Volvo 2011 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding

Deze handleiding is ook geschikt voor

P2 (S60); 5; 3 2008-02-22T12:32:14+01:00; Page 1
evastarck
VOLVO S60
Instructieboekje
BESTE VOLVO-BEZITTER,
DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO!
Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben.
Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw pas-
sagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s
ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende
veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan
om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de
onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 1
evastarck
Inhoud
2
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
00
00 Inleiding
Belangrijke informatie................................. 8
Volvo en het milieu.................................... 11
01
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels..................................... 16
Airbagsysteem.......................................... 18
Airbags (SRS)............................................ 19
Passagiersairbag (SRS) activeren/deacti-
veren*........................................................ 22
SIPS-airbags (zij-airbags)......................... 24
Opblaasgordijn (IC-systeem).................... 26
WHIPS-systeem........................................ 27
Activering van de veiligheidssystemen..... 29
Kinderen en veiligheid............................... 30
02
02 Instrumenten, schakelaars en
bediening
Overzicht auto’s met het stuur links......... 38
Overzicht auto’s met het stuur rechts....... 40
Instrumentenpaneel.................................. 42
Controle- en waarschuwingslampjes........ 44
Informatiedisplay....................................... 47
Schakelaars op middenconsole................ 49
Verlichtingspaneel..................................... 53
Linker stuurhendel.................................... 55
Boordcomputer*....................................... 56
Rechter stuurhendel.................................. 58
Cruisecontrol*........................................... 60
Stuurwielafstelling, handrem..................... 62
Elektrische aansluiting, aansteker............. 63
Elektrisch bedienbare ruiten..................... 64
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels...... 66
Elektrisch bedienbaar schuifdak*.............. 71
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 2
evastarck
Inhoud
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3
03
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatrege-
ling............................................................ 76
Handmatige klimaatregeling met aircondi-
tioning, AC................................................ 78
Elektronische klimaatregeling, ECC*........ 80
Luchtverdeling.......................................... 83
Standverwarming op brandstof*............... 84
04
04 Interieur
Voorstoelen............................................... 90
Interieurverlichting..................................... 93
Opbergmogelijkheden in passagiers-
ruimte........................................................ 95
Achterbank................................................ 99
Kofferbak................................................ 100
05
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening................ 104
Vergrendelen en ontgrendelen................ 107
Kinderslot................................................ 111
Alarm*...................................................... 112
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 3
evastarck
Inhoud
4
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06
06 Starten en rijden
Algemene informatie............................... 118
Brandstof tanken.................................... 120
Motor starten.......................................... 122
Handgeschakelde versnellingsbak......... 124
Automatische versnellingsbak................ 125
Vierwielaandrijving, AWD* (All Wheel
Drive)....................................................... 128
Remsysteem........................................... 129
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*....... 132
Actief chassis (FOUR-C)*........................ 134
Park Assist*............................................. 135
Slepen en bergen.................................... 137
Starten met een hulpaccu....................... 139
Rijden met een aanhanger...................... 140
Trekhaak*................................................ 142
Afneembare trekhaak*............................ 144
Lading op het dak................................... 148
Lichtbundel aanpassen........................... 150
BLIS (Blind Spot Information System)*... 157
07
07 Wielen en banden
Algemene informatie............................... 164
Bandenspanning..................................... 167
Gevarendriehoek* en reservewiel........... 169
Bandenspanningscontrolesysteem*....... 171
Wielen verwisselen.................................. 173
Noodreparatie banden*........................... 175
08
08 Verzorging
Schoonmaken......................................... 182
Lakschade herstellen.............................. 186
Roestwering............................................ 187
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 4
evastarck
Inhoud
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
5
09
09 Onderhoud en service
Volvo Service.......................................... 190
Onderhoud.............................................. 191
Motorkap en motorruimte....................... 193
Dieselolie................................................. 195
Oliën en vloeistoffen............................... 196
Wisserbladen.......................................... 201
Accu........................................................ 202
Gloeilampen vervangen.......................... 204
Zekeringen.............................................. 211
10
10 Infotainment
Audiosysteem HU-450............................ 224
Audiosysteem HU-650............................ 225
Audiosysteem HU-850............................ 226
Audiofuncties HU-450/650/850.............. 227
Audiofuncties HU-450............................. 229
Audiofuncties HU-650/850..................... 230
Radiofuncties HU-450/650/850.............. 232
Radiofuncties HU-450............................ 234
Radiofuncties HU-650/850..................... 235
Radiofuncties HU-450/650/850.............. 236
Cassettedeck HU-450............................ 242
Cd-speler HU-650................................... 244
Interne cd-wisselaar HU-850.................. 245
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*. 246
Dolby Surround Pro Logic II HU-850...... 248
Technische gegevens............................. 250
Telefoonfuncties*.................................... 251
Bel-opties................................................ 254
Geheugenfuncties................................... 257
Menu’s.................................................... 259
Overige informatie................................... 264
11
11 Specificaties
Typeaanduidingen.................................. 268
Maten en gewichten................................ 270
Motorspecificaties................................... 272
Motorolie................................................. 274
Vloeistoffen en smeermiddelen............... 276
Brandstof................................................ 278
Katalysator.............................................. 281
Elektrisch systeem.................................. 282
Typegoedkeuring.................................... 284
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 5
evastarck
Inhoud
6
12
12 Alfabetisch register
Alfabetisch register................................. 285
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 6
evastarck
Inhoud
7
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 7
evastarck
Inleiding
Belangrijke informatie
8
Instructieboekje lezen
Inleiding
Een goede manier om vertrouwd te raken met
uw nieuwe auto is om het instructieboekje te
lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt
u tips hoe u het beste in verschillende situaties
met de auto kunt omgaan en leert u hoe u opti-
maal gebruik kunt maken van alle mogelijkhe-
den die uw auto biedt. Besteed ook aandacht
aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
De in het instructieboekje beschreven uitrus-
ting is niet op alle auto’s aanwezig . Als aan-
vulling op de standaarduitrusting worden in dit
instructieboekje ook de opties (van fabrieks-
wege gemonteerde uitrusting) en bepaalde
accessoires (ingebouwde extra uitrusting)
beschreven. Neem contact op met de erkende
Volvo-dealer voor informatie over wat tot de
standaarduitrusting behoort en wat tot de
opties/accessoires.
De uitrusting van de auto’s van Volvo hangt af
van de verschillende behoeften op de diverse
markten en de landelijke en/of regionale wet-
en regelgeving.
De specificaties, constructiegegevens en
afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet
bindend. We behouden ons het recht voor om
zonder voorafgaande mededeling wijzigingen
aan te brengen.
© Volvo Car Corporation
Optie
Alle soorten opties staan aangegeven met een
sterretje
in het instructieboekje.
Het aanbod aan opties kan voor alle auto’s gel-
den, maar soms alleen voor bepaalde uitvoe-
ringen en/of bepaalde markten. De meeste
opties worden in de fabriek gemonteerd en
kunnen niet achteraf worden ingebouwd.
Accessoires worden achteraf ingebouwd.
Neem voor meer informatie contact op met uw
erkende Volvo-werkplaats.
Speciale teksten
WAARSCHUWING
Teksten met het kopje WAARSCHUWING
geven aan dat er gevaar voor letsel bestaat.
BELANGRIJK
Teksten met het kopje BELANGRIJK geven
aan dat er gevaar voor materiële schade
bestaat.
N.B.
Teksten met het kopje N.B. duiden op tips
en adviezen die het gebruik van bepaalde
mogelijkheden en functies vergemakkelij-
ken.
Voetnoot
In het instructieboekje komt informatie voor in
de vorm van een voetnoot onder aan de
pagina. Deze informatie vormt een aanvulling
op de tekst waar het nummer van de voetnoot
naar verwijst. Als de voetnoot naar tekst in een
tabel verwijst, worden letters gebruikt in plaats
van cijfers.
Displaymeldingen
In de auto zijn displays aanwezig waarop mel-
dingen kunnen worden weergegeven. Deze
displaymeldingen worden in het instructie-
boekje in iets groter formaat en in het grijs
weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in
de menuteksten en displaymeldingen van het
informatiedisplay (bijvoorbeeld Audio-
instellingen
).
Stickers
Er zitten verschillende soorten stickers in de
auto om belangrijke informatie op een simpele
en duidelijke manier over te dragen. De stickers
in de auto zijn van de onderstaande aflopende
waarschuwings-/informatiegraad.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 8
evastarck
Inleiding
Belangrijke informatie
9
Gevaar voor lichamelijk letsel
G031590
Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschu-
wingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart
tekstveld. Gevaarlijke situatie die, als de situ-
atie niet vermeden wordt, zal resulteren in ern-
stig letsel met mogelijk dodelijke afloop.
Gevaar voor materiële schade.
G031592
Witte ISO-symbolen in een zwart symboolveld,
witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld.
Zo nodig dient de sticker blauw van kleur te
zijn. Gevaarlijke situatie die, als de situatie niet
vermeden wordt, kan resulteren in lichte of
matige materiële schade.
Informatie
G031593
Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeel-
ding in een zwart tekstveld.
Procedurelijsten
Procedures met handelingen die in een
bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd,
staan genummerd in het instructieboekje.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 9
evastarck
Inleiding
Belangrijke informatie
10
Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen van de instructie op
dezelfde manier genummerd als de bijbe-
horende afbeeldingen.
Als voor de instructies bij een reeks afbeel-
dingen de onderlinge volgorde niet rele-
vant is, worden de instructies voorafge-
gaan door letters.
Er komen genummerde en ongenummerde
pijlen voor. Ze worden gebruikt om een
bepaalde beweging weer te geven.
Wanneer er geen reeks afbeeldingen bij een
stapsgewijze instructie bestaat, zijn de ver-
schillende stappen op de standaardmanier
genummerd met normale cijfers.
Positielijsten
Op overzichtsfiguren die de positie van
onderdelen aangeven worden rode cirkels
met daarin een cijfer gebruikt. Hetzelfde
cijfer wordt gehanteerd in de positielijst bij
de afbeelding, met een beschrijving van de
weergegeven objecten.
Opsommingslijsten
Bij opsommingen in het instructieboekje wordt
gebruik gemaakt van een opsommingslijst.
Bijvoorbeeld:
Koelvloeistof
Motorolie
Zie ommezijde
`` Dit symbool staat rechts onderaan wanneer
een hoofdstuk wordt voortgezet op de vol-
gende pagina.
Vastlegging van gegevens
Er kunnen een of meer computers in uw Volvo
zitten die gedetailleerde informatie kunnen
vastleggen. Deze informatie is bestemd voor
onderzoek ter verbetering van de veiligheid en
voor het opsporen van storingen in bepaalde
autosystemen. De informatie kan gegevens
bevatten over zaken als het gebruik van de vei-
ligheidsgordel door de bestuurder en de pas-
sagier(s), gegevens over de werking van ver-
schillende autosystemen en -modulen en
informatie over de status van de motor, gas-
klep, besturing, remmen en andere systemen.
De informatie kan tevens gegevens bevatten
over de rijstijl van de bestuurder. Dit met inbe-
grip van (maar niet beperkt tot) de rijsnelheid,
het gebruik van het rem- of gaspedaal en de
stuuruitslag. De laatstgenoemde informatie
kan voor een begrensde tijd tijdens het rijden,
tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk
worden vastgelegd. Volvo Car Corporation zal
de vastgelegde informatie niet zonder uw toe-
stemming vrijgeven. Volvo Car Corporation
kan echter op last van de nationale wetgeving
gedwongen worden om bepaalde informatie te
verstrekken. Voor het overige geldt dat alleen
Volvo Car Corporation de informatie kan uitle-
zen en gebruiken.
Accessoires en opties
Een verkeerde aansluiting en montage van
accessoires kan een nadelige invloed hebben
op de werking van de elektronische systemen
van de auto. Bepaalde accessoires werken
alleen, wanneer de bijbehorende software in de
computersystemen van de auto wordt gela-
den. Neem daarom altijd contact op met een
erkende Volvo-werkplaats, voordat u acces-
soires monteert die in verbinding staan met of
van invloed zijn op het elektrische systeem.
Informatie op internet
Op www.volvocars.com vindt u meer informa-
tie over uw auto.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 10
evastarck
Inleiding
Volvo en het milieu
11
Milieubeleid van Volvo Car Corporation
G000000
Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden
van Volvo Car Corporation die van invloed zijn
op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat
onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
Uw Volvo voldoet aan strenge internationale
milieueisen en is bovendien geproduceerd in
een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met
hulpbronnen omgaat. Volvo Car Corporation is
gecertificeerd volgens de milieunorm ISO
14001 voor alle fabrieken en de meeste andere
eenheden. We eisen bovendien van onze
samenwerkingspartners dat ze systematisch
aan milieuzorg doen.
Alle Volvo-modellen gaan vergezeld van een
milieuverklaring (EPI of Environmental Product
Information). Daarin staat de impact aangege-
ven die de auto gedurende zijn hele levenscy-
clus op het milieu heeft.
Lees meer op: www.volvocars.com/EPI.
Brandstofverbruik
De auto’s van Volvo zijn concurrerend in hun
klasse wat het brandstofverbruik betreft. Een
lager brandstofverbruik levert over het alge-
meen een geringere uitstoot van het broeikas-
gas kooldioxide op.
U als bestuurder kunt uw steentje bijdragen
aan een verlaging van het brandstofverbruik.
Lees voor meer informatie de tekst onder het
kopje Spaar het milieu.
Efficiënte uitlaatgasreiniging
Uw Volvo is gebouwd volgens het concept
“Schoon aan binnen- en buitenkant” – een
concept dat een schone passagiersruimte
combineert met een uitermate efficiënte uit-
laatgasreiniging. In veel gevallen liggen uitlaat-
gasemissies ver onder de geldende normen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 11
evastarck
Inleiding
Volvo en het milieu
12
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Schone lucht in passagiersruimte
Het interieurfilter zorgt dat stofdeeltjes en pol-
len niet via de luchtinlaatopening in de passa-
giersruimte kunnen dringen.
Een geavanceerd luchtreinigingssysteem,
IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor
dat de lucht die de passagiersruimte binnen-
komt schoner is dan de lucht buiten in het
verkeer.
Het systeem bestaat uit een elektronische sen-
sor en een koolstoffilter. De binnenkomende
lucht wordt continu gecontroleerd en als het
gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals
koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de lucht-
inlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voor-
doen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of
tunnels.
Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxi-
den, laaghangend ozon en koolwaterstoffen
niet binnendringen.
Textielnorm
Het interieur van een Volvo werd dusdanig
vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel
is – ook voor mensen met contactallergieën of
astma. Er is extra veel aandacht besteed aan
de selectie van milieuvriendelijke materialen.
Ze voldoen dan ook aan de eisen van de norm
Öko-Tex 100
1
– een enorme stap op weg naar
een gezonder milieu in de passagiersruimte.
Het Öko-Tex-label stelt regels aan bijvoor-
beeld de veiligheidsgordels, de vloerbekleding
en de gebruikte stoffen. De leren bekledings-
varianten zijn chroomvrij gelooid met plantaar-
dige stoffen en voldoen aan de gestelde
certificeringseisen.
Erkende Volvo-werkplaatsen en het
milieu
Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaar-
den scheppen voor een lange levensduur en
een laag brandstofverbruik. Op die manier
draagt u bij aan een schoner milieu. Wanneer
u de reparaties en het onderhoud aan de auto
toevertrouwt aan de werkplaatsen van Volvo,
wordt de auto een onderdeel van ons systeem.
We stellen duidelijke milieu-eisen aan de outil-
lage van onze werkplaatsen om te voorkomen
dat er schadelijke stoffen vrijkomen in het
milieu. Het personeel in de werkplaatsen van
Volvo beschikt over de kennis en het gereed-
schap om optimale zorg voor het milieu te kun-
nen garanderen.
Spaar het milieu
U kunt eenvoudig meehelpen het milieu te
beschermen door bijvoorbeeld zuinig te rijden
en de auto te (laten) onderhouden aan de hand
van de aanwijzingen in het instructieboekje.
Hieronder volgen nog meer tips voor hoe u het
milieu kunt ontzien:
Verlaag het brandstofverbruik door de
zogeheten ECO-bandenspanning aan te
houden (zie pagina 167).
Lading op het dak en een skibox resulteren
in een grotere luchtweerstand waardoor
het brandstofverbruik toeneemt. Verwijder
ze daarom meteen na gebruik.
Laat spullen niet onnodig in de auto liggen.
Hoe groter de belasting van de auto, des
te hoger het brandstofverbruik.
Gebruik vóór een koude start altijd de
motorverwarming, als de auto hiermee is
uitgerust. Hierdoor nemen het brandstof-
verbruik en de uitstoot af.
Rijd rustig en vermijd krachtig remmen.
Rijd in de hoogst mogelijke versnelling.
Een lager toerental zorgt voor een lager
verbruik.
Rem af op de motor.
Voorkom stationair draaien. Houd u aan de
plaatselijke voorschriften. Zet de motor af
wanneer u langere tijd stilstaat.
Hanteer afvalstoffen die schadelijk voor
het milieu zijn, zoals accu’s en olie, op een
1
Meer informatie staat op www.oekotex.com
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 12
evastarck
Inleiding
Volvo en het milieu
13
milieuvriendelijke manier. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als
u niet zeker weet hoe u dergelijk afval moet
verwerken.
Onderhoud uw auto regelmatig.
Bij hoge snelheden neemt het verbruik
aanzienlijk toe vanwege de grotere lucht-
weerstand. Bij een verdubbeling van de
snelheid neemt de luchtweerstand met een
factor vier toe.
Door deze tips op te volgen kan het brandstof-
verbruik worden verlaagd zonder dat dit van
invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U
ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt min-
der van de hulpbronnen op aarde.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 13
evastarck
G020871
14
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Veiligheidsgordels................................................................................... 16
Airbagsysteem........................................................................................ 18
Airbags (SRS).......................................................................................... 19
Passagiersairbag (SRS) activeren/deactiveren*...................................... 22
SIPS-airbags (zij-airbags)........................................................................ 24
Opblaasgordijn (IC-systeem).................................................................. 26
WHIPS-systeem...................................................................................... 27
Activering van de veiligheidssystemen................................................... 29
Kinderen en veiligheid............................................................................. 30
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 14
evastarck
01
VEILIGHEID
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 15
evastarck
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
16
Draag altijd een veiligheidsgordel
G020104
Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag
gedragen worden.
Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de
veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er
daarom op dat alle passagiers hun veiligheids-
gordel omhebben. Voor optimale bescherming
van de veiligheidsgordel is het van belang dat
de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de
rugleuning niet te ver achteroverhellen. De vei-
ligheidsgordel biedt de beste bescherming bij
een normale rijhouding.
Veiligheidsgordel omdoen
±
Trek de veiligheidsgordel langzaam uit en
maak deze vast door de borglip in de slui-
ting te steken. Een duidelijke “klik” geeft
aan dat de veiligheidsgordel vastzit.
Veiligheidsgordel losmaken
±
Druk op de rode knop van de sluiting en
laat het oprolmechanisme de veiligheids-
gordel naar binnen trekken. Als de veilig-
heidsgordel niet volledig wordt opgerold,
moet u de gordel handmatig zo ver terug-
rollen dat deze niet langer slap hangt.
De veiligheidsgordel is geblokkeerd en
kan niet verder worden uitgetrokken:
wanneer u de gordel te snel uittrekt
wanneer u remt of optrekt
als de auto sterk overhelt.
Let erop dat:
u geen klemmen of andere accessoires
gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel
niet strak langs uw lichaam kunt trekken
er geen slagen in de veiligheidsgordel zit-
ten en dat hij nergens achter blijft steken
de heupgordel moet laag zitten (niet over
de buik)
u de heupgordel over de heupen spant
door aan de diagonale schoudergordel te
trekken zoals afgebeeld.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
WAARSCHUWING
Elke veiligheidsgordel is bestemd ter
bescherming van slechts één persoon.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen aan de veilig-
heidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te
repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats. Als een veilig-
heidsgordel aan grote krachten heeft bloot-
gestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u
de veiligheidsgordel in zijn geheel vervan-
gen. De veiligheidsgordel kan een deel van
zijn beschermende eigenschappen hebben
verloren, zelfs als de veiligheidsgordel
ogenschijnlijk niet beschadigd is. Vervang
de veiligheidsgordel ook als deze versleten
of beschadigd is. De nieuwe veiligheidsgor-
del moet zijn goedgekeurd en bedoeld voor
montage op dezelfde positie als de vervan-
gen veiligheidsgordel.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 16
evastarck
01 Veiligheid
Veiligheidsgordels
01
17
Veiligheidsgordel en zwangerschap
G020105
Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk dat
u de veiligheidsgordel draagt. Nog belangrijker
is het dat u de veiligheidsgordel dan op de
juiste manier draagt. De veiligheidsgordel moet
strak langs de schouder lopen, waarbij het dia-
gonale deel van de veiligheidsgordel tussen de
borsten en tegen de zijkant van de buik ligt. Het
heupgedeelte van de veiligheidsgordel moet
vlak tegen de buitenkant van de bovenbenen
liggen en zo ver mogelijk onder de buik liggen.
Het mag nooit over de buik omhoog kunnen
glijden. De veiligheidsgordel moet zo strak
mogelijk over het lichaam lopen zonder onno-
dige speling. Controleer ook of de gordel ner-
gens gedraaid zit.
Naarmate de zwangerschap vordert moeten
zwangere bestuurders de stoel en het stuur
dusdanig verstellen dat ze de auto volledig
onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met
gemak bij het stuur en de pedalen moeten kun-
nen komen). Streef ernaar de afstand tussen de
buik en het stuur zo groot mogelijk te maken.
Gordelwaarschuwing
G027049
Er gaat een waarschuwingslampje branden en
er worden geluidssignalen afgegeven wanneer
inzittenden de gordel niet dragen. Of er
geluidssignalen klinken, hangt af van de snel-
heid (op lage snelheden) en in bepaalde geval-
len van de tijd (tijdens het starten). De waar-
schuwingslampjes zitten in de plafondconsole
en op het instrumentenpaneel.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 17
evastarck
01 Veiligheid
Airbagsysteem
01
18
Gordelspanners
Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van
de gordel midden achter) hebben gordelspan-
ners. Dit is een mechanisme dat bij een vol-
doende krachtige aanrijding de veiligheidsgor-
del rond het lichaam spant. De veiligheidsgor-
del kan de passagier daarmee beter in de stoel
gedrukt houden.
Waarschuwingslampje op
instrumentenpaneel
G027284
Het airbagsysteem
1
wordt continu gecontro-
leerd door de regelmodule. Het waarschu-
wingslampje op het instrumentenpaneel gaat
branden, wanneer u de contactsleutel naar
stand I, II of III draait. Het lampje dooft na ca.
6 seconden, wanneer de regelmodule heeft
vastgesteld dat het airbagsysteem
1
geen sto-
ringen vertoont.
Behalve het brandende waarschu-
wingslampje verschijnt er, in die
gevallen waarin dat nodig is, een
melding op het display. Als het
waarschuwingslampje niet werkt,
gaat het waarschuwingsdrie-
hoekje branden en verschijnt er
SRS-AIRBAG SERVICE SPOED
op het informatiedisplay. Neem zo
spoedig mogelijk contact op met een erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Als het waarschuwingslampje voor het air-
bagsysteem blijft branden of tijdens het rij-
den korte tijd oplicht, betekent dit dat het
airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het
lampje kan ook duiden op een storing in de
gordelspanners, het SIPS-, het SRS- of het
IC-systeem. Neem zo spoedig mogelijk
contact op met een erkende Volvo-werk-
plaats.
1
Omvat SRS en gordelspanners, SIPS en IC.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 18
evastarck
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
01
``
19
Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde
G020108
Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels
ook een airbag (SRS - Supplemental Restraint
System) in het stuurwiel. De airbag zit opge-
vouwen in het midden van het stuurwiel. Het
stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS
AIRBAG.
WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel en de airbag werken
samen. Als de veiligheidsgordel niet of
onjuist wordt gebruikt, kan de bescherming
die de airbag bij een aanrijding biedt afne-
men waardoor u als klant ernstig letsel kunt
oplopen.
Airbag (SRS) aan de passagierszijde
G020109
Als aanvulling op de veiligheidsgordel van de
passagiersstoel heeft uw auto ook een passa-
giersairbag
1
die ligt opgevouwen in een ruimte
boven het dashboardkastje. Het paneel is
voorzien van het opschrift SRS AIRBAG.
WAARSCHUWING
Om de kans op letsel bij het opblazen van
de airbags te beperken, moeten de passa-
giers zo rechtop mogelijk zitten met hun
voeten op de vloer en hun rug tegen de rug-
leuning. De veiligheidsgordel moet goed
vastzitten.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.
2
Laat kinderen nooit voor de passagierstoel
zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m
mogen nooit op de passagiersstoel plaats-
nemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren voor het kind.
1
Niet alle auto’s hebben een airbag (SRS) aan de passagierszijde. Dit is afhankelijk van de vraag of de airbag besteld werd tijdens het verkoopproces.
2
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 22).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 19
evastarck
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
01
20
SRS-systeem
G020111
SRS-systeem, auto met het stuur links
Het SRS-systeem bestaat uit airbags en sen-
soren. Bij een voldoende krachtige aanrijding
reageren de sensoren, waarna één of meer air-
bags worden opgeblazen. Daarbij worden de
airbags warm. Om de klap op te vangen loopt
de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag
raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto
op. Dit is volkomen normaal. Het totale ver-
loop, van het opblazen tot het leeglopen van de
airbag, neemt enkele tienden van een seconde
in beslag.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in het SRS-systeem kunnen sto-
ringen in de werking veroorzaken en leiden
tot ernstige letsels.
G020110
SRS-systeem, auto met het stuur rechts
N.B.
De reactie van de sensoren hangt af van de
ernst van de aanrijding en van het feit of de
veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde
of de passagierszijde vooraan wordt gedra-
gen of niet. Het is dan ook mogelijk dat er
bij ongelukken slechts één (of geen enkele)
van de airbags wordt opgeblazen. Het SRS-
systeem registreert de botskracht waaraan
de auto blootstaat en stemt de activering
van een of meerdere airbags daarop af.
N.B.
De airbags werken dusdanig dat de capa-
citeit ervan wordt afgestemd op de bots-
kracht waaraan de auto blootstaat.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 20
evastarck
01 Veiligheid
Airbags (SRS)
01
21
G027331
Positie van de airbag aan de passagierszijde in een
auto met het stuur links of rechts
G032243
Positie van sticker voor airbag aan passagierzijde,
auto met stuur links
WAARSCHUWING
Plaats geen voorwerpen voor of boven op
het dashboard in het gebied waar de pas-
sagiersairbag is aangebracht.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 21
evastarck
01 Veiligheid
Passagiersairbag (SRS) activeren/deactiveren*
01
22
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
PACOS deactiveren met sleutel
Algemene informatie
De airbag (SRS) aan de passagierszijde voorin
kan gedeactiveerd worden met een schakelaar
als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger
Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het
kopje Activeren/deactiveren voor informatie
over de wijze van activeren/deactiveren.
Schakelaar voor deactivering met sleutel
De schakelaar voor activering/deactivering van
de passagiersairbag zit aan de passagierszijde
aan de zijkant van het dashboard en u kunt erbij
door het portier aan die kant te openen (zie
onder het volgende kopje Activering/deactive-
ring).
Controleer of de schakelaar in de gewenste
stand staat. Volvo adviseert u het sleutelblad
te gebruiken om de stand te wijzigen.
WAARSCHUWING
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties
opleveren.
WAARSCHUWING
Als de auto is uitgerust met een airbag (SRS)
aan de passagierszijde maar geen PACOS
heeft, is de airbag altijd geactiveerd.
WAARSCHUWING
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de passagiersairbag geactiveerd
is. Het niet opvolgen van deze aanbeveling
kan levensgevaarlijke situaties opleveren
voor het kind.
WAARSCHUWING
Laat geen passagier op de passagiersstoel
plaatsnemen, als het waarschuwingslampje
voor het airbagsysteem op het instrumen-
tenpaneel oplicht terwijl de melding op de
achteruitkijkspiegel aangeeft dat de airbag
(SRS) aan die kant gedeactiveerd is. Het
duidt op een ernstige storing. Bezoek zo
spoedig mogelijk een erkende Volvo-werk-
plaats.
Activeren/deactiveren
G019678
Locatie van de schakelaar voor activering/deacti-
vering van de passagiersairbag
De airbag is geactiveerd. Met de schake-
laar in deze stand kunnen passagiers gro-
ter dan 1,40 m aan de passagierszijde op
de voorstoel zitten, maar kinderen in een
kinderzitje of op een kussen beslist niet.
De airbag is gedeactiveerd. Met de scha-
kelaar in deze stand kunnen kinderen in
een kinderzitje of op een kussen aan de
passagierszijde op de voorstoel zitten,
maar passagiers groter dan 1,40 m beslist
niet.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 22
evastarck
01 Veiligheid
Passagiersairbag (SRS) activeren/deactiveren*
01
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
23
WAARSCHUWING
Geactiveerde airbag (passagiersstoel):
Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of
op een comfortkussen op de passagiers-
stoel als de airbag geactiveerd is. Laat
evenmin personen die kleiner zijn dan
1,40 m op deze stoel plaatsnemen.
Gedeactiveerde airbag (passagiersstoel):
Personen groter dan 1,40 m mogen nooit op
de passagiersstoel plaatsnemen, als de air-
bag gedeactiveerd is.
Het niet opvolgen van de bovenstaande
aanbevelingen kan levensgevaarlijke situ-
aties opleveren.
Melding
G027050
Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS) aan
de passagierszijde gedeactiveerd is
Een melding op de achteruitkijkspiegel geeft
aan dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde
voorin gedeactiveerd is (zie voorgaande
afbeelding).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 23
evastarck
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
24
SIPS-airbags (zijairbags)
G020118
Positie van de SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel
van de botskracht door het SIPS-systeem
(Side Impact Protection System) over balken,
stijlen, vloer, dak en andere delen van de car-
rosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de
bestuurders- en de passagierszijde bescher-
men de borstkas en de heupen en vormen een
belangrijk onderdeel van het systeem. De
SIPS-airbags zijn aangebracht in de rugleu-
ningframes van de voorstoelen.
WAARSCHUWING
De SIPS-airbags vormen een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veilig-
heidsgordel.
WAARSCHUWING
Reparaties mogen alleen door een erkende
Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Ingrepen in de SIPS-airbags kunnen storin-
gen in de werking veroorzaken en leiden tot
ernstig letsel.
WAARSCHUWING
Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en
de portierpanelen, omdat dit gebied binnen
de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
WAARSCHUWING
Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of
stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd
zijn. Andere stoelhoezen kunnen de SIPS-
airbags in hun werking hinderen.
Kinderzitjes en SIPS-airbags
De SIPS-airbags beïnvloeden de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Het is mogelijk een kinderzitje/comfortkussen
op de voorstoel te plaatsen, als de auto aan de
passagierszijde niet is uitgerust met een geac-
tiveerde
1
airbag.
SIPS-airbag
G025315
Bestuurdersplaats, auto met stuur links
Het SIPS-systeem bestaat uit SIPS-airbags en
sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrij-
ding reageren de sensoren, die op hun beurt
de gasgeneratoren activeren.
1
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 22).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 24
evastarck
01 Veiligheid
SIPS-airbags (zij-airbags)
01
25
G025316
Passagiersplaats, auto met het stuur links
De SIPS-airbags worden vervolgens opgebla-
zen tussen de inzittende en het portierpaneel.
Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van
de aanrijding op voor de inzittende, waarna de
airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt
normaal gesproken alleen opgeblazen aan de
kant van de aanrijding.
G032246
Positie van sticker voor SIPS-airbag aan bestuur-
derszijde, auto met stuur links
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 25
evastarck
01 Veiligheid
Opblaasgordijn (IC-systeem)
01
26
Eigenschappen
G027218
De opblaasgordijnen van het IC-systeem (Infla-
table Curtain) vormen een aanvulling op het
SIPS-systeem en de airbags. Ze zitten verbor-
gen achter de plafondbekleding langs beide
zijden van de auto en beschermen inzittenden
op de buitenste zitplaatsen van de auto. Bij een
voldoende krachtige aanrijding reageren de
sensoren, die op hun beurt de opblaasgordij-
nen activeren. Het systeem helpt voorkomen
dat de bestuurder en eventuele passagiers bij
een botsing met hun hoofd tegen de binnen-
kant van de auto slaan.
WAARSCHUWING
Hang of bevestig nooit iets aan de handgre-
pen aan het plafond. De haak is alleen
bedoeld voor niet al te zware kledingstuk-
ken (en niet voor harde voorwerpen zoals
paraplu’s).
Schroef of bevestig geen onderdelen op de
plafondbekleding, de portierstijlen of de zij-
panelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun
beschermende werking verliezen. Er mogen
uitsluitend originele Volvo-onderdelen,
bestemd voor montage op deze plaatsen,
worden gebruikt.
WAARSCHUWING
Zorg dat de lading in de auto niet uitsteekt
boven de denkbeeldige, horizontale lijn op
50 mm onder de bovenkant van de zijruiten.
Anders is het mogelijk dat het opblaasgor-
dijn dat schuilgaat achter de plafondbekle-
ding geen bescherming meer biedt.
WAARSCHUWING
Het opblaasgordijn vormt een aanvulling op
de veiligheidsgordel. Draag altijd de veilig-
heidsgordel.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 26
evastarck
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
``
27
Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS
G020347
Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection
System) bestaat uit energieabsorberende rug-
leuningen en speciaal voor het systeem ont-
wikkelde hoofdsteunen voor de beide voor-
stoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een
aanrijding van achteren, afhankelijk van de
hoek waaronder en de snelheid waarmee het
achteropkomende voertuig de auto raakt en de
materiaaleigenschappen van dat voertuig.
WAARSCHUWING
Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling
op de veiligheidsgordels. Draag altijd de vei-
ligheidsgordel.
Eigenschappen van de stoel
Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd,
klappen de rugleuningen van de voorstoelen
naar achteren zodat de zithouding van de
bestuurder en de passagier op de voorstoelen
verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whi-
plash-letsel beperkt.
WAARSCHUWING
Breng nooit zelf wijzigingen in de stoel of het
WHIPS-systeem aan en probeer ze nooit
zelf te repareren. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
WHIPS-systeem en kinderzitjes/
comfortkussens
Het WHIPS-systeem beïnvloedt de bescher-
mende werking van kinderzitje en/of comfort-
kussen niet negatief.
Juiste zithouding
Voor optimale bescherming moeten de
bestuurder en de voorpassagier zo veel moge-
lijk in het midden van de stoel plaatsnemen en
de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun
zo klein mogelijk houden.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 27
evastarck
01 Veiligheid
WHIPS-systeem
01
28
Zorg dat u de werking van het WHIPS-
systeem niet nadelig beïnvloedt
G020125
WAARSCHUWING
Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen
het zitgedeelte van de achterbank en de
rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat
u de werking van het WHIPS-systeem niet
beïnvloedt.
G020126
WAARSCHUWING
Als u een van de ruggedeelten van de ach-
terbank hebt neergeklapt, moet u de voor-
stoel aan dezelfde kant naar voren schuiven
zodat de rugleuning van de stoel niet tegen
het neergeklapte ruggedeelte van de ach-
terbank aankomt.
WAARSCHUWING
Als de stoel heeft blootgestaan aan grote
krachten zoals bij een aanrijding van ach-
teren, moet u het WHIPS-systeem laten
controleren bij een erkende Volvo-werk-
plaats.
Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn
beschermende eigenschappen hebben ver-
loren, zelfs als de stoel ogenschijnlijk intact
is.
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats om het systeem te laten contro-
leren, ook na een lichte aanrijding van
achteren.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 28
evastarck
01 Veiligheid
Activering van de veiligheidssystemen
01
29
Systeem Activering
Gordelspanners Bij een frontale botsing.
Airbags (SRS)
Bij een frontale botsing.
A
SIPS-airbags
Bij een aanrijding in de zij
A
Opblaasgordijn (IC-systeem)
Bij een aanrijding in de zij
A
WHIPS-systeem Bij een aanrijding van achteren.
A
Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt. Enkele factoren zoals de stijfheid en het gewicht van het lichaam waarmee de
auto in botsing komt, de snelheid van de auto, de hoek waaronder de botsing plaatsvindt e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto.
Wanneer de airbags werden opgeblazen, advi-
seert Volvo u het volgende:
Sleep de auto naar een erkende Volvo-
werkplaats. Rijd niet met opgeblazen air-
bags.
Laat het vervangen van de onderdelen van
de veiligheidssystemen in de auto over aan
een erkende Volvo-werkplaats.
Neem altijd contact op met een arts.
N.B.
De SRS-, SIPS-, IC-systemen en de gordel-
spanners worden bij een botsing slechts
eenmaal geactiveerd.
WAARSCHUWING
De regelmodule van het airbagsysteem zit
in de middenconsole. Als de middencon-
sole doorweekt geraakt is, moet u de accu-
kabels loskoppelen. Probeer de auto niet te
starten, omdat de airbags daarbij geacti-
veerd kunnen worden. Sleep de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kun-
nen u bij het sturen danig in de weg zitten.
Ook de andere veiligheidssystemen kunnen
beschadigd zijn. Langdurige blootstelling
aan de rook- en stofdeeltjes die vrijkomen
bij het opblazen van de airbags kan oog- en
huidirritatie veroorzaken. Spoel bij irritatie
met koud water. De snelheid waarmee de
airbags/gordijnen worden opgeblazen kan
in combinatie met de toegepaste materialen
resulteren in schaaf- en brandwonden aan
de huid.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 29
evastarck
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
30
Kinderen moeten comfortabel en veilig
kunnen zitten
Het gewicht en de lengte van het kind zijn
bepalend voor de plaats van het kind in de auto
en de vereiste uitrusting. Voor meer informatie
(zie pagina 31).
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het vervoer
van kinderen in de auto verschillen van land
tot land. Ga na welke regels er in uw land
van kracht zijn.
Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen
altijd met de gordel goed om in de auto zitten.
Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot
zitten.
De veiligheidsuitrusting voor kinderen die
Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw
auto. Door het gebruik van originele Volvo-
onderdelen bent u er zeker van dat de beves-
tigingspunten en bevestigingsonderdelen op
de juiste wijze zijn aangebracht en sterk
genoeg zijn.
N.B.
Bij problemen tijdens de montage van kin-
derveiligheidsproduct kunt u contact opne-
men met de fabrikant voor nadere inlichtin-
gen over de montage
Kinderzitjes
G020128
Kinderzitjes en airbags gaan niet samen
Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen
die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door
Volvo getest is.
N.B.
Bij gebruik van andere op de markt verkrijg-
bare kinderveiligheidsproducten is het van
belang dat u de bijgeleverde montage-
instructies zorgvuldig doorleest en nauw-
keurig opvolgt.
Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje
nooit vast aan de hendel waarmee u de voor-
stoel in de lengterichting verstelt of aan veren,
rails of balken onder de stoel. Door scherpe
randen kunnen de bevestigingsbanden
beschadigd raken. Laat de rugleuning van het
kinderzitje tegen het dashboard steunen. Dit
geldt voor auto’s zonder passagiersairbag of
auto’s waarvan de passagiersairbag gedeacti-
veerd is.
Positie van kinderzitjes
Het volgende kan worden gebruikt:
een kinderzitje/comfortkussen op de pas-
sagiersstoel, zolang de airbag aan de pas-
sagierszijde gedeactiveerd
1
is;
een achterstevoren gemonteerd kinderzitje
op de achterbank dat tegen de rugleuning
van de voorstoel steunt.
Plaats een kind altijd op de achterbank als de
airbag aan de passagierszijde geactiveerd is.
1
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (SRS), zie pagina 22
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 30
evastarck
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
31
Als de airbag wordt geactiveerd, kan een kind
aan de passagierszijde ernstig letsel oplopen.
WAARSCHUWING
Plaats nooit een kinderzitje op de voorstoel,
als de auto is uitgerust met een geacti-
veerde
2
airbag aan de passagierszijde Bij
problemen tijdens de montage van kinder-
veiligheidsproduct kunt u contact opnemen
met de fabrikant voor nadere inlichtingen
over de montage
WAARSCHUWING
Gebruik geen comfortkussens/kinderzitjes
met stalen beugels of andere constructies
die tegen de ontgrendelingsknop van de
gordelsluiting kunnen aankomen. Dit om te
voorkomen dat de veiligheidsgordels plot-
seling losschieten.
Zorg dat het kinderzitje niet met de boven-
kant tegen de voorruit aankomt.
Sticker airbag
Sticker op zijwand dashboard
Aanbevolen veiligheidszitjes
3
Gewicht (leef-
tijd)
Voorstoel
A
Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
Groep 0
<10 kg
(tot 9 maanden)
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigings-
band.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met veilig-
heidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Baby Safe Plus – achterstevo-
ren gemonteerd babyzitje bevestigd
met ISOFIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met ISO-
FIX-systeem.
Typegoedkeuring: E1 03301146
Britax Baby Safe Plus – achterstevoren
gemonteerd babyzitje bevestigd met
veiligheidsgordel.
Typegoedkeuring: E1 03301146
2
3
Om andere zitjes te kunnen gebruiken dient uw auto op de lijst van de producent te staan of een universele goedkeuring te hebben conform ECE R44.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 31
evastarck
Voor informatie over het activeren/deactiveren van de passagiersairbag (SRS), zie pagina 22.
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
32
Gewicht (leef-
tijd)
Voorstoel
A
Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank
Groep 1
9–18 kg
(9–36 maanden)
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel en bevestigings-
band.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met veilig-
heidsgordel, bevestigingsband en steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Volvo kinderzitje – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
veiligheidsgordel, bevestigingsband en
steun.
Typegoedkeuring: E5 03135
Britax Fixway – achterstevoren
gemonteerd kinderzitje bevestigd met
ISOFIX-systeem en bevestigings-
band.
Typegoedkeuring: E5 03171
Britax Fixway – achterstevoren gemon-
teerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-
systeem en bevestigingsband.
Typegoedkeuring: E5 03171
Groep 2/3
15–36 kg
(3 –12 jaar)
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo comfortkussen – met of zonder rug-
leuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Volvo comfortkussen – met of zonder
rugleuning.
Typegoedkeuring: E5 03139
Geïntegreerd kinderzitje van Volvo – als
optie verkrijgbaar.
Typegoedkeuring: E5 03140
A
Voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS) (zie pagina 22).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 32
evastarck
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
33
Geïntegreerde kinderzitjes*
G027211
Het geïntegreerde kinderzitje van Volvo op de
middelste zitplaats achterin is speciaal ontwor-
pen om kinderen maximale bescherming te
bieden. In combinatie met de aanwezige vei-
ligheidsgordel is het geïntegreerde kinderzitje
goedgekeurd voor kinderen met een gewicht
van 15 tot 36 kg.
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen
G027209
1. Klap het geïntegreerde kinderzitje omlaag.
2. Haal de klittenband los.
3. Klap het bovenste gedeelte weer op.
Zorg dat:
de veiligheidsgordel goed strak langs het
lichaam van het kind loopt, nergens slap
hangt of verdraaid is en dat de veiligheids-
gordel goed over de schouder ligt;
de heupgordel laag over het bekken loopt
om maximale bescherming te bieden;
de veiligheidsgordel niet tegen de nek van
het kind aankomt of onder de schouder
langs loopt.
Stel de stand van de hoofdsteun zorgvul-
dig af op de lengte van het kind.
WAARSCHUWING
Reparatie of vervanging dient alleen te wor-
den uitgevoerd door een erkende Volvo-
werkplaats. Verricht zelf geen wijzigingen in
of aanpassingen aan het geïntegreerde kin-
derzitje.
Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote
krachten heeft blootgestaan zoals tijdens
een aanrijding, moet u het geïntegreerde
kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook al
ziet het geïntegreerde kinderzitje er intact
uit, kunnen er toch beschermende eigen-
schappen verloren zijn gegaan. Het geïnte-
greerde kinderzitje moet ook worden ver-
vangen als het erg versleten is.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 33
evastarck
01 Veiligheid
Kinderen en veiligheid
01
34
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geïntegreerd kinderzitje opklappen
G027210
Klap het bovenste gedeelte omlaag.
Bevestig het stuk klittenband.
Klap het geïntegreerde kinderzitje in het
ruggedeelte van de achterbank op.
N.B.
Zorg dat de beide delen van het geïnte-
greerde kinderzitje met de klittenband (B)
zijn vastgezet, voordat u het zitje opklapt.
Anders kan het bovenste gedeelte (A) in het
ruggedeelte van de achterbank (C) blijven
steken, wanneer u het geïntegreerde kin-
derzitje een volgende keer opnieuw uitklapt.
ISOFIX-bevestigingssysteem voor
kinderzitjes*
G015268
Achter de onderkant van de ruggedeelten op
de beide buitenste zitplaatsen van de achter-
bank gaan de bevestigingspunten voor het
ISOFIX-systeem schuil.
Symbolen op de bekleding van de ruggedeel-
ten (zie bovenstaande afbeelding) geven de
positie van deze bevestigingspunten aan.
Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag
om bij de bevestigingspunten te komen.
Houd u altijd aan de montage-instructies van
de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/baby-
zitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vast-
zet.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 34
evastarck
01 Veiligheid
01
35
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 35
evastarck
G020901
36
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Overzicht auto’s met het stuur links....................................................... 38
Overzicht auto’s met het stuur rechts..................................................... 40
Instrumentenpaneel................................................................................ 42
Controle- en waarschuwingslampjes...................................................... 44
Informatiedisplay..................................................................................... 47
Schakelaars op middenconsole.............................................................. 49
Verlichtingspaneel................................................................................... 53
Linker stuurhendel................................................................................... 55
Boordcomputer*...................................................................................... 56
Rechter stuurhendel................................................................................ 58
Cruisecontrol*......................................................................................... 60
Stuurwielafstelling, handrem................................................................... 62
Elektrische aansluiting, aansteker........................................................... 63
Elektrisch bedienbare ruiten................................................................... 64
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels.................................................... 66
Elektrisch bedienbaar schuifdak*............................................................ 71
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 36
evastarck
02
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 37
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
38
HU-
40
3
D
O
L
B
Y
B
N
R
COMFORT
ADVANCED
SPORT
G027220
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 38
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur links
02
39
G029581
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Mistlampen
Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Mistachterlicht
Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht
Cruisecontrol
Claxon
Instrumentenpaneel
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
Ruitenwissers
Handrem
Schakelaarpaneel
Klimaatregeling
Audiosysteem
Elektrische aansluiting, aansteker
Alarmlichten
Dashboardkastje
Blaasmond
Display
Temperatuurmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Snelheidsmeter
Richtingaanwijzers
Toerenteller
Buitentemperatuurmeter, klok, schakel-
standindicatie
Brandstofmeter
Controle- en waarschuwingslampjes
Blaasmonden
Instrumentenverlichting
Koplamphoogteregeling
Verlichtingspaneel
Leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Gordelwaarschuwing
Achteruitkijkspiegel
Vergrendelingsknop, simultaanvergrende-
ling alle portieren
Blokkeerknop ruitbediening achterportie-
ren
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Knop, buitenspiegels
Actief chassis, FOUR-C
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 39
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
40
G027221
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 40
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Overzicht auto’s met het stuur rechts
02
41
G029581
Bedieningspaneel op bestuurdersportier.
Mistachterlicht
Koplampen, stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Mistlampen
Ruitenwissers
Toetsenset voor telefoon/audiosysteem
Claxon
Instrumentenpaneel
Cruisecontrol
Richtingaanwijzers, schakelaarhendel
groot licht/dimlicht
Handrem
Elektrische aansluiting, aansteker
Klimaatregeling
Audiosysteem
Schakelaarpaneel
Alarmlichten
Dashboardkastje
Blaasmond
Controle- en waarschuwingslampjes
Brandstofmeter
Buitentemperatuurmeter, klok, schakel-
standindicatie
Toerenteller
Richtingaanwijzers
Snelheidsmeter
Kilometerteller, dagteller, cruisecontrol
Temperatuurmeter
Display
Blaasmonden
Verlichtingspaneel
Koplamphoogteregeling
Instrumentenverlichting
Leeslampjes
Interieurverlichting
Knop, elektrisch bedienbaar schuifdak
Gordelwaarschuwing
Achteruitkijkspiegel
Vergrendelingsknop, simultaanvergrende-
ling alle portieren
Blokkeerknop ruitbediening achterportie-
ren
Knop, elektrisch bedienbare ruiten
Knop, buitenspiegels
Actief chassis, FOUR-C
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 41
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
42
G026973
Temperatuurmeter – Geeft de temperatuur
in het koelsysteem van de motor aan. Op
het display verschijnt een melding, als de
temperatuur abnormaal hoog is en de
naald tot in het rode gebied uitslaat. Let
erop dat bijvoorbeeld verstralers voor de
luchtinlaat bij een hoge buitentemperatuur
en een zware belasting van de motor het
koelvermogen verminderen.
Display – Op het display worden informa-
tieve meldingen en waarschuwingsmeldin-
gen weergegeven.
