HP mt42 Mobile Thin Client Handleiding

Type
Handleiding
Gebruikershandleiding
Ā© Copyright 2015 Hewlett-Packard
Development Company, L.P.
Bluetooth is een handelsmerk dat eigendom is
van zijn eigenaar en onder licentie gebruikt
wordt door Hewlett-Packard Company. Intel is
een handelsmerk van Intel Corporation in de
Verenigde Staten en andere landen. AMD is een
handelsmerk van Advanced Micro Devices, Inc.
SD Logo is een handelsmerk van de
betreī†«ende eigenaar. Java is een handelsmerk
van Sun Microsystems, Inc in de Verenigde
Staten. Microsoft en Windows zijn
gedeponeerde handelsmerken of
handelsmerken van Microsoft Corporation in de
Verenigde Staten en/of andere landen. NVIDIA
is een handelsmerk en/of gedeponeerd
handelsmerk van NVIDIA Corporation in de
Verenigde Staten en andere landen. SD Logo is
een handelsmerk van de eigenaar.
De informatie in deze documentatie kan zonder
kennisgeving worden gewijzigd. De enige
garanties voor HP producten en diensten staan
vermeld in de expliciete garantievoorwaarden
bij de betreī†«ende producten en diensten. Aan
de informatie in deze handleiding kunnen geen
aanvullende rechten worden ontleend. HP
aanvaardt geen aansprakelijkheid voor
technische fouten, drukfouten of weglatingen
in deze publicatie.
Eerste editie: oktober 2015
Artikelnummer van document: 813465-331
Kennisgeving over het product
In deze gebruikershandleiding worden de
voorzieningen beschreven die op de meeste
modellen beschikbaar zijn. Mogelijk zijn niet
alle voorzieningen op uw computer
beschikbaar.
Voor deze computer kan bijgewerkte en/of
apart aangeschafte hardware en/of een dvd-
station vereist zijn om de software van
Windows 7 te installeren. Zo kunt u volledig
gebruikmaken van de functionaliteit van
Windows 7. Raadpleeg
http://windows.microsoft.com/en-us/
windows7/get-know-windows-7 voor meer
informatie.
Ga voor toegang tot de nieuwste handleiding
naar http://www.hp.com/support en selecteer
uw land. Selecteer Drivers & Downloads en
volg de instructies op het scherm.
Softwarevoorwaarden
Door het installeren, kopiƫren, downloaden of
anderszins gebruiken van een softwareproduct
dat vooraf op deze computer is geĆÆnstalleerd,
bevestigt u dat u gehouden bent aan de
voorwaarden van de HP EULA (End User License
Agreement). Als u niet akkoord gaat met deze
licentievoorwaarden, is uw enige
rechtsmogelijkheid om het volledige,
ongebruikte product (hardware en software)
binnen 14 dagen te retourneren en te
verzoeken om volledige restitutie van het
aankoopbedrag op grond van het
restitutiebeleid van uw verkoper.
Voor verdere informatie of om een volledige
restitutie van de aankoopprijs van de computer
te verzoeken, kunt u contact opnemen met uw
verkoper.
Kennisgeving aangaande de veiligheid
WAARSCHUWING! U kunt het risico van letsel door verbranding of van oververhitting van de computer
beperken door de computer niet op schoot te nemen en de ventilatieopeningen van de computer niet te
blokkeren. Gebruik de computer alleen op een stevige, vlakke ondergrond. Zorg dat de luchtcirculatie niet
wordt geblokkeerd door een voorwerp van hard materiaal (zoals een optionele printer naast de computer) of
een voorwerp van zacht materiaal (zoals een kussen, een kleed of kleding). Zorg er ook voor dat de
netvoedingsadapter tijdens het gebruik niet in contact kan komen met de huid of een voorwerp van zacht
materiaal. De computer en de netvoedingsadapter voldoen aan de temperatuurlimieten voor oppervlakken
die voor de gebruiker toegankelijk zijn, zoals gedeī†¬nieerd door de International Standard for Safety of
Information Technology Equipment (IEC 60950-1).
iii
iv Kennisgeving aangaande de veiligheid
Inhoudsopgave
1 Welkom ........................................................................................................................................................ 1
Informatie zoeken .................................................................................................................................................. 2
2 Vertrouwd raken met de computer .................................................................................................................. 3
Rechterkant ............................................................................................................................................................ 3
Linkerkant .............................................................................................................................................................. 4
Beeldscherm .......................................................................................................................................................... 5
Bovenkant .............................................................................................................................................................. 6
Touchpad ............................................................................................................................................. 6
Lampjes ............................................................................................................................................... 7
Knoppen en luidsprekers ..................................................................................................................... 8
Toetsen ................................................................................................................................................ 9
Onderkant ............................................................................................................................................................ 11
Voorkant .............................................................................................................................................................. 11
3 Verbinding maken met een netwerk .............................................................................................................. 13
Verbinding maken met een draadloos netwerk .................................................................................................. 13
Bedieningselementen voor draadloze communicatie gebruiken ..................................................... 13
Apparaten voor draadloze communicatie in- of uitschakelen ....................................... 13
HP Connection Manager gebruiken (alleen bepaalde modellen) ................................... 14
Knop voor draadloze communicatie gebruiken .............................................................. 14
Voorzieningen van het besturingssysteem gebruiken .................................................. 14
WLAN gebruiken ................................................................................................................................ 15
Gebruikmaken van een internetprovider ....................................................................... 15
WLAN conī†¬gureren ......................................................................................................... 16
Draadloze router conī†¬gureren ....................................................................................... 16
Draadloos netwerk beveiligen ........................................................................................ 16
Verbinding maken met draadloos netwerk (WLAN) ....................................................... 17
HP mobiel breedband gebruiken (alleen bepaalde modellen) ......................................................... 17
Een SIM-kaart plaatsen en verwijderen ......................................................................... 18
GPS gebruiken (alleen bepaalde modellen) ...................................................................................... 19
Bluetooth-apparaten voor draadloze communicatie gebruiken ...................................................... 19
Verbinding maken met een bekabeld netwerk ................................................................................................... 19
Verbinding maken met een lokaal netwerk (LAN) ............................................................................ 19
v
4 Navigeren met het toetsenbord, aanraakbewegingen en aanwijsapparaten ..................................................... 21
Cursorbesturing gebruiken .................................................................................................................................. 21
Voorkeuren voor cursorbesturing instellen ...................................................................................... 21
De EasyPoint-muisbesturing gebruiken ........................................................................................... 21
Werken met Touchpad en Touchpadbewegingen ............................................................................. 21
TouchPad in- en uitschakelen ......................................................................................... 22
Tikken .............................................................................................................................. 22
Schuiven .......................................................................................................................... 23
In- en uitzoomen met twee vingers ............................................................................... 23
Tikken met twee vingers ................................................................................................ 24
Draaien (alleen bepaalde modellen) ............................................................................... 24
Snelle penbewegingen (alleen bepaalde modellen) ...................................................... 24
Gebruiken, toetsenbord ....................................................................................................................................... 25
Sneltoetsen herkennen ..................................................................................................................... 25
Toetsenblokken gebruiken ................................................................................................................ 26
GeĆÆntegreerd numeriek toetsenblok gebruiken (alleen bepaalde modellen) ................ 27
Ingebed numeriek toetsenblok in- en uitschakelen .................................... 27
Schakelen tussen functies van toetsen op het ingebedde toetsenblok ..... 27
Optioneel extern numeriek toetsenblok gebruiken ....................................................... 28
5 Multimedia .................................................................................................................................................. 29
Bedieningselementen voor media-activiteit gebruiken ..................................................................................... 29
Audio .................................................................................................................................................................... 29
Aansluiting van luidsprekers ............................................................................................................. 29
Geluidsvolume aanpassen ................................................................................................................ 29
Hoofdtelefoon aansluiten ................................................................................................................. 30
Microfoon aansluiten ......................................................................................................................... 30
Hoofdtelefoons en microfoons aansluiten ....................................................................................... 30
Audiofuncties op de computer controleren ...................................................................................... 30
Webcam (alleen bepaalde modellen) .................................................................................................................. 31
Video .................................................................................................................................................................... 31
VGA .................................................................................................................................................... 32
DisplayPort ........................................................................................................................................ 32
Bekabelde beeldschermen zoeken en aansluiten met behulp van MultiStream Transport ............ 33
Beeldschermen aansluiten op computers met AMD-graphics (met een optionele
hub) ................................................................................................................................. 34
6 Energiebeheer ............................................................................................................................................. 35
Computer uitschakelen ........................................................................................................................................ 35
Opties voor energiebeheer instellen ................................................................................................................... 35
Standen voor energiebesparing gebruiken ...................................................................................... 35
vi
Slaapstand activeren en beƫindigen .............................................................................. 36
Energiemeter en instellingen voor energiebeheer gebruiken ....................................... 36
Wachtwoordbeveiliging instellen voor beƫindigen slaapstand ..................................... 36
Accuvoeding gebruiken ..................................................................................................................... 37
In de fabriek verzegelde accu ......................................................................................... 37
Acculading weergeven .................................................................................................... 37
Accuwerktijd maximaliseren ........................................................................................... 37
Omgaan met een lage acculading .................................................................................. 38
Een lage acculading herkennen .................................................................... 38
Problemen met een lage acculading verhelpen .......................................... 38
Accuvoeding besparen .................................................................................................... 38
Externe netvoeding gebruiken .......................................................................................................... 39
Netvoedingsadapter testen ............................................................................................ 40
7 Externe kaarten en apparaten ...................................................................................................................... 41
Geheugenkaartlezers gebruiken (alleen bepaalde modellen) ............................................................................ 41
Een geheugenkaart plaatsen ............................................................................................................ 41
Geheugenkaart verwijderen .............................................................................................................. 41
Smartcards gebruiken ......................................................................................................................................... 42
Smart Card plaatsen .......................................................................................................................... 42
Smart Card verwijderen ..................................................................................................................... 43
USB-apparaat gebruiken ..................................................................................................................................... 43
USB-apparaat aansluiten .................................................................................................................. 44
USB-apparaat verwijderen ................................................................................................................ 44
Optionele externe apparaten gebruiken ............................................................................................................. 45
Optionele externe schijfeenheden gebruiken ................................................................................... 45
8 Schijfeenheden ............................................................................................................................................ 46
Schijfeenheden hanteren .................................................................................................................................... 46
Externe vaste schijven gebruiken ........................................................................................................................ 46
Prestaties van de vaste schijf verbeteren ......................................................................................... 46
Schijfopruiming gebruiken .............................................................................................. 46
9 Beveiliging .................................................................................................................................................. 48
De computer beveiligen ....................................................................................................................................... 48
Wachtwoorden gebruiken ................................................................................................................................... 48
Wachtwoorden in Windows instellen ................................................................................................ 49
Wachtwoorden in Computer Setup instellen .................................................................................... 49
BIOS-beheerderswachtwoord beheren ............................................................................................ 49
Een BIOS-beheerderswachtwoord opgeven ................................................................... 51
vii
Firewallsoftware gebruiken ................................................................................................................................. 51
Optionele beveiligingskabel bevestigen ............................................................................................................. 52
10 Onderhoud ................................................................................................................................................ 53
Computer schoonmaken ...................................................................................................................................... 53
Reinigingsprocedures ........................................................................................................................ 53
Scherm reinigen (All-in-One's of notebooks) ................................................................. 53
Zijkanten of deksel reinigen ........................................................................................... 53
Touchpad, toetsenbord of muis reinigen ....................................................................... 54
Update van programma's en stuurprogramma's uitvoeren ................................................................................ 54
11 Computer Setup (BIOS) en MultiBoot ........................................................................................................... 55
Computer Setup gebruiken .................................................................................................................................. 55
Computer Setup starten .................................................................................................................... 55
Navigeren en selecteren in Computer Setup .................................................................................... 55
Fabrieksinstellingen herstellen in Computer Setup ......................................................................... 56
BIOS-update uitvoeren ...................................................................................................................... 56
BIOS-versie vaststellen ................................................................................................... 56
BIOS-update downloaden ............................................................................................... 57
MultiBoot gebruiken ............................................................................................................................................ 58
Opstartvolgorde van apparaten ........................................................................................................ 58
MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen .......................................................................................... 58
Nieuwe opstartvolgorde instellen in Computer Setup ................................................... 58
Dynamisch een opstartapparaat kiezen met de f9-prompt .......................................... 59
Een MultiBoot Express-prompt instellen ....................................................................... 59
MultiBoot Express-voorkeursinstellingen invoeren ....................................................... 59
HP Sure Start gebruiken (alleen bepaalde modellen) ......................................................................................... 60
12 HP PC Hardware Diagnostics (UEFI) .............................................................................................................. 61
HP PC Hardware Diagnostics (UEFI) naar een USB-apparaat downloaden ......................................................... 61
13 Ondersteuning ........................................................................................................................................... 63
Contact opnemen met de ondersteuning ........................................................................................................... 63
Labels ................................................................................................................................................................... 64
14 Speciī†¬caties .............................................................................................................................................. 65
Ingangsvermogen ................................................................................................................................................ 65
Omgevingsvereisten ............................................................................................................................................ 65
viii
15 Toegankelijkheid ....................................................................................................................................... 66
Ondersteunende technologie die ondersteund wordt ........................................................................................ 66
Contact opnemen met de ondersteuning ........................................................................................................... 66
Bijlage A Reizen met of transporteren van computer ......................................................................................... 67
Bijlage B Problemen oplossen ......................................................................................................................... 68
Hulpmiddelen voor het oplossen van problemen ............................................................................................... 68
Problemen oplossen ............................................................................................................................................ 68
Computer kan niet worden ingeschakeld ......................................................................................... 68
Het computerscherm is leeg ............................................................................................................. 68
De software werkt niet goed ............................................................................................................. 69
Computer is ingeschakeld maar reageert niet .................................................................................. 69
De computer is ongewoon warm ...................................................................................................... 69
Een extern apparaat werkt niet ........................................................................................................ 69
De draadloze netwerkverbinding werkt niet .................................................................................... 70
Een ī†¬lm is niet zichtbaar op een extern beeldscherm ...................................................................... 70
Bijlage C Elektrostatische ontlading ................................................................................................................ 71
Index ............................................................................................................................................................. 72
ix
x
1 Welkom
Nadat u de computer hebt geconī†¬gureerd en geregistreerd, wordt u aangeraden de volgende stappen uit te
voeren om optimaal te proī†¬teren van uw verstandige investering:
ā—
Maak verbinding met internet: conī†¬gureer een bekabeld of draadloos netwerk waarmee u verbinding
kunt maken met internet. Zie Verbinding maken met een netwerk op pagina 13 voor meer informatie.
ā—
Raak vertrouwd met de computer: maak kennis met de voorzieningen van uw computer. Raadpleeg
Vertrouwd raken met de computer op pagina 3 en Navigeren met het toetsenbord,
aanraakbewegingen en aanwijsapparaten op pagina 21 voor aanvullende informatie.
ā—
Zoek geĆÆnstalleerde software: toegang tot een overzicht van de vooraf op de computer geĆÆnstalleerde
software.
Selecteer Start > Alle programma's. Voor meer informatie over het gebruik van software die bij de
computer is geleverd, raadpleegt u de instructies van de softwarefabrikant. Deze instructies kunnen zijn
verstrekt bij de software, of staan op de website van de fabrikant.
1
Informatie zoeken
U heeft Installatie-instructies al gebruikt om de computer in te schakelen en deze handleiding op te zoeken.
Gebruik de volgende tabel voor informatiebronnen met productinformatie, instructies en meer.
Hulpmiddelen Voor informatie over
Installatie-instructies poster
ā—
De computer installeren
ā—
Componenten van de computer herkennen
Gebruikershandleidingen
Voor de meest recente gebruikershandleiding gaat u naar
http://www.hp.com/support en selecteert u uw land. Kies
Drivers en downloads en volg de instructies op het
scherm.
ā—
Informatie over besturingssysteem
ā—
Software-, stuurprogramma- en BIOS-updates
ā—
Hulpprogramma's voor probleemoplossing
ā—
Toegang tot ondersteuning
Beheerdershandleiding voor Windows Embedded Standard
7 voor HP Thin Clients
Als u de handleidingen wilt openen, selecteert u Start > HP
> HP-documentatie.
ā—
Functies van HP thin client-modellen die gebruikmaken van het
besturingssysteem WindowsĀ® Embedded Standard 7 (WES7).
Wereldwijde ondersteuning
Ga naar http://welcome.hp.com/country/us/en/
wwcontact_us.html voor ondersteuning in uw taal.
ā—
Online chatten met een technicus van HP
ā—
Telefoonnummers voor ondersteuning
ā—
Locaties HP Servicecentrum
Website van HP
Voor de meest recente gebruikershandleiding gaat u naar
http://www.hp.com/support en selecteert u uw land. Kies
Drivers en downloads en volg de instructies op het
scherm.
ā—
Ondersteuningsinformatie
ā—
Onderdelen bestellen en aanvullende ondersteuning vinden
ā—
Voor het apparaat verkrijgbare accessoires
Handleiding voor veiligheid en comfort
Ga naar http://www.hp.com/ergo.
ā—
Aanwijzingen voor een goede installatie van het werkstation, een
goede houding en gezonde werkgewoonten
ā—
Informatie over elektrische en mechanische veiligheid
Voorschriften, veiligheid en milieukennisgevingen
Als u de handleidingen wilt openen, selecteert u Start > HP
> HP-documentatie.
ā—
Informatie over veiligheid en kennisgevingen
ā—
Informatie over het afvoeren van accu's
Beperkte garantie*
Als u de handleiding wilt openen, selecteert u Start > HP >
HP-documentatie.
ā€“ of ā€“
Ga naar http://www.hp.com/go/orderdocuments.
Garantie-informatie
*U kunt de aan u verleende HP beperkte garantie vinden in de gebruikershandleidingen van uw product en/of op de cd of dvd die werd
meegeleverd in de doos. In sommige landen of regio's wordt door HP een gedrukte versie van de garantie meegeleverd in de doos. In
landen of regio's waar de garantie niet in gedrukte vorm wordt geleverd, kunt u een gedrukte versie aanvragen via
http://www.hp.com/go/orderdocuments. Als u het product in AziĆ« en het Paciī†¬sch gebied hebt gekocht, kunt u HP aanschrijven op:
Hewlett Packard, POD, P.O. Box 200, Alexandra Post Oī†«ice, Singapore 911507. Vermeld de productnaam, uw naam, telefoonnummer
en postadres.
2 Hoofdstuk 1 Welkom
2 Vertrouwd raken met de computer
Rechterkant
Onderdeel Beschrijving
(1) USB Type-C-(oplaad)poort Hiermee kunt u ieder USB-apparaat met een Type-C-connector
aansluiten.
OPMERKING: Met USB Type-C-poorten kunnen producten
zoals mobiele telefoons, laptops, tablets en MP3-spelers
worden opgeladen, zelfs wanneer de computer uit staat. Op
sommige USB Type-C-poorten kunnen ook DisplayPort-, VGA-,
HDMI- en andere videoapparaten worden aangesloten.
OPMERKING: Mogelijk zijn er adapters (afzonderlijk aan te
schaī†«en) vereist.
(2) Dual-mode DisplayPort Hierop sluit u een optioneel digitaal weergaveapparaat aan,
bijvoorbeeld een hoogwaardige monitor of een projector.
(3) Geheugenkaartlezer Leest optionele geheugenkaarten waarop informatie kan
worden opgeslagen, beheerd, gedeeld of bekeken.
(4) Audio-uit (hoofdtelefoon)/audio-ingang
(microfooningang)
Hierop kunt u optionele stereoluidsprekers met eigen voeding,
een hoofdtelefoon, een oortelefoon, een headset of een kabel
van een televisietoestel aansluiten. Ook kunt u hierop de
microfoon van een optionele headset aansluiten. Deze ingang
biedt geen ondersteuning voor optionele apparaten met
uitsluitend een microfoon.
