Hun levensduur hangt van u af:
houd de bladen schoon: reinig de
bladen en de ruit regelmatig met
water en zeep;
gebruik ze niet op een droge ruit;
maak ze los van de ruit als ze lange
tijd niet zijn gebruikt.
Vervang ze in elk geval, zodra hun wer-
king afneemt, ongeveer eens per jaar.
5.33.
Voorzorgen bij het gebruik
van de wissers
Maak, als het vriest of sneeuwt, de
achterruit schoon voordat u de ruiten-
wisser aanzet (de motor kan overver-
hitten).
zorg dat niets de beweging van de
wisser hindert.
RUITENWISSER, -SPROEIER VOOR (5/5)
essuie-vitres ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
lave-vitres ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.111
NLD_UD62492_2
Essuie-vitre / Lave-vitre arrière (BJA - Renault)
ACHTERRUITSPROEIER, -WISSER (1/2)
1
3
Y
Achterruitwisser
Draai met ingeschakeld contact
aan de ring 3 op de hendel 1 totdat het sym-
bool tegenover het referentiepunt 2 staat.
stoppen
wissen met intervallen
De ruitenwisserbladen vegen met tus-
senpozen van enkele seconden. De
frequentie van het wissen varieert
naargelang de rijsnelheid van de auto;
langzaam continu wissen
Om de werking te stoppen, laat u opnieuw
de ring 3 draaien.
Opmerking
Wanneer u de auto door een wasstraat rijdt,
moet u de ring 3 van de schakelaar 1 in rust-
stand zetten om het automatisch wissen uit
te zetten.
Houd u aan de gebruiksvoorschriften.
Voordat u iets aan de achter-
ruit doet (wassen van de auto,
ontdooien, reinigen enz.) moet
u de schakelaar 1 in ruststand
zetten.
Risico van verwonding en/of bescha-
digingen.
2
Gebruik de ruitenwisserarm niet om de
achterklep te openen of te sluiten.
De werking van een
ruitenwisserblad
Let op de staat van de ruitenwisserbla-
den. Hun levensduur hangt van u af:
houd de bladen schoon: reinig de
bladen en de ruit regelmatig met
water en zeep;
gebruik ze niet op een droge ruit;
maak ze los van de ruit als ze lange
tijd niet zijn gebruikt.
Vervang ze in elk geval, zodra hun wer-
king afneemt, ongeveer eens per jaar.
5.33.
Voorzorgen bij het gebruik
van de wissers
Maak, als het vriest of sneeuwt, de
achterruit schoon voordat u de ruiten-
wisser aanzet (de motor kan overver-
hitten).
zorg dat niets de beweging van de
wisser hindert.
1.112
NLD_UD62492_2
Essuie-vitre / Lave-vitre arrière (BJA - Renault)
ACHTERRUITSPROEIER, -WISSER (2/2)
Inschakelen/uitschakelen van de
achterruitwisser
Wanneer de achteruitversnelling wordt inge-
schakeld, wordt het wissen met intervallen
van de achterruit ingeschakeld (als de rui-
tenwissers van de voorruit werken). Als uw
auto is uitgerust met een menu om de auto-
instellingen te personaliseren, kunt u deze
functie in- of uitschakelen. 1.89.
Voor auto’s die niet zijn uitgerust met een
menu om de instellingen te personaliseren,
kunt u de functie laten deactiveren door een
merkdealer.
p
Ruitenwissers/
ruitensproeiers achter
Duw met het contact aan lang tegen de
schakelaar 1 en laat vervolgens los.
Als de schakelaar langer ingedrukt ge-
houden wordt, zullen (behalve de ruiten-
sproeier) de ruitenwisser twee wisbewegin-
gen maken, enkele seconden later gevolgd
door een derde (druppel-wisfunctie).
Als u de schakelaar loslaat, blijft de achter-
ruitwisser werken.
Wanneer er zich obstakels op de achterruit
bevinden (vuil, sneeuw ...), probeert de rui-
tenwisser alle obstakels weg te wissen. Als
een obstakel de beweging van het blad ver-
hindert, kan het blad stoppen. Verwijder het
obstakel, wacht ongeveer 30 seconden en
schakel de ruitenwisser opnieuw in met de
schakelaar voor het wissen.
Voorzorgsmaatregelen
Controleer bij vorst voordat u de ruiten-
wisser inschakelt of de ruitenwisserbla-
den niet zijn vastgevroren op de ruit. Als
u de ruitenwisser bedient terwijl het blad
geblokkeerd is door vorst, bestaat het
risico dat zowel het blad als de motor van
de ruitenwisser beschadigd raken.
Activeer de ruitenwissers niet op een
droge ruit. Dit kan leiden tot vroegtijdige
slijtage of beschadiging van de wisser-
bladen.
1
capacité du réservoir carburant .................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carburant
qualité ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carburant
remplissage .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réservoir carburant
capacité ...............................................
(page courante)
bouchon de réservoir carburant.................
(jusqu’à la fin de l’UD)
niveaux :
carburant ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.113
NLD_UD69591_4
Réservoir carburant (BJA - Renault)
Soort brandstof
Gebruik brandstof van goede kwaliteit
die overeenkomt met de normen die in elk
land zijn vastgelegd en beslist overeenkomt
met de indicaties op de sticker op klepje 1.
6.5.
Réservoir carburant (remplissage carburant)
BRANDSTOFTANK (1/5)
De tankdop is van een speci-
aal type.
Vraag naar ditzelfde type als u
een andere dop koopt. Ga naar
een merkdealer.
Rook niet tijdens het tanken en ontsteek
geen open vuur in de nabijheid van de
brandstoftank of de tankdop.
Maak de omgeving van het vulsysteem
niet schoon met een hogedrukreiniger.
Vermeng de dieselbrandstof
nooit met benzine (loodvrij of
E85), zelfs niet een kleine hoe-
veelheid.
Gebruik geen ethanol als uw auto hier
niet voor aangepast is.
Voeg geen reagens toe aan de brand-
stof, anders kan de motor beschadigd
raken. 0.8. Als u een additief wilt toe-
voegen aan de brandstof, gebruik dan
een product dat is goedgekeurd door
onze technische dienst.
Ga naar een merkdealer.
Bruikbare inhoud van de tank:
– Ongeveer 42 liter voor de uitvoeringen
met benzinemotor;
– Ongeveer 39 liter voor de uitvoeringen
met dieselmotor.
Om bij ontgrendelde auto het klepje 1 te
openen, drukt u op de zone A en laat u ver-
volgens los. Het klepje 1 gaat een beetje
open.
Tijdens het tanken gebruikt u de houder 2 op
het klepje 1 om de dop 3 aan op te hangen.
Meer informatie over het tanken vindt u bij
“Tanken van brandstof”.
Sluiten: druk het klepje met de hand tegen
de aanslag.
1
A
3
2
1
Brandstofsoorten die voldoen aan de
Europese normen die ook gelden voor
de motoren van auto’s die in Europa zijn
verkocht: zie tabel 6.5.
1.114
NLD_UD69591_4
Réservoir carburant (BJA - Renault)
Dieselmotor
Gebruik uitsluitend dieselbrandstof die
overeenkomt met de indicaties op de sticker
aan de binnenkant van het klepje 1.
Benzinemotor
Gebruik uitsluitend ongelode benzine. Het
octaangetal (RON) moet conform de gege-
vens zijn die op de sticker van het klepje 1
staan. 6.5.
Als het niet mogelijk om ten minste 5 liter
brandstof toe te voegen vanwege het brand-
stofpeil in de tank, rijd dan door tot de tank
de gewenste capaciteit heeft.
Benzinemotor
Schade die ontstaan is als gevolg van het
tanken van loodhoudende benzine wordt
niet door de fabrieksgarantie gedekt.
Om te voorkomen dat er per ongeluk lood-
houdende benzine wordt getankt, heeft de
vulhals een nauwe doorlaat met een veilig-
heidssysteem waarin alleen een vulpistool
met loodvrije benzine past.
Tanken van brandstof
Wanneer het contact uit is, steekt u het vul-
pistool zo ver mogelijk naar binnen voor-
dat u met tanken begint (spatgevaar). Houd
hem in deze stand tijdens het tanken.
Als het vulpistool automatisch is afgeslagen,
mag u nog maximaal twee liter brandstof
bijvullen. Let er op dat bij het tanken geen
water bij de brandstof komt. Het klepje 1 en
zijn omgeving moeten schoon blijven.
bijzonderheid
Bij het stoppen van de auto gedurende on-
geveer 3 maanden moet u brandstof toe-
voegen om te voorkomen dat de brand-
stofpomp beschadigt. Om dit te doen,
met het contact uit, vult u ten minste 5 liter
bij. Start vervolgens de motor om de pomp
in werking te zetten en de brandstof in het
brandstofcircuit te verversen.
BRANDSTOFTANK (2/5)
1
Controleer na het tanken, of de dop en
het klepje gesloten zijn.
Als u brandstof wilt tanken, zet u de
motor uit (dus NIET stand-by bij voertui-
gen met de STOP and START-functie):
u moet het contact UIT zetten. 2.4,
2.6.
Risico van brand.
Stop and Start............................................
(page courante)
1.115
NLD_UD69591_4
Réservoir carburant (BJA - Renault)
Wijzig of repareer niet zelf het
brandstofsysteem (rekeneen-
heden, bedrading, brandstof-
circuit, inspuitstukken of ver-
stuivers, beschermkappen) vanwege de
grote gevaren voor de veiligheid die hier-
door kunnen ontstaan. Laat deze werk-
zaamheden uitsluitend door uw merk-
dealer uitvoeren.
Aanhoudende stank
van brandstof
In geval van een aanhoudende
stank van brandstof, moet u:
onmiddellijk stoppen, rekening hou-
dend met het overige verkeer en het
contact afzetten;
de alarmknipperlichten aanzetten en
alle passagiers uit laten stappen en
ze ver van het verkeer houden;
roep de hulp in van een merkdealer.
BRANDSTOFTANK (3/5)
Auto’s met kaart
Druk met de kaart in het interieur op de
startknop 4 zonder de pedalen aan te raken.
Wacht een paar minuten voordat u de auto
start.
Hiermee kan het brandstofcircuit worden
ontlucht Als de motor niet start, herhaalt u
de procedure.
Neem als de motor na verschillende pogin-
gen niet start, contact op met een merkdea-
ler.
4
Tank leeggereden bij
dieselmotor
Auto’s met sleutel/afstandsbediening
Zet de contactsleutel in de stand “Aan” M
2.3 en wacht een paar minuten voor-
dat u start zodat het brandstofcircuit kan
ontluchten;
draai de sleutel in de stand D. Als de
motor niet start, herhaalt u de procedure.
Als de motor na verschillende pogingen
niet start: raadpleeg een merkdealer.
Gaz de Pétrole Liquéfié : GPL ...................
(page courante)
1.116
NLD_UD69591_4
Réservoir carburant (BJA - Renault)
BRANDSTOFTANK (4/5)
Bruikbare inhoud van de LPG-tank: on-
geveer 32 liter.
Tanken van LPG
Zet de handrem vast, leg de motor stil, zet
het contact uit en doof de lichten.
Houd u in ieder geval aan de veiligheids-
voorschriften in de tankstations.
Afhankelijk van het land moet u voor het
tanken de vuladapter 5 op de LPG-vulpijp
vastschroeven.
Het is raadzaam de tank steeds volledig te
vullen.
Het maximumpeil is bereikt wanneer de
pomp niet langer LPG afgeeft of wanneer
het pompdebiet aanzienlijk afneemt.
Probeer in dat geval niet verder te tanken.
Tankstations zonder
zelfbediening
Als een medewerker van het tankstation de
LPG tankt, moet u hem of haar de adapter
geven 5.
Wanneer u de LPG-tank te ver vult, moet u bij een erkend garagehouder of uw
merkdealer langsgaan om de automatische overvulinrichting te laten nakijken.
BELANGRIJK: LPG-vuladapter 5
Afhankelijk van het land is het gebruik
van een specifieke adapter vereist voor
het vullen van LPG.
De vuladapter 5 wordt geleverd in
een zakje in het handschoenenkastje.
Afhankelijk van het land waarin de auto
is verkocht, is de vuladapter wel of niet
aanwezig in de auto.
Voordat u met de auto naar een ander
land gaat rijden, moet u een erkende
merkdealer raadplegen om erachter te
komen welk type adapter in dat land
wordt gebruikt.
5
5
5
1.117
NLD_UD69591_4
Réservoir carburant (BJA - Renault)
BRANDSTOFTANK (5/5)
Tankstations met zelfbediening
Wij raden u aan handschoenen te dragen
om het LPG-vulpistool vast te houden.
Open de tankklep van uw auto en schroef de
dop 6 van de LPG-vulpijp 7.
Volg de instructies op de LPG-pomp. Deze
geven aan hoe u correct moet tanken.
Afhankelijk van het type station, kan het
nodig zijn om de stationknop ingedrukt te
houden voordat het tanken begint.
Het maximum tankpeil is bereikt wanneer de
pomp niet langer LPG afgeeft of wanneer
het pompdebiet aanzienlijk afneemt.
Zodra u de knop loslaat, stopt de automaat.
Maak de vergrendeling los (er kan een
beetje gas ontsnappen), haal het vulpistool
uit de vulpijp en plaats het op de automaat.
Plaats de dop 6 terug zodat er geen water of
vuil in het systeem terechtkomen.
6
7
réactif (réservoir) .......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réservoir réactif ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réservoir réactif capacité ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
SCR : réduction catalytique sélective ........
(jusqu’à la fin de l’UD)
capacité du réservoir réactif ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
qualité réactif .............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réactif remplissage ....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
bouchon de réservoir réactif ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
Stop and Start............................................
(page courante)
AdBlue .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
1.118
NLD_UD68930_5
Réservoir réactif (BJA - Renault)
Vullen
Bruikbare inhoud van de tank: ongeveer
11 liter.
Open, met het contact uit, het deksel A en
draai de dop 1 los.
Let op:: er kan ammoniumhydroxidedamp
ontsnappen uit de opening als de tempera-
tuur van de tank hoog is.
Réservoir réactif
U dient zich te houden aan de wetgeving van
het land waarin u zich bevindt. Overtreding
van de geldende regelgeving is strafbaar.
De werking van de
startvergrendeling
De reagens bestemd is voor dieselmotoren
voorzien van het SCR (selectieve katalysa-
tor)-systeem.
Gebruik van een reagens vermindert de
hoeveelheid stikstofoxide in uitlaatgassen.
Het werkelijke reagensverbruik is afhanke-
lijk van de gebruiksomstandigheden, de uit-
rusting van de auto en de rijstijl van de be-
stuurder.
Reagenskwaliteit
Gebruik alleen reagentia die voldoen aan
standaard ISO 22241 en in overeenstem-
ming met de markering op de vuldop.
REAGENSTANK (1/4)
A
1
De vuldop is van een speci-
aal type.
Vraag naar ditzelfde type als u
een andere dop koopt. Ga naar
een merkdealer. Maak de omgeving van
het vulsysteem niet schoon met een ho-
gedrukreiniger.
Auto uitgerust met de functie Stop
and Start
Als u reagens wilt bijvullen, moet u het
contact uitzetten (dus NIET op stand-by):
zet de motor UIT. 2.4 2.6.
Als het bericht “XXX KM stop
AdBlue bijvullen” verschijnt,
vult u de reagenstank bij. Volg
de instructies voor bijvullen.
Risico op stilstand van de auto.
De reagens mag niet in contact komen met ogen of huid. Bij onverhoopt contact
spoelen met veel water. Indien nodig een arts raadplegen.
1.119
NLD_UD68930_5
Réservoir réactif (BJA - Renault)
Als er reagens overstroomt of op het lakwerk
terechtkomt, moet het betroffen gebied snel
met veel water en een zachte doek worden
gereinigd.
Opmerking: als de reagens kristalliseert,
gebruikt u een zachte spons.
Bij extreem koud weer
Als het vriest moet de reagenstank
worden bijgevuld als de
-indicator
en het bericht “Vul AdBlue bij voor 1200 km
verschijnen op het instrumentenpaneel.
Bijzondere gevallen
De reagensvloeistof bevriest bij temperatu-
ren lager dan ongeveer -10°C.
Probeer in deze omstandigheden niet om de
vloeistof bij te vullen als deze bevroren is.
Indien u het reservoir moet vullen of bijvul-
len met reagens (
aan), zet u de auto
indien mogelijk op een warmere plek zodat
de reagens weer vloeibaar wordt. Anders
vraagt u een vakman om reagensvloeistof
bij te vullen.
Vullen (vervolg)
U kunt de tank bijvullen bij de pomp.
Wanneer het contact uit is, steekt u het vul-
pistool zo ver mogelijk naar binnen voor-
dat u met tanken begint (spatgevaar). Houd
hem in deze stand tijdens het tanken.
Als het vulpistool automatisch is afgeslagen,
mag u nog maximaal twee liter brandstof bij-
vullen.
In andere vulsituaties is het belangrijk dat u
de informatie op de reagenscontainer (blik
of fles) leest.
Voorzorgsmaatregelen
Bij het vullen:
behandel de reagens voorzichtig. Het
kan kleding, schoenen, onderdelen
van de carrosserie enz. beschadigen;
let erop dat bij het vullen geen water in de
brandstoftank komt.
REAGENSTANK (2/4)
Er mogen geen werkzaamhe-
den worden uitgevoerd aan
onderdelen van het systeem.
Om schade te voorkomen mag
uitsluitend deskundig personeel van de
merkdealer werkzaamheden aan het
systeem uitvoeren.
Nadat u de reagenstank hebt bijgevuld,
controleert u of de dop en het klepje zijn
gesloten. Start dan de motor en WACHT
10 seconden terwijl de auto stilstaat
met draaiende motor voordat u weer
wegrijdt.
Als u dit niet doet, wordt het bijvullen van
de tank pas geregistreerd nadat de auto
tientallen minuten heeft gereden.
De boodschap “--- Vul AdBlue” en/of de
controlelampjes kunnen zichtbaar blij-
ven totdat het bijvullen is geregistreerd
door het systeem.
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
entretien.....................................................
(page courante)
autonomie du véhicule...............................
(page courante)
1.120
NLD_UD68930_5
Réservoir réactif (BJA - Renault)
REAGENSTANK (3/4)
Onderhoud/actieradius
De informatie op het instrumentenpaneel kan worden vergezeld door een geluidssignaal.
Controleen
waarschuwingslampjes
Boodschap Wat te doen?
“Vul AdBlue bij voor 2400 km”
Wanneer het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet, hebt u
een actieradius van minder dan 2400 km.
Vul de tank bij, of laat een merkdealer de tank met reagens bijvullen.
gaat branden.
“Vul AdBlue bij voor 1200 km”
Wanneer het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet, hebt u
een actieradius tussen 1200 km en 800 km.
Vul de tank bij, of laat een merkdealer de tank met reagens bijvullen.
gaat branden.
“XXX KM stop AdBlue bijvullen
Het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet en wordt her-
haald:
Ongeveer elke 100 km: u hebt een actieradius tussen ongeveer
800 km en 200 km;
– Ongeveer elke 50 km: u hebt een actieradius van minder dan
200 km.
In alle gevallen moet de tank met reagens zo spoedig mogelijk
door u of een geautoriseerde dealer worden gevuld.
knippert.
“0 KM stop AdBlue bijvullen
De motor wil niet starten.
Voor een herstart moet u zelf de reagenstank bijvullen.
1.121
NLD_UD68930_5
Réservoir réactif (BJA - Renault)
REAGENSTANK (4/4)
Systeemstoringen
Als het controlelampje gaat branden, kan ook een pieptoon te horen zijn.
Controleen
waarschuwingslampjes
Boodschap Interpretatie
en © gaan bran-
den.
“Controleer lucht verontreiniging”
“Contoleer kwaliteit AdBlue”
Controleer AdBlue injectie
Geeft een storing in het systeem aan. Raadpleeg zo spoe-
dig mogelijk uw merkdealer.
en © gaan bran-
den.
“XXX KM stop antiluchtveront.”
Geeft aan dat er een systeemfout is en dat binnen 800 km
de auto niet meer opnieuw kan worden gestart.
Deze waarschuwingen worden herhaald:
Elke 100 km totdat er tussen 800 km en 200 km over is
voordat de auto niet opnieuw kan worden gestart;
– Elke 50 km wanneer er minder dan 200 km resteert
voordat de auto niet meer kan worden gestart.
Raadpleeg zo snel mogelijk de merkdealer.
en © gaan bran-
den.
“0 KM stop antiluchtveront.”
Geeft aan dat de auto niet opnieuw zal starten nadat het
contact is uitgeschakeld. Roep de hulp in van een merk-
dealer.
1.122
NLD_UD53776_1
Filler NU (XJA - Renault)
2.1
NLD_UD69629_6
Sommaire 2 (BJA - Renault)
Hoofdstuk 2: Het rijden
Inrijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.2
Startschakelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.3
Starten, Stoppen van de motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.4
Functie Stop & Start . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.10
Bijzondere kenmerken van benzine-uitvoeringen, roetfilter. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.14
Bijzonderheden van uitvoeringen met LPG-motor. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.16
Bijzonderheden van de dieselmotor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.20
Versnellingshendel, handrem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.22
Elektronische parkeerrem.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.23
Functie “AUTOHOLD” . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.27
Zuinig rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.28
Tips voor onderhoud en minder luchtverontreiniging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.36
Milieu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.37
Waarschuwing bij verlies van bandenspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.38
Hulpen correctiesystemen tijdens het rijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.44
Lane departure warning. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.49
Rijstrookassistent . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.54
Dodehoekwaarschuwing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.60
Waarschuwing veiligheidsafstand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.67
360° camera . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.71
Actieve noodrem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.80
Detectie van verkeersborden. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.88
Snelheidsbegrenzer. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.92
Snelheidsregelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.96
Stop & Go adaptieve snelheidsregelaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.101
Parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.114
Achteruitrijcamera . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.119
Parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.121
Automatische transmissie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.126
Noodoproep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.130
rodage .......................................................
(page courante)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.2
NLD_UD53821_1
Rodage (XJA - Renault)
Rodage
INRIJDEN
Benzinemotor
Rijd de eerste 1 000 km niet sneller dan 130
km/uur in de hoogste versnelling en laat de
motor met niet meer dan 3 000 tot 3 500 tr/
min draaien.
Pas na ongeveer 3 000 km zult u over het
volle vermogen van de motor kunnen be-
schikken.
Onderhoudsbeurten: zie het onderhouds-
document van uw auto.
Dieselmotor
Rijd de eerste 1500 km niet sneller dan
130 km/uur in de hoogste versnelling en
laat de motor met niet meer dan 2 500 tr/min
draaien. Daarna kunt u sneller rijden maar
pas na 6 000 km zult u over het volle vermo-
gen van de motor kunnen beschikken.
Trek tijdens het inrijden nooit snel op. Als de
motor nog koud is mag u hem in de lagere
versnellingen nooit met een hoog toerental
laten draaien.
Onderhoudsbeurten: zie het onderhouds-
document van uw auto.
contacteur de démarrage ..........................
(page courante)
mise en route du moteur............................
(page courante)
démarrage moteur .....................................
(page courante)
mise sous contact du véhicule...................
(page courante)
2.3
NLD_UD53913_1
Contacteur de démarrage : véhicule avec clé (XJA - Renault)
Contacteur de démarrage
CONTACTSLOT: auto met sleutel
Stand “Contact aan” ON 2
Contact aan: u kunt alle accessoires (radio
enz.) gebruiken.
Stand START 3: "Starten"
Indien de motor niet aanslaat, moet u de
contactsleutel terug draaien tot de controle-
lampjes uit gaan voor u opnieuw kunt star-
ten. Laat de sleutel los zodra de motor aan-
slaat.
N.B.: bij een dieselmotor kunnen enkele se-
condes verstrijken tussen het draaien van
de sleutel en het starten van de motor om de
motor voor te verwarmen.
Startschakelaar
Stand LOCK 0: “Stop en stuurslot”
Als u de sleutel uit het slot trekt en het stuur
draait, hoort u een klik: de stuurinrichting is
nu vergrendeld.
Bij het vrijzetten van het stuurslot draait
u het stuur iets heen en weer bij het ver-
draaien van de sleutel.
arrêt du moteur ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
démarrage moteur .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
mise en route du moteur............................
(page courante)
mise sous contact du véhicule...................
(page courante)
2.4
NLD_UD69596_2
Démarrage, arrêt moteur : véhicule avec clé (BJA - Renault)
Démarrage, arrêt moteur
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR: auto met sleutel (1/2)
Starten van de motor
Om te starten:
Bij auto’s uitgerust met een automatische
versnellingsbak, plaatst u de hendel in stand
P.
Benzinemotor
Geef bij het starten geen gas;
laat de contactsleutel los zodra de motor
is aangeslagen.
É
Dieselmotor
Draai de contactsleutel in de stand “ON
2 en houd de sleutel in die stand totdat
het controlelampje voorverwarming ge-
doofd is;
draai de sleutel naar de startpositie
START3 zonder gas te geven;
laat de sleutel los zodra de motor aan-
slaat.
Bijzonderheid: als de motor wordt gestart
bij een zeer lage buitentemperatuur (minder
dan -10 °C): houd het koppelingspedaal in-
gedrukt tot de motor draait.
Stoppen van de motor
Laat de motor stationair draaien en draai de
sleutel terug in de stand “LOCK0.
Start uw auto nooit in vrij-
loop op een helling. De stuur-
bekrachtiging kan hierdoor
worden uitgeschakeld. Kans
op ongevallen.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder tijdens het parke-
ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes,
een kind, een afhankelijke volwassene
of een dier in de auto achter als u deze
verlaat.
Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, organen te bedienen zoals bij-
voorbeeld de ruitbediening, of de portie-
ren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
Zet nooit het contact uit voor-
dat de auto compleet stilstaat.
Door het stilzetten van de
motor is er geen bekrachtiging
meer van Als de motor niet meer draait,
is er geen stuur- en rembekrachtiging
meer. Ook werken veiligheidsvoorzie-
ningen zoals airbags en gordelspanners
niet meer.
Let op: als bij auto’s uitgerust met een hand-
geschakelde versnellingsbak de motor af-
slaat, verschijnt het bericht “Ontkoppelen
op het instrumentenpaneel. Druk het kop-
pelingspedaal helemaal in om de motor op-
nieuw te starten.
2.5
NLD_UD69596_2
Démarrage, arrêt moteur : véhicule avec clé (BJA - Renault)
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR: auto met sleutel (2/2)
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder tijdens het parke-
ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes,
een kind, een afhankelijke volwassene
of een dier in de auto achter als u deze
verlaat. Het kan zichzelf of anderen in
gevaar brengen door bijvoorbeeld de
motor te starten, door organen te bedie-
nen zoals de ruitbediening, of de portie-
ren te vergrendelen, enz.. Bovendien
kan bij warm en/of zonnig weer de tem-
peratuur in het interieur heel erg snel op-
lopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR
VAN ERNSTIG LETSEL.
Parkeer de auto niet of blijf niet
met draaiende motor staan op
een plaats waar de uitlaat zich
boven brandbaar materiaal
bevindt. Onder ongunstige omstandig-
heden (droogte, harde wind) kan brand
ontstaan als de hete uitlaat in contact
komt met gras of bladeren.
A
C B
1
Zet het contact nooit uit
voordat de auto compleet
stilstaat. Als de motor niet
meer draait, zijn er geen stuur-
en rembekrachtiging meer. Ook werken
veiligheidsvoorzieningen, zoals airbags
en gordelspanners, niet meer.
LPG-uitvoeringen
De motor start altijd op benzine op:
geef bij het starten geen gas;
laat de contactsleutel los zodra de motor
is aangeslagen.
Het systeem bepaalt automatisch wanneer
er van benzine op LPG wordt overgescha-
keld.
Wanneer er op LPG wordt gereden, kan de
brandstofmeter een daling van het benzine-
peil aangeven.
Afhankelijk van de auto kan het systeem
in bepaalde gebruiksomstandigheden (bv.
bij sterke versnelling) beslissen om tijdelijk
naar benzinemodus te schakelen zonder dat
er een geluidssignaal weerklinkt. Het groene
controlelampje C knippert zonder geluids-
signaal.
Wanneer de omstandigheden weer geschikt
zijn, kan het systeem de LPG-modus op-
nieuw toestaan.
Bij temperaturen rond of onder 0 °C gebruikt
u best de ECO-modus om het LPG-gebruik
te optimaliseren. 2.28.
démarrage moteur .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
bouton de démarrage/arrêt moteur............
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
mise sous contact du véhicule...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.6
NLD_UD69597_3
Démarrage, arrêt moteur : véhicule avec carte (BJA - Renault)
DE MOTOR STARTEN, STOPPEN: auto met kaart (1/4)
De kaart moet worden ingevoerd binnen de
detectiezone 1.
Om te starten:
zet voor een auto met automatische
transmissie de hendel in stand P druk het
rempedaal in en druk op de knop 2;
druk voor een auto met een handmatige
versnellingsbak het rempedaal of koppe-
lingspedaal in en druk op de knop 2. Als
een versnelling ingeschakeld is, is het in-
drukken van het koppelingspedaal vol-
doende om te kunnen starten.
Let op: als bij auto’s uitgerust met een hand-
geschakelde versnellingsbak de motor af-
slaat, verschijnt het bericht “Ontkoppelen
op het instrumentenpaneel. Druk het kop-
pelingspedaal helemaal in om de motor op-
nieuw te starten.
2
1
Bijzonderheden
Als er niet is voldaan aan een van de
startvoorwaarden, verschijnt het bericht
Druk op rem + START” of “Ontkoppelen
+ START” of “Selecteer stand P” op het
instrumentenpaneel.
in sommige gevallen moet het stuurwiel
worden bewogen bij het indrukken van
de startknop 2 om het ontgrendelen van
de stuurkolom mogelijk te maken, het
bericht “Draai stuurwiel + START” waar-
schuwt u daarvoor.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder tijdens het parke-
ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes,
een kind, een afhankelijke volwassene
of een dier in de auto achter als u deze
verlaat.
Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, organen te bedienen zoals bij-
voorbeeld de ruitbediening, of de portie-
ren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
2.7
NLD_UD69597_3
Démarrage, arrêt moteur : véhicule avec carte (BJA - Renault)
DE MOTOR STARTEN, STOPPEN: auto met kaart (2/4)
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder tijdens het parke-
ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes,
een kind, een afhankelijke volwassene
of een dier in de auto achter als u deze
verlaat. Het kan zichzelf of anderen in
gevaar brengen door bijvoorbeeld de
motor te starten, door organen te bedie-
nen zoals de ruitbediening, of de portie-
ren te vergrendelen, enz.. Bovendien
kan bij warm en/of zonnig weer de tem-
peratuur in het interieur heel erg snel op-
lopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR
VAN ERNSTIG LETSEL.
Parkeer de auto niet of blijf niet
met draaiende motor staan op
een plaats waar de uitlaat zich
boven brandbaar materiaal
bevindt. Onder ongunstige omstandig-
heden (droogte, harde wind) kan brand
ontstaan als de hete uitlaat in contact
komt met gras of bladeren.
A
C B
3
Zet het contact nooit uit
voordat de auto compleet
stilstaat. Als de motor niet
meer draait, zijn er geen stuur-
en rembekrachtiging meer. Ook werken
veiligheidsvoorzieningen, zoals airbags
en gordelspanners, niet meer.
LPG-uitvoeringen
Het systeem bepaalt automatisch wanneer
er van benzine op LPG wordt overgescha-
keld.
Wanneer er op LPG wordt gereden, kan de
brandstofmeter een daling van het benzine-
peil aangeven.
Afhankelijk van de auto kan het systeem
in bepaalde gebruiksomstandigheden (bv.
bij sterke versnelling) beslissen om tijdelijk
naar benzinemodus te schakelen zonder dat
er een geluidssignaal weerklinkt. Het groene
controlelampje C knippert zonder geluids-
signaal.
Wanneer de omstandigheden weer geschikt
zijn, kan het systeem de LPG-modus op-
nieuw toestaan.
Bij temperaturen rond of onder 0 °C gebruikt
u best de ECO-modus om het LPG-gebruik
te optimaliseren. 2.28.
accessoires................................................
(page courante)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
2.8
NLD_UD69597_3
Démarrage, arrêt moteur : véhicule avec carte (BJA - Renault)
DE MOTOR STARTEN, STOPPEN: auto met kaart (3/4)
De boodschap “Plaats de kaart in zone +
START” verschijnt op het instrumentenpa-
neel.
Druk op het rempedaal of koppelingspedaal
en leg de card 5 (knop aan de zijkant) op
de daarvoor bedoelde plaats 4. Druk op de
knop 2 om de auto te starten. Het bericht
verdwijnt.
2
4
storingen
In sommige gevallen werkt de handsfree-
card niet:
batterij van de kaart is leeg enz.;
nabijheid van een apparaat dat de de-
zelfde frequentie gebruik (scherm, mo-
biele telefoon, computerspel, enz.);
de auto bevindt zich in een sterk elektro-
magnetisch veld.
“Handsfree” starten met
achterklep open
In dat geval mag de kaart zich niet in de ba-
gageruimte bevinden, om te vermijden dat u
ze kwijtraakt.
Functie accessoires
(Contact aanzetten)
Zodra u bent ingestapt, hebt u een aantal
functies van de auto (radio, navigatiesys-
teem ruitenwisser, enz.) ter beschikking.
Om de andere functies te gebruiken, drukt u
met de kaart in de auto op de knop 2 zonder
de pedalen in te drukken.
4
5
arrêt du moteur ..........................................
(page courante)
2.9
NLD_UD69597_3
Démarrage, arrêt moteur : véhicule avec carte (BJA - Renault)
DE MOTOR STARTEN, STOPPEN: auto met kaart (4/4)
Voorwaarden voor het stoppen
van de motor
De auto moet stilstaan, met de hendel in
stand P bij een auto met een automatische
transmissie.
Als de card zich in de auto bevindt, drukt u
op de knop 2: de motor stopt. De stuurko-
lom vergrendelt bij het openen van één van
de portieren of bij het vergrendelen van de
auto.
Controleer, als u de auto ver-
laat en vooral als u de kaart bij
u hebt, of de motor volledig is
uitgeschakeld.
2
Als de kaart niet in het interieur aanwezig
is als u de motor wilt stoppen, verschijnt
de boodschap “Kaart afwezig druk lang
START” op het instrumentenpaneel: druk
langer dan twee seconden op de knop 2. Als
de kaart niet meer in de auto aanwezig is,
moet u eerst zeker weten dat u ze kunt te-
rugvinden voordat u lang op de knop drukt,
want zonder de kaart kunt u de auto niet
meer starten.
Als de motor is gestopt, blijven de op dat
moment ingeschakelde accessoires (radio,
enz.) ongeveer 10 minuten werken.
Als het bestuurdersportier geopend wordt,
schakelen de accessoires uit.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder tijdens het parke-
ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes,
een kind, een afhankelijke volwassene
of een dier in de auto achter als u deze
verlaat.
Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar
brengen door bijvoorbeeld de motor te
starten, organen te bedienen zoals bij-
voorbeeld de ruitbediening, of de portie-
ren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig
weer de temperatuur in het interieur heel
erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN
ERNSTIG LETSEL.
Zet nooit het contact uit voor-
dat de auto compleet stilstaat.
Door het stilzetten van de
motor is er geen bekrachtiging
meer van Als de motor niet meer draait,
is er geen stuur- en rembekrachtiging
meer. Ook werken veiligheidsvoorzie-
ningen zoals airbags en gordelspanners
niet meer.
démarrage moteur .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
mise en veille du moteur............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
fonction Stop and Start ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.10
NLD_UD70376_5
Fonction Stop and Start (BJA - Renault)
Fonction stop and start
FUNCTIE STOP AND START (1/4)
Dit systeem zorgt voor een lager brandstof-
verbruik en vermindert de uitstoot van broei-
kasgassen. Het systeem wordt automatisch
ingeschakeld wanneer de auto begint te
rijden. Tijdens het rijden stopt het systeem
de motor (stand-by) wanneer het voertuig tot
stilstand komt of langzaam rijdt (verkeersop-
stopping, verkeerslichten enz.), afhankelijk
van het voertuig.
Omstandigheden waarbij de
motor op stand-by wordt gezet
De auto heeft na de laatste stilstand gere-
den.
Voor auto’s met automatische versnel-
lingsbak:
de versnellingsbak staat in stand D, M of
N;
en
het rempedaal wordt (voldoende hard) in-
gedrukt;
Als het controlelampje
knip-
pert, de auto stilstaat en het bericht
Rempedaal indrukken” op het instru-
mentenpaneel verschijnt, geeft dit aan
dat het rempedaal onvoldoende is inge-
trapt;
en
het gaspedaal wordt niet ingedrukt;
en
Wanneer de voertuigsnelheid gedurende
circa een seconde nul is of, afhankelijk
van het voertuig, lager dan circa 5 km/u.
De motor blijft op stand-by staan wanneer
stand P inschakelt, of wanneer stand N in-
schakelt terwijl de parkeerrem is aangetrok-
ken en het rempedaal wordt losgelaten.
Voor auto’s met een handgeschakelde
versnellingsbak:
de versnellingshendel in de neutrale
stand staat (neutraal);
Als het waarschuwingslampje
knippert, de auto stilstaat, en het be-
richt “Selecteer neutraall” op het instru-
mentenpaneel verschijnt, geeft dit aan
dat u de versnellingshendel in de stand
Neutraal moet zetten;
en
het koppelingspedaal wordt losgelaten;
en
de auto rijdt trager dan ongeveer 5 km/u.
Voor alle auto’s:
Het controlelampje
op het instru-
mentenpaneel gaat vast branden om u te
waarschuwen dat de motor op stand-by
staat.
Rijd niet met de auto wanneer
de motor op stand-by staat (het
waarschuwingslampje
wordt op het instrumentenpa-
neel weergegeven).
De uitrustingen van de auto blijven in wer-
king terwijl de motor stilstaat.
De stuurbekrachtiging werkt mogelijk niet
meer als de motor naar stand-by gaat.
In dat geval werkt deze pas weer als de
motor niet meer in stand-by is of als de snel-
heid hoger is dan ongeveer 1 km/u (bij af-
dalen, enz.).
Voordat de auto wordt verlaten,
MOET de motor worden afge-
zet (en niet op stand-by worden
gezet). 2.4 2.6.
Wanneer de motor op stand-by
wordt gezet, wordt de automa-
tische parkeerrem (afhankelijk
van de auto) niet automatisch
vastgezet.
2.11
NLD_UD70376_5
Fonction Stop and Start (BJA - Renault)
Verhinderen dat de motor op
stand-by wordt gezet
In bepaalde omstandigheden, zoals bij in-
voegen op een kruispunt, is het mogelijk om
bij geactiveerd systeem de motor draaiende
te houden om snel te kunnen starten.
Voor voertuigen met een automatische
versnellingsbak, wanneer de motor
alleen in stand-by wordt gezet wanneer
het voertuig stopt:
Laat de auto stilstaan en oefen slechts een
lichte druk uit op het rempedaal.
Voor auto’s met een handgeschakelde
versnellingsbak:
Houd het koppelingspedaal ingedrukt.
FUNCTIE STOP AND START (2/4)
Stand-by uitschakelen
Voor auto’s met automatische versnel-
lingsbak:
bij openen van het bestuurdersportier;
of
als de bestuurdersgordel niet is vastge-
maakt;
of
het rempedaal is niet ingedrukt en stand
D of M (afhankelijk van de auto) is inge-
schakeld;
of
het rempedaal wordt losgelaten en de
versnelling staat in de stand N met de
handrem uit;
of
– het rempedaal wordt opnieuw ingedrukt
en de versnelling staat in de stand P of N
terwijl de handrem is ingeschakeld;
of
de versnelling staat in de stand R;
of
het gaspedaal is ingedrukt;
of
Afhankelijk van het voertuig zijn in de
handmatige modus (M) de versnellings-
hendels ingeschakeld. 2.126.
Als u brandstof wilt tanken, zet u de
motor uit (dus NIET stand-by bij voertui-
gen met de STOP and START-functie):
u moet het contact UIT zetten. 2.4
2.6.Risico van brand.
functie “AUTOHOLD” ingeschakeld
2.27, het rempedaal is mogelijk los-
gelaten en de motor op stand-by blijven
staan.
Druk op het gaspedaal om het voertuig
uit stand-by te halen.
2.12
NLD_UD70376_5
Fonction Stop and Start (BJA - Renault)
Voor auto’s met een handgeschakelde
versnellingsbak:
als het bestuurdersportier wordt ge-
opend, zonder dat daarbij een versnelling
is ingeschakeld en het koppelingspedaal
niet is ingedrukt;
of
als de bestuurdersgordel wordt losge-
maakt zonder dat een versnelling inge-
schakeld en het koppelingspedaal niet is
ingedrukt;
of
de versnellingsbak staat in neutraal en
het koppelingspedaal wordt lichtjes inge-
drukt;
of
de versnelling is ingeschakeld en het
koppelingspedaal is volledig ingedrukt.
Bijzonderheid: afhankelijk van de auto,
brandt het controlelampje
Ä gedu-
rende enkele seconden op het instrumen-
tenpaneel als u het contact uitzet wanneer
de motor op stand-by staat.
FUNCTIE STOP AND START (3/4)
Voor auto’s uitgerust met een hand-
geschakelde versnellingsbak:
Het herstarten kan worden onderbroken
als het koppelingspedaal te snel wordt
losgelaten terwijl een versnelling wordt
ingeschakeld.
Omstandigheden waarbij de
motor niet op stand-by wordt
gezet
Onder bepaalde omstandigheden kan het
systeem de motor niet op stand-by zetten.
Dit is het geval als:
het bestuurdersportier niet is gesloten;
– de autogordel van de bestuurder niet is
vastgemaakt;
de achteruitversnelling is ingeschakeld;
de motorkap niet is vergrendeld;
de buitentemperatuur is te hoog of te
laag;
de accu onvoldoende geladen is;
het verschil tussen de temperatuur in de
auto en de ingestelde temperatuur van
de thermostatische airconditioning te
groot is;
de parkeerhulp is ingeschakeld;
de hoogte is te groot;
de helling is te steil voor auto’s met auto-
matische transmissie;
de functie “Helder zicht” is ingeschakeld
3.10 ;
de motortemperatuur is te laag;
de luchtzuiveringscyclus wordt ver-
nieuwd;
– ...
Het waarschuwingslampje
verschijnt
op het instrumentenpaneel en geeft aan dat
de motor niet in stand-by kan gaan.
Het waarschuwingslampje op het in-
strumentenpaneel licht mogelijk op met het
bericht:
– “Optimaliseren laden accu” batterij opla-
den prioriteren;
– “Prioriteit thermisch comf” airconditio-
ning prioriteren;
– “Prioriteit draaiende motor” werkzaamhe-
den van de motor prioriteren.
Schakel altijd de functie Stop
and Start uit voordat u werk-
zaamheden in de motorruimte
uitvoert.
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
2.13
NLD_UD70376_5
Fonction Stop and Start (BJA - Renault)
Inschakelen, uitschakelen van
de functie
Druk de schakelaar 1 in om de functie uit te
schakelen. Het bericht “Stop & Start uitge-
schakeld” verschijnt op het instrumentenpa-
neel en het schakelaarlampje 1 verschijnt.
Met nog een keer indrukken schakelt het
systeem weer in. Het bericht “Stop & Start
actief” verschijnt op het instrumentenpaneel
en het schakelaarlampje 1 verdwijnt.
Het systeem wordt automatisch weer in-
geschakeld bij elke vrijwillige start van het
voertuig door het indrukken van de start-
knop. 2.4 2.6.
Storingen
Het bericht “Stop & Start controleren” ver-
schijnt op het instrumentenpaneel en het
schakelaarlampje 1 verschijnt als het sys-
teem wordt uitgeschakeld.
Raadpleeg een merkdealer.
FUNCTIE STOP AND START (4/4)
1
Bijzonderheid van het automatisch weer
starten van de motor
Onder bepaalde omstandigheden kan de
motor vanzelf weer starten om uw veiligheid
en uw comfort te waarborgen.
Dat kan zich met name voordoen wanneer:
de buitentemperatuur is te hoog of te
laag;
de functie “Helder zicht” is ingeschakeld
3.10;
de accu onvoldoende geladen is;
– de rijsnelheid van de auto hoger is dan
5 km/u (bij afdalen);
– het rempedaal herhaaldelijk wordt inge-
drukt of er vaak wordt geremd;
– ...
Het
waarschuwingslampje op het in-
strumentenpaneel licht op om u te melden
dat de motor automatisch opnieuw wordt ge-
start.
Het
waarschuwingslampje op het in-
strumentenpaneel licht mogelijk op met het
bericht:
– “Optimaliseren laden accu” batterij opla-
den prioriteren;
– “Prioriteit thermisch comf” airconditio-
ning prioriteren;
– “Prioriteit draaiende motor” werkzaamhe-
den van de motor prioriteren.
Let op: als de motor op stand-by staat,
drukt u op de schakelaar 1 om de motor
automatisch opnieuw te starten.
Voordat de auto wordt verlaten,
MOET de motor worden afge-
zet (en niet op stand-by worden
gezet). 2.4 2.6.
particularité des véhicules essence ...........
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
catalyseur ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.14
NLD_UD58855_5
Particularités des versions essence (JFC - XJA - Renault)
Particularités des versions essence, filtre à particules
Parkeer de auto niet of blijf niet
met draaiende motor staan op
een plaats waar de uitlaat zich
boven brandbaar materiaal
bevindt. Onder ongunstige omstandig-
heden (droogte, harde wind) kan brand
ontstaan als de hete uitlaat in contact
komt met gras of bladeren.
Onder bepaalde omstandigheden, zoals:
te lang doorrijden als het waarschuwings-
lampje brandstofreserve brandt;
het gebruik van loodhoudende benzine;
het gebruik van niet goedgekeurde
smeermiddelen of brandstofadditieven.
Of bij het optreden van storingen zoals:
een defect ontstekingssysteem, brand-
stofgebrek of losse bougiekabel waar-
door de ontsteking overslaat en de auto
met horten en stoten rijdt;
– Vermogensverlies.
kan de katalysator oververhit raken waar-
door hij minder effectief wordt en ook
andere delen van de auto te heet kunnen
worden.
Indien u één van de hiervoor genoemde sto-
ringen constateert, dient u uw auto zo spoe-
dig mogelijk door een merkdealer te laten
herstellen.
Door de in het garantie- en onderhoudsdo-
cument voorgeschreven onderhoudsbeur-
ten uit te laten voeren door een merkdealer
kunt u dergelijke storingen voorkomen.
Bij startmoeilijkheden
Als de auto niet direct aanslaat mag u
de startmotor niet lang achtereen laten
draaien om beschadiging van de kata-
lysator te voorkomen. Ook mag de auto
niet worden aangeduwd of aangesleept,
zolang de oorzaak van het defect niet is
opgespoord en verholpen.
Ga niet door met starten maar roep de hulp
in van een merkdealer en laat de storing ver-
helpen.
BIJZONDERE KENMERKEN VAN BENZINE-UITVOERINGEN, ROETFILTER (1/2)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(page courante)
messages au tableau de bord ...................
(page courante)
filtre :
à particules ..........................................
(page courante)
2.15
NLD_UD58855_5
Particularités des versions essence (JFC - XJA - Renault)
Opmerking: Het controlelampje kan 20 mi-
nuten uitgaan als niet volledig is voldaan aan
de rijcondities voor het reinigen van het filter.
Als de auto stopgezet is voordat het contro-
lelampje gedoofd is, moet u de handeling
opnieuw uitvoeren vanaf het begin.
Roetfilter
Het roetfilter wordt gebruikt bij de behande-
ling van uitlaatgassen van de benzinemotor.
Het waarschuwingslampje op het in-
strumentenpaneel geeft, afhankelijk van de
auto, aan dat het filter is verstopt en moet
worden schoongemaakt. Om het reinigen
nadat het waarschuwingslampje is
gaan branden, rij tussen ongeveer 50 en
110 km/u, rekening houdend met de ver-
keersomstandigheden en de snelheidsbe-
perkingen, totdat het lampje dooft.
Na ongeveer 5 tot 20 minuten zou het waar-
schuwingslampje moeten doven.
Het waarschuwingslampje
® dwingt u, voor uw
veiligheid, direct te stoppen
zonder het verkeer in gevaar
te brengen. Stop de motor en start deze
niet opnieuw. Roep de hulp in van een
merkdealer.
Als het filter verzadigd is geraakt, gaat het
© waarschuwingslampje branden en
afhankelijk van de auto, het waar-
schuwingslampje branden op het instru-
mentenpaneel, samen met het bericht
Controleerinspuitsysteem”. Raadpleeg in
dat geval een merkdealer.
Als het
® waarschuwingslampje op-
licht en, afhankelijk van de auto, het
waarschuwingslampje oplicht, samen met
het bericht “Risico op motorschade”, stop de
auto, zet de motor uit en neem contact op
met een merkdealer.