Snelheidsmeter – Geeft de snelheid van de
auto aan.
Dagtellers, T1 en T2 – De dagtellers dienen
om kortere afstanden op te meten. Het
rechter cijfer geeft de afstand in honderden
meters aan. U kunt de dagtellers op nul
zetten door de knop langer dan 2 secon-
den in te drukken. Wissel van dagteller
door de knop korte tijd in te drukken.
Aanduiding voor cruisecontrol – Voor meer
informatie (zie pagina 60).
Kilometerteller – De kilometerteller geeft
het totale aantal kilometers aan dat er met
de auto is gereden.
Grootlichtindicatie
Waarschuwingslampje – Als er een storing
optreedt, licht het waarschuwingslampje
op en verschijnt er een melding op het dis-
play.
Toerenteller – Geeft het motortoerental aan
in duizenden toeren per minuut. Laat de
naald van de toerenteller niet tot in het rode
gebied uitslaan.
Aanduiding voor automatische versnel-
lingsbak – Hier ziet u welke schakelstand
er actief is. Als u een automatische ver-
snellingsbak met Geartronic hebt en het
handmatige schakelprogramma gebruikt,
ziet u hier welke versnelling u hebt inge-
schakeld.
Buitentemperatuurmeter – Geeft de bui-
tentemperatuur aan. Wanneer de tempe-
ratuur in het interval van 5 °C tot +2 °C ligt,
verschijnt er een sneeuwvlokje op het dis-
play. Het symbool wijst op het gevaar voor
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 42
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Instrumentenpaneel
02
43
gladheid. Wanneer de auto stilstaat of
geparkeerd gestaan heeft, kan de buiten-
temperatuurmeter een te hoge waarde
aangeven.
Klok – Draai aan de knop om de klok gelijk
te zetten.
Wanneer het lampje op het hoofdinstru-
ment gaat branden is het brandstofpeil te
laag. Tank dan zo spoedig mogelijk. Zie
ook de boordcomputer (pagina 56).
Controle- en waarschuwingslampjes
Indicatorlampjes richtingaanwijzers, links/
rechts
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 43
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
44
Functietest, lampjes
Alle controle- en waarschuwingslampjes
1
gaan branden, wanneer u de contactsleutel
voor het starten naar stand II draait. De werking
van de lampjes wordt dan gecontroleerd. Alle
lampjes moeten weer uitgaan als de motor is
aangeslagen, behalve het lampje voor de
handrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de
handrem wordt gehaald.
Als de motor niet binnen 5 secon-
den aanslaat, gaan alle lampjes uit
behalve de lampjes voor storingen
in het uitlaatgasreinigingssysteem
van de auto en een te lage oliedruk.
Afhankelijk van de uitrusting van
de auto is het mogelijk dat
bepaalde lampjes geen functie
hebben.
Waarschuwingslampje midden op
instrumentenpaneel
G026977
Het waarschuwingslampje licht
rood of oranje op afhankelijk van
de ernst van de geregistreerde sto-
ring.
Rood lampje
1. Stop de auto zo spoedig mogelijk. Rijd niet
verder met de auto.
2. Lees de informatie op het display.
3. Verhelp het probleem aan de hand van de
aanwijzingen of neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
Het lampje blijft branden en de displaytekst
staan totdat de storing is verholpen.
Oranje lampje
1. Lees de melding op het display.
2. Verhelp de storing!
U kunt de displaytekst verwijderen met een
druk op de knop READ (zie pagina 47). Wan-
neer u 2 minuten niets doet, verdwijnt de dis-
playtekst automatisch.
Wanneer de melding
TIJD VOOR REG.
SERVICE
verschijnt, kunt u het waarschu-
wingslampje laten doven en de melding ver-
wijderen met de knop READ. De melding
verdwijnt automatisch als u 2 minuten niets
doet.
Controlelampjes
Storing in ABS
Als het lampje brandt, is het sys-
teem defect. Het normale remsys-
teem van de auto werkt dan nog
wel, zij het zonder ABS-regeling.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
1
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 196).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 44
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
``
45
3. Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het ABS-sys-
teem te laten controleren.
Storing in remsysteem
Als het lampje oplicht, is het rem-
vloeistofpeil mogelijk te laag.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stil-
stand en controleer het peil in het rem-
vloeistofreservoir (zie pagina 199).
2.
Als het peil lager is dan het MIN-merkje van
het reservoir, kunt u beter niet verder rijden
met de auto. Laat de auto naar een
erkende Volvo-werkplaats slepen om het
remsysteem te controleren.
Als de waarschuwingslampjes
voor het remsysteem en ABS tege-
lijkertijd branden, kan er een sto-
ring in de remkrachtverdeling zijn
opgetreden.
1. Breng de auto op een veilige plaats tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de motor opnieuw.
Als de beide lampjes weer doven, was er
geen sprake van een werkelijke storing.
Als de waarschuwingslampjes echter blij-
ven branden, moet u het peil in het rem-
vloeistofreservoir controleren (zie
pagina 199).
Als de vloeistof lager staat dan het MIN-
streepje van het remvloeistofreservoir
dient u niet verder te rijden met de auto.
Laat de auto naar een erkende Volvo-werk-
plaats slepen om het remsysteem te laten
controleren.
Als de lampjes echter blijven branden
ondanks dat het peil in het remvloeistofpeil
in orde is, moet u de auto uiterst voorzich-
tig naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-
werkplaats rijden om het remsysteem te
laten controleren.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en ABS tegelijkertijd oplichten,
bestaat het gevaar dat de achtertrein bij
krachtig remmen gaat slippen.
Gordelwaarschuwing
Het waarschuwingslampje voor de
veiligheidsgordels brandt, zolang
de bestuurder de gordel niet heeft
omgedaan.
Te lage oliedruk
2
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is de druk van de motorolie
te laag. Zet de motor onmiddellijk
af en controleer het motoroliepeil.
Als het lampje oplicht ondanks dat
het oliepeil in orde is, dient u de auto tot stil-
stand te brengen en contact op te nemen met
een erkende Volvo-werkplaats.
Uitlaatgasreinigingssysteem
Bij een storing in het uitlaatgasrei-
nigingssysteem kan het lampje
gaan branden. Rijd de auto naar
een erkende Volvo-werkplaats om
het systeem te laten controleren.
2
Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 196).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 45
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Controle- en waarschuwingslampjes
02
46
Storing in SRS-systeem
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht of blijft branden, is er een
storing in het SRS-systeem (de air-
bags) geregistreerd. Rijd de auto
zo spoedig mogelijk naar een
erkende Volvo-werkplaats om het systeem te
laten controleren.
Dynamo laadt niet bij
Als het lampje tijdens het rijden
oplicht, is er waarschijnlijk sprake
van een storing in het elektrische
systeem. Bezoek een erkende
Volvo-werkplaats.
Voorgloeifunctie motor (diesel)
Het lampje licht op wanneer de
voorgloeifunctie van de motor
actief is. Wanneer het lampje
dooft, kunt u de motor starten.
Geldt alleen voor dieselmodellen.
Handrem aangetrokken
Het lampje brandt, wanneer de
handrem is aangetrokken. Haal de
handremhendel bij het aantrekken
altijd volledig omhoog.
N.B.
Het lampje geeft alleen aan dát u de hand-
rem hebt aangetrokken maar niet hoe hard!
Mistachterlicht
Dit lampje brandt wanneer u het
mistachterlicht hebt ingeschakeld.
Controlelampje aanhanger
Het controlelampje knippert, wan-
neer u de richtingaanwijzers op de
auto en op de aanhanger gebruikt.
Als het lampje niet knippert, is een
van de richtingaanwijzers op de
auto of op de aanhanger defect.
Stabiliteitssysteem STC/DSTC
De verschillende functies en lamp-
jes van het systeem staan
beschreven op pagina 132.
Waarschuwing, portieren niet gesloten
Als een van de portieren of het kofferdeksel niet
goed afgesloten is, wordt u daarop attent
gemaakt.
Lage snelheid
Als de auto met een snelheid van maximaal
7 km/h rijdt, gaat het informatielampje branden
en verschijnt een van de volgende meldingen
op het display:
BESTUURDERSPORTIER
OPEN, PASSAGIERSPORTIER OPEN,
ACHTERPORTIER LINKS OPEN
of
ACHTERPORTIER RECHTS OPEN. Breng
de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en
sluit het portier dat of de motorkap die open-
staat.
Hoge snelheid
Als de auto sneller rijdt dan
7 km/h, gaat het lampje branden
en wordt tegelijkertijd een van de
meldingen uit de vorige alinea op
het display weergegeven.
Waarschuwing kofferdeksel
Als het kofferdeksel open is, verschijnt
KOFFERBAKDEKSEL OPEN op het display.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 46
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
``
47
Displaytekst
G026979
Wanneer er een controle- of waarschuwings-
lampje oplicht, verschijnt er tevens een mel-
ding op het display. Wanneer u de melding
gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop
READ (A) drukken. De melding wordt dan van
het display gewist en in een geheugen opge-
slagen. Meldingen blijven in het geheugen
opslagen, totdat u de onderliggende storing
hebt laten verhelpen.
Meldingen die duiden op zeer ernstige storin-
gen kunt u niet van het display wissen. De
meldingen blijven op het display staan, totdat
u de onderliggende storing hebt laten verhel-
pen.
Meldingen die in het geheugen liggen opge-
slagen kunt u op een later tijdstip nogmaals
doorlezen. Druk op de knop READ (A), als u de
opgeslagen meldingen wilt bekijken. U kunt de
opgeslagen meldingen doorbladeren door op
de knop READ (A) te drukken.
Druk nogmaals op de knop READ om de mel-
dingen weer in het geheugen op te slaan.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt terwijl u zich bijvoorbeeld in een
menu van de boordcomputer bevindt of wilt
telefoneren, moet u eerst bevestigen dat u
de melding hebt gezien. U doet dat door op
de knop READ (A) te drukken.
Melding Betekenis
STOP AUTO
Z.S.M.
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
ZET DE MOTOR
AF
Breng de auto zo
spoedig mogelijk tot
stilstand en zet de
motor af. Grote kans
op schade.
Melding Betekenis
SERV. SPOED
Laat de auto onmid-
dellijk nakijken door
een erkende Volvo-
werkplaats.
ZIE HANDLEIDING
Lees het instructie-
boekje.
SERVICE VEREIST
Laat de auto zo
spoedig mogelijk
nakijken door een
erkende Volvo-
werkplaats.
BIJ ONDERHOUD
Laat uw auto tijdens
de volgende servi-
cebeurt controleren.
TIJD VOOR REG.
SERVICE
Het is tijd voor een
servicebeurt bij een
erkende Volvo-
werkplaats. Het
moment hangt af
van de afgelegde
afstand, het aantal
maanden dat sinds
de laatste service-
beurt is verstreken
en het aantal draai-
uren van de motor.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 47
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Informatiedisplay
02
48
Melding Betekenis
ROETFILTER VOL
ZIE HANDLEIDING
Het roetfilter van
dieselmodellen is
aan regeneratie toe
(zie pagina 121).
STC/DSTC SPIN
CONTROL UIT
Er gelden beperkin-
gen voor het stabili-
teits- en tractiere-
gelsysteem (zie
pagina 132 voor
meer varianten).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 48
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
49
Knop
G027194
N.B.
De onderlinge positie van de knoppen kan
variëren.
Actief chassis, FOUR-C*
Druk op de knop om een van de
chassistanden Comfort of
Sport te kiezen (zie
pagina 134). Op het display
verschijnt 10 seconden lang de
actuele stand.
BLIS (Blind Spot Information System)*
Druk op de knop om het sys-
teem te deactiveren of opnieuw
te activeren. Voor meer infor-
matie (zie pagina 157).
DSTC-systeem
Met deze knop kunt u de func-
ties van het DSTC-systeem
beperken of een geldende
beperking opheffen.
Het lampje in de knop licht op om aan te geven
dat het DSTC-systeem actief is (mits er geen
sprake is van een storing).
Om de werking van het DSTC-systeem te
beperken moet u de knop ten minste een halve
seconde ingedrukt houden. Het lampje in de
knop dooft dan en de melding
DSTC ANTI-
SKID UIT
verschijnt op het display.
Het
DSTC-systeem wordt iedere keer dat u de
motor start, automatisch geactiveerd. Voor
meer informatie (zie pagina 132).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 49
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
50
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Let erop dat de rijeigenschappen van de
auto veranderen, als u het DSTC-systeem
uitschakelt.
Elektrische aansluiting/Aansteker*
U kunt de elektrische aanslui-
ting voor verschillende acces-
soires gebruiken die op een
spanning van 12 V werken,
zoals een mobiele telefoon of
koelbox.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
U activeert de aansteker door de knop in te
drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg
is, veert de knop automatisch uit. Haal de aan-
steker uit de opening en gebruik het roodgloei-
ende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan
te steken. Om veiligheidsredenen moet u het
deksel altijd op de aansluiting laten zitten, wan-
neer deze niet in gebruik is. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
Buitenste hoofdsteunen achterbank
omklappen*
Klap de hoofdsteunen niet om,
als er iemand op een van beide
buitenste zitplaatsen van de
achterbank zit.
1.
Draai de contactsleutel naar stand I of II.
2. Druk de knop in om de hoofdsteunen van
de achterbank om te klappen en zo een
beter zicht naar achteren te verkrijgen.
U moet de hoofdsteunen na afloop handmatig
weer opklappen.
Als u de beide ruggedeelten van de achterbank
wilt omklappen, moeten de hoofdsteunen
rechtop staan.
Inklapbare buitenspiegels*
Met deze knop kunt u de elek-
trisch bedienbare buitenspie-
gels in- en uitklappen.
Ga als volgt te werk, als een van de buiten-
spiegels per ongeluk in- of uitgeklapt is:
1. Haal de buitenspiegel zo ver mogelijk naar
voren toe.
2.
Draai de contactsleutel naar stand II.
3. Klap de buitenspiegel met behulp van de
knop eerst in en vervolgens opnieuw uit.
De buitenspiegels staan daarna weer in hun
oorspronkelijke stand.
Park Assist*
Het systeem is bij het starten
van de motor altijd geactiveerd.
Druk op de knop om Park
Assist uit te schakelen of
opnieuw in te schakelen (zie
pagina 135).
Kofferdeksel vergrendelen*
Druk op de aangegeven knop
om het kofferdeksel te vergren-
delen. Het kofferdeksel blijft
daarna vergrendeld, ook al ont-
grendelt u de portieren hand-
matig met de hoofdsleutel, de
afstandsbediening daarvan of de servicesleu-
tel.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 50
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
51
Safelock-functie en alarmsensoren
deactiveren*
Met deze knop kunt u de Safe-
lock-functie desgewenst uit-
schakelen (Safelock houdt in
dat portieren na vergrendeling
niet meer van de binnenzijde te
openen zijn). Met deze knop
kunt u ook de bewegingsmelder en de niveau-
sensoren van het alarmsysteem* buiten wer-
king stellen – wanneer u bijvoorbeeld met de
auto een veerverbinding neemt. Het lampje in
de knop brandt, wanneer de functies zijn uit-
geschakeld of buiten werking zijn gesteld (zie
pagina 109 en 113).
Verstralers*
Druk op deze knop als u de ver-
stralers van de auto’s tegelijk
met het groot licht wilt voeren
of als u de verstralers wilt uit-
schakelen. Het lampje in de
knop brandt, wanneer de func-
tie actief is.
Actieve Bi-Xenon
koplampen, ABL*
De lichtbundels van de ABL-
koplampen draaien met het
stuurwiel mee. De functie wordt
bij het starten van de motor
automatisch geactiveerd en
kan met de bijbehorende knop
worden uitgeschakeld/ingeschakeld. Het
lampje in de knop brandt, wanneer de functie
actief is.
Lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer
Houd de knop ten minste vijf seconden lang
ingedrukt. Bij het aanpassen van de lichtbun-
del dient de auto stil te staan.
De melding DIMLICHT V. RECHTSR.
VERKEER
of DIMLICHT V. LINKSR.
VERKEER
verschijnt op het display. Voor
meer informatie over halogeen- of Bi-
Xenon
koplampen en het aanpassen van de
lichtbundels (zie pagina 150).
Alarmlichten
G027279
Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwij-
zers knipperen), wanneer u de auto noodge-
dwongen tot stilstand moet brengen op een
plaats waar deze gevaar of hinder voor het ver-
keer kan opleveren. Druk op de knop om de
functie te activeren.
N.B.
De regels voor het gebruik van de alarm-
lichten verschillen van land tot land.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 51
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Schakelaars op middenconsole
02
52
Elektrisch verwarmde buitenspiegels en
achterruit
Gebruik de elektrische verwar-
ming om de achterruit en de
buitenspiegels snel te ontwase-
men en te ontdooien.
Wanneer u op de knop drukt,
wordt de verwarming van de
achterruit en de buitenspiegels
geactiveerd. Het lampje in de
knop gaat daarbij branden.
De verwarming wordt na ca. 12
minuten automatisch uitge-
schakeld.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Voor meer informatie (zie
pagina 78 of 81).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 52
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
53
Koplampen
G027100
Bedieningspaneel verlichting
Mistlampen*
Duimwiel voor koplamphoogteregeling
Mistachterlicht
Duimwiel voor afstelling van de verlichting
van het instrumentenpaneel
Stand Betekenis
Automatisch/uitgeschakeld
dimlicht. Alleen grootlichtsigna-
len.
Stadslichten/parkeerlichten
vóór en achterlichten
Automatisch dimlicht. In deze
stand werken het groot licht en
de grootlichtsignalen.
Automatisch dimlicht*
Het dimlicht gaat automatisch aan, wanneer u
de contactsleutel naar stand II draait, behalve
wanneer de verlichtingsdraaiknop (1) in de
middelste stand staat. U kunt het automatische
dimlicht zo nodig in een erkende Volvo-werk-
plaats buiten werking laten stellen.
Automatisch dimlicht, groot licht
1.
Draai de contactsleutel naar stand II.
2. U schakelt het dimlicht in door de verlich-
tingsdraaiknop (1) helemaal rechtsom te
draaien.
3. U schakelt het groot licht in door de linker
stuurhendel tot in de eindstand naar het
stuur toe te halen en de hendel weer los te
laten (zie pagina 55).
De verlichting wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer u de contactsleutel naar stand
I of 0 draait.
Stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten
U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en
de achterlichten altijd inschakelen, ongeacht
de stand van de contactsleutel.
±
Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de
middelste stand.
Met de contactsleutel in stand II staan de
stadslichten/parkeerlichten vóór, de achter-
lichten en de kentekenplaatverlichting altijd
aan.
Koplamphoogteregeling
Door de belading van de auto wordt de hoogte
van de koplampen gewijzigd, zodat u tege-
moetkomend verkeer mogelijk verblindt. U
kunt dat voorkomen door de koplamphoogte
bij te stellen.
1.
Draai de contactsleutel naar stand II.
2. Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar een
van de eindstanden.
3. Draai het duimwiel (3) omhoog of omlaag
om de koplampen hoger of lager af te stel-
len.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 53
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Verlichtingspaneel
02
54
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Auto’s met actieve Bi-Xenon
koplampen of Bi-
Xenon
koplampen* zijn uitgerust met automa-
tische koplamphoogteverstelling, zodat het
duimwiel (3) ontbreekt.
Instrumentenverlichting
De instrumentenverlichting brandt, wanneer de
contactsleutel in stand II staat en de verlich-
tingsdraaiknop (1) in een van de eindstanden.
De verlichting wordt bij daglicht automatisch
gedimd en valt bij donker handmatig te rege-
len.
±
Rol het duimwiel (5) omhoog of omlaag
voor een fellere of zwakkere verlichting.
Mistlichten
N.B.
De regels voor het gebruik van de mistlich-
ten verschillen van land tot land.
Mistlampen*
De mistlampen vóór zijn in te schakelen in
combinatie met het groot licht/dimlicht of de
stadslichten/parkeerlichten vóór en de achter-
lichten.
±
Druk op de knop (2) (zie pagina 53).
Het lampje in de knop brandt, wanneer u de
mistlampen vóór hebt ingeschakeld.
Mistachterlicht
Het mistachterlicht is alleen in te schakelen
wanneer de koplampen branden wel of niet
gecombineerd met de mistlampen vóór.
±
Druk op de knop (4) (zie pagina 53).
Het controlelampje voor het mistachterlicht op
het instrumentenpaneel en het lampje in de
knop branden, wanneer het mistachterlicht is
ingeschakeld.
Actieve Bi-Xenon
koplampen, ABL*
G020789
De lichtbundels van de ABL-koplampen
draaien met het stuurwiel mee. De functie
wordt automatisch ingeschakeld bij het starten
van de motor en is te activeren/deactiveren
met de knop op de middenconsole (zie
pagina 51).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 54
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Linker stuurhendel
02
55
Standen stuurhendel
G027178
Korte serie knippersignalen, richtingaan-
wijzers
Onafgebroken serie knippersignalen, rich-
tingaanwijzers
Grootlichtsignalen
Follow-Me-Home-verlichting en wisselen
tussen groot licht en dimlicht
Richtingaanwijzers
Onafgebroken serie knippersignalen
±
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar de eindstand (2).
De hendel blijft in de eindstand staan en kan
handmatig in de uitgangspositie teruggezet
worden of veert automatisch terug bij het
terugdraaien van het stuurwiel.
Korte serie knippersignalen
±
Haal de stuurhendel omhoog of omlaag
naar stand (1) en laat deze weer los,
waarna de hendel terugveert naar de uit-
gangspositie. U kunt de stuurhendel ook in
stand (2) zetten en daarna meteen terug-
duwen in de uitgangspositie.
De richtingaanwijzers lichten driemaal op.
De korte serie knippersignalen wordt onmid-
dellijk beëindigd, als u de richtingaanwijzers
gebruikt om te signaleren dat u een bocht in de
tegenovergestelde richting wilt maken.
Wisselen tussen groot licht en dimlicht
De contactsleutel moet in stand II staan om het
groot licht te kunnen inschakelen.
1. Draai de verlichtingsdraaiknop rechtsom
naar de eindstand (zie pagina 53).
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
Grootlichtsignalen
±
Haal de hendel lichtjes tot in stand (3) naar
het stuurwiel toe.
Het groot licht blijft vervolgens branden, totdat
u de hendel weer loslaat.
Follow-Me-Home-verlichting
Het is mogelijk om een deel van de buitenver-
lichting enige tijd ingeschakeld te houden en
als Follow-Me-Home-verlichting dienst te laten
doen na vergrendeling van de auto. De inscha-
kelduur bedraagt 30 seconden
1
, maar is te
wijzigen in 60 of 90 seconden.
1. Neem de sleutel uit het contactslot.
2. Haal de stuurhendel tot in de eindstand (4)
naar het stuurwiel toe en laat de hendel los.
3. Stap uit de auto en vergrendel het portier.
1
Fabrieksinstelling.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 55
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
02
56
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
G026956
READ - bevestigen
Duimwiel - menu’s en opties binnen de
cruisecontrol-lijst doorbladeren
RESET - op nul stellen
Bedieningsknoppen
Om toegang te krijgen tot de informatie in de
boordcomputer, moet u het duimwiel (B) in
stappen omhoog- of omlaagdraaien. Wanneer
u na het laatste menu nogmaals aan het wieltje
draait, keert u terug naar de uitgangspositie.
N.B.
Als er een waarschuwingsmelding ver-
schijnt terwijl de boordcomputer in gebruik
is, moet u de melding bevestigen. Doe dat
door op de knop READ te drukken waarna
u naar de boordcomputerfunctie terugkeert.
Functies
Op de boordcomputer staat de volgende infor-
matie:
GEMIDDELDE SNELHEID
SNELHEID IN MILES PER HOUR*
HUIDIG
GEMIDDELD
KILOMETER TOT LEGE TANK
STC/DSTC, zie pagina 132
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid sinds de laatste maal
dat u de waarde op nul hebt gezet (RESET).
Wanneer u het contact uitzet, wordt de gemid-
delde snelheid opgeslagen om als uitgangs-
waarde te dienen bij het vervolg van de rit. U
kunt de waarde op nul zetten met een druk op
de knop RESET op de hendel.
Snelheid in miles per hour*
Bij een snelheidsmeter met een kilometer-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in km/h. Bij een snelheidsmeter met een miles-
schaal wordt de actuele snelheid weergegeven
in mph.
Huidig
In het menu voor het actuele brandstofverbruik
wordt het brandstofverbruik voortdurend bij-
gehouden. Het brandstofverbruik wordt een-
maal per seconde berekend. De waarde op het
display wordt om de paar seconden bijge-
werkt. Wanneer de auto stilstaat, geeft het dis-
play “
----” aan. Tijdens regeneratie
1
van het
roetfilter kan het brandstofverbruik tijdelijk stij-
gen (zie pagina 121).
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming op brandstof hebt
gebruikt.
Gemiddeld
Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de
laatste maal dat u de waarde op nul hebt
gesteld. U stelt de waarde op nul met
RESET.
1
Geldt alleen voor dieselmodellen met roetfilter.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 56
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Boordcomputer*
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
57
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt.
Kilometer tot lege tank
De actieradius wordt berekend aan de hand
van het gemiddelde brandstofverbruik over de
laatste 30 km en de resterende hoeveelheid
brandstof. Het display geeft de afstand aan die
bij benadering kan worden afgelegd met de
resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
Wanneer
--- kilometer tot lege tank” op het
display staat, zijn geen garanties meer te geven
voor de resterende actieradius. Tank dan zo
spoedig mogelijk.
N.B.
Er kunnen onjuiste waarden verschijnen, als
u een standverwarming* op brandstof hebt
gebruikt of van rijstijl bent veranderd.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 57
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
58
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Ruitenwissers
G026953
Werking wisser-/sproeiersysteem, voorruit
Duimwiel
Regensensor, Aan/Uit
Ruitenwissers uitgeschakeld
De ruitenwissers zijn uitgescha-
keld als de hendel in stand 0 staat.
Enkele slag
Beweeg de hendel omhoog om
een enkele slag te maken.
Intervalstand
U kunt het interval tussen de wis-
slagen zelf instellen. Draai het
duimwiel omhoog voor een korter
wisinterval. Draai het omlaag om
het interval te verlengen.
Ononderbroken wissen
De wissers bewegen op normale
snelheid.
De wissers bewegen op hoge snel-
heid.
BELANGRIJK
Controleer alvorens de ruitenwissers tijdens
de winter in te schakelen of de wisserbladen
niet zijn vastgevroren en de voorruit
sneeuw- en ijsvrij is.
BELANGRIJK
Spuit een ruime hoeveelheid ruitensproeier-
vloeistof op de voorruit, wanneer de ruiten-
wissers werken. De voorruit moet nat zijn bij
gebruik van de ruitenwissers.
Regensensor*
De regensensor registreert de hoeveelheid
regen op de voorruit en activeert automatisch
de ruitenwissers op de voorruit. De gevoelig-
heid van de regensensor is in te stellen met het
duimwiel.
Draai het duimwiel omhoog voor een grotere
gevoeligheid of omlaag voor een lagere gevoe-
ligheid. (De wissers maken een extra slag, als
u het duimwiel omhoog draait.)
Aan/Uit
Om de regensensor te activeren dient het con-
tact/de contactsleutel in stand I of II te staan
en de ruitenwisserhendel in stand 0 (niet geac-
tiveerd).
Regensensor activeren:
±
Druk op de knop. Het lampje in de knop
gaat branden om aan te geven dat de
regensensor actief is.
U schakelt de regensensor op een van de vol-
gende manieren weer uit:
Druk op de knop. Het lampje in de knop
dooft.
haal de hendel omlaag naar een ander wis-
programma. Als u de hendel omhoogduwt,
blijft de regensensor actief. De wissers
maken een extra slag en keren terug naar
de regensensorstand, wanneer u de hen-
del laat terugveren naar stand 0.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 58
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Rechter stuurhendel
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
59
De regensensor wordt automatisch uitgescha-
keld, wanneer u de sleutel uit het contactslot
neemt of 5 minuten nadat u het contact hebt
uitgezet.
BELANGRIJK
De ruitenwissers op de voorruit kunnen in
een automatische wasstraat spontaan
inschakelen en daarbij beschadigd raken.
Schakel de regensensor met een druk op
knop (2) uit, als het contactslot in stand I of
II staat.
Ruitensproeiers
U activeert de voorruit- en koplampsproeiers
door de hendel naar het stuurwiel toe te trek-
ken. De wissers maken nog enkele slagen
nadat u de hendel hebt losgelaten.
Koplampsproeiers*
De koplampsproeiers worden automatisch
geactiveerd bij het gebruik van de ruitensproei-
ers.
De hogedruksproeiers van de koplampen ver-
bruiken een grote hoeveelheid sproeiervloei-
stof. Om vloeistof te besparen, worden de
koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de
voorruitsproeiers activeert gesproeid (gere-
kend over een periode van 10 minuten). Wan-
neer er meer dan tien minuten zijn verstreken
sinds de laatste sproeibeurt van de voorruit,
worden ook de koplampen weer gesproeid bij
het activeren van de ruitensproeiers. Wanneer
u de hendel kort naar het stuurwiel haalt, wordt
alleen de voorruit gesproeid.
Gereduceerde sproeifunctie
Wanneer er nog ongeveer 1 liter ruitensproei-
ervloeistof in het reservoir zit, worden de
koplampen niet langer schoongesproeid. Dit
omdat het sproeifunctie van de voorruit de
voorrang heeft.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 59
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
02
60
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Inschakelen
G027177
De bedieningsorganen voor de cruisecontrol
vindt u links op het stuurwiel.
Gewenste snelheid instellen:
1.
Druk op de knop CRUISE. Op het instru-
mentenpaneel verschijnt de tekst
CRUISE.
2.
Druk op + of - om de snelheid van de auto
vast te zetten. Op het instrumentenpaneel
verschijnt CRUISE ON.
De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld
bij snelheden lager dan 30 km/h of hoger dan
200 km/h.
Snelheid verhogen of verlagen
G026949
±
U kunt de snelheid verhogen of verlagen
door de knop + of - in te drukken. De snel-
heid die de auto heeft op het moment dat
u de knop loslaat, zal vervolgens worden
geprogrammeerd.
Een korte druk (minder dan een halve seconde)
op + of - komt overeen met een snelheidswij-
ziging van 1 km/h.
N.B.
Een tijdelijke verhoging van de snelheid
(korter dan een minuut) met het gaspedaal,
zoals bij het inhalen, is niet van invloed op
de instelling van de cruisecontrol. Als u het
gaspedaal loslaat, neemt de auto automa-
tisch de ingestelde snelheid weer aan.
Tijdelijk uitschakelen
Druk op 0 om de cruisecontrol tijdelijk uit te
schakelen. Op het instrumentenpaneel ver-
schijnt
CRUISE. De eerder ingestelde snelheid
blijft na een tijdelijke uitschakeling in het
geheugen opgeslagen.
De cruisecontrol wordt bovendien tijdelijk uit-
geschakeld, als:
u het rempedaal of koppelingspedaal
bedient;
de snelheid heuvelop lager wordt dan
25–30 km/h
1
;
u de keuzehendel in stand N zet;
als de wielen de neiging hebben te gaan
slippen of blokkeren;
een tijdelijke snelheidsverhoging langer
dan 1 minuut heeft geduurd.
1
Afhankelijk van het motortype.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 60
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Cruisecontrol*
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
61
Snelheid hervatten
Druk op de knop om de eerder
ingestelde snelheid te hervatten.
Op het instrumentenpaneel ver-
schijnt
CRUISE ON.
Uitschakelen
Druk op CRUISE om de cruisecontrol uit te
schakelen.
CRUISE ON verdwijnt van het
instrumentenpaneel.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 61
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Stuurwielafstelling, handrem
02
62
Stuurwielafstelling
G027308
U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in
de lengte verstellen.
1. Duw de hendel aan de linkerzijde van de
stuurkolom omlaag.
2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewen-
ste stand.
3. Duw de hendel weer in positie terug om het
stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren.
Als dit veel moeite kost, kunt u lichte druk
op het stuurwiel aanbrengen terwijl u de
blokkeerhendel terugduwt.
WAARSCHUWING
Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en
nooit tijdens het rijden. Controleer of het
stuurwiel in de gekozen stand geblokkeerd
staat.
Handrem (parkeerrem)
G027307
De handremhendel zit tussen de voorstoelen.
N.B.
Het brandende waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel geeft alleen aan dát
u de handrem hebt aangetrokken maar niet
hoe hard!
Handrem aanzetten
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel stevig tot in de
eindstand omhoog.
3. Haal uw voet van het rempedaal en con-
troleer of de auto blijft stilstaan.
4. Als de auto wegrolt dient u de handrem-
hendel strakker aan te trekken.
5. Zet de versnellingspook/keuzehendel bij
het parkeren altijd in de 1e versnelling
(handbak) of in stand P (automaat).
Op een helling parkeren
Draai bij het parkeren op een oplopende helling
de wielen van de trottoirband af, als de neus
van de auto naar de top van helling wijst.
Draai bij het parkeren op een aflopende helling
de wielen naar de trottoirband toe, als de neus
van de auto naar de voet van de helling wijst.
Handrem lossen
1. Trap het rempedaal stevig in.
2. Trek de handremhendel iets omhoog, druk
de knop in, duw de handrem omlaag en
laat de knop weer los.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 62
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrische aansluiting, aansteker
02
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
63
Elektrische aansluiting achterin
G027173
U kunt de elektrische aansluiting voor verschil-
lende accessoires gebruiken, zoals een mobi-
ele telefoon of koelbox. De aansluiting is
bedoeld om 12 V af te nemen. De maximale
stroomsterkte is 10 A.
De contactsleutel moet ten minste in stand I
staan, anders geeft de aansluiting geen
stroom.
WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen moet u het klepje
sluiten, wanneer u de aansluiting niet
gebruikt.
Aansteker*
±
Druk op de aansteker om deze te active-
ren.
Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert de
knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de
opening en gebruik het roodgloeiende deel om
bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 63
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
02
64
Bediening
Met de schakelaars op de portieren kunt u de
ruiten elektrisch bedienen. De ruiten zijn te
bedienen wanneer de contactsleutel in stand
I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u
de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de
ruiten nog steeds enige tijd openen en sluiten
zolang geen van de portieren wordt geopend.
Bedien de ruiten altijd onder toezicht.
Zijruit openen:
±
Druk het voorste deel van de knop omlaag.
Zijruit sluiten:
±
Trek het voorste deel van de knop
omhoog.
N.B.
U kunt de rijwindgeluiden tijdens ritten met
geopende achterportierruiten beperken
door ook de voorportierruiten een stukje te
openen.
WAARSCHUWING
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken. Houd de zijruiten in
de achterportieren goed in de gaten, wan-
neer u ze met de knoppen op het bestuur-
dersportier of met de afstandsbediening
sluit.
Bestuurdersportier
G029582
Knoppen voor elektrisch bedienbare zijruiten.
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
voorin
Knop voor elektrisch bedienbare zijruiten
achterin
Vanaf de bestuurdersstoel kunt u alle zijruiten
elektrisch bedienen. U kunt de zijruiten op twee
manieren openen en sluiten:
Handmatige bediening
±
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) voorzichtig omlaag of trek er één voor-
zichtig omhoog. De elektrisch bedienbare
zijruiten komen steeds verder omhoog of
omlaag zolang u de knoppen bedient.
Automatische bediening
±
Druk een van de bedieningsknoppen (A) of
(B) omlaag of trek er één omhoog en laat
deze vervolgens los. De zijruiten gaan dan
automatisch open of dicht. Als een zijruit
door iets worden geblokkeerd, wordt de
op- of neergaande beweging van die zijruit
afgebroken.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch slui-
ten, niet bij handmatig sluiten.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Let er bij het verlaten van de auto op dat u
de stroomtoevoer naar de elektrisch
bedienbare ruiten verbreekt door de con-
tactsleutel uit te nemen.
Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor
dat kinderen of andere inzittenden niet
bekneld kunnen raken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 64
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbare ruiten
02
65
Elektrisch bedienbare zijruiten in
achterportieren blokkeren
G029583
Elektrisch bedienbare zijruiten blokkeren en elek-
trisch bedienbaar kinderslot*.
U kunt de elektrische bediening van de ruiten
in de achterportieren blokkeren met de knop
op het bedieningspaneel op het bestuurders-
portier.
Het lampje in de knop brandt
De ruiten in de achterportieren zijn alleen vanaf
het bestuurdersportier te bedienen.
Het lampje in de knop is uit
De zijruiten in de achterportieren zijn zowel met
de knoppen op de portieren als met de knop-
pen op het bestuurdersportier te bedienen.
Passagiersstoel, voor
G029585
Met de ruitbedieningsknop op het passagiers-
portier kunt u alleen die ruit bedienen.
Elektrisch bedienbare zijruiten in de
achterportieren
G029586
De zijruiten in de achterportieren zijn met de
knoppen op de achterportieren of met de
knoppen op het bestuurdersportier te bedie-
nen.
Als het lampje brandt in de knop waarmee u de
elektrische bediening van de achterste zijruiten
blokkeert (op het bedieningspaneel op het
bestuurdersportier), zijn de zijruiten in de ach-
terportieren alleen vanaf het bestuurderspor-
tier te bedienen.
U kunt de zijruiten in de achterportieren op
dezelfde manier bedienen als de zijruiten in de
voorportieren.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 65
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
66
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Achteruitkijkspiegel
G026660
Dimfunctie
Normale stand
Dimstand
Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties
in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u ver-
blinden. Zet de spiegel in de autodimstand,
wanneer u de verlichting van het achteropko-
mend verkeer als hinderlijk ervaart.
Autodimfunctie*
Als het licht dat van achteren in de spiegel valt
te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automa-
tisch gedimd.
N.B.
Het hendeltje is niet aanwezig op spiegels
met autodimfunctie.
Achteruitkijkspiegel met kompas*
G026965
In de linker bovenhoek van de achteruitkijk-
spiegel zit een display waarop wordt aangege-
ven in welke richting de voorkant van de auto
wijst.
Er worden acht verschillende richtingen met
Engelse afkortingen weergegeven: N (noord),
NE (noordoost), E (oost), SE (zuidoost), S
(zuid), SW (zuidwest), W (west) en NW (noord-
west).
Het kompas wordt automatisch geactiveerd,
wanneer u het contactslot in stand II zet of
wanneer de motor loopt, tenzij u het kompas
hebt uitgeschakeld.
U kunt het kompas uitschakelen of opnieuw
inschakelen door op het verzonken knopje aan
de achterzijde van de achteruitkijkspiegel te
drukken. Gebruik bijvoorbeeld een rechtgebo-
gen paperclip. Het knopje ligt ca. 2,5 cm diep
in de spiegel.
Juiste magnetische zone instellen voor
kompas
C
A
L
Z
O
N
E
C
A
L
Z
O
N
E
G026950
De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Het kompas werkt alleen naar behoren als de
juiste zone geselecteerd is.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 66
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
``
67
1.
Contactslotstand II.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ca. 3 seconden lang
ingedrukt (met een rechtgebogen paper-
clip bijvoorbeeld), totdat de tekst
ZONE
verschijnt. Het cijfer van de huidige mag-
netische zone verschijnt.
3. Druk meerdere malen op het knopje totdat
het nummer van het gewenste geografi-
sche gebied (1–15) verschijnt. Enkele
seconden later staat de kompasrichting
weer op het display, wat aangeeft dat er
van zone is gewisseld.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 67
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
68
G026677
Magnetische zones voor kompas.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 68
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
69
Kalibreren
Het kompas moet soms voor de nauwkeurig-
heid worden gekalibreerd. Schakel voor de
beste resultaten alle grote stroomverbruikers
uit zoals de interieurverlichting, de interieur-
ventilator, de elektrische achterruitverwarming
e.d. en zorg dat er geen metalen of magneti-
sche voorwerpen in de buurt van de spiegel
zijn.
1. Breng de auto op een groot en open terrein
tot stilstand en laat de motor lopen.
2. Houd het knopje aan de achterzijde van de
achteruitkijkspiegel ingedrukt (met bijvoor-
beeld een paperclip), totdat de melding
CAL opnieuw verschijnt (ca. 6 seconden
lang).
3. Rijd langzaam een rondje in de auto met
een snelheid van hoogstens 8 km/h, totdat
de tekst CAL van het display verdwijnt. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is. Dit
geeft aan dat de kalibratie afgerond is.
Alternatieve kalibratiestap
Rijd op de normale manier weg. CAL verdwijnt
van het display, wanneer de kalibratie is afge-
rond.
Buitenspiegels
G029587
De knoppen waarmee u de twee buitenspie-
gels bedient, vindt u voor op de armleuning van
het bestuurdersportier.
1.
Druk op knop L voor de buitenspiegel links
of op R voor de buitenspiegel rechts. Het
lampje in de knop brandt.
2. U kunt de stand afstellen met het hendeltje
in het midden.
3.
Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje
dooft.
WAARSCHUWING
Stel de spiegels af, voordat u gaat rijden!
Buitenspiegels met geheugen*
Als er buitenspiegels met geheugen op de auto
zitten, werkt het geheugen synchroon met dat
van de bestuurdersstoel (zie pagina 91).
WAARSCHUWING
De spiegel aan de bestuurderszijde is groot-
hoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen
kunnen verder weg lijken dan ze in werke-
lijkheid zijn.
Buitenspiegels resetten (zie pagina 50).
Geheugenfunctie van
afstandsbediening*
Wanneer u de auto met een van de afstands-
bedieningen ontgrendelt en de instelling van de
buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie
van de spiegels in de afstandsbediening opge-
slagen. De volgende keer dat u de auto ont-
grendelt met dezelfde afstandsbediening en
het bestuurdersportier binnen vijf minuten na
ontgrendeling opent, gaan de buitenspiegels in
de opgeslagen positie staan.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 69
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
02
70
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Gelaagde zijruiten*
De ruiten van gelaagd glas in de voor- en ach-
terportieren zorgen voor een verbeterde
geluidsisolatie van de passagiersruimte en
leveren een verhoogde bescherming tegen
inbraak op.
Water- en vuilafstotende laag*
De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels zijn
voorzien van een speciale laag die bij regen
voor een beter zicht zorgen.
Zijruiten en buitenspiegels met de spe-
ciale water- en vuilafstotende laag zijn
voorzien van een klein symbool. Voor informa-
tie over het onderhoud van dergelijke zijruiten
en spiegels (zie pagina 183).
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
In bepaalde weersomstandigheden werkt de
vuilafstotende laag beter, als u de elektrische
verwarming van de buitenspiegels inschakelt
(zie pagina 78 of 80).
Verwarm de buitenspiegels:
als er sneeuw of ijs op de spiegels zit;
bij hevige regenval of vieze wegen;
bij beslagen spiegels.
BELANGRIJK
Gebruik geen ijskrabber om de spiegels van
ijs te ontdoen, omdat er daarbij krassen op
het glas kunnen ontstaan en de water- en
vuilafstotende laag beschadigd kan raken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 70
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
02
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
71
Openingsstanden
G027325
De bedieningsknoppen voor het schuifdak zit-
ten aan het plafond. U kunt het schuifdak in
twee standen openen:
Ventilatiestand, achterkant omhoog.
Schuifstand/comfortstand
1
, achteruit/
vooruit.
De contactsleutel moet daarbij in stand I of II
staan.
WAARSCHUWING
Als er kinderen in de auto zitten:
Verbreek bij het verlaten van de auto de
stroomtoevoer naar het schuifdak door de
contactsleutel uit te nemen.
G027010
Sluiten, automatisch
Sluiten, handmatig
Openen, handmatig
Openen, automatisch
Openen, ventilatiestand
Sluiten, ventilatiestand
Ventilatiestand
Openen:
±
Duw de achterkant van de knop (5)
omhoog.
Sluiten:
±
Trek de achterkant van de knop (6) omlaag.
U kunt het schuifdak vanuit de ventilatiestand
rechtstreeks in de comfortstand zetten: trek de
knop achteruit in de eindstand (4) en laat de
knop los.
Schuifstand
Automatische bediening
±
Trek de knop door het weerstandspunt (3)
in de achterste eindstand (4) of via het
weerstandspunt (2) in de voorste eind-
stand (1) en laat de knop vervolgens los.
Het schuifdak opent of sluit volledig.
Doe het volgende om het schuifdak vanuit de
comfortstand volledig te openen:
±
Trek de knop nogmaals achteruit in de
eindstand (4) en laat de knop vervolgens
los.
1
In de comfortstand staat het schuifdak op een kier om de rijwindgeluiden te beperken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 71
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
Elektrisch bedienbaar schuifdak*
02
72
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Handmatige bediening
Openen:
±
Trek de knop achteruit naar het weer-
standspunt (3). Het schuifdak schuift
steeds verder open zolang u de knop in
deze stand vasthoudt.
Sluiten:
±
Duw de knop vooruit naar het weerstands-
punt (2). Het schuifdak schuift steeds ver-
der dicht zolang u de knop in deze stand
vasthoudt.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch slui-
ten, niet bij handmatig sluiten.
Zonnescherm
G020157
Aan de binnenkant van het schuifdak zit een
handbediend zonnescherm. Het zonnescherm
glijdt automatisch naar achteren bij het openen
van het schuifdak. Pak de handgreep vast en
schuif het scherm naar voren om het te sluiten.
Beveiliging tegen overbelasting
Het schuifdak is voorzien van een beveiliging
tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als
het schuifdak door een voorwerp wordt gehin-
derd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en
keert vervolgens automatisch terug naar de
laatst gebruikte, geopende stand.
WAARSCHUWING
De beveiliging tegen overbelasting van het
schuifdak werkt alleen bij automatisch slui-
ten, niet bij handmatig sluiten.
Let er bij het sluiten van het schuifdak op dat
kinderen niet met hun handen bekneld kun-
nen raken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 72
evastarck
02 Instrumenten, schakelaars en bediening
02
73
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 73
evastarck
G020906
74
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over de klimaatregeling......................................... 76
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC............................. 78
Elektronische klimaatregeling, ECC*....................................................... 80
Luchtverdeling......................................................................................... 83
Standverwarming op brandstof*............................................................. 84
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 74
evastarck
03
KLIMAATREGELING
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 75
evastarck
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
76
Airconditioning
De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in
het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht
ontdaan wordt. De auto is voorzien van een
handmatige klimaatregeling met airconditio-
ning (AC) of een automatische klimaatregeling
(ECC).
N.B.
U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor
optimale luchtkwaliteit in de passagiers-
ruimte en om te voorkomen dat de ruiten
beslaan, moet u de airconditioning echter
altijd aan laten staan.
Beslagen ruiten
Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om
te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een nor-
maal poetsmiddel voor glaswerk.
Interieurfilter
Zorg dat u het combifilter/interieurfilter op
gezette tijden vervangt. Informeer bij een
erkende Volvo-werkplaats.
Sneeuw en ijs
Veeg sneeuw en ijs van de luchtinlaat voor de
klimaatregeling (de opening tussen de motor-
kap en de voorruit).
Storingen opsporen en verhelpen
Laat controle- en reparatiewerkzaamheden
aan de klimaatregeling alleen uitvoeren door
een erkende Volvo-werkplaats.
Koudemiddel
De airconditioning maakt gebruik van het kou-
demiddel R134a. Het bevat geen chloor, waar-
door het koudemiddel onschadelijk voor de
ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen
van koudemiddel alleen R134a. Laat dergelijke
werkzaamheden over aan een erkende Volvo-
werkplaats.
Auto’s met ECC
Werkelijke temperatuur
De door u gekozen temperatuur komt overeen
met de gevoelstemperatuur op grond van de
heersende omstandigheden in en om de auto
wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheids-
graad, de ingestraalde warmte e.d. betreft.
Sensoren
De zonnesensor zit boven op het dashboard.
Let erop dat u de zonnesensor niet mag afdek-
ken. Dek de interieurtemperatuursensor op het
bedieningspaneel van de klimaatregeling
evenmin af.
Zijruiten en schuifdak
Voor een goede werking van de airconditioning
moet u de zijruiten en een eventueel schuifdak
gesloten houden. Let er tevens op dat u de
afvoerkanalen in de hoedenplank niet mag
afdekken.
Optrekken
Wanneer u volgas optrekt, wordt de aircondi-
tioning tijdelijk uitgeschakeld. De temperatuur
kan dan korte tijd iets oplopen.
Condensatie
In warme weersomstandigheden kan er ter
hoogte van de airconditioning een plasje water
onder de auto ontstaan. Dit is volkomen nor-
maal.
Om de klimaatregeling te ventileren kan de
interieurventilator tot 50 minuten na het afzet-
ten van de motor aanslaan. De ventilator slaat
ca. 15 minuten later automatisch af.
Brandstofbesparing
Bij gebruik van de elektronische klimaatrege-
ling (ECC) wordt ook de airconditioning auto-
matisch geregeld en alleen dan ingeschakeld
wanneer de lucht in de passagiersruimte moet
worden afgekoeld en de binnenkomende lucht
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 76
evastarck
03 Klimaatregeling
Algemene informatie over de klimaatregeling
03
77
van vocht moet worden ontdaan. Zo wordt
meer brandstof bespaard dan bij gebruik van
conventionele systemen, waarbij de aircondi-
tioning de lucht voortdurend afkoelt tot net
boven het vriespunt.