WAARSCHUWING! Pas, om het risico op letsel te verminderen,
het volume aan voordat u de hoofdtelefoon, oordopjes of
headset gebruikt. Voor meer informatie over gebruiksveiligheid
raadpleegt u de Informatie over voorschriften, veiligheid en
milieu. Als u de handleidingen wilt openen, selecteert u Start >
HP > HP-documentatie.
OPMERKING: wanneer u een apparaat aansluit op deze
uitgang, worden de computerluidsprekers uitgeschakeld.
OPMERKING: zorg dat de apparaatkabel een connector met
vier pinnen heeft die zowel audio-uit (hoofdtelefoon) als audio-
in (microfoon) ondersteunt.
(5) USB 3.0-poort Hierop kunt u een optioneel USB-apparaat aansluiten, zoals een
toetsenbord, muis, externe schijf, printer, scanner of USB-hub.
Rechterkant 3
Onderdeel Beschrijving
OPMERKING: zie USB-apparaat gebruiken op pagina 43 voor
informatie over de verschillende types USB-poorten.
(6) RJ-45-netwerkconnector Hierop sluit u een netwerkkabel aan.
(7) Dockingconnector Hierop sluit u een optioneel dockingapparaat aan.
(8) SIM-slot Ondersteunt een draadloze SIM (subscriber identity module)-
kaart.
(9) Netvoedingsconnector Hierop kunt u een netvoedingsadapter aansluiten.
Linkerkant
Onderdeel Beschrijving
(1) Bevestigingspunt voor een beveiligingskabel Hiermee bevestigt u een als optie verkrijgbare beveiligingskabel
aan de computer.
OPMERKING: Van de beveiligingskabel moet in de eerste
plaats een ontmoedigingseī†«ect uitgaan. Deze voorziening kan
echter niet voorkomen dat de computer verkeerd wordt gebruikt
of wordt gestolen.
(2) Ventilatie-openingen (2) Deze openingen zorgen voor de luchtkoeling van de interne
onderdelen.
OPMERKING: De ventilator van de computer start automatisch
om interne onderdelen te koelen en oververhitting te
voorkomen. Het is normaal dat de interne ventilator
automatisch aan- en uitgaat wanneer u de computer gebruikt.
(3) Externemonitorpoort Hierop kunt u een optionele VGA-monitor of projector
aansluiten.
(4) USB 3.0-oplaadpoort (met stroomvoorziening) Hierop kan een optioneel USB-apparaat, zoals een toetsenbord,
een muis, een externe schijfeenheid, een printer, een scanner of
een USB-hub worden aangesloten. Via standaard USB-poorten
worden niet alle USB-apparaten opgeladen of ze worden
opgeladen met een lage bedrijfsstroom. Sommige USB-
apparaten moeten worden gevoed en vereisen het gebruik van
een poort met eigen voeding.
4 Hoofdstuk 2 Vertrouwd raken met de computer
Onderdeel Beschrijving
OPMERKING: Via USB-oplaadpoorten kunnen ook bepaalde
types mobiele telefoons en MP3-spelers worden opgeladen,
zelfs wanneer de computer uit staat.
OPMERKING: zie USB-apparaat gebruiken op pagina 43 voor
informatie over de verschillende types USB-poorten.
(5) Smartcardlezer Ondersteunt optionele smartcards.
Beeldscherm
Onderdeel Beschrijving
(1) WLAN-antennes (2)* Met deze antennes worden draadloze signalen verzonden en
ontvangen binnen een draadloos lokaal netwerk (WLAN).
(2) WWAN-antennes (2)* Via deze antennes worden draadloze signalen verzonden en
ontvangen om te communiceren met draadloze WWAN's (wireless
wide area networks).
(3) Interne microfoons Hiermee neemt u geluid op.
(4) Webcamlampje Aan: de webcam is in gebruik.
(5) Webcam Hiermee kunt u videobeelden vastleggen en foto's maken. Sommige
modellen bieden de mogelijkheid van videovergaderingen en online
chat door middel van videostreams.
*De antennes zijn niet zichtbaar aan de buitenkant van de computer. Houdt de antennes vrij van obstructies voor een optimale
overdracht. Voor informatie over de voorschriften voor draadloze communicatie raadpleegt u de sectie voor uw land of regio in
Informatie over voorschriften, veiligheid en milieu. Als u de handleidingen wilt openen, selecteert u Start > HP > HP-documentatie.
Beeldscherm 5
Bovenkant
Touchpad
Onderdeel Beschrijving
(1) EasyPoint-muisbesturing (alleen bepaalde
modellen)
Hiermee kunt u de cursor verplaatsen en onderdelen op het
scherm selecteren of activeren.
(2) Linkerknop van de EasyPoint-muisbesturing
(alleen bepaalde modellen)
Deze knop heeft dezelfde functie als de linkerknop op een
externe muis.
(3) Aan/uit-knop van het touchpad Hiermee schakelt u het touchpad in en uit.
(4) Touchpadzone Hiermee kunt u de cursor verplaatsen en onderdelen op het
scherm selecteren of activeren.
OPMERKING: Het touchpad ondersteunt ook veegbewegingen
vanaf de rand.
(5) Linkerknop van het touchpad Deze knop heeft dezelfde functie als de linkerknop op een
externe muis.
(6) Rechterknop van de EasyPoint-muisbesturing
(alleen bepaalde modellen)
Deze knop heeft dezelfde functie als de rechterknop op een
externe muis.
(7) Rechterknop van het touchpad Deze knop heeft dezelfde functie als de rechterknop op een
externe muis.
6 Hoofdstuk 2 Vertrouwd raken met de computer
Lampjes
Onderdeel Beschrijving
(1) Aan/uit-lampje
ā—
Aan: de computer is ingeschakeld.
ā—
Knipperend: De computer staat in de slaapstand, een stand
voor energiebesparing. Het beeldscherm en andere niet-
benodigde onderdelen worden uitgeschakeld.
ā—
Uit: De computer is uitgeschakeld.
(2) Lampje Geluid uit van microfoon
ā—
Oranje: Het geluid van de microfoon is uitgeschakeld.
ā—
Uit: Het geluid van de microfoon is ingeschakeld.
(3) Num Lock-lampje Aan: Num Lock is ingeschakeld.
(4) Lampje voor draadloze communicatie Aan: een geĆÆntegreerd apparaat voor draadloze communicatie,
zoals een draadloosnetwerkmodule en/of een BluetoothĀ®-
apparaat, is ingeschakeld.
OPMERKING: Bij sommige modellen brandt het lampje voor
draadloze communicatie oranje wanneer alle apparaten voor
draadloze communicatie uitgeschakeld zijn.
(5) Lampje voor Geluid uit
ā—
Oranje: het geluid van de computer is uitgeschakeld.
ā—
Uit: het geluid van de computer is ingeschakeld.
(6) Caps Lock-lampje Aan: Caps Lock is ingeschakeld. Met het toetsenbord kunt u nu
alleen hoofdletters typen.
(7) Touchpadlampje
ā—
Aan: Het touchpad is uitgeschakeld.
ā—
Uit: het touchpad is ingeschakeld.
Bovenkant 7
Knoppen en luidsprekers
Onderdeel Beschrijving
(1) Aan/uit-knop
ā—
Als de computer is uitgeschakeld, drukt u op de aan/uit-
knop om de computer in te schakelen.
ā—
Als de computer is ingeschakeld, drukt u kort op de aan/uit-
knop om de slaapstand te activeren.
ā—
Als de computer in de slaapstand staat, drukt u kort op de
aan/uit-knop om de slaapstand te beƫindigen.
VOORZICHTIG: Wanneer u de aan/uit-knop ingedrukt houdt,
resulteert dit in het verlies van niet-opgeslagen gegevens.
Als de computer niet meer reageert en de afsluitprocedures van
WindowsĀ® geen resultaat hebben, houdt u de aan/uit-knop
minimaal 15 seconden ingedrukt om de computer uit te
schakelen.
Meer informatie over de instellingen voor energiebeheer:
Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm > Systeem en beveiliging
> Energiebeheer.
(2) Luidsprekers (2) Hiermee kunt u geluid produceren
(3) Knop voor draadloze communicatie Hiermee kunt u de voorziening voor draadloze communicatie in-
en uitschakelen, maar geen draadloze verbinding tot stand
brengen.
(4) Knop Geluid dempen Hiermee schakelt u de geluidsweergave uit (en weer in).
8 Hoofdstuk 2 Vertrouwd raken met de computer
Toetsen
Onderdeel Beschrijving
(1) Esc-toets Druk op deze toets in combinatie met de fn-toets om
systeeminformatie weer te geven.
(2) fn-toets Druk op deze toets in combinatie met een functietoets, de num
lock-toets, de esc-toets of de b-toets om veelgebruikte
systeemfuncties uit te voeren.
(3) Windows-knop Hiermee geeft u het menu Start van Windows weer.
(4) Functietoetsen Druk op een van deze toetsen in combinatie met de fn-toets om
veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.
(5) Ingebed numeriek toetsenblok Wanneer het toetsenblok is ingeschakeld, kan het worden
gebruikt als een extern numeriek toetsenblok.
Met elke toets van dit toetsenblok wordt de functie uitgevoerd
die wordt aangegeven door het pictogram in de
rechterbovenhoek van de toets.
(6) Windows-applicatietoets Hiermee opent u een snelmenu voor items waarbij de aanwijzer
staat.
(7) num lock-toets Als u op deze toets drukt in combinatie met de fn-toets, wordt
het ingebedde numerieke toetsenblok in- of uitgeschakeld.
Bovenkant 9
Onderdeel Beschrijving
(1) Esc-toets Druk op deze toets in combinatie met de fn-toets om
systeeminformatie weer te geven.
(2) fn-toets Druk op deze toets in combinatie met een functietoets, de num
lock-toets, de esc-toets of de b-toets om veelgebruikte
systeemfuncties uit te voeren.
(3) Windows-knop Hiermee geeft u het menu Start van Windows weer.
(4) Functietoetsen Druk op een van deze toetsen in combinatie met de fn-toets om
veelgebruikte systeemfuncties uit te voeren.
(5) num lock-toets Hiermee schakelt u tussen de navigatiefuncties en numerieke
functies op het geĆÆntegreerde numerieke toetsenblok.
(6) GeĆÆntegreerd numeriek toetsenblok Wanneer num lock is ingeschakeld, kan het worden gebruikt als
een extern numeriek toetsenblok.
10 Hoofdstuk 2 Vertrouwd raken met de computer
Onderkant
Onderdeel Beschrijving
(1) Dockingconnectors (2) Hierop sluit u een optioneel dockingapparaat aan.
(2) Ventilatieopeningen (2) Deze openingen zorgen voor luchtkoeling van de interne
onderdelen.
OPMERKING: De ventilator van de computer start
automatisch om interne onderdelen te koelen en
oververhitting te voorkomen. Het is normaal dat de interne
ventilator automatisch aan- en uitgaat wanneer u de
computer gebruikt.
Voorkant
Onderdeel Beschrijving
(1) Lampje voor draadloze communicatie Aan: een geĆÆntegreerd apparaat voor draadloze
communicatie, zoals een draadloosnetwerkmodule en/of
een BluetoothĀ®-apparaat, is ingeschakeld.
OPMERKING: Bij sommige modellen brandt het lampje
voor draadloze communicatie oranje wanneer alle
apparaten voor draadloze communicatie uitgeschakeld
zijn.
Onderkant 11
Onderdeel Beschrijving
(2) Aan/uit-lampje
ā—
Aan: de computer is ingeschakeld.
ā—
Knipperend: De computer staat in de slaapstand, een
stand voor energiebesparing. Het beeldscherm en
andere niet-benodigde onderdelen worden
uitgeschakeld.
ā—
Uit: De computer is uitgeschakeld.
(3) Acculampje Wanneer de netvoeding is aangesloten:
ā—
Wit: De acculading is meer dan 90 procent.
ā—
Oranje: De acculading ligt tussen 0 en 90 procent.
ā—
Uit: De accu wordt niet opgeladen.
Wanneer de netvoeding is losgekoppeld (accu laadt niet
op):
ā—
Knipperend oranje: De accu is bijna leeg. Wanneer de
accu een kritiek lage acculading heeft bereikt, begint
het acculampje snel te knipperen.
ā—
Uit: De accu wordt niet opgeladen.
(4) Schijfeenheidlampje Knipperend wit: Er wordt geschreven naar of gelezen van
de vaste schijf.
12 Hoofdstuk 2 Vertrouwd raken met de computer
3 Verbinding maken met een netwerk
U kunt de computer meenemen waarnaar u maar wilt. Maar ook thuis kunt u met de computer en een
bekabelde of draadloze netwerkverbinding de wereld verkennen en u toegang verschaī†«en tot miljoenen
websites. In dit hoofdstuk vindt u informatie over hoe u zich met die wereld in verbinding kunt stellen.
Verbinding maken met een draadloos netwerk
Met technologie voor draadloze communicatie worden gegevens niet via kabels maar via radiogolven
doorgegeven. Uw computer kan zijn voorzien van een of meer van de volgende apparaten voor draadloze
communicatie:
ā—
Apparaat met draadloze netwerkverbinding (WLAN): met dit apparaat kunt u de computer aansluiten op
LAN-netwerken (doorgaans Wi-Fi-netwerken, draadloze netwerken (WLAN) of WLANā€™s genoemd) op
kantoor, thuis en op openbare plekken, zoals luchthavens, restaurants, cafƩs, hotels en universiteiten. In
een draadloos netwerk communiceert de computer met een draadloze router of een draadloos
toegangspunt.
ā—
HP module voor mobiel breedband (alleen bepaalde modellen): een WWAN-apparaat (Wireless Wide-
Area Network) waarmee u over een veel groter gebied een draadloze verbinding kunt maken.
Aanbieders van mobiele netwerkdiensten zetten basisstations op (vergelijkbaar met zendmasten voor
mobiele telefonie), die dekking bieden in hele regioā€™s, provincies of zelfs landen.
ā—
Bluetooth-apparaten: Hiermee kunt u een persoonlijk netwerk (PAN) maken om een verbinding tot stand
te brengen met andere apparaten met Bluetooth-ondersteuning, zoals headset, muis en toetsenbord. In
een PAN communiceert elk apparaat direct met andere apparaten en moeten apparaten zich op relatief
korte afstand (doorgaans minder dan tien meter) van elkaar bevinden.
Bedieningselementen voor draadloze communicatie gebruiken
Met deze functies kunt u de apparaten voor draadloze communicatie in uw computer regelen:
ā—
Knop voor draadloze communicatie, schakelaar voor draadloze communicatie of toets voor draadloze
communicatie (in dit hoofdstuk ook wel knop voor draadloze communicatie genoemd).
ā—
Voorzieningen van het besturingssysteem
Apparaten voor draadloze communicatie in- of uitschakelen
U kunt apparaten voor draadloze communicatie in- en uitschakelen met de knop voor draadloze
communicatie of met HP Connection Manager (alleen bepaalde modellen).
OPMERKING: een computer kan een knop of schakelaar voor draadloze communicatie hebben, of een toets
voor draadloze communicatie op het toetsenbord. De term "knop voor draadloze communicatie" verwijst in
deze handleiding naar alle types bedieningselementen voor draadloze communicatie.
U schakelt apparaten voor draadloze communicatie als volgt uit in HP Connection Manager:
ā–²
Klik met de rechtermuisknop op het pictogram HP Connection Manager in het systeemvak aan de
rechterkant van de taakbalk en klik daarna op de aan/uit-knop naast het gewenste apparaat.
- of -
Verbinding maken met een draadloos netwerk 13
Selecteer Start > Alle programma's > Productiviteit en tools > HP Connection Manager en klik daarna
op de aan/uit-knop naast het gewenste apparaat.
HP Connection Manager gebruiken (alleen bepaalde modellen)
HP Connection Manager is een centrale locatie voor het beheer van uw apparaten voor draadloze
communicatie, een interface om verbinding te maken met internet via HP mobiel breedband, en een interface
voor het verzenden en ontvangen van SMS-berichten (tekstberichten). Met HP Connection Manager kunt u de
volgende apparaten beheren:
ā—
WLAN-apparaat (wireless local-area network)/Wi-Fi
ā—
WWAN-apparaat (Wireless Wide Area Network)/apparaat voor HP mobiel breedband
ā—
Bluetooth
HP Connection Manager biedt informatie en meldingen over de verbindingsstatus en de voedingsstatus, SIM-
kaartgegevens en sms-berichten. Statusinformatie en meldingen worden weergegeven in het systeemvak
aan de rechterkant van de taakbalk.
U opent Connection Manager als volgt:
ā–²
Klik op het pictogram van HP Connection Manager op de taakbalk.
- of -
Selecteer Start > Alle programma's > Productiviteit en tools > HP Connection Manager.
Zie de helpfunctie van de HP Connection Manager software voor meer informatie.
Knop voor draadloze communicatie gebruiken
De computer heeft een knop voor draadloze communicatie, een of meer draadloze apparaten en een of twee
lampjes voor draadloze communicatie, afhankelijk van het model. Standaard zijn alle apparaten voor
draadloze communicatie geactiveerd en brandt het lampje voor draadloze communicatie (wit) wanneer u de
computer aanzet.
Het lampje voor draadloze communicatie geeft niet de status van afzonderlijke apparaten voor draadloze
communicatie aan, maar de status van deze apparaten als groep. Wanneer het lampje voor draadloze
communicatie wit is, zijn een of meer apparaten voor draadloze communicatie ingeschakeld. Wanneer het
lampje voor draadloze communicatie uit is, zijn alle apparaten voor draadloze communicatie uitgeschakeld.
OPMERKING: bij sommige modellen brandt het lampje voor draadloze communicatie oranje wanneer alle
apparaten voor draadloze communicatie zijn uitgeschakeld.
Omdat alle apparaten voor draadloze communicatie standaard zijn ingeschakeld, kunt u de knop voor
draadloze communicatie gebruiken om alle apparatuur voor draadloze communicatie tegelijk in of uit te
schakelen.
Voorzieningen van het besturingssysteem gebruiken
Met het Netwerkcentrum kunt u een verbinding of netwerk tot stand brengen, verbinding maken met een
netwerk, draadloze netwerken beheren en netwerkproblemen diagnosticeren en verhelpen.
U gebruikt de bedieningselementen van het besturingssysteem als volgt:
ā–²
Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm > Netwerk en internet > Netwerkcentrum.
14 Hoofdstuk 3 Verbinding maken met een netwerk
WLAN gebruiken
Met een WLAN-apparaat kunt u toegang krijgen tot een draadloos LAN (WLAN). Een WLAN bestaat uit andere
computers en accessoires die met elkaar zijn verbonden met behulp van een draadloze router of een
draadloos toegangspunt.
OPMERKING: de begrippen draadloze router en draadloos toegangspunt worden vaak door elkaar gebruikt.
ā—
Een grootschalig WLAN, zoals een bedrijfs-WLAN of openbaar WLAN, maakt gewoonlijk gebruik van
draadloze toegangspunten die ondersteuning bieden voor een groot aantal computers en accessoires,
en waarmee belangrijke netwerkfuncties van elkaar kunnen worden gescheiden.
ā—
Een privƩ-WLAN of een WLAN op een klein kantoor maakt gewoonlijk gebruik van een draadloze router,
waarmee een aantal draadloze en bekabelde computers een internetverbinding, printer en bestanden
kunnen delen zonder dat daarvoor extra hardware of software nodig is.
Als u het WLAN-apparaat in de computer wilt gebruiken, moet u verbinding maken met een WLAN-
infrastructuur (van een serviceprovider, een openbaar netwerk of een bedrijfsnetwerk).
Gebruikmaken van een internetprovider
Als u thuis internet wilt gebruiken, moet u een account bij een internetprovider openen. Neem contact op met
een lokale internetprovider voor het aanschaī†«en van een internetservice en een modem. De internetprovider
helpt u bij het instellen van het modem, het installeren van een netwerkkabel waarmee u de computer met
voorzieningen voor draadloze communicatie aansluit op het modem, en het testen van de internetservice.
