Garmin Oregon 600t,GPS,Topo Canada Handleiding

Type
Handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

Oregon
®
600 serie
Gebruikershandleiding
Augustus 2014 Gedrukt in Taiwan 190-01552-35_0D
Alle rechten voorbehouden. Volgens copyrightwetgeving mag deze handleiding niet in zijn geheel of gedeeltelijk worden gekopieerd zonder schriftelijke
toestemming van Garmin. Garmin behoudt zich het recht voor om haar producten te wijzigen of verbeteren en om wijzigingen aan te brengen in de inhoud van
deze handleiding zonder de verplichting te dragen personen of organisaties over dergelijke wijzigingen of verbeteringen te informeren. Ga naar
www.garmin.com voor de nieuwste updates en aanvullende informatie over het gebruik van dit product.
Garmin
®
, het Garmin logo, Auto Lap
®
, BlueChart
®
, City Navigator
®
, Oregon
®
en TracBack
®
zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar
dochtermaatschappijen, geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. ANT+, BaseCamp, chirp, Garmin Connect, HomePort en tempe
zijn handelsmerken van Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen. Deze handelsmerken mogen niet worden gebruikt zonder de uitdrukkelijke toestemming
van Garmin.
Het merk en de logo's van Bluetooth
®
zijn eigendom van Bluetooth SIG, Inc. en voor het gebruik van deze merknaam door Garmin is een licentie verkregen.
Mac
®
is een geregistreerd handelsmerk van Apple Computer, Inc. Windows
®
is een geregistreerd handelsmerk van Microsoft Corporation in de Verenigde
Staten en andere landen. microSD en het microSDHC logo zijn handelsmerken van SD-3C, LLC. Overige handelsmerken en merknamen zijn het eigendom
van hun respectieve eigenaars.
Dit product is ANT+™ gecertificeerd. Ga naar www.thisisant.com/directory voor een lijst met compatibele producten en apps.
Inhoudsopgave
Inleiding.......................................................................... 1
Aan de slag................................................................................ 1
Overzicht van het toestel........................................................... 1
Batterijgegevens........................................................................ 1
Het NiMH-batterijpak plaatsen.............................................. 1
AA-batterijen plaatsen........................................................... 1
Het toestel inschakelen.............................................................. 2
Satellietsignalen ontvangen en een spoor vastleggen.......... 2
Het aanraakscherm gebruiken.............................................. 2
Via-punten, routes en sporen....................................... 2
Via-punten.................................................................................. 2
Een waypoint maken............................................................. 2
Een waypoint markeren met behulp van de kaart................. 2
Een punt zoeken................................................................... 2
Een waypoint bewerken........................................................ 2
Een waypoint verwijderen..................................................... 2
De nauwkeurigheid van een waypoint-locatie verbeteren..... 2
Een waypoint projecteren...................................................... 3
Menu Waarheen?...................................................................... 3
Optionele kaarten.................................................................. 3
Een locatie op naam zoeken................................................. 3
Een locatie in de buurt van een andere locatie zoeken........ 3
Een adres zoeken................................................................. 3
Routes........................................................................................ 3
Een route maken................................................................... 3
De naam van een route wijzigen........................................... 3
Een route bewerken.............................................................. 3
Een route weergeven op de kaart......................................... 3
Een route verwijderen........................................................... 3
De actieve route weergeven................................................. 3
Een route omkeren................................................................ 3
Sporen....................................................................................... 3
Een spoorlog vastleggen....................................................... 3
Uw spoorlog aanpassen........................................................ 3
Navigeren met TracBack®.................................................... 4
Het huidige spoor opslaan.................................................... 4
Informatie over sporen weergeven........................................ 4
Het hoogteprofiel van een spoor weergeven........................ 4
Een locatie in een spoor opslaan.......................................... 4
De kleur van het spoor wijzigen............................................ 4
Opgeslagen sporen archiveren............................................. 4
Het huidige spoor wissen...................................................... 4
Een spoor verwijderen.......................................................... 4
Garmin Adventures.................................................................... 4
Bestanden verzenden naar BaseCamp................................ 4
Een avontuur maken............................................................. 4
Een avontuur beginnen......................................................... 5
Navigatie......................................................................... 5
Navigeren naar een bestemming............................................... 5
Stoppen met navigeren......................................................... 5
Een Man-over-boord-locatie markeren en de navigatie
ernaartoe starten........................................................................ 5
Navigeren met de kaart.............................................................. 5
Een route rijden..................................................................... 5
Navigeren met het kompas........................................................ 5
Het kompas kalibreren.......................................................... 5
Koerswijzer............................................................................ 5
Navigeren met Peil en ga........................................................... 5
Hoogteprofiel.............................................................................. 5
Navigeren naar een punt in het hoogteprofiel....................... 6
Het plottype wijzigen............................................................. 6
Het hoogteprofiel resetten..................................................... 6
De barometrische hoogtemeter kalibreren............................ 6
Tripcomputer
.............................................................................. 6
De tripcomputer resetten....................................................... 6
Camera en foto's............................................................ 6
Een foto maken.......................................................................... 6
Foto's weergeven....................................................................... 6
Een diavoorstelling weergeven............................................. 6
Foto's sorteren...................................................................... 6
De locatie van een foto weergeven....................................... 6
Een foto als achtergrond instellen......................................... 6
Een foto verwijderen............................................................. 6
Naar een foto navigeren........................................................ 6
Geocaches...................................................................... 6
Geocaches downloaden............................................................ 6
De lijst met geocaches filteren................................................... 7
Een geocachefilter maken en opslaan.................................. 7
Uw eigen geocachefilters bewerken..................................... 7
Naar een geocache navigeren................................................... 7
De poging loggen....................................................................... 7
chirp™........................................................................................ 7
chirp zoeke n inschakelen..................................................... 7
Een geocache met een chirp zoeken.................................... 7
Fitness............................................................................ 7
Hardlopen of fietsen met uw toestel........................................... 7
Geschiedenis............................................................................. 7
Een activiteit bekijken............................................................ 7
Een activiteit verwijderen...................................................... 8
Gebruik van Garmin Connect................................................ 8
Optionele fitnessaccessoires..................................................... 8
Uw ANT+-sensors koppelen................................................. 8
Tips voor het koppelen van ANT+ accessoires met uw
Garmin toestel....................................................................... 8
Hartslagzones............................................................................ 8
Fitnessdoelstellingen............................................................. 8
Uw hartslagzones instellen................................................... 8
Toepassingen................................................................. 8
De 3D-weergave gebruiken....................................................... 8
Gegevens draadloos verzenden en ontvangen......................... 9
Een gevarenzone instellen......................................................... 9
De zaklamp gebruiken............................................................... 9
De oppervlakte van een gebied berekenen............................... 9
De calculator gebruiken............................................................. 9
De agenda en almanakgegevens weergeven............................ 9
De wekker instellen.................................................................... 9
De afteltimer instellen................................................................ 9
De stopwatch openen................................................................ 9
Satellietpagina........................................................................... 9
De satellietweergave wijzigen............................................... 9
GPS uitschakelen.................................................................. 9
Een locatie simuleren............................................................ 9
Het toestel aanpassen................................................. 10
De helderheid van de schermverlichting aanpassen............... 10
Hoofdmenu.............................................................................. 10
Het hoofdmenu aanpassen................................................. 10
Het aanraakscherm vergrendelen....................................... 10
Het scherm draaien............................................................. 10
De schermoriëntatie vergrendelen...................................... 10
Een snelkoppeling maken................................................... 10
Een snelkoppeling aan het hoofdmenu toevoegen............. 10
Aangepaste gegevensvelden en dashboards.......................... 10
Gegevensvelden op de kaart inschakelen.......................... 10
De gegevensvelden aanpassen.......................................... 10
Dashboards aanpassen...................................................... 11
Profielen................................................................................... 11
Een profiel selecteren......................................................... 11
Inhoudsopgave i
Een aangepast profiel maken............................................. 11
De naam van een profiel wijzigen....................................... 11
Een profiel verwijderen........................................................ 11
De knoppen aanpassen........................................................... 11
Systeeminstellingen................................................................. 11
Over GPS en GLONASS.................................................... 11
Seriële interface-instellingen............................................... 11
Scherminstellingen................................................................... 11
Weergave-instellingen............................................................. 11
Bladerknoppen inschakelen..................................................... 12
Gevoeligheid van aanraakscherm instellen............................. 12
De toestelgeluiden instellen..................................................... 12
Kaartinstellingen...................................................................... 12
Geavanceerde kaartinstellingen.......................................... 12
Spoorinstellingen..................................................................... 12
Route-instellingen.................................................................... 12
Koersinstellingen...................................................................... 12
Hoogtemeterinstellingen.......................................................... 13
Instellingen voor positieweergave............................................ 13
De maateenheden wijzigen...................................................... 13
Tijdinstellingen......................................................................... 13
Camera-instellingen................................................................. 13
Geocaching-instellingen........................................................... 13
ANT+ sensorinstellingen.......................................................... 13
Fitnessinstellingen................................................................... 13
Uw fitness-gebruikersprofiel instellen.................................. 13
Ronden op afstand markeren.............................................. 13
Maritieme instellingen wijzigen................................................ 13
Maritieme alarmsignalen instellen....................................... 14
Gegevens resetten................................................................... 14
Standaardwaarden voor specifieke instellingen herstellen. 14
Standaardwaarden voor specifieke pagina-instellingen
herstellen............................................................................. 14
Alle standaardinstellingen herstellen................................... 14
Toestelinformatie......................................................... 14
Batterijgegevens...................................................................... 14
De levensduur van de batterij verlengen............................. 14
De modus Batterijbesparing inschakelen............................ 14
Energie besparen tijdens het opladen van het toestel........ 14
Langdurige opslag............................................................... 14
Toestelonderhoud.................................................................... 14
Het toestel schoonmaken.................................................... 14
Het aanraakscherm schoonmaken..................................... 14
Onderdompelen in water..................................................... 14
Specificaties............................................................................. 15
Gegevensbeheer..................................................................... 15
Bestandstypen.................................................................... 15
Een geheugenkaart installeren........................................... 15
Het toestel aansluiten op uw computer............................... 15
Bestanden overbrengen naar uw computer........................ 15
Bestanden verwijderen........................................................ 15
De USB-kabel loskoppelen................................................. 15
Problemen oplossen................................................................ 15
Toestelgegevens weergeven.............................................. 15
De software bijwerken......................................................... 16
Het toestel resetten............................................................. 16
Het toestel registreren......................................................... 16
Meer informatie................................................................... 16
Appendix.......................................................................16
De karabijnhaakclip bevestigen............................................... 16
De karabijnhaakclip verwijderen......................................... 16
Optionele kaarten..................................................................... 16
tempe....................................................................................... 16
Gegevensvelden...................................................................... 16
Berekeningen van hartslagzones............................................. 18
Index..............................................................................19
ii Inhoudsopgave
Inleiding
WAARSCHUWING
Lees de gids Belangrijke veiligheids- en productinformatie in de
verpakking voor productwaarschuwingen en andere belangrijke
informatie.
Aan de slag
Als u het toestel voor de eerste keer gebruikt, voer dan
onderstaande taken uit om het toestel in te stellen en vertrouwd
te raken met de basisfuncties.
1
Plaats de batterijen (Het NiMH-batterijpak plaatsen).
2
Schakel het toestel in (Het toestel inschakelen).
3
Registreer het toestel (Het toestel registreren).
4
Ontvang satellietsignalen (Satellietsignalen ontvangen en
een spoor vastleggen).
5
Selecteer om de statuspagina weer te geven (De
helderheid van de schermverlichting aanpassen).
6
Markeer een waypoint (Een waypoint maken).
7
Navigeer naar een bestemming (Navigeren naar een
bestemming).
Overzicht van het toestel
À
Cameralens (alleen 650 en 650t)
Á
Aan-uitknop
Â
D-ring van de batterijklep
Ã
Gebruikersknop (De knoppen aanpassen)
Ä
microSD kaartsleuf (onder de batterijklep)
Å
Mini-USB-poort (onder de beschermkap)
Batterijgegevens
WAARSCHUWING
De temperatuurgrenzen van het toestel kunnen hoger/lager
liggen dan de temperatuurgrenzen van sommige batterijen.
Alkalinebatterijen kunnen bij hoge temperaturen barsten.
Gebruik nooit een scherp voorwerp om de batterijen te
verwijderen.
LET OP
Neem contact op met uw gemeente voor informatie over het
hergebruik van de batterijen.
KENNISGEVING
Alkalinebatterijen verliezen een groot gedeelte van hun
capaciteit wanneer de temperatuur afneemt. Gebruik daarom
lithiumbatterijen wanneer u het toestel bij temperaturen onder
nul gebruikt.
Het NiMH-batterijpak plaatsen
Het toestel werkt op het optionele NiMH-batterijpak (alleen 650
en 650t) of twee AA-batterijen (AA-batterijen plaatsen).
1
Draai de D-ring tegen de klok in en trek de D-ring omhoog
om de klep te verwijderen.
2
Neem het meegeleverde batterijpak
À
uit de verpakking.
3
Plaats het batterijpak met de polen in de juiste richting.
4
Druk het batterijpak voorzichtig op zijn plaats.
5
Plaats de batterijklep terug en draai de D-ring met de klok
mee.