Luchtverdeling
G027330
De binnenkomende lucht wordt verdeeld over
meerdere blaasmonden die op verschillende
punten in de auto zijn aangebracht.
Blaasmonden in dashboard
G027329
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag
Richt de buitenste blaasmonden op de voorste
zijruiten om ze te ontwasemen.
Bij koud weer: sluit de middelste blaasmonden
om de temperatuur in de auto zo comfortabel
mogelijk te houden en de zijruiten optimaal te
ontwasemen.
Blaasmonden in portierstijlen
0
G027064
Open
Dicht
Luchtstroom naar links of rechts
Luchtstroom omhoog of omlaag.
1. Richt de blaasmonden op de achterste zij-
ruiten om ze te ontwasemen.
2. Richt de blaasmonden naar binnen toe
voor een behaaglijke temperatuur achter in
de auto.
Let erop dat kinderen gevoelig kunnen zijn voor
luchtstromen en tocht.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 77
evastarck
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
03
78
Bedieningspaneel
G027255
AC – Aan/uit (ON/OFF)
Recirculatie
Luchtverdeling
Elektrisch verwarmde achterruit en buiten-
spiegels
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Temperatuur, rechterzijde
Temperatuur, linkerzijde
Ventilator
Als u de airconditioning wilt inschakelen, moet
u de ventilatorknop
uit stand 0 draaien.
Gebruik de airconditioning ook bij lage tempe-
raturen (0–15 °C) om de inkomende lucht van
vocht te ontdoen.
AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De bin-
nenkomende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan. OFF: De aircon-
ditioning staat uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
Temperatuur, links/rechts
Draai aan de knop om de tem-
peratuur van de binnenko-
mende lucht te regelen. Koeling
is alleen mogelijk, wanneer de
airconditioning actief is.
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende, als u extra
verwarming in de voorstoel(en)
wenst:
1. Eenmaal indrukken: Hoge verwarmings-
stand – beide lampje in de knop(pen) gaan
branden.
2. Nogmaals indrukken: Lage verwarmings-
stand – een van de lampjes in de knop(pen)
gaat branden.
3. Nogmaals indrukken: Verwarming uitge-
schakeld – geen van de lampjes in de
knop(pen) gaat branden.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee de
ventilator draait verhogen of
verlagen door aan de knop te
draaien. Als de draaiknop in
stand 0 staat, is de airconditio-
ning niet ingeschakeld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de ach-
terruit en de buitenspiegels snel
ontdoen van condens of ijs (zie
pagina 52 voor meer informatie
over deze functie).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 78
evastarck
03 Klimaatregeling
Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC
03
79
Recirculatie
U kunt de recirculatie inschake-
len als u vieze lucht, uitlaatgas-
sen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passa-
giersruimte wordt dan gerecir-
culeerd. Er komt met andere
woorden geen lucht van buiten de auto in, wan-
neer deze functie actief is. Bij gebruik van de
recirculatie (in combinatie met de airconditio-
ning) wordt de lucht in de passagiersruimte bij
warm weer sneller afgekoeld.
Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er
met name in de winter wasem en ijs op de bin-
nenkant van de ruiten ontstaan. Met de timer-
functie beperkt u de kans op ijs, wasem en een
slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
1. Druk de knop langer dan 3 seconden in.
Het lampje knippert 5 seconden. De lucht
in de auto wordt afhankelijk van de buiten-
temperatuur 3 tot 12 minuten lang gerecir-
culeerd.
2.
Telkens wanneer u op drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
±
Druk de knop
nogmaals maar dan
langer dan 3 seconden in. Het lampje gaat
5 seconden branden ter bevestiging van
uw keuze.
Luchtverdeling
Voor optimaal comfort kunt u
de met stippen gemarkeerde
luchtverdelingsstanden tussen
de verschillende symbolen
gebruiken om de luchtverdeling
precies af te stellen.
Ontwaseming
Zet de knop voor de luchtverdeling in de stand
voor ontwaseming (
) om de voorruit en
de zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien.
Er stroom dan op hoge snelheid lucht naar de
ruiten.
Bij activering van deze functie gebeurt boven-
dien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming her-
vat de klimaatregeling de voorgaande instellin-
gen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 79
evastarck
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
03
80
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Bedieningspaneel
G028576
AC – Aan/uit (ON/OFF)
Recirculatie/Combifilter met Air Quality
Sensor*
Recirculatie
AUTO
Luchtverdeling
Interieurtemperatuursensor
Ontwaseming voorruit en zijruiten
Elektrisch verwarmde achterruit en buiten-
spiegels
Stoelverwarming – rechterzijde
Stoelverwarming – linkerzijde
Temperatuur – rechterzijde
Temperatuur – linkerzijde
Ventilator
AUTO
Bij activering van de functie
AUTO wordt de klimaatregeling
automatisch dusdanig inge-
steld dat de gekozen tempera-
tuur wordt bereikt. De automa-
tische functie regelt de verwar-
ming, de airconditioning, de Air Quality Sensor,
de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de
luchtverdeling. Ook als u een of meer van de
genoemde functies handmatig instelt, worden
de resterende functies nog automatisch gere-
geld. Alle handmatige instellingen worden uit-
geschakeld, wanneer u op AUTO drukt.
Temperatuur
Met de twee draaiknoppen kunt
u de temperatuur aan de
bestuurderszijde en de passa-
gierszijde instellen. Let erop dat
de passagiersruimte niet sneller
warm of koud wordt, wanneer u
een hogere of lagere temperatuur kiest dan de
gewenste temperatuur.
22
20
18
26
24
Ventilator
U kunt de snelheid waarmee
de ventilator draait verhogen
of verlagen door aan de knop
te draaien. De ventilatorsnel-
heid wordt automatisch gere-
geld, als u AUTO selecteert.
De eerder ingestelde ventila-
torsnelheid wordt dan genegeerd.
N.B.
Als u de knop voor de ventilatorsnelheid zo
ver linksom draait dat alleen het oranje
lampje links boven de knop oplicht, zijn de
ventilator en de airconditioning uitgescha-
keld.
Elektrische achterruit- en
buitenspiegelverwarming
Met deze knop kunt u de ach-
terruit en de buitenspiegels snel
ontdoen van condens of ijs (zie
pagina 51 voor meer informatie
over deze functie).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 80
evastarck
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
81
Ontdooien voorruit en zijruiten
U gebruikt de ontwaseming om
de voorruit en de zijruiten snel
te ontwasemen en te ont-
dooien. Er stroom dan op hoge
snelheid lucht naar de ruiten.
Het lampje in de ontwase-
mingsknop brandt, wanneer de functie is inge-
schakeld.
Bij activering van deze functie gebeurt boven-
dien het volgende om de lucht in het interieur
zo veel mogelijk van vocht te ontdoen:
de airconditioning (AC) wordt automatisch
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC);
de recirculatie wordt automatisch uitge-
schakeld.
Bij het uitschakelen van de ontwaseming
hervat de klimaatregeling de voor-
gaande instellingen.
Luchtverdeling
G027267
Lucht naar de ruiten.
Lucht naar hoofd en borstkas.
Lucht naar benen en voeten.
Druk op AUTO, wanneer u de automatische
luchtverdeling weer wilt activeren.
AC, Aan/Uit (ON/OFF)
ON: De airconditioning staat
aan. De airconditioning wordt
automatisch geregeld. De bin-
nenkomende lucht wordt dan
automatisch afgekoeld en van
vocht ontdaan.
OFF: Uit.
Bij het activeren van ontwasemingsfunctie
wordt automatisch ook de airconditioning
ingeschakeld (uit te schakelen met de knop
AC).
Elektrisch verwarmde voorstoelen
Doe het volgende, als u extra
verwarming in de voorstoel(en)
wenst:
1. Eenmaal indrukken: Hoge verwarmings-
stand – beide lampje in de knop(pen) gaan
branden.
2. Nogmaals indrukken: Lage verwarmings-
stand – een van de lampjes in de knop(pen)
gaat branden.
3. Nogmaals indrukken: Verwarming uitge-
schakeld – geen van de lampjes in de
knop(pen) gaat branden.
U kunt de temperatuur van de verwarming in
een erkende Volvo-werkplaats laten bijstellen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 81
evastarck
03 Klimaatregeling
Elektronische klimaatregeling, ECC*
03
82
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Recirculatie
U kunt de recirculatie inschake-
len als u vieze lucht, uitlaatgas-
sen en dergelijke buiten wilt
houden. De lucht in de passa-
giersruimte wordt dan gerecir-
culeerd. Er komt met andere
woorden geen lucht van buiten
de auto in, wanneer deze func-
tie actief is.
Als u de recirculatie lang laat
aanstaan, kan er met name in
de winter wasem en ijs op de binnenkant van
de ruiten ontstaan.
MAN
AUT
Met de timerfunctie (op modellen met een
combifilter en Air Quality Sensor ontbreekt de
timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem
en een slechte lucht.
Ga als volgt te werk om deze te activeren:
1.
Druk de knop langer dan 3 secon-
den in. Het lampje knippert 5 seconden. De
lucht in de auto wordt afhankelijk van de
buitentemperatuur 3 tot 12 minuten lang
gerecirculeerd.
2.
Telkens wanneer u op
drukt, wordt
de timerfunctie geactiveerd.
Doe het volgende om de timerfunctie uit te
schakelen:
Druk de knop
nogmaals maar dan lan-
ger dan 3 seconden in. Het lampje gaat 5
seconden branden ter bevestiging van uw
keuze..
Interior Air Quality System*
Het Interior Air Quality System
bestaat uit een combifilter met
een Air Quality Sensor. Het
combifilter ontdoet de binnen-
komende lucht van gassen en
stofdeeltjes en beperkt zo hin-
derlijke geurtjes en verontreinigingen in de
passagiersruimte. Wanneer de sensor een ver-
hoogde concentratie meet, wordt de luchtin-
laat afgesloten zodat de lucht in de passagiers-
ruimte recirculeert.
MAN
AUT
Wanneer de Interior Air Quality Sensor actief is,
brandt het groene lampje bij AUT.
Bediening
Druk op AUTO om de Air Quality Sensor te
activeren (normale instelling).
Of:
Kies uit drie verschillende functies door ver-
schillende malen op de knop AUTO te drukken.
Het lampje bij AUT gaat branden. De Air
Quality Sensor is daarmee ingeschakeld.
Geen van de lampjes brandt. De recircula-
tiefunctie is niet ingeschakeld (voor zover
recirculatie niet nodig is om voor verkoe-
ling te zorgen bij warm weer).
Het lampje bij MAN gaat branden. De recir-
culatie is daarmee ingeschakeld.
Let erop dat:
U de Air Quality Sensor altijd hebt inge-
schakeld.
Er bij koud weer beperkingen voor de recir-
culatiefunctie gelden om te voorkomen dat
de ruiten beslaan.
U de Air Quality Sensor uitschakelt, wan-
neer de ruiten beslaan.
Wanneer de ruiten beslaan, u beter ook de
ontwaseming van de voorruit, de zijruiten
en de achterruit kunt inschakelen (zie
pagina 80).
Raadpleeg het serviceprogramma van Volvo
voor het aanbevolen vervangingsinterval voor
het combifilter. In zeer sterk verontreinigde
gebieden moet u het combifilter mogelijk vaker
vervangen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 82
evastarck
03 Klimaatregeling
Luchtverdeling
03
83
Luchtverdeling Toepassing: Luchtverdeling Toepassing:
Lucht via de blaas-
monden voor- en ach-
terin.
Voor een goede koe-
ling bij warm weer.
Lucht naar de vloer. Er
komt een bepaalde
hoeveelheid lucht uit
de blaasmonden en
uit de ontwasemings-
openingen voor de
voorruit en de zijrui-
ten.
Voor verwarming van
de voeten.
Lucht naar de ruiten.
In deze stand vindt er
geen luchtrecirculatie
plaats. De airconditio-
ning is altijd ingescha-
keld. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmon-
den.
Voor het verwijderen
van ijs en wasem. Laat
de ventilator op hoge
snelheid draaien.
Lucht naar de vloer en
de blaasmonden.
Bij zonnig weer en
matige buitentempe-
raturen.
Lucht naar de vloer en
de ruiten. Er komt een
bepaalde hoeveelheid
lucht uit de blaasmon-
den.
Voor een comfortabel
klimaat en een goede
ontwaseming bij
koude weer. Laat de
ventilator niet te lang-
zaam draaien.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 83
evastarck
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
84
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over
verwarmingen
G027095
Knop READ
Duimwiel
Knop RESET
Voordat u de standverwarming kunt program-
meren, moet het elektrische systeem worden
“gewekt”.
Dat doet u het eenvoudigst door:
op de knop READ te drukken, of
het groot licht te activeren, of,
het contact in te schakelen.
U kunt de standverwarming meteen inschake-
len of twee verschillende uitschakeltijden voor
de standverwarming instellen:
TIMER 1 en
TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt het
tijdstip verstaan waarop de auto op de gewen-
ste temperatuur is.
De elektronica van de auto rekent aan de hand
van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de
standverwarming moet worden ingeschakeld
om de ingestelde uitschakeltijd te kunnen
halen. Bij een buitentemperatuur hoger dan
25 °C wordt de verwarming niet geactiveerd.
Bij temperaturen van –10 °C en lager is de
maximale bedrijfstijd van de standverwarming
60 minuten.
Als de standverwarming ondanks herhaalde
startpogingen niet aanslaat, verschijnt er een
melding op het display. Neem in dat geval con-
tact op met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Bij gebruik van de standverwarming moet
de auto in de buitenlucht staan.
Schakel voor het tanken de standverwar-
ming uit. Gemorste brandstof kan ontvlam-
men.
Controleer op het display of de standver-
warming uit is. (Als de standverwarming
werkt, verschijnt er
PARK.VERW. AAN op
het display.)
Displaytekst
Wanneer u de geprogrammeerde functies
TIMER 1, TIMER 2 en DIRECTE START acti-
veert, brandt het oranje waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel. Op het display ver-
schijnt bovendien een verklarende tekst.
Wanneer u de auto verlaat, ontvangt u een mel-
ding met de status van de standverwarming.
De melding verdwijnt wanneer u de auto vanaf
de buitenzijde vergrendelt met de afstandsbe-
diening.
G027226
Waarschuwingssticker op de tankvulklep
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 84
evastarck
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
85
Op een helling parkeren
Wanneer u de auto op een steile helling par-
keert, moet u ervoor zorgen dat de voorkant
naar de top van de helling wijst. De standver-
warming krijgt dan voldoende brandstof.
Klok en gebruik van de timer(s)
Als u na het instellen van de timer(s) de klok
bijstelt, worden alle timerinstellingen om veilig-
heidsredenen geannuleerd.
TIMER 1 en 2 instellen
Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitscha-
keltijden voor het volgende etmaal program-
meren en dus niet voor meerdere dagen
tegelijk.
1.
Draai aan het duimwiel totdat
TIMER 1 op
het display verschijnt.
2.
Druk kort op de knop RESET zodat de uur-
aanduiding gaat knipperen.
3. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in uren aan te geven.
4.
Druk kort op de knop RESET zodat de
minuutaanduiding gaat knipperen.
5. Gebruik het duimwiel om het gewenste
tijdstip in minuten aan te geven.
6.
Druk kort op de knop RESET om uw instel-
ling te bevestigen.
7.
Druk op de knop RESET om de timer te
activeren.
Blader wanneer u
TIMER 1 hebt ingesteld naar
TIMER 2. U stelt deze timer op dezelfde
manier in als
TIMER 1.
Timergestuurde standverwarming
voortijdig uitschakelen
Doe het volgende om de timergestuurde
standverwarming uit te schakelen voordat de
timer dat doet:
1.
Druk op de knop READ (A).
2.
Blader met het duimwiel naar
TIMER
PARK.VERW 1
(alt. 2). De tekst AAN knip-
pert op het display.
3.
Druk op de knop RESET. De tekst
UIT
brandt continu en de standverwarming
wordt uitgeschakeld.
Standverwarming meteen inschakelen
1.
Draai aan het duimwiel totdat DIRECTE
START
op het display verschijnt.
2.
Druk op de knop RESET om een van de
opties
AAN of UIT te selecteren.
3.
Kies
AAN.
De standverwarming zal vervolgens 60 minu-
ten lang blijven werken. De verwarming van het
interieur gaat van start, zodra de koelvloeistof
in de motor op temperatuur is gekomen.
Standverwarming meteen uitschakelen
1.
Draai aan het duimwiel totdat
DIRECTE
START
op het display verschijnt.
2.
Druk op de knop RESET om een van de
opties
AAN of UIT te selecteren.
3.
Kies
UIT.
Accu en brandstof
Als de accu niet voldoende opgeladen is of als
de brandstoftank bijna leeg is, wordt de stand-
verwarming uitgeschakeld.
Er verschijnt dan tevens een melding op het
display. Bevestig deze melding met de knop
READ.
BELANGRIJK
Herhaaldelijk gebruik van de standverwar-
ming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de
accu uitgeput raakt en startproblemen ople-
veren.
Bij regelmatig gebruik van de standverwar-
ming moet u even lang in de auto rijden als
de verwarming aanstond. Dit om te zorgen
dat de dynamo evenveel stroom kan bijla-
den als de verwarming verbruikt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 85
evastarck
03 Klimaatregeling
Standverwarming op brandstof*
03
86
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Extra verwarming (diesel)*
Bij koud weer kan extra verwarming nodig zijn
om de passagiersruimte voldoende te verwar-
men.
De extra verwarming wordt automatisch inge-
schakeld wanneer er extra warmte nodig is
terwijl de motor loopt. De verwarming wordt
automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm
genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 86
evastarck
03 Klimaatregeling
03
87
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 87
evastarck
G020908
88
Voorstoelen............................................................................................. 90
Interieurverlichting................................................................................... 93
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte............................................ 95
Achterbank.............................................................................................. 99
Kofferbak............................................................................................... 100
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 88
evastarck
04
INTERIEUR
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 89
evastarck
04 Interieur
Voorstoelen
04
90
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zithouding
G027214
De bestuurders- en passagiersstoel kunnen
worden ingesteld voor een optimale zit- en rij-
houding.
Vooruit/achteruit, de hendel omhoogtillen
om de juiste afstand tot het stuurwiel en de
pedalen in te stellen. Controleer of de stoel
na het afstellen in de nieuwe stand geblok-
keerd staat.
Voorkant zitting hoger/lager zetten –
omhoog-/omlaagpompen*.
Stoel hoger/lager zetten – omhoog-/
omlaagpompen.
Lendensteun wijzigen
1
, aan de knop
draaien.
Hellingshoek rugleuning wijzigen – aan de
knop draaien.
Bedieningspaneel voor elektrisch bedien-
bare stoel.
WAARSCHUWING
Stel de stand van de bestuurdersstoel in
voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rij-
den.
Controleer of de stoel in zijn stand vergren-
deld staat.
Rugleuning voorstoelen omklappen*
G014805
De rugleuning van de passagiersstoel kan wor-
den omgeklapt om ruimte te maken voor lange
lading.
1. Schuif de stoel zo ver mogelijk naar ach-
teren.
2. Zet de rugleuning rechtop (90 graden).
3. Trek de pallen aan de achterzijde van de
rugleuning tijdens het omklappen naar
voren.
4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de
hoofdsteun onder het dashboardkastje
“vast” komt te zitten.
1
Geldt ook voor een elektrisch bedienbare stoel.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 90
evastarck
04 Interieur
Voorstoelen
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
91
Vloermatten*
Volvo biedt vloermatten die speciaal voor de
auto vervaardigd zijn
WAARSCHUWING
Zorg dat de vloermat voor de bestuurders-
stoel goed in de bevestigingsklemmen op
de vloer vastzit om te voorkomen dat deze
kan gaan glijden en achter of onder de
pedalen blijft haken.
Elektrisch bedienbare stoel*
G027036
Tot enige tijd nadat u het portier met de
afstandsbediening hebt ontgrendeld blijft het
mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er
geen sleutel in het contactslot. Het is altijd
mogelijk de stoel te verstellen, wanneer het
contact is ingeschakeld.
Voorkant zitting omhoog/omlaag
Stoel vooruit/achteruit
Stoel omhoog/omlaag
Hellingshoek rugleuning
Er wordt een beveiliging tegen overbelasting
geactiveerd, als een van de stoelen wordt
geblokkeerd. Als dit het geval is, moet u het
contact uitschakelen en enige tijd wachten
voordat u de stoel opnieuw probeert te ver-
stellen. U kunt slechts één verstelfunctie van
de stoel tegelijk activeren.
Stoel met geheugenfunctie*
G027037
Knoppen voor geheugenfunctie.
Instelling vastleggen
1. Verstel de stoel.
2.
Houd knop MEM ingedrukt, terwijl u knop
1, 2 of 3 indrukt.
Stoel in vastgelegde stand zetten
Druk op een van de geheugenknoppen 13,
totdat de stoel tot stilstand komt. Bij het losla-
ten van de knop zal de instelling van de stoel
onmiddellijk worden beëindigd.
Geheugen van transpondersleutel
De positie van de bestuurdersstoel wordt vast-
gelegd, wanneer u de auto met de transpon-
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 91
evastarck
04 Interieur
Voorstoelen
04
92
dersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat
de auto met dezelfde transpondersleutel wordt
ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt
geopend, nemen de bestuurdersstoel en de
buitenspiegels de vastgelegde standen in.
N.B.
Het sleutelgeheugen werkt onafhankelijk
van de geheugenfunctie van de stoel.
Noodstop
Als de stoel per ongeluk in beweging komt,
kunt u op een van de knoppen drukken om de
stoel tot stilstand te brengen.
WAARSCHUWING
Beknellingsgevaar! Laat kinderen niet met
de schakelaars spelen.
Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of
onder de stoel liggen tijdens het verstellen.
Zorg er tevens voor dat geen van de passa-
giers op de achterbank bekneld kan raken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 92
evastarck
04 Interieur
Interieurverlichting
04
``
93
Leeslampjes voorin en
interieurverlichting
G026960
Knoppen op plafondconsole voor bediening lees-
lampjes voorin en interieurverlichting
Leeslampje linksvoor
Interieurverlichting
Leeslampje rechtsvoor
De interieurverlichting
1
wordt in- en uitgescha-
keld door kort op knop (2) te drukken. Ook de
automatische verlichting wordt dan geacti-
veerd c.q. gedeactiveerd (zie pagina 94).
Alle lampjes in het interieur kunnen worden
ingeschakeld met het contactslot in stand I of
II en ook wanneer de motor loopt. De verlich-
ting kan ook worden ingeschakeld binnen 10
minuten nadat:
de motor afgezet is en het contact in stand
0 is gezet;
de auto ontgrendeld is zonder dat de motor
is gestart.
De verlichting dooft daarna automatisch.
Plafondverlichting voorin
De leeslampjes voorin worden in- en uitge-
schakeld met knop (1) en (3).
Plafondverlichting achterin
G027153
Leeslampjes achterin.
Leeslampje linksachter
Leeslampje rechtsachter
De leeslampjes achterin worden in- en uitge-
schakeld met knop (4) en (5).
Instapverlichting
De instapverlichting (alsmede de interieurver-
lichting) wordt in- en uitgeschakeld bij het ope-
nen c.q. sluiten van een portier.
1
De instapverlichting wordt tegelijk met de interieurverlichting in- of uitgeschakeld.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 93
evastarck
04 Interieur
Interieurverlichting
04
94
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Verlichting dashboardkastje
De verlichting in het dashboardkastje wordt in-
en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van
de klep van het kastje.
Make-upspiegel*
G020210
Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u
het klepje optilt.
Automatische verlichting
U kunt de automatische verlichting uitschake-
len door knop (2) (zie pagina 93) meer dan 3
seconden ingedrukt te houden. Bij kort indruk-
ken van de knop schakelt u de automatische
verlichting weer in.
Bij een geactiveerde automatische verlichting
gaat de interieurverlichting automatisch
2
30
seconden lang branden wanneer:
de auto wordt ontgrendeld met een sleutel
of afstandsbediening
u de contactsleutel na het afzetten van de
motor naar stand
0 draait.
De interieurverlichting gaat aan en blijft 10
minuten lang branden, wanneer een van de
portieren wordt geopend tenzij u de interieur-
verlichting hebt uitgeschakeld.
De interieurverlichting gaat uit, wanneer:
u de motor start;
de auto wordt vergrendelt met een sleutel
of afstandsbediening.
De geprogrammeerde inschakelduur (30
seconden resp. 10 minuten) is te wijzigen in
een Volvo-werkplaats.
2
De functie is afhankelijk van de lichtinval en wordt alleen geactiveerd wanneer het donker is.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 94
evastarck
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
``
95
Opbergmogelijkheden
G027219
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 95
evastarck
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
96
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zonnebrilvak, bestuurderszijde*
Opbergvak
Parkeerkaarthouder
Bekerhouders*
Dashboardkastje
Opbergvak in middenconsole
Vak in portierpaneel
Bekerhouder in armsteun, achterbank
Opbergvak
WAARSCHUWING
Zorg dat er geen harde, scherpe of zware
voorwerpen in de weg liggen of uitsteken
om te voorkomen dat ze verwondingen ver-
oorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Maak grote en zware voorwerpen altijd vast
met een van de veiligheidsgordels of een
bagageband.
Opbergvak in middenconsole
G027215
U kunt het opbergvak achter in de midden-
console gebruiken om bijvoorbeeld cd’s
e.d. in te bewaren. Het opbergvak kan wor-
den voorzien van een handset
+ houder*.
Voorste opbergvak (voorzien van schuif-
klepje) - Het voorste opbergvak in de mid-
denconsole is uit te rusten met het vol-
gende:
Bekerhouders*
Asbak*
12V-aansluiting
Asbak*
Bekerhouder in achterste opbergvak
voor achterbank
G027216
Druk op de linker knop van de armleuning en
klap het deksel van de middenconsole naar
achteren toe open om bij het opbergvak of de
handset te komen.
Druk op de rechter knop van de armleuning en
klap het bovenste gedeelte van het deksel op
de middenconsole naar achteren toe open om
de bekerhouder te gebruiken. De bekerhouder
en het deksel zijn elk apart te sluiten.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 96
evastarck
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
97
Bekerhouder in voorste opbergvak*
De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen:
Duw de bekerhouder naar voren, terwijl u
deze aan de achterkant optilt.
Duw de bekerhouder achteruit, in de uit-
sparing, onder het schuifklepje.
Kantel de voorkant van de bekerhouder
omhoog en verwijder de houder.
Breng de bekerhouder in omgekeerde volg-
orde weer aan.
Bekerhouder in dashboard*
G027225
±
Druk op de houder om de bekerhouder uit
te doen schuiven.
±
Duw de bekerhouder na gebruik weer in
het dashboard.
N.B.
Gebruik nooit glazen flessen. Let er tevens
op dat warme dranken gevaar voor brand-
wonden opleveren.
Dashboardkastje
G027351
Positie van bijvoorbeeld tankpassen in het dash-
boardkastje.
In het dashboardkastje kunt u bijvoorbeeld het
instructieboekje, wegenkaarten, pennen en
tankpassen bewaren.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 97
evastarck
04 Interieur
Opbergmogelijkheden in passagiersruimte
04
98
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kledinghaak
G027328
De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al
te zware kledingsstukken.
Flessenhouder achterin*
G027222
Doe het volgende om de flessenhouder te
gebruiken:
1. Klap de houder uit.
2. Zet de fles erin.
De flessenhouder is tevens te gebruiken als
prullenbak. Breng van onderaf een afvalzak in
de houder aan en vouw de randen van de zak
om.
N.B.
Er bestaan geen speciale afvalzakken voor
de houder. U kunt gebruik maken van
gewone plastic zakken.
Bekerhouder in armsteun,
achterbank*
G027213
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 98
evastarck
04 Interieur
Achterbank
04
99
Hoofdsteunen achterbank
G028074
Hoogte van hoofdsteun instellen
De middelste hoofdsteun van de achterbank
kunt u in de hoogte afstellen op de lengte van
de passagier. Trek de hoofdsteun zo ver
omhoog als nodig is. Als u de hoofdsteun lager
wilt zetten, moet u tegelijkertijd de pal achter
de ene poot indrukken (zie afbeelding).
Ruggedeelte achterbank omklappen
8503282m
G027327
U kunt de beide ruggedeelten van de achter-
bank tegelijk of elk apart omklappen. Dit maakt
het vervoer van lange bagage eenvoudiger.
Ga als volgt te werk om de ruggedeelten van
de achterbank voorover te klappen:
1. Controleer eerst of de hoofdsteunen niet
zijn omgeklapt.
2. Trek aan de handgrepen in de kofferbak
zoals aangegeven in de figuur.
3. Klap de ruggedeelten voorover.
G028003
In het rechter ruggedeelte van de achterbank
zit een luik, dat u kunt openen voor het vervoer
van lange bagage zoals ski’s of latten.
U opent het luik als volgt:
1. Klap het linker ruggedeelte en de midden-
armsteun neer.
2. Duw de grendel van het luik omhoog en
klap het luik naar voren toe open.
3. Zet het ruggedeelte weer rechtop met het
luik open.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 99
evastarck
04 Interieur
Kofferbak
04
100
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Doorsteekluik
G028068
Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de
lading vast te zetten.
Geïntegreerd kinderzitje
Het deksel op de armsteun/het geïntegreerde
kinderzitje van de achterbank is niet voorzien
van scharnieren. U moet het deksel dan ook
verwijderen voordat u gebruik maakt van het
doorsteekluik.
N.B.
Als de auto is uitgerust met een geïnte-
greerd kinderzitje, moet u dat eerst uitklap-
pen.
Bij verwijderen
1. Verdraai het deksel 30°.
2. Trek het recht omhoog.
Bij aanbrengen
1. Plaats het deksel in de groeven achter de
bekleding terug.
2. Sluit het deksel.
WAARSCHUWING
Zorg dat u de bagage altijd goed verankert.
Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk
gaan schuiven en inzittenden verwonden.
Dek scherpe randen met iets zachts af.
Zet de motor af en zet de parkeerrem aan
bij het in- en uitladen van lange voorwerpen!
Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen
de versnellingspook of keuzehendel aan
komen en zo per ongeluk een versnelling
inschakelen, waarna de auto kan gaan rol-
len.
Houder voor boodschappentassen*
G027223
Open het luik in de kofferbak. Hang of bind de
boodschappentassen vast met de bagage-
band.
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar
gewicht van de auto verminderd met dat van
de gemonteerde accessoires.
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen.
De gemonteerde accessoires zoals een trek-
haak, lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegre-
pen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 100
evastarck
04 Interieur
Kofferbak
04
101
Het laadvermogen van de auto moet tevens
worden verminderd met het gewicht van het
aantal inzittenden.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 101
evastarck
102
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Sleutels en afstandsbediening.............................................................. 104
Vergrendelen en ontgrendelen.............................................................. 107
Kinderslot.............................................................................................. 111
Alarm*.................................................................................................... 112
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 102
evastarck
05
SLOTEN EN ALARM
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 103
evastarck
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
05
104
Sleutels
G030179
Hoofdsleutel. De hoofdsleutel past op alle sloten.
Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een
1
zijn inklapbaar en voorzien van een inge-
bouwde afstandsbediening. Met de service-
sleutel valt het dashboardkastje niet te ont-
grendelen.
Verlies van een sleutel
Als u een van de sleutels verliest, moet u con-
tact opnemen met een erkende Volvo-werk-
plaats en alle resterende sleutels van de auto
meenemen. Ter voorkoming van diefstal moet
de code van de zoekgeraakte sleutel uit het
systeem worden gewist. Tegelijkertijd moeten
de codesignalen van de resterende sleutels
opnieuw in het systeem worden geprogram-
meerd.
De unieke code van de sleutels is bekend bij de
erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe
sleutels kunnen worden besteld.
Er kunnen maximaal zes afstandsbedieningen/
sleutels voor één en dezelfde auto worden
geprogrammeerd en gebruikt.
Elektronische startblokkering
De sleutels zijn voorzien van gecodeerde
chips. Deze code moet overeenkomen met die
van de lezer (ontvanger) in het contactslot. U
kunt de auto alleen starten, wanneer u een
sleutel met de juiste code gebruikt.
N.B.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel (1) moet
volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld) bij
het starten van de auto. Anders bestaat het
risico dat de startblokkering in werking
treedt en de motor niet kan worden gestart.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere
sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde
sleutelbos hangen. Anders kan de elektroni-
sche startblokkering per ongeluk worden
geactiveerd, zodat de auto niet kan worden
gestart.
Functies afstandsbediening
G027013
Ontgrendelen
Bij eenmaal indrukken van de knop worden alle
portieren, het kofferdeksel en de tankvulklep
ontgrendeld.
1
Bepaalde markten.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 104
evastarck
servicesleutel geleverd . De hoofdsleutels
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
05
``
105
Kofferdeksel
Bij tweemaal indrukken van de knop wordt
alleen het kofferdeksel ontgrendeld.
Paniekfunctie
Gebruik de paniekfunctie om in noodgevallen
de aandacht van anderen te trekken.
Als u de rode knop ten minste 3 seconden lang
ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen
drie seconden indrukt, worden de richtingaan-
wijzers, de interieurverlichting en de claxon
geactiveerd.
U schakelt de paniekfunctie weer uit met een
druk op een willekeurige knop van de afstands-
bediening. Als u niets doet, wordt de paniek-
functie na 25 seconden automatisch uitge-
schakeld.
Approach-verlichting
Doe het volgende, wanneer u op de auto toe-
loopt:
±
Druk op de gele knop van uw afstandsbe-
diening.
De interieurverlichting, de stadslichten vóór en
verlichting achter, de kentekenplaatverlichting
en de lampjes in de buitenspiegels (optie) gaan
branden. De lampen blijven 30, 60 of 90 secon-
den branden. In een erkende Volvo-werkplaats
kunt u een passende inschakelduur laten
instellen.
Doe het volgende om de Approach-verlichting
uit te schakelen:
±
Druk nogmaals op de gele knop van uw
afstandsbediening.
Vergrendelen
Met de knop vergrendelt u alle portieren, het
kofferdeksel en de tankvulklep.
Voor de tankvulklep geldt een vertraging van
ca. 10 minuten.
Sleutel in-/uitklappen
U kunt de sleutel inklappen door de knop in te
drukken, terwijl u het mechanische gedeelte
inklapt.
De ingeklapte sleutel wordt automatisch uitge-
klapt met een druk op de knop.
Batterij in afstandsbediening
vervangen
G027011
Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke
afstand reageren op signalen van de afstands-
bediening, moet u de batterij bij de eerstvol-
gende servicebeurt vervangen.
1. Haal de afdekking los door deze met een
smalle schroevendraaier aan de achter-
kant voorzichtig open te wrikken.
2. Vervang de batterij (type CR 2032, 3 V) en
zorg dat de pluspool omhoogwijst. Kom
niet met uw vingers aan de polen van de
batterij of de contactvlakken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 105
evastarck
05 Sloten en alarm
Sleutels en afstandsbediening
05
106
3. Plaats de afdekking terug. Zorg dat het
afdichtrubber goed zit en intact is, zodat er
geen vocht kan binnendringen.
Geef de lege batterij af bij de Volvo-dealer,
zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze
wordt verwerkt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 106
evastarck
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
``
107
Auto van de buitenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
G027206
Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening
kunt u alle zijportieren en de bagageklep tege-
lijkertijd vergrendelen of ontgrendelen. De ver-
grendelingsknoppen op de portieren en de
portierhandgrepen aan de binnenzijde zijn dan
niet meer te bedienen
1
.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat. De tankvulklep
blijft 10 minuten lang onvergrendeld staan,
nadat u de auto vergrendeld hebt.
Ook als er nog een portier of het kofferdeksel
openstaat is het mogelijk de auto te vergren-
delen
1
. Wanneer u het geopende portier of het
kofferdeksel vervolgens sluit bestaat het
gevaar dat u zich buitensluit met de sleutels
nog in de auto.
Automatische hervergrendeling
Als u geen van de portieren noch het koffer-
deksel binnen twee minuten na ontgrendeling
van de buitenzijde met de transpondersleutel
opent, worden alle sloten automatisch weer
vergrendeld. Deze functie beperkt de kans dat
u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten
staan. Voor auto’s met alarmsysteem (zie
pagina 112).
Automatische vergrendeling
G029647
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuur-
dersportier kunt u de automatische vergrende-
ling activeren of deactiveren.
Bij automatische vergrendeling worden de por-
tieren automatisch vergrendeld wanneer de
auto een snelheid bereikt van meer dan
7 km/h. De portieren blijven vergrendeld totdat
een portier van de binnenzijde worden
geopend of alle portieren tegelijkertijd worden
ontgrendeld vanaf het bedieningspaneel.
1
Geldt voor bepaalde markten
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 107
evastarck
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
108
Activeren/deactiveren
1.
De contactsleutel moet in stand I of II
staan.
2.
Druk op de knop READ op de linker stuur-
hendel om eventuele meldingen op het dis-
play te bevestigen.
3. Houd de knop voor centrale vergrendeling
ingedrukt, totdat er een nieuwe melding
over de vergrendelingsstatus op het dis-
play verschijnt.
De melding
AUTOLOCK GEACTIVEERD
(automatische vergrendeling tijdens het weg-
rijden) of AUTOLOCK GEDEACTIVEERD
verschijnt op het display.
Auto van de binnenzijde vergrendelen/
ontgrendelen
G029647
Vanaf het bedieningspaneel op het bestuur-
dersportier (of het passagiersportier) zijn alle
portieren en het kofferdeksel gelijktijdig te ver-
grendelen dan wel te ontgrendelen.
Alle portieren zijn te vergrendelen met de ver-
grendelknop op het bedieningspaneel van het
bewuste portier.
Als de auto niet van de buitenzijde vergrendeld
werd, is deze te ontgrendelen door een portier
met de handgreep te openen.
2
Kofferdeksel ontgrendelen/
vergrendelen
Met afstandsbediening
Ga als volgt te werk om alleen het kofferdeksel
te ontgrendelen:
±
Druk tweemaal op de knop voor ontgren-
deling van het kofferdeksel op de afstands-
bediening.
Het kofferdeksel wordt daarbij ontgrendeld
en gaat een stukje open.
Als alle portieren zijn vergrendeld wanneer u
het kofferdeksel weer sluit, wordt ook het kof-
ferdeksel automatisch vergrendeld.
2
Geldt voor bepaalde markten.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 108
evastarck
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
109
Met hoofdsleutel
G027208
In noodgevallen (als de afstandsbediening
defect is of als de stroom is weggevallen) kunt
u de hoofdsleutel gebruiken om het kofferdek-
sel handmatig te ontgrendelen. U doet dat als
volgt:
1. Steek de hoofdsleutel boven of onder in
het kapje dat het slot afdekt.
2. Wip het kapje vervolgens naar boven of
beneden toe los.
3. Ontgrendel het kofferdeksel met de sleutel.
Privacy locking kofferdeksel*
G027172
Deze functie is bestemd voor als u de auto
afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem
bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren.
Geef de servicesleutel af zodat het personeel
de auto kan ontgrendelen en erin kan rijden
maar geen toegang heeft tot de kofferbak (of
het dashboardkastje als u dat vergrendeld hebt
met de hoofdsleutel).
Privacy Locking activeren
1.
Draai de hoofdsleutel naar stand II.
2. Druk op de knop. Het lampje in de knop
brandt om aan te geven dat de functie
geactiveerd is. Er verschijnt tevens een
tekst op het display.
Privacy Locking deactiveren
±
Draai de hoofdsleutel naar stand II en druk
nogmaals op de knop.
Dashboardkastje vergrendelen
U kunt het dashboardkastje alleen vergrende-
len/ontgrendelen met de hoofdsleutel en dus
niet met de servicesleutel.
Safelock-functie
Bij activering van de Safelock-functie zijn de
portieren niet meer van de binnenzijde te ope-
nen, als ze eenmaal vergrendeld zijn.
De Safelock-functie kan alleen van de buiten-
zijde worden geactiveerd door het bestuur-
dersportier met de sleutel of de afstandsbe-
diening te vergrendelen. Alle portieren moeten
zijn gesloten, voordat u de Safelock-functie
kunt activeren. De portieren kunnen daarna
niet meer van de binnenzijde worden geopend.
De auto kan alleen van de buitenzijde worden
geopend met de sleutel in het bestuurderspor-
tier of met de afstandsbediening.
De Safelock-functie treedt 25 seconden na het
sluiten van de portieren in werking.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 109
evastarck
05 Sloten en alarm
Vergrendelen en ontgrendelen
05
110
Tijdelijk deactiveren
G027230
Als u de portieren van de buitenzijde wilt ver-
grendelen terwijl er iemand in de auto achter-
blijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uit-
schakelen.
1. Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
2. Druk op de knop.
Als de auto is uitgerust met alarm stelt u ook
de bewegingsmelder en niveausensoren bui-
ten werking (zie pagina 113).
Het lampje in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of met de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een melding op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt.
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegings-
melders en niveausensoren van het alarmsys-
teem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
N.B.
Bij auto’s met alarmsysteem:
let erop dat de auto bij het vergrendelen op
alarm wordt gezet.
Wanneer een van de portieren van de bin-
nenzijde wordt geopend, gaat het alarm af.
WAARSCHUWING
Laat niemand in de auto zitten op het
moment dat de Safelock-functie geacti-
veerd is.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 110
evastarck
05 Sloten en alarm
Kinderslot
05
111
Handbediend kinderslot,
achterportieren
De bedieningscilinders van het kinderslot zitten
achter op de korte kant van de achterportieren,
zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de por-
tieren openstaan.
Gebruik een plat metalen voorwerp zoals een
schroevendraaier om de bedieningscilinders te
verdraaien en zo de kindersloten in of uit te
schakelen.
A
B
G021514
Bedieningscilinder kinderslot, linker achterportier
G021515
Bedieningscilinder kinderslot, rechter achterpor-
tier
Ingeschakeld kinderslot – de achterportie-
ren kunnen niet van de binnenzijde worden
geopend: Naar buiten toe draaien.
Uitgeschakeld kinderslot – de achterpor-
tieren kunnen wel van de binnenzijde wor-
den geopend: Naar binnen toe draaien.
N.B.
Zolang het kinderslot actief is zijn de ach-
terportieren niet van de binnenzijde te ope-
nen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 111
evastarck
05 Sloten en alarm
Alarm*
05
112
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Alarmsysteem
Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden
alle beveiligde onderdelen continu gecontro-
leerd. Het alarm gaat af, als:
de motorkap wordt geopend;
het kofferdeksel wordt geopend;
een van de zijportieren wordt geopend;
het contactslot wordt omgedraaid met een
verkeerde sleutel of wordt gemanipuleerd;
er een beweging in de passagiersruimte
wordt waargenomen (als er een bewe-
gingsmelder* aanwezig is);
de auto wordt opgetakeld of weggesleept
(op auto’s met een niveausensor*);
de accukabel wordt losgekoppeld;
iemand de sirene probeert los te koppelen.
Alarmindicatie
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
de led is uit – het alarm is uitgeschakeld.
de led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld;
de led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm tot aan het
moment van aanzetten van het contact –
het alarm is afgegaan.
Als er een storing in het alarmsysteem is opge-
treden, verschijnt er een displaymelding. Neem
dan contact op met een erkende Volvo-werk-
plaats.
N.B.
Voer nooit zelf reparaties aan of wijzigingen
in het alarmsysteem uit. Dergelijke ingrepen
kunnen van invloed zijn op de verzekerings-
voorwaarden.
Alarm inschakelen
Druk op de knop LOCK van de afstandsbedie-
ning. De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af ter bevestiging dat het
alarm is ingeschakeld en dat alle portieren zijn
gesloten. Op bepaalde markten kunt u het
alarm inschakelen met de sleutel of met de
knop op het bestuurdersportier.
BELANGRIJK
De richtingaanwijzers van de auto geven
een lang lichtsignaal af en de led op het
dashboard licht om de twee seconden een-
maal op ter bevestiging dat het alarm volle-
dig is ingeschakeld.
Alarm uitschakelen
Druk op de knop UNLOCK van de afstands-
bediening. De richtingaanwijzers van de auto
geven twee korte lichtsignalen af ter bevesti-
ging dat het alarm is uitgeschakeld.
Als de batterijen in de afstandsbediening leeg
zijn, kunt u het alarm uitschakelen door de con-
tactsleutel naar stand II te draaien.
Automatische inschakeling van het
alarm
Als u geen van de portieren noch het koffer-
deksel binnen twee minuten na uitschakeling
van het alarm opent (en de auto werd met de
afstandsbediening ontgrendeld), dan wordt het
alarm automatisch weer ingeschakeld. De auto
wordt tegelijkertijd vergrendeld. Deze functie
voorkomt dat u de auto onbedoeld kunt ach-
terlaten zonder het alarm in te schakelen.
In bepaalde landen (zoals in België, Israël e.d.)
wordt het alarm na enige vertraging automa-
tisch weer ingeschakeld, wanneer het bestuur-
dersportier werd geopend en gesloten maar
daarna niet werd vergrendeld.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 112
evastarck
05 Sloten en alarm
Alarm*
05
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
113
Geactiveerd alarm uitschakelen
Om het alarm uit te schakelen wanneer het
eenmaal is afgegaan, moet u op de knop
UNLOCK van de afstandsbediening drukken.
De richtingaanwijzers van de auto geven ter
bevestiging twee korte lichtsignalen af.
Geluidssignalen, alarm
Een sirene met reservebatterij geeft de geluids-
signalen voor het alarm af. De geluidssignalen
duren telkens 25 seconden.
Lichtsignalen, alarm
Wanneer het alarm afgaat, gaan alle richting-
aanwijzers 5 minuten lang knipperen of korter
wanneer u het alarm volgens de bovenstaande
aanwijzingen eerder uitschakelt.
Beperkt alarmniveau
G027228
Om te voorkomen dat het alarm afgaat wan-
neer u bijvoorbeeld een hond in de auto ach-
terlaat of gebruik maakt van een veerboot, kunt
u de bewegingsmelder en de niveausensoren
tijdelijk uitschakelen en wel als volgt:
1. Steek de sleutel in het contactslot, draai
deze naar stand II en vervolgens terug naar
stand I of 0.
2. Druk op de knop.
Het lampje in de knop licht op en blijft branden,
totdat u de auto met de sleutel of met de
afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt
een melding op het display zolang de sleutel in
het contactslot steekt.
Als de auto is uitgerust met Safelock-functie,
wordt ook deze functie uitgeschakeld (zie
pagina 109).
De volgende keer dat u de motor start, wordt
het systeem gereset, waarna de bewegings-
melders en niveausensoren van het alarmsys-
teem alsmede de Safelock-functie opnieuw
zijn ingeschakeld.
Alarmsysteem testen
Test van de bewegingsmelder
1. Open alle ruiten.
2. Activeer het alarm. Het lampje knippert
langzaam om aan te geven dat het alarm is
ingeschakeld.
3. Wacht 30 seconden.
4. Test de bewegingsmelder in de passa-
giersruimte door een tas of iets dergelijks
van de stoel te pakken. Het alarmsysteem
moet dan geluids- en knippersignalen
afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Portieren testen
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 113
evastarck
05 Sloten en alarm
Alarm*
05
114
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3. Ontgrendel de auto met de sleutel aan de
bestuurderszijde.
4. Open een van de portieren. Het alarmsys-
teem moet dan geluids- en knippersigna-
len afgeven.
5. Herhaal deze test voor het andere voor-
portier.
6. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Motorkap testen
1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewe-
gingsmelder.
2. Activeer het alarm (blijf in de auto zitten en
vergrendel de portieren met de knop op de
afstandsbediening).
3. Wacht 30 seconden.
4. Ontgrendel de motorkap met de hand-
greep onder het dashboard. Het alarm
moet vervolgens geluids- en knippersigna-
len afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
Test van het kofferdeksel
1. Activeer het alarm.
2. Wacht 30 seconden.
3. Ontgrendel het kofferdeksel met behulp
van de sleutel in het bestuurdersportier
zonder een portier te openen.
4. Open het kofferdeksel met de handgreep.
Het alarmsysteem moet dan geluids- en
knippersignalen afgeven.
5. Deactiveer het alarm door de auto via de
afstandsbediening te ontgrendelen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 114
evastarck
05 Sloten en alarm
05
115
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 115
evastarck
G020912
116
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie............................................................................. 118
Brandstof tanken................................................................................... 120
Motor starten......................................................................................... 122
Handgeschakelde versnellingsbak....................................................... 124
Automatische versnellingsbak.............................................................. 125
Vierwielaandrijving, AWD* (All Wheel Drive).......................................... 128
Remsysteem......................................................................................... 129
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*..................................................... 132
Actief chassis (FOUR-C)*...................................................................... 134
Park Assist*........................................................................................... 135
Slepen en bergen.................................................................................. 137
Starten met een hulpaccu..................................................................... 139
Rijden met een aanhanger.................................................................... 140
Trekhaak*.............................................................................................. 142
Afneembare trekhaak*........................................................................... 144
Lading op het dak................................................................................. 148
Lichtbundel aanpassen......................................................................... 150
BLIS (Blind Spot Information System)*................................................. 157
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 116
evastarck
06
STARTEN EN RIJDEN
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 117
evastarck
06 Starten en rijden
Algemene informatie
06
118
Zuinig rijden
Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en
rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op
de verkeerssituatie. Voor meer tips om het
milieu te sparen (zie pagina 12).