OPMERKING: Van uw internetprovider ontvangt u een gebruikers-id en wachtwoord voor toegang tot
internet. Noteer deze gegevens en bewaar ze op een veilige plek.
Verbinding maken met een draadloos netwerk 15
WLAN conī†¬gureren
Als u een WLAN wilt instellen en verbinding wilt maken met internet, hebt u de volgende apparatuur nodig:
ā—
een breedbandmodem (DSL- of kabelmodem) (1) en een abonnement voor internet met hoge snelheid
via een internetprovider;
ā—
een (afzonderlijk aan te schaī†«en) draadloze router (2);
ā—
een computer met voorzieningen voor draadloze communicatie (3).
OPMERKING: sommige modems hebben een ingebouwde draadloze router. Vraag bij uw internetprovider na
wat voor type modem u hebt.
De volgende afbeelding toont een voorbeeld van een draadloze netwerkinstallatie die is aangesloten op
internet.
Naarmate het netwerk groeit, kunnen aanvullende draadloze en bekabelde computers op het netwerk
worden aangesloten om toegang tot internet te verkrijgen.
Als u hulp nodig heeft bij het installeren van een draadloos netwerk, raadpleegt u de informatie die de
routerfabrikant of uw internetprovider heeft verstrekt.
Draadloze router conī†¬gureren
Als u hulp nodig heeft bij het conī†¬gureren van een draadloze router, raadpleegt u de informatie die de
routerfabrikant of uw internetprovider heeft verstrekt.
OPMERKING: u wordt geadviseerd de nieuwe computer met voorzieningen voor draadloze communicatie
eerst aan te sluiten op de router, met behulp van de netwerkkabel die is geleverd bij de router. Als de
computer eenmaal verbinding heeft gemaakt met internet, kunt u de kabel loskoppelen en vervolgens via uw
draadloze netwerk toegang krijgen tot internet.
Draadloos netwerk beveiligen
Wanneer u een draadloos netwerk installeert of verbinding maakt met een bestaand draadloos netwerk, is
het altijd belangrijk de beveiligingsvoorzieningen in te schakelen om het netwerk te beveiligen tegen
onbevoegde toegang. Draadloze netwerken in openbare zones (hotspots), zoals cafƩs en luchthavens, zijn
mogelijk helemaal niet beveiligd. Als u bezorgd bent om de beveiliging van uw computer in een hotspot,
beperkt u uw netwerkactiviteiten tot niet-vertrouwelijke e-mail en eenvoudig surfen op internet.
Draadloze radiosignalen hebben bereik tot buiten het netwerk, zodat andere WLAN-apparaten onbeveiligde
signalen kunnen ontvangen. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om uw WLAN te beveiligen:
ā—
Gebruik een ī†¬rewall.
Een ī†¬rewall is een barriĆØre die zowel gegevens als verzoeken om gegevens die naar uw netwerk zijn
verzonden, controleert en eventuele verdachte onderdelen verwijdert. Er zijn zowel software- als
hardwarematige ī†¬rewalls beschikbaar. Sommige netwerken gebruiken een combinatie van beide typen.
ā—
Gebruik versleuteling voor draadloze communicatie.
16 Hoofdstuk 3 Verbinding maken met een netwerk
Codering voor draadloze communicatie maakt gebruik van beveiligingsinstellingen om gegevens die via
het netwerk worden verzonden, te versleutelen en ontsleutelen.
Verbinding maken met draadloos netwerk (WLAN)
Ga als volgt te werk om de notebookcomputer op het draadloze netwerk aan te sluiten:
1. Controleer of het WLAN-apparaat is ingeschakeld. Als het apparaat ingeschakeld is, brandt het lampje
voor draadloze communicatie. Als het lampje voor draadloze communicatie uit is, drukt u op de knop
voor draadloze communicatie.
OPMERKING: Bij sommige modellen brandt het lampje voor draadloze communicatie oranje wanneer
alle apparaten voor draadloze communicatie uitgeschakeld zijn.
2. Klik op het netwerkstatuspictogram in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk.
3. Selecteer een WLAN-netwerk waarmee u verbinding wilt maken.
4. Klik op Verbinding maken.
Als het draadloze netwerk een beveiligd WLAN is, wordt u gevraagd een netwerkbeveiligingscode in te
voeren. Voer de code in en klik vervolgens op OK om de verbinding tot stand te brengen.
OPMERKING: Als er geen WLAN's worden weergegeven, bevindt u zich mogelijk buiten het bereik van
een draadloze router of toegangspunt.
OPMERKING: Als het netwerk waarmee u verbinding wilt maken niet wordt weergegeven, klikt u op
Netwerkcentrum openen, en vervolgens op Een nieuwe verbinding of een nieuw netwerk instellen. Er
verschijnt een lijst met opties om handmatig te zoeken naar een netwerk en hier verbinding mee te
maken, of om een nieuwe netwerkverbinding te maken.
5. Volg de instructies op het scherm om de verbinding te voltooien.
Nadat de verbinding is gemaakt, beweegt u de muisaanwijzer over het netwerkstatuspictogram in het
systeemvak uiterst rechts op de taakbalk om de naam en status van de verbinding te controleren.
OPMERKING: Het eī†«ectieve bereik (de reikwijdte van de draadloze signalen) varieert al naargelang de
WLAN-implementatie, het merk router en interferentie van andere elektronische apparatuur of vaste
obstakels zoals wanden en vloeren.
HP mobiel breedband gebruiken (alleen bepaalde modellen)
Uw computer met HP Mobiel breedband heeft ingebouwde ondersteuning voor diensten voor mobiel
breedband. In combinatie met een mobiel netwerk biedt uw nieuwe computer u volledige vrijheid: u kunt
verbinding maken met internet, e-mailen of uw bedrijfsnetwerk bereiken zonder dat u daarvoor een Wi-Fi-
hotspot nodig hebt.
mogelijk heeft u het serienummer van de HP module voor mobiel breedband nodig om de dienst voor mobiel
breedband te activeren. Het serienummer bevindt zich in de accuruimte, onder de verwijderbare
onderhoudsklep of op de achterkant van het beeldscherm.
Sommige aanbieders van mobiele netwerkdiensten vereisen het gebruik van een SIM-kaart. Een SIM-kaart
bevat basisgegevens over u, zoals een persoonlijk identiī†¬catienummer (PIN), en over het netwerk. Op
sommige computers is een SIM-kaart vooraf geĆÆnstalleerd. Als de SIM-kaart niet vooraf is geĆÆnstalleerd, wordt
deze mogelijk meegeleverd bij de informatie over HP Mobiel breedband die bij uw computer is verstrekt. De
aanbieder van mobiele netwerkdiensten kan ook los van de computer een afzonderlijke SIM-kaart
verstrekken.
Verbinding maken met een draadloos netwerk 17
Voordat u de mobiel-breedbandmogelijkheden van de computer kunt gebruiken, moet u de volgende stappen
uitvoeren:
1. Activeer een mobiel breedband-gegevensdienst. Hiervoor heeft u een compatibele en geactiveerde SIM-
kaart nodig van uw serviceprovider.
2. Schakel de computer uit en plaats de geactiveerde SIM-kaart in het SIM-sleuf van de computer. Zie Een
SIM-kaart plaatsen en verwijderen op pagina 18.
3. Start de computer en wacht tot Windows volledig is geladen.
4. Stel een mobiel breedbandverbinding in met behulp van de HP Connection Manager-software of de
ingebouwde verbindingsbeheersoftware van Windows.
Voor meer informatie over de voordelen van uw computer met HP Mobiel breedband raadpleegt u de website
van HP op http://www.hp.com/go/mobilebroadband.
Een SIM-kaart plaatsen en verwijderen
VOORZICHTIG: Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het plaatsen van een SIM-kaart om beschadiging van de
connectoren te voorkomen.
Ga als volgt te werk om een SIM-kaart te plaatsen:
1. Zet de computer uit.
2. Sluit het beeldscherm.
3. Ontkoppel alle externe apparaten die op de computer zijn aangesloten.
4. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact.
5. Plaats de SIM-kaart in het SIM-slot en druk de SIM-kaart voorzichtig in het slot tot deze goed vastzit.
OPMERKING: De SIM-kaart in uw computer kan er iets anders uitzien dan op de afbeelding in dit
gedeelte.
6. Sluit de externe voeding weer aan.
7. Sluit de externe apparaten weer aan.
8. Zet de computer aan.
18 Hoofdstuk 3 Verbinding maken met een netwerk
Als u een SIM-kaart wilt verwijderen, drukt u de SIM-kaart iets naar binnen en verwijdert u deze vervolgens uit
de sleuf.
GPS gebruiken (alleen bepaalde modellen)
De computer kan zijn voorzien van een GPS-apparaat (Global Positioning System). GPS-satellieten geven
locatie-, snelheids- en richtinggegevens door aan systemen die met GPS zijn uitgerust.
Zie de helpfunctie van de HP GPS and Location software voor meer informatie.
Bluetooth-apparaten voor draadloze communicatie gebruiken
Een Bluetooth-apparaat biedt draadloze communicatie binnen een klein bereik, ter vervanging van fysieke
kabelverbindingen waarmee elektronische apparaten, zoals de volgende, vroeger werden aangesloten:
ā—
Headset
ā—
Muis
ā—
Toetsenbord
Bluetooth-apparaten maken peer-to-peer-communicatie mogelijk, waardoor u een PAN (Personal Area
Network - persoonlijk netwerk) van Bluetooth-apparaten kunt instellen. Raadpleeg de helpfunctie van de
Bluetooth-software voor informatie over de conī†¬guratie en het gebruik van Bluetooth-apparaten.
Verbinding maken met een bekabeld netwerk
Er zijn twee soorten bekabelde verbindingen: lokaal netwerk (LAN) en modemverbinding. Een LAN-verbinding
maakt gebruik van een netwerkkabel en is veel sneller dan een modem, dat gebruikmaakt van een
telefoonkabel. Beide kabels zijn afzonderlijk verkrijgbaar.
WAARSCHUWING! Om de kans op elektrische schokken, brand of beschadiging van de apparatuur te
beperken, mag u geen modemkabel of telefoonkabel in de RJ-45-netwerkconnector steken.
Verbinding maken met een lokaal netwerk (LAN)
Gebruik een LAN-verbinding als u de computer direct op een router in uw huis (in plaats van draadloos
werken), of als u de computer op een bestaand netwerk in uw kantoor wilt aansluiten.
Als u verbinding wilt maken met een lokaal netwerk (LAN), hebt u een 8-pins RJ-45-netwerkkabel nodig.
Ga als volgt te werk om de netwerkkabel aan te sluiten:
1. Sluit de netwerkkabel aan op de netwerkconnector (1) van de computer.
Verbinding maken met een bekabeld netwerk 19
2. Sluit het andere uiteinde van de netwerkkabel aan op een netwerkaansluiting in de wand (2) of op een
router.
OPMERKING: als de netwerkkabel een ruisonderdrukkingscircuit (3) bevat (dat voorkomt dat de
ontvangst van tv- en radiosignalen wordt gestoord), sluit u de kabel op de computer aan met het
uiteinde waar zich het ruisonderdrukkingscircuit bevindt.
20 Hoofdstuk 3 Verbinding maken met een netwerk
4 Navigeren met het toetsenbord,
aanraakbewegingen en aanwijsapparaten
Op de computer kunt u niet alleen gebruikmaken van het toetsenbord en de muis, maar ook op het scherm
navigeren met aanraakbewegingen (alleen bepaalde modellen). Aanraakbewegingen kunt u gebruiken op het
TouchPad van uw computer of op een touchscreen (alleen bepaalde modellen).
Bepaalde computermodellen hebben speciale actietoets- of hotkeyfuncties op het toetsenbord waarmee u
veelvoorkomende taken kunt uitvoeren.
Cursorbesturing gebruiken
OPMERKING: naast de bij de computer horende cursorbesturingen kunt u een (afzonderlijk aan te schaī†«en)
externe USB-muis gebruiken door deze aan te sluiten op een van de USB-poorten van de computer.
Voorkeuren voor cursorbesturing instellen
Via de eigenschappen voor de muis in Windows kunt u de instellingen voor aanwijsapparaten aanpassen aan
uw wensen. U kunt bijvoorbeeld de knopconī†¬guratie, kliksnelheid en opties voor de aanwijzer instellen. U
kunt ook demonstraties van Touchpadbewegingen bekijken.
U opent als volgt de eigenschappen van de muis:
ā—
Selecteer Start > Apparaten en printers. Klik met de rechtermuisknop op het apparaat dat uw computer
vertegenwoordigt en selecteer Muisinstellingen.
De EasyPoint-muisbesturing gebruiken
Druk de EasyPoint-muisbesturing in de richting waarin u de cursor op het scherm wilt bewegen. Gebruik de
linker- en rechterknop van de EasyPoint-muisbesturing net zoals u de linker- en rechterknop op een externe
muis gebruikt.
Werken met Touchpad en Touchpadbewegingen
Met het Touchpad kunt u over het computerscherm navigeren en de aanwijzer bedienen met behulp van
eenvoudige vingerbewegingen.
TIP: Gebruik de linker- en rechterknop van het touchpad zoals u de corresponderende knoppen van een
externe muis zou gebruiken.
OPMERKING: Touchpadbewegingen worden niet in alle apps ondersteund.
Cursorbesturing gebruiken 21
TouchPad in- en uitschakelen
Om het touchpad uit en in te schakelen, tikt u twee keer snel achtereen op de aan/uit-knop van het touchpad.
Tikken
Als u een selectie wilt maken op het scherm, gebruikt u de tikfunctie op het TouchPad.
ā—
Tik met Ć©Ć©n vinger in het TouchPad-gebied om een selectie te maken. Dubbeltik op een item om het te
openen.
22 Hoofdstuk 4 Navigeren met het toetsenbord, aanraakbewegingen en aanwijsapparaten
Schuiven
Schuiven kan worden gebruikt om op een pagina of in een afbeelding omhoog, omlaag of opzij te bewegen.
ā—
Plaats twee vingers iets uit elkaar op de touchpadzone en sleep ze omhoog, omlaag, naar links of naar
rechts.
In- en uitzoomen met twee vingers
Door twee vingers naar buiten of naar binnen te bewegen, kunt u in- of uitzoomen op afbeeldingen of tekst.
ā—
Zoom in door twee vingers bij elkaar te houden op het gebied van de TouchPad en ze daarna van elkaar
af te bewegen.
ā—
Zoom uit door twee vingers uit elkaar te houden op de touchpadzone en ze daarna naar elkaar toe te
bewegen.
Cursorbesturing gebruiken 23
Tikken met twee vingers
Als u met twee vingers tikt, kunt u menu-opties van een object op het scherm selecteren.
OPMERKING: Als u tikt met twee vingers voert u dezelfde actie uit als met het rechtsklikken met de muis.
ā—
Plaats twee vingers op de touchpadzone en druk om het optiemenu voor het geselecteerde object weer
te geven.
Draaien (alleen bepaalde modellen)
U kunt met uw vingers items zoals foto's draaien.
ā—
Plaats uw linker wijsvinger in de TouchPad-zone. Gebruik vervolgens de wijsvinger van uw rechterhand
om een draaiende beweging te maken van twaalf uur naar drie uur. Voor een omgekeerde draaiing
beweegt u uw rechterwijsvinger van drie uur naar twaalf uur.
Snelle penbewegingen (alleen bepaalde modellen)
Met een snelle beweging kunt u door schermen navigeren of snel door documenten bladeren.
ā—
Plaats drie vingers op de touchpadzone en beweeg ze snel omhoog, omlaag, naar links of naar rechts.
24 Hoofdstuk 4 Navigeren met het toetsenbord, aanraakbewegingen en aanwijsapparaten
Gebruiken, toetsenbord
Met het toetsenbord en de muis kunt u typen en dezelfde functies uitvoeren als bij het gebruik van
aanraakbewegingen. Via het toetsenbord kunt u met de actietoetsen en hotkeys ook speciī†¬eke functies
uitvoeren.
OPMERKING: Afhankelijk van het land of de regio waarin u woont, is het mogelijk dat uw toetsenbord
andere toetsen en toetsenbordfuncties heeft dan de toetsen en functies die in dit gedeelte worden
beschreven.
Sneltoetsen herkennen
Een sneltoets is een combinatie van de fn-toets (2) en ofwel de esc-toets (1) of een van de functietoetsen (4).
U gebruikt een hotkey als volgt:
ā–²
Druk kort op fn en druk vervolgens kort op de tweede toets van de sneltoetscombinatie.
Gebruiken, toetsenbord 25
Sneltoetscombinatie Beschrijving
fn+esc Hiermee geeft u systeeminformatie weer.
fn+f1 Activeert de slaapstand waarbij uw informatie in het systeemgeheugen wordt opgeslagen. Het beeldscherm
en andere systeemonderdelen worden uitgeschakeld en de energiebesparingsmodus wordt geactiveerd.
Als u de slaapstand wilt beƫindigen, drukt u kort op de aan/uit-knop.
VOORZICHTIG: sla uw werk op voordat u de slaapstand activeert, om het risico van gegevensverlies te
beperken.
fn+f4 Hiermee schakelt u tussen de weergaveapparaten die op het systeem zijn aangesloten. Als bijvoorbeeld een
monitor op de computer is aangesloten, wordt de weergave iedere keer dat u op fn+f4 drukt,
overgeschakeld tussen het scherm van de computer, de monitor, en zowel het computerscherm als de
monitor tegelijk.
De meeste externe monitoren maken gebruik van de externe-VGA-videostandaard om videogegevens van
de computer te ontvangen. De sneltoets fn+f4 kan ook schakelen tussen andere apparaten die
beeldgegevens van de computer ontvangen.
fn+f5 Hiermee verlaagt u de helderheid van het beeldscherm.
fn+f6 Hiermee verhoogt u de helderheid van het beeldscherm.
fn+f8 Hiermee verlaagt u het geluidsvolume.
fn+f9 Hiermee verhoogt u het geluidsvolume.
fn+f10 Hiermee schakelt u de microfoon uit.
Break fn+R Hiermee pauzeert of onderbreekt u een bewerking.
Scroll
Lock
fn+C Hiermee vergrendelt u een cel.
Sys Rq fn+S Hiermee verzendt u een programmeringsquery.
Toetsenblokken gebruiken
De computer heeft een ingesloten of geĆÆntegreerd numeriek toetsenblok en ondersteunt tevens een
optioneel extern numeriek toetsenblok of een optioneel extern toetsenbord met een numeriek toetsenblok.
26 Hoofdstuk 4 Navigeren met het toetsenbord, aanraakbewegingen en aanwijsapparaten
GeĆÆntegreerd numeriek toetsenblok gebruiken (alleen bepaalde modellen)
Onderdeel Beschrijving
(2) fn-toets Als u op deze toets drukt in combinatie met de num lk-toets, wordt
het ingebedde numerieke toetsenblok in- of uitgeschakeld.
OPMERKING: het ingebedde numerieke toetsenblok functioneert
niet als er op de computer een extern toetsenbord of een extern
toetsenblok is aangesloten.
(5) Ingebed numeriek toetsenblok Wanneer het toetsenblok is ingeschakeld, kan het worden gebruikt als
een extern numeriek toetsenblok.
Met elke toets van dit toetsenblok wordt de functie uitgevoerd die
wordt aangegeven door het pictogram in de rechterbovenhoek van de
toets.
(7) num lock-toets Als u op deze toets drukt in combinatie met de fn-toets, wordt het
ingebedde numerieke toetsenblok in- of uitgeschakeld.
OPMERKING: De toetsenblokfunctie die actief is op het moment dat
de computer wordt uitgeschakeld, wordt opnieuw actief wanneer de
computer weer wordt ingeschakeld.
Ingebed numeriek toetsenblok in- en uitschakelen
Druk op fn+num lk om het ingebedde numerieke toetsenblok in te schakelen. Druk nogmaals op fn+num lk
om het toetsenblok uit te schakelen.