BIJZONDERE KENMERKEN VAN BENZINE-UITVOERINGEN, ROETFILTER (2/2)
Gaz de Pétrole Liquéfié : GPL ...................
(page courante)
GPL ...........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
particularité des versions GPL ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.16
NLD_UD69598_1
Particularités des versions GPL (BJA - Renault)
Particularités des versions GPL
BIJZONDERHEDEN VAN UITVOERINGEN MET LPG-MOTOR (1/4)
Geel controlelampje B
Dit controlelampje brandt in de benzinemo-
dus.
Controlelampjes voor brandstofpeil A
De controlelampjes A (4 groene lampjes en
1 rood lampje) duiden het peil van de LPG-
tank aan.
Het rode controlelampje geeft de brand-
stofreserve weer.
De weergegeven hoeveelheid LPG is indi-
catief.
Het rode controlelampje geeft aan dat de
tank bijna leeg is en dat de motor de LPG-
reservetank gebruikt (max. bereik van
80 km).
Keuzeschakelaar voor LPG-
modus/benzinemodus 1
Hiermee schakelt u van de ene brandstof-
modus over op de andere.
Groen controlelampje C
Dit controlelampje brandt in de lpg-modus.
Wanneer het controlelampje C snel knippert,
wacht het systeem op de juiste omstandig-
heden om op lpg-modus over te schakelen.
Deze auto’s gebruiken zowel benzine als
LPG.
Ze zijn uitgerust met twee aparte reservoirs.
Wat is LPG
LPG die voldoet aan de
norm EN 589, of de over-
eenkomstige nationale
wetgeving.
Het is herkenbaar aan zijn typische geur.
Als het gele controlelampje B
brandt terwijl het groene con-
trolelampje C traag knippert
en er een geluidssignaal weer-
klinkt, moet u zich voor een controle bij
uw merkdealer melden.
1
A
C
B
1
2.17
NLD_UD69598_1
Particularités des versions GPL (BJA - Renault)
BIJZONDERHEDEN VAN UITVOERINGEN MET LPG-MOTOR (2/4)
Brandstofmodus wijzigen
tijdens het rijden
Overschakelen van benzine op LPG
druk op de knop 1. De overgang naar LPG
gebeurt tijdens de eerste versnelling.
De LPG-brandstofpeilmeter A wordt geac-
tiveerd. Het gele controlelampje B gaat uit,
terwijl het groene controlelampje C snel
knippert om de keuze van de LPG-modus te
bevestigen en daarna blijft branden zo lang
de LPG-modus actief is.
Overschakelen van LPG op benzine
Laat het gaspedaal los en druk op de scha-
kelaar 1.
De benzinemodus wordt weergegeven met
het gele controlelampje B.
De LPG-installatie in de auto
kan de eigenschappen van een
auto met benzinemotor wijzi-
gen. Het gaat hierbij om het
aantal zitplaatsen, de massa’s (nuttig
laadvermogen) en het aanhangwagen-
vermogen.
Ga naar een merkdealer.
A
C
B
1
2.18
NLD_UD69598_1
Particularités des versions GPL (BJA - Renault)
BIJZONDERHEDEN VAN UITVOERINGEN MET LPG-MOTOR (3/4)
Brandstofmodus wijzigen
tijdens het rijden (vervolg)
Automatische overschakeling op
benzine
Het systeem schakelt automatisch over op
de benzinemodus wanneer er geen LPG
meer in het reservoir zit. U wordt hiervan op
de hoogte gebracht door:
– de groene C en gele B controlelampjes
verschijnen;
een geluidssignaal.
Als u drukt op de schakelaar 1, stopt het ge-
luidssignaal en blijft enkel het gele controle-
lampje B branden.
Afhankelijk van de auto kan het systeem
in bepaalde gebruiksomstandigheden (bv.
bij sterke versnelling) beslissen om tijdelijk
naar benzinemodus te schakelen zonder dat
er een geluidssignaal weerklinkt.
Het groene controlelampje C knippert
zonder geluidssignaal. Als de omstandighe-
den het opnieuw toelaten, schakelt het sys-
teem automatisch terug over op lpg-modus.
Na verschillende mislukte pogingen kan het
systeem beslissen in benzinemodus te blij-
ven gedurende de huidige route.
Nadat de motor gedurende ongeveer een
minuut helemaal is gestopt, kan een nieuwe
poging worden gedaan.
storingen
Bij een storing die de normale werking van
de motor verhindert, schakelt het systeem
automatisch van de LPG-modus op de ben-
zinemodus over.
Dit wordt bevestigd door:
het oplichten van het gele controle-
lampje B;
het langzaam knipperen van het groene
controlelampje C;
er klinkt een piep.
Als u drukt op de schakelaar 1, stopt het ge-
luidssignaal en blijft enkel het gele controle-
lampje B branden.
A
C
B
1
2.19
NLD_UD69598_1
Particularités des versions GPL (BJA - Renault)
BIJZONDERHEDEN VAN UITVOERINGEN MET LPG-MOTOR (4/4)
Bij rijden in moeilijke
omstandigheden
Bij rijden in moeilijke omstandigheden (star-
ten op een steile helling enz.), is het raad-
zaam om op benzinemodus over te schake-
len.
Bij temperaturen rond of onder 0 °C gebruikt
u best de ECO-modus om het LPG-gebruik
te optimaliseren. 2.28.
Bij ongeval
De belangrijkste voorzorgsmaatregelen zijn
dezelfde als voor een auto met benzinemo-
tor:
vastzetten van de parkeerrem;
leg de motor stil (een veiligheidsinrich-
ting die verhindert dat er LPG in de motor
komt, schakelt automatisch in);
zet het contact uit;
houd u aan de ter plaatse geldende wet-
geving.
LPG heeft een zeer specifieke
geur zodat u eventuele lekken
gemakkelijk kunt vaststellen.
Indien u een gasgeur in of
rondom uw auto opmerkt:
moet u onmiddellijk op benzinemo-
dus overschakelen en controleren of
er zich in de nabijheid van de auto
geen ontstekingsbron bevindt;
moet u naar een merkdealer gaan.
U mag geen enkel onderdeel
van het LPG-systeem aanra-
ken, bekloppen of demonteren.
catalyseur ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
particularité des véhicules diesel ...............
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réamorçage carburant ...............................
(page courante)
2.20
NLD_UD61965_5
Particularités des versions diesel (JFC - BJA - Renault)
Particularités des versions diesel
Toerental van de dieselmotor
Dieselmotoren hebben een inspuitpomp die
ervoor zorgt dat het afgestelde motor-
toerental in geen van de versnellingen kan
worden overschreden.
Als het bericht “Controleer lucht verontrei-
niging” verschijnt en de controlelampjes
Ä en © oplichten, moet u meteen
een merkdealer raadplegen.
Afhankelijk van de gebruikte brandstofsoort,
kan er soms witte rook ontstaan tijdens het
rijden.
Dit wordt veroorzaakt door het automatisch
reinigen van het roetfilter en heeft geen ge-
volgen voor het rijgedrag van de auto.
Als de tank is leeg gereden
Wanneer de tank is gevuld nadat de brand-
stof volledig is afgetapt, moet het brand-
stofcircuit worden ontlucht: 1.113 voordat
de motor opnieuw wordt gestart.
Parkeer de auto niet of blijf niet
met draaiende motor staan op
een plaats waar de uitlaat zich
boven brandbaar materiaal
bevindt. Onder ongunstige omstandig-
heden (droogte, harde wind) kan brand
ontstaan als de hete uitlaat in contact
komt met gras of bladeren.
Voorzorgen in de winter
Om problemen bij vorst te voorkomen:
zorg dat de accu steeds goed geladen is;
laat het brandstofpeil in de tank niet on-
nodig laag komen om condensatie van
waterdamp tegen te gaan.
Label met de opaciteit van motorgassen
U vindt 1 informatie over het label A in de
motorruimte.
1 Dieseluitstoot.
A
1
BIJZONDERE KENMERKEN VAN DIESELUITVOERINGEN, ROETFILTER (1/2)
2.21
NLD_UD61965_5
Particularités des versions diesel (JFC - BJA - Renault)
Opmerking: Het waarschuwingslampje ver-
schijnt mogelijk weer als de verkeersom-
standigheden met betrekking tot het reini-
gen van het filter zich niet volledig voordoen.
Als de auto stilstaat of als het motortoerental
zakt tot onder 2000 tr/min voordat het con-
trolelampje verdwijnt, moet de handeling
wellicht worden herhaald.
Roetfilter
Het roetfilter wordt gebruikt bij de behande-
ling van uitlaatgassen van dieselmotoren.
Het waarschuwingslampje op het in-
strumentenpaneel geeft, afhankelijk van de
auto, aan dat het filter is verstopt en moet
worden schoongemaakt.
Doe dit zo: blijf rijden wanneer het waar-
schuwingslampje verschijnt, afhan-
kelijk van de verkeersomstandigheden en
de maximumsnelheid, totdat het dooft. Laat
het motortoerental indien mogelijk niet lager
zakken dan 2000 tpm.
Het controlelampje gaat uit na 10 tot 20 mi-
nuten. 1.70.
De weergave van
op het instrumen-
tenpaneel kan gecombineerd zijn met een
hoger motortoerental en een hogere wer-
king van het koelcircuit om het roetfilter te
reinigen.
Het waarschuwingslampje
® dwingt u, voor uw
veiligheid, direct te stoppen
zonder het verkeer in gevaar
te brengen. Stop de motor en start deze
niet opnieuw. Roep de hulp in van een
merkdealer.
Als het filter verzadigd is geraakt, gaat het
© waarschuwingslampje branden en
afhankelijk van de auto, het waar-
schuwingslampje branden op het instru-
mentenpaneel, samen met het bericht
Controleerinspuitsysteem”. Raadpleeg in
dat geval een merkdealer.
Als het
® waarschuwingslampje op-
licht en, afhankelijk van de auto, het
waarschuwingslampje oplicht, samen met
het bericht “Risico op motorschade”, stop de
auto, zet de motor uit en neem contact op
met een merkdealer.
BIJZONDERE KENMERKEN VAN DIESELUITVOERINGEN: ROETFILTER (2/2)
Voor regeneratie van het roetfilter is om
de 200 km een lange autorit nodig van
minstens 20 minuten, op een hoofdweg.
levier de vitesses .......................................
(page courante)
frein à main ................................................
(page courante)
boîte de vitesses automatique (utilisation)
(page courante)
tableau de bord..........................................
(page courante)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(page courante)
marche arrière
passage ...............................................
(page courante)
changement de vitesses ............................
(page courante)
2.22
NLD_UD58856_2
Levier de vitesses/frein à main (XJA - Renault)
Handrem
Vrijzetten
Trek de handgreep 3 iets omhoog waarna u
de knop 2 indrukt en de handgreep omlaag
duwt.
Het waarschuwingslampje
} op het in-
strumentenpaneel gaat uit.
Indien u de handgreep niet voldoende terug
duwt, blijft op het instrumentenpaneel een
rood waarschuwingslampje branden.
Vastzetten
Trek de handgreep 3 omhoog. Controleer
of de auto blijft stilstaan. Het controlelampje
} op het instrumentenpaneel licht op.
Levier de vitesses, frein à main
Versnellingshendel
Auto’s met handgeschakelde versnel-
lingsbak: volg de tekening op knop 1.
Auto’s met automatische versnellings-
bak: 2.126.
Inschakelen achteruitversnelling
De achteruitrijlichten gaan branden, zodra
de achteruitversnelling is ingeschakeld en
het contact aanstaat.
Opmerking.: Afhankelijk van de auto, gaan
ook de mistlichten voor branden als het dim-
licht is ingeschakeld en de achteruitversnel-
ling wordt geselecteerd.
1
VERSNELLINGSHENDEL, HANDREM
3
2
Bij stilstaande auto kan het
nodig zijn, afhankelijk van de
helling en de belasting van
de auto, om de handrem min-
stens twee extra tanden vaster te zetten
en een versnelling in te schakelen (1
e
of achteruitversnelling) voor auto’s met
handgeschakelde versnellingsbak of
stand P voor auto’s met automatische
transmissie.
Tijdens het rijden moet de
handrem helemaal vrij gezet
zijn (rood waarschuwings-
lampje uit), risico van overver-
hitting of beschadiging.
Bij het manoeuvreren kan de
auto aan de onderkant ergens
tegenaan rijden (bijvoorbeeld:
contact met een paaltje, een
trottoir of ander stadsmeubilair) en daar-
door beschadigen (bijvoorbeeld: vervor-
ming van een as, enz.).
Om ieder risico van een ongeluk te voor-
komen, moet u uw auto door een merk-
dealer laten controleren.
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
frein de parking assisté..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
frein à main ................................................
(page courante)
frein de parking ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
arrêt du moteur ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
fonction Stop and Start ..............................
(page courante)
contacteur de démarrage ..........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
messages au tableau de bord ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.23
NLD_UD70211_5
Frein de parking assisté (BJA - Renault)
of
bij auto’s met een automatische trans-
missie, wanneer stand P wordt inge-
schakeld.
Frein de parking assisté
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (1/4)
Automatische werking
Vastzetten van de automatische
parkeerrem
Bij stilstaande auto kunt u de auto blok-
keren met behulp van de automatische par-
keerrem:
door te drukken op de knop voor star-
ten/stoppen van de motor 1 of door de
contactsleutel 2 naar de stand ON te
draaien 2;
of
– als de bestuurdersgordel niet is vast-
gemaakt;
of
bij het openen van het bestuurderspor-
tier;
In alle andere gevallen, bijvoorbeeld de
motor is afgeslagen of staat in de modus
stand-by als gevolg van de Stop and
Start 2.10, de automatische parkeerrem
wordt niet automatisch toegepast. De hand-
bediening moet dan gebruikt worden.
Voor bepaalde modellen in sommige landen
wordt de rem niet automatisch vastgezet.
Zie “Handbediening”.
Het inschakelen van de automatische par-
keerrem wordt bevestigd door het bericht
Parkeerrem aangetrokken”, het controle-
lampje
} op het instrumentenpaneel
en het controlelampje 3 op de schakelaar 4.
Na het stilzetten van de motor, dooft het con-
trolelampje 3 enkele minuten na het vastzet-
ten van de automatische parkeerrem en het
controlelampje } gaat uit bij het ver-
grendelen van de auto.
De elektronische parkeerrem kan worden gebruikt om de auto stil te zetten.
Controleer, voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem inderdaad
is vastgezet.
Controlelampje 3 op schakelaar 4 en controlelampje } op het instrumenten-
paneel verschijnen om aan te geven dat de parkeerrem is ingeschakeld. De lampjes gaan
uit als de portieren worden vergrendeld. Afhankelijk van de auto bevindt zich een sticker op
het bovenste deel van de voorruit om u hieraan te herinneren.
1
3
4
2
2.24
NLD_UD70211_5
Frein de parking assisté (BJA - Renault)
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (2/4)
Handmatig loszetten van de
automatische parkeerrem
Druk op de schakelaar 1 zonder op de peda-
len te drukken of de sleutel 2 in stand “ON”
2 te draaien om het contact aan te zetten.
Druk op het rempedaal los en druk dan op
de schakelaar 4: controlelampje 3 op de
schakelaar en controlelampje } op het
instrumentenpaneel gaan uit.
Handbediend
U kunt de elektronische parkeerrem met de
hand bedienen.
Handmatig vastzetten van de automatische
parkeerrem
Trek aan schakelaar 4. Het controlelampje 3
en het controlelampje } verschijnen op
het instrumentenpaneel.
Automatische werking (vervolg)
Opmerking: in sommige situaties (automa-
tische parkeerrem defect, handmatig ont-
grendelen van de automatische parkeerrem,
enz.), klinkt er een geluidssignaal en ver-
schijnt het bericht “Parkeerrem aantrekken
op het instrumentenpaneel om u te waar-
schuwen dat de automatische parkeerrem
is losgezet.
met draaiende motor: bij het openen
van het bestuurdersportier;
met motor uit (bijvoorbeeld als de motor
afslaat): bij het openen van een voorportier.
In dit geval, trekt u en laat u de schakelaar 4
weer los om de automatische parkeerrem
aan te trekken.
De parkeerrem automatisch vrij zetten
Het loszetten gebeurt zodra u gas geeft om
weg te rijden.
3
4
1
2
De elektronische parkeerrem kan worden gebruikt om de auto stil te zetten.
Controleer, voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem inderdaad
is vastgezet.
Controlelampje 3 op schakelaar 4 en controlelampje } op het instrumenten-
paneel verschijnen om aan te geven dat de parkeerrem is ingeschakeld. De lampjes gaan
uit als de portieren worden vergrendeld. Afhankelijk van de auto bevindt zich een sticker op
het bovenste deel van de voorruit om u hieraan te herinneren.
2.25
NLD_UD70211_5
Frein de parking assisté (BJA - Renault)
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (3/4)
Kortstondige stop
Om de elektronische parkeerrem handma-
tig te activeren (als u moet stoppen voor
een verkeerslicht of bij stilstaande auto met
draaiende motor enzovoort): trek aan de
schakelaar 4 en laat los. Het loszetten is au-
tomatisch zodra de auto weer gaat rijden.
Bijzondere gevallen
Als u op een helling wilt stoppen of als u
met een caravan of een aanhangwagen par-
keert, moet u de handgreep 4 enkele secon-
des uitgetrokken houden om een maximale
remwerking te krijgen.
Parkeren met vrijgezette automatische par-
keerrem (bijvoorbeeld als het vriest):
Schakel een versnelling of stand P in: de
aandrijfwielen worden mechanisch ver-
grendeld door de aandrijfas.
Stop de motor door te drukken op de
start/stopknop 1 of door de contactsleu-
tel 2 te draaien.
maak de veiligheidsgordel van de be-
stuurder los;
3
4
1
2
Als het bericht “Elektr. sto-
ring GEVAAR” of “Controleer
accu” verschijnt, moet u de
parkeerrem handmatig vastzet-
ten door te trekken aan de schakelaar 4
(of de versnellingshendel in de stand P
te zetten voor auto's met automatische
transmissie) voordat u de motor uitscha-
kelt.
Risico dat de auto wegrolt.
Roep de hulp in van een merkdealer.
open het bestuurdersportier;
zet de elektronische parkeerrem hand-
matig los (zie “Elektronische parkeerrem
handmatig loszetten” hierboven).
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
boîte de vitesses automatique (utilisation)
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
2.26
NLD_UD70211_5
Frein de parking assisté (BJA - Renault)
storingen
– Bij een storing verschijnt het waarschu-
wingslampje © op het instru-
mentenpaneel, samen met het bericht
Controleer parkeerrem” en soms het
waarschuwingslampje }.
Raadpleeg snel een merkdealer.
Bij een storing van de automatische par-
keerrem verschijnt het waarschuwings-
lampje
®, samen met het bericht
Storing remsysteem”, een geluidssig-
naal en soms het waarschuwingslampje
}.
U moet direct stoppen zonder het overige
verkeer in gevaar te brengen.
Uitvoering met automatische
transmissie
Bij bestuurdersportier open of slecht geslo-
ten en draaiende motor, wordt het automa-
tisch loszetten uit veiligheidsoverwegingen
gedeactiveerd, (dit om te voorkomen dat de
auto alleen zonder bestuurder weg rolt). Het
bericht “Ontgrendel park. rem handmatig
verschijnt op het instrumentenpaneel als de
bestuurder het gaspedaal indrukt.
Verlaat uw auto voordat u de
versnellingshendel in stand P
hebt gezet en de motor hebt af-
gezet. Als u namelijk gas geeft
terwijl een versnelling is ingeschakeld,
kan de stilstaande auto gaan rijden.
Kans op ongevallen.
Als er geen visueel of geluids-
signaal terug komt, geeft het
een storing van het instrumen-
tenpaneel weer. U moet direct
stoppen zonder het overige verkeer in
gevaar te brengen. Zorg dat de auto in-
derdaad goed gestopt is en neem con-
tact op met een merkdealer.
ELEKTRONISCHE PARKEERREM (4/4)
Als het bericht “Storing rem-
systeem” wordt weergegeven,
moet u de auto blokkeren door
de eerste versnelling (mecha-
nische versnellingsbakken) te selecte-
ren, de stand P te selecteren (automa-
tische transmissies) of door gedurende
ongeveer 10 seconden aan de schake-
laar te trekken 4. Als de helling erg steil
is, legt u blokken voor de wielen.
Risico dat de auto wegrolt.
Raadpleeg de merkdealer.
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
frein de parking assisté..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
frein............................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(page courante)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(page courante)
frein de parking ..........................................
(page courante)
fonction Stop and Start ..............................
(page courante)
Stop and Start............................................
(page courante)
Autohold ....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.27
NLD_UD62005_3
Autohold (BJA - Renault)
Voorwaarden voor het onderbreken van
de remkracht
Aan de volgende voorwaarden moet worden
voldaan:
De bestuurder accelereert voldoende
met een ingeschakelde versnelling;
of
De bestuurder schakelt de functie uit.
Het controlelampje
op het instru-
mentenpaneel gaat uit.
Fonction « AUTOHOLD »
DE AUTOHOLD-FUNCTIE
De auto is gestopt (bijvoorbeeld bij een rood
verkeerslicht, een kruispunt, een file, enz.),
de functie waarborgt de remkracht zelfs
wanneer de bestuurder het rempedaal los-
laat.
De remkracht wordt opgeheven zodra de
bestuurder voldoende accelereert met een
ingeschakelde versnelling.
Inschakelen
Druk op de schakelaar 3.
Het controlelampje van de schakelaar 3 ver-
schijnt om te bevestigen dat de functie is in-
geschakeld.
Uitschakelen
Trap het rempedaal in en druk tegelijkertijd
op de schakelaar 3.
Het controlelampje van de schakelaar 3
gaat uit, om te bevestigen dat de functie is
uitgeschakeld.
Als de remkracht in stand wordt gehouden,
wordt de parkeerrem automatisch ingescha-
keld wanneer:
De bestuurder de auto verlaat;
of
De auto langer dan ongeveer drie minu-
ten stilstaat.
Controleer, voordat u de auto
verlaat, of de automatische
parkeerrem inderdaad is vast-
gezet. Controlelampje 1 op
schakelaar 2 en controlelampje }
op het instrumentenpaneel verschijnen
om aan te geven dat de parkeerrem is
ingeschakeld. De lampjes gaan uit als
de portieren worden vergrendeld.
3
1
Voorwaarden voor het in stand houden
van de remkracht
Aan de volgende voorwaarden moet worden
voldaan:
De autogordel van de bestuurder is vast-
gemaakt;
en
De elektronische parkeerrem is vrijgezet;
en
De auto staat niet stil op een zeer steile
helling.
De in stand gehouden remkracht wordt be-
vestigd door het waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel.
Telkens als de motor wordt gestart, heeft
de functie de modus die is ingesteld op
het moment dat de motor voor het laatst
werd uitgeschakeld.
2
ECO conduite ............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
économies de carburant ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carburant
conseils d’économie ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carburant
consommation .....................................
(page courante)
conseils de conduite ..................................
(page courante)
changement de vitesses ............................
(page courante)
fonction Stop and Start ..............................
(page courante)
Stop and Start............................................
(page courante)
tableau de bord..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
mode ECO .................................................
(page courante)
consommation de carburant ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.28
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
Eco conduite
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (1/8)
Het brandstofverbruik is goedgekeurd over-
eenkomstig een voorgeschreven standaard-
methode. Deze methode is voor alle auto-
fabrikanten hetzelfde en maakt het mogelijk
om auto’s met elkaar te vergelijken. Het
werkelijke verbruik is afhankelijk van de ge-
bruiksomstandigheden van de auto, de uit-
rustingen en de rijstijl. Raadpleeg voor een
optimaal brandstofverbruik onderstaande
aanbevelingen.
Afhankelijk van de auto beschikt u over ver-
schillende functies die u kunnen helpen het
brandstofverbruik te verminderen:
de toerenteller;
Indicatielampje voor overschakelen naar
de volgende versnelling;
het indicatielampje rijstijl;
de trajectbalans en tips voor zuinig rijden
via het bedieningsscherm;
indicator Eco-acceleratie;
stand ECO;
de functie Stop and Start 2.10.
Deze informatie wordt aangevuld door het
navigatiesysteem, als de auto hiermee is uit-
gerust.
2.29
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
Waarschuwingslampje voor
overschakelen naar de volgende
versnelling 1
Afhankelijk van de auto geeft een waar-
schuwingslampje op het instrumentenpa-
neel het beste moment aan om naar een
hogere of lagere versnelling te schakelen
om het brandstofverbruik zo laag mogelijk
te houden:
schakel een hogere versnelling in;
schakel een lagere versnelling in.
Als u deze indicator regelmatig volgt, daalt
het brandstofverbruik van uw auto.
Op het instrumentenpaneel A, B
of C
Afhankelijk van de auto, kan de informatie-
weergave worden ingedeeld en geperso-
naliseerd aan de hand van de personalise-
ringsstijl van het instrumentenpaneel die is
gekozen met het multimediascherm.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (2/8)
B C
1
1
A
1
conseils de conduite ..................................
(page courante)
2.30
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (3/8)
2
2
2
A
B
C
Indicatielampje rijstijl 2
Dit lampje informeert u in real time over uw
rijstijl. De indicator 2 waarschuwt u.
Hoe meer blaadjes op 2 worden weergege-
ven, hoe soepeler en zuiniger u rijdt.
Als u deze indicator regelmatig volgt, daalt
het brandstofverbruik van uw auto.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.31
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (4/8)
Acceleratie-indicator Eco 3
Deze informeert u in real time of er sprake is
van een matige of sterke acceleratie.
Dit wordt weergegeven met de waarschu-
wingslampje 3:
groen: acceleratie is matig en correct;
wit: acceleratie is te groot;
grijs: acceleratie is te groot.
Opmerking: Het is niet mogelijk om tege-
lijkertijd de rijstijlindicator 2 en de indicator
Eco-acceleratie 3 weer te geven.
3
3
3
2.32
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
Een algemene melding van 0 tot 100 geeft
u de mogelijkheid om uw prestaties als zui-
nige bestuurder in te schatten. Hoe hoger
het cijfer, hoe lager het brandstofverbruik.
De tips voor zuinig rijden worden u gegeven
om uw prestaties te verbeteren.
Het opslaan van uw voorkeurstrajecten
geeft u de mogelijkheid om uw prestaties
onderling te vergelijken en ze te vergelijken
met de prestaties van andere gebruikers van
de auto.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
Op het multimediascherm
Trajectbalans
Nadat de motor is uitgezet, wordt
“Trajectbalans” op het multimediascherm 4
weergegeven zodat u informatie over uw
laatste traject kunt bekijken.
Het geeft aan:
De algemene score;
– Score-evolutie;
Afstand zonder brandstofverbruik.
4
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (5/8)
mode ECO .................................................
(page courante)
conseils de conduite ..................................
(page courante)
2.33
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (6/8)
stand ECO
De ECO-modus is een functie die het brand-
stofverbruik zo laag mogelijk houdt. Dit heeft
invloed op bepaalde rijacties (acceleratie,
schakelen, snelheidsregelaar, deceleratie,
enz).
Doordat de versnelling wordt beperkt, wordt
gezorgd voor een rijstijl die geschikt is voor
in de stad of de periferie waarbij weinig
brandstof wordt verbruikt.
6
5
Activeren van de functie
Afhankelijk van de auto kan de functie
worden ingeschakeld:
door op de schakelaar 5 te drukken.
3.2 ;
door op de schakelaar 6 te drukken;
– op het multimediascherm (zie de multi-
media-instructies).
Het controlelampje
verschijnt op het
instrumentenpaneel om de inschakeling te
bevestigen.
Tijdens het rijden kan de ECO-modus tijde-
lijk worden verlaten om de motor weer op
volle kracht te laten werken.
Druk daartoe het gaspedaal diep in.
De ECO-modus wordt weer ingeschakeld
zodra u de druk op het gaspedaal vermin-
dert.
Uitschakelen van de functie
Afhankelijk van de auto kan de functie
worden uitgeschakeld:
door op de schakelaar 5 te drukken.
3.2 ;
door op de schakelaar 6 te drukken.
Het controlelampje
op het instru-
mentenpaneel gaat uit om de uitschakeling
te bevestigen.
conseils de conduite ..................................
(page courante)
2.34
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
Laat het toerental van de motor in de
lagere versnellingen niet te ver oplopen.
Kies indien mogelijk altijd de hoogste ver-
snelling.
Rijd bij een stoplicht kalm weg.
Rem zo weinig mogelijk. Regel de snel-
heid van de auto met het gaspedaal door
voor een obstakel of een bocht tijdig gas
terug te nemen.
Geef op een helling geen gas bij maar
houd het gaspedaal bij voorkeur in de-
zelfde stand.
Bij een moderne auto is het niet nodig bij
het schakelen tweemaal te ontkoppelen
of voor het stilzetten van de motor nog
even gas te geven.
Diepe plassen, overstromingen:
Rijd niet door als het water
op de weg hoger staat
dan de onderrand van de
velgen.
Hinder bij het rijden
Aan de bestuurderskant mogen
alleen voor de auto geschikte
matten worden gebruikt, die
moeten worden vastgezet aan de vooraf
geïnstalleerde onderdelen. Controleer
regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel
niet meerdere matten op elkaar.
Gevaar van hakende pedalen.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (7/8)
Tips voor het rijden en ECO-
rijden
Rijgedrag
Rijd kalm tot de motor zijn bedrijfstem-
peratuur heeft bereikt; dit is beter dan
warmdraaien bij stilstaande auto.
Snelheid kost geld.
Bij een dynamische rijstijl waarbij u vaak
en krachtig versnelt en vertraagt, zal de
tijdswinst niet opwegen tegen de ge-
maakte brandstofkosten.
pneumatiques ............................................
(page courante)
conseils de conduite ..................................
(page courante)
mode ECO .................................................
(page courante)
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
2.35
NLD_UD64548_4
Conseils de conduite, éco conduite (BJA - Renault)
TIPS VOOR HET RIJDEN, ECO-MODUS (8/8)
Tips voor het gebruik
Gebruik bij voorkeur de ECO-modus.
– Ook het opwekken van elektriciteit kost
brandstof. Schakel alleen die verbruikers
in die u nodig hebt. Maar veiligheid voor
alles: Rijd met dimlicht zodra het zicht
minder wordt (zien en gezien worden).
Gebruik de ventilatie-openingen. Bij
100 km/u verhogen opestaande ruiten
het verbruik met 4%.
Vul de tank niet tot aan de rand, dit voor-
komt overstromen.
Voor auto’s met airconditioning is een
hoger brandstofverbruik normaal (vooral
in stadsverkeer) als de airconditioning
aanstaat. Voor auto’s met een aircondi-
tioning zonder automatische werkstand,
zet het systeem uit, als u het niet meer
nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder
luchtverontreiniging:
Open bij zeer warm weer of als de auto in
de zon heeft gestaan enkele minuten de
portieren voordat u start, zodat de hete
lucht uit de auto kan ontsnappen.
– Rijd niet met een leeg imperiaal op uw
auto.
Gebruik een aanhangwagen voor het
vervoer van grote voorwerpen.
Gebruik een goedgekeurde dakspoiler
als u met een caravan op reis gaat en stel
de spoiler in de juiste stand af.
– Gebruik uw auto zo weinig mogelijk op
korte afstanden. De motor komt dan niet
op temperatuur.
Banden
Door een te lage bandenspanning neemt
het verbruik toe.
– Om het brandstofverbruik te optimalise-
ren, stelt u de hoogste bandenspanning
in of de aanbevolen spanning die op de
rand van het bestuurdersportier wordt
weergegeven. 4.11.
Indien banden worden gemonteerd die
niet zijn voorgeschreven, kan het ver-
bruik stijgen.
conseils antipollution .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
antipollution
conseils ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
entretien.....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
tableau de bord..........................................
(page courante)
indicateurs :
de tableau de bord ...............................
(page courante)
2.36
NLD_UD53828_1
Conseils entretien et antipollution (XJA - Renault)
Conseils entretien et antipollution
TIPS VOOR ONDERHOUD EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING
Uw auto voldoet aan de eisen voor recycling
aan het einde van de gebruiksduur, die van
kracht werden in 2015.
Bepaalde onderdelen van uw auto zijn
daarom ontwikkeld met het oog op hun later
recycling.
Deze onderdelen zijn gemakkelijk te demon-
teren om opgehaald en behandeld te worden
door gespecialiseerde recyclingbedrijven.
Door zijn ontwerp, door de fabrieksafstellin-
gen en door zijn matig verbruik is uw auto
in overeenstemming met de wettelijke bepa-
lingen over luchtverontreiniging in ons land.
Hij produceert zo weinig mogelijk schade-
lijke uitlaatgassen en rijdt zo zuinig mogelijk.
Maar de luchtverontreiniging en het verbruik
van uw auto hangen ook van u af. Let op dat
hij goed wordt onderhouden en goed wordt
gebruikt.
Onderhoud
Overtreding van de bepalingen inzake lucht-
verontreiniging is strafbaar.
Voor een goede werking van het uitlaatsys-
teem en het handhaven van de emissie-
waarden mogen er alleen originele door de
fabrikant voorgeschreven onderdelen ge-
bruikt worden voor het brandstof- en uitlaat-
systeem van uw auto.
Laat uw auto controleren en afstellen door
een merkdealer, in overeenstemming met
de instructies in het onderhoudsprogramma
van uw auto: de merkdealer beschikt over
alle gereedschappen om de oorspronkelijke
afstellingen van uw auto te garanderen.
Afstelling van de motor
Bougies: voor het verkrijgen van de
optimale omstandigheden waarbij een
laag verbruik, een hoog rendement en
goede prestaties samengaan, is het be-
slist noodzakelijk dat de door ons voor-
geschreven bougies worden gebruikt.
Laat steeds bougies van het juiste merk
en type met de juiste elektrodenafstand
monteren. Raadpleeg hiervoor een merk-
dealer.
Oplichten en stationair toerental: geen
afstelling nodig.
Luchtfilter, brandstoffilter: een vervuild
filterelement vermindert het rendement.
Laat het vervangen.
Controle van de uitlaatgassen
Het controlesysteem van de uitlaatgassen
waarschuwt bij een storing in de werking van
de katalysator.
Een dergelijke storing kan leiden tot een ver-
hoogde uitstoot van schadelijke uitlaatgas-
sen en schade aan mechanische organen.
Ä
Dit waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel geeft eventu-
ele storingen van het systeem aan:
Dit gaat branden bij het aanzetten van het
contact, en dooft bij het starten van de motor.
Als het continu brandt, moet u zo snel
mogelijk een merkdealer raadplegen;
als het knippert, moet u vaart verminde-
ren tot het knipperen ophoudt. Raadpleeg
zo spoedig mogelijk een merkdealer.
1.118
environnement ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.37
NLD_UD53829_1
Environnement (sans marque) (XJA - Renault)
Environnement
MILIEU
Emissies
Voor de gebruiksfase van de auto, is hij zo
ontworpen dat hij minder broeikasgassen
(CO2) uitstoot, en dus minder verbruikt (bijv.:
140 g/km komt overeen met 5,3 l/100 km
voor een dieselmotor).
Bovendien zijn de auto’s uitgerust met sys-
temen, zoals een katalysator, een lambda
sonde om de uitlaatgassen te reinigen. Een
filter met actieve koolstof voorkomt dat de uit
de tank afkomstige benzinedamp in de at-
mosfeer terecht komt.
Bij sommige auto’s met een dieselmotor is
dit systeem aangevuld met een roetfilter
waardoor de uitstoot van roetdeeltjes ver-
minderd wordt.
Denk zelf ook aan het milieu
– Gebruikte en vervangen onderdelen na
een door u zelf uitgevoerde onderhouds-
beurt aan uw auto (accu, oliefilter, lucht-
filter, batterijen, enz.) en olieblikken (leeg
of gevuld met oude olie) moeten bij daar-
voor bestemde depots voor klein che-
misch afval ingeleverd worden.
De auto moet aan het eind van zijn be-
staan door een gespecialiseerd bedrijf
worden gesloopt om te worden gerecy-
cleerd.
Houd u aan de lokale voorschriften.
Kringloop
Uw auto is voor 85% recycleerbaar en voor
95% herbruikbaar.
Om deze doelstellingen te behalen, is een
groot aantal onderdelen van de auto ontwor-
pen om gerecycled te worden. De construc-
tie en de materialen zijn zodanig ontworpen
dat de demontage van deze componenten
en hun herverwerking in specifieke bedrijven
wordt vergemakkelijkt.
Om het gebruik van grondstoffen terug te
dringen, bevat de auto met name veel on-
derdelen van gerecycleerde kunststoffen en
duurzame materialen (materialen van plan-
ten of dieren, zoals katoen en wol).
Uw auto is ontwikkeld met een zo groot
mogelijke aandacht voor het milieu gedu-
rende zijn gehele bestaan: bij zijn fabrica-
ge, tijdens zijn gebruik en ten slotte als hij
gesloopt wordt.
Fabricage
De fabricage van uw auto vindt plaats in een
fabriek die stappen onderneemt tot vermin-
dering van de milieueffecten op de leefo-
mgeving en de natuur (vermindering van
wateren energieverbruik, lichten geluidso-
verlast, wateren luchtverontreiniging, schei-
den van afval en terugwinnen van materia-
len uit afvalstoffen).
pneumatiques ............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
pression des pneumatiques.......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
avertisseur de perte de pression des pneu-
matiques ....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
gonflage des pneumatiques ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.38
NLD_UD62494_3
Avertisseur de perte de pression des pneumatiques (BJA - Renault)
Avertisseur de perte de pression des pneumatiques
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING (1/6)
Wanneer de auto ermee is uitgerust, waar-
schuwt dit systeem voor verlies van span-
ning in een of meerdere banden.
Het systeem kan worden geïdentificeerd
door het label 1 in de auto.
1
De werking van het systeem
Dit systeem detecteert een verlies van span-
ning in een van de banden door tijdens het
rijden de snelheid van de banden te meten.
Het controlelampje 2 op het dash-
board licht op om de bestuurder te waar-
schuwen dat de druk te laag is (lage ban-
denspanning, lekke band enz.).
1
2
2.39
NLD_UD62494_3
Avertisseur de perte de pression des pneumatiques (BJA - Renault)
aanzienlijke wijziging van de belading of
verdeling van de belading aan één kant
van de auto;
sportief rijden en aanzienlijk versnellen;
rijden op een besneeuwd of glad wegdek;
rijden met sneeuwkettingen;
monteren van maar één nieuwe band;
gebruik van banden die niet door de
merkdealer goedgekeurd zijn.
Werkingsomstandigheden
Het systeem moet worden gereset met de
bandenspanning die op het bandenspan-
ningsetiket wordt vermeld. 4.11. Zo niet
dan geeft het systeem mogelijk geen cor-
recte waarschuwing bij een grote daling van
de bandenspanning.
Resetten moet altijd gebeuren na con-
trole van de bandenspanning in de vier
banden als deze koud zijn.
In de volgende situaties bestaat het risico
dat het systeem te traag of niet correct werkt:
– systeem niet gereset na het oppompen
van de banden of na elke andere verrich-
ting aan de wielen;
Onjuiste reset van systeem: andere ban-
denspanning dan de aanbevolen span-
ning;
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING (2/6)
Reset van de referentiewaarde
voor bandenspanning
Deze gebeurt:
na elke keer opnieuw op spanning bren-
gen of resetten van de bandenspanning;
na het verwisselen van een wiel
na het wisselen van de wielen.
De bandenspanning moet afgestemd zijn op
het huidige gebruik van de auto (onbelast,
belast, rijden op de autosnelweg ...).
Een plots verlies van bandenspanning
(klapband ...) wordt mogelijk niet door
het systeem worden opgespoord.
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden.
Deze functie neemt niet de taak
van de bestuurder over. De be-
stuurder moet altijd opletten en blijft ver-
antwoordelijk. Controleer de banden-
spanning, inclusief het reservewiel, één
keer per maand.
2.40
NLD_UD62494_3
Avertisseur de perte de pression des pneumatiques (BJA - Renault)
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING (3/6)
Resetprocedure
Contact aan, auto staat stil:
Druk zo vaak als nodig is op de schake-
laar 6 om het tabblad Auto weer
te geven;
druk kort op de schakelaar 3 of 4 om naar
de pagina “Bandendruk init. lang druk-
ken” te gaan;
Druk op de schakelaar 5 OK en houd
deze ingedrukt om de reset te starten.
Houd de schakelaar 5 ingedrukt totdat het
bericht “Operatie uigevoerd” verschijnt. U
kunt nu rijden.
3
45
6
Als de auto is uitgerust met een naviga-
tiesysteem, kan de resetprocedure ook
worden uitgevoerd via het multimedia-
scherm: raadpleeg de instructies van de
apparatuur.
2.41
NLD_UD62494_3
Avertisseur de perte de pression des pneumatiques (BJA - Renault)
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING (4/6)
Treeplank Boodschappen Interpretatie
Bandendruk init. bij stilstand Het bericht verschijnt onderweg. Als u de spanning van de vier banden wilt resetten, stop
dan de auto.
1 Bandendruk init. lang drukken Houd de schakelaar 5 OK ingedrukt om de spanning van de vier banden te resetten terwijl
de auto stilstaat, schakel over naar resetten totdat het bericht “Als druk OK is ingedrukt
houden” verschijnt.
2 Als druk OK is ingedrukt houden Het bericht knippert om aan te geven dat het systeem de resetprocedure heeft geregis-
treerd. Als alle vier de banden correct zijn afgesteld, conform de bandenspanningswaar-
den op het bandenspanningsetiket: 4.11houd de schakelaar 5 OK ingedrukt totdat het
bericht “Operatie uigevoerd” verschijnt.
3 Operatie uigevoerd De resetprocedure is succesvol afgerond. U kunt nu rijden.
De onderstaande tabel toont de mogelijke berichten voor de bandenresetprocedure.
2.42
NLD_UD62494_3
Avertisseur de perte de pression des pneumatiques (BJA - Renault)
Corrigeren van de
bandenspanning
De spanningen van de vier banden
moeten koud worden ingesteld (raad-
pleeg het label op de zijkant van het bestuur-
dersportier).
Indien u de bandenspanning niet bij koude
banden kunt controleren, moet u de opge-
geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI)
verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een
warme band.
Elke keer dat de banden worden opgepompt
of de bandenspanning wordt gecorrigeerd,
moet de referentiewaarde voor de banden-
spanning worden gereset.
Vervangen van wielen/banden
Gebruik alleen apparatuur die is goedge-
keurd door het netwerk. Zo niet dan treedt
het systeem mogelijk te laat of niet correct in
werking. 5.11.
Elke keer dat een wiel/band wordt verwis-
seld, moet de bandenspanning worden ge-
corrigeerd en moet de referentiewaarde
voor de bandenspanning worden gereset.
Reservewiel
Zodra het aanwezige reservewiel op de auto
is gemonteerd, moet de bandenspanning
worden gecorrigeerd en moet de referen-
tiewaarde voor de bandenspanning worden
gereset.
Spuitbussen voor
bandenreparatie en pompset
Gebruik alleen apparatuur die is goedge-
keurd door het netwerk. Zo niet dan treedt
het systeem mogelijk te laat of niet correct
in werking. 5.4. Nadat de pompset voor
de banden is gebruikt, corrigeert u de ban-
denspanning en reset u de referentiewaarde
voor de bandenspanning.
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING (5/6)
Bandenspanningsstoringen
De tabel op de volgende pagina vermeldt de
waarschuwingsberichten die op het instru-
mentenpaneel 7 verschijnen wanneer het
systeem een bandenspanningsstoring de-
tecteert.
7
2.43
NLD_UD62494_3
Avertisseur de perte de pression des pneumatiques (BJA - Renault)
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING (6/6)
Controleen
waarschuwingslampjes
Boodschappen Interpretatie
Banden oppompen en initialiseren
Dit geeft aan dat er een te lage bandenspanning of lekke band is gedetecteerd.
Controleer en stel de spanning van de vier banden in koude toestand in en
reset het systeem.
Bandendruk aan- passen en init.
Dit geeft aan dat de reset niet is gelukt. Controleer de bandenspanning en stel
deze opnieuw af voordat u de resetprocedure opnieuw start.
Bandendruk aan- passen en init.
Dit geeft aan dat de laatste systeemreset meer dan 6 maanden of ongeveer
10.000 km geleden is uitgevoerd. Controleer de bandenspanning en stel deze
opnieuw af voordat u opnieuw een resetprocedure start.
+ ©
Controleer TPW Dit duidt op een storing in het systeem. Ga naar een merkdealer.
TPW niet beschikbaar
Dit geeft aan dat een reservewiel voor noodgevallen met een andere maat dan
de andere vier wielen op het voertuig is gemonteerd. Het systeem blijft niet
beschikbaar totdat een wiel van dezelfde maat als de andere wielen is gemon-
teerd en de resetprocedure is uitgevoerd.
De informatie op het instrumentenpaneel duidt op mogelijke bandenspanningsstoringen (bijv. een leeggelopen of lekke band).
ABS ...........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
système antiblocage des roues : ABS .......
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance au freinage d’urgence ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
freinage d’urgence .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
contrôle dynamique de conduite : ESC .....
(jusqu’à la fin de l’UD)
ESC : Contrôle dynamique de conduite ....
(jusqu’à la fin de l’UD)
aide au démarrage en côte........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
antipatinage ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(page courante)
système antipatinage : ASR .....................
(page courante)
2.44
NLD_UD61968_2
Dispositifs de correction et d’assistance à la conduite (BJA - Renault)
Dispositifs de correction et d’assistance à la conduite
Antiblokkeersysteem van de
wielen (ABS)
Bij krachtig remmen voorkomt ABS het blok-
keren van de wielen, zodat de remweg be-
heersbaar en de auto bestuurbaar blijft.
In deze situatie zijn uitwijkmanoeuvres tij-
dens het remmen mogelijk. Bovendien ver-
betert dit systeem de remweg, met name op
een weg met weinig grip (natte weg, enz.).
Als het systeem de remdruk voor u regelt,
voelt u een lichte trilling in het rempedaal.
Het ABS kan echter nooit de natuurkun-
dige eigenschappen van de grip tussen
de banden en het wegdek verbeteren. Blijf
altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht
houden (afstand bewaren enz.).
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (1/5)
Deze functies zijn extra hulp-
middelen in kritieke situaties
waarbij het rijgedrag van de
auto aangepast wordt.
Deze functies kunnen de taak van de
bestuurder niet overnemen. De limieten
van de auto blijven onveranderd; ga
daarom dus niet harder rijden. Deze
functies kunnen dus in geen geval de
oplettendheid of de verantwoordelijkheid
van de bestuurder overnemen - de be-
stuurder moet altijd alert zijn op plotse-
linge gebeurtenissen die zich tijdens het
rijden kunnen voordoen.
Bij krachtig remmen kunt u het rempe-
daal diep ingedrukt houden. Het is niet
nodig “pompend” te remmen. Het ABS
regelt de kracht in het remsysteem.
Afhankelijk van de auto, kunnen deze be-
staan uit:
het antiblokkeersysteem van de
wielen (ABS);
elektronisch stabiliteitsprogramma
(ESC) met onderstuurcontrole en trac-
tiecontrole;
de noodstopbekrachtiging;
hulp bij het wegrijden op een helling.
Op de volgende bladzijden zijn andere rijhul-
psystemen beschreven.
anomalies de fonctionnement....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.45
NLD_UD61968_2
Dispositifs de correction et d’assistance à la conduite (BJA - Renault)
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (2/5)
Storingen
© en x worden verlicht op
het instrumentenpaneel en de berich-
ten “Controleer ABS”, “Controleer rem-
systeem” en “Controleer ESC” worden
getoond: dit geeft aan dat ABS, ESC en
de noodstopbekrachtiging zijn uitgescha-
keld. Het remmen blijft mogelijk;
x, D, © en ®
verschijnen op het instrumentenpaneel,
samen met het bericht “Storing remsys-
teem”: dit wijst op een storing in het
remsysteem.
Raadpleeg in beide gevallen een merkdea-
ler.
Het remsysteem werkt nog ge-
deeltelijk. Maar het is gevaar-
lijk om krachtig te remmen. U
moet direct stoppen zonder het
overige verkeer in gevaar te brengen.
Roep de hulp in van een merkdealer.
système antipatinage : ASR .....................
(page courante)
2.46
NLD_UD61968_2
Dispositifs de correction et d’assistance à la conduite (BJA - Renault)
Elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESC)
met onderstuurcontrole en
tractiecontrole
Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC
Dit systeem helpt u de controle over de auto
te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken
voor een obstakel, verlies van grip op de
weg in een bocht, enz.).
De werking van het systeem
Een opname-element in het stuurwiel regis-
treert de richting waarin de bestuurder de
auto wil laten rijden.
Andere opname-elementen in de auto regis-
treren de werkelijke verplaatsingsrichting.