Let op het volgende:
Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfs-
temperatuur komen! Dat wil zeggen: Laat
de motor niet stationair lopen, maar rijd zo
snel mogelijk met lichte belasting.
Een koude motor verbruikt meer brandstof
dan een warme.
Laat de auto zo veel mogelijk staan voor de
kortere ritten, waarbij de motor niet op
temperatuur komt.
Rijd rustig! Vermijd onnodig snel optrekken
en krachtig remmen.
Laat zware lading niet onnodig lang in de
auto liggen.
Gebruik geen winterbanden op sneeuw-
vrije en droge wegen.
Verwijder de lastdrager, wanneer u deze
niet meer nodig hebt.
Open de zijruiten niet onnodig.
Rijd niet met een geopend kofferdeksel
Wanneer u met het kofferdeksel open rijdt,
kunnen er uitlaatgassen en daarmee giftig
koolmonoxide via de kofferbak de passagiers-
ruimte in worden gezogen. Als u echter toch
een stukje met een geopend kofferdeksel moet
rijden, doe dan het volgende:
1. Doe alle ruiten dicht.
2. Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer
en laat de ventilator op de hoogste snel-
heid draaien.
Nieuwe auto’s en gladde wegen
Het rijgedrag van de auto varieert afhankelijk
van de vraag of uw auto is uitgerust met een
handgeschakelde of een automatische ver-
snellingsbak. Aarzel daarom niet om onder
gecontroleerde omstandigheden (zoals op een
slipbaan) te testen hoe de auto bij gladheid
reageert.
Doorwaaddiepte
U kunt met de auto door waterpartijen van
maximaal 25 cm diep rijden met een maxi-
mumsnelheid van 10 km/h. Wees extra voor-
zichtig bij het doorwaden van stromend water.
BELANGRIJK
Er kan schade aan de motor ontstaan, als er
water in het luchtfilter dringt.
Bij diepe waterpartijen kan er water in de
transmissie dringen. De smerende eigen-
schappen van de oliën nemen daarbij af,
waardoor de genoemde systemen minder
lang meegaan.
Houd een lage snelheid aan tijdens het waden
en breng de auto niet in het water tot stilstand.
Trap na het passeren van de waterpartij lichtjes
op het rempedaal om te controleren of de rem-
werking in orde is. Bij water en vuil op de
remblokken kunnen er vertragingen in de rem-
werking optreden.
N.B.
Maak de aansluitingen voor de elektrische
motorverwarming en de aanhangerkoppe-
ling schoon na ritten in water en modder.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 118
evastarck
06 Starten en rijden
Algemene informatie
06
119
BELANGRIJK
Laat de auto niet langdurig in water staan
dat tot boven de dorpelbalken komt om
elektrische storingen te voorkomen.
Probeer de motor na afslag in een water-
partij niet opnieuw te starten. Sleep de auto
uit de waterpartij.
Accu niet overmatig belasten
De elektrische functies van de auto belasten de
accu in verschillende mate. Laat de contact-
sleutel niet te lang achtereen in stand II staan,
als u de motor hebt afgezet. Gebruik liever
stand I. Op die manier wordt er minder stroom
afgenomen. De 12V-aansluiting in de kofferbak
levert ook spanning als u de contactsleutel
hebt uitgenomen.
Voorbeelden van onderdelen/systemen die
veel stroom afnemen zijn:
interieurventilator
ruitenwissers
audiosysteem
stadslichten.
Let er tevens op dat de verschillende acces-
soires het elektrische systeem belasten. Scha-
kel onderdelen/systemen die veel stroom
nemen uit, wanneer u de motor hebt afgezet.
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
melding op het display. De melding blijft op het
display staan, totdat de motor is aangeslagen.
De energiebesparingsfunctie schakelt
bepaalde onderdelen/systemen uit of verlaagt
de belasting van de accu door bijvoorbeeld de
interieurventilator lager te zetten en het audio-
systeem uit te schakelen.
U laadt de accu op door de motor te starten.
Voorkom oververhitting van de motor
en het koelsysteem
In bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld op
steile hellingen en bij het vervoer van een zware
lading, bestaat het gevaar dat de motor en het
koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in het
bijzonder bij warm weer.
Tips om oververhitting in het
koelsysteem te voorkomen
Houd een lage snelheid aan, wanneer u
met een aanhanger achter de auto een
lange, steile helling oprijdt.
Schakel van tijd tot tijd de airconditioning
uit.
Laat de motor bij voorkeur niet stationair
lopen.
Na een zware rit moet u de motor niet
meteen afzetten, maar nog enige tijd stati-
onair laten lopen.
Verwijder verstralers die voor de grille zit-
ten, als u bij extreem warm weer rijdt.
Doe het volgende om oververhitting van
de motor te voorkomen:
Laat de motor geen hogere toeren maken dan
4500 omw/min (3500 omw/min bij dieselmoto-
ren), wanneer u met een aanhanger of caravan
achter de auto in heuvelachtig gebied rijdt.
Anders kan de olietemperatuur te hoog oplo-
pen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 119
evastarck
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
120
Tankvulklep openen
G027073
De tankdop vindt u achter de tankvulklep in het
spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen aan
de binnenzijde van de tankvulklep.
De tankvulklep kan worden geopend, wanneer
de auto onvergrendeld staat.
N.B.
De tankvulklep blijft tien minuten lang
onvergrendeld staan, nadat u de auto hebt
vergrendeld.
Tankvulklep handmatig openen
G027212
Wanneer u de tankvulklep niet op de normale
manier kunt openen moet u de tankvulklep wel-
licht handmatig openen.
1. In de rechter zijwand van de kofferbak zit
een afneembaar luikje. Verwijder het.
2. Steek uw hand door de opening en zoek
de elektrische vergrendeling van de tank-
vulklep op – deze zit ter hoogte van de
achterkant van de tankvulklep.
3. Trek de pal recht naar achteren.
WAARSCHUWING
Er zitten onderdelen met scherpe randen
achter het paneel. Beweeg uw hand daarom
langzaam en voorzichtig.
Tankdop
Bij hoge buitentemperaturen kan er een
bepaalde mate van overdruk in de brandstof-
tank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam
open.
N.B.
Breng na het tanken de tankdop weer aan
en draai deze zo ver dicht dat u een of meer
klikken hoort.
WAARSCHUWING
Schakel voordat u gaat tanken uw mobiele
telefoon uit. Het belsignaal kan aanleiding
geven tot vonkvorming en daarbij de brand-
stofdampen ontsteken met gevaar voor
brand en verwondingen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 120
evastarck
06 Starten en rijden
Brandstof tanken
06
121
Benzine tanken
Giet de tank niet te vol door het vulpistool na
de eerste afslag uit de vulopening te halen.
N.B.
Een te volle tank kan bij warm weer overlo-
pen.
Voeg nooit op eigen initiatief reinigende
additieven (dopes) aan de benzine toe zon-
der het uitdrukkelijke advies van een Volvo-
werkplaats.
BELANGRIJK
Giet benzinemodellen altijd met loodvrije
benzine vol om te voorkomen dat de kata-
lysator beschadigd raakt.
Dieselolie tanken
Bij lage temperaturen (–5 °C tot –40 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aan-
leiding kan geven tot startproblemen. Zorg er
daarom voor dat u tijdens de wintermaanden
speciale winterbrandstof gebruikt.
Roetfilter dieselmotor (DPF)
Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter,
waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreini-
ging mogelijk is. Onder normale rijomstandig-
heden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgas-
sen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te
verbranden en het filter te legen wordt een
zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet
de motor de normale bedrijfstemperatuur heb-
ben.
Afhankelijk van de rijomstandigheden wordt
het filter om de 300–900 kilometer geregene-
reerd. De regeneratie duurt normaal 10 tot 20
minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan
dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie
kan het brandstofverbruik ietwat stijgen.
Regeneratie bij koud weer
Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt,
komt de motor niet voldoende op temperatuur.
Dit betekent dat het roetfilter niet geregene-
reerd en niet geleegd wordt.
Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeel-
tjes gevuld is, licht een oranje gevarendriehoek
op het instrumentenpaneel op en verschijnt de
melding ROETFILTER VOL ZIE
HANDLEIDING
op het display van het instru-
mentenpaneel.
U start de regeneratie van het filter door met de
auto op een secundaire weg of op een snelweg
te rijden tot de motor voldoende op tempera-
tuur is gekomen. Daarna rijdt u nog ca. 20
minuten verder. Tijdens de regeneratie levert
de motor van de auto iets minder vermogen.
Na afloop van de regeneratie verdwijnt de
waarschuwingsmelding automatisch.
Wanneer u bij koud weer de standverwar-
ming* inschakelt, bereikt de motor sneller de
normale bedrijfstemperatuur.
BELANGRIJK
Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is,
kan het onbruikbaar worden. De motor start
dan moeilijk en de kans bestaat dat het filter
moet worden vervangen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 121
evastarck
06 Starten en rijden
Motor starten
06
122
Voordat de motor wordt gestart
±
Trek de handrem aan.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand P of N.
Handgeschakelde versnellingsbak
Zet de versnellingspook in de neutrale stand en
houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt.
Dit is met name van belang bij strenge vorst.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rij-
den uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. U loopt anders het gevaar
dat het stuurslot wordt geactiveerd, waar-
door de auto onbestuurbaar wordt.
Bij het slepen moet de contactsleutel in
stand II staan.
N.B.
Tijdens de koude start is het mogelijk dat het
motortoerental merkbaar hoger ligt dan nor-
maal is voor bepaalde motortypes. Dit
omdat ernaar wordt gestreefd het uitlaat-
gasreinigingssysteem zo snel mogelijk op
bedrijfstemperatuur te brengen en tegelij-
kertijd de uitstoot te beperken van stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu.
Het sleutelblad van de hoofdsleutel moet
volledig zijn uitgeklapt (zie afbeelding op
pagina 104) bij het starten van de auto.
Anders bestaat het risico dat de startblok-
kering in werking treedt en de motor niet kan
worden gestart.
Motor starten
Benzine
Draai de contactsleutel naar de startstand.
Als de motor niet binnen 5–10 seconden aan-
slaat, moet u de sleutel loslaten en een nieuwe
startpoging doen.
Dieselolie
Draai de contactsleutel naar de rijstand.
Op het instrumentenpaneel gaat een controle-
lampje branden om aan te geven dat de motor
wordt voorverwarmd (zie pagina 46).
Draai de sleutel naar de rijstand, wanneer het
controlelampje uitgaat.
Contact- en stuurslot
0 – Blokkeerstand
Het stuurslot blokkeert het
stuurwiel, wanneer u de sleu-
tel uitneemt.
I – Radiostand
Bepaalde onderdelen van het
elektrische systeem kunnen
worden ingeschakeld. Het
elektrische systeem van de
motor is echter uitgescha-
keld.
II – Rijstand
De stand waarin de contact-
sleutel tijdens het rijden staat.
Het complete elektrische sys-
teem van de auto is ingescha-
keld.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 122
evastarck
06 Starten en rijden
Motor starten
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
123
III – Startstand
De startmotor wordt inge-
schakeld. Wanneer u nadat
de motor is aangeslagen de
sleutel loslaat, veert deze
automatisch terug naar de
rijstand. Als het u moeite kost
om de sleutel om te draaien,
is het mogelijk dat de stand van de voorwielen
voor spanningen in het stuurslot zorgt. Draai de
contactsleutel in dat geval om, terwijl u het
stuurwiel heen en weer draait.
Zorg dat het stuurwiel geblokkeerd is, wanneer
u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans op
diefstal.
Contactsleutels en elektronische
startblokkering
Laat de contactsleutel nooit samen met andere
sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde
sleutelbos hangen. Als u dat wel doet, kan de
elektronische startblokkering onbedoeld wor-
den geactiveerd. Als dat gebeurt, moet u de
andere sleutels van de sleutelbos halen en de
motor opnieuw starten.
Laat de motor meteen na een koude start nooit
op te hoge toeren draaien! Neem contact op
met een Volvo-werkplaats, als de motor niet
aanslaat of overslaat.
WAARSCHUWING
Neem de contactsleutel nooit tijdens het rij-
den uit het contactslot, ook niet als de auto
gesleept wordt. Schakel nooit tijdens het rij-
den het contact uit (sleutel in stand 0) en
neem de contactsleutel evenmin uit het
contactslot. U loopt dan het gevaar dat het
stuurslot wordt geactiveerd, waarbij de auto
onbestuurbaar wordt.
Snelheidsafhankelijke
stuurbekrachtiging*
Wanneer de auto is uitgerust met snelheidsaf-
hankelijke stuurbekrachtiging, is de auto
gemakkelijker te besturen op lage snelheden
zodat bijvoorbeeld het parkeren minder moeite
kost.
Naarmate de snelheid hoger wordt nemen de
stuurkrachten toe, waardoor u een beter
gevoel met de weg krijgt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 123
evastarck
06 Starten en rijden
Handgeschakelde versnellingsbak
06
124
Schakelstanden, vijfversnellingsbak
G027305
Trap het koppelingspedaal tijdens het schake-
len altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
Blokkering achteruitversnelling
G027995
De blokkering van de achteruitversnelling
beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden
op normale snelheid onbedoeld de achteruit-
versnelling inschakelt.
Schakel de achteruitversnelling alleen in, wan-
neer de auto stilstaat.
Om de achteruitversnelling in te schakelen
moet u de versnellingspook eerst in de neu-
traalstand zetten (tussen de 3e en 4e versnel-
ling in). Door de blokkering van de achteruit-
versnelling kunt u de versnellingspook niet
rechtstreeks vanuit de stand voor de 5e ver-
snelling in die voor de achteruitversnelling zet-
ten.
Schakelstanden, zesversnellingsbak
G027199
Trap het koppelingspedaal tijdens het schake-
len altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het
schakelen weer van het koppelingspedaal af!
Houd u aan het aangegeven schakelpatroon.
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden, moet u zo veel mogelijk gebruik
maken van hoge versnellingen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 124
evastarck
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
06
``
125
Handmatige schakelstanden
G031105
P – Parkeerstand
Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wan-
neer u de motor start of de auto parkeert.
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand P zet.
In stand P is de versnellingsbak mechanisch
geblokkeerd. Trek bij het parkeren altijd de
handrem aan!
R – Achteruitrijstand
De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in
stand R zet.
N – Vrijstand
Stand N is de neutrale stand. In deze stand
kunt u de motor starten, maar er is geen ver-
snelling ingeschakeld. Trek de handrem aan,
wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in
stand N staat.
D – Rijstand
Stand D is de normale rijstand. De versnel-
lingsbak schakelt automatisch op en terug,
afhankelijk van de stand van het gaspedaal en
de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat,
voordat u de keuzehendel vanuit stand R in
stand D zet.
4 – Versnellingsstand
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e, 3e en 4e versnelling. Er wordt
niet opgeschakeld naar de 5e versnelling.
Stand 4 leent zich voor:
het rijden in de bergen;
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
3 – Versnellingsstand
Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld
tussen de 1e, 2e en 3e versnelling. Er wordt niet
opgeschakeld naar de 4e versnelling.
Stand 3 leent zich voor:
het rijden in de bergen;
het rijden met een aanhanger;
een verhoogde mate van afremmen op de
motor.
L – Versnellingsstand
Zet de keuzehendel in stand L, als u in de 1e of
2e versnelling wilt rijden. Bij het rijden in de
bergen is de motorrem het krachtigst met de
keuzehendel in stand L.
Mechanische keuzehendelblokkering
G031109
U kunt de hendel altijd ongehinderd heen en
weer halen tussen de standen N en D. Om de
hendel in een van de overige standen te zetten,
moet u een blokkering opheffen door op de
blokkeerknop op de keuzehendel te drukken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 125
evastarck
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
06
126
Wanneer u de blokkeerknop indrukt, kunt u de
hendel vooruit of achteruit bewegen tussen de
verschillende schakelstanden.
Geartronic
G027997
Schakelstanden
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel naar links halen.
Om van stand MAN naar de automatische rijst-
and D over te schakelen, moet u de keuzehen-
del naar rechts naar stand D halen.
Handmatige schakelstanden
G020237
Om van de automatische rijstand D naar een
handmatige stand over te schakelen, moet u
de keuzehendel naar links halen. Om van stand
MAN naar de automatische rijstand over te
schakelen, moet u de keuzehendel in stand D
zetten.
Tijdens het rijden
Handmatig schakelen kan op elk moment tij-
dens het rijden geactiveerd worden. De inge-
schakelde versnelling is geblokkeerd, totdat u
een andere versnelling kiest. De versnellings-
bak schakelt alleen automatisch terug, als u uw
snelheid drastisch verlaagt.
Als u de keuzehendel naar de (min) beweegt,
schakelt de versnellingsbak automatisch een
versnelling terug terwijl er op de motor afge-
remd wordt. Als u de keuzehendel naar de +
(plus) beweegt, schakelt de versnellingsbak
een versnelling op.
W – Winterprogramma
Met de knop W bij de keuzehendel
schakelt u het winterprogramma
W in of uit. Bij inschakeling van het
winterprogramma licht het lampje
W op het instrumentenpaneel op.
In het winterprogramma geldt de 3e versnelling
als wegrijversnelling om bij gladheid gemakke-
lijker weg te kunnen komen. In het winterpro-
gramma worden de lagere versnellingen alleen
bij kickdown ingeschakeld.
Het winterprogramma W is alleen te selecteren
met de keuzehendel in stand D.
Kickdown
Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij
de normale volgasstand), schakelt de versnel-
lingsbak automatisch terug naar een lagere
versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
Wanneer de maximale snelheid voor de inge-
schakelde versnelling is bereikt of wanneer u
het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat,
schakelt de versnellingsbak automatisch op.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 126
evastarck
06 Starten en rijden
Automatische versnellingsbak
06
127
Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te
accelereren zoals bij het inhalen.
Om overtoeren te voorkomen is het stuurpro-
gramma van de versnellingsbak voorzien van
een terugschakelblokkering.
U kunt de kickdown
1
niet gebruiken zolang de
keuzehendel in een van de handmatige scha-
kelstanden staat. Zet de keuzehendel in dat
geval eerst terug in de automatische schakel-
stand D.
Koude start
Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat
het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat
de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen
stroperiger wordt. Wanneer u bij lage tempe-
raturen wegrijdt, schakelt de versnellingsbak
later op dan normaal om de uitstoot van uit-
laatgassen te beperken.
Turbomotor
Wanneer u met een koude motor wegrijdt,
schakelt de versnellingsbak bij een hoger toe-
rental op dan normaal. Zo komt de katalysator
sneller op temperatuur met minder uitstoot van
uitlaatgassen.
Adaptief systeem
De versnellingsbak wordt afgeregeld aan de
hand van een zogeheten adaptief schakelsys-
teem dat voortdurend “leert” hoe de versnel-
lingsbak zich gedraagt. Het systeem registreert
de manier waarop de versnellingsbak schakelt,
zodat er in elke situatie optimaal wordt gescha-
keld.
Lock-upfunctie
De versnellingen zijn voorzien van lock-up
(geblokkeerde versnellingen) om beter op de
motor te kunnen afremmen en het brandstof-
verbruik te verlagen.
Beveiligingssystemen
Auto’s met een automatische versnellingsbak
zijn uitgerust met een aantal speciale beveili-
gingssystemen:
Sleutelblokkering, Keylock
De keuzehendel moet in stand P staan om de
contactsleutel te kunnen uitnemen. In alle
andere standen is de sleutel geblokkeerd.
Parkeerstand (stand P)
Stilstaande auto met draaiende motor:
±
Houd uw voet op het rempedaal terwijl u
de keuzehendel verzet.
Elektrische schakelblokkering –
Shiftlock Parkeerstand (stand P)
Om de keuzehendel uit stand P te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal worden bediend.
Neutraalstand (stand N)
Om de keuzehendel uit stand N te kunnen
halen, moet de contactsleutel in stand I of II
staan en moet het rempedaal worden bediend.
1
Geldt alleen voor Geartronic.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 127
evastarck
06 Starten en rijden
Vierwielaandrijving, AWD* (All Wheel Drive)
06
128
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
De vierwielaandrijving is permanent
ingeschakeld
Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wie-
len van de auto tegelijk aangedreven. Het
motorkoppel wordt automatisch over de voor-
en achterwielen verdeeld. Een elektronisch
gestuurd koppelingssysteem verdeelt het ver-
mogen over het wielpaar dat op dat moment
de beste grip op het wegdek heeft. Dit om opti-
male wegligging te verkrijgen en wielspin te
voorkomen.
Bij normaal rijden worden de voorwielen naar
verhouding iets sterker aangedreven dan de
achterwielen.
Vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tij-
dens regen- en sneeuwval en bij ijzel.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 128
evastarck
06 Starten en rijden
Remsysteem
06
``
129
Rembekrachtiging
Als de auto rolt of wordt gesleept met een uit-
geschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal
zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als
wanneer de motor loopt. Als u bij het starten
van de motor op het rempedaal trapt, kan het
rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen
normaal omdat de rembekrachtiging geacti-
veerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency
Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te
merken zijn.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging werkt alleen, als de
motor loopt.
N.B.
Als geremd moet worden met een uitge-
schakelde motor, trap dan eenmaal hard en
resoluut op het rempedaal – dus niet pom-
pen.
Remkringen
Het nevenstaande lampje licht op,
wanneer er een remkring defect is.
Als er een storing in een van de
remkringen optreedt, is remmen
nog steeds mogelijk. U moet het rempedaal
echter verder intrappen en het pedaal kan min-
der stug aanvoelen. U moet harder op het
pedaal trappen om de normale remkracht te
verkrijgen.
Vocht kan de remeigenschappen
beïnvloeden
Door opspattend water (bij hevige regenval, in
waterplassen of tijdens een wasbeurt) worden
de onderdelen van het remsysteem nat. Daar-
door kunnen de wrijvingseigenschappen van
de remblokken gewijzigd worden, zodat u een
bepaalde verlenging van de aanspreekduur
van de remmen kunt merken.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Doe dit ook bij zeer vochtig of
koud weer. Op die manier verwarmt u de rem-
blokken waardoor het vocht verdampt. Deze
procedure is ook aan te raden voordat u de
auto voor langere tijd in dergelijke weersom-
standigheden parkeert.
Als de remmen zwaar belast worden
De remmen van de auto worden zwaar belast,
wanneer u in de bergen of op wegen met ver-
gelijkbare niveauverschillen rijdt; zelfs als u niet
bijzonder hard op het rempedaal trapt.
Omdat de snelheid in dergelijke omstandighe-
den vaak laag is, worden de remmen niet even
goed gekoeld als bij snelle ritten op vlakke
wegen.
Om de remmen niet overmatig te belasten,
kunt u tijdens het afdalen beter terugschakelen
dan het rempedaal gebruiken. Gebruik
dezelfde versnelling die u zou gebruiken wan-
neer u een helling oprijdt. Op die manier kunt u
beter op de motor afremmen en hoeft u de rem
slechts korte tijd te gebruiken.
Let erop dat u de remmen nog meer belast,
wanneer u met een aanhanger rijdt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 129
evastarck
06 Starten en rijden
Remsysteem
06
130
Antiblokkeerremsysteem (ABS)
Het ABS-systeem (Anti-lock Bra-
king System) is ontworpen om te
voorkomen dat de wielen tijdens
het remmen geblokkeerd raken.
Hierdoor kan tijdens het remmen
een zo groot mogelijke respons van het stuur-
wiel worden verkregen. Het ABS-systeem
zorgt ervoor dat de auto beter bestuurbaar blijft
om bijvoorbeeld obstakels te kunnen ontwij-
ken. Het ABS-systeem verbetert de totale rem-
capaciteit niet. Als bestuurder hebt u echter
wel meer controle over de besturing van de
auto, wat voor meer veiligheid zorgt.
Wanneer u na het starten van de motor met de
auto wegrijdt en een snelheid van ca. 20 km/h
hebt bereikt, gaat een kortstondige zelftest van
start die te horen en te voelen is. Wanneer het
ABS-systeem actief is, treden er merkbare pul-
saties in het rempedaal op. Dit is volkomen
normaal.
N.B.
Om het ABS-systeem optimaal te benutten
moet u zo hard mogelijk op het rempedaal
trappen.
Haal uw voet niet van het rempedaal, wan-
neer u pulsaties van het ABS-systeem hoort
en voelt.
Aarzel niet om onder gecontroleerde
omstandigheden (zoals op een slipbaan) te
testen hoe het ABS-systeem werkt.
Het ABS-lampje licht op en blijft continu
branden:
gedurende twee seconden tijdens de start
om het systeem te controleren;
als het ABS-systeem uitgeschakeld is door
een storing.
WAARSCHUWING
Als de waarschuwingslampjes voor het
remsysteem en het ABS tegelijkertijd
oplichten, kan er een storing in het remsys-
teem zijn opgetreden. Als het remvloeistof-
peil in dat geval in orde is, moet u de auto
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats rijden om het remsysteem
te laten controleren.
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het rem-
vloeistofverlies.
Elektronische remkrachtverdeling,
EBD
Het EBD-systeem (Electronic Brakeforce Dis-
tribution) vormt een geïntegreerd onderdeel
van het ABS-systeem. Het EBD-systeem regelt
de remkracht op de achterwielen altijd dusda-
nig af dat de maximale remwerking wordt ver-
kregen. Wanneer het systeem de remkracht
afregelt, treden er merkbare pulsaties in het
rempedaal op.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 130
evastarck
06 Starten en rijden
Remsysteem
06
131
Remkrachtverhoging, EBA
Het EBA-systeem (Emergency Brake Assis-
tance) vormt een geïntegreerd onderdeel van
het DSTC-systeem. Het EBA-systeem is dus-
danig geconstrueerd dat u, wanneer u krachtig
moet afremmen, altijd meteen het maximale
remvermogen kunt afnemen. Het systeem
registreert het moment waarop u krachtig wilt
afremmen door de snelheid te meten waarmee
u het rempedaal bedient.
Het EBA-systeem is op alle snelheden actief en
kan om veiligheidsredenen niet buiten werking
worden gesteld.
Wanneer het EBA-systeem geactiveerd wordt,
zakt het rempedaal omlaag en kunt u het maxi-
male remvermogen van de auto afnemen.
Breng gedurende de totale remmanoeuvre
evenveel druk aan op het rempedaal. Het EBA-
systeem wordt uitgeschakeld, wanneer u de
druk van het rempedaal haalt.
N.B.
Wanneer het EBA geactiveerd wordt, zakt
het rempedaal iets verder omlaag dan nor-
maal. Bedien het rempedaal zolang dat
nodig is. Zodra u het rempedaal loslaat,
worden de remmen volledig gelost.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 131
evastarck
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
06
132
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (STC/
DSTC, (Dynamic) Stability and Traction Con-
trol) helpt de bestuurder voorkomen dat de
wielen doorslippen en verbetert de tractie van
de auto.
Bij een ingreep van het systeem kunnen er
merkbare pulsaties optreden in het rem- of
gaspedaal. Tijdens het gas geven kan de auto
langzamer optrekken dan u verwacht.
Afhankelijk van de markt is de auto uitgerust
met STC of DSTC. In de tabel staan de bijbe-
horende regelingen van de verschillende sys-
temen aangegeven.
Functie/sys-
teem
STC DSTC
Antislipregeling X
Antispinregeling X X
Tractieregeling X X
Antislipregeling
Deze regeling beperkt de aandrijfkracht en
remkracht van elk van de afzonderlijke wielen
om de auto op die manier te stabiliseren.
Antispinregeling
Deze regeling voorkomt dat de aangedreven
wielen tijdens het optrekken doorslippen.
Tractieregeling
Deze regeling is actief op lage snelheden en
brengt de aandrijfkracht van een slippend aan-
drijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt.
Beperkte functie
G028511
Duimwiel
Knop RESET
Het is mogelijk de werking van het systeem te
beperken, wanneer de wielen doorslippen en u
gas geeft.
Het systeem grijpt bij doorslippende wielen
dan later in, zodat er een hogere mate van
doorslippen mogelijk is. Dit levert een grotere
bedieningsvrijheid op bij dynamisch rijden. De
aandrijving in diepe lagen sneeuw of zand
wordt eveneens verbeterd, omdat er dan geen
beperkingen meer gelden voor de te geven
hoeveelheid gas.
Bediening
±
Draai aan het duimwiel (1) totdat het menu
STC/DSTC wordt geopend.
DSTC AAN betekent dat de werking van het
systeem ongewijzigd is.
DSTC SPIN CONTROL UIT betekent dat er
beperkingen gelden voor de werking van het
systeem.
±
Houd RESET (2) ingedrukt totdat het menu
STC/DSTC zich wijzigt.
Het lampje brandt tegelijkertijd om u eraan
te herinneren dat er beperkingen voor het sys-
teem gelden. De beperkingen voor de werking
van het systeem blijven van kracht totdat u de
motor een volgende keer opnieuw start.
WAARSCHUWING
Er kunnen wijzigingen optreden in de rijei-
genschappen van de auto, als de werking
van het systeem wordt beperkt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 132
evastarck
06 Starten en rijden
Stabiliteits- en tractieregelsysteem*
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
133
N.B.
Iedere keer dat u de motor start verschijnt
enkele seconden lang
DSTC AAN op het
display.
Displayteksten
TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT geeft
aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtempera-
tuur.
Het systeem wordt automatisch opnieuw inge-
schakeld, wanneer de remmen weer vol-
doende zijn afgekoeld.
ANTI-SKID SERVICE VEREIST betekent dat
het systeem wegens een storing werd uitge-
schakeld.
±
Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
Als de melding een volgende keer dat u
motor start opnieuw verschijnt, rijd de auto
dan naar een erkende Volvo-werkplaats.
Lampjes op instrumentenpaneel
Lampje voor STC/DSTC
Wat het lampje aangeeft hangt af
van de manier waarop het brandt.
Het lampje licht op om na ca. 2 seconden
weer te doven
Geeft aan dat de systeemtest bij het starten
van de motor loopt.
Het lampje knippert
Geeft aan het systeem actief is.
Het lampje brandt continu
De melding ANTI-SKID SERVICE VEREIST
staat ondertussen op het display.
Bij een storingsmelding voor het STC/DSTC-
systeem:
1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stil-
stand en zet de motor af.
2. Start de auto opnieuw.
Als het waarschuwingslampje dooft, was
er geen sprake van een werkelijke storing.
U hoeft dan geen bezoek aan een werk-
plaats te brengen.
Als het waarschuwingslampje echter blijft
branden, moet u de auto naar een erkende
Volvo-werkplaats rijden om het systeem te
laten controleren.
Het lampje brandt continu
De melding DSTC SPIN CONTROL UIT staat
ondertussen op het display.
Herinnert u eraan dat er beperkingen gelden
voor het STC/DSTC-systeem.
Waarschuwingslampje
Het oranje lampje brandt continu.
De melding
TRACTIECONTROLE
TIJDELIJK UIT
staat ondertussen
op het display.
Geeft aan dat de functie van de regeling tijdelijk
beperkt is wegens een te hoge remtempera-
tuur.
De regeling wordt automatisch opnieuw
ingeschakeld, wanneer de remtempera-
tuur weer normaal is.
WAARSCHUWING
Onder normale omstandigheden zorgt het
STC/DSTC-systeem voor een betere weg-
ligging. Dit mag echter voor u geen reden
zijn om sneller te gaan rijden.
Wees altijd gepast voorzichtig in bochten en
op gladde wegen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 133
evastarck
06 Starten en rijden
Actief chassis (FOUR-C)*
06
134
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie over actief
chassis (FOUR-C)
Schakelaar voor FOUR-C op
middenconsole
De auto is uitgerust met een
zeer geavanceerd actief chas-
sissysteem – FOUR-C (Conti-
nuously Controlled Chassis
Concept) – dat elektronisch gestuurd is. Het
systeem werkt op basis van enkele sensoren
die continu de bewegingen en reacties van de
auto in de gaten houden, zoals de verticale en
zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de
wielbewegingen.
De regeleenheid van FOUR-C analyseert gege-
vens afkomstig van de sensoren en regelt zo
nodig de schokdemperinstellingen tot 500 keer
per seconde bij. Dit levert een uitermate snelle
en nauwkeurige afregeling van elk van de
schokdempers op. Dit verklaart de verschillen
in de chassiseigenschappen.
Het systeem biedt u de mogelijkheid om de
chassiseigenschappen van de auto aan te pas-
sen, wanneer er wijzigingen in het wegdek op
treden of als u van rijstijl verandert. Deze aan-
passing neemt slechts enkele milliseconden in
beslag.
Comfort
In de stand Comfort is de vering van het chas-
sis dusdanig afgestemd, dat de carrosserie
niets van de oneffenheden in het wegdek merkt
zodat de auto als het ware over de weg zweeft.
De schokdemping is soepeler dan normaal,
waardoor de bewegingen van de carrosserie
minimaal zijn. Deze stand wordt aanbevolen
tijdens lange ritten en bij gladheid.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Comfort, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden aange-
houden.
Sport
In de stand Sport reageert de auto sneller op
de bewegingen van het stuurwiel dan in de
stand Comfort. De vering is stugger dan nor-
maal en de carrosserie volgt het wegdek om bij
het snelle bochtenwerk de mate van overhellen
te beperken. De auto doet sportiever aan.
Wanneer u het contact uitzet na een rit in de
stand Sport, zal de volgende keer dat u het
contact aanzet dezelfde stand worden aange-
houden.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 134
evastarck
06 Starten en rijden
Park Assist*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
135
Algemene informatie
1
G020294
Park Assist voor- en achterzijde
De Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tij-
dens het parkeren. Geluidssignalen geven de
afstand tot een waargenomen obstakel aan.
WAARSCHUWING
Hoewel de Hulp bij parkeren handig is bij het
parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij
eventuele fouten. Wanneer er obstakels in
de dode hoeken van de sensoren zitten, zal
het systeem ze niet kunnen ontdekken.
Houd kinderen en dieren in de buurt van de
Varianten
Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten:
Park Assist aan de achterzijde
Park Assist aan de voor- en achterzijde
Functie
Het systeem wordt bij het starten van de motor
automatisch ingeschakeld. Daarbij gaat het
lampje branden in de knop voor Park Assist op
het schakelaarpaneel. Op het display ver-
schijnt de melding PARK.HULP ACTIEF, als
u de achteruitversnelling inschakelt of als de
voorste sensoren een obstakel registreren.
De Park Assist is actief bij snelheden tot
15 km/h. Bij hogere snelheden wordt het sys-
teem gedeactiveerd. Het systeem wordt
opnieuw geactiveerd bij snelheden lager dan
10 km/h.
Hoe dichter u het obstakel achter of voor de
auto nadert, hoe sneller de geluidssignalen elk-
aar opvolgen. Wanneer u ondertussen een
andere geluidsbron van het audiosysteem
beluistert, wordt het volume daarvan tijdelijk
verlaagd.
Bij een afstand van ca. 30 cm bestaat het
geluidssignaal uit een ononderbroken toon. Als
er zowel voor als achter de auto obstakels bin-
nen deze afstand liggen, komen de geluidssig-
nalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker-
en rechterzijde.
Park Assist achterzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 1,5 m recht achter
de auto. Park Assist aan de achterzijde wordt
geactiveerd bij het inschakelen van de achter-
uitversnelling. De geluidssignalen komen uit de
luidsprekers achterin.
Bij het achteruitrijden met bijvoorbeeld een
aanhanger achter de auto of een fietsdrager op
de trekhaak moet u het systeem uitschakelen.
Als u dat niet doet, reageren de sensoren op
de aanhanger of fietsdrager.
De Park Assist aan de achterzijde wordt auto-
matisch uitgeschakeld, wanneer u een aan-
hanger achter de auto hebt hangen die met een
originele aanhangerkabel van Volvo aangeslo-
ten is.
Park Assist aan de voorzijde
Het meetbereik strekt tot ca. 0,8 m recht voor
de auto. De geluidssignalen komen uit de luid-
spreker voorin.
Het is niet mogelijk de Park Assist te combine-
ren met verstralers, omdat de sensoren op de
verstralers reageren.
1
Afhankelijk van de markt is Park Assist een standaardfunctie, optie of accessoire.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 135
evastarck
auto in de gaten.
06 Starten en rijden
Park Assist*
06
136
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Aanduiding voor systeemstoringen
Als het oranje waarschuwings-
lampje brandt en de melding
PARK.HULP SERVICE
VEREIST
op het display staat, is
Park Assist defect.
BELANGRIJK
In bepaalde omstandigheden kan de par-
keerhulp ten onrechte waarschuwingssig-
nalen afgeven. Dit komt door externe
geluidsbronnen met ultrasone geluidssig-
nalen van dezelfde frequentie als de senso-
ren van het systeem.
Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen
zijn onder meer claxons, natte banden op
asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten
van motorfietsen.
Aan/Uit
G027104
De positie van de knop binnen de rij kan variëren
U kunt Park Assist uitschakelen met de knop
op het schakelaarpaneel, waarna het lampje in
de knop dooft. Park Assist wordt weer inge-
schakeld, wanneer u nogmaals op de knop
drukt waarna het lampje gaat branden.
Sensoren schoonmaken
G026946
Sensoren voor Park Assist
De sensoren werken alleen naar behoren, wan-
neer u ze regelmatig schoonmaakt met water
en autoshampoo.
N.B.
Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen
ten onrechte aanleiding geven tot waar-
schuwingssignalen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 136
evastarck
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
06
``
137
Starten met een hulpaccu
Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusda-
nig ontladen is dat de motor niet kan worden
gestart. Probeer de motor niet aan te slepen
(zie pagina 139).
BELANGRIJK
De katalysator kan beschadigd raken als u
de auto probeert aan te slepen.
Slepen
Controleer voordat u de auto gaat slepen wat
de toegestane maximumsnelheid is voor sle-
pen.
Sleep de auto altijd met de voorkant van de
auto in de rijrichting.
1. Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand
I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de
auto bestuurbaar is.
2. Voor de auto die sleept geldt: Rijd rustig.
Voor de auto die wordt gesleept geldt:
Houd om schokken te voorkomen de
sleepkabel altijd strak door met uw voet
lichte druk op het rempedaal uit te oefenen.
WAARSCHUWING
Het stuurslot moet worden opgeheven,
voordat u de auto sleept.
De contactsleutel moet in stand II staan.
Neem de contactsleutel nooit tijdens
het rijden uit het contactslot, ook niet als
de auto gesleept wordt.
WAARSCHUWING
De rembekrachtiging en de stuurbekrachti-
ging werken niet wanneer de motor uitge-
schakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo
hard op het rempedaal trappen en de auto
stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal.
Handgeschakelde versnellingsbak
±
Zet de versnellingspook in de neutrale
stand en los de handrem.
Automatische versnellingsbak
±
Zet de keuzehendel in stand N en los de
handrem.
De snelheidslimiet voor het wegslepen van een
auto met automatische versnellingsbak is
80 km/h. U mag de auto over een afstand van
maximaal 80 km verslepen.
Sleepoog
Voordat u gaat slepen moet het sleepoog in de
bumper vastgeschroefd worden. De uitsparing
en afdekking voor het sleepoog zitten aan de
rechterzijde van de voor- en achterbumper.
Het sleepoog vindt u in de gereedschapstas in
de bagageruimte.
A
B
C
G028091
Sleepoog, voor
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 137
evastarck
06 Starten en rijden
Slepen en bergen
06
138
A
B
C
G028093
Sleepoog, achter
Doe het volgende:
1.
Haal de onderkant van het afdekkapje
1
(A)
voorzichtig los met bijvoorbeeld een munt-
stuk.
2. Schroef het sleepoog (B) tot aan de flens
vast (C). Maak bij voorkeur gebruik van de
wielsleutel.
Om het sleepoog in de achterbumper te
bevestigen moet u eerst de kunststof bout
uit de console voor het achterste sleepoog
verwijderen. Gebruik de wielmoersleutel
uit de gereedschapsset om de kunststof
bout los te halen. Draai de kunststof bout
na gebruik van het sleepoog weer vast.
Draai het sleepoog na gebruik los en plaats
het afdekkapje terug.
N.B.
Wanneer de afneembare trekhaak gemon-
teerd is, kunt u het sleepoog niet aanbren-
gen in de achterste bevestiging. Bevestig de
sleepkabel in dat geval aan de trekhaak. Om
die reden wordt geadviseerd de afneem-
bare trekhaak in de auto te bewaren, wan-
neer u de trekhaak niet nodig hebt.
Bergen
Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rij-
richting draaien.
WAARSCHUWING
Het sleepoog is alleen bedoeld voor het sle-
pen over de weg en niet geschikt voor ber-
ging. Roep professionele hulp in voor ber-
ging.
1
De opening in het afdekkapje kan variëren.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 138
evastarck
06 Starten en rijden
Starten met een hulpaccu
06
139
Starten met een hulpaccu
G020298
Als de accu om wat voor reden dan ook ontla-
den is, kunt u stroom “lenen” van een losse
reserveaccu of van een accu in een andere
auto om op die manier de motor te starten.
Controleer altijd of de accuklemmen goed
vastzitten, zodat ze geen vonken trekken tij-
dens de startpogingen.
Om explosiegevaar te voorkomen wordt u
geadviseerd de volgende aanwijzingen nauw-
keurig op te volgen:
1.
Draai de contactsleutel naar stand 0.
2. Zorg dat de hulpaccu een spanning van 12
volt levert.
3. Als de hulpaccu zich in een andere auto
bevindt, moet u de motor van deze auto
afzetten en zorgen dat de twee auto’s elk-
aar niet kunnen raken.
4. Sluit de rode kabel aan tussen de pluspool
van de hulpaccu (1+) en de rode aanslui-
ting in de motorruimte van uw auto (2+).
Bevestig de klem aan het contactpunt dat
onder een zwart luikje met een plusteken
erop zit. Het luikje vormt een geheel met
het deksel van het zekeringenkastje.
5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan
op de minpool (3–) van de hulpaccu.
6. Sluit de andere klem van de zwarte kabel
aan op het hijsoog van de motor (4–).
7. Start de motor van de “hulpauto”. Laat de
motor enkele minuten draaien op een toe-
rental dat iets hoger ligt dan normaal, 1500
omw/min.
8. Start de motor van de auto met de lege
accu.
±
Verwijder de kabels in omgekeerde volg-
orde.
N.B.
Kom niet aan de klemmen tijdens de start-
poging (gevaar voor vonkvorming).
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot ont-
ploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ern-
stige chemische brandwonden kan veroor-
zaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmid-
dellijk met grote hoeveelheden water spoe-
len. Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 139
evastarck
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
06
140
Algemene informatie
De trekhaak van de auto moet goedgekeurd
zijn. De Volvo-dealer kan u informeren over de
mogelijke trekhaken.
Verdeel de lading in de aanhanger dusda-
nig dat de druk op de trekhaak de maxi-
male kogeldruk niet overschrijdt.
Verhoog de bandenspanning tot de druk
die geldt voor maximale belasting. Raad-
pleeg de bandenspanningstabel.
Maak de trekhaak regelmatig schoon en
vet de kogel
1
en alle bewegende delen in
om onnodige slijtage te voorkomen.
Rijd niet met een zware aanhanger, wan-
neer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht
hiermee totdat de auto ten minste 1000
kilometer heeft gereden.
Bij het afdalen op lange en steile hellingen
worden de remmen veel zwaarder belast
dan normaal. Schakel dan terug naar een
lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
Wanneer de auto bij warm weer zwaar
belast wordt, kunnen de motor en de ver-
snellingsbak oververhit raken. Bij overver-
hitting slaat de temperatuurmeter in het
instrumentenpaneel tot in het rode gebied
uit. Breng de auto dan tot stilstand en laat
de motor enkele minuten afkoelen.
Bij oververhitting schakelt de airconditio-
ning zichzelf automatisch tijdelijk uit.
Bij oververhitting schakelt de versnellings-
bak een ingebouwde beschermingsfunctie
in. Zie de melding op het display.
Bij het gebruik van een aanhanger wordt de
motor zwaarder belast dan normaal.
Rijd om veiligheidsredenen niet sneller dan
80 km/h, ook al staat de wetgeving in
bepaalde landen een hogere snelheid toe.
Zet de keuzehendel bij het parkeren met
een aanhanger altijd in stand P (automati-
sche versnellingsbak) of schakel een ver-
snelling in (handgeschakelde versnellings-
bak). Gebruik wielblokken bij het parkeren
op steile hellingen.
Gebruik bij voorkeur geen aanhangers die
zwaarder zijn dan 1200 kg bij hellingsper-
centages van meer dan 12 %. Bij hellings-
percentages van meer dan 15 % wordt het
afgeraden een aanhanger te gebruiken.
Aanhangergewichten
Voor informatie over de toelaatbare aanhange-
rgewichten (zie pagina 271).
N.B.
De aangegeven maximaal toelaatbare aan-
hangergewichten zijn door Volvo bepaald.
Let erop dat er op grond van de wetgeving
voor motorvoertuigen in uw land verdere
beperkingen van het aanhangergewicht en
de snelheid kunnen gelden. Het is boven-
dien mogelijk dat de trekhaak gespecifi-
ceerd is voor hogere gewichten dan het
maximaal toelaatbare aanhangergewicht
van de auto.
WAARSCHUWING
Houd u aan de opgegeven aanbevelingen
voor het aanhangergewicht. De aanhanger
en de auto kunnen anders moeilijk bestuur-
baar worden tijdens uitwijk- en remmanoeu-
vres.
1
Geldt niet voor de kogel bij gebruik van een aanhangerkoppeling met trillingsdemper.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 140
evastarck
06 Starten en rijden
Rijden met een aanhanger
06
141
Rijden met een aanhanger,
automatische versnellingsbak
Trek bij het parkeren op hellingen eerst de
handrem aan, voordat u de keuzehendel in
stand P zet. Zet bij het wegrijden op een
helling eerst de keuzehendel in de rijstand
en haal de auto vervolgens van de hand-
rem.
Kies bij het omhoogrijden op steile hellin-
gen of in langzaam rijdend verkeer de juiste
lage versnelling. Zo voorkomt u dat de
automatische versnellingsbak opschakelt.
De versnellingsbakolie wordt dan minder
warm.
Als uw auto is uitgerust met een Geartro-
nic-versnellingsbak, moet u geen hogere
handmatige versnelling inschakelen dan
de motor “aankan”. Rijden in hoge versnel-
lingen is niet altijd zuinig.
N.B.
Sommige modellen moeten worden uitge-
rust met een oliekoeler voor de automati-
sche versnellingsbak om gebruik te maken
van een aanhanger. Informeer dan ook bij
de dichtstbijzijnde Volvo-dealer naar wat er
voor uw auto geldt, als u achteraf een trek-
haak monteert.
Niveauregeling
Als uw auto is uitgerust met automatische
niveauregeling, neemt de achtertrein van de
auto tijdens het rijden altijd de juiste rijhoogte
aan, ongeacht de belading. Wanneer de auto
stilstaat, zakt de achtertrein omlaag. Dit is vol-
komen normaal. Bij het wegrijden met lading
wordt het niveau na enige tijd rijden naar boven
toe bijgesteld.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 141
evastarck
06 Starten en rijden
Trekhaak*
06
142
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Trekhaak
Als de auto is uitgerust met een afneembare
trekhaak, moeten de montagevoorschriften
voor het monteren van het kogelsegment zorg-
vuldig worden opgevolgd (zie pagina 144).
WAARSCHUWING
Let op het volgende als uw auto is uitgerust
met de afneembare trekhaak van Volvo:
Volg de montagevoorschriften voor het
kogelsegment nauwkeurig op.
Zorg dat het kogelsegment met de sleu-
tel vergrendeld is voordat u begint te
rijden.
Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
Belangrijke controlepunten
U moet de kogel van het kogelsegment
regelmatig schoonmaken en met vet
insmeren.
N.B.
Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper
gebruikt, hoeft de kogel niet te worden inge-
vet.
Kogelsegment opbergen
G031120
Opbergruimte kogelsegment
BELANGRIJK
Neem na gebruik altijd het kogelsegment
los en berg het op de daarvoor bestemde
plaats op, goed vastgezet met de bijbeho-
rende riem.
Aanhangerkabel
G014589
Als de trekhaak van de auto een 13-polig elek-
trisch contact heeft en de aanhanger een 7-
polig contact, hebt u een adapter nodig.