OPMERKING: het ingebedde numerieke toetsenblok wordt uitgeschakeld wanneer een extern toetsenbord
of een extern numeriek toetsenblok is aangesloten op de computer.
Schakelen tussen functies van toetsen op het ingebedde toetsenblok
U kunt tijdelijk schakelen tussen de standaardwerking van de toetsen van het ingebedde numerieke
toetsenblok en de numerieke functie.
Gebruiken, toetsenbord 27
ā—
Als u de navigatiefunctie van een toetsenbloktoets wilt gebruiken terwijl het toetsenblok is
uitgeschakeld, houdt u de fn-toets ingedrukt terwijl u op de toetsenbloktoets drukt.
ā—
Ga als volgt te werk als u de standaardfunctie van een toetsenbloktoets wilt gebruiken wanneer het
toetsenblok is ingeschakeld:
ā—¦
Houd de fn-toets ingedrukt en druk op de toetsenbloktoets om kleine letters te typen.
ā—¦
Houd de toetsen fn+shift ingedrukt om hoofdletters te typen.
Optioneel extern numeriek toetsenblok gebruiken
Bij de meeste externe numerieke toetsenblokken is de werking van de toetsen afhankelijk van het wel of niet
zijn ingeschakeld van Num Lock. (Num Lock is standaard uitgeschakeld.) Bijvoorbeeld:
ā—
Wanneer num lock is ingeschakeld, kunt u met de meeste toetsenbloktoetsen cijfers typen.
ā—
Wanneer num lock is uitgeschakeld, werken de meeste toetsenbloktoetsen als pijltoetsen, page up-
toets of page down-toets.
Wanneer num lock op een extern toetsenblok wordt ingeschakeld, gaat het num lock-lampje op de computer
branden. Wanneer num lock op een extern toetsenblok wordt uitgeschakeld, gaat het num lock-lampje op de
computer uit.
U schakelt als volgt num lock in of uit tijdens het werken op een extern toetsenblok:
ā–²
Druk op de toets num lk op het externe toetsenblok, niet op het toetsenbord van de computer.
28 Hoofdstuk 4 Navigeren met het toetsenbord, aanraakbewegingen en aanwijsapparaten
5 Multimedia
De computer beschikt mogelijk over het volgende:
ā—
GeĆÆntegreerde luidspreker(s)
ā—
GeĆÆntegreerde microfoon(s)
ā—
GeĆÆntegreerde webcam
ā—
Vooraf geĆÆnstalleerde multimediasoftware
ā—
Multimediaknoppen of -toetsen
Bedieningselementen voor media-activiteit gebruiken
Afhankelijk van uw computermodel beschikt u mogelijk over de volgende bedieningselementen voor het
afspelen van media waarmee u een mediabestand kunt afspelen, pauzeren, vooruit spoelen of terugspoelen:
ā—
Mediaknoppen
ā—
Sneltoetsen voor media (speciī†¬eke toetsen die worden ingedrukt in combinatie met de fn-toets)
ā—
Mediatoetsen
Audio
U kunt op uw computer van HP externe audioapparaten zoals luidsprekers of hoofdtelefoons aansluiten.
Aansluiting van luidsprekers
U kunt op de computer bekabelde luidsprekers aansluiten. Gebruik hiervoor een USB-poort of de
combostekker voor audio-uit (hoofdtelefoon)/audio-in (microfoon) van de computer of op een
dockingstation.
Voor het aansluiten van draadloze luidsprekers, volg de instructies van de fabrikant. Pas eerst het
geluidsvolume aan voordat u audioapparaten aansluit.
Geluidsvolume aanpassen
Afhankelijk van uw computermodel kunt u het volume aanpassen met:
ā—
volumeknoppen;
ā—
sneltoetsen voor het volume (speciī†¬eke toetsen die worden ingedrukt in combinatie met de fn-toets)
ā—
volumetoetsen.
WAARSCHUWING! Zet het geluidsvolume laag voordat u de hoofdtelefoon, oortelefoon of headset opzet. Zo
beperkt u het risico van gehoorbeschadiging. Zie Informatie over voorschriften, veiligheid en milieu voor meer
informatie over veiligheid. Als u de handleidingen wilt openen, selecteert u Start > HP > HP-documentatie.
OPMERKING: U kunt het geluidsvolume ook aanpassen via het besturingssysteem en via bepaalde
programma's.
Bedieningselementen voor media-activiteit gebruiken 29
OPMERKING: Raadpleeg Vertrouwd raken met de computer op pagina 3 voor informatie over welk type
volumebesturing uw computer heeft.
Hoofdtelefoon aansluiten
U kunt een hoofdtelefoon met een kabel aansluiten op de combostekker voor audio-in (hoofdtelefoon)/audio-
uit (microfoon) van de computer.
Volg de apparaatinstructies van de fabrikant om een draadloze hoofdtelefoon aan te sluiten op de computer.
WAARSCHUWING! Zet het volume laag voordat u de hoofdtelefoon, oortelefoon of headset opzet. Zo
beperkt u het risico van gehoorbeschadiging. Zie Informatie over voorschriften, veiligheid en milieu voor
aanvullende informatie over veiligheid.
Microfoon aansluiten
Als u audio wilt opnemen, sluit u een microfoon aan op de combostekker voor audio-in (hoofdtelefoon)/
audio-uit (microfoon) van de computer. Voor optimale resultaten tijdens het opnemen, spreekt u rechtstreeks
in de microfoon en neemt u geluid op in een omgeving zonder achtergrondgeluiden.
Hoofdtelefoons en microfoons aansluiten
U kunt hoofdtelefoons of headsets met kabel aansluiten op de combostekker voor audio-uit (hoofdtelefoon)/
audio-in (microfoon) van de computer. Er zijn veel headsets met geĆÆntegreerde microfoons in de handel
verkrijgbaar.
Volg de instructies van de fabrikant van het apparaat als u een draadloze hoofdtelefoon of headset aan wilt
sluiten op de computer.
WAARSCHUWING! Zet het volume laag voordat u de hoofdtelefoon, oortelefoon of headset opzet. Zo
beperkt u het risico van gehoorbeschadiging. Zie Informatie over voorschriften, veiligheid en milieu voor meer
informatie over veiligheid. Als u de handleiding wilt openen, selecteert u Start > HP > HP-documentatie.
Audiofuncties op de computer controleren
OPMERKING: Voor optimale resultaten tijdens het opnemen spreekt u rechtstreeks in de microfoon en
neemt u geluid op in een omgeving die vrij is van achtergrondruis.
U controleert de audiofuncties van de computer als volgt:
1. Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm > Hardware en geluiden > Geluid.
2. Wanneer het venster Geluid wordt weergegeven, klikt u op het tabblad Geluiden. Selecteer onder
Programmagebeurtenissen de gewenste vorm van geluid, zoals een pieptoon of een alarmsignaal, en
klik op de knop Testen.
Als het goed is, hoort u het geluid door de luidsprekers of de aangesloten hoofdtelefoon.
U controleert de opnamefuncties van de computer als volgt:
1. Selecteer Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Geluidsrecorder.
2. Klik op Opname starten en spreek in de microfoon.
3. Sla het bestand op het bureaublad op.
4. Open een multimediaprogramma en speel het geluid af.
30 Hoofdstuk 5 Multimedia
U bevestigt of wijzigt de audio-instellingen als volgt op de computer:
ā–²
Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm > Audio.
Webcam (alleen bepaalde modellen)
Sommige computers hebben een geĆÆntegreerde webcam. In combinatie met de vooraf geĆÆnstalleerde
software kunt u de webcam gebruiken om een foto te maken of een video op te nemen. U kunt eerst een
voorbeeld van de foto of de video-opname bekijken en die vervolgens opslaan.
Met de webcamsoftware kunt u experimenteren met de volgende voorzieningen:
ā—
videobeelden vastleggen en delen;
ā—
video streamen met software voor expresberichten;
ā—
foto's maken.
Video
Uw computer van HP is een krachtig videoapparaat waarmee u streaming video van uw favoriete websites
kunt bekijken en video en ī†¬lms kunt downloaden om deze op uw computer te bekijken zonder dat u een
netwerkverbinding nodig hebt.
Om uw kijkgenot te verbeteren, gebruikt u een van de videopoorten op de computer om een externe monitor,
projector of tv aan te sluiten. Mogelijk beschikt de computer over een HDMI-poort (High-Deī†¬nition Multimedia
Interface), waarop u een high-deī†¬nition monitor of hd-tv kunt aansluiten.
De computer beschikt mogelijk over een of meer van de volgende externe videopoorten:
ā—
VGA
ā—
DisplayPort
BELANGRIJK: Zorg ervoor dat het externe apparaat met de juiste kabel is aangesloten op de juiste poort van
de computer. Raadpleeg bij vragen de instructies van de fabrikant van het apparaat.
OPMERKING: Raadpleeg Vertrouwd raken met de computer op pagina 3 voor informatie over de
videopoorten van uw computer.
Webcam (alleen bepaalde modellen) 31
VGA
De externe-monitorpoort of VGA-poort is een analoge weergave-interface waarmee u een extern VGA-
weergaveapparaat aansluit op de computer, zoals een externe VGA-monitor of VGA-projector.
1. Sluit de kabel van het apparaat aan op de externe-monitorpoort om een VGA-weergaveapparaat aan te
sluiten.
2. Druk op fn+f4 om het schermbeeld tussen 4 weergavestatussen te schakelen:
ā—
Alleen het computerscherm: hiermee wordt het beeld alleen weergegeven op het beeldscherm
van de computer.
ā—
Dupliceren: Hiermee wordt het beeld op het scherm gelijktijdig weergegeven op zowel de
computer als op het externe apparaat.
ā—
Uitbreiden: Hiermee wordt het beeld op het scherm verdeeld over de computer en het externe
apparaat weergegeven.
ā—
Alleen het tweede scherm: hiermee wordt het beeld alleen weergegeven op het externe apparaat.
Telkens wanneer u op fn+f4 drukt, wordt de beeldschermstatus gewijzigd.
OPMERKING: Voor optimale resultaten, vooral als u kiest voor de optie "Uitbreiden", kunt u de
schermresolutie van het externe apparaat als volgt aanpassen. Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm >
Vormgeving en persoonlijke instellingen. Selecteer onder Weergave Schermresolutie aanpassen.
DisplayPort
Via de DisplayPort sluit u de computer aan op een optioneel video- of audioapparaat, zoals een high-
deī†¬nition televisietoestel of op andere compatibele digitale apparatuur of audioapparatuur. De DisplayPort
levert betere prestaties dan de VGA-externemonitorpoort en zorgt voor betere digitale
aansluitmogelijkheden.
OPMERKING: als u video- en/of audiosignalen wilt verzenden via de DisplayPort, heeft u een (afzonderlijk
aan te schaī†«en) DisplayPort-kabel nodig.
OPMERKING: Op de DisplayPort van de computer kan Ć©Ć©n DisplayPort-apparaat worden aangesloten. De op
het computerscherm weergegeven informatie kan gelijktijdig worden weergegeven op het DisplayPort-
apparaat.
32 Hoofdstuk 5 Multimedia
U sluit een video- of audioapparaat als volgt aan op de DisplayPort:
1. Sluit het ene uiteinde van de DisplayPort-kabel aan op de DisplayPort van de computer.
2. Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op het digitale weergaveapparaat.
3. Druk op fn+f4 om het schermbeeld tussen 4 weergavestatussen te schakelen:
ā—
Alleen het computerscherm: hiermee wordt het beeld alleen weergegeven op het beeldscherm
van de computer.
ā—
Dupliceren: Hiermee wordt het beeld op het scherm gelijktijdig weergegeven op zowel de
computer als op het externe apparaat.
ā—
Uitbreiden: Hiermee wordt het beeld op het scherm verdeeld over de computer en het externe
apparaat weergegeven.
ā—
Alleen het tweede scherm: hiermee wordt het beeld alleen weergegeven op het externe apparaat.
Telkens wanneer u op fn+f4 drukt, wordt de beeldschermstatus gewijzigd.
OPMERKING: Voor optimale resultaten, vooral als u kiest voor de optie "Uitbreiden", kunt u de
schermresolutie van het externe apparaat als volgt aanpassen. Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm >
Vormgeving en persoonlijke instellingen. Selecteer onder Weergave Schermresolutie aanpassen.
OPMERKING: Als u de apparaatkabel wilt verwijderen, drukt u de connectorejectknop omlaag om de kabel
los te maken van de computer.
Bekabelde beeldschermen zoeken en aansluiten met behulp van MultiStream
Transport
Met MultiStream Transport (MST) kunt u meerdere bekabelde beeldschermen aansluiten op uw computer. U
kunt op verschillende manieren verbinding maken, afhankelijk van het type graī†¬sche controller die op uw
computer is geĆÆnstalleerd en of uw computer al dan niet een ingebouwde hub heeft. Ga naar Apparaatbeheer
om de op uw computer geĆÆnstalleerde hardware weer te geven.
1. Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm.
2. Selecteer Systeem en beveiliging, selecteer Systeem en klik daarna op Apparaatbeheer in de
linkerkolom.
Video 33
Beeldschermen aansluiten op computers met AMD-graphics (met een optionele hub)
OPMERKING: Met een AMD-graī†¬sche controller en een optionele hub kunt u maximaal drie externe
weergaveapparaten aansluiten.
OPMERKING: Met een NvidiaĀ®-graī†¬sche controller en een optionele hub kunt u maximaal drie externe
weergaveapparaten aansluiten.
Ga als volgt te werk voor het conī†¬gureren van meerdere beeldschermen:
1. Sluit een externe hub (afzonderlijk aan te schaī†«en) aan op de DisplayPort van de computer met een DP-
naar-DP-kabel (afzonderlijk aan te schaī†«en). Zorg ervoor dat de voedingsadapter van de hub is
aangesloten op de netvoeding.
2. Sluit de externe weergaveapparaten aan op de VGA-poorten of DisplayPorts op de hub.
3. Voor meer informatie over het instellen van meerdere beeldschermen, drukt u op fn+f4. Als u een van de
aangesloten beeldschermen niet kunt zien, controleer dan of elk apparaat op de juiste poort van de hub
is aangesloten.
OPMERKING: Bij meerdere beeldschermen kunt u kiezen voor Dupliceren, waarbij het
computerscherm naar alle ingeschakelde weergaveapparaten wordt gekopieerd, of Uitspreiden, waarbij
het computerscherm over alle ingeschakelde weergaveapparaten wordt uitgespreid.
34 Hoofdstuk 5 Multimedia
6 Energiebeheer
OPMERKING: Een computer kan een aan/uit-knop of een aan/uit-schakelaar hebben. De term aan/uit-knop
verwijst in deze handleiding naar de twee typen aan/uit-knoppen.
Computer uitschakelen
VOORZICHTIG: Wanneer u de computer uitschakelt, gaat alle informatie verloren die u niet hebt opgeslagen.
Met de opdracht Afsluiten worden alle geopende programma's gesloten, inclusief het besturingssysteem, en
worden vervolgens het beeldscherm en de computer uitgeschakeld.
Schakel de computer uit in de volgende gevallen:
ā—
Als u de accu wilt vervangen of toegang wilt tot onderdelen in de computer.
ā—
Als u externe hardware aansluit die niet op een USB-poort (Universal Serial Bus) kan worden
aangesloten.
ā—
Als u de computer langere tijd niet gebruikt en loskoppelt van de externe voedingsbron.
Hoewel u de computer kunt uitschakelen met de aan/uit-knop, is de aanbevolen procedure het gebruik van de
opdracht Afsluiten van Windows:
OPMERKING: Als de computer in de slaapstand staat, moet u eerst de slaapstand beƫindigen door kort op
de aan/uit-knop te drukken voordat u de computer kunt uitschakelen.
1. Sla uw werk op en sluit alle geopende programma's af.
2. Selecteer Start > Afsluiten.
Als de computer niet reageert en het niet mogelijk is de hierboven genoemde afsluitprocedure te gebruiken,
probeert u de volgende noodprocedures in de volgorde waarin ze hier staan vermeld:
ā—
Druk op ctrl+alt+delete. Klik op het pictogram Energie en klik daarna op Afsluiten.
ā—
Druk op de aan/uit-knop en houd deze minimaal vijf seconden ingedrukt.
ā—
Koppel de computer los van de externe voedingsbron.
ā—
Verwijder de accu (bij modellen met een door de gebruiker vervangbare accu).
Opties voor energiebeheer instellen
Standen voor energiebesparing gebruiken
De slaapstand wordt ingeschakeld in de fabriek.
Wanneer de slaapstand wordt geactiveerd, knipperen de aan/uit-lampjes en wordt het scherm leeggemaakt.
Uw werk wordt in het geheugen opgeslagen.
VOORZICHTIG: Activeer de slaapstand niet terwijl er wordt gelezen van of geschreven naar een schijf of een
externe geheugenkaart. Zo voorkomt u mogelijke verslechtering van de audio- of videokwaliteit, verlies van
audio- of video-afspeelfunctionaliteit of verlies van gegevens.
Computer uitschakelen 35
OPMERKING: Verbinding maken met een netwerk of het uitvoeren van computerfuncties is niet mogelijk
wanneer de computer in de slaapstand staat.
Slaapstand activeren en beƫindigen
Als de computer ingeschakeld is, kunt u als volgt de slaapstand activeren:
ā—
Druk kort op de aan/uit-knop.
ā—
Sluit het beeldscherm.
ā—
Selecteer Start, klik op de pijl naast de knop Afsluiten en klik vervolgens op Slaapstand.
Slaapstand beƫindigen
ā—
Druk kort op de aan/uit-knop.
ā—
Als het beeldscherm gesloten is, opent u het beeldscherm.
ā—
Druk op een toets op het toetsenbord.
ā—
Tik op of beweeg over het touchpad
Wanneer de slaapstand wordt beƫindigd, gaan de aan/uit-lampjes branden en wordt het scherm
weergegeven zoals dit was toen u stopte met werken.
OPMERKING: Als u een wachtwoord op de computer hebt ingesteld voor het beƫindigen van de
sluimerstand, dan moet u uw Windows-wachtwoord invoeren voordat de computer uw werk opnieuw
weergeeft.
Energiemeter en instellingen voor energiebeheer gebruiken
De energiemeter wordt standaard weergegeven in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk. Met
behulp van de energiemeter krijgt u snel toegang tot de instellingen van Energiebeheer en kunt u de
resterende acculading bekijken.
ā—
Beweeg de aanwijzer over het pictogram van de energiemeter om de acculading en het huidige
energiebeheerschema weer te geven.
ā—
Klik op het pictogram van de energiemeter en selecteer een item in de lijst om Energiebeheer te
gebruiken of om het energiebeheerschema te wijzigen.
Aan de verschillende pictogrammen kunt u zien of de computer op accuvoeding of op externe netvoeding
werkt. Als de accu een laag of kritiek laag ladingsniveau heeft bereikt, geeft het pictogram ook een bericht
weer.
Wachtwoordbeveiliging instellen voor beƫindigen slaapstand
Ga als volgt te werk om in te stellen dat een wachtwoord moet worden opgegeven bij het beƫindigen van de
slaapstand:
1. Selecteer Start > Conī†¬guratiescherm > Systeem en beveiliging > Energiebeheer.
2. Klik in het linkerdeelvenster op Een wachtwoord vereisen bij uit slaapstand komen.
3. Klik op Instellingen wijzigen die momenteel niet beschikbaar zijn.
4. Klik op Een wachtwoord vereisen (aanbevolen).
36 Hoofdstuk 6 Energiebeheer
OPMERKING: als u een wachtwoord voor een gebruikersaccount moet instellen of het huidige
wachtwoord voor uw gebruikersaccount wilt wijzigen, klikt u op Het wachtwoord voor uw
gebruikersaccount instellen of wijzigen en volgt u de instructies op het scherm. Als u geen
gebruikerswachtwoord hoeft te maken of te wijzigen, gaat u naar stap 5.