Het batterijpak opladen
KENNISGEVING
U voorkomt corrosie door de mini-USB-poort, de beschermkap
en de omringende delen grondig af te drogen voordat u het
toestel oplaadt of aansluit op een computer.
Gebruik het toestel niet om een batterij op te laden die niet is
geleverd door Garmin
®
. Pogingen om een batterij op te laden
die niet is geleverd door Garmin, kan schade toebrengen aan
het toestel en de garantie doen vervallen.
Voordat u de connector van de USB-kabel op uw toestel kunt
aansluiten, moet u mogelijk optionele bevestingingsaccessoires
verwijderen.
OPMERKING: Opladen is alleen mogelijk binnen een
temperatuurbereik van 0 tot 50 °C (32 tot 122°F).
U kunt de batterij opladen via een standaard stopcontact of een
USB-poort op uw computer.
1
Duw de beschermkap
À
van de mini-USB-poort
Á
omhoog.
2
Sluit de kleine connector van de USB-kabel aan op de mini-
USB-poort.
3
Steek de USB-connector van de kabel in de netadapter of in
de USB-poort van een computer.
4
Steek de netadapter in een stopcontact.
Als u het toestel op een voedingsbron aansluit, wordt het
toestel ingeschakeld.
5
Laad de batterij volledig op.
AA-batterijen plaatsen
In plaats van het optionele NiMH-batterijpak (Het NiMH-
batterijpak plaatsen) kunt u twee alkaline-, NiMH- of
lithiumbatterijen gebruiken. Dat is handig wanneer u onderweg
Inleiding 1
bent en niet in staat bent het NiMH-batterijpak op te laden.
Gebruik NiMH- of lithiumbatterijen voor het beste resultaat.
OPMERKING: Standaard alkalinebatterijen worden niet
aanbevolen voor de Oregon 650-modellen bij gebruik van de
camerafunctie.
1
Draai de D-ring tegen de klok in en trek de D-ring omhoog
om de klep te verwijderen.
2
Plaats twee AA-batterijen met de contacten in de juiste
richting.
3
Plaats de batterijklep terug en draai de D-ring met de klok
mee.
4
Houd ingedrukt.
5
Selecteer Stel in > Systeem > AA-batterijtype.
6
Selecteer Alkaline, Lithium of Oplaadbare NiMH.
Het toestel inschakelen
Houd ingedrukt.
Satellietsignalen ontvangen en een spoor vastleggen
Voordat u gebruik kunt maken van de GPS-navigatiefuncties,
zoals het vastleggen van een spoor, moet u eerst
satellietsignalen ontvangen. Het toestel dient mogelijk vrij zicht
op de satellieten te hebben om satellietsignalen te kunnen
ontvangen.
Ga voor meer informatie over GPS naar www.garmin.com
/aboutGPS.
1
Houd ingedrukt.
2
Wacht terwijl het toestel satellieten zoekt.
Als de balken groen worden, ontvangt het toestel
satellietsignalen. De tijd en datum worden automatisch
ingesteld op basis van uw GPS-positie.
3
Loop rond om een spoor te laten vastleggen (Sporen).
4
Selecteer een optie:
Selecteer Kaart om uw spoor op de kaart weer te geven.
Selecteer Kompas om het kompas en aanpasbare
gegevensvelden weer te geven.
Selecteer Tripcomputer om uw huidige snelheid, afstand
en andere statistische gegevens weer te geven.
Het aanraakscherm gebruiken
Tik op het scherm om een item te selecteren.
Sleep, of veeg met uw vinger over het scherm om het
scherm te schuiven of te scrollen.
Knijp twee vingers samen om uit te zoomen.
Spreid twee vingers om in te zoomen.
Voer elke selectie op het aanraakscherm als aparte
handeling uit.
Selecteer om uw wijzigingen op te slaan en de pagina te
sluiten.
Selecteer om de pagina te sluiten en terug te keren naar
de vorige pagina.
Selecteer om terug te keren naar de vorige pagina.
Houd ingedrukt om terug te gaan naar het hoofdmenu.
Selecteer om bepaalde menu-items weer te geven voor
de pagina die u bekijkt.
Via-punten, routes en sporen
Via-punten
Via-punten zijn locaties die u vastlegt en in het toestel opslaat.
Een waypoint maken
U kunt uw huidige locatie als waypoint opslaan.
1
Selecteer de gebruikersknop.
De standaardfunctie van de gebruikersknop is een waypoint
markeren.
2
Selecteer indien nodig een veld als u wijzigingen in het
waypoint wilt aanbrengen.
3
Selecteer Sla op.
Een waypoint markeren met behulp van de kaart
1
Selecteer Kaart.
2
Selecteer een locatie op de kaart.
3
Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
4
Selecteer > OK.
Een punt zoeken
1
Selecteer Via-punten Manager.
2
Selecteer een waypoint in de lijst.
3
Selecteer indien nodig om uw zoekbewerking te verfijnen.
4
Selecteer een optie:
Selecteer Spelzoeken om te zoeken met de naam van
het waypoint.
Selecteer Selecteer symbool om te zoeken met het
waypointsymbool.
Selecteer Zoek nabij om te zoeken in de buurt van recent
gevonden locaties, een ander waypoint, uw huidige
waypoint of een plaats op de kaart.
Selecteer Sorteer om de lijst met waypoints te bekijken
gesorteerd op dichtstbijzijnde afstand of op alfabetische
volgorde.
Een waypoint bewerken
Voordat u een waypoint kunt bewerken, moet u er eerst een
maken.
1
Selecteer Via-punten Manager.
2
Selecteer een waypoint.
3
Selecteer een item om te bewerken, bijvoorbeeld de naam.
4
Voer de nieuwe informatie in en selecteer .
Een waypoint verwijderen
1
Selecteer Via-punten Manager > > Wis.
2
Selecteer een waypoint.
3
Selecteer Wis > Ja.
De nauwkeurigheid van een waypoint-locatie
verbeteren
U kunt de locatie van een waypoint verfijnen voor een
nauwkeurigere weergave. Bij het middelen voert het toestel
verschillende metingen op dezelfde locatie uit en gebruikt de
gemiddelde waarde voor een nauwkeurigere meting.
1
Selecteer Via-punten Manager.
2
Selecteer een waypoint.
3
Selecteer > Gemiddelde locatie.
4
Ga naar de locatie van het waypoint.
2 Via-punten, routes en sporen
5
Selecteer Start.
6
Volg de instructies op het scherm.
7
Als de statusbalk Betrouwbaarheid van meting op 100%
staat, selecteer dan Sla op.
Voor de beste resultaten kunt u vier tot acht metingen voor een
waypoint opslaan. Wacht minimaal 90 minuten tussen de
metingen.
Een waypoint projecteren
U kunt een nieuwe locatie maken door de afstand en peiling te
projecteren vanaf een gemarkeerde locatie naar een nieuwe
locatie.
1
Selecteer Via-punten Manager.
2
Selecteer een waypoint.
3
Selecteer > Projecteer via-punt.
4
Geef de peiling op en selecteer .
5
Selecteer een maateenheid.
6
Geef de afstand op en selecteer .
7
Selecteer Sla op.
Menu Waarheen?
U kunt het menu Waarheen? gebruiken om een bestemming te
zoeken waar u naartoe wilt navigeren. Niet alle Waarheen?-
categorieën zijn voor alle gebieden en op alle kaarten
beschikbaar.
Optionele kaarten
U kunt deze extra kaarten in het toestel laden, zoals BirdsEye
satellietbeelden, BlueChart
®
g2 kaarten en gedetailleerde City
Navigator
®
kaarten. Gedetailleerde kaarten hebben
bijvoorbeeld meer nuttige punten, zoals restaurants of
watersportdiensten. Ga voor meer informatie naar
http://buy.garmin.com of neem contact op met uw Garmin
dealer.
Een locatie op naam zoeken
1
Selecteer Waarheen? > Via-punten > > Spelzoeken.
2
Typ de gehele naam of een deel van de naam.
3
Selecteer .
Een locatie in de buurt van een andere locatie zoeken
1
Selecteer Waarheen? > > Zoek nabij.
2
Selecteer een optie.
3
Selecteer een locatie.
Een adres zoeken
U kunt optionele City Navigator kaarten gebruiken om naar
adressen te zoeken.
1
Selecteer Waarheen? > Adressen.
2
Selecteer, indien nodig, het land of de provincie.
3
Voer de plaats of postcode in.
OPMERKING: Niet alle kaartgegevens bieden de optie voor
zoeken op postcode.
4
Selecteer de plaatsnaam.
5
Voer het huisnummer in.
6
Voer de straatnaam in.
Routes
Een route bestaat uit een serie via-punten of locaties die u naar
uw bestemming leidt.
Een route maken
1
Selecteer Routeplanner > Route maken > Selecteer
eerste punt.
2
Selecteer een categorie.
3
Selecteer het eerste punt in de route.
4
Selecteer Gebruik > Selecteer volgend punt.
5
Herhaal de stappen 2–4 om alle punten toe te voegen in de
route.
6
Selecteer om de route op te slaan.
De naam van een route wijzigen
1
Selecteer Routeplanner.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Wijzig naam.
4
Voer de nieuwe informatie in en selecteer .
Een route bewerken
1
Selecteer Routeplanner.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Wijzig route.
4
Selecteer een punt.
5
Selecteer een optie:
Selecteer Controleer om het punt op de kaart weer te
geven.
Selecteer Omhoog of Omlaag als u de volgorde van de
punten in de route wilt wijzigen.
Selecteer Voeg in als u een punt aan de route wilt
toevoegen.
Het nieuwe punt wordt ingevoegd vóór het geselecteerde
punt.
Selecteer Wis als u het punt uit de route wilt verwijderen.
6
Selecteer om de route op te slaan.
Een route weergeven op de kaart
1
Selecteer Routeplanner.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Bekijk kaart.
Een route verwijderen
1
Selecteer Routeplanner.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Wis route.
De actieve route weergeven
1
Selecteer tijdens het navigeren van een route Actieve route.
2
Selecteer een punt in de route om meer details weer te
geven.
Een route omkeren
1
Selecteer Routeplanner.
2
Selecteer een route.
3
Selecteer Keer route om.
Sporen
Een spoor is een registratie van uw route. Het spoorlog bevat
informatie over de punten langs de vastgelegde route, inclusief
de tijd, de locatie en de hoogtegegevens voor ieder punt.
Een spoorlog vastleggen
Selecteer Huidig spoor .
Selecteer om het vastleggen van een spoor te pauzeren.
Indien gepauzeerd, wordt het spoorlog niet vastgelegd.
Uw spoorlog aanpassen
U kunt de manier waarop uw toestel sporen weergeeft en
vastlegt aanpassen.
1
Selecteer Huidig spoor > .
Via-punten, routes en sporen 3
2
Selecteer een optie:
Als u de kleur van het actieve spoor op de kaart wilt
wijzigen, selecteert u Kleur.
Als u een lijn wilt weergeven op de kaart die uw spoor
aangeeft, selecteert u Toon op kaart.
3
Selecteer > Sporen instellen > Opnamemethode.
4
Selecteer een optie:
Als u de sporen automatisch en optimaal wilt laten
vastleggen, met variabele intervallen, selecteert u Auto.
Als u de sporen op basis van een opgegeven afstand wilt
vastleggen, selecteert u Afstand.
Als u de sporen op basis van een opgegeven tijd wilt
vastleggen, selecteert u Verstreken tijd.
5
Selecteer Interval.
6
Voer een van onderstaande handelingen uit:
Als u Auto hebt geselecteerd als Opnamemethode,
selecteert u een optie om sporen vaker of minder vaak
vast te leggen.
OPMERKING: De optie Vaakst geeft de meest
gedetailleerde sporen weer, maar neemt de meeste
geheugenruimte in het toestel in beslag.
Als u Afstand of Verstreken tijd hebt geselecteerd als
Opnamemethode, voert u een waarde in en selecteert u
.
Navigeren met TracBack
®
Tijdens het navigeren kunt u terugnavigeren naar het begin van
uw spoor. Dat kan handig zijn als u de weg naar een kamp of
het begin van een wandelroute wilt terugvinden.
1
Selecteer Sporenbeheer > Huidig spoor > > TracBack.
Op de kaart wordt uw route van begin- tot eindpunt
aangegeven met een magenta lijn.
2
Navigeren met de kaart of het kompas.
Het huidige spoor opslaan
1
Selecteer Sporenbeheer > Huidig spoor.
2
Selecteer een optie:
Selecteer om het hele spoor op te slaan.
Selecteer > Sla deel op en selecteer een gedeelte.
Informatie over sporen weergeven
1
Selecteer Sporenbeheer.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer .
Het begin en het eind van het spoor worden met een vlag
aangegeven.
4
Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
Er verschijnt informatie over het spoor.
Het hoogteprofiel van een spoor weergeven
1
Selecteer Sporenbeheer.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer .
Een locatie in een spoor opslaan
1
Selecteer Sporenbeheer.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer .
4
Selecteer een locatie in het spoor.
5
Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
Er verschijnt informatie over de locatie.
6
Selecteer > OK.
De kleur van het spoor wijzigen
U kunt de kleur van een spoor wijzigen om de weergave te
verbeteren of om dit spoor met ander spoor te vergelijken.
1
Selecteer Sporenbeheer.
2
Selecteer een spoor.
3
Select Kleur.
4
Selecteer een kleur.