Het systeem vergelijkt de door de bestuur-
der gegeven bevelen en gekozen richting
met de werkelijke verplaatsingsrichting van
de auto en corrigeert deze laatste door,
indien nodig, op bepaalde wielen te remmen
en/of het motorvermogen aan te passen. Als
het systeem wordt geactiveerd, knippert het
waarschuwingslampje
op het instru-
mentenpaneel.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (3/5)
Onderstuurcontrole
Dit verbetert de werking van het ESC bij
sterk onderstuur van de auto (als de voor-
wielen hun grip verliezen).
Tractiecontrole
Dit systeem helpt het slippen van de aan-
gedreven wielen te beperken en de auto bij
het wegrijden, accelereren of decelereren te
controleren.
De werking van het systeem
Met behulp van opname-elementen bij
de wielen, meet en vergelijkt het systeem
constant de snelheid van de aangedreven
wielen en remt het deze af als ze doorslip-
pen. Als een wiel neigt naar doorslippen,
zorgt het systeem voor het afremmen van
het betreffende wiel, totdat de snelheid van
het wiel overeenkomt met de grip op de weg.
Het systeem reageert ook door het toeren-
tal van de motor aan te passen aan de hoe-
veelheid grip onder de wielen, onafhankelijk
van de mate waarin het gaspedaal wordt in-
gedrukt.
In sommige situaties (rijden op een heel
zachte ondergrond: bv. sneeuw, modder of
rijden met sneeuwkettingen), kan het sys-
teem de kracht van de motor verminderen
om het doorslippen te beperken.
storingen
Als het systeem een storing detecteert, ver-
schijnt het bericht “Controleer ESC” op het
instrumentenpaneel en lichten de waarschu-
wingslampjes
© en op. In dit
geval zijn het ESC en de tractiecontrole uit-
geschakeld.
Ga naar een merkdealer.
2.47
NLD_UD61968_2
Dispositifs de correction et d’assistance à la conduite (BJA - Renault)
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (4/5)
Noodstopbekrachtiging
Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat
zorgt voor het verminderen van de remweg
van de auto.
De werking van het systeem
Het systeem herkent wanneer een nood-
stop wordt uitgevoerd. In dit geval ontwikkelt
het remsysteem onmiddellijk de maximale
kracht en kan het ABS-systeem in werking
treden.
Het ABS-remsysteem blijft werken zolang
het rempedaal ingedrukt is.
Remlichten gaan aan
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bij
krachtig afremmen gaan branden.
Remanticipatie
Afhankelijk van de auto anticipeert het sys-
teem, als u snel het gaspedaal loslaat, op
het remmen om de remweg te verminderen.
Bijzondere gevallen
Tijdens het gebruik van de snelheidsrege-
laar:
als u het gaspedaal gebruikt, kan het sys-
teem in werking komen als u het pedaal
loslaat;
als u het gaspedaal niet gebruikt, wordt
het systeem niet geactiveerd.
storingen
Als het systeem een storing signaleert, ver-
schijnt het bericht “Controleer remsysteem
op het instrumentenpaneel, in combinatie
met het waarschuwingslampje
©.
Ga naar een merkdealer.
Deze functies zijn extra hulp-
middelen in kritieke situaties
waarbij het rijgedrag van de
auto aangepast wordt.
Deze functies kunnen de taak van de
bestuurder niet overnemen. De limieten
van de auto blijven onveranderd; ga
daarom dus niet harder rijden. Deze
functies kunnen dus in geen geval de
oplettendheid of de verantwoordelijkheid
van de bestuurder overnemen - de be-
stuurder moet altijd alert zijn op plotse-
linge gebeurtenissen die zich tijdens het
rijden kunnen voordoen.
2.48
NLD_UD61968_2
Dispositifs de correction et d’assistance à la conduite (BJA - Renault)
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (5/5)
Hulp bij wegrijden op een helling
Afhankelijk van de helling van de weg helpt
dit systeem de bestuurder bij het wegrijden
op een helling. Het voorkomt dat de auto
achteruit rolt, door automatisch de remmen
vast te zetten als de bestuurder het rempe-
daal loslaat om het gaspedaal te bedienen.
Werking van het systeem
Het werkt alleen als de versnellingshendel
niet in de neutrale stand staat (niet in N of P
voor een automatische transmissie) en als
de auto geheel stil staat (rempedaal inge-
drukt).
Het systeem houdt de auto ongeveer 2 se-
conden stil. Daarna komen de remmen ge-
leidelijk vrij (de auto rolt naargelang de hel-
ling).
Het systeem van de hulp bij het
wegrijden op een helling kan
niet in alle gevallen totaal ver-
hinderen dat de achteruit rijdt
(zeer steile helling, enz.).
De bestuurder kan altijd het rempedaal
bedienen om het achteruitrijden van de
auto te verhinderen.
De hulp bij het wegrijden op een helling
mag niet gebruikt worden om de auto
langdurig stil te houden: gebruik het
rempedaal.
Deze functie is niet bedoeld om de auto
permanent te laten stilstaan.
Gebruik indien nodig het rempedaal om
de auto te stoppen.
De bestuurder moet bijzonder voorzich-
tig rijden op een glad oppervlak of bij
weinig grip.
Gevaar van ernstige verwondingen.
alerte de sortie de voie ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.49
NLD_UD68931_4
Alerte de sortie de voie (BJA - Renault)
Alerte de sortie de voie
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (1/5)
Op basis van informatie van de camera 1
waarschuwt de functie de bestuurder wan-
neer een doorgetrokken of onderbroken
streep wordt overschreden of als de auto de
berm nadert (bermplank, vangrail, stoep, op-
hoging, enz.) zonder dat de richtingaanwij-
zers zijn ingeschakeld.
1
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden. Deze func-
tie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk-
heid van de bestuurder vervangen; deze
moet altijd de controle over zijn auto be-
houden.
Met de waarschuwingsfunctie bij het
overschrijden van de wegmarkering
wordt de verplaatsingsrichting van
de auto niet gecorrigeerd.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt
(door vuil, modder, condens enzovoort).
2.50
NLD_UD68931_4
Alerte de sortie de voie (BJA - Renault)
3
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (2/5)
Inschakelen/uitschakelen
Als u de functie wilt activeren, drukt u zo
vaak als nodig op de schakelaar 2 om
“Waarschuwing bij verlaten rijstrook” op het
instrumentenpaneel te selecteren. Het be-
richt “Lane departure geactiveerd” en het
waarschuwingslampje “” verschijnen
op het instrumentenpaneel.
Als u de functie wilt uitschakelen, drukt u zo
vaak als nodig op de schakelaar 2 om “Lane
departure gedeactiveerd” (of, afhankelijk
van de auto “Lane Keeping gedeactiveerd”)
op het instrumentenpaneel te selecteren.
Het controlelampje op het instru-
mentenpaneel gaat uit..
Werking
Wanneer de functie is geactiveerd, worden
het waarschuwingslampje en de
linker- en rechterstreep 3 op het instrumen-
tenpaneel grijs weergegeven.
De functie is gereed om te waarschuwen
als:
snelheid ligt tussen ongeveer 70 km/u en
180 km/u;
en
het waarschuwingslampje
en
de indicatoren voor de linker-/rechter-
streep 3 worden wit weergegeven.
De waarschuwingsfunctie wordt geacti-
veerd als de auto een streep overschrijdt
of als de auto een berm nadert (bermplank,
vangrail, stoep, ophoging, enz.) zonder dat
de richtingaanwijzers zijn ingeschakeld.
2
De bestuurder wordt gewaarschuwd:
door een trilling in het stuurwiel;
en
het waarschuwingslampje en de
indicator 3 voor de overschreden streep
worden rood.
Telkens wanneer de auto wordt gestart,
blijft de functie in de modus die is op-
geslagen toen de motor voor het laatst
werd uitgeschakeld.
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.51
NLD_UD68931_4
Alerte de sortie de voie (BJA - Renault)
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (3/5)
Tijdelijk niet beschikbaar
De streep wordt zeer snel overschreden;
er wordt continu over een streep gere-
den;
ongeveer vier seconden na het wisselen
van baan;
scherpe bochten;
slecht zicht;
activering van één van de richtingaanwij-
zers;
sterke acceleratie;
– ...
Als de functie niet beschikbaar is, zijn het
waarschuwingslampje
en de indica-
toren linker-/rechterstreep op het instrumen-
tenpaneel grijs.
– “Waarschuwing”: pas het gevoelig-
heidsniveau van de streepdetectie aan.
Selecteer hiervoor:
Late”: streep gedetecteerd bij over-
schrijding;
Standaard”: streep gedetecteerd bij
naderen;
Early” streep in de buurt gedetec-
teerd.
4
Omstandigheden waarin
het systeem niet wordt
ingeschakeld
Het systeem kan niet worden ingeschakeld
wanneer:
de achteruitversnelling is ingeschakeld;
het gezichtsveld van de camera is belem-
merd;
het controlelampje
û wordt weerge-
geven.
Het waarschuwingslampje
en de in-
dicatoren linker-/rechterstreep op het instru-
mentenpaneel worden grijs.
Afstellen
Auto’s uitgerust met een
multimediascherm.
Zie de gebruiksaanwijzing van het multime-
diasysteem om de instellingen van het multi-
mediascherm 4 te bekijken:
– “Trilintensiteit”: pas het trillingniveau van
het stuurwiel aan;
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
2.52
NLD_UD68931_4
Alerte de sortie de voie (BJA - Renault)
storingen
In geval van een storing worden de indicato-
ren linker- en rechterstreep (en, afhankelijk
van de weergavestijl, het waarschuwings-
lampje ) niet meer weergegeven of
blijven deze grijs op het instrumentenpaneel.
In sommige gevallen wordt het bericht
Controleer camera voor” of het waarschu-
wingslampje
© weergegeven op het in-
strumentenpaneel.
Ga naar een merkdealer.
Afstellingen (vervolg)
Auto’s zonder een multimediascherm
Zet de auto stil en druk zo vaak als
nodig op de schakelaar 5 om het tabblad
“Voertuig” weer te geven;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
“Instellingen” weer te geven. Druk op de
schakelaar 8 OK;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
RIJHULPSYSTEMEN” weer te geven.
Druk op de schakelaar 8 OK;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om toegang
te krijgen tot ‘Lane Departure Warning’
of het menu Lane departure gevoelig-
heid=#. Druk op de schakelaar 8 OK ;
doorloop achter elkaar en druk op 6 of 7
om de instelling aan te passen. Druk op
de knop 8 OK.
5
6
7
8
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (4/5)
2.53
NLD_UD68931_4
Alerte de sortie de voie (BJA - Renault)
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de
bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de
functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door
een vakman.
Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enzovoort).
een complexe omgeving (tunnel enzovoort);
slechte weersomstandigheden (sneeuw, zware regen, hagel, ijzel, enz.).
slecht zicht (nacht, mist enzovoort);
de wegmarkeringen zijn onregelmatig of moeilijk te onderscheiden (bijv. gedeeltelijk gewist, grote onderlinge afstand, vervormd wegdek);
verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto’s enzovoort);
de weg is smal, bochtig of golvend (scherpe bochten enzovoort);
u rijdt dicht achter een andere auto op dezelfde rijstrook.
Risico van vals alarm of afwezigheid van waarschuwingen
WAARSCHUWING BIJ VERLATEN VAN RIJSTROOK (5/5)
alerte de sortie de voie ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
maintien de voie : aide...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aide au maintien de voie............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.54
NLD_UD62007_3
Aide au maintien de voie (BJA - Renault)
Aide au maintien de voie
RIJSTROOKASSISTENT (1/6)
1
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt
(door vuil, modder, condens enzovoort).
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden. Deze func-
tie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk-
heid van de bestuurder vervangen;
deze moet altijd de controle over zijn
auto behouden.
U kunt op elk moment de controle over
de auto weer overnemen door aan het
stuurwiel te draaien.
Met behulp van de informatie van de
camera 1 activeert de functie een corrige-
rende actie op het besturingssysteem van
de auto wanneer een doorgetrokken of on-
derbroken streep wordt overschreden of als
de auto de berm nadert (bermplank, vang-
rail, stoep, ophoging, enz.) zonder dat de
richtingaanwijzers zijn ingeschakeld.
2.55
NLD_UD62007_3
Aide au maintien de voie (BJA - Renault)
Inschakelen/uitschakelen
Als u de functie wilt activeren, drukt u zo
vaak als nodig op de schakelaar 2 om
“Rijstrookassistent” op het instrumentenpa-
neel te selecteren.
Het bericht “Lane Keeping geactiveerd” en
het waarschuwingslampje “
” ver-
schijnen op het instrumentenpaneel.
Wanneer Rijstrookassistent is geactiveerd,
is de functie “Waarschuwing bij verlaten van
rijstrook” automatisch geactiveerd. 2.49.
RIJSTROOKASSISTENT (2/6)
Telkens wanneer de auto wordt gestart,
blijft de functie in de modus die is op-
geslagen toen de motor voor het laatst
werd uitgeschakeld.
2
Als u de functie wilt uitschakelen, drukt u zo
vaak als nodig op de schakelaar 2 om “Lane
Keeping gedeactiveerd” op het instrumen-
tenpaneel te selecteren.
Het controlelampje
op het instru-
mentenpaneel gaat uit..
Opmerking: Als u de functie
“Rijstrookassistent” uitschakelt, wordt ook
de functie “Waarschuwen bij verlaten van rij-
strook” uitgeschakeld.
2.56
NLD_UD62007_3
Aide au maintien de voie (BJA - Renault)
RIJSTROOKASSISTENT (3/6)
Werking
Wanneer de functie is geactiveerd, worden
het waarschuwingslampje en de
linker- en rechterstreep 3 op het instrumen-
tenpaneel grijs weergegeven.
De functie is actief als de snelheid van de
auto tussen ongeveer 70 en 180 km/u ligt en
als het controlelampje
en de indica-
toren voor de linker-/rechterstreep 3 wit zijn.
De functie werkt als de auto een streep
overschrijdt of als de auto de berm nadert
(bermplank, vangrail, stoep, ophoging, enz.)
zonder dat de richtingaanwijzers zijn inge-
schakeld.
U kunt de correctie van de verplaat-
singsrichting op elk moment onderbre-
ken door het stuurwiel te bewegen.
3
Bijzondere gevallen
Bij het gebruik van de functie:
als het systeem geen actie van de be-
stuurder op het stuurwiel detecteert, ver-
schijnt het oranje controlelampje
op het instrumentenpaneel, met het be-
richt “Handen aan het stuur houden”.
Ook hoort u een geluidssignaal.
Het geluidssignaal, het controlelampje en
het bericht blijven totdat de bestuurder de
controle overneemt;
Als het systeem te lang actief blijft, klinkt
er een geluidssignaal en knippert het
lampje 3 naast de betreffende streep,
totdat de bestuurder de controle over-
neemt.
In deze gevallen:
activeert de functie een actie op de stuur-
inrichting van de auto om de verplaat-
singsrichting van de auto te corrigeren;
gaat het lampje 3 aan de kant van de
overschreden streep geel branden op het
instrumentenpaneel.
Opmerking: bochten kunnen enigszins
worden afgesneden zonder dat de functie
wordt geactiveerd.
Als de corrigerende actie op de stuurinrich-
ting onvoldoende is, gaan het waarschu-
wingslampje
en de indicator 3 aan
de kant van de overschreden streep rood
branden op het instrumentenpaneel en is
een trilling in het stuurwiel voelbaar.
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.57
NLD_UD62007_3
Aide au maintien de voie (BJA - Renault)
4
RIJSTROOKASSISTENT (4/6)
– “Waarschuwing”: pas het gevoelig-
heidsniveau van de streepdetectie aan.
Selecteer hiervoor:
Late”: streep gedetecteerd bij over-
schrijding;
Standaard”: streep gedetecteerd bij
naderen;
Early” streep in de buurt gedetec-
teerd.
Omstandigheden waarin
het systeem niet wordt
ingeschakeld
Het systeem kan niet worden ingeschakeld
wanneer:
de achteruitversnelling is ingeschakeld;
het gezichtsveld van de camera is belem-
merd;
het controlelampje û wordt weerge-
geven.
Het waarschuwingslampje en de
waarschuwingslampjes linker-/rechterstreep
worden op het instrumentenpaneel grijs
weergegeven.
Afstellen
Auto’s uitgerust met een
multimediascherm.
Zie de gebruiksaanwijzing van het multime-
diasysteem om de instellingen van het multi-
mediascherm 4 te bekijken:
– “Trilintensiteit”: pas het trillingniveau van
het stuurwiel aan;
Tijdelijk niet beschikbaar
De streep wordt zeer snel overschreden;
er wordt continu over een streep gere-
den;
ongeveer vier seconden na het wisselen
van baan;
scherpe bochten;
slecht zicht;
activering van één van de richtingaanwij-
zers;
sterke acceleratie;
– noodstop;
– ...
Als de functie niet beschikbaar is, worden
het waarschuwingslampje
en de
waarschuwingslampjes correctie links/
rechts 3 op het instrumentenpaneel grijs
weergegeven.
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
2.58
NLD_UD62007_3
Aide au maintien de voie (BJA - Renault)
RIJSTROOKASSISTENT (5/6)
5
6
7
8
storingen
Als het systeem een storing signaleert, ver-
schijnt het controlelampje © op het in-
strumentenpaneel, samen met het bericht
“Controleer camera voor”.
Ga naar een merkdealer.
Afstellingen (vervolg)
Auto’s zonder een multimediascherm
Zet de auto stil en druk zo vaak als
nodig op de schakelaar 5 om het tabblad
“Voertuig” weer te geven;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
“Instellingen” weer te geven. Druk op de
schakelaar 8 OK;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
RIJHULPSYSTEMEN” weer te geven.
Druk op de schakelaar 8 OK;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
Lane keeping gevoeligheid” weer te
geven. Druk op de schakelaar 8 OK;
doorloop achter elkaar en druk op 6 of 7
om de instelling aan te passen. Druk op
de knop 8 OK.
2.59
NLD_UD62007_3
Aide au maintien de voie (BJA - Renault)
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de
bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de
functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door
een vakman.
Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enzovoort).
een complexe omgeving (tunnel enzovoort);
slechte weersomstandigheden (sneeuw, zware regen, hagel, ijzel, enz.);
slecht zicht (nacht, mist enzovoort);
de wegmarkeringen zijn onregelmatig of moeilijk te onderscheiden (bijv. gedeeltelijk gewist, grote onderlinge afstand, vervormd wegdek);
verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto’s enzovoort);
de weg is smal, bochtig of golvend (scherpe bochten enzovoort);
u rijdt dicht achter een andere auto op dezelfde rijstrook.
In dit geval reageert de “Rijstrookassistent” mogelijk onjuist of helemaal niet.
Risico van ongewenste, onjuiste correctie of geen correctie van de verplaatsingsrichting.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit in deze gevallen:
het gebied van de camera is beschadigd (aan de kant van de voorruit of de binnenspiegel);
de weg is glad (sneeuw, ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes enz.);
slecht zicht (nacht, mist enzovoort);
de voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit; laat deze vervangen door een merkdealer);
de auto trekt een aanhangwagen of een caravan;
de auto rijdt een gebied binnen met verschillende wegmarkeringen (zoals bij wegwerkzaamheden enz.).
RIJSTROOKASSISTENT (6/6)
avertisseur d’angle mort ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.60
NLD_UD65559_4
Avertisseur d’angle mort (BJA - Renault)
Avertisseur d’angle mort
Bijzonderheid
Zorg ervoor dat de radarzone C niet bedekt
is (stickers, modder, sneeuw, enz.).
Als een radar bedekt is, verschijnt het be-
richt “Zijsensoren geen zicht” op het instru-
mentenpaneel. Reinig het gebied waar de
sensoren zich bevinden.
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden. Deze func-
tie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk-
heid van de bestuurder vervangen; deze
moet altijd de controle over zijn auto be-
houden.
DODEHOEKWAARSCHUWING (1/7)
C
Op basis van de informatie van de senso-
ren aan elke kant van de achterbumper
(zone C), wordt de bestuurder gewaar-
schuwd:
als een andere auto in het detectiege-
bied A verschijnt;
en/of
als er een risico bestaat op een botsing
met een auto in het gebied B, die sneller
rijdt dan u.
De functie waarschuwt als de auto een snel-
heid heeft van meer dan ongeveer 15 km/u.
A
A
B
B
C
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.61
NLD_UD65559_4
Avertisseur d’angle mort (BJA - Renault)
Inschakelen/uitschakelen
Auto’s met een multimediascherm 1
Zie de multimedia-instructies voor het in-/uit-
schakelen van de functie. Selecteer ON of
OFF.
Auto’s zonder een multimediascherm
Zet de auto stil en druk zo vaak als
nodig op de schakelaar 2 om het tabblad
“Voertuig” weer te geven;
Druk herhaaldelijk op 3 of 4 om het menu
“Instellingen” weer te geven. Druk op de
schakelaar 5 OK;
Druk herhaaldelijk op 3 of 4 om het menu
RIJHULPSYSTEMEN” weer te geven.
Druk op de schakelaar 5 OK;
Druk op 3 of 4 om het menu “Dode-
hoekwaarschuwing” weer te geven en
druk op de schakelaar 5 OK;
2
3
1
De detectiecapaciteit van het sys-
teem volgt een standaardrijvakbreedte.
Tijdens het rijden op een smalle rijstrook
kan de functie u waarschuwen als er
voorbij de dichtstbijzijnde rijstrook een
auto wordt gedetecteerd.
DODEHOEKWAARSCHUWING (2/7)
45
druk nogmaals op de schakelaar 5 OK
om de functie in of uit te schakelen:
= functie ingeschakeld
< functie uitgeschakeld
indicateurs .................................................
(page courante)
2.62
NLD_UD65559_4
Avertisseur d’angle mort (BJA - Renault)
Indicator 6
Op elke binnenspiegel 7 bevindt zich een in-
dicator 6.
Opmerking: reinig de binnenspiegels 7 re-
gelmatig zodat de indicatoren 6 zichtbaar
blijven.
DODEHOEKWAARSCHUWING (3/7)
7
6
Werking
De functie waarschuwt als de snelheid van
de auto hoger is dan circa 15 km/u en:
als zich een auto in de dode hoek A be-
vindt en deze in dezelfde richting rijdt als
uw auto;
– als een auto snel van achteren op een
aangrenzende rijstrook binnen het bereik
van het detectiegebied B nadert.
Als u een andere auto inhaalt, verschijnt het
controlelampje 6 alleen als die auto lang
genoeg aanwezig is in de dode hoek van uw
auto A.
De functie waarschuwt niet als de
andere voertuigen niet bewegen.
A
A
B
B
2.63
NLD_UD65559_4
Avertisseur d’angle mort (BJA - Renault)
Omstandigheden waarin de
dodehoekwaarschuwing niet
werkt
Tijdens het rijden op een weg met
scherpe bochten;
in omgekeerde volgorde.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak die
door het systeem wordt herkend, wordt het
bericht “Aanhanger: dode hoek assist uit
op het instrumentenpaneel weergegeven.
Hiermee wordt u geïnformeerd dat de func-
tie niet operationeel is. Raadpleeg uw merk-
dealer voor het kiezen van de uitrusting die
aangepast is aan uw auto.
Display D
Eerste waarschuwing: richtingaanwijzer
niet actief, het controlelampje 6 geeft aan
dat een auto in het gebied van de dode hoek
wordt gedetecteerd en/of dat een auto snel
van achteren op een aangrenzende rijstrook
nadert.
DODEHOEKWAARSCHUWING (4/7)
6
D
E
Display E
Richtingaanwijzer ingeschakeld, het
waarschuwingslampje 6 knippert als de
functie een auto in het waarschuwingsge-
bied van de dode hoek detecteert en/of een
auto snel van achteren nadert aan de kant
waarnaar u het stuurwiel gaat draaien. Als u
de richtingaanwijzer uitschakelt, schakelt de
indicator terug naar de eerste waarschuwing
(display D).
Bij het starten van de motor gaat het sys-
teem terug naar de laatst opgeslagen
status voordat het contact werd uitgezet
(zie de vorige pagina’s).
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
2.64
NLD_UD65559_4
Avertisseur d’angle mort (BJA - Renault)
storingen
Als het systeem een storing detecteert, ver-
schijnt het bericht “Controleer zijsensoren
op het instrumentenpaneel. Ga naar een
merkdealer.
Vanwege de sensoren achter de bumper
is het raadzaam om werkzaamheden
aan de bumper (reparatie, vervangen,
lakwerk, enz.) te laten uitvoeren door
een vakman.
De detectiecapaciteit van
het systeem volgt een stan-
daardrijvakbreedte. Als u op
een breed rijvak rijdt, kan het
systeem geen auto’s detecteren in de
dode hoek.
In geval van blootstelling aan sterke
elektromagnetische golven (zoals
onder hoogspanningslijnen) of in
erg slechte weersomstandigheden
(hevige regen, sneeuw, enz.) kan het
systeem tijdelijk niet goed werken.
Let op de rijomstandigheden.
Kans op ongevallen.
DODEHOEKWAARSCHUWING (5/7)
2.65
NLD_UD65559_4
Avertisseur d’angle mort (BJA - Renault)
DODEHOEKWAARSCHUWING (6/7)
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de
bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensensor of een antibotsingssysteem.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
In geval van een botsing kan de uitlijning van de radar worden gewijzigd, waardoor deze niet meer naar behoren werkt. Schakel de functie
uit en neem contact op met een merkdealer.
Alle werkzaamheden in de buurt van de radars (reparaties, vervangingen, enz.) moeten door een vakman/vakvrouw worden uitgevoerd.
Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
Complexe omgeving (metalen bruggen, tunnels, wegen met obstakels aan de zijkant, enz.);
slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel ...).
Risico van vals alarm of afwezigheid van waarschuwingen
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en raadpleegt u een merkdealer.
2.66
NLD_UD65559_4
Avertisseur d’angle mort (BJA - Renault)
DODEHOEKWAARSCHUWING (7/7)
Beperkingen voor de werking van het systeem
De radarzone moet schoon blijven en mag niet worden gewijzigd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
Kleine voorwerpen die dichtbij de auto bewegen (motoren, fietsen, voetgangers, enz.) worden mogelijk niet door het systeem her-
kend.
In een bocht kunnen de radars soms tijdelijk geen auto’s detecteren in de aangrenzende rijstroken.
De waarschuwing komt wellicht laat, als twee andere voertuigen in de aangrenzende rijstroken u naast elkaar van achteren naderen, met
een veel hogere snelheid dan uw auto (op een weg met drie rijstroken).
Het systeem geeft wellicht geen waarschuwing als de andere auto’s rijden met een snelheid die aanzienlijk verschilt van de uwe.
Als de auto door een lang voertuig wordt ingehaald (bijv. een vrachtwagen die inhaalt met een soortgelijke snelheid als de auto) onder-
breekt het systeem mogelijk de waarschuwing vóór het einde van het manoeuvre.
De auto rijdt op een bochtige weg.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit in deze gevallen:
Het radargebied is beschadigd (achterbumper);
De auto is uitgerust met een trekhaak die niet door het systeem wordt herkend.
alerte distances de sécurité .......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
distances de sécurité .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.67
NLD_UD62637_3
Alerte distance de sécurité (BJA - Renault)
Alerte distances de sécurité
WAARSCHUWING VEILIGHEIDSAFSTAND (1/4)
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden. Deze func-
tie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk-
heid van de bestuurder vervangen; deze
moet altijd de controle over zijn auto be-
houden.
1
2
Gebaseerd op de informatie van de radar 2
en de camera 1 informeert deze functie de
bestuurder over het tijdsinterval tussen de
eigen auto en de voorligger zodat een vei-
lige afstand tussen de twee auto’s kan
worden aangehouden.
Deze functie wordt ingeschakeld als de auto
rijdt met een snelheid van ongeveer 30 tot
200 km/u.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt
(door vuil, modder, condens enz.).
Plaats van de radar 2
Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt
geblokkeerd (door vuil, modder, sneeuw of
een slecht gemonteerde nummerplaat voor)
of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met auto-
lak) of afgedekt door accessoires aan de
voorzijde van het voertuig (bijv. op de grille
of het logo, enz.).
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.68
NLD_UD62637_3
Alerte distance de sécurité (BJA - Renault)
WAARSCHUWING VEILIGHEIDSAFSTAND (2/4)
druk herhaaldelijk op 5 of 6 om het menu
Afstand waachuwing” weer te geven.
Druk op de schakelaar 7 OK;
– Druk nogmaals op de schakelaar 7 OK
om de functie in of uit te schakelen:
= functie ingeschakeld
< functie uitgeschakeld
Auto’s zonder een multimediascherm
Zet de auto stil en druk zo vaak als
nodig op de schakelaar 4 om het tabblad
“Voertuig” weer te geven;
druk herhaaldelijk op 5 of 6 om het menu
“Instellingen” weer te geven. Druk op de
schakelaar 7 OK;
druk herhaaldelijk op 5 of 6 om het menu
RIJHULPSYSTEMEN” weer te geven.
Druk op de schakelaar 7 OK;
Inschakelen/Uitschakelen van
de functie
Auto’s met een multimediascherm 3
Zie de multimedia-instructies voor het in-/uit-
schakelen van de functie.
Selecteer “ON” of “OFF”.
3
Telkens wanneer de auto wordt gestart,
blijft de functie in de modus die is op-
geslagen toen de motor voor het laatst
werd uitgeschakeld.
4
5
6
7
2.69
NLD_UD62637_3
Alerte distance de sécurité (BJA - Renault)
Werking
Als deze functie actief is, wordt de indica-
tor 8 op het instrumentenpaneel weergege-
ven. Deze informeert de bestuurder over de
afstand tussen de eigen auto en de voorlig-
ger.
A (grijs): de functie is niet actief;
A (groen): geen auto gedetecteerd;
B (groen): het tijdsinterval is groter dan of
gelijk aan ongeveer 2 seconden (de af-
stand tussen de twee voertuigen, aange-
past aan uw snelheid);
WAARSCHUWING VEILIGHEIDSAFSTAND (3/4)
Het interval wordt alleen ge-
toond ter informatie: het sys-
teem kan niet ingrijpen op de
auto.
De functie is niet bestemd om gebruikt
te worden in de stad of in dynamische
rijomstandigheden (bochten, versnel-
lingen, bruusk remmen ...), maar wel in
stabiele rijomstandigheden.
De functie heeft geen invloed op het
remsysteem.
Het gebied rond de radar en camera
moet schoon worden gehouden en in
dit gebied mogen geen manipulaties
worden uitgevoerd om de goede werking
van het systeem te waarborgen.
Alle werkzaamheden die worden uit-
gevoerd in het gebied waar de radar of
camera zich bevindt (reparaties, vervan-
gingen, aanpassingen aan de voorruit
en/of bumper, enz.) moeten door een
vakman of vakvrouw worden uitgevoerd.
C (oranje): het tijdsinterval is ongeveer
1 tot 2 seconden (onvoldoende afstand
tussen de twee voertuigen);
D (rood): het tijdsinterval is ongeveer 1
seconde of minder (de afstand tussen de
twee voertuigen is veel te kort).
Als de afstand tussen de twee auto’s minder
is dan ongeveer 0,5 seconde, worden de in-
dicator 8 en D rood op het instrumentenpa-
neel weergegeven, tezamen met “-.- s”.
In bepaalde omstandigheden wordt het tijds-
interval mogelijk niet getoond:
in een bocht;
bij het veranderen van rijstrook;
als de voorligger ver genoeg verwijderd
is of buiten bereik is van de radar of
camera.
8
A
B
C
D
2.70
NLD_UD62637_3
Alerte distance de sécurité (BJA - Renault)
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de
bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
Bij een botsing wordt de uitlijning van de radar en/of camera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking ervan.
Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Alle werkzaamheden die worden uitgevoerd in het gebied waar de radar en/of camera zich bevinden/bevindt (reparaties, vervangingen,
aanpassingen aan de voorruit en/of bumper, enz.) moeten door een vakman of vakvrouw worden uitgevoerd.
Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.
Bij verstoring van de radarzone
Obstructie van de voorruit of de radarzone (vuil, ijs, sneeuw, condens, enz.);
een complexe omgeving (metalen brug, tunnel enzovoort);
slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel enzovoort);
slecht zicht (nacht, mist enzovoort);
slechte contrast tussen de voorligger en de omgeving (bijvoorbeeld witte auto in een sneeuwgebied, enz.);
verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto’s enzovoort);
De weg is smal, bochtig of golvend (scherpe bochten enz.).
Risico van onjuiste vals alarm.
WAARSCHUWING VEILIGHEIDSAFSTAND (4/4)
caméra multivues ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.71
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
Caméra 360°
360°-CAMERA (1/9)
Met behulp van de informatie van de
camera´s 1, 2 en 3 in de voorbumper, bui-
tenspiegels en op de achterklep, alsook met
de ultrasone detectoren 4 in de bumpers,
helpt de functie bij moeilijke manoeuvres
(bijv. parkeren) door de omgeving van de
auto weer te geven.
1
2
2
beeld zijkant voorzijde (afhankelijk van
de auto): met behulp van de camera 2
(passagierskant).
De ultrasone detectoren detecteren obsta-
kels aan de voorkant, achterkant en (afhan-
kelijk van de auto) zijkant van de auto.
Let op: zorg ervoor dat de camera´s niet zijn
afgedekt (door vuil, modder, sneeuw enz.).
Werkzaamheden
De camera´s sturen vier afzonderlijke beel-
den naar het multimediascherm 5.
Hiermee kunt u de omgeving van de auto
bekijken:
beeld camera: met behulp van de
camera 1;
beeld achterkant: met behulp van de
camera 3;
beeld van bovenaf: met behulp van de
camera 1, 2 en 3;
5
3
Deze functie is een extra hulpmiddel. De bestuurder moet altijd opletten en blijft verantwoordelijk.
De bestuurder moet altijd op zijn hoede blijven voor plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let dus altijd op of er zich bij het ma-
noeuvreren geen kleine, smalle obstakels (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, steen, paaltje, enz.) in uw blinde hoek bevinden.
4
2.72
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
360°-CAMERA (2/9)
Beeld voorkant 1
Het beeld van de camera aan de voorkant
wordt weergegeven op het multimedia-
scherm 5.
Beeld achterkant 3
Het beeld van de camera aan de achter-
kant wordt weergegeven op het multimedia-
scherm 5.
Het 5 multimediascherm geeft een om-
gekeerd beeld van de achterkant 3 net
als in een achteruitkijkspiegel.
Bij beeld voorkant of ach-
terkant: als u op een helling
manoeuvreert, kunnen voor-
werpen die op het multimedia-
scherm worden weergegeven dichterbij
of verderaf zijn dan het lijkt.
Houd hier rekening mee om de juiste
afstand te bepalen voordat u een ma-
noeuvre uitvoert.
5
1
3
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.73
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
360°-CAMERA (3/9)
6
C
B
A
7
De richtlijnen voor de beelden voor,
achter en opzij zijn een op een horizon-
tale ondergrond geprojecteerde weer-
gave; deze informatie geldt niet bij een
verticaal of op de grond geplaatst voor-
werp.
Voorwerpen die op de rand van het mul-
timediascherm worden weergegeven,
kunnen vervormd lijken.
In geval van te veel licht (sneeuw, auto
in de zon, enz.) kan het zicht van de
camera gestoord zijn.
5
Vaste tekening 6
Het beeld “voor” of “achter dat wordt ver-
zonden naar het multimediascherm 5 wordt
weergegeven met één of twee richtlijnen 6
en 7.
Dit systeem wordt eerst gebruikt met behulp
van een of meer tekeningen (bewegend
voor de verplaatsingsrichting en vast voor
de afstand).
In de gecombineerde weer-
gave van de camera´s:
staande voorwerpen (stoe-
pen, auto enz.) kunnen ver-
vormd worden weergegeven bij het
beeld van bovenaf;
alle voorwerpen bovenop de auto
worden niet weergegeven.
De vaste tekening bestaat uit gekleurde
merktekens A, B en C die de afstand achter
de auto aangeven:
A (rood) op ongeveer 30 centimeter van
de auto;
B (geel) op ongeveer 70 centimeter van
de auto;
C (groen) op ongeveer 150 centimeter
van de auto.
Bewegende tekening 7 (afhankelijk van
de auto).
Deze wordt in het blauw getoond op het
multimediascherm 5. Het geeft de verplaat-
singsrichting van de auto aan afhankelijk
van de stand van het stuurwiel in het beeld
voor en het beeld achter.
2.74
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
360°-CAMERA (4/9)
Beeld van bovenaf
Het beeld van bovenaf is een gecombi-
neerde weergave van camera 1, 2 en 3.
Het geeft de bovenkant van de auto en de
omgeving weer.
Dit beeld kan worden gebruikt om een beeld
van de positie van de auto in relatie tot zijn
directe omgeving (voorkant, achterkant en
zijkant) te bevestigen.
Het beeld 8 geeft de positie van de auto
aan. 9-gebieden die niet door de camera´s
worden gedetecteerd worden in het zwart
weergegeven.
8
2
Beeld zijkant aan de
passagierszijde voor 2
(afhankelijk van de auto)
De camera, gemonteerd op de buitenspie-
gel, verzendt een beeld van de zijkant naar
het multimediascherm 5.
Afhankelijk van de auto, kunt u het multi-
mediascherm gebruiken om het beeld van
bovenaf te veranderen in een beeld zijkant
voor. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van
het multimediasysteem voor meer informa-
tie.
99
Bij de modus “Beeld van bovenaf” zijn de
voorwerpen die worden weergegeven in
werkelijkheid verder weg dan ze lijken.
Houd hier rekening mee om de juiste
afstand te bepalen voordat u een ma-
noeuvre uitvoert.
2.75
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
11
10
12
Het “Beeld zijkant aan de passagierszijde
voor” wordt verzonden naar het multimedia-
scherm met vaste richtlijnen om de afstan-
den te meten.
Vaste richtlijnen 10, 11 en 12
Vaste richtlijn 10 toont het voorste deel van
de auto.
Vaste richtlijn 12 toont de breedte van de
auto inclusief de buitenspiegels.
Vaste richtlijnen 11 worden weergegevens
als groene stippellijnen. Dit zijn uitbreidingen
van de vaste richtlijnen 10 en 12.
Afhankelijk van de auto, kunt u het multi-
mediascherm gebruiken om het beeld van
bovenaf te veranderen in een beeld zijkant
voor. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van
het multimediasysteem voor meer informa-
tie.
Waarneming van obstakels
Als het systeem ingeschakeld is, als de func-
tie “Parkeerhulp” één of meerdere obstakels
in de auto detecteert, geven de 13-indicator-
lijnen het volgende weer:
op het beeld van bovenaf;
op het beeld zijkant aan de passagiers-
zijde voor (afhankelijk van de auto).
Naast de geluidswaarschuwing geven deze
indicatorlijnen de nabijheid van obstakels in
verschillende kleuren weer:
Groen: obstakel tussen ongeveer 50 en
70 cm;
Geel: obstakel tussen ongeveer 30 en
50 cm;
Rood: obstakel binnen ongeveer 30 cm.
Deze indicatorlijnen tonen ook de plaats
waar de obstakels worden gedetecteerd,
zoals aangegeven door hun posities met be-
trekking tot het symbool “auto”.
Voor meer informatie 2.114.
360°-CAMERA (5/9)
13
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.76
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
360°-CAMERA (6/9)
Inschakelen/uitschakelen
Automatische modus
Met het contact aan wordt de automatische
modus ingeschakeld als de auto in zijn ach-
teruit staat. Het beeld achterkant en het
beeld van bovenaf verschijnen op het 5 mul-
timediascherm.
Als er snel vanuit zijn achteruit naar zijn
vooruit wordt geschakeld, worden het beeld
achterkant en het beeld van bovenaf op
het 5 multimediascherm vervangen door het
beeld voorkant en het beeld van bovenaf.
5
14
De automatische modus wordt uitgescha-
keld:
als de versnellingshendel in Neutraal
(handgeschakelde versnellingsbak) staat
of in stand N of P (automatische trans-
missie) gedurende ongeveer drie secon-
den;
bij een rijsnelheid van meer dan 10 km/u.
Handmatige modus
Voor het activeren van de handmatige
modus wanneer de auto stilstaat en de
motor loopt drukt u op de 14-schakelaar. Het
beeld voorkant en beeld van bovenaf ver-
schijnen op het multimediascherm.
De handmatige modus wordt uitgeschakeld:
wanneer de rijsnelheid 10 km/u bereikt;
wanneer de versnellingshendel ongeveer
drie minuten niet is gebruikt;
als u drukt op de 14-knop.
– Gebruik deze functie niet als
de buitenspiegels zijn inge-
klapt.
Controleer of de achterklep
goed gesloten is voordat u de functie
gebruikt.
Plaats geen voorwerpen op of voor
de camera´s.
2.77
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
15
360°-CAMERA (7/9)
Het verschil tussen de geschatte
afstand en de werkelijke afstand
Een steile heling oprijden of in zijn
achteruit richting een steile helling rijden
De vaste richtlijnen 15 tonen de afstanden
dichterbij dan ze werkelijk zijn.
De voorwerpen die op het scherm worden
getoond, zijn in werkelijkheid verder weg op
de helling.
Als er op het scherm bijvoorbeeld een voor-
werp op D wordt weergegeven is de werke-
lijk afstand van het voorwerp E.
Rijden of achteruitrijden richting een
uitstekend voorwerp.
Positie H lijkt verder weg dan de positie J op
het scherm. Maar positie H is op dezelfde
afstand als positie K.
De verplaatsingsrichting die wordt aange-
geven door de vaste en mobiele richtlijnen
houden geen rekening met de hoogte van
het voorwerp. Dus het risico bestaat dat de
auto tegen het voorwerp botst als deze er in
zijn achteruit naartoe rijdt K.
Een steile heling afrijden of in zijn
achteruit richting een steile neerwaartse
helling rijden
De vaste richtlijnen 15 tonen de afstanden
verder weg dan ze werkelijk zijn.
Daarom zijn de voorwerpen die op het
scherm worden getoond in werkelijkheid
dichterbij op de helling.
Als er op het scherm bijvoorbeeld een voor-
werp op G wordt weergegeven is de werke-
lijk afstand van het voorwerp F.
15
H J
J
K
K
D
E
H
F
G
F
G
D E
2.78
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
360°-CAMERA (8/9)
Beperkingen van de werking van het
systeem
Het systeem kan geen voorwerpen weerge-
ven die zich in bepaalde zones bevinden.
In de modi beeld voorkant of beeld achter-
kant kan het systeem niet worden gebruikt
om een voorwerp in zone L te bekijken.
In de modus beeld van bovenaf kan het sys-
teem niet worden gebruikt om een groot
voorwerp in zone M (in de buurt van de rand
van de weergegeven zone) te bekijken.
J
14
Afstellen van de weergave
Met het contact aan, drukt u op de 14-scha-
kelaar of zet u de selecteurhendel in stand R
(bij een automatische versnellingsbak) of in
zijn achteruit (bij een handgeschakelde ver-
snellingsbak) om de functie te kunnen ge-
bruiken.
De functie geeft verschillende beelden weer
op het scherm, afhankelijk van de stand van
de versnellingshendel.
Afhankelijk van de auto, kunt u “beeld van
bovenaf” of “beeld zijkant aan passagiers-
zijde” voor selecteren.
Voer deze verstellingen uitslui-
tend uit als de auto stilstaat.
L L
M
2.79
NLD_UD58863_2
Caméra 360° (XJA - Renault)
Als de versnellingshendel in stand R staat
(bij een automatische versnellingsbak) of in
zijn achteruit (bij een handgeschakelde ver-
snellingsbak), zijn de volgende weergaven
beschikbaar:
Scherm verdeeld tussen beeld achter-
kant/beeld van bovenaf;
of
Scherm verdeeld tussen beeld achter-
kant/beeld voorkant (afhankelijk van de
auto).
Bij het schakelen van zijn achteruit naar P
(bij een automatische transmissie) of naar
Neutraal (bij een handgeschakelde versnel-
lingsbak) zijn de volgende weergaven be-
schikbaar:
Scherm verdeeld tussen beeld achter-
kant/beeld van bovenaf;
of
Scherm verdeeld tussen beeld achter-
kant/beeld voorkant (afhankelijk van de
auto).
Bij het schakelen van zijn achteruit naar D
(bij een automatische transmissie) of naar
een versnelling (bij een handgeschakelde
versnellingsbak) zijn de volgende weerga-
ven beschikbaar:
Scherm verdeeld tussen beeld voorkant/
beeld van bovenaf;
of
Scherm verdeeld tussen beeld voorkant/
beeld zijkant voor (afhankelijk van de
auto).
360°-CAMERA (9/9)
De camera-instellingen
aanpassen.
U kunt de volgende instellingen wijzigen:
de helderheid;
– kleuren;
het contrast.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
Opmerking: om veiligheidsredenen worden
de beelden onderweg niet weergegeven in
het menu “Instellingen”.
freinage actif d’urgence .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
freinage d’urgence .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
détection de piétons ..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
détection de véhicules ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.80
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
Afhankelijk van het reactievermogen van de
bestuurder kan het systeem helpen bij het
remmen om schade te beperken of een bot-
sing te voorkomen.
Let op: zorg ervoor dat de voorruit en de
voorbumper vrij zijn (van vuil, modder,
sneeuw, condens, kentekenplaat enz.).
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt
(door vuil, modder, condens enz.).
Plaats van de radar 2
Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt
geblokkeerd (door vuil, modder, sneeuw of
een slecht gemonteerde nummerplaat voor)
of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met auto-
lak) of afgedekt door accessoires aan de
voorzijde van het voertuig (bijv. op de grille
of het logo, enz.).
Freinage actif d’urgence
Met behulp van de informatie van de radar 2
en camera 1 berekent het systeem de af-
stand tot de voorligger en elke omringende
voetganger en fietser.
Het systeem informeert de bestuurder als
er een risico bestaat op een frontale botsing
om de juiste noodmanoeuvres mogelijk te
maken (het rempedaal indrukken en/of het
stuurwiel draaien).
1
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden. Deze func-
tie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk-
heid van de bestuurder vervangen;
deze moet altijd de controle over zijn
auto behouden.
Met dit systeem wordt de auto maxi-
maal afgeremd totdat deze zo nodig
volledig stilstaat.
Gebruik om veiligheidsredenen altijd de
autogordel tijdens het rijden en contro-
leer of alles goed vastzit, zodat de inzit-
tenden niet kunnen worden geraakt door
loszittende voorwerpen.
2
ACTIEVE NOODSTOP (1/8)
2.81
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
ACTIEVE NOODSTOP (2/8)
Werkzaamheden
Detectie van auto’s
Tijdens het rijden zal het systeem in geval
van een botsing met het voorliggende voer-
tuig:
waarschuwen voor botsingsgevaar:
bij een voertuigsnelheid tussen 7 en
170 km/u verschijnt het rode bericht
Remmen” op het instrumentenpaneel 3
en hoort u een waarschuwingssignaal.
Als de bestuurder het rempedaal indrukt
en het systeem nog altijd een risico op
een botsing detecteert, wordt sterker af-
geremd.
De remmen kunnen worden geacti-
veerd: als het voertuig langzamer rijdt
dan circa 120 km/u, terwijl de bestuurder
niet reageert op de waarschuwing en er
een botsing dreigt.
In geval van noodmanoeuvre kunt u op
elk moment stoppen met remmen door:
door het gaspedaal kort in te drukken;
of
– aan het stuur te draaien als uitwijk-
manoeuvre bij een botsing.
Speciale waarschuwingsfuncties
Afhankelijk van de snelheid kunnen de
waarschuwing en het remmen gelijktijdig ge-
activeerd worden.
Speciale functies van stilstaande auto´s
Stilstaande auto´s worden gedetecteerd
als uw auto met een snelheid van onge-
veer tussen de 7 km/u en 80 km/u rijdt. Het
systeem is niet ingeschakeld en geeft geen
waarschuwing af als u harder dan ongeveer
80 km/u rijdt.
Als de auto stopt als gevolg van de actieve
noodstop moet de bestuurder de auto stil-
zetten door het rempedaal in te drukken.
Let op: als de bestuurder gebruikmaakt van
bedieningselementen van de auto (stuur-
wiel, pedalen enz.) kan het systeem som-
mige operaties vertragen of niet activeren.
3
2.82
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
Detectie van voetgangers en fietsers
(afhankelijk van de auto)
Bij kans op een botsing met een fietser of
voetganger terwijl het voertuig rijdt, zal het
systeem:
waarschuwen voor botsingsgevaar:
bij een voertuigsnelheid tussen 7 en
170 km/u verschijnt het rode bericht
Remmen” op het instrumentenpaneel 3
en hoort u een waarschuwingssignaal.
Als de bestuurder het rempedaal indrukt
en het systeem nog altijd een risico op
een botsing detecteert, wordt sterker af-
geremd.
de remmen kunnen worden geacti-
veerd als de bestuurder niet reageert na
de waarschuwing en een botsing dreigt.
ACTIEVE NOODSTOP (3/8)
Als de auto stopt als gevolg van de actieve
noodstop moet de bestuurder de auto stil-
zetten door het rempedaal in te drukken.