5. Klik op Wijzigingen opslaan.
Accuvoeding gebruiken
WAARSCHUWING! Gebruik uitsluitend de volgende producten om veiligheidsrisico's te beperken: de bij de
computer geleverde accu, een door HP geleverde vervangende accu of een compatibele accu die als
accessoire is aangeschaft bij HP.
De computer wordt door een accu gevoed als die niet is aangesloten op externe netvoeding. De accuwerktijd
van de accu van een computer kan verschillen, afhankelijk van de instellingen voor energiebeheer,
programma's die worden uitgevoerd, de helderheid van het beeldscherm, externe apparatuur die op de
computer is aangesloten en andere factoren. Als u de accu in de computer laat zitten wanneer de computer is
aangesloten op een netvoedingsbron, wordt de accu opgeladen. Bovendien wordt zo uw werk beschermd in
geval van een stroomstoring. Als er een opgeladen accu in de computer is geplaatst en de computer op
externe netvoeding werkt, schakelt de computer automatisch over op accuvoeding wanneer de
netvoedingsadapter wordt losgekoppeld van de computer of als er een stroomstoring plaatsvindt.
OPMERKING: Wanneer u de computer loskoppelt van de netvoeding wordt de helderheid van het
beeldscherm automatisch verminderd, zodat u de accu langer kunt gebruiken.
In de fabriek verzegelde accu
De accu('s) in dit product kunnen door de gebruiker zelf niet gemakkelijk worden vervangen. Het verwijderen
of vervangen van de accu kan van invloed zijn op de garantie. Neem contact op met ondersteuning als een
accu geen lading meer vasthoudt.
Gooi een accu na het einde van de levensduur nooit weg bij het huishoudelijke afval. Volg de lokale wet- en
regelgeving in uw gebied voor het weggooien van accu's.
Acculading weergeven
ā–²
Beweeg de aanwijzer over het energiemeterpictogram op het Windows-bureaublad in het systeemvak
aan de rechterkant van de taakbalk.
Accuwerktijd maximaliseren
De accuwerktijd varieert, afhankelijk van voorzieningen die u gebruikt terwijl de computer op accuvoeding
werkt. De maximale accuwerktijd neemt geleidelijk af, omdat de capaciteit van de accu afneemt ten gevolge
van bepaalde natuurlijke processen.
Tips voor het maximaliseren van de accuwerktijd:
ā—
Verlaag de helderheid van het scherm.
ā—
Verwijder de accu uit de computer wanneer de accu niet in gebruik is of wordt opgeladen (als de
computer een door de gebruiker vervangbare accu heeft).
ā—
Bewaar de door de gebruiker vervangbare accu op een koele, droge plaats.
ā—
Selecteer de instelling Energiespaarstand in Energiebeheer.
Opties voor energiebeheer instellen 37
Omgaan met een lage acculading
In dit gedeelte worden de waarschuwingen en systeemreacties beschreven die standaard zijn ingesteld.
Sommige waarschuwingen voor een lage acculading en de manier waarop het systeem daarop reageert, kunt
u wijzigen in het onderdeel Energiebeheer. Voorkeuren die u in Energiebeheer instelt, zijn niet van invloed op
de werking van de lampjes.
Een lage acculading herkennen
Als een accu de enige voedingsbron van de computer is, een laag of kritiek laag niveau bereikt, gebeurt het
volgende:
ā—
Het acculampje (alleen bepaalde modellen) geeft een laag of kritiek laag niveau van de acculading aan.
ā€“ of ā€“
ā—
Het energiemeterpictogram in het systeemvak geeft een lage of kritiek lage acculading aan.
OPMERKING: zie Energiemeter en instellingen voor energiebeheer gebruiken op pagina 36 voor meer
informatie over de energiemeter.
Als de computer aan staat of in de slaapstand staat, blijft de computer nog even in de slaapstand staan.
Vervolgens wordt de computer uitgeschakeld, waarbij niet-opgeslagen werk verloren gaat.
Problemen met een lage acculading verhelpen
Een lage acculading verhelpen wanneer er een externe voedingsbron beschikbaar is
ā–²
Sluit een van de volgende apparaten aan:
ā—
netvoedingsadapter,
ā—
optioneel docking- of uitbreidingsapparaat;
ā—
optionele netvoedingsadapter die als accessoire bij HP is aangeschaft.
Een lage acculading verhelpen wanneer er geen voedingsbron beschikbaar is
Om een lage acculading te verhelpen wanneer er geen voedingsbron beschikbaar is, slaat u uw werk op en
schakelt u de computer uit.
Accuvoeding besparen
ā—
Open het onderdeel Energiebeheer van het Conī†¬guratiescherm en selecteer instellingen voor een lager
energieverbruik.
ā—
Schakel draadloze verbindingen en LAN-verbindingen uit en sluit modemapplicaties af wanneer u deze
niet gebruikt.
ā—
Ontkoppel externe apparatuur die niet is aangesloten op een externe voedingsbron wanneer u deze
apparatuur niet gebruikt.
ā—
Zet alle optionele externe geheugenkaarten die u niet gebruikt, stop, schakel ze uit of verwijder ze.
ā—
Verlaag de helderheid van het beeldscherm.
ā—
Activeer de slaapstand of sluit de computer af zodra u stopt met werken.
38 Hoofdstuk 6 Energiebeheer
Externe netvoeding gebruiken
WAARSCHUWING! Laad de accu van de computer niet op aan boord van een vliegtuig.
WAARSCHUWING! Gebruik om veiligheidsredenen alleen de bij de computer geleverde netvoedingsadapter,
een door HP geleverde vervangende adapter of een door HP geleverde compatibele adapter.
OPMERKING: zie de poster Installatie-instructies, die u in de doos vindt van de computer, voor informatie
over het aansluiten van de computer op netvoeding.
Externe netvoeding wordt geleverd via een goedgekeurde netvoedingsadapter of een optioneel docking- of
uitbreidingsapparaat.
Sluit de computer in de volgende situaties aan op een externe netvoedingsbron:
ā—
Wanneer u een accu oplaadt of kalibreert.
ā—
Wanneer u systeemsoftware installeert of aanpast.
ā—
wanneer u informatie schrijft naar een cd, dvd of bd (alleen bepaalde modellen);
ā—
Wanneer u een back-up of hersteltaak uitvoert.
Als u de computer aansluit op een externe netvoedingsbron, gebeurt het volgende:
ā—
De accu wordt opgeladen.
ā—
Als de computer is ingeschakeld, verandert het energiemeterpictogram in de taakbalk van vorm.
Wanneer u de computer loskoppelt van externe netvoeding, gebeurt het volgende:
ā—
De computer schakelt over naar accuvoeding.
ā—
De helderheid van het beeldscherm wordt automatisch verlaagd om accuvoeding te besparen.
Opties voor energiebeheer instellen 39
Netvoedingsadapter testen
Test de netvoedingsadapter als de computer een van de volgende symptomen vertoont nadat deze is
aangesloten op de netvoeding:
ā—
De computer wordt niet ingeschakeld.
ā—
Het display wordt niet ingeschakeld.
ā—
De aan/uit-lampjes zijn uit.
Ga als volgt te werk om de netvoedingsadapter te testen:
OPMERKING: de volgende instructies gelden voor computers met een door de gebruiker vervangbare accu.
1. Zet de computer uit.
2. Verwijder de accu uit de computer.
3. Sluit de netvoedingsadapter aan op de computer en steek de stekker van de adapter in het stopcontact.
4. Zet de computer aan.
ā—
Als de aan/uit-lampjes aan gaan, werkt de netvoedingsadapter naar behoren.
ā—
Als de aan/uit-lampjes uit blijven, werkt de netvoedingsadapter niet en moet deze worden
vervangen.
Neem contact op met de ondersteuning voor informatie over het verkrijgen van een vervangende
netvoedingsadapter.
40 Hoofdstuk 6 Energiebeheer
7 Externe kaarten en apparaten
Geheugenkaartlezers gebruiken (alleen bepaalde modellen)
Met optionele geheugenkaarten kunt u gegevens veilig opslaan en gemakkelijk uitwisselen. Deze kaarten
worden vaak gebruikt om gegevens uit te wisselen tussen computers of tussen een computer en apparatuur
met digitale media, zoals camera's en pda's.
Zie Vertrouwd raken met de computer op pagina 3 voor meer informatie over de types geheugenkaarten die
worden ondersteund op de computer.
Een geheugenkaart plaatsen
VOORZICHTIG: Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het plaatsen van een geheugenkaart, om beschadiging
van de connectoren van de geheugenkaart te voorkomen.
1. Houd de kaart met het label naar boven en de connectoren naar de computer gericht.
2. Plaats de kaart in de geheugenkaartlezer en druk de kaart aan totdat deze goed op zijn plaats zit.
U hoort een geluidssignaal als het apparaat is gedetecteerd en er wordt mogelijk een menu met
beschikbare opties weergegeven.
Geheugenkaart verwijderen
VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van de geheugenkaart, om te
voorkomen dat gegevens verloren gaan of het systeem vastloopt.
1. Sla uw gegevens op en sluit alle toepassingen af die gebruikmaken van de geheugenkaart.
2. Klik op het pictogram voor het verwijderen van hardware in het Windows-bureaublad in het systeemvak
aan de rechterkant van de taakbalk. Volg daarna de instructies op het scherm.
Geheugenkaartlezers gebruiken (alleen bepaalde modellen) 41
3. Druk de kaart iets naar binnen (1) en verwijder deze vervolgens uit het slot (2).
OPMERKING: als de kaart niet zelf naar buiten komt, trekt u deze uit het slot.
Smartcards gebruiken
OPMERKING: De term Smart Card verwijst in dit hoofdstuk zowel naar Smart Cards als Javaā„¢ Cards.
Een Smart Card is een accessoire met het formaat van een creditcard, dat is voorzien van een microchip met
geheugen en een microprocessor. Smart Cards hebben, net zoals personal computers, een
besturingssysteem voor het beheer van de in- en uitvoer. Daarnaast zijn ze voorzien van
beveiligingsvoorzieningen om ze te beveiligen tegen aanvallen van buitenaf. Standaard-Smart Cards worden
gebruikt in combinatie met de Smart Card-lezer (alleen bepaalde modellen).
Een pincode is vereist om toegang tot de inhoud van de microchip te krijgen.
Smart Card plaatsen
1. Houd het kaartlabel naar boven en schuif de kaart voorzichtig in de Smart Card-lezer tot de kaart goed
op zijn plaats zit.
2. Volg de instructies op het scherm om u aan te melden op de computer met behulp van de pincode van de
Smart Card.
42 Hoofdstuk 7 Externe kaarten en apparaten
Smart Card verwijderen
ā–²
Pak de Smart Card bij de zijkanten vast en trek de kaart vervolgens voorzichtig uit de Smart Card-lezer.
USB-apparaat gebruiken
USB (Universal Serial Bus) is een hardwarematige interface die kan worden gebruikt om een optioneel extern
apparaat aan te sluiten, zoals een USB-toetsenbord, -muis, -drive, -printer, -scanner of -hub.
Voor bepaalde USB-apparatuur is extra ondersteunende software nodig. Deze wordt meestal met het
apparaat meegeleverd. Zie de instructies van de fabrikant voor meer informatie over apparaatspeciī†¬eke
software. Deze instructies kunnen worden verstrekt bij de software of op schijven, of kunnen op de website
van de fabrikant staan.
De computer heeft ten minste Ć©Ć©n USB-poort die ondersteuning biedt voor apparaten met USB 1.0, 1.1, 2.0 of
3.0. Uw computer kan ook een USB-laadpoort hebben die een extern apparaat van stroom voorziet. Een
optioneel dockingapparaat of USB-hub biedt extra USB-poorten die met de computer kunnen worden
gebruikt.
USB-apparaat gebruiken 43
USB-apparaat aansluiten
VOORZICHTIG: Oefen zo min mogelijk kracht uit bij het aansluiten van het apparaat om beschadiging van
een USB-connector te voorkomen.
ā–²
Sluit de USB-kabel voor het apparaat aan op de USB-poort.
OPMERKING: uw computer kan er iets anders uitzien dan de afgebeelde computer.
Wanneer het apparaat is gedetecteerd, geeft het systeem dit aan met een geluidssignaal.
OPMERKING: De eerste keer dat u een USB-apparaat aansluit, verschijnt er een bericht in het systeemvak
om aan te geven dat het apparaat wordt herkend door de computer.
USB-apparaat verwijderen
VOORZICHTIG: Trek niet aan de kabel om het USB-apparaat los te koppelen, om beschadiging van een USB-
connector te voorkomen.
VOORZICHTIG: Gebruik de volgende procedure voor het veilig verwijderen van een USB-apparaat, om te
voorkomen dat gegevens verloren gaan of het systeem vastloopt.
1. Als u een USB-apparaat wilt verwijderen, slaat u uw gegevens op en sluit u alle applicaties af die
gebruikmaken van het apparaat.
2. Klik op het pictogram voor het verwijderen van hardware op het Windows-bureaublad in het systeemvak
aan de rechterkant van de taakbalk en volg de instructies op het scherm.
3. Koppel het apparaat los.
44 Hoofdstuk 7 Externe kaarten en apparaten
Optionele externe apparaten gebruiken
OPMERKING: zie de instructies van de fabrikant voor meer informatie over de vereiste software en
stuurprogramma's en over de computerpoort die moet worden gebruikt.
Ga als volgt te werk om een extern apparaat op de computer aan te sluiten:
VOORZICHTIG: Als u een apparaat met eigen netvoedingsaansluiting aansluit, kunt u het risico van schade
aan de apparatuur beperken door ervoor te zorgen dat het apparaat is uitgeschakeld en de stekker uit het
stopcontact is gehaald.
1. Sluit het apparaat aan op de computer.
2. Als u een apparaat met een eigen netvoedingsaansluiting aansluit, steekt u de stekker van het apparaat
in een geaard stopcontact.
3. Schakel het apparaat in.
Als u een extern apparaat zonder eigen voeding wilt verwijderen, schakelt u het apparaat uit en koppelt u het
los van de computer. Als u een extern apparaat met een eigen netvoedingsaansluiting wilt verwijderen,
schakelt u het apparaat uit, koppelt u het los van de computer en haalt u vervolgens de stekker uit het
stopcontact.
Optionele externe schijfeenheden gebruiken
Verwisselbare externe schijfeenheden bieden meer mogelijkheden voor het opslaan en gebruiken van
informatie. U kunt een USB-schijfeenheid toevoegen door de schijfeenheid aan te sluiten op een USB-poort op
de computer.
OPMERKING: Er moet een externe optische USB-schijf van HP worden aangesloten op de USB-poort met
eigen voeding op de computer.
Verwisselbare USB-stations zijn er van de volgende typen:
ā—
1,44-MB diskettestation
ā—
Vaste-schijfmodule
ā—
Externe optische-schijfeenheid (cd, dvd en Blu-ray)
ā—
MultiBay-apparaat
Optionele externe apparaten gebruiken 45
8 Schijfeenheden
Schijfeenheden hanteren
VOORZICHTIG: schijfeenheden zijn kwetsbare computeronderdelen, die voorzichtig moeten worden
behandeld. Lees de volgende waarschuwingen voordat u schijfeenheden hanteert. Laat een schijf niet vallen,
plaats er geen objecten op, of stel een schijf niet bloot aan vloeistoī†«en of extreme temperaturen of
vochtigheid.
Neem deze voorzorgsmaatregelen in acht bij het hanteren van schijven:
ā—
Schakel de computer uit voordat u een schijfeenheid installeert of verwijdert. Als u niet zeker weet of de
computer is afgesloten of in de slaapstand staat, schakelt u de computer in en vervolgens uit.
ā—
Voordat u een schijfeenheid aanraakt, moet u eerst de statische elektriciteit ontladen door een geaard
oppervlak aan te raken.
ā—
Raak de connectorpinnen op een verwisselbare schijfeenheid of op de computer niet aan.
ā—
Gebruik niet te veel kracht wanneer u een schijfeenheid in een schijfruimte plaatst.
ā—
Verzend een schijfeenheid in goed beschermend verpakkingsmateriaal, zoals noppenfolie. Vermeld op
de verpakking dat het om breekbare apparatuur gaat.
ā—
Stel schijfeenheden niet bloot aan magnetische velden. Voorbeelden van beveiligingsapparatuur met
magnetische velden zijn detectiepoortjes op vliegvelden en detectorstaven. In beveiligingsapparatuur
waarmee handbagage wordt gescand, worden rƶntgenstralen gebruikt in plaats van magnetische
velden. Deze beveiligingsapparatuur brengt geen schade toe aan schijfeenheden.
ā—
Verwijder het medium uit een schijfeenheid alvorens de schijfeenheid uit de schijfruimte te verwijderen,
of voordat u een schijfeenheid meeneemt op reis, verzendt of opbergt.
ā—
Gebruik het toetsenbord niet en verplaats de computer niet terwijl de optischeschijfeenheid naar een
schijf schrijft. Het schrijfproces is gevoelig voor trillingen.
ā—
Activeer de slaapstand en wacht tot het scherm leeg is of koppel de externe vaste schijf los voordat u
een computer verplaatst die op een externe vaste schijf is aangesloten.
Externe vaste schijven gebruiken
VOORZICHTIG: neem de volgende richtlijnen in acht om te voorkomen dat gegevens verloren gaan of het
systeem vastloopt:
Sla uw werk op en sluit de computer af voordat u een geheugenmodule of een vaste schijf plaatst of vervangt.
Als u niet weet of de computer is uitgeschakeld, zet u de computer aan door op de aan/uit-knop te drukken.
Sluit de computer vervolgens af via het besturingssysteem.
Prestaties van de vaste schijf verbeteren
Schijfopruiming gebruiken
Met Schijfopruiming wordt op de vaste schijf gezocht naar overbodige bestanden, die u veilig kunt
verwijderen om schijfruimte vrij te maken, zodat de computer eī†«iciĆ«nter werkt.
46 Hoofdstuk 8 Schijfeenheden
U gebruikt Schijfopruiming als volgt:
1. Klik op Start > Alle programma's > Bureau-accessoires > Systeemwerkset > Schijfopruiming.
2. Volg de instructies op het scherm.
Externe vaste schijven gebruiken 47
9 Beveiliging
De computer beveiligen
Standaardbeveiligingsvoorzieningen van het Windows-besturingssysteem en het onafhankelijk van
Windows-computers draaiende Setup-hulpprogramma (BIOS) kunnen uw persoonlijke instellingen en
gegevens tegen diverse risico's beschermen.
OPMERKING: Van beveiligingsvoorzieningen moet op de eerste plaats een ontmoedigingseī†«ect uitgaan.
Dergelijke maatregelen kunnen echter niet altijd voorkomen dat een product verkeerd wordt gebruikt of
gestolen.
OPMERKING: Voordat u uw computer verzendt voor reparatie, moet u back-ups maken van vertrouwelijke
bestanden en die verwijderen en alle wachtwoordinstellingen verwijderen.
OPMERKING: Mogelijk zijn niet alle in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen beschikbaar op uw computer.
OPMERKING: Uw computer ondersteunt Computrace, een online service voor opsporing en herstel in het
kader van beveiliging die beschikbaar is in bepaalde landen en regio's. Als de computer wordt gestolen, kan
Computrace deze opsporen wanneer de onbevoegde gebruiker een internetverbinding maakt. U kunt
Computrace gebruiken door de software aan te schaī†«en en een abonnement op de service te nemen. Voor
informatie over het bestellen van de Computrace-software gaat u naar http://www.absolute.com/en/landing/
partners/13/hp.
Computerrisico Beveiligingsvoorziening
Onbevoegd gebruik van de computer Een wachtwoord, smartcard, contactloze kaart, geregistreerde
gezichtsscĆØnes, Bluetooth of pincode.
Ongeoorloofde toegang tot Computer Setup (f10) BIOS-beheerderswachtwoord in Computer Setup*
Ongeoorloofd opstarten vanaf een optionele externe
optischeschijfeenheid (alleen bepaalde modellen), optionele
externe vaste schijf (alleen bepaalde modellen) of interne
netwerkadapter.