Gebruik een door Volvo goedgekeurde adap-
terkabel. Zorg dat de kabel niet over de grond
sleept.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 142
evastarck
06 Starten en rijden
Trekhaak*
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
143
Specificaties
G026682
G026701
G026702
Afmetingen voor bevestigingspunten (mm)
A B C D E F G
Vaste trekhaak in standaarduitvoering
1058
83
1083 542 122 50
305
Vaste trekhaak met Nivomat 91
Afneembare trekhaak in standaarduitvoering
1069
94
316
Afneembare trekhaak met Nivomat 100
1 Langsligger
2 Middelpunt kogel
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 143
evastarck
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
144
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Kogelsegment monteren
G017317
1. Verwijder de afdekking door de pal in te
drukken
en de afdekking vervolgens
recht naar achteren te trekken
.
G020301
2. Controleer of het mechanisme in de ont-
grendelde stand staat door de sleutel
rechtsom te draaien.
G020302
3. Controleer of het controlevenster (3) rood
van kleur is. Als het venster niet rood van
kleur is, moet u (1) indrukken en de borg-
knop linksom (2) draaien totdat u een klik
hoort.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 144
evastarck
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
145
G020304
4. Breng het kogelsegment aan en duw het
naar binnen totdat u een klik hoort.
G020306
5. Controleer of het controlevenster groen
van kleur is.
G020307
6. Draai de sleutel linksom naar de vergren-
delde stand. Neem de sleutel uit het slot.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 145
evastarck
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
146
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
G020309
7. Controleer of het kogelsegment vastzit
door het stevig omhoog, omlaag en naar
achteren te bewegen.
WAARSCHUWING
Als het kogelsegment niet goed zit, moet u
het verwijderen en het opnieuw monteren
zoals eerder werd beschreven.
BELANGRIJK
Vet alleen de kogel in waarop de aanhan-
gerkoppeling wordt geplaatst. Houd de rest
van het kogelsegment vetvrij en droog.
G020310
8. Veiligheidskabel.
WAARSCHUWING
De veiligheidskabel van de aanhanger moet
aan de bevestiging op de trekhaak worden
vastgemaakt.
Kogelsegment verwijderen
G020301
1. Steek de sleutel in het slot en draai deze
rechtsom in de ontgrendelde stand.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 146
evastarck
06 Starten en rijden
Afneembare trekhaak*
06
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
147
G020312
2. Druk de vergrendelingsknop (1) in en draai
deze linksom (2) totdat u een klik hoort.
G020314
3. Draai de vergrendelingsknop volledig
omlaag totdat deze niet verder kan. Houd
de knop in deze stand vast terwijl u het
kogelsegment schuin naar achteren toe
omhoogtrekt.
WAARSCHUWING
Zet het losse kogelsegment goed vast, wan-
neer u het in de auto bewaart. zie
pagina 142
G017318
4. Duw de afdekking erop.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 147
evastarck
06 Starten en rijden
Lading op het dak
06
148
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie
Het laadvermogen is afhankelijk van de extra
accessoires die op de auto gemonteerd zijn,
zoals lastdragers, een skibox e.d. alsmede een
trekhaak en zijn kogeldruk. Het laadvermogen
van de auto moet tevens worden verminderd
met het gewicht van het aantal inzittenden.
Voor informatie over de toelaatbare gewichten
(zie pagina 271).
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
Lastdragers gebruiken*
G027340
Om schade aan de auto te voorkomen en op
een veilige manier lading op het dak te kunnen
vervoeren, wordt u geadviseerd alleen gebruik
te maken van de lastdragers die Volvo speciaal
voor uw auto ontwikkeld heeft.
Controleer regelmatig of de lastdragers en
de lading goed vastzitten. Zet de lading
stevig vast met sjorbanden.
Verdeel het gewicht van de lading gelijk-
matig over de lastdragers. Leg de lading
niet diagonaal op de lastdragers. Leg de
zwaarste voorwerpen onderop.
Let erop dat het zwaartepunt van de auto
verschuift en dat de rijeigenschappen zich
wijzigen bij het vervoer van lading op het
dak.
Houd er rekening mee dat de auto meer
wind vangt en daardoor meer brandstof
verbruikt, naarmate de omvang van de
lading toeneemt.
Rijd rustig. Trek bij voorkeur niet te snel op,
rem niet te hard en maak niet te scherpe
bochten.
Verwijder de lastdragers, wanneer u ze niet
hoeft te gebruiken. U verlaagt op die
manier de luchtweerstand en daarmee ook
het brandstofverbruik.
WAARSCHUWING
De maximale dakbelasting bedraagt 100 kg
inclusief de lastdragers en een eventuele
skibox.
Bij het vervoer van lading op het dak ver-
schuift het zwaartepunt en treden er wijzi-
gingen op in de rijeigenschappen van de
auto.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 148
evastarck
06 Starten en rijden
Lading op het dak
06
149
Lastdrager monteren
G027347
1. Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie
aanbrengt (zie de aanduiding op de sticker
onder de dekkap).
2. Zorg dat de paspennen in de geleidegaten
(1) vallen.
3. Laat de tegenoverliggende bevestiging
voorzichtig op het dak neer.
4. Draai de draaiknop enkele slagen losser.
5. Duw de knop in de richting van de dakbe-
vestiging en zorg dat de haak in de dakbe-
vestiging onder de dekstrip vasthaakt.
6. Draai de lastdrager vast.
7. Zorg dat de paspennen van de overige
bevestigingen eveneens goed in de gelei-
degaten vallen.
8. Draai de lastdrager vast.
9. Controleer of de haak goed vastgrijpt in de
dakbevestiging.
10. Draai de draaiknoppen beurtelings enkele
slagen rechtsom, totdat ze allemaal stevig
vastzitten.
11. Klap de dekkap omlaag.
12. Controleer of de dakreling stevig vastzit.
N.B.
Controleer regelmatig of de draaiknoppen
nog stevig vastzitten.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 149
evastarck
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
150
Juiste lichtbundel voor rechts- of
linksrijdend verkeer
G020317
Lichtbundel voor linksrijdend verkeer.
Lichtbundel voor rechtsrijdend verkeer.
U kunt de lichtbundel van de koplampen
afplakken om te voorkomen dat u tegenliggers
verblindt. Daarbij wordt de lichtopbrengst iets
lager.
Koplampen afplakken
Trek de mallen op de volgende pagina over en
knip een stuk zelfklevend en watervast materi-
aal zoals ondoorzichtige tape langs de randen
van de mallen uit.
Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte
van de stip (5) in het koplampglas. De referen-
tiematen (X) dienen om de afstand te herleiden
vanaf de stip (5) tot aan de hoek van de afplak-
tape die aangegeven is met een pijl.
Meet de mallen die op de volgende pagina
staan na het overtrekken ter controle nog eens
op om te zorgen dat de lichtbundel voldoende
wordt afgedekt.
Voor het aanpassen van de lichtbundel van de
actieve Bi-Xenonkoplampen (ABL) (zie
pagina 54).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 150
evastarck
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
``
151
Halogeenkoplampen
X
X
XX
3
4
1
2
G028559
Positie van afplaktape op de halogeenkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
Model met het stuur links
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Referentiematen
Mal 1: (3) = 70 mm, (4) = 40 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
13 mm.
Mal 2: (6) = 55 mm, (7) = 40 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
18 mm.
Model met het stuur rechts
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Referentiematen
Mal 3: (1) = 55 mm, (2) = 41 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
17 mm.
Mal 4: (6) = 70 mm, (7) = 39 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
14 mm.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 151
evastarck
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
152
G028563
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur links
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 152
evastarck
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
``
153
G028564
Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur rechts
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 153
evastarck
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
154
Bi-Xenonkoplampen
G028562
Positie van afplaktape op de Bi-Xenonkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen met het stuur rechts)
Model met het stuur links
Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Referentiematen
Mal 1: (3) = 56 mm, (4) = 43 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
29 mm.
Mal 2: (6) = 56 mm, (7) = 42 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
6 mm.
Model met het stuur rechts
Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle
nog eens op. Breng de mallen over op een stuk
zelfklevend en watervast materiaal en knip uit.
Referentiematen
Mal 3: (1) = 56 mm, (2) = 42 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (5):
29 mm.
Mal 4: (6) = 56 mm, (7) = 41 mm.
Afstand (X) tot de stip in het koplampglas (8):
0 mm.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 154
evastarck
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
``
155
G028563
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur links
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 155
evastarck
06 Starten en rijden
Lichtbundel aanpassen
06
156
G028564
Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur rechts
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 156
evastarck
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
157
G020295
Buitenspiegel met BLIS-systeem
BLIS-camera
Controlelampje
BLIS-symbool
BLIS is een informatiesysteem dat de bestuur-
der waarschuwt, wanneer er zich een voertuig
in de zogeheten dode hoek bevindt en in
dezelfde richting rijdt.
WAARSCHUWING
Het systeem vormt slechts een aanvulling
op – geen vervanging voor – de aanwezige
buitenspiegels. De bestuurder moet altijd
oplettend en verantwoord blijven rijden. De
bestuurder is er verantwoordelijk voor dat er
op een veilige manier van rijstrook wordt
gewisseld.
A
B
G020296
“Dode hoeken” die BLIS in de gaten houdt
(afstand A = ca. 3 m; afstand B = ca. 9,5 m)
Het systeem werkt het best in druk verkeer op
meerbaanswegen.
BLIS is gebaseerd op digitale cameratechniek.
De camera’s (1) zitten onder de buitenspiegels.
Wanneer een camera een voertuig heeft waar-
genomen in de dode hoek, gaat er een contro-
lelampje op het portierpaneel (2) branden. Het
lampje brandt continu om de bestuurder te
attenderen op het voertuig in de dode hoek.
N.B.
Het lampje gaat branden aan die kant van
de auto waar het voertuig is waargenomen.
Als de auto aan weerszijden wordt inge-
haald, gaan dan ook beide lampjes bran-
den.
BLIS is eveneens voorzien van een geïnte-
greerde functie die de bestuurder waarschuwt
bij fouten in het systeem. Als de camera’s van
het systeem bijvoorbeeld zijn afgedekt, knip-
pert het controlelampje voor BLIS en verschijnt
er een melding op het display van het instru-
mentenpaneel (zie pagina 159 voor de tabel).
Controleer de cameralenzen in dat geval en
maak ze zo nodig schoon. U kunt het systeem
tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop
BLIS (zie pagina 159).
BELANGRIJK
Laat reparaties van de onderdelen van het
BLIS-systeem over aan een erkende Volvo-
werkplaats.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 157
evastarck
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
158
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Wanneer BLIS werkt
Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger
dan 10 km/h.
Wanneer u inhaalt
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het ingehaalde voertuig kleiner is
dan 10 km/h.
Wanneer u wordt ingehaald
Het systeem reageert als het snelheidsverschil
tussen u en het inhalende voertuig kleiner is
dan 70 km/h.
WAARSCHUWING
BLIS werkt niet in scherpe bochten.
BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt.
Een brede aanhanger achter de auto kan het
zicht ontnemen op andere voertuigen op
aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe lei-
den dat BLIS geen voertuigen in dit afge-
schermde gebied kan waarnemen.
Systeemfunctie bij daglicht en bij
donker
Daglicht
Bij daglicht reageert het systeem op de con-
touren van omringende voertuigen. Het sys-
teem is geconstrueerd om motorvoertuigen
zoals auto’s, vrachtwagens, bussen en motor-
fietsen waar te nemen
Donker
Bij donker reageert het systeem op de
koplampen van omringende voertuigen. Als
een voertuig de koplampen niet heeft ontsto-
ken, zal het systeem dit voertuig niet kunnen
waarnemen. Dit houdt in dat het systeem bij-
voorbeeld niet reageert op een aanhanger ach-
ter een auto of vrachtwagen, omdat daar geen
brandende koplampen op zitten.
WAARSCHUWING
Het systeem reageert niet op fietsers en
bromfietsers.
De BLIS-camera’s kunnen hinder ondervin-
den van de aanwezigheid van felle licht-
bronnen of juist de afwezigheid van licht-
bronnen (wegenverlichting of voertuigver-
lichting) bij ritten in het donker. Het systeem
kan uit de afwezigheid van licht ten onrechte
opmaken dat de camera’s zijn afgedekt.
In beide gevallen verschijnt er een melding
op het paneel.
Bij ritten in dergelijke omstandigheden is het
mogelijk dat het systeem tijdelijk minder
goed kan presteren (zie de informatie op de
volgende pagina).
Wanneer de displaytekst is verdwenen,
werkt het systeem weer optimaal.
De BLIS-camera’s kennen dezelfde beper-
kingen als het menselijk oog. Dit houdt in
dat ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij
hevige sneeuwval en dichte mist.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 158
evastarck
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
159
Schoonmaken
BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van
de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de len-
zen schoonmaken met een zachte doek of een
vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig
schoon om krassen te voorkomen.
BELANGRIJK
De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze
van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg
zo nodig sneeuw van de lenzen af.
BLIS deactiveren en heractiveren
G026955
BLIS wordt automatisch geactiveerd, wan-
neer u het contact aanzet. De controle-
lampjes op de portierpanelen lichten drie-
maal op bij het aanzetten van het contact.
U kunt het systeem deactiveren door op de
knop BLIS te drukken die op het schakel-
aarpaneel van de middenconsole zit (zie
bovenstaande afbeelding). Het lampje in
de knop dooft, wanneer het systeem uit-
geschakeld is. Er verschijnt bovendien een
displaytekst op het instrumentenpaneel.
U kunt BLIS heractiveren door nogmaals
op de knop te drukken. Het lampje in de
knop licht vervolgens op, er verschijnt een
nieuwe tekst op het display en de contro-
lelampjes op de portierpanelen lichten
driemaal op. Druk op de knop READ (zie
pagina 47) om de displaymelding te laten
verdwijnen.
Systeemmeldingen BLIS
Displaymelding Betekenis
BLINDE-HOE-
KINFO. SYSTEEM
AAN
BLIS ingeschakeld
BLINDE-HOEK-
SYST. SERVICE
VEREIST
BLIS buiten werking
Displaymelding Betekenis
BLINDE-HOEK-
SYST. R CAMERA
GEBLOK.
Rechter camera
afgedekt
BLINDE-HOEK-
SYST. L CAMERA
GEBLOK.
Linker camera afge-
dekt
BLINDE-HOEK-
SYST. CAMERA'S
GEBLOK.
Beide camera’s
afgedekt
BLIS WERKING
GEREDUCEERD
De BLIS-camera
wordt gehinderd
door bijvoorbeeld
mist of fel zonlicht
recht in de camera.
De camera herstelt
zichzelf zodra de
omstandigheden
weer normaal zijn.
BLINDE-HOE-
KINFO. SYSTEEM
UIT
BLIS uitgeschakeld
De meldingen verschijnen alleen, als de con-
tactsleutel in stand II staat (of als de motor
loopt) en BLIS actief is (de bestuurder heeft het
systeem niet gedeactiveerd).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 159
evastarck
06 Starten en rijden
BLIS (Blind Spot Information System)*
06
160
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Beperkingen
Soms kan het controlelampje voor BLIS oplich-
ten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken
kunt waarnemen.
N.B.
Als het controlelampje voor BLIS soms
oplicht zonder dat u andere voertuigen in de
dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit
niet dat het systeem een storing vertoont.
Bij een storing in het BLIS-systeem ver-
schijnt op het display de melding
BLINDE-
HOEKSYST. SERVICE VEREIST
.
Hier volgen enkele afbeeldingen van situaties
waarin het controlelampje voor BLIS kan gaan
branden, hoewel er zich geen voertuigen in de
dode hoek bevinden.
G018176
Reflecties op een glad en nat wegdek
G018177
Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en
gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of
betonnen wegen
G018178
Laag staande zon in de camera
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 160
evastarck
06 Starten en rijden
06
161
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 161
evastarck
G020918
162
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene informatie............................................................................. 164
Bandenspanning................................................................................... 167
Gevarendriehoek* en reservewiel.......................................................... 169
Bandenspanningscontrolesysteem*..................................................... 171
Wielen verwisselen................................................................................ 173
Noodreparatie banden*......................................................................... 175
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 162
evastarck
07
WIELEN EN BANDEN
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 163
evastarck
07 Wielen en banden
Algemene informatie
07
164
Rijeigenschappen en banden
De banden zijn van grote invloed op de rijei-
genschappen van de auto. Zowel het type, de
maat, de bandenspanning als de snelheids-
aanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag
van de auto.
Let er bij het verwisselen van banden op dat de
nieuwe banden op alle vier de wielen van het-
zelfde type zijn, dezelfde afmetingen hebben
en van hetzelfde merk zijn. Houd de aanbevo-
len bandenspanning aan die in de banden-
spanningstabel staat (zie pagina 167).
Maataanduiding
Op alle autobanden staat een bepaalde maat-
aanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke
aanduiding:
205/55R16 91 W.
205 Breedte van de band (mm)
55 Verhouding tussen de hoogte en
breedte van de band (%)
R Aanduiding voor radiaalbanden
16 Velgdiameter van de band (")
91 Aanduiding van het draagvermo-
gen van de band (in dit geval
615 kg)
W Aanduiding van de snelheidslimiet
van de band (in dit geval
270 km/h).
Snelheidsaanduidingen
De auto is voorzien van een typegoedkeuring
voor de uitvoering waarin deze werd aangele-
verd. Dat betekent dat u niet mag afwijken van
de afmetingen en snelheidsaanduidingen die
staan aangegeven op de typegoedkeuring van
de auto. De enige uitzondering daarop vormt
het gebruik van winterbanden (zowel banden
met als zonder “spikes”). Bij gebruik van der-
gelijke banden mag u niet sneller rijden dan de
maximumsnelheid die voor het gebruikte ban-
dentype geldt (voor aanduiding Q geldt bij-
voorbeeld een maximumsnelheid van
160 km/h).
Let erop dat de gesteldheid van het wegdek
bepalend is voor uw maximumsnelheid en niet
de snelheidsaanduiding van de banden.
Let erop dat de aangegeven snelheid de maxi-
mumsnelheid is.
Q 160 km/h (alleen voor winterbanden)
T 190 km/h
H 210 km/h
V 240 km/h
W 270 km/h
Y 300 km/h
Nieuwe banden
Banden hebben een beperkte
houdbaarheidsdatum. Na
enkele jaren worden de ban-
den hard en neemt de grip op
het wegdek stukje bij beetje
af. Gebruik bij het verwisselen
van banden altijd zo nieuw
mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder
voor winterbanden. De week en het jaar van
productie worden aangeduid met de DOT-
code (Department of Transportation)
bestaande uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1502.
De band op de afbeelding is in de 15e week van
het jaar 2002 geproduceerd.
Leeftijd van de banden
Alle banden die ouder zijn dan zes jaar moet u
door een vakman laten controleren, ook al zien
ze er intact uit. Dit omdat het materiaal waarvan
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 164
evastarck
07 Wielen en banden
Algemene informatie
07
``
165
banden gemaakt zijn ook veroudert en afge-
broken wordt, als banden zelden of nooit wor-
den gebruikt. Daarbij kan de werking van de
band worden aangetast. In dat geval dient u de
band niet meer te gebruiken. Dit geldt ook voor
reservebanden, winterbanden en banden die u
voor toekomstig gebruik hebt opgeslagen.
Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare
kenmerken van een band die ongeschikt is
voor gebruik.
De leeftijd van een band valt af te lezen uit de
DOT-code (zie bovenstaande afbeelding).
Gelijkmatige slijtage en onderhoud
G020323
De juiste bandenspanning levert een gelijkma-
tiger slijtage op (zie pagina 168). De rijstijl, de
bandenspanning, het klimaat en de staat van
de wegen zijn van invloed op de snelheid waar-
mee de banden verouderen en slijten. Om ver-
schillen in profieldiepte te voorkomen en
slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op
de voor- en achteras onderling van plaats ver-
wisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km
uit en doe dat daarna om de 10000 km
opnieuw. Neem contact op met een erkende
Volvo-werkplaats als u niet zeker bent van de
profieldiepte.
Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze
nooit rechtop staan.
WAARSCHUWING
Een beschadigde band kan ertoe leiden dat
u de controle over de auto verliest.
Banden met slijtage-indicatoren
Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die
dwars op het profiel van de band staan. De let-
ters TWI (Tread Wear Indicator) op de zijkant
van de band geven aan dat een band is uitge-
rust met slijtage-indicatoren. De indicatoren
zijn duidelijk zichtbaar, wanneer een band dus-
danig versleten is dat slechts 1,6 mm van het
profiel over is. Vervang de banden dan zo
spoedig mogelijk. Let erop dat een band met
een gering profiel zeer weinig grip op het weg-
dek heeft bij regen of sneeuw.
Winterbanden
Volvo raadt winterbanden met bepaalde win-
terbandenmaten aan. De bandenmaat is
afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd
het juiste type winterbanden op alle vier de
wielen.
N.B.
Neem contact op met een Volvo-dealer voor
advies over de beste soort velgen en ban-
den.
Banden met “spikes”
Winterbanden met “spikes” moeten de eerste
500–1000 km rustig worden ingereden, zodat
de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo
gaan de banden en vooral de “spikes” langer
mee.
N.B.
De wettelijke bepalingen voor het gebruik
van banden met “spikes” verschillen van
land tot land.
Profieldiepte
Ritten bij ijs, sneeuw(modder) en lage tempe-
raturen vergen meer van de banden dan
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 165
evastarck
07 Wielen en banden
Algemene informatie
07
166
zomerse ritten. Daarom wordt geadviseerd een
minimale profieldiepte van vier mm aan te hou-
den voor winterbanden.
Sneeuwkettingen
Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toe-
gestaan op de voorwielen. Dit geldt ook voor
modellen met voorwielaandrijving.
Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwket-
tingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen,
omdat zowel de sneeuwkettingen als de ban-
den daardoor overmatig slijten. Maak nooit
gebruik van sneeuwkettingen met zogeheten
snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de
schijfremmen en de wielen te gering is.
BELANGRIJK
Gebruik originele sneeuwkettingen van
Volvo of vergelijkbare sneeuwkettingen die
zijn afgestemd op het model en de band- en
velgafmetingen. Vraag een erkende Volvo-
werkplaats om advies.
Afsluitbare wielbout
Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op
zowel aluminium als stalen velgen. Bij gebruik
van afsluitbare wielbouten op stalen velgen
met wieldoppen, moet u de afsluitbare wiel-
bout zo ver mogelijk van het ventiel aanbren-
gen. U kunt de wieldop anders niet op het wiel
aanbrengen.
Zomer- en winterbanden
G020325
De pijl geeft de draairichting van de band aan
Wanneer u de zomerbanden vervangt door
winterbanden of andersom, moet u op de ban-
den noteren waar ze zaten: bijvoorbeeld L voor
links, R voor rechts.
Bij banden met een speciaal profiel dat alleen
goed werkt wanneer de banden in een
bepaalde richting draaien, staat deze richting
aangegeven met een pijl op de zijkant van de
band. Zorg dat de banden altijd dezelfde draai-
richting hebben.
Banden mogen alleen van voor naar achter
verwisseld worden, nooit van links naar rechts
of omgekeerd. Als u de banden verkeerd aan-
brengt, nemen de remeigenschappen van de
auto af en kunnen de banden regen, sneeuw
en drab minder goed afvoeren.
Monteer de banden met het diepste profiel
altijd op de achteras (om het gevaar voor slip-
pen te verminderen).
Neem contact op met een erkende Volvo-
werkplaats als u niet zeker bent van de profiel-
diepte.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 166
evastarck
07 Wielen en banden
Bandenspanning
07
``
167
Aanbevolen bandenspanning
G020791
Op de sticker voor op de portierstijl aan de
bestuurderszijde (tussen voor- en achterpor-
tier) staat de juiste bandenspanning voor uw
auto aangegeven bij verschillende belading en
snelheid.
Op de sticker staan:
Bandenspanning bij gebruik van de aan-
bevolen bandenmaat
ECO-bandenspanning
Bandenspanning compact reservewiel
(Temporary Spare)
Bandenspanning controleren
Controleer regelmatig de bandenspanning.
N.B.
Het is een natuurlijk gegeven dat de ban-
denspanning na verloop van tijd afneemt.
De bandenspanning varieert ook naarge-
lang van de omgevingstemperatuur. Het is
een natuurlijk gegeven dat de bandenspan-
ning na verloop van tijd afneemt. De ban-
denspanning varieert ook naargelang van
de omgevingstemperatuur.
De juiste bandenspanning staat in de banden-
spanningstabel (zie pagina 168). De aangege-
ven bandenspanning geldt bij koude banden
(kan verschillen naargelang van de buitentem-
peratuur).
Al na enkele kilometers rijden worden de ban-
den warm en loopt de spanning op. Laat
daarom geen lucht uit de banden ontsnappen
als u de spanning controleert bij warme ban-
den. Als de spanning bij warme banden echter
te laag is, moet u de band harder oppompen.
Onvoldoende opgepompte banden hebben
een negatieve inwerking op het brandstofver-
bruik, de levensduur van de banden en de rij-
eigenschappen van de auto. Wanneer u met
een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de
banden oververhit raken en kapotgaan. Zie de
bandenspanningstabel voor de juiste banden-
spanning.
Brandstofbesparing, ECO-
bandenspanning
Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden wordt geadviseerd de aangegeven
bandenspanning bij maximale belading aan te
houden bij snelheden tot 160 km/h.
De bandenspanning is van invloed op het rij-
comfort, de stuureigenschappen en de gepro-
duceerde weggeluiden.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 167
evastarck
07 Wielen en banden
Bandenspanning
07
168
Bandenspanningstabel
Type Bandenmaat Snelheid
(km/h)
Belading (1–3 inzittenden) Max. belading
Voor (kPa
A
)
Achter (kPa) Voor (kPa) Achter (kPa)
T5 205/55R16
215/55R16
225/45R17
235/40R18
0–160 220 220 260 260
160 + 260 260 280 280
0–160
260
B
260
B
260
B
260
B
Overige 195/65R15
205/55R16
215/55R16
225/45R17
235/40R18
0–160 220 220 260 260
160 + 250 250 280 280
0–160
260
B
260
B
260
B
260
B
Reservewiel,
Temp. Spare
T125/80R17 0–80 420 420 420 420
A
In sommige landen wordt de bandenspanning ook wel in bar aangegeven in plaats van in pascal (1 bar = 100 kPa en 260 kPa = 2,60 bar).
B
ECO-bandenspanning, zie pagina 167
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 168
evastarck
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
169
Gevarendriehoek
G027224
Houd u aan de bepalingen die gelden voor het
gebruik van gevarendriehoeken in uw land.
Gebruik de gevarendriehoek als volgt:
1. Draai de beide bevestigingsschroeven in
de verticale stand.
2. Haal voorzichtig de houder met de geva-
rendriehoek erin los.
3. Neem de gevarendriehoek uit de houder
(A).
4. Klap de vier steunpootjes van de gevaren-
driehoek uit.
5. Klap de beide rode driehoekszijden uit.
Plaats de gevarendriehoek op een
geschikt punt, rekening houdend met de
verkeerssituatie.
Na gebruik
Berg de onderdelen in de omgekeerde volg-
orde weer op.
Zorg dat de houder met de gevarendriehoek
stevig op het kofferdeksel vastzit.
Reservewiel, gereedschap en krik
G027201
1. Reservewiel*
2. Bevestiging
3. Gereedschapstas* met sleepoog
4. Krik*
Het reservewiel met de krik en de gereed-
schapstas vindt u onder de vloer van de kof-
ferbak. Ga als volgt te werk om het reservewiel
te verwijderen:
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Haal de krik en de gereedschapstas naar
buiten.
3. Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de kofferbak.
Doe het volgende als uw auto is uitgerust
met een houder voor
boodschappentassen:
1. Verdraai de twee klemmen aan de achter-
zijde van de vloermat 90°.
2. Klap de voorzijde van de vloermat naar
achteren toe op, in de richting van de ope-
ning voor het kofferdeksel.
3. Til de mat iets op en verdraai deze 90°
zodat u deze kunt verwijderen.
4. Til de vloermat uit de kofferbak.
5. Draai de bevestiging van het reservewiel
los en til het reservewiel uit de kofferbak.
Breng het reservewiel weer aan, schroef de
bevestiging vast en breng alle verwijderde
onderdelen in omgekeerde volgorde weer aan.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 169
evastarck
07 Wielen en banden
Gevarendriehoek* en reservewiel
07
170
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Zorg dat het reservewiel goed ligt en dat de krik
en de gereedschapstas stevig vastzitten.
Gereedschap, terugplaatsen
Plaats het gereedschap en de krik* na gebruik
op de juiste manier terug. De krik past alleen
als deze in de juiste opbergstand (zie neven-
staande afbeelding) wordt gezet.
BELANGRIJK
Bewaar gereedschap en krik op de daar-
voor bestemde plaats in de kofferbak wan-
neer u ze niet nodig hebt.
Reservewiel Temporary Spare*
Het compacte reservewiel (Temporary Spare)
mag alleen worden gebruikt gedurende de
korte tijd die nodig is om het normale wiel te
repareren of te vervangen.
Volgens de wet mag het reservewiel/de band
alleen tijdelijk worden gebruikt, wanneer een
band beschadigd is. Een wiel/band van dit type
moet daarom zo spoedig mogelijk door een
norma(a)l(e) wiel/band worden vervangen.
Let er ook op dat het compacte reservewiel in
combinatie met normale wielen of banden wij-
zigingen in de rijeigenschappen kan veroorza-
ken. De maximumsnelheid bij gebruik van een
compact reservewiel bedraagt daarom
80 km/h.
BELANGRIJK
Gebruik alleen het originele reservewiel dat
bij de auto hoort! Banden met afwijkende
maten kunnen schade aan uw auto veroor-
zaken. U mag per keer slechts een reserve-
wiel gebruiken.
EHBO*
Onder de vloer in de kofferbak ligt een EHBO-
kit.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 170
evastarck
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem*
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
171
Algemene informatie
Het TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)
waarschuwt de bestuurder, wanneer de span-
ning in één of meer banden te laag is. Het
systeem maakt gebruik van sensoren in de
ventielen van de banden. Bij snelheden van ca.
40 km/h controleert het systeem de banden-
spanning. Als de spanning dan te laag is, gaat
het waarschuwingslampje op het instrumen-
tenpaneel branden en verschijnt er een mel-
ding op het display.
Controleer het systeem altijd na het verwisse-
len van wielen om er zeker van te zijn dat de
vervangende wielen compatibel zijn met het
systeem.
Voor informatie over de juiste bandenspan-
ning, zie pagina 168.
Ook mét het systeem moet u het normale
onderhoud aan de banden blijven plegen.
BELANGRIJK
Als er een storing optreedt in het banden-
spanningscontrolesysteem, gaat het waar-
schuwingslampje op het instrumentenpa-
neel branden. Bovendien verschijnt de
melding
BANDENSP.SYSTEEM
SERVICE VEREIST
. Dit kan meerdere oor-
zaken hebben. Het is bijvoorbeeld mogelijk
dat er een wiel gemonteerd werd met een
sensor die niet past bij het bandenspan-
ningscontrolesysteem van Volvo.
Bandenspanningscontrolesysteem
afstellen
Om de aanbevolen bandenspanning van Volvo
aan te kunnen houden is het mogelijk het ban-
denspanningscontrolesysteem af te stellen,
bijvoorbeeld bij een zware belading.
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
1. Pomp de banden tot de juiste spanning op.
2.
Zet het contact in stand I of II.
3. Draai aan het duimwiel op de linker stuur-
hendel, totdat de melding
BANDENSPANNING KALIBREREN op
het display verschijnt.
4.
Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSPANNING
GEKALIBREERD
op het display ver-
schijnt.
Bij een lage bandenspanning
Doe het volgende, wanneer de melding LAGE
BANDENSPAN. CONTR. BANDEN
voor een
lage bandenspanning op het display verschijnt:
1. Controleer de bandenspanning van alle
vier de wielen.
2. Pomp de band(en) tot de juiste spanning
op.
3. Rijd ten minste 1 minuut onafgebroken in
de auto op een snelheid van 40 km/h of
hoger en ga na of de melding verdwijnt.
Bandenspanningscontrole deactiveren
N.B.
De motor mag daarbij niet lopen.
1.
Zet het contact in stand I of II.
2. Draai aan het duimwiel op de linker stuur-
hendel, totdat de melding
BANDENSP.SYSTEEM AAN op het dis-
play verschijnt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 171
evastarck
07 Wielen en banden
Bandenspanningscontrolesysteem*
07
172
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
3.
Houd de knop RESET ingedrukt, totdat de
melding BANDENSP.SYSTEEM UIT ver-
schijnt.
Herhaal de punten 1–3 om het systeem
opnieuw te activeren, waarna de melding
BANDENSP.SYSTEEM AAN verschijnt.
Adviezen
Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen
van de wielen die in de fabriek werden gemon-
teerd.
Bij een compact reservewiel (Temporary
Spare) ontbreekt een dergelijke sensor.
Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sen-
sor zal iedere keer dat u meer dan 10 minu-
ten lang sneller rijdt dan 40 km/h de
melding BANDENSP.SYSTEEM
SERVICE VEREIST
op het display ver-
schijnen.
Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten
monteren op alle wielen (zomer- of winter-
banden) van de auto.
Volvo raadt het af sensoren van het ene
wiel over te zetten op een ander wiel.
WAARSCHUWING
Houd bij het oppompen van een band met
TPMS het mondstuk recht tegen het ventiel
aan om het ventiel niet te beschadigen.
Runflat-banden*
Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden,
Self Supporting Tyres) op de auto zitten, hebt
u ook TPMS.
Dergelijke banden zijn voorzien van een speci-
aal verstevigde zijwand, zodat u ook als er een
hoeveelheid lucht uit de band ontsnapt is, kunt
blijven rijden. Deze banden zijn op speciale vel-
gen gemonteerd. (Om dergelijke velgen kun-
nen ook standaardbanden worden gelegd.)
Als de bandenspanning van een SST-band
daalt, gaat het oranje TPMS-lampje op het
instrumentenpaneel branden en verschijnt er
een melding op het display. Houd in dat geval
een snelheid van maximaal 80 km/h aan en laat
de band zo spoedig mogelijk vervangen.
Rijd voorzichtig omdat het niet altijd duidelijk is
welke band er lek is. Controleer altijd alle vier
de banden om na te gaan welke band er moet
worden vervangen.
WAARSCHUWING
Laat de montage van SST-banden over aan
de vakman.
Gebruik SST-banden alleen in combinatie
met TPMS.
Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een
waarschuwingsmelding voor een lage ban-
denspanning is verschenen.
Vervang de lekke band na maximaal 80 kilo-
meter rijden.
Rijd voorzichtig.
Vervang een SST-band bij beschadiging of
lekkage.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 172
evastarck
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
173
Wielen demonteren
G020331
Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wan-
neer u de band moet verwisselen aan de kant
van de weg. Het reservewiel* zit onder de
kunststof bak in de kofferbak.
1. Trek de handrem aan en schakel de 1e ver-
snelling in bij auto’s met een handgescha-
kelde versnellingsbak (stand P bij auto’s
met een automatische versnellingsbak).
WAARSCHUWING
Controleer of de krik intact is, goed
gesmeerde schroefdraadwindingen heeft
en vrij van vuil is.
2. Plaats wielblokken voor en achter de wie-
len die op de grond blijven staan. Gebruik
daarvoor grote houten blokken of grote
stenen.
G020332
3. Auto’s met stalen velgen hebben afneem-
bare wieldoppen. Werk de wieldop los met
het uiteinde van een wielsleutel* of trek
hem met de hand los.
4. Draai de wielmoeren ½–1 slag linksom los
met de wielsleutel.
G027324
WAARSCHUWING
Leg nooit iets tussen de krik en de onder-
grond en evenmin tussen de krik en het
kriksteunpunt.
5. Er zitten twee kriksteunpunten aan weers-
zijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een
uitsparing in de kunststof afdekking. Draai
de voet van de krik* met de slinger zo ver
omlaag dat de voet plat tegen de grond
aankomt. Controleer of de krik goed aan
het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeel-
ding) en zorg dat de voet recht onder het
steunpunt zit.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 173
evastarck
07 Wielen en banden
Wielen verwisselen
07
174
6. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel
van de grond komt. Verwijder de wielbou-
ten en til het wiel eraf.
Wielen monteren
G027310
1. Reinig de contactvlakken op het wiel en de
naaf.
2. Breng het wiel aan. Draai de wielbouten
vast.
3. Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen
niet meer ongehinderd kunnen draaien.
4. Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het
is belangrijk dat u de wielmoeren stevig
aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Con-
troleer het aanhaalmoment met een
momentsleutel.
5. Breng de wieldop (stalen velgen) aan.
G027309
WAARSCHUWING
Kruip nooit onder de auto als deze op de krik
staat.
Laat eventuele passagiers uit de auto stap-
pen, voordat u de auto opkrikt.
Geef eventuele passagiers te kennen dat ze
dusdanig moeten gaan staan dat de auto en
liever nog een vangrail tussen hen en het
verkeer op de weg zit.
BELANGRIJK
Als er TPMS op de auto zit, dient u de
nieuwe banden na montage te kalibreren
(zie zie pagina 171).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 174
evastarck
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
175
Algemene informatie
De noodreparatieset wordt gebruikt om een lek
te dichten alsook om de bandenspanning te
controleren en zo nodig tijdelijk te corrigeren.
De set bestaat uit een compressor en een bus
met afdichtmiddel. De set dient om noodrepa-
raties uit te voeren. De bus met het afdicht-
middel moet worden vervangen voordat de
houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens
na het gebruik.
Het afdichtmiddel dicht banden met een lek in
het loopvlak effectief af.
N.B.
De bandenreparatieset is uitsluitend
bedoeld voor het afdichten van banden met
een lek in het loopvlak.
N.B.
De krik is optioneel op auto’s met de ban-
denreparatieset.
De noodreparatieset leent zich minder goed
voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer
geen banden met de set voor noodreparatie te
repareren die grote groeven, scheuren en der-
gelijke vertonen.
12 V-aansluitingen voor de compressor zitten
voorin bij de middenconsole, achterin bij de
achterbank en in de bagageruimte/kofferbak.
Gebruik de elektrische aansluiting die het
dichtst bij de lekke band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats om de afge-
dichte band te laten controleren (maximale
rijafstand 200 km). Het personeel bepaalt of
de band kan worden gerepareerd of moet
worden vervangen.
Noodreparatieset erbij nemen
De noodreparatieset met compressor en
gereedschap zit onder de vloer in de bagage-
ruimte.
1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en
klap deze naar voren toe op.
2. Til de noodreparatieset op.
Overzicht
G020400
Sticker, toegestane maximumsnelheid
Knop
Kabel
Bushouder (oranje deksel)
Beschermdop
Drukreduceerventiel
Luchtslang
Bus met afdichtmiddel
Manometer
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 175
evastarck
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
176
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Lekke band repareren
G019723
Voor informatie over de werking van de onderde-
len (zie voorgaande afbeelding).
1. Open het deksel van de noodreparatieset.
2. Haal de sticker met de toegestane maxi-
mumsnelheid uit de set en bevestig de stic-
ker op het stuurwiel.
WAARSCHUWING
Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot
huidirritatie. Was bij huidcontact het getrof-
fen gebied onmiddellijk schoon met water
en zeep.
3.
Controleer of de knop in stand 0 staat en
neem de kabel en de luchtslang erbij.
N.B.
Verbreek de verzegeling van de bus niet
handmatig. Bij het indraaien van de bus
wordt de verzegeling automatisch verbro-
ken.
4. Draai de oranje beschermdop los evenals
de dop op de bus met afdichtmiddel.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Draai de bus in de bushouder vast.
6. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht-
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
7. Sluit de kabel op een 12 V-aansluiting aan
en start de motor.
WAARSCHUWING
Ga nooit naast de band staan terwijl de
compressor aan het pompen is. Bij barsten,
oneffenheden en dergelijke dient u de com-
pressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëin-
dig in dat geval de rit. Neem contact op met
een erkende Volvo-werkplaats.
N.B.
Bij het inschakelen van de compressor kan
de spanning aanvankelijk oplopen tot 6 bar,
8.
Zet de knop in stand I.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
9. Vul de band 7 minuten lang met afdicht-
middel.
WAARSCHUWING
Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar,
is het gat in de band te groot. Beëindig in
dat geval de rit. Neem contact op met een
erkende Volvo-werkplaats.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 176
evastarck
maar zal na ca. 30 seconden weer dalen.
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
177
10. Schakel de compressor uit om de banden-
spanning van de manometer af te lezen. De
bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en
maximaal 3,5 bar te bedragen.
11. Schakel de compressor uit en trek de kabel
los uit de 12 V-aansluiting.
12. Koppel de slang los van het ventiel en
plaats het ventieldopje terug.
13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie
ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal
80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band
kan afdichten.
Reparatieresultaat en bandenspanning
controleren
1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
2. Lees de bandenspanning van de manome-
ter af.
3. Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd
de band onvoldoende afgedicht. Beëindig
in dat geval de rit. Neem contact op met
een Volvo-werkplaats.
4. Als de bandenspanning hoger is dan
1,3 bar, moet u de band oppompen tot de
spanning die staat aangegeven in de ban-
denspanningstabel. Laat lucht uit de band
ontsnappen, als de bandenspanning te
hoog is.
WAARSCHUWING
Draai de bus niet los. De bus is voorzien van
een pakking die lekkage tegengaat.
5. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los. Plaats het ven-
tieldopje terug.
N.B.
Vervang de bus met afdichtmiddel en de
slang na gebruik. Laat het vervangen over
aan een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Controleer de bandenspanning regelmatig.
6. Leg de noodreparatieset in de kofferbak
terug.
7. Rijd naar de dichtstbijzijnde erkende
Volvo-werkplaats om de beschadigde
band te laten vervangen/repareren. Geef
aan het werkplaatspersoneel door dat er
afdichtmiddel in de band zit.
WAARSCHUWING
Rijd nooit sneller dan 80 km/h, wanneer u de
noodreparatieset hebt gebruikt. Bezoek een
erkende Volvo-werkplaats om de afge-
dichte band te laten controleren (maximale
rijafstand 200 km). Het personeel bepaalt of
de band kan worden gerepareerd of moet
worden vervangen.
Band oppompen
De compressor is berekend op het oppompen
van de originele banden die op de auto zitten.
1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de
knop in stand 0 staat en neem de kabel en
de luchtslang erbij.
2. Draai het ventieldopje van het wiel los en
schroef de ventielaansluiting van de lucht-
slang zo ver mogelijk op het ventiel van de
band.
WAARSCHUWING
Laat geen kinderen zonder toezicht in de
auto achter, terwijl de motor loopt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 177
evastarck
07 Wielen en banden
Noodreparatie banden*
07
178
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
WAARSCHUWING
Inademen van uitlaatgassen kan levensge-
vaarlijk zijn. Laat de motor nooit draaien in
ruimten die zijn afgesloten of onvoldoende
geventileerd worden.
3. Sluit de kabel aan op een van de 12 V-aan-
sluitingen in de auto en start de motor.
4. Schakel de compressor in door de knop in
stand I te zetten.
BELANGRIJK
Er bestaat gevaar voor oververhitting. De
compressor mag niet langer dan 10 minuten
achtereen werken.
5. Pomp de band op tot de druk die in de
bandenspanningstabel staat aangegeven.
(Laat eventueel lucht ontsnappen met het
drukreduceerventiel, als de bandenspan-
ning te hoog is.)
6. Schakel de compressor uit. Koppel de
luchtslang en de kabel los.
7. Plaats het ventieldopje terug.
Spuitbus met afdichtmiddel vervangen
Vervang de bus wanneer de houdbaarheids-
datum verstreken is. Behandel de vervangen
bus als klein chemisch afval (KCA).
WAARSCHUWING
De bus bevat 1,2-ethanol en natuurrubber-
latex.
Gevaarlijk bij inwendig gebruik. Kan aanlei-
ding geven tot overgevoeligheid bij huid-
contact.
Contact met huid en ogen vermijden.
Buiten bereik van kinderen bewaren.
N.B.
Geef de bus af bij een inzamelingsstation
voor opslag van KCA.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 178
evastarck
07 Wielen en banden
07
179
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 179
evastarck
G020920
180
Schoonmaken....................................................................................... 182
Lakschade herstellen............................................................................ 186
Roestwering.......................................................................................... 187
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 180
evastarck
08
VERZORGING
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 181
evastarck
08 Verzorging
Schoonmaken
08
182
Auto wassen
Was de auto zodra deze vuil geworden is.
Gebruik autoshampoo. Vuil en strooizout kun-
nen aanleiding geven tot corrosie.
Was de auto niet in direct zonlicht, omdat
de lak daarbij blijvende schade kan oplo-
pen. Zorg dat de auto op een spoelvloer
met afvoerscheiding staat.
Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel
van de auto.
BELANGRIJK
Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil
los te weken. Let op het volgende bij gebruik
van een hogedrukreiniger: Houd bij het was-
sen de spuitkop van de hogedrukreiniger
ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Spuit niet rechtstreeks in de richting van de
sloten.
Was de auto met een spons, autoshampoo
en een ruime hoeveelheid lauw water.
Als het vuil hardnekkig is, kunt u de auto
met een koud ontvettingsmiddel wassen.
Droog de auto af met een schoon en zacht
stuk zeemleer of een trekker.
WAARSCHUWING
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
BELANGRIJK
Vuile koplampen werken minder goed.
Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens
het tanken bijvoorbeeld.
N.B.
Bij de externe verlichting zoals de koplam-
pen, mistlampen en achterlichten kan tijde-
lijk condens optreden aan de binnenkant
van het lampglas. Dit is een natuurlijk ver-
schijnsel en alle externe verlichting is erop
gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorko-
men. Condens verdwijnt normaal uit het
lamphuis, wanneer de lamp enige tijd
brandt.
Wisserbladen schoonmaken
Door teer-, stof- en zoutresten op de wisser-
bladen en insecten, ijs e.d. op de voorruit gaan
wisserbladen minder lang mee.
N.B.
Reinig de wisserbladen en de voorruit regel-
matig met een lauwe zeepoplossing of auto-
shampoo.
Gebruik geen sterke oplosmiddelen.
Vogelpoep verwijderen
Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van
de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de
lak aantasten en deze zeer snel doen verkleu-
ren. Een dergelijke verkleuring is alleen te her-
stellen door de vakman.
Verchroomde velgen
BELANGRIJK
Velgreinigingsmiddelen kunnen vlekken
veroorzaken op verchroomde velgen. Was
de auto met een spons, autoshampoo en
een ruime hoeveelheid lauw water.
Automatische wasstraten
In een automatische wasstraat kunt u de auto
snel en eenvoudig schoonmaken. Let er echter
op dat een wasbeurt in een automatische was-
straat nooit een alternatief vormt voor een
gedegen wasbeurt met de hand. Dit omdat de
borstels van de wasstraat niet overal even
goed bij kunnen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 182
evastarck
08 Verzorging
Schoonmaken
08
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
183
BELANGRIJK
Een nieuwe laklaag is bovendien kwets-
baarder dan een oude laag. U wordt daarom
geadviseerd de eerste maanden na aan-
koop van een nieuwe auto deze alleen met
de hand te wassen.
Remmen testen
WAARSCHUWING
Test na het wassen van de auto altijd de
remmen (en dus ook de handrem) om te
voorkomen dat vocht en corrosie de rem-
blokken aantasten, waardoor de remwer-
king afneemt.
Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal,
als u lange afstanden in de regen of sneeuw-
modder aflegt. Zo verwarmt en droogt u de
remblokken. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of
koud weer.
Kunststof en rubber exterieuronderdelen
en sieronderdelen
Voor het schoonmaken van gekleurde kunst-
stof onderdelen, rubber onderdelen en sieron-
derdelen (zoals glimmende strips), wordt gead-
viseerd het speciale reinigingsmiddel te
gebruiken dat bij de erkende Volvo-werkplaats
verkrijgbaar is. Volg bij het gebruik van dit rei-
nigingsmiddel de gebruiksvoorschriften nauw-
keurig op.
BELANGRIJK
Onderdelen van kunststof en rubber niet in
de was zetten of oppoetsen.
Bij het poetsen van glimmende strips kunt u
de glimmende laag beschadigen of verwij-
deren.
Gebruik geen schurende poetsmiddelen.
Poetsen en in de was zetten
Poets de auto en zet deze in de was, wanneer
de lak er dof uitziet of u deze extra bescher-
ming wilt bieden.
U hoeft een nieuwe auto pas na een jaar te
poetsen. In de was zetten kunt u eerder doen.
Zorg dat de auto bij het poetsen of in de was
zetten niet in direct zonlicht staat.
Was de auto en droog deze zorgvuldig af, voor-
dat u begint te poetsen of de was aanbrengt.
Verwijder asfalt- en teervlekken met de teer-
verwijderaar van Volvo of met terpentine. U
kunt hardnekkige vlekken met een speciaal
voor autolak bestemde, fijne schuurpasta
(“rubbing compound”) verwijderen.
Poets de lak eerst op en behandel deze daarna
met was in vloeibare of vaste vorm. Volg de
aanwijzingen op de verpakking nauwkeurig op.
Veel preparaten bevatten zowel poetsmiddel
als was.