Let op: als de bestuurder gebruikmaakt van
bedieningselementen van de auto (stuur-
wiel, pedalen enz.) kan het systeem som-
mige operaties vertragen of niet activeren.
Speciale waarschuwingsfuncties
Afhankelijk van de snelheid kunnen de
waarschuwing en het remmen gelijktijdig ge-
activeerd worden.
In geval van noodmanoeuvre kunt u op
elk moment stoppen met remmen door:
door het gaspedaal kort in te drukken;
of
– aan het stuur te draaien als uitwijk-
manoeuvre bij een botsing.
3
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.83
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
ACTIEVE NOODSTOP (4/8)
Inschakelen, uitschakelen van
het systeem
Auto's met een multimediascherm 4
Zie de multimedia-instructies voor het in-/uit-
schakelen van de functie.
Selecteer “ON” of “OFF”.
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
Actief remmen” weer te geven en druk
op de schakelaar 8 OK.
Druk opnieuw op de schakelaar 8 OK om de
functie in of uit te schakelen:
= functie ingeschakeld
< functie uitgeschakeld
Bij het uitschakelen van het systeem ver-
schijnt het controlelampje
of, af-
hankelijk van de auto, het controlelampje
.
4
Bij auto's zonder multimediascherm
Zet de auto stil en druk zo vaak als
nodig op de schakelaar 5 om het tabblad
“Voertuig” weer te geven;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
“Instellingen” weer te geven. Druk op de
schakelaar 8 OK;
Druk herhaaldelijk op 6 of 7 om het menu
RIJHULPSYSTEMEN” weer te geven.
Druk op de schakelaar 8 OK;
Het systeem wordt opnieuw ingescha-
keld telkens het contact wordt aangezet.
5
6
7
8
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
2.84
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
ACTIEVE NOODSTOP (5/8)
storingen
©
en of (afhankelijk
van het autotype) verschijnen om een sto-
ring aan te duiden. Ga naar een merkdealer.
Tijdelijk niet beschikbaar
Als het systeem een tijdelijke fout detecteert,
verschijnt het controlelampje of, af-
hankelijk van de auto, het controlelampje
.
De mogelijke oorzaken zijn:
het systeem is tijdelijk inactief (door ver-
blindende zon, dimlichten, slechte weers-
omstandigheden enzovoort). Het sys-
teem werkt weer als het zicht verbetert;
– het systeem wordt tijdelijk onderbroken
(d.w.z. de voorruit of de voor- of ach-
terbumper is bedekt met vuil, modder,
sneeuw, condens enz.). In dat geval
parkeert u de auto en zet u de motor
uit. Maak de voorruit en de voorbumper
schoon. Als u de motor weer start, ver-
dwijnen het controlelampje en het be-
richt.
Als dit niet het geval is, heeft dit mogelijk een
andere oorzaak. Neem contact op met een
merkdealer.
2.85
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
ACTIEVE NOODSTOP (6/8)
Actieve noodstop
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de
bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. De activering van deze functie wordt mogelijk vertraagd
of niet uitgevoerd als de bestuurder een actie uitvoert (op het stuurwiel, de pedalen, enz.).
Het systeem wordt mogelijk niet ingeschakeld:
wanneer de hendel van de versnellingsbak in de stand Neutraal staat of het koppelingspedaal gedurende ongeveer 10 seconden wordt
ingedrukt;
wanneer de handrem is ingeschakeld;
Als het elektronische stabiliteitsprogramma (ESC) is gestart.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
Bij een botsing wordt de uitlijning van de radar en/of camera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking ervan.
Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Alle werkzaamheden in de buurt van de radar en/of camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit enz.) moeten worden
uitgevoerd door een vakman.
Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.
2.86
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
ACTIEVE NOODSTOP (7/8)
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
een complexe omgeving (metalen brug, tunnel enzovoort);
slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel enzovoort);
slecht zicht (nacht, mist enzovoort);
– slecht contrast tussen het object (auto, voetganger enzovoort) en de omgeving (bijvoorbeeld een voetganger met witte kleding in de
sneeuw enzovoort);
verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enzovoort);
Obstructie van de voorruit of de radarzone (vuil, ijs, sneeuw, condens, enz.);
– ...
In deze omstandigheden kan het zijn dat het systeem de chauffeur niet waarschuwt of per ongeluk remt.
Beperkingen voor de werking van het systeem
Elke keer dat de auto wordt gestart, voert het systeem een kalibratie uit overeenkomstig de omgeving van de auto en kan het worden uit-
geschakeld voor de duur van ongeveer twee tot vijf minuten;
Voor een voertuig dat in tegengestelde richting rijdt, wordt geen waarschuwing gegeven en treedt het systeem niet in werking;
Het gebied rond de radar en camera moet schoon worden gehouden en vrij van elke vorm van interventie om de goede werking van het
systeem te waarborgen;
Het systeem reageert mogelijk niet zo goed op kleine voertuigen zoals motorfietsen als op andere voertuigen;
Het systeem werkt mogelijk niet goed bij een glad wegdek (regen, sneeuw, ijzel enz.);
Om een juiste werking te kunnen garanderen moeten de volledige contouren van de voetganger worden gedetecteerd. Wat niet door het
systeem kan worden gedetecteerd:
voetgangers in het donker of bij weinig licht;
gedeeltelijk zichtbare voetgangers;
voetgangers die kleiner zijn dan ongeveer 80 cm;
voetgangers die grote voorwerpen dragen;
– ...
In deze omstandigheden kan het zijn dat het systeem de chauffeur niet waarschuwt of per ongeluk remt.
2.87
NLD_UD68310_4
Freinage actif d'urgence (BJA - Renault)
ACTIEVE NOODSTOP (8/8)
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit in deze gevallen:
de knipperlichten niet werken;
de camerazone beschadigd is (bijv. de binnen- of buitenkant van de voorruit);
De voorkant van de auto is beschadigd (impact, krassen op de radar enz.);
de auto wordt gesleept (bij pech);
de voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit maar laat deze vervangen door een merk-
dealer).
U rijdt niet op een geasfalteerde weg.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en raadpleegt u een merkdealer.
Onderbreking van de functie
U kunt het actief noodremmen op elk moment onderbreken door kort het gaspedaal in te drukken of aan het stuur te draaien om uit te wijken.
alerte de survitesse ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
détection de panneaux : alerte de survites-
se ...............................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.88
NLD_UD58866_2
Détection de panneaux de signalisation routière (XJA - Renault)
Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet
is bedekt (door vuil, modder, damp enzo-
voort).
Voor auto’s die hiermee zijn uitgerust, wordt
ook de informatie van het navigatiesysteem
gebruikt.
Als de snelheidsbegrenzer is ingeschakeld,
kunt u de ingestelde snelheid aanpassen
aan de snelheid aangegeven door het sys-
teem.
Als de maximumsnelheid wordt overschre-
den, wordt de bestuurder op het instrumen-
tenpaneel gewaarschuwd.
Détection de panneaux de signalisation routière
DETECTIE VAN VERKEERSBORDEN (1/4)
Als een auto met een navigatiesysteem in
een land rijdt met andere snelheidseenhe-
den dan die van de auto, wordt de snel-
heidslimiet weergegeven in de eenheid van
het desbetreffende land, samen met de om-
gerekende snelheidslimiet in de eenheid van
het instrumentenpaneel van de auto.
In landen waarin op bepaalde typen wegen
langzamer moet worden gereden als het
regent, kan de maximumsnelheid automa-
tisch worden aangepast nadat de ruitenwis-
sers enkele seconden zijn gebruikt in auto’s
met een navigatiesysteem.
Bijzondere omstandigheden
Het systeem houdt geen rekening met uit-
zonderlijke snelheidsbeperkingen, bijvoor-
beeld op dagen waarop de luchtverontreini-
ging piekt.
1
Het systeem detecteert aan de kant van de
weg verkeersborden die de maximumsnel-
heid aangeven en geeft de maximumsnel-
heid op het instrumentenpaneel weer.
Deze functie gebruikt vooral de informatie
van de camera 1 op de voorruit, achter de
achteruitkijkspiegel.
2.89
NLD_UD58866_2
Détection de panneaux de signalisation routière (XJA - Renault)
DETECTIE VAN VERKEERSBORDEN (2/4)
Inschakelen/uitschakelen van
het systeem
Auto’s met een multimediascherm 2
Zie de multimedia-instructies voor het in-/uit-
schakelen van de functie.
Selecteer “ON” of “OFF”.
Als de functie actief is, kunt u afhankelijk van
de landelijke wetgeving de optie “Weergave
gevarenzone” activeren. Het systeem vertelt
u hoe ver u van deze zone bent verwijderd
en zodra u deze zone inrijdt.
Auto’s zonder een multimediascherm
Zet de auto stil en druk zo vaak als
nodig op de schakelaar 3 om het tabblad
“Voertuig” weer te geven;
druk herhaaldelijk op 4 of 5 tot u het
menu “Instellingen” bereikt; druk dan op 6
OK;
druk herhaaldelijk op 4 of 5 tot u het
menu “RIJHULPSYSTEMEN” bereikt; druk
dan op 6 OK;
druk herhaaldelijk op 4 of 5 tot u het
menu “Waarschuwing voor snelheid” be-
reikt; druk dan op 6 OK;
Druk op de schakelaar 6 OK om de func-
tie te activeren of te deactiveren:
= functie ingeschakeld
< functie uitgeschakeld
2
3
4
5
6
2.90
NLD_UD58866_2
Détection de panneaux de signalisation routière (XJA - Renault)
DETECTIE VAN VERKEERSBORDEN (3/4)
Werkzaamheden
Controleen waarschuwingslampjes
De functie geeft de volgende waarschu-
wingslampjes weer:
7 Verkeersborden met een maximumsnel-
heid
8 Extra verkeersborden (begin of einde van
zone “Niet inhalen”, maximumsnelheid
op- of afrit, snelheid voor rijden met een
caravan, maximumsnelheid geldend voor
een bepaalde afstand, enz.).
7
8
Als de maximumsnelheid wordt overschre-
den, knippert de cirkel rond het paneel
(waarschuwingslampje 7) en is een geluids-
signaal te horen om de bestuurder te waar-
schuwen.
Verandering van de ingestelde
maximumsnelheid
Als de melding over de maximumsnelheid
afwijkt van de gedetecteerde snelheids-
waarde, drukt u op de volgende schakelaars
en houdt u deze ingedrukt:
9 (RES/+) om de snelheid van de mel-
ding tot de gedetecteerde snelheid te ver-
hogen;
10 (SET/-) om de snelheid van de mel-
ding tot de gedetecteerde snelheid te ver-
lagen.
10
9
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
2.91
NLD_UD58866_2
Détection de panneaux de signalisation routière (XJA - Renault)
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de
waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet
altijd de controle over zijn auto behouden.
De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de
aanwijzingen van het systeem.
Het systeem detecteert verkeersborden die de maximumsnelheid aangeven. Andere ver-
keersborden worden niet gedetecteerd.
De bestuurder mag deze niet door het systeem gedetecteerde borden echter niet negeren
en moet zich altijd aan de verkeersborden en het verkeersreglement houden.
Bij slecht zicht (mist, sneeuw, vorst ...) geeft het systeem wellicht niet de juiste maximum-
snelheid aan.
De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de aanwijzin-
gen van het systeem.
storingen
Het systeem kan de snelheidsbeperking niet
detecteren:
de voorruit niet schoon is;
de camera verblind wordt door de zon;
bij onvoldoende zicht (‘s nachts, bij mist,
enz.);
als de verkeersborden onleesbaar (door
sneeuw, enz.) of verborgen zijn (achter
een andere auto of bomen);
als de informatie van het navigatiesys-
teem niet actueel is.
DETECTIE VAN VERKEERSBORDEN (4/4)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
limiteur de vitesse ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
régulateur - limiteur de vitesse ..................
(jusqu’à la fin de l’UD)
commandes ...............................................
(page courante)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.92
NLD_UD68953_5
Limiteur de vitesse (BJA - Renault)
Limiteur de vitesse
Bediening
1 Schakelaar Snelheidsbegrenzer aan/uit.
2 Schakelaar Snelheidsregelaar aan/uit.
3 Activering van snelheidsbegrenzer en
snelheidsreductie ( SET/-).
4 Activering van snelheidsbegrenzer en
verhoging van de snelheid of oproepen
van vastgelegde snelheidslimiet (RES/+).
5 Uitschakelen van de functie (de inge-
stelde maximumsnelheid blijft in het ge-
heugen) (O).
De snelheidsbegrenzer is een functie die u
helpt om een door u gekozen maximum-
snelheid niet te overschrijden.
SNELHEIDSBEGRENZER (1/4)
U kunt de snelheidsbegrenzer koppelen
aan de functie “Detectie van verkeers-
borden”. 2.88.
2
1
3
4
5
2.93
NLD_UD68953_5
Limiteur de vitesse (BJA - Renault)
Het rijden
Wanneer een maximumsnelheid is ingesteld
maar nog niet is bereikt, gaat het rijden zoals
bij een auto zonder de functie snelheidsbe-
grenzer.
Zodra u de ingestelde snelheid bereikt, over-
schrijdt de auto de ingestelde snelheid niet,
ook niet als u het gaspedaal verder indrukt,
behalve indien nodig (raadpleeg de para-
graaf “Overschrijding van de maximumsnel-
heid”).
SNELHEIDSBEGRENZER (2/4)
Als u de huidige snelheid wilt opslaan, drukt
u op de schakelaar 4 (RES/+) of de schake-
laar 3 (SET/-): de streepjes worden door de
maximumsnelheid vervangen. Afhankelijk
van de auto brandt het waarschuwings-
lampje 7 wit.
De minimum te registreren snelheid is
30 km/u.
7
7
Inschakelen
Gebruik schakelaar 1. Het waarschuwings-
lampje 7 wordt grijs weergegeven. Het be-
richt “Begrenzer Ingeschakeld” verschijnt
op het instrumentenpaneel, tezamen met
streepjes om aan te geven dat de functie
snelheidsbegrenzer werkt en wacht tot een
maximumsnelheid wordt opgeslagen.
1
3
4
2.94
NLD_UD68953_5
Limiteur de vitesse (BJA - Renault)
Onmogelijkheid om de ingestelde
maximum snelheid vast te houden
Tijdens een steile afdaling kan het zijn dat
het systeem de maximumsnelheid niet kan
aanhouden; in dat geval knippert de inge-
stelde snelheid op het instrumentenpaneel
en hoort u een regelmatig een geluidssig-
naal.
Overschrijden van de ingestelde
snelheid
Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maxi-
mumsnelheid te overschrijden. Ga als volgt
te werk: druk het gaspedaal stevig en volle-
dig in (tot voorbij het kickdownpunt).
Tijdens het overschrijden van de snelheid
knippert de snelheid in het rood op het in-
strumentenpaneel. Laat vervolgens het gas-
pedaal los: de functie snelheidsbegrenzer
treedt weer in werking zodra u langzamer
rijdt dan de in het geheugen opgeslagen
snelheid.
Als de functie snelheidsbe-
grenzer (na verschillende po-
gingen om deze in te schake-
len) niet beschikbaar is, neemt
u contact op met een merkdealer.
SNELHEIDSBEGRENZER (3/4)
Verandering van de ingestelde
maximumsnelheid
U kunt de ingestelde maximum snelheid ver-
anderen door (het achter elkaar indrukken of
het lang ingedrukt houden) van:
de schakelaar 4 (RES/+) om de snelheid
te verhogen;
de schakelaar 3 (SET/-) om de snelheid
te verlagen.
3
4
2.95
NLD_UD68953_5
Limiteur de vitesse (BJA - Renault)
SNELHEIDSBEGRENZER (4/4)
Onderbreken van de functie
De werking van de snelheidsbegrenzer
wordt opgeschort als u drukt op de schake-
laar 5 (O). De maximumsnelheid wordt op-
geslagen en op het instrumentenpaneel grijs
weergegeven.
Opnieuw inschakelen van de
maximumsnelheid
Als een snelheid is opgeslagen, kunt u deze
oproepen door op de schakelaar 4 te druk-
ken.
Uitschakelen van de functie
De functie snelheidsbegrenzer wordt onder-
broken:
als u op de schakelaar 1 drukt. In dit
geval wordt er geen snelheid meer in het
geheugen opgeslagen;
als u op de schakelaar 2 drukt. In dat
geval wordt de snelheidsregelaar gese-
lecteerd en er is geen opgeslagen snel-
heid.
Het controlelampje 7 verdwijnt om te beves-
tigen dat de functie niet langer actief is.
Als de functie snelheidsbegrenzer in de
modus stand-by is gezet, drukt u op de
schakelaar 3 om de functie weer te ac-
tiveren zonder de opgeslagen snelheid
te gebruiken: de actuele snelheid van de
auto wordt gebruikt.
7
7
2
1
3
4
5
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
régulateur de vitesse .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
régulateur - limiteur de vitesse ..................
(jusqu’à la fin de l’UD)
commandes ...............................................
(page courante)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.96
NLD_UD68932_5
Régulateur de vitesse (BJA - Renault)
De snelheidsregelaar is een functie die u
helpt de door u gekozen rijsnelheid op een
constante waarde vast te houden, dit wordt
de ingestelde snelheid genoemd.
Vanaf 30 km/u kunt u de snelheid traploos
instellen.
Régulateur de vitesse
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden. Deze functie
neemt niet de taak van de be-
stuurder over.
U moet zich ten allen tijde houden aan
de voorgeschreven snelheid en blijven
opletten (u moet altijd klaar zijn om te
remmen in alle omstandigheden), de
snelheidsregelaar ontslaat de bestuur-
der niet van zijn verantwoordelijkheid.
De snelheidsregelaar moet niet gebruikt
worden in druk verkeer, op een bochtige
of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezel-
steentjes) en als de weersomstandighe-
den ongunstig zijn (mist, regen, zijwind,
enz.).
Kans op ongevallen.
Bediening
1 Schakelaar Snelheidsregelaar aan/uit.
2 Schakelaar om de ingestelde snelheid
(SET/-) te activeren en te verlagen.
3 Schakelaar om de ingestelde snelheid te
activeren en te verhogen of om de inge-
stelde snelheid (RES/+) uit het geheugen
op te roepen.
4 Uitschakelen van de functie (de inge-
stelde snelheid blijft in het geheugen)
(O).
5 Schakelaar Snelheidsbegrenzer aan/uit.
SNELHEIDSREGELAAR (1/5)
1
5
2
3
4
2.97
NLD_UD68932_5
Régulateur de vitesse (BJA - Renault)
Het rijden
Als een snelheid in het geheugen is vastge-
legd en de functie snelheidsregelaar is inge-
schakeld, kunt u uw voet van het gaspedaal
nemen.
Let op: u moet de voeten dicht
bij de pedalen te houden om te
kunnen ingrijpen bij noodsitua-
ties.
Instellen van de snelheid
Druk, terwijl de auto rijdt met een constante
snelheid hoger dan ongeveer 30 km/u, op
de schakelaar 2 (SET/-) of de schakelaar 3
(RES/+) : de functie wordt ingeschakeld en
de huidige snelheid wordt gebruikt.
De streepjes worden vervangen door de in-
gestelde snelheid. De ingestelde snelheid is
bevestigd wanneer de opgeslagen snelheid
en het waarschuwingslampje groen worden
weergegeven 6.
Als u de functie probeert in te schakelen
wanneer u minder dan 30 km/u rijdt, ver-
schijnt het bericht “Snelh. ongeldig” en blijft
de functie uitgeschakeld.
Inschakelen
Gebruik schakelaar 1.
Het waarschuwingslampje 6 wordt grijs
weergegeven.
Het bericht “Regelaar Ingeschakeld” ver-
schijnt op het instrumentenpaneel, tezamen
met streepjes om aan te geven dat de snel-
heidsregelaar actief is en klaar is voor het
opslaan van een ingestelde snelheid.
SNELHEIDSREGELAAR (2/5)
6
6
12
3
2.98
NLD_UD68932_5
Régulateur de vitesse (BJA - Renault)
SNELHEIDSREGELAAR (3/5)
Sneller rijden dan de gekozen
snelheid
U kunt de snelheid van de auto altijd verho-
gen door het gaspedaal in te drukken. Zo
lang u te snel rijdt, knippert de ingestelde
snelheid rood op het instrumentenpaneel.
Laat daarna het gaspedaal los: na enkele
secondes gaat uw auto automatisch weer
met de oorspronkelijk ingestelde snelheid
rijden.
Onmogelijkheid om de ingestelde
snelheid vast te houden
Tijdens een steile afdaling kan het zijn dat
het systeem de ingestelde snelheid niet kan
aanhouden: in dat geval knippert de inge-
stelde snelheid rood op het instrumentenpa-
neel en hoort u regelmatig een geluidssig-
naal.
Veranderen van de ingestelde
snelheid
U kunt de ingestelde snelheid veranderen
door een aantal keren te drukken op:
de schakelaar 2 (SET/-) om de snelheid
te verlagen;
de schakelaar 3 (RES/+) om de snelheid
te verhogen.
Opmerking: Druk op een van de schake-
laars en houd deze ingedrukt om de snel-
heid trapsgewijs te wijzigen.
Als de functie snelheidsrege-
laar niet meer beschikbaar is
(na verschillende pogingen om
deze te activeren), neemt u
contact op met een merkdealer.
2
3
2.99
NLD_UD68932_5
Régulateur de vitesse (BJA - Renault)
Oproepen van de ingestelde snelheid
Als een snelheid in het geheugen is opge-
slagen, kan deze worden opgeroepen, als
de omstandigheden dat toelaten (verkeers-
drukte, staat van het wegdek, weersomstan-
digheden, enz.). Druk op de schakelaar 3
(RES/+) als de snelheid van de auto hoger
is dan 30 km/u.
Als de snelheid is opgeslagen, verschijnt de
kruissnelheid groen op het display om de ac-
tivering van de snelheidsregelaar te beves-
tigen. Afhankelijk van de auto verschijnt het
controlelampje 6.
Onderbreken van de functie
De functie wordt uitgeschakeld als u drukt
op:
de schakelaar 4 (O);
het rempedaal;
– het koppelingspedaal of het in neutraal
schakelen voor de auto’s met automati-
sche transmissie.
De ingestelde snelheid wordt opgeslagen en
op het instrumentenpaneel grijs weergege-
ven.
SNELHEIDSREGELAAR (4/5)
NB: als de eerder opgeslagen snelheid veel
hoger is dan de actuele snelheid, trekt de
auto snel op naar deze hogere snelheid.
Als de regelaar stand-by is, komt de rege-
laarfunctie weer in werking door een druk op
de schakelaar 2 (SET/-), ongeacht de snel-
heid die in het geheugen is opgeslagen; de
actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
6
6
2
3
4
2.100
NLD_UD68932_5
Régulateur de vitesse (BJA - Renault)
SNELHEIDSREGELAAR (5/5)
Het onderbreken of uitschake-
len van de snelheidsregelaar
brengt geen snelle snelheids-
vermindering met zich mee: u
moet remmen door het rempedaal in te
drukken.
Uitschakelen van de functie
De functie snelheidsregelaar wordt onder-
broken:
als u op de schakelaar 1 drukt. In dit
geval wordt er geen snelheid meer in het
geheugen opgeslagen;
als u op de schakelaar 5 drukt. In dat
geval wordt de snelheidsbegrenzer gese-
lecteerd en is er geen opgeslagen snel-
heid.
Het controlelampje 6 verdwijnt om te beves-
tigen dat de functie niet langer actief is.
6
6
1
5
régulateur de vitesse adaptatif ..................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite
régulateur de vitesse adaptatif .............
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.101
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go
ADAPTIVE CRUISE CONTROL (1/13)
Met de adaptieve snelheidsregelaar (of de
Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar bij
voertuigen met een automatische versnel-
lingsbak) kunt u op basis van informatie van
een radar of camera, de geselecteerde snel-
heid (ook bekend als kruissnelheid) hand-
haven terwijl u op volgafstand blijft van het
voertuig voor u in dezelfde rijstrook.
Bij voertuigen met een automatische ver-
snellingsbak kan de Stop and Go adaptieve
snelheidsregelaar, als uw voorligger stopt,
de auto wellicht volledig afremmen en tot
stilstand brengen voordat u weer verder kunt
rijden.
Het systeem laat uw auto versnellen en ver-
tragen met behulp van de motor en het rem-
systeem.
Het maximale bereik van het systeem is on-
geveer 150 m. Dit kan variëren afhankelijk
van de omstandigheden (het terrein, het
weer, enz.).
De adaptieve snelheidsregelaar kan, afhan-
kelijk van de rijomstandigheden (verkeer,
weer, enz.), als volgt worden ingeschakeld:
van 0 tot 170 km/u voor voertuigen met
een automatische versnellingsbak;
van 30 km/u tot 170 km/u voor voertuigen
met een handgeschakelde versnellings-
bak.
De functie wordt aangeduid met het symbool
.
NB:
de bestuurder moet zich houden aan de
maximumsnelheden en veilige afstanden
die gelden in het land waar hij rijdt;
– de adaptieve snelheidsregelaar kan het
voertuig afremmen tot een derde van het
remvermogen. Naargelang van de si-
tuatie moet de bestuurder mogelijk zelf
harder remmen.
De adaptieve snelheidsregelaar kan
geen noodstop activeren en heeft
slechts een beperkte remcapaciteit.
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden. Deze functie
neemt niet de taak van de be-
stuurder over.
De bestuurder moet altijd en in alle om-
standigheden klaar zijn om te remmen,
moet zich altijd houden aan de voorge-
schreven snelheid en veilige afstand,
en moet altijd blijven opletten. De hulp-
functies ontslaan de bestuurder niet van
diens verantwoordelijkheid.
De bestuurder moet altijd controle
houden over de auto. De bestuurder
moet altijd zijn snelheid aanpassen aan
de omgeving en aan de verkeersom-
standigheden. De adaptieve snelheids-
regelaar mag alleen worden gebruikt op
een autosnelweg of een autoweg met
meerdere rijstroken en gescheiden rij-
richtingen. De snelheidsregelaar mag
niet gebruikt worden in druk verkeer, op
een bochtige of gladde weg (ijzel, aqua-
planing, kiezelsteentjes) en bij slechte
weersomstandigheden (mist, regen, zij-
wind, enz.). Kans op ongevallen.
2.102
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (2/13)
Bedieningsknoppen
3 Veilige afstand instellen
4 Uitschakelen van de functie (de inge-
stelde snelheid blijft in het geheugen) (0).
5 Adaptieve snelheidsregelaar - hoofdknop
voor stoppen/starten
.
6 Inschakelen, opslaan en verlagen van de
kruissnelheid (SET/-).
7 Schakelaar om de kruissnelheid te ac-
tiveren en te verhogen of om de kruis-
snelheid (RES/+) uit het geheugen op te
roepen.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt
(door vuil, modder, condens enz.).
Plaats van de radar 2
Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt
geblokkeerd (door vuil, modder, sneeuw of
een slecht gemonteerde nummerplaat voor)
of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met auto-
lak) of afgedekt door accessoires aan de
voorzijde van het voertuig (bijv. op de grille
of het logo, enz.).
5
6
7
3
4
8
9
10
11
1
2
Het gebied rond de radar en
camera moet schoon worden
gehouden en in dit gebied
mogen geen manipulaties
worden uitgevoerd om de goede werking
van het systeem te waarborgen.
2.103
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (3/13)
8
11
10
9
Weergaven
8 Controlelampje van de Stop and Go
snelheidsregelaar.
9 Voorligger.
10 Opgeslagen veilige afstand.
11 Opgeslagen kruissnelheid.
Inschakelen
Gebruik schakelaar 5.
Het controlelampje
wordt grijs en het
bericht “Adaptieve regelaar ON” verschijnt
met streepjes die aangeven dat de functie is
ingeschakeld en klaar om een kruissnelheid
op te slaan.
Deze functie kan niet worden ingeschakeld
als:
de parkeerrem is ingeschakeld;
de functie Parkeerhulp is al ingescha-
keld. 2.121.
Het bericht “Adaptieve regel. niet beschik-
baar” verschijnt op het instrumentenpaneel.
Instellen van de snelheid
Wanneer het voertuig stilstaat (voertuigen
uitgerust met een automatische versnel-
lingsbak) of wanneer het voertuig met een
constante snelheid rijdt (alle voertuigen),
drukt u op de schakelaar 6 (SET/-) of 7
(RES/+) om de functie te activeren en de
huidige snelheid op te slaan. De kruissnel-
heid moet minstens 30 km/u zijn.
Belangrijk: houd uw voeten
altijd vlakbij de pedalen om
voorbereid te zijn op alle moge-
lijke situaties.
De streepjes worden vervangen door de
kruissnelheid 11 en de kruissnelheid en het
controlelampje
worden groen.
Als u de functie probeert te activeren wan-
neer de voertuigsnelheid hoger is dan
170 km/u of lager dan 30 km/u voor voertui-
gen met een handgeschakelde versnellings-
bak, verschijnt het bericht “Snelh. ongeldig
en wordt de functie niet geactiveerd.
Als er een kruissnelheid is opgeslagen en de
regeling ingeschakeld is, kunt u uw voet van
het gaspedaal nemen.
Speciale functie op voertuigen met een
automatische versnellingsbak: Als de
voertuigsnelheid lager is dan ongeveer
30 km/u, wordt de kruissnelheid automatisch
ingesteld op 30 km/u. De auto trekt op totdat
de ingestelde kruissnelheid is bereikt.
2.104
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (4/13)
De volgafstand instellen
U kunt op elk moment de veilige afstand ten
opzichte van uw voorligger wijzigen door
herhaaldelijk op de schakelaar 3 te drukken.
De horizontale afstandsmeter op het instru-
mentenpaneel duidt de beschikbare veilige
afstanden aan:
– afstandsmeter A: grote afstand (komt
overeen met ongeveer 2,4 seconden);
De kruissnelheid instellen
U kunt de snelheid wijzigen door een aantal
keren te drukken op de schakelaar 6 of 7
(voor een kleine wijziging) of de schakelaar
ingedrukt te houden (voor een grotere wij-
ziging).
– SET/--schakelaar 6 om de snelheid te
verlagen;
– RES/+-schakelaar 7 om de snelheid te
verhogen.
6
7
3
Bewaking veilige afstand
inschakelen
Zodra de snelheidsregelaar is ingeschakeld,
verschijnt de standaard veilige afstand 10
in het groen op het instrumentenpaneel. De
standaard veilige afstand komt overeen met
ongeveer twee seconden (zie de volgende
pagina’s).
Als het systeem een voertuig detecteert in
uw rijstrook, verschijnt de omtrek van een
voertuig 9 boven de afstandsmeter 10 op het
instrumentenpaneel.
De snelheid van uw auto wordt continu aan-
gepast aan de snelheid van uw voorligger.
Indien nodig remt uw auto (de remlichten
gaan branden) om de afstand die het instru-
mentenpaneel aangeeft, te bewaren.
Opmerking: de grootte van de omtrek 9 va-
rieert afhankelijk van de afstand tussen u en
uw voorligger. Hoe groter de omtrek, hoe
dichterbij uw voorligger.
A
B
C
D
2.105
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
Sneller rijden dan de gekozen
snelheid
U kunt de kruissnelheid van de auto altijd
verhogen door het gaspedaal in te drukken.
Als de kruissnelheid wordt overschreden,
wordt deze 11 rood.
De afstandsmeter knippert als de afstand
tussen uw auto en uw voorligger kleiner is
dan de ingestelde veilige afstand: de functie
“Veilige afstand” is niet langer actief.
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (5/13)
De veilige afstand aanpassen
(vervolg)
– afstandsmeter B: middelgrote afstand 2
(komt overeen met ongeveer 2 secon-
den);
– afstandsmeter C: middelgrote afstand 1
(komt overeen met ongeveer 1,6 secon-
den);
– afstandsmeter D: kleine afstand (komt
overeen met ongeveer 1,2 seconden).
De geselecteerde afstandsmeter wordt
groen. De andere meters blijven grijs.
Opmerking: u moet de ingestelde afstand
afstemmen op de verkeersdrukte, de lokale
regelgeving en de weersomstandigheden.
De veilige afstand wordt standaard aan-
gepast via de afstandsmeter B.
Laat het gaspedaal los: de snelheidsrege-
laar en veilige afstand gaan automatisch
terug naar de eerder gekozen instellingen.
Inhaalmanoeuvre
Als u uw voorligger wilt inhalen, activeert
u de indicator om de regeling veilige af-
stand tijdelijk te annuleren zodat de auto
voldoende kan versnellen om de auto in te
halen.
11
11
2.106
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (6/13)
4
7
Als u de adaptieve snelheids-
regelaar in stand-by zet of uit-
schakelt, leidt dit niet tot een
snelle vertraging van de auto:
als u wilt remmen, moet u het rempedaal
indrukken.
In alle gevallen wordt stand-by bevestigd
doordat de controlelampjes grijs worden en
het bericht “Adaptieve regel. niet beschik-
baar” verschijnt.
Onderbreken van de functie
U kunt de functie als volgt in stand-by zetten:
druk op de schakelaar 4 (0);
druk tijdens het rijden op het rempedaal.
De functie wordt uitgeschakeld door het sys-
teem als:
U zet de automatische versnellingsbak
op P of N.
U schakelt de achteruitversnelling in.
– de autogordel van de bestuurder wordt
losgemaakt;
een van de portieren of kleppen wordt ge-
opend;
op de start/stop-knop van de motor wordt
gedrukt;
de helling te steil is;
de auto harder rijdt dan 180 km/u;
Bepaalde rijhulpmiddelen en correctie-
systemen worden ingeschakeld (actieve
noodstop, ABS, ESC enz.);
Als het koppelingspedaal langdurig wordt
ingedrukt of langdurig in neutrale stand
blijft, op voertuigen met een handgescha-
kelde versnellingsbak.
Stoppen en starten bij
voertuigen met een
automatische versnellingsbak
Als uw voorligger vertraagt, wordt de snel-
heid van uw auto aangepast; indien nodig tot
volledige stilstand (bijv. in druk verkeer). De
auto stopt op een paar meter van de voorlig-
ger. De Stop and Start-functie kan de motor
op stand-by zetten. 2.10.
Als de voorligger weer optrekt:
als de auto niet langer dan ongeveer drie
seconden stilstond, trekt deze automa-
tisch weer op zonder actie van de be-
stuurder;
als de auto langer dan ongeveer drie se-
conden stilstond, moet u drukken op het
gaspedaal of op de knop 7 (RES/+) om
de auto te laten vertrekken. Het bericht
Druk op RES/+ of accelereer” verschijnt
ter bevestiging.
Als de auto langer dan ongeveer drie mi-
nuten stilstond, wordt de automatische par-
keerrem ingeschakeld en de Stop and Go
snelheidsregelaar uitgeschakeld. Het con-
trolelampje
verdwijnt om te bevestigen
dat de functie uitgeschakeld.
2.107
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
Afhankelijk van de situatie geeft het systeem
een geluidssignaal in combinatie met:
de oranje waarschuwing E als de aan-
dacht van de bestuurder vereist is;
of
de rode waarschuwing F samen met het
bericht “Remmen”, als onmiddellijke actie
van de bestuurder vereist is.
Reageer altijd gepast op alle waarschu-
wingen en voer de nodige manoeuvres
uit.
E
F
Waarschuwingen “Neem de
controle over”
In sommige situaties (u nadert een veel
langzamer voertuig, er is een voorligger die
snel van rijstrook wisselt, enz.) heeft het
systeem wellicht geen tijd om te reage-
ren.
Stand-by afsluiten
Op basis van de opgeslagen
kruissnelheid
Als een snelheid in het geheugen is opge-
slagen, kan deze in de juiste omstandighe-
den (verkeersdrukte, staat van het wegdek,
weersomstandigheden, enz.) worden opge-
roepen. Druk op de schakelaar 7 (RES/+) in
het bereik van bevestigde snelheden.
Als u de opgeslagen snelheid oproept, wordt
het inschakelen van de regelaar bevestigd
doordat de ingestelde snelheid groen op-
licht.
Opmerking: als de opgeslagen snelheid
veel hoger is dan de huidige snelheid, trekt
de auto op naar deze hogere snelheid.
Op basis van de huidige snelheid
Als de regelaar stand-by is, komt de rege-
laarfunctie weer in werking door een druk op
de schakelaar 6 (SET/-), ongeacht de snel-
heid die in het geheugen is opgeslagen; de
actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (7/13)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
2.108
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
6
8
7
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (8/13)
Uitschakelen van de functie
De werking van de adaptieve snelheidsre-
gelaar wordt onderbroken als u drukt op de
schakelaar 6.
Het controlelampje
verdwijnt om te be-
vestigen dat de functie niet langer actief is.
Tijdelijk niet beschikbaar
De radar kan voertuigen detecteren die vóór
uw auto rijden. Het systeem werkt niet goed
als de radardetectiezone door iets wordt
bedekt of als het signaal wordt gestoord.
Als de radardetectiezone door iets wordt
bedekt of als het signaal wordt gestoord,
verschijnt het bericht “Radar voor geen
zicht” en wordt de adaptieve snelheidsre-
gelaar onderbroken. Het groene controle-
lampje
verdwijnt om te bevestigen dat
de functie automatisch is uitgeschakeld.
Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt
geblokkeerd (door vuil, modder, sneeuw of
een slecht gemonteerde nummerplaat voor)
of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met auto-
lak) of afgedekt door accessoires aan de
voorzijde van het voertuig (bijv. op de grille
of het logo, enz.).
In bepaalde geografische omstandigheden
kan de functie worden gestoord, zoals:
– droge zones, tunnels, lange bruggen of
weinig gebruikte wegen zonder wegmar-
keringen, borden of bomen in de buurt;
een militaire zone of een luchthaven.
Als u deze gebieden verlaat, zal de functie
weer werken.
Als het bericht niet verdwijnt nadat de motor
opnieuw wordt gestart, moet u altijd een
merkdealer raadplegen.
storingen
Als er een storing is in de werking van de
adaptieve snelheidsregelaar, verschijnt het
bericht “Controleer regelaar” op het instru-
mentenpaneel en wordt de functie uitge-
schakeld.
Als er een storing is in één of meer onder-
delen van het systeem, wordt de adaptieve
snelheidsregelaar onderbroken.
Het controlelampje
© verschijnt samen
met, afhankelijk van de storing, een van de
volgende berichten:
– “Controleer camera voor”;
– “Controleer radar voor”;
– “Controleer camera/radar”;
– “Controleer voertuig”.
Ga naar een merkdealer.
2.109
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (9/13)
Beperkingen van de werking van
het systeem
Autodetectie
Het systeem detecteert alleen voertuigen
(auto’s, trucks, motoren) die in dezelfde rich-
ting rijden als uw auto.
Een auto die invoegt in uw rijstrook (bijv. G)
wordt pas door het systeem herkend als
deze in de detectiezones van de camera en
radar komt.
Het systeem kan de auto abrupt of gelei-
delijk laten afremmen.
Wat niet door het systeem wordt gedetec-
teerd:
voertuigen die op kruispunten aankomen:
afritten (bijv. H), enz.;
auto’s die aan de verkeerde kant van
de weg rijden of die achteruit naar u toe
rijden.
Detectie in een bocht
Als u een bocht inrijdt, kan de radar en/of
camera wellicht tijdelijk niet in staat zijn om
een voorligger te detecteren (bijv. J).
Het systeem kan de auto laten versnel-
len.
Als u een bocht uitrijdt, kan de detectie van
voorliggers verstoord of vertraagd worden.
Het systeem kan de auto abrupt of gelei-
delijk laten afremmen.
G
De adaptieve snelheidsregelaar mag
alleen worden gebruikt op een autosnel-
weg of een autoweg met meerdere rij-
stroken en gescheiden rijrichtingen.
J
H
2.110
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
Detectie van voertuigen in aangrenzende
rijstroken
Het systeem kan voertuigen detecteren die
op een aangrenzende rijstrook rijden als:
u in een bocht rijdt (bijv. K);
u rijdt op een weg met smalle rijstroken;
de snelheid van de auto’s op de aan-
grenzende rijstrook lager is en als één
van deze auto’s te dicht bij een andere
rijstrook rijdt.
Het systeem kan de auto ten onrechte
laten vertragen of afremmen.
Auto’s die verborgen zijn door
hoogteverschillen in de weg
Het systeem kan geen voertuigen detecte-
ren die verborgen zijn door hoogteverschil-
len in de weg of die zich buiten de detec-
tiezones van de camera en radar bevinden
doordat u een helling op- of afrijdt.
Auto’s buiten de detectiezones van
camera en radar
Het systeem reageert laat of helemaal
niet als de auto’s zich buiten de detectiezo-
nes van de camera en radar bevinden, met
name in deze gevallen:
voertuigen die voorwerpen transporteren
die langer zijn dan de lijn;
het gedeelte van een lang voertuig
(bijv. L) dat buiten de radardetectiezone
valt (bouwmachines, sleepwagens die
landbouwmachines verslepen, enz.);
voertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden;
smalle voertuigen die zeer dichtbij zijn
(bijv. M).
K
L
M
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (10/13)
2.111
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
Geen detectie van vaste obstakels en
kleine objecten
Wat niet door het systeem wordt gedetec-
teerd:
voetgangers, fietsers, scooters, enz.;
– dieren;
vaste obstakels (tolpoorten, muren,
enz.). (bijv. Q).
Deze worden niet herkend door het sys-
teem. Ze kunnen geen alarm of reactie van
het systeem activeren.
Stilstaande en langzaam rijdende
voertuigen
Als uw snelheid hoger is dan ongeveer
50 km/u, detecteert het systeem geen:
stilstaande voertuigen (bijv. N);
zeer langzaam rijdende voertuigen.
Als uw snelheid lager is dan ongeveer 50
km/u, reageert het systeem wellicht niet
of zeer laat op:
stilstaande voertuigen (bijv. N);
zeer langzaam rijdende voertuigen;
N
Q
– voorliggers12 die wisselen van rijstrook
en zo een stilstaande auto onthullen 13
(bijv. P).
12
13
Wees altijd klaar om de bediening van
de auto over te nemen bij stilstaande
of zeer langzaam rijdende voertuigen
(bijv. N).
De adaptieve snelheidsregelaar kan
geen noodstop activeren en heeft
slechts een beperkte remcapaciteit.
P
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (11/13)
2.112
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (12/13)
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Dit is een extra hulp tijdens het rijden, die nooit de bestuurder kan ontslaan van de
verantwoordelijkheid om zich aan de snelheidslimieten en veilige afstanden te houden en alert te blijven.
De bestuurder moet altijd controle houden over de auto.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen
van het systeem.
Met uitzondering van lijnen die rijstroken aanduiden, worden verkeersaanduidingen (verkeerslichten, borden, zebrapaden, enz.) niet herkend
door het systeem. Deze kunnen geen alarm of reactie van het systeem activeren.
Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensensor of een antibotsingssysteem.
De adaptieve snelheidsregelaar mag alleen worden gebruikt op een autosnelweg of een autoweg met meerdere rijstroken en ge-
scheiden rijrichtingen.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
Bij een botsing wordt de uitlijning van de radar en/of camera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking ervan.
Schakel het systeem uit en neem contact op met een merkdealer.
– Alle werkzaamheden in de buurt van de radar en/of camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit, lakwerk, enz.)
moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit in deze gevallen:
de auto op een bochtige weg rijdt;
de auto wordt gesleept (bij pech);
de auto een aanhangwagen of caravan trekt;
de auto rijdt in een tunnel of in de buurt van een metalen structuur;
de auto bij een tolwegpoort, een gebied met wegwerkzaamheden of in een smalle rijstrook komt;
de auto een zeer steile helling op- of afrijdt;
het zicht slecht is (verblindend zonlicht, mist, enz.);
de auto rijdt op een glad wegdek (regen, sneeuw, grind, enz.);
de weersomstandigheden slecht zijn (regen, sneeuw, zijwind, enz.);
de radarzone is beschadigd (schokken, inslagen, enz.);
de camerazone is beschadigd (bijv. de binnen- of buitenkant van de voorruit);
de voorruit is gebarsten of vervormd.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en raadpleegt u een merkdealer.
2.113
NLD_UD64546_3
Régulateur de vitesse adaptatif Stop and Go (BJA - Renault)
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
de voorruit of de radarzone is bedekt (vuil, ijs, sneeuw, condensatie, kentekenplaat, enz.);
een complexe omgeving (tunnel, enz.);
slechte weersomstandigheden (sneeuw, zware regen, hagel, ijzel, enz.);
slecht zicht (nacht, mist enz.);
slechte contrast tussen de voorligger en de omgeving (bijvoorbeeld witte auto in een sneeuwgebied, enz.);
verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto’s, enz.);
een smalle, bochtige of heuvelige weg (scherpe bochten, enz.);
een langzame auto met een groot verschil van snelheid;
gebruik van matten die niet geschikt zijn voor de auto. Aan de bestuurderskant mogen alleen voor de auto geschikte matten worden ge-
bruikt, die moeten worden vastgezet aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet
meerdere matten op elkaar. Gevaar van hakende pedalen.
In deze gevallen kan het systeem ten onrechte grijpen.
Risico van onbedoeld remmen of versnelling.
Onvoorziene situaties kunnen gevolgen hebben voor de werking van het systeem. Bepaalde objecten of auto’s die in de herkenningszone
van de camera of de radar verschijnen, kunnen verkeerd worden geïnterpreteerd door het systeem. Dit kan leiden tot onterecht versnellen of
vertragen.
U moet altijd uitkijken voor plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen. Houd altijd de auto onder con-
trole door uw voeten vlakbij de pedalen te houden, zodat u voorbereid bent op elke situatie.
ADAPTIEVE SNELHEIDSREGELAAR (13/13)
aide au parking ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
radar de recul ............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
stationnement assisté ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aide au parking : stationnement assisté ....
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.114
NLD_UD64535_5
Aide au parking (BJA - Renault)
Aide au parking
PARKEERHULP (1/5)
De werking van het systeem
Ultrasoon sensoren, die met pijlen 1 worden
aangegeven, zijn in de bumpers gemon-
teerd om de afstand tussen de auto en een
obstakel te meten.
Afhankelijk van de auto detecteert het sys-
teem obstakels voor, achter en aan de zij-
kanten van de auto.
Het systeem van de parkeerhulp wordt pas
ingeschakeld als de auto langzamer dan on-
geveer 10 km/uur rijdt.
Het parkeerhulpsysteem houdt geen reke-
ning met aanhang- of laadsystemen enz.
Deze meting vertaalt zich in geluidssignalen
waarvan de frequentie toeneemt naarmate
het obstakel dichterbij komt, totdat het een
continu geluid wordt wanneer het obstakel
ongeveer 20 à 30 cm van de auto verwijderd
is.
1
Bijzonderheden
Zorg ervoor dat de ultrasoonsensoren, aan-
geduid door de pijlen 1, niet worden verbor-
gen (door vuil, modder, sneeuw, een slecht
gemonteerde/bevestigde nummerplaat), ge-
raakt, aangepast (inclusief lakwerk) of be-
lemmerd door een accessoire aan de voor-
of achterzijde van uw voertuig.
Deze functie is een extra hulp die door middel van geluidssignalen de afstand
tussen de auto en een obstakel aangeeft tijdens het achteruitrijden.
Deze functie kan nooit de oplettendheid en verantwoordelijkheid van de bestuur-
der vervangen bij het achteruit manoeuvreren.
De bestuurder moet altijd op zijn hoede blijven voor plotselinge gebeurtenissen tijdens het
rijden: let dus altijd op of er zich bij het manoeuvreren geen kleine, smalle obstakels (zoals
een kind, dier, kinderwagen, fiets, steen, paaltje, enz.) in uw blinde hoek bevinden.
2.115
NLD_UD64535_5
Aide au parking (BJA - Renault)
Werking
Het systeem detecteert de meeste obstakels
voor, achter en naast de auto.
Naargelang van de afstand van het obstakel
zal de frequentie van het geluidssignaal op-
lopen tot een continu signaal weerklinkt op
ongeveer 20 cm voor een obstakel aan de
zijkant en circa 30 cm voor obstakels aan
de voor- of achterkant. De groene, oranje
(of gele (afhankelijk van de auto)) en rode
zones verschijnen op het display C.
PARKEERHULP (2/5)
C
A B
2
Opmerking: het display 2 toont de omge-
ving van de auto en geeft geluidssignalen.
U moet enkele meters rijden voordat de de-
tectie aan de zijkanten wordt ingeschakeld.
Als alle zones een grijze achtergrond
hebben, wordt de volledige omtrek van de
auto bewaakt:
A: de omgeving rondom de auto wordt
geanalyseerd;
B: de omgeving rond de auto is geanaly-
seerd.
Bij het manoeuvreren kan de
auto aan de onderkant ergens
tegenaan rijden (bijvoorbeeld
contact met een paaltje, een
trottoir of ander stadsmeubilair) en daar-
door beschadigd raken (bijvoorbeeld
vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voor-
komen, moet u uw auto door een merk-
dealer laten controleren.