Voorziening voor opstartopties in Computer Setup*
Onbevoegde toegang tot een Windows-gebruikersaccount Windows-gebruikerswachtwoord
Ongeoorloofde toegang tot de instellingen van Computer Setup
en andere identiī†¬catiegegevens van het systeem
BIOS-beheerderswachtwoord in Computer Setup*
Onbevoegd verwijderen van de computer Bevestigingspunt voor beveiligingskabel (in combinatie met een
optionele beveiligingskabel)
*Computer Setup is een vooraf geĆÆnstalleerd en een op ROM-geheugen gebaseerd hulpprogramma dat zelfs kan worden gebruikt
wanneer het besturingssysteem niet werkt of niet kan worden geladen. U kunt gebruikmaken van een aanwijsapparaat (touchpad,
EasyPoint-muisbesturing of USB-muis) of het toetsenbord, om te navigeren en selecties te maken in Computer Setup.
Wachtwoorden gebruiken
Een wachtwoord is een groep tekens die u kiest om uw computergegevens te beveiligen. U kunt verscheidene
typen wachtwoorden instellen, afhankelijk van hoe u de toegang tot uw informatie wilt beveiligen.
Wachtwoorden kunnen worden ingesteld in Windows of in het hulpprogramma Computer Setup, dat geen deel
uitmaakt van Windows en dat vooraf is geĆÆnstalleerd op de computer.
48 Hoofdstuk 9 Beveiliging
ā—
Wachtwoorden van de BIOS-beheerder worden in Computer Setup ingesteld en beheerd door het
systeem-BIOS.
ā—
Windows-wachtwoorden worden alleen in het Windows-besturingssysteem ingesteld.
U kunt hetzelfde wachtwoord gebruiken voor een voorziening van Computer Setup en een
beveiligingsvoorziening van Windows. U kunt hetzelfde wachtwoord gebruiken voor meerdere voorzieningen
van Computer Setup.
Gebruik de volgende tips voor het maken en opslaan van wachtwoorden:
ā—
Volg tijdens het maken van wachtwoorden de door het programma ingestelde vereisten.
ā—
Gebruik niet hetzelfde wachtwoord voor meerdere applicaties of websites en gebruik uw Windows-
wachtwoord niet voor applicaties of websites.
ā—
Sla wachtwoorden niet in een bestand op de computer op.
De volgende tabellen bevatten veelvoorkomende Windows- en BIOS-beheerderswachtwoorden en een
beschrijving van hun functie.
Wachtwoorden in Windows instellen
Wachtwoord Functie
Beheerderswachtwoord Beveiligt de toegang tot een Windows-account op
beheerdersniveau.
OPMERKING: Met het instellen van een Windows-
beheerderswachtwoord wordt niet het BIOS-
beheerderswachtwoord ingesteld.
Gebruikerswachtwoord Beschermt de toegang tot een Windows gebruikersaccount.
Wachtwoorden in Computer Setup instellen
Wachtwoord Functie
BIOS-beheerderswachtwoord* Beveiligt de toegang tot Computer Setup.
OPMERKING: Als er functies ingeschakeld zijn die voorkomen
dat het BIOS-beheerderswachtwoord wordt verwijderd, kunt u het
BIOS-beheerderswachtwoord pas verwijderen zodra deze functies
worden uitgeschakeld.
*Nadere bijzonderheden over deze wachtwoorden vindt u in de volgende onderwerpen.
BIOS-beheerderswachtwoord beheren
U kunt dit wachtwoord als volgt instellen, wijzigen of verwijderen:
Een nieuw BIOS-beheerderswachtwoord instellen
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Setup BIOS
Administrator Password (BIOS-beheerderswachtwoord instellen) en druk op enter.
Wachtwoorden gebruiken 49
4. Typ een wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd.
5. Typ nogmaals het nieuwe wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd.
6. Om de wijzigingen op te slaan en Computer Setup af te sluiten, klikt u op het pictogram Exit (Afsluiten)
in de rechterbenedenhoek van het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk daarna op enter.
De wijzigingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
Een BIOS-beheerderswachtwoord wijzigen
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Change Password
(Wachtwoord wijzigen) en druk op enter.
4. Typ het huidige wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd.
5. Als u dit wordt gevraagd, typt u uw nieuwe wachtwoord eenmaal in en vervolgens opnieuw om dit te
bevestigen.
6. Om de wijzigingen op te slaan en Computer Setup af te sluiten, klikt u op het pictogram Exit (Afsluiten)
in de rechterbenedenhoek van het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk daarna op enter.
De wijzigingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
Een BIOS-beheerderswachtwoord verwijderen
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Security (Beveiliging) > Change Password
(Wachtwoord wijzigen) en druk op enter.
4. Typ het huidige wachtwoord wanneer hierom wordt gevraagd.
5. Wanneer u om het nieuwe wachtwoord wordt gevraagd, laat u het veld leeg en drukt u op enter.
6. Wanneer u nogmaals om het nieuwe wachtwoord wordt gevraagd, laat u het veld weer leeg en drukt u
op enter.
7. Om de wijzigingen op te slaan en Computer Setup af te sluiten, klikt u op het pictogram Exit (Afsluiten)
in de rechterbenedenhoek van het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk daarna op enter.
De wijzigingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
50 Hoofdstuk 9 Beveiliging
Een BIOS-beheerderswachtwoord opgeven
Typ bij de prompt BIOS administrator password (BIOS-beheerderswachtwoord) uw wachtwoord (met behulp
van dezelfde soort toetsen die u gebruikt hebt om het wachtwoord in te stellen). Druk vervolgens op enter. Na
drie mislukte pogingen om het BIOS-beheerderswachtwoord in te voeren en een andere poging met het op
het scherm weergegeven toetsenbord, moet u de computer opnieuw opstarten en het opnieuw proberen.
Firewallsoftware gebruiken
Firewalls zijn bedoeld om ongeoorloofde toegang tot een systeem of netwerk te voorkomen. Een ī†¬rewall kan
een softwareprogramma zijn dat u op uw computer en/of netwerk installeert of het kan een oplossing zijn die
zowel uit hardware als software bestaat.
Er zijn twee soorten ī†¬rewalls waaruit u kunt kiezen:
ā—
Hostgebaseerde ī†¬rewallsoftware die alleen de computer beschermt waarop deze is geĆÆnstalleerd;
ā—
Netwerkī†¬rewalls die tussen het ADSL- of kabelmodem en uw thuisnetwerk worden geĆÆnstalleerd om alle
computers in het netwerk te beschermen.
Wanneer een ī†¬rewall is geĆÆnstalleerd op een systeem, worden alle gegevens die vanaf en naar het systeem
worden verzonden, gecontroleerd en vergeleken met een reeks door de gebruiker gedeī†¬nieerde
beveiligingscriteria. Gegevens die niet aan deze criteria voldoen, worden geblokkeerd.
Mogelijk is er al een ī†¬rewall geĆÆnstalleerd op uw computer of netwerkapparatuur. Als dat niet het geval is, zijn
er softwareoplossingen voor ī†¬rewalls beschikbaar.
OPMERKING: in bepaalde situaties kan een ī†¬rewall toegang tot spelletjes op internet blokkeren, het delen
van printers of bestanden in een netwerk tegenhouden of toegestane bijlagen bij e-mailberichten blokkeren.
U kunt dit probleem tijdelijk oplossen door de ī†¬rewall uit te schakelen, de gewenste taak uit te voeren en de
ī†¬rewall weer in te schakelen. Conī†¬gureer de ī†¬rewall opnieuw als u het probleem blijvend wilt oplossen.
Firewallsoftware gebruiken 51
Optionele beveiligingskabel bevestigen
OPMERKING: Er is een beveiligingskabel ontworpen waarvan op de eerste plaats een ontmoedigingseī†«ect
moet uitgaan. Deze voorziening kan echter niet voorkomen dat de computer verkeerd wordt gebruikt of
wordt gestolen.
OPMERKING: Het bevestigingspunt voor de beveiligingskabel op de computer kan er iets anders uitzien dan
op de afbeelding in dit gedeelte. Zie Vertrouwd raken met de computer op pagina 3 voor de plaats van het
bevestigingspunt voor beveiligingskabel op de computer.
1. Leg de beveiligingskabel om een stevig verankerd voorwerp heen.
2. Steek de sleutel (1) in het kabelslot (2).
3. Steek het kabelslot in het bevestigingspunt voor beveiligingskabel op de computer (3) en vergrendel het
kabelslot met de sleutel.
52 Hoofdstuk 9 Beveiliging
10 Onderhoud
Computer schoonmaken
Gebruik de volgende producten voor het veilig reinigen van uw computer:
ā—
Een maximale concentratie van 0,3 procent dimethylbenzyl ammoniumchloride (bijvoorbeeld
wegwerpdoekjes, verkrijgbaar in verschillende merken).
ā—
Glasreinigingsvloeistof zonder alcohol
ā—
Water met milde zeepoplossing
ā—
Droge microvezel-reinigingsdoek of een zeemlap (antistatische doek zonder olie)
ā—
Antistatische veegdoekjes
VOORZICHTIG: Gebruik geen schoonmaakmiddelen die permanente schade aan uw computer kunnen
veroorzaken. U kunt een bepaald schoonmaakmiddel pas gebruiken als u zeker weet dat het geen alcohol,
aceton, ammoniumchloride, methyleenchloride of koolwaterstoī†«en bevat.
Materiaal met vezels, zoals papieren doekjes, kunnen de computer bekrassen. In de loop van de tijd kunnen er
vuildeeltjes en reinigingsmiddelen in de krassen achterblijven.
Reinigingsprocedures
Volg de in dit gedeelte beschreven procedures voor het veilig reinigen en desinfecteren van uw computer.
WAARSCHUWING! Probeer de computer niet schoon te maken terwijl deze is ingeschakeld, om het risico van
elektrische schokken of schade aan onderdelen te beperken.
ā—
Schakel de computer uit.
ā—
Koppel de computer los van de voedingsbron.
ā—
Koppel alle externe apparaten los.
VOORZICHTIG: Om schade aan interne onderdelen te voorkomen, mag u geen schoonmaakmiddelen of
vloeistoī†«en direct op het oppervlak van de computer spuiten. Als er vloeistoī†«en op het oppervlak terecht
komen, kunnen er interne onderdelen beschadigd raken.
Scherm reinigen (All-in-One's of notebooks)
Veeg het display met een zacht, pluisvrij en met een alcoholvrij glasreinigingsmiddel bevochtigd doekje
schoon. Controleer of het display droog is voordat u de computer sluit.
Zijkanten of deksel reinigen
Gebruik voor het reinigen van de zijkanten of het deksel een zachte microvezel-doek of een zeemlap die
bevochtigd is met een van de eerder genoemde reinigingsmiddelen, of gebruik een aanvaardbaar
wegwerpdoekje.
OPMERKING: Verwijder wanneer u het deksel van de computer reinigt, het vuil door ronddraaiende
bewegingen te maken.
Computer schoonmaken 53
Touchpad, toetsenbord of muis reinigen
WAARSCHUWING! Gebruik geen stofzuiger om het toetsenbord te reinigen, om het risico van een
elektrische schok of schade aan interne onderdelen te beperken. Een stofzuiger kan stofdeeltjes op het
oppervlak van het toetsenbord achterlaten.
VOORZICHTIG: Om schade aan interne onderdelen te voorkomen, moet u ervoor zorgen dat er geen
vloeistof tussen de toetsen komt.
ā—
Gebruik voor het reinigen van het touchpad, het toetsenbord of de muis een zachte microvezel-doek of
een zeemlap die bevochtigd is met een van de eerder genoemde reinigingsmiddelen, of gebruik een
wegwerpdoekje.
ā—
Om te voorkomen dat de toetsen vast komen te zitten en om vuil, pluizen en vuildeeltjes te verwijderen,
gebruikt u een spuitbus met perslucht en een rietje.
Update van programma's en stuurprogramma's uitvoeren
U wordt aangeraden regelmatig een update uit te voeren van uw programma's en stuurprogramma's. Met
updates worden problemen opgelost en worden nieuwe functies en opties op de computer geĆÆnstalleerd. De
technologie wijzigt continu, en door programmaā€™s en stuurprogrammaā€™s te updaten maakt de computer
gebruik van de nieuwste beschikbare technologie. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat oude graī†¬sche onderdelen
niet meer correct werken met de nieuwste spelsoftware. Zonder het nieuwste stuurprogramma zou u niet het
beste halen uit uw apparatuur.
Ga naar http://www.hp.com/support om de meest recente versie van programma's en stuurprogramma's van
HP te downloaden. U kunt u ook aanmelden voor het ontvangen van automatische updateberichten wanneer
nieuwe updates beschikbaar komen.
54 Hoofdstuk 10 Onderhoud
11 Computer Setup (BIOS) en MultiBoot
Computer Setup gebruiken
Computer Setup ofwel het BIOS (Basic Input/Output System) bevat instellingen voor de communicatie tussen
alle invoer- en uitvoerapparaten in het systeem (zoals schijfeenheden, beeldscherm, toetsenbord, muis en
printer). Computer Setup bevat ook instellingen voor de geĆÆnstalleerde apparaten, de opstartvolgorde van de
computer en de hoeveelheid systeemgeheugen en uitgebreid geheugen.
OPMERKING: Wees uiterst voorzichtig met het aanbrengen van wijzigingen in Computer Setup. Fouten
kunnen ertoe leiden dat de computer niet meer goed functioneert.
Computer Setup starten
OPMERKING: Externe toetsenborden of muizen die op een USB-poort zijn aangesloten, kunnen uitsluitend
worden gebruikt in Computer Setup als de USB-ondersteuning voor oudere systemen is ingeschakeld.
U start Computer Setup als volgt:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
Navigeren en selecteren in Computer Setup
Navigeren en selecteren gaat in Computer Setup als volgt:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
OPMERKING: U kunt gebruikmaken van een aanwijsapparaat (touchpad, EasyPoint-muisbesturing of
USB-muis) of het toetsenbord, om te navigeren en selecties te maken in Computer Setup.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
ā—
Als u een menu of menu-item wilt selecteren, gebruikt u de tab-toets en de pijltoetsen en drukt u
vervolgens op enter. U kunt ook gebruikmaken van een aanwijsapparaat om op het item te klikken.
ā—
Om omhoog of omlaag te schuiven, klikt u op de pijl omhoog of de pijl omlaag in de
rechterbovenhoek van het scherm, of gebruikt u de toets voor pijl omhoog of pijl omlaag op het
toetsenbord.
ā—
Druk op esc om alle open dialoogvensters te sluiten en terug te keren naar het hoofdscherm van
Computer Setup. Volg daarna de instructies op het scherm.
Gebruik een van de volgende methoden om de menu's van Computer Setup af te sluiten:
ā—
U sluit de menu's van Computer Setup als volgt af zonder de wijzigingen op te slaan:
Klik op het pictogram Exit (Afsluiten) rechtsonder op het scherm en volg de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Computer Setup gebruiken 55
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Ignore Changes and Exit (Wijzigingen negeren en
afsluiten) en druk daarna op enter.
ā—
Ga als volgt te werk om de wijzigingen op te slaan en de menu's van Computer Setup af te sluiten:
Klik op het pictogram Save (Opslaan) linksonder op het scherm en volg de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk daarna op enter.
De wijzigingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
Fabrieksinstellingen herstellen in Computer Setup
OPMERKING: Met het herstellen van de fabrieksinstellingen wordt de modus van de vaste schijf niet
gewijzigd.
Als u alle instellingen in Computer Setup wilt terugzetten naar de fabriekswaarden, gaat u als volgt te werk:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Restore Defaults
(Standaardinstellingen herstellen).
4. Volg de instructies op het scherm.
5. Om de wijzigingen op te slaan en af te sluiten, klikt u op het pictogram Save (Opslaan) in de
rechterbenedenhoek van het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk daarna op enter.
De wijzigingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
OPMERKING: Uw wachtwoordinstellingen en beveiligingsinstellingen blijven ongewijzigd wanneer u de
oorspronkelijke fabrieksinstellingen herstelt.
BIOS-update uitvoeren
GeĆ¼pdate versies van het BIOS zijn beschikbaar via de website van HP.
Sommige downloadpakketten bevatten een bestand met de naam Readme.txt. Dit bestand bevat informatie
over de installatie en het oplossen van problemen.
BIOS-versie vaststellen
Als u wilt vaststellen of er een recentere BIOS-versie beschikbaar is voor de computer, moet u weten welke
versie van het systeem-BIOS momenteel is geĆÆnstalleerd.
BIOS-versiegegevens (ook wel ROM-datum of systeem-BIOS genoemd) kunt u weergeven door te drukken op
fn+esc (als Windows al is gestart) of door Computer Setup te gebruiken.
56 Hoofdstuk 11 Computer Setup (BIOS) en MultiBoot
1. Start Computer Setup.
2. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen Main (Algemeen) > System Information
(Systeeminformatie).
3. Om Computer Setup af te sluiten zonder de wijzigingen op te slaan, klikt u op het pictogram Exit
(Afsluiten) in de linkerbenedenhoek van het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Ignore Changes and Exit (Wijzigingen negeren en
afsluiten) en druk daarna op enter.
BIOS-update downloaden
VOORZICHTIG: Om het risico van schade aan de computer of een mislukte installatie te beperken, moet u
een BIOS-update alleen downloaden en installeren als de computer met de netvoedingsadapter is
aangesloten op een betrouwbare externe voedingsbron. Download of installeer een BIOS-update niet
wanneer de computer op accuvoeding werkt of wanneer de computer is aangesloten op een optioneel
dockingapparaat of een optionele voedingsbron. Volg de onderstaande instructies tijdens het downloaden en
installeren:
Schakel de stroomvoorziening van de computer niet uit door de stekker van het netsnoer uit het stopcontact
te halen.
Zet de computer niet uit en activeer de slaapstand niet.
Zorg dat u geen apparaten, kabels of snoeren plaatst, verwijdert, aansluit of loskoppelt.
1. Om toegang te krijgen tot HP ondersteuning gaat u naar http://www.hp.com/support en selecteert u uw
land. Selecteer Drivers en downloads en volg de instructies op het scherm om naar de BIOS-downloads
te gaan.
2. Voer in de BIOS-downloadsectie de volgende stappen uit:
a. Zoek de BIOS-update die recenter is dan de BIOS-versie die momenteel op de computer is
geĆÆnstalleerd en vergelijk ze. Noteer de datum, naam of andere informatie waaraan u de update
kunt herkennen. Aan de hand van deze gegevens kunt u de update terugvinden nadat deze naar de
vaste schijf is gedownload.
b. Volg de instructies op het scherm om uw selectie te downloaden naar de vaste schijf.
Als de update recenter is dan uw BIOS, noteert u het pad naar de locatie op uw vaste schijf waar de
BIOS update gedownload is. U hebt dit pad nodig wanneer u klaar bent om de update te installeren.
OPMERKING: Als de computer is aangesloten op een netwerk, raadpleegt u de netwerkbeheerder
voordat u software-updates installeert, vooral als het gaat om updates van het systeem-BIOS.
De procedures voor de installatie van BIOS-updates kunnen verschillen. Volg de instructies die op het scherm
verschijnen nadat het downloaden is voltooid. Als er geen instructies verschijnen, gaat u als volgt te werk:
1. Selecteer Start > Computer.
2. Klik op de aanduiding van de vasteschijfeenheid. De vasteschijfaanduiding is gewoonlijk lokale schijf (C:).
3. Maak gebruik van het eerder genoteerde pad en open de map op de vaste schijf die de update bevat.
4. Dubbelklik op het bestand met de extensie .exe (bijvoorbeeld bestandsnaam.exe).
De installatie van het BIOS begint.
5. Volg de instructies op het scherm om de installatie te voltooien.
Computer Setup gebruiken 57
OPMERKING: Nadat op het scherm is aangegeven dat de installatie is geslaagd, kunt u het gedownloade
bestand van de vaste schijf verwijderen.