Opgeslagen sporen archiveren
U kunt opgeslagen sporen archiveren om geheugenruimte vrij
te maken.
1
Selecteer Stel in > Sporen > AutoArchiveren.
2
Selecteer Indien vol, Dagelijks of Wekelijks.
Het huidige spoor wissen
Selecteer Huidig spoor > > Wis.
Een spoor verwijderen
1
Selecteer Sporenbeheer.
2
Selecteer een spoor.
3
Selecteer > Wis > Wis.
Garmin Adventures
U kunt avonturen maken om uw tochten te delen met familie,
vrienden en de Garmin community. U kunt items die bij elkaar
horen groeperen als een avontuur. U kunt bijvoorbeeld een
avontuur maken van een wandeltocht. Een avontuur kan
bijvoorbeeld bestaan uit het spoorlog, de foto's en de
geocaches van de tocht. Gebruik BaseCamp om uw
avonturen te maken en te beheren. Ga voor meer informatie
naar http://adventures.garmin.com.
Bestanden verzenden naar BaseCamp
1
Open BaseCamp.
2
Sluit het toestel op uw computer aan (Het toestel aansluiten
op uw computer).
Het toestel en de geheugenkaart (optioneel) worden
weergegeven als verwisselbaar station onder Deze computer
op Windows
®
computers en als geïnstalleerd volume op
Mac
®
computers.
OPMERKING: Sommige computers met meerdere
netwerkstations kunnen geen stations van uw toestel
weergeven. Zie het Help-bestand van uw besturingssysteem
voor meer informatie over het toewijzen van het station.
3
Open het station of volume voor Garmin of de
geheugenkaart.
4
Selecteer een optie:
Selecteer en sleep een item van een aangesloten toestel
naar Mijn verzameling of een lijst.
Selecteer vanuit BaseCamp Toestel > Ontvangen van
toestel en selecteer het toestel.
Een avontuur maken
Voordat u een avontuur kunt maken en naar uw toestel kunt
sturen, moet u BaseCamp naar uw computer downloaden en
moet u een spoor vanaf uw toestel overdragen naar uw
computer (Bestanden verzenden naar BaseCamp).
1
Open BaseCamp.
2
Selecteer Bestand > Nieuw > Garmin Adventure.
3
Selecteer een spoor en klik op Volgende.
4
Voeg indien nodig items toe vanuit BaseCamp.
5
Geef in de vereiste velden de naam en een beschrijving op
voor het avontuur.
6
Als u de omslagfoto van het avontuur wilt wijzigen, selecteert
u Wijzig, en vervolgens een andere foto.
4 Via-punten, routes en sporen
7
Klik op Voltooien.
Een avontuur beginnen
Voordat u een avontuur kunt beginnen, moet u een avontuur
verzenden vanaf BaseCamp naar uw toestel.
1
Selecteer Avonturen.
2
Selecteer een avontuur.
3
Selecteer Start.
Navigatie
U kunt via routes en sporen navigeren naar een waypoint,
geocache, foto of iedere opgeslagen locatie op het toestel. Voor
de navigatie kunt u gebruikmaken van de kaart of het kompas.
Navigeren naar een bestemming
1
Selecteer Waarheen?.
2
Selecteer een categorie.
3
Selecteer een bestemming.
4
Selecteer Ga.
De kaart wordt geopend en uw route wordt aangegeven met
een magenta lijn.
5
Navigeer met de kaart (Navigeren met de kaart) of het
kompas (Navigeren met het kompas).
Stoppen met navigeren
Selecteer op de kaart of in het kompas > Stop met
navigeren.
Een Man-over-boord-locatie markeren en de
navigatie ernaartoe starten
U kunt een Man-over-boord-locatie (MOB) opslaan en de
navigatie naar dat punt automatisch starten. U kunt een
sneltoets instellen om direct toegang te krijgen tot de MOB-
functie (De knoppen aanpassen).
1
Selecteer Man-over-boord > Start.
De kaart wordt geopend met de route naar de MOB-locatie.
De route wordt standaard met een magenta lijn
weergegeven.
2
Navigeer met de kaart (Navigeren met de kaart) of het
kompas (Navigeren met het kompas).
Navigeren met de kaart
1
Start de navigatie naar een bestemming (Navigeren naar
een bestemming).
2
Selecteer Kaart.
Uw locatie wordt op de kaart aangegeven met een blauwe
driehoek. Terwijl u zich verplaatst, verplaatst de blauwe
driehoek zich ook en laat een spoorlog (route) achter. U kunt
de weergave van het spoorlog op de kaart wijzigen (Uw
spoorlog aanpassen).
3
Voer een van de volgende handelingen uit:
Versleep de kaart om andere gebieden weer te geven.
Selecteer en om in en uit te zoomen op de kaart.
Selecteer een locatie op de kaart en tik op de
informatiebalk boven in het scherm om informatie weer te
geven over de geselecteerde locatie (herkenbaar aan de
pen).
Een route rijden
Om te kunnen navigeren, moet u eerst City Navigator-kaarten
aanschaffen en laden.
1
Selecteer Profiel wijzigen > Auto.
2
Selecteer een bestemming.
3
Navigeer met behulp van de kaart.
Volg dan de aanwijzingen in de tekstbalk boven in de kaart.
Geluidssignalen geven afslagen op de route aan.
Navigeren met het kompas
Tijdens het navigeren naar een bestemming wijst naar uw
bestemming, ongeacht in welke richting u zich verplaatst.
1
Start de navigatie naar een bestemming (Navigeren naar
een bestemming).
2
Selecteer Kompas.
3
Blijf draaien tot naar de bovenkant van het kompas wijst en
volg die richting om naar uw bestemming te gaan.
Het kompas kalibreren
KENNISGEVING
Kalibreer het elektronische kompas buiten. Zorg dat u zich niet
in de buurt bevindt van objecten die invloed uitoefenen op
magnetische velden, zoals voertuigen, gebouwen of
elektriciteitskabels.
Het toestel is al gekalibreerd in de fabriek en het maakt
standaard gebruik van automatische kalibratie. Als uw kompas
onregelmatig werkt, bijvoorbeeld nadat u lange afstanden hebt
afgelegd of na extreme temperatuurschommelingen, kunt u het
handmatig kalibreren.
1
Selecteer Kompas > > Kalibreer kompas > Start.
2
Volg de instructies op het scherm.
Koerswijzer
De koerswijzer is vooral handig bij navigatie op het water of op
open plekken zonder grote obstakels. De functie helpt u
bovendien gevaren aan weerszijden van de koers te vermijden,
zoals ondiepten en rotsen onder water.
Om de koerswijzer van het kompas in te schakelen, gaat u naar
Stel in > Koers > Ga naar lijn/wijzer > Koers
(koersafwijkingsindicator).
De koerswijzer
À
geeft uw relatie aan tot de koerslijn en
begeleidt u zo naar uw bestemming. De
koersafwijkingsindicator (CDI)
Â
geeft de afwijking (links of
rechts) ten opzichte van de koers weer. De schaal
Á
heeft
betrekking op de afstand tussen de punten
Ã
op de
koersafwijkingsindicator, die de afwijking ten opzichte van de
koers weergeeft.
Navigeren met Peil en ga
U kunt het toestel op een object in de verte richten, de richting
vergrendelen en vervolgens naar het object navigeren.
1
Selecteer Peil en ga.
2
Richt het toestel op een object.
3
Selecteer Zet richting vast > Stel koers in.
4
Navigeer met behulp van het kompas.
Hoogteprofiel
Het hoogteprofiel toont standaard de hoogtegegevens van de
gereisde afstand. Als u de hoogte-instellingen wilt aanpassen,
Navigatie 5
gaat u naar Hoogtemeterinstellingen. U kunt elk punt op het
profiel aanraken om de details over dat punt te bekijken.
Navigeren naar een punt in het hoogteprofiel.
1
Selecteer Hoogteprofiel.
2
Selecteer een punt in het hoogteprofiel.
Er verschijnen details over het punt.
3
Selecteer > Bekijk kaart.
4
Selecteer de informatiebalk boven in het scherm.
5
Selecteer Ga.
De kaart wordt geopend en uw route wordt aangegeven met
een magenta lijn.
6
Navigeer met de kaart (Navigeren met de kaart) of het
kompas (Navigeren met het kompas).
Het plottype wijzigen
U kunt het hoogteprofiel zodanig instellen dat de luchtdruk en
de hoogte worden weergegeven, na een bepaalde tijd of na een
bepaalde afstand.
1
Selecteer Hoogteprofiel > Wijzig plottype.
2
Selecteer een optie.
Het hoogteprofiel resetten
Selecteer Hoogteprofiel > > Herstel > Wis huidige
spoor > Wis.
De barometrische hoogtemeter kalibreren
Het toestel is al gekalibreerd in de fabriek en het maakt
standaard gebruik van automatische kalibratie. U kunt de
barometrische hoogtemeter handmatig kalibreren als de juiste
hoogte of barometerdruk u bekend is.
1
Ga naar de locatie waarvan de hoogte of de barometerdruk u
bekend is.
2
Selecteer Hoogteprofiel > > Hoogtemeter kalibreren.
3
Volg de instructies op het scherm.
Tripcomputer
De tripcomputer geeft uw huidige snelheid, de gemiddelde
snelheid, de hoogste snelheid, de tripkilometerteller en andere
statistische gegevens weer. U kunt de indeling van de
tripcomputer, het dashboard en de gegevensvelden aanpassen.
Selecteer in het hoofdmenu Tripcomputer.
De tripcomputer resetten
Als u nauwkeurige reisinformatie wilt hebben, dient u de
tripgegevens te resetten voordat u een reis begint.
Selecteer Tripcomputer > > Herstel > Herstel
reisgegevens > Herstel.
Camera en foto's
Met de Oregon 650 en 650t kunt u ook foto's maken. Als u een
foto maakt, wordt de geografische locatie automatisch in de
fotogegevens opgeslagen. U kunt dan naar de locatie
navigeren.
Een foto maken
1
Selecteer Camera.
2
Draai het toestel horizontaal of verticaal om de oriëntatie
voor de foto te bepalen.
3
Selecteer indien nodig om de flitser in te schakelen.
U kunt Auto selecteren om de flitser alleen te gebruiken als
de camera weinig licht detecteert.
4
Gebruik zo nodig twee vingers op het aanraakscherm om in
of uit te zoomen (Het aanraakscherm gebruiken).
5
Houd ingedrukt om scherp te stellen en houd de camera
stil.
Op het scherm wordt een wit frame weergegeven. Er wordt
scherpgesteld op het object in het frame. Als de foto is
scherpgesteld, wordt het frame groen.
6
Laat los om een foto te maken.
Foto's weergeven
U kunt de foto's bekijken die u met de camera hebt gemaakt en
de foto's die u naar het toestel hebt overgezet.
1
Selecteer Fotoviewer.
2
Selecteer een foto om die groter weer te geven.
Spreid twee vingers om in te zoomen of knijp twee vingers
samen om uit te zoomen.
Een diavoorstelling weergeven
1
Selecteer Fotoviewer.
2
Selecteer een foto.
3
Selecteer > Bekijk diavoorstelling.
Foto's sorteren
1
Selecteer Fotoviewer > > Foto's sorteren.
2
Selecteer een optie:
Selecteer Recentst.
Selecteer Nabij een locatie en selecteer een locatie.
Selecteer Op een specifieke datum en voer een datum
in.
De locatie van een foto weergeven
1
Selecteer Fotoviewer.
2
Selecteer een foto.
3
Selecteer > Bekijk kaart.
Een foto als achtergrond instellen
1
Selecteer Fotoviewer.
2
Selecteer een foto.
3
Selecteer > Als achtergrond instellen.
Een foto verwijderen
1
Selecteer Fotoviewer.
2
Selecteer een foto.
3
Selecteer > Wis foto > Wis.
Naar een foto navigeren
1
Selecteer Fotoviewer.
2
Selecteer een foto.
3
Selecteer > Bekijk informatie > Ga.
Geocaches
Geocaches zijn een soort 'verborgen schatten'. Geocaching is
het opsporen van 'verborgen schatten' met GPS-coördinaten
die online worden gezet door degenen die de geocaches
hebben verborgen.
Geocaches downloaden
1
Sluit uw toestel met de USB-kabel op een computer aan.
2
Ga naar www.opencaching.com.
3
Maak, indien nodig, een account.
4
Meld u aan.
5
Volg de instructies op het scherm om geocaches te zoeken
en naar uw toestel te downloaden.
6 Camera en foto's
De lijst met geocaches filteren
U kunt de lijst met geocaches filteren op basis van verschillende
factoren, bijvoorbeeld de moeilijkheidsgraad.
1
Selecteer Geocaching > Snelfilter.
2
Selecteer de items die u wilt filteren.
3
Pas de instellingen naar wens aan en selecteer .
4
Selecteer een optie:
Selecteer Zoeken om het filter toe te passen op de lijst
met geocaches.
Selecteer om het filter op te slaan.
Een geocachefilter maken en opslaan
U kunt uw eigen filters voor geocaches maken op basis van
specifieke factoren. Nadat u het filter hebt gemaakt, kunt u dat
op de lijst met geocaches toepassen.
1
Selecteer Stel in > Geocaching > Filter instellen > Filter
maken.
2
Selecteer de items die u wilt filteren.