BELANGRIJK
Lakbehandelingen zoals lakconservering,
verzegeling, bescherming, glansverzegeling
e.d. kunnen lakschade veroorzaken. Lak-
schade als gevolg van het gebruik van der-
gelijke behandelingen valt niet onder de
Volvo-garantie.
Buitenspiegels en voorste zijruiten met
water- en vuilafstotende laag
schoonmaken*
Gebruik nooit producten zoals autowas, ont-
vetters e.d. op de spiegels of de ruiten, omdat
de water- en vuilafstotende laag daardoor
beschadigd kan raken.
Wees voorzichtig tijdens het schoonmaken om
te voorkomen dat er krassen in het glasopper-
vlak ontstaan.
Om schade aan het glas te voorkomen dient u
voor het verwijderen van ijs alleen een krabber
van kunststof te gebruiken.
De waterafstotende laag staat bloot aan
natuurlijke slijtage.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 183
evastarck
08 Verzorging
Schoonmaken
08
184
N.B.
Om de waterafstotende eigenschappen te
behouden, wordt geadviseerd de behande-
ling te vernieuwen met een nabehandelings-
middel dat verkrijgbaar is bij de erkende
Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de
eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
Interieur reinigen
Behandeling van vlekken op stoffen
bekleding
De erkende Volvo-werkplaats heeft een speci-
aal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding.
Andere reinigingsmiddelen kunnen de brand-
vertragende eigenschappen van de bekleding
aantasten.
BELANGRIJK
Scherpe voorwerpen en klittenband kunnen
de stoffen bekleding beschadigen.
Behandeling van vlekken op leren
bekleding
De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en
voldoet aan de norm Öko-Tex 100.
Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het
zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer
is voorzien van een beschermende toplaag,
maar om de goede eigenschappen en het
fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige ver-
zorging van het leer vereist. Volvo biedt een
universeel leerverzorgingsproduct waarmee u
leren bekleding kunt schoonmaken en de
beschermende laag kunt herstellen mits u de
instructies opvolgt.
Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het
leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de
oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina
maakt deel van het natuurlijke verouderings-
proces van het leer en geeft aan dat het om een
natuurproduct gaat.
Voor de beste resultaten adviseert Volvo de
beschermende crème één- à viermaal per jaar
(zo nodig vaker) op te brengen. Vraag bij de
erkende Volvo-werkplaats naar het speciale
leerverzorgingsproduct van Volvo.
BELANGRIJK
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen. Derge-
lijke middelen kunnen bekleding van textiel,
vinyl en leer beschadigen.
BELANGRIJK
Let erop dat de stoffen bekleding kan ver-
kleuren bij gebruik van materialen die afge-
ven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède
kleding e.d.).
Reinigingsvoorschriften voor leren
bekleding
1. Breng wat van het leerreinigingsproduct
op een vochtige spons aan en knijp erin om
een dikke laag schuim te krijgen.
2. Behandel de vlek voorzichtig met cirke-
lende bewegingen.
3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat
de vlek in de spons trekken. Wrijf niet.
4. Veeg het behandelde gebied met een stuk
zacht papier of een doek af en laat het leer
volledig drogen.
Beschermende laag aanbrengen op
leren bekleding
1. Breng wat van de beschermende crème op
de vilten doek aan en wrijf de crème in cir-
kelende bewegingen voorzichtig in het
leer.
2. Laat het leer 20 minuten drogen alvorens
erop plaats te nemen.
Daarmee is het leer beter beschermd tegen
vlekken en uv-straling.
Behandeling van vlekken op
interieuronderdelen van kunststof,
metaal en hout
Voor het reinigen van interieuronderdelen en -
panelen wordt een speciaal reinigingsmiddel
geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de erkende
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 184
evastarck
08 Verzorging
Schoonmaken
08
185
Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een
vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen.
Veiligheidsgordel schoonmaken
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
en dan met name het textielreinigingsmiddel
dat bij de erkende Volvo-werkplaats verkrijg-
baar is. Zorg dat de gordel droog is, voordat
deze weer wordt opgerold.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 185
evastarck
08 Verzorging
Lakschade herstellen
08
186
Lak
De lak vormt een belangrijk onderdeel van de
roestwering van de auto en moet daarom
regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade
moet u meteen herstellen om roestvorming te
voorkomen. De meest voorkomende soorten
lakschade die u zelf kunt herstellen zijn minder
grote steenslagplekken, krassen en schade
aan bijvoorbeeld de spatbordranden of de por-
tieren.
Kleurcode
G020346
Typeplaatje.
Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur
gebruikt. De kleurcode (1) staat op het type-
plaatje (zie pagina 268).
Steenslagplekken en krassen
G020345
Vóór het herstel van lakschade moet u de auto
schoonmaken en goed laten drogen. Zorg er
bovendien voor dat de auto warmer is dan
15 °C.
Benodigdheden
Bus grondlak (primer)
Bus deklak of een lakstift
Kwastje
Afplaktape.
Steenslagplekken en krassen
Als de steenslagplek niet tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen en er nog een
intacte laklaag over is, volstaat het om na ver-
wijdering van het vuil de ontbrekende deklak
aan te brengen.
Als de steenslagplek tot op het blanke
plaatwerk is doorgedrongen
1. Plak een stuk afplaktape over het bescha-
digde gebied heen. Trek de tape weer van
de lak af om zoveel mogelijk lakresten te
verwijderen.
2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en
breng deze met een fijn kwastje of een luci-
fer aan. Breng de deklak met een kwastje
aan, wanneer de primer droog is.
3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstel-
len, maar dek ter bescherming de onbe-
schadigde lak rond de kras af.
4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op.
Gebruik daarvoor een zachte doek met een
geringe hoeveelheid schuurpasta.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 186
evastarck
08 Verzorging
Roestwering
08
187
Controleren en onderhouden
Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige
en complete roestwerende behandeling onder-
gaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegal-
vaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien
van een slijtvaste bodembescherming. In de
balken, holten en gesloten profielen werd een
dunne, doordringende roestwerende vloeistof
gespoten.
U kunt de roestwering van de auto als volgt
onderhouden:
Houd de auto schoon. Spoel het onderstel
af. Houd bij het gebruik van een hogedruk-
reiniger de spuitkop ten minste 30 cm van
gelakte onderdelen af.
Controleer de roestwering regelmatig en
werk deze zo nodig bij.
De roestwering van de auto hoeft normaal
gesproken pas na ca. 12 jaar te worden nabe-
handeld. De auto moet daarna om de drie jaar
een nabehandeling ondergaan. Neem contact
op met een erkende Volvo-werkplaats, als de
auto aan een nabehandeling toe is.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 187
evastarck
G020922
188
Volvo Service........................................................................................ 190
Onderhoud............................................................................................ 191
Motorkap en motorruimte..................................................................... 193
Dieselolie............................................................................................... 195
Oliën en vloeistoffen.............................................................................. 196
Wisserbladen........................................................................................ 201
Accu...................................................................................................... 202
Gloeilampen vervangen........................................................................ 204
Zekeringen............................................................................................ 211
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 188
evastarck
09
ONDERHOUD EN SERVICE
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 189
evastarck
09 Onderhoud en service
Volvo Service
09
190
Serviceprogramma van Volvo
Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze
zorgvuldig getest. De auto werd nogmaals
gecontroleerd naar de normen van Volvo Car
Corporation, net voordat de auto aan u werd
geleverd.
Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en
betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog
peil te houden, dient u de voorschriften van het
Serviceprogramma van Volvo op te volgen
zoals die omschreven staan in het Service- en
garantieboekje van Volvo. Laat service- en
reparatiewerkzaamheden door een erkende
Volvo-werkplaats uitvoeren. Volvo-werkplaat-
sen beschikken over het personeel, het speci-
ale gereedschap en de servicehandboeken
waardoor zij u een zo hoog mogelijke service-
kwaliteit kunnen garanderen.
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van de garantie is het
van belang dat u het Service- en garantie-
boekje van Volvo controleert en de aanwij-
zingen opvolgt.
Speciale servicewerkzaamheden
Bepaalde servicewerkzaamheden aan het
elektrisch systeem van de auto kunnen alleen
worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde
elektronische apparatuur. Neem daarom altijd
contact op met een erkende Volvo-werkplaats,
voordat u servicewerkzaamheden aan het
elektrische systeem laat uitvoeren.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 190
evastarck
09 Onderhoud en service
Onderhoud
09
``
191
Voordat u met werkzaamheden begint
Accu
Controleer of de accukabels op de juiste
manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor loopt
(bij het vervangen van de accu bijvoorbeeld).
Gebruik nooit een snellader voor het opladen
van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ont-
koppeld tijdens het opladen.
De accu bevat een zuur dat zowel giftig als
corrosief is. Het is daarom van belang dat u de
accu op een milieubewuste manier verwerkt.
Neem hiervoor contact op met de erkende
Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING
Het ontstekingssysteem van de auto wekt
zeer hoge spanningen op!
De spanning van het ontstekingssysteem is
levensgevaarlijk!
Raak bougies, bougiekabels of bobines niet
aan, wanneer de motor draait of het contact
is ingeschakeld!
Zet contact af bij:
het aansluiten van motortestappara-
tuur;
het vervangen van onderdelen van het
ontstekingssysteem zoals de bougies,
de bobine, de verdelerkap, de bougie-
kabels e.d.
Auto omhoogbrengen
G027252
Als u de auto met een garagekrik omhoog-
brengt, moet u de krik tegen de voorzijde van
het subframe van de motor aanbrengen. Zorg
dat de spatplaat onder de motor niet bescha-
digd raakt. Let erop dat u de garagekrik dus-
danig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan
glijden. Maak altijd gebruik van steunbokken of
vergelijkbare hulpmiddelen.
Als u de auto met een tweekoloms hefbrug
omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste
en achterste dragerarmen onder de hefpunten
bij de drempelkokers komen te zitten. Zie voor-
gaande afbeelding.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 191
evastarck
09 Onderhoud en service
Onderhoud
09
192
Regelmatig controleren
Controleer regelmatig het volgende, bijvoor-
beeld bij het tanken:
Koelvloeistof – De vloeistof moet tussen
het MIN- en MAX-streepje op het expan-
siereservoir staan.
Motorolie – De olie moet tussen het MIN-
en MAX-streepje staan.
Stuurbekrachtigingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir
moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries
bij temperaturen rond het vriespunt.
Rem- en koppelingsvloeistof – De vloeistof
moet tussen het MIN- en MAX-streepje
staan.
WAARSCHUWING
Let erop dat de koelventilator tot enige tijd
na het afzetten van de motor nog automa-
tisch kan aanslaan.
Laat het schoonmaken van de motor altijd
over aan een werkplaats. Als de motor heet
is, bestaat er gevaar voor brand.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 192
evastarck
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
``
193
Motorkap openen
G027253
Motorkap openen, auto met het stuur links.
G027254
Motorkap openen, auto met het stuur rechts.
Motorkap openen:
1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep
helemaal links onder het dashboard (of
helemaal rechts bij een auto met het stuur
rechts). Het is duidelijk te horen dat ver-
grendeling wordt opgeheven.
2. Steek uw hand midden onder de voorkant
van de motorkap en duw de slotpal naar
rechts.
3. Open de motorkap.
WAARSCHUWING
Controleer bij het sluiten of de motorkap
goed in het slot valt.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 193
evastarck
09 Onderhoud en service
Motorkap en motorruimte
09
194
Motorruimte
1
G027275
Expansiereservoir, koelsysteem
Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloei-
stof
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
Peilstok, motorolie
Radiateur
Koelventilator
Vultuit, motorolie
a) Reservoir voor rem- en koppelingsvloei-
stof (model met het stuur links) b) Reservoir
voor rem- en koppelingsvloeistof (model
met het stuur rechts)
Relais- en zekeringenkastje
Luchtfilter (de uitvoering van het deksel is
afhankelijk van het motortype)
Accu (in de kofferbak)
1
Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er iets anders uitzien. De onderdelen op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 194
evastarck
09 Onderhoud en service
Dieselolie
09
195
Brandstofsysteem
De dieselolie moet voldoen aan de norm NEN-
EN 590 of JISK2204. Dieselmotoren zijn
gevoelig voor verontreinigingen zoals een te
hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen
gebruik van dieselolie van gerenommeerde
oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van
twijfelachtige kwaliteit in de tank.
Bij lage temperaturen (–40 °C tot –6 °C) kan de
paraffine in de dieselolie uitvlokken, wat aan-
leiding kan geven tot startproblemen. De grote
oliemaatschappijen produceren speciale die-
selolie bestemd voor gebruik bij buitentempe-
raturen rond het vriespunt. Dergelijke dieselolie
is dunner bij lage temperaturen en beperkt de
kans op vlokvorming.
De kans op condensatie in de brandstoftank
neemt af, als u de tank altijd goed gevuld
houdt. Houd tijdens het tanken het gebied rond
de vulpijp goed schoon. Voorkom morsen op
gelakte oppervlakken. Maak als u gemorst
hebt het gebied met water en zeep schoon.
BELANGRIJK
Het is alleen toegestaan brandstof te
gebruiken die voldoet aan de Europese
norm voor dieselolie (zie pagina 280).
BELANGRIJK
Maak geen gebruik van de volgende diesel-
olieachtige brandstoffen: speciale toevoe-
gingen (dopes), scheepsolie, stookolie,
RME
1
(biodiesel) of plantaardige olie. Der-
gelijke brandstoffen voldoen niet aan de
kwaliteitseisen die Volvo stelt en geven aan-
leiding tot verhoogde vormen van slijtage en
motorschade die niet worden gedekt door
de garanties van Volvo.
BELANGRIJK
Bij modeljaar 2006 en hoger mag het zwa-
velgehalte maximaal 50 ppm zijn.
Wanneer u de tank leegrijdt
U hoeft geen speciale maatregelen te nemen,
wanneer u de brandstoftank hebt leeggereden.
Het brandstofsysteem wordt automatisch ont-
lucht, als de contactsleutel ca. 60 seconden
lang in stand II staat voordat u een nieuwe
startpoging doet.
Condenswater uit brandstoffilter
aftappen
Het brandstoffilter ontdoet de brandstof van
condenswater. Condenswater kan anders aan-
leiding geven tot motorstoringen.
Houd u voor het aftappen van het condenswa-
ter aan de specificaties die in uw Service- en
garantieboekje staan aangegeven. Ook wan-
neer u vermoedt dat er verontreinigde brand-
stof is gebruikt, moet u het brandstoffilter
aftappen.
BELANGRIJK
Sommige speciale toevoegingen verwijde-
ren het verzamelde vocht uit het brandstof-
filter.
1
Dieselolie kan een bepaalde hoeveelheid RME bevatten. Het is niet toegestaan meer toe te voegen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 195
evastarck
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
196
Sticker voor oliekwaliteit in
motorruimte
G021628
BELANGRIJK
Gebruik altijd olie van de aanbevolen kwali-
teit (zie sticker in motorruimte).
Controleer het oliepeil vaak en ververs de
olie regelmatig.
De motor raakt beschadigd, wanneer u olie
gebruikt van minder goede kwaliteit dan
wordt voorgeschreven of wanneer u met
een te laag oliepeil rondrijdt.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan aangegeven.
Voor ritten onder ongunstige omstandigheden
adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken
met een hogere kwaliteit dan de sticker in de
motorruimte vermeldt (zie pagina 274).
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
in temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C
doe dat ook bij korte ritten (over afstanden
kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen
(onder 5 °C).
In dergelijke omstandigheden kunnen de olie-
temperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Houd voor het verversen van de olie en het
vervangen van het oliefilter de intervallen aan
die staan aangegeven in het Service- en garan-
tieboekje.
BELANGRIJK
Als blijkt dat het oliepeil te laag is, moet u
verse olie bijvullen met dezelfde kwaliteit en
viscositeit als de olie in de motor.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecifi-
ceerde service-intervallen te voldoen wor-
den alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brand-
stofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedge-
keurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorge-
schreven kwaliteit (zie sticker in motor-
ruimte) en dat zowel bij het bijvullen als bij
verversen van olie. Een negatieve invloed op
de levensduur van de motor, de startgewil-
ligheid, het brandstofverbruik en de milieu-
impact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantie-
claims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te
waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 196
evastarck
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
``
197
oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van
een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van
een waarschuwingslampje voor de oliedruk. Bij
modellen met een olieniveausensor wordt
gewaarschuwd met een waarschuwingssym-
bool midden op het instrumentenpaneel en
met displayteksten.
Op bepaalde modellen zijn beide systemen
aanwezig. Neem voor meer informatie contact
op met een erkende Volvo-werkplaats.
Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het
oliepeil te controleren, voordat de olie voor de
eerste keer volgens schema moet worden ver-
verst. Het Service- en garantieboekje geeft aan
bij welke kilometerstand u de olie moet verver-
sen.
Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km
te controleren. De betrouwbaarste meting
wordt verkregen bij een koude motor vóór de
start. Meteen na het afzetten van de motor
krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok
geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie
geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar
het oliecarter.
Peil controleren
G020336
De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op
de peilstok staan.
Oliepeil controleren bij een koude motor
1. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
2. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid, zie pagina 274 en
verder.
Oliepeil controleren bij een warme motor
1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond,
zet de motor af en wacht ten minste 10 tot
15 minuten zodat de olie weer kan terug-
lopen in het oliecarter.
2. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat
meten.
3. Controleer het oliepeil met de peilstok. De
olie moet tussen het MIN- en MAX-
streepje staan.
Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt
u om te beginnen 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij
totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan
bij het MIN-streepje op de peilstok ligt. Voor de
aan te houden hoeveelheid, zie pagina 274 en
verder.
WAARSCHUWING
Mors geen olie op het hete uitlaatspruitstuk,
omdat er gevaar voor brand bestaat.
BELANGRIJK
Vul niet meer olie bij dan tot aan het MAX-
streepje. Het olieverbruik kan toenemen, als
u te veel olie in de motor giet.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 197
evastarck
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
198
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
G027243
Reservoir voor ruitensproeiervloeistof
De sproeiers van de voorruit en de koplampen
staan in verbinding met hetzelfde vloeistofre-
servoir. Zie pagina 276 voor de aan te houden
hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen.
Giet tijdens de wintermaanden antivries in het
reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in
de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
Tip: Maak bij het bijvullen van ruitensproeier-
vloeistof ook meteen de wisserbladen schoon.
Meng het antivries met water, voordat u koel-
vloeistof bijvult.
Koelvloeistof
G027276
Koelvloeistofreservoir
Controleer de koelvloeistof regelmatig. De
koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-
streepje op het expansiereservoir staan. Vul
koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder het
MIN-streepje is gezakt.
Zie pagina 276 voor de aan te houden hoe-
veelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen en oliën.
Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het
is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloei-
stof en water afstemt op de heersende weers-
omstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen
met schoon water. Het gevaar voor bevriezing
neemt toe, zowel wanneer de concentratie
koelvloeistof te laag is als wanneer deze te
hoog is.
WAARSCHUWING
De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn. Als
u moet bijvullen terwijl de motor warm is,
dient u langzaam de dop van het expansie-
reservoir los te draaien om de overdruk te
laten ontsnappen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 198
evastarck
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
``
199
BELANGRIJK
Hoge concentraties chloor, chloriden
en andere zoutverbindingen kunnen
aanleiding geven tot corrosie in het
koelsysteem.
Gebruik altijd een koelvloeistof met
roestwerende eigenschappen volgens
de aanbevelingen van Volvo.
Let erop dat het koelvloeistofmengsel
altijd voor 50 % uit water en voor
50 % uit koelvloeistof bestaat.
Leng de koelvloeistof aan met leiding-
water van goede kwaliteit. Gebruik bij
twijfel over de waterkwaliteit altijd een
kant-en-klare koelvloeistof volgens de
aanbevelingen van Volvo.
Wanneer u overstapt op een ander
soort koelvloeistof of een nieuw koel-
systeemonderdeel hebt gemonteerd,
dient u het koelsysteem schoon te
spoelen met leidingwater van goede
kwaliteit of met kant-en-klare koelvloei-
stof.
De motor mag alleen draaien met een
goed gevuld koelsysteem. De tempera-
turen kunnen plaatselijk hoog oplopen,
wat schade (scheurvorming) aan de
cilinderkop kan veroorzaken.
Voor de aan te houden hoeveelheden en de
aanbevolen kwaliteit (zie de tabel onder Vloei-
stoffen en smeermiddelen op pagina 276).
Reservoir voor rem- en
koppelingsvloeistof
G027306
Positie verschilt op auto met het stuur links of
rechts.
De rem- en koppelingsvloeistof zit in één reser-
voir
1
. De vloeistof moet tussen het MIN- en
MAX-streepje staan. Controleer het peil regel-
matig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar
of iedere tweede geplande servicebeurt.
Zie pagina 276 voor de aan te houden hoe-
veelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen en oliën.
WAARSCHUWING
Als de remvloeistof onder het MIN-streepje
van het reservoir staat, mag u niet verder
rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
Controleer tevens de oorzaak van het rem-
vloeistofverlies.
N.B.
Wanneer u vaak met uw auto in de bergen
of in landen met een tropisch klimaat en een
hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt,
moet u de remvloeistof ieder jaar verversen.
1
Positie verschilt op auto met het stuur links of rechts.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 199
evastarck
09 Onderhoud en service
Oliën en vloeistoffen
09
200
Reservoir voor
stuurbekrachtigingsvloeistof
ADD
FULL
G027200
Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U
hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof
moet tussen het ADD- en FULL-streepje
staan.
Zie pagina 276 voor de aan te houden hoe-
veelheden en de aanbevolen kwaliteit van
vloeistoffen en oliën.
N.B.
Als er een storing in de stuurbekrachtiging
optreedt of als de stroom is weggevallen en
u de auto wilt wegslepen, blijft de auto
bestuurbaar. Let er echter op dat de auto in
dat geval veel zwaarder stuurt dan normaal,
zodat u meer moeite moet doen om het
stuurwiel te verdraaien.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 200
evastarck
09 Onderhoud en service
Wisserbladen
09
201
Wisserbladen
N.B.
Let erop dat het wisserblad aan de bestuur-
derszijde langer is dan dat aan de passa-
gierszijde.
Schoonmaken
Voor het schoonmaken van de wisserbladen
en de voorruit, zie pagina 182.
BELANGRIJK
Controleer regelmatig de wisserbladen. Bij
achterstallig onderhoud gaan de wisserbla-
den minder lang mee.
Wisserbladen voorruit vervangen
1. Klap de wisserarm naar buiten en houd het
wisserblad vast.
2. Duw de geribde borgveren van het wisser-
blad in, terwijl u het blad bij de verlenging
van de arm lostrekt.
3. Breng het nieuwe wisserblad in omge-
keerde volgorde aan en controleer of het
goed vastzit.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 201
evastarck
09 Onderhoud en service
Accu
09
202
Onderhoud van de accu
De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal
startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
zijn van invloed op de levensduur en de wer-
king van de accu.
N.B.
Zamel oude accu’s op een milieubewuste
manier in, omdat ze lood bevatten.
WAARSCHUWING
Accu’s kunnen een zeer explosief knalgas
produceren. Een enkele vonk, veroorzaakt
door een onjuiste aansluiting van de start-
kabels, is voldoende om de accu tot ont-
ploffing te brengen.
Accu’s bevatten tevens zwavelzuur dat ern-
stige chemische brandwonden kan veroor-
zaken. Als u accuzuur in uw ogen krijgt of
op uw huid of kleren morst, moet u onmid-
dellijk met grote hoeveelheden water spoe-
len. Neem onmiddellijk contact op met een
arts, als u accuzuur in uw ogen krijgt.
N.B.
Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te
minder lang gaat de accu mee.
Symbolen op de accu
Draag een veiligheidsbril.
Zie voor meer informatie het
instructieboekje dat bij de
auto hoort.
Bewaar accu’s buiten het
bereik van kinderen.
De accu bevat een bijtend
zuur.
Vermijd vonken en open vuur.
Explosiegevaar.
Accu vervangen
G028419
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 202
evastarck
09 Onderhoud en service
Accu
09
203
Accu verwijderen
1. Zet het contact uit en neem de sleutel uit.
2. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een
van de elektrische aansluitingen aanraakt.
Zo kan de informatie in het elektrisch sys-
teem van de auto worden opgeslagen in de
verschillende regelmodules.
3. Draai de bouten uit de borgklem die over
de accu heen zit en verwijder de klem.
4. Klap het kunststof deksel op de minpool
van de accu open of schroef de afdekking
van de accu los.
5. Koppel de minkabel los.
6. Haal de onderste console los waarmee de
accu vastzit.
7. Koppel de pluskabel los nadat u een even-
tueel kunststof deksel hebt opgeklapt.
8. Koppel de ontluchtingsslang los.
9. Til de accu uit de auto.
Accu aanbrengen
1. Til de accu op zijn plaats.
2. Breng de onderste console aan en schroef
deze vast.
3. Sluit de pluskabel aan en duw deze vast.
Klap een eventueel kunststof deksel
omlaag.
4. Sluit de minkabel aan en klap een eventu-
eel kunststof deksel omlaag.
5. Breng het kunststof deksel of de dekplaat
over de accu heen aan.
6. Zorg dat de ontluchtingsslang op de juiste
manier is aangesloten tussen de accu en
de afvoeropening in de carrosserie.
7. Breng de borgklem over de accu heen aan
en draai de bouten vast.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 203
evastarck
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
204
Algemene informatie
Op pagina 282 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
Gloeilampen en puntverlichting van een bijzon-
der type of lampen die alleen in een werkplaats
te vervangen zijn:
Actieve Bi-Xenon
- en Bi-Xenon
lamp
Interieurverlichting aan het plafond
Leeslampjes
Verlichting dashboardkastje
Richtingaanwijzer, buitenspiegels
Approach-verlichting, buitenspiegels
Derde remlicht
Leds in achterlamphuis
WAARSCHUWING
Als de auto is voorzien van Bi-Xenon
- of
Active Bi-Xenon
koplampen, dient u alle
werkzaamheden aan deze xenonlampen
door een erkende Volvo-werkplaats te laten
uitvoeren. Omdat de xenonkoplampen
voorzien zijn van een ontstekingsgedeelte
dat een hoge spanning opwekt, moet u er
voorzichtig mee omgaan.
BELANGRIJK
Raak het glas van de lampen nooit met blote
vingers aan. De vetten en oliën op uw vin-
gers kunnen door de hitte verdampen. Dit
zorgt voor aanslag op de reflector, waar-
door deze al snel kapotgaat.
Gloeilampen in koplamphuis
vervangen
G027278
Alle gloeilampen in de koplamphuizen (behalve
die voor het dimlicht) zijn te vervangen door het
lamphuis via de motorruimte los te maken en
het in zijn geheel te verwijderen.
N.B.
Bij problemen tijdens het vervangen van
gloeilampen wordt u geadviseerd contact
op te nemen met een erkende Volvo-werk-
plaats.
Positie van lampen in koplamp
G028433
Gloeilamp sidemarker
Gloeilamp richtingaanwijzer
Gloeilamp dimlicht, stadslicht/parkeerlicht
vóór (halogeen en Bi-Xenon
)
Gloeilamp groot licht, stadslicht/parkeer-
licht vóór (actieve Bi-Xenon
)
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 204
evastarck
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
``
205
Op bepaalde varianten kan een witte kunststof
huls u bij het vervangen van de gloeilampen in
de weg zitten. U kunt deze huls afbreken en
weggooien.
Dimlicht, halogeen
G028435
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking.
3. Koppel de connector los.
4. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst
naar rechts zodat de veerklem loskomt en
haal de klem vervolgens schuin naar buiten
toe omlaag.
5. Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
G028436
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
2. Druk de veerklem omhoog en iets naar
links, zodat deze in de pal vast komt te zit-
ten.
3. Sluit de connector aan.
4. Plaats de afdekking terug.
Groot licht
G028437
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking.
3. Draai de lamp linksom en trek deze naar
buiten toe los.
4. Koppel de connector los door de vergren-
deling naar buiten te duwen en aan de
connector te trekken.
Aanbrengen
1. Sluit de connector op de gloeilamp aan. U
hoort een klikgeluid.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 205
evastarck
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
206
2. Plaats de gloeilamp terug en draai deze in
positie.
3. Plaats de afdekking terug.
Stadslichten vóór en achterlichten
G022733
Halogeen- en Bi-Xenon
koplampen.
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het dimlicht zit.
3. Trek de lamp naar buiten.
4. Koppel de connector los.
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan.
2. Sluit de connector aan.
3. Plaats de afdekking terug.
G027171
Actieve Bi-Xenon
koplampen.
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Verwijder de afdekking waarachter ook de
gloeilamp voor het groot licht zit.
3. Trek de lamp naar buiten.
4. Koppel de connector los.
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan.
2. Sluit de connector aan.
3. Plaats de afdekking terug.
Richtingaanwijzer, linksvoor
G028438
Gloeilamp verwijderen
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Draai de lamphouder linksom en verwijder
deze.
3. Haal de gloeilamp uit de lamphouder door
de lamp in te drukken en deze tegelijkertijd
linksom te draaien.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 206
evastarck
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
``
207
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan door deze
naar binnen te duwen en rechtsom te
draaien.
2. Plaats de lamphouder in het lamphuis
terug en draai deze rechtsom.
Richtingaanwijzer, rechtsvoor
G027283
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Neem de koelbuis (1) van de koudebox los.
3. Draai het boutje (2) van de vulbuis los.
4. Trek de buis (3) recht omhoog.
5. Neem de ontluchtingsslang (4) van de buis
los.
6. Vervang de gloeilamp.
7. Controleer of de pakking van het sproeier-
vloeistofreservoir tussen de vulbuis en het
reservoir goed zit.
8. Duw de vulbuis (3) in positie terug.
9. Duw de ontluchtingsslang (4) van de vul-
buis in positie terug.
10. Draai het boutje (2) van de vulbuis weer
vast en sluit de koelbuis weer op de kou-
debox (1) aan.
Sidemarker
G028439
1. Draai de lamphouder rechtsom en trek
deze naar buiten toe los.
2. Vervang de gloeilamp.
3. Plaats de lamphouder terug door deze
linksom te draaien.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 207
evastarck
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
208
Mistlampen voorzijde
Gloeilamp verwijderen
G027227
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Draai de lamphouder iets naar links.
3. Trek de gloeilamp naar buiten toe los.
Aanbrengen
1. Breng de nieuwe gloeilamp aan. U kunt
hem slechts op één manier aanbrengen.
2. Plaats de lamphouder terug en draai deze
iets rechtsom. Het opschrift “TOP” moet
omhoogwijzen.
Kofferbak
G028441
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Plaats het lamphuis terug.
Kentekenplaatverlichting
G028442
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Draai het boutje los met een schroeven-
draaier.
3. Verwijder voorzichtig het complete lamp-
huis en trek het naar buiten. Draai de con-
nector linksom en trek de gloeilamp naar
buiten.
4. Breng de nieuwe gloeilamp aan.
5. Sluit de connector aan en draai deze
rechtsom in het lamphuis vast.
6. Plaats het complete lamphuis terug en
draai het boutje vast.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 208
evastarck
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
``
209
Achterlamphuis
3501204m
G027277
Positie van gloeilampen
Remlicht
Stadslichten vóór en achterlichten
Mistachterlicht (een zijde)
Sidemarker
Richtingaanwijzer
Achteruitrijlichten
Verwijderen
De gloeilampen van de achterlichten zijn alle-
maal vanuit de kofferbak te bereiken.
Op pagina 282 staan alle gloeilampen van de
auto vermeld.
1. Schakel alle lichten uit en draai de contact-
sleutel naar stand 0.
2. Maak de zijwand los en klap deze open om
bij de gloeilampen te komen.
De gloeilampen zijn ondergebracht in twee
aparte lamphouders: een boven en een onder.
Elke lamphouder heeft een borgnok.
Gloeilamp vervangen
1. Koppel de connector van de gloeilamp los.
2. Duw de borghaken bijeen om de lamphou-
der naar buiten te kunnen trekken.
3. Verwijder de gloeilamp.
4. Breng de nieuwe gloeilamp in de houder
aan.
5. Sluit de connector aan.
6. Klap de zijwand weer op en zet deze vast.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 209
evastarck
09 Onderhoud en service
Gloeilampen vervangen
09
210
N.B.
Als de melding STORING LAMPJE
CONTROLEER REMLICHT
niet verdwijnt
nadat de kapotte gloeilamp is vervangen,
dient u een erkende Volvo-werkplaats te
bezoeken.
Instapverlichting
G027287
De instapverlichting vindt u onder het dash-
board aan de bestuurders- en passagierszijde.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lamphuis loskomt.
2. Verwijder de gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Plaats het lamphuis terug.
Verlichting make-upspiegel
G028443
Gloeilamp make-upspiegel*, verschillende ver-
sies.
1. Steek een schroevendraaier achter het
lamphuis en verdraai deze iets, zodat het
lampglas loskomt.
2. Verwijder de gloeilamp.
3. Breng een nieuwe gloeilamp aan.
4. Druk eerst de onderkant van het lampglas
boven de vier haken terug en druk vervol-
gens de bovenkant van het lampglas vast.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 210
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
211
Algemene informatie
G027179
Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie. De onderdelen op de lijst zitten
echter altijd op de aangegeven positie.
Om te voorkomen dat het elektrisch systeem
van de auto beschadigd raakt door kortsluiting
of overbelasting, zijn alle verschillende elektri-
sche functies en onderdelen door een aantal
zekeringen beschermd.
De zekeringen zitten op vier verschillende
plaatsen in de auto:
Relais- en zekeringenkastje in de motor-
ruimte
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde achter de
geluidsisolatie)
Zekeringenkastje in de passagiersruimte
(aan de bestuurderszijde in de zijkant van
het dashboard)
Zekeringenkastje in de kofferbak
Vervangen
Als een van de elektrische onderdelen of func-
ties niet werkt, is het mogelijk dat de bijbeho-
rende zekering overbelast werd en daardoor
gesmolten is.
1. Zoek in de zekeringentabel op waar de
zekering zit.
2. Trek de zekering naar buiten en bekijk deze
van opzij om te kijken of het gebogen
draadje soms doorgebrand is.
3. Breng in dat geval een nieuwe zekering aan
met dezelfde kleur en hetzelfde amperage.
WAARSCHUWING
Vervang een zekering nooit door vreemde
voorwerpen of een zekering met een hoger
amperage dan gespecificeerd is. Anders
zijn aanzienlijke schade aan het elektrische
systeem en brand niet uitgesloten.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 211
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
212
Aan de binnenkant van het deksel in het dash-
board zitten enkele reservezekeringen. U vindt
er tevens een trekker waarmee u de zekeringen
gemakkelijker kunt verwijderen en aanbren-
gen. Als telkens dezelfde zekering doorbrandt,
is er sprake van een storing in de bijbehorende
component en moet u een bezoek brengen aan
een erkende Volvo-werkplaats om de auto te
laten controleren.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 212
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
213
Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte
G026972
Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog
1. ABS 30 A
2. ABS 30 A
3. Hogedruksproeiers
koplampen 35 A
4. Standverwarming* 25 A
5. Verstralers* 20 A
6. Relais startmotor 35 A
7. Ruitenwissers 25 A
8. Brandstofpomp
15 A
9. Regeleenheid transmis-
sie (TCM), diesel 15 A
10. Bobines (benzine), regel-
eenheid (ECM), verstui-
vers (diesel) 20 A
11. Gaspedaalsensor (APM),
AC-compressor, ventila-
tor elektronicakastje 10 A
12.
Regeleenheid motor
(ECM) (benzine), verstui-
vers (benzine), luchtmas-
sameter (benzine)
15 A
luchtmassameter (diesel) 5 A
13. Regeleenheid gasklep
(benzine)
10 A
Regeleenheid gasklep,
luchtmengklep, brand-
stofdrukregelaar, mag-
neetklep (diesel)
15 A
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 213
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
214
14. Lambdasonde (benzine) 20 A
Lambdasonde (diesel) 10 A
15. Verwarming carterventi-
latie, magneetkleppen
(benzine) 10 A
magneetkleppen, gloei-
bougies (diesel) 15 A
16. Dimlicht links 20 A
17. Dimlicht rechts 20 A
18. - -
19. Regeleenheid motor
(ECM) voeding, motorre-
lais 5 A
20. Achterlicht 15 A
21. Vacuümpomp 20 A
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 214
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
215
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in zijkant dashboard)
22
24
23
21
29
27
28
26
25
9
8
7
19
18
17
16
4
5
6
3
2
13
14
15
12
11
38
36
37
33
34
35
31
32
20
1
10
30
G032340
Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende zekeringen
aan.
1. Elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel* 25 A
2. Elektrisch bedienbare
passagiersstoel* 25 A
3. Ventilator klimaatregeling 30 A
4. Regeleenheid rechter
voorportier 25 A
5. Regeleenheid linker voor-
portier 25 A
6. Interieurverlichting pla-
fond (RCM) bovenste
elektronische regeleen-
heid (UEM) 10 A
7. Schuifdak* 15 A
8. Contactslot, SRS, motor-
regeleenheid (ECM), uit-
schakeling SRS passa-
gierszijde (PACOS), elek-
tronische startblokkering
(IMMO), regeleenheid
transmissie (TCM), die-
sel, 7,5 A
9. OBDII, verlichtingsdraai-
knop (LSM), stuurhoek-
sensor (SAS), stuurregel-
eenheid (SWM) 5 A
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 215
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
216
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10. Audiosysteem 20 A
11. Versterker audiosys-
teem* 30 A
12. RTI-display* 10 A
13. Telefoon* 5 A
14. - 38 -
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 216
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
217
Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter de geluidsisolatie)
G028412
1. Stoelverwarming, rech-
terzijde 15 A
2. Stoelverwarming, linker-
zijde 15 A
3. Claxon 15 A
4. - -
5. - -
6. Reservepositie -
7. Reservepositie -
8. Sirene alarmsysteem* 5 A
9. Voeding remlichtschake-
laar 5 A
10. Instrumentenpaneel
(DIM), klimaatregeling
(CCM), standverwarming,
elektrisch bedienbare
bestuurdersstoel 10 A
11. Elektrische aansluiting
voor- en achterin 15 A
12. - -
13. Reservepositie -
14. - -
15. ABS, STC/DSTC 5 A
16. Elektronische stuurbe-
krachtiging (ECPS),
Actieve Bi-Xenon
(HCM), koplamphoogte-
regeling 10 A
17. Mistlamp linksvoor 7,5 A
18. Mistlamp rechtsvoor 7,5 A
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 217
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
218
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
19. Reservepositie -
20. Reservepositie -
21. Regeleenheid transmissie
(TCM), blokkering achter-
uitversnelling (M66) 10 A
22. Groot licht links 10 A
23. Groot licht rechts 10 A
24. - -
25. - -
26. Reservepositie -
27. Reservepositie -
28. Elektrisch bedienbare
passagiersstoel*, audio-
systeem 5 A
29. Brandstofpomp 7,5 A
30. BLIS* 5 A
31. Reservepositie -
32. Reservepositie -
33. Vacuümpomp 20 A
34. - -
35. - -
36. - -
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 218
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
219
Zekeringen in kofferbak
G026968
1. Achteruitrijlichten 10 A
2. Parkeerlichten/achterlich-
ten, mistachterlicht, kof-
ferbakverlichting, kente-
kenplaatverlichting, rem-
lichten 20 A
3. Accessoires (AEM)* 15 A
4. Reservepositie -
5. Elektronica (REM) 10 A
6. Cd-wisselaar, tv, RTI* 7,5 A
7. Trekhaakaansluiting* (30-
voeding) 15 A
8. Elektrische aansluiting
kofferbak 15 A
9. Achterportier, rechts: Ruit-
bediening, blokkering ruit-
bediening 20 A
10. Achterportier, links: Ruit-
bediening, blokkering ruit-
bediening 20 A
11. Reservepositie -
12. Reservepositie -
13. Verwarming dieselfilter 15 A
14. - -
15. Reservepositie -
16. Reservepositie -
17. Accessoires audiosys-
teem* 5 A
18. Reservepositie -
19. Omklapbare hoofdsteun* 15 A
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 219
evastarck
09 Onderhoud en service
Zekeringen
09
220
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
20. Trekhaakaansluiting* (15-
voeding) 20 A
21. Reservepositie -
22. - -
23. AWD 7,5 A
24. FOUR-C SUM* 15 A
25. - -
26. Park Assist* 5 A
27. Hoofdzekering: Trekhaak-
aansluiting, FOUR-C, Park
Assist, AWD 30 A
28. Centrale vergrendeling
(PCL) 15 A
29. Aanhangerverlichting,
links: Achterlicht, richting-
aanwijzer* 25 A
30. Aanhangerverlichting,
rechts: Remlicht, mistach-
terlicht, richtingaanwijzer* 25 A
31. Hoofdzekering: Zekering
37, 38 40 A
32. - -
33. - -
34. - -
35. - -
36. - -
37. Elektrische achterruitver-
warming 20 A
38. Elektrische achterruitver-
warming 20 A
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 220
evastarck
09 Onderhoud en service
09
221
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 221
evastarck
G020924
222
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Audiosysteem HU-450.......................................................................... 224
Audiosysteem HU-650.......................................................................... 225
Audiosysteem HU-850.......................................................................... 226
Audiofuncties HU-450/650/850............................................................ 227
Audiofuncties HU-450........................................................................... 229
Audiofuncties HU-650/850................................................................... 230
Radiofuncties HU-450/650/850............................................................ 232
Radiofuncties HU-450........................................................................... 234
Radiofuncties HU-650/850................................................................... 235
Radiofuncties HU-450/650/850............................................................ 236
Cassettedeck HU-450........................................................................... 242
Cd-speler HU-650................................................................................. 244
Interne cd-wisselaar HU-850................................................................ 245
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*............................................... 246
Dolby Surround Pro Logic II HU-850.................................................... 248
Technische gegevens........................................................................... 250
Telefoonfuncties*.................................................................................. 251
Bel-opties.............................................................................................. 254
Geheugenfuncties................................................................................. 257
Menu’s.................................................................................................. 259
Overige informatie................................................................................. 264
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 222
evastarck
10
INFOTAINMENT
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 223
evastarck
10 Infotainment
Audiosysteem HU-450
10
224
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
HU-450
21 3 76 84 5
9 10 11 12 13 14 15 16
G025597
TAPE – Sneltoets
FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
AM - Kiezen uit AM1 en AM2
AUTO – Automatische zenderinstelling
Display
SCAN – Automatisch zenders zoeken
Navigatietoetsen – Cd/radio – Andere zen-
der/track zoeken cassettedeck/cd – Voor-
uit-/achteruitspoelen/volgende/vorige
track kiezen
EXIT – Terugbladeren in menu’s
BASS – Indrukken en omdraaien TREBLE
– Indrukken, uittrekken en omdraaien
POWER (Aan/Uit) – Indrukken VOLUME
Omdraaien
REV - Cassettedeck - Keuze bandloop-
richting - Cd-wisselaar* - Willekeurige
afspeelvolgorde
Cassetteopening
PRESET/CD PUSH MENU – Opgeslagen
radiozenders Cd-wisselaar*
Cassette uitwerpen
SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu
openen – Indrukken Omdraaien voor
selectie van: Radio (FM/AM), cassettedeck
of cd-wisselaar*
FADER – Indrukken en omdraaien BAL
Indrukken, uittrekken en omdraaien
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 224
evastarck
10 Infotainment
Audiosysteem HU-650
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
225
HU-650
COMPACT
DIGITAL AUDIO
1
7
8
9
10
11
12
2 653 4
16 17 1813 14 15
G025598
RND – Willekeurige afspeelvolgorde cd
AM - Kiezen uit AM1 en AM2
Cd-opening
Display
SCAN – Automatisch zenders zoeken
Cd uitwerpen
FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
CD – Sneltoets
AUTO – Automatische zenderinstelling
Navigatietoetsen – Andere zender/track
zoeken
EXIT – Terugbladeren in menu’s
1-6 – Voorkeurtoetsen radiozenders/posi-
tie kiezen in cd-wisselaar
POWER (Aan/Uit) – Indrukken VOLUME
Omdraaien
BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken en omdraaien
BALANCE – Indrukken en omdraaien
FADER – Indrukken en omdraaien
SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu
openen: Indrukken en omdraaien voor
selectie van: Radio (FM, AM), cd-speler of
cd-wisselaar*
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 225
evastarck
10 Infotainment
Audiosysteem HU-850
10
226
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
HU-850
COMPACT
DIGITAL AUDIO
9
10
11
12
13
14
87
16 17 1815 20 2119
12 6534
G025599
RND – Willekeurige afspeelvolgorde cd
AM - Kiezen uit AM1 en AM2
Cd-opening
Display
3-CH – 3-kanaals stereo
OFF – 2-kanaals stereo
Dolby Surround Pro Logic II
Cd uitwerpen
FM – Kiezen uit FM1, FM2 en FM3
CD – Cd-speler
AUTO – Automatische zenderinstelling
Navigatietoetsen – Andere zender/track
zoeken
EXIT – Terugbladeren in menu’s
SCAN – Automatisch zenders zoeken
POWER (Aan/Uit) – Indrukken VOLUME
Omdraaien
1-6 – Voorkeurtoetsen radiozenders/posi-
tie kiezen in cd-wisselaar
BASS – Indrukken en omdraaien
TREBLE – Indrukken en omdraaien
BALANCE – Indrukken en omdraaien
FADER – Indrukken en omdraaien
SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu
openen: Indrukken en omdraaien voor
selectie van: Radio (FM, AM), cd-speler of
cd-wisselaar*
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 226
evastarck
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450/650/850
10
``
227
Knop aan/uit
Druk op de draaiknop om de
radio aan of uit te zetten.
Volumeregeling
Draai de knop naar rechts om het volume te
verhogen. De volumeregeling verloopt elektro-
nisch en kent geen eindstanden. Als uw stuur-
wiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u het
volume verhogen of verlagen met de toetsen
(+) of ().
Lage accuspanning
Als de accuspanning laag is, verschijnt er een
tekst op het display van het instrumentenpa-
neel. De energiebesparingsfunctie van de auto
kan de radio vervolgens uitschakelen. Laad de
accu in dat geval door de motor te starten.
Volumeregeling, TP/PTY/NEWS
Als er verkeersinformatie, nieuws of een uit-
zending van het gekozen programmatype bin-
nenkomt terwijl u een cassette of cd beluistert,
wordt de geluidsbron onderbroken en hoort u
de berichten op het volume dat u van tevoren
voor verkeersinformatie, nieuws en PTY-uit-
zendingen hebt ingesteld.
Na afloop van de informatie c.q. uitzending
speelt het systeem de cassette of cd op het
laatst ingestelde volume verder af.
Het audiosysteem is te verkrijgen met verschil-
lende opties en in verschillende uitvoeringen.
De drie verkrijgbare uitvoeringen zijn:
Performance
High Performance
Premium Sound
Alle uitvoeringen zijn echter uitgerust met AM/
FM-radio met RDS en een cd-speler.
AUX
G026678
Ingang voor externe geluidsbron (AUX) 3,5 mm
Het is mogelijk een mp3-speler op de AUX-
ingang aan te sluiten.
Soms wijkt het volume waarop de externe
geluidsbron wordt weergegeven af van dat van
de interne geluidsbronnen zoals de cd-speler.
Als de geluidssterkte van de externe geluids-
bron te hoog is, kan de geluidskwaliteit ver-
slechteren. U kunt dat tegengaan door het
ingangsvolume van de externe geluidsbron
aan te passen:
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 227
evastarck
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450/650/850
10
228
Volumeregeling, AUX
1.
Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
ADVANCED MENU bereikt en bevestig
de keuze met een druk op SOURCE.
2.
Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUDIO SETTINGS bereikt en bevestig de
keuze met een druk op SOURCE.
3.
Druk op SOURCE, draai eraan totdat u
AUX INPUT LEVEL bereikt en bevestig de
keuze met een druk op SOURCE.
In deze stand kunt u het ingangsvolume bij-
stellen door te draaien aan SOURCE.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 228
evastarck
10 Infotainment
Audiofuncties HU-450
10
229
Optimale geluidsweergave
Het audiosysteem is gekalibreerd voor opti-
male geluidsweergave met behulp van digitale
signaalverwerking.
Voor ieder automodel wordt het audiosysteem
tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de
luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de
auto, de positie van de luisteraar e.d.
Er is tevens een dynamische kalibratie waarbij
rekening wordt gehouden met de stand van de
volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnel-
heid.
De regelfuncties die in dit instructieboekje
nader verklaard worden (zoals Bass, Treble en
Equalizer) zijn uitsluitend bedoeld om u de
mogelijkheid te bieden de geluidsweergave
naar wens af te stellen.
BASS, lage tonen
Stel de weergave van de lage
tonen bij door de knop in te
drukken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de
weergave van de lage tonen
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de hoge
tonen bij door de knop in te
drukken, deze nog verder uit
te trekken en vervolgens naar
links of naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de
weergave van de hoge tonen
normaal. Druk na het afstellen de knop weer in
de uitgangspositie terug.