MultiBoot gebruiken
Opstartvolgorde van apparaten
Als de computer wordt ingeschakeld, probeert het systeem op te starten vanaf geactiveerde apparaten. Met
het hulpprogramma Multiboot, dat in de fabriek is geactiveerd, wordt bepaald in welke volgorde het systeem
een opstartapparaat selecteert. Opstartapparaten kunnen optischeschijfeenheden zijn, diskettedrives,
netwerkinterfacekaarten (NIC's), vaste schijven en USB-apparaten. Opstartapparaten bevatten opstartmedia
of bestanden die de computer nodig heeft om op de juiste manier op te starten en te functioneren.
OPMERKING: Sommige opstartapparaten moeten in Computer Setup worden geactiveerd voordat ze aan de
opstartvolgorde toegevoegd kunnen worden.
U kunt de volgorde waarin het systeem naar een opstartapparaat zoekt, wijzigen door de opstartvolgorde in
Computer Setup te wijzigen. U kunt ook op esc drukken wanneer onder aan het scherm het bericht "Press the
ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt. Druk daarna op f9. Als u op
f9 drukt, wordt een menu weergegeven met de geactiveerde opstartapparaten, waaruit u er een kunt kiezen.
Tot slot kunt u met MultiBoot Express de computer zo conī†¬gureren dat bij het opstarten altijd wordt gevraagd
welk opstartapparaat u wilt gebruiken.
MultiBoot-voorkeursinstellingen kiezen
U kunt MultiBoot op de volgende manieren gebruiken:
ā—
U kunt in Computer Setup de opstartvolgorde wijzigen om een nieuwe opstartvolgorde in te stellen die
de computer elke keer bij het opstarten moet gebruiken.
ā—
U kunt het opstartapparaat dynamisch kiezen door op esc te drukken wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
Druk daarna op f9 om het menu Boot Options (Opstartopties) te openen.
ā—
U kunt met MultiBoot Express variabele opstartvolgordes instellen. Hierbij wordt u gevraagd een
opstartapparaat te kiezen elke keer dat u de computer inschakelt of opnieuw opstart.
Nieuwe opstartvolgorde instellen in Computer Setup
Ga als volgt te werk om Computer Setup te starten en een volgorde voor opstartapparaten in te stellen die
elke keer wordt gebruikt als de computer wordt ingeschakelt of opnieuw wordt opgestart:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen de lijst Legacy Boot Order (Opstartvolgorde
van oudere apparaten) en druk op enter.
4. Om het apparaat hoger in de opstartvolgorde te plaatsen, klikt u met een aanwijsapparaat op de pijl
omhoog of drukt u op de toets +.
ā€“ of ā€“
58 Hoofdstuk 11 Computer Setup (BIOS) en MultiBoot
Om het apparaat lager in de opstartvolgorde te plaatsen, klikt u met een aanwijsapparaat op de pijl
omlaag of drukt u op de toets -.
5. Om de wijzigingen op te slaan en Computer Setup af te sluiten, klikt u op het pictogram Save (Opslaan)
linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk daarna op enter.
Dynamisch een opstartapparaat kiezen met de f9-prompt
Als u dynamisch een opstartapparaat wilt kiezen voor de huidige opstartvolgorde, gaat u als volgt te werk:
1. Open het menu Select Boot Device (Opstartapparaat selecteren) door de computer aan te zetten of
opnieuw op te starten en op esc te drukken wanneer onder aan het scherm het bericht "Press the ESC
key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f9.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen een opstartapparaat en druk op enter.
Een MultiBoot Express-prompt instellen
Ga als volgt te werk om Computer Setup te starten en de computer zodanig te conī†¬gureren dat telkens
wanneer u de computer inschakelt of opnieuw opstart, het menu met opstartapparaten van MultiBoot wordt
weergegeven:
1. Schakel de computer in of start deze opnieuw op en druk op esc wanneer onder aan het scherm het
bericht "Press the ESC key for Startup Menu" (Druk op de ESC-toets voor menu Opstarten) verschijnt.
2. Druk op f10 om Computer Setup te openen.
3. Selecteer met een aanwijsapparaat of met de pijltoetsen System Conī†¬guration (Systeemconī†¬guratie) >
Boot Options (Opstartopties) en druk op enter.
4. In het veld MultiBoot Express Popup Delay (Sec) (Wachttijd MultiBoot Express-menu) geeft u op hoe
lang (in seconden) het menu met opstartapparaten moet worden weergegeven, voordat de computer
wordt opgestart overeenkomstig de huidige MultiBoot-instelling. (Als u 0 kiest, wordt het Express Boot-
menu met opstartapparaten niet weergegeven.)
5. Om de wijzigingen op te slaan en Computer Setup af te sluiten, klikt u op het pictogram Save (Opslaan)
linksonder in het scherm en volgt u de instructies op het scherm.
ā€“ of ā€“
Selecteer met de pijltoetsen Main (Algemeen) > Save Changes and Exit (Wijzigingen opslaan en
afsluiten) en druk daarna op enter.
De wijzigingen zijn van kracht zodra de computer opnieuw is opgestart.
MultiBoot Express-voorkeursinstellingen invoeren
Wanneer het Express Boot-menu wordt weergegeven tijdens het opstarten, heeft u de volgende
mogelijkheden:
MultiBoot gebruiken 59
ā—
Als u een opstartapparaat wilt speciī†¬ceren in het Express Boot-menu, selecteert u de gewenste keuze
binnen de toegestane tijd en drukt u op enter.
ā—
Als u wilt voorkomen dat de computer de huidige MultiBoot-instelling kiest, drukt u op een willekeurige
toets voordat de toegestane tijd is verstreken. De computer start hierna pas op nadat u een
opstartapparaat hebt geselecteerd en op enter hebt gedrukt.
ā—
Als u de computer wilt opstarten met de huidige MultiBoot-instelling, wacht u tot de toegestane tijd is
verstreken.
HP Sure Start gebruiken (alleen bepaalde modellen)
Bepaalde computermodellen zijn geconī†¬gureerd met HP Sure Start, een technologie die voortdurend het
BIOS van de computer controleert op aanvallen of beschadigingen. Als het BIOS beschadigd raakt of wordt
aangevallen, herstelt HP Sure Start automatisch het BIOS in de vorige veilige staat, zonder tussenkomst van
de gebruiker.
HP Sure Start is geconī†¬gureerd en al ingeschakeld zodat de meeste gebruikers de standaard conī†¬guratie van
HP Sure Start kunnen gebruiken. De standaard conī†¬guratie kan worden aangepast door ervaren gebruikers.
Voor de meest recente documentatie over HP Sure Start gaat u naar http://www.hp.com/support en
selecteert u uw land. Kies Drivers en downloads en volg de instructies op het scherm.
60 Hoofdstuk 11 Computer Setup (BIOS) en MultiBoot
12 HP PC Hardware Diagnostics (UEFI)
HP PC Hardware Diagnostics is een Uniī†¬ed Extensible Firmware Interface (UEFI) waarmee u diagnostische
tests kunt uitvoeren om te bepalen of de computerhardware goed werkt. Het hulpprogramma wordt buiten
het besturingssysteem uitgevoerd om hardwareproblemen te kunnen isoleren van problemen die worden
veroorzaakt door het besturingssysteem of andere softwarecomponenten.
OPMERKING: Als u het BIOS wilt openen op een convertible computer, moet u de computer in de
notebookmodus zetten en moet u het toetsenbord gebruiken dat aangesloten is op uw tablet. Met het
schermtoetsenbord, dat wordt weergegeven in de tabletmodus, hebt u geen toegang tot het BIOS.
U kunt HP PC Hardware Diagnostics UEFI als volgt starten:
1. Start het BIOS:
ā—
Computers of tablets met een toetsenbord:
ā–²
Zet de computer aan of start deze opnieuw op en druk snel op esc.
ā—
Tablets zonder toetsenbord:
ā–²
Zet de tablet aan of start deze opnieuw op, druk snel op de knop Geluid zachter en houd deze
knop ingedrukt.
ā€“ of ā€“
Zet de tablet aan of start deze opnieuw op, druk snel op de Windows-knop en houd deze knop
ingedrukt.
2. Druk of tik op f2.
Het BIOS zoekt op drie plaatsen en in de onderstaande volgorde naar diagnoseprogramma's:
a. Aangesloten USB-station
OPMERKING: Zie HP PC Hardware Diagnostics (UEFI) naar een USB-apparaat downloaden
op pagina 61 om het hulpprogramma van HP PC Hardware Diagnostics (UEFI) naar een USB-
station te downloaden.
b. Vaste schijf
c. BIOS
3. Wanneer het diagnoseprogramma wordt geopend, selecteert u het soort diagnosetest dat u wilt
uitvoeren en volgt u de instructies op het scherm. Druk op een tablet op de knop Geluid zachter om een
diagnosetest te stoppen.
OPMERKING: Als u een diagnosetest wilt stoppen op een computer of tablet met een toetsenbord, drukt u
op esc.
HP PC Hardware Diagnostics (UEFI) naar een USB-apparaat
downloaden
Er zijn twee opties voor het downloaden van HP PC Hardware Diagnostics naar een USB-apparaat:
HP PC Hardware Diagnostics (UEFI) naar een USB-apparaat downloaden 61
Download de nieuwste UEFI-versie:
1. Ga naar http://www.hp.com/go/techcenter/pcdiags. De startpagina van HP PC Diagnostics wordt
weergegeven.
2. Klik op de koppeling downloaden in het gedeelte HP PC Hardware Diagnostics en selecteer vervolgens
Uitvoeren.
Download een bepaalde versie van UEFI voor een speciī†¬ek product:
1. Ga naar http://www.hp.com/support en selecteer uw land. De pagina van HP ondersteuning wordt
weergegeven.
2. Klik op Drivers en downloads.
3. Voer de productnaam in het tekstvak in en klik op Start.
ā€“ of ā€“
Klik op Nu zoeken zodat HP uw product automatisch kan detecteren.
4. Selecteer uw computermodel en het besturingssysteem.
5. Volg in het gedeelte Diagnosehulpmiddelen de instructies op het scherm om de gewenste UEFI-versie
te selecteren en te downloaden.
62 Hoofdstuk 12 HP PC Hardware Diagnostics (UEFI)
13 Ondersteuning
Contact opnemen met de ondersteuning
Als u in deze handleiding geen antwoord op uw vragen vindt, kunt u contact opnemen met ondersteuning. Ga
voor ondersteuning naar http://www.hp.com/support en selecteer uw land.
Hier kunt u:
ā—
online chatten met een technicus van HP;
OPMERKING: ondersteuning via chat is niet in alle talen beschikbaar, maar wel altijd in het Engels.
ā—
telefoonnummers voor ondersteuning opzoeken;
ā—
een HP servicecentrum opzoeken.
Contact opnemen met de ondersteuning 63
Labels
De labels die zijn aangebracht op de computer, bieden informatie die u nodig kunt hebben wanneer u
problemen met het systeem probeert op te lossen of wanneer u de computer in het buitenland gebruikt.
BELANGRIJK: Alle labels die in dit gedeelte worden beschreven bevinden zich op een van de 3 plaatsen,
afhankelijk van uw computermodel: op de onderkant van de computer, in de accuruimte of onder de
onderhoudsklep.
ā—
Servicelabelā€”Biedt belangrijke informatie voor het identiī†¬ceren van uw computer. Wanneer u contact
opneemt met Ondersteuning, moet u waarschijnlijk het serie-, product- en modelnummer opgeven.
Zoek deze nummers op voordat u contact opneemt met Ondersteuning.
Onderdeel
(1) Serienummer
(2) Productnummer
(3) Garantieperiode
ā—
Label met MicrosoftĀ® certiī†¬caat van echtheid (alleen bepaalde modellen voorafgaand aan Windows 8)
bevat de Windows-productcode. U kunt de productcode nodig hebben wanneer u een update van het
besturingssysteem wilt uitvoeren of problemen met het systeem wilt oplossen. HP-platformen waarop
Windows 8 of Windows 8.1 is voorgeĆÆnstalleerd, hebben geen fysiek label, maar hebben een
elektronisch geĆÆnstalleerde digitale productcode.
OPMERKING: Deze digitale productcode wordt bij een herinstallatie van een Windows 8- of Windows
8.1-besturingssysteem volgens een door HP goedgekeurde herstelmethode, automatisch door het
Microsoft-besturingssysteem herkend en geactiveerd.
ā—
Label(s) met kennisgevingen: bevat kennisgevingen betreī†«ende het gebruik van de computer.
ā—
Label(s) met keurmerken voor apparatuur voor draadloze communicatie: Deze labels bevatten
informatie over optionele apparaten voor draadloze communicatie en de keurmerken van een aantal
landen/regio's waarin deze apparaten zijn goedgekeurd voor gebruik.
64 Hoofdstuk 13 Ondersteuning
14 Speciī†¬caties
ā—
Ingangsvermogen
ā—
Omgevingsvereisten
Ingangsvermogen
De gegevens over elektrische voeding in dit gedeelte kunnen van pas komen als u internationaal wilt reizen
met de computer.
De computer werkt op gelijkstroom, die kan worden geleverd via netvoeding of via een voedingsbron voor
gelijkstroom. De netvoedingsbron moet 100-240 V, 50-60 Hz als nominale speciī†¬caties hebben. Hoewel de
computer kan worden gevoed via een aparte gelijkstroomvoedingsbron, wordt u dringend aangeraden de
computer alleen aan te sluiten via een netvoedingsadapter of een gelijkstroombron die door HP is geleverd en
goedgekeurd voor gebruik met deze computer.
De computer is geschikt voor gelijkstroom binnen de volgende speciī†¬caties.
Ingangsvermogen Capaciteit
Netspanning in bedrijf en werkstroom 19,5 V gelijkstroom bij 2,31 A - 45 W
19,5 V gelijkstroom bij 3,33 A - 65 W
OPMERKING: dit product is ontworpen voor IT-elektriciteitsnetten in Noorwegen met een fase-
fasespanning van maximaal 240 V wisselspanning.
OPMERKING: de bedrijfsspanning en werkstroom van de computer vindt u op het label met kennisgevingen.
Omgevingsvereisten
Factor Metrisch VS
Temperatuur
In bedrijf (schrijven naar optische schijf) 5Ā°C tot 35Ā°C 41Ā°F tot 95Ā°F
Buiten bedrijf -20Ā°C tot 60Ā°C -4Ā°F tot 140Ā°F
Relatieve luchtvochtigheid (zonder condensatie)
In bedrijf 10% tot 90% 10% tot 90%
Buiten bedrijf 5% tot 95% 5% tot 95%
Maximale hoogte (zonder drukcabine)
In bedrijf -15 m tot 3048 m -50 ft tot 10.000 ft
Buiten bedrijf -15 m tot 12.192 m -50 ft tot 40.000 ft
Ingangsvermogen 65
15 Toegankelijkheid
HP ontwerpt, produceert en distribueert producten en diensten die door iedereen kunnen worden gebruikt,
inclusief door personen met een handicap, zowel op een zelfstandige basis of met de juiste hulpapparaten.
Ondersteunende technologie die ondersteund wordt
HP-producten ondersteunen een breed scala aan besturingssystemen van ondersteunde technologieƫn en
kunnen worden geconī†¬gureerd voor gebruik met aanvullende ondersteunende technologieĆ«n. Gebruik de
zoekfunctie op uw apparaat om meer informatie over ondersteunende functies te vinden.
OPMERKING: voor meer informatie over een bepaald product voor ondersteunende technologie, neemt u
contact op met de klantenondersteuning voor dat product.
Contact opnemen met de ondersteuning
Wij verbeteren voortdurend de toegankelijkheid van onze producten en services en wij zijn verheugd met
feedback van gebruikers. Als u problemen ondervindt met een product of als u ons wilt informeren over
toegankelijkheidsfuncties die u hebben geholpen, kunt u contact met ons opnemen door te bellen naar +1
(888) 259-5707, van maandag tot vrijdag tussen 6:00 en 21:00 Noord-Amerikaanse Mountain Tijd. Als u doof
of slechthorend bent en TRS/VRS/WebCapTel gebruikt, kunt u contact met ons opnemen als u technische
ondersteuning nodig heeft of vragen heeft over toegankelijkheid door te bellen naar (877) 656-7058, van
maandag tot vrijdag tussen 06:00 en 21:00 Noord-Amerikaanse Mountain Tijd.
OPMERKING: ondersteuning is alleen in het Engels.
66 Hoofdstuk 15 Toegankelijkheid
A Reizen met of transporteren van computer
Als u de computer wilt meenemen op reis of de computer wilt verzenden, neemt u de volgende tips in acht om
de apparatuur te beschermen.
ā—
Ga als volgt te werk om de computer gereed te maken voor transport:
ā—¦
Maak een back-up van uw gegevens op een externe schijfeenheid.
ā—¦
Verwijder alle schijven en alle externe mediakaarten, zoals geheugenkaarten, uit de computer.
ā—¦
Schakel alle externe apparaten uit en koppel ze vervolgens los.
ā—¦
Schakel de computer uit.
ā—
Neem een back-up van uw gegevens mee. Bewaar de back-up afzonderlijk op de computer.
ā—
Wanneer u met het vliegtuig reist, neemt u de computer mee als handbagage en checkt u de computer
niet in met de rest van de bagage.
VOORZICHTIG: Stel schijfeenheden niet bloot aan magnetische velden. Voorbeelden van
beveiligingsapparatuur met magnetische velden zijn detectiepoortjes op vliegvelden en detectorstaven.
In beveiligingsapparatuur waarmee handbagage wordt gescand, worden rƶntgenstralen gebruikt in
plaats van magnetische velden. Deze beveiligingsapparatuur brengt geen schade toe aan
schijfeenheden.
ā—
Als u de computer tijdens een vlucht wilt gebruiken, luister dan naar dan naar mededelingen tijdens de
vlucht waarin wordt aangegeven wanneer u de computer mag gebruiken. Elke maatschappij heeft eigen
regels voor het gebruik van computers tijdens vluchten.
ā—
Verzend een computer of schijfeenheid in goed beschermend verpakkingsmateriaal. Vermeld op de
verpakking dat het om breekbare apparatuur gaat.
Als op de computer een apparaat voor draadloze communicatie is geĆÆnstalleerd, is het mogelijk dat het
gebruik van dit apparaat in sommige omgevingen aan voorwaarden gebonden is. Dit kan het geval zijn
aan boord van een vliegtuig, in ziekenhuizen, in de buurt van explosieven en op gevaarlijke locaties. Als
u niet zeker weet wat het beleid is voor het gebruik van een bepaald apparaat, kunt u het beste vooraf
toestemming vragen voordat u de computer gebruikt.
ā—
Ga als volgt te werk als u de computer in het buitenland wilt gebruiken:
ā—¦
Vraag de douanebepalingen voor computers op voor de landen/regio's die u gaat bezoeken.
ā—¦
Controleer de netsnoer- en adaptervereisten voor elke locatie waar u de computer wilt gebruiken.
De netspanning, frequentie en stekkers kunnen verschillen per land/regio.
WAARSCHUWING! Gebruik voor de computer geen adaptersets die voor andere apparaten zijn
bedoeld, om het risico van een elektrische schok, brand of schade aan de apparatuur te beperken.
67
B Problemen oplossen
Hulpmiddelen voor het oplossen van problemen
OPMERKING: Voor sommige controle- en reparatieprogramma's is een internetverbinding vereist. HP biedt
ook aanvullende programma's waarvoor geen internetverbinding vereist is.
Neem contact op met de ondersteuning van HP. Ga voor ondersteuning in de VS naar http://www.hp.com/go/
contactHP. Ga voor wereldwijde ondersteuning naar http://welcome.hp.com/country/us/en/
wwcontact_us.html.
Maak een keuze uit de volgende soorten ondersteuning:
ā—
On-line chatten met een HP technicus.
OPMERKING: Wanneer een chatgesprek niet mogelijk is in een bepaalde taal, is deze optie wel
beschikbaar in het Engels.
ā—
Telefoonnummers voor wereldwijde ondersteuning van HP opzoeken;
ā—
Een HP servicecentrum zoeken.