3
Selecteer een optie:
Selecteer Zoeken om het filter toe te passen op de lijst
met geocaches.
Selecteer om het filter op te slaan. Als u het filter
opslaat, wordt er automatisch een naam aan het filter
toegekend. Via de lijst met geocaches hebt u toegang tot
uw eigen filters.
Uw eigen geocachefilters bewerken
1
Selecteer Stel in > Geocaching > Filter instellen.
2
Selecteer een filter.
3
Selecteer een item dat u wilt bewerken.
Naar een geocache navigeren
1
Selecteer Geocaching > Zoek een geocache.
2
Selecteer een geocache.
3
Selecteer Ga.
4
Navigeer met de kaart (Navigeren met de kaart) of het
kompas (Navigeren met het kompas).
De poging loggen
Nadat u hebt geprobeerd een geocache te vinden, kunt u de
resultaten loggen. U kunt sommige geocaches verifiëren op
www.opencaching.com.
1
Selecteer Geocaching > Logpoging.
2
Selecteer Gevonden, Niet gevonden, of Reparatie vereist.
3
Selecteer een optie:
Als u wilt navigeren naar de geocache die zich het dichtst
bij u in de buurt bevindt, selecteert u Zoek volgende
dichtstbij.
Om te stoppen met loggen, selecteert u OK.
Als u een opmerking wilt invoeren over het zoeken naar
de geocache of over de geocache zelf, selecteer dan
Wijzig opmerking, voer een opmerking in en selecteer
.
Als u een geocache wilt beoordelen, selecteert u
Beoordeel geocache en voert u een beoordeling in voor
iedere categorie. U kunt naar www.opencaching.com
gaan om u beoordeling te uploaden.
chirp
Een chirp is een klein Garmin accessoire dat wordt
geprogrammeerd en in een geocache wordt achtergelaten. U
kunt uw toestel gebruiken om een chirp te vinden in een
geocache. Raadpleeg voor meer informatie over de chirp de
chirp gebruikershandleiding op www.garmin.com.
chirp zoeke n inschakelen
1
Selecteer Stel in > Geocaching.
2
Selecteer chirp zoeken > Aan.
Een geocache met een chirp zoeken
1
Selecteer Geocaching > Zoek een geocache.
2
Selecteer een geocache.
3
Selecteer Ga.
4
Navigeer met de kaart (Navigeren met de kaart) of het
kompas (Navigeren met het kompas).
Als u zich binnen een afstand van 10 m (32,9 ft) van een
geocache met een chirp bevindt, worden details over de
chirp weergegeven.
5
Selecteer indien nodig Geocaching > Toon chirp-details.
6
Selecteer indien beschikbaar Ga om naar de volgende fase
van de geocache te navigeren.
Fitness
Hardlopen of fietsen met uw toestel
Voordat u gaat hardlopen of fietsen met het toestel, moet u het
profiel instellen op fitness (Een profiel selecteren).
U kunt uw dashboards en gegevensvelden aanpassen voor uw
fitnessactiviteiten (Aangepaste gegevensvelden en
dashboards).
1
Selecteer Huidig spoor > als uw toestel momenteel een
spoor vastlegt.
U kunt het huidige spoor opslaan of verwijderen.
2
Selecteer Stel in > Sporen > Uitvoerindeling.
3
Selecteer een optie:
Selecteer GPX om uw activiteit vast te leggen als een
traditioneel spoor dat op de kaart kan worden bekeken en
kan worden gebruikt voor navigatie.
Selecteer FIT om uw activiteit vast te leggen met
fitnessinformatie (bijvoorbeeld het aantal ronden) die
bedoeld is voor Garmin Connect.
Selecteer Beide om uw gegevens in beide indelingen
tegelijkertijd vast te leggen. Deze instelling gebruikt meer
geheugenruimte.
4
Selecteer in het hoofdmenu Stopwatch > Start.
5
Ga een stuk hardlopen of fietsen.
6
Als u klaar bent, selecteert u Stop.
7
Selecteer Herstel > Sla op.
Geschiedenis
Geschiedenis bevat informatie over datum, tijd, afstand,
calorieën, gemiddelde snelheid of tempo, stijging, daling en
optionele ANT+ sensorinformatie.
OPMERKING: De geschiedenis wordt niet vastgelegd wanneer
de timer is gestopt of gepauzeerd.
Als het geheugen van het toestel vol is, wordt er een bericht
weergegeven. Het toestel overschrijft of verwijdert niet
automatisch uw geschiedenis. U kunt uw geschiedenis
regelmatig uploaden naar Garmin Connect (Gebruik van
Garmin Connect) of BaseCamp (Garmin Adventures) om uw
activiteitgegevens bij te houden.
Een activiteit bekijken
1
Selecteer Activiteitgeschiedenis.
2
Selecteer een activiteit.
Fitness 7
3
Selecteer Controleer.
Een activiteit verwijderen
1
Selecteer Activiteitgeschiedenis.
2
Selecteer een activiteit.
3
Selecteer Wis > Ja.
Gebruik van Garmin Connect
1
Sluit het toestel met een USB-kabel aan op uw computer.
2
Ga naar www.garminconnect.com/start.
3
Volg de instructies op het scherm.
Optionele fitnessaccessoires
U kunt optionele fitnessaccessoires zoals een hartslagmeter of
een cadanssensor bij uw toestel gebruiken. Deze accessoires
maken gebruik van draadloze ANT+ technologie om gegevens
naar het toestel te verzenden.
Voordat u de fitnessaccessoires op uw toestel kunt gebruiken,
moet u het accessoire installeren volgens de meegeleverde
instructies.
Uw ANT+-sensors koppelen
Voordat u de ANT+-sensors kunt koppelen, moet u de
hartslagmeter omdoen of de sensor plaatsen.
Het toestel is compatibel met de hartslagmeter, de GSC 10
snelheids- en cadanssensor, en de draadloze tempe
temperatuursensor. U kunt een gegevensveld aanpassen om
sensorgegevens weer te geven.
1
Breng het toestel binnen bereik (3 m) van de sensor.
OPMERKING: Zorg ervoor dat u minstens 10 meter bij
andere ANT+-sensors vandaan bent tijdens het koppelen.
2
Selecteer Stel in > ANT sensor.
3
Selecteer uw sensor.
4
Selecteer Nieuwe zoeken.
Als de sensor is gekoppeld aan uw toestel wordt de status
van de sensor gewijzigd van Zoeken... naar Verbonden.
Tips voor het koppelen van ANT+ accessoires met uw
Garmin toestel
Controleer of het ANT+ accessoire compatibel is met uw
Garmin toestel.
Voordat u het ANT+ accessoire met uw Garmin toestel
koppelt, dient u een afstand van 10 m (32,9 voet) ten
opzichte van andere ANT+ accessoires in acht te nemen.
Plaats het Garmin toestel binnen 3 m (10 voet) van het ANT+
accessoire.
Nadat u de koppeling tot stand hebt gebracht, herkent het
Garmin toestel daarna automatisch het ANT+ accessoire
wanneer u het toestel activeert. Het koppelingsproces vindt
automatisch plaats wanneer u het Garmin toestel inschakelt
en zorgt ervoor dat de accessoires binnen enkele seconden
zijn geactiveerd en klaar zijn voor gebruik.
Na het koppelen ontvangt het Garmin toestel alleen
gegevens van uw eigen accessoires. U kunt dan ook
gewoon in de buurt van andere accessoires komen.
Hartslagzones
Vele atleten gebruiken hartslagzones om hun cardiovasculaire
kracht te meten en te verbeteren en om hun fitheid te
verbeteren. Een hartslagzone is een bepaald bereik aan
hartslagen per minuut. De vijf algemeen geaccepteerde
hartslagzones zijn genummerd van 1 tot 5 op basis van
oplopende intensiteit. Over het algemeen worden hartslagzones
berekend op basis van de percentages van uw maximale
hartslag.
Fitnessdoelstellingen
Als u uw hartslagzones kent, kunt u uw conditie meten en
verbeteren door de onderstaande principes te begrijpen en toe
te passen.
Uw hartslag is een goede maatstaf voor de intensiteit van uw
training.
Training in bepaalde hartslagzones kan u helpen uw
cardiovasculaire capaciteit en kracht te verbeteren.
Als u uw hartslagzones kent, kunt u het risico op blessures
verlagen en voorkomen dat u te zwaar traint.
Als u uw maximale hartslag kent, kunt u de tabel (Berekeningen
van hartslagzones) gebruiken om de beste hartslagzone te
bepalen voor uw fitheidsdoeleinden.
Als u uw maximale hartslag niet kent, gebruik dan een van de
rekenmachines die beschikbaar zijn op internet. Bij sommige
sportscholen en gezondheidscentra kunt u een test doen om de
maximale hartslag te meten.
Uw hartslagzones instellen
Voordat het toestel uw hartslagzones kan vaststellen, moet u
een fitness-gebruikersprofiel instellen (Uw fitness-
gebruikersprofiel instellen).
U kunt de hartslagzones handmatig aanpassen op basis van uw
fitnessdoelstellingen (Fitnessdoelstellingen).
1
Selecteer Stel in > Fitness > HS-zones.
2
Voer de maximale en minimale hartslag in voor zone 5.
De maximale hartslag voor iedere zone wordt gebaseerd op
de minimale hartslag van de vorige zone. Als u dus 167
invoert als minimale hartslag voor zone 5, gebruikt het
toestel 166 als maximale hartslag voor zone 4.
3
Voer uw minimale hartslag in voor zones 4 tot en met 1.
Toepassingen
De 3D-weergave gebruiken
1
Selecteer 3D-weergave.
2
Selecteer een optie:
Selecteer als u de hoek tussen gezichtspunt en horizon
wilt vergroten.
Selecteer als u de hoek tussen gezichtspunt en horizon
wilt verkleinen.
Selecteer als u de 3D-kaart vooruit wilt schuiven.
Selecteer als u de 3D-kaart achteruit wilt schuiven.
Selecteer als u de weergave naar links wilt draaien.
Selecteer als u de weergave naar rechts wilt draaien.
8 Toepassingen
Gegevens draadloos verzenden en
ontvangen
Voor het draadloos uitwisselen van gegevens moet uw toestel
zich bevinden binnen een afstand van 3 m (10 ft.) van een
ander compatibel toestel.
Uw toestel kan gegevens verzenden en ontvangen als deze is
gekoppeld aan een een compatibel toestel of smartphonetoestel
dat gebruik maakt van draadloze Bluetooth
®
of ANT+
technologie. U kunt waypoints, geocaches, routes, sporen en
aangepaste kaarten delen. Met de Oregon 650 en 650t kunt u
ook foto's delen.
1
Selecteer Draadloos delen.
2
Selecteer een optie:
Selecteer Verzend en selecteer een type gegevens.
Selecteer Ontvangen om gegevens te ontvangen van
een ander toestel. Het andere compatibele toestel moet
gegevens proberen te verzenden.
Selecteer Verbinding maken om het toestel te koppelen
met de BaseCamp Mobile-toepassing op een
smartphone.
3
Volg de instructies op het scherm.
Een gevarenzone instellen
Gevarenzones waarschuwen u als u zich binnen het opgegeven
bereik van een bepaalde locatie bevindt.
1
Selecteer Gevarenzones > Alarm maken.
2
Selecteer een categorie.
3
Selecteer een locatie.
4
Selecteer Gebruik.
5
Voer een radius in en selecteer .
Wanneer u het gevarenzonegebied betreedt, klinkt er een
signaal.
De zaklamp gebruiken
OPMERKING: Gebruik van de zaklamp kan de levensduur van
de batterij doen afnemen. U kunt de helderheid beperken of het
knipperlicht gebruiken om de levensduur van de batterijen te
verlengen.
1
Selecteer Zaklamp > .
2
Selecteer een optie:
Gebruik de schuifbalk om de helderheid aan te passen.
Gebruik de schuifbalk om het knipperniveau te selecteren.
0 Geen knipperlicht, constante lichtstraal.
1–9 Aantal knipperingen per seconden.
SOS Noodlicht.
3
U kunt indien nodig een sneltoets instellen (De knoppen
aanpassen) om direct toegang te krijgen tot de zaklamp.
De oppervlakte van een gebied berekenen
1
Selecteer Oppervlakteberekening > Start.
2
Loop rond het gebied waarvan u de oppervlakte wilt
berekenen.
3
Selecteer Bereken wanneer u daarmee klaar bent.
De calculator gebruiken
Het toestel is voorzien van een standaardcalculator en een
wetenschappelijke calculator.
1
Selecteer Calculator.
2
Selecteer een optie:
Gebruik de standaardcalculator.
Selecteer > Wetenschappelijk als u de
wetenschappelijke calculatorfuncties wilt gebruiken.
Selecteer > Graden als u graden wilt berekenen.
De agenda en almanakgegevens weergeven
U kunt activiteiten op het toestel, zoals wanneer waypoints zijn
opgeslagen, en almanakgegevens over de zon en de maan en
de beste tijden voor jagen en vissen weergeven.
1
Selecteer een optie:
Selecteer Agenda als u de toestelactiviteit voor bepaalde
dagen wilt weergeven.
Selecteer Zon en maan als u gegevens over de opkomst
en ondergang van de zon en de maan wilt weergeven.
Selecteer Jagen en vissen als u de beste tijden voor
jagen en vissen wilt weergeven.
2
Selecteer indien nodig of om een andere maand weer
te geven.