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in tussen
de luidsprekers voor- en ach-
terin door de knop in te druk-
ken en vervolgens naar rechts
(meer geluid van voren) of
naar links (meer geluid van
achteren) te draaien. In de
middelste stand is de balans tussen de luid-
sprekers voor- en achterin normaal. Druk na
het afstellen de knop weer in de uitgangsposi-
tie terug.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 229
evastarck
10 Infotainment
Audiofuncties HU-650/850
10
230
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door
de knop in te drukken en ver-
volgens naar links of naar
rechts te draaien. In de mid-
delste stand is de balans nor-
maal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspo-
sitie terug.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende
manieren een geluidsbron kie-
zen:
Met de sneltoetsen AM, FM en
TAPE of met de draaiknop
SOURCE. Draai aan de knop
SOURCE om te kiezen uit de beschikbare radi-
ostanden (FM1, FM2, FM3 en AM1, AM2). Met
dezelfde knop kunt u ook kiezen uit het cas-
settedeck of de cd-wisselaar* als de auto met
iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken
van de toetsen AM en FM loopt
u de radiostanden FM1, FM2,
FM3 en AM1 en AM2 door.
Op het display staat aangege-
ven welke geluidsbron u hebt
gekozen.
BASS, lage tonen
G027191
Stel de weergave van de lage tonen bij door de
knop in te drukken en vervolgens naar links of
naar rechts te draaien.
In de middelste stand is de weergave van de
lage tonen normaal. Druk na het afstellen de
knop weer in de uitgangspositie terug.
TREBLE, hoge tonen
Stel de weergave van de hoge tonen bij door
de knop in te drukken en vervolgens naar links
of naar rechts te draaien. In de middelste stand
is de weergave van de hoge tonen normaal.
Druk na het afstellen de knop weer in de uit-
gangspositie terug.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 230
evastarck
10 Infotainment
Audiofuncties HU-650/850
10
231
BALANCE, balans links/rechts
Stel de juiste balans in door op de knop te
drukken en deze vervolgens naar links of naar
rechts te draaien. In de middelste stand is de
balans normaal. Druk na het afstellen de knop
weer in de uitgangspositie terug.
FADER, balans voor/achter
Stel de juiste balans in tussen de luidsprekers
voor- en achterin door de knop in te drukken
en vervolgens naar rechts (meer geluid van
voren) of naar links (meer geluid van achteren)
te draaien. In de middelste stand is de balans
tussen de luidsprekers voor- en achterin nor-
maal. Druk na het afstellen de knop weer in de
uitgangspositie terug.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 231
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
232
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Geluidsbron kiezen
U kunt op twee verschillende
manieren een geluidsbron kie-
zen:
Met de sneltoetsen AM, FM en
TAPE of met de draaiknop
SOURCE.
Draai aan de knop SOURCE om te kiezen uit
de beschikbare radiostanden (FM1, FM2, FM3
en AM1, AM2). Met dezelfde knop kunt u ook
kiezen uit het cassettedeck
1
of de cd-wisse-
laar* als de auto met iets dergelijks is uitgerust.
Bij herhaalde malen indrukken
van de toetsen AM
- en FM
loopt u de radiostanden FM1,
FM2, FM3 en AM1 en AM2
door.
Op het display staat aangege-
ven welke geluidsbron u hebt gekozen.
Scannen
Druk op de toets SCAN om het
scannen te starten. Wanneer de
radio een zender heeft gevon-
den, wordt het scannen
ca. 10 seconden stopgezet. De
radio gaat daarna verder met
zoeken. Wanneer de radio een zender heeft
gevonden die u wilt beluisteren, moet u op de
toets SCAN of EXIT drukken.
Zenders zoeken
Druk op voor een lagere frequentie en
op
voor een hogere frequentie. De
radio zoekt de eerstvolgende goed doorko-
mende zender op en stelt deze in. Druk nog-
maals op de toets om verder te zoeken.
Handmatig zenders zoeken
Druk op de toets of en houd
de toets ingedrukt. De tekst
MAN verschijnt op
het display. De radio loopt de frequenties aan-
vankelijk langzaam in de gekozen richting door
om na enige seconden te versnellen. Laat de
toets los, wanneer de gewenste frequentie op
het display verschijnt.
Als u de frequentie nog iets wilt bijregelen,
moet u kort op een van de pijltoetsen
of drukken. Wanneer u de laatste toets
loslaat, hebt u nog vijf seconden de tijd om
handmatig instellingen te verrichten.
Toetsenset op stuurwiel
Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsen-
set, kunt u op de pijl naar rechts of links druk-
ken om een van de voorkeurzenders te selec-
teren.
G027004
1
HU-450
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 232
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
233
N.B.
Als uw auto is uitgerust met een geïnte-
greerde telefoon, kunt u de toetsenset op
het stuurwiel alleen gebruiken voor de tele-
foonfuncties wanneer u de telefoon hebt
geactiveerd. In de actieve stand staan er
altijd telefoongegevens op het display.
Druk op om de telefoon te deactiveren.
Als er geen simkaart in uw telefoon zit, moet u
de telefoon uitschakelen (zie pagina 253).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 233
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450
10
234
Zenders instellen
1. Stel de gewenste frequentie in.
2.
Druk kort op de knop PRESET/CD.
3. Kies een nummer waaronder u de zender
wilt opslaan door de knop naar links of naar
rechts te draaien.
Druk nogmaals op de knop om de gewenste
frequentie en zender op te slaan.
Voorkeurzenders
Om een van de voorgepro-
grammeerde radiozenders te
selecteren moet u aan de knop
PRESET/CD draaien, totdat
het nummer van de zender op
het display staat. De voorge-
programmeerde zender verschijnt op het dis-
play.
Automatisch zenders opslaan
Met behulp van de functie
AUTO kunt u tot 10 goed door-
komende
AM- of FM-zenders
opzoeken en in een apart
geheugen opslaan. Deze func-
tie is met name handig in gebie-
den, waar u de radiozenders en hun frequen-
ties niet kent.
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
of AM.
2.
Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
3.
Op het display staat
AUTO, terwijl een
aantal zenders met een krachtig signaal
(maximaal 10) in de gekozen radiostand
automatisch in het geheugen worden
opgeslagen. Als er geen radiozender kon
worden gevonden met een signaal dat
krachtig genoeg is, verschijnt de tekst
NO
STATION
.
4.
Druk kort op de toets AUTO of op de pijl-
toetsen van de toetsenset op het stuurwiel,
als u een andere, automatisch ingestelde
zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automati-
sche opslag staat, staat de tekst
AUTO op het
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
Terugkeren naar normale radiostand
±
Druk op de toets FM, AM of EXIT of draai
aan de knop PRESET/CD.
Terugkeren naar Autom. opslaan
±
Druk kort op de toets AUTO.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 234
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-650/850
10
235
Zenders opslaan
G027189
U kunt als volgt een zender opslaan onder een
van de voorkeurtoetsen 1 - 6:
1. Stel de gewenste radiozender in.
2. Druk op de voorkeurtoets waaronder u de
zender wilt opslaan en houd deze toets
ingedrukt. Het geluid valt enige seconden
weg. De tekst Station STORED verschijnt
op het display.
U kunt tot 6 zenders per radiostand (AM1,
AM2, FM1, FM2 en FM3) opslaan, d.w.z. 30
zenders in totaal.
Automatisch zenders opslaan
Met behulp van de functie
AUTO kunt u tot tien goed
doorkomende AM- of FM-zen-
ders opzoeken en in een apart
geheugen opslaan. Als er meer
dan tien zenders gevonden
worden, worden alleen de tien best doorko-
mende zenders geselecteerd. Deze functie is
met name handig in gebieden, waar u de radio-
zenders en hun frequenties niet kent.
±
Selecteer de radiostand met de toets AM
of FM.
Start het zoeken door de knop AUTO lang
(meer dan 2 seconden) in te drukken.
Op het display staat
AUTO, terwijl een aantal
zenders met een krachtig signaal (maximaal
10) in de gekozen radiostand automatisch in
het geheugen worden opgeslagen. Als er geen
radiozender kon worden gevonden met een
signaal dat krachtig genoeg is, verschijnt de
tekst NO STATION.
±
Druk kort op de toets AUTO of op de pijl-
toetsen van de toetsenset op het stuurwiel,
als u een andere, automatisch ingestelde
zender wilt selecteren.
Wanneer de radio in de stand voor automati-
sche opslag staat, staat de tekst
AUTO op het
display. De tekst verdwijnt weer, wanneer u
teruggaat naar de normale radiostand.
Terugkeren naar normale radiostand
±
Druk op de toets FM, AM of EXIT.
Terugkeren naar Autom. opslaan
±
Druk kort op de toets AUTO.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 235
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
236
Radio Data System, RDS
RDS is een systeem dat radiozenders binnen
een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem
wordt onder meer gebruikt om op de beste fre-
quentie van een bepaalde zender afgestemd te
blijven ongeacht de beluisterde zender of
geluidsbron (zoals een cd). Het systeem wordt
tevens gebruikt om verkeersinformatie te ont-
vangen en radioprogramma’s van een bepaald
type te vinden. Radiotekst is ook een onder-
deel van RDS. Een radiozender kan informatie
verzenden over de radio-uitzending.
Sommige radiozenders maken geen gebruik
van RDS of slechts in beperkte mate.
PI zoeken (automatisch zenders
zoeken)
Bij het beluisteren van een RDS-zender wordt
diverse informatie in de radio (zoals verkeers-
informatie) opgeslagen.
Wanneer u op een ingestelde RDS-zender
afstemt, werkt de radio de opgeslagen RDS-
informatie van deze zender bij. Als de radio zich
net binnen of buiten het bereik van de zender
bevindt, stemt de radio automatisch af op de
best doorkomende zender die het door u
beluisterde programma doorgeeft.
Als er geen andere zender binnen het bereik
ligt, valt de radio stil en verschijnt de tekst PI
SEEK
op het display zolang er geen zender is
gevonden.
Verkeersinformatie, TP Station
Bij activering van deze functie krijgt u verkeers-
informatie binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron beluistert dan de radio,
wordt de weergave ervan onderbroken en ont-
vangt u de verkeersinformatie op het volume
dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van de
verkeersinformatie hervat het audiosysteem de
weergave van de voorgaande geluidsbron op
het oude volume.
Verkeersinformatie instellen
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Kies voor
TP en druk op SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
TP ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
4.
Druk op EXIT.
TP deactiveren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Kies voor TP en druk op SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
TP OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
4.
Druk op EXIT.
Wanneer de functie actief is, staat de tekst
TP op het display.
Druk op EXIT om een lopend verkeersbulletin
voortijdig af te breken. De functie TP blijft ech-
ter actief, zodat de radio op het volgende ver-
keersbulletin wacht.
Verkeersinformatie van een specifieke
zender instellen
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM.
2. Activeer de radiozender waarvan u de ver-
keersinformatie wilt ontvangen.
3.
Druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
6.
Draai aan SOURCE, selecteer
TP
STATION
en druk op SOURCE.
7.
Draai aan SOURCE, selecteer
SET
CURRENT
en druk op SOURCE.
8.
Druk op EXIT.
TP-zender deactiveren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 236
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
``
237
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
TP
STATION
en druk op SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer TP
STATION OFF
en druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
Alarm
De tekst Alarm! verschijnt op het display, wan-
neer er een alarmmelding wordt verzonden.
Deze functie wordt gebruikt om u attent te
maken op ernstige ongelukken of calamiteiten,
zoals ingestorte bruggen of ongelukken in
kerncentrales.
TP zoeken
Met deze functie kunt u naar verkeersinforma-
tie blijven luisteren tijdens langere ritten door
verschillende gebieden en/of landen zonder
dat u daarvoor zelf van zender hoeft te wisse-
len.
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
TP
SEARCH
en druk op SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer TP
SEARCH ON
of TP SEARCH OFF (knip-
perende tekst) en druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
Nieuws
Bij activering van deze functie krijgt u nieuws-
bulletins binnen van RDS-zenders. Als u een
andere geluidsbron dan de radio beluistert,
wordt deze weergave onderbroken en ont-
vangt u de bulletins op het volume dat u voor
het beluisteren hebt ingesteld. Na afloop van
het bulletin hervat het audiosysteem de weer-
gave van de voorgaande geluidsbron op het
oude volume.
News (Nieuws) instellen
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS en
druk op SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer NEWS ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
4.
Druk op EXIT.
De tekst NEWS verschijnt op het display.
News (Nieuws) deactiveren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS en
druk op SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS
OFF
(knipperende tekst) en druk op
SOURCE.
4.
Druk op EXIT.
De tekst
NEWS verdwijnt van het display.
Druk op EXIT om een lopend nieuwsbulletin
voortijdig af te breken. De functie Nieuws blijft
echter actief, zodat de radio op het volgende
nieuwsbulletin wacht.
Uitzendingen onderbreken voor
nieuwsbulletins
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM.
2. Activeer de radiozender waarvan u de ver-
keersinformatie wilt ontvangen.
3.
Druk op SOURCE.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 237
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
238
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
6.
Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS
STATION
en druk op SOURCE.
7.
Draai aan SOURCE, selecteer SET
CURRENT
en druk op SOURCE.
8.
Druk op EXIT.
Functie News Station (Nieuwszender)
deactiveren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS
STATION
en druk op SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer
NEWS STN
OFF
en druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
Programmatype, PTY
Met de functie PTY kunt u kiezen uit verschil-
lende programmatypes.
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
PTY en druk
op SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
PTY in het
menu en druk op SOURCE.
De radio begint te zoeken naar een zender met
het geselecteerde programmatype.
Als de radio een zender heeft gevonden die
ongeschikt is, kunt u verder zoeken met de lin-
ker- of rechterpijl.
Als er geen zender met het gekozen program-
matype kan worden gevonden, gaat de radio
terug naar de voorgaande frequentie.
Niet alle radiozenders zijn voorzien van een
PTY-code.
Programmatype Displaytekst
OFF
PTY OFF
Actualiteiten
Actualiteiten
Religie
Religie
Country
Country
Programmatype Displaytekst
Documentaires
Documentaires
Financieel nieuws
Financieel nieuws
Volksmuziek
Volksmuziek
Ontspanning
Ontspanning
Kinderprogramma’s
Kinderpro-
gramma’s
Gouwe ouwe
“Oldies”
Information
Informatie
Jazz
Jazz
Klassiek
Klassiek
Kunst en cultuur
Cultuur
Licht klassiek
Licht klassiek
Easy listening
Easy listening
Nationale muziek
Nation M
Nieuws
Nieuws
Pop
Pop
Reizen
Reizen
Rock
Rock
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 238
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
``
239
Programmatype Displaytekst
Maatschappelijke
programma’s
Sociaal
Sport
Sport
Hoorspel
Hoorspel
Inbelprogramma’s
Telefoon
Amusement
Amusement
Educatie
Educatie
Wetenschap
Wetenschap
Weer
Weer
Overige muziek
Overige muziek
PTY standby
De functie PTY staat dan stand-by, totdat er
een programma van het gekozen type wordt
uitgezonden. Wanneer dat het geval is, gaat de
radio automatisch over op de zender die het
geselecteerde programmatype uitzendt.
Deactiveren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
PTY en druk
op SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer PTY OFF en
druk op SOURCE.
4.
Druk op EXIT. Het symbool PTY verdwijnt
dan en de radio keert terug naar de nor-
male weergavestand.
PTY-taal
Met deze functie kunt u de taal selecteren die
op het display van de radio moet worden
gebruikt (Engels, Duits, Frans of Zweeds).
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
PTY
LANGUAGE
en druk op SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer een taal en
druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
Automatische afstemfunctie
De functie AF is normaal gesproken actief en
zorgt ervoor dat de radio afstemt op de zender
met het sterkste signaal voor de gekozen zen-
der.
AF activeren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS MENU
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
AF ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
5.
Druk op EXIT.
AF deactiveren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS MENU
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer AF OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 239
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
240
5.
Druk op EXIT.
Regionale radioprogramma’s, REG
De functie REG staat normaal gesproken uit.
Bij het inschakelen van de functie is het moge-
lijk om op een bepaalde regionale zender afge-
stemd te blijven ondanks dat het signaal zwak
is.
REG activeren
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS MENU
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
REG ON
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
5.
Druk op EXIT.
REG deactiveren
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer RADIO
SETTINGS MENU
en druk op SOURCE.
Draai aan SOURCE, selecteer REG OFF
(knipperende tekst) en druk op SOURCE.
Druk op EXIT.
EON – (Enhanced Other Networks),
Local/Distant
Met de functie EON geactiveerd, worden radi-
oprogramma’s onderbroken voor verkeers- en
nieuwsbulletins van andere zenders.
Functie met twee standen
Local – Alleen onderbreking, wanneer het sig-
naal sterk genoeg is.
Distant – Ook onderbreking bij zwakkere sig-
nalen.
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RADIO
SETTINGS MENU
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
EON (knip-
perende tekst) en druk op SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer Local of
Distant en druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
RDS-instellingen resetten
Met de functie Reset alles kunt u alle fabriek-
instellingen voor RDS herstellen.
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
RESET TO
DEFAULT
en druk op SOURCE.
4.
Druk op EXIT.
ASC (Active Sound Control)
De actieve geluidsregeling ASC stemt het
volume van de radio automatisch af op de rij-
snelheid.
ASC activeren:
1.
Selecteer de radiostand met de toets FM
en druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO
SETTINGS MENU
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
ASC
LEVEL
en druk op SOURCE.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 240
evastarck
10 Infotainment
Radiofuncties HU-450/650/850
10
241
5.
Draai aan SOURCE, selecteer
LOW,
MEDIUM, HIGH of Off en druk op
SOURCE.
Radiotekst
Sommige RDS-zenders geven informatie door
over de inhoud van de uitzendingen, uitvoe-
rende artiesten e.d.
Druk enkele seconden lang op de toets FM om
eventueel meegestuurde radiotekst op het dis-
play te bekijken.
Nadat de tekst tweemaal achtereen op het dis-
play verschenen is, geeft de radio de zender/
frequentie weer aan waarop u hebt afgestemd.
Met een korte druk op de toets EXIT beëindigt
u de weergave van de radiotekst.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 241
evastarck
10 Infotainment
Cassettedeck HU-450
10
242
Cassetteopening
DOLBY B NR
G027246
Steek de cassette met de open kant naar
rechts in de opening. Op het display verschijnt
TAPE Side A.
Wanneer een kant van de cassette is afge-
speeld, schakelt het deck automatisch over
naar de andere kant (auto-reverse).
Als er al een cassette in het deck zit, kunt u de
cassette laten afspelen door aan de knop
SOURCE te draaien of op de sneltoets TAPE
te drukken.
Van bandrichting wisselen
Druk op de toets REV, als u de andere kant van
de cassette wilt beluisteren. Op het display
staat aangegeven welke kant van de cassette
wordt afgespeeld.
Cassette uitwerpen
Als u op de uitwerptoets drukt,
stopt de cassette waarna deze
wordt uitgeworpen. Draai aan
de knop SOURCE om een
andere geluidsbron te kiezen.
Ook als het systeem is uitge-
schakeld, kunt u een cassette plaatsen of uit-
werpen.
Ruisonderdrukking Dolby B
De ruisonderdrukkingsfunctie is normaal geac-
tiveerd. Ga als volgt te werk, als u de functie
wilt uitschakelen. Houd de toets REV inge-
drukt, totdat het Dolby-symbool van het
display verdwijnt. Druk nogmaals op dezelfde
toets om de Dolby-functie weer te activeren.
Dolby ruisonderdrukking wordt geproduceerd
onder licentie van Dolby Laboratories Licen-
sing Corporation. Dolby en de dubbele D
zijn geregistreerde handelsmerken van Dolby
Laboratories Licensing Corporations.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebrui-
ken om van iedere track de eer-
ste 10 seconden te beluisteren.
Druk op de toets SCAN of
EXIT, wanneer u de track hebt
gevonden die u wilt beluisteren.
Vooruit-/achteruitspoelen
U kunt de cassette vooruitspoelen met de toets
en achteruitspoelen met . Tij-
dens het versneld spoelen geeft het display “
FF” (vooruit) of “ REW” (achteruit) weer. De
spoelfunctie wordt beëindigd, als u de toets
nogmaals indrukt.
G027004
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 242
evastarck
10 Infotainment
Cassettedeck HU-450
10
243
Volgende track, vorige track kiezen
Als u de toets indrukt, zal de cassette
automatisch vooruitgespoeld worden naar het
begin van de volgende track.
Als u de toets
indrukt, zal de cassette
automatisch achteruitgespoeld worden naar
het begin van de vorige track. Deze functie
werkt alleen goed, wanneer er tussen de tracks
een stilte van ongeveer vijf seconden is inge-
last.
Als het stuurwiel is voorzien van een toetsen-
set, kunt u gebruik maken van de pijltoetsen
ervan.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 243
evastarck
10 Infotainment
Cd-speler HU-650
10
244
Cd-speler
Steek een cd in de opening. Als u al een cd hebt
aangebracht, moet u voor weergave van de cd
kiezen door aan de knop SOURCE te draaien
of op de sneltoets CD te drukken.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande toets
drukt, stopt de cd-speler
waarna de cd wordt uitgewor-
pen.
N.B.
Om veiligheidsredenen hebt u twaalf secon-
den de tijd om de uitgeworpen cd uit te
nemen. Als de cd na afloop van deze
periode nog in de cd-speler zit, wordt de cd
weer ingenomen en verder afgespeeld.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te spoe-
len. De spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset op
het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar de
vorige of volgende track te gaan. U kunt daar-
voor ook gebruik maken van de toetsenset op
het stuurwiel. Het tracknummer staat aange-
geven op het display.
Scannen
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste 10 seconden te beluis-
teren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde
Druk op RND (random) om de
willekeurige afspeelvolgorde te
activeren. De cd-speler speelt
de tracks van de cd dan in een
willekeurige volgorde af.
Zolang deze functie actief is
staat er
RND op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het moge-
lijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluids-
kwaliteit.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwik-
keling in de cd-speler kan het etiket losra-
ken en schade aan de cd-speler veroorza-
ken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 244
evastarck
10 Infotainment
Interne cd-wisselaar HU-850
10
245
Interne cd-wisselaar
Een interne cd-wisselaar met een magazijn
voor 6 cd’s maakt deel uit van HU-850. Druk
op de sneltoets CD of draai aan de knop
SOURCE om de cd-wisselaar te activeren. De
cd-wisselaar speelt de laatst gekozen track op
de laatst gekozen cd af.
U kunt 6 cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen.
Om een nieuwe cd te kunnen aanbrengen moet
u een lege positie selecteren. Selecteer een
lege positie met de cijfertoetsen 16. Het num-
mer van de lege positie verschijnt op het dis-
verschijnt, voordat u een nieuwe cd aanbrengt.
Cd uitwerpen
Als u op de bovenstaande toets
drukt, stopt de cd-speler
waarna de cd wordt uitgewor-
pen.
N.B.
Om veiligheidsredenen hebt u twaalf secon-
den de tijd om de uitgeworpen cd uit te
nemen. Als de cd na afloop van deze
periode nog in de cd-speler zit, wordt de cd
weer ingenomen en verder afgespeeld.
Nummer cd selecteren
Selecteer de af te spelen cd met de cijfertoet-
sen 16. Het nummer van de geselecteerde cd
en de af te spelen track op die cd verschijnen
op het display.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te spoe-
len. De spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset op
het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar de
vorige of volgende track te gaan. U kunt daar-
voor ook gebruik maken van de toetsenset op
het stuurwiel. Het tracknummer staat aange-
geven op het display.
Scannen, SCAN
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste tien seconden te beluis-
teren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde,
RANDOM
Druk op RND (random) om de
willekeurige afspeelvolgorde te
activeren. De cd-wisselaar
speelt dan een willekeurige
track van een willekeurige cd.
De cd-wisselaar kiest daarna
een nieuwe willekeurige track van een wille-
keurige cd. Zolang de functie actief is, staat er
RND op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het moge-
lijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluids-
kwaliteit.
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwik-
keling in de cd-speler kan het etiket losra-
ken en schade aan de cd-speler veroorza-
ken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 245
evastarck
play. Zorg dat de tekst "LOAD DISC"
10 Infotainment
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*
10
246
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Cd-wisselaar
G027181
De externe cd-wisselaar zit achter het paneel
linksachter in de kofferbak.
Draai aan de knop SOURCE om de cd-wisse-
laar in te schakelen. De cd-wisselaar speelt de
laatst gekozen track op de laatst gekozen cd
af. Als het magazijn van de cd-wisselaar leeg
is, verschijnt er LOAD CARTRIDGE op het
display.
Cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen
1. Duw het klepje van de cd-wisselaar opzij.
2. Druk op de uitwerptoets voor het magazijn.
3. Trek het cd-magazijn naar buiten en breng
de cd’s aan.
4. Duw het magazijn in de cd-wisselaar terug.
Sleuf kiezen
Selecteer de af te spelen cd door aan de knop
PRESET/CD (HU-450) te draaien of druk op de
cijfertoetsen 1 - 6 (HU-650/850). Het nummer
van de geselecteerde cd en de af te spelen
track op die cd verschijnen op het display.
Sommige cd-wisselaars bieden plaats aan 10
cd’s. Houd toets 6 enkele seconden ingedrukt
om een van de cd’s 7 - 10 te kiezen.
Vooruit-/achteruitspoelen en van track
wisselen
Houd de pijl-links/pijl-rechts
ingedrukt om een of meer
tracks op de cd vooruit te spoe-
len. De spoelfunctie valt niet te
bedienen via de toetsenset op
het stuurwiel.
Druk kort op de pijl-links/pijl-rechts om naar de
vorige of volgende track te gaan. U kunt daar-
voor ook gebruik maken van de toetsenset op
het stuurwiel. Het tracknummer staat aange-
geven op het display.
Scannen
De functie SCAN kunt u gebruiken om van
iedere track de eerste 10 seconden te beluis-
teren.
Druk op de toets SCAN of EXIT, wanneer u de
track hebt gevonden die u wilt beluisteren.
Willekeurige afspeelvolgorde
Druk op RND (geldt voor
HU-650 en 850) om de wille-
keurige afspeelvolgorde te acti-
veren. Bij het audiosysteem
HU-450 moet u op de toets
REV drukken.
De cd-wisselaar speelt dan een willekeurige
track van een willekeurige cd. De cd-wisselaar
kiest daarna een nieuwe willekeurige track van
een willekeurige cd. Zolang de functie actief is,
staat er
RND op het display.
Cd’s
Bij gebruik van zelfgebrande cd’s is het moge-
lijk dat het geluid te wensen overlaat of zelfs
helemaal uitblijft. Muziek-cd’s die voldoen aan
de norm ISO 60908 bieden de beste geluids-
kwaliteit.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 246
evastarck
10 Infotainment
Externe cd-wisselaar HU-450/650/850*
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
247
BELANGRIJK
Speel uitsluitend standaard-cd’s af (met een
diameter van 12 cm). Gebruik geen cd’s met
een opgeplakt etiket. Door warmteontwik-
keling in de cd-speler kan het etiket losra-
ken en schade aan de cd-speler veroorza-
ken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 247
evastarck
10 Infotainment
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
10
248
Algemene informatie
Dolby Surround Pro Logic II is gebaseerd op
het voorgaande systeem en levert een duide-
lijke verbetering van de geluidsweergave op.
De verbetering is met name duidelijk te merken
voor de achterpassagiers.
In combinatie met een middenluidspreker mid-
den op het dashboard zorgt Dolby Surround
Pro Logic II voor een zeer realistische geluids-
weergave.
De normale stereokanalen links en rechts wor-
den dan opgedeeld in links, midden en rechts.
Bovendien produceren de luidsprekers ach-
terin het zogeheten Ambient Surround Sound.
Dolby Surround Pro Logic II werkt alleen, wan-
neer u een cd beluistert.
Als u een
AM- of FM-zender beluistert, wordt
geadviseerd driekanaals stereoweergave ( 3-
CH
) te kiezen.
Dolby Surround Pro Logic II is het handelsmerk
van Dolby Laboratories Licensing
Corporation. Dolby Pro Logic II Surround
System is vervaardigd onder licentie van Dolby
Laboratories Licensing Corporation.
Dolby Surround Pro Logic II Mode
Druk op PL II om Dolby
Surround Pro Logic II Mode in
te schakelen. Op het display
verschijnt
PL II. Druk op
OFF om terug te keren naar
tweekanaals stereoweergave.
3-kanaal stereo
Druk op de toets 3-CH om de
driekanaals stereoweergave
te activeren. Op het display
verschijnt de tekst “
3 ch”.
Druk op OFF om terug te
keren naar de tweekanaals
stereoweergave.
Volume middenluidspreker (Centre
Level)
Gebruik deze functie om het volume van de
middenluidspreker in te stellen.
1.
Druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
CENTRE
LEVEL
en druk op SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
Volume Ambient Surround Sound
(Surround Level)
Gebruik deze functie om het uitgangsvermo-
gen van de achterste luidsprekerkanalen in te
stellen.
1.
Druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
SURROUND LEVEL en druk op
SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 248
evastarck
10 Infotainment
Dolby Surround Pro Logic II HU-850
10
249
Niveau equalizer (Mid EQ Level)
Gebruik deze functie om de geluidsweergave
via de luidsprekers fijn af te regelen.
1.
Druk op SOURCE.
2.
Draai aan SOURCE, selecteer
ADVANCED MENU en druk op
SOURCE.
3.
Draai aan SOURCE, selecteer
AUDIO
SETTINGS
en druk op SOURCE.
4.
Draai aan SOURCE, selecteer
MID EQ
LEVEL
en druk op SOURCE.
5.
Draai aan SOURCE, selecteer het volume
en druk op SOURCE.
6.
Druk op EXIT.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 249
evastarck
10 Infotainment
Technische gegevens
10
250
HU-450 HU-650 HU-850
Vermogen 4 × 25 W 4 × 25 W 1 × 25 W (centrale luidspreker)
Impedantie 4 Ohm
Voedingsspanning 12 V, negatieve massa
Externe versterker
4 × 50 W of 4 × 75 W
A
4 × 50 W of 4 × 75 W
B
Radio
Frequentiebereik
U (FM) 87,5–108 MHz
M (AM) 522–1611 kHz
L (AM) 153–279 kHz
A
(optie)
B
HU-850 moet worden aangesloten op een externe versterker.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 250
evastarck
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
``
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
251
G027195
Onderdelen van het telefoonsysteem
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 251
evastarck
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
252
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Algemene voorschriften
De verkeersveiligheid staat voorop. Als u
als bestuurder gebruik wilt maken van de
handset in de armleuning, moet u de auto
eerst op een veilige plaats parkeren.
Schakel de telefoon uit tijdens het tanken.
Schakel de telefoon uit in gebieden waar er
met explosieven wordt gewerkt.
Laat reparatie van de telefoon aan erkend
servicepersoneel over.
Noodoproepen
Het is altijd mogelijk het alarmnummer te bel-
len, zelfs als de contactsleutel of de simkaart is
uitgenomen.
1.
2. Kies het alarmnummer van het land waarin
u zich bevindt (112 binnen de EU).
3.
Druk op de groene toets
.
Onderdelen van het telefoonsysteem
1. Toetsenset op middenconsole
Met de toetsenset op de middenconsole kunt
u alle functies van de telefoon regelen.
2. Toetsenset op stuurwiel
Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de
meeste functies van de telefoon regelen.
Wanneer de telefoonsysteem in de actieve
stand staat, kunt u de toetsenset op het stuur-
wiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties.
In de actieve stand staan er altijd telefoonge-
gevens op het display. Als u deze toetsen wilt
gebruiken om radio-instellingen te verrichten,
moet u eerst de actieve stand van de telefoon
verlaten (zie pagina 253).
3. Display
Op het display verschijnen menu’s, meldingen,
telefoonnummers e.d.
4. Handset
De handset kunt u gebruiken voor privége-
sprekken waarin u niet gestoord wil worden.
5. Simkaart
U brengt de simkaart aan onder de toetsenset
op de middenconsole.
Schakel de telefoon uit als u geen simkaart
hebt aangebracht, omdat u anders geen mel-
dingen voor de overige functies kunt aflezen
van het display.
6. Microfoon
De microfoon is ingebouwd in de achteruitkijk-
spiegel
7. Luidsprekers
De luidspreker is ingebouwd in de hoofdsteun
van de bestuurdersstoel.
8. Antenne
De antenne is tegen de voorruit aangebracht,
achter de achteruitkijkspiegel.
Simkaart
G027286
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 252
evastarck
Druk op de aan-uit -knop.
10 Infotainment
Telefoonfuncties*
10
* Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
253
Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in
combinatie met een geldige simkaart (Subscri-
ber Identity Module). U hebt deze kaart van uw
provider ontvangen.
Breng altijd de simkaart aan, als u gebruik wilt
maken van het telefoonsysteem. De naam van
uw provider verschijnt dan op het display.
Schakel de telefoon uit, als u geen simkaart
hebt aangebracht. U kunt anders geen meldin-
gen voor de overige functies aflezen van het
display en de toetsenset op het stuurwiel niet
gebruiken om de radio te bedienen.
Telefoon in- en uitschakelen
G027285
Telefoon inschakelen
1.
Draai de contactsleutel naar stand I.
2. Druk op de aangegeven knop op de
bovenstaande afbeelding.
Telefoon uitschakelen
±
Druk de knop waarmee u de telefoon
inschakelde ca. drie seconden lang in.
Als u het contact uitzet, terwijl de telefoon
actief is, zal de telefoon ook actief zijn wanneer
u het contact een volgende keer opnieuw aan-
zet.
Wanneer de telefoon uitgeschakeld is, kunt u
geen gesprekken aannemen.
Actieve stand
Om gebruik te kunnen maken van de functies
die de telefoon u biedt, moet de telefoon in de
actieve stand staan (dit geldt niet voor binnen-
komende gesprekken). Zet de telefoon in de
actieve stand door te drukken op
op het
bedieningspaneel of op de toetsenset op het
stuurwiel.
In de actieve stand staan er altijd telefoonge-
gevens op het display.
Druk op
om de actieve stand te verlaten.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 253
evastarck
10 Infotainment
Bel-opties
10
254
Display
G027180
Op het display verschijnen de actuele functies
zoals menu’s, meldingen, telefoonnummers of
instellingen.
Bellen en gesprekken aannemen
Bellen
Kies het nummer en druk op op de toet-
senset op het stuurwiel of op de middencon-
sole (of til de handset op).
Inkomend gesprek aannemen
Druk op of til de handset op. U kunt ook
gebruik maken van de automatische aanneem-
functie Auto antw. (zie menu-optie 4.3).
Het geluid van het audiosysteem kan automa-
tisch worden uitgeschakeld tijdens een
gesprek. Zie ook menu-optie 5.6.5 op pagina
263 voor het volume van het audiosysteem.
Gesprekken beëindigen
Om een gesprek te beëindigen drukt u op
op de toetsenset van het stuurwiel of op
de middenconsole of u legt de handset op. Het
audiosysteem gaat weer in de voorgaande
stand staan.
Laatst gekozen nummers
Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien
laatst gekozen telefoonnummers/namen op.
1.
Druk op
van de toetsenset op het
stuurwiel of op de middenconsole.
2.
Blader met de pijltoetsen vooruit
of achteruit door de laatst geko-
zen nummers.
3.
Druk op (of neem de handset op) om
te bellen.
Handset
G027193
Als u privégesprekken wilt kunnen voeren,
moet u gebruik maken van de handset.
1. Neem de handset op.
2. Voer het gewenste nummer in met de toet-
senset op de middenconsole.
3.
Druk op om te bellen.
U regelt het volume met de draaiknop op de
zijkant van de handset. U kunt het gesprek
beëindigen door de handset terug op de hou-
der te leggen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 254
evastarck
10 Infotainment
Bel-opties
10
``
255
Overgaan op handsfree zonder het
gesprek te beëindigen
1.
Druk op en kies voor Handsfree.
2.
Druk op
en leg de handset op (zie
pagina 254).
Verkort kiezen
Snelnummers opslaan
De nummers die zijn opgeslagen in het tele-
foonboek van het systeem kunt u koppelen aan
een bepaalde voorkeurtoets (1 - 9). U doet dat
als volgt:
1.
Blader met
naar Geheugen
bewerken
(Menu 3) en druk op .
2.
Blader verder naar
Verkort kiezen (Menu
3.4) en druk op
.
3. Druk op de sneltoets waaronder u het snel-
nummer wilt opslaan. Druk ter bevestiging
op
.
4. Zoek de naam of het telefoonnummer van
uw keuze uit het geheugen op en druk op
om de naam of het telefoonnummer
te selecteren.
Verkort kiezen
Druk een voorkeurtoets ca. 2 seconden lang in
om het telefoonnummer te kiezen dat onder de
toets opgeslagen is.
N.B.
Na inschakeling van de telefoon moet u
enkele seconden wachten, voordat u
gebruik kunt maken van de functie verkort
kiezen. Om snelnummers te kunnen gebrui-
ken moet menu-optie 4.5 geactiveerd
zijn.zie pagina 262
Functies tijdens lopende gesprekken
Tijdens een lopend gesprek kunt u de onder-
staande functies activeren:
±
Blader met de pijltoetsen en druk op
om een keuze te maken.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraak-
stand
Wachten/Wachten
uit
Om het lopende
gesprek wel of niet
te parkeren
Handset/Handsfree Om de handset of de
handsfree te gebrui-
ken
Geheugen Om de opgeslagen
nummers te bekij-
ken
Wanneer u tijdens een lopend gesprek een
tweede gesprek geparkeerd hebt, kunt u de
onderstaande functies activeren:
±
Blader met de pijltoetsen en druk op
om een keuze te maken.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraak-
stand
Handset/Handsfree Om de handset of de
handsfree te gebrui-
ken
Geheugen Om de opgeslagen
nummers te bekij-
ken
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 255
evastarck
10 Infotainment
Bel-opties
10
256
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraak-
stand
Samenvoegen Om twee gespreken
tegelijk te voeren
(conferentie)
Wisselen Om te wissen tussen
de twee gesprekken
Wanneer u gekozen hebt voor
Samenvoegen en twee lopende gesprekken
voert, kunt u de onderstaande functies active-
ren:
±
Blader met de pijltoetsen en druk op
om een keuze te maken.
Ruggespraak/
Ruggespraak uit
Ruggespraak-
stand
Handset/Handsfree Om de handset of de
handsfree te gebrui-
ken
Geheugen Om de opgeslagen
nummers te bekij-
ken
Tijdens het bellen een tweede gesprek
aannemen
Als u tijdens het bellen een geluidssignaal
onmiddellijk gevolgd door twee korte geluids-
signalen hoort, komt er een tweede gesprek
binnen. De twee korte geluidssignalen worden
herhaald, totdat u het gesprek beantwoordt of
de beller oplegt. U kunt het tweede gesprek
vervolgens wel of niet aannemen.
Als u het gesprek niet wilt aannemen, moet u
op
drukken of niets doen. Als u het
gesprek wilt aannemen, moet u op
druk-
ken. U parkeert het lopende gesprek dan tijde-
lijk. Als u op
drukt, worden beide
gesprekken beëindigd.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 256
evastarck
10 Infotainment
Geheugenfuncties
10
``
257
Sms
Eén geluidssignaal geeft aan dat er een sms is
binnengekomen.
Volume
Verhoog het volume door op de (+) van de toet-
senset op het stuurwiel te drukken. Verlaag het
volume door op de () van de toetsenset op het
stuurwiel te drukken.
Wanneer de telefoon in de actieve stand staat,
kunt u met de toetsenset op het stuurwiel
alleen de telefoonfuncties regelen.
Als u deze toetsen wilt gebruiken om radio-
instellingen te verrichten, moet u de telefoon
eerst deactiveren (zie pagina 253).
Geheugenfuncties
Telefoonnummers en namen kunt u in het
geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het
geheugen op de simkaart.
Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig
van een van de nummers die in het telefoon-
boek liggen opgeslagen, wordt de bijbeho-
rende naam op het display weergegeven.
U kunt maximaal 255 namen in het geheugen
van de telefoon opslaan.
Telefoonnummers met namen opslaan
1.
Druk op en blader naar Geheugen
bewerken
(Menu 3). Druk vervolgens op
.
2.
Blader verder naar
Nieuwe invoer (Menu
3.1) en druk op
.
3. Voer het gewenste nummer in en druk op
.
4.
Voer een naam in en druk op
.
5. Geef aan in welk geheugen u het nummer
en de naam wilt opslaan met en
druk vervolgens op
.
Namen (of berichten) invoeren
Druk op de toets met het teken van uw keuze:
druk eenmaal op de toets om het eerste teken
van de toets in te voeren, tweemaal om het
tweede teken in te voeren enz. Druk op de 1
om een spatie in te voegen.
spatie 1- ? ! , . : ' ( )
a b c 2 ä å à á â æ ç
d e f 3 è é ë ê
g h i 4 ì í î ï
j k l 5
m n o 6 ñ ö ò ó Ø
p q r s 7 ß
t u v 8 ü ù ú û
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 257
evastarck
10 Infotainment
Geheugenfuncties
10
258
w x y z 9
om tweemaal achtereen het-
zelfde teken van een toets in
te voeren moet u na de eerste
maal op * drukken of enkele
seconden wachten.
+ 0 @ * # & $ £ / %
om te wisselen tussen hoofd-
letters en kleine letters
het laatst ingevoerde teken
wissen. Wanneer u de toets
lang ingedrukt houdt, kunt u
het nummer of de tekst in zijn
geheel wissen.
Nummers uit het geheugen bellen
±
Druk op
op de middenconsole of
gebruik de toetsenset op het stuurwiel.
Kies uit de volgende mogelijkheden:
1.
Druk op
op de middenconsole of
gebruik de toetsenset op het stuurwiel om
met de pijltoetsen naar de gewenste naam
te bladeren.
2. Druk op de toets die overeenkomt met de
eerste letter van de bijbehorende naam (of
voer de complete naam in) en druk op
.
3.
Druk op
om het geselecteerde num-
mer te bellen.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 258
evastarck
10 Infotainment
Menu’s
10
``
259
Algemene informatie
Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande
instellingen controleren of wijzigen en nieuwe
functies programmeren. De verschillende
menu-opties worden op het display weerge-
geven.
Druk op om het menusysteem te acti-
veren.
In het menusysteem geldt het volgende:
Wanneer u lang ingedrukt houdt,
verlaat u het menusysteem.
Wanneer u kort op drukt, annuleert,
hervat of verwerpt u een optie.
Wanneer u op drukt, bevestigt of
selecteert u een optie of gaat u van een
submenu naar het volgende submenu.
Met de toets gaat u naar het vol-
gende submenu.
Met de toets gaat u naar het vorige
submenu.
Sneltoetsen
De menu-opties zijn genummerd zodat u ze
rechtstreeks kunt selecteren met de nummer-
toetsen en met
. De cijferaanduidingen
staan samen met de naam van de menu-optie
op het display.
Verkeersveiligheid
Om veiligheidsredenen is het menusysteem
niet toegankelijk bij snelheden hoger dan
8 km/h. U kunt de begonnen activiteit in het
menusysteem echter nog wel beëindigen.
In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbegren-
zing opheffen.
Hoofdmenu’s/Submenu’s
1. Oproepregister
1.1. Gem. oproep
1.2. Ontv. oproep
1.3. Gebelde oproepen
1.4. Wis bellijst
1.4.1. Alles
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
1.5. Belduur
1.5.1. Lste oproep
1.5.2. Gespreksteller
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
2. Berichten
2.1. Lezen
2.2. Invoeren
2.3. Voice mail
2.4. Instellingen
2.4.1. SMSC nummer
2.4.2. Geldigheid
2.4.3. Soort
3. Geheugen bewerken
3.1. Nieuwe invoer
3.2. Zoeken
3.2.1. Bewerken
3.2.2. Wissen
3.2.3. Kopiëren
3.2.4. Verplaatsen
3.3. Alles kopie
3.3.1. SIM naar tel
3.3.2. Tel naar SIM
3.4. Verk. kiezen
3.5. SIM wissen
3.6. Telefoongeheugen wissen
3.7. Status
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 259
evastarck
10 Infotainment
Menu’s
10
260
4. Bel-opties
4.1. Nummer verz.
4.2. Oproep wacht
4.3. Auto antw.
4.4. Auto herk.
4.5. Verk. kiezen
4.6. Doorschakelen
4.6.1. Allemaal
4.6.2. Indien bezet
4.6.3. Niet beantw.
4.6.4. Onbereikbaar
4.6.5. Faxoproepen
4.6.6. Data-oproepen
4.6.7. Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Fabriek
5.2. Netwerk
5.3. Taal
5.3.1. English UK
5.3.2. English US
5.3.3. Svenska
5.3.4. Dansk
5.3.5. Suomi
5.3.6. Deutsch
5.3.7. Nederlands
5.3.8. Français FR
5.3.9. Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
5.3.13. Português BR
5.4. SIM beveil.
5.4.1. Aan
5.4.2. Uit
5.4.3. Auto
5.5. Wijzig codes
5.5.1. PIN-code
5.5.2. Telefooncode
5.6. Geluiden
5.6.1. Belvolume
5.6.2. Belsignaal
5.6.3. Toetsklik
5.6.4. Aanp. Snelh.
5.6.5. RadioAutMute
5.6.6. Nieuw SMS-bericht
5.7. Rij veilig
Menu-opties, beschrijving
1. Oproepregister
1.1. Gemist
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de simkaart om ze later te
bewerken.
1.2. Ontvangen oproepen
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
ontvangen oproepen. U kunt de nummers bel-
len, wissen of toevoegen aan het geheugen van
de telefoon of op de simkaart om ze later te
bewerken.
1.3. Gebeld
In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst
gekozen nummers. U kunt de nummers bellen,
wissen of toevoegen aan het geheugen van de
telefoon of op de simkaart om ze later te
bewerken.
1.4. Wis bellijst
Met behulp van deze functie kunt u de lijsten
onder de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 wissen zoals
hieronder beschreven.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 260
evastarck
10 Infotainment
Menu’s
10
``
261
1.4.1. Alles
1.4.2. Gemist
1.4.3. Ontvangen
1.4.4. Gebeld
1.5. Belduur
In dit menu hebt u de mogelijkheid om de duur
van al uw oproepen of alleen van de laatste te
zien. U kunt ook het aantal oproepen bekijken
en de timer resetten.
1.5.1. Lste oproep
1.5.2. Gespreksteller
1.5.3. Totale tijd
1.5.4. Reset timer
Om de timer te kunnen resetten moet u over de
telefooncode beschikken (zie Menu 5.5).
2. Berichten
2.1. Lezen
In dit menu kunt u de ingekomen boodschap-
pen lezen. U kunt de gelezen boodschappen
(of gedeelten ervan) vervolgens wissen, door-
sturen, wijzigen of opslaan.
2.2. Opstellen
Met de toetsenset kunt u boodschappen
invoeren. U kunt de boodschappen vervolgens
opslaan of versturen.
2.3. Voice mail
In dit menu kunt u de binnengekomen gespro-
ken boodschappen beluisteren.
2.4. Instellingen
In dit menu kunt u het nummer van de mailbox
(SMSC-nummer) aangeven waarnaar u uw
boodschappen wilt doorschakelen. U kunt
tevens aangeven hoe uw boodschap de
geadresseerde moet bereiken en hoelang de
boodschap in de mailbox moet blijven liggen.
2.4.1. SMSC nummer
2.4.2. Geldigheid
2.4.3. Soort
Neem contact op met uw provider voor infor-
matie over deze instellingen en het SMSC-
nummer.
3. Geheugen bewerken
3.1. Nieuwe invoer
In dit menu hebt u de mogelijkheid om namen
en telefoonnummers op te slaan in het geheu-
gen van de telefoon of op de simkaart. Zie het
hoofdstuk over de geheugenfuncties voor
meer informatie.
3.2. Zoeken
In dit menu kunt u wijzigingen aanbrengen in
het geheugen.
3.2.1. Bewerken: Gegevens in de verschil-
lende geheugens wijzigen.
3.2.2. Wissen: Een opgeslagen naam wissen.
3.2.3. Kopiëren: Een opgeslagen naam kopi-
eren.
3.2.4. Verplaatsen: Gegevens overhevelen
tussen het geheugen van de telefoon
en dat van de simkaart.
3.3. Alles kopiëren:
Telefoonnummers en namen op de simkaart
kopiëren naar het geheugen van de telefoon.
3.3.1. Van het geheugen op de simkaart naar
dat van de telefoon
3.3.2. Van het geheugen van de telefoon naar
dat op de simkaart
3.4. Sneltoetsfunctie
Een nummer dat in het telefoonboek ligt opge-
slagen, kunt u opslaan als snelnummer.
3.5. SIM wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen op
de simkaart wissen.
3.6. Telefoongeheugen wissen
In dit menu kunt u het complete geheugen van
de telefoon wissen.
3.7. Status
In dit menu kunt u zien hoeveel geheugenpo-
sities in beslag genomen worden door de
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 261
evastarck
10 Infotainment
Menu’s
10
262
namen en telefoonnummers in het geheugen
op de simkaart en in dat van de telefoon.