Problemen oplossen
In de volgende gedeelten vindt u informatie over algemene problemen en oplossingen.
Computer kan niet worden ingeschakeld
Als de computer niet wordt ingeschakeld wanneer u op de aan/uit-knop drukt, kunnen de volgende suggesties
u wellicht helpen te achterhalen waarom de computer niet opstart:
ā—
Als de computer is aangesloten op een stopcontact, controleert u of het stopcontact voldoende voeding
levert door een ander elektrisch apparaat op het stopcontact aan te sluiten.
OPMERKING: gebruik alleen de bij de computer geleverde netvoedingsadapter of een
netvoedingsadapter die door HP is goedgekeurd voor deze computer.
ā—
Als de computer is aangesloten op een andere externe voedingsbron dan een stopcontact, sluit de
computer dan met behulp van de netvoedingsadapter aan op een stopcontact. Controleer of het
netsnoer en de netvoedingsadapter goed zijn aangesloten.
Het computerscherm is leeg
Als u de computer niet heeft uitgeschakeld maar het scherm leeg blijft, kunnen een of meer van de volgende
instellingen de oorzaak vormen:
ā—
De computer staat mogelijk in de slaapstand. Als u de slaapstand wilt beƫindigen, drukt u kort op de
aan/uit-knop. De slaapstand is een energiebesparende voorziening waarbij het beeldscherm wordt
uitgeschakeld. De slaapstand kan automatisch worden geactiveerd als de computer is ingeschakeld
maar niet wordt gebruikt, of als de acculading een laag niveau heeft bereikt. Om deze en andere
voedingsinstellingen te wijzigen, klikt u met de rechtermuisknop op het pictogram Accu op het
68 Bijlage B Problemen oplossen
Windows-bureaublad in het systeemvak aan de rechterkant van de taakbalk en klik u vervolgens op
Voorkeuren.
ā—
De computer is niet ingesteld om het beeld op het scherm weer te geven. Druk op fn+f4 om de weergave
te schakelen naar het beeldscherm van de computer. Voor de meeste modellen geldt dat wanneer een
optioneel extern weergaveapparaat, bijvoorbeeld een monitor, is aangesloten op de computer, het beeld
kan worden weergegeven op het computerscherm of op het externe weergaveapparaat of op beide
apparaten tegelijk. Wanneer u herhaaldelijk op fn+f4 drukt, wordt de weergave afwisselend geschakeld
tussen het beeldscherm van de computer, een of meer externe beeldschermen en gelijktijdige weergave
op alle apparaten.
De software werkt niet goed
Als de software niet reageert of niet naar behoren reageert, moet u de computer opnieuw opstarten. Klik op
Start, klik op de pijl naast Afsluitenen selecteer vervolgens Opnieuw opstarten. Als u de computer niet
opnieuw kunt opstarten aan de hand van deze procedure, raadpleegt u het volgende gedeelte, Computer is
ingeschakeld maar reageert niet op pagina 69.
Computer is ingeschakeld maar reageert niet
Wanneer de computer is ingeschakeld maar niet reageert op opdrachten van de software of het toetsenbord,
voert u de volgende noodprocedures voor afsluiten uit in de aangegeven volgorde, totdat de computer wordt
afgesloten:
VOORZICHTIG: noodprocedures voor afsluiten resulteren in het verlies van niet-opgeslagen gegevens.
ā—
Druk op de aan/uit-knop en houd deze minimaal vijf seconden ingedrukt.
ā—
Koppel de externe voedingsbron los en verwijder de accu uit de computer.
De computer is ongewoon warm
Als de computer in gebruik is, kan deze warm aanvoelen. Dit is een normaal verschijnsel. Wanneer de
computer echter ongewoon warm aanvoelt, is de computer mogelijk oververhit als gevolg van een
geblokkeerde ventilatieopening.
Als u vermoedt dat de computer oververhit raakt, laat u de computer afkoelen tot kamertemperatuur. Zorg
dat alle ventilatieopeningen nergens door worden geblokkeerd tijdens het gebruik van de computer.
WAARSCHUWING! Werk niet met de computer op uw schoot en blokkeer de ventilatieopeningen van de
computer niet, om de kans op brandwonden of oververhitting van de computer te verkleinen. Gebruik de
computer alleen op een stevige, vlakke ondergrond. Zorg dat de luchtcirculatie niet wordt geblokkeerd door
een voorwerp van hard materiaal, zoals een optionele printer naast de computer, of een voorwerp van zacht
materiaal, zoals een kussen, een kleed of kleding. Zorg er ook voor dat de netvoedingsadapter tijdens het
gebruik niet in contact kan komen met de huid of een voorwerp van zacht materiaal. De temperatuur van de
computer en de netvoedingsadapter blijft binnen de temperatuurlimieten voor de oppervlakken die
toegankelijk zijn voor de gebruiker, zoals bepaald in de International Standard for Safety of Information
Technology Equipment (IEC 60950).
OPMERKING: de ventilator van de computer start automatisch om interne onderdelen te koelen en
oververhitting te voorkomen. Het is normaal dat de interne ventilator automatisch aan- en uitgaat terwijl u
met de computer werkt.
Een extern apparaat werkt niet
Probeer de volgende suggesties als een extern apparaat niet goed werkt:
Problemen oplossen 69
ā—
Schakel het apparaat in volgens de instructies van de fabrikant.
ā—
Controleer of alle apparaataansluitingen correct zijn.
ā—
Controleer of het apparaat elektrische voeding krijgt.
ā—
Controleer of het apparaat, met name als het een ouder apparaat betreft, compatibel is met het
besturingssysteem.
ā—
Controleer of de juiste stuurprogramma's en de recentste versies hiervan zijn geĆÆnstalleerd.
De draadloze netwerkverbinding werkt niet
Ga als volgt te werk als een draadloze netwerkverbinding niet goed werkt:
ā—
Om een draadloos of bekabeld netwerkapparaat te activeren of deactiveren, klikt u met de
rechtermuisknop op het pictogram Netwerkverbinding in het Windows-bureaublad in het systeemvak
aan de rechterkant van de taakbalk. Om een apparaat in te schakelen, klikt u op de naam van het
apparaat en klikt u vervolgens op Verbinden. Om het apparaat te deactiveren, klikt u op de naam van
het apparaat en klikt u vervolgens op Verbinding verbreken.
ā—
Controleer of het apparaat voor draadloze communicatie is ingeschakeld.
ā—
Controleer of de draadloze antennes van de computer nergens door worden geblokkeerd.
ā—
Controleer of het kabel- of DSL-modem en het netsnoer daarvan correct zijn aangesloten en of de
lampjes op het kabel- of DSL-modem branden.
ā—
Controleer of de draadloze router of het draadloze toegangspunt correct is aangesloten op de
netvoedingsadapter en het kabel- of DSL-modem, en of de lampjes branden.
ā—
Koppel alle kabels los en sluit ze opnieuw aan. Schakel vervolgens het apparaat uit en opnieuw in.
Een ī†¬lm is niet zichtbaar op een extern beeldscherm
1. Als zowel het beeldscherm van de computer als een extern beeldscherm zijn ingeschakeld, drukt u een
of meer keren op fn+f4 om te schakelen tussen de twee beeldschermen.
2. Conī†¬gureer de monitorinstellingen zodanig dat het externe beeldscherm het primaire beeldscherm
wordt:
a. Klik in het Windows-bureaublad met de rechtermuisknop op een leeg gedeelte van het bureaublad
van de computer en selecteer Schermresolutie.
b. Geef een primair en een secundair beeldscherm op.
OPMERKING: als beide beeldschermen worden gebruikt, verschijnt het dvd-beeld niet op een
beeldscherm dat is ingesteld als secundair beeldscherm.
70 Bijlage B Problemen oplossen
C Elektrostatische ontlading
Elektrostatische ontlading is de ontlading van statische elektriciteit wanneer twee objecten met elkaar in
aanraking komen, bijvoorbeeld de schok die u ontvangt wanneer u over tapijt loopt en vervolgens een
metalen deurklink aanraakt.
Elektronische onderdelen kunnen worden beschadigd door de ontlading van statische elektriciteit vanaf
vingers of andere elektrostatische geleiders. Neem de volgende voorschriften in acht om het risico van
schade aan de computer of een schijfeenheid, of verlies van gegevens te beperken:
ā—
Als u de computer moet loskoppelen met het oog op instructies voor het verwijderen of installeren van
onderdelen, moet u voor een goede aarding zorgen voordat u de computer loskoppelt. Pas daarna kunt
u de behuizing openen.
ā—
Houd onderdelen in de antistatische verpakking totdat u klaar bent om ze te installeren.
ā—
Raak geen pinnen, aansluitingen en circuits aan. Zorg dat u elektronische onderdelen zo weinig mogelijk
hoeft aan te raken.
ā—
Gebruik niet-magnetische gereedschappen.
ā—
Raak voordat u de onderdelen aanraakt, een ongeverfd metalen oppervlak aan, zodat u niet statisch
geladen bent.
ā—
Als u een onderdeel verwijdert, plaatst u dit in een antistatische verpakking.
Neem contact op met de ondersteuning van HP als u meer wilt weten over statische elektriciteit of hulp nodig
heeft bij het verwijderen of installeren van onderdelen.
71
Index
A
aan/uit
Accu 37
besparen 38
opties 35
aan/uit-knop 35
Aan/uit-knop herkennen 8
aan/uit-lampjes 7, 12
aan/uit-schakelaar 35
aanwijsapparaten, voorkeuren
instellen
21
accu
lage acculading 38
ontladen 37
resterende lading weergeven 37
voeding besparen 38
acculampje 12
Accuvoeding 37
Afsluiten 35
Antennes voor draadloze
communicatie herkennen 5
apparaten voor draadloze
communicatie, in- en
uitschakelen 13
Audiofuncties controleren 30
Audio-ingang (microfooningang)
herkennen 3
Audio-uitgang
(hoofdtelefoonuitgang)
herkennen 3
B
bedieningselementen voor media-
activiteit 29
Bedrijfs-WLAN, verbinding maken
17
Beeldschermen, schakelen tussen
26
Beeldschermhelderheid, toetsen 26
Beeldscherm schakelen 26
Beheerderswachtwoord 49
bekabelde beeldschermen, zoeken en
aansluiten 33
Beschrijfbare media 35
besparen, voeding 38
Beveiliging, draadloze
communicatie 16
beveiligingskabel, bevestigingspunt
herkennen 4
BIOS
update downloaden 57
update uitvoeren 56
versie vaststellen 56
Bluetooth, label 64
Bluetooth-apparaat 13, 19
C
Caps Lock, lampje herkennen 7
Computer, reizen met 67
Computer reageert niet 35
Computer schoonmaken 53
Computer Setup
BIOS-beheerderswachtwoord 49
fabrieksinstellingen herstellen
56
navigeren en selecteren 55
connector, netvoeding 4
connectors
audio-ingang
(microfooningang) 3
Controleren, audiofuncties 30
D
DisplayPort, verbinden met 32
dockingconnector, herkennen 4, 11
Draadloos netwerk (WLAN)
Bedrijfs-WLAN, verbinding
maken 17
benodigde apparatuur 16
Beveiliging 16
functioneel bereik 17
gebruiken 15
Openbare WLAN, verbinding
maken 17
verbinding maken 17
Draadloze communicatie,
bedieningselementen
Besturingssysteem 13
knop 13
Draadloze communicatie, knop 13
draadloze router, conī†¬gureren 16
Draaien, touchpadbeweging 24
Dual-mode DisplayPort
Herkennen 3
E
EasyPoint-muisbesturing,
gebruiken 21
Elektrostatische ontlading 71
Esc-toets herkennen 9, 10
Externe apparaten 45
Externe monitor, poort 32
externe monitorpoort 4
externe netvoeding gebruiken 39
Externe schijfeenheid 45
F
ī†¬rewallsoftware 51
Fn-toets, herkennen 9, 10
fn-toets, identiī†¬ceren 25
Functietoetsen, herkennen 9, 10
G
gebruiken
externe netvoeding 39
standen voor energiebesparing
35
gebruikerswachtwoord 49
geheugenkaart
ondersteunde types 41
plaatsen 41
verwijderen 41
geheugenkaartlezer, herkennen 3
geĆÆntegreerd numeriek toetsenblok,
herkennen 27
geĆÆntegreerd numeriek toetsenblok
herkennen 10
Geluidsvolume
aanpassen 29
knoppen 29
toetsen 29
GPS 19
72 Index
H
hoofdtelefoons en microfoons,
aansluiten 30
Hoofdtelefoonuitgang (audio-
uitgang) 3
hotkeys
media 29
omschrijving 25
Hotkeys
gebruiken 25
geluidsvolume aanpassen 26
Geluidsvolume verhogen 26
geluidsvolume verlagen 26
helderheid van beeldscherm
verhogen 26
helderheid van beeldscherm
verlagen 26
microfoon, geluid uitschakelen
26
schakelen tussen
beeldschermen 26
slaapstand 26
HP Connection Manager 14
HP Mobiel breedband,
uitgeschakeld 18
HP PC Hardware Diagnostics (UEFI)
gebruiken 61
HP Sure Start, gebruiken 60
Hubs 43
I
In-/uitgangen
audio-uitgang (hoofdtelefoon) 3
netwerk 4
RJ-45 (netwerk) 4
Ingangsvermogen 65
Ingebed numeriek toetsenblok,
herkennen 9
Installatie van draadloos netwerk
16
Interne microfoons, identiī†¬ceren 5
Internetprovider, gebruiken 15
Internetverbinding instellen 16
J
Java Card
deī†¬nitie 42
plaatsen 42
verwijderen 43
K
Kabels
USB 44
Kennisgevingen
label met kennisgevingen 64
labels met keurmerk voor
draadloze communicatie 64
Keurmerk voor draadloze
communicatie, label 64
knoppen
aan/uit 8
Linkerknop muisbesturing 6
linkerknop van touchpad 6
media 29
Rechterknop muisbesturing 6
rechterknop van touchpad 6
Windows-knop 9, 10
Knoppen
aan/uit 35
geluidsvolume 29
knop voor draadloze communicatie,
gebruiken 14
Kritiek lage acculading 35
L
label met Certiī†¬caat van Echtheid van
Microsoft 64
Labels
Bluetooth 64
Certiī†¬caat van Echtheid van
Microsoft 64
kennisgevingen 64
keurmerk voor draadloze
communicatie 64
Serienummer 64
WLAN 64
lage acculading 38
Lampje microfoon uit herkennen 7
lampjes
batterij 12
schijfeenheid 12
Touchpad 7
Lampjes
aan/uit 7, 12
Caps Lock 7
draadloze communicatie 7, 11
microfoon, geluid uitschakelen 7
Num Lock 7
lampje voor draadloze
communicatie 7, 11, 13
LAN, verbinden maken 19
Leesbare media 35
lokaal netwerk, verbinding maken
19
luidsprekers, aansluiten 29
Luidsprekers, herkennen 8
M
mediasneltoetsen 29
Microfooningang (audio-ingang)
herkennen
3
muis, voorkeuren instellen voor de
externe 21
muisbesturing 6
MultiBoot
Express-prompt instellen 59
Express-voorkeursinstellingen
invoeren 59
voorkeursinstellingen kiezen 58
MultiStream Transport 33
N
Netvoedingsadapter, testen 40
netvoedingsadapter testen 40
netvoedingsconnector herkennen 4
netwerkconnector, herkennen 4
Num lock, extern toetsenblok 28
Num Lock, lampje 7
num lock-toets, herkennen 27
O
Omgevingsvereisten 65
Onderdelen
beeldscherm 5
bovenkant 6
linkerkant 4
Onderkant 11
rechterkant 3
voorkant 11
onderhoud, schijfopruiming 46
Onderhoud van computer 53
ondersteuning, contact opnemen
63
ondersteuning voor oudere
systemen, USB 55
Openbare WLAN, verbinding maken
17
opstartapparaat, dynamisch kiezen
59
opstartvolgorde, instellen in
Computer Setup 58
Index 73
opstartvolgorde van apparaten 58
Opties voor energiebeheer
instellen 35
Optionele externe apparaten
gebruiken 45
Optische-schijfeenheid 45
P
poorten
DisplayPort 32
Dual-mode DisplayPort 3
USB 3.0-oplaadpoort (met
stroomvoorziening) 4
USB Type-C (opladen) 3
Poorten
externe monitor 4, 32
VGA 32
Problemen, oplossen 68
problemen oplossen 68
computer reageert niet 69
kan niet worden ingeschakeld
68
leeg scherm 68
niet-functionerende draadloze
netwerkverbinding 70
niet-functionerend extern
apparaat 69
software werkt niet goed 69
warme computer 69
Problemen oplossen, extern
beeldscherm 70
Productnaam en productnummer, van
computer 64
R
Reizen, met computer 64
Reizen met de computer 67
RJ-45-netwerkconnector,
herkennen 4
S
Schakelaar, aan/uit 35
Schijfeenheden
externe 45
gebruiken 46
hanteren 46
optische 45
vaste 45
schijfeenheidlampje 12
Schijfmedia 35
Schuiven, touchpadbeweging 23
Serienummer 64
Serienummer, van computer 64
setup utility
fabrieksinstellingen herstellen
56
navigeren en selecteren 55
SIM-kaart, plaatsen 18
SIM-sleuf, herkennen 4
slaapstand
activeren 36
beƫindigen 36
sleuven
beveiligingskabel 4
SIM 4
smartcard 5
Smart Card
deī†¬nitie 42
plaatsen 42
verwijderen 43
smartcard-slot 5
snelle penbewegingen 24
software 46
ī†¬rewall 51
Software Schijfopruiming 46
speciī†¬caties 65
standen voor energiebesparing 35
T
toegankelijkheid 66
toetsen
esc 9, 10
functie 9, 10
media 29
Windows-applicaties 9
Toetsen
fn 9, 10
geluidsvolume 29
media 29
toetsenblok
geĆÆntegreerd numeriek 10
Herkennen 27
Toetsenblok
ingebed numeriek 9
Toetsenblok, extern
gebruiken 28
num lock 28
toetsenbord, gebruiken 25
Toetsenbord, sneltoetsen
herkennen 25
Toets microfoon uitschakelen
herkennen 26
Touchpad
gebruiken 21
in- en uitschakelen 22
knoppen 6
lampje, herkennen 7
Tikken 22
Touchpadbewegingen
draaien 24
gebruiken 21
In- en uitzoomen met twee
vingers 23
schuiven 23
Tikken met twee vingers 24
Touchpadbewegingen tikken met
twee vingers 24
Touchpadbeweging in- en uitzoomen
met twee vingers 23
Touchpadzone, herkennen 6
U
Uitschakelen, computer 35
USB 3.0-oplaadpoort (met
stroomvoorziening), herkennen 4
USB 3.0-poort 3
USB-apparaten
beschrijving 43
verwijderen 44
USB-apparatuur
aansluiten 44
USB-hubs 43
USB-kabel aansluiten 44
USB-ondersteuning voor oudere
systemen 55
USB-poorten, identiī†¬ceren 3
USB Type-C-(oplaad)poort,
herkennen 3
V
Vaste schijf
externe 45
ventilatieopeningen, herkennen 4
Ventilatieopeningen, herkennen 11
Verbinding maken met draadloos
netwerk (WLAN) 17
VGA-poort, verbinding maken met
32
Video 31
Volumetoetsen herkennen 26
74 Index
voorzieningen van het
besturingssysteem, gebruiken 14
W
Wachtwoordbeveiliging instellen voor
beƫindigen slaapstand 36
wachtwoorden
administrator 49
BIOS-beheerder 49
gebruiker 49
webcam 5
Webcam 31
Webcam, herkennen 5
Windows-applicatietoets
herkennen 9
Windows-knop, herkennen 9, 10
WLAN, label 64
WLAN-antennes, herkennen 5
WLAN-apparaat 15, 64
WWAN-antennes herkennen 5
WWAN-apparaat 13, 17
Index 75
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85

HP mt42 Mobile Thin Client Handleiding

Type
Handleiding