3
Selecteer een dag.
De wekker instellen
Als u het toestel niet gebruikt, kunt u instellen dat het toestel op
een bepaald ogenblik wordt ingeschakeld.
1
Selecteer Wekker.
2
Selecteer en om de tijd in te stellen.
3
Selecteer Zet alarm aan.
4
Selecteer een optie.
Het alarmsignaal klinkt op de opgegeven tijd. Als het toestel
op dat moment uit staat, wordt het ingeschakeld en klinkt het
alarm.
De afteltimer instellen
1
Selecteer Wekker > > Timer.
2
Selecteer en om de tijd in te stellen.
3
Selecteer Start timer.
De stopwatch openen
Selecteer Stopwatch.
Satellietpagina
Op de satellietpagina wordt de volgende informatie
weergegeven: uw huidige locatie, de GPS-nauwkeurigheid, de
satellietlocaties en de signaalsterkte.
De satellietweergave wijzigen
1
Selecteer Satelliet > .
2
Selecteer indien nodig Koers boven om de
satellietweergave met uw huidige spoor te richten naar de
bovenkant van het scherm.
3
Selecteer indien nodig Meerkleurig als u een specifieke
kleur aan de satelliet en de signaalsterktebalk van die
satelliet wilt toewijzen.
GPS uitschakelen
Selecteer Satelliet > > Gebruik met GPS uit.
Een locatie simuleren
1
Selecteer Satelliet > > Gebruik met GPS uit.
2
Selecteer > Stel locatie in op kaart.
3
Selecteer een locatie.
4
Selecteer Gebruik.
Toepassingen 9
Het toestel aanpassen
De helderheid van de schermverlichting
aanpassen
Langdurig gebruik van de schermverlichting kan de
gebruiksduur van de batterijen aanzienlijk bekorten. U kunt de
helderheid van de schermverlichting aanpassen om de
levensduur van de batterijen te verlengen.
OPMERKING: De helderheid van de schermverlichting is
beperkt als de batterij bijna leeg is.
1
Selecteer .
2
Gebruik de schuifregelaar om de schermverlichting aan te
passen.
Het toestel kan warm aanvoelen als de achtergrondverlichting is
ingesteld op hoog.
Hoofdmenu
À
Statusbalk
Á
De huidige tijd en datum
Â
Toepassingpictogrammen
Ã
Toepassingenopslag
Het hoofdmenu aanpassen
Houd een pictogram in het hoofdmenu of bij de
toepassingenopslag ingedrukt en versleep het naar een
nieuwe locatie.
Open de toepassingenopslag en sleep een pictogram naar
het hoofdmenu.
Selecteer Stel in > Hoofdmenu en volg de instructies op het
scherm.
Het aanraakscherm vergrendelen
U kunt het scherm vergrendelen om te voorkomen dat u per
ongeluk op het scherm tikt en functies activeert.
Selecteer > .
Het aanraakscherm ontgrendelen
Selecteer > .
Het scherm draaien
U kunt het toestel draaien om het scherm in horizontale
(liggende) of verticale (staande) modus weer te geven.
De schermoriëntatie vergrendelen
In de standaardinstelling wordt de oriëntatie van het scherm
automatisch aangepast aan de oriëntatie van het toestel. U kunt
de oriëntatie van het scherm vastzetten in de stand staand of
liggend.
1
Selecteer Stel in > Scherm > Oriëntatievergrendeling.
2
Selecteer een optie.
Een snelkoppeling maken
1
Selecteer Stel in > Snelkoppelingen > Snelkoppeling
maken.
2
Selecteer Naam en voer een naam in.
3
Selecteer Pictogram en selecteer een picrogram.
4
Selecteer Profiel en wijs de snelkoppeling toe aan een
specifiek profiel.
5
Selecteer een optie:
Selecteer Stel in om een snelkoppeling naar een
specifieke toestelinstellingen toe te voegen.
Selecteer Waarheen? om een snelkoppeling toe te
voegen waarmee de navigatie naar een specifiek
waypoint wordt gestart.
Selecteer Toepassing om een snelkoppeling naar een
specifieke toepassing toe te voegen.
6
Selecteer het item.
Een snelkoppeling aan het hoofdmenu toevoegen
U kunt snelkoppelingen toevoegen aan het hoofdmenu, de
opslag of uw favorieten. Als de snelkoppeling niet wordt
weergegeven in de lijst, kunt u deze aanmaken (Een
snelkoppeling maken).
1
Selecteer Stel in > Snelkoppelingen.
2
Selecteer een snelkoppeling.
3
Seleceer Hoofdmenu, Opslag of Favorieten.
Aangepaste gegevensvelden en dashboards
Gegevensvelden bevatten informatie over uw locatie of andere
specifieke informatie. Dashboards zijn groepen gegevens die
handig kunnen zijn voor zowel specifieke als algemene taken,
zoals geocaching.
U kunt de gegevensvelden en dashboards van de kaart, het
kompas, de tripcomputer, het hoogteprofiel en de statuspagina
aanpassen.
Gegevensvelden op de kaart inschakelen
1
Selecteer Kaart > > Stel kaart in > Dashboard.
2
Selecteer Kleine gegevensvelden of Groot gegevensveld.
De gegevensvelden aanpassen
Voordat u de gegevensvelden op de kaart kunt wijzigen,
moeten ze worden ingeschakeld (Gegevensvelden op de kaart
inschakelen).
1
Selecteer een pagina.
2
Selecteer een gegevensveld.
3
Selecteer een gegevensveld en een gegevensveldcategorie.
10 Het toestel aanpassen
Selecteer bijvoorbeeld Reisgegevens > Snelheid -
Gemiddelde snelheid.
Dashboards aanpassen
1
Selecteer een pagina.
2
Selecteer een optie:
Selecteer op de kaart > Stel kaart in > Dashboard.
Selecteer in het kompas, de tripcomputer of de
statuspagina > Wijzig dashboard.
3
Selecteer een dashboard.
Profielen
Een profiel is een verzameling instellingen waarmee u het
gebruiksgemak van het toestel kunt optimaliseren. Voor
bijvoorbeeld jagen zijn de instellingen en weergaven anders dan
wanneer u het toestel gebruikt voor geocaching.
Als u een profiel gebruikt en u instellingen zoals
gegevensvelden of maateenheden wijzigt, worden de
wijzigingen automatisch in het profiel opgeslagen.
Een profiel selecteren
Als u van activiteiten verandert, kunt u de instellingen van het
toestel aanpassen door het profiel te wijzigen.
1
Selecteer Profiel wijzigen.
2
Selecteer een profiel.
Een aangepast profiel maken
U kunt uw instellingen en de gegevensvelden voor een
bepaalde activiteit of route aanpassen.
1
Selecteer Stel in > Profielen > Nieuw profiel maken > OK.
2
Pas uw instellingen en gegevensvelden aan.
De naam van een profiel wijzigen
1
Selecteer Stel in > Profielen.
2
Selecteer een profiel.
3
Selecteer Wijzig naam.
4
Voer de nieuwe naam in en selecteer .
Een profiel verwijderen
1
Selecteer Stel in > Profielen.
2
Selecteer een profiel.
3
Selecteer Wis.
De knoppen aanpassen
U kunt de aan-uitknop en de gebruikersknop configureren als
snelkoppeling naar een menu, instelling of toepassing.
1
Selecteer Stel in > Systeem > Configureer knoppen.
2
Selecteer Aan-uitknop of Gebruikersknop.
3
Selecteer Een keer tikken, Dubbeltikken, of Vasthouden.
4
Selecteer een optie.
Systeeminstellingen
Selecteer Stel in > Systeem.
Satellietsysteem: Hiermee wordt het satellietsysteem ingesteld
op GPS, GPS + GLONASS (Over GPS en GLONASS) of
Demomodus (GPS uit).
WAAS/EGNOS: Hiermee wordt het systeem ingesteld op Wide
Area Augmentation System/European Geostationary
Navigation Overlay Service (WAAS/EGNOS). Ga voor meer
informatie over WAAS naar www.garmin.com/aboutGPS
/waas.html.
Taal voor tekst: Hiermee kunt u de taal selecteren voor de
tekst die op het toestel wordt weergegeven.
OPMERKING: Als u de teksttaal wijzigt, blijft de taal van
door de gebruiker ingevoerde gegevens of kaartgegevens
ongewijzigd.
Interface: Hiermee stelt u de indeling van de seriële interface
in.
Configureer knoppen: Hier kunt u snelkoppelingen toewijzen
aan de gebruikersknop en de aan-uitknop (De knoppen
aanpassen).
AA-batterijtype: Hiermee kunt u selecteren welk type AA-
batterijen u gebruikt. Deze instelling is niet beschikbaar als
het NiMH-batterijpak is geplaatst.
Over GPS en GLONASS
De standaard satellietsysteeminstelling is GPS. U kunt GPS +
GLONASS gebruiken voor betere prestaties in moeilijke
omgevingen en snellere positiebepaling. Als GPS en GLONASS
worden gebruikt, kan de levensduur van de batterij sneller
afnemen dan alleen met GPS.
Seriële interface-instellingen
Selecteer Stel in > Systeem > Interface.
Garmin Spanner: Hiermee kunt u de USB-poort van het toestel
gebruiken voor de meeste NMEA 0183-conforme
kaartprogramma's door een virtuele seriële poort te maken.
Garmin serieel: Hiermee wordt het toestel ingesteld om een
eigen standaard van Garmin te gebruiken voor uitwisseling
van gegevens over waypoints, routes en sporen met een
computer.
NMEA in/uit: Stelt het toestel in voor standaard NMEA 0183-
invoer en -uitvoer.
Tekst uit: Verschaft eenvoudige ASCII-tekstuitvoer van locatie-
en snelheidsgegevens.
RTCM: Hiermee kunt u het toestel instellen voor ontvangst van
DGPS-gegevens (Differential Global Positioning System) van
een toestel dat de RTCM-gegevens (Radio Technical
Commission for Maritime Services) in een SC104-indeling
verzendt.
Scherminstellingen
Selecteer Stel in > Scherm.
Time-out van scherm: Hiermee kunt u de tijd instellen voordat
de schermverlichting uitgaat.
Oriëntatievergrendeling: Hiermee kunt u de oriëntatie van het
scherm vastzetten in de stand staand of liggend, of de
oriëntatie van het scherm automatisch laten aanpassen aan
de oriëntatie van het toestel.
Schermafbeelding: Hiermee kunt u de afbeelding op het
scherm van het toestel opslaan.
Batterijbesparing: De gebruiksduur van de batterij wordt
verlengd door het scherm uit te schakelen wanneer de time-
out van de schermverlichting is verstreken (De modus
Batterijbesparing inschakelen).
Weergave-instellingen
Selecteer Stel in > Presentatie.
Modus: Hiermee kunt u een lichte of donkere achtergrond
instellen, of automatisch overschakelen tussen de twee
achtergronden op basis van de zonsopkomst en
zonsondergang op de locatie waar u zich bevindt.
Achtergrond: Hiermee kunt u de achtergrondafbeelding
instellen.
Dagkleur: Hiermee kunt u de kleur instellen voor selecties in de
dagmodus.
Nachtkleur: Hiermee kunt u de kleur instellen voor selecties in
de nachtmodus.
Het toestel aanpassen 11
Liggende weergave: De knoppen worden aan de linker- of
rechterzijde van het scherm geplaatst als het toestel in de
liggende weergave wordt gebruikt.
Bladerknoppen inschakelen
Selecteer Stel in > Toegankelijkheid > Bladerknoppen >
Aan.
en worden op het scherm weergegeven wanneer u in een
menu, lijst of raster kunt bladeren.
Gevoeligheid van aanraakscherm instellen
U kunt de gevoeligheid van het aanraakscherm aanpassen aan
uw activiteit.
1
Selecteer Stel in > Toegankelijkheid >
Aanraakgevoeligheid.
2
Selecteer een optie.
TIP: U kunt de instellingen van het aanraakscherm testen
met en zonder handschoenen afhankelijk van uw activiteit.
De toestelgeluiden instellen
U kunt het geluid voor berichten, toetsaanslagen,
afslagwaarschuwingen en alarmen instellen.
1
Selecteer Stel in > Tonen.
2
Selecteer het gewenste geluid voor ieder item.
Kaartinstellingen
Selecteer Stel in > Kaart.
Configureer kaarten: Hiermee kunt u de op het toestel geladen
kaarten in- of uitschakelen.
Oriëntatie: Hiermee stelt u in hoe de kaart wordt weergegeven
op de pagina. Bij Noord boven wordt het noorden boven aan
de pagina weergegeven. Bij Koers boven wordt uw huidige
reisrichting boven aan de pagina weergegeven. Bij
Automodus wordt een perspectief vanuit de auto met de
rijrichting naar de bovenkant van het scherm weergegeven.
Dashboard: Selecteert een dashboard voor weergave op de
kaart. Elk dashboard bevat andere informatie over de route
of de locatie.
Navigatieaanwijzingen: Hiermee stelt u in wanneer
navigatieaanwijzingen op de kaart worden weergegeven.
Tekensnelheid: Hiermee kunt u de snelheid aanpassen
waarmee de kaart wordt getekend. Als kaarten sneller
worden getekend, neemt de gebruiksduur van de batterij af.
Geavanceerde kaartinstellingen
Selecteer Stel in > Kaart > Geavanceerde instellingen.