Opmerking: Voor auto’s met de functie
“360º-camera” 2.71 wordt een analyse van
de omgeving van de auto (gebieden A en B)
niet weergegeven in de modus “Vogelvlucht”
of “Zijaanzicht”.
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.116
NLD_UD64535_5
Aide au parking (BJA - Renault)
D
Detectie van obstakels aan de zijkant
Het systeem bepaalt de rijrichting aan de
hand van de richting van de wielen en waar-
schuwt u voor het risico op botsing met een
obstakel 3 aan de zijkant van de auto.
PARKEERHULP (3/5)
Als er een obstakel wordt gedetecteerd
naast de auto:
weerklinkt er bij het risico op een bot-
sing een geluidssignaal met een steeds
hogere frequentie naargelang u het ob-
stakel nadert, tot het geluidssignaal con-
tinu weerklinkt. De groene, oranje en
rode zones worden getoond op het dis-
play D;
als er geen risico op een botsing bestaat,
wordt er geen signaal afgegeven wan-
neer u het obstakel nadert. De groene,
oranje en rode zones worden gearceerd
weergegeven op het display D.
Opmerking: als de rijrichting verandert tij-
dens een manoeuvre, wordt het risico op
een botsing met een obstakel mogelijk te
laat gesignaleerd.
4
Inschakelen/uitschakelen
Auto’s met een multimediascherm 4
Zie de gebruiksaanwijzing van het multime-
diasysteem voor het in- en uitschakelen van
de verschillende detectiezones van de ultra-
soondetectors via het multimediascherm.
Selecteer “ON” of “OFF”.
Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld contact met een paaltje, een trottoir of
ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd raken (bijvoorbeeld vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.
3
2.117
NLD_UD64535_5
Aide au parking (BJA - Renault)
Auto’s zonder multimediascherm
Zet de auto stil en druk op de knop 6 om de
parkeerhulp uit te schakelen. Het waarschu-
wingslampje in de schakelaar licht op. Druk
nogmaals op de schakelaar 6 om de functie
in te schakelen. Het waarschuwingslampje 5
in de schakelaar dooft.
Afstellen
Auto’s met een multimediascherm 4
Afhankelijk van de auto kunt u met draai-
ende motor sommige parameters instellen
via het multimediascherm 4. Raadpleeg de
gebruiksaanwijzing van het multimediasys-
teem voor meer informatie.
Geluidsvolume van de parkeerhulp
Regel het volume van de parkeerhulp door
op + of - te drukken.
PARKEERHULP (4/5)
Als de auto rijdt met een snelheid van
minder dan ongeveer 10 km/u, kunnen
sommige geluidsbronnen (motorfiets,
vrachtwagen, drilboor, enz.) het piepsig-
naal van de parkeerhulp opwekken.
6
Geluid van het systeem
Hiermee kunt u het geluid van het systeem
kiezen.
Het geluid van het systeem uitschakelen
Schakel het geluid van de parkeerhulp in of
uit.
Opmerking: als u het geluid uitschakelt,
wordt u niet meer gewaarschuwd met een
geluidssignaal wanneer u een obstakel
nadert.
5
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
aide au parking ..........................................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
2.118
NLD_UD64535_5
Aide au parking (BJA - Renault)
selecteer “VOLUME TOON” om het
volume van de parkeerhulp aan te
passen met behulp van de knoppen 8
of 9.
Parkeerhulp handmatig
uitschakelen
Schakel de functie uit in deze gevallen:
voorzieningen voor slepen, dragen of
aanhangers vóór de ultrasone detecto-
ren;
bij schade aan de ultrasone sensoren.
Automatisch uitschakelen van
de parkeerhulp
Het systeem schakelt uit:
als de auto sneller rijdt dan ongeveer
10 km/u;
naargelang van de auto, als de auto
langer dan ongeveer vijf secondes stil-
staat en er een obstakel is gedetecteerd
(bijvoorbeeld in een file, enz.);
in de neutrale stand van een auto met
handgeschakelde versnellingsbak, of
in stand N of P van een automatische
transmissie.
PARKEERHULP (5/5)
storingen
Als het systeem een storing in de werking
detecteert, klinkt telkens wanneer de achter-
uitversnelling wordt ingeschakeld gedurende
ongeveer drie seconden een geluidssignaal
en verschijnt het bericht “Parkeerhulp con-
troleren” op het instrumentenpaneel. Ga
naar een merkdealer.
Bij het manoeuvreren kan de
auto aan de onderkant ergens
tegenaan rijden (bijvoorbeeld
contact met een paaltje, een
trottoir of ander stadsmeubilair) en daar-
door beschadigd raken (bijvoorbeeld
vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voor-
komen, moet u uw auto door een merk-
dealer laten controleren.
Auto’s zonder een multimediascherm
Zet de auto stil en druk zo vaak als nodig
op de schakelaar 7 totdat u het tabblad
“Voertuig” bereikt;
druk herhaaldelijk op 8 of 9 om het menu
“Instellingen” weer te geven. Druk op de
schakelaar 10 OK;
druk herhaaldelijk op 8 of 9 om het menu
PARKEER ASSIST.” weer te geven.
Druk op de schakelaar 10 OK;
7
8
9
10
caméra de recul .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aide au parking ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
stationnement assisté ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aide au parking : stationnement assisté ....
(jusqu’à la fin de l’UD)
écrans
écran multimédia .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.119
NLD_UD58881_2
Caméra de recul (XJA - Renault)
Caméra de recul
ACHTERUITRIJCAMERA (1/2)
Werking
Als de auto achteruit rijdt, verzendt de
camera 1 op de achterklep beelden van de
omgeving achter de auto naar het multime-
diadisplay 2. Bovendien worden twee gelei-
delijnen 3 en 4 (vast en bewegend) weerge-
geven.
Dit systeem gebruikt verschillende geleide-
lijnen: bewegend voor de verplaatsingsrich-
ting en vast voor de afstand. Als de rode
zone bereikt is, gebruikt u de afbeelding van
de bumper om nauwkeurig te stoppen.
1
2
Vaste tekening 3
De vaste tekening bestaat uit gekleurde
merktekens A, B en C die de afstand achter
de auto aangeven:
A (rood) op ongeveer 30 centimeter van
de auto;
B (geel) op ongeveer 70 centimeter van
de auto;
C(groen) op ongeveer 150 centimeter
van de auto.
De tekening blijft staan en geeft de verplaat-
singsrichting van de auto aan als de wielen
in lijn zijn met de auto.
Bewegende tekening 4
Deze wordt in het blauw getoond op het mul-
timediascherm 2. Hij geeft de verplaatsings-
richting van de auto aan afhankelijk van de
stand van het stuurwiel.
Bijzonderheid
Zorg ervoor dat de camera niet bedekt is
(vuil, modder, sneeuw, condens, enz.).
3
C
B
A
4
2.120
NLD_UD58881_2
Caméra de recul (XJA - Renault)
ACHTERUITRIJCAMERA (2/2)
2
Deze functie is een (extra)
hulpmiddel. De bestuurder
moet altijd opletten en blijft ver-
antwoordelijk.
De bestuurder moet altijd op zijn hoede
blijven voor plotselinge gebeurtenissen
tijdens het rijden: let dus altijd op of er
zich bij het manoeuvreren geen kleine,
smalle obstakels (zoals een kind, dier,
kinderwagen, fiets, steen, paaltje, enz.)
in uw blinde hoek bevinden.
Instellingen
Met stilstaande auto en draaiende motor
kunt u op het multimediascherm 2 de ge-
leidelijnen toevoegen of verwijderen en de
instellingen voor het camerabeeld regelen
(helderheid, contrast enz.). Raadpleeg de
gebruiksaanwijzing van het multimediasys-
teem voor meer informatie.
Het scherm geeft een omgekeerd beeld,
zoals in een spiegel.
De tekeningen zijn weergaven die op
een vlakke ondergrond worden gepro-
jecteerd. Deze informatie is niet geldig
als deze wordt weergegeven op een ver-
ticaal object of een object op de grond.
De voorwerpen die op de rand van het
scherm verschijnen kunnen vervormd
zijn.
In geval van te veel licht (sneeuw, auto
in de zon, enz.) kan het zicht van de
camera gestoord zijn.
Als de achterklep open staat of niet
goed gesloten is, verschijnt het bericht
Achterklep open” en verdwijnt de came-
raweergave.
aide au parking : stationnement assisté ....
(jusqu’à la fin de l’UD)
stationnement assisté ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
2.121
NLD_UD62639_3
Stationnement assisté (BJA - Renault)
Stationnement assisté
PARKEERHULP (1/5)
Met behulp van ultrasoon sensoren, zoals
aangegeven met de pijlen 3, die in de bum-
pers van de auto zijn gemonteerd, vindt
deze functie toegankelijke parkeerplaatsen
en biedt deze functie ondersteuning bij het
parkeermanoeuvre.
Haal uw handen van het stuurwiel, u bedient
alleen:
het gaspedaal;
het rempedaal;
de versnellingshendel.
U kunt op elk moment de controle op-
nieuw overnemen door aan het stuurwiel te
draaien.
Inschakelen
Bij een stilstaande auto of wanneer u minder
dan ongeveer 30 km/u rijdt:
druk op de schakelaar 2. Het schake-
laarlampje 2 verschijnt en display A ver-
schijnt op het multimediascherm 1;
zet de richtingaanwijzer aan de kant van
de auto waar u wilt parkeren aan.
A
Bijzonderheden
Zorg ervoor dat de ultrasoonsensoren, aan-
geduid door de pijlen 3, niet worden verbor-
gen (door vuil, modder, sneeuw, een slecht
gemonteerde/bevestigde nummerplaat), ge-
raakt, aangepast (inclusief lakwerk) of be-
lemmerd door een accessoire aan de voor-
of achterzijde van uw voertuig.
3
1
2
2.122
NLD_UD62639_3
Stationnement assisté (BJA - Renault)
PARKEERHULP (2/5)
Keuze van het manoeuvre
Het systeem kan vier soorten manoeuvres
uitvoeren:
de auto parallel parkeren;
de auto achteruit inparkeren;
de auto schuin inparkeren;
de parallel geparkeerde auto weer uitrij-
den.
Selecteer in het 1 multimediascherm het
manoeuvre dat u wilt uitvoeren.
Werking
Parkeren
Zolang de auto minder dan 30 km/u rijdt,
zoekt het systeem naar beschikbare par-
keerplaatsen aan de kant van de auto die de
bestuurder heeft gekozen.
Opmerking: Als er parkeerplaatsen aan de
andere kant van de auto beschikbaar zijn,
zet u de richtingaanwijzer voor de andere
kant aan zodat het systeem daar naar par-
keerplaatsen kan zoeken.
Wanneer een plaats is gevonden, verschijnt
deze op het multimediascherm, aangeduid
met een kleine letter “P”. Rijd langzaam, met
het knipperlicht ingeschakeld aan de kant
waar de parkeerplaats beschikbaar is, totdat
het bericht “Stop” wordt weergegeven en
een geluidssignaal te horen is.
1
Opmerking: bij het starten van de auto of na
een geslaagde fileparkeermanoeuvre met
behulp van het systeem, stelt het systeem
standaard het manoeuvre om uit te rijden
voor. In andere gevallen kan het standaard-
manoeuvre worden ingesteld in het multime-
diascherm 1. Raadpleeg de gebruiksaanwij-
zing van het multimediasysteem voor meer
informatie.
Het opstarten van systeem gaat gepaard
met het inschakelen van de Parkeerhulp
en, bij auto’s die hiermee zijn uitgerust,
de achteruitrijcamera of de 360º-camera
zodat de bestuurder het manoeuvre
beter kan visualiseren. 2.114, 2.119
en 2.71.
2.123
NLD_UD62639_3
Stationnement assisté (BJA - Renault)
PARKEERHULP (3/5)
Laat het stuurwiel los;
Voer manoeuvres voor en achter uit
door de instructies die op het multime-
diascherm 1 worden weergegeven te
volgen. Gebruik daarbij de systeemwaar-
schuwingen van de Parkeerhulp.
U mag niet sneller dan ongeveer 7 km/u
rijden.
Zodra de auto zich in een positie bevindt om
de parkeerplaats te verlaten, gaat het con-
trolelampje
op het instrumenten-
paneel uit, klinkt er een geluidssignaal en
verschijnt er een bericht op het multimedia-
scherm 1 om te bevestigen dat het manoeu-
vre voltooid is.
Een parallel geparkeerde auto uitrijden
Druk kort op de schakelaar 2;
selecteer de modus “Uitrijden”;
– schakel de richtingaanwijzer in voor de
richting waarin u wilt uitrijden;
houd schakelaar 2 ongeveer twee se-
conden ingedrukt.
Het controlelampje
brandt op het
instrumentenpaneel in combinatie met een
geluidssignaal.
De parkeerplaats wordt vervolgens op het
multimediascherm aangeduid met een
hoofdletter “P”.
Stop de auto;
schakel de achteruitversnelling in.
Het controlelampje
brandt op het
instrumentenpaneel in combinatie met een
geluidssignaal.
Laat het stuurwiel los;
volg de instructies die worden weergege-
ven op het multifunctionele scherm 1.
U mag niet sneller dan ongeveer 7 km/u
rijden.
Het controlelampje
op het instru-
mentenpaneel dooft en er weerklinkt een
geluidssignaal zodra het manoeuvre is vol-
tooid.
Deze functie is een extra hulp
tijdens het rijden.
Deze functie kan daarom tij-
dens manoeuvres in geen
enkele omstandigheid plaatsvervangend
zijn voor de waakzaamheid en de ver-
antwoordelijkheid van de bestuurder (de
bestuurder moet te allen tijde bereid zijn
om te remmen).
1
2
Tijdens het manoeuvreren kan
het stuurwiel snel draaien;
steek uw handen niet door de
spaken en let erop dat er niets
in vast komt te zitten.
2.124
NLD_UD62639_3
Stationnement assisté (BJA - Renault)
Het manoeuvre onderbreken/
hervatten
Het manoeuvre wordt onderbroken in de vol-
gende gevallen:
u neemt het stuur vast;
de auto staat te lang stil;
een obstakel op de route maakt het on-
mogelijk om het manoeuvre af te maken;
de motor stopt;
een portier of de bagageruimte wordt ge-
opend.
PARKEERHULP (4/5)
Het controlelampje in de schakelaar 2 wordt
uitgeschakeld, het controlelampje
op het instrumentenpaneel gaat uit en er
klinkt een geluidssignaal dat bevestigt dat
het manoeuvre is onderbroken. De reden
voor de onderbreking van het manoeu-
vre wordt weergegeven op het multimedia-
scherm 1.
Zorg ervoor dat:
u het stuur loslaat;
en
alle deuren en de achterklep gesloten
zijn;
en
er zich geen obstakels op de route bevin-
den;
en
de motor gestart is.
Als het controlelampje in de schakelaar 2
knippert, geeft dit aan dat het systeem op-
nieuw beschikbaar is om het manoeuvre te
hervatten.
Als u het manoeuvre wilt hervatten, drukt u
op de schakelaar 2 en houdt u deze inge-
drukt. Het controlelampje van de schake-
laar 2 gaat branden en het controlelampje
wordt weergegeven op het instru-
mentenpaneel.
Volg de instructies die op het multimedia-
scherm 1 worden weergegeven.
Het manoeuvre annuleren
Het manoeuvre wordt in de volgende geval-
len geannuleerd:
als u sneller dan 7 km/u rijdt;
door op de schakelaar 2 te drukken;
u hebt meer dan tien bewegingen vooruit/
achteruit uitgevoerd tijdens één manoeu-
vre;
als de sensoren van de parkeerhulp vuil
zijn of bedekt zijn;
de wielen van de auto zijn geslipt;
het manoeuvre is gedurende een te
lange periode onderbroken.
Het controlelampje van de schakelaar 2
wordt uitgeschakeld, het controlelampje
op het instrumentenpaneel gaat uit
en er klinkt een geluidssignaal dat beves-
tigt dat het manoeuvre is geannuleerd. De
reden voor de annulering van het manoeu-
vre wordt weergegeven op het multimedia-
scherm 1.
1
2
2.125
NLD_UD62639_3
Stationnement assisté (BJA - Renault)
PARKEERHULP (5/5)
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de
bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Zorg ervoor dat tijdens het manoeuvre de verkeersre-
gels worden gevolgd die gelden in het land waarin u zich bevindt.
De bestuurder moet altijd op zijn/haar hoede zijn voor plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let er altijd op dat er zich bij het
manoeuvreren geen kleine, smalle bewegende obstakels in de blinde hoek bevinden, zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, kei, paaltje,
trekhaak, enz.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
In geval van een botsing kan de uitlijning van de sensoren mogelijk worden gewijzigd, waardoor deze wellicht niet meer naar behoren
werken. Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
Alle werkzaamheden in de buurt van de sensoren (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de buitenbekleding, enz.) moeten door een
vakman/vakvrouw worden uitgevoerd.
Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde condities kunnen de werking van het systeem verstoren of belemmeren, zoals slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijs,
enz.).
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en raadpleegt u een merkdealer.
Risico van onjuiste vals alarm.
Beperkingen van de werking van het systeem
Het systeem kan geen voorwerpen detecteren in de dode hoeken van de sensoren.
Controleer altijd eerst of de parkeerplaats die het systeem voorstelt nog steeds vrij is en er geen obstakels in de weg staan.
Het systeem mag niet worden gebruikt bij het trekken van een aanhangwagen of als een aanhanger- of laadsysteem aan de auto of omrin-
gende auto’s is gemonteerd.
boîte de vitesses automatique (utilisation)
(jusqu’à la fin de l’UD)
changement de vitesses ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
levier de sélection de boîte automatique ...
(jusqu’à la fin de l’UD)
mise en route .............................................
(page courante)
palettes de changement de vitesse ...........
(page courante)
levier de vitesses .......................................
(page courante)
2.126
NLD_UD68933_3
Boîte de vitesses automatique (BJA - Renault)
Boîte de vitesses automatique
Starten
Met de selecteurhendel 1 in stand P, start
u de motor.
Om de selecteurhendel uit stand P te ver-
plaatsen, moet u het rempedaal indrukken
voordat u de ontgrendelknop 2 indrukt.
Met uw voet op het rempedaal (waarschu-
wingslampje 3 verdwijnt van het display): ga
uit stand P, laat de vergrendelknop 2 los en
kies stand D.
Schakel D of R alleen in als de auto stil-
staat, het rempedaal is ingedrukt en het
gaspedaal niet is ingedrukt.
Selecteurhendel 1
P: parkeren
R: achteruitrijden
N: neutraal
D: automatische werking
L : Low-modus (afhankelijk van de auto).
De weergave 4 op het instrumentenpaneel
geeft gekozen stand van de versnellings-
hendel 1 aan.
Opmerking: druk op de knop 2 voor:
verlaten van stand P;
schakelen van stand D, L of N naar R of
P
schakelen van stand D naar L.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (1/4)
1
3
2
Selecteurhendels 5 en 6
Afhankelijk van de auto kunt u de hendels 5
en 6 gebruiken om de versnelling te wijzigen
als de hendel in stand D staat.
5: naar een lagere versnelling schakelen.
6: naar een hogere versnelling schakelen.
Stand P, N, L en R kan niet worden gekozen
via de hendels.
5
6
4
2.127
NLD_UD68933_3
Boîte de vitesses automatique (BJA - Renault)
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (2/4)
Stand handgeschakeld
Tijdens het rijden in stand D kunt u met hen-
dels 5 en 6 op het stuurwiel overschakelen
naar handgeschakelde modus. Afhankelijk
van de auto zijn twee handmatige rijstijlen
beschikbaar:
een “tijdelijk” handgeschakelde
modus die kan worden gebruikt om het
overschakelen naar een andere versnel-
ling te forceren door kort op één van de
hendels te drukken. De gekozen rijstijl-
modus D en versnelling verschijnen op
het instrumentenpaneel.
Opmerking: de versnellingsbak keert
automatisch terug naar de automatische
modus D als de ingeschakelde versnel-
ling niet optimaal is of als de hendels ge-
durende een bepaalde periode niet zijn
gebruikt.
een permanente handgeschakelde
modus die wordt geactiveerd door een
van de hendels in te drukken en inge-
drukt te houden. Rijstijlmodus M en de
ingeschakelde versnelling worden op
het display 7 op het instrumentenpaneel
weergegeven.
Stand automatisch
Zet de hendel 1 in stand D.
U hoeft de selecteurhendel niet meer te ver-
plaatsen. Er wordt automatisch geschakeld
in overeenstemming met de belasting van
de auto, de hoeveelheid gas die u geeft en
de helling van de weg.
Zuinig rijden
Laat de selecteurhendel voor normaal ge-
bruik in stand D staan. Als het gaspedaal
iets wordt ingedrukt, schakelt de transmis-
sie bij een lage snelheid naar de volgende
versnelling.
Accelereren en inhalen
Druk het gaspedaal snel en diep in (voorbij
het zware punt van het pedaal).
Hierdoor wordt, binnen de mogelijkhe-
den van de motor, teruggeschakeld naar
de optimale versnelling.
Opmerking: u gaat terug naar de au-
tomatische modus door de rechterhen-
del ingedrukt te houden. Automatische
modus D wordt op het instrumentenpa-
neel weergegeven.
In alle gevallen:
Voor een lagere versnelling drukt u op de
linkerhendel;
– Voor een hogere versnelling drukt u op
de rechterhendel.
Opmerking: Afhankelijk van de display
stellen de indicatoren + en - of
en
voor om een hogere of lagere ver-
snelling te kiezen.
7
2.128
NLD_UD68933_3
Boîte de vitesses automatique (BJA - Renault)
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (3/4)
Bijzondere omstandigheden
Als het wegtype of de weersomstandig-
heden (steile hellingen omhoog, plotselinge
hellingen omlaag, diepe sneeuw, zand of
modder) het moeilijk maken om in automati-
sche modus te blijven rijden, wordt afhanke-
lijk van de auto aanbevolen:
Op wagens met hendels op het stuur:
schakel naar de handmatige modus met
behulp van de hendels. Hiermee voor-
komt u het automatisch achter elkaar
schakelen door de versnellingsbak bij
stijgen en is het mogelijk op de motor te
remmen bij lange afdalingen.
Op voertuigen zonder hendels op het
stuur: gebruik de Low-modus om met een
snelheid lager dan 50 km/u te rijden op
een oppervlak met weinig grip (sneeuw,
modder enz.), een helling op te rijden of
tijdens een afdaling af te remmen op de
motor. Daartoe zet u de hendel in stand
L.
Laat om op een helling stil te blijven
staan uw voet niet op het gaspedaal
rusten.
Risico van oververhitting van de au-
tomatische versnellingsbak.
Bijzondere gevallen
In sommige gevallen (zoals ter bescher-
ming van de motor, bij werking van het elek-
tronisch stabiliteitsprogramma: ESC, enz.)
wordt automatisch de juiste versnelling ge-
kozen.
Ook kan, om verkeerde manoeuvres te
voorkomen, het schakelen door het systeem
geweigerd worden. In dit geval knippert de
aanduiding van de versnelling enkele secon-
des om u te waarschuwen.
Controleer of het controle-
lampje P op het instrumen-
tenpaneel wordt geactiveerd,
voordat u de auto verlaat.
Risico dat de auto wegrolt.
Opmerking: in de modus “Low” varieert
het toerental van de motor continu en zijn
de acceleraties meer lineair.
Om te voorkomen dat de motor afslaat in
zeer koud weer, wacht u best enkele se-
conden voordat u stand P of N verlaat en de
hendel in stand D, R of L zet.
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
2.129
NLD_UD68933_3
Boîte de vitesses automatique (BJA - Renault)
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (4/4)
Als bij het wegrijden de hendel vastzit in
de stand P wanneer u het rempedaal intrapt
(bijv. accustoring), kunt u de hendel hand-
matig ontgrendelen om de blokkering van de
aangedreven wielen ongedaan te maken.
Om dit te doen, maakt u de onderkant van
de stofhoes los en drukt u tegelijkertijd op
de druktoets 9 en op knop 8 op de hendel
om deze te ontgrendelen en naar stand N
te gaan.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-
dealer.
Onderhoudsintervallen
Raadpleeg het onderhoudsdocument voor
uw auto of een geautoriseerde dealer om na
te gaan of periodiek onderhoud noodzakelijk
is voor de automatische transmissie.
Als de transmissie geen onderhoud nodig
heeft, hoeft geen olie te worden bijgevuld.
storingen
als tijdens het rijden het bericht
Controleer auto.transmissie” verschijnt
op het instrumentenpaneel, duidt dit op
een defect.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een
merkdealer;
als tijdens het rijden het bericht
Oververhitting auto.transmissie” ver-
schijnt op het instrumentenpaneel, stop
dan zo snel mogelijk om de versnellings-
bak te laten afkoelen en wacht totdat het
bericht verdwenen is.
Storingen oplossen bij een auto met
een automatische transmissie 5.35.
9
8
Om veiligheidsredenen mag u
nooit het contact uitzetten voor-
dat de auto compleet stilstaat.
Bij het manoeuvreren kan de
auto aan de onderkant ergens
tegenaan rijden (bijvoorbeeld
contact met een paaltje, een
trottoir of ander stadsmeubilair) en daar-
door beschadigd raken (bijvoorbeeld
vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voor-
komen, moet u uw auto door een merk-
dealer laten controleren.
Parkeren van de auto
Als de auto stilstaat, houdt u het rempedaal
ingedrukt en zet u de selecteurhendel in
stand P (parkeren): de transmissie staat in
neutraal en de voorwielen zijn mechanisch
geblokkeerd.
Controleer of de elektronische parkeer-
rem is vastgezet.
appel d’urgence .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aides à la conduite.....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
assistance à la conduite ............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
2.130
NLD_UD62015_3
Appel d’urgence (BJA - Renault)
Appel d’urgence
NOODOPROEP (1/3)
Een oproep gebeurt altijd als volgt:
de noodoproep wordt ingesteld;
verstuurt gegevens over het incident
(constructeursplaatje van de auto, tijd
van het gesprek, laatste locaties, richting
van de auto);
gesproken communicatie met de hulp-
diensten;
indien nodig wordt een hulpdienst gebeld.
De noodoproep heeft twee modi:
automatische modus;
Handmatige modus.
1
2
3
4
5
1 Waarschuwingslampje werking systeem:
groen: in werking
(netwerk beschikbaar);
uit: niet in werking
(netwerk niet beschikbaar);
rood: in werking
storing;
groen knipperend: bellen.
2 Controlelampje automatische modus;
3 Knop SOS;
4 Microfoon;
5 Luidspreker
Als de auto hiermee is uitgerust, kunt u met
het noodoproepsysteem automatisch of
handbediend bellen met hulpverleners in
geval van een ongeluk of ziekte, om de re-
actietijd in noodsituaties te verkorten.
Als u de functie voor noodoproep gebruikt
om te melden dat u een ongeval hebt
gezien, houdt dit in dat u stopt zodra de ver-
keersomstandigheden dit toestaan, zodat
de hulpdiensten uw auto kunnen vinden en
daarmee de locatie van het gemelde onge-
val.
Houd u altijd aan de ter plaatse geldende
wetgeving.
In geval van een ongeluk blijft
u, als de plaats en het verkeer
dit toestaan, dicht bij de auto
om eventuele oproepen van
het callcenter snel te kunnen beantwoor-
den.
Gebruik de noodoproep alleen in een
noodgeval, als u betrokken bent bij een
ongeval of als u getuige bent van een
ongeval of in fysieke nood bent.
2.131
NLD_UD62015_3
Appel d’urgence (BJA - Renault)
NOODOPROEP (2/3)
In geval van onbedoelde activering kunt u de
oproep annuleren door 2 seconden lang te
drukken op de 3-knop voordat de verbinding
met het callcenter tot stand komt.
Zodra de oproep is ingesteld, kan alleen het
callcenter de oproep beëindigen.
Testmodus
(afhankelijk van lokale wetgeving)
De testmodus is exclusief gereserveerd voor
goedgekeurde dealers, om te controleren of
de noodoproepfunctie goed werkt.
De testmodus activeren:
drie keer kort op de 3-knop te drukken;
ongeveer 15 seconden te wachten;
drie keer kort op de 3-knop te drukken.
De testmodus wordt automatisch afgeslo-
ten.
Automatische modus
Als de waarschuwingslampje automatische
modus 2 groen oplicht, bevestigt dit dat het
automatische systeem is ingeschakeld.
De noodoproep wordt automatisch gedaan
als de beschermende uitrusting (gor-
delspanners, airbag, enz.) werd geactiveerd
vanwege een ongeval.
Handmatige modus
De noodoproep wordt uitgevoerd door:
– de 3-knop in te drukken en ten minste
drie seconden ingedrukt te houden;
of
– de 3-knop vijf keer binnen tien seconden
in te drukken.
1
2
3
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
2.132
NLD_UD62015_3
Appel d’urgence (BJA - Renault)
NOODOPROEP (3/3)
Storingen
In sommige gevallen werkt de noodoproep
niet (bijvoorbeeld bij een zwakke accu).
Als het systeem een storing ontdekt, krijgt
u langer dan 30 minuten het rode controle-
lampje 1. Raadpleeg zo snel mogelijk een
merkdealer;
1
Het systeem werkt met een speciale
accu. De gebruiksduur van de accu is
ongeveer vier jaar (het waarschuwings-
lampje 1 wordt rood als deze vier jaar
bijna voorbij zijn).
Raadpleeg een merkdealer.
Voor uw veiligheid en een
goede werking van het sys-
teem, moeten alle werkzaam-
heden aan de accu (uitbouwen,
loskoppelen enz.) worden uitgevoerd
door een gespecialiseerd vakman.
Risico op brandwonden door elektri-
sche schokken.
U moet zich verplicht houden aan de ver-
vangingsintervallen die worden aange-
geven in het onderhoudsboekje zonder
deze te overschrijden.
De accu is van een speciaal type. Zorg
dat deze wordt vervangen door een van
hetzelfde type.
Roep de hulp in van een merkdealer.
Zonder de functie noodoproep is het sys-
teem niet te volgen en zal niet constant
worden bewaakt. Gegevens worden
voortdurend en automatisch gewist en
het systeem slaat alleen de laatste drie
locaties van de auto op.
Op grond van de nationale wetgeving
worden gegevens alleen verzonden in
geval van een noodoproep. Gegevens
die worden verzonden naar het callcen-
ter worden behandeld overeenkomstig
de privacywetgeving die van toepassing
is in het land waarin u zich bevindt. Het
systeem slaat de activiteitengeschiede-
nis maar voor 13 uur op.
De eigenaar van de auto heeft het recht
zijn gegevens in te zien. Hij heeft het
recht de gegevens te laten corrigeren,
verwijderen of blokkeren.
3.1
NLD_UD69630_6
Sommaire 3 (BJA - Renault)
Hoofdstuk 3: Uw comfort
MULTI-SENSE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.2
Ventilatieroosters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.4
Verwarming, Handbediende airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.6
Automatische airconditioning. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.10
Airconditioning: informatie en tips voor het gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.14
MULTIMEDIA UITRUSTING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.16
Elektrische ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.18
Zonnekleppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.21
binnenverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.22
Opbergruimte, indeling interieur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.25
Accessoireaansluiting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.30
Hoofdsteun achter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.31
Achterbank: gebruiksmogelijkheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.32
BAGAGERUIMTE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.33
Tafeltje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.34
Opbergkist . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.35
Vervoer van bagage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.36
Vervoer van voorwerpen: trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.37
Dakdragers, spoiler . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.38
Multi-Sense................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conduite .....................................................
(page courante)
aides à la conduite.....................................
(page courante)
assistance à la conduite ............................
(page courante)
écrans
écran multimédia .................................
(page courante)
3.2
NLD_UD62016_3
Multi-Sense (BJA - Renault)
Werking “Eco”
modus Eco gericht op energiebesparing.
De besturing is soepel en de motor en ver-
snellingsbak zijn zo ingesteld dat er minder
brandstof wordt verbruikt. 2.28.
MULTI-SENSE
MULTI-SENSE (1/2)
In alle modi is het mogelijk om de kleur
van de sfeerverlichting te wijzigen en
de standaardinstellingen te herstellen.
De stijl van het instrumentenpaneel kan
alleen worden gewijzigd via de modus
My Sense.
Met het systeem MULTI-SENSE kunt u
tussen drie rijstijlmodi kiezen die kunnen
worden gebruikt om het volgende in te stel-
len: rijstijl, sfeerverlichting, comfort en mo-
torgeluid (afhankelijk van de auto):
de modi Eco en Sport zijn vooraf gecon-
figureerd en kunnen deels worden aan-
gepast (sfeerverlichting, enz.);
de modus My Sense kan worden aange-
past.
De rijstijlen zijn van invloed op:
de stuurbekrachtiging
ESC (elektronisch stabiliteitspro-
gramma);
de reactiviteit van de motor en de trans-
missie.
Zij zijn eveneens van invloed op:
de verlichting van het interieur en het in-
strumentenpaneel;
Informatie weergegeven op het multime-
diascherm en, afhankelijk van de gese-
lecteerde modus, op het instrumentenpa-
neel;
Afhankelijk van de auto, het motorgeluid.
Motorinstellingen zijn specifiek voor elk
van de rijstijlmodi en kunnen niet worden
aangepast.
MULTI-SENSE
Modus config.
3.3
NLD_UD62016_3
Multi-Sense (BJA - Renault)
1
2
Openen van het menu
Afhankelijk van de auto opent u MULTI-
SENSE als volgt:
via het multimediascherm 1;
Met de schakelaar 2.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
Werking “Sport”
In deze werkingsstand reageren de motor
en de versnellingsbak beter. De besturing is
krachtiger.
Werking “My Sense”
Deze modus, met standaard auto-instellin-
gen, kan worden gebruikt om rijstijl, sfeer-
verlichting, comfort en motorgeluid handma-
tig in te stellen (afhankelijk van de auto).
Nadat de motor is uitgezet, wordt de auto
altijd gestart in de modus My Sense.
MULTI-SENSE (2/2)
aérateurs ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conditionnement d’air ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ventilation ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ventilation
aération ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.4
NLD_UD53840_1
Aérateurs (sorties air) (XJA - Renault)
Aérateurs
VENTILATIEROOSTERS (1/2)
8
5
6
1
7
1 Ventilatierooster links
2 Ontwasemingssleuf linkerruit
3 Ontwasemingssleuven voorruit
4 Centrale ventilatieroosters
5 Ontwasemingssleuf rechter zijruit
6 Ventilatierooster rechts
7 Ventilatierooster voetenruimte
8 Bedieningspaneel
9 Ventilatierooster voetenruimteruimte
voor passagiers achter (afhankelijk
van de auto)
7
4
3
2
9
3.5
NLD_UD53840_1
Aérateurs (sorties air) (XJA - Renault)
Ventilatieroosters midden 4 en
zijkant 1 en 6
Hoeveelheid lucht
Sluiten: draai de knop 10 naar de buitenkant
van de auto voorbij het zware punt.
Openen: draai de knop 10 naar de binnen-
kant van de auto.
Richting
Draai de knop 10 naar de gewenste stand.
VENTILATIEROOSTERS (2/2)
6
10
Stop niets in het ventilatiecir-
cuit van de auto (bijvoorbeeld
in geval van stank enz.).
Risico van explosie of brand.
4
9
Plaatsen achter
(afhankelijk van de auto)
Ventilatierooster voetenruimte 9.
Bevestig geen voorwerpen op de venti-
latieroosters (bijv. telefoonhouder).
Risico van beschadiging.
10
air conditionné ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
chauffage ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conditionnement d’air ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
désembuage
vitre arrière ...........................................
(page courante)
ventilation ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
climatisation ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.6
NLD_UD62336_3
Air conditionné manuel (BJA - Renault)
Chauffage et air conditionné manuel
In- en uitschakelen van de
airconditioning
De toets 6 zorgt voor het inschakelen (con-
trolelampje brandt) of het uitschakelen (con-
trolelampje uit) van de airconditioning.
Het systeem werkt niet als de 3 knop in
stand “0” staat.
Bedieningsknoppen
(afhankelijk van de auto)
1 Verdeling van de lucht in het interieur.
2 Ontdooien/ontwasemen van de achterruit
en, afhankelijk van de auto, van de spie-
gels.
3 Regeling van de ventilatiesnelheid.
4 Luchtkringloop.
5 Regeling van de temperatuur van de
lucht.
6 Airconditioning.
VERWARMING, HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING (1/4)
1
2
6
Door het inschakelen van de
airconditioning:
gaat de temperatuur in het interieur
omlaag;
ontwasemen de ruiten snel.
3
5
4
désembuage
pare-brise .............................................
(page courante)
dégivrage/désembuage de pare-brise .......
(page courante)
3.7
NLD_UD62336_3
Air conditionné manuel (BJA - Renault)
De kringloopstand kan gebruikt worden:
om het interieur af te sluiten van de bui-
tenlucht als het buiten stinkt ;
Om de temperatuur in het interieur snel-
ler te verlagen wanneer de airconditio-
ning is geactiveerd.
Inschakelen van de
kringloopfunctie
Druk op de knop 4: het ingebouwde contro-
lelampje gaat branden. In deze stand wordt
de lucht vanuit het interieur aangezogen en
zonder toevoeging van buitenlucht terugge-
voerd in de auto.
VERWARMING, HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING (2/4)
Als de airconditioning niet is ingeschakeld (“A/C -lampje op de 6-schakelaar uit), kan lang-
durig gebruik van de kringloopstand condensvorming op de zijruiten en voorruit veroor-
zaken alsook andere problemen als gevolg van de aanwezigheid van niet opnieuw gecir-
culeerde lucht in de cabine. Om dit te voorkomen, wordt de luchtkringloopstand na een
bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld.
Verdeling van de lucht in het
interieur
Er zijn vijf mogelijke luchtverdelingen. Draai
de schakelaar 1 om uw verdeling te kiezen.
W
De lucht wordt naar de ontwase-
mingsroosters onder de voorruit
en bij de voorportieren gevoerd.
De lucht wordt naar de roosters
van de zijruiten voorin, de ontwa-
semingssleuven onder de voorruit en naar
de voetenruimtes gevoerd.
De lucht wordt voornamelijk naar
de voetenruimtes gevoerd.
De luchtstroom wordt naar de ven-
tilatieroosters van het dashboard
gevoerd, naar de voeten van de inzittenden
voorin en afhankelijk van de auto, van de in-
zittenden op de stoelen van de tweede rij.
J
De lucht wordt hoofdzakelijk naar
de ontwasemingsroosters in het
dashboard geleid.
1
6
4
3.8
NLD_UD62336_3
Air conditionné manuel (BJA - Renault)
Het systeem is gestopt: de ventilatiesnel-
heid van de lucht in het interieur is nul (stil-
staande auto), als de auto rijdt kunt u echter
een geringe luchtstroom voelen.
Regeling van de
ventilateursnelheid
Beweeg de knop 3. Hoe verder u de knop
rechtsom draait, hoe meer lucht er wordt
verplaatst. Als u de luchttoevoer wilt stop-
pen, zet de 3-knop dan op “0”.
VERWARMING, HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING (3/4)
Met stand W op de 1-bediening
wordt de luchtkringloopstand uitgescha-
keld om te voorkomen dat de voorruit
beslaat.
Regeling van de temperatuur
Draai knop 5 afhankelijk van de gewenste
temperatuur. Hoe verder de aanwijzer in het
rode gedeelte staat, hoe hoger de tempera-
tuur.
Bij langdurig gebruik van de airconditioning,
kan het te koud worden. Om de temperatuur
te verhogen, draait u de knop 5 naar rechts.
1
3
5
3.9
NLD_UD62336_3
Air conditionné manuel (BJA - Renault)
Achterruitverwarming
Draaiende motor, druk op de toets 2. Het
controlelampje licht op.
De achterruit wordt nu snel ontwasemd en
de buitenspiegels worden verwarmd (afhan-
kelijk van de uitvoering).
U schakelt deze functie uit door opnieuw
op de toets 2 te drukken. Het controlelampje
dooft.
De verwarming schakelt na enige tijd auto-
matisch uit.
VERWARMING, HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING (4/4)
Snel ontwaseming
Zet de knoppen 1, 3 en 5 in de stand voor:
W: ontwasemen;
de ventilatorsnelheid in stand 3 of 4;
– maximumtemperatuur.
Druk op knop 4 om de luchtkringloop uit te
schakelen (controlelampje uit).
1
2
3
5
4
air conditionné ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
chauffage ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
conditionnement d’air ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
pare-brise dégivrant...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
régulation de la température......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ventilation ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
climatisation ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
désembuage
vitre arrière ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
désembuage
pare-brise .............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
dégivrage/désembuage de pare-brise .......
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.10
NLD_UD62017_3
Air conditionné automatique (BJA - Renault)
Air conditionné automatique
Bedieningsknoppen
(afhankelijk van de auto)
1 Regeling van de ventilatiesnelheid.
2 Functie “Helder zicht”.
3 Regeling van de temperatuur van de
lucht.
4 Inschakelen van de automatische wer-
king.
5 Bediening van de airconditioning.
6 Verdeling van de lucht in het interieur.
7 Luchtkringloop.
8 Ontdooien/ontwasemen van de achterruit
en, afhankelijk van de auto, van de spie-
gels.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING (1/4)
Regeling van de
ventilateursnelheid
Normaal zorgt het systeem automatisch
voor de juiste ventilateursnelheid om de
ingestelde temperatuur te bereiken en te
handhaven.
U kunt altijd de ventilatiesnelheid verhogen
of verlagen door aan de knop 1 te draaien.
Regeling van de temperatuur
Draai knop 3 afhankelijk van de gewenste
temperatuur.
Hoe verder u de knop rechtsom draait, hoe
warmer het wordt.
Automatische werking
De automatische airconditioning garan-
deert (met uitzondering van extreme geval-
len) een temperatuurcomfort in het interi-
eur en het helder houden van de ruiten, bij
een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik.
Het systeem werkt op de ventilatiesnelheid,
de luchtverdeling, de luchtkringloop, het in-
schakelen of uitschakelen van de airconditi-
oning en de luchttemperatuur.
AUTO: optimaal bereiken van de gewenste
temperatuur afhankelijk van de omstandig-
heden buiten de auto. Druk op de knop 4.
1
2 3
4 5 6
7
8
Drukken op een andere knop dan de
knop AUTO zorgt ervoor dat de automa-
tische modus wordt uitgeschakeld.
3.11
NLD_UD62017_3
Air conditionné automatique (BJA - Renault)
Functie “helder zicht”
Druk op de knop 2: het ingebouwde contro-
lelampje gaat branden.
Met deze functie worden de voorruit, de
zijruiten voor, de achterruit en de buiten-
spiegels snel ontdooid en ontwasemd (af-
hankelijk van de auto). Hierdoor worden
automatisch de airconditioning en de achter-
ruitverwarming ingeschakeld.
Druk op de toets 8 om de werking van de
achterruitverwarming te stoppen, het inge-
bouwde controlelampje dooft.
U schakelt deze functie uit met een druk
op de toets 2 of 4.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING (2/4)
De luchtstroom wordt naar de ven-
tilatieroosters van het dashboard
gevoerd, naar de voeten van de inzittenden
voorin en afhankelijk van de auto, van de in-
zittenden op de stoelen van de tweede rij.
De lucht wordt hoofdzakelijk naar
de ontwasemingsroosters in het
dashboard geleid.
De lucht wordt voornamelijk naar
de voetenruimtes gevoerd.
Wijzigen van de verdeling van
de lucht in het interieur
Draai de knop 6. het controlelampje in de
toets waarop u hebt gedrukt, licht op.
W
De lucht wordt naar de uitstroom-
sleuven onder de voorruit en de
voorste zijruiten gevoerd.
De lucht wordt naar de roosters
van de zijruiten voorin, de ontwa-
semingssleuven onder de voorruit en naar
de voetenruimtes gevoerd.
2
4 6
8
mode ECO .................................................
(page courante)
équipements multimédia............................
(page courante)
3.12
NLD_UD62017_3
Air conditionné automatique (BJA - Renault)
Achterruitverwarming
Druk op de knop 8: het ingebouwde contro-
lelampje gaat branden. De achterruit wordt
nu snel ontwasemd en de elektrische buiten-
spiegels worden verwarmd (afhankelijk van
de uitvoering).
U schakelt deze functie uit door opnieuw
op de toets 8 te drukken. De verwarming
schakelt na enige tijd automatisch uit.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING (3/4)
In- en uitschakelen van de
airconditioning
Normaal schakelt het systeem automatisch
de airconditioning in of uit, afhankelijk van
de weersomstandigheden.
Druk op de knop 5 om de airconditioning
uit te schakelen. Het ingebouwde controle-
lampje dooft.
5
8
3.13
NLD_UD62017_3
Air conditionné automatique (BJA - Renault)
Inschakelen van de
luchtkringloop (isolatie van het
interieur)
Deze functie wordt automatisch geregeld,
maar u kunt ze handmatig inschakelen. In
dat geval wordt de inschakeling bevestigd
door het controlelampje in de toets 7.
THERMOSTATISCHE AIRCONDITIONING (4/4)
Uitschakelen van het systeem
Draai de knop 1 naar “OFF” om het systeem
te stoppen. U schakelt het systeem weer in
door de knop 1 te draaien en de ventilatie-
snelheid in te stellen of door op de toets 4
te drukken.
Als u de ontwasemings-/ontdooifunctie
gebruikt, wordt de luchtkringloopstand
uitgeschakeld.
Door het gebruik van de airconditioning
neemt het brandstofverbruik toe (gebruik
de airconditioning daarom niet als het
niet nodig is).
Handbediening
Druk op de knop 7: het ingebouwde contro-
lelampje gaat branden.
Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen
de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer
aanvriezen. Ook zal het in de auto, door
gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stin-
ken.
Om dit te voorkomen, wordt de luchtkring-
loopstand na een bepaalde tijd automatisch
uitgeschakeld.
1
4
7
climatisation ...............................................
(page courante)
air conditionné ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
consommation de carburant ......................
(page courante)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
mode ECO .................................................
(page courante)
entretien.....................................................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
3.14
NLD_UD62018_2
Air conditionné : informations et conseils d’utilisation (BJA - Renault)
Air conditionné : informations et conseils d’utilisation
AIRCONDITIONING: informatie en bedieningsinstructies (1/2)
Stop niets in het ventilatiecir-
cuit van de auto (bijvoorbeeld
in geval van stank enz.).
Risico van explosie of brand.
Maak nooit de slangen van
de airconditioning los. Dit is
gevaarlijk voor de ogen en de
huid.
Verbruik
Het is normaal dat het brandstofverbruik
hoger is (vooral in stadsverkeer) als u de air-
conditioning gebruikt.
Voor auto’s met een airconditioning zonder
automatische werkstand, zet het systeem
uit, als u het niet meer nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder lucht-
verontreiniging
Rijd met open ventilatierooster en gesloten
ruiten. Open bij zeer warm weer of als de
auto in de zon heeft gestaan enkele minuten
de portieren voordat u start, zodat de hete
lucht uit de auto kan ontsnappen.
Onderhoud
Raadpleeg voor de controle-intervallen het
onderhoudsdocument van uw auto.
Storingen
Raadpleeg bij een storing altijd een merk-
dealer.
Minder goede werking van ontdooien,
ontwasemen of airconditioning.
Dit kan het gevolg zijn van een vervuild
patroon van het interieurfilter.
Geen gekoelde lucht.
Controleer of alle bedieningsorganen in
de juiste stand staan en de zekeringen
goed zijn. Als dit niet zo is moet u het sys-
teem stoppen.
Water onder de auto
Maak u zich niet ongerust als er condens-
water onder de auto druppelt, dit is normaal
na langdurig gebruik van de airconditioning.
Tips voor het gebruik
In sommige gevallen, (airconditioning uit,
luchtkringloop in werking, ventilatiesnelheid
nul of laag, enz.) kunnen de ruiten van de
auto beslaan.
Gebruik bij condensvorming de functie
Helder zicht of de snelle ontwasemings-
functie om dit te verwijderen.
Gebruik de airconditioning regelma-
tig, ook bij koud weer; laat de airco ten
minste eenmaal per maand gedurende
ongeveer 5 minuten draaien.
3.15
NLD_UD62018_2
Air conditionné : informations et conseils d’utilisation (BJA - Renault)
Het airconditioningssysteem bevat fluorhou-
dende broeikasgassen.
Afhankelijk van het voertuig, u kunt de vol-
gende informatie vinden op sticker A in de
motorruimte.
De aanwezigheid en de plaats van de in-
formatie op sticker A zijn afhankelijk van de
auto.
A
A
A
Maak het airconditionings-
systeem nooit open. Dit is
gevaarlijk voor de ogen en de
huid.
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
uitzetten. 2.4 of 2.6.