4. Bel-opties
4.1. Nummer verz.
Aangeven of uw eigen nummer wel of niet op
het display van de ontvanger moet verschijnen.
Neem contact op met uw netwerkprovider voor
een permanent geheim nummer.
4.2. Oproep wacht
Aangeven of u wel of geen signaal wilt ontvan-
gen, wanneer er tijdens het bellen een tweede
gesprek wacht.
4.3. Autom. antw.
Aangeven of u wilt kunnen antwoorden zonder
gebruik te maken van de toetsenset.
4.4. Autom. herh.
Aangeven of u een eerder gekozen nummer na
een bezettoon automatisch wilt laten herkie-
zen.
4.5. Verkort kiezen
In dit menu stelt u in of het wel of niet mogelijk
is gebruik te maken van de voorkeurtoets. De
functie moet geactiveerd zijn om snelnummers
te kunnen gebruiken.
4.6. Doorschakel.
In dit menu kunt u aangegeven welke soorten
oproepen moeten worden doorgeschakeld
naar het gespecificeerde telefoonnummer.
Indien bezet
Alle gespr. (de instelling geldt alleen tij-
dens het lopende gesprek).
4.6.3. Niet beantw.
4.6.4. Onbereikbaar
4.6.5. Faxoproepen
4.6.6. Data-oproepen
4.6.7. Alles annul.
5. Instellingen
5.1. Fabrieksinstellingen
Functie om de fabrieksinstellingen te herstel-
len.
5.2. Netwerk
5.3. Taal
In dit menu kunt u aangeven in welke taal u de
meldingen op het display wilt zien.
5.3.1. English UK
5.3.2. English US
5.3.3. Svenska
5.3.4. Dansk
5.3.5. Suomi
5.3.6. Deutsch
5.3.7. Nederlands
5.3.8. Français FR
5.3.9. Français CAN
5.3.10. Italiano
5.3.11. Español
5.3.12. Português P
4.9.13. Português BR
5.4. SIM-beveiligd
In dit menu kunt u aangeven of de invoer van
de pincode actief of inactief moet zijn of auto-
matisch moet verlopen.
5.4.1. Aan
5.4.2. Uit
5.4.3. Auto
5.5. Wijzig codes
In dit menu kunt u uw pincode of uw telefoon-
code wijzigen.
5.5.1. PIN-code
5.5.2. Telefooncode (gebruik 1234, voordat u
overgaat op uw eigen code). U
gebruikt de telefooncode om de timer
op nul te kunnen stellen.
N.B.
Noteer de code en bewaar deze op een vei-
lige plaats.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 262
evastarck
4.6.1.
4.6.2.
10 Infotainment
Menu’s
10
263
5.6. Geluiden
5.6.1 . Belvolume: In dit menu kunt u het
volume van het belsignaal bij een bin-
nenkomend gesprek instellen.
5.6.2. Belsignaal: U hebt de keuze uit acht
verschillende beltonen.
5.6.3. Toetsklik: Aan of uit.
5.6.4. Aanp. Snelh.: Aangeven of het volume
wel of niet afhankelijk moet zijn van de
rijsnelheid.
5.6.5. RadioAutMute: Hier kunt u aangeven
of u het geluid van de radio wel of niet
wilt uitschakelen tijdens een telefoon-
gesprek.
5.6.6. Nieuw SMS-bericht: Aangeven of u wel
of geen geluidssignaal wenst bij de
binnenkomst van een nieuw SMS-
bericht.
5.7. Rijd veilig
In dit menu kunt u aangeven of u de snelheids-
begrenzing die geldt voor het menusysteem
wel of niet wilt uitschakelen, zodat u het menu-
systeem ook tijdens het rijden kunt gebruiken.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 263
evastarck
10 Infotainment
Overige informatie
10
264
Radio/Telefoon
G027288
Met de onderste vier toetsen van de toetsenset
op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de
telefoon regelen.
Als u de toetsen wilt gebruiken om de telefoon-
functies te gebruiken, moet u de telefoon eerst
activeren (zie pagina 253).
Als u de toetsen wilt gebruiken om radio-instel-
lingen te verrichten, moet u de telefoon eerst
deactiveren.
±
Druk op .
Dubbele simkaart
1
G027286
Veel providers bieden een dubbele simkaart
aan: een voor de autotelefoon en een voor een
andere telefoon. Als u over een dubbele sim-
kaart beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor
twee verschillende telefoons gebruiken.
Vraag uw gsm-provider naar de mogelijkheden
en het gebruik van een dubbele simkaart.
Specificaties
Vermogen 2 W
Simkaart Klein
Geheugenposities
255
A
Sms
(Short Message Ser-
vice)
Ja
Data/Fax Nee
Dualband Ja (900/1800)
A
255 geheugenposities in het geheugen van de telefoon. Het
aantal geheugenposities op de simkaart verschilt afhankelijk
van het abonnement.
IMEI-nummer
Om de telefoon te blokkeren moet u het IMEI-
nummer van de telefoon aan uw provider door-
geven. Dit nummer is een serienummer
bestaande uit 15 cijfers dat in de telefoon
geprogrammeerd is.
±
Toets *#06# op uw telefoon in om het num-
mer op het display te zien.
Noteer dit nummer en bewaar het op een vei-
lige plaats.
1
Bepaalde markten
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 264
evastarck
10 Infotainment
10
265
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 265
evastarck
G000000
266
Typeaanduidingen................................................................................. 268
Maten en gewichten.............................................................................. 270
Motorspecificaties................................................................................. 272
Motorolie............................................................................................... 274
Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................. 276
Brandstof.............................................................................................. 278
Katalysator............................................................................................ 281
Elektrisch systeem................................................................................ 282
Typegoedkeuring.................................................................................. 284
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 266
evastarck
11
SPECIFICATIES
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 267
evastarck
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
268
G032069
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 268
evastarck
11 Specificaties
Typeaanduidingen
11
269
Wanneer u contact opneemt met uw erkende
Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen
of accessoires wilt bestellen, kan het handig
zijn om de typeaanduiding, het chassisnummer
en het motornummer bij de hand te hebben.
Typeaanduiding, chassisnummer, maxi-
maal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor
lak en bekleding en typegoedkeurings-
nummer.
Sticker voor standverwarming.
Typeaanduiding van de motor, onderdeel-
en serienummer
Motoroliesticker (bepaalde motortypes)
met de kwaliteit en de viscositeit van de te
gebruiken olie.
Typeaanduiding en serienummer van de
versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak.
Automatische versnellingsbak AW.
VIN (type- en modeljaaraanduiding als-
mede chassisnummer)
De typegoedkeuring van de auto bevat meer
informatie over de auto.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 269
evastarck
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
270
Maten
G020131
Posi-
tie op
afbeel
ding
Maten mm
A Wielbasis 2715
B Lengte 4603
C Laadlengte, vloer,
achterbank neer-
geklapt
1661
D Laadlengte, vloer 824
Posi-
tie op
afbeel
ding
Maten mm
E Hoogte 1428
F Spoorbreedte
vooras
1561
G Spoorbreedte
achteras
1542
Posi-
tie op
afbeel
ding
Maten mm
H Breedte 1871
I Breedte incl. bui-
tenspiegels
2069
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 270
evastarck
11 Specificaties
Maten en gewichten
11
271
Gewichten
Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de
bestuurder, dat van de brandstoftank die voor
90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/
vloeistoffen e.d. inbegrepen.
Het gewicht van de passagiers en de gemon-
teerde accessoires zoals een trekhaak (en de
kogeldruk daarvan bij gebruik van een aanhan-
ger (zie tabel)), lastdragers, skibox e.d. zijn van
invloed op de laadcapaciteit en zijn niet inbe-
grepen bij het rijklaar gewicht.
Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) =
totaalgewicht rijklaar gewicht.
WAARSCHUWING
Afhankelijk van de belading van de auto en
het zwaartepunt van de lading treden er wij-
zigingen in de rijeigenschappen op.
G016008
Max. totaalgewicht
Max. treingewicht (auto + aanhanger)
Max. voorasdruk
Max. achterasdruk
Uitrustingsniveau
Max. belasting: Zie typegoedkeuring.
Max. dakbelasting: 100 kg
Geremde aanhanger:
Max. aanhanger-
gewicht (kg)
Max. kogeldruk
(kg)
0–1200 50
1201–1600 75
Ongeremde aanhanger:
Max. aanhanger-
gewicht (kg)
Max. kogeldruk
kg
750 50
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 271
evastarck
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
272
2.4 2.4i 2.0T 2.5T 2.4T
Motoraanduiding
A
B5244S2 B5244S B5204T5 B5254T2
B5244T4
B
Vermogen (kW bij
omw/min)
103/4500 125/6000 132/5500 154/5000 162/5500
(pk bij omw/min) 140/4500 170/6000 180/5500 210/5000 220/5500
Motorkoppel (Nm bij
omw/min)
220/3300 225/4500 240/1850–5000 320/1500–4500 350/2100–4000
Aantal cilinders 5 5 5 5 5
Cilinderboring (mm) 83 83 81 83 81
Slaglengte (mm) 90 90 77 93,2 93,2
Cilinderinhoud (liter) 2,44 2,44 1,98 2,52 2,4
Compressieverhou-
ding
10,3:1 10,3:1 9,5:1 9,0:1 8,5:1
A
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor (zie pagina 268).
B
Thailand, Maleisië
T5 D 2.4D D5
Motoraanduiding
A
B5244T5 D5244T7 D5244T5 D5244T4
Vermogen (kW bij omw/
min)
191/5500 92/4000 120/5500 136/4000
(pk bij omw/min) 260/5500 126/4000 163/5500 185/4000
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 272
evastarck
11 Specificaties
Motorspecificaties
11
273
T5 D 2.4D D5
Motorkoppel (Nm bij omw/
min)
350/2100–5000 300/1750–2250 340/1750–2750 400/2000–2750
Aantal cilinders 5 5 5 5
Cilinderboring (mm) 81 81 81 81
Slaglengte (mm) 93,2 93,2 93,2 93,2
Cilinderinhoud (liter) 2,40 2,40 2,40 2,40
Compressieverhouding 8,5:1 17,0:1 17,0:1 17,0:1
A
Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor (zie pagina 268).
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 273
evastarck
11 Specificaties
Motorolie
11
274
Ongunstige rijomstandigheden
Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten:
met een caravan of aanhanger achter de
auto
in bergachtig gebied
op hoge snelheden
bij temperaturen lager dan –30 °C of hoger
dan +40 °C.
In dergelijke omstandigheden kunnen de olie-
temperatuur en het olieverbruik abnormaal
toenemen.
Controleer het oliepeil eveneens vaker bij korte
ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij
lage temperaturen (onder +5 °C).
Kies een volsynthetische motorolie bij ongun-
stige rijomstandigheden. Ze bieden de motor
extra bescherming.
Volvo adviseert olieproducten van Castrol.
BELANGRIJK
Om aan de vereisten voor de gespecifi-
ceerde service-intervallen te voldoen wor-
den alle motoren in de fabriek gevuld met
een speciaal aangepaste, synthetische
motorolie. De oliesoort werd met grote zorg
geselecteerd lettend op de levensduur van
de motor, de startgewilligheid, het brand-
stofverbruik en de milieu-impact.
Om de aanbevolen service-intervallen aan
te kunnen houden dient u een goedge-
keurde motoroliesoort te gebruiken.
Gebruik alleen een oliesoort van de voorge-
schreven kwaliteit (zie sticker in motor-
ruimte) en dat zowel bij het bijvullen als
verversen van olie. Een negatieve invloed op
de levensduur van de motor, de startgewil-
ligheid, het brandstofverbruik en de milieu-
impact is anders niet uitgesloten.
Volvo Car Corporation wijst alle garantie-
claims af bij gebruik van een motoroliesoort
die niet voldoet aan de voorgeschreven
kwaliteits- en viscositeitseisen.
Viscositeitsdiagram
G020236
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 274
evastarck
11 Specificaties
Motorolie
11
275
Oliesticker
Motortype Bij te vullen hoe-
veelheid tussen
MIN–MAX (liter)
Hoeveelheid
A
(liter)
G032078
De nevenstaande oliesticker zit in de motor-
ruimte van de auto (zie pagina 268).
Oliekwaliteit: ACEA A5/B5
Viscositeit: SAE 0W-30
2.0T B5204T5 1,2 5,5
2.4 B5244S
B5244S2
2.4T
B5244T4
B
T5 B5244T5
2.5T B5254T2
D5 D5244T4 2,0 6,2
2.4D D5244T5
D D5244T7
A
Inclusief hoeveelheid in filter.
B
Thailand, Maleisië
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 275
evastarck
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
11
276
Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Aanbevolen kwaliteit:
Versnellingsbakolie Handgeschakelde vijfversnel-
lingsbak (M56/M58)
2,1 Versnellingsbakolie: MTF 97309
Handgeschakelde zesversnel-
lingsbak (M66)
2,0 Versnellingsbakolie: MTF 97309
Automatische versnellingsbak
(AW55-50, AW55-51)
7,2 Versnellingsbakolie: JWS 3309
Automatische versnellingsbak
(TF-80SC)
7,0
Koelvloeistof Benzinemotor zonder turbo 8,0 Koelvloeistof met corrosiewerende dope aan-
gelengd met water
A
(zie verpakking). Thermo-
staat opent bij: benzinemotoren, 90 ºC, diesel-
motoren 82 ºC.
Benzinemotor met turbo 9,0
Dieselolie 12,5
Airconditioning
B
Olie: PAG
Koudemiddel R134a (HFC134a)
Remvloeistof 0.6 DOT 4+
Stuurbekrachtiging Systeem
waarvan reservoir
0,9
0,2
Stuurbekrachtigingsvloeistof: WSS M2C204-A
of een soortgelijk product met dezelfde speci-
ficaties.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 276
evastarck
11 Specificaties
Vloeistoffen en smeermiddelen
11
277
Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Aanbevolen kwaliteit:
Ruitensproeiervloeistof zonder hogedruksproeiers 4,5 Bij vorst wordt u geadviseerd een door Volvo
aanbevolen antivries aangelengd met water te
gebruiken.
met hogedruksproeiers 6,4
A
De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1.
B
Het gewicht hangt af van het motortype. Neem contact op met een erkende Volvo-werkplaats voor de juiste gegevens.
BELANGRIJK
Om schade aan de versnellingsbak te voor-
komen moet u de aanbevolen kwaliteit ver-
snellingsbakolie gebruiken en geen ver-
schillende merken met elkaar vermengen.
Neem contact op met de dichtstbijzijnde
erkende Volvo-werkplaats voor service, als
er een andere oliesoort werd gebruikt.
N.B.
Onder normale rijomstandigheden hoeft u
de versnellingsbakolie nooit te verversen.
Onder ongunstige rijomstandigheden moet
de olie mogelijk wel worden ververst, . zie
pagina 274
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 277
evastarck
11 Specificaties
Brandstof
11
278
Verbruik, uitstoot en tankinhoud
Motor Versnellingsbak Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO
2
) in g/km
Tankinhoud
liter
2.4 B5244S2 Handgeschakelde vijfversnellings-
bak (M56)
8,8 209 70
2.4 B5244S2 Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,5 226 70
2.4i B5244S Handgeschakelde vijfversnellings-
bak (M56)
8,9 212 70
2.4i B5244S Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,5 226 70
2.0T B5204T5 Handgeschakelde vijfversnellings-
bak (M56)
8,9 212 70
2.0T B5254T5 Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,5 227 70
2.5T B5254T2 Handgeschakelde vijfversnellings-
bak (M56)
9,1 217 70
2.5T B5254T2 Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,8 234 70
2.5T B5254T2
AWD
Handgeschakelde vijfversnellings-
bak (M58)
9,7 232 72
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 278
evastarck
11 Specificaties
Brandstof
11
``
279
Motor Versnellingsbak Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO
2
) in g/km
Tankinhoud
liter
2.5T B5254T2
AWD
Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
10,2 244 72
2.4T B5244T4* - - - 70
T5 B5244T5 Handgeschakelde zesversnellings-
bak (M66)
9,3 220 70
T5 B5244T5 Automatische versnellingsbak
(AW55-51)
9,8 234 70
Motor Versnellingsbak Verbruik
liter/100 km
Uitstoot van
kooldioxide
(CO2) in g/km
Tankinhoud
liter
D5 D5244T4 Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 7,5 199 70
D5 D5244T4 Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 6,6 174 70
2.4D D5244T5 Automatische versnellingsbak (TF-80SC) 7,5 199 70
2.4D D5244T5 Handgeschakelde zesversnellingsbak (M66) 6,6 174 70
2.4D D5244T5 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 6,4 169 70
D D5244T7 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (M56) 6,4 169 70
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 279
evastarck
11 Specificaties
Brandstof
11
280
Brandstofverbruik en uitstoot van
kooldioxide
De officiële brandstofverbruikscijfers zijn geba-
seerd op een gestandaardiseerde rijcyclus
conform de EU-richtlijn 80/1268 (combinatie-
rit). Het gebruik van extra accessoires kan de
verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de acces-
soires het gewicht van de auto verhogen. Ook
de rijstijl en andere niet-technische factoren
kunnen van invloed zijn op het brandstofver-
bruik. Bij gebruik van brandstof met een
octaangetal van 91 (RON), neemt het brand-
stofverbruik toe terwijl het motorvermogen
lager wordt.
N.B.
Bij extreme weersomstandigheden, gebruik
van een aanhanger of ritten op grote hoogte
kan, afhankelijk van de gebruikte brandstof-
kwaliteit, het prestatievermogen van de
auto te wensen overlaten.
Benzine
De meeste motoren lopen op benzine met een
octaangetal van 91, 95 en 98 (RON).
91 (RON) mag u niet gebruiken voor 4 cilin-
dermotoren en slechts bij hoge uitzonde-
ring in de overige motortypes.
95 (RON) is te gebruiken in de normale rij-
omstandigheden.
98 (RON) wordt geadviseerd voor maxi-
male prestaties tegen een minimaal brand-
stofverbruik.
Voor ritten bij temperaturen hoger dan +38 ºC
wordt u geadviseerd een brandstofsoort met
een zo hoog mogelijk octaangetal te gebrui-
ken. Dit om optimale prestaties en een zo laag
mogelijk brandstofverbruik te verkrijgen.
Benzine – norm NEN-EN 228
BELANGRIJK
Tank alleen loodvrije benzine om schade
aan te katalysator te voorkomen. Giet nooit
alcohol bij de benzine, omdat het brand-
stofsysteem daardoor schade kan oplopen
en de Volvo-garantie vervalt.
Dieselolie
Het brandstofsysteem van een dieselmotor is
gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom
alleen gebruik van dieselolie van gerenom-
meerde oliemaatschappijen (zie pagina 195).
Dieselolie – norm NEN-EN 590 of JIS K2204
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 280
evastarck
11 Specificaties
Katalysator
11
281
Algemene informatie
De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen
te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor
in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op
temperatuur te komen. De katalysator bestaat
uit een monoliet (keramiek of metaal) met kana-
len. De wanden van de kanalen zijn bekleed
met platina/rodium/palladium. Deze edelmeta-
len hebben een katalytische werking, d.w.z. ze
versnellen een chemische reactie zonder dat
ze daar zelf actief aan deelnemen.
Lambdasonde
TM
(zuurstofsensor)
De lambdasonde maakt deel uit van het regel-
systeem dat tot taak heeft de uitstoot te beper-
ken en de energie-inhoud van de brandstof
beter te benutten.
Een zuurstofsensor registreert het zuurstofge-
halte van de uitlaatgassen die de motor verla-
ten. De meetwaarde van de uitlaatgasanalyse
wordt doorgegeven aan het elektronische sys-
teem dat continu de verstuivers afregelt. Het
lucht-brandstofmengsel dat de motor krijgt,
wordt continu bijgesteld. De regeling schept de
ideale omstandigheden voor een effectieve
verbranding van de schadelijke stoffen (kool-
waterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden)
in de driewegkatalysator.
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 281
evastarck
11 Specificaties
Elektrisch systeem
11
282
Algemene informatie
12V-systeem met wisselstroomdynamo en
spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waar-
bij het chassis en het motorblok als geleiders
worden gebruikt.
Accu
Spanning 12 V 12 V 12 V
Koudestartcapaciteit (SAE) 590 A
600 A
A
700 A
B
Reservecapaciteit (RC) 100 min. 120 min. 135 min.
Capaciteit (Ah) 60 70 80
A
Auto’s met een audiosysteem in de uitvoering High Performance.
B
Auto’s met een dieselmotor, Keyless drive, audiosysteem in de uitvoering Premium Sound, standverwarming op brandstof of RTI.
Let er bij het vervangen van de accu op, dat de
nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en
reservecapaciteit als de originele accu heeft
(zie sticker op de accu).
Gloeilampen
Verlichting Vermogen W Lampvoet
Dimlicht 55 H7
Bi-Xenon 35 D2S
Groot licht 55 HB3
Remlichten, achteruitrijlichten, mistachterlicht 21 BA15s
Richtingaanwijzers, achter/voor (oranje) 21 BAU15s
Achterlichten/parkeerlichten, sidemarkers, achter 5 BAY15d
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 282
evastarck
11 Specificaties
Elektrisch systeem
11
283
Verlichting Vermogen W Lampvoet
Instapverlichting, kofferbakverlichting, kentekenplaatverlichting 5 SV8,5
Make-upspiegel 1,2 SV5,5
Stadslichten/parkeerlichten vóór, sidemarkers vóór 5 W2,1X9,5d
Richtingaanwijzers buitenspiegels (oranje) 5 W2,1X9,5d
Mistlampen 55 H11
Verlichting dashboardkastje 3 BA9
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 283
evastarck
11 Specificaties
Typegoedkeuring
11
284
Afstandsbedieningssysteem
Land
A, B, CY, CZ, D, DK,
E, EST, F, FIN, GB,
GR, H, I, IRL, L, LT,
LV, M, NL, P, PL, S,
SK, SLO
Hierbij ver-
klaart Delphi dat het
gebruikte afstands-
bedieningssysteem
in overeenstemming
is met de essentiële
eigenschappen en
overige relevante
bepalingen zoals
beschreven in de
EU-richtlijn 1999/5/
EG.
IS, LI, N, CH
HR
RC
ETC093LPD0155
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 284
evastarck
12 Alfabetisch register
12
285
A
Aanhanger................................................ 140
kabel................................................... 142
rijden met een aanhanger................... 140
Aanpassen, lichtbundel........................... 150
Aanrijding
crash mode........................................... 29
opblaasgordijnen (IC-systeem)............. 26
Aanstekeropening...................................... 50
achterbank............................................ 63
ABS, storing in het ABS............................. 44
AC
handmatige klimaatregeling................. 78
Accu......................................................... 202
onderhoud.................................. 191, 202
specificaties........................................ 282
starten met hulpaccu.......................... 139
waarschuwingssymbolen................... 202
Achterbank, omklappen............................. 99
Achterklep
vergrendelen/ontgrendelen................ 104
Achterruit, elektrische verwarming............ 52
Achteruitkijkspiegel.................................... 66
autodimfunctie...................................... 66
Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels
inklapbare............................................. 50
Actief chassis (FOUR-C).................... 49, 134
Actieve Bi-Xenon-koplampen........... 51, 54
Adaptief systeem..................................... 127
AF, automatische afstemfunctie.............. 239
Afstandsbediening................................... 104
batterij vervangen............................... 105
functies............................................... 104
Afstandsbedieningssysteem, typegoed-
keuring..................................................... 284
Afstemfunctie, automatische................... 239
Airbag
activeren/deactiveren, PACOS............. 22
bestuurders- en passagierszijde.......... 19
Airconditioning
algemene informatie............................. 76
ECC...................................................... 80
Airconditioning, AC.................................... 78
Alarm
alarmindicatie..................................... 112
alarmsignalen...................................... 113
algemene informatie........................... 112
automatische inschakeling van het
alarm................................................... 112
geactiveerd alarm uitschakelen.......... 113
inschakelen......................................... 112
uitschakelen........................................ 112
verkeersmelding RDS......................... 236
Alarmlichten............................................... 51
Antislipregeling........................................ 132
Antispinregeling....................................... 132
Audiofuncties
HU-450............................................... 229
HU-450/650/850................................. 227
HU-650/850........................................ 230
Audiosysteem HU-450, overzicht............ 224
Audiosysteem HU-650, overzicht............ 225
Audiosysteem HU-850, overzicht............ 226
AUTO
klimaatinstelling.................................... 80
Autobekleding.......................................... 184
Automatische vergrendeling.................... 107
Automatische versnellingsbak......... 125, 127
aanhanger........................................... 141
beveiligingssystemen......................... 127
knop W............................................... 126
lock-upfunctie..................................... 127
slepen en bergen................................ 137
Automatische wasstraten........................ 182
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 285
evastarck
12 Alfabetisch register
12
286
Auto wassen............................................ 182
AUX.......................................................... 227
volume................................................ 228
AWD, vierwielaandrijving......................... 128
B
Banden
algemene informatie........................... 164
bandenreparatie................................. 175
bandenspanningscontrolesysteem..... 171
draairichting........................................ 166
onderhoud.......................................... 164
rijeigenschappen................................ 164
slijtage-indicator................................. 165
snelheidsaanduidingen....................... 164
spanning..................................... 167, 168
specificaties........................................ 164
winterbanden...................................... 166
Bedieningspaneel...................................... 78
Bedieningspaneel op bestuurderspor-
tier.................................................. 38, 40, 64
Bekerhouders................................ 96, 97, 98
Beslaande koplampglazen
condens.............................................. 182
Beslagen ruiten.......................................... 76
achterruit............................................... 52
ontwasemen................................... 79, 81
Beveiliging tegen overbelasting, schuif-
dak............................................................. 72
Blaasmonden
dashboard............................................ 77
Blaasmonden in portierstijlen.................... 77
BLIS, Blind Spot Information System 49, 157
BLIS-systeem (Blind Spot Information Sys-
tem).......................................................... 158
Boordcomputer.......................................... 56
Brandstof
brandstofbesparing............................ 167
brandstofverbruik, aanduiding.............. 56
Buitenafmetingen..................................... 270
Buitenspiegels........................................... 69
Buitenspiegels resetten............................. 50
C
Cassettedeck, HU-450............................ 242
Cd-speler, HU-650.................................. 244
Cd-wisselaar, extern................................ 246
Chassisstanden....................................... 134
Condens aan binnenkant lampglazen..... 182
Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 198
Controles
vloeistoffen en oliën............................ 196
Cruisecontrol............................................. 60
D
Dakbelasting............................................ 148
Dashboardkastje........................................ 97
Diesel, voorgloeifunctie............................. 46
Dieselolie.................................................. 195
Display, meldingen.............................. 47, 84
Dolby Surround Pro Logic II.................... 248
DSTC, zie ook Stabiliteitssys-
teem............................................. 46, 49, 132
bediening............................................ 132
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 286
evastarck
12 Alfabetisch register
12
287
E
ECO-bandenspanning............................. 167
tabel.................................................... 168
EHBO-set................................................. 170
Elektrisch bedienbaar schuifdak................ 71
Elektrisch bedienbare ruiten...................... 64
Elektrisch bedienbare stoel....................... 91
Elektrisch bedienbare zijruiten
achterin................................................. 65
blokkeren.............................................. 65
passagiersplaats................................... 65
Elektrische aansluiting
achterbank............................................ 63
middenconsole..................................... 50
Elektrische verwarming
achterruit................................... 52, 78, 80
buitenspiegels........................... 52, 78, 80
voorstoelen........................................... 52
Elektrisch systeem................................... 282
Elektrisch verwarmde voorstoelen............. 78
Elektronische startblokkering.................. 104
EON, Enhanced Other Networks............. 240
Externe geluidsbron
AUX-aansluiting.................................. 227
Extra verwarming....................................... 86
F
Flessenhouder achterin............................. 98
Follow-Me-Home-verlichting
instellen................................................. 55
FOUR-C – Actief chassis................... 49, 134
G
Geïntegreerd kinderzitje............................. 33
Gelijkzetten, klok........................................ 85
Geluidssterkte
telefoon............................................... 257
Gemiddeld brandstofverbruik.................... 56
Gereedschap........................................... 169
Gesprekken
functies tijdens lopende gesprekken.. 255
Gevarendriehoek..................................... 169
Gewichten
aanhangergewicht.............................. 140
rijklaar gewicht.................................... 271
Gloeilampen, zie Verlichting............ 204, 282
Gordelspanners......................................... 18
Gordelwaarschuwing................................. 17
Groot licht en dimlicht
wisselen................................................ 55
Grootlichtsignalen...................................... 55
H
Handgeschakelde versnellingsbak.......... 124
slepen en bergen................................ 137
Handrem.............................................. 46, 62
Handset................................................... 254
Hogedruksproeiers koplampen................. 59
Hoofdsleutel............................................. 104
Hoofdsteun
middelste zitplaats achterbank............. 99
omklappen............................................ 50
Houder voor boodschappentassen......... 100
HU-450, overzicht............................ 224, 225
HU-850, overzicht.................................... 226
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 287
evastarck
12 Alfabetisch register
12
288
I
IMEI-nummer........................................... 264
In de was zetten....................................... 183
Informatiedisplay....................................... 47
Inklapbare buitenspiegels.......................... 50
Instrumentenoverzicht
auto met stuur links.............................. 38
auto met stuur rechts........................... 40
Instrumentenpaneel................................... 42
Instrumentenverlichting............................. 54
Interieurfilter....................................... 76, 121
Interieurverlichting..................................... 93
Intervalstand.............................................. 58
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinder-
zitjes........................................................... 34
K
Katalysator............................................... 281
bergen................................................. 138
Kickdown
automatische versnellingsbak............ 126
Kinderen..................................................... 30
kinderslot............................................ 111
kinderzitjes en SIPS-airbags................. 24
plaats in de auto, tabel......................... 31
positie in de auto.................................. 30
veiligheid............................................... 30
Kinderzitje.................................................. 30
Kinderzitje, geïntegreerd............................ 33
Kledinghaak............................................... 98
Kleurcode, lak.......................................... 186
Klok, instellen............................................. 42
Knalgas.................................................... 139
Knipperlichten............................................ 55
Koelvloeistof............................................ 198
Kofferbak................................................. 100
houder voor boodschappentassen.... 100
vergrendelen......................................... 50
Kompas...................................................... 66
kalibreren.............................................. 69
zone instellen........................................ 66
Koplampen
aan/uit................................................... 53
ABL....................................................... 54
Koplamphoogteregeling............................ 53
Koplampsproeiers...................................... 59
Koppelingsvloeistof, controleren en bijvul-
len............................................................ 199
Koudemiddel.............................................. 76
Koude start
automatische versnellingsbak............ 127
Krik........................................................... 169
L
Lading op het dak.................................... 148
Lading vervoeren
laadvermogen..................................... 148
lading op het dak................................ 148
lastdragers.......................................... 148
Lak
kleurcode............................................ 186
schade en herstel............................... 186
Lambdasonde.......................................... 281
Lampjes
stabiliteitssysteem.............................. 132
Leeslampjes............................................... 93
Lekke band, zie Banden.................. 169, 173
Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 184
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 288
evastarck
12 Alfabetisch register
12
289
Lichtbundel aanpassen............................ 150
Bi-Xenon-koplampen....................... 154
Halogeenkoplampen........................... 151
Lopende gesprekken, functies................ 255
Luchtverdeling..................................... 77, 83
Luchtverdeling, AC.................................... 79
M
Meldingen op informatiedisplay................. 47
Meldingen voor BLIS............................... 159
Menusysteem
telefoon, menu-opties......................... 260
Menu’s, telefoon...................................... 259
Meters op het instrumentenpaneel
brandstofmeter..................................... 42
buitentemperatuurmeter....................... 42
dagteller................................................ 42
snelheidsmeter..................................... 42
toerenteller............................................ 42
Mistlichten
achter.................................................... 54
vóór....................................................... 54
Motorkap................................................. 193
Motorolie.......................................... 196, 274
filter..................................................... 196
hoeveelheden..................................... 274
oliedruk................................................. 45
oliekwaliteit......................................... 274
ongunstige rijomstandigheden... 196, 274
vervangen........................................... 196
Motorruimte
koelvloeistof........................................ 198
olie...................................................... 196
overzicht............................................. 194
stuurbekrachtigingsvloeistof............... 200
Motorspecificaties................................... 272
N
NEWS...................................................... 227
Noodoproepen......................................... 252
Nooduitrusting
gevarendriehoek................................. 169
O
Olie, zie ook Motorolie............... 45, 196, 274
Omklappen, ruggedeelte achterbank........ 99
Onderhoud............................................... 191
onderhoud.......................................... 191
roestwering......................................... 187
One-key bell............................................. 255
Ontwaseming....................................... 79, 81
Opbergmogelijkheden in passagiers-
ruimte......................................................... 95
Opbergvak........................................... 96, 97
Opblaasgordijnen...................................... 26
Openen, motorkap................................... 193
P
PACOS....................................................... 22
deactiveren met sleutel......................... 22
PACOS, schakelaar voor activering/deac-
tivering....................................................... 22
Park Assist......................................... 50, 135
sensoren voor Park Assist.................. 136
Parkeerlichten............................................ 53
Parkeerrem.......................................... 46, 62
Poetsen.................................................... 183
Provisorische bandenreparatie................ 175
PTY, programmatype....................... 227, 238
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 289
evastarck
12 Alfabetisch register
12
290
R
Radio
afstemfunctie...................................... 239
EON.................................................... 240
NEWS................................................. 237
PTY..................................................... 238
verkeersinformatie.............................. 236
zenders zoeken................................... 232
Radiofuncties
HU-450............................................... 234
HU-450/650/850................................. 232
Radiotekst................................................ 241
RDS-functies............................................ 236
Recirculatie
AC......................................................... 79
REG, regionale radioprogramma’s.......... 240
Regensensor.............................................. 58
Relais- en zekeringenkastje, zie Zekerin-
gen........................................................... 211
Rem- en koppelingsvloeistof................... 199
Remmen
antiblokkeerremsysteem, ABS........... 130
parkeerrem........................................... 46
Remsysteem............................................ 129
Reservewiel.............................................. 169
Compact reservewiel.......................... 169
Richtingaanwijzers..................................... 55
Rijden
met een aanhanger............................. 140
Rijden met een aanhanger
kogeldruk............................................ 271
trekgewicht................................. 140, 271
Rijklaar gewicht........................................ 271
Roestwering............................................. 187
Roetfilter............................................ 47, 121
ROETFILTER VOL.................................... 121
Rugleuning
voorstoel, omklappen........................... 90
Ruitensproeiers.......................................... 59
Ruitensproeiervloeistof, bijvullen............. 198
Ruitenwissers............................................. 58
regensensor.......................................... 58
Runflat-banden........................................ 172
S
Safelock-functie
alarmsensoren tijdelijk deactive-
ren................................................. 51, 113
onderbreking...................................... 110
SCAN
cd- en muziekbestanden.................... 246
radiozenders....................................... 232
Schoonmaken
automatische wasstraten................... 182
auto wassen....................................... 182
bekleding............................................ 184
veiligheidsgordels............................... 185
velgen................................................. 182
vuil- en waterafstotende laag............... 70
Schuifdak................................................... 71
beveiliging tegen overbelasting............ 72
openen en sluiten................................. 71
ventilatiestand....................................... 71
zonnescherm........................................ 72
Serviceprogramma.................................. 190
Servicesleutel........................................... 104
Simkaart................................................... 252
dubbele............................................... 264
SIPS-airbag................................................ 24
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 290
evastarck
12 Alfabetisch register
12
291
SIPS-airbags.............................................. 24
Sleepoog.................................................. 137
Slepen...................................................... 137
sleepoog............................................. 137
Sleutel...................................................... 104
transpondersleutel.............................. 104
Sloten
kofferdeksel.......................................... 50
Smeermiddelen........................................ 276
Smeermiddelen, hoeveelheden............... 276
Sms.......................................................... 257
Spiegels
achteruitkijk-......................................... 66
buiten-.................................................. 69
elektrische verwarming......................... 52
elektrisch inklapbare............................. 69
kompas................................................. 66
Spin Control............................................. 132
Sproeiers
koplampen............................................ 59
voorruit.................................................. 59
SRS-systeem............................................. 20
algemene informatie............................. 20
SST, Self Supporting run flat Tyres......... 172
Stabiliteitssysteem................................... 132
aanduiding............................................ 46
deactiveren/activeren......................... 132
lampjes............................................... 132
Stadslichten............................................... 53
Standverwarming
accu en brandstof................................. 85
algemene informatie............................. 84
Starten met hulpaccu.............................. 139
Steenslagplekken en krassen.................. 186
Stoel
elektrisch bedienbare........................... 91
handmatig verstelling........................... 90
Stoelen en achterbank
elektrische verwarming......................... 52
ruggedeelte achterbank omklappen..... 99
rugleuning voorstoel omklappen.......... 90
Stuurbekrachtigingsvloeistof, controleren
en bijvullen............................................... 200
Stuurwiel
cruisecontrol......................................... 60
stuurwielafstelling................................. 62
toetsenset............................................. 60
Stuurwiel afstellen...................................... 62
Symbolen
controlesymbolen................................. 44
waarschuwingssymbolen..................... 44
T
Telefoon
aan/uit................................................. 253
bellen.................................................. 254
geheugen............................................ 257
gesprekken beëindigen...................... 254
laatst gekozen nummers.................... 254
one-key bell........................................ 255
privacy-handset.................................. 254
Simkaart.............................................. 252
Telefoonsysteem...................................... 252
Temperatuur
interieur, elektronische klimaatregeling 80
interieur, handmatige klimaatregeling. . 78
Toetsensets op stuurwiel................... 60, 232
Totaalgewicht.......................................... 271
TP, verkeersinformatie..................... 227, 236
TPMS (Tyre Pressure Monitoring)............ 171
Tractieregeling......................................... 132
Traction Control....................................... 132
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 291
evastarck
12 Alfabetisch register
12
292
Trekgewicht..................................... 140, 271
Trekhaak.......................................... 140, 144
algemene informatie................... 140, 142
monteren............................................ 144
specificaties........................................ 143
verwijderen......................................... 146
Trekinrichting, zie Trekhaak..................... 142
Trillingsdemper........................................ 142
Type-aanduidingen.................................. 268
Typegoedkeuring, afstandsbedienings-
systeem................................................... 284
U
Uitlaatgasreiniging
foutmelding........................................... 45
V
Veiligheidsgordel
zwangerschap...................................... 17
Veiligheidsgordels...................................... 16
Veiligheidszitje........................................... 30
aanbevolen........................................... 31
ISOFIX-bevestigingssysteem voor kin-
derzitjes................................................ 34
Velgen
schoonmaken..................................... 182
Ventilator
AC......................................................... 78
ECC...................................................... 80
Vergrendelen/ontgrendelen
aan de binnenzijde.............................. 108
van de buitenzijde............................... 107
Verlichting
Actieve Bi-Xenon-koplampen,
ABL................................................. 51, 54
automatische verlichting, dimlicht........ 53
automatische verlichting, interieur........ 94
exterieur................................................ 53
Follow-Me-Home-verlichting................ 55
gloeilampen, specificaties.................. 282
groot licht/dimlicht................................ 53
in interieur............................................. 93
instrumentenverlichting........................ 54
koplamphoogteverstelling.................... 53
leeslampjes........................................... 93
lichtbundel aanpassen aan links-/
rechtsrijdend verkeer, ABL........... 51, 150
mistachterlicht...................................... 54
stadslichten/parkeerlichten vóór en
achterlichten......................................... 53
verlichtingspaneel, interieur.................. 53
Verlichting, gloeilampen vervangen......... 204
achterlicht................................... 206, 209
dimlicht, halogeen.............................. 205
groot licht............................................ 205
instapverlichting.................................. 210
kentekenplaatverlichting..................... 208
kofferbak............................................. 208
make-upspiegel.................................. 210
mistlampen vóór................................. 208
positie van gloeilampen in koplamp-
huis..................................................... 204
richtingaanwijzer................................. 206
sidemarker.......................................... 207
stadslichten........................................ 206
voorzijde............................................. 204
Versnellingsbak
automatische...................................... 125
handgeschakelde............................... 124
Verstralers.................................................. 51
Verzorging................................................ 182
Verzorging, leren bekleding..................... 184
Vierwielaandrijving, AWD......................... 128
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 292
evastarck
12 Alfabetisch register
12
293
Vlekken.................................................... 184
Vloeistoffen, hoeveelheden...................... 276
Vloeistoffen en oliën................................. 276
Vloeistoffen en oliën, algemene informa-
tie............................................................. 192
Vloeistoffen en oliën, controles motor-
ruimte....................................................... 196
Vloermatten................................................ 91
Voorgloeifunctie motor.............................. 46
W
Waarschuwingslampje
stabiliteits- en tractieregelsysteem..... 132
Waarschuwingslampjes
gordelwaarschuwing............................ 17
Waarschuwingssymbool, airbagsysteem. . 18
Water- en vuilafstotende laag.................... 70
Water- en vuilafstotende laag, schoonma-
ken........................................................... 183
Whiplash-letsel, WHIPS............................. 27
WHIPS
kinderzitje/comfortkussen.................... 27
whiplash-letsel...................................... 27
Wielen
aanbrengen......................................... 174
demonteren........................................ 173
reservewiel.......................................... 169
sneeuwkettingen................................. 166
velgen................................................. 166
verwisselen......................................... 173
Winterbanden.......................................... 166
Wisselen
groot licht en dimlicht........................... 55
Wisserbladen........................................... 201
schoonmaken..................................... 201
vervangen........................................... 201
Z
Zekeringen............................................... 211
achter de geluidsisolatie..................... 217
algemene informatie........................... 211
houder in bagageruimte..................... 219
kastje in motorruimte.......................... 213
vervangen........................................... 211
zijkant dashboard............................... 215
Zonnescherm, schuifdak........................... 72
Zwangere vrouwen, veiligheidsgordel....... 17
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 293
evastarck
12 Alfabetisch register
12
294
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 294
evastarck
Notities
295
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 295
evastarck
Notities
296
P2 (S60); 5; 3 2008-02-25T15:32:30+01:00; Page 296
evastarck
P2 (S60); 5; 3 2008-02-22T12:32:14+01:00; Page 1
evastarck
Kdakd8Vg8dgedgVi^dcIE&%((+9jiX]!6I%-'%!Eg^ciZY^cHlZYZc!<iZWdg\'%%-!8deng^\]i'%%%"'%%-Kdakd8Vg8dgedgVi^dc
  • Page 1 1
  • Page 2 2
  • Page 3 3
  • Page 4 4
  • Page 5 5
  • Page 6 6
  • Page 7 7
  • Page 8 8
  • Page 9 9
  • Page 10 10
  • Page 11 11
  • Page 12 12
  • Page 13 13
  • Page 14 14
  • Page 15 15
  • Page 16 16
  • Page 17 17
  • Page 18 18
  • Page 19 19
  • Page 20 20
  • Page 21 21
  • Page 22 22
  • Page 23 23
  • Page 24 24
  • Page 25 25
  • Page 26 26
  • Page 27 27
  • Page 28 28
  • Page 29 29
  • Page 30 30
  • Page 31 31
  • Page 32 32
  • Page 33 33
  • Page 34 34
  • Page 35 35
  • Page 36 36
  • Page 37 37
  • Page 38 38
  • Page 39 39
  • Page 40 40
  • Page 41 41
  • Page 42 42
  • Page 43 43
  • Page 44 44
  • Page 45 45
  • Page 46 46
  • Page 47 47
  • Page 48 48
  • Page 49 49
  • Page 50 50
  • Page 51 51
  • Page 52 52
  • Page 53 53
  • Page 54 54
  • Page 55 55
  • Page 56 56
  • Page 57 57
  • Page 58 58
  • Page 59 59
  • Page 60 60
  • Page 61 61
  • Page 62 62
  • Page 63 63
  • Page 64 64
  • Page 65 65
  • Page 66 66
  • Page 67 67
  • Page 68 68
  • Page 69 69
  • Page 70 70
  • Page 71 71
  • Page 72 72
  • Page 73 73
  • Page 74 74
  • Page 75 75
  • Page 76 76
  • Page 77 77
  • Page 78 78
  • Page 79 79
  • Page 80 80
  • Page 81 81
  • Page 82 82
  • Page 83 83
  • Page 84 84
  • Page 85 85
  • Page 86 86
  • Page 87 87
  • Page 88 88
  • Page 89 89
  • Page 90 90
  • Page 91 91
  • Page 92 92
  • Page 93 93
  • Page 94 94
  • Page 95 95
  • Page 96 96
  • Page 97 97
  • Page 98 98
  • Page 99 99
  • Page 100 100
  • Page 101 101
  • Page 102 102
  • Page 103 103
  • Page 104 104
  • Page 105 105
  • Page 106 106
  • Page 107 107
  • Page 108 108
  • Page 109 109
  • Page 110 110
  • Page 111 111
  • Page 112 112
  • Page 113 113
  • Page 114 114
  • Page 115 115
  • Page 116 116
  • Page 117 117
  • Page 118 118
  • Page 119 119
  • Page 120 120
  • Page 121 121
  • Page 122 122
  • Page 123 123
  • Page 124 124
  • Page 125 125
  • Page 126 126
  • Page 127 127
  • Page 128 128
  • Page 129 129
  • Page 130 130
  • Page 131 131
  • Page 132 132
  • Page 133 133
  • Page 134 134
  • Page 135 135
  • Page 136 136
  • Page 137 137
  • Page 138 138
  • Page 139 139
  • Page 140 140
  • Page 141 141
  • Page 142 142
  • Page 143 143
  • Page 144 144
  • Page 145 145
  • Page 146 146
  • Page 147 147
  • Page 148 148
  • Page 149 149
  • Page 150 150
  • Page 151 151
  • Page 152 152
  • Page 153 153
  • Page 154 154
  • Page 155 155
  • Page 156 156
  • Page 157 157
  • Page 158 158
  • Page 159 159
  • Page 160 160
  • Page 161 161
  • Page 162 162
  • Page 163 163
  • Page 164 164
  • Page 165 165
  • Page 166 166
  • Page 167 167
  • Page 168 168
  • Page 169 169
  • Page 170 170
  • Page 171 171
  • Page 172 172
  • Page 173 173
  • Page 174 174
  • Page 175 175
  • Page 176 176
  • Page 177 177
  • Page 178 178
  • Page 179 179
  • Page 180 180
  • Page 181 181
  • Page 182 182
  • Page 183 183
  • Page 184 184
  • Page 185 185
  • Page 186 186
  • Page 187 187
  • Page 188 188
  • Page 189 189
  • Page 190 190
  • Page 191 191
  • Page 192 192
  • Page 193 193
  • Page 194 194
  • Page 195 195
  • Page 196 196
  • Page 197 197
  • Page 198 198
  • Page 199 199
  • Page 200 200
  • Page 201 201
  • Page 202 202
  • Page 203 203
  • Page 204 204
  • Page 205 205
  • Page 206 206
  • Page 207 207
  • Page 208 208
  • Page 209 209
  • Page 210 210
  • Page 211 211
  • Page 212 212
  • Page 213 213
  • Page 214 214
  • Page 215 215
  • Page 216 216
  • Page 217 217
  • Page 218 218
  • Page 219 219
  • Page 220 220
  • Page 221 221
  • Page 222 222
  • Page 223 223
  • Page 224 224
  • Page 225 225
  • Page 226 226
  • Page 227 227
  • Page 228 228
  • Page 229 229
  • Page 230 230
  • Page 231 231
  • Page 232 232
  • Page 233 233
  • Page 234 234
  • Page 235 235
  • Page 236 236
  • Page 237 237
  • Page 238 238
  • Page 239 239
  • Page 240 240
  • Page 241 241
  • Page 242 242
  • Page 243 243
  • Page 244 244
  • Page 245 245
  • Page 246 246
  • Page 247 247
  • Page 248 248
  • Page 249 249
  • Page 250 250
  • Page 251 251
  • Page 252 252
  • Page 253 253
  • Page 254 254
  • Page 255 255
  • Page 256 256
  • Page 257 257
  • Page 258 258
  • Page 259 259
  • Page 260 260
  • Page 261 261
  • Page 262 262
  • Page 263 263
  • Page 264 264
  • Page 265 265
  • Page 266 266
  • Page 267 267
  • Page 268 268
  • Page 269 269
  • Page 270 270
  • Page 271 271
  • Page 272 272
  • Page 273 273
  • Page 274 274
  • Page 275 275
  • Page 276 276
  • Page 277 277
  • Page 278 278
  • Page 279 279
  • Page 280 280
  • Page 281 281
  • Page 282 282
  • Page 283 283
  • Page 284 284
  • Page 285 285
  • Page 286 286
  • Page 287 287
  • Page 288 288
  • Page 289 289
  • Page 290 290
  • Page 291 291
  • Page 292 292
  • Page 293 293
  • Page 294 294
  • Page 295 295
  • Page 296 296
  • Page 297 297
  • Page 298 298

Volvo 2011 de handleiding

Categorie
Telefoons
Type
de handleiding
Deze handleiding is ook geschikt voor