Detail: Hiermee stelt u in hoeveel details op de kaart worden
weergegeven. Door het weergeven van meer details is het
mogelijk dat de kaart langzamer opnieuw wordt getekend.
Arcering: Geeft reliëfdetails weer op de kaart (indien
beschikbaar) of schakelt arcering uit.
Voertuig: Hiermee kunt u het positiepictogram wijzigen,
waarmee uw positie op de kaart wordt aangegeven. Het
standaardpictogram is een klein blauw driekhoekje.
Zoomknoppen: Hiermee wordt de autozoom en de locatie van
de knoppen in staande en liggende modus ingesteld.
Zoomniveaus: Hiermee wordt het zoomniveau ingesteld waarin
de items op de kaart worden weergegeven. De kaartitems
worden niet weergegeven wanneer het zoomniveau van de
kaart hoger is dan het geselecteerde niveau.
Tekstgrootte: Hiermee wordt de tekstgrootte voor kaartitems
ingesteld.
Spoorinstellingen
Selecteer Stel in > Sporen.
Opnamemethode: Hiermee selecteert u een methode om
sporen vast te leggen. Auto legt de sporen met variabele
intervallen vast voor een optimaal resultaat.
Interval: Hiermee selecteert u een vastleginterval voor het
spoorlog. Bij frequenter vastleggen van spoorpunten ontstaat
er een gedetailleerder spoor, maar raakt het spoorlog ook
sneller vol.
AutoArchiveren: Hiermee selecteert u een methode voor
automatisch archiveren om uw sporen te organiseren.
Sporen worden automatisch opgeslagen en gewist.
Auto Pause: Pauzeert het vastleggen van uw spoor
automatisch zodra u stopt met bewegen.
Automatisch starten: Hiermee kunt u automatisch een spoor
vastleggen zodra het toestel de satellieten heeft gevonden.
Uitvoerindeling: Hiermee kunt u de indeling kiezen voor het
vastleggen van een spoorlog. GPX-indeling is een
traditioneel spoor dat kan worden weergegeven op de
toestelkaart en kan worden gebruikt voor navigatie. Sporen
kunnen worden bekeken via Sporenbeheer. FIT-indeling is
een fitnessactiviteit die aanvullende informatie vastlegt (het
aantal ronden bijvoorbeeld). Activiteiten kunnen worden
bekeken op het toestel, maar zijn bedoeld voor Garmin
Connect. Selecteer Beide om uw gegevens in beide
indelingen tegelijkertijd vast te leggen. Deze optie verbruikt
meer opslagruimte.
Route-instellingen
Het toestel berekent routes die zijn geoptimaliseerd voor het
huidige type activiteit. De beschikbare route-instellingen zijn
afhankelijk van de geselecteerde activiteit.
Selecteer Stel in > Routebepaling.
Activiteit: Stelt een activiteit voor routebepaling in. Het toestel
berekent routes die zijn geoptimaliseerd voor het huidige
type activiteit.
Routeovergangen: Hiermee stelt u in hoe het toestel routes
bepaalt van het ene punt op de route naar het volgende.
Deze instelling is alleen beschikbaar voor sommige
activiteiten. Afstand hiermee wordt u naar het volgende punt
van de route geleid als u zich op een opgegeven afstand van
uw huidige punt bevindt.
Zet vast op weg: Zet het blauwe driehoekje, dat uw positie op
de kaart aangeeft, vast op de dichtstbijzijnde weg.
Koersinstellingen
U kunt de kompasinstellingen aanpassen.
Selecteer Stel in > Koers.
Scherm: Selecteer het type koersweergave voor het kompas:
Noordreferentie: Hiermee stelt u de noordreferentie van het
kompas in.
Ga naar lijn/wijzer: Hier kunt u de peilingwijzer gebruiken die
de richting van uw bestemming aanwijst, of de koerswijzer
gebruiken die de relatie weergeeft tussen uw
bewegingsrichting en de koerslijn naar uw bestemming.
Kompas: Selecteer Auto om over te schakelen van een
elektronisch kompas naar een GPS-kompas als u zich
gedurende een bepaalde periode met grotere snelheid
verplaatst.
Kalibreer kompas: Hiermee kunt het kompas kalibreren als uw
kompas onregelmatig werkt, bijvoorbeeld nadat u lange
afstanden hebt afgelegd of na extreme
temperatuurschommelingen. Zie Het kompas kalibreren.
12 Het toestel aanpassen
Hoogtemeterinstellingen
Selecteer Stel in > Hoogtemeter.
Automatische kalibratie: Voert automatisch een kalibratie uit
telkens wanneer u het toestel inschakelt. Het toestel blijft
automatisch de hoogtemeter kalibreren zolang het toestel
GPS-signalen vindt.
Barometermodus: Met Variabele hoogte kan de barometer
hoogteverschillen meten terwijl u onderweg bent. Vaste
hoogte gaat ervan uit dat het toestel stilstaat op een vaste
hoogte, zodat de barometerdruk alleen verandert door de
weersomstandigheden.
Luchtdruktrend: Hiermee stelt u in hoe het toestel
drukgegevens vastlegt. Altijd opslaan kan handig zijn als u
wacht op weerfronten.
Plottype: Hiermee worden hoogteverschillen vastgelegd
gedurende een bepaalde tijd of over een bepaalde afstand,
of plaatselijke luchtdrukverschillen over een bepaalde
tijdsduur.
Hoogtemeter kalibreren: Hiermee kunt de barometrische
hoogtemeter kalibreren als de juiste hoogte of barometerdruk
u bekend is. Zie De barometrische hoogtemeter kalibreren.
Instellingen voor positieweergave
OPMERKING: Wijzig de positieweergave of het
coördinatensysteem op basis van kaartdatum alleen als u een
kaart gebruikt die een andere positieweergave voorschrijft.
Selecteer Stel in > Positieweergave.
Positieweergave: Hiermee selecteert u de positieweergave
waarmee een locatie wordt aangeduid.
Kaartdatum: Hiermee stelt u het coördinatensysteem van de
kaart in.
Kaartsferoïde: Hiermee geeft u het coördinatensysteem weer
dat door het toestel wordt gebruikt. Het
standaardcoördinatensysteem is WGS 84.
De maateenheden wijzigen
U kunt de eenheden voor afstand en snelheid, hoogte, diepte,
temperatuur, luchtdruk en verticale snelheid aanpassen.
1
Selecteer Stel in > Eenheden.
2
Selecteer het item waarvoor u de eenheid wilt instellen.
3
Selecteer een maateenheid.
Tijdinstellingen
Selecteer Stel in > Tijd.
Tijdnotatie: Hier kunt u kiezen om de 12- of 24-uursklok in te
stellen.
Tijdzone: Hiermee stelt u de tijdzone voor het toestel in. Met
Automatisch wordt de tijdzone automatisch ingesteld op
basis van uw GPS-positie.
Camera-instellingen
Selecteer Stel in > Camera.
Fotoresolutie: Hier stelt u de resolutie van de foto's in.
Foto's opslaan op: Hier stelt u de opslaglocatie voor de foto's
in.
Camera-instructies: Hier worden korte instructies over het
nemen van foto's weergegeven.
Geocaching-instellingen
Selecteer Stel in > Geocaching.
Geocachelijst: Hiermee kunt u de lijst met geocaches
weergeven op naam of code.
Geocache-stijl: Hier kunt u de schermstijl voor
geocachegegevens selecteren.
chirp zoeken: Het toestel zoekt naar een geocache die een
chirp-accessoire bevat (chirp zoeke n inschakelen).
chirp programmeren: Hiermee wordt het chirp-accessoire
geprogrammeerd. Raadpleeg de chirp gebruikershandleiding
op www.garmin.com.
Filter instellen: Hier kunt u aangepaste filters voor geocaches
maken en opslaan op basis van specifieke factoren (Een
geocachefilter maken en opslaan).
Gevonden geocaches: Hier kunt u het aantal gevonden
geocaches wijzigen. Dit aantal wordt automatisch aangepast
als u een gevonden geocache logt (De poging loggen).
ANT+ sensorinstellingen
Zie Optionele fitnessaccessoires voor meer informatie over
optionele fitnessaccessoires.
Fitnessinstellingen
Selecteer Stel in > Fitness.
Auto Lap: Hiermee stelt u in dat de ronde automatisch na een
specifieke afstand wordt gemarkeerd.
Gebruiker: Hiermee stelt u de gegevens in uw fitness-
gebruikersprofiel in (Uw fitness-gebruikersprofiel instellen).
HS-zones: Hiermee kunt u de vijf hartslagzones instellen voor
fitnessactiviteiten.
FIT-activiteit: Hiermee kunt u de fitnessactiviteit instellen op
hardlopen, fietsen of overige. Op deze manier wordt een
hardloopactiviteit ook weergegeven als hardloopactiviteit als
u deze overzet naar Garmin Connect.
Uw fitness-gebruikersprofiel instellen
Het toestel maakt gebruik van de gegevens die u over uzelf
opgeeft om nauwkeurige gegevens te berekenen. U kunt de
volgende gegevens van het gebruikersprofiel aanpassen:
geslacht, leeftijd, gewicht, lengte en ervaren sporter (Over
ervaren sporters).
1
Selecteer Stel in > Fitness > Gebruiker.
2
Pas de instellingen aan.
Over ervaren sporters
Een ervaren sporter is een persoon die een groot aantal jaren
intensief heeft getraind (met uitzondering van lichte blessures)
en die een hartslag in rust van 60 slagen per minuut of minder
heeft.
Ronden op afstand markeren
Met Auto Lap
®
kunt u de ronde automatisch markeren na een
bepaalde afstand. Dit is handig als u uw prestaties tijdens
verschillende delen van een activiteit wilt vergelijken.
1
Selecteer Stel in > Fitness > Auto Lap.
2
Voer een waarde in en selecteer .
Maritieme instellingen wijzigen
Selecteer Stel in > Maritiem.
Waterkaartmodus: Hiermee stelt u het type kaart in waarmee
het toestel maritieme gegevens weergeeft. Nautisch geeft
verschillende kaartelementen in verschillende kleuren weer
zodat maritieme nuttige punten beter leesbaar en de kaart
dezelfde kleuren heeft als papieren kaarten. Vissen
(watersportkaarten vereist) geeft een gedetailleerde
weergave van zeebodemcontouren en dieptepeilingen en
vereenvoudigt de kaartweergave zodat deze optimaal is om
te kunnen vissen.
Presentatie: Hiermee stelt u de weergave in voor de maritieme
navigatiehulpmiddelen op de kaart.
Het toestel aanpassen 13
Maritieme alarmen instellen: Hiermee stelt u een alarm in voor
wanneer u van een opgegeven afstand afdrijft terwijl u voor
anker ligt en wanneer u water nadert met een bepaalde
diepte.
Maritieme alarmsignalen instellen
1
Selecteer Stel in > Maritiem > Maritieme alarmen
instellen.
2
Selecteer het gewenste type alarm.
3
Selecteer Aan.
4
Voer een afstand in en selecteer .
Gegevens resetten
U kunt tripgegevens resetten, alle waypoints wissen, het huidige
spoor wissen of alle standaardwaarden herstellen.
1
Selecteer Stel in > Herstel.
2
Selecteer een item dat u wilt resetten.
Standaardwaarden voor specifieke instellingen
herstellen
1
Selecteer Stel in.
2
Selecteer een item dat u wilt herstellen.
3
Selecteer > Standaardinstellingen.
Standaardwaarden voor specifieke pagina-
instellingen herstellen
U kunt de standaardwaarden herstellen voor instellingen van de
kaart, het kompas, de tripcomputer en het hoogteprofiel.
1
Open de pagina waarvan u de instellingen wilt herstellen.
2
Selecteer > Standaardinstellingen.
Alle standaardinstellingen herstellen
U kunt alle fabrieksinstellingen van het toestel herstellen.
Selecteer Stel in > Herstel > Herstel alle instellingen > Ja.
Toestelinformatie
Batterijgegevens
WAARSCHUWING
De temperatuurgrenzen van het toestel kunnen hoger/lager
liggen dan de temperatuurgrenzen van sommige batterijen.
Alkalinebatterijen kunnen bij hoge temperaturen barsten.
Gebruik nooit een scherp voorwerp om de batterijen te
verwijderen.
LET OP
Neem contact op met uw gemeente voor informatie over het
hergebruik van de batterijen.
KENNISGEVING
Alkalinebatterijen verliezen een groot gedeelte van hun
capaciteit wanneer de temperatuur afneemt. Gebruik daarom
lithiumbatterijen wanneer u het toestel bij temperaturen onder
nul gebruikt.
De levensduur van de batterij verlengen
U kunt verschillende acties ondernemen om de levensduur van
de batterij te verlengen.
Beperk de helderheid van de schermverlichting (De
helderheid van de schermverlichting aanpassen).
Beperk de time-out van de schermverlichting
(Scherminstellingen).
Gebruik de batterijbesparingsmodus (De modus
Batterijbesparing inschakelen).
Laat de kaarten minder snel tekenen (Kaartinstellingen).
Sluit de cameratoepassing als u geen foto's neemt.
De modus Batterijbesparing inschakelen
U kunt de modus Batterijbesparing gebruiken om de levensduur
van de batterij te verlengen.
Selecteer Stel in > Scherm > Batterijbesparing > Aan.