AIRCONDITIONING: informatie en bedieningsinstructies (2/2)
Ñ
Type airconditioningsvloeistof
Type olie in de slangen van de
airconditioning
Ontvlambaar product
Raadpleeg het instructieboekje
Onderhoud
Hoeveelheid airconditio-
ningsvloeistof aanwezig
in de auto.
x,xxx kg
Global Warming Potential
oftewel aardopwar-
mingsvermogen (CO2-
equivalent).
GWP xxxxx
Hoeveelheid in gewicht
en CO2-equivalent.
CO2-
equivalent
x,xx t
équipements multimédia............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
téléphone ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
système de navigation ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
commande intégrée de téléphone mains-
libres ..........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
navigation ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
radio...........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
afficheur .....................................................
(page courante)
multimédia (équipement) ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
écran
écran navigation ..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
écran
affichages de navigation ....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
commande sous volant..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
écrans
écran multimédia .................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
commandes
au volant ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
prise accessoires .......................................
(page courante)
prise USB ..................................................
(page courante)
3.16
NLD_UD59088_2
Equipement Multimédia (XJA - Renault)
De USB-aansluitingen kunnen ook worden
gebruikt om accessoires die door onze tech-
nische dienst zijn goedgekeurd op te laden
met een maximumvermogen van 12 watt
(spanning: 5 V) per aansluiting.
Met de JACK-aansluiting kunt u naar audio
luisteren met behulp van een aux-kabel.
Équipements multimédia
MULTIMEDIA-UITRUSTING (1/2)
Multimediasystemen A, B of
radio C
De locatie en werking van de uitrusting
kunnen verschillen, afhankelijk van de auto.
1 Multimediascherm.
2 Multimedia-aansluitingen.
3 Stuurkolombediening.
4 Bediening bij het stuurwiel.
5 Radio.
1
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van
het multimediasysteem voor meer infor-
matie.
3
2
1
2
3
Multimedia-aansluitingen 2
U kunt de USB-aansluitingen gebruiken om
toegang te krijgen tot de multimedia-inhoud
van uw accessoires en om het systeem bij
te werken.
De verschillende bronnen kunnen worden
geselecteerd via het multimediascherm of
de radio en de stuurkolomschakelaars.
Sluit alleen accessoires aan
met een vermogen van maxi-
maal 12 watt.
Risico op brand.
4
4
A B
C
5
3
4
prise accessoires .......................................
(page courante)
chargeur sans fil ........................................
(page courante)
3.17
NLD_UD59088_2
Equipement Multimédia (XJA - Renault)
MULTIMEDIA-UITRUSTING (2/2)
6
7
Stuurkolomschakelaars 4
Bij auto’s die hiermee zijn uitgerust kunt u
de knoppen van de handsfree telefoon 6 en
spraakherkenning 7 gebruiken.
Gebruik van de telefoon
Houd u altijd aan de wettelijke
voorschriften met betrekking
tot het gebruik van dit appa-
raat.
4
Microfoon 8
8
Draadloze oplader 9
3.25
9
enfants .......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sécurité enfants .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
lève-vitres ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.18
NLD_UD64544_4
Lève-vitres électriques (BJA - Renault)
Deze systemen werken met contact aan of
contact uit tot het openen van een voorpor-
tier (begrensd tot ongeveer 3 minuten).
Lève-vitres
RUITBEDIENING (1/3)
1
2
3
4
5
6
Leg nooit iets op de bovenkant van een
halfgeopende ruit: risico van beschadi-
ging van de ruitbediening.
Verantwoordelijkheid van de
bestuurder
Laat uw voertuig nooit achter
met de card of sleutel erin en
laat nooit een kind, een afhankelijke vol-
wassene of een dier in de auto achter,
zelfs niet voor eventjes.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar
brengen door de motor te starten, door
organen te bedienen zoals bijvoorbeeld
de ruitbediening, of de portieren te ver-
grendelen.
In geval van beknelling van een li-
chaamsdeel draait u direct de bewe-
gingsrichting van de ruit om door te druk-
ken op de betreffende schakelaar.
Gevaar van ernstige verwondingen.
Veiligheid inzittenden
De bestuurder kan de werking
van de ruitbediening achter uit-
schakelen door schakelaar 4 in
te drukken. Op het instrumentenpaneel
wordt een bevestigingsboodschap weer-
gegeven.
Elektrische ruitbediening met
sneltoets
Druk kort op of trek kort aan de schakelaar
van de ruit tot deze niet verder kan: het raam
gaat dan helemaal open of dicht. Een actie
op de schakelaar stopt de werking van de
ruit.
Let op: de achterruiten kunnen niet hele-
maal omlaag.
Gebruik vanaf de bestuurdersplaats scha-
kelaar:
1 voor de bestuurderskant;
2 voor de passagierskant voor;
3 en 5 voor de passagiers achter.
Druk vanaf de passagiersplaatsen op de
schakelaar 6.
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(page courante)
3.19
NLD_UD64544_4
Lève-vitres électriques (BJA - Renault)
De elektrische ruitbediening werkt niet.
De sneltoets van de elektrische ruitbedie-
ning is voorzien van hittebescherming: als
u de ruitschakelaar meer dan zestien keer
na elkaar indrukt, gaat deze in de beveiligde
modus (de ruit wordt vergrendeld).
Wat kunt u doen:
Gebruik de elektrische ruitschakelaar
kort en met tussenpozen van ongeveer
30 seconden.
Bij draaiende motor wordt de ruit ontgren-
deld nadat de schakelaar van de elektri-
sche ruitbediening circa 20 minuten niet
is gebruikt.
Opmerking: als de ruit tijdens het sluiten op
weerstand stuit (bijv. door een takje), stopt
de ruit en schuift deze daarna enkele centi-
meters terug.
RUITBEDIENING (2/3)
Op afstand sluiten van de ruiten
Als de portieren van buitenaf worden ver-
grendeld door twee keer op de vergrende-
lingsknop van het bestuurdersportier in
handsfreemodus, op de card of, afhanke-
lijk van de auto, op de sleutel te drukken,
sluiten alle ruiten uitgerust met een sneltoets
elektrische ruitbediening automatisch.
Het is raadzaam het systeem alleen in te
schakelen als de gebruiker de auto goed ziet
en er niemand in de auto zit.
Wanneer u de ruiten sluit, moet
u erop letten dat er geen enkel
lichaamsdeel (arm, hand, enz.)
uit het voertuig steekt.
Gevaar van ernstige verwondingen.
3.20
NLD_UD64544_4
Lève-vitres électriques (BJA - Renault)
RUITBEDIENING (3/3)
Handbediende ruiten
Draai de zwengel 7.
7
storingen
Als het sluiten van de ruit niet goed werkt,
schakelt het systeem over op de normale
werking: u kunt dan de betrokken ruitscha-
kelaar zo vaak als nodig bedienen tot de ruit
helemaal sluit (de ruit gaat stap voor stap
omhoog). Houd vervolgens de schakelaar
langer dan drie seconden ingedrukt (nog
steeds aan de sluitkant) en laat dan de ruit
helemaal openen en sluiten om het systeem
te resetten.
Indien nodig, raadpleeg uw merkdealer.
pare-soleil ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
miroirs de courtoisie ..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.21
NLD_UD53845_1
Pare-soleil (XJA - Renault)
Pare-soleil
ZONNEKLEP
Zonneklep voor
Laat de zonneklep 1 zakken.
Make-up spiegels
(afhankelijk van de auto)
Til het deksel 2 omhoog. De verlichting 3
werkt automatisch.
2
3
1
Tijdens het rijden moet het
klepje van de make-up spiegel
gesloten zijn.
Verwondingsgevaar.
éclairage :
intérieur ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
plafonnier ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
spots d’éclairage........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.22
NLD_UD53846_1
Eclairage intérieur (XJA - Renault)
Éclairage intérieur
BINNENVERLICHTING (1/3)
Binnenlicht A
Met de schakelaar 1, kunt u kiezen voor:
een constant brandende verlichting;
– een verlichting die gaat branden als de
auto wordt ontgrendeld of een van de
portieren wordt geopend. Deze dooft als
de betreffende portieren goed gesloten
zijn en na enige tijd;
het onmiddellijk uitgaan.
1
Binnenlicht B
Druk op de 2-schakelaar voor de bestuurder
en op 3 voor de voorpassagier voor inscha-
kelen:
een constant brandende verlichting;
– een verlichting die gaat branden als de
auto wordt ontgrendeld of een van de
portieren wordt geopend. Deze dooft als
de betreffende portieren goed gesloten
zijn en na enige tijd;
het onmiddellijk uitgaan.
2
3
A
B
3.23
NLD_UD53846_1
Eclairage intérieur (XJA - Renault)
6
BINNENVERLICHTING (2/3)
4
5
Kaartleeslampje
(afhankelijk van de auto)
Druk op de 4, 5 of 6-schakelaar voor inscha-
kelen:
een constant brandende verlichting;
het onmiddellijk uitgaan.
Let op: bij auto’s uitgerust met een multime-
diascherm kunt u dit gebruiken om de lees-
spots die aangaan bij het openen van de
deuren of de bagageruimte, in of uit te scha-
kelen. 1.89.
3.24
NLD_UD53846_1
Eclairage intérieur (XJA - Renault)
Het ontgrendelen en het openen van de
portieren en de achterklep zorgen voor
het tijdelijk branden van de binnenlich-
ten.
Bagageverlichting
Het lampje 8 gaat branden bij het openen
van de bagageruimte.
8
Verlichting dashboardkastje
Afhankelijk van de auto gaat het 7-lampje
branden als de achterklep wordt geopend.
7
BINNENVERLICHTING (3/3)
rangements................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
vide-poches ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
aménagements ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.25
NLD_UD66130_3
Rangements / Aménagements habitacle (BJA - Renault)
Rangements, aménagements habitacle
Laat geen spullen op de vloer
(bij de bestuurder) liggen. In
geval van plotseling remmen
zouden deze onder de peda-
len terecht kunnen komen, waardoor de
bestuurder deze niet meer goed kan be-
dienen.
Opbergruimte in voorportieren 1
Hierin kunt u een fles van 1,5 liter plaatsen.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (1/5)
1
Let op dat er geen harde,
zware of scherpe voorwerpen
in de “open” bergruimtes ge-
plaatst zijn, zodat zij tegen de
inzittenden geslingerd kunnen worden
bij het rijden door een bocht of bij plotse-
ling remmen.
Open de opbergruimte 2
2
3
Dashboardkastje 3
Open en verschuif het klepje om bij de op-
bergruimte te komen.
3.26
NLD_UD66130_3
Rangements / Aménagements habitacle (BJA - Renault)
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (2/5)
Let op dat er geen harde,
zware of scherpe voorwerpen
in de “open” bergruimtes ge-
plaatst zijn, zodat zij tegen de
inzittenden geslingerd kunnen worden
bij het rijden door een bocht of bij plotse-
ling remmen.
4
Opbergruimte zonneklep 4
Hierin kunt u kaartjes (bijvoorbeeld van een
tolweg) bevestigen.
Opbergruimte middenconsole/
inductielaadzone 5
Raadpleeg voor meer informatie over de in-
ductielaadzone de gebruiksaanwijzing van
het multimediasysteem.
5
accoudoir
avant ....................................................
(page courante)
3.27
NLD_UD66130_3
Rangements / Aménagements habitacle (BJA - Renault)
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (3/5)
Opbergruimte in middelste
armsteun 7
Til het deksel van de armsteun 6 op.
6
7
3.28
NLD_UD66130_3
Rangements / Aménagements habitacle (BJA - Renault)
Dashboardkastje passagier
Om deze te openen, trekt u aan de hand-
greep 11.
In dit dashboardkastje passen documenten
op A4-formaat, een grote fles, enz.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (4/5)
11
Bekerhouder 10
Hierin kunnen een losse asbak, blikjes enz.
worden geplaatst.
10
Let op bij het accelereren of
het rijden in een bocht, dat de
inhoud van de beker of het
blikje niet over de rand stroomt.
Risico van verwondingen als de vloei-
stof warm is en/of vlekken.
Let op dat er geen harde,
zware of scherpe voorwerpen
in de “open” bergruimtes ge-
plaatst zijn, zodat zij tegen de
inzittenden geslingerd kunnen worden
bij het rijden door een bocht of bij plotse-
ling remmen.
8
9
Bekerhouder 9
Schuif 8 om bij de bekerhouder te kunnen.
De bekerhouder is uitgeruste met haakjes
om de beker op zijn plaats te houden.
poignée de maintien ..................................
(page courante)
3.29
NLD_UD66130_3
Rangements / Aménagements habitacle (BJA - Renault)
Opbergzakken 13 in de
achterstoelen
Let op dat er geen harde,
zware of scherpe voorwerpen
in de “open” bergruimtes ge-
plaatst zijn, zodat zij tegen de
inzittenden geslingerd kunnen worden
bij het rijden door een bocht of bij plotse-
ling remmen.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (5/5)
13
14
Handgreep 14
Hieraan kan men zich vasthouden tijdens
het rijden.
Gebruik deze niet om u aan vast te houden
bij het inof uitstappen.
12
Opbergruimte van het
achterportier 12
allume-cigares ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
cendrier......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
prise accessoires .......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.30
NLD_UD58925_2
Cendrier - Allume-cigares - Prise accessoires (XJA - Renault)
Prise accessoires
Accessoireaansluiting 1
U kunt aansluiting 1 gebruiken. Deze is be-
doeld voor aansluiting van accessoires die
zijn goedgekeurd door onze technische
dienst.
ACCESSOIREAANSLUITING
Sluit alleen accessoires aan
met een vermogen van maxi-
maal 120 watt (12 V).
Als verschillende accessoire-
aansluitingen tegelijk worden gebruikt,
mag het totale vermogen van de aan-
gesloten accessoires niet meer zijn dan
180 watt.
Risico van brand.
1
appuis-tête .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
réglage de la position de conduite .............
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.31
NLD_UD53849_1
Appuis-tête arrière (XJA - Renault)
Appuis-tête arrière
De hoofdsteun is een veilig-
heidsorgaan, dat altijd op zijn
plaats moet zitten en goed
moet zijn afgesteld. De boven-
kant van de hoofdsteun moet op gelijke
hoogte zijn met de kruin.
Gebruiksstand
Zet de hoofdsteun geheel omhoog om hem
in de hoogste stand te gebruiken. Controleer
de vergrendeling.
Hoofdsteun verwijderen
Zet de hoofdsteun geheel omhoog, druk
daarna op de knop 1 en verwijder de hoofd-
steun.
HOOFDSTEUN ACHTER
1
2
De hoofdsteun in de onderste stand is
een opbergstand en alleen toegestaan
als de hoofdsteun niet gebruikt wordt.
Indien er een passagier op de stoel zit, mag
de hoofdsteun niet in de onderste stand ge-
bruikt worden.
Hoofdsteun terugplaatsen
Monteer de poten in hun geleiders en druk
de hoofdsteun omlaag tot hij vergrendelt
om hem in de hoogste stand te zetten.
Controleer de vergrendeling.
Horizontale standen 2 van de
hoofdsteun
Druk op de knop 1 in en laat de hoofdsteun
helemaal zakken.
banquette arrière .......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
sièges arrière
Fonctionnalités .....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.32
NLD_UD58941_2
Banquette arrière : fonctionnalités (XJA - Renault)
Rugleuning neerklappen
Schuif de voorstoelen voldoende naar voren.
Zet de hoofdsteunen zo laag mogelijk.
Plaats de autogordels in hun houder A.
Druk op de knop 1 en kantel de rugleuning B
omlaag.
Banquette arrière : fonctionnalités
Voordat u iets aan de rugleuning doet,
plaats u de autogordel in de gordelgelei-
der A zodat de gordel niet kan bescha-
digen.
Voer deze verstellingen uitslui-
tend uit als de auto stilstaat.
ACHTERBANK: gebruiksmogelijkheden
B
A
1
Voor het terugplaatsen van de rugleu-
ning, gaat u in omgekeerde volgorde te
werk.
Zet de rugleuning weer omhoog en klik deze
vast tegen zijn steun.
Zorg dat tijdens het bewegen
van de achterstoelen, er niets
het verankeren kan hinderen
(lichaamsdeel, dier, steentje,
doek, speelgoed, enz.).
Controleer na het terugkan-
telen van de rugleuning of
deze weer goed is vergrendeld.
Als u stoelhoezen gebruikt,
moet u opletten dat deze de vergrende-
ling van de rugleuning niet belemmeren.
Let op de juiste stand van de autogor-
dels.
Plaats de hoofdsteunen terug.
coffre à bagages ........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.33
NLD_UD53851_1
Coffre à bagages (XJA - Renault)
Coffre à bagages
Het bevestigen van een drager
(fietsdrager, bagagekoffer,
enz.) die rust op de achterklep
is verboden. Om een drager te
installeren op uw auto, neemt u contact
op met een merkdealer.
Met de hand openen van
binnenuit
Bij een elektrische storing kunt u de achter-
klep met de hand van binnenuit openen:
kantel de rugleuningen van de achter-
bank naar voren, zodat u in de bagage-
ruimte kan komen.
steek een potlood of iets dergelijks in de
holte 3 en verschuif het geheel zoals op
de tekening aangegeven is;
duw tegen de achterklep om hem te
openen.
BAGAGERUIMTE
Openen
Druk op knop 1 om de achterklep te een
paar centimeter te openen.
Trek de achterklep omhoog.
Sluiten
Trek de achterklep omlaag, waarbij u eerst
gebruik kunt maken van de handgreep 2 in
de klep.
3
2
1
tablette arrière ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
plage arrière ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.34
NLD_UD58847_2
Tablette arrière (XJA - Renault)
Tablette arrière
Leg geen zware of harde voor-
werpen op de hoedenplank. Bij
plotseling remmen of in geval
van een ongeluk kunnen rond-
slingerende spullen de inzittenden in
gevaar brengen.
HOEDENPLANK
1
Verwijderen
Maak de twee koordjes 1 van de achter-
klep los;
til de hoedenplank 2 op om hem los te
kunnen wippen (beweging A);
trek de hoedenplank naar u toe.
Bij het terugplaatsen, gaat u in omgekeerde
volgorde te werk.
2
2
A
Société-uitvoeringen
Maak de bevestigingen 3 aan beide kanten
van de hoedenplank los en verwijder de
hoedenplank via de achterklep.
Bij het terugplaatsen gaat u in omgekeerde
volgorde te werk
3
anneaux d’arrimage ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
coffre à bagages ........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
plancher mobile .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.35
NLD_UD62497_3
Aménagements coffre à bagages (BJA - Renault)
Aménagements coffre à bagages
Losse bodemplaat 1
Stand vlakke vloer
Op deze manier kan de rugleuning van de
achterstoel naar voren worden gekanteld
om een vlakke vloer te krijgen en de baga-
geruimte in twee afzonderlijke ruimtes in te
delen.
De losse bodemplaat is geplaatst op de
rail 2.
INDELING BAGAGERUIMTE
Toegelaten belasting op de losse bo-
demplaat: 100 kg gelijkmatig verdeeld.
Tussenstand
In de geblokkeerde stand hebt u toegang tot
het gereedschap dat onder de mat van de
bagageruimte ligt.
– Neem de losse bodemplaat 1 weg;
– plaats deze in de bagageruimte, door hem
achter de rail 2 te schuiven.
1
Opbergstand
Op deze manier wordt het volume van de
bagageruimte groter.
– Neem de losse bodemplaat 1 weg;
– plaats deze in de bagageruimte onder de
rail 2.
Tassenhaak 3
Maximumgewicht per haak: 5 kg.
1
3
2
2
coffre à bagages ........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
transport d’objets
dans le coffre .......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anneaux d’arrimage ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.36
NLD_UD62020_2
Transport d’objets dans le coffre (BJA - Renault)
Transport d’objets dans le coffre
De zwaarste voorwerpen
plaatst u zo laag mogelijk op de
laadvloer. Zet de lading indien
mogelijk vast aan de bevesti-
gingspunten 1 (indien aanwezig) op de
vloer van de laadruimte. De lading moet
zo geplaatst zijn dat niets naar voren op
de passagiers geslingerd kan worden als
de bestuurder plotseling moet remmen.
Maak de autogordels van de zitplaatsen
achter vast, ook als deze niet bezet zijn.
VERVOER VAN BAGAGE
Let er bij het vervoer op dat de voorwerpen
met hun langste zijde steunen tegen ofwel:
de rugleuning van de achterbank bij de
normale belading (voorbeeld A);
– de rugleuningen van de voorstoelen met
de rugleuningen van de achterstoelen
neergeklapt als u grote voorwerpen moet
vervoeren (geval B).
Als u voorwerpen op de neergeklapte rug-
leuning wilt plaatsen, moet u eerst de hoofd-
steunen verwijderen voordat u de rugleuning
neerklapt, zodat de rugleuning zo dicht moge-
lijk tegen het zitkussen kan kantelen.
1
1
B
A
remorquage
attelage ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
attelage
montage ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
caravanage ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.37
NLD_UD68934_2
Transport d’objets : attelage (BJA - Renault)
Transport d’objets : attelage
Maximale kogeldruk op trekhaak,
max. aanhangermassa geremd en on-
geremd: 6.8.
Keuze en monteren van een trekhaak
Maximale massa van de trekhaak:
10 kg bij een auto met een trekhaak-
voorbereiding;
– 28 kg bij een auto zonder een trek-
haakvoorbereiding.
Raadpleeg het montagevoorschrift van
de uitrusting voor de montage en de
voorwaarden voor het gebruik.
Het is raadzaam deze voorschriften bij
uw instructieboekje te bewaren.
VERVOER VAN VOORWERPEN: trekhaak
A
Maximale afstand A: 762 mm
Als de sleepuitrusting (kogel, trekhaak
enz.) een onderdeel van de verlichting
en/of de kentekenplaat van de auto zelfs
maar gedeeltelijk afdekt, moet u deze
verwijderen of verplaatsen wanneer
deze niet in gebruik is.
Houd u in elk geval aan de landelijke
wetgeving.
barres de toit..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
galerie
barres de toit ........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
becquet ......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
3.38
NLD_UD58927_2
Barres de toit / Becquet (XJA - Renault)
Raadpleeg een merkdealer voor het
kiezen van de uitrusting die aangepast
is aan uw auto.
Montage moet gebeuren volgens de
montagevoorschriften van de fabrikant.
Het is raadzaam deze voorschriften bij
uw instructieboekje te bewaren.
Max. dakbelasting 6.8.
Voorzorgsmaatregelen voor het
gebruik
Gebruik van de achterklep
Controleer voor het gebruik van de achter-
klep, de voorwerpen en/of accessoires (fiet-
sendrager, dakkoffer, enz.) op de dakdra-
gers: deze moeten op de juiste wijze zijn be-
vestigd en goed vastzitten en mogen de be-
weging van de achterklep niet hinderen.
Barres de toit, becquet
DAKDRAGERS, SPOILER
Spoiler ABevestigingspunten vrijmaken
Open de portieren om bij de inzetstukken
voor de bevestiging 1 te kunnen komen.
Als de originele dakdragers,
die goedgekeurd zijn door onze
technische dienst, geleverd
worden met bouten, gebruik
dan uitsluitend deze bouten voor het be-
vestigen van de dakdragers op de auto.
1
Het bevestigen van een drager
(fietsdrager, bagagekoffer,
enz.) die rust op de spoiler is
verboden. Om een drager te in-
stalleren op uw auto, neemt u contact op
met een merkdealer.
A
4.1
NLD_UD69631_6
Sommaire 4 (BJA - Renault)
Hoofdstuk 4: Onderhoud
Motorkap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.2
Oliepeil van de motor: algemeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.4
Oliepeil van de motor: (bij)vullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.5
Motorolie verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.6
Peilen: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.8
koelvloeistof. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.8
Remvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.9
Ruitensproeierreservoir . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.10
Filters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.10
Uw bandenspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.11
Accu: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.13
Onderhoud van de carrosserie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.15
Onderhoud van de bekleding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4.18
capot moteur..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
4.2
NLD_UD59129_2
Capot moteur (XJA - Renault)
Veiligheidshaak van de
motorkap
Om deze te ontgrendelen, duwt u tegen het
lipje 2 en tilt u tegelijkertijd de motorkap op.
Capot moteur
Om de motorkap te openen, opent u een
portier en trek u aan de 1-hendel aan de lin-
kerkant van het dashboard.
MOTORKAP (1/2)
1
Let op bij werkzaamheden
dicht bij de motor, deze kan
nog warm zijn. Bovendien
kan de ventilateurmotor on-
verwacht gaan draaien. Het waarschu-
wingslampje in de motorruimte
herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar.
2
Druk niet op de motorkap:
risico van ongewenst sluiten
van de motorkap.
Controleer bij werkzaamheden
onder de motorkap of de scha-
kelaar van de ruitenwisser in
de stand uit staat.
Verwondingsgevaar
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 2.6.
5
6
Motorkap openen
Til de motorkap op en maak de steun 5 los
uit zijn houder 6 met behulp van de hendel 4.
Voor uw eigen veiligheid is het heel belang-
rijk dat u de steun vastzet in de beugel 3 in
de motorkap.
3
4
4.3
NLD_UD59129_2
Capot moteur (XJA - Renault)
Sluiten van de motorkap
Controleer voordat u de motorkap sluit of er
geen gereedschap of andere voorwerpen in
de motorruimte zijn achtergebleven.
Voor het weer sluiten van de motorkap,
plaatst u de steun 5 in de bevestiging 6. Pak
de motorkap in het midden vast en laat hem
van een hoogte van 30 cm dichtvallen. Hij
vergrendelt door zijn gewicht.
Zorg er na alle werkzaamhe-
den in de motorruimte voor dat
u niets vergeet (doeken, ge-
reedschap enz.).
Deze kunnen de motor beschadigen of
brand veroorzaken.
Controleer de vergrendeling
van de kap.
Controleer of niets de vergren-
deling belemmert (steentje,
doek, enz.).
Bij een botsing, zelfs een lichte,
tegen de grille of de motorkap
moet u zo snel mogelijk het
vergrendelingssysteem van
de motorkap laten controleren door een
merkdealer.
MOTORKAP (2/2)
5
6
entretien :
mécanique ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
niveau d’huile moteur ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
huile moteur ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
jauge d’huile moteur ..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
4.4
NLD_UD62640_3
Niveau huile moteur : généralités (BJA - Renault)
Niveau huile moteur : généralités
Iedere motor verbruikt wat olie voor het
smeren en koelen van de bewegende delen
in de motor. Het is daarom normaal dat u
tussen twee onderhoudsbeurten olie moet
bijvullen.
Indien u na de inrijperiode echter meer dan
0,5 liter olie per 1000 km moet bijvullen,
dient u dit aan een merkdealer te melden.
Controleer het oliepeil regelmatig en
in ieder geval voor elke grote reis: vul
indien nodig tijdig olie bij om ernstige
schade aan de motor te voorkomen.
Aflezen van het oliepeil
De auto moet horizontaal staan en de motor
mag geruime tijd niet hebben gedraaid.
Voor het exacte oliepeil en het controle-
ren of het maximumpeil niet overschre-
den is (risico op schade aan motor), moet
u de peilstaaf gebruiken.
Het display van het instrumentenpaneel
waarschuwt uitsluitend als het oliepeil mini-
maal is.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: algemeen
A
B
A
B
C
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 of 2.6.
Overschrijding van het
maximumpeil van de
motorolie
Het maximumpeil B mag nooit
worden overschreden: hierdoor bestaat
het gevaar dat de motor en het anti-
verontreinigingssysteem beschadigd
worden. Als het peil boven het maximum
is, start de motor dan niet en roep de
hulp in van een merkdealer.
A
B
Bijvullen
motorolie
Gebruik een trechter of be-
scherm het gedeelte rond te
vulopening om te voorkomen dat er mo-
torolie op een warm gedeelte van de
motorruimte of een gevoelig onderdeel
(d.z.w. elektrische onderdelen) terecht-
komt.
Risico van brand.
Haal de peilstaaf eruit en veeg hem af
met een droge en niet pluizende doek;
steek de peilstaaf weer zo diep mogelijk
in zijn houder, (als de motor een “peil-
dop” C heeft, draait u deze geheel vast);
haal de peilstaaf weer uit de motor;
– lees het peil af: dit mag nooit lager zijn
dan het “minimumpeil” A en nooit hoger
zijn dan het “maximumpeil” B.
Als u het peil heeft gelezen, moet u de peil-
staaf tegen de aanslag terugplaatsen of de
peildop geheel vastdraaien.
huile moteur ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
vidange moteur ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
niveau d’huile moteur ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
capacités huile moteur...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
filtre :
à huile ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
4.5
NLD_UD70263_4
Niveau huile moteur : appoint, remplissage (BJA - Renault)
Niveau huile moteur : appoint, remplissage
(Bij)vullen
De auto moet horizontaal staan en de motor
moet koud zijn (bijvoorbeeld voordat u
‘s morgens wegrijdt).
Draai de dop 1 los;
– breng de olie op peil (capaciteit tussen
“mini” en “maxi” van de peilstaaf 2 en
tussen 0,9 en 2 liter, afhankelijk van de
motor);
wacht 20 minuten om de olie naar bene-
den te laten zakken in de motor;
controleer het peil met de peilstaaf 2
zoals hiervoor is beschreven.
Als u het peil heeft gelezen, moet u de peil-
staaf tegen de aanslag terugplaatsen of de
peildop geheel vastdraaien.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen, aftappen (1/3)
2
Vul nooit bij tot boven het maximum-
peil en vergeet niet de dop 1 en de peil-
staaf 2 weer terug te plaatsen.
1
2
1
2
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 of 2.6.
1
Bijvullen
motorolie
Gebruik een trechter of be-
scherm het gedeelte rond te
vulopening om te voorkomen dat er mo-
torolie op een warm gedeelte van de
motorruimte of een gevoelig onderdeel
(d.z.w. elektrische onderdelen) terecht-
komt.
Risico van brand.
4.6
NLD_UD70263_4
Niveau huile moteur : appoint, remplissage (BJA - Renault)
Vidange moteur
Olie aftappen: let op bij het af-
tappen van hete olie dat u zich
er niet aan brandt.
Olie verversen
Interval: raadpleeg het onderhoudsdocu-
ment van uw auto.
Inhoud bij verversen
Raadpleeg het onderhoudsdocument van
uw auto of neem contact op met een merk-
dealer. Controleer het motoroliepeil altijd
met behulp van de peilstaaf zoals hiervoor is
uitgelegd (het mag nooit lager dan het mini-
mumpeil of hoger dan het maximumpeil van
de peilstaaf zijn).
Soort motorolie
Raadpleeg het onderhoudsdocument van
uw auto.
2
1
Overschrijding van het maxi-
mumpeil van de motorolie
Het maximumpeil mag nooit
worden overschreden: dit kan
leiden tot schade aan de motor en het
antiluchtverontreinigingssysteem.
Als het peil boven het maximum is, start
de motor dan niet en roep de hulp in
van een merkdealer.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen, aftappen (2/3)
4.7
NLD_UD70263_4
Niveau huile moteur : appoint, remplissage (BJA - Renault)
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen, aftappen (3/3)
Controleer bij werkzaamheden
onder de motorkap of de scha-
kelaar van de ruitenwisser in
de stand uit staat.
Verwondingsgevaar
Oliepeil bijvullen en/of con-
troleren: let er bij het bijvullen
of controleren van het oliepeil
op dat er geen olie op de mo-
toronderdelen lekt.
Vergeet niet de dop goed te sluiten en
de peilstok terug te plaatsen om te voor-
komen dat er olie op hete motoronder-
delen spat.
Risico van brand.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk
daalt, moet u een merkdealer raadple-
gen
Laat de motor nooit in een af-
gesloten ruimte draaien: uit-
laatgassen zijn giftig.
Let op bij werkzaamheden
dicht bij de motor, deze kan
nog warm zijn. Bovendien
kan de ventilateurmotor on-
verwacht gaan draaien. Het waarschu-
wingslampje in de motorruimte
herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar
niveaux ......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
liquide de refroidissement moteur .............
(page courante)
réservoir
liquide de refroidissement ....................
(page courante)
niveaux :
liquide de refroidissement ....................
(page courante)
4.8
NLD_UD58930_2
Niveau / Filtres (XJA - Renault)
Regelmatige controle van het peil
Controleer regelmatig het peil van de
koelvloeistof (de motor kan ernstig bescha-
digen door een gebrek aan koelvloeistof).
Vul uitsluitend bij met door onze technische
dienst goedgekeurde producten die zorgen
voor:
een bescherming tegen bevriezen;
een bescherming tegen corrosie van het
koelcircuit.
Niveaux
liquide de refroidissement moteur
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk
daalt, moet u een merkdealer raadple-
gen
Zolang de motor warm is,
mogen er geen werkzaamhe-
den aan de motor en het koel-
systeem worden uitgevoerd.
Risico van brandwonden.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsdocument van
uw auto.
Koelvloeistof
Bij een uitgeschakelde en op een hori-
zontale ondergrond, moet het peil bij een
koude motor liggen tussen de merktekens
“MINI” en “MAXI” op het koelvloeistofreser-
voir 1.
Vul bij koude motor bij, voordat het peil be-
neden het “MINI”-merkteken is gedaald.
1
Controleer bij werkzaamheden
onder de motorkap of de scha-
kelaar van de ruitenwisser in
de stand uit staat.
Verwondingsgevaar
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 of 2.6.
PEILEN, FILTERS (1/3)
liquide de freins .........................................
(page courante)
niveaux :
liquide de frein .....................................
(page courante)
réservoir
liquide de freins ....................................
(page courante)
4.9
NLD_UD58930_2
Niveau / Filtres (XJA - Renault)
liquide de freins
Peil 2
Het is normaal dat het remvloeistofpeil daalt
met het slijten van de remblokken, maar het
mag nooit beneden het “MINI"-merkteken
komen.
Als u zelf de slijtage van de remblokken en
schijven wilt controleren, vraag dan bij uw
dealer naar de brochure met de controleme-
thode of raadpleeg de website van de fabri-
kant.
Vullen
Na werkzaamheden aan het hydraulische
circuit moet de remvloeistof worden vervan-
gen door een deskundige.
Gebruik hiervoor uitsluitend door onze tech-
nische dienst goedgekeurde remvloeistof uit
een verzegelde verpakking.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsdocument van
uw auto.
Remvloeistof
Controleer regelmatig het peil van de rem-
vloeistof en zeker als u bij het remmen een
verschil, hoe gering ook, opmerkt.
Controle van het peil moet bij stilstaande
motor en op horizontale ondergrond plaats-
vinden.
2
Let op bij werkzaamheden
dicht bij de motor, deze kan
nog warm zijn. Bovendien
kan de ventilateurmotor on-
verwacht gaan draaien. Het waarschu-
wingslampje in de motorruimte
herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk
daalt, moet u een merkdealer raadple-
gen
PEILEN, FILTERS (2/3)
filtre :
à air ......................................................
(page courante)
réservoir
lave-vitres ............................................
(page courante)
niveaux :
réservoir lave-vitre ...............................
(page courante)
filtre :
habitacle ..............................................
(page courante)
4.10
NLD_UD58930_2
Niveau / Filtres (XJA - Renault)
réservoir lave-vitres
Filtres
Filters
Het vervangen van de filters (luchtfilter, inte-
rieurfilter, brandstoffilter) maakt deel uit van
het onderhoudsprogramma van uw auto.
Interval voor het vervangen van de fil-
ters: raadpleeg het onderhoudsdocument
van uw auto.
Voorruitsproeierreservoir
Vullen
Stilstaande motor, open de dop 3. Vul bij tot
u de vloeistof ziet en plaats de dop terug.
Opmerking: controleer regelmatig het peil
van het reservoir en vul dit bij voordat u
begint aan een rit.
PEILEN, FILTERS (3/3)
3
Controleer bij werkzaamheden
onder de motorkap of de scha-
kelaar van de ruitenwisser in
de stand uit staat.
Verwondingsgevaar
Let op bij werkzaamheden
dicht bij de motor, deze kan
nog warm zijn. Bovendien
kan de ventilateurmotor on-
verwacht gaan draaien. Het waarschu-
wingslampje in de motorruimte
herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 of 2.6.
Vloeistof
Product voor ruitensproeiers. Gebruik ‘s win-
ters een antivriesmiddel. Gebruik producten
die erkend zijn door een merkdealer.
Opmerking: gebruik geen zuiver water
(risico op beschadiging van de aanzuig-
pomp, kalkafzetting op de pomp en de
sproeiers).
Sproeiers
Raadpleeg een merkdealer om de sproeiers
van de voorruit op de juiste hoogte te rich-
ten.
pression des pneumatiques.......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
gonflage des pneumatiques ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
pneumatiques ............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
4.11
NLD_UD53866_1
Pressions de gonflage des pneumatiques (XJA - Renault)
Pressions de gonflage des pneumatiques
BANDENSPANNINGEN (1/2)
A
C
ED
F
B
C
D E
B: bandenmaat van uw auto.
C: voorziene rijsnelheid.
D: bandenspanning voor.
E: bandenspanning achter.
F: bandenspanning van het reservewiel.
Sticker A
Open het bestuurdersportier om het te lezen.
De bandenspanning dient bij koude banden
te worden gecontroleerd.
Indien u de bandenspanning niet bij koude
banden kunt controleren, moet u de opge-
geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI)
verhogen. Verlaag nooit de spanning van
een warme band.
Auto met waarschuwing bij verlies van
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, te
lage bandenspanning enz.) verschijnt het
waarschuwingslampje op het instru-
mentenpaneel. 2.38.
A
4.12
NLD_UD53866_1
Pressions de gonflage des pneumatiques (XJA - Renault)
BANDENSPANNINGEN (2/2)
De veiligheid van de banden en de mon-
tagevoorschriften van de ketting: voor in-
formatie over het onderhoud en, afhankelijk
van de uitvoering van de auto, het gebruik
van sneeuwkettingen. 5.11.
Voor uw veiligheid en voor de
naleving van de geldende we-
tgeving.
Als de banden moeten worden
vervangen, dan mag dit alleen gebeuren
met even grote banden van hetzelfde
merk, hetzelfde type en dezelfde struc-
tuur op eenzelfde profiel.
Deze moeten: ten minste hetzelfde
laadvermogen en dezelfde maxi-
mumsnelheid als de oorspronkelijke
banden hebben, ofwel voldoen aan de
door de merkdealer gestelde eisen.
Indien u deze instructies niet respec-
teert, kunt u uw veiligheid in gevaar
brengen en is uw auto mogelijk niet
conform de voorschriften.
Risico op verlies van de controle over
de auto.
Auto’s gebruikt bij maximale
belasting (maximaal toegela-
ten totaalmassa) en met een
aanhangwagen
De maximumsnelheid is beperkte tot
100 km/uur en de bandenspanning
moet worden verhoogd met 0,2 bar.
6.8.
Kans op klapband.
batterie.......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
entretien :
mécanique ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
4.13
NLD_UD64532_2
Batterie (BJA - Renault)
Batterie
ACCU (1/2)
1
De accu 1 is onderhoudsvrij. U mag de
accu niet openen of er vloeistof aan toe-
voegen.
De accu bevat zwavelzuur.
Vermijd daarom contact met de
ogen, de huid of kleding. Bij on-
verhoopt contact spoelen met
veel water. Indien nodig een arts raad-
plegen.
Houd open vuur, gloeiende voorwerpen
en vonken verwijderd van de accu: ex-
plosiegevaar.
Afhankelijk van de auto, controleert een
systeem continu de capaciteit van de accu.
Als deze afneemt, verschijnt het bericht
Spaarstand accu” op het instrumenten-
paneel, gevolgd door “Accu zwak start de
motor”. In dit geval start u de motor en ver-
dwijnt de boodschap op het instrumentenpa-
neel.
Let op: het bericht “Spaarstand accu” kan
worden weergegeven na 5 tot 30 minuten
gebruik van de auto met de motor uit om
de gebruiker te waarschuwen dat de ener-
gie gebruikende functies (binnenverlichting,
radio, navigatie, ventilatie, accessoires voe-
ding enz.) automatisch kunnen worden uit-
geschakeld.
De capaciteit van uw accu kan verminderen,
vooral als u uw auto gebruikt:
voor korte ritten;
in stadsverkeer;
als de temperatuur daalt;
bij langdurig gebruik van stroomverbrui-
kers (radio enz.) bij stilstaande auto.
Let op bij werkzaamheden
dicht bij de motor, deze kan
nog warm zijn. Bovendien
kan de ventilateurmotor on-
verwacht gaan draaien. Het waarschu-
wingslampje in de motorruimte
herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 2.6.
4.14
NLD_UD64532_2
Batterie (BJA - Renault)
Sticker A
Houd u aan de indicaties op de accu:
2 open vuur en roken verboden;
3 oogbescherming verplicht;
4 op afstand van kinderen houden;
5 explosieve stoffen;
6 raadpleeg het instructieboekje;
7 corrosieve stoffen.
2
Omdat de accu van een spe-
ciaal type is, moet u deze ver-
vangen door een gelijkwaar-
dige accu. Raadpleeg een
merkdealer.
567
A
2
3 4
ACCU (2/2)
Teneinde uw veiligheid en een
goede werking van de elektri-
sche uitrustingen van de auto
te waarborgen (lampen, ruiten-
wisser, rembekrachtiging), moet elk on-
derhoud aan de accu (demontering, los-
koppeling...) verplicht worden uitgevoerd
door een gespecialiseerd vakman.
Risico op brandwonden door elektrische
schokken.
Houd u aan de vervangingsintervallen in
het onderhoudsboekje. U mag deze niet
overschrijden.
De accu is van een speciaal type. Zorg
dat deze wordt vervangen door een van
hetzelfde type.
Roep de hulp in van een merkdealer.
entretien :
carrosserie ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
lavage ........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
peinture
entretien ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
protection anticorrosion .............................
(page courante)
4.15
NLD_UD56855_2
Entretien de la carrosserie (peinture mate) (BJA - Renault)
Entretien de la carrosserie
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (1/3)
Wat u moet doen
Was uw auto regelmatig, met de motor uit,
met door onze technische diensten gese-
lecteerde shampoos (nooit met schuurmid-
delen). Spuit vooraf rijkelijk met een water-
straal het volgende af:
de aanslag door luchtverontreiniging,
bloeiende bomen (linden bijvoorbeeld);
modder uit de wielkuipen en onder de bo-
demplaat die anders lange tijd het vocht
kunnen vasthouden;
de uitwerpselen van vogels, die een
chemische reactie met de lak veroorza-
ken waardoor deze snel kan ontkleuren
en zelfs kan loslaten;
Deze vlekken moet u direct wegwassen,
want zij kunnen later niet meer door poet-
sen worden verwijderd;
zout, dat vooral in de wielkuipen en onder
de bodemplaat achterblijft na te hebben
gereden op wegen waar gestrooid is.
Ontdoe de auto regelmatig van plantenres-
ten (hars, bladeren enz.).
Een goed onderhouden auto gaat langer
mee. Daarom wordt aangeraden de buiten-
kant van de auto regelmatig te onderhou-
den.
Uw auto is op doelmatige wijze tegen roest-
vorming beschermd. Toch staat hij bloot aan
de invloed van verschillende parameters.
Agressieve stoffen in de lucht
Luchtverontreiniging (in steden en in in-
dustriegebieden);
zilte lucht langs de kust, vooral bij warm
weer;
wisselende klimaatinvloeden en verande-
ringen in de vochtigheidsgraad (wegen-
zout in de winter, water waarmee de weg
wordt schoongespoeld enz.).
Kleine beschadigingen in het dagelijks
gebruik
Schurende stoffen
Stof in de lucht, zand, modder, opspattende
steentjes, enz.
Er zijn een aantal maatregelen nodig om de
hierboven genoemde gevaren te bestrijden.
Houd rekening met lokale voorschriften
inzake het wassen van een auto (bv. niet op
de openbare weg).
Houd bij het rijden op pas geasfalteerde
wegen afstand van de andere auto’s om be-
schadiging van lak en ruiten door opspat-
tend grind te voorkomen.
Kleine beschadigingen van de lak moet
u snel herstellen of laten herstellen zodat
roest ook daar geen kans krijgt.
Laat uw merkdealer regelmatig de carrosse-
rie inspecteren als de auto een plaatwerk-
garantie heeft. Raadpleeg het onderhouds-
document.
Bewegende delen of mechanische organen
moeten na reiniging altijd met een door onze
technische dienst goedgekeurd product op-
nieuw worden beschermd.
Bij de merkdealer vindt u een uitgebreid
gamma speciale onderhoudsproducten.
4.16
NLD_UD56855_2
Entretien de la carrosserie (peinture mate) (BJA - Renault)
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (2/3)
Ontvetten of reinigen met
behulp van een hoge-
drukreiniger of sproeipro-
ducten die niet door onze
technische dienst zijn goed-
gekeurd.
mechanische delen (bijv. de motor-
ruimte);
de wielen (bijv. remsysteemcomponen-
ten zoals remklauwen);
onderkant carrosserie;
scharnierende delen (bijv. aan de portie-
ren);
gelakte plastic delen aan de buitenkant
(bijv. bumpers).
Hierdoor kunnen oxidatie of storingen ont-
staan.
Wat u niet moet doen
De auto wassen in felle zon of als het vriest.
Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder
ze eerst met water los te weken.
De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan
ophopen.
Kleine beschadigingen niet (laten) bijwer-
ken.
Vlekken of aanslag verwijderen met op-
losmiddelen die niet door onze technische
diensten zijn geselecteerd. De lak kan hier-
door worden aangetast.
Vaak door sneeuw en modder rijden zonder
de auto te wassen, met name de wielkuipen
en de bodemplaat.
4.17
NLD_UD56855_2
Entretien de la carrosserie (peinture mate) (BJA - Renault)
Rijden door een wasstraat
Zet de schakelaar van de ruitenwisser terug
in de ruststand. 1.106. Controleer de be-
vestiging van de uitrusting aan de buiten-
kant, extra lampen, achteruitkijkspiegels en
zet de ruitenwisserbladen vast met tape.
Verwijder de spriet van de radioantenne
indien uw auto hiermee is uitgerust.
Denk eraan na het wassen het tape te ver-
wijderen en de antenne terug te plaatsen.
Bijzonderheid van auto’s met
matte lak
Voor dit type lak moeten bepaalde voor-
zorgsmaatregelen worden genomen.
Wat u moet doen
De auto overvloedig met de hand met water
wassen en daarbij een zachte doek, spons,
enz. gebruiken.
Wat u niet moet doen
Producten op basis van was gebruiken (op-
wrijven).
Te hard wrijven.
De auto wassen in een wasstraat.
Stickers op de lak plakken (risico op achter-
blijvende resten).
De auto reinigen met een
hogedrukreiniger.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (3/3)
Reinigen van de koplampen,
de opname-elementen en de
camera’s
Veeg deze schoon met een zachte doek of
poetskatoen. Als dit onvoldoende is, bevoch-
tig deze dan met wat zeepsop en veeg deze
af met een zachte doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een
droge zachte doek.
Gebruik geen reinigingsmiddelen met al-
cohol of gereedschap zoals een ijskrab-
ber.
entretien :
garnitures intérieures ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
garnitures intérieures
entretien ...............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
nettoyage :
intérieur véhicule ..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
ceintures de sécurité .................................
(page courante)
4.18
NLD_UD62569_2
Entretien des garnitures intérieures (BJA - Renault)
Entretien des garnitures intérieures
Ruiten van instrumenten
(bijv. instrumentenpaneel, klok, buitenther-
mometer, enz.)
Veeg deze schoon met een zachte doek of
poetskatoen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een
in zeepsop gedrenkte doek (of poetska-
toen) en veeg de ruit voorzichtig na met een
andere vochtige doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met
een droge zachte doek.
Gebruik geen producten met alcohol en/
of spuit vloeistoffen in dit gebied.
Autogordels
Deze moeten goed schoon worden gehou-
den.
Gebruik producten die door de merkdealer
worden geleverd of lauw zeepsop en een
spons; veeg de gordels met een doek droog.
Gebruik geen wasmiddelen of kleurstof-
fen omdat deze de gordels kunnen aan-
tasten.
ONDERHOUD VAN DE BINNENBEKLEDING (1/2)
Textiel (stoelen,
deurbekleding ...)
Stofzuig het textiel regelmatig.
Vloeistofvlekken
Gebruik zeepsop.
Absorbeer de vlek of duw er lichtjes op (nooit
wrijven) met een zachte doek. Spoel daarna
het restant af en absorbeer dit.
Vlekken van vaste of halfvaste
substanties
Verwijder restanten van vaste of halfvaste
substanties onmiddellijk met behulp van
een spatel (ga daarbij vanaf de randen naar
het midden van de vlek om te voorkomen
dat deze wordt uitgesmeerd).
Reinig zoals aangegeven voor vloeistofvlek-
ken.
Snoep en kauwgom verwijderen
Leg een ijsblokje op de vlek om deze te laten
uitharden en ga daarna te werk zoals aange-
geven voor vaste vlekken.
Een goed onderhouden auto gaat langer
mee. Daarom wordt aangeraden de binnen-
kant van de auto regelmatig te onderhou-
den.
Een vlek moet altijd snel behandeld worden.
Reinig de bekleding (ongeacht het soort
vlek) met koud of lauwwarm zeepsop op
basis van natuurlijke zeep.
Gebruik geen detergenten (afwasmiddel,
producten in poedervorm, producten op
alcoholbasis enz.).
Gebruik een zachte doek.
Spoel en absorbeer het overschot.
Multimediascherm
Onderhoud van het scherm kan afhanke-
lijk zijn van het type multimedia-apparatuur.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het
multimediasysteem voor meer informatie.
Raadpleeg de merkdealer voor advies
over het onderhoud van het interieur en/
of bij een onbevredigend resultaat.
4.19
NLD_UD62569_2
Entretien des garnitures intérieures (BJA - Renault)
Wat u niet moet doen
Plaats geen voorwerpen zoals deodorant,
parfum, enz. bij de ventilatieroosters; deze
kunnen de bekleding van het dashboard
aantasten.
Gebruik van een hogedruk-
reiniger of sproeiproducten
in het interieur van de auto:
als geen bijzondere voorzorgsmaatrege-
len worden genomen, bestaat het gevaar
dat elektrische en elektronische compo-
nenten in de auto defect raken.
ONDERHOUD VAN DE BINNENBEKLEDING (2/2)
Verwijderen/terugplaatsen
van oorspronkelijk in de auto
aangebrachte afneembare
uitrusting
Als u afneembare uitrusting moet verwijde-
ren om het interieur schoon te maken (bij-
voorbeeld matten), moet u altijd zorgen dat
u ze correct en aan de goede kant terug-
plaatst (de bestuursmat moet aan de kant
van de bestuurder worden teruggeplaatst)
en vastzet met de elementen die bij de uit-
rusting zijn geleverd (de bestuurdersmat bij-
voorbeeld, moet altijd worden vastgezet met
behulp van de voorgeïnstalleerde bevesti-
gingselementen).
Controleer altijd, terwijl de auto nog stilstaat,
of niets de besturing hindert (obstakel onder
de pedalen, een hak die achter de mat blijft
hangen, enzovoort).
4.20
NLD_UD53776_1
Filler NU (XJA - Renault)
5.1
NLD_UD69632_6
Sommaire 5 (BJA - Renault)
Hoofdstuk 5: Praktische tips
Lekke band, reservewiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.2
Pompset voor de banden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.4
De gereedschappen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.7
Velg, wiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.8
VERWISSELEN VAN EEN WIEL . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.9
Banden (veiligheid, wielen, wintergebruik) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.11
Koplampen (vervangen van een lamp) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.14
Achterlichten en markeringslichten (lampen vervangen). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.15
Zijknipperlichten (vervangen van een lamp) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.17
binnenverlichting: lampen vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.18
Sleutel met afstandsbediening: batterij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.20
Kaart: batterij . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.22
Accu: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.24
Radio inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.27
Toebehoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.28
Zekeringen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.29
Ruitenwisserbladen: vervanging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.33
Aanhanger . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.35
storingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5.37
crevaison ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
roue de secours .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
kit de gonflage des pneumatiques .............
(page courante)
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
5.2
NLD_UD70356_2
Crevaison, roue de secours (BJA - Renault)
Crevaison, roue de secours
In geval van een lekke band
Afhankelijk van de auto, beschikt u over een
oppompset voor de banden of een reserve-
wiel (raadpleeg de volgende bladzijdes).
Auto met waarschuwing bij verlies van
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, te
lage bandenspanning enz.) verschijnt het
waarschuwingslampje op het instru-
mentenpaneel. 2.38.
LEKKE BAND, RESERVEWIEL (1/2)
Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers
waarschuwen door middel van de gevarendriehoek of op een andere wijze, vol-
gens de regels van het land waar u bent.
Laat het reservewiel regelmatig door uw dealer controleren. Na verloop van tijd
kan het door veroudering onbruikbaar worden.
Auto met een reservewiel dat afwijkt van de andere vier wielen:
Monteer nooit meer dan één reservewiel op een auto.
Vervang zo snel mogelijk het reservewiel door een wiel dat identiek is aan het originele
wiel.
Bij tijdelijke gebruik van dit reservewiel, mag de rijsnelheid niet hoger zijn dan de snel-
heid die op de sticker op het wiel aangegeven staat.
De montage van dit wiel kan het rijgedrag van uw auto veranderen. Voorkom snel op-
trekken en krachtig remmen en verminder uw snelheid in bochten.
Als u sneeuwkettingen moet gebruiken, monteer dan het reservewiel op de achteras en
controleer de bandenspanning.
bloc-outils ..................................................
(page courante)
cric .............................................................
(page courante)
5.3
NLD_UD70356_2
Crevaison, roue de secours (BJA - Renault)
LEKKE BAND, RESERVEWIEL (2/2)
Reservewiel
Om erbij te kunnen komen:
open de bagageruimte;
til, afhankelijk van de auto, de losse bo-
demplaat en de mat van de bagage-
ruimte op 1;
Verwijder, afhankelijk van het model, de
afdekplaat 2 van de gereedschapsset 4
door deze te schuiven (beweging C of D).
draai de centrale bevestiging 3 (deze zit,
afhankelijk van de auto, onder de krik)
linksom los;
1
A
Verwijder de gereedschapsset 4.
bouw het reserverwiel (A of B, afhanke-
lijk van de auto) uit.
B
1
2
Bij auto’s uitgerust met een reserve-
wiel B, kan de lekke band mogelijk niet
worden opgeslagen op de plaats van het
reservewiel B. De 4-gereedschapsset
moet worden bevestigd met behulp van
de centrale bevestiging 3 en de lekke
band moet worden geplaatst in de baga-
geruimte.
D
C
4
1 1
3
kit de gonflage des pneumatiques .............
(jusqu’à la fin de l’UD)
crevaison ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
gonflage des pneumatiques ......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.4
NLD_UD53873_1
Kit de gonflage des pneumatiques (XJA - Renault)
Kit de gonflage des pneumatiques
POMPSET VOOR DE BANDEN (1/3)
De set is uitsluitend bestemd
en goedgekeurd voor het op-
pompen van banden van een
auto die met deze set uitgerust
is.
In geen geval mag de set gebruikt
worden voor het oppompen van banden
van een andere auto of enig ander op-
pompbaar voorwerp (zwemband, boot,
enz.).
Voorkom dat de huid in contact komt met
de vloeistof tijdens de reparatiehandelin-
gen. Als toch druppeltjes ontsnappen,
moet u deze overvloedig afspoelen.
Houd de reparatieset uit de buurt van
kinderen.
Gooi het lege reservoir niet in de natuur.
Lever het in bij uw merkdealer of bij een
depot voor klein chemisch afval.
Het reservoir heeft een beperkte houd-
baarheid die is aangegeven op zijn
etiket. Controleer de houdbaarheidsda-
tum.
Ga bij een merkdealer langs om de
pompslang en het reservoir met het re-
paratieproduct te laten vervangen.
A
B
De set repareert beschadigde
banden waarvan het loopvlak A
beschadigd is door een voor-
werp van minder dan 4 millime-
ter. Hij repareert niet alle typen lekken,
zoals sneden van meer dan 4 millimeter,
sneden aan de zijkant B van de band,
enz.
Controleer ook of de velg in goede staat
is.
Verwijder niet het voorwerp dat de oor-
zaak is van de lekkage als dit nog in de
band zit.
Gebruik de pompset niet als de
band beschadigd is door het
rijden met een lekke band.
Controleer dus zorgvuldig de
zijkant van de banden voor het repare-
ren.
Bovendien kan het rijden met zachte of
zelfs platte (of lekke) banden de veilig-
heid in gevaar brengen en niet te repa-
reren blijken.
Deze reparatie is tijdelijk.
Een lekke band moet zo snel mogelijk
worden gerepareerd en vóór terugplaat-
sing door een deskundige worden on-
derzocht.
Voor het vervangen van een band die
met behulp van deze set gerepareerd is,
moet u de specialist op de hoogte bren-
gen.
Tijdens het rijden kan een trilling gevoeld
worden door de aanwezigheid van het
product in de band.
avertisseur de perte de pression des pneu-
matiques ....................................................
(page courante)
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
5.5
NLD_UD53873_1
Kit de gonflage des pneumatiques (XJA - Renault)
POMPSET VOOR DE BANDEN (2/3)
Gebruik, afhankelijk van de auto, in geval
van een lekke band, de set die is opgebor-
gen in de bagageruimte of onder de mat van
de bagageruimte.
Auto met waarschuwing bij verlies van
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, te
lage bandenspanning enz.) verschijnt het
waarschuwingslampje op het instru-
mentenpaneel. 2.38.
Draaiende motor, parkeerrem vastgezet,
Ontkoppel alle accessoires die eerder
waren aangesloten op de accessoireaa-
nsluitingen van het voertuig;
raadpleeg de informatie op de pomp-
setcompressor in de bagageruimte van
de auto en volg de instructies op.;
pomp de band op tot de voorgeschreven
spanning 4.11 ;
na maximaal 15 minuten stopt u het
pompen om de spanning af te lezen (op
de manometer 2).
Opmerking: terwijl de fles leegloopt (on-
geveer 30 seconden), geeft de mano-
meter 2 kort een spanning tot 6 bar aan,
daarna daalt de spanning;
Corrigeer de spanning: voor meer span-
ning, ga door met oppompen met de
set. U verlaagt de spanning door op de
knop 1 te drukken.
2
Voordat u de set gebruikt zet
u de auto aan de kant van de
weg, ver genoeg van het ver-
keer, schakelt u de alarmknip-
perlichten in, zet u de handrem vast, laat
u alle inzittenden uit de auto stappen en
zorgt u dat deze zich op veilige afstand
van het verkeer bevinden.
Als u de auto stilzet in de berm
van de weg, moet u de andere
weggebruikers waarschuwen
door middel van de gevaren-
driehoek of op een andere wijze, vol-
gens de regels van het land waar u bent.
1
Als na 15 minuten de minimum spanning
van de band van 1,8 bar nog niet is be-
reikt, dan is reparatie niet mogelijk. Ga
niet rijden, maar neem contact op met
een merkdealer.
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
5.6
NLD_UD53873_1
Kit de gonflage des pneumatiques (XJA - Renault)
POMPSET VOOR DE BANDEN (3/3)
Als de band correct is opgepompt, verwijdert
u de set: schroef de pompaansluiting los
van de fles 3 om spatten te voorkomen, en
bewaar de fles in een plastic verpakking om
te voorkomen dat het product gaat lekken.
Plak het etiket met de rijvoorschriften
(onderaan op de fles) op een voor de
bestuurder zichtbare plaats op het dash-
board.
Berg de set op.
Als de band na de eerste keer oppompen
nog steeds lek is, moet er worden gere-
den om het gat te vullen.
Start meteen en rijd met een snelheid van
tussen de 20 en 60 km/u om het product
gelijkmatig in de band te verdelen; stop
na een afstand van 3 kilometer en con-
troleer de spanning.
Als de spanning hoger is dan 1,3 bar
maar lager dan de voorgeschreven span-
ning (raadpleeg de sticker op de rand van
het bestuurdersportier), corrigeer deze
dan. Of neem contact op met een merk-
dealer: de band kan niet worden gerepa-
reerd.
Voorzorgsmaatregel bij het
gebruik van de set
de set mag niet langer dan 15 minuten aan-
eengesloten gebruikt worden.
De fles moet na het eerste gebruik worden
vervangen, ook al zit er nog vloeistof in.
In geval van plotseling remmen
zouden deze onder de pedalen
terecht kunnen komen, waar-
door de bestuurder deze niet
meer goed kan bedienen.
3
Let op, als een ventieldopje
ontbreekt of niet goed vast-
gezet is, kan er lucht uit de
banden ontsnappen en de ban-
denspanning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk
zijn aan de originele en dat ze helemaal
vastgezet zijn.
Na een reparatie met behulp
van de set, mag u niet meer
dan 200 km rijden. Verminder
bovendien uw snelheid en rijd
in elk geval niet sneller dan 80 km/u. Het
etiket dat u op een zichtbare plaats op
het dashboard moet plakken, herinnert
u hieraan.
Afhankelijk van het land of de plaatse-
lijke voorschriften, moet een met de
pompset gerepareerde band worden
vervangen.
bloc outils...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clé d’enjoliveur ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
cric .............................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
manivelle ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anneaux de remorquage ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clé de roue .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
crevaison ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.7
NLD_UD70357_2
Outils (BJA - Renault)
Krik 2
Vouw hem correct in voordat u hem in zijn
houder plaatst (let op dat u de hendel goed
terugplaatst).
Wieldopsleutel 3
Hiermee kunt u de wieldoppen verwijderen.
Wielboutgeleider 4
Voor het loszetten van het laatste stuk of het
vastzetten van het eerste stuk van de wiel-
bouten.
Sleepoog 5
5.35
Wielmoersleutel 1
Hiermee draait u de wielbouten en het sleep-
oog 5 los en zet u deze weer vast.
De aanwezigheid van de gereedschappen
in de gereedschapset is afhankelijk van de
auto.
Het gereedschap A bevindt zich in de bak
onder de mat van de bagageruimte.
Verwijder, afhankelijk van het model, de af-
dekplaat B van de gereedschapsset A door
deze te schuiven (beweging C of D). Let op,
dat u na gebruik het gereedschap goed op-
bergt.
Zorg voor een correcte plaatsing en ver-
grendeling (beweging C of D) van de afdek-
plaat B.
GEREEDSCHAP
Outils
Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is ge- vaarlijk als u plotseling
moet remmen. Plaats na gebruik de gereedschappen weer goed in hun steun en
berg deze correct op in zijn houder: risico van verwonding.
Als het reservewiel is geleverd met bouten, mag u deze bouten uitsluitend voor
het reservewiel gebruiken.
Gebruik de krik alleen voor het verwisselen van een wiel. De krik mag nooit als steun bij
werkzaamheden onder de auto worden gebruikt.
2
1
3
5
4
B
A
D
C
clé d’enjoliveur ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
enjoliveurs .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.8
NLD_UD58931_2
Enjoliveur - Roue (XJA - Renault)
Steek het haakje van de wieldopsleutel 1
(opgeborgen bij het gereedschap) in de
daarvoor bestemde opening dichtbij het ven-
tiel 2.
Om hem weer terug te plaatsen, richt u hem
ten opzichte van ventiel 2. Duw de haak-
jes er in, te beginnen met kant A daarna B
en C, en eindig met de kant tegenover het
ventiel D.
Enjoliveur, roue
VELG, WIEL
Laat nooit gereedschap in de
auto rondslingeren. Dit is ge-
vaarlijk als u plotseling moet
remmen. Plaats na gebruik
de gereedschappen weer goed in hun
steun en berg deze correct op in zijn
houder: risico van verwonding.
1
2
A
B
D
C
changement de roue..................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
levage du véhicule
Changement de roue ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
crevaison ...................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
cric .............................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clé de roue .................................................
(page courante)
5.9
NLD_UD64521_3
Changement de roue (BJA - Renault)
Starten de krik met de hand door de 4 steun-
plaats van de krik in de iets ingespron-
gen gleuf onder de auto, tussen de twee
tanden 5 en in de richting van de pijl 3 te
plaatsen.
Ga door met vastzetten om de onderkant
van de krik goed neer te zetten (hij moet
verticaal onder de auto staan en in één lijn
staan met de kop van de krik).
Draai de zwengel een paar slagen zodat het
wiel vrijkomt van de grond.
Changement de roue
Schakel de alarmknipperlich-
ten in.
Parkeer de auto op veilige afs-
tand van het verkeer op een
horizontale, stroeve en stevige onder-
grond.
Zet de parkeerrem vast en schakel een
versnelling in (eerste of achteruit, of P bij
een automatische transmissie).
Laat alle inzittenden uitstappen en houd
hen op veilige afstand van het verkeer.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (1/2)
2
1
Auto met krik en wielmoersleutel
Verwijder de wieldop (indien van toepas-
sing).
Draai de wielbouten iets los met de wiel-
moersleutel 1. Plaats deze zo dat u deze
naar beneden kan drukken.
Houd de krik 2 horizontaal. De kop van de
krik moet in lijn liggen met de dorpel die het
dichtst bij het betrokken wiel zit, zoals aan-
geduid met de pijl 3.
3
Als u de auto stilzet in de berm
van de weg, moet u de andere
weggebruikers waarschuwen
door middel van de gevaren-
driehoek of op een andere wijze, vol-
gens de regels van het land waar u bent.
5
4
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
5.10
NLD_UD64521_3
Changement de roue (BJA - Renault)
Als u merkt dat een band lek is
moet u direct stoppen en het
reservewiel monteren.
Een lekke band moet zo snel
mogelijk worden gerepareerd en vóór
terugplaatsing door een deskundige
worden onderzocht.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (2/2)
Draai de wielbouten geheel los en neem het
wiel van de naaf.
Plaats het reservewiel op de naaf en draai
het wiel rond tot de gaten voor de wielbouten
samenvallen.
Controleer of het wiel goed tegen de naaf
is gedrukt.
Laat de krik zakken.
Als het wiel op de grond rust, zet u de bouten
goed vast, en moet u het vastzetten en de
bandenspanning van het reservewiel zo snel
mogelijk laten controleren.
Laat nooit gereedschap in de
auto rondslingeren. Dit is ge-
vaarlijk als u plotseling moet
remmen. Plaats na gebruik
de gereedschappen weer goed in hun
steun en berg deze correct op in zijn
houder: risico van verwonding.
Als het reservewiel is geleverd met
bouten, mag u deze bouten uitsluitend
voor het reservewiel gebruiken.
Gebruik de krik alleen voor het verwis-
selen van een wiel. De krik mag nooit als
steun bij werkzaamheden onder de auto
worden gebruikt.
Auto met waarschuwing bij verlies van
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, te
lage bandenspanning enz.) verschijnt het
waarschuwingslampje op het instru-
mentenpaneel. 2.38.
pneumatiques ............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
roues (sécurité)..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.11
NLD_UD62284_2
Pneumatiques (BJA - Renault)
Veiligheid van de banden - wielen
De banden vormen de enige verbinding
tussen de auto en het wegdek, het is daarom
van het grootste belang dat zij in goede staat
verkeren.
Houd u strikt aan de wettelijke voorschriften
op dit gebied.
Pneumatiques (sécurité pneumatiques, roues, utilisation hivernale)
Deze slijtagecontrolestiften zijn op regel-
matige afstanden over de omtrek van het
loopvlak verdeeld. Als het loopvlak van
een band tot aan deze stiften is wegge-
sleten, zoals bij 2, moet u deze band laten
vervangen omdat er dan nog slechts
1,6 mm profiel overblijft.
Ook door overbelasting, door het langdurig
snel rijden bij hoge buitentemperaturen en
door het regelmatig rijden op slechte wegen,
kunnen de banden worden beschadigd,
waardoor de veiligheid in gevaar komt.
BANDEN (1/3)
Bestuurdersfouten, zoals
“rijden tegen een stoeprand”,
kunnen de banden en de
velgen beschadigen, en de
voorwielen of achterwielen ontregelen.
Laat in dat geval hun staat door een
merkdealer controleren.
1
2
Onderhoud van de banden
De banden moeten in goede staat verkeren
en voldoende profiel hebben; de merken die
door onze technische dienst zijn goedge-
keurd, zijn voorzien van slijtagecontrolestif-
ten 1, die op regelmatige afstanden over
de omtrek van het loopvlak zijn verdeeld.
pression des pneumatiques.......................
(page courante)
5.12
NLD_UD62284_2
Pneumatiques (BJA - Renault)
Auto met waarschuwing bij verlies van
bandenspanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, te
lage bandenspanning enz.) verschijnt het
waarschuwingslampje op het instru-
mentenpaneel. 2.38.
Reservewiel
5.2, 5.9.
Het kruisen van de wielen
Wij raden u af de wielen onderling van plaats
te verwisselen.
Controleer de spanning bij koude banden,
houd geen rekening met een hogere waarde
bij warm weer of na een snel gereden rit.
Indien u de bandenspanning niet bij koude
banden kunt controleren, moet u de opge-
geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (of 3 PSI)
verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een
warme band.
BANDEN (2/3)
Let op, als een ventieldopje
ontbreekt of niet goed vast-
gezet is, kan er lucht uit de
banden ontsnappen en de ban-
denspanning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk
zijn aan de originele en dat ze helemaal
vastgezet zijn.
Door een te lage banden-
spanning ontstaat vroegtijdige
slijtage en worden de banden
abnormaal heet, met alle ge-
volgen van dien voor de veiligheid:
slechte wegligging;
risico van een klapband of het losla-
ten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhankelijk van
de belasting en de snelheid. Pas de ban-
denspanning aan de gebruiksomstan-
digheden aan (raadpleeg de sticker op
de zijkant van het bestuurdersportier).
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanningen (inclusief
het reservewiel), controleer de bandenspan-
ningen ten minste eenmaal per maand en
zeker voor een lange rit (raadpleeg de stic-
ker op de zijkant van het bestuurderspor-
tier).
5.13
NLD_UD62284_2
Pneumatiques (BJA - Renault)
De banden in de winter
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond
de voorwielen worden gelegd.
Als een te grote bandenmaat is gemonteerd,
kunnen er geen sneeuwkettingen worden
gemonteerd.
Eenrichtingsbanden
Een Eenrichtingsband moet maar in één
richting worden bevestigd. U moet zich
houden aan deze richting.
Als een Eenrichtingsband bevestigd moet
worden in richting tegenovergesteld aan zijn
rotatie na een lekke band, rijd dan met de
nodige voorzichtigheid, vooral op een natte
weg, omdat de specificatie van de band niet
aangepast zullen worden.
Vervangen van de banden
BANDEN (3/3)
Winterbanden
Voor een optimale grip van uw auto raden
wij u aan deze banden op alle vier wielen
te monteren.
Let op: deze banden hebben soms een pijl
met de draairichting en een indicatie van de
maximumsnelheid die lager kan liggen dan
de topsnelheid van uw auto.
Spijkerbanden
Het gebruik van spijkerbanden is slechts
onder bepaalde omstandigheden toege-
staan. Houd u aan de ter plaatse geldende
voorschriften, en rijd niet sneller dan de
daarmee toegelaten maximum snelheid.
Indien u voor deze banden kiest, moeten zij
in ieder geval links en rechts voor worden
gemonteerd.
Het gebruik van sneeuwkettin-
gen is alleen mogelijk in com-
binatie met banden die even
groot zijn als de oorspronke-
lijk op uw auto gemonteerde banden.
Wij raden u in ieder geval aan een merk-
dealer te raadplegen. Hij weet als geen
ander welke voorzieningen het beste bij
uw auto passen.
Voor uw veiligheid en voor de
naleving van de geldende we-
tgeving.
Als de banden vervangen
moeten worden, mag dit alleen gebeu-
ren door even grote banden van hetzel-
fde merk, met dezelfde eigenschappen
en met hetzelfde profiel.
Ze moeten ofwel ten minste hetzelfde
laadvermogen en dezelfde maximum-
snelheid hebben als de oorspronke-
lijke banden, ofwel zijn geadviseerd
door een merkdealer.
Indien u deze instructies niet respec-
teert, kunt u uw veiligheid in gevaar
brengen en is uw auto mogelijk niet
conform de voorschriften.
Risico op verlies van de controle over
de auto.
changement de lampes .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de croisement ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de direction ..........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de position ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de route ................................................
(page courante)
lampes
remplacement ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
projecteurs
avant ....................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clignotants .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
projecteurs
remplacement des lampes ...................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.14
NLD_UD53878_1
Projecteurs avant : remplacement des lampes (XJA - Renault)
Projecteurs avant (remplacement des lampes)
KOPLAMPEN: de lampen vervangen
LED-mistlichten voor,
bochtlichten 3
(afhankelijk van de auto)
Raadpleeg een merkdealer.
Extra lampen
Vraag uw merkdealer om advies als u mist-
lichten op uw auto wilt monteren.
3
2
Richtingaanwijzers/dimlichten/
LED-koplampen grootlicht 1
Raadpleeg een merkdealer.
LED-dagrijverlichting en
markeringslichten 2
(afhankelijk van de auto)
Raadpleeg een merkdealer.
Wijzig niet zelf de bedrading
van de auto want door een ver-
keerde aansluiting kan de elek-
trische installatie worden be-
schadigd (bedrading, organen en in het
bijzonder de dynamo). Laat eventuele
veranderingen door een merkdealer uit-
voeren. Hij beschikt over de noodzake-
lijke onderdelen.
1
ampoules
remplacement ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
changement de lampes .............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
clignotants .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
feux :
de direction ..........................................
(page courante)
feux :
de position ...........................................
(page courante)
feux :
de stop .................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
lampes
remplacement ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.15
NLD_UD53879_1
Feux arrière et latéraux : remplacement des lampes (XJA - Renault)
Feux arrière et latéraux (remplacement des lampes)
De lampen staan onder druk
en kunnen openbarsten bij het
vervangen.
Verwondingsgevaar
ACHTERLICHTEN EN ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (1/3)
Zorg dat u altijd een doos met reserve-
lampen en -zekeringen in de auto heeft,
deze is verkrijgbaar bij een merkdealer.
LED-markerings-/remlicht 1
Raadpleeg een merkdealer.
Richtingaanwijzers 5
Open de kofferbak;
verwijder de wieldop 2;
schroef de moer los 3;
Maak van buitenaf de lichten vrij door ze
naar achteren te trekken;
verwijder de lamphouder 4 door deze
een kwartslag te draaien, los te schroe-
ven en daarna de lamp er uit te halen.
Lamptype: WY16W.
Bij het monteren
Ga bij het monteren te werk in omgekeerde
volgorde en let op dat de bedrading niet
wordt beschadigd.
1
2
5
3
4
feux :
de brouillard .........................................
(page courante)
feux :
de plaque d’immatriculation .................
(page courante)
feux :
de recul ................................................
(page courante)
5.16
NLD_UD53879_1
Feux arrière et latéraux : remplacement des lampes (XJA - Renault)
De lampen staan onder druk
en kunnen openbarsten bij het
vervangen.
Verwondingsgevaar
ACHTERLICHTEN EN ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (2/3)
Mistlichten en
achteruitrijlichten 6
Raadpleeg een merkdealer.
6
7
Derde remlicht 7
Raadpleeg een merkdealer.
Kentekenverlichting 8
Druk op het lipje 9 om het lamphuis los te
maken;
verwijder het kapje van het lamphuis om
bij de lamp te kunnen komen.
Lamptype: W5W.
9
8
9
feux :
de plaque d’immatriculation .................
(page courante)
répétiteurs latéraux ....................................
(page courante)
5.17
NLD_UD53879_1
Feux arrière et latéraux : remplacement des lampes (XJA - Renault)
Led-kentekenplaatverlichting 10
(Afhankelijk van de auto)
Raadpleeg een merkdealer.
De lampen staan onder druk
en kunnen openbarsten bij het
vervangen.
Verwondingsgevaar
Répétiteurs latéraux (remplacement des lampes)
ACHTERLICHTEN EN ZIJLICHTEN: de lampen vervangen (3/3)
11
10
LED-zijknipperlichten 11
(afhankelijk van de auto)
Raadpleeg een merkdealer.
ampoules
remplacement ......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
éclairage :
intérieur ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
plafonnier ...................................................
(page courante)
spots d’éclairage........................................
(page courante)
éclairage intérieur :
remplacement des lampes ...................
(page courante)
5.18
NLD_UD62011_2
Eclairage intérieur : remplacement des lampes (BJA - Renault)
Éclairage intérieur (remplacement des lampes)
Binnenlicht
Binnenlicht uitgerust met verspreiders 1
Maak de lichtkap met een platte schroeven-
draaier los.
Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype: W5W.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (1/2)
De lampen staan onder druk
en kunnen openbarsten bij het
vervangen.
Verwondingsgevaar.
Leesspots 2
Raadpleeg een merkdealer.
2
1
1
miroirs de courtoisie ..................................
(page courante)
éclairage de coffre
remplacement des lampes ...................
(page courante)
5.19
NLD_UD62011_2
Eclairage intérieur : remplacement des lampes (BJA - Renault)
Verlichting make-upspiegels 5
Raadpleeg een merkdealer.
Sfeerverlichting
Raadpleeg een merkdealer.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (2/2)
5
Verlichting dashboardkastje
Maak met een platte schroevendraaier het
lamphuis 4 los door het lipje aan de linker-
kant van het lamphuis in te drukken.
Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype: W5W.
4
3
Verlichting bagageruimte
Maak met een platte schroevendraaier het
lamphuis 3 los door het lipje aan de linker-
kant van het lamphuis in te drukken.
Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype: W5W.
clé/télécommande à radiofréquence
pile .......................................................
(page courante)
배배배 ..........................................................
(current page)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
clés
remplacement de la pile .......................
(page courante)
télécommande
piles .....................................................
(page courante)
pile (télécommande) ..................................
(page courante)
5.20
NLD_UD54261_1
Clé à télécommande : pile (XJA - Renault)
Clé à télécommande : pile
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING: accu (1/2)
N.B.: raak bij het vervangen van het batte-
rijtje niet de elektronische printplaat in de
sleutel aan.
Controleer bij het monteren, of het deksel
goed vastzit en de schroef goed vastgezet
is.
De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij een
merkdealer, de levensduur is ongeveer
twee jaar.
Let op dat er geen inkt op het batterijtje
zit: risico van slecht elektrisch contact.
1
2
Als deze vervangen moet
worden, moet u hetzelfde of
een gelijkwaardig batterijtype
gebruiken (raadpleeg een
merkdealer).
Vervangen van het batterijtje
Open de afstandsbediening via gleuf 1 met
behulp van een platte schroevendraaier en
vervang de batterij 2 en let daarbij op het
type batterij en de juiste polariteit (+ en -) die
op de onderkant van het deksel zijn aange-
geven.
5.21
NLD_UD54261_1
Clé à télécommande : pile (XJA - Renault)
storingen
Als de accu om een juiste werking te kunnen
garanderen, kunt u nog steeds de auto star-
ten en vergrendelen/ontgrendelen 1.13.
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING: accu (2/2)
Gooi lege batterijen niet weg, maar lever
ze in bij een inzamelpunt voor lege bat-
terijen.
Voorzorgen met betrekking
tot batterijen:
Houd (nieuwe of oude) bat-
terijen buiten het bereik van
kinderen.
batterijen niet inslikken;
Risico van chemische brandwon-
den die dodelijk kunnen zijn.
Indien er batterijtjes zijn ingeslikt of in
het lichaam ingebracht, moet zo snel
mogelijk een arts worden geraad-
pleegd.
Bij het vervangen:
Controleer of de batterijtjes
goed zijn geplaatst.
Risico van explosie.
Als de klep niet goed sluit: niet ge-
bruiken en buiten bereik van kinderen
houden.
carte : pile ..................................................
(page courante)
piles ...........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
carte : pile ..................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
anomalies de fonctionnement....................
(page courante)
clés
remplacement de la pile .......................
(page courante)
5.22
NLD_UD62621_2
Carte : pile (BJA - Renault)
Carte : pile
KAART: batterij (1/2)
Vervangen van het batterijtje
Als het bericht “Batterij kaart bijna leeg” ver-
schijnt op het instrumentenpaneel, vervangt
u het batterijtje in de kaart:
schuif de behuizing achter 1 omlaag ter-
wijl u op de zone A drukt;
verwijder het afdekkapje 2 van het batte-
rijtje;
verwijder het batterijtje door op één kant
ervan te drukken en het aan de andere
kant op te tillen;
plaats dit terug volgens de richting en sja-
bloon aangegeven in het deksel.
Ga bij het monteren te werk in omgekeerde
volgorde, druk daarna vier keer, in de nabij-
heid van de auto, op één van de knoppen
van de card: de boodschap verdwijnt als
weer gestart wordt.
Zorg dat het deksel goed vastzit.
Opmerking: kom bij het vervangen van het
batterijtje niet aan het elektronische circuit
en de contacten in de kaart.
2
A
1
Als deze vervangen moet
worden, moet u hetzelfde of
een gelijkwaardig batterijtype
gebruiken (raadpleeg een
merkdealer).
Bij het vervangen:
Controleer of de batterijtjes
goed zijn geplaatst.
Risico van explosie.
Als de klep niet goed sluit: niet ge-
bruiken en buiten bereik van kinderen
houden.
De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij een
merkdealer, de levensduur is ongeveer
twee jaar. Let op dat er geen inkt op het
batterijtje zit: risico van slecht elektrisch
contact.
5.23
NLD_UD62621_2
Carte : pile (BJA - Renault)
Gooi lege batterijen niet weg, maar lever
ze in bij een inzamelpunt voor lege bat-
terijen.
Voorzorgen met betrekking
tot batterijen:
Houd (nieuwe of oude) bat-
terijen buiten het bereik van
kinderen.
batterijen niet inslikken;
Risico van chemische brandwon-
den die dodelijk kunnen zijn.
Indien er batterijtjes zijn ingeslikt of in
het lichaam ingebracht, moet zo snel
mogelijk een arts worden geraad-
pleegd.
KAART: batterij (2/2)
storingen
Als de accu om een juiste werking te kunnen
garanderen, kunt u nog steeds de auto star-
ten en vergrendelen/ontgrendelen 1.13.
batterie.......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
batterie
dépannage ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.24
NLD_UD53883_1
Batterie : dépannage (XJA - Renault)
Batterie
ACCU: storing (1/3)
Om vonkvorming te voorkomen:
Controleer of alle stroomverbruikers (bin-
nenlichten enz.) zijn uitgeschakeld voor-
dat u de accuklemmen losmaakt of aan-
sluit;
schakel de acculader uit voordat u deze
op de accu aansluit of ervan losmaakt;
– plaats geen metalen voorwerpen op de
accu; dit kan kortsluiting veroorzaken
tussen de accupolen;
wacht minstens vijf minuten na het afzet-
ten van de motor voordat u de accuka-
bels losmaakt;
sluit de accukabels weer aan nadat u
alles terug hebt geplaatst.
Aansluiting van een acculader
De acculader moet geschikt zijn voor een
accu met een nominale spanning van
12 volt.
Maak de accukabels nooit los als de motor
draait. Houd u aan de voorschriften van
de fabrikant van de acculader.
Voor bepaalde accu’s gelden
speciale voorwaarden bij het
laden, raadpleeg uw merkdea-
ler.
Voorkom elk risico op een vonk die on-
middellijk een explosie tot gevolg zou
kunnen hebben. Zorg dat het opladen
in een goed geventileerde ruimte plaats-
vindt.
Gevaar van ernstige verwondingen.
De accu bevat zwavelzuur.
Vermijd daarom contact met de
ogen, de huid of kleding. Bij on-
verhoopt contact spoelen met
veel water. Indien nodig een arts raad-
plegen.
Houd open vuur, hete voorwerpen en
vonken weg van de batterij-onderdelen
vanwege explosiegevaar.
Let op bij werkzaamheden dicht bij
de motor, deze kan nog warm zijn.
Bovendien kan de ventilateurmotor on-
verwacht gaan draaien. Het waarschu-
wingslampje
in de motorruimte
herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 2.6.
5.25
NLD_UD53883_1
Batterie : dépannage (XJA - Renault)
ACCU: storing (2/3)
Starten met starthulpkabels
Als u voor het starten de accu van een
andere auto moet gebruiken, koop dan de
startkabels (met groot oppervlak) bij een
merkdealer of controleer, als u reeds start-
kabels heeft, of deze in goede staat verke-
ren.
Beide accu’s moeten dezelfde spanning
hebben: 12 volt. De hulpaccu moet min-
stens de capaciteit (ampère-uur, Ah) hebben
van de ontladen accu.
Let erop dat de auto’s elkaar niet raken
(kortsluitingsgevaar als u de pluspolen met
elkaar verbindt) en dat de ontladen accu
goed aangesloten is. Zet het contact af van
uw auto.
Start de motor van de hulpauto en laat deze
met een middelmatig toerental draaien.
Met draaiende motor, verschijnt het bericht
Accu wordt opgeladen” op het instrumen-
tenpaneel gedurende ongeveer 5 minuten.
A
2
1
Accu in de motorruimte
De accu is niet direct toegankelijk.
Gebruik de aansluiting 1 ( + ) en de aan-
sluiting 2 ( – ) in de motorruimte.
Til de afdekkap op A van de aansluiting 1
( + ).
5.26
NLD_UD53883_1
Batterie : dépannage (XJA - Renault)
Controleer of de kabels A en B
elkaar nergens raken en of de
positieve kabel A geen me-
talen delen van de hulpauto
raakt.
Risico van letsel en/of beschadiging
van de auto.
1
2
4
A
B
3
Sluit de positieve kabel aan A op de aan-
sluiting 1 ( + ) en daarna op de aanslui-
ting 4 ( + ) van de hulpaccu.
Sluit de negatieve kabel aan B op de aan-
sluiting 3 ( – ) van de hulpaccu en daarna
op de aansluiting 2 ( – ).
Start de motor, en maak zodra deze draait,
de kabels A en B in omgekeerde volgorde
los ( 2 - 3 - 4 - 1).
ACCU: storing (3/3)
haut-parleurs
emplacement .......................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
installation radio.........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
pré-équipement radio ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
radio
pré-équipement .........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)équipements multi-
média .........................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.27
NLD_UD53884_1
Prééquipement radio (XJA - Renault)
Inbouwplaats voor de radio 1
Maak het afdekplaatje los. Hierachter bevin-
den zich de aansluitingen voor: de antenne,
de voedingen + en – en de luidsprekerbe-
drading.
Pré-équipement radio
Luidsprekers in de
voorportieren 2
Raadpleeg een merkdealer voor het instal-
leren van een uitrusting.
RADIOVOORBEREIDING
1
2
Volg altijd nauwgezet de inbouwvoor-
schriften van de uitrusting op.
De benodigde steunen en verbin-
dingskabels die de merkdealer u kan
leveren, verschillen per type auto en
per type radio.
Raadpleeg een merkdealer voor hun
onderdeelnummers.
Wijzig niet zelf de bedrading van de
auto want door een verkeerde aan-
sluiting kan de elektrische installatie
worden beschadigd (bedrading, orga-
nen en in het bijzonder de dynamo).
Laat eventuele veranderingen door
een merkdealer uitvoeren.
accessoires................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
installation accessoires..............................
(page courante)
5.28
NLD_UD53885_1
Accessoires (XJA - Renault)
Accessoires
ACCESSOIRES
Elektrische en elektronische accessoires
Controleer vóór het installeren van een dergelijk accessoire (bij zenders/ontvangers vooral: frequentieband, vermogen, plaats van de
antenne enz.) of dat geschikt is voor uw auto. Vraag advies aan een merkdealer.
Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 120 watt. Risico van brand. Als verschillende accessoireaansluitin-
gen tegelijk worden gebruikt, mag het totale vermogen van de aangesloten accessoires niet meer zijn dan 180 watt.
Wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kunnen de elektrische installatie en/of de erop aangesloten or-
ganen worden beschadigd. Laat eventuele veranderingen door een merkdealer uitvoeren.
In geval van achteraf inbouwen van een elektrische uitrusting, moet u goed in de gaten houden dat de installatie wel is beschermd door een
zekering. Noteer de sterkte van deze zekering en de plaats waar hij zich bevindt.
De diagnoseaansluiting gebruiken
Het gebruik van elektronische accessoires op de diagnoseaansluiting kan ernstige storing van de elektronische systemen van de auto ver-
oorzaken. Voor uw veiligheid is het raadzaam alleen door de fabrikant goedgekeurde elektronische accessoires te gebruiken, raadpleeg een
merkdealer. Risico van ernstig ongeval.
Gebruik van zenders/ontvangers (telefoons, 27 Mc apparatuur, enz.)
Telefoons en 27 Mc-apparatuur met een ingebouwde antenne kunnen de werking beïnvloeden van elektronische systemen in de auto. Gebruik
dergelijke apparaten daarom met een buitenantenne. Houd u altijd aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van
deze apparaten.
Achteraf inbouwen van accessoires
Als u accessoires op de auto wilt installeren: raadpleeg een merkdealer. Om zeker te zijn dat uw auto goed werkt en om elk risico te vermij-
den dat uw veiligheid kan aantasten, raden wij u aan om door de constructeur goedgekeurde accessoires te gebruiken: deze zijn aan uw auto
aangepast en alleen deze worden door de constructeur gegarandeerd.
Als u een antidiefstalstang gebruikt, bevestig deze dan uitsluitend op het rempedaal.
Hinder bij het rijden
Aan de bestuurderskant mogen alleen voor de auto geschikte matten worden gebruikt, die moeten worden vastgezet aan de vooraf geïns-
talleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar. Gevaar van hakende pedalen.
fusibles ......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.29
NLD_UD69601_4
Fusibles (BJA - Renault)
Fusibles
Zekeringenkastjes
Controleer de staat van de zekeringen als
een elektrisch apparaat niet werkt.
Zekeringen in het interieur A
Maak het klepje 1 los.
ZEKERINGEN (1/4)
Zorg dat u altijd een doos met reserve-
lampen en -zekeringen in de auto heeft,
deze is verkrijgbaar bij een merkdealer.
Zekeringen bevinden zich in het interieur
achter een klep in het C dashboardkastje
Maak het klepje 3 los.
A
C
Zekeringen in het interieur B
Maak het klepje 2 los.
Open en kantel de 2 klep helemaal en trek
hem naar beneden om toegang te krijgen tot
de zekeringen.
2
B
Controleer de betreffende zekering en vervang hem, indien nodig, door een ze-
kering met hetzelfde amperage als de oorspronkelijke zekering.
Door een te sterke zekering kan de bedrading te heet worden en kan brand ont-
staan als een elektrisch orgaan door een storing te veel stroom verbruikt.
1
3
5.30
NLD_UD69601_4
Fusibles (BJA - Renault)
ZEKERINGEN (2/4)
Zorg dat u altijd een doos met reserve-
lampen en -zekeringen in de auto heeft,
deze is verkrijgbaar bij een merkdealer.
Controleer de betreffende ze-
kering en vervang hem, indien
nodig, door een zekering met
hetzelfde amperage als de
oorspronkelijke zekering.
Door een te sterke zekering kan de be-
drading te heet worden en kan brand
ontstaan als een elektrisch orgaan door
een storing te veel stroom verbruikt.
Tangetje 4
Trek de zekering los met behulp van het tan-
getje 4 aan de achterkant van de klep.
U kunt de zekering uit het tangetje schuiven.
Gebruik niet de ongebruikte plaatsen op de
zekeringplaat om reservezekeringen in te
steken.
4
5.31
NLD_UD69601_4
Fusibles (BJA - Renault)
ZEKERINGEN (3/4)
Bestemming van de zekeringen
(de aanwezigheid van de zekeringen hangt van het uitrustingsniveau van de auto af)
Symbool Bestemming
H
Ruitensproeier
î
Multimedia-accessoireaansluiting, multimediascherm
Æ
Voor en achter tweede rij accessoireaansluiting
Ì
Geluidssignaal
Ý
Aansluiting trekhaak
Verwarmde achteruitkijkspiegels
×
Remlichten, UCH
UCH, ruitenwisser achter, mistlamp achter
D
Richtingaanwijzerlichten, alarmknipperlichten, derde
remlichten
Raadpleeg de sticker met de verklaring
van de zekeringen in de opbergruimte.
Bepaalde zekeringen mogen alleen
worden vervangen door een vakman.
Deze zekeringen staan niet aangegeven
op de sticker.
U mag enkel werkzaamheden uitvoeren
aan de zekeringen die zijn aangegeven
op de sticker.
5.32
NLD_UD69601_4
Fusibles (BJA - Renault)
ZEKERINGEN (4/4)
Zekeringen in de motorruimte D
Bepaalde functies worden beschermd door
zekeringen in de motorruimte in huis D.
Vanwege de moeilijke bereikbaarheid, advi-
seren wij het vervangen van deze zeke-
ringen over te laten aan een merkdealer.
D
Voordat u iets doet onder de
motorkap, moet u het contact
afzetten. 2.4 of 2.6.
Let op bij werkzaamheden
dicht bij de motor, deze kan
nog warm zijn. Bovendien
kan de ventilateurmotor on-
verwacht gaan draaien. Het waarschu-
wingslampje in de motorruimte
herinnert u hieraan.
Verwondingsgevaar
5
LPG-zekeringen in het voorste
vak
5-zekering: stroomonderbreking LPG-motor.
essuie-vitres/lave-vitre
remplacement des balais .....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
essuie-vitres/lave-vitre ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.33
NLD_UD62013_3
Balais d essuie-vitres (BJA - Renault)
Balais d’essuie-vitres : remplacement
RUITENWISSERBLADEN: vervanging (1/2)
Ruitenwisserbladen voorruit 2
vervangen
Zet de ruitenwissers in de onderhouds-
stand B voordat u ze vervangt.
Met contact aan of draaiende motor:
stel de schakelaar in 1 op stand A twee
keer achter elkaar (één wisbeweging): de
ruitenwisserbladen stoppen in stand B
weg van de motorkap;
til de ruitenwisserarm 3 op;
zet de 4 tab lager en verwijder het blad 2.
3
2
4
Bij het monteren
Om het ruitenwisserblad 2 terug te plaats-
ten, klemt u deze in de houder in de arm 3
tot u een klik hoort. Controleer of het blad
goed is vergrendeld.
Om de ruitenwisserbladen terug te zetten in
de onderste stand terug moet u controleren
of de ruitenwisserbladen zijn neergeklapt op
de voorruit. Zet vervolgens de 1 schakelaar
in stand A (één wisbeweging): de ruitenwis-
serbladen klappen dan in de motorkap bij
het aanzetten van het contact.
1
A
B
Let op de staat van de ruitenwisserbla-
den. Hun levensduur hangt van u af:
reinig de bladen, de voorruit en de
achterruit regelmatig met water met
zeep;
gebruik ze niet als de voorruit of ach-
terruit droog zijn;
maak ze los van de voorruit of achter-
ruit als ze lang niet gebruikt zijn.
5.34
NLD_UD62013_3
Balais d essuie-vitres (BJA - Renault)
RUITENWISSERBLADEN: vervanging (2/2)
Let op de staat van de ruitenwisserbla-
den.
reinig de bladen, de voorruit en de
achterruit regelmatig met water met
zeep;
gebruik ze niet als de voorruit of ach-
terruit droog zijn;
maak ze los van de voorruit of achter-
ruit als ze lang niet gebruikt zijn.
B
Bij het monteren
Monteer het ruitenwisserblad in omgekee-
rde volgorde van losmaken. Controleer of
het blad goed is vergrendeld.
Ruitenwisserblad achter 5
Met de schakelaar in ruststand (uitgescha-
keld):
til de ruitenwisserarm 6 op;
Kantel het blad horizontaal 5 (bewe-
ging B) tot het losklikt;
verwijder het blad door er aan te trekken.
6
Voordat u het blad van de ach-
terste ruitenwisser vervangt,
moet u nagaan of de schake-
laar in ruststand staat (uitge-
schakeld is).
Verwondingsgevaar.
5
Controleer als het vriest,
voordat u wegrijdt, of de ruiten-
wisserbladen niet aan de ruit
zijn vastgevroren. De wisser-
motor kan hierdoor te warm worden.
Let op de staat van de ruitenwisser-
bladen. Zodra hun werking afneemt
moet u ze vervangen, ongeveer eens
per jaar.
Bij het vervangen van het blad, let bij het
verwijderen van het blad op, dat u hem
niet op de ruit laat vallen: u zou de ruit
kunnen breken.
anneaux de remorquage ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
remorquage
dépannage ...........................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.35
NLD_UD64520_3
Remorquage : dépannage (BJA - Renault)
Remorquage
SLEPEN: pechhulp (1/2)
Plaats vóór u gaat slepen de versnellings-
bak altijd in de stand Neutraal (stand N bij
auto's uitgerust met een automatische trans-
missie), ontgrendel de stuurkolom en zet
vervolgens de parkeerrem los.
Stuurkolomontgrendeling
Afhankelijk van de auto steekt u de sleutel
in het contact en zet deze in de ON 2-stand,
of drukt u, met de kaart in het interieur, circa
twee seconden op de startknop.
Zet de hendel terug in neutraal (stand N voor
een auto met automatische transmissie)
De stuurkolom ontgrendelt en de accessoi-
res ontvangen voeding; u kunt de verlichting
gebruiken (remlichten, richtingaanwijzers
enzovoort). In het donker moet de auto ver-
licht zijn.
Druk, afhankelijk van de auto, na het slepen
twee keer kort op de startknop van de motor
(risico van het ontladen van de accu).
Houd u altijd aan de wettelijke bepalingen
inzake het slepen. Als u de slepende auto
rijdt, overschrijd dan niet de toegelaten aan-
hangwagenmassa van uw auto. 6.8.
Slepen van een auto met een
automatische transmissie
Vervoer de auto op een plateau of sleep
hem met beide voorwielen van de grond.
In uitzonderlijke omstandigheden kunt
u de auto verslepen met de vier wielen op
de grond, uitsluitend vooruit rijdend met de
versnellingshendel in neutrale stand N, over
een afstand van maximaal 80 km en met
een maximale snelheid van 25 km/u.
Als bij het wegrijden de hendel is vergren-
deld in stand P kan zelfs als u het rempe-
daal indrukt, de hendel handmatig worden
vrijgezet om de wielen die draaien te ont-
grendelen.
Om dit te doen, maakt u de onderkant van
de stofhoes los en drukt u tegelijkertijd op
de druktoets 2 en op knop 1 op de hendel
om deze te ontgrendelen en naar stand N
te gaan.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-
dealer.
2
Laat de kaart in de auto tijdens
het slepen.
Risico van blokkeren van de
stuurkolom.
1
Zorg ervoor dat het sleepoog
correct met bouten is beves-
tigd.
Risico om het gesleepte
object te verliezen.
5.36
NLD_UD64520_3
Remorquage : dépannage (BJA - Renault)
Toegang tot de sleeppunten
Sleeppunt voor
Druk op de zone A en houdt deze zone in-
gedrukt terwijl u aan de zone B trekt om de
klep 4 te openen.
Sleeppunt achter
Druk op de zone C en houdt deze zone in-
gedrukt terwijl u aan de zone D trekt om de
klep 6 te openen.
SLEPEN: pechhulp (2/2)
Gebruik uitsluitend de sleeppunten
voor 3 en achter 7 (en nooit de aandrijfas-
sen of enig ander deel van de auto). Deze
sleeppunten mogen alleen voor slepen
worden gebruikt. Ze mogen nooit worden
gebruikt om de auto direct of indirect op te
tillen.
Laat nooit gereedschap in de
auto rondslingeren. Dit is ge-
vaarlijk als u plotseling moet
remmen.
Zet het sleepoog 5 volledig vast: eerst
met de hand tot dit blokkeert, daarna door
het te vergrendelen met de wielmoersleutel
of, afhankelijk van de auto, de hendel.
Gebruik uitsluitend het sleepoog 5 en de
wielmoersleutel of de hendel geleverd bij het
gereedschap. 5.7.
B
A
C
D
Gebruik een starre sleep-
stang. Indien u een touw of
kabel gebruikt bij het slepen
(als dit wettelijk toegestaan is),
moet de auto die gesleept wordt nog
kunnen remmen.
De auto die gesleept wordt, moet te
allen tijde bestuurbaar zijn.
Accelereer en rem gelijkmatig en
zonder schokken om te voorkomen
dat de auto beschadigen.
In alle gevallen, is het raadzaam om
25 km/u niet te overschrijden.
Bij stilstaande motor werken de
stuur- en rembekrachtiging niet
meer.
3
7
5
6
5
4
Zorg ervoor dat het sleepoog
correct met bouten is beves-
tigd.
Risico om het gesleepte
object te verliezen.
anomalies de fonctionnement....................
(jusqu’à la fin de l’UD)
incidents
anomalies de fonctionnement ..............
(jusqu’à la fin de l’UD)
5.37
NLD_UD52974_1
Anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
Anomalies de fonctionnement
STORINGEN (1/7)
Gebruik van de kaart MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
De kaart kan geen portieren ontgrendelen
of vergrendelen.
Batterij van de card leeg. Vervang de batterij. U kunt nog steeds uw auto
vergrendelen/ontgrendelen en starten. 1.13
en 2.4 of 2.6.
Gebruik van apparaten die op dezelfde
frequentie als de card werken (mobiele te-
lefoon, enz.).
Gebruik deze apparaten niet langer of gebruik
de sleutel. 1.13.
De auto bevindt zich in een sterk elektro-
magnetisch veld.
Accu van de auto ontladen.
Gebruik de sleutel die in de card is geïntegreerd
1.13.
De boodschap “Plaats de kaart in zone
+ START” verschijnt op het instrumenten-
paneel.
Plaats de card in de daarvoor bestemde posi-
tie 2.6 en druk vervolgens op de op START-
toets.
De motor van de auto is gestart. Als de motor draait, werkt het vergrendelen/ont-
grendelen van de card niet. Zet het contact uit.
5.38
NLD_UD52974_1
Anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mo-
gelijk door een merkdealer nakijken.
Gebruik van de afstandsbediening MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
De afstandsbediening werkt niet voor het
ontgrendelen of vergrendelen van de por-
tieren.
Batterij van de afstandsbediening leeg. Gebruik de sleutel.
Gebruik van apparaten die op dezelfde frequen-
tie als de afstandsbediening werken (mobiele te-
lefoon, enz.).
Gebruik deze apparaten niet of gebruik de sleu-
tel.
De auto bevindt zich in een sterk elektromagne-
tisch veld.
Accu ontladen.
Vervang de batterij. U kunt nog steeds uw auto
vergrendelen/ontgrendelen en starten. 1.13
en 2.4 of 2.6.
De motor van de auto is gestart. Als de motor draait, werkt het vergrendelen/
ontgrendelen met de sleutel niet. Zet het con-
tact uit.
STORINGEN (2/7)
5.39
NLD_UD52974_1
Anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
STORINGEN (3/7)
U schakelt de startmotor in MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
De controlelampjes op het instrumentenpa-
neel gaan zwakker of niet branden, de start-
motor draait niet.
Accuklemmen niet goed vastgezet,
los of geoxideerd.
Vastzetten, aansluiten of reinigen indien geoxideerd.
Accu ontladen of defect.
Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. 5.24 of
vervang de accu indien nodig.
Duw de auto niet aan als de stuurkolom is vergrendeld.
Circuit defect. Raadpleeg een merkdealer.
De motor wil niet starten. De voorwaarden voor het starten
zijn niet vervuld.
2.4 of 2.6.
De handsfree-kaart werkt niet. Plaats de kaart in de hiervoor bestemde uitsparing in het
middenconsole.
2.4 of 2.6.
Met stilstaande auto, koude motor, is het sta-
tionair toerental hoog.
Bij een benzinemotor is dit is
meestal geen storing. Het kan
worden veroorzaakt door de stij-
gende temperatuur van de motor.
Het stationair toerental van de motor moet na ongeveer een
minuut zakken. Zo niet dan is er mogelijk een andere oor-
zaak. Roep de hulp in van een merkdealer.
De motor weigert te stoppen. Card niet gedetecteerd. Plaats de kaart in de hiervoor bestemde uitsparing in het
middenconsole.
Druk lang op de startknop.
Elektronische storing. Druk 3 keer snel op de startknop of houd deze ingedrukt.
De stuurkolom blijft vergrendeld. Stuurwiel geblokkeerd. Beweeg het stuurwiel terwijl u de startknop van de motor in-
drukt (of, afhankelijk van de auto, de contactsleutel gebruikt)
2.4.
Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer.
5.40
NLD_UD52974_1
Anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
STORINGEN (4/7)
Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit balans. Controleer de bandenspanning, als deze goed
is, laat dan de banden door een merkdealer na-
kijken.
Witte rook uit de uitlaat. Bij een dieselmotor hoeft dit geen storing
te zijn, de rook kan ontstaan door de rege-
neratie van het roetfilter.
2.20.
Bij een benzinemotor is dit is meestal geen
storing. Afhankelijk van de weersomstan-
digheden (koud, vochtig enz.), kan er bij
sterk accelereren rook ontstaan.
Laat het toerental zakken en vermijd plots ac-
celereren, zodat de rook geleidelijk verdwijnt. Zo
niet dan is er mogelijk een andere oorzaak. Ga
naar een merkdealer.
Rook onder de motorkap. Kortsluiting of lekkage van het koelcircuit. Stop, zet het contact uit, ga bij de auto vandaan
en roep de hulp in van een merkdealer.
Het waarschuwingslampje voor de olie-
druk gaat branden:
in een bocht of tijdens het remmen Het peil is te laag.
Motorolie bijvullen 4.5.
dooft langzaam of blijft branden bij gas
geven
Te lage oliedruk. Stop en roep de hulp in van een merkdealer.
5.41
NLD_UD52974_1
Anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
STORINGEN (5/7)
Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
Het sturen gaat zwaar. Oververhitting van de bekrachtiging. Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht
die u moet zetten op het stuurwiel om de wielen
te draaien.
Probleem met de elektrische bekrachti-
gingsmotor.
Storing in het hulpsysteem
Raadpleeg een merkdealer.
De motor wordt te warm. De koelvloei-
stoftemperatuurmeter staat in de geva-
renzone en het waarschuwingslampje
® brandt.
Koelventilateur defect. Stop de auto, stop de motor en roep de hulp in
van een merkdealer.
Koelvloeistoflekkage. Controleer het koelvloeistofreservoir: er moet
vloeistof in zitten. Als het leeg is, raadpleeg dan
zo snel mogelijk een merkdealer.
De vloeistof in het expansievat borrelt. Mechanische storing: koppakking opge-
blazen.
Zet de motor stil.
Roep de hulp in van een merkdealer.
Radiateur: Als er veel te weinig koelvloeistof inzit, vergeet dan niet dat u nooit koude koelvloeistof mag bijvullen zolang de motor heet
is. Na elke reparatie waarbij het koelsysteem geheel of gedeeltelijk is afgetapt, moet dit met nieuwe koelvloeistof worden bijgevuld.
Gebruik hiervoor alleen door onze technische diensten goedgekeurde koelvloeistof.
5.42
NLD_UD52974_1
Anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
STORINGEN (6/7)
Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
De ruitenwisser werkt niet. Ruitenwisserbladen kleven. Maak de wisserbladen los van de ruit.
Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer.
Zekering beschadigd. Vervang de zekering of laat deze vervangen.
5.29.
De ruitenwisser stopt niet. Elektrische verstelling defect. Raadpleeg een merkdealer.
Knipperfrequentie te hoog. Lamp achter doorgebrand.
5.15
De knipperlichten werken niet. Elektrische installatie of schakelaar defect. Raadpleeg een merkdealer.
Zekering beschadigd. Vervang de zekering of laat deze vervangen.
5.29.
De koplampen schakelen niet in of niet uit. Elektrische installatie of schakelaar defect. Raadpleeg een merkdealer.
Zekering beschadigd. Vervang de zekering of laat deze vervangen.
5.29.
5.43
NLD_UD52974_1
Anomalies de fonctionnement (XJA - Renault)
STORINGEN (7/7)
Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
Condens in de koplampen of achterlich-
ten.
Condens is een normaal verschijnsel dat
door variaties in temperatuur en vochtig-
heid kan worden veroorzaakt.
In dat geval verdwijnen de sporen geleide-
lijk aan als de lichten branden.
Het waarschuwingslampje van het niet
dragen van de autogordels vooraan brandt
niet in overeenstemming met het vastma-
ken van de autogordels.
Een voorwerp tussen de vloer en de stoel
hindert de werking van het opname-ele-
ment.
Verwijder elk voorwerp onder de stoelen voo-
raan.
5.44
NLD_UD53776_1
Filler NU (XJA - Renault)
6.1
NLD_UD69633_6
Sommaire 6 (BJA - Renault)
Hoofdstuk 6: Technische gegevens
Identificatieplaatje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.2
Identificatieplaatje motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.3
Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.4
gegevens van de motor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.5
Massa’s . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.8
Aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.8
ONDERDELEN EN REPARATIES . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.9
onderhoudscoupons . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.10
Plaatwerkcontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.16
plaques d’identification véhicule ................
(page courante)
6.2
NLD_UD62498_2
Plaques d’identification véhicule (BJA - Renault)
Plaque d’identification véhicule
IDENTIFICATIEPLAATJES AUTO
A
B
De gegevens op het constructeursplaatje
moeten bij eventuele klachten en bij het
bestellen van onderdelen altijd worden
vermeld.
De aanwezigheid en de plaats van de in-
formatie zijn afhankelijk van de auto.
Constructeursplaatje A
1 Naam van de fabrikant.
2 Nummer van communautair ontwerp of
registratienummer.
3 Identificatienummer.
Afhankelijk van de auto wordt deze
informatie herhaald op de marke-
ring B.
4 MMAC (max. toegelaten totaalmassa).
5 Max. toegelaten treinmassa: auto met
aanhanger.
6 MMTA (max. toegelaten massa) geme-
ten onder de vooras.
7 Max. toegelaten massa gemeten onder
de achteras.
8 Gereserveerd voor zakelijke of aanvul-
lende inschrijvingen.
9 Niet in gebruik.
10 Laknummer (kleurcode).
A
9
7
8
10
5
1
2
3
4
6
caractéristiques moteurs ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
plaques d’identification ..............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
6.3
NLD_UD53891_1
Plaques d’identification moteur (XJA - Renault)
Plaque d’identification moteur
De gegevens op het constructeursplaatje
of de sticker A moeten bij corresponden-
tie en bij het bestellen van onderdelen
altijd worden vermeld.
(de plaats is afhankelijk van het motortype)
1 Type van de motor.
2 Indicenummer van de motor.
3 Motornummer.
IDENTIFICATIEPLAATJES VAN DE MOTOR
A
A
A
A
21
3
A
caractéristiques techniques .......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
dimensions ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
6.4
NLD_UD59287_2
Dimensions (en mètres) (XJA - Renault)
Dimensions
1,440*
1 ,518
0,831 2,583 0,633
4,047
AFMETINGEN (in meters)
1,506
1,988
* Onbelast
caractéristiques techniques .......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
moteur
caractéristiques ....................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
caractéristiques moteurs ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
6.5
NLD_UD62014_3
Caractéristiques moteurs (BJA - Renault)
Caractéristiques moteurs
MOTORGEGEVENS (1/3)
Uitvoeringen 1.0 SCe 1.0 TCe 1.3 TCe 1.5 dCi
Type van de motor
(zie motorplaatje)
B4D H4D Turbo H5H Turbo K9K Turbo
Cilinderinhoud (cm
3
) 999 999 1 333 1461
Soort brandstof
Octaangetal
Benzine
U moet ongelode benzine gebruiken met het met
octaangehalte zoals staat aangegeven op het
etiket aan de binnenkant van tankklep. 1.113.
Diesel
De sticker in de tankdopklep geeft aan welke brand-
stoffen toegestaan zijn.
6.6
NLD_UD62014_3
Caractéristiques moteurs (BJA - Renault)
MOTORGEGEVENS (2/3)
Uitvoeringen 1.0 SCe 1.0 TCe 1.3 TCe 1.5 dCi
Type van de motor
(zie motorplaatje)
B4D H4D Turbo H5H Turbo K9K Turbo
Cilinderinhoud (cm
3
) 999 999 1 333 1461
Brandstof die voldoet aan de
Europese norm en die compati-
bel is met de motoren van auto´s
verkocht in Europa (neem voor
andere gevallen contact op met
een merkdealer).
Loodvrije benzine die voldoet aan
de norm EN 228 bevat tot 5% etha-
nol.
Dieselbrandstof die voldoet aan de
norm EN 590 bevat tot 7% methyles-
ther vetzuur.
Loodvrije benzine die voldoet aan
de norm EN 228 bevat tot 10%
ethanol.
Dieselbrandstof die voldoet aan de
norm EN 16734 bevat tot 10% me-
thylesther vetzuur.
Dieselbrandstof die voldoet aan de
norm EN 15940 bevat tot 7% methyle-
ster.
6.7
NLD_UD62014_3
Caractéristiques moteurs (BJA - Renault)
MOTORGEGEVENS (3/3)
Uitvoeringen 1.0 SCe 1.0 TCe 1.3 TCe 1.5 dCi
Type van de motor
(zie motorplaatje)
B4D H4D Turbo H5H Turbo K9K Turbo
Cilinderinhoud (cm
3
) 999 999 1 333 1461
Bougies Gebruik uitsluitend de voor uw motor voorgeschreven bou-
gietypen.
Het type staat aangegeven op een sticker in de motor-
ruimte, raadpleeg anders een merkdealer.
Montage van een niet voorgeschreven bougietype kan tot
ernstige motorschade leiden.
caractéristiques techniques .......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
caravanage ................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
charges remorquables ...............................
(jusqu’à la fin de l’UD)
masses ......................................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
transport d’objets
sur le toit ..............................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
charge admise sur le toit ...........................
(jusqu’à la fin de l’UD)
6.8
NLD_UD68935_3
Masses (en kg) (BJA - Renault)
Masses
Charge remorquable
MASSA’S (in kg)
De aangegeven massa’s zijn van de basisuitvoering zonder opties: zijn variëren naargelang de uitrusting van uw auto. Raadpleeg de
merkdealer.
Max. toegelaten totaalmassa (MMAC)
Max. toegelaten massa (MMTA)
Max. toegelaten treinmassa (MTR)
Massa’s aangegeven op het constructeursplaatje 6.2
Aanhangwagenmassa geremd* wordt verkregen door berekening: MTR - MMAC
Aanhangwagenmassa ongeremd* 550 kg
Maximale kogeldruk op trekhaak* 63 kg
Max. toegelaten dakbelasting 80 kg (met inbegrip van de drager)
* Aanhangwagengewicht (trekken van een caravan, boot enz.)
Het trekken van een aanhangwagen is verboden wanneer de berekening MTR - MMAC gelijk is aan nul of wanneer de op het constructeurs-
plaatje aangegeven maximaal toegelaten treinmassa (MTR) gelijk is aan nul (of niet wordt aangegeven).
Respecteer de in het land geldende voorwaarden voor het trekken en de toegelaten maximale massa’s. Laat uw merkdealer een trekhaak
monteren en de bedrading van de auto aanpassen.
In geval van een auto met aanhanger, mag de max. toegelaten treinmassa (auto + aanhanger) nooit overschreden worden. Toch is toe-
gestaan:
een overschrijding van de max. toegelaten massa (MMTA) gemeten onder de achteras tot 15 %;
een overschrijding van de max. toegelaten totaalmassa (MMAC) tot 10 % of 100 kg (tot de eerste van deze twee waarden is bereikt).
In beide gevallen is de maximumsnelheid van het geheel 100 km/u en moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 PSI).
Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10% per 1000 meter stijging te
verminderen.
caractéristiques techniques .......................
(jusqu’à la fin de l’UD)
pièces de rechange ...................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
6.9
NLD_UD53895_1
Pièces de rechange et réparations (XJA - Renault)
Pièces de rechange et réparations
De originele onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteitsnormen als de on-
derdelen die in de fabriek worden gebruikt.
Door het gebruik van de originele onderdelen houdt u de prestaties van uw auto optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een
merkdealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan.
ONDERDELEN EN REPARATIES
6.10
NLD_UD53896_1
Justificatif d’entretien (XJA - Renault)
Justificatifs d’entretien
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
VIN: ..................................................................................
ONDERHOUDSCOUPONS (1/6)
6.11
NLD_UD53896_1
Justificatif d’entretien (XJA - Renault)
ONDERHOUDSCOUPONS (2/6)
VIN: ..................................................................................
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
6.12
NLD_UD53896_1
Justificatif d’entretien (XJA - Renault)
ONDERHOUDSCOUPONS (3/6)
VIN: ..................................................................................
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
6.13
NLD_UD53896_1
Justificatif d’entretien (XJA - Renault)
ONDERHOUDSCOUPONS (4/6)
VIN: ..................................................................................
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
6.14
NLD_UD53896_1
Justificatif d’entretien (XJA - Renault)
ONDERHOUDSCOUPONS (5/6)
VIN: ..................................................................................
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
6.15
NLD_UD53896_1
Justificatif d’entretien (XJA - Renault)
VIN: ..................................................................................
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen
Type werkzaamheden: Stempel
Onderhoudsbeurt □
....................................... □
Plaatwerkcontrole:
OK □ Niet OK* □
*Zie specifieke bladzijde
ONDERHOUDSCOUPONS (6/6)
contrôle anticorrosion ................................
(jusqu’à la fin de l’UD)
6.16
NLD_UD53897_1
Contrôle anticorrosion (1/6) (XJA - Renault)
Contrôle anticorrosion
PLAATWERKCONTROLE (1/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN : ..........................................................
Uit te voeren plaatwerkreparatie:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
6.17
NLD_UD53897_1
Contrôle anticorrosion (1/6) (XJA - Renault)
PLAATWERKCONTROLE (2/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN : ..........................................................
Uit te voeren plaatwerkreparatie:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
6.18
NLD_UD53897_1
Contrôle anticorrosion (1/6) (XJA - Renault)
PLAATWERKCONTROLE (3/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN : ..........................................................
Uit te voeren plaatwerkreparatie:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
6.19
NLD_UD53897_1
Contrôle anticorrosion (1/6) (XJA - Renault)
PLAATWERKCONTROLE (4/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN : ..........................................................
Uit te voeren plaatwerkreparatie:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
6.20
NLD_UD53897_1
Contrôle anticorrosion (1/6) (XJA - Renault)
PLAATWERKCONTROLE (5/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN : ..........................................................
Uit te voeren plaatwerkreparatie:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
Reparatie nodig van:
Stempel
Datum reparatie:
7.1
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
A
aan/uit knop van de motor ..................................................... 2.6 → 2.9
aanhangwagen ................................................................................ 6.8
aansteker ....................................................................................... 3.30
aanvullende bevestigingsmiddelen
bij de autogordels achterin ...................................................... 1.34
bij de autogordels voorin ............................................. 1.28 → 1.33
zijkant ...................................................................................... 1.35
aanvullende bevestigingsmiddelen................................................ 1.36
aanvullende bevestigingsmiddelen bij de gordels .............1.28 → 1.36
aanwijzers:
richtingaanwijzers .................................................................. 1.104
ABS ..........................................................................1.67, 2.44 → 2.48
accessoireaansluiting ................................................ 3.16 – 3.17, 3.30
accessoires............................................................................. 2.8, 5.28
accessoires inbouwen ................................................................... 5.28
accu ............................................... 0.8, 1.65, 4.13 – 4.14, 5.24 → 5.26
achterbank
gebruiksmogelijkheden ........................................................... 3.32
achterbank .......................................................... 1.26, 1.42, 1.44, 3.32
achterklep ............................................. 1.2 – 1.3, 1.6 – 1.7, 1.15, 1.18
achterstoel ..................................................................................... 1.42
achteruitrijcamera ............................................................2.119 – 2.120
achteruitrijradar.............................................................. 2.114 → 2.118
achteruitversnelling
inschakelen ............................................................................. 2.22
actieradius ............................................... 1.67, 1.71, 1.73, 1.75 – 1.76
actieradius van de auto ............................................................... 1.120
actieve noodstop ......................................................1.68, 2.80 → 2.87
adaptieve snelheidsregeling .......................................... 2.101 → 2.113
AdBlue ........................................................................... 1.118 → 1.121
afstandsbediening
batterijtjes ................................................................................ 5.20
afstandsbediening
card .................................................................................. 1.6 – 1.7
extra portiervergrendeling ......................................................... 1.5
kaart ................................................................................. 1.6 – 1.7
afstandsbediening .............................................................. 1.8 → 1.11
afstandsbediening van de vergrendeling ...............................1.2 → 1.4
afstandsregeling ................................................................2.67 → 2.70
Afstellen ............................................................................. 1.89 → 1.91
afstellen van de juiste zithouding..............................1.20 → 1.27, 3.31
afstellen zithouding ........................................................................ 1.99
airbag
activeren passagiersairbags voorin ...........1.45, 1.52, 1.57 → 1.59
uitschakeling passagiersairbag voor .................. 1.53, 1.57 → 1.59
airbag 0.6, 1.28 → 1.36, 1.43, 1.45 → 1.50, 1.52 – 1.53, 1.57 → 1.59,
1.64 – 1.65, 1.69, 1.87
airconditioning .....................................................................3.4 → 3.15
alarmknipperlichten ..................................................................... 1.104
antiblokkeersysteem: ABS .................................................2.44 → 2.48
anticorrosiebescherming ............................................................... 4.15
antiluchtverontreiniging
tips ........................................................................................... 2.36
armsteun
voorin ............................................................................. 1.21, 3.27
asbak ............................................................................................. 3.30
autogordels ............0.6, 1.23 → 1.33, 1.36, 1.40 → 1.42, 1.45 → 1.50,
1.52 → 1.56, 1.69, 4.18
Autohold ........................................................................................ 2.27
automatische parkeerrem .........................................1.66, 2.23 → 2.27
automatische portiervergrendeling tijdens het rijden ..................... 1.19
automatische transmissie (gebruik) .............2.22, 2.26, 2.126 → 2.129
AUTO-modus ...................................................................1.98 → 1.100
B
bagageruimte........................... 1.6 – 1.7, 1.15, 1.18, 3.33, 3.35 – 3.36
banden......................0.2, 2.35, 2.38 → 2.43, 4.11 – 4.12, 5.11 → 5.13
bandenspanning .. 0.7, 1.79, 1.83, 2.35, 2.38 → 2.43, 4.11 – 4.12, 5.2,
5.4 → 5.6, 5.5 – 5.6, 5.10, 5.12
batterij
pechhulp ......................................................................5.24 → 5.26
batterijtje (afstandsbediening) ....................................................... 5.20
batterijtjes ........................................................................... 5.22 – 5.23
bedieningselementen
portieren/kleppen .......................................................... 1.8 → 1.11
stuurwiel ....................................................................... 3.16 – 3.17
bedieningsorganen ............................... 0.4, 1.60 → 1.69, 1.65 → 1.69
bestuurdersondersteuning .... 0.5, 2.44, 2.49 → 2.125, 2.130 → 2.132,
3.2
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (1/7)
7.2
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
bevestigingsmiddelen voor kinderen ............1.37 – 1.38, 1.40 → 1.50,
1.52 → 1.56
bevestigingssysteem voor kinderen .............1.37 – 1.38, 1.40 → 1.50,
1.52 → 1.56
biep ................................................................................................ 1.88
bijzonderheid van de benzinemotor.................................... 2.14 – 2.15
bijzonderheid van de dieselmotor ....................................... 2.20 – 2.21
bijzonderheid van de LPG-versies ....................................2.16 → 2.19
Binnen rijstrook blijven: hulpsysteem ................................2.54 → 2.59
binnenlicht ................................................................3.22 → 3.24, 5.18
binnenverlichting:
vervangen van een lamp ......................................................... 5.18
bochtlichten ................................................................................. 1.103
boodschappen op het instrumentenpaneel ......................1.77 → 1.88,
1.120 – 1.121, 2.10 → 2.13, 2.15, 2.20 – 2.21, 2.23 → 2.26
boordcomputer .......................... 1.64 → 1.69, 1.73, 1.77 → 1.88, 1.90
brandstof
kwaliteit ................................................................... 1.113 → 1.117
tanken ..................................................................... 1.113 → 1.117
tips over brandstof .......................................................2.28 → 2.35
verbruik ................................................................................... 2.28
brandstof besparen............................................................2.28 → 2.35
brandstofsysteem ontluchten......................................................... 2.20
brandstoftank
inhoud ....................................................................................1.113
brandstofverbruik .............................................1.79, 2.28 → 2.35, 3.14
buitentemperatuur .............................................................. 1.92 – 1.93
C
capaciteit extra tank.............................................................. 1.79, 1.85
caravan trekken ...................................................................... 3.37, 6.8
card ................................................................1.6 → 1.11, 1.13 → 1.18
claxon .......................................................................................... 1.104
claxon en lichtsignaal .................................................................. 1.104
commando’s .............................................0.4, 1.60 → 1.63, 2.92, 2.96
configuratiemenu ............................................................... 1.89 → 1.91
contact aanzetten van de auto ..............................2.3 – 2.4, 2.6 → 2.9
controlelampjes ......................1.64 → 1.69, 1.65 → 1.69, 1.73 → 1.88
D
dakdragers..................................................................................... 3.38
dashboard...................................................................0.4, 1.60 → 1.63
display ....................................... 1.64 → 1.69, 1.71, 1.73 → 1.76, 3.16
dodehoekwaarschuwing .................................................... 2.60 → 2.66
dop van reagenstank ..................................................... 1.118 → 1.121
draadloze lader .............................................................................. 3.17
dynamische rijcontrole: ESC ....................................1.66, 2.44 → 2.48
E
ECO-modus ............................................... 2.28, 2.33, 2.35, 3.12, 3.14
ECO-rijden ................................................................ 1.67, 2.28 → 2.35
ECO-werkingsmodus..................................................................... 1.67
energie
ECO-modus ............................................................................ 1.67
ESC: dynamische rijcontrole .............................................2.44 → 2.48
extra portiervergrendeling....................................................... 1.5, 1.12
extra tank vullen ............................................................................ 1.67
F
filter
brandstof ................................................................................. 1.87
filter:
interieur ................................................................................... 4.10
lucht ......................................................................................... 4.10
olie ...................................................................................4.5 → 4.7
roet ................................................................................. 1.67, 2.15
functie Stop and Start ........................... 2.10 → 2.13, 2.23, 2.27 – 2.28
G
gegevens van de motor .................................................. 6.3, 6.5 → 6.7
geïntegreerde bediening van handsfree telefoon ............... 3.16 – 3.17
geluidssignaal snelheidsverklikker ....................................... 1.73, 1.76
geluidssignaal verlichting brandt nog ................................. 1.18, 1.101
gereedschap ............................................................................. 5.3, 5.7
gordelspanners
autogordels voorin .......................................................1.28 → 1.33
gordelspanners ..................................................................1.28 → 1.34
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (2/7)
7.3
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
H
handgreep ..................................................................................... 3.29
handrem ............................................................................. 2.22 – 2.23
handsfree kaart: gebruik ...................................................... 1.8 → 1.11
hoedenplank ......................................................................... 1.44, 3.34
hoofdsteunen ........................................................................ 1.20, 3.31
hulp bij wegrijden op helling ..............................................2.44 → 2.48
I
identificatie van de auto ................................................................... 0.7
identificatieplaatjes .......................................................................... 6.3
identificatieplaatjes auto ........................................................... 0.7, 6.2
imperiaal
dakdragers .............................................................................. 3.38
informatie en algemene tips ............................................................ 0.1
inhoud brandstoftank ..................................................... 1.113 → 1.117
inhoud motorolie .................................................................... 4.5 → 4.7
inhoud van reagenstank ................................................ 1.118 → 1.121
inrichting ............................................................................3.25 → 3.29
inrijden ............................................................................................. 2.2
instellingen
configuratiemenu .........................................................1.89 → 1.91
instrumentenpaneel ........0.4, 1.64 → 1.69, 1.73 → 1.88, 1.90 → 1.93,
2.10 → 2.13, 2.22 → 2.36
interieurbekleding
onderhoud .................................................................... 4.18 – 4.19
Isofix ................................................... 1.40 → 1.42, 1.44, 1.52 → 1.56
K
kaart
extra portiervergrendeling ....................................................... 1.12
motor start niet in hands-free stand ............................1.13 → 1.16
noodkaartsleutel .......................................................... 1.13 → 1.16
portieren vergrendelen/ontgrendelen .......................... 1.13 → 1.16
storingen .....................................................................1.13 → 1.16
kaart: batterij ....................................................................... 5.22 – 5.23
kaart: gebruik ....................................................................... 1.6 → 1.11
kaartleeslampje ........................................................3.22 → 3.24, 5.18
katalysator ...................................................... 2.14 – 2.15, 2.20 – 2.21
kinderen .......0.3, 1.37 – 1.38, 1.43 → 1.50, 1.52 → 1.59, 3.18 → 3.20
kinderen (veiligheid) ...................................................................... 1.18
kinderen vervoeren .................. 1.37 – 1.38, 1.40 → 1.50, 1.52 → 1.56
kinderveiligheid ....0.3, 1.7 – 1.8, 1.18, 1.33, 1.37 – 1.38, 1.40 → 1.50,
1.52 → 1.59, 3.18 → 3.20
kinderzitjes............................... 1.37 – 1.38, 1.40 → 1.50, 1.52 → 1.56
klokje ......................................................................... 1.92 – 1.93, 1.93
knipperlichten .........................................................1.104, 5.14 → 5.17
koelvloeistof ........................................................ 1.67, 1.74 – 1.75, 4.8
koplampen
verstellen ............................................................................... 1.105
vervangen van een lamp ......................................................... 5.14
voor ......................................................................................... 5.14
koplampen elektrisch verstellen .................................................. 1.105
krik .......................................................................... 5.3, 5.7, 5.9 – 5.10
L
lak
onderhoud ................................................................... 4.15 → 4.17
lampen
vervangen ...................................................................5.14 → 5.19
lekke band ..................................... 0.9, 1.88, 5.2 → 5.7, 5.9 – 5.10
lichten:
achteruitrijlichten ..................................................................... 5.16
alarmknipperlichten ............................................................... 1.104
dimlichten ................ 1.64 – 1.65, 1.98 – 1.99, 1.101 – 1.102, 5.14
grootlicht .......................................1.64 – 1.65, 1.98 → 1.100, 5.14
kentekenverlichting ...................................................... 5.16 – 5.17
koplampen verstellen ............................................................ 1.105
markeringslichten ..................................... 1.98, 1.102, 5.14 – 5.15
mistlichten ....................................1.64 – 1.65, 1.98 → 1.103, 5.16
regeling ................................................................................. 1.105
remlichten ....................................................................5.15 → 5.17
richtingaanwijzers .......................... 1.64 – 1.65, 1.104, 5.14 – 5.15
Liquefied Petroleum Gas: LPG .......................... 1.80, 1.82, 1.116, 2.16
LPG ...................................................................................2.16 → 2.19
luidsprekers
plaats ....................................................................................... 5.27
M
make-up spiegels .......................................................................... 3.21
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (3/7)
7.4
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
massa’s ........................................................................................... 6.8
maten............................................................................................... 6.4
menu persoonlijke instellingen van de auto..............1.77, 1.89 → 1.91
meters............................................................................................ 2.62
meters:
instrumentenpaneel. ........1.64 → 1.69, 1.65 → 1.69, 1.73 → 1.80,
1.120 – 1.121, 2.10 → 2.13, 2.15, 2.20 → 2.36
milieu ....................................................................................... 2.37
motor
gegevens .........................................................................6.5 → 6.7
motor op stand-by zetten ..........................................1.68, 2.10 → 2.13
motorkap................................................................................. 4.2 – 4.3
motorolie ................................................................................ 4.4 → 4.7
motorolie verversen ............................................................... 4.5 → 4.7
multimedia (uitrusting) ........................................................ 3.16 – 3.17
multimedia uitrusting.. 1.70, 1.75, 1.89, 1.92, 1.101, 3.12, 3.16 – 3.17,
5.27
Multi-Sense.................................................................... 1.95, 3.2 – 3.3
multiview camera ............................................................... 2.71 → 2.79
N
navigatie ............................................................................. 3.16 – 3.17
navigatiesysteem ................................................................ 3.16 – 3.17
noodsignaal ...................................................................2.130 → 2.132
noodsleutel ............................................................................. 1.6 – 1.7
noodstopbekrachtiging .............................................1.68, 2.44 → 2.48
noodstopbekrachtiging: BAS .............. 1.68, 2.44 → 2.48, 2.80 → 2.87
O
oliepeil van de motor .............................................................4.4 → 4.7
onderdelen....................................................................................... 6.9
onderhoud ................................................................. 1.120, 2.36, 3.14
onderhoud:
carrosserie ..................................................................4.15 → 4.17
interieurbekleding ......................................................... 4.18 – 4.19
mechanisch ...................................... 4.4, 4.13 – 4.14, 6.10 → 6.15
onderhoudsinterval .............................................. 1.79, 1.84 – 1.85
onderhoudscoupons .......................................................... 6.10 → 6.15
onderhoudsinterval .................................................... 1.79, 1.84 – 1.85
ontdooien/ontwasemen voorruit .................................3.7, 3.10 → 3.13
ontgrendelen van de portieren...............1.6 → 1.11, 1.13 → 1.16, 1.19
ontwaseming
achterruit ..............................................................3.6, 3.10 → 3.13
voorruit .................................................................3.7, 3.10 → 3.13
opbergruimtes....................................................................3.25 → 3.29
openen van de portieren....................................................1.13 → 1.19
openen/sluiten
portieren .................................................................................... 1.4
openen/sluiten
portieren ...................................................................... 1.13 → 1.18
opkrikken van de auto
verwisselen van een wiel ............................................... 5.9 – 5.10
opslag/organisatie ........................................................................... 0.3
P
Park Assist ............................................................ 1.68, 2.114 → 2.125
parkeerhulp................................................ 1.90 – 1.91, 2.114 → 2.120
parkeerhulp: Park Assist ............................................... 2.114 → 2.125
parkeerrem ...............................................................1.86, 2.23 → 2.27
pechhulp ......................................................................................... 0.9
peilen
remvloeistof ............................................................................... 4.9
ruitensproeierreservoir ............................................................ 4.10
peilen ............................................................................ 0.8, 4.8 → 4.10
peilen:
brandstof ...................... 1.67 → 1.69, 1.71 → 1.76, 1.113 → 1.117
koelvloeistof .............................................................................. 4.8
peilinformatie
motorolie ........................................................................ 1.66, 1.70
peilstaaf motorolie ........................................................................... 4.4
persoonlijke instellingen van de auto ................................1.89 → 1.91
plaatwerkcontrole ..............................................................6.16 → 6.20
pompset voor de banden ................................................5.2, 5.4 → 5.6
portieren ................................................ 1.17 – 1.18, 1.66, 1.89 – 1.90
portieren ...................................................................... 1.4, 1.8 → 1.11
portieren / achterklep ......................1.4, 1.6 → 1.11, 1.13 → 1.16, 1.19
portieren vergrendelen ........1.4, 1.6 → 1.11, 1.13 → 1.19, 1.89 – 1.90
portieren vergrendelen/ontgrendelen ........ 1.5 – 1.7, 1.12, 1.17 – 1.18
portiervergrendeling................1.2 – 1.3, 1.5 → 1.16, 1.19, 1.89 – 1.90
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (4/7)
7.5
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
R
radio.................................................................................... 3.16 – 3.17
radio inbouwen .............................................................................. 5.27
radiovoorbereiding ......................................................................... 5.27
reagens bijvullen............................................................ 1.118 → 1.121
reagens(tank) ................................................................ 1.118 → 1.121
reagenskwaliteit ............................................................. 1.118 → 1.121
reagenstank ................................................................... 1.118 → 1.121
rem ................................................................................................ 2.27
remvloeistof ..................................................................................... 4.9
reservewiel ............................................................................. 5.2 – 5.3
reservoir
ruitensproeier .......................................................................... 4.10
rijden ........... 0.5, 1.89 – 1.90, 2.2, 2.4 → 2.9, 2.14 – 2.15, 2.20 – 2.21,
2.23 → 2.35, 2.38 → 2.87, 2.92 → 2.100, 2.114 → 2.132, 3.2
rijhulp .................0.5, 1.68, 1.90 – 1.91, 2.49 → 2.100, 2.114 → 2.125,
2.130 → 2.132, 3.2
rijhulpsystemen
adaptieve snelheidsregelaar ................................... 2.101 → 2.113
rijpositie
instellingen .......................................0.3, 1.23 → 1.27, 1.94 – 1.95
Rijstrookassistent ..............................................................2.54 → 2.59
rijtips ................................................................2.28, 2.30, 2.33 → 2.35
rijverlichting.............................1.2 – 1.3, 1.6 – 1.7, 1.90, 1.98 → 1.103
rugleuning ...................................................................................... 1.21
ruitbediening. ..................................................................... 3.18 → 3.20
ruiten................................................................................................ 0.2
ruitensproeiers ............................................................... 1.106 → 1.112
ruitenwisser ................................................................... 1.106 → 1.112
ruitenwisser/-sproeier
vervangen van de bladen .................................. 1.109, 5.33 – 5.34
ruitenwisser/-sproeier .............................. 0.9, 1.89 – 1.90, 5.33 – 5.34
S
schakelen ...........................................1.66, 2.22, 2.28, 2.126 → 2.129
schakelpeddel.............................................................................. 2.126
scherm
navigatiescherm ........................................................... 3.16 – 3.17
weergave van de navigatie ........................................ 3.16 – 3.17
schermen
multimediascherm ... 2.31, 2.51, 2.57, 2.61, 2.68, 2.71, 2.73, 2.76,
2.83, 2.116, 2.119 → 2.121, 3.2, 3.16 – 3.17
schoonmaken:
binnenkant auto ............................................................ 4.18 – 4.19
schuifvloer ..................................................................................... 3.35
SCR: selectieve katalysator........................................... 1.118 → 1.121
selecteurhendel automatische transmissie....................2.126 → 2.129
signaal
licht ........................................................................................ 1.104
signaal afstandsregeling ....................................................2.67 → 2.70
signaal bij verlies van bandenspanning .............1.67, 2.38 → 2.43, 5.5
signalen verlichting .......................................................... 1.98 → 1.105
sjorringen ............................................................................ 3.35 – 3.36
sleepogen .................................................................... 5.7, 5.35 – 5.36
slepen
pechhulp ....................................................................... 5.35 – 5.36
slepen .............................................................................................. 0.9
sleutel/afstandsbediening
extra portiervergrendeling ......................................................... 1.5
sleutel/FM-afstandsbediening
batterijtje .................................................................................. 5.20
gebruik ............................................................................1.2 → 1.4
sleutels
vervangen van het batterijtje .......................................... 5.20, 5.22
sleutels ..................................................................................1.2 → 1.5
sluiten van de portieren ..................................1.6 → 1.11, 1.13 → 1.19
snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging ...................................... 1.95
snelheidsalarm ................................................1.68, 1.71, 2.88 → 2.91
snelheidsbegrenzer ..................................................1.68, 2.92 → 2.95
snelheidsregelaar ...................................................1.68, 2.96 → 2.100
snelheidsregelaar/-begrenzer .................................1.68, 2.92 → 2.100
soort brandstof................................................................................. 1.4
spiegels ......................................................................0.2, 1.95 → 1.97
spoiler ............................................................................................ 3.38
starten................................................................................. 1.86, 2.126
starten van de motor............................................................2.3 → 2.13
startschakelaar ...........................................................2.3, 2.23 → 2.26
stilzetten van de motor ...............................2.4 – 2.5, 2.9, 2.23 → 2.26
stoelen ............................................................................................. 0.3
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (5/7)
7.6
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
stoelverwarming ............................................................................ 1.22
Stop and Start.......................................1.95, 1.115, 1.118, 2.27 – 2.28
storingen ................................................................ 1.3, 1.6, 1.19, 1.22,
1.30, 1.59, 1.64 → 1.69, 1.77, 1.79, 1.87 – 1.88, 1.100 – 1.101, 1.108,
1.120 – 1.121, 2.8, 2.13 – 2.15, 2.20 – 2.21, 2.26, 2.45 → 2.48, 2.52,
2.58, 2.64, 2.84, 2.91, 2.108, 2.118, 2.129, 2.132, 3.14, 3.19, 5.20,
5.22, 5.37 → 5.43
stuurbekrachtiging ......................................................................... 1.95
stuurwiel
verstellen ................................................................................. 1.94
stuurwielbediening .............................................................. 3.16 – 3.17
T
tank
koelvloeistof .............................................................................. 4.8
remvloeistof ............................................................................... 4.9
tankdop .......................................................................... 1.113 → 1.117
tankdopklep ..................................................................... 0.2, 1.6 – 1.7
technische gegevens .............................................................6.4 → 6.9
telefoon ............................................................................... 3.16 – 3.17
temperatuurregeling ..........................................................3.10 → 3.13
tijd
regeling .......................................................................... 1.79, 1.83
tijd ....................................................................................... 1.92 – 1.93
tips voor een schoner milieu ................................................. 1.87, 2.36
toegang
auto ...................................................0.2, 1.4 → 1.11, 1.13 → 1.18
toegestane dakbelasting ........................................................... 6.8
tractiecontrole ........................................................... 1.66, 2.44 → 2.48
tractiecontrole: ASR .............................................................. 2.44, 2.46
trekhaak
plaatsen ................................................................................... 3.37
trekken
trekhaak .................................................................................. 3.37
U
usb-aansluiting .............................................................................. 3.16
V
van geluidssignaal
alarmwaarschuwing portier vergeten te sluiten ....................... 1.18
veiligheidsvoorzieningen zijkant ......................................... 1.34 – 1.35
ventilatie
ventileren .......................................................................... 3.4 – 3.5
ventilatie ..............................................................................3.4 → 3.13
ventilatieroosters .................................................................... 3.4 – 3.5
vergrendelen......................................................................1.24 → 1.27
verkeersbordherkenning: snelheidsalarm..........................2.88 → 2.91
verlichting
binnenkant ...............................................3.22 → 3.24, 5.18 – 5.19
buitenkant ...........................................................0.2, 1.98 → 1.105
instrumentenpaneel ...................................................1.98 → 1.103
verlichting bagageruimte
vervangen van een lamp ......................................................... 5.19
verlichting:
uitschakelvertraging .......................................... 1.89 – 1.90, 1.102
versnellingshendel .............................................................. 2.22, 2.126
verstellen van de koplampen ....................................................... 1.105
verstellen van de voorstoelen ............................................. 1.21 – 1.22
vervangen van een lamp ...................................................5.14 → 5.17
vervoer van voorwerpen
in de bagageruimte ................................................................. 3.36
op het dak ................................................................................. 6.8
verwarmd stuur .............................................................................. 1.94
verwarming .......................................................................... 3.6 → 3.14
verwisselen van een wiel ...................................................... 5.9 – 5.10
voor de veiligheid van de kinderen ................................................ 1.18
voorruitverwarming ............................................................ 3.10 → 3.13
voorstoelen
verstellen ..................................................................... 1.20 → 1.23
voorzorgsmaatregelen voor het gebruik .................. 1.106 → 1.110
W
waarneming van voertuigen ..............................................2.80 → 2.87
waarneming van voetgangers ...........................................2.80 → 2.87
waarschuwing bij het verlaten van de rijstrook ......... 1.68, 2.49 → 2.59
wassen ..............................................................................4.15 → 4.17
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (6/7)
7.7
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
welkom in uw auto
algemene inleiding ................................................................... 0.1
welkom in uw auto .......................................................................... 0.1
wieldoppen ...................................................................................... 5.8
wieldopsleutel ......................................................................... 5.7 – 5.8
wielen (veiligheid) .............................................................. 5.11 → 5.13
wielmoersleutel ......................................................................... 5.7, 5.9
wielsleutel ........................................................................................ 5.7
Z
zekeringen .................................................................. 0.9, 5.29 → 5.32
zijknipperlichten ............................................................................. 5.17
zonneklep ...................................................................................... 3.21
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (7/7)
FRA_UD70214_6
Index (BJA - Renault)
RENAULT S.A.S. SOCIÉTÉ PAR ACTIONS SIMPLIFIÉE AU CAPITAL DE 533 941 113 € / 13-15, QUAI LE GALLO
92100 BOULOGNE-BILLANCOURT R.C.S. NANTERRE 780 129 987 — SIRET 780 129 987 03591 / TÉL. : 0810 40 50 60
NU 1292-5 – 99 91 048 41S – 12/2020 – Edition néerlandaise
à999104841Sëîìä 3C
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298
  • Page 299 299
  • Page 300 300
  • Page 301 301
  • Page 302 302
  • Page 303 303
  • Page 304 304
  • Page 305 305
  • Page 306 306
  • Page 307 307
  • Page 308 308
  • Page 309 309
  • Page 310 310
  • Page 311 311
  • Page 312 312
  • Page 313 313
  • Page 314 314
  • Page 315 315
  • Page 316 316
  • Page 317 317
  • Page 318 318
  • Page 319 319
  • Page 320 320
  • Page 321 321
  • Page 322 322
  • Page 323 323
  • Page 324 324
  • Page 325 325
  • Page 326 326
  • Page 327 327
  • Page 328 328
  • Page 329 329
  • Page 330 330
  • Page 331 331
  • Page 332 332
  • Page 333 333
  • Page 334 334
  • Page 335 335
  • Page 336 336
  • Page 337 337
  • Page 338 338
  • Page 339 339
  • Page 340 340
  • Page 341 341
  • Page 342 342
  • Page 343 343
  • Page 344 344
  • Page 345 345
  • Page 346 346
  • Page 347 347
  • Page 348 348
  • Page 349 349
  • Page 350 350
  • Page 351 351
  • Page 352 352
  • Page 353 353
  • Page 354 354
  • Page 355 355
  • Page 356 356
  • Page 357 357
  • Page 358 358
  • Page 359 359
  • Page 360 360
  • Page 361 361
  • Page 362 362
  • Page 363 363
  • Page 364 364
  • Page 365 365
  • Page 366 366
  • Page 367 367
  • Page 368 368
  • Page 369 369
  • Page 370 370
  • Page 371 371
  • Page 372 372
  • Page 373 373
  • Page 374 374
  • Page 375 375
  • Page 376 376
  • Page 377 377
  • Page 378 378
  • Page 379 379
  • Page 380 380
  • Page 381 381
  • Page 382 382
  • Page 383 383
  • Page 384 384
  • Page 385 385
  • Page 386 386
  • Page 387 387
  • Page 388 388
  • Page 389 389
  • Page 390 390
  • Page 391 391
  • Page 392 392
  • Page 393 393
  • Page 394 394
  • Page 395 395
  • Page 396 396
  • Page 397 397
  • Page 398 398
  • Page 399 399
  • Page 400 400

Renault Clio Handleiding

Type
Handleiding