In de modus Batterijbesparing wordt het scherm uitgeschakeld
zodra de time-out van de schermverlichting is verstreken. U
kunt selecteren om het scherm in te schakelen of twee keer
op tikken om de statuspagina weer te geven.
Energie besparen tijdens het opladen van het toestel
U kunt het toestelscherm en alle andere functies uitschakelen
tijdens het opladen.
1
Sluit uw toestel aan op een exerne voedingsbron.
De resterende batterijlading wordt weergegeven.
2
Houd de aan-uitknop 4 tot 5 seconden ingedrukt.
Het scherm wordt uitschakeld en het toestel schakelt over
naar een energiezuinige modus waarin de batterij wordt
opgeladen.
3
Laad het toestel volledig op.
Langdurige opslag
Verwijder de batterijen als u van plan bent het toestel enige
maanden niet te gebruiken. Opgeslagen gegevens gaan niet
verloren wanneer u de batterijen verwijdert.
Toestelonderhoud
KENNISGEVING
Bewaar het toestel niet op een plaats waar het langdurig aan
extreme temperaturen kan worden blootgesteld omdat dit
onherstelbare schade kan veroorzaken.
Gebruik nooit een hard of scherp voorwerp om het
aanraakscherm te bedienen, omdat het scherm daardoor
beschadigd kan raken.
Vermijd chemische schoonmaakmiddelen en oplosmiddelen die
de kunststofonderdelen kunnen beschadigen.
Breng de beschermkap van de mini-USB-poort goed aan om
beschadiging van de poort te voorkomen.
Het toestel schoonmaken
1
Veeg het toestel schoon met een doek die is bevochtigd met
een mild schoonmaakmiddel.
2
Veeg de behuizing vervolgens droog.
Het aanraakscherm schoonmaken
1
Gebruik een zachte, schone, pluisvrije doek.
2
Bevochtig de doek zo nodig licht met water.
3
Als u een vochtige doek gebruikt, schakel het toestel dan uit
en koppel het los van de voeding.
4
Veeg het scherm voorzichtig met de doek schoon.
Onderdompelen in water
KENNISGEVING
Het toestel is waterbestendig volgens IEC-standaard 60529
IPX7. Het toestel is bestand tegen onderdompelen in tot één
meter diep water, gedurende maximaal dertig minuten. Als u het
toestel langer onder water houdt, kan schade het gevolg zijn.
Na onderdompeling moet u het toestel voorzichtig afdrogen en
laten opdrogen voordat u het opnieuw gaat gebruiken of
oplaadt.
14 Toestelinformatie
Specificaties
Batterijtype NiMH-batterijpakket of twee AA-batterijen
(NiMH, alkaline, of lithium)
Batterijduur Maximaal 16 uur
Waterbestendigheid IEC 60529 IPX7*
Bedrijfstemperatuurbereik Van -20º tot 70ºC (van -4º tot 158ºF)
Laadtemperatuurbereik Van 0º tot 45°C (van 32º tot 113°F)
Radiofrequentie/protocol 2,4 GHz ANT+ protocol voor draadloze
communicatie
Bluetooth compatibel toestel
Kompasveilige afstand 17,5 cm (7 inch)
*Het toestel is bestand tegen incidentele blootstelling aan water
tot 1 meter diepte gedurende maximaal 30 minuten.
Gegevensbeheer
OPMERKING: Het toestel is niet compatibel met Windows 95,
98, ME, Windows NT
®
, en Mac OS 10.3 en ouder.
Bestandstypen
Het handheldtoestel biedt ondersteuning voor de volgende
bestandstypen:
Bestanden van BaseCamp of HomePort. Ga naar
www.garmin.com/trip_planning.
GPX-spoorbestanden.
GPX-geocachebestanden. Ga naar www.opencaching.com.
JPEG-afbeeldingsbestanden.
GPI-/aangepaste POI-bestanden van de Garmin POI Loader.
Ga naar www.garmin.com/products/poiloader.
FIT-bestanden voor export naar Garmin Connect.
Een geheugenkaart installeren
U kunt een microSD-geheugenkaart installeren voor extra
opslagruimte of voorgeladen kaarten.
1
Draai de D-ring tegen de klok in en trek de D-ring omhoog
om de klep te verwijderen.
2
Verwijder de batterijen of het batterijpakket.
3
Schuif in het batterijcompartiment de kaarthouder
À
naar
links en til deze omhoog.
4
Plaats de geheugenkaart
Á
met de gouden contactpunten
naar beneden.
5
Sluit de kaarthouder.
6
Schuif de kaarthouder naar rechts om deze te vergrendelen.
7
Plaats de batterijen of het batterijpakket terug.
8
Plaats de batterijklep terug en draai de D-ring met de klok
mee.
Het toestel aansluiten op uw computer
KENNISGEVING
U voorkomt corrosie door de mini-USB-poort, de beschermkap
en de omringende delen grondig af te drogen voordat u het
toestel oplaadt of aansluit op een computer.
Voordat u de connector van de USB-kabel op uw toestel kunt
aansluiten, moet u mogelijk optionele bevestingingsaccessoires
verwijderen.
1
Duw de beschermkap van de mini-USB-poort omhoog.
2
Sluit de kleine connector van de USB-kabel aan op de mini-
USB-poort.
3
Sluit het grote uiteinde van de USB-kabel aan op de USB-
poort van de computer.
Het toestel en de geheugenkaart (optioneel) worden
weergegeven als verwisselbaar station onder Deze computer
op Windows computers en als geïnstalleerd volume op Mac
computers.
Bestanden overbrengen naar uw computer
1
Sluit het toestel op uw computer aan (Het toestel aansluiten
op uw computer).
Het toestel en de geheugenkaart (optioneel) worden
weergegeven als verwisselbaar station onder Deze computer
op Windows computers en als geïnstalleerd volume op Mac
computers.
OPMERKING: Sommige computers met meerdere
netwerkstations kunnen geen stations van uw toestel
weergeven. Zie het Help-bestand van uw besturingssysteem
voor meer informatie over het toewijzen van het station.
2
Open de bestandsbrowser op de computer.
3
Selecteer een bestand.
4
Selecteer Bewerken > Kopiëren.
5
Open het Garmin-station of -volume of het station of volume
van de geheugenkaart.
6
Selecteer Bewerken > Plakken.
Het bestand wordt weergegeven in de lijst met bestanden in
het toestelgeheugen of op de geheugenkaart.
Bestanden verwijderen
KENNISGEVING
Als u niet weet waar een bestand voor dient, verwijder het dan
niet. Het geheugen van het toestel bevat belangrijke
systeembestanden die niet mogen worden verwijderd.
1
Open het Garmin station of volume.
2
Open zo nodig een map of volume.
3
Selecteer een bestand.
4
Druk op het toetsenbord op de toets Delete.
De USB-kabel loskoppelen
Als uw toestel als een verwisselbaar station of volume is
aangesloten op uw computer, dient u het toestel op een veilige
manier los te koppelen om gegevensverlies te voorkomen. Als
uw toestel als een draagbaar toestel is aangesloten op uw
Windows-computer, hoeft u het niet op een veilige manier los te
koppelen.
1
Voer een van onderstaande handelingen uit:
Op Windows-computers: Selecteer het pictogram
Hardware veilig verwijderen in het systeemvak en
selecteer uw toestel.
Op Mac-computers: Sleep het volumepictogram naar de
prullenbak.
2
Koppel de kabel los van uw computer.
Problemen oplossen
Toestelgegevens weergeven
U kunt de toestel-id, softwareversie en licentieovereenkomst
weergeven.
Selecteer Stel in > Over.
Toestelinformatie 15
De software bijwerken
OPMERKING: Als u de software bijwerkt, gaan uw gegevens of
instellingen niet verloren.
1
Sluit uw toestel met de USB-kabel op een computer aan.
2
Ga naar www.garmin.com/products/webupdater.
3
Volg de instructies op het scherm.
Het toestel resetten
Als het toestel niet meer reageert, moet u het mogelijk resetten.
Uw gegevens en instellingen worden dan niet gewist.
1
Verwijder de batterijen.
2
Plaats de batterijen opnieuw.
Het toestel registreren
Vul de onlineregistratie nog vandaag in, zodat wij u beter
kunnen helpen.
Ga naar http://my.garmin.com.
Bewaar uw originele aankoopbewijs of een fotokopie op een
veilige plek.
Meer informatie
Meer informatie over dit product vindt u op de website van
Garmin.
Ga naar www.garmin.com/outdoor.
Ga naar www.garmin.com/learningcenter.
Ga naar http://buy.garmin.com of neem contact op met uw
Garmin dealer voor informatie over optionele accessoires en
vervangingsonderdelen.
Appendix
De karabijnhaakclip bevestigen
1
Plaats de karabijnhaakclip
À
in de sleuven op de behuizing
Á
van het toestel.
2
Schuif de karabijnhaakclip omhoog totdat deze vastklikt.
De karabijnhaakclip verwijderen
Til de onderkant van de karabijnhaakclip omhoog en schuif
de karabijnhaakclip van de behuizing af.
Optionele kaarten
U kunt deze extra kaarten in het toestel laden, zoals BirdsEye
satellietbeelden, BlueChart g2 kaarten en gedetailleerde City
Navigator kaarten. Gedetailleerde kaarten hebben bijvoorbeeld
meer nuttige punten, zoals restaurants of watersportdiensten.
Ga voor meer informatie naar http://buy.garmin.com of neem
contact op met uw Garmin dealer.
tempe
De tempe is een draadloze ANT+ temperatuursensor. U kunt de
sensor aan een stevige band of lus bevestigen op een plek
waar deze is blootgesteld aan omgevingslucht en zo een
consistente bron van nauwkeurige temperatuurgegevens vormt.
U moet de tempe met uw toestel koppelen om
temperatuurgegevens van de tempe te kunnen weergeven.
Gegevensvelden
Sommige gegevensvelden vereisen dat u navigeert of vereisen
ANT+-accessoires om gegevens te kunnen weergeven.
(Totaal) verstreken tijd: De totale verstreken tijd. Als u
bijvoorbeeld de timer start en 10 minuten hardloopt,
vervolgens de timer 5 minuten stopt en daarna de timer weer
start en 20 minuten hardloopt, bedraagt de verstreken tijd 35
minuten.
Aanwijzer: Een pijl wijst in de richting van het volgende
waypoint of de volgende bocht. Deze gegevens worden
alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Afstand tot bestemming: De resterende afstand tot de
eindbestemming. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Afstand tot volgende: De resterende afstand tot het volgende
waypoint op uw route. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Alarmtimer: De huidige tijd van de afteltimer.
Barometer: De actuele, gekalibreerde druk.
Batterijniveau: De resterende batterijvoeding.
Behouden snelheid: De snelheid waarmee u een bestemming
langs uw route nadert. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Bocht: De richting van de volgende afslag op de route. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Cadans: Aantal omwentelingen van de pedaalarm of aantal
stappen per minuut. Uw toestel moet zijn aangesloten op
een cadans-accessoire.
Cadans laatste ronde: De gemiddelde cadans van de laatste
voltooide ronde.
Calorieën: De hoeveelheid calorieën die u hebt verbrand.
Daling - Gemiddeld: De gemiddelde verticale afstand van de
daling sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Daling laatste ronde: De verticale afstand van de daling van
de laatste voltooide ronde.
Daling - Maximum: De maximale daalsnelheid in voet per
minuut of meter per minuut sinds deze waarde voor het
laatst is hersteld.
Daling ronde: De verticale afstand van de daling voor de
huidige ronde.
Daling - Totaal: De totale afstand van de daling sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Datum: Huidige dag, maand en jaar.
Diepte: De diepte van het water. Uw toestel moet zijn
aangesloten op een NMEA 0183-toestel dat de waterdiepte
kan bepalen.
ETA bij volgende: Het geschatte tijdstip waarop u het volgende
waypoint op de route zult bereiken (aangepast aan de lokale
tijd van het waypoint). Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
ETA op bestemming: Het geschatte tijdstip waarop u de
eindbestemming zult bereiken (aangepast aan de lokale tijd
van de bestemming). Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Geen: Dit is een leeg gegevensveld.
Gemiddelde cadans: De gemiddelde cadans voor de huidige
activiteit.
Gemiddelde hartslag: De gemiddelde hartslag voor de huidige
activiteit.
Gemiddelde rondetijd: De gemiddelde rondetijd voor de
huidige activiteit.
Gemiddeld hartslagpercentage: Het gemiddelde percentage
van de maximale hartslag voor de huidige activiteit.
16 Appendix
Glijhoek: De hoek van de horizontale afgelegde afstand in
verhouding tot de wijziging in verticale afstand.
Glijhoek tot bestemming: De glijhoek die nodig is om van uw
huidige positie af te dalen naar de hoogte van uw
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
GPS-hoogte: De hoogte van uw huidige locatie op basis van
GPS.
GPS-koers: De richting waar u naartoe gaat op basis van GPS.
GPS-signaalsterkte: De sterkte van het signaal van de GPS-
satelliet.
Hartslag: Uw aantal hartslagen per minuut. Uw toestel moet
zijn aangesloten op een compatibele hartslagmeter.
Hartslag laatste ronde: De gemiddelde hartslag voor de
laatste voltooide ronde.
Hartslagpercentage ronde: Het gemiddelde percentage van
de maximale hartslag voor de huidige ronde.
Hartslagpercentage van maximum: Het percentage van
maximale hartslag.
Hartslag ronde: De gemiddelde hartslag voor de huidige ronde.
Hartslagzone: Het huidige hartslagbereik (1-5). De
standaardzones zijn gebaseerd op uw gebruikersprofiel,
maximale hartslag en hartslag in rust.
Hoogte: De hoogte van uw huidige locatie boven of onder
zeeniveau.
Hoogte boven grond: De hoogte van uw huidige locatie boven
grondniveau.
Hoogte - Maximum: Het hoogst bereikte punt sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Hoogte - Minimum: Het laagst bereikte punt sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Huidige ronde: De stopwatchtijd voor de huidige ronde.
Kilometerteller: Een lopende meting van de afstand die is
afgelegd voor alle trips. Dit totaal wordt niet gewist als de
tripgegevens opnieuw worden ingesteld.
Koers: De richting waarin u zich verplaatst.
Kompaskoers: De richting waarin het toestel wijst gebaseerd
op het kompas.
Laatste rondeafstand: De afstand die u hebt afgelegd voor de
laatste voltooide ronde.
Laatste rondesnelheid: De gemiddelde snelheid voor de
laatste voltooide ronde.
Laatste rondetijd: De stopwatchtijd voor de laatste voltooide
ronde.
Lijn: De richting van uw beginlocatie naar een bestemming. De
koers kan worden weergegeven als een geplande of
ingestelde route. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Locatie (ingesteld): De huidige positie met de geselecteerde
instelling voor de positieweergave.
Locatie van bestemming: De positie van uw eindbestemming.
Deze gegevens worden alleen weergegeven tijdens het
navigeren.
Maximum snelheid: De gerapporteerde maximumsnelheid
voor de weg. Niet beschikbaar op alle kaarten en in alle
gebieden. Let altijd op de borden langs de weg voor de juiste
maximumsnelheid.
Maximumtemperatuur 24 uur: De maximumtemperatuur
gemeten in de afgelopen 24 uur.
Minimumtemperatuur 24 uur: De minimumtemperatuur
gemeten in de afgelopen 24 uur.
Naar koers: De richting die u moet volgen om terug te keren
naar de route. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Nauwkeurigheid van GPS: De foutmarge voor uw exacte
locatie. Uw GPS-locatie is bijvoorbeeld nauwkeurig tot op
circa 3,65 m (12 ft.).
Omgevingsluchtdruk: De niet-gekalibreerde
omgevingsluchtdruk.
Peiling: De richting van uw huidige locatie naar een
bestemming. Deze gegevens worden alleen weergegeven
tijdens het navigeren.
Percentage: De berekening van de stijging over de afstand. Als
u bijvoorbeeld 3 m (10 ft.) stijgt voor elke 60 m (200 ft.) die u
aflegt, dan is de helling ofwel het stijgingspercentage 5%.
Positie (lgt/brd): De huidige positie in lengte- en breedtegraad
ongeacht de geselecteerde instelling voor de
positieweergave.
Rondeafstand: De afstand die u hebt afgelegd voor de huidige
ronde.
Rondecadans: De gemiddelde cadans voor de huidige ronde.
Ronden: Het aantal ronden dat is voltooid voor de huidige
activiteit.
Rondesnelheid: De gemiddelde snelheid voor de huidige
ronde.
Snelheid: De huidige snelheid waarmee u zich verplaatst.
Snelheid - Gemiddelde snelheid: De gemiddelde snelheid
waarmee u zich verplaatst sinds deze waarde voor het laatst
is hersteld.
Snelheid - Maximum: De hoogste snelheid sinds deze waarde
voor het laatst is hersteld.
Snelheid - Totaal gemiddeld: De gemiddelde snelheid tijdens
het verplaatsen en stoppen sinds deze waarde voor het
laatst is hersteld.
Stijging - Gemiddeld: De gemiddelde verticale afstand van de
stijging sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Stijging laatste ronde: De verticale afstand van de stijging van
de laatste voltooide ronde.
Stijging - Maximum: De maximale stijgsnelheid in voet per
minuut of meter per minuut sinds deze waarde voor het
laatst is hersteld.
Stijging ronde: De verticale afstand van de stijging voor de
huidige ronde.
Stijging - Totaal: De totale afstand van de stijging sinds deze
waarde voor het laatst is hersteld.
Stopwatchtimer: De stopwatchtijd voor de huidige activiteit.
Temperatuur: De temperatuur van de lucht. Uw
lichaamstemperatuur beïnvloedt de temperatuursensor.
Temperatuur - Water: De temperatuur van het water. Uw
toestel moet zijn aangesloten op een NMEA 0183-toestel dat
de watertemperatuur kan bepalen.
Tijd: De huidige tijd van de dag, op basis van uw huidige locatie
en tijdinstellingen (notatie, tijdzone en zomertijd).
Tijd tot bestemming: De tijd die u naar verwachting nodig hebt
om de bestemming te bereiken. Deze gegevens worden
alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Tijd tot volgende: De tijd die u naar verwachting nodig hebt om
het volgende waypoint op de route te bereiken. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Totale ronde: De stopwatchtijd voor alle voltooide ronden.
Trajectafstand: De afstand die u hebt afgelegd voor het huidige
spoor.
Tripkilometerteller: Een lopende meting van de afstand die is
afgelegd sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Appendix 17
Triptijd: Een lopende meting van de tijd die is besteed terwijl u
in beweging was en terwijl u gestopt was sinds deze waarde
voor het laatst is hersteld.
Triptijd - Bewogen: Een lopende meting van de tijd die is
verstreken sinds deze waarde voor het laatst is hersteld.
Triptijd - Gestopt: Een lopende meting van de tijd die is
verstreken zonder te bewegen sinds deze waarde voor het
laatst is hersteld.
Van koers: De afstand naar links of rechts die u van uw
oorspronkelijke koers bent afgeweken. Deze gegevens
worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Verticale afstand tot bestemming: De afstand die u stijgt
tussen uw huidige positie en de eindbestemming. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Verticale afstand tot volgende: De afstand die u stijgt tussen
uw huidige positie en het volgende waypoint op de route.
Deze gegevens worden alleen weergegeven tijdens het
navigeren.
Verticale snelheid: De stijg- of daalsnelheid over tijd.
Verticale snelheid tot bestemming: De stijg- of daalsnelheid
naar een vooraf bepaalde hoogte. Deze gegevens worden
alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Waypoint bij bestemming: Het laatste punt op de route naar
de bestemming. Deze gegevens worden alleen
weergegeven tijdens het navigeren.
Waypoint bij volgende: Het volgende punt op de route. Deze
gegevens worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Wending: Het hoekverschil (in graden) tussen de richting van
uw bestemming en uw huidige koers. L betekent naar links
afbuigen. R betekent naar rechts afbuigen. Deze gegevens
worden alleen weergegeven tijdens het navigeren.
Zon onder: Het tijdstip waarop de zon ondergaat, gebaseerd op
uw GPS-positie.
Zon op: Het tijdstip waarop de zon opkomt, gebaseerd op uw
GPS-positie.
Berekeningen van hartslagzones
Zone % van
maximale
hartslag
Waargenomen
inspanning
Voordelen
1 50–60% Ontspannen,
comfortabel tempo,
regelmatige
ademhaling
Aerobische training voor
beginners, verlaagt het
stressniveau
2 60–70% Comfortabel
tempo, iets diepere
ademhaling,
gesprek voeren is
mogelijk
Standaardcardiovasculaire
training; korte herstelperiode
3 70–80% Gematigd tempo,
gesprek voeren iets
lastiger
Verbeterde aerobische
capaciteit, optimale
cardiovasculaire training
4 80–90% Hoog tempo en
enigszins
oncomfortabel;
zware ademhaling
Verbeterde anaerobische
capaciteit en drempel, hogere
snelheid
5 90–100% Sprinttempo, kan
niet lang worden
volgehouden;
ademhaling zwaar
Anaerobisch en musculair
uithoudingsvermogen; meer
kracht
18 Appendix
Index
Symbolen
3D-kaartweergave 8
A
aan-uitknop 2
aanraakscherm 2, 12
aanraakscherm schoonmaken 14
accessoires 8, 16
adressen, zoeken 3
afteltimer 9
agenda 9
alarmen
gevarenzone 9
klok 9
maritiem 14
almanak
jagen en vissen, tijden 9
zonsopkomst en -ondergang, tijden 9
ANT+ sensors 13
koppelen 8
ANT+-sensors, koppelen 8
Auto Lap 13
avonturen 4, 5
B
baan, wijzer 5
barometer 6
BaseCamp 4, 9, 15
batterij 1, 14, 15
installeren 1
maximaliseren 10, 14
opladen 1, 14
opslag 14
bestanden, overbrengen 6, 15
bestanden overbrengen 6
C
calculator 9
camera 6
instellingen 13
chirp 7, 13
City Navigator 3
computer, aansluiten 15
D
dashboards 10, 11
downloaden, geocaches 6
E
ervaren sporter 13
F
fietsen 7
fitness 7, 8, 13
foto's 6
achtergrond 6
opname 6
weergeven 6
G
Garmin Connect, gegevens opslaan 8
gebruikersgegevens, verwijderen 15
gebruikersprofiel 13
gegevens
opslaan 8
overbrengen 8, 15
gegevens opslaan 15
gegevens uitwisselen 9
gegevensvelden 10, 16
geheugenkaart 15
geocaches 6, 7, 15
downloaden 6
instellingen 13
geschiedenis 7, 8
naar de computer verzenden 8
GLONASS 11
GPS 9, 11
signaal 2
H
hardlopen 7
hartslag, zones 8, 18
herstellen, instellingen 14
het toestel resetten 14, 16
het toestel schoonmaken 14
HomePort 15
hoofdmenu 10
hoogte 4, 5
plot 6
profiel 6
hoogtemeter 6, 13
I
instellingen 11–14
toestel 12
J
jagen en vissen, tijden 9
K
kaarten 2, 5
gegevensvelden 10
instellingen 12
navigeren 4
optioneel 3, 16
kaartinstellingen 12
kalibreren
hoogtemeter 6
kompas 5
karabijnhaakclip 16
knoppen 1, 11
koersinstelling 12
kompas 5
instellingen 12
navigeren 5
koppelen
ANT+ sensors 8
ANT+-sensors 8
L
locaties
bewerken 2
opslaan 2
M
maateenheden 13
man overboord (MOB) 5
maritiem
alarmen instellen 14
instellingen 13
microSD kaart 1
microSD-kaart. Zie geheugenkaart
N
nabijheidswaarschuwingen 9
navigatie 5, 6
kompas 5
stoppen 5
weg 5
O
opladen 1, 14
oppervlakteberekening 9
overbrengen
bestanden 4, 9, 15
sporen 9
P
Peil en ga 5
positiewaargave 13
problemen oplossen 14, 16
productregistratie 16
profielen 11, 13
R
reisinformatie, weergeven 6
reisplanner. Zie routes
routes 3
bewerken 3
instellingen 12
maken 3
verwijderen 3
weergeven op de kaart 3
S
satellietsignalen 2, 9
scherm 10
oriëntatie 10
vergrendelen 10
scherminstellingen 11
schermknoppen 2
schermverlichting 10, 14
smartphone 9
snelkoppelingen 10
toevoegen 10
software, bijwerken 16
software bijwerken 16
specificaties 15
sporen 2–4
instellingen 3, 12
stopwatch 9
systeeminstellingen 11
T
tempe 16
temperatuur 15, 16
tijdinstellingen 13
tijdzones 13
timer 7
afteltimer 9
toestel
onderhoud 14
registratie 16
resetten 16
toestel aanpassen 10, 11
toestel registreren 16
toestel schoonmaken 14
toestel-id 15
tonen 12
TracBack 4
tripcomputer 6
U
USB 11
bestanden overbrengen 15
connector 1
loskoppelen 15
massaopslagmodus 15
V
vergrendelen, scherm 10
verwijderen
alle gebruikersgegevens 15
geschiedenis 8
via-punten 2
W
Waarheen? 5
waterbestendig 14
waypoints 2, 3
bewerken 2
opslaan 2
projecteren 3
verwijderen 2
Z
Zaklamp 9
zonsopkomst en -ondergang, tijden 9
Index 19
www.garmin.com/support
+43 (0) 820 220230 + 32 2 672 52 54
0800 770 4960 1-866-429-9296
+385 1 5508 272
+385 1 5508 271
+420 221 985466
+420 221 985465
+ 45 4810 5050 + 358 9 6937 9758
+ 331 55 69 33 99 + 39 02 36 699699
(+52) 001-855-792-7671 0800 0233937
+47 815 69 555
00800 4412 454
+44 2380 662 915
(+35) 1214 447 460 +386 4 27 92 500
0861 GARMIN (427 646)
+27 (0)11 251 9999
+34 93 275 44 97
+ 46 7744 52020 +886 2 2642-9199 ext 2
0808 238 0000
+44 (0) 870 8501242
+49 (0)180 6 427646
20 ct./Anruf. a. d.
deutschen Festnetz,
Mobilfunk max. 60 ct./Anruf
913-397-8200
1-800-800-1020
© 2013–2014 Garmin Ltd. of haar dochtermaatschappijen
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24

Garmin Oregon 600t,GPS,Topo Canada Handleiding

Type
Handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor